web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Jaar » 2016 » De nagedachte : Frank Norbert Rieter

nagedachte

De nagedachte

Frank Norbert Rieter

 

De wekker ging en ik wist meteen dat het een andere dag zou worden. Mijn man sloeg niet meteen op de snoozeknop. Ik gaf hem een por in zijn rug. Welke idioot zet een wekker voor zondagochtend? Ik zuchtte en kreunde. Ik was nog niet uitgeslapen, maar het irritante gepiep viel onmogelijk te negeren. Ik klauterde lomp over de slapende massa naast me heen en gaf het onding zelf een klap. Mijn man onderging het zonder een krimp te geven. Ik viel weer neer op mijn eigen helft, maar was natuurlijk alsnog klaarwakker. Dan toch maar opstaan. Ik wierp een verwijtende blik op mijn wederhelft.

Roerloos lag hij daar, alsof hij dood was. Nog even was dat een nonchalante gedachte die zo weer zou vervliegen. Dus stond ik op en ging naar de badkamer om te douchen. De kraan draaide ik nog open, maar ik stapte niet onder de straal. Het roerloze stilzwijgen zat me niet lekker. Ik liep terug.

‘Ik ga vast douchen,’ riep ik hard. ‘Zet jij zo een raam open!’

Geen reactie. Geen spoor van beweging. Mijn maag en darmen trokken samen.

Gisteravond was hij nog kiplekker geweest. Alhoewel. Hij hijgde als een trekpaard tijdens ons ‘intiem kwartiertje’ en hij ging vroeg naar bed terwijl ik opbleef voor de nachtfilm. ‘Ik ga vast,’ had hij gezegd, zonder toelichting. Zonder nachtzoen. ‘Ik kom later,’ zei ik daarop. Toen ik uiteindelijk naar bed ging had ik hem niet meer wakker gemaakt. Ik had hem niet meer gekust of welterusten gezegd. Hij kon niet dood zijn. Zo mocht het niet aflopen.

Ik liep om het bed heen, draaide de alarmwijzer van de wekker door tot hij opnieuw afging. Ik hield het piepende onding naast zijn oor. Zijn huid zag bleek. Zijn mond hing open, op niet echt charmante wijze. Het had iets koddigs. Mijn beer in winterslaap. Als hij maar wel zo wakker werd.

Hij kon niet dood zijn. Hij had zo vaak gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. We zouden als we eenmaal oud, versleten en ongezond waren, samen een drankje nemen om er een einde aan te maken. En als er al iemand eerder zou gaan, zou ik het zijn. Hij was wel tien jaar ouder, maar ik was degene met de vage kwaaltjes. Hij was kerngezond. Hem mankeerde nooit iets.

Maar hij haalde geen adem, of niet dat ik kon bespeuren. Hij lag op zijn zij, met zijn gezicht aan de rand van het bed. Ik hoorde geen gesnurk. Geen zuchtje kwam over zijn lippen. Ik zette me schrap en draaide hem op zijn rug, half op mijn helft. Zijn huid voelde koud, niet alleen op zijn bovenarmen, waar het vet altijd koud was, maar overal. Zijn voorhoofd, zijn handpalmen en borst. Ik legde mijn handen op zijn buik en voelde onder de deken tussen zijn dijen. Een weeë geur kwam me tegemoet. Het leek alsof hij het een beetje had laten lopen. Overal was hij koud en klam.

Ik liet de betekenis ervan niet tot me doordringen. Ontkennen en verdringen, dat waren mijn beproefde tactieken voor zo’n beetje alles waar ik geen zin in had. En ik had hier helemaal geen zin in.

Hij kon niet dood zijn. We hadden ons leven net zo goed op orde. De hypotheek was afgelost. De kat was eindelijk dood. We hadden net een appartementje gekocht in Torrex Costa. Nog een paar jaar en hij kon met pensioen. Dit paste helemaal niet in de planning.

Het leek me beter om me eerst te douchen en aan te kleden. Misschien was ik nog niet helemaal wakker. Ik was door het irritante wekkerding in een soort mini-psychose geraakt. Dat moest er een keer van komen: ik had me altijd al geërgerd aan dat piepje. Ik liep snel terug naar de badkamer en stapte alsnog onder de stortdouche. Ik draaide hem eerst lekker heet en daarna flink koud en vervolgens weer terug. Ik zeepte mezelf goed in met zachte zeep en scrubde mijn huid met een ruw washandje om alle nachtgedachten te verdrijven.

