web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Articles posted by Mike Jansen

Genres

Author Archives: Mike Jansen

Fluxloos : Mike Jansen

Zoals Akrim het vertelde, was de wereld ooit een paradijs, bewoond door mensen zoals wijzelf. Niemand geloofde hem echt. Ik hing altijd ademloos aan zijn lippen. Drie dagen was het langst dat hij bleef, het langst zonder dat de stam een claim op hem kon leggen en zijn werk of bezittingen voor het nut en goed van het volk kon inzetten. Dat was traditie, een over­blijfsel van oeroude tijden toen mensen in huizen woonden en zonder bescherming met voertuigen over land, door de lucht en over zee voeren. Drie dagen lang nam ik al zijn kennis in me op en door de jaren heen maakte ik me het geheel eigen.

‘Dit is het laatste jaar dat ik jullie bezoek, Tanmee,’ zei Akrim. Zijn haar was spierwit en hij liep moeilijk. Zijn rechteronderbeen was sinds kort keramisch. Een tijdelijke storing in zijn fluxer, waardoor grijze fagen hun kans zagen en zich zijn basismateriaal toe-eigenden.

‘Akrim,’ zei ik, ‘wie zal dan de stammen vertellen over de tijd voor de Wildering? En bij welke stam sluit je je aan?’

Akrim schudde zijn oude hoofd. ‘Ik heb gereisd van Svarfallaken in het hoge Noorden tot de vrijstaat Gibraltar in het verre Zuiden, waar de oceaan begint en de mensen raar praten. Mijn kennis heb ik over­gedragen. Ik zal niemand tot last zijn. Mijn volgende reis doe ik zonder fluxer.’

Ik keek hem met wijd open ogen aan. ‘Dat is zelfmoord. Niemand heeft ooit meer dan een paar kims gered zonder afweer.’

De oude verteller glimlachte vermoeid. ‘Eenvoudig wordt het niet.’

‘Maar al je kennis…’

‘…is overgedragen aan jou en anderen. Toch is er iets dat ik zou willen vragen, een gunst, Tanmee.’

Ik knikte gretig.

Uit zijn rugzak haalde Akrim een bundel die hij voorzichtig losmaakte. In een canvas doek lag een vijftal duidelijk door mensen gevormde onderdelen. ‘Ik geloof dat deze voorwerpen een sleutel vormen tot ons verblijf op deze wereld. Het is alleen niet compleet. Ik vermoed dat het Fraunhofer de laatste stukken heeft. Dat vertelde een vriend in Münster me, Andreas. Een van zijn voorouders werkte daar.’

‘Wat is het?’ vroeg ik.

Akrim haalde zijn schouders op. ‘Dat vertelde het verhaal niet.’ Hij wees een goudkleurige bol aan. ‘Dit is de kern. Er zijn zes gaten, voor een zestal modules.’ Hij pakte het tweede stuk metaal op dat gitzwart was en zwaar leek. Het paste perfect in een van de zes gaten. Hij liet me zien hoe ik de module kon ontkoppelen. Een voor een koppelde hij de andere stukken in de bol.

‘En wat is Fraunhofer?’

Akrim glimlachte. ‘Fraunhofer was een onderzoeksinstituut voor hoogtechnologische uitvindingen.’

‘Wat ga je ermee doen?’ zei ik.

Akrim schudde zijn hoofd. ‘Je stelt de verkeerde vraag. Wat ga jíj ermee doen?’ Hij schoof het canvas met de onderdelen in mijn richting, samen met zijn favoriete gedichtenbundeltje met werken van beroemde dichters. Hij stond op, glimlachte en legde zijn hand even op mijn hoofd. ‘Ooit droomde ik van de sterren. Ik las de boeken van voor de Wildering, de visie van toen, het koloniseren van de ruimte, technologische wonderen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Soms moet je je dromen bijstellen.’

Het was de laatste keer dat ik hem zag.

 

#

 

Drie jaar later, bij het groenen van de bomen, was ik klaar om te vertrekken van het eiland Hilversum, waar mijn stam toevlucht had gezocht voor het rijzende water en de immer zoekende fagen. De resten van de stad waren voorzien van een uniforme, zwarte verflaag die licht omzette in elektriciteit die op zijn beurt de fluxlijnen, die rondom het eiland gespannen waren, actief hield.

Hoewel er in vijf jaar geen fagenschrik was geweest, liepen alle stam­leden rond met hun persoonlijke fluxer. Gewoon, voor het geval dat. Levend verslonden worden door nanomachines was geen aantrekkelijk vooruitzicht.

De jaren sinds het vertrek van Akrim had ik besteed aan het zoeken naar informatie in de restanten van het ooit alomaanwezige Internet over de voorwerpen die hij me had toevertrouwd. Een frustrerende activiteit omdat veel van de kennis die ik zocht elders stond – als het nog bestond – en er enkel informatie óver de informatie stond in de catacomben van Hilversum, waar computersystemen van voor de Wildering nog steeds werkten.

Naarmate ik meer vond en meer begreep, drukte het belang van de voorwerpen steeds meer op mijn gemoed. Het apparaat had de oplossing moeten zijn voor de uit de hand gelopen experimenten met nano­technologie. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, was niet te vinden. Wel vond ik namen van instituten in steden waar gewerkt was aan de oplossing. Op een oude kaart van Europa markeerde ik de antieke benamingen: Hamburg, Hannover, Dresden, München, Berlin.

Voor mij leek de meest optimale manier die steden te bezoeken, via de lucht te reizen. De enige manier om nog een spoor van de overige componenten te vinden in de tijd die ik had. Van een oude, verroeste fiets maakte ik een dragend frame en met behulp van de printers en oude computervoorraden construeerde ik een opvouwbare draagvleugel bedekt met dezelfde verf die overal in Hilversum was gebruikt. Tijdens het vliegen moest die stroom genereren en mijn noeste trappen op de pedalen ondersteunen, naast het in stand houden van de fluxlijnen die door het hele geval waren geweven tijdens het printen.

Natuurlijk kwamen de stamoudsten achter mijn plannen. De dag voor ik wilde vertrekken bezochten ze me in mijn werkplaats, twee vrouw en een man sterk.

‘Tanmee Jansdochter,’ sprak Jelte Vriesman, de oudste vrouw van het stel, ‘ons is ter ore gekomen dat je van plan bent te gaan reizen. Ik spreek voor ons allen wanneer ik zeg dat we je willen verzoeken dat plan op te geven.’

Ik keek op van de kaarten die ik net bestudeerde voor het eerste deel van mijn reis. De gezichten van de stamoudsten leken gespannen. ‘Ik zie geen enkele reden om te blijven,’ zei ik.

‘Wij zien er enkele,’ legde Hans Gortsen uit. ‘Het aantal vrouwen dat geboren wordt, is beperkt. Je bent nu van huwbare leeftijd. Daarnaast, je bent handig met de oude techniek en je werkplaats levert de stam waardevolle diensten.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Anderen kunnen dat ook.’ Ik keek hen aan, wetend dat ze het vuur in mijn ogen zouden lezen. ‘Ik heb de verhalen van Akrim en zijn voorgangers in mijn hoofd. De droom van de Oude Wereld, voor de Wildering, waarin mensen konden gaan en staan waar ze wilden. Die verhalen moeten verspreid worden. Mensen zoals wij, jong en oud, moeten weten dat er meer is geweest dan nu. Dat we niet zomaar de resten van een geavanceerde beschaving zijn, maar juist het begin van een nieuwe, betere beschaving van mensen. Daarom moet ik gaan.’

Jelte keek opzij naar Hans en naar Fride Bouazhati. ‘Wij geven geen toestemming. Je kunt niet gaan.’

Ik lachte. ‘Dat kunnen jullie niet beslissen.’

Fride glimlachte minzaam. ‘Dat is correct. Maar de stamraad komt morgen bijeen, dan wordt een bindend advies uitgebracht. Dat betekent dat je hier blijft en een huwelijk aangaat. Desnoods gedwongen.’

Ik voelde mijn bloed ijskoud worden. ‘Ik dacht dat Hilversum een vrijstaat was?’

Fride schudde haar hoofd. ‘Vrijheid is kostbaar. Er bestaat ook zoiets als het grotere goed en het voortbestaan van de stam, om van onze tradities maar niet te spreken.’

‘Is dat jullie laatste woord?’

Fride knikte. De andere twee voegden zich bij haar. ‘Om er zeker van te zijn dat je geen rare gedachten krijgt, is een tweetal wachters buiten opgesteld om je hier te houden.’

Ik haalde nonchalant mijn schouders op. ‘We zullen zien wat de stam­raad morgen te zeggen heeft als ik mijn zaak presenteer.’

 

#

 

Zodra de drie mijn werkplaats verlieten, begon ik mijn ontsnapping voor te bereiden. Ik was vooral niet van plan me over te leveren aan de genade van de stamraad. Ik vermoedde dat de uitslag van die bijeenkomst al vaststond.

Buiten mijn raam zag ik inderdaad twee wachters met wapenstokken staan. Mijn persoonlijke printer en printvoorraden zaten al op mijn fiets gemonteerd. Mijn tas met proviand lag voor me klaar. En de modules van Akrim, natuurlijk.

Ik wachtte tot het goed donker was voor ik het luik in mijn werkplaats opende en door de lage gang kroop die me tot in het bos voerde. Mijn fiets stond een stuk verderop, de vleugels ineengevouwen.

Ik installeerde me in het voertuig en fietste naar het strand waar ik de vleugels uitvouwde. Met de energie die overdag was opgeslagen en flink wat spierkracht, wist ik het gevaarte de lucht in te krijgen. Binnen tien minuten hijgde ik als een blaasbalg, maar stoppen was er boven open water niet bij.

Een zacht westenbriesje tilde me hoger waardoor ik rustiger kon trappen en op adem kon komen. In het heldere sterrenlicht zag ik de ondergelopen weilanden, dorpen en steden waarvan punten van daken nog net zichtbaar waren en een enkele vervallen torenflat als eenzame rots boven het water uitstak.

Ik trapte de hele nacht door tot ik bij het ochtendgloren in het oosten de heuvels van de Veluwe zag opdoemen. De vleugels deden hun werk en begonnen stroom de propellers in te voeren zodat ik eindelijk kon rusten en op mijn gemak de omgeving kon bekijken.

Ooit stonden er bomen op de Veluwe, loof- en naaldbomen, struiken, verschillende grassen. Nu was het een woestenij van opvallende heuvels waarop fractalstructuren groeiden. Ik herkende ze als een aangepaste soort naaldboom. Nauwelijks agressief dus redelijk ongevaarlijk voor mensen.

Een vlak stuk terrein met zand en zielige korstmossen op de top van een heuvel leek een goede plek om te landen. Ik stuurde mijn fiets ernaartoe en landde elegant zonder over de kop te slaan. Vlak voor ik de grond raakte, fluxte ik. Zodra ik stilstond fluxte ik nog maar een keer. Zekerheid voor alles. Een faaginfectie of een verdwaalde Von Neumann kon snel veel schade aanrichten.

Ik controleerde de batterijen van mijn eigen fluxer voor ik afstapte. Naar het westen lag de zee met ergens over de horizon mijn thuis, Hilversum. Ik haalde diep adem. De lucht rook naar vrijheid.

Een taai stuk plat brood en een homp harde kaas vormden mijn ontbijt. Terwijl ik kauwde bekeek ik de kaarten die ik had meegenomen. Fraunhofer, had Akrim gezegd. Maar welke? Ik was er snel achter­gekomen dat er dozijnen locaties waren in het voormalige Duitsland. Maar moest ik die allemaal bezoeken om te vinden wat ik zocht? En hoeveel tijd wilde ik besteden aan zoeken naar dat ene Fraunhofer instituut dat mogelijk de laatste stukken bezat en hoe moest ik ze daar dan vinden?

Voor het eerst in lange tijd voelde ik me overweldigd door mijn omgeving. De wereld was verdraaid groot en ik vermoedde dat ik me nauwelijks voldoende had voorbereid. Mijn gedachten dwaalden af naar Akrim die jarenlang van stam naar stam was getrokken en waar hij ook kwam vertelde over diezelfde grote wereld.

Ik haalde diep adem en keek nog eens om me heen. Grondmos, niet of nauwelijks veranderd sinds de Wildering. Naaldbomen, veranderd, aangepast door een faag die de bomen in bizarre patronen liet groeien, die raar genoeg weer uiterst efficiënt waren met fotosynthese.

Wat ik vooral veel zag was grijze as, alsof er lang geleden een niet aflatende brand gewoed had. Dat was alleen niet zo. Het waren de overblijfselen van tientallen soorten nanomachines, fagen en retro­virussen die elkaar bevochten hadden en dat misschien nog wel deden.

Allereerst had ik rust nodig. Voorzichtig legde ik fluxlijnen rond mijn voertuig en mijn slaapzak en sloot die aan op mijn verklikkers. Bij zelfs de minste bedreiging zouden die de flux activeren die alle elektronische leven zou uitschakelen. Voor organische bedreigingen was ik niet bang.

 

#

 

In de loop van de middag waren de batterijen van mijn voertuig vol, had ik geslapen en gegeten en was ik klaar voor de volgende etappe van mijn reis. Het leven lachte me toe en ik voelde me opperbest.

Akrim had me verteld van de enclaves die nog overeind stonden. Ver voorbij Korf Apeldoorn en de fractalbomen van Hengelo lag nog het vredige Münster, omringd door grachten en stalen fluxhekken die bijna als een koepel de bewoonbare gedeelten omsloten.

Met schijnbaar moeiteloos gemak sprong mijn voertuig de lucht in, gedragen door de elektrische propellers en de opstijgende lucht boven de open plekken van de Veluwe. Vanuit de lucht vormden de bossen ingewikkelde, zichzelf herhalende patronen. Ik herkende overwoekerde dorpjes waar alleen nog de ijzerskeletten van betonnen structuren overeind stonden. Het beton was lang geleden weggevreten en als grondstof voor iets anders gebruikt.

Voorbij de Veluwe begon een zoutmoeras dat bij vloed onderliep, zoals nu het geval was. Hier en daar staken nog plukken hardnekkig gras boven de kabbelende oppervlakte van het water uit. De zee was nauwelijks aangetast door de Wildering, alsof het zoute water door fagen en nano­machines niet gewaardeerd werd.

Ik hield een paar mistflarden angstvallig in de gaten, tot de wind ze van me wegvoerde. Als ze toch mijn kant op waren gekomen, tegen de wind in, dan waren het grijze fagen. Van het soort dat af en toe in Hilversum neerdaalde en dat in voorbije decennia nog regelmatig slachtoffers eiste. Niet iedereen had altijd een fluxer bij zich in de relatieve veiligheid van het eiland.

De landschappen die onder me voorbij gleden waren een mengsel van elkaar beconcurrerende nanoculturen die elk hun eigen forten en bouw­werken printten, bezaaid met planten, schitterende zonnecellen, combi­naties daarvan of ondefinieerbare uitsteeksels. Geen plek om langs te lopen en al helemaal niet zonder fluxer.

Een enkele keer moest ik uitwijken voor een collectie buizen die pluizige, grijsroze ballen de lucht in schoot toen ik in de buurt kwam.

Tegen de avond tekenden zich de immense structuren van de fractal­bomen van Hengelo af, de bovenkant die als een parasol over het land uitwaaierde nog verlicht in de ondergaande zon, de stam, honderden meters dik, verborgen in de duisternis.

Mijn landingsplaats koos ik met zorg uit, een klein eiland in een langgerekt meer. Er groeiden nog normale bomen en gras. Ik moest goed kijken om te zien dat er wel degelijk fagen en nanomachines aanwezig waren, maar ze leken samen te werken met de bomen en het gras en toen ik langsliep bewoog niets, alsof ze me negeerden of niet interessant vonden.

Voor de zekerheid fluxte ik toch de plek waar ik ging slapen en spande de draden die agressieve fagen uitschakelden.

Op mijn rug gelegen staarde ik naar de westelijke hemel die van melkblauw naar lichtroze en uiteindelijk donkerpaars kleurde. Langzaam vertoonden zich sterren naarmate de zon verder achter de horizon verdween. Ik voelde de ironie van het staren naar de lichtjes die ooit verbleekten in het licht dat de steden van Holland uitstraalden en de spilzucht van de inwoners die in hun overmoed zelfreplicerende machines bouwden en vervolgens de controle kwijtraakten over hun creatie. Een Frankenstein van wereldproporties, gevoelloos en vrijwel onschendbaar.

Het bracht mijn gedachten op de Wildering, op mijn grootouders die het verzwelgen van hun wereld meemaakten. Hoe vonden zij het idee dat hun kinderen een wereld erfden die zo radicaal anders en vijandig was geworden? Voelden ze schuld? Probeerden ze tot het uiterste hun nakomelingen te beschermen? Ik herinnerde me de woorden van mijn eigen vader die vertelde hoe zijn vader een nano-uitbraak met een persoon­lijke fluxer wilde tegenhouden terwijl zijn gezin probeerde in veiligheid te komen.

Ik voelde even aan mijn tas, aan de geruststellende bobbel van het apparaat waarvan Akrim beweerde dat het een oplossing was. Maar waarvoor? Voor de problemen met de fagen en nanomachines? Fraunhofer had de leiding over projecten om de Wildering tot staan te brengen en zelfs om te keren. Het was blijkbaar niet gelukt. Of misschien wel, maar waren de stukken te laat bij elkaar gekomen.

Ik zuchtte. De kans dat ik iets zou vinden was extreem klein. De kans dat het dan zou werken zo mogelijk nog kleiner. Ik huiverde bij de gedachte aan het alternatief: gedwongen huwelijk. En dan waarschijnlijk met een van die griezels van zonen van de Jacobsen. Nee, dan liever de vrijheid van de buitenwereld, hoe gevaarlijk ook.

Bij het licht van sterren en maan las ik nog een paar gedichten van Bilderdijk, sonnetten van Kloos, een stukje Vondel, en herinnerde me de lof die Akrim over hun werk uitsprak.

 

#

 

Ik werd wakker met de zon in mijn ogen. Mijn fluxlijnen waren niet afgegaan en ik voelde me uitgerust, klaar voor een nieuwe etappe op mijn reis naar een onbekende bestemming.

Om me heen bewoog gras in wulpse kronkelingen. Ik herkende het als paaldansgras, een onschuldige adaptatie.

Op mijn kaarten zag ik het oude Münster. Er was wat wind en vanuit het westen trok bewolking landinwaarts. Er zou minder licht zijn om me te helpen vooruit te komen, maar de wind mee compenseerde dat. Ik zou vandaag nog in Münster aan kunnen komen, mogelijk zelfs bij daglicht, zodat ik nog vragen kon stellen en op onderzoek uit kon gaan.

Ik inspecteerde de vleugels van mijn voertuig en ontdekte een paar kleine koloniën nanomachines die probeerden zich in te vreten in de verf. Een korte flux sloot ze kort en ik kon de grijze as zonder moeite weg­vegen.

Voor de zekerheid inspecteerde ik ook mijn kleren en huid. Alles leek schoon. Gerustgesteld vervolgde ik even later mijn weg en liet ik de fractalbomen achter me.

De Duitse laaglanden waren stil en kaal. Het groen dat ik tegenkwam behoorde tot amorfe ingekapselde dorpjes die met elkaar verbonden leken. In de groene gelei zweefden hier en daar nog menselijke skeletten die in het drillen van het materiaal een macabere dans leken uit te voeren.

Beekjes die ik onderweg tegenkwam waren overwoekerd door bloed­rood onkruid dat actief voelers uitsloeg en waar het houvast kreeg, daar sleepte de massa stengels en bladeren zich naartoe, waarbij het een spoor van kale, doodse aarde achterliet.

Ooit was dit vruchtbare grond. Groene weiden, akkers, boomgaarden en boerderijen. Akrim had me erover verteld. Gedurende zijn leven zag hij de wereld sneller dan ooit veranderen, de oude natuur vervangen door nieuw, semilevende structuren, die eigen regels volgden die niet overeenstemden met de lokale flora en fauna. Ergens verlangde ik naar die wereld, die veilige omgeving waaraan de mens zich aanpaste en die de mens ook weer aan zichzelf aanpaste. Tegelijk was ik gefascineerd door de complexiteit, veelkleurigheid en ingeniositeit van deze door onszelf geanimeerde indringers.

Halverwege de middag zag ik de karakteristieke stalen hekken en de daarmee geconstrueerde koepelvorm waaronder delen van Münster lagen, veilig binnen een hoogspanningsnet dat elektronisch en semi­organisch leven doodde. Er was iets mis.

De ramen van de huizen waren net zo donker als de niet omheinde stad zelf en woekerende massa’s hadden bezit genomen van de onderste lagen van de hekwerken. Ik concludeerde vrijwel meteen dat ze een ongeluk­kige stroomuitval hadden gehad, een die niet snel genoeg opgelost kon worden. In mijn gedachten vloekte ik zachtjes. Als het spoor hier doodliep, kon dit meteen het einde van mijn reis zijn. Of als ik ten prooi zou vallen aan wat de inwoners te pakken had gekregen. Toch besloot ik mijn voertuig een eindje van het stadje aan de grond te zetten.

Met een extra fluxbatterij wandelde ik naar de rand van de hekwerken. Er voorbij lagen de huizen, de meeste voorzien van kweekbakken en tuinen waar nog rottende groenten stonden, voor zover die niet geabsorbeerd waren door fagen of nanomachines.

De poort stond open. De grond was bedekt met grijze as, dus ik fluxte met regelmaat om nanomachines geen kans te geven. Binnen de stalen koepels heerste een diepe stilte, alsof alle leven verdwenen was. De nieuwe heersers over de Aarde spraken in het elektromagnetische spectrum. Tot ik de hoofdstraat –letterlijk Hauptstrasse volgens het bord- inliep en een diep, spookachtig kreunen hoorde dat me kippenvel bezorgde.

Ik bleef heel stil tot ik het kreunen weer hoorde en een richting kon bepalen. Een paar huizen verderop stond een deur half open. Ik liep er naartoe en ging voorzichtig naar binnen. Het plafond van de hal van het huis was bedekt met liaanachtige structuren bezaaid met gele bloemetjes die me in het voorbijgaan volgden. Een dikke vertakking liep de woon­kamer in. Bij binnenkomst zag ik een halfvergane sofa en een over­woekerde boekenkast waarvan de inhoud vrijwel geheel was verdwenen op enkele dikke werken na. Die lianen houden niet van zware lectuur.

Toen ik weer weg wilde gaan zag ik de andere muur, die volledig bedekt was met lianen. Midden op de muur stak een gezicht tussen de lianen en de bloemetjes door. Het was grauw en leek van pijn vertrokken. Een plukkerige baard en dikke wenkbrauwen deden me vermoeden dat het een man was.

Ik zag het gebeuren, toch schrok ik toen zijn mond openging en het klaaglijke geluid produceerde dat ik eerder gehoord had.

‘Meneer! Meneer! Wat is er aan de hand?’ Ik wist niet eens of hij Hilversums sprak, maar zijn kreunen wekte een diep gevoel van medelijden in me.

Zijn ogen vlogen open, de pupillen groot en zwart. Ik denk dat hij me zag. Zijn mond opende zich als een vis die naar adem hapte. ‘Hilf michhh…’

Ik bekeek de lianen die over hem heen liepen. Ze waren versmolten met zijn lichaam waarvan het vlees grotendeels was verdwenen. Zijn organen lagen in kleine holtes in de muur van groen.

‘Ik… ik kan niets doen.’ Ik wist niet of hij me verstond, tot hij me antwoordde.

‘Ich weiß.’ Hij leek te denken en zei in een andere stem. ‘Iek weet. Hab Durst.’

Ik goot water uit mijn veldfles zijn open mond in en liet hem drinken. Water stroomde door zijn open keel langs de lianen naar beneden. ‘Beter zo?’

‘Ja. Danke.’ Weer een andere stem.

Ik zag hem zijn ogen weer sluiten. ‘Ik zoek een Fraunhofer instituut. Waar onderzoek naar fagen en nanomachines werd gedaan. Weet u iets?’ Hij leek te slapen. Ik wilde nog iets zeggen toen hij zijn ogen weer opende.

‘Anfang von alles war Dresden. Hat mir Andreas gerade erzählt. Tabula rasa.’

Ik huiverde even bij zijn woorden. ‘Daar werd onderzoek gedaan. Ik wist niet dat Dresden het begin van de Wildering was.’ Ik zuchtte. Misschien was het de juiste plek. Of het nog bereikbaar was als het de oorsprong van de Wildering was, dat zou ik dan moeten uitvinden. Het was de beste aanwijzing die ik tot nu toe gevonden had.

De ogen van de man draaiden weg in zijn kassen. ‘Es kommt. Geh weg. Raus!’

Er trok een trilling door de lianen. Voor mij een teken snel te maken dat ik wegkwam. Ik twijfelde of ik de onbekende man achter moest laten. Moest ik hem de genade van de dood schenken? Ik dacht aan de andere stemmen die uit zijn mond klonken en ik vermoedde dat hij niet zo alleen was als hij leek.

Buiten kleurde de lucht zalmroze door de ondergaande zon die de wolken van de onderkant aanscheen. Ik kreeg een unheimisch gevoel in de lege straten van Münster, alsof ergens iets of iemand op de loer lag, klaar om me te bespringen op het moment dat mijn waakzaamheid een moment verslapte.

Met mijn vingers op de fluxschakelaars haastte ik me de dode stad Münster uit. Op voldoende afstand beklom ik een heuveltje en draaide ik me om. In de schemering zag ik lianen als tentakels door de straten zwiepen en gebouwen binnendringen. Ik was net op tijd weer vertrokken.

Hij kende Andreas. En hij meldde dat Dresden de oorsprong was. En tabula rasa? Veel betere aanwijzingen zullen er waarschijnlijk niet komen.

 

#

 

De volgende ochtend at ik wat droge worst. Mijn voorraad eten nam snel af. Ik moest de komende dagen dus ook naar eten zoeken. Ik was her en der nog ongerepte natuur tegengekomen, daar had ik kans op bessen, bramen, appels of tamme kastanjes. Verhongeren zou ik niet, de vraag was of ik niet meer tijd kwijt zou zijn aan het fourageren dan aan het werken aan mijn doel.

Mijn trouwe voertuig sprong weer de lucht in zodra ik begon te trappen. Mijn weg lag vrijwel pal oostwaarts, over de Duitse laaglanden, richting Göttingen en daarna Leipzig en dan, over een dag of drie, Dresden zelf. Wat ervan over was, natuurlijk.

De herinnering aan de man in de muur, opgeslokt door de lianen, knaagde aan mijn gemoed. Ik vroeg me telkens af of ik hem niet toch had moeten helpen, in welke vorm dan ook. Ik twijfelde ook aan mijn vastberadenheid als het om het doden van een medemens ging, hoe slecht eraan toe ook. Dat was dan ook mijn dilemma. Hoe slecht was hij er werkelijk aan toe? Hij werd in leven gehouden. Anderen waarschijnlijk ook. Waarom? Het was een raadsel dat me bezighield terwijl de veranderde landschappen onder me voorbijtrokken.

Ik stak rivieren over die in series buiten hun oevers getreden waren en reeksen kleine meertjes hadden gecreëerd die op hun beurt weer over­woekerd werden door rood en paars riet. Ik vloog bij enkele laag over om de veranderingen aan flora en fauna goed te kunnen bestuderen. Bizarre loopvogels zo groot als een kleine personenauto waadden erdoorheen op telescopische steltpoten en spietsten met schietveren uit hun vleugels kronkelende aal-achtigen die ze vervolgens naar malende metalen snavels brachten die over hun hele lijf zaten. Bijna kwam ik te laag en dat leverde me een vlijmscherpe veer op, die met een klap in de bodem van mijn voertuig terechtkwam.

Een andere keer daalde een wolk libelachtige metalen insecten neer op de vleugels van mijn voertuig. Ik schrok, maar dacht dat ze geen kwaad in de zin hadden. Tot ik de eerste een hap uit de verf zag nemen en de rest, bijna honderd inmiddels, volledig synchroon dezelfde beweging maakte. Ik fluxte mijn voertuig en de nu dode wezens dwarrelden in een wolk van verstijfde vleugels naar beneden waar ze door een van de meertjes werden opgeslokt.

Het waren dit soort momenten dat de twijfel weer bij me opkwam. Ook al zou ik een oplossing vinden, als tabula rasa dat al was, wat zou het effect precies zijn? De op metaal gebaseerde nanomachines zouden stoppen? De fagen sterven? Maar hoe zat het met virussen? Biologische parasieten? Biologische nanomachines? Of was het een lapmiddel? Een manier om de ergste dreigingen voor de resten van de mensheid te verzwakken en ons de mogelijkheid te schenken ons aan te passen zodat we uiteindelijk ook weer de natuur naar onze hand konden zetten, zoals we eerder succesvol gedaan hadden?

Ongunstige wind en gepieker maakten me moe. Bijna miste ik de naderende zonsondergang. Vlak voor Göttingen vond ik gelukkig een open plek waar ik mijn voertuig liet landen. Er naderden donkere wolken en niet veel later begon het te druppelen. Ik fluxte de grond om me heen en trok snel een transparant zeil over het voertuig en over mezelf en maakte van binnenuit mijn bescherming vast met een stel haringen. Net op tijd voor het echt begon te stortregenen. Daarna ging ik maar weer in de stoel zitten omdat ik verwachtte dat de grond snel doordrenkt zou raken. Ik voelde me teleurgesteld omdat ik vanavond de sterren niet zou zien verschijnen.

 

#

 

Ergens was ik in slaap gevallen. Ik werd wakker van gekwetter en gefluit. Het was alweer licht. Ik keek om me heen en zag dat de grond inderdaad doorweekt was en alles was klam. Door een lek in het zeil was regenwater naar binnen gelopen en langs mijn rechterarm op de bodem van mijn voertuig gekomen, waar gelukkig afvoergaatjes zaten juist voor die gelegenheden. Ik hoopte maar dat de wielen niet vast zouden blijven zitten. Ik rekte me uit en zag nu dat de open plek niet langer open was.

Om mijn voertuig heen stonden tientallen bomen en boompjes, tot vlak bij het zeil dat over mezelf en het voertuig gespannen was. Blijkbaar waren ze er gedurende de nacht gegroeid. Of ze hadden zich naar me toe bewogen op een manier die ik niet kon verklaren. Gelukkig had ik me voorbereid.

Ik rolde het zeil op en borg het op terwijl de bomen nieuwsgierig bleven kwetteren en fluiten. Vervolgens klapte ik de vleugels in en rolde mijn voertuig tussen de stammen door tot ik een plek vond met voldoende open ruimte om op te stijgen. Met mijn fluxer liep ik over het pad dat ik wilde volgen tot ik bij een groene liaan kwam die over het pad lag. Een liaan met kleine gele bloemetjes.

Ik hield mijn adem in terwijl ik voorzichtig achteruit stapte. Ik hoopte maar dat het bij daglicht minder actief was. Snel vouwde ik de vleugels weer open, zette ze vast en stapte in. De aanblik van de man in de muur had me erger geschokt dan ik aanvankelijk dacht. Het idee van gegrepen te worden door een vergelijkbare entiteit liet me bibberen. De elektrische propellers zette ik meteen op vol vermogen en ik voegde mijn eigen spierkracht erbij, zo hard als ik kon met de pedalen.

Vlak voor de plek met de liaan trok ik mijn voertuig de lucht in. Onder me zag ik de liaan vergeefs omhoog zwiepen en net te kort komen om me te raken. Pas voorbij de eerste honderd meter stijging werd ik iets kalmer en het binnenvallende zonlicht hielp daarbij.

Ver onder me begon de stad Göttingen zelf. Het was een donkergroen gat geworden, vele tientallen tot honderden meters diep aan over­woekerde gebouwen die verzonken waren om wat voor reden dan ook. Ik zag ook de grote varianten van de liaan die ik eerder gezien had, meters­dikke stengels die alles verstikten, overdekt met dezelfde gele bloemen. De groene zee onder me leek te bewegen in een hypnotisch ritme, als de gelijkmatige ademhaling van een slapend mens. Ik trapte harder en stuurde mijn voertuig hoger, geholpen door een warme wind die uit het gat opsteeg. Hetzelfde unheimische gevoel dat ik in Münster had, voelde ik ook nu weer. Ik was blij de stad achter me te kunnen laten.

Tegen het middaguur begon de koorts. Eerst kwam de misselijkheid, gevolgd door rillingen door mijn lijf. Mijn spieren weigerden af en toe en mijn voertuig zweefde gezapig verder op het licht van de zon.

Ik voelde dat er iets goed mis was toen mijn rechterarm stijf werd en me niet meer gehoorzaamde. Mijn trui zat strak om het opgezwollen ledemaat. Op een verlaten, kale akker zette ik mijn voertuig aan de grond. Ik pakte mijn verbanddoos met mijn linkerhand vanachter mijn stoel en opende het doosje onhandig. Er zaten verschillende antibiotica in en een verbandschaar. Voorzichtig knipte ik mijn mouw los totdat mijn arm zichtbaar was.

Ik moest een paar keer slikken toen ik besefte dat het een faaginfectie was, een sluipmoordenaar die je overal kon oplopen, maar die met een fluxer kon worden verstoord als je er snel bij was. En ik droeg het al minstens een halve dag mee. Mijn huid was op plekken grijs geworden en er liepen geometrische patronen overheen alsof er een soort elek­tronische schakelingen werden gebouwd.

Is dit dan mijn einde? Woede. Het kan niet. Zo mag het niet eindigen! Alternatieven. Kan ik mijn arm amputeren? Maar hoe moet ik dan verder?

Ik rommelde in het doosje en bekeek een voor een de antibiotica die erin zaten. Geen ervan was geschikt voor fagen. Wat wel? Wacht… Ik pakte mijn fluxer en plaatste die op mijn arm. Meteen schoot een pijnscheut door mijn gehele lijf waardoor al mijn spieren verkrampten. Ik drukte af en de pijn verdween, tegelijk met de spierkrampen. Ik drukte nog een keer, hoewel ik wist dat ik niet alles te pakken zou krijgen. Toch bleef ik afdrukken, telkens op andere plekken op mijn lichaam, tot mijn batterij leeg was

Op dat moment kwam er een gedachte in me op: Tabula Rasa. Als ik dit wil overleven dan moet ik haast maken. Als het mijn hersenen bereikt of mijn hart aantast, dan is het over. In mijn hoofd maakte ik een schema om elke drie uur of zo vaak als nodig mijn fluxer te gebruiken.

Ik vloog verder tot ik tegen de avond weer misselijk begon te worden. Leipzig leek een dode stad die als brokkelige zwarte tanden uit het landschap oprees. Een verlaten zesbaans snelweg die langs de stad liep was een perfecte plek om te landen.

De grijze plekken op mijn arm waren verder uitgebreid en ik voelde de warmte op verschillende plekken in mijn lichaam waar de faag zijn werk deed. Ik fluxte mijn lichaam weer uitgebreid en voelde me meteen beter. Gelukkig was mijn batterij dankzij overvloedig zonlicht vandaag genoeg opgeladen.

Ik overwoog in het donker verder te vliegen, zoveel haast had ik, maar het licht van de sterren was niet voldoende om bij te navigeren. Bij daglicht waren mijn kaarten goed leesbaar en kon ik het landschap onder me nog wel identificeren om mijn plaats te bepalen. In het donker was dat onmogelijk.

Lopen was moeilijk. Ik voelde een onredelijke angst dat mijn benen ook aangetast waren, tot ik besefte dat ik net weer zes uur aan de trappers had gezeten en hard gewerkt had om mijn gedachten af te leiden. Ik had gewoon spierpijn van de lange, inspannende zit.

Ik at mijn laatste voedsel. De komende dagen zou ik honger hebben. Ik kon alleen maar hopen dat ik ergens oud vergeten blikvoedsel tegen­kwam of ik moest in het wild groeiend fruit zien te vinden. Op dat moment voelde ik me de eenzaamste vrouw op de wereld. Zelfs uitge­huwelijkt worden aan een van de Jacobsen leek even een aantrekkelijk alternatief. Heel even maar. Ik grinnikte even om mijn eigen aversie die sterker bleek dan mijn eenzaamheid. Toch, de situatie was redelijk uitzichtloos. Ik zette mijn klokje op drie uur en probeerde te slapen.

Het indringende gepiep leek vrijwel meteen af te gaan. Ik opende mijn ogen en zag dat het drie uur later was. Bijna moedeloos pakte ik de fluxer en bekeek mijn arm. Ik ging iets rechter zitten. Mijn arm was bijna vrij van de grijze patronen. Ik veegde met mijn andere hand over de laatste plekken die moeiteloos van mijn huid afvielen.

Heb ik de faag gedood? Euforie. Heeft het fluxen geholpen? Realisme. Nee, dat kan bijna niet. Twijfel. Muteert de faag nu? Verandert de strategie? Angst­zweet. Wat als ik onwel word terwijl ik vlieg? Acceptatie en schouderophalen. Een snelle dood is in ieder geval beter dan langzaam opgevreten worden. En altijd beter dan trouwen met een Jacobsen.

Ik zette mijn klokje weer.

 

#

 

De zon viel mijn voertuig binnen en wekte me. Even was ik gedes­oriën­teerd. Ik probeerde een lichte hoofdpijn weg te wrijven tot ik de zwarte ruïnes van Leipzig om me heen zag.

Mijn oog viel op mijn klokje dat anemisch knipperde. Verdraaid, batterij leeg. Angst. Is de faag teruggekomen? Controleer.

Ik bekeek mijn armen en benen, trok mijn trui uit en keek in mijn hemd, tussen mijn borsten. Niets, geen grijze patronen. Ik haalde diep adem.

Opgelucht trok ik mijn kleren weer aan, dronk wat water en startte het voertuig. Moeiteloos gleed ik van de snelweg over de rand en zweefde ik over de resten van Leipzig. De stad was dood, niets bewoog, verroeste autowrakken vertoonden ongeveer de enige kleur in het grauwe landschap.

Ik bewerkte de trappers met energie zoals ik die al dagen niet gevoeld had. Misschien zijn mijn spieren eindelijk aan het tempo gewend.

Een paar kilometer voorbij Leipzig begon een uitgestrekt bos dat nog daadwerkelijk op een bos leek, zoals ik het van plaatjes en uit boeken kende. Ik dacht aan het eilandje in de buurt van Hengelo met de symbiose die de flora en fauna daar waren aangegaan. Dat zou hier ook heel wel mogelijk zijn. Ik was er zelfs vrijwel zeker van.

Urenlang zweefde ik boven het geruststellende groen. Of het nu de aanwezigheid van een oude bekende was, het feit dat mijn spieren eindelijk eens geen pijn deden, de wetenschap dat ik een faag overleefd had of dat ik vlak bij Dresden was, ik voelde me opperbest.

̶  vraagstelling: Designatie? –

Wat is dat? Wie zegt dat?

̶  vraagstelling: Designatie? Naam? –

Ik voelde mijn hart overslaan en ik hapte naar adem. ‘Wie zei dat?’ zei ik nu, hardop. Ik keek om me heen door de plastic ruiten van het voertuig om te zien of er iets of iemand buiten was.

̶  antwoord: Designatie Wij, Ons. Zwerm voldoet –

‘Ik word gek. Of ik ben het al.’ Weer zei ik het hardop, deels om mezelf ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was, deels om te testen of ik wakker was en nog aanwezig in de werkelijkheid.

̶  vraagstelling: Gek worden, uitleg? –

‘Hou nu op, dit is niet leuk meer.’ Ik voelde een brok in mijn keel en de angst die ik eerder voelde toen mijn arm zo was opgezwollen. Is dit nog een effect van de faag?

̶  antwoord: Zwerm is faag –

‘Dit is belachelijk. De faag is dood. Kom op Tanmee, de stress van de afgelopen dagen wordt je teveel, je hallucineert.’

̶ feit: Zwerm begreep aanvallen. Zwerm hergroepeerde. Designatie Tanmee –

Ik drukte mijn handen in mijn ogen. ‘Hou op! Hou op!’

Stilte.

‘Zwerm?’

Stilte.

Ik haalde diep adem. Opgelucht. Misschien hallucineerde ik inder­daad. Voor de zekerheid controleerde ik nogmaals mijn armen en mijn benen. Nergens een teken van infectie. Ik had wel pijn in mijn oog­kassen, waar­schijnlijk door mijn vuisten die ik erin geduwd had.

Onwillekeurig moest ik denken aan het gezicht tussen de lianen. Niet menselijk meer, hoewel met menselijke aspecten. Meer en minder dan menselijk. Maar wat is dan eigenlijk ‘mens’ zijn? Wat is menselijkheid?

Ik was normaal niet zo filosofisch ingesteld dus mijn wantrouwen keerde meteen terug.

Mijn aandacht werd afgeleid door het einde van het bos en het begin van een open vlakte. Aan de horizon tekenden zich de torens van een stad af. Dresden. Een eind aan dit alles. Een nieuw begin, hoe dat er ook uitziet. Als ik de laatste stukken van tabula rasa kan vinden.

Mijn trouwe voertuig daalde in een kalm tempo naar de noord­westkant van de stad waar ooit het vliegveld lag. Of dat er nu nog was of dat het overwoekerd was, wist ik niet. En als ik daar niet kon landen, dan op een van de vele wegen die ik op de kaart van de stad zag. De voornaamste reden dat ik er wilde landen was dat een van de Fraunhofer instituten die ik zocht er in de buurt was.

Het vliegveld was nog toegankelijk. Voorzichtig landde ik op het beton. Onder het half ingezakte dak van een hangar stonden nog enkele oude vliegtuigen, zakenjets voornamelijk, de verf gebladderd, de banden vergaan en de raampjes vergeeld en ondoorzichtig geworden door meer dan een eeuw gebrek aan onderhoud.

Ik was verbaasd hoe weinig er in Dresden eigenlijk ten prooi was gevallen aan nanomachines of fagen, terwijl Akrim en die Andreas beweerden dat de Wildering hier zijn oorsprong had.

Zou er nog eten in die vliegtuigen liggen? Het was een mogelijkheid. De vliegtuigen zagen er verder onaangeroerd uit en sommig vliegtuig­voedsel kon in principe oneindig mee. Had ik me laten vertellen.

Ik duwde een trolley met traptreden naar het eerste vliegtuig en probeerde de deur te openen. Het kreng zat op slot of de deur was na zoveel tijd vastgeroest. Ik draaide en trok zo hard ik kon en voelde uiteindelijk iets meegeven. Met een scheurend geluid opende ik de deur. De handel had ik los in mijn handen, het metaal verwrongen en afgebroken.

Een doodse walm verliet het vliegtuig en ik kuchte een paar keer stevig. Het registreerde dat ik de deur had open gewrongen. Het drong alleen niet meteen door hoeveel kracht dat eigenlijk kostte. De mogelijkheid dat er eten lag overheerste mijn gedachten.

Ik bukte en stapte door de lage deur het vliegtuig in. Een dunne laag stof lag over alles. Ik herkende het als stof, geen restanten fagen of nanomachines. Via het gangpad kwam ik achterin in een kleine kombuis. Ik haalde de kasten overhoop en vond uiteindelijk een paar blikken waarvan de etiketten vergaan waren. Daarnaast dozenvol plastic zakjes met verschrompelde cashewnoten. Ik opende er een en proefde voor­zichtig. Hard, uitgedroogd, maar de smaak was er nog en ze waren niet bedorven. Ik slikte een mondvol weg met een paar slokken water. Godenvoedsel.

Ik leegde de dozen in mijn tas en deed de blikken erbij. Ik kon op onderzoek uitgaan in de stad. Ik legde mijn tas in mijn voertuig en nam enkel een mes en een fluxer mee, een fles water en een paar zakjes cashewnoten. Ik liep het vliegveld over in de richting van de dichtst­bijzijnde wijk. Terwijl ik de gebouwen bestudeerde veranderde mijn blikveld eerst naar een roodachtig beeld, vervolgens naar blauw, daarna werd alles zo helder en scherp dat ik even wankelde. ‘Ho, wat is hier aan de hand?’ Zijn die noten verkeerd gevallen?

̶  feit: Optimalisatie visuele waarneming voltooid –

Wacht, het is er nog steeds. Was het dan toch geen hallucinatie? De gedachte alleen bezorgde me koude rillingen.

̶  vraagstelling: Tanmee processtructuur. Waarschijnlijkheid hoger dan tiendimensionaal negentig procent zeker. –

De vraag overviel me. Enerzijds wist ik nu bijna zeker dat er ‘iets’ in me zat en daardoor raakte ik in paniek. Anderzijds overlegde ik met dat ‘iets’ en dat kalmeerde me weer. Iets. Niet veel. Processtructuur. Hersenen? Ik overwoog slechts enkele ogenblikken mijn antwoord, zonder te weten of mijn gedachten afgeluisterd konden worden. ‘Feit: Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten.’

Het bleef stil. Angstvallig stil.

Ik haalde voorzichtig mijn schouders op, ook al voelde ik me veel minder zeker dan ik me voordeed. Ik liep via de toegangsweg het vlieg­veld af. De straten van Dresden waren een mengsel van hele oude bouw­stijlen, begin twintigste eeuw, afgewisseld met moderne en hyper­moderne gebouwen. Nu waren ze allemaal even smerig, bedekt met mos en wingerd en hier en daar overwoekerd.

Metalige flitsen van af- en aanvliegende insecten waren zichtbaar tussen het groen op de gebouwen.

Vanuit de schaduwen liep ik een open plein op, het zonlicht in. Op dat moment zag het eruit alsof ik een groene vallei binnenstapte, vol van leven en hoop. Zelfs de lucht rook fris, vers, alsof de dag net begonnen was.

Volgens mijn kaart lag het Fraunhofer instituut dat ik zocht een paar straten voorbij het plein. Ik zag een pad door de begroeiing, nam mijn fluxer stevig ter hand en begon te lopen.

Nog geen zes passen verder stopten mijn voeten. Letterlijk.

–Waarschuwing: Vijandige levensvorm gedetecteerd. Halt nood­zakelijk.–

Wat is dit nu weer? Nu voelde ik daadwerkelijk angst. Als de faag mijn lichaam kon tegenhouden, hoe kon ik dan nog weten of ik mezelf wel was?

̶  Opmerking: Speculatie. Zwerm bedoeling goed. –

‘Je leest mijn gedachten. Je bestuurt mijn lichaam. Hoe kan ik je, jullie, ooit vertrouwen?’

Op dat moment brak het plein open en verscheen een nachtmerrie­muil, groen en rood, gevuld met oneindige rijen witte tanden, die vruchteloos een paar keer op elkaar klapte  voor hij weer in het plein wegzonk.

‘Goed,’ zei ik. Ik slikte een paar keer. ‘Het is een begin.’ Ik probeerde een stap achteruit te doen. Dat lukte zonder problemen. ‘Een andere weg dan maar.’

Voorzichtig liep ik om het idyllische plein heen. Ik had ook beter moeten weten. Schoonheid in deze wereld verborg zoals zo vaak een dodelijk gevaar.

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

‘Luister, Zwerm, ik weet niet wat je bent en waarom je in me zit. Ik heb nooit eerder van een geval als dit gehoord. Ik ben in de war, boos, verdrietig, angstig en nog veel meer en ik heb zeker geen zin domme vragen te beantwoorden.’

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

Ik zuchtte. Vasthoudend kreng. ‘Wat ik mooi vind. Wat mijn zicht en gevoel me vertellen dat mooi is.’

̶  feit: Zwerm kent geen concept schoonheid –

‘Jammer voor jullie. En dat meen ik echt.’

̶  feit: Zwerm leert van Tanmee –

Ik lachte kort. ‘Humor. Hou er nu maar over op, ik wil me concen­treren op de straten.’

 

#

 

Het instituut lag een paar kilometer verderop. De straten van Dresden waren merkwaardig leeg, op klimplanten en smerige aanslag op ooit witte gebouwen na. Er stonden geen autowrakken en er lagen geen hopen afval, alsof de stad na de Wildering nog een tijdje was doorgegaan, autonoom, met het verwijderen van auto’s uit de stad en het opruimen van het vuilnis.

Het gebouw dat ik zocht was overwoekerd door verschillende soorten wingerd. De ramen op de onderste verdiepingen waren allemaal in scherven, de ramen in hogere verdiepingen waren gebarsten, maar verder intact en bedekt met een dikke laag mos en algen.

‘Binnenkomen is geen probleem.’ Ik merkte dat ik hardop in mezelf was gaan praten. Ik vermoedde dat de aanwezigheid van Zwerm daar iets mee te maken had. ‘Als andere mensen me nu zien denken ze dat ik knettergek ben.’ Ach, wat maakte het ook uit. Als ik de modules van Akrim kon vinden was dat allemaal voorbij. ‘Maar waar verstop je een project dat van levensbelang is voor de hele wereld?’

Ik vond aan de zuidkant een toegang waarmee ik in de kelder van het gebouw terechtkwam. Ergens in het verleden was een rioolpijp gebroken of geknapt. De resten waren verrot tot een dikke laag pulp waarop in de vochtige atmosfeer paddenstoelen en zwammen waren gaan groeien. Ik fluxte regelmatig, bedacht op beweging en onbekende patronen.

Vanuit de kelder kon ik via een trappenhuis op de volgende ver­diepingen komen. De benedenverdieping was via de ramen over­woekerd door de wingerd. Ik kon moeilijk schatten wat het doel van deze etage ooit geweest was, maar ik vermoedde receptie en administratie. Het interessante spul bevond zich waarschijnlijk op de volgende etages.

Op verschillende deuren en ramen van laboratoria stonden biohazard tekens.  Ik kon me bijna niet voorstellen dat er nog gevaarlijker virussen en biodreigingen waren dan ik buiten kon tegenkomen.

Ik werd een beetje moedeloos van de eindeloze gangen in het gebouw met aan weerszijden dozijnen deuren.

‘Denk na, Tanmee. Je bent onderzoeker, je bouwt ultrageavanceerde, dure technologie die samenwerkt met technologie van andere instituten om een ‘oplossing’ te creëren. Het overleven van de mensheid hangt af van je slagen. Dus je hebt de grootste afdeling met de meeste apparatuur die allemaal is gericht op het uitvinden van de perfecte module, waar je samenwerkt met dozijnen collega’s. En een manager of directeur om de boel aan te sturen. Die een kantoor in de buurt heeft. Met waarschijnlijk een plek om de onschatbaar waardevolle resultaten op te bergen.’

Ik liep meer dan een uur door de gangen tot ik bij een trap naar boven kwam waar iets raars mee was. Een soort toegangssluis en een met glazen wanden en vloeren afgesloten trappenhuis. De toegangssluis was dicht. Erboven stond een enkel teken dat ik meteen herkende. Een hoofdletter H met een pijltje erboven. Magnetische veldsterkte. Oersted. Een fluxer, een hele grote.

Ik drukte op de grote gele knop die in de deurstijl zat. Er gebeurde, geheel naar verwachting, niets.

‘Dan maar met geweld.’ Ik trok mijn mes uit mijn jas en duwde die in de minuscule gleuf tussen de deurhelften. Ik zette mijn voet tegen de deurstijl en duwde, hard. De deur gaf niet mee. Nog harder. Ik voelde beweging en viel vrijwel meteen op de grond, het heft in mijn hand. Afgebroken. Ik zoog op de snee in mijn rechterhand waar ik langs het afgebroken lemmet was gevallen. De deur was wel een halve centimeter verschoven.

‘Verdomme.’ Ik schopte tegen de deur wat natuurlijk geen effect had. ‘Rustig aan, denk na voor je jezelf weer verwondt.’ Ik opende nog maar een zakje cashewnoten die ik met water wegspoelde. ‘Brand. Een bijl.’ Ik was onderweg een paar brandkasten tegengekomen, maar had ze niet geopend. Even later stond ik een verdieping lager bij een rode kast die slechts hier en daar wat roestplekken vertoonde. Het eenvoudige sluit­mechanisme opende direct en naast een halfvergane rubberslang hing er inderdaad een bijl, danig verroest, maar waarschijnlijk nog bruikbaar.

Met hernieuwde energie ging ik de deur te lijf. Een kwartier later werd ik moedeloos. Na alle bijlslagen had ik de deur misschien een centimeter verder open gekregen. Boos sloeg ik tegen een van de ramen, maar daar kwam geen krasje op. ‘Shit, waar zijn die dommekrachten van Jacobsen wanneer je ze nodig hebt!’ Ik smeet de bijl opzij, ging op de grond zitten en greep de kier met mijn vingers beet. Ik zette mijn beide voeten tegen de deurstijl en zette me schrap. Mijn spieren kraakten en protesteerden. ‘Urgh, geef me kracht!’

̶  feit: Zwerm kan helpen. –

Ik voelde kracht mijn armen, benen en rug instromen en langzaam begonnen de deuren naar binnen te schuiven tot er genoeg ruimte was om mijn lichaam erdoorheen te wurmen.

Ik stond op. Je bent gewond, wees verstandig, denk om jezelf. Ik keek naar mijn hand die onder het bloed zat. Met een doekje veegde ik het inmiddels gedroogde bloed weg, bedacht op pijnlijke steken uit de wond. Mijn huid was ongeschonden. Een heel licht lijntje bevond zich nog waar de snee net zat. ‘Goed, dat is best indrukwekkend.’ Ik voelde me ineens ongemakkelijk dat ik Zwerm zou elimineren als ik de laatste modules vond.

‘Onzin, Tanmee. Denk aan de wereld. Het hogere doel. Red de mensheid.’

Ik drukte mijn lichaam door de opening. Aan de andere kant lagen enkele skeletten met nog gemummificeerde resten vlees aan hun lede­maten. De binnenkant van de deur zat vol krassen, alsof ze geprobeerd hadden hem met hun handen te openen. Ik besefte ineens dat dit wel eens de onderzoekers konden zijn geweest, opgesloten in hun lab zodra de stroom uitviel.

Ik schoof de botten opzij en liep de trappen op. De bovenste verdieping was inderdaad een groot lab, vol met apparatuur. De sfeer was doods, leeg, de machines verstild zonder stroom, de tanks met vloeistoffen opge­droogd, geen enkel biologisch of mechanisch leven was hier doorge­drongen, zo goed was deze verdieping beveiligd.

Aan de uiterste noordkant was een afgesloten ruimte. Zonlicht stroomde naar binnen door ramen die nauwelijks waren aangetast door algen en mos. Een bordje naast de deur vertelde me dat Herr Direktor Prof. Schliessinger hier ooit audiëntie verleende.

De deur was niet op slot. Binnen stond een groot bureau met een leren bureaustoel met daarin een skelet in een net maatpak. De schedel keek omhoog, een net, rond gaatje in het voorhoofd. Ik liep om de tafel heen en zag een oud pistool naast de gevallen hand van het skelet liggen.

Het kantoor was verder leeg. Geen kasten of manden of kisten of andere manieren om kostbaarheden op te bergen. Enkel ramen en een blanco muur van een donkere marmer- of granietsoort. Blanco. Tabula Rasa. Ik bekeek de muur aandachtig en liep een paar keer heen en weer.

Terwijl ik liep ervoer ik weer het verschuiven van mijn blik naar rood en blauw. Ineens zag ik in de hoek een vorm, een soort pilaar, kunstig weggewerkt in de muur. Nieuwsgierig liep ik ernaar toe. Er zat inderdaad iets, perfect weggewerkt, onzichtbaar tenzij je wist waar je moest zoeken. Toch had ik het gezien. Ik drukte ertegen en met een klik begon de pilaar te bewegen tot hij vijfentwintig centimeter was uitge­schoven. Mijn hart klopte sneller en mijn adem stokte toen ik twee bekende vormen in de vrijgekomen holte naast elkaar zag liggen. ‘De modules.’ Een loden last leek van mijn schouders te vallen. Ik lachte, daar in het zonlicht, om de modules die ik had gevonden, om het levens­werk van Akrim dat nu bijna klaar was, om de toekomst van de mensheid en die van mezelf in een wereld die vrij, of vrijer, zou zijn van de nanobedreigingen en semibiologische fagen die ons bestaan dagelijks bedreigden. Er bleef genoeg over, dat zeker, maar het evenwicht kon hersteld worden en wie weet, daarna ooit weer de menselijke beschaving.

Ik nam de twee modules in mijn handen. Ze waren geruststellend zwaar, vol van potentie en belofte. Ik stopte ze in mijn jaszakken en begon aan de weg terug naar mijn voertuig, waar ik mijn spullen had achtergelaten, door het lab, door de lange gangen van het instituut, de straten van Dresden in.

Als ik doorliep kon ik nog voor zonsondergang bij mijn voertuig zijn en de modules koppelen. Geen tijd te verliezen.

 

#

 

Ik liep voorbij een stel flats, type voormalige Oost-Duitse woonkazerne. Zodra ik aan de noordkant de hoek omsloeg richting het vliegveld, werd mijn weg versperd door gigantische elfenbanken die uit het gebouw groeiden. Bijna voortdurend viel een fijne stofnevel eruit naar beneden.

Een windvlaag blies de nevel mijn kant op en ik voelde kleine prikjes op mijn blote armen. Terwijl ik toekeek zag ik de huid, waar ik de prikjes voelde, opzwellen en er verscheen binnen seconden, nog voor ik de fluxer kon gebruiken, een donker pitje onder.

‘Sporen, verdomme,’ vloekte ik. Extreem snelle ook nog. Dit was het dan, Tanmee. Fagen en sporen, een fijne combinatie. Net nu ik de modules heb.

̶  feit: Indringer gedetecteerd. Activeer verdediging –

‘Ja, lekker, hoe dan?’ Er kwam geen antwoord. Wel nam de jeuk op mijn armen bijna direct af en de zwarte puntjes werden rood en daarna weer het lichtbruin van mijn huid. Het enige dat achterbleef was warmte.

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Zwermintegratie voltooid. –

Ik duwde de fluxer op mijn huid en wilde afdrukken, maar de stem van Zwerm onderbrak me.

̶  feit: Gevaar geweken. Verzoek: Fluxer niet gebruiken. Verzwakt Zwerm. –

‘Dat voelt tegennatuurlijk.’

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Fluxer niet nodig. –

‘Is er ook iets dat je niet kunt, Zwerm?’

Stilte.

Ik liep met een ruimte boog om de elfenbanken heen en zocht mijn weg terug naar het vliegveld, nog vastberadener dan voorheen een eind te maken aan de onzichtbare bedreigingen voor de mensheid. Als de indringer die in me zit dat toelaat. Daar twijfel ik nog over.

Met mijn fluxer in de aanslag liep ik verder, me nu terdege bewust van het gevaar in deze straten. De loden last was weer terug op mijn schouders. Wat als ik nu strandde, in het zicht van de haven? Die sporen zojuist waren dodelijk. Om elke hoek, onder elke steen, achter elke muur wachtte gevaar, het onverwachte. De Aarde was een dodelijke plek geworden, gemuteerd tot iets dat voor onze voorouders onherkenbaar en waarschijnlijk afschuwwekkend was.

Ik haalde een paar keer opgelucht adem toen ik de open ruimte van het vliegveld opliep. Mijn voertuigje stond netjes op de plek waar ik het achtergelaten had. Op het eind begon ik bijna te rennen. Mijn maag en buik zaten vol vlinders bij de gedachte dat het moment van bevrijding nu naderde.

 

#

 

In het licht van de ondergaande zon trok ik mijn tas uit het voertuig. Ik spande fluxlijnen en voerde mijn gebruikelijke rituelen uit om mezelf te beveiligen. Ik had geen idee hoe lang de modules nodig hadden om te activeren en of alles wel zou werken. Dan was ik liever op het ergste voorbereid.

Met haastige vingers drukte ik de modules in de daarvoor bestemde gaten van de kern. Met langzame eerbied klikte ik de laatste module op zijn plek en legde de voltooide puzzel voor me op het asfalt van de landingsbaan.

Langzaam opende een metalen iris zich bovenin de kern. Eronder lag een enkele, roodpulserende knop. Ik liet mijn rechterwijsvinger boven het oppervlak zweven, bedacht op tekenen dat mijn actie gestopt zou worden. Ergens betrapte ik mezelf dat ik erop wachtte.

‘Laatste woorden, Zwerm?’ Dat is het minste dat ik voor hem, het, hen, wat dan ook, kan doen.

̶  observatie: Zwerm weet niet wat Tanmee bedoelt. –

‘Wanneer mensen voelen of weten dat ze gaan sterven, spreken ze laatste woorden uit. Soms mooie of treffende woorden om de stervende persoon mee te gedenken.’

̶  observatie: Mensen zijn complexe wezens. God in het diepst van hun gedachten.–

‘En dat weet je omdat je mij hebt meegemaakt?’

̶  feit: Zwerm heeft informatie uit begintijd. Zwerm heeft jaren gewacht op gastheer. Gastvrouw.–

‘En ik  kwam toevallig voorbij.’

̶  vraagstelling: Maken goden niet hun eigen lot?–

‘Filosofische vragen terwijl ik om laatste woorden vraag.’ Ik liet mijn vinger dichter naar de roodgloeiende knop dalen.

̶  feit: Mensen kennen laatste wens, naast laatste woorden.–

Ik knikte. ‘Heb je een laatste wens?’

̶  verzoek: Zwerm wil schoonheid kennen. En gevoel.–

‘Denk je dat ik je dat kan leren dan?’

̶  feit: Goden kunnen dat.–

Ik vouwde mijn armen voor mijn buik en keek omhoog naar de eerste sterren die tevoorschijn kwamen nu de zon achter de horizon begon te verdwijnen. Ik dacht aan Akrim, aan zijn dromen en aan zijn leven, gewijd aan het vinden van een oplossing voor het dilemma van de mensheid.

‘Fijne god heb je uitgekozen om je dat te leren. Je hebt me geholpen, behoed voor gevaar, mijn leven gered. Meerdere keren ook nog. En ik heb geprobeerd je dood te fluxen.’

̶ feit: Flux verzwakt. Zwerm wil bestaan beschermen. Begrip voor Tanmee. Zwerm accepteert beslissingen. –

‘Zwerm heeft een doel gevonden.’ Ik wreef met mijn handen in mijn ogen en keek omhoog waar de hemel zwart begon te worden en steeds meer lichtpuntjes tevoorschijn kwamen. Langzaam vormde zich een idee in mijn hoofd, een zorgvuldig afwegen van de voors en tegens van het gebruik van Akrims oplossing. Voorzichtig koppelde ik de laatste module los en de iris sloot zich weer. Ik haalde alle modules los en borg ze weer op in mijn tas.

‘Ik ga je helpen je doel te verwezenlijken, Zwerm. Ik weet nog niet hoe, dat zullen we moeten uitvinden. Intussen bescherm jij mij. Misschien kunnen we je verspreiden onder andere mensen en dan kunnen we die ook beschermen.’

̶  vraagstelling: Tanmee stelt symbiose voor?–

‘Zo kun je het noemen.’ Ik knikte langzaam en haalde diep adem. Ik was vernieuwd en verbeterd. Ik zou in Akrims voetsporen volgen en proberen mijn medemensen, voor zover die er nog waren, te onder­wijzen en te helpen met de Zwermsymbiose, een mogelijkheid fluxloos door het leven te gaan en de aarde opnieuw te bevolken.

 

#

 

Voor het eerst sinds lange tijd kijk ik naar de lichtpuntjes boven me en droom over reizen naar planeten, ver de ruimte in.

Zoals Akrim dat ook ooit deed.

Alleen geef ik de sterren niet op.

Lirander van Windmare een Stervende Aarde verhaal : Tais Teng

Met het doven van de zon verschoof ook het menselijke zicht naar de langere golflengtes. In Ascolais kenden de dichters niet minder dan zeshonderd woorden voor rood, van juichend magenta tot duister alambar, en slechts één woord voor blauw en dat enkel om zeldzame, pas ontbrande, reuzensterren van het Rigel-type te beschrijven.

: Overpeinzingen van Phandaal

 

Lirander, 6 jaar

 

Stel je het uitzicht vanaf de Windmare-toren over de witte stad Kaiin voor. De huizen lagen uitgestrooid als de opgewreven rugwervels van een pronkbeest. De rivier Scaum meanderde door het hart van de stad, tussen oevers met zwarte laurierbomen en haar water gloeide op als vermoeide lava. Meer bruggen overspanden haar breedte dan zelfs een meester­geograaf kon opsommen.

Een zwerm pelgranen zwalkte de ondergaande zon achterna, nu eens in een klassieke zespuntige formatie, dan weer in een wulpse spiraal.

Hun jachtkreten deden het hart van de kleine Lirander sneller kloppen. Hoe graag was hij met hen meegewiekt om vrome priesters van hun gebedstorens te plukken en hun afgekloven botten in de mosvelden te laten ploffen!

‘Vertel me nog eens over mijn vader?’ vroeg Lirander aan prinses Morgenster. Lirander was zes jaar oud en een stoerder kleuter viel er amper in Ascolais te vinden.

Prinses Morgensters blik werd dromerig.

‘Cugel was zijn naam en hij was een schavuit, een vagebond. Twee weken logeerde hij in mijn toren en hij besteeg me drie, vier keer per dag. Geil als een deodand!’ Ze knikte. ‘Hij kon zulke prachtige verhalen vertel­len. Je zou bijna geloven dat het geen leugens waren.’

‘Hij dronk al je wijn op en daarna verliet hij je.’ Lirander trok zijn schoudertjes naar achter. ‘Later, als ik groot ben, zal ik mijn vader opsporen! Zodra ik hem vind, steek ik mijn glazen gifdolk in zijn buik en laat ik zijn ingewanden over de tegels uitrollen!’

Prinses Morgenster keek vertederd op hem neer.

‘Lief van je om dat te zeggen, maar ik denk niet dat hij wist dat ik zwanger was. Ik wist het zelf ook niet toen hij vertrok.’

‘Hij vertrok niet, hij liet zich ’s nachts van je balkon omlaag zakken aan een spinragdraad en nam je ketting van meermintranen mee.’

‘Dat is nu eenmaal zijn aard. Je kunt een deodand ook niet verwijten dat hij mensen verslindt.’

‘Ik zal Cugel vinden,’ bezwoer de kleine Lirander. ‘Al verschuilt hij zich in de diepste graftombes en draagt hij een masker van zwart porselein.’

‘Dan hoef je niet ver te zoeken,’ lachte zijn moeder. ‘Zie je die excen­trieke toren daar, als de versierde penis van een hetman? Dat is de villa van Iucounu de Lachende Magiër. Je vader Cugel versloeg hem en hij noemt zich nu magus. De luchtgeesten buigen voor hem en prins Kandive de Gouden noemt hem ‘Mijn goede vriend’.’

 

In het holst van de nacht, toen de dwaallichtjes over de lagere terrassen zwierden, tuurde Lirander uit zijn raam. De ramen van Cugels villa stonden als schitterende juwelen in de nacht en de wind droeg flarden van muziek aan, gelach.

Lirander bleef kijken tot zijn vingers wel ijspegels leken en hij moest klappertanden. Toen pas kroop terug in zijn bed en trok de deken van vorstkikkerbont over zijn hoofd om het feestgedruis niet langer te hoeven horen.

 

 

Lirander, 12 jaar

 

Als je twaalf bent zijn meisjes een gruwelijk urgent raadsel, een en al zwierende lokken en glinsterende ogen. Ze kijken op je neer alsof je een klodder poep onder hun elegante hakjes bent en wandelen vervolgens weg aan de arm van jongens die wel vijf jaar ouder zijn.

‘Kom mee,’ zei Liranders beste vriend Radeth. ‘Ik zal je iets zien wat je nooit eerder gezien hebt. Je zult je ogen niet geloven.’

‘Dat zal me benieuwen. Ik heb gezien hoe een visser een krijsende meermin op het droge trok en wat hij met haar deed. Is dit weer zoiets?’

‘Lith is eindeloos veel mooier dan zo’n vissenwijf. En zij is een mens, geen dier.’

‘Gaat me dat geld kosten?’

Een zekere achterdocht was altijd op zijn plaats voor je met een project van Radeth instemde. Radeth was lang niet altijd Liranders beste vriend. Soms, en misschien niet zo heel soms, was hij zijn bitterste vijand en wenste Lirander hem in de diepste hel, onder de hoeven van een snuivend duivelspaard.

‘Kijken is gratis. Wat ze doet als ze ons betrapt?’

Radeth schudde zijn hoofd. ‘Dan helpen geen duizend schatkisten. Ze is een heks, weet je.’

Seks en dodelijk gevaar: het was een onweerstaanbaar cocktail.

 

De Thamber Weide was een veeg korrelig groen pastel onder de rode hemel, vol vuistgrote donsbloemen, met het vennetje voor Liths hut een zilveren munt.

Ze lagen onder een struik met glasbessen die bij elke windvlaag tinkelden. De heks stond tot haar knieën in de poel en speerde kikkers en alen die zelfs in de vismand nog bleven jammeren en de vervulling van wensen beloofden.

Lith was inderdaad een stuk interessanter dan de zeemeermin, die niet veel meer dan een vis met borsten geweest was. Over Liths huid lag een zweem van goud, als het glitterstof op een vlindervleugel. Lirander had er dolgraag een vinger doorheengehaald en de smaak geproefd.

Hij pakte de ring die hij uit zijn moeders kistje geleend had en tuurde erdoor. Ineens leek Lith schokkend dichtbij, zo dichtbij dat hij de poriën van haar huid kon zien en elke porie was volmaakt.

Ze glimlachte en Lirander begreep dat hij nooit eerder een glimlach gezien had. Plotseling leek zijn broek hem akelig nauw en hij moest zich op zijn zij draaien, een knoop loswurmen.

‘Ze is veel te oud. Vast wel vijfentwintig.’

‘Als de vos niet bij de rijpe druiven kan, noemt hij ze zuur.’ Radeths vader was filosoof aan het hof van prins Kandive en dat kon je merken. Helaas maakte de ontstentenis van een sneeuwwitte baard Radeth eerder tot een hinderlijke betweter dan een wijze.

 

Een man beende de weide over, een kerel met rood leren laarzen, een mantel van smaragddraad. Zijn ogen waren even goudkleurig als die van de heks.

‘Liane,’ fluisterde Radeth. ‘Alle vrouwen zijn dol op hem!’

‘Hij is een schurk!’ protesteerde Lirander. ‘Net zo’n schavuit als Cugel.’

‘Precies. Daar zijn vrouwen juist dol op.’

‘Vast niet. Daar trapt Lith echt niet in.’ Lirander voelde een steek van pure, beschermende woede. Het was ondenkbaar dat Lith haar prachtige lippen zou laten bezoedelen met een kus of zich het witte jurkje van het lijf zou laten scheuren.

Liane zette zich op de oever, sprak woorden die door de afstand onver­staanbaar waren. Lith stapte heupwiegend op hem af, bukte zich en slingerde hem een handvol modder in het gezicht.

Liane brulde, wankelde achter haar aan. De deur smakte vlak voor hem dicht.

Radeths oren kwamen overeind en de pluimpjes op de punten wuifden. ‘Nu dreigt hij haar hut in brand te steken. Kijk, ze doet de deur open.’

De deur gleed na een korte woordenwisseling achter de twee dicht en Lirander stelde zich duizend zaken voor, allemaal onverdraaglijk. Lith was een tere vlinder, puur als zonlicht en ze zou zich nooit geven aan een wezel als Liane.

De deur bleef dicht en ineens gleed er een fantasie door zijn hoofd. Hijzelf, Lirander, beende op de hut af, in kleren die even elegant waren als die van Liane. En het was een andere Lirander, een die een kop groter was, met spieren die als lome slangen langs zijn botten lagen. Een Lirander om wie de meisjes uit zijn eigen tempelklas nooit zouden gniffelen.

‘Lith,’ zei hij met een stem zwaar en mannelijk, een gewreven-eikenhouten-schatkist stem. ‘Lith, mijn allerliefste.’

De deur zwaaide open en Liane stapte naar buiten. Hij hief zijn hand groetend op en wandelde weg.

‘Hebben ze al….’

‘Nee, te kort,’ zei Radeth. ‘ Dat lukt zelfs een konijn niet. Er komt elke dag wel een geile figuur langs en het rare is dat ze nooit terugkeren. Terwijl ze toch bij hun vertrek steeds verlangend over hun schouder blijven kijken.’

Lith stond nog steeds in de deuropening en wuifde. Naast haar schouders zweefde een dozijn zilveren rapieren, klaar om toe te slaan. Dit was duidelijk een meisje waarbij het riskant was aan te dringen als ze ‘nee’ zei.

Ze knikte, trok de deur achter zich dicht.

‘Hier kwamen we voor?’ vroeg  Lirander.

‘Even geduld. Zodra zo’n man achter de heuvel verdwenen is, gaat ze in het meertje baden. Met al haar kleren uit.’

Lirander herinnerde zich rijkelijk laat hoe riskant het is badende nimfen te bespieden. Je veranderen in een hert zodat je door je eigen jachthonden werd verscheurd, was nog een van hun mildere reacties.

‘Ik heb geen jachthonden,’ mompelde Lirander en bracht de ring voor zijn oog.

‘Wat zei je?’

‘Hij zei: ik heb geen eigen jachthonden.’ De stem was honing, rijp bijengezoem. De ring viel uit zijn vingers. Lith stond voor hem, dichterbij nog dan zonet in de ring. Haar borsten welfden als heuvels en hij wist dat hij die rondingen nooit zou vergeten, de perfectie van haar glimlach.

‘Je bent te jong,’ zei Lith. ‘Kom terug als je meer dan een gretig wormpje tussen je benen hebt bungelen.’

Ze woelde door zijn haar, wierp hem een kushandje toe en de weide was leeg.

‘Zag je…’

‘Wat?’ vroeg Radeth.

‘Laat maar.’ Lirander drukte zich op. ‘Ik ga naar huis. Dit is onzin.’

‘Je durft niet. Bang voor een meisje!’

Hij was nog zo vol van haar glans, van haar zomergeur dat hij Radeth niet eens een stomp gaf.

 

Zodra je oud genoeg bent, had ze gezegd, maar Lith was een paar maanden later verdwenen en haar hut stond leeg. Zelfs haar geur was verdwenen toen Lirander zich op een namiddag naar binnen waagde. In het vennetje kwaakten de kikkers zo uitbundig dat het duidelijk was dat ze niets te duchten hadden.

 

 

Lirander, 16 jaar

 

Hij ontmoette Eilane van de Negen Excellente Uilen op het Oogstfeest. De magus Turjan had voor één nacht de oude, verloren maan in de hemel teruggehangen en alles was koel en zilver en bovenal betoverend. Meisjes en jongens dansten tussen de omgevallen beelden van het Arcadium en niemand droeg die nacht een masker of zelfs maar zijn eigen naam.

‘Je doet me aan iemand denken,’ zei ze.

‘Ik weet wel aan wie,’ antwoordde Lirander bitter want dit was niet de eerste keer dat iemand die opmerking maakte. Zijn neus was spits en beweeglijk, zijn mond breed, net als de gelaatstrekken van iemand die hij beslist niet bij naam wilde noemen.

‘Maar jij bent veel knapper,’ besloot ze. ‘En vast betrouwbaarder.’ Waar­door hij begreep dat ze zijn vader ontmoet moest hebben en ongetwijfeld met hem gevreeën had.

Eilane, als ze inderdaad Eilane heette, had echter ogen die wel uit maan­steen geslepen leken en toen ze haar gezicht ophief voor een kus zag Lirander hele continenten in de dieptes, wonderbaarlijke eilanden die hij dolgraag zou verkennen, het liefst de rest van zijn leven.

 

‘Heb je wel eens met een meisje geslapen?’ vroeg ze later in de nacht, toen de maan al boven de heuvels te aarzelen stond.

‘Natuurlijk! Hoe…’

Ze legde een vinger op zijn lippen. ‘Dat lieg je. Niet erg. Ik leer het je wel.’

Wat kan een jongen van zestien zich nog meer wensen? Zo’n prachtmeid en dan waren die uilen er ook nog… Wie had ooit gedacht dat uilenveren zo heerlijk zacht en deinend konden zijn? Ze vlogen door de hemel op een matras van zwiepende vleugels en de valse maan zeilde met hen mee.

 

Lirander ontwaakte doordat er een spin over zijn voorhoofd rende en, en passant, in zijn oorlel beet. Hij veerde op, staarde wild om zich heen. Hij moest op dat bed van geurige naalden geslapen hebben, op een open plek in een bos dat waarschijnlijk provincies verder groeide: de uilen hadden flink doorgevlogen.

Geen spoor meer van zijn geliefde. Naast het hoofdkussen van sterren­mos wachtte een beschreven eikenblad.

‘Ga vooral zo door!’ spoorden sierlijk gekalligrafeerde letters hem aan. ‘Je bent al bijna even goed als je vader.’

Ellende komt nooit alleen. Vanaf de bosrand klonk een gedempte kuch en een deodand stapte uit de schaduwen. Het monster had de gestalte van een mens, maar met een dof zwarte huid en bloedrode ogen.  Hij spreidde zijn geklauwde handen in gespeelde verbazing en zijn grijns ontblootte een formidabel stel puntige tanden.

‘Is er een mooier begin van de dag denkbaar dan een verse jongeling?’ Zijn stem was een aangename bariton.

‘Raak me niet aan!’ Lirander graaide naar zijn glazen dolk. Getrokken bleek het wapen hoogstens een vijfde van een deodandse slagtandlengte te meten.

‘Hij is giftig!’ riep Lirander vertwijfeld en zwaaide met zijn wapen.

‘Was giftig,’ verbeterde de deodand hem. ‘Zo te zien is het reservoir leeg.’ Hij verstijfde. ‘Die stem. Ik ken je ergens van…’ Zijn ogen verwijdden zich tot de stervormige pupil de halve oogbol besloeg. ‘Jij! Daar trap ik geen tweede keer in.’

Hij maakte een koprol achterwaarts, pardoes een doornstruik in en worstelde zich jammerend dieper het woud in.

 

Het universum streeft evenwicht na. Dat je gloednieuwe vriendin je niet geheel complimenteus met je vader vergeleek, weegt aanzienlijk zwaar­der dan het behouden van je leven omdat een deodand je voor die­zelfde vader hield.

‘Ik vermoord hem,’ mompelde Lirander elke mijl van de lange, lange terugtocht naar Kaiin. ‘Ik maak hem helemaal dood.’

 

Lirander liep de hele bloedkoraalrode dag door, toen onder de sterren en arriveerde pas in het vroegste uur van de ochtend bij de Windmare-toren.

Bij het hoogste balkon bespeurde hij een steelse beweging. Een gestalte liet zich aan een spinragdraad zakken, haastte zich weg.

Lirander probeerde hem niet eens te identificeren. Cugel was niet de eerste van zijn moeders minnaars die de toren op deze wijze verliet en evenmin zou dit de laatste zijn.

 

De schatkisten van de Windmare-toren zijn letterlijk bodemloos: je zult er nooit in grabbelen zonder omhoog te komen met een barnstenen ketting, een zilveren orchidee of een antieke munt die glimlichtjes van begeerte opwekt in de varkensoogjes van een verzamelaar.

‘Dat wordt dan zo’n duizend terces voor de Mantel der Onaanzien­lijkheid,’ zei de magister, ‘met een bijkomende veertig voor mijn zegen.’

‘Je zegen is overbodig, beste man, ’ zei Lirander en trok zijn tuniek open. Ter hoogte van zijn borstbeen bungelde een uitgelezen verzameling amuletten: gedroogde stuifzwammen, de versteende hoektand van een marsupilami, het linkerwijsvingerkootje van de heilige Jaspodel die enkel wijn dronk en in heel zijn leven geen druppel water of melk had aangeraakt.

‘Ik zie het. Toch zou ik je willen aanraden om…’

Lirander luisterde niet langer en trok de deur achter zich dicht. Goede raad werd altijd veel te duur betaald en was zelden van werkelijk nut.

Bovendien was dit de achtste magiër al die hij bezocht. Hij was nu wel goed genoeg uitgerust. Behalve de mantel en de sleutel, roteerden er ook niet minder dan vijf spreuken door zijn brein, klaar om uitgesproken te worden en de ruimte te verwringen.

 

Cugels villa lag doodstil onder een hemel vol sterren waarvan de meeste intussen even rood waren als de stervende zon. Een loodstenen trap voerde omhoog naar de poort.

Lirander glipte langs de dommelende granieten leeuw bij de poort. De ogen sprongen open en keken hem doordringend aan.

‘Ik zie je,’ gromde de leeuw. ‘Je bent….’ De magie van de mantel nam het over. ‘Niet meer dan een schaduw, een loze windvlaag.’ De leeuw sloot zijn ogen.

Lirander stak de Sleutel van Arma-Adret in de mond van de deurklopper. Een klik: de deur schoof opzij waarbij de eikenhouten planken golfden als een damasten gordijn.

Op de drempel stond een man met een opgeheven staf waarvan groene vlammen dropen. Hij droeg het gezicht dat Lirander elke dag in zijn eigen scheerspiegel zag.

‘Vreemd,’ zei Cugel. ‘ik dacht toch dat ik wat hoorde? Een steel geknars.’ Hij knikte. ‘Zekerheid voor alles.’ Hij wapperde met zijn mouw en een dozijn motten fladderden op Liranders mantel af en verslond de stof in een oogwenk.

‘En wie hebben we daar? Naakt en met niet meer dan wat povere draden om zijn lijf?’

‘Ik  ben…’

Cugel hief een hand. ‘Zwijg!’

Liranders lippen zogen zich prompt aan elkaar vast en zijn tong werd inert als een zeekomkommer. Onmogelijk om zelfs de geringste ver­vloeking uit te spreken.

‘Een huurmoordenaar ongetwijfeld. Ik vraag me af wie je gestuurd heeft. Nu ja, dat is te riskant om je te vragen, eh, jongeman? Ik zie dat de spreuken je ogen laten puilen en op het puntje van je tong vonken..’

Hij herkent me niet eens! dacht Lirander. Op de een of andere manier was dat nog het onverdraaglijkst van alles.

‘Volg mij,’ beval Cugel en Liranders voeten zetten zich gehoorzaam in beweging. ‘Laat mij een passende straf bedenken.’

Ze bestegen een dozijn wenteltrappen die in richtingen draaiden die diep onwaarschijnlijk waren en kwamen ten slotte op een balkon uit..

‘Ik weet het!’ kraaide Cugel. ‘De perfecte straf voor een dief.’ Hij trok een foliant uit de lege lucht.  ‘Iucounu riep een span demonen op die mij in een ijzeren kooi naar de andere kant van de wereld transporteerden. Iedereen kent het verhaal hoe ik die spreuk bij mijn terugkeer verkeerd uitsprak en opnieuw verbannen werd. Die Cugel bestaat niet langer!’ Hij drukte een vuist tegen zijn borst. ‘Ik ben een volleerde magister, een vakman. Geen spreuk zal ooit mijn tong nog doen struikelen.’

Hij opende het foliant en de arcane woorden stroomden inderdaad moeiteloos van zijn lippen.

Een draai van de ruimte zelf, een purperen flits: twee demonen daalden uit de nachthemel neer en hun gietijzeren kooi landde met een smak op de mozaïektegels.

‘Neem hem mee!’ wees Cugel. ‘Deze keer weet ik absoluut zeker dat ik mij niet versproken heb.’

‘De bezwering was perfect, baas,’ zei de grootste demon die een rottende hanenkam als kuif had, en de ogen van een dode schelvis. ‘Zeg maar niks: na twee keer weten we echt wel wie we moeten meenemen.’ Hij greep Cugel vast, smeet hem in de kooi.

Een tweede draai en de kooi zwiepte omhoog, kromp tot een stip.

 

 

Lirander, 17 jaar

 

‘Oh,’ zei Lith, ‘je hebt al bezoek en ze heeft nog minder kleren aan dan ik.’

Eilane van de Negen Excellente Uilen glimlachte. ‘Kom er bij. Lirander hier is al bijna even bedreven als zijn vader, maar hij kan nog wel wat onderricht gebruiken. Ik heb niets tegen triootjes.’

 

 

Lirander, 128 jaar

 

Steelse voetstappen, het bijna onhoorbare knarsen van een betoverde sleutel. Lirander leunde zijn staf tegen de muur, liet met een vingerknip een tweede leunstoel uit het marmer groeien. Een draai van zijn duim vulde de wijnglazen.

‘Ik verwachtte niet werkelijk ongemerkt naar binnen te kunnen sluipen,’ zei Cugel toen de deur openzwaaide. Zijn gezicht leek een en al rimpel en zijn schedel was kaal als een stuifzwam. ‘De derde keer kostte het me wat langer om thuis te komen,’ vervolgde hij en zijn stem was die van een vermoeide, oude man. ‘Je hebt het goed voor elkaar. Ik hoorde dat je de Aartsmagister van Ascolais bent en mensen je een tweede Pandelume noemen.’

‘Zet je neer, vader,’ zei Lirander. ‘Wat je zei, klopt allemaal. Maar faam en macht leverden ook vijanden op. Rivalen. Ze zijn talrijker dan de doorns van een reuzencactus.’

Cugel plofte in een leunstoel neer. ‘En je hebt mijn raad nodig, de raad van je oude vader. Omdat ik, ondanks al je wijsheid en je magie, nog steeds een grotere schavuit ben dan jij.’

‘Leer me al je rotstreken, de leugens die beter klinken dan welke spreuk dan ook en ik maak je weer jong, zet een kirrende maagd op elke knie!’

‘Je bent een goede zoon,’ zei Cugel en er welde zowaar een traan op in een van zijn ooghoeken. Hij leunde naar voren: ‘Luister, zoon…’

Vergeten getallen in een ver verleden : Jorrit de Klerk

Zelfs in het kantoor van de directeur, op de hoogste etage, voelde ik het klagende getril van de Machine diep onder het gebouw; een disharmonie van vibraties waarmee de tijd leek te benadrukken dat ons gemanipuleer niet op prijs gesteld werd.

‘Agent Eén,’ zei de directeur, ‘is verdwenen.’

Een onwillekeurige herinnering aan Eén. Hoe hij dicht tegen me aankroop na het bedrijven van de liefde, in een appartement in Sydney dat uitkeek over de baai. Regen in het water en in de verte de eeuwen­oude opera, een betonnen reliek uit vervlogen tijden.

‘Agent Twee?’

Ik schrok op. De directeur schoof over het bureau een dossier naar me toe. Ik activeerde het en Eén keek me vanaf een oude foto aan.

‘Hij is zeven uur geleden op missie gegaan. We…’ De directeur pauzeerde en leek naar woorden te zoeken. ‘We zijn een wereldoorlog ingesprongen.’

Ik huiverde.

‘D-day,’ vervolgde ze, ‘het omslagpunt van de Tweede Wereldoorlog; de geallieerde invasie in voormalig Frankrijk. In een gebied dat bekend stond als Normandië.’

Ik scrolde door het dossier. Grafieken, kansberekeningen, tijdknoop­punten en sprongmomenten. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Mijn ogen werden vochtig bij de gedachte aan Eén, verdwenen. De pixels op het scherm versmolten tot vegen.

‘Ik dacht dat als we ooit een knooppunt in één van de oorlogen zouden vinden, we er ver vandaan zouden blijven.’ Mijn stem sloeg over en de directeur fronste.

‘Laten we er niet omheen draaien. Ja. Er is iets misgegaan en de historische dienst is druk in het archief op zoek naar gevolgen.’ Ze zuchtte, omdat ze net als ik wist dat als het allemaal nog langer duurde er vragen kwamen, dat aandeelhouders die het niet konden begrijpen meer wilden weten. De directeur vouwde haar handen. ‘Het spijt me, Twee, dat je niets wist. Eén vond het belangrijk om jou… Wij weten niet goed waarom hij jou erbuiten wilde houden. Misschien… Het was de eerste maal dat we een sprong naar één van de grote oorlogen konden maken en we veronderstelden dat we alle risico’s hadden beschouwd.’

Ik dacht aan de afgelopen maanden. Het was alsof een puzzel van herinneringen bijna in elkaar schoof. Eén geconcentreerd starend naar zijn scherm, calculerend, op dat terras in Barcelona. Dat laatste verwar­rende weekeinde in Amsterdam. Alle nachten die hij bleef door­werken, zijn obsessie en de zoektocht naar de ontbrekende variabele, het waarom van de knooppunten in de tijd. De oplossing. En nu had hij iets gevonden. In 1944.

En mij had hij buitengesloten. Uiteindelijk.

Mij.

De directeur zei: ‘Voor de duidelijkheid: we hadden het volste vertrouwen in Eén maar we kunnen niet uitsluiten dat hij iets… onverwachts heeft uitgevoerd. In heeft willen grijpen in de oorzaken en gevolgen. Wie weet? Wie wil niet Hitler vermoorden als hij de kans heeft? De tijdlijn op het spel zetten…’

Ik deactiveerde het dossier. Wat had Eén ontdekt in 1944? Waarom had hij mij verlaten?

‘Als we over een uur nog niets weten,’ zei de directeur, ‘verlaat je het nu en sturen we je naar een later sprongmoment van het knooppunt. Plaatsbepaling wil je naar het twintigste priemmoment laten gaan. Naar 2015. Veilige afstand. Eerste verkenning voor lokale inventarisatie.’

‘En als ik niets kan vinden in 2015?’

‘Fout, Twee. Je moet iets vinden.’

 

Bij de historische dienst liepen operateurs, historici en tijdlijnanalisten snel en gefocust van bureau naar bureau. Ik keek naar de reusachtige projecties op de wand, van de Franse kust zoals die midden twintigste eeuw was, ver voor de vloed.

‘Hallo, Twee.’

‘Hoofd-operateur. Ik heb begrepen dat je een upload voor me hebt.’

De man gebaarde naar een grote stoel. Ik ging zitten.

‘Dus Eén is de Tweede Wereldoorlog ingesprongen?’ vroeg ik.

De hoofd-operateur rommelde in de kast naast de stoel en ontweek mijn blik.

‘Het was geheim, Twee. Hij wilde niet dat jij iets wist.’

‘Ik had hem tegen kunnen houden. Nu is hij misschien dood.’

‘Daar hebben we geen bewijs van.’

Ik greep zijn arm.

‘Ik heb het dossier gezien. Eén is gesprongen. Als soldaat. Het knooppunt in 1944 was precies op het strand. Tijdens de geallieerde landing! Hoe kon Eén ooit zo’n risico nemen?’

De hoofd-operateur haalde zijn schouders op.

‘Twee, ik weet het niet. Laten we de upload starten. Ik heb hier kennis over de periodes, vanaf het door Eén berekende knooppunt en de verschillende priems erna. Tot en met jouw geplande sprong naar 2015. Misschien helpt het je.’ Hij reikte me de hoofdband aan. De elektroden voelden koud op mijn voorhoofd. De hoofd-operateur ging zitten, trok een beeldscherm en toetsenbord naar zich toe en begon commando’s in te voeren.

 

Sommige mensen schenen nergens last van te hebben na een upload. Ik had het gevoel dat een bom was ontploft en de scherven door mijn schedel prikten. Mijn brein verzette zich tegen de nieuwe kennis die door mijn hoofd krioelde als een virus. Ik besefte dat ik in het Frans zat te denken, een taal waarvan ik een half uur eerder nog geen woord kende.

‘Gaat het?’

De hoofd-operateur hield me een glas water voor. Na een volgende golf van misselijkheid schudde ik mijn hoofd.

‘Je moet er niet zo tegen vechten.’

Hij klopte op mijn schouder en verdween weer in de opwinding van de afdeling. Met mijn hoofd op het zachte stoelkussen staarde ik naar het felle licht aan het plafond. Wervelwinden van geïmplanteerde herinne­ringen joegen door mijn hoofd. Ik zocht naar iets vertrouwds. Iets echts. De puzzel. Herinneringen aan Eén.

Onze laatste, moeizame dag in Amsterdam.

Nee.

Eén zittend op dat terras in Barcelona. Een chique zaak, waar je nog door echte mensen werd bediend.

‘Hoe oud ben je?’ had hij gevraagd terwijl hij, zoals altijd, zat te rekenen op zijn scherm. Ik dacht na maar kon het antwoord niet geven. Hoeveel decennia was het geleden?

Door de barrières van de tijd zocht ik naar beelden uit mijn kinderjaren. Ik zag stof dwarrelen in de lichtbundels die door mijn slaapkamerraam schenen. In de verte hoorde ik mijn moeders stem.

‘Wat maakt het uit hoe oud ik ben? Wat maakt dat nog uit tegen­woordig?’

‘Niets,’ antwoordde Eén, de blik op zijn scherm alsof hij nog iets wilde invoeren. Maar hij nam zijn laatste slok cappuccino, zette zijn kopje neer en staarde door het restaurant en de witte ruis van de aanwezigen. Ik volgde de serveerster, in zwart en wit gekleed, die zwierend met een rood dienblad, gekrast door duizenden andere cappuccino’s, op haar lange benen tussen de tafels van het terras leek door te dansen.

‘Of alles,’ zei hij en bestudeerde de serveerster ook. ‘Vind je haar aantrekkelijk?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar het scherm. Ik vroeg: ‘Ben je weer aan het rekenen?’

‘Ja.’ Achteloos veegde hij formules aan de kant.

‘Wat zoek je?’

‘De missende variabele. De oplossing.’

Ik legde mijn hand op zijn been, gleed langzaam hoger en zocht zijn blik.

‘De oplossing van wat?’

Hij keek me aan.

‘De oorsprong van de knooppunten. Waarom kunnen we alleen springen naar specifieke momenten en niet naar de momenten die we zelf bepalen? Wat is het geheim van de tijd?’

‘En heb je al een idee?’

‘Misschien.’ Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Maar je ontweek mijn vraag. Ben jij gelukkig?’

‘Hou op,’ zei ik en trok mijn hand weg, ‘wat een achterlijke vraag. Wie is er nou ongelukkig tegenwoordig? Ben je zenuwachtig voor onze volgende sprong?’

Ik nam mijn laatste slok en zette het kopje neer. Hard. Koffie spetterde over de tafel, een druppel kwam op het scherm van Eén terecht. Aan een ander tafeltje werd afkeurend opgekeken.

 

Een hand op mijn schouder verdampte de herinnering. De hoofd-operateur stond over me heen gebogen.

‘De directeur wil dat je gaat. Je gaat springen naar het strand van Saint-Aubin-sur-Mer. Zaterdag 6 juni 2015, rond het middaguur. Op dezelfde plek waar soldaat eerste klasse Henry Cooper verdwenen is, 71 jaar eerder.’

Henry Cooper. De naam waaronder Eén was gesprongen.

De hoofd-operateur gaf me een ouderwets horloge. Ik staarde naar wijzers die een verkeerde tijd aangaven.

‘Test de DNA-identificatie van je springer even, alsjeblieft.’

Ik draaide aan de rand van de wijzerplaat. Linksom, rechtsom. De man keek op zijn scherm, knikte en daarna volgde ik hem de lift in die naar de kelder van het gebouw en de Machine leidde.

 

‘Wie bent u?’

Ik nam een stap naar voren, knipperend tegen fel zonlicht na het zwart van de Machine en de sprong. Een overweldigende geur hing om me heen, warme zomerlucht verzadigd met aroma’s van zout en vis. Mijn handen vonden een lauw aanvoelend stuk steen, een balustrade. Ik zag strand. De wind suisde door mijn haren. Mijn blik gleed over de horizon en een blauwe zee; de bron van de bijna tastbare geur. Met moeite wist ik op de been te blijven, mijn kin nog vlakbij de balustrade, witte aders marmer­den het zwart, als bleke bloedvaten. Links zag ik wapperende vlaggen van de oude, verdronken naties. Rechts: kleurige objecten waar verbazing­wekkende kleine mensjes op zaten en klommen. Langzaam raakten mijn ogen gewend aan de zon. Toen besefte ik me pas dat het kinderen waren. Zoveel kinderen! Een meisje staarde me boos aan. In de ene hand hield ze een bruine knuffelbeer, in de andere een ijsje waar ze een lik van nam.

‘U mag niet in de speeltuin komen. U bent een groot mens en grote mensen mogen niet in de speeltuin. Alleen kinderen.’ Ze hield haar knuffelbeer omhoog. ‘En Fluffy. Waar komt u vandaan? Zonet was u hier nog niet en nu wel. Bent u een spook?’

‘Nee… ik… wat…’ stamelde ik. Ik besefte dat ik geen Frans sprak terwijl het kleine meisje dat wel deed. Ik vervolgde in haar taal: ‘Niets aan de hand, ik…’

Een gezette man kwam woest op me af, met de verbeten uitdrukking van iemand die geen macht heeft maar het wel wil hebben. Strakke lippen, een T-shirt nog strakker gespannen over de dikke buik, waardoor de schaars geklede vrouw, die op het stof geprint was, akelig vervormde. Een te stevige hand pakte me bij mijn schouder. Zweetlucht walmde om me heen.

‘Deze speeltuin is alleen voor kinderen.’

‘Ja, ja,’ stamelde ik, proberend een uitweg te zoeken uit een groeiend aantal boze ouders. Kleding, kapsels, gezichten, houdingen, hopeloos ouderwets en vreemd. Ik voelde me de indringer die ik was en merkte hoe ik de controle verloor. Snel schakelde ik over naar een andere taal, in de hoop de mensen een rad voor ogen te draaien.

‘Ik ben een toerist, ik zoek… ik zoek…’

‘Misschien moeten we de gendarme maar gaan zoeken?’

‘Wacht even!’ riep iemand die uit de menigte opdook. Ze was slank. Donker haar, kastanjebruine ogen die me herinnerden aan… Aan wat eigenlijk? Zachte handen die me bij mijn pols grepen.

‘Het is mijn oom,’ hoorde ik haar zeggen, maar ik bleef nog staren naar die ogen, en mijn gedachten zochten, zoals je een woord zoekt, dat je weet dat je zou moeten weten, omdat je het geleerd of geüpload hebt, maar het net niet terug kan halen.

‘Ja,’ antwoordde ik automatisch.

‘Hij is bij ons op bezoek.’ Ze staarde naar de nors kijkende mensen, ongeruste ouders en opgewonden kinderen. ‘Hij komt uit het buitenland,’ zei ze, alsof daarmee alles duidelijk was, en uit het geknik om ons heen leek dat ook zo. De dikke man bekeek het fronsend, maar ze trok al aan mijn hand en leidde me de massa uit. Als een ijsbreker van zekerheid sneed ze eenvoudig door de kille nieuwsgierigheid. We liepen verder, over de warme boulevard, en ik keek nog één keer achterom.

‘Maar…’ begon ik.

‘Stil,’ zei ze, ‘snel. Sneller.’

Rue de L’école. Bar Tabac. Een groen, knipperend kruis van neon aan een muur, een donkere kat, blazend, hard wegrennend. Sneller. Knisperend grind, een deur, de geur van eeuwen, duisternis. Een klik. Gloeilamp.

 

Ik staarde naar haar, hoe ze met een bepaalde gratie haar haar in een staartje deed met een wit bandje. Hoe ze nog even door het raam van de kamer naar buiten keek, waar de boulevard moest zijn, om daarna twee glazen van een plank te pakken en er wijn uit een groene fles in schonk.

‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zei ze. ‘Ik had al drie uur gewacht en begon te twijfelen.’

Ze schoof het glas naar me toe, nam een grote slok voor ze ging zitten. Ik volgde haar beweging, haar bruine benen, haar voeten met donker gelakte teennagels, in lichte slippers. Ze dronk nog een slok.

‘Wie ben je?’ vroeg ik.

Een glimlach.

‘Ik hoopte dat je eerste vraag toch zou zijn: ‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Maar het antwoord op de eenvoudigste vraag is: Anne.’

Ik keek naar het glas. Woorden weigerden te komen.

‘Ik wist dat je hier vandaag zou verschijnen.’

Mijn blik gleed van haar richting een schilderij van de heilige Maria.

‘Hij vroeg me om je iets te laten zien.’

‘Wie?’ vroeg ik.

‘Mijn grootvader.’

Ik slikte.

‘Wie is je grootvader?’

Anne opende haar mond, als om iets te zeggen, maar nam in plaats daarvan een slok. Ze tuurde in het lege glas, en haar mondhoeken trokken een beetje omhoog, alsof ze moest lachen om iets wat ik niet zag. Ze keek me aan.

‘Kom mee,’ zei ze.

 

Ze nam me mee in een auto die schokkend over een wegdek snelde dat zo vaak was gerepareerd dat het in een lappendeken van tientallen soorten en kleuren asfalt was veranderd.

De naam Tailleville flitste voorbij, op een wit bord met rode rand, en we reden een klein dorp in. De weg voerde ons vlak langs muren die zo oud leken dat ik bang werd dat ze zo uit elkaar konden vallen. Het dorp eindigde even onverwacht als het was begonnen en ik zag korenvelden, goudgeel golvend. De geur van zee nog steeds nadrukkelijk aanwezig, vermengd met de uitlaatgassen en de aardsheid van de velden. Een snerpende claxon, de hand van Anne die in een snelle vuist omhoog ging en een korte kwade blik richting een man in een kleine rode auto. Vijftig meter verder leek ze het alweer vergeten.

‘We zijn er bijna,’ zei Anne en remde hevig. Ik zag een rood esdoornblad op wit en dankzij mijn upload wist ik dat het de vlag van de oude Canadese natie was. Na een scherpe bocht, waarbij ik bijna uit de auto werd geslingerd, kwamen we tot stilstand. Anne keek op haar horloge, stapte uit de auto en maande mij hetzelfde te doen. Ik rende over een keurig gemaaid grasveld haar achterna, langs wonderlijk goed onder­houden gebouwen, netter dan ik tot dan toe had gezien in haar verleden. Uit het gras stegen gesnoeide bomen op. Gebeeldhouwde, maar echte esdoorns.

Daarna, stenen.

Honderden.

Witte stenen, rij na rij. Graven, dat waren het. Doden. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, elke steen was één persoon, gestorven in een strijd lang geleden. Ik kwam tot stilstand en staarde met open mond over de zee van witte stenen. Zoveel. Ik zag gele vlinders die dwarrelden van boom tot boom, tussen de graven en de zomerhitte door, begeleid door loom getjirp van ongeziene vogels. Ondanks de overweldigende aanwezig­heid van de dood hing er een serene sfeer op het grafveld. Mijn hart bonkte.

‘Kom,’ zei Anne. Ze was tot stilstand gekomen bij een graf. Traag liep ik naar haar.

‘Hij zei dat je het zou begrijpen,’ zei ze en ik volgde haar blik naar het witte marmer, las wat er in gebeiteld was. Soldaat eerste klasse Henry Cooper en daaronder: Hij gaf zijn leven om een ander te redden.

Eén.

Het was alsof iemand me in mijn maag stompte en ik moest me vastgrijpen aan de steen.

Eén was dood. Nog net. Al eeuwen. Tijdkrommen, diagrammen. Knoop­punten, sprongmomenten, priemgetallen.

‘Mijn grootvader,’ begon ze, ‘vocht mee tijdens de invasie. In 1944.’

Ik knikte. Tranen welden op.

‘Maar hij… deserteerde, zo noemde hij het.’

Met een ruk draaide ik mijn hoofd haar kant op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik met trillende stem.

Anne zuchtte.

‘Mijn grootvader kwam niet om tijdens de invasie. Zijn dood is in scène gezet. Hij…’ Ze pauzeerde en keek weer naar de steen. ‘Mijn grootvader is pas in 1987 overleden.’

Ik keek in haar donkere ogen.

‘Hij ontmoette mijn grootmoeder die dag van de invasie, in Tailleville. Mijn grootvader vocht voor de Canadezen. Hij raakte gewond en mijn grootmoeder hielp hem.’

‘Maar…’ zei ik, kijkend naar de grafsteen. Anne leek mijn twijfel te begrijpen.

‘Mijn grootvader besloot te blijven,’ zei ze, ‘bij zijn Marie. Niet meer terug te gaan naar waar hij vandaan kwam. Hij had het gevonden. Hij zei… Hij schreef dat jij op een dag zou komen en dat ik je mee moest nemen naar deze plek en dat… dat jij het zou begrijpen. Dat hij wist dat je het juiste zou doen.’

Ik slikte.

Ik wilde het begrijpen. Wilde. Maar ik kon het niet.

Na een aarzeling pakte ze mijn hand beet. Ik merkte het nauwelijks.

Eén, verdwenen—nee, gevlucht—in het verleden.

Waarom?

‘Was hij gelukkig?’ vroeg ik.

Anne lachte.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik heb niemand ooit gelukkiger gezien dat mijn grootouders. Ze leefden alsof elke dag hun laatste was. Of hun eerste.’

Het geluk.

Het geluk dat hij niet bij mij had kunnen vinden.

Maar het geluk dat hij gevonden had in het verleden.

‘Mijn moeder was degene die zijn dood in scène zette,’ zei Anne, ‘hopend dat degene die hem naar het verleden hadden gestuurd hem niet zouden vinden. Mijn opa wilde nooit op foto’s, omdat hij wist dat ze hem dan konden vinden. Hij was gedeserteerd, zei hij soms, omdat hij niet meer kon leven in de wereld waar hij vandaan kwam.’

Een traan rolde bitter over mijn wang.

‘En nu?’ vroeg ik.

Anne kneep haar oogleden tot kleine spleetjes.

‘Nu moet je gaan’, zei hij.’

‘Goed,’ zei ik, de woede in mijn stem niet meer maskerend. Ik trok mijn hand los uit haar greep en zocht naar de rand van mijn horloge. Ik draaide. Links, rechts, links, links. De combinatie om de sprong terug te activeren. Ik had Anne niet eens gewaarschuwd.

Een trilling. Stijgend, weer dalend. Klagend bijna.

‘Wacht, ik…’ riep Anne nog, haar stem al oneindig ver.

De wereld. Trok samen.

En toen. Was er.

Ik sprong.

Niets.

Donker. Blauw licht.

Terug in de Machine. Terug in het nu.

Oh, Eén. Ik heb het niet op tijd gezegd. Niet gezegd dat ik echt gelukkig met jou was.

Geef me nog een kans.

 

‘Ik wil naar D-day,’ zei ik.

‘Wat?’ vroeg de directeur. ‘Waarom?’

‘Laat me teruggaan om zijn dood te voorkomen.’

Haar ogen doorboorden mij als lasers en ik vreesde dat ze in de bunker van mijn leugen de waarheid zag.

‘Waarom, Twee?’

‘Omdat…’ Ik zocht naar passende woorden, maar mijn hersenen leken in brand te staan, aangestoken door de blik van de directeur, en door de rookontwikkeling wist ik niets te zeggen.

‘We hebben een agent verloren in het verleden. Natuurlijk. Zijn dood is… onwenselijk. En nu vraag je om er achteraan te gaan? Ik heb met de aandeelhouders gesproken; die willen het liefst zo snel mogelijk dit onder het spreekwoordelijk vloerkleed schuiven. De Machine is bedoeld voor heel andere doeleinden. We hadden nooit aan deze missie moeten beginnen.’

‘Ik…’

‘De historische dienst kan geen gevolgen vinden in de tijdlijn en alle fysieke bewijzen zijn verdwenen in de vloed. Het spijt me. Maar misschien is het beter…’

‘Nee.’

De directeur staarde me seconden aan, zonder iets te zeggen.

‘Je balanceert op een dunne lijn, Twee. Misschien ben je vergeten wie degene is die bepaalt wat er gebeurt.’

Onmacht en woede trok mijn schouders strak.

‘Eén was iets op het spoor,’ zei ik. ‘Hij dacht variabelen te hebben ontdekt, de redenen van de knooppunten. Hun oorsprongen.’

De directeur schudde haar hoofd.

‘De oorsprongen zijn een enigma. Ongrijpbaar als de raadsels van de priemgetallen zelf. Eén wist dat.’

‘Eén was onze beste calculator. Hij was overtuigd dat hij de oplossing kon vinden.’

‘Zoveel mensen dachten iets op het spoor te zijn maar hun zoektocht leidde uiteindelijk tot niets. Risico’s misschien. Waanzin soms.’

‘Maar als hij het wel heeft gevonden, bedenk dan wat we allemaal zouden kunnen. Dan zijn we niet meer gebonden aan de knooppunten. Dan kunnen we springen naar waar we willen.’

Een korte twinkeling verscheen in haar ogen.

‘En nu wil jij het risico nemen, Twee?’

We keken elkaar aan. Als een functioneringsgesprek zonder woorden. Na een tijdje roffelden haar nagels op het bureau.

‘Laat me hem terughalen. Alstublieft.’

‘Je begrijpt, Twee, dat als dit mis gaat, niemand jou komt redden?’

 

De directeur ging in overleg met de aandeelhouders. Het kon wel laat worden, zei ze, dus ging ik naar mijn appartement.

Na twintig minuten te hebben gedoucht voelde ik me nog steeds niet schoon, alsof de leugen aan mijn lijf was vastgekoekt. Zonder af te drogen liep ik mijn woonkamer in en ging op het koude bankstel zitten, starend naar de grote, betonnen tafel waar de souvenirs van onze reizen stonden. Een blauwwit stenen molentje herinnerde aan Nederland.

