De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Tijdreis

Genres

Category Archives: Tijdreis

Witruimte : Jasper Polane

Zij was zijn zelfmoordmissie.

De heks zat in kleermakerszit in het midden van haar tent. Haar blote voeten met gekleurde teennagels staken onder haar zwarte abaja uit. Ze keek op toen Dawud binnenkwam en herschikte haar hijab.

Hij was vergeten hoe mooi ze was. Haar ogen zwart als de nacht, poorten naar het duistere heelal, waarin het licht van de olielamp weerspiegelde als dansende sterren. Hartvormige lippen, dezelfde donkere henna als haar nagels. Expressieve smalle wenkbrauwen die de ravenzwarte kleur onthulden van haar onder de hoofddoek verborgen haren.

‘Ik ken u.’ Haar stem klonk diep en zoet. ‘Maar ik herinner me uw naam niet.’

‘Dawud al-Harûn, van de Orde der Leergierigen.’ Hij maakte een buiging. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet. Lang geleden, op de Nachtmerriemarkt.’

‘De Nachtmerriemarkt? Dat moet inderdaad lang geleden zijn.’ Ze gebaarde hem tegenover haar plaats te nemen. ‘Welkom in mijn bescheiden tent, administrator. Mijn naam is Zahra. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Mag ik u eerst welkom heten in de vijftiende eeuw. Mijn orde en het Ottomaanse leger zijn vereerd dat u zich bij ons voegt, priesteres van Rastaban.’

Ze glimlachte en zijn hart sloeg een slag over.

‘Is dat het?’ vroeg ze. ‘Het Ottomaanse leger?’

‘Hun sultan is nog steeds de baas. Hij heeft adviseurs en leveranciers uit de Witruimte, maar hij is nog steeds degene die bepaalt hoe alle raad en wapentuig wordt ingezet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat het wat uitmaakt. De christenen hebben ook hulp bij hun verdediging. We komen er niet doorheen.’

‘En daarom komt u bij mij?’

‘U weet waarom ik bij u kom.’ Hij haalde een aantekenboekje uit zijn buidel en bladerde erin. Hij kende de naam uit zijn hoofd, maar het was prettig zijn aandacht op iets anders dan haar ogen te vestigen. Hij las voor: ‘De C.A.D., een demon in de eerste cirkel. U kocht hem op de Nachtmerriemarkt, in de periode dat ik daar als assistent-administrator gevestigd was.’

Ze wierp een blik op de mand die schuin achter haar tegen het tentdoek stond. Het rieten deksel was vastgebonden met drie linten: een rood, een zwart en een zilverkleurig, in elkaar gebonden tot een onbreekbaar kwantumslot.

‘Als u weet dat ik de C.A.D. onder mijn toezicht heb, weet u vast ook waarom de sibbe hem aan mij heeft toevertrouwd,’ zei ze. ‘Ik kan hem niet gebruiken.’

‘Vrouwe Zahra, ik hoop dat u van gedachte wilt veranderen. We hebben uw hulp nodig.’

‘Willen is het probleem niet. Ik kán de C.A.D. niet gebruiken, ook al zou ik willen. Ik kan niet aan zijn voorwaarden voldoen. Het spijt me, administrator, u bent voor niets gekomen.’

‘Het spijt mij ook.’ Dawud stond op en maakte een lichte buiging naar de heks. Hij had de tentflap al opzij geschoven toen ze sprak: ‘Ik kan de C.A.D. niet inzetten, maar ik heb meerdere demonen onder mijn hoede: derde en tweede cirkel. Misschien minder machtig dan de C.A.D., echter te gebruiken zonder voorwaarden. Het is niet hetzelfde, maar alle kleine beetjes helpen.’

Hij twijfelde even of hij om zou draaien, besloot van niet en bleef voor zich uit staren terwijl hij zei: ‘Dank u, priesteres. We kunnen elke hulp goed gebruiken.’

 

Buiten de tent, bevrijd van haar ogen, slaakte Dawud nog eens een diepe zucht. Zahra, hier! Daar had hij niet op gerekend! Hij had misschien langer moeten blijven, met haar praten, een connectie leggen, maar zijn gevoelens hadden hem verraden.

Zijn vader had hem meer dan eens gewaarschuwd nooit verliefd te worden op een Rastabanheks, hoe mooi ze ook was. De heksen waren allemaal betoverend, zonder uitzondering. Trap er niet in, zei zijn vader. Hun schoonheid was schijn, een dekmantel voor hun verdorven innerlijk.

Maar zijn vaders raadgeving ten spijt was hij gevallen voor de eerste heks die hij had ontmoet, tientallen jaren geleden op de Nachtmerrie­markt. Als vijftienjarige was hij dat verdorven innerlijk compleet vergeten bij het zien van de inktzwarte ogen, gelegen in de schaduw van die lange wimpers, en het diepe decolleté van die perfecte borsten. Wat nou, innerlijk?

Dat hij haar nog eens zou ontmoeten had hij nooit kunnen denken. Hij was natuurlijk allang geen vijftien meer, maar evengoed had haar glimlach zijn liefde opnieuw aangewakkerd. Ook al had hij er niet op gerekend, het verbaasde hem geenszins dat ze zijn hart nooit verlaten had.

Misschien zou het zijn opdracht makkelijker maken. Zijn missie ging voor alles. De heks zou de C.A.D. gebruiken. Constantinopel zou vallen.

23 mei 1453 – het beleg van Constantinopel – de Witruimte-herconfiguratie.26B

 

De aanval was in volle gang. Het flikkerende krachtschild dat de Byzantijnen om de stad hadden opgetrokken werd continu geteisterd door de pulsgeweren van de Ottomaanse artillerie en lichtte blauw op waar de lasers insloegen. De schoten verzwakten het genoeg zodat de voetsoldaten er met hun vibrobajonetten doorheen konden snijden en de stadsmuur konden bereiken. De Ottomanen zetten hun zwarte ladders ertegen en begonnen te klimmen, of maakten gebruik van antigrav-schijven om de muur op te komen. De Byzantijnen op de muur vuurden op hun beurt energiewapens naar beneden om de soldaten van de ladders te schieten. Elk kwartier ging het enorme plasmakanon van de Ottomanen af en sloeg gaten in de muur die groot genoeg waren om walvisschepen doorheen te laten.

 

Dawud sloeg de veldslag door zijn verrekijker gade vanaf de heuvel aan de rand van het legerkamp. De muur en de paar honderd meter eronder waren een angstdroom van dood en verderf. Blokken steen regenden op de soldaten neer en stampten hen tot rode pulp. Plasma dat niet door het krachtschild heen kwam spetterde in het rond en vrat met een sissend geluid door alles en iedereen heen die het raakte. De grond was bezaaid met gesneuvelde soldaten en de rivier kleurde rood met het bloed van duizenden slachtoffers. Het gekerm van de gewonden oversteeg zelfs het geknal en gezoem van de wapens.

Het duurde uren voordat de aftocht werd geblazen en de Ottomanen zich terugtrokken, achternagezeten door de laserpulsen van de Byzan­tijnen. Dawud bleef toekijken totdat de laatste Ottomaanse soldaten buiten het bereik van de tegenstander waren.

Met een zucht liet hij de kijker zakken. De aanval had het leven van veel soldaten gekost, maar had het Ottomaanse leger niet dichter bij de overwinning gebracht. Het Byzantijnse krachtschild was intussen weer op volle sterkte en de zelf-reparerende stenen van de stadsmuur waren druk bezig de gaten te dichten.

Dawud had de allereerste versie van dit beleg meegemaakt, jaren geleden in de oorspronkelijke tijdlijn, toen hij werkte als assistent van administrator Assad al-Sunil, wiens baan hij nu had. Destijds bemoeiden de facties van de Witruimte zich nog niet met de strijd, die werd gevochten met authentieke wapens zoals zwaarden, speren en bogen, ook al hadden de Ottomanen toen ook een lijvig kanon gehad, zij het één traditionele die kogels afschoot. Het leger kon de stad ternauwernood innemen, omdat ze het geluk hadden dat een of andere sukkel was vergeten een zijpoort op slot te doen.

Maar dit keer hadden ze dat geluk niet. Groeperingen uit de Witruimte hadden hun oog op deze plaats in ruimtetijd laten vallen en nu werd de hele stad omgeven door een krachtschild. De verdedigers hanteerden wapens die vaak niet te onderscheiden waren van magie en alle natuurwetten leken te schenden. Tot dusver was het de aanvallers nog niet gelukt door de verdediging heen te breken, zelfs niet met hun eigen zo-goed-als-magisch wapentuig.

Dawud had er weinig vertrouwen in dat het de Ottomanen deze keer zou lukken de stad in te nemen. Toch was het van cruciaal belang dat Constantinopel zou vallen. Daarom was hij hier.

 

Toen hij de volgende avond bij haar tent kwam was ze er niet. Na enige tijd zoeken vond hij haar op dezelfde heuvel als hij de vorige avond voor zijn uitzicht gebruikt had, uitkijkend over de stad. Hij beklom de heuvel, met in zijn handen de kartonnen taartdoos.

Ze keek om toen hij haar naderde, haar donkere ogen vol emotie. Hij kon niet bepalen of ze hem afkeurend aankeek of dat ze hem verwelkomde, maar dat maakte hem niets uit. Als ze maar naar hém keek.

‘Goedenavond, administrator,’ zei ze. ‘Ik hoopte al dat u me op zou komen zoeken.’

Zodra ze haar aandacht op hem legde was Dawud zijn ingestudeerde tekst kwijt. In het nauw gedreven doordat hij plotseling moest improviseren stamelde hij: ‘Ja, door mijn werk op de Nachtmerriemarkt ben ik erg geïnteresseerd in de werking van demonen. Ik zou graag observeren hoe u deze gebruikt.’

‘Voel u vrij,’ zei Zahra. ‘Deze demon kan pas om twaalf uur ’s nachts gebruikt worden. Dat is over veertig minuten. Misschien wilt u uw boekje alvast gereedhouden.’

Ze draaide zich met de rug naar hem toe en richtte haar aandacht op het slagveld onder hen, waar de gesneuvelde soldaten van vandaag verzameld werden. Ze zouden vannacht begraven worden en hun programmatuur zou naar de Witruimte gekopieerd worden, zodat ze later ergens anders, in een andere tijd en op een andere plaats, ingezet konden worden in een nieuwe oorlog. De volle maan stond hoog boven de stad en rimpelde wanneer er een stroompiek door het krachtschild trok.

Hij was haar belangstelling kwijt. Hij had meteen moeten toegeven dat hij voor háár kwam.

Snel liep hij de laatste paar stappen de heuvel op en ging naast haar staan. Hij opende de taartdoos en bood haar de chocoladebruine cilindervormige gebakjes aan.

Zijn stem kraakte door zijn droge keel. ‘Ik heb iets voor u meege­nomen.’

Zahra keek verwonderd van hem naar de doos en weer terug. Ze nam een gebakje voorzichtig tussen haar vingers en draaide het onderzoekend in haar hand. ‘Wat zijn het?’

‘Ze heten zoenen, of soms chocozoenen. Een wafeltje als bodem, geklopt eischuim en een dun laagje chocola. Uitgevonden in de negentiende eeuw en zeer populair tot het einde van de twintigste, toen de naam veranderd moest worden.’

‘Waarom?’

‘Eerst heetten ze negerzoenen. Dat werd door sommigen racistisch of discriminerend gevonden.’ Dawud haalde zijn schouders op. ‘Iden­titeitspolitiek was toen anders dan nu.’

‘Ze gewoon “zoenen” noemen is wel de meest fantasieloze oplossing die ze konden bedenken,’ zei Zahra met een glimlach. ‘Ik zou ze nachtzoenen genoemd hebben, dan blijft die associatie met donker in de naam.’

‘Nachtzoenen hè? Mooi,’ zei Dawud. ‘Of klapzoenen, tongzoenen, Franse kussen, pakkerds, smakkerds.’

‘Nee, nachtzoenen is het beste.’

‘Daar heeft u gelijk in,’ antwoordde hij. ‘Kom, neem een hap.’

