web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » ZiltPunk

Genres

Category Archives: ZiltPunk

Heidelberg, Mon Amour : Jaap Boekestein & Tais Teng

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

De derde halte was Heidelberg, hoe kon het ook anders?

‘Deze keer is het me gelukt,’ zei Esmee terwijl ze uit de trein stapte. De geur van zomerwarm metselwerk omhelsde haar.

‘Ik weet het zeker. Ik voel het.’

‘A puding próbája az evés,’ zei Liss die speels in de lucht om haar heen draaide. De AI droeg alpenbloemen in haar gevlochten blonde haar en had een schattig dirndl-jurkje aan. Haar gezicht had wel iets weg van een ondeugende bosnimf. ‘Sorry, je spreekt geen Hongaars in deze versie, toch? The proof of the pudding is in the eating.’

‘Opschepster,’ zei Esmee. ‘Wat is er mis met Nederlands?’

Ze keek om zich heen.

Focussen! Is het me nou wel gelukt? Ondanks haar dappere woorden voelde ze zich allesbehalve zeker.

De treinwagon was pimpelpaars gespoten, met traag roterende wietbladeren die na drie hartenkloppen in witte rozen veranderden. Was dat de eerste keer ook al geweest? Vast niet. Dat had ze beslist ont­houden.

Liss?’

‘Laat me in je geheugen rondporren… De wagon was grijs, ja, met ramen van zwart glas. Deze ramen zijn blauw en de trein zweefde zeker tien centimeter hoger boven de rails.’

Het was een verandering, een kleine. Betekende dat…?

Haastig liep Esmee Heidelberg in.

‘Waar ben je precies naar op weg?’ vroeg Liss. ‘Als ik vragen mag?’

‘De biergarten natuurlijk! Waar anders heen?’

 

Op die Alte Brücke keek Esmee omhoog. Achter het beeld van Athene was de hemel even strak blauw als de vorige keer. Een wolkje maar. Is dat zo te veel gevraagd? Dan weet ik tenminste dat ik iets veranderd heb.

Halverwege de brug glipte een ranke roeiboot met een dozijn studenten aan de riemen achter een pijler vandaan. Op het achtersteven wapperde een groen met blauwe vlag en ze hoorde de bootsman schreeuwen: ‘Ein, zwei, drei! Ein, zwei, drei!’

Esmee’s schouders zakten omlaag. ‘Ik kan wel omkeren. Het heeft geen enkele zin. Deze dag is precies hetzelfde.’

‘Kom op, dat zegt niks,’ zei Liss die nu als een gebruinde backpack-toeriste naast Esmee liep. Een gehavende rugzak met ingeweven zonne­collectoren, gespierde benen boven twee stoffige bergschoenen. ‘Oké, je zag die boot de vorige keer ook, maar misschien zijn er heel veel van dat soort boten? Of is er elk jaar op deze dag een wedstrijd? Een roeiwedstrijd voor studenten?’

‘Jij bent een AI uit het einde der tijden en je kent mijn tijd tot zestien decimalen achter de komma. Als er een wedstrijd was, had je dat geweten.’

‘Ik zie je niet graag zo droevig. Zo fatalistisch. Je weet nog niets zeker.’

De biergarten lag zo’n driehonderd meter van de brug en ze hadden in de vorige versie van deze dag vlak naast het stalletje met de tap gezeten: Jonathan met zijn rug naar de stad aan de overkant, zij en Mariska tegenover elkaar. Het beeld was kristalhelder: zij hield Mariska’s hand vast en kwebbelde honderduit. Een ander woord was er niet voor: opgetogen kwebbelen.

Jonathan leunde achterover in de hard-glazen stoel en bekeek hen met een geamuseerde glimlach. Drie vrienden: drie hartsvrienden. Het olijke drietal had Mariska hen genoemd ‘Omdat we altijd schateren en elkaar tegen de schouders stompen en gierend in de armen vallen. Zelfs als we alleen muntthee gedronken hebben.’

Esmee sprintte het laatste stuk, zigzaggend tussen de platanen en opzijspringend voor de fietsers.

Daar was het terras. Als alles klopte, als er ook maar een spoortje gerechtigheid in dit waardeloze universum was, dan zou ze daar straks samen met Mariska zitten. Zonder Jonathan. Jonathan zou niet eens meer een herinnering zijn of in ieder geval Mariska nooit ontmoet hebben.

O mijn allerliefste, bad ze. Wees van mij. Van mij alleen.

 

Zes maanden eerder, op een ander tijdspoor.

Royalty watch: Sultan Erdogan en president-for-life Trump toch persoonlijk aanwezig bij kroning Amalia!

 

Het gigantische beeldscherm met de kroningsplechtigheid domineer­de het Plein in Den Haag, maar in tegenstelling tot de meeste mensen op de terrasjes besteedden Jonathan en Esmee amper aandacht aan dat hele circus.

‘Ow, dat is een sweetie, daar onder die palmboom,’ zei Jonathan terwijl hij met zijn ogen in de desbetreffende richting rolde.

Esmee tuurde zonder enige gêne in de aangegeven richting: ze hield nog net geen hand boven haar ogen. Zij had er totaal geen moeite mee als vrouwen doorkregen dat zij hen inspecteerde. Recht op het doel af, zo was ze altijd al geweest. Jonathan was altijd veel bedachtzamer, of misschien was beschaafder een betere beschrijving. De vriendelijke jongen en die leuke, spontane meid die soms wat grof gebekt was.

Die rolverdeling stamde al uit groep één, toen Esmee op de eerste dag met haar driewieler tegen haar nieuwe buurjongen aanbotste en Jonathan ‘Sorry!’ riep.

Het verschil had Esmee nooit hinderlijk gevonden: hij was een van de weinige jongens die tenminste niet aan haar kop zeurde of ze met hem wilde gaan. Jonathan bleef haar beste – en na de basisschool eigenlijk haar enige – mannelijke vriend. Een maatje waarmee je kon doorzakken, lekker slap kon ouwehoeren en, zoals nu, onbeschaamd mooie vrouwen kon spotten.

De vrouw in een zomers katoenen jurkje was inderdaad een sweetie: een vrolijk gezicht, grote warme ogen, een mooie licht­bruine afro waar­boven een drietal drone-vlinders dartelden.

Na een handvol tellen keek Esmee verder: nu was het haar beurt een mooi exemplaar te vinden. Dat waren de ongeschreven regels van het spel dat ze al jaren samen speelden.

Was het een geluid? Een beweging? Een subliminaal bevel?

Esmee en Jonathan draaiden beiden tegelijkertijd hun hoofd.

‘Wow!’ zeiden ze beiden tegelijkertijd.

De ‘Wow!’ kwam van Lange Poten het plein op flaneren.

Lang, rood haar, sproeten, lichtblauwe ogen en een wipneusje dat je enkel eigenwijs kon noemen. Op haar mond lag een dromerige grijns, alsof zij een pikant geheim kende waarvan de wereld geen weet had. Ze droeg een retro jaren twintig neon graffiti-jurkje met jarretel-laarzen. Ze speurde het Plein af.

