De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2019

Genres

Category Archives: 2019

Het genesis ei : Mike Jansen

Amsterdam, zomer 1893

 

In de ontvangstkamer van het statige herenhuis aan de Prinsengracht streek de voorzitter van het Bestedingscomité voor Naturalistische Innovaties over zijn weelderige snor.

‘Het spijt ons u te moeten meedelen dat we uw voorstel niet in over­weging zullen nemen.’ Er klonk instemmend gemompel van het viertal heren dat aan weerszijden van de voorzitter aan de lange tafel zat.

De jonge vrouw tegenover hen scheen uit het veld geslagen. Stofjes in de banen licht die door de ramen naar binnen vielen, leken doodstil in de lucht te blijven hangen. Zelfs het tikken van de Friese staartklok naast het raam pauzeerde even. Ze haalde diep adem. ‘Maar, maar… de cijfers. Hoe kunt u dit niet in overweging nemen?’

De voorzitter kuchte. ‘Wij hebben twee redenen. Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens heeft zich in de materie verdiept. Jonkheer?’

‘Inderdaad, meneer de voorzitter,’ sprak de jonkheer, die het dichtst bij het raam zat. ‘De gebruikte wiskunde bevat abstracties en concepten die niet algemeen geaccepteerd worden in de beschaafde, westerse wereld. Er is geen enkele manier om ze te verifiëren.’ Hij stond op en liep voor het raam heen en weer. ‘In uw beschrijving van de procedures geeft u verder aan dat u op basis van computantberekeningen kunt bepalen wat de functie van cellen zal worden en methodieken om deze functies te manipuleren.’

De jonge vrouw wilde overeind komen om antwoord te geven, maar de jonkheer gebaarde dat ze kon blijven zitten. ‘Gecombineerd met de nieuwste Leeuwenhoeck manipulators, computant-gestuurd, wordt dit inderdaad mogelijk,’ legde ze uit.

De jonkheer ging verder alsof hij haar niet gehoord had. ‘Hoewel vergezocht, zou dit nog enige waarde kunnen hebben voor het Innovatiefonds. De toepassingen zoals beschreven zijn echter vrijwel ondenkbaar: vervangen van ledematen, herstel van hersenletsel, het laten aangroeien van zenuwweefsel. Het leest als de fantasieën van Bilderdijk, vermakelijk, doch vergezocht. Derhalve kan ik niet anders dan concluderen dat uw documentatie, gelijk de werken van de heer Bilderdijk, tot het rijk der fabelen behoort en dat u waarschijnlijk meer geluk zult vinden bij een uitgever van dergelijke werkjes.’

Het gezicht van de jonge vrouw was rood aangelopen en een diepe gloed verspreidde zich over de huid van haar nek, onder haar blonde, opgestoken haar en tot aan haar decolleté. ‘U beticht mij van charla­tanerie? U, die een quaternion nog niet van polytoop kunt onder­scheiden?’ Ze richtte zich tot de voorzitter. ‘U sprak van twee redenen. Wat is de andere reden?’

De voorzitter glimlachte minzaam. ‘Mevrouw Tiersma, u denkt misschien zich te kunnen meten met de adepten in dit comité, ik zal hier geen waardeoordeel over vellen. Feit is dat u een vrouw bent.’ Hij vouwde zijn handen op zijn volumineuze leest. ‘Wetenschappers zijn nu eenmaal mannen. Uw plaats is niet in een laboratorium. Bestier een huishouden en zorg voor uw echtgenoot en kinderen, zoals alle vrouwen doen.’

Jeltje Tiersma rechtte haar rug. ‘Zowaar, Ada Lovelace en Mary Somerville zijn dus namen die u niets betekenen? Wat is dan nog de waarde van uw illustere genootschap, welke naturalistische innovatie denkt u te kunnen doen?’

De voorzitter wuifde haar opmerking weg. ‘U refereert aan Engelsen, die, zoals u wel weet, geen rol van betekenis spelen in deze wereld.’ Hij wenkte met zijn hand naar de dubbele deuren van de zaal. ‘De bediende zal u uitgeleide doen.’

Met het geluid van de dichtslaande deur van het herenhuis nog in haar oren besloot Jeltje Tiersma dat ze het bewijs van haar onderzoek zou leveren, ongeacht de kosten. Al was het maar om de uitdrukkingen op de gezichten van de comitéleden te zien wanneer ze haar werk publiceerde in de pagina’s van het gerenommeerde Batavia Mathe­matica.

 

 

Leiden, herfst 1893

 

‘Dit is de ruimte,’ sprak de oude boer. Hij ging Jeltje voor de immense schuur in.

Oud stro knisperde onder haar laarsjes en de geur van de stallen overviel haar, een rijk mengsel van paardenknollen, verschaalde urine en de ongetwijfeld talloze muizen die zich hier verschansten.

‘Hoeveel paarden hield u hier?’

De boer glimlachte. ‘Vóór de galvanische koetsen meer dan honderd. Goeie stevige Friezen, perfect om schuiten te trekken langs de Leidsche Vaart. Hij gebaarde naar het water dat op een steenworp afstand voorbij stroomde. ‘De laatste, Ouwe Tinus, heb ik vorig jaar persoonlijk naar de slager gebracht.’ Hij veegde een grove rechterhand over zijn ogen. ‘Hij was te oud. Ik inmiddels ook.’

Jeltje bekeek de longeerbak, de stallen, de mestkelder, de hooizolder en de berghokken voor de zadels en tuigage. Er was meer dan genoeg ruimte om haar plannen te kunnen uitvoeren. Maar ze moest wel een verbouwing bekostigen en tot nu toe was het haar niet gelukt een geldschieter te vinden die geloofde in haar plannen. ‘Hoeveel bedraagt de huur?’

De boer haalde zijn schouders op. ‘Kom je vaak in de stad?’ Hij knikte naar Leiden dat enkele kilometers zuidelijk van hen begon.

‘Elke week wel,’ zei Jeltje. ‘Ik geef les aan de universiteit. Assistent van de hoogleraren aan de wiskundefaculteit.’

‘Breng me een keer per week pijptabak en een kruik jenever, dan is het goed.’

Jeltje keek hem aan. ‘Dat is genereus.’

De boer knikte. ‘De boerderij sterft met mij. Mijn Fennigje heeft me nooit kinderen geschonken, helaas. Misschien brengt jouw aanwezig­heid wat leven in de brouwerij.’

Jeltje glimlachte. ‘Ik wil de schuur wel verbouwen voor mijn eigen doeleinde.’ Ze rekende in haar hoofd snel uit wat ze met de erfenis van haar vader zou kunnen bereiken. Ze dacht terug aan de dag dat hij stierf, nu twee jaar geleden. Hij had altijd in haar geloofd en dat hield haar op de been.

‘Doe wat je niet laten kunt.’

Ze stak haar hand uit. ‘Afgesproken.’

De boer nam hem aan. Zijn greep was opvallend zacht.

 

#

 

De aannemer die ze inhuurde vroeg bij het opnemen van de klus of hij haar vader of haar echtgenoot kon spreken. Zijn pijnlijke blik bij haar uitleg dat hij het met haar zou moeten doen, irriteerde haar. Toch gunde ze hem uiteindelijk de opdracht. Van het half dozijn lieden die ze had uitgenodigd, waren zijn ideeën het origineelst en zijn blik op haar visie sloot het best aan bij haar wensen.

Vlak voor de Kerst kon ze haar nieuwe woon- en werkruimte betrek­ken. De stallen waren verwijderd, de vloer was geëgaliseerd en voorzien van witte tegels over de gehele oppervlakte. Stevige houten schotten met grote ruiten vormden een aparte kamer met werkbanken, stromend water en een gasinstallatie.

Midden in het gebouw was een lift aangelegd, een gevaarte van staal en glas, aangedreven door een elektrofoormotor in de kelder, gevoed door het nieuwste model Teslaspoel die tot veertig meter boven het dak van de schuur uitstak.

In een van de voormalige tuigagekamers was nu haar kantoor. Gezeten achter haar bureau had ze uitzicht over de weilanden en af en toe een ondergaande zon. Secuur werkte ze haar kasboek bij en streepte ze de onderdelen van haar verbouwingsbudget weg tot haar gereserveerde bedrag op nul kwam. Eigenlijk was ze voorbij haar budget gegaan omdat ze de kelder extra diep had laten uitgraven. De aannemer zeurde natuurlijk, maar Jeltje hield haar poot stijf. Ze maakte een aantekening dat ze nog een kleine ereschuld aan de man had staan.

Voorlopig had ze eerst voorraden nodig. Ook een International Lovelace Mills computant en een Leeuwenhoeck manipulator stonden op haar lijst.

Jeltje zuchtte. Het innovatiecomité zag haar plannen niet zitten, maar de lokale koopmansvereniging had een tweemaandelijkse intro­ductieavond waar jonge uitvinders en ondernemers met geldschieters en investeerders konden spreken om hun ideeën en plannen bekostigd te krijgen.

Haar gedachten werden onderbroken door het galmen van de voordeurbel. Ze stak de vloer over richting de vestibule. Bij het openen van de deur viel haar mond even open van verbazing.

‘U lijkt vandaag meer onder de indruk van mijn verschijning dan van de zomer, mevrouw Tiersma.’

‘Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens, welk een onaangename verras­sing.’ Jeltje snoof zachtjes.

De jonkheer grijnsde. Zijn tanden waren perfect, evenals zijn onbe­rispe­lijk geschoren kin. In zijn donkerbruine ogen fonkelden pret­lichtjes. ‘Het genoegen is dan ook geheel eenzijdig, kan ik u verzeke­ren.’

Jeltje maakte aanstalten de zware deur dicht te gooien.

De jonkheer hief zijn rechterhand. ‘Toch wens ik iets met u te bespreken. Een mogelijk lucratief voorstel?’ Hij glimlachte bij haar aarzeling. ‘Misschien bij een kop thee?’

‘Vooruit maar.’

 

De salon naast de keuken keek uit over weilanden. Slootjes met rietkragen vormden kaarsrechte strepen die peristaltisch bewogen in een zachte bries, slechts hier en daar onderbroken door een treurende wilg. Twee dampende mokken stonden op de eenvoudige tafel en Jeltje en de jonkheer zaten tegenover elkaar.

Jeltje tikte met haar vingers op de tafel. ‘Ter zake.’

‘Even charmant als altijd.’

‘Mijn tijd is kostbaar.’ Jeltje gebaarde naar het laboratorium dat door de deur zichtbaar was.

‘Ach ja, geld, voor uw zoektocht naar de oervorm.’

‘U moet toegeven dat uw naturalistische instelling op zijn minst uw nieuwsgierigheid aanwakkert. Anders zat u niet in het comité.’

De jonkheer pakte zijn mok en blies zachtjes over de hete thee. ‘Wederom moet ik u teleurstellen. Er zijn interessanter onderzoeks­richtingen.’

Jeltje zweeg en keek de jonkheer aan tot hij wegkeek.

‘Ik kan u wel zeggen dat ik over u gesproken heb op de herensociëteit aan De Waag in Amsterdam. Ter vermaak van mijn gelijken, natuurlijk.’

Jeltje begon weer met haar vingers op de tafel te trommelen.

De jonkheer zuchtte. ‘Helaas was mijn jonge vriend Hugo Steenius aanwezig. Hij is snel onder de indruk en hij toonde bovenmatige interesse in uw werk.’

Jeltje ging iets rechter zitten. ‘Wat wilt u nu eigenlijk zeggen, jonk­heer?’

‘Dat mijn jonge vriend mij verzocht heeft u te polsen voor een gesprek. Ik zal hem uw afwijzing natuurlijk overbrengen, dat spreekt voor zich.’ De jonkheer schoof zijn stoel achteruit.

‘Wacht.’ Jeltje hief haar hand. ‘Een gesprek?’

De jonkheer haalde zijn schouders op. ‘Geraaskal van een jongmens die zich al patroon van de kunsten waant voor hij Rembrandt van Vermeer kan onderscheiden. Kom, ik zal uw tijd niet langer verdoen.’

Jeltje dacht snel na. ‘Ik verwacht dat uw dunk van meneer Steenius gegrond is. Mocht hij alsnog een gesprek wensen, dan kan hij op de zevende december de Leidsche Koopmansvereniging bezoeken, alwaar meerdere geïnteresseerden mijn presentatie zullen bijwonen.’

Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens nam een slok van zijn thee. ‘Ik zal hem de boodschap geven.’ Hij stond vrij abrupt op. ‘Met uw goed­vinden, mijn chauffeur wacht buiten op me.’

Jeltje liet haar bezoeker uit en zag hem een splinternieuw model galvanische koets instappen. Het gevaarte stak zijn Teslaspoel omhoog en reed even later gezwind haar erf af.

Een merkwaardig bezoek. Een Amsterdamse jonkheer die uren rijdt om een boodschap in Leiden af te geven. Ze schudde haar hoofd. Mijn vader zou nu enthousiast zijn geworden. Waarom heb ik er dan een slecht gevoel over?

 

 

Leiden, 7 december 1893

 

Een dikke laag sneeuw bedekte de binnenplaats van het hofje aan de Ketelboetersteeg waar de Leidsche Koopmansvereniging gevestigd was.

Jeltje hield haar mantel stevig om zich heen geslagen terwijl haar adem in witte wolken naar buiten kwam. In het licht van een eenzame elektrofoorlamp zag ze een tweetal galvanische koetsen voor de ingang die langzaam witter werden door de gestaag vallende vlokken. Ze vroeg zich af of een ervan van Hugo Steenius was.

Met haar portfolio in de hand beklom ze de treden van het bordes. Voor ze de bronzen klopper kon optillen zwaaide de deur voor haar open.

‘Mevrouw Tiersma, komt u toch binnen.’ Voor haar stond de weledelgestrenge heer Paridon, voorzitter van het bestuur van de koopmansvereniging.

Jeltje knikte beleefd en stapte de ontvangsthal in. ‘Uw bediende is afwezig?’

Heer Paridon schudde zijn hoofd. ‘Nee, nee, we hebben hoog bezoek. Harm heeft opdracht niet van zijn zijde te wijken.’

‘Hugo Steenius?’

De voorzitter knikte driftig. ‘Een telg uit het Hoekenes geslacht. Zegt dat voldoende?’

Jeltje slikte even.

 

Het zaaltje waar ze haar presentatie mocht geven was matig verlicht door een zestal elektrofoorlampen aan de muren.

Van de tien geplaatste stoelen waren er vijf bezet. De voorzitter, zijn bediende, Harm, twee lokale ondernemers die ze eerder gezien had en een jongeman met rossig haar en felle, donkerblauwe ogen. Dus dat is Hugo Steenius.

Jeltje plaatste haar tekeningen en formules netjes op volgorde. Zodra ze klaar was kuchte ze beleefd.

De voorzitter stond meteen op, draaide zich naar de aanwezigen en zei: ‘Welkom op deze bijzondere avond. Onze gewaardeerde stads­genote en uitvindster, Jeltje Tiersma, wenst u te informeren over haar bio­naturalistische onderzoek. Dit alles hopend u geïnteresseerd te krijgen in haar plannen en met haar mogelijkheden voor investeringen te beschouwen.’ Hij draaide zich naar Jeltje voor hij weer ging zitten. ‘Mevrouw Tiersma, het is aan u.’

‘Dank u voorzitter,’ zei Jeltje. Ze keek naar Hugo Steenius die kalm terugkeek. ‘Ik heb geprobeerd mijn stellingen op eenvoudige wijze weer te geven. De achterliggende wiskunde kan geducht zijn.’ Ze hing haar eerste tekening op. ‘De eerste vraag die ik wenste te beant­woorden was: wat was er eerder, de kip of het ei? Het antwoord was het ei.’

Haar volgende tekening bevatte een aanduiding van een aantal elementen, een stukje helixcode en een weergave van een microbe. ‘U herkent natuurlijk de symbolen, koolstof, stikstof, zuurstof, waterstof en fosfor. Dankzij Aarnout Vosmaer III weten we inmiddels hoe deze elementen de basis vormen voor het leven zoals we dat kennen.’ Ze wees op de microbe. ‘Van klein tot heel groot, alle flora en fauna die wij kennen is hieruit opgebouwd.’

Hugo Steenius kuchte even. ‘Mag ik u even onderbreken, juffrouw? Ik snap dat ei niet helemaal.’

‘Geduld alstublieft. Meneer Steenius, toch?’ zei Jeltje.

‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei hij, ‘gaat u vooral verder.’

Jeltje hing het volgende papier op. Er stond een ingewikkelde, wis­kundige formule op. ‘De helix volgt deze formule. Herleiden van de helix middels de formule levert op wat ik de “tabula rasa” heb gedoopt. Een onbeschreven blad waarop de onderzoeker kan schrijven. Het produceert een ei, letterlijk, een vrijwel ondoordringbare, transparante wand die enkel osmotische toegang verleent wanneer gestimuleerd door de juiste elektrofore krachtvelden.’

‘U kunt leven scheppen?’ zei Hugo Steenius, zijn stem vol van duide­lijk ongeloof.

‘Mijn onderzoek wijst uit dat leven zichzelf lijkt te kunnen scheppen,’ zei Jeltje. ‘De vraag is onder welke omstandigheden deze oer-eieren zich kunnen vormen. En hoe wezens erin kunnen ontstaan.’

‘Vermoedt u hogere machten?’ zei Hugo Steenius. Hij sloeg onwille­keurig een kruis.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Ik vermoed omstandigheden die perfect waren voor het ontstaan van eieren, hoe klein ook, gestimuleerd door elektrofore prikkeling zoals die ook nu nog ruimschoots op Aarde voorhanden is. Dan is het ontstaan van slechts enkele microben vol­doende om een begin te maken.’

Hugo Steenius haalde een gemonogrammeerde zakdoek tevoorschijn en depte zijn voorhoofd. ‘U wenst dit fenomeen verder te onder­zoeken?’

‘Dat is mijn bedoeling met deze presentatie, inderdaad,’ zei Jeltje.

‘Heeft u al commerciële toepassingen bedacht?’ zei Hugo Steenius.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nog niet. Hoewel kort nadenken wellicht snel tot interessante denkrichtingen kan voeren. Koeien die extra veel melk geven. Of waarom melk, waarom geen geneesmiddelen? Waarom geen specerijen ontwerpen die in beschaafde klimaten groeien zodat we ze niet meer van verre uit de tropen hoeven te halen?’

‘Wat zou u zeggen van soldaten, onvermoeibaar, onverslaanbaar? Of planten die breinversterkende kwaliteiten bezitten, zoals de coca-plant, maar dan sterker?’

‘Ik merk dat u inziet dat er vrijwel ongelimiteerde mogelijkheden zijn, heer Steenius,’ zei Jeltje. ‘Waak er echter voor dat u te snel handelt. Er is nog veel onderzoek en investering nodig om tot een goed prototype te komen.’

Hugo Steenius stond op. ‘Ik weet genoeg, mevrouw Tiersma. Ik wens uw onderzoek te steunen. Schikt het wanneer ik morgen langskom op uw adres met advocaat en notaris om een en ander te bekrachtigen?’

Jeltje voelde haar wangen heet worden. Even aarzelde ze. Doe het, Jeltje, dit is je kans om ze te laten zien dat je gelijk hebt. Batavia Mathematica, weet je nog?

 

 

Leiden, maart 1894

 

Jeltje wreef zich in haar ogen voor ze weer door de oculairs van de Leeuwenhoeck manipulator tuurde. Ze was zich vaag bewust van geluiden en beweging om haar heen van haar assistenten die materialen af- en aandroegen en opstellingen conform haar ontwerpen opbouwden.

Zelfs met de nieuwste apparatuur die de fondsen van Steenius haar verschaften, bleef het vinden van de juiste combinaties en elektrofoor­spanningen een Sisyfusarbeid zonder weerga.

Haar concentratie werd verstoord door een indringend gefluister. ‘Mevrouw Tiersma!’

Ze keek op. Naast haar stond Hans Janszoon, haar rechterhand. ‘Wat is er, Hans?’

‘Het is bijna zes uur. Einde van de werkdag. En het is vrijdagavond.’

Jeltje knipperde met haar ogen. ‘Ach, natuurlijk, loontijd. Is meneer Nederburgh al gearriveerd?’ Arndt Nederburgh was haar factoor en administrateur die elke vrijdag de loonzakjes kwam afleveren.

‘Hij wacht in uw kantoor.’

Jeltje stak haar handen in de zakken van haar laboratoriumjas en wandelde over de werkvloer naar het directiekantoor. Met genoegen zag ze het glaswerk gevuld met voedingsstoffen. Toen ze voorbij de lift liep, hoorde ze het zachte klikken van de computant die in de kelder zijn berekeningen deed, aangedreven door de elektrofore furiën van de Teslaspoel.

Door het raam van het afgesloten deel zag ze de onaardse lichten die uit de incubator opflitsten, waar mengsels van voedingsstoffen onder invloed van steeds andere elektrofoorstoten doorlopend werden getest.

Bij het kantoor stonden haar assistenten haar al op te wachten. Ze liep naar binnen, waar ze haar factoor achter een stapeltje loonzakjes zag zitten. Ze leunde tegen de sponning. ‘Meneer Nederburgh, ook goeiemiddag.’ Ze gaapte even.

Arndt gromde. ‘Vooruit met de geit. Ik heb niet de hele dag.’

Jeltje ging naast hem staan en ze reikte persoonlijk elk van haar assistenten zijn loonzakje aan. Vanaf het begin had ze hierop gestaan. Ze wilde haar werknemers in de ogen kunnen kijken. Het was een herinnering aan haar vader, die ooit door een werknemer bestolen was, die haar hiertoe motiveerde.

‘Tot volgende week maar weer, Arndt,’ zei Jeltje. ‘Ik ga nog even door.’

Arndt gromde weer, nam de grootboeken in zijn armen en liep de deur uit.

Even later klonk de deur weer.

‘Ben je iets vergeten, Arndt?’

De stem achter haar zei: ‘Nee hoor, ik herinner me dat we drie maanden geleden contracten hebben getekend.’

Jeltje draaide zich om. ‘Hugo. Leuk je hier te zien. Vanwaar de eer?’

‘Net binnen, een kruidige, sterke cognac.’ Hugo hield een fles omhoog. ‘Geweldig bij een Hispericaanse sigaar. Omdat het lente begint te worden.’

‘Je komt je investering bezichtigen, is dat het?’

Hugo Steenius grijnsde. Het maakte zijn gezicht aantrekkelijk en warm. Hij zette de fles en een doos sigaren op het bureau. ‘Waar heb je glazen?’

Jeltje knikte naar het dressoir waar een groot formaat tiphaigne van haar overleden vader stond. De sepia tinten kleurden zijn haar, dat hij toen nog had, een onnatuurlijk paars. Ze miste hem, zijn scherpte, maar nog meer zijn geduld met haar.

Even later stonden er twee glazen cognac te ademen. Twee sigaren lagen ernaast, klaar om aangestoken te worden.

‘Niet alleen mijn investering, madame, ook de briljante uitvindster die ermee bezig is heeft mijn aandacht.’

Hugo ging voor het bureau zitten en liet de directeursstoel aan haar. Jeltje liet zich erin ploffen.

‘Ik heb nog niet veel bereikt,’ begon ze.

Hugo zwaaide met zijn wijsvinger. ‘Wacht.’ Hij reikte haar een van de sigaren en nam de ander in zijn eigen hand. ‘Ruik.’

Jeltje deed wat hij vroeg en de rijke geur van de tabak vulde haar hoofd.

Hugo glimlachte, nam zijn glas en nipte voorzichtig.

Ze volgde zijn voorbeeld. De cognac was sterk, kruidig, smaakvol. Het was de perfecte aanvulling voor de geur van de sigaar die nog in haar neus zweefde.

‘Proef je dat?’ vroeg Hugo. ‘Voel je dat?’

Jeltje knikte. ‘Bijzonder.’ Hugo produceerde een aansteker en stak beide sigaren aan.

‘Nu dan,’ zei hij. ‘Dit is toch beter. Een gesprek tussen gelijken onder het genot van een sigaar en een goed glas cognac.’

‘Het verandert niets aan mijn resultaten. Of het gebrek daaraan.’

‘Vertel me wat er mis gaat,’ zei Hugo.

‘De wiskunde klopt. De chemie klopt. De elektrofore oscillaties lijken perfect. Maar dit is het beste dat ik heb kunnen bereiken.’ Ze haalde onder haar blouse een bronzen hanger vandaan waarin een enkele, waterige bol gevat was. ‘De kleintjes zijn instabiel. Vanaf een duim zijn ze stabiel. We hebben er dozijnen. Tabula rasa. Daar blijft het bij.’ Ze liet de hanger weer vallen waar hij tussen haar borsten bleef liggen.

‘Wat is dan het probleem?’ zei Hugo.

‘Er zit niets in. Ik verwachtte met voedingsstoffen en de Leeuwen­hoeck manipulator leven te kunnen maken. Maar de eieren zijn ondoordringbaar. En leeg. Dood.’ Ze keek even opzij naar de beeltenis van haar vader. Wat mis ik toch?

Hugo knikte. ‘Je bent zo’n drie maanden bezig. De meeste van mijn investeringen doen er een jaar of langer over om resultaat te boeken.’ Hij hief zijn glas. ‘Opdrinken.’ Hij gooide de inhoud van zijn glas in een keer zijn mond in.

Jeltje keek naar de bruine vloeistof. Ze haalde haar schouders op en volgde zijn voorbeeld. God, dat brandt!

Hugo grijnsde ondeugend. ‘Na de tweede brandt het niet meer.’ Hij knipoogde en vulde haar glas bij. ‘Vertel me meer over je werk.’

Terwijl ze vertelde werd het donker buiten en de fles raakte steeds leger.

‘Tijd om te gaan,’ zei Jeltje. Ze stond op, maar de directeurskamer wankelde om haar heen. Hugo stond klaar om haar op te vangen. Ze giechelde terwijl ze tegen hem aan hing. De stof van zijn maatpak voelde prettig aan. Onwillekeurig boog ze haar hoofd iets en rook aan hem. Zijn geur was mannelijk, indringend. Ze voelde een merkwaardige leegte in haar onderbuik, alsof ze iets miste. Ze wreef haar neus tegen zijn nek. Alsof het een signaal was boog Hugo zich naar voren en zijn mond zocht de hare. De leegte in haar onderbuik werd ineens gevuld met een donkere gloed en ze wist dat ze hem wilde.

‘Kom,’ zei Jeltje. Ze wankelde het kantoor uit en trok Hugo achter zich aan in de richting van haar slaapvertrekken.

Giechelend trokken ze elkaar de kleren van het lijf. Op het bed voel­den ze elkaar feilloos aan en in de schemer van de slaapkamer weer­klonk enkel het gegrom en gesnuif van het copulerende stel.

Jeltje voelde haar eigen hoogtepunt naderen, gelijk met het haastige ademen en een versnelling van Hugo’s bewegingen.

Nog halfdronken spoelde het orgasme over haar heen, er danste vuurwerk tussen hen in, alsof er letterlijk licht opflakkerde terwijl hij haar vulde. De stekende pijn die ze vlak na hun orgasme in haar onder­buik ervoer, ebde snel weg in het geweld van de endorfinen die door haar lijf stroomden.

Ze vielen in elkaars armen in slaap.

 

#

 

’s Ochtends dreef de geur van gebakken eieren de slaapkamer in. Jeltje voelde haar maag rommelen en kwam overeind. Een stevige hamer dreunde tegen de binnenkant van haar schedel.

‘Auwauwauw…’ Ze kneep haar ogen dicht en hield haar hoofd in haar handen. Haar haren zaten nog opgebonden op haar hoofd, ongekamd. Ze vloekte zachtjes. Uit haar kledingkast haalde ze een lichtgeel peignoir. Voor de spiegel van haar kaptafel trok ze de spelden los en kamde haar haar. Dat verlichtte de pijn in haar hoofd iets.

Nu, tijd voor de inwendige mens. Ze liep door de gang langs haar woon­kamer naar de keuken. Achter het fornuis zag ze Hugo staan, enkel gekleed in zijn donkergroen zijden boksersbroek, stoeiend met twee braadpannen.

‘Dat ruikt goddelijk,’ zei Jeltje.

Hugo keek om. ‘Ga lekker zitten. Ik heb ook koffie gemaakt.’ Zijn glimlach verdween even en hij keek serieus. ‘Denk ik. Ik snap die appa­raten allemaal niet.’

‘Pannen gaan je goed af,’ zei Jeltje. Ze ging aan de eettafel zitten en even later verscheen er een bord eieren, gebakken spek en bloedworst voor haar.

Ze zwegen terwijl ze de eerste helft van hun borden leegden.

‘Normaal ben ik niet zo,’ zei Jeltje. Ze bloosde.

‘Ik ook niet,’ zei Hugo. ‘Liefde en zaken mengen slecht met elkaar. Ik verwijt het mezelf.’

Jeltje legde een vinger op haar lippen. ‘Ssht. Het is niet gebeurd.’

Hugo keek haar aan. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, sorry, ik kan vannacht niet vergeten. Ik zal ermee moeten leren leven.’

Jeltje sloeg haar ogen neer en at verder. Nerveus speelde ze met de hanger om haar nek.

‘Wat heb je gedaan?’ zei Hugo ineens.

Ze keek op. ‘Hoe bedoel je?’

Hugo wees op haar hanger. ‘Bewoog daar iets?’

Jeltje maakte de hanger los en hield de waterige bol in het ochtend­licht dat door de ramen kwam. Verdraaid, er is inderdaad iets.

 

 

Leiden, april 1894

 

Met een zwaai gooide Jeltje de voordeur dicht achter haar laatste assistent die ‘s avonds richting huis vertrok. Ze leunde met haar hoofd tegen het koele hout en wreef zacht over haar kloppende slapen.

‘Waar gaat het mis? Denk na, Jeltje Tiersma.’ Ze haalde de hanger voor de honderdste keer die dag tevoorschijn en staarde in de diepte van het ei. Af en toe was het wezentje net een klein foetus, niet groter dan een erwt, maar soms leek het te groeien. Dan vertroebelde het ei, zoals de mistflarden die over de weilanden naar binnen dreven. En zoals nu, alsof er een diepere dimensie in het ei verborgen was, zwom het wezentje door oneindige zeeën, glimmend zwart, met vleugels breder dan zijn lengte, majestueus bijna.

Een klop op de deur verstoorde haar fascinatie. Ze keek op, keek terug naar het minuscule wezentje dat anemisch bewoog in zijn glazen gevangenis.

Door het spionnetje zag ze Hugo. Met een glimlach opende ze de deur. Hugo Steenius, haar investeerder en aandeelhouder, inmiddels ook haar minnaar, stapte naar binnen, nam haar in zijn armen en kuste haar lang en hard.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij.

‘Ik jou ook,’ zei Jeltje. Ze duwde de deur dicht met haar voet en klemde zich stevig aan hem vast.

‘Is er iets?’ vroeg Hugo.

Ze maakte zich los en haalde haar schouders op. ‘Ik zoek al een maand tevergeefs naar een oplossing. Ik kan inmiddels tientallen perfecte eieren per dag produceren, de computant regelt het allemaal, de voedingsstoffen, de elektrofore spanning, alles. Maar ze zijn leeg. Stuk voor stuk.’ Ze hield haar hanger op. ‘Behalve deze.’

Hugo knikte. Hij haalde zijn eigen hanger uit zijn zak. ‘En deze.’

Jeltje knipperde met haar ogen. Ze hield haar hand uit. ‘Laat zien.’ Ze liep met zijn hanger het laboratorium in en hield het in brons gevatte ei in het licht. ‘Verdraaid.’ Ze siste zachtjes. ‘Deze doet het ook.’ Ze keek vragend naar Hugo die haar gevolgd was.

‘Ineens, ik weet het ook niet.’

‘Heb je de hanger bij je gedragen de afgelopen week?’

Hugo knikte. ‘Voortdurend.’

‘Dan moet dat het haast wel zijn.’ Jeltje pakte een stift en maakte een aantekening in een van de logboeken. ‘Ik zal mijn assistenten allemaal een hanger meegeven en dan dagelijks controleren.’

‘Alles voor de wetenschap,’ zei Hugo. Hij grijnsde en haalde een fles cognac uit zijn binnenzak. ‘Herinner je je deze nog?’

Jeltje keek zuur. ‘Mijn hoofd vergeet dat niet. Een week hoofdpijn en misselijk.’

‘Ik zei je dat je er nog wat van moest nemen. Je kunt niet in een keer stoppen, je moet geleidelijk afbouwen.’

‘Ik kan ook gewoon niet meer drinken.’

‘Maar dat is lang zo leuk niet,’ hij knipoogde ondeugend.

‘Niet nu, Hugo. Het zit me dwars, deze hele toestand. Mijn bereke­ningen lijken correct, toch werkt het proces niet als ik bedacht had.’

Hugo nam haar hand en trok haar mee naar de salon. Hij wees naar de weilanden en de laagstaande zon in het westen. ‘Ooit is hier leven ontstaan, op deze wereld. En ik denk dat jouw proces eraan ten grond­slag heeft gelegen.’

‘Ik twijfel er steeds meer aan, eerlijk gezegd,’ zei Jeltje zuur. Ze vouwde haar armen over elkaar.

‘Je mist gewoon nog iets,’ zei Hugo. ‘Ontdek dat, vind het uit.’

‘Waar ik over twijfel is dit alles,’ ze spreidde haar armen. ‘Planten, dieren, flora en fauna, het groeit allemaal zonder mijn eieren.’

‘Ooit is het ergens begonnen,’ zei Hugo. ‘Dat heb je me zelf verteld.’

‘Maar als het zo moeilijk is, is het dan met mijn eieren begonnen? Of heeft een andere, eenvoudiger manier het gewonnen? Wat is de ware Genesis geweest?’

‘Je moet je zinnen verzetten, Jeltje,’ zei Hugo. ‘Er is een theater­voorstelling in Leiden. Pyrrhus en Willem VI. Toepasselijk, denk ik.’

Jeltje knikte zachtjes. “Elke stap zal je kosten.”

‘Ware woorden. Wat zeg je ervan?’

Even later vertrokken ze in Hugo’s galvanische koets.

 

#

 

Na het weekeinde kwamen haar assistenten terug in het laboratorium. Met leven.

Jeltje onderzocht elk van de eieren en ondervroeg haar assistenten over alles wat ze in het weekend gedaan hadden. Het was verbazing­wekkend normaal. Eten, drinken, slapen, wandelen, sporten, tuinieren, lezen. Frustrerend. Maar het werkte.

Hugo organiseerde mooie, houten kistjes, van binnen bekleed met paars fluweel, waarin de hangers, in zilver en goud, konden worden opgebor­gen. Het waren extreem dure cadeaus, voor kinderen van regen­ten en gouverneurs die alles al hadden.

‘Ik heb al enkele dozijnen bestellingen binnen,’ zei Hugo. ‘De marge is navenant. Bij vijftig verkochte exemplaren is mijn investering winst­gevend.’

‘Doen we er goed aan?’ zei Jeltje. ‘We weten dat we iets levends hebben, we weten alleen nog steeds niet wat het is.’

Hugo haalde zijn schouders op. ‘Dit is gewoon de volgende stap. Mocht het iets schadelijks zijn, dan kunnen we op enig moment het speelgoed terughalen en vervangen door iets veiligers.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel het enige gevaar schuilt in wat ze met dit speelgoed stuk kunnen maken.’

Jeltje greep onwillekeurig naar haar nek, maar de hanger was daar niet. Ze had haar ei uit de hanger gehaald en in een incubator gelegd, volledig gecontroleerd door de Lovelace computant. In een week tijd was het ding bijna een duim in omvang gegroeid.

Het wezentje was meegegroeid, maar het leek in het geheel niet op welk foetus Jeltje ooit gezien had, zelfs niet in het Leidsch Natuur­historisch Museum dat toch bekend stond om zijn uitgebreide naturalistische collectie op sterk water.

Ze voelde zich misselijk, een onaangename leegte in haar buik bij de gedachte aan het ei in de kelder. Ze nam zich voor eind van de werkdag naar de kelder te gaan, het ei uit de incubator te halen en ermee in de salon te gaan zitten, uitkijken over de weilanden, staren naar het wezentje dat ze al zo lang bij zich droeg. Ze zou het aaien en stevig tegen zich aandrukken. Ze schudde haar hoofd. Doe niet zo raar, Jeltje. Het is een studieobject, een experiment.

 

#

 

Flarden mist trokken over het weiland waar ze stond. Jeltje keek om zich heen. Ze herkende deze plek niet. Een maantje verscheen boven de horizon en baadde de omgeving in een geel licht. Op een hoge heuvel in de verte zag ze de silhouet van torens en kantelen, een soort kasteel. Waar ben ik? Dit is Holland niet. Droom ik?

Ze nam een paar voorzichtige stappen. De grond was bedekt met lang gras, met hier en daar planten met roodomrande bladeren die dauw­druppeltjes aaneenregen tot waterparelsnoeren. De zoom van haar nachtjapon raakte snel doorweekt en sleepte over de grond.

Voor haar week de mist uiteen en ineens keek ze uit over een dal, diep en donker. Als golven in de branding rolden achtereenvolgende mistbanken over het land. Reflectie van de gele maan onthulde stukjes van de omgeving, struiken, vreemdgevormde bomen, kabbelende stroompjes en dreigende schaduwen die leken te bewegen.

Een rode maan verscheen achter het kasteel. Jeltje voelde de sfeer van de omgeving veranderen. De schaduwen werden dieper. Heel in de verte klonk een sonoor, laag brommen waarin Jeltje met enige moeite een ritme ontdekte, alsof een slapend wezen een melodieus geluid voortbracht. Het raakte haar diep in haar buik. Ze betrapte zich erop dat ze met open mond naar de maan staarde en dat ze bijna vergat te ademen.

Het geluid veranderde, werd melodieuzer, alsof het een lied was, een lied met een boodschap die op de rand van haar gehoor, van haar verstand lag. Ze zette een aarzelende stap in de richting van het kasteel en nog een. Ze versnelde haar passen tot ze de heuvel afrende. Struiken sloegen tegen haar benen, met moeite ontweek ze bomen en in de nevel stapte ze af en toe mis en struikelde over keien. Haar voeten deden pijn en het kille water van de stroompjes zoog zich vast aan haar kleed en probeerde haar onder te trekken, maar het lied was sterker en de melodie dreef haar tot het uiterste.

Met een schreeuw kwam ze overeind. Jeltje knipperde met haar ogen. Ze lag in haar eigen bed en ze was ijskoud. Klappertandend stapte ze uit bed om extra dekens te pakken. In het licht dat ze aanknipte zag ze meteen dat haar nachtjapon vol moddervegen zat en dat haar voeten vol blauwe plekken en schrammen zaten.

Verward pakte ze extra dekens. Het duurde lang voor ze warm werd. Daarna viel ze in slaap terwijl ze melodieus neuriede. Ze sliep droom­loos.

 

 

Leiden, juni 1894

 

‘Het spijt me, mevrouw Tiersma, maar de vrouw wil ze niet meer in huis.’ Harmen Rolants, een van haar assistenten, overhandigde de eieren die ze hem de dag ervoor had gegeven. Ze waren leeg.

‘Ik snap het niet zo goed, Harmen,’ zei Jeltje. ‘Voorheen was er geen probleem, wat is er dan nu aan de hand?’

Harmen bloosde. Hij keek naar zijn voeten. ‘Nou, het zit zo.’ Hij keek naar het plafond, zuchtte drie keer. ‘Gesina vindt ze eng. Als we… als we… nou ja, “samen” zijn, dan doet het pijn. Wanneer de eieren er zijn, bedoel ik.’

Jeltje slikte. Ze was zelden zo openhartig met haar assistenten. Ze wist niet goed waar ze moest kijken.

‘En het licht,’ ging Harmen verder. ‘Wanneer we, nou ja, u weet wel… Spookachtig, eng.’

Jeltje lette ineens scherp op. Dat heb ik eerder gezien. Ze herinnerde zich flarden van de dronken vrijpartij met Hugo, het vuurwerk dat ze dacht te hebben gezien. En ze dacht aan de pijn die ze toen voelde. Wat betekent dit?

Ze besloot haar dilemma wetenschappelijk te benaderen. Zonder omhaal liep ze naar Kees Kouwenhoven en vroeg hem op de man af of hij in de weekends dat hij eieren in huis had ook met zijn vrouw lag.

Kees grijnsde. ‘Veel en vaak, mijn vrouw houdt ervan.’ Hij kuchte even, serieus. ‘En we willen graag een kindje, dat helpt natuurlijk ook. Tot nu toe nog niets.’

‘Heeft je vrouw nog wel eens over pijn geklaagd?’

Kees schudde zijn hoofd. ‘Ze klaagt nooit. West Friezin, dat zijn bikkels.’

Jeltje knikte. ‘Dat klopt zeker.’ Ze praatte met elk van haar assisten­ten en aan het eind van de ochtend was ze er vrijwel zeker van: De eieren ontvingen leven in de buurt van vrijende mensen.

De rest van de dag bracht ze door achter haar schoolbord waarop ze met krijt steeds ingewikkelder formules kalkte.

 

#

 

‘Jeltje? Jeltjelief, wat doe je?’

Jeltje keek op. Hugo stond naast haar. De elektrofoorlampen waren aan, het werd al donker buiten. Ze zat op de grond voor het schoolbord. ‘Hugo, je bent er.’ Ze gaapte. ‘Ik denk dat ik even in slaap was gevallen.’

Hugo keek haar vreemd aan. ‘Nee, je sliep niet. Je staarde naar de muur en wiegde zachtjes heen en weer. Je neuriede iets, een liedje?’

Jeltje rekte zich uit en stond op. ‘Ik weet van niets.’ Een moment later zakten haar schouders af. ‘Wacht, ik weet het wel.’ Ze wees naar de krijtvegen op het bord. ‘De wiskunde. Te complex. Ik kan het niet in mijn hoofd krijgen.’

‘Welke wiskunde, Jeltje?’ Hugo keek naar het bord. ‘Ik zie alleen maar rare symbolen en diagrammen. Niets wat ik onder rekenarij versta.’

Jeltje liet haar ogen over de symbolen dwalen. Ze herkende haar handschrift, maar de tekens waren vreemd voor haar. Toch kriebelde er iets in haar achterhoofd, een betekenis die zich aandiende maar nooit volledig haar hersenen betrad om inzicht te verschaffen. ‘Ik kan het niet uitleggen. Ik snap het zelf ook niet.’ Ze twijfelde. ‘Ik begrijp er een beetje van. Maar de hogere dimensies zijn te complex.’

Hugo pakte haar schouders vast. ‘Werk je niet te hard, Jeltje? Je ziet er moe uit.’

‘Ik slaap slecht, Hugo. Dromen, nachtmerries eerder, die me wekken, waarna ik de slaap niet meer kan vatten.’

Hugo zuchtte. ‘Kom, we gaan wat eten. Lekker in bad en daarna stop ik je in bed. Zal ik een doctor laten halen? Je lijkt hysterisch.’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nee, vooral niet. Ik ben niet ziek. Moe, dat wel.’

Hugo bood haar zijn arm en samen liepen ze naar de keuken. Terwijl ze langs de salon liepen dacht Jeltje even een grote, rode maan boven de weilanden te zien, een flits, niet meer, daarna zag ze enkel de roodkleurende wolken in de laatste stralen van de ondergaande zon.

Terwijl ze een eenvoudig maal nuttigden, besprak Jeltje met Hugo haar bevindingen en de verhalen van haar assistenten.

‘Het geeft me een slecht gevoel,’ zei ze.

Hugo steunde zijn kin op zijn handen. ‘Ik begrijp je zorgen. We kunnen er op dit moment alleen weinig aan doen. Ik zal wel de orders tijdelijk weren zodat we dit goed kunnen uitzoeken.’ Hij wees vervol­gens naar Jeltje. ‘En jij moet wat meer rusten, mevrouwtje werkteveel.’ Een half uur later lag ze schoon in haar bed en deed Hugo het licht uit. ‘Goed uitrusten, lief, dan ziet de wereld er morgen beter uit.’

 

#

 

In het diepst van de nacht schrok ze wakker. Ze voelde weer die merk­waardige leegte in haar buik, alsof iets aan haar trok. In de stilte van de nacht hoorde ze elk geluidje en in de verte, heel zacht, een zacht zoemen, melodieus.

Nieuwsgierig stond ze op. Ze wandelde door de donkere kamers, richting het lab. Midden in het lab klonk het geluid het hardst. Ze keek naar het donkere gevaarte van de lift. Ze opende de deur en met een draai aan de hendel daalde ze af naar de kelder.

Uit de verste hoek van de kelder begroette een spookachtig flikkeren van elektrofoorontladingen in de incubator haar. Het gezoem was hier veel harder en de melodie leek synchroon aan het weerlicht.

Jeltje ging voor de incubator staan. Ze schakelde de elektrofoor­generator uit en opende de saffierglazen deur. In een schaal voedings­stoffen lag haar ei, nu twee vuisten groot. Ze wreef er zachtjes over. Het ei voelde niet meer koud en hard aan, het leek nu zachter en levend, alsof een transformatie bezig was.

Ze keek in de troebele diepten en zag daar de vleugels van het wezentje fier gespreid, terwijl het over een schaduwrijk dal vloog in licht dat aspecten geel en rood in zich leek te verenigen. Het lied nam in kracht toe. In een stroboscopische reeks indrukken zag ze struiken, verwrongen bomen en gras waarin af en toe planten met roodomrande bladeren, totdat het wezen de heuvels bereikte en scherp omhoog manoeuvreerde. Het miste ternauwernood de torens en kantelen van een kasteel dat ineens opdoemde.

Het lied overweldigde Jeltje zodat ze haar handen op haar oren duwde. Toen het aanhield, gooide ze snel de deur van de incubator weer dicht en startte ze de elektrofoorgenerator. Het lied daalde in volume tot een acceptabele melodieuze achtergrondruis.

Verward wankelde ze terug naar haar bed. De volgende ochtend werd ze laat wakker, maar haar slaap had haar geen rust gebracht.

 

 

Leiden, juli 1894,

 

Jeltje staarde afwezig naar de bloemenoverwoekerde weide waar de wilgen langs slootjes als fiergroene bronsgepantserde wachters de toegang leken te regelen voor de horden vliegen, bijen en ander ongedierte. In gedachten plaatste ze er heuvels achter, bergen zelfs, en een half gedroomd kasteel vol kristallen zalen en lange, donkere gangen.

Ze was er vaker geweest, na die eerste keer. Telkens dieper, telkens verder, langs spiralende trappen naar vochtige kelders met roestige kettingen en het gestage drup-drup-druppen van water dat van steun­beren en bogen kwam als begeleiding voor het lied dat nu zelfs in wakende toestand door haar hoofd weerklonk, zoet en verlokkend enerzijds, angstaanjagend door een donkere ondertoon, zwanger van gruwelijke beloften.

Haar onderzoek had te lijden onder haar slaapgebrek. Haar assisten­ten stonden af en toe werkloos bij hun werkbanken. Ze herkende hun blikken, het wantrouwen. Was dit wat haar vader ooit had meegemaakt met zijn eigen assistenten? Ze snoof zacht. Misschien moest ze een voorbeeld stellen. Die Rolants met zijn vrouw die weigerde de eieren in huis te nemen. Ze nam zich voor het met haar factoor op te nemen. Hij kende de regels in dit soort situaties.

De deur van de salon ging open en Hugo stapte naar binnen. ‘Daar ben je.’

Jeltje glimlachte, dankbaar dat hij haar gedachten onderbrak zodat de melodie tijdelijk even naar de achtergrond werd verdrongen.

‘Je ziet er bleek uit, gaat het wel met je?’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘De eieren met leven zijn ongevoelig voor welke behandeling dan ook. Enkel bouwstoffen, voeding en elektrofore stimulatie doen iets.’ Ze beet op haar onderlip. ‘En die hoger­dimen­sionale wiskunde… totaal onbegrijpelijk. Maar ik moet hem beheersen om te snappen waarmee ik te maken heb.’

‘Ik weet inmiddels dat ze stuk kunnen,’ zei Hugo. Hij haalde een doosje uit de binnenzak van zijn jacquet. ‘Dit is misschien niet wat je denkt,’ zei hij met een glimlach. Hij opende het doosje. Op zwart fluweel lagen stukjes glazen eierschaal.

‘Wat is er gebeurd?’ zei Jeltje.

‘Volgens de eigenaar niets. Het ding brak spontaan, er was niemand in de buurt. Er bleef enkel een zuur ruikende, zwartgeblakerde plek achter op een dressoir.’ Hugo zuchtte. ‘Ik heb natuurlijk meteen de schade vergoed en een nieuw exemplaar toegezegd. Onze klant was wel gehecht geraakt aan zijn kleinood. Hij drong zelfs stevig aan snel een vervanging te leveren.’

Jeltje stond op en liep voor het raam dat uitkeek over de weilanden heen en weer. ‘Ik heb op geen enkele manier eieren kunnen breken. Wacht hier.’ Ze liep naar het lab en kwam met een stevige naald terug. Ze legde een stukje ei met de bolle kant naar boven op haar salontafel. Met de naald stak ze hard op het glazen oppervlak in. De naald schoot weg en dreef een stukje het hout van de tafel in. Vervolgens draaide ze de scherf om en stak weer met de naald. Dit keer brak de scherf in drie stukken.

‘Verdraaid,’ zei Hugo.

‘Het ei is uitgekomen, vermoed ik,’ zei Jeltje bezorgd.

‘Maar wat…,’ zei Hugo, ‘wat is er uitgekomen?’

Jeltje schudde haar hoofd.

‘Dit kan nog vaker gaan gebeuren. Ik denk dat we de eieren moeten gaan vervangen door iets dat controleerbaar is,’ zei Hugo. ‘Dit kan onze investering danig schaden.’ Hij stond op, nam haar handen in de zijne. ‘Ik moet overleg plegen hierover, vergeef me dat ik je nu alleen laat. Weet dat je in mijn hart bent.’

‘En jij in mijn hart,’ zei Jeltje. Ze sloeg haar ogen neer. Een heel klein stukje toch. De band die ze met het ei in de incubator in de kelder voelde, trok haar onderbuik weer leeg, een bijna fysieke pijn die bleef tot ze naar beneden ging. Het ei was inmiddels bijna zo groot als de ruimte in de incubator toeliet en Jeltje vermoedde dat die al niet meer nodig was.

Hugo liet haar achter met de eierscherven in het doosje. Jeltje keek hem na en liep vervolgens vastberaden naar het laboratorium om daar nieuwe onderzoeksopdrachten uit te delen en haar assistenten goed op te zwepen. Zij zou intussen eindelijk proberen die vermaledijde wiskunde op orde te krijgen.

 

#

 

Als altijd begon de droom op de weide. Ze kende de weg nu en ze kon snel het dal in rennen en het kasteel bereiken. De poort was open, als altijd. Voor het eerst viel het haar op dat het van een afstand het leek alsof er gezichten in de steen van de buitenmuur van het kasteel zaten. Van dichtbij waren het gewoon vlekken en onregelmatigheden.

Ze liep door de ontvangsthal, langs gangen met hoge ramen, langs wenteltrappen naar de vele torens. Elk raam dat ze bekeek bood uit­zicht op een ander tafereel. Een hoogvlakte, een kasteeltuin, een snel­stromende beek, een donker bos, de smalle straatjes tussen middel­eeuwse huizen die tegen het kasteel aangebouwd leken.

Elk bezoek aan het kasteel was als een verkenningstocht door onont­gonnen gebied. Kamers leken zich te verplaatsen, zalen veran­der­den subtiel van kleur of structuur of verdwenen volledig en doken ineens ergens anders op.

De melodie, die alomaanwezige melodie, kwam van overal en ner­gens. Ze was er gewend aan geraakt, het registreerde niet meer in haar geest. Wat deze keer des te meer opviel was het geluid van een huilend kind, ergens in de verte.

Ze keek door een raam over een binnenplaats uit. Aan de overkant, in een schaduwrijke zuilengalerij, zag ze het silhouet van een peuter die daar over donkere tegels leek te kruipen. Voor het eerst dat ik hier mensen zie.

Ze haastte zich de gangen door, sloeg linksaf en nog eens linksaf. Waar ze de zuilengalerij verwachtte was een doodlopende gang. Een klein raam, niet breder dan haar hoofd, gaf uitzicht op een diep ravijn omgeven door pijnbomen, waarvan de bodem in nevelen gehuld was.

Ze hoorde het huilende kind weer. Ze volgde het geluid dat langzaam luider werd. Telkens wanneer ze dacht rond de volgende hoek een klein kind te zien zitten, verplaatste het geluid zich. Iemand speelt een spel met me.

De gedachte was net bij haar opgekomen toen ze een hoek omsloeg en midden in een kristallen zaal op een basalten verhoging een klein, blond jongetje zag zitten, gekleed in een zwart fluwelen broekje en een donkerpaars fluwelen tuniekje met gouden lusjes. Met indringend blauwe ogen keek hij haar aan. Tranen liepen nog van zijn wangetjes.

Aarzelend deed Jeltje een stap naar voren. Er klonk geluid van klapperende vleugels en de kamer verduisterde.

Ze snakte naar adem en schoot overeind in haar eigen bed. ‘Ver­draaid.’ Vanuit haar laboratorium klonk de melodie, zoet, donker, indringend. Ze begroef haar hoofd in de kussens. Je maakt me gek! Stop ermee!

 

 

Leiden, augustus 1894

 

‘Waar is ze?’ vroeg Hugo. ‘Kees Kouwenhoven toch?’ Hij was net aange­komen met zijn galvanische koets, vergezeld door zijn advocaat.

‘Ja, meneer,’ zei de assistent.

‘Nou?’

‘Ze sloot zich vanochtend in de directiekamer op. Ik heb haar sinds­dien nog niet gezien.’

Hugo knikte. ‘Doet ze dat vaker?’

‘Sinds een paar weken.’

Hugo keek opzij naar zijn metgezel. ‘Hoor je dat?’ De ander knikte minzaam. Hugo Steenius liep doelbewust door het laboratorium in de richting van de directiekamer. Hij duwde de klink omlaag en de deur zwaaide open.

‘Leeg,’ zei de advocaat die naast Hugo in de deuropening stond.

Hugo wilde de deur sluiten toen een beweging aan de overzijde van de kamer zijn aandacht trok. Alsof ze uit de schaduwen stapte, kwam Jeltje tevoorschijn. Ze zag hem en glimlachte.

‘Hugo, eindelijk heb ik je gevonden.’

Hugo keek zijn advocaat aan die zijn schouders ophaalde. ‘Ik zag het ook niet,’ zei de ander.

‘Wat is er, Jeltje, waar was je?’

‘Het kasteel, voorbij de vallei. Ik dacht dat ik de troonzaal instapte.’

Hugo knipperde met zijn ogen. ‘Dit klinkt heel raar, Jeltje. Mag ik je overigens voorstellen aan Jean de Lucardy, mijn advocaat?’

‘Volgens mij hebben we elkaar in het begin even gezien om de con­trac­ten door te nemen, nietwaar?’

‘Correct, mevrouw,’ antwoordde Jean de Lucardy.

‘Mag ik de reden van uw bezoek weten?’

‘Jazeker. Meneer Steenius heeft me verzocht mee te komen in ver­band met een aantal defecte hangers.’

‘Er zijn er meer stuk?’ zei Jeltje tegen Hugo.

Hugo knikte. ‘Bij een ervan is iets merkwaardigs gebeurd. Dat is de reden dat Jean is meegekomen.’

‘Vertel,’ zei Jeltje. ‘Kom, we gaan even zitten.’

‘In drie gevallen gebeurde er wat we eerder hebben meegemaakt. Die gevallen heb ik ook meteen in samenspraak met Jean afgehandeld. Eén geval is anders.’

‘Ahem.’ Jean de Lucardy schraapte zijn keel. Hij nam een opgevouwen papier uit zijn binnenzak en vouwde dat open. ‘Het vierde geval betreft een gegoede koopman uit het centrum van Amsterdam. Zijn zoontje van nog geen twee gebruikte de hanger regelmatig als rammelaar. Zo ook tijdens de gebeurtenis waarvan hij en zijn vrouw en een dienst­meisje getuige waren. Namelijk, dat de hanger brak, er vloeistof vrij­kwam die onmiddellijk tot een dichte, grijze nevel, die danig op de kelen van de aanwezigen sloeg, verdampte. Ramen werden geopend, de nevel trok weg, maar het zoontje was ook verdwenen. Zijn signalement, bijna twee jaar oud, blonde krullen, blauwe ogen, op dat moment gekleed in een zwarte broek en een paarse tuniek met gouden lusjes.’

Jeltje zakte onderuit in haar stoel.

‘Wat is er Jeltje,’ zei Hugo. ‘Je ziet extreem bleek. Is het een flauwte?’ Hij boog zich naar Jean de Lucardy. ‘Ze neigt soms naar het hysterische, met alle gevolgen vandien.’

Jean glimlachte minzaam. ‘Een vrouwelijke eigenschap, begrijpelijk.’

Jeltje kreeg al snel weer kleur op haar wangen, niet omdat ze zich beter voelde maar omdat een kille woede opborrelde over de neer­buigende toon van de mannen. Zelfs jij, Hugo. Heb ik me dan zo in je vergist? ‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ze op kille toon.

Jean de Lucardy vouwde het papier weer netjes op. ‘Wij, aandeel­houders en vertegenwoordiging, zijn door de rechtbank te Amsterdam gesommeerd ter zitting te verschijnen op zeven september 1894, om tien uur in de ochtend.’

‘Zijn we aangeklaagd?’ vroeg Jeltje. ‘Willen ze geld?’

Hugo schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat het een strafrechtzitting is. Er is een kind verdwenen in bijzijn van ons product, dat op dat moment faalde. Het enige dat ons op dit moment uit de cel houdt, is het feit dat het kind volledig verdwenen is.

‘Ik heb het gezien, een paar weken geleden, in het kasteel. Hij huilde, maar ik kon hem maar niet bereiken.’

Hugo keek naar Jean die betekenisvol terugkeek.

‘Jullie geloven me niet?’

De advocaat vouwde zijn handen samen. ‘Mejuffrouw Tiersma, het is van het uiterste belang dat u tijdens de strafzitting dit soort uitspraken niet doet. Wij zijn ons niet bewust van enige – potentiële – schade door onze producten.’

Jeltje knikte en staarde voor zich uit. Het lied uit de kelder zwol aan en verdronk het gesprek dat de mannen met haar probeerden te voeren, totdat ze uiteindelijk haar hoofd in haar handen legde en fluisterde: ‘Laat het stoppen, alsjeblieft.’

 

#

 

Zachtjes streelde ze met haar handen over het fluweelzachte oppervlak van het ei. Het was de incubator inmiddels ontgroeid en met veel moeite had ze het van de werkbank op de grond gekregen.

Het ei was content, de melodie die het produceerde was vriendelijk, subtiel dwingend en dreigend rustgevend.

Jeltje omhelsde het ei, maar ze kreeg haar armen er al niet meer omheen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze. Met haar wang wreef ze over het gladde oppervlak. In de diepte van het ei zag ze haar wezentje, haar kindje, haar diepste geheim. Het vloog over heuvels en dalen en cirkelde vele malen rond het immense kasteel dat ze inmiddels grondig had verkend.

‘Wat er ook gebeurt, hoe het over twee weken ook afloopt, ik zorg ervoor dat je veilig blijft, dat niemand je iets aandoet.’ Ze duwde werkbanken opzij tot ze voldoende ruimte had gemaakt voor het ei om ongehinderd verder te kunnen groeien.

 

‘Ik heb wat afspraken in Amsterdam, het kan zijn dat ik wat laat thuiskom, of misschien zelfs overnacht. Kunt u een oogje in het zeil houden?’ zei Jeltje tegen de boer.

De oude man glimlachte vriendelijk. ‘Natuurlijk, jongedame. De nieuwe bedrijvigheid die u heeft gebracht, heeft mijn oude hart goed gedaan. Laat de boel maar aan mij.’

‘Dank u,’ ze nam zijn handen in de hare. Ze waren nog net zo zacht als de eerste keer. Daarna nam ze haar valies en stapte in de richting van de wachtende galvanische koets.

 

Amsterdam, 7 september 1894

 

De rechtbank was een neogotische monstruositeit, gelegen tussen de Westerkerk en het centraal station. De koepel van het gebouw en de granieten zuilen waren zwart uitgeslagen door de eeuwige steenkool- en turfrook. Galvanische koetsen waren alomtegenwoordig in het centrum van Amsterdam, hoofdzetel van de VOC en thuis van de grootste en machtigste handelsbeurs ter wereld.

De belofte van Tesla’s elektrofore energie was zichtbaar in de ochtendzon als een pilaar van schitteringen aan de noordoever van het IJ, waar de nieuwe en spoedig hoogste Teslaspoel van de wereld zou verrijzen. Het betekende het einde van de vervuilende smeerpijpen van de industrieën langs het Noordzeekanaal en in het Westelijk Haven­gebied.

Jeltje voelde een steek van jaloezie bij het succes dat de Venetische weten­schapper boekte in heel West-Europa. Haar eigen vindingen waren minstens net zo revolutionair, als ze maar de tijd kreeg het proces te perfectioneren. Ze voelde ook de afstand tot Leiden, tot haar laboratorium, tot het ei in de kelder, hoewel het lied nog steeds in de verte in haar hoofd speelde.

Op de brede trappen van het bordes zag ze Hugo en Jean staan, beiden gekleed in onberispelijke jacquetten met bijpassende hoge hoeden.

‘Mevrouw Tiersma,’ begroette Jean haar. Hugo knikte alleen maar.

De ingang van de rechtbank bestond uit hoge, dubbele deuren die wijd open stonden. Op een bord bij de ingang waren kaartjes bevestigd met daarop kamernummer en de zaak die behandeld werd. Jean de Lucardy tikte er een aan. ‘Deze is voor ons.’

 

#

 

Zodra alle ontbodenen zaten, deden de magistraten en de rechter hun intrede. Ze begaven zich naar hun machtspositie, ruim verheven boven de eenvoudige banken van de gedaagden. Ter weerszijden van de verhoging stonden twee agenten in uniform.

Jeltje keek opzij naar de tegenpartij. Een gezette man met een jacquet met goudbrokaat, zijn vrouw in stemmig zwart en met een zwarte sluier. Een jongeman in een strak gesneden zwart uniform overlegde met hen.

De deuren sloten. De rechter sloeg zijn hamer op het bureau voor hem. Hij was een gezet man met brede schouders die door zijn zwarte kleed nog benadrukt werden. Zijn hoofd was bedekt met donkerbruin, krullend haar en hij had een lange, donkere baard.

‘Ter zake. De feiten zijn overlegd. Meneer de Lucardy, hoe pleit uw cliënt?’

‘Onschuldig, edelachtbare.’

De rechter knikte. ‘Een aantal zaken is mij nog onduidelijk. Ik heb vragen.’

‘Mijn cliënt is enkel de geldschieter, edelachtbare. De uitvindster is aanwezig.’

‘Mejuffer Tiersma, als ik het wel heb?’ De rechter keek op een van de papieren voor hem.

Jeltje keek opzij naar Jean de Lucardy die met zijn lippen het woord ‘opstaan’ vormde. Ze stond op. ‘Ja, edelachtbare.’

‘Uw onderzoek lijkt nogal wat controverse te kennen.’

‘Daarvan ben ik mij niet bewust.’

‘In deze wat vreemde zaak heb ik mij van informatie laten voorzien door een kenner op het gebied van Naturalistische onderzoeken, jonk­heer Van Vleuten tot Kerstens. Zijn opinie is dat uw onderzoek zeker van waarde is, maar dat uw gesteldheid een zeker risico met zich meedraagt.’

Jeltje was verbaasd. ‘Hoezo is mijn gesteldheid een risico, edel­achtbare?’

De rechter keek haar enkele ogenblikken aan. ‘Zowel de jonkheer als uw advocaat als zijn cliënt, de heer Steenius, hebben aangegeven dat u lijdt aan een vorm van hysterica, een bekende vrouwenkwaal die u zeker niet wordt aangerekend. Zoals in medische kringen welbekend is, brengt dat een zekere ontoerekeningsvatbaarheid met zich mede die in het oordeel van dit hof zal worden meegenomen.’

‘Ik ben niet hysterisch,’ zei Jeltje. Ze verhief haar stem. ‘Het idee alleen al. Ik ben een wetenschapper, wiskundig geschoold, summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit van Leiden.’

‘Als uw gesteldheid geen invloed heeft, dan bent u in staat dit hof uit te leggen wat u met “tabula rasa” bedoelt, nietwaar? En waarom u niet verder komt met uw onderzoek. En waarom u een niet getest, nauwe­lijks onderzocht product in de handen van consumenten hebt gegeven. Dit zijn kwalijke zaken die uiteindelijk geresulteerd hebben in de ver­dwijning van het zoontje van uw aanklagers. Ontkent u aansprake­lijkheid in deze?’

Jeltje slikte. Ze keek opzij. ‘Hugo?’ Hugo keek strak vooruit. Ineens herinnerde Jeltje zich de hanger die hij bij zich droeg, maanden geleden, de hanger waar ineens leven in zat. Hij had met een ander gelegen! Ze wankelde. Al zijn woorden, dat ze in zijn hart was, dat hij van haar hield, dat ze zo speciaal voor hem was, leugens. En nu wilden ze dit debacle op haar afwentelen.

Er knapte iets in haar hoofd en het lied spoelde over haar heen, onhoudbaar, vol van donkere beloften en zoete wraakbeelden. Ze liet het gaan, ze liet zich meevoeren, nauwelijks bewust van de geünifor­meerde agenten die haar meevoerden, de mannen in witte jassen die haar in een wagen plaatsten en op een brits vastketenden en de naald die in haar bovenarm werd gestoken. Alles was het lied, het lied was haar wezen.