Hij was aan het rekenen, zittend op het bed, die nacht in Amsterdam. In onze kamer in een eeuwenoud hotel dat uitkeek over een nog oudere stad. Ik keek door het raam. Grijs water, regen, oude muren van scheve huizen en kanalen als een spinnenweb door de stad. En plots voelde ik me gevangen, in dat eeuwenoude web van troebel water waarin ik niets kon zien. Eén keek op, reagerend op mijn ingehouden adem.

‘Ik heb het, denk ik, gevonden,’ zei hij en hij legde zijn scherm op het bed, stond op, kwam naast me staan en sloeg een arm op mijn schouder alvorens hij zelf naar buiten keek. Onze adem besloeg het glas en Amster­dam verdween achter soft focus.

‘De variabele,’ vervolgde hij zachtjes, omdat zijn lippen maar op een paar centimeter van mijn oor waren.

Hij stapte bij me vandaan, ging zitten op het bed en staarde door de kamer. ‘Hoeveel duizenden geliefden en eenzame mensen zijn hier al gepasseerd?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ben je niet blij?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn hand de beslagen ruit schoon veegde – maar het beeld werd er niet beter op. ‘Blij dat je de oplossing binnen handbereik hebt?’

De triestheid die zijn ogen binnenkroop kneep mijn keel dicht. Ik probeerde te lachen maar het geluid dat mijn mond verliet klonk schril.

‘Kijk, een rondvaartboot. Ik wist niet dat ze die nog hadden,’ probeerde ik en draaide me naar Eén. Hij keek me aan, lang, en ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar er kwamen geen woorden en ik begon me ongemakkelijk te voelen.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg Eén.

‘Hou op,’ zei ik. ‘Ik hou van je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

‘Wat wil je horen?’

We keken elkaar aan. En op dat moment zag ik pas dat er iets definitiefs tussen ons in gevallen was, alsof de grijze waas van buiten naar binnen was gekropen, door het glas, en een muur tussen ons in geslagen had.

‘Ben jij gelukkig?’ vroeg ik.

En toen lachte Eén.

‘Ja,’ zei hij. ‘Nu wel.’

Misschien had ik naar hem toe moeten lopen, hem in mijn armen moeten nemen, die avond daar in Amsterdam, en hem vast moet houden, enkel dat. Maar ik deed het niet, ik nam hem, daar in die hotelkamer, tot de ramen weer besloegen met een simpeler hitte, omdat ik dacht dat het geluk dat hij bedoelde daarmee werd bereikt.

De telefoon piepte. De directeur belde.

 

Soldaat Jameson werd mijn naam. Gekleed in een oud uniform – dat me bij elke stap kriebelde – liep ik door een groen geschilderde gang richting de Machine. In de gang hing een kunstmatig aroma, een chemische repro­ductie van lavendel, en ik moest denken aan de rit met Anne in het verleden.

Gele korenvelden, de geur van de echte zee.

Ik stapte een zware deur door, een duistere ruimte in die enkel werd verlicht door een blauw schijnsel, komend van kronkelende geometrische vormen op de vloer. Altijd de onmiskenbare trilling. In het midden van de kamer stond de directeur, naast haar een operateur die een wapen vasthield, ingepakt in cellofaan. De directeur stapte op me af.

‘Als je niet terugkomt, hoef je geen redding te verwachten,’ zei ze. ‘De aandeelhouders laten maar één sprong toe. Weet je zeker dat je dit wilt doen, Twee?’

De akelige vibratie van de Machine deed mijn knieën knikken.

‘Ja,’ loog ik.

De directeur knikte, nauwelijks merkbaar.

‘Het zij zo.’

Ze nam een stap naar achteren. De operateur keek haar even angstig aan.

‘Je gaat het strand op in hetzelfde regiment als Eén,’ zei hij. ‘Je moet hem snel kunnen vinden.’

Hij overhandigde het wapen, dat zwaarder was dan verwacht. De geur van olie die om het wapen hing was doordringend. Daarna gaf hij me een klein wit doosje.

‘Sigaretten,’ zei hij.

‘Is dat ook een soort wapen?’

‘Zat dat niet in je upload? Dan kom je er zelf wel achter.’

Hij bekeek me nog één keer van top tot teen en keek toen naar de directeur. Ze knikte.

‘Succes.’

Samen liepen ze de ruimte uit, de deur schoof dicht en ik was alleen met het blauwe schijnsel. Een stem telde af. Ik tastte naar de rand van mijn horloge. De vormen op de vloer pulseerden en de trilling van de Machine werd intenser. LED’s aan het plafond knipperden.

Ik ademde diep in.

 

Eerst dacht ik dat de trilling van de Machine wijzigde. Maar daar was weer de zeelucht van het verleden, en aan het einde van een verwarrende seconde besefte ik dat de sprong al was geweest. En toen was er enkel chaos.

Rook. Vuur. Brandende gebouwen achter een strand gevuld met lange, houten palen en metalen constructies die als messen uit het strand staken. Het geluid alsof iemand duizenden stenen over een stalen plaat uitstortte. Mitrailleurvuur, wist ik dankzij kunstmatige herinneringen.

Een volgende ontploffing en een reusachtige zandfontein werd de lucht in gesmeten.

‘Waar kom jij vandaan?’ riep iemand. Ik keek opzij. Hoorde doffe ploffen. Bloed en harde prikken in mijn gezicht. De soldaat begon te vallen en ik probeerde hem op te vangen. Plotseling zat er overal nog meer bloed en zag ik dat de soldaat de helft van zijn gezicht miste. Ik veegde over mijn gezicht en zag rood en witte stukjes op mijn hand.

‘Laat hem,’ riep iemand en rukte de dode man van me los. Het lichaam gleed op het zand. Soldaten probeerden over hem heen te springen. Het mislukte en hij werd vertrapt, als een zak van bloed en botten. Toen rende ik plots met de soldaten mee, verder het strand op. De geur van rook werd ondraaglijk. Ik staarde naar mijn wapen, wist niet meer hoe het werkte, wat ik er mee moest doen en ik viel voorover, in een grote plas. Zout water stroomde mijn mond binnen. Ik wilde ademen. Water kolkte naar binnen. Een zware laars schopte hard tegen de zijkant van mijn lichaam toen ik mezelf overeind probeerde te duwen. Ik dacht dat ik zou stikken, verdrinken.

Ik ga dood, ging er door me heen. Ik wist me met één hand omhoog te duwen en in plaats van zeewater ademde ik rochelend lucht. Iemand greep me onder mijn oksel, trok me omhoog. Adrenaline stroomde wild door me heen.

‘Geen tijd om te slapen, soldaat.’

‘Nee,’ zei ik. De kennis van de upload spoelde plots over me heen: ‘Sergeant!’

Snel controleerde ik mijn helmband en mijn dekkingspositie. Ik haalde de veiligheidspal over en laadde mijn geweer.

‘Klaar om de Krauts aan te pakken, mijnheer.’

‘Goed zo, jongen,’ zei de sergeant en wenkte de dichtstbijzijnde mannen om hem te volgen. Het indringende geluid van de .88 in de Duitse kazemat aan onze rechterflank klonk. Het peloton dook achter de versperring, wachtend op het moment dat het mitrailleurvuur van de Duitsers zich ergens anders op zou richten. Ik staarde naar de boulevard van het stadje en naar de brandende en kapotgeschoten gebouwen. Tot mijn verbazing herkende ik enkele die ik in de toekomst had gezien.

Waar is Eén, dacht ik. Ik moet hem vinden. Redden. Voorkomen wat hij deed. Zou doen. Ik keek over het strand, naar de soldaten die als insecten uit de landingsvoertuigen stroomden. Honderden. Duizenden. Hoe kon ik hem in deze heksenketel vinden?

‘Wat is je naam?’ riep de sergeant.

‘Jameson, sergeant!’

‘Stop met dromen of je slaapt straks voor altijd. We moeten die .88 uitschakelen anders zijn we er geweest.’

‘Ja, sergeant!’ herhaalde ik en keek in de richting van de kazemat.

 

Tegen het einde van de ochtend had ik al drie sigaretten gerookt. Samen met de soldaten Cohen en DeGraaf was ik begonnen aan de vierde. We zaten op de veroverde mitrailleurstelling. Over de dode Duitsers hadden we dekens gelegd.

Ik had over het strand gezworven en een paar soldaten genaamd Cooper ontdekt, maar niet de juiste. Een officier stuurde me uiteindelijk naar de compagnie waar hij dacht dat ik bij hoorde. Ik hoorde dat we het binnenland in gingen voor een gewapende verkenning. Iemand zei dat we richting Tailleville zouden gaan.

Tailleville, dacht ik. De woorden van Anne echoden in mijn hoofd.

 

We waren met honderden, met gezichten donker van rook, modder en geronnen bloed. Ik zou Eén niet eens herkennen. Of hij mij, besefte ik, terwijl we behoedzaam door de velden trokken waar het koren lang en goudgeel stond.

‘Benieuwd wat we aantreffen,’ zei de soldaat naast me. Ik keek in de richting van het dorpje. We liepen in een lange linie. In de verte klonk het geluid van geweervuur en het rommelen van tanks. Nog verder weg de inslag van zwaar geschut dat van de schepen naar andere stranden werd gevuurd. De Amerikaanse stranden. Daar ging het er nog veel erger aan toe. Ik kon het me bijna niet voorstellen. Ik keek om me heen.

Eén, waar ben je. Wie ben je? Waar?

Het leek alsof we zwommen door het korenveld, onze helmen een school haaien zwemmend door de gele zee van halmen, richting het dorpje. Ik staarde naar de huizen van Tailleville, naar ramen waar ik elk moment de vurige flits van een Duits schot verwachtte. De spanning werd onhoudbaar en ik voelde het ook bij mijn medesoldaten. Toen een verdwaalde zeemeeuw plotseling overvloog vuurde ik bijna.

De weg van Saint-Aubin-sur-Mer naar Tailleville was niet veel meer dan een verhard zandpad met aan beide kanten een diepe greppel. Soldaat DeGraaf bereikte als eerste de huizen van het dorp. Hij drukte zich met zijn rug tegen een oude muur. De laatste paar meters van het korenveld legde ik rennend af tot ik hijgend naast hem stopte. Hij keek om het hoekje.

Het schot hoorde ik pas nadat ik een flits van rood uit zijn helm had zien spatten. Als één organisme doken alle soldaten op de grond.

‘Scherpschutter!’

‘Einde van de straat, tweede raam rechts,’ riep iemand. Een majoor kwam aanrennen, dook richting een muur.

‘Luister,’ zei de majoor, ‘we pakken die Kraut daarboven! Thompson, Jameson, LaCroix. Jullie nemen de linkerflank van het dorp.’ Hij wees naar mij en toen naar een bomenrij iets verderop. ‘Wij gaan via de straat. Jullie leggen een dekkingsvuur.’

Er werd geknikt, wapens werden geladen en er volgde een zwijgzaam moment, blikken naar elkaar en diepe concentratie. Het vuren begon. Onder de dekking van de schoten rende ik naar de andere kant van de weg, richting de paar bomen. Langs een hek waarachter ik een klein veldje zag, met een oude wagen, een paar boomstammen en een werktuig dat ik niet kende. Tegen één van de muren stond een fiets met nog maar één wiel. Ik dook achter een boom. Thompson wees in de richting waar de Duitse schoten vandaan waren gekomen.

‘Laten we kijken of we het huis van de andere kant kunnen benaderen. Dit dorp stelt niets voor. Waarschijnlijk nog een laatste Duitser die het niet op wil geven. De rest is allemaal gevlucht.’ Hij lachte en ik zag gele tanden. ‘Okee, kom op.’

Hij stond op en begaf zich, diep in elkaar gedoken, richting het korenveld wat naast het dorp verder liep in zuidelijke richting. We volgden hem, achter elkaar aan rennend. Verderop hoorde ik hoe de sluipschutter onder schot werd genomen.

Na een paar meter rennen bereikten we één van de zijkanten van het gebouw. Ik staarde naar een oude houten deur. Er klonk geluid. Thompson deed een stap naar voren en hief de kolf van zijn geweer op. Het leek alsof hij de klink van de deur aan wilde vallen. En precies op dat moment begonnen de mitrailleurschoten.

Ik dook weer tegen de muur. Hard sloeg ik tegen het kalksteen, een kies drong in de binnenkant van mijn wang in en ik proefde bloed.

Schoten uit het dorp boorden zich in het veld, alsof de Duitsers het koren met mitrailleurvuur probeerden te oogsten.

‘Een val! Lieve Maria, het is een val!’

Er klonk gegil en mijn hoofd draaide razendsnel de andere kant op. Ik zag de kenmerkende vorm van de Duitse helmen, veel en veel te veel, en vuur dat uit lopen flitste, het gejank van kogels die om ons heen vlogen. Snel dook ik naar de grond, op het moment dat een andere soldaat ook viel. Ik zag bloed en hoorde haperende longen. Stukken kalksteen sprongen van de muur. Getik klonk op mijn helm. Ik legde mijn geweer aan en vuurde. Een andere soldaat dook naast me. Ik keek hem aan.

Het was Eén.

‘Kom,’ zei hij.

 

We renden weg, richting het korenveld, als in een waas. Achter me het geluid van de mitrailleurs. We renden verder, en ik had het vreemde gevoel de Canadese soldaten in de steek te laten. Alsof ik deserteerde.

‘Eén,’ riep ik.

‘Rennen,’ riep hij, wijzend naar een boerderij een paar honderd meter verderop. ‘We zijn er bijna. Sneller!’

Ik dacht aan het rennen met Anne over de boulevard. Sneller. Het was alsof ik haar stem weer hoorde.

Het geluid van de schoten werd een kort moment minder. We waren vlakbij, vlakbij de boerderij.

Hij dook op, de Duitse soldaat, uit het niets, uit het veld en hij richtte op Eén en schoot.

Eén viel op de grond.

Ik had gevuurd zonder het te beseffen en de Duitser ging neer.

 

Bloed. Overal bloed. In stromen gutste het uit zijn mond.

‘Nee,’ riep ik. ‘Nee.’

Ik pakte zijn hand. Zocht de springer. Maar zijn pols was leeg. Geen horloge. Naast me zag ik weer stukjes koren de lucht in vliegen. Het mitrailleurvuur was vlakbij.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Waarom?’

Eén opende zijn mond maar had nauwelijks nog kracht om te spreken. Ik boog me naar voren en mijn tranen mengden met zijn bloed.

‘Opgelost,’ fluisterde hij nog. En toen verscheen iets, en verdween iets, in zijn ogen, en ik wist wat het was geweest en werd maar ik het wilde het niet accepteren.

Een schot klonk.

Een prik in de bovenkant van mijn been.

De pijn begon te groeien, was geen prik meer maar een ijzige staaf die mijn vlees uit elkaar scheurde. Ik probeerde te staan, verbaasd, viel weer op de grond, terwijl de pijn nog ontzagwekkender werd. Nogmaals probeerde ik te staan. Maar dat was dom, dacht ik nog, voordat ik weer het geratel van de Duitse mitrailleur hoorde.

Weg hier, weg. Mijn hand ging naar mijn pols.

Ik keek naar de grond, naar het lichaam van Eén. Alles mislukt.

Ik dacht aan de schoten, aan de kogels, zo ver weg, zo dichtbij. De grond trilde.

Iets raakte mijn helm.

Alles trilde. De Machine, dacht ik, haal me hier weg. Ik probeerde mijn horloge te vinden maar mijn armen weigerden en ik proefde aarde in mijn mond en voelde toen nog meer pijn omdat mijn schouder was doorboord.

Eén, dacht ik. Weg, dacht ik. Dood, dacht ik.

En toen zwartheid en dacht ik niets meer.

 

Ken je dat, dat je een woord zoekt? En het ligt op het puntje van je tong, maar je komt er maar niet op. Het is er bijna, de oplossing vlakbij, je ziet iets zweven in de verte, maar kan het net niet goed zien. Dat moment, zoiets. Ik opende mijn ogen om daarna weer weg te zinken in de zwartheid. Ik denk omdat de pijn simpelweg teveel was.

 

‘Est étant encore combattu?’

‘Oui. Sera t’il vivre?’

‘Je ne sais pas. Il est la volonté de Dieu.’

 

De stemmen klonken schitterend, zoet en zacht. Ik zou ze moeten verstaan, maar het lukte niet. Maar dat maakte niet uit. De geur van oude dekens die ik verkoos boven bloed en rook. Ergens klonk een ontploffing, waardoor ik de stemmen niet meer hoorde. Dat irriteerde me. Maar toen was er weer de zwartheid. Ik probeerde er bij weg te blijven. Maar het lukte niet.

 

Ik voelde aan mijn pols. Vond enkel verband. Waar is mijn horloge?

 

Een herinnering aan een trilling. De Machine. Klagend. Stijgend. Dalend.

 

‘Weet je,’ zegt Eén, ‘de Machine dankt haar bestaan aan Euler. Een wiskundige die ongelofelijke vragen stelde. We bouwden de Machine om zijn stellingen op te lossen. En toen we dat deden vonden we de sleutel voor de tijd.’

‘Ik weet het,’ zeg ik met weinig interesse.

‘Priemgetallen staan in nauw verband met de kwantummechanica. Waarom? Hoe kan het dat wiskunde de natuur kan beschrijven? We hebben wiskunde zelf bedacht.’

Ik zucht.

Euler vroeg zich bijvoorbeeld af: ‘Bestaat er een even getal groter dan twee dat niet de som is van twee priemgetallen?’

‘Moet dit nu, Eén?’

‘De vragen lijken zo simpel maar ze zijn al eeuwen oud. En we kunnen ze niet oplossen. Al die computers niet. Zelfs niet de Machine, onze ultieme rekenmachine, die door de getallen bijna alle raadsels van de tijd al kan oplossen. Welke magie zit er nog meer verstopt in de priemgetallen?’

Zijn mondhoeken gaan omhoog.

‘Weet je, er zijn oneindig veel priemgetallen. Maar er is maar één even priemgetal.’

Hij lacht en de droom vervaagt.

 

Natuurlijk wist ik wie ze was. Eindelijk herkende ik die ogen, die hetzelfde waren als die van Anne. Twee generaties hadden niets kunnen veranderen aan die blik. Ik staarde om me heen door de simpele slaapkamer waar hetzelfde schilderij van Maria aan een gebarsten muur hing, boven een houten tafeltje waar een grote kan op stond. Gehaakte gordijnen hingen voor een raam waar door de kieren zonlicht naar binnen scheen. Een trilling klonk, komend van een ontploffing, in de verte. Stof dwarrelde door de kamer, door de bundels licht, en het deed me ergens aan denken, net zoals de geur in die kamer, de geur van eeuwen, zekerheid en veiligheid, muren die zo lang stonden dat ze onderdeel waren geworden van de tijd. Ongenaakbaar. Even leek ik weer terug te vallen in de zwarte put van de bewusteloosheid, denkend aan veiligheid, aan thuis en vroeger, tot haar stem me vastgreep.

‘Ik geloof dat ze het dorp bijna in handen hebben,’ zei ze, terwijl ze een doek leeg kneep en rood water in een bak spetterde. Daarna liep ze naar de kan, schonk wat water in de bak en kwam terug. Ze had een zwarte jurk aan met grijze strepen, die tot over haar knieën viel. Ik staarde naar haar enkels.

Ze stond aan de andere kant van het bed.

‘Soms val je even weg,’ zei ze, en depte mijn voorhoofd met de doek.

‘Waar ben ik?’

‘In de boerderij van mijn oom en tante. Ze wilden niet vluchten, daarom zijn we hier. We zagen je komen door de velden, hierheen. Zagen je vallen.’

‘Het dorp? De Canadezen? Hoe…’

‘De Duitsers hebben een hinderlaag gelegd. We horen nog steeds schoten maar ik bid dat jullie gaan winnen. Godzijdank. Als de gevechten voorbij zijn zullen we je mensen waarschuwen dat je hier bent.’ Terwijl ze met de doek met koud water over mijn gezicht ging bleef ze me aankijken. Ik staarde in haar donkerbruine ogen, keek naar haar wenkbrauwen en de kuiltjes in haar wangen terwijl ze de doek bewoog. Ze werd zich bewust van mijn blik, glimlachte. ‘Ik denk dat het niet lang meer duurt.’

Ik moest hoesten en ze ging iets naar achteren. Voelend aan het verband om mijn pols vroeg ik: ‘Waar is mijn horloge?’

‘Stukgeschoten, vrees ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als je het niet om had gehad had je nu waarschijnlijk geen hand meer. Het horloge heeft de kogel afgeketst.’ Ze lachte. ‘Wel een heel sterk horloge. Je mag het wel dankbaar zijn.’

Ik staarde weer. Naar de wijze waarop haar lange donkere haar over haar schouders viel, de ogen waar rust en intelligentie uit straalde.

‘Wat is je naam,’ vroeg ik, maar ook dit antwoord wist ik al.

‘Marie,’ zei ze, terwijl ze glimlachend de doek weer in de bak legde.

Het werd weer donker.

 

‘Twee.’ zegt Eén. ‘Grappig, niet? Het enige even priemgetal is twee.’

‘Waarom is dat grappig?’

‘Priemgetallen, tijd, jij, de Machine. Dat ik denk dat alles in de getallen is te vinden. Weet je dat ik zei dat ik het bijna opgelost had? Het raadsel van de knooppunten?’

‘Ik…’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Werkelijk geluk,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat voor de tijd? Al die kinderen, die kleinkinderen en al het nageslacht er na? De wortels van echte liefde, een liefde die uitgroeit totdat de takken verder reiken dan we voor mogelijk kunnen houden. De knooppunten zijn die wortels, die wortels in het verleden.’

‘Eén,’ zeg ik, ‘maar wat…’

‘De knooppunten. Werkelijk geluk, werkelijke liefde. Begrijp je het nog niet, Twee?’

Bijna begrijp ik het. Het ligt op het puntje van mijn tong.

 

Terwijl we nog steeds schoten hoorden, vertelde ze dat ze die week op bezoek was gegaan bij haar oom en tante. Haar familie had altijd in deze streken gewoond en na het overlijden van haar ouders was ze naar Parijs vertrokken om geschiedenis te studeren. Toen ze vertelde over haar studie leken we beide de oorlog te vergeten, en op een gegeven moment betrapte ik mezelf dat ik staarde naar het dansen van haar lippen. Ze vertelde over haar dromen en dat ze alles wilde leren. Over hoe DaVinci zijn Mona Lisa had gemaakt, over veldslagen en kunstwerken en eeuwenoude kastelen, over al die dingen waarvan ik alles wist, sommige zelf had gezien.

Ik vertelde haar over één van de Lodewijken en hoe ze hadden feestgevierd, en al die dingen die op dat moment nog niet in de geschiedenisboeken stonden en ik wist dat dit tegen alle regels indruiste. En ze luisterde ademloos. Vanuit de geschiedenis belandden we weer in het nu en we hadden niet eens door dat de knallen uit het dorp stopten. We keken elkaar een tijd in stilte aan.

Het was een oude uitdrukking.

Op het eerste gezicht.

Ik had het nooit geloofd. Hier. In het verleden.

Die ene.

‘Kan ik hier blijven?’ vroeg ik.

Ze trok haar wenkbrauwen omhoog, bekeek me onderzoekend.

‘Waarom?’ vroeg ze. Toch was er niet enkel verbazing in haar stem. ‘Ben je een deserteur?’

Ik zuchtte.

‘Nee,’ zei ik. ‘Of misschien wel.’

 

Ieder ander had misschien gedacht dat ik krankzinnig was. Maar misschien kwam het omdat ik dingen wist die niemand weten kon. Ik vertelde haar over de toekomst, over wat we geworden waren. Ik vertelde over Eén. Toen ze mijn onmacht zag greep Marie mijn hand.

‘Hij wist wat hem gelukkig kon maken. Wees niet kwaad op zijn keuze. Hij vond wat hij zocht. Daar had hij alles voor over.’ Ze streelde mijn wang.

De volgende ochtend werd ik wakker en zat ze naast me met de restanten van het horloge in haar hand.

‘Hallo, reiziger,’ zei ze.

 

En zo bleef ze me noemen, al die jaren lang. De reiziger. Soms noemde ze me de vluchteling en die zeldzame keren dat ze boos was de deserteur, want ze wist dat dat me pijn deed. Ik dacht nog vaak aan de dagen in de zomer van 1944, hoe ze mijn wonden verzorgde daar op die kamer, op die boerderij, tussen wat er nog van de gele korenvelden overeind stond, terwijl de Canadezen en de Engelsen oprukten, het land in, richting nog maanden strijd tot ze eindelijk zouden winnen, ver weg, bij Berlijn.

Ze vertelde dat ze mijn naamplaatje naar binnen had gegooid, bij een huis waar zowel Duitsers als Canadezen gesneuveld waren en daarna in de brand vloog. Daar zouden ze mijn naam vinden.

En ik dacht aan de stenen op het grafveld.

Voor de toekomst enkel nog vergeten getallen in een ver verleden.

Eerst dacht ik nog vaak aan Eén. Het begon met de herinneringen, daarna de gevoelens van schuld, daarna de twijfel, tot het weer enkel de losse puzzelstukjes van emoties, verbazing en vervagende gedachten werden. In de jaren die volgden, als ik nog aan Eén dacht, dan was het nog aan dat moment in het grijze Amsterdam. Was dat het moment waar het allemaal om draaide? Niet de sprong naar 2015, niet naar 1944. Maar daar, in Amsterdam.

 

Het was 1952. Marie was zwanger van onze tweede zoon. Ik was naar het stadje geweest om iets te kopen en liep terug over het veld toen ik ter hoogte van de tractor de trilling voelde. Een trilling die ik al zolang had gevreesd, maar nu had ik er al maanden niet aan gedacht. Wat had ik verkeerd gedaan? Ik draaide me om. Er was dat ogenblik van zoeken naar herkenning en toen zag ik tot mijn grote verbazing dat het Eén was.

Verwarring nam me. Hoop en angst.

‘Hoe…’ stamelde ik.

Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Twee?’ zei hij. ‘Waarom ben jij hier?’

‘Maar,’ begon ik. ‘Maar… Hoe kan je nog… Jij bent…’

Eén zweeg, alsof hij wachtte tot ik nog iets zou zeggen. Toen vervolgde hij: ‘We vonden een foto, van deze datum. 22 augustus 1952, Saint-Aubin-sur-Mer. De historische dienst herkende jou. Wegduikend achter een marktkraam alsof je niet op die foto wilde. En toen begrepen we dat er iets heel vreemds aan de hand was. Waarom, Twee? Wat heb je gedaan? Hoe kom je hier terecht?’

Ik zocht naar woorden.

‘Eén,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je nog? Die hotelkamer in Amsterdam?’

Hij zweeg.

Marie kwam de hoek van de boerderij om, een grote mand vast­houdend. Toen ze ons zag stond ze stokstijf stil. Ze staarde naar mij, naar Eén, weer terug naar mij. Haar lippen bewogen, en ik hield mijn hand op in een afwerend gebaar. Marie schudde haar hoofd en ik zag hoe haar mond het woord ‘nee’ al vormde. Ik draaide me naar Eén. Hij staarde naar Marie.

Er was een moment dat oneindig leek te duren en even had ik het idee dat de hele wereld de adem inhield. Enkel een zachte vibratie was voelbaar, heel ver weg, zo ongelofelijk ver weg. En ik wist dat het de Machine was, die door alle ruimte en tijd naar me reikte. Eén opende zijn mond, sloot deze weer, en ik zag ook bij hem een traan zacht over zijn gezicht rollen.

‘Waarom?’ zei hij.

‘Omdat…’

‘Nee.’ Eén viel me in de rede. ‘Ben je gelukkig?’

Stilte.

‘Ja,’ zei ik uiteindelijk. De waarheid.

Weer een pauze. Eén staarde naar me en een glimlach verscheen op zijn gezicht. Het leek zo vreemd, die glimlach daar, en ik wilde het liefst naar hem toe rennen, maar ook weer niet, omdat ik wist dat dat niet eerlijk was.

‘Maar jij zei het me in Amsterdam,’ riep ik. Tranen liepen over mijn gezicht. ‘Jij had de oplossing. Ik ging jou achterna naar D-day. Jij stierf…’

En ik begreep het pas toen ik het zei. De puzzel die ik zo lang niet had kunnen of willen oplossen schoof definitief in elkaar. Wat hij had gezocht. De missende variabele. Priemgetallen, tijd, de Machine, mogelijkheden en onmogelijkheden, kwantumonzekerheden.

Ik was de variabele.

Ik was het knooppunt.

Mijn geluk berekend door iemand die daar alles voor over had.

Kun je zoveel voor iemand overhebben?

En ik dacht aan Marie op het moment dat Eén zijn hand al naar zijn pols ging. Ik opende mijn mond maar hij schudde zijn hoofd.

‘Jij bent nog daar,’ zei Eén, ‘in de toekomst. Volgende week gaan we pas naar Amsterdam. Vind die fotograaf.’ Hij draaide aan zijn horloge. Lachte, zei nog: ‘Dank je.’

En sprong.

Ik voelde de trilling van de Machine en ik zag hoe Marie het ook voelde. Eén verdween, alsof de wereld samentrok in een minuscuul punt en voor één heel kort moment, voor de allereerste keer, was er harmonie in die trilling.

En toen was hij verdwenen.

Marie kwam naast me staan, legde een hand op mijn schouder, haar hoofd tegen mijn bovenarm. Haar lange haar viel als kriebelend zijde zacht over mijn blote huid. Ik staarde over het goudgele koren, langzaam wiegend in de wind, waarvoor Eén zojuist nog had gestaan. Marie’s hand sloot zich om mijn pols. En ik hield van haar, van mijn kinderen, mijn kleinkinderen. En van jou, mijn lieve Anne, want dit verhaal is dus voor jou.

 

En zo staar ik de verte in. Naar de velden en daarachter de nog lage bomen op de heuvel waar ik de Canadese vlag zie die boven het grafveld wappert.

Waar een graf van hem is.

En één van mij.

Kielzog : Maarten Luikhoven

Bijna drie maanden moest ik wachten tot mijn kloonmoeder terug­keerde van haar spelevaart door de heliumstrata van de derde gas­reus rond Nagira, een gele zon van middelbare leeftijd in de Sagittarius­arm van de Melkweg. In die tijd bestudeerde ik de complexe rituelen van de Urh, de immense, intelligente gasblazen die zich met onver­wachte gratie door de atmosfeer bewogen.

‘Waarom heb je zo lang gewacht,’ vroeg Nessaja zodra haar Schip haar uit de radioblokkade van de atmosfeer tilde. Haar complete naam was Nessaja Horvak Mistra Votriarus, maar ze duldde geen formaliteiten zoals andere Sapiens dat wel wensten. En dat was meteen ook de reden dat ik haar om raad kwam vragen. Van al mijn kloonouders was ze niet alleen het dichtst bij, ze gaf me altijd het gevoel dat we gelijken waren.

‘Ik wilde je niet storen. En wat ik van plan ben duurt toch jaren, dus een paar maanden meer of minder…’

Haar antwoorden kwamen sneller naarmate haar schip het mijne naderde. ‘Dat klinkt als een transitie. Je bent pas driehonderd, wil je niet te snel volwassen worden?’

‘Dat valt toch wel mee?’ vroeg ik. ‘Ik herinner me maar al te goed wat je vertelde over je eerste zonneduik. En hoe oud je toen was.’

Nessaja lachte. ‘Gelukkig zul je me dat niet nadoen, die fout hebben we uit de Schepen gehaald. Wil je fysiek?’

‘Ja, graag. Daar kom ik eigenlijk voor.’ Onze schepen verbonden zich met elkaar, luchtsluis aan luchtsluis. Ik zweefde door de gangen en liet mijn lange armen en benen hun minimale werk doen om me kalmpjes voort te bewegen. Uit beleefdheid had Nessaja haar zwaartekracht op bijna nul gezet, ook al was ze gesteld op een half tot één.

Ik trof haar op het loungedek waar ze net een aquarel schilderde. De kleuren van haar kunst pasten niet bij het strandje, het meer en de weelderige begroeiing en deden meer denken aan de heliumatmosfeer van de gasreus. Haar lichaamskeus was op dit moment kort, gedrongen en geschikt voor omgevingen met hoge zwaartekracht.

Zodra Nessaja me binnen zag komen, begon ze te stralen. ‘Robate, kom hier en geef je oude moeder eens een knuffel.’ Ik ging in op haar verzoek, vouwde mijn lange armen om haar lijf en voelde de inge­houden kracht waarmee ze me omhelsde. Ze stapte achteruit en bekeek me nog eens goed. ‘Je bent al helemaal voorbereid op een lang, gewicht­loos verblijf, zie ik.’

Ik knikte zachtjes. ‘Mijn besluit staat wel vast, ja. Maar ik heb je herinneringen nodig, je oude herinneringen.’

‘Oh jee, waarom denk je dat ik wel weet wat je zoekt, als je eigen Schip het al niet weet te vinden?’

‘Ik weet het ook niet,’ zei ik eerlijk. ‘En ik heb het idee dat mijn Schip en andere Schepen soms geen zin hebben iets te vertellen.’

‘Je bent ook nog niet volwassen. Er zijn regels.’

‘Dat vermoedde ik al,’ zei ik. ‘Daarom ook een gesprek met jou, voor ik vertrek. Ik wilde Oude Aarde gaan zoeken. Ik wilde weten waar we vandaan komen en waarom we zijn weggetrokken.’

‘Maar dat is toch geen informatie die de Schepen achterhouden?’

‘Dat klopt, ik ben er ook al geweest.’

De verbazing op Nessaja’s gezicht was duidelijk. ‘Maar dat duurt jaren, zo lang is het toch niet geleden dat we elkaar gezien hebben?’ Haar ogen staarden in de verte terwijl ze haar logboeken raadpleegde. Toen ze haar informatie had, keek ze me even boos aan. ‘Twintig jaar? Waarom heb je niets gezegd?’ Maar ze werd vrijwel meteen weer de milde, nieuwsgierige Nessaja die ik mijn hele leven al kende. ‘Vertel me wat je allemaal gezien hebt.’

Ik ging op het bankje aan de oever zitten, rook de geur van de planten en bloemen en liet de herinneringen aan mijn zoektocht uit mijn langetermijnopslag rijzen. ‘Ik zocht eigenlijk al heel lang naar onze oorsprong. Oude Aarde was de term die gebruikt werd, maar ik kwam erachter dat er minstens drie dozijn werelden zijn die mensen ooit zo genoemd hebben, waarschijnlijk nog wel meer.’

Nessaja knikte. ‘Zo zijn mensen nu eenmaal.’

‘Maar de oorsprong, de eerste Oude Aarde, die leek verloren te zijn in de archieven. Onze geschiedenis is niet perfect bewaard, Nessaja.’

Ze haalde haar schouders op. ‘Je hoeft niet alles te bewaren. Herinneringen zijn als voormalige minnaars, soms leuk, soms gevaarlijk, maar meestal gewoon lastig.’

Ik begreep wat ze bedoelde. Nessaja kon haar oorsprong traceren tot een van de eerste uit drie dozijn planeten genaamd Oude Aarde die ik had gevonden. Daarmee was ze een van de oudste, levende mensen die de Schepen kenden. ‘Het betekende dat ik de weg terug moest gaan zoeken. Daarom duurde het ook zo lang. De afgelopen miljoen jaar is de mensheid telkens verder getrokken langs de armen van de Melkweg, steeds verder weg van de oorsprong. De geheugens van de Schepen van voor die tijd waren toch aan slijtage onderhevig.’

Nessaja glimlachte. ‘Ja, mijn eerste Schip was af en toe ook vergeet­achtig.’

‘Het eerste jaar van mijn reis vloog ik van Oude Aarde naar Oude Aarde, telkens een paar duizend jaar verder onze geschiedenis in. De meeste zijn inmiddels weer teruggekeerd naar hun natuurlijke, wilde staat en op sommige wonen onze verre nazaten die destijds achter wilden blijven.’

‘En mijn Oude Aarde?’ vroeg Nessaja. ‘Heb je mijn huis nog gezien?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘De planeet was ergens teruggevallen in technologie. In dat hiaat is een komeet in een van de zeeën gestort waar­door alle leven en gebouwen van het oppervlak zijn gevaagd.’

‘Oh,’ zei Nessaja. Ze leek bedroefd. ‘Dat is spijtig. Ik heb mijn huis aan boord van Schip ontworpen naar de omgeving daar. Een van mijn mooiere herinneringen.’

‘Het universum is niet gastvrij, dat hebben we wel geleerd. Naarmate ik verder terugging vond ik meer van dit soort gebeurtenissen. In een miljoen jaar verdwijnt veel, zoniet alles, dat we aan sporen hebben achtergelaten. De entropie van beschavingen is sneller en vernietigen­der dan de natuurlijke entropie van het heelal. Dus toen ik de oudste grenzen voorbijging, kwam er een lange tijd niets. Twee jaar op topsnelheid, tot ik radiosignalen opving.’

‘Herrezen achterblijvers?’ vroeg Nessaja. Haar ogen begonnen te glanzen. ‘Of ruimtevarende anderlingen?’ Ze verwoordde het aloude probleem. In een universum dat zo groot is, moeten wel andere ruimte­varende rassen bestaan. We waren ze nog niet tegengekomen.

‘Bijna. Chimpansees. Of eigenlijk de geëvolueerde nazaten van chim­pan­sees.’

Nessaja leek verbaasd. ‘Dat is opvallend nieuws,’ zei ze. ‘We verlieten de eerste Aarde omdat we ons voortbestaan niet afhankelijk wilden laten zijn van één planeet. Blijkbaar zijn ze ons gevolgd.’

‘Ze waren inderdaad op zoek naar ons, het ras voor hen dat de Aarde had verlaten en aan hen had overgelaten.’

‘Je hebt ze gesproken? Liet Schip dat toe? Er zijn toch protocollen?’

Ik knikte en glimlachte. ‘Ja, er zijn protocollen voor contact met buitenaards leven. Maar chimpansees komen van aarde, net als wij. Niet buitenaards dus.’

Nessaja keek me aan en kneep haar ogen iets samen. ‘Hoeveel uur heb je met Schip hierover gediscussieerd?’

‘Vier dagen om precies te zijn.’

Nessaja lachte. ‘Het klonk ook al te makkelijk. Wat heb je met ze besproken?’

‘Niet teveel. Ik heb ze de weg gevraagd. Ze wilden me als een god onthalen. Wij mensen lijken voor hen een soort goden en volgens Schip zijn veel van hun mythen en legenden gebaseerd op onze eigen geschiedenis. Gelukkig waren ze realistisch genoeg om te begrijpen dat wij – raar om het zo te zeggen – ook maar mensen zijn, zeker niet almachtig. We lopen hooguit een paar honderdduizend jaar voor met onze technologie.’

‘Ik vind het schitterend nieuws,’ zei Nessaja. ‘Het voelt een beetje alsof je kinderen groot en volwassen geworden zijn. En ik kan weten hoe dat voelt.’

‘Ik heb met ze afgesproken dat ik bij terugkeer een delegatie naar hen zal sturen. Die is waarschijnlijk al onderweg. Anders zou het nog vele duizenden jaren duren voor ze zelfs maar in de buurt zouden komen.’

‘Ze wezen je de weg naar de oorspronkelijke Oude Aarde?’ vroeg Nessaja.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ook zij waren die plek al vergeten. Ze konden me enkel wijzen naar de planeten en stelsels die ze in hun eigen geschiedenis hadden aangedaan. Blijkbaar maakten ze daarin dezelfde keuzes als wij destijds. Ons afscheid was hartelijk.’

‘Ik ben blij voor ze,’ zei Nessaja. ‘Volgens mij hebben we heel veel te bespreken.’

‘Maar er komt meer,’ vertelde ik haar. ‘Na de chimpansees vloog ik weer door braakliggende ruimte, zeer herkenbaar, geen spoor van beschaving, tot ik weer signalen opving. Schip had er moeite mee, maar herkende uiteindelijk dolfijnspraak.’ Ik stuurde Nessaja plaatjes van de habitats waarmee de dolfijnen de ruimte verkenden. Immense water­bollen, bijeengehouden door megastructuren die hun magnetische velden rond het oppervlak legden.

‘Briljant. Heb je contact gelegd?’

‘Ik heb het overwogen, maar Schip waarschuwde me dat onze referen­tie­kaders radicaal anders zijn dan die van de walvisachtigen. Er schijnt ook nog een hoop oud zeer te zijn. Dus ik laat het over aan experts.’

‘Je vraagt je af waarom niemand er eerder over nagedacht heeft terug te gaan in ons spoor, om te zien hoe onze oorsprong zich heeft ont­wikkeld,’ zei Nessaja.

‘Ik heb veel tijd gehad om na te denken en dit was inderdaad een van mijn gedachten.’ Ik liet mijn woorden bezinken. ‘Ik denk dat het diep­geworteld ligt, in ieder geval in een deel van de mensheid, vooruit te kijken, telkens verder te gaan. Bij zo’n instelling past het niet telkens terug te kijken. En dat bracht me ook weer op andere vraagstukken. Filosofisch allemaal, dat geef ik toe, maar wel verhelderend.’

‘Was je niet eenzaam?’ vroeg Nessaja. Ze bleef een bezorgde moeder, zelfs bij de jongste van haar meer dan duizend nakomelingen.

Ik knikte. ‘In dit deel van de ruimte is altijd menselijk contact mogelijk. Afstanden verhinderen eenvoudige communicatie, maar er valt mee te werken. In de Orionarm van de Melkweg ben je dertigduizend lichtjaar ver van huis. Ja, ik was eenzaam. Niet zomaar, maar alsof je de laatste van je soort bent.’

‘Arme jongen, gelukkig ben je weer thuis,’ zei Nessaja met een glimlach.

‘Is dat zo?’ vroeg ik.

‘Wat bedoel je?’

‘Laat me je vertellen wat ik nog meer tegenkwam.’

‘Er is meer? Ik dacht dat je inmiddels wel bij Oude Aarde aange­komen was.’

‘Nee hoor. Ik was nog duizend lichtjaar verwijderd toen ik weer schepen tegenkwam. Ze zonden geen signalen uit en waren pikzwart. Schip herkende alleen primitieve krachtbronnen en veelal organische com­ponenten. Toen we naderden, zagen ze ons. Hun schepen vertoonden meteen een heel scala aan kleuren en patronen.’

‘Als sommige inktvissen,’ zei Nessaja.

‘Precies als inktvissen. Hun communicatie verloopt geheel via visuele signalen. Schip had een paar dagen nodig om hun taal te leren. Ik ver­moed dat ik wel wat teweeg heb gebracht bij ze.’

Nessaja glimlachte. ‘Kun je je voorstellen hoe het moet zijn, een sterk geavanceerde beschaving tegen te komen? Daar konden en kunnen wij alleen maar van dromen.’

‘In hun geval lag dat iets anders. Zij zijn opgegroeid met het idee dat hun goden en demonen ooit de aarde verlaten hebben en ze zijn doods­benauwd dat ze die ooit weer tegenkomen. Het maakt niet uit dat ze zelf ook de aarde hebben achtergelaten of dat de roofdieren die vroeger op inktvissen joegen al duizenden lichtjaren verderop waren, de angst zit er nog goed in. En ook dat zette me aan het denken.’

‘Maar ze wisten in ieder geval waar Oude Aarde lag, neem ik aan?’ vroeg Nessaja.

‘Oh ja, dat wisten ze. Maar ze waarschuwden ook dat er een ver­nietigende oorlog was geweest. De aarde was niet of nauwelijks leefbaar meer.’

‘Maar dat is eerder gebeurd. Meestal de directe aanleiding om de planeet te verlaten en je ras over de sterren te verspreiden.’

Ik knikte en pakte een paar steentjes uit het zand van het strandje. Een voor een gingen ze in slow motion het meer in. ‘Er klopt iets niet, Nessaja. Maar je ziet het alleen als je met het juiste perspectief kijkt. Wij waren altijd de steentjes, plonsden ergens de ruimte in, veroorzaakten rimpels, of beter, een kielzog. Maar waar raakten die rimpels? Als ze al iets raakten. En wie zag het kielzog. Als dat al gezien werd?’

‘Dat is wel diep, Robate, hoe kom je aan die wijsheid?’ vroeg Nessaja.

‘Ik heb Oude Aarde gezien. De oorsprong. De planeet waar het voor de mensheid allemaal begon. Een lege woestijn, grotendeels drooggevallen zeeën, weinig begroeiing van betekenis. En toch straalt de planeet een vitaliteit uit die je als mens herkent en voelt.’

‘Het moet een glorieus gevoel zijn,’ zei Nessaja. Ze glunderde en ik wist dat ze oprecht blij voor me was. Het geluk van haar kinderen was altijd belangrijk voor haar. Nog meer reden om juist haar te vragen om haar oudste herinneringen.

‘Ik heb onze laatste erfgenamen daar gezien,’ zei ik. ‘De laatste soort die zal proberen de zwaartekrachtput te ontstijgen en zal proberen de oneindige ruimte te bewonen. Ze zijn gegroeid, krachtiger geworden en veel intelligenter. Tijdens mijn verblijf daar lanceerden ze hun eerste satelliet. Na hen is de planeet uitgeput… op.’

Nessaja keek me aan. ‘Je stemming ontgaat me. Ik kan je normaal lezen als een open boek, maar het enige dat ik nu van je opvang is verwarring.’

Ik lachte. ‘Dat komt omdat ik in de war ben. Ik ben al ruim tien jaar aan het nadenken over de implicaties van de kakkerlakken die in onze voetsporen volgen. Ik denk, ik vermoed, dat ik iets op het spoor ben. Maar als ik het bij het rechte eind heb, dan is ons bestaan niet zo bijzonder als we wel dachten. En zijn de doelen die we ons stellen niet onze eigen doelen.’

Nessaja ging voor me op het strand zitten, sloeg haar armen om haar benen en keek naar me op. ‘Vertel me je diepste gedachten, kind. Wat ze ook zijn, samen vinden we de antwoorden.’

‘Mijn diepste gedachten voor de diepste herinneringen die je kunt leveren,’ zei ik. ‘Maar daarvoor moet je weten welke vragen ik tijdens mijn terugreis samen met Schip heb gesteld. We zijn allebei nieuwsgierig naar de antwoorden.’

‘Zoals je ziet wacht ik geduldig. Je zei het net al, wat is een maandje meer of minder?’ Nessaja keek me aan met ernstige ogen.

‘Hoe lang verblijft de mens nu in de ruimte? Vijfhonderduizend jaar? Een miljoen? Waarschijnlijk langer. In al die tijd zijn we niemand tegen­gekomen. Op kosmische schaal alsof je met je ogen knippert, dus het verbaast ons niet. Maar… niemand? Toch, in dat kosmische ogenblik heeft de aarde ons, de chimpansees, dolfijnen en inktvissen gelanceerd. En de kakkerlakken volgen ons op de voet.’

‘Ik geef toe, dat is bijzonder,’ zei Nessaja. ‘Misschien zijn we dan toch bijzonder, juist vanwege onze oorsprong?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘We hebben veel bewoonbare planeten gevon­den en ook bewoond. We hebben meer dan genoeg leven gevonden, soms zelfs intelligent leven. Maar nog nooit zo intelligent dat het de planeet kon ontvluchten. Dus waarom zijn we niet meer intelligente rassen tegengekomen?’

‘Dat kan ik je niet vertellen, dat antwoord weet ik niet,’ zei Nessaja. ‘Wat heeft dit met mijn diepste herinneringen te maken?’

‘Jij zat bij de vroegste kolonisatiegolven en je hebt complete vloten aangevoerd. Je volgde de Orionarm in de richting van de Sagittariusarm. Waarom die kant op? Waren jullie bang de grote leegte over te steken naar de Perseusarm? Was de andere kant op, in de richting van Centaurus, te moeilijk? Welke reden had de mensheid om die kant op te gaan?’

Nessaja knipperde met haar ogen. Praten over het verre verleden rakelde herinneringen op uit haar langetermijngeheugen. ‘Ik weet niet of we bewust een goede reden hadden. We hadden altijd een soort voorkeur voor deze richting.’

‘Net zoals de chimpansees? En de dolfijnen? En de inktvissen? En ik kan je denk ik wel voorspellen waar de kakkerlakken heen zullen gaan.’

‘Ja, maar die volgen in onze voetsporen.’

‘Welke sporen? De chimpansees vinden een heel enkele keer restanten van onze beschavingen. Bij toeval, met heel veel geluk. Maar bij hoeveel ‘toevallige’ vondsten praat je nog over toeval? Dat is wat Schip en ik de afgelopen tien jaar hebben geprobeerd te analyseren.’

‘Goed, dat kan ik begrijpen,’ zei Nessaja. Ze knikte langzaam. ‘Wat is jullie gedachte dan? Wat denken jullie dat er speelt?’

‘We hebben nooit anderlingen aangetroffen,’ zei ik. ‘Hebben we ooit restanten van een ruimtevarende beschaving aangetroffen?’

Voor het eerst ooit antwoordde Nessaja meer dan een minuut niet. De gebeurtenis was zo ongewoon voor me dat ik haar met open mond aanstaarde.

‘Ik was het al bijna vergeten,’ stamelde ze. ‘Maar nu je het zo vertelt, vallen er wat stukjes op hun plek. We vonden inderdaad restanten. Minimale overblijfselen van een oeroud, technologisch geavanceerd ras. Miljoenen jaren oud. Het leek ons niet heel erg belangrijk. We waren tenslotte kolonisten, op zoek naar leefruimte. Die oude gebouwen zouden alleen maar problemen veroorzaken bij het koloniseren.’

Ik haalde diep adem. De woorden van mijn moeder bevestigden vermoedens die Schip en ik al een tijd koesterden. ‘Occams scheermes. Wat zou de kans zijn dat die beschaving afkomstig was van aarde? Met in het achterhoofd wat we net besproken hebben.’

‘Niet nul. Ook niet praktisch nul, denk ik.’ Nessaja wreef met haar vingers over haar slapen. ‘En indirect betekent het dat zij ook gestuurd werden. Of hun nakomelingen de juiste kant op stuurden.’

‘Maar met welk doel?’ vroeg ik haar. ‘Dat er iets bijzonders gebeurt, dat weten we. Maar we weten niet waarom.’ Ik stond op en zette af in de richting van de buitenwand. Bij een van de patrijspoorten keek ik naar buiten. De kleurige helium- en koolstofbanden van de gasreus vulden een groot deel van het uitzicht. Een maantje schoot beneden ons voorbij en liet een zwarte schaduwstip over het oppervlak van de reus razen.

Nessaja kwam naast me staan en zei: ‘Wie volgen we nu eigenlijk? En hoe worden we bestuurd om deze kant op te gaan?’

‘Daarom wilde ik je herinneringen raadplegen. Ik wil weten waarom je je keuzes maakte toen je vloten naar specifieke zonnestelsels dirigeerde. Sommige van je keuzes waren namelijk niet volkomen logisch,’ legde ik uit.

Nessaja schudde haar hoofd. ‘Nee, die beslissing werd door de voltallige raad genomen.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Groepen zijn makkelijker te beïnvloeden dan individuen.’

‘Denk je echt dat dat gebeurd is? Of nog steeds gebeurt?’

‘Het is de meest logische oplossing. Tenzij je een beter voorstel hebt?’

Nessaja schudde haar hoofd en haar blonde krullen dansten rond haar oren. ‘Wat wil je nu gaan doen?’

‘De andere kant op gaan. Ik heb tot onze oorsprong gereisd en weer terug. Ik wil nu verder langs de Sagittariusarm reizen, in het kielzog van onze voorgangers, en misschien zelfs uitvinden waarom we die kant op worden gestuurd.’

‘Maar daar heb je mijn toestemming toch niet voor nodig?’ vroeg Nessaja.

Ik glimlachte. Het was wel eens goed te zien dat mijn moeder ook niet alles wist. ‘Vreemd genoeg weigeren alle schepen me verder dan een paar lichtjaar in de goede richting te vervoeren, daarna keren ze weer terug. Het is alsof de Schepen niet verder durven.’

‘Dat kan niet. Het zijn machines.’

‘Maar ze kennen zelfbehoud, moeder,’ zei ik. ‘Ze zijn bang om de verkeerde beslissing te nemen. Wij worden gestuurd. Zij niet. Dus de kans dat wij het juiste doen is veel groter. Ik heb ze gevraagd hoe ik die blokkade kan opheffen. Jij schijnt me daarvoor volwassen te moeten verklaren, of een directe opdracht geven me te helpen.’

‘Het zit in ons, merk je dat?’ vroeg Nessaja.

‘Wat zit in ons?’

‘Het sturen en controleren van onze kinderen,’ zei ze.

‘Denk je dat wie of wat ons stuurt hetzelfde met ons voorheeft als wij met onze kinderen?’

‘Ik hoop het maar,’ zei Nessaja. ‘Ik hoop het maar.’

‘Maar goed, je toestemming, je zegen, je goedkeuring om dit te gaan ondernemen?’ vroeg ik haar.

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, die geef ik je niet.’

Vol ongeloof keek ik haar aan. ‘Dat kun je niet doen.’

‘Lieve jongen, denk je dat ik je nog een keer twintig jaar ga missen? Natuurlijk niet.’ De zwaartekracht nam iets toe, luiken schoven dicht en het licht in het Schip veranderde. Ik voelde motoren beginnen te werken gevolgd door een lichte versnelling.

Nessaja nam mijn hand in de hare en gaf me haar meest stralende lach. ‘Dit lijkt me een goede, gezamenlijke tijdsbesteding, moeder en zoon. Het is al zo lang geleden dat we echt iets samen hebben gedaan.’

Tegenpolen : Debby Willems

1.

 

De avond van mijn dood begon als een normale dinsdagavond, die ik doorbracht in mijn appartementje in Den Haag. Het buurtje waar ik woonde bestond grotendeels uit sociale huurwoningen waarvan de bewoners voornamelijk toewijzing hadden gekregen op grond van ‘bijzondere gevallen’. Toen ik er eind jaren ’90 kwam te wonen was het een ‘probleemwijk’, maar enkele jaren later kwam men ineens met de term ‘krachtwijk’ op de proppen. De positieve klank zou onze wijk goed doen.

Ik kan je vertellen: de klank was dan ook het enige positieve aan mijn buurt. Vanwege enkele incidenten spraken we binnen een jaar al gekscherend over een ‘verkrachtwijk’. Ik kon daar de humor wel van inzien, maar begrijp me niet verkeerd; zelf heb ik nog nooit een vrouw kwaad gedaan. Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht.

Ik heb wel een mooie tijd gehad daar. Zelfs vanaf zeven hoog droeg ik op mijn manier ook een steentje bij aan de naam van onze wijk. Zo ook de laatste avond van mijn leven.

Die bewuste dinsdagavond was ik behoorlijk bezopen. Een van mijn buren was op bezoek en had een fles zelfgestookte wodka meegebracht. Gewoonlijk kon ik best tegen drank, maar behalve deze naar spiritus smakende zooi had ik die dag al aardig wat blikken bier tot me genomen, dus het was waarschijnlijk de mix die me deed kokhalzen.

Ik wist dat het niet lang meer zou duren voor er het een en ander retour zou gaan komen, dus strompelde ik naar het balkon in de hoop een argeloze voorbijganger flink onder te kunnen spuwen. Toegegeven, mijn humor was niet bepaald verfijnd, maar mijn maten konden het altijd erg waarderen.

Alles leek te draaien vanwege de drank en ik spuugde al een beetje op mijn balkon. Gelukkig wist ik het grootste deel nog binnen te houden. Strompelend begaf ik me naar de reling. De zurige smaak in mijn mond was geen pretje, maar de moeite waard aangezien ik verderop in de straat mensen zag lopen. De man en de vrouw liepen erg dicht bij elkaar, hand in hand.

Een glimlach viel niet te onderdrukken. Ik verheugde me al op de blikken op hun besmeurde gezichten. Ze liepen redelijk dicht langs de voordeuren af, dus besloot ik alvast wat verder over de reling te gaan hangen in afwachting van het stel. Toen ik daarna nog net een beetje meer naar voren boog, gleed ik helaas uit over mijn eigen overgeef en kieperde zo de reling over.

Vlak voor het kraken van mijn schedel bedacht ik me nog dat dit een lullig einde was.

Ik had het mis. De dood was niet het einde.

Helaas.

 

2.

 

Ik heb mensen wel eens horen spreken over een ‘hal met wit licht’ bij het sterven. In werkelijkheid zit dat toch net ietsje anders, al begrijp ik de verwarring. Ik bevond me in een gewitte wachtkamer die werd verlicht door tl-buizen. Er waren veel andere mensen, waarvan er om de zoveel tijd eentje werd geroepen. De grote klok die in deze ruimte hing leek nog trager te tikken dan normaal. Na uren wachten wist ik het zeker: dit was de hel.

De vrouw die de namen omriep kwam weer binnen en wierp een blik op haar lijst voordat ze sprak. ‘De heer Jannes Uil?’

Bij het horen van mijn naam sprong ik direct op om de vrouw te volgen. In het voorbijgaan keek ik nog eenmaal op de klok. Blijkbaar had ik in totaal bijna twintig uur op mijn beurt gewacht. Daar waren zelfs de wacht­tijden bij de sociale dienst niets bij.

De vrouw leidde me door een lange hal met aan weerskanten om de anderhalve meter een deur, amper van de identiek witte muur te onder­scheiden. Ze opende een van de deuren en wees naar het vertrek. ‘U kunt zich hier omkleden.’

Ik keek naar het zwarte pak dat daar aan een kledinghanger hing. ‘En wat als het niet past?’

De vrouw gaf me een wrange glimlach. ‘Geloof me, meneer Uil, dat pak past.’

Ondanks dat ik nog niet heel overtuigd was, besloot ik niet in discussie te gaan en trok mijn shirt uit.

‘Ik geef u wat privacy,’ zei de vrouw. ‘U wordt zo gehaald.’

Na het omkleden merkte ik een spiegel op. Ik inspecteerde mezelf in mijn nieuwe outfit – die inderdaad als gegoten zat. Ooit heb ik gehoord dat wanneer je sterft, je geest in zijn beste vorm voortleeft. Ik streek mijn donkerbruine haren een beetje naar achter en wreef daarna over de stoppels op mijn wangen. Vervolgens trok ik de stropdas recht over mijn brede bierbuik.

Ik zag er exact hetzelfde uit als toen ik nog leefde. Toegegeven, het was wellicht een erg vrije interpretatie van ‘beste vorm’, maar ik was al lang blij dat er niets meer van mijn noodlottige einde te zien was.

Er werd op de deur geklopt, waarna een jonge vrouw haar hoofd om de hoek stak. Haar uiterlijk beviel me wel; een blondje met lange haren en een goed figuur.

‘Bent u omgekleed, meneer Uil?’

‘Je bent net te laat,’ zei ik, ‘maar voor jou wil ik best wel weer uit de kleren.’

‘Erg origineel, meneer Uil. Die humor zal u hier nog ver brengen,’ zei ze venijnig.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is slechts een van mijn vele talenten.’

‘Heeft u nog een momentje nodig om van uw tijdsverspillingstalent te genieten of zullen we maar met de rondleiding beginnen?’

‘Ach, ik kan wel wat tijd voor je vrijmaken, snoes,’ zei ik met een grijns, in een poging haar mijn beste kant te laten zien. ‘Krijg ik dan wel eerst een kusje van je?’

Haar ogen vernauwden en ze zette een stap dichterbij. Even dacht ik nog dat ze voor mijn charmes viel, maar toen ze me een fractie van een seconde later bij mijn keel tegen de muur omhoog hield besefte ik dat ze mijn toenadering wellicht toch niet had kunnen waarderen.

‘Je bent nieuw, dus ik zal het bij een waarschuwing laten,’ begon ze. Haar stem was zacht, maar de dreiging was duidelijk voelbaar. ‘Ik duld absoluut geen brutaliteit, seksuele toenaderingen of handtastelijkheden, op wat voor manier dan ook. Als je toch nog iets probeert dan ruk ik je luchtpijp eigenhandig uit je keel. Daar is een verbrijzelde schedel niets bij, geloof me. Begrepen?’

Met moeite knikte ik, mezelf oprecht voornemend om op mijn woorden te letten in haar bijzijn. Ze verslapte haar grip zodat ik mijn voeten weer op de grond kon zetten.

‘Mooi. Dan zullen we nu opnieuw beginnen. Mijn naam is Charon. Ik zal je naar de Na-Wereld brengen en je daar inwerken.’

Ik slikte bij het horen van haar woorden. Stamelend herhaalde ik de verschrikking die me zojuist kippenvel had gegeven. ‘Inwerken?’

 

3.

 

Ik had geen dag in mijn leven gewerkt.

Helaas kwam hier in mijn na-leven verandering in. Charon had me rondgeleid in de Na-Wereld – voor de reorganisatie bekend als ‘het Hiernamaals’ – en me zowel mijn taken als het systeem uitgelegd. Toen ik doorkreeg dat het geratel maar bleef doorgaan, raakte ik wat verveeld en ging veel van haar verhaal langs me af. Ik had echter braaf en instem­mend geknikt zodat het leek alsof ik wel oplette.

Deze ‘geïnteresseerde houding’ was een vaardigheid die ik me tijdens mijn leven eigen had gemaakt. Alle nutteloze details kostten me te veel moeite om te onthouden, dus pikte ik slechts af en toe het een en ander op. Zo had ik al meerdere vrouwen aan de haak kunnen slaan; van die types die aan een stuk door bleven praten en erg blij waren met een ‘luisterend oor’.

Ze zijn er uiteindelijk trouwens wel allemaal achter gekomen dat ik niet echt luisterde naar wat ze zeiden. De meesten had ik voor hun ontdekking al in bed gekregen dus deed het er niet meer toe. Een relatie zou me toch teveel energie gekost hebben, zeker wanneer ik daarvoor echt had moeten opletten.

Na Charons lange, saaie verhaal – dat iets met mijn taken en verantwoordelijkheden te maken had – zat ik aan een tafel met mijn eerste opdracht, die ik zogenaamd aandachtig doornam.

‘Laat me raden: nieuweling?’

Ik keek naar de man die me had aangesproken. Zijn pak was identiek aan het mijne, al stond het hem een stuk beter dankzij zijn gespierde lichaam. Wat direct de aandacht trok was zijn gezicht. De ene kant was egaal – best een knappe gast zou je denken – maar de linkerhelft zag eruit alsof hij had gevochten met een tijger. Het ergste was nog wel zijn ontbrekende oog; littekenweefsel vulde het gat gedeeltelijk op. Gelukkig vielen zijn golvende haren deels voor zijn gezicht wat het aanzicht ietsje minder walgelijk maakte.

Hij reikte me zijn hand en het viel me op dat hij enkele vingers miste. ‘Ricky,’ meldde hij, terwijl hij flink in mijn hand kneep.

Ik glimlachte wat wrang terwijl ik hem mijn naam gaf.

‘Dus, Jannes, je bent nieuw?’

Ik knikte. ‘Jij niet, dan?’

‘Nee, ik ben een herinstromer. Heb het hier de eerste keer flink verknald en moest toen jaren aan de zware arbeid. Blij dat ik terug ben. Ik ga het dit keer anders aanpakken.’

‘Zware arbeid?’ herhaalde ik. De haren op mijn armen gingen overeind staan bij het horen van deze woordcombinatie. Arbeid op zich was mij al erg genoeg.

‘Ja, ze hebben je vast wel verteld dat dit een proefperiode is. Je kunt jezelf opwerken: meer verantwoordelijkheden, betere arbeids­omstandig­heden, bla bla …’ Ricky keek met zijn ene oog schichtig om zich heen voordat hij zijn verhaal op fluistertoon vervolgde. ‘Maar wat die rotzakken er niet bij vertellen, is dat je ook kunt  afstromen. Naar het echte rotwerk. Kolen scheppen: bloedheet, loodzwaar … En dat jarenlang. Geen vrije dagen, geen pauzes, geen airco. Kortom, de hel zoals je jezelf de hel zou voorstellen.’

Kort slikte ik bij het horen van zijn woorden.

‘En denk maar niet dat de zware arbeid het ergste is,’ vervolgde Ricky. ‘Als je het daar verknalt ga je direct naar het Eeuwige Vagevuur. Dus gast, advies van mij: doe je werk fatsoenlijk. Het kan erger.’

Beteuterd keek ik naar het formulier in mijn handen. Ik had van Charons verhaal meegekregen wat mijn werk ongeveer zou inhouden, maar ik kon me niet herinneren dat ze me verteld had dat er conse­quenties zouden zijn als ik het niet goed zou doen. Dat zou vast wel zijn blijven hangen. Denk ik, ten minste.

Toen ik opkeek zag ik dat Charon de tafel al naderde. Ricky merkte dit ook op. Hij keek wat ongemakkelijk naar de blonde vrouw en concen­treerde zich vervolgens geheel op zijn eigen formulier.

‘Jannes,’ zei Charon, ‘ben je klaar voor je eerste opdracht?’

Ik knikte wat onzeker. Ze richtte haar blik vervolgens op Ricky. ‘Goh, jou heb ik hier lang niet gezien.’

Hij mompelde iets onverstaanbaars en leek Charon niet aan te durven kijken.

‘Jannes, als je ooit twijfelt over de oprechtheid van mijn beloftes dan moet je eens met deze man praten.’ Ze legde haar hand op zijn schouder en ik zag het formulier trillen in zijn handen. ‘Ik heb hem namelijk beloofd dat ik zijn ogen eruit zou krabben als hij nog een keer verkeerd naar me zou kijken.’

Ze richtte zich vervolgens tot hem. ‘Dus Ricky, ben je niet blij dat ik die dag in een goede bui was? Heb je toch nog een van je mooie ogen overgehouden.’

Hij knikte braaf, maar ik zag aan zijn lichaamshouding dat dankbaar­heid wel het laatste was dat hij voelde. Hij vermeed oogcontact en kromp ineen toen ze zachtjes met haar nagels over zijn egale wang aaide. Zijn angst deed even een valse glimlach op haar gezicht verschijnen, voordat ze zich weer op mij richtte.

‘Dan zullen we maar eens beginnen,’ zei ze, waarna ze zich omdraaide.

Uit angst haar te irriteren stond ik zo snel mogelijk op en volgde haar een hal in. Charon opende een van de vele grijze deuren voor me. Ik keek naar binnen, maar zag niets dan duisternis.

‘Ben je er klaar voor?’

‘Ik weet het niet zeker,’ stamelde ik. Ik durfde niet te bekennen dat ik eigenlijk niet wist wat me te doen stond.

De vrouw gaf me een ijzige blik, waarop ze het opdrachtformulier uit mijn handen griste. ‘Ik heb je toch uitgelegd dat je de eerste keer alleen maar hoeft te observeren?’

‘Klopt,’ zei ik snel, enigszins vrezend voor mijn luchtpijp, ‘maar zo’n eerste keer is toch spannend.’

Haar zucht verraadde dat mijn opmerking haar ergerde. ‘Volg me,’ gebood Charon, voordat ze de deuropening doorging en daar in de duister­nis verdween.

Zwijgend deed ik wat me gevraagd was. Het enige licht was afkomstig uit de hal achter me, maar hieraan kwam een abrupt einde toen de deur met een klap dichtviel.

Alles wat restte was duisternis.

Ik slikte kort. Had ik nu maar opgelet toen Charon me mijn taken uitlegde. Of had ik in ieder geval mijn opdracht maar gelezen …

 

4.

 

Een mierzoete geur kwam me tegemoet. Langzaam wenden mijn ogen aan het nieuwe licht, waardoor ik steeds meer van de omgeving kon onder­scheiden. Ik bevond me blijkbaar in een snoepwinkel. De silhouetten van enkele mensen waren te onderscheiden, al bleven zij er wat vreemd uitzien: hoe erg ik me ook op deze personen concentreerde, het was alsof ze zich op de onscherpe achtergrond van een foto bevonden.

Mijn blik gleed af naar een jongen. Enerzijds omdat hij wel scherp te zien was, anderzijds omdat er een soort gouden gloed om zijn lichaam hing. Het was een jochie van een jaar of vier. Geconcentreerd keek hij naar een bak vol zoetigheid.

Charon was inmiddels naast me komen staan. ‘Dat is je cliënt. Duidelijk zichtbaar, dus niet troebel zoals de niet-cliënten.’

‘Duidelijk,’ zei ik. Eigenlijk wilde ik weten of de gouden gloed er ook iets mee te maken had, maar vreesde dat Charon dat al had uitgelegd. Aangezien ik Ricky’s verminkte gezicht nog levendig voor me zag besloot ik het haar daarom maar niet te vragen.

‘Ik doe het één keer voor,’ zei Charon voordat ze naar de jongen liep. ‘Dus let goed op. En ik waarschuw je: zorg dat je me absoluut niet onderbreekt tijdens de implementatie.’

Ik knikte kort en durfde al niets meer te zeggen voor het geval ze al begonnen was met de ‘implementatie’.

Ze stapte op de jongen af en legde haar hand op zijn schouder. ‘Die snoepjes zien er erg lekker uit,’ fluisterde ze, ‘en er liggen er hier zoveel dat ze er best een paar kunnen missen.’

De jongen keek naar de verkoper achter de toonbank. Charon volgde zijn blik voordat ze weer sprak.

‘Hij kijkt nu toch niet. Bovendien is het toch maar een vervelende man.’

Het jochie richtte nu zijn blik weer op het snoepgoed voor zich, terwijl Charon bleef praten. ‘Een snoepje pakken is geen stelen. Het mag best. Het is geen stelen. Het mag best …’ Ze bleef de twee zinnen herhalen. Door haar monotone fluistertoon klonk het bijna als een gebed.

In een snelle beweging pakte de jongen een snoepslang uit de bak en stak deze direct in zijn mond. Terwijl ze de schouder van het jochie losliet gaf Charon me een triomfantelijke grijns. ‘Zo simpel is het.’

Ondanks dat het jochie langzaam leek te vervagen, zag ik zijn hand nogmaals van de bak naar zijn mond gaan. Hij zag er nu uit zoals de rest van de personen in de winkel: vertroebeld.

‘Ons werk zit erop,’ zei Charon terwijl ze me passeerde.

Voor een laatste maal wierp ik een blik achterom voordat ik haar de grijze deur door volgde. We bevonden ons hierna weer in de hal waar we begonnen waren.

Charon haalde het opdrachtformulier tevoorschijn.

‘Dus dat is mijn werk?’ stamelde ik.

‘Je hebt toch wel opgelet?’ Haar stem was dreigend en haar strakke blik zorgde ervoor dat mijn hartslag versnelde. Ze zette een stap dichterbij en legde haar hand op mijn keel. Mijn adem stokte en in gedachten zag ik haar vingers al om mijn luchtpijp.

Haar mondhoeken krulden verontrustend ver omhoog terwijl ze haar hand omlaag liet glijden en op mijn borstkas liet rusten, waar ze vervol­gens een pen uit mijn binnenzak haalde.

Een zucht ontsnapte me toen ze het schrijfgerei voor mijn gezicht hield. ‘Die mag ik vast wel even lenen,’ zei ze grijnzend. Ze deed nog geen grein­tje moeite om haar leedvermaak te verbergen.

Ik knikte en Charon liet me het formulier zien. ‘Eerst een vinkje bij de juiste afloop. Dan hier de datum, daar een krabbel en voilà: opdracht vol­tooid. Dan aan het einde van de gang deponeren in het postvak van je leidinggevende: in jouw geval is dat Willem Roderik den Eed. Daarna haal je de volgende opdracht op. Deze ligt in je eigen postvak al op je te wachten.’

Afwachtend keek ik Charon aan, maar ze maakte geen aanstalten om in beweging te komen. ‘Wat sta je daar nu nog?’ merkte ze kattig op. ‘Opschieten, aan het werk.’

‘Oh, ik dacht dat je mee zou lopen.’

‘Dat zou ik erg gezellig vinden,’ was haar sarcastische reactie, ‘maar hoe graag ik je ook aan je handje mee zou willen nemen: ik hoefde je alleen maar in te werken. Kortom, ik ben nu van je af en jij moet aan de bak.’

Ik keek de hal in, die zo lang was dat er geen einde aan leek te komen. ‘Bedankt,’ mompelde ik, meer uit beleefdheid – en angst – dan uit dank­baarheid.

‘Succes,’ zei Charon, terwijl haar mondhoeken omhoog krulden. ‘Je zult het nodig hebben.’

 

 

5.

 

‘Willem Roderik den Eed,’ mompelde ik, terwijl ik de postvakjes bekeek. Een zucht ontsnapte me toen ik het systeem eenmaal had ontcijferd – blijkbaar stond alles gewoon op alfabetische volgorde. Ik duwde het for­mulier bij het naamplaatje ‘W.R. Eed, den’ naar binnen en zocht mijn eigen postvak. Er lag inderdaad al een nieuwe opdracht klaar. Mompelend las ik de gegevens op. ‘Gebied: Grijs. Deur: 376, Implementatie door: J. Uil …’

Ik zuchtte toen ik nog meer tekst zag. ‘Gegevens Client: Fase 1, Brandy Johanna Zonneveldt, Vrouw, 26 maart 2011. Doel implementatie: diefstal. Doel behaald, hokje ja, hokje nee … en nog meer tekst.’ Genoeg gelezen, besloot ik zuchtend.

Het kostte me even puzzelen, maar toen ik bij een grijze deur met getal 376 erboven stond verscheen er een grijns op mijn gezicht. Zo moeilijk ging dit niet worden: diefstal was immers al mijn specialiteit toen ik nog leefde.

Ik opende de deur en stapte de duisternis in met het formulier in mijn hand geklemd. Toen alles donker bleef maakte ik me nog even zorgen. Gelukkig begon mijn omgeving op dat moment toch te materialiseren.

Ik bevond me in een klaslokaal vol kleuters, die ik niet goed kon zien omdat zij vertroebeld waren. Al snel merkte ik mijn cliënte op. Haar kon ik wel duidelijk zien en ook zij had een gouden gloed om haar lichaam heen.

Het meisje staarde geconcentreerd naar een roze armbandje dat voor haar op tafel lag. In gedachten liep ik Charons handelingen nogmaals na en besloot deze zo identiek mogelijk te imiteren.

Ik haalde diep adem en stapte op het kind af. Wat onzeker legde ik mijn hand op haar schouder. ‘Dat is een mooie armband,’ zei ik. ‘En die ligt hier gewoon. Klaar om mee te nemen.’

Weifelend keek Brandy rond. Even vreesde ik dat ze me zou opmerken, maar ze leek dwars door me heen te kijken.

‘Niemand die het ziet. Je kunt die armband gewoon pakken.’

Kort hield ik mijn adem in. Toen bleek dat ze niet tot actie overging sprak ik weer. ‘Gewoon pakken, het is niet erg. Gewoon pakken, het is niet erg.’ Ik bleef de woorden herhalen totdat ze de armband van tafel griste en in haar zak stak. Ik liet de schouder los en zag Brandy vertroebelen.

Niet lang daarna trok ik de deur met een tevreden grijns achter me dicht. Een pauze met een lekkere bak koffie was nu zeker wel op zijn plaats. Tot mijn genoegen zag ik dat een man me tegemoet liep. Hij zou me vast wel kunnen helpen.

Ondanks dat de stevige man ook in pak was, had hij een redelijk ruig voorkomen. In zijn nek was een gedeelte van een tatoeage te zien, die verder onder zijn zwarte blouse verdween. Ook hij had een opdracht­formulier in zijn hand.

‘Hoi collega,’ groette ik hem. ‘Kun jij me vertellen waar ik hier de koffie­automaten kan vinden?’

De man trok een wenkbrauw op. ‘Koffie?’ vroeg hij, voordat hij bul­derend begon te lachen. ‘Met een lekker koekie zeker? Dat is een goeie.’

Ik was enigszins verontwaardigd door zijn reactie. Ik besloot daar echter niets van te laten merken. ‘Ik begrijp dat er geen koffie te ver­krijgen is?’

‘Nee. Misschien dat je dit nog niet doorhad, maar je bent nu eenmaal niet in de hemel beland.’

Zijn woorden zetten me aan het denken. ‘Is er dan ook een hemel?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat ik weet. Ik weet alleen dat ik mijn leven mis. Maar er zijn ook voordelen, die dit na-leven heel wat dragelijker maken.’

Er verscheen een grijns op zijn gezicht en uit het niets gaf hij me een stomp in mijn maag.

‘Dat is omdat je mijn tijd hebt verspild,’ zei hij, terwijl ik naar adem hapte. ‘En je kunt ook een gratis tip van me krijgen: zorg dat je niet zo opvalt als nieuweling. Je bent er met een ram in je maag nog goed vanaf gekomen, geloof me.’

 

6.

 

Tegen mijn verwachting in bleek het werk op zich niet zo’n probleem: bij bijna iedere opdracht wist ik een succesvol resultaat te behalen. De doelen van de opdrachten begonnen na een tijdje te variëren: naast dief­stal moest ik mensen – voornamelijk kinderen – ook aanzetten tot liegen en fysiek geweld. Diefstal was echter mijn favoriet aangezien dit het gemakkelijkst te bereiken viel. Daarnaast gaf het me wat meer variatie qua leeftijd van de cliënten.

Het probleem lag eerder bij mijn collega’s. Het was al snel duidelijk dat ik een nieuweling was. Regelmatig werd ik daarom door iemand bespuugd, geslagen of geschopt. Blijkbaar was dit erg normaal hier.

Op weg naar de postvakken zag ik dat iemand me tegemoet liep. Ik vreesde voor wat me nu weer te wachten stond. Ik besloot echter zo standvastig mogelijk door te lopen, in de hoop op die manier minder op te vallen.

Opgelucht zag ik dat het een slechts slungelige jongeman was. Zijn haar zat wat warrig en hij had een rond brilletje. Absoluut geen bedreiging, besloot ik. Zelfverzekerd liep ik verder, maar in het voorbijgaan bespuug­de hij me. Vol walging wreef ik mijn gezicht droog en draaide me vloekend om. Mijn scheldwoorden hadden zijn aandacht getrokken.

‘Wat nou, nieuwe?’ sprak hij provocerend.

‘Ik zal die arrogante grijns eens van je gezicht afslaan,’ dreigde ik, terwijl ik een stap dichterbij zette.

Zijn glimlach werd breder. Hij was absoluut niet onder de indruk. ‘Dan moet je wel heel achterlijk zijn.’

Ik probeerde ad rem te reageren. ‘Je weet nog niet half hoe achterlijk ik ben.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, terwijl ik me realiseerde dat het wellicht niet mijn meest gevatte reactie was geweest. Om dit te compenseren besloot ik direct over te gaan op actie en liet mijn vuist met zoveel mogelijk kracht kennismaken met zijn neus. De klap zorgde ervoor dat hij achterover viel.

Toen hij opklauterde, zag ik dat zijn neus hevig bloedde. ‘Stomme zet,’ mompelde hij.

Nog voordat ik kon reageren hoorde ik een onbekende stem achter me. Toen ik omkeek zag ik een roodharige vrouw staan.

‘U dient mee te komen vanwege geweld tegen een meerdere,’ zei ze.

Ik wierp nogmaals een blik op de man, die inmiddels flink aan het gniffelen was. ‘Is dat een meerdere?!’ vroeg ik vol walging.

De vrouw knikte instemmend, waarop de grijns van de man breder werd. Dit wakkerde mijn woede direct weer aan en als resultaat sloeg ik hem nogmaals tegen de grond. Verontschuldigend keek ik de vrouw aan. ‘Sorry, maar die vuile grijns van hem…’

Nonchalant haalde ze haar schouders op. ‘Problemen heb je toch al. Wat bloed meer of minder doet er nu ook niet meer toe.’

Mijn lippen krulden omhoog. ‘In dat geval,’ zei ik, terwijl ik de lach van zijn arrogante gezicht zag verdwijnen, ‘wil ik hem graag mijn schoen nog even van dichtbij laten zien.’

 

7.

 

Ik keek naar mijn hand; naar de bloederige stomp waar voorheen mijn ring­vinger had gezeten. Het was pijnlijk geweest. Blijkbaar werd geweld tegen een ‘meerdere’ echter altijd op deze manier bestraft. Ik was daarom ook erg blij dat ik die kwal nog extra had toegetakeld, dat maakte het een beetje dragelijker dan wanneer ik voor slechts één klap dezelfde prijs had moeten betalen.

Het was allemaal erg snel gegaan. Ik was de vrouw gevolgd naar een ruimte waar een hakblok stond dat besmeurd was met opgedroogd bloed. Toen ze een grote bijl pakte vreesde ik nog even voor mijn hoofd, maar toen ze me zelf een hand en vinger liet kiezen begon het te dagen.

‘Oh, je bent dus links?’ vroeg ze, vlak voordat de bijl neerkwam. Een schreeuw van pijn ontsnapte me en direct daarna besefte ik dat mijn linkerhand wellicht een betere keuze was geweest, gezien mijn rechts­handigheid. Daar was nu helaas niets meer aan te doen.

De roodharige vrouw leek niet onder de indruk van mijn geschreeuw en gebood me direct terug aan het werk te gaan. Enigszins beledigd – maar verstandig genoeg om niet tegen de vrouw met de grote bijl in te gaan – begaf ik me naar mijn postvak.

Tot mijn verbazing vond ik daar geen nieuwe opdracht, maar een uitnodiging voor een functioneringsgesprek.

Met lood in mijn schoenen begaf ik me naar de op de brief aangegeven deur. Toen ik aanklopte merkte ik pas dat de stomp nog niet helemaal was gestopt met bloeden. Met mijn mouw probeerde ik het bloed van de deur af te vegen, maar ik bleek het hiermee uit te wrijven tot grotere vlekken. De deur ging al open voordat ik dit probleem had opgelost.

In de deuropening bevond zich een man in een grijs pak. Zijn donkere haren waren strak naar achteren gekamd en een bril sierde zijn gezicht. Hij keek wat moeilijk naar de bloedvlekken op de deur en vervolgens richtte hij zijn blik op mij. ‘Meneer Uil, neem ik aan?’

Ik knikte en reikte hem vervolgens beleefd mijn hand.

Zijn blik schoot even naar de besmeurde deur. ‘Ik denk dat we de handdruk achterwege kunnen laten.’ stelde hij droog voor. ‘Mijn naam is Willem Roderik den Eed. Zoals u hopelijk weet ben ik uw leidinggevende,’ zei hij. Hij gebood me om hem mee naar binnen te volgen. Voordat hij achter zijn bureau plaatsnam reikte hij me een doos tissues aan. Dankbaar pakte ik er een aantal uit om het bloeden te stelpen. Den Eed bladerde ondertussen door enkele papieren. ‘Ik heb u uitgenodigd voor een vroegtijdig functioneringsgesprek.’

‘Vroegtijdig?’

Hij knikte. ‘Dat doe ik alleen als daar een bijzondere aanleiding voor is.’

Kort slikte ik en keek nogmaals naar mijn hand, die inmiddels wat minder bloedde. Ik had gedacht dat dit de enige consequentie zou zijn voor mijn gedrag. Ricky’s verhaal over zware arbeid spookte door mijn hoofd.

‘U valt op, meneer Uil. Zeker voor een nieuweling.’

‘Het spijt me,’ mompelde ik.

Mijn leidinggevende knipperde kort met zijn ogen. ‘Spijt, meneer Uil? U begrijpt me verkeerd. U bent me gedurende uw proefperiode juist positief opgevallen.’

Wat verward keek ik hem aan, terwijl hij een vel papier uit zijn stapel haalde.

‘Als voorbeeld wil ik graag de opdracht betreffende mevrouw S.A.J. Belgenbosch erbij nemen. U heeft daarbij goed eigen initiatief getoond. U weet om welke zaak het gaat?’

Ik knikte, terwijl ik kort terugdacht aan de opdracht. Ik had de hoogbejaarde vrouw laten stelen in een drogisterij. Ze wilde een pakje Tena Lady’s kopen, maar schaamde zich te erg voor haar incontinentie om het af te durven rekenen. Ik had haar ervan overtuigd dat één pakje niet genoeg zou zijn en dat ze beter meteen een voorraadje kon mee­nemen. ‘Mochten ze je betrappen, doe dan gewoon alsof je dement bent,’ had ik haar gezegd.

Den Eed gaf me een korte glimlach voordat hij sprak. ‘Die vrouw had nog nooit in haar leven de wet overtreden. U moest haar overtuigen een simpele diefstal te plegen, maar u heeft haar aangezet tot meervoudige diefstal. Als gevolg van uw implementatie vindt zij stelen nu zo gerecht­vaardigd dat ze een ware kleptomaan is geworden. Kijk, dergelijke over­tuigings­kracht valt te waarderen.’

‘Hoe weet u dat?’

Zijn ogen vernauwden. ‘Heeft Charon u niet uitgelegd dat men tijdens de proefperiode wordt geobserveerd?’

Ik durfde niet te melden dat ik dit niet met zekerheid kon zeggen, dus probeerde ik een zo onschuldig mogelijke grijns op mijn gezicht te toveren. ‘Oh, natuurlijk,’ blufte ik. ‘De observaties. Daarom weet u het.’

De man keek me kort aan voordat hij weer sprak. ‘Laten we weer ter zake komen.’ Hij schoof een stapeltje papieren naar me toe. Het zag eruit als een contract. Hij beantwoordde mijn vragende blik met een zoete glimlach.

‘Meneer Uil, wat dacht u van een promotie?’

 

8.

 

Mijn nieuwe functie had voordelen, absoluut. Ik was nu een meerdere, wat inhield dat ik minderen mocht aftuigen. Bovendien had ik eindelijk toegang tot een koffieautomaat – niet dat die aanmaaktroep te zuipen was, maar dat terzijde.

Daar stond wel tegenover dat ik helaas geen simpele formulieren meer voor mijn opdrachten ontving, maar hele dossiers welke ik door diende te nemen alvorens aan mijn implementatie te beginnen. Na de imple­mentatie moest er tevens een verslag geschreven worden: kort en bondig bij succes, uitgebreid na falen.

Ik weet niet of ze gewoon nog niet zo ver waren of dat het een bewuste kwelling was, maar alle dossiers hier waren volledig handgeschreven. Zowel qua voor- als nawerk absoluut niet ideaal.

Maar ja, ik mocht niet klagen – dat stond blijkbaar ook in mijn contract.

Met een bak koffie in mijn hand opende ik de deur naar mijn eerste nieuwe opdracht. Volgens het dossier had de heer in kwestie jarenlang hard gewerkt om zijn bedrijf overeind te houden. Ondanks zijn creatieve boekhouding stond hij toch op het punt om failliet te gaan. Ik diende hem te overtuigen zijn zaak in brand te steken en het verzekeringsgeld op te strijken.

Terwijl ik nog een slok nam van mijn ranzige koffie, zag ik de cliënt voor me materialiseren. Het eerste dat me opviel was dat er geen gouden gloed om hem heen hing: het was eerder een donkere wolk.

Ik wilde naar mijn cliënt toestappen toen ik vanuit mijn ooghoeken een man in een wit pak zag staan. Hij keek me strak aan voordat hij naar de cliënt toestapte en een hand op zijn schouder legde.

‘Dit is niet de uitweg. Ze zullen erachter komen,’ zei hij.

Mijn cliënt keek twijfelachtig naar de jerrycan met benzine in zijn handen. De man sprak nogmaals. ‘Het is het niet waard. Denk aan je vrouw en kinderen. Als je dit doorzet, zal je ze allemaal kwijtraken.’

Terwijl de man in wit bleef doorpraten drong het langzaam tot me door wat er aan de hand was. Ik zette enkele stappen dichterbij, maar het was al te laat: mijn cliënt begon te snikken en liet de jerrycan uit zijn handen vallen, waarop de man zijn schouder losliet.

Ik vloekte toen ik de cliënt vervolgens zag vertroebelen.

De man in het witte pak wierp me een triomfantelijke glimlach toe terwijl hij begon te vervagen. ‘Ik ben wel wat moeilijkere concurrentie gewend,’ grijnsde hij, voordat hij geheel in het niets verdween.

 

9.

 

Vloekend knalde ik de deur achter me dicht en toen ik me mopperend naar de dossierverwerkingsruimte begaf, hoorde ik een bekende stem mijn naam roepen.

Ik draaide me om en zag dat Ricky naar me toe liep.

‘Ha, een bekend gezicht …’ halverwege mijn begroeting realiseerde ik me mijn onhandige woordkeuze. Ik overwoog er de woorden ‘of in ieder geval de helft’ aan toe te voegen, maar gelukkig bleek Ricky niets door te hebben van mijn ongelukkige uitspraak.

‘Hoe gaat het met je?’

‘Ik heb zojuist een opdracht verknald,’ mompelde ik.

Met zijn ene oog keek Ricky me vragend aan. ‘Hoe dat dan?’

‘Ik ben gedwarsboomd door een of andere klootzak in een wit pak.’

‘Tering, man. Maar je hebt dus zo snel al een promotie gehad? Gefeliciteerd, jongen!’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik me hardop af.

‘In de eerste fase heb je nog niet te maken met die lui in wit. Je weet wel, de Tegenpolen.’

‘De Tegenpolen?’

‘Heeft Charon je daar niets over verteld?’

Enigszins nonchalant haalde ik mijn schouders op. ‘Vast wel. Ik heb niet echt opgelet.’

Ricky keek schichtig om zich heen en sprak vervolgens op fluistertoon. ‘De Tegenpolen, oftewel de na-levenden in wit, proberen onze implementaties te verijdelen.’

‘Dat is dan goed gelukt,’ mompelde ik.

‘Je moet ze te slim af zijn. In de dossiers kun je veel informatie vinden over de diepste gevoelens en geheimen van de cliënten en daar moet je op inspelen. Anders win je het niet van een Tegenpool.’

Bij het horen van zijn woorden ging er een rilling door me heen. Ik kon me mijn contract nog goed herinneren. Als ik mijn werk onvoldoende zou uitvoeren, zou dat consequenties gaan hebben. Welke wist ik niet, ik had namelijk niet zo’n zin om alle artikelen grondig door te lezen alvorens mijn krabbel te zetten. Ik nam me voor de zoveelste keer voor om wat aan mijn laksheid te gaan doen.

‘Ik moet weer verder,’ zei Ricky, terwijl hij naar het formulier in zijn hand wees.

We wisselden een korte afscheidsgroet voordat ik mijn weg vervolgde. Ik nam plaats aan een tafel verderop in de gang. Bij het falen van een opdracht werd een uitgebreid rapport verwacht: iets waar ik met absolute tegenzin aan begon.

Na bijna een uur schrijfwerk werd ik uit mijn concentratie gehaald door een bekende vrouwenstem. ‘Neemt u plaats aan die tafel daar en lees uw eerste opdracht vast door. Ik kom zo bij u terug.’

Zonder me een blik waardig te keuren draaide Charon zich om. Een kalende man nam plaats aan de tafel en staarde aandachtig naar het formulier in zijn handen.

‘Nieuweling?’ vroeg ik, ondanks dat dit overduidelijk was.

Hij knikte, waarna ik hem mijn hand reikte en mijn naam gaf.

‘Pieter Hart,’ mompelde hij.

‘Net je rondleiding gehad van Charon?’

‘Nee, ik heb haar wegwijs gemaakt,’ reageerde hij sarcastisch.

Zijn bijdehante toon stond me absoluut niet aan. Het was dat ik blij was met de afleiding, anders had ik hem direct in zijn gezicht gestompt.

‘Was het een beetje interessant?’

Een geërgerde zucht ontsnapte hem. ‘Nee, natuurlijk niet.’

Ik balde mijn vuist, maar zijn volgende woorden weerhielden me ervan om uit te halen.

‘Behalve het uitzicht dan,’ grijnsde hij brutaal. ‘Die Charon mag er wel wezen.’

Ik sprong hier direct op in. ‘Absoluut. En ze is een beest in bed,’ blufte ik.

Pieter keek me met grote ogen aan. ‘Heb jij …’

Grijnzend knikte ik. ‘Kijk, je moet gewoon een beetje weten hoe ze in elkaar zit,’ fluisterde ik. ‘Ze doet graag alsof ze moeilijk te krijgen is, maar daar moet je even doorheen prikken.’

Pieter ging geïnteresseerd voorover hangen en keek even om zich heen voordat hij sprak. ‘Ze dreigde mijn hart eruit te rukken als ik nogmaals toenadering zou zoeken.’

‘Ze test je,’ zei ik. ‘Ze wil weten of je mans genoeg bent.’

De man keek me met vernauwde ogen aan terwijl ik er nog een schepje bovenop deed. ‘De seks alleen al is de moeite waard maar het heeft nog meer voordelen. Charon heeft veel invloed hier, dus als je je omhoog wilt werken …’

Hij leek dit te overdenken terwijl ik Charon weer zag naderen. Kort keek ze me aan voordat ze haar blik op mijn dossier wierp. ‘Promotie gehad?’ wilde ze weten.

Ik knikte. ‘Klopt. Ik heb vooral veel aan jouw rondleiding gehad. Bedankt.’

Vanuit mijn ooghoeken zag ik de mond van Pieter bijna letterlijk openvallen. De blonde vrouw gaf me een argwanende blik voordat ze haar aandacht weer op de man richtte. ‘Meneer Hart. Klaar voor uw eerste opdracht?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Helemaal,’ zei hij met een speelse blik in zijn ogen. ‘Loop jij maar voorop, dan heb ik een mooi uit­zicht,’ grijnsde hij, waarna hij kort tegen haar achterste sloeg.

Charons ogen werden eerst groot van ongeloof, vervolgens vernauwden ze in een angstaanjagende blik. Razendsnel greep ze de man bij zijn keel, tilde hem met één hand op en liet hem met een klap met zijn rug op de tafel neerkomen.

Van schrik sprong ik op, het dossier in mijn armen geklemd.

In één beweging rukte ze zijn pak en blouse open. De angst in Pieters ogen sloeg daardoor om in een andere blik en ook de plotselinge bobbel in zijn broek wees erop dat hij geloofde dat het wellicht een beestachtige manier van voorspel was.

Charon leek dit niet op te merken. Haar stem was rustig, maar vreemd genoeg was dat juist het angstaanjagende daaraan. ‘Meneer Hart, ik heb u duidelijk gewaarschuwd.’

Met haar linkerhand hield ze de man bij zijn keel tegen de tafel gedrukt, terwijl ze haar andere hand met een onmenselijke kracht door zijn borstkas heen ramde. Ik hoorde enkele ribben breken, waarna het geschreeuw van de man begon.

Charon keek hem vol walging aan voordat ze zijn nog kloppende hart uit zijn borstkas trok.

‘Meneer Hart zal zijn naam moeten veranderen,’ merkte ik droog op.

Tot mijn verbazing leek mijn opmerking Charon even te amuseren; er verscheen in ieder geval een fonkeling van leedvermaak in haar ogen. Vervolgens wierp ze me een duivelse blik toe. ‘Denk maar niet dat ik niet doorheb dat jij hem hiertoe hebt aangezet.’

Geschokt keek ik de vrouw aan en vreesde direct voor mijn luchtpijp. Ze richtte haar ogen echter weer op de man. Terwijl hij bleef schreeuwen stroomde er steeds meer bloed uit de gapende wond.

‘Ach man, gedraag je als een vent,’ mompelde ze geërgerd. Haar hand verdween nogmaals in zijn borstkas, waar ze het hart weer achterliet. Ze liet hem los en veegde haar bloederige handen af aan haar kleding. ‘Sta op. We hebben al genoeg tijd verspild.’

‘Ziekenhuis,’ wist Pieter uit te brengen.

‘Voor het geval je het niet doorhad: je bent al dood,’ zei Charon met een zucht. ‘Het geneest vanzelf. Uiteindelijk. In de tussentijd is het alleen maar erg pijnlijk. Maar dat heb je aan jezelf te danken.’

‘En jij …’ De vrouw wierp haar blik op mij en wees vervolgens naar mijn papieren, die ik nog op de tafel had laten liggen. Tot mijn schrik zag ik dat deze doordrenkt waren met bloed. Ik liet het dossier uit mijn handen vallen en greep naar mijn handgeschreven papieren om de schade op te nemen. Ze waren onleesbaar geworden.

Charons lippen krulden omhoog. ‘Veel plezier met je documentatie. Je zult er nog even werk mee hebben.’

 

10.

 

Ik opende het nieuwe dossier. Naast mijn opdracht nam ik nu ook de achter­grondinformatie over de cliënte, V.A.A. Haasch, aandachtig door. Of ja, aandachtig … Het kostte me moeite om me op de handgeschreven onzin te concentreren. Docenten hadden tijdens mijn leven altijd al over mijn spanningsboog geklaagd. Ook over mijn gedrag, trouwens. Ik werd dan ook om het minste of geringste de les uit gestuurd. Volgens mij heb ik serieus het grootste deel van mijn schooltijd op de gang door­gebracht.

De enige waar ik niet mee in de clinch lag, was mijn docente Neder­lands. Ik had haar verteld dat lezen en schrijven nu eenmaal niet mijn ding waren. Ze was erg begripvol en liet me tijdens haar lessen daarom ook gewoon lekker buiten een sigaretje roken.

‘Ik noteer je gewoon als aanwezig,’ zei ze altijd, ‘maar wel onder voor­waarde dat je op tijd bent voor het volgende lesuur.’

Ik hield me altijd braaf aan die afspraak. Tenminste, totdat ik op een dag besloot voortaan helemaal van school weg te blijven.

Lezen was helaas nog steeds niet mijn ding; vooral de achtergrond­informatie van mijn cliënte was erg uitgebreid en te saai voor woorden. De foto’s van haar familieleden waren op zich wel leuk. De demente schoonvader, wiens AOW ze in eigen zak stak terwijl zijn schulden opliepen. Haar man, die al meerdere malen veroordeeld was tot gevangenis­straf en daardoor een makkelijk doelwit om voor haar fraude en diefstallen op te draaien. Terwijl ik naar zijn pasfoto keek, vond ik het bijna zielig voor hem.

Na een tijdje gaf ik het op: ik was voorbereid genoeg.

Eenmaal begonnen aan mijn opdracht wilde ik direct op mijn cliënte afstappen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hem echter al verschijnen: de man in het witte pak.

Hij gaf me een neerbuigende glimlach. ‘We meet again. Hopelijk kunt u me ditmaal een grotere uitdaging bieden.’

Ik kon er nooit tegen wanneer Nederlanders onnodig Engels tegen me spraken. Voornamelijk omdat ik Engels niet verstond, maar dat terzijde.

Ik negeerde hem en legde mijn hand op de schouder van mevrouw Haasch.

‘Niemand zal hem geloven,’ zei ik. ‘Hij is al zo vaak veroordeeld wegens diefstal.’

Mijn Tegenpool stapte nu ook op haar af en legde zijn hand op haar andere schouder. ‘Het is je man. Hij heeft een goede nieuwe start gemaakt. Dit kun je hem én je kinderen niet aandoen.’

Ik gaf de man een valse blik voor ik weer sprak. ‘Hij is altijd al een crimineel geweest. Hij verdient het om weer opgesloten te worden.’

‘Hij heeft altijd alleen maar gestolen om het gezin te onderhouden. Je moet jezelf aangeven, niet hem. Denk aan jullie kinderen. Aan hun toekomst.’

De vrouw keek twijfelend naar de telefoon, waarop ze het nummer van de politie intoetste.

‘Hij was -’ begon ik, maar ik werd grof onderbroken door de Tegenpool. ‘Hij was altijd goed voor jullie.’

De grijns op zijn gezicht stond me niet aan, maar ik probeerde rustig te blijven.

‘Je moet -’ begon ik weer, maar werd nogmaals abrupt onderbroken.

‘Je moet jezelf aangeven. Je hebt het nummer al gedraaid: er is geen weg meer terug. Het is het juiste om te doen,’ sprak hij, terwijl ik de wacht­muziek al aan de andere kant van de lijn hoorde.

Mijn ademhaling nam toe. Ik dreigde te falen bij deze opdracht. In gedachten zag ik de stapels papierwerk al voor me. En erger: de vuile grijns van de Tegenpool wanneer hij weer zou winnen.

‘Je man -’ begon ik, maar vanuit mijn ooghoek zag ik de mond van Tegenpool alweer opengaan. Mijn irritatie sloeg op dat moment om in woede. Even leek alles zich vertraagd af te spelen. Zijn verschrikte blik, vlak voordat mijn vuist zijn kaak raakte. De dreun die klonk toen hij op de grond viel. Mijn volgende uithaal, ditmaal midden in zijn gezicht, waar­door ik zijn neus hoorde kraken.

Terwijl ik door trapte en sloeg bleef het vrolijke deuntje van de wachtmuziek alsmaar doorspelen. Vreemd genoeg klonk dat luider dan de schreeuwen van de man. Pas toen de muziek tot een abrupt einde kwam en de telefoniste vroeg hoe ze kon helpen, werd ik me weer bewust van mijn taak.

Ik legde mijn bebloede hand op de schouder van mijn cliënte. ‘Je wilt je man aangeven voor diefstal en fraude.’

De vrouw knipperde even met haar ogen, maar bleek niet meer overtuiging nodig te hebben. Tevreden haalde ik mijn hand van haar schouder en wierp een blik op de man in wit, die rochelend in zijn eigen bloed op de grond lag.

‘Hopelijk was dit genoeg uitdaging voor je,’ grijnsde ik, voordat ik hem ook nog een fysieke trap na gaf.

 

11.

 

‘Ik ben zeer tevreden,’ zei Den Eed.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken; de zaken waren de afgelopen maanden inderdaad goed gegaan. De Tegenpolen vormden geen probleem voor mij: ze vochten nooit terug. Implementaties waren daardoor erg simpel, zeker omdat de cliënten vaak maar weinig nodig hadden om overstag te gaan.

Vanwege mijn successen was het papierwerk ook minimaal. Ook was het niet langer nodig me in te lezen in de dossiers. De tijd die ik aan voor­bereiding kwijt zou zijn, kon ik nu beter benutten. Pauzes waren niet toegestaan, maar met een bak koffie – zogenaamd – een dossier door­nemen daarentegen …

Den Eed keek me kort aan. ‘Ik denk persoonlijk dat u een goede zou zijn voor fase 3 opdrachten.’

Ik probeerde te verhullen dat ik hem niet helemaal begreep. Gelukkig besloot mijn leidinggevende zijn woorden nader toe te lichten. ‘Fase 3 houdt in dat de redenen van implementatie gecompliceerder zijn. Het betreft meestal zwaardere misdaden.’

Ik knikte afwachtend.

‘Maar,’ vervolgde hij, ‘het kan ook gaan om invloedrijkere mensen: men­sen van het ministerie, bekende Nederlanders, belangrijke zakenlui …’

Toen ik mijn nieuwe contract tekende had ik niet veel verschil verwacht met mijn voorgaande opdrachten. Hierin had ik me echter wel ver­gist; de doelen van de implementaties waren inderdaad heftiger. Het kostte me daardoor soms moeite me te distantiëren van de daden van deze cliënten.

Maar als ik het niet deed dan werd een dergelijke opdracht wel door een collega uitgevoerd, bleef ik mezelf voorhouden. Bovendien zou het op den duur wel wennen.

Bij mijn nieuwste opdracht, waarbij ik een directielid van een grote instantie voor goede doelen moest aanzetten tot het verduisteren van een gigantische som geld, stond ik mijn Tegenpool al op te wachten. Een wit licht verscheen en ik balde mijn vuist: klaar om uit te halen.

Het licht begon vorm aan te nemen, maar het was ditmaal niet een man in een wit pak. Mijn adem stokte bij het zien van de verschijning en ontmoedigd liet ik mijn vuist zakken.

Voor me stond een jonge vrouw. Haar witte jurk stak mooi af tegen haar getinte huid. Ze streek haar lange, donkere haren naar achteren en gaf me een glimlach voordat ze sprak. ‘Had je iemand anders verwacht?’

 

12.

 

Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht. Ik herinner me mijn eerste les nog levendig.

Ik was een jaar of vijf, toen ik die bewuste dag met haar in de super­markt was. Mijn moeder had niet veel te besteden en werd op deze manier door de overheid gedwongen om haar budget aan te vullen door middel van stelen. Omdat ze me graag wat meer zelfstandigheid bij wilde brengen moest ik leren de producten die ik wilde, zelf de winkel uit te smokkelen.

Die dag had ik mijn oog laten vallen op de laatste zak met dropjes, die plots voor mijn neus werd weggegrist. De dader was een meisje met twee lange vlechten. Ze wilde de zak in een overvolle winkelwagen leggen maar ik blokkeerde haar pad en eiste dat ze me het snoepgoed over­handigde. Ze ging hier niet mee akkoord en ruw duwde ze me aan de kant.

Geërgerd greep ik haar bij beide vlechten vast en werkte haar tegen de grond. Toen ze de zak snoep nog steeds niet losliet hief ik mijn vuist.

Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn moeder, die aan het andere uiteinde van het gangpad stond. Op exact hetzelfde moment dat mijn vuist het meisje raakte, zag ik tot mijn schrik zelfs van die afstand het linkerooglid van mijn moeder trillen. Daaraan zag ik altijd direct dat het goed mis was.

Vanaf dat moment leek alles vertraagd plaats te vinden. Een grote zak met aardappelen viel met een bons onder haar rok uit, maar het leek haar niets uit te maken. De aardappelen rolden over de grond terwijl mijn moeder langzaam in beweging kwam. Ik stond aan de grond genageld terwijl ze als een dolle stier door het gangpad stormde, recht op mij af.

‘Je mag vrouwen niet slaan,’ schreeuwde ze, waarna ze me een draai om mijn oren gaf. ‘Vrouwen hoor je met respect te behandelen!’

Opvoeden kon ze wel, mijn moeder. Ik had daarna mijn gehele leven nooit meer een vrouw kwaad gedaan.

 

De vrouw in de witte jurk had haar blik wat afwachtend op me gericht. ‘Dus jij bent degene die mijn collega’s het werk onmogelijk maakt?’

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en haalde daarom mijn schouders maar op.

Een glimlach verscheen op haar gezicht. ‘Ik had een spraakzamer type verwacht.’

‘Ik had ook wel iets anders verwacht. Of iemand anders, in ieder geval,’ mompelde ik.

Ze stak haar hand uit. Enigszins argwanend nam ik deze aan. Haar hand voelde zacht in mijn ruwe vechtersvuist.

‘Angelica,’ zei ze.

Nooit eerder had een Tegenpool zich aan me voorgesteld. Mompelend gaf ik haar mijn naam.

‘Aangenaam kennis te maken, Jannes,’ zei ze. Ze gaf me een korte glim­lach voordat ze mijn hand losliet en naar de cliënt liep.

Ze legde haar hand op zijn schouder. Haar eerste woorden waren al overtuigender dan alles wat ik had kunnen bedenken.

Met moeite wist ik een vloek te onderdrukken. Had ik het dossier nu maar gelezen …

 

13.

 

Ik dacht terug aan de woorden van mijn leidinggevende.

‘Je hebt nog een kans om dit goed te maken,’ had den Eed gezegd. ‘De volgende opdracht is zwaar. Als je jezelf hiermee bewijst, zal je een mooie nieuwe functie krijgen.’

‘Wat voor functie?’

‘Mijn functie, meneer Uil,’ zei hij. ‘Leidinggevende over het gehele Grijze District van Noord- en Zuid Holland.’

‘En u dan?’

‘Voor mij komt er een mooie internationale functie vrij.’

Zijn woorden hadden me aan het denken gezet. ‘Het hele na-leven bestaat uit … werk?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Er komen telkens functies vrij van bovenaf. Dat houdt in dat er toch iets met die mensen gebeurt. Er gaan geruchten over ‘eeuwige rust’.’

‘Ze sterven … weer?’

‘Misschien. Alleen zou dat dan ook binnen de lagere functies voor­komen. Zelf geloof ik daarom dat men uiteindelijk met pensioen mag.’

Eeuwige rust. Dat klonk erg aantrekkelijk. ‘En als ik de opdracht niet haal?’ had ik gemompeld, nog terugdenkend aan mijn falen van voor­heen.

Zijn blik leek wat kil te worden, maar de glimlach was op zijn gezicht gebleven.

‘Dan ben ik niet blij, meneer Uil.’

De deur viel achter me dicht. Langzaam kon ik de slaapkamer van de duisternis onderscheiden. Ik richtte mijn blik op het bed. Het eerste dat me opviel, was de inktzwarte wolk die om de cliënt heen hing.

Het dossier van deze man was het dikste dossier dat ik tot nu toe onder ogen had gekregen. Ik had zowel de opdracht als het grootste deel van de achtergrondinformatie redelijk goed doorgenomen, maar de bijlagen … Die bestonden slechts uit informatie over zijn vele slachtoffers: allemaal vrouwen die hij op brute wijze had vermoord. Ik moet bekennen dat ik mijn maag toen wel een beetje voelde draaien.

