De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » ZiltPunk

Genres

Category Archives: ZiltPunk

Kussen onder de dijkbomen en wolkenschepen – Tais Teng en Jaap Boekestein

‘De Rijn stroomt Nederland binnen bij Lobith,’ verklaarde Marco’s vader. ‘Dat zei mijn grootvader altijd.’

Marco Zevenaar keek uit over de gortdroge rivierbedding. Een minuscuul beekje slingerde zich onder hen door en in de verte was een ingezakte verkeersbrug te zien. Verder viel er geen woning te bekennen, enkel schraal gras en oeroude, kromme bomen. Het was verboden je hier te vestigen, zo dicht bij Nederzee.

‘Dit hier is Lobith?’ vroeg Marco.

‘Krek zo. Daarom nam ik jullie hier naartoe mee. Dit is het allerlaatste water dat ons land ooit zal binnenstromen.’

Onder hen gaf het beekje nog een finale, borrelende gulp van modderig water en toen zonk het moedeloos weg in het zand. Enkel gedroogde modder bleef over: de zon had ze tot zeshoekige adobe-tegels gebakken.

‘Ik had iets dramatischer verwacht, Bruno,’ zei Marco’s moeder. ‘Wanhopig klapwiekende reigers die opvliegen op zoek naar een andere rivier.’ Ze klakte met haar tong. ‘Zelfs geen verontwaardigd meerkoetje.’

‘Die zijn allemaal lang geleden naar Nederland gevlogen. Daar belanden ze tenminste niet in de pan.’

Marco keek naar het oosten, naar Duitsland. Het eeuwige ijs in de Alpen was allang verdwenen en met de schaarse regens werd elke druppel gebruikt door de honderden miljoenen op de droge landen. Bijna geen enkele rivier ter wereld bereikte tegenwoordig de zee nog.

‘Kunnen we nu naar huis?’ vroeg Edith. Zij schopte tegen een droge graspol die prompt tot stof verpulverde.

‘Terug naar de Nederzee?’ Edith was Marco’s vriendinnetje en natuurlijk ging ze deze zondag mee. Zoals zijn moeder altijd zei: ‘Een Marco zonder Edith is als een hengel zonder haakje.’

Marco draaide zich om en keek naar het westen waar het immense stuwmeer een zilveren streep was. De Nederzee reikte van het Verdronken Land van Scheveningen tot de Utrechtse Heuvelrug: zo’n tien meter diep vormde dat supermeer het grootste zoetwaterreservoir in de wereld. Marco sloot zijn ogen en sprong over naar een van de honderdduizenden drones die boven Nederland zweefden. Diep onder zich zag hij hen aan de slingerende rivierbedding staan, vier stipjes. Een knippering en hij zweefde zestig kilometer verder boven de kust van Amersfoort waar de golven aanrolden. Twee opvallend bolle wolken hingen aan de horizon, wolkenschepen die grijze regengordijnen achter zich aantrokken.

‘Verder,’ beval hij en drie drones later keek hij uit over de Stuwdijk. Ouderwetse molens lieten hun diamanten wieken nog rondsnorren maar eigenlijk was dat zwaar achterhaalde techniek. De immense osmotische filters in de dijk produceerden bijna alle bruikbare energie. Zoetwater sijpelde door de dijken de zoute pekelzee in en veroorzaakte een ladingsverschil, dat een constante stroom elektriciteit opleverde. Het stuwmeer werd zo een reusachtige accu die de eerste vijfhonderd jaar niet uitgeput zou raken. Om de drie kilometer stond een dijkboom, van wortel tot eeuwig vertakkende kruin meer dan een kilometer hoog. De biomechanische reuzen leefden van de energie die de dijk produceerde en op hun buurt verankerden ze de dijk, zogen grondstoffen uit de bodem en groeiden ze aan tot wolkenschepen.

‘Waar kijk je naar?’ vroeg Edith.

‘De Stuwdijk. Haak maar in.’

In zijn beeldveld verscheen Ediths imp, die stomme eenhoorn op rolschaatsen. Het hulpje wees naar een van de dijkbomen.

‘Moet je die boom daar zien,’ zei Edith enthousiast, ‘Zo’n joekel van een wolkenschip en het is bijna rijp!’

Ze had gelijk: aan de verste boom zweefde een wolkenschip, als een ballon aan een hoekig touwtje, klaar om weg te zweven. De wolkenschepen bestonden uit kluwens fractals die zich vertakten tot ze microscopisch klein werden. Net als de dauwnetten in de Sahara zeefden ze de waterdamp uit de lucht boven de warme zee en lieten het neerregenen in het stuwmeer. Vacuüm gevulde blazen hielden de schepen in de lucht.

‘Later als ik groot ben ga ik op een wolk wonen,’ verklaarde Edith. ‘Ik word de kapitein van een wolkenschip. De opperkapitein. Oké, Wiki de wijsneus, de admiraal.’

Zij klonk akelig zeker van zichzelf en Marco kon natuurlijk niet achterblijven. ‘En ik word dijkgraaf. Met een villa bovenop de grootste sluis, een zwembad vol zeeleeuwen en een… Een eigen tamme albatros!’

‘Goed prima de vista!’ joelde Edith en stak een vuist in de lucht. ‘Dat is dan afgesproken. Als mijn schip aanlegt dan kan ik bij je komen logeren.’

Marco kreeg een vreemd leeg gevoel in zijn buik. Maar dan zijn we bijna niet nooit meer bij elkaar. Op de een of andere manier was dat de afspraak: later als we groot zijn, trouwen we. Natuurlijk zei hij dat niet.

 

#

 

Ik ben niet eens boos, besefte Marco. Eigenlijk had ik dit wel verwacht.

Binnen in de hal was het examenfeest van het Nieuw Dordrechts Vondel College al in volle gang. De dreunende muziek deed het omringende riet sidderen en de licht-barrage weerkaatste op het donkere water van de Nederzee. En hij stond hierbuiten te wachten, in zijn nette polka pak en roodvlammende schoenen die zijn moeder die middag voor hem had geprint. De feesthal – een omgekeerde replica van Harald Ignarssons gigantisch Vikingschip – lag natuurlijk een flink eind binnengaats: de Stuwdijk was niet eens meer te zien, alleen een paar gekleurde wolkenschepen die nog vergroeid waren met de dijkbomen. Suikerspinnen met elvenlichtjes. Op een dag zouden ze uitvliegen en het ergens laten regenen. Met Edith aan het stuurwiel.

Tegen beter weten probeerde Marco haar nog een keer te pingen. Geef mij Edith van Oudekerke.

‘Er is contact, maar ze staat op niet storen,’ meldde zijn imp, een groengeschubte octopus met ramshorens en een zonnebril.

‘Heeft ze een boodschap achtergelaten? Is er iets gebeurd?’

‘Nee en nee. Haar imp geeft aan dat alles in orde is. Meer krijg ik er niet uit.’

Zij is mij vergeten. Of veel waarschijnlijker: er kwam iets tussendoor dat zij belangrijker vond. Iemand. Een wolkenmatroos die ze tegen het lijf liep, of een of ander feestje waar ze misschien een nuttiger contact kan opdoen. Zo is Edith nou eenmaal. Een berekenende, onbetrouwbare draaikont die je meteen laat vallen zodra zij iets belangrijkers vindt en die dan een paar weken later gewoon doet alsof er niks was gebeurd. Marco zuchtte. Hij had het al een dozijn keren eerder meegemaakt.

Berustend zette hij zijn telefoon op stand-by. En dit was de laatste keer. We zijn afgestudeerd! We zijn verdomme geen kind meer. Wat mij betreft kan ze van de Stuwdijk afspringen of met een wolkenschip naar Vuurland vliegen. Voor mij heeft Edith afgedaan.

‘He, wat zit jij hier te doen?’

Voor een hartenklop dacht Marco dat het meisje Edith was. Dat ze tóch gekomen was. Dat ze hem na al die keren eens niet in de steek had gelaten.

Het donkerharige meisje had paarse, flikkerende neonslierten door haar hoge kapsel gevlochten en een handvol feestdrones, niet groter dan bijen, zwierden loom rond haar hoofd. Ze droeg een zilveren jurk en gelijkgekleurde knielaarzen met plateauzolen die dik genoeg waren om er een half dorp op te laten drijven.

Mariska? Nee, Martha! herinnerde Marco zich. Haar moeder was een snoei-ingenieur van de steunwortels en haar vader… Ja, hij bestierde een rozenplantage dertig meter onder water, tegen de doorzichtige Stuwdijk. Zij is eigenlijk best wel leuk.

‘Uh, niks bijzonders eigenlijk. Hé Martha, heb je zin om te dansen? Of wil je wat drinken?’

‘Allebei klinkt goed.’ Ze glimlachte. Totaal anders dan Edith. Veel oprechter, op de een of andere manier. Zonnevlekjes in helder water. Niks geen duistere dieptes waarin hongerige barracuda’s rondzwommen.

Opeens vol bravoure, sloeg Marco zijn arm om het middel van Martha toen ze naar binnen liepen. Zij maakte geen bezwaar maar wreef haar hoofd tegen zijn schouder.

Marco en Martha. Het had iets, een vanzelfsprekend ritme. Heel anders dan Marco en Edith wat altijd een beetje stroef had geklonken.

 

#

 

Dijkgraaf Diederick van Dijk was een schoolvoorbeeld van een aptoniem, vond Marco, een naam die overeenkomt met je beroep. Met een naam als van Dijk was het zonneklaar waar hij thuishoorde. Misschien hadden ze hem in de kleuterschool gepest met die naam en hem Diederick Dijkgraaf genoemd? Hij was ook een kletsmajoor die niets zo heerlijk vond als zaken uitleggen aan ondergeschikten, dingen die ze in het eerste jaar van hun opleiding al geleerd hadden.

Ze wandelden langs de pijlers van de zweeftrein. Boven hun hoofd fonkelden de statige wieken van de antieke eenentwintigste windmolens. Een halve kilometer verder stonden ze stil, zag Marco, en waren ze genaast door kolonies witte reigers of aalscholvers. De zwarte wieken oogden druip-wit van de vogelpoep. Het was geen route om zonder paraplu te gaan.

Diederick gebaarde naar een dijkboom die in de verte oprees, anderhalve kilometer hoog met niet minder dan drie rijpe wolkenschepen aan de hoogste takken. ‘Zo’n wonder van ingenieurskunde,’ zei van Dijk. ‘Mijn hart springt op elke keer dat ik haar zie. Wortels die zich eerst om de Stuwdijk wikkelen en haar elk jaar verder versterken en ophogen. Aan de zeekant vormen ze een twijgenmuur die elk aanrollende vloedgolf dempt en bovenop worden het takken die het ene wolkenschip na het ander uitbotten.’

‘Het is een mirakels wonder,’ zei Marco maar. ‘En dat is het.’ Volgens zijn imp was spiegelen de juiste tactiek als het om lieden als de dijkgraaf ging. De man had “een mirakels wonder” een paar minuten eerder gekraaid en zou zijn eigen woorden niet herkennen maar instemmend knikken. Eindelijk een assistent die hem begreep en op dezelfde golflengte zat.

Marco’s imp was dol op oude gezegden en zou het bondig samenvatten als: ‘Je vangt nu eenmaal meer vliegen met stroop dan met azijn’.

Gewoon doorbijten. Ik ben al derde onder-assistent en het is maar een klein stapje naar assistent dijkgraaf. Eigenlijk ben ik geen haar beter dan Edith. Ik weet precies wat ik wil en bulldozer alle hindernissen uit de weg.

‘Heb je een momentje?’ vroeg zijn imp. ‘Je vrouw voor je.’

‘Voor Martha heb ik altijd tijd.’

‘Nǐ hǎo, geëerde echtgenoot!’ grapte ze in het Mandarijn. Het was een citaat uit hun favoriete serie Suzy Wang van Zeewolde-Zuid. ‘Janneke kreeg vandaag haar eerste implant bij het zuigelingenbureau en ze zit al druk te converseren met haar hoogsteigen imp.’

‘Hopelijk snapt hij er meer van dan wij,’ zei Marco. Hij voelde een steek van vaderlijke trots, Janneke’s eigen imp. Vanaf nu zal het snel gaan. Voor je het weet kruipt ze niet langer op handen en voeten.

‘Meer van snappen?’ zei Martha. ‘Wat valt er te snappen? Zo moeilijk is het niet. Jupjup is speentje. Eehr betekent de teddybeer en meestal Waar is mijn teddybeer nu weer? Jajup of Linlin betekent Zing nog een liedje en met je eigen lippen, niet uit dat stomme muziekdoosje met het trektouwtje want dat kan ik zelf ook wel. Iiihp! is Ik heb een natte luier en de verschoon-chip is weer kortgesloten.’

‘Ik sta met mijn mond vol tanden.’

‘Ze kent ongeveer evenveel woorden als een chimpansee maar dat wordt later vast wel beter.’

‘Het was fijn om te horen, maar ik moet door. Mijn dijkgraaf doet dat ding met zijn wenkbrauwen weer. We zijn op inspectie langs de zuiderfilters.’

‘Hij is een grotere aandachtvrager dan welke baby ook. Maar ja, het is voor een goed doel.’ Ze stak een vuist in de lucht en brulde: ‘Heil doorluchtige Dijkgraaf Marco!’

 

#

 

In de kop van het bericht stonden de gebruikelijke gegevens.

Aan: assistent-dijkgraaf Marco Zevenaar

Van: tweede steward van de Willem Alexander Edith van Oudekerke

Onderwerp: dankies!

Formaat: clip Speeltijd: 00:00:21

Edith had de clip opgenomen tegen de achtergrond van de Rocky Mountains, maar het had net zo goed ergens anders op de wereld kunnen zijn. De ene droge berghelling overdekt met zonnepaneelramen leek precies op de andere droge berghelling met zonnepaneelramen. Een gebruinde kerel in het uniform van eerste stuurman stond naast haar, zijn met tatoeages overdekte arm bezitterig om haar schouders.

Ediths buik vertoonde een maar al te bekende bolling. Ze glimlachte breed in de richting van de cameradrone. ‘Ha die Marco, dankies voor de gelukwensen van ons huwelijk. Eddie en ik vinden het super.’

Eddie knikte met de tevreden blik van een kerel die wist dat hij de hoofdprijs had binnengesleept.

‘Zoals je ziet ben ik inderdaad op een wolkenschip terecht gekomen, net als ik altijd wilde. Ik ben inmiddels opgeklommen naar tweede steward. We varen overal over de wereld. Een geweldig leven! Ik zou niks anders willen. Jij bent tegenwoordig assistent-dijkgraaf? Dan heb je ook wat te zeggen over de aanwas van de wolkenschepen? Wanneer ik weer terug ben in Groot Amersfoort-Kijkduin moeten we eens afspreken. Lijkt mij supergezellig!’

Edith zwaaide nog even en de clip eindigde. Haar eerste bericht na zeven jaar. Eénentwintig nietszeggende seconden.

Marco stuurde nog een felicitatie toen Ediths zoontje werd geboren, maar twee jaar later hoorde Marco via via dat het huwelijk tussen Edith en Eddie niet lang stand had gehouden. Na een half jaar en haar bevordering tot tweede stuurman, was Edith van Oudekerke gescheiden en binnen een paar dagen was ze ingetrokken bij de kapitein van de Willem Alexander, een breedgeschouderde kerel met een lange baard en nog veel meer tatoeages.

Marco stuurde maar geen nieuwe gelukwensen. Op deze manier kon hij wel bezig blijven.

 

#

 

‘Plak het paard achter het behang,’ joelde Janneke Marthasdochter. ‘Want geluk, dat is maar ene vinger lang!’

Het was Suikerfeest carnaval op Wilgenwoud-Breda dat aan de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aangemeerd lag. Het drijvende eiland was behangen met lampions en door de middengracht kronkelden feestdraken die popcorn uit hun neusgaten bliezen en lampions op lieten stijgen. Ze waren van rijstpapier en een waxinelichtje hield ze in de lucht.

Vorig jaar had ze er een opgevangen toen hij daalde en de gelukwens van het houdertje gepeld. ‘Je zult honderd jaar leven en een dozijn dappere dochters en gehoorzame zonen baren.’ Waarschijnlijk was die wens niet voor haar bedoeld: Nederland hanteerde een strikte anderhalf-kind-beleid.

Een lampion zweefde over en ze sprong, graaide, maar haar vingertoppen misten het touwtje net. Een ander kind, zo’n groene wij-leven-alleen-van zonlicht-knolraap ving het op. Hij scheurde de lampion open, ontrolde de spreuk. Zijn gezicht betrok. Hij verfrommelde het gouden strookje en stampte boos weg.

Slecht nieuws, dacht Janneke. Zeven jaar ongeluk of je zult een haaibaai huwen en je kinderen zullen trollen zijn. Sommige spreuken waren minder dan positief maar dat maakte het juist spannender. Alsof er bij het vissen tussen de gestippelde baarzen ook piranha’s zwommen.

Ze keek terug naar haar ouders die nog op de brug met die blonde vrouw aan het praten waren. Edith en nog iets. Volgens Jannekes imp was ze beeldschoon en dat kon kloppen. Haar vader kon zijn ogen niet van haar afhouden.

‘Vertel mij meer,’ zei ze tegen haar imp. ‘Over haar.’

De dwerg met de mokerhamer verscheen prompt en krabde zich op zijn kruin. ‘Tja, ze was vroeger zijn vriendinnetje, maar ze gingen elk een andere kant uit. Je vader de Stuwdijk op en zij de hemel in.’

‘Ze is een wolkendame?’

‘Een kapitein intussen en ze doet heel erg haar best om nog wat hogerop te komen. Net als je vader trouwens. Van junior-dijkgraaf is het maar een stapje naar dijkgraaf.’

‘Mama kijkt niet blij. Ze zou die Edith het liefst de ogen uitkrabben.’

‘Beeldschone vrouwen haten elkaar. Vooral als er eentje naar hun echtgenoot lonkt en met haar kont draait.’

‘Wacht. Mijn mama is beeldschoon?’

‘Best wel. Als ze langs wandelt, kijkt 98 procent van de mannen haar na. De overgebleven twee procent zijn waarschijnlijk blind. Beeldschoon is een tactiek en je moeder en Edith pakken het allebei anders aan.’

O jee, dit wordt weer een leermomentje.

‘Je moeder is beeldschoon omdat ze gelukkig is. Gelukkig met wie ze is en wat ze doet. Met haar partner. Als een man haar ziet, wil hij in haar zonneschijn wandelen en van haar goede humeur en enthousiasme genieten. Vrouwen willen haar hartsvriendin worden. Homo’s waarschijnlijk ook.’

‘Ik ben meestal wel blij,’ zei Janneke twijfelend.

‘Dat is een goed begin. Edith, zij mikt op sexy. Zij zet geen stap zonder zichzelf te zien. Ze glijdt als een tempeldanseres door de straten en als je haar aankijkt, glimlacht ze uitnodigend.’

‘Dat lijkt mij erg veel werk. Ik ben liever gewoon blij. Oké. Iets anders: gingen die Edith en papa met elkaar naar bed?’

‘Ik zal het zijn imp vragen.’ Een bliep volgde die waarschijnlijk nep was omdat imps nooit meer dan microseconden nodig hebben. ‘Ja, drie keer, maar dat was het wel. En dat was jaren en jaren geleden. Voor hij met je moeder ging.’

‘Ze gaan dus niet scheiden?’

‘De kans daarop is 0,01 procent. Hij kust nog liever een cactus.’

 

#

 

BOND VOOR WOLKENVAARDERS EIST EXTRA SCHEPEN

Perstuin, Lelymere – Gisteravond werd opnieuw duidelijk dat de Bond voor Wolkenvaarders (BvW) en de Raad der Dijkgraven recht tegenover elkaar staan.

De schippers eisen dat de dijkbomen meer wolkenschepen kweken, de Dijkraad stelt dat dit onmogelijk is.

‘Vanzelfsprekend snap ik dat er goudgeld te verdienen valt met meer wolkenschepen, maar onze dijkbomen zitten al aan de maximale capaciteit. Het kweken van meer wolken gaat ten koste van de versterking van de Stuwdijk. Wij kunnen en mógen niet buiten de gestelde veiligheidsmarges opereren. Momenteel kunnen we net aan de vervangingsvraag van de huidige vloot wolkenschepen voldoen, maar uitbreiding is niet bespreekbaar,’ aldus opper-dijkgraaf Marco Zevenaar, woordvoerder van de Dijkraad.

‘De Dijkraad claimt een volkomen onterecht monopolie op de dijkbomen,’ gaf admiraal Edith van Oudekerke van de BvW aan. ‘Onze schepen kruimelen onder onze voeten weg en de enige plek waar we ze kunnen aanvullen is in de Nederzee. De Dijkraad fnuikt ons in het verdienen van een eerlijke boterham. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen?’’

: RTL-Fox nieuws

 

De laatste zin ging prompt viraal. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen? bleek prima rapbaar en een dozijn vloggers en lifestyle trutjes nam het dan ook gretig over. Twee dagen later vond opper-dijkgraaf Zevenaar het op de zeemuur van zijn villa gespoten. Er zaten niet minder dan vier spelfouten in.

 

#

 

Nieuwsdrones zwermden om de opper-dijkgraaf Marco Zevenaar. Dit ging duidelijk een iconisch moment worden, absoluut viraal. Marco besefte dat maar al te goed. Het zou nog miljoenen keren afgespeeld worden en in elk zichzelf respecterend geschiedenis-kristal belanden.

Hij rechtte zijn schouders, frunnikte aan het goudgalon van zijn mouwen. Ik draag verdorie evenveel medailles als een wolkenadmiraal en mijn pet is iets dat in een carnavalsoptocht thuishoort. Nu ja, Edith is begonnen. Hij herinnerde zich de beelden van haar uit de stuurhut van het vlaggenschip. Ze draaide aan een volstrekt overbodig stuurwiel en haar uniform zou een twintigste-eeuwse dictator laten kwijlen.

De wolkenvloot gleed uit de snerpend blauwe hemel omlaag: zeventien machtige schepen met het vlaggenschip blikkerend wit van boven terwijl een stortregen de Nederzee geselde. Het was puur machtsvertoon: Kijk eens wat wij allemaal uit de hemel weten te trekken. Genoeg water om woestijnen te laten bloeien en spoorbruggen weg te spoelen. Geef ons meer schepen en we maken Nederland schatrijk.

Edith vertegenwoordigde de Wolkenbond niet langer: haar Blauwe Coalitie had zich een week eerder afgescheiden van de meer conservatieve leden. De meeste wolkenschepen verlieten de Nederzee nooit en hun bemanning had geen enkele behoefte om naar hachelijke streken uit te zwermen om daar geblakerde landen te begieten. Hou de Nederzee vol: dat was ambitieus genoeg voor hen.

Het vlaggenschip bleef naast het hoge podium op de Zuidersluis hangen en rolde een tong van titanium uit. De groot-admiraal van de Coalitie schreed omlaag. Haar laarzen hadden stiletto hakken, terwijl Ediths getailleerde uniform niets aan de verbeelding overliet.

Haar gezicht was rimpelloos, zag Marco. Niet eens kraaienpootjes in de ooghoeken. Zelf had hij intussen grijzende slapen zoals het een dijkgraaf betaamd.

Ze liepen elkaar tegemoet, en het kwam Marco voor dat hij door stroop waadde. Een nachtmerrieachtig moment dat zich eindeloos rekte. Ze stapten elkaars persoonlijk ruimte in en hij kon haar parfum ruiken, kokos en rode klaver, de geur van de eindeloze en perfecte zomeravonden uit hun kindertijd. Ze manipuleert mij.

Edith offreerde hem haar wang voor de eerste van de drie traditionele kussen. Ze had haar armen al gespreid voor een omhelzing.

Nee, wij zijn geen vrienden meer. Al heel lang niet. Je bent mijn vijand. Hij pakte haar hand vast en schudde die. Daarna stapte hij achteruit. De blik van verbijstering wist ze meteen weg te strijken en door een brede glimlach te vervangen.

‘Welkom,’ zei Marco, ‘Welkom op de Stuwdijk.’

Het was een verkapte belediging, nee, een uitdaging.

De Blauwe Coalitie was nog steeds een deel van Nederland en hun groot-admiraal had evenveel recht om de Stuwdijk te betreden als welke dijkgraaf dan ook.

‘We weten allebei waarvoor ik kom. De Coalitie vertegenwoordigt de aloude handelsgeest. De ferme VOC-mentaliteit. Wij kunnen de driekleur hijsen op elk continent en Nederland groot maken, een wereldmacht.’

‘Wij zijn hier volkomen tevreden met onze Stuwdijk en Nederzee, de duizend drijvende rieteilanden.’

‘Vergeet onze eerdere eisen. Wij vragen niet langer om nieuwe wolkenschepen. We zullen onze eigen schepen kweken, ja? Geef ons zaailingen en wij kweken onze eigen dijkbomen.’

Het voelde als een schaakspel. Een opeenvolging van zetten.

‘Ik denk niet dat de Dijkraad ooit zal toestemmen, admiraal. De genetica van de dijkbomen is ons kostbaarste bezit, ons best bewaarde geheim. De zaailingen werden honderden keren gestolen door buitenlanders. Ze schoten op, spreidde hun eerste blaadjes en altijd, altijd verwelkten ze op de twintigste dag.’

‘Wij zijn ook Nederlanders! Het is idioot dat alleen een dijkgraaf de planten kan ontgrendelen!’

‘Zo zijn de zaken nu eenmaal geregeld. Iedere dijkgraaf is bovendien geconditioneerd: hij kan alleen een stek ontgrendelen als hij met beide voeten op de Stuwdijk staat.’

‘Dat is mij nooit verteld.’

‘Het is geen geheim. Niet echt.’

‘Ik moet dit met de anderen bespreken.’ Ze wreef over haar lippen en ze verschoten van een fel kersenrood naar een bedachtzamer roze. ‘Laten we niets overhaast doen. We staan beiden gespannen als boogpezen, ja? Ik stel voor dat we elkaar over drie uur ontmoeten. Onder het genot van een glas Moezelwijn en een schaal met versnaperingen?’

Het leek hem lomp om te weigeren.

‘Ik zal er zijn.’ Hij stak zijn hand uit maar ze omhelsde hem, kuste hem vol op de mond.

‘Sorry,’ lachte ze, ‘maar ik kon het niet laten.’ Ze draaide zich om en liep de loopplank van haar schip op voordat hij kon antwoorden.

Marco knipperde met zijn ogen en likte zijn lippen. Hij had niet teruggekust – natuurlijk niet! – maar hij proefde een spoor van haar lippenstift. Het smaakte vaag bekend, iets van vroeger. Had ze de lippenstift opgedaan uit de tijd dat zij zijn vriendinnetje was?

Het zou een typische Edith-actie zijn: alles gebruiken om een voordeel te behalen.

Hij bevochtigde zijn lippen. Op de een of andere manier leek zijn kop in vuur en vlam te staan. Het was toch zeker geen schaamte? Het was tenslotte maar een kus. Ja, zij was destijds zijn eerste vriendinnetje, maar dat was lang geleden, en he-le-maal over.

Hoofdschuddend vertrok Marco van de aanlegsteiger. Wolkenadmiraal Edith van Oudekerke was iets van plan, zoveel was zeker.

Maar ze is dan ook wel een verdraaid slimme en beeldschone vrouw. Huh? Waar komt die gedachte vandaan? Gehaaid en knap. Dát is ze. Dat is ze altijd al geweest. Ik moet duivels goed op mijn tellen passen voor haar streken.

Marco likte nogmaals zijn lippen.

Hij liet zijn imp de binnenkomende vragen van de andere dijkgraven afwimpelen met de mededeling: ‘Van Oudekerke begint te beseffen dat ze haar zin niet gaat krijgen. Ze heeft een reces van drie uur aangevraagd, dan zien we verder. Ik houd jullie op de hoogte.’

Vanaf het platform koos Marco een pad naar beneden, naar de voet van de binnendijk, de zoetwaterkant.

Voorbij de rietzoom zwommen eenden, zwarte nijlganzen en knobbelzwanen, veilig in de Nederzee. Achter hem rees de Stuwdijk, voor hem kabbelde de Nederzee, met her en der o zo Nederlandse drijvende dorpjes en stadjes. De schaduw van de dijkbomen strekte tot ver in het water. Dit al was een van de redenen dat hij een dijkgraaf was geworden: om het te behouden. Te veel wolkenschepen bracht deze perfecte idylle in gevaar. Veiligheid ging voor winst of macht.

Als Edith dat nou eens zag!

Natuurlijk zal ze dat zien. Ik kan haar overtuigen.

Ik weet zeker dat ze in de komende uren tot inkeer zal komen.

Met stevige pas begon Marco aan zijn wandeling. Dat zou zijn hoofd leegmaken en die rare opvlieging verjagen.

De smaak van Edith sluimerde nog steeds vaag na op zijn lippen.

 

#

 

Na drie uur was Marco terug bij het wolkenschip.

Edith stond hem op te wachten en keek hem aandachtig aan.

‘Wil je aan boord van mijn schip komen, beste Marco?’ Ze haalde haar hand door haar haar en lachte lief.

‘Graag! Het is je eigen wolkenschip? Wat fascinerend!’

Ik heb beet, ik weet zeker dat ze mij ziet zitten.

Ze kan haar ogen niet van mij afhouden.

Galant bood hij haar een arm aan. ‘Ik wil alles zien. Ik wil alles van je leven weten.’

Edith accepteerde zijn arm en sloot haar hand in de zijne. ‘Oh, ik ben zo blij dat je je zo voelt, Marco. Je bent veel minder… stug, nu.’

‘Als jij blij bent, ben ik dat helemaal.’ Het voelde zo goed om haar vast te houden, om haar geur te ruiken, haar smaak op zijn lippen.

‘Je voelt je oké, Marco?’

‘Kon niet beter!’

Later kon hij zich niet veel van de rondleiding herinneren.

Hij kon zijn ogen domweg niet Edith afhouden.

Alles wat zij vertelde was zo ontzettend interessant en grappig.

‘We dineren in mijn eigen kajuit, dat is wel zo prettig.’

Zij kneep zachtjes in zijn hand.

Hij kneep terug en waagde het om haar naar zich toe te trekken. Ze stribbelde niet tegen toen hij haar kuste. Integendeel zelfs.

Toen ze moesten pauzeren om adem te halen, zei Edith: ‘Misschien kunnen we later wel dineren.’

Ze blikte naar de deur van haar kajuit die niet veel verderop was, hoog in de boeg. ‘Lijkt je dat een goed idee?’

‘Zeker weten!’ Marco wist precies wat zij eerst gingen doen. Zij wilde het, hij wilde het. Het was nog nooit zo duidelijk geweest. Hij wilde al in beweging komen, maar Edith hield hem met zachte hand staande.

Zij keek hem aan. ‘Marco, zou jij met mij mee willen reizen op mijn schip? Kom met mij mee en zie met je eigen ogen hoeveel goed wij doen.’

Wat een geweldig idee! ‘Natuurlijk!’

‘Mooi. Het lijkt mij handig als je je raad een bericht stuurt dat je met mij meegaat om een oplossing te zoeken. Ik stuur je een tekst die passend is.’

Marco’s imp liet de tekst zien die binnen kwam.

Het bevatte zinsneden als ‘wederzijds belang’ en ‘oplossingsgericht handelen’ en ‘volste vertrouwen’.

‘Ik heb het naar de Raad verstuurd,’ zei Marco.

Edith glimlachte, een engelenglimlach. Ze trok hem mee in de richting van haar kajuit. ‘Kom, laten we onze reis beginnen.’

 

#

 

De admiraalshut keek uit over een wolkenlandschap.

Aan de horizon stak deze ochtend een rij getande bergen uit de zilveren nevelzee omhoog. De Dolomieten?

De Franse Alpen? Als dijkgraaf kende Marco iedere zandbank in de Nederzee, de positie van elk rieteiland, maar buitenlandse geografie had hem nooit bijster geïnteresseerd.

Edith stapte de drempel over, een vol dienblad in haar handen. ‘En dan is er een ontbijt op bed!’

Haar haar zat op een prachtige manier door elkaar en ze had van die lome ogen. Slaapkamerogen, noemden ze dat niet zo? Ze begroette hem met een langdurige kus en een kopje Lapsang Souchong, zijn favoriete smaak.

Dit is het paradijs. Waarom zijn we dit geen jaren eerder gaan doen? We zijn we voor elkaar gemaakt. Er was een reden waarom dat niet gebeurd was, maar op de een of andere manier deed die er niet meer toe. Al zijn herinneringen leken onbelangrijk, als vergeelde foto’s die mooi in hun doos mogen blijven zitten. Alleen het nu telde.

Croissants met granaatappeljam, een wijnglas met grapefruitsap, nog een kopje thee en daarna nestelde ze zich weer in zijn armen. Waar ze thuishoorde.

Toen ze voor de derde keer die ochtend op hem klom, protesteerde hij: ‘Ik ben geen achttien meer.’

‘Best wel!’ lachte ze en ze had verdorie nog gelijk ook.

‘De Middellandse zee,’ zei ze later die dag. Het wolkenschip had zich de Afrikaanse straalstroom ingehesen en ging nu razendsnel, bijna even hard als de legendarische vliegtuigen. De oververhitte Aarde had de straalstromen in de hoogste versnelling gezet: vierhonderd kilometer per uur, zeshonderd.

‘Kijk, je kunt de toppen van de flatgebouwen nog zien. Daar ging Nice kopje onder en verderop klotst het water over de parkeerplaats van het casino.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Zoveel water en allemaal bremzout. We boden aan de Middellandse zee af te sluiten maar ze wilden niet luisteren.’

‘Dijken zeggen ze niks maar ons kent ieder kind. De Hollandse wolkenschepen.’

‘Waar zijn we eigenlijk naar op weg?’

‘De Negev. Daar betalen ze ons met zeldzame aardes, de zaden van zoutminnende dadels, organische brandewijn.’

Twee dagen later maakte het wolkenschip een zwieper naar rechts en de woestijn lag onder hen. Honderden tinten onder een spinnenweb van groen.

‘Elke groene streep is een vlucht van een wolkenschip,’ zei Edith. ‘Wij begieten het land waar ze opgevoerde zaden hebben gezaaid. Ze hebben alleen dat kleine zetje van een regenbui nodig en dan kunnen ze het verder zelf. Nu ja, niet helemaal. We moeten elke vier, vijf jaar nog een ondersteunende regenvlucht maken voor het echt geworteld zit.’

Ze zakten omlaag en de regen begon. Sluiers van vocht zwierden over steenvlakten, de eindeloze duinen.

In hun kielzog kleurde het land blauw en rood, klaproosoranje en schitterend groen.

‘Ze ontluiken. Woestijnplanten weten dat ze van iedere druppel water moeten profiteren.’

Die avond daalden ze af naar de hoofdstad van de Sefardisch-Palestijnse Unie. Zijden tenten zo ver het oog strekte en elke tent functioneerde zowel als zonnepaneel en als dauwnet.

Hun gastheer Yehudi Ben Hassan duwde Marco een spies nog sissend lamsvlees in de hand, schonk zijn kalebas vol dadelwijn. Ze toasten.

‘Moge de woestijn met tienduizend bloemen bloeien,’ zei hij. ‘Moge jullie de regens elke lente over de horizon aandragen.’

‘Reken op ons,’ zei Edith.

Yehudi grinnikte. ‘Ik reken op jullie hebzucht. Zolang wij zeldzame aardes opgraven zullen jullie de regens brengen.’

Er klonk geen afkeuring in zijn stem door. Bij Hollanders wist je tenminste wat je aan ze had, leek hij te zeggen. Niks geen belegen bloedwraak of sluwe plannen, gewoon geld verdienen.

Een vrouw stapte het licht van het kampvuur in, hief een mandoline en begon te zingen. Marco’s imp vertaalde de woorden automatisch.

‘Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

We zullen hand in hand

Door de poorten gaan.

Sommigen van ons

Bezoeken de Klaagmuur

En het graf van Joshua.

Anderen de Al Aqsamoskee.

Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

Als wij de Chinezen verdreven hebben.

Volgend jaar.

Volgend jaar.’

Ze zweeg en wandelde de nacht opnieuw in.

‘Dat klonk nogal droevig,’ zei Marco.

‘Och,’ antwoordde Yehudi. ‘Het is waarschijnlijk een onuitvoerbare droom en zolang zitten we hier goed. Mijn buurman is Hamas, mijn dochter trouwde een Wahabi hydroloog. De Chinezen pikten onze heilige stad in en nu hebben wij een vijand. Lieden die zo slecht zijn dat we vergaten om met elkaar te vechten.’

Hij knikte. ‘Jullie water hielp ook. De wolkenmensen wilden alleen maar met een coöperatie zakendoen, niet met honderden vechtende groepjes die elkaars pijpleidingen opbliezen.’

Zijn imp hees zich zijn ooghoek in. ‘Martha wil je spreken.’

‘Martha wie? Zeg haar dat ik bezig ben. En dat ze mij niet lastig moet vallen.’ Hij sloeg een arm om Ediths schouder.

‘Ze beweert dat het dringend is. Dat ze al vijf dagen niets van je gehoord heeft.’

‘Waar slaat dit op! Ik ben verdorie… op… eh…’

‘Dienstreis. Blokkeer haar,’ zei Edith.

‘Ja. Blokkeer haar, imp.’

 

#

 

Met dikke rubberen handschoenen aan en een ademmasker op, opende Edith de doorzichtige verpakking die bedrukt was met Chinees schrift. Het kwam van dezelfde handelaar bij wie ze haar lippenstift had gekocht, maar dit was heel wat krachtiger. Niet krachtig genoeg om de ingeprente blokkades van de dijkgraven te doorbreken, maar dat hoefde ook helemaal niet. Je moest gewoon je verstand gebruiken.

Het kleine rode staafje, niet dikker dan een vingernagel, zag er onschuldig uit, als een stukje snoep. Zorgvuldig legde zij het strookje op de wang van de slapende Marco.

Binnen drie tellen was het volledig opgelost.

Marco sliep ronkend door.

 

#

 

‘Assistent dijkgraaf Edith van Oudekerke meldt zich, dijkgraaf Zevenaar.’

Marco knipperde met zijn ogen. De knappe, blonde vrouw in het donkere dijkbewakers-uniform kwam hem vaag bekend voor, maar hij kon zich niet herinneren waar hij haar eerder had gezien. En waar was hij nu? Zijn herinneringen waren als Enkhuizer ochtendmist na een driedaags drinkgelag.

Marco keek om zich heen. De kleine ruimte had geen ramen. Langs de wanden stond een rij glazen stolpen met in elk van hen een stekje dat onmiskenbaar van een dijkboom was.

Een broedserre, in de stuwdijk. Ja, natuurlijk. Het is wel veranderd sinds ik er voor het laatst was. Maar ja, dat was ook alweer wat jaartjes geleden.

Het leek wel of de hele kamer subtiel schommelde, maar dat was natuurlijk onzin. De Stuwdijk schommelde niet! Die stond onwrikbaar in de bodem en hield de Nederzee intact. Allemaal dankzij de gigantische dijkbomen.

‘Ahem, dijkgraaf. Vandaag staat de genetische ontgrendeling van de dijkbomen op het programma,’ herinnerde de assistent-dijkgraaf hem. ‘Over twee maanden word ik bevorderd tot dijkgraaf en j… u ging mij uitleggen hoe ik de zelfvernietigingsgenen kan uitzetten.’

‘Ah, ja. Ja, natuurlijk.’ Marco rechtte zijn schouders. ‘De eerste stap is het uitschakelen van je imp. Deze informatie moet je van buiten leren. Het mag nooit digitaal worden opgeslagen.’

De assistent-dijkgraaf knikte ijverig, gaf een draai met haar pols. ‘Mijn imp is uitgeschakeld.’

‘Uitstekend. Ik zie daar een gen-manipulator staan. Hoe is je zangstem, Van Oudekerke? Ken je de tekst van “Ketelbinkie”?’

‘Uh… ja?’ Het nummer was een van de dozijn verplichte liederen die in iedere kindercrèche werd onderwezen. Trots kweken voor de glorieuze, zilte Nederlandse geschiedenis. Beukende stormen, rijzend water, mega-technologie, koopmanschap en noeste arbeid. Naast de muziek waren er natuurlijk nog games, films, toneelstukken en een hele oceaan aan best wel foute, speculatieve literatuur: “De Modderzuiger Marietje Neeltje”, “Hollandse Meiden op Avontuur op Antarctica” en “De Vliegende Hollanders Schieten te Hulp”.

‘Begin maar te zingen. De ontsluitingscode is gebaseerd op het metrum van dat nummer.’

Edith van Oudekerke had een rokerige mezzosopraan die goed paste bij Marco’s bas-bariton. ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken…

‘Wilt u een snoepje, dijkgraaf? Na al dat zingen zal uw stem wel schor zijn.’

Met een glimlach accepteerde Marco het dunne, rode plakje uit de cellofaan wrapper. Het zag eruit alsof het naar aardbeien of bessen zou smaken, maar dat was oké. Zijn keel voelde inderdaad wat droog aan.

 

#

 

De drooggevallen waterloop van de Congo, met alleen hier en daar een plukje overgebleven oerwoud. Steden die door het water verzwolgen waren en andere die in de steek waren gelaten omdat het gras verdorde en er enkel verschuivende duinen overbleven.

Zoveel rampen maar de wolkenschepen deden overal wat ze konden, ook al werden ze er zelf zelden slechter van. Eigenlijk nooit. Maar ja, de schoorsteen moet ook kunnen blijven roken, zoals Marco’s imp zou zeggen. Paupers kunnen niemand helpen en niet eens zichzelf.

Ze pikten uiteindelijk een andere luchtstroom op en arriveerden boven de Aral zee. Dat ‘zee’ klopte al anderhalve eeuw niet meer, eerder een meer van bremzout water omgeven door verblindend witte zoutvelden. Het bewoonbare land lag er in een halve cirkel omheen. Het oogde mosgroen en elk jaar besproeiden de luchtschepen de landerijen.

Marco zat naast zijn geliefde op de bank in de stuurkamer toen het grote scherm aanknipte. Een gezicht verscheen, zo uitvergroot dat je iedere porie kon zien en de baardharen wel takkenbossen leken.

Edith veerde op. ‘Ah, graaf Oleg. Een plezier u weer te zien.’

‘Dat plezier is niet wederzijds,’ zei de graaf. Zijn ogen puilden uit, zijn lippen sidderden. Het was duidelijk dat hij in de greep van razernij verkeerde. ‘Jullie hemelmonsters. Jullie zuigen ons uit! Jullie verslinden onze cultuur. Onze maagdelijke dochters zingen “Twee emmertjes water halen” op hun huwelijksfeest en dansen zonder hoofddoek. Vaders noemen hun zonen Michiel of Maarten Harperszoon. Dat doen zelfs jullie Hollanders niet!’

Edith hief haar handen bezwerend op. ‘Rustig, graaf. Kalm. Wij komen enkel water brengen. Wij hebben niets met jullie cultuur.’

‘Dat is het juist. Jullie zijn barbaren. Nekulturny!’

Hij hief een dramatisch vuist. ‘Daar maak ik een eind aan. Nu.’ De camera zoomde uit en Marco zag dat de graaf in een controlekamer vol beeldschermen stond.

Het zag er allemachtig antiek uit, twintigste-eeuws bijna, maar juist in die tijd hadden ze de vreselijkste wapens geconstrueerd. Raketten die een straalvliegtuig in volle vlucht konden neerhalen, bommen die een stad in een vuurzee konden veranderen. Graaf Oleg boog zich voorover, drukte twee knoppen in en draaide vervolgens een roestige sleutel om toen de schermen een wolkenschip vertoonde.

Marco herkende het silhouet: het was Ediths vlaggenschip.

Twee condenssporen snelden door de hemel, convergeerden op het vlaggenschip. De vloer kantelde en het gezicht van de graaf kromp tot een sidderende stip. Een seconde later explodeerde het tweede projectiel.

‘Dat was onverstandig,’ zei Edith. ‘Zelfs een vriendelijke lobbes kun je beter niet schoppen.’ Ze stak een hand in de lucht. ‘Aan alle schepen. Stijg op naar de stratosfeer en zet de regen op hagel.’ Haar gezicht was een grimas, een demonisch masker. ‘De hagelstenen zullen zo groot als ganzeneieren zijn, als vuisten. Geen boomgaard blijft intact, geen kas.’

‘Maar…’ protesteerde Marco. ‘Het is alleen die idiote graaf. Zijn onderdanen hebben er niets mee te maken. Ze zingen “Twee emmertjes water halen” en noemen hun kinderen Maarten.’

‘Als je eenmaal over je heen laat lopen, trekken ze de volgende keer soldatenlaarzen met spijkerzolen aan.’

Het derde projectiel explodeerde en de opbollende vloer slingerde Edith en Marco tegen het plafond, liet ze terugvallen als ledenpoppen.

 

#

 

‘Sorry u te wekken, meneer van Oudekerke, maar nu de groot-admiraal in coma ligt, bent u haar opvolger. Als echtgenoot.’

‘Echtgenoot?’ Zijn gedachten voelden traag als stroop. ‘Maar mijn naam is Zevenaar.’

‘Volgens de imp van de groot-admiraal heeft de scheepskapelaan jullie in het huwelijk verbonden op de derde dag.’

‘Doet er niet toe. Hoe is met haar? Wanneer kan ik haar zien?’

‘Ze zit diep in het medisch schuim gewikkeld. We gaven haar een tijdelijk hart uit het noodaquarium, maar dat blijft altijd een gok. Persoonlijk geprint is altijd beter.’

Marco hees zich overeind. Zijn linkerbeen zat in het regenereergips zag hij, en zijn neus voelde ook vreemd. ‘Zet koers naar de Stuwdijk. Zo snel mogelijk.’

In zijn hoofd gonsde een vreemd soort leegte.

Hoe had hij zijn eigen huwelijk kunnen vergeten? En het was niet langer dan maand geleden. Het moet de klap zijn geweest. Ongetwijfeld komt de rest van mij herinneringen ook weer terug.

Natuurlijk had Marco miljoenen keren de Nederzee via drones bekeken, maar het was toch anders, zo staand op het deinende dek van een wolkenschip en met de wind die zijn ogen deed tranen.

‘Ediths toestand is stabiel,’ meldde het scheepssysteem via zijn imp. ‘Er staan ambulances voor haar en de bemanning klaar bij het afmeerplatform. Iedereen wordt ook gecontroleerd op stralingsziekte. De medische AI’s popelen: zulke zeldzame verwondingen zijn een buitenkansje!’

Stelletje digitale aasgieren! Nou ja, goed dat ze er zijn. Alles sal reg kom.

‘Edith gaat als eerste van boord,’ beval Marco.

‘Daarna de rest van de bemanning en ik als laatste. Ze zijn mijn verantwoordelijkheid.’

Gesproken als een ware schipper… Nou ja, ook als een dijkgraaf. Een dijkgraaf blijft op zijn post totdat het gevaar is bezworen, of hij wordt weggespoeld.

‘Aye, aye, kapitein!’

 

Ziekenhuizen waren allang geen grote, onpersoonlijke gebouwen meer met eindeloze gangen en kamers die stonken naar schoonmaakmiddelen. In plaats daarvan lag iedere patiënt in een knusse, huiselijke slaapkamer met uitzicht op binnenvennen langs de Stuwdijk. Alle apparatuur, inclusief de diagnose-AI, zat in muren en het comfortabele meubilair verwerkt.

Marco had voor een menselijke arts gekozen, die via zijn imp verbonden was met zijn AI-collega’s. ‘Met mevrouw Van Oudekerke komt alles goed. We houden haar nog een nachtje voor observatie, en dan kan ze naar huis.’

Marco knikte. Een molensteen rolde van zijn hart.

‘En de bemanning van het schip?’

‘Allemaal gezond als pekelharing. Het scheepssysteem heeft goed werk verricht. De meesten zijn alweer aan boord.’

‘Prima.’ Het was inderdaad prima, maar Marco voelde toch een vage onrust. Het was alsof er iets niet klopte. En het gevoel werd met het moment sterker.

‘Wat u betreft, meneer Zevenaar, u kunt over twintig minuten vertrekken. Uw verwondingen zijn inmiddels volledig hersteld.’

‘Uhm, waarom dan de vertraging?’

De arts keek Marco aan. ‘Behalve de schade van straling en de verwondingen door de schokgolf, troffen we in uw bloed nog wat anders aan. Iets wat er niet hoorde te zitten. We hebben het geanalyseerd en u had sporen van verschillende Chinese gedragsserums in uw lichaam. Een liefdeselixer waardoor u hotel de botel wordt van de eerste persoon wiens geur u opsnuift. Plus een zwaarder geval, een GMB-plus en oxytocine cocktail. Het slachtoffer verliest tijdelijk zijn geheugen en wordt uiterst ontvankelijk voor suggestie. Deze middelen staan in Nederland op de zwarte lijst en wij hebben u daarom een serie antidota toegediend die de werking ongedaan zal maken. Over tien, vijftien minuten zijn de serums uitgeschakeld en zult u zich de meeste dingen weer herinneren. Het kan wel zijn dat het tweede serum permanent herinneringen heeft gewist, maar het zij zo.’

Liefdeselixer? Geheugenwisser? Onzin! Pure kletsika.

Ik…

Het was geen onzin. Marco wist opeens afgrijselijk zeker dat het geen onzin was.

Hij wist ook precies wie het hem had toegediend.

Starend naar het rustgevende landschap, kwamen de herinneringen van de afgelopen weken bovendrijven als giftige gasbellen uit verzonken industriële landschappen. Zijn plotse, doldwaze verliefdheid op Edith, de landen die ze hadden gezien, de nacht in de woestijn met de vrouw met de mandoline, de aanval van de krankzinnige Russische graaf.

Waarom?

Omdat ze mij voor zich wilde winnen. Ze dacht dat als de opper-dijkgraaf overstag ging, de rest van de Dijkraad wel zou volgen… De arrogantie! De kortzichtigheid. Edith snapt echt niets van het grotere belang. Ze denkt alleen maar in termen van macht en overreding. Dat is altijd al zo geweest en…

Plotseling kwamen er andere herinneringen boven.

Zaken die Edith hem had laten vergeten.

‘Martha!’ riep Marco ontzet. O God, Martha! Mijn vrouw. En Janneke!

‘Ik moet naar huis, direct,’ riep Marco tegen zijn imp. ‘Regel een auto!’

‘Geregeld. Twee rechercheurs van de politie willen graag een gesprek met je. Ze willen weten of je aangifte wil doen tegen groot-admiraal Edith van Oudekerke.’

‘Aangifte? Nee! Daar heb ik geen tijd voor. Bovendien valt er niks te bewijzen. Ik moet zo snel mogelijk naar huis, naar Martha.’

 

#

 

De auto stopte voor precies voor het tuinhekje en pa stapte uit.

Pa? Ja het was inderdaad haar vader, maar wat was hij veranderd de laatste paar weken. Een gebruinde huid die uitstekend stond bij zijn grijze haar. En hij was een beetje magerder in zijn gezicht. Hij keek zorgelijk, zoals iedere terugkerende held, of zondaar, hoorde te doen.

Janneke Marthasdochter keek naar haar moeder.

Zal ze hem überhaupt wel binnenlaten? Of gaat ze met servies smijten? Het is nou niet bepaald alsof ma en pa ooit veel ruzie hadden maar dit is wel de allereerste keer dat pa er met een vuige, verleidelijke jeugdliefde vandoor ging en pas na een paar weken terugkeert.

Wauw, het leek wel een historisch drama, alleen dit was werkelijkheid en daardoor allemaal veel enger.

En spannender, zei een stemmetje dat niet van haar imp was maar helemaal van haarzelf.

De voordeur ging open: ma had hem niet geblokkeerd.

Geen woorden, geen verwijten, geen aarzeling. Haar vader en haar moeder vlogen elkaar in de armen. Het leek er verdacht veel op dat er tranen uit hun ogen rolden.

Ma wenkte haar en bijna als vanzelf kwam Janneke in beweging. Met twee, drie stuntelstappen was ze bij haar ouders en gooide haar armen om hen heen.

Het was het beste gevoel ter wereld.

Uitleg, verklaringen, excuses… Het zou allemaal later wel komen. Haar vader was terug, dat was het belangrijkste.

Wacht maar tot ik de beelden op school laat zien. Mijn vriendinnen zullen zo jaloers zijn!

 

#

 

‘Een, eh, dame wenst je te spreken,’ zei zijn imp. Marco hoefde niet te vragen welke dame dat was. ‘Geef haar maar door. En mieter haar tegelijk van mijn vriendenlijst af. Ja, zet haar op zwart. Het blijft bij dit ene gesprek.’