 

 

Amsterdamsche Courant van zaterdag, acht september 1894

 

In de zaak Van Spui – Steenius velde de rechter gisteren vonnis. Een niet nader genoemd bedrag is toegekend als smart aan Dhr. Van Spui, terwijl aan de zijde van Steenius grove nalatigheid werd bewezen geacht door de hoofdonder­zoekster, mevrouw J. Tiersma. Gezien haar ontoerekenings­vatbaarheid en aan­toonbaar bewezen geachte hysterica is zij toegekend aan het Westgaards Sanatorium, tot zulks een tijd dat zij weer geschikt wordt bevonden voor terugkeer in de maatschappij. Haar laboratorium en werkplaats zijn tot nader order verzegeld en tot ontoegankelijk gebied verklaard.

 

 

Medisch rapport, Mevr. Jeltje Tiersma, twee oktober 1895

 

Na uitgebreide behandeling met de nieuwste elektrofoortherapie is mevr. Tiersma veel rustiger geworden. Zinnige gesprekken zijn evenwel slechts van korte duur, voor zij verzandt in achtervolgingswaanzin. ‘Het komt, het nadert, het groeit’ zijn dan de enige woorden die uit haar komen. Tijdens de kunst­therapie boekt ze vooruitgang en haar diagrammen en patronen worden door haar medepatiënten ten zeerste gewaardeerd.

 

 

Voetnoot in de Batavia Mathematica van zomer 1896

 

Door: jonkheer Van Vleuten tot Kerstens – een bijzondere mathematica, mevrouw Jeltje Tiersma, moet voor de wiskunde als verloren worden beschouwd. Haar “tabula rasa” theorie deed stof opwaaien, maar is inmiddels volledig ontkracht. Toch zijn enkele van haar hogerdimensionale wiskundige theorieën inmiddels als ‘geniaal’ bestempeld. In de komende jaren zullen zij op hoog wetenschappelijk niveau bestudeerd worden. Mevrouw Tiersma verblijft in het Westgaards Sanatorium op de afdeling langdurige hysterica.

 

Op het eind was er het lied in de diepe kelder van een boerderij aan de rand van Leiden, waar een transparant ei zich steeds dieper in de zachte aarde ingroef. Nog was het niet rijp, nog had het behoefte aan de energie die constant werd aangeleverd door de Teslaspoel die het laboratorium voorzag.

In de diepte van het ei vloog het wezen rond in zijn dimensie, met vleugels die zijn eigen wereld nu bijna omspanden, wachtend om zijn lied kenbaar te maken aan deze nieuwe, maagdelijke wereld.

 

De Kathedraal van Radio Kootwijk : Boukje Balder

De Tempel van Nyarlathotep stak lomp en zwaar af tegen de grijzende middaghemel boven het Kootwijkerzand. Het was november 1921 en het zou vroeg donker worden. We waren komen lopen vanaf station Assel, maar na vijf minuten wachten was ik al volkomen afgekoeld van de stevige wandeling. Ik stampte mijn voeten en zwaaide met mijn armen om warm te worden. De kille wind die over de hei woei, drong dwars door mijn duffelse jas en wollen pullover heen, en we konden pas op weg als het echt donker was. Als alle bouwvakkers en medewerkers van de Administratie der Koninklijke Posterijen en Telegrafie naar hun vrijgezellenhuis waren vertrokken voor de avond, en het bijna vol­tooide radiogebouw (zoals zij het noemden) achter lieten, kon het weer onze tempel worden.

Ver weg in Utrecht wachtten onze kameraden bij het hoofdpost­kan­toor in aanbouw. Ook daar hadden getrouwe aanhangers van de Ctulhu-Cultus beelden geplaatst en zorgvuldige geometrische anoma­lieën die vanavond samengesmeed zouden worden tot één grote oproep aan de Oudste God Azatoth.

Eindelijk verdween het laatste licht uit de westelijke hemel. Mijn leermeester, meneer Akkeringa, had de afgelopen uren bewegingloos achter een kromgewaaide den gezeten, maar nu stond hij op, gedreven door een voor mij onzichtbaar signaal.

‘Het is tijd, Mostaert,’ zei hij.

Hij zag er vastberaden en door en door warm uit in zijn enkellange leren automobieljas. Als ik slaagde voor mijn gezellenproef, en vijf jaar later voor mijn meesterproef, zou ik me ook een automobiel en een leren jas kunnen veroorloven. Die fleurige toekomst trok me meer dan het verkleumde, grijze heden en ik dwong mezelf zonder klapper­tanden antwoord te geven.

‘Ja, meester.’ Ik stond wat rechter op, hoewel de wind dan in de spleet tussen mijn pet en mijn sjaal drong.

Ik tilde zijn zware tas met messen en ontwijde gewaden op. Ik wachtte tot hij me voorging over het smalle paadje dat van onze schuil­plaats naar het dreigende bouwwerk leidde. Door in het ritme van zijn voetstappen te lopen kon ik stil en zeker lopen zonder bang te zijn mijn enkel te verzwikken of mijn goede kistjes nat te maken. Ik zag alleen het witte haar dat onder zijn leren helm uitkwam, en het pulserende schijnsel van zijn elektrische lantaarn.

Na wat een eindeloze tijd leek waarin ik alleen deze twee dingen zag, begonnen er andere lichtplekken op mijn netvlies te verschijnen. Ik wreef in mijn ogen. Ik dacht dat het van het turen kwam, maar toen realiseerde ik me dat al deze bewegende lichtplekjes van links kwamen, van zaklantaarns of gelere stormlampen. Meester-priesters uit het hele land, met achter zich aan een leerling of een gezel, net als ik.

Ik had opgezien tegen het loodzware ritueel, waar je bij zonsopgang uitgeput, misselijk en dodelijk somber uitkwam. Het was niet aan iede­reen gegeven dat jaarlijks te kunnen verdragen en de twee keer die ik het had meegemaakt, deden me ernstig twijfelen aan mijn roeping en toewijding aan de Oudste Goden. Maar ik wilde mijn ouders niet teleur­stellen. Honderd en zesenveertig ononderbroken generaties van aan­bidding en opoffering zei je niet zomaar gedag.

Maar nu het tot me doordrong dat er andere mensen van mijn leef­tijd bij zouden zijn, kreeg ik toch een beetje hoop. Misschien werd het zelfs wel gezellig. Samen roken terwijl de Meesters hun gruwelijke ritu­elen volbrachten. Wie weet had een van ons jenever bij zich.

Ik ging er zowaar sneller van lopen, zodat ik bijna over de Meesters lange mantel struikelde. Mijn hand, uitgestoken om mijn val te breken, gleed over het olieachtige materiaal van de mantel en prompt smakte ik weer terug in mijn staat van misselijkheid en angstige afwachting. Voorbije ceremonieën hadden een residu van intense slechtheid en walging achtergelaten in de stof, en dat voelde ik nu op mijn wollen handschoen plakken. Het liefst had ik die ter plekke uitgerukt en weg­gegooid, maar mijn moeder zou het direct merken als ik haar zelf­ge­breide spulletjes kwijt maakte. Ik zou de handschoen moeten uit­roken en zuiveren in een tijdrovend en pijnlijk ritueel waarin een zekere hoe­veelheid van mijn eigen bloed voorkwam. Een slecht begin van de avond.

De dansende lichtjes vloeiden samen. We formeerden een kring, onze meesters in hun flapperende kraaiengewaden in het midden, wij leer­lingen en gezellen, zo in het duister niet van elkaar te onder­scheiden, achter hen.

Mijn meester begroette een van hen met een serviele buiging, een onopvallende grijze man met een zwarte gleufhoed diep over de ogen gedrukt. ‘Grootmeester Van den Eijnden,’ zei hij, ‘een eer om u te mogen begroeten.’

De grootmeester zelf, de man die het werk van grootmeesters Crouwel en Luthmann verder ontwijdde met zijn onovertroffen zwarte beeldhouwwerken. Zonder hun dreigende uitstraling op kardinale punten zouden de onderaardse machten niet met zoveel kracht kunnen stromen door de spoelen op beide locaties. Wie had ooit gedacht dat de menselijke wetenschap zou bijdragen aan onze oeroude rituelen?

Ook door mijn aderen stroomde het onmenselijke, koude bloed van onze onnoembaar walgelijke voorouders. In onze slaap mompelden wij “R’lyeh Cthulhu ftaghn”. Toch was duizenden generaties oproeping nog niet genoeg gebleken. Grootmeester Hendrick van den Eijnden had in zijn correspondentie met grote denkers in Arkham en Innsmouth nieuwe wegen ontdekt om het oude kwaad te wekken. Hij was na een gruwelijk ritueel in een droomtoestand geraakt en had tijdens die spanne van waanzin, die een volle maanomwenteling had geduurd, de beelden en panelen gekerfd die nu het nieuwe Hoofdpostkantoor op het Neude in Utrecht zouden sieren, en tevens de gruwelijke water­spuwers op de hoeken van Zendgebouw A, oftewel onze Kathedraal.

Rondom het kille beton van het gebouw wervelden winden, nog kouder dan die me op de hei al tot op het bot hadden verkleumd. Om onverklaarbare redenen roken deze gierende luchtstromen naar de oceaan, naar onnoembaar oude wezens die langzaam, en levend, weg­rotten op de bodem van de allerdiepste troggen.

De grootmeester zwiepte zijn mantel langs ons heen en baande zich een weg naar de hoofdingang. Het reusachtige voorportaal doemde dreigend en welhaast mismaakt boven ons uit. Ik merkte voor het eerst in mijn leven dat mijn voeten dienst weigerden. Na drie treden van de trap, die duidelijk niet op menselijke maat was gemaakt, stokte ik en kon niet verder. Ik wilde mijn meester dienen, en mijn voorouders, menselijke en niet-menselijk, tot ere strekken, maar ik kon niet.

‘Mostaert, kom mee of wees voor eeuwig verstoten,’ zei mijn meester met zijn kille kleurloze stem, waarin ook nu geen enkele emotie doorklonk.

Ik leunde naar voren als tegen een stormwind in, om zo mijn voeten te dwingen om te stappen, maar ze bewogen niet.

‘Jansen en de Vries,’ zei de meester.

Twee gezellen braken los uit de kalme rij die naar boven klom en namen me bij de arm. Iemand gilde vreselijk. Ik moet het zijn geweest, want ik had geen greep meer op mijn stembanden.

‘Dood dood dood!’ hoorde ik mezelf krijsen. ‘Ctulhu ftaghn R’Lyeh! De gruwel!’

Iemand propte zijn onwelriekende bouffante in mijn mond. Ik kon alleen nog kreunen en schoppen, wat ik met overgave deed.

Ergens in een hoekje van mijn geest zat de overijverige gezel nog en keek met afgrijzen naar het kabaal dat zijn andere ik trapte. In plaats van kalme overgave, gevolgd door misselijkmakende extase tijdens het ritueel, werd ik nu als een slachtvarken op het altaar vastgebonden.

Twee bleke ovalen bogen zich over me heen. ‘Doet u afstand van uw rechten als meester?’ teemde de gruizige stem van Van den Eijnden.

‘Ik doe afstand,’ antwoordde mijn meester bijna onverstaanbaar.

Het deed me een heel klein beetje goed dat hij aangedaan leek door de afstandneming.

‘Meester Haruspex, als u klaar bent?’ zei Van den Eijnden.

Als op een onzichtbaar signaal begon het scanderen van de offerzang. Ik kon alleen maar naar boven kijken naar de verre zoldering van de grote zaal. Kille vlagen wind drongen door de open raamspleten naar binnen, af en toe vergezeld van een veeg maanlicht.

Kille vingertoppen landden op mijn keel. De haruspex, de lezer der ingewanden, moest achter me staan. Omzichtig knoopte hij mijn das los, toen mijn boordje. Een schaar beet rats door mijn pullover. Dat zou moeder niet prettig vinden. De resterende knopen van mijn overhemd werden losgeknoopt. De schaar gleed kil over mijn buik heen toen mijn borstrok in tweeën ging. Mijn pantalon werd losgeknoopt, mijn onder­broek omlaag getrokken. Dit kon ik thuis nooit uitleggen. Vader en moeder zouden mij de schuld geven dat ik op het altaar terecht was gekomen en mijn kleren had bedorven. En ze hadden gelijk. Als ik mijn kop niet had verloren, had ik in de cirkel staan scanderen en had een ander hier gelegen om gelezen te worden.

Een moment voelde ik een kille punt op mijn borstbeen, toen trok iets een gloeiende streep over mijn navel tot bijna in mijn lies. Eerst schoot kippenvel over mijn hele lichaam, toen kwam de pijn. Net als zonet bokte en schopte mijn lichaam en schreeuwde mijn stem terwijl ik het lijden liever waardig en in stilte had gedragen. Een onbeschrijfe­lijk gevoel trok door mijn buik en iets glibberigs en paars, in rood­besmeurde handen gehouden, kwam omhoog in mijn gezichtsveld.

Ik vertrok.

#

 

Ik knipperde mijn ogen. Het resultaat was niet wat ik had verwacht. Gruwelijke monsters stonden om me heen, nee, zwommen om me heen, en ik had ogen in mijn achterhoofd. Ik zag veel te veel. Mijn oogleden werkten niet meer. Het commando knipperen kwam niet door en ik bleef deze gruwelijke slijmerige tentakeldingen maar om me heen zien. Ik riep om mijn moeder, maar alles dat er gebeurde was dat een roze tentakel omhoog schoot ergens in de buurt van mijn ogen. Sommige van mijn ogen.

Ik leek nog steeds te liggen in de Tempel van Azatoth, ook wel Radio Kootwijk. De onmenselijke afmetingen van de ruimte, de talloze hoge smalle ramen, alles was hetzelfde. Alleen hier gloeiden het zwarte marmer en de oogrollende waterspuwers met een kwaadaardig schijn­sel dat dwars door me heen zinderde. Het stille water omhulde ieder voorwerp met een groenige weerschijn. Het smaakte naar zout en rottend plankton. Het maakte me hongerig.

Ik wilde weg. Ik kronkelde, maar als ik dat deed schoten vreemde sensaties door me heen. Zondige sensaties. Het volgende moment verweet ik mezelf dat ik de zondagsschoolgeboden tot me had laten doordringen. Onze taak was ons onzichtbaar onder de mensheid op te houden, niet hun dwaze godsdienst aan te nemen. Maar ik kon het niet helpen. Ik kreunde van extase iedere keer als dat onbestemde gevoel door me heen sidderde.

Ik wilde zien wat er gebeurde. Ik zag een groot plat oog met een enorme pupil omhoog rijzen op een dun stengeltje. Tegelijkertijd kwam mijn eigen lichaam in mijn blikveld. Hoeveel ogen had ik wel niet? Zoveel dingen tegelijk zien maakte me duizelig. Maar wat ik zag was niet mijn lichaam. Op het onderstel lag een mismaakt wezen, met een bijna menselijk lijf, asymmetrische tentakels en een bol hoofd met clusters ogen en roze tentakels tussen de ogen, als vreemde bloemen in onaards mos. Dat was niet ik, gezel Piet Mostaert, en toch zetelde mijn ik ergens tussen die ogen. Als ik schreeuwde van de pijn sidderden de vleeskleurige tentakelbloemen.

Om mij heen zweefden wezens die veel van mijn nieuwe lichaam weg hadden. Ieder had een eigen aantal tentakels, sommigen hadden ook nog inktvissnavels of enorme zuignapdahlia’s. Ze stonden in net zo’n cirkel als de gezellen, adepten en meesters ergens ver weg in Radio Kootwijk. Dit moest mijn verre familie zijn, die een spiegelceremonie hield van de onze.

Nee, dat was te beperkt geredeneerd. Boven op aarde was de spiegel­ceremonie, hier was de echte. Dit was waar wij vandaan kwamen en waar we allemaal naar terugverlangden. Al was het maar theore­tisch, omdat we dat zo geleerd hadden in de Nyarlathotepschool op dinsdag­avond.

Hoewel ik kronkelde van pijngenot als de tentakels van anderen in mijn ingewanden roerden, kon ik toch rondkijken en de onderaardse tempel goed in me opnemen. De kilte en het groenige licht, de ver­vormde geluiden die door het water op me afraasden, werkten alleen maar ter versterking van de schoonheid van de wereld boven. Nog nooit had ik zo verlangd naar een kopje thee en een koekje bij mijn moeder aan tafel, terwijl zij breide of aardappels schilde. Een wereld waar je over heidevelden kon lopen, of herten kijken bij Het Loo. Een wereld met zondagen als er vlees op tafel kwam en er een pudding na was. Een wereld waar Lies, de dochter van de bakker in rondwandelde.

De gil die ik op het bordes van de aardse tempel had geslaakt was de eerste voorbode geweest van dit gevoel. Ik wilde helemaal geen gezel zijn bij meester Akkeringa. Ik wilde helemaal niet nadenken over onze oude goden en onze pogingen hen terug te laten keren. Ik wilde gewoon Piet Mostaert zijn, een klerk bij de Posterijen die misschien ooit een meisje kon vragen om zijn vrouw te worden. Een simpel, dood­gewoon gelukkig leven.

Jammer dat ik daar op dit moment achter kwam. Er was nog nooit een moment in mijn leven geweest dat ik er slechter had voorgestaan om dit besef ooit werkelijkheid te laten worden, dan hier op het altaar diep in een vergeten onderzeese krocht.

Ondanks het pijngenot keek ik rond en verzamelde zo veel mogelijk gegevens. Mijn tentakels zaten vastgeklonken op pijnlijk brandende tekens die me draaierig maakten als ik er rechtstreeks naar keek.

Een extra gemene ruk met een tentakel deed me het uitkronkelen van de pijn. De tentakel kwam zwart terug uit mijn binnenste, althans het leek zwart in het groenige schemerlicht daarbeneden, en schreef meer misselijkmakende tekens op de rotswand. Een peinzend deel van mezelf dat zich op details richtte om niet in waanzin te vervallen, bedacht dat het in Kootwijk bakstenen met stucwerk of tegels erover­heen moest zijn. Op stuc kon je beter schrijven.

Ach. Daarom kwam die gedachte in me op. Boven waren ze ook bezig mijn oude lichaam uiteen te rijten, op zoek naar de toekomst. Hier beneden schoten ze al flink op. Ik voelde niet zozeer pijn, maar wel het geweld waarmee mijn tentakels een voor een werden afgerukt. En daarna het lege gevoel waar mijn ledemaat niet meer was. Als ik er ondanks die wetenschap mee kronkelde, voelde ik iets dat op pijn­plezier leek. De gedachte aan mijn oude lichaam daarboven zonder rechterarm boeide me meer, al voelde ik niet de emoties die ik daar ooit over zou hebben gehad.

Ik besefte dat zelfs als ik ontsnapte met dit lichaam, ik nog steeds vele mijlen onder het zeeoppervlakte was. Al kon ik naar boven zwemmen, waar zou ik uitkomen? En ook als dat allemaal zou lukken zat ik nog in het lichaam van een mismaakte kruising tussen een kraak en een tyrannosaurus. Daar lag de oplossing niet. Ik moest weer van lichaam ruilen met de stakker die daar in Radio Kootwijk lag te kronke­len. Daar was pijn gewoon pijn, hij of zij moest er slechter aan toe zijn dan ik. En als ik weer in dat lichaam terecht kwam, moest ik daar op voorbereid zijn. Misschien was dat lichaam al wel dood.

Ik werd al beter in het gebruik van mijn ogenclusters. Toen er weer een wezen met een zaagarm op me af kwam stuurde ik er twee ten­takels op af en wrikte de zaagarm naar zijn eigen middenlichaam, waar ik vermoedde dat de hersens zaten. Het hoofd zweefde langzaam van het lichaam weg, als in een droom. Groen bloed maakte de plek waar de kop was geweest ondoorzichtig. Ik kronkelde wat ik kon en dook in die wolk van zaagtandbloed, in de hoop dat ik even niet te zien zou zijn voor de andere wezens. Hun ogen en andere zintuigen draaiden langzaam naar me toe.

Ik was wel van het altaar af, maar nu? Ik moest in mijn eigen lichaam zien terug te keren. Op het altaar zag ik een teken in zwart bloed dat zo dik was dat het water het niet oploste. Zo was ik hier gekomen. Ik had geen idee hoe het werkte en hoe ik het kon veranderen. Ik loste het dus wat eenvoudiger op. Ik schoot met verrassende snelheid uit de groene wolk, eenvoudig door mijn billen samen te knijpen, en greep de dichtst­bijzijnde tentakelaar. Met een zwiep werkte ik hem of haar of het op het altaar, voordat ik zelf, door mijn ontbrekende tentakels uit koers gebracht, een noodkoprol moest maken.

De onderaardse tempel schudde. De tentakelaar verdween in een kolk van toesnellend water. Ik stelde me voor hoe nu ver weg in Radio Kootwijk een zeemonster en een paar kuub zeewater in de tempel verschenen. Eigen schuld.

Voor het geval de andere monsters het nog niet hadden begrepen, schoot ik weer terug en schoof er nog een op het altaar. Die verdween ook weer. Even vroeg ik me af of ik er niet gewoon zelf op moest gaan liggen, omdat de monsters die het teken aanraakten onmiddellijk ver­dwenen. Maar nee, ik wilde helemaal niet in dit onderzeese gruwe­lijke lichaam in Kootwijk aankomen maar in mijn eigen lijf.

Ik greep een wezen als een lillende twaalfvingerige darm en schudde het dreigend boven het altaar heen en weer. Kregen ze het nou einde­lijk door of niet?

Een krakenvormig creatuur met huid zo zwart dat je er bijna werd ingezogen als je ernaar keek, naderde het altaar. Het spoot geelgroene vloeistof over het altaar uit een van zijn orifexen, welke wilde ik niet weten. Daarna draaide het zich om en produceerde met zwart slijm uit een andere opening een nieuw zwart teken. Het pulseerde dreigend, zodat mijn ogen opzwollen en barstten als ze er te lang naar keken. Ik moest snel zijn voordat ik het gezichtsvermogen verloor. Ik wierp mijn gevangene terzijde en lanceerde mezelf naar het altaar. Onderweg had ik nog met een slinkse zaagtand een van mijn teennagelroze tentakels kunnen meenemen, maar ik dacht alleen nog maar aan thuiskomen.

Vlammende pijn schoot door me heen. Echte pijn, niet pijngenot zoals dat daarbeneden in het onnatuurlijke tempeloord in de diepste krochten van de oceaan. Ik voelde de pijn, maar ik kon niet lokaliseren waar. Mijn eigen lichaam, als het dat was, was een onbekende voor me geworden Hoe lang was ik beneden geweest? Mijn ogenclusters wilden niet gehoorzamen, totdat ik me herinnerde dat ik maar twee ogen had.

Er kwam licht. Ik staarde in het gruwelijke aangezicht van iets bleeks, als de cloaca van een tempelgenoot, met twee glanzende blauwe gaten, een groot roze gat, en twee klieren in het midden. Het pulserende achterwerk produceerde een snerpend geluid.

Ik gilde.

Dat bracht me weer helemaal bij mezelf. Meester Van den Eijnden vloekte tegen me. ‘Hou je stil, stom rund. Waar is Akkeringa? Ik heb hem nodig om Mostaert hier in bedwang te houden.’

‘Gevallen,’ zei een bibberende stem, die ik na enige tijd wist te identi­ficeren als een van mijn medegezellen. ‘Geofferd aan onze broeders van beneden.’

Weer die brandende pijn. Hoewel ik nog niet scherp kon zien, her­kende ik toch wat Van den Eijnden in mijn gezichtsveld heen en weer bewoog. Het was een enorme naald met dik zwart draad. Ik draaide mijn hoofd opzij om te zien wat hij aan het hechten was. Was ik gewond geraakt? Ik zag tussen het groene en rode bloed grove zwarte steken over mijn schouder lopen, alsof mijn arm weer werd aange­naaid.

Ik gilde weer, ik kon het niet helpen. Van den Eijnden deinsde achter­uit.

‘Wat is dat godverdomme in zijn mond? Waar is zijn tong?’

Een ander achterwerkgelaat boog zich over me heen. ‘Er is iets mis­gegaan. Een heilige tentakel is achtergebleven.’

Van den Eijnden en de andere meester wisselden blikken uit. ‘Dan heeft het geen zin. Voer hem maar af met de rest van het afval.’

‘Maar Meester – is hij niet juist extra heilig?’

‘Meertens, we kunnen de publiciteit niet gebruiken. Een man met een tentakel in zijn mond? Kom op nou. We kunnen onze goden alleen dienen als we onopgemerkt blijven.’

‘Duurt het echt nog zo lang?’

‘Ingewanden liegen niet. Kom, Meertens, niet meer zeuren nou. Weg met die handel.’

Een zwarte, zoetig ruikende duisternis daalde op me neer.

 

#

 

Toen ik mijn ogen weer opendeed, zag ik helemaal niets. Een akelig geratel dreunde in mijn oren, mijn zere lichaam werd ruw heen en weer geschud tussen koude vochtige voorwerpen. Ik wist een arm te bevrijden, ten kostte van veel pijn. De arm reageerde ook niet echt goed, schokkerig en onwillig, en er schuurde iets van binnen over iets anders dat er niet voor bedoeld was.

Mijn wapperende hand sloeg tegen stof. Ik schokte en duwde net zo lang tot ik het uit de weg had. De bodem waar ik op lag schudde onop­houdelijk. Af en toe veegde er een straal maanlicht over me heen, en in zo’n moment zag ik het stille gezicht van mijn meester. Ik herkende hem aan zijn borstelsnor, ondanks zijn opengereten wangen en ont­brekende tanden. Gevallen, had van den Eijnden gezegd. Door wat? Met tegenzin kwamen er meer herinneringen boven. Ik draaide mijn stroeve nek de andere kant op en wachtte tot het maanlicht het kille vlees aan mijn rechterzijde verlichtte.

Ik staarde recht in het schotelgrote oog van een onderzees wezen. Van schrik sloeg mijn hoofd achteruit, maar ik veerde bijna onmidde­llijk terug en smakte recht in de aangezichtstentakels van het monster. Even proefde ik iets aangenaams op mijn tong, toen draaide ik haastig mijn gezicht af.

Waar was ik? Het geratel en de voorbij zwiepende boomkruinen maakten mij duidelijk dat ik op een voertuig lag, tussen de lijken van mijn meester en een of meer van de monsters. Ik werd afgevoerd, nu begreep ik het. Maar ik leefde tenminste nog. Ik was op mijn eigen aarde, in mijn eigen lichaam. Ik stak mijn tong uit om de lucht te proeven. Het smaakte naar vlak voor zonsopgang. De ambtenaren van de posterijen aten nu hun ochtendpap en maakten zich klaar om zich door de dienstbus naar het radiostation te laten vervoeren.

Ik duwde mezelf met veel pijn en moeite omhoog uit de beklem­mende omhelzing van de klamme lichamen. Ik herkende het dorpje Kootwijk. Was het beter om nu van de kar af te springen of kon ik wachten tot station Assel? Ik voelde me niet goed, en ik zag ertegen op het hele eind van hier tot aan moeders huisje aan de Badhuis­weg te lopen.

Toch moest het maar. Station Assel stond waarschijnlijk vol met huis­waarts kerende meesters en gezellen. Ik kon wel over de heide terug­lopen en door het bos weer in Apeldoorn komen.

Ik wrikte mijn benen los. Een been werkte nog prima, zonder enige pijn, het andere produceerde soortgelijke verschijnselen als mijn armen. Ik zette mijn rechterhand op de zijkant van de kar. Er was iets mis. Pas toen ik mijn linkerhand ernaast plaatste realiseerde ik me dat mijn handen verkeerd om zaten. Mijn duimen zaten aan de buitenkant van mijn hand. Hoe kon dat? Ik boog mijn arm. Mijn ellebogen knikten naar binnen.

Ik dempte mijn kreet van wanhoop in mijn schouder. Na nog een paar keren buigen en draaien werd me duidelijk wat er was gebeurd. Mijn armen waren aan de verkeerde schouder genaaid. Ik wist niet welke toverijen Meester van den Eijnden had gebruikt om dit te laten slagen, maar hij had niet goed opgelet.

Zo goed en kwaad als het ging hees ik me over de zijkant van de kar en kwam hard en akelig neer in de stekelige berm van het klinkerpad. Ik had mijn handen uitgestoken, maar die werkten zo anders nu dat ik de klap niet had kunnen opvangen en nu met neus en tong in het zand beet.

Ik spuugde zand uit. Er flikkerde telkens iets in mijn ooghoeken. Wat was dat toch? Maar hoe ik ook rondkeek, ik zag niemand.

Pas toen ik kwijl op mijn kin voelde en dat weg wilde vegen, ontdekte ik dat er iets uit mijn mond hing dat daar niet hoorde. Het kwam wel tot op mijn borst. Ik keek naar beneden. Ik zag nog steeds niet goed. Het leek wel of mijn linkeroog het niet deed. Maar met mijn omfloerste rechteroog zag ik een roze-paars ding, de kleur van ingewanden, dat uit mijn mond hing.

‘Moeder,’ zei ik. Althans, dat wilde ik zeggen. De tentakel krulde en kronkelde weerzinwekkend heen en weer, maar produceerde geen normaal Nederlands, alleen wat barbaarse klanken.

Ik schaam me om het te zeggen, maar ik zat aan de kant van de weg en huilde als een kind. Dat was er nu van me geworden. Een man met handen die verkeerd om zaten, een mank been, één oog en een verdorven tentakel in zijn mond.

Ik wist dat moeder me met mijn verkeerde handen nog wel op zou nemen, maar dat de tong haar teveel zou zijn. In gedachte nam ik afscheid van mijn gehoopte toekomst met Lies van de bakker en drie bloedjes van kinderen. Het beste waar ik nog op kon hopen was een onopvallend baantje ergens en de zorg van mijn broers en zussen als mijn moeder overleed. Ik kon beter stom zijn dan weerzinwekkend.

Ik pakte mijn zakmes en sneed de tentakel met wortel en al uit.

De opschoner : Anaïd Haen & Django Mathijsen

Met bijna 200 laveer ik tussen het nachtverkeer op de snelweg door.

Een sirene!

Blauwe zwaailichten verschijnen achter de grille van de Volvo die ik inhaal. Ik stuur de vluchtstrook op en trek mijn gildepasje uit mijn leren jack.

 

‘Autopapieren en rijbewijs alstublieft, mevrouw.’ De agent gluurt naar het schot achter de voorstoelen van mijn Audi Avant en probeert door de geblindeerde achterzijruit te kijken.

Ik geef hem mijn pasje.

‘U bent aangehou…’ Hij trekt wit weg. ‘Opschoner?’

Ik gebaar dat hij mijn pasje moet teruggeven.

Hij drukt het in mijn hand. ‘We wisten niet…’

Met een knikje geef ik vol gas.

Als opschoner mag ik alle wetten overtreden. Op één na.

 

Als ik het bordje ‘30’ passeer, vertraag ik. Ik ben nog maar 2 kilometer van mijn doel. Hier mag ik niet opvallen.

Een dure wijk. Vrijstaande villa’s, oprijlanen met Porsches en Jaguars, hekwerken met automatische poorten, camera’s en waarschijnlijk gecompliceerde alarminstallaties.

Voorbij wat tennisbanen en een atletiekbaantje moet ik afslaan.

‘Bestemming bereikt aan de rechterkant.’

De poort van 53 staat open. Slordig, maar dat ben ik gewend van sluiters.

Ik draai de oprijlaan op en stop achter het donkerblauwe Mercedes sportwagentje. Ongetwijfeld van de vrouw des huizes, of beter: de smet.

Aan de witte villa hangt onder een 360-gradencamera een messing bordje: Vrouwe Minoux, medium. Nog drie camera’s en overal buiten­verlichting. Binnen brandt alleen licht achter de voordeur.

Ik grijp latex handschoenen en mijn zwarte pet uit het hand­schoenenvak. De pet trek ik diep over mijn ogen. Daarna pak ik mijn dokterstas. Met gebogen hoofd loop ik naar de voordeur.

Er zoemt iets!

Instinctief leg ik mijn hand op mijn pistool, achter in de riem van mijn zwarte spijkerbroek. Ik kijk even om: de poort gaat langzaam dicht.

Ik beklim de drie treden naar het bordes, maak het holsterriempje los en omklem de pistoolkolf.

De voordeur zwaait open.

Er verschijnt een onberispelijk geklede heer: zwarte spijkerbroek, zwart colbert, zwarte skimuts. Alleen zijn latex handschoenen zijn wit. Ik herken zijn brede postuur.

‘Werner.’ Ik druk het holsterriempje weer vast. ‘Je had me bijna een hartaanval bezorgd.’

Hij stapt opzij. ‘Jesca.’ Zijn ogen verraden een grijns. ‘Je vindt het toch niet erg dat ik het feestje zonder je ben begonnen?’

‘Als je een bloedbad hebt aangericht, dans ik een feestje op je gezicht.’ Ik betreed een brede hal.

‘De keuken.’ Hij sluit de deur achter me. ‘Het was een makkie.’

Keukens hebben meestal vloeren en muren die goed schoon te maken zijn.

Hij opent de keukendeur en wijst omlaag.

De rode krullen van de smet zijn doorspekt met witte. Ondanks haar rimpels heeft ze nog een knap gezicht. Afgezien van het ronde gaatje in haar voorhoofd.

‘Tweeëntwintig?’ vraag ik.

‘Ik maak je graag blij.’ Hij knipoogt.

Het kleine kaliber is netjes in haar hersens blijven steken. Minder goede sluiters gebruiken grotere kalibers in de waan dat een weggeblazen achterhoofd hun gebrekkige schietkunsten compenseert.

Afgezien van een straaltje bloed dat langs haar voorhoofd, oor en haar op de vloertegels is gedrupt, is de omgeving schoon. Haar geelzijden blouse heeft het bloed opgezogen dat uit het gaatje in haar hart is gelopen.

‘Chirurgische precisie.’ Ik glimlach. ‘Grote jongen, ik ben trots op je.’ Ik geloof dat hij een paar jaar ouder is dan ik.

‘Dan mag je me nou weleens op dat etentje trakteren.’ Zijn ogen hebben een guitige glinstering.

‘Pas als je erin slaagt om niets meer te morsen.’

‘Aah, da’s niet eerlijk.’

‘Ik dacht dat je van een uitdaging hield.’

‘Doe je haar hier of neem je haar mee?’

Ik rits mijn tas open, trek de lijkzak eruit en duw hem in zijn handen. ‘Ik draai effe mijn auto om.’

 

Ik gooi mijn achterklep dicht.

‘Nog hulp nodig?’ vraagt Werner naast me.

‘DNA of vingerafdrukken achtergelaten?’

Hij heft zijn handen. ‘Waar zie je me voor aan?’

‘Ga dan maar voordat we aandacht trekken.’

‘Je hebt mijn nummer, hè?’ Hij knipoogt.

Ik schiet in de lach. ‘Weet jij niet van opgeven?’

‘Beroepsdeformatie.’

‘Ik ben niet je type.’

‘Hoe?’

Ik steek mijn hand uit. ‘Sleutel?’

Hij geeft me een sleutel en een papiertje. ‘Vergeet het alarm niet te activeren.’

Op het papiertje staat de alarmcode. Die had ik natuurlijk al, maar ach…

Ik loop terug naar de voordeur.

‘Tot ziens, typetje.’

‘Maak maar dat je wegkomt,’ zeg ik zonder me om te draaien. Ik wil niet dat hij mijn glimlach ziet.

 

Nadat ik de bloedvlek heb weggeboend, herinnert niets meer aan de sluiting. Ik voel die glimlach weer op mijn lippen als ik naar de voordeur loop en in gedachten hoor: ‘Vergeet het alarm niet.’

 

Achteruit draai ik de oprit van mijn eenvoudige twee-onder-één-kap-woning in. Terwijl ik bijrem, druk ik op de garageopener. In mijn spiegel zie ik de garagepoort in de kelder langzaam omhoogklappen.

Onopvallend, geheel onderkelderd, in een rustige buurt vlak bij snelweg en slachthuis, en met kerkhof en crematorium bijna in mijn achtertuin: daarom heb ik voor dit huis gekozen.

Niemand op straat, geen van mijn buren kijkt buiten. Niet dat ze iets geks zouden zien.

Het is weer van een leien dakje gegaan.

Door de deuren achter in mijn garage loop ik naar het halletje waar mijn operatietafel, met een nieuw wegwerpzeiltje erop, klaarstaat. Ik trap de rem eraf en rol de tafel naar mijn auto.

 

Even later ga ik, gehuld in overall, veiligheidsbril, mondkapje, operatie­muts en gehoorbeschermers mijn operatiekamer in.

Tl-licht valt op de glimmend witte tegels, badkuip en wasbak. De luchtverversingsinstallatie zoemt. Hieronder in de kelder zijn geen ramen.

Ik rits de lijkzak op de operatietafel open, pak de kleermakersschaar van het gereedschapstafeltje en knip haar kleren open. Ze heeft een voor haar leeftijd superfit lichaam.

 

Mijn elektrische kettingzaag loopt aan op haar nekwervels. De bloed­spatten op mijn veiligheidsbril hinderen me niet. Met vijftien jaar ervaring kan ik dit op de tast.

Beweging in mijn ooghoek!

Ik laat mijn zaag los. Die blijft halverwege de hals steken. Ik ruk wat doekjes uit het doosje naast me en veeg mijn veiligheidsbril schoon. Wat bewoog er?

Alles ligt hetzelfde op de operatietafel: haar armen al los van de romp, haar benen ook. Een naakte ledenpop die door de poppendokter uiteen wordt gehaald. Alleen bloederiger. En met rafelige uiteindjes.

Weer beweging. In mijn ooghoek.

Ik draai mijn hoofd. Bloed drupt van de hoek van de operatietafel af, regent in dikke klodders op de vloertegels en spat in een plas uiteen.

Er is niks, natuurlijk niet. Ik laat de doekjes vallen en pak de ketting­zaag. Hij bokt als een wilde stier. Al snel loopt hij weer rustig en maakt korte metten met haar halswervel.

Bloed spat tegen mijn bril. Instinctief knijp ik mijn ogen halfdicht.

Beweging!

Haar oogleden zijn open, ze kijkt me aan!

Wat…? Ik hap naar adem.

Ik trek de zaag uit de hals en duw mijn veiligheidsbril op mijn voorhoofd. Als aan de grond genageld staar ik in haar gifgroene ogen.

Met wijs- en ringvinger sluit ik haar ogen weer. Even glijdt mijn blik over haar stukken lichaam… alles nog hetzelfde.

‘Niet gek worden, Jesca.’ Ik zet de zaag weer in haar hals. Monotoon huilen de tandjes als ze aanlopen op haar wervel.

Mijn ogen dwalen af naar haar gezicht. Het is niet de eerste keer dat de oogleden van een smet openvallen. Niks aan de hand.

Dat verbeten trekje op haar lippen was me nog niet opgevallen.

De zaag jankt triomfantelijk op: hij is door de wervel heen. De snede opent zich. Flarden vlees spatten tegen mijn overall.

Als ik het laatste stuk vel doorzaag, rolt het hoofd opzij.

Ik leg de zaag neer op het tafeltje, mijn veiligheidsbril ernaast. Zweetdruppels lopen in mijn ogen. Ik grijp wat doekjes en dep ze weg.

Haar rechterarm is weg!

Ik kijk verschrikt om me heen: op de grond, onder de operatietafel…

Iets grijpt mijn enkel.

Haar hand! Hij omsluit mijn enkel.

Onwillekeurig spring ik achteruit. Ik ruk aan de arm. Hij klemt zich te vast.

Een ijzingwekkend krijsende lach… Haar opzij gerolde hoofd. Ze kijkt me grijnzend aan, bloed druipt uit haar mondhoek.

Dit kan niet!

De hand om mijn enkel klemt als een berenval.

‘Auw!’ Ik trek met twee handen aan de arm. Eindelijk schiet de hand los.

Terwijl de arm in mijn handen spartelt en de vingers krioelen, spreekt de mond: ‘Jij bent vervloekt… jij bent van mij.’ Meteen weer die lach.

Woede laait op in mijn buik. Ik mep met haar arm zo hard ik kan het hoofd van tafel. Het knalt tegen de muur, laat een stervormige bloedvlek achter, stuitert omlaag en blijft in de hoek liggen.

Walgend gooi ik de arm bij me vandaan.

Weer wordt mijn enkel gepakt!

Haar andere arm.

Ik strompel naar de deur en voel de hand zich vaster klemmen.

Uit alle macht ruk ik hem los. Ik smijt hem in de verst mogelijke hoek.

De benen van de smet kruipen naar de tafelrand en laten zich ervan af vallen. Haar romp spartelt al net zo hard.

Ik ruk de deur open, ren erdoorheen en sla hem dicht.

 

Gebeurt dit echt?

Een bonk op de deur, hij schudt in zijn sponning.

Mijn sleutels! Waar zijn ze?

Mijn kleren…

Ik trek mijn handschoenen uit, laat ze vallen en duw de deur van mijn kleedkamer open. Mijn kleren liggen netjes in een stapeltje op het bankje voor de metalen kledingkast met mijn overalls.

Voorzichtig om het niet tegen mijn bloederige overall te laten komen, grijp ik in mijn jack: ja, de sleutels.

Ik ren terug, net op tijd om de klink omlaag te zien gaan.

De deur zwaait open. Ik grijp de klink, ruk de deur weer dicht en steek de sleutel in het slot. Hijgend draai ik hem om.

De klink gaat als een bezetene op en neer. De deur schudt alsof iemand ertegen trapt.

Hoe kan dit toch?

Aarzelend loop ik terug naar mijn kleedkamer, zak neer op het bankje en grijp mijn mobiel uit mijn jack.

 

‘Dat is snel,’ klinkt uit de telefoon. ‘Kon je niet wachten?’

‘Werner,’ zeg ik. ‘Was die smet echt gesloten?’

‘Heb je toch gezien?’ Hij schiet in de lach. ‘Eén in het hart, één in de hersenpan. Daarna worden ze niet meer wakker.’

‘Die .22, was die sterk genoeg om de schedel te doorboren?’

‘Natuurlijk. Waarom?’

‘Heeft hij genoeg penetratie om de hersens te stoppen?’

‘Penetratie? Dumdum! Die kogels zijn in scherven uiteengespat vanbinnen. Instant gehaktmolen.’

Het gebonk wordt luider.

‘Waarom vraag je dit?’

‘Je weet zeker dat jíj haar gesloten hebt?’

‘Natuurlijk. Wat is er?’

Dit kan ik hem niet vertellen. Hij zal denken dat ik gek ben. ‘Ze… beweegt…’ flap ik eruit.

‘Hoe bedoel je? Dat bestaat niet.’

‘Het bestaat niet, maar is wel zo.’

‘Ik kom eraan.’

Ik voel die woede weer. ‘Nee.’ Ik spring op. ‘Fouten van sluiters goed­maken, is míjn werk. Ik los jouw incompetentie wel op.’ Ik druk hem weg, gooi mijn telefoon op mijn kleren, trek het pistool uit de riemholster en laat het in de zak van mijn overall glijden.

Met een andere veiligheidsbril en handschoenen uit de kledingkast trek ik de deur van het magazijn open.

‘Welcome to my nightmare,’ klinkt uit mijn telefoon.

Ik negeer hem, loop langs wat vaten naar de eerste stellage en trek er een hakmes uit. Ik stroop mijn mouw op en laat het lemmet langs mijn onderarm glijden. Het snijdt feilloos de schaarse blonde haartjes af. Ik laat het handvat rondtollen: ja, perfect in balans.

Terug naar de bonkende en rammelende deur. Ik omklem het hakmes en draai de sleutel om.

De deur vliegt open. Op de vloer krabbelt iets. Vingers trippelen op me af, de arm achter zich aan sleurend.

Ik haal uit.

Tsjak!

Vier vingers en het topje van de duim blijven wriemelend liggen.

Ik trap de deur verder open.

Die botst ergens tegenaan. De tweede arm.

Ik spring erop af: mijn hakmes doorklieft de onderarm maar gaat er niet helemaal doorheen.

Ik haal nog eens uit.

De arm ligt in twee stukken.

Een been kruipt om de deur heen.

Ik doorklief het net boven de voet.

Uit mijn ooghoek zie ik het stuk onderarm op me af komen wriemelen.

Met een kreet van inspanning hak ik de vingers eraf.

‘Auw!’ Een trap tegen mijn scheenbeen.

Haar tweede been!

Ik stort me erbovenop en hak in de knieholte.

Het been valt om. Bloed spat op mijn veiligheidsbril.

Ik hak de knie door en blijf hakken tot ook de voet losligt.

Hijgend gooi ik mijn besmeurde veiligheidsbril af en kijk rond. Dit is de eerste keer dat ook mijn halletje vol bloedspatten ligt. Het zal uren duren voordat het hier weer spik en span is. De stukken arm, been, vingers, tenen… alles blijft op mij af spartelen.

Ik slalom eromheen en loop naar het hoofd.

Het ligt nog in de hoek. Met vertwijfelde kin- en oorbewegingen probeert het mijn kant op te rollen.

Ik kniel ernaast.

De bloedbesmeurde kop kijkt me diep in de ogen. Weer die huiveringwekkende lach. ‘Nergens op de wereld kun je je voor mij verbergen. Je bent vervloekt. Je bent van mij.’

Woede kruipt weer op in mijn buik. Ik haal uit zo hard ik kan.

Het mes blijft in de schedel steken. Ik til het op.

De kop blijft eraan hangen. Haar gemene lach klinkt gesmoord.

Ik hef het hakmes met hoofd tot boven mijn hoofd en ram het uit alle macht op de grond.

Het hoofd valt in twee helften uiteen. Ze schommelen als bloederige eierdoppen heen en weer. Rode haren schuren over vloertegels.

Het is doodstil. Het lachen is het kreng eindelijk vergaan.

Het hakmes valt uit mijn handen. Ik ben duizelig. Nu pas voel ik hoe moe ik ben.

De stukken arm en been liggen ook stil. Nergens beweging.

 

Ik gooi mijn handschoenen in de vuilnisbak, knoop mijn overall los en laat hem samen met de muts en het mondkapje in mijn wasmand in het badkamertje vallen. Daar trap ik mijn rubberlaarzen uit en leg mijn pistool op het planchetje. Mijn werk is nog niet klaar, maar deze ellende moet ik van me af spoelen.

Terwijl roodgekleurd douchewater in het putje loopt, voel ik de druppels op mijn hoofd neerregenen. Is dit zoiets als een kip die blijft rondlopen nadat de kop eraf ligt? Of ben ik gek geworden?

Als ik de douche afzet, hoor ik iets.

Mijn hart klopt in mijn keel.

Ik gooi mijn handdoek over mijn schouder, grijp mijn pistool en zwaai de badkamerdeur open.

Alle smetdelen liggen nog op hun plek. Geen beweging.

Ik schiet in mijn crocs en laveer tussen de bloedplassen. Ik kijk de operatiekamer in: de schedelhelften liggen nog waar ze lagen, in een plas bruin vocht.

Gerinkel van boven: de deurbel.

Opgelucht ademhalend laat ik mijn pistool zakken.

Ik loop de trap op en schakel de deurmonitor in.

Ja, hoor: Werner. Geërgerd knoop ik de handdoek om mijn lijf. Dan valt me in dat mijn sleutels nog beneden liggen. Ik druk op de intercom: ‘Wat doe jij hier?’

‘Kijken of met jou alles goed is.’

Ik slaak een diepe zucht. Hij is de laatste die ik kan gebruiken. Toch hoor ik mezelf zeggen: ‘Moment. Ik pak mijn sleutels.’

Dus ren ik de trap weer af.

Bij de onderste trede zie ik iets: de smetdelen… zijn het er minder?

Een zachte bult in plaats van harde vloer onder mijn voet. Hij rolt weg…

Mijn voet schiet onder me vandaan. Mijn pistool valt uit mijn handen. De vloer van het halletje komt met hoge snelheid op me af.

Ales wordt zwart.

 

Geschreeuw in de verte. Alsof ik diep onderwater ben. Te diep. De stem klinkt bekend.

Lucht! Ik spartel. Ik moet naar boven zwemmen. Waar is boven?

Het is mijn naam die geroepen wordt. Ik voel iets in mijn mond. Het mondstuk? Dat moet het zijn: mijn luchtflessen…

‘Jesca!’ Werners stem klinkt dof.

Lucht, geef me lucht.

Ik proef bloed.

Er zit iets in mijn keel. Ik kokhals. Mijn slokdarm schokt. Maagzuur vult mijn keel, maar daar zit iets…

Ik open mijn ogen en zie Werner.

Lucht, ik krijg geen lucht.

Werners vingers zitten in mijn mond.

Ik probeer ze eraf te bijten.

‘Jesca, kom op!’

Ik schud, spartel, duw en sla.

‘Ik probeer je te helpen. Mond open, snel!’

Het gewriemel in mijn keel komt niet van zijn vingers! Terwijl ik kokhals, trek ik mijn mond zo ver mogelijk open.

Hij rukt iets eruit: een bebloede vinger.

Ik kuch en snak naar lucht eindelijk lucht. Het is alsof ik door een rietje adem.

Er schiet iets in mijn keel. Hij zit weer dicht.

Werner peutert nog iets uit mijn keel.

Lucht.

In zijn hand ligt een tweede bebloede vinger. Angst staat in zijn ogen. In al die jaren heb ik hem nooit bang gezien. De haartjes in mijn nek komen overeind.

Ik kokhals, er zit nog iets in mijn keel.

Werners vingers grabbelen in mijn keel. Hij peurt de laatste vinger eruit en smijt hem vol afschuw van zich af.

Kuchend haal ik adem. Niet overgeven, niet overgeven…

Tevergeefs.

Werner rolt me op mijn buik.

Braaksel stort schokkend onder me op de vloertegels. Tussen de golven door snak ik naar lucht. Ik probeer me op te drukken om niet met mijn wang in de kots te liggen, maar ben te slap.

Een oorverdovend galmende knal!

Ik zie niet waarop hij schiet, maar kan het raden.

Hijgend en kuchend pers ik eruit: ‘Vaten…’

‘Wat?’ Hij schiet nog eens.

‘Zuur…’

‘Ik snap je niet.’

‘Magazijn… daar.’ Ik gebaar ernaar.

Smetdelen bij me vandaan trappend, rent hij mijn magazijn in.

Ik hoor hem rommelen met de vaten. Moeizaam krabbel ik overeind en spuw de vieze smaak uit.

De krioelende smetdelen komen op mij af: vingers, tenen, stukken arm en been… De romp spartelt als een vis op het droge.

Mijn handdoek ligt op de grond. Ik ben naakt! Maar die handdoek zit vol kots en bloed. Ik wankel.

‘Hoe doe ik dit?’ galmt uit het magazijn. ‘Ze zijn zwaar.’

‘Deksel eraf,’ hijg ik. Steunend tegen de muur loop ik naar het magazijn. Mijn voorhoofd doet pijn. Alsof er een .22 inzit. Dumdum.

Bekend geluid: een deksel die op de grond valt en ronddraait in kleiner en sneller wordende cirkeltjes. Totdat hij stilligt.

‘Wat nu?’

‘Schuimspaan.’ Ik kuch. ‘Stukken smet voorzichtig erin.’ Ik hang tegen de deurpost.

Hij stormt langs me heen en raapt een voet en een stuk arm op. Even glijdt zijn blik verbluft over mijn lichaam: mijn buikspieren, mijn gespierde armen en benen. Twee uur per dag sportschool: nodig voor dit werk. En o, zo lekker. Ik kan niet zien of het hem opwindt of afstoot. Ik haat kerels die het afstoot en veracht mannetjes die erop kicken. Hij wendt zich af en rent terug het magazijn in.

Ik volg hem.

‘Daar.’ Ik wijs naar het schuimspanenrek aan de muur. ‘Niet spatten… koningswater… gevaarlijk.’

Hij grijpt een schuimspaan, legt de voet erop en houdt hem boven het geopende vat. Aarzelend kijkt hij me aan.

Ik knik terwijl ik tegen de muur leun en me omlaag laat glijden tot ik op de grond zit.

Hij laat de schuimspaan zakken tot vlak boven het vat, deinst terug, knijpt zijn ogen halfdicht en draait de schep om totdat de voet ervan af glijdt.

Een plons. Gesis. Een rookwolk stijgt op.

Knipperend kijkt hij naar mij.

Ik knik. Hij doet het goed.

 

Voor de tweede keer vannacht verlaat ik mijn badkamer, in mijn crocs en met een schone handdoek om. Weer zie ik de bloedvlekken op de vloertegels van mijn kelderhalletje. Ik betrap mezelf erop dat ik mijn armen langs mijn handdoek blijf wrijven. Ondanks dat ik mijn huid rood heb geschrobd, voel ik me niet schoon. In de kleedkamer grijp ik een ochtendjas en laat mijn telefoon en sleutels erin glijden. Met een dreunende koppijn wankel ik de trap op.

 

Ik zwaai mijn keukendeur open.

Werner springt op van zijn stoel. ‘Ook koffie?’ Hij opent de Senseo.

Ik schud mijn hoofd.

Even later zitten we tegenover elkaar. Ik omklem de dampende mok thee met beide handen: kamille, kurkuma, kruidnagel en kaalkopjes: de vier k’s. Het ruikt goed. Toch heeft hij het niet helemaal goed gedaan: ik drink thee altijd uit een Efteling-kopje. Dat kon hij niet weten. Mijn lijf is ijskoud. Toch staat de thermostaat gewoon op 21.

‘Moeten we een geneesheer van het gilde daarnaar laten kijken?’

Ik voel aan mijn pijnlijk kloppende voorhoofd… ja, daar groeit een bult. ‘Hoe ben je binnengekomen?’

Hij houdt een setje lopers in de lucht.

Ik glimlach. ‘Bedankt.’

Hij perst zijn lippen opeen. ‘Je was me nog dat etentje schuldig.’

Ik rol met de ogen.

Even zitten we zwijgend tegenover elkaar.

‘Jesca?’ Hij wijst omlaag. ‘Wat…?’

Ik haal mijn schouders op.

‘Heb je zoiets eerder meegemaakt?’

‘Nee. Je weet zeker dat jíj haar gesloten hebt?’

‘Kom.’ Hij kijkt me verbouwereerd aan. ‘Heb je toch zelf gezien?’

‘Ze zei: ‘Je bent vervloekt’.’

‘Vervloekt?’

‘Wie was dit?’ Ik kijk hem in zijn ogen.

‘Het gebruikelijke.’ Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‘Een gevaar voor de samenleving.’

‘Waarom precies?’

‘Ik heb de USB-stick al vernietigd. Maar daar geven ze nooit details over… Iemand die heeft uitgevonden hoe je blijft leven na je dood, misschien?’

‘Haha, jij leest te veel strips.’

Hij lacht mee. ‘Ik weet hoe belachelijk het klinkt.’

‘Toen ik klein was, vertelde oma altijd dat het gilde was opgericht door heksen. Rond de inquisitie, geloof ik. En dat opschoners bij overtreding van de sluitingswet een vloek over zich zouden afroepen. Ik dacht dat het maar sprookjes waren om kinderen bang te maken, net als de zak van Sinterklaas.’

‘Misschien moeten we je oma om raad vragen.’ Hij grijnst. Toch twijfel ik of het een grap is.

‘In ieder geval is die ‘vloek’ voorbij. Uit koningswater komt niemand terug.’

Gebonk!

Werner heeft zijn SP22 al vast en gaat ruggelings in de hoek naast de achterdeur staan.

Het rolluik buiten de achterdeur rammelt.

Ik stort de suikerpot uit op mijn aanrecht. Klontjes stuiteren naar alle kanten. Een van mijn reservepistolen blijft op het suikerbergje liggen.

‘Heb je licht in je achtertuin?’ vraagt Werner.

‘Gaat automatisch aan.’

‘Ik sluip de voordeur uit en loop om naar achteren.’ Hij rent de gang in. ‘Ik roep als het luik omhoog kan.’

‘Geluidsisolerende ruiten.’

‘Dan app ik.’ Hij trekt de voordeur open en kijkt rond.

‘Maak geen herrie daarbuiten.’

Verbaasd kijkt hij me aan.

‘Als de politie wordt geroepen, kan ik dit niet uit de krant houden. Ik woon hier graag.’

Triomfantelijk haalt hij een geluiddemper tevoorschijn en trekt de voordeur dicht.

Mijn rammelende rolluik herinnert me aan de deur van mijn operatiekamer daarnet. Mijn pistool voelt onnatuurlijk aan. Ik ben meer op mijn gemak met iets om te hakken of snijden, dus trek ik mijn keukenla open en grijp een hakmes. Het pistool laat ik in de zak van mijn ochtendjas glijden. Ik knoop de band van de ochtendjas extra strak en test het mes: ja, het is scherp en ligt goed in de hand.

Uit de houder aan de muur trek ik de afstandsbediening van mijn rolluiken en laat die in mijn andere zak glijden.

Het rolluik stopt met rammelen.

Ik luister ingespannen maar hoor alleen mijn hart bonzen.

Aarzelend gaat mijn hand naar de afstandsbediening. Ik blik naar de voordeur. Blijkbaar heeft hij het nog niet opgelost, anders zou hij terug zijn, of…

Nee, geen appje.

Ik móet weten wat daarbuiten loos is. Dus druk ik op de afstands­bediening en ga ruggelings in de hoek staan, mijn hakmes in de aanslag.

Tergend langzaam gaat het rolluik omhoog.

De stoeptegels van mijn achtertuin worden zichtbaar.

Schaduwen… ze bewegen!

Twee gestaltes liggen boven op elkaar te spartelen. De onderste richt een pistool op de bovenste met geluiddemper.

Koortsachtig steek ik de sleutel in het slot en gooi de deur open.

Die knalt tegen het rolluik.

Shit!

Er klinkt een gedempt schot. De geluiddemper drukt tegen het hoofd van de bovenste gestalte.

Toch blijft die spartelen met zijn handen om de nek van de onderste.

Ik duw nog eens tegen de deur.

Hij botst weer tegen het rolluik. Bijna boven, nog even…

De keukendeur schiet open, schrapend langs het rolluik.

Er klinkt nog een schot. Nog een. Dan een klik. De kogels zijn op.

Ik ren erop af.

De gestalte bovenop draagt geen kleren. De huid hangt in bruine flarden. Een overbekende stank komt me tegemoet: ontbindend lijk.

Ik ram het hakmes in de bovenarm.

Oogkassen vol krioelende maden en wormen kijken me aan.

Een smerige grijns vol bruine tanden. De lippen zijn half wegge­vreten. De handen knijpen Werners hals dicht.

Nog eens ram ik mijn mes erin. De arm valt in tweeën. Maar de hand blijft om Werners hals geklemd.

Ik geef het monster een trap tegen de schouder.

Het rolt opzij. De arm die nog vastzit, schiet los. Werner kucht, grijpt de losse arm en smijt hem van zich af.

Ik stort me op het lijk en hak de andere arm af.

‘Vervloekt,’ spreekt een onmenselijke grom.

Ik hak erop in tot de kop in tweeën ligt, tot armen, benen, vingers, tenen in stukken liggen en blijf hakken…

Een hand op mijn schouder!

Ik kijk om en wil al uithalen…

‘Hooo!’ Werner deinst terug. ‘Genoeg. We moeten die stukken dumpen.’

Dan pas voel ik het steken in mijn schouders.

 

Met drie vuilniszakken vol lijkstukken vullen we het volgende zuurvat, omringd door rook en gesis. Mijn luchtverversingsinstallatie kan het niet meer aan: de indringende, zuurbittere stank slaat op mijn longen, brandt in mijn ogen en doet mijn maag omdraaien. Mijn ochtendjas is doordrenkt met bruine smurrie. Net als Werners colbertje.

We willen net aan de laatste zak beginnen…

Gebonk! We staan als aan de grond genageld en kijken naar het vat dat Werner een uur geleden heeft gevuld met het medium.

Het wankelt.

Er verschijnt een uitstulpsel in de deksel: een deuk. Nog een…

Werner grijpt zijn pistool.

Ik reik naar de stellage achter me, ruk twee hakmessen eruit en leg mijn hand op zijn schouder.

Hij holstert zijn pistool en neemt een mes aan.

Plotseling schiet de rand van de deksel los. Er ontstaat een opening.

Er steekt iets uit: een slijmerige, bruine, met rood-witte strepen doortrokken slang… zonder kop. Het slijm druipt over de rand omlaag als smerige ketchup. Er zitten stukjes bot en pees in de dampende drab.

De klodder druipt op mijn vloertegels. Rook slaat ervan af terwijl het zuur sissend een gat erin vreet.

Moedeloos laat ik mijn hakmes zakken. Hoe bestaat dit? Ze moet dood zijn! Morsdood!

Werner hakt met het grootste gemak de slijmklodder doormidden.

Nu wriemelen er twee slijmerige zuurklodders op hem af.

Ik grijp de schuimspaan, schep de ene klodder op en slinger hem in het nog geopende tweede zuurvat.

Spetters vliegen rond en branden gaten in mijn vloertegels. Terwijl ik de tweede klodder opschep, grijpt Werner een andere schuimspaan.

Hij schept de ene na de andere uit het vat stromende klodder op en laat die in het andere vat vallen.

Ik maak de sluiting van het gehavende vat los, druk de deksel aan en maak de sluiting weer vast. Het vat bokt onder me als een dolle stier.

Werner heeft alle klodders en delen in het andere vat gegooid en is het aan het sluiten. Dat vat bokt al net zo hard.

Ik steun op mijn vat.

Hij steunt op het andere. ‘En nu?’

‘Crematorium!’ Ik duw het vat op zijn zij. Als ik gelovig was, zou ik een schietgebedje opzeggen. Gelukkig: het blijft dicht. Ik rol het naar de garage.

Werner volgt mijn voorbeeld.

 

Tegen de tijd dat alle smet- en lijkdelen zijn verbrand en de as in de vaten is gestopt, begint het al licht te worden.

Terwijl Werner het tweede vat terugrolt naar mijn Audi, sluit ik met de sleutels die ik jaren geleden heb nagemaakt het crematorium af.

De wind blaast onder mijn ochtendjas en regenjas door als ik naar de rookwolk boven het crematorium kijk. Hij is diepzwart. Dat is me nooit eerder opgevallen. Haar griezelig grijnzende tronie lijkt in de wolk te staan.

Kippenvel op mijn onderarmen. Ik wrijf het af. Inbeelding. Ik ben oververmoeid.

‘Ik heb honger,’ zegt Werner achter me. ‘Ergens iets gaan eten nadat we gedoucht hebben?’

Ik schiet in de lach en draai me om. ‘Heb je eindelijk je zin?’

Hij staart met grote ogen over mijn schouder en hapt naar lucht. ‘Dat méén je niet.’

Ik kijk over mijn schouder naar het kerkhof. Achter de smeedijzeren poort loopt een bijna kaalgevreten skelet. Stukken loshangend, verrot weefsel deinen mee met zijn bewegingen.

Achter hem loopt een minder ver ontbonden lijk. Verderop krabbelt een arm onder een deksteen tevoorschijn.

‘Zeg niet dat je dat kerkhof hebt gebruikt om smetten op te ruimen,’ zegt Werner.

‘Wat denk je zelf?’

Het skelet opent de poort van het kerkhof.

Ik voel een hand op mijn schouder.

Instinctief doe ik wat ik honderden keren heb getraind: ik leg mijn hand erop, til mijn elleboog op, draai me om en verdraai zijn arm. Het is Werner! Verschrikt laat ik los.

‘Hooo!’ Hij steekt zijn armen omhoog. ‘Weg hier.’

Ik ren achter hem aan naar mijn auto.

Hij trekt het bestuurdersportier open en steekt zijn hand uit. ‘Sleutel?’

‘Ik rijd.’

 

Mijn regenjasceintuur vaster trekkend, loop ik door de automatische schuifdeuren. Erg bewust van mijn blote onderbenen druk ik op de bel bij het tweede stel deuren.

De verpleger achter de balie kijkt op. De deuren gaan open.

Meteen gaat zijn blik naar mijn rubberlaarzen en onderbenen. Hij lacht schaapachtig.

Met rechte rug en strakke blik loop ik de lift in en druk op 3.

Boven open ik de deur van kamer 312. ‘Oma?’

Ze zit in haar fauteuil tv te kijken: Max Geheugentrainer. Ze glim­lacht. ‘Jesca.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Is dat de nieuwe mode?’ Ze fronst. ‘Wat heb je daar?’ Ze wijst mijn voorhoofd.

Ik grijp haar hand. ‘Ik moet iets vragen.’

‘Heb je de vier k’s geprobeerd?’ Ze heft haar vinger. ‘Kamille, kurkuma…’

 

Ik vertel haar alles. Ze klemt haar ogen stijf dicht. Ik heb haar nog nooit zo geschokt gezien. In haar carrière als opschoner moet ze toch alles hebben meegemaakt?

‘Toen zijn we hierheen gekomen. Wat is hier loos?’

Ze pinkt een traantje weg.

Een bons op de deur.

Rillingen lopen over mijn rug. Ik trek mijn pistool. ‘Wie is daar?’

‘Ik ben het.’ Werner.

Met een zucht open ik de deur.

Hij houdt een uitpuilende linnen tas omhoog. ‘Hopelijk de goede maat.’

Met de tas trek ik me terug in oma’s badkamertje. De trainingsbroek is te lang en het T-shirt te wijd. Maar alles beter dan een ochtendjas.

Als ik de badkamer weer uitkom, grijnst Werner. ‘Een heel nieuwe look voor je. Ik had modeadviseur moeten worden.’

Ik onderdruk een glimlach, ga in de andere stoel tegenover oma zeggen en kijk haar vragend aan.

Ze knikt. ‘Wat mijn moeder heeft verteld en wat door haar moeder is verteld… Toen de inquisitie ketters en heksen ging vervolgen, hebben die het gilde opgericht om zich te verdedigen. Heksen konden door hun kennis van magische middeltjes lijken laten verdwijnen, zodat er geen sporen waren als inquisiteurs door ketters werden vermoord. Maar de ketters waren bang. Wat als heksen hun macht ook tegen ketters zouden gebruiken? Dus spraken de heksen in een ritueel een vloek over zichzelf uit: als een heks ooit iemand zou doden, zouden alle door haar opgeruimde lijken weer tot leven komen en haar achtervolgen tot haar dood.’