‘Waar begin ik?’

Dawud deed het voor. Hij pakte de nachtzoen bij het wafeltje en nam een grote hap van de bovenkant. Het chocola kraakte en een explosie van zoetigheid vulde zijn mond.

Zahra volgde zijn voorbeeld. Ze nam voorzichtig een klein hapje. ‘O, wat zoet!’ riep ze uit. ‘Wel lekker, hoor, maar zoeter dan honing!’

Ze nam nog een hap, nog een en een tijdje aten ze hun nachtzoen op, in stilte totdat die werd doorbroken door het gekraak van de wafeltjes. Zahra likte haar vingers af voordat ze hem weer aankeek.

‘Ze zijn moeilijk te eten, deze zoenen, maar ze zijn verrukkelijk.’

Ze lachte, vrolijk en verrassend, en tikte met haar vinger op het puntje van haar neus. Met een grijns veegde hij het schuim van zijn neus.

‘Nu heeft u mij een zoen gegeven, maar ik u nog niets. Ik sta bij u in het krijt.’

Plotseling stond ze tegen hem aan. Haar bedwelmende aanwezigheid omstrengelde zijn zintuigen. Haar boezem drukte zacht tegen zijn borstkas aan. Haar zoete geur deed zijn hoofd tollen. Ze keek hem diep in zijn ogen en hij dacht te verdrinken in haar zwarte ogen, maar toen sloot ze ze en hield haar hoofd een beetje schuin.

Hun kus was zacht en zoet, als een nachtzoen. Hij wilde zijn armen om haar heen te slaan, maar durfde niet en zij liet haar armen ook langs haar lichaam hangen. Waar haar lichaam hem aanraakte stuurde ze stroomstootjes het zijne in, die zijn hart aanjaagden en zijn kruis roerden. Het leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd veel te kort. Toen ze zich uit de kus losmaakte keek ze hem een moment teder aan, kwetsbaar en gevoelig, meer vrouw dan heks, maar toen viel haar eigen mysterieuze aura weer over haar heen.

Hij wist niet wat te zeggen, dus zei hij weer eens het verkeerde: ‘Zahra, het is bijna middernacht…’

Ze deed een stap terug. Haar warmte en zoetheid verliet hem. Ze draaide zich om en keek naar de zilveren maanschijf die boven de stad hing. ‘Juist… de demon.’

Ze maakte een fijn polskettinkje los en ging met haar wijsvinger de zilverkleurige kralen langs totdat ze bij een afwijkende kraal kwam, wit uitgeslagen en een millimeter groter. Die drukte ze fijn tussen duim en wijsvinger. Een klein olijfgroen wormpje sprong uit de kraal tevoorschijn en zweefde omhoog. Terwijl het verder de lucht in vloog werd het snel groter. Het groeide en groeide, totdat het een groene slang bleek te zijn.

‘Dit is de Bakunawa,’ zei Zahra. ‘Hij is…’

‘…de Eter van de Maan,’ vulde Dawud aan. ‘De eclipsdemon.’

De slang bleef groeien, totdat een gigantisch monster, met rode tong en asgrijze vleugels, als een speer op de maan afstevende. Er klonk geschreeuw van soldaten op het veld onder hen en vanaf de kantelen van de stad.

‘Er is een oude profetie die vertelt dat Constantinopel zal vallen wanneer de maan verdwijnt,’ zei Zahra. ‘Bakunawa zal dit bewerk­stelligen.’

Dawud trok een wenkbrauw op. ‘Werkt dat? Is dat alles wat er nodig is? De maan verdwijnt en de profetie komt uit?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ grijnsde Zahra. ‘Maar dat weten de Byzantijnen niet. Hoezeer hun adviseurs uit de Witruimte hen ook zullen verzekeren dat er niets aan de hand is, zij zullen ontmoedigd worden door de maansverduistering. De Ottomanen geloven er trouwens ook in, dus zij zullen extra gesterkt worden. Dubbele winst.’

De gigantische slang bereikte de maan en opende zijn enorme muil. Op het moment dat de zilveren schijf in zijn bek verdween loste Bakunawa in het niets op. De lucht boven de stad leeg, de maan verdwenen. Overal vanuit de stad steeg gehuil, gejammer en gebeden op. Vanuit het Ottomaanse legerkamp klonk gejuich.

Met een tevreden glimlachje richtte Zahra haar aandacht weer op haar kettinkje. Ze wreef met haar vingers over de kapotte kraal en toen ze het kettinkje weer om haar pols bond, zat de wit uitgeslagen kraal er weer aan, met de Bakunawa erin.

De profetie zou in vervulling gaan.

 

‘Waarom is het zo belangrijk dat Constantinopel valt?’ vroeg Zahra.

Het was de volgende dag en ze zaten op ‘hun’ heuvel in kleermakers­zit naast elkaar. Zahra had een urn van wit porselein tussen haar voeten geklemd.

Onder hen sloegen nieuwe golven soldaten tegen de stadsmuren. Het plasmakanon en de pulsgeweren vuurden in computergestuurde inter­vallen op het Byzantijnse krachtschild. De Ottomanen haasten zich door de ontstane gaten voordat de fasegenerator het schild weer op kracht kreeg, maar werden bij de stadsmuur opgewacht door de energiewapens en  magnetische railguns van de tegenstander. De lijken stapelden zich op, waardoor de aanvallende soldaten bergen lichamen moesten beklimmen om bij de muur te komen.

‘Waarom bemoeien uw Orde der Leergierigen en andere afdelingen van de Witruimte zich met deze oorlog?’ Ze wees op de stad in de verte. ‘Het is niet meer dan een suf stadje, waarvan de reputatie vele malen groter is dan zijn werkelijke aard. Waarom verspillen jullie zoveel middelen om de Ottomanen te laten winnen?’

Dawud haalde zijn blocnote tevoorschijn en bladerde naar zijn vijftiende-eeuwse tijdlijn en hield die voor haar op. Ze kroop wat dichterbij om beter te kunnen zien. Deze keer wist hij wel wat te zeggen. Hier had hij jaren voor gestudeerd en hij kende de stof door en door. De nabijheid van een zoet ruikende warme dame leidde hem af, maar niet genoeg om zijn opleiding te vergeten.

‘De val van Constantinopel in 1453 markeert het einde van de Middeleeuwen,’ legde hij uit. Hij trok met zijn wijsvinger een denkbeeldige lijn van boven naar beneden op het papier. ‘Links leven de volkeren in angst. Ze zijn bang voor God, of hun leiders, of de monsters die zich in de nacht schuilhouden. Rechts de geboorte van belangrijke nieuwe ontwikkelingen, de neergang van het feodale stelsel, de opkomst van de drukpers en het buskruit. Een tijd waarin de mens zijn omgeving steeds beter leert kennen en gebruiken.’

‘Maar dat is slechts een voortgang van ontwikkelingen die zich al enige jaren voordoen,’ zei Zahra. ‘Ontwikkelingen die in de Middeleeuwen geboren zijn en verder zullen gaan, Constantinopel of geen Constantinopel. De val van de stad is een symbool, een idee.’

‘U bent een priesteres, u moet toch de kracht van symbolisme kennen?’ Hij keek haar aan en zij keek met die donkere poelen terug. Dit keer verdronk hij echter niet. ‘De maansverduistering van Bakunawa was ook een idee. Maar niet “slechts” een idee: een heel krachtig idee. Als de stad niet valt zal de wereld in duisternis gehuld blijven. De wetenschap zal geen nieuwe opmars maken, de technologische revoluties zullen achterwege blijven en uiteindelijk zal de Witruimte nooit bestaan hebben.’

‘Ik heb de filosofische kant van de Leergierigen altijd interessant gevonden.’ Zahra glimlachte. Ze greep naar de urn en haalde het deksel eraf. ‘Ik zal eerst deze demon loslaten. Ik denk dat ik u daarna nog een keer ga zoenen.’

De demon Osiris, de Herrezene, had de uiterlijke vorm van een wervelwind die bestond uit grauwe as. Hij stormde over het slagveld, over de opgestapelde lichamen en regende warm- en koelgrijze stukjes op hen neer. De lijken die door de as ondergesneeuwd raakten begonnen zich te roeren. Een spookachtig gekreun kwam uit hun monden. Houterig en onbehaaglijk stonden ze op. Niet langer dood, niet echt levend, maar ondood, onlevend. Demonische as-zombies uit de Witruimte, bestuurd door de Osiris-software van de heks. De zombies raapten hun pulsgeweren en vibrobajonetten op en begonnen aan een nieuwe bestorming van de muren.

Zahra en Dawud zagen het niet. Zij waren verwikkeld in een innige kus, hartstochtelijk en geweldig. Ze had haar armen om zijn nek gelegd en trok hem naar zich toe. Hij sloeg zijn armen om haar middel en deed hetzelfde, hun lichamen stevig tegen elkaar aan getrokken alsof ze in elkaar versmelten zouden, hun warmte delend. Iedere seconde dat hun lippen elkaar raakten wond hem meer op.

Hij wilde meer. Natuurlijk wilde hij meer. Maar nu nog niet. Dat zou te snel zijn. Vooralsnog was deze kus perfect.

 

Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij lag in zijn tent, eenzaam en alleen, zijn gedachten volledig beheerst door die donkere ogen, die heerlijke volle lippen, die ongelooflijke borsten en die prachtige billen. Haar zoete geur en smaak bleven om hem heen hangen en vervulden zijn verbeelding. Zou hij naar haar toegaan? Wat zou ze doen als hij bij haar de tent inkroop? Zou ze hem met open armen ontvangen? Hij geloofde niet dat ze hem weg zou sturen, maar toch durfde hij niet, ook al was er niets dat hij liever zou doen.

Het zou niet verstandig zijn. Hij zou wachten, totdat hij zeker wist dat ze hetzelfde voor hem voelde. Dus bleef hij liggen, dan weer op zijn rug starend naar de vouwen van zijn tent, dan weer draaiend en woelend, op zoek naar slaap. Haar gezicht bij hem wanneer hij zijn ogen sloot, haar gelach in zijn oren wanneer hij zijn hoofd onder zijn kussen verborg. Toen hij de volgende ochtend uit de tent kroop voelde hij zich ellendig en nauwelijks uitgerust.

Hij had het werkelijk flink te pakken. Ieder moment van de dag dacht hij aan haar. Wanneer hij door het kampement liep bleef hij in het rond kijken, in de hoop dat hij haar tegen zou komen, ook al wist hij dat ze hier nooit kwam. Elke vrouw die hij zag vergeleek hij met haar, maar geen van hen was ook maar half zo mooi.

Hij zwierf door het kamp, op zoek naar niets in het bijzonder. Hij wist dat deze zotheid niet lang kon duren. Hij moest een missie vervullen. Daarom was hij hier. Daarom had hij haar opgezocht. Het was niet de bedoeling geweest dat híj zo hoteldebotel voor haar zou vallen.

Zijn missie. Zijn verdomde zelfmoordmissie… Hij had hem gekregen omdat hij bekend was met de C.A.D., niet omdat hij Zahra kende. Dat hij lang geleden verliefd op haar was geworden deed er niet toe. Toen was hij een tiener, een jongen nog, het was kalverliefde. Liefde op het eerste gezicht was immers niet echt. Het was een bevlieging, meer niet. Niemand had erop gerekend dat liefde op het tweede gezicht vele malen heviger zou zijn.

Dus nu liep hij hier, wetende dat hij de vrouw van wie hij hield moest verraden. Hij wist dat zijn opdracht haar pijn zou doen. Zoveel pijn dat ze er misschien nooit meer overheen zou komen. Was dat het waard?

Haar pijn deed hem meer dan zijn eigen naderende dood. Hij wist dat hij deze missie niet zou overleven – niet kón overleven – en had zich daar bij neergelegd. Hij had zijn bevelen van de Orde der Leergierigen. Zahra’s gevoelens waren nevenschade, collateral damage. jammerlijk, maar niet te vermijden.

Of wel?