Had ze een afspraak? Of misschien zocht ze een lege stoel?

Haar blik kruiste die van Jonathan en Esmee en klikte erin vast. Noem het lichaamstaal, een woordeloze, razendsnelle onderhande­ling.

‘Ze komt naar ons toe,’ zei Jonathan. Er klonk een lichte ongerust­heid in zijn stem door. Hij was de toeschouwer, geen speler.

Esmee lachte. ‘Natuurlijk komt ze naar ons toe.’ Ze schoof een stoel van het tafeltje weg, wuifde.

 

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Op het perron van Bahnhoff Heidelberg stond Mariska heftig te wuiven en ramde op de deurknop voor de trein goed en wel stilstond.

‘Jonathan zit al in mijn favoriete biergarten,’ vertelde Mariska na drie klinkende klapzoenen op Esmee’s wang en een speelse beet in een oorlelletje. ‘Hij stond vorige week ineens voor de deur. Vijf dagen te vroeg. Zijn decaan gaf zijn presentatie een negen en…’

‘Het olijke drietal is weer bij elkaar. God, meid, ik heb je zo gemist.’ Esmee voelde een brok in haar keel. ‘Ik heb jullie zo gemist. Ongelooflijk eigenlijk dat we elkaar pas zes maanden kennen. Het voelt als een heel leven.’

Nu niet huilen. Dat is belachelijk.

‘Eerder was een beetje moeilijk geweest,’ zei Mariska.

‘Tja, niemand dwong je om stage te lopen in Patagonië. Ik bedoel, zaten er echt nergens anders pinguïns?’

Ze slenterden door de hoofdstraat met zijn Maori-tattoo shops en Taiwanese gokhallen, langs vakwerkhuizen die van fundament tot nok beschilderd waren met bijbelse voorstellingen of dirndl-meisjes en jongens in lederhozen die tussen dansende koeien stoeiden. Hoog boven dat alles torende een kasteel: het Binnenhof zou er zes keer ingepast hebben. Nee, als die Duitse grootvorsten een kasteel bestelden, dan wilden ze ook een KASTEEL.

‘Dat bronzen beeld daar,’ zei Mariska. ‘Dat is Brunen Hansel. Hij rinkelt met al zijn bellen en danst met de deernen, kust hun blozende moeders.’

‘Een knappe kerel,’ zei Esmee, ‘maar geef mij maar een Brunen-Heidi!’

‘Och, ik snap die deernen wel.’

Ze staken de brug over, arm in arm als een echtpaar dat al jaren getrouwd was. Bij de beeldengroep halverwege stopte Mariska en wees omhoog.

‘Poseidon,’ somde ze op met de trots van een degelijk ingeburgerde expat, ‘met zijn zeemeerminnen. Die strenge dame met de helm is Athene. Het hoofd van Medusa zit op haar schild vastgesmeed. Als je haar in de ogen keek, veranderde je in steen.’

Esmee knikte. ‘Streng maar rechtvaardig. Ik mag dat soort dames wel.’

Jonathan droeg zijn haar in een staartje en aan de ietwat lodderige blik in zijn ogen te zien, was hij al aan zijn tweede halve liter bier toe.

Hij hief de glazen kroes: ‘Heffe Wisse. Een beetje als Hoegaarden maar lekkerder.’

Esmee snelde op hem af, gaf hem de Hollandse drie-kus die intussen al wat ouderwets was.

‘Mijn nimfen,’ zei Jonathan. ‘Ze hadden beelden van jullie op de brug moeten zetten.’

Mariska schudde haar hoofd. ‘Daar ben ik toch een beetje te dun voor. Ik zou eruitzien als een mager twijgje tussen al die voluptueuze dames.’

Het was een perfecte middag. Suizelend zonlicht, de geur van gras en rivierslib. Een roeiboot sneed door het water, terwijl de bootsman met een sergeantenstem het ritme aangaf.

‘Ein, zwei, drie,’ telde Esmee onwillekeurig mee. ‘Heb je dat ook gedaan, Mariska?’

Haar hartsvriendin schudde het hoofd. ‘Heidelberg heeft haar tradities teruggevonden. Geen dames op de boten. Dan varen de jongens maar tegen een rijnaak aan. Maar mannen zijn weer niet welkom op onze Diana club. Boogschieten. We dragen groene jurkjes met een laurierbladprint en kunnen het oog van een bromvlieg op honderd pas afstand raken.’ Ze knikte. ‘Dat is toch een mooie verworvenheid van de vijfde feministische golf. Dat mannen en vrouwen verschillend zijn en niet alles samen hoeven te doen.’

‘Bromvliegen blind schieten,’ zei Jonathan. ‘Beslist een nuttig talent.’

In de avond verkasten ze naar een ander terras waar iets meer dan oudbakken krakelingen of broodjes druipende braadworst geserveerd werd.

De zon zakte omlaag en de oude brug werd mat brons, de stadspoort iets uit een antiek sprookje.

Beter dan dit wordt het nooit, ging het door Esmee heen.

‘Waar slaap ik straks?’ vroeg ze.

‘Bij mij natuurlijk. Frau Husse is mijn hospita en ze snuift en briest als ik voorstel dat een jongen na elven op mijn kamer blijft.’

‘Ik ben de slaapzaal intussen wel gewend,’ zei Jonathan. ‘En in tegen­stelling tot Mariska’s gnädige Frau is de jeugdherberg wel gemengd.’

‘Och, zo lang het alleen maar om te slapen gaat,’ zei Mariska en om de een of andere reden proestten zowel Mariska als Jonathan het uit.

 

Buiten Mariska’s glas-in-lood raam was de zondagmiddag in alle hevigheid losgebarsten, met een boerenkapel en jodelende worstventers: binnen wilde Esmee dat de tijd voor eeuwig stil zou staan. Wat had Goethe ook al weer gezegd: ‘Verweile doch, du augenblick, du bist so schön’?

Het bed was een heerlijke wanorde van lakens en meer dan een dozijn kussens in alle vormen en maten. Ze had Mariska’s troetels al bij binnenkomst herkent: Gira de Giraf die ze uit Jonathans rommelkast gered had en de blauwe slang met de manga ogen.

Als twee innige lepeltjes lagen ze tegen elkaar, Mariska binnenin. Esmee had haar armen om het middel van haar geliefde, de benen verstrengeld, haar gezicht begraven in Mariska’s lange, rode haar. Mariska rook naar de zomer, naar alpenbloemen en hooi. Esmee kon de koeienbellen bijna horen tinkelen.

Je bent zo mooi. Zo vreselijk mooi.

Waarom kon ze dat niet gewoon zeggen?

Mariska draaide zich om en worstelde zich daarmee los uit de lakens. Ze keek haar vriendin recht in de ogen.

Waar kwam die plotselinge droefheid vandaan?

‘Smee, lieverd, ik heb een beslissing genomen.’

Alarmbellen ging in Esmee’s hoofd af.

‘Je weet dat ik ook wat met Jonathan heb. Hij is superlief en ik heb besloten dat ik met hem verder wil. Hij…’ Ze spreidde haar handen. ‘We kunnen toch gewoon vrienden blijven?’