Haar gezicht was anders: absoluut en verterend sexy. Edith moest zijn seksuele profiel gehackt hebben en ze had haar make-up gefinetuned. Wenkbrauwen precies de juiste boogjes, smokey eyes maar toch ingetogen, een diep decolleté. Het ergerde hem mateloos dat hij meteen een erectie kreeg. Denk ze echt dat ik daar weer intrap?

‘Het is jammer dat het zo liep,’ begon ze.

‘Je hypnotiseerde me. Je kus, dat was geen haar beter dan een scheut rohypnol in mijn koffie gieten!’

‘Je vindt mij aardig. Je hebt altijd van mij gehouden. Die kus hielp maar een beetje. Een geheugensteuntje, een duwtje in de rug.’

Een het stomme was dat ze gelijk had. Zelfs nu hij haar haatte, kon hij een alternatieve toekomst zien, eentje waar hij met haar op een wolkenschip meegevaren was, de eindeloze blauwe hemels in. Als ze mij niet op het examenfeest had laten zitten…

‘Ik zou je voor de Raad moeten dagen. Het was een ontvoering.’

‘De Raad heeft niets meer over ons te zeggen. De Blauwe Coalitie verklaart zich op dit moment onafhankelijk. We zitten al halverwege de Duitse Golf en zullen ons eigen Holland bouwen.’

‘Een beetje een probleem zonder dijkbomen.’

‘Och, wij zullen ons wel weten te redden. Je zal het zien de komende jaren.’ Ze verbrak de verbinding.

 

#

 

Ze hadden een live band op Jannekes eindfeest: een dozijn opgevoerde mandrils die op trommels roffelden, een albinozanger met een gitaar die zo nu en dan tot een zwaard morfde, een achtergrondkoor met tijgermeisjes wier staarten op de ritmes zwaaiden.

Het had perfect kunnen zijn want ze was dol op Myth-pop en Papa had Martha voor het eerst op zijn eindfeest ontmoet. Eigenlijk had ze ook zoiets verwacht: haar prins op het witte paard en ze had heel zeker geweten dat die prins Lester Delacroix heette.

Alleen danste die glazige wateraardappel nu al een half uur met die griet uit 6B. Linda-Margaretha was waarschijnlijk het mooiste meisje van hun jaar maar dat was geen excuus. Lester heeft mij verdorie gevraagd! Ik had net zo lief voor het scherm opgekruld gelegen en The White Walkers Return nog een keer gespeeld.

Ze tuurde naar hem, haar blik een zengende laserstraal, maar hij was paranormaal gezien blijkbaar blind en doof en keek niet één keer in haar richting.

Langzaam werd ze zich bewust van een kriebel in haar eigen nek, een vreemde onstoffelijke druk.

Iemand keek naar haar, even gespannen als zij naar Lester tuurde. Ze zocht de dansvloer af en hun blikken kruisten. Ja, hij keek naar haar, maakte een handgebaar, gaf een vragende ruk met zijn hoofd.

Waarom ook niet? Ze knikte naar hem, slenterde over de vloer van gestabiliseerd ijs IV.

In de schemering bleef zijn gezicht een grijze ovaal, maar ze zou wel zien. Iedere haven is goed in een gierende storm, zoals ze zeggen. Niet dat ze wanhopig was, maar ze wilde dolgraag Lesters uitdrukking zien als ze langs danste aan de arm van een andere jongen.

Hij pingde haar en er verscheen een imp in haar ooghoek. Het was een wolk met een halo en een enkel oog. Een Wolkenjongen. Hij durft. Er zitten enkel Dijkers op deze school. Dat is even roekeloos als een kennel met bloedhonden binnenwandelen met een worst om je nek.

Ze moest het gesubvocaliseerd hebben want de wolk knipoogde naar haar.

‘Het was een weddenschap,’ kwam zijn stem. ‘Mijn vrienden zeiden dat ik jullie feest nooit zou durven crashen. Niet in mijn uniform.’

Hij was nu vlakbij en ze zag dat hij inderdaad het uniform van een adelborst droeg met het embleem van de wolk die drie regendruppels liet vallen. Of nee, dit was geen reguliere Wolker, niet met de twee bliksemschichten die de wolk flankeerden.

‘Je bent van de Blauwe Coalitie! Van Groter Holland!’

Ze had haar vader vaak op de Coalitie horen foeteren.

‘Groot Holland,’ mopperde hij. ‘Puur kolonialisme is het! Ze hangen een wolkenschip boven een vluchtelingenkamp en laten het regenen tot alles groen kleurt. “Sluit je bij ons aan,” zeggen ze ten slotte, “Of we vertrekken weer.” Natuurlijk zeggen die arme sloebers “Ja graag” en Groot Holland heeft er weer een provincie bij. En bovendien jatten ze de dijkbomen van ons.’

Zij staarde hem aan. Dit was de vijand dus en zijn huid was diep gebruind door uitheemse zonnen, zijn ogen staalgrijs. Zo romantisch.

‘Eddie junior. Zo heet ik. Hopelijk is dat geen bezwaar? Dat ik een Blauwe Wolker ben?’ zei hij. ‘Ik weet dat jullie hier allemaal Dijkers zijn en…’

Zij pakte zijn hand vast, glimlachte. Haar hart zong. Geen prins op een wit paard maar een witte wolk voldeed, vooral een met donder en bliksem.

‘Ik heet Janneke en mijn vader is de opper-dijkgraaf.’

‘Serieus? Ha, mijn imp ontploft bijna! Volgens hem ben je de meest onverstandige keuze om ten dans te vragen.’

Haar eigen imp knipperde ook al urgent, gebaarde met zijn mokerhamer. ‘Stop! Stop! Dat is Eddie van Oudekerke junior! Hij is de zoon van de groot-admiraal Van Oudekerke zelf! Puur vergif!’

Ze trok hem de dansvloer op. ‘Laten we onze ouders schokken. Mijn vader zal briesen als een ijsbeer, je moeder haar statiepet afrukken en vertrappen.’

Hij lachte opgetogen. ‘We doen een Romeo en Julia en stelen een wolk en een stek. Maken ons eigen Nederland!’

‘Dat lijkt mij een puik plan,’ zei Janneke. ‘Maar zullen we eerst eens kussen?’

 

###

Kus de bruid – Tais Teng

‘Je hebt vannacht weer alleen in je bed gelegen, Lydia Hoogendoorn,’ beschuldigde Huis haar. ‘Mijn lieve schat, een bed is niet alleen om in te slapen. Je lijf wil meer dan enkel uitgerust wakker worden.’

Niet weer! dacht Lydia. Na de laatste update zeurde haar huishoudprogramma nog erger dan haar moeder. ‘Ik zie je nooit meer met een vriendje,’ klaagde haar moeder laatst nog. En verbeterde zichzelf meteen: ‘Of vriendinnetje.’

Lydia rolde het bed uit, hief haar kin.

‘Luister, Huis. Ik ben een extroverte introvert. Dat heb je mij zelf verteld. Ik heb alleen wat tijd nodig na Harriët.  Tijd voor mijzelf. Om alles op een rijtje te zetten.’

‘Gebruik mijn eigen wijze raad niet tegen mij. Je laatste geliefde smeet de deur anderhalf jaar geleden achter zich dicht. Anderhalf jaar! Ben je een non die een kuisheidsgelofte heeft afgelegd?’

‘Ik ben geen non! Ik wil gewoon…’ Ze spreidde haar handen, balde ze tot vuisten. Wat wil ik eigenlijk? Ineens leek haar bed wel erg leeg. Nog steeds twee kussens van memory-foam waarvan er maar eentje ingedeukt was.

‘Ik heb hier precies het duwtje in de rug dat je nodig hebt. Een datingprogramma dat Kus de Bruid heet. Ik heb het al in je bril geladen. Kus licht al je potentiële partners door en berekent hoe goed jullie bij elkaar passen. Alles op een schaal van krijsend met de borden smijten tot blij gebeier van huwelijksklokken. Ze leefden nog lang en gelukkig of in ieder geval gegarandeerd vijf jaar.’

‘Een agent hoort niet te trouwen. Dat was de reden waarom Harriët mij verliet. De helft van de tijd komt het telefoontje middenin de nacht of erger, halverwege een hartstochtelijke kus.’

Ze trok haar uniform uit de ultrasone reiniger, stak haar pistool in het slimme holster en controleerde de lading van haar taser. Nog steeds drie rode blokjes. De laatste keer dat ze hem had mogen gebruiken van het holster, was bij een wilde waddenhond. Een hondsdolle, met dotten schuim uit de muil. Bourtange kampte met een ergerlijk tekort aan menselijke schurken.

‘Kus de bruid kan een andere agent voor je opsporen. Een man, slash, vrouw die dol is op het lezen van die rare papieren boeken. Of ook droogbloemen verzamelt.’

‘Stop maar. Je hebt mij overtuigd. Ik zal Kus de Bruid een keer proberen.’

‘Niet een keer. Nu.’

BEZIG MET LADEN.

Een logo van robijnrode lippen verscheen in haar gezichtsveld, duidelijk getuit voor een kus.

‘Mag ik je ogen gebruiken?’ De stem was vriendelijk. Het soort favoriete-oom-stem dat je meteen vertrouwde.

‘Ga je gang.’

 

Buiten op het balkon toonde de ochtendzon een licht rode tint en dat zou de rest van de dag zo blijven. Hoog in de stratosfeer zeefde het Hemelweb™ al het dodelijke ultraviolet-c weg. De Aa meanderde met een prachtige Birmaans goudglans over het wad en slingerde zich naar de laatste resten van Dijk Europa. Steden als Grunnen en Ljouwert mochten zich achter hoge diamanten muren verschuilen, de rest van het Noorden had de zee in de armen gesloten.

Een glorieuze waddenzee strekte zich uit tot de nieuwe duinkust.

Het zeewater was net aan het wegebben en was tot een glinsterende streep aan de horizon gekrompen. Mosselbanken staken uit het slib omhoog, velden met bloeiende zeekraal en zoutkalabas: heel de Waddenzee was één reusachtige moestuin.

 

Lydia deed de voorgeschreven zestien kniebuigingen, drukte zich veertig keer op en raakte toen haar grote teen met gestrekte benen aan. Ik ben nog steeds in vorm.

‘Je maakt droogbloemen, ja?’ vroeg Kus. ‘Van de planten in je balkonbakken?’

‘Nou nee. Ik spaar ze en alleen de echte antieke. Van toen ze nog in het wild groeiden. De bijentijd.’

‘De bijentijd? Ik ken die term niet.’

Blijkbaar weet Kus niet meer dan strikt noodzakelijk is, een expertsysteem, dat geen toegang tot de wikipedia heeft.

 Ze keek om zich heen en een microdrone zoemde als op commando aan. Het machientje streek op een ijsbloem neer, zoog het stuifmeel op en vloog door naar de volgende bloem.

‘Kijk die daar, we noemen het wel een bij maar het is gewoon een drone. Zo dood als een pier.’

‘Een bij was een levende drone? Hoe curieus.’

Lydia voelde een steek van verlangen. Er waren video’s uit de bijentijd, met de bijen en hommels gonzende klompjes harig goud, met vlinders die door de hemel wapperden. Maar zelfs in een virtuele opname bleven ze onecht, ongeloofwaardig. De bijen waren keer op keer opnieuw uitgezet maar legden steeds het loodje.

Ze drukte het gevoel weg.  Iets missen wat je nooit hebt gehad, was pure aanstellerij. Alles was per slot van rekening goed gekomen. Min of meer dan en alle miljard aardbewoners leefden in luxe en vrede. Wat met de andere negen miljard gebeurd was, daar sprak niemand eigenlijk over. Het was bovendien oude geschiedenis, water onder de brug, en zelfs de superorkanen waren aan kracht aan het inboeten.

 

Toen ze de buitendeur opende, woei een stevige bries aan over het wad. De wind streelde door haar kortgeknipte haren, vulde haar neus met de geur van ozon en jodium. Het smaakte naar zonlicht en eindeloze afstanden. Ze likte over haar lippen en proefde zilt.

In de verte rezen de groene muren van Bourtange op. Het vestingstadje stond op machtige zuilen van nachtzwarte print-diamant, opgekrikt tot twintig meter boven zelfs de hoogste springvloed. Algentorens omgaven het stadje, smaragdgroene speren die zich voedden met zonlicht en koolstofdioxide. De gemeentelijke 3D-printers transformeerden het groene slib tot alles van romige donuts tot zinderende tofusteaks.

Dauw schitterde uitnodigend op het straatgras. Ze schopte haar laarzen uit en liep blootsvoets verder. Puur genot!

Lydia? texte het berichtenvakje van haar smart-glasses. Ben je al buiten?

Leonards gezicht vulde de linkerhoek van haar gezichtsveld en ze klikte het telefoon-icoontje aan. Kus trok prompt een blauwe cirkel om het gezicht van haar collega.

‘Vijf op een schaal van tien,’ deelde Kus mee. ‘Jullie zouden je dood vervelen met elkaar. En jij bent trouwens een stuk minder bi dan je zelf gelooft.’

‘Wie was dat?’ vroeg Leonard.

‘Een of ander maf programma dat Huis in mijn bril heeft geplant. Besteed er geen aandacht aan. Hopelijk heb je iets interessants voor me?’

‘Wis en waarachtig, meid! Je bent toch zo’n natuurliefhebber? De Serengeti-toren melde net een inbraak.’

‘Wat bizar. Dat is echt de eerste keer. Werd er iets gestolen? ‘

‘Vraag het die lui maar. Ik kan nog geen kolibrie van een reiger onderscheiden.’

‘Ik pak de fiets. Ik kan de toren vanaf hier zien.’

 

De weg boog van Bourtange af, stak de Aa over op een reeks glazen pontons. De rivier was hier zo’n veertig meter breed en in het brakke water gleden zeekoeien rond, trokken de rugvinnen van orka’s wijde V’s. Ze waren natuurlijk niet oorspronkelijk, maar opgekweekt uit net op tijd ingevroren cellen. De rondzwermende zeemeeuwen waren even onecht als de bijen-drones, maar je moest de gaten in de ecologie op de een of andere manier opvullen. Bovendien konden deze meeuwen plastic prima verteren.

 

De Serengeti-toren stond op een weide van kniehoge zeedistels, een grondvlak van zestig bij zestig meter en honderdvijftig verdiepingen hoog. Driehonderdzestigduizend vierkante meter ongerepte savanne, tropisch regenwoud en moerasland. Tegen het einde was Afrika één immense shanty town geweest, maar de genen van de Big Five waren wel op tijd opgeslagen, net als die van een half miljoen andere soorten. Al die wilde dieren hadden nu hun eigen ark in elk beschaafd land, streng verboden toegang voor alle homo sapiens.

 

Het meisje bij de receptie schudde haar hand en haar handpalm was aangenaam rasperig van het eelt. Een hands-on dame. De lichtelijk gebladderde nagellak vertelde hetzelfde verhaal.

‘Mijn naam is Gullah Ramid,’ zei ze, ‘en jij moet de agent zijn die we besteld hebben.’ Haar gezicht was een lichtbruine ovaal, haar zwarte haar in een efficiënte paardenstaart. Ze schonk Lydia een wrange glimlach. ‘Ik kan de soortnamen van alle negentien kraaien vertellen maar een Sherlock Holmes ben ik niet.’

 Dit is helemaal mijn soort vrouw. Pure lust trok Lydia’s buikspieren strak en deed haar tepels tintelen. Huis heeft gelijk. In je eentje slapen is zonde van een goed bed.

Kiss trok de intussen bekende blauwe cirkel. ‘Zeven van de tien. Het kan klikken. Maar samenleven zou een beroerd idee zijn. Ze kletst te veel en jij heb zo nu en dan een moment stilte nodig.’

Het meisje trok een wenkbrauw op.

Zat ik haar aan te staren?

‘Eh, ja. Ik ben de agent. Een inbraak, toch? Is er iets gestolen?’

‘Wie telt de sprinkhanen of de krokodillenvogels? We houden alleen toezicht op de big five en alle leeuwen luieren nog steeds onder hun boom. Daar kan ik je van verzekeren. ‘

‘Valt er iets op de camera’s te zien?’

Ze grijnsde. ‘Oh, beslist. Dit is het soort mysterie dat jullie detectives waarschijnlijk haten.’

 

‘De liftdeur ging open en ik zag door de sluitende deur dat het knopje ingedrukt werd. Knopjes drukken zichzelf niet in, dus ik haalde de video door de verscherping. Bij het beste filter kwam dit eruit.’

Een wazige vlek stapte de lift in en de deur schoof dicht.

‘Hij stopte op de vierenveertigste verdieping volgens het geheugen van de lift. Een verdieping die helaas geen werkende camera bleek te hebben.’

Twintig minuten later stapte de sidderende vlek weer uit de lift op de onderste verdieping. De vlek leek duidelijk groter.

‘Een kameleonjas,’ zei Lydia meteen. ‘Voor het menselijk oog zou hij  zo goed als onzichtbaar blijven.’ Alleen het leger bezit kameleonjassen. ‘Shit!’

‘Zo beroerd?’

‘Zo’n jas is voor iets voor sluipschutters en spionnen en ze zijn tegenwoordig streng verboden. Het ruimt alle DNA-sporen op, elke dwarrelende  haar en iedere huidschilfer.’

Er verscheen een lieve kleine frons tussen Gullah’s wenkbrauwen. ‘Zijn eigen sporen, ja. Maar hij liep met zijn laarzen door het gras. Geknakte stengels, plantensap en hazenkeutels. Zou een kameleonmantel die ook opruimen?’

‘Je bent een genie! Jij zou de detective moeten zijn.’

 

De vloer vertoonde duidelijke voetafdrukken zodra Lydia haar bril op plantaardige sporen liet scannen. Ze tekenden zich af in grasvezels en stuifmeel.

Toen Lydia bij de ingang van het gebouw stond, bleef het spoor nog steeds duidelijk genoeg om in haar smart-glasses te volgen.

‘Je hebt me je eigen naam nooit verteld,’ zei Gullah. ‘Ik zou graag willen weten hoe dit afloopt.’ Ze balde haar vuisten. ‘Niemand rotzooit met mijn dieren!’

Zo’n toewijding. ‘Ik zal het je vertellen. Bij een dineetje.’ Met kaarslicht en champagne.

‘Word nu niet meteen helemaal hoteldebotel,’ zei Kus. ‘Een zeven is leuk, maar je kunt het beter doen. ‘

‘Daar houd ik je aan,’ zei Gullah.

Hun smart-glasses wisselden adressen uit.

Jammer dat expertsystemen als Kus onfeilbaar zijn, maar zo nu en dan een heerlijke nacht is ook niet weg. Met de lippen in een kus tegen elkaar kan ze niet praten. Harriët was vast geen zeven. Vanaf de eerste dag maakten we al ruzie.

 

Lydia fietste naar de oude stad, de loopbrug op, en het gras maakte plaats voor antieke kasseien.

De vestingmuren waren overgroeid met bloeiende Japanse duizendknoop en blauweregen.

Bourtange was een toeristenstad. Lydia zag inktzwarte expats van de zeesteden over het marktplein flaneren, blonde Friezen uit Marseille. Bij de eerste dijkdoorbraken was half Nederland de Ardennen en het Sauerland ingevlucht en nu kwamen hun achterkleinkinderen terug, op zoek naar hun roots.

Een dronken dame, gekleed in wat ze waarschijnlijk geloofde dat een authentiek Gronings kostuum was, lalde:

‘Van Lauwerzee tot Dollard tou,

van Drenthe tot aan ‘t Wad,

doar gruit, doar bluit ain wonderlaand

rondom ain wondre stad.’

Ze zwierden met haar rokken en wankelden toen ‘s Lands Huys in, Lydia’s favoriete restaurant. ‘Wij serveren al twee eeuwen de echte van Dobbenkroketten!!!’ meldde het bord boven de ingang.

 

Het spoor voerde naar de vestingmolen maar boog ineens af.

Vijf minuten later stond Lydia voor het enige flatgebouw van Bourtange. Zo’n anderhalve eeuw terug was het een varkensflat geweest: elke verdieping een hectare weiland waar koeien graasden of varkens en kippen gehouden werden.

Toen de bewoners terugkeerden, was het gerenoveerd tot luxe appartementen.

 

Lydia moest op alle zestien verdiepingen uit de lift stappen voor ze het spoor terugvond op de hoogste verdieping.

‘Heb je ondersteuning nodig?’ vroeg Leonard.

‘Onze dief is waarschijnlijk gek, maar ik denk niet dat hij gewapend en gevaarlijk is. Wat ik wel degelijk ben.’

Er kwam een hoogst eigenaardige geur uit de half open deur waar het spoor eindigde. Een beetje als iets verschroeids maar tegelijk vreselijk smakelijk. Een oeroud instinct deed Lydia naar haar pistool reiken en het slimme holster smakte het wapen in haar open hand.

Dit was zo fout, zo monsterlijk fout.

Een vrouw zat voor het half verbrande karkas van een dood dier en scheurde het vlees met haar tanden van een bot. Lydia kokhalsde en haalde de trekker bijna over.

Een vleeseter, een verslinder van lijkenvlees! Het piepkleine deeltje van haar geest dat niet van angst en afkeer jammerde, identificeerde het dier als een haas.

De vrouw keek op, verstijfde. ‘Wat….’

Haar gezicht was dat van een engel, stoer en zoet tegelijk. Haar ogen waren levende juwelen, eindeloos fascinerend.

Kus trok de blauwe cirkel om haar gezicht en een uitzinnig gejuich klonk, kerkklokken begonnen te beieren.

‘Honderd procent compatibel!’ joelde Kus. ‘Zij is jouw enige ware liefde!’

Het genesis ei : Mike Jansen

Amsterdam, zomer 1893

 

In de ontvangstkamer van het statige herenhuis aan de Prinsengracht streek de voorzitter van het Bestedingscomité voor Naturalistische Innovaties over zijn weelderige snor.

‘Het spijt ons u te moeten meedelen dat we uw voorstel niet in over­weging zullen nemen.’ Er klonk instemmend gemompel van het viertal heren dat aan weerszijden van de voorzitter aan de lange tafel zat.

De jonge vrouw tegenover hen scheen uit het veld geslagen. Stofjes in de banen licht die door de ramen naar binnen vielen, leken doodstil in de lucht te blijven hangen. Zelfs het tikken van de Friese staartklok naast het raam pauzeerde even. Ze haalde diep adem. ‘Maar, maar… de cijfers. Hoe kunt u dit niet in overweging nemen?’

De voorzitter kuchte. ‘Wij hebben twee redenen. Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens heeft zich in de materie verdiept. Jonkheer?’

‘Inderdaad, meneer de voorzitter,’ sprak de jonkheer, die het dichtst bij het raam zat. ‘De gebruikte wiskunde bevat abstracties en concepten die niet algemeen geaccepteerd worden in de beschaafde, westerse wereld. Er is geen enkele manier om ze te verifiëren.’ Hij stond op en liep voor het raam heen en weer. ‘In uw beschrijving van de procedures geeft u verder aan dat u op basis van computantberekeningen kunt bepalen wat de functie van cellen zal worden en methodieken om deze functies te manipuleren.’

De jonge vrouw wilde overeind komen om antwoord te geven, maar de jonkheer gebaarde dat ze kon blijven zitten. ‘Gecombineerd met de nieuwste Leeuwenhoeck manipulators, computant-gestuurd, wordt dit inderdaad mogelijk,’ legde ze uit.

De jonkheer ging verder alsof hij haar niet gehoord had. ‘Hoewel vergezocht, zou dit nog enige waarde kunnen hebben voor het Innovatiefonds. De toepassingen zoals beschreven zijn echter vrijwel ondenkbaar: vervangen van ledematen, herstel van hersenletsel, het laten aangroeien van zenuwweefsel. Het leest als de fantasieën van Bilderdijk, vermakelijk, doch vergezocht. Derhalve kan ik niet anders dan concluderen dat uw documentatie, gelijk de werken van de heer Bilderdijk, tot het rijk der fabelen behoort en dat u waarschijnlijk meer geluk zult vinden bij een uitgever van dergelijke werkjes.’

Het gezicht van de jonge vrouw was rood aangelopen en een diepe gloed verspreidde zich over de huid van haar nek, onder haar blonde, opgestoken haar en tot aan haar decolleté. ‘U beticht mij van charla­tanerie? U, die een quaternion nog niet van polytoop kunt onder­scheiden?’ Ze richtte zich tot de voorzitter. ‘U sprak van twee redenen. Wat is de andere reden?’

De voorzitter glimlachte minzaam. ‘Mevrouw Tiersma, u denkt misschien zich te kunnen meten met de adepten in dit comité, ik zal hier geen waardeoordeel over vellen. Feit is dat u een vrouw bent.’ Hij vouwde zijn handen op zijn volumineuze leest. ‘Wetenschappers zijn nu eenmaal mannen. Uw plaats is niet in een laboratorium. Bestier een huishouden en zorg voor uw echtgenoot en kinderen, zoals alle vrouwen doen.’

Jeltje Tiersma rechtte haar rug. ‘Zowaar, Ada Lovelace en Mary Somerville zijn dus namen die u niets betekenen? Wat is dan nog de waarde van uw illustere genootschap, welke naturalistische innovatie denkt u te kunnen doen?’

De voorzitter wuifde haar opmerking weg. ‘U refereert aan Engelsen, die, zoals u wel weet, geen rol van betekenis spelen in deze wereld.’ Hij wenkte met zijn hand naar de dubbele deuren van de zaal. ‘De bediende zal u uitgeleide doen.’

Met het geluid van de dichtslaande deur van het herenhuis nog in haar oren besloot Jeltje Tiersma dat ze het bewijs van haar onderzoek zou leveren, ongeacht de kosten. Al was het maar om de uitdrukkingen op de gezichten van de comitéleden te zien wanneer ze haar werk publiceerde in de pagina’s van het gerenommeerde Batavia Mathe­matica.

 

 

Leiden, herfst 1893

 

‘Dit is de ruimte,’ sprak de oude boer. Hij ging Jeltje voor de immense schuur in.

Oud stro knisperde onder haar laarsjes en de geur van de stallen overviel haar, een rijk mengsel van paardenknollen, verschaalde urine en de ongetwijfeld talloze muizen die zich hier verschansten.

‘Hoeveel paarden hield u hier?’

De boer glimlachte. ‘Vóór de galvanische koetsen meer dan honderd. Goeie stevige Friezen, perfect om schuiten te trekken langs de Leidsche Vaart. Hij gebaarde naar het water dat op een steenworp afstand voorbij stroomde. ‘De laatste, Ouwe Tinus, heb ik vorig jaar persoonlijk naar de slager gebracht.’ Hij veegde een grove rechterhand over zijn ogen. ‘Hij was te oud. Ik inmiddels ook.’

Jeltje bekeek de longeerbak, de stallen, de mestkelder, de hooizolder en de berghokken voor de zadels en tuigage. Er was meer dan genoeg ruimte om haar plannen te kunnen uitvoeren. Maar ze moest wel een verbouwing bekostigen en tot nu toe was het haar niet gelukt een geldschieter te vinden die geloofde in haar plannen. ‘Hoeveel bedraagt de huur?’

De boer haalde zijn schouders op. ‘Kom je vaak in de stad?’ Hij knikte naar Leiden dat enkele kilometers zuidelijk van hen begon.

‘Elke week wel,’ zei Jeltje. ‘Ik geef les aan de universiteit. Assistent van de hoogleraren aan de wiskundefaculteit.’

‘Breng me een keer per week pijptabak en een kruik jenever, dan is het goed.’

Jeltje keek hem aan. ‘Dat is genereus.’

De boer knikte. ‘De boerderij sterft met mij. Mijn Fennigje heeft me nooit kinderen geschonken, helaas. Misschien brengt jouw aanwezig­heid wat leven in de brouwerij.’

Jeltje glimlachte. ‘Ik wil de schuur wel verbouwen voor mijn eigen doeleinde.’ Ze rekende in haar hoofd snel uit wat ze met de erfenis van haar vader zou kunnen bereiken. Ze dacht terug aan de dag dat hij stierf, nu twee jaar geleden. Hij had altijd in haar geloofd en dat hield haar op de been.

‘Doe wat je niet laten kunt.’

Ze stak haar hand uit. ‘Afgesproken.’

De boer nam hem aan. Zijn greep was opvallend zacht.

 

#

 

De aannemer die ze inhuurde vroeg bij het opnemen van de klus of hij haar vader of haar echtgenoot kon spreken. Zijn pijnlijke blik bij haar uitleg dat hij het met haar zou moeten doen, irriteerde haar. Toch gunde ze hem uiteindelijk de opdracht. Van het half dozijn lieden die ze had uitgenodigd, waren zijn ideeën het origineelst en zijn blik op haar visie sloot het best aan bij haar wensen.

Vlak voor de Kerst kon ze haar nieuwe woon- en werkruimte betrek­ken. De stallen waren verwijderd, de vloer was geëgaliseerd en voorzien van witte tegels over de gehele oppervlakte. Stevige houten schotten met grote ruiten vormden een aparte kamer met werkbanken, stromend water en een gasinstallatie.

Midden in het gebouw was een lift aangelegd, een gevaarte van staal en glas, aangedreven door een elektrofoormotor in de kelder, gevoed door het nieuwste model Teslaspoel die tot veertig meter boven het dak van de schuur uitstak.

In een van de voormalige tuigagekamers was nu haar kantoor. Gezeten achter haar bureau had ze uitzicht over de weilanden en af en toe een ondergaande zon. Secuur werkte ze haar kasboek bij en streepte ze de onderdelen van haar verbouwingsbudget weg tot haar gereserveerde bedrag op nul kwam. Eigenlijk was ze voorbij haar budget gegaan omdat ze de kelder extra diep had laten uitgraven. De aannemer zeurde natuurlijk, maar Jeltje hield haar poot stijf. Ze maakte een aantekening dat ze nog een kleine ereschuld aan de man had staan.

Voorlopig had ze eerst voorraden nodig. Ook een International Lovelace Mills computant en een Leeuwenhoeck manipulator stonden op haar lijst.

Jeltje zuchtte. Het innovatiecomité zag haar plannen niet zitten, maar de lokale koopmansvereniging had een tweemaandelijkse intro­ductieavond waar jonge uitvinders en ondernemers met geldschieters en investeerders konden spreken om hun ideeën en plannen bekostigd te krijgen.

Haar gedachten werden onderbroken door het galmen van de voordeurbel. Ze stak de vloer over richting de vestibule. Bij het openen van de deur viel haar mond even open van verbazing.

‘U lijkt vandaag meer onder de indruk van mijn verschijning dan van de zomer, mevrouw Tiersma.’

‘Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens, welk een onaangename verras­sing.’ Jeltje snoof zachtjes.

De jonkheer grijnsde. Zijn tanden waren perfect, evenals zijn onbe­rispe­lijk geschoren kin. In zijn donkerbruine ogen fonkelden pret­lichtjes. ‘Het genoegen is dan ook geheel eenzijdig, kan ik u verzeke­ren.’

Jeltje maakte aanstalten de zware deur dicht te gooien.

De jonkheer hief zijn rechterhand. ‘Toch wens ik iets met u te bespreken. Een mogelijk lucratief voorstel?’ Hij glimlachte bij haar aarzeling. ‘Misschien bij een kop thee?’

‘Vooruit maar.’

 

De salon naast de keuken keek uit over weilanden. Slootjes met rietkragen vormden kaarsrechte strepen die peristaltisch bewogen in een zachte bries, slechts hier en daar onderbroken door een treurende wilg. Twee dampende mokken stonden op de eenvoudige tafel en Jeltje en de jonkheer zaten tegenover elkaar.

Jeltje tikte met haar vingers op de tafel. ‘Ter zake.’

‘Even charmant als altijd.’

‘Mijn tijd is kostbaar.’ Jeltje gebaarde naar het laboratorium dat door de deur zichtbaar was.

‘Ach ja, geld, voor uw zoektocht naar de oervorm.’

‘U moet toegeven dat uw naturalistische instelling op zijn minst uw nieuwsgierigheid aanwakkert. Anders zat u niet in het comité.’

De jonkheer pakte zijn mok en blies zachtjes over de hete thee. ‘Wederom moet ik u teleurstellen. Er zijn interessanter onderzoeks­richtingen.’

Jeltje zweeg en keek de jonkheer aan tot hij wegkeek.

‘Ik kan u wel zeggen dat ik over u gesproken heb op de herensociëteit aan De Waag in Amsterdam. Ter vermaak van mijn gelijken, natuurlijk.’

Jeltje begon weer met haar vingers op de tafel te trommelen.

De jonkheer zuchtte. ‘Helaas was mijn jonge vriend Hugo Steenius aanwezig. Hij is snel onder de indruk en hij toonde bovenmatige interesse in uw werk.’

Jeltje ging iets rechter zitten. ‘Wat wilt u nu eigenlijk zeggen, jonk­heer?’

‘Dat mijn jonge vriend mij verzocht heeft u te polsen voor een gesprek. Ik zal hem uw afwijzing natuurlijk overbrengen, dat spreekt voor zich.’ De jonkheer schoof zijn stoel achteruit.

‘Wacht.’ Jeltje hief haar hand. ‘Een gesprek?’

De jonkheer haalde zijn schouders op. ‘Geraaskal van een jongmens die zich al patroon van de kunsten waant voor hij Rembrandt van Vermeer kan onderscheiden. Kom, ik zal uw tijd niet langer verdoen.’

Jeltje dacht snel na. ‘Ik verwacht dat uw dunk van meneer Steenius gegrond is. Mocht hij alsnog een gesprek wensen, dan kan hij op de zevende december de Leidsche Koopmansvereniging bezoeken, alwaar meerdere geïnteresseerden mijn presentatie zullen bijwonen.’

Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens nam een slok van zijn thee. ‘Ik zal hem de boodschap geven.’ Hij stond vrij abrupt op. ‘Met uw goed­vinden, mijn chauffeur wacht buiten op me.’

Jeltje liet haar bezoeker uit en zag hem een splinternieuw model galvanische koets instappen. Het gevaarte stak zijn Teslaspoel omhoog en reed even later gezwind haar erf af.

Een merkwaardig bezoek. Een Amsterdamse jonkheer die uren rijdt om een boodschap in Leiden af te geven. Ze schudde haar hoofd. Mijn vader zou nu enthousiast zijn geworden. Waarom heb ik er dan een slecht gevoel over?

 

 

Leiden, 7 december 1893

 

Een dikke laag sneeuw bedekte de binnenplaats van het hofje aan de Ketelboetersteeg waar de Leidsche Koopmansvereniging gevestigd was.

Jeltje hield haar mantel stevig om zich heen geslagen terwijl haar adem in witte wolken naar buiten kwam. In het licht van een eenzame elektrofoorlamp zag ze een tweetal galvanische koetsen voor de ingang die langzaam witter werden door de gestaag vallende vlokken. Ze vroeg zich af of een ervan van Hugo Steenius was.

Met haar portfolio in de hand beklom ze de treden van het bordes. Voor ze de bronzen klopper kon optillen zwaaide de deur voor haar open.

‘Mevrouw Tiersma, komt u toch binnen.’ Voor haar stond de weledelgestrenge heer Paridon, voorzitter van het bestuur van de koopmansvereniging.

Jeltje knikte beleefd en stapte de ontvangsthal in. ‘Uw bediende is afwezig?’

Heer Paridon schudde zijn hoofd. ‘Nee, nee, we hebben hoog bezoek. Harm heeft opdracht niet van zijn zijde te wijken.’

‘Hugo Steenius?’

De voorzitter knikte driftig. ‘Een telg uit het Hoekenes geslacht. Zegt dat voldoende?’

Jeltje slikte even.

 

Het zaaltje waar ze haar presentatie mocht geven was matig verlicht door een zestal elektrofoorlampen aan de muren.

Van de tien geplaatste stoelen waren er vijf bezet. De voorzitter, zijn bediende, Harm, twee lokale ondernemers die ze eerder gezien had en een jongeman met rossig haar en felle, donkerblauwe ogen. Dus dat is Hugo Steenius.

Jeltje plaatste haar tekeningen en formules netjes op volgorde. Zodra ze klaar was kuchte ze beleefd.

De voorzitter stond meteen op, draaide zich naar de aanwezigen en zei: ‘Welkom op deze bijzondere avond. Onze gewaardeerde stads­genote en uitvindster, Jeltje Tiersma, wenst u te informeren over haar bio­naturalistische onderzoek. Dit alles hopend u geïnteresseerd te krijgen in haar plannen en met haar mogelijkheden voor investeringen te beschouwen.’ Hij draaide zich naar Jeltje voor hij weer ging zitten. ‘Mevrouw Tiersma, het is aan u.’

‘Dank u voorzitter,’ zei Jeltje. Ze keek naar Hugo Steenius die kalm terugkeek. ‘Ik heb geprobeerd mijn stellingen op eenvoudige wijze weer te geven. De achterliggende wiskunde kan geducht zijn.’ Ze hing haar eerste tekening op. ‘De eerste vraag die ik wenste te beant­woorden was: wat was er eerder, de kip of het ei? Het antwoord was het ei.’

Haar volgende tekening bevatte een aanduiding van een aantal elementen, een stukje helixcode en een weergave van een microbe. ‘U herkent natuurlijk de symbolen, koolstof, stikstof, zuurstof, waterstof en fosfor. Dankzij Aarnout Vosmaer III weten we inmiddels hoe deze elementen de basis vormen voor het leven zoals we dat kennen.’ Ze wees op de microbe. ‘Van klein tot heel groot, alle flora en fauna die wij kennen is hieruit opgebouwd.’

Hugo Steenius kuchte even. ‘Mag ik u even onderbreken, juffrouw? Ik snap dat ei niet helemaal.’

‘Geduld alstublieft. Meneer Steenius, toch?’ zei Jeltje.

‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei hij, ‘gaat u vooral verder.’

Jeltje hing het volgende papier op. Er stond een ingewikkelde, wis­kundige formule op. ‘De helix volgt deze formule. Herleiden van de helix middels de formule levert op wat ik de “tabula rasa” heb gedoopt. Een onbeschreven blad waarop de onderzoeker kan schrijven. Het produceert een ei, letterlijk, een vrijwel ondoordringbare, transparante wand die enkel osmotische toegang verleent wanneer gestimuleerd door de juiste elektrofore krachtvelden.’

‘U kunt leven scheppen?’ zei Hugo Steenius, zijn stem vol van duide­lijk ongeloof.

‘Mijn onderzoek wijst uit dat leven zichzelf lijkt te kunnen scheppen,’ zei Jeltje. ‘De vraag is onder welke omstandigheden deze oer-eieren zich kunnen vormen. En hoe wezens erin kunnen ontstaan.’

‘Vermoedt u hogere machten?’ zei Hugo Steenius. Hij sloeg onwille­keurig een kruis.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Ik vermoed omstandigheden die perfect waren voor het ontstaan van eieren, hoe klein ook, gestimuleerd door elektrofore prikkeling zoals die ook nu nog ruimschoots op Aarde voorhanden is. Dan is het ontstaan van slechts enkele microben vol­doende om een begin te maken.’

Hugo Steenius haalde een gemonogrammeerde zakdoek tevoorschijn en depte zijn voorhoofd. ‘U wenst dit fenomeen verder te onder­zoeken?’

‘Dat is mijn bedoeling met deze presentatie, inderdaad,’ zei Jeltje.

‘Heeft u al commerciële toepassingen bedacht?’ zei Hugo Steenius.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nog niet. Hoewel kort nadenken wellicht snel tot interessante denkrichtingen kan voeren. Koeien die extra veel melk geven. Of waarom melk, waarom geen geneesmiddelen? Waarom geen specerijen ontwerpen die in beschaafde klimaten groeien zodat we ze niet meer van verre uit de tropen hoeven te halen?’

‘Wat zou u zeggen van soldaten, onvermoeibaar, onverslaanbaar? Of planten die breinversterkende kwaliteiten bezitten, zoals de coca-plant, maar dan sterker?’

‘Ik merk dat u inziet dat er vrijwel ongelimiteerde mogelijkheden zijn, heer Steenius,’ zei Jeltje. ‘Waak er echter voor dat u te snel handelt. Er is nog veel onderzoek en investering nodig om tot een goed prototype te komen.’

Hugo Steenius stond op. ‘Ik weet genoeg, mevrouw Tiersma. Ik wens uw onderzoek te steunen. Schikt het wanneer ik morgen langskom op uw adres met advocaat en notaris om een en ander te bekrachtigen?’

Jeltje voelde haar wangen heet worden. Even aarzelde ze. Doe het, Jeltje, dit is je kans om ze te laten zien dat je gelijk hebt. Batavia Mathematica, weet je nog?

 

 

Leiden, maart 1894

 

Jeltje wreef zich in haar ogen voor ze weer door de oculairs van de Leeuwenhoeck manipulator tuurde. Ze was zich vaag bewust van geluiden en beweging om haar heen van haar assistenten die materialen af- en aandroegen en opstellingen conform haar ontwerpen opbouwden.

Zelfs met de nieuwste apparatuur die de fondsen van Steenius haar verschaften, bleef het vinden van de juiste combinaties en elektrofoor­spanningen een Sisyfusarbeid zonder weerga.

Haar concentratie werd verstoord door een indringend gefluister. ‘Mevrouw Tiersma!’

Ze keek op. Naast haar stond Hans Janszoon, haar rechterhand. ‘Wat is er, Hans?’

‘Het is bijna zes uur. Einde van de werkdag. En het is vrijdagavond.’

Jeltje knipperde met haar ogen. ‘Ach, natuurlijk, loontijd. Is meneer Nederburgh al gearriveerd?’ Arndt Nederburgh was haar factoor en administrateur die elke vrijdag de loonzakjes kwam afleveren.

‘Hij wacht in uw kantoor.’

Jeltje stak haar handen in de zakken van haar laboratoriumjas en wandelde over de werkvloer naar het directiekantoor. Met genoegen zag ze het glaswerk gevuld met voedingsstoffen. Toen ze voorbij de lift liep, hoorde ze het zachte klikken van de computant die in de kelder zijn berekeningen deed, aangedreven door de elektrofore furiën van de Teslaspoel.

Door het raam van het afgesloten deel zag ze de onaardse lichten die uit de incubator opflitsten, waar mengsels van voedingsstoffen onder invloed van steeds andere elektrofoorstoten doorlopend werden getest.

Bij het kantoor stonden haar assistenten haar al op te wachten. Ze liep naar binnen, waar ze haar factoor achter een stapeltje loonzakjes zag zitten. Ze leunde tegen de sponning. ‘Meneer Nederburgh, ook goeiemiddag.’ Ze gaapte even.

Arndt gromde. ‘Vooruit met de geit. Ik heb niet de hele dag.’

Jeltje ging naast hem staan en ze reikte persoonlijk elk van haar assistenten zijn loonzakje aan. Vanaf het begin had ze hierop gestaan. Ze wilde haar werknemers in de ogen kunnen kijken. Het was een herinnering aan haar vader, die ooit door een werknemer bestolen was, die haar hiertoe motiveerde.

‘Tot volgende week maar weer, Arndt,’ zei Jeltje. ‘Ik ga nog even door.’

Arndt gromde weer, nam de grootboeken in zijn armen en liep de deur uit.

Even later klonk de deur weer.

‘Ben je iets vergeten, Arndt?’

De stem achter haar zei: ‘Nee hoor, ik herinner me dat we drie maanden geleden contracten hebben getekend.’

Jeltje draaide zich om. ‘Hugo. Leuk je hier te zien. Vanwaar de eer?’

‘Net binnen, een kruidige, sterke cognac.’ Hugo hield een fles omhoog. ‘Geweldig bij een Hispericaanse sigaar. Omdat het lente begint te worden.’

‘Je komt je investering bezichtigen, is dat het?’

Hugo Steenius grijnsde. Het maakte zijn gezicht aantrekkelijk en warm. Hij zette de fles en een doos sigaren op het bureau. ‘Waar heb je glazen?’

Jeltje knikte naar het dressoir waar een groot formaat tiphaigne van haar overleden vader stond. De sepia tinten kleurden zijn haar, dat hij toen nog had, een onnatuurlijk paars. Ze miste hem, zijn scherpte, maar nog meer zijn geduld met haar.

Even later stonden er twee glazen cognac te ademen. Twee sigaren lagen ernaast, klaar om aangestoken te worden.

‘Niet alleen mijn investering, madame, ook de briljante uitvindster die ermee bezig is heeft mijn aandacht.’

Hugo ging voor het bureau zitten en liet de directeursstoel aan haar. Jeltje liet zich erin ploffen.

‘Ik heb nog niet veel bereikt,’ begon ze.

Hugo zwaaide met zijn wijsvinger. ‘Wacht.’ Hij reikte haar een van de sigaren en nam de ander in zijn eigen hand. ‘Ruik.’

Jeltje deed wat hij vroeg en de rijke geur van de tabak vulde haar hoofd.

Hugo glimlachte, nam zijn glas en nipte voorzichtig.

Ze volgde zijn voorbeeld. De cognac was sterk, kruidig, smaakvol. Het was de perfecte aanvulling voor de geur van de sigaar die nog in haar neus zweefde.

‘Proef je dat?’ vroeg Hugo. ‘Voel je dat?’

Jeltje knikte. ‘Bijzonder.’ Hugo produceerde een aansteker en stak beide sigaren aan.

‘Nu dan,’ zei hij. ‘Dit is toch beter. Een gesprek tussen gelijken onder het genot van een sigaar en een goed glas cognac.’

‘Het verandert niets aan mijn resultaten. Of het gebrek daaraan.’

‘Vertel me wat er mis gaat,’ zei Hugo.

‘De wiskunde klopt. De chemie klopt. De elektrofore oscillaties lijken perfect. Maar dit is het beste dat ik heb kunnen bereiken.’ Ze haalde onder haar blouse een bronzen hanger vandaan waarin een enkele, waterige bol gevat was. ‘De kleintjes zijn instabiel. Vanaf een duim zijn ze stabiel. We hebben er dozijnen. Tabula rasa. Daar blijft het bij.’ Ze liet de hanger weer vallen waar hij tussen haar borsten bleef liggen.

‘Wat is dan het probleem?’ zei Hugo.

‘Er zit niets in. Ik verwachtte met voedingsstoffen en de Leeuwen­hoeck manipulator leven te kunnen maken. Maar de eieren zijn ondoordringbaar. En leeg. Dood.’ Ze keek even opzij naar de beeltenis van haar vader. Wat mis ik toch?

Hugo knikte. ‘Je bent zo’n drie maanden bezig. De meeste van mijn investeringen doen er een jaar of langer over om resultaat te boeken.’ Hij hief zijn glas. ‘Opdrinken.’ Hij gooide de inhoud van zijn glas in een keer zijn mond in.

Jeltje keek naar de bruine vloeistof. Ze haalde haar schouders op en volgde zijn voorbeeld. God, dat brandt!

Hugo grijnsde ondeugend. ‘Na de tweede brandt het niet meer.’ Hij knipoogde en vulde haar glas bij. ‘Vertel me meer over je werk.’

Terwijl ze vertelde werd het donker buiten en de fles raakte steeds leger.

‘Tijd om te gaan,’ zei Jeltje. Ze stond op, maar de directeurskamer wankelde om haar heen. Hugo stond klaar om haar op te vangen. Ze giechelde terwijl ze tegen hem aan hing. De stof van zijn maatpak voelde prettig aan. Onwillekeurig boog ze haar hoofd iets en rook aan hem. Zijn geur was mannelijk, indringend. Ze voelde een merkwaardige leegte in haar onderbuik, alsof ze iets miste. Ze wreef haar neus tegen zijn nek. Alsof het een signaal was boog Hugo zich naar voren en zijn mond zocht de hare. De leegte in haar onderbuik werd ineens gevuld met een donkere gloed en ze wist dat ze hem wilde.

‘Kom,’ zei Jeltje. Ze wankelde het kantoor uit en trok Hugo achter zich aan in de richting van haar slaapvertrekken.

Giechelend trokken ze elkaar de kleren van het lijf. Op het bed voel­den ze elkaar feilloos aan en in de schemer van de slaapkamer weer­klonk enkel het gegrom en gesnuif van het copulerende stel.

Jeltje voelde haar eigen hoogtepunt naderen, gelijk met het haastige ademen en een versnelling van Hugo’s bewegingen.

Nog halfdronken spoelde het orgasme over haar heen, er danste vuurwerk tussen hen in, alsof er letterlijk licht opflakkerde terwijl hij haar vulde. De stekende pijn die ze vlak na hun orgasme in haar onder­buik ervoer, ebde snel weg in het geweld van de endorfinen die door haar lijf stroomden.

Ze vielen in elkaars armen in slaap.

 

#

 

’s Ochtends dreef de geur van gebakken eieren de slaapkamer in. Jeltje voelde haar maag rommelen en kwam overeind. Een stevige hamer dreunde tegen de binnenkant van haar schedel.

‘Auwauwauw…’ Ze kneep haar ogen dicht en hield haar hoofd in haar handen. Haar haren zaten nog opgebonden op haar hoofd, ongekamd. Ze vloekte zachtjes. Uit haar kledingkast haalde ze een lichtgeel peignoir. Voor de spiegel van haar kaptafel trok ze de spelden los en kamde haar haar. Dat verlichtte de pijn in haar hoofd iets.

Nu, tijd voor de inwendige mens. Ze liep door de gang langs haar woon­kamer naar de keuken. Achter het fornuis zag ze Hugo staan, enkel gekleed in zijn donkergroen zijden boksersbroek, stoeiend met twee braadpannen.

‘Dat ruikt goddelijk,’ zei Jeltje.

Hugo keek om. ‘Ga lekker zitten. Ik heb ook koffie gemaakt.’ Zijn glimlach verdween even en hij keek serieus. ‘Denk ik. Ik snap die appa­raten allemaal niet.’

‘Pannen gaan je goed af,’ zei Jeltje. Ze ging aan de eettafel zitten en even later verscheen er een bord eieren, gebakken spek en bloedworst voor haar.

Ze zwegen terwijl ze de eerste helft van hun borden leegden.

‘Normaal ben ik niet zo,’ zei Jeltje. Ze bloosde.

‘Ik ook niet,’ zei Hugo. ‘Liefde en zaken mengen slecht met elkaar. Ik verwijt het mezelf.’

Jeltje legde een vinger op haar lippen. ‘Ssht. Het is niet gebeurd.’

Hugo keek haar aan. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, sorry, ik kan vannacht niet vergeten. Ik zal ermee moeten leren leven.’

Jeltje sloeg haar ogen neer en at verder. Nerveus speelde ze met de hanger om haar nek.

‘Wat heb je gedaan?’ zei Hugo ineens.

Ze keek op. ‘Hoe bedoel je?’

Hugo wees op haar hanger. ‘Bewoog daar iets?’

Jeltje maakte de hanger los en hield de waterige bol in het ochtend­licht dat door de ramen kwam. Verdraaid, er is inderdaad iets.

 

 

Leiden, april 1894

 

Met een zwaai gooide Jeltje de voordeur dicht achter haar laatste assistent die ‘s avonds richting huis vertrok. Ze leunde met haar hoofd tegen het koele hout en wreef zacht over haar kloppende slapen.

‘Waar gaat het mis? Denk na, Jeltje Tiersma.’ Ze haalde de hanger voor de honderdste keer die dag tevoorschijn en staarde in de diepte van het ei. Af en toe was het wezentje net een klein foetus, niet groter dan een erwt, maar soms leek het te groeien. Dan vertroebelde het ei, zoals de mistflarden die over de weilanden naar binnen dreven. En zoals nu, alsof er een diepere dimensie in het ei verborgen was, zwom het wezentje door oneindige zeeën, glimmend zwart, met vleugels breder dan zijn lengte, majestueus bijna.

Een klop op de deur verstoorde haar fascinatie. Ze keek op, keek terug naar het minuscule wezentje dat anemisch bewoog in zijn glazen gevangenis.

Door het spionnetje zag ze Hugo. Met een glimlach opende ze de deur. Hugo Steenius, haar investeerder en aandeelhouder, inmiddels ook haar minnaar, stapte naar binnen, nam haar in zijn armen en kuste haar lang en hard.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij.

‘Ik jou ook,’ zei Jeltje. Ze duwde de deur dicht met haar voet en klemde zich stevig aan hem vast.

‘Is er iets?’ vroeg Hugo.

Ze maakte zich los en haalde haar schouders op. ‘Ik zoek al een maand tevergeefs naar een oplossing. Ik kan inmiddels tientallen perfecte eieren per dag produceren, de computant regelt het allemaal, de voedingsstoffen, de elektrofore spanning, alles. Maar ze zijn leeg. Stuk voor stuk.’ Ze hield haar hanger op. ‘Behalve deze.’