Hij keek naar de stad in de verte, de bruingrijze en grijsbruine stenen van de muren, het kleirood en baksteenoranje van de daken. Constan­tinopel moest vallen, anders zou de Witruimte nooit bestaan. Dat had hij aan Zahra verteld, zoals zijn mentor Assad al-Sunil hem had verteld. Maar had hij gelijk?

Of had Zahra gelijk, als ze zei dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren verder zouden gaan, Constantinopel of geen Constantinopel? Dan zou zijn opdracht onnodig zijn.

Hij probeerde zich haar gezicht voor te stellen. Treurend. Zou ze huilen? Tranen in haar ogen, misschien, maar meer dan dat kon hij zich nauwelijks inbeelden. Hij had zich echter haar lach ook niet kunnen inbeelden en haar kussen al helemaal niet. Zahra was een gepassioneerde vrouw en haar emoties witheet als vloeibaar metaal. Ze zou huilen, ze zou schreeuwen, ze zou hem haten en vervloeken. De pijn zou haar nooit verlaten.

Hij kon het niet. Hij hield te veel van haar. Hij kon haar geen pijn doen. Hij zou haar geen pijn doen.

Dawud activeerde zijn interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

 

Hij materialiseerde op het witte strand van de planeet Newton-5. Hij was van plan geweest om een paar dagen hier door te brengen; hangen aan de bar van de strandtent, mijmerend uitkijken over het groene water van de Koperzee, misschien een gedicht of twee schrijven. Maar zijn verliefdheid liet hem niet met rust. Gedachten over lange strandwandelingen en vrijen in de branding drongen zich aan hem op. Een poging een gedicht over Zahra te schrijven resulteerde enkel in een bladzijde in zijn aantekenboekje volgekladderd met hartjes. Dit was duidelijk niet de plaats om haar achter zich te laten.

Dan maar het grove geschut: haar proberen te vergeten met drank, drugs en seks. Hij streek neer op de planeet Hades en bezocht daar de beroemde plezierpaleizen. Hij had keuze uit mensvrouwen en -mannen, hermafrodieten, katmeisjes en duivelsjongens, klonen van bekende vloggers en zelfs een aantal ex-politici. Voor elk wat wils, maar Dawud begreep snel dat zijn smaak er niet bij zat. Hij verlangde slechts naar één vrouw.

Drie dagen bleef hij reizen, steeds verder weg van de Aarde in 1453, weg van de vrouw bij wie hij het liefst wilde zijn. De Orde van Leergierigen had intussen gemerkt dat hij weg was. Hij nam hun oproepen niet aan. Iedere avond wiste hij hun ingesproken berichten, onbeluisterd. Totdat op de derde avond een bericht binnenkwam dat niet van de Leergierigen afkomstig was. Zijn hart sloeg een slag over toen hij de User ID zag: ZaHRa.

Met trillende vingers opende hij de voicemail. Haar zoete stem begon zakelijk: ‘Administrator, dit is Zahra. Ik heb uw aanwezigheid gemist de afgelopen avonden en ik bel om te informeren of alles in orde is. Ik heb nog een demon tot mijn beschikking. Die zal ik morgen activeren.’ Toen werd haar stem zachter, teder bijna: ‘Dawud… Ontloop je me? Heb ik iets gedaan? Heb ik iets gezegd? Als dat zo is dan spijt het me. Zie ik je morgen? Kus.’

Hij zuchtte een keer diep. Hij kon haar niet meer ontlopen. Die kus had zijn lot bezegeld.

 

Die dag was de hemel het gebroken wit van verse room, dat in de middag verschoot naar een dreigend okergrijs. Dawud had besloten zijn drie subjectieve dagen objectief te maken zodat hij de achtentwintigste pas terug was in Byzantium. Zwijgend, met lood in zijn schoenen en in zijn maag, liep hij de heuvel op. Hij kreeg kippenvel toen hij haar zag staan, zo mooi en beangstigend.

Ze keek niet om.

In de verte rolde een dikke mist vanaf zee het land op, als een roofdier dat geluidloos naderbij sloop. De stad lag er grauw en versleten bij, een slapend dier te log om zich uit te voeten te maken wanneer de nevel hem zou grijpen. Ongehinderd door het krachtschild rolde de mist de straten in. Al snel waren de straten van Constantinopel gehuld in een dikke, ondoorzichtige deken.

‘De djinn Ibris.’ Zahra’s stem klonk vlak. ‘Een demon van de tweede cirkel, nuttig om angst te zaaien en het moreel van de tegenstander te ondermijnen.’

‘Een soort nanonevel?’ Dawud keek door zijn verrekijker. ‘Hoe komt het door het krachtschild? Onze nevels ketsen erop af.’

‘Het krachtschild is poreus. Het laat lucht door, anders zouden de inwoners van de stad allang gestikt zijn. Het schild is geprogrammeerd om mechanische nanobots tegen te houden, maar het laat watermoleculen door.’

‘Bedoel je dat het echte watermist is?’

‘Slimme watermist, uitgerust met verschillende aanvalssubroutines.’

‘Geprogrammeerd water? Dat is niet mogelijk.’

‘Daar is het een demon voor. Ibris zal vanavond pas zijn volle effect krijgen.’ Ze ging als een kleermaker op de grond zitten. ‘Nu wachten we.’

Dawud nam plaats naast haar op de grond. Enige tijd zaten ze zwijgend naast elkaar, niet omkijkend, elkaars aanwezigheid amper bevestigend.

‘U hebt niets fout gedaan.’ Dawud schraapte zijn keel. ‘Daarom ging ik niet weg. Ik… Ik ben juist heel graag in uw gezelschap. Maar u bent een priesteres en ik ben een administrator. Het is onmogelijk te bepalen wat onze kansen zijn als we deze plaats en tijd verlaten, ná de val van Constantinopel. Kunnen we samenzijn totdat ieder van ons een nieuwe opdracht krijgt? Kunnen we een relatie in stand houden als we miljoenen ruimtetijdpunten van elkaar verwijderd zijn? Die onzekerheid beangstigt me. Ik wil geen ketenen smeden waar ik niet meer uit kan komen als u weg bent.’

Zahra bleef zwijgend naar de in nevel gehulde stad kijken.

‘Eloquent, administrator,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zeg alsjeblieft “jij” tegen me.’

‘Het spijt me. Ik had op zijn minst afscheid moeten nemen.’

‘Dan was je misschien niet meer teruggekomen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Je had op zijn minst nog een doos nachtzoenen mee kunnen nemen.’

‘Daar heb ik niet aan gedacht. Neem je genoegen met een ander soort zoen?’

‘Eentje maar?’

Ze hadden natuurlijk vaker gekust, maar zo voelde het niet. Nog steeds klopte Dawuds hart in zijn keel, nog steeds sloeg zijn hoofd op hol, nog steeds gaf ze hem kippenvel. Ze maakten zich los uit de kus. Haar zoete adem verliet hem, maar die onpeilbare ogen lieten hem niet los.

‘De afgelopen drie dagen hebben mij ook de kans gegeven na te denken. En je hebt gelijk, het is lang niet zeker of we bij elkaar kunnen blijven. Het is echter zeker dat we nú bij elkaar zijn. Misschien is dat genoeg. Onze toekomst is onzeker, maar nu is niet het moment om ons daar druk over te maken.’ Ze stond op, streek haar abaja glad. Dawud keek haar na terwijl ze de heuvel afliep, totdat ze halverwege bleef staan en vroeg: ‘Kom je?’

Hij wierp een blik op de stad in de verte, nog steeds bedekt in een dikke wolkendeken. ‘Maar… de demon?’

‘Ibris kan zijn werk doen zonder ons. Kom mee.’

 

’s Avonds slonk de mist, als een waterzak die leeggegoten werd, maar de Ibrisnevel liet een cadeautje achter. De demon had kleine aanpassingen gemaakt in de alles omringende omgevingssoftware van de Witruimte. Het programma werd door ontelbare kleine subroutines geleid, die steeds minuscule veranderingen in de stad aanbrachten. De  aanwezige ontwerpers  uit de Witruimte hadden al snel door wat er gebeurde en probeerden de demon te onderscheppen, maar ze waren te laat.

Vlammen overspoelden de koepel van de Hagia Sophia. Glinsterende lichten verhieven zich uit het dak van de kathedraal en vlogen naar het westen, tot ver in het afgelegen platteland achter het kamp van de Ottomanen.

Een gehuil rees op uit de stad. Geschreeuw klonk vanaf de stads­muren. Onheilsprofeten zwierven door de straten en verkon­digden het einde van Constantinopel, nu de Heilige Geest de kathedraal was ontvlucht.

De Ibrisnevel had zijn werk gedaan, maar Dawud en Zahra waren er niet om zijn verrichtingen te aanschouwen. Zij bevonden zich in Zahra’s tent en maakten hun eigen vlammen.

 

Naderhand lagen ze bij elkaar, starend naar het tentdoek boven hen, Dawud een arm om haar heen geslagen. Hij zou zich gelukkig moeten voelen, nu hij niet alleen seks had gehad met zijn droomvrouw, maar er ook een relatie in het verschiet lag. Maar zo voelde hij zich niet. Hij werd koud en alsmaar kouder, want hij wist wat nu ging komen.

‘Ik hou van je,’ zei hij zacht.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ze. Ze lachte van oor tot oor. ‘Het zou niet mogelijk moeten zijn, maar toch is het zo. Ik hou van je, Dawud al-Harûn.’

‘Dat is fijn om te horen.’

Zijn kille toon deed haar opkijken. Ze richtte zich op en bestudeerde zijn gezicht. Plotseling verscheen het besef in haar ogen.

‘O nee!’ Met beide handen duwde ze hem van zich af. ‘Nee nee nee! Jij! Jij klootzak!’

Ze sloeg hem, keer op keer, haar vuisten tegen zijn blote borst. Hij voelde er weinig van, want ze hield zich onwillekeurig in, maar de pijn in Dawuds hart werd bij iedere slag heviger. Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn lief…’

‘Noem me niet zo! Jij… klootzak!’ Ze verzette zich tegen zijn greep en probeerde zich los te trekken. Na enige worsteling liet hij haar gaan. Ze rolde van hem weg en bleef met haar rug naar hem toe liggen.

‘Zahra… Het spijt…’

‘Lieg niet tegen me. Het spijt je niet.’ Ze bleef met haar gezicht naar het tentdoek liggen, maar haar stem trilde genoeg om haar emotie te bepalen. ‘Kwam je alleen naar hier om me te versieren?’

Dawud probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. ‘In het begin wel, ja,’ gaf hij toe.

‘Klootzak. Waarom moet je mijn hart als wapen gebruiken?’

‘En het mijne.’ Hij wreef de tranen uit zijn ogen. ‘Ik hou van je, Zahra. Ik heb altijd van je gehouden, vanaf het moment dat ik je voor het eerst zag. Jij bent de vrouw die mijn leven beheerst.’

Haar onderlip trilde. Haar ademhaling was diep en trilde. ‘Maar dat is niet belangrijk. Het gaat er niet om of je van mij houdt of niet, het gaat erom of ík van jóu houd.’

‘En dat is zo… toch?’

Zahra richtte zich op en ging op haar knieën zitten. Dawuds hart zonk, zwaar als steen, toen hij de uitgelopen strepen kohl op haar gezicht zag. Haar donkere ogen straalden nu enkel nog verdriet uit. Na enige tijd elkaar stilzwijgend te hebben aangekeken reikte zij onder haar kussen en haalde er een dolk vandaan.

‘De C.A.D., de resetdemon.’ Haar stem was nauwelijks meer dan gefluister. ‘Een demon van de eerste cirkel, zo sterk dat hij voor­waarden aan zijn meesteres kan stellen. In dit geval: de dood van een geliefde. Een reset van het hart. Ik heb de demon onder mijn hoede omdat ik geen geliefde heb… of had.’

De nano-dolk zat in een schede van kracht, vergelijkbaar met het schild van de Byzantijnen, omdat het lemmet scherp genoeg was om door elke materie heen te snijden. De dolk kon door diamant heen snijden, dus door een mens zou geen probleem zijn. Dawud zou er waarschijnlijk niets van voelen.