De zin pulseerde in Esmee’s hoofd en wiste alles uit wat Mariska verder babbelde. We kunnen toch gewoon vrienden blijven? Natuurlijk niet en deze geweldige nacht was niet meer dan een afscheidspresentje. Een mercy fuck zoals de Amerikanen zouden zeggen.

Esmee graaide haar kleren bij elkaar en snelde de trap af. Pas in de hal trok ze haar jurk over haar hoofd. Haar ondergoed moest nog ergens onder de kussens liggen.

Wat moet ik met ondergoed als mijn geliefde mij heeft verlaten? Gedumpt voor een man? Bi. Mariska was dus bi en ze heeft me dat nooit verteld.

Op straat balde ze haar vuisten.

Zij kan mij niet verlaten. Mariska is mijn amour. Mijn ware liefde en ik zal haar terugwinnen.

Ze klom omhoog naar het Filosofen-pad aan de overkant van de rivier en beende het asfalt over, iedere stap een nijdige tik. Tussen de bomen ving ze glimpen op van het kasteel, de brug, de kathedraal waarvan Mariska haar nooit de naam verteld had. Voor ze het wist waaierde de schemering uit en kleurde de hemel eerst indigo en vervolgens grijs.

Esmee zette zich op een bankje en keek toe hoe de straatlantaarns in de diepte aanknipten. Voetstappen. Ze keek pas op toen de vrouw tegenover haar aan de stenen tafel ging zitten.

‘Goedenavond,’ zei de vrouw. Haar gezicht kwam Esmee eigenaardig bekend voor, al wrong er iets…

‘Het zit links-rechts verkeerd, Esmee. Dit gezicht zie je gewoonlijk enkel in de spiegel.’

En omdat ze zo stuurloos was, als een losgeslagen reddingsboot in een stormzee, voelde Esmee amper verwondering.

Als Mariska haar kon verlaten, haar cara, haar amour, dan was een vrouw met haar gezicht niet veel vreemder.

‘Wat ben je? De koningin van de elven? Een alien uit een vliegende schotel?’

De vrouw grinnikte en natuurlijk klonk het als Mariska’s lach.

‘Niets zo exotisch. Gewoon een mens, al zijn we uiteraard wel onsterfelijk.’

‘Aha.’

Ze geloofde geen moment dat de vrouw gek was. Gekken kunnen geen gedachten lezen of gezichten stelen.

‘Ik kom van negen miljard jaar in je toekomst. De zon is gekrompen tot een witte dwerg en hangt boven Rhimyrr, de Stad van Porselein. Niet meer dan een fonkelende lichtpunt, al is zij nog steeds te fel om recht in te kijken. Onze oceanen zijn miljoenen jaren geleden tot zoutvelden verdampt en hebben de bekkens glanzend wit achtergelaten. De eenvoud van zo’n landschap bevalt ons.’

‘Je bent een tijdreiziger.’

‘Heel wat meer dan dat. Een tijdschrijver, een componist. Zie het einde der tijden als een hoge bergpiek waarvan we omlaag kijken. Het verleden heeft niets met jaartallen te maken. Ieder leven is voor ons een verhaal en daar bladeren wij genietend in. We zien baby’s opzwellen tot lachende kleuters. We zien dappere daden, walgelijk opportunisme, vurige liefde die uitsputtert tot verveling. Elk levensverhaal is prachtig maar sommige verhalen kunnen beter.’

‘Mariska en ik. Dit is verkeerd! Dit kan toch nooit zo bedoeld zijn?’

‘Daar ben ik het mee eens. Herschrijf het verleden. Niemand kan dat beter doen dan de heldin van het verhaal zelf.’ Ze zette haar ellebogen op de tafel, leunde haar kin op haar gevouwen handen. ‘Je krijgt vier kansen. Vier tijdstippen die je zelf mag uitzoeken om haar terug te winnen.’

‘Nu geef je mij een tijdmachine, ja? Een scooter met antizwaartekracht waarvan ik alleen het jaartal hoef in te stellen? Een smartwatch die…’

‘Smartwatch is geen slecht idee. Open je hand en sluit je ogen. De aanblik van een zes-dimensionale manipulatie zou je de rest van de week een knarsende migraine bezorgen.’

Blauw licht dat dwars door haar oogleden scheen, de benauwde, overvolle-stranden-stank van ozon.

‘Doe maar weer open.’

De bank tegenover haar was leeg. Natuurlijk was hij leeg.

Het is hinderlijk als een schrijfster al te nadrukkelijk in een verhaal aanwezig is.

Esmee tuurde naar het voorwerp op haar handpalm. Het leek inderdaad zo’n antieke smartwatch. Of wacht, het was een kopie van haar eerste smartwatch, het geval dat grootmoeder Kim haar op haar vijfde verjaardag geven had.

Het woog niet veel en voelde op de een of andere manier levend aan. Gekweekt, ging het door haar heen, gegroeid. Niet gemaakt.

‘Heb je een naam?’ probeerde ze. Alles wat smart was, kon praten, al werd het meestal na een kwartier duidelijk dat ze geen werkelijk bewustzijn hadden, geen ego en geen hier-benik.

Een androgyn gezicht verscheen in de lucht, de gelaatstrekken even neutraal als van een etalagepop. Het was bovendien half doorzichtig: waarschijnlijk om duidelijk te maken dat het hier een projectie betrof.

De ogen draaiden, keken Esmee recht aan. Eerst waren de pupillen niet meer dan speldenpuntjes, maar toen verwijdden ze zich en vormden groene irissen met minieme vlekjes goud.

‘Ik heet Liss. Ik ga je helpen je tijdlijn aan te passen.’

‘Hoe dan?’ Het kwam er bitser uit dan Esmee eigenlijk bedoelde, maar ze hield er absoluut niet van om van iemand, iets, afhankelijk te zijn. Het ging om haar verdriet en haar wraak.

‘Zie het als een treinreis,’ begon de AI. ‘Je hebt de hoofdlijn, en telkens als je iets veranderd, sla je een zijspoor in, die dan je hoofdlijn wordt.’

‘Ja, ja. Dat snap ik wel. Maar wat kan ik… jij dan voor mij veranderen?’

Esmee kon het niet helpen, haar zenuwuiteinden waren nog te rauw. Het liefst zou ze nu een knetterende ruzie maken, maar ruziën met een AI was als het stompen van een wolk mist: totaal onbevredigend. Bij je ergste beledigingen zei een AI enkel ‘Kun je dat verder uitleggen?’

‘Ik kan veranderen wat je maar wilt,’ was het antwoord van Liss. Inmiddels hield Esmee geen apparaat meer vast, maar een boek. Een moment later, nadat ze met haar ogen knipperde, had ze een pistool in handen. Het was matzwart, met een blauwe schicht op de kolf.

‘Ik kan je kleden in de juiste outfit voor elke tijd en gelegenheid.’

Plots droeg Esmee een gaasjurk die ten tijde van de eerste kleding­printers zo populair was geweest. Vervolgens jeans en het T-shirt van het Rolling Stones afscheidsconcert, waarnaar ze met haar groot­vader geweest was, om te eindigen met het colbertje en de froezel­bloes die ze ooit op de kerstborrel van haar eerste baan had aangeschoten.