Ik was die onzin grotendeels vergeten. Of had hem verdrongen. ‘Maar ik heb toch niemand gesloten?’

Ze perst haar lippen opeen. ‘Ben je Meine vergeten?’

Ik frons. Vaag staan me Meines gruwelverhalen bij. En hoe mijn moeder oma altijd tegenhield als ze me daarmee bang probeerde te maken.

‘De ketters eisten bewijs dat de vloek werkte. De hogepriesteres gebruikte dat om haar twee machtigste rivalen uit de weg te ruimen: Ysaud moest Meine vermoorden. Maar Meine wist een spreuk uit te spreken dat zij weer tot leven zou…’

Werner springt op. ‘Dat meen je toch niet.’ Hij loopt naar het raam. ‘Heksen, vloeken, magie…’

‘Tegenwoordig noemen we het wetenschap,’ zegt oma. ‘Maar ons werk is nauwelijks veranderd: koningswater, fosfor en ongebluste kalk waren ooit magie.’

‘En verder?’ vraag ik.

‘Meine kwam weer tot leven en ging achter Ysaud aan. De ketters waren tevreden en hakten Meine in stukken. Maar de stukken kwamen ook weer tot leven en bleven Ysaud achtervolgen. Die vluchtte op een snel paard naar het oosten. Meines lijkdelen gingen op de brandstapel. Een paar dagen later ontdekte men een spoor van as van de brandstapel naar het oosten…’ Oma laat een pauze vallen.

‘En Ysaud?’

‘Die is nooit teruggezien. Men nam aan dat ze een leven lang op de vlucht is geweest en dat de as haar nooit heeft bereikt, maar blijkbaar…’ Ze kijkt me diep in de ogen.

Ik schud mijn hoofd. Langzaam besef ik wat ze zegt. ‘Die vrouw? Is Minoux Meine?’ Ik sla mijn hand voor mijn mond. ‘Dan zou Meine al die eeuwen…’

‘Kom eens kijken,’ zegt Werner.

Oma knikt. ‘Ze overleeft door heksenlichamen over te nemen tot die te oud zijn. Ze moet het gilde op een of andere manier steeds ertoe hebben gebracht om opdracht te geven om haar op te ruimen.’

‘Maar híj heeft haar toch gesloten.’ Ik wijs naar het raam. ‘Dan moet ze toch achter hém aan komen?’

‘Daarna is ze weer tot leven gekomen en door jou vermoord. Zíjn lichaam kan ze niet overnemen, het jouwe wel.’

Het is alsof ik nog een klap op mijn hoofd krijg. ‘W-wat?’

‘Dat is de consequentie van de vloek samen met Meines spreuk. Jíj bent heks.’

Mijn gedachten tollen over elkaar.

‘Serieus, Jesca. Kom kijken!’

Ik spring op, maar oma grijpt mijn hand: ‘Je moet weg.’ De tranen springen in haar ogen. ‘Vluchten, zover mogelijk.’ Haar stem slaat over. ‘Ze mag je nooit te pakken krijgen.’ Ze kust mijn hand.

Ik laat haar los en loop naar het raam.

Werner wijst omlaag. Mijn Audi op de parkeerplaats wipt op en neer alsof er een puberstelletje in ligt.

Mijn mond valt open. ‘De as.’

We grijpen onze jassen.

Ik leg mijn arm om oma heen en geef haar een klapzoen. ‘Ik hou van je.’ Tranen springen in mijn ogen. Nadat de kanker mam al die jaren geleden van mij wegnam, was oma de enige die om me gaf.

Ze streelt mijn wangen. ‘Ga, kindje. Ga!’

 

Een kwartier later stoppen we op een verlaten bospad. De lucht betrekt.

We openen de achterklep en rukken de bokkende vaten eruit.

Ze bolderen op de grond.

De bomen lichten fel op. Bijna tegelijk klinkt een donderslag.

Werner wijst naar de gitzwarte wolk boven ons. ‘We krijgen rotweer.’

Ik sluit de achterklep.

De dreigende wolk kijkt grijnzend op mij neer.

‘Kom.’ Hij springt al in mijn auto.

Ik open het bestuurdersportier. ‘Auw!’ Een felle steek op mijn handrug… alsof iemand een sigaret erop uitdrukt. Op mijn huid borrelt, schuimt en sist een regendruppel. Ik schud hem af.

‘Is er iets?’ roept Werner.

Een tweede regendruppel valt op het dak van de Audi. Sissend brandt hij de lak weg.

Ik ga zitten en geef vol gas.

 

Met bijna 200 laveer ik tussen het verkeer door. In mijn spiegel zie ik de zwarte onweerswolk in de verte verdwijnen.

Ik passeer een bord dat het volgende tankstation aangeeft. ‘Als ik je daar afzet, kom je dan thuis?’

Werner schiet in de lach. ‘Ben je mal? Je bent me nog steeds dat etentje schuldig.’

‘Je snapt het niet. Ik kan nooit meer terug.’

Hij schokschoudert. ‘Samen uit, samen thuis.’

‘Heb je oma niet gehoord? Ik ben de rest van mijn leven op de vlucht.’

Hij grijnst. ‘Ik was toch aan mijn pensioen toe… laat die wereldreis maar komen.’

‘Dit is geen grapje, sukkel!’

Hij kijkt me ernstig aan. ‘Je kunt me uit je auto gooien…’ Hij maakt een lift-gebaar. ‘…als je de rest van je leven alleen daartegen wilt vechten.’ Hij wijst met zijn duim achteruit.

Ik kijk hem aan en passeer de tankstationafrit.

Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar : Tais Teng en Jaap Boekestein

1

Nieuw Rotterdam-aan-de-Ganges, 17 juli 2209

 

Jacob was net vijf toen de stem voor het eerst sprak. Daarvoor waren er natuurlijk wel stemmen geweest terwijl er eigenlijk niemand was: zijn teddybeer had een spraakchip, net als de danspoppen van zijn zusje die werkelijk de oren van je kop kletsten. Maar dit was anders: deze stem sloeg zijn oren over en sprak regelrecht in zijn hoofd.

‘Hoor je mij, Jacob?’

Hij keek om zich heen: zijn slaapkamer was donker, met alleen de ogen van zijn opwindwalvis als groene glimplekken.

‘Je kunt mij niet zien. Maar blijkbaar hoor je mij wel.’

‘Ik hoor je, ja.’

‘Weet je wie ik ben?

Jacob snoof. Dacht de stem dat hij een zulthoofd was? Deze stem was glanzend, ja, metallic glanzend als de schubben van de levende dijken. Hij kon er het zoemen van de propellers op de stekeltorens in horen doorklinken. ‘Je bent een dijk. Mijn oom Gulliver, hij zei dat hij de dijken kan horen spreken.’ Hij ging rechtop zitten. ‘Mijn oom, hij is een echte dijkenfluisteraar! De dijken gehoorzamen zijn bevelen. Ze zwemmen waarheen hij maar wil en pompen het land droog.’

De stem grinnikte, een geluid als tinkelen van een kristallen xylofoon. ‘Bevelen is niet het juiste woord. Meer verzoeken.’

‘Ah.’ Jacob knikte. De levende dijken waren fiere zeedraken: natuur­lijk kon je die niet bevelen, alleen berijden en dat enkel met hun instemming.

‘Besef je hoe bijzonder jij bent, Jacob? Hoogstens een op de zestig­duizend mensen kan onze stemmen horen. En luisteren doen we naar nog veel minder lieden. Alleen naar dijkenfluisteraars.’

‘Ik hoor je. Je luistert naar mij. Word ik een dijkenfluisteraar, net als oom Gulliver?’

‘Dat valt nog te bezien.’

Het was niet helemaal een belofte. Meer zoals hij zijn moeder vroeg of Vader Poseidon hem een albatrosvlieger zou brengen op Nieuwjaars­dag. Half ‘Het zou best kunnen’ en half ‘maar wees niet te teleurgesteld als het alleen een marsepeinen pinguin wordt’.

Het duurde elf jaar voor Jacob de stem opnieuw hoorde.

 

 

2

Australian Inland sea, 17 juli 2209

Hindele was als winterkind geboren en ze had vanaf het begin geweten hoe bijzonder ze was. Toen ze haar ogen opende en haar eerste jammerkreetje slaakte, voer de Vloot net door het hart van Antarctica, recht over het absolute zuiden.

Antarctica was het Gezegende Land: een ring van eilanden met stoere sparrenbossen waarboven heel de lange winternacht de aurora’s dansten. Geen boom mocht ooit gekapt worden uit dat heilige reser­vaat, geen stormvogel uit de hemel geschoten.

‘Toen ik je ogen zag,’ zei haar tante Lidwien een keer, ‘zo groen als chlorella algen, wist ik dat Gaia je gekust had. Dat je nog veel zou betekenen voor de Aarde.’

Dat had ze beter niet kunnen doen.

Kort daarna liepen Hindele en de andere kleuters over het strand van de Australische binnenzee, voor de eerste keer zonder juf, om kokkels uit het natte zand te spitten.

‘Ik word later een spinkrabbentemster,’ pochte Hindele tegen haar hartsvriendin Jup. ‘Ze luisteren naar mij! Ze doen alles wat ik zeg!’

Helaas was Jup niet de enige die het hoorde.

‘De spinkrabben luisteren naar je?’ zei Janneck. ‘De spinkrabben gehoorzamen je?’

Janneck was twee koppen groter dan Hindele en min of meer de baas van de klas.

Dat was niet omdat hij aardig was.

Hindele knikte heftig. ‘Dat doen ze!’ Ze hief haar linkerhand op en trok het zigzag teken van de Herboren Aarde. ‘Ik zweer het!’ Stom natuurlijk. Hindele wist dat ze bijzonder was maar of ze zo bijzonder was?

Janneck grijnsde. ‘Ik geloof je.’ Hij zwaaide naar de andere kinderen. ‘Kom hier! Nu meteen!’

De rest van de klas dromde om hen heen en Hindele kreeg een zeldzaam ongemakkelijk gevoel in haar buik. Alsof ze een handvol rotte mosselen had gegeten en bijna moest overgeven.

‘Het is nu eb,’ verklaarde Janneck. ‘We binden Hindele vast aan de vierde strandpaal. Stevig vast. Met verse ijzerkelp.’

Jup fronste. ‘Maar als de vloed opkomt? Het water komt hoger dan de paal. Als Hindele…’

‘Ze zei dat de spinkrabben naar haar luisteren. Dat ze komen als ze hen roept. Die zullen haar ongetwijfeld komen redden.’ Hij keek Hindele aan. ‘Zo is het toch?’

‘Dat klopt.’ Ze had het gezworen, op de Herboren Aarde zelf. Het moest wel zo zijn. ‘Het is in orde, Jup. Ze zullen mij losmaken.’ Toen Jup bleef fronzen, zei ze: ‘Het is een test. Om te zien of ik genoeg in ze geloof.’ Ze geloofde het bijna zelf.

Hindele zag ze kleiner worden, de kinderen. Eerst streepjes halver­wege het strand, toen stipjes. Hindele wriggelde en kronkelde, maar het ijzerkelp gaf geen millimeter mee en als Janneck iets kon, was het wel knopen leggen.

Tijd verstreek. Duisternis smakte met tropische abruptheid uit de hemel omlaag en de maan rolde boven de horizon uit, een reusachtige volle maan en samen met de maan arriveerde de vloed.

Waarom komt de juf mij niet losmaken? Ze moeten me toch gemist hebben bij de avondtelling?

Maar nee, de andere kinderen hadden ongetwijfeld gelogen dat ze al naar huis was gegaan. Dat haar peettante of haar geboortemoeder haar om de een of andere reden opgehaald hadden. Als alle kinderen dat beweerden, zou de juf het vast niet natrekken.

Het water rees, spoelde over haar voeten, haar enkels, klom omhoog naar haar knieën.

Ze wist heel zeker dat het geen zin had om te roepen: geen spinkrab zou naar een leugenaarster luisteren, naar een rare opschepster.

Het water klotste al om haar middel toen ze brak.

‘Help me!’ schreeuwde ze. ‘Ik zal nooit meer opscheppen. Knip alsjeblieft mijn touwen door!’

‘We hoorden je,’ sprak een stem in haar hoofd. Een stem die niets menselijks had, vol gonzende diepzeeduisternis, maar ondanks dat vriendelijk. In ieder geval vriendelijker dan Janneck ooit geklonken had. ‘Je loog niet. We kunnen je al horen sinds je je eerste kreetje slaakte.’

Een schild, afgezet met scherpe pieken, brak door het water­oppervlak. Ogen op steeltjes richtten zich op, gepantserde spinnen­poten. Een tweede spinkrab verscheen, een derde.

‘Red mij!’ schreeuwde Hindele.

‘Dat is onze taak niet,’ antwoordde de stem. ‘We redden de Aarde. Wij herbouwen de koraalriffen. Wij hoeden de alen en sturen de stromen waarin de regenboogkwallen drijven.’

‘Maar ik kan jullie horen! Ik ben een spinkrabbentemster.’

‘Nog niet,’ zei de stem. ‘En nu waarschijnlijk nooit.’

De poten scharnierden omlaag en de schilden zonken eens te meer onder de zwarte, klotsende zee.

Het water kwam tot Hindeles nek toen er een lichtje op het strand aanknipte. Tante Lidwien stapte de zee op met haar waterlaarzen en snelde over de golven naar Hindeles paal. Een haal met haar lange sago-mes dat een palm kon omkappen en de kelpsnoeren braken.

Haar tante trok haar omhoog, legde haar over de schouder en wandelde over de golven terug naar het strand.

‘De krabben vroegen mij of ze het juiste hadden gedaan,’ zei haar tante. Ze zette Hindele op een rots neer, wreef over het kippenvel op haar armen. ‘Ik vertelde ze dat dit het geval was. Een leugenares die de naam van de Herboren Aarde ijdel gebruikt, verdient een watergraf. Dat kreeften het vlees van haar botten knippen, eh?’ Ze schudde haar hoofd. ‘En dat blijft waar. Alleen ben je mijn favoriete nichtje. Tja, behalve krabbentemster is peettante mijn tweede beroep.’

Hindele barstte in snikken uit. ‘Ik kon met hen praten, alleen heb ik alles nu verpest! Ik zal nooit een krabbentemster worden.’

Haar tante tuitte haar lippen. ‘Dat valt nog te bezien.’

 

 

3

Noordzee, 9 augustus 2220

Zevenduizend gasten en dat noemde Jacobs oom een informeel feestje. Oom Gulliver had zo’n beetje de halve wereld plus hun aanhang uitgenodigd. Jacob had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Ambassadeurs, zeeglas moguls, platina vloggers met een miljoen-plus volgelingen en daar stond zelfs een zilveren androïde van het Maan-AI collectief aan een glas Bernadette 2178 te nippen. Ook de helium­baronnen van Jupiter hadden hun uiteraard holografische afgevaar­digden gestuurd.

Een vloot van staatsiepaviljoens was aan elkaar gekoppeld tot één imposant drijvend eiland. Het hing zo’n honderd meter boven de plek waar eens Londen gelegen had.

Natuurlijk was het niet zomaar een feestje voor een favoriete neef. Dit was de gelegenheid bij uitstek om met de know how en technologie van de familie te pronken en zaken te doen. Mars was het nieuwe Beloofde Land van de drieëntwintigste eeuw. De eerste rivieren en zeeën begonnen al uit de permafrost omhoog te borrelen en het hele noordelijke halfrond zou een reusachtige oceaan worden. Behalve levende dijken bezat de familie al die eeuwenoude Hollandse kennis over waterhuishouding. Zoveel vreemde woorden die alleen de dijkenfluisteraars begrepen: afwateringskanalen, vaste dijken, duinen, slikken en schorren, stormvloedkeringen…

‘He, Jacob kijk niet zo benauwd. Mijn knappe neefje wordt maar één keer in zijn leven een dijkenfluisteraar en dat mag best gevierd worden.’

‘Ja, maar wat als…’ Jacob durfde het niet uit te spreken. Niet hardop tenminste.

Wat als de dijken mij niet accepteren? Mij gewoon wegwuiven met hun stalen zwempoten? Dan ga niet alleen ik af, maar de hele familie!

Oom Gulliver legde een hand op Jacobs schouder en kneep. ‘Maak je geen zorgen, neef, alles sal reg kommen. De dag dat ik dijkenfluisteraar werd, scheet ik zeven kleuren groen. En daar had ik meer reden voor dan jij. Bovendien, de dijken waren heus niet helemaal hierheen komen zwemmen als jij zo doof was als een zeekomkommer.’

Jacob keek naar buiten, naar de zonovergoten zee en de strakblauwe hemel. Drieëndertig levende dijken hadden zich bij de familie aan­gesloten, en degenen die konden, waren gekomen: achttien in totaal.

Een dijk in ruststand was absoluut indrukwekkend, maar ook redelijk saai: een massieve muur van geschakelde blazen, tot barstens toe volgezogen met water, in de bodem verankerd en voorzien van windmolens om energie op te wekken en het binnenwater weg te pompen. Naar behoefte kon een dijk zich uitstrekken tot meer dan honderd kilometer, en indien nodig hechtte het zich gewoon aan de staart van een andere dijk.

Maar een actieve dijk… Dat was een heel ander gezicht. Ze leken dan nog het meest op die Aziatische draken uit de antieke manga’s: een skelet van buigzame segmenten, tien, vijftien kilometer lang. In deze vorm waren de windmolens propellers die het immense lijf samen met de roeipoten voortstuwden.

‘Elke dijk is uniek en heeft een eigen persoonlijkheid,’ had oom Gulliver hem verteld toen ze aanlegden. ‘Je zal het straks zien, Jacob. Geen stem is hetzelfde en je kunt iedere dijk bovendien aan zijn manier van zwemmen herkennen.’

Nu laveerden ze als enorme zeeslangen rond het drijvende feesteiland, loom, totaal relaxed.

Jacob kreeg het gevoel dat hij ze al half kon horen, een soort van zoemen, nét onder de gehoorgrens. Niet met zijn oren, maar als een resonans in al zijn botten.

En ineens wist hij dat zijn oom gelijk had. Alles sal reg kommen. Ik word vandaag dijkenfluisteraar. Ik zal met de dijken kletsen als een gelijke, verloren land ontginnen en verzonken steden uit het kille slijk trekken.

In de familie was Jacob de enige dijkenfluisteraar van zijn generatie. Geen van zijn broers en zussen, neven of nichten had ook maar een spoor van talent en als de dijken met hen probeerden te praten, dan was het tegen dovemansoren.

Jacob voelde een grijns aan zijn mondhoeken trekken. ‘Kom maar op!’ riep hij naar de manoeuvrerende leviathans. ‘Ik ben er klaar voor!’

Alle gasten, plus uiteraard ontelbare toeschouwers in virt, keken toe hoe Jacob de voorplecht van de Johanna Maria besteeg. De eeuwenoude sleepboot was volgens de legende het eerste schip van het familiebedrijf en het werd alleen voor speciale gelegenheden uit het droogdok gelicht.

Het zonlicht hamerde op Jacobs gezicht en het dek deinde onder zijn voeten. Bij de Stella Maris, zo voelt het dus om een ware Hollander te zijn! Water, wind en zilt.

Ja, dat zit in mijn botten, diep in mijn genen.

Ze zeiden dat dit het mooiste moment van zijn leven was. Maar het zou nog beter worden! De opwinding deed zijn handen tintelen.

Hij greep de reling vast, rode korsten menie onder zijn vingers, en de grijsblauwe zee strekte zich voor hem uit. Jacob onderdrukte de neiging om dramatisch zijn armen te heffen. In plaats daarvan zette hij zijn ellebogen rustig op de reling en leunde wat naar voren. Dit moest hij helemaal zelf doen: de dijken uitnodigen.

‘Hallo?’

De zee naast de Johanna Maria borrelde ten antwoord. Een metalen vorm rees op en liet watervallen langs haar flanken omlaag dreunen. De kilometers lange ruggengraat was overdekt met iriserende membranen. Kleurig als keverschilden, ging het door Jacob heen.

Dijken bezaten geen kop, technisch gezien zelfs geen voor- of achterkant, maar voor Jacob was het ook helemaal niet nodig.

‘Gegroet, mens Jacob.’ De stem vulde zijn hoofd, massief, groots als een wolkenfront of een aanrollende vloedgolf. Er zat een smaak aan die stem, bitter en zilt als een hap zeewater. Het was een stem die Jacob uit duizenden herkende, ook al had hij hem maar een keer eerder gehoord. ‘Grisaert,’ rommelde de dijk, ‘noem mij Grisaert. Het is mijn geheime naam. Voor alle anderen ben ik Dijk 4598.’

‘Gegroet, dijk Grisaert,’ antwoordde Jacob geluidloos. ‘En gegroet jullie allemaal!’

In zijn hoofd kon hij ze nu zien en horen, alle levende dijken. ‘Bedankt. Zo fijn dat jullie mij accepteren. Ik hoop… ik hoop dat we goed kunnen samenwerken.’

‘Wij ook. Zullen we nu maar met de show beginnen?’

Dijken hadden zeker flair. Misschien zelfs humor?

‘Graag!’

Dit keer hief Jacob zijn armen wel.

Verder op zee, een kilometer of meer van het feesteiland, begon de zee te borrelen. Nee, boeren was een beter woord. Water kolkte en schuim spoot omhoog.

De donkere vorm van een massieve zeedijk dook op: twee aan elkaar gekoppelde dijken.

Eigenlijk waren de twee dijken al een halve dag geleden begonnen zich vol te pompen, maar nu braken ze dramatisch door het zeeoppervlak. Kreten van bewondering en applaus. Geen vuurwerk, zelfs geen scheepstoeters: de wilde zee was spektakel genoeg. Het feesteiland deinde niet eens toen de golven aanrolden. Grisaert die zich aan de onderkant vastklampte, zorgde voor stabiliteit.

‘Onze gift aan jou,’ sprak Grisaert. ‘Noem het je welkomstpremie. Je bent nu een van ons. Een bloedbroeder, een ziltwatermatroos bij wie de zee door de aderen stroomt.’

Grisaert projecteerde een beeld op Jacobs netvlies: de ringdijk. Daarbinnen werd de zee doorzichtig als glas.

In de diepte…

De gebouwen bleven grotendeels intact. Het water was heel geleidelijk gestegen, zo langzaam dat de ruiten hier en daar niet eens gebroken waren.

‘Het hart van het oude London, jongen. Windsor Castle, de Big Ben, noem maar op.’

‘En dat is voor mij?’

‘Beter dan een handvol goudstukken, eh? Allemaal.’

Het Verenigde Koninkrijk bestond uit een handvol armzalige eilanden en kon natuurlijk het lichten van hun historisch erfgoed nooit betalen. Er waren echter genoeg biljonairs die interesse hadden in historische gebouwen, zelfs als het om met kelp begroeide ruïnes ging. Misschien zou Windsor Castle uiteindelijk op Olympus Mons belanden, of het privé jachthuis worden van de Helvetische Keizer?

Ik ben rijk, ging het door Jacob heen. Schatrijk. Supervloggerrijk.

‘Maar daar moet je wel wat voor doen,’ zei Grisaert. ‘Als je ons trouw zweert, is het voor altijd.’

Later die avond, toen Jacob nog net nuchter genoeg was, nam oom Gulliver hem apart.

‘Vier vannacht feest, waarde neef. Kus de dames, gooi met slagroomtaarten en slaap morgen je roes uit. Overmorgen begint je leven als dijkenfluisteraar, in de Residentie.’

‘Overmorgen, ja!’ grijnsde Jacob. Overmorgen begon het leven waarvoor hij geboren was.

 

Het was wennen in de Residentie. Niet dat iemand ook maar een onaardig woord tegen Jacob sprak maar de andere fluisteraars, van alle andere dijkenfamilies, waren zo godvergeten oud. Je kon het zien aan de manier waarop ze liepen. Nee, niet beverig en onzeker zoals je van lieden zou verwachten waarvan er niet eentje jonger was dan honderdvijftig. Nee, eerder het omgekeerde. Ze bewogen zich zo soepel en zeker dat je wist dat struikelen ondenkbaar was. Ervaring telde: als ze in het antieke bruine cafe pijltjes wierpen, was elk schot er eentje in de roos. Snij willekeurig welk onderwerp aan en ze wisten er genoeg over om zelfs een wikipediasiri te verbeteren.

Maar het uitzicht vanaf het balkon was werkelijk magnifiek, dat moest Jacob toegeven: de Residentie lag bovenop de boeg van de Koningsdijk, de enige levende dijk die nooit zou rondkrullen tot een cirkel en in een polder veranderen. De dijk zwom als een zeeslang, kronkel na kronkel die moeiteloos door de golven glipte.

Jacob zoog de zeebries diep in zijn longen, ijskoud maar op de een of andere manier schoner dan op welke kust of polder ook. Dit is mijn thuis, ging het door hem heen, voor de rest van mijn leven. De fluiste­raars bestuurden dijken, stichtten nieuwe polders maar ze zouden de wallenkant nooit meer betreden. Dat was de deal: een lang, ongelooflijk lang en zeldzaam interessant leven in ruil voor de vaste grond onder je voeten.

 

De negende dag wekte zijn oom hem bij het ochtendgloren.

‘Hup, hup, mijn waarde vriend. Dit wil je niet missen!’

Jacob wrikte een oog open. ‘Wat missen?

‘De Vloot! Ze zeilen rakelings langs onze dijk.’

Het balkon keek uit over de grijze uitgestrektheid van de Atlantische oceaan. Zijn oom wees: ‘Daar tussen de cirrus. Zo hoog als wolken maar kunnen komen.’

Nu zag Jacob ze ook: kleurige vonken die de wind van de straalstroom vingen.

Honderden, duizenden vliegers laveerden tussen de uitgesmeerde windveren. Om van zo ver zichtbaar te zijn, moesten ze wijder dan voetbalvelden zijn.

Jacob knipperde de telescooplenzen over zijn oogbollen aan en de vliegers expandeerden tot ze zijn hele gezichtsveld vulden. Vlinders van gebrandschilderd glas en filigrain vlogen daar over, klapwiekende condors, logge manta-roggen.

‘Zo zien ze er niet echt uit,’ doceerde zijn oom. ‘Het zijn maar hologrammen. Elke vlieger is min of meer zeshoekig hoewel zij honderden zijvinnen en hoogteroeren heeft.’

‘Zo mooi,’ fluisterde Jacob. Het leek een visioen, iets uit een hogere wereld of een prachtige droom.

‘Ja,’ zei zijn oom, ‘bijna even mooi als een dijk.’ En meteen voelde Jacob zich terechtgewezen, alsof hij een faux pas had begaan, disloyaal was geweest.

Zijn oom tuitte zijn lippen. ‘Ik drukte mij ietwat onhandig uit. De Vloot en de Dijken, samen zijn ze Nederland. Elk magnifiek op zijn eigen manier en onmisbaar. Als de koningin en haar koning, eh? Als Giselle en Juriaan.’

Ongehaast hesen de mastloze parelmoerschepen zich boven de horizon uit: rompen met twee dozijn verdiepingen en spitse voorstevens, zee-ijzeren armen met wapperende netten om kelp uit de zee te vissen en elders te herplanten. In hun kielzog dartelden reuzendolfijnen en spoten bultruggen. Wolken albatrossen en skua’s zwierden als mistflarden boven de dekken.

‘Elk schip begon als het slakkenhuis van een kinkhoorn,’ doceerde zijn oom.

‘Vierdubbele chromosomen laten het doorgroeien tot het werkelijk gigantisch is. De slak verdikt zich tot een brein in de boeg en dat wordt hun wiki. Honderd procent organisch en uniek.’

De Vloot was reusachtig: het duurde een volle dag voor ze de dijk langsgetrokken waren.

‘Waar gaan ze naartoe?’ vroeg Jacob.

Zijn oom klakte met zijn tong. ‘Naar waar ze nodig zijn. Net als wij.’

Jacob keek het laatste schip na tot de zeenevels het opslokten. Als Giselle en haar Juriaan, had zijn oom gezegd. Op de een of andere manier klonk dat juist. De Vloot was onmiskenbaar vrouwelijk, de tegenpool van Jacobs broeders, de dijken.

Een onbenoembare emotie steeg op, als een brok in de keel die niet weg te slikken viel. Verlangen? Hunkering?

Ik wil met de Vloot meezeilen. De dijken zijn mijn bloedbroeders maar de Vloot is mijn bruid. De vrouw die ik moet veroveren, wil ik ooit compleet worden.

‘Zo’n ambitie,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘Niet dat wij iets tegen een mooi vlootprinsesje hebben. Zolang je je kostelijke genen maar niet weggooit.’

‘Alleen als haar chromosomen kloppen, krijg ik jullie zegen?’

‘Krek zo. Maak een nest nieuwe dijkenfluisteraars en wij geven jullie, eh, Napels als bruidschat?’

 

 

4

Australian Inland sea, 12 september 2220

 

Het strand boog zich links en rechts naar kapen van afgeronde zandsteen.

‘Tante Lidwien,’ zei Hindele. ‘Dit is hetzelfde strand! Waar ze mij aan een paal bonden.’

‘En de krabben voor het eerst tegen je spraken. Mooi symbolisch toch?’ Ze vouwde haar armen over haar formidabele borsten. ‘Het is een vrij eenvoudige test, liefje. Spinkrabben luisteren enkel en alleen naar een temmer.’

‘Ja?’

‘Kijk, ze duiken uit de zee op en stormen het strand op. Met klik­kende scharen, ja.

‘Net als in dat kinderliedje.’

‘“Met klikkende scharen en knarsende mondstukken” bedoel je? “En ze lieten enkel Jolanda’s schedel over”?’

‘Dat liedje. Hun kaken zijn gemodificeerd zodat ze zelfs een kokos­noot kunnen kraken. Zij stuiven het strand dus op en jij spreekt ze aan. Je noemt je Temmer en Koningin. Ze zijn diep matriarchaal en gehoorzamen een leidster onvoorwaardelijk.’

‘Ik snap het. Ik spreek ze aan. Ik noem mij hun koningin en als zij niet toestemmen, verscheuren ze mij?’

‘Zeker. Met gemak, want erg veel schild heb je niet.’

‘Krijg ik geen wapen?’

‘Een temmer heeft geen wapen nodig.’

‘Ik weet niet…’ begon Hindele en toen zag ze de eerste spitse kop uit de blauwe zee opduiken. Ze hief een hand op en liet die meteen weer zakken. Ik kom in vrede is niet de juiste boodschap als je een zwerm mensenetende monsters wilt temmen.

Ze balde haar vuisten, stak haar kin naar voren.

‘Hindele is mijn naam!’ dacht ze zo luid mogelijk. ‘Ik ben jullie godvergeten koningin! Buig voor mij!’

Er volgde een afschuwelijk uitgerekt moment dat zeker drie seconden geduurd moest hebben. Meer dan genoeg tijd om een dozijn duistere gedachten voorbij te laten flitsen. Overwegingen als: Maar een op de duizend zeenomaden kan een spinkrabbenstem horen. Maar een op de twintigduizend heeft genoeg talent om werkelijk een temmer te worden.

De voorste krab hief haar nachtmerrieachtige kop, rolde zich op haar rugschild en trok haar poten krampachtig samen, als een stervende spin.

Niet meteen een buiging, maar het is goed genoeg. Ze liet haar armen zakken. Ik ben dus een temmer. Geen hapje tussendoor. Goed om te weten.

Pas een uur later, toen ze de deur van haar kajuit achter zich had dichtgetrokken, barstte Hindele in snikken uit.

 

 

5

14 april 2223, Nieuwe Saragossa-zee

 

Mijn eerste echte job!

Jacob stond met gesloten ogen op het voorsteven van de Onverschrokken Jutter, het werkschip dat de komende weken zijn thuis zou worden.

Niemand van de bemanning waagde het zijn concentratie te verstoren: hij was per slot van rekening de dijkenfluisteraar, de belangrijkste persoon aan boord. Maar uniek en onvervangbaar of niet, hij sliep in dezelfde stapelbedden als de rest van de bemanning en at gewoon mee in de mess. Tijdens werktijd werd er gewerkt en op een Hollandse schuit was er geen ruimte voor kletskoek als bontgevoerde ligstoelen en gouden borden.

Over Jacobs netvlies trok de bodem onder het schip voorbij: de input van duizenden sensoren in de kiel. Grisaert ordende ze netjes voor Jacob. Hij wees hier het wrak van een antiek vliegtuig aan, daar een kudde potvissen en tekende de zeestromen uit in warm roze en killer blauw. Na zijn verblijf op de statige Koningsdijk begreep Jacob dat Grisaert piepjong moest zijn. De dijk was nog nieuwsgierig, watervlug, en meer dan een tikje eigengereid. De klik die er vanaf het begin was geweest, klonk nog steeds door. Fluisteraar en dijk: kameraden voor het leven.

Hoopte Jacob.

´Niet veel soeps hier,´ merkte Grisaert op. ‘Geen idee waarom Groot Nippon nu net hier een eiland wenst. Er zijn toch zat betere plekken voor hun wandelende steden?

Dichter bij Japan ook. Zeg nu zelf: nergens een mooie verdronken haven, geen velden met mangaanknollen, niks.’

De Japanners hadden het probleem van het stijgende water opgelost door hun steden op gigantische mechs te monteren. Ongehaast banjerden die door de ondiepere stukken van de oceanen, op zoek naar nieuwe grondstoffen.

‘Ze betalen altijd op tijd en wij vangen onze commissie,’ antwoordde Jacob. ‘En tien procent van een stuk met een stalen stad erop, is toch een goede deal? Alleen al de rioolrechten leveren ons een vermogen op.’

‘Met andere woorden, “Niet zeuren, maar pompen”?’

‘En vlot een beetje!’ zei Jacob, gevolgd door een stoot smileys. ‘Heb je tijdens al dat koekeloeren nog ordentelijke ankergrond gevonden? Ik zie daar in het westen een veelbelovende richel gneiss.’

‘Gneiss!’ De dijk snoof. ‘Geef mij maar graniet. Als ik op mijn kont ga zitten, dan graag op wat…’

Een hoog prioriteitssignaal knipperde. Oom Gulliver aan het logo te zien.

‘Momentje, Grisaert. Mijn oom, deze moet ik opnemen.’

‘No problemo.’

‘Oom?’ zei Jacob.

In plaats van zijn oude zeemanstrui en pet had oom Gulliver zich in zijn statieuniform gehesen: een zijden kaftan, afgezet met haardun goudstiksel. In zijn linkeroor droeg hij een knots van een zwarte parel. Officiëler kon amper.

‘Jacob, hallo. Nog bijzonderheden? Hoe verloopt je eerste soloklus?’

‘Alles goed hier,’ antwoordde Jacob. Hij was meteen op zijn hoede. Oom Gulliver zou echt geen hoog prioriteitsignaal versturen als het om prietpraat ging.

Gulliver leek zijn gedachten te lezen. ‘Ik zal ter zake komen. Jacob, ik heb je als ambassadeur nodig. Voor de Vloot. Ze hebben wat bedenkingen tegen de polder die je gaat aanleggen. Nu zit ik tot over mijn oren in die klus op de noordpool. Ik kan met geen mogelijkheid tijd vrij maken, nog geen uur. Maar het moet wel iemand van de familie zijn.’

Vrij vertaald: de zaak is behoorlijk dringend maar niet belangrijk genoeg om zelf af te handelen. Een mooi klusje voor Jacob en dan doet hij meteen wat ervaring op.

‘No problemo,’ echode Jacob zijn dijk. Beter dan no problemo. Sinds de Vloot langsvoer had hij hun schepen dolgraag willen bezoeken.

‘Wat hebben ze precies tegen de nieuwe polder? We pakken het volkomen Gaiavriendelijk aan. Zoals altijd.’

Oom schoof Jacob een bestand toe. ‘Het staat hier allemaal in. Vaar erheen en haal ze van ons dak. Die polder moet er absoluut komen, Jacob. We kunnen Groot Nippon onmogelijk als klant verliezen. Bied die zeenomaden een redelijke vergoeding, of desnoods een idioot gulle. Maar wat er ook gebeurt, die dijk wordt gelegd. Daarover valt niet te onderhandelen.’

‘Dat gaat wel lukken, oom. Ik bekijk de boel en stuur de dijk naar hun locatie.’

‘Ze komen naar jou toe, en hou Grisaert alsjeblieft uit het zicht. Een levende dijk kan te eenvoudig als provocatie gezien worden. Sommige zeenomaden zweren bij biotechnologie en moeten niets weten van onze machines. Bovendien geeft een dijk een signaal dat we dit de hoogste prioriteit geven. Dat versterkt hun onderhandelingspositie. We nemen hun protest uiteraard serieus, maar wel binnen zekere grenzen.’

‘Vanzelfsprekend.’ Verdorie, dat had ik zelf moeten bedenken. Laat ik om te beginnen eens uitzoeken wat de Vloot precies wil. Pas als je in de ziel van een klant kijkt, kan je de diepte van zijn portemonnee peilen.

 

 

De Onverschrokken Jutter bleef natuurlijk een werkschip, maar glans­platen van regenboogmica en fier wapperende vaandels had je binnen een paar uur geprint.

Tegen de tijd dat de Vloot Jacobs schip ontmoette, kon het zich bijna meten met de parelmoeren schepen.

De armada van schepen was van dichtbij nog indrukwekkender dan Jacob had verwacht. De Vloot was bij het passeren een visioen geweest, delicaat bijna. Dit had niets kwetsbaars. Het mocht dan louter bio­technologie zijn, alles gegroeid en niets geconstrueerd, maar er viel niks wrakkigs of ondermaats aan te ontdekken.

Organische zeekastelen kliefden trots en statig door het water. Dolfijnen en bultruggen volgden in hun kielzog. En daar, die enorme fontein, dat moest een blauwe vinvis zijn! Hij voelde een steek van pure opwinding, van fanverering. Jacob was een kenner: hij had alle bekende echoballades van de machtige zeezoogdieren honderden malen beluisterd.

Hij zoomde in op het vlaggenschip: een legpuzzel van kreeften­kweekkkooien en kwallenaquariums doemde op, van tuinen, kranen en droogdokken.

Ieder schip was volledig zelfvoorzienend, wist Jacob. De zeenomaden gaven steevast meer terug aan Gaia dan ze namen. Die biotechnologie was verdomde mooi – en handig – en iedere dijkenfamilie zou er honderd keer zijn jaarwinst voor over hebben om dat in handen te krijgen. De Vloot duldde echter geen pottenkijkers en ze verkochten hun geheimen nooit. En gelijk hadden ze. Hoe wij onze levende dijken printen en er mee werken, vertellen wij ook aan niemand.

 

Toen het vlaggenschip naast de werkboot tot stilstand kwam, riep Jacob de foto en het CV van zijn tegenhangster nog een keer op. Hindele. Oké, best wel jong, maar ze zullen ook geen giechelende bakvis op mij afsturen. Dit is waarschijnlijk de op een na belangrijkste vrouw van hun vloot. Hun Jacob. Een spinnentemster is te vergelijken met een dijkenfluisteraar. Nou ja, een beetje dan. Levende dijken zijn reteslimme machines en die spinkrabben enkel opgevoerde beesten.

De onderhandelingen vonden plaats op het vlaggeschip van de Vloot: een elegante parelmoeren vinvis-romp die bestond uit twaalf gekoppelde kinkhoorns. Het vaartuig was meer dan drie kilometer lang en tachtig meter hoog. Dit was het Heilige der Heiligen: Hier kwamen de admiraals en kapiteins van de Vloot bijeen, werden verdragen gesloten en ambassadeurs van de wallenkant ontvangen.

Louter het feit dat Jacob juist hier was uitgenodigd, bewees hoe hoog de Vloot de aanleg van de nieuwe dijk opnam. Dat hij ook nog eens hun numero uno spinkrabbentemster tegenover zich vond, was als een vergulde kers op een platina taart.

Ik ben benieuwd. Jacob checkte zijn donkerblauwe uniform met gouden knopen voor de laatste keer. Natuurlijk was alles piekfijn in orde. De vouw in zijn broek was nog steeds messcherp, zijn schoenen blonken. Hij trok zijn pet recht en onderdrukte de plotselinge aandrang tot plassen.

Hij grijnsde. Zenuwen waren goed, dat maakte hem enkel alerter.

 

De spinkrabbentemster van de Vloot bleek allesbehalve een giechelende bakvis.

Slim, ontwapenend, grappig? O ja. Ja op alles. Ze pakte spontaan zijn hand vast en keek hem recht aan.

‘Vind je het goed dat ik Jacob zeg? Dan kan je mij gewoon Hindele noemen, ja?

Dat is wel zo prettig, Beter toch dan geëerde dijkenfluisteraar of doorluchtige krabbendame?’

Haar Nederlands was meer dan uitstekend maar had een exotisch tintje. Blond haar, door de zon tot ivoorwit gebleekt. Groene ogen. Een beweeglijk gezicht, beslist niet conventioneel mooi maar eindeloos fascinerend. Alsof ik naar dansende zonnevlekjes in ondiep water kijk. Stop! Ik ben hier om zaken te doen. Niet om te flirten. Hoewel, wat doet zij anders? Hij wendde zijn blik af, tuurde naar zijn schoenpunten. Zaken gaan voor het meisje. En ik ben hier voor zaken. Hij zag oom Gulliver voor zich, zijn gezicht op onweer, zijn vinger bestraffend opgeheven. Je bent geen puber meer, Jacob, je bent een dijken­fluisteraar! Je vertegenwoordigt de familie. Zoiets.

Jacob dwong zichzelf te concentreren op Hindele’s betoog.

‘O, ik snap jullie argumenten best. Groot Nippon denkt volgens het internationale landreclameringsverdrag van 2185 het recht te hebben zich hier te vestigen. Maar wij vechten dat aan bij het Internationale Gerechtshof in Bhutan. Het enige wat wij vragen is dat jullie met die dijk wachten tot er een uitspraak is.’

‘De traagheid van hun rechters is berucht,’ protesteerde Jacob. ‘Allemaal heilige mannen in oranje gewaden. Een uitspraak kan makkelijk tien jaar op zich laten wachten. Sorry, wij kunnen het ons niet veroorloven om tien jaar te wachten, en Groot Nippon al helemaal niet. Sinds ze hun immigratiebeleid versoepelden, zitten ze met de snelst groeiende bevolking op de planeet.’

Hindele keek Jacob aan. ‘Groot Nippon. Een nieuw eiland is een druppel op de gloeiende plaat. Waarom denk je dat ze juist hier, op deze plek, een polder willen hebben?’

Precies wat wij ons ook al afvroegen. ‘Waarom niet? Deze plek is ondiep genoeg en er zitten geen claims op. Niet alle stukken van Groot Nippon hoeven in de buurt van de Japanse archipel te liggen. De Verenigde Nederlanden strekken zich ook uit over de hele wereld, en de Vloot ziet iedere oceaan als haar thuis.’

‘Ik laat je zien wat er speelt,’ sprak Hindele. Uit haar frons begreep Jacob dat het geen makkelijk besluit was. ‘Heb je wel eens met kunstkieuwen gedoken, Jacob?’ Ze keek hem vragend aan.

Jacob grijnsde terug. ‘Zeg, je hebt het wel tegen een Hollander, hoor! Geen Helvetische jodelaar. Ik zwem al sinds mijn vierde jaar met kieuwen. Van de kokende zee boven IJsland tot en met de maelstrom van Bangkok.’

‘Je bent misschien een beetje laat begonnen,’ zei Hindele met een stalen gezicht.

‘Wij trekken een baby in de vierde maand een kieuw aan en mikken haar in de zee. Vooruit dan maar, we wagen het erop.’ Ze legde haar hand op zijn arm, kneep. Haar glimlach was verblindend.

Ze zit met me te flirten! Nu weet ik het zeker!

 

Tachtig meter was niet bijster diep, en Jacob’s lenzen en de andere opgevoerde zintuigen verschaften hem een prima zicht.

Hindele en hij zwommen boven een kaal plateau: de top van een verdronken berg die waarschijnlijk nooit boven zee had uitgestoken. Hier en daar waren vissen zichtbaar en Jacob wist dat Grisaert ergens in de buurt moest rondhangen. Ver genoeg om niet op de sonar te registreren, maar dichtbij genoeg voor dijkenspraak.

‘Romantisch hoor, duiken met zo’n zeemeermin,’ zei Grisaert..

‘Zeg, zit niet zo te zuigen, jij opgevoerde waterduizendpoot. Dit is puur zakelijk.’

Grisaert snaterde, zeker even honend als een dolfijn.

‘Zei je wat?’ vroeg Hindele. Ze droeg een groen geschubde bodysuit. Haar helm was van gelatine die haar hoofd in een lillende bel omsloot.

Jacob droeg zijn oude, vertrouwde duikpak dat hij jaren geleden had geprint en sindsdien eindeloos had getweakt en verbeterd.

Ai, subvocaliseerde ik dat?

‘Ik zat te mompelen,’ improviseerde Jacob. ‘Ik maakte een aan­tekening. Maar wat wilde je mij laten zien?’

‘Kun je inzoomen? Kijk eens naar het zuidwesten. Op zeven uur.’

Een eindeloze colonne spinkrabben kwam vanuit de smaragdkleurige schemering aangemarcheerd. Een nachtmerrieleger met steltpoten en knijpscharen, getooid met een bos zwiepende ogen op steeltjes.

Ik ben vast de eerste dijker die ze van zo dichtbij ziet. De Vloot barricadeerde ieder gebied waar de krabben werkten. Dit waren de levende machines van de Vloot. Met de opgevoerde spinkrabben plantten de temmers hun kelpwouden, bouwden ze koraalriffen, schoonden ze vervuilde bodems op. Zonder de krabben was de Vloot weinig meer dan een stelletje biotech zwervers. Met de spinkrabben werd Hoeders van de Oceanen een allerminst lege titel.

Ergens net tegen Jacob’s gehoorgrens aan klonk het gegons van duizenden raspende kaken. Heel anders dan het diepe gebrom van de dijken, maar toch op de een of andere manier precies hetzelfde.

Curieus.

‘Dat zijn mijn spinkrabben,’ zei Hindele en er klonk gepaste trots in haar stem door.

‘Ik ben een van de twaalf mensen die hen kan horen en direct met hen kan spreken. Het is een zeer zeldzaam talent. Een beetje als jouw gave om met jullie machines te praten. Alhoewel dat natuurlijk maar technologie is. Natuurlijk wel behoorlijk geavanceerde technologie, ja.’

Jacob moest een glimlach onderdrukken. Jij denkt net zo over jouw krabben als ik over mijn dijken…

De colonne kwam dichterbij, evenals het gezoem in zijn hoofd. Jacob hoorde nu stemmen, voelde tienduizenden onafhankelijke gedachten, begon stromingen, temperaturen, bodemdichtheid en honderden andere gewaarwoordingen te ontvangen.

Het was chaotisch en redelijk bizar gecodeerd, maar na een paar tellen begon hij de informatiestromen toch te ontcijferen.

Ik hoor die spinkrabben. Niet alleen horen, ook begrijpen. Net als de levende dijken. Ik… Hij keek naar Hindele. Ze had duidelijk niets door.

Hij opende zijn mond. Sloot die weer.

‘Hoi, ik kan de gedachten van jullie heilige spinkrabben horen, leuk he?’

Nee, dat zou helemaal niet goed vallen. De politieke gevolgen waren niet te overzien. Hij zou niet alleen Hindele onsterfelijk beledigen, maar de complete Vloot.

Het zou zelfs op oorlog kunnen uitdraaien. De Vloot was een trots slag mensen: zulk gezichtsverlies was onvergeeflijk.

‘Indrukwekkend, niet?’ zei Hindele. Ze gebaarde naar de colonne. ‘En dat is nou precies de reden waarom Groot Nippon hier een eiland wil hebben. De berg is het paringsgebied van onze spinkrabben. Als ze hier een eiland neerplempen, komt er geen nieuwe generatie spinkrabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Daar zijn ze heel rigide in. Geen paringsberg, dan ook geen eieren. Denk aan zalmen: die kun je ook niet vertellen maar een andere rivier in te zwemmen als ze op een stuw stuiten.’

‘De Japanners moeten dit toch weten?’ zei Jacob. Waarom stond dit niet in het dossier van oom Gulliver? Dat is een idiote blunder! Iemand heeft zitten slapen.

Hindele knikte. ‘Zeker, maar de stille visserijoorlog tussen Groot Nippon en de Vloot is al anderhalve eeuw gaande. Ze jagen nog steeds op walvissen. Wij greenpeacen ze daarin zo veel mogelijk. Juridisch, maar ook regelrecht. Zij hopen ons in het hart te treffen door ons de spinkrabben af te nemen.’

‘Dit is dus eigenlijk heilige grond voor jullie?’

Het vlootmeisje keek hem aan met haar indringende groene ogen. ‘Ja en nee. Wij zijn de Vloot, wij claimen geen enkel deel van Gaia. Dat is niet onze rol in het grotere geheel. Maar wij hebben wel enorm veel… respect voor deze plek. Wij… We hebben deze berg even hard nodig als de spinkrabben. Kom, ik ga je iets tonen dat geen buitenstaander ooit mocht zien. Ik wil dat je begrijpt hoe belangrijk dit voor ons is. Kan ik je vertrouwen?’

‘Ja.’

Ze deden allang geen zaken meer op de normale manier, wist Jacob. Dit had niets van doen met winst en contracten of mogelijkheden. Dit was als een lang uitgestelde paringsdans. Een tussen de Vloot en de Dijkers. Dit ging om eer en geloof, om wederzijds vertrouwen.

‘Kom.’ Ze wenkte hem als een mythische zeemeermin, keek om. Volg mij. Volg mij naar de diepte, mijn lief.

Jacob dook achter het zeegroene meisje aan. Honderd meter, honderdvijftig. Al het licht ebde weg en Jacob ging op sonar over.

Een woud van schelpen bedekte de zuidflank van het plateau. Het waren doopvontschelpen vertelde zijn Siri hem: gigantische en genetisch gemodificeerd voor deze diepte. Het waren er duizenden en duizenden.

‘Dit is ons kostbaarste bezit, van mij en van iedereen in de Vloot. Wanneer een kind wordt geboren, zetten we hier een schelp uit die doorweven is met haar persoonlijke DNA. Die schelp symboliseert onze band met het water. Wij zijn er mee verbonden en tijdens bepaalde belangrijke momenten in ons leven, bezoeken wij onze levensschelp. En als we sterven…’ Inmiddels zwommen ze tussen de schelpen door: een doolhof van gestapelde schelpen.

‘Dan wordt die schelp jullie grafsteen,’ begreep Jacob. ‘Jullie geven jezelf weer terug aan Gaia. Ik voel mij enorm vereerd dat je mij dit laat zien, Hindele. Ik zal je vertrouwen niet beschamen. Op mijn woord als dijkenfluisteraar.’

‘Dat weet ik. Ik voel dat ik je kan vertrouwen.’

De intensiteit van de gevoelens deed bijna pijn, maar dit was zo ontzettend mooi. Hindele had hem het grootste geschenk gegeven wat ze kon bedenken. Hij kon niet anders dan haar ter wille zijn. Er zou hier geen eiland komen. Geen dijk zou op dit plateau rusten, en al helemaal geen stinkende robotstad.

In stilte zwommen ze verder totdat Hindele halt hield bij een van de schelpen. Ze legde haar handen op de schelp, op de een of andere manier een heel intiem gebaar. ‘Onze schelpen kunnen we verplaatsen, maar er is geen andere geschikte broedplaats voor de spinkrabben.’

‘Maak je geen zorgen, ik zal…’

De schelp opende zich.

In het hart van de schelp, in een nest van blauw satijn, glom een parel, zeven keer groter dan een voetbal. De globe gloeide, beelden flakkerden op in het binnenste: Hindeles gezicht, mooi en sereen als wuivende kelp, toen trots en uitdagend als een jonge zeegodin. Meer beelden: een kraaiende baby, een kleuter-Hindele die joelend op de rug van een dolfijn reed, een giechelmeisje met pas uitbottende borstjes die een octopus optilde en recht op zijn rimpelhoofd kuste, maar vreemd genoeg dook nu ook zijn eigen gezicht op. Twee keer, drie keer.

De parel is een biocomputer. Een kunstbrein van parelmoer, die al haar mooiste herinneringen bewaart. Jacob keek naar Hindele en het compliment dat op zijn lippen lag, stierf in zijn mond. Het gezicht van de krabbentemster was vertrokken van ontzetting en toen van woede. Ik heb iets gezien dat nooit voor mij bedoeld was.

‘Mijn zielenbeeld. Jij… ik… Je zag mijn zielenbeeld! We vertrekken. Nu.’ Haar stem trilde, maar had een ondertoon van staal. Ze was boos. O, wat was ze boos!

Woedend. Laaiend.

Er was iets gebroken. De band die ze hadden, lag plots in duizend stukken.

‘Ik…’ begon Jacob.

‘We. Gaan. Weg. Nu.’

Terwijl ze zwijgend naar boven zwommen, keek Jacob nog een keer om. Hindele’s schelp had zich inmiddels weer gesloten, met de parel in zijn binnenste. Zielenbeeld.

Het was in ieder geval een toepasselijke naam.

Ze smeet hem nog net niet overboord, maar het scheelde niet veel. Eenmaal terug op het vlaggenschip beende Hindele weg, haar rug zo recht alsof er een bezemsteel door haar ruggengraat gestoken was.

Jacob keerde terug naar de Onverschrokken Jutter.

‘En, wat gaat deze plek ons kosten?’ informeerde Grisaert. ‘Wanneer kan ik beginnen?’

‘We pakken de hele santekraam in. Er komt hier geen eiland.’

De verbazing van de jonge levende dijk was duidelijk te voelen. ‘Niet? Oh, dat zal je oom niet leuk vinden, Jacob.’

‘We hebben geen keus,’ sprak Jacob. Beelden rolden door zijn hoofd: de colonne van spinkrabben, het woud van reuzenschelpen maar vooral Hindele’s gezicht.

‘Als de grote fluisteraar Jacob het zegt. Ik ben immers alleen maar een opgevoerde waterduizendpoot? Toch? Sahib, meester?’

‘Ja ja.’ Een idee kwam bij Jacob boven. ‘Zeg, Grisaert, zie je die spin­krabben over het plateau klimmen?’

‘Hm ja?’ Een sonarbeeld van de colonne verscheen in Jacob’s hoofd.

‘Kan jij ze horen? Net zoals je mij en oom Gulliver hoort, of de andere dijken?’

‘Die beesten? Nee, natuurlijk niet.’ De dijk was er heel stellig in. ‘Waarom?’

‘Ik vroeg mij af of hun spinkrabbentemster op dezelfde manier communiceert met de krabben zoals jij en ik.’

De dijk snoof digitaal. ‘Je hoeft niet beledigend te worden! Die spinkrabben zijn niks anders dan dieren. Een stel bio-drones. Wij dijken zijn van een aanzienlijk hogere orde, hoor.’

‘Ik weet het,’ haastte Jacob zich te zeggen. Aan een nukkige dijk had hij niks. ‘Het was zomaar een gedachte.’

Jacob verbrak de verbinding met Grisaert. De aanwezigheid van de dijk verdween.

De tienduizend raspende stemmen van de spinkrabben bleven echter doormompelen.

 

 

6

De nacht van 14 op 15 april 2223, het vlaggenschip van de Vloot

 

Hindele had eerder vriendjes gehad. Maagd blijven tot je huwelijks­nacht mocht een grote hit zijn op de meer achterlijke stukken van de wallenkant, in de Vloot vonden ze dat belachelijk. Er waren echter andere taboes. Je liet je zielenbeeld enkel zien aan de liefde van je leven, mannelijk of vrouwelijk, en dat pas na een jaar of tien.

Hij zag mij. Hij zag alles wat ik was. Mijn diepste en kostbaarste geheimen. Ze balde haar vuisten, ontspande ze weer. Maar ik heb hem niet tegengehouden.

Het gebeurde te abrupt! Ik had nooit verwacht…

Zoveel stemmen in haar hoofd!

Nee, je liet hem gewoon door. Je toonde hem zelf je geheime schelp. De manier waarop hij naar je keek, ja? Dat beviel je best. Zo’n exotische jongen die naar je staarde alsof je een prinses uit een oud verhaal was.

Die stem stond duidelijk aan de kant van de fluisterjongen.

Hij stuurde zijn dijk weg. Zo maar. Omdat je het vroeg.

Nee, ik overtuigde hem. Hij begreep hoe belangrijk de trektocht van de spinkrabben was.

Hah, jouw mooie groene ogen overtuigden hem!

‘Hindele, ik vroeg je iets.’ De stem van haar tante rukte haar weg uit haar eigen tollende gedachten.

‘Eh, wat?’

Het was alsof de omgeving uit een grijze mist opdoemde. De bamboe­muren, de schriftrollen met de wetten van de Vloot, een rij maskers van mosselparelmoer die door eerdere admiraals gedragen werden.

Ik sta in de rechtszaal, in de Kamer der Waarheid en ik heb alle­machtig veel uit te leggen. O, heilige vader Cousteau, tante draagt zelf een parelmoeren masker! Dit is serieus.

‘Hij stuurde de dijk weg,’ zei haar tante. ‘Wat beloofde je hem als tegenprestatie?’

‘Eh, niets.’

De schouders van haar tante zakten omlaag. ‘En jij liet dat zomaar gebeuren? Je protesteerde niet?’ Ze rukte haar masker af en smeet het op de vloer. ‘Jij absolute idiote! Besef je niet wat je gedaan hebt? Nu kunnen ze letterlijk alles van ons vragen! En wij moeten instemmen. Een blanco cheque.’

‘Maar…’

‘Ga uit mijn ogen. Voor ik je nek omdraai als een kakelende kip!’

 

Het vlaggenschip was groter dan een 21ste eeuwse watertanker maar met haar tante aan boord, voelde het echter even benauwd als een rubberbootje. Ten slotte belandde Hindele als vanzelf in het kapelletje op de achterplecht.

In de wrakhouten deurpost stond de oude spreuk gebeiteld: ‘Volgend jaar in Rotterdam’. Bijna een eeuw lang was dat de hartenwens geweest die de gevluchte Nederlanders op Dijkbrekersdag uitspraken als ze een glas IJsselwijn hieven.

Toen de dijken definitief wegspoelden in de Derde Tsunami, was de helft van de Nederlanders de zee opgevaren in duizenden opgekale­faterde olietankers en vlotten van piepschuim. De anderen waren naar het hogere land gevlucht: eerst naar de Hondsrug en toen het stijgende water ook Amersfoort verzwolg, naar de Ardennen en de verlaten dorpjes van Noord-Frankrijk. Toen ze terugkeerden was het als dijkenfluisteraars.

Hindele mompelde de heilwens en de deur zwaaide automatisch open. Achterin stonden de twee beelden van de enige goden die de Vloot vereerde.

Maryam de Stella Maris en de Troost der Zeevaarders zat hand in hand met haar echtgenoot, sint Cousteau. Maryam droeg een blauwe mantel en gouden zeesterren in haar lokken, terwijl sint Cousteau een antieke koperen duikhelm had opgezet. Het net over zijn schouder had mazen die wijd genoeg waren om ondermaatse visjes te laten ontsnappen.

Hindele knielde, slikte, en fluisterde toen: ‘Moeder Maryam, ik heb iets heel doms gedaan.’

De ogen van het beeld lichtten op. ‘En wat dan wel, mijn dochter?’

‘Spreek vrijuit,’ zei sint Cousteau. ‘Niets kan onze oren doen tuiten. Wij hebben elke menselijk dwaasheid een miljoen keer gehoord.’

‘En een miljoen keer vergeven,’ voegde Maryam toe.

‘Maar dit is echt heel erg,’ zei Hindele en vertelde wat ze gedaan had.

Het bleef even stil.

‘Ai,’ zei Maryam.’

‘Dat was echt zeldzaam stom,’ concludeerde Cousteau.

Tranen prikten in Hindeles ooghoeken. ‘Wat moet ik doen? Over de railing springen?‘ Ze knikte. ‘Ja, dan heeft niemand meer last van mij. Als ik dood ben, kan tante zeggen dat de Vloot er niets mee te maken heeft.’

‘In zee springen en je lijf aan de sardines geven, kan altijd nog,’ zei Maryam. ‘Nee, je tante is een intelligente vrouw.’

‘Beter dan intelligent,’ knikte sint Cousteau. ‘Sluw. Doe precies wat je tante zegt. Dan komt alles goed.’

‘Echt?’

Het licht in de ogen van de beelden was echter gedoofd en Hindele begreep dat ze nu naar andere smekelingen luisterden. Meer raad kreeg ze niet. Doe precies wat je tante zegt.

 

Een klop op de deur van haar kajuit. Hindele trok het kussen over haar hoofd. Het was verdacht vochtig, alsof ze had liggen huilen, wat natuurlijk ondenkbaar was.

‘Ga weg! Ik wil met niemand praten.’

‘Maar ik wel met jou. Doe open, Hindele. Nu meteen!’

Mijn tante. Doe alles wat ze zegt, raadde sint Cousteau mij aan. Nee, niet aanraden, bevelen, en een god spreek je niet tegen.

‘Ik kom al.’ Haar eigen stem schokte haar. Ik klink als een verwende kleuter.

Ze trok de deur open. Haar tante droeg nog steeds haar admiraals­masker en Hindele begreep dat het nog niet voorbij was. Dat ze tot over haar oren in de rotte vissenkoppen zat.

‘Ja?’

‘Ik heb nog eens nagedacht. Met de andere kapiteins gesproken.’

Met de andere kapiteins gesproken. Die knikken alleen maar bij alles wat jij voorstelt.

‘Het gaat om evenwicht. Het enige dat even kostbaar is, kostbaar genoeg om de dijken weg te houden van de paringsgrond, ben jijzelf. Je genetica. Je moet een dijkenfluisteraar trouwen. Jullie kinderen zullen zowel met spinkrabben als met dijken kunnen spreken.’ Ze knikte. ‘Na een beetje genetische manipulatie uiteraard.’

‘Dat is wel erg vlot,’ zei ze. ‘Niet dat ik weiger maar ik heb hem pas één keer ontmoet.’ Maar hij kon zo in mijn geheime schelp kijken en mijn zielenbeeld zien.

Jacob moet de ware zijn.

Haar tante fronste haar wenkbrauwen. ‘Maar één keer ontmoet? Volgens mij heeft hij het vlaggenschip nooit eerder bezocht.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Ah, ik begrijp het. Niet hun jeugdige ambassadeur. Het gaat om de Dijkenschouwer zelf. Hij is honderdvijftig maar dat valt hem absoluut niet aan te zien. Niks mis met zijn sperma.’

Doe alles wat je tante zegt.

‘Goed,’ zei Hindele. ‘Als hij het ook wil. Als alles dan in orde is…’

‘Prima.’ Haar tante zette haar masker af, draaide zich om en beende weg. Wat haar betreft was het nu geregeld.

‘Maar toen zei mijn tante, ze zei, het is hem niet, maar die oude man, de Dijkenschouwer.’ Hindele balde haar vuisten. ‘Ik wed dat hij wel tien vrouwen heeft!’

‘Hij is ongetrouwd,’ zei Maryam. ‘Of nee, twee echtgenoten, geen echtgenotes. Hij vindt mannen duidelijk leuker dan vrouwen.’

‘Ook dat nog!’

Het beeld schudde haar hoofd, ‘Eerst klaagde je dat je niet met zo’n oude geit naar bed wilde en nu is het weer niet goed. Je hoeft alleen maar kinderen te krijgen. Hij heeft vast niets tegen kunstmatige inseminatie.’

‘Ben jij nu een vrouw? Je snapt niets van meisjes!’

‘Vroeger toen ik nog een maagdeke was, liep het anders. Alle huwelijken waren gearrangeerd en daar is niks mis mee. Yussuf was een schatje.’

 

 

7

15 april 2223, de Residentie

 

‘Bij de geschoren ballen van Boeddha, waarom heb je in Maryams naam je dijk weggestuurd? We hebben een contract met Groot Nippon, Jacob! Onwrikbaar en al tot de laatste yen vooruitbetaald. Besef je wel wat je gedaan hebt?’

Jacob had zijn oom nog nooit zo kwaad gezien. De ogen van de oude man spuwden bijkans vuur en klodders pruimtabak vlogen in het rond.

‘We mogen daar geen eiland aanleggen. Juist die plek is de broed­plaats van de spinkrabben. De enige nog ook. De Vloot zal nooit een dijk accepteren en het is zakelijk je reinste zelfmoord om de Vloot in het gezicht te spugen. Zodra wij bekend staan als anti-Gaiaans, als oceaanvervuilers, dan zal negentig procent van de wereld geen zaken meer met ons willen doen. En Mars kunnen we al helemaal vergeten.’

Het waren uitstekende argumenten. Allemaal ongetwijfeld waar. Maar waarom zag hij dan enkel Hindele’s gezicht voor zich? Alsof ze meeluisterde naar elk woord?

Ik ben verliefd, begreep hij. Ongeneeslijk en onomkeerbaar verliefd. Verliefd op een klant was wel het stomste dat een zakenman kon uithalen. Maar het was nog een graadje erger: Hindele was zijn klant niet, maar Groot Nippon wel.

‘Bovendien heb ik haar mijn woord gegeven. Geen dijk. Never nooit. En een dijkenfluisteraar breekt zijn woord niet.’

Het leek er even op dat oom Gulliver ter plekke een hartaanval zou krijgen: zo’n bietenrode kop, zo’n briesende adem, gebalde vuisten die open en dicht gingen als de grijpers van een mech. ‘Jij ongelooflijk achterlijk blaag! Je woord is bindend, nu kunnen we niet meer terug. Hoe ik dit goed kan maken met Groot Nippon…’

‘We betalen gewoon de boeteclausule van het contract, en als het Internationale Gerechtshof de Vloot in het gelijk stelt, dan vorderen we het geld weer terug. Met rente. En Groot Nippon is een belangrijke klant, maar we kunnen zonder ze. We gaan heus niet over de kop als we ze kwijtraken.’