Zahra trok de dolk uit de schede. ‘We hoeven de C.A.D. niet te gebruiken. We kunnen hier weggaan, vluchten, de boel de boel laten. Laat de Ottomanen en de Byzantijnen en alle Witruimte-facties het maar uitvechten. Alsjeblieft, Dawud, ga met me mee…’

Natuurlijk kwam hij in de verleiding. Hij aanschouwde de prachtige naakte vrouw voor hem en kon zich maar al te goed voorstellen hoe het zou zijn de rest van zijn leven met haar door te brengen. Een eeuwigheid naar haar kijken, met haar praten, kussen, neuken… Natuurlijk was het niet zeker of ze bij elkaar zouden blijven, maar in de liefde was het dat nooit. Ze zouden het toch kunnen proberen…

‘Nee, we moeten deze oorlog winnen. Constantinopel moet vallen. De Middeleeuwen moeten eindigen.’

Ze liet een zacht gejammer horen. Haar schouders schokten, slechts één keer. Toen stootte ze haar dolk in zijn hart.

 

Ze nam geen moeite zich aan te kleden. Slechts gekleed in tranen en Dawuds bloed tilde ze de rieten mand de heuvel op. Daar zette ze het op de grond en legde haar hand op het kwantumslot. Dat herkende meteen haar DNA-signatuur en liet een goedkeurende bliep horen. De linten gleden geluidloos op de grond. Ze schoof het deksel van de mand af en bevrijdde de demon.

De heksen van Rastaban waren de hoedsters van demonen uit de Witruimte. Zahra bezat een verzameling broncodes, subroutines en kunstmatige intelligenties, brokken programmatuur van verworpen ontwikkelingspaden uit de post-humanistische superomgeving. De meesten daarvan mocht ze gebruiken wanneer ze dat nodig achtte, zoals ze Bakunawa en Osiris en Ibris had gebruikt om het Ottomaanse leger te helpen.

Sommige demonen waren echter te gevaarlijk, te krachtig. Krank­zinnige zelfbewuste virussen, zo sterk dat het eisen aan zijn gebruiker kon stellen. Ze stelden voorwaarden, zoals de dood van een geliefde.

Een lichtgevende reeks nullen en enen steeg op uit de mand. Hij bleef kort voor haar gezicht hangen en zette toen uit. Het verspreidde zich gelijkmatig over de omgevingssoftware. Fluorescerend blauwe golven zwommen naar de stadsmuur. Een zee van licht verspreidde zich over het Ottomaanse kamp.

De C.A.D., de resetdemon, breidde zich uit. Hij bereikte het kracht­veld dat om Constantinopel lag en begon het uit te wissen. Aan de andere kant van het slagveld wikkelde het zich om het plasmakanon en nam gulzige happen uit de broncode. Pulsgeweren, vibrobajonetten, as-zombies, nano-nevels, integriteitsbrekers, trans-realiteitscapacitors, digitale re­plicanten, biomorfische klonen; de C.A.D. wiste alles wat de facties uit de Witruimte naar deze plaats hadden gebracht.

Zahra voelde de demon door haar programmatuur gaan, maar Dawuds bloed beschermde haar. Net zoals alle heksen had ze een karakteranalyse moeten ondergaan toen ze als jong meisje de sibbe van Rastaban betrad. Afstandelijk, had de A.I. haar genoemd. Een observator, had het gezegd. En vooral: niet in staat om lief te hebben. Het computer­programma was onfeilbaar, maar toch had het geen gelijk gehad. Het had met één variabele geen rekening gehouden: dat iemand van háár zou kunnen houden. Haar verschijning, aura en status als priesteres was meestal genoeg om mannen op een afstand te houden. Dawud was de eerste die dat krachtveld had doorbroken, omdat hij vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag van haar hield. Liefde op het eerste gezicht bestond niet, dat stond vast. Miljoenen applicaties en simulaties hadden het onderzocht en waren het daar over eens. Liefde op het eerste gezicht was een symbool, een idee.

Maar niet ‘slechts’ een idee. Een heel krachtig idee.

Terwijl de C.A.D. de lagen Witruimte van de historische feitelijkheid afstroopte en echt gescheiden werd van niet echt, begon Zahra het te begrijpen. Ze zag het, nu. Ze zag waarom Dawud zijn leven had gegeven.

Ze leefden in een universum waarin alles mogelijk was. Dankzij de onvoorstelbaar geavanceerde technologie van de Witruimte kon iedereen zijn wie ze wilden zijn, eruitzien zoals ze wilden, leven zoals ze wilden. Ze konden elke planeet in het Melkwegstelsel bezoeken zonder zich zorgen te hoeven maken of ze daar konden overleven. Ze konden elk moment in de tijd beleven, verleden en toekomst, zonder zich zorgen te maken of ze de tijdlijn zouden beschadigen. De demonen van de Nachtmerriemarkt brachten zelfs het onmogelijke binnen hand­bereik.

Alles was mogelijk, de Witruimte had onbeperkt potentieel. Het was het blanke canvas wachtende op de schilder, de witte bladzijde in afwachting van de schrijver. Daarom waren ideeën belangrijker dan ooit. Ideeën, dromen, symbolen, ze waren de motoren achter de maakbare superrealiteit. Ze zwengelden het geheel aan.

Je kunt alles maken wat je wilt. Wat ga je maken? Een idee.

Daarom moest Constantinopel vallen. Hij had als symbolische droom veel meer waarde dan als reële stad. Vertellers zouden tot ver in de toekomst verhalen blijven optekenen over zijn legendarische bibliotheek, zijn onneembare muren, zijn omvang en zijn rijkdom. De mythe van Constantinopel zou zich door de tijd uitrekken en tot de verbeelding blijven spreken.

Zonder die mythe was Zahra hier niet geweest. Wij allemaal niet.

 

 

29 mei 1453 – de val van Constantinopel – basisconfiguratie.0

 

De tijdlijn vervaagde.

Zahra activeerde haar interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

Vergeten getallen in een ver verleden : Jorrit de Klerk

Zelfs in het kantoor van de directeur, op de hoogste etage, voelde ik het klagende getril van de Machine diep onder het gebouw; een disharmonie van vibraties waarmee de tijd leek te benadrukken dat ons gemanipuleer niet op prijs gesteld werd.

‘Agent Eén,’ zei de directeur, ‘is verdwenen.’

Een onwillekeurige herinnering aan Eén. Hoe hij dicht tegen me aankroop na het bedrijven van de liefde, in een appartement in Sydney dat uitkeek over de baai. Regen in het water en in de verte de eeuwen­oude opera, een betonnen reliek uit vervlogen tijden.

‘Agent Twee?’

Ik schrok op. De directeur schoof over het bureau een dossier naar me toe. Ik activeerde het en Eén keek me vanaf een oude foto aan.

‘Hij is zeven uur geleden op missie gegaan. We…’ De directeur pauzeerde en leek naar woorden te zoeken. ‘We zijn een wereldoorlog ingesprongen.’

Ik huiverde.

‘D-day,’ vervolgde ze, ‘het omslagpunt van de Tweede Wereldoorlog; de geallieerde invasie in voormalig Frankrijk. In een gebied dat bekend stond als Normandië.’

Ik scrolde door het dossier. Grafieken, kansberekeningen, tijdknoop­punten en sprongmomenten. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Mijn ogen werden vochtig bij de gedachte aan Eén, verdwenen. De pixels op het scherm versmolten tot vegen.

‘Ik dacht dat als we ooit een knooppunt in één van de oorlogen zouden vinden, we er ver vandaan zouden blijven.’ Mijn stem sloeg over en de directeur fronste.

‘Laten we er niet omheen draaien. Ja. Er is iets misgegaan en de historische dienst is druk in het archief op zoek naar gevolgen.’ Ze zuchtte, omdat ze net als ik wist dat als het allemaal nog langer duurde er vragen kwamen, dat aandeelhouders die het niet konden begrijpen meer wilden weten. De directeur vouwde haar handen. ‘Het spijt me, Twee, dat je niets wist. Eén vond het belangrijk om jou… Wij weten niet goed waarom hij jou erbuiten wilde houden. Misschien… Het was de eerste maal dat we een sprong naar één van de grote oorlogen konden maken en we veronderstelden dat we alle risico’s hadden beschouwd.’

Ik dacht aan de afgelopen maanden. Het was alsof een puzzel van herinneringen bijna in elkaar schoof. Eén geconcentreerd starend naar zijn scherm, calculerend, op dat terras in Barcelona. Dat laatste verwar­rende weekeinde in Amsterdam. Alle nachten die hij bleef door­werken, zijn obsessie en de zoektocht naar de ontbrekende variabele, het waarom van de knooppunten in de tijd. De oplossing. En nu had hij iets gevonden. In 1944.

En mij had hij buitengesloten. Uiteindelijk.

Mij.

De directeur zei: ‘Voor de duidelijkheid: we hadden het volste vertrouwen in Eén maar we kunnen niet uitsluiten dat hij iets… onverwachts heeft uitgevoerd. In heeft willen grijpen in de oorzaken en gevolgen. Wie weet? Wie wil niet Hitler vermoorden als hij de kans heeft? De tijdlijn op het spel zetten…’

Ik deactiveerde het dossier. Wat had Eén ontdekt in 1944? Waarom had hij mij verlaten?

‘Als we over een uur nog niets weten,’ zei de directeur, ‘verlaat je het nu en sturen we je naar een later sprongmoment van het knooppunt. Plaatsbepaling wil je naar het twintigste priemmoment laten gaan. Naar 2015. Veilige afstand. Eerste verkenning voor lokale inventarisatie.’

‘En als ik niets kan vinden in 2015?’

‘Fout, Twee. Je moet iets vinden.’

 

Bij de historische dienst liepen operateurs, historici en tijdlijnanalisten snel en gefocust van bureau naar bureau. Ik keek naar de reusachtige projecties op de wand, van de Franse kust zoals die midden twintigste eeuw was, ver voor de vloed.

‘Hallo, Twee.’

‘Hoofd-operateur. Ik heb begrepen dat je een upload voor me hebt.’

De man gebaarde naar een grote stoel. Ik ging zitten.

‘Dus Eén is de Tweede Wereldoorlog ingesprongen?’ vroeg ik.

De hoofd-operateur rommelde in de kast naast de stoel en ontweek mijn blik.

‘Het was geheim, Twee. Hij wilde niet dat jij iets wist.’

‘Ik had hem tegen kunnen houden. Nu is hij misschien dood.’

‘Daar hebben we geen bewijs van.’

Ik greep zijn arm.

‘Ik heb het dossier gezien. Eén is gesprongen. Als soldaat. Het knooppunt in 1944 was precies op het strand. Tijdens de geallieerde landing! Hoe kon Eén ooit zo’n risico nemen?’

De hoofd-operateur haalde zijn schouders op.

‘Twee, ik weet het niet. Laten we de upload starten. Ik heb hier kennis over de periodes, vanaf het door Eén berekende knooppunt en de verschillende priems erna. Tot en met jouw geplande sprong naar 2015. Misschien helpt het je.’ Hij reikte me de hoofdband aan. De elektroden voelden koud op mijn voorhoofd. De hoofd-operateur ging zitten, trok een beeldscherm en toetsenbord naar zich toe en begon commando’s in te voeren.

 

Sommige mensen schenen nergens last van te hebben na een upload. Ik had het gevoel dat een bom was ontploft en de scherven door mijn schedel prikten. Mijn brein verzette zich tegen de nieuwe kennis die door mijn hoofd krioelde als een virus. Ik besefte dat ik in het Frans zat te denken, een taal waarvan ik een half uur eerder nog geen woord kende.

‘Gaat het?’

De hoofd-operateur hield me een glas water voor. Na een volgende golf van misselijkheid schudde ik mijn hoofd.

‘Je moet er niet zo tegen vechten.’

Hij klopte op mijn schouder en verdween weer in de opwinding van de afdeling. Met mijn hoofd op het zachte stoelkussen staarde ik naar het felle licht aan het plafond. Wervelwinden van geïmplanteerde herinne­ringen joegen door mijn hoofd. Ik zocht naar iets vertrouwds. Iets echts. De puzzel. Herinneringen aan Eén.