‘Erg leuk, maar wat kan je echt? Wat kan je in de tijdlijn aanpassen?’

‘Alles,’ verzekerde Liss haar, ‘maar je bent gebonden aan zekere regels. Je kan enkel de tijdlijn op je persoonlijke vlak veranderen, en ik mag geen dood of letsel veroorzaken. Heidelberg wegvagen met een atoombom, zodat jullie er nooit op vakantie gaan, is een ‘no no’. En ik mag Jonathan ook niet voortijdig laten sterven. Hij heeft zijn eigen verhaal en dat heeft een gefixeerde lengte. Je hebt vier kansen de tijd te veranderen, haltes zogezegd, en je kan nooit terug in de tijd gaan om een beslissing ongedaan te maken. Er zijn meer regels, maar daar kom je vanzelf wel achter. Mocht je iets willen weten, vraag het gewoon. Daar ben ik voor.’

‘Uhu.’

Jonathan, haar beste vriend, de dief van haar geliefde, haar grootste concurrent. Als ze nooit vrienden waren geworden, dan had hij Mariska nooit ontmoet. Dan had Mariska alleen van haar gehouden.

‘Ik weet wat ik wil,’ zei Esmee.

 

Eerste halte: Montessorischool, Laan van Poot, Den Haag

Royalty Watch: Prinses Amalia krijgt concert aangeboden in de Gothische Zaal van de Raad van State ter ere van haar tiende verjaardag. Klik voor feed.

 

Stap in,’ zei Liss op het perron. ‘Welke trein doet er niet werkelijk toe. Ze gaan allemaal naar Nederland. Naar je eerste dag op de kleuterschool.’

Zo’n twee, drie minuten leek alles normaal in de coupé: ze reden onder het kasteel door, de Neckar alleen zo nu en dan tussen de bomen zichtbaar, maar ineens vlakte het landschap af. Windmolens doken op, een V van overvliegende ganzen.

‘Zuid-Holland,’ kondigde Liss aan. ‘Je bent nu vier. Normaal zou een vierjarige zich deze dag nooit herinnerd hebben maar je eerste dag op de kleuterschool maakte blijkbaar indruk.’

Remmen gierden en de trein was in een HTM-bus veranderd, zag Esmee, zo’n ouderwetse met opgepompte wielen en ruiten die enkel van glas waren en geen schermen vol bewegende reclame.

De Montessorischool lag aan de overkant van de Laan van Poot en hij was reusachtig: een rode klomp steen met blikkerende ramen.

‘Goed,’ zei Liss. ‘Je bent een kleuter met blauwe laarsjes waarop teddy­beren met kikkers dansen. Veel te heet voor dit weer maar je stond erop. Je zit op een driewielertje.’

‘Eerst naar links en dan naar rechts,’ zei een stem. ‘En dan weer naar links.’

Ze voelde een steek van verdriet. Haar moeder.

‘Kan ik niet…?’ vroeg ze aan Liss.

‘Nee. De datum van ieders dood is gefixeerd. De eerste en laatste bladzijden van een boek. De lijst van een schilderij.’

Esmee kneep haar ogen stijf dicht toen haar moeder haar kuste.

Een laatste ‘Tot straks, liefje!’ en de voetstappen verwijderden zich.

Daar stond Jonathan, blonde krullen en een of ander knuffelbeest onder zijn armen. Iets met stippen. Een giraf? Ja, Gira de Giraf. Had Jonathan die al zo lang?

Goed. Geen sentimenteel gezwijmel. Jonathans vader draaide zich om en Jonathan stond alleen in een hoekje van het schoolplein. Geïsoleerd. Kwetsbaar. Een geboren slachtoffer.

Esmee zette af, ramde zo hard op de trappers als ze kon. Ze knalde met zo’n dreun tegen Jonathans linkerbeen dat hij molenwiekte met zijn armen en onderuit ging.

Haar vijand krabbelde overeind, zijn ogen groot van angst.

Zijn knie was geschaafd, zag Esmee, en bloedde. Dat was veel harder dan de eerste keer. Goed.

‘Sorry, sorry!’ jammerde Jonathan.

Ze reed achteruit, maakte vaart en ramde hem opnieuw.

‘Ik haat je!’ krijste ze naar hem. ‘Ik krab je ogen uit als ik je ooit weer zie!’

Wacht, het kan nog beter.

Zijn giraf lag een halve meter verder en ze reed er dwars overheen.

Ze keek omhoog. ‘Ik ben klaar, Liss. Haal me maar op.’

Om haar heen vervaagde het schoolplein.

 

Tweede halte, strandopgang Kijkduin, Den Haag.

Royalty watch: Prinses Amalia haalt haar scooterrijbewijs

 

De coupé had deze keer zachte banken van printleer en een barretje. Buiten gleed een nachtelijk berkenwoud met een enorme witte maan voorbij. Melancholieke banjo-shamisen muziek speelde op de achter­grond. Het was het soort strenge romantiek die Esmee op een ander moment wel had kunnen waarderen. Nu had ze een keiharde knoop in haar buik.

‘En?’ vroeg Liss. Inmiddels had de AI een volledig lichaam.

Zij droeg een donkerblauw stewardess uniform. Liss was niet bijster lang, wat ze leek te willen compenseren door opgestoken haar en hoge hakken. Ergens was dat een beetje belachelijk, maar op de een of andere manier ook weer vertederend.

Net een jong meisje dat indruk probeerde te maken. Ze wil dat ik haar aardig vindt. Behalve dat een AI natuurlijk niet meer dan een programma was en nooit werkelijk iets kon voelen.

‘Ik reed twee keer tegen zijn been, Liss. Ik beloofde dat ik zijn ogen zou uitkrabben. Weinig kans dat hij nu nog naast mij gaat zitten en ik die middag in zijn achtertuin in het poedelbadje ga spelen.’

Ergens voelde ze zich wel een beetje lullig dat ze Jonathan zo bang gemaakt had. Zulke grote angstogen en had mij nog niets gedaan. Nee, hij heeft Mariska van mij gestolen. Uiteindelijk bleek hij gewoon een man, zoals alle andere kerels.

Ze draaide zich naar Liss. ‘Maar is het gelukt? Is hij uit mijn leven verdwenen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Liss.

‘Dat weet je niet? Jij komt toch uit de toekomst? Hoe kan je het niet weten?’

‘Ik ken de geschiedenis van de oude tijdlijn, niet van deze. Als je het wilt weten, moet je ergens uitstappen en zelf kijken.’

Shit.

‘Breng mij dan naar Mariska. De dag dat we, dat ik haar ontmoette. Dan zie ik het vanzelf.’

‘Is het niet handiger om een paar jaar eerder te checken of Jonathan nog steeds bij je rondhangt? Dan kan je eventueel nog dingen aanpassen als dat nodig mocht zijn.’

‘Je hebt groot gelijk. Ga maar naar een punt toen ik, ja, twaalf was. Toen kwam ik er achter hoe ik in elkaar zat. Waarom ik jongens zo irritant vond.’