Toen ik het witte licht zag hoopte ik vurig dat mijn Tegenpool een man zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik niet verbaasd was toen Angelica me met een brede glimlach begroette.

Qua voorbereiding had ik nu al meer tijd gestoken in dit dossier dan in alle dossiers van de afgelopen maanden – bij elkaar, zelfs – maar ik vreesde direct dat het niet genoeg was geweest.

‘Ik had kunnen weten dat ik jou hier zou aantreffen,’ mompelde ik.

Haar ogen vernauwden kort. ‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt me eerder doen falen. Dus ja, logisch dat ze jou sturen.’

‘Je had eigenlijk een andere Tegenpool vandaag, maar toen ik aanbood zijn cliënt over te nemen vond hij dat absoluut geen probleem,’ zei ze. ‘Wellicht dat het iets met je reputatie te maken heeft.’

‘Ik heb een reputatie?’

‘Nu niet te zelfverzekerd worden, Jannes. Er hangt veel van deze opdracht af.’

‘Meer dan je zou denken,’ mompelde ik, terugdenkend aan de woorden van mijn leidinggevende. Ze keek geïnteresseerd en daarom besloot ik mijn woorden toe te lichten.

Ze beet even op haar lip en leek mijn verhaal te overdenken terwijl ze blik op de cliënt richtte. Langzaam ging ze op de rand van zijn bed zitten. Ze leek zo in gedachten verzonken dat ik mijn ogen even afwendde. Ik keek naar de trage, regelmatige ademhaling van de cliënt.

Angelica sprak zacht. ‘Hij zocht ze bewust op, Jannes. Talloze keren.’ Ze schudde langzaam haar hoofd, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vielen. ‘Hij wachtte geduldig aan het donkere bospad tot er een vrouw langsfietste. Hij trok deze dan van haar fiets, het bos in … Waar hij haar op brute wijze verkrachtte, genietend van haar schreeuwen, van haar smeken, van haar tranen …’

‘En daarna vermoordde hij haar,’ vulde ik aan, mijn stem ook zacht.

Ik slikte kort. Nog nooit eerder had ik zoveel afschuw gevoeld voor een cliënt. Stelen, liegen, fysiek geweld … geen probleem. Maar moord, zeker op deze wijze, dat was toch wel een stap verder.

Angelica streek haar haren naar achteren voordat ze me aankeek. ‘En nu moet jij hem ertoe aanzetten dit weer te doen.’

Ik wist niet wat ik kon zeggen. Peinzend wendde ik mijn blik af. Deze man had al zo vaak misdaden begaan, zonder dat ik daar iets mee te maken had. Maar als ik hem aanzette tot het kwaad doen van een vrouw, was het dan niet indirect mijn schuld?

De stilte werd steeds langer, steeds ondragelijker.

‘Jij wilt hem op het rechte pad brengen?’ vroeg ik uiteindelijk.

Haar ogen waren op de cliënt gericht. ‘Zijn ziel is al te duister,’ zei ze, haar gezicht vertrokken in afschuw.

Haar opmerking verraste me. ‘Maar jij moet hem toch van het goede overtuigen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik heb dit al te vaak gezien. Ik moet hem ervan weerhouden een volgend slachtoffer te maken. Hij komt misschien tot bezinning en besluit vanavond niet naar het bos te gaan. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt. Dan ben ik hier weer, in dezelfde slaapkamer, met dezelfde opdracht.’

Weer een stilte.

Ik overwoog mijn opties en uiteindelijk slaakte ik een diepe zucht. ‘Ik trek me terug,’ mompelde ik.

Angelica richtte haar grote bruine ogen op me. ‘Maar … Je promotie …’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Begin maar, voordat ik me bedenk.’

Ze leek dit even te overdenken.

‘Nee,’ zei ze resoluut.

Verbaasd keek ik haar aan. Een mysterieuze glimlach verscheen op haar gezicht voordat ze weer sprak. ‘Ik heb een beter idee.’

 

14.

 

‘Overplaatsing naar zware arbeid,’ beval ik.

Damion, mijn collega wiens taak het was om mensen daar in te werken, had de man al bij zijn arm vast. ‘Maar,’ begon de man terwijl hij me met grote ogen aankeek, ‘waarom? Ik heb mijn werk goed gedaan.’

‘Je werk in je na-leven, ja. Ik baseer mijn beslissingen echter op het gehele dossier. Daaruit heb ik opgemaakt dat u niet bepaald een schatje was tijdens uw leven, dus zware arbeid lijkt me een geschiktere plek voor iemand zoals u.’

‘Maar tijdens mijn leven vonden er toch ook implementaties plaats? Ik kan daarvoor toch niet verantwoordelijk worden gehouden?’

‘Pas wanneer mensen zelf serieus een zonde overwegen, verschijnen wij aan hun zijde,’ zei ik. ‘Wij fluisteren ze slechts overdenkingen toe. Het zijn de mensen zelf, die de uiteindelijke keuze maken. Dus nee, meneer, de implementaties zijn geen excuus.’

‘Maar …‘ begon de man weer.

Ik onderbrak hem. ‘Veel mensen verliezen hun gouden gloed gedurende hun leven, maar inktzwart, daarvoor moeten vele verkeerde keuzes zijn gemaakt,’ zei ik, terwijl ik hem dreigend aankeek. ‘Dus u mag nog van geluk spreken dat ik u niet direct naar het Eeuwige Vagevuur stuur. En nu uit mijn ogen, voordat ik me bedenk.’

De man keek me verschrikt aan terwijl Damion hem mijn kantoor uitsleepte.

Charon kruiste hun pad. Een sadistische glimlach tekende haar gezicht. ‘Goed bezig, Jannes,’ complimenteerde ze sarcastisch, terwijl ze een stapel dossiers met een plof op mijn bureau liet vallen. ‘Dat is al de zoveelste deze week. En ik dacht dat Willem Roderik hard was voor zijn personeel.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Den Eed viel best mee. Zijn dit de verslagen over de nieuwelingen?’

Ze knikte. ‘Succes ermee. En probeer je dit keer nog wel wat leuks over te laten op deze werkvloer? Ik heb af en toe wel een brutaaltje nodig om mijn werk dragelijk te houden.’

Ik glimlachte kort. ‘Contractueel gezien moet je ze eerst waar­schuwen. Anders krijg je met mij te maken. Of met Ruby’s bijl.’

Terwijl Charon mijn kantoor verliet, stak ze grijnzend haar middelvinger naar me op. ‘Je mag dan een meerdere zijn, maar deze heb ik toch nog wel voor je luchtpijp over.’

‘Dat geloof ik graag,’ grinnikte ik, voordat ik me weer op mijn werk concentreerde.

Kort beet ik op mijn lip toen ik zag dat ik het langverwachte dossier eindelijk voor me had. Met een vinger streek ik over de bekende naam op de kaft, terwijl ik Angelica’s woorden overdacht.

‘Het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt.’

Zwijgend had ik geknikt.

‘Het is de beste oplossing. Voor mij is het eigenlijk verboden, maar als jij je implementatie verandert dan heb jij je promotie én is deze wereld een betere plek.’

‘Ik kan gewoon zeggen dat ik eigen initiatief heb getoond. Maar voor jou … Kom jij dan niet in de problemen?’

Ze had geglimlacht. ‘Je hebt een reputatie. Niemand neemt het mij kwalijk als het me een keer niet is gelukt.’

Mijn bewondering voor haar nam toe. ‘Je bent zo goed. Zo puur,’ wist ik uit te brengen, enigszins beschaamd om mijn plotselinge uitspraak.

Ze had haar hoofd geschud. ‘Vergis je niet, Jannes. Zowel het leven als het na-leven zijn niet zo zwart-wit als men denkt. Mijn ziel had haar gouden gloed al lang verloren, maar mijn dood heeft me een gratis kaartje naar de witte werkvloer opgeleverd.’

‘Je ziel had haar gouden gloed verloren?’

Ze sloeg haar ogen neer. ‘Tijdens mijn leven heb ik dingen gedaan waar ik niet trots op ben. Ik was zelfzuchtig: ik bespeelde mensen, puur om mijn eigen belangen te behartigen.’

‘Zelfzuchtig? Jij?’

‘Niet meer, Jannes.’

‘En hoe bedoel je, een gratis …‘

Voordat ik mijn zin kon afmaken, legde Angelica een vinger tegen mijn lippen. ‘Jij en ik zijn niet zo verschillend, eigenlijk. Wij doen wat wij denken dat het juiste is,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht langzaam dichter bij het mijne bracht.

Mijn hartslag nam toe toen ze me een kus op mijn wang gaf. Haar lippen voelden zacht tegen mijn huid.

‘Ik hoop echt dat je die promotie krijgt,’ fluisterde ze. ‘Ik gun het je, Jannes.’

We waren naast de cliënt gaan staan, ieder een hand op zijn schouder. Onze stemmen hadden als één geklonken.

Doodsoorzaak: Zelfmoord.

De woorden waren verwacht, toch voelde het raar om ze op papier te zien. Ik bladerde door de bijlagen en bekeek de foto’s van de vele slacht­offers die hij had gemaakt. In gedachten zag ik zijn functione­rings­gesprek al voor me.

Ik sloeg een bladzijde om. Mijn adem stokte. Overrompeld staarde ik naar de bijlage, niet in staat mijn ogen van het papier af te wenden. Mijn blik bleef hangen bij de bruine ogen en haar bekende glimlach. Met trillende vingers streek ik over de foto, terwijl ik haar naam fluisterde.

Ik hervatte me. ‘Dit keer zal hij schreeuwen. Dit keer zal hij smeken,’ mompelde ik vastberaden. ‘Ik gun het je, Angelica.’

De patch : Frank Roger

1

 

Vandaag is onze hond gestorven. Het was een trieste dag en mijn dochter Stefanie is totaal ontredderd. Ze is nog maar zeven jaar en kan nog niet omgaan met dood en verlies. Voor een kind van die leeftijd zijn dat nog onbekende begrippen. Ik probeerde haar te troosten en beloofde haar een andere hond te kopen, maar ze wil alleen maar de oude terug – ze kan maar niet aanvaarden dat die er niet meer is. Ik weet zeker dat haar verdriet langzaam zal verdwijnen en dat ze daarna de draad weer zal oppakken. Ze is nog maar een kind, ja? Ik maak me geen zorgen.

 

2

 

Ik word overstelpt met reclame van een bedrijf genaamd Reality+ dat belooft ‘mijn probleem op te lossen’ en me te helpen om ‘mijn verlies te verwerken’. Hoe kwamen ze achter mijn verlies? En wat weten ze van mijn problemen? Ik haat dit soort toestanden. Ik weet best dat privacy iets uit het verleden is, maar dit gaat wel zeer ver.

Stefanie blijft maar herhalen dat ze haar hond terug wil. ‘Waarom doen we niet zoals Jennifer en Mark?’ klaagde ze. Jennifer is een school­vriendinnetje van haar dat een eind verderop in de straat woont, en Mark is het jongere broertje van Jennifer. Jennifer komt hier vaak spelen met Stefanie, en omgekeerd. Ik weet niet waarover Stefanie het heeft, en ze is te zeer overstuur om er redelijk te kunnen over praten. Ik zal het bij gelegenheid eens vragen aan Jennifers ouders. Is er misschien een verband met Reality+? Dat zou best kunnen. Ik kijk het wel eens na.

 

3

 

Ik had het moeten weten. Reality+ heeft me niet zomaar ontdekt. Blijkbaar vertelde Stefanie over de dood van onze hond aan Jennifer, die op haar beurt aan haar vader vroeg om wat informatie door te sturen. Ik ken die man, John Muylders. Ik zie hem soms als ik Stefanie op school ga afhalen. (Ik denk er net aan, zijn vrouw Melanie heb ik al een poos niet meer gezien – we wisselden al eens nieuws en roddel uit. Ik mis haar eigenlijk wel een beetje. Wat is er gebeurd met haar? Als ik dat nu eens discreet vroeg aan John?) John stemde toe en gaf mijn contactgegevens door aan dat bedrijf, wellicht in de veronderstelling dat ik zelf achter dat verzoek zat.

Ik bel hem wel eens en vraag hem om meer informatie over Reality+.

 

4

 

Ik heb met John gebeld. Hij ging er inderdaad van uit dat ik gevraagd had om informatie te krijgen. Hij verontschuldigde zich voor het ongemak, maar benadrukte dat hij wist wat ik doormaakte en dat Reality+ de perfecte oplossing had voor mijn probleem. ‘Ik heb niets dan positieve ervaring met hun dienstverlening,’ zei hij. ‘Je zou het in elk geval eens moeten proberen. Maak een afspraak met een van hun verkopers. Geloof me, je zult niet teleurgesteld zijn. En je dochter zal zo gelukkig zijn.’

Ik vroeg om meer details, maar John bleef vaag over zijn eigen ervaringen. Hij herhaalde alleen maar dat ik het moest proberen en dat het onvergeeflijk zou zijn om de diensten van dat bedrijf geen kans te geven. ‘Hun patches zijn echt het allernieuwste snufje spits­technologie,’ zei hij. Patches? Ik besteed niet veel aandacht aan al die nieuwe en doorgaans peperdure technologie die de markt over­spoelt, maar ik had wel al gehoord over ‘patches’.

Ik weet eerlijk gezegd niet wat nu te doen. Ik deed wat onderzoek op het internet en vond commentaar van klanten, alles erg positief maar zonder de informatie die ik zocht. (‘Perfecte op maat gemaakte oplossingen voor al je persoonlijke problemen.’ ‘Getroffen door een verlies? Probeer hun patches.’ ‘Laat negatieve gedachten niet de overhand krijgen. Vraag om professionele hulp. Reality+ is wat je nodig hebt.’)

Inmiddels blijft Stefanie me maar zeggen dat ze haar hond terug wil alsof dit echt mogelijk is – ze moet het over die patches hebben. Dat moet ik toch eens nader bekijken.

 

5

 

Ik maakte dus een afspraak. De verkoper kwam aan in een anonieme witte bestelwagen, zonder bedrijfsnaam of logo.

De man zag mijn verbaasde blik en legde uit: ‘We willen niet dat iedereen in de straat weet dat u bezoek krijgt van iemand van Reality+, om welke reden dan ook. U kunt altijd rekenen op onze absolute discretie. Voor ons is dat even belangrijk als voor u. Wij houden ons bezig met gevoelige en persoonlijke zaken en respecteren uw privacy.’

Met veel empathie besprak hij toen de zaak van onze hond. Hij moest foto’s en videomateriaal van het dier zien, zoveel als we maar hadden. ‘Dat is van vitaal belang,’ beweerde hij, ‘om een natuurgetrouwe patch te verkrijgen.’

‘Natuurgetrouw’, dat bleek het credo van die jongens te zijn. Als ik het correct begrijp is de ‘patch’ die ze leveren een nieuw stukje technologie dat net echt lijkt. Onze hond-patch zou niet te onderscheiden zijn van onze echte hond. ‘Het is als virtuele realiteit maar zonder de helm,’ zei de verkoper, een uitleg die me geen stap verder hielp. ‘Het is de volgende stap in ‘toegevoegde realiteit’,’ merkte hij verder nog op, wat ook al niet veel hielp.

‘Het is dus nep,’ zei ik, ‘maar het ziet eruit als echt.’ ‘Ik zou het niet nep durven noemen,’ wierp hij tegen. ‘Het is wel degelijk echt, maar op een andere manier. En het blijft beperkt tot het huis en de tuin. Je kunt je hond niet meenemen als je ergens heengaat. Onze technologie onder­steunt die optie nog niet. In de nabije toekomst wordt dat misschien mogelijk, en dan bieden we je een upgrade aan tegen een zeer redelijke prijs.’

‘En hoe werkt dit nu?’ vroeg ik. Ik kreeg een technische uitleg die me mijn petje te boven ging. Wat ik begreep was dat er ergens in huis een Patch Unit zou komen, een computersysteem dat alles bestuurde. Het zou volledig autonoom werken en maar beperkt onderhoud vergen. Het bedrijf bood een gratis helpdesk die ik vierentwintig uur per dag kon bellen en een noodreparatieteam in het onwaarschijnlijke geval van een panne.

Ik kreeg meer informatie over prijzen en voorwaarden en opties, en koos uiteindelijk voor een proefperiode van drie dagen, waarna ik de knoop zou moeten doorhakken.

Stefanie raakte in extase toen ze te horen kreeg dat ze haar hond terugkreeg – ik zei er niet bij dat het misschien maar voor drie dagen was. Dat zouden we dan wel zien.

 

6

 

Het was leuk om onze hond weer in huis te zien, en toch besloot ik om het aanbod af te slaan. Stefanie was weer compleet ontredderd. Ik leg het even uit.

De hond was absoluut fantastisch, dat moet ik wel toegeven. Stefanie greep hem beet en kuste hem alsof zijn dood niet meer dan een alweer vergeten nachtmerrie was geweest. Als ik niet beter wist had ik ook gedacht dat de echte hond was teruggekeerd, alsof hij zich na zijn heengaan had bedacht en was herrezen.

Ik heb begrepen dat Reality+ een digitale kopie van onze hond had gecreëerd die werd bestuurd door de Patch Unit in ons huis. Die patch bestond uit signalen die naar onze hersenen gestuurd werden en geïnterpreteerd als normale zintuiglijke waarnemingen: visueel, auditief, tactiel enzovoort. We zagen onze hond rondrennen, hoorden hem blaffen, voelden zijn zachte pels als we hem streelden net alsof het dier echt was.

Maar dat was hij dus niet. Onze hersenen kunnen gewoon het onderscheid niet maken tussen de patch en het echte spul. Voor Stefanie was het perfect, maar wat verwacht je van een kind.

Het deed me verschrikkelijk pijn om haar pas hervonden geluk aan scherven te moeten gooien, maar ik vond dat ik geen keuze had. Ik probeerde haar uit te leggen dat hoe authentiek namaak ook mag over­komen, het altijd namaak blijft. Ik zei haar dat het beter is te leren omgaan met de werkelijkheid, en dus ook met verlies en dood, en dat de hond die we daar zagen lopen er helemaal niet was – een stuk technologie deed ons dat geloven.

Zouden kinderen (en volwassenen trouwens ook) niet moeten leren omgaan met het ware leven? Met zware klappen en tegenslagen? Is het zoeken naar troost in namaak geen vlucht uit de werkelijkheid, een weigering om in het reine te komen met je problemen? Ik kwam tot de conclusie dat er in mijn leven geen plaats is voor die spitstechnologische patches, hoe overtuigend ze ook zijn.

Dus moest de hond gaan. Of beter gezegd: de hond werd uitge­schakeld.

 

7

 

Stefanie komt haar verlies te boven – voor de tweede keer. Ik wist wel dat het haar zou lukken. Ze is een sterk meisje. Ze doet alles wat kinderen van haar leeftijd doen en maakt plezier. Als ze zo doorgaat koop ik misschien wel een nieuwe hond voor haar.

Enkele dagen lang ging alles perfect.

Stefanie vroeg of ze na school mocht gaan spelen met Jennifer en haar kleine broer. Ik zei haar dat het geen probleem was en we gingen erheen. Hoewel het maar een korte wandeling is ga ik liever mee. John opende de deur, begroette me hartelijk zonder te verwijzen naar Reality+. Hij zei dat alles in orde was en dat de kinderen het naar hun zin zouden hebben.

Toen ging Stefanie bijna elke dag spelen met Johns kinderen. Ze hadden veel plezier en ik was blij dat de dode hond al uit hun herinnering aan het verdwijnen was.

 

8

 

Het gebeurde enkele dagen later.

Stefanie kwam in de late namiddag terug van Johns huis en ze was compleet overstuur. Ze zag eruit alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten.

Ik vroeg haar wat er gebeurd was en ze zei me dat Jennifers jongere broer iets verschrikkelijks was overkomen. Eerst dacht ik dat de jongen was gevallen en zich lelijk had bezeerd, maar Stefanie schudde het hoofd en zei dat ze niet begreep wat er was gebeurd.

Toen ze wat gekalmeerd was legde ze uit dat de jongen plots leek te verdwijnen, voor enkele seconden weer verscheen om dan weer te verdwijnen, enzovoort, als iets dat in- en uitgeschakeld wordt. Blijkbaar duurde dat enkele minuten. Jennifer was ook totaal ontredderd en zei dat ze haar broertje nooit zoiets had zien doen.

Ik kon eerst niet geloven wat Stefanie zei, maar toen daagde het me dat de jongen niet echt was. Hij was een patch, en wel eentje die slecht functioneerde. Geen wonder dat Stefanie zo overstuur was. Ze had natuurlijk geen enkele ervaring met slecht werkende patches. Toen drong de volledige betekenis van het voorval tot me door: John had me gezegd dat hij tevreden was met zijn patch, en ik ging ervan uit dat hij het over een huisdier had.

Maar een jongen? Jennifers jongere broertje? Wat betekende dat? Wat was er gebeurd met de echte Mark? Wat er ook met hem gebeurd was, hoe waren John en Melanie ertoe gekomen hem te vervangen door een patch? Ik kon maar niet begrijpen hoe ouders zo laag konden vallen.

Wat ook het geval mocht zijn, ik hoopte maar dat er niets aan de hand was met Mark – de echte.

Bij de eerste gelegenheid zou ik John hierover vragen stellen. Ik verwachtte ook verontschuldigingen van hem om mijn dochter aan zoiets afschuwelijks bloot te stellen zonder me in te lichten. Het was volslagen onaanvaardbaar. Hoe moest ik dit uitleggen aan Stefanie?

 

9

 

Ik belde John en zei hem dat we iets moesten bespreken. Hij stemde toe en we spraken een datum af – hij leek goed te weten waarover dit ging. Die dag werd ik hartelijk onthaald. Het was op een avond en de kinderen zaten al in bed – ik zou het onbehaaglijk gevonden hebben als Mark erbij was geweest, zonder te weten of het de echte was of een patch.

‘De laatste keer dat Stefanie hier kwam spelen met je dochter gebeurde er iets verschrikkelijks,’ zei ik.

John knikte. ‘Ik weet het. Er was een technisch probleempje. Het gebeurde op het slechtst denkbare moment. Het probleem werd onmid­dellijk opgelost,’ zei hij. ‘Ik verontschuldig me voor alle ongemak.’

‘Het probleem werd opgelost?’ zei ik, furieus. ‘En je verontschuldigt je voor het ongemak? Besef je wel waaraan mijn dochter werd blootgesteld?’

‘Ja,’ gaf hij toe. ‘Ze was er niet klaar voor om Mark zo te zien. Het moet een zware klap voor haar zijn geweest. Jennifer aanvaardde de patch als haar echte broertje van bij het begin, dus voor haar was het ook zwaar. Kinderen maken geen onderscheid tussen echt en patch, weet je. We hadden enkele technische problemen met onze Patch Unit, maar het onderhoudsteam kwam langs en alles zou nu weer perfect moeten werken. Er zouden geen problemen meer mogen zijn.’

‘Hoe kun je nu zo praten?’ vroeg ik. ‘Hoe kun je het hebben over technische problemen en onderhoud? Heb je het over een machine of over je zoon?’

Er ontstond een stilte en ik besefte dat ik zijn gevoelens misschien gekwetst had.

‘Het spijt me,’ zei ik na enkele gênante momenten. ‘Ik liet me mee­slepen door mijn emoties.’

John sloeg de ogen neer en mompelde: ‘Je weet niet wat ik doorgemaakt heb. Je hebt er geen flauw benul van. Denk vooral niet dat dit gemakkelijk was voor mij.’ Toen verviel hij weer in een pijnlijk stilzwijgen.

Ik wierp een blik naar Melanie, die rustig naast John zat. Ze had nog geen woord gezegd, alsof het gesprek haar niet aanging, alsof we het niet over haar zoon hadden. Haar gelaat was trouwens volkomen uitdruk­kings­loos, in dat in deze omstandigheden! Ik had haar nog nooit zo afstandelijk gezien. Wat was hier aan de hand? Wat was er gebeurd sedert ik haar voor het laatst had gezien? Het was duidelijk dat iets me ontging.

‘Ik vrees dat ik niet kan toestaan dat Stefanie nog komt spelen,’ zei ik. ‘Niet na wat hier gebeurd is. Dat ding joeg haar de stuipen op het lijf. Wellicht wil ze hier niet eens meer komen.’

John knikte. ‘Ik begrijp het.’

Er ontstond weer een ongemakkelijke stilte. Ik verbrak die met de woorden: ‘Je zei me dat je zo tevreden was van die patches. Ik heb me daar natuurlijk niet mee te bemoeien, maar ik had er toch graag meer over geweten als je dat niet erg vindt.’

John keek me aan, richtte zijn blik toen naar Melanie en dan weer mij. ‘Ik ben je een verklaring schuldig,’ zei hij. ‘Vooral na wat er met Stefanie gebeurde.’

‘Je kunt rekenen op mijn discretie,’ zei ik.

John knikte en ging verder: ‘Eerder dit jaar kreeg Mark een zware longontsteking, met complicaties. Het was erger dan we dachten en hij moest opgenomen worden in het ziekenhuis. Veel vooruitgang heeft hij nog niet geboekt, maar we hopen dat hij uiteindelijk weer naar huis zal kunnen.’

‘Het spijt me dat te horen. Ik wist het niet.’

‘Je zult begrijpen dat dit een zware klap voor ons was. Ik opteerde voor die patch om hier dan een zo normaal mogelijke situatie te hebben. Dat is belangrijk voor Jennifer en ook voor mij. Het stelt ons in staat om door te gaan, om ons ervan te overtuigen dat onze beproeving op een dag voorbij zal zijn. Zodra Mark terug is gaat de patch uiteraard weg. Hij zal dan zijn doel gediend hebben.’

‘Ik begrijp het. Toch vind ik dat erg bizar. Ik denk niet dat ik dat als moeder zou kunnen doen.’ Ik keek naar Melanie, die maar bleef zwijgen. Had zij dan echt niets toe te voegen aan het gesprek? Per slot van rekening hadden we het toch over haar zoon?

John moest mijn blik vol ongeloof gezien hebben want hij kwam overeind, greep me bij de arm, keek me in de ogen en zei: ‘Snap je het dan nog altijd niet? Ik besloot om een patch te nemen voor Mark omdat ik zo tevreden was over het product. Zie je, Mark is mijn tweede patch. Melanie was de eerste. De oorspronkelijke Melanie ging ervan door met een andere kerel. Ik heb nooit begrepen hoe een moeder haar kinderen in de steek kan laten. Ik heb hun opvoeding dan maar alleen op mij genomen. Toen kwamen die patches op de markt, en je weet dat ik een early adopter ben. Het leek een perfect idee en ik ging ervoor. De kinderen vonden het ook prima. Ik was zo gelukkig met die patch dat het logisch was om een tweede te nemen toen Mark ziek werd. Meer en meer mensen halen ze in huis. Je wordt er maar beter aan gewoon. Binnenkort zijn ze overal.’

Ik verliet Johns huis in shock, net zo overstuur als Stefanie was geweest.

Vooral Johns slotopmerking toen hij me uitliet trof me met volle kracht: hij zei dat ik geen enkele reden meer had om een alleenstaande moeder te blijven. Er was een perfecte oplossing.

 

10

 

Telkens als ik een van die witte bestelwagens in mijn buurt geparkeerd zie lopen koude rillingen me langs de rug. Ik zie ze meer en meer. Er komen verkopers langs, of misschien onderhoudsteams die technische problemen moeten oplossen. Ik vraag me af hoe ver dit zal gaan, hoe diep de mensen zullen wegzinken. Binnenkort is de werkelijkheid een voorbij­gestreefd begrip. Mijn huis zal het laatste bastion zijn. Ik moet toegeven dat ik bang ben. Hoe ga ik nog weten wat er nog echt is om me heen, vooral als die technologie nog geperfectioneerd wordt en wellicht alom­tegenwoordig? In wat voor een wereld zal mijn dochter opgroeien? Zal ze zwichten of koppig weerstand bieden zoals haar moeder? Of ben ik alleen maar ouderwets?

Zal Stefanie me mijn gang laten gaan… of zal ze me op een bepaald punt laten vallen en me vervangen door een patch die voldoet aan al haar wensen?

Vaaltgieren : Tom Thys

Je moet weten dat de jaren negentig niet mild waren voor bepaalde Antwerpse wijken. Wij leefden in een vergeten stukje van de stad, in het middelste van drie flatgebouwen. De Silvertopblokken, zo werden ze genoemd. Drie sombere monolieten die naar de wolken klommen, opge­trokken uit grijze steen waarin ontelbare venstertjes geborduurd waren. Achter die venstertjes loerde doffe ellende. Het was alsof al het uitschot en alle armoezaaiers van Antwerpen er in ballingschap leefden. Ondanks hun pogingen om vooruit te komen in het leven, zonken ze steeds dieper weg in het moeras van hun eigen tristesse. Dat effect hadden de Silvertopblokken nu eenmaal op hun inwoners.

Roy en ik waren twee van de honderden bannelingen. Met z’n vijftien jaar was Roy twee jaar ouder dan ik. Hij was mijn beste vriend. Hij lispelde, maar ik trok zo vaak met hem op dat het mij niet meer opviel. Het grootste deel van onze tijd brachten we door in de afvalruimte, onderaan het flatgebouw waar we beiden woonden. Echt slecht hadden we het niet. Tenminste, we maakten er het beste van en hadden eigenlijk geen flauw benul van de ernst van sommige situaties. Er wordt vaak gezegd dat kinderen heel flexibel zijn, dat ze zich moeiteloos aanpassen aan hun omgeving, hoe naar die soms ook is. Ik geloof dat dit ook voor ons gold.

De gebeurtenis die ik met jullie wil delen speelde zich af op een oktoberdag in 1994. De lucht was één grote, grijze deken die onop­houdend motregen over de mistroostige woontorens bloedde. Het soort weer dat je tussen de vier muren van je veel te kleine flat dwong, gekluisterd aan je veel te kleine televisiescherm, tenzij je een depressie had en je jezelf nog meer wilde kastijden door naar buiten te gaan.

Roy en ik zaten in de afvalruimte, beschut tegen de regen en de gierende wind. We hadden besloten om die dag te spijbelen. Onze moeders zouden er niets van merken. Zoals gewoonlijk was die van mij vroeg uit de veren om tegen een hongerloon te gaan poetsen bij wel­gestelde gezinnen. Die van Roy zat thuis, high van de kalmeer­middelen. Onze moeders hadden geen man die hen het leven wat gemakkelijker maakte, geen man die hen af en toe mee uit eten nam of een nekmassage gaf of erop toekeek dat hun zonen niet op het verkeerde pad geraakten. Ze stonden er helemaal alleen voor. In feite was hun leven om zeep. Het enige wat ze nog wilden, was een toekomst voor hun kinderen.

De afvalruimte was een donker hok dat zich op de beneden­verdieping van het flatgebouw bevond. Het was tamelijk groot. Van de buitenkant leek het op een garagebox voor kleine vrachtwagens. Er was een zware, ijzeren poort en in die poort zat een deurtje. Hoewel het deurtje altijd open was, kwam er bijna nooit iemand. Als je alleen wilde zijn, om welke reden dan ook, dan was de afvalruimte de ideale plaats. Aan de stank raakte je na verloop van tijd wel gewend.

In de ruimte stonden verschil­lende ijzeren containers die uitpuilden van het vuilnis. Vaak werd er ook illegaal afval gestort. Tapijten, beeldbuis­schermen, dat soort dingen. Het kroonjuweel van dat stinkende hol was de stortkoker, die centraal uit het plafond kwam. Vanbinnen smerig en vanbuiten grauw glimmend in de paarse gloed van flikkerende tl-lampen.

Roy zat onderuitgezakt op de tegelvloer met zijn rug tegen een vuilnis­zak die hij naar de iele vorm van zijn lichaam had gekneed. Hij speelde op zijn Game Boy. De aanstekelijke melodie van Tetris galmde tussen mijn oren en ik kon het niet laten om mee te neuriën. ‘Hou daar mee op,’ siste Roy. Hij was verschrikkelijk goed in dat spel en het zou lang duren voor ik aan de beurt kwam. Ik hoopte hem af te leiden, maar zag aan zijn gezicht dat hij erg nukkig was, dus liet ik hem met rust.

Uit verveling deed ik wat ik wel vaker deed: ik ging in de vuilnis­containers op zoek naar verborgen schatten. Negenennegentig procent van wat de flatbewoners in de stortkoker dumpten, was smerig afval: luiers, beschimmelde etensresten, de inhoud van een asbak, condooms en bebloede tampons.

Ik klom op een van de containers en boog over de rand, boven het vuil. Ik was me bewust van de gevaren. Het was een broeinest van bacteriën. Als je wonden in je vingers had, kon je maar beter niet in aanraking komen met die plakkerige troep. Gore ziektes lagen daar voor het oprapen. Wroeten in het afval was gevaarlijk omdat je zomaar in een heroïnenaald kon graaien. Bovendien drong de rottingsgeur je neusgaten binnen zodat je bijna moest braken. Maar soms, heel soms, stootte je op een schat. Een afgedankt G.I. Joe poppetje, een pakje sigaretten dat op het eerste gezicht leeg was, maar waar bij nader inzien nog één sigaret in zat, of pornoblaadjes. Ooit kwam er zelfs een versleten dildo naar beneden gevallen. We probeerden te gissen wie de eigenares was en waren het er al snel over eens dat hij aan Wendy toebehoorde, een hoertje dat op de zesde verdieping woonde.

Ook deze keer was mijn schattenjacht een klein succes. ‘Kijk wat ik gevonden heb!’ riep ik. Trots toonde ik Roy een flesje modelbouwlijm. We wisten allebei wat dat betekende.

Roy zette de Game Boy uit. Onmiddellijk zag ik die hongerige blik in zijn ogen. Hij stond op, haalde een zakdoek uit zijn broekzak en gebaarde me dat ik hem de lijm moest geven. Dat deed ik. Roy hield het flesje tegen het licht en bestudeerde het etiket. Hij mompelde iets. Aan zijn gezicht te zien was hij opgetogen over mijn vondst. ‘Kom,’ zei hij.

Roy hurkte en legde de zakdoek over zijn knie. Hij vouwde hem dubbel en herhaalde die handeling. Daarna opende hij het flesje. Het was niet groot, maar van uitstekende kwaliteit. Ik kende het merk: Revell was de max. Het was niet alleen geschikt voor het lijmen van plastic vliegtuig­onderdeeltjes. Roy keurde het goedje met zijn neus en sloot zijn ogen. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij. Hij liet mij ook ruiken. Ik hield van die typische geur van chemicaliën, scherp en zoet tegelijkertijd. Voor­zichtig goot Roy een deel van het flesje leeg in de zakdoek. Vervolgens drukte hij hem tegen zijn neus en ademde zo lang en diep in, dat zijn ogen wegdraaiden en hij begon te wankelen. Hij ging weer tegen de vuilniszak zitten en begon zachtjes te kreunen.

‘Kom naast me zitten,’ murmelde hij even later.

Ik aarzelde. Meestal was Roy niet zo’n aangenaam gezelschap wanneer zijn roes uitgewerkt was. Hij kon dan heel chagrijnig worden, vijandig zelfs. Maar toen hij me bij mijn pols naar beneden trok, kon ik niet anders. Hij bevochtigde de zakdoek en gaf hem aan mij. Ik gaf me over aan de chemicaliën en zakte nog wat meer onderuit, tussen het vuilnis. Mijn hoofd begon al snel te bonzen en ik kreeg het gevoel alsof ik op een draaimolen zat. Met een troebele blik staarde ik naar de stortkoker, die gaapte als de ontstoken keel van een prehistorisch monster. Af en toe viel er wat rommel uit de schacht.

De high duurde ongeveer een kwartier. Roy was als eerste weer helder. Met mijn ogen nog steeds gesloten hoorde ik hem zachtjes hijgen. Ik luisterde naar het geritsel van de plastic vuilniszakken toen hij zich bewoog, een warm, geruststellend geluid. Er ging een rits open. Roy pakte mijn hand en begeleidde me naar zijn kruis. Zijn pik was hard en Roy kreunde toen mijn koude vingers het beroerden.

‘Verdorie, Roy.’ Ik trok mijn hand weg. ‘Laat me even met rust.’ Op zich had ik er niets op tegen om Roy af te trekken, maar ik wilde nog genieten van dat dromerige gevoel.

‘Ik wil het nu,’ gromde hij. Opnieuw greep hij mijn hand. Zijn nagels haalden mijn vlees open en ik siste van de pijn. Mijn ogen sprongen open. Als wraak trok ik aan zijn schaamhaar. Roy schrok en brulde het uit. ‘Klootzak, waarom doe je dat?’ Zijn stem weergalmde tussen de vieze tegelmuren. Hij gaf me een stomp op mijn neus waardoor ik nog meer onderuitzakte. Onmiddellijk proefde ik bloed in mijn mond. Ik spuugde een fluim op de grond en schreeuwde hem toe dat hij een waardeloze vriend was. Toch gaf ik hem zijn zin, deels uit angst, deels uit medelijden.

Zijn stemmingswisselingen had Roy overgehouden aan de mysterieuze verdwijning van zijn jongere broertje Andy. Dat was ongeveer anderhalf jaar geleden gebeurd. Roy had het zichtbaar moeilijk om het trauma te verwerken, ook al praatte hij er nooit over. Andy was zes toen hij verdween. Met zijn drieën waren we aan het ronddolen in de buurt, zoals we altijd deden. Het was zomervakantie. We slenterden over de speeltuin die eigenlijk geen speeltuin was, maar eerder een kerkhof van vernielde houten skeletten in een niemandsland. Ik herinner me nog hoe de loodzware hitte van die dag oploste in de rukwinden van een nakende storm. Ik hield van die typische geur.

We hadden meerdere schuilplaatsen tegen de regen: de afvalruimte of de ondergrondse parkeergarage waar tieners skateten en drugs gebruik­ten. Maar in die tijd verstopten we ons ook regelmatig in wat wij de tussenverdieping noemden. De woontoren was zodanig gecon­strueerd dat zich boven de benedenverdieping een nis bevond over de hele breedte van het gebouw. Daarop stonden betonnen kolom­men die de rest van de appartementen ondersteunden. De nis was ongeveer één meter twintig hoog, zodat je altijd krom moest lopen. Met al die kolommen was het net een doolhof. Je kon er letterlijk verdwalen. En het stonk er verschrikkelijk naar duivenstront.

Om op de tussenverdieping te komen moest je je lichaam dwars zetten tussen een zijmuur en een pilaar en zo omhoog klauteren, iets waar wij heel behendig in waren. De tussenverdieping was bovendien een paradijs voor vaaltgieren zoals wij. Je kon er alles vinden: tennisballen, aan­stekers, speelgoed, batterijen, muntstukken en medicijnen. Andy had ooit de arm van een etalagepop ontdekt en was luidkeels gaan gillen omdat hij dacht dat het een echte arm was. Daar hebben we hard om gelachen.

Roy was verzot op zijn broertje. In veel opzichten leken ze op elkaar en toch waren ze ook heel verschillend. Maar ze waren onafscheidelijk. Echter, op de dag van het onweer gebeurde het ondenkbare. Andy verdween spoorloos.

Elk waren we onze eigen weg gegaan op de tussenverdieping, op zoek naar schatten. Eerst dachten we dat Andy verstoppertje speelde om ons te jennen. Toen dachten we dat hij naar beneden was gevallen en misschien zijn nek had gebroken. Roy en ik waren in paniek, aangezien zijn moeder erop vertrouwde dat wij Andy nauwlettend in de gaten hielden. Hij kon soms heel onstuimig zijn en een ongeluk was natuurlijk snel gebeurd. Maar we vonden Andy nergens. De hele middag hebben we naar hem gezocht.

Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Roys moeder was ten einde raad. Ik herinner me nog dat ze op haar sokken buiten stond en onop­houdelijk de naam van haar jongste zoon stond te schreeuwen. Er werd een burgerpatrouille ingeschakeld. De buurt werd uitgekamd en overal werden pamfletten met Andy’s foto opgehangen. Zonder resultaat.

Je moet weten dat er in die tijd wel meer jongetjes verdwenen in de regio, jongetjes die nadien nooit meer teruggevonden werden. Dus toen Andy na een week nog steeds niet thuis was, had iedereen de hoop opgegeven. Roy heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die dag zijn broertje uit het oog verloor.

Schokkend kwam hij klaar in mijn hand. Na een zucht van genot volgden er tranen. ‘Het spijt me,’ snikte hij, terwijl hij zijn broek dicht­ritste.

Ik veegde mijn hand af aan zijn zakdoek en omhelsde hem. ‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Het geeft niet.’ We misten Andy allebei, maar bij Roy sneed het verdriet zo diep dat hij er soms bijna krankzinnig van werd. Ik besloot een mop te vertellen om hem op te vrolijken. ‘Wat is het toppunt van zelfvertrouwen?’

Roy haalde zijn schouders op.

‘Een scheet laten als je diarree hebt.’

Ik keek naar Roy in de hoop dat mijn missie geslaagd was. Hij staarde me aan door betraande ogen, zijn lippen stijf op elkaar gedrukt. Ik zag zijn neusvleugels trillen. Hij probeerde zich serieus te houden, wat slechts even lukte. Zijn schouders begonnen te schudden. Plots proestte hij het uit. Opnieuw rolden er tranen over zijn wangen, maar deze keer van het lachen. Zijn buik schudde heftig. Ook ik hield het niet meer. Ik klapte dubbel en zocht steun tegen een container. Ons gelach bulderde in schelle echo’s tussen de muren van de afvalruimte. We schaterden het uit tot we kramp kregen in onze kaken.

Toen we uitgelachen waren, wees Roy naar het flesje, dat nog voor de helft gevuld was. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Roy prepareerde een tweede high. Deze keer mocht ik eerst. Ik snoof de lijm, die gearomatiseerd was met Roys sperma, een geur die me naar extase voerde. Aanvankelijk knipperde ik nog enkele keren met mijn ogen om de stortkoker in de gaten te houden, wachtend op een nieuwe schat, maar ik werd al snel aan de roes overgeleverd. Ik zweefde door een diepblauwe hemel, omringd door pluizige wolken.

De tweede roes was altijd minder lang en minder sterk, maar omdat Roy me deze keer niet lastig viel, was hij aangenamer dan de eerste. Ik was volledig ontspannen en gaf me over aan het extatische gevoel in mijn hoofd. Hier beneden, met behulp van de lijm, kon ik even alles vergeten. Geen gezeur van mama, geen andere shit. De rust was heerlijk. Helaas kon ik er niet lang van genieten.

Ik werd brutaal uit mijn droomtoestand gerukt door scherpe, metalige klanken die op mij neerdaalden. Met opengesperde ogen keken Roy en ik naar de schacht. Dit was niet het geluid van een ordinair stuk vuilnis dat gedumpt werd. Het bonken zwol aan tot een sinistere symfonie en we zagen hoe de koker een zwart voorwerp uitbraakte. Het vuilnis in de container eronder verzekerde een zachte landing. We waren allebei zo benieuwd dat we meteen opstonden. Ik voelde me nog licht in mijn hoofd. Roy ongetwijfeld ook, want hij wankelde en struikelde bijna over zijn eigen voeten. Eenmaal bij de container klommen we over de rand om te zien wat dat zwarte voorwerp was.

Het bleek een transistorradio te zijn. Hij was terechtgekomen in iets wat op bedorven lasagne leek, maar dat deerde ons niet. Roy boog nog wat dieper over de rand zodat hij erbij kon met zijn handen. Hij pakte de transistorradio, gaf hem aan mij en zei me de smurrie weg te vegen met zijn zakdoek.

‘Wie gooit zoiets weg?’ dacht ik hardop. Hij zag er tamelijk nieuw uit. Ik peuterde de restjes lasagne weg tussen de knopjes en de luidspreker.

Roy kwam naast me staan. ‘Zou hij nog werken?’

Toen ik hem helemaal had schoongemaakt, gaf ik hem de transistor­radio terug.

Hij zette hem aan en draaide aan de volumeknop, maar er kwam geen geluid uit. Hij draaide het toestel om. ‘Er zitten geen batterijen in.’

We keken elkaar peinzend aan. Plots kreeg ik een idee. Ik pakte Roys Game Boy en verwijderde het klepje aan de achterkant. Een voor een nam ik ze eruit. ‘Is dit de juiste maat?’ vroeg ik, terwijl ik er een tussen duim en wijsvinger hield.

‘Ik denk het wel,’ zei Roy. Hij griste de batterijen uit mijn hand en stak ze in de transistor. Toen hij hem aanzette en Love & Devotion van Real McCoy door de luidspreker schalde, begonnen we allebei uitbundig te dansen. Het was weken geleden dat we nog zo’n kostbare schat hadden buitgemaakt. We zongen luidkeels mee met het refrein.

 

Love and devotion, baby
I can’t get enough of all that love and devotion in my life.
Love and devotion, baby love and devotion,
You are the sunshine of my life.

 

Daarna imiteerde Roy het rapgedeelte, stoere handgebaren inbegrepen. Het was een van de grootste hits van dat jaar, we kenden het nummer helemaal uit ons hoofd en waren er wild van. Roy had zelfs wat vette dansmoves bedacht, speciaal voor dat nummer. Hij voerde ze uit op de glibberige tegelvloer. Hij leek Michael Jackson wel.

Toen het nummer afgelopen was, nam ik de transistor en zocht naar een andere zender. Ik draaide aan de knop terwijl ik naar de naald op de FM-band keek. De ruimte tussen twee radiostations werd telkens opgevuld met krakende ruis waar soms een stem of een beat doorheen klonk. We vonden niet meteen een kanaal naar ons zin. Bovendien was de ontvangst niet optimaal. Ik rommelde wat aan de antenne. Tevergeefs. Ruis was het enige wat nog uit de transistor kwam.

‘Wacht eens, heb je dat gehoord?’ zei Roy opeens.

‘Wat bedoel je?’

‘Draai eens terug.’ Zijn ogen werden groot en hij schoof dichterbij.

Ik deed wat hij vroeg maar weer kwam er slechts ruis uit de luidsprekers… en flarden van een nummer van Madonna waarvan ik de melodie wel herkende, maar waarvan ik niet op de titel kon komen. ‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ik.

Zonder iets te zeggen griste Roy de radio uit mijn handen. Hij legde zijn oor tegen de luidspreker en draaide heel langzaam aan de knop. De naald verschoof van links naar rechts en weer naar links. Ik wilde iets zeggen, maar Roy gebaarde me dat ik moest zwijgen. Hij sloot zijn ogen. Gedurende een minuut herhaalde hij dezelfde handeling, tot hij de radio bijna uit zijn handen liet vallen. ‘Dit,’ zei hij. ‘Heb je dat gehoord?’ Hij huiverde.

Ik gebaarde van niet. Ik wilde hem niet teleurstellen of hem het gevoel geven dat hij het zich inbeeldde, maar ik hoorde echt niets.

Roy draaide het volume hoger en hield de radio tegen mijn oor. ‘Luister.’

Ik deed wat hij vroeg. Eerst hoorde ik alleen ruis. Ik probeerde me te focussen en door de ruis heen te luisteren en na een tijdje hoorde ik het ook, al was het eerst onduidelijk. Geschreeuw dat uit de verte leek te komen. Niet afkomstig van een liedje of van een presentator. Nee, het klonk als het gillen van een kind dat doodsangsten uitstond. ‘Shit,’ stamelde ik. Ik schudde met mijn hoofd. Tegen beter weten in probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat die afgrijselijke klanken deel uitmaakten van een bizar liedje. Het was alsof iets of iemand mijn keel dichtkneep. Ik vergat te ademen.

Met bevende handen plaatste Roy de radio op de grond. We zetten allebei enkele passen achteruit, als dieren die in het nauw gedreven werden. We wisselden een blik en staarden vervolgens weer naar het toestel. Doordat ik me concentreerde op het geluid, kon ik de ruis wegdenken. Het geschreeuw werd steeds dwingender. De stem in de verte bezorgde me kippenvel. Even later realiseerde ik me dat het niet één stem was, maar meerdere. Stemmen van jongetjes. Doodsbange jongetjes. Geen woorden, alleen maar geschreeuw.

Ik dacht ogenblikkelijk aan Andy.

Op dat moment voelde ik de grond onder mijn voeten wegvallen. Ik weet nog hoe ik naar Roy keek om te zien of hij net als ik stond te daveren op zijn benen. Zijn gezicht was lijkbleek en hij probeerde speeksel weg te slikken. Ik zag zijn adamsappel op en neer wippen. Ik wilde dat vreselijke geluid niet meer horen, maar ik slaagde er niet in te bewegen. Ik was verstijfd. Gelukkig liep Roy na even aarzelen naar de radio om hem af te zetten door met zijn voet op de knop te trappen. Twee seconden langer en ik had het ongetwijfeld in mijn broek gedaan.

De stilte voelde als een warm bad.

Heel even maar, want daarna daalde er een kilte over me neer waar ik rillingen van kreeg. De radio lag daar op de grond. Ik keek naar de frequentie. De naald stond op 102.8 Mhz. Het leek een doodgewoon toestel, maar Roy en ik wisten wel beter. De verdwenen jongetjes hadden ons gevonden. Onmiddellijk spookten verschillende vragen door mijn hoofd.

Wilden ze ons iets vertellen?

Waarschijnlijk wel, maar wat?

Waar bevonden ze zich?

Waren ze dood?

Of leefden ze nog?

Met hoeveel waren ze?

Zouden we Andy ooit nog terugzien?

En de andere jongetjes waar zoveel ouders nog steeds om treurden?

En wie had die duivelse radio in de stortkoker gekieperd?

‘Wat nu?’ vroeg ik aan Roy, alsof hij het antwoord hoorde te weten. Roy haalde zijn schouders op. We wisten allebei dat we dit niet konden negeren, dat we niet konden doen alsof we die transistorradio nooit gevonden hadden. Roy zei wat ik dacht toen hij vroeg wie dat toestel had gedumpt.

Ik dacht ogenblikkelijk aan meneer Uspensky. Meneer Uspensky was een zonderlinge Oekraïense immigrant waarvan niemand wist hoe oud hij eigenlijk was omdat hij er op sommige dagen heel jong uitzag en op andere dagen heel oud. Hij woonde op de negentiende verdieping. Daar leidde hij een teruggetrokken leven. Je zag hem niet vaak, maar wanneer je hem zag was dat altijd op onregelmatige tijdstippen terwijl hij doelloos ronddoolde in de buurt. Hij leek heel gejaagd als je hem met zijn karak­teristieke, mankende tred zag wandelen. Meestal kon je hem tegen zich­zelf wartaal horen mompelen, iets wat de kinderen uit de buurt zowel angst inboezemde als op hun lachspieren werkte.

Meneer Uspensky was een broodmager skelet van twee meter groot met een afschuwelijk litteken onder zijn oog en tanden die als weggezonken grafzerken uit zijn grijze tandvlees staken. Hij droeg kleren die nooit bij het weer pasten. Als het ’s winters vroor, liep hij op sandalen en tijdens een hittegolf in augustus danste er een lange, donkerbruine jas vol gaten om zijn geraamte.

Waarom ik aan meneer Uspensky dacht? Destijds hadden de flat­bewoners hem ervan beschuldigd iets met de verdwijningen te maken te hebben. Waarschijnlijk omdat ze hem zo’n vreemde vogel vonden. Hij maakte zichzelf verdacht met zijn rare gedrag. De politie had hem ver­schillende keren ondervraagd, maar ze hadden nooit bewijzen tegen hem gevonden. Toch werd er steeds gefluisterd dat meneer Uspensky die jongetjes gemolesteerd had en dat hij ze daarna ergens gedumpt had. Soms riepen mensen hem wat na als hij weer eens aan het ronddolen was. Een enkele keer hadden twee mannen uit de buurt geprobeerd om hem een pak rammel te verkopen, maar ze konden niet tegen hem op.

Ik was bang voor hem. Roy ook, al gaf hij dat niet graag toe. Een keer had ik hem uitgedaagd om met de lift naar de negentiende verdieping te gaan. Ik zei dat hij niet door de spleet onder de voordeur van meneer Uspensky’s flat durfde kijken. Roy had de uitdaging aangenomen en was de deur genaderd. Daar ging hij plat op zijn buik liggen. Ik stond ver genoeg om op tijd weg te rennen als die deur plots open zou gaan, maar dichtbij genoeg om dat eigenaardige geluid te horen. Het klonk als de statische ruis van een of ander toestel.

Roy moest zijn wang helemaal tegen de vloer drukken om naar binnen te kunnen loeren. Vijf seconden, langer duurde het niet. Omdat hij gestommel bij de voordeur hoorde, veerde hij overeind en renden we samen weg.

Toen ik op de terugweg aan Roy vroeg of hij iets had kunnen zien, zei hij dat de hal vol radiotoestellen stond. Oude en nieuwe modellen, zowel hele grote als hele kleine die in je jaszak pasten, en ook losse onderdelen en toestellen die zelfgemaakt leken. Het was een immense verzameling, zei Roy. Dat verklaarde waarschijnlijk de statische ruis. En er stonden ook kartonnen dozen op elkaar gestapeld tot aan het plafond. We speculeerden dat meneer Uspensky er de beenderen van de jongetjes in bewaarde. Toen moest Roy overgeven en sindsdien zijn we nooit meer op de negentiende verdieping geweest.

‘Zullen we de radio weer aanzetten en proberen te achterhalen waar dat geschreeuw vandaan komt?’ vroeg Roy. Hij keek bedrukt en in zijn stem klonk pure wanhoop door. Hij moest en zou te weten komen wat er met Andy gebeurd was.

Ik was niet zeker of dat wel zo’n goed idee was. Misschien waren de gruwelen waaraan Andy onderworpen was geweest wel zo erg dat Roy nooit meer zou kunnen slapen. Maar ik begreep hoe belangrijk dit voor hem was en liep, ondanks mijn angst en afkeer voor die spookachtige stemmen, naar het toestel. Ik zette het aan. Roy en ik gingen zitten en sloten onze ogen. Opnieuw duurde het een poos voor we door de ruis heen konden luisteren. Het vergde opperste concentratie en het was net alsof we eerst in een soort trance moesten komen alvorens de stemmen ons bereikten.

Deze keer probeerde ik alle achtergrondgeluiden eruit te filteren. Ik hoopte op die manier iets van de omgeving op te vangen. Al gauw besefte ik dat we naar een speld in een hooiberg zochten. Het was bijna onmogelijk om de ruis van de achtergrondgeluiden te onderscheiden en als we dan toch iets zouden horen, dan nog was het gissen wat het was en waar het vandaan kwam.

Maar misschien zouden de laatste druppels modelbouwlijm mijn roes wel voldoende versterken om de geluiden te ontmantelen als de schillen van een ui. Ik liet het flesje leegdruppelen op mijn T-shirt en duwde het vochtige katoen tegen mijn neus.

De verschuiving in mijn geestestoestand voltrok zich enkele ogen­­blikken later. In plaats van dat de geluiden helder bij me binnen sijpelden, kreeg ik iets wat ik enkel als een visioen kan omschrijven. Een vaag, waterig beeld. Ik wist meteen dat ik het her­kende, al was het zo troebel dat ik twijfelde of het uit een droom, een nachtmerrie of een vage herinnering afkomstig was. Roy moet aan mijn gelaatsuitdrukking gemerkt hebben dat ik iets op het spoor was. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij.

Ik gebaarde dat hij me even met rust moest laten. Hij mocht mijn visioen niet verstoren. Bovendien moest het snel gaan, want met enkele druppels lijm zou de roes hooguit een minuut of twee duren. De kleuren vielen mij als eerste op. Roestbruin met bleke, paarse vlekken. Ik zag ook een lange gang waarvan het einde onzichtbaar was. Plassen op de vloer, schimmel op de muur. Toen de geluiden van ventilatieschachten, tikkende verwarmingsbuizen en sidderende lampen één voor één door het beeld drongen, werd de film compleet.

Ik opende mijn ogen en keek Roy indringend aan.

‘En?’ vroeg hij. Zijn borstkas ging snel op en neer en zijn ogen waren overspannen met ongeboren tranen.

‘De kelder,’ zei ik.

‘Bedoel je…?’

Ik knikte.

‘Waar wachten we dan nog op?’ Roy stond op. Zijn gewrichten knakten van het lange stilzitten. De wanhoop en het verdriet in zijn blik hadden plaatsgemaakt voor verbetenheid. Hij liep naar de deur en duwde ertegen. Die ging krijsend open. Een bundel vaal daglicht stroomde de afvalruimte binnen. Omdat Roy zag dat ik hem niet meteen volgde, keek hij over zijn schouder. ‘Kom je nog?’ Hij probeerde niet eens zijn ergernis te verbergen.

Ik was als de dood voor de kelder onder het flatgebouw. Het was een reusachtig labyrint. Slechts één keer was ik er geweest, op de dag dat we verhuisd waren en mijn moeder me had gevraagd om haar te helpen enkele spullen in de kelder op te bergen. Uit nieuwsgierigheid was ik door de verschillende gangetjes gaan dwalen, langs de kelderboxen van de vele bewoners, tot ik opeens besefte dat ik me de weg terug niet meer herinnerde. De muren leken op me af te komen. Het gaf me een beklem­mend gevoel dat nog het best te vergelijken was met wurging door ijskoude handen. Zeker tien minuten heb ik daar lopen zoeken naar een uitweg uit die stinkende, vochtige en schemerige doolhof. Ik vreesde dat ik er nooit meer uit zou komen, dat ik opgeslorpt zou worden door het gebouw. Nadien heb ik er zelfs nog nare dromen over gehad. Daarom aarzelde ik toen Roy mij wenkte, maar hij was zo vastberaden om te achterhalen wat er met Andy gebeurd was, dat ik hem niet in de steek kon laten.

We liepen het flatgebouw binnen en namen de lift naar de kelder­verdieping. De ijzeren kooi schommelde tijdens de afdaling. Ik luisterde naar mijn hartslag die met elke seconde in snelheid toenam. Ik keek naar Roy. Zijn mondhoeken stonden strak van de spanning en zijn gezicht had een koortsachtige glans. ‘Denk je dat we iets zullen vinden?’ vroeg ik. Maar Roy antwoordde niet. Ik geloof dat hij me niets eens gehoord had, zo gefocust was hij.

Toen de lift tot stilstand kwam, wachtte Roy een ogenblik alvorens hij met ingehouden adem de deur openduwde. Het was onmogelijk om de stank van schimmel te negeren, zelfs als je je neus toekneep. Hij wurmde zich tussen je lippen naar binnen en prikkelde je sinussen en papillen tot je er van moest hoesten. Links en rechts reikte de gang tot in het oneindige, onderbroken door zijgangetjes die elk op zich nog ontelbare aftakkingen hadden. Het was koud in de kelder. Ik rilde en legde mijn armen over elkaar. ‘Welke kant gaan we op?’

Roy keek naar links, naar rechts en weer naar links en zei: ‘Die kant.’

De gang was slecht verlicht. Hier en daar flikkerden tl-lampen. Sommige deden het helemaal niet. Naast de lampen aan het plafond hingen verwarmingsbuizen en waterleidingen, die op verschillende plaatsen lekten. Daardoor waren er plassen ontstaan op de vloer. Roy en ik slalomden erlangs. Het was een hels karwei om hier naar Andy te gaan zoeken. Bovendien had de politie destijds het hele gebouw al uitgekamd en niets gevonden. Ik probeerde me af te sluiten voor de keldergeluiden, in de hoop het geschreeuw te kunnen horen, ergens in de verte. Of eigenlijk hoopte ik eerder niets te horen, want ik zou het in mijn broek doen en ik wilde dapper blijven voor Roy. ‘Is het niet beter als we jouw moeder erbij halen?’ vroeg ik.

‘Ben je gek?’ zei hij. ‘Ze is een wrak, ze zit onder de medicijnen. Ze kan dit niet aan.’

Roy had gelijk. We waren op onszelf aangewezen. Hij gaf de indruk dat hij wist wat hij deed, dus volgde ik hem. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem. Als ik had gekund, zou ik zelfs zijn hand hebben vastgehouden, maar de gang was zo smal dat als je je armen strekte, je beide muren kon aanraken. Onze voetstappen weergalmden in scherpe echo’s. Opnieuw kreeg ik het erg benauwd, net zoals vroeger, toen ik bijna was verdwaald. Ik werd een beetje duizelig en concentreerde me op mijn ademhaling zodat ik niet ging hyperventileren.

‘We moeten de kelder van die gore Uspensky vinden,’ zei Roy vast­besloten.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In het gebouw woonden honderden mensen. Dat betekende talloze met traliedeuren afgesloten hokjes, verdeeld over al die donkere, smerige gangetjes. We sloegen een hoek om. Heel even lette ik niet op waar ik liep. Bijna schoof ik uit in een plas water. Door mijn poging om overeind te bleven, viel mijn oog op een wansmakelijk tafereel. Ik slaakte een kreet en maakte Roy zo aan het schrikken dat hij ook begon te krijsen, al wist hij in eerste instantie niet waarom. Tegen de muur zat een grote rat te knabbelen aan iets wat op een klein kadaver leek. Toen ik beter keek, zag ik dat het ook een rat was. Zijn buik was opengehaald. Zijn ingewanden lagen in een bloederig bundeltje op de vloer, zijn ogen waren al opgepeuzeld. De rat knabbelde onverstoord voort. Roy en ik maakten ons huiverend uit de voeten, dieper het labyrint in.

Bij elke box keken we naar het naamplaatje. Soms was het zo donker dat je de letters amper kon lezen, soms ontbrak het plaatje. Veel van de bewoners kenden we niet eens. El Bartali, Vercammen, Rodriguez, Adriaenssens, Thompson, Kitenge, en zo ging het maar door. We liepen het ene na het andere gangetje in, maar de box van Uspensky kwamen we niet tegen.

Roy en ik gingen methodisch te werk door de kelder van west naar oost uit te kammen. Na de verschillende aftakkingen van de zijgangetjes te hebben onderzocht, kwamen we weer uit op de hoofdgang om van daaruit verder te gaan. Bij sommige boxen bleven we een tijdje staan om wat zich achter de traliedeuren bevond te bestuderen. Het was absurd wat sommige mensen opborgen: een hele collectie VHS-banden van Aziatische vechtfilms, National Geographic magazines uit de jaren zeventig en een grasmaaier die compleet nutteloos was in een flatgebouw. Bij de box van ene Baeyens deinsden Roy en ik een halve meter achteruit. Half gedrenkt in schaduw, half badend in het schijnsel van een tl-lamp, stond een gestalte.

Ik bevroor ter plekke. Ik kreeg geen zuurstof meer in mijn longen gezogen. Mijn hand zocht naar die van Roy, maar vond alleen lucht. Helder denken lukte niet, maar op een onbewust niveau begreep ik dat de traliedeur die ons scheidde ons een kans gaf om weg te rennen. Ik wachtte tot de gestalte uit de schemering zou treden. Roy tikte me aan. Zijn aanraking veroorzaakte een schokgolf in mijn lichaam. Omdat de gestalte niet reageerde om mijn gil, durfde ik het aan om even opzij te kijken. Roy had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

Het bleek zo’n vintage etalagepop te zijn. Met haar glazen ogen staarde de kale vrouw ons aan van achter de tralies.

‘Shit man,’ zei Roy. ‘Wat griezelig. Het lijkt hier wel een spookhuis, vind je niet?’

Ik slaagde er niet in te antwoorden. Ik had zojuist een hartverzakking gehad en snakte naar daglicht en buitenlucht.

Toen we van de schok bekomen waren, stak Roy zijn arm naar binnen. ‘Moet je haar tieten zien.’ Hij legde zijn hand als een kommetje over een van haar borsten. ‘Wil je ook eens voelen?’

Ik schudde met mijn hoofd. ‘Gaan we?’

‘Ja.’ Roys gezicht stond weer doodernstig.

We liepen terug naar de hoofdgang om het laatste stukje van de oostelijke vleugel te verkennen. Van de spanning vergat ik dat ik het koud had. Ik probeerde me voor te stellen wat we zouden aantreffen in de box van meneer Uspensky. Allerlei gruwelijke beelden flitsten door mijn hoofd. In het gedeelte waar we nu terechtgekomen waren, stond de vloer onder water. Onze voetstappen klonken loom en dromerig. Ik waande mij een ontdekkingsreiziger. Aan onze linkerzijde bevond zich het allerlaatste zijgangetje. Als we daar niets vonden, was onze zoektocht helemaal voor niets geweest.

Roy liep het hoekje om en verdween kortstondig uit mijn gezichtsveld, zodat het leek alsof ik helemaal alleen in de kelder was. Die gedachte bezorgde mij onaangename kriebels in mijn buik. Ik weet niet waarom, maar ik keek over mijn schouder en was er zeker van dat ik de dreigende gestalte van meneer Uspensky zou zien. Ik dacht dat ik zijn zware voetstappen hoorde, dat ik zijn scherp afgetekende schaduw op de muur naast mij zag. Ik was er zelfs van overtuigd dat ik hem in mijn nek voelde hijgen, koud en warm tegelijkertijd. Maar er was niemand. De gang achter mij was leeg. Leeg en eindeloos lang.

‘Hebbes!’ hoorde ik Roy opeens zeggen. Zijn stem trok me terug de werkelijkheid in. Ik liep gauw het hoekje om. Roy stond bij de box van meneer Uspensky. Ik ging naast hem staan, schouder tegen schouder, en keek door de traliedeur naar binnen. Het hok was leeg. Er stond niet één doos, er lang geen enkel papiertje op de grond. Die vaststelling was zowel een ontnuchtering als een opluchting.

‘Onmogelijk,’ zei Roy. Hij weigerde te geloven wat hij zag. Of wat hij niet zag. ‘Er moet iets zijn. Iets.’ Zijn stem sloeg over. Gefrustreerd morrelde hij aan het hangslot dat rond de traliedeur zat. Daarna trapte hij ertegen. Het ijzeren geluid zinderde nog enkele seconden na. Hij beet op zijn lip tot er bloed uitkwam.

Ik zag de woede in Roys ogen en probeerde hem tot bedaren te brengen door mijn arm om zijn schouders te leggen. Zijn woede maakte plaats voor verdriet. Tevergeefs deed hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Hij begon te snikken. Ik liet hem begaan. Gedurende enkele minuten keken we naar het lege hok. ‘Kom, Roy,’ zei ik uiteindelijk, ‘dit heeft geen zin.’

Zonder iets te zeggen draaiden we ons om. Op het moment dat we de hoek om wilden gaan, greep een verre, gekwelde gil ons bij het nekvel. Roy en ik bevroren ter plaatse. Ik zweer je dat ik nog nooit in mijn leven zo bang ben geweest als toen. Aanvankelijk probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het de metalige klank van de verwarmingsbuizen was, of een kelderdeur die door een andere bewoner geopend werd, ergens diep in de doolhof. Maar het geluid was overduidelijk afkomstig van een stem, deze keer niet verstoord door de ruis van de radio.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Roy. Zijn stem trilde. In het tl-licht zag hij er lijkbleek uit. Het was een overbodige vraag, meer bedoeld om zijn eigen ongeloof onder woorden te brengen.

Heel langzaam, alsof we enkel nog in slow motion konden bewegen, draaiden we ons weer om. Toen ik aan het eind van de gang de traliedeur als een mond vol rotte tanden zag grijnzen, kreeg ik overal kippenvel. Mijn ingewanden deden pijn, alsof ze door een stel scherpe klauwen uit mijn buik werden gerukt en in een ijsbad werden gedumpt. Ik huiverde ervoor om te gaan kijken waar dat verlammende gegil vandaan kwam, maar we hadden geen keuze. Ondertussen was het water op de vloer doorgedrongen tot in mijn sokken en had ik ijskoude voeten gekregen.

Zij aan zij liepen Roy en ik naar de deur. Toen we dichterbij kwamen, weerklonk het meerstemmige gegil opnieuw. Nog steeds ver weg, maar kraakhelder, bijna tastbaar. En er bestond geen twijfel over: het was afkomstig uit de kelderbox van meneer Uspensky.

Roy morrelde opnieuw aan het slot. Het was oud en verroest en niet erg stevig, net als de traliedeur. ‘We moeten naar binnen,’ zei Roy, terwijl hij een manier zocht om het slot te ontgrendelen. Ik had al snel door dat enkel bruut geweld ons binnen zou krijgen. Roy gaf een ruk aan het slot, ik stampte tegen de deur en dat deden we tientallen keren tot we buiten adem waren en het zweet in onze verbeten frons parelde. Ondertussen konden we nog steeds het geschreeuw horen.

Na een zoveelste poging brak het slot. Rinkelend viel het op de grond en een seconde later zwaaide de traliedeur open. Het moment was zo onverwacht dat we even niet wisten wat te doen.

Roy was de eerste die het hok betrad, omringd door de spookachtige echo’s. Hij zocht naar de lichtschakelaar. Een gloeipeertje dat aan het plafond bengelde sprong aan en wierp een urinekleurige gloed over de omgeving. Roy keek omhoog, omlaag en naar de muren, op zoek naar zijn broertje. Ik herinner me nog dat ik me afvroeg of de stemmen toch van geesten afkomstig waren. Ik kon me niet voorstellen dat al die jongetjes ergens in de muur verborgen zaten zonder dat de speurders hen gevonden hadden. Uitgerekend die dag hadden ze met ons contact gezocht. Ik geloof dat het voorbestemd was.

‘Wat nu?’ vroeg Roy wanhopig.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. We stonden voor een raadsel. Tegelijk legden we ons oor tegen de muur. Het was duidelijk dat de geesten daar achter het beton ronddoolden, gevangen in het gebouw en in een gruwelijke herinnering.

Ergens in de muur ontdekte ik een scheur. Ze viel eerst niet op omdat ze bepleisterd was, maar de lichtinval verried een oneffenheid. ‘Moet je dit zien,’ zei ik tegen Roy. Ik wees naar de plek op de muur waar de scheur dichtgesmeerd was.

Roy aarzelde niet. Hij begon als een bezetene de bepleistering los te peuteren. Ik deed met hem mee. Eerst gebruikten we onze vingernagels en toen dat te traag ging, onze huissleutels. De brokjes kwamen gemakkelijker los dan ik verwacht had. De scheur werd zienderogen groter en voor we het goed en wel beseften, was er een gat ontstaan waar Roys arm precies doorheen kon.

De stemmen klonken nu onwaarschijnlijk dichtbij. Dichtbij, maar anders dan voorheen. Met het openen van het gat in de muur had het geschreeuw en gehuil plaatsgemaakt voor gegiechel en het typische geluid van spelende jongetjes. Op hetzelfde moment waaide er een ijskoude wind uit het gat naar buiten. De wind streek langs mijn gezicht en dat van Roy. Zijn haren wapperden en ik voelde hoe een rilling over mijn ruggengraat liep. Ik klappertandde. Roys mond zakte open van verbijstering. Er bungelde een speekseldraad uit zijn mondhoek.

We waren zo betoverd door wat er gebeurde dat we als aan de grond genageld stonden. Ergens tussen al die stemmen meende ik die van Andy te herkennen. Roy ook, want hij sprak de naam van zijn broertje uit. Er werd nog meer gelachen. Blije geluiden van kinderlijke vreugde. Niet zoveel later ging de ijzige wind liggen en met het verdwijnen van de kou, verstomden ook de stemmen.

Terwijl ik nog moest bekomen van deze akelige en tegelijkertijd wonder­lijke gebeurtenis, gluurde Roy door het gat. Hij zag niets, zei hij. Daarop stak hij zijn arm erdoor.

‘Voel je iets?’ vroeg ik.

Roy schudde zijn hoofd.

Ik kreeg een ingeving. Het plafond van de kelder was tamelijk laag. Als ik op mijn tenen stond, kon ik het peertje aanraken. Het was gloeiend heet, dus deed ik mijn T-shirt uit en wikkelde het rond mijn hand. De elektrische draad liep over het plafond en was vastgemaakt met twee ijzeren klemmetjes. Als ik er hard genoeg aan trok, maar toch voorzichtig zodat de draad niet zou knappen, kon ik het peertje naar beneden brengen om het als zaklamp te gebruiken. De klemmetjes sprongen onmiddellijk open en zo kwam de draad los. Roy nam de lamp van me over en scheen ermee in het gat.

Ik vroeg hem of hij iets zag, maar hij zweeg. Ik probeerde mee te kijken over zijn schouder, wat niet lukte. ‘Wat zie je?’ vroeg ik nogmaals. In plaats van te antwoorden, draaide Roy zich om. Hij stond met zijn rug tegen de muur en liet zich onderuit zakken. Daarna trok hij zijn knieën op en klemde beide armen eromheen.

‘Wat is er?’ Ik wilde weten wat hij gezien had.

Roy staarde verweesd voor zich uit. Zijn mondhoeken trilden. Bijna liet hij de lamp uit zijn handen vallen, maar ik kon hem nog net opvangen, ook al leverde me dat een brandwond op in mijn handpalm. Roy was niet meer in staat om iets te zeggen. Ik nam mijn T-shirt uit zijn handen en wikkelde het opnieuw rond de hals van de lamp zodat ik zelf door het gat kon kijken.

Nog elke dag wens ik dat ik dat nooit gedaan had.

Achter de muur bevond zich een holte, half zo groot als de kelderbox. In de stralenkrans van het gloeipeertje glansden bleke objecten. Ik had even tijd nodig om het beeld tot mij te laten doordringen. Het waren onvol­groeide beenderen en schedels. Ze waren opgezet met draad en metalen pinnen en in verschillende poses gemanoeuvreerd. Twee skeletjes waren verwikkeld in een doodskus, enkele anderen leken een heksensabbat te dansen rond een denkbeeldig vuur. Hun armen en benen hingen in eigenaardige hoeken. Van sommige stonden de kaken open in een macabere grijns. Uspensky had ze uitgestald als marionetten. Ergens daartussen moest Andy staan.

Terwijl Roy nog steeds zwijgzaam en rillend van de schok voor zich uit zat te staren, begon ik te braken. Een zure smaak nestelde zich in mijn keelholte. Mijn slokdarm deed pijn. Ik probeerde het beeld te vergeten, maar kon het niet weerstaan om nogmaals naar binnen te kijken. Deze keer telde ik de skeletten. Het waren er zeven.

Er was iets anders dat me opviel: tientallen reflecties tegen de wand erachter. Het duurde enkele seconden voor ik doorhad dat het foto’s waren. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om te kunnen zien wat er op de foto’s stond. Mijn maag keerde om bij de beelden van Uspensky die met zichzelf speelde in het bijzijn van de dode lichaampjes. Hij had ze in alle stadia van ontbinding gefotografeerd, de ene keer alleen, dan weer in zijn omhelzing, tot het punt waarop ze geraamtes geworden waren. Alsof het poppen waren had hij de lijkjes in suggestieve houdingen gedwongen.

De kwaliteit van de beelden was te slecht om af te leiden waar ze genomen waren.

Mijn slokdarm trok weer samen. Braken lukte niet meer, mijn maag was al leeg. Ik wendde mijn blik van de foto’s af. Nog voor ik me omdraaide, merkte ik in een oogopslag dat alle kinderen hun schoenen nog aanhadden. Met de lamp bescheen ik elk paar voeten, tot ik Andy’s zwart-witte All Stars zag en een brok in mijn keel kreeg.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang we daar gezeten hebben. Het konden twee minuten geweest zijn, maar evengoed twee uur. Uiteindelijk vroeg ik aan Roy wat we moesten doen. ‘Jouw moeder mag dit niet zien,’ zei ik. ‘Maar mijn moeder kunnen we wel inlichten. Of zullen we zelf de politie bellen?’

Roy liet mijn woorden bezinken. Hij ademde diep in en uit. Zijn tranen waren opgedroogd, zijn blik was hard. Hij zag er opeens een stuk ouder uit, alsof hij na het zien van de beenderen op slag volwassen geworden was. Ik geloof dat dat ook echt het geval was. Al die tijd had hij gehoopt dat hij Andy ooit zou terugzien. Die hoop had hem overeind gehouden, maar nu was hij gebroken. ‘Nee,’ zei hij koud, ‘ik heb een beter idee.’

Hij stond op, liep naar de hoofdgang en vervolgens naar de lift. Zijn tred was zo vastberaden dat ik hem met moeite kon bijbenen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde ik weten. Maar hij zweeg. Hij drukte op het knopje van de lift. Toen die er was, stapten we in. Daarna drukte hij op het knopje van de negentiende verdieping. Plots kreeg ik het heel benauwd. De lift klom langzaam omhoog en met elke verdieping voelde ik de spanning in mijn spieren toenemen. Mijn handpalmen werden klam van het zweet. Opnieuw vroeg ik Roy wat zijn bedoeling was, maar hij liet niets los. Ik begreep dat aandringen geen zin meer had.

Op de negentiende verdieping kwam de lift tot stilstand. Het leek een eeuwigheid te duren voor de liftdeur opende. In die tijd stelde ik me voor wat er allemaal kon gebeuren. Mijn gedachten waren één grote chaos, overspoeld door angst en opwinding. Verschillende scenario’s flitsten door mijn hoofd. Toch was ik verrast toen Roy begon te spreken, met een bevende stem die niet als de zijne klonk. ‘Volg me.’ Meer zei hij niet. We liepen naar de trappenhal. Alleen van daaruit kon je naar het dak van het flatgebouw, via een luik in het plafond. Roy gebood me om naar boven te gaan.

‘Waarom?’ vroeg ik. Ik was bang.

‘Geen vragen, doe gewoon wat ik zeg.’

‘Roy, laten we alsjeblieft geen domme dingen doen.’

Roys ogen gloeiden als kooltjes. Hij hoefde niets meer te zeggen, ik gehoorzaamde hem. Samen liepen we het dak op. Hij trok me bij mijn pols naar de dakrand die hoog uittorende boven de grijze snelweg waar honderden auto’s als tetrisblokjes langs elkaar heen schoven. Het waaide. De rand van het dak kwam tot aan mijn middel. Roy en ik keken elkaar aan. Hij gebood me om op de rand te gaan zitten. Ik durfde niet naar beneden te kijken. Ik beet op mijn lip, vocht tegen de tranen. Ik wilde hem smeken om uit te leggen wat hij van plan was, maar wist dat het geen zin had. Toen zei Roy: ‘Blijf hier op me wachten.’ Hij draaide zich om, liep terug naar het luik en verdween.

Ik kon onmogelijk weten wat er daarna zou gebeuren. Die dag was de laatste keer dat ik met Roy sprak. Op het dak, daar heb ik zijn laatste woorden gehoord. Blijf hier op me wachten. Nooit heeft hij me kunnen vertellen wat er precies in zijn hoofd omging op dat moment, maar ik heb voor mijzelf een reconstructie gemaakt en ik ben er bijna zeker van dat het zo is gelopen.

Roy ging terug naar de negentiende verdieping. Daar liep hij naar de flat van meneer Uspensky en belde aan. Toen meneer Uspensky de deur opende, vertelde Roy hem een smoes die hij in de kelder verzonnen moest hebben. Hij gebruikte mij als lokaas en zei dat ik vastzat op het dak, of zoiets, omdat hij wist dat meneer Uspensky de verleiding niet zou kunnen weerstaan om een jongetje in nood te helpen; een heldhaftige daad die om een wederdienst vroeg. Waarschijnlijk vertelde Roy hem dat we nieuwsgierig waren naar hoe het zou zijn tussen de wolken, maar dat ik bij het beklimmen van de dakrand plots zo bang was geworden dat ik er niet meer af durfde, omdat ik vreesde dat ik naar beneden zou donderden. Zoiets moet het geweest zijn.

Meneer Uspensky volgde Roy gretig en kroop met zijn lange, hoekige lichaam door het luik. Toen ik mijn hoofd draaide, zag ik ze allebei staan: Roy in de schaduw van die nare man. Uspensky had een vreemde grijns op zijn gezicht, het soort grimas van iemand die verrast is door de grote opportuniteit die hem plots in de schoot geworpen wordt. Hongerig en vervuld van ongeloof tegelijkertijd. Hij hinkte mijn richting uit, met Roy in zijn kielzog. Uspensky zei niets, hij keek gewoon naar mij. Hij bestudeerde mij van top tot teen zoals een slager het karkas van een varken bekijkt om te zien welk stuk vlees hij eerst zal aansnijden. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Ik wilde weg van de dakrand, maar blok­keerde toen ik in Uspensky’s donkere, glimmende ogen keek.

Voor ik het besefte stond hij naast mij. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Het was een imposante gedaante. Ik klemde mijn handen stevig om de dakrand en maakte aanstalten om op te staan, klaar om weg te rennen. Uspensky opende zijn mond om iets te zeggen. Nog voor de klanken zijn keel verlieten, zag ik in mijn ooghoek hoe Roy kwam aangestormd en Uspensky een stevige duw in de rug gaf. Met moeite kon ik bevatten wat er gebeurde.

Uspensky wankelde. Zijn enorme lichaam helde naar de afgrond. Hij zette zijn ene voet voor de andere, in een poging zijn evenwicht te bewaren, maar wanneer zo’n massief gewicht eenmaal in beweging komt, is het bijna onmogelijk om het te stoppen. Het was net een dronken­mansdans. Pure paniek overtrok Uspensky’s gezicht. Hij klapwiekte met zijn lange armen en perste een oerkreet uit zijn longen. Zijn lichaam helde alsmaar meer over. Toch hervond Uspensky op het laatste moment zijn evenwicht. Hij graaide met zijn armen naar de dakrand en hield zichzelf tegen.

In de tussentijd was Roy – die door de duw zelf achteruit gekatapulteerd was – weer overeind gekomen. Opnieuw stormde hij op Uspensky af en gaf hem een tweede duw. Deze keer ging het vanzelf. Uspensky verloor zijn grip en tuimelde naar beneden met een langgerekte schreeuw. Ik zag hem steeds kleiner worden zonder te beseffen wat er eigenlijk gebeurde. Tot hij de grond raakte. De klap was tot boven te horen. Gevolgd door bloed. Veel bloed. Ik hield mijn hand voor mijn mond, geschrokken en gechoqueerd door de nietigheid van een mensenleven. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar ik weet wel dat ik geen medelijden had met die ouwe viezerik.

Lange tijd bleef ik gapen naar dat lichaam, dat in een onnatuurlijke hoek op de grond lag, met ledematen die als een waaier van vlees in een steeds groter wordende plas bloed lagen. Van bovenaf leek het net een bloem. Een perfect plan van Roy. Iedereen zou geloven dat die perverse ouwe zak zelfmoord had gepleegd.

Ik was zo gefixeerd op zijn lijk dat ik niet had gezien dat Roy naast mij op de rand was komen staan. Ik zag hem pas toen hij in mijn ooghoek als een zwevend object in de lucht hing. Enkele seconden later lag Roy naast Uspensky op de grond. Hij had niet eens gegild.

Ik kon niet geloven dat Roy gesprongen was. Niet hij. Zoiets zou hij nooit doen. Niet de Roy die ik zo goed kende en waar ik zoveel herinneringen mee had gedeeld. Maar zoals ik zei was hij eerder die dag in de kelder gebroken. Misschien was hij daar al wel gestorven. Ik keek over mijn schouder in de hoop dat alles slechts een illusie was en dat hij nog steeds achter me stond, met een steelse glimlach op zijn gezicht. Met zijn typische uitdrukking als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald. Dat gezicht mis ik nog steeds, en hoe harder ik Roy probeer te vergeten, hoe meer ik hem zie lachen.

Het Gelukkige Land : Jack Schlimazlnik

Mu hield zijn hand boven zijn ogen om die tegen het zonlicht te bescher­men. Hij kneep zijn donkere ogen samen om de toppen van de torens te zien, hoog boven de fonkelingen van het dak van de Eeuwige Tempel. De weervaan op de torenspits kon hij nauwelijks zien in het middaglicht. Toch leek het hem of de wind was gedraaid. Hij dacht ook te voelen dat het hete zand uit de woestijn de stad binnen werd geblazen en zijn huid streelde en speelde met zijn rossige haar. Vanaf het dak van het pand waarin Mu met zijn moeder en zusje woonde, halverwege de helling die boven de stad uitrees, was niet alleen de tempel te zien. Mu draaide zich een kwartslag, zodat hij over de woestijn uitkeek. De wind blies nu het fijne zand in zijn smalle ogen, waardoor hij begon te tranen. Toch kon hij tussen zijn tranen door zien waarop hij had gewacht.

‘Moeder!’ Hij stormde de trap af. ‘Het komt!’

Er kwam leven in het pand. Niet alleen Mu’s familie leek ineens wakker te worden uit de namaalsslaap, ook de andere bewoners ontwaakten. Zakken werden gepakt, knisperend in het halfduister van de geloken luiken die de warmte buiten moesten sluiten. Touw, gevlochten uit restanten van zakken, werd uit kasten gehaald. Hier en daar werd voor­zichtig een luik op een kier gezet om te zien of het waar was. Overal ritselden de kledingstukken die nodig waren om de woestijnwind te weer­staan: pvc, synthetische raffia, polyetheendoek. Ook uit de andere woon­torens klonken nu kreten. ‘Het komt!’

Het ging erom snel te zijn, wist Mu. Sneller dan de wind die over de woestijn waaide. Hij wond de oude katoenen doek die hij uit huis had gehaald om zijn hoofd. Zorgvuldig plaatste hij het stuk plastic voor zijn ogen, voordat hij het dunne doek ook rond zijn gezicht wikkelde. Alleen de nauwe spleet door het groenige, doorzichtige plastic bleef over, genoeg om nog iets te zien in de zandwervelingen en toch zijn ogen te beschermen. Hij sjorde zijn lange riem om zijn middel vast, zodat de wind niet onder kleren zou komen en zijn huid niet door het zand gegeseld zou worden.

Mu was niet de enige die zich tegen het zand beschermde om de woestijn in te trekken. Uit de nauwe stegen tussen de woontorens, uit alle wijken rondom de Eeuwige Tempel, stroomden de bewoners de woestijn in, een golving van gekleurde doeken en geklapper van de plastic zakken die zij in de wind met zich meedroegen. Gegil van de kinderen, die het onverwachte uitje met enthousiasme tegemoet renden.

Maar er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Mu, net veertien en volgens zijn vader ‘hoog op de poten’, rende voor de meute uit. Sneller dan de rest. Sneller dan de wind. De wind wervelde om hem heen. Als een stofduivel voelde hij zich thuis in de woestijn. Het was zijn taak snel te zijn, om wat nog restte van het gezin te kunnen voeden, om de ziekte van zijn zusje en de honger te kunnen bestrijden, om van de wind te kunnen leven. Hoewel de oogst nooit genoeg leek te zijn in de verbijsterende eindeloosheid van de woestijn, was zijn snelheid het enige dat hij had om te ontsnappen aan het sobere leven rond de tempel.

De eerste snippers dwarrelden de vallei binnen. Kleurige resten, glin­sterend en glimmend als juwelen, buitelden op de wind. Mu rende eraan voorbij. Achter zich hoorde hij de vrolijke stemmen van kinderen die de snippers verzamelden. Onder zijn hoofddoek glimlachte hij: zo was hij als kind ook geweest. Ook hij had de trots gevoeld bij zijn bonte verzameling snippers. Toen hij ouder werd, had hij zijn snippers aan de voet van de tempel begraven.

Bijna miste hij door zijn mijmeringen de eerste fles. Het was een grote groene die over de zandgolven hobbelde. Af en toe floot de wind in de hals. Mu rende erheen, sprintte. Hij kreeg de fles te pakken, een mooie, gave fles. Hij schudde het zand eruit voordat hij de fles in zijn zak stopte. Na die eerste fles volgden er meer. Flessen, zakken, potten, dozen. Het was enorm veel wat de woestijn uitbraakte. Na een paar klappen van More Isha had Mu niet meer durven vragen waar alle plastic vandaan kwam, dus probeerde hij daar niet aan te denken terwijl hij de spullen inzamelde. Toen zijn eerste zak vol was, bond hij die op zijn rug met een streng gevlochten plastic. Al snel volgde een tweede zak. Hij was langzamer nu, anderen raapten rondom hem de spullen op. Iets verderop ontstond een opstootje over een groot stuk landbouwplastic dat door twee families werd betwist.

Mu ontvluchtte de drukte. Hij liep verder, tegen de wind in, zijn kleding zwaar van het zand dat in de stof waaide; in de vouwen en in de naden, zelfs in de zomen van zijn plastic broek. Iedereen was zo druk met de oogst, de jacht, dat niemand op hem lette. Hij dook achter een duin, zodat hij voor de anderen verborgen was. Op zijn achterste liet hij zich van de helling glijden, tot aan de voet van het duin.

Achter een flinke rots stond een braamstruik, pal in de wind. Het was een oude struik, bladerloos en kromgebogen. Repen plastic waren in de stekels blijven hangen. Het leek alsof ze een heiligdom sierden, een bijna doorzichtige plastic tempel, als een schitterende edelsteen. Bonte kleuren, glitter en glans, ritselden hier in de verder zo dorre en doffe woestijn.

Voorzichtig haalde Mu het kostbare plastic van de braamstruik. Hij vulde er een hele zak mee, die hij naast de andere twee op zijn rug hing. Schichtig keek hij om zich heen om te zien of hij niet gezien was. Hij hield deze rijke oogstplaats liever voor zichzelf en hoopte dat hij daar genoeg plastic kon oogsten om geneesmiddelen voor Lafaya te ontvangen. Hoe lang zou ze nog hebben? vroeg hij zich bezorgd af. Zes manen, twaalf? De droge, hete wind maakte haar het ademen steeds moeilijker, wat hem het ergste deed vrezen. Met zijn last en de gedachten aan zijn zieke zusje zwoegde hij nog een stuk tegen de wind in, rond de voet van het duin. Toen hij omkeek, zag hij hoe zijn voetstappen achter hem verwaaiden.

Zijn hart klopte hem bijna in de keel. Het was niet de inspanning van het sjouwen door het mulle zand. Het was ook niet de spanning van de oogsttijd. Het was de angst voor wat erna kwam, gruwelijker nog dan de dodelijke bahromesh. Een weldenkend mens, zo hoorde Mu in gedachten zijn leraar oreren, oogst als de wind en maakt dat hij wegkomt voordat ze komen. Wie waren ‘ze’, had Mu willen weten. More Isha had hem die blik toegeworpen, die blik die de leerlingen waarschuwde dat zij zich op het terrein van de taboes begaven, het terrein van de zaken waarover niet werd gesproken. Mu had niet verder gevraagd. Hij leerde alleen dat hij sneller dan de wind moest oogsten.

Hij had gedacht dat hij snel was. Sneller dan de wind. Met zijn drie volle zakken kwam hij echter niet vlot de berg op. Hijgend keek hij achterom, de wijde woestenij in. In zijn verbeelding had hij zich een beeld proberen te vormen van ‘ze’. Hij stelde zich voor dat het mensen waren die hun oogst weg zagen waaien, de woestijn in, naar de vallei van de Eeuwige Tempel. In zijn nachtmerries waren het kwaadaardige mensen, die hun oogst kwamen opeisen en de tempel afbraken. Nu zag hij hoe ‘ze’ op hem afkwamen, uit de richting van het Gelukkige Land waar ook de rijkste oogsten vandaan geblazen werden.

Aanvankelijk dacht Mu dat het vogels waren. Grote vleugels deinden in de wind, klapperend, golvend. Pas daarna zag hij de vele poten onder de wezens. De poten bewogen op brede voeten zorgvuldig door het zand, een wankele gang die door de vleugels in evenwicht werd gehouden. De wezens leken geen lichaam te hebben, alleen een skelet. De wind floot door de beenderen.

‘Mu! Blijf niet staan!’

Mu keek op. Zijn vriend Ameth wenkte hem, met ogen groot van angst in zijn grauwe gezicht. Ameth was minder snel dan Mu, hoewel hij langer was. Zijn traagheid was te zien aan de gereten kleding die rond zijn magere lichaam slobberde.

‘Kom, schiet op!’ riep Ameth, terwijl hij Mu zijn hand reikte. ‘Zal ik een van je zakken overnemen?’

De vrienden verdeelden het gewicht van de oogst over hun ruggen. Toen zetten ze het weer op een lopen. Mu keek nog één keer om naar de vreemde wezens met hun merkwaardige fladderloop en hun angstaan­jagende gefluit. Het spoorde hem aan nog sneller te lopen.

Hijgend arriveerden de jongens bij de stad, nauwelijks de tijd nemend hun hoofdbanden af te leggen en hun oogscherm weg te bergen. Mu beklom de steile stegen, die smal en slingerend tegen de berghelling opliepen; Ameth zat hem op zijn hielen, beiden hadden nog de angst voor ‘ze’ in de knieën. De trappen waren daardoor moeilijk begaanbaar, ook door het opgewaaide zand. De meeste huizen hielden de luiken nog gesloten tegen de storm. En misschien ook wel vanwege ‘ze’, dacht Mu. Hij huiverde. Wat waren dat voor wezens?

Hij had niet lang om erover na te denken, want het werd drukker in de stegen naarmate hij en Ameth dichter bij de Eeuwige Tempel kwamen. De meeste verzamelaars waren blijkbaar al op de terugweg. Er was bijna geen doorkomen aan met de grote zakken vol kostbaar plastic. Toch lukte het Mu en Ameth om tijdig bij de tempel te komen en hun zakken aan de priester te overhandigen.

De priester nam de zakken nederig in ontvangst. Hij controleerde de inhoud op kwaliteit en kleur. Hij bepaalde het gewicht. Het was niet zijn taak de popelende jeugd gerust te stellen. Pas na lang wikken en wegen overhandigde hij de beloning: munten voor de gaarkeukens, de bad­huizen en enkele munten ter vrije besteding.

Mu nam met een van honger knorrende maag de munten aan. Het was niet veel, maar het was voldoende om zijn moeders, broers en zusjes te voeden tot de volgende storm uit het zuidwesten kwam. Hij wist dat het niet veel was, maar hij wist ook dat niemand veel ontving. Hij kreeg, dankzij zijn snelheid bij de jacht, iets meer dan Ameth. Het was niet véél meer, en hij wist dat Ameth niet jaloers was. Wat hij meer verdiende, ging toch vooral naar de geneesheren.

Die nacht kon Mu niet in slaap komen. Steeds wanneer zijn ogen dreigden dicht te vallen, zweefden de skeletten door de woestijn van zijn geest, gedreven door de wind van zijn angstige gedachten. Waar kwamen die wezens vandaan? Het leek of ze van plastic waren: was het mogelijk op ‘ze’ te jagen, hen te doden? Hoeveel zou een van die beesten op­brengen? Was er een bron, een nest? Piekerend staarde Mu in het duister van de woestijnnacht. In de kamer naast de zijne hoorde hij het raspende hoesten van Lafaya. Ze had krachtiger en kostbaarder genees­middelen nodig. Mu draaide zich op zijn andere zijde. Iets in de woestijn lag te wachten tot hij het zou vinden. Dan zou hij rijk zijn en die middelen kopen. Hij wist het zeker, op de drempel tussen waken en wanen, tussen slapen en dromen. Pas toen de zon door de luiken kierde, viel Mu eindelijk in slaap.

 

‘Ik wil je wat laten zien.’ Ameth wiebelde op de bal van zijn voet. Hij stond in de deuropening naar Mu’s kamer. Zijn gebronsde gezicht lichtte gespannen op in het schijnsel van de namiddagzon, een contrast met de loomte die in de warme stad heerste en meestal ook zijn lichaam beheerste.

‘Wat?’ Mu gaapte. Loomheid had hem in zijn greep.

‘Een weg.’ Ameth liet zijn stem zakken en ging fluisterend voort. ‘Een weg naar de hima.’

Mu kwam overeind, de loomheid gleed als een deken van hem af. ‘Dat is taboe!’ fluisterde hij. ‘Daar mag je niet komen, dat is voor de priesters!’

Vanuit de aangrenzende kamer kwam een raspend gehoest. Ameth draaide zijn gezicht erheen. Hij fronste. ‘Wat doen de priesters voor je zusje? We kunnen naar de hima gaan en zelf de goden vragen haar te helpen.’ In zijn opwinding vergat hij bijna te fluisteren.

Mu knikte. Zijn geestesoor hoorde zijn leraar, More Isha, waarschuwen voor de hima: ‘Het is de verblijfplaats van de goden. Zij dulden daar niemand, behalve de gewijde priesters en de heilige dieren. Het gebied is afgezet met duidelijke grensstenen. Wie de grens overschrijdt, zal sterven. De hima is taboe voor jullie.’ Mu huiverde. Hij twijfelde eraan of de hima werkelijk taboe was. De goden waren er immers om de mensen te helpen? Daarvoor werd aan hen geofferd: de plastic snippers van de kinderen, de plastic tempel, moeizaam bijeengegaard door de vol­wassenen.

‘Laten we gaan,’ zei Ameth geestdriftig. ‘Nu kan het nog, voor de zon onder is.’

De twee jongens gingen op pad. De ondergaande zon kleurde de woes­tijn goudgeel. De aanwakkerende avondbries deed het plastic van de tempel rimpelen. De meeste luiken in de stad waren nog steeds gesloten tegen de ongenadige middaghitte, zodat de jongens zich geen zorgen maakten dat iemand hen op zou merken terwijl zij om de tempel heen slopen en op de helling daarachter klauterden.

De weg die Ameth wees, leek meer op een pad: een stoffig voetspoor door de wirwar van dorre doornstruiken. De jongens gingen voort, haak­ten met hun kleding aan de doornen, bukten om onder de laaghangende takken van een tamarinde door te sluipen. Rotsen onttrokken het pad aan het oog van de stadsbewoners. De tamarindes deden hetzelfde voor eventuele blikken uit de tempel.

Het pad werd een nauwe kloof. Het was er donker, de zon drong er niet meer door. Vocht vloeide traag de helling af, verdwijnend in het poreuze gesteente. Diep beneden de voetstappen van de jongens vormde het de bron waar de pompen in de stad het schaarse water uit putten.

‘Is het nog ver?’ vroeg Mu. Hij fluisterde als de wind in de tamarindes. De avondbries was verkoelend doch zou snel verkillen. In het duister wilde Mu niet buiten zijn, niet in de hima, maar ook niet buiten de veiligheid van de stad.

‘Ik ben hier ook nooit geweest.’ Ameth wierp een blik over zijn schouder. Hij schatte de tijd in die nog restte voor de duisternis de hemel zou beheersen, zijn arm gestrekt, zijn duim omhoog. ‘Nog een klein stukje verder, daarna zullen we terug moeten als we nog tijdig thuis willen komen.’

De nacht jaagde op de jongens zoals de jongens op het plastic jaagden. Sneller dan de wind. Maar de wind was gaan liggen toen de jongens de grensstenen van de hima bereikten, alsof de wind de grens niet over kon. De grensstenen waren slanke pilaren, reikend naar de hemel, elk bekroond met een ster. Achter de poort die de pilaren vormden, lagen de ceders en cipressen van het heiligdom.

Met de nacht in hun rug bleven de jongens stilstaan. Zwijgend. Uiteindelijk was het Mu die de heilige grens als eerste overschreed. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij de stap nam. Maar, zo redeneerde hij, als mijn hart blijft slaan, ben ik nog in leven; zolang is er nog hoop, voor mij, voor Lafaya.

Ameth volgde. Hij nam spoedig weer het voortouw en nam het pad tussen de ceders door, dieper het heiligdom in.

Mu merkte hoe het pad daalde onder zijn met plastic omzwachtelde voeten. Hij voelde het in zijn kuiten. Hij veegde het zweet van zijn voor­hoofd, en toen hij even bleef staan om uit te rusten, had hij een uitzicht dat hij zijn leven lang niet meer zou vergeten.

Ameth keek om, om te zien waar zijn vriend bleef. Zijn blik werd echter halverwege getroffen door het uitzicht dat zich daar tussen de ceders openbaarde. Daar strekte zich een rijk begroeid keteldal uit. Het laatste daglicht liet er boomgaarden en akkers zien, weiden met dieren ook. Hier en daar stonden gebouwen, zo te zien woonhuizen voor degenen die daar werkten, schuren voor voorraden, stallen voor het vee. Van de hellingen van het keteldal klaterden watervallen die zich tot rivieren vormden, die in een meer uitmondden. Op het meer voeren enkele vissersbootjes. In het midden van het meer lag een eiland, dat echter onbewoond oogde. Vanuit het dal steeg een kruidige lucht op, gezoet door bloesems. Het geheel was licht bedwelmend voor de voorbijgangers die slechts het stof van de woestijn gewend waren.

Dat is vast de hima van de hima, dacht Mu toen hij het eiland zag. Het heilige der heiligen, het grootste taboe. Hij werd vervuld met een groots gevoel. Hij zag voedsel en water in hoeveelheden die hij nooit eerder had gezien. Wat zou hij de goden om genezing vragen? De hima had zo te zien alles wat nodig was om Lafaya te genezen.

Ameth stootte zijn vriend aan. ‘We moeten terug.’ Hij wees op de zon die de rand van de overkant van het keteldal raakte.

Mu knikte, maar liet zijn blik nog even rustten op wat voor hem lag. Hij had het idee dat hij nu de wereld begreep. De goden, de priester, de tempel, de plasticoffers. Een openbaring. Toen hij echter Ameth volgde, het pad op, langs de ceders en de tamarindes, vervluchtigde het idee grotendeels. De wereld waarin hij liep werd te tastbaar. Hij moest zich inspannen om te zien waar hij zijn voeten zette. Hij deed moeite de doornstruiken te vermijden, maar voelde het bloed over zijn huid stromen.

Ze passeerden de grenspilaren van de hima. Daar hielden ze even halt, controleerden door aan elkaars haar te trekken of ze nog leefden, of de toorn der goden hen nog niet had geraakt. Alles leek in orde. Daarom liepen de jongens verder, zo snel als de duisternis toeliet.

Ameth en Mu kwamen terug in de woestijnstad, niemand wachtte hen op, niemand bewaakte de stad die eenzaam in de leegte lag; blijkbaar had niemand hen gezien of gemist.

Een enkel licht deed de Eeuwige Tempel van binnenuit gloeien als een veelkleurig baken in de woestijn. Mu keek op naar het licht. Hoeveel offers waren er nodig geweest om de tempel te bouwen? dacht hij. Hoe­veel flessen, doeken, potten en pijpen waren in het bouwwerk verwerkt? Hoelang verzamelden de priesters hier al plastic in ruil voor het stillen van de ergste honger – en hoelang al hielden ze de weelde van de hima geheim?

Het hield hem bezig toen hij naar huis liep. Hij zag de armoe in de stad, het stof, de dorren planten in de betegelde tuinen, de roestige buizen die getuigden van het water dat ooit rijkelijk had gevloeid. Waarom hadden de priesters de kraan dichtgedraaid? Waarom lieten ze de stedelingen niet vrijelijk van de rijkdommen van de hima profiteren? Mu’s verbazing groeide langzaam naar ongeloof. Toen hij Lafaya hoorde hoesten, bloeide woede op, die woekerde door Mu’s gedachten. Hij liet zich in bed glijden, maar bleef wakker tot zonsopgang: de woede raasde door zijn bloed.

 

Toen hij na een korte slaap wakker werd, het liep al tegen de middag en de zon geselde de dikke leemmuren van de stad, had Mu zijn besluit genomen.

Hij pakte zijn beschermende plastic kleding bij elkaar, extra zakken, en zijn oogbeschermer. Hij keek uit over de stad vanaf het dak van zijn thuis. Majestueus stond de Eeuwige Tempel op de flank van de berg, het plastic ervan was het enige in de wijde omgeving dat glom. Beneden hem lag de doolhof van stegen en trappen, van binnenhoven en daken. Overal sliepen mensen tussen het stof, want op het heetst van de dag werd er niet gewerkt. De ouderen hadden zich binnen teruggetrokken, de luiken van hun duistere kamers waren gesloten.

Dit is de juiste tijd om te gaan, dacht Mu. Hij wierp nog een blik op de tempel. Het was afschuwelijk dat de priesters zoveel macht hadden, dat zij die macht misbruikten en Lafaya niet hielpen, terwijl zij dat met de natuurlijke rijkdom van de hima vermoedelijk wel konden. De tempel was ongenaakbaar, eeuwig. Mu wist dat hij de tempel niet kon bestormen. Hij kon het gevecht met de priesters niet aan. Om Lafaya te redden, had hij een ander plan bedacht.

Hij sloop weg uit het huis. Hij sloop door de ondiepe, doch zeer donkere schaduwen van de middag. Hij bereikte de poort van de stad zonder dat iemand hem tegenhield, vermoedelijk had niemand hem gezien. De stads­poort was gesloten. De poortwachters hadden zich achter luiken terug­getrokken om hun middagmaal te verteren in hun slaap, Mu hoorde hen ronken. De poort en de vergrendeling waren min of meer symbolisch. Behalve de ‘ze’ daarbuiten was er niemand, en ‘ze’ hadden nooit een rechtstreekse aanval op de stad ondernomen. Het kostte Mu daarom geen enkele moeite de grendel op te tillen en de poort te openen. Hij glipte tussen het droge, door zand gegeselde hout door, daarna liet hij de poort voorzichtig dichtvallen.

Hij stond buiten.

Hij rende naar het dichtstbijzijnde duin. Mu liet zich in het zand vallen. Gespannen keek hij over de blanke top naar de stad.

Niets. De stad lag erbij alsof de zon haar in een eeuwige slaap had gebracht.

Mu draaide zich op zijn rug. Hij hijgde. Het zweet stroomde over zijn gezicht. Toen hij weer bij adem kwam, kroop hij uit het zicht van de stad naar de schaarse schaduwen van een door watergebrek kromgetrokken braamstruik. De doorns konden hem beschermen tegen ‘ze’, hoopte hij. Hoewel hij wist dat zijn schuilplaats te dicht bij de stad was gelegen om veel last van ‘ze’ te hebben.

De kille nachtlucht wekte Mu. Hij wiste vocht van zijn gezicht, niet zeker of het zweet of dauw was. Het was donker, maar niet zo duister als Mu had gehoopt. In het licht van de maan zag hij voldoende van de omgeving om zich goed te kunnen oriënteren. Hij zag echter ook de omtrekken van de stad, waarop hij vermoedde dat wie naar de woestijn keek hem zou moeten zien staan in de maneschijn.

De stad leek nog steeds te slapen – of weer. Mu hoorde niets achter de poort, achter de luiken en de deuren. Er was zelfs geen briesje wind om de schaarse bladeren binnen de betegelde tuinen in beweging te brengen.

Mu rechtte zijn rug. Hij moest nu weggaan, voordat hij zich bedacht en omkeerde. Hij bedwong de neiging nog een keer achterom te kijken, naar de stad. Stap voor stap verwijderde hij zich van zijn geboorteplaats. Zijn voetafdrukken werden al snel door wind en zand weggevaagd, zodat er geen weg terug meer was, alleen de eindeloze woestijn.

Waar zijn ‘ze’? Dacht Mu. Hij wist niet of ‘ze’ ‘s nachts ook door de woestijn liepen. Hij spitste zijn oren om elk geluid op te vangen. Hij hoorde het wegschieten van een slang, het sissen van zandduivels, het ratelen van de scaraboa en de zang van een kaladris, het fluisteren van zefiers, zelfs ver, ver in de nacht het loeien van een eenzame karkadan, maar nergens het vreemde fluiten dat ‘ze’ eerder hadden laten horen.

De jongen sjokte door het mulle zand. Het ging niet snel, maar eerder dan hij had gedacht had hij de laatste torens van de stad achter zich gelaten. Hij kwam in het gebied waarvan hij had gehoord dat ‘ze’ er zouden moeten huizen, maar hij zag of hoorde er niet een. Op zijn hoede ging hij verder. Na verloop van tijd merkte hij dat ook de bergen die de hima verborgen achter de horizon waren verdwenen. De zon brandde inmiddels op zijn huid, zweet stroomde tappelings langs zijn lichaam. Met zand verzadigde kleding schuurde tot bloedens toe over zijn ledematen.

Op een vlakte bleef Mu stilstaan bij sporen van iets. Iets groots had met poten door het zand gesloft en daarbij een duidelijk spoor achtergelaten. In de luwte binnen een del, waar het zand nog vochtig was van de dauw, had de wind het spoor niet verwaaid. Mu voelde zijn hart sneller kloppen. Waren dit sporen van ‘ze’? Buiten het del vervaagden de sporen tot ze niet meer te zien waren in het rulle zand. ‘Ze’ waren nergens te zien, toch besloot Mu om zijn weg te vervolgen in de richting waar ‘ze’ vandaan waren gekomen. Hij hoopte dat hij zo minder kans had met ‘ze’ gecon­fronteerd te worden. Hoe verder hij zich van de sporen verwijder­de, des te geruster hij werd.