Onze laatste, moeizame dag in Amsterdam.

Nee.

Eén zittend op dat terras in Barcelona. Een chique zaak, waar je nog door echte mensen werd bediend.

‘Hoe oud ben je?’ had hij gevraagd terwijl hij, zoals altijd, zat te rekenen op zijn scherm. Ik dacht na maar kon het antwoord niet geven. Hoeveel decennia was het geleden?

Door de barrières van de tijd zocht ik naar beelden uit mijn kinderjaren. Ik zag stof dwarrelen in de lichtbundels die door mijn slaapkamerraam schenen. In de verte hoorde ik mijn moeders stem.

‘Wat maakt het uit hoe oud ik ben? Wat maakt dat nog uit tegen­woordig?’

‘Niets,’ antwoordde Eén, de blik op zijn scherm alsof hij nog iets wilde invoeren. Maar hij nam zijn laatste slok cappuccino, zette zijn kopje neer en staarde door het restaurant en de witte ruis van de aanwezigen. Ik volgde de serveerster, in zwart en wit gekleed, die zwierend met een rood dienblad, gekrast door duizenden andere cappuccino’s, op haar lange benen tussen de tafels van het terras leek door te dansen.

‘Of alles,’ zei hij en bestudeerde de serveerster ook. ‘Vind je haar aantrekkelijk?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar het scherm. Ik vroeg: ‘Ben je weer aan het rekenen?’

‘Ja.’ Achteloos veegde hij formules aan de kant.

‘Wat zoek je?’

‘De missende variabele. De oplossing.’

Ik legde mijn hand op zijn been, gleed langzaam hoger en zocht zijn blik.

‘De oplossing van wat?’

Hij keek me aan.

‘De oorsprong van de knooppunten. Waarom kunnen we alleen springen naar specifieke momenten en niet naar de momenten die we zelf bepalen? Wat is het geheim van de tijd?’

‘En heb je al een idee?’

‘Misschien.’ Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Maar je ontweek mijn vraag. Ben jij gelukkig?’

‘Hou op,’ zei ik en trok mijn hand weg, ‘wat een achterlijke vraag. Wie is er nou ongelukkig tegenwoordig? Ben je zenuwachtig voor onze volgende sprong?’

Ik nam mijn laatste slok en zette het kopje neer. Hard. Koffie spetterde over de tafel, een druppel kwam op het scherm van Eén terecht. Aan een ander tafeltje werd afkeurend opgekeken.

 

Een hand op mijn schouder verdampte de herinnering. De hoofd-operateur stond over me heen gebogen.

‘De directeur wil dat je gaat. Je gaat springen naar het strand van Saint-Aubin-sur-Mer. Zaterdag 6 juni 2015, rond het middaguur. Op dezelfde plek waar soldaat eerste klasse Henry Cooper verdwenen is, 71 jaar eerder.’

Henry Cooper. De naam waaronder Eén was gesprongen.

De hoofd-operateur gaf me een ouderwets horloge. Ik staarde naar wijzers die een verkeerde tijd aangaven.

‘Test de DNA-identificatie van je springer even, alsjeblieft.’

Ik draaide aan de rand van de wijzerplaat. Linksom, rechtsom. De man keek op zijn scherm, knikte en daarna volgde ik hem de lift in die naar de kelder van het gebouw en de Machine leidde.

 

‘Wie bent u?’

Ik nam een stap naar voren, knipperend tegen fel zonlicht na het zwart van de Machine en de sprong. Een overweldigende geur hing om me heen, warme zomerlucht verzadigd met aroma’s van zout en vis. Mijn handen vonden een lauw aanvoelend stuk steen, een balustrade. Ik zag strand. De wind suisde door mijn haren. Mijn blik gleed over de horizon en een blauwe zee; de bron van de bijna tastbare geur. Met moeite wist ik op de been te blijven, mijn kin nog vlakbij de balustrade, witte aders marmer­den het zwart, als bleke bloedvaten. Links zag ik wapperende vlaggen van de oude, verdronken naties. Rechts: kleurige objecten waar verbazing­wekkende kleine mensjes op zaten en klommen. Langzaam raakten mijn ogen gewend aan de zon. Toen besefte ik me pas dat het kinderen waren. Zoveel kinderen! Een meisje staarde me boos aan. In de ene hand hield ze een bruine knuffelbeer, in de andere een ijsje waar ze een lik van nam.

‘U mag niet in de speeltuin komen. U bent een groot mens en grote mensen mogen niet in de speeltuin. Alleen kinderen.’ Ze hield haar knuffelbeer omhoog. ‘En Fluffy. Waar komt u vandaan? Zonet was u hier nog niet en nu wel. Bent u een spook?’

‘Nee… ik… wat…’ stamelde ik. Ik besefte dat ik geen Frans sprak terwijl het kleine meisje dat wel deed. Ik vervolgde in haar taal: ‘Niets aan de hand, ik…’

Een gezette man kwam woest op me af, met de verbeten uitdrukking van iemand die geen macht heeft maar het wel wil hebben. Strakke lippen, een T-shirt nog strakker gespannen over de dikke buik, waardoor de schaars geklede vrouw, die op het stof geprint was, akelig vervormde. Een te stevige hand pakte me bij mijn schouder. Zweetlucht walmde om me heen.

‘Deze speeltuin is alleen voor kinderen.’

‘Ja, ja,’ stamelde ik, proberend een uitweg te zoeken uit een groeiend aantal boze ouders. Kleding, kapsels, gezichten, houdingen, hopeloos ouderwets en vreemd. Ik voelde me de indringer die ik was en merkte hoe ik de controle verloor. Snel schakelde ik over naar een andere taal, in de hoop de mensen een rad voor ogen te draaien.

‘Ik ben een toerist, ik zoek… ik zoek…’

‘Misschien moeten we de gendarme maar gaan zoeken?’

‘Wacht even!’ riep iemand die uit de menigte opdook. Ze was slank. Donker haar, kastanjebruine ogen die me herinnerden aan… Aan wat eigenlijk? Zachte handen die me bij mijn pols grepen.

‘Het is mijn oom,’ hoorde ik haar zeggen, maar ik bleef nog staren naar die ogen, en mijn gedachten zochten, zoals je een woord zoekt, dat je weet dat je zou moeten weten, omdat je het geleerd of geüpload hebt, maar het net niet terug kan halen.

‘Ja,’ antwoordde ik automatisch.

‘Hij is bij ons op bezoek.’ Ze staarde naar de nors kijkende mensen, ongeruste ouders en opgewonden kinderen. ‘Hij komt uit het buitenland,’ zei ze, alsof daarmee alles duidelijk was, en uit het geknik om ons heen leek dat ook zo. De dikke man bekeek het fronsend, maar ze trok al aan mijn hand en leidde me de massa uit. Als een ijsbreker van zekerheid sneed ze eenvoudig door de kille nieuwsgierigheid. We liepen verder, over de warme boulevard, en ik keek nog één keer achterom.

‘Maar…’ begon ik.

‘Stil,’ zei ze, ‘snel. Sneller.’

Rue de L’école. Bar Tabac. Een groen, knipperend kruis van neon aan een muur, een donkere kat, blazend, hard wegrennend. Sneller. Knisperend grind, een deur, de geur van eeuwen, duisternis. Een klik. Gloeilamp.

 

Ik staarde naar haar, hoe ze met een bepaalde gratie haar haar in een staartje deed met een wit bandje. Hoe ze nog even door het raam van de kamer naar buiten keek, waar de boulevard moest zijn, om daarna twee glazen van een plank te pakken en er wijn uit een groene fles in schonk.

‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zei ze. ‘Ik had al drie uur gewacht en begon te twijfelen.’

Ze schoof het glas naar me toe, nam een grote slok voor ze ging zitten. Ik volgde haar beweging, haar bruine benen, haar voeten met donker gelakte teennagels, in lichte slippers. Ze dronk nog een slok.

‘Wie ben je?’ vroeg ik.

Een glimlach.

‘Ik hoopte dat je eerste vraag toch zou zijn: ‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Maar het antwoord op de eenvoudigste vraag is: Anne.’

Ik keek naar het glas. Woorden weigerden te komen.

‘Ik wist dat je hier vandaag zou verschijnen.’

Mijn blik gleed van haar richting een schilderij van de heilige Maria.

‘Hij vroeg me om je iets te laten zien.’

‘Wie?’ vroeg ik.

‘Mijn grootvader.’

Ik slikte.

‘Wie is je grootvader?’

Anne opende haar mond, als om iets te zeggen, maar nam in plaats daarvan een slok. Ze tuurde in het lege glas, en haar mondhoeken trokken een beetje omhoog, alsof ze moest lachen om iets wat ik niet zag. Ze keek me aan.

‘Kom mee,’ zei ze.

 

Ze nam me mee in een auto die schokkend over een wegdek snelde dat zo vaak was gerepareerd dat het in een lappendeken van tientallen soorten en kleuren asfalt was veranderd.

De naam Tailleville flitste voorbij, op een wit bord met rode rand, en we reden een klein dorp in. De weg voerde ons vlak langs muren die zo oud leken dat ik bang werd dat ze zo uit elkaar konden vallen. Het dorp eindigde even onverwacht als het was begonnen en ik zag korenvelden, goudgeel golvend. De geur van zee nog steeds nadrukkelijk aanwezig, vermengd met de uitlaatgassen en de aardsheid van de velden. Een snerpende claxon, de hand van Anne die in een snelle vuist omhoog ging en een korte kwade blik richting een man in een kleine rode auto. Vijftig meter verder leek ze het alweer vergeten.

‘We zijn er bijna,’ zei Anne en remde hevig. Ik zag een rood esdoornblad op wit en dankzij mijn upload wist ik dat het de vlag van de oude Canadese natie was. Na een scherpe bocht, waarbij ik bijna uit de auto werd geslingerd, kwamen we tot stilstand. Anne keek op haar horloge, stapte uit de auto en maande mij hetzelfde te doen. Ik rende over een keurig gemaaid grasveld haar achterna, langs wonderlijk goed onder­houden gebouwen, netter dan ik tot dan toe had gezien in haar verleden. Uit het gras stegen gesnoeide bomen op. Gebeeldhouwde, maar echte esdoorns.

Daarna, stenen.

Honderden.

Witte stenen, rij na rij. Graven, dat waren het. Doden. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, elke steen was één persoon, gestorven in een strijd lang geleden. Ik kwam tot stilstand en staarde met open mond over de zee van witte stenen. Zoveel. Ik zag gele vlinders die dwarrelden van boom tot boom, tussen de graven en de zomerhitte door, begeleid door loom getjirp van ongeziene vogels. Ondanks de overweldigende aanwezig­heid van de dood hing er een serene sfeer op het grafveld. Mijn hart bonkte.

‘Kom,’ zei Anne. Ze was tot stilstand gekomen bij een graf. Traag liep ik naar haar.

‘Hij zei dat je het zou begrijpen,’ zei ze en ik volgde haar blik naar het witte marmer, las wat er in gebeiteld was. Soldaat eerste klasse Henry Cooper en daaronder: Hij gaf zijn leven om een ander te redden.

Eén.

Het was alsof iemand me in mijn maag stompte en ik moest me vastgrijpen aan de steen.

Eén was dood. Nog net. Al eeuwen. Tijdkrommen, diagrammen. Knoop­punten, sprongmomenten, priemgetallen.

‘Mijn grootvader,’ begon ze, ‘vocht mee tijdens de invasie. In 1944.’

Ik knikte. Tranen welden op.

‘Maar hij… deserteerde, zo noemde hij het.’

Met een ruk draaide ik mijn hoofd haar kant op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik met trillende stem.

Anne zuchtte.

‘Mijn grootvader kwam niet om tijdens de invasie. Zijn dood is in scène gezet. Hij…’ Ze pauzeerde en keek weer naar de steen. ‘Mijn grootvader is pas in 1987 overleden.’

Ik keek in haar donkere ogen.