Liss knikte. ‘Ja, lesbo en serieel monogaam. Liefde tot de ruzie ons scheidt.’

‘Ik dankte al mijn andere vriendjes af. Als Jonathan dan nog niet weg is, moet ik krachtiger maatregelen nemen.’

Met een pneumatische zucht sloot de deur van bus 24 zich achter Esmee. Kijkduin, de plek waar Jonathan en zij ’s zomers naar het strand gingen. Daar waren ze ooit begonnen met het schatjes spotten. Nou ja, zij was er mee begonnen en Jonathan was er hakkelend en met een rood hoofd in meegegaan.

Ha! Ze had hem heel wat ongemakkelijke momenten op het strand bezorgd. Jongens waren zo gemakkelijk te manipuleren.

Esmee inspecteerde zichzelf. Ja, ze was een jaar of twaalf en gekleed voor het strand. Stond Jonathan aan de voet van het duin op haar te wachten of niet?

Ze stak het Deltaplein over waar een paar Pokémon jagers verbeten naar hun telefoon zaten te staren. De rage was al jaren voorbij, maar volgens de geruchten dwaalde ergens in Kijkduin de superzeldzame Platinum Porygon rond. Als die bestond tenminste. De Haagse VVV beweerde in ieder geval van wel.

Esmee negeerde de andere bezoekers – Duitse toeristen, een witharige man met een bierbuik die een kapsalon extra bestelde, één of andere schrijver die driftig op zijn blauwe notebook zat te tikken – en rende het laatste stuk.

Bovenaan de afslag stopte ze alsof ze tegen een betonnen muur botste.

Een maar al te bekende figuur stond beneden met rugzak en handdoek op haar te wachten. Jonathan.

‘Fuck, hij was gewoon te aardig. We zijn toch vrienden gebleven.’

‘Dat zat er in,’ sprak Liss. ‘Vooral omdat je je waarschijnlijk niet herinnerde waarom je tegen zijn been gebotst had.’ De AI kwam net aanlopen, gekleed in een wetsuit en met een plank onder haar arm, klaar om te windsurfen bij de Zandmotor. Ze droeg haar blonde haar in tientallen rastavlechtjes.

‘Jij kan toch alles doen?’ vroeg Esmee zonder haar blik van Jonathan af te keren. Ze zwaaide naar haar vriend, de verrader, meisjesdief. ‘Goed. Als zijn ouders nu eens…’

‘Promotie,’ knikte Liss. ‘Een aanbod dat een man onmogelijk af kan slaan. Vooral als hij net boventallig is verklaard.’

‘Zijn vrouw ook. Boventallig bedoel ik.’

‘Geen probleem.’

‘En ergens echt ver weg. Absoluut geen Heidelberg.’

Jonathans gezicht stond bedrukt toen Esmee bij de voet van het duin aankwam.

‘Wat is er?’ vroeg zij, hoewel zij het natuurlijk dondersgoed wist.

Waren dat tranen in zijn ogen? Stik… Hij was dus toch verliefd op mij, maar te verlegen om er werk van te maken. Esmee slikte. Maar dan weet je nu ook hoe het voelt, klootzak. In de toekomst roof je mijn geliefde en breek je mijn hart.

‘Mijn pa,’ zei Jonathan. ‘Hij heeft een baan in het buitenland aangeboden gekregen. Singapore.’

‘Oh!’ speelde Esmee.

‘We verhuizen volgende maand al.’

Esmee legde een hand op zijn schouder. ‘Dat is kut. Zo kut. Maar we houden contact.’

Ze wist dat dat nooit zou gebeuren. Een paar berichtjes, misschien nog twee, drie keer elkaar zien als hij toevallig in Nederland was.

Zij was bereslecht in het onderhouden van contacten. Jonathan zou zijn best doen, maar na hooguit een half jaar was zij met totaal andere dingen bezig. Zo zat ze nou eenmaal in elkaar. Het soort volwassenwijsheid dat ze in de loop der jaren over zichzelf had geleerd.

‘Dat… Dat doen we zeker,’ zei Jonathan. Ze zag hem zich vermannen, zijn schouders rechttrekken. ‘Oh, op twaalf uur, dat blonde meisje met die duikplank. Is dat geen stuk?’

Liss? De AI banjerde door het zand naar het water toe. Haar rasta’s hopsten vrolijk mee met elke stap.

Dat is een hyperintelligente computer uit de toekomst, wilde Esmee zeggen, maar ze bedacht zich. Dat zou vast en zeker tegen de regels zijn. In plaats daarvan antwoordde zij: ‘Ow, ja. Zie je wel, je gaat mij niet eens missen.’

‘Echt wel.’

Dief, leugenaar, verrader. De woorden waren plotseling veel van hun kracht kwijt. Het was verdomde moeilijk boos te blijven op die onhandige slungel van een Jonathan die nog niets verkeerds had gedaan.

Halverwege de middag zond Esmee zichzelf een dringend bericht.

‘Mijn tante,’ zei ze. ‘Het gaat heel veel slechter met haar.’

Joanthan vroeg niet welke tante: zowel Esmee’s moeder als haar vader kwamen uit een groot gezin en Esmee had meer tantes en nichten dan Jonathan ooit ontmoet had.

Toen ze bus 24 binnenstapte, was ze terug in de coupéachtige ruimte, en opnieuw volwassen.

Liss wachtte haar op met een chai tea latte en een schaal gemberkoekjes, absoluut Esmee favoriete combinatie. ‘Hoe ging het?’

‘Hij gaat naar Singapore.’

‘Ah. Ik had Ulan Bator geprobeerd maar dit lijkt mij ook effectief.’

Liss draaide een lok tussen haar vingers. ‘En nu?’

‘Heidelberg. Ik pak het op waar het mis ging. De dag dat we samen aan de rivier zaten. Alleen zullen we met zijn tweeën zijn. Geen Jonathan om haar van mij af te nemen.’

‘Zo je wilt.’

 

Derde halte: Heidelberg

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Hoe ver nog?’ vroeg Liss.

Ze rende drie meter voor Esmee uit en vergat een schaduw te werpen. De stiletto-hakken van haar laarsjes raakten de stenen hoogstens elke derde stap.

‘Bijna! Ik zie het stalletje al.’

Het was dezelfde ober met de hanenkam en de enkele oorbel, precies hetzelfde luid sprekende gezelschap met de jagershoedjes en de twee Chinezen die druk op een tablet tikten.

Het tafeltje naast de haag was leeg. Aan de overkant van de rivier voer een wit raderschip langs met een blond gelokte Lorelei als boegbeeld.

‘Dat schip,’ zei ze tegen Liss. ‘Mariska wees ernaar en zei tegen Jonathan: ‘Dat is nog eens een mannenverslinder. Je zegt dat altijd van mij maar ik ben heilig vergeleken met haar. Ze…’

‘Stop,’ zei Liss, ‘je raaskalt en je hebt het duidelijk niet goed overdacht. Waarom zou Mariska hier op je wachten? Ze heeft met niemand een afspraak. Niet met jou en niet met Jonathan. Ze kent jullie niet eens.’