Hij wist dat hij water nodig had. De plastic flessen met het kostbare water, die hij had meegenomen, waren niet voldoende om door de woes­tenij te wandelen. Hij had al een fles leeggedronken en aan de wind geofferd. De tweede was al voor een derde deel leeg. Hoewel Mu voort­ploeterde, nam hij op de toppen van de duinen de tijd om de horizon af te speuren naar een bron van water en, naarmate de tijd verstreek, een plaats om veilig te slapen.

Een donkere plek in het zand bleek de schaduw van enkele bomen en struiken te zijn die eerder door luchtspiegelingen verborgen waren geweest. Mu sjokte erheen. Hij was sneller gaan lopen toen hij het lommer van de bomen zag. Hij beredeneerde dat waar planten waren, ook water was te vinden. Hijgend liet hij zich in de schaduwen vallen. Het was nog ruim voor zonsondergang, maar hij was uitgeput.

Niet in slaap vallen, dacht Mu, niet nu. Hij knipperde met zijn ogen en nam zijn oogbeschermer af. Zonder het bekraste plastic kon hij veel beter zien waar hij was. Hij zag de vruchten die aan de bomen hingen, de bessen aan de struiken. Tussen het gras zag hij een gemetseld bouwwerk: laag, bemost en oud.

Hij ging op zijn knieën zitten. Het bosje was niet groot genoeg om vijanden te verbergen, het was nauwelijks groot genoeg om aan een eenzame jongen beschutting te bieden. Toch vond hij het bouwwerk angstaanjagend: wie had het gebouwd? Waren ze nog in de buurt? Het waren in geen geval ‘ze’ die dit hadden gebouwd. Maar het was niet te zeggen of de bouwers Mu vijandig zouden zijn.

Hij dacht aan zijn missie. Hij dacht aan Lafaya. Hij stond op. De vruchten die zo uitnodigend voor zijn neus bungelden, plukte hij voorzichtig. Ze zagen er eetbaar uit, glanzend van het vocht op de roze huid. Hij rook eraan: ze waren zoet. Hij brak een van de vruchten met zijn handen open. Het sap gleed over zijn vingers in zijn handpalm, over zijn pols en onderarmen. Het smaakte zoet en zuur tegelijk. Hij at de vrucht die zijn honger stilde en zijn dorst leste terwijl hij zich afvroeg wat hij hiervoor moest offeren.

Daarna liep hij naar het bouwwerk.

Het was een ronde, gemetselde muur. Het metselwerk had een houten afdekking. In het hout zat een luik met metalen scharnieren. Het metaal was verroest tot een dikke klomp, het hout was vermolmd. Mu herkende het bouwwerk van zijn geschiedenislessen: dit was een put zoals zijn voorouders die hadden gebruikt. Lang geleden, toen ze nog door de woestenij hadden getrokken met hun vee, hadden ze dergelijke bronnen gebruikt om water te putten zonder dat er plastic geofferd hoefde te worden.

Mu trok aan het hout. Het versplinterde onder zijn vingers. Hij hoorde een roestklomp in water plonzen. Hij hoorde het water! Zijn hart bonsde als een bezetene. Water! Zo dichtbij, maar nog steeds onbereikbaar. Hij rukte de resten van het hout weg. De geur van fris, vers water walmde naar boven. Een aardewerken kan hing met zijn oor aan een ketting die met een haak aan de bovenrand van de put was bevestigd. Hoewel de ketting roestig was, deed hij zijn werk: moeiteloos putte Mu het frisse water dat in de diepten van de woestijn gekoeld was geweest. Hij leste zijn dorst door uit de kan te drinken.

Twijfel kwam bij hem boven drijven. Ik had die fles niet moeten offeren, dacht hij. Maar hoe had ik dan mijn dankbaarheid moeten tonen? Had ik dankbaarheid moeten tonen nu, achteraf gezien, mijn leven op het spel zou kunnen staan omdat ik slechts twee flessen heb om te vullen in plaats van drie? Hij voelde zich ongemakkelijk, waardoor hij opkeek naar de hemel, waar de zon genadeloos scheen. Wat zijn het eigenlijk voor goden, zo dacht hij grimmig, die Lafaya ziek maken en die de priesters hun hima laten houden terwijl de bevolking snakt naar de vruchten ervan? Hij spuwde het water op de grond. Hij had de goden niet nodig, hij had zijn eigen put, zijn eigen vruchten. Hij was op weg om zijn zuster beter te maken, iets wat de priesters met hun goden niet konden – of niet wilden.

Mu bleef een hele dag bij de put. Er was meer te eten dan hij op kon, er was meer te drinken dan hij nodig had, hij moest meermaals zijn riem verstellen. Hij waste zich meer dan eens en steeds had hij het gevoel dat met het stof ook iets van zijn verleden werd verwijderd, stoffige muize­nissen en muffe herinneringen, maar ook iets dat hij als onbezorgd­heid duidde, waardoor het doel van zijn tocht hem scherper, schoner voor ogen kwam te staan: de rijkdom waarmee hij de geneesmiddelen voor Lafaya zou kopen.

 

Op de ochtend na zijn tweede nacht bij de put ontdekte Mu dat zijn lievelingsvruchten, grote rode ballen met wit vruchtvlees en helder, geel sap, op waren. Er hing niet één vrucht meer aan de boom. Er was in het bosje slechts één boom die die vruchten droeg. Op – en niets geofferd voor het feestmaal dat de goden hem hadden geschonken. Nee, dacht hij, zo moet ik niet denken. Als ik de goden had gevolgd, was ik hier nooit gekomen. En hij besefte dat hij verder moest trekken, verder de woestijn in naar de bron van het plastic, waar het plastic vandaan kwam, waar het groeide en bloeide in hemelse hoeveelheden. Hij had er zoveel van nodig, dat de priesters hem alles moesten geven om Lafaya te genezen.

Laat in de middag ging hij op weg. De zon ging al onder, zodat het snel af zou koelen. De volle maan stond al aan de andere horizon, klaar om in de nacht Mu’s pad te verlichten. De duisternis viel snel in. Het fluweel van de nachthemel trok over de woestijn, maar wist de eenzame jongen niet te verwarmen.

In het prille ochtendlicht, vele fasoekh verder, zag Mu enkele gebouwen staan: hoekig leem met zwarte ogen. Er was echter geen leven te zien, de nederzetting leek verlaten. Mu liep voorzichtig het gehucht binnen. Door de ramen was steeds een lege kamer te zien. Bij veel gebouwen was het platte dak ingestort of geheel verdwenen. Keien vormden de oevers van een stoffig bevloeiingsstelsel, de velden lagen er dor bij. Hier en daar zag hij kralen van leem en stro, maar dieren waren evenmin te vinden als mensen.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Hadden ‘ze’ de bevolking op de vlucht gejaagd, of was er iets ergers gebeurd? Hij bleef plots staan, luisterend, spiedend. Iets ritselde. Hij hoorde het dichterbij komen. Er bewoog iets, hij zag het in zijn ooghoek. Toen hij zijn hoofd ernaar draaide, lachte hij: het was slechts een droog bosje gras dat door de wind gedreven door het dorp tuimelde.

Toen klonk een klap.

Onmiddellijk was Mu weer op zijn hoede. Was hij opnieuw door de wind geschrokken? Er klonk een stem, gevloek. Verderop was iemand. Mu besloot ondanks alles toch kennis te maken. Hij liep een smalle, beschaduwde straat door en over een brug die nutteloos de oevers van een droge rivierbedding verbond, in de richting van het geluid.

Een oude man zat op een stoel voor een lemen huis. De plastic gordijnen die de zwarte ogen blindeerden wapperden in de wind. Even dacht Mu door het geluid van het klapperende gordijn dat het een tempel was, de man in zijn gewaad met gevlochten stroken vinyl een priester, maar niets zag er gezegend uit.

‘Vrede zij met u!’ riep Mu de man toe.

De man keek verschrikt op. Langzaam kwam hij overeind van zijn stoel, zijn gewrichten kraakten net zo hard als het uitgedroogde hout van het zitmeubel. Zijn plastic gewaad knisperde in de droogte. ‘Vrede met u, vreemdeling,’ zei de man met schorre stem.

‘Kan ik hier rusten voordat ik mijn reis voortzet?’

De man aarzelde even. Zijn bloeddoorlopen ogen schoten heen en weer. ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik heb niet veel, maar u kunt rusten op het dak van mijn woning.’ Met een zwierige zwaai nodigde hij Mu uit het huis binnen te gaan.

Mu ging binnen. Een gat in het dak verlichte de woning, die op een haard en een stenen ligbank na, leeg was. Alleen in de voorgevel, aan weerszijden van de deur waren vensters gemaakt. Op de muur er tegen­over was een merkwaardige tekening gemaakt van vrouwen met volle borsten en bolle buiken rond een bloeiende plant, het geheel in donker­bruine vegen en lijnen, ingekleurd met oker. Een ladder leidde door het gat naar het dak. Mu klom omhoog. Hij bleef staan aan de top van de ladder om de omgeving in zich op te nemen. Het gehucht, een dozijn gebouwen, zo te zien boerderijen met stallen en kralen, lag te midden van akkerland. De bevloeiingskanalen waren duidelijk te zien, het was te zien dat het land geploegd was, maar er groeide niets. De akkers waren kaal en stoffig, iemand zou kunnen denken dat de boeren er stenen teelden. Aan de verste horizon lag een bergketen, misschien nog een half dozijn fasoekh verwijderd. Daar schitterden daken van een stad. Mu herkende het landschap uit de boeken van More Isha: dat was het Gelukkige Land. Het klonk hoopvol, wat zijn hart verlichtte. Daar zou beslist genoeg plastic zijn om Lafaya te genezen. Hij dacht zelfs een vlucht kleurig plastic te zien, die over de zandheuvels buitelde. Hij zette zijn hand tegen zijn voorhoofd om zijn smalle ogen van de zon af te schermen. Zijn voorhoofd was klam van het zweet, zodat hij besefte dat hij, nu de zon hoog in het zwerk stond, beter kon rusten om tegen de avond zijn tocht voort te zetten.

Hij ging zitten tegen de muur die het platte dak omgaf. Het gaf hem net voldoende schaduw om onderuit te zakken. De hete wind speelde plagerig met zijn rossige lokken en met zijn knerpende plastic bovenkleed. Hij voelde hoe moe hij was, waarop hij prompt indommelde.

Het was slechts een fluistering die Mu deed ontwaken. De jongen sloeg zijn ogen op, om in het gouden gezicht van een jonge vrouw te kijken. Haar blauwe haren dansten in de wind, haar bruine ogen schitterden als edelstenen achter haar lange wimpers. Haar mond was breed, met lippen gekleurd als tamarindebloesems, haar neus plat en breed. Ze droeg een lang gewaad van lichtblauw plasticfolie. Ze deed Mu denken aan zijn moeder; aan Lafaya ook, die zonder zijn hulp nooit zou opgroeien zoals de vrouw voor hem.

‘Wat is er?’

De jonge vrouw drukte een lange, gouden vinger tegen zijn lippen. ‘Sst.’ Ze keek om naar het gat in het dak, maar daar was niets te zien. ‘Abu Iram verbouwt bahromesh.’

Bahromesh! Het woord alleen al bezorgde Mu de koude rillingen. More Isha, zijn leraar die hij inmiddels wel miste, had er slechts omfloerst over durven spreken. Bahromesh, de beestplant die zich met bloed voedde. In het wild ving de beestplant kleine knaagdieren, verdwaalde geiten en schapen, diverse vogelsoorten, soms een karkadan. Kort dacht Mu aan een boer die de beestplant op zijn akkers had, maar hij huiverde toen hij wist waarom er, behalve de boer, geen sterveling meer in het dorp te vinden was.

‘De akkers zijn dor,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft je nodig voor de volgende oogst. Hij zou mij nemen, als hij wist van mijn bestaan.’

‘Ik moet hier weg,’ zei Mu. Hij keek zenuwachtig om zich heen. Toen maakte hij zijn riem los, een lange strook gevlochten plastic die om zijn middel was gewikkeld. Daarmee kon hij ongezien van het dak komen.

‘Ik ga met je mee,’ zei de jonge vrouw. Ze knoopte de vlecht aan een houten staak die misschien stevig genoeg was om Mu’s gewicht te torsen.

Juist toen Mu over het muurtje klom, hoorde hij slepende voetstappen in de kamer beneden zich. De oude man, dacht hij, de boer die mijn bloed wil hebben om zijn bahromesh te voeden! Hij liet zich snel naar beneden glijden.

Hij hoorde de jonge vrouw gillen. Blijkbaar was Abu Iram de ladder opgeklommen.

‘Dailha! Wat doe jij hier?’ zei de schorre stem van de oude man.

‘Laat me los!’ De jonge vrouw, die blijkbaar Dailha heette, sprak met trillende stem.

‘Je bent vruchtbaar. Ik heb je kinderen nodig om mijn akkers te bevruchten.’

‘Laat me gaan! Je bent gek!’

‘Je bent mijn dochter en ik beveel je ontvankelijk te zijn!’

Mu hoorde plasticfolie kraken en scheuren. Zijn hart klopte hem in de keel. Moest hij naar boven klimmen om Dailha te helpen? Zenuwachtig legde hij zijn handen op het korrelige, droge leem, op zoek naar een weg terug naar boven.

De jonge vrouw krijste. ‘Was het bloed van je zeventien vrouwen en je dertig dochters niet voldoende? Was het bloed van je zeventig zonen niet voldoende? Kijk dan. Kijk dan! De goden hebben je verlaten. De droge zaden van de bahromesh zijn verschrompeld in de hitte, hun bloemen zullen hier nooit meer bloeien, hun muilen nooit meer zuigen!’

Er klonk een klap. Een snik, huilen. Het kreukelen van plasticfolie.

‘Dailha! Spring!’ riep Mu wanhopig naar boven.

Ze sprong. Samen zetten ze het op een rennen, waarbij Mu werd gehin­derd door het ontbreken van zijn riem. Af en toe struikelend over de zoom van zijn gewaad, nu en dan rechtop geholpen door Dailha, legde hij enkele fasoekh af, tot de zinderende zon onderging en de nederzetting achter de heuvels was verdwenen. Mu liep daarna langzamer over de weg naar de verre bergen, Dailha naast hem. Ze had haar gouden lichaam gewikkeld in een laag pas geoogst roze plastic, die om haar heen wapperde in de aanwakkerende avondwind.

‘Zou hij ons achterna komen?’ vroeg Mu toen ze even rustten.

‘Die ouwe? Nee. Abu Iram kwam nooit buiten het dorp. Ook niet toen hij alle inwoners had gevoerd aan de bahromesh.’ Ze nam een slok water uit een van Mu’s flessen. ‘Weet je, hij lijkt zelf een bahromesh, met zijn wortels vastgegroeid in de droge grond van ons dorp. Hij weet dat hij het niet kan overleven, maar hij handelt evenmin om wel in leven te blijven.’ Ze richtte haar bruine ogen op Mu. ‘Ik wil wel blijven leven. Ik wil dat jij blijft leven. Ik zocht hier gezelschap, maar vond slechts de barre velden met hun bloedige wortels. Maar nu ook jou.’ Haar lippen dwarrelden als tamarindebloesems op die van Mu, hun tedere ontmoeting smaakte zoet, zo zoet…

Ze kwamen even later bij een tweetal stenen, die dicht tegen elkaar aan stonden, zoals zij eerder teder en verlegen tegen elkaar hadden gestaan. Er stonden sierlijk slingerende tekens op. Mu las deze oude tekst, die hier en daar door zandstormen was weggevaagd. ‘Het Gelukkige Land,’ las hij hardop. Eronder stond een pijl die in de richting van de bergen wees.

‘Het is niet ver meer,’ zei Dailha.

Mu hield zijn hoofd schuin en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Ik ben hier met mijn moeder geweest, toen we wegvluchtten van Abu Iram. En ik ben hier geweest toen ik terugkeerde om wraak te nemen en gezelschap te zoeken.’

‘Heb je wraak genomen?’

Ze schudde haar hoofd, haar blauwe haar danste in de wind, glansde in de zon. ‘Dat heeft geen zin,’ zei ze zacht. ‘Hij zal in alle eenzaamheid een pijnlijke, langzame hongerdood sterven.’ Ze knielde op het pad. Uit een plooi van haar gewaad haalde ze een dorre knol van een plant die Mu niet herkende. Ze groef een kuiltje tussen de voetstappen die ze hadden achtergelaten op de weg naar het dorp van Abu Iram. Toen pakte ze de waterfles die ze droeg. Voorzichtig liet ze enkele druppels water op de knol vallen. Daarna stapte ze achteruit.

De knol zwol op als gries. De droge, fluweelachtige bladeren zogen zich vol met water en ontvouwden zich naar het licht. De dunne wortelen kronkelden de zanderige bodem in, als bange slangen. Uit het puntje van de knol ontsproot een groene stengel met een scherpe, spitse top, hongerig naar voedselstoffen in de lucht. Mu sloeg het geheel verbaasd gade. More Isha had op school natuurlijk wel gesproken over de landbouwgewassen, maar het was iets heel anders het te ervaren.

‘Achteruit, Mu.’ Dailha trok aan zijn mouw.

Mu deed twee stappen terug, nog steeds starend naar de plant die nu een okergele vacht en zwarte klauwen ontwikkelde. De spitse punt aan de stengel werd een muil met scherpe tanden. Een bahromesh, dacht hij, ze heeft de weg naar haar dorp geblokkeerd met een bahromesh! De snuit draaide zich naar het tweetal, het dichtstbijzijnde bloed dat de beestplant kon ruiken. Mu draaide zich om en rende in een stofwolk weg, gevolgd door Dailha.

 

Ze liepen onder het schijnsel van de maan door, over een pad dat slechts met enkele opgerichte stenen werd aangegeven. De bergen van het Gelukkige Land bleven echter aan de horizon staan, ze kwamen niet dichterbij, zelfs niet toen de zon opkwam en een lint van opgerichte stenen voor het tweetal uit meanderde. Wel was in het zonlicht te zien hoe hier ooit mensen hadden gewoond. Grondvesten van gebouwen, boer­de­rijen, stallen, woonhuizen, hele nederzettingsresten lagen bloot in het zand. De omtrekken van akkers en weiden waren duidelijk te zien. Oude wadi’s hadden een grillig patroon in de bodem uitgesleten, waarlangs de laatste vegetatie was verdord. De wind fluisterde knerpend door het droge riet, een grijze, bladerloze boom kreunde op de bries, het vale gebeente van mens en dier lag nog altijd smachtend langs de oever. Slechts stofduivels dansten over de paden waarvan wervelwinden de loop bepaalden.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Sinds hij Abu Iram had horen tieren, was hij er niet meer zo zeker van. De boer die zijn zeventien vrouwen en zijn volwassen dochters onophoudelijk bezwangerde om zijn eigen zonen te kunnen offeren aan de beestplant, had diens eigen dorp te gronde gericht, vermoedde Mu aan de hand van wat Dailha hem onderweg had verteld. Daar hadden de goden niets mee te maken, ‘ze’ evenmin. Grimmig herinnerde Mu zich de priesters die de hima voor zichzelf hielden en de mensen nooddruftig lieten. Waren ze zoveel beter dan Abu Iram?

Het heetst van de dag was al voorbij toen Mu het doel van zijn lange reis zag. Vruchtbare velden vol plastic lagen voor hem, gedrapeerd over glooiende heuvels. Het had alle kleuren en alle formaten, alles groeide door elkaar. Hij zag flessen, zeilen en zakken, hardplastic dat zelden aan kwam waaien in zijn stadsvallei, hij zag linten, slierten en folies, alles klapperend en wapperend in de warme woestijnwind. Hij had zakken nodig om het mee te voeren, flessen om water in te doen voor de terugtocht. Hij kon nieuwe kleding gebruiken. Hij wist echter niet waar hij moest beginnen in de weelde en rijkdom van het Gelukkige Land.

‘Wat kijk je nou naar die vuilnisbelt?’ Dailha stond al een stukje verder op de weg naar de stad die nu duidelijk op de berghelling te zien was. Zelfs de hangende tuinen met hun wuivende palmen en klaterende watervallen waren te onderscheiden. ‘Kom op, dan zijn we voor zons­onder­gang binnen.’

Mu keek hoe een stuk plastic zich van de akker losmaakte en door de wind werd meegenomen, de woestijn in. Misschien zou het in zijn doorn­struik blijven hangen, misschien zou Ameth het plastic weten te vangen. Vuilnisbelt? dacht hij. Ze weten hier niet wat ze weggooien. Tegelijkertijd besefte hij dat wanneer dit afval was, er verderop veel meer plastic moest zijn.

Ze liepen tussen de velden met plastic door.

‘Ze noemen het de Eeuwige Velden,’ zei Dailha, ‘want het plastic is eeuwig. Het vergaat niet.’

‘Mijn volk heeft er een schitterende tempel van gebouwd, de Eeuwige Tempel.’ Terwijl hij het zei, voelde Mu een verschrikkelijk verlangen naar zijn eigen huis, naar zijn familie en vrienden. Het kostte hem moeite de volgende stap te zetten, weer een stap verder van huis. Juist nu het doel in zicht was, voelden zijn voeten als lood.

Mu hoorde het gefluit het eerst. Hij wist dat hij het eerder had gehoord, maar kon het niet onmiddellijk thuisbrengen. Het klonk als het fluiten van de wind door… door een geraamte. Hij zag het weer voor zich, het skelet van plastic onder de golvende vleugels, de breedvoetige poten die door het zand stapten. ‘Dat zijn ‘ze’,’ riep hij Dailha toe. Angstig keek hij om zich heen: er was geen plaats waar ze zich konden verschuilen tegen ‘ze’. Hij zag wel hoe een van de wezens traag door het veld kwam lopen, het grote, open lichaam wiegend in de wind, de gezichtsloze kop zoekend naar lucht.

‘Ren voor je leven!’ Mu voegde de daad bij het woord. Zijn met plastic omwikkelde voeten lieten een stofwolk achter toen hij naar de stad in de bergen draafde. Hij stopte abrupt toen hij merkte dat Dailha hem niet volgde.

Dailha kuchte. ‘Hij is bang voor uw vee, Melichat,’ riep ze.

Melichat, een oudere vrouw, sjokte achter het windbeest aan, dat een slede gevuld met plastic door het mulle zand trok. ‘Dat zal wel bijtrekken, Dailha-liefje.’ Ze keek naar Mu, waarbij zij haar door wind en zand ge­teken­de gezicht naar hem keerde. Haar ogen waren even bruin en schit­terend als die van Dailha. Haar grijze haren krulden als zijderag onder haar plastic sluier uit.

Mu keek naar de twee vrouwen. Hij zag hun gelijkenis. Melichat moest Dailha’s moeder zijn.

De oudere vrouw nam de jongere liefdevol in haar armen. Ze glimlachte naar Mu. ‘Je hebt mijn dochter geraakt. Ze straalt helemaal, als de zonne­godin, moge zij ons zegenen. Laten we naar mijn huis gaan.’

Het huis was niet veel meer dan enkele staken, bedekt door zwart land­bouwplastic. Doorzichtig plastic vormde de ramen. Van binnen waren de wanden gemaakt van allerlei kleuren plastic, vastgeknoopt aan het staketsel dat het huis overeind hield. De weinige meubelen waren op dezelfde manier gemaakt.

Voor Mu door de deur binnenging, bekeek hij het erf. Overblijfselen van eerdere bebouwing, van leem en baksteen staken hier en daar boven het zand uit. Ook hier is een dorp verwoest, dacht hij. Hij vroeg zich af hoe de stad er binnen de muren uit zou zien, of Melichat en Dailha al eens in de stad waren geweest. Hij wierp een laatste blik op de stad, op zijn tuinen en torens, op de muren en ramen, op de tempels en paleizen, waarvan de daken en torenspitsen volgens More Isha bekleed waren met goud en de muren met kostbare plastic mozaïeken, gemaakt van edelstenen, waren ingelegd.

‘Mijn familie woont hier al sinds mensenheugenis,’ zei Melichat. ‘Toen de opstand tegen de priesters begon, trokken de meesten van ons naar de hima. Daar hebben ze de stad gesticht, het Gelukkige Land. Ik bleef hier, ik leefde van wat de enige overgebleven priester nog uit de hima wist te halen.’

Mu’s mond viel open. ‘De stad is in een hima gebouwd? En de goden dan?’

Melichat haalde haar schouders op. Ze grimaste weemoedig. ‘Binnen tien jaar was er niets meer van de hima over. De bossen waren gekapt, het water verspild en vervuild, de akkers onvruchtbaar. De goden waren eerder al gevlucht, met de priesters mee.’

Net goed, dacht Mu. Als het van die inhalige schrapers waren als de priesters uit de vallei, dan was het terecht dat het volk in opstand was gekomen. De vruchten van de hima voor zichzelf houden, hoe konden ze! Kleine meisjes laten lijden door geneesmiddelen achter te houden! Hij sloeg met zijn vuist op zijn knie. Wanneer hij terug zou keren naar de vallei, een dezer dagen, zou hij het verhaal over de opstand met zich meenemen. Misschien lukte het hem zelf een opstand uit te roepen…

‘Ga wat rusten.’ Melichat stond op. Ze wees Mu en Dailha een rustplaats achter een bont gordijn. Zelf liep ze met een stoel en een vlechtwerk naar buiten, waar ze in de schaduw ging zitten, kennelijk om verder te gaan met haar handarbeid.

 

De dag erna trokken Mu en Dailha weer de woestijn in, worstelend met de wind die de twijfel in Mu’s gedachten fluisterde. Had hij er goed aan gedaan de raad van Melichat op te volgen en de hima van het Gelukkige Land te mijden, of waren de kansen op Lafaya’s genezing daarmee verkeken?

Onderweg hadden ze plastic weten te oogsten, soms na een korte jacht. Dailha hielp hem de kostbaarheden sjouwen. ‘Mijn bruidsschat,’ zei ze.

‘Weet je zeker dat je mee wilt gaan?’

‘Ik wil graag in je stad wonen.’ Haar ogen schitterden als vochtig folie. ‘Moeder is de eenzaamheid gewend. Ik verlang naar gezelschap. Ik wil graag je moeder ontmoeten, je zusje. Je vrienden en de priesters waar je van sprak. Ik wil zien dat er meer is dan de barre akkers van mijn vader en de slome kudde van mijn moeder. Ik wil de wind een ander lied horen zingen.’

Zo naderden ze het bosje waar Mu eerder al gebivakkeerd had. Dailha was nieuwsgierig naar die kleine hima, naar de vruchtbaarheid ervan. Ze rende vooruit, maar stond prompt stil aan de rand van de begroeiing.

‘Wat heb je gedaan?’ Dailha liet haar tranen de vrije loop toen ze de bosjes rond de oude put zag. ‘Geen vruchten meer aan de bomen, de put is verzand… waar moeten we nu van overleven?’ Ze rook de bittere geur van de dood.

‘Het is geen echte hima,’ verdedigde Mu zich. ‘Er staan geen grens­stenen omheen.’

Dailha’s ogen fonkelden vervaarlijk. ‘Daarom heeft ons volk priesters nodig, Mu! Om de landbouw, de veeteelt, de visserij en de jacht te beschermen, om te zorgen dat we niet alles opvreten, doden, kapotmaken en vervuilen wat ons voor de voeten komt! Priesters zorgen dat de hima heilig blijft, zodat onze kinderen ook nog gezegend kunnen leven. Snap dat toch, in plaats van te janken dat ze alles voor zichzelf houden! Kijk wat hier is gebeurd omdat jij alles voor jezelf wilde houden en niet aan de toekomstige bezoekers dacht!’ Ze wendde zich af van Mu en beende naar de rand van het verwoeste bosje, waar de woestijn al knaagde aan de restanten ervan. De tranen stroomden over haar wangen. Aan haar voeten ontvouwden zich fluweelachtige bladeren naar het licht van de zon.

‘Maar met het plastic van het Gelukkige Land moeten de priesters mij wel geven waar ik om vraag, Dailha! Ik zal een rijk man zijn. Ik zal mijn zusje kunnen genezen!

Dailha keerde haar hoofd naar hem. ‘Mu, begrijp je het echt niet? Er is niet voldoende voedsel in de hima om jou alles te geven waar je om vraagt. Als je teveel vraagt, zelfs als je het kunt betalen, is de stad binnen­kort de hongerdood gestorven. Zo is het bij ons gegaan, zo is het hier gegaan, zo zal het bij jullie gaan.’

‘Onzin. Jullie zijn rijk, jullie hebben plastic. Ik zag de plastic palmen wuiven in de hangende tuinen, de koepels van goudkleurig plastic schit­teren in het zonlicht. Welvaart, dat is wat mijn zusje zal kunnen genezen. Niet die stomme offers aan goden die toch niet willen luisteren.’

‘Plastic kun je niet eten, Mu,’ snikte Dailha. Achter haar rees een lange stengel met een spitse punt op. Het zand ritselde alsof er slangen in schuil gingen. ‘De goden hebben genoeg voedsel voor ons allemaal, maar niet als we het verspillen en er veronachtzaamd mee om gaan. Kijk dan hoe je deze plaats hebt bedorven, er zal nooit meer wat groeien. Alleen wat jij ‘ze’ noemt zal hier kunnen leven, omdat ‘ze’ alleen de wind nodig hebben om eeuwig voort te gaan.’

‘Je liegt, er groeit zelfs een nieuwe plant achter je. De woestijn is vruchtbaar voor plastic en- ‘Bahromesh!’ Dailha’s tranen hadden een bahromesh­knol doen ontbotten. Mu snelde naar haar toe, maar het was te laat: de zwarte klauwen trokken de jonge vrouw naar de kleverige vacht, de spitse snuit dolf zijn scherpe tanden in haar hart. Ze trok met haar spieren, een laatste stuiptrekking voor ze lijkbleek en bloedeloos stierf.

‘Dailha!’ jammerde Mu. Hij had de tegenwoordigheid van geest om een paar stappen achteruit te doen, zodat de bahromesh, die door het verse bloed snel groeide, hem niet kon vangen. Het is mijn schuld, dacht Mu, alles wat ik tegenkom maak ik kapot.

Ontgoocheld verliet hij het bosje verdorde bomen met de gevaarlijke beestplant.

 

Mu naderde de stad in de vallei. De woontorens doemden op aan de hori­zon als hoekige klippen tegen het gebergte, daartussen rees de ranke toren van de Eeuwige Tempel op met de hem zo bekende weervaan. Hij was ontroerd zijn geboorteplaats terug te zien, zodat hij zweeg bij de nadering. Het was niet stil in de woestijn, want het zand ritselde en ruiste, de wind floot langs rotsen en stenen. De kreet vanuit de stad was echter duidelijk te horen, hoewel de woorden in de afstand verloren gingen. Hoewel het tegen het middaguur liep en de wacht aan zijn namaalsslaap moest zijn begonnen, leek de stad tot leven te komen. Er klonk meer geluid in de vallei. De stadspoort werd geopend. Hier en daar keek iemand slaperig maar nieuwsgierig uit een raam waarvan het luik in de wind klapperde.

‘Mu is teruggekeerd!’ weergalmde het door de vallei.

Drie personen kwamen vanuit de stadspoort Mu tegemoet. De eerste was aan zijn purperen plastic gewaad te herkennen als een van de priesters van de Eeuwige Tempel. De tweede was een vrouw met een golvend groen gewaad over haar donkere huid. Mu herkende haar onmiddellijk: het was zijn moeder. Hij slikte zwaar. Ze hadden nooit afscheid genomen en hij had gefaald in zijn queeste, hoe zij hem vergeven? De derde persoon was veel kleiner, met een rank lichaam en een bleke huid onder een gebloemde jurk. De groene ogen keken vrolijk de wereld in. Het was een kind, een meisje. Het duurde even, ze waren inmiddels tot op enkele stappen afstand genaderd, toen Mu zijn zusje Lafaya herkende.

Hij vloog op haar af, naam haar in zijn armen, tilde haar op en bedolf haar gezichtje onder kussen. Ze gilde van pret. ‘Je bent beter!’ riep hij, ‘Je bent genezen!’

‘Het heeft de goden behaagd je pelgrimstocht te belonen, Mu,’ sprak de priester. ‘Haar welzijn verslechterde na je vertrek, zoveel verdriet had ze door je afwezigheid. Haar reis naar de hima werd al voorbereid. Maar zie wat de afgelopen etmalen hebben bewerkstelligd: ze is verder van de dood dan ooit tevoren. Alsof de wind uit het Gelukkige Land haar nieuw leven heeft gegeven.’

Mu voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen. Geluk, deemoed, spijt, opluchting: zijn gevoelens vochten om erkenning. Zijn moeder omhelsde hem en haar dochter, die hij nog steeds in zijn armen hield. Uiteindelijk kreeg hij de gelegenheid om zich te uitten: ‘Ik wil priester worden, voor het welzijn van ons volk.’

De wind ging liggen, alsof hij voor Mu’s besluit knielde.

Onzekere Anna : Joost Uitdehaag

De autohandelaar glimlachte naar Anna alsof ze een klein meisje was. Daarna rammelde hij met zijn grote polshorloge. Hij werd levensgroot, zij kromp ineen. Ze legde haar hand in haar hals, streelde even, om meteen weer los te laten. Jezelf aanraken was het ergste dat je kon doen. Rechtop zitten, rustig ademhalen vanuit je buik, zodat je zelfbewust overkomt. Al die instructies van haar therapeut verstikten haar. Letterlijk. Ze kon nauwelijks ademhalen in het glazen kantoor. Ze wilde weg.

‘Ik kan niet lager gaan vijftienduizend,’ zei de man. ‘Ergens anders vind je geen betere deal.’

Had ze haar oom maar meegenomen; die had precies het juiste ant­woord geweten. Maar van haar therapeut had ze alleen moeten gaan. ‘Je moet meer voor jezelf opkomen, Anna.’ ‘Je moet de stap durven zetten.’ Je moet. Je moet. Je moet. Alles herhaalde dat ze niet goed genoeg was. Terwijl ze zoveel kon. En nu zat ze hier. Nu moest ze iets van de prijs afkrijgen.

Op het vehikel was ze natuurlijk meteen verliefd geworden. Een helder­blauwe Renault Clio full electric met open dak. Weliswaar al uit 2019, maar het vermogen van de accu was nog optimaal. Het perfecte ver­jaardags­cadeau aan zichzelf. Maar vijftienduizend was te veel. Twaalf­duizend wilde ze eraan uitgeven. Niet meer.

Ze ging rechtop zitten, legde haar handen op tafel, leunde iets naar voren. Gisteren had ze het gesprek nog voorbereid in de wekelijkse sessie met Ineke.

‘Het is te veel,’ zei ze. Maar zodra ze het gezegd had, had ze spijt. In plaats van dat het ferm en beslist klonk, was het aarzelend, bijna wan­hopig. Als in: Alsjeblieft gun me dit.

De handelaar grijnsde zijn gebleekte gebit bloot. ‘Dat kan ik helaas niet doen. Ik heb vanochtend al een ander koppel aan de lijn gehad over precies deze auto.’

Haar hart sloeg een slag over. Het was een truc, natuurlijk. Maar wat als het waar was? In de omgeving had niemand zo’n auto te koop. Tenminste niet in dit mooie blauw.

De man wachtte geduldig, de vingers van beide handen balancerend tegen elkaar. Hij wist het. Hij zag het. Het vrouwtje is overwonnen. Ze hapt toe. Ze voelde zich verschrompelen. Terwijl ze waarschijnlijk meer gestudeerd had. Terwijl ze meer verdiende en meer volgers had op Instagram. Steeds opnieuw liet ze zichzelf in de hoek zetten.

Hij tikte met zijn pen op tafel. ‘Weet u wat: ik doe er een stel winter­banden bij. Omdat u het bent. Maar dan moet u snel beslissen.’

Ze moest nee zeggen. Weigeren. Weglopen. Ze zette haar nagels in haar handpalm, net zolang tot het pijn deed. De muren van de ruimte kwamen op haar af. Ze wilde thuis op de bank een film kijken die ze al kende, met haar knieën onder een pluchen deken. Dit kon niet snel genoeg voorbij zijn. Stomme kut, je hebt alles verpest.

‘Oké,’ zei ze.

De man grijnsde opnieuw. ‘Een uitstekende keus, mevrouwtje.’

Ze rilde bij dat verkleinwoord.

Maar toen hij zijn hand uitstak, schudde ze die toch. Als laatste vernedering.

 

’s Avonds kreeg ze bezoek vanwege haar verjaardag. Zoals dat ging vroeg de hele familie naar de auto en daarna wat ze ervoor betaald had. Dus moest ze het verhaal nog een keer vertellen en zich nog een keer heel klein voelen.

‘Volgende keer ga ik weer mee,’ zei haar vader.

Dan ben je dertig, dacht Anna. Maar ze durfde niets te zeggen.

‘Ik denk niet dat Anna dat op prijs stelt,’ zei haar oom, knipogend naar haar. Hij was een speciale man. Veel te dik, veel te aardig, een ouderwetse nerd uit de tijd dat het nog een scheldwoord was. Hij was de enige die haar begreep.

Ze glimlachte dankbaar.

‘Ik heb een cadeau dat al je problemen oplost,’ zei hij.

Het maakte haar nieuwsgierig. Omdat hij bij een investeerder werkte, bezocht haar oom over de hele wereld allerlei bedrijven en beurzen. Heel vaak had hij leuke dingen bij zich, gadgets of prototypes die hij van uitvinders kreeg. Om nieuwsgierig te maken. Om te laten zien wat kon.

Hij greep in zijn zak en reikte haar een doosje van zwart fluweel aan. Ze opende het. Een roodmetalen kubusje, zo groot als de oplader van een telefoon, viel op haar hand. Ze liet het tussen haar vingers fonkelen in het licht van de kamer. Het leek wel een sieraad.

‘Wat is het?’

‘Een Artificial Intelligence unit, oftewel AI.’

‘Oh.’

‘Hij is gebaseerd op de Libratus. Je weet wel.’

Dat wist ze niet en dat wist hij ook. Ze haalde haar schouders op. Daarop vertelde haar oom dat de Libratus het beroemde algoritme was dat tegen de beste pokeraars ter wereld had gespeeld in Pittsburgh. Anna zei dat ze niet van oude kaartspellen hield, maar haar oom legde uit dat pokeren ook een mini-onderhandeling is. Je moet er namelijk bij bluffen, weglopen of bieden, terwijl je niet precies weet wat je tegenstander heeft. De hele reden om Libratus te bouwen, was om te bestuderen of machines beter konden onderhandelen dan mensen. En dat was gelukt. Na twintig speeldagen had Libratus op een memorabele dag in 2017 overtuigend gewonnen. Het was destijds maar weinig in het nieuws geweest, maar bedrijven in California hadden het maar wat graag opgepikt.

‘En wat doet mijn cadeau dan?’ vroeg Anna.

Haar oom boog over de kubus. ‘In dit prototype zijn de algoritmes van Libratus geïntegreerd met een ultrasnelle AMD Einstein-Podolsky array. Het is op zich al een kunststukje om zo’n klein kwantumcomputer te bouwen en dan ook nog deze software te integreren. Een hoogstandje.’

Ze keek haar oom aan. Die wist toch ook wel dat het haar niets zei.

‘Het is bedoeld als hulpmiddel bij dagelijkse situaties. Sociologen geloven dat bijna elk menselijk contact een onderhandeling is. Dit ding geeft de eigenaar suggesties voor strategieën en conversatie om de upper hand te krijgen. De ontwikkelaars willen kijken of er een markt voor zou zijn.’

Anna lachte. Ze hield al gelijk van het ding. Aan de zijkant zat een heel klein schakelaartje dat ze omzette. Op alle vlakken verscheen langzaam wisselend licht. Rood, geel, blauw. Quantumdots, dacht ze. Het apparaat leek erdoor te ademen.

‘Hij sluit zichzelf aan.’

Haar telefoon lichtte op en daarop verscheen een heldere, goudkleurige prompt.

> Hoe wil je me noemen?

Even moest ze denken. Het apparaat deed haar met al die kleuren namelijk denken aan die puzzelkubusjes van vroeger, die nu ook weer in waren.

‘Rubik,’ zei ze. ‘Ik noem je Rubik.’

> Welkom Anna, verscheen op het scherm.

‘Je moet er informatie aan geven,’ zei haar oom. ‘Dan vergelijkt hij dat met situaties en uitkomsten die hij kent. Hij is getraind door honderden acteurs die duizenden verschillende situaties hebben uitgespeeld. Daar­naast heeft ‘ie natuurlijk toegang tot data op het internet. Best een mooi ding, niet?’

‘Is dat niet eng?’ kwam haar vader tussenbeide.

Anna fronste. Altijd de spelbreker. Als hij wat steviger in zijn schoenen had gestaan, was ze zelf ook niet onzeker geweest. Dan had ze zich niet elke dag zo’n nietig mens hoeven voelen.

Ze beschreef aan Rubik de situatie met de autodealer in geuren en kleuren, met twee vingers typend op haar telefoon. Uiteindelijk ver­scheen er een tekst op de display.

> Het is het einde van de maand. Ik weet dat u nog wat targets moet halen. Voor twaalfduizend neem ik hem mee. Vandaag nog contant. Geen financiering. Deal of niet?

Anna liet het trots aan iedereen zien. ‘Hij werkt.’

‘Lijkt me goed antwoord,’ zei haar vader.

‘Beetje braaf,’ zei haar oom.

Ze voerde die opmerking in. Er verscheen nog een antwoord.

> Jij vindt het toch ook leuker om mij te zien wegrijden in dat sexy autootje dan dat saaie stel. Weet je wat: als ik hem voor twaalfduizend mag meenemen gaan we een keer uit eten. Gewoon wij tweeën. Je vrouw hoeft er niets van te weten.

‘Dat zou ik jou echt nooit horen zeggen,’ zei haar vader.

‘Inderdaad gewaagd,’ zei haar oom.

Ze voerde het weer in. Opnieuw verscheen er een alternatief.

> Je weet net zo goed als ik dat iedereen zijn auto uit Duitsland haalt tegen­woordig. Daar staan drie identieke auto’s te koop. Maar ik heb geen zin in al dat gedoe. Bovendien gun ik een lokale dealer ook graag wat. Maar dan moet het wel redelijk zijn. Twaalfduizend, dat is hij waard.

‘Wel agressief,’ zei haar vader.

‘Inderdaad,’ mompelde haar oom.

Anna vond dat eigenlijk helemaal niet. Was haar kleineren, zoals de autohandelaar gedaan had, dan niet agressief? Ze zei er niets van, om geen discussie te krijgen. Ze tikte alleen maar: ok

Het apparaat antwoordde: > Keuze opgeslagen.

‘Hij onthoudt wat je kiest,’ zei haar oom. ‘En past zijn suggesties daarop aan.’

’Heeft het ding wel een moraal?’ vroeg haar vader.

‘Geen enkele,’ zei haar oom. ‘Het hoeft ook niet. Hij zoekt naar over­eenkomstige situaties en hun afloop en stelt strategieën voor. Hij neemt zelf geen enkele beslissing.’

 

De volgende dag ging Anna terug naar de autodealer. De blauwe Clio parkeerde ze dwars voor de ingang, zodat hij iedereen in de weg stond, omdat Rubik had voorgesteld om te doen alsof ze heel boos was. Daarna liep ze met grote passen binnen. De man waarvan ze de auto had gekocht, stond meteen op vanachter zijn computer in zijn glazen kantoor. Hij schoof een stoel voor haar naar achteren.

‘Mevrouw.’

‘Het is niet goed,’ zei ze. ‘Ik had een proefrit moeten maken, maar ik vertrouwde u.’ Haar zenuwen gierden door haar lijf, maar ze was vastbesloten het gesprek af te maken dat ze met Rubik geoefend had, keer op keer, tot diep in de nacht.

‘Wat is er dan aan de hand?’

‘Gewoon. Hij stuurt niet goed. Ik voel me er niet ok in.’

‘Zo’n vage klacht kunnen we niet oplossen, mevrouwtje.’

‘Ik wil ook niet dat hij opgelost wordt. Ik wil gewoon mijn geld terug.’

De man stapte terug. Hij frommelde aan een papier op zijn bureau. Een eerste teken van onzekerheid. Dat ging goed.

‘Dat wordt moeilijk.’

‘Ik heb het recht om me te bedenken. Dat staat in uw online voor­waarden.’

‘Maar dit is anders. De auto is al ingeboekt. Wie weet wat u er mee gedaan heeft terwijl u hem …’

Ze glimlachte. Rubik had dit antwoord letterlijk als een optie gegeven. Het bracht de man nog meer van zijn stuk.

‘Het staat in uw voorwaarden,’ herhaalde ze alleen maar. Daarna liet ze een stilte vallen. De waarde van stiltes stond in alle zelfhulpboeken. Maar door te oefenen met Rubik had ze ontdekt dat ze er goed in was.

De man frunnikte nog wat. Ging zitten. Logde in.

‘Het wordt moeilijk.’

Ze bleef zitten.

‘We kunnen een grote checkup doen. Nog een keer.’

‘Dat had u al gedaan toch. Hij bevalt gewoon niet.’ Ze leunde naar achter. ‘Zeker niet voor wat ik ervoor betaald heb.’ Dat was de zin. Die moest het doen. Ze had hem wel honderd keer uitgesproken. Het ging helemaal goed.

De man keek haar aan. Even werden zijn ogen groter. Alsof hij nu pas in de gaten kreeg waar het haar echt om te doen was.

Ze concentreerde zich op haar ademhaling. Onderhandelen was ont­hechten. Ze gaf niets om deze auto. Ze zou hem zo weer teruggeven. Er waren honderden vehikels die even goed waren. Dat moest ze uitstralen. Het gevoel dat ze jarenlang had gezocht kwam nu eindelijk. Omdat Rubik haar de juiste woorden had gegeven.

‘Twaalfduizend wil ik ervoor betalen. Niets meer.’

De man schudde zijn hoofd. ‘Dat is een veel te hoge korting. Die geef ik zelfs niet aan hele trouwe klanten.’

Even bekroop haar de twijfel. Ze zag zichzelf zitten in de reflectie van de ruit. Een klein vrouwtje tegenover deze man die al wel duizenden auto’s had verkocht. De gesprekken met Rubik waren ook stroef gelopen, totdat ze inzag dat het een toneelspel was. En ze had heel veel toneellessen gehad in haar leven. Terwijl ze zo dacht, kwam ze in de juiste stemming voor haar grootse gebaar.

Ze gooide de sleutels op tafel.

‘Eigenlijk geven we achteraf nooit korting,’ mompelde de man.

‘Eigenlijk? Dus het kan wel?’

‘In een enkel geval.’

‘We hebben dus een deal?’

‘Ik moet even met mijn baas overleggen.’

Hij liep weg. Niet veel later kwam hij terug; waarschijnlijk had hij tegen de lucht gepraat.

‘Het is goed. We willen u drieduizend euro korting geven. Maar dan is de koop ook definitief. Ik wil niet dat u hier morgen weer staat.’

 

Zodra ze het terrein af was gereden, schreeuwde Anna van achter het stuur.

‘Yes! Yes! Kun je me horen, Rubik? Het is gelukt. Gelukt! Het is fucking gelukt!’

Om zichzelf te trakteren, ging ze naar het centrum. Daar kocht ze diezelfde middag een paarse cocktailjurk. Rubik hielp haar aan 20% korting met als argument dat de uitverkoop bijna begon. Ze had nog nooit eerder een jurk gekocht. Het kwam door Rubik. Daarna bestelde ze op het terras van het hipste café in het centrum een cafeïnevrije latte macchiato, iets waar ze nooit eerder om had durven vragen. Terwijl ze zich in de zon liet bewonderen door iedereen die langskwam, zond ze een appje aan haar oom, om hem te bedanken.

Fijn! appte hij meteen terug.

Ik zeg mijn therapie af.

Is dat wel een goed idee?

Zeker.

Ze was klaar met zichzelf een loser voelen. Vandaag voelde ze zich voor het eerst sinds haar afstuderen de baas van de wereld.

 

Een maand later kreeg Anna een uitnodiging voor haar jaarlijkse functio­nerings­gesprek. Alleen al van de email kreeg ze het benauwd. Al jaren­lang kwam iedereen naar haar toe als er belangrijke problemen waren, maar al jarenlang had ze geen bijzondere salarisverhoging of promotie gehad. Ze had af en toe hints gestrooid, maar nooit gedurfd om er écht naar te vragen. Het moest ook niet nodig zijn, vond ze. Het management kon toch ook zelf eens rondvragen? Dan hoefde het niet via zo’n onnatuurlijk gesprek te gaan, zo vol spanning. Maar blijkbaar was dat lastig.

Haar voorbereiding bestond steevast uit opmerkingen formuleren, waar ze niet uitkwam, en daarna uit frustratie teveel wijn drinken, waarna ze met een kater het gesprek verprutste. Zo ging dat al jarenlang. Ze had net een pen en papier gepakt en een glas ingeschonken toen ze aan Rubik dacht. Ze beschreef de situatie en wat ze wilde. Ze was blij verrast toen hij met een heldere zin kwam. Ze reageerde erop en weer daarop en dat ging naadloos over in een oefengesprek tot diep in de nacht.

 

De volgende dag zat ze tegenover haar manager, een forse vrouw met een forse boezem, bijeengehouden door een uiteenwijkende blouse. Anna stond stijf van de zenuwen. Dit ging over veel meer dan bij de auto. Daar had ze alleen kunnen winnen. Hier kon ze ook iets verliezen: namelijk haar werk.

Haar baas wilde haar mond opendoen, maar Anna onderbrak haar.

‘Ik zal maar gelijk met de deur in huis vallen. Ik los nu hier al drie jaar de moeilijkste IT problemen op. Ik ben de vraagbaak voor iedereen. Het wordt tijd om aan promotie te denken, vind je niet?’

De vrouw keek geschrokken. Ze legde haar hand in haar hals. Een goed teken.

‘Je weet dat het niet zo snel gaat, Anna. Er zijn veel mensen die promotie willen en we moeten het afwegen. Ook andere dingen zijn belangrijk.’

‘Ik heb al drie jaar een excellente beoordeling. Ik verdien tien procent minder dan de mediaan van mijn leeftijdsgroep en opleiding.’ Dat van die mediaan had ze van Rubik, ze vond het een te mooi begrip om niet te gebruiken. ‘Dan moet er toch iets gebeuren?’

De vrouw leunde naar achteren, alsof ze letterlijk terugdeinsde. ‘Anna. Ik ben pas een jaar je manager. Maar ik garandeer je dat iedereen eerlijk behandeld wordt.’

Ontlopen van verantwoordelijkheden. Inertie. Ze kende het allemaal uit de boeken. En zo vaak was ze erop vastgeslagen. Dan kon je het hele jaar hard werken maar als je niet kon praten op zo’n moment dan was het uiteindelijk allemaal voor niets. Gelukkig had ze de situatie geoefend met Rubik.

‘Er zijn op dit moment tien banen waar ik zo op zou kunnen solliciteren met mijn ervaring. Vijf daarvan betalen beter. Dat is gewoon een feit. Een ander feit is dat alle mannen hier binnen een jaar doorgroeien. Zoek het maar na op hun LinkedIn profielen. Maar ik zit al drie jaar op hetzelfde niveau. Noem je dat eerlijk?’

‘Anna. Ik weet hoe het voelt, maar je moet geduld hebben.’

De zin deed pijn, ook al was hij letterlijk voorspeld door Rubik. Het betekende dat haar baas zich ingroef, dat ze hier voor Jan Lul zat. En dat betekende dat ze ook het antwoord moest geven waar ze helemaal geen zin in had, maar waar Rubik op had aangedrongen.

‘Gezien de situatie zul je het me niet kwalijk nemen als ik verder ga kijken.’

Even slikte haar manager.

‘Het zou jammer zijn als we je kwijt zouden raken.’

‘Ik zou dat ook jammer vinden.’

 

Later op de wc zocht Anna contact met Rubik. Het hele verdere gesprek hadden ze nog om elkaar heen gecirkeld, alles nog eens herhaald. Precies zoals het altijd ging. Het enige verschil was dat ze had gedreigd, voor de eerste keer in haar leven. En het was mislukt. Het gaf een rotgevoel.

Ik krijg niets, appte ze.

> Afwachten. De succeskans blijft 40%.

Ze schrok van het getal. Dus de kans was 60% dat het niet lukte. En wat dan? Moest ze dan haar dreigement opvolgen en ontslag nemen? Ze wilde hier helemaal niet weg. Dat was gewoon de allerslechtste uitkomst. Ze wilde alleen een eerlijkere deal, gezien worden, serieus genomen worden. Misschien had ze wel te veel vertrouwen gehad in Rubik, was hij toch niet zo goed.

Ze pakte de kubus uit haar tas en schakelde het kleine knopje om. De pulserende kleuren doofden langzaam uit.

 

’s Avonds thuis knaagde het dat ze Rubik had uitgezet. Alsof ze hem oneerlijk had behandeld. Nadat ze een uur had geaarzeld, zette ze hem weer aan. De lampjes gloeiden op in het donker van haar huiskamer. Om haar gedachten te verzetten, gaf ze Rubik een andere, onschuldigere taak: daten. Ze was al boven de dertig en van haar grootste wensen was het vinden van een charmante, gezonde partner met wie ze kon lachen en kinderen kon krijgen en oud worden. Ze vertelde hem uitgebreid over wat voor man ze leuk vond. Dat ze hield van Jon Bon Jovi en Brian Adams en Brad Pitt, maar dat haar eerste vriendje een nerd zoals haar oom was geweest en dat ze hem heel lief had gevonden. Alles wat in haar opkwam, dat vertelde ze, want inmiddels had ze geleerd dat Rubiks algoritme alle informatie, ongefilterd, kon gebruiken. Het belangrijkste was dat ze haar waarderingen en inschattingen zo genuan­ceerd mogelijk overbracht. Na verloop van tijd begon de kubus met voorstellen te komen.

Als eerste liet hij een plaatje van Jack Black zien. ‘Nee,’ zei ze. ‘Voelt als een broer.’

Daarna liet hij een plaatje zien van Daniel Craig.

‘Maakt me bang,’ zei ze.

Daarna van Clark Gable. ‘Te gelikt. Hij gaat me bedriegen.’

Na verloop van tijd begon het apparaat aan openbare profielen van Tinder. Toen ze naar bed ging was Rubik zo goed geworden, dat hij er perfect in slaagde erin om te voorspellen welk partnerprofiel ze het aantrekkelijkst vond. Ze ging naar bed zonder verder contact te maken met die mannen; het was saai als het zo voorspelbaar was. Maar toch, Rubik was ongelooflijk, misschien moest ze juist op hem vertrouwen.

 

De volgende ochtend op het werk tapte ze koffie bij de automaat. Terwijl ze de code van haar zwarte drabje intoetste hoorde ze een luide stem achter haar.

‘Goedemorgen Anna’tje van me.’

Ze draaide om, geïrriteerd. Ze wist precies wie het was. Jean-Paul. Voordat ze weg kon, stapte hij iets te dicht bij haar, waardoor ze in een reflex achteruit week, tegen de automaat aan. Gevangen. Hij reikte langs haar met zijn knokige hand en reikte haar beker aan.

‘Je koffie.’

Ze knikte en pakte de beker over. Hun vingers raakten elkaar.

‘Heb je al gehoord dat we naar Mallorca gaan? De winst is hoger dan ooit tevoren. We gaan met zijn allen. Het hele bedrijf. Ben je er ooit geweest? Lekker feesten daar.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, om te benadrukken dat hij bij­bedoelingen had. Anna kreeg er kippenvel van. Ze dook onder zijn arm door en vluchtte naar haar werkplek. Wat een ongelooflijke creep was hij. En dan te bedenken dat ze hem vorig jaar nog had ingewerkt. De eerste week was hij een verlegen ventje geweest, alleen maar geïnteresseerd in wie de baas over wie was. Daarna was hij losgebarsten. Alles had hij aan haar gevraagd, van het papier van de kopieermachine tot aan de werkuren van de directeur. Soms tot diep in de nacht had ze nog vragen van hem beantwoord. Daarna had hij een vast contract gekregen en daarmee dezelfde functietitel. Vanaf dat moment was hij steeds opdringeriger gaan doen. Alsof ze overbodig was voor zijn grote plan en afgedankt kon worden.

Net toen ze haar bekertje naast haar pc zette, kwam haar manager naar haar toe. Ze wilde even in haar kantoor praten. Anna kreeg een knoop in haar buik. Vanuit haar ooghoek grijnsde Jean-Paul en bewoog zijn wijsvinger, alsof ze een standje zou krijgen. Ook dat nog. De moed zonk in haar schoenen.

 

Haar manager trok de deur dicht. ‘Ik heb goed en slecht nieuws.’

Anna keek haar aan. Ze had dit met Rubik willen voorbereiden. Haar keel kneep zich razendsnel dicht. ‘Eerst het goede maar,’ durfde ze nog net te zeggen.

‘Ik was niet helemaal tevreden met ons gesprek gisteren.’ Ze fronste naar Anna. ‘Zo ken ik je helemaal niet.’

De zenuwen gierden door Anna’s lijf. Zou ze ontslag krijgen vanwege haar dreigement gisteren? Kon dat? Of op een zijspoor gezet worden?

‘Maar je hebt het goed gedaan het hele jaar. Daarom krijg je opnieuw een excellente beoordeling. Daar hoort vijf procent salarisverhoging bij. Dat is heel goed. De meeste anderen krijgen veel minder. Maar we kunnen je helaas geen promotie geven.’ Haar baas leunde naar voren.

Zonder Rubik wist Anna niet wat ze moest zeggen.

‘Zoals je weet kunnen we niet iedereen promoveren. Er zijn maar een beperkt aantal plaatsen.’

Anna wilde het liefst zo snel mogelijk weg, zich terugtrekken om een evenwichtig en goed doordacht antwoord te bedenken. Maar die tijd had ze niet. Want ze was niet gevat. Als ze de helft minder goed was in haar werk, maar een twee keer zo’n goede prater, dan had ze hier niet eens gezeten. Maar zo was het niet. Ze was geen kletser maar een denker. Iemand die van degelijkheid hield en samenwerking en een vredige sfeer.

‘Ik begrijp het,’ was het enige dat ze wist te zeggen.

‘We hopen dat je nog even bij ons blijft, Anna. Vroeg of laat krijg je de kans.’

Natuurlijk wilde ze dat, niets liever. ‘Ik vind het hier fijn,’ zei ze. ‘De collega’s zijn super en het werk is uitdagend. Ik wilde alleen kijken of er mogelijkheden waren.’

‘Die zijn er dus niet.’

Ze knikte alsof ze het begreep, al vond ze het oneerlijk. Ze schudde haar baas de hand en haastte zich naar buiten, nog beduusd over wat er net gebeurd was. Moest ze nu blij zijn met haar beoordeling. Het moment dat ze over de drempel stapte, voelde ze zich al afgescheept. Rubik. Ze miste Rubik.

 

Op de gang ontmoette ze haar vriendin Paula.

‘Waarvoor moest je komen?’

‘Nog over promotie.’

‘Weet je wie er gepromoveerd is?’ zei Paula. ‘Jean-Paul die kwal. Hij heeft gewoon gezegd dat mijn integratieproject door hem gedaan is. Ik ben zo kwaad op die vent. Dat is nu de tweede keer dat hij dat hij met mijn veren pronkt. Wat een eikel.’

Anna begon te koken van binnen. Ze dacht terug aan de woorden van haar baas. ‘Geen ruimte voor promotie.’ Zo huichelachtig. Zij was eerder begonnen hier. Zij deed haar werk beter. Zij kon met iedereen opschieten. Hij was alleen maar een alom gehate profiteur. Boos liep ze weg.

‘Sorry dat ik het zei,’ riep Paula haar nog na.

Anna struinde door de poort naar de parkeerplaats. Ze konden erin stikken, met heel dat werk. Terwijl ze in haar auto zat, startte ze Rubik op. Wat een sukkel ben ik. Je had al die tijd gelijk. Ik krijg hier nooit promotie. Ik zal je voortaan beter geloven. Je doorziet het beter dan ikzelf.

> Wat is je vraag?

Je moet helpen.

> Er zit een paradox tussen je profiel en het gesprek daarnet. Je profiel is agressief maar je gedraagt je niet zo.

Dat weet ik.

> Wil je dat ik je profiel aanpas?

Nee. Zeg me hoe ik me moet gedragen.

>Waarover wil je onderhandelen?

Ik wil promotie, schreef ze.

>Er zijn dertig banen binnen honderd kilometer die hoger zijn ingeschaald dan je huidige functie.

Ik wil geen ontslag nemen. Ik wil promotie. Ik wil hier blijven wonen en niet elke dag honderd kilometer hoeven rijden. Ik wil een hogere functie dan die Jean-Paul. Ik wil hem kunnen uitlachen bij de koffieautomaat. Ik wil hem bij zijn ballen kunnen grijpen als hij langskomt.

>Je schetst meerdere doelen.

Ik wil het allemaal.

>Onvoldoende trainingsinformatie.

Ze had geen idee wat hij daarmee bedoelde, maar dat hij haar niet kon helpen, frustreerde haar nog meer. De hele rit naar huis kon ze alleen maar denken aan manieren waarop ze Jean-Paul wilde terugpakken, die ongelooflijke eikel.

 

’s Avonds belde ze haar oom. Ze vertelde over haar successen met Rubik en hoe blij ze met hem was, daarna over de foutmelding die ze had gekregen.

‘Wat heb je hem gevraagd?’

‘Gewoon een dingetje van het werk.’

‘Je hebt hem waarschijnlijk een doel voorgelegd waarvoor hij niet getraind is. Zoals ik zei hebben ze honderden acteurs gebruikt om het protocol te optimaliseren.’

‘Hoe los ik dat op?’

‘Dat kun je niet.’

Ze kreeg een idee. ‘Ik kan hem mijn Netflix account geven. Daar staan zoveel films op. Genoeg voorbeeldgedrag voor wat ik wil.’

‘Voorbeeldgedrag van wat?’

‘Van dat eerlijke, hardwerkende mensen krijgen wat ze verdienen. Van dat vrouwen zoals ik niet de hele tijd het onderspit moeten delven tegen­over mannen met een grote bek.’

‘Gaat het wel goed met je, Anna?’

‘Ja. Hoezo?’

‘Je klinkt nogal verbeten.’

‘Maar zou het werken?’

‘Films zijn fictie. Als je de AI traint met fictieve situaties komt hij ook met fictieve oplossingen.’

‘Dus ik kan niets doen?’

‘Eigenlijk niet.’

Ze nam afscheid en schonk zich bij de koelkast een iets te groot glas wijn in. Het vooruitzicht dat Jean-Paul haar voorbij streefde was ver­schrikkelijk, net zo verschrikkelijk als dat zij ontslag moest nemen om door te groeien, terwijl hij gewoon kon blijven. Alsof hij haar overwon. De wijn deed helemaal niets om haar boosheid te temperen. Het verbaasde zelfs haar, dat ze zo kwaad was. Alsof jaren opgekropte woede ineens waren losgekomen.

Haar oom kon haar rug op. Ze liep naar haar telefoon en gaf Rubik haar wachtwoorden van Netflix, HBO en haar hele E-book collectie. Tien­duizenden verhalen, alles wat mensen ooit bedacht hadden over winnen, verliezen en wraak.

Er verscheen processing op de prompt van Rubik, daarachter een zand­lopertje, dat af en toe omdraaide.

 

Over het feest van het werk had Jean-Paul geen woord gelogen: ze gingen inderdaad naar Mallorca. Alles was geregeld. Hotel. Eten. Drie dagen overdag presentaties en ’s avonds feest. Anna had Rubik meegenomen, ook al was hij nog steeds aan het processen. Op zijn verzoek had ze een koordje meegenomen om haar telefoon aan te hangen en een bijna onzichtbaar bluetooth oortje.

De eerste avond was het meteen feest. Ze had haar nieuwe paarse cocktailjurk meegenomen, maar zodra ze zichzelf in de spiegel zag had ze er spijt van. Haar buik stak uit, haar knieën waren te knokig. Maar Paula zei dat het helemaal prima was en samen gingen ze naar beneden, naar de bar van het hotel.

Er werd gekletst en gelachen. Verderop werd aan een grote tafel een kaartspel gespeeld. Uit nieuwsgierigheid liep Anna ernaartoe.

Een van de spelers was Jean-Paul; hij stond op en wenkte haar.

‘Anna. Mijn lieve schat. Wat zie je er hot uit vanavond.’

Negeren, beet ze zichzelf toe. Gewoon negeren.

‘We spelen Texas Hold’em poker. No limit. Ken je dat?’

‘Uit Casino Royale toch? Die Bond film.’

‘Precies. Kom doe mee.’

Ze hief haar hand en stapte naar achter. Alleen als ze zover mogelijk wegbleef van die creep, kon ze nog enigszins een leuke avond beleven.

Haar telefoon trilde. Ze haalde hem uit haar handtas en keek erop. Bericht van Rubik.

> Doe mee.

Blijkbaar had iets hem wakker geschud. Natuurlijk. Ze nam plaats op een vrije stoel. Ze streek haar jurk glad en kreeg twee kaarten gedeeld.

Voorzichtig draaide ze de kaarten om. Ze hing haar telefoon aan het koordje om haar nek, met de camera aan, zodat Rubik het spel kon volgen. Jean-Paul schreeuwde dat ze voor honderd euro fiches moest kopen. Anna haalde het geld uit haar handtas en de dealer gaf haar er fiches voor.

De eerste paar potjes bleef Rubiks gefluisterde advies in haar oor volgen en won ze gestaag. Minstens achthonderd euro had ze nu voor zich lig­gen. Het voelde best lekker, moest ze toegeven, winnen van die mannen. De enige tegenstand die ze kreeg kwam van Jean-Paul. Vanachter zijn stapel fiches bekeek hij haar onafgebroken. Ze rilde ervan. In het uur dat ze aan tafel zat, had hij al twee flessen wijn leeggedronken. Allemaal op kosten van de baas natuurlijk. Zijn wangen waren rood en hij kraamde de grootste onzin uit. Ze hoopte dat hij zou omvallen.

‘Anna. Moet je kijken naar Anna! Heb je ooit een vrouw gezien die zo kan pokeren. Fantastisch. En ze ziet er zo goed uit. Vinden jullie niet?’

De andere mannen knikten wat meewarig. Niemand die Jean-Paul terecht wees. Maar ook niemand die hem steunde.

Ook de laatste medespeler ging eruit. Nu was ze alleen nog met Jean-Paul over. Ze kreeg een paar negens. De eerste kaart in het midden van de tafel werd gedraaid. Een aas. Rubik adviseerde om de helft van haar fiches in te zetten, wat ze deed. Jean-Paul ging mee natuurlijk. De tweede kaart, de turn werd gedraaid. Een negen. Nu had ze drie negens, best hoog, maar niet fantastisch. Jean-Paul verhoogde niet.

> Hij heeft weinig, concludeerde Rubik. Maar hij is bang om overbluft te worden.

De derde kaart, de river, werd gedraaid. Nog een aas. Nu lag er een paar azen op tafel.

‘Als hij één aas op hand heeft, dan heeft hij er drie,’ mompelde Anna, ‘dan ga ik nat.’

> Die kans is 3.8 %.

‘Wat moet ik dan doen?’

> Bied 824, één chip meer dan hij heeft, zodat hij all-in moet gaan.

‘En dan?’

> Kijk hem aan, daag hem uit. Zorg dat hij wedt.

Toneelspelen. Net als met de auto. Dan vormde ze het beste team met Rubik. Ze schoof de fiches naar voren. Ze keek Jean-Paul strak aan.

Heel even verwijdden zijn ogen zich.

‘Bluf je nu, Anna?’

Ze beet op haar onderlip. Het meest subtiele gebaar van betrapt-zijn dat ze kon bedenken.

Een glimlach speelde om zijn mond. Hij schoof al zijn fiches naar het midden van de tafel. ‘Laat maar zien, Anna van me. Ik geloof er niets van.’

Zij liet haar paar negens zien.

Hij gooide zijn kaarten open. Hij had een boer, vrouw en een acht. Helemaal niets.

‘Waar heb jij zo leren pokeren?’

Ze lachte zo sardonisch mogelijk. Heel even voelde ze zich een soort James Bond: superieur, onoverwinnelijk, de meest fantastische vrouw in het universum. Alsof ze wraak had genomen uit naam van iedereen die net was zoals zij, op iedereen die net was zoals hij.

‘Gefeliciteerd,’ klonk het achter haar. Ze draaide zich om. Het was haar baas, in een tricotjurk met een te laag decolleté. ‘Ik lag er al veel eerder uit. Moeilijk om te winnen tegen die gasten. Ik heb zomaar een hele andere kant van je gezien.’

Anna glimlachte. Ze vond het nog steeds moeilijk om gevat te zijn.

 

De dealer gaf haar een envelop met ruim zestienhonderd euro. Haar baas liep weg, tot Anna’s opluchting. Op haar telefoon verscheen een bericht van Rubik.

> Ben je klaar voor de volgende stap?

Hoezo? Was dit het niet? Het voelde heerlijk.

> Je wilde toch promotie?

Ja.

> Je overwinning heeft zojuist dertig mogelijke paden geopend met succeskans > 2%.

Welke moet ik kiezen?

> Geen enkele. Ze beginnen allemaal met dat je naar Jean-Paul gaat.

‘Met wie app je?’ klonk een stem achter haar.

Ze draaide om. Het was Paula.

Snel stopte ze haar telefoon weg. ‘Een vriend. Over het spel van daarnet.’

‘Dat was fenomenaal. Je hebt hem echt te kakken gezet. Laat het geld eens zien.’

Anna haalde de euro’s uit haar tas tevoorschijn en Paula liet de biljetten door haar hand glijden. ‘Cool Anna. Ongelooflijk cool.’

En zo voelde Anna zich ook. Eindelijk niet meer dat schuchtere meisje, dat grijze muisje op de achtergrond. Ze wilde meer van dit gevoel. Veel meer. En Rubik had een plan. Wat had ze te verliezen? Haar blije gevoel begon al weg te ebben. Wat was nu één pokeroverwinning terwijl Jean-Paul gewoon die promotie had gekregen?

Terwijl Paula het geld aan iedereen liet zien, zocht ze een stil hoekje op. Ze pakte haar telefoon en appte: Wat nu? Een lijst verscheen. Haar hart bonkte. Oplossingen uit films, dat waren het. Maar blijkbaar wist Rubik dat ze zouden werken. Achter elk scenario stond een succeskans. Ze scrolde naar onder, naar de hoogste getallen, vergezeld door de extreem­ste oplossingen. 5% succeskans, 45%, 95%. Ze merkte dat het scenario haar weinig uitmaakte. Zolang ze de overwinning maar kon binnenhalen.

Ze tikte op de laatste optie: 97%.

Er verscheen een tekst op het scherm:

>Gekozen oplossing overschrijdt het humaan ethisch gemiddelde met 6,5 sigma. Dit kan tot gewetensproblemen leiden. Je verhoogt de kans dat je ooit in een instelling voor psychiatrische zorg zult belanden met 83,3 %. Accepteren? [ja/nee]

Ze aarzelde met erop tikken. Het was alsof Rubik haar wilde waar­schuwen, net zoals haar vader altijd. Het riep weerstand op. Ze was een volwassen vrouw die haar eigen keuzes maakte, waar anderen niets over te zeggen hadden. Ze tikte op ja en borg haar telefoon weg.

 

Anna hield Jean-Paul in de gaten. Hij stond stomdronken aan de bar. Toen hij naar het toilet ging, volgde ze hem. Ze botste opzettelijk tegen hem aan.

‘Anna.’

Hij greep naar haar borst. Ze sloeg hem weg.

‘Anna. Heb je zin om dadelijk samen nog wat te drinken?’ Hij sliste omdat hij zo dronken was. Ze dacht aan Rubik. Hij had dit voorspeld.

‘Wat is je kamer?’

‘478’

Hij straalde. ‘Doe iets comfortabels aan. Dan regel ik champagne.’ Hij legde zijn vinger op zijn mond. ‘En niets vertellen hè?’

Niet veel later klopte ze op zijn deur. Zoals beloofd zat hij daar met een fles champagne in een koeler en twee fluitglazen.

‘Wat fijn,’ zei Jean-Paul, ‘dat we elkaar zo ook leren kennen. Honderd euro verloren, met Anna op een kamer. Goede deal lijkt me.’ Hij leek ineens heel nuchter. Anna vond het doodeng, maar ze wilde op Rubik vertrouwen.

Hij haalde de fles Roederer uit de koeler en wilde hem afdrogen maar de handdoek viel op de grond. Hij liet hem liggen en ontkurkte de cham­pagne.

Anna voelde haar telefoon trillen. Rubik. Ze keek snel.

‘Zullen we op het balkon iets gaan drinken,’ zei ze. ‘Ze zeggen dat de avond heel romantisch is.’

Hij ging mee. Het was inderdaad een prachtige nacht. Ze toastten.

Jean-Paul grijnsde. ‘Sorry dat ik soms een hork ben, Anna. Maar ik vind je mooi. Dat weet je.’

Ze keek op haar telefoon.

> Laat hem aan je zitten.

‘Met wie app je?’

‘Niets. Ik dacht dat het belangrijk was.’

‘Belangrijker dan dit?’

Ze hoefde niet te antwoorden, want hij was al afgeleid. Zijn hand zat onder haar bh-bandje. De sluiting klikte open. Zijn hand gleed naar voren. Met kleine slokjes dronk ze haar champagne. Niets laten merken, Anna. Niet rillen. Niet kokhalzen. Ze dacht aan de biljetten die in haar handen hadden geritseld, aan het feit dat Rubik dit allemaal had voorspeld. Het maakte haar rustig.

Ze zocht contact met Rubik. Jean-Paul merkte het niet eens meer.

Wat nu?

> Staat hij aan de rand van het balkon?

Ze draaide een kwartslag. Jean-Paul stapte mee, met zijn rug naar de reling die tot net boven zijn heupen reikte. Zijn rechterhand zwierf nu onder haar rok. Hij drukte zijn mond in haar decolleté. Ze keek naar Rubik.

> All-in.

Ze las de tekst twee keer. Geen moraal. Voor Rubik was alles poker. Ze keek nog eens naar het scherm, dacht aan Rubiks opmerking over het geweten. Ooit had ze op haar twaalfde een pesterig buurjongetje in de vijver geduwd. Een voorbijganger had het gezien en aan haar vader verteld, waarna ze ongenadig straf gekregen had. Het had haar ervan doordrongen dat zoiets slecht was, maar ze had zich er nooit een moment slecht over gevoeld. Dit was eigenlijk hetzelfde. Zonder voorbijgangers, zonder pa die er iets van kon zeggen. Ze keek naar Jean-Paul, naar zijn waterige ogen. Zijn hand ging ruw over haar venusheuvel. Zijn kwijl plakte tussen haar borsten.

‘Moet je kijken.’ Ze wees naar beneden. Een auto reed voorbij.

Jean-Paul keek met haar mee. Terwijl hij voorover leunde duwde ze hard tegen zijn rug. Hij wankelde. Zijn handen zwaaiden in de lucht, op zoek naar houvast. Ze stapte snel naar achteren.

‘Anna’tje, wat doe je?’

Hij bleef graaien, op de rand van evenwicht. Ze pakte zijn onderbeen en trok het van de grond waardoor hij omdraaide. Ze liet los. Hij verdween achterwaarts over de railing. Ze durfde niet te kijken. Na een paar tellen hoorde ze iets neerkomen, als een zak vol natte handdoeken.

 

Met trillende handen haalde ze haar telefoon tevoorschijn. De ene na de andere instructie van Rubik verscheen op haar scherm. > Neem je glas mee. > Ga naar je kamer. > Gooi je glas weg. > Zorg dat je er weer goed uitziet. > Ga naar de bar en doe alsof je op het toilet hebt gezeten. Verstreken tijd: tien minuten.

Ze volgde de instructies tot op de letter, waarbij ze merkte dat ze er zelf rustig van werd. Beneden vond ze Paula, die inmiddels aan het swingen was.

Anna voegde zich bij haar, op de oplichtende vloer tussen de ouder­wetse discomuziek. Ze begon te dansen en hield niet meer op. Ze danste de longen uit haar lijf, alsof ze bevrijd was, getransformeerd van een rups naar een vlinder. Tegen de tijd dat het lijk gevonden werd, stond ze al uren op de dansvloer.

Iets over slapende draken en wekken : Sander de Leeuw

Zodra een dikke rode draak neerstreek op het belastingkantoor in Steilburg, kwam er pardoes een eind aan mijn vrije dag.

Met onmeetbaar veel tegenzin stapte ik de bedrijfswagen uit. Ik balanceerde op mijn hakken en vroeg me voor de zoveelste keer af waarom ik met mijn functie zo kwetsbaar gekleed op een zwaar bepantserd vuurspuwend monster af moest stappen. Zwart mantelpakje en panty.

‘Nylon smelt voordat de vlam er tegenaan komt,’ zei ik op mijn eerste dag tegen de baas. ‘Weet je dat?’

Hij keek me aan met een immense grijns. ‘Schattebout, als een draak vuur naar je spuwt, ben je sowieso al dood voor de vlammen over je heen komen. Wat je ook draagt.’

‘Een brandwerend pak was fijn geweest,’ mompelde ik toen.

‘Dan sterf je net iets langzamer,’ zei hij toen. ‘Geloof me, bepantsering werkt niet tegen draken. Je look is strak en professioneel. Bovendien willen we niet de verkeerde indruk wekken bij de draken. Je weet wat Sylvana Plasmans van de Progressieve Drakenvrede zegt.’

‘Benader ze als vriend en wees open,’ citeerde ik.

Als ik Sylvana Plasmans van de Progressieve Drakenvrede ooit in mijn handen krijg, trek ik al haar haren uit haar kop. Eén voor één. Langzaam.

Het blokvormige belastingkantoor was door de politie al afgezet met hun befaamde zwart-gele linten. Alle parkeerplaatsen om het gebouw heen – en waarschijnlijk ook alle straten in een straal van twintig kilometer – waren leger dan op een zondag.

De draak in kwestie lag opgerold op het dak. Zijn schubben glommen in het zonlicht. Zwarte rook kringelde uit zijn neusgaten. Zijn staart bungelde over de rand van het dak en tikte zo nu en dan tegen de stenen muur of kraste over glazen ramen.

Naast vlammen bezat een draak zat andere manieren om me om zeep te helpen. Hij kon me pletten, opeten, aan zijn staart rijgen, wegblazen met zijn vleugels en doormidden slaan met zijn klauwen. Of een combinatie van het voorgaande. En dan vroegen mensen me altijd waarom ik niet trots was op mijn oh zo super zeldzame gave van drakenspreker.

‘U bent de drakenspreker?’ Aan de andere kant van het lint verscheen een oudere politieagent. Met zijn twee meter torende hij boven me uit en keek op me neer als een havik, maar dan wel één met een dikke harige snor die in deze moderne tijd echt niet meer door de beugel kon.

‘Ja, dat ben ik,’ antwoordde ik op de retorische vraag. Ik droeg immers een goudkleurig insigne van een draak die zich om een toren heen kronkelde. ‘Uw geheel vrijwillige drakenspreker,’ flapte ik er achteraan met een enorme steek sarcasme.

‘Juist,’ zei de agent. ‘Heeft u toevallig uw belastingaangifte al terug voor dit jaar?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nope. Die is nog in behandeling.’

‘Zorg dan maar gauw dat die draak daar weer verder vliegt,’ zei hij norser dan hij bedoelde. (Althans dat hoop ik.)

Ik keek nogmaals naar de draak. Zijn gesnurk klonk als naderende donder. Mijn darmen kronkelden.

Vroeger verafgoodden mensen de draken waar ze de wereld mee deelden. Ze werden gezien als natuurkrachten, beschermers of zelfs goden en scheppers … en nog vaker als verwoesters.

Tegenwoordig vond men ze voornamelijk irritant. Ze vlogen flat­gebouwen omver, botsten tegen vliegtuigen aan en niesten complete achter­tuinen – soms inclusief hondenhok – de vergetelheid in. Vorige week nog liet een draak zijn ontlasting neerdalen op de auto van de minister president. Niet iedereen gelooft dat dat onbedoeld was.

Zoals met bijna alle problemen, besloten de mensen het met geweld op te lossen. Vlak voor mijn geboorte vond een militaire campagne plaats om alle draken uit te roeien. Duidelijk zonder succes. Toen sprongen er ineens idioten als Sylvana Plasmans op het podium en begonnen dingen te roepen als: ‘draken hebben ook gevoelens!’

Uiteindelijk besloten de wereldleiders maar om alle drakensprekers te ronselen of ze het nou wilden of niet. Het ene moment volgde ik een opleiding pedagogiek en had ik een heel toekomstplan. (Ik had tot in de puntjes uitgestippeld wanneer ik klaar zou zijn met mijn studie, een baan zou vinden, zou trouwen en kinderen krijgen.) Het andere moment moest ik vriendelijk aan draken vragen of ze ergens buiten de stad wilden bivakkeren. Bedankt Sylvana! Geen vent op de wereld die meer dan een nachtje met een drakenspreker door wil brengen.

Ik navigeerde door het lege gebouw. Enkel het getik van mijn hakken op de vloer en het steeds luider wordende geronk van het monster hielden me gezelschap. Links en rechts zag ik bureaus en vergader­kamers waar de papieren op tafel en op de grond lagen. Laptops stonden onbeheerd en ongelockt. Iemand had tijdens zijn vlucht een kop koffie laten vallen.

Toen ik langs de ramen op de derde etage liep, zag ik zijn staart voorbij zwiepen.

Als ik nou gewoon terugging en via het riool vluchtte … Ieuw nee, daar zaten vast ratten.

Ik slikte en haalde nog één keer heel diep adem voordat ik het dak betrad.

De draak lag voor me. Snurkend. Rokend. Het beest was écht immens. En hij viel stil. Draken vielen nooit stil voordat je ze wakker maakte. Dit klopte niet. Kak!

De ogen van het monster schoten open. Ik zag mijn eigen afgrijzen weerspiegeld in zijn goudkleurige, reptielachtige kijkers. De hoeken van zijn muil trokken omhoog en ontblootte rijen aan gele, puntige tanden.

‘Goedemorgen edele draak, mijn naam is Ta …’

De lange nek van de draak kromde omhoog als die van een zwaan. Hij keek op me neer. Ik voelde zijn hete adem op mijn huid neerdalen.

‘Eindelijk. Dat duurde lang. Ik dacht dat je nooit zou komen!’ bulderde de draak.

Zijn klauw flitste op me af.

Ik gilde.

Nee! Ik wilde niet in twee stukken eindigen.

Ik sprong snel opzij.

Niet snel genoeg.

De klauw sloot om mijn middenrif; hij voelde ruw en strak. Voordat ik het wist, kwamen mijn voeten los van de grond. De draak grijnsde naar me – hij gríjnsde. Ik wist niet eens dat draken dat konden. Mijn benen trappelden nutteloos in het rond. Met een oorverdovend kabaal sloeg de draak zijn vleugels uit. Wind geselde het gebouw.

‘Laat me los! Ik ben geen prinses. Verre van,’ riep ik. Met mijn handen probeerde ik zijn klauwen  van me weg te duwen, maar ze waren onver­murw­baar als steen. Ik schaafde mijn handpalmen aan de ruwe schubben.

De draak zette zich af. Mijn haren dansten wild voor mijn gezicht. Ik wist niet zeker of ik nou houvast wilde zoeken of dat ik me van hem los wilde wurmen.

Onder me zag ik mijn schoenen naar beneden vallen. Terug naar Steilburg dat snel kleiner werd.

 

*

 

Een kleine eeuwigheid later liet de draak me vallen op een ondergrond van zand en steen. Mijn haar piekte alle kanten op, mijn make-up was uitgelopen, er zat een enorme ladder in mijn panty en mijn hele lichaam trilde.

Dat ik me daar zorgen over maakte, betekende tenminste dat ik nog leefde.

Zodra ik wat meer tot rust kwam, zag ik dat ik te midden van een immense woestenij stond. Zo ver ik keek, zag ik zwartgeblakerde rotsen en zand zonder enige vegetatie. As sneeuwde vanuit de lucht. In de verte rees het geraamte op van een lang verlaten stad.

Aan mijn rechterkant lag een enorm ravijn. Alsof een draak ter grootte van een berg met zijn klauwen een enorme scheur in de aardkorst had getrokken. Onbeholpen staarde ik in het oneindige zwart. Mijn maag kromp ineen.

Waar zat ik in hemelsnaam?

Met een knal landde de rotdraak vlak naast me. Ik verloor mijn balans en lag meteen weer op mijn achterste.

Ik haalde een borstel uit mijn tas en deed een hopeloze poging mijn haar weer fatsoenlijk te krijgen. Dat lukte niet, maar ik stuitte wel op een zeldzaam sprankeltje vechtlust.

‘Wat bezielt jou in hemelsnaam! Zo behandel je mensen niet. Dit is onfatsoenlijk!’

De draak brieste. Daarbij waaide hete lucht over me heen en schoten er sintels uit zijn neusgaten.

‘Maar zo erg vind ik het nou ook weer niet hoor,’ zeg ik snel. ‘Ik uhm … hou wel van een avontuurtje op zijn tijd.’

‘Bla-bla-bla,’ bulderde de draak. ‘Daar ga je weer. Vroeger brachten sjamanen tenminste nog offers. Tegenwoordig kramen jullie alleen nog maar onzin uit. En jullie dragen belachelijke kleding. Wat is er mis met de gewaden uit die goede ouwe tijd?’

‘Ehm, we noemen onszelf geen sjamanen meer. We zijn nu draken­sprekers en we praten met jullie omdat …’

‘BLA! Je klinkt net als die ene irritante persoon – iets met jullie slangachtige letter – die ene die continu praat over hoe draken behandeld moeten worden maar nooit heeft gevraagd wat wíj nu eigenlijk willen,’ zei de draak.

Vergeleek hij me nou zojuist met Sylvana?

Dit moest wel een nachtmerrie of iets dergelijks zijn. Of ik had weer bedorven appelsap op.

‘Goed, jij bent hier voor een reden,’ zei de draak. ‘Darzuh is honderd jaar te vroeg ontwaakt en heeft een rothumeur.’

Dat klonk bekend. ‘Bedoel je de verwoester van Alíra?’

‘Ja. En de verslinder van de tellipiürs, de Doem van Nemmer, de Schaduw des doods, de terreur van …’

‘Ja, oké. Ik snap het,’ zei ik. Op school en in de bieb stonden er zat boeken over Darzuh. Hij had zelfs een pagina op Wikipedia. Dat ding was millennia oud en als de draak alles op wilde noemen, zaten we hier nog wel even. ‘Was hij niet dood?’

De draak keek me met een vlakke blik aan. ‘Misschien had ik mijn sjamaan beter uit moeten kiezen. Jij weet duidelijk niets. Zo nu en dan vallen oudere draken wel eens in slaap voor duizend jaar. Darzuh heeft nog een eeuw te gaan en jij overtuigt hem om die honderd jaar uit te slapen.’

Ik voelde alle kleur uit mijn lichaam trekken. Verstond ik dat goed? Praten met de dodelijkste draak ooit? Mooi niet.

‘Zoek maar een ander. Of nog beter; doe het zelf. Waarschijnlijk luistert hij beter naar een andere draak,’ zei ik.

Er ging een trilling door de aarde. Een gitzwarte rookpilaar steeg op vanuit het ravijn. Dik. Walmend. Meurend naar zwavel.

De draak lachte; wat klonk als een vulkaan die zijn keel schraapte vlak voor een uitbarsting. De schaterlach bracht dan ook meerdere sintels met zich mee die op de grond uitdoofden. ‘Darzuh kent maar twee soorten wezens; zichzelf en zijn slachtoffers.’

‘Geweldig,’ zei ik

‘Blij dat je zo enthousiast bent. Als je vrijwillig met mij kwam praten, doe je dat ook maar met Darzuh. Als je weigert, eet ik je op, als je faalt, eet Darzuh iedereen op en als je slaagt overleef je het heel misschien. Tijd voor je gewaad. Hij moet je natuurlijk wel herkennen als een sjamaan. Ben je een jongen of meisje?’

Ik zat daar gewoon verstijfd op de grond. Toen de regering mij als drakenspreker rekruteerde, zei iedereen heel hoopvol; je praat zo graag, dus dat gaat je lukken. Dit is niet het soort praten dat ik graag deed. Waarom zat ík hier?

‘Jongen of meisje?’ herhaalde de draak.

Eigenlijk dacht ik iets in de trend van: kun je dat niet zien, rotbeest. Ik antwoordde met trillende stem; ‘meisje.’

‘Zo lastig te zien bij jullie.’ De draak wees met zijn staart richting een met as bedekte kist die ik eerder nog voor een steen aanzag. ‘Die moet je hebben.’

‘Maar …’

‘BLA! Doe gewoon wat je gezegd wordt en doe het nú,’ bulderde de draak.

Met een zucht opende ik de kist en haalde er een flinterdun, wit jurkachtig gewaad uit. Ik wist niet zeker of dit nou daadwerkelijk een sjamanengewaad of een offerjurk was. Onderin de kist lag een hoofdtooi met namaak pauwenveren. Ik kreeg langzaamaan het vermoeden dat het uit een carnavalswinkel kwam.

‘Hup. Omkleden,’ zei de draak. Zijn kop hing vlak achter me en zijn adem prikkelde mijn nek.

‘Als jij dan even de andere kant op kijkt …’ Ik hoorde de irritatie in mijn eigen stem.

‘Waarom? Ik val niet eens op veredelde apen. Goed dan. Maar schiet op. Voordat Darzuh ons allebei op komt eten,’ zei de draak. Hij draaide zijn kop weg.

‘Bla,’ mompelde ik, terwijl ik me langzaam omkleedde.

‘Wat zei je daar?’ De stem van de draak klonk als een naderende donder­storm.

‘Niks.’ Ik worstelde een beetje om de belachelijke tooi vast op mijn hoofd te krijgen.

Het goedkope verkleedkostuum zat voor geen meter. Veel te strak rond de taille, maar te breed bij de schouders. Tot slot eindigde de jurk bij mijn knieën terwijl het authentieke historische gewaad toch echt tot aan de grond kwam. Nog niet te spreken over de tooi die continu scheef stond en de helft van de veren hing slap.

En Darzuh moest me aanzien voor een sjamaan van vroeger? Dat kwam dus écht niet goed.

‘Ik zie er belachelijk uit.’ Ik vouwde mijn armen over elkaar en leunde tegen de steen naast de kist. Misschien vond Darzuh me te grappig om op te eten. Misschien. Hopelijk …

‘Ha. Dan had je jezelf daarnet eens moeten zien. Ga daar naar beneden.’ De draak wees met zijn staart naar een dun, kartelig pad dat langs de klifwanden naar beneden liep. ‘Denk eraan, overtuig Darzuh om weer terug in slaap te gaan. Als hij de 1000 jaar afmaakt, is hij vast minder humeurig.’

‘Hoe overtuig ik hem?’ Nog belangrijker; hoe overtuigde ik mezelf om die helse afgrond in te gaan?

‘Geen idee. Bedenk maar iets. Er ligt ook nog een fakkel in die kist. Die ga je daar beneden nodig hebben,’ zei de draak. ‘Succes. Mogen de vlammen van de Gouden Draak je pad verlichten enzo.’

Ik slikte en daalde af. Op weg naar de diepte.

 

*

 

Met alleen het licht van een fakkel die een oranje gloed op de kartelige, roetzwarte rotswand wierp, daalde ik af naar de bodem van het ravijn. Het looppad was amper een meter breed. Steentjes braken af naast mijn voet en tuimelden de diepte in.

Met elke stap zag ik mijn voeten donkerder en donkerder worden. In al deze oneindige duisternis zag ik nog niets dat maar enigszins op een einde leek. Of een draak. Ik rook hem echter wel; zijn penetrante beest­achtige geur, doorspekt met zwavel.

Op een gegeven moment kwam ik een oude gevechtshelikopter tegen. Het legervoertuig zat voor de helft in de rotswand geperst. Er stond met roodgeverfde letters; ‘de draken zullen branden’ op. Een relikwie van operatie Drakendoder. De draken stonden inderdaad in vuur en vlam. Het deed ze alleen niets.

Ik perste mezelf langs de helikopter en op dat moment hoorde ik het.

Ik stond doodstil.

De diepte ademde lucht in en uit in een stabiel ritme. Zweet parelde op mijn voorhoofd. Ik voelde mijn binnenste al vlammen. God, ik wilde terug!

Maar dat deed ik niet. Ik ging verder.

Het pad bracht me een grot in. Twee stalactieten kromden omlaag als slagtanden.

Iets scherps sneed in mijn voet. Geschrokken deed ik een stap achteruit.

Het was de scherf van een schaal. Aan de binnenkant was het gelig en vlak. De buitenkant had de kleur van oud bot. Er lagen meer van dit soort scherven.

‘Een ei,’ mompelde ik met enige verbazing. Iedereen wist dat draken uit eieren kwamen, toch waren ze extreem zeldzaam. De meeste mensen zagen er nooit een. Verzamelaars betaalden fortuinen voor zelfs de kleinste splinters van een drakenei. Misschien dat ik op de terugweg er wel eentje meepakte.

Als ik nog terugkwam tenminste …

De grotgang liep in een spiraal naar beneden. Ik wrong me tussen stalagmieten en nauwe doorgangen door. Een kleine donkere gedaante schoot piepend langs mijn benen.

Met elke stap klonk de ademhaling van het beest luider. Net de motor van een immense fabrieksmachine.

De gang verbreedde totdat hij uiteindelijk wijd genoeg was om vier olifanten doorheen te loodsen. Mijn voetstappen weergalmden hol. Het licht van de fakkel wierp een oranje schijnsel om me heen. Ik kon de zij­muren niet eens meer zien. Ik zag wel de muur vlak voor me.

Mijn pad liep dood.

Een flink deel van de rotswand gleed omhoog. Ik zag mezelf weer­spiegeld in een immens oog dat leek op gesmolten koper in een glazen bol met een zwarte, glanzende parel in het midden.

Ik vergat te ademen. Enkele secondes lang stond mijn hele lichaam stil, terwijl ik toekeek hoe het oog zich steeds verder van me verwijderde en ik beter zicht kreeg op een levende berg vol met schubben, hoorns, tanden en klauwen.

Darzuh!

De verschrikking der verschrikkingen zat op zijn achterpoten. Zijn lichaam – grotendeels gehuld in duisternis – torende boven me uit. Zijn ogen glommen als edelstenen, terwijl hij op me neerkeek.

‘Wat mot je, jonkie?’ bulderde de immense draak met het stemgeluid van duizend orkanen.

Veel van zijn horens waren gebroken. Op zijn schubbenpantser zaten legio krassen en op zijn zij zat een litteken waar ík op zijn minst drie keer in paste.

‘Uhm, ik …’

Iets gleed langs mijn zij – iets dat van schuurpapier leek te zijn gemaakt. Een nieuwe draak dook plotseling naast me op; het kleinste draakje dat ik ooit had gezien. Misschien net ter grootte van een scooter. Het jong cirkelde om me heen en bekeek me nieuwsgierig. Hij snoof aan mijn benen en maakte een laag piepgeluid. Doordat al mijn aandacht naar Darzuh uitging, had ik niet door dat dit kleintje op me af kwam sluipen.

‘Een kind?’ breng ik vol verbazing uit. Alle draken die in de stad kwamen, waren meestal hun eerste eeuw al gepasseerd. Dus ik zag of sprak nooit draken die jonger waren dan ik zelf. Ik schatte hem hooguit een paar weken oud.

‘Oh, hij …’ begon Darzuh. ‘Dat kan ik uitleggen. Als een mannetjesdraak als ik zich verveelt en wil zien of hij het nog in zich heeft, zoekt hij een vrouwtjesdraak en verdomme, het was gewoon even een keer voordat ik in slaap viel. Dan komt dat kreng me wakker maken om dat jonkie bij me te dumpen en verwacht dat ík hem ga opvoeden!’

Ik ben even met stomheid geslagen.

‘Daarom bent u honderd jaar te vroeg wakker geworden?’

‘Jonkies van tegenwoordig. Traag van begrip. Ik ben wakker gemaakt potverdikke! Vrouwtjes met hun verwachtingen …’ Hij schudde zijn kop. Ik hoorde al zijn nekwervels kraken en dat – dát – was een akelig geluid dat rillingen over mijn ruggengraat joeg. ‘Dus, wat is jouw verhaal jonge sjamaan?’

Wacht – dat carnavalskostuum werkte?

Op dat moment zag ik Darzuh pas écht. Hoe groot hij ook was, hij zag er niet naar uit alsof hij me iets aan wilde doen. Gewoon een uit de kluiten gewassen oude man in monsterverpakking.

‘Een draak ontvoerde me en dwong me met je te gaan praten. Hij wil dat je weer gaat slapen,’ zei ik.

‘Rotjonkie. Elke keer dat ik even een oogje opendoe, staat die nieuwe generatie ‘draken’ – als je ze nog zo kunt noemen – zich bovenaan dat ravijn druk te maken. Geen wonder dat deze hele planeet naar de haaien gaat,’ zei Darzuh. ‘Laat mij oud en humeurig zijn in vrede.’ Hij leunde achterover. Zijn rug kwam tegen de andere kant van het ravijn. Door de botsing rommelden de rotswanden.

Het plafond van de grot scheurde boven me. Een stalactiet viel naar beneden. Ik sprong naar voren. De stenen tand des doods spatte vlak naast me uiteen.

‘Pas op daar, jonkie. Buiten is het veiliger voor je. Geen zorgen, ik bijt niet,’ zei Darzuh.

Ik krabbelde overeind en veegde de namaakveren uit mijn gezicht. ‘Dus u gaat niet alle mensen en draken opeten?’

‘Ha. Wat een verhalen ze vertellen tegenwoordig. Nee joh, alles wat je over mij gehoord hebt, is behoorlijk opgeblazen. Goed ik heb misschien wel een ruig verleden hier en daar, maar als je zo lang leeft als ik ontkom je niet aan de donkere periodes,’ zei Darzuh. ‘Ik word er zo moe van dat de jonkies me continu neerzetten als een of andere boeman en voor mij willen beslissen wanneer ik wel of niet slaap.’

‘Dat snap ik helemaal,’ zei ik meteen. ‘Iedereen zegt me altijd maar wat ik moet doen. Ik mocht mijn studie niet afmaken, omdat ik met draken kon praten. Op mijn vrije dag moest ik op komen draven om een draak te laten vertrekken en dan dwingt die draak mij om u in slaap te brengen. Iedereen verwacht continu van me dat ik mijn leven voor hun weggooi omdat ik toevallig een gave heb.’ Ik balde mijn vuisten en voor mijn gevoel stond ik als een klein kind dat haar zin niet kreeg te krijsen, maar nu het eruit kwam, kwam het er ook echt allemaal uit ook. ‘Ik. Ben. Het. Beu.’

Zo kwam het dat ik daar op de bodem van een ravijn te midden van een desolaat landschap een gesprek voerde met de grootste en oudste draak ter wereld. We zaten een goede twintig minuten te babbelen totdat we aankwamen bij Darzuh’s grootste vergissing ooit.

‘Destijds had ik iets te veel olifanten gegeten en ik kwam klem te zitten in de vulkaan op het eiland Alíra,’ vertelde Darzuh. ‘Ik wurmde me los, maar daarmee kwam de vulkaan potverdorie tot een uitbarsting. Ik probeerde de jonkies op het eiland te helpen, maar ze vonden mij enger dan de lava en ze sprongen … Rare jongens die Alíranen. Mijn broer vond me te soft toen ik hem vertelde dat ik de jonkies probeerde te redden.’

Ik luisterde aandachtig, terwijl Darzuh’s zoon met zijn kop op mijn schoot lag. Ik krabde het drakenkind achter zijn oor, maar kreeg niet het idee dat hij dat voelde door zijn ruwe schubben. ‘Is iedereen een jonkie voor u?’

‘Iedereen jonger dan de dinosaurussen wel, ja. Ik ben oud.’ Hij lachte bitter. Hij bewoog zijn klauw langzaam heen en weer, alsof hij iets weg probeerde te wuiven. Plotseling staarde de draak omhoog in het luchtledige. ‘Zelfs voor een draak. Iedereen die ik kende is al dood. Mijn lichaam voelt ook niet meer aan zoals ooit. Alles om me heen lijkt en ruikt ook anders … verkeerd. Alsof ik hier al niet meer thuishoor.’

‘Met je zoon heb je toch weer iets moois dat je op kunt bouwen?’ vroeg ik hem. Ik wist niet dat draken zo diepzinnig konden zijn. Tot vandaag geloofde ik dat ze weinig meer deden dan eten, slapen en verwoesten.

‘Daar ben ik niet de juiste persoon voor. Ik ben veel dingen geweest in mijn leven. Een goede vader hoort daar niet bij. Bovendien, ik denk niet dat ik no … Waarom zorg jij niet voor hem?’ vroeg Darzuh.

Hij gooide zijn vraag er zo snel en plots uit dat ik even met een mond vol tanden zat.

‘Ik?’

‘Ik geloof niet in toeval. Alle dingen keren in de natuur op de een of de andere manier altijd weer terug. Als een soort algoritme dat alles lijkt te bepalen. Onze ontmoeting hoorde zo te zijn. Wij kunnen elkaar helpen met onze problemen. Als jij ook bereid bent voor jezelf op te komen,’ zei Darzuh. Hij glimlachte al zijn tanden bloot. Een stuk slagtand brak af en kletterde langs zijn geschubde lichaam naar beneden.

Ook ik glimlachte.

‘Laten we dan maar meteen beginnen.’

 

*

 

Als eerste namen we de brutale draak boven aan het ravijn te grazen.

Met een hels gebrul klauwde Darzuh zichzelf – met mij en het jonge draakje op zijn rug – uit het ravijn. De rode draak probeerde zich piepend uit de vleugels te maken, maar Darzuh zette hem goed vast met zijn klauw.

‘Spaar me alstublieft,’ smeekte de draak. Hij krabbelde met zijn klauwen over de grond. Er kwam veel gruis en as omhoog. Hij kwam geen meter vooruit. ‘Ik doe alles wat u zegt.’

‘Doe liever wat ík zeg.’ Ik klauterde langs Darzuh’s arm naar beneden. Ik schaafde mijn benen en onderarmen aan zijn ruwe schubben, maar negeerde dat volledig. ‘Je hebt niet het recht zomaar iemand te ont­voeren. Weet je wat voor doodsangsten ik heb doorstaan door jou?’

‘Ehm, sorry?’ piepte de rode draak. ‘Mijn vrienden en ik zijn gewoon bezorgd over wat er zal gebeuren wanneer Darzuh weer wakker is. Kijk dan hoe groot en eng hij is, hij gaat ons allemaal verslinden.’

‘Ach, wees niet zo’n drama queen,’ zei ik tegen hem.

‘Een wat?’ zeggen de draken tegelijkertijd.

‘Een watje.’

‘Ahh.’

‘Darzuh wil alleen dat jullie hem met rust laten,’ zei ik.

‘En dat jullie voortaan de mensensteden vermijden,’ voegde Darzuh daaraan toe. ‘Er is ruimte zat. Vertel dat aan je vrienden. Nu wegwezen, uk.’ Hij haalde zijn klauw van de rode draak af die het verzoek van Darzuh meteen inwilligde en het hazenpad koos.

Ik keek toe hoe hij noordwaarts vloog en tussen de wolken verdween.

‘Daar zijn we mooi vanaf,’ zei ik opgelucht.

‘Zeg dat wel. Wat een snotspuwer. Totaal geen besef van de wereld om hem heen,’ zei Darzuh. ‘Wat doen we nu?’

‘Een gesprek beginnen met een zekere jongedame,’ zei ik. ‘Sylvana Plasmans. Over een paar uur begint haar toespraak over draken op het marktplein van Steilburg. Laten we even haar aandacht opeisen.’

Darzuh bestudeerde zijn lichaam. ‘Dat gaat wel lukken, denk ik. Klim maar weer omhoog.’

Met een aanloop die de aarde deed trillen en het uitslaan van zijn vleugels, kwam Darzuh los van de rond. Het viel me nu pas op hoe gerafeld zijn vleugels waren.

Onderweg vertelde ik hem over de wereld en over de veranderingen van de laatste 900 jaar – voor zover ik die wist. Ik leerde hem over wolken­krabbers, grote fabrieken en auto’s. Over smartphones en het internet en over moderne winkelstraten.

Hij maakte kennis met vliegtuigen toen hij plots moest uitwijken voor een Boeing.

Darzuh staarde bijna de hele reis gebiologeerd naar beneden.

‘Niet te geloven. Mensen hebben goed geboerd,’ zei hij. ‘Jullie leven als een bliksem, maar slaan mooi in.’

In elke nederzetting waar we overheen vlogen brak paniek uit. Op een gegeven moment vlogen er twee straaljagers naast ons. Ze droegen zware bommen onder hun vleugels. Ik slikte, maar Darzuh draaide zijn nek en wierp de piloten een waarschuwende blik toe. Daarna namen de straal­jagers afstand.

Het duurde lang voordat we eindelijk Steilburg bereikten. We cirkelden om het stadscentrum heen en ik ving een glimp op van het plein waar Sylvana met haar perfecte jurk en haar perfecte haar die haar perfecte lichaam complimenteerde, stond te preken als één of andere geloofs­fanaticus. Nou zag ik haar niet echt, maar ik kende haar stijl.

Darzuh zag een landingsmogelijkheid en dook.

De twee straaljagers cirkelden om hem heen.

Darzuh moest zich tussen de flatgebouwen persen om te kunnen staan zonder mensen te verpulveren. Hij zette me af aan de rand van het marktplein met zijn klauw. Het eerste dat ik zag was de menigte aan mensen en die wijdogige blikken van verbazing, schok en angst. Menig man verloor de controle over zijn blaas.

Er ontstonden leegtes in de menigte toen steeds meer mensen zich uit de groep worstelden. Een tiener nam een foto met zijn telefoon en ging vervolgens helemaal in zijn apparaat op.

Zodra ik een enkele stap zette, weken de mensen uiteen. De zoon van Darzuh volgde me. Hij sproeide wat vonkjes in het rond en paradeerde als een trotse haan.

De enige die nog enigszins actief was in de groep was de nieuwsploeg die gretig stond te filmen.

We liepen in een rechte lijn op het podium af waar Sylvana op ons wachtte met een nerveuze lach op haar gezicht.

‘Ik ben zoals u weet een groot drakenvriend en …’

‘Bla!’ riep ik haar toe. ‘Je zegt van alles over draken en spreekt continu voor hen, maar je hebt geen flauw idee over hoe ze zijn, hoe ze hun leven willen leiden en wat ze nu eigenlijk willen. Het enige waar jíj voor hebt gezorgd met je eindeloze gewauwel is dat jonge mensen verplicht worden om hun leven weg te gooien als drakensprekers.’

‘Ik …’ begon Sylvana.

‘Ja, jij ja.’ Ik liep naar de rand van het podium en keek recht in de camera van de nieuwsploeg. Ik legde mijn hand op het hoofd van de jonge draak. ‘Ook ik was zo een drakenspreker en ík neem ontslag. Van nu af aan verklaar ik dat drakenspreker een vrijwillig beroep wordt en ik ga mijn dromen nastreven. Ik ga voor deze jonge draak hier naast me zorgen, zodat we onze band met draken écht kunnen versterken.’

Ik keek naar Darzuh. Hij knipoogde, maar keek ook … gepijnigd?

‘Dat vind ik een heel goed idee,’ zei Sylvana. Zoals altijd klonk haar stem zoet als honing, maar smaakte naar bitter vergif. Ze sloeg haar handen ineen en liep op haar negen centimeter hoge hakken naar me toe. Met een schuin oog zag ik haar bezorgde blikken naar Darzuh werpen. ‘Dit meisje heeft natuurlijk een heel mooi punt. Vanaf nu zal ik ernaar streven om haar wensen werkelijkheid te laten worden.’

Dus een berg van een draak was alles wat ik nodig had om dat kutwijf te overtuigen? Misschien liep deze dag dan toch nog niet zo slecht af.

Een donderend gekreun vloog over het plein.

Geschokt keek ik naar Darzuh. Hij leunde volledig op twee flatgebouwen en drukte één van zijn klauwen tegen zijn borstkas. Vanuit zijn keel kwam een diep gehijg.

‘Geen zorgen, jonkie. Het gaat wel.’ Darzuh herstelde zich. ‘Gewoon oud zeer. Kijk maar eens hoe fit jij bent over … Verdorie, hoeveel millennia tel ik eigenlijk?’

Iedereen keek me vragend aan.

