web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Tijdreis

Genres

Category Archives: Tijdreis

Vergeten getallen in een ver verleden : Jorrit de Klerk

Zelfs in het kantoor van de directeur, op de hoogste etage, voelde ik het klagende getril van de Machine diep onder het gebouw; een disharmonie van vibraties waarmee de tijd leek te benadrukken dat ons gemanipuleer niet op prijs gesteld werd.

‘Agent Eén,’ zei de directeur, ‘is verdwenen.’

Een onwillekeurige herinnering aan Eén. Hoe hij dicht tegen me aankroop na het bedrijven van de liefde, in een appartement in Sydney dat uitkeek over de baai. Regen in het water en in de verte de eeuwen­oude opera, een betonnen reliek uit vervlogen tijden.

‘Agent Twee?’

Ik schrok op. De directeur schoof over het bureau een dossier naar me toe. Ik activeerde het en Eén keek me vanaf een oude foto aan.

‘Hij is zeven uur geleden op missie gegaan. We…’ De directeur pauzeerde en leek naar woorden te zoeken. ‘We zijn een wereldoorlog ingesprongen.’

Ik huiverde.

‘D-day,’ vervolgde ze, ‘het omslagpunt van de Tweede Wereldoorlog; de geallieerde invasie in voormalig Frankrijk. In een gebied dat bekend stond als Normandië.’

Ik scrolde door het dossier. Grafieken, kansberekeningen, tijdknoop­punten en sprongmomenten. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Mijn ogen werden vochtig bij de gedachte aan Eén, verdwenen. De pixels op het scherm versmolten tot vegen.

‘Ik dacht dat als we ooit een knooppunt in één van de oorlogen zouden vinden, we er ver vandaan zouden blijven.’ Mijn stem sloeg over en de directeur fronste.

‘Laten we er niet omheen draaien. Ja. Er is iets misgegaan en de historische dienst is druk in het archief op zoek naar gevolgen.’ Ze zuchtte, omdat ze net als ik wist dat als het allemaal nog langer duurde er vragen kwamen, dat aandeelhouders die het niet konden begrijpen meer wilden weten. De directeur vouwde haar handen. ‘Het spijt me, Twee, dat je niets wist. Eén vond het belangrijk om jou… Wij weten niet goed waarom hij jou erbuiten wilde houden. Misschien… Het was de eerste maal dat we een sprong naar één van de grote oorlogen konden maken en we veronderstelden dat we alle risico’s hadden beschouwd.’

Ik dacht aan de afgelopen maanden. Het was alsof een puzzel van herinneringen bijna in elkaar schoof. Eén geconcentreerd starend naar zijn scherm, calculerend, op dat terras in Barcelona. Dat laatste verwar­rende weekeinde in Amsterdam. Alle nachten die hij bleef door­werken, zijn obsessie en de zoektocht naar de ontbrekende variabele, het waarom van de knooppunten in de tijd. De oplossing. En nu had hij iets gevonden. In 1944.

En mij had hij buitengesloten. Uiteindelijk.

Mij.

De directeur zei: ‘Voor de duidelijkheid: we hadden het volste vertrouwen in Eén maar we kunnen niet uitsluiten dat hij iets… onverwachts heeft uitgevoerd. In heeft willen grijpen in de oorzaken en gevolgen. Wie weet? Wie wil niet Hitler vermoorden als hij de kans heeft? De tijdlijn op het spel zetten…’

Ik deactiveerde het dossier. Wat had Eén ontdekt in 1944? Waarom had hij mij verlaten?

‘Als we over een uur nog niets weten,’ zei de directeur, ‘verlaat je het nu en sturen we je naar een later sprongmoment van het knooppunt. Plaatsbepaling wil je naar het twintigste priemmoment laten gaan. Naar 2015. Veilige afstand. Eerste verkenning voor lokale inventarisatie.’

‘En als ik niets kan vinden in 2015?’

‘Fout, Twee. Je moet iets vinden.’

 

Bij de historische dienst liepen operateurs, historici en tijdlijnanalisten snel en gefocust van bureau naar bureau. Ik keek naar de reusachtige projecties op de wand, van de Franse kust zoals die midden twintigste eeuw was, ver voor de vloed.

‘Hallo, Twee.’

‘Hoofd-operateur. Ik heb begrepen dat je een upload voor me hebt.’

De man gebaarde naar een grote stoel. Ik ging zitten.

‘Dus Eén is de Tweede Wereldoorlog ingesprongen?’ vroeg ik.

De hoofd-operateur rommelde in de kast naast de stoel en ontweek mijn blik.

‘Het was geheim, Twee. Hij wilde niet dat jij iets wist.’

‘Ik had hem tegen kunnen houden. Nu is hij misschien dood.’

‘Daar hebben we geen bewijs van.’

Ik greep zijn arm.

‘Ik heb het dossier gezien. Eén is gesprongen. Als soldaat. Het knooppunt in 1944 was precies op het strand. Tijdens de geallieerde landing! Hoe kon Eén ooit zo’n risico nemen?’

De hoofd-operateur haalde zijn schouders op.

‘Twee, ik weet het niet. Laten we de upload starten. Ik heb hier kennis over de periodes, vanaf het door Eén berekende knooppunt en de verschillende priems erna. Tot en met jouw geplande sprong naar 2015. Misschien helpt het je.’ Hij reikte me de hoofdband aan. De elektroden voelden koud op mijn voorhoofd. De hoofd-operateur ging zitten, trok een beeldscherm en toetsenbord naar zich toe en begon commando’s in te voeren.

 

Sommige mensen schenen nergens last van te hebben na een upload. Ik had het gevoel dat een bom was ontploft en de scherven door mijn schedel prikten. Mijn brein verzette zich tegen de nieuwe kennis die door mijn hoofd krioelde als een virus. Ik besefte dat ik in het Frans zat te denken, een taal waarvan ik een half uur eerder nog geen woord kende.

‘Gaat het?’

De hoofd-operateur hield me een glas water voor. Na een volgende golf van misselijkheid schudde ik mijn hoofd.

‘Je moet er niet zo tegen vechten.’

Hij klopte op mijn schouder en verdween weer in de opwinding van de afdeling. Met mijn hoofd op het zachte stoelkussen staarde ik naar het felle licht aan het plafond. Wervelwinden van geïmplanteerde herinne­ringen joegen door mijn hoofd. Ik zocht naar iets vertrouwds. Iets echts. De puzzel. Herinneringen aan Eén.

Onze laatste, moeizame dag in Amsterdam.

Nee.

Eén zittend op dat terras in Barcelona. Een chique zaak, waar je nog door echte mensen werd bediend.

‘Hoe oud ben je?’ had hij gevraagd terwijl hij, zoals altijd, zat te rekenen op zijn scherm. Ik dacht na maar kon het antwoord niet geven. Hoeveel decennia was het geleden?