‘Je heb gelijk. Shit. Ik ben een uilskuiken.’

‘Geen reden tot wanhoop. Het is enkel wat gecompliceerder dan je hoopte. Je kunt haar niet zomaar om de hals vallen en met kussen overladen.’

‘Ze is een vreemde,’ zei Esmee, ‘maar dat hoeft ze niet te blijven.’ Ze fronste. ‘Studeert ze nog steeds biologie?’

Liss kreeg die peinzende blik in haar ogen die erop duidde dat ze een heel bos alternatieve tijdlijnen aan het afzoeken was. ‘Hebbes. Ja. En het adres is ook hetzelfde.’

‘Als ik aanbel, waar zou ik haar dan van kunnen kennen?’

Tja, ze is lid van het Nivon. De vereniging van natuurvrienden. Er was een kamp in de Harz. Vogelspotten, martersporen zoeken. Dat soort zaken.’

‘En ik was daar ook? Kun je dat regelen?’

‘Je was al jarenlang een behoorlijk actief lid van de Nivon. Op de tweede nacht ritsten jullie je slaapzakken aan elkaar. Niet in het echt: maar ik kan het faken.’

Liss tikte Esmee’s voorhoofd aan en ineens waren al die valse herinneringen aan haar lidmaatschap daar: een waslijst van vogels en hun silhouetten, de noten van hun zang, een excursie naar Schiermonnikoog. Wadlopen terwijl de zon zich net uit de ochtendnevel ophees: een volle maan boven zilveren wadden. En het kamp natuurlijk.

‘Goed. Ik weet het, maar weet Mariska dat ook?

‘Sommige zaken zul je zelf moeten regelen.’

Mariska had geen eigen bel en Frau Husse opende de deur persoonlijk.

‘Ik kom hier voor Mariska,’ zei Esmee in haar beste Duits. ‘Ik ben een vriendin van het Nivon.’

‘Und Ihr Name?’

‘Esmee. Esmee Anguilla. Von das Nivon.’

Mariska had geen moeite om zich Esmee te herinneren: een korte aarzeling, amper merkbaar. Geen wonder: ze was eerder al voor Esmee gevallen en als een beautiful stranger bij je aanbelt en zegt een slaapzak met je gedeeld te te hebben, wie ben je dan om daaraan te twijfelen? Bovendien was Esmee een absoluut authentiek Nivon meisje. Wie anders dan een rechtgeaarde vogelvriendin kon de roep van een roodkop­klauwier zo perfect nabootsen?

Esmee was geen Liss maar ze kon Mariska’s gedachten toch perfect lezen. Hoe kon ik zo’n schatje in vredesnaam ooit vergeten? En meteen daarop. Vraag niet hoe het kan, maar geniet ervan.

Het bed was hetzelfde. Een stapel kussen en troetels, de poster met ‘Vögel der Alpen’ aan de muur.

De troetels. Er was iets mis met de troetels. Daar was de blauwe slang met de manga ogen. Het rendier waarvan de uiteinden van het gewei enigszins gemangeld waren omdat Mariska er vroeger op gesabbeld had. Gira de Giraf.

Mariska nam Esmee’s hoofd in haar handen en kuste haar recht op de lippen. Toen de tongpuntjes elkaar raakten, vergat Esmee alles over Gira de Giraf.

 

Die ochtend bivakkeerden er geen jodelende worstenventer en de blaas­kapel was vervangen door een narco-corrido band. Net boven de berg­toppen dreef een konvooi zeppelins over.

Waren er al eerder zeppelins geweest? Het deed er niet toe. Iedereen hield van zeppelins.

‘Dat was heerlijk,’ zei Mariska. ‘Echt klasse en het is ook zo fijn om dingen te delen. Om te kussen met een meisje dat weet dat er vijf soorten koekoeken bestaan en pinguïns niet zwemmen maar door het water vliegen.’

‘Je zei iets over een stage?’

‘Ik overweeg het, maar ja, dan zou ik mijn verloofde drie maanden niet zien.’

‘Je verloofde?’ Ze kwaakte de zin bijkans uit.

‘Ja, Jonathan heet hij, Jonathan Broese. Ik kwam hem tegen op een congres in Singapore.’

‘Aha. En jullie zijn… verloofd?’

‘Komt door Singapore. Daar moet alles heel formeel. Zijn vader is iets hoogs bij een Chinese bank. Eerst verloven en dan pas trouwen.’

‘Hij boft. Vertel hem maar dat hij boft.’ Ze wendde haar blik af. ‘Weet je wanneer de trein richting Nederland vertrekt?’

‘Je hoeft echt niet weg te rennen. Jonathan vindt je vast aardig. Hij heeft nooit moeite met mijn vriendinnen.’

‘Nee, sorry. Het was een impuls. Ik reed langs en dacht ineens: Verrek, woont Mariska hier niet? En morgen beginnen de colleges weer.’

‘Een laatste tongzoen dan voor onderweg.’

 

De trein boorde zich door de tijd. Buiten schoven dagen en nachten als schaduwen voorbij.

Liss hield Esmee vast, klopte haar op de rug terwijl de tranen maar bleven stromen. Hoewel de aanraking vederlicht was, met Liss niet meer dan een projectie, hielp het toch. Een heel klein beetje.

‘Ze houdt niet van me. Hield nooit van mij. Ja, als leuk vriendinnetje, als schatje, maar niet… niet…’

Nieuwe tranen.

‘Sera sera,’ zei Liss. ‘Shh.’

‘Maar ik wil dat ze van mij houdt! Ik wil dat de sterren in hun baan stoppen, ik wil dat alles stilstaat totdat Mariska van mij houdt en van niemand anders.’

‘Dat kan ik niet doen,’ antwoordde Liss. De AI klonk zelfs een beetje ongelukkig, waarschijnlijk een of andere sympathiesubroutine. ‘Kom, je hebt slaap nodig. Je bent volledig uitgeput.’

‘Ik wil niet slapen. Ik wil nooit meer slapen!’

‘Shh.’ De AI hield haar hand tegen Esmee’s hoofd en langzaam vielen haar ogen toe. Een bed schoof uit de muur en ving haar op toen ze ineenzakte.

 

Toen Esmee haar ogen opende, stond er een ontbijt naast het bed voor haar klaar.

Croissants met roomboter en hagelslag. Haar stiekeme doodzonde.

‘Ik heb geen trek.’

‘Je moet eten. Je hebt een lichaam dat niet zonder bouwstoffen kan,’ drong Liss aan.

‘Nee. Het heeft allemaal geen zin. Alles is nutteloos. Het heeft niets uitgehaald. De tijd wil niet dat Mariska en ik samen gelukkig worden.’

‘Je kan het nog proberen. Je hebt nog een halte over…’

Esmee lachte schamper. ‘Mariska en Jonathan gaan trouwen. Ik kan daar niet tussenkomen. Zij heeft hem gekozen boven mij.’

‘Wat wil je dan?’

Esmee haalde haar schouders op. ‘Laat mij gaan. Het heeft allemaal geen zin meer. Ik ben op.’