Als ik was aangekleed, zou ik eerst voor het ontbijt zorgen. Ontbijt op bed, dat leek me een goed plan. Het idee sprak me zo aan, dat ik meteen de douche uit deed, me vluchtig afdroogde, mijn badjas aanschoot en naar beneden toog. Dat was al weer lang geleden dat we dat gedaan hadden: samen op bed ontbijten. Het hoefde niet heel uitgebreid te zijn, maar gewoon gezellig. Een paar beschuitjes en een kop koffie. Een mens kon niet echt wakker zijn zonder ochtendkoffie.

Voortvarend zocht ik alle benodigdheden voor de perfecte ochtend bij elkaar. Het beschuit, de hagelslag, de jam en de kaas. Ik had geen geduld voor versgeperste sinaasappels of dingetjes uit de oven. Ik wilde zo vlot mogelijk weer naar boven. Ik stofte het dienblad af terwijl de koffie doorliep. De ochtendzon strooide een paar stralen de keuken in. Ik kneedde een glimlach om mijn mond en voelde me echt even opgetogen. Ik was zo weggelopen uit een blue band-reclame.

Nog even snel naar het toilet, want ontbijt op bed liep altijd uit op ochtendseks, en ik was er helemaal klaar voor. Ik tilde het dienblad voorzichtig naar boven. Een paar stappen op de overloop en ik stond in onze slaapkamer. Er was niets veranderd.

Rustig zette ik het dienblad op de dekenkist aan het voeteneinde. Ik gooide de gordijnen open.

‘Koffie,’ zei ik. ‘Lekkere ochtendkoffie.’

Geen reactie.

 

Hij was echt dood, drong het tot mij door. Er was geen andere conclusie mogelijk. Ik moet nu heel verdrietig zijn, dacht ik, maar ik voelde vooral verontwaardiging die langzaam aanzwol tot tierende woede. De hufter. Zo waren we niet getrouwd! Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.

Ik kneep in zijn neus. En ik sloeg hem hard in zijn gezicht.

‘Je hebt me beloofd nooit dood te gaan,’ zei ik. ‘Klootzak.’

Dat had hij natuurlijk nooit letterlijk zo gezegd, maar ik had helemaal geen zin om genuanceerd te zijn. Ik kon veel van hem hebben, maar dit niet. Wat ik allemaal wel niet doorstaan had. Nachtenlang gesnurk. Zijn ochtendhumeur. Zijn midlifecrisis-dingetjes. Zijn motor. Het geflirt en geflikflooi met anderen.

Ik dacht aan zijn dertig jaargangen Weird Tales die hij uit nostalgie en voor veel te veel geld op e-bay gekocht had. Hij keek ze nooit in. Ik rende naar de werkkamer, greep een willekeurige tijdschriftcassette en nam hem mee naar de slaapkamer. Ik smeet de hele bak door de kamer.

‘Hier,’ riep ik.

Er gebeurde niks en de tijdschriften fladderden doelloos rond. Eén landde er op het dienblad en stootte een koffiekopje om. Niets sneuvelde. Ik stapte naar voren, zette mijn handen onder het dienblad en gaf een ferme duw omhoog. Het volledige ontbijt vloog door de kamer. De koffie, de beschuitrol, de hagelslag. De kopjes braken. De jampot stuiterde over de vloer en liet putten in het laminaat achter. Het was me niet genoeg. Ik stampte op de beschuitrol en scheurde een tijdschrift aan flarden. Met een welgemikte trap vloog de lamp op zijn nachtkastje tegen de muur aan.

‘Je ruimt het allemaal maar zelf op,’ schreeuwde ik. ‘Ik doe niks meer.’

Het luchtte niet echt op en door mijn hele lijf gierde een machteloze woede die ik nooit eerder gevoeld had. Als hij er vandoor was gegaan met een jonger ding had ik niet bozer kunnen zijn. Het was woede, maar meer dan woede. Ik voelde me verraden. Wraak, dacht ik. Ik moet je iets aandoen.

De lamzak lag er onaantastbaar bij.

‘Wacht maar,’ zei ik tussen mijn tanden. ‘Ik weet wat ik ga doen.’

Ik greep mijn iphone van mijn nachtkastje en wist dat ik ergens nog de laatste vakantiefoto’s had staan. Ik had er één gemaakt waar hij grondig de pest aan had. Op het naaktstrand. Hij boog net voorover om de zonnebrand te pakken. Alles hing erbij: zijn mannentieten en z’n vadsige padjakkerbuik. Zijn trots leek minuscuul. Zijn mond hing scheef en hij keek me vanuit die positie aan alsof hij loenste. Het was een geweldige foto. Hij bezwoer me hem direct te verwijderen. Wat ik deed, maar natuurlijk niet ook uit de cloud.

Een paar klikken en hij stond online, te kijk voor de hele wereld.