Door de barrières van de tijd zocht ik naar beelden uit mijn kinderjaren. Ik zag stof dwarrelen in de lichtbundels die door mijn slaapkamerraam schenen. In de verte hoorde ik mijn moeders stem.

‘Wat maakt het uit hoe oud ik ben? Wat maakt dat nog uit tegen­woordig?’

‘Niets,’ antwoordde Eén, de blik op zijn scherm alsof hij nog iets wilde invoeren. Maar hij nam zijn laatste slok cappuccino, zette zijn kopje neer en staarde door het restaurant en de witte ruis van de aanwezigen. Ik volgde de serveerster, in zwart en wit gekleed, die zwierend met een rood dienblad, gekrast door duizenden andere cappuccino’s, op haar lange benen tussen de tafels van het terras leek door te dansen.

‘Of alles,’ zei hij en bestudeerde de serveerster ook. ‘Vind je haar aantrekkelijk?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar het scherm. Ik vroeg: ‘Ben je weer aan het rekenen?’

‘Ja.’ Achteloos veegde hij formules aan de kant.

‘Wat zoek je?’

‘De missende variabele. De oplossing.’

Ik legde mijn hand op zijn been, gleed langzaam hoger en zocht zijn blik.

‘De oplossing van wat?’

Hij keek me aan.

‘De oorsprong van de knooppunten. Waarom kunnen we alleen springen naar specifieke momenten en niet naar de momenten die we zelf bepalen? Wat is het geheim van de tijd?’

‘En heb je al een idee?’

‘Misschien.’ Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Maar je ontweek mijn vraag. Ben jij gelukkig?’

‘Hou op,’ zei ik en trok mijn hand weg, ‘wat een achterlijke vraag. Wie is er nou ongelukkig tegenwoordig? Ben je zenuwachtig voor onze volgende sprong?’

Ik nam mijn laatste slok en zette het kopje neer. Hard. Koffie spetterde over de tafel, een druppel kwam op het scherm van Eén terecht. Aan een ander tafeltje werd afkeurend opgekeken.

 

Een hand op mijn schouder verdampte de herinnering. De hoofd-operateur stond over me heen gebogen.

‘De directeur wil dat je gaat. Je gaat springen naar het strand van Saint-Aubin-sur-Mer. Zaterdag 6 juni 2015, rond het middaguur. Op dezelfde plek waar soldaat eerste klasse Henry Cooper verdwenen is, 71 jaar eerder.’

Henry Cooper. De naam waaronder Eén was gesprongen.

De hoofd-operateur gaf me een ouderwets horloge. Ik staarde naar wijzers die een verkeerde tijd aangaven.

‘Test de DNA-identificatie van je springer even, alsjeblieft.’

Ik draaide aan de rand van de wijzerplaat. Linksom, rechtsom. De man keek op zijn scherm, knikte en daarna volgde ik hem de lift in die naar de kelder van het gebouw en de Machine leidde.

 

‘Wie bent u?’

Ik nam een stap naar voren, knipperend tegen fel zonlicht na het zwart van de Machine en de sprong. Een overweldigende geur hing om me heen, warme zomerlucht verzadigd met aroma’s van zout en vis. Mijn handen vonden een lauw aanvoelend stuk steen, een balustrade. Ik zag strand. De wind suisde door mijn haren. Mijn blik gleed over de horizon en een blauwe zee; de bron van de bijna tastbare geur. Met moeite wist ik op de been te blijven, mijn kin nog vlakbij de balustrade, witte aders marmer­den het zwart, als bleke bloedvaten. Links zag ik wapperende vlaggen van de oude, verdronken naties. Rechts: kleurige objecten waar verbazing­wekkende kleine mensjes op zaten en klommen. Langzaam raakten mijn ogen gewend aan de zon. Toen besefte ik me pas dat het kinderen waren. Zoveel kinderen! Een meisje staarde me boos aan. In de ene hand hield ze een bruine knuffelbeer, in de andere een ijsje waar ze een lik van nam.

‘U mag niet in de speeltuin komen. U bent een groot mens en grote mensen mogen niet in de speeltuin. Alleen kinderen.’ Ze hield haar knuffelbeer omhoog. ‘En Fluffy. Waar komt u vandaan? Zonet was u hier nog niet en nu wel. Bent u een spook?’

‘Nee… ik… wat…’ stamelde ik. Ik besefte dat ik geen Frans sprak terwijl het kleine meisje dat wel deed. Ik vervolgde in haar taal: ‘Niets aan de hand, ik…’

Een gezette man kwam woest op me af, met de verbeten uitdrukking van iemand die geen macht heeft maar het wel wil hebben. Strakke lippen, een T-shirt nog strakker gespannen over de dikke buik, waardoor de schaars geklede vrouw, die op het stof geprint was, akelig vervormde. Een te stevige hand pakte me bij mijn schouder. Zweetlucht walmde om me heen.

‘Deze speeltuin is alleen voor kinderen.’

‘Ja, ja,’ stamelde ik, proberend een uitweg te zoeken uit een groeiend aantal boze ouders. Kleding, kapsels, gezichten, houdingen, hopeloos ouderwets en vreemd. Ik voelde me de indringer die ik was en merkte hoe ik de controle verloor. Snel schakelde ik over naar een andere taal, in de hoop de mensen een rad voor ogen te draaien.

‘Ik ben een toerist, ik zoek… ik zoek…’

‘Misschien moeten we de gendarme maar gaan zoeken?’

‘Wacht even!’ riep iemand die uit de menigte opdook. Ze was slank. Donker haar, kastanjebruine ogen die me herinnerden aan… Aan wat eigenlijk? Zachte handen die me bij mijn pols grepen.

‘Het is mijn oom,’ hoorde ik haar zeggen, maar ik bleef nog staren naar die ogen, en mijn gedachten zochten, zoals je een woord zoekt, dat je weet dat je zou moeten weten, omdat je het geleerd of geüpload hebt, maar het net niet terug kan halen.

‘Ja,’ antwoordde ik automatisch.

‘Hij is bij ons op bezoek.’ Ze staarde naar de nors kijkende mensen, ongeruste ouders en opgewonden kinderen. ‘Hij komt uit het buitenland,’ zei ze, alsof daarmee alles duidelijk was, en uit het geknik om ons heen leek dat ook zo. De dikke man bekeek het fronsend, maar ze trok al aan mijn hand en leidde me de massa uit. Als een ijsbreker van zekerheid sneed ze eenvoudig door de kille nieuwsgierigheid. We liepen verder, over de warme boulevard, en ik keek nog één keer achterom.

‘Maar…’ begon ik.

‘Stil,’ zei ze, ‘snel. Sneller.’

Rue de L’école. Bar Tabac. Een groen, knipperend kruis van neon aan een muur, een donkere kat, blazend, hard wegrennend. Sneller. Knisperend grind, een deur, de geur van eeuwen, duisternis. Een klik. Gloeilamp.