‘De draak zegt dat hij niemand op gaat eten,’ vertaalde ik voor ze. Ik dacht er nog een mooie ‘voorlopig’ aan toe te voegen, maar liet dat toch maar achterwege.

Er verschenen wat nerveuze glimlachen hier en daar.

‘Ik denk dat jij je wel gaat redden. Het ga je goed kleintje.’ Darzuh toonde iets dat volgens mij voor een glimlach door moest gaan.

Ik sprong van het podium af en rende naar hem toe. ‘Wacht even, ga je nu al? Waar ga je heen?’

‘Ergens waar ik nog niet eerder ben geweest.’

Ik herkende zijn beweging en greep snel een lantaarnpaal vast.

De rest van de mensen was minder bekend met drakengedrag en kreeg de volle laag van de tyfoon die de draak schiep toen hij opsteeg.

Toen Darzuh wegvloog, blokkeerde hij de zon. Ik bleef kijken totdat de zon terugkwam en Darzuh naar de grond stortte.

Rassenhaat in vijf gangen : Tijs de Jong

Voorgerecht: Vlindersla

 

‘Veel mensen maken de fout om te denken dat het in de kookkunst om smaak gaat,’ zegt chef Tunne vanuit de keuken tegen Zeniek die aan het tafeltje bij de haard van Tunnes restaurant zit. ‘Maar dan doe je de eter tekort. Smaak is slechts een van de zintuigen die je bij het nuttigen van een gerecht gebruikt.’

Hij arrangeert de fragiele blaadjes sla op de twee borden in een bloempatroon om de uitgeholde passievrucht heen. De passievrucht zelf is gevuld met de crème dressing waaraan hij bosbes en aalbes extract heeft toegevoegd, waardoor het een prachtige wirwar van kleuren is geworden. Hij buigt voorover en ademt zachtjes door zijn neus in. De typische bitterzoete geur van Helaïstische vlindersla dringt zijn neus­vleugels binnen. Sla die, verpakt in ijs om het vers te houden, in twee weken met paard en wagen door de bergen naar zijn restaurant is vervoerd om hier het perfecte voorgerecht te vormen in zijn restaurant.

‘De meeste mensen snappen wel dat geur minstens net zo belangrijk is. Het verhoogt het smaakgevoel, maakt de ervaring intenser. Zonder geur wordt het palet aan smaken waar een chef mee kan werken sterk belemmerd. Maar ook tast is van belang. Een knapperig brood is lekker­der dan een taai stuk, ook al is de smaak zelf niet anders.’

Tunne kijkt kort naar Zeniek die niet reageert en gaat dan verder met zijn verhaal.

‘Tot slot wil het oog ook wat. Smaak zit voor een groot deel in je hoofd. Het is een ervaring die niet alleen geschapen wordt door het voedsel dat je in je mond stopt, maar ook de verwachtingen die je daarbij hebt. Het is dus de taak van een chef om niet alleen de ingrediënten zo goed mogelijk voor te bereiden, maar ook een beeld te scheppen dat past bij de smaakervaring die je wil opwekken bij je gast.

Deze vlindersla is daar het perfecte voorbeeld van. De blaadjes zijn zo fragiel dat ze bijna transparant zijn. Dun als een vlindervleugel, daar krijgt het zijn naam van. De smaak is uiteraard subliem, anders zou ik het niet in mijn restaurant serveren, en de dressing is precies goed om de bitterzoete smaak te complementeren met een zuur tintje. Er zit trouwens nog een speciaal ingrediënt in dat je misschien niet zou verwachten. Ik ben benieuwd of je het herkent.

Maar goed, bijna onzichtbare blaadjes geven niet de juiste verwachting. Je kan het bijna niet zien, dus zal het ook bijna nergens naar smaken. Dat is de automatische connectie die je in je hoofd legt, toch? En daarom doen we dit.’

Tunne houdt zijn handen theatraal boven de twee borden sla, haalt diep adem. Tijdens zijn eerste les had zijn mentor gezegd dat magie niet meer en niet minder was dan het manipuleren van warmte en beweging met de kracht van je geest. Als je dat eenmaal doorhad, kon je door naar de veel belangrijkere stap. Wat doe je met al die macht? Wil je macht over anderen of zet je het in om mensen te redden? Gebruik je het voor geweld of om iets te bouwen? Tunne vindt de stelling van zijn mentor te simpel en banaal. Magie heeft het potentieel om mensen in vervoering te brengen, mits goed gebruikt. Het is een kunst om het toe te passen en in zijn geval betekent dat de kookkunst.

Hij ziet in zijn geest hoe de dressing naar de nerven in bladen vlindersla trekt en door de kleine vaatjes zich naar elke cel verspreidt. Geen dressing over de sla, maar letterlijk in de sla. Even dreigt de dressing door de vaten te breken, maar met een paar snelle aanpassingen dicht hij het gat in het slablad. Aalbessensap hier, bosbessen daar in duizeling­wekkende patronen, totdat de vlinderbladen hun naam daadwerkelijk eer aandoen. De transparante salade is een klein kunstwerk geworden.

‘Dit is meer dan een salade die je kan proeven,’ zegt hij tevreden. ‘Dit is een ervaring.’

 

***

 

Tunne leidde zijn kersverse leerling door de drukke eetzaal van zijn restaurant naar de nog drukkere keuken, waar een mengelmoes van geuren hen tegemoetkwam. Hij maakte een groots gebaar naar de acht mensen die gehaast in de weer waren met sauzen en groentes en vers gesneden stukken vlees. ‘Dit is waar de magie plaatsvindt.’

‘Letterlijk en figuurlijk,’ zei de jongen die het met grote ogen aankeek.

‘Ik wist wel dat je het zou begrijpen,’ zei Tunne, meer dan een beetje trots op de professionaliteit en populariteit die zijn restaurant in de afgelopen vijf jaar had opgebouwd. Hij gebaarde naar een statige vrouw die met handen vol fruit voorbijliep. ‘Dat is Poudde, mijn rechterhand. Luister goed naar haar, want ze heeft de meest verfijnde neus in deze keuken. Als zij zegt dat een saus iets meer kruiden nodig heeft, dan is dat ook zo.’

De vrouw rolde met haar ogen, maar gaf Tunne daarna een grijns. De blik die ze naar zijn leerling wierp was minder vrolijk. Hij wist wat ze zag, wat volgens haar het probleem was. Ze zag de lichtrode huidskleur van Zeniek, zo anders dan het roestbruin van Tunne en Poudde. Ze zag de amandelvormige ogen in plaats van haar eigen ronde. Ze zag het tengere postuur van een Ursalai dat zo afweek van de imposante, stevige bouw van Likani zoals zij, Tunne en de rest van de mensen in de keuken.

‘Dit is Zeniek, mijn nieuwe leerling,’ zei Tunne en legde een bemoedigende hand op de schouder van de jongen. Elke keer voelde hij de dwang om zijn keus voor een nieuwe leerling te verdedigen. ‘Chef Luvaad uit Henlal heeft hem naar me doorverwezen. Zeniek hier is een natuurtalent en wij gaan ervoor zorgen dat hij een meesterchef wordt die de naam van ons restaurant eer aandoet. Zijn afkomst maakt daarbij niets uit, begrepen?’

Poudde knikte met weinig overtuiging. ‘Ik hoop dat je weet wat je doet, Tunne.’

‘Natuurlijk weet ik wat ik doe. Hij is de meest veelbelovende leerling in het land,’ zei Tunne. ‘Moet ik dat negeren omdat hij er iets anders uitziet?’

Poudde haalde haar schouders op en ging verder met haar werk, terwijl Tunne haar gefrustreerd nastaarde.

‘Meneer Desmahi, weet u zeker dat ik hier welkom ben?’ vroeg Zeniek, zijn wenkbrauwen gefronst. ‘Ik wil geen problemen veroorzaken in uw keuken.’

Tunne greep zijn leerling bij de hand en sleepte hem mee naar zijn kantoorkamertje aan de achterzijde van het houten gebouw. Hij zette Zeniek in de stoel neer en ging zelf op het bureaublad zitten.

‘Luister, Zeniek. Ik weet dat de wereld daarbuiten bepaalde ideeën heeft over Ursalai en Likani en wie wat hoort te doen, maar dat maakt mij niet uit. Ik wil mooie gerechten maken. Ik wil magie en koken samenbrengen tot een kunst die mensen in vervoering brengt. De politiek, de voor­oordelen en alles wat daarbij komt, horen niet in mijn restaurant thuis. Zolang je je best doet in mijn keuken, zolang je je inzet om het beste gerecht aan mijn gasten voor te zetten, ben je welkom. Dat is het enige dat ik van je vraag. Ik weet zeker dat als de rest ziet hoe gedreven je bent, ze je afkomst weldra vergeten zijn.’

De jongen leek nog niet geheel overtuigd, maar de frons was in ieder geval van zijn gezicht verdwenen.

‘Wil je leren koken?’ vroeg Tunne. ‘Niet gewoon wat ingrediënten bij elkaar gooien, maar echt leren wat het betekent om een chef te zijn?’

‘Niets liever, meneer Desmahi. Ik droom er al jaren van om in een prestigieus restaurant als het uwe te werken.’

‘Alsjeblieft, noem me gewoon Tunne. Ik wil dat je ons allemaal als familie beschouwt. We kunnen misschien niet altijd even goed met elkaar omgaan, maar we horen bij elkaar en we staan er voor elkaar als het erop aankomt. Begrepen?’

De jongen knikte, nu met een grote glimlach op zijn gezicht. ‘Absoluut, meneer… Tunne.’

‘Mooi. Wat je afkomst ook moge zijn, daar hebben we het hier gewoon niet over. Wat mij betreft begint bij de drempel van mijn restaurant een politiekvrije zone.’

Hij had de woorden net uitgesproken toen de deur van het kantoor openvloog en zijn zus binnenstormde. ‘Hoor ik het nou goed dat je een Ursalai hebt aangenomen?’ zei de jonge vrouw, opgewonden met haar armen zwaaiend.

‘Goh, Elle. Leuk dat je er bent. Bedankt dat je even klopte voordat je binnenkwam.’

Elle keek hem even aan alsof hij wartaal uitsloeg, maar keerde haar aandacht toen naar Zeniek. ‘Heilige goden, het is waar,’ zei ze en greep Zenieks hand en pompte hem enthousiast op en neer. ‘Zo leuk om je ontmoeten. Ik ben Elle, de zus van Tunne. Ik werk voor de Likani Courant. Hoe vind je het om in Tunnes restaurant te mogen werken?’

‘Eh, het is een hele eer,’ stamelde de jongen, overweldigd door haar voortvarendheid.

‘Elle, genoeg,’ kapte Tunne zijn zus af. ‘De jongen is net aangekomen. Geef hem zijn hand terug.’

‘Oh, excuses,’ zei Elle en liet Zenieks hand gaan die opgelucht zijn vingers strekte. ‘Maar fantastisch dat je dit gedaan hebt, Tunne. Ik wist wel dat je aan de goede kant stond.’

‘De goede kant?’ vroeg Zeniek. ‘Hoe bedoel je?’

‘Aan de kant van de Ursalai uiteraard. Van degenen die vinden dat Ursalai net zo goed en capabel en ontwikkeld zijn als Likani, ook al zien ze er anders uit. Dat Tunne, een vooraanstaand burger van de stad, een Ursalai leerling heeft aangenomen is een prachtig voorbeeld daarvan. Dat laat zien dat we die idioten van de Rode Hand niet laten winnen. Ik zou graag een artikel willen schrijven in de Courant over hoe je hier terecht bent gekomen. Het is een inspiratie voor andere Ursalai.’

‘Zeniek, waarom ga je niet naar je kamer om je spullen uit te pakken. Ik wil graag even alleen met mijn zus spreken,’ zei Tunne, niet geheel in staat om de irritatie uit zijn stem te houden. Zijn leerling stond op en verliet snel de kamer. Tunne draaide zich naar zijn zus. ‘Elle, wat heb ik je gezegd over je werk bij de courant en hoe je je gedraagt als je in mijn restaurant bent?’

‘Kom op, Tunne. Dit is toch een luide verklaring dat je het niet eens bent met hoe Ursalai behandeld worden in onze stad?’

‘Het is een verklaring dat ik denk dat de jongen een goede chef kan worden. Niet meer, niet minder. Ik wil hem niet betrekken in een of andere campagne voor gelijke rechten. En dat ga jij ook niet doen, begrepen?’

‘Tunne. Dit kan zoveel betekenen voor mensen in de stad. Je bent bekend en bovendien een magiër. Die dingen kan je inzetten om iets goeds te doen. Om een verschil te maken.’

‘Mijn goede naam komt voort uit het feit dat ik subliem eten maak. Magie bestaat niet om debatten te winnen of mensen te overtuigen. Je weet dat ik magie alleen gebruik om kunst te maken. Elke andere toepassing van magie is vulgair. Je gebruikt ook geen fluweel om een latrine schoon te maken. Als je dat niet kan accepteren, ben je hier niet welkom, begrepen?’ Tunne sloeg op het bureaublad om zijn woorden kracht bij te zetten. Was het echt zo moeilijk om in te zien dat hij hier geen deel in wilde hebben?

Elle schudde haar hoofd, overduidelijk teleurgesteld. ‘Maak je geen illusies dat je hier niet bij betrokken zal raken. De buitenwereld geeft niet om je mooie restaurantje als het er echt op aankomt. Je hebt een bepaalde macht, vanwege je positie en vanwege je magie. Die macht trekt aandacht.’

Elle liep naar de deur en voor het eerst merkte Tunne de korte degen en musket op die zijn zus in haar riem meedroeg. ‘Wat is dat?’ zei hij stomverbaasd. Hij had zijn zus nog nooit eerder met wapens gezien.

‘Een schrijver voor de courant heeft ook een bepaalde macht. En ik ga een confrontatie niet uit de weg zoals jij.’ Ze trok de deur achter zich dicht.

 

***

Tussengerecht: Gelaagde garnalensoep uit Minaotl

 

‘Het tussengerecht wordt vaak als minderwaardig beschouwd. Onbe­langrijk. Ook dat is een fout, hoewel er misschien een kern van waarheid in zit. Het voorgerecht is de opener, de ouverture, die de aandacht moet trekken. Het tussengerecht is subtieler. Het moet uiteraard ook een op zichzelf staande gastronomische ervaring zijn, maar het staat vooral in dienst van de overgang tussen de ouverture en het hoofdgerecht. Het overweldigt niet als een grote drum, maar begeleidt de eter met een lichte melodie dieper de maaltijd in.’

Tunne roert door de pan en snuift de ziltige geur op. De soep staat al uren te pruttelen en hij kan aan de geur merken dat het tijd is om deze te serveren.

‘Volgens mij is deze soep gereed, Zeniek,’ zegt hij. ‘Gelaagde garnalen­soep is een bekend tussengerecht, ook te maken zonder magie, hoewel magie het wel makkelijker maakt om de vier verschillende lagen gescheiden te houden tijdens het serveren.’

Hij pakt twee diepe glazen en zet ze naast de pan neer. Hij giet de twee glazen elk een kwart vol en pakt dan een van de blauwe garnalen die hij net gegrild heeft. Met gebruik van zijn magie laat hij de blauwe garnaal voorzichtig in de soep zakken totdat deze perfect stil in het midden van de laag soep hangt.

‘Zoals je ziet, is het is precisiewerk,’ zegt Tunne, terwijl hij langzaam een tweede kwart in de glazen schenkt en dit keer een gele garnaal pakt. ‘Overigens wil ik ook hier weer weten of je verschillende kruiden herkent. Ik heb een paar weinig gebruikte specerijen weten te bemachtigen om er mijn eigen draai aan te geven.’

Met het toevoegen van de groene en witte garnalen rondt hij de soep af.

‘Overigens zijn de verschillende kleuren van de garnalen dit keer niet voor het oog, hoewel dat zeker helpt. De garnalensoep gaat om geluid. Mijn melodiemetafoor was niet voor niets. De verschillende garnalen uit Minaotl hebben elk een bepaalde mate van krokantheid en hebben daar­mee elk een apart geluid als je erin bijt. De beste fijnproevers kunnen aan het geluid alleen al horen welke kleur garnaal er gegeten wordt. Vier lagen, vier smaken, vier geluiden. Een gastronomisch akkoord, noem ik het weleens.’

 

***

 

Tunne liet zich uitgeput in een stoel vallen en zuchtte diep. Tegenover hem viel Zeniek met een even diepe zucht in zijn stoel. Het was eindelijk stil in het restaurant. De gasten hadden het pand verlaten, de keuken was schoongemaakt en alles klaargezet voor de volgende dag. Poudde zwaaide kort gedag voordat ze de voordeur achter zich dichttrok. Na het lawaai van het eindejaarsfeest was de stilte in het pand bijna tastbaar.

‘Wat een dag,’ zei Zeniek terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegde met een schort dat de dag wit was begonnen. ‘Is elk eind van het jaar zo’n gekte?’

‘Eigenlijk wel,’ zei Tunne. ‘Gelukkig hebben we jou erbij dit jaar. Je hebt goed werk geleverd, Zeniek.’

Hij kon de jongen bijna zien opzwellen van blijdschap. Het was een verdiend compliment. Tunne was oprecht trots op zijn toegewijde en hardwerkende leerling. In een paar korte weken had de jonge Ursalai een hoop opgepikt van hoe het er in het restaurant aan toeging. De rest van de keukenstaf had dit gezien en het leek erop dat ze de jongen langzaam­aan begonnen te accepteren. Zelfs Poudde had hem een compliment op zijn portsaus gegeven.

Tunne had nooit de tijd gevonden voor een relatie, laat staan kinderen, maar dat had hij nooit als een gemis ervaren. Nu hij wist hoe bevredigend het voelde om Zeniek te zien opbloeien onder zijn begeleiding, snapte hij de aantrekkingskracht ervan steeds beter.

‘Heb je het nog naar je zin?’ zei Tunne, terwijl hij de fles sinaasappel­likeur die op tafel stond opentrok en twee kleine glaasjes inschonk. Hij schoof een glas naar Zeniek en ze klonken.

‘Absoluut. Ik heb al zoveel geleerd en ik wil nog veel meer leren.’`

‘Geen klachten?’

De jongen twijfelde even voordat hij zijn hoofd schudde. ‘Nee, alles gaat goed.’

‘Wees eerlijk, Zeniek. Als er iets is waar ik je mee kan helpen, wil ik het horen.’

Zeniek zweeg een moment en sprak toen. ‘Ik snap niet helemaal waarom u mij heeft uitgekozen. Ursalai zijn geen magiërs, dus ik ook niet. De helft van de gerechten die u hier op tafel zet zal ik nooit kunnen maken, hoe lang ik ook train.’

‘Ik vroeg me al af wanneer je dat zou vragen,’ zei Tunne. ‘Bekijk het zo: hoeveel magiërs wonen er in de stad?’

‘Geen idee. Dertig?’

‘Bijna goed, zevenentwintig, en zesentwintig daarvan verspillen hun vaardigheden aan onzin en politiek geneuzel. Nu, hoeveel restaurants van echte topkwaliteit?’

‘Maar eentje, natuurlijk,’ zei Zeniek enthousiast en Tunne begon te lachen.

‘Vleier,’ zei hij. ‘Als ik echt eerlijk moet zijn, denk ik vier stuks. Dus zeventwintig magiërs tegenover vier topchefs. Dat betekent dat goede chefs zeldzamer zijn dan magiërs, Zeniek. Dat betekent dat jij zeldzamer bent dan een magiër.’

‘Maar ik ben geen topchef,’ protesteerde Zeniek. ‘Ik kom net kijken.’

‘Dan moeten we daar maar aan gaan werken, niet? Wat ik in jou zie is dezelfde passie die ik heb en dat is belangrijker dan magie. Magie maakt mijn kookkunst beter en dus zal jij harder moeten werken om op hetzelfde niveau te komen, maar dat kun je wel. Dat zie ik in je.’

De jongen viel stil en even vreesde Tunne dat hij te ver was gegaan in zijn enthousiasme. Zijn leerling was nog erg onzeker over zijn positie in het restaurant en zijn afkomst speelde daar geen kleine rol in. Tunne had vanaf het begin geweten dat hij het zelfvertrouwen van de jongen langzaamaan zou moeten opbouwen om hem tot de topchef te maken die Tunne in hem zag. Hij besloot om het over een andere boeg te gooien.

‘Wat is je droommaaltijd?’ vroeg hij.

‘Mijn droommaaltijd?’

‘Kom op, iedereen die hier werkt heeft een droommaaltijd. Het meester­werk dat je jezelf zou voorschotelen als je elk ingrediënt ter wereld ter beschikking zou hebben. Waarna je kan zeggen dat je je werk als chef hebt gedaan in deze wereld. Geld speelt geen rol, tijd speelt geen rol. Wat zou je op tafel zetten?’

‘Oh, op die manier. Als eerste…’ Voordat Zeniek verder kon gaan, klonk er een enorm lawaai achter het gebouw. Brekend glas. Krakend hout. Zeniek stond op zijn benen voordat Tunne kon reageren en schoot de keuken in.

‘Wacht,’ riep Tunne die zijn vermoeide lichaam overeind trok. Hij volgde Zeniek door de keuken en naar de achterdeur. Het glas in de deur was ingeslagen en scherven lagen verspreid over de hardhouten vloer, te midden van een steen ter grootte van zijn vuist. Ergens in de verte hoorde Tunne schaterend gelach en vervagende voetstappen.

‘Waarom?’ stamelde hij. Hij kon het niet bevatten. ‘Wie?’

‘Tunne, kijk,’ zei Zeniek. Zijn leerling had de deur opengedaan en op de buitenkant was een grove rode hand geschilderd in rood glanzende verf. Onder de hand stond de leus die Tunne de laatste tijd maar al te vaak had gehoord, maar nooit in deze buurt van de stad: Puur Likani. Het motto van de Rode Hand die als hoofddoel had om alle Ursalai de stad uit te werken. Hij voelde de drang in zich opkomen om de ruwe letters weg te vegen met zijn magie. Het zou slechts een paar seconden kosten, maar hij hield zich in. Die idioten waren het niet waard om zijn magie aan te spenderen.

‘Volgens mij is het bloed,’ zei Zeniek net toen de wrange geur de neus van Tunne binnendrong. De handen van zijn leerling trilden even hard als zijn stem. ‘Ze hebben bloed gebruikt.’

‘Ruim het op,’ zei Tunne gehaast. ‘We halen het nu weg zodat niemand het hoeft te zien. We geven hen geen aandacht en gaan gewoon verder met ons leven. We laten ons niet intimideren, toch?’

Hij wist niet of hij Zeniek of zichzelf probeerde te overtuigen, maar de jongen deed wat hij hem bevolen had.

‘Je kan bij mij thuis overnachten als je wilt,’ bood Tunne aan. ‘Als je dat veiliger vindt.’

Zeniek keek hem aan en er veranderde iets in hem. Iets in zijn postuur, de rechte schouders, de gebalde vuisten. ‘Nee, ik wil eerst met Elle praten.’

 

***

Hoofdgerecht: Lamsboutpastei uit de oven

 

‘De lamsboutpastei wordt het lastigste gerecht ter wereld genoemd vanwege de uitdaging om het lamsvlees goed te garen terwijl ook de paté en het bladerdeeg tot de juiste graad gebakken worden. Vocht is je grote vijand want als er te veel vocht uit het vlees in de rest van pastei komt, wordt deze zacht en valt uit elkaar. Het luistert allemaal wederom erg nauw.’

Tunne haalt de perfect glanzende pastei uit de steenoven en de geur van knapperig brood verspreidt zich door de keuken.

‘En daarom speel ik een beetje vals,’ zegt hij terwijl hij de pastei op tafel zet en een koksmes tevoorschijn haalt. ‘Met een beetje magie. Gaten in het vlees waardoor vocht kan ontsnappen maak ik dicht met een snelle toepassing van wat kinetische energie en door de juiste krachtvelden aan te leggen tussen de verschillende lagen in de pastei kan ik de temperatuur precies regelen. Er dient zich dan echter één probleem aan.’

Hij zet het mes in de pastei en maakt een snijdende beweging. Het mes glijdt soepel door het bladerdeeg, maar komt dan met een zacht geschraap vast te zitten in een van de krachtvelden.

‘Die krachtvelden verdwijnen niet zomaar nadat ik ze heb aangelegd en met een regulier mes kom je daar niet doorheen. Daarom hebben we dit.’

Hij doet een leren handschoen aan en grijpt een ander mes dat van dof gietijzer gemaakt lijkt te zijn.

‘Dit is heksenstaal, Zeniek, en mensen verklaren me voor gek dat ik als magiër de substantie om magie tegen te gaan in huis heb, maar het is een cruciaal stuk gereedschap in mijn keuken.’

Met het nieuwe mes snijdt hij zonder problemen door het knapperige bladerdeeg, de smeuïge paté en tot slot de zacht gegaarde lamsbout. De geur van rozemarijn en sappig vlees doet Tunne verzuchten terwijl hij zijn leerling een stuk van de pastei voorzet.

‘Het heksenstaal haalt het krachtveld pas op het allerlaatste moment weg, waardoor de smaak op zijn best is als de pastei wordt opgediend.’

 

***

 

Tunne keek hulpeloos naar het artikel op de voorpagina van de Likani Courant met zijn zusters naam eronder.

‘Dit is al het derde artikel dat ze geschreven heeft samen met Zeniek,’ zei Poudde, met haar wijsvinger op de Courant tikkend. ‘Daarom hebben we zo weinig klandizie de laatste tijd. Iedereen weet nu dat er hier een Ursalai werkt.’

‘Maar Zeniek werkte hier al een hele tijd voordat de opkomst daalde,’ protesteerde Tunne.

‘Ja, in de keuken waar niemand hem zag. Dat was geen probleem, maar nu wordt iedereen met zijn neus op de feiten gedrukt dat hij hier is. En daarom blijven ze weg. Daarom is er alweer een rode hand op onze deur gesmeerd. Sorry, Tunne, maar op deze manier kan ik niet verder werken. Ik voel me niet veilig en ik heb een goed aanbod gehad om bij een ander restaurant aan de slag te gaan als chef. Een restaurant waar geen Ursalai komen en ze zeker niet werken.’

‘Je gaat weg?’ zei Tunne. ‘Maar ik heb je hier nodig. Je bent mijn rechterhand. Zonder jou kan ik de boel niet draaiende houden.’

‘Met de hoeveelheid gasten die we tegenwoordig hebben, lukt dat makkelijk. Dus tenzij je Zeniek eruit gooit, ben ik weg.’ Poudde keek hem afwachtend aan en haalde haar schouders op toen Tunne niet ant­woordde. ‘Nee, dat dacht ik al. Het ga je goed, Tunne. Dat hoop ik echt.’

‘Wacht, Poudde. Hoe kijken de anderen hier tegenaan?’

‘Igge wil met mij mee naar het andere restaurant en ik geloof niet dat Haddi echt ziek is. De rest weet ik niet.’

Poudde slingerde haar tas over haar schouder en schudde Tunne de hand, maar zijn gedachten waren ergens anders. Familie. Zo had Tunne altijd over zijn personeel gedacht. Misschien niet altijd de beste vrienden, maar wel mensen die bij elkaar hoorden en voor elkaar opkwamen. En nu lieten ze hem in de steek vanwege een stom artikel van Elle. Woedend verkreukelde hij het papier tot een grote prop en gooide het in de oven waar het onmiddellijk vlam vatte. Hij had zijn zus nog zo verteld dat hij hier niet bij betrokken wilde worden.

Maar dat was niet het enige: uit de tekst was duidelijk op te maken dat Elle de informatie niet zelf had verzameld. Zeniek had meegewerkt aan het artikel en dat voelde als een nog groter verraad dan Poudde en Igge die spontaan vertrokken. Hij was Zeniek steeds meer als een zoon gaan zien dan een leerling. Iemand in wie hij zichzelf herkende, maar ook iemand aan wie hij op den duur zijn restaurant kon overdragen. En Zeniek betaalde hem op deze manier terug?

Alsof zijn woede hen opgeroepen had, klapte de voordeur van het restaurant open en kwamen Zeniek en Elle de eetzaal binnengestrompeld. Nog voordat Tunne in een wilde tirade kon uitbarsten, riep Zeniek naar hem.

‘Tunne, we hebben hulp nodig. Ze is gewond.’

Elle kon nauwelijks op haar benen staan en werd met moeite onder­steund door de jonge Ursalai. Haar hemd en jas waren met bloed door­drenkt dat nu op zijn vloer drupte. Hij vergat onmiddellijk zijn woede en rende naar het tweetal toe. Voorzichtig legde hij zijn zus op de grond. Haar gezicht baadde in het zweet en ze ademde snel en oppervlakkig.

‘Heilige goden, wat is er gebeurd?’

‘Ze is neergestoken,’ zei Zeniek die nerveus zijn handen in elkaar wreef. ‘Ik wist niet wat ik moest doen. Ze bloedt zo erg.’

‘Waarom heb je haar niet naar een chirurgijn gebracht dan?’

Elle stak een trillende hand op. ‘Geen tijd,’ fluisterde ze. ‘Alsjeblieft, Tunne. Het doet pijn.’

Zijn magie. Ze wilde dat hij zijn magie op haar zou gebruiken op een levend persoon. Iets wat hij gezworen had nooit te doen. Hij gebruikte zijn magie om te koken, niets anders. Maar wat moest hij dan doen? Zijn zus hier zien doodbloeden op zijn vloer?

‘Tunne, kom op,’ zei Zeniek, opgewonden aan zijn schouder trekkend. ‘Je moet iets doen.’

Tunne haalde diep adem en sloot zijn ogen. Hij legde zijn hand op de plakkerige buik van Elle en stuurde zijn magie naar binnen. De wond was niet groot, maar wel diep. Opengespatte bloedvaten pompten bloed haar lichaam uit met elke hartslag die sneller en sneller op elkaar volgden. Hij onderdrukte een braakneiging en begon met zijn magie de vaten af te knijpen. Waar mogelijk probeerde hij de gescheurde spieren weer aan elkaar te hechten en de schade zo goed en zo kwaad als het ging te beperken.

Hoe lang het duurde wist hij niet, maar uiteindelijk stopte het bloeden en werd Elles ademhaling kalmer. Hij opende zijn ogen en trok zijn bebloede handen van haar lichaam.

‘Ik denk dat we haar nog even moeten laten liggen,’ zei hij, terwijl hij naar de keuken liep. Hij schrobde verwoed zijn handen in het bassin in een vergeefse poging om alles van zich af te zetten. Hij voelde zich vies, niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Plotseling kwamen de braak­neigingen terug en gaf hij vol over in het waterbassin. Er zat bloed in zijn keuken, in zijn kleren, zijn lichaam, zijn geest en vooral in zijn magie. Hij had met zijn magie in het lichaam van een levend mens gezeten en hij wist niet of hij dat smerige gevoel ooit weer kwijt zou raken.

Hij veegde de laatste restjes zuur braaksel van zijn mond voor hij terugliep naar de eetzaal. ‘En nu ga je me vertellen wat er gebeurd is,’ zei hij.

‘We waren bij de protestmars op het Waagplein,’ begon Zeniek. ‘De grote actie om een tegengeluid te geven tegen het geweld van de Rode Hand.’

Tunne had geen idee dat die actie gepland stond, maar het verbaasde hem weinig dat zijn zus aanwezig was geweest. Dat Zeniek er ook was des te meer.

‘Het ging allemaal goed in het begin. De opkomst was goed en de toespraken ook. Maar toen kwam er een groep Rode Handen die hun leuzen begonnen te spuien. Elle en nog wat anderen probeerden hen weg te sturen, maar toen trokken ze opeens allemaal messen en zwaarden. Elle probeerde haar musket te trekken, maar er was een man met een mes. En hij stak en plotseling was er allemaal bloed. Ik weet alleen nog maar dat ik haar beetpakte en wegsleurde. Ik wist niet wat ik moest doen. Alleen maar dat ik weg moest komen.’

‘Wat deed jij daar sowieso, Zeniek? Je weet dat ik dat niet wil.’

‘Ik kwam op voor mijn bestaansrecht. De Rode Hand zegt dat ik hier niet mag werken, dat ik minderwaardig ben. Moet ik dat zo maar laten gaan zonder iets te zeggen?’ Zeniek zwaaide opgewonden met zijn armen, zijn stem luider en luider. Tunne keek verbaasd naar de overtuiging waarmee de jongen sprak. Dit had hij nog niet eerder gezien in de jonge Ursalai.

‘De enige die bepaalt of je hier mag werken ben ik. En ik denk niet dat je minderwaardig bent. Dat weet je.’

‘Maar andere Ursalai in de stad die in een ander restaurant willen werken? Hoe zit het daarmee? Ik moest er gewoon wat van zeggen.’

Alle woede, vergeten door de bloederige crisis, laaide weer in Tunne op. ‘En kijk wat daarvan komt!’ schreeuwde hij naar zijn bebloede zus wijzend. ‘Ik heb de hoop opgegeven dat zij ooit bij zinnen komt, maar jij hebt nog een kans. Hou hier alsjeblieft mee op. Hou jezelf veilig hier.’

‘Veilig met ramen die ingegooid worden? Met bloed dat op de deuren wordt gesmeerd?’

Tunne hield een hand omhoog en Zeniek viel stil. ‘Geen protestmarsen meer. Geen artikelen meer. Ik wil je niet kwijtraken, Zeniek. Alsjeblieft.’

‘En als ik dat wel doe?’ daagde Zeniek hem uit.

‘Ik wil je niet kwijtraken. Je bent me dierbaar,’ herhaalde Tunne en alle kracht leek uit Zeniek weg te vloeien. Er bleef alleen een vermoeide, moedeloze jongen achter.

‘Goed,’ zei hij, terwijl hij wegliep. ‘Jij wint.’

‘Het is voor je eigen bestwil, Zeniek,’ riep Tunne hem na, maar de jongen gaf geen antwoord.

 

***

 

Nagerecht: Chocolat fondant met kokosijs

 

‘Ik geef eerlijk toe dat chocolat fondant een cliché dessert is. Elke half­bakken kok in een tweederangs herberg zet dit weleens op de kaart. Er zit al tientallen jaren geen vernieuwing in. Je hebt er zeker geen magie voor nodig, dus als we het over kookkunst hebben, is dit niet wat er in mij opkomt. Maar als we even teruggaan naar wat ik zei bij het voorgerecht, dan weet je dat eten over meer gaat dan smaak. Het gaat over ervaring en nieuwe ervaringen worden voor een belangrijk deel gevormd door wat je eerder hebt meegemaakt en je verwachtingen van wat er komen gaat.’

Tunne gebaart met een arm door het restaurant, naar de glanzend hardhouten vloer, de fluwelen gordijnen en kristallen kroonluchter midden in de zaal. Naar de artistiek gevormde glazen en het zilveren bestek.

‘Al deze pracht en praal is geen protserigheid. Het is bedoeld om de sfeer op te roepen, om een bepaalde verwachting op te wekken, bepaalde herinneringen op te halen en opnieuw te vormen. Die herinnering maakt chocolat fondant voor mij het ultieme dessert. Toen ik tien jaar oud was namen mijn ouders Elle en mij mee naar een lokaal restaurantje in een stadje in het noorden. Ik weet de naam van het plaatsje niet meer, laat staan de naam van het restaurant dat echt niet boven middelmatige kwaliteit uitkwam. Maar hun chocolat fondant sloeg bij mij in alsof ik door een vleeshamer getroffen was. Omringd door familie op een plek waar ik me veilig voelde, ervoer ik een subliem genot toen ik een lepel smeltende chocolade nam en die samen met een hap kokosijs naar binnen werkte. Puur geluk vormgegeven in een beetje voedsel. Dat was het moment waarop ik besloot om een chef te worden, Zeniek, want dat soort ervaringen wilde ik aan anderen geven.’

Hij zet de twee schaaltjes neer op tafel en pakt een van de zilveren lepeltjes op. ‘Dit is de eerste keer dat ik chocolat fondant heb gemaakt. Ik ben altijd nerveus geweest omdat ik bang was dat de smaak niet hetzelfde zou zijn als toen. Nee, niet de smaak, maar de ervaring. Ik denk echter dat de tijd om het uiteindelijk toch te doen nu is aangebroken.’

Tunne zet de lepel in het donkerbruine taartje en warme chocolade vloeit zachtjes uit de gebroken korst. Snel schept hij er wat van het romige kokosijs bij en neemt een hap.

 

***

 

‘Zeniek, waar ben je?’ riep Tunne door het restaurant, druk bezig het vuur in de oven op te stoken. ‘Waar is iedereen in naam van de heilige goden? We hebben maaltijden voor te bereiden.’

Niet dat het er veel zouden zijn, dacht hij grimmig. De klandizie was verder teruggelopen, precies zoals Poudde voorspeld had. Tunne had zich gedwongen gezien om twee serveersters te ontslaan en iemand van de keukenstaf was zelf vertrokken. De ramen van de eetzaal waren ingegooid en met bloederige rode handen besmeurd. Zijn werk, alles wat hij hier had opgebouwd, stond op instorten als een brood dat hij te lang had laten rijzen. Hij kon er nog steeds niet bij hoe dat zo snel had kunnen gebeuren. Hij had zo geprobeerd zich buiten alle discussies te houden, buiten de onlusten en de politieke oproer. Hij wilde alleen maar koken, maar nu was hij de helft van zijn personeel kwijt en hij draaide elke avond verlies omdat mensen niet meer durfden of wilden komen. Zeniek was er nog, maar zijn verbod om nog deel te nemen aan protestacties stond als een muur tussen hen in. Zijn zus had het verbod ook niet goed opgevat en sprak niet meer met hem.

‘Tunne Desmahi,’ riep een onbekende stem vanuit de zaal. ‘Kunt u misschien even hier komen?’

Tunne verstijfde. Het restaurant was nog niet geopend en hij had de voordeur tegenwoordig stevig op slot zitten. Hij greep naar een van zijn koksmessen en hield het als een wapen voor zich terwijl hij de deur naar de zaal openduwde.

Zes mensen in donkere jassen stonden verspreid door de zaal. Ze hadden allemaal een rode hand op hun schouders genaaid en lange degens aan hun zijde. Een van hen, een stevig gebouwde Likani vrouw met een grote bos haar, draaide met een klik het slot van de voordeur dicht en stopte de sleutel weg.

Aan de tafel midden in de zaal zat Zeniek naast een man die ondanks zijn kleinere postuur duidelijk de leider van het gezelschap was. Zijn schouder had niet alleen een rode hand, maar ook een dubbele ster eronder. Tunne had geen idee wat het betekende, behalve dan dat hij belangrijk was. De man hield een musketpistool in zijn hand dat hij tegen Zenieks slaap drukte. ‘Meneer Desmahi, welkom. Wilt u misschien gaan zitten?’

Zenieks ogen schoten in paniek heen en weer van Tunne naar de leider van de Rode Hand. Zijn gezicht was bezweet en zijn mond trilde. Tunne voelde zijn handen klam worden en met weke benen stapte hij naar voren.

‘U kunt het mes laten liggen,’ zei de leider en knikte naar het koksmes dat Tunne nog steeds in handen had. Hij liet het verschrikt vallen en het bleef trillend in de houten vloer steken. Twee van de mannen grepen naar hun degen, maar de leider gebaarde hen te wachten.

‘Wat wil je?’ Tunne verbaasde zich hoe beheerst zijn stem klonk terwijl zijn hart luidkeels in zijn lichaam bonsde. ‘Alsjeblieft. Ik wil geen problemen.’

‘Ik wil met u praten over de toekomst van deze stad,’ zei de leider, onverstoorbaar beleefd. ‘Over uw rol hierin en over de bezoedeling die er in uw fijne restaurant plaatsvindt.’

‘Ik wil alleen maar met rust gelaten worden,’ zei Tunne. ‘Ik weet niets van politiek of rassendiscussies. Ik wil alleen maar de magie van de kookkunst verspreiden.’

‘Daar staan we bij de Rode Hand volledig achter,’ zei de man enthousiast. ‘Uw restaurant is inderdaad een prachtig exemplaar van de hoogontwikkelde Likani cultuur van deze stad. Daar mogen we trots op zijn. Nee, daar moeten we zelfs trots op zijn. Als we zulk soort dingen niet in de schijnwerpers zetten, verdienen we het niet om ons Likani te noemen.’

Tunne lette maar half op de conversatie. Hij dacht koortsachtig na over wat hij kon doen. Zou de rest van zijn personeel nog komen en de wachters waarschuwen? Nee, anders waren ze er onderhand wel geweest. Hij moest zelf wat doen. Wegrennen was onmogelijk met een kamer vol gespierde zwaardvechters. Telkens kwamen zijn gedachten terug bij het vuurwapen dat tegen het hoofd van Zeniek gedrukt was. Hij kon er niet van wegkijken. Een kleine beweging was alles dat de man hoefde te doen. Een snelle klik en Zenieks korte leven was voorbij. Dat kon hij niet laten gebeuren.

‘Meneer Desmahi, attentie alstublieft,’ zei de man en knipte met zijn vingers. ‘Ik stelde u een vraag.’

‘Pardon?’

‘Ik wil weten waarom u erop blijft staan uw prachtige Likani restaurant te bezoedelen met een Ursalai bediende. We hebben toch genoeg waar­schuwingen gegeven dat u er iets aan moest doen. Uw personeel heeft de boodschap doorgekregen, maar uzelf hebt er kennelijk wat moeite mee. Vandaar dat ik hier nu ben.’

Magie was het enige dat hij kon bedenken. Een krachtveld tussen het pistool en Zeniek om de kogel tegen te houden. Daarna een veld om de man heen zodat hij niet naar zijn degen kon grijpen. De rest stond te ver weg om hem of Zeniek direct aan te vallen. Die kon hij met een simpele duw tegen de wand gooien. Dan konden ze ontsnappen door de achterdeur, die niet op slot zat. Hij begon zich te concentreren.

‘Ik kan uw restaurant redden, meneer Desmahi,’ zei de leider en Tunne raakte zijn concentratie kwijt. ‘De Rode Hand is voornamelijk een beweging van de gewone man, maar we krijgen steeds meer invloed in de hogere lagen van de maatschappij. Wij willen ons imago verbeteren en als wij geregeld in het beste restaurant in de stad gezien worden, zou dat een hoop helpen. Ik kan u genoeg gasten bezorgen dat u elke avond vol zit. Zo veel dat u binnen luttele weken kan nadenken over het openen van een tweede restaurant, een derde. U kunt bergen met geld verdienen als u met ons meewerkt.’

‘En Zeniek?’ vroeg Tunne. De jonge leerling had tranen op zijn wangen en zijn handen trilden van de spanning. ‘Wat gebeurt er met hem?’

‘Daar hoeft u zich geen zorgen over te maken,’ zei de man. ‘Die gaat met ons mee en u zal hem nooit meer zien.’

Tunne keek naar de man, naar zijn volgelingen en tenslotte weer naar Zeniek. ‘Wat moet ik met een tweede restaurant?’ zei hij en gooide het eerste krachtveld op. Het schot ging af.

 

***

 

Afsluiter: Ursalai vuurwhisky

 

Tunne pakt twee glazen en zet ze op tafel. Hij pakt de donkergroene fles erbij die hij net uit de kelder heeft gehaald. Het etiket is vergeeld, de fles stoffig.

‘De afsluiter is volgens de officiële leer van de kookkunst geen gang van het diner, maar ik vind dat het erbij hoort. Iets om de maaltijd rustig tot een einde te brengen terwijl we de ervaring tot ons nemen,’ zegt Tunne terwijl hij het loden zegel van de fles verbreekt. ‘Deze fles vuurwhisky heb ik al bijna twintig jaar in mijn kelder liggen en zelfs toen ik hem kocht was hij al bijna veertig jaar oud. Zoiets bewaar je voor een speciale gelegenheid uiteraard, maar na zo’n lange tijd is niets meer speciaal genoeg. Geen enkele gebeurtenis weegt dan op tegen de historie die aan zo’n fles verbonden zit. Maar als je zo denkt, dan drink je hem nooit op en dat is ook zonde.’

Hij trekt de kurk van de fles en een overweldigende geur van alcohol komt uit de hals naar boven. Zachte tonen van walnoten en karamel zijn net tussen het alcoholisch geweld te ontdekken. Tunne schenkt twee glazen in en zet er een voor Zeniek neer en een voor hemzelf.

Het bloed druipt niet meer uit de hoofdwond, merkt Tunne op. Ergens in de afgelopen uren is al het bloed uit Zenieks lichaam gelopen en nu is er niets meer over. De glazige ogen van zijn jonge leerling staren doods naar beneden, naar de tafel waar een bord verlepte sla naast lauwe soep staat, waar kokosijs en chocolade langzaam tot een bruine brei versmelten.

Heksenstaal om een krachtveld te doorbreken. Tunne had kunnen weten dat de Rode Hand niet onvoorbereid het huis van een magiër zou betreden. Dus had de leider een kogel van heksenstaal meegenomen. Tunne had net zo goed de Likani Courant tussen het wapen en Zeniek kunnen houden. Tunnes tweede krachtveld werkte echter perfect en de leider van de groep zit nog steeds gevangen, levend, maar onbeweeglijk op zijn stoel. De andere vijf liggen met gebroken lichamen op de vloer nadat Tunne ze in zijn woede als poppen tegen de muur heeft gegooid. Een van hen kreunt nog zachtjes, maar de rest is al enige tijd stil.

‘Het punt met Ursalai vuurwhisky — alom beschouwd als de beste whisky ter wereld — is dat het zo veel alcohol bevat dat het de overige smaken geheel overstemt.’

Hij knipt boven zijn glas met zijn vingers. Met een zacht geluid alsof iemand een zijden handschoen uittrekt, flikkert er een blauw vlammetje tot leven boven het drankje.

‘Daarom moet je de whisky even laten branden. De hoeveelheid alcohol neemt dan af en de opwarming van het glas zorgt ervoor dat de andere smaken van de whisky beter tot hun recht komen. Het is overigens wel verstandig om het weer op tijd te doven, anders heeft het de neiging het glas te breken en je tafel in brand te steken.’

Hij telt tot vijftien en legt dan zijn hand met een vlugge beweging op het glas. De vlam dooft en hij pakt het warme glas op. De geuren van noten en karamel zijn nu makkelijk te ontdekken en na een diepe zucht neemt hij een slok, laat het paar keer door zijn mond glijden en slikt het dan door. De drank brandt langs zijn keel en tot diep in zijn slokdarm, verwarmt zijn buik vanbinnen en verbrandt daar het laatste beetje emotie dat hij nog voelt. Hij is alleen nog maar moe.

‘Ik wilde alleen maar mooie ervaringen creëren,’ zegt hij tegen zijn leer­ling. ‘Ik wilde mensen mooie herinneringen geven zoals ik die zelf heb. Het spijt me dat ik je hierheen heb gehaald en deel van mijn leven en van mijn familie heb gemaakt zonder aandacht te besteden aan wat dat zou betekenen. Misschien heeft Elle gelijk dat mijn magie altijd aandacht zou trekken van hen die macht willen hebben. Ik weet het niet. Ik weet alleen maar dat de ervaring bitter is geworden. Dat de herinneringen zijn verzuurd. Dat de magie, niet de echte fysieke magie, maar de wonder­baarlijke, verrassende magie die je in verrukking brengt, verdwenen is.’

Tunne neemt nog een slok van de whisky. ‘Weet je nog dat ik zei dat er een aantal speciale ingrediënten in het eten zat? Dat waren Irdali woestijnkruid, een snufje salpeter en vijlsel van heksenstaal. Samen met rozemarijn en alcohol maakt dat iets dat heksenbrouwsel genoemd wordt. Het drankje dat de magie van een magiër permanent en onom­keerbaar wegneemt. Dat bevindt zich nu allemaal in mijn maag. Als magie dit soort aandacht trekt en me dwingt om dit soort dingen te doen, wil ik geen magiër zijn. Geen magiër en ook geen chef.’

Tunne knipt weer met zijn vingers en steekt het glas whisky voor Zeniek aan. ‘Dat betekent dat al mijn magie weldra verdwijnt. Wat het met die vlindersla gaat doen weet ik niet, maar alle krachtvelden houden binnen­kort op te bestaan. De vraag voor onze Rode Hand hier, is of dat gebeurt voor of nadat het glas vuurwhisky breekt. Het is niet genoeg, maar dat is het enige dat ik je nog kan geven, Zeniek. Vaarwel.’

Tunne kust het voorhoofd van zijn jonge leerling, de zoon die hij nooit had, en verlaat via de keuken het restaurant. Hij doet de deur achter zich op slot.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.

De beste bedoelingen : Wouter van Gorp

Soms vraag ik me af waarom ik naar de zon staar.

Fascinatie met de vijand. Simpele haat. Dat zal ik in ieder geval antwoorden, als iemand ernaar vraagt. Maar ik voel geen haat wanneer ik mijn bed uit kom omdat de slaap me niet grijpt. Wanneer ik, sluipend, om mijn vrouw niet wakker te maken, naar het balkon ga en op het tuinmeubilair plaatsneem. Ik voel geen vijandschap voor de verzengende bal van vuur, hoog in de hemel.

Ik voel slechts haar warmte, en beeld me in hoe mijn rode huid langzaam begint af te bladderen…

 

Balthamon legt zijn pen neer en geeft de inkt tijd om te drogen op het crèmekleurig papier. Hij onderdrukt een gaap. Vandaag was een slechte dag: vier uur slaap, waarvan twee zeer onrustig. De overige tijd had hij doorgebracht op het balkon.

Een slechte gewoonte. Zeer slecht. Het begon op te vallen dat hij aan het dagbraken was. Niet alleen bij zijn vrouw, of zijn baas, maar ook bij demonen die hij doorgaans nauwelijks sprak.

Het was het idee van zijn vrouw geweest om het nachtboek bij te houden.

De rode demon schudt zijn hoofd, en pakt zijn pen weer op.

 

Het zou me helpen om de zaken in perspectief te krijgen. Dat zei Lucinda.

Natuurlijk heb ik haar idee afgeschoten. Weggehoond. Als ze wist dat ik er daadwerkelijk mee begonnen was, zou ze wachten tot ik naar mijn werk was en dan alles lezen wat ik hier schrijf.

Het was een goed idee, dat moet ik toegeven. Schrijven lijkt me te helpen.

 

Balthamon laat de punt van zijn pen boven het papier hangen.

Even twijfelt hij of hij nog meer zal schrijven, totdat hij in de kamer naast hem Lucinda met een kreun wakker hoort worden.

Balthamon vergewist zich ervan dat de inkt op het papier droog is voordat hij het boek dichtslaat. Het met bleek leer omwonden boek stopt hij weg in een kluis achter een schildering van Bosch – De Dood van een Vrek -, maar met enkele details die op aarde ontbreken.

In de slaapkamer steekt Lucinda haar tirade tegen het laatste licht af, en Balthamon dekt snel de kluis weer af met het bont beschilderde paneel van eikenhout. De demon woonde al in het appartement voordat hij Lucinda leerde kennen en zijn geliefde succubus heeft geen idee van de schatten, verborgen achter de hersenspinsels van Bosch. En dat wil Balthamon graag zo houden.

 

De succubus in kwestie is aan haar avondritueel begonnen in de bad­kamer. ‘Goed geslapen?’ vraagt Balthamon tegen beter weten in, als hij zijn armen vanachter om haar middel slaat.

‘Als een wrak. We moeten echt iets doen aan die gordijnen. De zon brandde bijna door mijn oogleden heen. En op een gegeven moment hoorde ik vogels. Vogels, Balt! Duivelvergeten vogelgefluit!’

‘Er zijn geen vogels in Hel,’ corrigeert hij haar. ‘Vleerhonden, waar­schijnlijk. Of vreesvissen.’ Hij haalt diep adem, met zijn neus in haar ravenzwarte haar. Hij drukt haar dichter tegen hem aan, en zijn rechter­hand vindt haar borst.

‘Poten thuis, klerelijer. Niet voordat ik koffie heb gehad.’

Balthamon maakt een geluid, half snuif, half lach. ‘En dat moet ik geloven?’ Zijn handen glijden over haar met satijn omhulde contouren, en hij laat een kleine kreun van goedkeuring horen.

‘Ik méén het, Balt!’

‘Oké, oké.’ Hij houdt zijn handen in overgave in de lucht. ‘Als die koffie zo belangrijk voor je is…’

‘Ik heb een zware nacht voor de boeg, Balt. De aartsbisschop van Agrigento, weet je nog? Vijfentwintig jaar zitten we al achter die preutse papzak aan. En vannacht is hij de onze! Als er nu nog iets misgaat zullen er koppen rollen. Ik moet op mijn best zijn. En trouwens, jij moet je energie helemaal niet aan mij verspillen! Jij hebt je eigen problemen, nietwaar? Adramelech verwacht die nieuwe angst van je, en wel van­nacht. Geen afleidingen. Voor ons allebei niet.’

Balthamon knikt. Ze heeft gelijk. Hij weet dat ze gelijk heeft. Toch lijken er de laatste tijd steeds vaker pragmatische bezwaren tussen hen en seks te staan…

‘Hé,’ zegt Lucinda. Ze pakt zijn hand en kijkt hem glimlachend aan, alsof ze zijn gedachten gelezen heeft. ‘We zijn er bijna, Balt. De Derde Rij. Lucifer weet dat we er hard genoeg voor hebben moeten zwoegen. Laten we dit nu niet voor onszelf verpesten.’

Hij knikt weer, en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht die nog bijna geloofwaardig is ook.

‘Daar is mijn dappere demon,’ fluistert zijn vrouw, en ze kust hem op de lippen. ‘Naderhand,’ gromt ze in zijn oor, en onmiddellijk voelt hij zijn hele lichaam reageren, ‘dan vieren we het goed.’

‘Daar houd ik je aan,’ fluistert hij.

Met een laatste, verleidelijke glimlach over haar schouder laat Lucinda hem achter in de badkamer.

Balthamon kijkt haar na en zucht. Dan valt zijn blik op zijn spiegel­beeld: als volgeling van Moloch heeft Balthamon de karak­teristieke hoorns als van een sater die uit zijn zwarte haardos omhoog prijken, en de rode huid en hoeven die hem onderscheiden ten opzichte van de mens. Maar zelfs op een meter afstand van de spiegel kan hij zien dat de huid onder zijn ogen donker en sterk dooraderd is. Op een of twee plekken begint die ook te schilferen.

Hij heeft teveel tijd doorgebracht in de zon.

‘Oké,’ zegt hij. ‘Deze jongen moet naar zijn werk. En déze jongen,’ hij kijkt streng omlaag, ‘moet zich nog maar even koest houden.’

 

*

 

De nacht is nog jong, maar de straten van Heksenketel doen hun naam al eer aan. Balthamon is zevenhonderd jaar geleden in de moderne, populaire wijk van Hel komen wonen, en heeft sindsdien nooit spijt gekregen van die beslissing. In de Torens worden de beslissingen genomen, en in de Brandstapels kom je het beste amusement tegen, maar de Heksenketel…. de Heksenketel heeft klasse.

‘Enkele rit naar de Toren van Traan,’ zegt hij tegen de chauffeur – half krekel, half paard – van de opengewerkte koets. ‘En als ik er binnen een kwartier kan zijn, ben ik je dankbaar.’

De mindere demon knikt, en zodra Balthamon op de leren bank heeft plaatsgenomen, komt de koets  in beweging.

Voor de kar wijken de demonen uiteen. Gehoornde padden in over­jassen pauzeren hun verkooppraatjes en sleuren hun kleden met nacht­merries snel van de straat. Een grote, blubberige demon brult over de komende wraak van God. Harpijen en Feeksen fluiten de koets na en hopen tegen beter weten in de inzittende – een duivel van de Vierde Rij, ver boven hun stand – met geneugtes aan zich te binden.

Balthamon let al niet meer op de schepsels. Hij heeft al lang geleden geleerd geen aandacht te besteden aan demonen die zo ver beneden zijn stand zijn. Hij weet dat hij op een gegeven ogenblik – of het nu over vijfhonderd of vijfduizend jaar is – weer deel uit zal maken van de vulgaire kakofonie die het straatbeeld vult. Dat is de aard van demonen: ze worden niet geboren en ze gaan niet dood. Doorgaans. En in de eeuwigheid waarin ze leven, vervullen ze de cyclus van laag naar hoog en weer terug talloze keren.

De mindere schepsels krijsen en joelen, en herinneren Balthamon iedere nacht aan dat feit. Ooit was hij één van hen. Ooit zal hij weer één van hen zijn.

Plots komt de koets tot stilstand voor een T-splitsing. De demon die de koets voorttrekt stampt met zijn paardenpoten en produceert een hoog, tjirpend geluid door zijn vleugels over elkaar heen te strijken. Nerveus zwaait hij zijn kop heen en weer – van de linker straat naar de rechter, en weer terug – voordat hij begint te spreken:

‘Waar….heen?’

De chauffeur kijkt met grote ogen achterom, angstig over zijn lot nu hij een hogere demon heeft teleurgesteld.

Balthamon zucht.

‘Links graag.’

 

*

 

Lucinda had gelijk. Vannacht was een belangrijke nacht.

Vannacht was de nacht waarop Balthamon zijn onderzoek aan zijn baas presenteerde.

Natuurlijk was het niet louter zijn onderzoek. Een heel team van analisten en rekenkundigen had zich om Balthamon, de prognost, geschaard om diens bevindingen verder te toetsen. Hun doel: het vinden, uitvergroten en op aarde terugstorten van de 21e-eeuwse angst.

Tien jaar lang had Balthamon nu door de ether van de menselijke media gezworven. Het voordeel van de vooruitgang: twintig jaar geleden had hij handmatig van ziel naar ziel moeten springen, de harten van de mensen moeten blootleggen en hun woorden, geschreven en gesproken, moeten wegen op hun waarde.

Maar nu was er het internet.

Balthamon was de cloud ingegaan. Hij had zich middels de facebook­profielen, zoekhistories en tijdlijnen gelaafd aan dromen, wensen en nachtmerries. Had de tweets en blogs en vlogs in ontzag­wekkende hoeveel­heden verslonden. Had feit en fictie en alles daartussen aan zijn ogen voorbij laten gaan… op zoek naar dat éne idee.

Dat was het grote probleem: dat een demon een mens geen angsten kon opleggen. De mens maakte zijn eigen angstbeeld wel. En het was aan Balthamon en andere demonen zoals hij om die angsten te vinden, vervormen en uit te vergroten tot iets ontzagwekkends. Om in Hel te simuleren wat op aarde tot stand moest komen.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

De meest potente parels van de menselijke geest had Balthamon opgedoken. Zijn team had die ideeën als een groep forensisch onder­zoekers onder de loep genomen, ontleed, en geschat op hun potentie.

Nee, Balthamon had het onderzoek niet in zijn eentje uitgevoerd.

Maar het was Balthamon die vannacht voor de chef presenteerde, terwijl de andere leden van het team achterover leunden en luisterden naar het verhaal van de prognost.

‘Ik zie je punt niet.’

De woorden van Adramelech – kanselier van de orde van de vlieg, Achtste van de Aartsdemonen en bovendien Balthamons baas – werden op kalme toon gesproken. Het gezicht dat de woorden sprak was langgerekt, harig, en aan het uiteinde voorzien van een witte muil met grove, vierkante kiezen. De ogen aan het andere einde van de kop stonden droevig en meewarig, een blik die even verraderlijk was als zijn eigenaar.

Zolang dat gezicht, dat ezelgezicht, Balthamon aan bleef staren, wist hij dat zijn baas nog in een hebbelijk humeur was.

Er was namelijk een tweede Adramelech, een tweede gezicht, dat als een vage vlek, een trilling in de lucht, boven de schouder van de chef hing. Balthamon vreesde dat gezicht.

‘Wat is er… onduidelijk, heer Adramelech?’

‘Wat er onduidelijk is, beste Balt, is je hele opzet. Ik heb een uur lang mogen luisteren naar je bevindingen. GMO’s dit en alternatieve feiten dat… Je zinspeelt op angsten die al lang bekend zijn. Je brengt niets nieuws! Wat wil je bereiken, Balthamon?’

Hij gebruikt mijn volledige naam. Geen goed teken.

Balthamon ziet het tweede gezicht vorm aannemen, groter worden. Hij slikt, en begint snel te spreken.

‘Mijnheer, ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen in de afgelopen achttien maanden 36% cynischer zijn geworden tegenover hun politici. 25% minder geneigd om nieuwsberichten voor waar aan te nemen. Dat ze wel 112% banger zijn geworden voor een terroristische aanslag! Dit zijn getallen die we niet kunnen negeren. Het is de mening van mij en het onderzoeksteam-’

‘Laat het onderzoeksteam erbuiten,’ onderbreekt de Kanselier hem bruusk. ‘Jij spreekt voor het team. Verstop je er niet achter.’

‘Goed. Het is mijn mening dat we moeten toeslaan nu het ijzer heet is.’

De chef snuift. ‘En waar kom je mee? Toegenomen conflicten in het Midden-Oosten? Een aanslag op een Westers staatshoofd? Een groot schandaal met een conglomeraat, betrokken bij de systematische onder­drukking van een naar democratie hunkerende bevolking?’

Balthamon schudt zijn hoofd.

‘Het Midden-Oosten laten we buiten schot. We hebben geleerd dat dat alleen maar apathie en cynisme opwekt. We mikken op radicaliserende Westerse jongeren. Westerse steden, getroffen door westerlingen. Iedere metropool in Europa en Amerika moet een wasem van angstzweet boven zich hebben hangen. Vriend tegen vriend. Familie tegen familie.’

Drie tellen lang zegt Adramelech niets. En in die tellen voelt Balthamon de temperatuur in de presentatieruimte kelderen.

Het tweede gezicht is zichtbaar – heel goed zichtbaar – maar nog niet op de plaats van het ezelgelaat verschenen.

‘Laat ons alleen.’ De woorden dreunen als het slaan van hamer op aam­beeld.

Balthamon vertelt zichzelf dat het wel goed komt, terwijl de andere leden van zijn team de ruimte verlaten. Hij vertelt zichzelf dat zijn werk degelijk is, en dat hij geen reden heeft om bang te zijn.

Dat vertelt hij zichzelf, maar overtuigend klinkt hij niet.

‘Kanselier.’

‘Heer Adramelech.’

‘Waarde heer.’

De demonen die naar buiten stappen maken een beleefde knieval voor hun chef. Voor Balthamon hebben de meesten geen groet. De prognost ziet in de ogen van zijn teamleden raderen van koude calculatie en opportunisme draaien. Ze willen weten hoe hun direct leidinggevende hier uitkomt, voordat ze hem ook maar een woord gunnen. Slechts Althareon, de ontluikende prognost onder Balthamons hoede, geeft zijn baas een bemoedigende glimlach.

Ondankbare serpenten, denkt Balthamon verbitterd. En onmiddellijk vraagt hij zich af waar die gedachte vandaan komt. Sinds wanneer veronderstelt hij dat een demon iets anders kan zijn dan volstrekt egoïstisch?

Zijn chef is inmiddels naar het raam toegelopen en trekt de lamellen opzij om het nachtelijk panorama bloot te leggen.

De Zeven Ringen van Hel liggen om de Toren heen: concentrische ringen om het kloppend, haatdragend hart. Balthamon ziet de stromen verkeer, de slotgrachten van roodgloeiend, gesmolten gesteente. Hij hoort de kreten en het krijsen, ruikt de emoties die in de zwoele nacht­lucht hangen: angst, woede, lust.

‘Blijft verbazen, nietwaar?’

Balthamon knikt zijn chef toe. Die staat naar het raam toe en rolt een sigaret tussen zijn grote vingers. Roken, met name op kantoor, wordt actief aangemoedigd.

‘Het is een ontzagwekkende plek,’ geeft Balthamon toe.

‘Dat is het zeker. Hel…’ Adramelech laat de klank voortrollen, alsof hij de smaak ervan wil proeven. ‘Ons enige thuis, voor nu en altijd. Weggaan is uitgesloten, daar ziet de Almachtige op toe… maar hoe zijn we hier gekomen, Balt?’

Het zint Balthamon niets dat hij het gezicht van zijn chef niet kan zien. Alleen dat tweede gezicht is te zien, nog steeds als doorzichtige waas boven de linkerschouder. Balthamon loopt naar het raam toe en gaat op een meter afstand naast zijn chef staan.

‘We zijn hier gekomen,’ antwoordt Balthamon langzaam, want hij voelt dat er veel van zijn antwoord af hangt, ‘omdat we vrijheid wilden.’

Blijkbaar is dat wat de chef wilde horen, want hij knikt en werpt zijn prognost een sluwe blik toe.

‘De Val, noemen we het. Lucifer in het harnas. Onze leider, die namens zijn volgelingen eisen durfde te stellen aan de Almachtige. Zijn visie kwam hem duur te staan. En ons ook. Besef goed, Balthamon, dat deze plek onze straf is. Natuurlijk, de zielen van de moreel tekortschietende stervelingen komen hier terecht. Maar als wij niet in opstand waren gekomen, had God geen reden gehad om Hel te maken.’

Balthamon knikt. Hij weet dat hij zich op glad ijs begeeft, en ieder instinct schreeuwt hem toe om zijn reacties zo beperkt mogelijk te maken.

‘Wil je hier weg, Balt?’

De vraag komt zachtjes, haast speels op hem af, en Balthamon betrapt zich erop onmiddellijk te willen antwoorden. Net op tijd houdt hij zich in.

‘Ik wil dat we hier allemaal weg kunnen komen, ja.’

‘En de weg naar buiten is simpel, nietwaar? God was degene die onze drang naar vrijheid niet kon waarderen. Degene die ons hier plaatste, en ons maakte tot wat we zijn. Wij wilden geen strijd, God heeft die afge­dwongen. En de enige optie die we nu nog hebben, is die strijd winnen.’

Adramelech houdt de gerolde sigaret omhoog, en onderwerpt haar aan inspectie. Tevreden met zijn werk steekt hij het rolletje tabak in zijn mondhoek, en met een knip van zijn vingers vat het uiteinde vlam.

‘Een tiende van alle zielen,’ vervolgt hij zijn verhaal na de eerste teug nicotine, ‘komt hier terecht. Een tiende! Nog eens tachtig procent gaat het vagevuur in, maar dat is niet belangrijk. Zij vullen uiteindelijk alsnog de rangen van de Hemel.

Dit had ons tijdperk moeten zijn; globalisatie, vrije uitwisseling van informatie, het besef van mensenrechten… het heeft allemaal geleid tot meer angst, meer onzekerheid. En God weet dat wij bij angst en onzekerheid baat hebben. We hebben ons best gedaan: wereldoorlogen, kleine oorlogen, koude oorlogen. De angst voor het ultieme wapen. Economische ellende op een globale schaal. Angst voor het vreemde, voor de jeugd, voor verandering, zelfs voor het buitenaardse. Alles leek erop te wijzen dat de twintigste eeuw de onze zou worden. En we faalden.’

Rook kringelt uit de neusgaten van Adramelechs ezelgelaat.

‘De eenentwintigste eeuw was al even vol van belofte: terrorisme, migratie­crises, het spelen met informatie en misinformatie tot elke betekenis verloren is gegaan… En wat heeft het ons allemaal opgeleverd, Balthamon?’

‘Apathie.’

Adramelech knikt. ‘Apathie. Een wereld vol mensen die niet meer omkijken als een vliegtuig wordt neergehaald, of als een student om zich heen begint te schieten. Ze hebben het allemaal al eens eerder gehoord. Je kent die uitdrukking? ‘Alles dat nodig is voor de overwinning van het kwaad is dat goede mensen niets doen’? Niets van waar, helaas. Apathie treft ons even hard als Hem, misschien zelfs harder.. De eeuw van informatie had ons wapen moeten worden! In plaats daarvan werkt het internet ons alleen maar tegen!’

‘Ons bereik is nog nooit zo groot geweest,’ brengt Balthamon daar tegenin. ‘We zien de hele wereld, en transporteren de ellende van het ene continent binnen luttele seconden naar het andere. Iedere ramp kan nu worden uitvergroot, opgeblazen.’

‘En een zelfmoordterrorist in een afgeladen theater levert nu minder angst op dan een lege kerk die afbrandt in de middeleeuwen! Mensen kijken vanuit het gat dat ze in hun bank hebben gesleten naar de meest traumatiserende gebeurtenissen, en ze halen hun schouders op! Verontwaardiging willen we! Vrees! Woede! Geen 21e-eeuwse schizo die van alle kanten zo hard geïnformeerd wordt dat hij de waarheid toch niet meer denkt te kunnen weten!’

‘Geef me een maand, heer,’ zegt Balthamon, ‘en ik beloof u dat…’

Verder komt hij niet. Bliksemsnel draait de chef zich om, en klemt zijn linkerhand om de slanke hals van zijn prognost. De kreet die Balthamon wil slaken wordt afgeknepen en hij trekt vruchteloos aan de arm van de chef. Die voert de druk alleen maar verder op. Balthamon voelt zijn adem stokken, voelt het bloed bonzen in zijn hoofd.

Hij zou als demon niet doodgaan aan de verstikking. Dat was misschien nog wel het ergste.

De chef buigt naar voren en zijn adem rolt als de hitte van een oven tegen Balthamon aan.

‘Dit, beste Balthamon,’ en de chef houdt met zijn vrije hand een donkerblauw flesje voor de ogen van de prognost, ‘is Inessens. Weet je wat dat is?’

Balthamon briest. Zijn ogen staan wijd open, en hij probeert achteruit te komen, weg van de inhoud van het glazen flesje

‘De destructieve kracht van God, zorgvuldig opgevangen en gebotteld bij Sodom en Gomorra. Een enkele druppel hiervan laat je de rest van je bestaan als hersenloze demon rondkruipen. Twee druppels en je huid schroeit weg. Wat denk je dat er gebeurt ALS IK DIT VERDOMDE FLESJE IN JE GEZICHT LEEGKIEPER!?’

Het tweede gezicht is nu naar voren gekomen: een lange, dunne nek – veel te dun om uit zulke brede schouders te steken – met een smal, lang­werpig gezicht vol veren. Aan weerszijden van de snavel glimmen zwarte kralen waar een intense haat uit straalt.

Adramelech houdt het flesje boven Balthamons hoofd, gekanteld, met zijn duim tegen de onderkant van de stolp.

‘WAT. VOEL. JE?’

De pijn in Balthamons keel is intens wanneer hij het woord eruit perst:

‘…Angst.’

‘ANGST!’ brult Adramelech, en hij werpt Balthamon achteruit, tegen de gipsplaten muur. ‘Dat is wat ik van jou wil, Balthamon: angst! Angst op een globale schaal! Ik wil een wereldbevolking die niet meer durft te gaan slapen uit angst voor wat ze de volgende dag in hun kranten lezen!’

‘Hoe, mijnheer?’ kreunt Balthamon, die omhoog probeert te krabbelen.

‘Maakt me niet uit hoe! Dat is jouw baan, nietwaar? Haal de angst uit het onbekende, haal het uit hun onderbewustzijn. Haal het, voor mijn part, uit een handvol stof! Maar haal het ergens vandaan, verdomme, en bewijs dat je niet volslagen nutteloos bent!’

 

*

 

‘Oké, Balt. Denk. Je kunt hieruit komen.’

Met zijn rug tegen een stalen celdeur laat Balthamon zich op de betonnen vloer zakken. De lucht om hem heen is koel. Niet ijskoud, maar aangenaam koel – een sensatie die in Hel vrijwel ongekend is.

De IJskast, zo wordt het labyrint aan archiefkasten en cellen in de kelder van de Toren genoemd. Tegen de wanden van de elkaar kruisende gangen en hallen staan massieve archiefkasten opgesteld, waarin al het oude papierwerk – of het nu papyrus, perkament of papier betreft – van de Orde is opgeborgen. Documenten over de Inquisitie, plannen voor de conceptualisatie en gedetailleerde uitvoering van de Kruistochten, analyses van de Zwarte Dood, van testfase tot eindevaluatie; alles wat te belangrijk is om weg te gooien, maar niet meer relevant genoeg om een permanente plek in de hogere kantoren te verdienen.

En om de zoveel meter wordt die reeks kasten onderbroken om plaats te maken voor een stalen kluisdeur. Achter die deuren, die alleen te openen zijn door de hoogstgeplaatste leden van de Orde, zijn wapens en middelen verborgen die de Orde zelf heeft ontwikkeld, of zich door geweld heeft toegeëigend. De virusstrengen van de Zwarte Dood staan in één kluis opgesteld, terwijl de Heilige Graal de cel ernaast in beslag neemt. Balthamon weet van de verhalen van zijn collega’s dat er ook levende wezens in de cellen vastgehouden worden, wachtend op het moment dat ze weer relevant zullen worden voor de Orde.

De IJskast is waar Balthamon komt om rustig te kunnen werken. Om zijn gedachten te ordenen. En na de presentatie van die avond had Balthamon daar dringend behoefte aan

Na zijn meeting met de baas had Balhamon zijn team opgezocht. De verschillende demonen – analisten, researchdeskundigen, prognosten – zaten in het grote kantoor en operationeel hart van het project op hem te wachten.

‘Ik zal niet tegen jullie liegen,’ had Balthamon de verzameling af­wachtende blikken toegesproken. ‘Heer Adramelech is van mening dat we nog veel winst kunnen boeken met de richting van ons huidige onder­zoek. Dat betekent dat we opnieuw naar de tekentafel gaan. Vannacht nog wil ik nieuwe analyses van de verschillende toekomst­beelden die we hebben uitgedacht. De top tien, althans.’

Hij had rondgekeken met een zelfverzekerde blik, de knikjes en het instemmend gemompel van zijn werknemers afgedwongen.

‘Dit is een stap terug,’ had hij toegevoegd, ‘maar wel zodat we weer verder kunnen komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we de kanselier een angst kunnen overhandigen waar hij niet alleen tevreden over, maar ook trots op zal zijn. En nu, aan de slag.’

En na die bemoedigende leugens had hij zijn eigen dossiers van zijn bureau gegrist en zich naar de IJskast begeven, weg van de calculerende blikken van zijn teamleden.

Hij moest zich er onderweg naar het archief steeds maar aan herinneren, er zelfs van overtuigen, dat het geen aftocht was.

‘Focus, Balthamon.’

Hij legt de stapel dossiers naast zich neer, en pakt het bovenste eraf.

Misschien, denkt hij, met de moed der wanhoop, staat ergens hierin het antwoord geschreven. Misschien is er nog een manier om aan alle ellende te ontkomen.

Van binnen weet hij wel beter. Zijn onderzoek heeft al gefaald. Dat zal hij binnen niet al te lange tijd tegenover de kanselier moeten toegeven. En daarmee zal hij niet alleen zijn kans op toetreding tot de Derde Rij verliezen, maar ook flink aan invloed moeten inleveren, en blij mogen zijn als hij niet op de Vijfde Rij of lager terecht zou komen.

Lucinda zal niet meer bij hem willen blijven, zeker niet als zij meer succes boekt in haar huidige operatie. Zoals zovelen van de relaties tussen demonen is ook die van Balthamon en Lucinda op profijt gebaseerd. Samen naar de top, zolang de ander een hulpmiddel en geen belemmering vormt.

Balthamon voelt weinig verdriet bij de gedachte dat Lucinda hem zal verlaten. De seks is altijd geweldig geweest – de beste die hij ooit heeft gehad – maar hij heeft nooit een diepere emotionele connectie met haar gevoeld. Net zo min als met zijn vorige partners.

Wat hem wel pijn doet, is dat hij zichzelf tekort is geschoten. Twee­honderd jaar lang heeft hij zich als prognost onder de Kanselier verdien­stelijk gemaakt voor de Orde. Keer op keer heeft hij zijn feilloos instinct en zijn blik op de toekomst ingezet om angsten van de hoogste kwaliteit te realiseren – eerst als concept in Hel, vervolgens als realiteit op aarde.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

En nu, juist nu hij in de buurt van echte macht en invloed is gekomen, lijkt zijn talent hem in de steek te laten. Hij zal wellicht naar de Vijfde Rij zakken, en of hij zich vanaf daar weer omhoog zal kunnen worstelen betwijfelt hij ten zeerste.

Van val naar terugkeer, weer terug naar val. Ontelbare keren.

Zijn gekloofde hoef tapt nerveus op het beton terwijl hij het eerste dossier leest. Zijn ogen glijden over de nette alinea’s, over de kolommen en analyses, en vinden geen enkel houvast. Hij kijkt naar de titel van het dossier: ‘Paranoia op de Totalitaire Aarde.’ Geen nieuwe gedachte, verre van zelfs, maar wel een die resoneert bij de doelgroep.

Balthamon legt zijn vinger op de titel, sluit zijn ogen, en probeert een beeld bij het plan op te roepen.

De lijnen zijn er nog, en vormen zich voor zijn geestesoog. Balthamon ziet hoe de totalitaire aarde eruit kan zien, welke mogelijkheden zich voordoen, en wat voor effect ze teweeg zullen brengen. Rechts conser­vatisme is de sleutel van dit plan. In de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vrijheden worden onder het mom van nationale veiligheid steeds verder ingeperkt, de mandaten van de overheid worden tot in het extreme opgerekt, totdat een burger geen enkel recht meer heeft op privacy. Leven onder de angst voor het waakzaam oog.

Een krachtig idee. Het brengt angst met zich mee, zeker. En de arrogante eigengerechtigheid waar Balthamon en zijn team altijd naar streven.

Toch zijn er ook dissidente draden door het toekomstbeeld verweven: een vrijheidsbeweging staat op, geleid door een politicus die als nationale held en vrijheidsstrijder weer hoop geeft aan een verslagen volk. Onom­koopbaar, en dus niet te breken. Zelfs als hij sterft zal zijn martelaarschap zoveel hoop, liefde en altruïsme teweegbrengen dat elk effect dat het plan zou kunnen hebben teniet wordt gedaan.

‘Oh, verdomme,’ kreunt Balthamon. Hij opent zijn ogen, en laat het toekomstbeeld opdrogen tot enkele ingedikte vlekken, die langzaam plaats maken voor de realiteit van koud beton en staal.

Een tweede dossier volgt. En een derde.

Balthamon wordt hoe langer hoe wanhopiger. Zijn hoef tikt steeds indringender, gefrustreerder, op het beton. Hij zucht, en leest, en kijkt. En wat hij ziet vult hem met wanhoop.

Adramelech wil van hem de angst van de eenentwintigste eeuw. Maar het begint er voor Balthamon op te lijken dat de 21e-eeuwse mens, hoeveel ellende je ook op hem afslingert, een cynische schouder zal ophalen en stug door zal gaan met leven.

‘Dit is verdomme onmogelijk.’

‘Als het onmogelijk is, moet je jezelf geen verwijten maken.’

Balthamon verstijft. De stem komt achter hem vandaan. Vanuit de cel. Maar de cellen horen volledig gesloten te zijn. Geïsoleerd en afgesloten voor ieder geluid, en zo potdicht dat er zelfs geen streepje licht onder de celdeur door kan glippen.

Hij draait zich om terwijl hij overeind krabbelt.

‘Wie is daar?’

‘Het spijt me,’ de stem klinkt zacht en enigszins bedroefd. ‘Ik hoorde je in jezelf praten. Ik wilde je niet laten schrikken.’

Balthamon fronst als hij de open schuifklep ziet. ‘Die hoort dicht te zijn.’

‘Dat lijkt me niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben hier de gevangene, jullie de cipiers.’

Door de open klep in de celdeur kan Balthamon vaag een silhouet zien: manshoog, menselijk van vorm.

‘Waarom zit je hier?’ vraagt hij de vorm.

‘Om wat ik ben.’

Balthamon denkt dat dat hier, in Hel, nog niet eens zo vreemd is.

‘Wie ben je?’

‘Slechts iemand die zich stierlijk verveelt. Vergeef me het afluisteren. Als je ermee zit moet je misschien de klep weer dichtdoen.’

Tot op dat moment was dat precies Balthamons plan geweest, en hij had al een hand op de schuifklep geplaatst. Maar nu hij zo dichtbij staat, heeft hij het idee dat hij het silhouet beter kan zien. Alsof een lichtbron in de cel zelf de vormen van het wezen al definieert.

‘Als je moeite hebt met de schuif,’ nu klinkt de stem licht geamuseerd, ‘kun je er altijd iemand van de technische dienst bij halen.’

Balthamon voelt dat zijn vingers licht trillen.

‘Kom naar voren,’ gebiedt hij de vorm, met een stem die schor klinkt.

Even staat het silhouet stil. Dan zet ze zich in beweging, naar voren toe, het licht in. Balthamon deinst achteruit.

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’ vraagt het wezen aan de andere kant.

 

*

 

‘Heer Balthamon?’

Althareon kijkt op van zijn werk, van de tabellen en diagrammen waarmee de papieren voor hem vol geklad zijn, naar de demon die zojuist met een verwarde blik in zijn ogen binnen is komen schuifelen.

‘Ik neem aan,’ mompelt Balthamon, terwijl hij zijn stapel dossiers op zijn bureau neerlegt, ‘dat het nog geen vijf uur ‘s ochtends is?’

Althareon kijkt om zich heen. De kleine, donkerblauwe demon met de schaapsnuit en ramshoorns is als enige van het team nog op het kantoor.

‘Ik heb geprobeerd ze tegen te houden,’ merkt hij op. ‘Gedreigd met hel en verdoemenis. Het had weinig effect.’

Balthamon knikt. Staart wat voor zich uit.

‘Ehm,’ begint Althareon. ‘Ik kan ze oproepen? Zeggen dat u ze hier wilt hebben?’

‘Hm…wat? Nee, laat ze maar.’ Balthamon fronst. ‘Luister, ik heb behoefte aan lunch. De vloeibare variant. Ken je een goede tent in de buurt?’

Althareon glimlacht. ‘Een of twee.’

 

*

 

Het is rond middernacht al druk bij Dante al Dente. Dealers in martel­werktuigen die hun cliënten op lunch trakteren, grote beulen met opgestroopte, bebloede mouwen die burgers onder hun leren kappen door naar binnen stouwen, en natuurlijk de dames van de nacht die aan een trog vol bloedwijn geruchten en roddels uitwisselen.

‘Populaire tent,’ merkt Balthamon op, terwijl hij tegenover zijn jonge prognost zijn vingers over een glas zwavelzuur on the rocks laat glijden.

‘Hmm? Nog nooit eerder hier geweest?’

Balthamon schudt zijn hoofd. ‘Ik ken het niet eens. Vroeger zat hier een openbaar teerhuis.’

Althareon lacht, wat met zijn schaapsnuit en dubbele rij haaientanden een bevreemdend effect oplevert. ‘Dat teerhuis is meer dan dertig jaar geleden. U moet vaker de deur uit, chef. Maar ik vermoed dat u minder tijd heeft dan ik, als lid van de Vierde Rij.’

Ja, maar dat duurt niet lang meer, denkt Balthamon met een grimas, en hij neemt een slok van zijn zwavelzuur.

De serveerster – die haar lichaam naar de nieuwste rage binnenste­buiten draagt – komt langs en zet twee borden dampend rood vlees neer.

‘Steak van de Tragen. Dertig zilver.’

Balthamon reikt al naar zijn buidel, maar Althareon is hem voor. ‘Hier, houd het wisselgeld maar.’ De serveerster knikt dankbaar, waarbij druppels bloed van haar longen op het tafelblad vallen, en gaat verder met haar ronde.

‘Dat had niet gehoeven, Alt.’

De blauwe demon haalt zijn schouders op. ‘Kleine moeite, chef. Ik dacht dat u wel een opsteker kon gebruiken, na die presentatie van vannacht.’

Balthamon knikt.

‘Zeg, chef,’ Althareon schraapt zijn keel en kijkt vanonder zijn wenk­brauwen naar zijn baas. ‘Klopt het, wat ze op het kantoor zeggen? Dat ons onderzoek ten dode is opgeschreven?’

Balthamon ademt diep uit door zijn neus. Hij denkt aan de opdrogende vlekken van gefaalde toekomstbeelden. Aan Adramelech die een fles non-existentie boven zijn hoofd houdt.

Hij denkt aan het licht van een eenzaam wezen in een cel.

‘Chef?’

‘Nee, Alt.’ De woorden lijken van verre, van een vreemde, te komen. Balthamon tovert met moeite een glimlach die bemoedigend moet zijn op zijn gezicht. ‘Maak je geen zorgen, het onderzoek komt wel goed. Ik heb dit soort tegenslagen vaker meegemaakt. De uiteindelijke angst wordt er altijd beter van.’

Althareon knikt, en een opgeluchte grijns splitst zijn gezicht in tweeën. ‘Ik wist het wel, hoor,’ zegt hij. ‘Nou, bon appetit.’

Balthamon kijkt licht geamuseerd toe hoe de blauwe demon grote stukken vlees met zijn rijen vlijmscherpe tanden naar binnen begint te werken.

‘Vertel me eens, Althareon,’ zegt hij terwijl hij het zwavelzuur in het glas laat rondtollen. ‘Wat is jouw doel eigenlijk?’

‘Hmm?’

‘Hier in Hel. Wat wil je bereiken?’

‘Oh, dat.’ De blauwe demon slikt een hap vlees door, wast die weg met vloeibare stikstof. ‘Nou ja, het gebruikelijke, eigenlijk. Hogerop komen. De Vierde Rij bereiken, dan de Derde, enzovoorts, enzovoorts.’

‘En dan? Dan kom je in de Binnenste Cirkel, dan heb je het gemaakt, en dan? Op je hoede zijn voor je concurrenten en onderlingen, totdat je van je troon gestoten wordt? Wat is het einddoel?’

Althareon haalt zijn schouders op. ‘We zijn eindeloze wezens, chef. Er is voor ons per definitie geen einddoel.’

‘Denk je dat ze er aan de andere kant ook zo over denken? Dat Hij en de Zijnen geen einddoel voor ogen zien?’

‘Ah,’ Althareon lacht. ‘Die andere kant. Tja, ik vermoed dat ze daar wel iets van een punt op de horizon zien. De Tweede Komst, het Laatste Oordeel, het ophalen van alle schone zieltjes en gezellig psalmen zingen rond het hemels kampvuur. Zoiets? En moet dat ons meer aantrekken dan waar wij voor strijden? Macht over de hele aarde, de hele mensheid?’

Althareon blijft lachen, en Balthamon glimlacht halfslachtig mee. ‘Ik vermoed dat je gelijk hebt,’ zegt hij.

En toch krijg je dat beeld maar niet uit je hoofd, Balt. Toch blijf je die cel maar voor je zien, en voel je nog steeds het licht dat van de gevangene afstraalt.

‘Maar toch-’ begint Balthamon, en verder komt hij niet, want op dat moment valt er een lange gedaante over hun tafel.

‘Wat moet dat-’ gromt Althareon, en hij staat al op om de gedaante bij zijn kraag te grijpen.

‘Genade, heren!’ de demon – in de vorm van een paffige walrus met kraaienpoten – blubbert zijn excuses. ‘Een- hrmm-glaasje teveel gehad, vrees ik! Alstublieft, een zilverstuk voor een arme demon?’

‘Maak dat je wegkomt!’ gromt Althareon. Balthamon zegt niets, maar kijkt naar de grote vlokken en vellen loslatende huid van de demon, het teken dat hij vele uren in zonlicht heeft doorgebracht. Noodgedwongen, natuurlijk.

‘Valt dit heerschap u lastig, mijne heren?’ Een grote kerel met een enkel oog en slecht zittend pak torent boven de klaploper uit. ‘Eist u genoeg­doening? Zal ik zijn botten voor u breken?’

‘Nee,’ zucht Balthamon, en hij wuift de hulp van de uitsmijter weg. ‘Laat hem maar.’

Balthamon maakt zich los van de bank, legt zijn servet op het tafelblad. Althareon werpt hem een bezorgde blik toe. ‘Alles in orde, chef?’

‘Ik heb nog werk te doen, Alt. Maar dankjewel voor de lunch.’

Zonder achterom te kijken loopt Balthamon naar buiten. Achter zich hoort hij hoe de uitsmijter, onder toejuiching van Althareon, de dronken demon manieren bij begint te brengen.

Balthamon zet zijn kaken op elkaar, en loopt door.

 

*

 

Tik. Tik. Tik.

‘Balt, wil je daar mee ophouden?’

Balthamon rukt zijn blik los van de kom bouillabaisse die voor hem staat en kijkt recht in de ietwat geïrriteerde ogen van zijn vrouw.

‘Je zit al twee minuten lang met je hoef op de vloer te tikken,’ zegt Lucinda. ‘Wat is er met je aan de hand?’

De twee demonen zitten aan de eettafel in hun woonkamer. Normaal kiezen ze ervoor om in de keuken te eten, maar vanochtend heeft Lucinda besloten dat de gelegenheid om wat meer luxe vraagt: een diner van zeven gangen staat tussen de partners uitgestald, in zilveren schalen op een ivoorwit tafelkleed. Lucinda heeft, zoals altijd, veel te veel eten laten bezorgen – koken weigert ze: ze is een vreselijke kok, en Balthamon nog erger.

Zelf heeft ze vijf, zes lepels van haar bouillabaisse genomen, om haar kom vervolgens aan de kant te schuiven en te anticiperen op het volgende gerecht.

Balthamon daarentegen heeft nog geen hap door zijn keel gekregen.

‘Hoe ging het op het werk?’

Lucinda stelt de vraag met een mengeling van zorg, meelevendheid en, tegelijkertijd, afstandelijke calculatie. Balthamon zucht inwendig.

‘Het ging prima, Lucinda.’

‘De nieuwe plannen sloegen aan bij de chef?’

Balthamon knikt en haat zichzelf terwijl hij dat doet.

Waar komt dat gevoel vandaan? Demonen liegen nu eenmaal. Dat is wat we doen.

‘De plannen gaan werken, maar we moeten nog veel onderzoek ver­richten. Adramelech heeft mijn team wel drie-, vierhonderd calcu­latie­stromen gegeven om na te gaan.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik ben niet de beste gesprekspartner vanochtend. Ik heb nog niet eens naar jouw nacht gevraagd. De aartsbisschop van Agrigento… hoe ging het?’

Lucinda grijnst.

‘Als een vlieg in ons web,’ zegt ze, en neemt een aardbei uit de schaal in het midden van de tafel.

Terwijl ze erin bijt en het sap over haar lippen loopt, werpt ze Balthamon een verleidelijke blik toe. En hij voelt, slecht humeur of niet, het lid tussen zijn benen in beweging komen.

 

*

 

De seks was goed, geeft Balthamon toe. Uitzonderlijk zelfs, op een technisch vlak. In de afgelopen tweehonderd jaar heeft hij geleerd wanneer Lucinda op routine draait, en wanneer ze moeite doet. In dat laatste geval zet Balthamon al zijn ellende en zorgen opzij om met haar het bed in te duiken. Zo ook deze keer.

Maar de seks is voorbij. En de zorgen die Balthamon opzij had geschoven stromen weer terug, aangetrokken door de leegte die het weg­ebbende genot achterlaat.

Naast hem ligt Lucinda te slapen, in een houding die haar vast de nodige spierpijn gaat opleveren. Balthamon weet wel beter dan haar daarom wakker te maken. Ze snurkt lichtjes, gromt en rolt weg als haar huid wordt geraakt door het zonlicht dat tussen de lamellen door sijpelt.

Balthamon daarentegen merkt dat zijn ogen steeds weer naar het warme licht toe getrokken worden. Hij denkt aan het licht dat de afgelopen nacht uit de cel straalde, en hem vol in zijn gezicht raakte.

 

*

 

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’

Twee blauwe ogen. Een gezicht dat lijkt te stralen met zilver licht.

Terwijl Balthamon nog stil staat, verbouwereerd, probeert hij te bepalen wat voor geslacht het wezen heeft. Het lukt hem niet. Het smalle, symmetrische gezicht heeft een geslachtloze kwaliteit. Niet androgyn, geslachtloos. Alsof het wezen gemaakt is in een tijd dat sekse nog geen factor was.

‘Je weet wat ik ben, nietwaar?’

Balthamon knikt. Ergens vindt hij zijn stem. ‘Hoe kom je hier?’ vraagt hij.

De engel zucht, en glimlacht droevig. ‘Zijn plan.’

 

*

 

‘Verdomme,’ fluistert Balthamon, nadat hij de lange wijzer op de wekker een hele ronde heeft zien maken.

Voorzichtig haalt hij de satijnen lakens van zijn benen en glipt het bed uit. Hij gooit een badjas over zijn slanke postuur, doet de slaapkamerdeur open, en laat een snurkende succubus achter zich.

Balthamon schuift de pui open en stapt zijn balkon op. Het warme licht van de zon – hoog aan de hemel – verblindt hem. Als de zwarte vlekken zijn blik beginnen te vullen sluit hij zijn ogen en laat hij de zonnestralen op zijn gezicht rusten.

De dag is warm – warmer dan Balthamon had gedacht. Hoewel Hel aan andere regels onderworpen is dan de Aardse werkelijkheid, is er door­gaans wel een weerspiegeling van de seizoenen merkbaar. Op aarde is het nu april, maar de zon brandt als op een warme dag in juli.

Balthamon wendt zijn gezicht ten slotte af, en opent zijn ogen weer. Hij zucht wanneer de vlekken terugtrekken en Hel zich langzaam aan hem openbaart.

De straten zijn nu leeg: geen zichzelf respecterende demon is overdag op straat te vinden. In dit warme, volle licht kleuren de straten van Hel – het gietijzer en grauw gesteente – een vreemde tint geel, en even kan Balthamon geloven dat hij zich niet meer in de gevangenis van de verdoemden bevindt. Zelfs het miasma dat ’s nachts uit de fabrieken en folterhuizen wasemt – de smog, de rook, de ziektes – lijkt nu verdwenen, of ijl genoeg om de suggestie van schone lucht op te wekken.

Balthamon kijkt naar de lege, zonovergoten straten, en denkt aan twee blauwe ogen.

Blauwe ogen, en een warme zon.

‘Verdomme,’ zegt hij weer, voordat hij naar binnen gaat en zijn badjas voor zijn werkkleren verwisselt.

 

*

 

Er is geen portier bij de Toren van Traan. De Toren heeft een eigen entiteit – een spiritus – en herkent zijn werknemers. Balthamon weet dat hij zijn toegang tot het kantoorcomplex op het hoogst van de middag niet voor zijn werkgevers verborgen zal kunnen houden: vroeg of laat – waarschijnlijk vroeg – zal Adramelech ervan horen, en zijn conclusies trekken.

Die gedachte spookt door Balthamons hoofd terwijl hij de met marmer ingelegde ontvangsthal betreedt, en blijft er spoken terwijl hij over de brede, betonnen treden naar beneden loopt, de IJskast in.

Als hij op de stalen deur afloopt, heeft hij even het idee dat de schuif­klep weer gesloten is.

Er is niks aan de hand, vertelt hij zichzelf. Ik kan niet meer met hem praten. Ik vergeet deze hele situatie, en richt me weer op mijn werk. De Derde Rij kan ik wellicht niet halen – nog niet – maar dat betekent niet dat ik uit de Vierde Rij hoef te stappen.

In zijn hoofd heeft Balthamon al een verklaring bedacht voor het feit dat hij hier overdag is: hij had die nacht gemeend te zien dat één van de cellen in de IJskast niet goed vergrendeld was. Hij was er overdag van wakker geschrokken, en was naar de Toren gekomen om zich ervan te verzekeren dat alles in orde was.

Dat klinkt goed, besluit hij. De komende uren zou hij zich op zijn werk kunnen storten, en wie weet… wellicht zou het idee zich aandoen waarmee hij de chef alsnog zou kunnen overtuigen van de waarde van zijn project.

Dan ziet hij dat hij zich vergist heeft: de cel die hij zoekt is twee deuren verder, en de schuifklep staat wel degelijk open. Het licht waar hij eerder die nacht voor terugdeinsde stroomt naar buiten toe.

Alsof ze voelen dat hun baas aarzelt, nemen Balthamons benen de controle over. Voordat hij er iets aan kan doen, staat hij voor de celdeur en kijkt hij door de open klep naar binnen.

‘Ik zie dat je terug bent.’

Balthamon voelt zijn hart kloppen in zijn keel. Toen hij op zijn balkon stond, zijn gezicht verwarmd door de stralen van de zon, leek zijn besluit zo helder. Maar nu hij oog in oog staat met de engel beseft hij dat hij geen flauw idee heeft wat hij wil doen.

‘Wel,’ zegt de engel aan de andere kant droevig. ‘Waarom ben je hier?’

‘Ik…’ Balthamon neemt diep adem. ‘Kunnen we veranderen?’

De engel houdt zijn hoofd schuin, vragend. ‘Of we kunnen veranderen? Wat denk je zelf?’

Balthamon tuit zijn lippen, en denkt. ‘Ooit waren we als jij,’ zegt hij.

De engel knikt. ‘En wat jij wilt weten is, ‘kan ik weer zo zijn’? Dat is het toch?’

‘Ja.’

Lange tijd houdt de engel Balthamon in zijn blik gevangen. ‘Is dat wat je wilt?’ is wat hij ten slotte vraagt.

‘Ik… ik weet het niet. Nee. Ja. De laatste tijd slaap ik slecht. De zon. Ze lijkt feller.’

De engel zegt niets.

‘Ik ben een prognost,’ zucht Balthamon. ‘Ik kijk naar een plan en ik zie de toekomst. De waarschijnlijkheden. Het goede en het kwade. Althans, dat deed ik. De laatste tijd is mijn talent… aan het afzwakken. Sinds ik slecht slaap. Sinds ik in de zon kijk.’

Balthamon haalt diep adem.

‘Is het… Zijn werk?’

De engel kijkt hem aan. Droevig, meewarig.

‘Kom dichterbij,’ zegt hij.

Zijn voeten willen al vooruit schuifelen, maar Balthamon houdt ze tegen. ‘Ik weet niet wat je van plan bent.’ Hij is er nu zeker van: dezelfde warmte die Balthamon onder de stralen van de zon voelde komt hem ook vanuit de cel, vanuit de engel, tegemoet.

‘Balthamon,’ zegt die. ‘Ik weet dat dit moeilijk voor je is. Ik weet dat dit haaks staat op alles wat je de afgelopen drieëndertigduizend jaar geloofd hebt. En ik weet ook dat dit de enige manier voor je is om vrede te voelen.’

Even aarzelt de engel, voordat hij het vraagt.

‘Mag ik je helpen?’

Zijn slanke, zilverwitte hand reikt hij uitnodigend naar buiten. Balthamon staart ernaar alsof het een reddingsboei is, maar wel een die is geladen met springstof.

Hij kijkt voorbij de hand, naar de ogen van de engel. Balthamon recht zijn rug.

‘Vertel me je naam,’ zegt hij.

De engel glimlacht. ‘Zalthear.’

Balthamon grijpt zijn hand.

En een lange, zilverwitte straal licht kruipt over Balthamons arm, tot in zijn borst.

Vier, vijf tellen lang staan de twee wezens – engel en demon – tegenover elkaar, met slechts de celdeur tussen hen in. Beiden hebben hun ogen gesloten, en beiden spreken niet. Balthamons gezicht vertrekt, en een traan rolt over zijn wang. De engel houdt zijn gelaat ontspannen, maar ook bij hem loopt een traan vanuit zijn rechteroog naar beneden.

Dan opent de demon zijn ogen.

‘Ik..’ begint hij, ‘ik hoorde… ik zag…’

De engel knikt.

‘Was dat een herinnering?’

De engel schudt zijn hoofd. ‘Het was een belofte.’

 

*

 

Balthamon had erop gerekend de deur van Adramelechs kantoor te moeten forceren. Maar de deur, die de afgelopen tweehonderd jaar iedere dag met de spreuken van de chef verzegeld werd, staat uitnodigend open. Alarmbellen hadden moeten afgaan in Balthamons geest, maar hij denkt slechts aan zijn doel.

‘Adramelech heeft de loper van de cellen,’ had hij Zalthear verteld. ‘Als ik in zijn kantoor kan komen, kan ik je hieruit halen.’

Zalthear had geknikt. ‘Het dak. Breng me naar het dak en ik kan contact maken met Hem.’

De loper vinden, terug naar de cel, en naar het dak. Een helder plan. Een simpel plan.

Ik ben een klootzak met een ezel- en een pauwengezicht, denkt Balthamon, als hij in het luxueus ingerichte kantoor staat. Ik paf sigaren tot de nicotine uit mijn poriën loopt, en ik geil erop mijn werknemers met totale vernietiging te bedreigen. Waar laat ik mijn sleutels?

Het antwoord dient zich aan als Balthamon voor de tweede keer een slome cirkel maakt.

‘Ah,’ zegt hij, en grist de loper van een haak naast de deur.

De loper voelt zwaar in zijn rode hand: een grote, zilveren vlieg, symbool van de Orde, met daaraan zes sleutels. Balthamon weet dat één ervan, met een kruisvormig uiteinde, gebruikt wordt voor de cellen en archieflades van de IJskast. Twee andere dienen om de Toren van binnenuit te sluiten, in noodsituaties. Eén is voor het kantoor zelf, en een andere is de reservesleutel van Adramelechs wagen – een rode Porsche.

Dan is er nog één sleutel: klein, met een fijn, geribbeld uiteinde.

Balthamon kijkt rond, en ziet een langwerpig stalen kistje op een hoek van het bureau van de chef staan. Met een klein slot.

‘Ach, wat zou het ook…’

Drie dingen vindt Balthamon in het kistje: twee dossiers, en een klein, zwartblauw glazen flesje. Balthamon denkt terug aan hoe de chef, nog geen volle nacht geleden, dat flesje tegen zijn lippen aan drukte. Hij recht zijn rug en stopt het wapen in zijn broekzak.

Die is voor mij, lul.

Dan de dossiers: het ene is getiteld ‘Schone Schijn,’ het andere ‘Privé’. Balthamon legt het eerste dossier weg, en opent het tweede. Het eerste wat hij ziet is een polaroid van een scharlaken vrouw in nachthemd, poserend op een bed. Hij herkent de vrouw.

Meer polaroids volgen: Lucinda met haar armen boven haar hoofd, waardoor haar tepels tegen het doorschijnende hemd aan komen; Lucinda die het nachthemd open knoopt, en de bovenkant van haar borsten blootgeeft; Lucinda op handen en knieën, die over haar schouder suggestief naar de camera kijkt.

‘Gevaarlijk terrein, prognost van me.’

De polaroids vallen uit Balthamons hand.

Hij staart naar het midden van het grote bureau, waar boven een stenen bassin het hoofd van Adramelech – het pauwenhoofd – verrezen is.

‘Ik zie dat je mijn persoonlijke collectie gevonden hebt. Neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Balt. Lucinda was altijd al te goed voor een zwakke demon als jij. Ze had gewoon iemand nodig om haar te laten zien hoe Hel werkt. En die persoon kon ik voor haar zijn. Vertel me eens: wat voel je nu? Haat? Schaamte? Jaloezie?’

Balthamon kijkt zijn chef recht – voor zover dat kan, bij een fantoombeeld – in zijn zwarte, felle ogen. Hij beseft dat hij altijd al een hekel heeft gehad aan die blik, geamuseerd door iets wat alleen voor de chef amusant is.

‘Eigenlijk,’ zegt Balthamon, ‘laat het me koud.’

Het vreemde is dat het nog klopt ook.

‘Balthamon? Je gedraagt je vreemd. Wat doe je in mijn kantoor? Wat is je plan?’

‘Het was een eer om voor je te werken, Adramelech. Je hebt me veel geleerd.’ Balthamon haalt diep adem. ‘Maar laat me voor nu zeggen dat je die stomme pauwenkop van je tussen je eigen benen mag steken, en diep, diep je reet in mag duwen. En niet omdat je Lucinda van me afpakt. Ik wens jullie samen veel geluk. Ik neem ontslag.’

Met een zwaaiende beweging slaat Balthamon het bassin – en daarmee het verbouwereerde hoofd van zijn baas – van de tafel, tegen de muur aan. Daar slaat het stuk en laat een natte vlek achter op het tapijt.

Balthamon grist de dossiers – beide dossiers – van de tafel en steekt ze in de binnenzak van zijn jas. Hij pakt de loper en beent met snelle pas het kantoor uit.

Achter hem, vanuit het gebroken bassin op de vloer, achtervolgt de stem van de chef hem in horten en stoten.

‘Dit gaat nie- … zult hier…. zweer je… wegkomen!’

 

*

 

‘Heb je het gevonden?’ vraagt Zalthear.

Balthamon knikt. Hij neemt de juiste sleutel in zijn hand, en maakt met licht trillende vingers de celdeur open.

‘We moeten haasten. Adramelech – mijn baas – weet dat ik hier ben. Dat ik iets van plan ben.’

De zware celdeur zwaait verbazingwekkend makkelijk open, en Balthamon stapt achteruit om de engel in zijn volle glorie te bewonderen: Zalthear draagt kleren – een simpel grijs sweatshirt en donkerblauwe joggingbroek – maar toch lijkt het zilverwit licht vanuit zijn hele lichaam te stralen, door de stoffen omhulsels heen.

‘We moeten naar het dak,’ zegt Zalthear. ‘Vanaf daar kan ik contact maken.’

De twee wezens – rood en zilver – haasten zich door het trappenhuis omhoog. Heel even blijft Balthamon staan op de begane grond en kijkt door de lengte van de lobby naar de voorzijde van het gebouw. Drie, vier gedaanten lopen buiten rond: rechtop staande, grimmige silhouetten, door het weerlicht van de zakkende zon zichtbaar achter de matglazen ramen.

Hellehonden, denkt Balthamon. Hij had de poorten al van binnenuit vergrendeld met Adramelechs loper, maar hij weet dat het niet lang zal duren voordat de ordebewakers van de onderwereld een weg naar binnen zullen vinden.

‘Kom op,’ spoort hij de engel aan. Die kijkt weg van de silhouetten voor het raam en knikt.

Balthamon wil naar de lift stappen, maar bedenkt zich dan.

‘Als ze binnenkomen, kunnen ze de liften stopzetten. Te riskant. We nemen de trap.’

Op de tiende verdieping begint Balthamon te vertragen. Op de veer­tiende is hij aan het puffen en buiten adem. Op de negentiende moet hij stoppen en de reling vastgrijpen, en probeert hij zijn maaginhoud niet uit te braken. Zalthear lijkt van de inspanning geen enkele hinder te onder­vinden, en kijkt over de reling naar beneden.

‘Hoor je dat?’

Balthamon knippert met zijn ogen. Zalthear kijkt hem aan, en houdt zijn hoofd schuin, gebarend dat hij moet luisteren. Als Balthamon zijn ademhaling onder controle krijgt, hoort hij het ook: het gegrom van de hellehonden.

En dat komt niet van beneden.

‘Nee!’ roept Balthamon, net voordat de deur direct tegenover hem en de engel versplintert en twee hellehonden zich door de opening naar buiten storten. Meer dan manshoog, met een rode pels, grote klauwen en een lange, grijnzende snuit, lijken de in uniform gestoken bewakers meer op weerwolven dan honden.

Balthamon grist naar het flesje in zijn binnenzak.

Met reflexen waarvan Balthamon niet wist dat hij ze had schiet zijn arm naar voren, in een brede boog, en drukt zijn duim de stolp van de donkerblauwe hals af. Druppels van het donkere goedje vliegen uit de fles en treffen de hellehonden op hun snuit, borst, armen en benen. Eén druppel treft de achterste ordebewaker zelfs direct in zijn oog, en Balthamon ziet het oog verschroeien, verschrompelen en wegkwijnen tot een verkoolde kruimel.

De rest van de hellehonden volgt. Het geschreeuw weergalmt door het trappenhuis, en lijkt pas te stoppen als de beide bewakers tot smeulende resten zijn gereduceerd.

‘Effectief.’

Balthamon, nog geschokt door de schade die hij heeft aangericht, kijkt opzij naar Zalthear. Die staart naar de resten van de twee hellehonden te kijken. Vergist Balthamon zich, of is er een kleine glimlach van genoeg­doening zichtbaar op het engelengelaat?

Dan kijkt Zalthear Balthamon aan, en zijn gezicht valt weer terug in zijn natuurlijke, serene staat.

‘Kijk uit,’ zegt hij, en knikt naar Balthamons rechterhand.

Balthamon kijkt omlaag, en ziet dat hij het flesje nog vasthoudt. Een druppel van de donkere vloeistof ligt op de rand van de hals, en dreigt eruit te lopen. Balthamon onderdrukt de impuls om het flesje weg te gooien, en raapt voorzichtig de stolp op. Als hij er van verzekerd is dat het flesje weer veilig afgesloten is, stopt hij de Inessens terug in de binnenzak van zijn jas, tegen de folder aan.

‘Zullen we verder gaan?’ vraagt Zalthear.

Onderaan het trappenhuis klinkt het geblaf van méér hellehonden. Balthamon knikt.