Er waren meer foto’s waar hij de pest aan had. Ik snelde naar de werkkamer. Daar klom ik op de Bekväm en greep naar de rode archiefdoos op de bovenste plank. Daarin zaten de albums met zijn kinderfoto’s. Ik zocht snel naar de foto waarvan ik wist dat hij hem verafschuwde. Hij was een jaar of twaalf, door zijn moeder aangekleed voor zijn vormsel.

Hij zag er op die foto eigenlijk heel leuk uit. Echt zo’n mooi jongetje. Hij straalde helemaal, alsof hij werkelijk in de heiligheid van het ritueel geloofde. Ik weet niet waarom hij zo’n hekel aan die foto had. Ik zette de doos weg. Het voelde zinloos.

Ik plofte naast hem neer op het bed. Ik moet eigenlijk heel verdrietig zijn, dacht ik opnieuw. Ik hamerde een paar keer hard met mijn vuisten op zijn borstkast. Boos op hem, boos dat de tranen die ik in mijn ogen voelde, alleen tranen van frustratie waren.

Even meende ik een ademtocht op zijn lippen te zien.

‘Ja,’ zei ik. ‘Doe je best maar.’ En ik begreep ineens waarom er bij mij nog geen tranen kwamen. Het was nog geen tijd voor afscheid. Hij zou niet zomaar vertrekken en mij eenzaam achterlaten. Het ging om ons. Wij waren samen, voor eeuwig en altijd. Dat had hij beloofd en daar zou ik hem aan houden.

 

Zou het nog zin hebben om hem te reanimeren? Het viel allicht te proberen. Ik had nooit een EHBO-cursus gevolgd, maar ik had genoeg seizoenen E.R. gezien om een poging te wagen. Ik ging naast mijn beertje op mijn knieën zitten, vouwde mijn handen ineen en drukte een paar keer kort maar krachtig op zijn borstbeen.

Ik pakte zijn hoofd vast, trok het achterover en zette mijn lippen op zijn mond. Ik ademde diep uit. De lucht stroomde deels via zijn neus weer tegen mijn wang aan. Ik kneep zijn neus dicht, haalde even adem en blies opnieuw mijn longen leeg. Hoe vaak zou dit moeten, vroeg ik me af. Een Smintje had hem geen kwaad gedaan.

Ik duwde nog een paar keer op zijn borstkas en hoorde iets kraken. Ik was hier helemaal niet handig in en mijn knieën deden ook al zeer. Dit was niks voor mij. Ik moest iets anders verzinnen.

Ik zat op de rand van het bed. Nog steeds strijdlustig, maar een beetje clueless. Bij House M.D. kwamen ze als iemand een hartstilstand had altijd direct met van die elektrische dingen aan zetten. Terwijl ik dat dacht viel mijn oog op de lamp die op het nachtkastje had gestaan. De kap lag eraf en de peer was aan diggelen. Ik schroefde het restant van de peer uit de fitting. Ik verlegde één arm zo, dat de hand over de rand van het bed hing. Het was natuurlijk handig als de vingers een beetje van elkaar zouden staan dus duwde ik de Vicks inhaler die op het nachtkastje lag tussen pink en ringvinger. Geconcentreerd manoeuvreerde ik de fitting van de lamp zo dat de pink er netjes in stak. Ik klikte de lamp aan.

Zijn lichaam schokte even en meteen daarna hoorde ik een knal. Ik probeerde de plafondlamp, maar die deed niets. Weg stroom. Ik had nooit gesnapt waar dat goed voor was, zo’n stoppenkast. Je had er niets dan ellende van.

Ik rende naar beneden, deed in de gang de meterkast open, zette alle knopjes die ik kon vinden weer omhoog en rende terug naar boven.

Poging twee. Zelfde resultaat. Op deze manier kreeg hij wel steeds een korte stroomstoot. Het was niet handig om tussendoor heen en weer naar beneden te rennen, maar als dat was wat er voor nodig was…

Om wat te doen, eigenlijk, vroeg ik me nog eens af toen ik voor de veertiende keer hijgend boven kwam. Het zweet stroomde over mijn rug en mijn oksels walmden alsof ik in geen jaren gedoucht had. De stroomstoten gaven hem wel steeds een opdoffer, maar daarna lag hij er net zo lamzakkerig bij als altijd. Moest ik nog een keer heen en weer de trap op en af rennen? Ineens zag ik mezelf met dat dilemma op televisie naast dr. Phil zitten. Hij keek me peinzend aan en stelde de meest retorische vraag aller tijden. How is that working for you?