 

Ik staarde naar haar, hoe ze met een bepaalde gratie haar haar in een staartje deed met een wit bandje. Hoe ze nog even door het raam van de kamer naar buiten keek, waar de boulevard moest zijn, om daarna twee glazen van een plank te pakken en er wijn uit een groene fles in schonk.

‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zei ze. ‘Ik had al drie uur gewacht en begon te twijfelen.’

Ze schoof het glas naar me toe, nam een grote slok voor ze ging zitten. Ik volgde haar beweging, haar bruine benen, haar voeten met donker gelakte teennagels, in lichte slippers. Ze dronk nog een slok.

‘Wie ben je?’ vroeg ik.

Een glimlach.

‘Ik hoopte dat je eerste vraag toch zou zijn: ‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Maar het antwoord op de eenvoudigste vraag is: Anne.’

Ik keek naar het glas. Woorden weigerden te komen.

‘Ik wist dat je hier vandaag zou verschijnen.’

Mijn blik gleed van haar richting een schilderij van de heilige Maria.

‘Hij vroeg me om je iets te laten zien.’

‘Wie?’ vroeg ik.

‘Mijn grootvader.’

Ik slikte.

‘Wie is je grootvader?’

Anne opende haar mond, als om iets te zeggen, maar nam in plaats daarvan een slok. Ze tuurde in het lege glas, en haar mondhoeken trokken een beetje omhoog, alsof ze moest lachen om iets wat ik niet zag. Ze keek me aan.

‘Kom mee,’ zei ze.

 

Ze nam me mee in een auto die schokkend over een wegdek snelde dat zo vaak was gerepareerd dat het in een lappendeken van tientallen soorten en kleuren asfalt was veranderd.

De naam Tailleville flitste voorbij, op een wit bord met rode rand, en we reden een klein dorp in. De weg voerde ons vlak langs muren die zo oud leken dat ik bang werd dat ze zo uit elkaar konden vallen. Het dorp eindigde even onverwacht als het was begonnen en ik zag korenvelden, goudgeel golvend. De geur van zee nog steeds nadrukkelijk aanwezig, vermengd met de uitlaatgassen en de aardsheid van de velden. Een snerpende claxon, de hand van Anne die in een snelle vuist omhoog ging en een korte kwade blik richting een man in een kleine rode auto. Vijftig meter verder leek ze het alweer vergeten.

‘We zijn er bijna,’ zei Anne en remde hevig. Ik zag een rood esdoornblad op wit en dankzij mijn upload wist ik dat het de vlag van de oude Canadese natie was. Na een scherpe bocht, waarbij ik bijna uit de auto werd geslingerd, kwamen we tot stilstand. Anne keek op haar horloge, stapte uit de auto en maande mij hetzelfde te doen. Ik rende over een keurig gemaaid grasveld haar achterna, langs wonderlijk goed onder­houden gebouwen, netter dan ik tot dan toe had gezien in haar verleden. Uit het gras stegen gesnoeide bomen op. Gebeeldhouwde, maar echte esdoorns.

Daarna, stenen.

Honderden.

Witte stenen, rij na rij. Graven, dat waren het. Doden. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, elke steen was één persoon, gestorven in een strijd lang geleden. Ik kwam tot stilstand en staarde met open mond over de zee van witte stenen. Zoveel. Ik zag gele vlinders die dwarrelden van boom tot boom, tussen de graven en de zomerhitte door, begeleid door loom getjirp van ongeziene vogels. Ondanks de overweldigende aanwezig­heid van de dood hing er een serene sfeer op het grafveld. Mijn hart bonkte.

‘Kom,’ zei Anne. Ze was tot stilstand gekomen bij een graf. Traag liep ik naar haar.

‘Hij zei dat je het zou begrijpen,’ zei ze en ik volgde haar blik naar het witte marmer, las wat er in gebeiteld was. Soldaat eerste klasse Henry Cooper en daaronder: Hij gaf zijn leven om een ander te redden.

Eén.

Het was alsof iemand me in mijn maag stompte en ik moest me vastgrijpen aan de steen.

Eén was dood. Nog net. Al eeuwen. Tijdkrommen, diagrammen. Knoop­punten, sprongmomenten, priemgetallen.

‘Mijn grootvader,’ begon ze, ‘vocht mee tijdens de invasie. In 1944.’

Ik knikte. Tranen welden op.

‘Maar hij… deserteerde, zo noemde hij het.’

Met een ruk draaide ik mijn hoofd haar kant op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik met trillende stem.

Anne zuchtte.

‘Mijn grootvader kwam niet om tijdens de invasie. Zijn dood is in scène gezet. Hij…’ Ze pauzeerde en keek weer naar de steen. ‘Mijn grootvader is pas in 1987 overleden.’

Ik keek in haar donkere ogen.

‘Hij ontmoette mijn grootmoeder die dag van de invasie, in Tailleville. Mijn grootvader vocht voor de Canadezen. Hij raakte gewond en mijn grootmoeder hielp hem.’

‘Maar…’ zei ik, kijkend naar de grafsteen. Anne leek mijn twijfel te begrijpen.

‘Mijn grootvader besloot te blijven,’ zei ze, ‘bij zijn Marie. Niet meer terug te gaan naar waar hij vandaan kwam. Hij had het gevonden. Hij zei… Hij schreef dat jij op een dag zou komen en dat ik je mee moest nemen naar deze plek en dat… dat jij het zou begrijpen. Dat hij wist dat je het juiste zou doen.’

Ik slikte.

Ik wilde het begrijpen. Wilde. Maar ik kon het niet.

Na een aarzeling pakte ze mijn hand beet. Ik merkte het nauwelijks.

Eén, verdwenen—nee, gevlucht—in het verleden.

Waarom?

‘Was hij gelukkig?’ vroeg ik.

Anne lachte.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik heb niemand ooit gelukkiger gezien dat mijn grootouders. Ze leefden alsof elke dag hun laatste was. Of hun eerste.’

Het geluk.

Het geluk dat hij niet bij mij had kunnen vinden.

Maar het geluk dat hij gevonden had in het verleden.

‘Mijn moeder was degene die zijn dood in scène zette,’ zei Anne, ‘hopend dat degene die hem naar het verleden hadden gestuurd hem niet zouden vinden. Mijn opa wilde nooit op foto’s, omdat hij wist dat ze hem dan konden vinden. Hij was gedeserteerd, zei hij soms, omdat hij niet meer kon leven in de wereld waar hij vandaan kwam.’

Een traan rolde bitter over mijn wang.

‘En nu?’ vroeg ik.

Anne kneep haar oogleden tot kleine spleetjes.

‘Nu moet je gaan’, zei hij.’

‘Goed,’ zei ik, de woede in mijn stem niet meer maskerend. Ik trok mijn hand los uit haar greep en zocht naar de rand van mijn horloge. Ik draaide. Links, rechts, links, links. De combinatie om de sprong terug te activeren. Ik had Anne niet eens gewaarschuwd.