Hugo knikte. Hij haalde zijn eigen hanger uit zijn zak. ‘En deze.’

Jeltje knipperde met haar ogen. Ze hield haar hand uit. ‘Laat zien.’ Ze liep met zijn hanger het laboratorium in en hield het in brons gevatte ei in het licht. ‘Verdraaid.’ Ze siste zachtjes. ‘Deze doet het ook.’ Ze keek vragend naar Hugo die haar gevolgd was.

‘Ineens, ik weet het ook niet.’

‘Heb je de hanger bij je gedragen de afgelopen week?’

Hugo knikte. ‘Voortdurend.’

‘Dan moet dat het haast wel zijn.’ Jeltje pakte een stift en maakte een aantekening in een van de logboeken. ‘Ik zal mijn assistenten allemaal een hanger meegeven en dan dagelijks controleren.’

‘Alles voor de wetenschap,’ zei Hugo. Hij grijnsde en haalde een fles cognac uit zijn binnenzak. ‘Herinner je je deze nog?’

Jeltje keek zuur. ‘Mijn hoofd vergeet dat niet. Een week hoofdpijn en misselijk.’

‘Ik zei je dat je er nog wat van moest nemen. Je kunt niet in een keer stoppen, je moet geleidelijk afbouwen.’

‘Ik kan ook gewoon niet meer drinken.’

‘Maar dat is lang zo leuk niet,’ hij knipoogde ondeugend.

‘Niet nu, Hugo. Het zit me dwars, deze hele toestand. Mijn bereke­ningen lijken correct, toch werkt het proces niet als ik bedacht had.’

Hugo nam haar hand en trok haar mee naar de salon. Hij wees naar de weilanden en de laagstaande zon in het westen. ‘Ooit is hier leven ontstaan, op deze wereld. En ik denk dat jouw proces eraan ten grond­slag heeft gelegen.’

‘Ik twijfel er steeds meer aan, eerlijk gezegd,’ zei Jeltje zuur. Ze vouwde haar armen over elkaar.

‘Je mist gewoon nog iets,’ zei Hugo. ‘Ontdek dat, vind het uit.’

‘Waar ik over twijfel is dit alles,’ ze spreidde haar armen. ‘Planten, dieren, flora en fauna, het groeit allemaal zonder mijn eieren.’

‘Ooit is het ergens begonnen,’ zei Hugo. ‘Dat heb je me zelf verteld.’

‘Maar als het zo moeilijk is, is het dan met mijn eieren begonnen? Of heeft een andere, eenvoudiger manier het gewonnen? Wat is de ware Genesis geweest?’

‘Je moet je zinnen verzetten, Jeltje,’ zei Hugo. ‘Er is een theater­voorstelling in Leiden. Pyrrhus en Willem VI. Toepasselijk, denk ik.’

Jeltje knikte zachtjes. “Elke stap zal je kosten.”

‘Ware woorden. Wat zeg je ervan?’

Even later vertrokken ze in Hugo’s galvanische koets.

 

#

 

Na het weekeinde kwamen haar assistenten terug in het laboratorium. Met leven.

Jeltje onderzocht elk van de eieren en ondervroeg haar assistenten over alles wat ze in het weekend gedaan hadden. Het was verbazing­wekkend normaal. Eten, drinken, slapen, wandelen, sporten, tuinieren, lezen. Frustrerend. Maar het werkte.

Hugo organiseerde mooie, houten kistjes, van binnen bekleed met paars fluweel, waarin de hangers, in zilver en goud, konden worden opgebor­gen. Het waren extreem dure cadeaus, voor kinderen van regen­ten en gouverneurs die alles al hadden.

‘Ik heb al enkele dozijnen bestellingen binnen,’ zei Hugo. ‘De marge is navenant. Bij vijftig verkochte exemplaren is mijn investering winst­gevend.’

‘Doen we er goed aan?’ zei Jeltje. ‘We weten dat we iets levends hebben, we weten alleen nog steeds niet wat het is.’

Hugo haalde zijn schouders op. ‘Dit is gewoon de volgende stap. Mocht het iets schadelijks zijn, dan kunnen we op enig moment het speelgoed terughalen en vervangen door iets veiligers.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel het enige gevaar schuilt in wat ze met dit speelgoed stuk kunnen maken.’

Jeltje greep onwillekeurig naar haar nek, maar de hanger was daar niet. Ze had haar ei uit de hanger gehaald en in een incubator gelegd, volledig gecontroleerd door de Lovelace computant. In een week tijd was het ding bijna een duim in omvang gegroeid.

Het wezentje was meegegroeid, maar het leek in het geheel niet op welk foetus Jeltje ooit gezien had, zelfs niet in het Leidsch Natuur­historisch Museum dat toch bekend stond om zijn uitgebreide naturalistische collectie op sterk water.

Ze voelde zich misselijk, een onaangename leegte in haar buik bij de gedachte aan het ei in de kelder. Ze nam zich voor eind van de werkdag naar de kelder te gaan, het ei uit de incubator te halen en ermee in de salon te gaan zitten, uitkijken over de weilanden, staren naar het wezentje dat ze al zo lang bij zich droeg. Ze zou het aaien en stevig tegen zich aandrukken. Ze schudde haar hoofd. Doe niet zo raar, Jeltje. Het is een studieobject, een experiment.

 

#

 

Flarden mist trokken over het weiland waar ze stond. Jeltje keek om zich heen. Ze herkende deze plek niet. Een maantje verscheen boven de horizon en baadde de omgeving in een geel licht. Op een hoge heuvel in de verte zag ze de silhouet van torens en kantelen, een soort kasteel. Waar ben ik? Dit is Holland niet. Droom ik?

Ze nam een paar voorzichtige stappen. De grond was bedekt met lang gras, met hier en daar planten met roodomrande bladeren die dauw­druppeltjes aaneenregen tot waterparelsnoeren. De zoom van haar nachtjapon raakte snel doorweekt en sleepte over de grond.

Voor haar week de mist uiteen en ineens keek ze uit over een dal, diep en donker. Als golven in de branding rolden achtereenvolgende mistbanken over het land. Reflectie van de gele maan onthulde stukjes van de omgeving, struiken, vreemdgevormde bomen, kabbelende stroompjes en dreigende schaduwen die leken te bewegen.

Een rode maan verscheen achter het kasteel. Jeltje voelde de sfeer van de omgeving veranderen. De schaduwen werden dieper. Heel in de verte klonk een sonoor, laag brommen waarin Jeltje met enige moeite een ritme ontdekte, alsof een slapend wezen een melodieus geluid voortbracht. Het raakte haar diep in haar buik. Ze betrapte zich erop dat ze met open mond naar de maan staarde en dat ze bijna vergat te ademen.

Het geluid veranderde, werd melodieuzer, alsof het een lied was, een lied met een boodschap die op de rand van haar gehoor, van haar verstand lag. Ze zette een aarzelende stap in de richting van het kasteel en nog een. Ze versnelde haar passen tot ze de heuvel afrende. Struiken sloegen tegen haar benen, met moeite ontweek ze bomen en in de nevel stapte ze af en toe mis en struikelde over keien. Haar voeten deden pijn en het kille water van de stroompjes zoog zich vast aan haar kleed en probeerde haar onder te trekken, maar het lied was sterker en de melodie dreef haar tot het uiterste.

Met een schreeuw kwam ze overeind. Jeltje knipperde met haar ogen. Ze lag in haar eigen bed en ze was ijskoud. Klappertandend stapte ze uit bed om extra dekens te pakken. In het licht dat ze aanknipte zag ze meteen dat haar nachtjapon vol moddervegen zat en dat haar voeten vol blauwe plekken en schrammen zaten.

Verward pakte ze extra dekens. Het duurde lang voor ze warm werd. Daarna viel ze in slaap terwijl ze melodieus neuriede. Ze sliep droom­loos.

 

 

Leiden, juni 1894

 

‘Het spijt me, mevrouw Tiersma, maar de vrouw wil ze niet meer in huis.’ Harmen Rolants, een van haar assistenten, overhandigde de eieren die ze hem de dag ervoor had gegeven. Ze waren leeg.

‘Ik snap het niet zo goed, Harmen,’ zei Jeltje. ‘Voorheen was er geen probleem, wat is er dan nu aan de hand?’

Harmen bloosde. Hij keek naar zijn voeten. ‘Nou, het zit zo.’ Hij keek naar het plafond, zuchtte drie keer. ‘Gesina vindt ze eng. Als we… als we… nou ja, “samen” zijn, dan doet het pijn. Wanneer de eieren er zijn, bedoel ik.’

Jeltje slikte. Ze was zelden zo openhartig met haar assistenten. Ze wist niet goed waar ze moest kijken.

‘En het licht,’ ging Harmen verder. ‘Wanneer we, nou ja, u weet wel… Spookachtig, eng.’

Jeltje lette ineens scherp op. Dat heb ik eerder gezien. Ze herinnerde zich flarden van de dronken vrijpartij met Hugo, het vuurwerk dat ze dacht te hebben gezien. En ze dacht aan de pijn die ze toen voelde. Wat betekent dit?

Ze besloot haar dilemma wetenschappelijk te benaderen. Zonder omhaal liep ze naar Kees Kouwenhoven en vroeg hem op de man af of hij in de weekends dat hij eieren in huis had ook met zijn vrouw lag.

Kees grijnsde. ‘Veel en vaak, mijn vrouw houdt ervan.’ Hij kuchte even, serieus. ‘En we willen graag een kindje, dat helpt natuurlijk ook. Tot nu toe nog niets.’

‘Heeft je vrouw nog wel eens over pijn geklaagd?’

Kees schudde zijn hoofd. ‘Ze klaagt nooit. West Friezin, dat zijn bikkels.’

Jeltje knikte. ‘Dat klopt zeker.’ Ze praatte met elk van haar assisten­ten en aan het eind van de ochtend was ze er vrijwel zeker van: De eieren ontvingen leven in de buurt van vrijende mensen.

De rest van de dag bracht ze door achter haar schoolbord waarop ze met krijt steeds ingewikkelder formules kalkte.

 

#

 

‘Jeltje? Jeltjelief, wat doe je?’

Jeltje keek op. Hugo stond naast haar. De elektrofoorlampen waren aan, het werd al donker buiten. Ze zat op de grond voor het schoolbord. ‘Hugo, je bent er.’ Ze gaapte. ‘Ik denk dat ik even in slaap was gevallen.’

Hugo keek haar vreemd aan. ‘Nee, je sliep niet. Je staarde naar de muur en wiegde zachtjes heen en weer. Je neuriede iets, een liedje?’

Jeltje rekte zich uit en stond op. ‘Ik weet van niets.’ Een moment later zakten haar schouders af. ‘Wacht, ik weet het wel.’ Ze wees naar de krijtvegen op het bord. ‘De wiskunde. Te complex. Ik kan het niet in mijn hoofd krijgen.’

‘Welke wiskunde, Jeltje?’ Hugo keek naar het bord. ‘Ik zie alleen maar rare symbolen en diagrammen. Niets wat ik onder rekenarij versta.’

Jeltje liet haar ogen over de symbolen dwalen. Ze herkende haar handschrift, maar de tekens waren vreemd voor haar. Toch kriebelde er iets in haar achterhoofd, een betekenis die zich aandiende maar nooit volledig haar hersenen betrad om inzicht te verschaffen. ‘Ik kan het niet uitleggen. Ik snap het zelf ook niet.’ Ze twijfelde. ‘Ik begrijp er een beetje van. Maar de hogere dimensies zijn te complex.’

Hugo pakte haar schouders vast. ‘Werk je niet te hard, Jeltje? Je ziet er moe uit.’

‘Ik slaap slecht, Hugo. Dromen, nachtmerries eerder, die me wekken, waarna ik de slaap niet meer kan vatten.’

Hugo zuchtte. ‘Kom, we gaan wat eten. Lekker in bad en daarna stop ik je in bed. Zal ik een doctor laten halen? Je lijkt hysterisch.’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nee, vooral niet. Ik ben niet ziek. Moe, dat wel.’

Hugo bood haar zijn arm en samen liepen ze naar de keuken. Terwijl ze langs de salon liepen dacht Jeltje even een grote, rode maan boven de weilanden te zien, een flits, niet meer, daarna zag ze enkel de roodkleurende wolken in de laatste stralen van de ondergaande zon.

Terwijl ze een eenvoudig maal nuttigden, besprak Jeltje met Hugo haar bevindingen en de verhalen van haar assistenten.

‘Het geeft me een slecht gevoel,’ zei ze.

Hugo steunde zijn kin op zijn handen. ‘Ik begrijp je zorgen. We kunnen er op dit moment alleen weinig aan doen. Ik zal wel de orders tijdelijk weren zodat we dit goed kunnen uitzoeken.’ Hij wees vervol­gens naar Jeltje. ‘En jij moet wat meer rusten, mevrouwtje werkteveel.’ Een half uur later lag ze schoon in haar bed en deed Hugo het licht uit. ‘Goed uitrusten, lief, dan ziet de wereld er morgen beter uit.’

 

#

 

In het diepst van de nacht schrok ze wakker. Ze voelde weer die merk­waardige leegte in haar buik, alsof iets aan haar trok. In de stilte van de nacht hoorde ze elk geluidje en in de verte, heel zacht, een zacht zoemen, melodieus.

Nieuwsgierig stond ze op. Ze wandelde door de donkere kamers, richting het lab. Midden in het lab klonk het geluid het hardst. Ze keek naar het donkere gevaarte van de lift. Ze opende de deur en met een draai aan de hendel daalde ze af naar de kelder.

Uit de verste hoek van de kelder begroette een spookachtig flikkeren van elektrofoorontladingen in de incubator haar. Het gezoem was hier veel harder en de melodie leek synchroon aan het weerlicht.

Jeltje ging voor de incubator staan. Ze schakelde de elektrofoor­generator uit en opende de saffierglazen deur. In een schaal voedings­stoffen lag haar ei, nu twee vuisten groot. Ze wreef er zachtjes over. Het ei voelde niet meer koud en hard aan, het leek nu zachter en levend, alsof een transformatie bezig was.

Ze keek in de troebele diepten en zag daar de vleugels van het wezentje fier gespreid, terwijl het over een schaduwrijk dal vloog in licht dat aspecten geel en rood in zich leek te verenigen. Het lied nam in kracht toe. In een stroboscopische reeks indrukken zag ze struiken, verwrongen bomen en gras waarin af en toe planten met roodomrande bladeren, totdat het wezen de heuvels bereikte en scherp omhoog manoeuvreerde. Het miste ternauwernood de torens en kantelen van een kasteel dat ineens opdoemde.

Het lied overweldigde Jeltje zodat ze haar handen op haar oren duwde. Toen het aanhield, gooide ze snel de deur van de incubator weer dicht en startte ze de elektrofoorgenerator. Het lied daalde in volume tot een acceptabele melodieuze achtergrondruis.

Verward wankelde ze terug naar haar bed. De volgende ochtend werd ze laat wakker, maar haar slaap had haar geen rust gebracht.

 

 

Leiden, juli 1894,

 

Jeltje staarde afwezig naar de bloemenoverwoekerde weide waar de wilgen langs slootjes als fiergroene bronsgepantserde wachters de toegang leken te regelen voor de horden vliegen, bijen en ander ongedierte. In gedachten plaatste ze er heuvels achter, bergen zelfs, en een half gedroomd kasteel vol kristallen zalen en lange, donkere gangen.

Ze was er vaker geweest, na die eerste keer. Telkens dieper, telkens verder, langs spiralende trappen naar vochtige kelders met roestige kettingen en het gestage drup-drup-druppen van water dat van steun­beren en bogen kwam als begeleiding voor het lied dat nu zelfs in wakende toestand door haar hoofd weerklonk, zoet en verlokkend enerzijds, angstaanjagend door een donkere ondertoon, zwanger van gruwelijke beloften.

Haar onderzoek had te lijden onder haar slaapgebrek. Haar assisten­ten stonden af en toe werkloos bij hun werkbanken. Ze herkende hun blikken, het wantrouwen. Was dit wat haar vader ooit had meegemaakt met zijn eigen assistenten? Ze snoof zacht. Misschien moest ze een voorbeeld stellen. Die Rolants met zijn vrouw die weigerde de eieren in huis te nemen. Ze nam zich voor het met haar factoor op te nemen. Hij kende de regels in dit soort situaties.

De deur van de salon ging open en Hugo stapte naar binnen. ‘Daar ben je.’

Jeltje glimlachte, dankbaar dat hij haar gedachten onderbrak zodat de melodie tijdelijk even naar de achtergrond werd verdrongen.

‘Je ziet er bleek uit, gaat het wel met je?’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘De eieren met leven zijn ongevoelig voor welke behandeling dan ook. Enkel bouwstoffen, voeding en elektrofore stimulatie doen iets.’ Ze beet op haar onderlip. ‘En die hoger­dimen­sionale wiskunde… totaal onbegrijpelijk. Maar ik moet hem beheersen om te snappen waarmee ik te maken heb.’

‘Ik weet inmiddels dat ze stuk kunnen,’ zei Hugo. Hij haalde een doosje uit de binnenzak van zijn jacquet. ‘Dit is misschien niet wat je denkt,’ zei hij met een glimlach. Hij opende het doosje. Op zwart fluweel lagen stukjes glazen eierschaal.

‘Wat is er gebeurd?’ zei Jeltje.

‘Volgens de eigenaar niets. Het ding brak spontaan, er was niemand in de buurt. Er bleef enkel een zuur ruikende, zwartgeblakerde plek achter op een dressoir.’ Hugo zuchtte. ‘Ik heb natuurlijk meteen de schade vergoed en een nieuw exemplaar toegezegd. Onze klant was wel gehecht geraakt aan zijn kleinood. Hij drong zelfs stevig aan snel een vervanging te leveren.’

Jeltje stond op en liep voor het raam dat uitkeek over de weilanden heen en weer. ‘Ik heb op geen enkele manier eieren kunnen breken. Wacht hier.’ Ze liep naar het lab en kwam met een stevige naald terug. Ze legde een stukje ei met de bolle kant naar boven op haar salontafel. Met de naald stak ze hard op het glazen oppervlak in. De naald schoot weg en dreef een stukje het hout van de tafel in. Vervolgens draaide ze de scherf om en stak weer met de naald. Dit keer brak de scherf in drie stukken.

‘Verdraaid,’ zei Hugo.

‘Het ei is uitgekomen, vermoed ik,’ zei Jeltje bezorgd.

‘Maar wat…,’ zei Hugo, ‘wat is er uitgekomen?’

Jeltje schudde haar hoofd.

‘Dit kan nog vaker gaan gebeuren. Ik denk dat we de eieren moeten gaan vervangen door iets dat controleerbaar is,’ zei Hugo. ‘Dit kan onze investering danig schaden.’ Hij stond op, nam haar handen in de zijne. ‘Ik moet overleg plegen hierover, vergeef me dat ik je nu alleen laat. Weet dat je in mijn hart bent.’

‘En jij in mijn hart,’ zei Jeltje. Ze sloeg haar ogen neer. Een heel klein stukje toch. De band die ze met het ei in de incubator in de kelder voelde, trok haar onderbuik weer leeg, een bijna fysieke pijn die bleef tot ze naar beneden ging. Het ei was inmiddels bijna zo groot als de ruimte in de incubator toeliet en Jeltje vermoedde dat die al niet meer nodig was.

Hugo liet haar achter met de eierscherven in het doosje. Jeltje keek hem na en liep vervolgens vastberaden naar het laboratorium om daar nieuwe onderzoeksopdrachten uit te delen en haar assistenten goed op te zwepen. Zij zou intussen eindelijk proberen die vermaledijde wiskunde op orde te krijgen.

 

#

 

Als altijd begon de droom op de weide. Ze kende de weg nu en ze kon snel het dal in rennen en het kasteel bereiken. De poort was open, als altijd. Voor het eerst viel het haar op dat het van een afstand het leek alsof er gezichten in de steen van de buitenmuur van het kasteel zaten. Van dichtbij waren het gewoon vlekken en onregelmatigheden.

Ze liep door de ontvangsthal, langs gangen met hoge ramen, langs wenteltrappen naar de vele torens. Elk raam dat ze bekeek bood uit­zicht op een ander tafereel. Een hoogvlakte, een kasteeltuin, een snel­stromende beek, een donker bos, de smalle straatjes tussen middel­eeuwse huizen die tegen het kasteel aangebouwd leken.

Elk bezoek aan het kasteel was als een verkenningstocht door onont­gonnen gebied. Kamers leken zich te verplaatsen, zalen veran­der­den subtiel van kleur of structuur of verdwenen volledig en doken ineens ergens anders op.

De melodie, die alomaanwezige melodie, kwam van overal en ner­gens. Ze was er gewend aan geraakt, het registreerde niet meer in haar geest. Wat deze keer des te meer opviel was het geluid van een huilend kind, ergens in de verte.

Ze keek door een raam over een binnenplaats uit. Aan de overkant, in een schaduwrijke zuilengalerij, zag ze het silhouet van een peuter die daar over donkere tegels leek te kruipen. Voor het eerst dat ik hier mensen zie.

Ze haastte zich de gangen door, sloeg linksaf en nog eens linksaf. Waar ze de zuilengalerij verwachtte was een doodlopende gang. Een klein raam, niet breder dan haar hoofd, gaf uitzicht op een diep ravijn omgeven door pijnbomen, waarvan de bodem in nevelen gehuld was.

Ze hoorde het huilende kind weer. Ze volgde het geluid dat langzaam luider werd. Telkens wanneer ze dacht rond de volgende hoek een klein kind te zien zitten, verplaatste het geluid zich. Iemand speelt een spel met me.

De gedachte was net bij haar opgekomen toen ze een hoek omsloeg en midden in een kristallen zaal op een basalten verhoging een klein, blond jongetje zag zitten, gekleed in een zwart fluwelen broekje en een donkerpaars fluwelen tuniekje met gouden lusjes. Met indringend blauwe ogen keek hij haar aan. Tranen liepen nog van zijn wangetjes.

Aarzelend deed Jeltje een stap naar voren. Er klonk geluid van klapperende vleugels en de kamer verduisterde.

Ze snakte naar adem en schoot overeind in haar eigen bed. ‘Ver­draaid.’ Vanuit haar laboratorium klonk de melodie, zoet, donker, indringend. Ze begroef haar hoofd in de kussens. Je maakt me gek! Stop ermee!

 

 

Leiden, augustus 1894

 

‘Waar is ze?’ vroeg Hugo. ‘Kees Kouwenhoven toch?’ Hij was net aange­komen met zijn galvanische koets, vergezeld door zijn advocaat.

‘Ja, meneer,’ zei de assistent.

‘Nou?’

‘Ze sloot zich vanochtend in de directiekamer op. Ik heb haar sinds­dien nog niet gezien.’

Hugo knikte. ‘Doet ze dat vaker?’

‘Sinds een paar weken.’

Hugo keek opzij naar zijn metgezel. ‘Hoor je dat?’ De ander knikte minzaam. Hugo Steenius liep doelbewust door het laboratorium in de richting van de directiekamer. Hij duwde de klink omlaag en de deur zwaaide open.

‘Leeg,’ zei de advocaat die naast Hugo in de deuropening stond.

Hugo wilde de deur sluiten toen een beweging aan de overzijde van de kamer zijn aandacht trok. Alsof ze uit de schaduwen stapte, kwam Jeltje tevoorschijn. Ze zag hem en glimlachte.

‘Hugo, eindelijk heb ik je gevonden.’

Hugo keek zijn advocaat aan die zijn schouders ophaalde. ‘Ik zag het ook niet,’ zei de ander.

‘Wat is er, Jeltje, waar was je?’

‘Het kasteel, voorbij de vallei. Ik dacht dat ik de troonzaal instapte.’

Hugo knipperde met zijn ogen. ‘Dit klinkt heel raar, Jeltje. Mag ik je overigens voorstellen aan Jean de Lucardy, mijn advocaat?’

‘Volgens mij hebben we elkaar in het begin even gezien om de con­trac­ten door te nemen, nietwaar?’

‘Correct, mevrouw,’ antwoordde Jean de Lucardy.

‘Mag ik de reden van uw bezoek weten?’

‘Jazeker. Meneer Steenius heeft me verzocht mee te komen in ver­band met een aantal defecte hangers.’

‘Er zijn er meer stuk?’ zei Jeltje tegen Hugo.

Hugo knikte. ‘Bij een ervan is iets merkwaardigs gebeurd. Dat is de reden dat Jean is meegekomen.’

‘Vertel,’ zei Jeltje. ‘Kom, we gaan even zitten.’

‘In drie gevallen gebeurde er wat we eerder hebben meegemaakt. Die gevallen heb ik ook meteen in samenspraak met Jean afgehandeld. Eén geval is anders.’

‘Ahem.’ Jean de Lucardy schraapte zijn keel. Hij nam een opgevouwen papier uit zijn binnenzak en vouwde dat open. ‘Het vierde geval betreft een gegoede koopman uit het centrum van Amsterdam. Zijn zoontje van nog geen twee gebruikte de hanger regelmatig als rammelaar. Zo ook tijdens de gebeurtenis waarvan hij en zijn vrouw en een dienst­meisje getuige waren. Namelijk, dat de hanger brak, er vloeistof vrij­kwam die onmiddellijk tot een dichte, grijze nevel, die danig op de kelen van de aanwezigen sloeg, verdampte. Ramen werden geopend, de nevel trok weg, maar het zoontje was ook verdwenen. Zijn signalement, bijna twee jaar oud, blonde krullen, blauwe ogen, op dat moment gekleed in een zwarte broek en een paarse tuniek met gouden lusjes.’

Jeltje zakte onderuit in haar stoel.

‘Wat is er Jeltje,’ zei Hugo. ‘Je ziet extreem bleek. Is het een flauwte?’ Hij boog zich naar Jean de Lucardy. ‘Ze neigt soms naar het hysterische, met alle gevolgen vandien.’

Jean glimlachte minzaam. ‘Een vrouwelijke eigenschap, begrijpelijk.’

Jeltje kreeg al snel weer kleur op haar wangen, niet omdat ze zich beter voelde maar omdat een kille woede opborrelde over de neer­buigende toon van de mannen. Zelfs jij, Hugo. Heb ik me dan zo in je vergist? ‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ze op kille toon.

Jean de Lucardy vouwde het papier weer netjes op. ‘Wij, aandeel­houders en vertegenwoordiging, zijn door de rechtbank te Amsterdam gesommeerd ter zitting te verschijnen op zeven september 1894, om tien uur in de ochtend.’

‘Zijn we aangeklaagd?’ vroeg Jeltje. ‘Willen ze geld?’

Hugo schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat het een strafrechtzitting is. Er is een kind verdwenen in bijzijn van ons product, dat op dat moment faalde. Het enige dat ons op dit moment uit de cel houdt, is het feit dat het kind volledig verdwenen is.

‘Ik heb het gezien, een paar weken geleden, in het kasteel. Hij huilde, maar ik kon hem maar niet bereiken.’

Hugo keek naar Jean die betekenisvol terugkeek.

‘Jullie geloven me niet?’

De advocaat vouwde zijn handen samen. ‘Mejuffrouw Tiersma, het is van het uiterste belang dat u tijdens de strafzitting dit soort uitspraken niet doet. Wij zijn ons niet bewust van enige – potentiële – schade door onze producten.’

Jeltje knikte en staarde voor zich uit. Het lied uit de kelder zwol aan en verdronk het gesprek dat de mannen met haar probeerden te voeren, totdat ze uiteindelijk haar hoofd in haar handen legde en fluisterde: ‘Laat het stoppen, alsjeblieft.’

 

#

 

Zachtjes streelde ze met haar handen over het fluweelzachte oppervlak van het ei. Het was de incubator inmiddels ontgroeid en met veel moeite had ze het van de werkbank op de grond gekregen.

Het ei was content, de melodie die het produceerde was vriendelijk, subtiel dwingend en dreigend rustgevend.

Jeltje omhelsde het ei, maar ze kreeg haar armen er al niet meer omheen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze. Met haar wang wreef ze over het gladde oppervlak. In de diepte van het ei zag ze haar wezentje, haar kindje, haar diepste geheim. Het vloog over heuvels en dalen en cirkelde vele malen rond het immense kasteel dat ze inmiddels grondig had verkend.

‘Wat er ook gebeurt, hoe het over twee weken ook afloopt, ik zorg ervoor dat je veilig blijft, dat niemand je iets aandoet.’ Ze duwde werkbanken opzij tot ze voldoende ruimte had gemaakt voor het ei om ongehinderd verder te kunnen groeien.

 

‘Ik heb wat afspraken in Amsterdam, het kan zijn dat ik wat laat thuiskom, of misschien zelfs overnacht. Kunt u een oogje in het zeil houden?’ zei Jeltje tegen de boer.

De oude man glimlachte vriendelijk. ‘Natuurlijk, jongedame. De nieuwe bedrijvigheid die u heeft gebracht, heeft mijn oude hart goed gedaan. Laat de boel maar aan mij.’

‘Dank u,’ ze nam zijn handen in de hare. Ze waren nog net zo zacht als de eerste keer. Daarna nam ze haar valies en stapte in de richting van de wachtende galvanische koets.

 

Amsterdam, 7 september 1894

 

De rechtbank was een neogotische monstruositeit, gelegen tussen de Westerkerk en het centraal station. De koepel van het gebouw en de granieten zuilen waren zwart uitgeslagen door de eeuwige steenkool- en turfrook. Galvanische koetsen waren alomtegenwoordig in het centrum van Amsterdam, hoofdzetel van de VOC en thuis van de grootste en machtigste handelsbeurs ter wereld.

De belofte van Tesla’s elektrofore energie was zichtbaar in de ochtendzon als een pilaar van schitteringen aan de noordoever van het IJ, waar de nieuwe en spoedig hoogste Teslaspoel van de wereld zou verrijzen. Het betekende het einde van de vervuilende smeerpijpen van de industrieën langs het Noordzeekanaal en in het Westelijk Haven­gebied.

Jeltje voelde een steek van jaloezie bij het succes dat de Venetische weten­schapper boekte in heel West-Europa. Haar eigen vindingen waren minstens net zo revolutionair, als ze maar de tijd kreeg het proces te perfectioneren. Ze voelde ook de afstand tot Leiden, tot haar laboratorium, tot het ei in de kelder, hoewel het lied nog steeds in de verte in haar hoofd speelde.

Op de brede trappen van het bordes zag ze Hugo en Jean staan, beiden gekleed in onberispelijke jacquetten met bijpassende hoge hoeden.

‘Mevrouw Tiersma,’ begroette Jean haar. Hugo knikte alleen maar.

De ingang van de rechtbank bestond uit hoge, dubbele deuren die wijd open stonden. Op een bord bij de ingang waren kaartjes bevestigd met daarop kamernummer en de zaak die behandeld werd. Jean de Lucardy tikte er een aan. ‘Deze is voor ons.’

 

#

 

Zodra alle ontbodenen zaten, deden de magistraten en de rechter hun intrede. Ze begaven zich naar hun machtspositie, ruim verheven boven de eenvoudige banken van de gedaagden. Ter weerszijden van de verhoging stonden twee agenten in uniform.

Jeltje keek opzij naar de tegenpartij. Een gezette man met een jacquet met goudbrokaat, zijn vrouw in stemmig zwart en met een zwarte sluier. Een jongeman in een strak gesneden zwart uniform overlegde met hen.

De deuren sloten. De rechter sloeg zijn hamer op het bureau voor hem. Hij was een gezet man met brede schouders die door zijn zwarte kleed nog benadrukt werden. Zijn hoofd was bedekt met donkerbruin, krullend haar en hij had een lange, donkere baard.

‘Ter zake. De feiten zijn overlegd. Meneer de Lucardy, hoe pleit uw cliënt?’

‘Onschuldig, edelachtbare.’

De rechter knikte. ‘Een aantal zaken is mij nog onduidelijk. Ik heb vragen.’

‘Mijn cliënt is enkel de geldschieter, edelachtbare. De uitvindster is aanwezig.’

‘Mejuffer Tiersma, als ik het wel heb?’ De rechter keek op een van de papieren voor hem.

Jeltje keek opzij naar Jean de Lucardy die met zijn lippen het woord ‘opstaan’ vormde. Ze stond op. ‘Ja, edelachtbare.’

‘Uw onderzoek lijkt nogal wat controverse te kennen.’

‘Daarvan ben ik mij niet bewust.’

‘In deze wat vreemde zaak heb ik mij van informatie laten voorzien door een kenner op het gebied van Naturalistische onderzoeken, jonk­heer Van Vleuten tot Kerstens. Zijn opinie is dat uw onderzoek zeker van waarde is, maar dat uw gesteldheid een zeker risico met zich meedraagt.’

Jeltje was verbaasd. ‘Hoezo is mijn gesteldheid een risico, edel­achtbare?’

De rechter keek haar enkele ogenblikken aan. ‘Zowel de jonkheer als uw advocaat als zijn cliënt, de heer Steenius, hebben aangegeven dat u lijdt aan een vorm van hysterica, een bekende vrouwenkwaal die u zeker niet wordt aangerekend. Zoals in medische kringen welbekend is, brengt dat een zekere ontoerekeningsvatbaarheid met zich mede die in het oordeel van dit hof zal worden meegenomen.’

‘Ik ben niet hysterisch,’ zei Jeltje. Ze verhief haar stem. ‘Het idee alleen al. Ik ben een wetenschapper, wiskundig geschoold, summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit van Leiden.’

‘Als uw gesteldheid geen invloed heeft, dan bent u in staat dit hof uit te leggen wat u met “tabula rasa” bedoelt, nietwaar? En waarom u niet verder komt met uw onderzoek. En waarom u een niet getest, nauwe­lijks onderzocht product in de handen van consumenten hebt gegeven. Dit zijn kwalijke zaken die uiteindelijk geresulteerd hebben in de ver­dwijning van het zoontje van uw aanklagers. Ontkent u aansprake­lijkheid in deze?’

Jeltje slikte. Ze keek opzij. ‘Hugo?’ Hugo keek strak vooruit. Ineens herinnerde Jeltje zich de hanger die hij bij zich droeg, maanden geleden, de hanger waar ineens leven in zat. Hij had met een ander gelegen! Ze wankelde. Al zijn woorden, dat ze in zijn hart was, dat hij van haar hield, dat ze zo speciaal voor hem was, leugens. En nu wilden ze dit debacle op haar afwentelen.

Er knapte iets in haar hoofd en het lied spoelde over haar heen, onhoudbaar, vol van donkere beloften en zoete wraakbeelden. Ze liet het gaan, ze liet zich meevoeren, nauwelijks bewust van de geünifor­meerde agenten die haar meevoerden, de mannen in witte jassen die haar in een wagen plaatsten en op een brits vastketenden en de naald die in haar bovenarm werd gestoken. Alles was het lied, het lied was haar wezen.

 

 

Amsterdamsche Courant van zaterdag, acht september 1894

 

In de zaak Van Spui – Steenius velde de rechter gisteren vonnis. Een niet nader genoemd bedrag is toegekend als smart aan Dhr. Van Spui, terwijl aan de zijde van Steenius grove nalatigheid werd bewezen geacht door de hoofdonder­zoekster, mevrouw J. Tiersma. Gezien haar ontoerekenings­vatbaarheid en aan­toonbaar bewezen geachte hysterica is zij toegekend aan het Westgaards Sanatorium, tot zulks een tijd dat zij weer geschikt wordt bevonden voor terugkeer in de maatschappij. Haar laboratorium en werkplaats zijn tot nader order verzegeld en tot ontoegankelijk gebied verklaard.

 

 

Medisch rapport, Mevr. Jeltje Tiersma, twee oktober 1895

 

Na uitgebreide behandeling met de nieuwste elektrofoortherapie is mevr. Tiersma veel rustiger geworden. Zinnige gesprekken zijn evenwel slechts van korte duur, voor zij verzandt in achtervolgingswaanzin. ‘Het komt, het nadert, het groeit’ zijn dan de enige woorden die uit haar komen. Tijdens de kunst­therapie boekt ze vooruitgang en haar diagrammen en patronen worden door haar medepatiënten ten zeerste gewaardeerd.

 

 

Voetnoot in de Batavia Mathematica van zomer 1896

 

Door: jonkheer Van Vleuten tot Kerstens – een bijzondere mathematica, mevrouw Jeltje Tiersma, moet voor de wiskunde als verloren worden beschouwd. Haar “tabula rasa” theorie deed stof opwaaien, maar is inmiddels volledig ontkracht. Toch zijn enkele van haar hogerdimensionale wiskundige theorieën inmiddels als ‘geniaal’ bestempeld. In de komende jaren zullen zij op hoog wetenschappelijk niveau bestudeerd worden. Mevrouw Tiersma verblijft in het Westgaards Sanatorium op de afdeling langdurige hysterica.

 

Op het eind was er het lied in de diepe kelder van een boerderij aan de rand van Leiden, waar een transparant ei zich steeds dieper in de zachte aarde ingroef. Nog was het niet rijp, nog had het behoefte aan de energie die constant werd aangeleverd door de Teslaspoel die het laboratorium voorzag.

In de diepte van het ei vloog het wezen rond in zijn dimensie, met vleugels die zijn eigen wereld nu bijna omspanden, wachtend om zijn lied kenbaar te maken aan deze nieuwe, maagdelijke wereld.

 

Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar : Tais Teng en Jaap Boekestein

1

Nieuw Rotterdam-aan-de-Ganges, 17 juli 2209

 

Jacob was net vijf toen de stem voor het eerst sprak. Daarvoor waren er natuurlijk wel stemmen geweest terwijl er eigenlijk niemand was: zijn teddybeer had een spraakchip, net als de danspoppen van zijn zusje die werkelijk de oren van je kop kletsten. Maar dit was anders: deze stem sloeg zijn oren over en sprak regelrecht in zijn hoofd.

‘Hoor je mij, Jacob?’

Hij keek om zich heen: zijn slaapkamer was donker, met alleen de ogen van zijn opwindwalvis als groene glimplekken.

‘Je kunt mij niet zien. Maar blijkbaar hoor je mij wel.’

‘Ik hoor je, ja.’

‘Weet je wie ik ben?

Jacob snoof. Dacht de stem dat hij een zulthoofd was? Deze stem was glanzend, ja, metallic glanzend als de schubben van de levende dijken. Hij kon er het zoemen van de propellers op de stekeltorens in horen doorklinken. ‘Je bent een dijk. Mijn oom Gulliver, hij zei dat hij de dijken kan horen spreken.’ Hij ging rechtop zitten. ‘Mijn oom, hij is een echte dijkenfluisteraar! De dijken gehoorzamen zijn bevelen. Ze zwemmen waarheen hij maar wil en pompen het land droog.’

De stem grinnikte, een geluid als tinkelen van een kristallen xylofoon. ‘Bevelen is niet het juiste woord. Meer verzoeken.’

‘Ah.’ Jacob knikte. De levende dijken waren fiere zeedraken: natuur­lijk kon je die niet bevelen, alleen berijden en dat enkel met hun instemming.

‘Besef je hoe bijzonder jij bent, Jacob? Hoogstens een op de zestig­duizend mensen kan onze stemmen horen. En luisteren doen we naar nog veel minder lieden. Alleen naar dijkenfluisteraars.’

‘Ik hoor je. Je luistert naar mij. Word ik een dijkenfluisteraar, net als oom Gulliver?’

‘Dat valt nog te bezien.’

Het was niet helemaal een belofte. Meer zoals hij zijn moeder vroeg of Vader Poseidon hem een albatrosvlieger zou brengen op Nieuwjaars­dag. Half ‘Het zou best kunnen’ en half ‘maar wees niet te teleurgesteld als het alleen een marsepeinen pinguin wordt’.

Het duurde elf jaar voor Jacob de stem opnieuw hoorde.

 

 

2

Australian Inland sea, 17 juli 2209

Hindele was als winterkind geboren en ze had vanaf het begin geweten hoe bijzonder ze was. Toen ze haar ogen opende en haar eerste jammerkreetje slaakte, voer de Vloot net door het hart van Antarctica, recht over het absolute zuiden.

Antarctica was het Gezegende Land: een ring van eilanden met stoere sparrenbossen waarboven heel de lange winternacht de aurora’s dansten. Geen boom mocht ooit gekapt worden uit dat heilige reser­vaat, geen stormvogel uit de hemel geschoten.

‘Toen ik je ogen zag,’ zei haar tante Lidwien een keer, ‘zo groen als chlorella algen, wist ik dat Gaia je gekust had. Dat je nog veel zou betekenen voor de Aarde.’

Dat had ze beter niet kunnen doen.

Kort daarna liepen Hindele en de andere kleuters over het strand van de Australische binnenzee, voor de eerste keer zonder juf, om kokkels uit het natte zand te spitten.

‘Ik word later een spinkrabbentemster,’ pochte Hindele tegen haar hartsvriendin Jup. ‘Ze luisteren naar mij! Ze doen alles wat ik zeg!’

Helaas was Jup niet de enige die het hoorde.

‘De spinkrabben luisteren naar je?’ zei Janneck. ‘De spinkrabben gehoorzamen je?’

Janneck was twee koppen groter dan Hindele en min of meer de baas van de klas.

Dat was niet omdat hij aardig was.

Hindele knikte heftig. ‘Dat doen ze!’ Ze hief haar linkerhand op en trok het zigzag teken van de Herboren Aarde. ‘Ik zweer het!’ Stom natuurlijk. Hindele wist dat ze bijzonder was maar of ze zo bijzonder was?

Janneck grijnsde. ‘Ik geloof je.’ Hij zwaaide naar de andere kinderen. ‘Kom hier! Nu meteen!’

De rest van de klas dromde om hen heen en Hindele kreeg een zeldzaam ongemakkelijk gevoel in haar buik. Alsof ze een handvol rotte mosselen had gegeten en bijna moest overgeven.

‘Het is nu eb,’ verklaarde Janneck. ‘We binden Hindele vast aan de vierde strandpaal. Stevig vast. Met verse ijzerkelp.’

Jup fronste. ‘Maar als de vloed opkomt? Het water komt hoger dan de paal. Als Hindele…’

‘Ze zei dat de spinkrabben naar haar luisteren. Dat ze komen als ze hen roept. Die zullen haar ongetwijfeld komen redden.’ Hij keek Hindele aan. ‘Zo is het toch?’

‘Dat klopt.’ Ze had het gezworen, op de Herboren Aarde zelf. Het moest wel zo zijn. ‘Het is in orde, Jup. Ze zullen mij losmaken.’ Toen Jup bleef fronzen, zei ze: ‘Het is een test. Om te zien of ik genoeg in ze geloof.’ Ze geloofde het bijna zelf.

Hindele zag ze kleiner worden, de kinderen. Eerst streepjes halver­wege het strand, toen stipjes. Hindele wriggelde en kronkelde, maar het ijzerkelp gaf geen millimeter mee en als Janneck iets kon, was het wel knopen leggen.

Tijd verstreek. Duisternis smakte met tropische abruptheid uit de hemel omlaag en de maan rolde boven de horizon uit, een reusachtige volle maan en samen met de maan arriveerde de vloed.

Waarom komt de juf mij niet losmaken? Ze moeten me toch gemist hebben bij de avondtelling?

Maar nee, de andere kinderen hadden ongetwijfeld gelogen dat ze al naar huis was gegaan. Dat haar peettante of haar geboortemoeder haar om de een of andere reden opgehaald hadden. Als alle kinderen dat beweerden, zou de juf het vast niet natrekken.

Het water rees, spoelde over haar voeten, haar enkels, klom omhoog naar haar knieën.

Ze wist heel zeker dat het geen zin had om te roepen: geen spinkrab zou naar een leugenaarster luisteren, naar een rare opschepster.

Het water klotste al om haar middel toen ze brak.

‘Help me!’ schreeuwde ze. ‘Ik zal nooit meer opscheppen. Knip alsjeblieft mijn touwen door!’

‘We hoorden je,’ sprak een stem in haar hoofd. Een stem die niets menselijks had, vol gonzende diepzeeduisternis, maar ondanks dat vriendelijk. In ieder geval vriendelijker dan Janneck ooit geklonken had. ‘Je loog niet. We kunnen je al horen sinds je je eerste kreetje slaakte.’

Een schild, afgezet met scherpe pieken, brak door het water­oppervlak. Ogen op steeltjes richtten zich op, gepantserde spinnen­poten. Een tweede spinkrab verscheen, een derde.

‘Red mij!’ schreeuwde Hindele.

‘Dat is onze taak niet,’ antwoordde de stem. ‘We redden de Aarde. Wij herbouwen de koraalriffen. Wij hoeden de alen en sturen de stromen waarin de regenboogkwallen drijven.’

‘Maar ik kan jullie horen! Ik ben een spinkrabbentemster.’

‘Nog niet,’ zei de stem. ‘En nu waarschijnlijk nooit.’

De poten scharnierden omlaag en de schilden zonken eens te meer onder de zwarte, klotsende zee.

Het water kwam tot Hindeles nek toen er een lichtje op het strand aanknipte. Tante Lidwien stapte de zee op met haar waterlaarzen en snelde over de golven naar Hindeles paal. Een haal met haar lange sago-mes dat een palm kon omkappen en de kelpsnoeren braken.

Haar tante trok haar omhoog, legde haar over de schouder en wandelde over de golven terug naar het strand.

‘De krabben vroegen mij of ze het juiste hadden gedaan,’ zei haar tante. Ze zette Hindele op een rots neer, wreef over het kippenvel op haar armen. ‘Ik vertelde ze dat dit het geval was. Een leugenares die de naam van de Herboren Aarde ijdel gebruikt, verdient een watergraf. Dat kreeften het vlees van haar botten knippen, eh?’ Ze schudde haar hoofd. ‘En dat blijft waar. Alleen ben je mijn favoriete nichtje. Tja, behalve krabbentemster is peettante mijn tweede beroep.’

Hindele barstte in snikken uit. ‘Ik kon met hen praten, alleen heb ik alles nu verpest! Ik zal nooit een krabbentemster worden.’

Haar tante tuitte haar lippen. ‘Dat valt nog te bezien.’

 

 

3

Noordzee, 9 augustus 2220

Zevenduizend gasten en dat noemde Jacobs oom een informeel feestje. Oom Gulliver had zo’n beetje de halve wereld plus hun aanhang uitgenodigd. Jacob had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Ambassadeurs, zeeglas moguls, platina vloggers met een miljoen-plus volgelingen en daar stond zelfs een zilveren androïde van het Maan-AI collectief aan een glas Bernadette 2178 te nippen. Ook de helium­baronnen van Jupiter hadden hun uiteraard holografische afgevaar­digden gestuurd.

Een vloot van staatsiepaviljoens was aan elkaar gekoppeld tot één imposant drijvend eiland. Het hing zo’n honderd meter boven de plek waar eens Londen gelegen had.

Natuurlijk was het niet zomaar een feestje voor een favoriete neef. Dit was de gelegenheid bij uitstek om met de know how en technologie van de familie te pronken en zaken te doen. Mars was het nieuwe Beloofde Land van de drieëntwintigste eeuw. De eerste rivieren en zeeën begonnen al uit de permafrost omhoog te borrelen en het hele noordelijke halfrond zou een reusachtige oceaan worden. Behalve levende dijken bezat de familie al die eeuwenoude Hollandse kennis over waterhuishouding. Zoveel vreemde woorden die alleen de dijkenfluisteraars begrepen: afwateringskanalen, vaste dijken, duinen, slikken en schorren, stormvloedkeringen…

‘He, Jacob kijk niet zo benauwd. Mijn knappe neefje wordt maar één keer in zijn leven een dijkenfluisteraar en dat mag best gevierd worden.’

‘Ja, maar wat als…’ Jacob durfde het niet uit te spreken. Niet hardop tenminste.

Wat als de dijken mij niet accepteren? Mij gewoon wegwuiven met hun stalen zwempoten? Dan ga niet alleen ik af, maar de hele familie!

Oom Gulliver legde een hand op Jacobs schouder en kneep. ‘Maak je geen zorgen, neef, alles sal reg kommen. De dag dat ik dijkenfluisteraar werd, scheet ik zeven kleuren groen. En daar had ik meer reden voor dan jij. Bovendien, de dijken waren heus niet helemaal hierheen komen zwemmen als jij zo doof was als een zeekomkommer.’

Jacob keek naar buiten, naar de zonovergoten zee en de strakblauwe hemel. Drieëndertig levende dijken hadden zich bij de familie aan­gesloten, en degenen die konden, waren gekomen: achttien in totaal.

Een dijk in ruststand was absoluut indrukwekkend, maar ook redelijk saai: een massieve muur van geschakelde blazen, tot barstens toe volgezogen met water, in de bodem verankerd en voorzien van windmolens om energie op te wekken en het binnenwater weg te pompen. Naar behoefte kon een dijk zich uitstrekken tot meer dan honderd kilometer, en indien nodig hechtte het zich gewoon aan de staart van een andere dijk.

Maar een actieve dijk… Dat was een heel ander gezicht. Ze leken dan nog het meest op die Aziatische draken uit de antieke manga’s: een skelet van buigzame segmenten, tien, vijftien kilometer lang. In deze vorm waren de windmolens propellers die het immense lijf samen met de roeipoten voortstuwden.

‘Elke dijk is uniek en heeft een eigen persoonlijkheid,’ had oom Gulliver hem verteld toen ze aanlegden. ‘Je zal het straks zien, Jacob. Geen stem is hetzelfde en je kunt iedere dijk bovendien aan zijn manier van zwemmen herkennen.’

Nu laveerden ze als enorme zeeslangen rond het drijvende feesteiland, loom, totaal relaxed.

Jacob kreeg het gevoel dat hij ze al half kon horen, een soort van zoemen, nét onder de gehoorgrens. Niet met zijn oren, maar als een resonans in al zijn botten.

En ineens wist hij dat zijn oom gelijk had. Alles sal reg kommen. Ik word vandaag dijkenfluisteraar. Ik zal met de dijken kletsen als een gelijke, verloren land ontginnen en verzonken steden uit het kille slijk trekken.

In de familie was Jacob de enige dijkenfluisteraar van zijn generatie. Geen van zijn broers en zussen, neven of nichten had ook maar een spoor van talent en als de dijken met hen probeerden te praten, dan was het tegen dovemansoren.

Jacob voelde een grijns aan zijn mondhoeken trekken. ‘Kom maar op!’ riep hij naar de manoeuvrerende leviathans. ‘Ik ben er klaar voor!’

Alle gasten, plus uiteraard ontelbare toeschouwers in virt, keken toe hoe Jacob de voorplecht van de Johanna Maria besteeg. De eeuwenoude sleepboot was volgens de legende het eerste schip van het familiebedrijf en het werd alleen voor speciale gelegenheden uit het droogdok gelicht.

Het zonlicht hamerde op Jacobs gezicht en het dek deinde onder zijn voeten. Bij de Stella Maris, zo voelt het dus om een ware Hollander te zijn! Water, wind en zilt.

Ja, dat zit in mijn botten, diep in mijn genen.

Ze zeiden dat dit het mooiste moment van zijn leven was. Maar het zou nog beter worden! De opwinding deed zijn handen tintelen.

Hij greep de reling vast, rode korsten menie onder zijn vingers, en de grijsblauwe zee strekte zich voor hem uit. Jacob onderdrukte de neiging om dramatisch zijn armen te heffen. In plaats daarvan zette hij zijn ellebogen rustig op de reling en leunde wat naar voren. Dit moest hij helemaal zelf doen: de dijken uitnodigen.

‘Hallo?’

De zee naast de Johanna Maria borrelde ten antwoord. Een metalen vorm rees op en liet watervallen langs haar flanken omlaag dreunen. De kilometers lange ruggengraat was overdekt met iriserende membranen. Kleurig als keverschilden, ging het door Jacob heen.

Dijken bezaten geen kop, technisch gezien zelfs geen voor- of achterkant, maar voor Jacob was het ook helemaal niet nodig.

‘Gegroet, mens Jacob.’ De stem vulde zijn hoofd, massief, groots als een wolkenfront of een aanrollende vloedgolf. Er zat een smaak aan die stem, bitter en zilt als een hap zeewater. Het was een stem die Jacob uit duizenden herkende, ook al had hij hem maar een keer eerder gehoord. ‘Grisaert,’ rommelde de dijk, ‘noem mij Grisaert. Het is mijn geheime naam. Voor alle anderen ben ik Dijk 4598.’

‘Gegroet, dijk Grisaert,’ antwoordde Jacob geluidloos. ‘En gegroet jullie allemaal!’