Ik gaf mezelf een paar petsen in mijn gezicht. Nee, ik ben er de persoon niet naar om tegen beter weten in dingen te blijven doen die niet werken. Ik moest iets anders verzinnen om mijn echtgenoot voor de poorten van het hiernamaals – hellepoort of hemelpoort, het zou me een worst wezen – weg te slepen.

Voor reanimeren was het misschien hoe dan ook een beetje laat. En als je van het piepen van onze wekker niet wakker schrok, hielpen een paar stroomstoten er ook niet meer aan. Het was tijd voor grover geschut. Maar hoe, dat was de vraag. Gelukkig hoef je zelf niet alles te weten. Ik zou het grote orakel raadplegen. Ik pakte mijn iphone en had met een paar tellen een handig youtube-filmpje te pakken dat stap voor stap liet zien hoe je zelf thuis met een ritueel een dode tot leven kan wekken. Het filmpje werd ingeleid door een nogal nerdy jongeman met een vies baardje. Hij was gekleed in een slecht genaaid gewaad van oude lakens. Hij stond in een betonnen keldergewelf dat sfeervol was gemaakt met kerstverlichting, plastic schedels en posters van Marilyn Manson.

Ik liet me door de entourage niet afleiden en luisterde aandachtig naar de hijgerige fluisterstem van de baardmans. Hij begon met een opsomming van alles wat ik nodig had. Kaarsen om in een kring om het subject te zetten. Kaarsen had ik genoeg in huis. Ik zette het filmpje op pauze en rende heen en weer naar beneden. Ik was van ons tweeën degene van de kussentjes, de frutsels en de sfeerverlichting. Je moet het in huis toch een beetje gezellig maken. En dus hamsterde ik iedere uitverkoop stompkaarsen, in de hoop op veel romantische hoogtijdagen. Het waren er veel. Kaarsen, dan. Ik kocht ze wanneer ik ze maar tegen kwam en het aantal romantische hoogtijdagen snoepte maar mondjesmaat iets van de voorraad af.

Dat kwam nu goed van pas: ik zeulde de hele voorraad naar de slaapkamer.

Kaarsen op bed was niet handig. Ik had meer ruimte nodig. Mijn beertje was niet de lichtste maar met omrollen kreeg ik hem wel uit bed. Met een doffe klap viel hij op het laminaat.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Het is voor de goede zaak.’

Hij lag er bepaald niet fris bij en met het beddengoed maakte ik hem een beetje schoon. De lakens draaide ik in elkaar en mikte de boel direct in de wasmachine.

Op de vloer van de slaapkamer was net genoeg plek. In een mooie cirkel kon ik de kaarsen niet zetten, maar het waren er wel genoeg om ze drie rijen dik om hem heen te plaatsen. Ik was zeker een half uur bezig om ze allemaal aan te doen – en de gasaansteker bij te vullen; zo’n ding is altijd leeg als je hem nodig hebt – maar toen zag het er prachtig uit.

Ik zette het youtube-filmpje weer aan. De baardmans hield een boekje omhoog. Een exemplaar van John Miltons Paradise Regained. Een dichtwerk. Mijn beertje verzamelde boeken zoals ik kaarsen en kussentjes verzamel. We hadden zoveel boeken in huis – stofnesten zijn het – dus ik twijfelde er niet aan of we zouden dit werk ook wel in huis hebben.

In de boekenkasten stond natuurlijk niets op alfabetische volgorde. Het was zijn domein, dus een chaos. En waar moest ik zoeken? In de kast met Engelse boeken? De kist antiquarische werken? De hoek met lievelingsboeken? De schap met dichtbundels? Ik verfoeide zijn intuïtief-thematische indeling. Als hij definitief het loodje zou leggen, zou ik alle boeken op kleur sorteren.

Ik haalde alle boeken één voor één uit de kast, en sorteerde ze stiekem meteen op kleur en grootte. Als ik dan toch bezig was, kon ik ze meteen even afstoffen en met een klamme doek afnemen.

Het is trouwens niet zo dat ik zelf niet van lezen houd, maar als ik ze uit heb, gaan ze meteen met het oud papier mee. Opgeruimd staat netjes. Sinds een paar jaar heb ik een e-reader.

Dan heb je zoveel boeken in huis, maar natuurlijk nooit precies het boek dat je nodig hebt. Uiteindelijk vond ik tussen de dichtbundels een boekje met de juiste titel. Het was door een ander geschreven, ene H.Marsman. Het moest maar voldoen.

Met het boekje onder de arm, startte ik het Youtube filmpje weer. De baardmans praatte verder.

‘Very important,’ benadrukte hij. ‘A silver sacrificial knife.’