Natuurlijk zou het financieel pijn doen, maar niemand van de familie zou er ooit een boterham minder door eten. Bovendien hadden ze nu goede contacten met de Vloot en die goodwill kon in de toekomst wel eens heel winstgevend uitpakken.

‘Het gaat niet om het geld!’ brulde oom Gulliver. ‘Ik had je dit moeten vertellen, zodat je had begrepen wat er speelde. Waarom denk je dat Groot Nippon nog steeds op walvissen jaagt? Als enige natie van de wereld? Toen het Grote Smelten de Inuits en IJslanders uit hun thuis­landen verjoeg, bleven de Japanners stug doorgaan met hun jacht. Dat was niet uit noodzaak of traditie. Het had zelfs niets met trots of koppigheid te maken.’ Hij sloot zijn ogen een moment en knikte toen. Jacob begreep dat zijn oom een besluit had genomen, een dat hem zeldzaam tegenstond.

‘Wij dijkenfluisteraars worden oud. Allemachtig oud. Dat is niet omdat we met de levende dijken kunnen praten, niks esoterisch. Louter en alleen omdat wij godvergeten rijk zijn. Rijk genoeg om de enige levensverlengende behandeling te kunnen betalen die werkelijk werkt. Het belangrijkste en niet na te maken ingrediënt is het extract van de pijnappelklier van de blauwe vinvis. Daarom jaagt Groot Nippon op walvissen en is het letterlijk van levensbelang ze te vriend te houden.’

Het was alsof er een half doorzichtig vlies van Jacob’s oogbollen werd weggerukt.

Voor hem stond niet meer oom Gulliver maar een gesticulerend geraamte, bekleed met vlees. Iets wat zijn jaren had gestolen van de wonderbaarlijkste en wijste wezens van de oceaan.

Het heeft niets met zaken te maken. Zelfs niet met winst of de familie. Jij en andere fluisteraars willen alleen maar eindeloos doorleven. Al het andere is slechts een dekmantel.

‘Dat is walgelijk,’ zei Jacob.

Gulliver lachte en er klonk zo’n narcistische superioriteit in door dat Jacob onwillekeurig huiverde. ‘De onwetenheid der jongeren! Nu kan je je nog zo’n mooie romantische mening veroorloven, maar wacht maar totdat je je honderdtwintigste verjaardag viert en geen van de serums meer werken. Geen telomeerverlenging, geen injecties met getemde kankers. O, dan wordt elke extra dag eindeloos kostbaar! Geen prijs lijkt dan te hoog.’

‘Je kunt ook te oud worden,’ zei Jacob. ‘Ik weiger een eiland aan te leggen voor Groot Nippon. Het zijn slagers, planeetverkrachters.’

‘Je hoeft ook nooit meer een eiland aan te leggen of een dijk te commanderen. Als directeur en grootste aandeelhouder van het familibedrijf ontsla ik je bij deze.’ Zijn gezicht had uit walrusivoor gesneden kunnen zijn, zo strak en bloedeloos. ‘Je bent geen dijkenfluisteraar meer, Jacob. Ik verban je.’

 

Jacob beende de Koningsdijk over tot de Residentie een grijze streep werd.

Ik verban je. Je bent geen dijkenfluisteraar meer. De zinnen galmden in zijn hoofd, bijna alsof ze door een god uitgesproken waren. Maar zijn oom was absoluut geen god: eerder een demon, een ondode die het leven zoog uit de prachtigste en wijste zangers van de oceaan.

Hij stopte bij het uiteinde, hief zijn hand op. Een hijskraan reageerde. Goed. Zijn oom had hem die privileges nog niet afgenomen: het recht om alle machines die lager dan een dijk waren te commanderen.

‘Takel een skimmer omlaag,’ beval hij.

 

Het vaartuig veerde op zodra hij op het pedaal trapte, het sloeg zijn ski’s uit en al snel schoot Jacob over de golven.

Pas toen de Koningsdijk achter de horizon verdwenen was, zette hij de motor af.

Hij keek om zich heen: een absoluut lege hemel, zonder een enkele wolk of verdwaalde meeuw.

Hij sloot zijn ogen. ‘Grisaert?’

‘Wat is er van je dienst?’

‘Je kunt mij nog horen? Mijn oom zei dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

Grisaert’s lach was als het snateren van een dolfijn. ‘Dat is absoluut niet aan hem om te zeggen. Dat zou een mooie boel zijn als mensen bepaalden met wie we spraken.’

‘Dus ik ben… Ik blijf…’

‘Voor altijd en eeuwig. Wij kiezen onze fluisteraars uit en niet andersom.’ Een bedachtzame pauze. ‘Je wilt een lift?’

‘Eigenlijk wel.’

Een segment rees boven het water uit en vlak daarop schoof een luik open. ‘Kom aan boord. Op mijn rug zitten kan ook maar dan zijn we een week of twee onderweg. Nu is het twee, drie dagen.’

‘Je weet waar ik heen wil?’

‘Mijn lieve jongen, dacht je dat ik brandende liefde niet kon herkennen?’ Prompt schalde er een ongetwijfeld antieke ballade over het water: ‘Je ogen zijn als de zee zo blauw, je lippen bloedkoraal. En als jij langsloopt, draaien alle mannenhoofden tot hun nekwervels kraken’ De elektrische sitar stierf weg. ‘In het Hindi klinkt het beter, maar het is zoiets, toch?’

‘Haar ogen waren groen, maar het klopt wel, ja. Een klik. En ze liet mij haar zielenbeeld zien. Al kreeg ze er meteen spijt van.’

‘Dat is geen kattenpis. Alsof de dochter van de sultan haar sluier oplicht.’

Hij begrijpt het. Het is heerlijk om een vriend te hebben die je begrijpt. Vooral als hij van titanium is en negen kilometer lang.

 

 

8

18 april 2223, het Vlaggenschip van de Vloot

 

‘Eh, Hindele?’ De oceaanstem van de krabben rolde Hindeles hoofd in.

‘Ja. Ik luister.’

‘Hij komt. We hoorden de roeipoten van zijn draak net boven onze colonne passeren.’ Draak? Ah, dijk. De spinkrabben noemen ze draken zolang ze rondzwemmen. Een verankerde dijk vinden ze domweg een stuk kust en totaal oninteressant. ‘Shit! Nu al?’

‘Ik dacht dat je met hem danste. Paring danste?’

‘Met die oude geit? Hah, hij houdt niet eens van vrouwen!’

‘Wij kregen een andere indruk. Toen je hem naar je schelp bracht…’

‘Wacht, wacht! Het is die andere? Jacob?’

‘Jacob zit in de buik van de draak, ja.’

‘Als mijn tante hem ziet, explodeert ze.’

‘Dat was ook onze conclusie. Trek een kieuw aan en duik de zee in. De draak, hij beloofde je op te pikken.’

 

Een metalen zwempoot graaide haar zonder omhaal uit zee en zette haar op een glanzende schub neer. Het was een raar gevoel om op de rug van een dijkdraak te staan. Het mocht dan wel een machine zijn, het bleef een akelig grote en machtige machine.

Hindele trok de kieuwen over haar hoofd en vouwde ze op. ‘En nu?’ vroeg ze aan de lege lucht.

‘Hij is op weg,’ zei een stem in haar hoofd. Deze stem leek in niets op de galmende diepzeeduisternis van de spinkrabben, geen schuren van monddelen en driftig schaargeknip. Deze stem glom en glinsterde en zat bomvol zonlicht. Het was duidelijk dat dijken in de open lucht thuishoorden, in het daglicht.

Een drakenstem… Haar verbazing was niet eens zo heel erg groot. Een dijk! Tante heeft gelijk. Ik kan ook dijken verstaan. Dijken en spin­krabben, het moet dezelfde mutatie zijn, dezelfde delicaat uitge­balanceerde genen.

Een luik schoof open en de jongen klom het dek op.

‘Jacob.’

‘Hindele.’ Ze bleven raar onwennig staan, als marionetten waarvan de touwtjes abrupt doorgeknipt waren en die nu hun eigen weg moesten vinden.

Hij spreidde zijn armen. ‘Ik…’

Niet moeilijk doen. Jongens zijn zulke klungels als het op woorden aankomt. Ze stapte recht in zijn omhelzing en sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem. Gelukkig kuste hij haar meteen terug.

‘Wow, Hindele,’ zei hij na de derde keer. ‘Ik was bang dat je nog boos op mij zou zijn. Omdat ik….’

‘Dat was voorbestemd. Ik was de stommeling. Een schelp snapt zulke zaken blijkbaar beter dan ik.’ Ze keek naar hem op. Gelukkig was hij maar een halve kop groter dan zij en konden ze de neuzen tegen elkaar wrijven. ‘Mijn tante was laaiend. Omdat ik je de dijk liet wegsturen zonder een prijs te vragen. Ze wil…’

‘Ze wil dat…’

‘Ja?’

‘Het is zo helemaal verkeerd! De dijken mogen niet terugkomen en daarom moet ik van haar met die oude dijkenfluisteraar trouwen. Met je oom.’

Jacob verstijfde. Hindele schrok: had ze het verkeerde gezegd? Was hij onvoorwaardelijk trouw aan de dijkenfluisteraars? Of erger, was hij alleen gearriveerd als voorhoede van een golf van verse dijken? Om zijn fout goed te maken?

‘Mijn oom. Als je gelooft dat je tante laaiend was, dan had je mijn oom moeten zien! Stoom uit zijn oren. Hij ontsloeg mij. Brulde dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

‘Maar hoe kun je dan nog op een dijk varen?’

‘Deze dijk is het er in ieder geval niet mee eens,’ sprak de dijk-draak in haar hoofd. ‘Ieder heeft zijn favoriete fluisteraar. Jacob is de mijne.’

‘Het dijkvolk is tegen al te overhaaste huwelijken,’ zei Jacob. ‘Je moet minstens twee weken samen zijn voor iemand iets als “Ja, ik wil” mag zeggen. Samen op een onbewoond eiland bij voorkeur.’

‘Jazeker!’ joelde de dijk in haar hoofd, ‘een palmbomeneiland onder een volle maan.’ Meteen barste hij in een lied uit: ‘Come with me While the moon is on the sea The night is young And so are we, so are we!’

‘Blue Hawaii,’ voegde hij toe. ‘Van de King zelf. En ik weet precies waar ik zo’n eiland kan vinden.’

 

Een waarlijk enorme volle groengevlekte maan wierp de palmbomen in silhouet.

‘Er is verder niemand,’ zei Grisaert. ‘Geen zeenomade en geen dijker.’ Een gniffel. ‘Toen jullie de krabben nog aan het muteren waren, liep het een beetje uit de hand. Ze klommen bij volle maan het eiland op en verslonden alle inwoners.’

‘Heilige goden, dit is Aruba?’ Ze had verhalen gehoord. Als er iets was waarvoor de zeenomaden zich zelfs na zeventig jaar nog schaamden, dan was het dit.

‘Geen krab meer te bekennen,’ zei de dijk, ‘en je hoeft ook niet bang te zijn om over botten en schedels te struikelen. Als een krab iets verslindt dan is het van top tot teen.’

Ze waadden het laatste stuk naar de kust, met de zee niet dieper dan hun enkels. Bij elke stap sprongen er verschrikte visjes uit het water die vonkten in het maanlicht.

‘Ik dacht dat ik eigenlijk nooit meer een voet op het vaste land mocht zetten?’ hoorde ze Jacob tegen de dijk zeggen. ‘Dat het in mijn eed zat?’

‘Och, eden en regels,’ zei Grisaert. ‘Daar doen we alleen maar aan omdat de mensen zich dan wat zekerder voelen. Wij dijken kennen maar twee regels: blijf pompen en zorg dat je niet lekt. Tja, ons leven is aanzienlijk overzichtelijker dan dat van jullie.’

Op een nabije heuvel knipte de lamp van een vuurtoren aan en een zoeklicht zwalkte door de hemel.

‘Jullie torenkamer,’ zei de dijk. ‘Ik heb een stel mechs vooruit­gestuurd en ze zijn druk bezig nieuw glas in de sponningen te printen en een tweepersoonbed te bouwen, dons voor jullie dekbed te verzamelen.’

Handig, van dat soort vrienden. Niet dat een dijk beter was dan de spinkrabben.

 

Ze hadden uiteindelijk geen veertien dagen samen op een onbewoond eiland. Enkel een nacht.

Een laag geloei wekte Jacob in de ochtend en het was een afgrijselijk bekend geluid.

‘Wat?’ zei Hindele en streek een lok uit haar ogen. ‘Is er iets?’ Ze was beeldschoon, met de afdruk van een kussenplooi nog over haar linker­wang en korrels slaap in haar ooghoeken. Haar zweet rook naar zee­water en pas aangespoeld wier, een geur die intens intiem was.

‘Dat was een misthoorn,’ zei Jacob en zijn maag trok samen. ‘De mist­hoorn van een zwemmende dijk.’

Hij beende de kamer door, rukte het damasten gordijn open. De Koningsdijk slingerde zich als een metalen glitterketting over de halve horizon. Minstens vijftien andere dijken moesten zich in zijn staart vastgebeten hebben om zo’n idiote lengte te bereiken.

Dit is puur machtsvertoon, ging het door hem heen. Ze zijn op weg naar de Vloot om de polderring te leggen. De hele bergtop leeg te pompen.

‘Je oom?’ zei Hindele.

‘Ik ben bang van wel. Mijn oom houdt niet van verliezen.’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Maar dit is bizar. Jullie gebied domweg binnenvaren is niet minder dan een oorlogsverklaring.’

‘De oceaan is van iedereen,’ zei Hindele automatisch en meteen daarop: ‘Nee, dat is onzin. Niet als je hier komt om alles kapot te maken.’ Ze boog zich naar voren. ‘O, nee toch?’

En Jacob begreep dat ‘O nee toch?’ meteen. Het raam vormde een 360 graden strook diamant langs de complete verdieping. Rechts, in het laatste kwart van de horizon dat nog vrij was, glom parelmoer. Vliegers dansten tussen de wolken.

‘Dat is de Vloot,’ zei Hindele. ‘Ze komen de dijken tegenhouden, de paringsvelden barricaderen.’ Ze graaide haar kleren bij elkaar en schoot haar laarzen aan. ‘Ik moet weg. Terug naar mijn tante. Ik ben de enige die ze kan stoppen.’

Het was als een nachtmerrieachtige rerun van hun vorige ontmoeting. Jacob hief zijn handen. ‘Hoe wil je naar de Vloot gaan? Zwemmen? Grisaert kan je onmogelijk brengen. Hij mag mijn vriend zijn maar hij kan onmogelijk tegen al die andere dijken op. Mijn oom is en blijft de opperfluisteraar.’

‘Ik heb Grisaert niet nodig,’ zei ze en haar schouders zakten omlaag. ‘Ze komen mij halen.’

’Halen, hoe?’

Een vlieger zakte omlaag, bleef met wapperende stabilisatievinnen naast het balkon hangen.

‘Daar is mijn vervoer al,’ zei Hindele. Een zenuwtick deed haar linker­wang trillen. ‘Mijn tante zit in de cockpit. Dit is niet iets dat ze aan een normale potige matroos kan overlaten. Je moet je eendenmossels zelf van je sloep schrapen, zei ze altijd.’

Ze rukte de schuifdeuren tweehandig open en een ijzige ochtendbries woei door de kamer. ‘Het was…’ zei Hindele. Ze wendde haar blik af. ‘Het spijt me zo!’

Ze nam een aanloop, zwiepte haar benen over de reling. De vlieger schoot naar voren en ving Hindele op, sloeg een veiligheidsgordel om haar middel. Een siddering en de vlieger schoot de hemel in.

Jacob keek haar na tot de vlieger tot een stip was gekrompen. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij.

’Zeg dat wel,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘En wat dacht je eraan te doen, vrind?’

‘Oom Gulliver is de opperfluisteraar. Alle dijken gehoorzamen hem.’ Het voelde alsof elk volgende woord de energie verder uit zijn lijf zoog. David tegen Goliath en ik heb niet eens een slinger.

‘Bijna goed, mon amigo. Alle dijken gehoorzamen hem omdat hij de zielenbroeder van de Koningsdijk is. Net als jij die van mij bent. Zonder de Koningsdijk zou Gulliver een oude man zijn die wat in de bries staat te murmelen.’

‘Wat wil je nu precies zeggen?’

‘Dat ze allebei al allemachtig lang de baas spelen. Misschien wel te lang?’

Ineens leek het Jacob geen enkel probleem om David tegen Goliath te spelen, niet als je een titanium slinger van anderhalve kilometer in je knuisten hield. ‘Ik denk niet dat ze ons op de bruiloft gaan uitnodigen.’

‘Des te beter! Dan verwachten ze ons ook niet. De mensen zijn jouw probleem, de dijken regel ik.’

 

 

Het Vlaggenschip van de Vloot:

 

Gulliver van Nijenbrink, opperfluisteraar en Dijkschouwer, rechtte zijn schouders, tikte zijn rozenkrans van drijfglas aan. Nu komt het er op aan. Puin ruimen en het is helemaal mijn eigen schuld. Een jongen die giert van de hormonen met een sluwe en bloedmooie vlootvrouw laten onderhandelen: waar zat mijn verstand?

De deur van de Vlootvoogdes zwaaide open en hij stond voor het eerst in zijn leven oog in oog met zijn tegenhangster. Dit was de vrouw die al zeker een eeuw beter dan alle anderen met de spinkrabben kon spreken, wiens woord voor de halve oceaan een bevel was. Haar gezicht was meisjesachtig glad en hij zou haar hoogstens twintig geven.

‘Heilige goden, je bent een onsterfelijke! Net als ik!’ Hij flapte het eruit, zo totaal verrast was hij. Ze is even leugenachtig als ik. Toen haar botten begonnen te knersen, waren de blauwe vinvissen opeens niet zo heilig meer.

De langlevenden kunnen gezichten lezen, al die kleine spier­trillinkjes, de stand van je lippen, een iets te snelle oogknippering. Ze klakte met haar tong. ‘Nu besluit je dat ik geen haar beter ben dan jij, ja? Mis. Als ik door de ogen van de spinkrabben kijk, kan ik iedere zeester een oester open zien wrikken, elke sardine tellen. Zodra er een blauwe vinvis sterft en naar de bodem zinkt dan weet ik dat. Lang voor de alen zich zijn hersens in kunnen knagen, heb ik zijn pijnappelklier al geoogst.’ Ze viste een buisje uit haar handtas. Het was zo dik als zijn duim en twee keer zo lang. De vloeistof lichtte smaragd-groen op, met minieme rode vonkjes.

De Japanners verkochten hun serum per milligram: deze ampul moest goed zijn voor zo’n duizend jaar jeugd. Gulliver voelde zijn tong droog van pure begeerte worden. Geen junkie kon ooit half zo gretig naar zijn kristallen gestaard hebben.

‘De helft is voor jullie,’ zei de Vlootvoogdes. ‘Meer dan de fluisteraars ooit op kunnen maken. Voortaan doen jullie geen zaken meer met Groot Nippon, maar met ons.’

Gulliver vouwde zijn handen samen, herhaalde zijn persoonlijke mantra tot hij zijn stem en vooral zijn verstand weer kon vertrouwen.

‘Een aantrekkelijk aanbod. Zonder meer.’

‘Het wordt nog beter. De mutatie die jullie met de dijken laat spreken, is zeldzaam en niet na te bouwen. Deze generatie hadden jullie maar èèn nieuwe fluisteraar. Wij twaalf. Ja, krabspreken en dijkenfluisteren zijn hetzelfde talent. Iets diep in het kwantumgebied, heb ik mij laten vertellen, het resoneren van je microtubuli met die van dijken en krabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Onbelangrijk. Ik bied je mijn nichtje ten huwelijk aan. Jullie kinderen zullen gegarandeerd top­fluisteraars en krabbentemsters worden.’

‘En je nichtje? Wat is haar mening?’

‘Ze is een gehoorzame vlootvrouw. Ze gelooft met heel haar hart in Gaia en zal doen wat juist is.’

‘In dat geval stem ik graag in. Misschien is het verstandig elkaar eerst te ontmoeten voor onze huwelijksdag?’

‘Zo zijn onze gewoonten niet. Je ziet haar gezicht als je haar sluier oplicht. En de bruiloft gaat sowieso door.’

 

 

9

16 juni 2223, Aruba

 

Hindele herkende het eiland zodra het boven de horizon uitpiepte: de eenzame berg die boven het verdronken laagland uittorende, de heuvel met de vuurtoren.

‘Deed je dat expres?’ vroeg ze haar tante. ‘Om het eens goed in te wrijven?’

‘Welnee. Aruba ligt gewoon handig in de buurt en niemand heeft het ooit durven claimen. Neutraal gebied.’ Ze opende haar tasje. ‘Hier, je sluier. Doe hem om voor je aan land stapt.’

‘Die oude geit weet heus wel hoe ik eruitzie. Er is niets geheim aan mijn gezicht.’

Haar tante haalde haar schouders op. ‘Zo is de traditie nu eenmaal.’

 

Palmbomen onder een strakblauwe hemel, rijen danseressen en lieden die handenvol kauries strooiden in het kielzog van de bruid. Halver­wege de praalweg draaide een complete tonijn aan het spit. Dat moest van de dijkers zijn: vlootmensen gaven de voorkeur aan vegetarischer hapjes. Het geroezemoes klonk Hindele hatelijk in de oren en haar sluier maakte alles grijs en wazig. Ze lachen mij uit. Ik ben het rare offerlam, de zondebok. Het zand werkte zich in haar muiltjes en het was alsof ze over levend schuurpapier strompelde. Ten slotte eindigde ze bij het altaar: een vergulde sloep met haar toekomstige echtgenoot aan het roer. Haar tante stond naast hem, bijna alsof zij de bruid was, met de ampul hoog geheven zodat iedereen de zon in het serum kon zien fonkelen.

De hogepriesteres van Gaia, Maryams vertegenwoordigster op Aarde, stapte naar voren en blies driemaal op een kinkhoorn.

‘Maakt er iemand bezwaar tegen dit huwelijk?’ galmde ze vervolgens. ‘Zo niet, laat zij dan eeuwig zwijgen!’

‘En of ik bezwaar maak!’ Jacob stapte uit de rij met kaurischelpen­strooiers. ‘De bruidegom is ouder dan Methusalem en de bruid… Als ze “Ja, ik wil” zegt, is het enkel met het mes op de keel.’

In de verblufte stilte kon Hindele haar tante horen fluisteren. ‘Je hebt hem toch verbannen, Gulliver? Hij is geen fluisteraar meer. Niet een van jullie?’

‘Dat klopt.’

‘Perfect!’ Tante strekte haar arm en kromde een vinger.

Ze roept de spinkrabben om hem te verscheuren. Ze hoorde haar tantes geluidloze gekrijs in haar hoofd, bevelen die enkel voor een spinkrabbentemster hoorbaar waren.

Een golf rolde aan, smeerde zich over het strand uit. Het was geen natuurlijke branding want de zee zelf bleef spiegelglad: een falanks zwoegende monsters stuwde het water voor zich uit. Ze renden het strand op met geheven scharen, rood als baksteen en een en al haak en speerpoot.

Een paar honderd meter verder speelde een ander drama zich af: de Koningsdijk rees als een getergde cobra uit de golven. Een veel kleinere dijk slingerde zich om zijn lijf. Een haal van een machtige ankerpoot en Grisaert tolde door de lucht, smakte in de oceaan. Hij zwom meteen terug en ditmaal was hij niet alleen. Een dozijn andere dijken hadden zich bij hem aangesloten en de Koningsdijk ging kopje onder.

Toen hij weer opdook was hij duidelijk op de vlucht.

Hindele keek terug: de spinkrabben snelden de praalweg over, omsingelden de sloep.

‘Hij daar!’ wees haar tante. ‘Verscheur hem! Ruk zijn ribben uit zijn lijf en laat geen bot ongebroken!’

Voor de eerste keer in haar leven sprak Hindele niet langer met de krabben, ze werd de krabben. Ineens bezat ze dozijnen ogen op steeltjes en liepen haar armen in scharen uit. Ze wierp een cordon om Jacob heen, een klikkende en sissende haag van opgeheven scharen die de andere krabben deed terugdeinzen. Ze sprong over naar een enkele krab en snelde op de sloep af, griste de ampul uit haar tantes handen.

Hindele stapte naar voren, half krab en half mens want ze kon het gewicht van de ampul in haar linkerschaar nog perfect voelen.

‘Je kunt kiezen,’ zei Hindele. ‘Een lang, lang leven, maar dan lijkt het mij verstandiger als jullie een stapje terugdoen. Stel, een mooie vakantie van zo’n vijftig jaar?’ Ze voelde een apengrijns aan de hoeken van haar lippen trekken. ‘Mijn krab kan natuurlijk ook jullie ampul in het zand leeg gieten. Dat is eigenlijk het enige alternatief.’ Ze liep op Jacob af en haakte haar arm in de zijne. ‘En nog iets. Een huwelijk tussen dijk en krab was zo’n slecht idee nog niet. En nu we hier toch zijn…’

Onder de sterrenhemel : Debby Willems

Dode mensen zijn echt oersaai. Op zich kunnen ze er weinig aan doen, ze maken immers niet veel nieuws mee, waardoor ze telkens in dezelfde verhalen vervallen. Helaas ben ik degene die naar dat gejammer moet luisteren.

Het is de avond voor de volle maan; de eerste van drie aaneen­gesloten dodennachten die ik hier op de begraafplaats door dien te brengen. Ik trek mijn mantel dichter om mijn lichaam tegen de kou. Een vlam danst in de lantaarn, waardoor er lange schaduwen over de graven kruipen. De laatste rouwlijster stopt zijn lied ter aankondiging van de nacht, dus spoedig zullen de geesten ontwaken.

Ik ben de zevende zoon van de zevende zoon en ben daarom door de tempelmeesters opgeleid tot boderge, ofwel bood­schapper van de geesten. Mijn zogenaamde ‘roeping’ – het woord doet me al kokhalzen – is zo eerzaam dat de voldoening meer waard is dan al het goud in de wereld. Het voelt voor mij echter eerder als drie jaar dwangarbeid in een gehucht ver van mijn familie vandaan. Nog maar zesendertig dodennachten te gaan, daarna is mijn taak niet langer een verplichting – en laat ik deze dode boel ook direct achter me.

Ik stal mijn spullen uit op de grafsteen die ik altijd als schrijf­tafel gebruik. Niet lang daarna ontwaken de eerste geesten. Uiteraard sprint Hildegarde direct naar me toe. Ze is altijd verdomd snel, iets dat je niet zou verwachten van zo’n mollig omaatje met van die korte beentjes. Net zoals bij alle geesten hangt er een gloed om haar lichaam, zoals de lichtkrans die soms om de maan verschijnt.

‘Ik wens drie brieven,’ eist Hildegarde, ‘een aan ieder van mijn kinderen.’

Een begroeting kan er blijkbaar niet eens meer vanaf. Ik zucht. ‘U weet goed dat ik maar één brief per drie dodennachten schrijf.’

Ze slaat haar armen over elkaar. Haar vernietigende blik probeer ik middels een geforceerde glimlach te negeren. ‘Uw dochter is ditmaal aan de beurt, nietwaar?’

Zonder haar antwoord af te wachten doop ik de ganzenveer in de zwarte inkt, waarna ik met sierlijke letters de aanhef voor Jantien – de naam weet ik helaas voortaan uit mijn hoofd – op het perkament noteer.

‘Vraag haar waar mijn halsketting is gebleven,’ gebiedt Hildegarde. ‘Die met de robijnen hanger, gekregen van mijn lieve Hans.’

Ik werp een blik op de grafsteen naast de hare. Ja, die lieve Hans hield het tegenwoordig voor gezien en bleef lekker onder de grond wanneer zijn vrouw haar klaagzang begon. Ik gaf hem geen ongelijk.

‘Ik droeg dat sieraad iedere dag. Het is dan toch logisch dat ik ermee begraven wilde worden? Maar wat hebben die aasgieren gedaan?’ Gefrustreerd wijst ze naar haar lege hals. ‘Verpand voor een habbe­krats, zeker?’

Ze foetert door, terwijl ik haar vragen in de brief aan haar dochter stiekem wat subtieler verwoord.  Het is maar goed dat Hildegarde niet kan lezen. De hoge mate van analfabetisme in deze regio is sowieso erg gunstig voor mij; zo valt er aan de levenden ten minste nog wat te verdienen met het voorlezen en het terugschrijven van brieven. Vanuit de tempel zal dit vast niet mogen, maar wat niet weet, wat niet deert. Hildegarde heeft nog nooit bericht terug ontvangen, wat haar frustratie slechts vergroot.

Vele brieven later is het eindelijk rustig op de begraafplaats. Enkele overledenen zijn nog met elkaar in gesprek. Soms lijkt het ze te helpen om hun frustraties met elkaar te delen. Leuke verhalen hoor ik zelden; het zijn immers vooral de rusteloze geesten die hun graf verlaten.

Ook zij is er weer. Uiteraard, zij is er altijd. Haar lange haren zijn blond, een zeldzame kleur in deze omgeving, en vanaf haar vaste grafsteen staart de jonge vrouw naar de sterrenhemel. Weer vraag ik me af wat er in haar hoofd omgaat. Mijn nieuwsgierigheid is de afgelopen tijd steeds meer gegroeid, maar het is helaas niet aan mij om haar te benaderen: geesten behoren immers zelf het initiatief te nemen.

Ik slenter over de begraafplaats en wacht tot een windvlaag krachtig genoeg is om de ganzenveer ogenschijnlijk per ongeluk uit mijn hand te blazen, en – o, zo toevallig – komt deze vlak bij de jonge vrouw neer. Nu moet ik haar wel aanspreken.

Ik schraap mijn keel. ‘Excuseer me.’

Ze schrikt op en tuimelt bijna achterover van de steen. Gelukkig weet ze haar balans nog tijdig te hervinden.

‘Ik wilde alleen deze even oprapen.’ Ik ga door mijn knieën, waarna ik haar met een domme grijns de veer presenteer. Met vernauwde ogen neemt ze me van top tot teen in zich op.

‘Ik ben een boderge,’ zeg ik gewichtig.

‘Ik weet wat je bent,’ zegt ze slechts.

‘Ik zie je hier vaker, toch?’ probeer ik.

‘Goh,’ haar wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Mijn lichaam is hier begraven, dus ik heb niet bepaald een andere keuze.’

Ik haal mijn schouders op. De doden zijn gebonden aan hun begraafplaats, dat is inderdaad wat men denkt – en moet blijven denken volgens de tempelmeesters.

‘Gerben,’ zeg ik. Tot mijn genoegen zie ik de verwarring op haar gezicht. Mijn mondhoeken kruipen omhoog. ‘Nu weet je niet alleen wat ik ben, maar ook wie ik ben: Gerben.’

Een voorzichtige glimlach kruipt over haar gezicht. Ze wijst naar de naam op de grafsteen. ‘Hedwig, zoals je ziet.’

‘Zal ik een brief voor je schrijven?’

‘Dat heeft geen nut.’

Gewoonlijk interesseren de brieven me niets. Juist omdat deze vrouw haar verhaal niet wil delen, wil ik echter weten wat er speelt. Het is niet professioneel, dat weet ik, maar toch kan ik het niet laten om aan te dringen.

‘Het heeft altijd nut. Er is toch vast wel iemand, die je iets zou willen vragen? Of iemand, die van je zou willen horen?’

Even lijkt ze te twijfelen. Ze kijkt me aan met haar helder­blauwe ogen, waarin ik nu een zweem van droefheid bespeur. Ze opent haar mond, maar slikt haar woorden in en schudt haar hoofd.

‘Echt niet?’

Ze haalt diep adem en richt haar blik op de grond, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vallen. ‘Ik durf mijn vraag niet te stellen,’ zegt ze, ‘omdat ik betwijfel of ik het antwoord wel wil horen.’

 

De tweede dodennacht, die van de volle maan, staat de bizar snelle Hildegarde uiteraard weer als eerste voor mijn neus.

‘U weet best dat ik de brief pas ná de derde nacht bezorg,’ meld ik haar. Het spiertje bij haar linkeroog trilt uit frustratie, maar na enkele verontwaardigde kreten taait ze gelukkig relatief snel af – uiteraard onder luid gemopper over dat sieraad van haar.

Al voordat ik de eerste brief af heb, zie ik Hedwig weer op haar grafsteen zitten. Geduldig wacht ze tot ik alle brieven af heb, waarna ze naast me opduikt.

‘En?’ vraagt ze.

Ik was op Hedwigs verzoek inderdaad bij de bakkerij geweest. De verkoopster, een vriendelijke brunette, gaf me zo’n warme glimlach dat ik direct meer brood kocht dan ik nodig had.

‘Mag ik Gijsbert spreken?’ had ik vervolgens gevraagd.

Even nam de verkoopster me argwanend in zich op.

‘Gijsbert!’ schreeuwde ze plots, zo hard dat ik me rot schrok. De vrouw draaide zich nu pas om naar de houten deur achter de toonbank. ‘Gijsbert, je hebt bezoek!’

Na wat gestommel en gevloek vanuit het andere vertrek zwaaide de deur open. De warmte van de ovens kwam me al tegemoet voordat ik de vlammen zag. De brede man in de deuropening was minstens twee koppen groter dan ikzelf. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd, en zijn onderkinnen trilden bij iedere stap.

‘Wat moet je?’ Hij keek me aan, of dat dacht ik ten minste, want zijn ogen stonden twee verschillende kanten uit. Een snelle blik achterom leerde me dat hij het wel degelijk tegen mij had.

‘U was de man van Hedwig?’ het kwam er met meer ongeloof uit dan ik het had bedoeld, echt waar, maar ik kon het me moeilijk voorstellen dat zo’n varken…

‘En?’ dringt Hedwig nogmaals aan, waardoor ik uit mijn herinnering word getrokken.

‘Hij is niet hertrouwd,’ meld ik.

‘Dat verbaast me niets. En woont zijn zus er nog?’ Net zoals de avond ervoor bespeur ik een lichte aarzeling voordat Hedwig de naam spreekt. ‘Roselina?’

‘Ja. Zij verkoopt het brood.’

Hedwig bijt op haar lip. Even lijkt ze te twijfelen, vervolgens draait ze zich abrupt om en beent weg.

‘Wacht,’ zeg ik. Wat ongemakkelijk hobbel ik achter haar aan. ‘De brief.’

‘Nee, ik weet genoeg.’

‘Want?’

Ze haalt haar schouders net iets te nonchalant op. ‘Dat kan ik niet zeggen.’

‘Ben je soms vermoord door een van hen?’ ontschiet me.

Hedwig kijkt me aan alsof ik gek ben. ‘Hoe kom je daar nu bij?’

‘Wat moet ik dan denken?’ De frustratie sijpelt onopzettelijk door in mijn stem. ‘Ik wil je alleen maar helpen, hoor.’

Ze neemt me even in zich op. Vervolgens slaakt ze een zucht die zoveel droefheid bevat dat ik me direct schuldig voel om mijn uitbarsting.

‘Sorry,’ mompel ik. Ik leg mijn hand op de hare, iets dat ze gedwee toelaat, en kijk haar bemoedigend aan. ‘Wat het ook is: soms helpt het om erover te praten.’

Er valt een stilte.

‘Ik trouwde hem, voor haar,’ bekent Hedwig zacht. ‘Voor Roselina.’

Ik knipper met mijn ogen. Mijn gedachten flitsen terug naar een van mijn eerste opdrachten: toen een overledene me vroeg een excuus aan zijn familie te schrijven. Een excuusbrief, nota bene aan degenen die hem met een steen om zijn nek in de put verdronken nadat hij had bekend waarom hij nooit zou trouwen – niet met een vrouw, ten minste.

‘Ik begrijp het.’

Er lijkt een last van Hedwigs schouders te vallen. ‘In haar armen verdwenen al mijn zorgen. Samen zouden we de helderste ster volgen naar een plaats waar ook ons geluk gegund zou zijn.’ Ze wijst omhoog, en ik zie welke ster ze bedoelt. Plots valt haar hand slap langs haar lichaam, alsof alle kracht eruit ontsnapt. ‘Maar ik ben wellicht slechts een dwaas. Ik vraag me af of ze haar broer ooit echt achter had kunnen laten.’

‘Je zou het haar kunnen vragen in een brief,’ stel ik voor.

‘Zelfs al schrijft ze me terug wat ik wil horen, dan nog zou ik blijven twijfelen. Ze was immers altijd al te lief; nooit zou zij iets zeggen dat een ander zou kwetsen. Maar haar ogen konden de waarheid niet verhullen – niet voor mij, althans. Aan haar ogen kon ik altijd zien of ze sprak vanuit haar hart.’

‘Maar als ze beloofde met je te vertrekken, waarom dan toch die twijfel?’

Hedwig haalt haar schouders op. ‘Aan haar intenties twijfel ik geen moment. Ik betwijfel echter of ze haar eigen geluk ooit boven dat van haar broer had kunnen stellen. Gekke Gijsbert zal in zijn hoofd altijd deels kind blijven, maar verdomme wel eentje met het lichaam van een volwassen kerel. Ik was zijn vrouw, dus in de nachten…’ Ze slikt. ‘Ik onderging het, voor haar – voor ons. Niet lang daarna bleek dat ik zijn kind droeg.’ Haar handen glijden over haar buik. ‘Óns kind, noemden Rose en ik het, totdat…’

‘Totdat?’ vraag ik met ingehouden adem.

‘Het was te vroeg, en er was te veel bloed. Mijn laatste momenten zijn slechts een waas aan rood.’

Haar stem wordt slechts een fluistering. ‘Je hebt geen idee hoe lang ik heb gezocht, Gerben. Hoe vaak ik de begraafplaats heb uitgekamd op zoek naar die ene steen. Maar alleen degenen die sterven, krijgen een graf. Het doet er dus niet toe dat het al schopte. Al bewoog.’ Ze slikt haar tranen terug. ‘Als een kind niet is geboren, dan is het niets.’

Het lied van een rouwlijster verkondigt de dageraad, waardoor Hedwig verdwijnt.  Ontredderd staar ik naar de lege grafsteen.

 

Vaak is de laatste nacht de rustigste, en gelukkig was ook nu de rij niet al te lang. Ik schreef sneller dan ooit tevoren. Bij sommige brieven noteerde ik zelfs alleen maar wat steekwoorden.

Hedwig zit op haar vaste plek, maar wendt haar gezicht af wanneer ik naast haar kom staan. Het is alsof ze spijt heeft van haar open­hartigheid.

‘Volg me,’ zeg ik slechts. Vastberaden loop ik naar de rand van de begraafplaats. Blijkbaar heb ik haar interesse gewekt, want wanneer ik me omdraai kijkt Hedwig me met een vragende blik aan.

‘Ik wil je helpen, maar je moet me beloven dat je dit voor je houdt.’ Mijn stem trilt nog heviger dan mijn benen. Hedwig knikt instemmend. Ik pak haar handen en doe enkele stappen achteruit, de begraafplaats af. Nooit eerder heb ik een geest door de barrière geleid. Ik hoop maar dat niemand er ooit achter zal komen.

‘Ik wilde dat je haar kan zien,’ licht ik toe.

Hedwig kijkt met grote ogen rond. ‘Ik kan de begraafplaats wél verlaten?’

‘Het kan alleen via een boderge,’ leg ik uit. ‘Je gebruikt een deel van mijn levenskracht. Het is echter ten strengste verboden vanuit de tempel omdat er gigantische risico’s aan kleven.’ Ik laat een dramatische stilte vallen, maar krijg geen reactie.

‘Dit is gevaarlijk,’ benadruk ik nogmaals, ‘we hebben namelijk maar tot het ochtendgloren de tijd.’

Hedwig knikt. ‘Duidelijk. Als ik haast, dan zie ik Rose wanneer ze hout uit de droogschuur haalt. Ik zal proberen om op tijd terug te zijn.’

Hedwig zet direct een sprint in en verdwijnt in het duister. Mijn mond valt open, verder sta ik als bevroren. Waarom vroeg ze niet door naar de gevaren? Ik vloek hardop. Eindelijk weten mijn hersenen mijn benen zover te krijgen om de achtervolging in te zetten.

Had ik verdomme maar meteen gezegd dat haar geest voorgoed zal verdwijnen, wanneer ze niet voor het ochtendgloren terug op de begraafplaats is. Maar nee, ik moest natuurlijk weer eens interessant overkomen. De levenden kunnen haar niet eens zien, dus waarom is ze überhaupt zonder mij gegaan?

Mijn hart klopt alsof deze zich door mijn borstkas naar buiten probeert te rammen, wanneer ik bij de bakkerij aankom. Vanachter een open raam brandt een warm licht. Niet ver daar vandaan vind ik Hedwig; deels verborgen in de schaduw van een grote eik. Zwijgend kijk ik haar aan.

‘Ik zag Rose.’ Hedwig wijst naar de open deur van de droogschuur, een eindje verderop. Mijn adem stokt wanneer ik in haar andere hand een bijl opmerk.

‘Wat moet je daarmee?’ wijs ik.

‘Gijsbert klieft er gewoonlijk hout mee,’ zegt ze, alsof dat een verklaring moet voorstellen.

‘Maar wat moet jíj daarmee?’

Ze ontwijkt mijn blik. ‘Het doet maar even pijn, dacht ik,’ zegt ze zacht. ‘En wat is dan dat beetje pijn, in ruil voor de eeuwigheid samen?’

Mijn handen worden klam. ‘Wat heb je gedaan?’

‘Ik…’ Ze haalt diep adem. ‘Ik kon het niet. Ik zou haar nooit pijn kunnen doen.’

De opluchting verlaat mijn lippen in een zucht. Op dat moment verlaat Roselina de droogschuur, met een mand vol brandhout. Ik verberg me in het donker. De brunette stopt even en staart met een zucht naar de sterren, voordat ze haar pas hervat.

‘Soms vraag ik me af of ze echt met me meegegaan zou zijn,’ bekent Hedwig zacht. ‘Rose is jaren jonger dan haar broer, maar toch was zij degene die voor hem zorgde nadat hun ouders overleden. Zonder haar had hij de bakkerij nooit kunnen overnemen. Altijd stelde ze zijn geluk boven dat van haarzelf.’ Haar handen klemmen zich steviger om de steel van de bijl. ‘Pas zonder hem, kan ze eindelijk zelf gaan leven.’

Met grote passen loopt ze naar het open raam, waar ze als bevroren blijft staan. Ik kom naast haar staan en volg haar blik naar binnen.

De vlammen van de ovens dansen in het donker. Gijsbert zit aan een houten tafel, met op zijn schoot een jongetje, dat met een brede grijns het brooddeeg kneedt. Zachtjes, zo voorzichtig alsof het jongetje van porselein is, aait Gijsbert over de blonde haartjes.

De bijl glijdt uit Hedwigs handen. ‘Maar ik dacht…’ fluistert ze.

Roselina komt het vertrek binnen en slaat direct haar armen over elkaar. ‘Hoor jij niet in bed te liggen, Rohad?’

Gijsbert haalt verontschuldigend zijn schouders op. ‘Hij wilde helpen met het brood.’

Het jongetje kijkt met een brede grijns op. Roselina schudt haar hoofd. ‘Zo kan ik toch niet boos op je worden?’ Ze geeft Rohad een kus op zijn voorhoofd. ‘Je lijkt met de dag meer op je moeder.’

Hedwig glimlacht door haar tranen heen.

 

Het is opnieuw de eerste dodennacht: die voor de volle maan. Uiteraard staat Hildegarde ook nu weer als eerste voor mijn neus. Ditmaal zie ik echter niet op tegen een gesprek met haar. Ik had haar dochter namelijk opgezocht. Met schaamrood op de wangen bekende Jantien dat ze het zich niet kon veroorloven om de brieven van haar moeder te laten voorlezen.

‘En in ruil voor je halsketting?’ wees ik.

‘Nooit.’ Met een melancholische glimlach sloot Jantien haar vingers om de robijnen hanger. ‘Deze was van mijn moeder. Ik draag de ketting iedere dag, zodat het is alsof ze nog een beetje bij me is.’

Hildegarde kijkt me met grote ogen aan wanneer ik haar over de hanger vertel. Er verschijnt warempel een glimlach op het gezicht van dat norse ding wanneer ze terugkeert naar haar graf. Ik denk niet dat ik haar voorlopig nog zal zien.

Misschien, heel misschien, is het werk van een boderge zo vervelend nog niet. Misschien zijn de doden het waard om gehoord te worden. Wellicht blijf ik dit daarom nog wel wat langer doen.

Mijn oog valt op Hedwigs grafsteen. Verrast knipper ik met mijn ogen wanneer ik de blonde vrouw daar weer zie zitten. Enkele geesten protesteren wanneer ik mijn schrijftafel verlaat, maar ik bijt ze toe dat ze maar eens een keer moeten wachten.

‘Ik had niet gedacht jou hier nog te zien,’ beken ik, wanneer ik naast Hedwig kom staan.

Ze haalt slechts haar schouders op.

‘Heb je nog steeds geen rust?’

‘Wat mijn zoon betreft zeker.’ Ze kijkt omhoog, waarna er een glimlach om haar mondhoeken verschijnt. ‘Maar wachten op Rose, onder de sterrenhemel, dat zal ik altijd blijven doen.’

Zwaard en de vrouw van de Vijftiende Keizer : Jaap Boekestein

De Hulcoi-barbaren bedreigden het Hemelse Rijk. Ze vernietigden legers, steden en velden net zo gemakkelijk als wolven een kudde schapen verslonden.

‘We moeten het doen, het is onze enige optie,’ adviseerden de adviseurs de Vijftiende Keizer.

‘Anders zullen die barbaren onze tempels als stallen gebruiken, ze zullen pissen op de graven van onze voorouders en ze zullen onze kinderen afslachten.’

‘Het zal zo zijn,’ beval de Vijftiende Keizer, en zo geschiedde het. Voor het eerst in een halve eeuw werden de deuren van het binnenste heiligdom van de Tempel der Schreeuwende Zielen geopend. De oude priester, vijf acolieten en de eerste minister van de Vijftiende Keizer gingen naar binnen.

Midden in de kale ruimte stond een eenvoudige houten standaard met een groot zwaard. Het staal was zwart, bedekt met vreemde tekens. Zelfs van een afstand leek het faam, bloed en de dood te beloven.

De oude priester gaf een van de acolieten een teken. De jonge, sterke man stapte naar voren en pakte het wapen.

Een kreet van pijn. Zijn lichaam trilde, zijn gezicht vertrokken. Hij leek te groeien en hief het oude zwaard op. De acoliet hanteerde het wapen niet, nee, het staal leek in zijn hand te groeien.

Metaal en vlees versmolten, magie steeg, honderd zielen verslonden er één.

De eerste minister van de Vijftiende Keizer piste van angst onder zijn statige gewaden maar hij vluchtte niet, noch de priester en de over­gebleven volgelingen.

Plots was het stil in de tempel. De stank van verschroeid haar hing in de lucht. Er was geen jongeman meer, geen zwaard. In het binnenste heiligdom van de Tempel der Schreeuwende Zielen stond nu een enorme gespierde man met demonische rode ogen. Zijn rechterarm eindigde in een naakt blad dat hongerig glom in het licht van de kaarsen. Dit was Zwaard, de dood van de keizersvijanden, de gesel van de barbaren, de weduwe-maker. Voor de negende keer in de geschiedenis van het Hemelse Rijk, werd Zwaard gewekt.

De priester en de acolieten vielen op hun knieën en hun hoofd raakte de koude stenen vloer. De eerste minister van de Vijftiende Keizer boog niet, hoewel het al zijn wilskracht vergde. Met een droge keel zei hij: ‘Zwaard, luister. Je keizer heeft je nodig. Barbaren plunderen onze grenzen. Zoek ze op en vernietig ze. Dat is wat uw keizer beveelt. ‘

‘En zo zal het zijn,’ antwoordde Zwaard, zijn stem diep en resonerend. ‘Breng me naar die vijanden.’

 

#

 

Het duurde drie weken om een leger samen te stellen dat de keizer en zijn hof waardig was.

Uiteraard reed de Vijftiende Keizer met zijn soldaten mee om de barbaarse hordes te vernietigen.

Met Zwaard aan zijn zijde zou hij zeker slagen.

Waar de keizer ging, ging zijn hofhouding, zodat het leger werd gevolgd door een trein van karren en rijtuigen met hovelingen, adviseurs, dienaren, waarzeggers, concubines, tovenaars, priesters, voorproevers, koks, zangers, dansers, berenworstelaars, wijnmeesters en al die duizend en één andere lieden nodig voor het goede verloop van het keizerlijke hof.

Natuurlijk reed Zwaard met de Vijftiende Keizer. De krijger sprak zelden, maar zijn ogen brandden en het nachtzwarte staal van zijn armzwaard rustte naakt op zijn schoot.

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed met haar man en bewonderde de bovenmenselijke krijger. Zij flirtte – quasi onschuldig, zoals alle dames aan het hof – met Zwaard. Het was tevergeefs, omdat hij zelden antwoordde, maar dat weerhield haar er niet van om met haar zachte handen schijnbaar per ongeluk de demonische spieren aan te raken, of zijn geharde huid terloops te strelen met haar waaier of de zachte zijde van haar gewaad.

Zwaard reageerde niet op haar geflirt, onschuldig of niet.

De karavaan met alle rijkdommen vormde een onweerstaanbaar doelwit voor de Hulcoi-barbaren.

Het keizerlijke leger? Ha! Ze hadden een dozijn of meer legers verpletterd. En dat wezen Zwaard?

Sprookjes en sluwe leugens om goedgelovige kinderen bang te maken. Nee, ze zouden die zwakke keizer verpletteren, zijn wijn drinken, zijn vrouwen verkrachten en een berg van schedels bouwen.

Dus vielen de barbaren het leger van de keizer aan op een modderig veld in de buurt van de Grote Schildpadrivier.

De strijd … Luister naar de liederen als je meer wilt weten over de strijd. De veldslag was enorm, het was hevig, het was vreselijk. Mannen en paarden stierven, bloed stroomde, zwermen pijlen verduisterden de hemel. Gehuil en geschreeuw, de stank van bloed en stront. In het midden van dit al schreed Zwaard, strijdend, dodend. Hij onthoofdde vijandige ruiters met een enkele klap maar hij was niet zomaar een vechtmachine. Hij was een generaal, een leider, een held. Hij won de strijd, hij doodde honderden vijanden met één hand. Hij was Zwaard, de Oogster van Zielen.

 

#

 

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed over het verlaten slagveld op haar tamme witte merrie. Een verrassingsaanval van barbaarse ruiters had de verdediging van de keizerlijke harem gedecimeerd.

De dames aan het hof waren nooit echt in gevaar geweest, maar de Vijftiende Keizervrouw had van de gelegenheid gebruik gemaakt om te ontsnappen aan de keizerlijke wachten. Een vreemde drang dreef haar tot die roekeloze daad. Zij reed over de de nu stille velden, op het kermen van de gewonden en het lachen van de kraaien na. Verder en verder reed zij. De stervenden geloofden dat ze een van de oorlogs­godinnen was die de dode helden kwamen halen naar een glorieus hiernamaals. Ze kreunden van wanhoop toen zij hen achterliet om de gevreesde vergetelheid tegemoet te treden: het lot voor hen die te licht waren bevonden.

Eindelijk vond ze waar ze naar op zoek was.

Het grote oorlogspaard van Zwaard was onder hem gestorven en de reusachtige man was alleen, omringd door bergen van doden: keizerlijke soldaten, maar voornamelijk barbaren. Zijn helm was verdwenen, zijn wapenrusting lag in stukken, zijn lichaam en zwarte armzwaard waren bedekt met het bloed van andere mannen. De Vijftiende Keizervrouw hield haar paard in, plotseling bang.

Zij was alleen met die man die geen man meer was maar iets veelomvattender. Hij kon haar verpletteren met een enkele slag. Zij was machteloos om hem tegen te houden als hij ervoor koos om dat te doen. Noch haar schoonheid, noch haar rang, noch haar man zouden haar kunnen redden. Nooit was ze dichter bij de dood geweest en het gevaar zorgde ervoor dat haar hart sneller klopte en haar bloed kolkte. De vrouw van de keizer klom van haar paard.

‘Zwaard, herken je mij?’ vroeg zij terwijl ze naar hem toe liep.

‘Natuurlijk. U bent de vrouw van de keizer, vrouwe.’

Zij wachtte op meer, maar Zwaard zweeg. Zijn demonische ogen brandden en bleven haar aankijken.

‘Je hebt dapper gevochten, Zwaard. Ik denk dat je gewonnen hebt.’

De keizersvrouw speelde met haar haar dat op de een of andere manier los was geraakt en zij bleef de stilte vullen: ‘De keizer zal je bedanken, maar…

Ik zou je persoonlijk willen bedanken, Zwaard.

Voor wat je vandaag hebt gedaan. ‘

Weer zei hij niets.

‘Ik … jij bent een soldaat, zwaard. De ultieme soldaat. Ik ben slechts een vrouw. Laat me je bedanken op de enige manier die ik kan.’

Ze opende haar gewaden en onthulde haar zachte geparfumeerde lichaam. De vrouw van de Vijftiende Keizer huiverde, van lust, van angst, van diepe duistere verlangens naar deze meer-dan-man die had gevochten en gedood en gedood.

Zwaard deed een stap, zijn stalen armzwaard sneed met de precisie van een meester-vakman door zijde en doek, maar niet door het hete vlees eronder.

Met zijn andere hand trok hij haar naar zich toe. Hij nam haar op het slagveld, in modder, bloed en vuiligheid.

Zij stond hem toe haar te nemen, ze had er naar verlangd. Met de steelarm van Zwaard scherp tegen haar keel en zijn andere – dat man-ding – zwaard in haar schreeuwde en kreunde ze toen hij haar sloeg met al zijn lust en onmenselijke woede. Ze had zich nooit levender gevoeld.

Naderhand kroop de vrouw van de keizer weg, haar delicate gewaden gescheurd en vies, haar lichaam besmeurd met zweet en bloed, haar buik vol vuur en met een tevreden glimlach op haar gezicht.

Zwaard glimlachte niet, maar met zijn rode duivelse ogen zag hij haar vertrekken.

Die nacht vierden de imperialisten hun overwinning. De keizer toostte op de gezondheid van Zwaard, toespraken werden gemaakt, liederen werden gezongen, gevangenen werden met hun eigen paarden vertrapt.

Stil maar gloeiend zat de vrouw van de Vijftiende Keizer naast haar man. Zij durfde niet te veel naar Zwaard te kijken, maar tegelijkertijd kon ze haar ogen niet van hem afhouden.

Wist de Vijftiende Keizer dat? Wat was gebeurd er tussen Zwaard en zijn vrouw? Natuurlijk wist hij het. Er waren geen geheimen aan het hof, zelfs niet op het slagveld in een onbeduidende provincie. Hij gaf gewoon niet toe dat hij het wist. De barbaren bedreigden zijn rijk, zijn dynastie. Zwaard had één slag gewonnen, maar er waren nog veel meer veldslagen te winnen voordat de barbaren echt verslagen werden. En zijn vrouw? Ze had maar een kleine prijs te betalen. Hij had jaren geleden de belangstelling voor haar verloren, na de derde zoon die hij met haar verwekte. Zwaard kon haar hebben.

Wanneer de oorlog voorbij was, kon hij haar altijd bevelen haar hoofd te scheren en tot een klooster toe te treden waar zij haar dagen in armoede en kuisheid zou doorbrengen.

De vrouw van de Vijftiende Keizer wist niets over de gedachten van haar man. Zij was verliefd.

Of misschien was het geen liefde, maar zeker lust.

Zij durfde de levende moordmachine niet te benaderen, maar elk moment dat ze wakker was, dacht ze aan hem. Haar dromen waren verhit en overspelig, net als haar gedachten.

Zwaard had de strijd gewonnen, maar niet de oorlog. Nog niet in ieder geval. De provincies die verloren waren gegaan, moesten opnieuw veroverd worden, nieuwe grenzen moesten gelegd worden, het rijk moest het land van de barbaren claimen om de dreiging voor eens en voor altijd te beëindigen.

Dus na vijf dagen pakten het leger en het hof de boel in en gingen op weg.

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed op haar witte merrie terwijl haar dames van het hof in hun rijtuigen vertoefden.

‘Vertel me eens over Zwaard,’ vroeg ze aan de oude priester van de Tempel der Schreeuwende Zielen. ‘Wat is hij?’

De oude priester gehoorzaamde: ‘Eens, lang geleden, werd het rijk belegerd door barbaren. Lang was de oorlog, verschrikkelijk waren de veldslagen, zovelen stierven dat de grond zelf rood kleurde en de doden rotten in de velden omdat er niemand meer resteerde om hen te begraven. De keizer van die tijd was een wijze man en wist dat er altijd barbaren zouden zijn die verlangend waren naar de rijkdom van het Hemelse Rijk. Hij beval de creatie van een superieur wapen om te gebruiken wanneer dat nodig was. Jarenlang werkten de beste wijzen en tovenaars van het rijk aan dit wapen. Ze namen de honderd machtigste strijders en generaals, allen oorlogshelden, en lieten hen naar de Tempel der Schreeuwende Zielen gaan. Rook reikte naar de hemel, metaal werd gehamerd, goden en demonen werden opgeroepen. Het bloed en de zielen en geesten van de honderd helden werden met staal van de sterren vermengd. Het was vreselijk, zelfs kwaadaardig, maar het moest worden gedaan. Aan het einde was er een wapen, een zwaard, het stalen deel van Zwaard. In slechte tijden hoefde alleen een man het wapen op te nemen en Zwaard zou geboren worden.’

De vrouw van de Vijftiende Keizer luisterde en voelde zich warm en opgewonden. Ze had met zo’n wezen gelegen, voortgekomen uit honderd helden, de redder van het rijk.

‘Kan een man zoals Zwaard worden gedood?’ vroeg de vrouw van de Vijftiende Keizer. Ze reden een nieuwe slag tegemoet en haar ziel werd ziek door de gedachte dat haar geliefde gewond zou kunnen raken of dat hij – de Goden verhoede! – zelfs dood kon gaan.

‘Zwaard zal sterven,’ antwoordde de oude priester en hij vernietigde daarmee al haar hoop.

‘Ofwel door de hand van de vijand of door pure uitputting. Geen sterfelijke mens kan lang Zwaard zijn. Uiteindelijk zal zijn hart het opgeven.’

‘Wat zal er dan gebeuren?’ fluisterde ze, haar keel dichtgeknepen door verdriet en wanhoop.

‘Een nieuwe man zal het wapen opnemen en Zwaard worden. Tijdens het bewind van de Negende Keizer in de oorlog tegen de Shaw Hazeebarbaren stierf Zwaard drie keer voordat de barbaren ten slotte werden vernietigd.’ De oude priester knikte. Hij leek een beetje op een oude gerimpelde spookaap met witte snorharen.

‘Maar … zal het nieuwe zwaard hetzelfde zijn als het oude?’ Zal hij zich mij herinneren?

‘Absoluut, uwe Hoogheid. Het lichaam is slechts een vat voor de ziel van Zwaard. Honderd helden gaven hun leven om tot een nieuw wezen te worden gesmeed. In zekere zin is Zwaard net zo levend als u of ik, beste dame. Zijn echte lichaam is het staal. Het vlees is slechts … een verlengstuk, zoals een marionet aan een touwtje of als het paard van een ruiter.’

De woorden van de oude man troostten de vrouw van de Vijftiende Keizer een beetje. Zelfs als Zwaard doodging, zou hij terugkomen. Tenminste… zo lang als de oorlog woedde.

 

#

 

Meer veldslagen, meer bloed, meer dood, meer gestolen momenten van rauwe seks tussen de vrouw van de Vijftiende Keizer en Zwaard. Zij kon het niet helpen, ze was verslaafd. Elk moment verlangde zij naar het volgende gevecht, de volgende ontmoeting.

En de keizer wist, oh hij wist het, maar hij deed niets. Hij was de keizer, als hij ervoor koos dat er iets niet gebeurde, gebeurde het niet. Trouwens, met zijn afgestompte verlangens vond hij de hele situatie in het geheim zelfs ietwat opwindend. Zijn concubines fluisterden onderling over de nieuwe kracht en lust die de Vijftiende Keizer in de slaapkamer tentoonstelde.

‘Het moet de frisse lucht zijn,’ fluisterde iemand.

‘Of een dag op een paard rijden,’ fluisterde een ander.

‘Nee, het is mijn nieuwe parfum gemaakt van lelieknoppen en geslepen eenhoornhoeven,’ zei een derde. Zij was heel mooi, maar niet al te slim.

Uiteindelijk was het na verschillende campagnes tijd voor de laatste veldslag: de belegering van de hoofdstad van de barbaren.

Achter de muren schuilden hun koning en sjamanen en witharige heksen en de grootste, resterende strijders, bang voor Zwaard en het leger van de Vijftiende Keizer.

In een van de verhalen van weleer, van veraf, duurde het tien jaar om een stad te veroveren, en alleen door een sluw plan slaagden de belegeraars er in de poorten te slechten.

Zwaard en het keizerlijke leger hadden slechts tien dagen nodig om de hoofdstad van de barbaren te veroveren en te vernietigen. Heel de stand brandde, geen man, vrouw, kind of dier werd gespaard, het hart en de ziel van de barbaren werd voor eens en altijd vernietigd.

De Vijftiende Keizer vond zijn vrouw en Zwaard in de nasleep van de strijd. Zij lag bovenop hem, hij lag in haar.

De vrouw van de keizer gilde. Zij kroop weg en bedekte zich met de bevlekte, gescheurde gewaden.

Zwaard stond op, naakt.

‘Ik ben je keizer,’ bulderde de Vijftiende Keizer, ‘is dat niet waar?’

‘Dat is waar, u bent mijn keizer,’ antwoordde Zwaard.

De Vijftiende Keizer wees naar zijn vrouw.

‘Dood deze vrouw,’ zei hij. ‘Ze zal boeten voor haar zonden.’ Verdwenen waren de plannen om haar in een klooster te stoppen. Hij was de Vijftiende Keizer, vernietiger van barbaren. Hij had smaak van bloed geproefd en het beviel hem goed. Hij zou haar zien sterven, haar bloed rood en heet druipend in de vuiligheid. Een passend einde voor een hoer.

‘Je kunt dit niet doen! Ik ben je vrouw!’ riep ze uit.

‘Ik ben de keizer.’ Dat was alles wat de Vijftiende Keizer hoefde te zeggen.

Zwaard greep haar lange zwarte haar, zoals hij al zo vaak had gedaan. Hij hief zijn wapen op, het stalen deze keer.

De tranen liepen over haar gezicht, maar ze schudde haar hoofd, stond rechtop, vol woede. Zij had geleefd, ze had liefgehad en nu zou ze sterven.

Ze stond daar op het slagveld met de waardigheid van een hoog­geboren vrouw, de vrouw van een keizer, iemand die niets meer te verliezen had.

‘Jij bent de barbaar,’ spuugde ze naar haar man. ‘Ineengedoken achter mannen die groter zijn dan jezelf, vernietigend wat waar en echt is.’

De Vijftiende Keizer lachte. ‘Dus ik ben de barbaar? Ik accepteer die titel graag. Zelfs barbaren hebben meer eer dan een modderige kruipende slang zoals jij.’

De vrouw antwoordde niet. In plaats daarvan wendde ze zich tot Zwaard en keek in zijn vlammende demonische ogen. ‘Zwaard, mijn lief. Doe wat je moet doen, ik vergeef je.’

Zwaard knikte. Hij hief zijn wapen. Twee, drie, vier stappen. Zijn zwaardarm schoot uit. Het hoofd van de Vijftiende Keizer, de zelfbenoemde barbaar vloog door de lucht.

Het was doodstil. Niemand durfde te bewegen, niemand durfde te spreken, niemand durfde te ademen.

De moeder van de toekomstige Zestiende Keizer was de eerste: ‘Mijn zoon zal de nieuwe keizer worden wanneer hij de mannelijkheid bereikt. Tot die tijd zal ik op de troon zitten.’

Niemand durfde te protesteren. Niet met Zwaard die daar stond en het nog stuiptrekkende lijk van de laatste keizer dat in de modder lag.

De keizerlijke regentes pakte Zwaard bij de hand, haar ogen vol van lust. ‘Om het rijk te beveiligen, moeten we de volkeren aan onze grenzen onderwerpen. Allemaal. Laten we ten oorlog gaan.’

Voor het eerst glimlachte Zwaard.

De eindoplossing van het vetusentiteitenprobleem : Django Mathijsen

Samen met Morena, een van mijn promovendi, was ik vergelijkingen aan het narekenen uit een artikel van professor Yáo Liangyong, die een interessante variatie had bedacht op mijn cryptokinetisch causaal seismologische rekenmodel. Hij had daarmee de aardbevingen in het Wenchuan-gebied geanalyseerd en was tot bijzonder nauwkeurige cryptoseismologische voorspellingen kunnen komen van locatie, tijd en grootte van de recente bevingen daar.

Zijn voorspellingen leken geruststellend. Blijkbaar was de vetus­entiteit Diyu Yaomo niet sterk genoeg om door het aardoppervlak te breken. En volgens de kinetische patronen kwam Diyu Yaomo bijna nooit in de buurt van fissuren en zwakke plekken.

Bescherming, laat staan strijd, tegen vetusentiteiten was dus ook daar geen prioriteit voor de politiek. De aardbeving- en tsunami­besten­dige bouwrichtlijnen die de VN bijna overal had afgedwongen, zorgden dat zelfs bevingen tot een magnitude 8 nauwelijks nog verlies van mensen­­levens of infrastructuur opleverden.

Politici sliepen rustig verder: doof, blind en stom met betrekking tot het onzichtbare gevaar onder hun voeten dat zij voor het grote publiek geheimhielden.

De ene groep onwetend, de andere onverschillig. Dat was veront­rustend.