In zijn hoofd kon hij ze nu zien en horen, alle levende dijken. ‘Bedankt. Zo fijn dat jullie mij accepteren. Ik hoop… ik hoop dat we goed kunnen samenwerken.’

‘Wij ook. Zullen we nu maar met de show beginnen?’

Dijken hadden zeker flair. Misschien zelfs humor?

‘Graag!’

Dit keer hief Jacob zijn armen wel.

Verder op zee, een kilometer of meer van het feesteiland, begon de zee te borrelen. Nee, boeren was een beter woord. Water kolkte en schuim spoot omhoog.

De donkere vorm van een massieve zeedijk dook op: twee aan elkaar gekoppelde dijken.

Eigenlijk waren de twee dijken al een halve dag geleden begonnen zich vol te pompen, maar nu braken ze dramatisch door het zeeoppervlak. Kreten van bewondering en applaus. Geen vuurwerk, zelfs geen scheepstoeters: de wilde zee was spektakel genoeg. Het feesteiland deinde niet eens toen de golven aanrolden. Grisaert die zich aan de onderkant vastklampte, zorgde voor stabiliteit.

‘Onze gift aan jou,’ sprak Grisaert. ‘Noem het je welkomstpremie. Je bent nu een van ons. Een bloedbroeder, een ziltwatermatroos bij wie de zee door de aderen stroomt.’

Grisaert projecteerde een beeld op Jacobs netvlies: de ringdijk. Daarbinnen werd de zee doorzichtig als glas.

In de diepte…

De gebouwen bleven grotendeels intact. Het water was heel geleidelijk gestegen, zo langzaam dat de ruiten hier en daar niet eens gebroken waren.

‘Het hart van het oude London, jongen. Windsor Castle, de Big Ben, noem maar op.’

‘En dat is voor mij?’

‘Beter dan een handvol goudstukken, eh? Allemaal.’

Het Verenigde Koninkrijk bestond uit een handvol armzalige eilanden en kon natuurlijk het lichten van hun historisch erfgoed nooit betalen. Er waren echter genoeg biljonairs die interesse hadden in historische gebouwen, zelfs als het om met kelp begroeide ruïnes ging. Misschien zou Windsor Castle uiteindelijk op Olympus Mons belanden, of het privé jachthuis worden van de Helvetische Keizer?

Ik ben rijk, ging het door Jacob heen. Schatrijk. Supervloggerrijk.

‘Maar daar moet je wel wat voor doen,’ zei Grisaert. ‘Als je ons trouw zweert, is het voor altijd.’

Later die avond, toen Jacob nog net nuchter genoeg was, nam oom Gulliver hem apart.

‘Vier vannacht feest, waarde neef. Kus de dames, gooi met slagroomtaarten en slaap morgen je roes uit. Overmorgen begint je leven als dijkenfluisteraar, in de Residentie.’

‘Overmorgen, ja!’ grijnsde Jacob. Overmorgen begon het leven waarvoor hij geboren was.

 

Het was wennen in de Residentie. Niet dat iemand ook maar een onaardig woord tegen Jacob sprak maar de andere fluisteraars, van alle andere dijkenfamilies, waren zo godvergeten oud. Je kon het zien aan de manier waarop ze liepen. Nee, niet beverig en onzeker zoals je van lieden zou verwachten waarvan er niet eentje jonger was dan honderdvijftig. Nee, eerder het omgekeerde. Ze bewogen zich zo soepel en zeker dat je wist dat struikelen ondenkbaar was. Ervaring telde: als ze in het antieke bruine cafe pijltjes wierpen, was elk schot er eentje in de roos. Snij willekeurig welk onderwerp aan en ze wisten er genoeg over om zelfs een wikipediasiri te verbeteren.

Maar het uitzicht vanaf het balkon was werkelijk magnifiek, dat moest Jacob toegeven: de Residentie lag bovenop de boeg van de Koningsdijk, de enige levende dijk die nooit zou rondkrullen tot een cirkel en in een polder veranderen. De dijk zwom als een zeeslang, kronkel na kronkel die moeiteloos door de golven glipte.

Jacob zoog de zeebries diep in zijn longen, ijskoud maar op de een of andere manier schoner dan op welke kust of polder ook. Dit is mijn thuis, ging het door hem heen, voor de rest van mijn leven. De fluiste­raars bestuurden dijken, stichtten nieuwe polders maar ze zouden de wallenkant nooit meer betreden. Dat was de deal: een lang, ongelooflijk lang en zeldzaam interessant leven in ruil voor de vaste grond onder je voeten.

 

De negende dag wekte zijn oom hem bij het ochtendgloren.

‘Hup, hup, mijn waarde vriend. Dit wil je niet missen!’

Jacob wrikte een oog open. ‘Wat missen?

‘De Vloot! Ze zeilen rakelings langs onze dijk.’

Het balkon keek uit over de grijze uitgestrektheid van de Atlantische oceaan. Zijn oom wees: ‘Daar tussen de cirrus. Zo hoog als wolken maar kunnen komen.’

Nu zag Jacob ze ook: kleurige vonken die de wind van de straalstroom vingen.

Honderden, duizenden vliegers laveerden tussen de uitgesmeerde windveren. Om van zo ver zichtbaar te zijn, moesten ze wijder dan voetbalvelden zijn.

Jacob knipperde de telescooplenzen over zijn oogbollen aan en de vliegers expandeerden tot ze zijn hele gezichtsveld vulden. Vlinders van gebrandschilderd glas en filigrain vlogen daar over, klapwiekende condors, logge manta-roggen.

‘Zo zien ze er niet echt uit,’ doceerde zijn oom. ‘Het zijn maar hologrammen. Elke vlieger is min of meer zeshoekig hoewel zij honderden zijvinnen en hoogteroeren heeft.’

‘Zo mooi,’ fluisterde Jacob. Het leek een visioen, iets uit een hogere wereld of een prachtige droom.

‘Ja,’ zei zijn oom, ‘bijna even mooi als een dijk.’ En meteen voelde Jacob zich terechtgewezen, alsof hij een faux pas had begaan, disloyaal was geweest.

Zijn oom tuitte zijn lippen. ‘Ik drukte mij ietwat onhandig uit. De Vloot en de Dijken, samen zijn ze Nederland. Elk magnifiek op zijn eigen manier en onmisbaar. Als de koningin en haar koning, eh? Als Giselle en Juriaan.’

Ongehaast hesen de mastloze parelmoerschepen zich boven de horizon uit: rompen met twee dozijn verdiepingen en spitse voorstevens, zee-ijzeren armen met wapperende netten om kelp uit de zee te vissen en elders te herplanten. In hun kielzog dartelden reuzendolfijnen en spoten bultruggen. Wolken albatrossen en skua’s zwierden als mistflarden boven de dekken.

‘Elk schip begon als het slakkenhuis van een kinkhoorn,’ doceerde zijn oom.

‘Vierdubbele chromosomen laten het doorgroeien tot het werkelijk gigantisch is. De slak verdikt zich tot een brein in de boeg en dat wordt hun wiki. Honderd procent organisch en uniek.’

De Vloot was reusachtig: het duurde een volle dag voor ze de dijk langsgetrokken waren.

‘Waar gaan ze naartoe?’ vroeg Jacob.

Zijn oom klakte met zijn tong. ‘Naar waar ze nodig zijn. Net als wij.’

Jacob keek het laatste schip na tot de zeenevels het opslokten. Als Giselle en haar Juriaan, had zijn oom gezegd. Op de een of andere manier klonk dat juist. De Vloot was onmiskenbaar vrouwelijk, de tegenpool van Jacobs broeders, de dijken.

Een onbenoembare emotie steeg op, als een brok in de keel die niet weg te slikken viel. Verlangen? Hunkering?

Ik wil met de Vloot meezeilen. De dijken zijn mijn bloedbroeders maar de Vloot is mijn bruid. De vrouw die ik moet veroveren, wil ik ooit compleet worden.

‘Zo’n ambitie,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘Niet dat wij iets tegen een mooi vlootprinsesje hebben. Zolang je je kostelijke genen maar niet weggooit.’

‘Alleen als haar chromosomen kloppen, krijg ik jullie zegen?’

‘Krek zo. Maak een nest nieuwe dijkenfluisteraars en wij geven jullie, eh, Napels als bruidschat?’

 

 

4

Australian Inland sea, 12 september 2220

 

Het strand boog zich links en rechts naar kapen van afgeronde zandsteen.

‘Tante Lidwien,’ zei Hindele. ‘Dit is hetzelfde strand! Waar ze mij aan een paal bonden.’

‘En de krabben voor het eerst tegen je spraken. Mooi symbolisch toch?’ Ze vouwde haar armen over haar formidabele borsten. ‘Het is een vrij eenvoudige test, liefje. Spinkrabben luisteren enkel en alleen naar een temmer.’

‘Ja?’

‘Kijk, ze duiken uit de zee op en stormen het strand op. Met klik­kende scharen, ja.

‘Net als in dat kinderliedje.’

‘“Met klikkende scharen en knarsende mondstukken” bedoel je? “En ze lieten enkel Jolanda’s schedel over”?’

‘Dat liedje. Hun kaken zijn gemodificeerd zodat ze zelfs een kokos­noot kunnen kraken. Zij stuiven het strand dus op en jij spreekt ze aan. Je noemt je Temmer en Koningin. Ze zijn diep matriarchaal en gehoorzamen een leidster onvoorwaardelijk.’

‘Ik snap het. Ik spreek ze aan. Ik noem mij hun koningin en als zij niet toestemmen, verscheuren ze mij?’

‘Zeker. Met gemak, want erg veel schild heb je niet.’

‘Krijg ik geen wapen?’

‘Een temmer heeft geen wapen nodig.’

‘Ik weet niet…’ begon Hindele en toen zag ze de eerste spitse kop uit de blauwe zee opduiken. Ze hief een hand op en liet die meteen weer zakken. Ik kom in vrede is niet de juiste boodschap als je een zwerm mensenetende monsters wilt temmen.

Ze balde haar vuisten, stak haar kin naar voren.

‘Hindele is mijn naam!’ dacht ze zo luid mogelijk. ‘Ik ben jullie godvergeten koningin! Buig voor mij!’

Er volgde een afschuwelijk uitgerekt moment dat zeker drie seconden geduurd moest hebben. Meer dan genoeg tijd om een dozijn duistere gedachten voorbij te laten flitsen. Overwegingen als: Maar een op de duizend zeenomaden kan een spinkrabbenstem horen. Maar een op de twintigduizend heeft genoeg talent om werkelijk een temmer te worden.

De voorste krab hief haar nachtmerrieachtige kop, rolde zich op haar rugschild en trok haar poten krampachtig samen, als een stervende spin.

Niet meteen een buiging, maar het is goed genoeg. Ze liet haar armen zakken. Ik ben dus een temmer. Geen hapje tussendoor. Goed om te weten.

Pas een uur later, toen ze de deur van haar kajuit achter zich had dichtgetrokken, barstte Hindele in snikken uit.

 

 

5

14 april 2223, Nieuwe Saragossa-zee

 

Mijn eerste echte job!

Jacob stond met gesloten ogen op het voorsteven van de Onverschrokken Jutter, het werkschip dat de komende weken zijn thuis zou worden.

Niemand van de bemanning waagde het zijn concentratie te verstoren: hij was per slot van rekening de dijkenfluisteraar, de belangrijkste persoon aan boord. Maar uniek en onvervangbaar of niet, hij sliep in dezelfde stapelbedden als de rest van de bemanning en at gewoon mee in de mess. Tijdens werktijd werd er gewerkt en op een Hollandse schuit was er geen ruimte voor kletskoek als bontgevoerde ligstoelen en gouden borden.

Over Jacobs netvlies trok de bodem onder het schip voorbij: de input van duizenden sensoren in de kiel. Grisaert ordende ze netjes voor Jacob. Hij wees hier het wrak van een antiek vliegtuig aan, daar een kudde potvissen en tekende de zeestromen uit in warm roze en killer blauw. Na zijn verblijf op de statige Koningsdijk begreep Jacob dat Grisaert piepjong moest zijn. De dijk was nog nieuwsgierig, watervlug, en meer dan een tikje eigengereid. De klik die er vanaf het begin was geweest, klonk nog steeds door. Fluisteraar en dijk: kameraden voor het leven.

Hoopte Jacob.

´Niet veel soeps hier,´ merkte Grisaert op. ‘Geen idee waarom Groot Nippon nu net hier een eiland wenst. Er zijn toch zat betere plekken voor hun wandelende steden?

Dichter bij Japan ook. Zeg nu zelf: nergens een mooie verdronken haven, geen velden met mangaanknollen, niks.’

De Japanners hadden het probleem van het stijgende water opgelost door hun steden op gigantische mechs te monteren. Ongehaast banjerden die door de ondiepere stukken van de oceanen, op zoek naar nieuwe grondstoffen.

‘Ze betalen altijd op tijd en wij vangen onze commissie,’ antwoordde Jacob. ‘En tien procent van een stuk met een stalen stad erop, is toch een goede deal? Alleen al de rioolrechten leveren ons een vermogen op.’

‘Met andere woorden, “Niet zeuren, maar pompen”?’

‘En vlot een beetje!’ zei Jacob, gevolgd door een stoot smileys. ‘Heb je tijdens al dat koekeloeren nog ordentelijke ankergrond gevonden? Ik zie daar in het westen een veelbelovende richel gneiss.’

‘Gneiss!’ De dijk snoof. ‘Geef mij maar graniet. Als ik op mijn kont ga zitten, dan graag op wat…’

Een hoog prioriteitssignaal knipperde. Oom Gulliver aan het logo te zien.

‘Momentje, Grisaert. Mijn oom, deze moet ik opnemen.’

‘No problemo.’

‘Oom?’ zei Jacob.

In plaats van zijn oude zeemanstrui en pet had oom Gulliver zich in zijn statieuniform gehesen: een zijden kaftan, afgezet met haardun goudstiksel. In zijn linkeroor droeg hij een knots van een zwarte parel. Officiëler kon amper.

‘Jacob, hallo. Nog bijzonderheden? Hoe verloopt je eerste soloklus?’

‘Alles goed hier,’ antwoordde Jacob. Hij was meteen op zijn hoede. Oom Gulliver zou echt geen hoog prioriteitsignaal versturen als het om prietpraat ging.

Gulliver leek zijn gedachten te lezen. ‘Ik zal ter zake komen. Jacob, ik heb je als ambassadeur nodig. Voor de Vloot. Ze hebben wat bedenkingen tegen de polder die je gaat aanleggen. Nu zit ik tot over mijn oren in die klus op de noordpool. Ik kan met geen mogelijkheid tijd vrij maken, nog geen uur. Maar het moet wel iemand van de familie zijn.’

Vrij vertaald: de zaak is behoorlijk dringend maar niet belangrijk genoeg om zelf af te handelen. Een mooi klusje voor Jacob en dan doet hij meteen wat ervaring op.

‘No problemo,’ echode Jacob zijn dijk. Beter dan no problemo. Sinds de Vloot langsvoer had hij hun schepen dolgraag willen bezoeken.

‘Wat hebben ze precies tegen de nieuwe polder? We pakken het volkomen Gaiavriendelijk aan. Zoals altijd.’

Oom schoof Jacob een bestand toe. ‘Het staat hier allemaal in. Vaar erheen en haal ze van ons dak. Die polder moet er absoluut komen, Jacob. We kunnen Groot Nippon onmogelijk als klant verliezen. Bied die zeenomaden een redelijke vergoeding, of desnoods een idioot gulle. Maar wat er ook gebeurt, die dijk wordt gelegd. Daarover valt niet te onderhandelen.’

‘Dat gaat wel lukken, oom. Ik bekijk de boel en stuur de dijk naar hun locatie.’

‘Ze komen naar jou toe, en hou Grisaert alsjeblieft uit het zicht. Een levende dijk kan te eenvoudig als provocatie gezien worden. Sommige zeenomaden zweren bij biotechnologie en moeten niets weten van onze machines. Bovendien geeft een dijk een signaal dat we dit de hoogste prioriteit geven. Dat versterkt hun onderhandelingspositie. We nemen hun protest uiteraard serieus, maar wel binnen zekere grenzen.’

‘Vanzelfsprekend.’ Verdorie, dat had ik zelf moeten bedenken. Laat ik om te beginnen eens uitzoeken wat de Vloot precies wil. Pas als je in de ziel van een klant kijkt, kan je de diepte van zijn portemonnee peilen.

 

 

De Onverschrokken Jutter bleef natuurlijk een werkschip, maar glans­platen van regenboogmica en fier wapperende vaandels had je binnen een paar uur geprint.

Tegen de tijd dat de Vloot Jacobs schip ontmoette, kon het zich bijna meten met de parelmoeren schepen.

De armada van schepen was van dichtbij nog indrukwekkender dan Jacob had verwacht. De Vloot was bij het passeren een visioen geweest, delicaat bijna. Dit had niets kwetsbaars. Het mocht dan louter bio­technologie zijn, alles gegroeid en niets geconstrueerd, maar er viel niks wrakkigs of ondermaats aan te ontdekken.

Organische zeekastelen kliefden trots en statig door het water. Dolfijnen en bultruggen volgden in hun kielzog. En daar, die enorme fontein, dat moest een blauwe vinvis zijn! Hij voelde een steek van pure opwinding, van fanverering. Jacob was een kenner: hij had alle bekende echoballades van de machtige zeezoogdieren honderden malen beluisterd.

Hij zoomde in op het vlaggenschip: een legpuzzel van kreeften­kweekkkooien en kwallenaquariums doemde op, van tuinen, kranen en droogdokken.

Ieder schip was volledig zelfvoorzienend, wist Jacob. De zeenomaden gaven steevast meer terug aan Gaia dan ze namen. Die biotechnologie was verdomde mooi – en handig – en iedere dijkenfamilie zou er honderd keer zijn jaarwinst voor over hebben om dat in handen te krijgen. De Vloot duldde echter geen pottenkijkers en ze verkochten hun geheimen nooit. En gelijk hadden ze. Hoe wij onze levende dijken printen en er mee werken, vertellen wij ook aan niemand.

 

Toen het vlaggenschip naast de werkboot tot stilstand kwam, riep Jacob de foto en het CV van zijn tegenhangster nog een keer op. Hindele. Oké, best wel jong, maar ze zullen ook geen giechelende bakvis op mij afsturen. Dit is waarschijnlijk de op een na belangrijkste vrouw van hun vloot. Hun Jacob. Een spinnentemster is te vergelijken met een dijkenfluisteraar. Nou ja, een beetje dan. Levende dijken zijn reteslimme machines en die spinkrabben enkel opgevoerde beesten.

De onderhandelingen vonden plaats op het vlaggeschip van de Vloot: een elegante parelmoeren vinvis-romp die bestond uit twaalf gekoppelde kinkhoorns. Het vaartuig was meer dan drie kilometer lang en tachtig meter hoog. Dit was het Heilige der Heiligen: Hier kwamen de admiraals en kapiteins van de Vloot bijeen, werden verdragen gesloten en ambassadeurs van de wallenkant ontvangen.

Louter het feit dat Jacob juist hier was uitgenodigd, bewees hoe hoog de Vloot de aanleg van de nieuwe dijk opnam. Dat hij ook nog eens hun numero uno spinkrabbentemster tegenover zich vond, was als een vergulde kers op een platina taart.

Ik ben benieuwd. Jacob checkte zijn donkerblauwe uniform met gouden knopen voor de laatste keer. Natuurlijk was alles piekfijn in orde. De vouw in zijn broek was nog steeds messcherp, zijn schoenen blonken. Hij trok zijn pet recht en onderdrukte de plotselinge aandrang tot plassen.

Hij grijnsde. Zenuwen waren goed, dat maakte hem enkel alerter.

 

De spinkrabbentemster van de Vloot bleek allesbehalve een giechelende bakvis.

Slim, ontwapenend, grappig? O ja. Ja op alles. Ze pakte spontaan zijn hand vast en keek hem recht aan.

‘Vind je het goed dat ik Jacob zeg? Dan kan je mij gewoon Hindele noemen, ja?

Dat is wel zo prettig, Beter toch dan geëerde dijkenfluisteraar of doorluchtige krabbendame?’

Haar Nederlands was meer dan uitstekend maar had een exotisch tintje. Blond haar, door de zon tot ivoorwit gebleekt. Groene ogen. Een beweeglijk gezicht, beslist niet conventioneel mooi maar eindeloos fascinerend. Alsof ik naar dansende zonnevlekjes in ondiep water kijk. Stop! Ik ben hier om zaken te doen. Niet om te flirten. Hoewel, wat doet zij anders? Hij wendde zijn blik af, tuurde naar zijn schoenpunten. Zaken gaan voor het meisje. En ik ben hier voor zaken. Hij zag oom Gulliver voor zich, zijn gezicht op onweer, zijn vinger bestraffend opgeheven. Je bent geen puber meer, Jacob, je bent een dijken­fluisteraar! Je vertegenwoordigt de familie. Zoiets.

Jacob dwong zichzelf te concentreren op Hindele’s betoog.

‘O, ik snap jullie argumenten best. Groot Nippon denkt volgens het internationale landreclameringsverdrag van 2185 het recht te hebben zich hier te vestigen. Maar wij vechten dat aan bij het Internationale Gerechtshof in Bhutan. Het enige wat wij vragen is dat jullie met die dijk wachten tot er een uitspraak is.’

‘De traagheid van hun rechters is berucht,’ protesteerde Jacob. ‘Allemaal heilige mannen in oranje gewaden. Een uitspraak kan makkelijk tien jaar op zich laten wachten. Sorry, wij kunnen het ons niet veroorloven om tien jaar te wachten, en Groot Nippon al helemaal niet. Sinds ze hun immigratiebeleid versoepelden, zitten ze met de snelst groeiende bevolking op de planeet.’

Hindele keek Jacob aan. ‘Groot Nippon. Een nieuw eiland is een druppel op de gloeiende plaat. Waarom denk je dat ze juist hier, op deze plek, een polder willen hebben?’

Precies wat wij ons ook al afvroegen. ‘Waarom niet? Deze plek is ondiep genoeg en er zitten geen claims op. Niet alle stukken van Groot Nippon hoeven in de buurt van de Japanse archipel te liggen. De Verenigde Nederlanden strekken zich ook uit over de hele wereld, en de Vloot ziet iedere oceaan als haar thuis.’

‘Ik laat je zien wat er speelt,’ sprak Hindele. Uit haar frons begreep Jacob dat het geen makkelijk besluit was. ‘Heb je wel eens met kunstkieuwen gedoken, Jacob?’ Ze keek hem vragend aan.

Jacob grijnsde terug. ‘Zeg, je hebt het wel tegen een Hollander, hoor! Geen Helvetische jodelaar. Ik zwem al sinds mijn vierde jaar met kieuwen. Van de kokende zee boven IJsland tot en met de maelstrom van Bangkok.’

‘Je bent misschien een beetje laat begonnen,’ zei Hindele met een stalen gezicht.

‘Wij trekken een baby in de vierde maand een kieuw aan en mikken haar in de zee. Vooruit dan maar, we wagen het erop.’ Ze legde haar hand op zijn arm, kneep. Haar glimlach was verblindend.

Ze zit met me te flirten! Nu weet ik het zeker!

 

Tachtig meter was niet bijster diep, en Jacob’s lenzen en de andere opgevoerde zintuigen verschaften hem een prima zicht.

Hindele en hij zwommen boven een kaal plateau: de top van een verdronken berg die waarschijnlijk nooit boven zee had uitgestoken. Hier en daar waren vissen zichtbaar en Jacob wist dat Grisaert ergens in de buurt moest rondhangen. Ver genoeg om niet op de sonar te registreren, maar dichtbij genoeg voor dijkenspraak.

‘Romantisch hoor, duiken met zo’n zeemeermin,’ zei Grisaert..

‘Zeg, zit niet zo te zuigen, jij opgevoerde waterduizendpoot. Dit is puur zakelijk.’

Grisaert snaterde, zeker even honend als een dolfijn.

‘Zei je wat?’ vroeg Hindele. Ze droeg een groen geschubde bodysuit. Haar helm was van gelatine die haar hoofd in een lillende bel omsloot.

Jacob droeg zijn oude, vertrouwde duikpak dat hij jaren geleden had geprint en sindsdien eindeloos had getweakt en verbeterd.

Ai, subvocaliseerde ik dat?

‘Ik zat te mompelen,’ improviseerde Jacob. ‘Ik maakte een aan­tekening. Maar wat wilde je mij laten zien?’

‘Kun je inzoomen? Kijk eens naar het zuidwesten. Op zeven uur.’

Een eindeloze colonne spinkrabben kwam vanuit de smaragdkleurige schemering aangemarcheerd. Een nachtmerrieleger met steltpoten en knijpscharen, getooid met een bos zwiepende ogen op steeltjes.

Ik ben vast de eerste dijker die ze van zo dichtbij ziet. De Vloot barricadeerde ieder gebied waar de krabben werkten. Dit waren de levende machines van de Vloot. Met de opgevoerde spinkrabben plantten de temmers hun kelpwouden, bouwden ze koraalriffen, schoonden ze vervuilde bodems op. Zonder de krabben was de Vloot weinig meer dan een stelletje biotech zwervers. Met de spinkrabben werd Hoeders van de Oceanen een allerminst lege titel.

Ergens net tegen Jacob’s gehoorgrens aan klonk het gegons van duizenden raspende kaken. Heel anders dan het diepe gebrom van de dijken, maar toch op de een of andere manier precies hetzelfde.

Curieus.

‘Dat zijn mijn spinkrabben,’ zei Hindele en er klonk gepaste trots in haar stem door.

‘Ik ben een van de twaalf mensen die hen kan horen en direct met hen kan spreken. Het is een zeer zeldzaam talent. Een beetje als jouw gave om met jullie machines te praten. Alhoewel dat natuurlijk maar technologie is. Natuurlijk wel behoorlijk geavanceerde technologie, ja.’

Jacob moest een glimlach onderdrukken. Jij denkt net zo over jouw krabben als ik over mijn dijken…

De colonne kwam dichterbij, evenals het gezoem in zijn hoofd. Jacob hoorde nu stemmen, voelde tienduizenden onafhankelijke gedachten, begon stromingen, temperaturen, bodemdichtheid en honderden andere gewaarwoordingen te ontvangen.

Het was chaotisch en redelijk bizar gecodeerd, maar na een paar tellen begon hij de informatiestromen toch te ontcijferen.

Ik hoor die spinkrabben. Niet alleen horen, ook begrijpen. Net als de levende dijken. Ik… Hij keek naar Hindele. Ze had duidelijk niets door.

Hij opende zijn mond. Sloot die weer.

‘Hoi, ik kan de gedachten van jullie heilige spinkrabben horen, leuk he?’

Nee, dat zou helemaal niet goed vallen. De politieke gevolgen waren niet te overzien. Hij zou niet alleen Hindele onsterfelijk beledigen, maar de complete Vloot.

Het zou zelfs op oorlog kunnen uitdraaien. De Vloot was een trots slag mensen: zulk gezichtsverlies was onvergeeflijk.

‘Indrukwekkend, niet?’ zei Hindele. Ze gebaarde naar de colonne. ‘En dat is nou precies de reden waarom Groot Nippon hier een eiland wil hebben. De berg is het paringsgebied van onze spinkrabben. Als ze hier een eiland neerplempen, komt er geen nieuwe generatie spinkrabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Daar zijn ze heel rigide in. Geen paringsberg, dan ook geen eieren. Denk aan zalmen: die kun je ook niet vertellen maar een andere rivier in te zwemmen als ze op een stuw stuiten.’

‘De Japanners moeten dit toch weten?’ zei Jacob. Waarom stond dit niet in het dossier van oom Gulliver? Dat is een idiote blunder! Iemand heeft zitten slapen.

Hindele knikte. ‘Zeker, maar de stille visserijoorlog tussen Groot Nippon en de Vloot is al anderhalve eeuw gaande. Ze jagen nog steeds op walvissen. Wij greenpeacen ze daarin zo veel mogelijk. Juridisch, maar ook regelrecht. Zij hopen ons in het hart te treffen door ons de spinkrabben af te nemen.’

‘Dit is dus eigenlijk heilige grond voor jullie?’

Het vlootmeisje keek hem aan met haar indringende groene ogen. ‘Ja en nee. Wij zijn de Vloot, wij claimen geen enkel deel van Gaia. Dat is niet onze rol in het grotere geheel. Maar wij hebben wel enorm veel… respect voor deze plek. Wij… We hebben deze berg even hard nodig als de spinkrabben. Kom, ik ga je iets tonen dat geen buitenstaander ooit mocht zien. Ik wil dat je begrijpt hoe belangrijk dit voor ons is. Kan ik je vertrouwen?’

‘Ja.’

Ze deden allang geen zaken meer op de normale manier, wist Jacob. Dit had niets van doen met winst en contracten of mogelijkheden. Dit was als een lang uitgestelde paringsdans. Een tussen de Vloot en de Dijkers. Dit ging om eer en geloof, om wederzijds vertrouwen.

‘Kom.’ Ze wenkte hem als een mythische zeemeermin, keek om. Volg mij. Volg mij naar de diepte, mijn lief.

Jacob dook achter het zeegroene meisje aan. Honderd meter, honderdvijftig. Al het licht ebde weg en Jacob ging op sonar over.

Een woud van schelpen bedekte de zuidflank van het plateau. Het waren doopvontschelpen vertelde zijn Siri hem: gigantische en genetisch gemodificeerd voor deze diepte. Het waren er duizenden en duizenden.

‘Dit is ons kostbaarste bezit, van mij en van iedereen in de Vloot. Wanneer een kind wordt geboren, zetten we hier een schelp uit die doorweven is met haar persoonlijke DNA. Die schelp symboliseert onze band met het water. Wij zijn er mee verbonden en tijdens bepaalde belangrijke momenten in ons leven, bezoeken wij onze levensschelp. En als we sterven…’ Inmiddels zwommen ze tussen de schelpen door: een doolhof van gestapelde schelpen.

‘Dan wordt die schelp jullie grafsteen,’ begreep Jacob. ‘Jullie geven jezelf weer terug aan Gaia. Ik voel mij enorm vereerd dat je mij dit laat zien, Hindele. Ik zal je vertrouwen niet beschamen. Op mijn woord als dijkenfluisteraar.’

‘Dat weet ik. Ik voel dat ik je kan vertrouwen.’

De intensiteit van de gevoelens deed bijna pijn, maar dit was zo ontzettend mooi. Hindele had hem het grootste geschenk gegeven wat ze kon bedenken. Hij kon niet anders dan haar ter wille zijn. Er zou hier geen eiland komen. Geen dijk zou op dit plateau rusten, en al helemaal geen stinkende robotstad.

In stilte zwommen ze verder totdat Hindele halt hield bij een van de schelpen. Ze legde haar handen op de schelp, op de een of andere manier een heel intiem gebaar. ‘Onze schelpen kunnen we verplaatsen, maar er is geen andere geschikte broedplaats voor de spinkrabben.’

‘Maak je geen zorgen, ik zal…’

De schelp opende zich.

In het hart van de schelp, in een nest van blauw satijn, glom een parel, zeven keer groter dan een voetbal. De globe gloeide, beelden flakkerden op in het binnenste: Hindeles gezicht, mooi en sereen als wuivende kelp, toen trots en uitdagend als een jonge zeegodin. Meer beelden: een kraaiende baby, een kleuter-Hindele die joelend op de rug van een dolfijn reed, een giechelmeisje met pas uitbottende borstjes die een octopus optilde en recht op zijn rimpelhoofd kuste, maar vreemd genoeg dook nu ook zijn eigen gezicht op. Twee keer, drie keer.

De parel is een biocomputer. Een kunstbrein van parelmoer, die al haar mooiste herinneringen bewaart. Jacob keek naar Hindele en het compliment dat op zijn lippen lag, stierf in zijn mond. Het gezicht van de krabbentemster was vertrokken van ontzetting en toen van woede. Ik heb iets gezien dat nooit voor mij bedoeld was.

‘Mijn zielenbeeld. Jij… ik… Je zag mijn zielenbeeld! We vertrekken. Nu.’ Haar stem trilde, maar had een ondertoon van staal. Ze was boos. O, wat was ze boos!

Woedend. Laaiend.

Er was iets gebroken. De band die ze hadden, lag plots in duizend stukken.

‘Ik…’ begon Jacob.

‘We. Gaan. Weg. Nu.’

Terwijl ze zwijgend naar boven zwommen, keek Jacob nog een keer om. Hindele’s schelp had zich inmiddels weer gesloten, met de parel in zijn binnenste. Zielenbeeld.

Het was in ieder geval een toepasselijke naam.

Ze smeet hem nog net niet overboord, maar het scheelde niet veel. Eenmaal terug op het vlaggenschip beende Hindele weg, haar rug zo recht alsof er een bezemsteel door haar ruggengraat gestoken was.

Jacob keerde terug naar de Onverschrokken Jutter.

‘En, wat gaat deze plek ons kosten?’ informeerde Grisaert. ‘Wanneer kan ik beginnen?’

‘We pakken de hele santekraam in. Er komt hier geen eiland.’

De verbazing van de jonge levende dijk was duidelijk te voelen. ‘Niet? Oh, dat zal je oom niet leuk vinden, Jacob.’

‘We hebben geen keus,’ sprak Jacob. Beelden rolden door zijn hoofd: de colonne van spinkrabben, het woud van reuzenschelpen maar vooral Hindele’s gezicht.

‘Als de grote fluisteraar Jacob het zegt. Ik ben immers alleen maar een opgevoerde waterduizendpoot? Toch? Sahib, meester?’

‘Ja ja.’ Een idee kwam bij Jacob boven. ‘Zeg, Grisaert, zie je die spin­krabben over het plateau klimmen?’

‘Hm ja?’ Een sonarbeeld van de colonne verscheen in Jacob’s hoofd.

‘Kan jij ze horen? Net zoals je mij en oom Gulliver hoort, of de andere dijken?’

‘Die beesten? Nee, natuurlijk niet.’ De dijk was er heel stellig in. ‘Waarom?’

‘Ik vroeg mij af of hun spinkrabbentemster op dezelfde manier communiceert met de krabben zoals jij en ik.’

De dijk snoof digitaal. ‘Je hoeft niet beledigend te worden! Die spinkrabben zijn niks anders dan dieren. Een stel bio-drones. Wij dijken zijn van een aanzienlijk hogere orde, hoor.’

‘Ik weet het,’ haastte Jacob zich te zeggen. Aan een nukkige dijk had hij niks. ‘Het was zomaar een gedachte.’

Jacob verbrak de verbinding met Grisaert. De aanwezigheid van de dijk verdween.

De tienduizend raspende stemmen van de spinkrabben bleven echter doormompelen.

 

 

6

De nacht van 14 op 15 april 2223, het vlaggenschip van de Vloot

 

Hindele had eerder vriendjes gehad. Maagd blijven tot je huwelijks­nacht mocht een grote hit zijn op de meer achterlijke stukken van de wallenkant, in de Vloot vonden ze dat belachelijk. Er waren echter andere taboes. Je liet je zielenbeeld enkel zien aan de liefde van je leven, mannelijk of vrouwelijk, en dat pas na een jaar of tien.

Hij zag mij. Hij zag alles wat ik was. Mijn diepste en kostbaarste geheimen. Ze balde haar vuisten, ontspande ze weer. Maar ik heb hem niet tegengehouden.

Het gebeurde te abrupt! Ik had nooit verwacht…

Zoveel stemmen in haar hoofd!

Nee, je liet hem gewoon door. Je toonde hem zelf je geheime schelp. De manier waarop hij naar je keek, ja? Dat beviel je best. Zo’n exotische jongen die naar je staarde alsof je een prinses uit een oud verhaal was.

Die stem stond duidelijk aan de kant van de fluisterjongen.

Hij stuurde zijn dijk weg. Zo maar. Omdat je het vroeg.

Nee, ik overtuigde hem. Hij begreep hoe belangrijk de trektocht van de spinkrabben was.

Hah, jouw mooie groene ogen overtuigden hem!

‘Hindele, ik vroeg je iets.’ De stem van haar tante rukte haar weg uit haar eigen tollende gedachten.

‘Eh, wat?’

Het was alsof de omgeving uit een grijze mist opdoemde. De bamboe­muren, de schriftrollen met de wetten van de Vloot, een rij maskers van mosselparelmoer die door eerdere admiraals gedragen werden.

Ik sta in de rechtszaal, in de Kamer der Waarheid en ik heb alle­machtig veel uit te leggen. O, heilige vader Cousteau, tante draagt zelf een parelmoeren masker! Dit is serieus.

‘Hij stuurde de dijk weg,’ zei haar tante. ‘Wat beloofde je hem als tegenprestatie?’

‘Eh, niets.’

De schouders van haar tante zakten omlaag. ‘En jij liet dat zomaar gebeuren? Je protesteerde niet?’ Ze rukte haar masker af en smeet het op de vloer. ‘Jij absolute idiote! Besef je niet wat je gedaan hebt? Nu kunnen ze letterlijk alles van ons vragen! En wij moeten instemmen. Een blanco cheque.’

‘Maar…’

‘Ga uit mijn ogen. Voor ik je nek omdraai als een kakelende kip!’

 

Het vlaggenschip was groter dan een 21ste eeuwse watertanker maar met haar tante aan boord, voelde het echter even benauwd als een rubberbootje. Ten slotte belandde Hindele als vanzelf in het kapelletje op de achterplecht.

In de wrakhouten deurpost stond de oude spreuk gebeiteld: ‘Volgend jaar in Rotterdam’. Bijna een eeuw lang was dat de hartenwens geweest die de gevluchte Nederlanders op Dijkbrekersdag uitspraken als ze een glas IJsselwijn hieven.

Toen de dijken definitief wegspoelden in de Derde Tsunami, was de helft van de Nederlanders de zee opgevaren in duizenden opgekale­faterde olietankers en vlotten van piepschuim. De anderen waren naar het hogere land gevlucht: eerst naar de Hondsrug en toen het stijgende water ook Amersfoort verzwolg, naar de Ardennen en de verlaten dorpjes van Noord-Frankrijk. Toen ze terugkeerden was het als dijkenfluisteraars.

Hindele mompelde de heilwens en de deur zwaaide automatisch open. Achterin stonden de twee beelden van de enige goden die de Vloot vereerde.

Maryam de Stella Maris en de Troost der Zeevaarders zat hand in hand met haar echtgenoot, sint Cousteau. Maryam droeg een blauwe mantel en gouden zeesterren in haar lokken, terwijl sint Cousteau een antieke koperen duikhelm had opgezet. Het net over zijn schouder had mazen die wijd genoeg waren om ondermaatse visjes te laten ontsnappen.

Hindele knielde, slikte, en fluisterde toen: ‘Moeder Maryam, ik heb iets heel doms gedaan.’

De ogen van het beeld lichtten op. ‘En wat dan wel, mijn dochter?’

‘Spreek vrijuit,’ zei sint Cousteau. ‘Niets kan onze oren doen tuiten. Wij hebben elke menselijk dwaasheid een miljoen keer gehoord.’

‘En een miljoen keer vergeven,’ voegde Maryam toe.

‘Maar dit is echt heel erg,’ zei Hindele en vertelde wat ze gedaan had.

Het bleef even stil.

‘Ai,’ zei Maryam.’

‘Dat was echt zeldzaam stom,’ concludeerde Cousteau.

Tranen prikten in Hindeles ooghoeken. ‘Wat moet ik doen? Over de railing springen?‘ Ze knikte. ‘Ja, dan heeft niemand meer last van mij. Als ik dood ben, kan tante zeggen dat de Vloot er niets mee te maken heeft.’

‘In zee springen en je lijf aan de sardines geven, kan altijd nog,’ zei Maryam. ‘Nee, je tante is een intelligente vrouw.’

‘Beter dan intelligent,’ knikte sint Cousteau. ‘Sluw. Doe precies wat je tante zegt. Dan komt alles goed.’

‘Echt?’

Het licht in de ogen van de beelden was echter gedoofd en Hindele begreep dat ze nu naar andere smekelingen luisterden. Meer raad kreeg ze niet. Doe precies wat je tante zegt.

 

Een klop op de deur van haar kajuit. Hindele trok het kussen over haar hoofd. Het was verdacht vochtig, alsof ze had liggen huilen, wat natuurlijk ondenkbaar was.

‘Ga weg! Ik wil met niemand praten.’

‘Maar ik wel met jou. Doe open, Hindele. Nu meteen!’

Mijn tante. Doe alles wat ze zegt, raadde sint Cousteau mij aan. Nee, niet aanraden, bevelen, en een god spreek je niet tegen.

‘Ik kom al.’ Haar eigen stem schokte haar. Ik klink als een verwende kleuter.

Ze trok de deur open. Haar tante droeg nog steeds haar admiraals­masker en Hindele begreep dat het nog niet voorbij was. Dat ze tot over haar oren in de rotte vissenkoppen zat.

‘Ja?’

‘Ik heb nog eens nagedacht. Met de andere kapiteins gesproken.’

Met de andere kapiteins gesproken. Die knikken alleen maar bij alles wat jij voorstelt.

‘Het gaat om evenwicht. Het enige dat even kostbaar is, kostbaar genoeg om de dijken weg te houden van de paringsgrond, ben jijzelf. Je genetica. Je moet een dijkenfluisteraar trouwen. Jullie kinderen zullen zowel met spinkrabben als met dijken kunnen spreken.’ Ze knikte. ‘Na een beetje genetische manipulatie uiteraard.’

‘Dat is wel erg vlot,’ zei ze. ‘Niet dat ik weiger maar ik heb hem pas één keer ontmoet.’ Maar hij kon zo in mijn geheime schelp kijken en mijn zielenbeeld zien.

Jacob moet de ware zijn.

Haar tante fronste haar wenkbrauwen. ‘Maar één keer ontmoet? Volgens mij heeft hij het vlaggenschip nooit eerder bezocht.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Ah, ik begrijp het. Niet hun jeugdige ambassadeur. Het gaat om de Dijkenschouwer zelf. Hij is honderdvijftig maar dat valt hem absoluut niet aan te zien. Niks mis met zijn sperma.’

Doe alles wat je tante zegt.

‘Goed,’ zei Hindele. ‘Als hij het ook wil. Als alles dan in orde is…’

‘Prima.’ Haar tante zette haar masker af, draaide zich om en beende weg. Wat haar betreft was het nu geregeld.

‘Maar toen zei mijn tante, ze zei, het is hem niet, maar die oude man, de Dijkenschouwer.’ Hindele balde haar vuisten. ‘Ik wed dat hij wel tien vrouwen heeft!’

‘Hij is ongetrouwd,’ zei Maryam. ‘Of nee, twee echtgenoten, geen echtgenotes. Hij vindt mannen duidelijk leuker dan vrouwen.’

‘Ook dat nog!’

Het beeld schudde haar hoofd, ‘Eerst klaagde je dat je niet met zo’n oude geit naar bed wilde en nu is het weer niet goed. Je hoeft alleen maar kinderen te krijgen. Hij heeft vast niets tegen kunstmatige inseminatie.’

‘Ben jij nu een vrouw? Je snapt niets van meisjes!’

‘Vroeger toen ik nog een maagdeke was, liep het anders. Alle huwelijken waren gearrangeerd en daar is niks mis mee. Yussuf was een schatje.’

 

 

7

15 april 2223, de Residentie

 

‘Bij de geschoren ballen van Boeddha, waarom heb je in Maryams naam je dijk weggestuurd? We hebben een contract met Groot Nippon, Jacob! Onwrikbaar en al tot de laatste yen vooruitbetaald. Besef je wel wat je gedaan hebt?’

Jacob had zijn oom nog nooit zo kwaad gezien. De ogen van de oude man spuwden bijkans vuur en klodders pruimtabak vlogen in het rond.

‘We mogen daar geen eiland aanleggen. Juist die plek is de broed­plaats van de spinkrabben. De enige nog ook. De Vloot zal nooit een dijk accepteren en het is zakelijk je reinste zelfmoord om de Vloot in het gezicht te spugen. Zodra wij bekend staan als anti-Gaiaans, als oceaanvervuilers, dan zal negentig procent van de wereld geen zaken meer met ons willen doen. En Mars kunnen we al helemaal vergeten.’

Het waren uitstekende argumenten. Allemaal ongetwijfeld waar. Maar waarom zag hij dan enkel Hindele’s gezicht voor zich? Alsof ze meeluisterde naar elk woord?

Ik ben verliefd, begreep hij. Ongeneeslijk en onomkeerbaar verliefd. Verliefd op een klant was wel het stomste dat een zakenman kon uithalen. Maar het was nog een graadje erger: Hindele was zijn klant niet, maar Groot Nippon wel.

‘Bovendien heb ik haar mijn woord gegeven. Geen dijk. Never nooit. En een dijkenfluisteraar breekt zijn woord niet.’

Het leek er even op dat oom Gulliver ter plekke een hartaanval zou krijgen: zo’n bietenrode kop, zo’n briesende adem, gebalde vuisten die open en dicht gingen als de grijpers van een mech. ‘Jij ongelooflijk achterlijk blaag! Je woord is bindend, nu kunnen we niet meer terug. Hoe ik dit goed kan maken met Groot Nippon…’

‘We betalen gewoon de boeteclausule van het contract, en als het Internationale Gerechtshof de Vloot in het gelijk stelt, dan vorderen we het geld weer terug. Met rente. En Groot Nippon is een belangrijke klant, maar we kunnen zonder ze. We gaan heus niet over de kop als we ze kwijtraken.’

Natuurlijk zou het financieel pijn doen, maar niemand van de familie zou er ooit een boterham minder door eten. Bovendien hadden ze nu goede contacten met de Vloot en die goodwill kon in de toekomst wel eens heel winstgevend uitpakken.

‘Het gaat niet om het geld!’ brulde oom Gulliver. ‘Ik had je dit moeten vertellen, zodat je had begrepen wat er speelde. Waarom denk je dat Groot Nippon nog steeds op walvissen jaagt? Als enige natie van de wereld? Toen het Grote Smelten de Inuits en IJslanders uit hun thuis­landen verjoeg, bleven de Japanners stug doorgaan met hun jacht. Dat was niet uit noodzaak of traditie. Het had zelfs niets met trots of koppigheid te maken.’ Hij sloot zijn ogen een moment en knikte toen. Jacob begreep dat zijn oom een besluit had genomen, een dat hem zeldzaam tegenstond.

‘Wij dijkenfluisteraars worden oud. Allemachtig oud. Dat is niet omdat we met de levende dijken kunnen praten, niks esoterisch. Louter en alleen omdat wij godvergeten rijk zijn. Rijk genoeg om de enige levensverlengende behandeling te kunnen betalen die werkelijk werkt. Het belangrijkste en niet na te maken ingrediënt is het extract van de pijnappelklier van de blauwe vinvis. Daarom jaagt Groot Nippon op walvissen en is het letterlijk van levensbelang ze te vriend te houden.’

Het was alsof er een half doorzichtig vlies van Jacob’s oogbollen werd weggerukt.

Voor hem stond niet meer oom Gulliver maar een gesticulerend geraamte, bekleed met vlees. Iets wat zijn jaren had gestolen van de wonderbaarlijkste en wijste wezens van de oceaan.

Het heeft niets met zaken te maken. Zelfs niet met winst of de familie. Jij en andere fluisteraars willen alleen maar eindeloos doorleven. Al het andere is slechts een dekmantel.

‘Dat is walgelijk,’ zei Jacob.

Gulliver lachte en er klonk zo’n narcistische superioriteit in door dat Jacob onwillekeurig huiverde. ‘De onwetenheid der jongeren! Nu kan je je nog zo’n mooie romantische mening veroorloven, maar wacht maar totdat je je honderdtwintigste verjaardag viert en geen van de serums meer werken. Geen telomeerverlenging, geen injecties met getemde kankers. O, dan wordt elke extra dag eindeloos kostbaar! Geen prijs lijkt dan te hoog.’

‘Je kunt ook te oud worden,’ zei Jacob. ‘Ik weiger een eiland aan te leggen voor Groot Nippon. Het zijn slagers, planeetverkrachters.’

‘Je hoeft ook nooit meer een eiland aan te leggen of een dijk te commanderen. Als directeur en grootste aandeelhouder van het familibedrijf ontsla ik je bij deze.’ Zijn gezicht had uit walrusivoor gesneden kunnen zijn, zo strak en bloedeloos. ‘Je bent geen dijkenfluisteraar meer, Jacob. Ik verban je.’

 

Jacob beende de Koningsdijk over tot de Residentie een grijze streep werd.

Ik verban je. Je bent geen dijkenfluisteraar meer. De zinnen galmden in zijn hoofd, bijna alsof ze door een god uitgesproken waren. Maar zijn oom was absoluut geen god: eerder een demon, een ondode die het leven zoog uit de prachtigste en wijste zangers van de oceaan.

Hij stopte bij het uiteinde, hief zijn hand op. Een hijskraan reageerde. Goed. Zijn oom had hem die privileges nog niet afgenomen: het recht om alle machines die lager dan een dijk waren te commanderen.

‘Takel een skimmer omlaag,’ beval hij.

 

Het vaartuig veerde op zodra hij op het pedaal trapte, het sloeg zijn ski’s uit en al snel schoot Jacob over de golven.

Pas toen de Koningsdijk achter de horizon verdwenen was, zette hij de motor af.

Hij keek om zich heen: een absoluut lege hemel, zonder een enkele wolk of verdwaalde meeuw.

Hij sloot zijn ogen. ‘Grisaert?’

‘Wat is er van je dienst?’

‘Je kunt mij nog horen? Mijn oom zei dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

Grisaert’s lach was als het snateren van een dolfijn. ‘Dat is absoluut niet aan hem om te zeggen. Dat zou een mooie boel zijn als mensen bepaalden met wie we spraken.’

‘Dus ik ben… Ik blijf…’

‘Voor altijd en eeuwig. Wij kiezen onze fluisteraars uit en niet andersom.’ Een bedachtzame pauze. ‘Je wilt een lift?’

‘Eigenlijk wel.’

Een segment rees boven het water uit en vlak daarop schoof een luik open. ‘Kom aan boord. Op mijn rug zitten kan ook maar dan zijn we een week of twee onderweg. Nu is het twee, drie dagen.’

‘Je weet waar ik heen wil?’

‘Mijn lieve jongen, dacht je dat ik brandende liefde niet kon herkennen?’ Prompt schalde er een ongetwijfeld antieke ballade over het water: ‘Je ogen zijn als de zee zo blauw, je lippen bloedkoraal. En als jij langsloopt, draaien alle mannenhoofden tot hun nekwervels kraken’ De elektrische sitar stierf weg. ‘In het Hindi klinkt het beter, maar het is zoiets, toch?’

‘Haar ogen waren groen, maar het klopt wel, ja. Een klik. En ze liet mij haar zielenbeeld zien. Al kreeg ze er meteen spijt van.’

‘Dat is geen kattenpis. Alsof de dochter van de sultan haar sluier oplicht.’

Hij begrijpt het. Het is heerlijk om een vriend te hebben die je begrijpt. Vooral als hij van titanium is en negen kilometer lang.

 

 

8

18 april 2223, het Vlaggenschip van de Vloot

 

‘Eh, Hindele?’ De oceaanstem van de krabben rolde Hindeles hoofd in.

‘Ja. Ik luister.’

‘Hij komt. We hoorden de roeipoten van zijn draak net boven onze colonne passeren.’ Draak? Ah, dijk. De spinkrabben noemen ze draken zolang ze rondzwemmen. Een verankerde dijk vinden ze domweg een stuk kust en totaal oninteressant. ‘Shit! Nu al?’

‘Ik dacht dat je met hem danste. Paring danste?’

‘Met die oude geit? Hah, hij houdt niet eens van vrouwen!’

‘Wij kregen een andere indruk. Toen je hem naar je schelp bracht…’

‘Wacht, wacht! Het is die andere? Jacob?’

‘Jacob zit in de buik van de draak, ja.’

‘Als mijn tante hem ziet, explodeert ze.’

‘Dat was ook onze conclusie. Trek een kieuw aan en duik de zee in. De draak, hij beloofde je op te pikken.’

 

Een metalen zwempoot graaide haar zonder omhaal uit zee en zette haar op een glanzende schub neer. Het was een raar gevoel om op de rug van een dijkdraak te staan. Het mocht dan wel een machine zijn, het bleef een akelig grote en machtige machine.

Hindele trok de kieuwen over haar hoofd en vouwde ze op. ‘En nu?’ vroeg ze aan de lege lucht.

‘Hij is op weg,’ zei een stem in haar hoofd. Deze stem leek in niets op de galmende diepzeeduisternis van de spinkrabben, geen schuren van monddelen en driftig schaargeknip. Deze stem glom en glinsterde en zat bomvol zonlicht. Het was duidelijk dat dijken in de open lucht thuishoorden, in het daglicht.