We hebben een complete bestekcassette in huis, dus toen ik de woorden sacrificial knife voor de zekerheid in google translate typte was ik er nog van overtuigd dat we zoiets zeker zouden hebben. Een offermes. Hmmm. Van zilver. Uit de voorkamer pakte ik de brievenopener en ik zocht in de keuken de wildschaar. Beide waren in ieder geval van zilver en met een beetje goede wil kon je zeggen dat ze voor rituelen geschikt waren. Ze moesten maar voldoen.

Terwijl ik de wildschaar met wat soda en aluminiumfolie in een teiltje aan het leggen was, hoorde ik een hels gepiep van boven. Ik was beneden langer bezig geweest dan ik had gedacht en was helemaal de kaarsen vergeten. Ik rende naar boven en zag op de trap al de blauwe rook over het plafond lopen. In de slaapkamer zag ik vlammen likken aan het behang.

Ik herinnerde me de eindeloze discussie die we ooit in de Ikea hadden over het al dan niet aanschaffen van een brandblusapparaat. Het ding was rood en ik wilde hem niet in huis. Mijn beertje hield voet bij stuk: ze waren in de aanbieding en hij nam er één mee. Het apparaat moest ergens in huis zijn, maar waar dan toch? Ik had het idee dat ik hem vanochtend nog had zien staan. In het gootsteenkastje stond zo’n beetje de hele huisraad aan gekleurde flessen, maar geen brandblusser. Niet in de boekenkast, niet bij de kaarsen. Ik vond wel een plaid, waarmee ik wellicht wat vlammen kon uitslaan. Die nam ik mee. Maar die brandblusser… Ook niet in het kastje waar de navulbus voor de gasaansteker lag. Ik moest even gaan zitten en rustig nadenken. Dan zou ik er zo opkomen.

Ineens bedacht ik me dat ik mijn beertje beter wel uit de vlammen kon halen als ik hem nog tot leven wilde wekken. Ik rende naar boven en kroop over de vloer de slaapkamer in om niet met mijn hoofd in de rook te lopen. De halve slaapkamer stond inmiddels in lichterlaaie, maar mijn beertje lag er relatief ongeschonden bij. De kaarsen hadden alleen zijn rechter arm in de hens gezet. Ik gooide de plaid over hem heen en hoopte dat het gebrek aan zuurstof de vlammen zou doven.

Hij moest hier weg, realiseerde ik me. Gelukkig was onze laminaatvloer redelijk glad en daarom lukte het me om mijn beertje te verplaatsen. Ik duwde en schoof hem de overloop op. Ik keek onder de plaid. Zijn arm zag er lelijk uit. Hij leek te smeulen. Water, dacht ik. Ik moet hem onder de douche zetten.

Ik kreeg warempel wat handigheid in het gezeul met zijn logge, naakte lichaam. Ik zette m’n worsteltocht voort en trok hem de badkamer in. Ik zette de douche aan en duwde hem er half onder, zodat zijn arm in de waterstraal lag.

Nu moest ik nog iets met dat vuur, maar wat? Toch maar de brandweer bellen? Ik had zo geen zin in werkmensen over de vloer.

Ineens hoorde ik zware stappen de trap oprennen. Snel bond in mijn ochtendjas goed dicht en liep de gang op. De deur van de badkamer sloot ik zorgvuldig achter me. In de slaapkamer zag ik onze buurman met een brandblusser in de weer. Wat een hoop schuim komt er uit zo’n klein rood dingetje. In een mum van tijd waren alle vlammen gedoofd. Buurman – hij heet Henk of Frits of zoiets, ik kon het nooit onthouden – gooide de ramen open en hij hoestte en rochelde de rook uit zijn longen.

Ik stond daar een beetje bedremmeld in mijn ochtendjas, met mijn handen in de zakken gestoken. Links voelde ik de briefopener, rechts de dichtbundel en mijn iphone.

De buurman hoestte nog een paar keer en spuwde een fluim het open raam uit. Hij draaide zich om, keek de slaapkamer rond. De kaarsen, de haastig terzijde geschoven resten van het ontbijt, het van linnengoed ontdane bed. De vloer was besmeurd met – ik wilde eigenlijk niet weten wat precies.

De buurman wreef even door zijn snor en een besmuikt lachje verscheen op zijn gezicht.

‘Een beetje uit de hand gelopen romantiek?’ vroeg hij. ‘Dat is beter dan klussen aan een schrootjesplafond op de zondagochtend.’

‘Ja,’ zei ik en voor het eerst van mijn leven wist ik hoe het voelde om schaapachtig te grijnzen. Ik slikte. ‘Mijn beertje is in de badkamer. Hij…’ Wat moest ik zeggen?