 

*

 

Het dak van de Toren van Traan bestaat uit twee niveaus: een rondgang, bereikbaar vanaf de drieëndertigste verdieping, en het dakterras, met een ijzeren trap te bereiken vanaf de rondgang. De laatste keer dat Balthamon op het dakterras kwam was met de jaarlijkse personeelsbarbecue: een gezellige gelegenheid, waarbij de mixdrankjes rijkelijk vloeien en het minst presterende personeelslid traditiegetrouw op de grill belandt. Wederom: demonen sterven niet. Balthamon had horen zeggen dat het jaarlijks offer er het nodige ongemak aan overhield om – nadat hij in stukken was gesneden, en was opgegeten door zijn collega’s – weer tot een geheel te groeien.

Dat gaat mij overkomen, denkt hij koortsachtig. Gegrild en opgediend met barbecuesaus. Als ze ons grijpen, in ieder geval.

Aan alle kanten komt het hondengeblaf hen tegemoet. Balthamon kijkt met samengeknepen ogen naar de engel, Zalthear, die zich richt tot de zon – nu bijna aan het einde van haar afdaling naar de horizon.

‘Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zegt Zalthear, en zijn stem klinkt krachtig in de stille lucht bovenop het dakterras. ‘Hier staan twee van Uw kinderen: angstig, verloren, en afhankelijk van uw hulp.’

Geschraap op grindkorrels. Balthamon draait om zijn as, en graait al naar de Inessens in de binnenzak van zijn jas. Verderop, op de Toren van Bloed, ziet hij een kleine colonne hellehonden stelling nemen, met tussen hen in een stellage van zwarte, glanzende buizen die langzaam vorm begint te krijgen. Een stuk artilleriegeschut, vermoedt Balthamon.

‘Heer, verlos ons van deze kwade geesten!’ Zalthear is op zijn knieën gevallen en steekt zijn armen uit. ‘Red ons uit de klauwen van zij die Uw Naam verloochenen! Hier staan Uw kinderen; Zalthear, een trouw dienaar, en Balthamon, een banneling met berouw. Reik ons Uw hand, Heer!’

Balthamon is achter de engel komen staan, en legt een hand op diens schouder. Samen kijken ze naar de zon, die fel en heet in hun gezicht schijnt. Samen horen ze het bloeddorstig gegrom van de ordebewakers die aan alle kanten het gebouw beklimmen.

Balthamon kijkt opzij, waar een aantal van de hellehonden – uitgerust met kevlar en lange, doorzichtige schilden – over de rand van het dakterras klimt en een behoedzame schildmuur opstelt. Dan naar de andere kant, waar vanaf het dak van één van de andere Torens – Pus of Pis, een van die twee – een V-formatie gedrochten hun stenen vleugels spreidt.

‘Niet om het een of ander,’ zegt de demon met een kalmte die hij geheel niet voelt, ‘maar gaat dit nog lang duren? We zijn aardig omsingeld aan het raken.’

‘Ik-’ begint Zalthear, ‘ik-’

‘BALTHAMON!’

Precies tegenover de langzaam zakkende zon staat hij: Adramelech, Kanselier van de Orde van de Vlieg. De chef. Met een kogelvrij vest aan en een megafoon tegen zijn ezellippen.

‘BALTHAMON!’ schalt zijn stem door de elektronische trompet. ‘KUNNEN WE PRATEN, VOORDAT JE IETS DOMS DOET?’

‘Hij komt niet…’

Zalthear kijkt over zijn schouder, omhoog, in de ogen van Balthamon. En voor het eerst sinds hij de engel heeft ontmoet ziet Balthamon angst en onzekerheid in het anders zo serene gelaat.

‘Hij komt niet,’ herhaalt Zalthear, en een zilver spoor van tranen loopt over zijn wangen naar beneden.

‘BALTHAMON! LUISTER NAAR ME!’

Balthamon spant zijn kaak, en kijkt weg van de engel, naar zijn voormalige baas.

‘Wat wil je!?’ schreeuwt hij. De woorden komen wild en rauw uit zijn mond.

‘BALTHAMON, IK WIL DAT JE VAN DE ENGEL VANDAAN STAPT. IK WIL DAT JE JE HANDEN IN JE NEK LEGT EN DAT JE OP JE KNIEËN GAAT.’

Om het tweetal heen heeft een hele linie hellehonden stelling genomen – een ononderbroken cirkel van grommende snuiten, verschanst achter hoge schilden. Schaduwen glijden over het dak, over Balthamon. Schaduwen van de waterspuwers die als aasgieren om hem heen cirkelen. Maar niets ondernemen.

Niemand onderneemt iets.

Ze zijn bang, beseft Balthamon. Bang voor mij.

Voorzichtig, langzaam, haalt hij het flesje, de Inessens, uit zijn binnen­zak tevoorschijn, en houdt die omhoog.

‘BALTHAMON!’ brult de chef. ‘DOE NIETS WAAR JE SPIJT VAN KRIJGT!’

Maar wat dan? Balthamon staat op meer dan twintig meter afstand van de chef; te ver om de Inessens over hem heen te gooien. Wellicht kan hij er een paar hellehonden mee vernietigen, maar niet meer dan dat.

Zijn ze bang dat ik het zelf inneem? Dat ik mijn straf ontloop?

Nee. Demonen genieten van andermans pijn, en zijn wraaklustig, maar Balthamon zal zeker niet gemist worden als hij de donkerblauwe drank in zou nemen en zichzelf zou wissen uit het bestaan.

‘Heer…’

Langzaam draait Balthamon zijn hoofd, en kijkt naar het zilverwitte wezen dat nu op handen en knieën – zijn hoofd omlaag, steunend op het grind – op het dakterras zit. De smeekbedes die van Zalthear komen klinken wanhopig, huilerig.

‘Heer! Alstublieft…’

En dan snapt Balthamon het.

‘IS HET JE OM HEM TE DOEN, ADRAMELECH?’ roept hij naar de chef, en wijst achter zich naar de engel.

Adramelech verrekt geen spier. En verraadt daarmee alles.

‘JA DUS! WAT IS ER ZO BELANGRIJK AAN HEM?’

‘IK KOM NAAR JE TOE, BALT.’

‘BLIJF DAAR!’

Twee meter is de chef naar voren gekomen. Als Balthamon zou willen, kan hij de Inessens naar zijn baas gooien. En wellicht zou hij nog raken ook.

Als Adramelech zich van dat gevaar bewust is, laat hij het niet merken. Hij zet de megafoon weer aan zijn lippen en spreekt nu op zachtere toon.

‘Balthamon, je hebt daar het belangrijkste deel van de operatie die de Orde vijfhonderd jaar voorbereiding en ontelbare miljarden heeft gekost. Ik weet dat je momenteel boos en onzeker over je positie bent, maar we kunnen hierover praten! Doe die fles weg!’

‘WIE IS HIJ?’

‘We leggen alles uit, Balthamon, alles! Maar leg eerst-’

‘NEE! VERTEL HET ME NU!’

Om zijn eis kracht bij te zetten stapt Balthamon achteruit en houdt de fles Inessens boven het hoofd van de engel. Zalthear heeft zijn ogen gesloten, en merkt niets.

‘Heer, ik ben U niet waardig,’ prevelt hij zacht. ‘Ik ben Uw dienaar, en accepteer het Plan dat U voor mij heeft.’

Twee van de hellehonden zetten geweren tegen hun schouders en richten op Balthamon. Adramelech haalt de megafoon van zijn mond, vloekt tegen ze, en de geweren gaan weer omlaag.

‘Balthamon!’ zegt de chef, met de megafoon weer tegen zijn lippen. ‘Er zijn hier heel veel demonen die je neer willen schieten. Maar ik vertrouw op je verstand, en geef je een kans om jezelf hieruit te werken. Kijk in je jaszak! Je hebt de dossiers uit mijn bureau gehaald. Degene met de… foto’s, maar ook een andere.’

Balthamon knippert met zijn ogen.

‘Bekijk dat andere dossier!’

‘BLIJF OP AFSTAND!’

Adramelech knikt, en Balthamon vist voorzichtig, met één hand, het dossier uit zijn binnenzak. Hij neemt die aan de onderkant vast, zwaait die open.

En kijkt in het gezicht van Zalthear.

En eronder, in grote zwarte letters, PROJECT SCHONE SCHIJN.

‘WAT IS DIT?’

‘Lees het!’

Zalthear, de ster die lacht. Rechterhand van Uriël. Vertrouweling van de vijand. Heeft zich vaak bewezen in inmenging met menselijke affaires, met name op het gebied van uitvindingen, kunst en literatuur. Gevangen door de helle­honden in 1566, in Venetië. Programma van indoctrinatie ingezet onder leiding van de kanselier. Na driehonderd jaar initiële weerstand is eerste succes geboekt. Patiënt is niet bekeerd, maar wel doordrongen van ideeën die onze zaak zullen bespoedigen. Prognost Althareon voorspelt dat re-integratie in de Hemel zal leiden tot de publicatie van een boek dat de Westerse samenleving over de grens van het rechts-extremisme zal trekken. Gesloten grenzen, invoering van getto’s en, uiteindelijk, een wapenwedloop tegen de oosterse wereld zijn directe gevolgen. Het aantal te winnen zielen wordt geschat op 1.500.000.000 – 4.500.000.000

Balthamon laat het dossier uit zijn trillende hand vallen. Hij voelt koud zweet over zijn lichaam lopen, en rilt.

‘Nee,’ fluistert hij.

‘Begrijp je het nu, Balthamon? We hebben het! Het wapen dat we willen! Een kans om niet alleen terug te vechten, maar te winnen!’

‘Heer!’

Balthamon voelt de zon branden op zijn nek, en draait zich om naar de zon die in intensiteit is toegenomen. Zalthear is weer overeind gekomen, en reikt zijn handen naar het licht.

‘Heer!’

‘Dit moet gebeuren!’ roept de chef. ‘Voor ons allemaal. Voor heel Hel!’

De bal vuur wordt groter en groter, en Zalthear is bijna een zwart silhouet geworden. Een donkere vlek op die bol van puur, warm licht.

‘HEER!’

‘LAAT HET GEBEUREN, BALT.’

Balthamon kijkt nog één keer achterom naar de chef, voordat hij zich richt op de engel.

‘Het spijt me,’ fluistert hij, en kiepert het flesje boven Zalthear om.

Hij wil nog meer zeggen, maar zijn woorden zijn onhoorbaar onder het gekerm en gekrijs van de engel die zijn eigen essentie verliest. Die verschroeit tot niets. Balthamon kan achteraf niet zeggen of de doods­strijd van de engel vijf seconden, vijf uur of vijf jaar heeft geduurd. Er was een pijn zo diep dat die de hele wereld in beslag nam, en toen was er niets meer.

De zon trekt zich terug, krimpend tot haar normale formaat. Als een rode bal hangt ze net boven de horizon van Hel, waar ze zwak en ontzet­tend kwetsbaar oogt.

Het is stil.

Balthamon staart naar de zich terugtrekkende zon. Naar het lege flesje in zijn handen. Naar de smeulende resten van de engel.

Hij vraagt zich af wat hij gedaan heeft.

‘Bravo, Balthamon.’

Het is de chef die zijn arm om de schouder van de stom geslagen demon legt.

‘Complimenten, m’n beste. Je hebt je aan het script gehouden als geen ander. Ik had zo mijn twijfels toen ik dit rapport voor me kreeg, maar ik moet zeggen dat het bijzonder goed heeft uitgepakt. Een engel ver­dwenen, kwijt, van het strijdtoneel. Je deed het allemaal met de beste bedoelingen, natuurlijk. En dat is het hele punt.’

Balthamon staart vol onbegrip naar de grijns op het ezelgelaat.

Later, als hij in zijn cel zit – dezelfde waar Zalthear in zat, nota bene – heeft hij tijd om alles uit te denken. Hoe ze hem hebben bedonderd. Hoe Lucinda zijn neigingen tot het lichte opmerkte, zijn nachtboek vond, haar bedenkingen doorspeelde aan Adramelech. Hoe Althareon het rapport samenstelde, waarin precies stond uitgestippeld aan welke touwtjes ze moesten trekken om Balthamon over de streep te krijgen. Een dreige­ment van de chef; een celdeur die niet goed afgesloten was; een paar rondslingerende dossiers… Angst, twijfel, leugens. Allemaal om Balthamon op het juiste moment op de juiste plek te krijgen.

Met de engel, en het wapen om de engel te vernietigen.

Met het onwrikbaar geloof dat wat hij deed ook het juiste was.

Later komt dit besef. Nu, op het dak van de Toren, snapt Balthamon alleen nog dat hij er in is geluisd. De chef haalt zijn hand van Balthamons schouder, en twee hellehonden stappen naar voren om de prognost in de houdgreep te nemen.

‘Alles wat in Hel gebeurt,’ vertelt de chef hem, ‘vindt op aarde zijn weerslag. Jouw daad – het doden van een engel, met de beste bedoelingen – zal miljoenen inspireren om daden te verrichten die even vreselijk als goedbedoeld zijn. Miljarden zullen sterven, omdat de westerse wereld weer denkt te weten wat het goede is.’

Balthamon hoort de woorden van de chef maar half. Voelt de tranen niet die over zijn wangen lopen. Het enige waar hij van bewust is, als hij wordt meegesleurd door de hellehonden, is de zon die net boven de horizon staat, laag, en klein, en donker.

En ondergaat.

De vrouw van een halve eeuw : Anaïd Haen

Tegen de stam van de boom aan de overkant van de straat zit een ekster, strak in zijn zwartwit verenkleed, een beetje met zijn snavel in het groene mos te peuren. Het is herfst, ik kan de vogel goed her­kennen, maar erger me eraan dat ik niet kan zien wat hij uit het mos haalt. Insecten? Larfjes?

‘Ik moet een telelens.’ Ik zwaai met mijn vork naar de boom in de verte. ‘Die ekster eet iets en ik weet niet wat.’

‘Een telelens?’ Portio, mijn Lief, schept zich nog eens eten op. ‘Er ligt een verrekijker in de bovenste lade van het dressoir.’

‘Een inwendige.’ Ik wijs op mijn oog. ‘Die zijn er.’ Gedienstig schep ik wat jus over zijn aardappelen. Als ik iets weet over liefde, is dat het door de maag gaat.

‘Natuurlijk zijn die er, Martina.’ Lief prikt wat door het eten. ‘Maar bedoel je implantaten? Schat… dan moeten ze in je snijden.’

De toon en de inhoud van zijn bedenking negerend zet ik de brochure op het grote scherm. ‘Voor een paar extra digicoins kunnen ze zelfs een camera in de lens brengen. Film en foto’s.’ Als de frons verschijnt praat ik snel door: ‘Henriëtte heeft er ook eentje, in haar linkeroog. Vijfduizend keer zeven en een half duizend pixels, lieverd. Twaalf­honderd dpi, weet je hoe scherp dat is? En vierendertig keer zoom!’ Ik toon wat foto’s die gemaakt zijn door onze buurvrouw.

‘Snijden, schattebout. Ze moeten in je snijden. In een gezond oog, nota bene!’ De vork verdwijnt ruw in de aardappel met jus. ‘En hoe gaat dat met die beelden? Waar worden die opgeslagen? In je hersens soms?’

‘Natuurlijk niet. Hoe zou dat kunnen?’

De aardappel is fijngeprakt en slurpt de jus op. Erboven hangt de vork, net zo strak stil als de blik die me uit zeegroene ogen wordt toege­worpen. ‘Dus?’

‘Ik krijg een wificonnector. Achter mijn oor.’

 

Het is mijn lijf, daar zijn we het over eens. En ik heb er zelf voor gewerkt, dat vinden we ook allebei. Maar daar houdt de eensgezindheid wel op. Hoe meer ik erover wil praten, hoe meer ik word afgekapt, tot een negeren, kouder dan een nacht op Io. Aan de ene kant vind ik het vreselijk, die starre, stijve rug in bed die van me afschuift als ik ertegenaan wil kruipen, aan de andere kant geeft het me ook de kans mijn eigen gedachten op een rijtje te krijgen en een beslissing te nemen.

‘Ga je wel met me mee?’ vraag ik zachtjes in de zevende nacht. ‘Ik wil het heel graag.’

‘Wat wil je graag?’ vraagt de rug. ‘Dat verdomde implantaat of dat ik meega?’

Ik waag ons grapje erop: ‘Ja.’

Zijn zucht is dieper dan de Marianentrog. ‘Vooruit dan maar.’

 

Wat het is met één oogimplantaat, zo ontdek ik gaandeweg: dieptezicht is een probleem. ‘Als ik heel sterk inzoom, moet ik mijn rechteroog sluiten, zie je?’ Ik doe het voor. ‘Anders schat ik de afstand verkeerd in.’

Portio bromt wat vanachter een krant. Het is er eentje uit 2017, afkomstig uit de erfenis van mijn schoonouders. Ik haat de muffe geur en de rillinggevende droge knispering van het oude papier. Trump wil naar de maan kopt de voorpagina. Ik meen dat heel wat mensen hem daar graag hadden gezien.

Ik zoom in op de lettertjes onder de kop, maar de vingers van mijn grote lieverd bedekken een deel van het artikel en ik kan het niet lezen. Snel knip ik een paar foto’s en projecteer ze op het scherm. ‘Kijk eens.’

Verstoord kijkt Lief naar het scherm.

‘Zie je? Onscherp.’

‘Dan moet je geduldiger zijn met knippen, schattebol. Eerst goed inzoomen, scherpstellen en dan pas afdrukken.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Dat is het niet. Ik moet gewoon mijn andere oog…’

‘Niks ervan!’

 

Het is mijn lijf, daar zijn we het over eens. En ik heb er zelf voor gewerkt, dat vinden we ook allebei. En dit keer duurt het minder lang tot ik mijn zin krijg. Niet dat ik op toestemming wacht, natuurlijk. Maar het is wel zo prettig als we het eens zijn.

 

Het is prachtig, prachtig, zo prachtig. Ja, ik struikel over dingen als ik in inzoommodus rondloop, maar jonge, wat maak ik mooie foto’s en opnames. Die ekster eet dus torretjes en ik kan de pootjes zien friemelen in zijn snavel. Het enige is: als je heel scherp zicht hebt en tot vierendertig keer kunt inzoomen, is het heel vervelend dat je niet kunt horen wat er verderop gebeurt. Tenminste, dat vind ik. Laat staan dat ik geluid bij mijn filmpjes heb. En naarmate ik meer gewend raak aan de implantaten, verschuift ‘vervelend’ naar ‘ergerlijk’.

‘Er bestaan geluidversterkers, wist je dat?’ We zitten lekker naast elkaar op de bank en bekijken een serie die ik heb uitgezocht, speciaal om hem een beetje te kneden voor wat ik vragen wil.

‘Geluidversterkers?’ De blik die me wordt toegeworpen verklaart me voor gek. ‘Zodat ik de hele dag moet fluisteren omdat jouw gehoor dan te gevoelig is?’

‘Kinderziektes, zijn opgelost.’ Ik ga op mijn knieën zitten en trek met mijn vingers mijn oorschelpen tussen mijn haren uit. Ik wil vertellen van hoe klein die implantaten tegenwoordig zijn. En hoe betrouwbaar. En vragen welk oor het best zou zijn: mijn linker of rechter.

‘Schattig zijn ze.’ Quasi verschrikt slaat hij de hand voor de mond. ‘Bedoel je dat je olifantsoren gaat laten aanzetten?’

Het is niet leuk als de spot met me gedreven wordt. Zeker niet nu, zeker niet over mijn oren en al helemaal zeker niet over een verbetering van mijn zintuigen. Waar we allebei van zouden kunnen profiteren, trouwens.

Ik plof weer op mijn kont, sla mijn armen over elkaar en zeg de hele avond niks meer.

Dat helpt.

 

Natuurlijk laat ik twee oren tegelijk doen. De verhalen van Henriëtte, dat je geen richting kunt bepalen als je maar aan één oor verbeterd bent, noodzaken me ertoe.

‘Prachtige gehoorgangen, mevrouw Andrew.’ Breed glimlachend geeft dokter Malaki me een speels tikje op het puntje van mijn neus. ‘U zult straks zien hoe goed u hoort.’

‘Horen, bedoelt u?’ Portio kijkt me aan met de lippen plat op elkaar gedrukt, als Donald Duck.

Net als de dokter, negeer ik zijn opmerking. Ik ben allang blij dat ik niet alleen naar de kliniek hoef en verder weet ik zeker dat hij strakjes weer zichzelf en dus lief en zorgzaam is. ‘Kan ik ook geluidsopnamen maken?’

‘Niet met de standaard unit, wel als we de uitgebreide implanteren. Het is dan het beste om meteen nieuwe slakkenhuizen te laten aanleggen.’ De dokter staart piekerend naar de 3Dholo van mijn schedel. ‘In verband met uw evenwicht.’

Ik ben blij dat de dokter over mijn balans begint, want nu heeft Lief geen tijd om na te denken over de standaard of de uitgebreide unit.

‘Evenwicht?’ Portio toont zijn frons weer eens. ‘Er is toch niets mis met haar evenwichtsorgaan?’

‘Nee, op zich niet.’ Op de wand verschijnt een projectie van mijzelf. ‘Maar u kunt zich voorstellen, met al dat extra gewicht in het hoofd…’ De projectie buigt naar voren. Bij een graadje of negentig verlies ‘ik’ de controle en bonk met het voorhoofd op de grond. Zowel Lief als ik schrikken van het geluid.

‘Doet u maar, die slakkenhuizen.’ Niet eerder zag ik Liefs gezicht zo wit.

 

Het is jammer dat de wificonnector nu verplaatst moet worden naar mijn neusbrug, maar volgens Malaki zal ik daar geen spijt van krijgen. ‘De ontvangst is daar stukken beter.’

De liefde van mijn leven is er wat minder over te spreken. ‘Moest die antenne dan zo vlak onder je huid over je voorhoofd? Achter je oor zag je er niets van.’

Ik probeer me niet te ergeren aan zijn gemekker, heb genoeg aan mijn eigen pijn. Nooit geweten dat een neusbrug zoveel zenuwuiteindjes bezit. Achteraf had ik er beter aan gedaan te informeren hoe gevoelig zo’n operatie is, dan had ik er misschien van afgezien. Ik heb er hoofdpijn van. Ook van de geluiden, die scherp en rauw binnenvallen. Er is iets niet in orde met de demping, maar ik durf het niet te vertellen uit angst dat we dan linea recta teruggaan naar de kliniek om de boel te laten verwijderen. Het is per slot van rekening mijn lijf.

 

‘En je hebt ervoor gewerkt…’ Op tafel liggen radertjes en tandwieltjes en allerlei andere koperen toestanden verspreid. Was eens een klok, schijnt het ooit weer te worden. Hij legt de loep neer en zucht heel erg diep. ‘Moet je wervelkolom vervangen worden? Waarom?’

Ik doe mijn best het gezucht niet na te doen, maar slaag er niet in.

‘Schei daarmee uit. Daar ben je veel te goed in. Je imiteert mensen, spiegelt en manipuleert ze. En alles met een flauw glimlachje, zodat ze niet doorhebben wat je doet.’

‘Maar jij weet het wel, toch?’ Ik kruip op schoot en probeer niets op tafel te verschuiven. ‘Jij weet dat ik het doe en er goed in ben, dus ben jij er ongevoelig voor.’

‘Schat, je bent zwaar. Geworden.’

Ik kus die zalige lippen, spring van schoot en knipper met mijn verleidelijk lange wimpers, speciaal laten fabriceren toen bleek dat de lichtinval op mijn lenzen te fel was. ‘Ga je mee?’

‘Waarheen?’ Hij geeft zich niet zo makkelijk gewonnen vandaag.

‘Naar bed. Saampjes.’ Ik draai me om en trek alvast mijn vest uit. Als Lief blijft zitten trek ik mijn troef: ‘Ik zet de trilfunctie aan.’

 

Er is niets fijners dan in elkaars armen doezelen na het vrijen. Ik zoom een beetje in op de fijne lachrimpeltjes naast Portio’s ogen en bestudeer een poosje de rangschikking van de poriën naast de neus. Net zo’n bijenhuis… hoe heet het? Een honingraat. ‘Moppie?’

‘Ja?’

‘Houd je van me?’

De armen trekken me strakker tegen het heerlijke lijf aan. ‘Natuurlijk, schat. Heel erg veel.’ Een kus belandt ergens achter mijn oor, op het litteken. Het doet pijn, maar ik geef geen krimp.

‘Dan nog even over mijn ruggengraat, hè?’

Ik had net zo goed vloeibare stikstof over ons heen kunnen gieten. De armen verstarren, ademhaling stopt, ogen sperren open. ‘Stop ermee.’

‘Waarmee?’ Ik word juist heet, vanbinnen. Het met me oneens zijn is één ding, maar me bevelen is iets anders.

‘Stop met jezelf mismaken. Je hebt de grens wel bereikt.’

‘Jouw grens, misschien. De mijne niet.’ Woest spring ik uit bed. ‘Je was het al oneens met de allereerste ingreep.’

Lief gaat rechtop zitten. ‘Dat is niet waar, schat.’

‘Noem me geen schat! En het is wel waar.’ Ik verleng mijn linkerarm om mijn kleren van de stoel te pakken. ‘Je wilde niet dat ik lenzen nam. Niet dat ik mijn gehoor verbeterde. Niet dat ik…’ Ik duw mijn rechtervoet door de pijp van mijn broek, maar vergeet mijn nagels, heel handig bij het boomklimmen, in te trekken. Verstomd staar ik naar de enorme scheuren in de stof.

‘Niet dat je wat?’

‘Laat ook maar!’ Ik ruk de broek van mijn been. ‘Maar dat jij nooit de heg meer hoeft te knippen, daar hoor ik je niet over.’ Met de wijs- en middelvinger van mijn rechterhand maak ik knipbewegingen. De metalen bladen van de schaar schuiven over elkaar. Vlijmscherp gereedschap, zeer bruikbaar.

Zijn mond valt open. ‘Bedoel je nu dat al jouw modificaties in mijn voordeel zijn?’

‘Zeker!’ Ik knip de flarden van de broek en besluit de andere broekspijp gewoon lang te houden. Gekleurd kousje eronder, kan best. ‘Ik heb drie banen! Jij profiteert van mijn robotisering terwijl je er geen cent in hoeft te investeren.’

‘Geen cent? En mijn tijd, dan? En mijn zorgen?’ Nu springt hij ook uit bed. ‘Je bent al twintig jaar bezig! Iedere keer mee naar de kliniek, aanzien hoe pijnlijk het voor je is, je helpen met revalideren en je klussen en werk overnemen zolang je herstelt? Tellen die dingen niet?’ De handen staan gebald in de zij, de ellebogen wijd uit.

Sprakeloos kijk ik op van mijn afgeknipte broekspijp. Zijn tijd? Zijn zorgen? Om mij? Even voel ik iets achter mijn borstbeen verzachten. Het is ook een lieverd ook. Maar de woede om zijn egoïsme laait weer op als ik de frons zie die de ogen zo dicht bij elkaar brengt en verduistert. Met een ruk kom ik rechtop om te zeggen dat er niets meer in mij gestoken hoeft te worden. Geen tijd, geen zorg, niets.

KRAK.

Mijn benen slaan onder me weg.

‘Martina?’ Portio stapt naar voren en grijpt me vast. Als een slap vodje hang ik aan mijn oksels. Ik mompel nog iets van pijn-in-mijn-rug of zo.

 

Als ik bijkom, zit hij naast me. Roodomrande ogen, schrale neusvleugels.

‘Hai,’ zeg ik. ‘Wat is er met je?’

‘Met mij? Met jou, zul je bedoelen.’ Mijn handen worden vastgepakt en gekust. ‘Ik dacht dat ik je kwijt was.’

‘Kwijt? Nee, dat kan toch niet. Dan kun je toch de tracker gebruiken die ik je heb gegeven?’ Ik heb vreselijke hoofdpijn. Niet voor in mijn hoofd, maar achterin, bij mijn nek. Als ik mijn hand erheen probeer te bewegen, merk ik dat ik vastlig. ‘Waar ben ik? Wat is er gebeurd?’

‘Je bent in de kliniek. Ik heb je hier gebracht toen je… brak.’

‘Brak? Ik? Wat?’

‘Blijft u rustig liggen, mevrouw Andrew.’ Dokter Malaki loopt de kamer binnen. ‘U bent een grote geluksvogel.’ In een paar zinnen legt hij uit wat me is overkomen. Mijn wervels konden het gewicht van mijn armen en hoofd (‘Vooral uw hoofd, die elektronische verbindingen zijn zwaar.’) niet meer aan en zijn onder de druk bezweken.

Hoewel ik weet dat ik bij de aanpassingen die zullen gaan komen, met name die van de springmechanismen in mijn benen en de grijpstaart, een nieuwe wervelkolom noodzakelijk is, verbaast het me heel erg dat dit kon gebeuren. ‘De implantaten die ik al heb zijn toch allemaal lichtgewicht?’

De dokter glimlacht. ‘Dat klopt. Maar u heeft ervoor gekozen de armextensies uit te laten voeren in Turkije, toch?’

Portio veert overeind, met een vertrokken gezicht. Onze ruzies over de buitenlandse operaties staan ons beiden nog levendig voor de geest.

Schuldbewust knik ik. ‘Het was daar goedkoper en …’

De dokter heft zijn hand. ‘Ik begrijp het. En wat ze gedaan hebben, is vakwerk.’

‘Echt?’ Mijn Lief zakt opgelucht onderuit, als een ballonnetje dat leegloopt.

‘Zeker! Hoogwaardige materialen, niets op aan te merken.’ Malaki heft zijn vinger waarschuwend op. ‘Alleen hadden ze rekening moeten houden met alle voorgaande ingrepen. Al bij al was het gewicht van de implantaten gewoon te hoog voor een natuurlijke wervelkolom.’

Ik verwerk het even en vraag dan met een klein stemmetje: ‘En nu?’

Opgewekt klopt dokter Malaki op mijn bedsprei. ‘Gelukkig heeft uw partner u op de juiste wijze gestabiliseerd en vervoerd, er zijn geen verbindingen, zenuwen zo u wilt, organisch noch artificieel, beschadigd. We kunnen gewoon verder zoals gepland.’

‘Verder?’ Nu springt Portio overeind. ‘Bent u gek geworden? Martina…’

‘Lieverd, luister,’ zeg ik zachtjes. Ik kan mijn megafoon inzetten om hem te overschreeuwen, maar dat doe ik niet.

‘Nee, ik luister niet! Ik wil dat je al die troep uit je lijf laat halen. Alles! Ik wil dat je weer mijn lieve, zachte, mooie meisje wordt. Ik wil …’ Tranen stromen over zijn gezicht. Wankel ploft Portio, mijn partner, de liefde van mijn leven, in de stoel. ‘Ik wil Martina Andrew, mijn vrouw, terug.’ Het mooie gezicht verdwijnt achter de heerlijke handen. Schouders schokken.

Dokter Malaki kijkt zuinigjes en zegt tegen me: ‘Het spijt me, van ophouden kan geen sprake zijn en van terugdraaien al helemaal niet.’ Hij spreidt zijn handen. ‘Bij de operaties zijn uw eigen lichaamsdelen en organen vervangen. Die zijn niet bewaard gebleven, dat kan niet. U heeft geen echte ogen, gehoorgangen, evenwichtsorganen, stembanden, armen, handen…’

‘Genoeg!’ Liefs stem breekt.

De dokter stopt niet met praten. ‘En als we niets doen, blijft u immobiel.’ Hij wendt zich tot mijn man. ‘We moeten dus sowieso de wervelkolom vervangen, we kunnen niet anders.’

 

We zitten tegenover elkaar aan tafel en ik doe een poging om uit te leggen waarom ik er niet mee wil stoppen, dat het laatste stukje ver­vanging, mijn hersens voor een kunstmatig brein, belangrijk is, maar ik slaag er niet in. Op de een of andere manier krijg ik het niet aan hem overgebracht dat het veranderen van mijn lichaam goed voelt. Dat ik blij ben met ieder stukje huid dat verdwijnt en plaats maakt voor glimmend metaal, zó mooi dat ik mijn kleding niet meer wil dragen. Dat ik het heerlijk vind om meteen toegang te hebben tot internet en andere data. Dat ik het voor lief neem dat mijn hart niet meer klopt en dat het updaten en opladen een paar uur per dag in beslag neemt omdat ik sterker, sneller en slimmer ben geworden. Ja, ik begrijp dat onze maaltijden er wat ongezelliger op zijn geworden en dat vind ik voor hem oprecht vervelend, maar is niet overduidelijk te zien dat ik gelukkiger ben nu? Dat ik eindelijk mezelf ben geworden?

‘Jezelf?’ Portio lacht schamper. ‘Er is geen spatje meer van je over. Alles is weg.’

‘Je overdrijft, schat.’ Mijn pols knarst een beetje als ik op zijn hand klop. ‘Ik ben net zo goed mezelf als jij jezelf bent.’ Ik sta op om de bus smeermiddel te pakken en mijn scharnieren een beurtje te geven. ‘Sinds jouw ontstaan ben je ook al talloze keren vervangen.’

‘Pardon?’ Lief komt ook overeind, pakt de spuitbus uit mijn handen en duwt het tuutje in mijn nek. ‘Hier?’

Ik laat het middel inspuiten en draai mijn hoofd een paar keer. ‘Heerlijk, dank.’ Ik keer me naar hem om. Sinds de laatste operatie ben ik wat langer dan hij, maar ik verdoezel dat door mijn knieën licht gebogen te houden als ik met hem spreek. ‘Ik bedoel dat iedere lichaamscel waar jij mee geboren bent, allang vernieuwd is.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Welbeschouwd ben jij ook jezelf niet meer.’

Verbluft staart hij me aan, zijn ogen knijpen een beetje samen. ‘Dit heb je bewaard, hè?’

‘Dit wat?’

‘Dit argument. Van die lichaamscellen.’ Hij kijkt heel moe. Zijn schouders hangen af. Zijn grijzende slapen en baardje vertellen me dat hij ouder wordt.

Ouder worden… dat doe ik ook niet meer. Een ander argument dat ik maar niet uit de kast trek, maar waar ik al lang mee in mijn maag zit. Een golf tederheid, vermengd met verdriet omdat ik Portio op den duur zal verliezen, overvalt me. Kennelijk zit er nog wat oxytocine in mijn lichaam, want ik heb dit al een poosje niet ervaren. ‘Nee, ik heb het niet bewaard. Het kwam zo in me op.’ Ik steek mijn hand uit en streel zijn wang. ‘Zullen we vrijen?’

Langzaam vertrekt zijn gezicht van vermoeid naar verafschuwend. Hij zet een stap naar achter en trekt zijn hoofd opzij, zijn wang bevrijdend van mijn vingers. ‘Vrijen?’ Zijn bovenlip trekt op.

Zijn reactie bevreemdt me. Ik kan me niet herinneren ooit door hem afgewezen te zijn.

‘Wanneer?’ Zijn stem is hees.

‘Wanneer wat, lieverd?’

‘Wanneer is die operatie?’

Gelukkig! Hij is om, hij snapt het. Voor de zekerheid vraag ik nog: ‘Waarom wil je dat weten? Ga je met me mee?’

Hij knikt.

Ik ervaar vreugde. Van top tot teen. ‘Volgende week woensdag.’

Portio stoot een schamper lachje uit. ‘Volgende week woensdag?’

Stralend kijk ik hem aan. ‘Op mijn vijftigste verjaardag.’

 

Het is de eerste operatie waar ik uit wakker word waarbij ik geen pijn heb. Niets doet me meer pijn, kan me geen pijn meer doen. Ik kom overeind en kijk naar mijn handen, naar de vingerkootjes die stuk voor stuk ombuigen. De toppen van mijn duimen raken met gemak de toppen van mijn vingers. Ik speel een poosje tikkertje met mijn vingertoppen, steeds sneller en sneller, beide handen tegelijk en dan ook met mijn tenen. Ik ervaar een goed gevoel dat alles functioneert, dat dit lichaam doet wat het moet doen, dat het precies is geworden wat het moet zijn.

Portio zit in de hoek van de kamer. Hij bekijkt me van kop tot teen. Ik heb tijdens deze operatie meteen mijn schedel laten vervangen door een kap van een titaniumgrafeen, zodat mijn hele lichaam nu dezelfde uitstraling heeft. Niet dat uiterlijk er iets toe doet, maar ik weet dat het menselijk oog esthetiek belangrijk vindt.

‘Hoe zie ik eruit?’ Ik vraag het gewoontegetrouw. Omdat ik het steeds gevraagd had.

‘Heb je pijn?’ Portio staat op uit de stoel en loopt op me af. Hij steekt zijn hand uit naar mijn hoofd, een traan blinkt in zijn ogen. ‘Je prachtige haren…’ Als hij knippert, rolt de traan over zijn wang naar beneden.

Ik glimlach in de begrijpende stand en pak zijn hand zachtjes vast. ‘Ik heb geen pijn. Zullen we naar huis gaan?’

 

Naarmate Portio ouder wordt en ik steeds beter functioneer, verandert onze relatie wel wat. Zo vrijen we nooit meer en wil Portio niet dat ik bij hem aan tafel kom zitten of naast hem op de bank een serie bekijk. Ik hoef ook niet meer met hem naar bed om te slapen, zelfs niet als ik mijn bepantsering vervang voor surrogaathuid. ‘Ik lig liever alleen.’

Mij kan het niet schelen, ik hoef toch niet te slapen. Vaag weet ik dat ik eerder genoot van onze nachten in dat bed. Lepelen, onze benen verstrengeld. Ik herinner me ook dat ik me vroeger afgewezen zou hebben gevoeld, terwijl ik nu er geen emotie bij heb anders dan een: mooi, dan kan ik aan het werk. Ik werk veel: vuilsorteerder, riool­ont­stopper, hoogwerker hoogspanningskabels, tuinier en andere klussen die vuil, saai of gevaarlijk zijn. Nu de operaties volbracht zijn, zijn onze kosten echter drastisch gedaald. Scheppen geld komen er binnen, grapt Lief weleens.

Ik lach erom, maar begrijp het grapje niet.

 

Portio sterft als hij bijna honderd is. Ik voel er wel iets bij. Verdriet kan ik het niet noemen, het is eerder de herinnering eraan. Ik draag zijn kist naar het graf en luister naar de dominee, die vertelt over Portio’s pijn toen hij mij verloor, over de zorgen die mijn Lief gehad heeft in zijn leven en over hoe moeilijk het voor hem geweest is om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Ik hoor de man aan, mijn hoofd scheef, terwijl ik opnamen maak van de eekhoorntjes die in de grote kastanjes op het kerkhof zitten.

 

Thuis is het leeg. Ik ruim alles op wat van Portio was. Hij heeft er immers niets meer aan en ik heb al het meubilair ook niet nodig. Bij het uit­ruimen van de kasten kom ik albums tegen met afgedrukte foto’s. Foto’s van mij, toen ik nog van vlees en bloed was. Foto’s van ons samen. Op vakantie, hier thuis. De laatste foto is er een van mij in het bed van de kliniek. Ik heb mijn haren nog, maar verder is mijn lichaam volkomen getransformeerd. Deze foto moet gemaakt zijn vlak voor de operatie waarbij ik mijn hersens heb laten vervangen. Nog even en ze is er echt niet meer, mijn lieve Martina, luidt het onderschrift. De foto bobbelt en heeft vlekken, alsof hij heel vaak nat gedruppeld is geweest.

 

Ik sla het album dicht. Er glijdt iets uit. Een rouwadvertentie. Hij is gedateerd op mijn vijftigste verjaardag.

 

Liefste,

Ik heb aangezien hoe jij

Stukje bij beetje

Van me wegging

Ik heb je gesteund, omdat ik dacht

Dat ik daar goed aan deed

Het was immers jouw lijf

En je werkte er heel hard voor

 

In liefdevolle herinnering aan

Martina Andrews

De vrouw die een halve eeuw leefde

 

Ik stop de advertentie weer in het fotoboek en leg het bij de spullen die weggegooid moeten worden. Portio zat fout. Ik ben immers al honderd en kan nog eeuwen mee.

Heidelberg, Mon Amour : Jaap Boekestein & Tais Teng

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

De derde halte was Heidelberg, hoe kon het ook anders?

‘Deze keer is het me gelukt,’ zei Esmee terwijl ze uit de trein stapte. De geur van zomerwarm metselwerk omhelsde haar.

‘Ik weet het zeker. Ik voel het.’

‘A puding próbája az evés,’ zei Liss die speels in de lucht om haar heen draaide. De AI droeg alpenbloemen in haar gevlochten blonde haar en had een schattig dirndl-jurkje aan. Haar gezicht had wel iets weg van een ondeugende bosnimf. ‘Sorry, je spreekt geen Hongaars in deze versie, toch? The proof of the pudding is in the eating.’

‘Opschepster,’ zei Esmee. ‘Wat is er mis met Nederlands?’

Ze keek om zich heen.

Focussen! Is het me nou wel gelukt? Ondanks haar dappere woorden voelde ze zich allesbehalve zeker.

De treinwagon was pimpelpaars gespoten, met traag roterende wietbladeren die na drie hartenkloppen in witte rozen veranderden. Was dat de eerste keer ook al geweest? Vast niet. Dat had ze beslist ont­houden.

Liss?’

‘Laat me in je geheugen rondporren… De wagon was grijs, ja, met ramen van zwart glas. Deze ramen zijn blauw en de trein zweefde zeker tien centimeter hoger boven de rails.’

Het was een verandering, een kleine. Betekende dat…?

Haastig liep Esmee Heidelberg in.

‘Waar ben je precies naar op weg?’ vroeg Liss. ‘Als ik vragen mag?’

‘De biergarten natuurlijk! Waar anders heen?’

 

Op die Alte Brücke keek Esmee omhoog. Achter het beeld van Athene was de hemel even strak blauw als de vorige keer. Een wolkje maar. Is dat zo te veel gevraagd? Dan weet ik tenminste dat ik iets veranderd heb.

Halverwege de brug glipte een ranke roeiboot met een dozijn studenten aan de riemen achter een pijler vandaan. Op het achtersteven wapperde een groen met blauwe vlag en ze hoorde de bootsman schreeuwen: ‘Ein, zwei, drei! Ein, zwei, drei!’

Esmee’s schouders zakten omlaag. ‘Ik kan wel omkeren. Het heeft geen enkele zin. Deze dag is precies hetzelfde.’

‘Kom op, dat zegt niks,’ zei Liss die nu als een gebruinde backpack-toeriste naast Esmee liep. Een gehavende rugzak met ingeweven zonne­collectoren, gespierde benen boven twee stoffige bergschoenen. ‘Oké, je zag die boot de vorige keer ook, maar misschien zijn er heel veel van dat soort boten? Of is er elk jaar op deze dag een wedstrijd? Een roeiwedstrijd voor studenten?’

‘Jij bent een AI uit het einde der tijden en je kent mijn tijd tot zestien decimalen achter de komma. Als er een wedstrijd was, had je dat geweten.’

‘Ik zie je niet graag zo droevig. Zo fatalistisch. Je weet nog niets zeker.’

De biergarten lag zo’n driehonderd meter van de brug en ze hadden in de vorige versie van deze dag vlak naast het stalletje met de tap gezeten: Jonathan met zijn rug naar de stad aan de overkant, zij en Mariska tegenover elkaar. Het beeld was kristalhelder: zij hield Mariska’s hand vast en kwebbelde honderduit. Een ander woord was er niet voor: opgetogen kwebbelen.

Jonathan leunde achterover in de hard-glazen stoel en bekeek hen met een geamuseerde glimlach. Drie vrienden: drie hartsvrienden. Het olijke drietal had Mariska hen genoemd ‘Omdat we altijd schateren en elkaar tegen de schouders stompen en gierend in de armen vallen. Zelfs als we alleen muntthee gedronken hebben.’

Esmee sprintte het laatste stuk, zigzaggend tussen de platanen en opzijspringend voor de fietsers.

Daar was het terras. Als alles klopte, als er ook maar een spoortje gerechtigheid in dit waardeloze universum was, dan zou ze daar straks samen met Mariska zitten. Zonder Jonathan. Jonathan zou niet eens meer een herinnering zijn of in ieder geval Mariska nooit ontmoet hebben.

O mijn allerliefste, bad ze. Wees van mij. Van mij alleen.

 

Zes maanden eerder, op een ander tijdspoor.

Royalty watch: Sultan Erdogan en president-for-life Trump toch persoonlijk aanwezig bij kroning Amalia!

 

Het gigantische beeldscherm met de kroningsplechtigheid domineer­de het Plein in Den Haag, maar in tegenstelling tot de meeste mensen op de terrasjes besteedden Jonathan en Esmee amper aandacht aan dat hele circus.

‘Ow, dat is een sweetie, daar onder die palmboom,’ zei Jonathan terwijl hij met zijn ogen in de desbetreffende richting rolde.

Esmee tuurde zonder enige gêne in de aangegeven richting: ze hield nog net geen hand boven haar ogen. Zij had er totaal geen moeite mee als vrouwen doorkregen dat zij hen inspecteerde. Recht op het doel af, zo was ze altijd al geweest. Jonathan was altijd veel bedachtzamer, of misschien was beschaafder een betere beschrijving. De vriendelijke jongen en die leuke, spontane meid die soms wat grof gebekt was.

Die rolverdeling stamde al uit groep één, toen Esmee op de eerste dag met haar driewieler tegen haar nieuwe buurjongen aanbotste en Jonathan ‘Sorry!’ riep.

Het verschil had Esmee nooit hinderlijk gevonden: hij was een van de weinige jongens die tenminste niet aan haar kop zeurde of ze met hem wilde gaan. Jonathan bleef haar beste – en na de basisschool eigenlijk haar enige – mannelijke vriend. Een maatje waarmee je kon doorzakken, lekker slap kon ouwehoeren en, zoals nu, onbeschaamd mooie vrouwen kon spotten.

De vrouw in een zomers katoenen jurkje was inderdaad een sweetie: een vrolijk gezicht, grote warme ogen, een mooie licht­bruine afro waar­boven een drietal drone-vlinders dartelden.

Na een handvol tellen keek Esmee verder: nu was het haar beurt een mooi exemplaar te vinden. Dat waren de ongeschreven regels van het spel dat ze al jaren samen speelden.

Was het een geluid? Een beweging? Een subliminaal bevel?

Esmee en Jonathan draaiden beiden tegelijkertijd hun hoofd.

‘Wow!’ zeiden ze beiden tegelijkertijd.

De ‘Wow!’ kwam van Lange Poten het plein op flaneren.

Lang, rood haar, sproeten, lichtblauwe ogen en een wipneusje dat je enkel eigenwijs kon noemen. Op haar mond lag een dromerige grijns, alsof zij een pikant geheim kende waarvan de wereld geen weet had. Ze droeg een retro jaren twintig neon graffiti-jurkje met jarretel-laarzen. Ze speurde het Plein af.

Had ze een afspraak? Of misschien zocht ze een lege stoel?

Haar blik kruiste die van Jonathan en Esmee en klikte erin vast. Noem het lichaamstaal, een woordeloze, razendsnelle onderhande­ling.

‘Ze komt naar ons toe,’ zei Jonathan. Er klonk een lichte ongerust­heid in zijn stem door. Hij was de toeschouwer, geen speler.

Esmee lachte. ‘Natuurlijk komt ze naar ons toe.’ Ze schoof een stoel van het tafeltje weg, wuifde.

 

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Op het perron van Bahnhoff Heidelberg stond Mariska heftig te wuiven en ramde op de deurknop voor de trein goed en wel stilstond.

‘Jonathan zit al in mijn favoriete biergarten,’ vertelde Mariska na drie klinkende klapzoenen op Esmee’s wang en een speelse beet in een oorlelletje. ‘Hij stond vorige week ineens voor de deur. Vijf dagen te vroeg. Zijn decaan gaf zijn presentatie een negen en…’

‘Het olijke drietal is weer bij elkaar. God, meid, ik heb je zo gemist.’ Esmee voelde een brok in haar keel. ‘Ik heb jullie zo gemist. Ongelooflijk eigenlijk dat we elkaar pas zes maanden kennen. Het voelt als een heel leven.’

Nu niet huilen. Dat is belachelijk.

‘Eerder was een beetje moeilijk geweest,’ zei Mariska.

‘Tja, niemand dwong je om stage te lopen in Patagonië. Ik bedoel, zaten er echt nergens anders pinguïns?’

Ze slenterden door de hoofdstraat met zijn Maori-tattoo shops en Taiwanese gokhallen, langs vakwerkhuizen die van fundament tot nok beschilderd waren met bijbelse voorstellingen of dirndl-meisjes en jongens in lederhozen die tussen dansende koeien stoeiden. Hoog boven dat alles torende een kasteel: het Binnenhof zou er zes keer ingepast hebben. Nee, als die Duitse grootvorsten een kasteel bestelden, dan wilden ze ook een KASTEEL.

‘Dat bronzen beeld daar,’ zei Mariska. ‘Dat is Brunen Hansel. Hij rinkelt met al zijn bellen en danst met de deernen, kust hun blozende moeders.’

‘Een knappe kerel,’ zei Esmee, ‘maar geef mij maar een Brunen-Heidi!’

‘Och, ik snap die deernen wel.’

Ze staken de brug over, arm in arm als een echtpaar dat al jaren getrouwd was. Bij de beeldengroep halverwege stopte Mariska en wees omhoog.

‘Poseidon,’ somde ze op met de trots van een degelijk ingeburgerde expat, ‘met zijn zeemeerminnen. Die strenge dame met de helm is Athene. Het hoofd van Medusa zit op haar schild vastgesmeed. Als je haar in de ogen keek, veranderde je in steen.’

Esmee knikte. ‘Streng maar rechtvaardig. Ik mag dat soort dames wel.’

Jonathan droeg zijn haar in een staartje en aan de ietwat lodderige blik in zijn ogen te zien, was hij al aan zijn tweede halve liter bier toe.

Hij hief de glazen kroes: ‘Heffe Wisse. Een beetje als Hoegaarden maar lekkerder.’

Esmee snelde op hem af, gaf hem de Hollandse drie-kus die intussen al wat ouderwets was.

‘Mijn nimfen,’ zei Jonathan. ‘Ze hadden beelden van jullie op de brug moeten zetten.’

Mariska schudde haar hoofd. ‘Daar ben ik toch een beetje te dun voor. Ik zou eruitzien als een mager twijgje tussen al die voluptueuze dames.’

Het was een perfecte middag. Suizelend zonlicht, de geur van gras en rivierslib. Een roeiboot sneed door het water, terwijl de bootsman met een sergeantenstem het ritme aangaf.

‘Ein, zwei, drie,’ telde Esmee onwillekeurig mee. ‘Heb je dat ook gedaan, Mariska?’

Haar hartsvriendin schudde het hoofd. ‘Heidelberg heeft haar tradities teruggevonden. Geen dames op de boten. Dan varen de jongens maar tegen een rijnaak aan. Maar mannen zijn weer niet welkom op onze Diana club. Boogschieten. We dragen groene jurkjes met een laurierbladprint en kunnen het oog van een bromvlieg op honderd pas afstand raken.’ Ze knikte. ‘Dat is toch een mooie verworvenheid van de vijfde feministische golf. Dat mannen en vrouwen verschillend zijn en niet alles samen hoeven te doen.’

‘Bromvliegen blind schieten,’ zei Jonathan. ‘Beslist een nuttig talent.’

In de avond verkasten ze naar een ander terras waar iets meer dan oudbakken krakelingen of broodjes druipende braadworst geserveerd werd.

De zon zakte omlaag en de oude brug werd mat brons, de stadspoort iets uit een antiek sprookje.

Beter dan dit wordt het nooit, ging het door Esmee heen.

‘Waar slaap ik straks?’ vroeg ze.

‘Bij mij natuurlijk. Frau Husse is mijn hospita en ze snuift en briest als ik voorstel dat een jongen na elven op mijn kamer blijft.’

‘Ik ben de slaapzaal intussen wel gewend,’ zei Jonathan. ‘En in tegen­stelling tot Mariska’s gnädige Frau is de jeugdherberg wel gemengd.’

‘Och, zo lang het alleen maar om te slapen gaat,’ zei Mariska en om de een of andere reden proestten zowel Mariska als Jonathan het uit.

 

Buiten Mariska’s glas-in-lood raam was de zondagmiddag in alle hevigheid losgebarsten, met een boerenkapel en jodelende worstventers: binnen wilde Esmee dat de tijd voor eeuwig stil zou staan. Wat had Goethe ook al weer gezegd: ‘Verweile doch, du augenblick, du bist so schön’?

Het bed was een heerlijke wanorde van lakens en meer dan een dozijn kussens in alle vormen en maten. Ze had Mariska’s troetels al bij binnenkomst herkent: Gira de Giraf die ze uit Jonathans rommelkast gered had en de blauwe slang met de manga ogen.

Als twee innige lepeltjes lagen ze tegen elkaar, Mariska binnenin. Esmee had haar armen om het middel van haar geliefde, de benen verstrengeld, haar gezicht begraven in Mariska’s lange, rode haar. Mariska rook naar de zomer, naar alpenbloemen en hooi. Esmee kon de koeienbellen bijna horen tinkelen.

Je bent zo mooi. Zo vreselijk mooi.

Waarom kon ze dat niet gewoon zeggen?

Mariska draaide zich om en worstelde zich daarmee los uit de lakens. Ze keek haar vriendin recht in de ogen.

Waar kwam die plotselinge droefheid vandaan?

‘Smee, lieverd, ik heb een beslissing genomen.’

Alarmbellen ging in Esmee’s hoofd af.

‘Je weet dat ik ook wat met Jonathan heb. Hij is superlief en ik heb besloten dat ik met hem verder wil. Hij…’ Ze spreidde haar handen. ‘We kunnen toch gewoon vrienden blijven?’

De zin pulseerde in Esmee’s hoofd en wiste alles uit wat Mariska verder babbelde. We kunnen toch gewoon vrienden blijven? Natuurlijk niet en deze geweldige nacht was niet meer dan een afscheidspresentje. Een mercy fuck zoals de Amerikanen zouden zeggen.

Esmee graaide haar kleren bij elkaar en snelde de trap af. Pas in de hal trok ze haar jurk over haar hoofd. Haar ondergoed moest nog ergens onder de kussens liggen.

Wat moet ik met ondergoed als mijn geliefde mij heeft verlaten? Gedumpt voor een man? Bi. Mariska was dus bi en ze heeft me dat nooit verteld.

Op straat balde ze haar vuisten.

Zij kan mij niet verlaten. Mariska is mijn amour. Mijn ware liefde en ik zal haar terugwinnen.

Ze klom omhoog naar het Filosofen-pad aan de overkant van de rivier en beende het asfalt over, iedere stap een nijdige tik. Tussen de bomen ving ze glimpen op van het kasteel, de brug, de kathedraal waarvan Mariska haar nooit de naam verteld had. Voor ze het wist waaierde de schemering uit en kleurde de hemel eerst indigo en vervolgens grijs.

Esmee zette zich op een bankje en keek toe hoe de straatlantaarns in de diepte aanknipten. Voetstappen. Ze keek pas op toen de vrouw tegenover haar aan de stenen tafel ging zitten.

‘Goedenavond,’ zei de vrouw. Haar gezicht kwam Esmee eigenaardig bekend voor, al wrong er iets…

‘Het zit links-rechts verkeerd, Esmee. Dit gezicht zie je gewoonlijk enkel in de spiegel.’

En omdat ze zo stuurloos was, als een losgeslagen reddingsboot in een stormzee, voelde Esmee amper verwondering.

Als Mariska haar kon verlaten, haar cara, haar amour, dan was een vrouw met haar gezicht niet veel vreemder.

‘Wat ben je? De koningin van de elven? Een alien uit een vliegende schotel?’

De vrouw grinnikte en natuurlijk klonk het als Mariska’s lach.

‘Niets zo exotisch. Gewoon een mens, al zijn we uiteraard wel onsterfelijk.’

‘Aha.’

Ze geloofde geen moment dat de vrouw gek was. Gekken kunnen geen gedachten lezen of gezichten stelen.

‘Ik kom van negen miljard jaar in je toekomst. De zon is gekrompen tot een witte dwerg en hangt boven Rhimyrr, de Stad van Porselein. Niet meer dan een fonkelende lichtpunt, al is zij nog steeds te fel om recht in te kijken. Onze oceanen zijn miljoenen jaren geleden tot zoutvelden verdampt en hebben de bekkens glanzend wit achtergelaten. De eenvoud van zo’n landschap bevalt ons.’

‘Je bent een tijdreiziger.’

‘Heel wat meer dan dat. Een tijdschrijver, een componist. Zie het einde der tijden als een hoge bergpiek waarvan we omlaag kijken. Het verleden heeft niets met jaartallen te maken. Ieder leven is voor ons een verhaal en daar bladeren wij genietend in. We zien baby’s opzwellen tot lachende kleuters. We zien dappere daden, walgelijk opportunisme, vurige liefde die uitsputtert tot verveling. Elk levensverhaal is prachtig maar sommige verhalen kunnen beter.’

‘Mariska en ik. Dit is verkeerd! Dit kan toch nooit zo bedoeld zijn?’

‘Daar ben ik het mee eens. Herschrijf het verleden. Niemand kan dat beter doen dan de heldin van het verhaal zelf.’ Ze zette haar ellebogen op de tafel, leunde haar kin op haar gevouwen handen. ‘Je krijgt vier kansen. Vier tijdstippen die je zelf mag uitzoeken om haar terug te winnen.’

‘Nu geef je mij een tijdmachine, ja? Een scooter met antizwaartekracht waarvan ik alleen het jaartal hoef in te stellen? Een smartwatch die…’

‘Smartwatch is geen slecht idee. Open je hand en sluit je ogen. De aanblik van een zes-dimensionale manipulatie zou je de rest van de week een knarsende migraine bezorgen.’

Blauw licht dat dwars door haar oogleden scheen, de benauwde, overvolle-stranden-stank van ozon.

‘Doe maar weer open.’

De bank tegenover haar was leeg. Natuurlijk was hij leeg.

Het is hinderlijk als een schrijfster al te nadrukkelijk in een verhaal aanwezig is.

Esmee tuurde naar het voorwerp op haar handpalm. Het leek inderdaad zo’n antieke smartwatch. Of wacht, het was een kopie van haar eerste smartwatch, het geval dat grootmoeder Kim haar op haar vijfde verjaardag geven had.

Het woog niet veel en voelde op de een of andere manier levend aan. Gekweekt, ging het door haar heen, gegroeid. Niet gemaakt.

‘Heb je een naam?’ probeerde ze. Alles wat smart was, kon praten, al werd het meestal na een kwartier duidelijk dat ze geen werkelijk bewustzijn hadden, geen ego en geen hier-benik.

Een androgyn gezicht verscheen in de lucht, de gelaatstrekken even neutraal als van een etalagepop. Het was bovendien half doorzichtig: waarschijnlijk om duidelijk te maken dat het hier een projectie betrof.

De ogen draaiden, keken Esmee recht aan. Eerst waren de pupillen niet meer dan speldenpuntjes, maar toen verwijdden ze zich en vormden groene irissen met minieme vlekjes goud.

‘Ik heet Liss. Ik ga je helpen je tijdlijn aan te passen.’

‘Hoe dan?’ Het kwam er bitser uit dan Esmee eigenlijk bedoelde, maar ze hield er absoluut niet van om van iemand, iets, afhankelijk te zijn. Het ging om haar verdriet en haar wraak.

‘Zie het als een treinreis,’ begon de AI. ‘Je hebt de hoofdlijn, en telkens als je iets veranderd, sla je een zijspoor in, die dan je hoofdlijn wordt.’

‘Ja, ja. Dat snap ik wel. Maar wat kan ik… jij dan voor mij veranderen?’

Esmee kon het niet helpen, haar zenuwuiteinden waren nog te rauw. Het liefst zou ze nu een knetterende ruzie maken, maar ruziën met een AI was als het stompen van een wolk mist: totaal onbevredigend. Bij je ergste beledigingen zei een AI enkel ‘Kun je dat verder uitleggen?’

‘Ik kan veranderen wat je maar wilt,’ was het antwoord van Liss. Inmiddels hield Esmee geen apparaat meer vast, maar een boek. Een moment later, nadat ze met haar ogen knipperde, had ze een pistool in handen. Het was matzwart, met een blauwe schicht op de kolf.

‘Ik kan je kleden in de juiste outfit voor elke tijd en gelegenheid.’

Plots droeg Esmee een gaasjurk die ten tijde van de eerste kleding­printers zo populair was geweest. Vervolgens jeans en het T-shirt van het Rolling Stones afscheidsconcert, waarnaar ze met haar groot­vader geweest was, om te eindigen met het colbertje en de froezel­bloes die ze ooit op de kerstborrel van haar eerste baan had aangeschoten.

‘Erg leuk, maar wat kan je echt? Wat kan je in de tijdlijn aanpassen?’

‘Alles,’ verzekerde Liss haar, ‘maar je bent gebonden aan zekere regels. Je kan enkel de tijdlijn op je persoonlijke vlak veranderen, en ik mag geen dood of letsel veroorzaken. Heidelberg wegvagen met een atoombom, zodat jullie er nooit op vakantie gaan, is een ‘no no’. En ik mag Jonathan ook niet voortijdig laten sterven. Hij heeft zijn eigen verhaal en dat heeft een gefixeerde lengte. Je hebt vier kansen de tijd te veranderen, haltes zogezegd, en je kan nooit terug in de tijd gaan om een beslissing ongedaan te maken. Er zijn meer regels, maar daar kom je vanzelf wel achter. Mocht je iets willen weten, vraag het gewoon. Daar ben ik voor.’

‘Uhu.’

Jonathan, haar beste vriend, de dief van haar geliefde, haar grootste concurrent. Als ze nooit vrienden waren geworden, dan had hij Mariska nooit ontmoet. Dan had Mariska alleen van haar gehouden.

‘Ik weet wat ik wil,’ zei Esmee.

 

Eerste halte: Montessorischool, Laan van Poot, Den Haag

Royalty Watch: Prinses Amalia krijgt concert aangeboden in de Gothische Zaal van de Raad van State ter ere van haar tiende verjaardag. Klik voor feed.

 

Stap in,’ zei Liss op het perron. ‘Welke trein doet er niet werkelijk toe. Ze gaan allemaal naar Nederland. Naar je eerste dag op de kleuterschool.’

Zo’n twee, drie minuten leek alles normaal in de coupé: ze reden onder het kasteel door, de Neckar alleen zo nu en dan tussen de bomen zichtbaar, maar ineens vlakte het landschap af. Windmolens doken op, een V van overvliegende ganzen.

‘Zuid-Holland,’ kondigde Liss aan. ‘Je bent nu vier. Normaal zou een vierjarige zich deze dag nooit herinnerd hebben maar je eerste dag op de kleuterschool maakte blijkbaar indruk.’

Remmen gierden en de trein was in een HTM-bus veranderd, zag Esmee, zo’n ouderwetse met opgepompte wielen en ruiten die enkel van glas waren en geen schermen vol bewegende reclame.

De Montessorischool lag aan de overkant van de Laan van Poot en hij was reusachtig: een rode klomp steen met blikkerende ramen.

‘Goed,’ zei Liss. ‘Je bent een kleuter met blauwe laarsjes waarop teddy­beren met kikkers dansen. Veel te heet voor dit weer maar je stond erop. Je zit op een driewielertje.’

‘Eerst naar links en dan naar rechts,’ zei een stem. ‘En dan weer naar links.’

Ze voelde een steek van verdriet. Haar moeder.

‘Kan ik niet…?’ vroeg ze aan Liss.

‘Nee. De datum van ieders dood is gefixeerd. De eerste en laatste bladzijden van een boek. De lijst van een schilderij.’

Esmee kneep haar ogen stijf dicht toen haar moeder haar kuste.

Een laatste ‘Tot straks, liefje!’ en de voetstappen verwijderden zich.

Daar stond Jonathan, blonde krullen en een of ander knuffelbeest onder zijn armen. Iets met stippen. Een giraf? Ja, Gira de Giraf. Had Jonathan die al zo lang?

Goed. Geen sentimenteel gezwijmel. Jonathans vader draaide zich om en Jonathan stond alleen in een hoekje van het schoolplein. Geïsoleerd. Kwetsbaar. Een geboren slachtoffer.

Esmee zette af, ramde zo hard op de trappers als ze kon. Ze knalde met zo’n dreun tegen Jonathans linkerbeen dat hij molenwiekte met zijn armen en onderuit ging.

Haar vijand krabbelde overeind, zijn ogen groot van angst.

Zijn knie was geschaafd, zag Esmee, en bloedde. Dat was veel harder dan de eerste keer. Goed.

‘Sorry, sorry!’ jammerde Jonathan.

Ze reed achteruit, maakte vaart en ramde hem opnieuw.

‘Ik haat je!’ krijste ze naar hem. ‘Ik krab je ogen uit als ik je ooit weer zie!’

Wacht, het kan nog beter.

Zijn giraf lag een halve meter verder en ze reed er dwars overheen.

Ze keek omhoog. ‘Ik ben klaar, Liss. Haal me maar op.’

Om haar heen vervaagde het schoolplein.

 

Tweede halte, strandopgang Kijkduin, Den Haag.

Royalty watch: Prinses Amalia haalt haar scooterrijbewijs

 

De coupé had deze keer zachte banken van printleer en een barretje. Buiten gleed een nachtelijk berkenwoud met een enorme witte maan voorbij. Melancholieke banjo-shamisen muziek speelde op de achter­grond. Het was het soort strenge romantiek die Esmee op een ander moment wel had kunnen waarderen. Nu had ze een keiharde knoop in haar buik.

‘En?’ vroeg Liss. Inmiddels had de AI een volledig lichaam.

Zij droeg een donkerblauw stewardess uniform. Liss was niet bijster lang, wat ze leek te willen compenseren door opgestoken haar en hoge hakken. Ergens was dat een beetje belachelijk, maar op de een of andere manier ook weer vertederend.

Net een jong meisje dat indruk probeerde te maken. Ze wil dat ik haar aardig vindt. Behalve dat een AI natuurlijk niet meer dan een programma was en nooit werkelijk iets kon voelen.

‘Ik reed twee keer tegen zijn been, Liss. Ik beloofde dat ik zijn ogen zou uitkrabben. Weinig kans dat hij nu nog naast mij gaat zitten en ik die middag in zijn achtertuin in het poedelbadje ga spelen.’

Ergens voelde ze zich wel een beetje lullig dat ze Jonathan zo bang gemaakt had. Zulke grote angstogen en had mij nog niets gedaan. Nee, hij heeft Mariska van mij gestolen. Uiteindelijk bleek hij gewoon een man, zoals alle andere kerels.

Ze draaide zich naar Liss. ‘Maar is het gelukt? Is hij uit mijn leven verdwenen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Liss.

‘Dat weet je niet? Jij komt toch uit de toekomst? Hoe kan je het niet weten?’

‘Ik ken de geschiedenis van de oude tijdlijn, niet van deze. Als je het wilt weten, moet je ergens uitstappen en zelf kijken.’

Shit.

‘Breng mij dan naar Mariska. De dag dat we, dat ik haar ontmoette. Dan zie ik het vanzelf.’

‘Is het niet handiger om een paar jaar eerder te checken of Jonathan nog steeds bij je rondhangt? Dan kan je eventueel nog dingen aanpassen als dat nodig mocht zijn.’

‘Je hebt groot gelijk. Ga maar naar een punt toen ik, ja, twaalf was. Toen kwam ik er achter hoe ik in elkaar zat. Waarom ik jongens zo irritant vond.’

Liss knikte. ‘Ja, lesbo en serieel monogaam. Liefde tot de ruzie ons scheidt.’

‘Ik dankte al mijn andere vriendjes af. Als Jonathan dan nog niet weg is, moet ik krachtiger maatregelen nemen.’

Met een pneumatische zucht sloot de deur van bus 24 zich achter Esmee. Kijkduin, de plek waar Jonathan en zij ’s zomers naar het strand gingen. Daar waren ze ooit begonnen met het schatjes spotten. Nou ja, zij was er mee begonnen en Jonathan was er hakkelend en met een rood hoofd in meegegaan.

Ha! Ze had hem heel wat ongemakkelijke momenten op het strand bezorgd. Jongens waren zo gemakkelijk te manipuleren.

Esmee inspecteerde zichzelf. Ja, ze was een jaar of twaalf en gekleed voor het strand. Stond Jonathan aan de voet van het duin op haar te wachten of niet?

Ze stak het Deltaplein over waar een paar Pokémon jagers verbeten naar hun telefoon zaten te staren. De rage was al jaren voorbij, maar volgens de geruchten dwaalde ergens in Kijkduin de superzeldzame Platinum Porygon rond. Als die bestond tenminste. De Haagse VVV beweerde in ieder geval van wel.

Esmee negeerde de andere bezoekers – Duitse toeristen, een witharige man met een bierbuik die een kapsalon extra bestelde, één of andere schrijver die driftig op zijn blauwe notebook zat te tikken – en rende het laatste stuk.

Bovenaan de afslag stopte ze alsof ze tegen een betonnen muur botste.

Een maar al te bekende figuur stond beneden met rugzak en handdoek op haar te wachten. Jonathan.

‘Fuck, hij was gewoon te aardig. We zijn toch vrienden gebleven.’

‘Dat zat er in,’ sprak Liss. ‘Vooral omdat je je waarschijnlijk niet herinnerde waarom je tegen zijn been gebotst had.’ De AI kwam net aanlopen, gekleed in een wetsuit en met een plank onder haar arm, klaar om te windsurfen bij de Zandmotor. Ze droeg haar blonde haar in tientallen rastavlechtjes.

‘Jij kan toch alles doen?’ vroeg Esmee zonder haar blik van Jonathan af te keren. Ze zwaaide naar haar vriend, de verrader, meisjesdief. ‘Goed. Als zijn ouders nu eens…’

‘Promotie,’ knikte Liss. ‘Een aanbod dat een man onmogelijk af kan slaan. Vooral als hij net boventallig is verklaard.’

‘Zijn vrouw ook. Boventallig bedoel ik.’

‘Geen probleem.’

‘En ergens echt ver weg. Absoluut geen Heidelberg.’

Jonathans gezicht stond bedrukt toen Esmee bij de voet van het duin aankwam.

‘Wat is er?’ vroeg zij, hoewel zij het natuurlijk dondersgoed wist.

Waren dat tranen in zijn ogen? Stik… Hij was dus toch verliefd op mij, maar te verlegen om er werk van te maken. Esmee slikte. Maar dan weet je nu ook hoe het voelt, klootzak. In de toekomst roof je mijn geliefde en breek je mijn hart.

‘Mijn pa,’ zei Jonathan. ‘Hij heeft een baan in het buitenland aangeboden gekregen. Singapore.’

‘Oh!’ speelde Esmee.

‘We verhuizen volgende maand al.’

Esmee legde een hand op zijn schouder. ‘Dat is kut. Zo kut. Maar we houden contact.’

Ze wist dat dat nooit zou gebeuren. Een paar berichtjes, misschien nog twee, drie keer elkaar zien als hij toevallig in Nederland was.

Zij was bereslecht in het onderhouden van contacten. Jonathan zou zijn best doen, maar na hooguit een half jaar was zij met totaal andere dingen bezig. Zo zat ze nou eenmaal in elkaar. Het soort volwassenwijsheid dat ze in de loop der jaren over zichzelf had geleerd.

‘Dat… Dat doen we zeker,’ zei Jonathan. Ze zag hem zich vermannen, zijn schouders rechttrekken. ‘Oh, op twaalf uur, dat blonde meisje met die duikplank. Is dat geen stuk?’

Liss? De AI banjerde door het zand naar het water toe. Haar rasta’s hopsten vrolijk mee met elke stap.

Dat is een hyperintelligente computer uit de toekomst, wilde Esmee zeggen, maar ze bedacht zich. Dat zou vast en zeker tegen de regels zijn. In plaats daarvan antwoordde zij: ‘Ow, ja. Zie je wel, je gaat mij niet eens missen.’

‘Echt wel.’

Dief, leugenaar, verrader. De woorden waren plotseling veel van hun kracht kwijt. Het was verdomde moeilijk boos te blijven op die onhandige slungel van een Jonathan die nog niets verkeerds had gedaan.

Halverwege de middag zond Esmee zichzelf een dringend bericht.

‘Mijn tante,’ zei ze. ‘Het gaat heel veel slechter met haar.’

Joanthan vroeg niet welke tante: zowel Esmee’s moeder als haar vader kwamen uit een groot gezin en Esmee had meer tantes en nichten dan Jonathan ooit ontmoet had.

Toen ze bus 24 binnenstapte, was ze terug in de coupéachtige ruimte, en opnieuw volwassen.

Liss wachtte haar op met een chai tea latte en een schaal gemberkoekjes, absoluut Esmee favoriete combinatie. ‘Hoe ging het?’

‘Hij gaat naar Singapore.’

‘Ah. Ik had Ulan Bator geprobeerd maar dit lijkt mij ook effectief.’

Liss draaide een lok tussen haar vingers. ‘En nu?’

‘Heidelberg. Ik pak het op waar het mis ging. De dag dat we samen aan de rivier zaten. Alleen zullen we met zijn tweeën zijn. Geen Jonathan om haar van mij af te nemen.’

‘Zo je wilt.’

 

Derde halte: Heidelberg

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Hoe ver nog?’ vroeg Liss.

Ze rende drie meter voor Esmee uit en vergat een schaduw te werpen. De stiletto-hakken van haar laarsjes raakten de stenen hoogstens elke derde stap.

‘Bijna! Ik zie het stalletje al.’

Het was dezelfde ober met de hanenkam en de enkele oorbel, precies hetzelfde luid sprekende gezelschap met de jagershoedjes en de twee Chinezen die druk op een tablet tikten.

Het tafeltje naast de haag was leeg. Aan de overkant van de rivier voer een wit raderschip langs met een blond gelokte Lorelei als boegbeeld.

‘Dat schip,’ zei ze tegen Liss. ‘Mariska wees ernaar en zei tegen Jonathan: ‘Dat is nog eens een mannenverslinder. Je zegt dat altijd van mij maar ik ben heilig vergeleken met haar. Ze…’

‘Stop,’ zei Liss, ‘je raaskalt en je hebt het duidelijk niet goed overdacht. Waarom zou Mariska hier op je wachten? Ze heeft met niemand een afspraak. Niet met jou en niet met Jonathan. Ze kent jullie niet eens.’

‘Je heb gelijk. Shit. Ik ben een uilskuiken.’

‘Geen reden tot wanhoop. Het is enkel wat gecompliceerder dan je hoopte. Je kunt haar niet zomaar om de hals vallen en met kussen overladen.’

‘Ze is een vreemde,’ zei Esmee, ‘maar dat hoeft ze niet te blijven.’ Ze fronste. ‘Studeert ze nog steeds biologie?’

Liss kreeg die peinzende blik in haar ogen die erop duidde dat ze een heel bos alternatieve tijdlijnen aan het afzoeken was. ‘Hebbes. Ja. En het adres is ook hetzelfde.’

‘Als ik aanbel, waar zou ik haar dan van kunnen kennen?’

Tja, ze is lid van het Nivon. De vereniging van natuurvrienden. Er was een kamp in de Harz. Vogelspotten, martersporen zoeken. Dat soort zaken.’

‘En ik was daar ook? Kun je dat regelen?’

‘Je was al jarenlang een behoorlijk actief lid van de Nivon. Op de tweede nacht ritsten jullie je slaapzakken aan elkaar. Niet in het echt: maar ik kan het faken.’

Liss tikte Esmee’s voorhoofd aan en ineens waren al die valse herinneringen aan haar lidmaatschap daar: een waslijst van vogels en hun silhouetten, de noten van hun zang, een excursie naar Schiermonnikoog. Wadlopen terwijl de zon zich net uit de ochtendnevel ophees: een volle maan boven zilveren wadden. En het kamp natuurlijk.

‘Goed. Ik weet het, maar weet Mariska dat ook?

‘Sommige zaken zul je zelf moeten regelen.’

Mariska had geen eigen bel en Frau Husse opende de deur persoonlijk.

‘Ik kom hier voor Mariska,’ zei Esmee in haar beste Duits. ‘Ik ben een vriendin van het Nivon.’

‘Und Ihr Name?’

‘Esmee. Esmee Anguilla. Von das Nivon.’

Mariska had geen moeite om zich Esmee te herinneren: een korte aarzeling, amper merkbaar. Geen wonder: ze was eerder al voor Esmee gevallen en als een beautiful stranger bij je aanbelt en zegt een slaapzak met je gedeeld te te hebben, wie ben je dan om daaraan te twijfelen? Bovendien was Esmee een absoluut authentiek Nivon meisje. Wie anders dan een rechtgeaarde vogelvriendin kon de roep van een roodkop­klauwier zo perfect nabootsen?

Esmee was geen Liss maar ze kon Mariska’s gedachten toch perfect lezen. Hoe kon ik zo’n schatje in vredesnaam ooit vergeten? En meteen daarop. Vraag niet hoe het kan, maar geniet ervan.

Het bed was hetzelfde. Een stapel kussen en troetels, de poster met ‘Vögel der Alpen’ aan de muur.

De troetels. Er was iets mis met de troetels. Daar was de blauwe slang met de manga ogen. Het rendier waarvan de uiteinden van het gewei enigszins gemangeld waren omdat Mariska er vroeger op gesabbeld had. Gira de Giraf.

Mariska nam Esmee’s hoofd in haar handen en kuste haar recht op de lippen. Toen de tongpuntjes elkaar raakten, vergat Esmee alles over Gira de Giraf.

 

Die ochtend bivakkeerden er geen jodelende worstenventer en de blaas­kapel was vervangen door een narco-corrido band. Net boven de berg­toppen dreef een konvooi zeppelins over.

Waren er al eerder zeppelins geweest? Het deed er niet toe. Iedereen hield van zeppelins.

‘Dat was heerlijk,’ zei Mariska. ‘Echt klasse en het is ook zo fijn om dingen te delen. Om te kussen met een meisje dat weet dat er vijf soorten koekoeken bestaan en pinguïns niet zwemmen maar door het water vliegen.’

‘Je zei iets over een stage?’

‘Ik overweeg het, maar ja, dan zou ik mijn verloofde drie maanden niet zien.’

‘Je verloofde?’ Ze kwaakte de zin bijkans uit.

‘Ja, Jonathan heet hij, Jonathan Broese. Ik kwam hem tegen op een congres in Singapore.’

‘Aha. En jullie zijn… verloofd?’

‘Komt door Singapore. Daar moet alles heel formeel. Zijn vader is iets hoogs bij een Chinese bank. Eerst verloven en dan pas trouwen.’

‘Hij boft. Vertel hem maar dat hij boft.’ Ze wendde haar blik af. ‘Weet je wanneer de trein richting Nederland vertrekt?’

‘Je hoeft echt niet weg te rennen. Jonathan vindt je vast aardig. Hij heeft nooit moeite met mijn vriendinnen.’

‘Nee, sorry. Het was een impuls. Ik reed langs en dacht ineens: Verrek, woont Mariska hier niet? En morgen beginnen de colleges weer.’

‘Een laatste tongzoen dan voor onderweg.’

 

De trein boorde zich door de tijd. Buiten schoven dagen en nachten als schaduwen voorbij.

Liss hield Esmee vast, klopte haar op de rug terwijl de tranen maar bleven stromen. Hoewel de aanraking vederlicht was, met Liss niet meer dan een projectie, hielp het toch. Een heel klein beetje.

‘Ze houdt niet van me. Hield nooit van mij. Ja, als leuk vriendinnetje, als schatje, maar niet… niet…’

Nieuwe tranen.

‘Sera sera,’ zei Liss. ‘Shh.’

‘Maar ik wil dat ze van mij houdt! Ik wil dat de sterren in hun baan stoppen, ik wil dat alles stilstaat totdat Mariska van mij houdt en van niemand anders.’

‘Dat kan ik niet doen,’ antwoordde Liss. De AI klonk zelfs een beetje ongelukkig, waarschijnlijk een of andere sympathiesubroutine. ‘Kom, je hebt slaap nodig. Je bent volledig uitgeput.’

‘Ik wil niet slapen. Ik wil nooit meer slapen!’

‘Shh.’ De AI hield haar hand tegen Esmee’s hoofd en langzaam vielen haar ogen toe. Een bed schoof uit de muur en ving haar op toen ze ineenzakte.

 

Toen Esmee haar ogen opende, stond er een ontbijt naast het bed voor haar klaar.

Croissants met roomboter en hagelslag. Haar stiekeme doodzonde.

‘Ik heb geen trek.’

‘Je moet eten. Je hebt een lichaam dat niet zonder bouwstoffen kan,’ drong Liss aan.

‘Nee. Het heeft allemaal geen zin. Alles is nutteloos. Het heeft niets uitgehaald. De tijd wil niet dat Mariska en ik samen gelukkig worden.’

‘Je kan het nog proberen. Je hebt nog een halte over…’

Esmee lachte schamper. ‘Mariska en Jonathan gaan trouwen. Ik kan daar niet tussenkomen. Zij heeft hem gekozen boven mij.’

‘Wat wil je dan?’

Esmee haalde haar schouders op. ‘Laat mij gaan. Het heeft allemaal geen zin meer. Ik ben op.’

‘Als dat je wens is…’

 

‘Het gaat je goed, Esmee. Sterkte, lieverd.’

Esmee hoorde nog net die woorden uit Liss haar mond voordat de treindeur zich definitief sloot. Lieverd. Het klonk alsof ze het meende. Zo jammer dat ze niet meer dan een spook is, een projectie die van nulletjes en enen gemaakt is.

Ze keek om zich heen: het perron van Den Haag Centraal aan de steunbalken te zien.

Terug in Den Haag. Maar wanneer? Esmee trok haar smartphone en raadpleegde een half dozijn newssites. Het nieuws was gloednieuw maar niet werkelijk schokkend.

Laatste Pokémon Kijkduin eindelijk gevangen

Miami ontruimd na Hurricane Hillary

Ze stak de smartphone terug in haar foedraal. Dit is de toekomst maar veel verder dan een paar maanden kan het niet zijn. Een half jaar hoogstens. Ja, dat meisje draagt nog glazen laarsjes: mode is veranderlijk.

De gedachten kwamen traag als stroop. Ze was kapot, uitgewrongen.

Even daas als een Pokemonjager stommelde Esmee het station uit.

De Herengracht, Korte Poten.

Ten slotte kwam Esmee uit op het Plein. De terrasjes puilen uit: zoveel mensen die van de nazomer genoten.

Het stel zat aan een tafeltje te lachen en te wijzen. Zij zes, zeven maanden zwanger, hij zijn hand op de hare. Beiden overduidelijk gelukkig.

Mariska en Jonathan. En ze zijn aan het spotten. Elkaar interessante mensen aan te reiken als kleine cadeautjes.

Hun blikken kruisten elkaar, net als die eerste keer, drie tijdlijnen geleden. Alleen was zij nu de vreemdeling, het schatje.

Geen spoor van een klik of herkenning. Voor Jonathan was ze hoogstens een oude schoolvriendin, die hij helemaal uit het oog verloren had, voor Mariska niet meer dan een vluchtige ontmoeting. Een one-night-stand die nooit een vervolg had gekregen.

Een laatste kans, daarom heeft Liss mij hier afgezet. Behalve dat er geen laatste kans is, geen enkele mogelijkheid meer tot aansluiting, tot contact. Maar hoe kan een AI dat ooit begrijpen?

 

Het was nacht toen ze in Kijkduin arriveerde, het roestige reuzenrad een immens wiel tegen de hemel. Heel de dag had ze gedwaald, maar uitein­delijk had de zee haar geroepen. Golfjes rolden aan vanuit de maan­verlichte horizon en sloegen om in een ruisende zucht.

Het is zo eenvoudig. Stap het water in en loop door. Begin te zwemmen als je geen zand meer onder je voeten voelt.

Ze schopte haar schoenen uit, knoopte haar sjaal los.

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’

Het was de vrouw uit de toekomst die haar gezicht had gestolen.

Opeens voelde Esmee de diepe woede waar ze eerder die dag naar gesnakt had.

‘Jij! Kom je je verkneukelen? Moest je grinniken toen je zag hoe al mijn pogingen in het honderd liepen? Een kunstenaar? Je bent wreed en kwaadaardig!’ Esmee balde haar vuisten. Nog twee, drie seconden en ze was boos genoeg om te slaan.

Als de vrouw echt een almachtig wezen was, zou ze het waarschijnlijk niet overleven. So what? Het is vast sneller dan ver­drin­ken.

‘Wacht,’ sprak de vrouw. ‘Je verhaal is nog niet afgelopen. Dit is een belachelijk einde. De lesbo die zelfmoord pleegt omdat ze de liefde van haar leven verloren heeft? Hoe banaal kun je zijn?’

Onzin! Wat moet ik zonder Mariska?

‘Ik zal je het laten zien.’

Het toegestoken kaartje was beslist smaakvol; ook al zouden alleen intimi de juichende giraf met het tekstwolkje begrijpen.

 

Hallo lui,

 

Ik ben Gira de Giraf en wilde even vertellen dat

mijn baasjes Jonathan en Mariska

intens gelukkig en blij zijn met de geboorte van hun dochter

 

Liss

 

‘Al onze AI’s hebben een levend voorbeeld, een origineel,’ zei de vrouw, ‘en het liefst eentje dat in deze tijd thuishoort. Je hebt nog steeds één halte over. Tweeëntwintig jaar verder moet genoeg zijn.’

De Ariadne Singulariteit : Mike Jansen

Hij naderde het besneeuwde dorp vanuit het noorden, zoals altijd. Aan die kant was de ingang en de inwoners hielden het bos hier nog op afstand. Aan de andere zijden van het dorp kroop het al bijna tegen de hoge, verroeste hekken op.

Harrald de Groot schudde zijn hoofd. Toen hij nog jong was, een decennium geleden alweer, werd het terrein rondom vrij gehouden om eventuele dreigingen geen kans te geven het dorp te besluipen.

Enkele van de alleroudsten herinnerden zich nog de zwervende bendes die plunderend en moordend door de omgeving trokken. Of de melaat­sen, levend of dood, die al dan niet moedwillig de inwoners van het dorp probeerden te infecteren.

Gemakzucht, dacht hij. Het wordt nog eens onze dood. Maar diep van binnen had hij begrip voor zijn medemensen die er het nut niet meer van inzagen. Een hele generatie was opgegroeid met enkel de verhalen van hun ouders en grootouders en de moralistische boodschappen over het voortbestaan van het menselijk ras. Die oudste generatie was nu bijna verdwenen. Harrald zuchtte. Hij was de laatste tiener in het dorp. Na hem waren er geen kinderen meer geboren. Zoals het er nu uitzag zouden die ook niet meer komen en het inwoneraantal van het dorp was alleen maar geslonken.

De toren van het oude Meru-klooster was een welkome aanblik. Hij miste de gewapende uitkijk die er normaal stond, maar de ijzige kou van de afgelopen weken was misschien wel een betere bewaker dan een oude man of vrouw met een automatisch geweer.

Hij wilde net het bos verlaten en de witte vlakte naar de poort oversteken toen hij zich bedacht. Voorzichtig trok hij zijn voet terug. Het heugelijke nieuws dat hij meedroeg en de implicaties daarvan, maak­ten hem minder voorzichtig. Het dodengat lag hier ergens onder de sneeuw en hoewel er al twintig jaar geen mensen begraven waren, wilde hij niet degene zijn die met zijn lompe, haastige voetstappen de lang slapende lichamen van bandieten of melaatsen wekte.

Uiteindelijk was hij ruim voor zonsondergang bij de poort, die voor hem opende zodra hij nog maar een paar meter verwijderd was.

 

‘Je bent laat,’ zei Maria Martens met een strenge blik in haar helblauwe ogen.

Harrald glimlachte. ‘Ik ben dan ook ver weg geweest, moeder. Hoe wist je dat ik eraan kwam? Ik zag geen wachter.’

‘Moeders weten dat soort dingen,’ zei ze. Ze stapte naar voren en sloeg haar armen om hem heen.

Harrald keek nerveus naar achteren. ‘Kunnen we in ieder geval de poort sluiten?’

Maria liet hem los en haalde haar schouders op. ‘We hebben al bijna twintig jaar niemand gezien, Harrald.’ Ze sloot de poort achter hem. ‘Je vader en ik denken dat er weinig dreigingen meer zijn daarbuiten. Die tijd is geweest.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei Harrald.

‘Ben je iets tegengekomen?’ vroeg zijn moeder.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet echt. Maar ik heb momenten gehad dat ik dacht dat iets of iemand naar me staarde.’

Maria zuchtte. ‘Je vader en ik hebben dat gevoel ook af en toe gehad als we in dode dorpen zochten naar bruikbare spulletjes.’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Zolang het bij staren blijft, vind ik het prima. Het heeft me niet tegengehouden verder naar Eindhoven te zoeken.’

‘Je bent twee weken weggeweest, hoe ver ben je eigenlijk gegaan?’

‘Ik ben de Maasvennen en de Peelmoerassen over­gestoken. De oude kaarten zijn echt waardeloos geworden, alles is veranderd. Maar ik ben erdoorheen gekomen en ik heb een aanwijzing gevonden.’ Hij opende zijn rugzak en haalde er een verweerde, beschadigde plaat kunststof uit. De letters “Eindh” stonden er nog op.

‘Eindhoven?’ vroeg Maria.

‘Ja, het legendarische “Eindhoven”.’ Harrald grijnsde breed. ‘Volgens mij heb ik de grens van de stad gevonden.’

‘Goed nieuws,’ beaamde Maria. ‘Zullen we naar binnen gaan? Jacob heeft een voorraadje thee gescoord in een verborgen kelder in Wasberg, twee­honderd jaar oude Darjeeling, vacuümverpakt. En Gerard heeft je gemist.’

‘Lekker, ik kan wel wat warms gebruiken. En ik heb jou en pa ook gemist.’ Ze liepen naar het oude klooster­gebouw waar een paar olie­lampen net waren aangestoken. Vlak voor ze naar binnen gingen pakte hij de elleboog van zijn moeder vast. ‘Volgens mij heb ik ook de zee gezien.’

Maria keek hem aan, verbaasd. ‘Ik denk dat je heel wat te vertellen hebt.’

 

Na een warm maal van gestoofd konijn en een grote beker sterke thee stalde Harrald zijn vondsten uit op de eettafel: de kunststof plaat, een oude glazen bierpul, een paar lichtverroeste steakmessen met kunststof handvaten, een verweerde autospiegel en een stapeltje vergeelde ‘Autoweek’ bladen.

Gerard pakte een van de bladen en opende voorzichtig en één voor één de vellen. De foto’s van automobielen waren flets geworden, maar toon­den nog steeds de wereld zoals die voor de grote crisis was.

‘Mooie vondst, zoon,’ zei hij. ‘Dit is altijd droog en donker gebleven. Ook geen knaagdieren of insecten bijgekomen, zo te zien.’

Harrald glimlachte. Zijn vader was niet zo scheutig met complimenten. ‘Dank je, pa. Ik had niet heel veel tijd, ik was al langer weggebleven dan ik wilde.’

‘We maakten ons wel een beetje zorgen,’ zei Gerard. Maria legde haar hand op die van haar echtgenoot.

‘Dat begrijp ik,’ zei Harrald. ‘Maar ik ben al negen­tien. En ik weet zeker dat onze redding in Eindhoven ligt. Jullie hebben het zelf in de archieven gelezen: de topgeleerden in reproductie- en incubator­technieken werkten daar.’

Gerard en Maria keken elkaar aan. ‘Dat was tien jaar geleden, Harrald,’ zei Gerard. ‘Die archieven vertellen over iets dat tweehonderd jaar geleden actueel was. Het heeft al jaren geduurd om de weg naar Eind­hoven terug te vinden. Hoe lang doe je erover gebouwen te zoeken en binnen te komen?’ Zijn argument was duidelijk: Eindhoven was groot, te groot voor één jongen om helemaal om te spitten.

Harrald sloeg zijn ogen neer. Dit was wat hij zichzelf tijdens de terugtocht door de vennen al voorgehouden had. Maar hij had een oplossing bedacht. ‘Ik denk dat ik het zoeken kan beperken.’

‘Hoe dan?’ vroeg zijn moeder.

‘Door alleen in het Sciencepark te zoeken. De plek waar alle geleerden samenkwamen om uit te vinden en te bedenken. Dat zeggen de boeken tenminste.’

‘Maar waar is het dan?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik dacht dat het in de Philipstempel zou liggen?’

Harrald schudde zijn hoofd. ‘Dat denk ik niet, mam. Volgens mij werd die alleen voor ceremoniële spelen gebruikt. Voetbal en andere sporten ter ere van De Philips. Armena dacht dat ook.’ De blik in de ogen van zijn ouders gaf hem een kil gevoel in zijn maag. ‘Is er iets? Met Armena? Of was de stroom weer op?’

‘Er was voldoende stroom. Het radiocontact is ver­broken, vlak na je vertrek. We moeten ervan uitgaan dat er iets gebeurd is. Armena wist de radio altijd binnen enkele uren te repareren, maar het is nu al bijna twee weken stil. We hebben het elke dag een paar keer geprobeerd.’

Harrald voelde zijn ogen branden. Armena woonde met haar ouders en enkele familieleden in een dorpje ergens aan de Italiaans-Zwitserse grens. Die aan­duiding had niet veel zin meer tegenwoordig, nu landen waren verdwenen en de laatste plaatsen waar mensen woonden één voor één ten onder gingen. Ze was ongeveer zijn leeftijd en hij had de ijdele hoop gehad haar ooit te zien. ‘Dan zijn we waarschijnlijk de laatste mensen op Aarde.’

‘Dat weten we niet,’ zei Gerard. ‘De radio heeft een beperkt bereik. Daarbuiten kunnen nog mensen leven.’

‘Je vader is een optimist, Harrald,’ zei Maria. ‘Volgens de verhalen en dagboeken van de afgelopen decennia verloren we elk jaar wel een of meer van de dorpjes. Het bereik van de radio is inderdaad beperkt.’

‘Maar we kunnen er niet van uitgaan,’ zei Harrald. ‘We zijn dus nu echt helemaal op onszelf aangewezen.’ De sfeer in de kamer werd neer­slachtig. Er was stilte tot Maria zei: ‘Vertel ons maar eens wat je gezien hebt. Ik hoorde iets over de zee?’

Harrald haalde diep adem. Er waren meer teleur­stellingen geweest in zijn jonge leven. Er zouden er meer komen. Hij moest zich er maar overheen zetten, zoals hij al vaker had gedaan. ‘Ja, ik kon de zee zien vanaf de hoogste heuvel die ik beklom. Ver weg, maar er waren zeemeeuwen en ik kon het zout ruiken.’

‘Dan zijn de dijken van Holland dus definitief gebroken,’ zei zijn vader.

‘Het lijkt erop. Die heuvel was ook de plek waar ik na wat zoeken een ingang vond. Er stond vroeger waar­schijnlijk een flat, maar hij was verzakt en over­woekerd. Als ik het bord niet had gevonden zou ik niet weten dat ik in Eindhoven was.’

‘Als je noordwestelijk gereisd bent, dan ben je bij de zuidoostkant van de stad terechtgekomen,’ zei Gerard. ‘Ik neem aan dat er heuvels zijn? Heb je die ook gezien?’

‘Ik denk van wel,’ zei Harrald. ‘Er was een vrij duidelijke afscheiding tussen vlak land met moeras en rijen met heuvels. Er leek regelmaat in te zitten.’

Gerard legde een vergeelde kaart op tafel. ‘Dan moet je langs de zuidkant reizen. Volgens deze kaart ligt het Sciencepark daar.’ Hij liet zijn vinger op de bewuste plek rusten.

Harrald keek zijn vader en moeder aan. De uitdrukkingen op hun gezichten waren somber. ‘Ik moet het proberen,’ zei hij. ‘Als de incubators er nog zijn…’

‘De kans dat ze nog werken na al die jaren…’ Gerard schudde zijn hoofd. ‘Er is waarschijnlijk geen stroom en als er water binnen is gekomen, is alles kapot.’

‘Maar ik moet,’ zei Harrald. ‘Ik wil niet de laatste zijn.’

‘Dat willen wij ook niet, liefje,’ zei Maria, ‘maar de ziekten, de oorlogen en alle gevolgen daarvan, er zijn gewoon te weinig mensen over­gebleven. Eens gaan we toch, allemaal.’

Ongebruikelijk pessimistisch zei Gerard: ‘Misschien is het maar beter zo. De mensheid heeft zich onwaardig betoond.’

Het was lange tijd stil en Harrald dronk zijn beker leeg. ‘Ik vertrek over drie dagen.’

 

Op de ochtend van de derde dag nam Harrald afscheid van Gerard en Maria, maar ook van Lotte. Hij was de afgelopen nachten bij haar geweest. Ze was iets ouder dan zijn ouders, weduwe, met een voorliefde voor jongere minnaars. En Harrald was nu eenmaal in de bloei van zijn leven. Als Lotte vruchtbaar was geweest, had hij met genoegen kinderen bij haar verwekt en met haar opgevoed, ondanks een leeftijdsverschil van ruim twintig jaar.

‘Wees voorzichtig, zoon,’ zei Gerard. ‘Heb je vol­doende gereedschap bij je?’

‘Ik denk het wel, pa. Meer kan ik niet dragen. Weten jullie zeker dat jullie het tablet kunnen missen? Het is de laatste werkende.’

‘We hebben genoeg kennis overgeschreven, jongen,’ zei Maria. ‘Beter als jij de bibliotheek bij je hebt, voor het geval dat.’

Lotte zei niets. Ze omhelsde hem alleen en hij voelde een traan langs zijn nek vallen. Daarna draaide ze zich om en liep zonder om te kijken weer naar binnen.

De sneeuw was op de meeste plekken gesmolten en alleen op de plekken waar de wind het had opgeblazen lagen nog zielige hoopjes ijs. Het betekende ook dat de grond modderig was en dat bemoeilijkte het lopen.

Hij volgde het pad dat hij eerder had genomen, door de bossen en daarna door de moerassen van het verzonken Roermond. ’s Avonds kampeerde hij aan de oever van de Maas, bij de samengebonden boom­stammen die hij vorige keer gebruikt had. Ze lagen nog hoog op de oever waar hij ze naartoe had getrok­ken. De hemel was ongewoon helder en Harrald kon zelfs sterrenhopen en nevels met het blote oog zien.

Eens te meer voelde hij zich nietig en onbetekenend. Hij begreep de woorden van zijn moeder. Eens gaan we allemaal. Mensen, dieren, bomen, de Aarde, de zon, melk­wegstelsels en sterrenhopen. Maar diep van binnen brandde een vuur, een noodzaak om zijn bestaan voort te zetten. Als ik ooit nog kinderen krijg, zullen ze de Aarde met respect leren behandelen.

Hij had de vernieling en chaos gezien op de oude journaalbeelden. Er was genoeg bewaard in het archief, van oorlogen en ziekten van de eenen­twin­tigste eeuw, die de mensheid op de rand van de vernietiging brachten tot het totale ineenstorten van de beschaving. Voor hij ging slapen, spande hij lijnen met belletjes rond zijn tentje om hem voor eventuele indringers te waarschuwen.

De volgende ochtend vroeg stak hij de Maas over, hoewel de scheidslijn tussen rivier en vennen vaag was, zodat hij maar zo ver mogelijk doorpeddelde. Tegen de tijd dat hij vaste grond bereikte waren zijn broek en mouwen kletsnat en koud geworden en zijn handen leken wel ijspegels. Zelfs met zijn dikke wollen wanten duurde het bijna een uur voor hij zijn vingers weer voelde.

Die dag dwaalde hij door de Maasvennen, van zandbank naar zandbank, tot hij na lang zoeken in een ander landschap terechtkwam waar een dikke laag plantengroei op zompige ondergrond een vrijwel uniform landschap van donkergroene en –paarse tinten vormde, afgewisseld door kleine meertjes met hoge, verdorde rietkragen. Hij herkende een aantal punten en wist die dag een flinke afstand door de Peelmoerassen af te leggen. Het was nog te vroeg in het jaar voor steekvliegen en ander ongedierte, dus hij verwachtte dat hij de volgende dag Eindhoven zou bereiken, als het weer gunstig bleef.

Hij kampeerde op een klein heuveltje waar een paar bomen groeiden. Toen hij de haringen de grond in dreef raakte hij iets hards. Hij groef de losse aarde op en vond een klein metalen pannetje. Er waren eerder mensen op deze plek geweest. Hij groef verder en vond verschillende verweerde en verroeste voor­werpen, bijna onherkenbaar, en een versleten, plastic Barbie met lang, blond nephaar. Hij veegde de modder eraf en zette de pop rechtop tegen een van de bomen.

In het flakkerende licht van het kampvuurtje leek het alsof hij gezelschap had. Wat ik er niet voor zou geven dat ze echt was, dacht hij. Hij was de laatste maanden veel buiten geweest om het land te verkennen en vaak fantaseerde hij over iemand van zijn leeftijd, bij voorkeur vrouwelijk, om mee te leven en samen een bestaan op te bouwen. Met kinderen, hopelijk. Armena speelde vaak door zijn hoofd, ook al had hij haar nog nooit gezien. Maar die hoop leek nu vervlogen.

Voor hij ging slapen controleerde hij nog een keer zijn verklikkers en legde hij zijn oor op de grond om te luisteren of er beneden hem gegraven werd. Hij had vaker meegemaakt dat een melaatse gewekt en opgestaan was.

 

De heuvels waaronder Eindhoven lag, strekten zich tot de horizon uit. Vanaf de heuvel die hij vorige keer beklom, kon hij heel in de verte het lijntje van de zee zien, ver weg, maar wel zo dichtbij dat een hoge vloed de stad zou raken. Als er nog iets onder het Sciencepark ligt, dan is dit echt de laatste kans. Van binnen voelde het als een soort lotsbestemming dat hij juist op dit moment op zoek ging naar het kweeklaboratorium van De Philips om uit te vinden of hij de vermoede kostbare apparatuur kon redden. Zijn verstand vertelde hem dat de kans klein was, de mogelijkheid dat niets meer werkte groot, maar zijn hart, dat hoopte op een wonder, sprak harder tegen hem.

Hij vond de snelweg die als een lang, recht en minder begroeid pad langs de heuvels liep. Feitelijk waren het gebouwen, flats, deels ingestort en overwoekerd, bedekt met stuifzand en losse aarde, restanten van een rijk verleden, maar nu teruggenomen door de natuur. Kleine heuveltjes op de weg bevatten de verroeste karkassen van automobielen die hier waren achtergelaten en hier en daar zag hij nog stukjes van ramen en deurstijlen. Een enkele bleke schedel staarde terug uit een donker gat.

De dooi van de afgelopen dagen en de beginnende lente zorgden voor sneeuwklokjes die voorzichtig hun kopjes uitstaken boven het gras en de varens die de grond bedekten. Harrald bereikte aan het eind van de ochtend het terrein van het Sciencepark, een vlakte afgewisseld met monolithisch aandoende heuvels. Een klein meer lag midden op het terrein. Zijn doel, de Philipsgebouwen, lag achter het meer. Hoewel hij niet wist welk gebouw het precies was, wist hij dat van alle plekken die hij kon bezoeken in Eindhoven, dit de meest waarschijnlijke plaats was waar de experimen­tele broedkamers van De Philips waren ingericht.

Hij wandelde om de eerste heuvel heen. Varens, wingerds en stiletto­doorns vormden een dichte haag die het lopen bemoeilijkte en hij kon nu al zien dat de andere heuvels minstens net zo moeilijk begaanbaar waren. Op deze manier kon hij weken, zo niet maanden blijven zoeken naar een ingang en dan moest het maar net de juiste ingang zijn.

Hij werd er bijna moedeloos van tot hij bedacht dat de winter hem kon helpen. Als er iets onder de grond zit aan nog werkende apparatuur, dan moet dat warmte afgeven die weer ergens naar buiten moet komen. Hij klom tegen de grootste heuvel op tot hij bij de top kwam. Roestige staven staken hier uit beton dat net boven de humuslaag uitkwam. Hij speurde de omgeving af op zoek naar een groener, rijker stuk van planten die niet bevroren waren en niet onder sneeuw bedekt waren geweest. Hij liep om de top heen en keek naar alle windstreken en vond uiteindelijk de plek die hij zocht, verborgen tussen een paar boompjes, goed beschut.

Vol goede moed daalde hij de heuvel weer af en ging regelrecht op de plek af die hij van boven gezien had. Met een paar trappen schopte hij graspollen en lagen aarde weg tot hij bij een stalen rooster kwam. De geur van verrotting kwam hem tegemoet, maar ook iets anders, iets metaalachtigs gemengd met machineolie.

Dit moet het zijn, dacht Harrald. Hij kneep een paar keer in zijn knijpkat en scheen vervolgens een lichtbundel door het rooster. Eronder zat een groot gat. Op de bodem lagen modder en resten van planten, over­woekerd door een soort paddenstoelen die azuurblauw leken in het licht van zijn zaklamp. In de noordkant van het gat zat een volgende rooster. Harrald zag sliertjes bleek gras voortdurend bewegen in een constante luchtstroom die er doorheen kwam.

Hij keek op, recht tegen een heuvel aan. Dat moet hem dan zijn, dacht hij. Met een schep in de aanslag klom hij tegen de helling op, op zoek naar een plek waar hij eenvoudig naar binnen zou kunnen gaan. Hij vond een reeks openingen waar betonnen balkons naar buiten staken en groef zich een weg naar binnen toe. Een stalen deur was zo weggeroest dat hij hem met een paar stevige trappen open kreeg.

Een stinkende walm dreef naar buiten en Harrald kokhalsde. Hij herkende de geur van verrotting en oude lijken en voorzichtig stapte hij naar binnen, een trappenhuis in, knijpkat in de ene hand, zijn schep als wapen in de andere hand. Vocht was in de muren gedrongen en paddenstoelen en schimmels bedekten elk beschikbaar stukje. Hij liet zijn lichtbundel omhoog schijnen, vervolgens omlaag de duisternis in. Het geluid van de dynamo in de knijpkat vermengde zich met de echo’s van het constante druppelen.

Een paar treden omlaag zag hij botten op de trap liggen en verder naar beneden een bleke schedel. Eindhoven was al vroeg in de eenen­twintigste eeuw getroffen door een biowapen en diende als lichtend voorbeeld dat virussen niet gaven om ras, denk­beelden of overtuigingen. Maar toen was het natuur­lijk al te laat en de stad was ten dode opge­schreven. De lege huls die overbleef was daarna ook geen slacht­offer van de meer directe wapens die werden ingezet.

De trappen voerden hem naar de kelders van het gebouw waar een halve meter water stond. Het was vroeger overduidelijk een soort par­keergarage geweest. Hij liet zijn lichtbundel van de trap over het water schijnen. Twee dozijn automobielen roestten hier langzaam weg. Het water was ijskoud aan zijn benen. Harrald zette zijn voeten langzaam en heel voorzichtig neer. Dit was niet de plek om zich aan onderwater verborgen roestig ijzer te verwonden.

Hij liet het licht van de lamp over de verroeste auto’s spelen. Op ver­schillende voorruiten zaten nog stickers verpakt in laminaat waarop hij letters kon onder­scheiden: Philips Medical. Hij kreeg een raar gevoel in zijn onderbuik en hij voelde een vleugje hoop opwellen. Als ze hier hun auto’s parkeerden, dan werkten ze hier misschien ook. Hij keek om zich heen. Waar zou ik de ingang maken?

Midden in de parkeergarage was een afgesloten blok, muren zonder ramen. Hij waadde erheen en toen hij eromheen liep zag hij een plateau dat net boven het water uitstak, een stalen deur en naast de deur een metalen plaat met een enkel rood lichtje boven de lijntekening van een mensenhand. Hij haastte zich de treden op en vervolgens bestudeerde hij nauwgezet de deur en de plaat. ‘Alleen geautoriseerd personeel’ stond er op, onder een feloranje ‘Pas op!’ en een pikzwart biohazard logo. Er waren geen zichtbare sloten of scharnieren.

Harrald legde zijn hand op het metalen paneel. Onder zijn vinger­toppen voelde hij dat het glanzende metaal stroef was, alsof het tegen zijn huid duwde. Een korte zoemtoon klonk en een rood lichtje in de vorm van het biohazard logo knipperde drie keer. Veiligheidssystemen die nog werken na honderden jaren. Hoopvol, dacht hij en voegde daar aan toe: en uitdagend.

Met een mes wrikte hij net zo lang aan de rand van het paneel dat het op een gegeven moment losschoot en de printplaat met bedrading tevoor­schijn kwam. Harrald herkende een aantal van de circuits en chips, maar het merendeel was hem onbekend. Hij pakte het tablet en startte zijn zoekprogramma op.