Een drakenstem… Haar verbazing was niet eens zo heel erg groot. Een dijk! Tante heeft gelijk. Ik kan ook dijken verstaan. Dijken en spin­krabben, het moet dezelfde mutatie zijn, dezelfde delicaat uitge­balanceerde genen.

Een luik schoof open en de jongen klom het dek op.

‘Jacob.’

‘Hindele.’ Ze bleven raar onwennig staan, als marionetten waarvan de touwtjes abrupt doorgeknipt waren en die nu hun eigen weg moesten vinden.

Hij spreidde zijn armen. ‘Ik…’

Niet moeilijk doen. Jongens zijn zulke klungels als het op woorden aankomt. Ze stapte recht in zijn omhelzing en sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem. Gelukkig kuste hij haar meteen terug.

‘Wow, Hindele,’ zei hij na de derde keer. ‘Ik was bang dat je nog boos op mij zou zijn. Omdat ik….’

‘Dat was voorbestemd. Ik was de stommeling. Een schelp snapt zulke zaken blijkbaar beter dan ik.’ Ze keek naar hem op. Gelukkig was hij maar een halve kop groter dan zij en konden ze de neuzen tegen elkaar wrijven. ‘Mijn tante was laaiend. Omdat ik je de dijk liet wegsturen zonder een prijs te vragen. Ze wil…’

‘Ze wil dat…’

‘Ja?’

‘Het is zo helemaal verkeerd! De dijken mogen niet terugkomen en daarom moet ik van haar met die oude dijkenfluisteraar trouwen. Met je oom.’

Jacob verstijfde. Hindele schrok: had ze het verkeerde gezegd? Was hij onvoorwaardelijk trouw aan de dijkenfluisteraars? Of erger, was hij alleen gearriveerd als voorhoede van een golf van verse dijken? Om zijn fout goed te maken?

‘Mijn oom. Als je gelooft dat je tante laaiend was, dan had je mijn oom moeten zien! Stoom uit zijn oren. Hij ontsloeg mij. Brulde dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

‘Maar hoe kun je dan nog op een dijk varen?’

‘Deze dijk is het er in ieder geval niet mee eens,’ sprak de dijk-draak in haar hoofd. ‘Ieder heeft zijn favoriete fluisteraar. Jacob is de mijne.’

‘Het dijkvolk is tegen al te overhaaste huwelijken,’ zei Jacob. ‘Je moet minstens twee weken samen zijn voor iemand iets als “Ja, ik wil” mag zeggen. Samen op een onbewoond eiland bij voorkeur.’

‘Jazeker!’ joelde de dijk in haar hoofd, ‘een palmbomeneiland onder een volle maan.’ Meteen barste hij in een lied uit: ‘Come with me While the moon is on the sea The night is young And so are we, so are we!’

‘Blue Hawaii,’ voegde hij toe. ‘Van de King zelf. En ik weet precies waar ik zo’n eiland kan vinden.’

 

Een waarlijk enorme volle groengevlekte maan wierp de palmbomen in silhouet.

‘Er is verder niemand,’ zei Grisaert. ‘Geen zeenomade en geen dijker.’ Een gniffel. ‘Toen jullie de krabben nog aan het muteren waren, liep het een beetje uit de hand. Ze klommen bij volle maan het eiland op en verslonden alle inwoners.’

‘Heilige goden, dit is Aruba?’ Ze had verhalen gehoord. Als er iets was waarvoor de zeenomaden zich zelfs na zeventig jaar nog schaamden, dan was het dit.

‘Geen krab meer te bekennen,’ zei de dijk, ‘en je hoeft ook niet bang te zijn om over botten en schedels te struikelen. Als een krab iets verslindt dan is het van top tot teen.’

Ze waadden het laatste stuk naar de kust, met de zee niet dieper dan hun enkels. Bij elke stap sprongen er verschrikte visjes uit het water die vonkten in het maanlicht.

‘Ik dacht dat ik eigenlijk nooit meer een voet op het vaste land mocht zetten?’ hoorde ze Jacob tegen de dijk zeggen. ‘Dat het in mijn eed zat?’

‘Och, eden en regels,’ zei Grisaert. ‘Daar doen we alleen maar aan omdat de mensen zich dan wat zekerder voelen. Wij dijken kennen maar twee regels: blijf pompen en zorg dat je niet lekt. Tja, ons leven is aanzienlijk overzichtelijker dan dat van jullie.’

Op een nabije heuvel knipte de lamp van een vuurtoren aan en een zoeklicht zwalkte door de hemel.

‘Jullie torenkamer,’ zei de dijk. ‘Ik heb een stel mechs vooruit­gestuurd en ze zijn druk bezig nieuw glas in de sponningen te printen en een tweepersoonbed te bouwen, dons voor jullie dekbed te verzamelen.’

Handig, van dat soort vrienden. Niet dat een dijk beter was dan de spinkrabben.

 

Ze hadden uiteindelijk geen veertien dagen samen op een onbewoond eiland. Enkel een nacht.

Een laag geloei wekte Jacob in de ochtend en het was een afgrijselijk bekend geluid.

‘Wat?’ zei Hindele en streek een lok uit haar ogen. ‘Is er iets?’ Ze was beeldschoon, met de afdruk van een kussenplooi nog over haar linker­wang en korrels slaap in haar ooghoeken. Haar zweet rook naar zee­water en pas aangespoeld wier, een geur die intens intiem was.

‘Dat was een misthoorn,’ zei Jacob en zijn maag trok samen. ‘De mist­hoorn van een zwemmende dijk.’

Hij beende de kamer door, rukte het damasten gordijn open. De Koningsdijk slingerde zich als een metalen glitterketting over de halve horizon. Minstens vijftien andere dijken moesten zich in zijn staart vastgebeten hebben om zo’n idiote lengte te bereiken.

Dit is puur machtsvertoon, ging het door hem heen. Ze zijn op weg naar de Vloot om de polderring te leggen. De hele bergtop leeg te pompen.

‘Je oom?’ zei Hindele.

‘Ik ben bang van wel. Mijn oom houdt niet van verliezen.’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Maar dit is bizar. Jullie gebied domweg binnenvaren is niet minder dan een oorlogsverklaring.’

‘De oceaan is van iedereen,’ zei Hindele automatisch en meteen daarop: ‘Nee, dat is onzin. Niet als je hier komt om alles kapot te maken.’ Ze boog zich naar voren. ‘O, nee toch?’

En Jacob begreep dat ‘O nee toch?’ meteen. Het raam vormde een 360 graden strook diamant langs de complete verdieping. Rechts, in het laatste kwart van de horizon dat nog vrij was, glom parelmoer. Vliegers dansten tussen de wolken.

‘Dat is de Vloot,’ zei Hindele. ‘Ze komen de dijken tegenhouden, de paringsvelden barricaderen.’ Ze graaide haar kleren bij elkaar en schoot haar laarzen aan. ‘Ik moet weg. Terug naar mijn tante. Ik ben de enige die ze kan stoppen.’

Het was als een nachtmerrieachtige rerun van hun vorige ontmoeting. Jacob hief zijn handen. ‘Hoe wil je naar de Vloot gaan? Zwemmen? Grisaert kan je onmogelijk brengen. Hij mag mijn vriend zijn maar hij kan onmogelijk tegen al die andere dijken op. Mijn oom is en blijft de opperfluisteraar.’

‘Ik heb Grisaert niet nodig,’ zei ze en haar schouders zakten omlaag. ‘Ze komen mij halen.’

’Halen, hoe?’

Een vlieger zakte omlaag, bleef met wapperende stabilisatievinnen naast het balkon hangen.

‘Daar is mijn vervoer al,’ zei Hindele. Een zenuwtick deed haar linker­wang trillen. ‘Mijn tante zit in de cockpit. Dit is niet iets dat ze aan een normale potige matroos kan overlaten. Je moet je eendenmossels zelf van je sloep schrapen, zei ze altijd.’

Ze rukte de schuifdeuren tweehandig open en een ijzige ochtendbries woei door de kamer. ‘Het was…’ zei Hindele. Ze wendde haar blik af. ‘Het spijt me zo!’

Ze nam een aanloop, zwiepte haar benen over de reling. De vlieger schoot naar voren en ving Hindele op, sloeg een veiligheidsgordel om haar middel. Een siddering en de vlieger schoot de hemel in.

Jacob keek haar na tot de vlieger tot een stip was gekrompen. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij.

’Zeg dat wel,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘En wat dacht je eraan te doen, vrind?’

‘Oom Gulliver is de opperfluisteraar. Alle dijken gehoorzamen hem.’ Het voelde alsof elk volgende woord de energie verder uit zijn lijf zoog. David tegen Goliath en ik heb niet eens een slinger.

‘Bijna goed, mon amigo. Alle dijken gehoorzamen hem omdat hij de zielenbroeder van de Koningsdijk is. Net als jij die van mij bent. Zonder de Koningsdijk zou Gulliver een oude man zijn die wat in de bries staat te murmelen.’

‘Wat wil je nu precies zeggen?’

‘Dat ze allebei al allemachtig lang de baas spelen. Misschien wel te lang?’

Ineens leek het Jacob geen enkel probleem om David tegen Goliath te spelen, niet als je een titanium slinger van anderhalve kilometer in je knuisten hield. ‘Ik denk niet dat ze ons op de bruiloft gaan uitnodigen.’

‘Des te beter! Dan verwachten ze ons ook niet. De mensen zijn jouw probleem, de dijken regel ik.’

 

 

Het Vlaggenschip van de Vloot:

 

Gulliver van Nijenbrink, opperfluisteraar en Dijkschouwer, rechtte zijn schouders, tikte zijn rozenkrans van drijfglas aan. Nu komt het er op aan. Puin ruimen en het is helemaal mijn eigen schuld. Een jongen die giert van de hormonen met een sluwe en bloedmooie vlootvrouw laten onderhandelen: waar zat mijn verstand?

De deur van de Vlootvoogdes zwaaide open en hij stond voor het eerst in zijn leven oog in oog met zijn tegenhangster. Dit was de vrouw die al zeker een eeuw beter dan alle anderen met de spinkrabben kon spreken, wiens woord voor de halve oceaan een bevel was. Haar gezicht was meisjesachtig glad en hij zou haar hoogstens twintig geven.

‘Heilige goden, je bent een onsterfelijke! Net als ik!’ Hij flapte het eruit, zo totaal verrast was hij. Ze is even leugenachtig als ik. Toen haar botten begonnen te knersen, waren de blauwe vinvissen opeens niet zo heilig meer.

De langlevenden kunnen gezichten lezen, al die kleine spier­trillinkjes, de stand van je lippen, een iets te snelle oogknippering. Ze klakte met haar tong. ‘Nu besluit je dat ik geen haar beter ben dan jij, ja? Mis. Als ik door de ogen van de spinkrabben kijk, kan ik iedere zeester een oester open zien wrikken, elke sardine tellen. Zodra er een blauwe vinvis sterft en naar de bodem zinkt dan weet ik dat. Lang voor de alen zich zijn hersens in kunnen knagen, heb ik zijn pijnappelklier al geoogst.’ Ze viste een buisje uit haar handtas. Het was zo dik als zijn duim en twee keer zo lang. De vloeistof lichtte smaragd-groen op, met minieme rode vonkjes.

De Japanners verkochten hun serum per milligram: deze ampul moest goed zijn voor zo’n duizend jaar jeugd. Gulliver voelde zijn tong droog van pure begeerte worden. Geen junkie kon ooit half zo gretig naar zijn kristallen gestaard hebben.

‘De helft is voor jullie,’ zei de Vlootvoogdes. ‘Meer dan de fluisteraars ooit op kunnen maken. Voortaan doen jullie geen zaken meer met Groot Nippon, maar met ons.’

Gulliver vouwde zijn handen samen, herhaalde zijn persoonlijke mantra tot hij zijn stem en vooral zijn verstand weer kon vertrouwen.

‘Een aantrekkelijk aanbod. Zonder meer.’

‘Het wordt nog beter. De mutatie die jullie met de dijken laat spreken, is zeldzaam en niet na te bouwen. Deze generatie hadden jullie maar èèn nieuwe fluisteraar. Wij twaalf. Ja, krabspreken en dijkenfluisteren zijn hetzelfde talent. Iets diep in het kwantumgebied, heb ik mij laten vertellen, het resoneren van je microtubuli met die van dijken en krabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Onbelangrijk. Ik bied je mijn nichtje ten huwelijk aan. Jullie kinderen zullen gegarandeerd top­fluisteraars en krabbentemsters worden.’

‘En je nichtje? Wat is haar mening?’

‘Ze is een gehoorzame vlootvrouw. Ze gelooft met heel haar hart in Gaia en zal doen wat juist is.’

‘In dat geval stem ik graag in. Misschien is het verstandig elkaar eerst te ontmoeten voor onze huwelijksdag?’

‘Zo zijn onze gewoonten niet. Je ziet haar gezicht als je haar sluier oplicht. En de bruiloft gaat sowieso door.’

 

 

9

16 juni 2223, Aruba

 

Hindele herkende het eiland zodra het boven de horizon uitpiepte: de eenzame berg die boven het verdronken laagland uittorende, de heuvel met de vuurtoren.

‘Deed je dat expres?’ vroeg ze haar tante. ‘Om het eens goed in te wrijven?’

‘Welnee. Aruba ligt gewoon handig in de buurt en niemand heeft het ooit durven claimen. Neutraal gebied.’ Ze opende haar tasje. ‘Hier, je sluier. Doe hem om voor je aan land stapt.’

‘Die oude geit weet heus wel hoe ik eruitzie. Er is niets geheim aan mijn gezicht.’

Haar tante haalde haar schouders op. ‘Zo is de traditie nu eenmaal.’

 

Palmbomen onder een strakblauwe hemel, rijen danseressen en lieden die handenvol kauries strooiden in het kielzog van de bruid. Halver­wege de praalweg draaide een complete tonijn aan het spit. Dat moest van de dijkers zijn: vlootmensen gaven de voorkeur aan vegetarischer hapjes. Het geroezemoes klonk Hindele hatelijk in de oren en haar sluier maakte alles grijs en wazig. Ze lachen mij uit. Ik ben het rare offerlam, de zondebok. Het zand werkte zich in haar muiltjes en het was alsof ze over levend schuurpapier strompelde. Ten slotte eindigde ze bij het altaar: een vergulde sloep met haar toekomstige echtgenoot aan het roer. Haar tante stond naast hem, bijna alsof zij de bruid was, met de ampul hoog geheven zodat iedereen de zon in het serum kon zien fonkelen.

De hogepriesteres van Gaia, Maryams vertegenwoordigster op Aarde, stapte naar voren en blies driemaal op een kinkhoorn.

‘Maakt er iemand bezwaar tegen dit huwelijk?’ galmde ze vervolgens. ‘Zo niet, laat zij dan eeuwig zwijgen!’

‘En of ik bezwaar maak!’ Jacob stapte uit de rij met kaurischelpen­strooiers. ‘De bruidegom is ouder dan Methusalem en de bruid… Als ze “Ja, ik wil” zegt, is het enkel met het mes op de keel.’

In de verblufte stilte kon Hindele haar tante horen fluisteren. ‘Je hebt hem toch verbannen, Gulliver? Hij is geen fluisteraar meer. Niet een van jullie?’

‘Dat klopt.’

‘Perfect!’ Tante strekte haar arm en kromde een vinger.

Ze roept de spinkrabben om hem te verscheuren. Ze hoorde haar tantes geluidloze gekrijs in haar hoofd, bevelen die enkel voor een spinkrabbentemster hoorbaar waren.

Een golf rolde aan, smeerde zich over het strand uit. Het was geen natuurlijke branding want de zee zelf bleef spiegelglad: een falanks zwoegende monsters stuwde het water voor zich uit. Ze renden het strand op met geheven scharen, rood als baksteen en een en al haak en speerpoot.

Een paar honderd meter verder speelde een ander drama zich af: de Koningsdijk rees als een getergde cobra uit de golven. Een veel kleinere dijk slingerde zich om zijn lijf. Een haal van een machtige ankerpoot en Grisaert tolde door de lucht, smakte in de oceaan. Hij zwom meteen terug en ditmaal was hij niet alleen. Een dozijn andere dijken hadden zich bij hem aangesloten en de Koningsdijk ging kopje onder.

Toen hij weer opdook was hij duidelijk op de vlucht.

Hindele keek terug: de spinkrabben snelden de praalweg over, omsingelden de sloep.

‘Hij daar!’ wees haar tante. ‘Verscheur hem! Ruk zijn ribben uit zijn lijf en laat geen bot ongebroken!’

Voor de eerste keer in haar leven sprak Hindele niet langer met de krabben, ze werd de krabben. Ineens bezat ze dozijnen ogen op steeltjes en liepen haar armen in scharen uit. Ze wierp een cordon om Jacob heen, een klikkende en sissende haag van opgeheven scharen die de andere krabben deed terugdeinzen. Ze sprong over naar een enkele krab en snelde op de sloep af, griste de ampul uit haar tantes handen.

Hindele stapte naar voren, half krab en half mens want ze kon het gewicht van de ampul in haar linkerschaar nog perfect voelen.

‘Je kunt kiezen,’ zei Hindele. ‘Een lang, lang leven, maar dan lijkt het mij verstandiger als jullie een stapje terugdoen. Stel, een mooie vakantie van zo’n vijftig jaar?’ Ze voelde een apengrijns aan de hoeken van haar lippen trekken. ‘Mijn krab kan natuurlijk ook jullie ampul in het zand leeg gieten. Dat is eigenlijk het enige alternatief.’ Ze liep op Jacob af en haakte haar arm in de zijne. ‘En nog iets. Een huwelijk tussen dijk en krab was zo’n slecht idee nog niet. En nu we hier toch zijn…’

De Heeren van ’s Gravensande : Anaïd Haen

Expositie

‘Gaat het?’

Mariska staat met haar rug naar me toe, haar schouders smal. Ze knikt. ‘Ben wel oké.’

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar tegen mijn borst. ‘Mijn broertje heeft zijn condoleances gestuurd.’

‘Dat is lief van Haijo, bedank hem van me.’

Mijn kin raakt net haar krullende haren. We kijken door het raam van de aula de enige andere bezoeker aan de rouwdienst na als deze zich door een taxidrone laat ophalen. Een verre neef van haar vader of zoiets. Hij zwaait nog voor hij instapt.

‘Papa moet heel eenzaam zijn geweest.’ Ze leunt tegen me aan, een beetje trillend. ‘Zelfs mama is niet gekomen.’

Ik druk een kus op haar kruin. ‘Daar heeft hij zelf voor gekozen, schat.’ Klein was ze altijd al, maar nu ik haar zo vasthoud merk ik dat ze de afgelopen dagen flink afgevallen moet zijn. Breekbaar. Het is ook geen sinecure om je vader voor je deur ineen te zien zakken.

Samen met de begrafenisondernemer (een humobot, zo te zien hoge klasse) lopen we achter de kist aan naar de droogvriezer. Mariska heeft erop gestaan zelf de vijzel te hanteren. ‘Dat is het minste wat ik kan doen.’

Op een seintje van de uitvaarder haalt ze de schakelaar aan de muur om. Achter het raam in de deur verschijnen ijsbloemen. Het gaat razendsnel, vanaf de onderkant van het glas tot aan de bovenkant. Ik wil bijna vragen hoe dat kan, maar ik realiseer me net op tijd dat er vocht in een menselijk lichaam zit en dat het doel van dat droogvriezen juist is om dat eraan te onttrekken,

Mariska heft haar hand en volgt met haar vinger de fragiele lijntjes van de groeiende kristallen. ‘Dit zou hij mooi hebben gevonden,’ verzucht ze.

Het duurt maar een minuutje of drie. Genoeg tijd om mij het gevoel te geven dat het mijn botten zijn die bevriezen. Dat ik verschrompel tot minder dan 6% van mijn massa om dan BAM! door de vijzel tot poeder geslagen te worden.

 

‘Alstublieft.’ De begrafenisondernemer piept een beetje als hij het sigarenkistje aan Mariska overhandigt. Ik vermoed in het pols­schar­nier. Als hij in mijn fabriek zou staan, zou ik hem laten door­smeren, want die gewrichten zijn veel te gevoelig voor vastlopen.

‘Dank u wel.’ Mariska pakt het doosje aan en wrijft erover met haar hand. ‘Ik wist niets beters om hem in te bewaren, hij rookte deze zo graag.’

Verbeeld ik het me nu, of haalt de begrafenisondernemer zijn schouders een beetje op? Ze maken die humobots ook steeds mense­lijker!

‘Roken is illegaal …’ begint het ding na wat geknars de standaard overheidsriedel af te steken. ‘De boetes op …’

‘Dat weten we.’ Ik pak Mariska’s elleboog. ‘Kom, schat. We hebben een afspraak met de notaris.’

 

Intrige

De enige manier om er te komen is varen of wachten op eb en hopen dat het water dan laag genoeg komt om te lopen. Zo dicht aan de kust, met de onverwacht opstekende duinzandhozen, kunnen drones niet komen.

Mariska wacht op eb. Ik dus ook. We zitten op de top van een duin en laten de zachte zeewind over onze gezichten strijken. Het sigarenkistje staat tussen ons in. Voor ons, over de watergeul, ligt wat rest van een bungalowpark. Eens heette het De Heeren van ’s Gravensande, maar vanaf hier is duidelijk te zien dat er nog maar één heer overeind staat.

‘Is dat het vakantiehuisje van je ouders?’ Ik wijs naar het grijze huis met de vierkante toren. Het staat hoger dan de ruïnes eromheen. Onder het dak van de toren zitten ramen rondom. Hiervandaan is te zien dat er een paar gebroken zijn.

‘Ja. Het is al in de familie sinds 2003, mijn betovergrootouders hebben het gekocht. Mijn opa heeft de duin eronder laten ophogen toen het water kwam.’ Ze tekent met haar voeten een hart in het zand. ‘Voor jou.’

Het mijne slaat over. Lief. Ik buig me naar haar toe en kus haar.

 

Als we dichterbij komen, zwoegend door het zachte zand onder onze voeten, is steeds beter te zien dat het huisje in slechte staat verkeert. De oranje pannen op het dak zijn verschoten naar een vaag geel. Er ontbreken er veel. Twee zonnepanelen liggen in stukken voor het huis, een derde bungelt scheef aan de dakgoot. De voorgevel is met een soort kunststof bekleed dat allang verboden is. Ooit moet het een blauw­achtig grijze kleur hebben gehad, maar nu is het verbleekt en krom­getrokken bij de hoeken. Het stucwerk vertoont gaten en aan de zijkant van de toren zit een scheur die zo diep en breed is, dat ik vermoed dat de muur omvalt als ertegenaan wordt geblazen.

‘Het lijkt wel een kind met een wisselgebit.’ Mariska kijkt naar me op. ‘Zo herinner ik het me niet.’

Ik begrijp wat ze bedoelt, hoewel het huis op mij eerder overkomt als een verslaafde bejaarde met rottende tanden.

We lopen het pad naar de voordeur op. Duidelijk te herkennen omdat er links en rechts wallen zand liggen. Er staat een sneeuwschep tegen de gevel. Haar vader moet het zand vaak opzij hebben geschept.

Mariska steekt de sleutel in het slot. Ze legt haar voorhoofd even tegen de deur. ‘Ik had hem hier weg moeten halen, hè?’

‘Zou hij meegegaan zijn?’

Ze schudt haar hoofd en draait de sleutel om.

Binnen zoemt de stroomomvormer. Kennelijk werkt dat zonnepaneel nog. Er is zand onder de deur door gewaaid; een fijne laag bedekt de rood­bruine vloertegels in de vierkante hal. Mariska’s bergschoenen maken er afdrukken in.

Rechts een deur, zo te zien van de wc, recht vooruit eentje met glas erin. Die gaat naar de woonkamer; ik zie een donkerblauw bankje en wat verdroogde kamerplanten. Links de trap. Mariska gaat naar boven, ik volg haar.

Stuifzand bedekt de treden, naarmate we hoger komen, meer. We komen op de overloop. Mariska negeert de deuren waarachter naar ik aanneem slaapkamer, slaapkamer, badkamer liggen en steekt over naar de volgende trap. Aan het eind maakt die een draai naar rechts.

Ze staat stil. Ik ga op de tree achter haar staan en kan dan nog steeds over haar heen kijken. Kleintje. ‘Wat is er?’

Een piepklein kantoor. Rondom ramen, een paar kapot. Zand stuift naar binnen. Ik zie een bureau, een enorme stoel, een telescoop op een statief en een …

‘Is dat een kanon?’ Mijn mond valt open. Een ouderwets, zeven­tiende-eeuws kolossaal kanon op een houten onderstel met ernaast een stapel kogels. ‘Dat die niet door de vloer zakt!’

‘Verstevigd.’ Mariska stapt het kantoortje binnen, legt het sigaren­kistje op het bureau en loopt naar de fauteuil. Ze klopt het zand eraf. Uit de gleuf tussen de leuning en de zitting haalt ze een aansteker tevoorschijn. Ze knipt hem aan. Een vlammetje danst boven haar hand. ‘Hier zat hij altijd, de laatste jaren.’ Ze blaast het vlammetje uit en knikt naar de telescoop. ‘Bijna dag en nacht door dat ding te staren, met zijn hand boven de lont.’

Ik stap achter haar aan en moet bukken om mijn hoofd niet tegen het dak te stoten. In het midden van het kamertje kan ik rechtop staan. De ramen geven rondom uitzicht op vooral zee. In de verte zie ik de pieken van de torenflats van Rotterdam uit het water opsteken, de andere kant op moet Den Haag zijn. Speedbootjes trekken witte sporen door het water als ze van flat naar flat varen. Het eilandje waar we ons op bevinden is nauwelijks groter dan een paar voetbalvelden. Ingestorte huisjes, volgestroomd met zand, vormen nieuwe duinen. Eenzaam. Een tikje verontrust over de vreemdheid van haar vader bekijk ik waar de telescoop op gericht staat. ‘Keek hij naar zee?’

Mariska schuift met de stoel naar de telescoop en legt haar rechter­oog ertegenaan. ‘Altijd naar de zee.’ Ze streelt het kanon. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien zat hij hier. Alle keren ervoor ook.’ Ze fronst. ‘Nu ik erover nadenk: alleen als klein meisje heb ik hem op een andere plek gezien dan hier. Toen leefde zijn vader nog, volgens mij. Dat moet …’ Nadenkend wrijft ze over haar bovenlip. ‘… zeker dertig jaar geleden zijn.’

‘Maar waarom?’ Ik kijk naar het kanon. Ook dat heeft de loop op zee gericht staan. ‘Verwachtte hij de Brittanniërs, soms?’ Alsof die na de Vijfde Engels-Nederlandse Oorlog nog mogelijkheden hadden het Kanaal over te steken.

‘Ik heb geen idee.’ Mariska ploft in de stoel. ‘Mama is niet voor niets bij hem weggegaan, hij wilde alsmaar hier blijven.’ Ze wrijft over de leuningen. ‘Ik heb zo gedacht: als we nu eens zijn poeder hier achter­laten? Hier, in de stoel?’

Ik glimlach. Het idee is gepast, maar hartstikke illegaal gezien de recyclingwet. ‘Je weet dat dat niet m…’

‘Ja, tuurlijk. En roken mag ook niet.’ Ze rolt met haar ogen, zet haar benen wijd uit elkaar, buigt zich voorover en trekt de onderkant van de stoel open. ‘We zijn rijk, schat.’

Tientallen sigarenkistjes.

‘Zijn ze vol?’ Ik hap naar adem. Iets wat je ook schijnt te doen als je veel rookt.

‘Dat neem ik aan. Want de lege stuurde hij me altijd per post op.’ Ze knikt naar het kistje op het bureau. ‘Daarom had ik die.’

 

Het zijn er zevenenvijftig. Zevenenvijftig sigarenkistjes met een straat­waarde van zo’n zestigduizend euro per kistje. Visioenen van inves­teringen in betere robots schieten door mijn hoofd. Misschien kan ik eindelijk die auto-inpakker aanschaffen waar ik al jaren van droom. ‘We zijn niet rijk. We zijn schathemeltergend rijk. Als we ze verkocht krijgen, tenminste.’

‘Doe niet zo somber. Dat lukt ons wel.’ Mijn lief vriendinnetje pakt een kistje uit de stoel en schuift de lade weer dicht. Op mijn vragende blik zegt ze: ‘We zijn met één kistje gekomen, we gaan met één kistje weer weg.’

Bijdehandje.

Ik loop naar het bureau. Er staat een vierkante kast op met een tastbaar scherm ernaast: een computer. Ik herken het apparaat uit mijn jeugd; mijn grootmoeder had er zo eentje. ‘Zou hij het doen? Het ding is antiek.’

‘Oh, die doet het. Hij hield alles in stand.’

Ik houd mijn glimlach in en kijk naar de kapotte ramen. ‘Niet alles even succesvol, lieverd.’

Ze steekt haar tong naar me uit.

 

Bepakt en bezakt met allerlei spulletjes die ze wil meenemen stapt ze het huisje uit. Ik heb net het pad weer vrijgemaakt van zand en zet de sneeuwschep terug op zijn plekje tegen de gevel. Het zweet biggelt me over de rug, zandruimen is zwaar werk. ‘Ben je klaar?’

Ze knikt. ‘Papa heeft een mooi plekje midden op de fauteuil gekregen, telescoop en kanon onder handbereik. Het kantoortje is aangeveegd en opgeruimd, dat was fijn om te doen.’ Ze staat even stil, de sleutel voor het slot. ‘Ik heb de computer niet uitgeprobeerd, hoor; vond het opeens te persoonlijk om in zijn bestanden te snuffelen.’

‘Jij en privacy.’ Glimlachend schud ik mijn hoofd. Beschermer. ‘Wat maakt het nu nog uit voor hem?’

Ze schokschoudert. ‘Ik draai de deur weer op slot, hè? Dan weten we zeker dat niemand erin kan om de siga…’ Ze kijkt omhoog, opeens behoedzaam.

Ik volg haar blik, zie niets wat op een overheidsdrone kan wijzen en haal dan toch ook opgelucht adem. Het is een ding om zevenvijftig kistjes vol sigaren te vinden, het is een ander ding om ze onopgemerkt mee te smokkelen en te verkopen. Beter maar onze monden erover gehouden.

 

Pas als we bij de oversteekplaats komen, beseffen we onze vergissing: het water is terug. Woest kolkt het door de geul die we een paar uur geleden nog lopend konden oversteken. Ik denk dat ik wel lang genoeg ben om erdoorheen te waden, maar Mariska niet.

‘Ik kan op je rug klimmen,’ stelt ze half lachend voor.

‘En dat dan de stroming aan mijn benen trekt en we beiden kopje-onder gaan? Ik ben geen paard.’ Ik steek mijn tong naar haar uit. ‘Kom, we gaan terug. Ik durf te wedden dat je paps genoeg conserven in huis had om het jaren te kunnen overleven. We blijven vannacht hier en gaan morgen terug, zodra het weer eb is.’

‘Kan dat wel, met de fabriek?’ Ze bijt op haar onderlip. ‘Je had toch morgen die installatie?’

Oef, ja. Ik haal mijn hand door mijn haar en voel fijne zandkorreltjes erin. ‘Ik bel wel even dat ik dan later kom. Jolanda is prima in staat het eerste stuk te begeleiden, als ik er maar ben bij de ingebruikneming.’

 

Verrassend genoeg is de slaapkamer de enige plaats in huis waar geen zand ligt, behalve dan hetgeen wij mee naar binnen hebben gelopen. Aan de slaapkamer grenst de badkamer. Er komt geen water meer uit de kranen en de toiletspullen van Mariska’s vader liggen er nog keurig in het gelid op het plankje onder de spiegel, maar afgezien van de onbruik­baarheid is het een onbeschadigde ruimte.

‘Als we ons kwaad zouden maken, zou het dan op te knappen zijn?’ Mariska trekt een schone set lakens uit de kast.

Ik ga aan de andere kant van het bed staan en pak de punten van het hoeslaken aan. ‘Waarom zou je dat willen? Het is al half vervallen, over een poosje heeft de natuur het weer helemaal overgenomen.’ Ik trek het elastiek van het laken over de punt van het matras, eerst het hoofdeinde, daarna het voeteneinde.

‘Ja, ik weet het niet. Ik dacht … Het is toch zonde als het verdwijnt? Het is nu mijn bezit en met de opbrengst van de sigarenkistjes … Wat?’

Mezelf vervloekend omdat ze me te goed kan lezen, schud ik mijn hoofd. ‘Nee, niks.’

‘Schei uit, Bart. Wat is er?’ Ze gooit me het dekbedovertrek toe. ‘Jij bent er handiger in.’

Ik keer het overtrek binnenstebuiten en pak de punten van het dekbed aan. Het lukt me niet haar vorsende blik te weerstaan. Mijn gezicht kleurt als ik toegeef dat ik de winst anders had willen besteden dan aan het opknappen van een vergaan vakantiehuisje dat eerdaags toch bedolven onder zand of door de golven opgeslokt zal worden. ‘Ik dacht alleen dat we het geld zouden kunnen gebruiken voor de fabriek. Dan zou het leven wat makkelijker worden.’

‘Ah.’

Ik heb mijn armen wijd en omhoog en schud het overtrek netjes over het dekbed. Dat ‘Ah’ geeft wel aan wat ze ervan denkt en ik voel me een rotzak. Maar goed dat ik achter het dekbed sta, hoef ik haar even niet aan te kijken. ‘Sorry, schat.’

‘Nee, geefnie.’ Ze schikt samen met mij het dekbed over het bed. ‘Ik doe het nu eenmaal met een industrieel.’ Ze knipoogt. ‘Als er wat over­blijft, goed?’

Ik doe mijn best mijn teleurstelling te verbijten en knik.

 

Climax

Midden in de nacht word ik wakker omdat ze weg is. Ik voel over het laken, het is koud. Ze moet al snel uit bed gekropen zijn gisteravond.

‘Maris?’ Ik ga rechtop zitten. De deur staat op een kier open. ‘Waar ben je?’

Boven mijn hoofd hoor ik gestommel.

Ik schiet in mijn jeans en schoenen. Er zit zand in en op. ‘Had je de deur niet kunnen dichtdoen?’

Al onder aan de trap zie ik een blauwwit licht. ‘Schat?’ Ik loop naar boven.

Ze heeft de fauteuil voor het bureau gedraaid en zit op het puntje ervan. Achter haar staat het sigarenkistje, haar ogen zijn op het scherm gericht. Kennelijk werkte de computer inderdaad nog. Zonder naar mij om te kijken zegt ze: ‘Je kunt maar beter gaan.’

Hoor ik haar nou goed? ‘Gaan? Wat bedoel je, gaan?’ Ik stap de laatste tree op en stoot mijn achterhoofd tegen het schuine dak. ‘Auw!’

Ze reageert niet. En meer dan de andere rare dingen die ze doet, zoals stiekem het bed uitgaan om midden in de nacht naar een antiek computerscherm te staren, baart het uitblijven van haar gebruikelijke ‘kusje d’rop?’ mij zorgen.

Ik ga achter haar staan. Vanaf het scherm staart haar vader me aan, zo te zien midden in een zin. Het beeld is bevroren, wat me onwille­keurig aan de inhoud van het sigarenkistje doet denken. Zijn vinger is opgeheven, zijn mond vormt een O.

‘Wat is er aan de hand?’

Mariska blijft strak vooruitkijken. ‘Ik zei dat je moest gaan, je bent toch niet doof?’ Fel.

Is ze nou helemaal gek geworden? Ik pak de rugleuning van de stoel beet en draai hem 180 graden, zet mijn handen op de armleuningen. ‘Doe eens niet zo lelijk tegen me! Ik stel je een normale vraag.’

Nu ze niet meer oog in oog met het scherm zit, kan ze me wel aan­kijken. Haar ogen zijn rood, alsof ze de hele nacht heeft gehuild.

Mijn zorgen om haar ontploffen in mijn buik. ‘Wat is er toch?’

Haar onderlip trilt. ‘Ik kan het je niet uitleggen,’ zegt ze hakkelend. ‘Maar ik moet hier blijven.’

Een stoot lucht ontsnapt aan mijn longen. ‘Hier?’ Ik ga rechtop staan en gebaar om me heen. ‘Hoelang?’

Een traan glijdt over haar wang. ‘Voor altijd.’

Knettergek. Ik kijk over haar schouder naar het scherm. Net zo gestoord als haar vader. ‘Laat het me zien!’

Ze schudt haar hoofd. ‘Er mag maar één persoon weten wat … anders …’ Angstig kijkt ze door het raam naar de maanbeschenen zee.

‘Schei eens uit!’ Nu word ik boos. Ik ruk de stoel opzij en tik op het scherm van de computer. Er gebeurt niks. Ik tik nog een keer.

‘Het werkt niet zo.’ Haar stem naast me klinkt triomfantelijk en kleintjes tegelijk. ‘Dat tikken deden ze jaren later.’

Ik doe mijn best mijn ergernis te onderdrukken. ‘Hoe werkt het dan?’

Weer staart ze over zee. De golven hebben witte toppen. ‘Dat vertel ik je niet.’ Haar kaken verstrakken, het licht van het computerscherm maakt haar gezicht hoekig. Vastberaden. ‘Het is beter als je niet weet wat er is.’

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze het daarbij zal houden. Of ik nu kwaad, verdrietig, zielig of hoopvol reageer; het zal geen verschil maken.

‘Zoals je wilt.’ Ik loop naar de trap. ‘Zodra het eb is, ben ik hier weg.’ Doe ik toch zielig, verdomme!

 

Met het sigarenkistje onder mijn arm loop ik naar de voordeur. ‘Ik ga!’

Geen sjoege.

Mijn hand rust op de deurknop, mijn oren zijn gespitst op geluid van boven. Maar er komt niets, Mariska zegt niets, niet eens gedag. Ik stap naar buiten.

Het tuinpad is alweer bedekt met een dun laagje zand. Ik onderdruk de neiging om de sneeuwschep te pakken en sluit de deur achter me. Mijn voetstappen maken een knarsend geluid.

Het water is nog niet helemaal weg uit de geul, maar ik heb geen zin om terug te gaan naar het huisje en daar te wachten tot volledig eb. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en rol mijn broekspijpen omhoog. Nog snel werp ik een blik achterom. Hoog in de toren, net boven het kozijn, zie ik een bos krullen. Mariska kijkt niet eens mijn kant op.

Beledigd stekker ik door het water. Het natte zand zuigt aan mijn voeten, houdt me vast. Met moeite worstel ik me door de geul, die dieper is dan ik ingeschat heb. Het water stroomt snel en komt tot mijn knieholten, maakt mijn broek nat. Fraai, moet ik zo door naar de fabriek. Foeterend op mezelf, Mariska, haar vader en dat debiele kanon ploeter ik verder.

Aan de overkant beklim ik de duin waar we gisteren nog samen op hebben gezeten. Het zand is rul onder mijn voeten en glijdt steeds weg, ik moet vooroverbuigen om boven te kunnen komen. Hijgend plof ik neer op de top en duw mijn voeten in het losse zand, in de hoop dat ze daarmee wat drogen.

Vanaf deze hoogte kan ik haar koppie beter zien dan van onderaf. Ze kijkt door de telescoop, onafgebroken. Concentratie.

Een vlaag wind laat de tranen in mijn ogen schieten. Waarom weet ik niet, maar ik moet opeens aan vorige week denken, aan toen haar vader opeens aanbelde.

Hij was graatmager, helemaal niet meer de gevulde en goedlachse man die Mariska me op foto’s had laten zien. Graatmager en geel. Zijn oogwit, zijn huid, zelfs zijn tandvlees. Ik opende de deur en deinsde achteruit, zo griezelig zag hij eruit. Ziek.

Gelukkig konden we de dokter in het ziekenhuis ervan overtuigen dat hij geen ‘uitgezaaide longkanker’ moest diagnosticeren. Anders had Mariska de boete geërfd in plaats van het vakantiehuis met zevenen­vijftig sigarenkistjes. Vol.

Somber staar ik naar het kistje dat ik naast me in het zand heb gelegd. Wat heb ik aan investeringen zonder haar?

Knipperend tegen de tranen, die me ondanks het liggen van de wind toch parten blijven spelen, trek ik mijn sokken uit mijn schoenen. Ik klop ze recht en trek mijn rechtervoet over mijn knie. Sok aan. Linkervoet.

In het zand voor me ligt nog vaag zichtbaar het hart dat ze gister met haar voeten heeft gemaakt.

 

Catastrofe

‘Ik ben terug.’ Ik weet dat ze niet zal reageren, maar dat maakt niet uit. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en recht mijn rug. Het is aan­ge­­naam warm binnen, ook hartje winter. Er zijn maar vier sigaren­kistjes nodig geweest om dit huisje in bijna oude glorie te herstellen. Voor drie andere heb ik een hovercraft gekocht, die me nu al vier maanden over de duinen en door de geul helpt, en met nog eens dertien is het werk in de fabriek zoveel gemakkelijker geworden dat ik het me kan permitteren om iedere dag naar hier te komen om eten te koken en Mariska af te lossen zodat ze kan douchen en dutten. Niet dat ik weet waar ik op moet letten, maar ik hang mijn oog plichtsgetrouw tegen de telescoop en probeer wakker te blijven.

‘Spaghetti vandaag, goed?’ Ik geef haar het bord aan en ga half op het kanon zitten, net als iedere avond. ‘Nog iets gebeurd?’ Ik wijs met mijn vork naar de donkere zee. Morgen de ramen eens zemen, door de stort­bui van gisteravond zijn ze beplakt met druppels zand.

Onwillig richt Mariska haar blik van de telescoop naar haar bord. Haar rechteroog is omrand door een blauwe cirkel, zo hard drukt ze tegen de kijker. ‘Nee.’

Onder het eten vertel ik van de fabriek en geef ik berichten door van haar vriendinnen en collega’s, die haar allemaal missen en denken dat ze van de erfenis spontaan op een wereldreis is gegaan. Eentje die zo haar aandacht opslokt dat ze begrijpen dat ik degene ben die hen sporadisch voorziet van informatie over haar reis.

Ik stel uit wat ik haar echt moet zeggen. Lafaard die ik ben.

Het reisverhaal is door mij verzonnen meteen nadat ik me reali­seerde vooral niet als haar moeder te willen zijn, die haar vader hier alleen liet. Die ochtend op die duin, het sigarenkistje naast me en het hart in het zand voor me, heb ik ons een alternatief leven gegeven waardoor zij hier kon blijven zolang ze dat zou willen. Wat al langer is dan ik ooit gedacht had, gezien haar gebruikelijke wispelturigheid. Gelukkig is ze op een wereldreis met primitieve vervoersmiddelen.

Als ik geen nieuwtjes meer heb, eten we zwijgend tot ik eindelijk genoeg moed heb verzameld.

‘Oh, ik sprak je moeder …’

Ze kijkt me vragend aan. Haar gezicht is bleek, haar wangen inge­vallen. Ik zeg er niks meer over, want alles wordt toch weggewuifd. Eigenwijs. ‘Wat is er met mama?’

‘Het zal wel niks zijn, maar ze zag er slecht uit.’

Haar kaken stoppen met kauwen, het bord zakt op haar bovenbenen. ‘Hoe slecht?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Bleek. En haar handen beefden, ze kon niet meer borduren zei ze.’ Ik zet mijn vork in het bord en draai de slierten roodgespikkelde pasta eromheen. ‘Ach, je kent haar. Ze kraakt en piept en leeft langer dan haar broers en zussen.’

‘Niet meer borduren?’ Haar onderlip trilt. ‘Hoe slecht, Bart?’

Opeens schaam ik me voor de manier waarop ik dit nieuws vertel. Net als zij weet ik dat haar moeder onlosmakelijk verbonden is met hand­werken. En dat niet-meer-borduren gelijk staat aan stervende zijn.

Ik neem haar bord van haar schoot en zet het naast het mijne op het bureau. ‘Ik denk …’ Ik schraap mijn keel en pak haar handen. ‘Ik denk erg slecht, schat.’ Het komt er fluisterend uit. ‘Als je haar nog wilt zien, dan …’

 

Daar gaat ze, beschenen door de maan. Voor het eerst in vier maanden is ze weg van dit eenzame oord. Ze zit als een koningin zo recht op de hovercraft en bestuurt hem alsof ze nooit anders heeft gedaan. Haar haren wapperen vanonder haar muts achter haar aan. Het water in de geul spettert op als ze eroverheen glijdt.

Ik zak in de fauteuil en klop op het kanon naast me. ‘Jij en ik, maatje. De bewakers van de Noordzeekust. De Heeren van ’s Gravensande.’ Grimmig grinnikend trek ik de lade onder mijn voeten uit. ‘De ridders van het duin. De onverschrokken bewakers van de golftoppen, de zandhelden van Hoek van Holland, enzovoorts, enzovoorts.’ Ik pak een kistje. ‘Daar nemen we een sigaartje op, wat jij?’

 

Ik schrik op van een vlaag wind die tegen het huisje beukt. Even weet ik zeker dat de toren hier niet tegen bestand is, ook al hebben we de scheur vakkundig laten herstellen.

De sigaar is uitgegaan. Ik moet hebben gedut. Plichtsgetrouw zet ik mijn oog tegen de kijker en tuur de nu spiegelgladde zee af. Kennelijk waait het alleen hier. Niks veranderd. De maan is wel een stuk verder gekropen en hangt nu op een meter boven de horizon. Een baan helderwit licht beschijnt het water.

Toch opgelucht dat er tijdens het verzaken van mijn plicht niets is voorgevallen, sta ik op. Hoe laat zou het zijn?

Ik geef een tik tegen het halfronde ding op het bureau, dat Mariska de muis noemt. Inmiddels weet ik dat ze hiermee de computer bedient. Het scherm floept aan. In de rechterbenedenhoek zie ik dat het vijf uur is. De nacht is zowat voorbij.

Ik zet het sigarenkistje met de resten van haar vader op de stoel en klop op het deksel. ‘Jouw beurt even, ouwe jongen, ik moet de benen strekken.’

 

Met een bord vol koude overgebleven spaghetti in mijn handen stommel ik een poosje later de trap weer op. Een blik op de zee vertelt me precies wat ik al dacht: er is niks gebeurd. Ik kijk op mijn com’pad: geen nieuws van Mariska. Hopelijk valt het mee met haar moeder.

Mijn broertje Haijo laat weten op een conferentie te zijn waar het opheffen van de verzakking van Groningen besproken gaat worden. Ik veeg over zijn bericht, het is zoals gebruikelijk te lang om van voor naar achter te lezen. Bovendien gaat het bij hem nooit over concrete zaken, maar over vage dingen als het ontbreken van drijfvermogen en de kracht van bevingen. Dan liever een fabriek.

Met mijn kont leun ik tegen het bureau, langzaam kauwend op het eten. Het scherm floept weer aan achter me. Het lukt me het te negeren tot mijn bord leeg is.

‘Nu tussen jou en mij.’ Vastbesloten zet ik het bord naast het sigarenkistje op de stoel. Ik buig me over het bureau en pak de muis vast.

Het kost me maar een paar minuten om uit te vinden hoe ik hem moet gebruiken. Twee tellen later heb ik het filmpje van haar vader gevonden.

Mijn wijsvinger hangt boven de knop. Nu ik zo dichtbij ben, wankelt mijn vastberadenheid om te weten te komen wat er speelt. Ik hóéf niet te klikken. Ik kan genoegen nemen met wat we nu hebben en de wetenschap dat ik haar hiermee help voldoende vinden. We kunnen nog jaren zo door.

Nog jaren.

‘Yeah, right!’ Mijn vinger drukt op de knop.

‘Lieve Mariska,’ zegt haar vader in de camera. Wat heeft hij een mager gezicht! Zijn oogwit is geel. Zijn blauwe irissen lijken er nog helderder door. ‘Ik moet je iets vertellen wat mijn vader aan mij heeft laten weten. En daarvoor diens moeder aan hem. En zij had het weer van háár moeder. En die van haar va… maar ik heb in een apart bestand de lijst opgenomen, zodat je kunt zien tot hoe ver die teruggaat.’ Hij wuift met zijn hand. ‘Generaties. En geen van ons heeft het bij leven aan de opvolger kunnen vertellen omdat …’ Hij buigt zich naar de camera waardoor ik onwillekeurig van het scherm deins. ‘… maar één persoon tegelijk de kennis mag bezitten.’ Hij heft zijn vinger en meteen herken ik het stilstaande beeld van maanden geleden. ‘Eén, Maris. Echt niet meer dan één persoon. Anders …’ Hij rilt.

Ik klik op de muis. De film stopt.

Ik ben een stiekemerd, verdomme. De man meent overduidelijk wat hij zegt en Mariska is er tot in iedere vezel van haar lichaam van over­tuigd dat hij gelijk heeft. Op zijn minst schend ik haar vertrouwen als ik doorga.

En op zijn hoogst red ik haar van dit leven. Want als ik weet wat zij weet, kan ik haar misschien overhalen deze eenzame missie te staken.

Dat geeft de doorslag.

‘Je bent nu in een vakantiepark dat de Heeren van ’s Gravensande wordt genoemd. Het is vernoemd naar ons, de bewakers van dit stuk Noorzeekust, ook al kent niemand de herkomst van de naam. Wij zijn de Heeren. Al eeuwenlang heeft iemand van onze familie de taak op zich genomen om dit duingebied, dat zich uitstrekt van de monding van de Nieuwe-Waterweg tot voorbij de pier van Scheveningen, die overigens ook niet voor niets is gebouwd, en het land erachter te beschermen tegen het ontwaken van een Oude God.’

Een oude wat? Ik tik weer op de knop. Gelooft Mariska in een god? Wat een nonsens!

Gerustgesteld dat mijn inbreuk op haar privacy geen waarde heeft nu het zogenaamde geheim flauwekul blijkt te zijn, laat ik de film weer doorlopen.

‘In de lade onder mijn stoel zitten niet alleen sigarenkistjes. Als je ze er allemaal uithaalt, zie je een plaat. Het lijkt de bodem van de lade, maar eronder liggen alle brieven en andere boodschappendragers aan de volgende bewaker.’

Dit vraagt om verificatie. Ik zet de film stop, haal het restant van de kistjes uit de lade en kan inderdaad de bodemplaat verwijderen.

Er liggen brieven in. Stapels. Sommige kort, andere lang. Onderop met schitterend bewerkte hoofdletters, als een oude bijbel die ik ooit in mijn handen heb gehad. Ik zie ook foto’s, vergeeld en met kartel­randen, een grammofoonplaat, een videoband, een spoel met een … dat moet een film zijn, een ding dat ik herken als een USB-stick, een schijfje … allemaal boodschappen. Hoeveel zijn het er wel niet? Tientallen.

Heel wat verdwaasde geesten. Een oude god, tjonge, jonge.

Ik krabbel rechtop en klik weer op de muis.

‘We leven niet zo lang, Mariska. En jij hebt geen kinderen. Ik weet niet hoe het na jou moet, misschien kun je iemand inwijden of dit huisje nalaten? Het spijt me dat ik het niet beter heb onderhouden, ik had er het kapitaal wel voor, maar de kracht ontbrak.’ Hij hoest.

Even gaat de film op zwart, dan verschijnt hij weer in beeld. ‘Hij slaapt. Hier, vlak voor de kust, in de zeebodem. Hij heeft zich ingegraven met zijn tentakelarmen. Als hij ontwaakt zal hij een vloedgolf veroorzaken van zo’n dertig meter hoog, iedereen zal ver­drinken. De aarde zal beven als nooit tevoren. Je moet schieten, beloof je dat?’ Hij hoest weer. ‘Ik weet niet of het zal helpen, maar het is het enige wat we kunnen doen als hij omhoogkomt: schieten.’

Ik weet genoeg. Hoewel we ons in de afgelopen eeuwen achtereen­volgens hebben ontworsteld aan het Rooms-Katholicisme, het Calvi­nisme en de Islam, zijn Mariska en haar familie in de ban van de Religie van de Oude Goden. Meer specifiek: van een begraven god met tenta­kel­armen. Goedgelovig.

Ik klik de film weg. Bedtijd. Voor de vorm keer ik de stoel naar het raam met het sigarenkistje midden op de zitting. ‘Doe je werk, malloot!’

 

Tegen de tijd dat ik wakker word, is het volop dag. Ik open mijn ogen. Ze staat aan het voeteneind van het bed.

‘Ha schat, hoe is het met je moeder?’