‘Ik begrijp het,’ zei de buurman en hij gaf me een vette knipoog. ‘Hij is natuurlijk voor de gelegenheid gekleed. Wij houden ook wel van een beetje larp om ons seksleven schwung te geven.’ Hij kwam dicht bij me staan. ‘We moeten eens afspreken, met z’n vieren.’

Ik rook het verse zweet in zijn zondagse kluskleding. Niet onappetijtelijk, maar mijn hoofd stond helemaal niet naar een flirt met een klussende buurman, ‘Ja,’ zei ik en glimlachte kort. ‘Een avondje, om je te bedanken voor je heldendaad.’

‘Je mag me ook nu wel bedanken,’ zei hij hees en hij schurkte zijn dampende lichaam tegen mijn ochtendjas. Hij boog met zijn hoofd naar mijn oor en net toen ik dacht hij iets wilde fluisteren voelde ik zijn natte tong. Wat moest ik hier nou weer mee?

Ik greep hem stevig in het kruis, kneep hard en duwde hem van me af. ‘Voor alles,’ zei ik langzaam en duidelijk, ‘is een tijd en een plaats. Zoals je nu gekleed bent… Jij gaat nu eerst je schrootjesplafond afmaken.’

‘Jazeker,’ zei hij met kopstem. ‘Heerlijk.’

Ik keek hem met strenge blik na terwijl hij de trap afstrompelde. Hij had de brandblusser nog in zijn hand. Het was zo’n kleintje, van de Ikea, zoals wij ook hadden.

‘Waar had je die vandaan,’ riep ik hem na. ‘Die brandblusser.’

Hij grijnsde. ‘Die heb ik altijd paraat.’

Mijn blik sprak boekdelen en hij kromp ineen alsof ik hem opnieuw in het kruis had gegrepen.

‘De meterkast,’ mompelde hij. ‘Daar staat hij in ieder huishouden.’

Terwijl ik hem beneden de voordeur hoorde dichtslaan, nam ik poolshoogte in de badkamer. Mijn beertje lag er niet echt comfortabel bij, maar zijn arm stak nog steeds onder de koude stortdouche. Van de verbranding zou hij hopelijk niet al te veel last hebben.

Waar was ik gebleven? Het ritueel. Ik verzamelde de stompkaarsen die nog bruikbaar leken en ik zette ze in de wastafel. Dat leek me een redelijk veilige plek. Daar stak ik ze aan.

Ik had de dichtbundel en de briefopener bij de hand. Ik had geen zin om de wildschaar alsnog schoon te maken, het moest zo maar voldoen. Ik pakte mijn iphone erbij voor het vervolg van het filmpje.

De mystieke baardmans gebaarde dat de kijker dichterbij moest komen. De cameraman voelde zich gelukkig aangesproken en volgde hem op de voet. Het laatste en belangrijkste ingrediënt, was een jong geitje. Een geitje. Hoe moest ik in vredesnaam op zondagochtend aan een jong geitje komen?

Uit de linnenkast haalde ik een kussen met zebraprint. Ook een beest met vier poten. Dat moest volstaan.

Ik werd een beetje moe van dat filmpje. Ik heb het geduld niet om zoiets helemaal af te zien. Ik klikte nog even halverwege en ergens aan het eind. Ik wist wel hoe het moest. Ik declameerde de hele dichtbundel van voor naar achter en weer terug op 78-toeren-tempo en speelde een potje Julius-Ceasar-in-de-senaat met het zebrakussen. Tot slot blies ik de kaarsen uit en er gebeurde helemaal niets.

Ik had het inmiddels wel een beetje aan voelen komen, maar niettemin: wat een sof.

Ik ging naar beneden. Door alle consternatie had ik nog steeds geen koffie of ontbijt gehad. Ik moest eerst maar eens goed voor de inwendige mens zorgen. Terwijl de koffie weer doorliep en de Danerolles in de oven stonden, poetste ik alsnog de wildschaar en dacht diep na over mijn opties.

Het orakel zou me niet verder helpen. Vage vragen en halve richtingen gaven altijd teveel antwoorden. Ik zou mijn moeder kunnen bellen, maar die zou dan éérst een uur willen praten over al haar eigen problemen. En tegen de tijd dat ik had voorgerekend hoeveel sloffen sigaretten je moest kopen voor je de benzinekosten heen en weer van Tiel naar Duitsland eruit had, had mijn beertje al drie keer de wederopstandig meegemaakt.

Ik wist eigenlijk niet precies hoe dat werkte met rigor mortis en ontbinding en dat soort zaken – misschien had ik vaker naar CSI of Waking the dead moeten kijken – maar mijn gezond verstand zei me dat een beetje haast waarschijnlijk geboden was. Maar toch niet zoveel dat ik mezelf er om moest verwaarlozen.