‘Als dat je wens is…’

 

‘Het gaat je goed, Esmee. Sterkte, lieverd.’

Esmee hoorde nog net die woorden uit Liss haar mond voordat de treindeur zich definitief sloot. Lieverd. Het klonk alsof ze het meende. Zo jammer dat ze niet meer dan een spook is, een projectie die van nulletjes en enen gemaakt is.

Ze keek om zich heen: het perron van Den Haag Centraal aan de steunbalken te zien.

Terug in Den Haag. Maar wanneer? Esmee trok haar smartphone en raadpleegde een half dozijn newssites. Het nieuws was gloednieuw maar niet werkelijk schokkend.

Laatste Pokémon Kijkduin eindelijk gevangen

Miami ontruimd na Hurricane Hillary

Ze stak de smartphone terug in haar foedraal. Dit is de toekomst maar veel verder dan een paar maanden kan het niet zijn. Een half jaar hoogstens. Ja, dat meisje draagt nog glazen laarsjes: mode is veranderlijk.

De gedachten kwamen traag als stroop. Ze was kapot, uitgewrongen.

Even daas als een Pokemonjager stommelde Esmee het station uit.

De Herengracht, Korte Poten.

Ten slotte kwam Esmee uit op het Plein. De terrasjes puilen uit: zoveel mensen die van de nazomer genoten.

Het stel zat aan een tafeltje te lachen en te wijzen. Zij zes, zeven maanden zwanger, hij zijn hand op de hare. Beiden overduidelijk gelukkig.

Mariska en Jonathan. En ze zijn aan het spotten. Elkaar interessante mensen aan te reiken als kleine cadeautjes.

Hun blikken kruisten elkaar, net als die eerste keer, drie tijdlijnen geleden. Alleen was zij nu de vreemdeling, het schatje.

Geen spoor van een klik of herkenning. Voor Jonathan was ze hoogstens een oude schoolvriendin, die hij helemaal uit het oog verloren had, voor Mariska niet meer dan een vluchtige ontmoeting. Een one-night-stand die nooit een vervolg had gekregen.

Een laatste kans, daarom heeft Liss mij hier afgezet. Behalve dat er geen laatste kans is, geen enkele mogelijkheid meer tot aansluiting, tot contact. Maar hoe kan een AI dat ooit begrijpen?

 

Het was nacht toen ze in Kijkduin arriveerde, het roestige reuzenrad een immens wiel tegen de hemel. Heel de dag had ze gedwaald, maar uitein­delijk had de zee haar geroepen. Golfjes rolden aan vanuit de maan­verlichte horizon en sloegen om in een ruisende zucht.

Het is zo eenvoudig. Stap het water in en loop door. Begin te zwemmen als je geen zand meer onder je voeten voelt.

Ze schopte haar schoenen uit, knoopte haar sjaal los.

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’

Het was de vrouw uit de toekomst die haar gezicht had gestolen.

Opeens voelde Esmee de diepe woede waar ze eerder die dag naar gesnakt had.

‘Jij! Kom je je verkneukelen? Moest je grinniken toen je zag hoe al mijn pogingen in het honderd liepen? Een kunstenaar? Je bent wreed en kwaadaardig!’ Esmee balde haar vuisten. Nog twee, drie seconden en ze was boos genoeg om te slaan.

Als de vrouw echt een almachtig wezen was, zou ze het waarschijnlijk niet overleven. So what? Het is vast sneller dan ver­drin­ken.

‘Wacht,’ sprak de vrouw. ‘Je verhaal is nog niet afgelopen. Dit is een belachelijk einde. De lesbo die zelfmoord pleegt omdat ze de liefde van haar leven verloren heeft? Hoe banaal kun je zijn?’

Onzin! Wat moet ik zonder Mariska?

‘Ik zal je het laten zien.’

Het toegestoken kaartje was beslist smaakvol; ook al zouden alleen intimi de juichende giraf met het tekstwolkje begrijpen.

 

Hallo lui,

 

Ik ben Gira de Giraf en wilde even vertellen dat

mijn baasjes Jonathan en Mariska

intens gelukkig en blij zijn met de geboorte van hun dochter

 

Liss

 

‘Al onze AI’s hebben een levend voorbeeld, een origineel,’ zei de vrouw, ‘en het liefst eentje dat in deze tijd thuishoort. Je hebt nog steeds één halte over. Tweeëntwintig jaar verder moet genoeg zijn.’

En de kwallen glanzend als parels in het maanlicht : Tais Teng

Helga’s tante kweekte sierkwallen en Helga rolde zoals gewoonlijk elke ochtend als eerste uit haar hangmat en stommelde naar het grote aquarium op de voorplecht van hun woonboot. De zon wipte net boven Dijk Europa uit en verschoof in een paar hartenkloppen van bloedrood naar zengend wit.

De kwallen fonkelden in het lage zonlicht, even kleurig en complex als orchideeën en stuk voor stuk dodelijk giftig.

Helga kon iedere soort benoemen: de mercator­kwallen met hun gouden kompasroos, de blauwe virago’s en de regenboogkralen die nooit groter dan je duimnagel werden.

Helga goot de beker met panische garnalen leeg en drukte haar neus tegen het pantserglas. Het was altijd fascinerend om te zien hoe de tentakels hongerig rondslierden. De een na de andere garnaal verstarde en werd de maagholtes ingetrokken.

Zodra de kwallen op kleur waren, vatte tante ze in helder plastic of synthetische barnsteen. De dode­lijke kwallen eindigden als kralen­kettingen en hangers of als bijzonder gewaagde oorbellen. Alleen de toe­risten kochten ze: elke Buitendijker had wel een familielid of vriend stuiptrekkend uit de zee moeten vissen.

Na de kwallen liep Helga naar de achterplecht om de kweeknetten met kelp binnen te halen. De woonboten en piepschuimenvlotten van Buiten­dijks reikten tot voorbij de westelijke horizon: zes miljoen zeezigeuners die letterlijk van de wallenkant geduwd waren door de schatrijke een- procenters.

Helga snoof de geur van smeulende wiervuurtjes en de droogrekken met zwaardvis genietend op: het was diep vertrouwd, geruststellend. Het betekende dat nie­mand honger of kou hoefde te leiden. Dat ze zich prima konden redden zonder die weke Wallen­kanters. ‘Helga?’ riep tante Rimca uit de kajuit. ‘Jij en Ciska nemen de kraam vandaag over. Ik heb een stel verse kwallen te lakken.’

‘Geen probleem!’ riep Helga terug. En het was beter dan geen pro­bleem. Ze was dol op de kleurige drukte van de Goodelieve markt, het jodelen van de nachtmeeuwen op de Admiraal Schuyvertoren, de stank van roosterende zeekomkommers.

 

Toen ze op de markt arriveerde, had Ciska de kraam al opgezet, en de kwallenkettingen uitgestald. Als lokker stond er een miniatuur-aquarium met levende kwallen en een bordje met ‘Niet aanraken! Levensgevaar!’ in zes talen. Het doodskopje met gekruiste beenderen was voor de analfabeten.

 

Ze verkochten een dozijn kettingen en een retort met een levend kwalletje aan twee giechelende Wallen­­kanters­meisjes.