Een trilling. Stijgend, weer dalend. Klagend bijna.

‘Wacht, ik…’ riep Anne nog, haar stem al oneindig ver.

De wereld. Trok samen.

En toen. Was er.

Ik sprong.

Niets.

Donker. Blauw licht.

Terug in de Machine. Terug in het nu.

Oh, Eén. Ik heb het niet op tijd gezegd. Niet gezegd dat ik echt gelukkig met jou was.

Geef me nog een kans.

 

‘Ik wil naar D-day,’ zei ik.

‘Wat?’ vroeg de directeur. ‘Waarom?’

‘Laat me teruggaan om zijn dood te voorkomen.’

Haar ogen doorboorden mij als lasers en ik vreesde dat ze in de bunker van mijn leugen de waarheid zag.

‘Waarom, Twee?’

‘Omdat…’ Ik zocht naar passende woorden, maar mijn hersenen leken in brand te staan, aangestoken door de blik van de directeur, en door de rookontwikkeling wist ik niets te zeggen.

‘We hebben een agent verloren in het verleden. Natuurlijk. Zijn dood is… onwenselijk. En nu vraag je om er achteraan te gaan? Ik heb met de aandeelhouders gesproken; die willen het liefst zo snel mogelijk dit onder het spreekwoordelijk vloerkleed schuiven. De Machine is bedoeld voor heel andere doeleinden. We hadden nooit aan deze missie moeten beginnen.’

‘Ik…’

‘De historische dienst kan geen gevolgen vinden in de tijdlijn en alle fysieke bewijzen zijn verdwenen in de vloed. Het spijt me. Maar misschien is het beter…’

‘Nee.’

De directeur staarde me seconden aan, zonder iets te zeggen.

‘Je balanceert op een dunne lijn, Twee. Misschien ben je vergeten wie degene is die bepaalt wat er gebeurt.’

Onmacht en woede trok mijn schouders strak.

‘Eén was iets op het spoor,’ zei ik. ‘Hij dacht variabelen te hebben ontdekt, de redenen van de knooppunten. Hun oorsprongen.’

De directeur schudde haar hoofd.

‘De oorsprongen zijn een enigma. Ongrijpbaar als de raadsels van de priemgetallen zelf. Eén wist dat.’

‘Eén was onze beste calculator. Hij was overtuigd dat hij de oplossing kon vinden.’

‘Zoveel mensen dachten iets op het spoor te zijn maar hun zoektocht leidde uiteindelijk tot niets. Risico’s misschien. Waanzin soms.’

‘Maar als hij het wel heeft gevonden, bedenk dan wat we allemaal zouden kunnen. Dan zijn we niet meer gebonden aan de knooppunten. Dan kunnen we springen naar waar we willen.’

Een korte twinkeling verscheen in haar ogen.

‘En nu wil jij het risico nemen, Twee?’

We keken elkaar aan. Als een functioneringsgesprek zonder woorden. Na een tijdje roffelden haar nagels op het bureau.

‘Laat me hem terughalen. Alstublieft.’

‘Je begrijpt, Twee, dat als dit mis gaat, niemand jou komt redden?’

 

De directeur ging in overleg met de aandeelhouders. Het kon wel laat worden, zei ze, dus ging ik naar mijn appartement.

Na twintig minuten te hebben gedoucht voelde ik me nog steeds niet schoon, alsof de leugen aan mijn lijf was vastgekoekt. Zonder af te drogen liep ik mijn woonkamer in en ging op het koude bankstel zitten, starend naar de grote, betonnen tafel waar de souvenirs van onze reizen stonden. Een blauwwit stenen molentje herinnerde aan Nederland.

Hij was aan het rekenen, zittend op het bed, die nacht in Amsterdam. In onze kamer in een eeuwenoud hotel dat uitkeek over een nog oudere stad. Ik keek door het raam. Grijs water, regen, oude muren van scheve huizen en kanalen als een spinnenweb door de stad. En plots voelde ik me gevangen, in dat eeuwenoude web van troebel water waarin ik niets kon zien. Eén keek op, reagerend op mijn ingehouden adem.

‘Ik heb het, denk ik, gevonden,’ zei hij en hij legde zijn scherm op het bed, stond op, kwam naast me staan en sloeg een arm op mijn schouder alvorens hij zelf naar buiten keek. Onze adem besloeg het glas en Amster­dam verdween achter soft focus.

‘De variabele,’ vervolgde hij zachtjes, omdat zijn lippen maar op een paar centimeter van mijn oor waren.

Hij stapte bij me vandaan, ging zitten op het bed en staarde door de kamer. ‘Hoeveel duizenden geliefden en eenzame mensen zijn hier al gepasseerd?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ben je niet blij?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn hand de beslagen ruit schoon veegde – maar het beeld werd er niet beter op. ‘Blij dat je de oplossing binnen handbereik hebt?’

De triestheid die zijn ogen binnenkroop kneep mijn keel dicht. Ik probeerde te lachen maar het geluid dat mijn mond verliet klonk schril.

‘Kijk, een rondvaartboot. Ik wist niet dat ze die nog hadden,’ probeerde ik en draaide me naar Eén. Hij keek me aan, lang, en ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar er kwamen geen woorden en ik begon me ongemakkelijk te voelen.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg Eén.

‘Hou op,’ zei ik. ‘Ik hou van je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

‘Wat wil je horen?’

We keken elkaar aan. En op dat moment zag ik pas dat er iets definitiefs tussen ons in gevallen was, alsof de grijze waas van buiten naar binnen was gekropen, door het glas, en een muur tussen ons in geslagen had.

‘Ben jij gelukkig?’ vroeg ik.

En toen lachte Eén.

‘Ja,’ zei hij. ‘Nu wel.’

Misschien had ik naar hem toe moeten lopen, hem in mijn armen moeten nemen, die avond daar in Amsterdam, en hem vast moet houden, enkel dat. Maar ik deed het niet, ik nam hem, daar in die hotelkamer, tot de ramen weer besloegen met een simpeler hitte, omdat ik dacht dat het geluk dat hij bedoelde daarmee werd bereikt.

De telefoon piepte. De directeur belde.

 

Soldaat Jameson werd mijn naam. Gekleed in een oud uniform – dat me bij elke stap kriebelde – liep ik door een groen geschilderde gang richting de Machine. In de gang hing een kunstmatig aroma, een chemische repro­ductie van lavendel, en ik moest denken aan de rit met Anne in het verleden.

Gele korenvelden, de geur van de echte zee.

Ik stapte een zware deur door, een duistere ruimte in die enkel werd verlicht door een blauw schijnsel, komend van kronkelende geometrische vormen op de vloer. Altijd de onmiskenbare trilling. In het midden van de kamer stond de directeur, naast haar een operateur die een wapen vasthield, ingepakt in cellofaan. De directeur stapte op me af.