Nadat ik de spanningstensor had opgeschreven, nam ik een paar passen afstand van de digiborden die bijna alle wanden van mijn kan­toor bedekten. Morena was een differentiaalvergelijking aan het oplos­sen. Haar diepbruine krullen hingen als een tapijt over haar rug en raakten de slijtplekken op de leren rok die bijna dezelfde kleur had. Ze was de enige die ik kende die zo’n archaïsch kledingstuk droeg. Het was moeilijk om mijn ogen af te houden van de zacht uitpuilende rondingen waar haar slanke taille overging in haar achterwerk.

‘Denk aan de primitieve van de natuurlijke logaritme,’ prevelde ik, de tinteling in mijn kruis negerend.

‘Natuurlijk.’ Ze keek even om, een twinkeling in haar groene ogen. Als ze me zo aankeek, leek ze een kind en dus verdween mijn tinteling weer. Ze was al lang geen kind meer, maar wel net jong genoeg dat ze de dochter had kunnen zijn die ik nooit had gehad.

Ik glimlachte terug, verlegen hopend dat ik geen rode kleur op mijn wangen had.

Ze schreef door en ik vermaande mezelf. Ze was mijn promovendus. Ik mocht haar niet als iets anders zien: niet als kind, niet als vrouw. Haar haren leken op die van Mariska, de vriendin van Bart, mijn grote broer.

 

Hij was anders dan ik: er bestond geen apparaat dat hij niet kon repa­reren, geen machine die hij niet kon maken. Als kind al stond hij met zijn neus erbovenop als pap onze skelters, drones en zweefsteps repa­reerde. Als volwassene bouwde Bart de helft van het machinepark in zijn fabriekje. De andere helft verbeterde hij.

We waren even weetgierig hoe dingen in elkaar zaten. Maar bij hem waren die dingen machines, bij mij de aarde. Ik keek al naar aardrijks­kundige colleges op het omniweb lang voor ik ze kon begrijpen.

Ik maakte lange ontdekkingstochten: hutten bouwen in het bos, grotten verkennen, ruïnes van de voormalige aardgaswinning onder­zoeken. Bijna altijd met Bart in mijn kielzog. Pap had hem op het hart gedrukt op zijn kleine broertje te letten.

Maar het was ook zijn aard. Hij was degene die overal het gevaar kon identificeren… en de redding. Ik denk omdat hij constant zocht naar problemen om te fiksen, defecten om te repareren.

‘Niet doen, Haijtje, die ladder is verroest en je kunt de bodem niet zien.’ Zijn stem galmde door de oude fabriekshal. ‘Wat als je valt en die put geen bodem heeft?’

We staarden in de put die als een zwart gat het schijnsel van mijn helmlamp leek op te slokken.

Demonstratief zuchtend haalde ik mijn voet van de bovenste sport en keek rond. De lichtbundel van mijn helmlamp ging als een zoeklicht over de betonnen vloer en liet olievlekken, stof en spinnenwebben flonkeren. Daar: voor een van de verroeste machines lagen bouten en moeren. Ik raapte ze op en liet ze in de put vallen. ‘Eenentwintig, tweeëntwin…’

Harde knallen galmden op uit het donker.

‘Anderhalve seconde… het kan dus niet dieper zijn dan een meter of tien, vijftien…’

‘Het klonk niet alsof er iets bijzonders op de bodem lag,’ zei hij.

‘Bijzondere mineralen kun je niet horen.’ Ik stapte vastberaden weer op de ladder die in de put hing en begon af te dalen. De derde sport kraakte.

‘Wacht!’ riep Bart.

‘Da’s niks. Die ladder is hartstikke stevig.’ Ik gaf hem een boze blik.

‘Gewoon even wachten.’ Hij gebaarde me tot kalmte en keek koortsachtig om zich heen. ‘Ja.’ Weg rende hij.

Zijn voetstappen galmden door de fabriekshal.

Het kan nog geen tien seconden hebben geduurd of ik hoorde hem alweer terugkomen. Voor het kind dat ik toen was, leek het een eeuwigheid.

Triomfantelijk liet hij de vuile, bruine touwen in zijn handen zien. ‘Kom hier.’

‘Bahart… dit is…’

‘Hierkomen! Als je iets doet, moet je het goed doen.’

Sputterend en stampvoetend kwam ik de put uit.

Hij knoopte een lus, gooide die om mijn middel en maakte een andere lus. ‘Stap hierdoorheen.’

Ik deed wat hij zei.

Hij knoopte en bond: tussen mijn benen door en om mijn schouders heen en voor ik het in de gaten had, had ik een tuigje aan.

‘Nou ben ik net een paard,’ mopperde ik.

‘Bij de padvinders geleerd.’ Grijnzend trok hij de touwen tussen mijn benen strak.

‘Auw! Mijn plasser zit ertussen.’

Lachend legde hij de touwen in mijn kruis goed. ‘Dat krijg je als je overal je neus in wilt steken.’ Hij trok weer strak. ‘Gaat het zo?’

Het deed nog steeds een beetje pijn. Aarzelend knikte ik.

Hij bond een langer stuk touw achter mijn schouders aan het tuigje en hield het grijnzend vast. ‘Nu kun je veilig omlaag.’

Ik rolde met de ogen, maar stapte meteen omlaag… voordat hij zich nog eens bedacht. Het ging lekker. En het was lekker: de spanning kriebelde in mijn buik.

Bij de achtste sport gebeurde het: luid krakend brak het onderste stuk van de ladder af en schoot omlaag. Met een ruk kwam mijn ge­wicht aan mijn armen te hangen.

‘Aah!’ Mijn handen gleden weg. Ik stortte omlaag.

‘Auw!’ Abrupt kwam ik tot stilstand. Het was alsof iemand een mes in mijn kruis stak. Vlak daarna knalde ik ruggelings tegen de wand.

Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Help!’

Bungelend aan het touw spartelde en graaide ik naar het bovenstuk van de ladder. In het donker en door mijn tranen heen duurde het eeuwig voordat ik het stevige, koude staal van een sport weer in mijn handen voelde.

‘Ben je in orde, Haijtje?’ galmde Barts stem van boven.

Ik probeerde me op te trekken, maar was niet sterk genoeg. Ik pro­beerde Bart te antwoorden, maar de angst en pijn beroofden me van adem.

‘Niet bang zijn,’ riep Bart. ‘Ik trek je omhoog.’

Een vlijmscherpe ruk aan mijn kruis! Maar ik ging een stukje omhoog.

Langzaam sloot ik me af van de pijn. Rukje voor rukje kwam ik omhoog. Pijnscheut voor pijnscheut. De hele tijd dacht ik dat hij me niet meer zou kunnen houden, dat ik te pletter zou vallen. Er leek geen eind aan te komen.

Die dag redde hij mijn leven.

Maar zelfs hij was niet in staat geweest het gevaar te zien toen hij zo veel jaren later samen met Mariska naar Hoek van Holland ging. Hij had het ook niet kunnen weten. Ik wel: ik was toen al gepromoveerd. Nu was ík degene die het gevaar moest zien. En de redding.

Ik zou willen zeggen dat de schellen meteen van mijn ogen vielen, toen ik zijn laatste berichtje kreeg. Maar toen ik hoorde van de Noordzeetsunami en dat Bart er niet meer was, kon ik het aanvankelijk niet bevatten.

Misschien moest ik meer begrip hebben voor mensen die zich doof, blind en stom hielden voor de verschrikkelijke waarheid onder hun neus. Ook ik had het niet willen weten. Ook ik deed het lang af als complottheorieën. Ik had het moeten weten, het was mijn vakgebied: de seismologie.

 

Ik werd uit mijn overpeinzingen opgeschrikt door een belsignaal. Een rood lichtje flikkerde op een van de digischermen. De schrik liep van mijn buik naar mijn tenen.

‘Ga je in je eigen kantoor verder? Ik kom later wel naar je resultaten kijken.’

Morena knikte. Ze keek me even diep in de ogen en liep naar de deur.

Niet naar haar kont kijken, niet naar haar kont kijken…

De deur schoof opzij, ze verliet mijn kantoor.

‘Deur sluiten,’ zei ik en de deur sloot vlak achter haar heupwiegende kont.

Toch weer gekeken, verdorie.

‘Voor niemand opendoen.’ Met trillende vingers drukte ik op de rode lamp op het scherm. Mijn schaduwmail opende zich. Koortsachtig las ik de tekst. Instinctief maakte ik een vuist.

Yes.

Een uitnodiging voor een spoedconferentie van het Europees Crypto­seismologisch Genootschap. Ik werd om vijf uur, over een klein uur dus, thuis opgehaald door een dronetaxi. Chatham House Rule, kleding­voorschrift blauw. Ik moest een keynote address van een half uur geven. De mail was gemerkt: hoogste urgentie.

Hoogste urgentie, de woorden spookten door mijn hoofd. Hoogste urgentie. Dit moest het zijn: het moment waar ik al die jaren naartoe had gewerkt.

Ik zakte in de stoel achter mijn bureau maar sprong meteen weer op. Zoveel te doen, zo weinig tijd. Haast vloeide als een storm door mijn hoofd. Mijn documenten, mijn pak…

‘Kalm, Haijo.’ Ik ging weer zitten, pakte mijn e-rol uit mijn binnen­zak, rolde hem uit en controleerde of ik alle documenten die ik nodig zou hebben voor een rede over mijn onderzoek in crypto­seismo­logie en cryptoallectatie erin had staan. Een half uur… hoe… wat vertel ik?

Ik bekeek de schema’s van mijn laatste vier conferentiepraatjes. Ja, daar kon ik delen uit halen, details weglaten, me beperken tot de lijn… moest lukken.

Ik had alles. Het praatje zelf plakte ik wel in de dronetax in elkaar.

Met mijn e-rol weer in mijn binnenzak verliet ik mijn kantoor op de universiteit en liet mijn secretabot weten dat ik de rest van de dag en de volgende dag afwezig en voor niemand bereikbaar zou zijn.

 

Met mijn blauwe pak aan zakte ik in de luie fauteuil in mijn woon­kamer. Motortjes zoemden: de stoel nam mijn favoriete ligstand aan. Shit, door het raam zag ik slechts het stukje straat waar mijn eigen drone geparkeerd stond.

‘Omhoog’. De fauteuil ging in overeind-stand. Ik sprong op, liep naar het raam en keek rond.

Geen dronetaxi.

Ik keek omhoog: maar weinig verkeer, geen dronetaxi. Had ik mijn drone voor het huis van de buurman moeten parkeren zodat de drone­tax hier voor de deur had kunnen stoppen?

Ik had dorst, liep naar de keuken en besefte dat ik nu zeker geen dronetax kon zien landen. Mijn botler stond in de hoek: die had ook wel thee voor me kunnen pakken.

‘Thee,’ zei ik tegen mijn koelwarmkast. Het apparaat zoemde, stoom kwam eruit.

‘Extra melk.’

Het luikje boven in de kast schoof open.

Met de beker in de hand liep ik terug naar het raam. ‘Hoe laat is het?’ Ik blies in de thee.

Het scherm rechts van me lichtte op en liet een grote wijzerplaat zien. ‘Eén voor zes.’

Ik volgde de secondewijzer terwijl ik een slok hete thee in mijn mond spoelde. Hij prikte op mijn tong. Nog veertig seconden. Ik slikte door. Dertig. Ik nam gauw een tweede slok.

Masker!

Ik zette mijn theebeker op de vensterbank, rende naar de gang en opende mijn koffer…

Gelukkig, mijn blauwe masker zat erin. Ik hield het voor mijn gezicht. ‘Batterijcheck.’

In de glaasjes die de ooggaten vulden verscheen: negentig.

Negentig procent was ruim voldoende.

Ik propte het masker terug, rende weer naar de woonkamer en wou mijn theebeker grijpen. Op dat moment sprong de secondewijzer recht omhoog.

Er schoof een schaduw voor mijn raam: een dronetaxi landde achter mijn drone.

Ik greep mijn theebeker en goot de laatste slok naar binnen. Hij daalde brandend mijn slokdarm af. ‘Botler, huis afsluiten na mijn vertrek… voor lange afwezigheid.’

‘Tot uw orders, professor.’

 

De vlucht met de dronetax duurde een uur. Ik probeerde bij te houden welke kant hij op vloog: aan de ondergaande zon en opkomende maan te zien, overwegend zuidelijk, misschien een beetje westelijk.

Pas toen de dronetax in het halfduister begon te vertragen en dalen, begreep ik waar ik was, ofschoon ik hier nooit eerder was geweest. Een concentratie van miljoenen lichtjes… een enorme stad met trots erbovenuit: de Eiffeltoren.

Toen we eroverheen vlogen, zag ik onze bestemming. Het gebouw rees als een spiegelende diabolo op en was niet veel lager dan de Eiffeltoren: het parlement. We voegden in de file in naar het dak.

Snel stopte ik mijn e-rol weg, trok het masker uit mijn koffer en zette het op. Ik drukte de ingebouwde oorpluggen nog niet in mijn oren.

‘Test. Een, twee, drie,’ sprak ik.

‘Testo. Unu, du, tri,’ klonk uit de luidspreker van mijn masker in een stem, duidelijk lager en mechanischer dan de mijne.

Ik drukte de oorpluggen in mijn oren en herhaalde: ‘Test. Een, twee, drie.’

De mechanische stem echode in mijn oren het dubbel vertaalde: ‘Test, een, twee, drie.’ De automatische stemvervormer/vertaler werkte correct.

 

Het zenuwengekriebel in mijn buik ging over in misselijkheid. Het parlement. Ja, nu ging het erom.

Een voor een druppelden de dronetaxi’s de lange, donkere tunnel boven op het dak binnen, alsof we werden opgeslokt door een moloch met een wespentaille en een onstilbare honger.

Mijn dronetax vloog de duisternis in. Even voelde ik de heerlijke verschrikking die ik als kind in het spookhuis had gevoeld. Of in die put, voordat de ladder het begaf. Ik keek naar het licht aan het einde van de tunnel, maar herkende pas structuren toen we er vlakbij waren: verlichte vlakken, glinsteringen, de kleurenverscheidenheid van de dronetaxi’s en het felblauw en goudgeel van muren en zuilen.

De hal was groter dan een voetbalveld en helemaal leeg. De drones voor mij verdwenen weer in andere tunnels nadat ze hun passagiers hadden afgezet.

Verspilling van ruimte! Maar toen herkende ik de hal. Hij leek alleen anders dan op de nieuwsbeelden, want dan was hij bij zo’n conferentie­ontvangst altijd afgeladen met journalisten, journobots en journo­drones.

Ik trok mijn koffer alvast op schoot.

Mijn drone stopte bij een door botlers geflankeerde, rode loper die naar het ontvangsthalletje met glazen schuifdeuren leidde. De koepel scharnierde open en ik sprong eruit.

‘Gast nummer 51, ik ben uw persoonlijke botler voor de duur van uw verblijf.’ Een in gelid opgestelde botler kwam op mij af. ‘Kan ik uw bagage aannemen?’

Ik drukte mijn koffer instinctief tegen mijn borst. ‘Ik draag hem zelf wel.’

‘Zo u wilt, burger. Volgt u mij?’ Hij draaide zich om.

Ik volgde hem het halletje in.

‘Wilt u zich opfrissen of heeft u behoefte aan toiletbezoek?’

‘Opfrissen… nee,’ stamelde ik. ‘Toilet graag.’

 

Nadat ik mijn plas had gedaan, ving de botler mij weer op. ‘Gast nummer 1 wil u spreken.’ Hij maakte een weids gebaar. ‘Volgt u mij?’

De botler leidde me door een zaal met hoge, ronde tafeltjes waar mensen in net zulke blauwe pakken en maskers als ik met elkaar stonden te keuvelen. Via de slangetjes in hun maskers zogen ze champagne en sap uit kristallen glazen. Via luikjes in de mondstukken schoven ze hapjes naar binnen die er veel duurder uitzagen dan ik ooit op een conferentie van het Genootschap had gezien. Botlers liepen met dienbladen, glazen en schalen af en aan.

Mijn botler stak zijn vinger op naar een lange, brede man die bij een tafeltje duidelijk het hoogste woord voerde.

De man nam afscheid van zijn toehoorders. De burger links van hem – ik kon niet zien of het een man, vrouw of iets ertussenin was – kreeg een schouderklop.

De brede man drukte zijn platte hand op zijn hart, boog zich en deed een paar passen achteruit. Hij knikte naar mij en wenkte dat ik moest volgen.

Samen met mijn botler liep ik achter hem aan het zaaltje uit en een gang door.

‘Ik neem aan dat uw reis aangenaam was, professor Van Slochteren?’ zei hij.

Onthutst keek ik hem aan. Achter de oogglazen in het masker zaten onpeilbare, zwartbruine ogen.

Hij lachte. ‘Voor mij heeft niemand geheimen.’ Hij legde zijn vlakke hand op een scanner naast de deur aan het einde van de gang. ‘Niet in Eurafrika.’ De deur schoof opzij. ‘En da’s maar goed ook, nietwaar?’

Het licht ging aan en onthulde een werkkamer met pluchetapijt, rijkelijk versierd met beelden en schilderijen. Er stond een pijlvormige, blauwe vergadertafel met gouden stoelen en een antiek notenhouten bureau.

Zoals elke inwoner van Eurafrika kende ik dit kantoor.

Terwijl ik me afvroeg of zijn vraag retorisch was, ging ik naar binnen en bekeek de staatsieportretten van de presidenten. Op school hadden we het rijtje namen vanbuiten moeten leren. Maar die kennis had plaatsgemaakt voor belangrijker zaken. Politiek liet me koud. Ik hield me bezig met machtigere, oudere entiteiten. Dus kwam ik niet meer verder dan Hallstein, Rey, Malfatti, Mansholt… Daarna herkende ik alleen nog Thorn, Juncker en Famiglietti.

‘Sluiten,’ zei hij. De deur schoof achter ons dicht. ‘U weet wie ik ben, neem ik aan?’

Onder geen omstandigheden mochten wij op conferenties van het Genootschap onze identiteit prijsgeven. In geen geval, als we iemand herkenden, mochten we dat toegeven. Ik opende mijn mond en aarzelde schokschouderend.

Lachend liep de president naar het sigarenkistje op zijn bureau en opende het deksel. ‘Kan ik u blij maken met een vape?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Liever een echte?’

‘Ik rook niet.’

‘Verstandig.’ Hij plofte neer in de stoel achter zijn bureau en opende een la. ‘Ga zitten.’

Terwijl ik tegenover hem plaatsnam, haalde hij een sigaar uit zijn la. Een echte. Natuurlijk wist ik van de links tussen de Zuid-Amerikaanse en Nederlandse drugsmaffia, maar van dichtbij had ik zo’n sigaar nog nooit gezien.

‘Smerige gewoonte… maar toch zo bevredigend,’ zei hij. ‘Net als meer dingen in het leven. Dingen die we niet mogen, niet willen… maar moeten. Wij zijn geen gewone mensen, u en ik. Wij gehoorzamen geen regeltjes, maar ons verstand. We moeten dingen doen waar gewone mensen voor terugschrikken, die voor hen verboden zijn, waar ze geen weet van hebben.’ Hij haalde de sigaar uit het plastic, knipte met een tangetje het puntje eraf en stak hem met een gloeilaser aan. ‘Gij zult niet doden, was een leefregel in oude religies. Een regel die wij tegenwoordig nog als wet kennen.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Toch is het de taak van soldaten om precies die regel te schenden. Voor het alge­meen belang.’ Hij blies een rookkringetje uit, het stonk als verrotte peper. Vorsend keek hij me aan. ‘Hoe oud was uw broer ook weer toen hij stierf?’ Het was alsof hij recht door mijn masker keek.

Ik knipperde met de ogen en klemde me aan mijn koffer vast. ‘Uh…’ Natuurlijk wist ik het. Ik kreeg het alleen mijn strot niet uit.

Hij leunde naar voren. ‘U hebt sindsdien belangrijk werk geleverd. In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zijn wij ons heel erg bewust van het sluimerende gevaar onder onze grond.’ Hij kruiste zijn armen en steunde die op zijn bureau. ‘Met name dankzij uw rapporten en die van uw vakgenoten.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Maar wij zien op dit moment geen reële manier om ons ertegen te beschermen. Uw vak­gemeenschap waarschuwt ons. U bent zelfs als enige in staat om de entiteiten beneden ons te… hoe moet ik het zeggen… manipuleren, beheersen? En nu… vanwaar die ongemakkelijke blik?’

‘Beheersen,’ begon ik ‘… is overdreven.’ Ik trok mijn e-rol uit mijn binnenzak.

‘Geen documenten.’ Hij zwaaide vermanend met zijn sigaar. ‘Ik heb uw rapporten gelezen… erudiet, afgewogen, zakelijk, omzichtig. Ik wil uw eigen woorden horen… uw gevoelens, uw intuïtie, niet alleen uw intellect. Als een wilde hond mij bedreigt, kan ik hem opsluiten, afschieten of africhten. U komt het dichtst bij een hondentrainer, een… dompteur van deze entiteiten. Wat is uw advies: opsluiten, afschieten, onderhandelen, africhten?’

‘Opsluiten is wat volgens oude geschriften galactische machten hebben gedaan. Dat was goed en gedegen. Maar als je millennia de tijd hebt om een uitweg te zoeken… de gevangenis onder onze voeten heeft zwakke plekken. Van tijd tot tijd ontsnapt er een vetusentiteit… het is eigenlijk onbegrijpelijk dat er niet meer zijn ontsnapt. Het wezen dat mijn…’ Ik slikte. ‘…mijn broer fataal werd, was relatief zwak. En kijk eens naar de destructieve tsunami die het ontketende. Afschieten hebben mijn broer en zijn vriendin geprobeerd. Ze waren kansloos. En beheersen… ik kan het pad van die ene vetusentiteit onder de grond in Groningen beperkt sturen, hopelijk voldoende om hem bij fissuren weg te houden. Meer niet.’

‘Cryptoallectatie… spreek ik het goed uit?’

Ik knikte.

‘Maar da’s toch een belangrijke doorbraak?’ Hij keek naar het gloeiende einde van zijn sigaar. ‘U hebt dat vakgebied uitgevonden: een ongelooflijke prestatie.’

‘Ach…’ Ik keek verlegen naar mijn schoenen. ‘Misschien zal het ooit leiden tot technologie waarmee we daadwerkelijk vetusentiteiten kunnen beheersen, ‘africhten’ zoals u formuleerde. Maar daarvan zijn we nog decennia verwijderd… als dat al mogelijk is. Dus een vetus­entiteitendompteur… het spijt me, presi…’ Ik schrok van het woord dat ik op het punt stond uit te spreken.

Hij knikte en maakte een geruststellend gebaar. ‘We zijn onder vier ogen… en oren. Ga door.’

‘Een goede verdediging zal veel research kosten. Maar het handjevol wetenschappers dat hier momenteel aan werkt… zoals ik heb geschre­ven zou een investering vergelijkbaar met het Manhattan-project, Apolloprogramma of de Ruimtelift nodig zijn. Ik hoop dat de regering van Eurafrika dit inziet en navenante budgetten vrijmaakt.’

‘Uw broer gebruikte een antiek wapen. Sinds enkele eeuwen hebben we echter wapens die in staat zijn om grote monsters te vernietigen.’

‘Kernwapens?’

Hij knikte.

‘Theoretisch kunnen die bepaalde vetusentiteiten vernietigen,’ gaf ik aarzelend toe.

Hij leunde diep zuchtend terug in zijn stoel. ‘Sinds de Vijfde Oorlog hebben wij gelukkig een Eurafrikaans leger dat zich kan meten met de legers van andere werelddelen. Maar voor kernwapens krijgen we maar geen toestemming van de VN.’ Hij trok nog eens aan zijn sigaar. ‘En ook niet van ons electoraat, maar dat is minder problematisch. Kern­wapens… wat is uw mening?’

‘Erg lompe middelen. Ze leveren onherroepelijk grote bijkomende schade… vooral in mensenlevens.’

‘Niet zoals de Amerikanen, Russen en Chinezen het indertijd schijnen te hebben gedaan.’

‘U bedoelt de analyse van professor Zorro dat de ondergrondse atoomproeven een dekmantel waren om vetusentiteiten te ver­nietigen.’

Hij knikte. ‘Klopt die analyse?’

Ik schokschouderde. ‘Zijn bewijzen zijn overtuigend en door andere cryptohistorici bevestigd. Hoewel een aantal ze in twijfel trekken. Maar misschien kan ik die vraag beter aan u stellen. Wij, crypto­weten­schappers, kunnen de geheime archieven van leger en geheime dienst niet onderzoeken.’

‘Dus wat denkt u: hoe moeten we ons tegen deze entiteiten bescher­men?’

‘De satellietgebaseerde magnoplasmakanonnen die nu in ontwikke­ling zijn, bieden perspectieven voor acties met chirurgische precisie: een vernietigingskracht in de kilotonnen, geconcentreerd op een mini­maal doelbereik.’

Hij knikte. ‘Ik ken doctor Lionhearts rapporten. Hij is ook een van onze sprekers vandaag.’

‘Ik denk dat het de moeite waard is als ook Eurafrika deze wapens ontwikkelt.’ Ik kon geen antwoord in zijn ogen lezen op mijn impliciete vraag.

‘En kernwapens?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Voorlopig nog ons enige wapen dat effectief kan zijn tegen vetusentiteiten.’

Hij fronste. ‘Precies dat is het probleem. In tegenstelling tot de VS, China en Rusland kan de Unie niet over kernwapens beschikken. Wij zijn weerloos.’

‘Dus de Eurafrikaanse Unie hééft geen kernwapens?’ vroeg ik op de man af.

Hij keek opzij. ‘Als wij die zouden hebben, dan zou dat door de VN gezien worden als oorlogsdaad.’ Hij keek me weer aan. ‘Is het in geval van nood met uw methode mogelijk om een entiteit weg te lokken van de bewoonde omgeving zodat die met een kernwapen veilig kan worden uitgeschakeld?’

Ik schoof ongemakkelijk in mijn stoel. ‘Tot nu toe hebben mijn collega’s mijn succes in het sturen van een entiteit niet kunnen reproduceren.’

‘Maar u beweert in uw artikelen dat u de Groningse entiteit ergens heen kunt lokken.’

‘Beweert?’ Er ging een golf woede door me heen. ‘Als u mijn papers hebt gelezen, dan weet u dat ik Yog-Slochthoth met zestig procent zekerheid kan weglokken bij zwakke plekken in onze bodem.’

‘U zou hem dus ook naar een zwakke plek toe kunnen lokken.’

Ik krabde op mijn hoofd. ‘Uiteraard, maar waarom zou ik dat doen? Dan breekt hij toch door de aardkorst?’

‘Klopt het dat er een zwakke plek pal onder Rottumerplaat ligt?’

‘Ja, maar…’ Langzaam begon ik te vermoeden waar hij op aanstuurde.

‘Geen bewoning in een straal van vijf kilometer. Hoe zwaar zou de lading moeten zijn om Yog-Slochthoth te vernietigen?’

‘U refereert naar het strategische plan van professor Eifelmann?’

Hij knikte.

‘Hij heeft berekend dat een tactisch stralingswapen van een half kilo­ton het wezen zou vernietigen.’

‘En we kunnen tot zo’n twee kiloton gaan zonder dat de omgeving van Rottumerplaat substantieel geschaad zou worden. Is dat plan realistisch?’

‘Waarschijnlijk… als laatste optie… als het wezen daadwerkelijk door de aardkorst breekt. Waarom vraagt u mij dit?’

‘Vindt u dat Eurafrika over wapens moet kunnen beschikken die vetusentiteiten kunnen vernietigen?’

‘Ja, natuurlijk!’

‘Vindt u dat het grote publiek op de hoogte zou moeten zijn van het bestaan van deze entiteiten?’

Hij stelde allemaal vragen die ik niet verwachtte. ‘Moeilijk te beant­woorden. De overwegende consensus is dat dat een massapaniek zou kunnen opleveren die kan leiden tot vele gewonden en zelfs ineenstorting van het economische en politieke systeem. Maar alle pogingen om het publiek in te lichten door mensen die het geheimhoudingspact hebben geschonden, zijn tot nu toe opgevat als complottheorieën.’

‘Omdat wij als overheid hun bestaan altijd hebben ontkend. Maar wij hebben een kip-en-ei-probleem. Het publiek snapt de urgentie niet: dat wij een machtige vijand hebben waartegen we weerloos zijn.’

‘U overweegt het publiek in te lichten?’

Hij legde zijn sigaar in zijn asbak en stond op. ‘Mag ik u bedanken?’ Hij stak zijn hand uit. ‘Uw inzichten zijn zeer waardevol.’

Ik stond op en gaf hem een hand.

‘Ik denk dat ik u niet hoef te vertellen dat de keynote die u dadelijk gaat houden de belangrijkste in uw carrière is, de belangrijkste van uw leven. Misschien zelfs in de levens van alle Eurafrikanen.’

Alsof ik al niet zenuwachtig genoeg was.

 

Gelukkig ging het zoals altijd. Van het ene moment op het andere, exact toen ik op het podium, met een paar honderd maskers op mij gericht, mijn e-rol uit mijn zak trok en begon te praten. Praten over mijn vakgebied, mijn “speelgoedje” zoals Bart dat noemde. Op podiums, in collegezalen, alle ogen op je gericht, het centrum van de aandacht… pratend over dat deel van mijn vakgebied waarvan ik meer verstand had dan wie ook… Uitgerekend dat was altijd de plek waar alle zenuwen, twijfels en verlegenheid van me af vielen.

Mijn woorden vloeiden alsof ik operazanger was. Met bewegingen als een balletdanser. De maskers hingen aan mijn lippen, waren verwon­derd en geschokt als ik het wilde, hoopvol en inzichtelijk als ik het wilde, geamuseerd en verdrietig als ik het wilde. Het maakte ook niet uit dat dit een ander publiek was dan normaal: niet alleen weten­schappers, maar ook ambtenaren, politici en meer van dat soort volk.

Als je je vakgebied door en door begrijpt, kun je het ook uitleggen zodat iedereen het begrijpt… of in ieder geval denkt te begrijpen.

Ik beantwoordde na afloop nog een half uur lang hun vragen met dezelfde verve, oogstte hun daverend applaus… en begaf me onder hen… meteen weer een bonk zenuwen, schuifelend tussen de tafeltjes, stamelend vragen beantwoordend en alleen nog genietend als ik vragen kon stellen bij de voordrachten van de andere crypto­wetenschappers.

 

Zoals altijd wanneer ik van een congres of conferentie terugvloog, had ik een intellectueel high. Allemaal nieuwe informatie, inzichten en mogelijkheden schoten door mijn hoofd en probeerden een plaats te vinden in de structuren van mijn kennis. Het is vergelijkbaar met winnen met voetballen als kind. Of als ik een nieuw trucje op de zweefstep beheerste… nee, eerder: als ik van iemand een nieuw trucje leerde en fanatiek aan het werk ging om het te leren beheersen. Langzaam begin je het door te krijgen, maar je dondert op je knie, je staat weer op, het lukt bijna en dan weer helemaal niet. Je probeert het tien, twintig, honderd keer… en dan die ene keer dat het lukt… die ene keer dat je de nieuwe verbanden doorziet, hoe het je denkbeelden verandert… De informatie die ik deze keer had gekregen… het duurde een hele tijd voordat ik die verwerkt had.

Maar mijn intellectuele high ging vergezeld van angst, vooral door de voordracht van professor Eifelmann. Laacher-Nata, de vetusentiteit onder de Eifel, was actiever geworden, de bevingen intenser en frequenter. Het wezen, dat veel sterker was dan “mijn” Yog-Slochthoth, stond op het punt om uit te breken. Volgens Eifelmanns schattingen zou de initiële uitbraak al tienduizenden mensenlevens kosten. En dat was het gunstigste geval: als wij het meteen bij doorbaak door de aardkorst konden vernietigen.

Maar dat konden we niet. Was dat de reden dat de president van Eurafrika me al die vragen had gesteld?

Zou mijn methode geschikt zijn om Laacher-Nata naar een plek te lokken waar hij minder schade zou berokkenen? Zou Eurafrika op tijd over magnoplasmakanonnen of desnoods tactische kernwapens beschikken?

Ik checkte in de literatuur, voor zover aanwezig in mijn e-rol, waar de fissuren zaten onder de Eifel. Ik maakte een notitie dat ik, zodra ik thuis was, via de schaduwmail een bericht naar professor Eifelmann moest sturen om samen te experimenteren of het niet toch mogelijk was om Laacher-Nata bij fissuren weg te lokken.

Ik had gemengde gevoelens. Angst voor als Laacher-Nata zou uit­breken. Hoop dat de politiek eindelijk de omvang van het gevaar begreep. En het intellectuele orgasme van nieuwe kennis.

Kennis is macht volgens een oud gezegde. Ik voelde beide groeien. Dat was het verschil tussen ons, de mensheid, en vetusentiteiten. Zij waren machtiger dan wij, maar onze macht groeide. En bleef dankzij de wetenschap dagelijks groeien. We stonden op het punt om hen te evenaren, misschien zelfs overvleugelen.

Ik dacht terug aan Barts laatste woorden, het berichtje dat hij stuurde vlak voordat hij door de golven verzwolgen werd: ‘Ze bestaan.’

 

Ik was toen nog een normale seismoloog, een gepromoveerd weten­schapper met al een behoorlijke publicatielijst. Maar na dat berichtje kon ik de charade niet meer overeind houden. Mijn twijfels, twijfels die iedereen in mijn vakgebied weleens had geuit, meestal na een glaasje te veel en meestal je op het hart drukkend dat je het niet verder mocht vertellen. Want als bekend werd dat zij erover nadachten, zou het hun reputatie vernielen.

Mijn reputatie was onbelangrijk geworden: de waarheid weten was het enige wat telde.

Dus las ik alle zin en onzin die ik over vetusentiteiten kon vinden: feitjes en halve waarheden, doorspekt met waanzin en complot­theorieën. Op de openbare netwerken en bibliotheken kwam ik regelmatig verwijzingen tegen naar clandestiene netten en geheime documenten. En op een dag legde ik de verbinding met het schaduw­web en vond het: oude geschriften, pagina’s uit grimoires en de Necronomicon. Maar er waren ook wetenschappelijke handboeken, onderzoeken en artikelen door professoren met onbekende – en vaak merkwaardige – namen die niet in de geleerdenzoekmachines terug te vinden waren: cryptoseismologen, cryptohistorici, cryptobiologen…

Op een dag kreeg ik voor het eerst een berichtje via de schaduwmail. Ik weet nog hoe ik achter mijn bureau zat en plotseling het belsignaal en het rode lampje verschenen. Ik sprong op alsof een ijzeren vuist me bij de strot greep.

Ik was betrapt.

De mail was van professor Eifelmann, wiens naam ik al diverse keren op het schaduwweb was tegengekomen. Hij verzocht me vriendelijk doch dringend hem te ontmoeten in een motel bij Duisburg. Een behoorlijk prijzig motel: het had zelfs nog menselijke bediening.

 

‘Wilt u bestellen, meneer?’ De serveerster vroeg het me al voor de tweede keer.

‘Nee, dank u. Ik wacht op iemand. Brengt u mij nog maar een jus.’

Vlak daarna kwam hij het restaurant binnen: professor Hoffmann.

Ik dook weg achter de menukaart.

Lachend banjerde hij recht op mij af.

De moed zonk me in de schoenen: hij mocht niet zien dat ik een clandestiene afspraak had met een cryptowetenschapper.

‘Hallo, Haijo,’ zei hij in het Duits. ‘Hoe kom jij hier verzeild?’

‘Erich!’ Ik stond op en gaf hem een hand. ‘Ik had een afspraak maar ik denk dat ze niet meer komen.’

‘Ach. Nou, dat treft. Ik heb honger. Zullen we bestellen?’

Nee! ‘Ja, uh… ik denk dat ik beter mijn bed op kan zoeken.’ Ik wees omhoog. ‘Het was een lange dag.’

‘Heb je al gegeten dan?’

‘Nee,’ flapte ik eruit en beet op mijn lip. Liegen en geheimen bewaren zijn moeilijk aan te leren vaardigheden als je hele leven maar één doel kende: waarheidsvinding. ‘Dat niet, maar ik heb niet veel honger.’

‘Ik wel. Kom, blijf hier. Dan kunnen we praten over je nieuwste onderzoeken. Ik ben nieuwsgierig wat je allemaal hebt ontdekt.’

‘Nou, de seismische activiteit in het voormalige Groningse aardgas­veld is met veertig procent afgenomen sinds de politici zijn gestopt met dat onzinnige CO2 erin pompen.’

‘Dat onderzoek bedoelde ik niet.’ Hij wenkte de serveerster. ‘Ik bedoelde: op het schaduwweb.’

Het was alsof ik met een voorhamer in mijn gezicht werd geslagen. ‘Wat?’

Hij lachte. ‘Misschien moet ik me voorstellen.’ Hij stak zijn hand nog eens uit. ‘Mijn naam, of beter gezegd schuilnaam, is professor Eifel­mann.’

Zo werd ik ingewijd in het netwerk van cryptowetenschappers en ging verder als cryptoseismoloog. Hij vertelde dat hij al vijf jaar inge­wijd was en leerde me hoe ik anoniem kon blijven bij het verkennen van het schaduwweb. De schaduwbrowser gebruiken was onvoldoende: alleen met de juiste instellingen was je echt anoniem. En die instel­lingen kreeg je alleen als de gemeenschap oordeelde dat je een aan­winst was. Wetenschappers die hun mond niet konden houden, werden aan de autoriteiten verraden of zwartgemaakt als complottheoretici.

 

Ruim een jaar na de conferentie in het Eurafrikaparlement kwam er weer een bericht met hoogste urgentie binnen in mijn schaduwmail. Van professor Eifelmann, van wie ik in al die maanden niets had gehoord.

Hij schreef: Ik haal je om 13.15 uur met een vrachtdrone vanaf je campus af. Zorg dat je klaarstaat met alle apparatuur die je nodig hebt voor cryptoallectatie van vetusentiteiten.

 

‘Is hem dat?’ Morena wees omhoog.

Ik keek in de aangewezen richting en zag in de schijnbaar kriskras door elkaar lopende verkeersstromen van drones een smerig bruin­groene vrachtdrone naderen. ‘Dat is een militaire vrachtdrone. Die is niet voor ons.’

De drone bleef naderen en zette aan voor de landing.

‘Hij lijkt toch hiernaartoe te komen,’ zei ze.

Ik probeerde mijn verbazing niet te laten merken. ‘Dan zal professor Eifelmann een militaire vrachtdrone hebben geregeld.’

Hij landde precies voor onze voeten op de parkeerplaats. De koepel was nauwelijks open, of Erich sprong er al uit, een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Haijo, altes Haus.’ Hij stak zijn hand naar me uit. ‘Bist du bereit?’

Er zaten nog twee tot de tanden toe bewapende militairen in de cabine.

‘Ik was er al klaar voor bij mijn geboorte.’ Lachend schudde ik zijn stevige hand.

Hij wees naar Morena. ‘Ingewijd?’

‘Morena weet overal van.’ Vlak na de conferentie in Parijs had ik haar ingewijd.

Erich schudde ook haar hand. ‘Oké, gauw inladen. We moeten voortmaken.’

De twee militairen kwamen op ons af. Hun baarden waren slechts donsplukjes op kin en wangen. Ze leken nog niet oud genoeg voor volwassen holofilms, laat staan voor hun wapens. ‘Is dat alles?’ zei de ene met flaporen en wees naar de twee kasten op wieltjes waar onze meet- en regelapparatuur inzat.

‘En dit.’ Ik wees naar de aluminium koffer die Morena optilde. ‘Daarin zit de actuator.’

‘Komt in orde,’ zei Flapoor. Ze namen de koffer over en rolden de twee kasten naar de vrachtdrone.

‘Zullen we instappen?’ vroeg Erich.

‘Kom.’ Ik keek naar Morena.

‘Sorry.’ Erich maakte een stopgebaar. ‘Ik heb orders alleen jou mee te nemen.’

‘Maar er zijn twee man nodig om de apparatuur te bedienen.’ Het woordje ‘orders’ galmde na in mijn achterhoofd.

‘Kan ik toch doen?’ zei Erich.

‘Weet jij hoe je een cryptoallectatische excitator moet bedienen?’

‘Ooowww.’ Erich vertrok zijn gezicht alsof hij pijn had.

‘Alles is ingeladen, professor,’ riep Flapoor.

De glimlach was terug op Erichs gezicht. ‘Dan zit er niks anders op: je bent van de partij, meisje.’

 

Er was ruim plaats voor zes in de cabine. Toch zaten we voor mijn gevoel opeengepakt als sardientjes. De militairen keuvelden vrolijk met elkaar, lachten, praatten over het wereldkampioenschap robo­worste­len en deelden een vape die stonk naar aardbei.

‘Ook een trekje?’ vroeg Flapoor aan Morena.

‘Nee, dank je.’ Ze lachte ongemakkelijk, sloeg haar benen over elkaar en keek naar buiten. Tot mijn verbazing vloog de drone in noordelijke richting.

‘Misschien vind je de mijne lekkerder.’ De andere militair greep in zijn binnenzak. ‘Daar zit passievrucht in.’

Ze proestten het uit.

Morena keek hen grijnzend aan. ‘Ik kijk liever toe hoe jullie aan elkaars fluitjes zuigen.’

Even was het doodstil in de cabine. Ik was trots op Morena en probeerde mijn lachen in te houden.

De twee keken haar verbluft aan… en begonnen te bulderen van het lachen. We lachten allemaal mee.

Erich wreef in zijn handen. ‘Verheug je je erop?’

‘Het is fijn om eindelijk met jou samen te kunnen werken,’ zei ik. ‘Wat voor experiment gaan we precies doen?’

‘Experiment?’ Zijn lach galmde door de cabine. ‘Niks experiment.’ Hij sloeg me op mijn schouder. ‘Dit is het echte werk.’

Ik keek Morena aan. ‘Nou, ik vind anders dat wij hier in Groningen ook altijd echt werk hebben geleverd.’

Hij keek me verbaasd aan. ‘Maar, Haijo, zo bedoelde ik het toch niet? Ik bedoel: dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. Heeft de president je niet ingelicht?’

Mijn mond viel open. ‘President?’

Onder ons gingen weilanden, huizen en wegen over in strand en golven.

Erich zuchtte diep. ‘Ambtenaren.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Enfin, het gaat nu echt gebeuren. De president heeft gelukkig toestemming van de defensiecommissie en de VN, en de Ami’s hebben een paar kleine kernkopjes ter beschikking gesteld. We gaan hem met één kiloton bestoken.’

De rillingen liepen over mijn rug.

Zeewaterstroken in verschillende schakeringen blauw en groen gleden onder ons door. Vanaf een zandplaat stegen meeuwen op.

‘Kernkopjes? Wat is er aan de hand?’

‘Maar de president heeft je toch ingelicht toen we vorig jaar in het Eurafrikaparlement waren?’

‘Ingelicht… waarover?’

‘Over het plan om ons tegen Yog-Slochthoth en de andere vetus­entiteiten te verdedigen?’

‘Yog-Slochthoth… is hij doorgebroken?’ Ik keek Morena aan.

Zij zette grote ogen op en schudde het hoofd. ‘Voor we vertrokken, was hij nog bij het…’

‘Boschwadkruispunt,’ vulde Erich aan en wees naar de golven onder ons. ‘Voor het eerst sinds drie jaar. Als hij hier de juiste aftwijging neemt, dan…’ Hij wees naar voren.

Door de voorruit zag ik vlak boven de golven een vaalgeel hoefijzer met een groene vlek in het midden opdoemen. ‘Rottumerplaat,’ stamelde ik. Vlak ervoor leek een legergroene walvis in het ondiepe water te drijven.

‘Ja.’ Hij maakte een vuist. ‘Het is zover.’

Mijn gedachten raasden over elkaar heen. Ik keek op en neer van het eiland naar Morena. Die keek al even verbijsterd terug.

‘Dat is toch de juiste plek?’ vroeg Erich.

Aan de zuidoostpunt van het eiland rees op het strand een verzameling legergroene tenten, drones en stellages op. Het was inderdaad precies boven de Rottumerplaatruptuur.

‘Je wilt Yog-Slochthoth naar de zwakke plek lokken?’ stamelde ik.

‘Nee, mijn vriend. Die eer, die taak… die verdienste is aan jou.’ Hij slikte een brok weg. ‘Ik heb het plan slechts bedacht. Jij was het die de lokmethode heeft ontwikkeld. En het was jouw voordracht die de doorslag gaf in Parijs.’ Hij gaf me een schouderklop.

De legergroene walvis bleken er twee naast elkaar te zijn, verbonden door een ladder van draagvlakken: een atmosfregat. In het echt was dat ding nog groter en indrukwekkender dan op de beelden die ik van militaire vliegshows kende.

Onze drone zette de landing in bij de tenten. Twee andere legerdrones stegen op van het strand en vlogen naar het atmosfregat.

Terwijl het zand onder ons opstoof, weerklonken er twee luide knallen.

Ik schrok op.

Twee supersonische jachtdrones scheerden over het eiland.

Flapoor peurde in zijn oren en rolde met zijn ogen. ‘Die gamertjes denken dat ze ook meedoen.’

De andere vulde er lachend aan toe: ‘Zitten een beetje thuis op de basis bij mammie op schoot.’ Hij maakte een slappe vuist en bewoog die boven zijn kruis op en neer.

‘Maar Erich…’ begon ik.

‘Kom,’ viel hij mij in de rede terwijl de dronekoepel openging. ‘Keine Müdigkeit vortauschen.’ Hij sprong eruit en ging naar een groepje militairen die onder een luifel stonden.

‘De spullen daar bij de duin neerzetten?’ vroeg een van de militairen.

Ik keek besluiteloos naar Morena en prevelde: ‘Ja, goed.’

Ze sprongen uit de drone.

‘Heb ik dat goed begrepen, prof?’ vroeg ze. ‘Wij gaan Yog-Slochthoth naar boven lokken zodat zij er een atoombom op kunnen gooien?’

Ik wreef in mijn ogen. Dat was blijkbaar de bedoeling. Beelden van mijn broer flitsten door mijn hoofd: hoe hij me uit dat gat omhoogtrok, hoe hij in die golven moet zijn verdronken. Ik knikte.

‘Ik uh…’ begon ze.

Ik keek haar strak aan. ‘Zeg het maar.’

Ze schokschouderde.

‘Je weet toch,’ spoorde ik haar aan, ‘wetenschap groeit op de mest van scepsis.’

‘Gaan we dat werkelijk doen? Is dat ethisch?’

‘Ik weet het niet,’ flapte ik er naar waarheid uit.

‘U moet professor Van Slochteren zijn,’ sprak een zware stem. Een mouw vol rangtekens werd in de drone gestoken.

Zonder erbij na te denken schudde ik de hand. ‘Dat klopt.’

‘Ik ben kolonel Grobbauer.’ Hij… uh: zij had gemillimeterd haar in diverse grijstinten en een erg stoere kaaklijn, maar geen baardgroei. ‘Ik heb al veel over u gehoord. U bent de grondmonsterdompteur, niet­waar?’

Zei ze nou: grondmonster? ‘Dompteur…’ Ik keek bedenkelijk omlaag. ‘Ik…’

‘De genie heeft in die duin een put van twintig meter diep gemaakt, geheel volgens de specificaties. Ik hoop dat u daar alles aantreft wat u voor uw werk nodig hebt.’

De twee militairen waren onze spullen er al op een rupsband­plat­formpje naartoe aan het brengen.

‘De missie is gepland om te beginnen om veertien uur. U hebt dus nog…’ Haar ogen bewogen heen en weer achter haar stofbril. Daarin zat kennelijk een display. ‘…exact drieëndertig minuten en vijftien secon­den. Gaat u dat redden?’

Ik keek naar Morena. Haar mooie, groene ogen staarden leeg terug. Ze zag er ineens heel volwassen uit.

‘Dat zal wel lukken,’ zei ik.

De kolonel draaide zich om en brulde commando’s.

‘Aan het werk dan maar.’ Ik sprong uit de drone, onzeker of ik dit echt ging doen. Daarover kon ik tijdens het installeren van onze appa­ratuur nog nadenken.

 

Boven op de duin keek ik omlaag in de perfect ronde put. De twintig meter lange buis die de militairen er verticaal in hadden gezet, had harmonica-achtige ribbels. Op elke ribbel was een buisje gemonteerd. Samen vormden de buisjes een ladder omlaag. Op de bodem stonden de actuator en de controlekast met de cryptoallectatische oscillatoren.

De bodem begon te golven zoals het wateroppervlak voorbij het strand. Er ging een siddering door mijn benen, ze voelden aan als gelei. Ik wankelde en greep Morena bij de schouder.

‘Alles goed, prof?’ Ze keek me bezorgd aan en legde haar hand op mijn rug. Even wilde ik haar vastgrijpen, omhelzen, tegen me aan drukken…

Ik hapte naar lucht. ‘Het was altijd maar theorie,’ stamelde ik. ‘Een plan voor de toekomst. Nooit had ik gedacht dat ik dit nog zou meemaken, laat staan dat ik het zelf zou moeten doen.’

‘Ik ga wel omlaag.’ Ze kneep me in mijn schouder. ‘Ik heb geen hoogtevrees.’ Ze zette haar voet al op de bovenste sport.

‘Wacht.’ Ik greep haar hand.

Ze keek me verbaasd aan.

‘Ik moet iets…’ Ik maakte mijn zin niet af

‘Ja, professor?’

‘…vragen.’

Ze glimlachte. ‘Waarover?’

‘Over wat jij daarnet vroeg. Wat we hier doen… sta je daarachter?’

‘Ja, natuurlijk.’

‘Maar daarnet twijfelde je.’

Ze perste haar lippen opeen. ‘Heb erover nagedacht. Dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. U. En ik ook. Mijn hele studie. Ik wilde iets doen om mensen te beschermen tegen het seismische gevaar. En het cryptoseismische.’

Ik knikte.

Ze staarde in de verte. ‘Als dit lukt… de Nobelprijs misschien. Zelfs als we geen succes hebben: we zijn het eerste team dat dit doet. Hierna kan mijn academische carrière niet meer stuk.’

‘Dus je staat hier honderd procent achter?’

‘Zo’n kans laat je toch niet varen?’ Ze keek me vorsend aan.

Het besluit was gevallen. ‘Oké.’ Ik liet haar hand los.

Ze begon de ladder af te dalen. Even voelde ik weer hoe die oude verroeste trap het onder mij begaf. ‘Wacht!’

Ze keek verbaasd omhoog.

‘Wacht nog even.’ Ik keek rond waar de militairen waren gebleven die onze spullen hierheen hadden gesjouwd. ‘Hé!’ Ik wenkte ze.

Ze kwamen de heuvel op gestormd.

‘Hebben jullie een touw of zo?’

Ze keken me verbaasd aan. ‘Een touw?’

Ik wees in de put. ‘Om haar te zekeren.’

‘O, u bedoelt een lijn met een bajonet,’ zei Flapoor.

Ik knikte.

‘Nou, da’s toch niet nodig?’ zei de andere. ‘Die ladder is volkomen veilig.’

De woede kwam mijn oren uit. Er mocht Morena niks overkomen. En bovendien: had ik nou verdomme niks meer te zeggen over mijn eigen experiment? ‘Jullie halen onmiddellijk een harnas en een lijn voor haar. Jullie blijven hier staan met die lijn in jullie handen zolang het experi­ment duurt. Voor het geval. Is dat begrepen?’

 

Het was de eerste keer dat ik Morena niet kon aankijken tijdens een experiment. Het was ook de eerste keer dat ik de trillingen in de grond niet in mijn benen voelde. Het zand was te rul. Uit mijn ooghoek dacht ik vreemde golfpatronen op het zeewater te zien. Misschien beeldde ik me dat maar in. Op de driedimensionale schermen van mijn scanner­kast kon ik Yog-Slochthoths bewegingen onder de grond volgen: een kruisje in een driedimensionaal doolhof.

‘Ja, Morena,’ sprak ik in mijn headset. ‘Hij heeft de juiste afslag genomen en gaat op het laatste kruispunt af. Verschuif het hypo­centrum van ons signaal langzaam in westelijke richting.’

‘Oké, prof,’ klonk in mijn koptelefoon.

‘Verwachte aankomsttijd?’ vroeg de kolonel die naast mij stond.

‘Als hij bij de volgende kruising inderdaad de westelijke gang volgt, kan hij een minuut of tien later hier zijn.’

‘U kunt geen nauwkeuriger verwachting geven?’

Ik keek haar van opzij geërgerd aan. ‘Elf minuten plus of min twee minuten en twintig seconden na de volgende kruising.’

‘Ik dacht dat u geleerde was.’ Ze keek me aan met een zuinig mondje. ‘Mijn mannen kunnen verwachtingen geven tot op de microseconde precies.’

Ik stond al op het punt om haar op dubbele luidsterkte een college over juistheid, precisie en significante cijfers te geven, maar uit mijn ooghoek zag ik Erich zich verkneukelen. Hij hield een bedarend handje omhoog.

Dus richtte ik mijn blik weer op de schermen. ‘Langzamer, Morena. Langzamer het hypocentrum verschuiven. Hij mag geen argwaan krijgen. Vergeet niet dat hij over intelligentie beschikt.’

‘Oké, prof.’

Op mijn scherm zag ik het kruisje plotseling stilstaan.

‘Stop!’ riep ik uit.

‘Wat?’ zei Morena.

‘Even niets veranderen. Hij staat stil.’ Ik hield de adem in en wachtte tot het kruisje weer in beweging kwam.

‘Statusrapport,’ sprak de kolonel. ‘Wat betekent dit?’

Ik beet op mijn lip en gaf Erich een vertwijfelde blik.

‘Het is vaker voorgekomen bij professor Van Slochterens experimen­ten dat Yog-Slochthoth stilstaat,’ sprak Erich geruststellend. ‘Misschien rust hij even, misschien twijfelt hij aan de richting, misschien heeft hij geen zin meer. We weten het niet.’

Het kruisje ging plotseling terug. ‘Shit! Hij keert om.’

‘Bent u hem kwijt?’ vroeg de kolonel.

‘Niets bijzonders,’ suste Erich. ‘Gewoon afwachten.’

‘Professor, ik kan niet genoeg benadrukken hoe gevoelig deze opera­tie ligt,’ zei de kolonel. ‘De Unie heeft hemel en aarde hiervoor bewogen. Als u deze missie laat mislukken, krijgen we niet nog een…’

‘Kop dicht!’ riep ik uit. ‘Ik kan niet horen wat ze zegt.’

‘… naar harmonischeninstelling vijf?’ vroeg Morena.

‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Even niets doen.’

Het kruisje bleef zich terugbewegen. Het naderde alweer het vorige kruispunt en bewoog sneller…

Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. ‘Zet alle oscillatoren af.’

‘Af?’ vroeg ze.

‘Af,’ herhaalde ik.

‘Oké.’

Op mijn schermen zag ik ons signaal verdwijnen. Het kruisje bewoog onverstoorbaar verder.

De kolonel zuchtte in mijn oor. ‘U geeft het op?’

Ik hield mijn vlakke hand voor haar gezicht. Ingespannen tuurde ik op het scherm.

‘Luitenant.’ De kolonel liep weg. ‘Laat vier man terugkomen om het kamp weervast voor de nacht te maken.’

Het kruisje was bijna terug bij het vorige kruispunt. De moed zakte me in de schoenen.

‘En leg verbinding met de presi…’

‘Wacht!’ riep Erich uit.

Ik zag het ook: Yog-Slochthoth stond stil.

‘Annuleer laatste order, luitenant.’ Ze stond alweer naast me.

Yog-Slochthoth stond nog steeds stil.

‘Oké,’ fluisterde ik. ‘Stel het hypocentrum in op extreem noord­west.’ Waarom fluisterde ik? Dat Yog-Slochthoth mij kon horen was even waarschijnlijk als dat ik een regenworm kon horen praten.

‘Gedaan,’ antwoordde Morena.

‘Alle oscillatoren aan… nu!’

Mijn schermen begonnen weer te dansen. Het hypocentrum lag linksboven, buiten het bereik van de schermen.

Yog-Slochthoth reageerde niet.

‘Amplitudes opvoeren naar maximum,’ sprak ik.

De trillingen op het scherm werden sterker.

‘Maximum bereikt,’ meldde Morena.

‘Ja!’ riep Erich.

Hij had gelijk: Yog-Slochthoth bewoog. Langzaam zette het kruisje zich in beweging… recht op ons af.

Opgelucht haalde ik adem. Ik schoot in een zenuwachtige lach en keek even opzij.

De kolonel gaf mij een goedkeurend knikje.

Ik volgde hoe Yog-Slochthoth langzaam naar het laatste kruispunt bewoog. Zou hij de juiste aftakking nemen?

Vlak voor het kruispunt stond hij weer stil.

Ik hield de adem in.

‘Verschuif de resonantiepiek langzaam omhoog,’ fluisterde ik.

‘Resonantiepiek langzaam omhoog,’ bevestigde ze.

De kleuren op mijn scherm veranderden.

Het monster bleef daar maar staan.

‘Resonantie bij afrolpunt,’ zei Morena.

‘Daar houden,’ antwoordde ik.

Plotseling schoot het kruisje voorbij het kruispunt: precies de juiste weg in.

‘Luitenant, klaarmaken voor vertrek naar de Albicilla.’ De kolonel wendde zich tot mij. ‘Tien minuten?’

Het voelde ijskoud en gloeiendheet vanbinnen. Nog nooit had ik Yog-Slochthoth zo snel zien bewegen.

Er klonk gerommel. De grond begon te schudden. Ik keek op: zand schoof de duin af.

‘Meteen naar boven!’ riep ik.

‘Maar we moeten nog…’ wierp ze ertegenin.

‘Morena, naar boven. Nu!’

Een golf beukte op het strand achter ons. De grond schudde zo heftig dat ik omviel.

Ik greep me aan de kast vast, net als Erich en de kolonel.

De twee soldaten boven op de duin bij de put vielen op hun knieën.

‘Trek haar omhoog!’ riep ik boven het dreunende gebulder in de grond uit. ‘Vlug!’

Ze krabbelden overeind, trokken en rukten aan de lijn, vielen achter­over en bleven trekken.

Ik rende de duin op. ‘Trekken!’

Als een duveltje uit een doosje werd ik omhoog en achterover gewor­pen. Ik vloog door de lucht, duinzand om me heen.

Oogverblindend licht en verzengende gloed brandden op mijn gezicht.

Op mijn rug smakte ik in het rulle zand. Ik spartelde en reikte om me heen. Waar was ik, wat was er gebeurd?

Een hand sleurde me aan mijn pols omhoog.

Verschrikt staarde ik in het gezicht van de kolonel.

‘Kom!’ brulde ze.

Ik krabbelde overeind, de grond schoof en schudde onder me. ‘Maar Morena…’

‘Verloren!’

‘Nee!’ De pijn voelde alsof mijn hart eruit werd gerukt. Voor de tweede keer in mijn leven. Ik probeerde de duin op te kruipen.

‘We hebben geen tijd.’ Ze sleurde me naar het strand.

We renden op een drone af die centimeters boven het strand hing. In het opstuivende zand zag ik Erich en de luitenant er al in springen.

We renden als dronkaards: de bodem schoof en wankelde. We struikelden en krabbelden op. Zand prikte in mijn ogen.

Op mijn rug voelde ik de verzengende hitte. Het geraas was oorverdovend.

We renden het opstuivende zand in en sprongen in de drone.

Die schoot zo snel omhoog dat het de lucht uit mijn longen perste.

Ik snakte naar adem en knipperde het zand uit mijn ogen. Het koepeldak ging dicht: de drone vloog op de Albicilla af, de dubbele walvis die al metershoog boven de razende golven hing.

De kolonel brulde alweer bevelen: ‘Verzoek toestemming voor Paasei Nummer Een…’

Ik keek achterom.

Waar de duin en onze apparatuur waren geweest, rees een tientallen meters dikke zuil van vuurrood plasma uit de grond op. Hij eindigde in een punt die hoog boven ons uit torende en als een tentakel rondspartelde: Yog-Slochthoth.

Morena… en die twee jonge militairen… daar ergens in die vuurzee… Ik huilde.

Terwijl onze drone de Albicilla binnenvloog, zag ik door mijn tranen heen het strand openscheuren naast de vuurzuil. Vlak voor de hangar­deur sloot en onze drone landde, krioelde een tweede plasma-tentakel uit de grond omhoog.

Erich en ik sprongen achter de kolonel en de luitenant de drone uit en renden achter hen aan. Ik drukte mijn tranen weg: dat monster moest dood! Hartstikke dood!

Ik veegde over mijn ogen. Mijn gezicht voelde aan alsof het in brand stond.

Na wat gangen en een lift, kwamen we uit in een halfronde ruimte: de wand voor ons vol levensgrote schermen, langs de wand achter ons zaten militairen achter kleinere schermen.

‘Breng ons naar Aanvalspositie Twee!’ Ze ging op een stoel in het midden van de ruimte naast een paar andere militairen zitten en gespte zich in.

Erich en ik ploften in twee vrije stoelen.

Met een ruk kwam de Albicilla in beweging: mijn maag werd keihard in mijn onderbuik en tegen mijn rug werd gedrukt. Hijgend gespte ik me in.

‘Toestemming voor Paasei Nummer Een gegeven,’ sprak een merkwaardig zakelijk klinkende stem achter ons.

‘Richten op epicentrum van de vijand zodra we in positie zijn,’ zei de kolonel.

Na een wild achtbaanritje waarbij mijn maag soms in mijn tenen, soms in mijn hoofd zat, zagen we Rottumerplaat vanaf het Zuiden en hoog in de lucht. Er was nog slechts een stukje strand zichtbaar van het eiland. Zo te zien was Yog-Slochthoth pas half door het aardoppervlak gebroken. Tot honderden meters in de lucht rezen de vurige tentakels op. Ze krioelden over bijna het hele eiland. Ik haatte ze, ik haatte ze zoals ik nog nooit iets gehaat had.

‘Paasei Een gereed en gericht op doel.’

De kolonel stak haar vuist in de lucht. ‘Vuur!’

Ik kneep in mijn vuisten.

Er ging een schok door het toestel heen.

Op de schermen was het projectiel zichtbaar, een wit condensspoor achter zich aan, op weg naar het midden van het vurige tentakel­monster.

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Twee.’

Weer volgde er een wild achtbaanritje. Blijkbaar vlogen we nog hoger en verder weg. Op de schermen trof het projectiel doel.

Een lichtflits. De schermen werden donkerder. Het eiland en het tentakelmonster waren niet meer zichtbaar: donkere, wervelende rook­wolken verspreidden zich en rezen op.

Er ging een schok door de Albicilla heen. Een knal…

Terwijl een zuil van rook en stoom oprees, barstte het gejuich los.

Erich greep me bij de arm. ‘We hebben het voor elkaar.’

Ik keek hem wezenloos aan, maar zag alleen maar Morena’s stralend groene ogen.

Hij fronste. ‘Daar moeten we een hospik naar laten kijken.’

‘Wat?’ stamelde ik.

Terwijl de paddenstoelwolk zich op de schermen opbouwde, wees hij naar mijn gezicht. ‘Ziet er niet erg uit, hoor.’

Ik voelde aan mijn gezicht. ‘Auw!’ Mijn voorhoofd, mijn neus, mijn wangen…

‘Blijf er liever vanaf. Kom dan gaan…’

Een stem brulde door het gejuich heen. ‘Kolonel! Anomale beweging.’

Het werd muisstil: iedereen tuurde naar de schermen. Op een ervan leek een rood kronkelend puntje uit de rookwolken te steken. Het puntje werd langer… een tentakel. Er dook een tweede plasma-tentakel op.

‘Vijand verlaat het epicentrum in zuidelijke richting,’ klonk de stem achter ons.

‘Verbinding leggen met de president, hoogste prioriteit,’ brulde de kolonel. ‘Breng ons naar Aanvalspositie Vijf Zuid. Struisvogelei Een prepareren.’

Terwijl de Albicilla weer een misselijkmakend achtbaanritje maakte, gonsde het woord ‘Struisvogelei’ door mijn hoofd. Op het scherm doken steeds meer van Yog-Slochthoths vurige tentakels uit de rookwolken op. Waar ze de Waddenzee raakten, steeg stoom op. Jarenlang had ik geprobeerd me voor te stellen hoe Yog-Slochthoth eruit zou zien. Stapels artikelen had ik gelezen, gebaseerd op bodemscans en bewe­gings­patronen. Niets had me kunnen voorbereiden op de mon­ster­achtige kluwen plasma-tentakels die als een gigantische, gemu­teerde krab op weg was naar de Groningse noordkust.

Toen de Albicilla weer in positie zweefde, keek ik Erich aan. ‘Struisvogelei?’

Hij zag lijkbleek. ‘Honderd…’ Hij slikte. ‘Honderd kiloton.’

‘Maar dan zou een groot deel van…’ stamelde ik.

‘We hebben het verwond!’ riep de stem achter ons. ‘Er ontbreken drie tentakels. Twee anderen bewegen niet meer mee.’

Een onderkoeld gejuich ging door het controlecentrum heen.

‘President Kudeau hier,’ galmde door het controlecentrum. ‘Status­rapport, kolonel.’

‘Vijand is verwond maar niet uitgeschakeld. Hij beweegt zich op de Noordkust toe. Verzoek toestemming voor gebruik struisvogelei.’

‘Nee!’ Ik probeerde op te springen, maar de gordels hielden me terug. ‘President… professor Van Slochteren hier. Een honderd-kilotonner zou een deel van Groningen wegvagen. Dit kan niet. Hoeveel mensen­levens moet dit nog kosten?’

Het was even stil. Op het scherm krioelde het monster steeds verder. De eerste tentakels waren al bijna op de noordstranden.