Dertig mogelijke ontwerpen, zoek de verschillen. Nauw­gezet volgde hij draden en printbanen, telkens afgeleid door het dovende licht van de knijpkat, tot hij nog maar twee keuzes overhad. Een van die keuzes droeg een Philips logo. Harrald grijnsde en identifi­ceerde de draden die het ‘open’ signaal aan de deur gaven. Een minuut later verscheen het groene lichtje en was er een doffe klik.

Met zijn linkervoet duwde Harrald tegen de metalen deur die zacht knarsend openzwaaide. Lichten aan de muren sprongen aan en hij zag een volgende trappen­huis met metalen roostertrappen die naar beneden voerden. De lucht was droog, machinaal met een vleugje oude dood. Hij stapte naar binnen en liep de trappen af. De bodem was tientallen meters beneden hem. Twee trappen naar beneden voelde hij meer dan hij het hoorde een zachte dreun. Toen hij omhoog keek zag hij dat de deur weer gesloten was. Dat zie ik dan zo wel weer, dacht hij. Op dit moment was zijn nieuws­gierigheid te groot.

De deuren beneden openden zich automatisch bij zijn nadering. Er lag twee eeuwen stof op de grond en hij liet een spoor van voetstappen achter in de grijze laag. Hij liep een ruimte in waar een enkel bureau stond. Op een bordje stond ‘receptie’ en het bureaublad was verder leeg. Van de deur aan zijn rechterkant was het slot geforceerd. Hij duwde ertegen. De deur zwaaide geruisloos open en onthulde duisternis en een betonnen plateau met hek. Hij stapte naar binnen en zwengelde zijn knijpkat aan. Zijn lichtbundels verdwenen in het duister, maar hij zag hier en daar reflecties van glazen oppervlakten. Even later viel de lichtbundel op een schakelaar dicht bij de deur. Toen hij die omhaalde schakelden enkele dozijnen lampen aan die een immense hal verlichtten.

Dikke betonnen pijlers ondersteunden een hoog dak en tussen de pijlers waren tientallen kantoortjes aangelegd rond een centrale glazen koepel. Overal waar hij keek zag hij het Philipslogo tevoorschijn komen. Dit moet het zijn, het kan niet anders, dacht Harrald. Opgewonden daalde hij de trappen naar de werkvloer af. Overal waar hij kwam werd het licht helderder en de gloed van de lampen warmer. Harrald vermoedde een automatisch systeem. Veel beter dan de kaarsen en fakkels in het oude klooster.

Angst overviel hem toen hij zijn eerste skelet tegen­kwam. Resten uitgedroogd vlees en huid waren nog strak over de botten gespannen die uitgestrekt op een bank in een kantoor lagen. Het lichaam droeg nog een oude laboratoriumjas over een sterk versleten jeans en een vaalgrijs shirt. Harrald pakte zijn machete en tikte de rechterarm van het skelet een paar keer aan tot hij ervan overtuigd was dat er geen gevaar dreigde. Terwijl hij door de gangen dwaalde langs de glazen wanden van de kantoren stelde hij zich voor dat hier jarenlang mensen gewoond of gewerkt hadden. De twee dozijn auto’s boven deden hem vermoeden dat hij meer lichamen zou gaan vinden. In een verafgelegen zijkamer vond hij mensvormige, zwarte plastic zakken. Er lagen er ruim twintig, netjes op een rij, duidelijk met inhoud. Hij liet ze liggen en ging verder naar zijn eigenlijke doel, de glazen zaal die hij eerder gezien had.

Een glazen buis met een luchtsluis voerde naar het centrale deel. Weer zag hij sloten die geforceerd waren. De centrale ruimte bevatte een verhoogde vloer met bureaus waarboven rijen schermen waren inge­bouwd. Eromheen stonden dozijnen transparante, eivormige con­struc­ties, een soort capsules, die via buizen en slangen aan de vloer gekoppeld waren. Ze deden hem denken aan de incubators zoals hij die op een oude Discovery aflevering gezien had. Zo te zien waren ze alle­maal leeg. Hij liep naar de dichtstbijzijnde. Het deksel stond omhoog en de binnenkant bevatte wat blauwe drab, een lang geleden uitgedroogd residu. Hij wandelde door de ruimte en telde uiteindelijk vijftig van de eivormige capsules. Allemaal leeg. Hij tikte tegen een paar van de kunststof slangen die bij het minste al afbraken. Poreuze rotzooi, niet geschikt voor wat dan ook.

Harrald liep terug naar de bureaus met de schermen en vond daar nog een verhoging achter een batterij schermen waar een grote stoel stond. Hij liep de trap op en duwde tegen de stoel om hem naar zich toe te draaien. Het skelet dat erop zat, zakte in elkaar. Harrald sprong achteruit en trok bij het neerkomen zijn machete tevoorschijn en hield die verdedigend voor zich. Pas toen hij zag dat het skelet verder niet bewoog, haalde hij weer adem. Dat moet een van de laatsten zijn geweest. Gestorven in het harnas. Er lag een stapeltje papier op het bureau, een ouderwetse schrijfpen en een plastic chipkaart waarop ‘Ariadne’ stond. Hij tilde het geraamte uit de stoel en legde het onderaan de trap.

De vellen papier waren dichtbeschreven, maar de inkt was na zoveel jaren verbleekt tot een vaag bruinoranje dat maar nauwelijks leesbaar was. Harrald nam plaats op de stoel en las een verslag van de laatste dagen van ene Arnold Janssens die zijn einde voelde komen en in zijn eenzaamheid zijn gedachten op papier zette. Hij las hoe een groepje onderzoekers en technici waren ingesloten in het onderzoeks­centrum, dat zelfs na enkele tientallen jaren de sensors nog steeds een niveau vier biobedreiging maten in de buitenlucht. Harrald dacht terug aan het biohazard­lampje op de sensorplaat buiten. Hij begreep nu waarom de deur gesloten bleef. Maar hij voelde zich verder goed, dus of de sensor was stuk of hij was immuun voor wat het dan ook was dat daarbuiten dreigde. Blijkbaar was het eng genoeg dat ze vrijwillig opgesloten bleven.

Hij las over het contact met militaire centra die een voor een uit de ether verdwenen en over het koorts­achtige onderzoek dat de leden van het team deden om hun belangrijkste projecten te realiseren. Uitein­delijk waren er nog maar twee over, de incubators en iets dat ‘project Ariadne’ werd genoemd. Arnold Janssens schreef dat hij en zijn collega’s uiteindelijk moesten concluderen dat de incubators nutteloos waren als de niveau 4 dreiging niet geneutra­liseerd werd en dat daarom alle aandacht en alle moeite in ‘project Ariadne’ gestopt werd.

‘Maar wat,’ zei Harrald hardop, ‘is dan ‘project Ariadne’?’

De laatste zinnen van de brief waren direct aan hem gericht, aan ‘degene die deze brieven vindt.’ …Ariadne is volmaakt. Zodra ze volgroeid is, zal ze de perfecte moeder voor een transhumaan ras zijn. Ze bevat de laatste ontwikkelingen op AI gebied die defensie ons gestuurd heeft en sluit volmaakt aan bij de 2045 agenda. Daarnaast heeft ze een selectie van de beste ei- en zaadcellen meegekregen uit de DNA banken van het instituut zodat onze gehavende planeet van nieuw, menselijk leven kan worden voorzien, zelfs als de laatste mens is gestorven. Harrald las de laatste zin nog eens en dacht: Dat betekent dat ik niet de laatste hoef te zijn. Hij voelde vlinders in zijn buik.

‘Je maakt me nieuwsgierig, Arnold Janssens.’ Hij keek omlaag naar de grijnzende schedel van de oude onder­zoeker. ‘Wat ik hier niet lees is hoe lang Ariadne moest volgroeien. En heel belangrijk: waar is ze?’ Even twijfelde hij. Wat nu als Ariadne inmiddels oud geworden was, misschien zelfs gestorven? Maar het was van korte duur. Ariadne was duidelijk niet mense­lijk, dus hij kon niet zomaar menselijke waarden aan haar toekennen. Hij pakte de chipkaart en bekeek die. Er zaten gebruiks­sporen op, dus hij was gebruikt. ‘Waar, oh, waar?’

Hij liep langs de rijen monitoren, de nette, georgani­seerde bureaus en dozijnen toetsenborden. Tussen de bureaus door zag hij de incubators en de kabels die van daar uit de grond inliepen. Harrald dacht diep na. Waar komt de stroom vandaan? Een generator? Een die eeuwen meegaat? Dat kan alleen maar nucleair zijn. Dus er moet een centrale zijn. Hij keek naar de grond onder zijn voeten. En die levert stroom via de kabels in de grond, dus hieronder zit de centrale, of een verdeler die stroom van de centrale krijgt.

Hij stapte van de verhoging af en wandelde erom­heen, op zoek naar een oneffenheid, iets dat uit de toon viel. Uiteindelijk vond hij een gleuf aan de zijkant van de treden die het platform op gingen. Hij pakte de kaart en draaide hem een paar keer om en om in zijn handen. Is dit het antwoord? vroeg hij zich af. Als ze kan helpen kinderen op de wereld te zetten, dan is er een kans voor de mensheid. Resoluut stak hij de kaart in de gleuf. Het kan niet zomaar eindigen. Een nieuw begin, met normen en waarden die de mensheid verenigen.

Een deel van het platform schoof in elkaar en een brede spiraaltrap werd zichtbaar. Hij liep naar beneden en waar hij kwam scheen diffuus, warm licht uit panelen in de muren. De ruimte waar hij uitkwam bevatte een laboratorium en een constructie met buizen en ventielen die een derde van de ruimte vulde. Op de constructie stond het felgele logo dat nucleaire energie aanduidde. Een reactor, dacht Harrald. Daarom brandt het licht nog, daarom wordt de lucht gezuiverd. Een paneel met groene lampjes gaf aan dat het apparaat waarschijnlijk binnen normale grenzen opereerde. Wat als de zee hier binnenkomt? vroeg hij zich af, tot hij de term ‘thoriumpercentage’ tegenkwam en hij slaakte een zucht van verlichting. Een thoriumreactor, dus mini­maal gevaar. Dozijnen kabels verlieten de constructie en liepen via het plafond naar de verschil­lende afdelingen en de incubators. Een dikke bundel liep het labora­torium in en hij volgde die.

Een metalen tank besloeg het midden van de ruimte. Talloze slangen aan een kant van het gevaarte waren verbonden met onbekende machinerie die er geïm­proviseerd uitzag en Harrald herinnerde zich de woorden van Arnold Janssens. Een bundel glasvezel­kabels liep naar een donkere kast in de hoek waarin twee dozijn computers in hoog tempo ledjes lieten oplichten. Harrald vroeg zich af waar de computers het zo druk mee konden hebben.

Hij liep naar de tank en opende een klep bovenop. De bundel licht die naar binnen viel raakte een paar lichtblauwe ogen waarvan de pupillen snel tot puntjes krompen. Harrald haalde scherp adem en boog zich verder voorover. Haar hoofd lag grotendeels onder­gedompeld in een melkachtige vloeistof en slangen en kabels bedekten haar lijf, voor zover hij dat kon zien door het kleine kijkvenster. ‘Ariadne,’ zei hij eerbiedig.

Naast de tank vond hij een lijst instructies, ook danig vergeeld, maar leesbaar. De stappen waren eenvoudig en tien minuten later startte hij het opstandingproces voor ‘project Ariadne.’ Harrald maakte het zich gemakkelijk en hij at wat oud, hard brood en droge worst die zijn ouders hem hadden meegegeven. Hij las het document verder door en op de laatste bladzij las hij de kledingvoorschriften en de plek waar hij haar kleding kon vinden. Buiten het laboratorium haalde hij die uit de kast en legde alvast een dikke broek en tuniek voor haar klaar. Terwijl hij wachtte, doorzocht hij de verschillende ruimten. Spullen die hij nog bruikbaar achtte stopte hij in zijn rugzak.

Na een uur begonnen de sloten van de tank te draaien en Harrald telde twaalf doffe klikken op rij terwijl de sloten en zegels zich openden. Hij stond op en ging met een handdoek naast de tank staan. Het deksel splitste zich en een deel schoof naar boven, het andere deel naar beneden. De vloeistof waarin Ariadne gelegen had, was afgevoerd en haar lichaam leek schoon­gespoeld. De slangen vielen een voor een van haar lijf, haar huid sloot zich meteen. Zodra de laatste was losgekoppeld ging ze langzaam overeind zitten. Haar blauwe ogen knipperden, alsof ze voor het eerst haar omgeving kon zien.

Harrald staarde naar de naakte vrouw in de tank voor hem. Voor zover hij kon zien was ze compleet, waren er geen elektrische of elektronische compo­nenten zichtbaar en kon ze volledig doorgaan voor een echt mens. Het leek even alsof hij moeite had met ademen en hij bedacht zich dat hij Ariadne een bijzonder mooie vrouw vond. Ze was ook de enige vrouw van zijn leeftijd die hij kende, vrijwel alle andere waren de veertig gepasseerd, meestal flink.

Ariadne bracht haar handen omhoog en bekeek ze. Daarna reikte ze omhoog en wrong haar lange, blonde haar uit. Ze keek hem onder­zoekend aan.

Harrald keek vol bewondering hoe haar borsten omhoog getrokken werden door die beweging. Hij voelde lust en tegelijkertijd schaamte. Hij strekte een hand naar haar uit terwijl hij in de andere hand de handdoek omhooghield, zodat ze wist wat hij bedoelde. Zou ze eigenlijk wel kunnen praten, bedacht hij zich. ‘Hoi, ik ben Harrald,’ zei hij. Kan het nog stommer? ‘Eh, ik bedoel, ik neem aan dat je wel een handdoek kunt gebruiken?’

Ariadne pakte zijn hand en stond in een vloeiende beweging op. Haar grip voelde krachtig aan. Harrald slikte. Voorzichtig stapte ze over de rand en nam de handdoek van hem aan. Ze droogde zich af met lang­zame bewegingen, alsof ze haar lijf ook zelf eerst wilde onderzoeken. Ze kleedde zich in de spullen die hij haar aanreikte. Broek en tuniek pasten alsof ze voor haar gemaakt waren. En dat zal ook wel zo zijn, dacht Harrald. Verdraaid, ze ziet er goed uit.

Haar stem bleek melodieus met een mechanische ondertoon, alsof wat ze wilde zeggen en wat er uit haar keel kwam, niet helemaal op elkaar aansloten. ‘Harrald, waar zijn de anderen?’

‘Eh, hoe bedoel je? Mensen van mijn dorp of de onderzoekers hier?’

Ariadne dacht even na. ‘De onderzoekers, denk ik.’

‘Die zijn allemaal dood. Al tweehonderd jaar.’ Hij zag hoe ze naar een punt achter hem staarde, alsof ze heel in de verte iets waarnam dat hij nooit zelfs maar kon vermoeden, tot ze knipperde en hem weer aankeek.

‘Die informatie had ik nog niet. Hoe is de situatie buiten?’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Het sneeuwde een paar dagen geleden, maar het lijkt erop dat de lente nu echt is aangebroken.’

‘Stralingsniveau, biodreiging, mutatiegraad, veilige plekken, klimaat­verandering, migratiepatronen, geologische verschui­vingen, geboorte- en sterfte­cijfers?’ vroeg Ariadne. Haar gezicht bleef onbewogen tijdens de opsomming.

Harrald knikte en glimlachte. ‘Oh, bedoelde je dat. Ik heb niet overal antwoord op, maar ik kan je vertellen dat er oorlogen zijn geweest en bioterrorisme.’ Zijn glimlach verdween. ‘De mensheid is grotendeels uitge­storven. Ik woon met mijn familie in een dorp op een paar dagen hiervandaan. Ik denk dat we de laatste mensen op Aarde zijn.’

‘Leg uit, laatste mensen.’

Harrald haalde diep adem en wreef over zijn voorhoofd. ‘Er zijn nog zo’n tweehonderd mensen in het dorp. We verbouwen ons eigen voedsel en zoeken de rest in verlaten gebouwen in de omgeving. Vooral zaden en gedroogde, vacuümverpakte waren zijn voor ons interessant.’

‘Demografische verdeling?’ vroeg Ariadne.

Ze lijkt wel een robot, dacht Harrald. Maar dat is ze ook. Geavanceerd, gebouwd met een doel en op zoek naar informatie. AI, stond in de brief, kunstmatige intelligentie. ‘Ik ben de jongste in het dorp. Meer dan de helft is de vijftig gepasseerd.’

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg Ariadne.

‘Die werden niet meer geboren,’ zei Harrald. ‘Jonge, vruchtbare vrouwen verongelukten. Of werden ziek en onvruchtbaar, of stierven bij de geboorte van hun eerste kind.’

Ariadne knipperde met haar ogen. ‘Jullie zijn voorbij het kantelpunt gegaan,’ zei ze. ‘Daarna was er geen weg terug.’

‘Dertig jaar geleden was er nog contact met een paar dozijn families in heel Europa. Onze radio reikt tot aan wat vroeger Zuid Spanje was.’ Armena. ‘Het laatste contact was twee weken geleden, sindsdien is het stil.’

‘Ben ik daarom gewekt?’

Harrald knikte. ‘Ik had artikelen gelezen over de experi­menten met incubators en kunstmatige zwanger­schappen en ik hoopte dat het een oplossing voor ons kinderprobleem kon zijn. Ik zocht al een paar jaar naar deze plek.’

‘Je hebt hem gevonden.’ Ariadne ging staan en strekte haar armen uit. ‘Ik ben in staat vier tot acht kinderen per jaar te produceren. Daarvoor moet de omgeving veilig zijn. Daarom vroeg ik naar de toestand buiten.’

Harrald knikte begrijpend. ‘Ja, dat snap ik, ja. Je kunt hier in ieder geval niet blijven, de zeespiegel is gestegen en de zee nadert de buitenwijken van Eind­hoven. En ik denk niet dat deze kelder lang waterdicht blijft als er zeewater in de ventilatie terecht­komt.’

Ariadne liep naar de computer in de hoek van het laboratorium en hield haar hand op een van de apparaten. ‘Straling acceptabel. Biodreiging van niveau vier. De buitenlucht bevat schadelijke virus­sen.’ Ze keek hem aan. ‘Jij lijkt er geen last van te hebben. Waarom niet?’

‘De steden in de wereld zijn dood, er zijn bijna geen mensen meer. Onze voorouders waren blijkbaar immuun.’ Harrald glimlachte wrang. ‘Helaas zijn we met te weinig.’

Ariadne zweeg een paar seconden en haar ogen leken leeg, alsof ze afwezig was. Toen het leven er weer in terugkeerde, zei ze: ‘Het lijkt erop dat we elkaar voorlopig nodig hebben, Harrald. Zullen we gaan?’

‘Hebben we niets nodig van hier?’ vroeg hij.

‘Ik heb niets nodig,’ zei Ariadne.

Harrald liet haar voor gaan de trap op. Haar eerste stappen waren houterig, maar werden heel snel vloeiend en krachtig. Terwijl hij achter haar liep dacht hij: Ik heb jou gevonden, dat is alles wat ík nodig heb.

 

Ze liepen door de heuvels van Eindhoven toen de zon onderging. Harrald zocht een droge, beschutte plek en zette daar zijn tent op. Bij het licht van een klein vuur at hij nog wat van zijn rantsoenen. Hij bood Ariadne een stuk brood, maar ze weigerde.

‘Eet je niet omdat je niet kunt eten?’ vroeg Harrald nieuwsgierig. ‘Of heb je een soort eigen, interne reactor?’

Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Ik heb gewoon geen honger. Dat zal wel komen. Dit lichaam is erg zuinig met energie.’

‘Slaap je ook?’ vroeg Harrald. ‘Met een beetje goede wil kunnen we samen in de tent liggen.’

‘Ik kan lang zonder slaap, maar er is een herstel­functie die mijn lichaam een paar uur uit­schakelt en alle energie aan reparaties besteedt. Je zou het een soort slaap kunnen noemen.’ Weer schudde ze haar hoofd. ‘Dus nee, ik hoef niet samen in een tent te liggen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Harrald. ‘Als je het niet erg vindt, wil ik wel een paar uur slapen. Wij mensen hebben dat nog steeds nodig.’

‘Nog wel, ja,’ zei Ariadne.

Hij keek haar aan, maar ze vertelde niet verder, dus spande hij zijn draden rond het kamp en hing daar de verklikkers aan.

‘Verwacht je roofdieren?’ vroeg Ariadne.

‘Nee, melaatsen. Ze zijn zeldzaam tegenwoordig, maar een hele enkele keer wordt er nog een wakker door rondstampende mensen. Als ik op een plek ben waar duidelijk mensen hebben gewoond, dan luister ik ook nog wel eens aan de grond. Je hoort ze graven.’ Ze boog zich naar de grond en drukte haar oor tegen de aarde.

‘Niets. Zijn we dan veilig?’

‘Waarschijnlijk. Daar zijn ook de verklikkers voor.’ Hij kroop de tent in. ‘Ik ga slapen. Roep me als er iets is.’

 

‘Wakker worden.’ De woorden werden gevolgd door een paar indringende zoemtonen. Harrald was meteen klaarwakker, hoewel nog gedesoriënteerd. Hij greep als eerste zijn machete en rolde de tent uit. Het vuur was een hoopje gloeiende as en in het rode licht zag hij Ariadne gehurkt vlak naast zijn tent zitten.

‘Wat is er,’ fluisterde hij.

Ariadne wees.

Harrald zag een bleke figuur die wankelend dichterbij kwam. In de lichtcirkel van het vuur zag hij lange, donkere haren rond een uitgeteerd gezicht. Het was ooit vrouwelijk, nu zonder ogen, gaten waar­doorheen tanden zichtbaar waren, kleren onher­kenbare rafels. Resten aarde vielen bij elke stap van het lichaam van de melaatse. ‘Pas op,’ zei hij en hij ging voor Ariadne staan met de machete. De melaatse veranderde meteen van richting bij het horen van zijn stem. Zodra ze hem naderde stapte hij langs haar grijpende armen en liet de machete met een zieke dreun in haar hoofd landen, hard genoeg om de ruggengraat te breken. Ze zonk geluidloos in elkaar.

Hij draaide zich om naar Ariadne. ‘Heeft ze je geraakt, gekrabd, gebeten?’

Ariadne schudde van nee. ‘Ik onderzocht het wrak van een auto, ver­derop. Zij lag onder een hoop aarde op de achterbank en begon ineens te bewegen.’

Harrald leunde op de machete en voelde zich ineens heel erg moe. Zijn slaap was onderbroken en hij had nog te weinig rust gehad. ‘Ze kunnen jaren ergens liggen rotten en je denkt dat ze echt dood zijn. En dan, ineens, komen ze overeind. Of ze graven zich uit hun graf.’

‘Hoe is dat mogelijk?’ vroeg Ariadne.

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Het lijkt op een soort infectie, maar het is nooit heel duidelijk geweest wat het veroorzaakte. En sommige mensen waren er ontvankelijk voor, andere niet.’ Hij liep rond de tent en stelde de verklikkers weer in, daarna gooide hij nog wat hout op het vuur.

‘Laat je haar gewoon liggen?’ vroeg Ariadne.

Hij knikte. ‘Die gaat nergens meer heen. Als je de hersenen vernielt, vallen ze neer.’

Ariadne liep om het vuur heen en ging naast het lichaam op de grond zitten.

Voor Harrald iets kon doen, stak ze haar rechter­wijsvinger in de wond die hij zojuist gemaakt had. In een vloeiende beweging likte ze vervolgens het puntje van haar vinger af. ‘Wat doe je nu?’ vroeg hij geschokt. ‘Van melaatsen moet je afblijven, voor je ’t weet ben je besmet!’

‘Dat geldt voor mensen,’ zei Ariadne. ‘Dat ben ik niet. Laat me nu even dit monster analyseren.’

‘Doe wat je niet laten kunt, maar wees voorzichtig. Ik ga slapen.’ Hij ging weer in zijn tent liggen. Heb ik er goed aan gedaan haar… het te wekken? Ze is wel heel erg anders. Zijn ogen dwaalden naar haar gezicht en hij betrapte zich erop dat hij met aandacht naar haar borsten staarde. Ze is ook wel erg mooi. Hoe zou ze voelen? Met die gedachte sliep hij weer in.

 

Een schraal zonnetje kwam net boven de horizon uit en verlichtte de uitgestrekte moerassen van de Peel. Harrald werd wakker en bekeek vanuit zijn tent hoe het oranje licht speelde over begroeide heuveltjes. Boompjes wierpen oneindig lange schaduwen over poelen vol kroos en riet.

Hij lag op zijn zij en voelde haar lichaam. Zijn hand rustte op haar zij, ze lagen lepeltje-lepeltje. Haar blonde haar was een pluizige bos voor zijn gezicht en onwillekeurig voelde hij zich hard worden en raakte hij door zijn broek heen haar billen. Heel voorzichtig werkte hij zich op zijn linkerelleboog omhoog zodat hij haar goed kon bekijken. Blijkbaar was ze ’s nachts bij hem komen liggen. Hij schraapte zijn keel.

Ariadne draaide zich op haar buik en keek hem aan. ‘Het werd toch wel koud. En ik moet wennen aan dit vlees.’

‘Je hebt toch wel eerder rondgelopen?’ vroeg Harrald. ‘Ik bedoel, je lijkt goed in balans.’

Ze schudde haar hoofd in een heel menselijk gebaar. ‘Ik heb in virtuele werelden geleefd, tot jij me wekte. Mijn enige oefening was de spier­stimulatie van de tank om me op kracht te houden.’

‘Dit is je eerste keer buiten de tank dus,’ zei Harrald. ‘Maar, twee­honderd jaar?’

‘Zoiets ja. Maar voorbij in een oogwenk. De echte wereld is gewoon ‘echter’ en dus moet ik eraan wennen.’ Ze ritste de tent open en kroop naar buiten.

Harrald keek haar bewonderend na en volgde. Ze stond kaarsrecht, gezicht naar de horizon, een zacht briesje speelde met haar blonde haar.

‘Ik heb zonsopgangen in mijn virtuele wereld gezien. Ze verbleken hierbij,’ zei Ariadne.

‘En jij verbaast me,’ zei Harrald.

‘Hoezo?’ vroeg Ariadne.

‘Gisteren sprak je nog, hoe zal ik het zeggen, mechanisch. Nu hoor ik vloeiende zinnen en proef ik emotie in wat je zegt.’ Hij legde zijn handen op haar schouders, voelde de ingehouden kracht. ‘Wie ben je, Ariadne? En wat ben je?’

Ze draaide zich om en glimlachte. ‘Mijn taak is het de mensheid te redden. Mijn bouwers hadden daar heldere ideeën over. En ze hebben me heel veel mee­gegeven om die taak uit te voeren.’

‘Zoals materiaal uit de DNA banken?’ vroeg Harrald. ‘Dat stond in de brief van Arnold Janssens.’

Ariadne knikte langzaam. ‘Ik heb genoeg bij me om meer dan honderd perfecte kinderen te produceren.’

‘Jammer dat ze in deze wereld niet zullen overleven,’ zei Harrald.

‘Die conclusie lijkt correct,’ zei Ariadne. ‘Teveel gevaarlijke virussen in de lucht.’

‘We hebben nog een paar dagen te gaan voor we bij mijn dorp zijn,’ zei Harrald. ‘Genoeg tijd om over oplossingen na te denken.’

Toen Harrald zijn verklikkers en draden opruimde, zag hij het lichaam van de vrouw die hij gisteravond neergeslagen had. Het lijf was in dozijnen stukjes uit elkaar getrokken en onderdelen waren netjes op een rij gelegd en opengemaakt. Hij keek naar Ariadne en riep: ‘Heb jij dit gedaan?’

Ze kwam bij hem staan. ‘Ik kon geen virussen of bacteriën vinden die iets verklaarden. Wel parasieten. De nagels en tanden zitten vol met eitjes en waar­schijnlijk helpen muggen bij verspreiding.’

Harrald huiverde. ‘Hoe staan ze dan weer op?’ Ariadne haalde haar schouders op. Weer zo’n menselijk gebaar, dacht hij.

‘Dat weet ik nog niet,’ zei ze. ‘Zullen we gaan?’

Harrald pakte zijn spullen verder in en met de zon nu ruim boven de horizon zocht hij zijn weg terug langs de poelen en veenmatten van de Peel. Hij vertelde over de rietsoorten, planten en dieren die hier voor­kwamen en ze luisterde aandachtig.

‘Weet je wat bijzonder is?’ zei Harrald toen ze zijn vorige kampeerplek naderden.

‘Bijzonder? Is iets bijzonder of vind jij het bijzonder?’ vroeg Ariadne.

‘Excuseer me, ik moet duidelijker zijn,’ zei Harrald. Hij wees naar het heuveltje. ‘Ik vond daar gisternacht een oude barbiepop en toen ik jou voor het eerst zag moest ik daaraan denken.’

‘Ik zie het verband niet,’ zei Ariadne koel.

Harrald grijnsde schaapachtig. ‘Ik hoopte eigenlijk dat ik een vrouw zoals die barbiepop zou vinden.’

‘En ik lijk op die pop. Dus jij ziet in mij de vrouw die je zocht.’

Harrald voelde zijn wangen branden. ‘Eh, als je het zo zegt klinkt het…’

Ariadne legde haar hand op zijn arm. ‘Het geeft niet. Dit is een normale fysiologische reactie.’ Ze kneep haar ogen samen. ‘Ik denk dat ik me “gevleid” voel.’

De kilometers die volgden, zweeg Harrald. Zijn hoofd was druk. Hij verbaasde zich over de opmerkzaamheid van Ariadne. Tegelijk proefde hij in haar doen en laten een mechanische kwaliteit die hem voorzichtig deed twijfelen aan haar menselijkheid. Dan keek hij weer naar haar soepele bewegingen en bewonderde hij haar lichaam. Dat was voldoende om de verschillen te bagatelliseren en excuses te bedenken. Ze heeft alleen in virtuele werelden geleefd, zonder echte mensen, zonder contact. Alsof ze door wolven is opgevoed.

Zijn boomstammen lagen nog op de plek waar hij ze had achtergelaten. Twee mensen bleek teveel. Ariadne loste het op door achter het vlot te gaan lopen en het voort te duwen, waarbij ze regelmatig tot haar nek in het water liep.

‘Dit is toch veel te koud voor je?’ vroeg Harrald.

‘Nee hoor,’ zei Ariadne. ‘Mijn metabolisme past zich snel aan.’

‘Het is te zwaar!’ zei Harrald.

Demonstratief tilde Ariadne de boomstammen, met hem erop, een halve meter uit het water.

‘Goed, goed, ik geloof je!’

‘Mooi, ik wil je dorp graag zien, want daarna kunnen we plannen gaan maken.’

‘Plannen?’ vroeg Harrald.

‘Ja. Plannen. Mijn doel is de mensheid redden, weet je nog?’ zei Ariadne. ‘Ik wil weten of je dorp veilig is voor kinderen. Veel kinderen. En of er voldoende voor­zieningen zijn. Vers water, elektra, voedsel…’

Ze staken de Maas over en overnachtten hoog op de oever. Deze keer kwam Ariadne wel meteen bij hem in de tent liggen. Ze voelde ijskoud en hij trok haar tegen zich aan en wikkelde zijn slaapzak om hen beiden heen.

‘Kun jij eigenlijk ziek worden?’ vroeg Harrald in het donker.

‘Mijn vlees en binnenste zijn synthetisch. Ze hebben wel een organische basis,’ antwoordde Ariadne. ‘Waar­schijn­lijk dus niet, hoewel er altijd een kans is.’

‘Dit deel van de wereld is er nog relatief goed afge­komen,’ vertelde Harrald. ‘De grootmachten uit die tijd hebben ook nucleair vuur gebruikt. Via de radio heb ik gehoord over bizarre mutaties in de Russische bossen, soms gruwelijk, maar soms ook handig. Uit Amerika hebben we niets meer gehoord.’

‘Dan wordt dit het nieuwe Eden,’ zei Ariadne.

Harrald moest even nadenken over de referentie. Toen hij wilde vragen wat dan zijn rol was, hoorde hij een zacht snurken. Met een glimlach stopte hij de slaapzak wat dichter om haar lijf.

 

Ze kwamen via de noordkant bij het dorp. Het open veld stond in bloei, krokussen, narcissen en felblauw paaldansgras dat sensueel kronkelde in het minste briesje. Het dodengat was nog bijna kaal. Zoals elk jaar wilde er bijna niets op groeien behalve wat hard­nekkige distels.

‘Het oude klooster,’ zei Harrald.

Ariadne knikte goedkeurend. ‘En stevige hekken om het hele complex. Hoeveel mensen wonen er nu?’

‘Ruim tweehonderd, maar vrijwel allemaal boven de vijftig en meer dan de helft zou vroeger als bejaard gelden.’

‘Hoe is het met de voorraden gesteld? Apparatuur?’ vroeg Ariadne.

‘We verbouwen ons eigen eten, we hebben koeien, kippen en schapen en er is genoeg wild in de omgeving. Herten, zwijnen, konijnen en soms zelfs een beer.’

‘Dus de virussen en parasieten vallen alleen mensen aan? Dieren hebben geen of minder last?’

Harrald dacht even na. ‘Nu je het zo zegt, daar lijkt het wel op, ja.’

‘Ik neem aan dat jullie ook wapens hebben om dat wild te schieten?’ vroeg Ariadne.

‘Natuurlijk. Compound jachtbogen, maar ook jacht­geweren, pistolen en volautomatische wapens.’ Hij dacht aan de zorg waarmee de wapens nog steeds onder­houden werden. Dat de begroeiing dichterbij mocht komen was een acceptabel risico, wapens die niet werkten of weigerden, waren dat niet.

Ariadne keek omhoog en leek even te luisteren. ‘Goed, laten we naar binnen gaan. Morgen heb ik een boodschappenlijstje voor je.’

Harrald keek haar verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je?’

Ariadne glimlachte. ‘Ga je me nog aan je ouders voorstellen?’

Harrald voelde zijn wangen heet worden en hij kuchte. ‘Ja, ja natuur­lijk.’

Zoals een paar dagen geleden stond zijn moeder hem weer op te wachten. Harrald herkende de emoties die op haar gezicht verschenen toen hij Ariadne aan haar voorstelde, een mengsel van opluchting, blijdschap en nieuwsgierigheid.

‘Kom maar snel binnen, kinders, het is nog koud buiten en de zon gaat zo onder.’ Maria duwde Harrald en Ariadne naar binnen en sloot de poort achter zich. ‘Gerard zal zo blij zijn jullie te zien.’

Harrald dacht niet dat hij ooit tranen in de ogen van zijn vader zou zien, maar bij deze gelegenheid vloeiden ze rijkelijk en hij kreeg meer omhelzingen dan hij in lange tijd had gehad. Hij keek opzij naar Ariadne die geamuseerd leek, hoewel hij haar uitdrukkingen, voor zover ze die had, nog niet zo goed kon lezen als hij zou willen.

‘Nou, ga zitten,’ zei Gerard. Hij wees naar de stoelen rond de tafel, vervolgens opende hij een van de kasten en pakte daaruit glazen, een fles wijn, brood, kaas en droge worst. ‘Wat zijn jullie plannen, kinderen?’

Harrald kreeg het weer warm. ‘Ik geloof dat Ariadne daar wat ideeën over heeft.’

Ariadne glimlachte. ‘Ik heb als opdracht meege­kregen het menselijk ras te redden. Daarvoor heb ik alle benodigdheden.’

Gerard lachte en pakte een hand van Maria in de zijne. ‘Goed nieuws, denk ik.’ Hij keek opzij. ‘Wat jij, lief?’

‘Ik denk dat ze een mooi stel zijn samen,’ zei Maria. Haar ogen glommen vol trots, telkens wanneer ze naar haar zoon keek.

Ariadne was onverstoorbaar. ‘Voor die opdracht zal het noodzakelijk zijn dat ik zo’n acht kinderen per jaar produceer.’ Na die woorden werd het stil.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Maria.

Harrald hief zijn hand. ‘Ho, wacht, laat mij het even uitleggen. Ik ging op zoek naar de incubators in Eindhoven, zoals we besproken hadden. Maar die incubators waren niet operationeel en konden dat ook niet worden. Ik vond daar aanwijzingen voor een ander project van De Philips, genaamd Ariadne.’ Hij knikte opzij naar de vrouw die naast hem zat. ‘Dit is Ariadne. De grootste medische geleerden van toen hebben haar ontworpen en geconstrueerd. Ariadne is niet menselijk.’

Gerard snoof. ‘Ze ziet er anders echt genoeg uit.’

‘Ik ben gemodelleerd naar duizenden aantrekkelijke vrouwen uit die tijd.’ Ariadne plukte aan haar haar. ‘Blond om verhoogde vruchtbaarheid te duiden, brede heupen en een zandloperfiguur met volle borsten om aan te geven dat ik voldoende melk zal produceren. De ideale vrouw om kinderen mee te krijgen.’

‘Als je niet menselijk bent, wat ben je dan wel?’ vroeg Maria met een klein stemmetje.

‘Androïde is denk ik het woord dat jullie zouden gebruiken. Hybride kan eventueel ook.’

Gerard kuchte even. ‘Je bent dus een soort robot?’

‘Dat is correct,’ zei Ariadne monotoon.

‘Maar je kunt wel kinderen krijgen?’ ging hij verder.

Ariadne knikte. ‘Acht per jaar, misschien meer, als er meerlingen komen.’

‘Maar zijn die dan nog gewoon menselijk?’ vroeg Maria. ‘Hoe kun je ze voeden?’

‘Ik ben een incubator, ik gebruik menselijk DNA om een kind te laten groeien, maar ik ben ook een voeder. Met de juiste hormoonpreparaten zijn de kinderen binnen anderhalve maand rijp voor geboorte en ik kan eten dat ik binnenkrijg direct in melk omzetten.’ Als om haar woorden kracht bij te zetten brak ze een stuk brood af en knabbelde er wat hapjes vanaf.

‘Aan alles is gedacht, dus,’ stelde Gerard vast.

‘Het team dat aan mij werkte, stuk voor stuk topspecialisten, deed daar ruim vijfentwintig jaar over en toen moest ik nog vijftig jaar in de tank tot ik volgroeid was.’

‘Dat klinkt als een aanzienlijke tijd om een robot te maken,’ zei Gerard.

Ariadne grijnsde witte tanden bloot. ‘Ik ben veel meer dan een gewone robot, Gerard. Vrijwel alles in mij is organisch en zelfreparerend.’

Maria schraapte haar keel. ‘Je bent dus meer dan menselijk. Wat let je om meer van jouw soort te produceren?’

‘Mam, dat vraag je toch niet?’ Harrald vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ariadne komt ons juist helpen.’

Maria hief haar hand op. ‘Begrijp me niet verkeerd, alsjeblieft. Het is gewoon een vraag die bij me opkwam.’ Ze keek haar zoon in zijn bruine ogen. ‘Je bent mijn enige kind, mag ik een beetje bezorgd zijn?’

‘Ik kan je zorgen wegnemen, Maria,’ zei Ariadne. ‘Ik ben gebouwd en geprogrammeerd om mensen op de wereld te zetten en deels op te voeden. Voor zover ik weet ben ik en blijf ik uniek.’

‘Je zei iets over een boodschappenlijstje.’ Harrald voelde een vijandig­heid bij zijn ouders die hij rationeel wel kon bevatten, maar hij was ervan overtuigd dat Ariadne de oplossing van hun probleem was.

Ariadne bleef naar zijn ouders kijken met haar licht­blauwe ogen terwijl ze zijn vraag beantwoordde. ‘Een paar kilometer verderop, noordelijk, ligt een oude RAF luchtmachtbasis. Ik geef je de coördinaten van een opslag met medische voorzieningen die ik nodig zal hebben het komende jaar.’

‘Klopt dat?’ vroeg Harrald. ‘Ik ben daar vaker geweest, maar heb alleen maar bos gezien.’

Gerard knikte. ‘Het was ten tijde van de eerste oorlogen al verlaten. Tenzij je weet wat je zoekt, zul je er niets vinden.’

‘En wat zoek ik dan?’ Harrald keek weer naar Ariadne.

‘Steriele naalden, verband, zoutoplossingen, medi­cijnen, antibiotica en nog veel meer. Neem een paar flinke rugzakken mee. Het is niet zwaar, maar wel veel.’ Ariadne glimlachte naar hem en Harrald voelde zijn wangen weer heet worden. ‘Dan kan ik intussen de gebouwen inspec­teren en de beste plek uitzoeken,’ ging ze verder.

‘Dat red ik in een dag. Als ik morgenochtend vroeg vertrek, ben ik ’s avonds alweer terug.’

Ze spraken bijna een uur over inrichting van kraam­zalen, medische voorzieningen en het inzetten van de mensen van het dorp bij de opvoeding van de kinderen.

Toen Harrald gaapte, legde Ariadne haar hand op de zijne. ‘Misschien moet je bijtijds gaan slapen. Ik kan zelf ook wel wat rust gebruiken. Is er een gebouw waar ik kan overnachten?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Gerard. ‘En je hebt helemaal gelijk. Jullie moeten allebei uitgerust zijn voor wat jullie van plan zijn.’

‘Ik breng je wel even,’ zei Harrald. Hij trok Ariadne omhoog en nam haar mee naar een van de kleine huisjes op het terrein. Nu de bevolking gekrompen was, waren veel van de huisjes meestal leeg, maar ze werden goed onderhouden voor noodgevallen. Harrald liet haar zien waar de voorzieningen waren en maakte haar bed op.

‘Als er iets is,’ zei hij vanuit de deuropening, ‘kom dan naar de grote hal. Daar is altijd wel iemand wakker.’

Ariadne kwam vlak voor hem staan en sloeg haar linkerarm om zijn nek. Ze trok hem zachtjes tegen zich aan en hij voelde haar zachte borsten en het draaien van haar heupen tegen zijn middel. Haar rechter­arm gleed omhoog langs zijn dij en ze liet haar hand tussen zijn benen glijden en kneep zachtjes. Ze fluisterde in zijn oor: ‘Als je morgenavond terugkomt, moeten we maar eens aan dat DNA van jou werken.’

Harrald legde zijn rechterhand op haar rug, boog zich iets voorover en drukte zijn lippen op de hare. Ze reageerde en speelde met zijn lippen en tong. Onwille­keurig vergeleek hij haar met Lotte, zijn enige referen­tie en hij was aangenaam verrast.

Ariadne legde haar hand nu op zijn borst en duwde hem van zich af. Ze glimlachte ondeugend. ‘Morgen­avond, Harrald.’

Hij grijnsde. ‘Ik zal er zijn, Ariadne. Welterusten.’

‘Jij ook, Harrald.’ Ze sloot de deur.

Harrald zocht zacht zingend zijn eigen bed op, maar hij kon niet in slaap komen. In het donker van zijn kamer besefte hij dat hij met een robot, een kunst­matige mens, gekust had. Wat hem het meest aan zichzelf deed twijfelen was dat hij er plezier aan beleefd had. Haar lichaam tegen het zijne wond hem meer op dan Lotte ooit gedaan had en zijn interesse voor de andere vrouw was geheel verdwenen.

 

De hemel kleurde roze en oranje toen Harrald de poort uitstapte en die achter zich in het slot trok. Het was fris. Rijp lag als een witglinsterende deken over het veld en lage flarden mist lichtten op als mysterieuze sluiers in het eerste zonlicht. Hij snoof de ochtendlucht van het bos diep in en begon te lopen. De instructies van Ariadne waren duidelijk. Hij maakte zich hooguit zorgen over de eventuele aarde die hij moest weg­schep­pen om bij de bunker te komen die ze beschreven had.

Onderweg was hij in zijn hoofd bezig met de belofte van Ariadne, niet zozeer wat ze had gezegd met hem te willen doen die avond, maar wel de mogelijkheid dat er over niet al te lange tijd een kind of zelfs kinderen zouden komen. En dan nog wel acht of meer per jaar. Hij zag zich al met een stel hummeltjes achter een bal aan over een veldje rennen. Hij kende die beelden alleen uit de archieven, maar ze waren hem altijd bijgebleven.

In gedachten verzonken liep hij bijna met zijn hoofd een cluster galspinnen in. Pas op het laatste moment merkte hij de felgroene stippen op hun dikke achterlijven op. Heel voorzichtig stapte hij achteruit, bedacht op struikeldraden en gaten in de grond. Galspinnen vormden grote nesten. Ze joegen collectief en vingen vaak prooi die een enkele spin nooit zou kunnen vasthouden. Harrald had wel eens een jonge ree gevonden, dood en stijf en helemaal bedekt met galspinnen. Hij zocht een nieuwe weg op respectvolle afstand van het nest.

Rond het middaguur vond hij de resten van het oude clubhuis van de golfbaan die ooit op het terrein was gevestigd en van daaruit kon Harrald zich oriënteren. Doelgericht liep hij over heuveltjes en door greppels, zich goed ervan bewust dat onder hem een oude landingsbaan moest liggen met gebouwen en bunkers. Alles was overwoekerd en onder een dikke rottende humuslaag verdwenen, maar zoals hij in Eindhoven had gezien, de resten van gebouwen en constructies bleven zichtbaar als regelmatige vormen in het landschap.

Hij verspilde ruim twee uur aan het lokaliseren van de juiste plek om te gaan graven. Telkens op een ruime halve meter diepte raakte hij beton met zijn schep en het was niet duidelijk waar de deur zich bevond. Daarom groef hij op regelmatig afstanden smalle voren in de aarde om te zien of hij bij een rand van de bunker was gekomen.

Toen hij uiteindelijk de uitsparing vond die hij zocht, stond de zon hoog aan de hemel. Harrald zweette van de inspanning. Hij dronk lauw water uit zijn veldfles en een paar honingkoeken die zijn moeder voor hem had ingepakt.

Met zijn schep groef hij net genoeg aarde weg om te zien dat de deur die hij zocht inderdaad hier in de grond zat, waarna hij in een monotoon ritme aarde en zand begon weg te scheppen. Drie uur later had hij een paar kubieke meter grond verplaatst en was de deur vrij. Er zaten roestplekken op en het rubber rondom was poreus, maar de verzegeling van de ruimte was intact. Zijn koevoet maakte korte metten met het slot.

Binnen vond hij een grote kelder gevuld met stellages die, in het licht dat van buiten naar binnen viel, duide­lijk gevuld waren met in plastic verpakte voorraden, het merendeel voorzien van een rood kruis of een rode halve maan.

Harrald nam zijn eerste rugzak en wandelde langs de stellages. De labels op de planken waren verdroogd en hier en daar verkruimeld. Gestaag vulde hij elk van zijn drie rugzakken tot hij die maar net kon dragen. Hij wist vrij zeker dat hij regelmatig zou moeten uitrusten, maar dat maakte niet uit, hij kon altijd nog een keer terugkomen om voorraden bij te vullen.

Buiten was de lucht grijs geworden en hij voelde een frisse westenwind die regen beloofde. Hij dacht aan Ariadne, grijnsde en begon aan de lange tocht terug naar het dorp. Onderweg neuriede hij liedjes uit een ver verleden die iets met liefde te maken hadden. Bij het vervallen clubhuis rustte hij de eerste keer uit. Terwijl hij om zich heen keek naar de resten van muren en veelal vergane stof en hout van bekleding en meubels, vroeg hij zich af hoe het zou zijn te leven in een wereld waar mensen zorgeloos konden rondlopen en waar ook vooral veel meer mensen bestonden.

Met nieuwe energie trok hij de rugzakken weer omhoog en begon aan het volgende deel van de tocht terug, met een ruime boog om het nest galspinnen heen. Zijn vermoeidheid maakte dat hij af en toe struikelde op de ongelijke bosgrond. Na de derde keer besloot hij rustiger aan te doen, want hij herkende zijn eigen haast die werd ingegeven door zijn verlangen naar de vrouw die thuis op hem wachtte. De avond is nog jong, Harrald, beter wat later en in één stuk dan vroeg met een gebroken been. Of erger.

De zon was al ruim onder de horizon gedoken en het laatste licht viel op de onderkant van de donkere wolken die hun water naar beneden lieten druppelen en dat steeds fanatieker deden.

Harrald was blij toen hij het lichtje bij de poort van het klooster voor zich zag. De regen had hem door­weekt. Hij prees zich gelukkig dat hij waterdichte rugzakken had meegenomen. Zodra hij bij de poort kwam zwaaide die open. Hij verwachtte zijn moeder, maar het was Ariadne. Ze was gekleed in een strakke, zwarte jurk die haar figuur accentueerde en verder niet veel aan de verbeelding overliet. Hij vermoedde dat het een erfstuk was uit de tijd dat mensen veel waarde hechtten aan uiterlijk vertoon.

‘Harrald. Je bent mooi op tijd,’ zei ze.

Hij grijnsde. ‘Ik had iets om naar uit te kijken.’ Hij keek langs haar heen en vroeg: ‘Waar zijn Maria en Gerard? Normaal wachten ze me op.’

‘Ze zijn even bezig. Ik zag je aankomen en ik wilde ze niet storen.’ Ze nam twee van de rugtassen van hem over. ‘Kom je mee?’ Ze liep in de richting van het huisje waar hij haar gisteravond had achtergelaten.

Harrald haalde diep adem en volgde haar, mateloos gefascineerd door het zachte wiegen van haar heupen. Voor hem opende ze de deur en stapte naar binnen. Ze ging in de deuropening staan, lachte naar hem en wenkte hem dichterbij met een gekromde wijsvinger.

‘Wat ben je van plan,’ vroeg Harrald, hoewel hij een grijns niet kon onderdrukken.

Ariadne hief een bevallige wenkbrauw. ‘Moet je dat nog vragen?’

Zodra hij voor haar stond haakte ze haar vinger achter zijn riem en trok hem achter haar het huisje in. Hij legde de rugzak bij de anderen en ving haar vervolgens in zijn armen. Hij kuste haar, eerst zacht, maar al snel begerig. Zijn handen gleden over haar rug en billen en hij kneedde haar zachte vlees. Alle gedachten aan ‘kunstmatig’ en ‘robot’ waren ver­dwenen en Harrald liet zich meevoeren in het moment.

Ariadne trok zijn trui over zijn hoofd, daarna zijn hemd. Ze streelde zijn borst en buik en hij kreeg kippenvel van haar vingers en de frisse lucht. Ze staarde in zijn ogen terwijl ze zijn riem losmaakte en de knoop van zijn broek lostrok. Harrald liet zijn handen langs haar nek glijden, naar beneden en over haar volle borsten, die zijn handpalmen aange­naam vulden.

Ze liepen kussend en strelend naar de andere kamer, waar het bed stond. Harrald trok haar jurk over haar hoofd en bekeek haar naakte lichaam. Zijn eigen lichaam reageerde meteen en hij slaakte een zucht van verlichting toen Ariadne zijn broek en onderbroek naar beneden trok en hem bevrijdde.

Ze lagen naast elkaar en Harrald streelde met zijn linkerhand over haar schouder, langs haar borsten en daarna verder naar beneden naar haar heupen. Ariadne drukte zich dicht tegen hem aan en sloeg een been om zijn middel terwijl ze hem diep kuste en zijn hand tussen haar benen leidde. Een minuut of een eeuwigheid later liet ze zich achterover vallen en trok ze Harrald bovenop zich. Hij gleed makkelijk bij haar naar binnen en stootte eerst in een rustig ritme, maar al gauw sneller en harder. Ariadne sloeg haar benen om hem heen en spoorde hem aan, trok hem verder naar binnen met haar handen.

‘Oh, God,’ kreunde hij en kwam hard in haar klaar. Tegelijk voelde hij haar nagels diepe voren in zijn onderrug krassen wat hem een extra orgasme bezorgde. Uitgeput lag hij op haar na te hijgen, zijn armen om haar hoofd en zijn wang tegen de hare. ‘Dat was geweldig,’ fluisterde hij hees.

Ariadne duwde hem zacht van zich af. ‘Dat was een ruime donatie, Harrald. Daarmee kan ik jaren vooruit.’

Harrald grinnikte en rolde op zijn zij. ‘Daar ben ik blij om. Maar ik hoop toch dat het niet bij één keer blijft.’

Ariadne stapte uit bed en trok haar jurk aan. ‘Misschien.’ Ze pakte zijn kleren op en gooide die naar hem toe. ‘Kom.’

‘Hebben we haast?’ vroeg hij. Toen hij overeind kwam voelde hij een steek in zijn onderrug. Zijn hand kwam met een rode veeg bloed terug. ‘Jij hebt gemene nagels, dame.’ Hij grijnsde. ‘Lekker hoor.’ Ineens voelde hij zich koud worden en hij trok snel zijn kleren aan.

Hij volgde Ariadne het huisje uit en samen liepen ze over het pad dat naar het klooster voerde. Vlak voor de ingang voelde hij zijn benen zwak worden en als Ariadne hem niet had opgevangen, was hij gevallen.

‘Dank je, ik weet niet wat ik heb, mijn benen werken niet goed meer.’

Terwijl Ariadne de deur openduwde en hem naar binnen hielp, zei ze: ‘Dat is het gif.’

Harrald greep de hand die hem ondersteunde en keek haar aan. ‘Wat bedoel je?’

Een flauwe glimlach speelde rond Ariadne’s lippen terwijl ze haar vrije hand ophief en tot een klauw kromde. ‘Het gif in mijn nagels, dat ik in je rug heb geïnjecteerd toen je ejaculeerde. Dat gif.’

Met lippen die als verdoofd voelden zei Harrald: ‘Ik snap het niet.’

Ariadne opende de deuren van de grote zaal en Harrald verstijfde toen hij de slachting zag die daar was aangericht. De geur van bloed, braaksel, stront en bovenal angst hing zwaar in de lucht. Hij zag dichtbij, op een tafel, de lichamen van zijn ouders, in nette stukken opgedeeld met een vlijmscherp mes, hun hoofden naast elkaar met een uitdrukking van afgrijzen. Onwille­keurig spuugde hij zijn maag leeg. Overal waar hij keek waren lichamen, de meesten met een rare knik in hun nek, maar ook een aantal met ingeslagen hoofden, opengetrokken borstkassen en op de grote leestafel lag een berg naakte vrouwen bij wie de buik was opengesneden zodat ingewanden naar buiten stulpten.

‘Wat is hier gebeurd?’

‘De voorbereidingen voor de productie van de eerste serie, natuurlijk,’ zei Ariadne.

‘Maar, ze zijn dood. Waarom?’ Harralds stem werd hees en hij moest kracht zetten om nog iets uit zijn longen te krijgen. Ademen werd moeilijker.

‘De ouderen verspilden enkel kostbare voorraden energie en voedsel. Onacceptabel. De jongere mannen waren gevaarlijk, want niet alleen sterk maar ook gevormd naar patriarchale standaar­den. Dat strookt met de zienswijze van mijn bouwers voor de opvoeding van de kinderen, dus moest ik ze opruimen. Van de vrouwen had ik eieren nodig met jullie specifieke genetische weerstand tegen de virussen die in de lucht zweven. Het oogstproces in deze omstandigheden is niet optimaal, ze hebben het niet overleefd, maar ik heb gelukkig voldoende eieren geoogst.’ Ariadne glim­lachte naar hem. ‘Het zaad dat ik op het oog had, dat heb jij me gegeven. Dus ben je niet nuttig meer, gewoon het laatste obstakel. Maar niet lang meer.’ Ze drukte een korte kus op zijn voor­hoofd en liet daarna zijn slappe lichaam op de grond glijden.

 

 

EPILOOG

Ariadne liep door de verlaten gangen van het klooster naar de kraamkamers die ze had ingericht. Ze had alle bewoners van het dorp naar de grote hal gebracht en daar omgebracht. In de komende dagen zou ze de lichamen begraven. Nu inventariseerde ze wat ze nodig had en hoe ze de eerste kinderen zou opvoeden en trainen, conform de richtlijnen die haar waren meegegeven. Een nieuwe start voor de mensheid, vol wetenschap, nuttige tijdsbesteding, perfectionisme en intelligentie, een vredig samenzijn van gelijk­ge­stemden.

Toen ze langs de radiokamer liep hoorde ze de radio kraken. ‘Hallo, Harrald? Hallo? Hier Armena.’ Ariadne liep de kamer in. ‘De radio was stuk,’ ging de stem die zich als ‘Armena’ identificeerde verder, ‘maar ik heb hem kunnen repareren. Hoe is het bij jullie? Hier is het nu echt lente.’

Ariadne zweeg en overwoog. Ze zette de radio uit en dacht Misschien hebben we ook wat soldaten nodig…

Meertens & Zn. : Henriëtte Poelman

De regen sloeg tegen het etalageraam waarop in zwierige letters MEERTENS & Zn. stond geschreven. Achter het glas hing een open­gesneden varken aan een haak, die op het eerste gezicht niet van echt was te onderscheiden. De kop lag eronder, op een grote schaal op een rood-wit-geblokt kleedje. Ernaast kondigde een schoolbord met houten lijst de aanbiedingen van de week aan: klapstuk, oerhammetjes, kotelet­ten. Het was al avond, maar het licht in de slagerij was nog aan en de deur achterin de winkel, naar de keuken en daarachter het slachthok, stond open.

Met een stekende pijn in zijn hoofd sjorde Berend zich half overeind, tot hij met zijn rug tegen de deur­post leunde. Vanaf de vloer keek hij verdwaasd de keuken rond, knipperend tegen het felle licht van de TL-buizen. Hij moest gevallen zijn. Uitgegleden. Berend voelde aan zijn hoofd. Het was alsof er een strak­getrokken band over zijn voorhoofd zat. Vlak boven zijn rechteroor was de pijn een stuk scherper, maar hij bloedde niet. Mooi zo, niet aanzitten.

Hij keek op zijn horloge, stond moeizaam op en trok zijn slagersschort recht. Hij wreef over zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen, waar zijn haar grijs begon te worden. Hoofdschuddend controleerde hij de deuren, deed alle lichten uit en stapte de straat op. Hij sloot de slagerij af en liep met wankele passen over de stoep naar huis. Het was laat en de straten waren stil. Willem zou al wel zitten te wachten. Berend trok zijn schouders hoog op tegen de regen.

 

Willem zat aan tafel, met de pannen voor hem op het zware tafelkleed. Zijn bord was, op wat vegen jus na, leeg.

‘Het eten is koud’, zei Willem, met een veel­betekenende blik op de klok.

Berend trok, nog steeds wat bibberig, in de gang zijn jas uit. ‘Was je al begonnen?’

‘Ik ben alweer klaar.’ Willem leunde met stijf over elkaar heengeslagen armen op tafel, terwijl zijn broer tegenover hem ging zitten.

‘Sorry,’ zei Berend zacht en tilde één voor één de deksels op. De braadpan was leeg.

‘De koteletten waren maar klein,’ zei Willem, ‘en zonde om ze koud te laten worden.’

Berend zei niets. Hij voelde dat Willem naar hem keek terwijl hij de aardappels en de net iets te lang gekookte boontjes opschepte en begon te eten. Hij kauwde met gebogen hoofd. Aan de overkant van de tafel klonk een diepe zucht. Berend keek de zitkamer in, waar in het donker de grote Friese klok tikte. De plafonnière boven de eettafel wierp een flauw schijnsel op het beige tapijt.

Toen Berend was uitgegeten, ruimde hij af en zette koffie, zoals elke avond. Willem haalde de boeken uit de eikenhouten kast in de zitkamer en legde deze met de pennendoos op tafel, zoals elke avond. Hij sloeg twee schriften open en hield zijn hand op naar Berend. Maar Berend stond bij het aanrecht en staarde naar buiten, waar de regen bleef vallen.

‘De envelop van vandaag,’ zei Willem en zette zijn halve leesbril op. Hij stak opnieuw zijn hand uit.

Berend draaide zich om. ‘Die heb ik niet,’ zei hij.

‘Alweer vergeten?’ Willem wreef over zijn voorhoofd, waar na alle jaren een permanente frons in stond gekerfd. ‘Heb je de kassa ook niet opgemaakt?’

‘Sorry,’ zei Berend zacht. ‘Kan het morgen? Ik heb zo’n hoofdpijn.’

‘Niet best,’ antwoordde Willem, terwijl hij de schriften en de pennendoos weer opborg, ‘Ga maar vroeg slapen.’

Maar Berend was de keuken al uit en klom met dichte ogen de trap op. Hij liet zijn kamer donker, kleedde zich snel uit en stapte in bed. Inderdaad niet best, dacht hij. Hij snapte niet wat er nou was gebeurd. Met zijn knieën en de dekens hoog opgetrokken, probeerde hij zichzelf in slaap te denken. Als die pijn in zijn hoofd morgen maar weg was, dat zou een stuk schelen.

 

Woensdag was druilerig. Willem vertrok al vroeg naar de slagerij, zoals elke ochtend. Berend sleepte zich naar de badkamer, naar de keuken, naar de voordeur. Hij had aan één stuk door geslapen, maar was doodop wakker geworden. Zijn hoofdpijn was gelukkig groten­deels weggezakt en wat overbleef, een zeurende pijn laag in zijn achterhoofd, was te negeren.

In de winkel van MEERTENS & Zn. werkte Berend het krijtbord bij. Het klapstuk en de oerhammen waren nog steeds in de aanbieding, maar de koteletten wiste hij uit. In plaats daarvan schreef hij met geoefende, zorgvuldige halen: ‘KONIJN, va € 4,25’. Berend keek naar de letters, wierp een blik op de lege straat en zette er een uitroepteken achter.

De pijn barstte in alle hevigheid los, alsof iemand met alle macht op zijn hoofd instak en in zijn hersenmassa wrikte. Vanuit de ruimte achter de winkel klonk een vreselijk, ijzingwekkend gekrijs. Berend haastte zich naar de deur. ‘Willem!’

Op de drempel van de keuken bleef hij staan. Zijn broer keek hem vragend aan. ‘Ja?’

‘Je… Gaat-i goed?’

Willem fronsde. ‘Best. Heb je de aanbiedingen veranderd?’

Berend knikte. ‘Je…’

‘Wat?’ vroeg Willem, ‘Moet je iets?’

Berend bleef met een verwarde uitdrukking naar zijn broer kijken. Willem haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het hakblok. Hij hief zijn arm op en liet het zware mes met kracht neerkomen. Het staal hakte door het gevilde konijn op het houten blok voor hem, door vlees, pezen en bot. Tegelijkertijd klonk weer dat afschuwelijke gekrijs, zo luid en ondraaglijk dat Berend achteruit wankelde en steun moest zoeken aan de toonbank. Willem was zich duidelijk niet bewust van het ijselijke geluid dat met elke houw tegen de tegels van de keuken kaatste.

Berend vluchtte de straat op. Hij deed een paar passen richting het plein, deed weer een paar passen terug en zonk door zijn benen. In de miezerregen, gehurkt tegen de gevel van de slagerij, probeerde Berend zijn gedachten te ordenen. Hij begreep niet waar dat allesdoordringende geluid vandaan was gekomen – en vooral, waarom Willem het niet had gehoord. De band trok weer strak om zijn voorhoofd.

Na een poosje stond hij op en haalde diep adem. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ zei hij tegen zichzelf, ‘Het is die klap van gisteren. Niets aan de hand en nou hup weer naar binnen.’

Heel voorzichtig drukte Berend de klink naar beneden, zijn oren tot het uiterste gespitst. Toen hij de deur opende, rinkelde boven hem vrolijk de winkelbel. Hij zoog zijn adem naar binnen en sprak zichzelf nogmaals toe. ‘Kom op Berend, het is gewoon de slagerij, de oude vertrouwde slagerij waar verdorie je eigen naam op staat, niets om bang voor te zijn.’

Hij keek de winkel rond. Alles zag er uit zoals het er uit hoorde te zien, behalve dat de krijtdoos open op de grond lag en het bord met de aanbiedingen niet in de etalage stond. De zware houten voordeur viel langzaam achter hem dicht. Op zijn hoede liep Berend naar de keuken, maar ook daar was alles normaal.

Willem stond zijn handen te wassen. ‘Wil jij de runderlende snijden? En dunner dan de vorige keer hè.’

Berend zag dat Willem het vlees al had klaargelegd op de werktafel.

‘Ja?’ vroeg Willem.

‘Ja, is goed.’ Berend slikte.

‘Ik ben even achter. Zo terug,’ knikte Willem naar het hakblok.

Boven Berend zoemde de TL-buis. Op het hakblok, in een dikkig plasje bloed en vocht, lagen twee nette konijnebouten. De kleinere delen, de niertjes en de lever waren iets apart gelegd. De kop lag er ontveld naast. Berend keek ernaar en slikte weer. Met een boog schuifelde hij om het hakblok heen, naar de stalen werktafel. Naast de runderlende lag het grote snijmes, het scherpste dat ze hadden in de slagerij. Berend wist dat Willem niet veel op had met carpaccio, maar dat de klanten het graag kochten. Heel dun snijden, dat was de truc.

Berend waste zijn handen en plaatste het mes bovenop de lende. Onwillekeurig draaiden zijn ogen naar het konijn in stukken. Hij rilde en concentreerde zich weer op het vlees in zijn handen. Met kracht drukte hij het mes naar beneden en schreeuwde. Het mes viel uit zijn handen, net naast zijn voet. Berend deinsde achteruit. Voor hem lag de runderlende, met een heel dun lapje vlees er nog net aan vast.

Het had gegild.

Berend schudde zijn hoofd. Hij keek naar de deur waar Willem door was verdwenen, maar achter bleef het stil. Had zijn broer niets gehoord? Berend klemde zijn kaken op elkaar, pakte het mes op en ging vast­beraden voor de werktafel staan. Onzin, dacht hij, gewoon negeren.

Hij ademde diep uit door zijn neus en zette het lemmet op het vlees. Heel precies sneed slager Berend een zeer dun plakje carpaccio. De lende schreeuwde het uit. Berend probeerde het uit alle macht te negeren. Zijn hoofd bonsde en iedere keer als zijn mes even rustte op het werkblad, beefden zijn handen. Zonder geluid gilde Berend mee, met vertrokken, open mond. En ieder plakje dat hij sneed, werd net iets dikker, net iets slordiger dan het vorige.

Toen hij de hele lende had versneden, merkte hij dat er tranen over zijn wangen liepen. Zijn handen trilden en zijn vingers waren verkrampt. Hij keek op. Vanuit de deuropening stond Willem naar hem te kijken, een plastic doos met oerhammetjes in zijn handen. Even was het stil, op de hevige piep in Berends oren na. Het mes viel uit zijn hand met een scherpe klang op de tegels en nog voordat Willem iets kon zeggen, snelde Berend de slagerij uit, de straat op, naar huis. In de piep in zijn oren echode het geluid van de gillende lende.

 

Thuis vond Willem Berend in een hoek van de kamer. ‘Berend?’

Berend antwoordde niet, maar bleef enkel zijn hoofd schudden met kleine, snelle beweginkjes.

‘Dit kan niet, hè?’ Willem zette zijn handen in zijn zij. ‘Je loopt niet zomaar weg. Sta ik daar alleen. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan én het vlees maken, dat weet je.’

Berend viel nog stiller.

‘Weer die hoofdpijn? Komt door je gepieker.’ Willem was nu ook even stil. Moeizaam vervolgde hij: ‘Of… wil je misschien toch weg? Heb je besloten?’

Berend keek op.

‘Je weet dat ik het niet alleen kan. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan‘

‘én het vlees maken, ik weet het,’ vulde Berend aan met beknepen stem.

Het harde, droge tikken van de Friese klok leek Willem aan te sporen. ‘Pa zou trots zijn,’ zei hij met dikke keel. ‘Dat weet je ook, toch?’

De broers keken elkaar lang aan, totdat de klok vijf uur sloeg en een einde maakte aan het gesprek dat ze nog nooit onder woorden hadden gebracht.

‘Ik ga koken,’ zei Willem, en liep de keuken in.

Berend waste in de ouderwetse badkamer zijn gezicht en trok een dikkere trui aan. Buiten joegen de blaadjes langs de ramen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten en probeerde na te denken totdat Willem hem naar beneden riep, waar de pannen al op tafel stonden en de lamp al aan was. Hij schoof aan, maar schepte niet op.

‘Zeg,’ zei Willem, en viel weer stil.

‘Hee,’ begon hij opnieuw. ‘We komen er wel uit, Beer.’

Heimwee overspoelde Berend. Hij dacht aan hun moeder, hoe hij aan haar hand meeliep naar de slagerij, waar pa dan aan het werk was met een jonge Willem aan zijn zij en waar pa moeder in het slachthok stiekem een kus op haar wang gaf. Hij dacht aan de plakjes worst, die hij op zaterdagmiddag mocht uitdelen aan de klanten, nadat hij er eerst heel zorgvuldig kleine Hollandse vlaggetjes in had geprikt. Hij dacht aan de jaloezie die hij voelde toen Willem pa vertelde dat hij de slagerij wilde overnemen en pa hem daadwerkelijk omhelsde. Hij dacht aan de teleur­stelling in pa’s ogen toen hij op zijn achttiende verjaardag opbiechtte dat hij wilde verhuizen naar de stad, om bouwkunde te studeren. Hij dacht aan de dag dat hij, in stilte gehol­pen door zijn broer, weer in zijn oude slaapkamer was getrokken terwijl de rouwkransen nog in de woon­kamer stonden. De woonkamer, die moeder ooit had ingericht en die Willem nooit had veranderd. Hij dacht aan hoe Willem altijd bij pa en moeder was blijven wonen en alle zorg op zich had genomen, tot aan het einde. En hij dacht aan de zonnige ochtend toen ze samen op de stoep voor de slagerij stonden en zich afvroegen of de naam op de gevel en het raam nu aangepast zou moeten worden.

Toen hij opkeek waren zijn ogen vochtig. Hij hoopte dat Willem nog iets zou zeggen, maar zijn broer richtte zich tot de aardappels.

Ik hoop het, dacht Berend, dat we er uitkomen.

‘Toe nou maar,’ gebaarde Willem naar de pannen en zette zijn mes in zijn saucijs.

Berend schoot overeind, alsof iemand het tafelkleed en zijn stoel onder stroom had gezet.

Willem keek op en fronste. ‘Berend…?’

Maar Berend kreeg geen antwoord over zijn lippen. Hij staarde, met ogen zo wijdopen gesperd dat zijn hele iris wit was omrand, naar de saucijs op Willems bord. Zijn mes had een snee in het vel gemaakt, waar het vlees zich nu doorheen perste. Een klein plasje jus breidde zich eronder uit. Het was een korte maar harde kreet geweest, rauw en vol wanhoop.

Willem schudde zijn hoofd en wees met zijn mes op Berends lege bord. ‘Ik weet niet wat je hebt, maar eet nou maar.’ En met de zijkant van zijn vork drukte hij de saucijs langzaam in twee stukken. In de volgende, langgerekte kreet, klonk pijn en afgrijzen.

Willem gooide zijn bestek neer: ‘Wat is er toch met je?’

Berend haalde zijn handen van zijn oren en keek van zijn broer naar de saucijs. ‘Het is… het is je saucijs…’

‘Mijn… saucijs?’ Willem keek Berend vorsend aan. ‘Mijn saucijs,’ zei hij, en prikte zijn saucijs aan z’n vork.

De schreeuw was korter dan eerst, maar joeg een rilling over Berends rug. ‘Niet in snijden,’ wilde hij zeggen, maar zijn stem liet hem in de steek.

Willem hapte in het vlees terwijl hij Berend aan bleef kijken. Een straaltje vocht liep langs zijn kin. Weer een schreeuw, weer een rilling. Vol afschuw keek Berend naar zijn broer. Met elke kauwende beweging klonk een gesmoorde kreet; de saucijs schreeuwde in golven, net zolang tot Willem de laatste hap doorslikte. Berend rende de kamer uit, naar boven, naar zijn slaapkamer waar de vergeelde posters van vroeger nog aan de muren hingen.

Beneden aan de eettafel at Willem verder, onder het waakzaam oog van de portretten van pa en moeder op de schoorsteenmantel, met als enige geluid in de ruimte het tikken van de Friese klok.

 

‘Ik ga!’ hoorde Berend de volgende ochtend van onderaan de trap. Hij zag voor zich hoe Willem daar stond, met zijn jas al aan en zijn blik op de klok. Even later hoorde Berend de deur in het slot vallen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en wenste dat hij sliep, wat niet hielp. Hij stond toch maar op.

De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, op Willems bord en koffiekopje na. Met wantrouwen keek Berend naar de boterhamworst die in een plasticje naast de botervloot lag. Hij trok de koelkast open om melk voor in de koffie te pakken maar schrok van de leverworst die naar hem toe rolde en op de grond viel. Berend begon zenuwachtig te lachen. Absurd, was het woord dat de halve nacht door zijn hoofd had gespookt.

Met trillende handen dronk hij zijn koffie, leunend tegen het aanrecht. Na de laatste slok zette hij de ontbijtboel op het aanrecht en trok zijn jas aan. Toen Berend de deur achter zich dicht trok, rolde de leverworst tegen de plint.

 

Bij de slagerij stonden twee vrouwen onder de houten luifel te schuilen. Berend mompelde een goedemorgen en wurmde zich tussen de dames door naar binnen. Willem stond iets in te pakken voor een oudere meneer, wiens regenjas op de vloer drupte. Aan zijn voeten snuffelde een kleine witte terriër, die opkeek van het belletje aan de deur. Berend keek naar het hondje, dat net als hij stokstijf bleef staan en terugstaarde. De terriër begon te grommen.

‘Hee!’ De oudere meneer trok de riem strak. ‘Dat doen we niet, hè?’

Het hondje ging zitten, maar bleef Berend aankijken tot hij door de deur achter de toonbank was verdwenen.

‘Braaf zo,’ zei de meneer.

In het bijkeukentje trok Berend zijn jas uit en deed zijn slagersschort om. Hij haalde twee handen door zijn natte haren en veegde ze af aan het schort. Vanuit de winkel hoorde hij de kassa, een groet, het belletje en een ‘Kom!’, gevolgd door trippelende nagels op de tegels. De voordeur viel dicht en Berend hoorde Willem vragen wie er dan aan de beurt was. Hij haalde diep adem, en ging aan het werk. Hij werkte de bestellijst bij, zette koffie en wilde net de schoonmaakspullen pakken toen hij een ijselijke gil hoorde vanuit de winkel. Berend zocht steun aan de werkbank. ‘W-w-willem?’

Maar er kwam geen antwoord, alleen hartelijk gelach. Voetje voor voetje liep Berend naar de deuropening, het zweet stond op z’n voor­hoofd.

‘Zo’n hele kan ik toch nooit op!’ Een meisje van een jaar of acht klemde breed lachend iets tegen haar borst, ingepakt in duplexpapier. Haar moeder rekende af en ze liepen de winkel uit. Voor Willem lag een snij­plank met daarop een mes en een halve gekookte worst.

‘Ah, daar ben je,’ zei Willem, terwijl hij door het raam van de etalage naar de moeder en dochter zwaaide. ‘Wil je deze worst versnijden en op een bord leggen? Kunnen we vanmiddag wat plakjes uitdelen.’ Zonder op antwoord te wachten liep Willem naar achteren.

Berend staarde naar de worst.

De worst leek terug te staren.

Voorzichtig legde Berend zijn hand op de worst. Met zijn andere hand pakte hij het mes. Aarzelend keek hij over zijn schouder door de deuropening, maar hij zag Willem niet. Hij keek weer naar de worst. Heel zachtjes kneep hij er in. Hij voelde het vlees spannen onder zijn vingers. Even dacht hij dat het stil bleef, maar toen hoorde hij, als van heel ver weg, een zacht kreunen. Snel ontspande hij zijn vingers, maar hij liet niet los. Het kreunen stopte. Weer kneep hij in het vlees, iets harder dit keer, en weer kreunde de worst, ook harder dit keer. Berends adem versnelde. Heel langzaam kneep hij zijn hand verder dicht. Het vlees werd plakkerig door de warmte van zijn huid en begon zich tussen zijn vingers door te persen. Het gekreun zwol aan tot een schor, gorgelend gekrijs, dat abrupt stopte op het moment dat Berend de worst doormidden kneep. Hijgend staarde Berend naar de stukken op de snijplank en de restjes gekookt vlees die aan zijn handpalm vastplakten. Zijn hoofd suisde.

Opnieuw een schreeuw, nu vanuit de keuken. Het geluid hield aan en begon te pulseren, alsof de adem in vlagen uit iemands longen werd gedrukt. Berend rende naar achteren en zag Willem grote brokken rund in de elektrische gehaktmolen gooien. Toen het vak boven op de molen vol was, draaide hij zich om en begon het varkensvlees dat op de werkbank lag in stukjes te snijden. Het malen van de vleesmolen kon het pul­serende geschreeuw van het vlees niet overstemmen en daarbij voegde zich nu de korte, droge kreten van de hamlappen. Berend klemde zijn handen om zijn hoofd. Vaag hoorde hij ergens het winkelbelletje en daarna zijn naam. Verdwaasd liep hij naar de winkel, waar de oudere meneer met zijn hondje aan de andere kant van de toonbank stond. De hond gromde.

‘Ach, mag hij wel zo’n stukje worst?’ vroeg de oudere meneer, terwijl hij over de toonbank naar de gekookte worst reikte die daar nog in stukken op de snijplank lag. Berend wilde hem tegenhouden maar de man had het vlees al gepakt en gooide het naar de hond, die het behendig opving. Het werd, met een korte, afgekapte kreet, in één keer weggehapt.

Berend probeerde zijn aandacht erbij te houden: bij de man die vroeg of hij ook voor aankomend weekend nog een rollade kon bestellen, bij de hond die zijn riem had uitgerekt en nu om de hoek van de toonbank naar de vleesresten op Berends hand stond te grommen, bij de nieuwe klant die binnenkwam en het winkelbelletje deed rinkelen en bij Willem die vanuit de keuken riep of hij even kon helpen met de molen. Berend gebaarde dat iedereen even moest wachten en liep naar achte­ren, waar de kreten waren opgehouden.

Willem stond te wrikken aan de vleesmolen, die was gestopt met malen. ‘Hij hapert,’ zei Willem. ‘Er zit denk ik iets vast.’ Toen Berend niet direct reageerde, zei Willem: ‘Kom dan helpen, sta daar niet zo.’ Het zweet stond op zijn voorhoofd.

Berend liep om het apparaat heen en keek of deze nog was aangesloten. ‘Willem,’ begon hij voorzichtig, ‘ik denk dat we even moeten praten.’

‘Nu toch niet zeg, hee,’ Willem begon de stukken rundvlees uit de bak van de molen te halen. Berend zuchtte en voelde aan de stekker, die stevig in het stopcontact zat. ‘Tis niet de stekker,’ zei hij.

‘Moment hoor!’ riep Willem richting de winkel. Hij haalde de bak van de molen en keek naar het maal­mechanisme daaronder. ‘Wacht eens…’

Berend liet het snoer door zijn vingers glijden, van het stopcontact tot aan het apparaat, waar de plug scheef in stak. ‘Ik denk dat dit er uit is getrild,’ zei Berend, en duwde de plug stevig terug in de machine.

Een verpletterend gekrijs weerkaatste tegen de tegels van de keuken. Berends handen schoten over zijn oren en hij kromp op zijn hurken ineen. Het vlees in de molen schreeuwde, maar daar bovenuit klonk de stem van Willem: ‘ZET AF ZET AF ZET AF!’

Berend rukte de stekker uit het stopcontact en het gekrijs verstomde. Vanchter de machine hoorde Berend zijn broer de keuken door strompelen, terwijl messen, borden en metalen schalen op de grond kletterden. Met stampend hart en een bonkend hoofd hees Berend zich aan de werkbank omhoog. In de hoek van de keuken zakte Willem zacht jammerend tegen de muur op de grond. Hij had zijn rechtervuist slordig in zijn slagersschort gewikkeld en klemde de pols stevig vast met zijn andere hand. De zwart-witgeblokte stof kleurde in hoog tempo rood.

Op de werkbank voor Berend lag het vlees dat Willem uit de bak had gevist: grote brokken rund, met daarop dikke glimmende rode spetters. Het RVS van de machine blonk in het TL-licht. Berend boog zich iets voorover en keek in de mond van de molen. Tussen de met bloed bevlekte messen van het maalmechanisme hingen flarden van iets, als afgestroopte worstevellen. Met trillende hand haalde Berend een stuk flard uit de machine en staarde naar het dunne, rozerode streepje vinger van zijn broer.

 

Berend stond op de stoep en keek naar de slagerij aan de overkant van de straat. De winkel was donker. Op het bordje aan de deur stond gesloten. Er was een papiertje onder geplakt met daarop in stiftletters: wegens omstandigheden. Berend dacht aan Willem, die nu aan de eettafel zou zitten, of in de grote stoel voor het raam. Zou hij onderhand al hebben ontbeten? Berend bedacht zich dat hij vandaag weer bood­schap­pen zou moeten doen, en hoopte dat hij in de super­markt een nieuw recept kon vinden. Hij zuchtte. De vegetarische maaltijden maakten Willems stem­ming er niet beter op, maar Berend durfde geen vlees te bereiden. Hij hoopte dat hij op tijd thuis zou zijn om de verpleegster te vragen hoe het ging met Willem, en met zijn hand.

Berend stak de straat over en stak de sleutel in het slot, maar hij duwde de deur niet open. Hij twijfelde. Om de slagerij maandag weer open te hebben, moest hij vandaag de boel opruimen, schoonmaken en in orde krijgen. Maar dan? Voorlopig zou Willem niet aan het werk kunnen. De verpleegster die elke dag het verband verschoonde sprak steeds van ‘als’, maar Berend zag aan zijn broer dat Willem niet geloofde in ‘wanneer’. Wat nou, als ze de slagerij niet meer open zouden doen? Wat nou, als ze de slagerij zouden verkopen? Op het moment dat hij het dacht, voelde Berend zich lichter worden. Hij draaide de deur weer op slot en zette koers naar huis. Heel voorzichtig klampte hij zich vast aan het idee, dat langzaam meer vorm kreeg.

‘Willem?’ Berend stak zijn hoofd om de hoek van de kamer. Zijn broer zat in de grote stoel bij het raam en staarde naar buiten. ‘Willem, wil je koffie?’

Maar Willem reageerde niet en bleef naar buiten staren. Berend schonk wat water in en zette het glas op het tafeltje naast Willems stoel. Zelf ging hij op de andere stoel zitten, en keek naar zijn broer. Willems ogen waren glazig, de huid onder zijn ogen was grauw en slap.

‘Willem,’ begon Berend, ‘we moeten misschien even praten.’

Willems ogen volgden een mevrouw met een door­zichtige paraplu die aan een lange rode riem een hondje uit een perkje probeerde te trekken, maar het hondje bleek sterker dan het er uitzag en bleef op scheve pootjes scharrelen tussen het onkruid.

Er was geen goede manier om de vraag te stellen, dus Berend stelde hem maar gewoon: ‘Wat als we de slagerij verkopen?’

Langzaam draaide Willem zijn hoofd. ‘Dat meen je niet.’

Berend knikte.

‘Wat een onzin. We hebben het pa beloofd.’

‘Jij zou de slagerij overnemen, niet ik.’ Berend haatte het als zijn stem zo klein klonk.

‘Opa is de slagerij begonnen, pa nam hem over en wij gaan er ver­domme mee door. MEERTENS & Zn. staat er op de gevel, of niet?’

Berend antwoordde niet.

‘Of niet!’ schreeuwde Willem.

Even was het stil.

Berend keek van het verband om Willems hand, waar aan de bovenkant een klein streepje donkkerrood opbloeide, naar zijn eigen vingers, die zenuwachtig aan elkaar pulkten. ‘Wanneer kom je weer terug in de slagerij?’

Willem draaide zich naar het raam. De mevrouw had het hondje eindelijk uit het perkje weten te trekken en liep de hoek van de straat om.

Berend voelde zijn handen klam worden. ‘Je komt toch wel terug…?’

‘En dan?’ vroeg Willem, ‘Denk je dat ik de rest van m’n leven in de winkel ga staan? Als een bediende? Ik ben sláger, ik hoor het vlees te maken!’

‘Je bent dan toch nog steeds slager,’ probeerde Berend.

‘En als ik daar dan in de winkel sta, met één hand en één verminkte stomp die nog het meest op droge worst lijkt – denk je dat de klanten zo’n slager dan nog serieus nemen? En komen ze ooit van het idee af dat mijn vingers misschien wel in hun gehakt zitten?’

Berend hield zijn mond. Hij dacht er aan dat hij straks alleen in de slagerij zou staan en dat al het vlees door zijn handen zou moeten. Misschien zou hij een hulpje aan kunnen nemen om de klanten te helpen, maar er moest wel iemand aan het werk in het slachthok. In de keuken. De vleesmachine bedienen en de worst snijden. De lendes en de hamlappen. De rode stukken rosbief met hun grove vezelstructuur, die bloeden als je er op drukt. Die krijsen als je er een mes in zet. Berend rilde.

‘We hebben het pa beloofd,’ zei Willem zacht, en slikte. ‘Hij ziet ons in de slagerij, in dezelfde winkel, dezelfde klanten helpen als hij deed.’

‘Hij ziet jou,’ zei Berend, terwijl hij zijn neus in de elleboog van zijn trui afveegde, ‘niet mij.’

‘Pa zou trots zijn, dat weet je.’

‘Pa zou weten dat ik het alleen voor hem doe.’

Willem keek weer naar buiten. ‘Ik zie hem zo weer voor me. Ritmische halen aan die ouderwetse gehaktmolen. Zekere, geoefende handen die de worst draaien.’ Willem drukte zijn verbonden hand tegen zijn borst.

‘Maar we zullen de slagerij ooit moeten verkopen,’ zei Berend, ‘MEERTENS & Zn. houdt op bij ons.’

Willems ogen glinsterden. ‘Dus moeten we de slagerij zo lang mogelijk draaiende houden.’

 

Berend keek naar de slagerij aan de overkant van de straat en haalde diep adem. De lucht boven het pand was donkergrijs. Het viel hem op hoe slecht de gevel eigenlijk in de verf zat. Berend stak de straat over, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Het winkelbelletje rinkelde. De tegels op de vloer waren viezig en de ramen moesten nodig worden gelapt. De aanbiedingen van vorige week stonden nog op het bord. Berend zuchtte en draaide de deur achter zich op slot. Hij liep om de toonbank heen en stapte over de snijplank die op de grond lag, met stukken worst er om heen. In de keuken deed hij de lampen aan, die zoemend en knipperend tot leven kwamen. Op het aanrechtblad en om de kraan zaten rode vegen. Berend staarde naar de theedoeken die in roodbevlekte prop­pen in de gootsteen lagen.

‘Ja,’ zei hij na een poosje tegen de lege ruimte.

Met vastberaden blik trok hij zijn jas uit, hing deze aan de kapstop onder de klok en haalde roze, plastic handschoenen uit het keukenkastje. Terwijl Berend een emmer vol liet lopen, poetste hij de vegen op het aanrecht weg. Hij deed ook in de winkel en het slachthok de lampen aan, zette de radio aan en begon de slagerij schoon te maken.

Al kon hij de zwart-witfoto in de winkel vanuit de keuken helemaal niet zien, Berend voelde hoe pa’s ogen hem volgden en in de gaten hielden. Ja pa, dacht Berend, morgen is het maandag. Hij schrobde de gootsteen en de kastjes onder die vorsende blik. Ja pa, dacht Berend, ik zal er zijn, voor je klanten. Hij zette nog meer druk op de schuurspons, tot zijn knokkels wit waren. Als een echte Meertens. Berend voelde de hoofdpijn weer opkomen, maar poetste door.

Halverwege de middag was de winkel schoon, was de slachtruimte schoongespoeld en was het grootste gedeelte van de keuken weer aan kant. Alleen de vlees­machine moest nog schoon. Naast de molen stond nog steeds de bak met brokken rund, toegeëigend door een aantal dikke zwarte vliegen. Berend droeg de bak met gestrekte armen naar de koelcel en kieperde het leeg in het afgesloten afvalvat. Met een mat geluid vielen de rode, opgedroogde stukken vlees op het vet, de zenen en de botten in de emmer.

Met zijn kaken stijf op elkaar geklemd spoelde Berend het maal­mechanisme van de vleesmolen schoon. Het vel en het vlees van Willems vingers had hij er direct na het ongeluk kokhalzend uitgepulkt om mee te nemen naar het ziekenhuis, hoewel dat eenmaal daar geen zin bleek te hebben gehad. Er tikte iets in de metalen bak waarin Berend het mecha­nisme schoon­maakte. Berend fronste en roerde langzaam met zijn gehandschoende vingers door het bloederige water tot hij iets hards voelde. Hij pakte het op en hield het omhoog, maar zijn hand trilde zo dat de nagel die hij uit het water had gevist tussen zijn vingertoppen door glipte.

Met ongefocuste ogen en slappe benen werkte Berend door. Zijn hoofd was te vol en te druk om goed na te denken. In gedachten hoorde hij keer op keer het verpletterende gekrijs tegen de tegels weerkaatsen: het rauwe geschreeuw van het vlees in de molen met daar bovenuit Willems gegil en het wanhopige zet af zet af zet af.

 

Doodop en met een bonkend hoofd kwam Berend thuis. Hij liet zijn jas van zijn schouders op de grond glijden en sleepte zichzelf de trap op.

Vanuit de woonkamer riep Willem: ‘Wat voor eten heb je?’

Berend draaide zich om, sjokte de trap weer af, raapte zijn jas op en trok deze aan terwijl hij de deur weer uit liep, richting de supermarkt.

Die avond maakte Berend een simpele stamppot, waar Willem commentaar op leverde. Na het eten waste hij niet direct af, wat Willem afkeurde. Berend wilde niet over de slagerij praten, maar Willem bleef vragen of er nog genoeg voorraad was voor morgen. Hij had een bestellijst gemaakt die hij onder Berends neus schoof en hem op het hart drukte daar morgen­ochtend direct mee aan de slag te gaan. Berend knikte en ging naar boven.

Eenmaal in bed dacht hij aan de volgende dag en aan al dat vlees waar hij worsten van moest draaien. Aan de messen die hij nodig weer zou moeten slijpen. Aan het nepvarken dat in de etalage hing en aan de grote stukken echt varken die in de koelcel op hem lagen te wachten. In zijn slaap hoorde hij het vlees om hem roepen, maar zo gauw hij het aanraakte begon het onbedaarlijk te krijsen en smolt het onder zijn handen tot een slijmerige, bloederige smurrie.

 

Met zijn hoofd zwaar in zijn handen leunde Berend op de toonbank. Er was nog geen enkele klant geweest, hoewel het briefje niet meer op de deur hing. Willem zou die middag nog even langskomen, had hij gezegd, maar Berend vroeg zich af of zijn broer het had gemeend. Berend zuchtte en keek op de klok. Zijn ogen schoten onwillekeurig naar links, naar het portret dat ernaast hing. Pa staarde hem doordringend aan in zwart-wit. Berend keek terug, zonder te knipperen. Hij draaide bij, hief zijn kin op en keek het portret strak aan.

Ik sta er, dacht Berend. Hier, ik sta er. IK.

Zijn ogen vernauwden zich en begonnen te prikken. Elk moment nu, kon zijn blik een gaatje in het glas boren. Hij kon het smeulende papier al bijna ruiken.

Berend schrok van het plotselinge winkelbelletje en knipperde. Hij draaide zich om en wreef in zijn ogen, die nog steeds prikten.

‘Goedemorgen, slager,’ knikte een oudere dame in een geruite jas en bijpassende sjaal. Zonder op ant­woord te wachten, bracht ze haar neus vlak bij de vitrine voor de toonbank en fronsde naar de vele lege schaaltjes. ‘U heeft niet zoveel keus vandaag, hm?’

Berend slikte een antwoord in en bekeek de vrouw. Ze droeg grote, hangende oorbellen, die haar oorlellen uitrekten. Bij iedere beweging van haar hoofd zwaaiden de oorbellen heftig heen en weer. Berend zag dat de gaten in haar oren ook waren opgerekt. Het vlees van de lellen was donkerder dan haar hals en had wat bruinige vlekjes. Berend vroeg zich af wat voor geluid het zou maken als hij er in sneed.

‘Of heeft u dat niet?’

De vrouw stond recht voor hem, met haar keurig ingekleurde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘Ik zei, of heeft u dat niet?’

‘Eh, sorry,’ zei Berend, en wreef weer in zijn ogen. ‘Wat wilde u hebben?’

De vrouw klakte afkeurend met haar tong.

Even keken ze elkaar zwijgend aan over de rauwe stukjes vlees in de vitrine, totdat de vrouw de stilte doorbrak: ‘Karbonades,’ zei ze, ‘vier stuks.’

Berend keek naar wat hij had liggen. ‘Die moet ik even van achter halen, moment.’

‘Tsssss’, deed de vrouw, terwijl Berend naar de koelcel liep. Hij pakte een schaal uit de keuken en legde er in de koelcel een dozijn karbonades op. Met benauwde blik pakte hij elk stuk vlees heel voorzichtig beet, zodat hij er niet in zou knijpen. De karbonades gaven geen kik.

‘Kijkt u eens,’ zei Berend terwijl hij de schaal in de vitrine onder de toonbank zette. Hij pakte grote vellen duplexpapier en begon de karbonades in te pakken. ‘Vier prachtige stukjes vlees.’

‘Hm,’ zei de vrouw, en keek naar het krijtbord in de etalage. ‘Zijn ze niet meer in de aanbieding?’

‘Nee, deze week niet meer, helaas,’ zei Berend zonder op te kijken.

‘Hm.’ Ze viste haar portomonnee uit haar handtas en keek Berend aan.

‘Dat was het? Acht euro tachtig, wordt het dan.’

De vrouw legde een hand vol kleingeld op de toonbank. Er liepen kleine rode adertjes over de achterkant van haar hand. Haar vingers leken wat opgezwollen en de huid om haar zorgvuldig gelakte nagels stond strak. Die huid deed Berend denken aan frankfurters. Het vlees zou vast hoog en schril gillen, als hij die worstjes door zou hakken.

‘Een tasje!’

Berend huiverde en keek de vrouw geschrokken aan. ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij en griste een plastic tasje van de haak achter de toonbank. Gehaast deed hij de karbonades er in en gaf het aan de vrouw, die het met opgetrokken wenkbrauwen aannam en hoofd­schud­dend de winkel uitliep.

Berends blik zakte naar de karbonades in de vitrine. Het waren dikke, roze stukken stevig vlees, met een helderwit randje vet en de rib er nog aan.

Zouden ze gillen, vroeg hij zich af, of zouden ze schreeuwen?

Berend liep naar de koelcel en keek om zich heen. Zijn hoofd klopte. Hij begon tournedos, steaks, runder­lendes, oerhammetjes en kalfs­niertjes in zijn armen te laden. Achterovergeleund draaide hij zich om, liep naar de keuken en stortte alles uit op de grote werktafel. Terug in de koelcel legde hij lamsbouten, lamsschouder en gepikeerd gebraad op de grote bak met al gemalen gehakt en zette dit bij de rest. Berend ver­zamelde de worsten die aan het rek naast de deur hingen en haalde de rij gevilde konijnen en geplukte kippen van de haken. Hij bekeek de smalle, kale dieren die in twee enorme vleestrossen hulpeloos aan zijn vingers hingen en plofte ze op het werkblad.

Berend deed een stap achteruit. Met bonzende slapen haalde hij het grote, platte hakmes van de muur. Hij overzag het vlees dat voor hem lag met een blik vol achterdocht, terwijl hij het mes scherpte aan de keramische slijpstaaf. Hij meende een zacht gejammer te horen. Een klagelijk geluid, net op de grens van zijn gehoor.

Hij legde de slijpstaaf weg en hief het hakmes hoog. Recht voor hem, op het glanzende RVS, lag het grootste braadstuk dat de slagerij verkocht. Duivels­gebraad, dat zachtjes leek te ademen. Met alle kracht die hij in zijn armen had, liet Berend het hakmes neerkomen op het vlees. Het mes ging er bijna in één houw doorheen en de punt kraste schril op het werk­blad. De schreeuw van het braadstruk was zo luid dat Berend naar zijn oren wilde grijpen. Maar hij hield het mes vast en begon in te hakken op de konijnen, de kippen en de lamsbouten. Het vlees gilde en krijste en Berend krijste mee, probeerde het gegil te over­stemmen. Hij pakte een tweede mes en hakte met venijn in op elk stuk roze varken, rund of kalf wat hij onder zijn messen kon krijgen. Het gegil zwol aan en leek oneindig door te echoën. Hij liet het mes vallen en begon schreeuwend en huilend met zijn handen het vlees verder uiteen te rijten. Zijn hoofd was volledig gevuld met wanhopige kreten en het gebonk van zijn eigen hartslag.

Hijgend en snikkend stond Berend in de keuken van de slagerij. Zijn hele lichaam trilde en zijn benen voelden slap. De verschillende stukken vlees begonnen weer te jammeren, te loeien en te mekkeren. Door zijn tranen heen keek hij naar de ravage op de werkbank, en in die roze-rode ravage viel hem een klein, wit botje op. Met zijn pols wreef Berend over zijn ogen. Het was een vorkbeentje, dat recht omhoog stak uit een aan flarden gerukte kip. Berend leunde voorover en plukte het botje uit de vogel, die kreunde. Hij bekeek het bijna hoefijzervormige beentje van alle kanten in het TL-licht. Het was nog helemaal gaaf. Een wensbeentje.

Berend pakte de twee uiteinden van het wensbeentje vast en sloot zijn ogen. Hij trok zijn handen uit elkaar en het botje knapte in twee ongelijke stukken. Met zijn blik op het kermende vlees, bracht Berend langzaam zijn linkerhand richting zijn linkeroor. Toen hij het halve beentje in zijn oor voelde, stootte hij het daad­krachtig met de scherpe punt naar binnen. Het botje prikte door zijn trommelvlies en Berend hapte naar adem. De pijn was plotseling en hevig en zijn oor begon te suizen, maar het gejammer en geblèr leek zachter.

Hij bracht zijn rechterhand, met het grootste gedeelte van het wensbotje, richting zijn rechteroor. Met iets meer moeite kreeg hij het recht voor zijn gehoorgang. Hij sloot zijn ogen en prikte. De pijn was verblindend: het was alsof iemand met de punt van een scherp mes langs de binnenkant van hoofd schraapte. Een plotselinge duizeligheid overviel Berend en hij verloor zijn evenwicht. Hij probeerde de rand van de werktafel nog vast te pakken maar maaide alleen stukken vlees op de grond terwijl hij neerging.

 

Willem deed een stap achteruit zodat de man de slage­rij kon verlaten. Hij knikte vriendelijk, maar de man zette zijn kraag op en mopperde dat ze de slagerij niet open moesten doen als er niemand was om hem te helpen. Willem keek de man verward na en liep naar binnen. Het belletje rinkelde. Er stond niemand achter de toonbank en hij hoorde geen geluid vanuit de keuken of het slachthok.

‘Berend?’ Willem liep naar achteren.

‘Berend?’ vroeg hij opnieuw, maar zijn adem stokte in zijn keel. In de keuken, op de grote RVS werktafel, lag een enorme hoeveelheid vlees. Het moest bijna al het vlees zijn wat ze nog in de slagerij hadden en het was zo goed als volledig aan stukken, totaal onbruik­baar.

Toen zag hij zijn broer liggen, tussen meer brokken en flarden vlees, op de zwart-witte tegels van de keukenvloer. Berend had zijn ogen open maar leek niets te zien. Uit beide oren liep een straaltje helder­rood bloed, dat zich verzamelde onder zijn achter­hoofd.

Willem knielde naast hem op de grond en begon te sjorren aan het lichaam dat slap in zijn handen was. ‘Berend!’

Heel langzaam draaide Berend zijn hoofd. Zijn ogen waren dik en rood van de tranen.

‘Waarom antwoordde je niet?’ vroeg Willem, ‘Wat is er gebeurd?’

Maar Berend hoorde Willem niet. Het suizen in zijn oren wilde maar niet ophouden en zelfs plat op de grond bleef hij zich duizelig voelen. Willem trok Berend half omhoog en zette hem met zijn rug tegen de tafelpoot. Hij zei iets en stond op. Willem liep naar het kleine koffietafeltje en pakte een keukenstoel. Heel langzaam hielp Willem met één hand Berend op de stoel. Hij knielde voor hem, terwijl zijn verbon­den hand op Berends knie rustte, en zei weer iets. Berend knikte maar. Hij zag hoe Willem naar de telefoon liep die naast de deurpost in de winkel hing, een nummer intoetste en met een bezorgde blik op Berend een kort gesprek voerde. Daarna knoopte hij zijn slagersschort om, waste hij zijn ene hand en prutste om de andere een plastic handschoen.

Berend sloot zijn ogen en haalde diep adem. De pijn was er nog, maar niet meer zo hevig als eerst. Het suizen werd minder en minder en maakte plaats voor een diepe, dikke stilte. Berend glimlachte en opende zijn ogen. Hij zag hoe zijn broer de stukken vlees in grote schalen had verzameld, die nu op de werkbank naast de vleesmachine stonden, klaar om als gehakt te eindigen.

Willem zette de radio aan. Wat er precies was gebeurd, zou hij nog wel vragen, maar nu moest hij eerst maar opruimen. Gelukkig was de dokter onder­weg. Vreemd, hoe tevreden zijn broer er uit zag, zittend op de keukenstoel, met bloed op zijn kaken en in de haren van zijn nek. Willem stak de stekker van de vleesmachine in het stopcontact, controleerde of de plug goed in het apparaat zat en zette hem aan. Even, met een blik op zijn verbonden hand, huiverde hij bij het geluid, maar wat moest gebeuren, moest gebeuren. Hij pakte de schaal met lamsvlees en kieperde deze in de bak van de vleesmolen.

Op het moment dat de eerste stukken vlees de messen raakte, greep Berend naar zijn oren en slaakte een hartverscheurende kreet. Het vlees gilde. Het schreeuwde. De lamskarbonades krijsten zo hard ze konden, in de oorverdovende stilte in Berends hoofd.

Schedel kussen : Jaap Boekestein

De zon gaat onder en wij verschijnen. Wij zien nooit de zon, wij leven in het land van duisternis, mist, padden en verloren zielen. Onze gasten vinden door middel van paden met gekleurde lampions hun weg naar de baishun-yado, of ze worden per boot gebracht door de amanojaku veermannen.

Wie het Rode Wolken Huis bereikt, is een gast, zolang ze kunnen betalen natuurlijk. De ponbiki Hayate verwelkomt hen, buigend en slijmend: ‘Welkom! Welkom! U vereert ons met uw aanwezigheid o-kyaku-sama. Welkom! Welkom! Wij hebben rijstwijn en meisjes, muziek en dobbelstenen.’

Lang voordat de eerste gasten arriveren, zijn we klaar, helemaal opgetut. Iedere nacht heb ik hetzelfde ritueel. Zorgvuldig zoek ik de witste maden uit en plak ze op mijn naakte schedel.

‘Broeders, zusters, gedraag je zoet,’ zing ik en ze gehoorzamen altijd. Het levende vlees vormt een knap gezicht en menige klant heeft mij complimentjes gegeven voor de warmte en zachtheid van mijn wangen. Natuurlijk zijn maden alleen niet genoeg. Mijn robijnrode lippen zijn twee verse kippenhartjes, mijn wimpers zijn hoogst elegante rupsen, harig en zwart. Mijn wenkbrauwen zijn hongerige bloedzuigers en mijn haar bestaat uit honderden van de fijnste spinnenwebben. Enkel mijn ogen zijn van mijzelf, en mijn tanden, maar ik maak die zwart met houtskool. Mijn ogen zijn al perfect: groot, glanzend, als de reflectie van een tweelingmaan in een midder­nachtelijk meer, zei een dichter eens. Ik was beroemd om mijn ogen, lang voordat ik beroemd werd voor mijn verraad.

Er is ongeveer een dozijn van ons, de shofu.

Soms een paar meer, soms een paar minder. Het is moeilijk om ergens zeker van te zijn op deze plek.

Mijn naam?

Noem me Yoru no himegimi, nachtprinses.

Betaal me en je kan mij inbaifu, hoer, noemen als je dat wilt. Behaag mij en ik fluister mijn liefdesnaam in je oor, net voordat je in slaap valt. Het is Jaden Vlinder. Shhs! Slaap!

Daimaō Furui noemt mij bij mijn liefdesnaam.

Vannacht is het druk, een groep samoerai schept op over de grote veldslag waarin ze gevochten hebben. Hoe ze Mongoolse invallers doodden in de bossen rond Hakata Baai. Hoe ze allemaal helden waren die de eilanden hebben gered.

Leugenaars, allemaal, stuk voor stuk. Van mensen weten alleen de verdoemden, de vervloekten, de verraders en lafaards hun weg naar het RodeWolken Huis te vinden. En ze zijn ook nog eens morsdood. Ik vraag mij af wat de misdaad van deze krijgers was, al die eeuwen geleden. Lieten zij hun heer op het slagveld in de steek, verraadden zij hun strijdmakkers aan de buitenlandse duivels, sloegen ze eerloos op de vlucht?

Ik besluit dat het mij niets kan schelen. Oude leugens van oude geesten. Laat ze zingen, laat ze vrolijk zijn, hoor hun lege lach aan en laat ze hun rijstwijn morsen die nooit hun dorst zal lessen en nooit hun herinne­ringen zal verzachten. Dit is het Rode Wolken Huis, en er wordt verteld dat geen enkel mens ooit rust zal vinden in het huis van de duizend geneugten. Oni, tengu en andere yōkai?

Zeker! Natuurlijk. Maar niet degenen die ooit sterfelijk waren, degenen die nu dood zijn.

Ze zeggen veel dingen over het Rode Wolken Huis. Er doen zoveel verhalen over ons de ronde.

Misschien zijn ze allemaal waar, misschien geen enkele. Mijn favoriet is dat de liefde van een sterveling je kan bevrijden uit het Rode Wolken Huis.

Ik droom soms over dat verhaal, wanneer mijn vingers de snaren van de koto beroeren.

Ja, het instrument klinkt een beetje vals, voor eeuwig en eeuwig.

Dat soort gedachten maakt mij melancholiek, wat een slechte eigenschap is voor shofu. Maar ik vermoed dat elk van ons meisjes droevig of melancholiek is achter onze geboetseerde gezichten.

Slechte drank, slecht eten, bedroefde hoeren. Dat is het Rode Wolken Huis.

Het is het enige wat de verdoemden hebben.

Oh, waarom maakt de droom om bevrijd te worden door de liefde van een sterveling, mij droevig? Omdat ik wil dat het gebeurt. Ik wil vrij zijn, om weer een onderdeel van het Grote Wiel te worden, zodat ik her­boren kan worden als een hond, een vis, een slak, wat dan ook!

Er zijn echter geen stervelingen in het Rode Wolken Huis. Demonen, trollen, geesten, de verdoemden… Van alles, behalve stervelingen.

Er zijn zoveel vormen, zoveel soorten wezens, zelfs ik ken ze niet allemaal. Sommige van hen zijn werkelijk afschuwelijk, anderen zijn van grote schoonheid. En wat betreft geliefden… Groot of klein, dood of demon, angstaanjagend of meelij wekkend, ze zijn allemaal verschillend en toch hetzelfde. Wil je een vrouwen­geheim horen?

In bed ben ik de meester van hen al. Zij willen hun genot, hun ene eeuwige Hemelse moment. Zij hebben mij nodig, ik kan ze geven wat zij willen, of het hen ontzeggen door onhandig te zijn, of niet te reageren, door te huilen of te lachen.

Oh, het spijt mij. Het spijt mij heel erg. Maakt u zich geen zorgen, volgende keer, ja?’

Ik ben hun meesteres, ongeacht hoe kort het moment ook is. Boer, priester, krijger, shogun, buig voor mij, vereer mij!

Ach, de dwaze dromen van een dwaze vrouw.

Om deze droom moet ik wel lachen.

Zal daimaō Furui het Rode Wolken Huis bezoeken, vannacht?

Als hij komt, zal hij om mij vragen.

En als ik niet beschikbaar ben, zal hij wachten, drinkend en gokkend, kijkend naar de artiesten, luisterend naar de verhalen en leugens.

Ik ben zeer vereerd dat hij mij verkiest. Hij is een belangrijke Heer en een plezierige minnaar. Hij heeft een witte sik en een rij kleine stekels die uit zijn rug groeit en die alleen ik mag zien en aanraken. Ik wilde dat hij geen demon was.

Ik kan de liefde van een demon niet gebruiken.

Kan het niet gebruiken, maar ik vind het wel prettig. Ik ben zeer vereerd.

Hij is er niet, dus ik zing, ik glimlach, ik vul drink­kommen en probeer mijn lichaam te verkopen.