‘Als je niet terugkomt, hoef je geen redding te verwachten,’ zei ze. ‘De aandeelhouders laten maar één sprong toe. Weet je zeker dat je dit wilt doen, Twee?’

De akelige vibratie van de Machine deed mijn knieën knikken.

‘Ja,’ loog ik.

De directeur knikte, nauwelijks merkbaar.

‘Het zij zo.’

Ze nam een stap naar achteren. De operateur keek haar even angstig aan.

‘Je gaat het strand op in hetzelfde regiment als Eén,’ zei hij. ‘Je moet hem snel kunnen vinden.’

Hij overhandigde het wapen, dat zwaarder was dan verwacht. De geur van olie die om het wapen hing was doordringend. Daarna gaf hij me een klein wit doosje.

‘Sigaretten,’ zei hij.

‘Is dat ook een soort wapen?’

‘Zat dat niet in je upload? Dan kom je er zelf wel achter.’

Hij bekeek me nog één keer van top tot teen en keek toen naar de directeur. Ze knikte.

‘Succes.’

Samen liepen ze de ruimte uit, de deur schoof dicht en ik was alleen met het blauwe schijnsel. Een stem telde af. Ik tastte naar de rand van mijn horloge. De vormen op de vloer pulseerden en de trilling van de Machine werd intenser. LED’s aan het plafond knipperden.

Ik ademde diep in.

 

Eerst dacht ik dat de trilling van de Machine wijzigde. Maar daar was weer de zeelucht van het verleden, en aan het einde van een verwarrende seconde besefte ik dat de sprong al was geweest. En toen was er enkel chaos.

Rook. Vuur. Brandende gebouwen achter een strand gevuld met lange, houten palen en metalen constructies die als messen uit het strand staken. Het geluid alsof iemand duizenden stenen over een stalen plaat uitstortte. Mitrailleurvuur, wist ik dankzij kunstmatige herinneringen.

Een volgende ontploffing en een reusachtige zandfontein werd de lucht in gesmeten.

‘Waar kom jij vandaan?’ riep iemand. Ik keek opzij. Hoorde doffe ploffen. Bloed en harde prikken in mijn gezicht. De soldaat begon te vallen en ik probeerde hem op te vangen. Plotseling zat er overal nog meer bloed en zag ik dat de soldaat de helft van zijn gezicht miste. Ik veegde over mijn gezicht en zag rood en witte stukjes op mijn hand.

‘Laat hem,’ riep iemand en rukte de dode man van me los. Het lichaam gleed op het zand. Soldaten probeerden over hem heen te springen. Het mislukte en hij werd vertrapt, als een zak van bloed en botten. Toen rende ik plots met de soldaten mee, verder het strand op. De geur van rook werd ondraaglijk. Ik staarde naar mijn wapen, wist niet meer hoe het werkte, wat ik er mee moest doen en ik viel voorover, in een grote plas. Zout water stroomde mijn mond binnen. Ik wilde ademen. Water kolkte naar binnen. Een zware laars schopte hard tegen de zijkant van mijn lichaam toen ik mezelf overeind probeerde te duwen. Ik dacht dat ik zou stikken, verdrinken.

Ik ga dood, ging er door me heen. Ik wist me met één hand omhoog te duwen en in plaats van zeewater ademde ik rochelend lucht. Iemand greep me onder mijn oksel, trok me omhoog. Adrenaline stroomde wild door me heen.

‘Geen tijd om te slapen, soldaat.’

‘Nee,’ zei ik. De kennis van de upload spoelde plots over me heen: ‘Sergeant!’

Snel controleerde ik mijn helmband en mijn dekkingspositie. Ik haalde de veiligheidspal over en laadde mijn geweer.

‘Klaar om de Krauts aan te pakken, mijnheer.’

‘Goed zo, jongen,’ zei de sergeant en wenkte de dichtstbijzijnde mannen om hem te volgen. Het indringende geluid van de .88 in de Duitse kazemat aan onze rechterflank klonk. Het peloton dook achter de versperring, wachtend op het moment dat het mitrailleurvuur van de Duitsers zich ergens anders op zou richten. Ik staarde naar de boulevard van het stadje en naar de brandende en kapotgeschoten gebouwen. Tot mijn verbazing herkende ik enkele die ik in de toekomst had gezien.

Waar is Eén, dacht ik. Ik moet hem vinden. Redden. Voorkomen wat hij deed. Zou doen. Ik keek over het strand, naar de soldaten die als insecten uit de landingsvoertuigen stroomden. Honderden. Duizenden. Hoe kon ik hem in deze heksenketel vinden?

‘Wat is je naam?’ riep de sergeant.

‘Jameson, sergeant!’

‘Stop met dromen of je slaapt straks voor altijd. We moeten die .88 uitschakelen anders zijn we er geweest.’

‘Ja, sergeant!’ herhaalde ik en keek in de richting van de kazemat.

 

Tegen het einde van de ochtend had ik al drie sigaretten gerookt. Samen met de soldaten Cohen en DeGraaf was ik begonnen aan de vierde. We zaten op de veroverde mitrailleurstelling. Over de dode Duitsers hadden we dekens gelegd.

Ik had over het strand gezworven en een paar soldaten genaamd Cooper ontdekt, maar niet de juiste. Een officier stuurde me uiteindelijk naar de compagnie waar hij dacht dat ik bij hoorde. Ik hoorde dat we het binnenland in gingen voor een gewapende verkenning. Iemand zei dat we richting Tailleville zouden gaan.

Tailleville, dacht ik. De woorden van Anne echoden in mijn hoofd.

 

We waren met honderden, met gezichten donker van rook, modder en geronnen bloed. Ik zou Eén niet eens herkennen. Of hij mij, besefte ik, terwijl we behoedzaam door de velden trokken waar het koren lang en goudgeel stond.

‘Benieuwd wat we aantreffen,’ zei de soldaat naast me. Ik keek in de richting van het dorpje. We liepen in een lange linie. In de verte klonk het geluid van geweervuur en het rommelen van tanks. Nog verder weg de inslag van zwaar geschut dat van de schepen naar andere stranden werd gevuurd. De Amerikaanse stranden. Daar ging het er nog veel erger aan toe. Ik kon het me bijna niet voorstellen. Ik keek om me heen.

Eén, waar ben je. Wie ben je? Waar?

Het leek alsof we zwommen door het korenveld, onze helmen een school haaien zwemmend door de gele zee van halmen, richting het dorpje. Ik staarde naar de huizen van Tailleville, naar ramen waar ik elk moment de vurige flits van een Duits schot verwachtte. De spanning werd onhoudbaar en ik voelde het ook bij mijn medesoldaten. Toen een verdwaalde zeemeeuw plotseling overvloog vuurde ik bijna.