‘Als we dit wezen en zijn soortgenoten niet uitschakelen, gaat dit veel meer mensenlevens kosten. Ik moet u en uw collega’s bedanken. Wij, alle Eurafrikanen, staan diep in uw schuld: waarom wij afdoende nucleaire bewapening nodig hebben, is nu duidelijk voor de VN. En dat zal het ook voor het electoraat zijn. Het spijt me dat u op het punt staat uw woning te verliezen, maar ik zal er persoonlijk voor zorgen dat u vervangend onderkomen toegewezen krijgt, hier in Marrakesh of op een andere veilige locatie van uw keuze. Kolonel, toestemming voor struisvogelei gegeven.’

De tranen sprongen me weer in de ogen. ‘Erich.’ Ik keek hem wanhopig aan. ‘Dit is waanzin.’

‘Richten op epicentrum van de vijand,’ brulde de kolonel.

‘Struisvogelei Een gericht op doel.’

‘Vuur!’

Er ging een schok door het toestel. Het projectiel verscheen op de schermen.

Erich kneep in mijn hand. ‘We kunnen niet meer terug.’

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Vijf Zuid.’

Nog tijdens het achtbaanritje volgde de lichtflits.

Een schokgolf verspreidde zich half cirkelvormig over landerijen, wegen, rivieren en dorpen.

De donkere, wervelende rookwolken die erachteraan rolden leken zich deze keer in slow motion te verspreiden en op te rijzen. Alsof het een goedkope holofilm was, speelgoed… míjn speelgoed.

Ik weet niet hoelang we de oprijzende paddenstoelwolk volgden.

 

Er heerste een ingehouden spanning in het controlecentrum. De verbinding met de president, die door de explosie was uitgevallen, was alweer hersteld. Hij had drie keer om een statusrapport gevraagd. Al drie keer was het antwoord geweest: ‘Geen beweging gedetecteerd. Maar scanners nog steeds gestoord.’

Erich en ik zaten zwijgend voor ons uit te staren. Mijn gezicht brandde, maar het kon me niet schelen. Hoeveel mensenlevens waren er verloren in Groningen? Mijn buurman… dat oude vrouwtje van tegenover me dat altijd stond te schelden dat ik mijn tuin niet goed onderhield…

‘Vijand gesignaleerd,’ klonk plotseling achter ons. ‘Op vier punt drie kilometer ten zuidoosten van de laatste treffer… bewegend in zuid­zuidoostelijke richting.’

Elk woord voelde als een mokerslag.

‘Hij heeft 64 procent schade, maar dat lijkt zijn bewegingsvrijheid niet… nee, wacht…’

Hoop vulde mijn lichaam.

‘Er is een tweede deel. Twee kilometer verder oostelijk. Kleiner. Circa 17 procent.’

‘Dus we hebben maar 19 procent schade aangericht?’ vroeg de kolonel.

‘Bevestigd.’

‘U hebt het gehoord, president?’

‘Wat adviseert u, kolonel?’

‘Verzoek toestemming inzet Sauruseieren.’

Wat? Nog groter?

‘Nee!’ Erich sprong op, liep naar de kolonel en greep haar pols. ‘Gebruik van tien-megatonners is niet volgens mijn plan. Daarbij kunnen de Eifelfissuren openscheuren. Dan kan Laacher-Nata naar boven komen.’

De twee keken elkaar in de ogen. Je kon een speld horen vallen.

Er galmde een diepe zucht door de commandocentrale heen. ‘We moeten dit afmaken, professor,’ sprak de president. ‘Dit is oorlog. Kolonel, toestemming Sauruseieren gegeven.’

De Heeren van ’s Gravensande : Anaïd Haen

Expositie

‘Gaat het?’

Mariska staat met haar rug naar me toe, haar schouders smal. Ze knikt. ‘Ben wel oké.’

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar tegen mijn borst. ‘Mijn broertje heeft zijn condoleances gestuurd.’

‘Dat is lief van Haijo, bedank hem van me.’

Mijn kin raakt net haar krullende haren. We kijken door het raam van de aula de enige andere bezoeker aan de rouwdienst na als deze zich door een taxidrone laat ophalen. Een verre neef van haar vader of zoiets. Hij zwaait nog voor hij instapt.

‘Papa moet heel eenzaam zijn geweest.’ Ze leunt tegen me aan, een beetje trillend. ‘Zelfs mama is niet gekomen.’

Ik druk een kus op haar kruin. ‘Daar heeft hij zelf voor gekozen, schat.’ Klein was ze altijd al, maar nu ik haar zo vasthoud merk ik dat ze de afgelopen dagen flink afgevallen moet zijn. Breekbaar. Het is ook geen sinecure om je vader voor je deur ineen te zien zakken.

Samen met de begrafenisondernemer (een humobot, zo te zien hoge klasse) lopen we achter de kist aan naar de droogvriezer. Mariska heeft erop gestaan zelf de vijzel te hanteren. ‘Dat is het minste wat ik kan doen.’

Op een seintje van de uitvaarder haalt ze de schakelaar aan de muur om. Achter het raam in de deur verschijnen ijsbloemen. Het gaat razendsnel, vanaf de onderkant van het glas tot aan de bovenkant. Ik wil bijna vragen hoe dat kan, maar ik realiseer me net op tijd dat er vocht in een menselijk lichaam zit en dat het doel van dat droogvriezen juist is om dat eraan te onttrekken,

Mariska heft haar hand en volgt met haar vinger de fragiele lijntjes van de groeiende kristallen. ‘Dit zou hij mooi hebben gevonden,’ verzucht ze.

Het duurt maar een minuutje of drie. Genoeg tijd om mij het gevoel te geven dat het mijn botten zijn die bevriezen. Dat ik verschrompel tot minder dan 6% van mijn massa om dan BAM! door de vijzel tot poeder geslagen te worden.

 

‘Alstublieft.’ De begrafenisondernemer piept een beetje als hij het sigarenkistje aan Mariska overhandigt. Ik vermoed in het pols­schar­nier. Als hij in mijn fabriek zou staan, zou ik hem laten door­smeren, want die gewrichten zijn veel te gevoelig voor vastlopen.

‘Dank u wel.’ Mariska pakt het doosje aan en wrijft erover met haar hand. ‘Ik wist niets beters om hem in te bewaren, hij rookte deze zo graag.’

Verbeeld ik het me nu, of haalt de begrafenisondernemer zijn schouders een beetje op? Ze maken die humobots ook steeds mense­lijker!

‘Roken is illegaal …’ begint het ding na wat geknars de standaard overheidsriedel af te steken. ‘De boetes op …’

‘Dat weten we.’ Ik pak Mariska’s elleboog. ‘Kom, schat. We hebben een afspraak met de notaris.’

 

Intrige

De enige manier om er te komen is varen of wachten op eb en hopen dat het water dan laag genoeg komt om te lopen. Zo dicht aan de kust, met de onverwacht opstekende duinzandhozen, kunnen drones niet komen.

Mariska wacht op eb. Ik dus ook. We zitten op de top van een duin en laten de zachte zeewind over onze gezichten strijken. Het sigarenkistje staat tussen ons in. Voor ons, over de watergeul, ligt wat rest van een bungalowpark. Eens heette het De Heeren van ’s Gravensande, maar vanaf hier is duidelijk te zien dat er nog maar één heer overeind staat.

‘Is dat het vakantiehuisje van je ouders?’ Ik wijs naar het grijze huis met de vierkante toren. Het staat hoger dan de ruïnes eromheen. Onder het dak van de toren zitten ramen rondom. Hiervandaan is te zien dat er een paar gebroken zijn.

‘Ja. Het is al in de familie sinds 2003, mijn betovergrootouders hebben het gekocht. Mijn opa heeft de duin eronder laten ophogen toen het water kwam.’ Ze tekent met haar voeten een hart in het zand. ‘Voor jou.’

Het mijne slaat over. Lief. Ik buig me naar haar toe en kus haar.

 

Als we dichterbij komen, zwoegend door het zachte zand onder onze voeten, is steeds beter te zien dat het huisje in slechte staat verkeert. De oranje pannen op het dak zijn verschoten naar een vaag geel. Er ontbreken er veel. Twee zonnepanelen liggen in stukken voor het huis, een derde bungelt scheef aan de dakgoot. De voorgevel is met een soort kunststof bekleed dat allang verboden is. Ooit moet het een blauw­achtig grijze kleur hebben gehad, maar nu is het verbleekt en krom­getrokken bij de hoeken. Het stucwerk vertoont gaten en aan de zijkant van de toren zit een scheur die zo diep en breed is, dat ik vermoed dat de muur omvalt als ertegenaan wordt geblazen.

‘Het lijkt wel een kind met een wisselgebit.’ Mariska kijkt naar me op. ‘Zo herinner ik het me niet.’

Ik begrijp wat ze bedoelt, hoewel het huis op mij eerder overkomt als een verslaafde bejaarde met rottende tanden.

We lopen het pad naar de voordeur op. Duidelijk te herkennen omdat er links en rechts wallen zand liggen. Er staat een sneeuwschep tegen de gevel. Haar vader moet het zand vaak opzij hebben geschept.

Mariska steekt de sleutel in het slot. Ze legt haar voorhoofd even tegen de deur. ‘Ik had hem hier weg moeten halen, hè?’

‘Zou hij meegegaan zijn?’

Ze schudt haar hoofd en draait de sleutel om.

Binnen zoemt de stroomomvormer. Kennelijk werkt dat zonnepaneel nog. Er is zand onder de deur door gewaaid; een fijne laag bedekt de rood­bruine vloertegels in de vierkante hal. Mariska’s bergschoenen maken er afdrukken in.

Rechts een deur, zo te zien van de wc, recht vooruit eentje met glas erin. Die gaat naar de woonkamer; ik zie een donkerblauw bankje en wat verdroogde kamerplanten. Links de trap. Mariska gaat naar boven, ik volg haar.

Stuifzand bedekt de treden, naarmate we hoger komen, meer. We komen op de overloop. Mariska negeert de deuren waarachter naar ik aanneem slaapkamer, slaapkamer, badkamer liggen en steekt over naar de volgende trap. Aan het eind maakt die een draai naar rechts.

Ze staat stil. Ik ga op de tree achter haar staan en kan dan nog steeds over haar heen kijken. Kleintje. ‘Wat is er?’

Een piepklein kantoor. Rondom ramen, een paar kapot. Zand stuift naar binnen. Ik zie een bureau, een enorme stoel, een telescoop op een statief en een …

‘Is dat een kanon?’ Mijn mond valt open. Een ouderwets, zeven­tiende-eeuws kolossaal kanon op een houten onderstel met ernaast een stapel kogels. ‘Dat die niet door de vloer zakt!’

‘Verstevigd.’ Mariska stapt het kantoortje binnen, legt het sigaren­kistje op het bureau en loopt naar de fauteuil. Ze klopt het zand eraf. Uit de gleuf tussen de leuning en de zitting haalt ze een aansteker tevoorschijn. Ze knipt hem aan. Een vlammetje danst boven haar hand. ‘Hier zat hij altijd, de laatste jaren.’ Ze blaast het vlammetje uit en knikt naar de telescoop. ‘Bijna dag en nacht door dat ding te staren, met zijn hand boven de lont.’

Ik stap achter haar aan en moet bukken om mijn hoofd niet tegen het dak te stoten. In het midden van het kamertje kan ik rechtop staan. De ramen geven rondom uitzicht op vooral zee. In de verte zie ik de pieken van de torenflats van Rotterdam uit het water opsteken, de andere kant op moet Den Haag zijn. Speedbootjes trekken witte sporen door het water als ze van flat naar flat varen. Het eilandje waar we ons op bevinden is nauwelijks groter dan een paar voetbalvelden. Ingestorte huisjes, volgestroomd met zand, vormen nieuwe duinen. Eenzaam. Een tikje verontrust over de vreemdheid van haar vader bekijk ik waar de telescoop op gericht staat. ‘Keek hij naar zee?’

Mariska schuift met de stoel naar de telescoop en legt haar rechter­oog ertegenaan. ‘Altijd naar de zee.’ Ze streelt het kanon. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien zat hij hier. Alle keren ervoor ook.’ Ze fronst. ‘Nu ik erover nadenk: alleen als klein meisje heb ik hem op een andere plek gezien dan hier. Toen leefde zijn vader nog, volgens mij. Dat moet …’ Nadenkend wrijft ze over haar bovenlip. ‘… zeker dertig jaar geleden zijn.’

‘Maar waarom?’ Ik kijk naar het kanon. Ook dat heeft de loop op zee gericht staan. ‘Verwachtte hij de Brittanniërs, soms?’ Alsof die na de Vijfde Engels-Nederlandse Oorlog nog mogelijkheden hadden het Kanaal over te steken.

‘Ik heb geen idee.’ Mariska ploft in de stoel. ‘Mama is niet voor niets bij hem weggegaan, hij wilde alsmaar hier blijven.’ Ze wrijft over de leuningen. ‘Ik heb zo gedacht: als we nu eens zijn poeder hier achter­laten? Hier, in de stoel?’

Ik glimlach. Het idee is gepast, maar hartstikke illegaal gezien de recyclingwet. ‘Je weet dat dat niet m…’

‘Ja, tuurlijk. En roken mag ook niet.’ Ze rolt met haar ogen, zet haar benen wijd uit elkaar, buigt zich voorover en trekt de onderkant van de stoel open. ‘We zijn rijk, schat.’

Tientallen sigarenkistjes.

‘Zijn ze vol?’ Ik hap naar adem. Iets wat je ook schijnt te doen als je veel rookt.

‘Dat neem ik aan. Want de lege stuurde hij me altijd per post op.’ Ze knikt naar het kistje op het bureau. ‘Daarom had ik die.’

 

Het zijn er zevenenvijftig. Zevenenvijftig sigarenkistjes met een straat­waarde van zo’n zestigduizend euro per kistje. Visioenen van inves­teringen in betere robots schieten door mijn hoofd. Misschien kan ik eindelijk die auto-inpakker aanschaffen waar ik al jaren van droom. ‘We zijn niet rijk. We zijn schathemeltergend rijk. Als we ze verkocht krijgen, tenminste.’

‘Doe niet zo somber. Dat lukt ons wel.’ Mijn lief vriendinnetje pakt een kistje uit de stoel en schuift de lade weer dicht. Op mijn vragende blik zegt ze: ‘We zijn met één kistje gekomen, we gaan met één kistje weer weg.’

Bijdehandje.

Ik loop naar het bureau. Er staat een vierkante kast op met een tastbaar scherm ernaast: een computer. Ik herken het apparaat uit mijn jeugd; mijn grootmoeder had er zo eentje. ‘Zou hij het doen? Het ding is antiek.’

‘Oh, die doet het. Hij hield alles in stand.’

Ik houd mijn glimlach in en kijk naar de kapotte ramen. ‘Niet alles even succesvol, lieverd.’

Ze steekt haar tong naar me uit.

 

Bepakt en bezakt met allerlei spulletjes die ze wil meenemen stapt ze het huisje uit. Ik heb net het pad weer vrijgemaakt van zand en zet de sneeuwschep terug op zijn plekje tegen de gevel. Het zweet biggelt me over de rug, zandruimen is zwaar werk. ‘Ben je klaar?’

Ze knikt. ‘Papa heeft een mooi plekje midden op de fauteuil gekregen, telescoop en kanon onder handbereik. Het kantoortje is aangeveegd en opgeruimd, dat was fijn om te doen.’ Ze staat even stil, de sleutel voor het slot. ‘Ik heb de computer niet uitgeprobeerd, hoor; vond het opeens te persoonlijk om in zijn bestanden te snuffelen.’

‘Jij en privacy.’ Glimlachend schud ik mijn hoofd. Beschermer. ‘Wat maakt het nu nog uit voor hem?’

Ze schokschoudert. ‘Ik draai de deur weer op slot, hè? Dan weten we zeker dat niemand erin kan om de siga…’ Ze kijkt omhoog, opeens behoedzaam.

Ik volg haar blik, zie niets wat op een overheidsdrone kan wijzen en haal dan toch ook opgelucht adem. Het is een ding om zevenvijftig kistjes vol sigaren te vinden, het is een ander ding om ze onopgemerkt mee te smokkelen en te verkopen. Beter maar onze monden erover gehouden.

 

Pas als we bij de oversteekplaats komen, beseffen we onze vergissing: het water is terug. Woest kolkt het door de geul die we een paar uur geleden nog lopend konden oversteken. Ik denk dat ik wel lang genoeg ben om erdoorheen te waden, maar Mariska niet.

‘Ik kan op je rug klimmen,’ stelt ze half lachend voor.

‘En dat dan de stroming aan mijn benen trekt en we beiden kopje-onder gaan? Ik ben geen paard.’ Ik steek mijn tong naar haar uit. ‘Kom, we gaan terug. Ik durf te wedden dat je paps genoeg conserven in huis had om het jaren te kunnen overleven. We blijven vannacht hier en gaan morgen terug, zodra het weer eb is.’

‘Kan dat wel, met de fabriek?’ Ze bijt op haar onderlip. ‘Je had toch morgen die installatie?’

Oef, ja. Ik haal mijn hand door mijn haar en voel fijne zandkorreltjes erin. ‘Ik bel wel even dat ik dan later kom. Jolanda is prima in staat het eerste stuk te begeleiden, als ik er maar ben bij de ingebruikneming.’

 

Verrassend genoeg is de slaapkamer de enige plaats in huis waar geen zand ligt, behalve dan hetgeen wij mee naar binnen hebben gelopen. Aan de slaapkamer grenst de badkamer. Er komt geen water meer uit de kranen en de toiletspullen van Mariska’s vader liggen er nog keurig in het gelid op het plankje onder de spiegel, maar afgezien van de onbruik­baarheid is het een onbeschadigde ruimte.

‘Als we ons kwaad zouden maken, zou het dan op te knappen zijn?’ Mariska trekt een schone set lakens uit de kast.

Ik ga aan de andere kant van het bed staan en pak de punten van het hoeslaken aan. ‘Waarom zou je dat willen? Het is al half vervallen, over een poosje heeft de natuur het weer helemaal overgenomen.’ Ik trek het elastiek van het laken over de punt van het matras, eerst het hoofdeinde, daarna het voeteneinde.

‘Ja, ik weet het niet. Ik dacht … Het is toch zonde als het verdwijnt? Het is nu mijn bezit en met de opbrengst van de sigarenkistjes … Wat?’

Mezelf vervloekend omdat ze me te goed kan lezen, schud ik mijn hoofd. ‘Nee, niks.’

‘Schei uit, Bart. Wat is er?’ Ze gooit me het dekbedovertrek toe. ‘Jij bent er handiger in.’

Ik keer het overtrek binnenstebuiten en pak de punten van het dekbed aan. Het lukt me niet haar vorsende blik te weerstaan. Mijn gezicht kleurt als ik toegeef dat ik de winst anders had willen besteden dan aan het opknappen van een vergaan vakantiehuisje dat eerdaags toch bedolven onder zand of door de golven opgeslokt zal worden. ‘Ik dacht alleen dat we het geld zouden kunnen gebruiken voor de fabriek. Dan zou het leven wat makkelijker worden.’

‘Ah.’

Ik heb mijn armen wijd en omhoog en schud het overtrek netjes over het dekbed. Dat ‘Ah’ geeft wel aan wat ze ervan denkt en ik voel me een rotzak. Maar goed dat ik achter het dekbed sta, hoef ik haar even niet aan te kijken. ‘Sorry, schat.’

‘Nee, geefnie.’ Ze schikt samen met mij het dekbed over het bed. ‘Ik doe het nu eenmaal met een industrieel.’ Ze knipoogt. ‘Als er wat over­blijft, goed?’

Ik doe mijn best mijn teleurstelling te verbijten en knik.

 

Climax

Midden in de nacht word ik wakker omdat ze weg is. Ik voel over het laken, het is koud. Ze moet al snel uit bed gekropen zijn gisteravond.

‘Maris?’ Ik ga rechtop zitten. De deur staat op een kier open. ‘Waar ben je?’

Boven mijn hoofd hoor ik gestommel.

Ik schiet in mijn jeans en schoenen. Er zit zand in en op. ‘Had je de deur niet kunnen dichtdoen?’

Al onder aan de trap zie ik een blauwwit licht. ‘Schat?’ Ik loop naar boven.

Ze heeft de fauteuil voor het bureau gedraaid en zit op het puntje ervan. Achter haar staat het sigarenkistje, haar ogen zijn op het scherm gericht. Kennelijk werkte de computer inderdaad nog. Zonder naar mij om te kijken zegt ze: ‘Je kunt maar beter gaan.’

Hoor ik haar nou goed? ‘Gaan? Wat bedoel je, gaan?’ Ik stap de laatste tree op en stoot mijn achterhoofd tegen het schuine dak. ‘Auw!’

Ze reageert niet. En meer dan de andere rare dingen die ze doet, zoals stiekem het bed uitgaan om midden in de nacht naar een antiek computerscherm te staren, baart het uitblijven van haar gebruikelijke ‘kusje d’rop?’ mij zorgen.

Ik ga achter haar staan. Vanaf het scherm staart haar vader me aan, zo te zien midden in een zin. Het beeld is bevroren, wat me onwille­keurig aan de inhoud van het sigarenkistje doet denken. Zijn vinger is opgeheven, zijn mond vormt een O.

‘Wat is er aan de hand?’

Mariska blijft strak vooruitkijken. ‘Ik zei dat je moest gaan, je bent toch niet doof?’ Fel.

Is ze nou helemaal gek geworden? Ik pak de rugleuning van de stoel beet en draai hem 180 graden, zet mijn handen op de armleuningen. ‘Doe eens niet zo lelijk tegen me! Ik stel je een normale vraag.’

Nu ze niet meer oog in oog met het scherm zit, kan ze me wel aan­kijken. Haar ogen zijn rood, alsof ze de hele nacht heeft gehuild.

Mijn zorgen om haar ontploffen in mijn buik. ‘Wat is er toch?’

Haar onderlip trilt. ‘Ik kan het je niet uitleggen,’ zegt ze hakkelend. ‘Maar ik moet hier blijven.’

Een stoot lucht ontsnapt aan mijn longen. ‘Hier?’ Ik ga rechtop staan en gebaar om me heen. ‘Hoelang?’

Een traan glijdt over haar wang. ‘Voor altijd.’

Knettergek. Ik kijk over haar schouder naar het scherm. Net zo gestoord als haar vader. ‘Laat het me zien!’

Ze schudt haar hoofd. ‘Er mag maar één persoon weten wat … anders …’ Angstig kijkt ze door het raam naar de maanbeschenen zee.

‘Schei eens uit!’ Nu word ik boos. Ik ruk de stoel opzij en tik op het scherm van de computer. Er gebeurt niks. Ik tik nog een keer.

‘Het werkt niet zo.’ Haar stem naast me klinkt triomfantelijk en kleintjes tegelijk. ‘Dat tikken deden ze jaren later.’

Ik doe mijn best mijn ergernis te onderdrukken. ‘Hoe werkt het dan?’

Weer staart ze over zee. De golven hebben witte toppen. ‘Dat vertel ik je niet.’ Haar kaken verstrakken, het licht van het computerscherm maakt haar gezicht hoekig. Vastberaden. ‘Het is beter als je niet weet wat er is.’

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze het daarbij zal houden. Of ik nu kwaad, verdrietig, zielig of hoopvol reageer; het zal geen verschil maken.

‘Zoals je wilt.’ Ik loop naar de trap. ‘Zodra het eb is, ben ik hier weg.’ Doe ik toch zielig, verdomme!

 

Met het sigarenkistje onder mijn arm loop ik naar de voordeur. ‘Ik ga!’

Geen sjoege.

Mijn hand rust op de deurknop, mijn oren zijn gespitst op geluid van boven. Maar er komt niets, Mariska zegt niets, niet eens gedag. Ik stap naar buiten.

Het tuinpad is alweer bedekt met een dun laagje zand. Ik onderdruk de neiging om de sneeuwschep te pakken en sluit de deur achter me. Mijn voetstappen maken een knarsend geluid.

Het water is nog niet helemaal weg uit de geul, maar ik heb geen zin om terug te gaan naar het huisje en daar te wachten tot volledig eb. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en rol mijn broekspijpen omhoog. Nog snel werp ik een blik achterom. Hoog in de toren, net boven het kozijn, zie ik een bos krullen. Mariska kijkt niet eens mijn kant op.

Beledigd stekker ik door het water. Het natte zand zuigt aan mijn voeten, houdt me vast. Met moeite worstel ik me door de geul, die dieper is dan ik ingeschat heb. Het water stroomt snel en komt tot mijn knieholten, maakt mijn broek nat. Fraai, moet ik zo door naar de fabriek. Foeterend op mezelf, Mariska, haar vader en dat debiele kanon ploeter ik verder.

Aan de overkant beklim ik de duin waar we gisteren nog samen op hebben gezeten. Het zand is rul onder mijn voeten en glijdt steeds weg, ik moet vooroverbuigen om boven te kunnen komen. Hijgend plof ik neer op de top en duw mijn voeten in het losse zand, in de hoop dat ze daarmee wat drogen.

Vanaf deze hoogte kan ik haar koppie beter zien dan van onderaf. Ze kijkt door de telescoop, onafgebroken. Concentratie.

Een vlaag wind laat de tranen in mijn ogen schieten. Waarom weet ik niet, maar ik moet opeens aan vorige week denken, aan toen haar vader opeens aanbelde.

Hij was graatmager, helemaal niet meer de gevulde en goedlachse man die Mariska me op foto’s had laten zien. Graatmager en geel. Zijn oogwit, zijn huid, zelfs zijn tandvlees. Ik opende de deur en deinsde achteruit, zo griezelig zag hij eruit. Ziek.

Gelukkig konden we de dokter in het ziekenhuis ervan overtuigen dat hij geen ‘uitgezaaide longkanker’ moest diagnosticeren. Anders had Mariska de boete geërfd in plaats van het vakantiehuis met zevenen­vijftig sigarenkistjes. Vol.

Somber staar ik naar het kistje dat ik naast me in het zand heb gelegd. Wat heb ik aan investeringen zonder haar?

Knipperend tegen de tranen, die me ondanks het liggen van de wind toch parten blijven spelen, trek ik mijn sokken uit mijn schoenen. Ik klop ze recht en trek mijn rechtervoet over mijn knie. Sok aan. Linkervoet.

In het zand voor me ligt nog vaag zichtbaar het hart dat ze gister met haar voeten heeft gemaakt.

 

Catastrofe

‘Ik ben terug.’ Ik weet dat ze niet zal reageren, maar dat maakt niet uit. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en recht mijn rug. Het is aan­ge­­naam warm binnen, ook hartje winter. Er zijn maar vier sigaren­kistjes nodig geweest om dit huisje in bijna oude glorie te herstellen. Voor drie andere heb ik een hovercraft gekocht, die me nu al vier maanden over de duinen en door de geul helpt, en met nog eens dertien is het werk in de fabriek zoveel gemakkelijker geworden dat ik het me kan permitteren om iedere dag naar hier te komen om eten te koken en Mariska af te lossen zodat ze kan douchen en dutten. Niet dat ik weet waar ik op moet letten, maar ik hang mijn oog plichtsgetrouw tegen de telescoop en probeer wakker te blijven.

‘Spaghetti vandaag, goed?’ Ik geef haar het bord aan en ga half op het kanon zitten, net als iedere avond. ‘Nog iets gebeurd?’ Ik wijs met mijn vork naar de donkere zee. Morgen de ramen eens zemen, door de stort­bui van gisteravond zijn ze beplakt met druppels zand.

Onwillig richt Mariska haar blik van de telescoop naar haar bord. Haar rechteroog is omrand door een blauwe cirkel, zo hard drukt ze tegen de kijker. ‘Nee.’

Onder het eten vertel ik van de fabriek en geef ik berichten door van haar vriendinnen en collega’s, die haar allemaal missen en denken dat ze van de erfenis spontaan op een wereldreis is gegaan. Eentje die zo haar aandacht opslokt dat ze begrijpen dat ik degene ben die hen sporadisch voorziet van informatie over haar reis.

Ik stel uit wat ik haar echt moet zeggen. Lafaard die ik ben.

Het reisverhaal is door mij verzonnen meteen nadat ik me reali­seerde vooral niet als haar moeder te willen zijn, die haar vader hier alleen liet. Die ochtend op die duin, het sigarenkistje naast me en het hart in het zand voor me, heb ik ons een alternatief leven gegeven waardoor zij hier kon blijven zolang ze dat zou willen. Wat al langer is dan ik ooit gedacht had, gezien haar gebruikelijke wispelturigheid. Gelukkig is ze op een wereldreis met primitieve vervoersmiddelen.

Als ik geen nieuwtjes meer heb, eten we zwijgend tot ik eindelijk genoeg moed heb verzameld.

‘Oh, ik sprak je moeder …’

Ze kijkt me vragend aan. Haar gezicht is bleek, haar wangen inge­vallen. Ik zeg er niks meer over, want alles wordt toch weggewuifd. Eigenwijs. ‘Wat is er met mama?’

‘Het zal wel niks zijn, maar ze zag er slecht uit.’

Haar kaken stoppen met kauwen, het bord zakt op haar bovenbenen. ‘Hoe slecht?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Bleek. En haar handen beefden, ze kon niet meer borduren zei ze.’ Ik zet mijn vork in het bord en draai de slierten roodgespikkelde pasta eromheen. ‘Ach, je kent haar. Ze kraakt en piept en leeft langer dan haar broers en zussen.’

‘Niet meer borduren?’ Haar onderlip trilt. ‘Hoe slecht, Bart?’

Opeens schaam ik me voor de manier waarop ik dit nieuws vertel. Net als zij weet ik dat haar moeder onlosmakelijk verbonden is met hand­werken. En dat niet-meer-borduren gelijk staat aan stervende zijn.

Ik neem haar bord van haar schoot en zet het naast het mijne op het bureau. ‘Ik denk …’ Ik schraap mijn keel en pak haar handen. ‘Ik denk erg slecht, schat.’ Het komt er fluisterend uit. ‘Als je haar nog wilt zien, dan …’

 

Daar gaat ze, beschenen door de maan. Voor het eerst in vier maanden is ze weg van dit eenzame oord. Ze zit als een koningin zo recht op de hovercraft en bestuurt hem alsof ze nooit anders heeft gedaan. Haar haren wapperen vanonder haar muts achter haar aan. Het water in de geul spettert op als ze eroverheen glijdt.

Ik zak in de fauteuil en klop op het kanon naast me. ‘Jij en ik, maatje. De bewakers van de Noordzeekust. De Heeren van ’s Gravensande.’ Grimmig grinnikend trek ik de lade onder mijn voeten uit. ‘De ridders van het duin. De onverschrokken bewakers van de golftoppen, de zandhelden van Hoek van Holland, enzovoorts, enzovoorts.’ Ik pak een kistje. ‘Daar nemen we een sigaartje op, wat jij?’

 

Ik schrik op van een vlaag wind die tegen het huisje beukt. Even weet ik zeker dat de toren hier niet tegen bestand is, ook al hebben we de scheur vakkundig laten herstellen.

De sigaar is uitgegaan. Ik moet hebben gedut. Plichtsgetrouw zet ik mijn oog tegen de kijker en tuur de nu spiegelgladde zee af. Kennelijk waait het alleen hier. Niks veranderd. De maan is wel een stuk verder gekropen en hangt nu op een meter boven de horizon. Een baan helderwit licht beschijnt het water.

Toch opgelucht dat er tijdens het verzaken van mijn plicht niets is voorgevallen, sta ik op. Hoe laat zou het zijn?

Ik geef een tik tegen het halfronde ding op het bureau, dat Mariska de muis noemt. Inmiddels weet ik dat ze hiermee de computer bedient. Het scherm floept aan. In de rechterbenedenhoek zie ik dat het vijf uur is. De nacht is zowat voorbij.

Ik zet het sigarenkistje met de resten van haar vader op de stoel en klop op het deksel. ‘Jouw beurt even, ouwe jongen, ik moet de benen strekken.’

 

Met een bord vol koude overgebleven spaghetti in mijn handen stommel ik een poosje later de trap weer op. Een blik op de zee vertelt me precies wat ik al dacht: er is niks gebeurd. Ik kijk op mijn com’pad: geen nieuws van Mariska. Hopelijk valt het mee met haar moeder.

Mijn broertje Haijo laat weten op een conferentie te zijn waar het opheffen van de verzakking van Groningen besproken gaat worden. Ik veeg over zijn bericht, het is zoals gebruikelijk te lang om van voor naar achter te lezen. Bovendien gaat het bij hem nooit over concrete zaken, maar over vage dingen als het ontbreken van drijfvermogen en de kracht van bevingen. Dan liever een fabriek.

Met mijn kont leun ik tegen het bureau, langzaam kauwend op het eten. Het scherm floept weer aan achter me. Het lukt me het te negeren tot mijn bord leeg is.

‘Nu tussen jou en mij.’ Vastbesloten zet ik het bord naast het sigarenkistje op de stoel. Ik buig me over het bureau en pak de muis vast.

Het kost me maar een paar minuten om uit te vinden hoe ik hem moet gebruiken. Twee tellen later heb ik het filmpje van haar vader gevonden.

Mijn wijsvinger hangt boven de knop. Nu ik zo dichtbij ben, wankelt mijn vastberadenheid om te weten te komen wat er speelt. Ik hóéf niet te klikken. Ik kan genoegen nemen met wat we nu hebben en de wetenschap dat ik haar hiermee help voldoende vinden. We kunnen nog jaren zo door.

Nog jaren.

‘Yeah, right!’ Mijn vinger drukt op de knop.

‘Lieve Mariska,’ zegt haar vader in de camera. Wat heeft hij een mager gezicht! Zijn oogwit is geel. Zijn blauwe irissen lijken er nog helderder door. ‘Ik moet je iets vertellen wat mijn vader aan mij heeft laten weten. En daarvoor diens moeder aan hem. En zij had het weer van háár moeder. En die van haar va… maar ik heb in een apart bestand de lijst opgenomen, zodat je kunt zien tot hoe ver die teruggaat.’ Hij wuift met zijn hand. ‘Generaties. En geen van ons heeft het bij leven aan de opvolger kunnen vertellen omdat …’ Hij buigt zich naar de camera waardoor ik onwillekeurig van het scherm deins. ‘… maar één persoon tegelijk de kennis mag bezitten.’ Hij heft zijn vinger en meteen herken ik het stilstaande beeld van maanden geleden. ‘Eén, Maris. Echt niet meer dan één persoon. Anders …’ Hij rilt.

Ik klik op de muis. De film stopt.

Ik ben een stiekemerd, verdomme. De man meent overduidelijk wat hij zegt en Mariska is er tot in iedere vezel van haar lichaam van over­tuigd dat hij gelijk heeft. Op zijn minst schend ik haar vertrouwen als ik doorga.

En op zijn hoogst red ik haar van dit leven. Want als ik weet wat zij weet, kan ik haar misschien overhalen deze eenzame missie te staken.

Dat geeft de doorslag.

‘Je bent nu in een vakantiepark dat de Heeren van ’s Gravensande wordt genoemd. Het is vernoemd naar ons, de bewakers van dit stuk Noorzeekust, ook al kent niemand de herkomst van de naam. Wij zijn de Heeren. Al eeuwenlang heeft iemand van onze familie de taak op zich genomen om dit duingebied, dat zich uitstrekt van de monding van de Nieuwe-Waterweg tot voorbij de pier van Scheveningen, die overigens ook niet voor niets is gebouwd, en het land erachter te beschermen tegen het ontwaken van een Oude God.’

Een oude wat? Ik tik weer op de knop. Gelooft Mariska in een god? Wat een nonsens!

Gerustgesteld dat mijn inbreuk op haar privacy geen waarde heeft nu het zogenaamde geheim flauwekul blijkt te zijn, laat ik de film weer doorlopen.

‘In de lade onder mijn stoel zitten niet alleen sigarenkistjes. Als je ze er allemaal uithaalt, zie je een plaat. Het lijkt de bodem van de lade, maar eronder liggen alle brieven en andere boodschappendragers aan de volgende bewaker.’

Dit vraagt om verificatie. Ik zet de film stop, haal het restant van de kistjes uit de lade en kan inderdaad de bodemplaat verwijderen.

Er liggen brieven in. Stapels. Sommige kort, andere lang. Onderop met schitterend bewerkte hoofdletters, als een oude bijbel die ik ooit in mijn handen heb gehad. Ik zie ook foto’s, vergeeld en met kartel­randen, een grammofoonplaat, een videoband, een spoel met een … dat moet een film zijn, een ding dat ik herken als een USB-stick, een schijfje … allemaal boodschappen. Hoeveel zijn het er wel niet? Tientallen.

Heel wat verdwaasde geesten. Een oude god, tjonge, jonge.

Ik krabbel rechtop en klik weer op de muis.

‘We leven niet zo lang, Mariska. En jij hebt geen kinderen. Ik weet niet hoe het na jou moet, misschien kun je iemand inwijden of dit huisje nalaten? Het spijt me dat ik het niet beter heb onderhouden, ik had er het kapitaal wel voor, maar de kracht ontbrak.’ Hij hoest.

Even gaat de film op zwart, dan verschijnt hij weer in beeld. ‘Hij slaapt. Hier, vlak voor de kust, in de zeebodem. Hij heeft zich ingegraven met zijn tentakelarmen. Als hij ontwaakt zal hij een vloedgolf veroorzaken van zo’n dertig meter hoog, iedereen zal ver­drinken. De aarde zal beven als nooit tevoren. Je moet schieten, beloof je dat?’ Hij hoest weer. ‘Ik weet niet of het zal helpen, maar het is het enige wat we kunnen doen als hij omhoogkomt: schieten.’

Ik weet genoeg. Hoewel we ons in de afgelopen eeuwen achtereen­volgens hebben ontworsteld aan het Rooms-Katholicisme, het Calvi­nisme en de Islam, zijn Mariska en haar familie in de ban van de Religie van de Oude Goden. Meer specifiek: van een begraven god met tenta­kel­armen. Goedgelovig.

Ik klik de film weg. Bedtijd. Voor de vorm keer ik de stoel naar het raam met het sigarenkistje midden op de zitting. ‘Doe je werk, malloot!’

 

Tegen de tijd dat ik wakker word, is het volop dag. Ik open mijn ogen. Ze staat aan het voeteneind van het bed.

‘Ha schat, hoe is het met je moeder?’

Haar ogen zijn wijd open. De blauwe kring rond haar rechteroog steekt donker af tegen haar lijkbleke gezicht. ‘Waarom ben je hier? Waarom kijk je niet? Je zou kijken!’ Ze rent de slaapkamer uit en dendert de trap op. Haar voetstappen trillen door het huisje, ik voel het zelfs tot in mijn bed.

‘Maak je niet zo druk.’ Ik sta op en grijp mijn spijkerbroek van het voeteneind. Met mijn linkerbeen in de pijp hompel ik naar de trap. Gek genoeg trilt hij nog steeds.

‘Wat heb je gedaan?’ Mariska gilt. ‘De zee! Wat heb je gedaan?’

‘Niks! Natuurlijk niet!’ Ik ben boven en steek mijn rechterbeen door de pijp. ‘Het is allemaal onzin, lieverd. Goden bestaan niet!’ Onzacht stoot ik mijn hoofd weer eens tegen de dakrand. ‘Ik …’

Het onafgebroken trillen verandert, wordt dieper, resoneert. Het huisje kraakt.

‘Wat … heb … je … gedaan?’ Ze keert zich naar me om. Inwit. Achter haar krakt een ruit. De barst schiet van onder naar boven en vertakt zich in sneltreinvaart. Net als eerder de ijsbloemen op de ruit van de droogvriezer.

De vloer onder me ramt omhoog en valt weer weg. Ik knal op mijn knieën.

Met moeite weet ik het kanon te grijpen en me eraan overeind te trekken.

‘De zee, Bart. De zee!’

Ik zie het ook.

 

 

Peripetie

De zee is verdwenen. Zover we kunnen kijken zien we nat, glad zand.

‘We moeten weg hier! Kom!’ Ik grijp haar hand en wil haar mee­trekken, naar beneden, naar de hovercraft.

‘Nee! Het is mijn taak!’ Ze trekt zich los. ‘De aansteker, waar is de aansteker?’ Paniekerig voelt Mariska tussen de zitting en de leuning van de stoel. Ze stoot erbij tegen het kistje.

Het schuift van de zitting.

Als in een vertraagde film zie ik het met een punt op de grond terechtkomen. Het koperen slotje van het deksel is niet tegen de val bestand; het springt open.

Poeder dwarrelt op. Heel fijn poeder. Het belemmert ons zicht op elkaar en op buiten.

Er was iets met stof en aanstekers.

‘Geen vuur maken!’ Ik stap blind naar voren, stoot mijn beurse knie tegen het kanon en sla met mijn vuist tegen het gebarsten raam.

Glas rinkelt. Meteen vlaagt de wind naar binnen. Mijn hand bloedt.

Het stof verdwijnt.

De zee is terug. Hij bolt op. Ergens recht voor ons uit komt hij omhoog.

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. ‘Een vloedgolf! We moeten hier weg!’

‘Dat is geen vloedgolf!’ Haar handen trillen. ‘Hij komt!’ Ze draait met haar duim aan het wieltje van de aansteker, maar er komt geen vlam­metje. Tweede poging, derde.

Geen tijd om met haar te discussiëren over de onzin waar ze in gelooft. ‘Geef hier.’ Ik pak de aansteker van haar af, maar mijn hand is glibberig.

Met mijn linkerhand lukt het, na drie pogingen. Ik ontsteek de lont. ‘We moeten weg!’

‘Dat heeft geen zin. Houd me vast.’ Mariska staart naar de zee. Haar blik vastgeklonken.

‘We kunnen met de hovercraft …’

‘Wat? Surfen? Daarop?’ Ze wijst naar de immense golf die ontstaat. ‘Hij is hier voor we de trappen af zijn.’

Ze heeft gelijk. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik wil het niet.

Ze wankelt; de grond schudt. Voor het raam langs vallen gloednieuwe dakpannen.

Ik pak haar vast en trek haar tegen me aan.

Mijn com’pad drukt tegen mijn borst. Ik haal hem tussen ons van­daan, de boodschap van Haijo licht op.

Voor ons bolt de zee op. Zo hoog als de torenflats van Rotterdam, zo ver links van ons. Iets schiet onze kant op, een sliert of een … spaghetti?

Maar dan dik. En groen. De punt zwiept langs de toren. Een knal als van een zweepslag teistert mijn trommelvliezen. Wat …?

Ik trek Mariska steviger tegen me aan en druk op de com’pad. De zee dendert op ons af, we moeten ons hoofd al in onze nek leggen om de top van de golf te kunnen zien. Erbovenuit zwiepen tentakels. Ik zie zuignappen. Ze openen en sluiten als hongerige muilen. Ik weet dat dit niet kan, maar toch zie ik het.

‘Ze bestaan,’ fluister ik.

Het kanon dondert.

Je keek naar me… : Maarten Luikhoven

Ik zag Rosalie voor het eerst toen ik acht jaar oud was. Ze stond achter het slaapkamerraam van de tweede verdieping van de oude Morrison villa. Het was een glimp, een momentopname en op dat moment wist ik niet beter dan dat ze daar woonde. Mijn vader lachte schamper toen ik vertelde van het eenzame meisje in de verlaten villa. Ik bleef volhouden tot hij me vertelde wat er zich had afgespeeld in die bouwval, zoals hij het zelf noemde.

‘Luister, Roger, Rosalie Struthers was de jongste dochter van Ken en Amanda Struthers. Een sjieke familie, oude adel. Maar zoals veel oude adel niet helemaal jofel.’

‘Wat was er mis dan,’ vroeg ik, nieuwsgierig en enthousiast tegelijk. Ik merkte de aarzeling bij mijn ouders.

‘Ze… hielden er wat vreemde gewoonten op na. Rosalie was daarvan regelmatig de dupe. Op school was ze stil en teruggetrokken en ze werd veel gepest. Het waren andere tijden. Niemand sprak over blauwe plekken, uitgetrokken haren, schroeivlekken en andere sporen van misbruik.’

‘Maar kindermishandeling is toch strafbaar?’

‘Nu wel. Zeventig jaar geleden niet.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Het meisje dat ik zag was ongeveer mijn leeftijd, dat kan niet.’

Mijn vader legde zijn hand op mijn schouder. ‘Rosalie is vaker gezien. Veelal door kinderen. Vergeet het en blijf uit de buurt van die bouwval. Je heb er niets te zoeken.’

Ik gehoorzaamde en liep voortaan met een boog om de villa heen. Tot de dag voor mijn dertiende verjaardag. Ik had haast die dag en besloot dan maar een korte route te nemen, die weliswaar langs de villa voerde, maar ik verwachtte niets raars.

Terwijl ik over het bemoste grindpad van de oprit liep, trok een beweging in de villa mijn aandacht. Ik keek recht in het gezicht van Rosalie die me aankeek door het raam van de woonkamer, nog geen dertig meter van me af. Ze was geen dag ouder geworden. Wel had ze een grote blauwe plek op haar wang en een dik oog.

Indachtig de woorden van mijn vader wendde ik me af en rende er snel vandoor. Het voelde een beetje als verraad, alsof ik een slachtoffer van een ongeluk achterliet, zonder hulp te bieden. Dat gevoel knaagde aan me en bleef me achtervolgen.

Maanden bleef ik nadenken over het jonge meisje in de villa tot ik op een dag besloot dat ik meer te weten moest komen. Ik wachtte een moment af dat mijn ouders niet in de buurt waren en begaf me toen naar de villa. Er was niets. De volgende dag kwam ik er weer langs. Weer niets. Dat herhaalde ik tot een donkere novemberdag. Toen ik naderde viel me al op dat er een flikkerend lichtje zichtbaar was in de keuken. Voorzichtig naderde ik tot ik door het raam kon kijken. Ik schrok van het tafereel, Rosalie op de keukentafel, haar armen en benen ontbloot en vastgebonden aan de poten van de tafel. Een donkere figuur stond over haar heengebogen en drukte terwijl ik keek een gloeiende pook op de binnenkant van Rosalie’s linker elleboog. Haar schreeuwen deed de ramen rinkelen. Ik knipperde met mijn ogen van schrik en het volgende moment voelde ik mijn hart in mijn keel. Een mannengezicht zweefde voor het raam, donkere ogen in een bleek gelaat waar de beenderstructuur onder zichtbaar leek. Ik struikelde achterover, viel op het bemoste grind en krabbelde zo snel mogelijk weer overeind. Ik zette het op een rennen en was in recordtijd thuis.

‘Ik ben bij de villa geweest,’ vertelde ik mijn vader.

Hij schudde zijn inmiddels wat grijzere hoofd. ‘Ik zei nog dat je daar niet moest komen.’

‘Ik heb Rosalie weer gezien. Ze werd mishandeld.’

Mijn vader knikte langzaam. ‘Dat schijnt inderdaad gebeurd te zijn. Haar ouders en oudere broers en zussen, ze zijn voor de rechter verschenen toen Rosalie op een dag haar verhaal aan het schoolhoofd vertelde. De uitspraak was dat er geen bewijs was. Hun woord tegen het hare. Een week later was Rosalie dood. In stukken gehakt, volgens getuigen, in de kelder waar ze naar eigen zeggen altijd gemarteld werd.’

‘Wat een vreselijk leven heeft ze gehad. Is dat de reden dat ik haar soms zie?’

Mijn vader haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen? Rosalie was acht toen ze stierf. Misschien was het voor haar wel een opluchting dat het eindelijk over was.’

Zijn woorden wekten medelijden bij me op voor het jonge meisje dat nauwelijks tot wasdom gekomen was, geknakt voor ze opbloeide.

Ik zag Rosalie niet meer en zodra ik naar de universiteit ging en nauwelijks meer in de buurt kwam, vergat ik het meisje van acht dat naar me keek en dat ik bekeek, terwijl ze gemarteld werd.

Ik werd pas weer aan haar herinnerd op de begrafenis van mijn vader. Terwijl ik over het kerkhof liep, gearmd met mijn moeder, viel mijn oog op een verweerde grafsteen met daarop de naam Rosalie Struthers, 1931-1939. Hier is ze begraven.

In de eropvolgende dagen bezocht ik het graf van mijn vader regelmatig. Maar ook stond ik elke dag enkele minuten stil bij haar graf, alsof ik me schuldig voelde dat ik het kleine, angstige meisje dat door haar familie – vermoedelijk – vermoord werd, achterliet zonder iets te doen. Ook al waren die zaken in een ver verleden gebeurd.

Op een kille decemberdag besloot ik op onderzoek uit te gaan. Met een zaklamp en een knuppel, dik aangekleed, waagde ik me door ijs en sneeuw en begaf me naar de oude, vervallen villa die nu al zoveel jaren leegstond. Niemand wilde de bouwval kopen, vanwege het slechte onderhoud, werd gezegd, maar ik had verhalen gehoord van mensen die een bezoek aflegden en daarbij ongeveer het huis uit werden gejaagd.

De voordeur was al ontzet door jaren verval en ik kon hem eenvoudig uit het slot duwen. Ik liet mijn lamp over de vloeren en het plafond spelen. Alles zag er nog uit zoals het zeventig jaar geleden was achtergelaten. Spinnenwebben bedekten veel van de ramen en de karpetten waren groen uitgeslagen door schimmel.

‘Hallo! Is er iemand?’ Geen reactie. Dat had ik ook niet verwacht. Ik was immers niet meer de jongen van acht, ik was een volwassen kerel. Ik wandelde langs de woonkamer, de keuken, de trap op naar de slaapvertrekken. Dikke lagen stof, hier en daar muizenkeutels en meer schimmel.

In een slaapkamer vond ik sporen van illegale bewoning, alsof een zwerver tijdelijk van de kamer zijn onderkomen had gemaakt. Er stond een tas met spullen en op een tafel stond een verzameling lege conservenblikjes uit vroeger tijden. Een van de blikjes was geopend maar nooit geleegd en inmiddels uitgedroogd en verrot.

Ik stond op het punt onverrichter zake te vertrekken. Een gil, veraf, gedempt, langgerekt, ergens op de benedenverdieping. Met mijn zaklamp voor me en de knuppel in de aanslag spoedde ik me van de trap af, richting de keuken.

Al snel werd het me duidelijk dat naast de schouw een smalle deur was waar het gillen vandaan leek te komen. Zodra ik de deur aanraakte werd het stil, een stilte als voor een storm, beladen, afwachtend. Ik opende deur en liet mijn zaklamp het donkere gat in schijnen. Traptreden naar beneden.

Voorzichtig stapte ik de trap op en begon af te dalen. Onderaan de trap sloeg de schrik om mijn hart. Ik zag een menselijke schedel liggen naast een stapel beenderen die methodisch leken te zijn gebroken. Er lagen verschillende kledingstukken, vodden meer, tussen de been­deren. Ik vermoedde dat het de zwerver was die hier een tijd woonde.

Ik liet mijn lichtbundel door de kelder spelen. In een hoek stond een klein kot met aan de muur een ijzeren ketting. Ik kon me zomaar voorstellen dat Rosalie daar geketend was en door haar familie werd belaagd. Hoe konden ze zo wreed zijn? Dat arme meisje. Er was verder weinig behalve een stapel werktuigen op een verzakte werkbank.

Ik wilde de trap net weer op gaan toen ze ineens voor me verscheen.

‘Ro…Rosalie?’ stamelde ik. Haar gezicht was sereen, lijkbleek, haar lichaam gehuld in duisternis, zo er al een lichaam was.

Ze opende haar mond en ineens was haar gezicht vertrokken in een kwaadaardige grimas, haar ogen wijd opengesperd met bijna onaardse lichtjes in de diepten. De gil die ik eerder gehoord had was nu een schreeuw die genoeg kracht had om me omver te gooien. Ik belandde tussen de beenderen van de zwerver.

‘Wat… wat is er, wat wil je?’ riep ik tegen de duisternis. Een klap volgde, tegen mijn slaap. Hard genoeg om me groggy te maken. Ik voelde bloed langs mijn hoofd druppelen. Ik pakte de zaklamp en scheen wild om me heen.

Haar stem klonk om me heen, kil als het graf, rationeel. ‘Daar lig je dan. Niemand die je helpt.’

‘Wat heb ik gedaan? Waarom doe je dit?’

‘Je zag me. Je zag wat ze met me deden. En je deed niets. Net als zij.’

‘Dat was zeventig jaar geleden!’

‘Voor mij elke dag. Eerst mijn ouders. Broers en zussen. Ze deden allemaal mee. Jij bent geen haar beter.’

Ik voelde de temperatuur met de seconde dalen en mijn adem kwam in wolkjes. Ik moet hier weg. Ze is gek en moordzuchtig. Gebroken botten kraakten onder me terwijl ik me probeerde op te richten, op zoek naar de traptreden.

Een stekende pijn en mijn rechterenkel werd onder me weggeslagen. Ik viel op mijn knieën en zag nog net een schaduw langs mijn linkerdij gaan. De pijn van het breken van je dijbeen is onbeschrijflijk. Ik lag te kronkelen op de grond aan de voet van de trap.

‘Rosalie,’ kermde ik, ‘laat me alsjeblieft.’ Ik voelde een diepe duisternis zich van me meester maken, het besef dat deze plek mijn einde zou betekenen, alleen, gewond, niemand om me te helpen.

‘Roger, waar ben je?’ Mijn moeder. Ik was nog nooit zo blij geweest haar stem te horen.

‘Ik ben hier, onderaan de keldertrap! Help me!’

Met veel moeite wist ze me de trap op te krijgen, door de keuken en het tuinpad op. ‘De politie is onderweg, Roger. Het spijt me dat je hier slachtoffer van bent geworden.’

‘Je… je weet wat er gebeurd is?’

Ze knikte. ‘Mijn moeder vertelde me over Rosalie. Zo wist je vader er ook van. Rosalie was niet het onschuldige slachtoffer dat jij denkt. Ze was kwaad, verdorven, bezeten.’ Ze boog het hoofd en tranen drupten van haar wangen. ‘Zo veel verdriet. Ze wisten niet hoe ze met haar om moesten gaan. Niemand wist het. En ze was onhandelbaar. Dus ze kreeg slaag, heel gewoon in die tijd. Dat hield haar onder de duim. Het werd alleen telkens erger, tot ze dagelijks mishandeld werd door iedereen in het gezin om haar in het gareel te houden.’

‘Dat is vreselijk,’ kreunde ik met mijn handen om mijn gebroken dij.

Mijn moeder knikte. ‘Het is tijd dat er een einde aan komt.’

‘Waarom doet ze dit? Is het wraak?’

Moeder haalde haar schouders op. ‘Het is niet belangrijk. Wat wel belangrijks is, is dat het eindigt, hier en nu.’ Ze liep het pad af. Haar auto stond daar geparkeerd. Ze haalde twee jerrycans uit de kofferbak en liep langs me, de villa in.

In de verte klonken politiesirenes toen de eerste vlammen uit de keuken opstegen. Al snel lekte er vuur uit de ramen op de beneden­verdieping en even later stond ook de bovenverdieping in brand.

Mijn moeder heb ik nooit meer gezien, ze is omgekomen in het vuur.

De laatste herinnering die ik heb is het beeld van Rosalie achter het slaapkamerraam. Ze keek naar me en haar mond vormde woorden die ik van verre leek te horen: ‘Je keek naar me… en je deed niets… ’

Voordat je gaat slapen : Robin Langerak

1

 

Het liep tegen het einde van April toen de Slaap een jongen trof die slechts twee klassen lager zat dan wij. Hij moet een jaar of veertien geweest zijn. Ik kende de jongen niet zo goed, maar Arigato had een aantal keer corveedienst met hem gehad. Hoewel je elkaar niet zo goed leert kennen terwijl je bladeren van het gazon staat te vegen wist Arigato toch verbazingwekkend veel details over hem te vertellen.

De wereld was vol tegenstellingen: de kersenbloesem was in volle bloei, en tegelijkertijd moesten we wennen aan het idee dat we afscheid gingen nemen van één van ons; de grijze lokken in het haar van de jongen herinnerden ons daar dagelijks aan. We waren ons bewust van het naderende afscheid; ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die in Slaap gevallen was en weer natuurlijk wakker werd. Er ging een gerucht dat ze in Amerika een man wakker hadden gemaakt met stimulatie van geïmplanteerde elektrodes. Hoewel hij commando’s kon opvolgen, nam hij zelf geen enkel initiatief; hij leefde net als een zombie. De meesters vonden dat respectloos: volgens hen moesten we ons lot accepteren, ook al leek de willekeur van de Slaap vaak oneerlijk.

Elke dag verdween er meer kleur uit het haar van de jongen. De regels van ons klooster waren dat degenen die gingen Slapen, ondanks het grijzer wordende haar, zo veel mogelijk hun normale leven moesten blijven leiden, in ieder geval tot de afscheidsceremonie. Maar omdat de jongen nog zo jong was kreeg hij verlof om de zeven Heilige Kloosters te bezoeken.

In zijn afwezigheid hadden Arigato en ik het vaak over de Slaap.

‘Natuurlijk is het oneerlijk,’ zou hij zeggen met zijn karakteristieke bedeesde stem. ‘Maar wat zou je dan willen? De natuur moet iets doen om te compenseren dat we steeds maar ouder worden.’ Hij had natuurlijk gelijk, maar dat veranderde niets aan het nare gevoel dat ik er bij had. In Arigato’s volwassen standpunt klonken de lessen van onze meesters door. Ik weet niet of dat een teken van wijsheid was of van kritiekloze volgzaamheid.

 

 

2

 

Ik bracht graag tijd door met Arigato omdat hij de enige was die het niet leek uit te maken dat ik een meisje was. Buiten het klooster was onze samenleving weliswaar bijna volledig geëmancipeerd; binnen de kloostermuren bleef sekse om de een of andere reden een issue. Dat was trouwens ook een voordeel: als ik oud genoeg zou zijn om het klooster te verlaten, zou ik mijn eigen weg mogen gaan, maar Arigato’s leven lag al vast. Vroeg of laat zou hij zijn hoofd kaal scheren en één van de meesters worden, daar of in een ander klooster. Vreemd genoeg leek hij dat te accepteren, alsof hij die keuze zelf ook zo zou maken.

Onze discussies werden zo fel dat we besloten om het dormitorium te bezoeken waar de jongen heen gebracht zou worden als hij in Slaap zou zijn gevallen. Door alle verhalen hadden we een redelijk idee van hoe het er uitzag, ook al waren we er nog nooit geweest.

We moesten een paar uur reizen, want het dormitorium was gebouwd in de verlaten goudmijnen op Sado eiland. De oude tunnels waren omgebouwd tot moderne gangen, met aan beide kanten lange rijen cabines, tot wel twintig verdiepingen hoog. De slachtoffers van de Slaap sliepen zo diep dat ze bijna geen voedsel nodig hadden. Het gerucht ging dat hun harten niet meer dan eens per minuut klopten, maar dat durfden we niet te controleren. Omdat er geen slangetjes en buizen in en uit hun lichamen liepen zagen de Slapers er vredig uit, alsof ze elk moment wakker konden worden.

Een neef van Arigato die in het dormitorium werkte gaf ons een rondleiding. Hij liet zien waar onze overgrootouders lagen en het was een vreemde gewaarwording dat ze er nog net zo uitzagen als toen ze nog wakker waren; de Slaap maakte mensen nauwelijks ouder, afgezien van het grijze haar natuurlijk.

Voordat we weer terug moesten naar ons klooster konden we nog even op eigen houtje door de gangen lopen en ik herinner me als de dag van vandaag het nederige gevoel dat we kregen van de eindeloze gangen vol opgestapelde Slapers.

 

De volgende dag was de afscheidsceremonie. Eerlijk gezegd heeft die weinig indruk op me gemaakt; het waren voornamelijk formaliteiten. De dag daarna, toen de jongen in Slaap was gevallen, kan ik me nog wel tot in detail herinneren, al is het nu bijna twintig jaar geleden. We stonden buiten en zagen hoe zijn bed in de witte auto werd geladen die hem naar het dormitorium zou brengen. Zijn ouders stonden binnen de muren, zodat hun tranen bij zouden dragen aan de heiligheid van het klooster. Ze konden niet zien hoe de auto de heuvel af kronkelde totdat hij uit zicht verdween. Toen iedereen weg was legde Arigato zijn arm om me heen, alsof hij mijn oudere broer was. ‘Niet verdrietig zijn, Nara,’ probeerde hij me te troosten. ‘Het beste dat we kunnen doen is zorgen dat we hem niet vergeten.’

 

De volgende ochtend vond Arigato zelf de eerste grijze plukken in zijn haar.

 

3

 

Ik had het eerst niet door omdat Arigato zijn hoofd had kaalgeschoren. Dat deden jongens normaal pas als ze achttien werden, en daarvoor werd het meestal alleen gedaan door jongens die het geloof erg serieus namen. Arigato was niet zo vroom dus viel ik hem eindeloos lastig met vragen. Hij beweerde eerst dat hij het in een opwelling had gedaan, maar dat geloofde ik niet. Toen ik bleef doorvragen werd hij onge­duldig en zei dat ik moeilijk deed over niets. Op het moment dat hij wilde weglopen, hield ik hem tegen en sloeg mijn armen om hem heen. Eerst stribbelde hij tegen maar al snel gaf hij zijn verzet op. Hij draaide zich naar me toe en zei met een stem vol emotie: ‘Ik ga Slapen, Nara.’

Ik hoorde wat hij zei, maar het drong niet tot me door. ‘Wat bedoel je?’

‘Mijn haar begint grijs te worden.’

Het drong nog steeds niet helemaal tot me door. Ik hield hem stevig vast en voelde tot mijn verbazing een traan op mijn schouder vallen. ‘Dat kan niet! We hebben net…’Van iemand afscheid genomen… Ik durfde het niet hardop te zeggen. ‘Weet je het zeker?’ Ik voelde hem knikken. ‘Wat gaan we nu doen?’ Het was een domme vraag, want we konden niets doen.

‘Niets, Nara. Daarom heb ik mijn hoofd kaal geschoren: ik wil de laatste week die ik bij bewustzijn ben niet met medelijden behandeld worden. Beloof me dat je dit tegen niemand vertelt.’

‘Ik beloof het,’ wist ik met moeite uit te brengen.

‘Dank je wel.’

Ik liet hem los en hij gaf me een zoen op mijn voorhoofd voordat hij weg liep.

 

Het duurde een tijdje voordat ik me realiseerde wat de implicaties waren van wat Arigato tegen me gezegd had. Maar toen begon ik meteen met plannen. Hoewel ik beloofd had dat ik tegen niemand iets zou zeggen, was ik niet van plan om de komende week ongemerkt voorbij te laten gaan.

 

 

4

 

We spijbelden een groot deel van de week. Dat was niets voor Arigato en ik moest een hele middag op hem inpraten voordat ik hem er van overtuigd had dat iedereen het zou begrijpen als ze eenmaal de waarheid wisten.

Het eerste dat we deden was een bezoek brengen aan de ruïnes van Tokyo. We hadden gehoord dat de overblijfselen van die stad nog indrukwekkender waren dan de verlaten dorpen rond Fukushima, alleen al omdat het zo groot is. Ik had een rondleiding geregeld die begon bij het Stedelijk Dormitorium, een gigantische koepel in het midden van de stad. Het was het enige gebouw in de stad dat nog actief gebruikt werd. We gingen niet naar binnen omdat we de week daarvoor ook al een dormitorium bezocht hadden.

De rondleiding ging langs ooit dichtbevolkte wijken en wat vooral opviel was de snelheid waarmee de natuur de stad weer geclaimd had. De Grote Slaap, die heel Tokyo binnen een week in een spookstad had veranderd, was pas vijftien jaar geleden, maar sommige wolken­krabbers waren al helemaal bedekt met klimop.

Na de rondleiding, die twee uur duurde, kregen we nog de gelegen­heid zelf rond te lopen en voordat we het wisten werd het alweer avond. Natuurlijk konden we niet zomaar terug naar het klooster want dan hadden ze ons de hele volgende dag binnen gehouden. Daarom boekten we een bed & breakfast in Yokohama. Ik had al mijn spaargeld opgenomen, maar Arigato stond erop dat hij betaalde. Als argument voerde hij aan dat hij het over een week toch niet meer nodig zou hebben en daar had hij een punt.

 

De dag daarna gingen we naar het Heilige Klooster ten noorden van Kyoto.

‘Nara,’ zei Arigato verontwaardigd, ‘ik waardeer alle moeite die je hebt gedaan, maar dit is juist wat ik probeerde te vermijden door mijn hoofd kaal te scheren.’

‘Lieve Arigato,’ wierp ik tegen met een stem die duidelijk maakte dat ik geen tegenspraak duldde, ‘we gaan niet alleen maar kloosters bezoeken, maar ik vind dat je er minstens één gezien moet hebben. En als je het niets vindt, dan gaan we gewoon weer weg.’

De reis zou twee-en-een-half uur kosten per trein en dan nog veertig minuten met de bus. Natuurlijk vielen we op: twee kinderen die zonder begeleiding zo ver reisden. Een oude vrouw sprak ons aan in de trein en we vertelden haar dat we broer en zus waren, op weg naar familie, en dat we opgehaald zouden worden op het station. Toen we in Kyoto aankwamen liep ze met ons mee om zeker te weten dat we goed terecht kwamen. Uiteindelijk betaalde ze een taxi voor ons. Ze bedoelde het goed, maar het was lastig om van haar af  te komen.

De taxi zette ons af midden in het bos. Gelukkig wezen borden ons in de juiste richting. Het was fijn om onze benen weer te gebruiken na zo lang stil gezeten te hebben en de frisse buitenlucht deed ons goed. Een vraag brandde al twee dagen op mijn lippen en dit leek het moment om hem eindelijk te stellen: ‘Ben je bang om te gaan Slapen?’

Arigato gaf niet meteen antwoord. In mijn herinnering leek het alsof hij daar zelf nog nooit over nagedacht had en bedenktijd nodig had.

‘Ja,’ was uiteindelijk zijn eerlijke antwoord. ‘Maar ik weet niet waarom. Ik ga het zelf toch niet merken. Ik ben niet bang om vergeten te worden, om iets te missen of om pijn te voelen. Maar ik voel wel een bepaalde urgentie.’