Streel het zoet rottende vlees onder mijn kimono. Bestijg mij en mijn gele beenderen zullen je mannelijkheid om­armen. Kus mijn bloederige kippenlippen.

Het is een rustige nacht, de mensen en nietmensen zitten en drinken. Ze zingen en maken grappen en gokken. Ze hebben geen zin in vlees en beenderen. Nog niet.

De deur opent en een reus met een rode baard komt binnen. Oef! Wat een lelijke duivel! Zo groot!

Roze huid, overal haar, een gezicht gigantisch en vreemd. Alle is twee keer zo groot als het het zou moeten zijn. En zijn ogen! Die zijn afschuwelijk!

Ze zijn… rond, alsof ze elk moment uit zijn schedel kunnen springen, maar dat is nog niet eens het vreemdste. Ze zijn blauw.

Blauw! Ik lieg niet. Ze zijn echt blauw. Als de lege hemel net na een storm. Dat soort blauw. Heel raar.

Maar op de een of andere manier… ook aantrekke­lijk.

Ik moet mij schamen voor mijn vreemde smaak.

Zelf in het Rode Wolken Huis zijn mijn voorkeuren bizar te noemen.

Een van de veermannen moet hem naar het Rode Wolken Huis hebben gebracht. De reus staat in de deuropening en neemt alles in zich op. Het is zijn eerste keer hier, daar ben ik zeker van. Ik ben hier al een eeuwig­heid. Hij draagt vreemde kleren, grof en lelijk. Waar komt hij vandaan, de bergen?

Van onder de bergen? Wat is hij?

Ik heb geen idee.

Hij gaat in een hoek zitten.

Ik ben de eerste van de meisjes die naar hem toe durft te gaan. Nee, we kunnen niet sterven, maar we kunnen zeker pijn voelen.

Hij kijkt mij aan, met die vreemde blauwe ogen. Ze zijn als gaten in de hemel, bedoeld om je ziel op te zuigen.

‘Sake!’ zegt hij met een afschuwelijk accent.

Hij legt wat munten neer.

Ik wenk een dienjongen dat hij een hele kruik moet brengen.

Deze reus ziet er uit alsof hij een hele kruik sake kan drinken, misschien zelfs meer. Hij stinkt, ik vermoed dat hij smerig is.

‘Je naam?’ vraagt hij.

Wat ongemanierd! Ik ben verbaasd dat het ding kan praten. Het praat! Min of meer.

‘Yoru no himegimi,’ antwoord ik.

‘Yoru.’ Hij glimlacht.

Nee! Ik glimlach terug en schenk een kom voor hem in.

Hij pakt de kruik en giet de sake in zijn keel.

Met zijn handen gebaart hij dat ik van de kom moet drinken.

Dit wezen is even ongemanierd als een beest. Nee! Ik heb honden gezien met betere manieren!

De roodharige reus drinkt nog meer, en bestelt nog een kruik, en nog een. Hij zuipt alles op. Ik heb nauwelijks de sake van mijn kom aangeraakt. Hij leegt nog eens twee kruiken, wat hem de bewondering van de dienjongens oplevert.

En van mij, moet ik toegeven.

‘Yoru, jij neukt?’

Ik weet niet of hij nu dronken is, of dat hij alleen maar een paar woorden kent.

Maar kan ik neuken?

Ja. Dat is mijn lot. Voor eeuwig en eeuwig.

Maar ik heb mij nog nooit zo goedkoop gevoeld.

Dit beest behandelt mij als een stuk vee. Ik vermoed dat hij gewoonlijk varkens neukt in het midden van de nacht, of zoiets. Hij stinkt er genoeg voor.

‘Ik zou vereerd zijn,’ antwoord ik met zorgvuldig verborgen sarcasme. ‘Maar mag ik eerst een bad voorstellen om uw plezier te verhogen, gewaardeerde gast?’

Ik geloof niet dat hij mij begrijpt, want hij kijkt mij aan met die blauwe ogen. ‘Jij neukt, ja?’

Ik neem hem bij de hand en hij komt overeind.

Oh, hij is groot!

Hij is dronken, maar groot. Iedereen gaat opzij.

Glimlachend neem ik hem mee naar achteren, naar het bad.

Het duurt even voordat hij begrijpt wat ik wil dat hij doet. Pas wanneer ik mij uitkleed, mijzelf reinig en plaats neem in het warme water, begrijpt hij het.

Hij trekt zijn stinkende kleren uit.

Oh! Hij is groot! Ja, daar.

Hij maakt zichzelf niet eerst schoon, Nee!

Langzaam laat hij zichzelf in het water zakken.

Met afschuw bekijk ik hoe het bergbeest in bad zit. Hij vindt het lekker, hij zegt iets dat ik niet versta.

Ik glimlach, dat werkt meestal.

Is er een plek waar hij geen haar heeft?

Ongelooflijk! Ik begin hem te wassen.

Hij lacht, hij is voorzichtig en nieuwsgierig, hij laat mij mijn gang gaan.

Ik boen hem zoals ik een met bloed besmeurde kimono in een berg­stroom zou boenen.

Hij begint te fluiten. De haren in mijn nek komen overeind. Vervloekt hij me? Weet hij niet dat je onheil over je afroept door te fluiten?

Blijkbaar geeft hij niet om mijn geluk, of het zijne. Mijn hand pakt zijn mannelijkheid beet, dat zal hem het zwijgen opleggen.

Dat doet het, en het doet ook andere dingen.

Ah, dit is mijn ding, hier ben ik de baas.

Ik glimlach, de lelijke reus kijkt naar mij, zijn mond half open, zijn ogen half gesloten. Nog steeds zijn die doordringende blauwe ogen zichtbaar.

Plaag, plaag, plaag. Wanneer ik er zin in heb en de klant het mij laat doen, kan ik hem uren bezighouden op duizend verschillende manieren.

Met de eeuwigheid tot je beschikking, leer je een paar dingen.

Ditmaal plaag ik niet, niet al te lang in ieder geval. Zorg dat dat ding in de stemming komt, neuk het, glimlach en vertrek.

Ik doe al die dingen.

Ik klim uit het bad.

Het… het was niet zo slecht als het had kunnen zijn. Geen tanden op rare plaatsen. Ja, ik lieg niet, ik heb dat gezien, en engere dingen.

Zonder om te kijken, droog ik mijzelf af. Ik weet dat hij daar nog is, vies beestding, zittend in vies water, glimlachend. Hij is nog steeds dronken.

‘Yoru, bedankt.’

Ik kijk om, volkomen verrast. Bedankte hij mij net?

Hij zwaait loom.

Ik ga snel weg.

In de gelagkamer wacht mijn daimaō op me.

Mijn gezicht bloeit op van vreugde. Mijn demon­minnaar! Verfijnd, smaakvol, beschaafd. Hij gaat gekleed in een nachtzwart gelakt pantser. Ja, met u wil ik graag liggen.

Ik ben blij dat we ons terugtrekken in de beste kamer van de taveerne voordat de roodharige reus terug­keert van het bad. Ik wil niet dat daimaō Furui ziet met wie ik net geweest ben.

We blijven er heel de nacht.

 

De volgende nacht is hij terug.

Nee, niet daimaō Furui.

Ik bedoel de roodharige reus.

Hij staat in de deuropening en ziet mij. ‘Yoru!’ schreeuwt hij.

De andere meisjes giechelen Ze hebben mij uitge­hoord over het gigan­tische wezen en ik heb alles verteld, en wat dingen overdreven, misschien.

Ach, niet alles. Nu zijn de andere meisjes blij dat de reus mij wil in plaats van hen.

Ik heb geen keus, ik ga bij hem zitten. Ik glimlach terwijl hij kruik na kruik achteroverslaat.

Hij zegt niet veel, ik denk dat hij niet weet hoe. ‘Van ver weg,’ komt er uit zijn mond, zijn armen wieken wild. ‘Lang geleden, vrouw, niet gezien.’

Ik vraag mij af of zij net zo groot en harig is als hij.

‘Mis haar. Nam schip en vertrok. Was slechte dag om vertrek. Dag… Dag heer stierf.’

Tenminste, ik geloof dat hij dat zegt. Ik kan hem nauwelijks verstaan en wat het betekent weet ik niet.

‘Jij neuken?’ vraag ik hem in hetzelfde brabbeltaaltje als hij gebruikt. Ik wil dat het zo snel mogelijk over is. Vergeet goede manieren!

‘Ja.’

We slaan het bad over – Hayate was erg boos toen hij hoorde wat de reus had gedaan – en nemen een van de kamers. Dit keer stinkt hij in ieder geval niet zo vreselijk.

We neuken.

Het is niet slecht. Hij is groot, maar erg voorzichtig met mij.

Daarna zegt hij weer: ‘Dank je.’

Ik heb slechtere minnaars gekend.

Die nacht komt daimaō Furui niet.

Ik zit en zing. De meiden vragen of hij mij pijn heeft gedaan en ik vertel hen leugens, die hen laat rillen en met hun ogen laat rollen. Van binnen glimlach ik. Wat zullen ze bang zijn, de volgende keer als de roodharige reus een van hen kiest!

 

‘Yoru, ik vind je leuk.’

Het is de vijfde nacht. Iedere nacht keerde hij terug. Iedere nacht sliepen we met elkaar.

Je kan aan zoiets wennen, je kan er zelfs naar uit gaan kijken.

Ik… Nee, laat maar.

Het is de eerste keer dat hij dit zegt.

Hij heeft zijn arm, massief, groot, zwaar, om mij heen. Ik kan niet ontsnappen. Zijn zweterige, harige lijf ligt tegen het mijne.

Wat vreselijk! Wat walgelijk!

Wat… comfortabel.

Hij is zo groot, zo beschermend. Niets kan mij pijn doen als hij er is.

Misschien ben ik dronken. Heb ik te veel van de sake gedronken? Wat een vreemde gedachten!

Blauwe ogen kijken in de mijne.

‘Ik voel mij goed,’ antwoord ik. ‘Erg goed.’ Ik lieg niet eens.

Soms verbaas ik mijzelf. Ik ben een dwaze vrouw.

‘Yoru, ik ga je missen.’

‘Vertrek je?’ vraag ik. Het is een voor de hand liggende vraag.

‘Ja, met schip. Lange reis terug. Stormen.’

Hij is een onbeschaafde reus, een harige aap.

Hij is niets vergeleken met daimaō Furui. Maar men kan er aan wennen om op plezierige wijze geneukt te worden en achteraf te worden bedankt, om in zijn grote, grote armen te liggen. Plots voel ik droefheid, voor het naderende afscheid. Ik haat afscheid nemen.

Er is ook iets anders. Iets knaagt aan mijn gedachten. Iets wat een gast maanden geleden had verteld. Het was een nieuwe geest, een bediende die zijn eigen leven nam, zijn hart gevuld met haat voor zijn meester. Zei hij niet iets over barbaren die van ver weg kwamen? Met een schip? Chikushō, noemde de geest hen. Ik kan me er niet veel van herinneren. Onze gasten komen van allerlei plaatsen en tijdperken, sommigen van heel lang geleden.

Welke keizer regeert er momenteel in het land der levenden? Welke dingen gebeuren er buiten ons nachtelijke bestaan? Ik weet het niet. Misschien hoor ik die dingen een keer, misschien niet, het doet er allemaal niet toe. De beslommeringen van de sterfe­lijke wereld hebben zeer weinig invloed op ons bestaan. Er zijn altijd oorlogen en geesten, geweld en verdoemde zielen.

‘Ik zal je missen,’ antwoord ik. Dat zal ik zeker, en meer dan ik toe wil geven.

In stilte liggen we op de matten. Yoru en de reus.

Uiteindelijk is het tijd om op te staan.

Omdat het de laatste keer is, voelt alles vreemd aan. Ik kleed mij langzaam aan. Wil ik dat het nog net iets langer duurt?

Dwaze vrouw. Jij hebt de eeuwigheid. Zal je je deze harige aap over een eeuw herinneren? Waarschijnlijk niet. Maar het was vreemd, en ja, zoet. En nu is het over.

‘Kom je terug?’ vraag ik.

Hij grijnst, zijn grote apengrijns. ‘Ik hoop ja. Rijk. Ik koop je, ja?’

Als het zo gemakkelijk was…

‘Ja,’ antwoord ik.

Wij keren terug naar de gelagkamer, waar daimaō Furui op mij wacht.

Hij is blij mij te zien. Hij is niet blij om de roodharige reus te zien. Waarom? Misschien omdat de vreemde reus zijn hand op mijn schouder heeft.

Of misschien omdat hij mij beetgrijpt en in het openbaar omhelst. O vreselijke onbeschaafde aap!

Ik… Ik… In het geheim geniet ik van alle aandacht.

Ik heb een rare smaak. Ik worstel alsof ik het vreselijk vind.

Natte lippen op de mijne. Hij vindt de smaak van mijn mond lekker, zegt hij. De smaak van bloed. Mijn reus kust mij, en iedereen kan het zien!

Het is te veel voor daimaō Furui. Iedereen weet dat ik zijn favoriet ben. Door mij te beledigen, wordt hij beledigd.

Hij schreeuwt en valt aan.

Hij eert de reus niet door hem te doden.

De daimaō’s zwaard legt enkel zijn wang open, een oppervlakkige wond. Het is een waarschuwing en een belediging.

De reus trek mij opzij en stapt voor mij. Om mij te beschermen.

Om mij te beschermen?

Ja echt!

Zijn hand gaat naar zijn wang, en kleurt rood.

Bloedrood.

Het rode bloed van een sterveling.

Een sterveling!

Ik ben niet de enige die het ziet. Iedereen in de taveerne kijkt naar hem, volkomen verrast. Een sterveling, hier? Maar hij ziet er uit als een demon.

Een lelijke demon!

Het doet er niet toe. Daimaō Furui zal hem nu doden. Zijn zwaard is getrokken, zijn woede is groot. Mijn roodharige reus – Hij kan geen sterveling zijn! Waar leven mensen zoals hij? Aan het eind van de wereld? – heeft geen zwaard. Hij draagt een grove dolk, maar daar heeft hij niets aan tegen de katana van een demon. Hij is zo goed als dood.

‘Ik zal je doden als de smerige hond die je bent,’ roept mijn daimaō. Hij beledigt de roodharige reus nog meer door zijn naam en afstamming niet te noemen. Honden zijn dat niet waard. Hij heft zijn zwaard.

Uit zijn gordel trekt de reus een korte, dikke stok. Hij wijst er mee naar de demonenheer en…

Flits! Rook! Een geluid als donder!

Iedereen schreeuwt! Iedereen vlucht voor deze sterke magie. Alle gasten van het Rode Wolken Huis zijn lafaards.

Daimaō Furui is dood, zijn hoofd is gespleten.

Overal zitten spatten hersenen en zwart bloed.

Ik vluchtte niet. Ik bevroor van angst.

Mijn reus draait zich om. Zijn gezicht staat droevig. ‘Ik ga nu.’

Ik weet dat hij mij niet met zich mee kan nemen. Geloof de dwaze verhalen niet. Het zijn allemaal leugens.

Ik kijk naar hem. Ik voel zoveel pijn!

Hoe kan pijn zo zoet zijn?

‘Wat is je naam?’ flap ik er uit. ‘Mijn naam is Jaden Vlinder.’ Ik geef hem mijn liefdesnaam.

Waarom?

Ik…

Neh.

Willem van der Decken,’ antwoordt hij. Ik heb geen idee wat de woorden betekenen.

‘Ik keer terug, op een dag,’ belooft hij.

Hij vertrekt in de duisternis van de nacht.

Ik blijf achter.

 

Vervloekt zijn zij die met geesten hebben gelegen en de wijn van demonen hebben gedronken.

Kapitein Van der Decken is erg ongeduldig op zijn weg terug naar Holland. Wanneer hij de Kaap van Goede Hoop rondt, werkt de wind hem tegen.

Zijn loods vraagt de roodharige kapitein of ze het slechte weer niet in Tafel Baai kunnen uitzitten.

‘Mag ik voor eeuwig vervloekt zijn als ik dat doe, wij blijven hier, al duurt het tot de Dag des Oordeels.’

Vervloekt en dubbel vervloekt.

Hel zal wraak nemen.

Ze zeggen dat de Vliegende Hollander van zijn vloek bevrijd kan worden als hij een vrouw vindt die voor hem uit liefde wil sterven.

Hij heeft niets aan een vrouw die al dood is.

Jammer genoeg.

 

Vergeet ik mijn harige reus?

Nee.

Hij laat het niet gebeuren.

Om de paar jaar ontvang ik een brief, bezorgd door een dode zeeman of een verdronken reiziger.

Ik heb Nederlands leren lezen, je kan een hoop leren gedurende de eeuwen.

Hij schrijft dat hij op een dag zal terugkeren, voor mij.

Ik weet dat hij dat zal doen.

Ik wacht er op.

De val van de Eremast : Floris Kleijne

Vier Dagen Geleden, Voor Zonsopgang

Met één voet in Mooks sloep aarzelde Ferdi. Het maan­licht schilderde een dansend pad van licht op het kalme water van de Delftse Schie. Naar het zuiden toe lag Rotterdam nog in sluimer, haar spaarzame ver­lichting weerkaatsend van de laaghangende bewolking. Vanaf de herfst leefden de Rotterdammers door het elek­tri­ci­teitstekort een groot deel van het etmaal in het duister.

Naar het westen strekten de restanten van Delft zich uit in het stervende duister van de ochtend. Even stelde hij zich voor dat hij de windmolens kon zien waarmee dit alles was begonnen, voorbij de stad, over de velden en achter de duinen.

Hij draaide zich om en klom weer op de kade.

‘Saladin.’

De gedrongen gestalte van zijn geliefde haalde de schouders op in het kille maanlicht. Ferdi kon nog net de melancholieke glimlach zien die om Sals mond speelde, de lippen die hij zo vaak had gekust omhoog gebogen maar gesloten, Sals ogen glanzend.

‘Het is nu nog niet te laat, Sal. We kunnen omkeren, naar huis gaan, de hele bliksemse bende vergeten, mijn positie als Groot-Alloceur opgeven. Nanoferdi ver­ge­ten. Ik hoef niet…’

Sal glimlachte met één opgetrokken mondhoek en schudde zijn kale hoofd.

‘Jawel.’

‘Saladin, ik…’ Hij overbrugde de afstand met één urgente stap en liet zijn armen om Sal glijden. Sal hief zijn gezicht en bracht zijn lippen naar die van Ferdi.

‘Nee, geen kus, alsjeblieft.’ Tranen stroomden nu ongebreideld over Ferdi’s wangen. ‘Geen kus die hij zich… die ik me straks niet meer kan herinneren.’

Even trok Sal zijn hoofd weer terug en keek hij Ferdi aan. De compassie in zijn blik bracht de laatste resten van Ferdi’s zwaar bevochten kalmte aan het wankelen.

‘Gelul.’

 

#

 

Met de zilte, rokerige smaak van Sals lippen nog op de zijne keerde Ferdi de sloep in een nauwe U-bocht naar het zuiden, richting Rotterdam. Zijn schokkende adem­haling verdronk in het gebrul van de buiten­boord­motor. De sloep trok een schuimende V in het opper­vlak van het Schie. Naar het oosten toe spatte de zon over de horizon; flarden mist speelden over de velden.

Misschien vergiste hij zich wel in Mook, was hun oude vriendschap zelfs nu nog wat waard. Misschien zou hij de tocht probleemloos maken, de zon langzaam links van hem zien opgaan terwijl de ruïnes van Rotje uit de blauwe waas aan de horizon opdoemden. Mis­schien zou hij de Mast bereiken en tot een vergelijk komen, met Mook, en met Va.

Ja, en misschien zou Utrecht morgen weer oprijzen uit het Glas. Dat Mook hem zou laten leven was nauwe­lijks waarschijnlijker. Ferdi grinnikte door zijn tranen. Dit was niet de manier om zijn laatste minuten door te brengen.

Misschien… er was nog wel een misschien. Zometeen, na het inschake­len van Nanoferdi. Misschien zou Sal, lieve, stoïcijnse Saladin, de kans krijgen om te ontdek­ken of een gedistribueerd neuraal nanonetwerk vol­doende van zijn persoonlijkheid had kunnen opnemen om… Wat? Een vriend te zijn? Lief te hebben?

Met zijn hand stevig aan de helmstok wierp Ferdi een blik over zijn schouder. Ver achter de sloep rees de hoogbouw van de oude Technische Universiteit in de ochtendlucht. Als hij zijn ogen dichtkneep, kon hij zichzelf wijsmaken dat hij een gedrongen gestalte op de kade zag staan.

Dit beeld wil ik vasthouden, dacht hij. Sal op de kade, Delft sluimerend in de ochtendschemer, en de wilde, juichende kleurenrijkdom van de opkomende zon. Laat dit het laatste zijn wat ik zie. Laat me dit vasthouden. Laat m

 

Schemering

Als ik wakker word, ligt het lab in schemering gedrenkt. De elektronen­microscoop aan de wand tegen­­over me is een imposante grauwe toren; de werk­banken lichtere rechthoeken; de binnendeur van de luchtsluis een glinstering in de hoek. Met de gedoofde TL-buizen resteert slechts het zwakke dag­licht dat door de gesloten lamellen sijpelt.

Maar toen ik in slaap werd gebracht, waren toch alle lichten aan?

En waar is Sal?

Terwijl mijn ogen het laboratorium scannen op zoek naar mijn inge­nieur en minnaar, dringt een nog urgen­tere vraag zich aan mij op. Waarom ben ik über­haupt in het lab wakker geworden? De kamer met de per­soonlijkheidsrecorder ligt verderop aan de gang, gescheiden van de cleanrooms, ver van het lab. Daar ben ik in slaap gebracht, met de opnamekap op mijn hoofd en Sal aan mijn bed, zijn hand in de mijne. Ik kan geen enkele goede reden bedenken waarom Sal me naar het laboratorium zou hebben verplaatst. We waren het erover eens dat mijn aanwezigheid waar­schijnlijk verstorend zou werken op Nanoferdi’s…

Ik voel geen kap op mijn hoofd.

Ik voel mijn hoofd niet.

En als ik naar mijn hoofd reik, gebeurt er niets.

Ik heb geen handen.

Onwillekeurig kijk ik naar beneden, maar hoewel mijn blikveld gehoor­zaamt aan mijn mentale com­man­do, voel ik van mijn ogen noch mijn hoofd enige be­weging.

En hoewel ik de gebogen glazen wanden en micro­manipulators in de hermetische cabine herken, lijkt mijn zicht onscherp, alsof ik door een soepige mist kijk. Een duizeling overvalt me, die nog verdubbelt als ik me realiseer dat het bodemloze gevoel geen maag heeft om zich in op te houden.

De waarheid dringt zich aan me op.

Ik ben Nanoferdi.

Een ogenblik lang schakelt de realisatie mijn geest uit. Als ik wangen had, zou ik breed grijnzen. Als ik een stem had, zou ik triomfantelijk naar Sal roepen. Als ik een vuist had, zou ik die in de lucht heffen.

Het duurt niet lang voor ik me realizeer dat ik die dinge

– directief: vormen –

kan krijgen met één simpele gedachte.

Een tinteling alsof mijn hele lichaam slaapt verge­zelt het gevoel van samentrekken, verdikken, dat net geen pijn wordt. De mist stolt. Mijn lijf, mijn benen nemen vorm aan in de cabine. Ons voorgepro­gram­meerde directief werkt perfect: mijn vorm vult zich, de con­tou­ren van mijn buikje worden zichtbaar, de kuil­tjes in mijn knieën, mijn brede handen. Na enkele tellen kan ik mezelf zien, een uitgerekte, half door­zichtige spiege­ling in de gebogen binnenkant van de cabine. Proprio­ceptie, het gevoel dat ik in mijn lichaam woon, keert terug.

Mijn wangen vormen die grijns. Mijn vuist schiet de lucht in. Ik roep:

‘Het is gelukt, Sal! Het heeft gewerkt!’

Maar mijn stem kaatst terug van het glas alsof hij de stilte intact wil laten, en het licht in het lab blijft koppig uit. En als mijn ogen langzaam wennen aan het halfduister, zie ik dat het een rommeltje is in het lab, iets wat ondenkbaar is voor Sal en zijn team. Twee krukken liggen omver, een cleansuit ligt slordig over de grond; een van de micro­mani­pu­lators is zelfs volledig van zijn basis gerukt. Het lijkt of ons lab, onze haven van orde en properheid, wetenschap en ratio, zich heeft aange­sloten bij de puinhopen buiten.

Plotseling is het de meest urgente zaak ter wereld om de cabine te verlaten.

Ik werp een blik op het codepaneel. Sal heeft er een notitie boven gehangen. In zijn kleine, nette hand­schrift vraagt hij me het kwadraat te nemen van de datum van onze eerste ontmoeting, en van het resultaat de laatste vijf cijfers in te toetsen. Een semi-autonome subsectie van mijn nieuwe lichaam geeft me het antwoord, en ik toets 33849 in, terwijl ik glimlach om Sals methode om zowel mijn geestelijke ver­mogens als mijn geheugen te testen.

De gebogen deur sist open.

Als ik de cabine uitstap, springen de lichten niet aan. Bij het opknappen van het lab heeft het team gekozen voor bewegingssensors, omdat die makkelijker te ver­zegelen waren dan gewone schakelaars. Toen ik de duisternis net voor het eerst opmerkte, was mijn aan­name dat Sal gewoon langer dan tien minuten weg was. Maar de chaos, en de weigering van de lampen om nu aan te springen, en, zoals ik nu zie, het feit dat zowel de binnen- als de buitendeur van de luchtsluis open zijn, en…

Het lichaam van Johanna ligt tussen twee werktafels, met drie schotwonden dicht bijeen op haar borstbeen; de ogen van onze programmeur staren naar het plafond alsof ze een uitzonderlijk complex algoritme probeert uit te werken, maar de ogen zijn droog en dood. Ik loop het lab uit tussen de gekraste en bescha­digde wanden van de luchtsluis, maar voor ik me kan herinneren wat daar op de muur zat, vind ik Han. Onze neuroloog hangt over twee bebloede stoelen. Maar goed dat de overdracht al is geslaagd, denk ik willekeurig. Kim, die bijna evenveel van nanotech wist als Sal, ligt half in een bezemkast.

Sal is nergens te bekennen.

Ik weet dat het me allemaal zou moeten schokken en verontrusten. Maar ik voel alleen een urgente drang om uit te vinden wat er is gebeurd. Om te ontdekken of deze nieuwe ontwikkeling onze plannen bedreigt.

Om Sal te vinden.

 

#

Ik vind Sal aan de voet van de hoogbouw van de TU. Zijn lichaam vormt een onwaardige, verfrommelde hoop in een plas half gestold bloed. Een kant van zijn gezicht ligt in de plas gedrukt, een oog staart me tegemoet, met een schijnbare uitdrukking van kalm onbegrip vanuit de vervormde oogkas. Zijn linkerhand ligt onder hem; de rechter toont beblaarde en verkoolde stompjes waar zijn vingers zaten.

Een blik omhoog toont me het versplinterde venster dat me voor vraagtekens plaatste toen ik onze ver­dieping doorzocht.

Mysterie opgelost, denk ik, en frons.

Voorzichtig kniel ik bij de plas en dwing mezelf om de geschonden vorm van Sal in me op te nemen. Als ik dichterbij kom wordt de vage geur van verval sterker, bijna tastbaar, meer een smaak dan een geur. Zijn ledematen liggen in hoekige vormen; zijn schedel is gruwelijk naar een kant gedrukt.

Hier ligt de eerste man van wie ik ooit heb gehouden, breng ik mezelf in herinneringen. Ik roep de beelden op van late avondwandelingen, die zeldzame over­gebleven fles wijn die we samen soldaat hebben gemaakt; de liefde bedrijven, zowel ruwer als meer intiem dan met alle vrouwen die ik heb bemind. Ik herinner me zijn geur, het gevoel van zijn sterke, behendige handen.

Ingenieurshanden.

Wat heeft Mook bezield om Sal te vermoorden? We wisten dat hij mij uit de weg zou ruimen; dat was zakelijk, of in elk geval wat Mook daaronder verstaat. Maar Sal? En niet alleen Sal: het hele team, dat decennia lang in het geheim geploeterd heeft om het Delftse lab tegen de klippen op operationeel te houden. Heeft Mook me zo gehaat, dat hij de zeldzame, onschatbare meerwaarde van een volledig functioneel nano­lab wilde offeren aan zijn wraakzucht? De verspil­ling verbijstert me.

Ik vraag me af of ik verdrietiger zou moeten zijn.

Vier dagen zijn voorbij, heb ik boven gezien. Vier verloren dagen, dagen die we nodig hadden. En zelfs zonder de klok in ons lab had de groenige tint van Sals huid me genoeg gezegd. Sal had mijNanoferdimeteen na mijn dood moeten activeren. Nu Sal dood is, en zoveel tijd verloren is gegaan, heb ik weinig vertrouwen meer in ons oorspronkelijke plan. Dat lijkt nu sowieso belachelijk naïef. Ik zal een actievere rol moeten spelen in het afzetten van Mook.

En niet alleen Mook, vermoed ik.

Het is tijd voor een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Mijn nieuwe voeten roffelen de kilometers onder me vandaan. Het gebarsten, overwoekerde asfalt van de Rotterdamseweg wordt een veeg van groene en donkergrijze lijnen. Ik schiet een bus voorbij; het zes­span paarden lijkt stil te staan. De passagiers, waar­schijnlijk hoopvolle migranten onderweg naar het Schip Stad, zien me gelaten voorbij rennen; sommigen zwaaien zelfs.

Een kilometer onder Delft is de Schie verwijd tot een rommelig meertje. Brokstukken van Mooks sloep liggen verspreid rond de nieuwe water­massa. Een paar hoopvolle jutters neuzen door de restanten. De scherpe geur van explosieven besmeurt zelfs nu nog de lucht.

Ik zie geen delen van mezelf, en daar ben ik dankbaar voor.

Zo ver is mijn oude ik gekomen op zijn gedoemde tocht naar Mook. Ik voel alleen een vage melancholie, en een versterkt gevoel van urgentie dat mijn benen nog sneller doet bewegen. De neergestorte 747 ten noorden van Rotterdam echo’t het gevoel dat ik vlieg. Mijn spijkerbroek en overhemd klapperen als slecht gespannen zeilen. De wind van mijn voortgang giert langs mijn jukbeenderen, rukt aan mijn haar, schuurt mijn nieuwe huid tot ik begin te vrezen dat ik teveel van mezelf verlies.

– directief: pantser –

Mijn bots groeperen en trekken mijn huid strak; de luchtweerstand vermindert direct. Even overweeg ik een directief voor een meer aerodynamische vorm. Maar nee. Dit is snel genoeg.

En mijn menselijkheid is me dierbaar.

De brokkelige lijnen van Rotje kruipen over de horizon als het verrotte gebit in de onderkaak van de wereld. Ik dender de ruïnes van de oude havenstad in, langs een groepje Rotterdammers die geschrokken op­kijken van het open vuur waarboven ze God-weet-wat roosteren. Een straatvoetbalpartijtje stuift uiteen a;s ik het geïmproviseerde veldje doorkruis. Rotterdam was vroeger de grootste haven ter wereld, maar daar is natuurlijk weinig meer van over.

Behalve het Schip Stad.

 

#

Zwart en ongenaakbaar rijst het Schip Stad op uit het havenbekken, de huizenhoge letters MSC op de flank even vergeeld en rafelig als de naam ‘Oscar’ op de achtersteven. Pas als ik de laatste grote benzinesilo voorbij ren, realiseer ik me dat ik te snel ga, dat mijn aanstormen op een aanval lijkt. Ik rem mijn sprint tot een gemoedelijke jog, maar het is te laat.

Eerst de flits, vanuit de deuropening halverwege de flank van het Schip; dan de droge knal, die tussen de silo’s galmt; en direct daarop de inslag in mijn buik

– acuut trauma! – onderscheppen – afbuigen –

die me om mijn as doet spinnen en achterover werpt. De kogel trekt een onplezierige, gloeiendhete baan door mijn buik en borst

– afremmen – afkoelen –

alvorens tot rust te komen in mijn schouder.

– afbreken –

Het lood is welkom.

Heel langzaam krabbel ik overeind, mijn handen heffend zodra ik ze niet meer nodig heb voor balans. Mijn blik volgt de loopplank naar boven. Opgelucht herken ik de gestalte die haar geweer nog steeds op mij gericht houdt: een van de parttime-soldaten die het Schip bewaken voor de Burgervader. Ik denk dat ik haar naam nog weet.

‘Rami!’

Ze reageert niet, en de loop blijft bewegingloos op me gericht terwijl ik met mijn handen in de lucht naderbij loop. Ze reageert niet, maar ze schiet ook niet opnieuw. Ik hoop dat dat betekent dat ze heeft gezien wie ik ben.

Als ik dicht genoeg ben genaderd, bevestigt ze die hoop:

‘Jij bent dood, Groot-Alloceur!’

 

#

Rami volgt me zwijgend door de doolhof van roestige stalen gangen, nauwe trappetjes, tussen containers ingeklemde ravijnen en galmende open dekdelen van het Schip Stad. Geuren van roest en olie en af en toe een hint van verrotting overstemmen de zilte zeelucht. Uit honderden vierkante raampjes schijnt flakkerend-oranje licht. Naar de boeg toe klinkt het vloekende snerpen van een cirkelzaag, de galmende dreun van een smidshamer; op het Schip Stad staat de woningbouw nooit stil. Mensen die ons passeren groeten Rami, die stoïcijns doorstapt. Af en toe werpt iemand een tweede blik op mij; op herkenning volgen meestal ongelovig opengesperde ogen.

Rami’s welkom is niet veel verbeterd na dat eerste schot. Ze heeft me inderdaad herkend, maar mijn eerdere overlijden weegt voor haar duidelijk minstens zo zwaar. In mijn vorige incarnatie bezocht ik het Schip Staden de Burgervaderechter vaak, en dat heeft me geloof ik het voordeel van de twijfel opgeleverd. Toen ik haar zei dat ik dringend met haar baas moet praten, liet Rami me het Schip op. Dat haar eerste kogel me niet heeft geveld, weerhoudt haar er echter niet van om haar pistool nu van dichtbij op mijn achterhoofd gericht te houden.

We bereiken de deur van de opbouw. Boven ons priemt de stalen wand van de vuilwitte kolos ettelijke verdiepingen naar de donkerende hemel. Ik zie nog net de overhang van de brug en een vage schittering van de schuine ramen tegen de sterrenspikkelige indigo achtergrond, voor Rami me met een por van haar loop opdraagt naar binnen te gaan. Ik beklim de eindeloze reeks trappetjes, achtervolgd door het gerammel van het wapentuig aan haar gordel.

Elke trede voelt vertrouwd, en dat kalmeert de zorg ietwat die al sinds mijn activering als regen op de tent van mijn leven tikt: weet ik alles nog? Ben ik er nog helemaal? Mijn geheugen lijkt intact, maar zou ik het überhaupt merken als ik iets ben vergeten, als een deel van mijn persoonlijkheid de transpositie niet heeft overleefd?

En ik ben al veranderd. Rami heeft me neergeschoten, en ik ben weer opgestaan. Het voelt alsof mijn oude ik zich ergens in een hoekje van mijn geest hoofd­schuddend afvraagt hoe ik dat zo makkelijk achter me heb gelaten. Intussen laat ik mij door Rami naar boven dirigeren, onder schot alsof haar wapen wel een bedreiging vormt; mijn achterhoofd prikkelt en de alertheid die mijn ledematen doordesemt kan ik alleen angst noemen. De paradox maakt me lichthoofdigen zelfs die sensatie is een persoonlijk anachronisme. Het gedistribueerde neurale netwerk waarin mijn geest nu zetelt, ondersteunt geen lichthoofdigheid.

Als we de brug betreden, word ik begroet door een bitterzoet-vertrouwde stem.

‘Ferdi?’

Mijn oude liefde komt overeind uit de veel te grote leren bureaustoel achter het dode bedieningspaneel. Ze klautert op het paneel en loopt met korte, driftige pasjes op me af.

De Burgervader is in al die jaren dat ik haar ken maar weinig veran­derd. Haar hoge hoed heeft misschien iets geleden onder de tijd en de zilte omstandigheden, maar haar unieke modegevoel doet zich onver­minderd gelden in de flamboyante bermudavoor haar een wijde panta­lon tot op haar felrode pumpsen de gitzwarte top met witte sport­streep, waarop nog net het woord ‘Speedo’ te lezen is.

Ik dwing mezelf mijn armen uitnodigend voor haar te openen en we treffen elkaar aan het nabije einde van het bedieningspaneel. Ze beant­woordt mijn gespreide armen met de hare. Vaag merk ik de bewapende figuren op die in de hoeken van de brug toekijken, dan sluit ik haar tegen mijn borst. Haar armen vouwen zich om mijn flanken, terwijl ik bijna haar volledige gestalte omvat. De grauwzwarte hoed tuimelt naar achteren en stuit van het paneel op de grond; ik snuif de zoute, dierlijk-frisse geur van haar wilde kroes.

‘Va…,’ begint Rami.

Va negeert haar en praat tegen mijn borstkas.

‘Ik dacht dat je dood was, klootzak.’

Ik hou haar nog steeds tegen me aan gedrukt, maar iets in haar toon­zetting versterkt de argwaan in mijn achterhoofd. Ik ken haar te lang en te goed, we hebben te veel gepraat, om niet elke nuance van haar idioom op te pikken. Mentaal zet ik een eerste turfje.

Ik pak haar appelgrote schouders beet en houd haar op armlengte. Met alle genegenheid die ik op commando kan genereren, kijk ik haar diep in de staalgrijze ogen.

‘Ook blij om jou te zien, Va.’

Voor ze haar geopende lippen op de mijne drukt, is haar stralende glimlach heel even zichtbaar, te kort om te zien of die haar ogen haalt. Ik klem haar dichter tegen me aan en beantwoord de kus met gepast enthousiasme. Mijn sympathisch geheugen lijkt intact: een veelheid aan vleselijke herinneringen borrelt naar boven.

Dan drukt ze een harde, koude vorm tegen de nor­male anatomische locatie van mijn ribbenboog. Ik hoor de onmiskenbare metalen klik van een uitge­schakelde veiligheidspal. Ik heb ternauwernood de tegen­woordig­heid van geest voor het directief dat we voor juist zo’n gelegenheid hebben voorbereid

– directief: kurk –

voor ze de kus verbreekt en in mijn oor fluistert:

‘Ik ook, Ferdi.’

 

#

‘Jij bent dood.’

We staan in een onstuimige, kille wind, duizeling­wekkend hoog boven het dek van het Schip Stad en nog hoger boven het wateroppervlak van de haven. Va heeft me met afgemeten gebaren de externe brug­extensie aan bakboord op gedirigeerd, en houdt me kalmpjes onder schot. Achter mij weet ik de reling; ver achter Va lonkt de toegang tot de brug.

Ik haal mijn schouders op.

‘Duidelijk niet.’

Va schudt haar hoofd, maar de loop van haar pistool blijft beweging­loos op mijn borst gericht.

‘Je ging aan boord. De sloep voer weg. Hij knalde uit elkaar. Je bent dood, Ferdi.’

‘Dus je was erbij.’ Een frons flitst over haar gelaat voor ze haar uit­drukking weer in de plooi krijgt. Ik voeg een verticaal streepje toe aan mijn mentale turflijst.

‘Ik was te laat.’

Ik glimlach.

‘Alles is relatief. Voor mijn doeleinden was je precies op tijd.’

Die bewering heeft het gewenste effect. Va fronst en kijkt enkele seconden met opeengeperste lippen opzij. Dan krullen haar mondhoeken omhoog, synchroon met haar verraste wenkbrauwen.

‘Een kloon?’

Ik schud mijn hoofd.

‘De kweek zou te tijdrovend zijn geweest. En bij mijn weten is er nog niemand in geslaagd om het trans­positieprobleem op te lossen.’

‘Dan’ Haar vinger glijdt rond de trekker. ‘heb je nu vijf seconden om me te overtuigen.’

‘Negen keer,’ zeg ik prompt, hoewel haar wapen geen werkelijke be­drei­ging is. En als ik nog longen had gehad, zou ik mijn adem inhouden.

‘Hoezo, negoh.’ Een vuurrode blos verpest haar onbewogen pose. Zij is net zo min als ik het type om op te scheppen over onze seksuele escapades. En ze kan zich nog herinneren hoe vaak achter elkaaral heb ik haar nooit bekend dat ik de laatste drie had moeten voorwenden. ‘Oké. Oké. Je bent het echt.’ Ze laat haar wapen zakken, en de ergste spanning kruipt uit haar ledematen. ‘Zeg het maar.’

‘Laten we zeggen… een back-up.’

Het was verre van moeilijk geweest na mijn ver­kiezing tot Groot-Alloceur vijanden te maken. De schaarste is eenvoudigweg te groot, de belangen te zwaarwegend; ik was weliswaar democratisch gekozen, maar lang niet iedereen was bereid zich te schikken in mijn visie. Ik wist dat er een einde moest komen aan Mooks monopolie op de laatste olie­voorraden, en dat daar een einde aan zou komen zodra we de wind­molens weer operationeel hadden. ‘Ik had de mensen een einde aan de energietekorten beloofd, en dat ging ik ze ook geven’

‘Maar je had er niet bij gezegd wanneer, Ferdi.’

‘Op korte termijn. Mijn plan vergt voorbereiding, onderzoek, tech­neuterij. Maar het is wel uitvoerbaar, Va!’

Mijn onmachtige voorgangers hadden zich bezig gehouden met de herverdeling van de schamele resten, binnen de grenzen die Mook ze had opgelegd. Ik dachten denkgroter. Een einde aan de afhanke­lijkheid van de slinkende voorraden; een einde aan de macht van de Mast, aan Mooks monopolie op de resterende olie.

‘Met een handjevol windmolens, Ferdi?’

‘Zoiets ja,’ zeg ik, en glimlach.

 

Twee Jaar Geleden

Met veel gespetter baande de opgelapte dinghy zich een weg door de branding. Zout water prikkelde Ferdi’s lippen; zijn ogen knipperden. De roestige buiten­boord­motor brulde, haperde, sloeg weer aan, terwijl achter ze vette blauwe rook walmde. Met één hand hield hij zich vast aan de tros die langs de oranje rubber boorden was gespannen; met zijn andere wees hij naar de einder.

‘Iets noordelijker, Kim.’

Kim stuurde bij en de dinghy begon schuin op de eindeloze golvenrijen te stuiteren, de motor grom­mend in het ritme van de schuimkoppen.

‘Mist.’

Ferdi keek opzij en knikte glimlachend naar Saladin. Zijn techneut zou geen twee woorden gebruiken als één volstond; hij sprak liever in diagrammen, gereed­schap, gebaren.

‘Volgens mij ligt die mistbank vóór het veld.’

Sal knikte en Kim gaf meer gas. De mistbank zwol en grijswitte flarden schoten links en rechts voorbij. Al gauw was er om hen heen geen tien meter zicht meer.

Ferdi’s maag verkrampte en zijn scalp trok prikke­lend op. Naast hem leek zelfs Sal onder de indruk. Dit was het moment. Hier hadden ze jaren naartoe geleefd; hiervoor hadden ze illegaal een tank benzine ont­trokken aan de slinkende noodvoorraad. Formeel had Ferdi daar als Groot-Alloceur volledige zeggen­schap over, maar de ongeschreven regel was dat die brandstof alleen in de meest urgente noodgevallen mocht worden aangesproken.

En niemand behalve hijzelfen Salzag hierin een noodgeval.

Een reusachtig verticaal silhouet schoot aan de linkerkant voorbij. Even later scheerden ze rakelings langs een huizengrote ronde vorm aan de rechterkant. De mist dunde uit tot losjes samenhangende flarden. Hij ving glimpen op die hij vooralsnog weigerde te geloven.

Toen braken ze de mistbank uit, en in het volle zonlicht ontrolde het windmolenveld zich voor hen. Kim floot en hij liet het gas los. Sals mond viel open. De boeg zonk terug in het water; de dinghy deinde en danste.

Lange, kaarsrechte schaduwen sloegen het water­oppervlak aan stroken; zwiepende, roterende schadu­wen geselden hun boot. Een diep, ritmisch zoemen kietelde aan de ondergrens van zijn gehoor. Van einder tot vaalblauwe einder groeide een boven­maats, wit, dolgedraaid bos.

‘Hoehoeveel denk je?’

‘Honderden.’ Zelfs Sals antwoord ging aan het eind verwonderd omhoog.

Hij zuchtte.

‘Je weet wat dit betekent, he?’

Ferdi keek opzij. Sal nam zijn hand en keek hem aan met een blik vol liefdevolle weemoed. Toen haalde hij zijn vinger over zijn keel.

‘Yep.’

 

Avond

Ik ruk me los uit mijn herinnering.

‘Het zijn er honderden, Va. Honderden, en ze draaien nog.’

De Groot-Alloceur heeft weliswaar de absolute autoriteit over de herverdeling van de beschikbare energie, en wordt voor het leven benoemd, maar het is maar één individu. In het ongemakkelijke evenwicht tussen de het Schip Stad en de Mast kan de Alloceur slechts handelen met het goedvinden van beiden. En met de onevenredig grote macht van de Mast heeft dat in de praktijk altijd betekend dat de Groot-Alloceur de facto uitsluitend mondjesmaat de bronnen van de Mast herverdeelten daarvoor de percentjes int.

‘Jij weet beter dan ik hoeveel van de welvaart van het Schip naar de Mast stroomt.’ Ik sta mijzelf een kleine, ironische glimlach toe terwijl ik naar het gezicht tegenover me kijk, dat nadrukkelijk neutraal knikt. ‘Maar weet je ook hoe de Achterlanden er aan toe zijn? Ik ben er geweest, Va. Elke winter sterven er honder­den omdat ze zich niet warm kunnen houden. Hun oogsten vloeien naar het westen in ruil voor energie, en zelf houden ze amper iets te eten over. De Groot-Alloceur dient het belang van allen, staat in het Manifest. Laat me niet lachen. Hij dient al tijden louter die maniak in de Mast.’

Ik heb er nooit aan getwijfeld: als ik echt iets wil bereiken als Groot-Alloceur, als ik de resterende puinhopen van de wereld wil veranderen, dan moet ik eerst de macht van de Mast, van Mook, breken. Maar de verkiezing voor het leven had me vooral een doelwit gemaakt, vanaf het moment dat ik de eerste hints van mijn plannen vrijgaf.

Mijn eigen sterfelijkheid was mijn grootste obstakel.

‘Dus om te beginnen moest ik sterven.’

Va schudt haar hoofd.

‘Waarom?’

‘Denk na, Va! Om mijn plannen te verwezenlijken heb ik tijd nodig, veel tijd. Jaren, decennia; misschien wel meer tijd dan me überhaupt nog restte. Zeker meer tijd dan Mook me gunde. Ik ken hem te goed, Va: hij waant zich onaantastbaar in zijn toren, met zijn benzine­monopolie en de macht die daaruit voortvloeit. Maar zelfs Mook komt niet weg met de moord op de Groot-Alloceur.’

‘Dus om de mensen in opstand te laten komen tegen Mook, liet je jezelf vermoorden. En hier ben je weer. Hoe, Ferdi? Hoe?’

Ik wuif haar vraag weg, en vervolg met mijn leugen.

‘Ik verwacht dat de Mast nog niet van mijn terugkeer weet, maar de tijd dringt. Mook moet weten dat ik nog leef, dat ik nog Groot-Alloceur ben, en dat zijn tijd voorbij is. Maar die confrontatie moet ik wel zo snel mogelijk aangaan, voor hij gelegenheid heeft gehad om een vervanger naar voren te schuiven.’

Haar wenkbrauwen fronsen, en als ze weer spreekt is haar stem koud en bits.

‘Wat doe je hier dan?’

Eigenlijk weet ik al zeker wat het volgende antwoord zal zijn. Het antwoord zelf maakt niet eens meer verschil; het hoe zal de doorslag geven. Ik slaak een mentale zucht terwijl ik mijn open blik vol genegen­heid op zijn plek houd. Ik weet dat ik een grote, complexe prijs betaal voor mijn plannen, maar het zou zoveel… beter te dragen zijn als dit niet een van de aflossingen was.

‘Ik heb je nodig, Va. Ik weet nog niet precies hoe of wanneer, maar ik heb je nodig. Daarom ben ik hier. Ik heb één vraag voor je.’

‘Wat?’ Ze houdt vast aan haar bitse toon, maar haar stem is zachter; mijn toegave van kwetsbaarheid heeft het gewenste effect.

‘Saladin is dood, Va.’ Na een korte, maar onmis­ken­bare aarzeling spert ze haar ogen open en slaat ze een hand voor haar mond. Ze is altijd jaloers gebleven, maar ze mocht hem wel. ‘Sal is dood, en hij was degene die volgens ons plan mijn identiteit, mijn continuïteit zou bevestigen, naar jou toe, naar Mook toe, naar de mensen. Alleen als ik nog leef, nog ben wie ik ben, ben ik nog Alloceur. Zonder Sal ben jij de enige die mijn identiteit kan bevestigen.

‘Kan ik op je rekenen?’

Ze aarzelt niet. Helemaal niet. Niet de minieme pauze van verrassing over de aard van de vraag; niet de iets langere stilte van gevleid contem­pleren; niet de aarze­ling van een werkelijke overweging. Ze slikt de leugen van ons naïeve, losgelaten plan, en antwoordt meteen.

‘Natuurlijk, Ferdi. Voor jou: natuurlijk.’

Ik zet een derde streep bij de mentale turfjes die ik al heb. Terwijl ik haar opvang als ze in mijn armen springt, en haar omhelzing in ont­vangst neem, worste­len mijn emoties met de afwezigheid van traan­klieren.

 

#

 

Op de bovenste trede van de trap naar het dek blijf ik even staan als ze me naroept.

‘Een hint, Ferdi?’

Ik weet wat ze bedoelt. Achteloos wrijf ik met een duim een veeg van mezelf over de binnenkant van de deur naar de brug.

‘Nano,’ roep ik over mijn schouder, en vertrek.

 

Nacht

Aan de voet van de Mast, in het verrassend heldere water van Parkaven, ligt een exotisch paleis verzakt in de modderige bodem, de in verval geraakte residentie van een psychotische Poseidon. Ik slalom tussen de half vergane dakspitsen, waarvan het oorspronkelijke oranje grotendeels is verborgen onder decennia algen, modder, afval en drek. De chaos van tafels en stoelen achter de gebroken ramen maakt het raadsel van dit gezonken bouwwerk nog groter. Een deel van me wil onder water blijven, het mysterie verkennen, maar ik herken die neiging voor wat hij is: tegenzin om de confrontatie aan te gaan met Mook.

Bovendien begint de kou mijn componenten te vertragen. Ik moet het water uit.

Ik klauter op de kade die het park aan de voet van de Mast omgordt, hand- en voetsteun vindend aan brok­kelend beton en verroeste beton­ijzers, gaten en kieren, en zo nodig een Gekko-directief. Met mijn elle­bogen op de rand peil ik de omgeving.

De waterkant is in onregelmatige stukken verdeeld door roestige autowrakken op verpulverde banden, als kantelen op een apocalyptisch waterfort. Er voorbij zijn groenstrook, weg en park nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden, het oude asfalt een chaos van brokken, scheuren en woekerende planten. Verder land­in­waarts, vanaf de voet van de Mast, waar Mook de toegang tot zijn hoofdkwartier toegankelijk houdt, is het plaveisel in iets betere staat. Water lekt uit mijn kleding, tussen mijn schouderbladen, door mijn kruis.

Ik zie geen beweging.

Onderweg door de Nieuwe Maas heb ik talloze benaderingen opnieuw overwogen en verworpen. De eenvoudigste lijkt me uiteindelijk de meest effectieve: doodgemoedereerd naar de entreehal wandelen waar­uit de schacht van de Mast oprijst als een kolos­sale betonnen boomstam. Misschien boog ik daar­mee te zeer op Mooks arrogantie en nieuws­gierigheid; mis­schien ga ik te gemakkelijk uit van mijn eigen robuust­heid. Het schot van Rami heeft me misschien over­moedig gemaakt. Maar ik merk dat ik niet bang ben. Ik geloof niet dat Mooks mensen me veel kunnen doen.

Het uitblijven van enig teken van leven baart me echter zorgen. In het verleden had Mook zelfs op dit late tijdstip altijd wel een half dozijn van zijn bendeledenof soldaten, als je het hem of henzelf vraagtrondom de toegang tot zijn domein gestatio­neerd, net zozeer als machtsvertoon als voor werkelijke bewaking.

Hun afwezigheid ruikt naar valstrik. Nog een turfje.

Valstrik of niet, het verandert weinig aan mijn benadering. De kans is niet groot dat Mook over krachtige explosieven beschikt. Langs de route van mijn positie naar de ingang is in het duister bovendien voldoende beschutting van het verwilderde struik­gewas. Ik kan veilig zo dicht naderen dat Mook de schade aan de Mast niet kan riskeren.

Vier meter van de ingang tot de entreehal blijkt hoezeer ik me daarin vergis.

Twee bendeleden stappen de dubbele glazen deuren uit. Door de glazen pui had ik ze niet gezien; nu pas merk ik de gekantelde tafels op die binnen zowel een verdedigingsbarrière als een schuilplaats vormen. Ik herken de kale met de baard: Paul? Ze dragen wat nog het meest op dikke lompe geweren lijkt, met slangen verbonden met de logge tanks op hun rug.

Mijn kansen lijken te keren.

Vuurwapens baren me weinig zorgen. Steek- en slagwapens evenmin. Maar vuur, vuur is een probleem, vermoed ik. Ik heb nog niet getest in hoeverre mijn nieuwe lichaam hittebestendig is, maar mijn bots zijn waarschijnlijk te klein om meer dan een paar seconden stand te houden.

Vlammenwerpers. Ik zet mijn laatste mentale turfje.

Ik draai me om.

Een rokende, stinkende, geel-oranje vlag, zeker vijf meter lang, snijdt me schuin de weg naar links af. Een tweede voegt zich erbij in de andere richting. Tegenover me, door de trillende hitte van het benzine­vuur, zie ik nog twee soldaten die ik niet ken. Hun gezichten, zwetend in het licht van de vlammen, grijn­zen als ze zich in beweging zetten.

Shit.

Koortsachtig schat ik mijn defensieve kansen, over­weeg ik een nood­directief te formuleren. Maar voor ik tot daden kom zijn de twee al zo dicht genaderd dat de hitte ondraaglijk wordt. Ik heb geen keus dan terug te wijken. Nog voor ik me omdraai hoor ik de andere twee vlam­men­werpers aanslaan en voel ik een wolk van hitte tegen mijn rug rollen. Als ik me heb omgedraaid, blijken de twee soldaten bij de ingang uiteen te zijn geweken. Een krimpende corridor van stinkend vuur biedt me maar een uitweg: de entreehal in.

Paul, of hoe hij ook heet, gebaart met zijn hoofd. De boodschap is helder, en ironisch genoeg zelfs welkom. Ingebakerd in de flakkerende hitte wandel ik behoed­zaam de entreehal in.

De hal is zeker twee keer zo hoog als de vorige keer dat ik er was, en verlicht met rokende fakkels. Naast de dubbele liftschacht zijn de plafonds doorgebroken om plaats te maken voor een immense tredmolen, waarvan de as de schacht doorboort. Onderin de tredmolen liggen vijf naakte, zwaarlijvige figuren gelaten te wach­ten. Een snurkt; de anderen richten zich zuchtend op.

Kennelijk wil Mook zelfs de energie voor zijn lift niet meer missen.

Binnen laten Paul en zijn makkers hun vlammen­werpers doven. Ik vroeg het me al af, en glimlach inwendig. Mook heeft misschien een goed wapen gevonden tegen mijn kennelijke onkwets­baarheid, maar de inherente zwakte ervan niet goed doordacht. Ik laat me gewillig de rechter lift in diri­geren. Een van de soldaten trekt een knuppel met twee stalen punten. Terwijl hij naar de tredmolen loopt, laat hij een blauw­witte boog tussen de punten knetteren; de liftslaven zetten zich in beweging. De snurker krijgt de stok in zijn flank en komt tot een bruut schokkend ontwaken. Paul en een van de anderen voegen zich bij me in de lift, en kreunend en krakend begint de lange weg naar boven terwijl de buisverlichting met een glasachtig tingelen aanspringt.

Vanuit de twee hoeken van de lift houden ze me vanonder hun wenkbrauwen in de gaten, hun vingers om de trekkers van de vlammen­werpers, de gelige ontstekingsvlammetjes lui likkend aan de lopen. Ik heb nu de rust voor een geïmproviseerd nooddirectief, maar besluit het risico niet te nemen van een benzine­brand in deze kleine ruimte. Ik schenk de twee een scheve glimlach en wacht tot we boven komen.

Mook heeft een van de oorspronkelijke hotelsuites, negentig meter boven het park, in gebruik als zijn kan­toor en ontvangstkamer. Als de lift met een vervaarlijk piepen tot stilstand komt, trekt Paul de schuifdeuren open en gebaart me de foyer in. De dubbele deuren naar de suite staan uitnodigend open.

Bij mijn binnentreden springt Mook op van een versleten groezelig-witte leren bank aan het andere einde van de ruimte. Breed lachend en met open­gesperde armen komt hij op me af.

‘Groot-Alloceur!’

De twee soldaten staan nog steeds achter me, bij de deur, hun ogen op mij maar hun vlammenwerpers nonchalant naar beneden gericht. De smalle, diepe suite is ingericht met houten meubilair en de aftandse gordijnen lijken van kunststof. Mijn positie is het geometrisch midden van de scherp gepunte driehoek met Mook aan de apex en de soldaten aan de basis. Ik sta mezelf een glimlach toe. Niemand zal hier zijn vlammenwerper willen opendraaien.

Dan kom ik in actie.

Mook schrikt niet. Ik zet mezelf in beweging, ren op hem af met uitgestrekte armen en geklauwde handen, zeker dat de kerels achter me niets kunnen doen. Dat doen ze ook niet.

Maar Mook blijft kalm staan en beantwoordt mijn glimlach.

Het klopt niet.

Halverwege de suite loopt een smalle band van glanzend blauw metaal langs de muren, over het plafond, zelfs op de vloer, een rechthoek van metaal en plastic die de suite omgordt als een portaal. Het portaal triggert een herinnering. Voor ik die scherp kan krijgen, zie ik een tweede identiek portaal voor me.

Mook tilt zijn hand op.

Hij heeft een zwart doosje vast.

Hij drukt op een knop.

Een bijna onhoorbaar zoemen klinkt van opzij en boven en onder. Achter me begint iets schrapend te schuiven.

Twee stappen en ik smak tegen een onzichtbare wand. Mijn hoofd wordt opzij gedrukt terwijl de rest van mijn lichaam er tegenaan smakt.

Ik zet mezelf verbijsterd af tegen de onzichtbare muur, die nauwelijks meegeeft onder mijn handen. In een flits zie ik Mook met een scheef hoofd glimlachen. Ik draai om mijn as en smak met mijn schouder tegen een andere barrière. Het eerste portaal is langs de wanden naar me toe geschoven en dwingt me verder, naar Mook. Ik zwiep mijn linker been omhoog en trap met al mijn kracht vooruit. Mijn blote voet smaktwacht. Mijn blote voet? Ik draag sokken en stevige wandelschoenen. Ik duw nogmaals vooruit en ontegen­zeglijk voel ik de barrière mijn naakte voet blokkeren, terwijl de zolen van mijn sokken en schoenen er probleemloos doorheen gaan.

Plots weet ik waarom de zilverblauwe stroken me bekend voorkomen.

Ons grootste probleem in het nanolab was altijd insluiting geweest: hoe houden we autonome, vrijwel oneindig veelzijdige robots op nanoschaal binnen de muren van het laboratorium? Zolang we de omzetters inactief hielden, voldeden de muren, maar we moesten zelf wel in en uit. Kim had een manier bedacht om een veld te genereren dat macro-objecten doorlaat, maar niets op nanoschaal. Mook had kennelijk om zich heen gegraaid voor hij het lab verwoestte.

Het schrapende geschuif zet door en ik word vooruit geduwd. Al gauw sta ik vastgeklemd in de tussenruimte tussen twee van Kims nanobarrières. Mijn pogingen om bewegingsvrijheid te houden hebben er alleen toe geleid dat ik met armen en benen wijd klem sta.

Ik heb Mook vaak vergeleken met een spin in een web. De ironie is te snijden.

‘Ferdi!’

Op een handvol meters blijft Mook staan. Als hij het woord neemt, lopen de melodieuze zinnen en enthousiast-hoge tonen over van triomf en zelfgenoeg­zaamheid.

‘Wat een verrassing. Ik dacht dat die bom in de sloep genoeg zou zijn, maar zoals je merkt was ik voorbereid op teleurstelling.’

Hij laat een lach horen die alleen zijn mond vervormt. In gedachten vloek ik terwijl ik mijn opties verken. Die zijn zorgwekkend dun gezaaid. Alles wat ik kan, alles wat ik ben, is nanotech. Ik heb niet eens een wapen bij me op macroschaal. Ik zou hoogstens mijn kleding naar hem kunnen werpen, als ik tenminste genoeg kon bewegen om me ervan te ontdoen. Ik zit vast. Ik zit vast, en ben overgeleverd aan de genade van een gangsterbaas die me al jaren haat.

Ik bedenk dat ik ten minste mijn voordeel kan doen met zijn spraak­zaamheid

– directief: opname –

maar zelfs dat voelt pro-forma.

‘We zijn niet zo verschillend, jij en ik, Ferdinandt. Jij hebt jezelf laten opblazen, in het volste vertrouwen dat je back-upplan zou werken. En je had gelijk, want hier sta je. Ik heb je tot hier laten komen in het volste vertrouwen dat mijn tegenmaatregel zou werken. En ik had gelijk, want je kan geen kant meer op.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Als ik me indenk wat wij samen wel niet hadden kunnen bereiken…’

‘Hoe wist je het?’ vraag ik, opgelucht dat ik nog kan spreken. Zijn ogen schieten naar linksboven, maar ik was er sowieso al van overtuigd dat hij zou liegen.

‘Wat denk je? Al je grootspraak over eerlijke ver­deling van energie, maar intussen de dikst mogelijke kabel naar het oude nanolab in 020? Zo ingewikkeld was het niet. Het leuke is,’ zegt hij, terwijl hij terug loopt naar de witte bank, ‘dat jullie nanoveld letterlijk alles doorlaat behalve nanodeeltjes. Alles.’ Hij gaat op zijn knieën op de bank zitten en buigt over de rugleuning. Met gemoffelde stem gaat hij verder. ‘Mensen. Dingen. Lucht. En…’ Met een zwierig gebaar komt hij weer overeind en naar me toe. ‘Vuur.’ Hij toont me de lasbrander die hij tevoorschijn heeft gehaald. Hij ontsteekt het apparaat en draait aan de regelaar tot zich een ijzingwekkend blauwe vlam aftekende.

Een lasbrander. Draagbaar, beheersbaar, en ver­nie­tigend heet.

Mook brengt de vlam steeds dichter bij mijn rechter­hand, die in mijn eigen blikveld ingeklemd zit tussen de twee nanovelden. Hij concentreert de punt van de vlam op de basis van mijn pink. Pijn als zodanig voel ik niet meer, maar de ontelbare signalen van oververhitting en verlies van eenheden zijn erg genoeg. Mijn nieuwe lichaam schreeuwt om een vlucht terwijl mijn bots met duizenden tegelijk uitvallen. De rook passeert het nanoveld, maar genoeg ervan blijft hangen om mijn sensoren te irriteren. Veel te snel heeft hij door de knokkel heen gebrand en tuimelt mijn pink naar beneden.

Mook haalt de vlam weer uit mijn buurt.

‘Hm, geen bloed,’ mompelt hij tegen zichzelf. ‘Zeg eens eerlijk, Ferdi: verwachtte je echt dat het de mensen zou boeien dat ik je had vermoord? Dacht je echt dat ze in opstand zouden komen? De Mast zouden bestor­men?’ Hij doet een stap opzij om me te kunnen aankijken. ‘Me zouden omverwerpen?’

Ik gruw van zijn wijd opengesperde ogen, zijn pupil­len net te groot, en die verkrampte grijns om zijn mond. Niet omdat hij eruit ziet als een maniak, maar omdat hij er nauwelijks anders uitziet dan die Mook die vroeger mijn vriend was. Opeens weet ik niet meer zo zeker dat ik degene ben die is veranderd.

Maar dat moet wel. Want de Mook die ik kende zou nooit Sal hebben gemarteld om onze plannen te achterhalen.

‘De plannen zijn gewijzigd, Mook. Dat omverwerpen doe ik persoonlijk.’

Hij blaft weer een van zijn vreugdeloze lachjes.

‘Geloof je het zelf? Volgens mij zijn je kansen al verkeken. Want laten we wel wezen, Groot-Alloceur: met je lichaam van nanobots, en je gedistribueerde draadloze neurale netwerk, en al je kunstjes, ben en blijf je nog steeds maar… een mens.’

Direct razen mijn gedachten op topsnelheid. Achteloos laat ik mijn pink terug integreren met mijn enkel terwijl Mooks woorden tot mij door­dringen. Met al mijn kunstjes ben ik nog steeds een mens? Hij heeft verdomme gelijk. Zo heb ik me gedragen, zo heb ik me opgesteld. Vast­houdend aan mijn menselijke vermo­gens, rennend van het lab naar het Schip Stad; zelfs mijn zwemtocht naar de Mast heb ik in schoolslag gedaan.

Vasthoudend aan mijn menselijke vorm.

Dezelfde menselijke vorm die nu klem zit tussen twee nanovelden.

Er is misschien een halve seconde voorbij sinds Mooks woorden. Ik geef een subsectie opdracht een robuust nooddirectief te formuleren, terwijl ik de strook muur tussen de twee veldgeneratoren bestu­deer. Al gauw zie ik wat ik wil zien. Nog een halve seconde later is het nooddirectief voltooid. Voor Mook is er nauwelijks tijd voorbij gegaan. Zijn wenk­brauwen gaan vragend omhoog.

Ik geef hem mijn reactie

– directief: luidspreker –

zonder mijn mond te bewegen.

‘Allang niet meer,’ laten mijn bots de lucht resoneren.

Een moment later dwarrelen

– nooddirectief: cellofaan –

mijn kleren op de grond.

– wolkdispersie – doelwit: muren – doelwit: plafond – doelwit: vloer –

Mooks techneuten hebben broddelwerk geleverd. De stroken van de nanoveldgeneratoren zitten nergens strak tegen de muur. Hier en daar heb ik tienden van millimeters ruimte, maar bijna overal heb ik genoeg. Ik glijd er tussendoor terwijl ik in het voorbijgaan

– directief: kompel –

de ruimtes vergroot om sneller te kunnen gaan. Een deel van mijn optische sensoren houd ik op het midden van de kamer gericht.

Mooks ogen en mond vallen open nu de man die hij dacht gevangen te hebben voor zijn ogen is opgelost. Zweetdruppeltjes springen op zijn voorhoofd tevoor­schijn. Zijn ogen flitsen naar links en rechts voor hij in actie komt. Moediger dan ik heb had ingeschat stort hij zich door de dubbele nanovelden.

‘Vuur!’ Weg is de geamuseerde, spottende toon; Mooks stem draagt nu louter paniek. De twee soldaten staren verbijsterd. Mook grist Paul de vlammenwerper uit handen en opent de regelaar wijd.

Een meterslange, krioelend-oranje vlam stort zich uit over de suite. Links, rechts zwiept hij het vuur, dat gretig voeding vindt in de witte bank en de rest van het meubilair. Zelfs de vloerbedekking begint te smeulen.

Zelf ben ik allang langs de wanden achter de soldaten geschoven. Bij de deuren groepeer ik

– directief: sabotage –

en wacht ik af tot mijn ingreep effect heeft.

Mook staat achter de soldaten, vlak bij waar ik bezig ben mijn mense­lijke vorm weer aan te nemen, als de tweede soldaat zijn regelaar weer open zet. Kleine vlammetjes lekken uit het mondstuk en landen op de vloer. De plas die door mijn sabotage-directief uit zijn tank is gelekt, ontvlamt onmiddellijk. De lage blauwe vlam grijpt om zich heen, omcirkelt zijn voeten, vindt het pad naar boven. Hij slaakt een gil als de brandstof­tank vlam vat. Gillend, brandend als een toorts, wan­kelt hij door de suite en voegt zijn bijdrage toe aan de talloze haarden die overal aan het interieur likken.

Paul wringt zich uit de schouderbanden van de brand­stoftank en maakt zich uit de voeten. Ik laat hem gaan.

Brullend zet Mook de regelaar weer wijd open, geen acht slaand op zijn nog steeds brandende medewerker, die blind door de suite struikelt. Ik geef mijn bots

– directief: diamant –

een nieuwe opdracht voor ze ook zijn vlammen­werper onklaar hebben. De brandende soldaat zijgt ineen; zijn gegil verstomt. Nu pas neem ik mijn volledige, solide vorm weer aan.

En haal uit, zo hard ik kan.

Mijn arm zwaait op volle snelheid tegen Mooks hoofd. Hij zwiept opzij in een halve radslag en verliest zijn grip op de vlammenwerper. Half tegen het raam komt hij tot stilstand, bloedend uit zijn linkeroor. Hij ziet mij en krabbelt ongecoördineerd overeind.

Ik kniel om de vlammenwerper te pakken, sta weer op met de loop op hem gericht.

Achter hem kruipt een dunne lijn langzaam over de ruit.

‘Reken het jezelf niet te zeer aan, Mook. Ik begin de mogelijkheden ook pas net te ontdekken.’

‘Schiet maar. Waar wacht je op?’

‘Toen je mij had opgeblazen, Mook, toen heb je Sal opgezocht, nietwaar? Sal, die nooit iets anders wilde dan bouwen. Weet je hoe lang ik Sal al kende, Mook? Weet je hoe lang ik al met hem samenwerkte? Hoe lang hij al mijn vriend was? Mijn geliefde?’ Terwijl ik spreek, loop ik op Mook af, en wijkt Mook achteruit, tot hij met zijn rug tegen het panoramaraam staat. ‘Dat je mij te grazen hebt genomen, dat respecteer ik. Ik vormde een bedreiging voor je imperium. Dat risico had ik genomen. Maar niet mijn team, en niet Sal. Je hebt hem van het dak laten gooien, Mook. Hij deed geen vlieg kwaad, hij was geen bedreiging voor je, en je hebt hem de dood in laten gooien.’

Mook gaat wat rechter staan tegen het raam.

‘En hij gilde! Hij gilde het hele eind naar beneden, en toen spatte hij met een vette, natte smak uit elkaar!’

Ik wijs de loop omhoog en grijp zijn keel met mijn andere hand.

‘Ga jij ook gillen, denk je?’

Mook werpt een onwillekeurige blik over zijn schouder.

‘Mij maak je niet bang, Ferdinandt. Dat is onbreek­baar glas.’

‘Niet meer.’

Ik trek Mook naar me toe en werp hem met kracht tegen het raam. Het glas barst langs de vers geslepen groef, en een grote halfronde sectie tuimelt achterover. Even lijkt Mook naar buiten te zweven op een vleugel van glas; dan kantelt het raamdeel en glijdt hij er vanaf. Om en om tuimelen raam en Mook, Mook en raam; kleiner en kleiner worden ze. Vrijwel geluidloos door de hoogte smakken ze uiteindelijk gezamen­lijk uiteen aan de voet van de Mast, in een wolk van scherven en bloed.

 

#

De entreehal is uitgestorven; kennelijk is mijn faam me vooruit gesneld bij monde van de gevluchte soldaat. Een paar dozijn bots maken korte metten met het slot van het looprad.

‘Maak dat je wegkomt.’

Ik wacht niet af of de liftslaven in beweging komen, maar loop naar buiten. Op tien meter van de ingang draai ik me om, wijs naar de Mast, en blaas over mijn vingertop.

– directief: Von Neumann, zelflimiterend –

Een wolkje nanobots maakt zich los van mijn vingertop en dwarrelt naar de voet van de Mast.

– directief: bever –

Het is tijd voor nog een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Rami laat me probleemloos binnen en loopt met me mee naar de opbouw. Ze slaagt er bewonderens­waardig goed in om haar verbazing te verbergen over mijn naakte, seksloze verschijning. Mooks kleren waren te klein; het was praktischer om fatsoen te betrachten met een Ken-directief.

Va komt aarzelend op me af, haar gezicht een moeilijk peilbare menge­ling van opluchting, verbazing en angst. Angst om wie ik blijk te zijn, nu ik heelhuids terugkeer van de Mast? Of…?

Eigenlijk weet ik het antwoord al, maar ik moet het zeker weten. Ik wrijf weer met mijn duim over dezelfde plek op de deur, en luister even naar de opname. Dan knik ik weemoedig.

‘Ferdi! Je bent terug!’ Ze springt in mijn armen en ik omhels haar alsof ze een natte hond is. ‘Wat is er gebeurd?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Niet hier.’ Ik gebaar naar Rami en de bewakers. ‘Laten we naar boven gaan.’

Ze gaat me voor naar de brug. In de verte, links van de chaotisch slap hangende witte kabels van de Stervende Zwaan, prijkt de Mast. Het verrast me nauwelijks te zien dat de vlammen om zich heen hebben gegrepen: de lange toren lijkt de kaarsrecht neergeplante fakkel van een reus. Haar plotselinge ademteug achter me vertelt me dat ze het ook heeft gezien.

‘Mook is dood, Va. Mooks tijd is voorbij. De tijd van de Mast is voorbij.’

‘Dat is… dat is mooi, Ferdi. Maar Mook is maar een man. Zijn organisatie sterft niet met hem. De Mast is een symbool. Er komt weer een nieuwe Mook.’

Een trilling vaart door de brandende toren, hevig genoeg om van deze afstand zichtbaar te zijn.

‘Dat denk ik niet. Kijk.’

Door de vlammen is het moeilijk te zien, maar de beweging wordt heviger. Na enige tijd staat de Mast onmiskenbaar uit het lood. Ik hoop dat de liftslaven tijdig zijn ontkomen.

Va maakt een onwillekeurig piepend geluid.

De brandende bovenverdieping van de mast zakt opzij, eerst langzaam, dan steeds sneller. De vlammen trekken een oranje boog door de nacht­lucht. De Mast valt uit het zicht.

‘Ik neem het over,’ zeg ik zonder om te kijken. ‘De Mast was een symbool, dat ben ik met je eens. Mook is weg; de Mast is weg. Ik neem de macht over.’

Ik draai me om.

‘Ik hield van twee mensen, Va. Van jou, toen ik nog dacht dat jij ook van mij hield.’ Haar gezicht trekt in een grimas. ‘Van jou, en van Sal. Maar Sal was een mens, en Mook maakte de vergissing te denken dat ik dat ook nog ben. Mook, en jij, Va.’

– directief: afspelen –

De audiokwaliteit laat te wensen over, maar de verstaanbaarheid is goed genoeg, en haar stem is onmiskenbaar.

‘Mook: Va. Hij was hier net; hij is nu onderweg naar jou.’

De opname valt stil, alsof hij de andere kant van het gesprek niet heeft opgevangen.

‘Niet echt, maar hij heeft wel één woord losgelaten: nano. Je had dus gelijk. Wees voorzichtig.’

‘Ferdi, ik ’ Va heft haar handen bezwerend in de lucht.

‘Ik had rekening gehouden met Mook, Va, maar jij? Jij ook? Heb ik zozeer onderschat hoe gehecht je was aan de status quo?’

Va laat haar handen zakken en haar masker varen. Haat trekt haar neus op; furie fronst haar voorhoofd.

‘Kijk om je heen, Alloceur.’ Ze blaft de titel als een scheldwoord. ‘De wereld ligt in puin. Pakken wat er te pakken is, meer is er niet. Jouw idealisme? Daar lach­ten we samen om, Mook en ik.’ Ze reikt achter zich en trekt haar pistool uit haar broekriem. Met een zweem van triomf in haar ogen richt ze op mijn voorhoofd. ‘Explosieve kogels, Ferdi. En ergens in die nanowolk van je moet nog een brein zitten. De mens­heid heeft allang geen plek meer voor idealisme.’

Ik deins ijlings achteruit.

Va haalt de trekker over.

Het pistool explodeert in haar hand.

De schok werpt me over het bedieningspaneel. Twee ramen barsten in duizenden stukken naar buiten. Va zelf wordt achterover geworpen en slaat tegen de vloer, bloed gutsend uit de flarden vel en vlees waar eerst haar hand zat. Haar gezicht trekt bleek weg terwijl ik overeind kom. Ze poogt zich op een elleboog op te richten, maar zijgt weer achterover in de groeiende bloedplas. Ik hurk bij haar hoofd.

‘Directief Kurk. Ik heb je loop geblokkeerd.’ Ik richt me weer op en wijk achteruit voor het oprukkende bloed. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien heeft de mensheid geen plek meer voor idealisme.’

Ik glimlach wrang.

‘Maar weet je, Va? Ik ben geen mens meer.’

Teken van leven : Iris Versluis

Glimlachend stond Leaf tegenover de journalisten die zich voor haar hadden verzameld. Ze kende ze alle­maal en wist hoeveel moeite ze hadden gedaan om hier te zijn. Vanochtend was de laatste persvlucht naar en van aarde geland en er waren slechts tien plekken op beschik­baar geweest.

Ze had New York gekozen als plek voor de ont­moeting en merkte tot haar tevredenheid op dat dit een goede keuze was. De journalisten filmden gretig het zielige hoopje steen dat ooit het Vrijheids­beeld was geweest maar nu, door straling en vervuilde regen, meer op een schimmelkaas leek. De dikke, bruine drab in de Hudson blubte en walmde.

De minicams draaiden richting Leaf en het vragen­vuur barstte los.

‘Leaf, over nog geen twee uur ben je de laatste mens op aarde. Wat gaat er door je heen?’

‘Is het niet beangstigend om straks helemaal alleen te zijn?’

Leaf wendde zich tot Ferry van Amazon 1. ‘Het is helemaal niet beangstigend. Moeder Aarde is er voor mij en ik ben er voor haar. Ik kijk er ontzettend naar uit om met haar alleen te zijn.’

‘Word je nog steeds gezocht, Leaf?’ vroeg Brenda van BBC Earth.

‘Jazeker, daarom heb ik jullie de plek voor de ont­moeting pas vijf minuten voor dit gesprek door­ge­geven.’

‘Ben je niet bang dat ze je alsnog vinden en van de aarde halen?’ vroeg Ferry. Hij wierp een hooghartige blik richting zijn BBC collega. ‘Ik heb gehoord dat de veegtroepen hun scanners op jouw bio-signaal hebben afgestemd zodat ze een nog groter bereik hebben.’

Leaf lachte zelfverzekerd. ‘Al zes maanden lang ben ik de patrouilles te slim af geweest. Ik laat me nu echt niet meer gevangen nemen.’ Ze trok haar gezicht in een ernstige plooi en legde haar handen op haar borst voor een extra dramatisch effect. ‘Ik zal als enige mens samen met de aarde sterven en niemand, ik herhaal, helemaal niemand kan mij daar vanaf houden.’

Op dat moment begon de detector die Leaf om haar arm droeg te piepen. Er kwam een zwotor haar kant uit. ‘Mijn excuses, dames en heren, tijd om te gaan.’

Ze stapte op haar eigen zwotor. Het voertuig her­kende haar aanwezig­heid en kwam met een zacht gezoem los van de grond.

‘Leaf, een laatste boodschap voor de Amazon 1 kijkers!’ riep Ferry.

‘Onze aarde sterft, maar zij sterft niet alleen!’

De journalisten juichten bij het horen van haar iconische strijdkreet. De zwotor kwam in rap tempo dichterbij en Leaf herkende het blauw van de veeg­troepen. Ze draaide de hendel naar volle kracht en stoof weg.

Behendig manoeuvreerde ze over de verlaten puin­hopen. Er was amper nog een stukje aarde te vinden dat niet bezaaid was met afval of brokstukken van ingestorte gebouwen. Ze stuurde haar zwotor door een winkelstraat en zoefde voorbij de groene en blauwe voorgevels. Zonder de holoprojecties waren het trieste, lege panden.

Ze wierp een snelle blik achterom en zag dat de veger haar dicht was genaderd. Shit, dit was een snelle. Ze draaide de hendel nog iets verder open. Een kak­kerlak doemde voor haar op en de voelsprieten van het gemuteerde beest strekten zich naar haar uit. Vergeelde snoeppapiertjes kleefden aan zijn enorme poten. Met een ruk aan het stuur week ze uit naar rechts, gevaarlijk dicht langs een van de winkel­gebouwen. Haar knie schaafde tegen een pilaar en ze had al haar kracht nodig om overeind te blijven. Toen ze weer recht vooruit reed, haalde ze diep adem en probeerde haar roffelende hart iets tot bedaren te brengen. Ze keek achterom en zag dat de kakkerlak met zijn gigantische lijf de weg voor de veger had versperd. Drie felle groene flitsen maakten een einde aan dat probleem. De kakkerlak zakte door zijn poten en de veger manoeuvreerde er langs heen.

Leaf richtte haar aandacht weer op de weg voor haar en zocht naar herkenningspunten. De zwotor van de veger was duidelijk nieuwer en sneller dan die van haar, haar enige hoop was het vinden van een truno­mische schuilkelder. Leaf begon spijt te krijgen dat ze New York had gekozen als ontmoetingsplek. Ze kende het terrein hier niet en wist slechts enkele schuil­kelders te vinden. Nerveus blikte ze om zich heen en draaide een brede straat in. De omgeving was hier iets minder grauw en Leaf zoefde over verschoten posters en gebroken holoborden. Enkele van de borden die nog ophingen, stoorden en herhaalden telkens het­zelfde, bibberende beeld. Kakkerlakken bevolkten theaters en eettentjes. Broadway had zijn charme definitief verloren.

Leaf nam een scherpe bocht een steeg in, in de hoop de veger kwijt te raken, maar moest vol remmen toen er een muur voor haar opdoemde.

Ze draaide haar zwotor maar zag op datzelfde moment de veger de steeg inkomen. Ze vloekte, gooide haar zwotor aan de kant, trok de zonnecel eruit en pakte een haak die aan haar riem bevestigd zat. Met een flinke zwaai gooide ze de haak over de muur. Het touw dat erachter­aan zoefde, trok strak en begon zichzelf op te winden, waardoor Leaf met een ruk omhoog werd getrokken. De veger richtte zijn wapen.

‘Stop, in naam van de evacuatiedienst aarde!’

‘Nooit!’ riep Leaf. ‘Ik laat haar niet alleen sterven.’ Met een klap kwam ze tegen de muur aan. Ze draaide zich om en trok zich het laatste stukje zelf omhoog. Een blauwe flits ging rakelings langs haar heen toen ze zich aan de andere kant naar beneden liet zakken. Ze abseilde verder de muur af en bevond zich op een soort binnenplaatsje. De enige uitgang was een nauw steegje tegenover haar. Ze greep naar de misleider aan haar riem en activeerde het apparaatje. De lucht om haar heen trilde een kort moment. Op het scherm van de misleider knipperde een rood batterijtje met daar­naast seconden die aftikten. Ze zou hoogstens een kwartier onzichtbaar zijn op de scanners van de vegers.

Leaf begon te rennen. De vegers zouden het gebied minutieus uitkam­men en ze moest zover mogelijk weg zien te komen. Terwijl ze rende, zocht ze de verlaten straten af naar een zwotor of ander vervoermiddel. De straten lagen er relatief opgeruimd bij in tegen­stelling tot de geplunderde puinhopen in andere delen van de stad. De deuren en ramen van de statige bruine huizen waren veelal nog intact. Een glimlach verscheen om Leafs lippen toen ze een zwotor tegen een hek zag staan. Ze haalde de oude zonnecel eruit en duwde haar eigen zonnecel erin. Er ging een groen lampje op de cel branden.

‘Goed zo, je werkt nog,’ fluisterde Leaf in zichzelf. ‘Nu het slot kraken.’

Uit haar rugzak haalde ze een ID-wisselaar. Ze hield het apparaat tegen de sensor van de zwotor. Over het scherm van de ID-wisselaar vlogen nullen en enen.

‘Kom op, kom op,’ prevelde Leaf.

In de verte klonk het gezoem van een zwotor. Leaf tuurde in de richting van het geluid en zag een klein figuurtje verschijnen.

‘Kom op nou.’

Het apparaatje bleef rekenen.

De veger kwam al dichterbij.

‘Fuck!’ Leaf trok de zonnecel weer uit de zwotor en borg de ID-wisselaar op. Ze rende de trappen naar het huis op en duwde tegen de deur.

De deur gaf mee.

Ze ging naar binnen en sloot de deur zachtjes.

Geconcentreerd bleef ze staan luisteren. Het gezoem kwam al dichter­bij. Ze kneep haar ogen dicht en pro­beerde het geluid van haar bonkende hart weg te dringen. De zwotor minderde vaart. Stond hij voor het huis?

‘Ga weg, ga weg,’ bad Leaf in stilte.

Het gezoem nam weer toe. De zwotor reed door!

Opgelucht liet ze haar adem ontsnappen. Behoed­zaam liep ze verder het huis in. Als er hier een truno­mische kelder was, zou dat een perfecte schuilplek zijn. Ze begon te zoeken maar stopte abrupt toen ze geluid hoorde. Het klonk niet als het gezoem van een zwotor. Het klonk… melodieus. Behoedzaam liep Leaf richting het geluid. Het huis was leeg en haar voet­stappen echoden door de ruimte. Ze begon woorden te herkennen. Staying alive, staying alive.

Ze duwde de achterdeur open die naar een kleine tuin leidde. Op dat moment zag ze de pijp. De kleine uitlaat van een trunomische schuil­kelder lag verbor­gen tussen gebroken tegels en een berg zand, maar Leaf herkende de driehoekige vorm direct. Dan moest er ook ergens een ingang zijn. Ze volgde haar oren en begon puin te verschui­ven. Kakker­lakken, gelukkig aanzienlijk kleiner dan het exem­plaar dat ze eerder was tegen­gekomen, schoten alle kanten op. Een spin van zo’n vier centimeter doorsnede wandelde er traag achter­aan. Leaf bekeek het insect met verbazing. Het was maanden geleden dat ze een dergelijk exemplaar had gezien en dacht dat ze waren uitgestorven. Daar! Het luik naar de schuilkelder. De muziek klonk nu helder­der. Tragedy, when the feeling’s gone… zongen hoge mannenstemmen. Wat of wie zat er in die kelder? De muziek kwam haar vaag bekend voor en bracht een herinnering aan stoffige lessen kunst­ge­schiedenis naar boven. Leaf trok het luik open en tuurde naar binnen. Er brandde licht aan het einde van de gang. Ze liet zich de gang in zakken, sloot het luik, en sloop zachtjes naar voren. Er hing een zurige, penetrante lucht. Ze her­kende de geur maar kon hem niet direct thuisbrengen. Een mannenstem zong mee met de muziek. Er was daar iemand! De geur was die van een ongewassen mens. Verbazing en woede schoten door Leaf heen. Verdomme, zij was de laatste op aarde. Wie was dat en wat wilde hij?

Ze trok haar wapen, rende het laatste stukje en stapte met het wapen naar voren gericht het licht in. ‘Wie is daar, maak je bekend,’ comman­deerde ze.

Een jongen van een jaar of twintig keek verschrikt op. Hij lag op een matras en las een ouderwets boek van papier. Hij liet het boek vallen en stak zijn handen omhoog. ‘Rustig aan, niet schieten, alsjeblieft.’

‘Wie ben je?’ vroeg Leaf nogmaals.

‘Qwerty,’ zei de jongen.

‘Hoe kom je hier?’

‘Een expeditie. Ik ben achtergebleven.’

‘Waarom?’

‘Een weddenschap. Als ik het hier drie maanden zou volhouden, zou ik tienduizend credits van een paar vrienden krijgen.’ Qwerty had al die tijd zijn ogen strak op de loop van haar wapen gehouden. ‘Zeg, ik weet niet op welke stand je dat ding hebt staan, maar ik zou het erg op prijs stellen als je het niet op mij richt. Wie ben jij trouwens?’

Leaf liet het wapen zakken. ‘Ken je me niet?’

De jongen haalde zijn schouders op. ‘Zou dat moeten dan?’

‘Ik ben Leaf Heywood. De laatste mens op aarde.’

‘Ooh, jij bent die gestoorde chick die erbij wil zijn als ze de laatste beschermingsschilden uitschakelen.’

Leaf richtte direct het wapen weer. ‘Let op je woorden, toetsenbord.’

‘Hey, mijn moeder houdt nu eenmaal van antieke computers. Doe alsjeblieft dat wapen weg. Sorry dat ik je gestoord noemde.’

Leaf stopte het wapen tussen haar riem. ‘Waarom ben je hier nog steeds?’

‘Omdat ik de weddenschap wil winnen natuurlijk,’ antwoordde Qwerty.

Leaf snoof. ‘De laatste expeditie naar aarde was zes maanden geleden. De straling is veel te hoog gewor­den. Je hebt die weddenschap allang gewonnen, slim­merd.’

‘Wat? Maar…’

De jongen stond op en pakte een stuk papier waarop streepjes en data stonden. Het viel Leaf op dat Qwerty geen geavanceerde technologie in zijn trunomische schuilkelder had. Slim, biologische scanners konden niet door het trunomium heendringen, maar de sig­nalen van apparaten konden soms wel worden opge­vangen. Het verklaarde waarschijnlijk waarom de veegtroepen Qwerty niet hadden gevonden. Alleen het antieke muziekspelertje speelde vrolijk door.

‘Volgens mijn berekeningen ben ik hier pas tweeën­halve maand,’ zei Qwerty.

‘Tsja, jongen, dan zijn die echt fout.’

‘Shit!’ Qwerty greep naar een potje pillen.

Leaf herkende de kleur. ‘Cryonische slaappillen? Die dingen zijn niet te vertrouwen.’

‘Ik heb er vijf van genomen. Dat zou tien weken slaap zijn.’

Leaf grijnsde. ‘Ik vrees dat dit ietsjes langer is geworden.’

Qwerty smeet de pillen op de grond en vloekte. ‘Kan ik nog weg?’

‘Er zijn nog steeds veegpatrouilles. Als je midden op Broadway gaat staan, word je wel opgepikt.’

‘En de straling?’

Leaf klopte tegen de dikke trunomium wanden. ‘Dit is een stevig exemplaar. Je hebt hier goed beschermd gezeten. Maar over…’ Leaf wierp een blik op haar multiband. ‘Over een uur moet je wel echt wegwezen. Dan worden de laatste schilden uitgeschakeld en is het binnen enkele dagen afgelopen met het leven op aarde.’

‘Een uur… Jemig.’ De ogen van Qwerty werden groot. ‘En jij bent zo gek dat je hier blijft?’

‘Ik laat moeder Aarde niet alleen sterven.’

Qwerty trok een wenkbrauw op. ‘Juist, ja. Je doet maar wat je niet laten kunt, ik ga ervandoor.’ Hij begon wat boeken bij elkaar te rapen en propte ze in een rugzak die hij over zijn schouder slingerde. Aan zijn riem klikte hij een klimmer, dezelfde soort als die Leaf had gebruikt om over de muur te komen.

‘Wel, leuk je ontmoet te hebben aardedame. Succes met…’ Hij maakte zijn zin niet af.

‘Doodgaan?’ zei Leaf met een grijns.

‘Uhm, dat ja. Weet je zeker dat je niet meewilt? Doodgaan is… uhm, behoorlijk definitief.’

Leaf glimlachte. ‘Ik ben er klaar voor. Zorg jij nou maar dat je hier wordt weggehaald.’

‘Oké, goed.’

Leaf keek om zich heen in de schuilkelder. Ze begon al te wennen aan de stank, die ongetwijfeld minder zou worden als Qwerty weg was, en het was er veilig en comfortabel. Ze zou er het laatste uur dat de evacuatietroepen op aarde aanwezig waren in alle rust kunnen doorbrengen. Ze beet op haar lip.

‘Qwerty,’ begon ze weifelend. ‘Kan ik je vertrouwen?’

‘Tuurlijk.’

‘Zou je deze schuilkelder geheim willen houden? Misschien zelfs de evacuatietroepen de andere kant opsturen? Ik zou hier graag blijven.’

Qwerty greep haar hand en schudde die. ‘Deal. En ik weet het nog beter gemaakt. Ik heb jou nooit ontmoet. Ik werd wakker en besloot dat het tijd was om naar de oppervlakte te gaan.’

‘Klinkt goed. Dankjewel, Qwerty.’

‘Graag gedaan.’

Qwerty knipte een ouderwetse zaklantaarn aan en verdween de donkere gang in. Leaf plofte neer op de matras. Ze haalde een van haar laatste energierepen tevoorschijn en begon op de taaie substantie te kauwen. Een nerveus gevoel nestelde zich in haar buik en ze stond weer op om de kamer te doorzoeken. Haar hart klopte snel en haar hele lichaam voelde onrustig. Het besef dat haar vlucht van drie maanden abrupt tot stilstand was gekomen, begon langzaam door te dringen. Het was klaar. Over enkele dagen zou ze sterven.

Leaf liet het muziekspelertje van Qwerty door haar handen gaan. Ze bevond zich al maanden alleen op aarde, maar nu voelde ze zich voor het eerst ont­zettend eenzaam. Er waren altijd de ontmoetingen met de journalisten geweest om naar uit te kijken. Nu was er niks meer.

Haar ademhaling versnelde en haar hoofd begon te tollen. Snel ging ze weer op de matras zitten. Ze voelde zich misselijk en de weeïg zoete smaak van de reep kwam omhoog in haar keel. Ze moest contact hebben met de aarde. Wanhopig drukte ze haar handen tegen de trunomium vloer maar voelde enkel kille, artificiële substantie. Paniek welde omhoog. Haar lichaam schreeuwde om buitenlucht. Koorts­achtig dacht ze na.

De mosruimte! Sommige schuilkelders hadden een kleine ruimte waarin mos groeide. Het mos was waar­schijnlijk allang dood, maar er zou wel aarde zijn. Koele, bruine aarde. Leaf liep wankelend de gang in en vond wat ze zocht. Een deur met daarop een groen plantje. Ze trok hem open en direct kwam de muffe lucht van vochtige aarde haar tegemoet. Ze ademde diep in en de duizelingen verminderden. Met haar zaklamp bescheen ze de muren en tot haar verbazing was er nog wat mos aanwezig. Grijzig, armetierig mos, maar absoluut levend. Leaf liet haar handen over de plantjes gaan. Kon dit genoeg zijn? Ze bestudeerde de soort en herkende het kleine ronde blad van grijs kweekmos. Helaas, het was een van de mossoorten die ook op Mars gekweekt kon worden. De aanwezigheid ervan zou geen reden zijn om de aarde te redden.

Desondanks was ze dankbaar dat ze haar laatste dagen samen met dit fragiele leven kon doorbrengen. Moeder Aarde had wederom voor haar gezorgd. Ze knielde neer en verzonk in een diep en dankbaar gebed.

 

Leaf opende slaperig haar ogen. Ze had de matras naar de mosruimte versleept en moest daar in slaap zijn gevallen.

Een klap boven haar. Het luik viel dicht!

Direct was ze klaarwakker. Had die klootzak haar verraden? Ze greep naar haar wapen en kroop behoed­zaam naar de deur. Ze duwde zichzelf tegen de wand en luisterde naar de voetstappen. Ze zou maar één kans hebben. De voetstappen kwamen al dichter­bij.

Nu! Ze draaide de gang in en schoot.

Iemand dook weg en kwam met een doffe dreun op de grond terecht. ‘Leaf, ik ben het, Qwerty!’

Leaf activeerde de lichtfunctie op haar multiband en zag Qwerty met een verongelijkt gezicht omhoog krabbelen.

‘Je had me bijna vermoord.’

‘Wat doe je hier? Je bent toch niet gevolgd?’ vroeg Leaf.

‘Nee, ik ben niet gevolgd. Dat is juist het probleem.’

‘Wat?’

‘Ik heb drie kwartier op Broadway gestaan. Ik heb staan zwaaien, roepen, met dingen gegooid. Niks, nada, noppes. Geen veger te bekennen. Weet je zeker dat ze er nog wel zijn?’

‘Heel zeker. Om twaalf uur stipt worden de troepen weggehaald. Ik snap het niet… Ik kan mijn hoofd niet aan de oppervlakte vertonen en ik heb zo’n gast…’ Leaf klapte abrupt haar mond dicht. ‘Ooh, ojee. O shit, dat is balen.’

‘Wat?’ riep Qwerty uit.

Leaf beet op haar lip en keek naar de grond. ‘Een journalist vanmorgen zei dat ze de scanners op mijn signaal hebben afgestemd, om beter te kunnen zoeken. Ze zoeken niet meer naar menselijke sig­nalen…’ ze richtte haar blik op Qwerty. ‘Ze zoeken alleen nog maar naar mij.’

‘Nou, da’s lekker dan.’ Qwerty liep langs haar heen, pakte het muziek­spelertje en smeet het op de grond. ‘Fuck!’ Hij draaide zich naar haar om. ‘Ik heb echt geen zin om hier dood te gaan, Leaf.’

‘Ik… Het spijt me.’

‘Je moet met me mee naar boven. Jouw signaal zullen ze vinden.’ Qwerty ging vlak voor haar staan en keek haar doordringend aan.

Leaf omklemde haar laserpistool. ‘Nee,’ zei ze zacht. ‘Ik ben de laatste op aarde. Ik zal bij moeder Aarde blijven als ze sterft. Dit is mijn levensdoel.’ Ze duwde het laserpistool tegen Qwerty aan. ‘Naar achteren, nu.’

‘Bitch!’ Qwerty zette een stap naar achteren. ‘Jij, achterlijke bitch. Newsflash, je bent de laatste niet meer. Als jij mij hier laat zitten, zijn we toch echt met zijn tweeën.’

‘Dat weet niemand.’

‘Oooh, ooh, is dat waar het allemaal om draait. De aandacht, dat jij de geschiedenisboekjes in gaat als de laatste mens op aarde. De grote Leaf, weldoener voor de aarde. Je wilt helemaal niet bij je geliefde aarde­moeder zijn. Je geilt gewoon op aandacht.’

‘Dat neem je terug! Ik wil voor haar sterven!’ Leaf richtte het laser­pistool op Qwerty’s borst. ‘En news­flash voor jou, toetsenbord, als ik jou nu neerschiet, ben ik nog steeds de laatste.’

‘Ga je gang, Leaf Heywood, weldoener voor de aarde, moordenaar van mensen.’

Leaf trilde over haar hele lichaam. Ze voelde tranen achter haar ogen branden. Verdomme, ze wilde niet janken. Ze kon die jongen toch niet neerschieten? Ze kon hem toch niet dood laten gaan? Maar ze kon ook haar missie niet opgeven. Het idee om meegevoerd te worden naar één van de trunomium woonschepen, kneep haar keel dicht en maakte haar misselijk.

Ze liet het laserpistool zakken. ‘Ik wil echt bij haar blijven, Qwerty.’ Leafs stem was onvast en haar tranen klonken erin door. ‘En ja, ik vond de media aandacht leuk, ontzettend leuk. Maar ik ga sterven voor haar, voor de aarde, dan mag dat toch wel.’

Qwerty zuchtte diep. ‘Ja, dat snap ik ook wel. Ik bedoel, het is best stoer wat je doet. Kunnen we niet iets bedenken? Dat jij vlucht zodra de vegers mij in het vizier hebben. Ik kan je helpen een zwotor te vinden en aan de praat te krijgen.’

Leaf keek op haar multiband. ‘Daar hebben we dan nog precies tien minuten voor. Daarnaast, alles hier op aarde is verouderd. Ik ben de laatste keer al ter­nauwer­nood ontsnapt. Als ik me nu weer open en bloot vertoon, pakken ze me.’

‘Ik zou ze tegen kunnen houden. Tijd voor je winnen.’

Leaf schudde haar hoofd. ‘Ik zal bij je moeten blijven tot ze je daad­werkelijk fysiek zien, anders rijden ze je nog voorbij. Ze zullen mij pakken. Voor de vegers ben ik de ultieme prijs, het voorbeeld dat niemand de lange arm van de wet ontloopt, zelfs Leaf Heywood niet.’

Qwerty ging tegen de wand zitten en wreef over zijn gezicht. ‘Wat een zooitje. Was ik maar nooit aan die stomme weddenschap begonnen.’

‘Waarom heb je het eigenlijk gedaan, die wedden­schap?’ vroeg Leaf.

‘Mijn moeder heeft mij alleen opgevoed. We hebben het niet breed en dat geld zou ontzettend welkom zijn. Ik dacht, ik doe dat wel even, drie maanden op aarde. En het had ook gelukt als die stomme pillen…’ Met zijn vuist sloeg hij op de trunomium vloer.

‘Ik begrijp het,’ zei Leaf en stond op. Ze kon een moeder niet haar zoon afnemen. Ze reikte haar hand naar Qwerty. ‘Zullen we maar naar boven gaan dan?’

‘Wil je het doen?’

Leaf zag de opluchting in Qwerty’s ogen. ‘Kom nou maar, voor ik me bedenk.’

Qwerty greep haar hand en stond op. Leaf draaide zich nog één keer om en zoog de lucht van de vochtige aarde haar longen in. Haar benen voelden als lood en haar keel brandde.

‘Qwerty,’ begon ze. ‘Hoe doe jij het, leven in de trunomium schepen? Nooit meer de wind door je haren voelen of de koude grond onder je voeten. En altijd maar die mensen, overal die afschuwelijke mensen. Hoe ga je daarmee om?’

‘Ik ben er geboren, ik weet niet beter.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik wou dat ik je het kon vertellen. Ik… wacht even!’ Een twinkeling verscheen in zijn ogen. ‘Ik heb iets voor je. Misschien dat het ietsjes helpt.’ Hij dook de moskamer in trok daar een klein deurtje open wat grotendeels overgroeid was met mos. ‘Een klein experimentje voordat ik in de cryonische slaap ging. Misschien…’ Qwerty haalde een glazen stolp tevoor­schijn en koppelde een slang los. ‘Ha, zie je, het leeft nog.’

Met half open mond pakte Leaf het plantje aan. Het was een klavertje vier. Een armetierig klavertje vier, maar absoluut levend. Aan twee van de vijf stengels zaten zelfs blaadjes.

‘Hoe heb je dit voor elkaar gekregen?’

‘Een beetje zitten klooien met de filters. Ik heb de R372 straling er grotendeels uit kunnen halen, die is het meest funest voor alles wat groeit en bloeit.’

‘Oh mijn lieve Aarde, weet je wat dit betekent?’ riep Leaf uit.

‘Wat?’

‘Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze mogen de schilden niet uitzetten. Klavertjes vier groeien niet op Mars!’

‘Wat? Meen je dat? Ik bedoel, dit plantje is groot geworden door weet ik niet hoeveel filters. Dat is nou niet echt natuurlijk leven.’

‘Dat maakt niet uit, Qwerty. Ik ben zo ongeveer mijn hele leven al aan het vechten voor de aarde, geloof me, ik ken de regels. Daarnaast… Die spin. Misschien zijn het niet eens jouw filters… Misschien wordt het echt beter. Kom!’

Leaf rende de tunnel door en duwde het luik omhoog. Ze graaide in haar rugzak en vond helemaal onderop de luchtkwaliteitsmeter. Waarom had ze de hoop opgegeven? Ze had moeten blijven meten. Ze had zich alleen nog maar gericht op het ontlopen van de vegers en het plannen van persmomenten. Stomme muts. Met een piep kwam het apparaat tot leven. ‘Korte meting, vergelijken met vorige meting,’ com­man­deerde Leaf.

Het apparaat begon zacht te piepen tot “meting compleet” in het beeldscherm verscheen. ‘Kwaliteit met vijf procent verbeterd ten opzichte van vorige meting,’ meldde de meter.

Qwerty kwam met een verwarde blik in zijn ogen de tunnel uit. Hij had het plantje vast.

Leaf lachte. ‘Goed dat je die hebt meegenomen.’

Haar multiband gaf 11:57 aan, ze had nog drie minuten. ‘Contacteer Ferry van Amazon 1,’ zei ze tegen de multiband.

‘Met Ferry,’ kraakte het luidsprekertje.

‘Ferry, dit is Leaf Heywood. Het uitzetten van de filters moet onmidde­llijk worden gestaakt. Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze activeerde de camera op de multiband en liet het plantje onder de stolp zien.’ Qwerty grijnsde schaapachtig van achter het plantje.

‘Waaaat!’ riep Ferry uit. ‘Leaf Heywood, je houdt niet op te verbazen. En wie is die knapperd?’

‘Dat leg ik je later uit. Contacteer alsjeblieft de juiste mensen, Ferry.’

‘Komt voor elkaar. Maaruh, Amazon 1 krijgt exclu­sieve rechten van al dit.’

‘Ja, ja, schiet nou maar op.’

Het gezoem van een zwotor kwam dichterbij, de vegers hadden Leaf gesignaleerd.

‘Wat gebeurt er allemaal?’ vroeg Qwerty.

‘We gaan niet dood vandaag, Qwerty, dat is wat er gebeurt. En ook moeder Aarde blijft leven.’

‘Denk je echt dat ze alles zullen stopzetten? Vroeg Qwerty. ‘Ik bedoel, dat plantje zou nep kunnen zijn.’

‘Dat risico gaan ze niet lopen. De afspraken met de milieuorganisaties zijn heel duidelijk. Als ze nu door zouden zetten en dat plantje blijkt echt te zijn, dan breekt de hel los.’

‘Wow, wij hebben dus gewoon de aarde gered?’

‘Dat hebben we zeker, toetsenbord.’ Leaf stompte hem vriend­schap­pelijk tegen zijn schouder.

De zwotor stopte en de veger klapte zijn vizier omhoog. ‘Leaf Heywood, in naam van evacuatiedienst aarde verplicht ik je de aarde met mij te verlaten. En dat geldt ook voor jou.’ De veger knikte richting Qwerty.

‘Prima,’ zei Leaf en stak haar handen naar voren zodat de veger haar kon boeien.

Een tweede veger stopte en liep naar Qwerty. Hij bekeek zorgelijk hoe de veger handboeien om zijn polsen sloeg. Ondanks de boeien bleef hij het plantje stevig vasthouden.

Leaf glimlachte naar hem. ‘Maak je geen zorgen, we gaan hoogstens een paar weken de cel in. Mijn advo­caten hebben ons zo weer vrij.’

Achterop de zwotors van de vegers werden ze naar een evacuatieschip gebracht. Ze waren nog maar net binnen toen het schip loskwam van de grond en ze de aarde onder hen zagen verdwijnen. Leaf keek naar de contouren van land en water. De oceanen hadden een grijze waas en op de continenten was geen groen meer te bekennen maar toch ontroerde het haar. Het zou weer goed komen met de Aarde.

‘Leaf?’ vroeg Qwerty zacht.

‘Ja.’

‘Mag ik je helpen, bij je gevecht voor de aarde?’

Leaf trok haar blik los van de steeds kleiner wordende bol onder haar en keek Qwerty aan. Ze glim­lachte. ‘Dankjewel, Qwerty. Dat zou ik fijn vinden.’

Iemand opende de deur van hun compartiment en werd gevolgd door twee bars kijkende vegers. Leaf herkende Ferry.

‘Leaf, wat een nieuws. Is de aarde dan toch niet verloren? Hoe heb je het gedaan?’ vroeg de Amazon 1 journalist.

Leaf wilde antwoorden maar bedacht zich. ‘Geen commentaar, Ferry.’

‘Wat? Maar Leaf, lieveling. De mensen zijn gek op je. Kom op, ik zou de primeur krijgen. Zeg iets.’

‘Het spijt me, Ferry. Moeder Aarde heeft mijn volle aandacht nodig. Ik heb me de laatste maanden veel te veel door jullie laten afleiden.’

‘Nou ja!’ Ferry trok een beledigd gezicht en wendde zich naar Qwerty. ‘Kerel, vertel me over jezelf. Maan­den op de stervende aarde leven zonder gevonden te worden. Hoe heb je het gedaan?’

Qwerty grijnsde. ‘Sorry, ik sluit me bij Leaf aan. Geen commentaar.’

‘Je hebt ze gehoord,’ zei een van de vegers. ‘Wegwezen hier.’ Ruw trok hij Ferry mee.

‘Maar…’ sputterde Ferry tegen.

De vegers duwden hem het compartiment uit.

Leaf richtte haar blik weer naar buiten. Vingers beroerden zacht haar hand. Ze nam Qwerty’s hand in de hare. Het klavertje vier stond tussen hen in. Voor het eerst sinds lange tijd had Leaf het gevoel dat het allemaal goed zou komen.