De weg van Saint-Aubin-sur-Mer naar Tailleville was niet veel meer dan een verhard zandpad met aan beide kanten een diepe greppel. Soldaat DeGraaf bereikte als eerste de huizen van het dorp. Hij drukte zich met zijn rug tegen een oude muur. De laatste paar meters van het korenveld legde ik rennend af tot ik hijgend naast hem stopte. Hij keek om het hoekje.

Het schot hoorde ik pas nadat ik een flits van rood uit zijn helm had zien spatten. Als één organisme doken alle soldaten op de grond.

‘Scherpschutter!’

‘Einde van de straat, tweede raam rechts,’ riep iemand. Een majoor kwam aanrennen, dook richting een muur.

‘Luister,’ zei de majoor, ‘we pakken die Kraut daarboven! Thompson, Jameson, LaCroix. Jullie nemen de linkerflank van het dorp.’ Hij wees naar mij en toen naar een bomenrij iets verderop. ‘Wij gaan via de straat. Jullie leggen een dekkingsvuur.’

Er werd geknikt, wapens werden geladen en er volgde een zwijgzaam moment, blikken naar elkaar en diepe concentratie. Het vuren begon. Onder de dekking van de schoten rende ik naar de andere kant van de weg, richting de paar bomen. Langs een hek waarachter ik een klein veldje zag, met een oude wagen, een paar boomstammen en een werktuig dat ik niet kende. Tegen één van de muren stond een fiets met nog maar één wiel. Ik dook achter een boom. Thompson wees in de richting waar de Duitse schoten vandaan waren gekomen.

‘Laten we kijken of we het huis van de andere kant kunnen benaderen. Dit dorp stelt niets voor. Waarschijnlijk nog een laatste Duitser die het niet op wil geven. De rest is allemaal gevlucht.’ Hij lachte en ik zag gele tanden. ‘Okee, kom op.’

Hij stond op en begaf zich, diep in elkaar gedoken, richting het korenveld wat naast het dorp verder liep in zuidelijke richting. We volgden hem, achter elkaar aan rennend. Verderop hoorde ik hoe de sluipschutter onder schot werd genomen.

Na een paar meter rennen bereikten we één van de zijkanten van het gebouw. Ik staarde naar een oude houten deur. Er klonk geluid. Thompson deed een stap naar voren en hief de kolf van zijn geweer op. Het leek alsof hij de klink van de deur aan wilde vallen. En precies op dat moment begonnen de mitrailleurschoten.

Ik dook weer tegen de muur. Hard sloeg ik tegen het kalksteen, een kies drong in de binnenkant van mijn wang in en ik proefde bloed.

Schoten uit het dorp boorden zich in het veld, alsof de Duitsers het koren met mitrailleurvuur probeerden te oogsten.

‘Een val! Lieve Maria, het is een val!’

Er klonk gegil en mijn hoofd draaide razendsnel de andere kant op. Ik zag de kenmerkende vorm van de Duitse helmen, veel en veel te veel, en vuur dat uit lopen flitste, het gejank van kogels die om ons heen vlogen. Snel dook ik naar de grond, op het moment dat een andere soldaat ook viel. Ik zag bloed en hoorde haperende longen. Stukken kalksteen sprongen van de muur. Getik klonk op mijn helm. Ik legde mijn geweer aan en vuurde. Een andere soldaat dook naast me. Ik keek hem aan.

Het was Eén.

‘Kom,’ zei hij.

 

We renden weg, richting het korenveld, als in een waas. Achter me het geluid van de mitrailleurs. We renden verder, en ik had het vreemde gevoel de Canadese soldaten in de steek te laten. Alsof ik deserteerde.

‘Eén,’ riep ik.

‘Rennen,’ riep hij, wijzend naar een boerderij een paar honderd meter verderop. ‘We zijn er bijna. Sneller!’

Ik dacht aan het rennen met Anne over de boulevard. Sneller. Het was alsof ik haar stem weer hoorde.

Het geluid van de schoten werd een kort moment minder. We waren vlakbij, vlakbij de boerderij.

Hij dook op, de Duitse soldaat, uit het niets, uit het veld en hij richtte op Eén en schoot.

Eén viel op de grond.

Ik had gevuurd zonder het te beseffen en de Duitser ging neer.

 

Bloed. Overal bloed. In stromen gutste het uit zijn mond.

‘Nee,’ riep ik. ‘Nee.’

Ik pakte zijn hand. Zocht de springer. Maar zijn pols was leeg. Geen horloge. Naast me zag ik weer stukjes koren de lucht in vliegen. Het mitrailleurvuur was vlakbij.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Waarom?’

Eén opende zijn mond maar had nauwelijks nog kracht om te spreken. Ik boog me naar voren en mijn tranen mengden met zijn bloed.

‘Opgelost,’ fluisterde hij nog. En toen verscheen iets, en verdween iets, in zijn ogen, en ik wist wat het was geweest en werd maar ik het wilde het niet accepteren.

Een schot klonk.

Een prik in de bovenkant van mijn been.

De pijn begon te groeien, was geen prik meer maar een ijzige staaf die mijn vlees uit elkaar scheurde. Ik probeerde te staan, verbaasd, viel weer op de grond, terwijl de pijn nog ontzagwekkender werd. Nogmaals probeerde ik te staan. Maar dat was dom, dacht ik nog, voordat ik weer het geratel van de Duitse mitrailleur hoorde.

Weg hier, weg. Mijn hand ging naar mijn pols.

Ik keek naar de grond, naar het lichaam van Eén. Alles mislukt.

Ik dacht aan de schoten, aan de kogels, zo ver weg, zo dichtbij. De grond trilde.

Iets raakte mijn helm.

Alles trilde. De Machine, dacht ik, haal me hier weg. Ik probeerde mijn horloge te vinden maar mijn armen weigerden en ik proefde aarde in mijn mond en voelde toen nog meer pijn omdat mijn schouder was doorboord.

Eén, dacht ik. Weg, dacht ik. Dood, dacht ik.

En toen zwartheid en dacht ik niets meer.

 

Ken je dat, dat je een woord zoekt? En het ligt op het puntje van je tong, maar je komt er maar niet op. Het is er bijna, de oplossing vlakbij, je ziet iets zweven in de verte, maar kan het net niet goed zien. Dat moment, zoiets. Ik opende mijn ogen om daarna weer weg te zinken in de zwartheid. Ik denk omdat de pijn simpelweg teveel was.

 

‘Est étant encore combattu?’

‘Oui. Sera t’il vivre?’

‘Je ne sais pas. Il est la volonté de Dieu.’

 

De stemmen klonken schitterend, zoet en zacht. Ik zou ze moeten verstaan, maar het lukte niet. Maar dat maakte niet uit. De geur van oude dekens die ik verkoos boven bloed en rook. Ergens klonk een ontploffing, waardoor ik de stemmen niet meer hoorde. Dat irriteerde me. Maar toen was er weer de zwartheid. Ik probeerde er bij weg te blijven. Maar het lukte niet.