‘Wat denk je dat er gebeurt als je in Slaap valt?’

‘Ik denk niet dat er “iets” gebeurt. Ik geloof niet dat mijn ziel opgaat in een collectief bewustzijn of dat ik opnieuw geboren word. Ik geloof niet dat ik voor altijd droom van het paradijs. Ik ga gewoon Slapen.’

Op dat moment kwam het klooster in zicht. Het had een nogal saai ogend hoofdgebouw, maar gelukkig stond dit klooster vooral bekend om de siertuin die om het hoofdgebouw heen lag. Het was mooi weer en zonder dat naar elkaar uit te spreken besloten we ons bezoek tot die tuin te beperken.

Door de tuin slingerde een stenen pad en langs de hele route stonden stenen lantaarns. We schuifelden langs het pad en Arigato zei: ‘Wat jammer dat wel al weg moeten voordat ze die lantaarns aansteken.’ Bijna meteen kreeg ik een idee.

We pauzeerden halverwege en dronken een kop groene thee in één van de theehuizen in de tuin. Ik excuseerde me en deed alsof ik naar het toilet moest, maar terwijl Arigato zijn thee opdronk ging ik naar de receptie van het klooster en smeekte ik de dienstdoende monnik om te mogen blijven tot de lantaarns aan waren. Uiteindelijk wist ik hem te overtuigen, maar ik had een zware dobber aan hem. Zelfs mijn meest overtuigende puppy-ogen hadden niet het gewenste effect. Pas toen ik hem, tegen mijn belofte in, toevertrouwde wat er met Arigato aan de hand was gaf hij ons toestemming om te blijven. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en even was ik bang dat hij ons klooster zou bellen om mijn verhaal te verifiëren. Maar er kwam niemand om ons op te halen.

Toen het tegen onze geplande vertrektijd liep werd Arigato onrustig. Hij had een bijna ziekelijke neiging om overal op tijd te willen zijn en hoewel dat waanzinnig irritant kon zijn, wist ik dat ik in zijn gezelschap nooit te laat was. Alleen door de verrassing te verklappen kon ik hem overtuigen nog even te blijven.

We gingen naar een theehuis dat wat hoger lag en de hele tuin overzag. Terwijl de avond langzaam viel konden we van daaruit zien hoe één voor één de lantaarns werden aangestoken. Toen ze allemaal brandden stonden we op en wandelden we door de zee van kaars­lichtjes. Het was adembenemend mooi en tot op de dag van vandaag roept kaarslicht bij mij de herinnering aan Arigato op.

We hadden onszelf daar de hele avond kunnen vermaken, maar op een gegeven moment kwam de monnik van de receptie ons waar­schuwen dat de laatste bus naar het station zou vertrekken en natuurlijk moesten we die halen. De oude man gaf ons een lift naar de bushalte en toen hij ons afzette kregen we een mand met eten mee. Ik nam me voor om ooit terug te komen en dan veel geld aan het klooster te doneren als bedankje, maar op dat moment had ik al mijn spaargeld nodig om Arigato een leuke week te bezorgen.

We kwamen met de laatste trein in Kobe aan, waar we zouden blijven slapen in het huis van een tante. In de logeerkamer stond slechts één tweepersoonsbed. Hoewel we daar best allebei in hadden kunnen slapen hield Arigato vol dat hij op de vloer ging slapen. ‘Ik heb over een week genoeg tijd om in een echt bed te slapen,’ beargumenteerde hij, en ik hoorde geen spoor van angst of spijt in zijn stem. Ik wist niet zeker of dat een goed of slecht teken was.

 

 

5

 

De dag daarna deden we het rustig aan. We wandelden wat rond in Kyoto en hoewel we ons daar wel een paar dagen hadden kunnen vermaken, gingen we aan het begin van de middag terug naar Yokohama. Daar gingen we naar dezelfde bed & breakfast die we eerder bezocht hadden, omdat we de eigenaars, een ouder koppel, de eerste keer erg aardig hadden gevonden. Ze waren blij dat we terugkwamen en kondigden aan een lekker diner voor ons te koken. Het zou nog een paar uur duren voordat dat klaar was en in de tussentijd trokken wij nog even de stad in. Mensen bekeken ons alsof ze zich afvroegen waarom we niet op school zaten, maar Arigato’s kale hoofd dwong genoeg respect af om te zorgen dat ze ons niet durfden aan te spreken.

We kwamen precies op tijd terug bij de bed & breakfast voor een uitgebreid diner; onze gastheer en -vrouw hadden zich behoorlijk uitgesloofd. Na een snelle douche schoven we aan. Vrijwel meteen begonnen ze het gesprek met de zin: ‘Jullie zijn geen broer en zus, of wel?’

Arigato en ik keken elkaar aan en besloten zonder een woord te zeggen de waarheid te vertellen. Ze begrepen het, want ze leefden zelf al jaren in de verwachting elk moment te kunnen gaan Slapen. Zonder grijs in hun haar was het moeilijk om hun leeftijd te schatten maar uit hun eerdere verhalen herinnerde ik me dat ze bewust de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hadden, dus ze moeten een jaar of honderdvijftig geweest zijn.

Ze voelden mee met Arigato en drukten hem op het hart dat als ze met hem van plek hadden kunnen ruilen, ze dat zonder aarzeling hadden gedaan. Ze vertelden verhalen over alle plekken die ze hadden bezocht en hoewel dat pijnlijk moet zijn geweest voor Arigato omdat hij die plekken zelf nooit zou zien, moedigde hij hen zelf aan om meer details te vertellen. Het was bijna alsof hij besefte dat de enige manier waarop hij nog iets van de wereld kon zien via hun verhalen was. Ze probeerden ons uit te leggen wat een unieke ervaring het was om kinderen op te voeden, ook al was het moeilijk om die grijs te zien worden en afscheid van hen te moeten nemen. Omdat er in ons klooster zo veel jonge mensen waren hadden we nooit stilgestaan bij de schaduwzijde van ongestoord oud worden.

Het echtpaar deed zijn uiterste best om Arigato op te vrolijken en aan het einde van de avond had ik het gevoel dat van ons tweeën ik het slechtste af was.

 

 

6

 

De volgende ochtend bleek bij ons afscheid dat de mand die we uit het klooster hadden meegekregen plotseling vol zat met dumplings en rollen sushi, zodat we geen honger zouden krijgen op weg naar huis. Nadat we onze gastheer en -vrouw uitgebreid bedankt hadden, namen we afscheid en gingen met de trein noordwaarts, terug naar Niigata. Tijdens de reis zeiden we bijna niets tegen elkaar. We waren ons allebei pijnlijk bewust van wat het betekende om weer terug te gaan naar huis. Arigato keek naar het voorbijtrekkende landschap en ik wilde zijn gedachten niet verstoren.

Toen we terug kwamen bij ons klooster wilde Arigato niet met mij mee gaan. ‘Ik vond het ontzettend fijn om de afgelopen dagen bij jou te zijn, Nara, maar nu wil ik even alleen zijn. Begrijp je dat?’

Ik knikte. Natuurlijk begreep ik dat.

‘Kom morgenmiddag naar de heuvels’, zei hij. Voordat ik kon vragen waar hij dan de nacht door zou brengen draaide hij zich om en liep weg. Ik ging in mijn eentje naar binnen.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik moest de hele nacht aan Arigato denken, die ontzettend eenzaam moest zijn geweest. Het was warm genoeg om in de buitenlucht te overnachten maar er was niemand bij hem die hem kon troosten. Het was de langste nacht van mijn leven en meerdere keren moest ik de neiging onderdrukken om naar hem te gaan zoeken.

 

 

7

 

De volgende ochtend doorliep ik mijn ochtendrituelen zoals gewoon­lijk. Mijn medeleerlingen wilden natuurlijk weten waar Arigato en ik geweest waren. Dat ik ze geen antwoord wilde geven droeg alleen maar bij aan hun nieuwsgierigheid. De meesters hadden me de vorige dag urenlang verhoord en ik had weinig zin om nog meer vragen te beantwoorden. Nou ja, het was niet eens zozeer een verhoor geweest, maar een bombardement van preken over hoe onverantwoordelijk we waren geweest. Ze wilden weten waar Arigato was maar ik weigerde hen dat te vertellen. Ik verzon niet eens een smoes, maar zei gewoon dat Arigato weg was en dat ik niet wist wanneer hij terug zou komen. Dat was nog waar ook.

Toen mijn ochtendrituelen voorbij waren probeerde ik redenen te verzinnen om weg te komen, maar de meesters lieten me niet zo makkelijk uit hun zicht. Het duurde tot de middag voordat ik er ongemerkt tussenuit kon knijpen. Met de smoes dat ik water ging halen wist ik zonder toezicht het terrein van het klooster af te komen. Ik liet mijn emmer achter bij de put en haastte me naar de heuvel waar ik Arigato voor het laatst gezien had. Ik wist niet precies waar ik hem kon vinden, dus ik bleef gewoon rennen naar het hoogste punt van de heuvel, met de gedachte dat ik Arigato van daaraf wel zou kunnen zien. Op mijn tocht naar boven kwam ik langs een hutje dat ik nooit eerder had gezien. Voor het houten gebouw zat Arigato met zijn ogen dicht, genietend van de zon.

Nog hijgend van mijn spurt naar boven ging ik naast Arigato zitten. Het viel me op dat hij zelfs vandaag, wat naar ik aannam zijn laatste dag was, zijn best gedaan had om zijn hoofd te scheren, zodat er niets zichtbaar was van zijn grijze haar.

Lange tijd was hij stil, maar ik wist dat ik daar voornamelijk was om hem gezelschap te houden, niet om hem te troosten. Dus ik wachtte geduldig tot hij wat zei. Het leek eindeloos te duren, maar uiteindelijk vroeg hij:

‘Zal je me bezoeken?’

Zijn woorden deden me terugdenken aan de verlaten hallen van het dormitorium. ‘Natuurlijk!’ antwoordde ik meteen. Het zou moeilijk zijn, maar natuurlijk zou ik hem bezoeken.

‘Niet doen,’ zei hij tot mijn verbazing.

‘Waarom niet?’

‘Omdat je me in het begin nog elke week bezoekt, totdat je het klooster verlaat. Dan krijg je een baan in Osaka en is het dormitorium te ver om er elke week heen te gaan. Toch blijf je trouw elke maand komen. Dan ontmoet je iemand en krijg je kinderen en heb je nog maar eens per jaar tijd om het dormitorium te bezoeken. Uiteindelijk steek je alleen nog maar een kaarsje voor me aan.’

‘Dat zal ik niet doen, dat beloof ik!’ drukte ik hem op het hart, ook al wist ik dat hij gelijk had.

‘Jawel, en dat is helemaal niet erg. Het leven gaat door. Maar als je gewoon vanaf het begin een kaarsje aansteekt dan hoef je je niet schuldig te voelen. En het is nou niet alsof ik ga merken hoe vaak je langskomt.’

Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik hield mijn mond. Na een tijdje stond Arigato op, stak zijn hand naar me uit en zei: ‘Kom, laten we een stukje wandelen.’

Ik volgde hem het pad op naar boven. We wandelden een half uur, tot we op de top van de heuvel aankwamen, van waar je een prachtig uitzicht had op de zee.

Op de top van de heuvel was een plateau waarop aan de rand een bank stond. Arigato ging zitten en ik nam naast hem plaats.

‘Hoe voel je je?’

‘Ik ben een beetje moe,’ antwoordde hij eerlijk. ‘En ik heb het gevoel dat ik iets moet eten, maar ik heb niet echt trek.’

‘Misschien is dat de Slaap?’

‘Misschien.’

Hij ging liggen met zijn hoofd op mijn schoot. ‘Nara, je vroeg me pas of ik bang was.’

Ik legde mijn hand op zijn borst en wachtte tot hij verder ging. Hij pakte mijn hand, gaf er een kus op en zei: ‘Het is niet echt angst, maar het spijt me heel erg dat ik jou niet zal zien opgroeien. Ik zal nooit zien hoe je nog mooier wordt dan je nu al bent, of hoe je iemand vindt die je gelukkig maakt. Ik zal nooit je kinderen ontmoeten.’

Daar moest ik van blozen. ‘Dat… dat spijt mij ook.’

Ik legde mijn andere hand op zijn hoofd in de hoop dat het vertrouwd aan zou voelen.

‘Wil je me iets beloven?’

‘Natuurlijk,’ zei ik meteen.

‘Beloof me dat de herinnering aan mij je nooit tegenhoudt.’

Ik beloofde het hem, me niet realiserend hoe moeilijk dat zou worden. Toen ik hem dat beloofd had deed hij zijn ogen dicht en een tijd lang zei hij niets. Net toen ik me begon af te vragen of hij in Slaap was gevallen opende hij zijn ogen en zei: ‘Nara?’

‘Ja?’

‘Dank je wel.’

‘Waarvoor?’

‘Dat je er voor me bent. Het is het mooiste wat iemand kan doen: er zijn. En ik ben blij dat jij het bent.’

‘Natuurlijk ben ik er,’ zei ik, bijna verontwaardigd.

Hij liet me los en tilde zijn hand op om de zon te blokkeren.

‘Weet je nog, dat oudere stel dat best met me van plek had willen ruilen? Ik denk niet dat ik dat gedaan zou hebben, zelfs als het kon.’

‘Had je het voor mij gedaan?’

Hij liet zijn hand weer zakken en eerst dacht ik dat hij over mijn vraag nadacht. Maar toen hij geen antwoord gaf merkte ik dat zijn ogen gesloten waren en dit keer wist ik meteen dat hij in Slaap was gevallen. Mijn ogen vulden zich met tranen, ook al zou hij niet hebben gewild dat ik om hem huilde. Terwijl mijn verdriet op hem neer regende gaf ik hem een kus op zijn voorhoofd en fluisterde: ‘Ga alsjeblieft niet weg.’

In mijn hoofd hoorde ik hem zeggen Ik ben er nog, maar zijn ogen bleven gesloten. Ik sloeg mijn armen om hem heen, alsof mijn liefde hem wakker kon maken. Zo bleef ik lange tijd zitten. Tegen de tijd dat de zon onder ging waren mijn tranen op en alles wat ik kon doen was hem stevig vasthouden.

 

Toen ze ons eindelijk vonden was Arigato’s haar een fractie van een millimeter uitgegroeid en op zijn hoofd lag een grijze waas.

Witruimte : Jasper Polane

Zij was zijn zelfmoordmissie.

De heks zat in kleermakerszit in het midden van haar tent. Haar blote voeten met gekleurde teennagels staken onder haar zwarte abaja uit. Ze keek op toen Dawud binnenkwam en herschikte haar hijab.

Hij was vergeten hoe mooi ze was. Haar ogen zwart als de nacht, poorten naar het duistere heelal, waarin het licht van de olielamp weerspiegelde als dansende sterren. Hartvormige lippen, dezelfde donkere henna als haar nagels. Expressieve smalle wenkbrauwen die de ravenzwarte kleur onthulden van haar onder de hoofddoek verborgen haren.

‘Ik ken u.’ Haar stem klonk diep en zoet. ‘Maar ik herinner me uw naam niet.’

‘Dawud al-Harûn, van de Orde der Leergierigen.’ Hij maakte een buiging. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet. Lang geleden, op de Nachtmerriemarkt.’

‘De Nachtmerriemarkt? Dat moet inderdaad lang geleden zijn.’ Ze gebaarde hem tegenover haar plaats te nemen. ‘Welkom in mijn bescheiden tent, administrator. Mijn naam is Zahra. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Mag ik u eerst welkom heten in de vijftiende eeuw. Mijn orde en het Ottomaanse leger zijn vereerd dat u zich bij ons voegt, priesteres van Rastaban.’

Ze glimlachte en zijn hart sloeg een slag over.

‘Is dat het?’ vroeg ze. ‘Het Ottomaanse leger?’

‘Hun sultan is nog steeds de baas. Hij heeft adviseurs en leveranciers uit de Witruimte, maar hij is nog steeds degene die bepaalt hoe alle raad en wapentuig wordt ingezet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat het wat uitmaakt. De christenen hebben ook hulp bij hun verdediging. We komen er niet doorheen.’

‘En daarom komt u bij mij?’

‘U weet waarom ik bij u kom.’ Hij haalde een aantekenboekje uit zijn buidel en bladerde erin. Hij kende de naam uit zijn hoofd, maar het was prettig zijn aandacht op iets anders dan haar ogen te vestigen. Hij las voor: ‘De C.A.D., een demon in de eerste cirkel. U kocht hem op de Nachtmerriemarkt, in de periode dat ik daar als assistent-administrator gevestigd was.’

Ze wierp een blik op de mand die schuin achter haar tegen het tentdoek stond. Het rieten deksel was vastgebonden met drie linten: een rood, een zwart en een zilverkleurig, in elkaar gebonden tot een onbreekbaar kwantumslot.

‘Als u weet dat ik de C.A.D. onder mijn toezicht heb, weet u vast ook waarom de sibbe hem aan mij heeft toevertrouwd,’ zei ze. ‘Ik kan hem niet gebruiken.’

‘Vrouwe Zahra, ik hoop dat u van gedachte wilt veranderen. We hebben uw hulp nodig.’

‘Willen is het probleem niet. Ik kán de C.A.D. niet gebruiken, ook al zou ik willen. Ik kan niet aan zijn voorwaarden voldoen. Het spijt me, administrator, u bent voor niets gekomen.’

‘Het spijt mij ook.’ Dawud stond op en maakte een lichte buiging naar de heks. Hij had de tentflap al opzij geschoven toen ze sprak: ‘Ik kan de C.A.D. niet inzetten, maar ik heb meerdere demonen onder mijn hoede: derde en tweede cirkel. Misschien minder machtig dan de C.A.D., echter te gebruiken zonder voorwaarden. Het is niet hetzelfde, maar alle kleine beetjes helpen.’

Hij twijfelde even of hij om zou draaien, besloot van niet en bleef voor zich uit staren terwijl hij zei: ‘Dank u, priesteres. We kunnen elke hulp goed gebruiken.’

 

Buiten de tent, bevrijd van haar ogen, slaakte Dawud nog eens een diepe zucht. Zahra, hier! Daar had hij niet op gerekend! Hij had misschien langer moeten blijven, met haar praten, een connectie leggen, maar zijn gevoelens hadden hem verraden.

Zijn vader had hem meer dan eens gewaarschuwd nooit verliefd te worden op een Rastabanheks, hoe mooi ze ook was. De heksen waren allemaal betoverend, zonder uitzondering. Trap er niet in, zei zijn vader. Hun schoonheid was schijn, een dekmantel voor hun verdorven innerlijk.

Maar zijn vaders raadgeving ten spijt was hij gevallen voor de eerste heks die hij had ontmoet, tientallen jaren geleden op de Nachtmerrie­markt. Als vijftienjarige was hij dat verdorven innerlijk compleet vergeten bij het zien van de inktzwarte ogen, gelegen in de schaduw van die lange wimpers, en het diepe decolleté van die perfecte borsten. Wat nou, innerlijk?

Dat hij haar nog eens zou ontmoeten had hij nooit kunnen denken. Hij was natuurlijk allang geen vijftien meer, maar evengoed had haar glimlach zijn liefde opnieuw aangewakkerd. Ook al had hij er niet op gerekend, het verbaasde hem geenszins dat ze zijn hart nooit verlaten had.

Misschien zou het zijn opdracht makkelijker maken. Zijn missie ging voor alles. De heks zou de C.A.D. gebruiken. Constantinopel zou vallen.

23 mei 1453 – het beleg van Constantinopel – de Witruimte-herconfiguratie.26B

 

De aanval was in volle gang. Het flikkerende krachtschild dat de Byzantijnen om de stad hadden opgetrokken werd continu geteisterd door de pulsgeweren van de Ottomaanse artillerie en lichtte blauw op waar de lasers insloegen. De schoten verzwakten het genoeg zodat de voetsoldaten er met hun vibrobajonetten doorheen konden snijden en de stadsmuur konden bereiken. De Ottomanen zetten hun zwarte ladders ertegen en begonnen te klimmen, of maakten gebruik van antigrav-schijven om de muur op te komen. De Byzantijnen op de muur vuurden op hun beurt energiewapens naar beneden om de soldaten van de ladders te schieten. Elk kwartier ging het enorme plasmakanon van de Ottomanen af en sloeg gaten in de muur die groot genoeg waren om walvisschepen doorheen te laten.

 

Dawud sloeg de veldslag door zijn verrekijker gade vanaf de heuvel aan de rand van het legerkamp. De muur en de paar honderd meter eronder waren een angstdroom van dood en verderf. Blokken steen regenden op de soldaten neer en stampten hen tot rode pulp. Plasma dat niet door het krachtschild heen kwam spetterde in het rond en vrat met een sissend geluid door alles en iedereen heen die het raakte. De grond was bezaaid met gesneuvelde soldaten en de rivier kleurde rood met het bloed van duizenden slachtoffers. Het gekerm van de gewonden oversteeg zelfs het geknal en gezoem van de wapens.

Het duurde uren voordat de aftocht werd geblazen en de Ottomanen zich terugtrokken, achternagezeten door de laserpulsen van de Byzan­tijnen. Dawud bleef toekijken totdat de laatste Ottomaanse soldaten buiten het bereik van de tegenstander waren.

Met een zucht liet hij de kijker zakken. De aanval had het leven van veel soldaten gekost, maar had het Ottomaanse leger niet dichter bij de overwinning gebracht. Het Byzantijnse krachtschild was intussen weer op volle sterkte en de zelf-reparerende stenen van de stadsmuur waren druk bezig de gaten te dichten.

Dawud had de allereerste versie van dit beleg meegemaakt, jaren geleden in de oorspronkelijke tijdlijn, toen hij werkte als assistent van administrator Assad al-Sunil, wiens baan hij nu had. Destijds bemoeiden de facties van de Witruimte zich nog niet met de strijd, die werd gevochten met authentieke wapens zoals zwaarden, speren en bogen, ook al hadden de Ottomanen toen ook een lijvig kanon gehad, zij het één traditionele die kogels afschoot. Het leger kon de stad ternauwernood innemen, omdat ze het geluk hadden dat een of andere sukkel was vergeten een zijpoort op slot te doen.

Maar dit keer hadden ze dat geluk niet. Groeperingen uit de Witruimte hadden hun oog op deze plaats in ruimtetijd laten vallen en nu werd de hele stad omgeven door een krachtschild. De verdedigers hanteerden wapens die vaak niet te onderscheiden waren van magie en alle natuurwetten leken te schenden. Tot dusver was het de aanvallers nog niet gelukt door de verdediging heen te breken, zelfs niet met hun eigen zo-goed-als-magisch wapentuig.

Dawud had er weinig vertrouwen in dat het de Ottomanen deze keer zou lukken de stad in te nemen. Toch was het van cruciaal belang dat Constantinopel zou vallen. Daarom was hij hier.

 

Toen hij de volgende avond bij haar tent kwam was ze er niet. Na enige tijd zoeken vond hij haar op dezelfde heuvel als hij de vorige avond voor zijn uitzicht gebruikt had, uitkijkend over de stad. Hij beklom de heuvel, met in zijn handen de kartonnen taartdoos.

Ze keek om toen hij haar naderde, haar donkere ogen vol emotie. Hij kon niet bepalen of ze hem afkeurend aankeek of dat ze hem verwelkomde, maar dat maakte hem niets uit. Als ze maar naar hém keek.

‘Goedenavond, administrator,’ zei ze. ‘Ik hoopte al dat u me op zou komen zoeken.’

Zodra ze haar aandacht op hem legde was Dawud zijn ingestudeerde tekst kwijt. In het nauw gedreven doordat hij plotseling moest improviseren stamelde hij: ‘Ja, door mijn werk op de Nachtmerriemarkt ben ik erg geïnteresseerd in de werking van demonen. Ik zou graag observeren hoe u deze gebruikt.’

‘Voel u vrij,’ zei Zahra. ‘Deze demon kan pas om twaalf uur ’s nachts gebruikt worden. Dat is over veertig minuten. Misschien wilt u uw boekje alvast gereedhouden.’

Ze draaide zich met de rug naar hem toe en richtte haar aandacht op het slagveld onder hen, waar de gesneuvelde soldaten van vandaag verzameld werden. Ze zouden vannacht begraven worden en hun programmatuur zou naar de Witruimte gekopieerd worden, zodat ze later ergens anders, in een andere tijd en op een andere plaats, ingezet konden worden in een nieuwe oorlog. De volle maan stond hoog boven de stad en rimpelde wanneer er een stroompiek door het krachtschild trok.

Hij was haar belangstelling kwijt. Hij had meteen moeten toegeven dat hij voor háár kwam.

Snel liep hij de laatste paar stappen de heuvel op en ging naast haar staan. Hij opende de taartdoos en bood haar de chocoladebruine cilindervormige gebakjes aan.

Zijn stem kraakte door zijn droge keel. ‘Ik heb iets voor u meege­nomen.’

Zahra keek verwonderd van hem naar de doos en weer terug. Ze nam een gebakje voorzichtig tussen haar vingers en draaide het onderzoekend in haar hand. ‘Wat zijn het?’

‘Ze heten zoenen, of soms chocozoenen. Een wafeltje als bodem, geklopt eischuim en een dun laagje chocola. Uitgevonden in de negentiende eeuw en zeer populair tot het einde van de twintigste, toen de naam veranderd moest worden.’

‘Waarom?’

‘Eerst heetten ze negerzoenen. Dat werd door sommigen racistisch of discriminerend gevonden.’ Dawud haalde zijn schouders op. ‘Iden­titeitspolitiek was toen anders dan nu.’

‘Ze gewoon “zoenen” noemen is wel de meest fantasieloze oplossing die ze konden bedenken,’ zei Zahra met een glimlach. ‘Ik zou ze nachtzoenen genoemd hebben, dan blijft die associatie met donker in de naam.’

‘Nachtzoenen hè? Mooi,’ zei Dawud. ‘Of klapzoenen, tongzoenen, Franse kussen, pakkerds, smakkerds.’

‘Nee, nachtzoenen is het beste.’

‘Daar heeft u gelijk in,’ antwoordde hij. ‘Kom, neem een hap.’

‘Waar begin ik?’

Dawud deed het voor. Hij pakte de nachtzoen bij het wafeltje en nam een grote hap van de bovenkant. Het chocola kraakte en een explosie van zoetigheid vulde zijn mond.

Zahra volgde zijn voorbeeld. Ze nam voorzichtig een klein hapje. ‘O, wat zoet!’ riep ze uit. ‘Wel lekker, hoor, maar zoeter dan honing!’

Ze nam nog een hap, nog een en een tijdje aten ze hun nachtzoen op, in stilte totdat die werd doorbroken door het gekraak van de wafeltjes. Zahra likte haar vingers af voordat ze hem weer aankeek.

‘Ze zijn moeilijk te eten, deze zoenen, maar ze zijn verrukkelijk.’

Ze lachte, vrolijk en verrassend, en tikte met haar vinger op het puntje van haar neus. Met een grijns veegde hij het schuim van zijn neus.

‘Nu heeft u mij een zoen gegeven, maar ik u nog niets. Ik sta bij u in het krijt.’

Plotseling stond ze tegen hem aan. Haar bedwelmende aanwezigheid omstrengelde zijn zintuigen. Haar boezem drukte zacht tegen zijn borstkas aan. Haar zoete geur deed zijn hoofd tollen. Ze keek hem diep in zijn ogen en hij dacht te verdrinken in haar zwarte ogen, maar toen sloot ze ze en hield haar hoofd een beetje schuin.

Hun kus was zacht en zoet, als een nachtzoen. Hij wilde zijn armen om haar heen te slaan, maar durfde niet en zij liet haar armen ook langs haar lichaam hangen. Waar haar lichaam hem aanraakte stuurde ze stroomstootjes het zijne in, die zijn hart aanjaagden en zijn kruis roerden. Het leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd veel te kort. Toen ze zich uit de kus losmaakte keek ze hem een moment teder aan, kwetsbaar en gevoelig, meer vrouw dan heks, maar toen viel haar eigen mysterieuze aura weer over haar heen.

Hij wist niet wat te zeggen, dus zei hij weer eens het verkeerde: ‘Zahra, het is bijna middernacht…’

Ze deed een stap terug. Haar warmte en zoetheid verliet hem. Ze draaide zich om en keek naar de zilveren maanschijf die boven de stad hing. ‘Juist… de demon.’

Ze maakte een fijn polskettinkje los en ging met haar wijsvinger de zilverkleurige kralen langs totdat ze bij een afwijkende kraal kwam, wit uitgeslagen en een millimeter groter. Die drukte ze fijn tussen duim en wijsvinger. Een klein olijfgroen wormpje sprong uit de kraal tevoorschijn en zweefde omhoog. Terwijl het verder de lucht in vloog werd het snel groter. Het groeide en groeide, totdat het een groene slang bleek te zijn.

‘Dit is de Bakunawa,’ zei Zahra. ‘Hij is…’

‘…de Eter van de Maan,’ vulde Dawud aan. ‘De eclipsdemon.’

De slang bleef groeien, totdat een gigantisch monster, met rode tong en asgrijze vleugels, als een speer op de maan afstevende. Er klonk geschreeuw van soldaten op het veld onder hen en vanaf de kantelen van de stad.

‘Er is een oude profetie die vertelt dat Constantinopel zal vallen wanneer de maan verdwijnt,’ zei Zahra. ‘Bakunawa zal dit bewerk­stelligen.’

Dawud trok een wenkbrauw op. ‘Werkt dat? Is dat alles wat er nodig is? De maan verdwijnt en de profetie komt uit?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ grijnsde Zahra. ‘Maar dat weten de Byzantijnen niet. Hoezeer hun adviseurs uit de Witruimte hen ook zullen verzekeren dat er niets aan de hand is, zij zullen ontmoedigd worden door de maansverduistering. De Ottomanen geloven er trouwens ook in, dus zij zullen extra gesterkt worden. Dubbele winst.’

De gigantische slang bereikte de maan en opende zijn enorme muil. Op het moment dat de zilveren schijf in zijn bek verdween loste Bakunawa in het niets op. De lucht boven de stad leeg, de maan verdwenen. Overal vanuit de stad steeg gehuil, gejammer en gebeden op. Vanuit het Ottomaanse legerkamp klonk gejuich.

Met een tevreden glimlachje richtte Zahra haar aandacht weer op haar kettinkje. Ze wreef met haar vingers over de kapotte kraal en toen ze het kettinkje weer om haar pols bond, zat de wit uitgeslagen kraal er weer aan, met de Bakunawa erin.

De profetie zou in vervulling gaan.

 

‘Waarom is het zo belangrijk dat Constantinopel valt?’ vroeg Zahra.

Het was de volgende dag en ze zaten op ‘hun’ heuvel in kleermakers­zit naast elkaar. Zahra had een urn van wit porselein tussen haar voeten geklemd.

Onder hen sloegen nieuwe golven soldaten tegen de stadsmuren. Het plasmakanon en de pulsgeweren vuurden in computergestuurde inter­vallen op het Byzantijnse krachtschild. De Ottomanen haasten zich door de ontstane gaten voordat de fasegenerator het schild weer op kracht kreeg, maar werden bij de stadsmuur opgewacht door de energiewapens en  magnetische railguns van de tegenstander. De lijken stapelden zich op, waardoor de aanvallende soldaten bergen lichamen moesten beklimmen om bij de muur te komen.

‘Waarom bemoeien uw Orde der Leergierigen en andere afdelingen van de Witruimte zich met deze oorlog?’ Ze wees op de stad in de verte. ‘Het is niet meer dan een suf stadje, waarvan de reputatie vele malen groter is dan zijn werkelijke aard. Waarom verspillen jullie zoveel middelen om de Ottomanen te laten winnen?’

Dawud haalde zijn blocnote tevoorschijn en bladerde naar zijn vijftiende-eeuwse tijdlijn en hield die voor haar op. Ze kroop wat dichterbij om beter te kunnen zien. Deze keer wist hij wel wat te zeggen. Hier had hij jaren voor gestudeerd en hij kende de stof door en door. De nabijheid van een zoet ruikende warme dame leidde hem af, maar niet genoeg om zijn opleiding te vergeten.

‘De val van Constantinopel in 1453 markeert het einde van de Middeleeuwen,’ legde hij uit. Hij trok met zijn wijsvinger een denkbeeldige lijn van boven naar beneden op het papier. ‘Links leven de volkeren in angst. Ze zijn bang voor God, of hun leiders, of de monsters die zich in de nacht schuilhouden. Rechts de geboorte van belangrijke nieuwe ontwikkelingen, de neergang van het feodale stelsel, de opkomst van de drukpers en het buskruit. Een tijd waarin de mens zijn omgeving steeds beter leert kennen en gebruiken.’

‘Maar dat is slechts een voortgang van ontwikkelingen die zich al enige jaren voordoen,’ zei Zahra. ‘Ontwikkelingen die in de Middeleeuwen geboren zijn en verder zullen gaan, Constantinopel of geen Constantinopel. De val van de stad is een symbool, een idee.’

‘U bent een priesteres, u moet toch de kracht van symbolisme kennen?’ Hij keek haar aan en zij keek met die donkere poelen terug. Dit keer verdronk hij echter niet. ‘De maansverduistering van Bakunawa was ook een idee. Maar niet “slechts” een idee: een heel krachtig idee. Als de stad niet valt zal de wereld in duisternis gehuld blijven. De wetenschap zal geen nieuwe opmars maken, de technologische revoluties zullen achterwege blijven en uiteindelijk zal de Witruimte nooit bestaan hebben.’

‘Ik heb de filosofische kant van de Leergierigen altijd interessant gevonden.’ Zahra glimlachte. Ze greep naar de urn en haalde het deksel eraf. ‘Ik zal eerst deze demon loslaten. Ik denk dat ik u daarna nog een keer ga zoenen.’

De demon Osiris, de Herrezene, had de uiterlijke vorm van een wervelwind die bestond uit grauwe as. Hij stormde over het slagveld, over de opgestapelde lichamen en regende warm- en koelgrijze stukjes op hen neer. De lijken die door de as ondergesneeuwd raakten begonnen zich te roeren. Een spookachtig gekreun kwam uit hun monden. Houterig en onbehaaglijk stonden ze op. Niet langer dood, niet echt levend, maar ondood, onlevend. Demonische as-zombies uit de Witruimte, bestuurd door de Osiris-software van de heks. De zombies raapten hun pulsgeweren en vibrobajonetten op en begonnen aan een nieuwe bestorming van de muren.

Zahra en Dawud zagen het niet. Zij waren verwikkeld in een innige kus, hartstochtelijk en geweldig. Ze had haar armen om zijn nek gelegd en trok hem naar zich toe. Hij sloeg zijn armen om haar middel en deed hetzelfde, hun lichamen stevig tegen elkaar aan getrokken alsof ze in elkaar versmelten zouden, hun warmte delend. Iedere seconde dat hun lippen elkaar raakten wond hem meer op.

Hij wilde meer. Natuurlijk wilde hij meer. Maar nu nog niet. Dat zou te snel zijn. Vooralsnog was deze kus perfect.

 

Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij lag in zijn tent, eenzaam en alleen, zijn gedachten volledig beheerst door die donkere ogen, die heerlijke volle lippen, die ongelooflijke borsten en die prachtige billen. Haar zoete geur en smaak bleven om hem heen hangen en vervulden zijn verbeelding. Zou hij naar haar toegaan? Wat zou ze doen als hij bij haar de tent inkroop? Zou ze hem met open armen ontvangen? Hij geloofde niet dat ze hem weg zou sturen, maar toch durfde hij niet, ook al was er niets dat hij liever zou doen.

Het zou niet verstandig zijn. Hij zou wachten, totdat hij zeker wist dat ze hetzelfde voor hem voelde. Dus bleef hij liggen, dan weer op zijn rug starend naar de vouwen van zijn tent, dan weer draaiend en woelend, op zoek naar slaap. Haar gezicht bij hem wanneer hij zijn ogen sloot, haar gelach in zijn oren wanneer hij zijn hoofd onder zijn kussen verborg. Toen hij de volgende ochtend uit de tent kroop voelde hij zich ellendig en nauwelijks uitgerust.

Hij had het werkelijk flink te pakken. Ieder moment van de dag dacht hij aan haar. Wanneer hij door het kampement liep bleef hij in het rond kijken, in de hoop dat hij haar tegen zou komen, ook al wist hij dat ze hier nooit kwam. Elke vrouw die hij zag vergeleek hij met haar, maar geen van hen was ook maar half zo mooi.

Hij zwierf door het kamp, op zoek naar niets in het bijzonder. Hij wist dat deze zotheid niet lang kon duren. Hij moest een missie vervullen. Daarom was hij hier. Daarom had hij haar opgezocht. Het was niet de bedoeling geweest dat híj zo hoteldebotel voor haar zou vallen.

Zijn missie. Zijn verdomde zelfmoordmissie… Hij had hem gekregen omdat hij bekend was met de C.A.D., niet omdat hij Zahra kende. Dat hij lang geleden verliefd op haar was geworden deed er niet toe. Toen was hij een tiener, een jongen nog, het was kalverliefde. Liefde op het eerste gezicht was immers niet echt. Het was een bevlieging, meer niet. Niemand had erop gerekend dat liefde op het tweede gezicht vele malen heviger zou zijn.

Dus nu liep hij hier, wetende dat hij de vrouw van wie hij hield moest verraden. Hij wist dat zijn opdracht haar pijn zou doen. Zoveel pijn dat ze er misschien nooit meer overheen zou komen. Was dat het waard?

Haar pijn deed hem meer dan zijn eigen naderende dood. Hij wist dat hij deze missie niet zou overleven – niet kón overleven – en had zich daar bij neergelegd. Hij had zijn bevelen van de Orde der Leergierigen. Zahra’s gevoelens waren nevenschade, collateral damage. jammerlijk, maar niet te vermijden.

Of wel?

Hij keek naar de stad in de verte, de bruingrijze en grijsbruine stenen van de muren, het kleirood en baksteenoranje van de daken. Constan­tinopel moest vallen, anders zou de Witruimte nooit bestaan. Dat had hij aan Zahra verteld, zoals zijn mentor Assad al-Sunil hem had verteld. Maar had hij gelijk?

Of had Zahra gelijk, als ze zei dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren verder zouden gaan, Constantinopel of geen Constantinopel? Dan zou zijn opdracht onnodig zijn.

Hij probeerde zich haar gezicht voor te stellen. Treurend. Zou ze huilen? Tranen in haar ogen, misschien, maar meer dan dat kon hij zich nauwelijks inbeelden. Hij had zich echter haar lach ook niet kunnen inbeelden en haar kussen al helemaal niet. Zahra was een gepassioneerde vrouw en haar emoties witheet als vloeibaar metaal. Ze zou huilen, ze zou schreeuwen, ze zou hem haten en vervloeken. De pijn zou haar nooit verlaten.

Hij kon het niet. Hij hield te veel van haar. Hij kon haar geen pijn doen. Hij zou haar geen pijn doen.

Dawud activeerde zijn interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

 

Hij materialiseerde op het witte strand van de planeet Newton-5. Hij was van plan geweest om een paar dagen hier door te brengen; hangen aan de bar van de strandtent, mijmerend uitkijken over het groene water van de Koperzee, misschien een gedicht of twee schrijven. Maar zijn verliefdheid liet hem niet met rust. Gedachten over lange strandwandelingen en vrijen in de branding drongen zich aan hem op. Een poging een gedicht over Zahra te schrijven resulteerde enkel in een bladzijde in zijn aantekenboekje volgekladderd met hartjes. Dit was duidelijk niet de plaats om haar achter zich te laten.

Dan maar het grove geschut: haar proberen te vergeten met drank, drugs en seks. Hij streek neer op de planeet Hades en bezocht daar de beroemde plezierpaleizen. Hij had keuze uit mensvrouwen en -mannen, hermafrodieten, katmeisjes en duivelsjongens, klonen van bekende vloggers en zelfs een aantal ex-politici. Voor elk wat wils, maar Dawud begreep snel dat zijn smaak er niet bij zat. Hij verlangde slechts naar één vrouw.

Drie dagen bleef hij reizen, steeds verder weg van de Aarde in 1453, weg van de vrouw bij wie hij het liefst wilde zijn. De Orde van Leergierigen had intussen gemerkt dat hij weg was. Hij nam hun oproepen niet aan. Iedere avond wiste hij hun ingesproken berichten, onbeluisterd. Totdat op de derde avond een bericht binnenkwam dat niet van de Leergierigen afkomstig was. Zijn hart sloeg een slag over toen hij de User ID zag: ZaHRa.

Met trillende vingers opende hij de voicemail. Haar zoete stem begon zakelijk: ‘Administrator, dit is Zahra. Ik heb uw aanwezigheid gemist de afgelopen avonden en ik bel om te informeren of alles in orde is. Ik heb nog een demon tot mijn beschikking. Die zal ik morgen activeren.’ Toen werd haar stem zachter, teder bijna: ‘Dawud… Ontloop je me? Heb ik iets gedaan? Heb ik iets gezegd? Als dat zo is dan spijt het me. Zie ik je morgen? Kus.’

Hij zuchtte een keer diep. Hij kon haar niet meer ontlopen. Die kus had zijn lot bezegeld.

 

Die dag was de hemel het gebroken wit van verse room, dat in de middag verschoot naar een dreigend okergrijs. Dawud had besloten zijn drie subjectieve dagen objectief te maken zodat hij de achtentwintigste pas terug was in Byzantium. Zwijgend, met lood in zijn schoenen en in zijn maag, liep hij de heuvel op. Hij kreeg kippenvel toen hij haar zag staan, zo mooi en beangstigend.

Ze keek niet om.

In de verte rolde een dikke mist vanaf zee het land op, als een roofdier dat geluidloos naderbij sloop. De stad lag er grauw en versleten bij, een slapend dier te log om zich uit te voeten te maken wanneer de nevel hem zou grijpen. Ongehinderd door het krachtschild rolde de mist de straten in. Al snel waren de straten van Constantinopel gehuld in een dikke, ondoorzichtige deken.

‘De djinn Ibris.’ Zahra’s stem klonk vlak. ‘Een demon van de tweede cirkel, nuttig om angst te zaaien en het moreel van de tegenstander te ondermijnen.’

‘Een soort nanonevel?’ Dawud keek door zijn verrekijker. ‘Hoe komt het door het krachtschild? Onze nevels ketsen erop af.’

‘Het krachtschild is poreus. Het laat lucht door, anders zouden de inwoners van de stad allang gestikt zijn. Het schild is geprogrammeerd om mechanische nanobots tegen te houden, maar het laat watermoleculen door.’

‘Bedoel je dat het echte watermist is?’

‘Slimme watermist, uitgerust met verschillende aanvalssubroutines.’

‘Geprogrammeerd water? Dat is niet mogelijk.’

‘Daar is het een demon voor. Ibris zal vanavond pas zijn volle effect krijgen.’ Ze ging als een kleermaker op de grond zitten. ‘Nu wachten we.’

Dawud nam plaats naast haar op de grond. Enige tijd zaten ze zwijgend naast elkaar, niet omkijkend, elkaars aanwezigheid amper bevestigend.

‘U hebt niets fout gedaan.’ Dawud schraapte zijn keel. ‘Daarom ging ik niet weg. Ik… Ik ben juist heel graag in uw gezelschap. Maar u bent een priesteres en ik ben een administrator. Het is onmogelijk te bepalen wat onze kansen zijn als we deze plaats en tijd verlaten, ná de val van Constantinopel. Kunnen we samenzijn totdat ieder van ons een nieuwe opdracht krijgt? Kunnen we een relatie in stand houden als we miljoenen ruimtetijdpunten van elkaar verwijderd zijn? Die onzekerheid beangstigt me. Ik wil geen ketenen smeden waar ik niet meer uit kan komen als u weg bent.’

Zahra bleef zwijgend naar de in nevel gehulde stad kijken.

‘Eloquent, administrator,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zeg alsjeblieft “jij” tegen me.’

‘Het spijt me. Ik had op zijn minst afscheid moeten nemen.’

‘Dan was je misschien niet meer teruggekomen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Je had op zijn minst nog een doos nachtzoenen mee kunnen nemen.’

‘Daar heb ik niet aan gedacht. Neem je genoegen met een ander soort zoen?’

‘Eentje maar?’

Ze hadden natuurlijk vaker gekust, maar zo voelde het niet. Nog steeds klopte Dawuds hart in zijn keel, nog steeds sloeg zijn hoofd op hol, nog steeds gaf ze hem kippenvel. Ze maakten zich los uit de kus. Haar zoete adem verliet hem, maar die onpeilbare ogen lieten hem niet los.

‘De afgelopen drie dagen hebben mij ook de kans gegeven na te denken. En je hebt gelijk, het is lang niet zeker of we bij elkaar kunnen blijven. Het is echter zeker dat we nú bij elkaar zijn. Misschien is dat genoeg. Onze toekomst is onzeker, maar nu is niet het moment om ons daar druk over te maken.’ Ze stond op, streek haar abaja glad. Dawud keek haar na terwijl ze de heuvel afliep, totdat ze halverwege bleef staan en vroeg: ‘Kom je?’

Hij wierp een blik op de stad in de verte, nog steeds bedekt in een dikke wolkendeken. ‘Maar… de demon?’

‘Ibris kan zijn werk doen zonder ons. Kom mee.’

 

’s Avonds slonk de mist, als een waterzak die leeggegoten werd, maar de Ibrisnevel liet een cadeautje achter. De demon had kleine aanpassingen gemaakt in de alles omringende omgevingssoftware van de Witruimte. Het programma werd door ontelbare kleine subroutines geleid, die steeds minuscule veranderingen in de stad aanbrachten. De  aanwezige ontwerpers  uit de Witruimte hadden al snel door wat er gebeurde en probeerden de demon te onderscheppen, maar ze waren te laat.

Vlammen overspoelden de koepel van de Hagia Sophia. Glinsterende lichten verhieven zich uit het dak van de kathedraal en vlogen naar het westen, tot ver in het afgelegen platteland achter het kamp van de Ottomanen.

Een gehuil rees op uit de stad. Geschreeuw klonk vanaf de stads­muren. Onheilsprofeten zwierven door de straten en verkon­digden het einde van Constantinopel, nu de Heilige Geest de kathedraal was ontvlucht.

De Ibrisnevel had zijn werk gedaan, maar Dawud en Zahra waren er niet om zijn verrichtingen te aanschouwen. Zij bevonden zich in Zahra’s tent en maakten hun eigen vlammen.

 

Naderhand lagen ze bij elkaar, starend naar het tentdoek boven hen, Dawud een arm om haar heen geslagen. Hij zou zich gelukkig moeten voelen, nu hij niet alleen seks had gehad met zijn droomvrouw, maar er ook een relatie in het verschiet lag. Maar zo voelde hij zich niet. Hij werd koud en alsmaar kouder, want hij wist wat nu ging komen.

‘Ik hou van je,’ zei hij zacht.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ze. Ze lachte van oor tot oor. ‘Het zou niet mogelijk moeten zijn, maar toch is het zo. Ik hou van je, Dawud al-Harûn.’

‘Dat is fijn om te horen.’

Zijn kille toon deed haar opkijken. Ze richtte zich op en bestudeerde zijn gezicht. Plotseling verscheen het besef in haar ogen.

‘O nee!’ Met beide handen duwde ze hem van zich af. ‘Nee nee nee! Jij! Jij klootzak!’

Ze sloeg hem, keer op keer, haar vuisten tegen zijn blote borst. Hij voelde er weinig van, want ze hield zich onwillekeurig in, maar de pijn in Dawuds hart werd bij iedere slag heviger. Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn lief…’

‘Noem me niet zo! Jij… klootzak!’ Ze verzette zich tegen zijn greep en probeerde zich los te trekken. Na enige worsteling liet hij haar gaan. Ze rolde van hem weg en bleef met haar rug naar hem toe liggen.

‘Zahra… Het spijt…’

‘Lieg niet tegen me. Het spijt je niet.’ Ze bleef met haar gezicht naar het tentdoek liggen, maar haar stem trilde genoeg om haar emotie te bepalen. ‘Kwam je alleen naar hier om me te versieren?’

Dawud probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. ‘In het begin wel, ja,’ gaf hij toe.

‘Klootzak. Waarom moet je mijn hart als wapen gebruiken?’

‘En het mijne.’ Hij wreef de tranen uit zijn ogen. ‘Ik hou van je, Zahra. Ik heb altijd van je gehouden, vanaf het moment dat ik je voor het eerst zag. Jij bent de vrouw die mijn leven beheerst.’

Haar onderlip trilde. Haar ademhaling was diep en trilde. ‘Maar dat is niet belangrijk. Het gaat er niet om of je van mij houdt of niet, het gaat erom of ík van jóu houd.’

‘En dat is zo… toch?’

Zahra richtte zich op en ging op haar knieën zitten. Dawuds hart zonk, zwaar als steen, toen hij de uitgelopen strepen kohl op haar gezicht zag. Haar donkere ogen straalden nu enkel nog verdriet uit. Na enige tijd elkaar stilzwijgend te hebben aangekeken reikte zij onder haar kussen en haalde er een dolk vandaan.

‘De C.A.D., de resetdemon.’ Haar stem was nauwelijks meer dan gefluister. ‘Een demon van de eerste cirkel, zo sterk dat hij voor­waarden aan zijn meesteres kan stellen. In dit geval: de dood van een geliefde. Een reset van het hart. Ik heb de demon onder mijn hoede omdat ik geen geliefde heb… of had.’

De nano-dolk zat in een schede van kracht, vergelijkbaar met het schild van de Byzantijnen, omdat het lemmet scherp genoeg was om door elke materie heen te snijden. De dolk kon door diamant heen snijden, dus door een mens zou geen probleem zijn. Dawud zou er waarschijnlijk niets van voelen.

Zahra trok de dolk uit de schede. ‘We hoeven de C.A.D. niet te gebruiken. We kunnen hier weggaan, vluchten, de boel de boel laten. Laat de Ottomanen en de Byzantijnen en alle Witruimte-facties het maar uitvechten. Alsjeblieft, Dawud, ga met me mee…’

Natuurlijk kwam hij in de verleiding. Hij aanschouwde de prachtige naakte vrouw voor hem en kon zich maar al te goed voorstellen hoe het zou zijn de rest van zijn leven met haar door te brengen. Een eeuwigheid naar haar kijken, met haar praten, kussen, neuken… Natuurlijk was het niet zeker of ze bij elkaar zouden blijven, maar in de liefde was het dat nooit. Ze zouden het toch kunnen proberen…

‘Nee, we moeten deze oorlog winnen. Constantinopel moet vallen. De Middeleeuwen moeten eindigen.’

Ze liet een zacht gejammer horen. Haar schouders schokten, slechts één keer. Toen stootte ze haar dolk in zijn hart.

 

Ze nam geen moeite zich aan te kleden. Slechts gekleed in tranen en Dawuds bloed tilde ze de rieten mand de heuvel op. Daar zette ze het op de grond en legde haar hand op het kwantumslot. Dat herkende meteen haar DNA-signatuur en liet een goedkeurende bliep horen. De linten gleden geluidloos op de grond. Ze schoof het deksel van de mand af en bevrijdde de demon.

De heksen van Rastaban waren de hoedsters van demonen uit de Witruimte. Zahra bezat een verzameling broncodes, subroutines en kunstmatige intelligenties, brokken programmatuur van verworpen ontwikkelingspaden uit de post-humanistische superomgeving. De meesten daarvan mocht ze gebruiken wanneer ze dat nodig achtte, zoals ze Bakunawa en Osiris en Ibris had gebruikt om het Ottomaanse leger te helpen.

Sommige demonen waren echter te gevaarlijk, te krachtig. Krank­zinnige zelfbewuste virussen, zo sterk dat het eisen aan zijn gebruiker kon stellen. Ze stelden voorwaarden, zoals de dood van een geliefde.

Een lichtgevende reeks nullen en enen steeg op uit de mand. Hij bleef kort voor haar gezicht hangen en zette toen uit. Het verspreidde zich gelijkmatig over de omgevingssoftware. Fluorescerend blauwe golven zwommen naar de stadsmuur. Een zee van licht verspreidde zich over het Ottomaanse kamp.

De C.A.D., de resetdemon, breidde zich uit. Hij bereikte het kracht­veld dat om Constantinopel lag en begon het uit te wissen. Aan de andere kant van het slagveld wikkelde het zich om het plasmakanon en nam gulzige happen uit de broncode. Pulsgeweren, vibrobajonetten, as-zombies, nano-nevels, integriteitsbrekers, trans-realiteitscapacitors, digitale re­plicanten, biomorfische klonen; de C.A.D. wiste alles wat de facties uit de Witruimte naar deze plaats hadden gebracht.

Zahra voelde de demon door haar programmatuur gaan, maar Dawuds bloed beschermde haar. Net zoals alle heksen had ze een karakteranalyse moeten ondergaan toen ze als jong meisje de sibbe van Rastaban betrad. Afstandelijk, had de A.I. haar genoemd. Een observator, had het gezegd. En vooral: niet in staat om lief te hebben. Het computer­programma was onfeilbaar, maar toch had het geen gelijk gehad. Het had met één variabele geen rekening gehouden: dat iemand van háár zou kunnen houden. Haar verschijning, aura en status als priesteres was meestal genoeg om mannen op een afstand te houden. Dawud was de eerste die dat krachtveld had doorbroken, omdat hij vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag van haar hield. Liefde op het eerste gezicht bestond niet, dat stond vast. Miljoenen applicaties en simulaties hadden het onderzocht en waren het daar over eens. Liefde op het eerste gezicht was een symbool, een idee.

Maar niet ‘slechts’ een idee. Een heel krachtig idee.

Terwijl de C.A.D. de lagen Witruimte van de historische feitelijkheid afstroopte en echt gescheiden werd van niet echt, begon Zahra het te begrijpen. Ze zag het, nu. Ze zag waarom Dawud zijn leven had gegeven.

Ze leefden in een universum waarin alles mogelijk was. Dankzij de onvoorstelbaar geavanceerde technologie van de Witruimte kon iedereen zijn wie ze wilden zijn, eruitzien zoals ze wilden, leven zoals ze wilden. Ze konden elke planeet in het Melkwegstelsel bezoeken zonder zich zorgen te hoeven maken of ze daar konden overleven. Ze konden elk moment in de tijd beleven, verleden en toekomst, zonder zich zorgen te maken of ze de tijdlijn zouden beschadigen. De demonen van de Nachtmerriemarkt brachten zelfs het onmogelijke binnen hand­bereik.

Alles was mogelijk, de Witruimte had onbeperkt potentieel. Het was het blanke canvas wachtende op de schilder, de witte bladzijde in afwachting van de schrijver. Daarom waren ideeën belangrijker dan ooit. Ideeën, dromen, symbolen, ze waren de motoren achter de maakbare superrealiteit. Ze zwengelden het geheel aan.

Je kunt alles maken wat je wilt. Wat ga je maken? Een idee.

Daarom moest Constantinopel vallen. Hij had als symbolische droom veel meer waarde dan als reële stad. Vertellers zouden tot ver in de toekomst verhalen blijven optekenen over zijn legendarische bibliotheek, zijn onneembare muren, zijn omvang en zijn rijkdom. De mythe van Constantinopel zou zich door de tijd uitrekken en tot de verbeelding blijven spreken.

Zonder die mythe was Zahra hier niet geweest. Wij allemaal niet.

 

 

29 mei 1453 – de val van Constantinopel – basisconfiguratie.0

 

De tijdlijn vervaagde.

Zahra activeerde haar interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

Een heerlijke dag met een vloedlijn vol krijsende ondoden en een hemel van sidderend noorderlicht : Tais Teng

‘Sin ha’dai Ph’nglui mglw’nafh Cthulhu R’lyeh wgah’nagl fhtagn’:

‘In zijn citadel te R’lyeh ligt Cthulhu niet langer verzonken in diepe doodsdromen.’

: provisorische vertaling door de Chinese Lange Mars IV quantum computer

 

Wat had Jonathan toch een bloedhekel aan het keren van het getij, als de ondode mannen droogvielen en begonnen te krijsen!

Eerst wipten hun kruinen uit het grijze water omhoog, hun lange haar en baarden uitwaaierende kragen van slierend zeewier. Ogen ont­braken uiteraard en de kassen waren gevuld met harige eenden­mossels en zeepokken. Ogen vormden domweg een te smakelijk hapje om te negeren en werden als eerste opgepeuzeld door hongerige wol­hand­krabben en glasaaltjes.

De neuzen volgden, de neusgaten wijd opengesperd en panisch bellen blazend, en uiteindelijk de monden. Zodra de grijze lippen de lucht bereikten, begon die teringherrie. Oorverdovend gekrijs, droevig gejammer, hoogst akelig gesnik.

Misschien waren ze al die tijd al aan het gillen en jammeren, ging het door Jonathan, maar onderwater? En dus onhoorbaar op een vaag geborrel na?

‘Als verdoemde zielen in de hel,’ mompelde zijn broer Eli onveran­derlijk zodra het gekrijs begon, en sloeg een kruis, schielijk gevolgd door het teken van de Koning, Gekleed in Rafelend Geel. Het was niet meer of minder dan de banale waarheid: het waren verdoemde zielen en de Hel vond je hier en nu, zestig jaar na de Terugkeer. Neem de gruwelijke zeetuinen, waar de doden met hun voeten omlaag in het zand waren geplant en weer tot leven gewekt. De dodenakkers reikten helemaal tot de horizon en waarschijnlijk daar ver voorbij. De Oude Goden hadden het blauw uit hemel weggerukt en vervangen door wapperend noorderlicht, dat in klikkende en grommende gordijnen overtrok.

De windmolens van het energiepark tegenover Egmond-aan-zee draaiden nog steeds, maar er waren ferme happen uit hun wieken genomen en wezens die niets met meeuwen of gierzwaluwen gemeen hadden, kleefden hun nesten nu aan de pilaren vast.

 

De twee broers struinden langs de vloedlijn, jutters, die hoopten restjes van de antieke, menselijke technologie uit het aangespoelde wier te plukken. In de ogen van de Oude Goden waren ze waarschijnlijk niet veel beter dan de zeemeeuwen die langs de vloedlijn hopsten. Enkel dieren, fauna, amper intelligent en volkomen onmachtig.

Juwelen glommen tussen het nog steeds vochtige blaasjeswier, kettingen met opalen en robijnen, maskers, gekneed uit een goud zo puur dat je het metaal onder je duim indeukte.

De meeste van die voorwerpen waren domweg aas: zet zo’n onaards masker op en het zou je huid en vlees verslinden en zich aan je schedel vastzuigen. Maar één op de tien maskers zou juist je diepste wens vervullen: de kanker genezen die zich in je lever had vastklauwd, je de kracht van een grizzlybeer geven of zoveel charisma dat iedere krijgsheer de poorten van zijn bunker zou openklappen en je ‘meester’ noemen.

‘Die Mei,’ zei Eli, ‘ik zag wel hoe je naar haar gluurde. Je praatte zelfs met haar!’’

‘Het was enkel wat kletsen. Pure beleefdheid. Niets meer.’ Wat jammer genoeg ook min of meer de waarheid was. Ze hadden maar één keer gekust en ze had hem weggeduwd nadat hij haar hoogstens drie hartslagen had mogen omarmen.

Eli schudde zijn hoofd, klakte met zijn tong. ‘Ze is een heks, Jonathan. Een Chinese heks. Dat kan nooit goed aflopen.’

 

Jonathan herinnerde zich Mei’s aankomst in hun haventje. Hoe ze over de golven liep en haar hielen het water nauwelijks indeukten. De met runen geborduurde waterlaarzen van Mei waren na een week uitge­werkt, maar ze had de dorpelingen duidelijk gemaakt dat ze geen slacht­­offer was, geen machteloze prooi, maar een van de jagers.

De Chinezen hadden het langst doorgevochten tegen de Terugkeer van de Oude Goden, met wapens die steeds vreemder werden, steeds exotischer. Het immense gelaat van de mythische eerste keizer had zich over de hemel uitgesmeerd en een compleet squadron van Mi-Go opgeslokt. Uit noorderlicht geweven feniksen klauwden tentakel­monsters aan flarden. De Chinezen moesten al die eeuwen een voor­raad praktische magie in reserve hebben gehouden of ze waren domweg allemachtig vlotte leerlingen.

Uiteindelijk had het niet gebaat: China was nu een cirkelzee, een immense krater die in het centrum zo’n zeventig mijl diep was. Een bezwering of de supertechnologie van de Oude Goden had China van het aardoppervlak gepeld als de schil van een sinaasappel en haar over de stoffige mares van de maan gedrapeerd. Telescopen toonden nog steeds de intacte torenflats van Beijing en Chengdu, de meanders van de nu waterloze Gele Rivier. Twee weken lang hadden de lichten van een aantal uitzonderlijk taaie overlevenden signalen naar de aarde gestuurd, maar toen waren de industriële lasers toch één voor één uitgeknipt.

‘Geinig,’ zei Eli en plukte een elegant colaflesje uit een berg ver­steen­de kreeften. ‘Moet je zien: er zit nog steeds wat drank in.’ Hij glim­lachte. ‘Overgrootmoeder vertelde me juichende verhalen over de smaak. Als bruisend zonlicht en twee keer zo zoet als honing.’

‘Die moet intussen wel aardig bedorven zijn,’ zei Jonathan. Shit. Had ik die fles maar als eerste gezien. Dit zou een geweldig cadeau voor Mei zijn geweest.

Het glas vervormde, veranderde in een onaards mooi gezichtje.

‘Drink me!’ drong de fles aan met een zoete alt. ‘Drink me en elke vrouw zal naar je kijken met ogen als cowries en je ‘Mijn grote witte haai’ noemen …’

‘Getver!’ Eli slingerde de fles vol walging weg. ‘Mijn grote witte haai! Dagongebroed moet deze fles met hun smerige vinnen bepoteld hebben.’

Jonathan wachtte tot Eli zich over een nieuwe bank wier en geteerde vissersnetten boog, snelde het zand op en stak de fles weg onder zijn overjas.

‘Je houdt van haar,’ zei de stem in zijn hoofd. Het was nog steeds een heerlijk zomerstem, vol bijengezoem en bloesemgeur. ‘Ja, ja? Je kwijlt en siddert van verlangen als je haar vinnen ziet golven. Je wilt haar eieren likken, toch?’

Hij verplaatste de fles totdat het koude glas zijn blote huid niet langer raakte en de stem stopte abrupt. De fles was duidelijk niet bijster bruikbaar als adviseur voor een hunkerende vrijer maar mana was mana. Mei wist vast wel een manier om de magische energie af te tappen en voor wat nuttigers te gebruiken.

 

In de verte rezen de gedraaide torens van R’lyeh op, zoals boven elke horizon. R’lyeh was een wonder: opgetrokken uit parelmoer en zwierend spooklicht. Zilveren hiëroglyfen wervelden boven haar spit­sen, geen seconde hetzelfde maar altijd onbeschrijflijk mooi en intri­gerend.

Het had geen enkele zin om om een zeil te hijsen en in haar richting te varen, wist Jonathan: de transdimensionale stad zou steels terug­wijken en je verder en verder van de kust weglokken.

Mei had hem verteld dat de Arabieren nu een analoge lokstad hadden: Irem van de Duizend Zuilen die het ruisen van watervallen en fonteinen over het hete zand uitstuurde en het tinkelen van ouds en de stemmen van schuwe maagden als aas gebruikte.

‘Het zijn niets dan smerige roofspinnen,’ had Mei hem gewaar­schuwd. ‘Blijf ver van hun webben en luister nooit, nooit naar hun beloften.’

Jonathan stopte ​​en plotseling leek R’lyeh verrassend dichtbij. Bijna dichtbij genoeg om de bladeren van haar fonkelend groene tuinen te onderscheiden, de ijsbloemen op haar getrapte piramides… Hij deed een stap naar voren.

Een klinkende klap in zijn gezicht verbrak de betovering en hij knipperde de tranen weg.

‘Idioot!’ snauwde Eli. ‘Staar R’Lyeh aan en ze kruipt je ogen in. Ze zuigt je hersens leeg tot er geen gedachte meer over is en je mij aan­kijkt met irissen zo bleek als kokkels.’

‘Sorry. Ik…’

‘Weet je hoe die dode mannen in de akkers verzeild raakten, dwaze broer van mij? Waarom ze de zee inliepen tot ze verdronken en er wortels uit hun tenen groeiden? ‘

‘Oh.’

‘Precies. Oh.’

Hij voelde de huivering in de knik van zijn nek beginnen tot zijn hele lichaam schudde en zijn tanden klapperden. Al die ondoden zijn ooit vissers of jutters zoals ik geweest en toen staarden ze gewoon net dat beetje te lang naar de vervloekte stad zonder ook maar één keer met hun ogen te knipperen. Ze zetten een stap het water in, strekten hun handen uit en bleven doorlopen. Bleven doorlopen totdat het grauwe water zich boven hun hoofden sloot en de laatste luchtbel uit hun mond ontsnapte.

 

‘Dood mij,’ mompelde een stem. ‘Maak me alsjeblieft af, please, vermoord me, dood me.’ Waarschijnlijk was die stem er al die tijd geweest, maar te zacht om boven het geruis van de zee te komen.

Een dode man was aangespoeld aan de kust en lag daar, happend naar lucht. Zilverachtige wortels strekten zich nog dieper uit in het water en zouden hem terugtrekken zodra de vloed hem weer had opgeëist.

‘Keel me, alsjeblieft, dood me.’

‘Sorry,’ zei Eli. ‘Je bent dood. Ondood, en geen enkel menselijk mes is scherp genoeg om je wortels door te snijden. ‘

‘Dood me, dood me.’ Hij leek Eli niet te horen, maar plotseling klonk zijn stem krachtiger. ‘Er was eens een geweldige stad hier.’ Een hand wapperde naar het oosten. ‘Amsterdam. I love Amsterdam. Letters zo groot, zo rood. Ik was daar een dealer. Ik heb extasy en sweetwiet ver­kocht. Ik klutste hun hersens tot al het blauw uit de hemel trok en de Goden terugkwamen om mij te straffen. Dood mij en alles wordt weer als vroeger.’