 

Ik nam mijn mok koffie en een vers croissantje – zonder jam – en ik zat in de woonkamer tussen de stapels boeken. De verzameling leek me zo’n beetje het enige tastbare dat hij achter liet. Het stemde me treurig. Een leven lang werken. Een leven lang getrouwd zijn. Zijn hobby’s waren lezen en televisiekijken. Zijn hoofd zat vol met zinloze feitjes, waar hij iedere conversatie mee om zeep hielp. Wat liet hij achter? Niets eigenlijk. Een labiele wederhelft en een stapel boeken. En die boeken, een spiegel van zijn geest, had ik bij het afstoffen gesorteerd op grootte en op kleur. Het was nu een zinloze, dode verzameling. Er zat geen leven of karakter meer in. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Hijgend en hikkend haalde ik adem.

Ik stond op en waarde door de kamer. Ik raakte alle boeken aan, in de hoop iets van zijn aanwezigheid te voelen. Hij mocht niet verloren gaan. In deze stapels lag toch zijn geest verscholen? Als het me zou lukken om te reconstrueren hoe de boeken stonden, zou hij ook weer tot leven kunnen komen. Dan zou hij er weer een beetje zijn. Ik verplaatste boek na boek en pijnigde mijn geheugen om me te herinneren hoe ze stonden. Op welke schap had iedere titel gestaan?

Regelmatig viel ik even stil tijdens het werk. Wat voor zin had het allemaal? Misschien kon ik beter hier wachten en niets doen, tot ik zelf van honger en dorst zou bezwijken. Het einde zou vanzelf komen.

Dan kreeg ik weer energie en mijn vechtlust laaide op. Nee! Ik kon het zo niet laten gebeuren. Hij had mij een belofte gedaan en daar zou ik hem aan houden. Hij mocht dan dood zijn, maar hij zou niet zomaar uit mijn leven verdwijnen. Dood of niet, er moest een mogelijkheid zijn om de situatie ten goede te keren.

Uiteindelijk hield ik een boekje in handen, waarvan ik werkelijk niet wist waar het gestaan had. Het was duidelijk ooit in de Ramsj gekocht. De kortingssticker zat er nog op. Vertwijfeld stond ik er mee in mijn handen en keek nog een keer naar de kaft. Langzaam drong de betekenis van de titel tot me door. Leven na dood. Met als ondertitel: De dodencultuur van het oude Egypte.

Dit was een teken. In de Egyptische dodencultuur lag natuurlijk de oplossing. Ik had op de e-reader een hele stapel detectives gelezen die in het oude Egypte speelden en vòòr mijn TLC-verslaving had ik een lange Discovery Channelperiode gehad. Ik wist alles over mummificeren wat een normaal mens kon weten.

 

Ik zag het helemaal voor me, hoe hij keurig uitgedroogd en omzwachteld naast me zou liggen in bed. Dood, in zeker opzicht, maar toch niet helemaal. Hij zou een stuk lichter zijn dan ik gewend was, dus kon ik hem voor de afwisseling ook op andere plekken in huis neerzetten. Eindelijk zouden we gezellig samen naar alle Sissi-films kijken – zonder dat hij er de hele tijd doorheen zou praten. Geen gesnurk meer. Geen ochtendhumeur. Samen op vakantie, dat zou nog wel een uitdaging worden, maar ik wist zeker dat ik daar iets op zou vinden.

Ik kon me het beste richten op de positieve kant van het hele gebeuren en die kant begon er steeds aanlokkelijker uit te zien. Het vooruitzicht voelde goed. Minder rommel in huis. Geen gekissebis over de films en series die we zouden kijken. Heerlijk.

Er moest nog wel wat gebeuren natuurlijk. Het eerste was het verwijderen van al zijn ingewanden. Zo zou die wildschaar toch nog van pas komen. En daarna moest ik hem uitdrogen. Wat zou ik daarvoor kunnen gebruiken. Ik twijfelde tussen soda en zout. Misschien hadden we nog wel ergens een zak kattenbakvulling. Hoe dan ook zou ik een terraswarmer kopen. En ik kon er gewoon een uitzoeken die er leuk uitzag, zonder discussie over dat we er eigenlijk een moesten nemen die meer functies had. Ik kon gewoon zelf beslissen. Het voelde onwennig. Samen, en toch voelde het vrij. Ik zou er het beste van maken. Ik ging ervoor. Ik zou er van leren genieten.

 

Ineens hoorde ik boven gestommel. Zou mijn halfslachtig uitgevoerde ritueel alsnog effect hebben gehad. Het viel niet uit te sluiten. Nieuwsgierig stoof ik naar boven.