 

Ik voelde aan mijn pols. Vond enkel verband. Waar is mijn horloge?

 

Een herinnering aan een trilling. De Machine. Klagend. Stijgend. Dalend.

 

‘Weet je,’ zegt Eén, ‘de Machine dankt haar bestaan aan Euler. Een wiskundige die ongelofelijke vragen stelde. We bouwden de Machine om zijn stellingen op te lossen. En toen we dat deden vonden we de sleutel voor de tijd.’

‘Ik weet het,’ zeg ik met weinig interesse.

‘Priemgetallen staan in nauw verband met de kwantummechanica. Waarom? Hoe kan het dat wiskunde de natuur kan beschrijven? We hebben wiskunde zelf bedacht.’

Ik zucht.

Euler vroeg zich bijvoorbeeld af: ‘Bestaat er een even getal groter dan twee dat niet de som is van twee priemgetallen?’

‘Moet dit nu, Eén?’

‘De vragen lijken zo simpel maar ze zijn al eeuwen oud. En we kunnen ze niet oplossen. Al die computers niet. Zelfs niet de Machine, onze ultieme rekenmachine, die door de getallen bijna alle raadsels van de tijd al kan oplossen. Welke magie zit er nog meer verstopt in de priemgetallen?’

Zijn mondhoeken gaan omhoog.

‘Weet je, er zijn oneindig veel priemgetallen. Maar er is maar één even priemgetal.’

Hij lacht en de droom vervaagt.

 

Natuurlijk wist ik wie ze was. Eindelijk herkende ik die ogen, die hetzelfde waren als die van Anne. Twee generaties hadden niets kunnen veranderen aan die blik. Ik staarde om me heen door de simpele slaapkamer waar hetzelfde schilderij van Maria aan een gebarsten muur hing, boven een houten tafeltje waar een grote kan op stond. Gehaakte gordijnen hingen voor een raam waar door de kieren zonlicht naar binnen scheen. Een trilling klonk, komend van een ontploffing, in de verte. Stof dwarrelde door de kamer, door de bundels licht, en het deed me ergens aan denken, net zoals de geur in die kamer, de geur van eeuwen, zekerheid en veiligheid, muren die zo lang stonden dat ze onderdeel waren geworden van de tijd. Ongenaakbaar. Even leek ik weer terug te vallen in de zwarte put van de bewusteloosheid, denkend aan veiligheid, aan thuis en vroeger, tot haar stem me vastgreep.

‘Ik geloof dat ze het dorp bijna in handen hebben,’ zei ze, terwijl ze een doek leeg kneep en rood water in een bak spetterde. Daarna liep ze naar de kan, schonk wat water in de bak en kwam terug. Ze had een zwarte jurk aan met grijze strepen, die tot over haar knieën viel. Ik staarde naar haar enkels.

Ze stond aan de andere kant van het bed.

‘Soms val je even weg,’ zei ze, en depte mijn voorhoofd met de doek.

‘Waar ben ik?’

‘In de boerderij van mijn oom en tante. Ze wilden niet vluchten, daarom zijn we hier. We zagen je komen door de velden, hierheen. Zagen je vallen.’

‘Het dorp? De Canadezen? Hoe…’

‘De Duitsers hebben een hinderlaag gelegd. We horen nog steeds schoten maar ik bid dat jullie gaan winnen. Godzijdank. Als de gevechten voorbij zijn zullen we je mensen waarschuwen dat je hier bent.’ Terwijl ze met de doek met koud water over mijn gezicht ging bleef ze me aankijken. Ik staarde in haar donkerbruine ogen, keek naar haar wenkbrauwen en de kuiltjes in haar wangen terwijl ze de doek bewoog. Ze werd zich bewust van mijn blik, glimlachte. ‘Ik denk dat het niet lang meer duurt.’

Ik moest hoesten en ze ging iets naar achteren. Voelend aan het verband om mijn pols vroeg ik: ‘Waar is mijn horloge?’

‘Stukgeschoten, vrees ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als je het niet om had gehad had je nu waarschijnlijk geen hand meer. Het horloge heeft de kogel afgeketst.’ Ze lachte. ‘Wel een heel sterk horloge. Je mag het wel dankbaar zijn.’

Ik staarde weer. Naar de wijze waarop haar lange donkere haar over haar schouders viel, de ogen waar rust en intelligentie uit straalde.

‘Wat is je naam,’ vroeg ik, maar ook dit antwoord wist ik al.

‘Marie,’ zei ze, terwijl ze glimlachend de doek weer in de bak legde.

Het werd weer donker.

 

‘Twee.’ zegt Eén. ‘Grappig, niet? Het enige even priemgetal is twee.’

‘Waarom is dat grappig?’

‘Priemgetallen, tijd, jij, de Machine. Dat ik denk dat alles in de getallen is te vinden. Weet je dat ik zei dat ik het bijna opgelost had? Het raadsel van de knooppunten?’

‘Ik…’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Werkelijk geluk,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat voor de tijd? Al die kinderen, die kleinkinderen en al het nageslacht er na? De wortels van echte liefde, een liefde die uitgroeit totdat de takken verder reiken dan we voor mogelijk kunnen houden. De knooppunten zijn die wortels, die wortels in het verleden.’

‘Eén,’ zeg ik, ‘maar wat…’

‘De knooppunten. Werkelijk geluk, werkelijke liefde. Begrijp je het nog niet, Twee?’

Bijna begrijp ik het. Het ligt op het puntje van mijn tong.

 

Terwijl we nog steeds schoten hoorden, vertelde ze dat ze die week op bezoek was gegaan bij haar oom en tante. Haar familie had altijd in deze streken gewoond en na het overlijden van haar ouders was ze naar Parijs vertrokken om geschiedenis te studeren. Toen ze vertelde over haar studie leken we beide de oorlog te vergeten, en op een gegeven moment betrapte ik mezelf dat ik staarde naar het dansen van haar lippen. Ze vertelde over haar dromen en dat ze alles wilde leren. Over hoe DaVinci zijn Mona Lisa had gemaakt, over veldslagen en kunstwerken en eeuwenoude kastelen, over al die dingen waarvan ik alles wist, sommige zelf had gezien.

Ik vertelde haar over één van de Lodewijken en hoe ze hadden feestgevierd, en al die dingen die op dat moment nog niet in de geschiedenisboeken stonden en ik wist dat dit tegen alle regels indruiste. En ze luisterde ademloos. Vanuit de geschiedenis belandden we weer in het nu en we hadden niet eens door dat de knallen uit het dorp stopten. We keken elkaar een tijd in stilte aan.

Het was een oude uitdrukking.

Op het eerste gezicht.

Ik had het nooit geloofd. Hier. In het verleden.

Die ene.

‘Kan ik hier blijven?’ vroeg ik.

Ze trok haar wenkbrauwen omhoog, bekeek me onderzoekend.

‘Waarom?’ vroeg ze. Toch was er niet enkel verbazing in haar stem. ‘Ben je een deserteur?’