‘Hij ontmoette mijn grootmoeder die dag van de invasie, in Tailleville. Mijn grootvader vocht voor de Canadezen. Hij raakte gewond en mijn grootmoeder hielp hem.’

‘Maar…’ zei ik, kijkend naar de grafsteen. Anne leek mijn twijfel te begrijpen.

‘Mijn grootvader besloot te blijven,’ zei ze, ‘bij zijn Marie. Niet meer terug te gaan naar waar hij vandaan kwam. Hij had het gevonden. Hij zei… Hij schreef dat jij op een dag zou komen en dat ik je mee moest nemen naar deze plek en dat… dat jij het zou begrijpen. Dat hij wist dat je het juiste zou doen.’

Ik slikte.

Ik wilde het begrijpen. Wilde. Maar ik kon het niet.

Na een aarzeling pakte ze mijn hand beet. Ik merkte het nauwelijks.

Eén, verdwenen—nee, gevlucht—in het verleden.

Waarom?

‘Was hij gelukkig?’ vroeg ik.

Anne lachte.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik heb niemand ooit gelukkiger gezien dat mijn grootouders. Ze leefden alsof elke dag hun laatste was. Of hun eerste.’

Het geluk.

Het geluk dat hij niet bij mij had kunnen vinden.

Maar het geluk dat hij gevonden had in het verleden.

‘Mijn moeder was degene die zijn dood in scène zette,’ zei Anne, ‘hopend dat degene die hem naar het verleden hadden gestuurd hem niet zouden vinden. Mijn opa wilde nooit op foto’s, omdat hij wist dat ze hem dan konden vinden. Hij was gedeserteerd, zei hij soms, omdat hij niet meer kon leven in de wereld waar hij vandaan kwam.’

Een traan rolde bitter over mijn wang.

‘En nu?’ vroeg ik.

Anne kneep haar oogleden tot kleine spleetjes.

‘Nu moet je gaan’, zei hij.’

‘Goed,’ zei ik, de woede in mijn stem niet meer maskerend. Ik trok mijn hand los uit haar greep en zocht naar de rand van mijn horloge. Ik draaide. Links, rechts, links, links. De combinatie om de sprong terug te activeren. Ik had Anne niet eens gewaarschuwd.

Een trilling. Stijgend, weer dalend. Klagend bijna.

‘Wacht, ik…’ riep Anne nog, haar stem al oneindig ver.

De wereld. Trok samen.

En toen. Was er.

Ik sprong.

Niets.

Donker. Blauw licht.

Terug in de Machine. Terug in het nu.

Oh, Eén. Ik heb het niet op tijd gezegd. Niet gezegd dat ik echt gelukkig met jou was.

Geef me nog een kans.

 

‘Ik wil naar D-day,’ zei ik.

‘Wat?’ vroeg de directeur. ‘Waarom?’

‘Laat me teruggaan om zijn dood te voorkomen.’

Haar ogen doorboorden mij als lasers en ik vreesde dat ze in de bunker van mijn leugen de waarheid zag.

‘Waarom, Twee?’

‘Omdat…’ Ik zocht naar passende woorden, maar mijn hersenen leken in brand te staan, aangestoken door de blik van de directeur, en door de rookontwikkeling wist ik niets te zeggen.

‘We hebben een agent verloren in het verleden. Natuurlijk. Zijn dood is… onwenselijk. En nu vraag je om er achteraan te gaan? Ik heb met de aandeelhouders gesproken; die willen het liefst zo snel mogelijk dit onder het spreekwoordelijk vloerkleed schuiven. De Machine is bedoeld voor heel andere doeleinden. We hadden nooit aan deze missie moeten beginnen.’

‘Ik…’

‘De historische dienst kan geen gevolgen vinden in de tijdlijn en alle fysieke bewijzen zijn verdwenen in de vloed. Het spijt me. Maar misschien is het beter…’

‘Nee.’

De directeur staarde me seconden aan, zonder iets te zeggen.

‘Je balanceert op een dunne lijn, Twee. Misschien ben je vergeten wie degene is die bepaalt wat er gebeurt.’

Onmacht en woede trok mijn schouders strak.

‘Eén was iets op het spoor,’ zei ik. ‘Hij dacht variabelen te hebben ontdekt, de redenen van de knooppunten. Hun oorsprongen.’

De directeur schudde haar hoofd.

‘De oorsprongen zijn een enigma. Ongrijpbaar als de raadsels van de priemgetallen zelf. Eén wist dat.’

‘Eén was onze beste calculator. Hij was overtuigd dat hij de oplossing kon vinden.’

‘Zoveel mensen dachten iets op het spoor te zijn maar hun zoektocht leidde uiteindelijk tot niets. Risico’s misschien. Waanzin soms.’

‘Maar als hij het wel heeft gevonden, bedenk dan wat we allemaal zouden kunnen. Dan zijn we niet meer gebonden aan de knooppunten. Dan kunnen we springen naar waar we willen.’

Een korte twinkeling verscheen in haar ogen.

‘En nu wil jij het risico nemen, Twee?’

We keken elkaar aan. Als een functioneringsgesprek zonder woorden. Na een tijdje roffelden haar nagels op het bureau.

‘Laat me hem terughalen. Alstublieft.’

‘Je begrijpt, Twee, dat als dit mis gaat, niemand jou komt redden?’

 

De directeur ging in overleg met de aandeelhouders. Het kon wel laat worden, zei ze, dus ging ik naar mijn appartement.

Na twintig minuten te hebben gedoucht voelde ik me nog steeds niet schoon, alsof de leugen aan mijn lijf was vastgekoekt. Zonder af te drogen liep ik mijn woonkamer in en ging op het koude bankstel zitten, starend naar de grote, betonnen tafel waar de souvenirs van onze reizen stonden. Een blauwwit stenen molentje herinnerde aan Nederland.

Hij was aan het rekenen, zittend op het bed, die nacht in Amsterdam. In onze kamer in een eeuwenoud hotel dat uitkeek over een nog oudere stad. Ik keek door het raam. Grijs water, regen, oude muren van scheve huizen en kanalen als een spinnenweb door de stad. En plots voelde ik me gevangen, in dat eeuwenoude web van troebel water waarin ik niets kon zien. Eén keek op, reagerend op mijn ingehouden adem.

‘Ik heb het, denk ik, gevonden,’ zei hij en hij legde zijn scherm op het bed, stond op, kwam naast me staan en sloeg een arm op mijn schouder alvorens hij zelf naar buiten keek. Onze adem besloeg het glas en Amster­dam verdween achter soft focus.

‘De variabele,’ vervolgde hij zachtjes, omdat zijn lippen maar op een paar centimeter van mijn oor waren.

Hij stapte bij me vandaan, ging zitten op het bed en staarde door de kamer. ‘Hoeveel duizenden geliefden en eenzame mensen zijn hier al gepasseerd?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ben je niet blij?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn hand de beslagen ruit schoon veegde – maar het beeld werd er niet beter op. ‘Blij dat je de oplossing binnen handbereik hebt?’

De triestheid die zijn ogen binnenkroop kneep mijn keel dicht. Ik probeerde te lachen maar het geluid dat mijn mond verliet klonk schril.

‘Kijk, een rondvaartboot. Ik wist niet dat ze die nog hadden,’ probeerde ik en draaide me naar Eén. Hij keek me aan, lang, en ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar er kwamen geen woorden en ik begon me ongemakkelijk te voelen.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg Eén.

‘Hou op,’ zei ik. ‘Ik hou van je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

‘Wat wil je horen?’

We keken elkaar aan. En op dat moment zag ik pas dat er iets definitiefs tussen ons in gevallen was, alsof de grijze waas van buiten naar binnen was gekropen, door het glas, en een muur tussen ons in geslagen had.

‘Ben jij gelukkig?’ vroeg ik.

En toen lachte Eén.

‘Ja,’ zei hij. ‘Nu wel.’

Misschien had ik naar hem toe moeten lopen, hem in mijn armen moeten nemen, die avond daar in Amsterdam, en hem vast moet houden, enkel dat. Maar ik deed het niet, ik nam hem, daar in die hotelkamer, tot de ramen weer besloegen met een simpeler hitte, omdat ik dacht dat het geluk dat hij bedoelde daarmee werd bereikt.

De telefoon piepte. De directeur belde.

 

Soldaat Jameson werd mijn naam. Gekleed in een oud uniform – dat me bij elke stap kriebelde – liep ik door een groen geschilderde gang richting de Machine. In de gang hing een kunstmatig aroma, een chemische repro­ductie van lavendel, en ik moest denken aan de rit met Anne in het verleden.

Gele korenvelden, de geur van de echte zee.

Ik stapte een zware deur door, een duistere ruimte in die enkel werd verlicht door een blauw schijnsel, komend van kronkelende geometrische vormen op de vloer. Altijd de onmiskenbare trilling. In het midden van de kamer stond de directeur, naast haar een operateur die een wapen vasthield, ingepakt in cellofaan. De directeur stapte op me af.

‘Als je niet terugkomt, hoef je geen redding te verwachten,’ zei ze. ‘De aandeelhouders laten maar één sprong toe. Weet je zeker dat je dit wilt doen, Twee?’

De akelige vibratie van de Machine deed mijn knieën knikken.

‘Ja,’ loog ik.

De directeur knikte, nauwelijks merkbaar.

‘Het zij zo.’

Ze nam een stap naar achteren. De operateur keek haar even angstig aan.

‘Je gaat het strand op in hetzelfde regiment als Eén,’ zei hij. ‘Je moet hem snel kunnen vinden.’

Hij overhandigde het wapen, dat zwaarder was dan verwacht. De geur van olie die om het wapen hing was doordringend. Daarna gaf hij me een klein wit doosje.

‘Sigaretten,’ zei hij.

‘Is dat ook een soort wapen?’

‘Zat dat niet in je upload? Dan kom je er zelf wel achter.’

Hij bekeek me nog één keer van top tot teen en keek toen naar de directeur. Ze knikte.

‘Succes.’

Samen liepen ze de ruimte uit, de deur schoof dicht en ik was alleen met het blauwe schijnsel. Een stem telde af. Ik tastte naar de rand van mijn horloge. De vormen op de vloer pulseerden en de trilling van de Machine werd intenser. LED’s aan het plafond knipperden.

Ik ademde diep in.

 

Eerst dacht ik dat de trilling van de Machine wijzigde. Maar daar was weer de zeelucht van het verleden, en aan het einde van een verwarrende seconde besefte ik dat de sprong al was geweest. En toen was er enkel chaos.

Rook. Vuur. Brandende gebouwen achter een strand gevuld met lange, houten palen en metalen constructies die als messen uit het strand staken. Het geluid alsof iemand duizenden stenen over een stalen plaat uitstortte. Mitrailleurvuur, wist ik dankzij kunstmatige herinneringen.

Een volgende ontploffing en een reusachtige zandfontein werd de lucht in gesmeten.

‘Waar kom jij vandaan?’ riep iemand. Ik keek opzij. Hoorde doffe ploffen. Bloed en harde prikken in mijn gezicht. De soldaat begon te vallen en ik probeerde hem op te vangen. Plotseling zat er overal nog meer bloed en zag ik dat de soldaat de helft van zijn gezicht miste. Ik veegde over mijn gezicht en zag rood en witte stukjes op mijn hand.

‘Laat hem,’ riep iemand en rukte de dode man van me los. Het lichaam gleed op het zand. Soldaten probeerden over hem heen te springen. Het mislukte en hij werd vertrapt, als een zak van bloed en botten. Toen rende ik plots met de soldaten mee, verder het strand op. De geur van rook werd ondraaglijk. Ik staarde naar mijn wapen, wist niet meer hoe het werkte, wat ik er mee moest doen en ik viel voorover, in een grote plas. Zout water stroomde mijn mond binnen. Ik wilde ademen. Water kolkte naar binnen. Een zware laars schopte hard tegen de zijkant van mijn lichaam toen ik mezelf overeind probeerde te duwen. Ik dacht dat ik zou stikken, verdrinken.