Haar ogen zijn wijd open. De blauwe kring rond haar rechteroog steekt donker af tegen haar lijkbleke gezicht. ‘Waarom ben je hier? Waarom kijk je niet? Je zou kijken!’ Ze rent de slaapkamer uit en dendert de trap op. Haar voetstappen trillen door het huisje, ik voel het zelfs tot in mijn bed.

‘Maak je niet zo druk.’ Ik sta op en grijp mijn spijkerbroek van het voeteneind. Met mijn linkerbeen in de pijp hompel ik naar de trap. Gek genoeg trilt hij nog steeds.

‘Wat heb je gedaan?’ Mariska gilt. ‘De zee! Wat heb je gedaan?’

‘Niks! Natuurlijk niet!’ Ik ben boven en steek mijn rechterbeen door de pijp. ‘Het is allemaal onzin, lieverd. Goden bestaan niet!’ Onzacht stoot ik mijn hoofd weer eens tegen de dakrand. ‘Ik …’

Het onafgebroken trillen verandert, wordt dieper, resoneert. Het huisje kraakt.

‘Wat … heb … je … gedaan?’ Ze keert zich naar me om. Inwit. Achter haar krakt een ruit. De barst schiet van onder naar boven en vertakt zich in sneltreinvaart. Net als eerder de ijsbloemen op de ruit van de droogvriezer.

De vloer onder me ramt omhoog en valt weer weg. Ik knal op mijn knieën.

Met moeite weet ik het kanon te grijpen en me eraan overeind te trekken.

‘De zee, Bart. De zee!’

Ik zie het ook.

 

 

Peripetie

De zee is verdwenen. Zover we kunnen kijken zien we nat, glad zand.

‘We moeten weg hier! Kom!’ Ik grijp haar hand en wil haar mee­trekken, naar beneden, naar de hovercraft.

‘Nee! Het is mijn taak!’ Ze trekt zich los. ‘De aansteker, waar is de aansteker?’ Paniekerig voelt Mariska tussen de zitting en de leuning van de stoel. Ze stoot erbij tegen het kistje.

Het schuift van de zitting.

Als in een vertraagde film zie ik het met een punt op de grond terechtkomen. Het koperen slotje van het deksel is niet tegen de val bestand; het springt open.

Poeder dwarrelt op. Heel fijn poeder. Het belemmert ons zicht op elkaar en op buiten.

Er was iets met stof en aanstekers.

‘Geen vuur maken!’ Ik stap blind naar voren, stoot mijn beurse knie tegen het kanon en sla met mijn vuist tegen het gebarsten raam.

Glas rinkelt. Meteen vlaagt de wind naar binnen. Mijn hand bloedt.

Het stof verdwijnt.

De zee is terug. Hij bolt op. Ergens recht voor ons uit komt hij omhoog.

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. ‘Een vloedgolf! We moeten hier weg!’

‘Dat is geen vloedgolf!’ Haar handen trillen. ‘Hij komt!’ Ze draait met haar duim aan het wieltje van de aansteker, maar er komt geen vlam­metje. Tweede poging, derde.

Geen tijd om met haar te discussiëren over de onzin waar ze in gelooft. ‘Geef hier.’ Ik pak de aansteker van haar af, maar mijn hand is glibberig.

Met mijn linkerhand lukt het, na drie pogingen. Ik ontsteek de lont. ‘We moeten weg!’

‘Dat heeft geen zin. Houd me vast.’ Mariska staart naar de zee. Haar blik vastgeklonken.

‘We kunnen met de hovercraft …’

‘Wat? Surfen? Daarop?’ Ze wijst naar de immense golf die ontstaat. ‘Hij is hier voor we de trappen af zijn.’

Ze heeft gelijk. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik wil het niet.

Ze wankelt; de grond schudt. Voor het raam langs vallen gloednieuwe dakpannen.

Ik pak haar vast en trek haar tegen me aan.

Mijn com’pad drukt tegen mijn borst. Ik haal hem tussen ons van­daan, de boodschap van Haijo licht op.

Voor ons bolt de zee op. Zo hoog als de torenflats van Rotterdam, zo ver links van ons. Iets schiet onze kant op, een sliert of een … spaghetti?

Maar dan dik. En groen. De punt zwiept langs de toren. Een knal als van een zweepslag teistert mijn trommelvliezen. Wat …?

Ik trek Mariska steviger tegen me aan en druk op de com’pad. De zee dendert op ons af, we moeten ons hoofd al in onze nek leggen om de top van de golf te kunnen zien. Erbovenuit zwiepen tentakels. Ik zie zuignappen. Ze openen en sluiten als hongerige muilen. Ik weet dat dit niet kan, maar toch zie ik het.

‘Ze bestaan,’ fluister ik.

Het kanon dondert.

Een heerlijke dag met een vloedlijn vol krijsende ondoden en een hemel van sidderend noorderlicht : Tais Teng

‘Sin ha’dai Ph’nglui mglw’nafh Cthulhu R’lyeh wgah’nagl fhtagn’:

‘In zijn citadel te R’lyeh ligt Cthulhu niet langer verzonken in diepe doodsdromen.’

: provisorische vertaling door de Chinese Lange Mars IV quantum computer

 

Wat had Jonathan toch een bloedhekel aan het keren van het getij, als de ondode mannen droogvielen en begonnen te krijsen!

Eerst wipten hun kruinen uit het grijze water omhoog, hun lange haar en baarden uitwaaierende kragen van slierend zeewier. Ogen ont­braken uiteraard en de kassen waren gevuld met harige eenden­mossels en zeepokken. Ogen vormden domweg een te smakelijk hapje om te negeren en werden als eerste opgepeuzeld door hongerige wol­hand­krabben en glasaaltjes.

De neuzen volgden, de neusgaten wijd opengesperd en panisch bellen blazend, en uiteindelijk de monden. Zodra de grijze lippen de lucht bereikten, begon die teringherrie. Oorverdovend gekrijs, droevig gejammer, hoogst akelig gesnik.

Misschien waren ze al die tijd al aan het gillen en jammeren, ging het door Jonathan, maar onderwater? En dus onhoorbaar op een vaag geborrel na?

‘Als verdoemde zielen in de hel,’ mompelde zijn broer Eli onveran­derlijk zodra het gekrijs begon, en sloeg een kruis, schielijk gevolgd door het teken van de Koning, Gekleed in Rafelend Geel. Het was niet meer of minder dan de banale waarheid: het waren verdoemde zielen en de Hel vond je hier en nu, zestig jaar na de Terugkeer. Neem de gruwelijke zeetuinen, waar de doden met hun voeten omlaag in het zand waren geplant en weer tot leven gewekt. De dodenakkers reikten helemaal tot de horizon en waarschijnlijk daar ver voorbij. De Oude Goden hadden het blauw uit hemel weggerukt en vervangen door wapperend noorderlicht, dat in klikkende en grommende gordijnen overtrok.

De windmolens van het energiepark tegenover Egmond-aan-zee draaiden nog steeds, maar er waren ferme happen uit hun wieken genomen en wezens die niets met meeuwen of gierzwaluwen gemeen hadden, kleefden hun nesten nu aan de pilaren vast.

 

De twee broers struinden langs de vloedlijn, jutters, die hoopten restjes van de antieke, menselijke technologie uit het aangespoelde wier te plukken. In de ogen van de Oude Goden waren ze waarschijnlijk niet veel beter dan de zeemeeuwen die langs de vloedlijn hopsten. Enkel dieren, fauna, amper intelligent en volkomen onmachtig.

Juwelen glommen tussen het nog steeds vochtige blaasjeswier, kettingen met opalen en robijnen, maskers, gekneed uit een goud zo puur dat je het metaal onder je duim indeukte.

De meeste van die voorwerpen waren domweg aas: zet zo’n onaards masker op en het zou je huid en vlees verslinden en zich aan je schedel vastzuigen. Maar één op de tien maskers zou juist je diepste wens vervullen: de kanker genezen die zich in je lever had vastklauwd, je de kracht van een grizzlybeer geven of zoveel charisma dat iedere krijgsheer de poorten van zijn bunker zou openklappen en je ‘meester’ noemen.

‘Die Mei,’ zei Eli, ‘ik zag wel hoe je naar haar gluurde. Je praatte zelfs met haar!’’

‘Het was enkel wat kletsen. Pure beleefdheid. Niets meer.’ Wat jammer genoeg ook min of meer de waarheid was. Ze hadden maar één keer gekust en ze had hem weggeduwd nadat hij haar hoogstens drie hartslagen had mogen omarmen.

Eli schudde zijn hoofd, klakte met zijn tong. ‘Ze is een heks, Jonathan. Een Chinese heks. Dat kan nooit goed aflopen.’

 

Jonathan herinnerde zich Mei’s aankomst in hun haventje. Hoe ze over de golven liep en haar hielen het water nauwelijks indeukten. De met runen geborduurde waterlaarzen van Mei waren na een week uitge­werkt, maar ze had de dorpelingen duidelijk gemaakt dat ze geen slacht­­offer was, geen machteloze prooi, maar een van de jagers.

De Chinezen hadden het langst doorgevochten tegen de Terugkeer van de Oude Goden, met wapens die steeds vreemder werden, steeds exotischer. Het immense gelaat van de mythische eerste keizer had zich over de hemel uitgesmeerd en een compleet squadron van Mi-Go opgeslokt. Uit noorderlicht geweven feniksen klauwden tentakel­monsters aan flarden. De Chinezen moesten al die eeuwen een voor­raad praktische magie in reserve hebben gehouden of ze waren domweg allemachtig vlotte leerlingen.

Uiteindelijk had het niet gebaat: China was nu een cirkelzee, een immense krater die in het centrum zo’n zeventig mijl diep was. Een bezwering of de supertechnologie van de Oude Goden had China van het aardoppervlak gepeld als de schil van een sinaasappel en haar over de stoffige mares van de maan gedrapeerd. Telescopen toonden nog steeds de intacte torenflats van Beijing en Chengdu, de meanders van de nu waterloze Gele Rivier. Twee weken lang hadden de lichten van een aantal uitzonderlijk taaie overlevenden signalen naar de aarde gestuurd, maar toen waren de industriële lasers toch één voor één uitgeknipt.

‘Geinig,’ zei Eli en plukte een elegant colaflesje uit een berg ver­steen­de kreeften. ‘Moet je zien: er zit nog steeds wat drank in.’ Hij glim­lachte. ‘Overgrootmoeder vertelde me juichende verhalen over de smaak. Als bruisend zonlicht en twee keer zo zoet als honing.’

‘Die moet intussen wel aardig bedorven zijn,’ zei Jonathan. Shit. Had ik die fles maar als eerste gezien. Dit zou een geweldig cadeau voor Mei zijn geweest.

Het glas vervormde, veranderde in een onaards mooi gezichtje.

‘Drink me!’ drong de fles aan met een zoete alt. ‘Drink me en elke vrouw zal naar je kijken met ogen als cowries en je ‘Mijn grote witte haai’ noemen …’

‘Getver!’ Eli slingerde de fles vol walging weg. ‘Mijn grote witte haai! Dagongebroed moet deze fles met hun smerige vinnen bepoteld hebben.’

Jonathan wachtte tot Eli zich over een nieuwe bank wier en geteerde vissersnetten boog, snelde het zand op en stak de fles weg onder zijn overjas.

‘Je houdt van haar,’ zei de stem in zijn hoofd. Het was nog steeds een heerlijk zomerstem, vol bijengezoem en bloesemgeur. ‘Ja, ja? Je kwijlt en siddert van verlangen als je haar vinnen ziet golven. Je wilt haar eieren likken, toch?’

Hij verplaatste de fles totdat het koude glas zijn blote huid niet langer raakte en de stem stopte abrupt. De fles was duidelijk niet bijster bruikbaar als adviseur voor een hunkerende vrijer maar mana was mana. Mei wist vast wel een manier om de magische energie af te tappen en voor wat nuttigers te gebruiken.

 

In de verte rezen de gedraaide torens van R’lyeh op, zoals boven elke horizon. R’lyeh was een wonder: opgetrokken uit parelmoer en zwierend spooklicht. Zilveren hiëroglyfen wervelden boven haar spit­sen, geen seconde hetzelfde maar altijd onbeschrijflijk mooi en intri­gerend.

Het had geen enkele zin om om een zeil te hijsen en in haar richting te varen, wist Jonathan: de transdimensionale stad zou steels terug­wijken en je verder en verder van de kust weglokken.

Mei had hem verteld dat de Arabieren nu een analoge lokstad hadden: Irem van de Duizend Zuilen die het ruisen van watervallen en fonteinen over het hete zand uitstuurde en het tinkelen van ouds en de stemmen van schuwe maagden als aas gebruikte.

‘Het zijn niets dan smerige roofspinnen,’ had Mei hem gewaar­schuwd. ‘Blijf ver van hun webben en luister nooit, nooit naar hun beloften.’

Jonathan stopte ​​en plotseling leek R’lyeh verrassend dichtbij. Bijna dichtbij genoeg om de bladeren van haar fonkelend groene tuinen te onderscheiden, de ijsbloemen op haar getrapte piramides… Hij deed een stap naar voren.

Een klinkende klap in zijn gezicht verbrak de betovering en hij knipperde de tranen weg.

‘Idioot!’ snauwde Eli. ‘Staar R’Lyeh aan en ze kruipt je ogen in. Ze zuigt je hersens leeg tot er geen gedachte meer over is en je mij aan­kijkt met irissen zo bleek als kokkels.’

‘Sorry. Ik…’

‘Weet je hoe die dode mannen in de akkers verzeild raakten, dwaze broer van mij? Waarom ze de zee inliepen tot ze verdronken en er wortels uit hun tenen groeiden? ‘

‘Oh.’

‘Precies. Oh.’

Hij voelde de huivering in de knik van zijn nek beginnen tot zijn hele lichaam schudde en zijn tanden klapperden. Al die ondoden zijn ooit vissers of jutters zoals ik geweest en toen staarden ze gewoon net dat beetje te lang naar de vervloekte stad zonder ook maar één keer met hun ogen te knipperen. Ze zetten een stap het water in, strekten hun handen uit en bleven doorlopen. Bleven doorlopen totdat het grauwe water zich boven hun hoofden sloot en de laatste luchtbel uit hun mond ontsnapte.

 

‘Dood mij,’ mompelde een stem. ‘Maak me alsjeblieft af, please, vermoord me, dood me.’ Waarschijnlijk was die stem er al die tijd geweest, maar te zacht om boven het geruis van de zee te komen.

Een dode man was aangespoeld aan de kust en lag daar, happend naar lucht. Zilverachtige wortels strekten zich nog dieper uit in het water en zouden hem terugtrekken zodra de vloed hem weer had opgeëist.

‘Keel me, alsjeblieft, dood me.’

‘Sorry,’ zei Eli. ‘Je bent dood. Ondood, en geen enkel menselijk mes is scherp genoeg om je wortels door te snijden. ‘

‘Dood me, dood me.’ Hij leek Eli niet te horen, maar plotseling klonk zijn stem krachtiger. ‘Er was eens een geweldige stad hier.’ Een hand wapperde naar het oosten. ‘Amsterdam. I love Amsterdam. Letters zo groot, zo rood. Ik was daar een dealer. Ik heb extasy en sweetwiet ver­kocht. Ik klutste hun hersens tot al het blauw uit de hemel trok en de Goden terugkwamen om mij te straffen. Dood mij en alles wordt weer als vroeger.’

 

Zelfs toen een duin de dode verborgen hield, weerklonk zijn stem nog steeds in Jonathan’s hoofd: een vreemd zangerige stem. Er was daar een geweldige stad. Ik heb extasy en sweetwiet verkocht. Het klonk als een spreuk of een gebed. Hij moet een sjamaan zijn geweest, net als Mei. Tot hij zo stom was te lang naar de horizon te turen.

 

Ze vonden drie glazen drijvers, alle drie een prachtig flessengroen, een handvol van die vreemde witte en gele plastic puzzelstukjes die in elkaar klikten, een roestvrijstalen vork en een zo goed als intact net. Een goede vangst, maar uiteindelijk ging het bijna vreselijk mis.

Er kwam geen waarschuwing: de Mi-Go stond plompverloren voor hen. Zijn gezicht was een gruwel: een klomp bleke, glinsterende schimmel met honderd golvende voelsprieten, handen als de getande klauwen van een kreeft. Zijn vleugels reikten omhoog, op de een of andere manier nog tot voorbij het noorderlicht en bogen toen in een richting af die Jonathans ogen weigerden te volgen.

‘Mensen,’ zei het wezen met een stem die schril was als van een krekel, maar veel, veel luider. ‘Mensen. Ik kan je, jullie voor altijd laten leven. Geef je, jullie het eeuwige leven.’ Hij spreidde zijn armen, een gebaar dat duidelijk was gemodelleerd op een menselijke verkoper. ‘Je zult alle wonderen van het universum zien! Bezoek de oogverblindende zon Algol, die klopt als een gigantenhart! Wandel langs de mistige oevers van Hali, met Aldebaran immens en gonzend in de hemel.’

Een pauze en dan een wijds gebaar. ‘Zie je mijn vleugels? Glinsterend in een dozijn kleuren die je ogen nooit eerder konden zien? Ze vangen de wind die tussen de zwarte gaten waait. De tachyon-deeltjes die tien, twintig keer zo snel als licht voortsnellen. Een half uur vliegen tot de rode ijswereld Eris. Twee uur naar Yuggoth met haar lichtende wolken­banden en haar tollende manen.’

‘Het eeuwige leven!’ snoof Eli. ‘Ik weet precies hoe dat gaat. Je schept onze hersens uit onze schedel en propt ze in een cilinder van oreichalkos en neemt die mee op reis. Gewoon een brein dat al snel kierewiet wordt zonder lichaam.’

‘Je zult allerminst blind zijn. We zorgen voor betere ogen, mens, lenzen die honderd tinten meer dan een mens zien. Kleuren waarmee geen kever zich ooit heeft durven tooien. En er is niets mis met gek worden. Dit is een verbazingwekkend mooi en intens wreed universum dat je het beste kunt zien door de ogen van een waanzinnige.’

‘Nee, sorry,’ zei Eli. ‘We zijn niet overtuigd. We zullen onze gebruike­lijke vijftig jaar blijven leven en dan tevreden in ons graf gaan liggen. ‘

‘Tja, ik zal je, jullie hersens dan maar gewoon oogsten. Het leek mij alleen beleefder om het eerst te vragen. ‘

‘Je oogst niemand.’ Eli deed een stap achteruit en graaide in zijn overjas van zeegras.

‘Een pistool?’ Het wezen kon niet lachen, niet echt, maar hij produ­ceerde een verdienstelijke imitatie van een schaterlach. ‘Zelfs een atoombom zal niet één enkel mycelium van mijn lichaam knakken.’

‘Kijk eens beter.’

‘Welke eedbreker verkocht een miezerige mens een klasse VI wapen? Jullie hadden zoiets nooit zelf kunnen bouwen! ‘

‘Laat me je een hint geven: het heeft een hoofd als een zeester en haat Mi-Go.’ Hij hief het pistool op dat uit rood ijs gesneden leek. Er lag een soort stromend water waas overheen, alsof het maar half in deze wereld stak. ‘Hij vertelde me dat dit pistool slechts één kogel afvuurt, maar instanties van die kogel waaieren uit in alle elf dimensies. Het maakt niet uit hoe exotisch je vlees is, je zult vast wel in een van die dimensies kwetsbaar zijn. ‘

‘Goed,’ zei het wezen. ‘Prima. Leef je ellendige, miezerleventjes uit. Je had wonderen kunnen aanschouwen!’ Een trilling van zijn vleugels tilde hem op tot zijn voeten een handbreedte boven het zand zweefden. ‘Zweet en sleur. Ik zal me je geur herinneren en je kinderen mee­graaien als je straks oud en onmachtig bent. ‘

Een machtige zwiep van zijn vleugels en hij sprong omhoog, kromp tot een stip en versmolt met de aurora.

Eli liet zijn pistool zakken en slaakte een lange, sidderende zucht. ‘Nou, dat werkte verbazingwekkend goed. Ik dacht dat we het haasje waren.’

‘Heeft een van de sterrenrassen je dat wapen echt verkocht? Wat was de prijs. in godesnaam?’

‘Natuurlijk niet. Ik heb er een dood gevonden. Het werd verscheurd, zijn vijf breinknopen uit zijn kristallen schedel gewrikt, zijn sporen­zakken leeggemaakt. Het moet een roedel Shubs zijn geweest. Hun poot­afdrukken waren overal op de open plek en hun geitenstank deed mijn ogen wateren. Hun slachtoffer hield dit pistool echter nog steeds in zijn slappe tentakels.

Het weigerde te vuren toen ik de trekker overhaalde. Een of andere ingebouwde veiligheidspal die je een dimensie hoger moet overhalen, schat ik.’ Hij draaide zich naar de zee en gebaarde met zijn wapen. ‘Donder op! De voorstelling is voorbij!’

Drie hoofden dobberden in de lagune. Een hief een geklauwde hand met zwemvliezen op.

‘Schiet ons niet neer, hooggeëerde mens. We begrijpen nu dat je geen prooi bent. ‘

De hoofden zonken onder het oppervlak en Jonathan zag drie V’s koers zetten naar dieper water.

‘Smerige jakhalzen. Altijd klaar om toe te happen als je op de grond ligt. ‘

‘Ze kunnen uit het water komen? Dat wist ik niet. ‘

‘Ze stommelen het land over en ademen lucht net zo makkelijk als water. Maar ze hebben verderfelijker talenten. Het Dagongebroed kan moeiteloos menselijke feromonen imiteren, weet je. Een vleugje en elke vrouw is maar al te bereid om haar benen voor ze te spreiden.’

‘Die kinderen in Scheveningen! De helft van hen heeft een derde oog. Zwemvliezen tussen hun vingers.’ Plots leek dat vissersdorpje niet meer zo idyllisch. Het was aangeraakt door de Oude Goden, besmet, haar inwoners niet langer menselijk.

‘Kuit en hom uit de diepten,’ zei Eli. ‘Dat is waarom we nooit een meisje of een vrouw op een vissersboot toelaten. Ze komen zwanger terug, met zwijmelsterren in hun ogen. Alleen een sjamaan kan hun verliefdheid breken en daarna zijn ze amper bruikbaar als echtgenote. ‘

 

Aan de rand van het dorp verrees een tiental fetish-masten. Mei en de dorpssjamaan hadden ze volgehangen met de gemummificeerde poten van Dagongebroed, een flard vleugelvlies van een Mi-Go, de kristallen schedel van een lid van Sublieme Ras. Een rij uitgekomen eieren van Lagere Cthulhus voltooide de bezwering. Het zou geen van de Oudere goden buitensluiten, maar de masten stopten het gros van hun aanbidders.

‘Zeg, Eli?’

‘Ja?’

‘Hoe wist je van het pistool? Hoe het werkte? De eigenaar was toch al dood toen je hem vond? ‘

‘Het pistool begon tegen mij te kletsen zodra ik het oppakte. Het ramde een hele handleiding in mijn geheugen en vertelde me dat ik alleen maar ongedierte was en dat het never-nooit-niet voor mij zou afgaan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Alle klasse VI tech apparaten haten stervelingen. Ze denken dat ze te goed voor ons zijn.’

 

Ze brachten hun juttersraapsel naar de loods en de oude Henkelmayer stempelde hun kredietkaarten af met vette sepia-inkt. De kaart was nu goed voor acht warme maaltijden in de Grote Hal, zag Jonathan. Nog drie stempels en hij kon ze inwisselen voor nieuwe laarzen.

‘Dat is alles?’ zei Henkelmayer en keek naar Jonathan op met zijn slimme eksteroogjes.

Jonathan werd zich plotseling akelig bewust het gewicht van de fles. De kilte van het glas straalde dwars door zijn shirt en ondergoed.

‘Dat is alles,’ mompelde hij.

‘Och ja, het is het goede recht van iedere burger om zijn eigen graf te graven. Vertel je meisje dat ze het niet allemaal in één keer moet opdrinken. ‘

Henkelmayer was helderziend, zijn pijnappelklier aangetikt door de Oude Goden, en hij kon buitenaardse technologie ruiken, zelfs als het in drie lagen lood gewikkeld, onderin de mestvaalt verstopt zat.

 

Mei opende haar deur voordat Jonathan kon kloppen en ze was even verblindend mooi als altijd. Neem die prachtig schuine ogen nu, met de dikke wimpers en die lome slaapkameropslag. Dat was ongeveer zo ver als je van een bol schelvisoog kon komen. Haar lieve handen waren klein en beweeglijk, Mei’s haar een zwart glanzende helm, veel korter geknipt dan bij de andere meisjes uit het dorp. Mei rook altijd schoon, een helder parfum gedistilleerd uit zonlicht en bloeiende heide. Als de ochtendwind in je gezicht, met de zon net boven de horizon. In Mei’s gezelschap was iedere dag gloednieuw en veelbelovend.

‘Betreed mijn domicilie,’ sprak ze. ‘Ik begrijp dat je iets voor me hebt?’ Ze had zo’n vreemde, hoogdravende manier van praten, alsof ze haar Nederlands geleerd had uit een woordenboek dat een negen­tiende-eeuwse missionaris in Chengdu achtergelaten had. Soms stopte ze midden in een zin en het was of ze dan razendsnel door die hand­leiding bladerde en met haar vinger langs de woordenlijstjes ging.

Jonathan zette de fles op haar eettafel van gelakt wrakhout.

‘Bij de vloedlijn opgepikt. Het is vers van de springvloed gisteren en het praat. Er zit zelfs nog wat cola in.’ Hij tuitte zijn lippen. ‘Denk je dat het nog drinkbaar is?’’

‘Magie uit de mensentijd. Dat rijpt zoals elke uitstekende wijn, liefste. En dit is authentieke Coca Cola! Geen slappe Pepsi of rare Mecca Cola. Een uiterst krachtig elixer.’ Ze deed een stap naar achteren. ‘Maar laat mij je eerst op een vrouwelijke manier belonen voor je attente gave.’ Ze omhelsde hem, hief haar gezicht op voor een kus.

Haar lippen voelden zacht en meegaand en haar geur werd sterker, sijpelde recht zijn hersenen in.

Ze zweet het seksferomoon. Net als Dagongebroed. Maakt mij verliefd. Hij moest die gedachte hardop uitgesproken hebben, want ze liet hem los, keek hem recht in de ogen. ‘Dat is inderdaad het geval. Vind je het hinderlijk?’

Een hikkende giechel wipte over zijn lippen. ‘Nee helemaal niet. Mei! Kus me alsjeblieft nog een keer. Maak mij horendol!’

‘Het verhoogt het plezier enkel. Is alles. Het laat je niets voelen dat je niet al voelt.’

Ik verkocht extasy en sweetwiet in een stad met rode letters. De zin van de ondode sjamaan dook ineens op. Zou een hoofd vol sweetwiet net zo gevoeld hebben?

Ze pakte zijn handen en legde ze op haar borsten. Ze waren tege­lijker­tijd zacht en stevig en hij voelde haar harde tepels door de zijde. Ze is even hitsig als ik. Het feromoon moet beide kanten uit werken.

Een nieuwe kus, hun tongpunten raakten elkaar en toen duwde ze hem terug. ‘Dat is wel genoeg. Ik ben je vrouw nog niet. ‘

‘Nog niet?’

‘Eerst moeten we ervoor zorgen dat onze kinderen voor altijd veilig blijven. De Mi-Go dreigde dat hij ze zou oogsten. Dat zal ik niet toe­staan, maar om hem het beste te weerstaan, heb ik betere wapens nodig. Klasse VI tech.’ Ze sloot haar ogen. ‘Waar is je broer? Ah, weer in de armen van de bakkersvrouw. Denk er nog eens aan, Eli? Je buit van vanochtend? Mooi. Links, weer rechts. Tweede strandtrap omhoog. Bos. Ik heb het.’

‘Je hebt wat?’

‘De plaats waar Eli zijn kadaver vond. Er zal waarschijnlijk veel meer techtuig over zijn dan enkel dat pistool. Bovendien is elk stukje van zo’n lijk nuttig voor een bezwering. De sterrenrassen zijn allemaal halve machines, vol hogere tech.’

‘Zouden de Shubs zijn spullen niet meegeroofd hebben? Ze namen zijn breinstenen, zijn sporen?’

‘De larven van de Zwarte Geit uit de Eindeloze Wouden blijven de eerste duizend jaar niet veel slimmer dan een kat. Het is niet zoals bij de Mi-Go: superintelligent zodra ze uit het eikapsel kruipen.’

 

Net voorbij de duinen rezen de Nederbergen op, drie kilometer hoge kliffen met een top van blinkende kalksteen en een voetstuk van basalt.

Een van de chaos-goden had ze uit de grond omhoog getrokken, dezelfde nacht dat de maan bloedrood kleurde en in de ruimte weg­tolde.

Het pad slingerde als een weggeworpen springtouw tussen het hoge gras, dat in de oude mensentijd geplant was om de duinen te veranke­ren. Een bos van waaibomen volgde. Ze bogen in een richting die niets te maken had met de heersende winden.

De Terugkeer had hen ongetwijfeld bezoedeld, bedacht Jonathan, en nu voelden ze een andere, spookachtiger wind. Misschien dezelfde storm waarop de Mi-Go laveerden?

Hij likte aan een vinger, hief zijn hand op. Ja, geen zuchtje wind, maar de naalden ritselden, de takken kraakten.

‘Weet je dat de Oude Goden net op tijd terugkeerden?’ zei Mei.

‘Wat bedoel je?’

‘We waren erg druk bezig de aarde en onszelf te vermoorden. Alle dieren en bomen. Het koraal. Grondiger moordenaars dan de Shubs of de Mi-Go.’ Ze spreidde haar armen. ‘Stel je die tijd eens voor, mijn geliefde. Superstormen loeiden aan over de zee en knakten de wolken­krabbers van Dubai als droge rietstengels. En de temperatuur bleef maar stijgen. IJsbergen kalfden af van de Groenlandse gletsjers, smeltend als ijsblokjes in hete chai. Nog een eeuw en de zeeën zouden koken.’

‘Ze hebben bijna alle mensen gedood! Mijn grootmoeder zegt dat wij ooit de hele aarde bestuurden. Miljarden van ons en nu zijn er nog maar een paar miljoen over. ‘

‘Niet overdrijven. Nog minstens een half miljard. En de Mi-Go houden zo van de kou dat ze de poolkappen weer terug laten vriezen. De Gevleugelde Poliepen hebben de op hol geslagen orkanen getemd. Het Dagongebroed en de Lagere Cthulhus hebben de oceaan schoon­gemaakt, de overtollige koolstof uit de lucht gehaald om hun diaman­ten eilanden aan te leggen.’

‘Dus we moeten we ze maar aanbidden?’

‘Dat zou te ver gaan. Het blijven monsters, ongelooflijk wreed. Ze hebben de mentaliteit van een Pol Pot of een Bolsonaro, een Timoer Lenk.’ Ze likte over haar onderlip en probeerde duidelijk de juiste conclusie te formuleren. ‘Ze hebben onze wereld gered, maar de guerilla-oorlog gaat door. Wij mensen zijn als de kakkerlakken, mag ik hopen: onmogelijk uit te roeien, welk gif je ook strooit.’

 

De zon tikte de horizon al aan toen ze eindelijk de open plek met het dode monster bereikten. Vreemd genoeg leek R’lyeh hier dichterbij dan vanaf het strand en er gleden hiërogliefen over de zonsonder­gangs­wolken, als van een arcane lichtkrant.

Een roodbruine zonnestraal deed het lijk glinsteren.

‘Voorzitter Xi zij geprezen!’ joelde Mei. ‘Moet je zien! Minstens een dozijn tech VI amuletten. Dat is meer buitenaards spul dan ik ooit bij elkaar gezien heb!’ Haar ogen straalden. Mei was even gelukkig als een klein meisje dat een drijfhouten pop en een set pas gesmede wind­gongen onder de kerstboom vindt.

‘Scheer je weg,’ raspte een stem. ‘Ze zal naar labyrinten van de diepste stad gebracht worden. Haar zaadkameraden zullen haar ver­slinden, haar substantie terugzingen in het Lied. ‘

Een lid van het Sublieme Ras stond naast een pijnboom, zijn armen een kronkelend nest van slangen. Een van zijn manipulators hield een pistool vast, hetzelfde soort pistool waarmee Eli had staan zwaaien.

‘Ik heb deze spreuk altijd al eens willen gebruiken,’ zei Mei. ‘Het was de laatste formule die onze quantum computer uitrekende.’ Ze hief een amulet van gevlochten glasvezels op en sprak een enkel woord.

Een toon zweefde over de open plek, helder als een glazen xylofoon en een draak kronkelde uit de hemel omlaag. De aanblik vervulde Jonathan met zo’n blij ontzag dat hij vergat te ademen. Stel je de zilveren herfstmaan, die de Oude Goden gestolen hadden, voor en schilder de mist boven een meer met haar stralen. Schoonheid uit pure stilte gehouwen, van hemels evenwicht.

De draak tikte de tentakel met het pistool aan en hun vijand veran­derde onmiddellijk in glas.

‘Het was de beste versie van En ik zag de Draak van de Lente uit het Meer Oprijzen, die onze computers konden berekenen,’ zei Mei. ‘Gedestilleerd uit duizenden gedichten en taoïstische spreuken. Helaas kan een sjamaan het maar één keer gebruiken.’

Onze computers. Ze zei dat alsof ze daar zelf bij was geweest. De Terugkeer vond zestig jaar geleden plaats. Hoe oud is Mei wel ? Nee, stop! Vraag een volwassen vrouw nooit hoe oud ze is.

‘Dat is een verstandig besluit,’ zei Mei. ‘Een vrouw is immers zo jong als ze zich voelt? En jij en ik, samen zullen we nog allemachtig lang jong blijven zijn.’

Ze slenterde naar het kristallen kadaver en raakte het aan. Het brak in tinkelende scherven.

‘Geen spoor van tech VI meer. De draak dronk alles op. Jammer. Ik had dat pistool goed kunnen gebruiken. ‘

‘Ik kan het voor je stelen?’ bood Jonathan aan.

‘Nee, nee. Eli is van je eigen bloed en tussen broers moet het zuiver blijven. Geen Kaïn en Abel gedoe. Ik zal hem een ​​goede prijs voor­stellen. Een aanbod dat hij onmogelijk kan weigeren zoals het oude gezegde luidt.’

‘Zoals?’

‘Hij en Marigold zijn nu al vijf jaar man en vrouw en haar buik blijft plat. Dat is niet helemaal haar schuld. ‘

Jonathan fronste. ‘Mijn broer is steriel? Zoals een muilezel? ‘

‘Een kwart van alle mannen is dat sinds de Terugkeer. Zoiets kan eenvoudig worden verholpen.’ Ze tuitte haar lippen. ‘Hij hoeft me het pistool pas te geven nadat zijn eerste kind is gedoopt.’

 

Er zijn angstdromen die je zo vaak hebt doorleefd dat ze alle kracht verloren hebben.

Toen de Mi-Go op hun binnenplaats verscheen, voelde Jonathan niets, zelfs geen spoor van vrees of ontzetting. Zijn vrouw was de machtigste sjamaan van Talinn tot St. Malo en fel als een veelvraat. Laat het aan Mei over.

Het monster keek het erf rond.

‘Wat een prachtige oogst! Niet minder dan drie kinderen, Jonathan, en je jongste dochter leert al lopen.’ Hij zette een mand vol leigrijze cilinders op. ‘Ik heb Eli’s beide zonen al genomen. De tweede dochter van de bakkersvrouw was van hem en dus plukte ik haar hersens ook maar. ‘

‘Jonathan heeft me over je verteld,’ zei Mei. ‘Je bent ooit met je leven weggekomen. We kunnen beter niet twee keer dezelfde fout maken.’ Ze hief Eli’s pistool op.

De Mi-Go grinnikte en hij moet zijn huiswerk gedaan hebben omdat het allemachtig menselijk klonk.

‘Zijn broer overblufte mij ooit. Ik heb pas later geleerd dat geen enkel mens dat wapen kan ontgrendelen.’

‘Ik ben niet bepaald menselijk,’ zei Mei. ‘Al heel lang niet meer.’ Ze haalde de trekker over.

 

Dit is een heerlijke dag, besloot Jonathan. De beste dag eigenlijk van mijn leven. Mijn kinderen spelen in de tuin, onze zoon duwt de schommel met zijn kleine zusjes, die joelen van de pret.

De stervende Mi-Go lekt bloed uit een gat zo groot als mijn vuist en de hemel stroomt met glorieus noorderlicht. Zelfs de ondode mannen die in de verte jammeren, passen op de een of andere manier in het plaatje. Ja, de meest perfecte dag die men zich maar na de Terugkeer kan wensen.

 

En de horizon ligt zestig miljoen mijlen ver : Tais Teng & Roderick Leeuwenhart

 

1

 

De zon werd juist boven de zestig miljoen mijl verre horizon getild, toen Gretchen bij de voet van de boortoren arriveerde. De inktzwarte slagschaduw van de boortoren hield het centrum van Mohrstadt nog in de schemering, maar Gretchen kon overal wekkers horen afgaan. Sommige bootsten de ochtendroep van mythologische hanen na, andere floten schril. De zon zelf dobberde in een trechter van wapperend noorderlicht en Cherenkovbliksems.

Stephan stond inderdaad bij de poort, zoals hij had beloofd.

‘Heb je het?’ vroeg Gretchen, en hij opende zijn hand. Op de palm glinsterde een staafje diamant-2, met strepen git voor de code.

‘Jij durft,’ zei ze. ‘Als je vader je betrapt, hangen ze je ondersteboven in de Schacht.’

‘Als ze ons pakken,’ verbeterde hij haar en Gretchen voelde haar maag samentrekken.

‘We kunnen echt helemaal tot boven?’ vroeg ze. ‘Tot het Kraaiennest?’

‘Het is de reservesleutel van mijn Vati en hij heeft die nog nooit gebruikt.’

‘Maar als ze vragen wat we hier uitspoken? De rondleidingen beginnen pas over drie Stunden en die zijn alleen voor de grote kinderen. Voor de eerstejaars boorgezellen.’

‘Daar heb ik aan gedacht.’ Stephan viste een plastic trommel uit zijn knapzak. ‘Sushi voor papa. Plus klapperbrood met bloedworst. Ik zeg dat hij die in de keuken heeft laten liggen.’ Hij greep haar hand en ze wist dat ze nu onmogelijk meer terug kon.

‘Kom,’ zei Stephan, ‘lass uns gehen. Veeg die grijns van je gezicht. Kijk lief. Heidi-schattig.’

‘Ik haat schattig,’ protesteerde Gretchen en dat was waar. Op Ludwilladag had ze de Valse Wolf gespeeld en niet een van de roze engeltjes.

‘Het is voor een goed doel.’

 

De poort zwaaide open bij hun nadering. Het was Yedhimr-tech, van voorbij de Jupiter-muur. Mensen konden dat vast ook wel, automatische deuren, maar dan zou je knarsende tandwielen en geratel horen, knetterende elektriciteit.

Boven de heraldische handboor en pikhouweel gaven letters van buigstaal de huidige diepte van de boorkop aan: 17.734,847 meter. De laatste zes jaar waren ze maar drie millimeter dieper gegaan, wist Gretchen. Met dit tempo zou het nog eeuwen duren voor ze de onderkant van de Schijf bereikten.

De nachtwaker stommelde uit zijn hokje, een slimme knuppel en een sissend dievennet in de handen.

‘Wat… O, jullie zijn het.’

Het ging om de timing, wist Gretchen. Gundrich was bejaard en zijn vervanger kwam pas over twintig minuten opdagen. Hij stond al te zwaaien op zijn benen en kon een geeuw amper onderdrukken.

‘Wat komen jullie doen?’

Stephan hief het trommeltje triomfantelijk op. ‘Vati was zo slaperig dat hij zijn broodtrommel vergat. Muti stuurde ons.’

‘Gut. Jullie weten hem te vinden?’

‘Jawohl, meneer,’ zei Gretchen met haar beste prinsessenstemmetje. ‘Hij heeft vorig jaar mij en mijn vriendje de geologische zaal nog laten zien.’

‘Zijn kantoor kijkt daarover uit,’ vulde Stephan aan.

‘Ik roep wel even een lift,’ zei Gundrich. ‘Eigenlijk mogen kinderen daar niet in, maar vierentwintig trappen lopen is nicht zu tun.’

 

De liftdeur schoof achter Gundrich dicht en meteen ramde Stephan de sleutel in de opening onder het paneel.

‘Druk op de bovenste knop terwijl ik de sleutel in überschreiben houd.’

‘Überschreiben?’

‘Voor als een reparateur of een Soldat ergens heel snel moet zijn. Niemand kan dan onderweg instappen.‘

‘Herr Meisterboorder Heugarden,’ sprak een suikerzoete stem, ‘u wilt non-stop naar de honderdtwaalfde verdieping?’

Scheiße! Een levende lift.

‘Genau so,’ antwoordde Stephan.

‘Prima, Herr Meisterboorder.”

Geen ingebouwde stemherkenning dus, dacht Gretchen opgelucht. Wat knullig!

Een klik en de lift stoof omhoog, accelereerde zo hard dat ze ineens tweemaal zoveel wogen en hun voeten in kloppend lood veranderden.

‘Honderdtwaalf verdiepingen,’ zei Stephan, ‘en niemand kan ons stoppen!’

‘En dan?’

‘Dan de volgende lift! Beter zelfs: niemand kent ons vanaf dat punt. Ik zeg gewoon dat mijn vader helemaal bovenin is gestationeerd, en…’

 

Het werkte. Twee keer toonde Stephan het trommeltje en twee keer oogsten ze slechts een glimlach. In de laatste lift waren de panelen met geciseleerd platina bekleed en droegen de andere passagiers overalls van zijde en laarzen van kweekleer. Ze geurden naar de beste, etherische smeerolie en verse ozon.

Hoe hoger, hoe rijker, ging het door Gretchen heen.

Gelukkig had ze zelf ook haar beste kleren aangetrokken. Met stoffige klompen was ze direct door de mand gevallen als een mossel­kwekersmeisje of een beitelslijperskind. Stephan was gelukkig slim genoeg om tegen deze lieden niet over zijn vaders trommeltje te beginnen. Dit soort mensen nam hun ontbijt vast niet zelf mee.

Sommige zaken moet je niet te luid denken: een matrone wierp een keurende blik op Gretchens kleren, fronste haar wenkbrauwen.

‘Is dat tegenwoordig de mode bij de Jungmenschen?’

Ze heeft ons door! Ze weet dat we helemaal van beneden komen.

‘Niet echt,’ zei ze snel. ‘Stephan en ik gaan naar een feestje. Een verkleedfeestje. Ik ben een mosselkwekersmeisje en mijn broertje is een beitelslijperskind.’

De vrouw glimlachte: ‘Also, dat hebben jullie overtuigend aangepakt. Viel Spaß.’

 

De laatste tien verdiepingen waren ze godzijdank weer alleen en de lift bewoog zich geruisloos omhoog. Door de doorzichtige, diamanten wanden kon Gretchen recht in de Schacht kijken. De centrale boor was een immense cilinder van diamant-3 en gehard platina die zo langzaam roteerde dat het bijna onzichtbaar bleef.

Een klingel en de lift stopte.

‘U bent gearriveerd, Herr Meisterboorder Heugarden.’ Een mierzoete lach. ‘Of wie jullie ook in het echt zijn. Maar wat weet een simpele lift daarvan? De regels stellen dat wie een sleutel van de Meisterboorder meedraagt, ook de Meisterboorder is.’

 

Ze stapten de drempel over, de absolute vreemdheid in. Ten eerste was er de lucht, zo ijskoud en ijl dat Gretchen als een vis naar adem hapte. De hemel welfde zich over hen heen; een blauw dat aan het zwart grensde. Er hingen dagsterren in, felle fonkelpuntjes: het grootste gedeelte van de atmosfeer moest onder hen liggen.

Ze schuifelden als slaapwandelaars naar de reling en de Alderson­schijf ontvouwde zich voor hen, te immens om ooit te bevatten. Stel je een kosmische cd voor, met de zon in het gat en de rand ter hoogte van Neptunus. De Yedhimr, de bouwers, waren niet eens veel slimmer dan mensen – hun beschaving was gewoon een slordige zestig miljoen jaar ouder.

Toen hun ruimteschepen voor het eerst boven het wolkendek van Jupiter uitstegen, zagen ze het zonnestelsel als een prachtige bouwdoos voor zich liggen. Van die saaie bollen van gas, ijs en ijzer kon je iets veel eleganters en comfortabelers maken.

Hun eigen wereld was de eerste die omgezet werd tot een segment van die kosmische schijf. Daarna volgden Uranus en Neptunus, Saturnus en haar ijzige manen.

Twaalf jaar later lag er een glinsterende cirkel om de zon en de mensheid kon enkel ontzet toekijken. Ze hadden voetsporen op de maan achtergelaten, maar Mars nooit bereikt. Die rode planeet bleek de volgende en werd een sliert rossig gruis die door de uitdijende ring werd opgeslokt.

Tienduizenden zenders vulden de ether in een poging de aandacht van die kosmische ingenieurs te trekken. Om genade te smeken. Wij zijn er ook nog. Ga alsjeblieft niet op ons staan. Wij leven, wij voelen, we denken.

Een antwoord kwam terug, in Chinees, Hindi en een eiwitsequentie die door schimmels kon worden geïnterpreteerd: ‘Vrees niet. Wij vinden kleine kriebelbeestjes juist hoogst amusant.‘

De volgende morgen ontwaakte de voltallige wereldbevolking op de Aldersonschijf, onder een blauwe hemel. Voor mensen de volgende morgen, in realiteit vijfhonderd jaar later. Alle sterren in een omtrek van negen lichtjaar ontbraken: voor een Aldersonschijf heb je akelig veel bouwmateriaal nodig. Met enkel wat gasreuzen en ijsdwergen kom je er niet.

Er was water en zuurstof, iedere stad en elk dorpje was zorgvuldig getransplanteerd, al lagen ze vaak tienduizenden kilometers uit elkaar.

Magneetvelden tilden de zon op om de dag te maken, trokken haar weer omlaag om de onbekende onderkant van de schijf te verlichten. Een etmaal duurde nu negenentwintig uur, maar het leek de meeste mensen onverstandig om daarover bij de Yedhimr te klagen.

 

Gretchen boog zich over de reling: Mohrstadt was een smoezelige vlek in de geel-met-rode mosvelden en algenpoelen. Daarachter begon de kale bodem van de schijf: zeshoeken van vulkaanglas en gruis. Het was zijn ruwe materiaal: je had een Yedhimr-transformator nodig om water uit de lucht te trekken en vruchtbare aarde te maken.

‘Zo leeg,’ fluisterde Stephan naast haar, en het was wáár. Mohrstadt was niets meer dan een stip op een onbeschrijflijk groot en leeg schaakbord. De atmosfeer, die van de Venusbaan tot halverwege de Marsbaan reikte, legde een waas over alles en kleurde de einders sidderend blauw.

De rails van het Wereldspoor trokken een zilveren lijn in het zonlicht. Hij leek dun als een spinragdraad, maar moest in werkelijkheid minstens zestig meter breed zijn om de nucleaire stoomlocomotieven te kunnen dragen.

Ze kneep haar ogen tot spleetjes.

‘Ik zie daar iets in het oosten. Iets groens. Geef mij je kijker eens?’

Er zat een ingebouwde stabilisator in en waarschijnlijk een dozijn filters. Bij twintigduizend keer zoom sprong het woud naar voren. Juichend groen, met zilveren meren. Nog eens keer twee en het werden weelderige bomen.

Het bos stuurde smaragden uitlopers de leegte in. Het was zo intens levend, zo vitaal, dat Gretchen de tranen in de ogen sprongen.

Ze reikte hem de kijker aan. ‘Is het niet fabelhaft? Wie heeft dat gemaakt?’

‘Dat is gewoon het Woud van Arden. Een stel boomkussers dat denkt dat ze de hele schijf groen kan verven.’

Hij draaide de vergroting op maximaal. ‘Daar. De Jupitermuur. Daarachter liggen de kokende waterstofoceanen van de Yedhimr, met hun galjoenen van diamant-6.’

Ze keek even naar de paarse muur, maar dat was meer uit beleefdheid. Bij deze vergroting kon je bladeren aan de takken zien wuiven, zag ze, toen ze weer op het Woud van Arden richtte, de aardbeien aan een struik tellen.

Een meisje wandelde langs met een schep en een mand vol dennen­appels. De zon had haar armen bruin gekleurd: ze had niets van de zorgvuldige bleekheid die boorders zo aantrekkelijk vonden. Kinderen, even notenbruin als zij, dartelden door een rij sproeiers waarin regenbogen dansten.

Dat wil ik ook! Maak die zaden wakker met jullie gieters en sproeiers. Schilder de hele schijf groen!

‘Wat moet dat daar?’ kwam een schrille stem. ‘Jullie horen hier niet!’

Het was de achterdochtige matrone uit de lift en Gretchen begreep dat hun avontuur voorbij was.

Het doet er niet toe. Al proppen ze mijn mond vol aardwormen en hangen ze mij ondersteboven in de Schacht: het was het waard.

 

2

 

Uiteindelijk kwam Gretchen er nog genadig vanaf: een week huisarrest en geen toetje voor de rest van de maand. Vooral dat laatste was geen straf – Gretchen hield niet bijster veel van wentelteefjes of hangop.

Stephan verging het minder goed. De volgende dag weigerde hij te gaan zitten in de klas en bleef hij achter zijn tafeltje staan.

‘Vati schudde mijn spaardoos leeg en zei dat ik alle zaden in St. Mohrs missiepot moest stoppen,’ klaagde hij. ‘Waar slaat dat nu op? Dat ik op de boortoren klom, daar heeft Mohr toch niks mee te maken?’

‘Het is gewoon stom,’ troostte Gretchen. ‘Maar we hebben op het Kraaiennest gestaan! Niemand anders in onze klas lukte dat.’

‘Aufgepast!’ commandeerde de meester en trok de kaart omlaag. Zijn vinger priemde. ‘Gretchen, aangezien je zin hebt om te quatschen, vertel ons eens wat we daar zien.’

Ze zuchtte. ‘Dat is het Paradisio van de Twee Rivieren, aan de onderkant van de Schijf. Aan de gouden bomen groeien granaatappels van robijn. Door één rivier stroomt Schnapps en door de tweede honingwijn.’

Het leek haar geen aanbeveling: ze had een slok uit oom Heindrichs borrelglaasje genomen en het brandde zo gemeen in haar keel dat ze hard had moeten hoesten. En robijnen appels kon je niet eens eten.

‘Correct,’ zei meester Grottlof. ‘Als je sterft, gaat je ziel daarnaar toe en wandel je met St. Mohr in de grazige weiden. Maar dat lukt hoogstens één op de miljoen. De rest verwaait als rook in de wind.’

Lidwien stak haar vinger op en zei, na een hoofdknikje van de meester: ‘Maar daar boren we de Schacht voor, meester. Zodat we levend naar het Paradisio kunnen afdalen en voor altijd onsterfelijk en gelukkig zullen worden.’

Het wicht.

‘Dat klopt helemaal,’ zei Grottlof. ‘Elke generatie boren we een paar meter dieper. Eens konden we zelfs geen kras in de laag met diamant-4 zetten en nu houdt alleen de middelste laag van diamant-6 ons nog tegen. We hebben diamant-7 nodig om daardoorheen te komen.’

‘Ik leer later voor kristallograaf,’ zei Lidwien. ‘Mijn Vati zegt dat getallen graag in mijn hoofd wonen.’

‘Wie weet wandelen we straks dankzij jou over de grazige weiden,’ zei meester Grottloff met een glimlach. Het gerucht ging dat de oudere meisjes hem konden kussen voor een beter cijfer en Lidwien was beslist het mooiste meisje van de klas, ook al had ze nog geen borstjes.

Ik kus nog liever een varken dan hem, besloot Gretchen ter plaatse. En wat moet ik trouwens met hoge cijfers? Zodra ik genoeg gespaard heb, stap ik op de Wereldtrein en reis ik naar het Woud van Arden. Niks geen gehak in harde steen voor mij! Ik zal frambozenstruiken planten en bloemzaden rondstrooien tot de hele Schijf groen en kleurig is.

Ze leunde achterover en voelde zich diep tevreden. Meestal weet je op je achtste nog helemaal niet wat je met de rest van je leven moest aanvangen. En natuurlijk zou ze ook met Stephan trouwen, maar dat was van minder belang.

 

3

 

De volledige spinazieoogst was verpieterd – twee jaar aan toegepaste hydrocultuur naar de maan! Sinds Gretchen met groen werkte, kwam ze vaker lachend dan chagrijnig thuis, maar nu had ze er toch zonderling de pest in. Het appartement met zijn bakelietmuren en namaak-antracieten vloer deed weinig voor haar humeur.