Ik zuchtte.

‘Nee,’ zei ik. ‘Of misschien wel.’

 

Ieder ander had misschien gedacht dat ik krankzinnig was. Maar misschien kwam het omdat ik dingen wist die niemand weten kon. Ik vertelde haar over de toekomst, over wat we geworden waren. Ik vertelde over Eén. Toen ze mijn onmacht zag greep Marie mijn hand.

‘Hij wist wat hem gelukkig kon maken. Wees niet kwaad op zijn keuze. Hij vond wat hij zocht. Daar had hij alles voor over.’ Ze streelde mijn wang.

De volgende ochtend werd ik wakker en zat ze naast me met de restanten van het horloge in haar hand.

‘Hallo, reiziger,’ zei ze.

 

En zo bleef ze me noemen, al die jaren lang. De reiziger. Soms noemde ze me de vluchteling en die zeldzame keren dat ze boos was de deserteur, want ze wist dat dat me pijn deed. Ik dacht nog vaak aan de dagen in de zomer van 1944, hoe ze mijn wonden verzorgde daar op die kamer, op die boerderij, tussen wat er nog van de gele korenvelden overeind stond, terwijl de Canadezen en de Engelsen oprukten, het land in, richting nog maanden strijd tot ze eindelijk zouden winnen, ver weg, bij Berlijn.

Ze vertelde dat ze mijn naamplaatje naar binnen had gegooid, bij een huis waar zowel Duitsers als Canadezen gesneuveld waren en daarna in de brand vloog. Daar zouden ze mijn naam vinden.

En ik dacht aan de stenen op het grafveld.

Voor de toekomst enkel nog vergeten getallen in een ver verleden.

Eerst dacht ik nog vaak aan Eén. Het begon met de herinneringen, daarna de gevoelens van schuld, daarna de twijfel, tot het weer enkel de losse puzzelstukjes van emoties, verbazing en vervagende gedachten werden. In de jaren die volgden, als ik nog aan Eén dacht, dan was het nog aan dat moment in het grijze Amsterdam. Was dat het moment waar het allemaal om draaide? Niet de sprong naar 2015, niet naar 1944. Maar daar, in Amsterdam.

 

Het was 1952. Marie was zwanger van onze tweede zoon. Ik was naar het stadje geweest om iets te kopen en liep terug over het veld toen ik ter hoogte van de tractor de trilling voelde. Een trilling die ik al zolang had gevreesd, maar nu had ik er al maanden niet aan gedacht. Wat had ik verkeerd gedaan? Ik draaide me om. Er was dat ogenblik van zoeken naar herkenning en toen zag ik tot mijn grote verbazing dat het Eén was.

Verwarring nam me. Hoop en angst.

‘Hoe…’ stamelde ik.

Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Twee?’ zei hij. ‘Waarom ben jij hier?’

‘Maar,’ begon ik. ‘Maar… Hoe kan je nog… Jij bent…’

Eén zweeg, alsof hij wachtte tot ik nog iets zou zeggen. Toen vervolgde hij: ‘We vonden een foto, van deze datum. 22 augustus 1952, Saint-Aubin-sur-Mer. De historische dienst herkende jou. Wegduikend achter een marktkraam alsof je niet op die foto wilde. En toen begrepen we dat er iets heel vreemds aan de hand was. Waarom, Twee? Wat heb je gedaan? Hoe kom je hier terecht?’

Ik zocht naar woorden.

‘Eén,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je nog? Die hotelkamer in Amsterdam?’

Hij zweeg.

Marie kwam de hoek van de boerderij om, een grote mand vast­houdend. Toen ze ons zag stond ze stokstijf stil. Ze staarde naar mij, naar Eén, weer terug naar mij. Haar lippen bewogen, en ik hield mijn hand op in een afwerend gebaar. Marie schudde haar hoofd en ik zag hoe haar mond het woord ‘nee’ al vormde. Ik draaide me naar Eén. Hij staarde naar Marie.

Er was een moment dat oneindig leek te duren en even had ik het idee dat de hele wereld de adem inhield. Enkel een zachte vibratie was voelbaar, heel ver weg, zo ongelofelijk ver weg. En ik wist dat het de Machine was, die door alle ruimte en tijd naar me reikte. Eén opende zijn mond, sloot deze weer, en ik zag ook bij hem een traan zacht over zijn gezicht rollen.

‘Waarom?’ zei hij.

‘Omdat…’

‘Nee.’ Eén viel me in de rede. ‘Ben je gelukkig?’

Stilte.

‘Ja,’ zei ik uiteindelijk. De waarheid.

Weer een pauze. Eén staarde naar me en een glimlach verscheen op zijn gezicht. Het leek zo vreemd, die glimlach daar, en ik wilde het liefst naar hem toe rennen, maar ook weer niet, omdat ik wist dat dat niet eerlijk was.

‘Maar jij zei het me in Amsterdam,’ riep ik. Tranen liepen over mijn gezicht. ‘Jij had de oplossing. Ik ging jou achterna naar D-day. Jij stierf…’

En ik begreep het pas toen ik het zei. De puzzel die ik zo lang niet had kunnen of willen oplossen schoof definitief in elkaar. Wat hij had gezocht. De missende variabele. Priemgetallen, tijd, de Machine, mogelijkheden en onmogelijkheden, kwantumonzekerheden.

Ik was de variabele.

Ik was het knooppunt.

Mijn geluk berekend door iemand die daar alles voor over had.

Kun je zoveel voor iemand overhebben?

En ik dacht aan Marie op het moment dat Eén zijn hand al naar zijn pols ging. Ik opende mijn mond maar hij schudde zijn hoofd.

‘Jij bent nog daar,’ zei Eén, ‘in de toekomst. Volgende week gaan we pas naar Amsterdam. Vind die fotograaf.’ Hij draaide aan zijn horloge. Lachte, zei nog: ‘Dank je.’

En sprong.

Ik voelde de trilling van de Machine en ik zag hoe Marie het ook voelde. Eén verdween, alsof de wereld samentrok in een minuscuul punt en voor één heel kort moment, voor de allereerste keer, was er harmonie in die trilling.

En toen was hij verdwenen.

Marie kwam naast me staan, legde een hand op mijn schouder, haar hoofd tegen mijn bovenarm. Haar lange haar viel als kriebelend zijde zacht over mijn blote huid. Ik staarde over het goudgele koren, langzaam wiegend in de wind, waarvoor Eén zojuist nog had gestaan. Marie’s hand sloot zich om mijn pols. En ik hield van haar, van mijn kinderen, mijn kleinkinderen. En van jou, mijn lieve Anne, want dit verhaal is dus voor jou.

 

En zo staar ik de verte in. Naar de velden en daarachter de nog lage bomen op de heuvel waar ik de Canadese vlag zie die boven het grafveld wappert.

Waar een graf van hem is.

En één van mij.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.