Op de slaapkamer trof ik de buurman aan. Hij was klaarblijkelijk met behulp van een ladder door het openstaande raam geklommen. Hij droeg een roze, fluffy konijnenpak en hij deed nu zijn uiterste best om zichzelf met een paar zijden stropdassen op bed vast te binden.

‘Ik wilde je verrassen,’ riep hij uit.

‘Geweldig,’ zei ik en ik hielp hem een handje. Toen hij met al zijn extremiteiten goed lag vastgesnoerd stopte ik een van de fluffy konijnenoren in zijn mond en liep de kamer uit. Van hem had ik voorlopig geen last meer.

Ik had andere dingen te doen. Waar lag de kattenbakvulling, dat was de vraag. En zou ik beter soda of zout kunnen kopen om de klus te klaren? En die ingewanden, zou ik die beter in tupperware kunnen bewaren of moest ik weckflessen kopen? Misschien zou het orakel met zulke concrete vragen wel raad weten. Waar had ik mijn iphone gelaten?

 

Terwijl ik mijn koude koffie en croissants wegwerkte zocht ik met behulp van het orakel in mijn iphone een faq op voor bij een huis-tuin-en-keuken mummificatie. Ik meed de aangeprezen youtube filmpjes die het allemaal stap voor stap zouden laten zien. Ik zat mij net lekker in te lezen toen ik een bekende stem hoorde.

‘Wat doet de buurman in konijnenpak, vastgebonden op ons bed?’

Ik keek op en daar stond mijn beertje. Blijkbaar had het ritueel zijn geest toch teruggeroepen. Zijn stem klonk redelijk helder, maar ik vroeg me af of hij verder wel helemaal lekker was. Hij was naakt, nat en toch wel een beetje beschadigd. Zijn rechterarm zag er knapperig uit en de hand die er levenloos aan hing was waarschijnlijk well done. Zijn linkerhand hield hij op zijn borst. De pink zag een beetje geblakerd door de stroomstoten. Niettemin hield hij de dichtbundel en de briefopener vast. Zijn blik stond niet echt helder. Het was al met al een treurige verschijning.

‘Ik kan het allemaal uitleggen,’ zei ik snel.

Ik liep naar hem toe en gaf een kusje op zijn neus. Op zijn borstkast zag ik drukplekken en een soort van deuk van mijn pogingen om hem te reanimeren.

‘Ik ben zo blij dat je er weer bent.’ Zoals ik het zei klonk het oprecht, maar er was wel een spoor van twijfel in geslopen. Mijn beertje deed me denken aan een stuk fruit waar een deuk of een plekje op zit. Noem me een pietlut, maar ik hoef het dan niet.

‘Je hebt me teruggehaald,’ zei hij.

Zijn spraak vertraagde een beetje. Hij was er wel, maar hij zat niet helemaal lekker in zijn vel. Ik kon het niet aanzien. Ik moest hem helpen.

‘Kom maar,’ zei ik. ‘We zullen je eerst weer een beetje opknappen en dan werken we samen de buurman het raam uit.’

Ik nam hem de briefopener en de dichtbundel af en duwde hem voor me uit de trap op. Ik sprak hem stimulerend toe.

‘Gaat allemaal goed zo. Je kunt het. Ja, linkerbeen, rechterbeen. Stapje voor stapje.’

Op de overloop zakte hij neer, op één knie. Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte zijn dikke lobbeskop tegen me aan.

‘Je liet me niet zomaar gaan,’ zei hij. ‘Wat houd ik toch verschrikkelijk veel van je.’

Dat kon wel zijn – en ik natuurlijk ook van hem – maar ik had net bedacht hoe het allemaal verder moest. En nu was hij er weer. Ik legde een hand op zijn schouders. Hij voelde nog steeds koud aan. Of was zijn rug altijd een beetje koud geweest? Koud vet, warm vet, ik wist niet meer waar het allemaal precies zat.

‘Dat is lief van je,’ zei ik en ik knielde naast hem neer.

De dichtbundel liet ik uit mijn handen vallen. De briefopener stak ik, net onder zijn borstbeen, een beetje schuin omhoog naar binnen. Ik ben niet zwaar, maar mijn hele gewicht zat er achter en de opener verdween moeiteloos zijn hartstreek in.

‘Fijn om nog even afscheid te nemen,’ mompelde hij. Zijn ogen keken me waterig aan en een laffe glimlach bleef rond zijn lippen hangen.

‘Ga nu maar, het is goed,’ fluisterde ik hem toe. ‘Ik kom wat later.’

Langzaam doofde het licht uit zijn ogen. Te laat bedacht ik dat ik hem nog had kunnen vragen waar hij de zak met kattenbakvulling gelaten had.

Share Buttons

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Categories