Ik ga dood, ging er door me heen. Ik wist me met één hand omhoog te duwen en in plaats van zeewater ademde ik rochelend lucht. Iemand greep me onder mijn oksel, trok me omhoog. Adrenaline stroomde wild door me heen.

‘Geen tijd om te slapen, soldaat.’

‘Nee,’ zei ik. De kennis van de upload spoelde plots over me heen: ‘Sergeant!’

Snel controleerde ik mijn helmband en mijn dekkingspositie. Ik haalde de veiligheidspal over en laadde mijn geweer.

‘Klaar om de Krauts aan te pakken, mijnheer.’

‘Goed zo, jongen,’ zei de sergeant en wenkte de dichtstbijzijnde mannen om hem te volgen. Het indringende geluid van de .88 in de Duitse kazemat aan onze rechterflank klonk. Het peloton dook achter de versperring, wachtend op het moment dat het mitrailleurvuur van de Duitsers zich ergens anders op zou richten. Ik staarde naar de boulevard van het stadje en naar de brandende en kapotgeschoten gebouwen. Tot mijn verbazing herkende ik enkele die ik in de toekomst had gezien.

Waar is Eén, dacht ik. Ik moet hem vinden. Redden. Voorkomen wat hij deed. Zou doen. Ik keek over het strand, naar de soldaten die als insecten uit de landingsvoertuigen stroomden. Honderden. Duizenden. Hoe kon ik hem in deze heksenketel vinden?

‘Wat is je naam?’ riep de sergeant.

‘Jameson, sergeant!’

‘Stop met dromen of je slaapt straks voor altijd. We moeten die .88 uitschakelen anders zijn we er geweest.’

‘Ja, sergeant!’ herhaalde ik en keek in de richting van de kazemat.

 

Tegen het einde van de ochtend had ik al drie sigaretten gerookt. Samen met de soldaten Cohen en DeGraaf was ik begonnen aan de vierde. We zaten op de veroverde mitrailleurstelling. Over de dode Duitsers hadden we dekens gelegd.

Ik had over het strand gezworven en een paar soldaten genaamd Cooper ontdekt, maar niet de juiste. Een officier stuurde me uiteindelijk naar de compagnie waar hij dacht dat ik bij hoorde. Ik hoorde dat we het binnenland in gingen voor een gewapende verkenning. Iemand zei dat we richting Tailleville zouden gaan.

Tailleville, dacht ik. De woorden van Anne echoden in mijn hoofd.

 

We waren met honderden, met gezichten donker van rook, modder en geronnen bloed. Ik zou Eén niet eens herkennen. Of hij mij, besefte ik, terwijl we behoedzaam door de velden trokken waar het koren lang en goudgeel stond.

‘Benieuwd wat we aantreffen,’ zei de soldaat naast me. Ik keek in de richting van het dorpje. We liepen in een lange linie. In de verte klonk het geluid van geweervuur en het rommelen van tanks. Nog verder weg de inslag van zwaar geschut dat van de schepen naar andere stranden werd gevuurd. De Amerikaanse stranden. Daar ging het er nog veel erger aan toe. Ik kon het me bijna niet voorstellen. Ik keek om me heen.

Eén, waar ben je. Wie ben je? Waar?

Het leek alsof we zwommen door het korenveld, onze helmen een school haaien zwemmend door de gele zee van halmen, richting het dorpje. Ik staarde naar de huizen van Tailleville, naar ramen waar ik elk moment de vurige flits van een Duits schot verwachtte. De spanning werd onhoudbaar en ik voelde het ook bij mijn medesoldaten. Toen een verdwaalde zeemeeuw plotseling overvloog vuurde ik bijna.

De weg van Saint-Aubin-sur-Mer naar Tailleville was niet veel meer dan een verhard zandpad met aan beide kanten een diepe greppel. Soldaat DeGraaf bereikte als eerste de huizen van het dorp. Hij drukte zich met zijn rug tegen een oude muur. De laatste paar meters van het korenveld legde ik rennend af tot ik hijgend naast hem stopte. Hij keek om het hoekje.

Het schot hoorde ik pas nadat ik een flits van rood uit zijn helm had zien spatten. Als één organisme doken alle soldaten op de grond.

‘Scherpschutter!’

‘Einde van de straat, tweede raam rechts,’ riep iemand. Een majoor kwam aanrennen, dook richting een muur.

‘Luister,’ zei de majoor, ‘we pakken die Kraut daarboven! Thompson, Jameson, LaCroix. Jullie nemen de linkerflank van het dorp.’ Hij wees naar mij en toen naar een bomenrij iets verderop. ‘Wij gaan via de straat. Jullie leggen een dekkingsvuur.’

Er werd geknikt, wapens werden geladen en er volgde een zwijgzaam moment, blikken naar elkaar en diepe concentratie. Het vuren begon. Onder de dekking van de schoten rende ik naar de andere kant van de weg, richting de paar bomen. Langs een hek waarachter ik een klein veldje zag, met een oude wagen, een paar boomstammen en een werktuig dat ik niet kende. Tegen één van de muren stond een fiets met nog maar één wiel. Ik dook achter een boom. Thompson wees in de richting waar de Duitse schoten vandaan waren gekomen.

‘Laten we kijken of we het huis van de andere kant kunnen benaderen. Dit dorp stelt niets voor. Waarschijnlijk nog een laatste Duitser die het niet op wil geven. De rest is allemaal gevlucht.’ Hij lachte en ik zag gele tanden. ‘Okee, kom op.’

Hij stond op en begaf zich, diep in elkaar gedoken, richting het korenveld wat naast het dorp verder liep in zuidelijke richting. We volgden hem, achter elkaar aan rennend. Verderop hoorde ik hoe de sluipschutter onder schot werd genomen.

Na een paar meter rennen bereikten we één van de zijkanten van het gebouw. Ik staarde naar een oude houten deur. Er klonk geluid. Thompson deed een stap naar voren en hief de kolf van zijn geweer op. Het leek alsof hij de klink van de deur aan wilde vallen. En precies op dat moment begonnen de mitrailleurschoten.

Ik dook weer tegen de muur. Hard sloeg ik tegen het kalksteen, een kies drong in de binnenkant van mijn wang in en ik proefde bloed.

Schoten uit het dorp boorden zich in het veld, alsof de Duitsers het koren met mitrailleurvuur probeerden te oogsten.

‘Een val! Lieve Maria, het is een val!’

Er klonk gegil en mijn hoofd draaide razendsnel de andere kant op. Ik zag de kenmerkende vorm van de Duitse helmen, veel en veel te veel, en vuur dat uit lopen flitste, het gejank van kogels die om ons heen vlogen. Snel dook ik naar de grond, op het moment dat een andere soldaat ook viel. Ik zag bloed en hoorde haperende longen. Stukken kalksteen sprongen van de muur. Getik klonk op mijn helm. Ik legde mijn geweer aan en vuurde. Een andere soldaat dook naast me. Ik keek hem aan.

Het was Eén.

‘Kom,’ zei hij.

 

We renden weg, richting het korenveld, als in een waas. Achter me het geluid van de mitrailleurs. We renden verder, en ik had het vreemde gevoel de Canadese soldaten in de steek te laten. Alsof ik deserteerde.

‘Eén,’ riep ik.

‘Rennen,’ riep hij, wijzend naar een boerderij een paar honderd meter verderop. ‘We zijn er bijna. Sneller!’

Ik dacht aan het rennen met Anne over de boulevard. Sneller. Het was alsof ik haar stem weer hoorde.

Het geluid van de schoten werd een kort moment minder. We waren vlakbij, vlakbij de boerderij.

Hij dook op, de Duitse soldaat, uit het niets, uit het veld en hij richtte op Eén en schoot.

Eén viel op de grond.

Ik had gevuurd zonder het te beseffen en de Duitser ging neer.

 

Bloed. Overal bloed. In stromen gutste het uit zijn mond.

‘Nee,’ riep ik. ‘Nee.’

Ik pakte zijn hand. Zocht de springer. Maar zijn pols was leeg. Geen horloge. Naast me zag ik weer stukjes koren de lucht in vliegen. Het mitrailleurvuur was vlakbij.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Waarom?’

Eén opende zijn mond maar had nauwelijks nog kracht om te spreken. Ik boog me naar voren en mijn tranen mengden met zijn bloed.

‘Opgelost,’ fluisterde hij nog. En toen verscheen iets, en verdween iets, in zijn ogen, en ik wist wat het was geweest en werd maar ik het wilde het niet accepteren.

Een schot klonk.

Een prik in de bovenkant van mijn been.

De pijn begon te groeien, was geen prik meer maar een ijzige staaf die mijn vlees uit elkaar scheurde. Ik probeerde te staan, verbaasd, viel weer op de grond, terwijl de pijn nog ontzagwekkender werd. Nogmaals probeerde ik te staan. Maar dat was dom, dacht ik nog, voordat ik weer het geratel van de Duitse mitrailleur hoorde.

Weg hier, weg. Mijn hand ging naar mijn pols.

Ik keek naar de grond, naar het lichaam van Eén. Alles mislukt.

Ik dacht aan de schoten, aan de kogels, zo ver weg, zo dichtbij. De grond trilde.

Iets raakte mijn helm.

Alles trilde. De Machine, dacht ik, haal me hier weg. Ik probeerde mijn horloge te vinden maar mijn armen weigerden en ik proefde aarde in mijn mond en voelde toen nog meer pijn omdat mijn schouder was doorboord.

Eén, dacht ik. Weg, dacht ik. Dood, dacht ik.

En toen zwartheid en dacht ik niets meer.

 

Ken je dat, dat je een woord zoekt? En het ligt op het puntje van je tong, maar je komt er maar niet op. Het is er bijna, de oplossing vlakbij, je ziet iets zweven in de verte, maar kan het net niet goed zien. Dat moment, zoiets. Ik opende mijn ogen om daarna weer weg te zinken in de zwartheid. Ik denk omdat de pijn simpelweg teveel was.

 

‘Est étant encore combattu?’

‘Oui. Sera t’il vivre?’

‘Je ne sais pas. Il est la volonté de Dieu.’

 

De stemmen klonken schitterend, zoet en zacht. Ik zou ze moeten verstaan, maar het lukte niet. Maar dat maakte niet uit. De geur van oude dekens die ik verkoos boven bloed en rook. Ergens klonk een ontploffing, waardoor ik de stemmen niet meer hoorde. Dat irriteerde me. Maar toen was er weer de zwartheid. Ik probeerde er bij weg te blijven. Maar het lukte niet.

 

Ik voelde aan mijn pols. Vond enkel verband. Waar is mijn horloge?

 

Een herinnering aan een trilling. De Machine. Klagend. Stijgend. Dalend.

 

‘Weet je,’ zegt Eén, ‘de Machine dankt haar bestaan aan Euler. Een wiskundige die ongelofelijke vragen stelde. We bouwden de Machine om zijn stellingen op te lossen. En toen we dat deden vonden we de sleutel voor de tijd.’

‘Ik weet het,’ zeg ik met weinig interesse.

‘Priemgetallen staan in nauw verband met de kwantummechanica. Waarom? Hoe kan het dat wiskunde de natuur kan beschrijven? We hebben wiskunde zelf bedacht.’

Ik zucht.

Euler vroeg zich bijvoorbeeld af: ‘Bestaat er een even getal groter dan twee dat niet de som is van twee priemgetallen?’

‘Moet dit nu, Eén?’

‘De vragen lijken zo simpel maar ze zijn al eeuwen oud. En we kunnen ze niet oplossen. Al die computers niet. Zelfs niet de Machine, onze ultieme rekenmachine, die door de getallen bijna alle raadsels van de tijd al kan oplossen. Welke magie zit er nog meer verstopt in de priemgetallen?’

Zijn mondhoeken gaan omhoog.

‘Weet je, er zijn oneindig veel priemgetallen. Maar er is maar één even priemgetal.’

Hij lacht en de droom vervaagt.