‘Na klar,’ ze plofte een schoudertas met dorre blaadjes naast haar sociaal onwenselijke bonsaiboom, plofte zelf op de sofa, ‘Feierabend.’

Stephans neus kietelde in haar nek. Hoe vond hij toch altijd precies dat gevoelige plekje? Ze lachte schallend. Haar vriend rook naar de hachee die uren had staan garen.

‘Was het niet mijn beurt?’

‘Na tien jaar weet ik,’ Stephan sleurde het schort van zijn middel, ‘dat ik dan tot vlak voor de laatste boring kan wachten op een bord eten.’

Voor iemand die de hele dag met ertsen en metalen werkte, was hij opmerkelijk goed in het bereiden van voedsel. Moest ook wel, samenwonend met Gretchen. Van trouwen was nog niets gekomen, samenwonen was voorlopig genoeg.

‘Zware dag op het werk?’ gokte hij.

‘Wist je dat er in deze hele klotestad,’ Gretchen zag Stephans blik vertrekken bij de heiligschennis, maar ging stug door, ‘geen brandschoon water te vinden is? Zelfs niet voor ons eigen vreten?’

Hij wist het. ‘De boorkop…’

‘Hoe is het mogelijk dat we al ons drinkwater in de schacht mikken om een boor te koelen die millimeters per jaar draait? Daardoor is nu al mijn spinazie verscheißt. Dat is een gevoelig gewas! Maar vertel dat aan een Meisterboorder, die zit met zijn kop in een substraat.’

‘Hé, dat, let op je taalgebruik.’ Stephan wist dat het hem op een giftige blik kwam te staan.

Feit was dat Gretchen nooit warm was gedraaid voor St. Mohrs heilige opdracht om het Paradisio te bereiken. Stephan zelf, ja, hij was even fanatiek als iedere andere trotse burgerboorder. Hij hoefde in de ochtend maar naar de stand van de boorkop te kijken om zijn borst te voelen zwellen. Dan wist hij: vandaag ging hij weer zijn uiterste best doen om een synthetisch materiaal met een hardheid van diamant-7 te vervaardigen. Ooit lukte het en kwamen ze door de kernplaat heen.

Gretchens geest hing meer naar het… biologische.

‘Het zit me gewoon tot híer, Stephan.’ Ze zwaaide boven haar hoofd, waar een keurige burger juist naar zijn enkels zou wijzen. Alles in Mohrstadt ging neerwaarts. ‘Elke dag word ik nijdiger.’

‘Kom, Gretchen,’ zei hij, ‘wees weer eens mijn Heidi.’

‘Ik bén geen verdammtes Heidi!’

Hij bedoelde het lief – hij bedoelde het altijd lief – maar juist dat schoot in haar verkeerde, inmiddels reusachtige keelgat. Ze kon geen woord meer horen over boren. Over schachten. Welk blödes stukje diamant harder was dan de vorige, en hoe onsterfelijkheid en zoete honingbrij wachtten aan de onderkant. Had niemand behalve zij een stel fatsoenlijke ogen in haar kop? Aan de horizon, hooguit tienduizend mijl ver, lag een weelderig woud, met meer biomassa en diversiteit en natuurschoon dan ze elders ooit zouden vinden!

Stephan ging nukken in de keuken. Prima, had zij geen last van hem. Het was best lang goed gegaan, vond ze. Gretchen kon zich zomaar ellendigere relaties voorstellen. Ze hadden elk hun passie, waardoor ze in ieder geval van elkaar begrepen wat de ander dreef. Ze hield soms zelfs van hem, echt.

Alleen was het moment gekomen dat ze al jaren aan voelde stormen: die passies liepen niet langer over dezelfde rails. Ze keek uit hun raam; een achteloos gedrilde apertuur in de buitenwand, waar ze langs honderden brutalistische flats en kromgetrokken gevels moest turen voor een flintertje horizon. Het woud had haar gedachten nooit verlaten.

Het was tijd. De hoogste tijd.

 

Tot haar verrassing voelde ze zich hier meer thuis dan al die jaren tussen grijze stadsblokken en schaduwrijke straten. Dit mosveld geurde naar oude compost en prikkelde Gretchens ogen. Rood en geel, waar je ook keek. Zelfs toen haar sokken zich volzogen met water toen ze in een verdekte algenpoel stapte, moest ze grinniken. Dit was zo heerlijk slordig en zompig allemaal.

En het was verbazingwekkend makkelijk geweest om voorbij het grenslint te komen.

‘Werda?’ blaften de wachters, priesters van de uiterwaarden met ceremoniële splinters van vulkaanglas in de hand. Ze stelden niet veel voor in de hiërarchie.

‘Gretchen,’ zei ze monter. ‘Ik maak een wandeling.’

‘Maar… waarheen?’

Ze wees een slordige vijfduizend mijl naar voren.

Het voelde aan als een grap van schijfgrote proporties. Hoe dichter je bij de Schacht kwam, in het centrum van Mohrstadt, des te strenger de controle. Slenterde je echter naar de randen toe, dan werd hun samenleving zo lek als een oude stoomkachel.

Ze lieten haar door, ongehinderd, zonder de gebruikelijke tol en fooien, omdat ze zich niet voor konden stellen dat iemand naar buiten zou willen. Horizontale bewegingen waren de wachters vreemd – het verticale was alles.

Het was meteen ook het laatste moment dat alles van een leien dakje ging. Voorbij de mosgrens begonnen de hexagonen van vulkaanglas – zo spekglad dat Gretchens zolen er geen grip op kregen. Na drie stappen glibberde ze al op haar heup, recht op een waterzak die knapte en een eeuwige plas op het oppervlak vormde. De Aldersonschijf was schoner dan het gewaad van de hoogste priester en bovendien absoluut waterdicht.

‘Verdammt.’

Het kostte haar een dag en een nacht om de halve zeshoek te doorkruisen. Zoveel leegte had Gretchen nog nooit gevoeld. Dit begon toch redelijk unheimlich te worden. Al die ruimtelijkheid om haar heen… Ze zou iemand in de verte aan kunnen zien komen, en dan duurde het alsnog een dag of langer voor ze elkaar de hand konden schudden.

Ze viel als een zeester in slaap, plat op de plaat. Het beetje energie dat ze ermee won was genoeg voor de tweede helft. En daarna nog een.

Haar rantsoenen – kliekjes hachee in een aluminium trommel – waren verorberd, de  waterzak halfleeg. De laatste loodjes konden niet snel genoeg komen.

 

Met een sprongetje van haar hart zag ze haar doel: het treinstation.

In haar jeugd had Gretchen nog het onnozele idee gehad dat ze naar het Woud van Arden zou kunnen lopen, of misschien met een vlieger vanaf het Kraaiennest? Met opgroeien kwam ook het besef dat die afstanden onmogelijk waren. Ze had vervoer nodig en de enige optie was per locomotief. De zilverdraad die ze ooit zag, sneed door de hele menselijke gordel, misschien nog wel verder. Maar Mohrstadt, wiens bevolking geen oog had voor eender welke reis dan naar beneden, was niet aangesloten op het spoornet. Er was zelfs nauwelijks informatie over bijeen te sprokkelen: hooguit dat het fenomenaal duur was om een ritje te maken, en dat het meest nabije station net zo goed aan de andere kant van de zon had kunnen liggen.

Mohrstedelingen waren geen reizigers.

Maar Gretchen was er niet veel beter op afgestemd; het werd haar pijnlijk duidelijk hoe waardeloos mensenogen zijn met het inschatten van enorme afstanden. Het station leek maar niet dichterbij te komen en uiteindelijk was ze een volle dag verder tot ze, moe en hongerig, in de vroege avond aankwam.

Uit het ticketpoortje werd ze geen wijs: haar wijsvinger liet een zigzag op het touchscreen achter die meteen uitdoofde en haar duimafdruk werd niet herkend.

Voetstappen.

‘Das ist ja geen gokkast, Mädchen,’ zei de stationsofficier. ‘Waarheen voert je reis?’

‘Ik wil naar Arden. Het Woud.’ Gretchens vervellende lippen speelden nauwelijks nog mee.

‘Dat komt straks wel. Allereerst: toegang tot Brosthoven Süd gaat per kwartier, een Viertel is negentig korrels, een Stunde driehonderd­veertig.’

Ze was te uitgeput om geschokt te reageren. Hoeveel?

Haar portemonnee, vol zakjes graan per tiental, was over de jaren speciaal voor deze gelegenheid gevuld, maar op deze bedragen had ze niet gerekend! Drie-veertig, dat was bijna de helft van haar spaargeld, en dan had ze alleen nog maar toegang tot het perron.

De officier zuchtte: hij was duidelijk gewend aan een welgestelder clientèle.

Gretchen blikte terug over het barre, waterloze land en wist dat ze de terugtocht nooit zou halen. Haar waterzak was leeg, de zolen van haar laarzen lagen aan flarden. Geen keus dus.

Ze viste de hoeveelheid granen op uit de map en kreeg als beloning een toegangsschijf die knalrood was. Elke minuut zou een fractie van de kleur vervallen – bij wit werd ze niet langer getolereerd.

De stationshal werd geflankeerd door lonkende waterwinkels en schoenenzaken, zag ze. Maar als ze daar haar overgebleven centen aan stuksloeg, kon ze die treinreis helemaal vergeten.

Verbrand alle schepen achter me. Het is niet erg als ik zonder een zaadje op zak aankom.

‘Nu wil ik graag een kaartje naar jullie eerste stop. Het Woud van Arden.’

‘Dat valt te regelen, dame.’ Hij gebaarde naar de printer die meteen begon te ratelen en een paar seconden later een kartonnen rechthoekje uitbraakte.

‘Dat wordt dan tweehonderdzestien zaden.’

Prima, dat haal ik nog net.

‘Elitezaden, welteverstaan.’ Zijn grijns droop van het leedvermaak. Er gingen honderd basiszaden in een elitezaad. Eenentwintig en een half duizend zaden. Een kapitaal dat geen normale arbeidster ooit bij elkaar kon schrapen.

‘Toch maar niet?’ zei die Arschloch en mikte het kaartje in de versnipperaar.

 

Ik heb een uur. Ze blikte naar het perronkaartje. Minus zeven minuten.

Halverwege Gleis 1 rees de locomotief op: aangekorste platen titanium, een blinkende schoorsteen van brons. Uit de opening wolkte verblindend witte stoom.

Ze snelde langs de zitbankjes, langs manshoge wielen.

Daar, de wagons. Vergeet de eerste klas met zijn satijnen gordijntjes. Zelfs de derde is te riskant.

Gretchen stopte bij de goederenwagon waaruit de stank van varkensmest walmde, keek om zich heen. Niemand. Ze trok zich op aan de deurhendel, mepte op de knop met twee van elkaar afgewende pijltjes die waarschijnlijk voor ‘open’ stonden.

Goed gegokt. De deur schoof terug met een allervervaarlijkst geknars.

Een ferme tik op haar schouder. Achter haar stond de officier. ‘De derde klas is twee wagons terug, mevrouw. Nu we hier toch staan, mag ik uw vervoersbewijs zien?’

 

Hij bleef haar volgen als een bloedhond: geen tweede kans.

Ze kocht een glas ijskoud rabarbersap bij een kraampje: haar zaden waren toch nutteloos. Zelfs de goedkoopste sandalen gingen haar budget te boven.

Bij de uitgang keek ze op haar perronkaartje. Bijna al het rood was weggebleekt en de wijzer van de geprinte klok stond al vlak voor de twaalf: ze zouden haar over enkele minuten uit het station zetten.

Net toen ze besloot zichzelf dan maar onder de treingrill van een langssnellende railsschuurder te slingeren, parkeerde een Yedhimr-aquarium zich naast haar.

Het was een bol vol kokende waterstof en slierende methaan. Daar­binnen was de anderling niet meer dan een vormeloze schaduw. Niemand had ooit een Yedhimr in zijn natuurlijke gedaante gezien en misschien was dat zijn ware vorm wel: kronkelende draden en een lijf van superhete waterstof?

Gretchen had het object eerder al gezien op het perron, maar weggecijferd als ornament.

Een hoge noot klonk en een avatar stapte uit het glas. Het wezen leek min of meer op een mens, al was hij zeker drie meter lang en had zijn eigenaar hem een extra paar armen gegeven. Aliens letten zelden op dat soort details, omdat ze de menselijke vorm sowieso belachelijk vonden.

De avatar keek op haar neer, trok zijn lippen tot iets wat waar­schijnlijk een vriendelijke glimlach moest voorstellen. ‘Wat een treurige tronie, meiske. Kneep een onverlaat in je teddybeer?’

Teddybeer? De vertaalmodules van de Yedhimr waren een stuk minder goed dan ze zelf geloofden.

‘Ik heb te weinig zaden voor water of nieuwe schoenen en straks duwen ze mij raus. Recht in het heetst van de dag.’

Het wezen keek omhoog. ‘De zon lijkt inderdaad feller dan anders. maar dat is toch geen probleem? Als je sterft, gaan jullie toch meteen door naar de Onderkant?’

‘Dat is een kletsverhaaltje om iedereen door te laten boren. Zolang we graven, geven we onze zaden zonder morren aan de priesters en hangen we ze niet aan de hoogste lantaarnpaal op.’

‘Die analyse lijkt mij juist,’ zei de Yedhimr. Hij trok aan zijn onderlip. ‘Ik begrijp dat je liever niet wilt sterven?’

‘Stimmt.’

‘Dan offreer ik een uitkomst. Ik geef je een lift naar Mohrstadt en je ziet vanavond nog de zon in zijn smog verzinken.’

Anderlingen deden niet werkelijk aan liefdadigheid. Ze hadden de mensheid gespaard om hun eigen redenen.

‘Ik heb nog driehonderd zaden over,’ zei Gretchen.

‘Dat volstaat als aanbetaling.’ De avatar stak zijn hand uit en ze schudde haar buidel helemaal leeg.

‘En hoe betaal ik de rest?’

‘Door te helpen. Je wordt mijn trouwe linkerpink. Verbleek niet: het zal je zaden opleveren. Bergen en hopen en uiteindelijk genoeg om een kaartje naar je onbereikbare Woud van Arden te kopen.’

‘Er is dus geen privacy op dit perron.’

‘Alsjeblieft, zeg. Mijn oren zijn enkele factoren beter dan die van jullie. Ik hoor alles. Van het ruisen van de longen van de rangeer­wachter tot het trippelen van de vijfpotige kakkerlak onder die tegel daar.’

Een kaartje. Ze zou haar ziel, als ze die al had, verkopen voor een kaartje. ‘Wat moet ik doen?’

‘Wat moeten wij samen doen?’ verbeterde hij haar. ‘Het is mij nog niet helemaal duidelijk. Een kraak, een spoliatie, een truc zo gewaagd dat ze zelfs achter de muur hun oren spitsen.’

‘Aha. Je wilt dus terug,’ zei Gretchen. ‘Je bent verstoten, of het werd je te heet onder de voeten.’

Hij keek haar even aan met die rare avatarogen – nog nét niet helemaal overtuigend. Toen knikte hij vaderlijk. ‘Scherp. Ik maak in jou de juiste keuze. Ja, zo zit het. Kijk, jullie denken dat wij Yedhimr zo wijs en verhezen zijn: zenmonniken die over KI en de Eeuwigheid mediteren. Niets is minder wortel! Bij ons bepaalt sluwheid je status, de hoogste vorm van kunst is wat jullie een practical joke zouden noemen. Stel je negentien biljoen Reinaerde de Vossen voor, Loki’s en Odysseusen. Alles draait bij ons om ashad. Je kunt dat het beste vertalen als “een pokerface waarin zelfs de croupier gelooft”. Zonder ashad zal geen vrouw je haar eierstrengen willen tonen.’ Hij schudde zijn hoofd en deze keer had hij de droefheid wel te goed te pakken. ‘Mijn ashad was abominabel. Iedereen doorzag mijn trucs en uiteindelijk werd mijn status zo laag dat ik naar de mensencirkel werd verbannen. Ik moet hier een andere invalshoek vinden. Een grap die nooit eerder vertoond is.’

‘Met Mohrstadt als slachtoffer?’

‘Dat alleen al zou het uniek maken. Jullie bazen, jullie arrogante Meisterboorders, gaan bloeden en hun zaden in onze zakken gieten.’

‘Ik doe mee!’ Ze hief haar hand op en de anderling bleek ingeburgerd genoeg om haar een high five te geven. ‘Hoe heet je eigenlijk?’

‘Oplichters gebruiken de naam die nodig is. Meisterkristalloog Ludovicus lijkt mij toepasselijk.’ Hij grinnikte heel verdienstelijk. ‘Meister, omdat een Yedhimr automatisch die titel verdient. Per slot van rekening bouwden wij de Schijf.’

 

 

4

 

In het Mackiedistrict van Mohrstadt werden je zaden op elke straathoek geroofd en wist je nooit waar het mes vandaan zou komen. Burgerboorders ontweken deze wijk vol rapalje en mislukte kristal­vorsers. De perfect plek dus voor Gretchen en Ludo om kwartier te maken.

‘Die woordensoep daar,’ hij bedoelde uithangbord, ‘kunnen we er ongestoord complotteren?’

‘Ich bitte dich! Mensch, ik ben hier ook voor het eerst.’

‘Ha, Mensch. Humor.’

Ze versnelde haar pas om de entree tot nachtclub Nichtsdestotrotz open te houden voor de drie meter lange, veelarmige avatar die zijn menselijke wandeltred nog steeds niet lekker onder de knie had. Ook binnen vlogen de bevreemde blikken hun kant uit.

‘Wil je het nu nog steeds niet geloven?’ Ze stootte in zijn dijbeen. ‘Je bent acht koppen te groot voor ons en wij variëren minder met ons aantal armen dan je denkt.’

‘Hm, hm, je hebt misschien een potlood.’

Ach, hij had tenminste zijn ware gestalte in de koets gelaten. Het aquarium stond veilig geparkeerd in een garagebox, bedekt, vrij van nieuwsgierige ogen.

Zodra ze in een paarsbelichte nis zaten, nam een serveerster in dirndl hun bestelling op.

‘Aha!’ riep Ludo. ‘En dan is het nu tijd voor de list, de weldadige truc, de ontwrichting. Je opleiding begint hier, onvolwassen zygoot!’

 

De eerste oefening was in vingervlugheid. Of, zoals Ludo het uitlegde: ‘Deze vleeskloon is van inferieure kwaliteit. Van gedachte tot beweging duurt twee picoseconde; een oeverloze vertraging! Ik ben dus van de afleiding, jij afdeling gaphandjes.’

Gretchen en hij stonden voor een juwelier die zich specialiseerde in cocktailringen.

‘Ik, eh,’ zei Gretchen. Ze likte over haar lippen die ze voor de gelegenheid felrood gestift had. ‘Ik zou graag wat juwelen zien. Mijn oom Ludo zei, zoek er eentje uit die goed bij mijn huid past. De kleur van mijn haar.’

Ludo knipoogde naar de edelsmid – die wist vast wel hoe het was met suikeroompjes en hun geheime concubines.

‘Mohr, wat mooi!’ kirde Gretchen. ‘Komt dit allemaal uit de schijf?’

Ze beroerde héél voorzichtig de fonkelende opaal, toen de saffier, de ring met de smaragd, de ketting van barnsteen. De juwelier hield de kist stevig vast: forse polsen met links een aardig klokje eraan.

‘Niet bepaald,’ zei hij met valse vriendelijkheid. ‘Dit komt nog van de oude aarde. De materialen die de Yedhimr niet gebruikten, leverden ze geraffineerd en schoongepoetst aan ons terug.’

‘Waarom zijn ze dan nog zo duur?’ grapte Ludo, alsof het hem geen moer kon schelen.

‘Om hun waarde te behouden, natuurlijk. Stel je voor dat iedere stumper met zulke kostbaarheden loopt – u zou er niet meer mee gezien willen worden.’

Gretchen kon ondertussen niet ophouden met het bewonderen van de edelstenen. Plots was het blijkbaar genoeg. Ze schoot overeind en bedankte de ambachtsman. Voor hij kon antwoorden, was ze de deur al uit. Ludo gunde hem een blik van ‘Maîtresses, wat doe je eraan?’ en stapte hartelijk naar buiten.

De juwelier had het tweetal maar onbetrouwbaar gevonden en zijn edelstenen geen moment uit het oog gelaten. Hij sloot opgelucht zijn winkel, zeker dat er geen één was ontvreemd.

De volgende ochtend stond hij echter vloekend voor zijn badspiegel: zijn antieke Rolex was verwisseld voor een prul.

 

‘Ik dacht aan zaden,’ zei Ludo achteloos. Hij had inmiddels zijn armen gereduceerd tot het standaard duo en was vijftig centimeter geslonken.

‘O-oh?’

Gretchen was buiten adem. Ze was al honderdmaal van de ene kant van de steeg naar de andere gesprint – over de containers, onder het rooster door – een ware hindernisbaan. Nooit was ze snel genoeg, altijd zag hij haar uit zijn ooghoek. En nu hield die buitenaardse rakker ook nog een lezing.

Nog eens.

Ze zette af en probeerde razendsnel doch geruisloos het parcours te doorlopen.

‘Dat vind ik dus echt knap aan jullie. Mensen hebben buiten­proportionele hoeveelheden biomassa nodig voor de vertering van spijs. Nu biedt onze schijf oneindige ruimte om voedsel te verbouwen, en wat doen jullie? Jullie programmeren de zaadjes genetisch zo dat ze maar één keer bloeien en daarna niet meer. Jullie hinderen je groei om de zaden als handelsvector te kunnen gebruiken!’ Ludo schaterde, wat per ongeluk veranderde in huilen, toen weer lachen. ‘Meisterlijke oplichting. Ik neem er mijn hoofd voor af.’

Ze was er bijna.

‘Daar, bij de afvalsloot.’

‘Ach, scheiße!’

Opnieuw.

Glip in de goot, kruip achter de kliko’s, over die ellendig krakende ladder…

‘Maar alle gekheid op een spies. Kunnen we niet iets met zaden doen? Ze op een of andere manier kweken dat ze meerdere generaties meegaan, en daarmee de markt bespelen?’

Voor zo’n knaller zou ze terug moeten naar de hydroponische kas waar ze had gewerkt. Alsof iemand een dolk in haar hart stak: alleen de gedáchte al dat ze haar oude leven weer moest oppakken…

‘Te ingewikkeld,’ pufte ze. ‘Zaden zijn enkel ons doel, niet het middel. We hebben iets simpelers nodig. Iets waar elk burgerboordershart sneller van gaat draaien.’

‘Mee eens. Is dat een fladderend jasje dat ik zie?’

Ze vloekte nog eens hartgrondig, maar dacht: Als ik eerder op mijn buik ga, ben ik stiller. Dit lukt me.

 

De knisperende hologramborden in Mohrstadt rapporteerden een mini-misdaadgolf. Oplichters gesignaleerd: tientallen zaakjes en mensen waren verblüfft en zadenloos achtergelaten. De inwoners van het Mackiedistrict haalden hun schouders op.

 

Drie weken en honderd lessen later hield Ludo een kleine ceremonie: volgens hem was Gretchen er klaar voor.

‘Ik voel zelfs, ja, ik ben er zeker van: een beginnende ashad die in je opborsten!’

‘Laat mij het woord maar doen, Ludo,’ Gretchen grijnsde, ‘wanneer we onze slag slaan. Wat dat ook zal zijn.’

‘Was dat sarcasme? Kijk, zo goed ben je inmiddels – ik wéét het gewoon niet meer bij je.’

Hij mepte op haar voorhoofd met een loeiharde currywurst. Voor Yedhimr was het vast een teken van liefkozing of respect, voor Gretchen was het vooral een pijnlijke straf. Hij kreeg een pets ter vergelding (voelden ze wel pijn via hun avatar?), daarna wreef ze met een zuur gezicht over de beurse plek.

‘Jullie schedels kunnen wel wat hebben hoor,’ grapte Ludo. ‘Minstens diamant-4.’

Het zeer was op slag vergeten. ‘Daar zeg je iets… Mohr-im-Paradisio, ik denk dat ik weet wat we moeten doen.’ Ze stak een vinger in de lucht. ‘St. Mohrsdag en het Grote Boorfestijn!’

 

5

 

‘Ik heb eens nagedacht, Ludo,’ zei Gretchen drie dagen later, ‘over de hele operatie.’

‘Altijd een goede gewoonte, nadenken. Ga door.’

‘Waarom eigenlijk al die moeite? Jullie hebben de schijf gebouwd en als jullie diamant-6 kunnen maken, dan vast ook wel diamant-7. Kweek gewoon een boorkop van zeven! Geef ze op het festijn precies wat ze wensen.’

‘Een gebruikelijke, menselijke misconceptie! Wij bouwden de Schijf helemaal niet: dat deden de KI’s, onze kunstmatige intelligenties.’

‘Na und?’

Hij spreidde zijn handen. ‘Je snapt het niet. Wij programmeerden de eerst KI’s zo’n vijftig miljoen jaar geleden. De volgende generatie ontwikkelden zij echter zelf. Na de derde iteratie was er geen Yedhimr intelligent genoeg om hun uitleg te snappen. “Bouw een Aldersonschijf,” bevalen wij ze, en dat deden ze. Nee, melkmeisje, wij zijn de magiërs die de spreuk kennen om demonen voor ons te laten werken. Zelf toveren kunnen we niet.’

‘Dan is het nog steeds makkelijk zat. Roep zo’n demon op en vraag hem om een boor van diamant-7. Einfach!’

‘Iemand met zo’n lage ashad als ik?’ Ludo leek waarlijk gekrenkt, maar het was vast komedie. ‘Daar verschijnen ze echt niet voor. Laat staan dat zij mij gehoorzamen. En zelfs als dat zou werken: waar zit het bedrog? We geven ze precies wat ze wensen en krijgen ervoor betaald. Zoiets zou mij juist mijn laatste flinter ashad kosten…’

‘Goed, ik snap het, entschuldigung. Meld ons dan maar aan voor de boortest.’

‘Eergisteren al gedaan! Het kostte ons bijna alle zaden als onderpand.’

‘Wie zijn we precies?’ vroeg Gretchen. ‘Straks?’

‘De oude kristallograaf en zijn aanbiddelijke kleindochter, die helemaal idolaat van het boorgebeuren is.’

Hij morphte tot zijn huid bruin en rimpelig kleurde en er witte haren uit zijn schedel ontsproten. De avatar had zelfs poriën, zag Gretchen, en stoppels op zijn wangen. Dit was het betere werk.

 

Het festival zou over negen dagen beginnen en de ingang van de boortoren hing al vol lampions.

Ludo toonde de bewaker de vervalste kaartjes.

‘Dat is amper nodig, Meister,’ zei de bewaker. ‘U hoort hier duidelijk thuis.’

Ze namen de lift omlaag, een gevaarte zo wijd als een hockeyveld. Door de ramen zag Gretchen de boor voorbij snellen en hij leek haar sneller te draaien dan de keer dat ze naar het Kraaiennest gingen. Alsof ze toch nog een laatste wanhoopspoging deden om door de laag diamant-6 heen te breken.

Het eerste stuk verliep in vrije val en ze moest de armsteunen van haar stoel vastgrijpen om niet naar het plafond op te stijgen. Daarna kwam het gewicht terug en werd ze in de kussens gedrukt tot ze naar adem hapte.

Een schok en de grote deuren schoven open: ze waren onderin de Schacht, het heiligste der heiligdommen. Voor hen lag de befaamde St. Mohrzaal, waar de boorpunt zich in de schijf vastbeet. De punt was duidelijk diamant-6, vol regenboogglitters en moirépatronen. In de loop der jaren had de punt een ondiepe kuil uitgesleten in het keiharde materiaal, louter door wrijving. In een aangrenzende ruimte stonden de testplaten opgesteld, die binnenkort de hoofdrol speelden tijdens de festiviteiten.

Ludo trok een replica-testplaat van diamant-2 uit zijn buidel – vrij goedkoop te produceren, het had nauwelijks waarde. Hij streek met een knipoog over het oppervlak. Een hologram spreidde zich over het object uit en nam precies dezelfde schittering aan als diamant-6. Dit was Yedhimr-tech: veruit superieur aan alles wat mensen konden brouwen.

Hij stak haar de testplaat toe. ‘Nu is het jouw beurt.’

Ze danste op de suppoost af in een werveling van tule.

‘O, meneer,’ kirde ze, ‘is dat hem echt? De testplaat die St. Mohr persoonlijk uit de schijf gebikt heeft?’

Wat natuurlijk klinkklare nonsens was. Mohr leefde, als hij ooit echt bestaan had, eeuwen voor de boortoren zelfs maar opgericht was.

‘Dat is inderdaad zo, meisje.’ Hij streek over zijn snor, plukte aan de uitwaaierende bakkebaarden. Dit was duidelijk een persoon die geen ervaring met sexy bakvissen had. Gretchen greep zijn arm vast. ‘Weet u wat mijn diepste en grootste verlangen is?’

‘Eh, nee?’

‘Om de steen aan te raken, meneer. Gewoon even aanraken. Ik geef hem echt meteen terug.’

‘Tja.’

‘Ik weet dat het natuurlijk niet mag…’

Ludovic was dichterbij geslenterd, een en al toegeeflijke waardigheid. ‘Ik vrees dat mijn kleindochter een beetje opdringerig is, maar ja, de Sint is onze huisheilige en…’

‘Och, een keertje kan geen kwaad.’ Hij stak zijn sleutel in de vitrinekast, reikte haar de testplaat aan. Ze streek er met haar vingertoppen over, haar ogen groot van ontzag.

‘Meneer?’ Hij keek naar haar, niet langer naar de plaat, en ze vloog hem om de hals. ‘Vielen dank! U bent toch zo lief! Dit zal ik nooit vergeten!’

Hij maakte zich voorzichtig los uit haar omhelzing en legde de plaat terug in de vitrine. Het slot klikte.

‘Graag gedaan.’

 

‘Dat was glücklich makkelijker dan ik had gedacht,’ zei ze in de lift. ‘Ik hoop alleen dat niemand het verschil in gewicht merkt. Onze plaat weegt een stuk minder dan de echte.’

‘Allang geregeld, naïeve luis.’ Dat bedoelde hij uiteraard liefkozend. ‘Diamant-6 is zeker tweemaal zo zwaar omdat de koolstofatomen een stuk dichter op elkaar gepakt zitten. Ik gaf onze fake daarom een kern van kristallijn platina. Het is precies op gewicht.’

 

 

6

 

Of Gretchen inmiddels echt een ashad had, zoals Ludo beweerde, wist ze niet – maar ze had inmiddels goed in de smiezen hoe een degelijke oplichterij eruitzag. Eerst deed je het voorwerk: kostuums en een goedgekozen accent om verwarring te zaaien. Tijdens de afleiding verwisselde je dan iets authentieks voor een imitatie, iets hards voor iets zachts. Een testplaat van diamant-6 voor eentje van diamant-2.

Dan kwam de truc. Voor het soort waar Ludo op aasde moest het slachtoffer zelf toekijken en er volledig intuinen. Iedere zakkenroller kon iets stelen als de eigenaar er niet met zijn neus bovenop zat – maar waar zat daar de vaardigheid in?

Of de lol?

Gretchen gaf toe: ze had hier meer plezier in dan verwacht. Het kietelde haar zenuwen op een fijne manier.

‘Dus we arriveren op het feestgedruis met onze boor van diamant-4, die normaal gesproken bij lange na niet door de testplaat zou komen…’ Ludo kon het niet laten het plan te doorlopen. Hij zag het al helemaal voor zich.

‘Ware het niet dat we die plaat hebben vervangen. Genau?’ Ze slurpte aan haar houtskoolshake. ‘En dan ziet iedereen ons succes en vallen hun monden open en collecteren wij de jackpot.’

‘Een exorbitante zadenbuit.’

En ze hoefden zich beslist geen zorgen te maken dat iemand anders eerder hun nep-testplaat zou gebruiken. Er was al jaren geen uitvinder gek genoeg geweest om een jaarloon aan het wedstrijdgeld stuk te slaan – niet zolang er geen doorbraak was in artificiële hardheid.

‘Voor ze weten dat het bedrog is, zijn we al weg.’

Een geratel trok Gretchens blik naar het deelnemersbord dat rond een boorvormige ballon boven de feesthal-in-opbouw hing. Ludo en zij stonden tegen de reling en keken neer op de tienduizend stoeltjes die zichzelf uitklapten. Op het verre podium werd straks de jaarlijkse ceremonie gehouden. De prestaties van kristalvorsers en laboratoria uit heel Mohrstadt werden gevierd, in verschillende klassen. Het was al een prestatie om diamant-3 of -4 te maken, daar kwam nog keurig applaus voor. Het deelnemersbord vulde zich dan ook met namen in elke categorie.

Alleen de hoogste, de hoofdprijs, de heilige graal van hardheid, had maar één deelnemend paar. Zij.

Een nieuwe ratel.

De bordjes klapperden, kwamen tot stilstand. Gretchen knipperde met haar ogen en liet haar shake op de reling spetteren. De anderling had nog niets door.

‘L-Ludo…’

‘Wat is er, door-en-door-vlees? Sorry: Mensch?’

Ze wees naar de deelnemer die in hun categorie was verschenen, vóór hen zelfs.

Ludo stelde zijn ogen scherp en kakelde: ‘Zo zo, een opponent. Dat is onaccupunctuur.’

Een concurrent die hun bedrieglijke testplaat als eerste zou gebruiken en daarmee hun stunt aan het licht zou brengen, of nog erger: er met de buit vandoor zou gaan. Maar dat was in Gretchens optiek niet eens het ergste. Haar ingewanden verpulverden tot gruis: de naam boven de hunne was Stephanus Tocht. Háár Stephan.

 

Een kosmische grap, dat was dit. Een knipoog van de Yedhimr. Van alle dingen die ze het minste wilde, stond terugkeren naar hun appartement op nummer één. Toch stond ze hier en verdammt, haar sleutel paste nog in de voordeur.

Aankloppen? Als een vreemde? Het was nog geen twee maanden geleden dat ze hier woonde. Dat voelde inmiddels aan als jaren. Gretchen werd tegenwoordig omringd door uitschot en anderlingen, maar óók spektakel en kleur.

Ze duwde de klink naar beneden.

Stephan zat uitgeblust op de bank – net terug van werk – met een koffer vol vers gekristalliseerde boorkoppen nog op schoot. Voor ze haar keel schraapte om aandacht, rook hij haar al.

Dit was waar ze al die tijd voor had gevreesd: die gigantische ruzie die nog gevoerd moest worden. Stephan was overdonderd door haar aanwezigheid en stond op.

Gretchen zwaaide flauwtjes, mompelde een hallo.

Zijn blik van ongeloof veranderde in gelukzaligheid. Nu wist ze wat het was om een puppy te hebben. Hij schoot naar haar toe en pakte haar handen vast.

‘Gretchen, het is me gelukt!’ riep hij extatisch. ‘Diamant-7, Mohrzijgeprezen! Ik wist al dat ik op het juiste pad was, het afgelopen jaar, en hé, ik begrijp het, ik was alleen maar aan het werk en had geen aandacht voor je. Nu wordt alles anders. Maar weet je: ik wist dat je terug zou komen, je moest alleen even je hoofd weer recht op je nek draaien.’

Ze werd bijna boos. Stephan hoorde woedend te zijn, niet zielsblij! Ze was verdomme weggelopen zonder een boe of bah. En wáárom dacht hij precies dat ze was vertrokken? Een deel van haar wilde tegen hem snauwen dat hij zelf dolgedraaid was, maar als zijn aannames haar een vrijkaartje gaven – ausgezeichnet.

Zie dit als een volgende oefening, hoorde ze de stem van Ludo, die steviger in haar hoofd zat dan ze had gedacht.

Het duizelde Gretchen ineens en ze zeeg neer op de bank.

‘Ik heb het niet verdiend,’ murmelde ze, bleekjes, ‘maar zou je nog een keer wat Kräutertee voor me willen zetten?’

Dat hoefde je Stephan niet tweemaal te vragen. Hij stoof enthousiast de keuken in. Zodra Gretchen de ketel hoorde pruttelen, gleed ze in spagaat op de grond en vingerde een boorkop uit de koffer. De diamant had een fonkelrode kern die aan het zwart grensde. Het licht werd zo sterk gebroken dat enkel de langste golflengtes overbleven.

Het doelwit had ze ook al in haar vizier: die spuuglelijke vaas van diamant-6. Stephan wist ze stevig te maken, maar een groot kunstenaar was aan hem niet verloren gegaan.

Ze mikte de punt in de onderkant en schraapte er zomaar een krul vanaf.

Het is ‘m gewoon gelukt! Niet juichen nu, dat hoort hij. Diamant-7… Het spul is als natte klei onder zijn boor!

Voordat de thee zich klaar floot, zat ze weer terug tussen de kussens. Stephan kwam met een dampende mok van vulkanisch gesteente uit de keuken.

Hoe blij ik ook voor hem ben, dacht Gretchen met een slurp, als hij op het festival verschijnt, zijn we het haasje.

Ze boog zich naar voren. ‘Diamant-7! Stephan, liefste, dat moeten we vieren.’

 

‘Herr Thomas en Frau Hadewich Gauss!’

De ceremoniemeester maakte plaats voor de aangekondigde deel­nemers. Het echtpaar schuifelde zenuwachtig de bühne op onder felle mijnschachtwerpers. Thomas viste een boorkop uit zijn gereedschapskist, spoog er een dikke fluim tegenaan en wreef hem extra op – de zaal griezelde er hoorbaar van.

Die gruwel sloeg om in bewondering toen Hadewich niet alleen succesvol door de testplaat van Diamant-4 heen kwam, maar er met uitgebreide zwieren een tekening in schraapte. Voordat de schaafsels waren gevallen, toonde ze haar ets aan het publiek: een schets van Mohr zelf, met een kapsel dat uiteen waaierde in vloeiboren.

‘Een stilistisch Meisterwerk!’

Dit was zoveel beter dan waar de andere deelnemers mee waren gekomen! Die hadden hooguit neonverlichting op hun kleding of een kop die het stadslied afspeelde tijdens het draaien. Terwijl het publiek floot en met de voeten stampte, ramde een enthousiast jurylid op de gouden buzzer. Direct hoosde het confetti op Herr en Frau Gauss, die per decreet hun categorie wonnen. Mohrstadt ging uit zijn dak.

Snel, bezems, een hardheid omhoog!

Gretchens zenuwen waren al lang en diep uitgemijnd. Haar training ten spijt was dit alsnog te veel druk en spanning om goed aan te kunnen. Om rustig te blijven tot haar klasse aan bod kwam, glipte ze weg van Ludo’s zijde en bestelde Zwarte Olie (bessensap was niet chic genoeg als benaming) aan de bar.

‘Is het zo moeilijk voor mensen om hun vorm in bedwang te houden?’ Hij was haar gevolgd. ‘Het lukt mij toch ook met deze hopeloze koolstofmassa?’

Gretchen slurpte de schuimkraag weg en peinsde er niet over zijn vraag te beantwoorden. ‘Waarom stalen we Stephans boor niet? Ik had hem vast, het was een peulenschil geweest.’

De anderling hoefde eigenlijk al niet meer te antwoorden. Omdat het hem geen greintje ashad opleverde, wist Gretchen meteen. Hun bedrog zelf was het doel. Ze zou nooit wennen aan de mores van de Yedhimr.

 

‘Stephanus Tocht.’

Hier had de stad naar toegeleefd. Niet één, maar twee kandidaten in de allerhoogste poule. Dat was al tijden niet meer voorgekomen, en ondanks gezonde scepsis of er vandaag een mirakel zou gebeuren, prikkelde het de verbeelding. Het zou toch eens lukken…

Stephans naam bleef hangen op de speakers, de ceremoniemeester keek verwachtingsvol de coulissen in. Gretchen, dieper backstage, hield haar ogen strak naar voren. Zweetdruppels parelden langs haar slaap.

‘Laat ons niet in de spanning zitten, Herr Tocht!’, maar het podium bleef verlaten.

Ludo was alleszins meer ontspannen, maar dat kon gespeeld zijn. Hij floot een complexe melodie waarvoor een mens drie tongen nodig zou hebben. Waarschijnlijk bezat hij die.

De kandidaat werd voor een derde maal opgeroepen, en inmiddels werd het publiek onrustig. Niets maakte een presentator angstiger dan dat, dus de man in zijn glitterhabijt gaf een knikje naar de jury. Die drukten prompt op hun zwarte knop. Het podium baadde in felrood licht, alsof ze uit het Paradisium waren geschopt om terecht te komen in de Infernale, de plek waar burgerboorders belandden als ze niet genoeg hun best hadden gedaan de onderzijde te bereiken.

‘Het lijkt erop dat Herr Tocht koude voeten kreeg,’ grapte de ceremoniemeester. ‘Die krijgt onze Motivatiedienst binnenkort over de vloerrrr…’

Gelach uit de zaal; Schadenfreude was bijna net zo goed als vreugde zelf.

Je hebt het niet goed gespeeld, Stephan, overwoog Gretchen. Ze kon het niet laten sip voor hem te zijn.

‘In dat geval hebben we zowaar nóg een deelnemer dit jaar om de last te dragen – en de glorie! Tenzij ik nu voor een tweede maal in mijn hemd wordt gezet, wil ik graag een applaus voor Fräulein Greta Obst!’

De opgebouwde spanning voor Stephan vloeide nu automatisch naar Gretchen. Ze wandelde zwaaiend de schijnwerpers in, naar een zicht­baar opgeluchte presentator. Alles daarna was eigenlijk kinderspel. Ze zette haar standaardboor op de doorgestoken testplaat, deed alsof ze zich maximaal inspande en draaide er potloodslijpsel uit. Het publiek hield de adem in. Ze konden het niet meteen geloven.

Niets in Gretchens leven had haar voorbereid op het gevoel van tienduizend man die voor haar juichte. Hun applaus was een rollende donder. Zelfs de ceremoniemeester kon er weinig tegen beginnen. Pas na een half uur stierf het weg, vooral omdat alle handen rood en gezwollen werden.

Kijk ze nou eens, dacht Gretchen glunderend, de brave burgerboorders die geloven dat ze nu allemaal in het Paradisio komen.

‘Gezegend zij de heilige Mohr!’ riep de presentator. ‘Voor het eerst in een generatie kunnen we weer dieper boren, en ditmaal tot de andere zijde!’

Ludo had zich heel terloops bij haar op het podium gevoegd. In de euforie lette niemand echt meer op. Met wat vriendelijke porren van Gretchen en hij bracht de meester ze naar de fonkelende kluis van diamant-5. Daar lag de prijs: de traditionele juten zakken vol zaden, genoeg om een vorstelijke dynastie binnen Mohrstadts elite te stichten.

Ludo’s avatar hield zich keurig in, maar Gretchen greep een hengsel en was niet van plan die ooit weer los te laten.

De ceremoniemeester sloeg zijn armen om hen beide. ‘Terwijl wij hier stonden te vieren, waarde winnaars, hebben onze technici jullie boor reeds geïnstalleerd boven de kernlaag. Jawel, we verspillen geen seconde! Het doet mij deugd jullie uit te mogen nodigen voor de proefboring, tijdens het galadiner in deze zaal, in het bijzijn van zijne excellentie, de hoogheilige Meister zelf.’

Gretchen verbleekte, maar gelukkig was Ludo bij de pinken. ‘En wanneer heeft dit diner plaats, weledelgestelde?’

‘Over een klein uur, en jullie aanwezigheid is absoluut essentieel.’

‘Voortreffelijk!’ Gretchen was wakker geworden. ‘Maar voor zo’n audiëntie met de hoogheilige kan ik echt niet verschijnen in dit kloffie. Ik ga me razendsnel omkleden.’

‘Perzik, en ik,’ de taalmodule kon Ludo’s haastige gedachten niet bijbenen, ‘zie dat mijn stikstof dringend moet worden bijgevuld.’

De ceremoniemeester kreeg geen tijd om zich af te vragen waar iemand stikstof voor nodig had. Zijn twee kampioenen haastten zich het podium af, met in elke hand een draagzak vol zaden.

 

Stephan waarde rond in een dikke mistlaag, zo eentje die onverklaarbaar opsteeg uit een grondlaag tijdens het boren. De wereld was buitengewoon wazig en… paars.

‘Gretchen?’ zei hij met een gortdroge keel.

De smog trok weg. Hij lag op een zacht bankje, in een cabine, met veelgekleurde lampen die warm op zijn gezicht schenen. Stephan spartelde omhoog en schoof een smal deurtje opzij. Ongelooflijk: hij keek uit op een lege nachtclub. Door spleten in het geblindeerde venster lonkte daglicht. Toen hij uit het compartiment glipte, rinkelden lege flessen Schnapps rond zijn voeten.

‘Oppassen met dat vriendinnetje van je,’ adviseerde een stem vanaf de toog. Daar stond een morsige vrouw in dirndl haar glazen te poetsen. ‘Ze tikte evenveel weg als jij, alleen dronk zij uit die watertank achter je.’

Stephan probeerde te begrijpen hoe hij hier precies was beland, maar herinnerde zich hooguit Gretchens lach. Die heerlijke lach, tijdens het drankje om zijn prestatie te vieren.

 

 

7

 

De zon glipte weg achter de Drüsselburger duinen, lanceerde nog een laatste smaragdgroene straal de hemel in en toen viel de nacht. Het aquarium, voortspoedend op een magnetisch veld, had voor de gelegenheid een kleine koets op zijn top gevormd. Ludo en Gretchen zaten op zijn pluche stoelen, veilig uit de wind achter een scherm van synthetische robijn.

‘Vertrouwen is een mooi goed,’ zei Ludovic, ‘maar onder beroeps­oplichters is dat enkel dwaas.’

‘Helemaal mee eens,’ zei Gretchen. ‘Und jetzt, hoe pakken we het aan? Het aloude kiezen of delen?’

De anderling knikte. ‘Jij verdeelt de zaden en ik kies mijn hoop.’

Zo geschiedde.

De zaden waren in Gretchens ogen vele malen mooier dan dode juwelen, hoe kleurig of fonkelend ook. Uit ieder nootje of geschubde bes zou een complete boom groeien, een orchidee of een fiere brandnetel. Ze sorteerde de zaden, verdeelde ze over de tafel. Elk zaad was van elitekwaliteit, minstens honderd graankorrels waard.

‘Deze,’ wees Ludovic. ‘Kan ik de oorspronkelijke zak gebruiken? Ik heb er hier eentje voor je eigen zaden.’

Gretchen grinnikte. ‘Een trofee, ja? Ik snap het. Mij gaat het enkel om de zaden.’

 

De lichten van het station hesen zich boven een rij ornamentele cactussen uit. Iets erbuiten rees het silhouet van de nucleaire locomotief op. Wolken stoom dreven langs de opbouw en de heraldische feniks op de boeg had ogen zo vurig als de Infernale.

 

‘De trein vertrekt te middernacht,’ zei de kaartjesverkoopster. ‘De eerste halte is het Woud van Arden. Wat kan ik voor jullie uitprinten?’

‘Ik hoef niet verder dan het Woud,’ zei Gretchen. Ze telde de zaden uit. Haar berg leek er geen fractie minder hoog door.

‘Geef mij maar een onbeperkt ticket,’ zei Ludovic. ‘Ik moet nog een heel eind. Helemaal tot de Jupitermuur.’

‘Schönes Abend,’ zei de dame en reikte hen de kartonnen kaartjes aan.

Gretchen voelde een steek chagrijn. Zo makkelijk te vervalsen, dit! Het had enkel een hologram van de Wereldtrein om het te waarmerken. Die kon ze tegenwoordig repliceren in een minuut of twintig.

Ist mir egal, dacht ze. Ze had haar doel bereikt.

 

Ludovic schudde haar wakker: de treincoupé lag vol poelen van zonlicht, alsof ze onder een bladerdek tuften.

‘Ik gokte dat je dit niet zou willen missen.’

Bomen schoven buiten voorbij, kathedraalstammen die naar een zinderend blauwe hemel reikten. Ze ving een glimp op van een zwerm pelikanen, daarna een reusachtige, traag stromende rivier.

‘We zijn er bijna,’ zei haar vriend, maar hij verbeterde zichzelf: ‘Jij bent er bijna.’

En ja, de trein begon al af te remmen, gleed een station in dat uit louter hout was opgetrokken. Op de daken groeide muurpeper, een geel veel mooier dan het zuiverste goud in Gretchens ogen.

‘Dankeschön,’ zei ze tegen Ludovics avatar. ‘Zonder jou was ik hier nooit gekomen.’

‘Och, we hielpen elkaar. Allebei op onze eigen wijze.’

 

Ze keek de trein na, die als een stalen wolk uit haar leven weggleed, en zoog de lucht diep in haar longen. De geuren van appelbloesems, van nat sterrenmos en heimelijke stroompjes. Twee mensen wandelden over een pad van raaigras naar the station. Ze wuifden en Gretchen wuifde terug. Mijn mensen. Boomkussers en blad-aaiers. En ik kom niet met lege handen.

Ze trok de sluiting van haar overvolle zaadzak open en wist bij de eerste graai dat het mis was. Faliekant mis. Het zaad voelde te droog en te glad aan. Ze zette de buidel neer en bekeek de oogst. Ze zagen er precies hetzelfde uit en waren overduidelijk uit plastic gegoten.

Ze lachte en spreidde haar armen om de bries te voelen.

Laat hem, gun Ludovic zijn ashad. Dit is de perfecte truc. De bedriegster bedrogen zoals het hoort.

In haar hoofd zat een grotere schat. Ze kende de genomen van vijfduizend bloemen en geen korstmos had geheimen voor haar. Bovendien ben ik jong en sterk, en er is niks mis met het omspitten van een moestuin om zaden in de verse aarde te planten.

‘Hoi!’ riep ze. ‘Ik ben Gretchen,’ en rende haar nieuwe woudgenoten tegemoet.

Heidelberg, Mon Amour : Jaap Boekestein & Tais Teng

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

De derde halte was Heidelberg, hoe kon het ook anders?

‘Deze keer is het me gelukt,’ zei Esmee terwijl ze uit de trein stapte. De geur van zomerwarm metselwerk omhelsde haar.

‘Ik weet het zeker. Ik voel het.’

‘A puding próbája az evés,’ zei Liss die speels in de lucht om haar heen draaide. De AI droeg alpenbloemen in haar gevlochten blonde haar en had een schattig dirndl-jurkje aan. Haar gezicht had wel iets weg van een ondeugende bosnimf. ‘Sorry, je spreekt geen Hongaars in deze versie, toch? The proof of the pudding is in the eating.’

‘Opschepster,’ zei Esmee. ‘Wat is er mis met Nederlands?’

Ze keek om zich heen.

Focussen! Is het me nou wel gelukt? Ondanks haar dappere woorden voelde ze zich allesbehalve zeker.

De treinwagon was pimpelpaars gespoten, met traag roterende wietbladeren die na drie hartenkloppen in witte rozen veranderden. Was dat de eerste keer ook al geweest? Vast niet. Dat had ze beslist ont­houden.

Liss?’

‘Laat me in je geheugen rondporren… De wagon was grijs, ja, met ramen van zwart glas. Deze ramen zijn blauw en de trein zweefde zeker tien centimeter hoger boven de rails.’

Het was een verandering, een kleine. Betekende dat…?

Haastig liep Esmee Heidelberg in.

‘Waar ben je precies naar op weg?’ vroeg Liss. ‘Als ik vragen mag?’

‘De biergarten natuurlijk! Waar anders heen?’

 

Op die Alte Brücke keek Esmee omhoog. Achter het beeld van Athene was de hemel even strak blauw als de vorige keer. Een wolkje maar. Is dat zo te veel gevraagd? Dan weet ik tenminste dat ik iets veranderd heb.

Halverwege de brug glipte een ranke roeiboot met een dozijn studenten aan de riemen achter een pijler vandaan. Op het achtersteven wapperde een groen met blauwe vlag en ze hoorde de bootsman schreeuwen: ‘Ein, zwei, drei! Ein, zwei, drei!’

Esmee’s schouders zakten omlaag. ‘Ik kan wel omkeren. Het heeft geen enkele zin. Deze dag is precies hetzelfde.’

‘Kom op, dat zegt niks,’ zei Liss die nu als een gebruinde backpack-toeriste naast Esmee liep. Een gehavende rugzak met ingeweven zonne­collectoren, gespierde benen boven twee stoffige bergschoenen. ‘Oké, je zag die boot de vorige keer ook, maar misschien zijn er heel veel van dat soort boten? Of is er elk jaar op deze dag een wedstrijd? Een roeiwedstrijd voor studenten?’