‘Wees er voorzichtig mee,’ zei Ciska. ‘Het is een echte zeewesp. Eén steek en je rolt schuimbekkende over de grond.’

‘Ges!’ zei het kleinste meisje en ze giechelden nog harder.

Ciska mikte de kettingen in een kluisje, trok het titanium gordijn van de kraam dicht.

‘Tijd voor een pauze. Ik weet iets geinigs.’

Ze viste een zijden sarong uit haar tas, twee pumps van geëtst staal­glas.

‘Hoe kom je daar aan?’ riep Helga. Ze voelde een steek van heerlijke angst. ‘Dat zijn Wallekanters­spullen,’ vervolgde ze fluisterend.

‘Eerlijk gestolen. Ik liep de hamam in en trok hun spullen in de kleed­kamer aan. De mijne liet ik achter.’ Ze trok een tweede sarong uit haar tas. ‘Ik heb er ook eentje voor jou.’ Haar glimlach werd een brede grijns. ‘Voor het komende uur zijn we twee Wallenkanters­trutjes.’ Ze trok aan Helga’s arm. ‘We gaan gewoon bij Tantoretti zitten.’ Ze knikte naar de uitkijktoren met het roterende terras.

‘Maar dat kan ik onmogelijk betalen! Een cocktail kost daar meer dan ik in een maand verdien.’

‘Niet als iemand anders het betaalt. Laat dat maar aan mij over.’

 

De portier liet hen zonder probleem door. Dames waren altijd welkom, behalve als ze al te onvast op de benen stonden.

Deze week was het thema Ruimte, zag Helga. Drones in de vorm van SpaceX-landers brachten de drankjes rond en de spiesen met gamba’s. Boven hun hoofd dreven de ruimtesteden langs: Putingrad en Nue Berlin, Goederede met zijn immense zonnezeilen.

Ciska liep regelrecht op een tafeltje met twee jongens af. Ze waren duidelijk ouder dan Helga en Ciska: eerder drieëntwintig dan zestien.

‘Hei garçons,’ zei Ciska ‘We zijn twee arme Buiten­dijkersmeisjes en behoorlijk dorstig.’

De grootste jongeman, die met de neusring en de bio hazard tatoeage op zijn kaalgeschoren kruin, wierp een blik op Ciska’s pumps en grijnsde. ‘Vast wel. En wat willen jullie drinken?’

Het terras lag zo hoog dat Helga Dijk Europa boven de daken en masten zag uitsteken. Boven de Wallenkant kleurde de hemel lichtrood: dat was het hemelweb dat het zengende ultraviolet tegenhield boven de Randstad maar uiteraard niet boven Buitendijks.

 

Helga nipte aan haar tweede cocktail. Het smaakte voornamelijk naar anijs maar er zwom wel een miniatuur duikboot in rond.

‘Vertel mij over jezelf?’ vroeg de andere jongen.

‘Ik?’ Toen ze opkeek, was Ciska verdwenen, samen met de andere jongen. Handig. ‘Eh, jij eerst.’

‘Mijn vader is dijkgraaf,’ begon de jongen. ‘Een van de negen. Dijk Europa is zestig meter hoog, met diamanten stootplaten en een kern van geschuimd titanium maar een vloedgolf… Nu, die komen verdraaid hard aan. Mijn vader heeft twintig duizend cyber­spinnen onder zich die elk gat meteen dicht­weven en meer drones dan er zeemeeuwen boven de visafslag vliegen. Mijn moeder, ze is een Telefunken von Eind­hoven. Oude elektronica adel. En jouw ouders?’

‘O, die zijn dood. De laatste tsunami smeet onze woonboot om. Als ik niet op de jongste van mijn tante aan het oppassen was geweest…’

De jongen gaapte haar aan en grijnsde toen. ‘Och ja, dat was de afspraak: jij bent van hier.’ Hij hief zijn hoofd luisterend op. ‘Mijn compagnon, hij zegt: waarom spelen we geen Kus de Bruid?’

Helga wist dat de meeste Wallenkanters een com­puter in hun hoofd hadden. Een AI niet groter dan een sneeuwvlok die samen met hen opgroeide en gewoon­lijk heel wat slimmer was dan zijn mens.

‘Kus de bruid?’

‘Tja, een meisje van hier kent dat natuurlijk niet. Het is een dating site. Log in en toon twee foto’s. Het programma vertelt dan of we bij elkaar passen.’ Hij tikte zijn oorlel aan. ‘Mijn compagnon zegt dat het program­ma onfeilbaar is. Een Turing zestien AI bestuurt het.’

Ineens hingen er twee foto’s boven het tafeltje, plus een knipperende balk. ‘De balk loopt van een tot tien,’ zei de jongen. ‘Bij alles onder de vijf kun je maar beter meteen gif in zijn of haar beker gieten. Acht is al ‘lang en gelukkig’ maar tien, dat is het Tristam en Isolde niveau. Totaal voor elkaar bedoeld. Trouw zo eeuwig dat de dood zulke gelieven niet eens kan scheiden.’

‘Zijn jullie er klaar voor?’ sprak een diepe stem. Diep en galmend en absoluut wijs. Het soort stem waarmee tante Rimca’s god Krishna waar­schijnlijk zou spreken.

‘Ja,’ zei Helga en ineens voelde haar tong vreemd droog. Dit is menens.

De foto’s schoven in elkaar, vervloeiden.

De vonk begon bij de een en ze hoorde gekijf, het geluid van brekend glaswerk.

‘Later we eens verder inzoomen,’ sprak de goddelijke stem. ‘Dieper integreren.’

De vonk schoot voorbij de vijf en het glasgerinkel maakte plaats voor een opgetogen lach, vogelgezang en het murmelen van beekjes.

De foto’s sidderden en de vonk schoot naar het einde van de balk, gloeide goudgeel op.

‘Dit is bizar,’ sprak de stem en er klonk een diepe verbazing in door. ‘Honderd procent compatibel. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: mensen die zo perfect bij elkaar passen.’ Trompetten schalden. ‘Gefeliciteerd! Jullie zijn het soort gelieven dat de kwallen als parels ziet glanzen in het maanlicht. Die jubelen met de futen.’

De jongen schoot overeind, veegde de knipperende balk weg.

‘Dit is een vuile leugen! Je hebt Kus de Bruid gehackt! Mijn compagnon vertelt me dat je echt van hier bent, een kwallendregster en dat je je schoenen en kleren gestolen hebt!’ Hij schudde zijn vuist, een vreemd onmachtig gebaar. ‘Je wilde mij verleiden! Omdat mijn vader de dijkgraaf is!’

Helga keek hem na en alles was perfect: de vorm van zijn oren, de manier waarop hij voorbij de tafeltjes stampte, zelfs zijn gebalde vuisten. Het beeld etste zich in haar brein, onvergetelijk, eindeloos kostbaar. Maar ze bleef staan, rende hem niet achterna. Helga was een Buiten­dijkse en een kwallendregster trouwen met de zoon van een dijkgraaf? Dat was het soort sprookje waarin zelfs kleuters niet konden geloven.