 

Natuurlijk wist ik wie ze was. Eindelijk herkende ik die ogen, die hetzelfde waren als die van Anne. Twee generaties hadden niets kunnen veranderen aan die blik. Ik staarde om me heen door de simpele slaapkamer waar hetzelfde schilderij van Maria aan een gebarsten muur hing, boven een houten tafeltje waar een grote kan op stond. Gehaakte gordijnen hingen voor een raam waar door de kieren zonlicht naar binnen scheen. Een trilling klonk, komend van een ontploffing, in de verte. Stof dwarrelde door de kamer, door de bundels licht, en het deed me ergens aan denken, net zoals de geur in die kamer, de geur van eeuwen, zekerheid en veiligheid, muren die zo lang stonden dat ze onderdeel waren geworden van de tijd. Ongenaakbaar. Even leek ik weer terug te vallen in de zwarte put van de bewusteloosheid, denkend aan veiligheid, aan thuis en vroeger, tot haar stem me vastgreep.

‘Ik geloof dat ze het dorp bijna in handen hebben,’ zei ze, terwijl ze een doek leeg kneep en rood water in een bak spetterde. Daarna liep ze naar de kan, schonk wat water in de bak en kwam terug. Ze had een zwarte jurk aan met grijze strepen, die tot over haar knieën viel. Ik staarde naar haar enkels.

Ze stond aan de andere kant van het bed.

‘Soms val je even weg,’ zei ze, en depte mijn voorhoofd met de doek.

‘Waar ben ik?’

‘In de boerderij van mijn oom en tante. Ze wilden niet vluchten, daarom zijn we hier. We zagen je komen door de velden, hierheen. Zagen je vallen.’

‘Het dorp? De Canadezen? Hoe…’

‘De Duitsers hebben een hinderlaag gelegd. We horen nog steeds schoten maar ik bid dat jullie gaan winnen. Godzijdank. Als de gevechten voorbij zijn zullen we je mensen waarschuwen dat je hier bent.’ Terwijl ze met de doek met koud water over mijn gezicht ging bleef ze me aankijken. Ik staarde in haar donkerbruine ogen, keek naar haar wenkbrauwen en de kuiltjes in haar wangen terwijl ze de doek bewoog. Ze werd zich bewust van mijn blik, glimlachte. ‘Ik denk dat het niet lang meer duurt.’

Ik moest hoesten en ze ging iets naar achteren. Voelend aan het verband om mijn pols vroeg ik: ‘Waar is mijn horloge?’

‘Stukgeschoten, vrees ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als je het niet om had gehad had je nu waarschijnlijk geen hand meer. Het horloge heeft de kogel afgeketst.’ Ze lachte. ‘Wel een heel sterk horloge. Je mag het wel dankbaar zijn.’

Ik staarde weer. Naar de wijze waarop haar lange donkere haar over haar schouders viel, de ogen waar rust en intelligentie uit straalde.

‘Wat is je naam,’ vroeg ik, maar ook dit antwoord wist ik al.

‘Marie,’ zei ze, terwijl ze glimlachend de doek weer in de bak legde.

Het werd weer donker.

 

‘Twee.’ zegt Eén. ‘Grappig, niet? Het enige even priemgetal is twee.’

‘Waarom is dat grappig?’

‘Priemgetallen, tijd, jij, de Machine. Dat ik denk dat alles in de getallen is te vinden. Weet je dat ik zei dat ik het bijna opgelost had? Het raadsel van de knooppunten?’

‘Ik…’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Werkelijk geluk,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat voor de tijd? Al die kinderen, die kleinkinderen en al het nageslacht er na? De wortels van echte liefde, een liefde die uitgroeit totdat de takken verder reiken dan we voor mogelijk kunnen houden. De knooppunten zijn die wortels, die wortels in het verleden.’

‘Eén,’ zeg ik, ‘maar wat…’

‘De knooppunten. Werkelijk geluk, werkelijke liefde. Begrijp je het nog niet, Twee?’

Bijna begrijp ik het. Het ligt op het puntje van mijn tong.

 

Terwijl we nog steeds schoten hoorden, vertelde ze dat ze die week op bezoek was gegaan bij haar oom en tante. Haar familie had altijd in deze streken gewoond en na het overlijden van haar ouders was ze naar Parijs vertrokken om geschiedenis te studeren. Toen ze vertelde over haar studie leken we beide de oorlog te vergeten, en op een gegeven moment betrapte ik mezelf dat ik staarde naar het dansen van haar lippen. Ze vertelde over haar dromen en dat ze alles wilde leren. Over hoe DaVinci zijn Mona Lisa had gemaakt, over veldslagen en kunstwerken en eeuwenoude kastelen, over al die dingen waarvan ik alles wist, sommige zelf had gezien.

Ik vertelde haar over één van de Lodewijken en hoe ze hadden feestgevierd, en al die dingen die op dat moment nog niet in de geschiedenisboeken stonden en ik wist dat dit tegen alle regels indruiste. En ze luisterde ademloos. Vanuit de geschiedenis belandden we weer in het nu en we hadden niet eens door dat de knallen uit het dorp stopten. We keken elkaar een tijd in stilte aan.

Het was een oude uitdrukking.

Op het eerste gezicht.

Ik had het nooit geloofd. Hier. In het verleden.

Die ene.

‘Kan ik hier blijven?’ vroeg ik.

Ze trok haar wenkbrauwen omhoog, bekeek me onderzoekend.

‘Waarom?’ vroeg ze. Toch was er niet enkel verbazing in haar stem. ‘Ben je een deserteur?’

Ik zuchtte.

‘Nee,’ zei ik. ‘Of misschien wel.’

 

Ieder ander had misschien gedacht dat ik krankzinnig was. Maar misschien kwam het omdat ik dingen wist die niemand weten kon. Ik vertelde haar over de toekomst, over wat we geworden waren. Ik vertelde over Eén. Toen ze mijn onmacht zag greep Marie mijn hand.

‘Hij wist wat hem gelukkig kon maken. Wees niet kwaad op zijn keuze. Hij vond wat hij zocht. Daar had hij alles voor over.’ Ze streelde mijn wang.

De volgende ochtend werd ik wakker en zat ze naast me met de restanten van het horloge in haar hand.

‘Hallo, reiziger,’ zei ze.

 

En zo bleef ze me noemen, al die jaren lang. De reiziger. Soms noemde ze me de vluchteling en die zeldzame keren dat ze boos was de deserteur, want ze wist dat dat me pijn deed. Ik dacht nog vaak aan de dagen in de zomer van 1944, hoe ze mijn wonden verzorgde daar op die kamer, op die boerderij, tussen wat er nog van de gele korenvelden overeind stond, terwijl de Canadezen en de Engelsen oprukten, het land in, richting nog maanden strijd tot ze eindelijk zouden winnen, ver weg, bij Berlijn.

Ze vertelde dat ze mijn naamplaatje naar binnen had gegooid, bij een huis waar zowel Duitsers als Canadezen gesneuveld waren en daarna in de brand vloog. Daar zouden ze mijn naam vinden.

En ik dacht aan de stenen op het grafveld.

Voor de toekomst enkel nog vergeten getallen in een ver verleden.

Eerst dacht ik nog vaak aan Eén. Het begon met de herinneringen, daarna de gevoelens van schuld, daarna de twijfel, tot het weer enkel de losse puzzelstukjes van emoties, verbazing en vervagende gedachten werden. In de jaren die volgden, als ik nog aan Eén dacht, dan was het nog aan dat moment in het grijze Amsterdam. Was dat het moment waar het allemaal om draaide? Niet de sprong naar 2015, niet naar 1944. Maar daar, in Amsterdam.

 

Het was 1952. Marie was zwanger van onze tweede zoon. Ik was naar het stadje geweest om iets te kopen en liep terug over het veld toen ik ter hoogte van de tractor de trilling voelde. Een trilling die ik al zolang had gevreesd, maar nu had ik er al maanden niet aan gedacht. Wat had ik verkeerd gedaan? Ik draaide me om. Er was dat ogenblik van zoeken naar herkenning en toen zag ik tot mijn grote verbazing dat het Eén was.

Verwarring nam me. Hoop en angst.

‘Hoe…’ stamelde ik.

Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Twee?’ zei hij. ‘Waarom ben jij hier?’

‘Maar,’ begon ik. ‘Maar… Hoe kan je nog… Jij bent…’

Eén zweeg, alsof hij wachtte tot ik nog iets zou zeggen. Toen vervolgde hij: ‘We vonden een foto, van deze datum. 22 augustus 1952, Saint-Aubin-sur-Mer. De historische dienst herkende jou. Wegduikend achter een marktkraam alsof je niet op die foto wilde. En toen begrepen we dat er iets heel vreemds aan de hand was. Waarom, Twee? Wat heb je gedaan? Hoe kom je hier terecht?’

Ik zocht naar woorden.

‘Eén,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je nog? Die hotelkamer in Amsterdam?’

Hij zweeg.

Marie kwam de hoek van de boerderij om, een grote mand vast­houdend. Toen ze ons zag stond ze stokstijf stil. Ze staarde naar mij, naar Eén, weer terug naar mij. Haar lippen bewogen, en ik hield mijn hand op in een afwerend gebaar. Marie schudde haar hoofd en ik zag hoe haar mond het woord ‘nee’ al vormde. Ik draaide me naar Eén. Hij staarde naar Marie.

Er was een moment dat oneindig leek te duren en even had ik het idee dat de hele wereld de adem inhield. Enkel een zachte vibratie was voelbaar, heel ver weg, zo ongelofelijk ver weg. En ik wist dat het de Machine was, die door alle ruimte en tijd naar me reikte. Eén opende zijn mond, sloot deze weer, en ik zag ook bij hem een traan zacht over zijn gezicht rollen.

‘Waarom?’ zei hij.

‘Omdat…’

‘Nee.’ Eén viel me in de rede. ‘Ben je gelukkig?’

Stilte.

‘Ja,’ zei ik uiteindelijk. De waarheid.

Weer een pauze. Eén staarde naar me en een glimlach verscheen op zijn gezicht. Het leek zo vreemd, die glimlach daar, en ik wilde het liefst naar hem toe rennen, maar ook weer niet, omdat ik wist dat dat niet eerlijk was.

‘Maar jij zei het me in Amsterdam,’ riep ik. Tranen liepen over mijn gezicht. ‘Jij had de oplossing. Ik ging jou achterna naar D-day. Jij stierf…’

En ik begreep het pas toen ik het zei. De puzzel die ik zo lang niet had kunnen of willen oplossen schoof definitief in elkaar. Wat hij had gezocht. De missende variabele. Priemgetallen, tijd, de Machine, mogelijkheden en onmogelijkheden, kwantumonzekerheden.

Ik was de variabele.

Ik was het knooppunt.

Mijn geluk berekend door iemand die daar alles voor over had.

Kun je zoveel voor iemand overhebben?

En ik dacht aan Marie op het moment dat Eén zijn hand al naar zijn pols ging. Ik opende mijn mond maar hij schudde zijn hoofd.

‘Jij bent nog daar,’ zei Eén, ‘in de toekomst. Volgende week gaan we pas naar Amsterdam. Vind die fotograaf.’ Hij draaide aan zijn horloge. Lachte, zei nog: ‘Dank je.’

En sprong.

Ik voelde de trilling van de Machine en ik zag hoe Marie het ook voelde. Eén verdween, alsof de wereld samentrok in een minuscuul punt en voor één heel kort moment, voor de allereerste keer, was er harmonie in die trilling.

En toen was hij verdwenen.

Marie kwam naast me staan, legde een hand op mijn schouder, haar hoofd tegen mijn bovenarm. Haar lange haar viel als kriebelend zijde zacht over mijn blote huid. Ik staarde over het goudgele koren, langzaam wiegend in de wind, waarvoor Eén zojuist nog had gestaan. Marie’s hand sloot zich om mijn pols. En ik hield van haar, van mijn kinderen, mijn kleinkinderen. En van jou, mijn lieve Anne, want dit verhaal is dus voor jou.

 

En zo staar ik de verte in. Naar de velden en daarachter de nog lage bomen op de heuvel waar ik de Canadese vlag zie die boven het grafveld wappert.

Waar een graf van hem is.

En één van mij.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.