‘Jij bent een AI uit het einde der tijden en je kent mijn tijd tot zestien decimalen achter de komma. Als er een wedstrijd was, had je dat geweten.’

‘Ik zie je niet graag zo droevig. Zo fatalistisch. Je weet nog niets zeker.’

De biergarten lag zo’n driehonderd meter van de brug en ze hadden in de vorige versie van deze dag vlak naast het stalletje met de tap gezeten: Jonathan met zijn rug naar de stad aan de overkant, zij en Mariska tegenover elkaar. Het beeld was kristalhelder: zij hield Mariska’s hand vast en kwebbelde honderduit. Een ander woord was er niet voor: opgetogen kwebbelen.

Jonathan leunde achterover in de hard-glazen stoel en bekeek hen met een geamuseerde glimlach. Drie vrienden: drie hartsvrienden. Het olijke drietal had Mariska hen genoemd ‘Omdat we altijd schateren en elkaar tegen de schouders stompen en gierend in de armen vallen. Zelfs als we alleen muntthee gedronken hebben.’

Esmee sprintte het laatste stuk, zigzaggend tussen de platanen en opzijspringend voor de fietsers.

Daar was het terras. Als alles klopte, als er ook maar een spoortje gerechtigheid in dit waardeloze universum was, dan zou ze daar straks samen met Mariska zitten. Zonder Jonathan. Jonathan zou niet eens meer een herinnering zijn of in ieder geval Mariska nooit ontmoet hebben.

O mijn allerliefste, bad ze. Wees van mij. Van mij alleen.

 

Zes maanden eerder, op een ander tijdspoor.

Royalty watch: Sultan Erdogan en president-for-life Trump toch persoonlijk aanwezig bij kroning Amalia!

 

Het gigantische beeldscherm met de kroningsplechtigheid domineer­de het Plein in Den Haag, maar in tegenstelling tot de meeste mensen op de terrasjes besteedden Jonathan en Esmee amper aandacht aan dat hele circus.

‘Ow, dat is een sweetie, daar onder die palmboom,’ zei Jonathan terwijl hij met zijn ogen in de desbetreffende richting rolde.

Esmee tuurde zonder enige gêne in de aangegeven richting: ze hield nog net geen hand boven haar ogen. Zij had er totaal geen moeite mee als vrouwen doorkregen dat zij hen inspecteerde. Recht op het doel af, zo was ze altijd al geweest. Jonathan was altijd veel bedachtzamer, of misschien was beschaafder een betere beschrijving. De vriendelijke jongen en die leuke, spontane meid die soms wat grof gebekt was.

Die rolverdeling stamde al uit groep één, toen Esmee op de eerste dag met haar driewieler tegen haar nieuwe buurjongen aanbotste en Jonathan ‘Sorry!’ riep.

Het verschil had Esmee nooit hinderlijk gevonden: hij was een van de weinige jongens die tenminste niet aan haar kop zeurde of ze met hem wilde gaan. Jonathan bleef haar beste – en na de basisschool eigenlijk haar enige – mannelijke vriend. Een maatje waarmee je kon doorzakken, lekker slap kon ouwehoeren en, zoals nu, onbeschaamd mooie vrouwen kon spotten.

De vrouw in een zomers katoenen jurkje was inderdaad een sweetie: een vrolijk gezicht, grote warme ogen, een mooie licht­bruine afro waar­boven een drietal drone-vlinders dartelden.

Na een handvol tellen keek Esmee verder: nu was het haar beurt een mooi exemplaar te vinden. Dat waren de ongeschreven regels van het spel dat ze al jaren samen speelden.

Was het een geluid? Een beweging? Een subliminaal bevel?

Esmee en Jonathan draaiden beiden tegelijkertijd hun hoofd.

‘Wow!’ zeiden ze beiden tegelijkertijd.

De ‘Wow!’ kwam van Lange Poten het plein op flaneren.

Lang, rood haar, sproeten, lichtblauwe ogen en een wipneusje dat je enkel eigenwijs kon noemen. Op haar mond lag een dromerige grijns, alsof zij een pikant geheim kende waarvan de wereld geen weet had. Ze droeg een retro jaren twintig neon graffiti-jurkje met jarretel-laarzen. Ze speurde het Plein af.

Had ze een afspraak? Of misschien zocht ze een lege stoel?

Haar blik kruiste die van Jonathan en Esmee en klikte erin vast. Noem het lichaamstaal, een woordeloze, razendsnelle onderhande­ling.

‘Ze komt naar ons toe,’ zei Jonathan. Er klonk een lichte ongerust­heid in zijn stem door. Hij was de toeschouwer, geen speler.

Esmee lachte. ‘Natuurlijk komt ze naar ons toe.’ Ze schoof een stoel van het tafeltje weg, wuifde.

 

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Op het perron van Bahnhoff Heidelberg stond Mariska heftig te wuiven en ramde op de deurknop voor de trein goed en wel stilstond.

‘Jonathan zit al in mijn favoriete biergarten,’ vertelde Mariska na drie klinkende klapzoenen op Esmee’s wang en een speelse beet in een oorlelletje. ‘Hij stond vorige week ineens voor de deur. Vijf dagen te vroeg. Zijn decaan gaf zijn presentatie een negen en…’

‘Het olijke drietal is weer bij elkaar. God, meid, ik heb je zo gemist.’ Esmee voelde een brok in haar keel. ‘Ik heb jullie zo gemist. Ongelooflijk eigenlijk dat we elkaar pas zes maanden kennen. Het voelt als een heel leven.’

Nu niet huilen. Dat is belachelijk.

‘Eerder was een beetje moeilijk geweest,’ zei Mariska.

‘Tja, niemand dwong je om stage te lopen in Patagonië. Ik bedoel, zaten er echt nergens anders pinguïns?’

Ze slenterden door de hoofdstraat met zijn Maori-tattoo shops en Taiwanese gokhallen, langs vakwerkhuizen die van fundament tot nok beschilderd waren met bijbelse voorstellingen of dirndl-meisjes en jongens in lederhozen die tussen dansende koeien stoeiden. Hoog boven dat alles torende een kasteel: het Binnenhof zou er zes keer ingepast hebben. Nee, als die Duitse grootvorsten een kasteel bestelden, dan wilden ze ook een KASTEEL.

‘Dat bronzen beeld daar,’ zei Mariska. ‘Dat is Brunen Hansel. Hij rinkelt met al zijn bellen en danst met de deernen, kust hun blozende moeders.’

‘Een knappe kerel,’ zei Esmee, ‘maar geef mij maar een Brunen-Heidi!’

‘Och, ik snap die deernen wel.’

Ze staken de brug over, arm in arm als een echtpaar dat al jaren getrouwd was. Bij de beeldengroep halverwege stopte Mariska en wees omhoog.

‘Poseidon,’ somde ze op met de trots van een degelijk ingeburgerde expat, ‘met zijn zeemeerminnen. Die strenge dame met de helm is Athene. Het hoofd van Medusa zit op haar schild vastgesmeed. Als je haar in de ogen keek, veranderde je in steen.’

Esmee knikte. ‘Streng maar rechtvaardig. Ik mag dat soort dames wel.’

Jonathan droeg zijn haar in een staartje en aan de ietwat lodderige blik in zijn ogen te zien, was hij al aan zijn tweede halve liter bier toe.

Hij hief de glazen kroes: ‘Heffe Wisse. Een beetje als Hoegaarden maar lekkerder.’

Esmee snelde op hem af, gaf hem de Hollandse drie-kus die intussen al wat ouderwets was.

‘Mijn nimfen,’ zei Jonathan. ‘Ze hadden beelden van jullie op de brug moeten zetten.’

Mariska schudde haar hoofd. ‘Daar ben ik toch een beetje te dun voor. Ik zou eruitzien als een mager twijgje tussen al die voluptueuze dames.’

Het was een perfecte middag. Suizelend zonlicht, de geur van gras en rivierslib. Een roeiboot sneed door het water, terwijl de bootsman met een sergeantenstem het ritme aangaf.

‘Ein, zwei, drie,’ telde Esmee onwillekeurig mee. ‘Heb je dat ook gedaan, Mariska?’

Haar hartsvriendin schudde het hoofd. ‘Heidelberg heeft haar tradities teruggevonden. Geen dames op de boten. Dan varen de jongens maar tegen een rijnaak aan. Maar mannen zijn weer niet welkom op onze Diana club. Boogschieten. We dragen groene jurkjes met een laurierbladprint en kunnen het oog van een bromvlieg op honderd pas afstand raken.’ Ze knikte. ‘Dat is toch een mooie verworvenheid van de vijfde feministische golf. Dat mannen en vrouwen verschillend zijn en niet alles samen hoeven te doen.’

‘Bromvliegen blind schieten,’ zei Jonathan. ‘Beslist een nuttig talent.’

In de avond verkasten ze naar een ander terras waar iets meer dan oudbakken krakelingen of broodjes druipende braadworst geserveerd werd.

De zon zakte omlaag en de oude brug werd mat brons, de stadspoort iets uit een antiek sprookje.

Beter dan dit wordt het nooit, ging het door Esmee heen.

‘Waar slaap ik straks?’ vroeg ze.

‘Bij mij natuurlijk. Frau Husse is mijn hospita en ze snuift en briest als ik voorstel dat een jongen na elven op mijn kamer blijft.’

‘Ik ben de slaapzaal intussen wel gewend,’ zei Jonathan. ‘En in tegen­stelling tot Mariska’s gnädige Frau is de jeugdherberg wel gemengd.’

‘Och, zo lang het alleen maar om te slapen gaat,’ zei Mariska en om de een of andere reden proestten zowel Mariska als Jonathan het uit.

 

Buiten Mariska’s glas-in-lood raam was de zondagmiddag in alle hevigheid losgebarsten, met een boerenkapel en jodelende worstventers: binnen wilde Esmee dat de tijd voor eeuwig stil zou staan. Wat had Goethe ook al weer gezegd: ‘Verweile doch, du augenblick, du bist so schön’?

Het bed was een heerlijke wanorde van lakens en meer dan een dozijn kussens in alle vormen en maten. Ze had Mariska’s troetels al bij binnenkomst herkent: Gira de Giraf die ze uit Jonathans rommelkast gered had en de blauwe slang met de manga ogen.

Als twee innige lepeltjes lagen ze tegen elkaar, Mariska binnenin. Esmee had haar armen om het middel van haar geliefde, de benen verstrengeld, haar gezicht begraven in Mariska’s lange, rode haar. Mariska rook naar de zomer, naar alpenbloemen en hooi. Esmee kon de koeienbellen bijna horen tinkelen.

Je bent zo mooi. Zo vreselijk mooi.

Waarom kon ze dat niet gewoon zeggen?

Mariska draaide zich om en worstelde zich daarmee los uit de lakens. Ze keek haar vriendin recht in de ogen.

Waar kwam die plotselinge droefheid vandaan?

‘Smee, lieverd, ik heb een beslissing genomen.’

Alarmbellen ging in Esmee’s hoofd af.

‘Je weet dat ik ook wat met Jonathan heb. Hij is superlief en ik heb besloten dat ik met hem verder wil. Hij…’ Ze spreidde haar handen. ‘We kunnen toch gewoon vrienden blijven?’

De zin pulseerde in Esmee’s hoofd en wiste alles uit wat Mariska verder babbelde. We kunnen toch gewoon vrienden blijven? Natuurlijk niet en deze geweldige nacht was niet meer dan een afscheidspresentje. Een mercy fuck zoals de Amerikanen zouden zeggen.

Esmee graaide haar kleren bij elkaar en snelde de trap af. Pas in de hal trok ze haar jurk over haar hoofd. Haar ondergoed moest nog ergens onder de kussens liggen.

Wat moet ik met ondergoed als mijn geliefde mij heeft verlaten? Gedumpt voor een man? Bi. Mariska was dus bi en ze heeft me dat nooit verteld.

Op straat balde ze haar vuisten.

Zij kan mij niet verlaten. Mariska is mijn amour. Mijn ware liefde en ik zal haar terugwinnen.

Ze klom omhoog naar het Filosofen-pad aan de overkant van de rivier en beende het asfalt over, iedere stap een nijdige tik. Tussen de bomen ving ze glimpen op van het kasteel, de brug, de kathedraal waarvan Mariska haar nooit de naam verteld had. Voor ze het wist waaierde de schemering uit en kleurde de hemel eerst indigo en vervolgens grijs.

Esmee zette zich op een bankje en keek toe hoe de straatlantaarns in de diepte aanknipten. Voetstappen. Ze keek pas op toen de vrouw tegenover haar aan de stenen tafel ging zitten.

‘Goedenavond,’ zei de vrouw. Haar gezicht kwam Esmee eigenaardig bekend voor, al wrong er iets…

‘Het zit links-rechts verkeerd, Esmee. Dit gezicht zie je gewoonlijk enkel in de spiegel.’

En omdat ze zo stuurloos was, als een losgeslagen reddingsboot in een stormzee, voelde Esmee amper verwondering.

Als Mariska haar kon verlaten, haar cara, haar amour, dan was een vrouw met haar gezicht niet veel vreemder.

‘Wat ben je? De koningin van de elven? Een alien uit een vliegende schotel?’

De vrouw grinnikte en natuurlijk klonk het als Mariska’s lach.

‘Niets zo exotisch. Gewoon een mens, al zijn we uiteraard wel onsterfelijk.’

‘Aha.’

Ze geloofde geen moment dat de vrouw gek was. Gekken kunnen geen gedachten lezen of gezichten stelen.

‘Ik kom van negen miljard jaar in je toekomst. De zon is gekrompen tot een witte dwerg en hangt boven Rhimyrr, de Stad van Porselein. Niet meer dan een fonkelende lichtpunt, al is zij nog steeds te fel om recht in te kijken. Onze oceanen zijn miljoenen jaren geleden tot zoutvelden verdampt en hebben de bekkens glanzend wit achtergelaten. De eenvoud van zo’n landschap bevalt ons.’

‘Je bent een tijdreiziger.’

‘Heel wat meer dan dat. Een tijdschrijver, een componist. Zie het einde der tijden als een hoge bergpiek waarvan we omlaag kijken. Het verleden heeft niets met jaartallen te maken. Ieder leven is voor ons een verhaal en daar bladeren wij genietend in. We zien baby’s opzwellen tot lachende kleuters. We zien dappere daden, walgelijk opportunisme, vurige liefde die uitsputtert tot verveling. Elk levensverhaal is prachtig maar sommige verhalen kunnen beter.’

‘Mariska en ik. Dit is verkeerd! Dit kan toch nooit zo bedoeld zijn?’

‘Daar ben ik het mee eens. Herschrijf het verleden. Niemand kan dat beter doen dan de heldin van het verhaal zelf.’ Ze zette haar ellebogen op de tafel, leunde haar kin op haar gevouwen handen. ‘Je krijgt vier kansen. Vier tijdstippen die je zelf mag uitzoeken om haar terug te winnen.’

‘Nu geef je mij een tijdmachine, ja? Een scooter met antizwaartekracht waarvan ik alleen het jaartal hoef in te stellen? Een smartwatch die…’

‘Smartwatch is geen slecht idee. Open je hand en sluit je ogen. De aanblik van een zes-dimensionale manipulatie zou je de rest van de week een knarsende migraine bezorgen.’

Blauw licht dat dwars door haar oogleden scheen, de benauwde, overvolle-stranden-stank van ozon.

‘Doe maar weer open.’

De bank tegenover haar was leeg. Natuurlijk was hij leeg.

Het is hinderlijk als een schrijfster al te nadrukkelijk in een verhaal aanwezig is.

Esmee tuurde naar het voorwerp op haar handpalm. Het leek inderdaad zo’n antieke smartwatch. Of wacht, het was een kopie van haar eerste smartwatch, het geval dat grootmoeder Kim haar op haar vijfde verjaardag geven had.

Het woog niet veel en voelde op de een of andere manier levend aan. Gekweekt, ging het door haar heen, gegroeid. Niet gemaakt.

‘Heb je een naam?’ probeerde ze. Alles wat smart was, kon praten, al werd het meestal na een kwartier duidelijk dat ze geen werkelijk bewustzijn hadden, geen ego en geen hier-benik.

Een androgyn gezicht verscheen in de lucht, de gelaatstrekken even neutraal als van een etalagepop. Het was bovendien half doorzichtig: waarschijnlijk om duidelijk te maken dat het hier een projectie betrof.

De ogen draaiden, keken Esmee recht aan. Eerst waren de pupillen niet meer dan speldenpuntjes, maar toen verwijdden ze zich en vormden groene irissen met minieme vlekjes goud.

‘Ik heet Liss. Ik ga je helpen je tijdlijn aan te passen.’

‘Hoe dan?’ Het kwam er bitser uit dan Esmee eigenlijk bedoelde, maar ze hield er absoluut niet van om van iemand, iets, afhankelijk te zijn. Het ging om haar verdriet en haar wraak.

‘Zie het als een treinreis,’ begon de AI. ‘Je hebt de hoofdlijn, en telkens als je iets veranderd, sla je een zijspoor in, die dan je hoofdlijn wordt.’

‘Ja, ja. Dat snap ik wel. Maar wat kan ik… jij dan voor mij veranderen?’

Esmee kon het niet helpen, haar zenuwuiteinden waren nog te rauw. Het liefst zou ze nu een knetterende ruzie maken, maar ruziën met een AI was als het stompen van een wolk mist: totaal onbevredigend. Bij je ergste beledigingen zei een AI enkel ‘Kun je dat verder uitleggen?’

‘Ik kan veranderen wat je maar wilt,’ was het antwoord van Liss. Inmiddels hield Esmee geen apparaat meer vast, maar een boek. Een moment later, nadat ze met haar ogen knipperde, had ze een pistool in handen. Het was matzwart, met een blauwe schicht op de kolf.

‘Ik kan je kleden in de juiste outfit voor elke tijd en gelegenheid.’

Plots droeg Esmee een gaasjurk die ten tijde van de eerste kleding­printers zo populair was geweest. Vervolgens jeans en het T-shirt van het Rolling Stones afscheidsconcert, waarnaar ze met haar groot­vader geweest was, om te eindigen met het colbertje en de froezel­bloes die ze ooit op de kerstborrel van haar eerste baan had aangeschoten.

‘Erg leuk, maar wat kan je echt? Wat kan je in de tijdlijn aanpassen?’

‘Alles,’ verzekerde Liss haar, ‘maar je bent gebonden aan zekere regels. Je kan enkel de tijdlijn op je persoonlijke vlak veranderen, en ik mag geen dood of letsel veroorzaken. Heidelberg wegvagen met een atoombom, zodat jullie er nooit op vakantie gaan, is een ‘no no’. En ik mag Jonathan ook niet voortijdig laten sterven. Hij heeft zijn eigen verhaal en dat heeft een gefixeerde lengte. Je hebt vier kansen de tijd te veranderen, haltes zogezegd, en je kan nooit terug in de tijd gaan om een beslissing ongedaan te maken. Er zijn meer regels, maar daar kom je vanzelf wel achter. Mocht je iets willen weten, vraag het gewoon. Daar ben ik voor.’

‘Uhu.’

Jonathan, haar beste vriend, de dief van haar geliefde, haar grootste concurrent. Als ze nooit vrienden waren geworden, dan had hij Mariska nooit ontmoet. Dan had Mariska alleen van haar gehouden.

‘Ik weet wat ik wil,’ zei Esmee.

 

Eerste halte: Montessorischool, Laan van Poot, Den Haag

Royalty Watch: Prinses Amalia krijgt concert aangeboden in de Gothische Zaal van de Raad van State ter ere van haar tiende verjaardag. Klik voor feed.

 

Stap in,’ zei Liss op het perron. ‘Welke trein doet er niet werkelijk toe. Ze gaan allemaal naar Nederland. Naar je eerste dag op de kleuterschool.’

Zo’n twee, drie minuten leek alles normaal in de coupé: ze reden onder het kasteel door, de Neckar alleen zo nu en dan tussen de bomen zichtbaar, maar ineens vlakte het landschap af. Windmolens doken op, een V van overvliegende ganzen.

‘Zuid-Holland,’ kondigde Liss aan. ‘Je bent nu vier. Normaal zou een vierjarige zich deze dag nooit herinnerd hebben maar je eerste dag op de kleuterschool maakte blijkbaar indruk.’

Remmen gierden en de trein was in een HTM-bus veranderd, zag Esmee, zo’n ouderwetse met opgepompte wielen en ruiten die enkel van glas waren en geen schermen vol bewegende reclame.

De Montessorischool lag aan de overkant van de Laan van Poot en hij was reusachtig: een rode klomp steen met blikkerende ramen.

‘Goed,’ zei Liss. ‘Je bent een kleuter met blauwe laarsjes waarop teddy­beren met kikkers dansen. Veel te heet voor dit weer maar je stond erop. Je zit op een driewielertje.’

‘Eerst naar links en dan naar rechts,’ zei een stem. ‘En dan weer naar links.’

Ze voelde een steek van verdriet. Haar moeder.

‘Kan ik niet…?’ vroeg ze aan Liss.

‘Nee. De datum van ieders dood is gefixeerd. De eerste en laatste bladzijden van een boek. De lijst van een schilderij.’

Esmee kneep haar ogen stijf dicht toen haar moeder haar kuste.

Een laatste ‘Tot straks, liefje!’ en de voetstappen verwijderden zich.

Daar stond Jonathan, blonde krullen en een of ander knuffelbeest onder zijn armen. Iets met stippen. Een giraf? Ja, Gira de Giraf. Had Jonathan die al zo lang?

Goed. Geen sentimenteel gezwijmel. Jonathans vader draaide zich om en Jonathan stond alleen in een hoekje van het schoolplein. Geïsoleerd. Kwetsbaar. Een geboren slachtoffer.

Esmee zette af, ramde zo hard op de trappers als ze kon. Ze knalde met zo’n dreun tegen Jonathans linkerbeen dat hij molenwiekte met zijn armen en onderuit ging.

Haar vijand krabbelde overeind, zijn ogen groot van angst.

Zijn knie was geschaafd, zag Esmee, en bloedde. Dat was veel harder dan de eerste keer. Goed.

‘Sorry, sorry!’ jammerde Jonathan.

Ze reed achteruit, maakte vaart en ramde hem opnieuw.

‘Ik haat je!’ krijste ze naar hem. ‘Ik krab je ogen uit als ik je ooit weer zie!’

Wacht, het kan nog beter.

Zijn giraf lag een halve meter verder en ze reed er dwars overheen.

Ze keek omhoog. ‘Ik ben klaar, Liss. Haal me maar op.’

Om haar heen vervaagde het schoolplein.

 

Tweede halte, strandopgang Kijkduin, Den Haag.

Royalty watch: Prinses Amalia haalt haar scooterrijbewijs

 

De coupé had deze keer zachte banken van printleer en een barretje. Buiten gleed een nachtelijk berkenwoud met een enorme witte maan voorbij. Melancholieke banjo-shamisen muziek speelde op de achter­grond. Het was het soort strenge romantiek die Esmee op een ander moment wel had kunnen waarderen. Nu had ze een keiharde knoop in haar buik.

‘En?’ vroeg Liss. Inmiddels had de AI een volledig lichaam.

Zij droeg een donkerblauw stewardess uniform. Liss was niet bijster lang, wat ze leek te willen compenseren door opgestoken haar en hoge hakken. Ergens was dat een beetje belachelijk, maar op de een of andere manier ook weer vertederend.

Net een jong meisje dat indruk probeerde te maken. Ze wil dat ik haar aardig vindt. Behalve dat een AI natuurlijk niet meer dan een programma was en nooit werkelijk iets kon voelen.

‘Ik reed twee keer tegen zijn been, Liss. Ik beloofde dat ik zijn ogen zou uitkrabben. Weinig kans dat hij nu nog naast mij gaat zitten en ik die middag in zijn achtertuin in het poedelbadje ga spelen.’

Ergens voelde ze zich wel een beetje lullig dat ze Jonathan zo bang gemaakt had. Zulke grote angstogen en had mij nog niets gedaan. Nee, hij heeft Mariska van mij gestolen. Uiteindelijk bleek hij gewoon een man, zoals alle andere kerels.

Ze draaide zich naar Liss. ‘Maar is het gelukt? Is hij uit mijn leven verdwenen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Liss.

‘Dat weet je niet? Jij komt toch uit de toekomst? Hoe kan je het niet weten?’

‘Ik ken de geschiedenis van de oude tijdlijn, niet van deze. Als je het wilt weten, moet je ergens uitstappen en zelf kijken.’

Shit.

‘Breng mij dan naar Mariska. De dag dat we, dat ik haar ontmoette. Dan zie ik het vanzelf.’

‘Is het niet handiger om een paar jaar eerder te checken of Jonathan nog steeds bij je rondhangt? Dan kan je eventueel nog dingen aanpassen als dat nodig mocht zijn.’

‘Je hebt groot gelijk. Ga maar naar een punt toen ik, ja, twaalf was. Toen kwam ik er achter hoe ik in elkaar zat. Waarom ik jongens zo irritant vond.’

Liss knikte. ‘Ja, lesbo en serieel monogaam. Liefde tot de ruzie ons scheidt.’

‘Ik dankte al mijn andere vriendjes af. Als Jonathan dan nog niet weg is, moet ik krachtiger maatregelen nemen.’

Met een pneumatische zucht sloot de deur van bus 24 zich achter Esmee. Kijkduin, de plek waar Jonathan en zij ’s zomers naar het strand gingen. Daar waren ze ooit begonnen met het schatjes spotten. Nou ja, zij was er mee begonnen en Jonathan was er hakkelend en met een rood hoofd in meegegaan.

Ha! Ze had hem heel wat ongemakkelijke momenten op het strand bezorgd. Jongens waren zo gemakkelijk te manipuleren.

Esmee inspecteerde zichzelf. Ja, ze was een jaar of twaalf en gekleed voor het strand. Stond Jonathan aan de voet van het duin op haar te wachten of niet?

Ze stak het Deltaplein over waar een paar Pokémon jagers verbeten naar hun telefoon zaten te staren. De rage was al jaren voorbij, maar volgens de geruchten dwaalde ergens in Kijkduin de superzeldzame Platinum Porygon rond. Als die bestond tenminste. De Haagse VVV beweerde in ieder geval van wel.

Esmee negeerde de andere bezoekers – Duitse toeristen, een witharige man met een bierbuik die een kapsalon extra bestelde, één of andere schrijver die driftig op zijn blauwe notebook zat te tikken – en rende het laatste stuk.

Bovenaan de afslag stopte ze alsof ze tegen een betonnen muur botste.

Een maar al te bekende figuur stond beneden met rugzak en handdoek op haar te wachten. Jonathan.

‘Fuck, hij was gewoon te aardig. We zijn toch vrienden gebleven.’

‘Dat zat er in,’ sprak Liss. ‘Vooral omdat je je waarschijnlijk niet herinnerde waarom je tegen zijn been gebotst had.’ De AI kwam net aanlopen, gekleed in een wetsuit en met een plank onder haar arm, klaar om te windsurfen bij de Zandmotor. Ze droeg haar blonde haar in tientallen rastavlechtjes.

‘Jij kan toch alles doen?’ vroeg Esmee zonder haar blik van Jonathan af te keren. Ze zwaaide naar haar vriend, de verrader, meisjesdief. ‘Goed. Als zijn ouders nu eens…’

‘Promotie,’ knikte Liss. ‘Een aanbod dat een man onmogelijk af kan slaan. Vooral als hij net boventallig is verklaard.’

‘Zijn vrouw ook. Boventallig bedoel ik.’

‘Geen probleem.’

‘En ergens echt ver weg. Absoluut geen Heidelberg.’

Jonathans gezicht stond bedrukt toen Esmee bij de voet van het duin aankwam.

‘Wat is er?’ vroeg zij, hoewel zij het natuurlijk dondersgoed wist.

Waren dat tranen in zijn ogen? Stik… Hij was dus toch verliefd op mij, maar te verlegen om er werk van te maken. Esmee slikte. Maar dan weet je nu ook hoe het voelt, klootzak. In de toekomst roof je mijn geliefde en breek je mijn hart.

‘Mijn pa,’ zei Jonathan. ‘Hij heeft een baan in het buitenland aangeboden gekregen. Singapore.’

‘Oh!’ speelde Esmee.

‘We verhuizen volgende maand al.’

Esmee legde een hand op zijn schouder. ‘Dat is kut. Zo kut. Maar we houden contact.’

Ze wist dat dat nooit zou gebeuren. Een paar berichtjes, misschien nog twee, drie keer elkaar zien als hij toevallig in Nederland was.

Zij was bereslecht in het onderhouden van contacten. Jonathan zou zijn best doen, maar na hooguit een half jaar was zij met totaal andere dingen bezig. Zo zat ze nou eenmaal in elkaar. Het soort volwassenwijsheid dat ze in de loop der jaren over zichzelf had geleerd.

‘Dat… Dat doen we zeker,’ zei Jonathan. Ze zag hem zich vermannen, zijn schouders rechttrekken. ‘Oh, op twaalf uur, dat blonde meisje met die duikplank. Is dat geen stuk?’

Liss? De AI banjerde door het zand naar het water toe. Haar rasta’s hopsten vrolijk mee met elke stap.

Dat is een hyperintelligente computer uit de toekomst, wilde Esmee zeggen, maar ze bedacht zich. Dat zou vast en zeker tegen de regels zijn. In plaats daarvan antwoordde zij: ‘Ow, ja. Zie je wel, je gaat mij niet eens missen.’

‘Echt wel.’

Dief, leugenaar, verrader. De woorden waren plotseling veel van hun kracht kwijt. Het was verdomde moeilijk boos te blijven op die onhandige slungel van een Jonathan die nog niets verkeerds had gedaan.

Halverwege de middag zond Esmee zichzelf een dringend bericht.

‘Mijn tante,’ zei ze. ‘Het gaat heel veel slechter met haar.’

Joanthan vroeg niet welke tante: zowel Esmee’s moeder als haar vader kwamen uit een groot gezin en Esmee had meer tantes en nichten dan Jonathan ooit ontmoet had.

Toen ze bus 24 binnenstapte, was ze terug in de coupéachtige ruimte, en opnieuw volwassen.

Liss wachtte haar op met een chai tea latte en een schaal gemberkoekjes, absoluut Esmee favoriete combinatie. ‘Hoe ging het?’

‘Hij gaat naar Singapore.’

‘Ah. Ik had Ulan Bator geprobeerd maar dit lijkt mij ook effectief.’

Liss draaide een lok tussen haar vingers. ‘En nu?’

‘Heidelberg. Ik pak het op waar het mis ging. De dag dat we samen aan de rivier zaten. Alleen zullen we met zijn tweeën zijn. Geen Jonathan om haar van mij af te nemen.’

‘Zo je wilt.’

 

Derde halte: Heidelberg

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Hoe ver nog?’ vroeg Liss.

Ze rende drie meter voor Esmee uit en vergat een schaduw te werpen. De stiletto-hakken van haar laarsjes raakten de stenen hoogstens elke derde stap.

‘Bijna! Ik zie het stalletje al.’

Het was dezelfde ober met de hanenkam en de enkele oorbel, precies hetzelfde luid sprekende gezelschap met de jagershoedjes en de twee Chinezen die druk op een tablet tikten.

Het tafeltje naast de haag was leeg. Aan de overkant van de rivier voer een wit raderschip langs met een blond gelokte Lorelei als boegbeeld.

‘Dat schip,’ zei ze tegen Liss. ‘Mariska wees ernaar en zei tegen Jonathan: ‘Dat is nog eens een mannenverslinder. Je zegt dat altijd van mij maar ik ben heilig vergeleken met haar. Ze…’

‘Stop,’ zei Liss, ‘je raaskalt en je hebt het duidelijk niet goed overdacht. Waarom zou Mariska hier op je wachten? Ze heeft met niemand een afspraak. Niet met jou en niet met Jonathan. Ze kent jullie niet eens.’

‘Je heb gelijk. Shit. Ik ben een uilskuiken.’

‘Geen reden tot wanhoop. Het is enkel wat gecompliceerder dan je hoopte. Je kunt haar niet zomaar om de hals vallen en met kussen overladen.’

‘Ze is een vreemde,’ zei Esmee, ‘maar dat hoeft ze niet te blijven.’ Ze fronste. ‘Studeert ze nog steeds biologie?’

Liss kreeg die peinzende blik in haar ogen die erop duidde dat ze een heel bos alternatieve tijdlijnen aan het afzoeken was. ‘Hebbes. Ja. En het adres is ook hetzelfde.’

‘Als ik aanbel, waar zou ik haar dan van kunnen kennen?’

Tja, ze is lid van het Nivon. De vereniging van natuurvrienden. Er was een kamp in de Harz. Vogelspotten, martersporen zoeken. Dat soort zaken.’

‘En ik was daar ook? Kun je dat regelen?’

‘Je was al jarenlang een behoorlijk actief lid van de Nivon. Op de tweede nacht ritsten jullie je slaapzakken aan elkaar. Niet in het echt: maar ik kan het faken.’

Liss tikte Esmee’s voorhoofd aan en ineens waren al die valse herinneringen aan haar lidmaatschap daar: een waslijst van vogels en hun silhouetten, de noten van hun zang, een excursie naar Schiermonnikoog. Wadlopen terwijl de zon zich net uit de ochtendnevel ophees: een volle maan boven zilveren wadden. En het kamp natuurlijk.

‘Goed. Ik weet het, maar weet Mariska dat ook?

‘Sommige zaken zul je zelf moeten regelen.’

Mariska had geen eigen bel en Frau Husse opende de deur persoonlijk.

‘Ik kom hier voor Mariska,’ zei Esmee in haar beste Duits. ‘Ik ben een vriendin van het Nivon.’

‘Und Ihr Name?’

‘Esmee. Esmee Anguilla. Von das Nivon.’

Mariska had geen moeite om zich Esmee te herinneren: een korte aarzeling, amper merkbaar. Geen wonder: ze was eerder al voor Esmee gevallen en als een beautiful stranger bij je aanbelt en zegt een slaapzak met je gedeeld te te hebben, wie ben je dan om daaraan te twijfelen? Bovendien was Esmee een absoluut authentiek Nivon meisje. Wie anders dan een rechtgeaarde vogelvriendin kon de roep van een roodkop­klauwier zo perfect nabootsen?

Esmee was geen Liss maar ze kon Mariska’s gedachten toch perfect lezen. Hoe kon ik zo’n schatje in vredesnaam ooit vergeten? En meteen daarop. Vraag niet hoe het kan, maar geniet ervan.

Het bed was hetzelfde. Een stapel kussen en troetels, de poster met ‘Vögel der Alpen’ aan de muur.

De troetels. Er was iets mis met de troetels. Daar was de blauwe slang met de manga ogen. Het rendier waarvan de uiteinden van het gewei enigszins gemangeld waren omdat Mariska er vroeger op gesabbeld had. Gira de Giraf.

Mariska nam Esmee’s hoofd in haar handen en kuste haar recht op de lippen. Toen de tongpuntjes elkaar raakten, vergat Esmee alles over Gira de Giraf.

 

Die ochtend bivakkeerden er geen jodelende worstenventer en de blaas­kapel was vervangen door een narco-corrido band. Net boven de berg­toppen dreef een konvooi zeppelins over.

Waren er al eerder zeppelins geweest? Het deed er niet toe. Iedereen hield van zeppelins.

‘Dat was heerlijk,’ zei Mariska. ‘Echt klasse en het is ook zo fijn om dingen te delen. Om te kussen met een meisje dat weet dat er vijf soorten koekoeken bestaan en pinguïns niet zwemmen maar door het water vliegen.’

‘Je zei iets over een stage?’

‘Ik overweeg het, maar ja, dan zou ik mijn verloofde drie maanden niet zien.’

‘Je verloofde?’ Ze kwaakte de zin bijkans uit.

‘Ja, Jonathan heet hij, Jonathan Broese. Ik kwam hem tegen op een congres in Singapore.’

‘Aha. En jullie zijn… verloofd?’

‘Komt door Singapore. Daar moet alles heel formeel. Zijn vader is iets hoogs bij een Chinese bank. Eerst verloven en dan pas trouwen.’

‘Hij boft. Vertel hem maar dat hij boft.’ Ze wendde haar blik af. ‘Weet je wanneer de trein richting Nederland vertrekt?’

‘Je hoeft echt niet weg te rennen. Jonathan vindt je vast aardig. Hij heeft nooit moeite met mijn vriendinnen.’

‘Nee, sorry. Het was een impuls. Ik reed langs en dacht ineens: Verrek, woont Mariska hier niet? En morgen beginnen de colleges weer.’

‘Een laatste tongzoen dan voor onderweg.’

 

De trein boorde zich door de tijd. Buiten schoven dagen en nachten als schaduwen voorbij.

Liss hield Esmee vast, klopte haar op de rug terwijl de tranen maar bleven stromen. Hoewel de aanraking vederlicht was, met Liss niet meer dan een projectie, hielp het toch. Een heel klein beetje.

‘Ze houdt niet van me. Hield nooit van mij. Ja, als leuk vriendinnetje, als schatje, maar niet… niet…’

Nieuwe tranen.

‘Sera sera,’ zei Liss. ‘Shh.’

‘Maar ik wil dat ze van mij houdt! Ik wil dat de sterren in hun baan stoppen, ik wil dat alles stilstaat totdat Mariska van mij houdt en van niemand anders.’

‘Dat kan ik niet doen,’ antwoordde Liss. De AI klonk zelfs een beetje ongelukkig, waarschijnlijk een of andere sympathiesubroutine. ‘Kom, je hebt slaap nodig. Je bent volledig uitgeput.’

‘Ik wil niet slapen. Ik wil nooit meer slapen!’

‘Shh.’ De AI hield haar hand tegen Esmee’s hoofd en langzaam vielen haar ogen toe. Een bed schoof uit de muur en ving haar op toen ze ineenzakte.

 

Toen Esmee haar ogen opende, stond er een ontbijt naast het bed voor haar klaar.

Croissants met roomboter en hagelslag. Haar stiekeme doodzonde.

‘Ik heb geen trek.’

‘Je moet eten. Je hebt een lichaam dat niet zonder bouwstoffen kan,’ drong Liss aan.

‘Nee. Het heeft allemaal geen zin. Alles is nutteloos. Het heeft niets uitgehaald. De tijd wil niet dat Mariska en ik samen gelukkig worden.’

‘Je kan het nog proberen. Je hebt nog een halte over…’

Esmee lachte schamper. ‘Mariska en Jonathan gaan trouwen. Ik kan daar niet tussenkomen. Zij heeft hem gekozen boven mij.’

‘Wat wil je dan?’

Esmee haalde haar schouders op. ‘Laat mij gaan. Het heeft allemaal geen zin meer. Ik ben op.’

‘Als dat je wens is…’

 

‘Het gaat je goed, Esmee. Sterkte, lieverd.’

Esmee hoorde nog net die woorden uit Liss haar mond voordat de treindeur zich definitief sloot. Lieverd. Het klonk alsof ze het meende. Zo jammer dat ze niet meer dan een spook is, een projectie die van nulletjes en enen gemaakt is.

Ze keek om zich heen: het perron van Den Haag Centraal aan de steunbalken te zien.

Terug in Den Haag. Maar wanneer? Esmee trok haar smartphone en raadpleegde een half dozijn newssites. Het nieuws was gloednieuw maar niet werkelijk schokkend.

Laatste Pokémon Kijkduin eindelijk gevangen

Miami ontruimd na Hurricane Hillary

Ze stak de smartphone terug in haar foedraal. Dit is de toekomst maar veel verder dan een paar maanden kan het niet zijn. Een half jaar hoogstens. Ja, dat meisje draagt nog glazen laarsjes: mode is veranderlijk.

De gedachten kwamen traag als stroop. Ze was kapot, uitgewrongen.

Even daas als een Pokemonjager stommelde Esmee het station uit.

De Herengracht, Korte Poten.

Ten slotte kwam Esmee uit op het Plein. De terrasjes puilen uit: zoveel mensen die van de nazomer genoten.

Het stel zat aan een tafeltje te lachen en te wijzen. Zij zes, zeven maanden zwanger, hij zijn hand op de hare. Beiden overduidelijk gelukkig.

Mariska en Jonathan. En ze zijn aan het spotten. Elkaar interessante mensen aan te reiken als kleine cadeautjes.

Hun blikken kruisten elkaar, net als die eerste keer, drie tijdlijnen geleden. Alleen was zij nu de vreemdeling, het schatje.

Geen spoor van een klik of herkenning. Voor Jonathan was ze hoogstens een oude schoolvriendin, die hij helemaal uit het oog verloren had, voor Mariska niet meer dan een vluchtige ontmoeting. Een one-night-stand die nooit een vervolg had gekregen.

Een laatste kans, daarom heeft Liss mij hier afgezet. Behalve dat er geen laatste kans is, geen enkele mogelijkheid meer tot aansluiting, tot contact. Maar hoe kan een AI dat ooit begrijpen?

 

Het was nacht toen ze in Kijkduin arriveerde, het roestige reuzenrad een immens wiel tegen de hemel. Heel de dag had ze gedwaald, maar uitein­delijk had de zee haar geroepen. Golfjes rolden aan vanuit de maan­verlichte horizon en sloegen om in een ruisende zucht.

Het is zo eenvoudig. Stap het water in en loop door. Begin te zwemmen als je geen zand meer onder je voeten voelt.

Ze schopte haar schoenen uit, knoopte haar sjaal los.

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’

Het was de vrouw uit de toekomst die haar gezicht had gestolen.

Opeens voelde Esmee de diepe woede waar ze eerder die dag naar gesnakt had.

‘Jij! Kom je je verkneukelen? Moest je grinniken toen je zag hoe al mijn pogingen in het honderd liepen? Een kunstenaar? Je bent wreed en kwaadaardig!’ Esmee balde haar vuisten. Nog twee, drie seconden en ze was boos genoeg om te slaan.

Als de vrouw echt een almachtig wezen was, zou ze het waarschijnlijk niet overleven. So what? Het is vast sneller dan ver­drin­ken.

‘Wacht,’ sprak de vrouw. ‘Je verhaal is nog niet afgelopen. Dit is een belachelijk einde. De lesbo die zelfmoord pleegt omdat ze de liefde van haar leven verloren heeft? Hoe banaal kun je zijn?’

Onzin! Wat moet ik zonder Mariska?

‘Ik zal je het laten zien.’

Het toegestoken kaartje was beslist smaakvol; ook al zouden alleen intimi de juichende giraf met het tekstwolkje begrijpen.

 

Hallo lui,

 

Ik ben Gira de Giraf en wilde even vertellen dat

mijn baasjes Jonathan en Mariska

intens gelukkig en blij zijn met de geboorte van hun dochter

 

Liss

 

‘Al onze AI’s hebben een levend voorbeeld, een origineel,’ zei de vrouw, ‘en het liefst eentje dat in deze tijd thuishoort. Je hebt nog steeds één halte over. Tweeëntwintig jaar verder moet genoeg zijn.’

En de kwallen glanzend als parels in het maanlicht : Tais Teng

Helga’s tante kweekte sierkwallen en Helga rolde zoals gewoonlijk elke ochtend als eerste uit haar hangmat en stommelde naar het grote aquarium op de voorplecht van hun woonboot. De zon wipte net boven Dijk Europa uit en verschoof in een paar hartenkloppen van bloedrood naar zengend wit.

De kwallen fonkelden in het lage zonlicht, even kleurig en complex als orchideeën en stuk voor stuk dodelijk giftig.

Helga kon iedere soort benoemen: de mercator­kwallen met hun gouden kompasroos, de blauwe virago’s en de regenboogkralen die nooit groter dan je duimnagel werden.

Helga goot de beker met panische garnalen leeg en drukte haar neus tegen het pantserglas. Het was altijd fascinerend om te zien hoe de tentakels hongerig rondslierden. De een na de andere garnaal verstarde en werd de maagholtes ingetrokken.

Zodra de kwallen op kleur waren, vatte tante ze in helder plastic of synthetische barnsteen. De dode­lijke kwallen eindigden als kralen­kettingen en hangers of als bijzonder gewaagde oorbellen. Alleen de toe­risten kochten ze: elke Buitendijker had wel een familielid of vriend stuiptrekkend uit de zee moeten vissen.

Na de kwallen liep Helga naar de achterplecht om de kweeknetten met kelp binnen te halen. De woonboten en piepschuimenvlotten van Buiten­dijks reikten tot voorbij de westelijke horizon: zes miljoen zeezigeuners die letterlijk van de wallenkant geduwd waren door de schatrijke een- procenters.

Helga snoof de geur van smeulende wiervuurtjes en de droogrekken met zwaardvis genietend op: het was diep vertrouwd, geruststellend. Het betekende dat nie­mand honger of kou hoefde te leiden. Dat ze zich prima konden redden zonder die weke Wallen­kanters. ‘Helga?’ riep tante Rimca uit de kajuit. ‘Jij en Ciska nemen de kraam vandaag over. Ik heb een stel verse kwallen te lakken.’

‘Geen probleem!’ riep Helga terug. En het was beter dan geen pro­bleem. Ze was dol op de kleurige drukte van de Goodelieve markt, het jodelen van de nachtmeeuwen op de Admiraal Schuyvertoren, de stank van roosterende zeekomkommers.

 

Toen ze op de markt arriveerde, had Ciska de kraam al opgezet, en de kwallenkettingen uitgestald. Als lokker stond er een miniatuur-aquarium met levende kwallen en een bordje met ‘Niet aanraken! Levensgevaar!’ in zes talen. Het doodskopje met gekruiste beenderen was voor de analfabeten.

 

Ze verkochten een dozijn kettingen en een retort met een levend kwalletje aan twee giechelende Wallen­­kanters­meisjes.

‘Wees er voorzichtig mee,’ zei Ciska. ‘Het is een echte zeewesp. Eén steek en je rolt schuimbekkende over de grond.’

‘Ges!’ zei het kleinste meisje en ze giechelden nog harder.

Ciska mikte de kettingen in een kluisje, trok het titanium gordijn van de kraam dicht.

‘Tijd voor een pauze. Ik weet iets geinigs.’

Ze viste een zijden sarong uit haar tas, twee pumps van geëtst staal­glas.

‘Hoe kom je daar aan?’ riep Helga. Ze voelde een steek van heerlijke angst. ‘Dat zijn Wallekanters­spullen,’ vervolgde ze fluisterend.

‘Eerlijk gestolen. Ik liep de hamam in en trok hun spullen in de kleed­kamer aan. De mijne liet ik achter.’ Ze trok een tweede sarong uit haar tas. ‘Ik heb er ook eentje voor jou.’ Haar glimlach werd een brede grijns. ‘Voor het komende uur zijn we twee Wallenkanters­trutjes.’ Ze trok aan Helga’s arm. ‘We gaan gewoon bij Tantoretti zitten.’ Ze knikte naar de uitkijktoren met het roterende terras.

‘Maar dat kan ik onmogelijk betalen! Een cocktail kost daar meer dan ik in een maand verdien.’

‘Niet als iemand anders het betaalt. Laat dat maar aan mij over.’

 

De portier liet hen zonder probleem door. Dames waren altijd welkom, behalve als ze al te onvast op de benen stonden.

Deze week was het thema Ruimte, zag Helga. Drones in de vorm van SpaceX-landers brachten de drankjes rond en de spiesen met gamba’s. Boven hun hoofd dreven de ruimtesteden langs: Putingrad en Nue Berlin, Goederede met zijn immense zonnezeilen.

Ciska liep regelrecht op een tafeltje met twee jongens af. Ze waren duidelijk ouder dan Helga en Ciska: eerder drieëntwintig dan zestien.

‘Hei garçons,’ zei Ciska ‘We zijn twee arme Buiten­dijkersmeisjes en behoorlijk dorstig.’

De grootste jongeman, die met de neusring en de bio hazard tatoeage op zijn kaalgeschoren kruin, wierp een blik op Ciska’s pumps en grijnsde. ‘Vast wel. En wat willen jullie drinken?’

Het terras lag zo hoog dat Helga Dijk Europa boven de daken en masten zag uitsteken. Boven de Wallenkant kleurde de hemel lichtrood: dat was het hemelweb dat het zengende ultraviolet tegenhield boven de Randstad maar uiteraard niet boven Buitendijks.

 

Helga nipte aan haar tweede cocktail. Het smaakte voornamelijk naar anijs maar er zwom wel een miniatuur duikboot in rond.

‘Vertel mij over jezelf?’ vroeg de andere jongen.

‘Ik?’ Toen ze opkeek, was Ciska verdwenen, samen met de andere jongen. Handig. ‘Eh, jij eerst.’

‘Mijn vader is dijkgraaf,’ begon de jongen. ‘Een van de negen. Dijk Europa is zestig meter hoog, met diamanten stootplaten en een kern van geschuimd titanium maar een vloedgolf… Nu, die komen verdraaid hard aan. Mijn vader heeft twintig duizend cyber­spinnen onder zich die elk gat meteen dicht­weven en meer drones dan er zeemeeuwen boven de visafslag vliegen. Mijn moeder, ze is een Telefunken von Eind­hoven. Oude elektronica adel. En jouw ouders?’

‘O, die zijn dood. De laatste tsunami smeet onze woonboot om. Als ik niet op de jongste van mijn tante aan het oppassen was geweest…’

De jongen gaapte haar aan en grijnsde toen. ‘Och ja, dat was de afspraak: jij bent van hier.’ Hij hief zijn hoofd luisterend op. ‘Mijn compagnon, hij zegt: waarom spelen we geen Kus de Bruid?’

Helga wist dat de meeste Wallenkanters een com­puter in hun hoofd hadden. Een AI niet groter dan een sneeuwvlok die samen met hen opgroeide en gewoon­lijk heel wat slimmer was dan zijn mens.

‘Kus de bruid?’

‘Tja, een meisje van hier kent dat natuurlijk niet. Het is een dating site. Log in en toon twee foto’s. Het programma vertelt dan of we bij elkaar passen.’ Hij tikte zijn oorlel aan. ‘Mijn compagnon zegt dat het program­ma onfeilbaar is. Een Turing zestien AI bestuurt het.’

Ineens hingen er twee foto’s boven het tafeltje, plus een knipperende balk. ‘De balk loopt van een tot tien,’ zei de jongen. ‘Bij alles onder de vijf kun je maar beter meteen gif in zijn of haar beker gieten. Acht is al ‘lang en gelukkig’ maar tien, dat is het Tristam en Isolde niveau. Totaal voor elkaar bedoeld. Trouw zo eeuwig dat de dood zulke gelieven niet eens kan scheiden.’

‘Zijn jullie er klaar voor?’ sprak een diepe stem. Diep en galmend en absoluut wijs. Het soort stem waarmee tante Rimca’s god Krishna waar­schijnlijk zou spreken.

‘Ja,’ zei Helga en ineens voelde haar tong vreemd droog. Dit is menens.

De foto’s schoven in elkaar, vervloeiden.

De vonk begon bij de een en ze hoorde gekijf, het geluid van brekend glaswerk.

‘Later we eens verder inzoomen,’ sprak de goddelijke stem. ‘Dieper integreren.’

De vonk schoot voorbij de vijf en het glasgerinkel maakte plaats voor een opgetogen lach, vogelgezang en het murmelen van beekjes.

De foto’s sidderden en de vonk schoot naar het einde van de balk, gloeide goudgeel op.

‘Dit is bizar,’ sprak de stem en er klonk een diepe verbazing in door. ‘Honderd procent compatibel. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: mensen die zo perfect bij elkaar passen.’ Trompetten schalden. ‘Gefeliciteerd! Jullie zijn het soort gelieven dat de kwallen als parels ziet glanzen in het maanlicht. Die jubelen met de futen.’

De jongen schoot overeind, veegde de knipperende balk weg.

‘Dit is een vuile leugen! Je hebt Kus de Bruid gehackt! Mijn compagnon vertelt me dat je echt van hier bent, een kwallendregster en dat je je schoenen en kleren gestolen hebt!’ Hij schudde zijn vuist, een vreemd onmachtig gebaar. ‘Je wilde mij verleiden! Omdat mijn vader de dijkgraaf is!’

Helga keek hem na en alles was perfect: de vorm van zijn oren, de manier waarop hij voorbij de tafeltjes stampte, zelfs zijn gebalde vuisten. Het beeld etste zich in haar brein, onvergetelijk, eindeloos kostbaar. Maar ze bleef staan, rende hem niet achterna. Helga was een Buiten­dijkse en een kwallendregster trouwen met de zoon van een dijkgraaf? Dat was het soort sprookje waarin zelfs kleuters niet konden geloven.