 

Zelfs toen een duin de dode verborgen hield, weerklonk zijn stem nog steeds in Jonathan’s hoofd: een vreemd zangerige stem. Er was daar een geweldige stad. Ik heb extasy en sweetwiet verkocht. Het klonk als een spreuk of een gebed. Hij moet een sjamaan zijn geweest, net als Mei. Tot hij zo stom was te lang naar de horizon te turen.

 

Ze vonden drie glazen drijvers, alle drie een prachtig flessengroen, een handvol van die vreemde witte en gele plastic puzzelstukjes die in elkaar klikten, een roestvrijstalen vork en een zo goed als intact net. Een goede vangst, maar uiteindelijk ging het bijna vreselijk mis.

Er kwam geen waarschuwing: de Mi-Go stond plompverloren voor hen. Zijn gezicht was een gruwel: een klomp bleke, glinsterende schimmel met honderd golvende voelsprieten, handen als de getande klauwen van een kreeft. Zijn vleugels reikten omhoog, op de een of andere manier nog tot voorbij het noorderlicht en bogen toen in een richting af die Jonathans ogen weigerden te volgen.

‘Mensen,’ zei het wezen met een stem die schril was als van een krekel, maar veel, veel luider. ‘Mensen. Ik kan je, jullie voor altijd laten leven. Geef je, jullie het eeuwige leven.’ Hij spreidde zijn armen, een gebaar dat duidelijk was gemodelleerd op een menselijke verkoper. ‘Je zult alle wonderen van het universum zien! Bezoek de oogverblindende zon Algol, die klopt als een gigantenhart! Wandel langs de mistige oevers van Hali, met Aldebaran immens en gonzend in de hemel.’

Een pauze en dan een wijds gebaar. ‘Zie je mijn vleugels? Glinsterend in een dozijn kleuren die je ogen nooit eerder konden zien? Ze vangen de wind die tussen de zwarte gaten waait. De tachyon-deeltjes die tien, twintig keer zo snel als licht voortsnellen. Een half uur vliegen tot de rode ijswereld Eris. Twee uur naar Yuggoth met haar lichtende wolken­banden en haar tollende manen.’

‘Het eeuwige leven!’ snoof Eli. ‘Ik weet precies hoe dat gaat. Je schept onze hersens uit onze schedel en propt ze in een cilinder van oreichalkos en neemt die mee op reis. Gewoon een brein dat al snel kierewiet wordt zonder lichaam.’

‘Je zult allerminst blind zijn. We zorgen voor betere ogen, mens, lenzen die honderd tinten meer dan een mens zien. Kleuren waarmee geen kever zich ooit heeft durven tooien. En er is niets mis met gek worden. Dit is een verbazingwekkend mooi en intens wreed universum dat je het beste kunt zien door de ogen van een waanzinnige.’

‘Nee, sorry,’ zei Eli. ‘We zijn niet overtuigd. We zullen onze gebruike­lijke vijftig jaar blijven leven en dan tevreden in ons graf gaan liggen. ‘

‘Tja, ik zal je, jullie hersens dan maar gewoon oogsten. Het leek mij alleen beleefder om het eerst te vragen. ‘

‘Je oogst niemand.’ Eli deed een stap achteruit en graaide in zijn overjas van zeegras.

‘Een pistool?’ Het wezen kon niet lachen, niet echt, maar hij produ­ceerde een verdienstelijke imitatie van een schaterlach. ‘Zelfs een atoombom zal niet één enkel mycelium van mijn lichaam knakken.’

‘Kijk eens beter.’

‘Welke eedbreker verkocht een miezerige mens een klasse VI wapen? Jullie hadden zoiets nooit zelf kunnen bouwen! ‘

‘Laat me je een hint geven: het heeft een hoofd als een zeester en haat Mi-Go.’ Hij hief het pistool op dat uit rood ijs gesneden leek. Er lag een soort stromend water waas overheen, alsof het maar half in deze wereld stak. ‘Hij vertelde me dat dit pistool slechts één kogel afvuurt, maar instanties van die kogel waaieren uit in alle elf dimensies. Het maakt niet uit hoe exotisch je vlees is, je zult vast wel in een van die dimensies kwetsbaar zijn. ‘

‘Goed,’ zei het wezen. ‘Prima. Leef je ellendige, miezerleventjes uit. Je had wonderen kunnen aanschouwen!’ Een trilling van zijn vleugels tilde hem op tot zijn voeten een handbreedte boven het zand zweefden. ‘Zweet en sleur. Ik zal me je geur herinneren en je kinderen mee­graaien als je straks oud en onmachtig bent. ‘

Een machtige zwiep van zijn vleugels en hij sprong omhoog, kromp tot een stip en versmolt met de aurora.

Eli liet zijn pistool zakken en slaakte een lange, sidderende zucht. ‘Nou, dat werkte verbazingwekkend goed. Ik dacht dat we het haasje waren.’

‘Heeft een van de sterrenrassen je dat wapen echt verkocht? Wat was de prijs. in godesnaam?’

‘Natuurlijk niet. Ik heb er een dood gevonden. Het werd verscheurd, zijn vijf breinknopen uit zijn kristallen schedel gewrikt, zijn sporen­zakken leeggemaakt. Het moet een roedel Shubs zijn geweest. Hun poot­afdrukken waren overal op de open plek en hun geitenstank deed mijn ogen wateren. Hun slachtoffer hield dit pistool echter nog steeds in zijn slappe tentakels.

Het weigerde te vuren toen ik de trekker overhaalde. Een of andere ingebouwde veiligheidspal die je een dimensie hoger moet overhalen, schat ik.’ Hij draaide zich naar de zee en gebaarde met zijn wapen. ‘Donder op! De voorstelling is voorbij!’

Drie hoofden dobberden in de lagune. Een hief een geklauwde hand met zwemvliezen op.

‘Schiet ons niet neer, hooggeëerde mens. We begrijpen nu dat je geen prooi bent. ‘

De hoofden zonken onder het oppervlak en Jonathan zag drie V’s koers zetten naar dieper water.

‘Smerige jakhalzen. Altijd klaar om toe te happen als je op de grond ligt. ‘

‘Ze kunnen uit het water komen? Dat wist ik niet. ‘

‘Ze stommelen het land over en ademen lucht net zo makkelijk als water. Maar ze hebben verderfelijker talenten. Het Dagongebroed kan moeiteloos menselijke feromonen imiteren, weet je. Een vleugje en elke vrouw is maar al te bereid om haar benen voor ze te spreiden.’

‘Die kinderen in Scheveningen! De helft van hen heeft een derde oog. Zwemvliezen tussen hun vingers.’ Plots leek dat vissersdorpje niet meer zo idyllisch. Het was aangeraakt door de Oude Goden, besmet, haar inwoners niet langer menselijk.

‘Kuit en hom uit de diepten,’ zei Eli. ‘Dat is waarom we nooit een meisje of een vrouw op een vissersboot toelaten. Ze komen zwanger terug, met zwijmelsterren in hun ogen. Alleen een sjamaan kan hun verliefdheid breken en daarna zijn ze amper bruikbaar als echtgenote. ‘

 

Aan de rand van het dorp verrees een tiental fetish-masten. Mei en de dorpssjamaan hadden ze volgehangen met de gemummificeerde poten van Dagongebroed, een flard vleugelvlies van een Mi-Go, de kristallen schedel van een lid van Sublieme Ras. Een rij uitgekomen eieren van Lagere Cthulhus voltooide de bezwering. Het zou geen van de Oudere goden buitensluiten, maar de masten stopten het gros van hun aanbidders.

‘Zeg, Eli?’

‘Ja?’

‘Hoe wist je van het pistool? Hoe het werkte? De eigenaar was toch al dood toen je hem vond? ‘

‘Het pistool begon tegen mij te kletsen zodra ik het oppakte. Het ramde een hele handleiding in mijn geheugen en vertelde me dat ik alleen maar ongedierte was en dat het never-nooit-niet voor mij zou afgaan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Alle klasse VI tech apparaten haten stervelingen. Ze denken dat ze te goed voor ons zijn.’

 

Ze brachten hun juttersraapsel naar de loods en de oude Henkelmayer stempelde hun kredietkaarten af met vette sepia-inkt. De kaart was nu goed voor acht warme maaltijden in de Grote Hal, zag Jonathan. Nog drie stempels en hij kon ze inwisselen voor nieuwe laarzen.

‘Dat is alles?’ zei Henkelmayer en keek naar Jonathan op met zijn slimme eksteroogjes.

Jonathan werd zich plotseling akelig bewust het gewicht van de fles. De kilte van het glas straalde dwars door zijn shirt en ondergoed.

‘Dat is alles,’ mompelde hij.

‘Och ja, het is het goede recht van iedere burger om zijn eigen graf te graven. Vertel je meisje dat ze het niet allemaal in één keer moet opdrinken. ‘

Henkelmayer was helderziend, zijn pijnappelklier aangetikt door de Oude Goden, en hij kon buitenaardse technologie ruiken, zelfs als het in drie lagen lood gewikkeld, onderin de mestvaalt verstopt zat.

 

Mei opende haar deur voordat Jonathan kon kloppen en ze was even verblindend mooi als altijd. Neem die prachtig schuine ogen nu, met de dikke wimpers en die lome slaapkameropslag. Dat was ongeveer zo ver als je van een bol schelvisoog kon komen. Haar lieve handen waren klein en beweeglijk, Mei’s haar een zwart glanzende helm, veel korter geknipt dan bij de andere meisjes uit het dorp. Mei rook altijd schoon, een helder parfum gedistilleerd uit zonlicht en bloeiende heide. Als de ochtendwind in je gezicht, met de zon net boven de horizon. In Mei’s gezelschap was iedere dag gloednieuw en veelbelovend.

‘Betreed mijn domicilie,’ sprak ze. ‘Ik begrijp dat je iets voor me hebt?’ Ze had zo’n vreemde, hoogdravende manier van praten, alsof ze haar Nederlands geleerd had uit een woordenboek dat een negen­tiende-eeuwse missionaris in Chengdu achtergelaten had. Soms stopte ze midden in een zin en het was of ze dan razendsnel door die hand­leiding bladerde en met haar vinger langs de woordenlijstjes ging.

Jonathan zette de fles op haar eettafel van gelakt wrakhout.

‘Bij de vloedlijn opgepikt. Het is vers van de springvloed gisteren en het praat. Er zit zelfs nog wat cola in.’ Hij tuitte zijn lippen. ‘Denk je dat het nog drinkbaar is?’’

‘Magie uit de mensentijd. Dat rijpt zoals elke uitstekende wijn, liefste. En dit is authentieke Coca Cola! Geen slappe Pepsi of rare Mecca Cola. Een uiterst krachtig elixer.’ Ze deed een stap naar achteren. ‘Maar laat mij je eerst op een vrouwelijke manier belonen voor je attente gave.’ Ze omhelsde hem, hief haar gezicht op voor een kus.

Haar lippen voelden zacht en meegaand en haar geur werd sterker, sijpelde recht zijn hersenen in.

Ze zweet het seksferomoon. Net als Dagongebroed. Maakt mij verliefd. Hij moest die gedachte hardop uitgesproken hebben, want ze liet hem los, keek hem recht in de ogen. ‘Dat is inderdaad het geval. Vind je het hinderlijk?’

Een hikkende giechel wipte over zijn lippen. ‘Nee helemaal niet. Mei! Kus me alsjeblieft nog een keer. Maak mij horendol!’

‘Het verhoogt het plezier enkel. Is alles. Het laat je niets voelen dat je niet al voelt.’

Ik verkocht extasy en sweetwiet in een stad met rode letters. De zin van de ondode sjamaan dook ineens op. Zou een hoofd vol sweetwiet net zo gevoeld hebben?

Ze pakte zijn handen en legde ze op haar borsten. Ze waren tege­lijker­tijd zacht en stevig en hij voelde haar harde tepels door de zijde. Ze is even hitsig als ik. Het feromoon moet beide kanten uit werken.

Een nieuwe kus, hun tongpunten raakten elkaar en toen duwde ze hem terug. ‘Dat is wel genoeg. Ik ben je vrouw nog niet. ‘

‘Nog niet?’

‘Eerst moeten we ervoor zorgen dat onze kinderen voor altijd veilig blijven. De Mi-Go dreigde dat hij ze zou oogsten. Dat zal ik niet toe­staan, maar om hem het beste te weerstaan, heb ik betere wapens nodig. Klasse VI tech.’ Ze sloot haar ogen. ‘Waar is je broer? Ah, weer in de armen van de bakkersvrouw. Denk er nog eens aan, Eli? Je buit van vanochtend? Mooi. Links, weer rechts. Tweede strandtrap omhoog. Bos. Ik heb het.’

‘Je hebt wat?’

‘De plaats waar Eli zijn kadaver vond. Er zal waarschijnlijk veel meer techtuig over zijn dan enkel dat pistool. Bovendien is elk stukje van zo’n lijk nuttig voor een bezwering. De sterrenrassen zijn allemaal halve machines, vol hogere tech.’

‘Zouden de Shubs zijn spullen niet meegeroofd hebben? Ze namen zijn breinstenen, zijn sporen?’

‘De larven van de Zwarte Geit uit de Eindeloze Wouden blijven de eerste duizend jaar niet veel slimmer dan een kat. Het is niet zoals bij de Mi-Go: superintelligent zodra ze uit het eikapsel kruipen.’

 

Net voorbij de duinen rezen de Nederbergen op, drie kilometer hoge kliffen met een top van blinkende kalksteen en een voetstuk van basalt.

Een van de chaos-goden had ze uit de grond omhoog getrokken, dezelfde nacht dat de maan bloedrood kleurde en in de ruimte weg­tolde.

Het pad slingerde als een weggeworpen springtouw tussen het hoge gras, dat in de oude mensentijd geplant was om de duinen te veranke­ren. Een bos van waaibomen volgde. Ze bogen in een richting die niets te maken had met de heersende winden.

De Terugkeer had hen ongetwijfeld bezoedeld, bedacht Jonathan, en nu voelden ze een andere, spookachtiger wind. Misschien dezelfde storm waarop de Mi-Go laveerden?

Hij likte aan een vinger, hief zijn hand op. Ja, geen zuchtje wind, maar de naalden ritselden, de takken kraakten.

‘Weet je dat de Oude Goden net op tijd terugkeerden?’ zei Mei.

‘Wat bedoel je?’

‘We waren erg druk bezig de aarde en onszelf te vermoorden. Alle dieren en bomen. Het koraal. Grondiger moordenaars dan de Shubs of de Mi-Go.’ Ze spreidde haar armen. ‘Stel je die tijd eens voor, mijn geliefde. Superstormen loeiden aan over de zee en knakten de wolken­krabbers van Dubai als droge rietstengels. En de temperatuur bleef maar stijgen. IJsbergen kalfden af van de Groenlandse gletsjers, smeltend als ijsblokjes in hete chai. Nog een eeuw en de zeeën zouden koken.’

‘Ze hebben bijna alle mensen gedood! Mijn grootmoeder zegt dat wij ooit de hele aarde bestuurden. Miljarden van ons en nu zijn er nog maar een paar miljoen over. ‘

‘Niet overdrijven. Nog minstens een half miljard. En de Mi-Go houden zo van de kou dat ze de poolkappen weer terug laten vriezen. De Gevleugelde Poliepen hebben de op hol geslagen orkanen getemd. Het Dagongebroed en de Lagere Cthulhus hebben de oceaan schoon­gemaakt, de overtollige koolstof uit de lucht gehaald om hun diaman­ten eilanden aan te leggen.’

‘Dus we moeten we ze maar aanbidden?’

‘Dat zou te ver gaan. Het blijven monsters, ongelooflijk wreed. Ze hebben de mentaliteit van een Pol Pot of een Bolsonaro, een Timoer Lenk.’ Ze likte over haar onderlip en probeerde duidelijk de juiste conclusie te formuleren. ‘Ze hebben onze wereld gered, maar de guerilla-oorlog gaat door. Wij mensen zijn als de kakkerlakken, mag ik hopen: onmogelijk uit te roeien, welk gif je ook strooit.’

 

De zon tikte de horizon al aan toen ze eindelijk de open plek met het dode monster bereikten. Vreemd genoeg leek R’lyeh hier dichterbij dan vanaf het strand en er gleden hiërogliefen over de zonsonder­gangs­wolken, als van een arcane lichtkrant.

Een roodbruine zonnestraal deed het lijk glinsteren.

‘Voorzitter Xi zij geprezen!’ joelde Mei. ‘Moet je zien! Minstens een dozijn tech VI amuletten. Dat is meer buitenaards spul dan ik ooit bij elkaar gezien heb!’ Haar ogen straalden. Mei was even gelukkig als een klein meisje dat een drijfhouten pop en een set pas gesmede wind­gongen onder de kerstboom vindt.

‘Scheer je weg,’ raspte een stem. ‘Ze zal naar labyrinten van de diepste stad gebracht worden. Haar zaadkameraden zullen haar ver­slinden, haar substantie terugzingen in het Lied. ‘

Een lid van het Sublieme Ras stond naast een pijnboom, zijn armen een kronkelend nest van slangen. Een van zijn manipulators hield een pistool vast, hetzelfde soort pistool waarmee Eli had staan zwaaien.

‘Ik heb deze spreuk altijd al eens willen gebruiken,’ zei Mei. ‘Het was de laatste formule die onze quantum computer uitrekende.’ Ze hief een amulet van gevlochten glasvezels op en sprak een enkel woord.

Een toon zweefde over de open plek, helder als een glazen xylofoon en een draak kronkelde uit de hemel omlaag. De aanblik vervulde Jonathan met zo’n blij ontzag dat hij vergat te ademen. Stel je de zilveren herfstmaan, die de Oude Goden gestolen hadden, voor en schilder de mist boven een meer met haar stralen. Schoonheid uit pure stilte gehouwen, van hemels evenwicht.

De draak tikte de tentakel met het pistool aan en hun vijand veran­derde onmiddellijk in glas.

‘Het was de beste versie van En ik zag de Draak van de Lente uit het Meer Oprijzen, die onze computers konden berekenen,’ zei Mei. ‘Gedestilleerd uit duizenden gedichten en taoïstische spreuken. Helaas kan een sjamaan het maar één keer gebruiken.’

Onze computers. Ze zei dat alsof ze daar zelf bij was geweest. De Terugkeer vond zestig jaar geleden plaats. Hoe oud is Mei wel ? Nee, stop! Vraag een volwassen vrouw nooit hoe oud ze is.

‘Dat is een verstandig besluit,’ zei Mei. ‘Een vrouw is immers zo jong als ze zich voelt? En jij en ik, samen zullen we nog allemachtig lang jong blijven zijn.’

Ze slenterde naar het kristallen kadaver en raakte het aan. Het brak in tinkelende scherven.

‘Geen spoor van tech VI meer. De draak dronk alles op. Jammer. Ik had dat pistool goed kunnen gebruiken. ‘

‘Ik kan het voor je stelen?’ bood Jonathan aan.

‘Nee, nee. Eli is van je eigen bloed en tussen broers moet het zuiver blijven. Geen Kaïn en Abel gedoe. Ik zal hem een ​​goede prijs voor­stellen. Een aanbod dat hij onmogelijk kan weigeren zoals het oude gezegde luidt.’

‘Zoals?’

‘Hij en Marigold zijn nu al vijf jaar man en vrouw en haar buik blijft plat. Dat is niet helemaal haar schuld. ‘

Jonathan fronste. ‘Mijn broer is steriel? Zoals een muilezel? ‘

‘Een kwart van alle mannen is dat sinds de Terugkeer. Zoiets kan eenvoudig worden verholpen.’ Ze tuitte haar lippen. ‘Hij hoeft me het pistool pas te geven nadat zijn eerste kind is gedoopt.’

 

Er zijn angstdromen die je zo vaak hebt doorleefd dat ze alle kracht verloren hebben.

Toen de Mi-Go op hun binnenplaats verscheen, voelde Jonathan niets, zelfs geen spoor van vrees of ontzetting. Zijn vrouw was de machtigste sjamaan van Talinn tot St. Malo en fel als een veelvraat. Laat het aan Mei over.

Het monster keek het erf rond.

‘Wat een prachtige oogst! Niet minder dan drie kinderen, Jonathan, en je jongste dochter leert al lopen.’ Hij zette een mand vol leigrijze cilinders op. ‘Ik heb Eli’s beide zonen al genomen. De tweede dochter van de bakkersvrouw was van hem en dus plukte ik haar hersens ook maar. ‘

‘Jonathan heeft me over je verteld,’ zei Mei. ‘Je bent ooit met je leven weggekomen. We kunnen beter niet twee keer dezelfde fout maken.’ Ze hief Eli’s pistool op.

De Mi-Go grinnikte en hij moet zijn huiswerk gedaan hebben omdat het allemachtig menselijk klonk.

‘Zijn broer overblufte mij ooit. Ik heb pas later geleerd dat geen enkel mens dat wapen kan ontgrendelen.’

‘Ik ben niet bepaald menselijk,’ zei Mei. ‘Al heel lang niet meer.’ Ze haalde de trekker over.

 

Dit is een heerlijke dag, besloot Jonathan. De beste dag eigenlijk van mijn leven. Mijn kinderen spelen in de tuin, onze zoon duwt de schommel met zijn kleine zusjes, die joelen van de pret.

De stervende Mi-Go lekt bloed uit een gat zo groot als mijn vuist en de hemel stroomt met glorieus noorderlicht. Zelfs de ondode mannen die in de verte jammeren, passen op de een of andere manier in het plaatje. Ja, de meest perfecte dag die men zich maar na de Terugkeer kan wensen.

 

De minnaar van mevrouw Mellors : Joost Uitdehaag

Sinds ik dat boek vond in de bibliotheek van mijn vader, groeit het. Een hunkering die alles overneemt, een onkruid dat al mijn andere wensen overwoekert. Het genot van eten of wandelen is me vergaan. Ik staar en ik dwaal alleen maar, terwijl ik fantaseer over armen die om me heen slaan en me vastpinnen.

Het boek blaast zuurstof in mijn passie, gidst me. Via de rozentuin kom ik bij de garage uit, het voormalige koetshuis. Je staat met ontbloot bovenlijf te werken. Mijn ogen vallen op je kleine, schomme­lende mannenborsten en je blanke huid. Op je baardloze kin en je glanzende lokken. Die vervloekte Pen maakt een eunuch van je. Ik vraag me af of je ooit kunt worden als de jachtopziener.

Als je merkt dat ik er ben, draai je je om. Het zweet loopt over je rug. Je bent ooit begonnen als vaders monteur en nu buig je je over zijn Bugatti, een prachtige auto met alleen maar gebogen lijnen. Ik ben jaloers op het plaatwerk van die machine.

Ik ga in de deurpost hangen. ‘Richard, drink je een kop thee mee in de Orangerie?’

Je kijkt verrast. Toen vader nog leefde mocht dit soort dingen niet.

‘Over tien minuten,’ zeg ik beslist. Nu ben ik de baas hier.

Je glimlacht.

Even later drinken we thee en het zonlicht valt door de hoge ramen. Je staart verwonderd naar mijn helderblauwe plooirok. Zo’n contrast met je eigen werkkleren die vol smeerolie zitten. Ik plaats mijn voet tegen de binnenkant van je been. Je kijkt verschrikt op en schuift naar achter. Ik ga rechtop zitten. Opnieuw de eerbare vrouw. Ben ik zo’n slechte verleidster? Ik bezweer mezelf van niet.

 

Ik voel me verbonden met die vrouw uit het boek, want haar leven is een dwangbuis, net als dat van mij. Waarom willen ze me wijsmaken dat alles nu anders is? Dat ik vrij ben, dat er veel bereikt is voor vrouwen. Mijn lust is even geknecht als die van haar. Maar zij vertelt me dat de Pen of wat dan ook, niet gaat helpen. Ik moet het heft in eigen hand nemen.

De volgende middag zoek ik je weer op. Je bent pauze aan het houden op een bankje voor de garage. In je handen klem je een metalen broodtrommel. Je lijkt op een arbeider in die oude films. Naast je heupen ligt een etui met een groen kruis erop. Ik ga naast je zitten en wijs ernaar.

‘Ga je ermee door nu vader dood is?’

‘Het staat in mijn contract.’

‘Wil je niet stoppen?’

Je haalt je schouders op. Je wijst naar de auto. ‘Het leven is goed zo.’

Dat is niet wat ik voel. Vader is dood. Alles hoeft niet meer te zijn zoals het altijd was. Jij kunt jezelf zijn. Ik kan mezelf zijn. Ik bespreek het niet verder. Je gaat dit niet begrijpen. Er zijn immers wetten van buiten het landgoed. Wetten van fatsoen en schone schijn. Net als in haar tijd.

‘Mag ik het ding eens zien?’

Je pakt het etui op, aarzelend. Het is een object van schaamte. Hoe vaak je ook zegt dat het leven zo goed is. Maar je gehoorzaamt, dat hoort ook bij de Pen.

Het etui is van canvas en voelt ruw aan mijn vingers. Ik vouw het open en pak er een gepolijst titanium staafje uit, met een glazen ampul erin. De Pen van Fernouilli. Sommigen vinden het de belangrijkste uitvinding in de relatie tussen man en vrouw sinds de pil. Alleen bevat de Pen geen hormonen. Crispr-technologie heet het, iets met DNA. Dat heeft Patricia Fernouilli niet bedacht. Maar ze heeft wel uitgevonden hoe je er mannelijke lusten mee uitschakelt. Heel precies. Omkeerbaar. Zonder bijeffecten. Bijna. Toch in ieder geval duizend malen milder dan die hormooninjecties van vroeger, die Alan Turing tot zelfmoord dreven. Zo mild dat geen man er redelijkerwijs bezwaren tegen kan hebben. Een revolutie.

Het is tijd, dat weet ik, daarom lag het ding klaar. Ik log je in op de display, want alles wordt bijgehouden. Je laat het allemaal toe. Ik leg je arm op mijn schoot. Je kijkt verbaasd. Ik zoek een ader, zoals ik dat de laatste jaren ook bij vader deed, voor zijn medicijnen. Het verbaast me nog steeds dat ik zo’n goede verpleegster ben geworden, voor iemand die nooit iets praktisch heeft geleerd. Ik houd het staafje tegen het bloedvat en schiet het erin. Een virus dat je receptoren uitschakelt. In je arm staan twee kleine puntjes, als de beet van een vampier. Ik pak alles weer in en druk het etui in je handen.

Je zegt niets. Je zit daar maar. Schitterend kwetsbaar. Als een kind. Maar ik wil geen kind op het landgoed. Ik wil een man.

 

Ik zoek je de dag erna op tijdens de lunch. Ik heb sandwiches bij me en een witte, mousserende wijn en een restje gehaktbrood. Ik stal ze uit op de motorkap. Je kijkt verlegen en pakt je eigen boterhammen weer in. Voorzichtig mompel je een dankjewel. Ik moet er rekening mee houden dat ik je niet teveel verzorg. Je moet ook trots kunnen zijn.

Als het tijd is voor je injectie, herhaal ik het ritueel van gisteren. Het stukje DNA dat door de Pen wordt weggeknipt is een overblijfsel uit de oertijd. Iets wat overbodig is, zoals de blinde darm. Er wordt volop mee geadverteerd. Waarom wachten tot je in je geilheid je dochter aanrandt? Schakel je driften eenvoudig preventief uit. Neem de Pen. Zo neem je verantwoordelijkheid.

Maar jij neemt de Pen niet écht vrijwillig. Jij en ik zijn allebei slachtoffers. Vader maakte hem verplicht. Hij kruiste elk jaar weer dat hokje aan op je contract. Werkt met seksueel kwetsbaren. Zelfs al ben ik al dertig, nog steeds dacht hij mij te moeten beschermen. Ik heb vaak gedacht dat vader hem eigenlijk zelf moest nemen.

We drinken samen een halve fles wijn leeg. Daarna pak ik je arm weer. Dit keer lach je. Je houdt van de vriendschap en het samenzijn, maar ik wil meer. Er is een trucje dat ik ooit heb geleerd. Door de alcohol durf ik het ook. Ik pak een stukje rubber, leg het op je arm en zet daar de naald in. De display geeft aan dat de injectie correct is verlopen, maar er staan geen puntjes op je huid. Als ik het gedaan heb, kijk ik je aan. Je ogen staan wijd open.

‘Maar ik moet…’ mompel je.

‘Het is goed zo,’ fluister ik. Je knikt volgzaam. Geen agressie, geen dominantie. Tevredenheid met het hier en nu. Zo anders dan mijn vader. De Pen is echt een uitvinding.

 

Die nacht slaap ik niet. Ik denk na over wat ik gedaan heb. Ik ben onrustig. Ik denk iets te horen beneden, maar als ik het bed uitga is er niets. Ik lees op mijn tablet over wat ik heb gedaan en wat ik kan verwachten. Daarna pak ik het boek weer. Ik masturbeer denkend aan wat er gaat gebeuren.

De volgende dag drinken we ‘s ochtends thee in de Orangerie. Je schenkt dit keer zelf je thee bij. Iets wat je niet eerder hebt gedaan. Ik duw mijn pump uit en druk mijn ontblote voet tegen je been. Je schrikt niet. Je kijkt verrast naar beneden, daarna recht in mijn ogen. Je glimlacht heel flauwtjes. Die middag laat ik de injectie weer weglopen in het rubber.

 

Elke dag is er nu een verandering. Je maakt je kwaad omdat er een bout vastzit. Het vet op je borsten en heupen brandt weg; er verschijnen bundels spieren op je schouders en je bovenarmen. Ik zie ze aan­spannen terwijl je druk zet. Je maakt een opgejaagde indruk. Je vloekt als de bout uiteindelijk losschiet. Er hangt een nieuwe geur in de garage. Scherp, pittig. Het hitst me op.

Als ik binnenkom, kijk je alsof ik je territorium heb betreden. Je ogen glijden over mijn lichaam en blijven hangen bij mijn borsten. Het windt me op. Ik knoop mijn blouse los en leg je handen op mijn bustier. Je lacht breeduit. Ik verleid je om in me te komen over de motorkap. Je aarzelt. Ik help je. Het kost je moeite, die eerste keer. Maar voor mij is het zalig.

Na de daad breng ik twee flesjes van vaders bier naar de garage. We proosten samen. De laatste keer dat ik bier dronk was op mijn afstudeerfeest. Dat was ook de laatste keer dat ik seks had. Na afloop huppel ik naar het landhuis. Het is heerlijk. Ik ben bevrijd. Ik zweef. Ik ben een baken van licht.

 

Thuis op de sofa overdenk ik mijn daden. Ik ben er toch trots op, al durf ik het niemand te vertellen. Ik ben bang dat ik scheef aangekeken word; iedereen herinnert zich nog de oude wereld. De Pen heeft vele vrouwen bevrijd van een leven in angst. Maar het is onnatuurlijk, vind ik. Als er zoiets als de Pen nodig is, is het moderne leven dan wel zo goed?

De dagen daarna bespied ik je. Als je door de tuin loopt, als je buiten op het bankje je shagje rolt en oprookt, als je banden over de oprit rolt. Het is alsof ik een zeldzaam natuurfenomeen aanschouw en in zekere zin is dat ook zo. Ik hoorde onlangs dat nu meer dan de helft van de mannen de Pen neemt. Zoals vrouwen ooit de pil. Maakt het me slecht, dat ik me onttrek aan iets dat mij moet helpen? Of juist goed, omdat ik je de kans geef je natuurlijke zelf te zijn?

 

Elke middag ruk je me de kleren van het lijf. Van het eerste gestuntel is niets meer over. Ik moet Maisy steeds vaker vragen om knopen aan te zetten. Je drapeert me over de motorkap alsof ik gewichtloos ben. Je klemt me vast, zodat ik nergens heen kan. Steeds wilder ben je. Het is een heerlijk en een gevaarlijk spel. Mannen die van de Pen afkicken zijn berucht. Daarom zijn er regels nodig. En ritme. Hoe gevaarlijker het spel, hoe duidelijker de regels moeten zijn. Eén daarvan is dat ik bepaal wanneer het gebeurt.

Die ochtend sta je ineens voor me in de keuken. Ik ben net terug van een tocht met Prince en heb mijn rijbroek nog aan. Je zet je handen in je zij als iemand die zich onaantastbaar voelt. Ik glimlach geforceerd. Je verlegenheid is weg. Dat is een goed ding. Het maakt je aantrekkelijker. Maar dat je met zo’n houding binnenkomt, bezorgt me rillingen.

‘Ik wil je,’ zeg je.

‘Vanmiddag,’ antwoord ik.

‘Vanmiddag moet ik weg. Banden ophalen.’

‘Dan lukt het vandaag niet.’

‘Of we doen het nu.’

Je pakt mijn arm. Ik ruk me los. De zenuwen gieren door mijn lijf. Dit is waar ik om gevraagd heb, toen ik met je Pen speelde. Ik stap naar achter en mijn stoel valt om. Je lacht me uit om mijn paniek. Alsof ik een weerloos meisje ben. Ik vermaan me zelf. Ik ga rechtop staan en kijk je dwingend in de ogen.

‘Morgen,’ zeg ik, op stevige, maar normale toon. ‘Je kunt nu gaan.’ Ik probeer te klinken zoals vader.

Ik zet me schrap voor een mep, maar die komt niet. Je aarzelt.

‘Je kunt gaan,’ zeg ik, iets fermer.

Je haalt je schouders op en loopt weg.

Ik zucht diep. Van de ontlading schieten er tranen in mijn ogen. Toch ben ik blij. Vader zat fout, die Pen was overbodig. Ik kan mijn eigen leven best inrichten.

Vreemd genoeg voel ik me veiliger na dit akkefietje. Ik ben blij dat je dit landgoed als je domein ziet. Voor het eerst sinds vader is gestorven, droom ik ‘s nachts niet meer over inbrekers.

 

Alles verandert, steeds weer. Je glimlach wordt rustiger. Als we tegen­over elkaar zitten, zeg je dat je blij bent dat je van de Pen af bent en dat je me wil bedanken voor het vertrouwen. Je vertelt dat je je veel fitter en scherper voelt. Zo zie je er ook uit. Ik bedank je met een zoen op je nu bebaarde wang. Je laat het daarbij, je probeert niet nog meer te halen. Het is mooi dat je jezelf zo in de hand hebt. Dan haal je een pakje van de werkbank en drukt het in mijn handen.

Ik open het. In een oud fluwelen doosje ligt een zakhorloge dat ik herken. Vader had het op de grond laten vallen. Eerst vond je het te moeilijk om te repareren, maar nu leeft het, tikt het. Een van mijn vroegste herinneringen is dat we samen ontbijten – moeder, vader, mijn zus en ik –  en dat vader dit horloge uit zijn vestzak haalt.

Ik bijt op mijn lip. ‘Bedankt,’ mompel ik.

‘Ik zag gisteren dat het veertje verbogen was.’

Ik vraag me af of je ook minder precies was door de Pen. ‘Het is prachtig.’

‘Het spijt me van vorige week.’

Ik voel me ontzettend schuldig dat ik alleen aan mezelf denk. Je krijgt nog een zoen van me. Je bloost. Voor het eerst drinken we zomaar wat. We kijken samen naar de tijd die wegtikt op het horloge. Zou er iets meer inzitten tussen ons? Ik durf er niet eens over na te denken. Vader zou het nooit goed gevonden hebben. Zijn dochter met een dood­gewone automonteur. Maar hij was een man uit een andere wereld.

 

Maar ook dit verandert. Die middag staat mijn zus Sophie op de oprijlaan. Elke zomervakantie komt ze logeren met de kinderen omdat ze hoopt dat ze iets zullen oppikken van de trots van de landadel; daar zullen ze veel aan hebben later. Ik sta bij de deur om haar te verwel­komen. Het is de eerste vakantie met mij als vrouw des huizes. Ik ben benieuwd hoe het zal gaan. Soms walst Sophie nogal over me heen. Dan claimt ze dat alles in de stad veel beter is.

Terwijl ik samen met Sophie mijn toilet maak, zie ik weer hoe knap ze kan zijn. Ze draagt een mintgroene mousselinen jurk die haar borsten benadrukt. Haar krullen vallen uit haar opgestoken haar. Als je in de stad woont, kun je er mooier uitzien.

Het liefst zou ik je helemaal bij mijn zus weghouden, maar dat kan niet. Het is de gewoonte dat je helpt met bedienen bij het diner, want anders kan Maisy het niet aan. Ze overtreft zichzelf met haar crêpes Suzette. De ogen van de kinderen worden gegrepen door het oplaaiende vuur. Maar Sophie ziet het niet, ze is te druk met jou. En jij met haar. Je maakt haar aan het lachen en complimenteert haar vrijmoedig met haar parfum. Je drinkt haar schoonheid als nectar. Mij kijk je niet eenmaal aan. Ik ben jaloers. Ik weet niet aan wie het ligt: aan jou of aan Sophie of aan mezelf. Wat voor recht kan ik op je laten gelden? Ik moet af van het idee dat je een huisdier bent. Maar toch, als het diner voorbij is, ben ik blij dat je teruggaat naar de garage.

Sophie en ik drinken Cointreau in de rookkamer. Het voelt nu heerlijk om in vaders stoel te zitten. Sophie vraagt aan mij of je de Pen nog neemt, want ze heeft je baard gezien. Het heeft geen zin om te proberen het geheim te houden. Ik vertel alles over onze verhouding. Ze bijt op haar lip. Ik vermoed dat ze jaloers is.

Op mijn beurt vraag ik naar haar man, mijn zwager Mark. Dat is een beetje gemeen, omdat ik weet dat hij de Pen neemt. Dat vonden ze allebei beter, in verband met de kinderen. Sophie zegt dat het goed gaat. Er zijn tegenwoordig veel mannen die hem nemen, legt ze uit. Het is gewoon veiliger. Later als de kinderen groot zijn, stopt Mark misschien. Maar misschien ook niet, want het bevalt hem goed. Het geeft zoveel rust. Het is haast onmogelijk om tegenwoordig nog een natuurlijke man te zijn, zoals vader was, zonder hulp. De tijd is gewoon veranderd. Ze legt teveel uit. Ze schuift met haar benen over elkaar. Ik vraag of ze een minnaar heeft. Ze bloost. Ik trek het uit haar. Het is gewoon de hunkering, legt ze uit. Die vreselijke hunkering die alles overneemt. Ze schaamt zich. Ik veroordeel haar niet. Ik heb hetzelfde gevoeld.

 

Ik stel voor dat we gaan slapen. Ze stemt zo snel in, dat ik achter­dochtig word. Als ik alleen in mijn kamer ben, ga ik voor het raam staan, met de lichten uit. Mijn vermoeden komt uit, want Sophie sluipt naar de garage met een volle fles champagne in haar hand.

Ik trek mijn laarzen aan; ik kan het niet laten om haar te volgen. Door een spleet in het houtwerk zie ik jullie twee. Je zit rechtop in het lamplicht, Richard. Sophie heeft je gestoord bij je glas whisky, dat je ’s avonds drinkt om tot rust te komen. Ze eist alle aandacht, zoals gewoonlijk. Ze zet de champagne op de motorkap van de auto. Iets te hard. Je fronst, bang voor beschadigingen. Sophie giechelt. Ze is helemaal geil. Het doet me pijn om haar zo te zien.

Ze pakt je glas af en drinkt het leeg. Daarna opent ze de fles. Ze giet je glas tot de rand vol. Zelf zet ze de fles aan haar mond. Mijn zus heeft altijd weinig maat gekend als het om drank gaat. Soms kan ze na een diner niet meer rechtop staan. Ik maak me zorgen om haar. Ik leg mijn oor te luisteren.

‘Ik weet dat je iets met Charlotte hebt,’ zegt ze.

‘Jonkvrouw Sophie, wilt u weggaan, alstublieft.’

‘Ik wil jou ook.’ Ze strekt haar been uit over de motorkap. ‘Eén keertje maar.’

Je ogen glijden over haar mooie lichaam. Ik neem me voor dat ik mijn ogen sluit en wegga, als je jezelf laat verleiden. Eigenlijk zou het beter zijn als ik nu al vertrok, maar het lukt me niet. Ik hou mijn adem in.

‘Ik denk niet dat mevrouw dat wil.’

Ik ben zo blij om wat je zegt. Er zijn mannen die nooit de Pen gebruikt hebben, die minder standvastig zijn. Ik laat mijn longen opgelucht gaan.

‘Charlotte en ik hebben altijd onze vriendjes gedeeld. Ik weet zeker dat ze het goed vindt.’

Sophie wil je glas nog verder volgieten, maar je hebt er nog niets uit gedronken. Ze neemt weer een hijs van de fles. Jij blijft onbewogen zitten. Ik aarzel om in te grijpen, maar weet nog niet precies met welk excuus. Ik heb geen enkel recht op jou. Je moet zelf kiezen.

‘Ik wil seks,’ zegt ze.

‘Ik ben geen dekhengst, jonkvrouw Sophie.’

‘Als het uitlekt dat je zomaar gestopt bent met de Pen, kom je nooit meer ergens aan werk.’

Je fronst van ergernis. Je staat op en wil weglopen. Sophie gaat voor je staan. Wat bezielt haar? Ze pakt je hand. Je laat het gebeuren. Ze streelt haar borsten met jouw vingers. Net als ik de eerste keer. Ze laat je voelen tussen haar benen en giechelt.

‘Jonkvrouw Sophie. Als ik u was, ging ik gewoon naar huis.’

Mijn zus wordt chagrijnig omdat ze haar zin niet krijgt. Ze legt haar hand in je kruis. Ze knijpt je. Je grijpt van schrik haar pols vast. Ze slaakt een kreet.

‘Je doet me pijn, Richard.’

‘Ik zei nee, Sophie.’ Je noemt haar geen jonkvrouw meer. Ik ben alert.

Je laat haar los. Ze schudt haar pols.

‘Hier ga je meer van horen,’ dreigt ze.

Je ogen worden nauwe spleetjes. Ik wil roepen maar er komt geen geluid uit mijn keel. Je haalt uit. Met je open hand raak je haar hard en ongelukkig. Sophie valt op de motorkap en glijdt omlaag op de vloer. Even ligt ze stil. Dan grijpt ze naar haar oog en begint ze te gillen.

Ik ruk de deur open. Je buigt over mijn zus om haar nog een klap te verkopen. Je draait om en kijkt me aan: betrapt, verward. Er is zoveel afstand tussen ons. Dan verandert je blik; je ogen spuwen vuur. Je vindt dat ik moet wegwezen zodat je Sophie kunt afranselen tot ze niet meer gilt. Ik wurm mezelf langs je naar mijn zus. Ik heb geen idee wat je gaat doen. Mijn hart raast. Mijn lichaam zet zich schrap terwijl ik haar meetrek.

 

We gaan op een bankje zitten. Er zit overal bloed.

‘Hoe waagt ‘ie het!’ schreeuwt Sophie. ‘Ik geef hem aan! Hij komt nooit meer aan het werk!’

‘Waarom ging je daar heen?’

‘Het is onverantwoordelijk om iemand van de Pen af te halen!’

‘Alles ging goed tot jij kwam en hem begon uit te dagen.’ Ik ben boos en spreek haar streng toe. ‘Wat bezielt je om hem zo op te naaien?’

Sophie valt stil. Ik omhels haar en ze begint te snikken. Grote, schokkende snikken. Ze schaamt zich. Ze kan de kinderen zo niet onder ogen komen. En Mark al helemaal niet. Hoe moet ze straks haar oog verbergen, dat zeker blauw wordt? En het bloed op haar kleren? Straks wordt Mark nog beschuldigd. Dat gebeurt soms, zelfs al nemen mannen de Pen. Dan zou ze hem ook kwijt zijn. Ik heb medelijden met haar. De wereld waar ze vandaan komt, voelt benauwd, er is geen ruimte om mens te zijn. Ik zeg dat ze dit met Mark moet bespreken. Hij moet met de Pen stoppen. Anders werkt het niet. Wat ze daar ook zeggen in de stad. Ze knikt een vage belofte. We lopen samen naar huis en ik geef haar een ice pack voor haar oog. Daarna stop ik haar onder de dekens.

 

Terug in de hal zie ik het boek weer, dat ik daar gelegd had toen Sophie kwam. Ik pak het beige bandje met de adelaar op en druk het tegen me aan. De muffe geur zegt me dat het terug hoort in de bibliotheek. Een eerste editie, één van maar duizend kopieën, weet ik. Vader was er trots op, al mocht ik het nooit lezen. Ik streel de kaft en lees de rug. D.H. Lawrence staat er. En Lady Chatterley’s lover. Een tekst uit een andere tijd, die toch hetzelfde is. Het einde is gruwelijk in mijn ogen. Er komt een schandaal en ze gaat wonen bij haar zus. Waarom wordt ze bestraft voor haar hunkering, die zo natuurlijk is? Mijn tranen wellen op. De mensen in de stad weten er niets van: ze zullen me veroordelen, met dezelfde woorden als Sophie gebruikte, als ze tegen Connie Chatterley opvoerden. Ze zullen me gevaarlijk vinden, gek, instabiel, onaangepast, me het landgoed van mijn vader willen afnemen. Maar ik laat me niet wegschuiven. Het boek waarschuwt me.

 

Als Sophie al ligt te slapen, loop ik naar de garage. Als ik binnenkom, hef je de grote sloophamer boven je hoofd. Je laat hem neerkomen op de Bugatti. Ik leg mijn handen op mijn oren. De lak versplintert, de motorkap kreukelt als papier. Er zijn geen mooie lijnen meer, alleen maar hoeken. Je heft de hamer opnieuw en slaat nog een keer. De voorruit springt kapot. De tranen schieten me in de ogen. Hoe kun je zo kwaad zijn dat je je eigen werk vernietigt?

Je kijkt me strak aan.

‘Ik hoop dat Sophie wegrot in de stad,’ grom je.

‘Waarom ging je niet op haar avances in?’

‘Ik wil geen complicaties. Ik wil gewoon een rustig leven hier. Met u.’

‘Je had haar niet moeten slaan.’

Je kijkt fel. Je weet heel goed wat wel en niet mag. Je zet de hamer op de grond. Je spieren trillen. Ik heb medelijden met je. Ik stap op je af en omhels je gespannen lichaam, dat helemaal nat is van het zweet. Ik begeleid je naar een stoel en ga zitten, met je torso in mijn schoot. Even voel ik me een piëta.

‘Ze was heel boos,’ mompel ik.

‘Sophie verpest altijd al alles, heel uw leven al. Weet u nog dat ze met uw nieuwe fiets over de stoppels van het maisveld ging crossen?’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Laten we samen wegvluchten,’ zeg je.

Ik voel me schuldig voor je angst. Wat voor vrouw des huizes ben ik? Ik had er niet vanuit moeten gaan dat je het zelf wel zou regelen. Ik had je moeten beschermen voor de buitenwereld en Sophie in het bijzonder.

 

Er wordt op het raam geklopt. Ik wurm je los, doe open en loop naar buiten. Maisy staat er, met twee agenten achter haar in de schaduw. Eindelijk. Ik weersta hun beschuldigende woorden. ‘U moet nooit iemand van de Pen halen zonder professionele begeleiding. U heeft geluk gehad dat u het er zo van heeft afgebracht.’

Ik leid de agenten de garage binnen. Als je ze ziet, schiet je omhoog. Alles wat we samen hebben, verdampt op dat moment. Je wil me het liefst raken met die hamer, maar hij staat te ver weg. De agenten slaan je in de boeien. Je buigt het hoofd, berustend, beschuldigend. Ik heb medelijden met je.

‘Wat is dit voor flauwekul Charlotte?’ vraag je.

‘Je had haar niet moeten slaan,’ zeg ik.

‘U weet hoe het zit.’

‘Het gaat erom wat de wereld vindt.’

Ik kijk hoe je in de auto wordt weggereden. Ze zullen je wel weer snel terug aan de Pen zetten en misschien kunnen we dan schrijven. Mijn hunkering speelt al weer op. Ik vraag me af hoe lang het had kunnen duren tussen ons als Sophie niet was langsgekomen. Alles wat natuurlijk is, gaat kapot. Dat zei het boek al.

De gele veeg : Johan Klein Haneveld

Hoe vaak moet ik het nou nog zeggen? Ik heb mijn vrouw niet vermoord. Ik houd van haar! Ze is alles voor me. Ik zou haar nooit iets kunnen aandoen.

Ik weet wat jullie denken. Het lichaam op de vloer, de keel open­gesneden, het tapijt doordenkt met bloed. En ik zittend tegen de muur, het zakmes in mijn hand, niet aanspreekbaar. Ik snap hoe het eruitzag. En het DNA-onderzoek zal jullie gelijk geven. Maar jullie moeten me geloven: dat was mijn vrouw niet. Het leek alleen maar heel veel op haar. Wie weet wat er was gebeurd als ik niks had gedaan. Jullie mogen me wel dankbaar zijn!

Ja, ik ben er inderdaad trots op. Ik wou alleen dat ik eerder had geweten dat er iets mis was. Het begon die ochtend, toen mijn vrouw op de deur van mijn atelier klopte. Het was herfst. De regen tekende dunne lijnen op het raam en op de wind zwalkten ziekelijk geel gevlekte bladeren voorbij. Ik ging nogal in mijn werk op, moet ik toegeven. Ik had zelfs mijn koffie koud laten worden. Uiteindelijk kwam ze gewoon naar binnen. Ik schrok ervan. Ja, ik zal toen wat onaardigs hebben gezegd. Maar ik bood direct mijn excuses aan en vroeg wat er was.

‘Wie is Pickman?’ wilde ze weten.

Ik herhaalde de naam. Toen ging bij mij een lichtje branden. ‘Een schilder uit het begin van de twintigste eeuw. Niet heel bekend, maar ik heb over hem gelezen in een oud tijdschrift. Hij hield er aparte ideeën op na over inspiratie. Die kwam volgens hem uit het grote onbekende, dat niet door mensen begrepen kon worden. Als zij dat gebied rationeel wilden benaderen, zouden ze gek worden. Alleen sommige kunstenaars konden de werkelijkheid achter de dingen zien en weergeven. Maar het was geen mooie wereld. Pickmans schilderijen hadden een macabere sfeer, herinner ik me.’ Ik hield mijn hoofd scheef. ‘Ik wist niet dat je zoveel belangstelling had voor obscure kunst­schilders?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het kan me ook weinig schelen. Ik wilde gewoon weten wie dat schilderij had gemaakt dat je gisteren hebt opgehangen.’

Ik schoof mijn stoel naar achteren. Ik had de vorige dag helemaal geen schilderij opgehangen. En al helemaal niet een van Pickman. Ze moest zich vergissen. Ik gebaarde haar dat ze me de weg moest wijzen. Ze liep voor me uit, de gang door, de trap op, naar onze slaapkamer. Aan de muur, in de schaduw, hing inderdaad een schilderij. Het kwam me niet bekend voor. Een donker gelakt frame omgaf een doek van bescheiden afmetingen. Wat erop was afgebeeld was moeilijk te zeggen. Verschil­lende kleuren bruin, met de suggestie van paars. De penseel­streken waren grof, maar bevatten de suggestie van aan het zicht ont­trokken details. Ik zag muren, een raam. Was het een grot? Een cel? Een kamer? Nu ik wat beter keek kon ik een tweepersoons bed onder­scheiden. De verhoudingen leken alleen net niet te kloppen, alsof je een onmogelijke houding moest aannemen om erin te kunnen liggen. In de hoek rechtsonder stond in beverige witte letters de naam van de maker van het werk: Richard Upton Pickman. Het was alsof een elektrische schok over mijn rug liep. De haren op mijn armen kwamen overeind. Het tochtte niet op de kamer, maar ik zou hebben kunnen zweren van wel. Mijn vrouw had niet gelogen. Ik had echter geen idee hoe ik een schilderij van Pickman in mijn bezit had gekregen. Of hoe het aan de muur terecht was gekomen. Het leek alsof het er altijd al had gehangen.

‘Ik heb het nooit eerder gezien’, zei ik.

Mijn vrouw fronste. ‘Je probeert me voor de gek te houden. Ik vind het geen leuke grap.’

‘Ik meen het!’ Ze had zich echter al omgedraaid en stampvoette de kamer uit. Ik bleef naar het schilderij staan kijken, in weerwil van mezelf gefascineerd, alsof het geheimen bevatte die zich zouden openbaren als ik er maar oog voor had. Die dag schilderde ik niet verder aan mijn eigen werk. Ik zette me achter de computer en las alles wat ik over Pickman kon vinden. Het was niet veel meer dan ik mijn vrouw had verteld. Wel vond ik een lijst van zijn bekende werken, met afbeeldingen erbij. Het schilderij dat bij ons in de kamer ging was er niet bij. Er stond bovendien niemand op geportretteerd, wat bij al zijn andere werken wél het geval was. De handtekening was echter wel ontegenzeggelijk van hem.

Die hele nacht lag ik te woelen. Om de paar minuten keek ik van onder de dekens schuin omhoog naar het schilderij, een zwart vlak tegen het iets lichtere grijs van de muur. Ik kon geen details onderscheiden, maar toch gaf het mij een onrustig gevoel. Naast mij lag ook mijn vrouw te rollen en te kreunen, in de greep van een boze droom, maar zonder wakker te worden.

Ik moet na een tijdje toch in slaap zijn gevallen, want ik werd wakker van de wekker. Het eerste wat ik deed nadat ik was opgestaan, was het schilderij nog eens aandachtig bekijken. Ik hapte naar adem en draaide me om naar het bed. Mijn vrouw wreef juist de slaap uit haar ogen. ‘Wat heb je ermee gedaan?’ schreeuwde ik.

Ze werd bleek. ‘Waarmee?’

Ik wees naar het doek. Iemand had er met een kwast een gele veeg op aangebracht. Het contrast met de achtergrond kon niet groter zijn. Het was echter geen vrolijke kleur geel. Er zat iets van groen in, de suggestie van brokjes, van schilfering. ‘Zat dat er niet altijd al op?’ vroeg mijn vrouw. Ze was naast me gaan staan, haar armen om zich heen geslagen alsof ze het koud had. Haar ogen waren groot. ‘Dat ik dat niet eerder gezien heb. Dat is onze kamer.’

‘Praat geen onzin,’ zei ik scherp, nog steeds ervan overtuigd dat zij het werk had beschadigd. Het stemmetje in mij dat zei dat ze de hele nacht niet uit bed was gekomen, en dat ik het anders wel zou hebben gemerkt, drukte ik hardhandig de kop in.

‘Nee, kijk,’ hield ze vol. ‘Dit is ons dekbed. Hetzelfde streeppatroon. En dit is onze kledingkast. Je ziet de plek waar de verf is afgebladderd.’

Ik boog voorover, tot mijn neus het doek bijna raakte. Was het de vorige dag zo donker geweest dat ik de details over het hoofd had gezien? Was ik teveel afgeleid geweest door de handtekening? Het was inderdaad onze kamer die op het schilderij stond afgebeeld, vervormd als in een lachspiegel, niet zo knus en gezellig als hij in werkelijkheid was, maar verder in alle opzichten gelijk. Zelfs de stapel kunstboeken op het nachtkastje aan mijn kant van het bed was weergegeven. Maar Pickman had aan het begin van de vorige eeuw geleefd, aan de andere kant van de oceaan. Hoe kon hij dan onze kamer hebben geschilderd? En dan was er nog de gele veeg, schokkend en verontrustend, maar, dat wist ik plotseling zeker, wel degelijk deel van het oorspronkelijke werk. Ook al had ik het de vorige dag over het hoofd gezien, het hoorde er helemaal bij. ‘Het is wel heel toevallig’, fluisterde mijn vrouw. ‘Maar ik heb een jurk in precies die kleur!’

Ik begreep even niet wat ze bedoelde. Als ze kleding had die er zo rot, zo misselijkmakend uitzag had ik dat wel geweten. Maar ze graaide in haar kast en haalde een boterbloemgele zomerjurk tevoorschijn. Met het kledingstuk tegen haar borst gedrukt liep ze naar me terug. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes, tot het beeld begon te verwateren. Toen zag ik het. Het vrolijke, zonnige geel was alleen de buitenkant. Schone schijn. Daarachter doemden diepere lagen op. Groene tinten, bruine. Tekenen van verval, voor de gewone mens verborgen, maar voor de echte kunstenaar overduidelijk. Dat was vast Pickmans boodschap met zijn werk, de werkelijke natuur blootleggen van wat we geneigd zijn als normaal te beschouwen. Mijn vrouw ontbeerde echter dit inzicht, het vermogen de dingen achter de dingen te zien. Ze keek neer op de jurk die over haar arm hing, een denkrimpel op haar voorhoofd. ‘Het is er niet per se het seizoen voor, maar het zou zonnig worden vandaag. Als ik mijn vest er overheen draag kan het best.’ Haar ogen zochten de mijne. ‘Ik heb het nodig me even wat vrolijker te voelen.’

Ik wuifde haar weg. ‘Doe wat je niet laten kunt.’ Mijn blik ging terug naar het schilderij. Toen ik aan het ontbijt zat, zag ik het nog voor me. De muren, de kast, het bed. Ons bed. Maar was het dat echt? Zo ja, waarom stond die veeg er dan over? Mijn vrouw kuste me op mijn wang en ging het huis uit. Ik denk niet dat ik op haar reageerde. Pickmans doek begon een obsessie voor me te worden. Als ik zijn werk wist te doorgronden, zou ik ook de echte wereld begrijpen, daar was ik van overtuigd. Halverwege de dag ging ik weer naar boven. Mijn hart bonkte in mijn keel terwijl ik de deur van de slaapkamer open deed. Welke openbaring had het schilderij nu weer voor mij in petto?

Ik wist niet hoe ik het over het hoofd had kunnen zien. De veeg was duidelijk de gele jurk van mijn vrouw. Hij leek in de ruimte te zweven, de top rechtop gehouden als op een onzichtbare luchtstroom, terwijl onderaan de zomen rimpelden. Onder de dunne stof zag ik de suggestie van vormen. Bulten en kronkels op plekken waar geen ledematen hoorden te zitten. Was dat vocht dat kringen vormde? Ik kon het niet goed zien. Wat ik wel wist, was dat ik mijn vrouw nooit met de gele jurk het huis uit had mogen laten gaan. Het kledingstuk was niet wat het leek. Het kon niets goeds voor haar in petto hebben.

Er kwam die middag natuurlijk niks meer uit mijn handen. Ik zat op het randje van de stoel in de woonkamer en pulkte met het puntje van mijn zakmes de rouwrandjes onder mijn nagels vandaan. Ik stopte er pas mee toen mijn vingers bloedden. Mijn ogen hield ik ondertussen strak gericht op de deur. Voor mijn geestesoog zag ik telkens weer de pervers kronkelende jurk, alsof de afbeelding zich op de binnenkant van mijn oogleden had gekopieerd.

Toen ik de voetstappen van mijn vrouw hoorde op de oprit sprong ik overeind. Ik had de deur geopend voor ze haar sleutel in het slot kon steken. Ze deinsde achteruit, haar gezicht bleek. Iets in mij bracht haar in een defensieve houding. Ik schudde het van mij af als een hond die uit de sloot komt. Ze mocht best bang van me wezen, als ze maar deed wat ik van haar vroeg. Later zou ze me ervoor bedanken. Ze wilde aan me voorbij glippen, maar ik strekte mijn hand uit. Mijn vingers sloten zich om haar bovenarm. Ze kreunde. Met haar andere hand sloeg ze tegen mijn schouder. Het maakte niet uit. Ik trok haar mee de trap op, naar de slaapkamer. ‘Je moet je omkleden,’ zei ik ondertussen. Mijn stem kraakte als een stoffige langspeelplaat. ‘Die jurk moet uit.’

‘Je kon ook gewoon zeggen dat je hem niet mooi vond.’

Ik duwde haar naar binnen. Wees naar het schilderij. Ze slikte. Keek omlaag en richtte haar blik dan opnieuw op het doek. ‘Dat is bijzonder,’ merkte ze vervolgens op, bewonderenswaardig kalm. ‘Maar ik snap je probleem niet. Hij is gewoon erg goed getroffen. Pickman kon het dus wel.’

Nu was het mijn beurt om me te verbazen. Met de jurk op het schilderij was niks aan de hand. Ik keek naar mijn vrouw. Het was de hare die niet langer helder geel was. Die in de plooien en de schaduwen groene aders leek te verbergen. Die huiverde en beefde alsof de stof een eigen leven leidde. Het kledingstuk hoorde duidelijk niet thuis in onze wereld, het straalde pure boosaardigheid uit.

Ik wilde mijn vrouw net opnieuw toeroepen dat ze zich moest omkleden toen ze haar hoofd in de richting van het schilderij bewoog. ‘Wie is dat? Degene die mijn jurk draagt? Ze ziet er niet echt gezond uit, vind je niet?’

Ik had de schildering even uit het oog verloren. Nu viel het me opeens op dat de jurk niet langer los in de ruimte zweefde, maar over de schouders hing van een vrouw. Althans, ik meende dat het dat moest voorstellen. Helemaal menselijk was de figuur namelijk niet te noemen. Ten eerste was ze bleek als was, met ingevallen wangen en grote donkere ogen. Achter haar pupillen krioelden witte wormen. De groene aderen op haar armen pulseerden en haar kapsel was een rottende berg zeewier. Wie weet wat daaronder schuilging. Dat monster te zien in de jurk van mijn vrouw was bijna te veel om te verdragen. Vloeken, waarvan ik onmogelijk kon zeggen waar ik ze had opgepikt, rolden over mijn tong. Pickman was geen genie. Hij was een monster! Er was niks goeds aan de man. Hij had dit allemaal geschapen om mij te kwellen. Ik knarsetandde van woede.

‘Gaat alles goed met je?’ De stem van mijn vrouw leek van ver te komen. ‘Je gedraagt je zo vreemd! Ik snap echt niet wat je zo van streek heeft gemaakt!’

Zag ze het dan echt niet? Het vreselijke gedrocht? Ik dwong mezelf het opnieuw in me op te nemen. Het was alsof ik een emmer koud water over me heen kreeg. Het was nu duidelijk dat de figuur op het schilderij mijn vrouw voorstelde. Pickman had haar precies goed getroffen. Haar slanke figuur, haar elegante ledematen, haar ovale gezicht met de lachende roze lippen en de smalle band sproetjes over de neus. Haar twinkelende ogen en haar golvende bruine haren. Ze was het helemaal. Haar aanwezigheid leek het schilderij te vullen, alsof onze kamer een dansvloer was en ze wachtte op de eerste tonen van de muziek. Ik slikte.

‘Schat,’ klonk het van achter mij. ‘Kom met me mee. Laat me je verwennen. Het zou je goed doen.’

Het was niet langer de stem van mijn vrouw en al voor ik me omdraaide wist ik wat ik zou zien. Een wassen masker met gaten op de plek van de ogen, en daarin bewegende beesten. Ik kon maar één ding doen. Ik pakte mijn mes en stootte het in de keel van mijn vijand.

Nu weten jullie hoe het gegaan is. Ik kan het bewijzen. Het schilderij. Jullie hoeven alleen maar de ouderdom ervan te laten bepalen. Hoe bedoel je: er hangt niets in onze slaapkamer? Er zit zelfs geen spijker in de muur? Ik heb het toch zelf gezien? Je denkt toch niet dat ik zoiets kan verzinnen? Ik ben toch niet gek?

En de horizon ligt zestig miljoen mijlen ver : Tais Teng & Roderick Leeuwenhart

 

1

 

De zon werd juist boven de zestig miljoen mijl verre horizon getild, toen Gretchen bij de voet van de boortoren arriveerde. De inktzwarte slagschaduw van de boortoren hield het centrum van Mohrstadt nog in de schemering, maar Gretchen kon overal wekkers horen afgaan. Sommige bootsten de ochtendroep van mythologische hanen na, andere floten schril. De zon zelf dobberde in een trechter van wapperend noorderlicht en Cherenkovbliksems.

Stephan stond inderdaad bij de poort, zoals hij had beloofd.

‘Heb je het?’ vroeg Gretchen, en hij opende zijn hand. Op de palm glinsterde een staafje diamant-2, met strepen git voor de code.

‘Jij durft,’ zei ze. ‘Als je vader je betrapt, hangen ze je ondersteboven in de Schacht.’

‘Als ze ons pakken,’ verbeterde hij haar en Gretchen voelde haar maag samentrekken.

‘We kunnen echt helemaal tot boven?’ vroeg ze. ‘Tot het Kraaiennest?’

‘Het is de reservesleutel van mijn Vati en hij heeft die nog nooit gebruikt.’

‘Maar als ze vragen wat we hier uitspoken? De rondleidingen beginnen pas over drie Stunden en die zijn alleen voor de grote kinderen. Voor de eerstejaars boorgezellen.’

‘Daar heb ik aan gedacht.’ Stephan viste een plastic trommel uit zijn knapzak. ‘Sushi voor papa. Plus klapperbrood met bloedworst. Ik zeg dat hij die in de keuken heeft laten liggen.’ Hij greep haar hand en ze wist dat ze nu onmogelijk meer terug kon.

‘Kom,’ zei Stephan, ‘lass uns gehen. Veeg die grijns van je gezicht. Kijk lief. Heidi-schattig.’

‘Ik haat schattig,’ protesteerde Gretchen en dat was waar. Op Ludwilladag had ze de Valse Wolf gespeeld en niet een van de roze engeltjes.

‘Het is voor een goed doel.’

 

De poort zwaaide open bij hun nadering. Het was Yedhimr-tech, van voorbij de Jupiter-muur. Mensen konden dat vast ook wel, automatische deuren, maar dan zou je knarsende tandwielen en geratel horen, knetterende elektriciteit.

Boven de heraldische handboor en pikhouweel gaven letters van buigstaal de huidige diepte van de boorkop aan: 17.734,847 meter. De laatste zes jaar waren ze maar drie millimeter dieper gegaan, wist Gretchen. Met dit tempo zou het nog eeuwen duren voor ze de onderkant van de Schijf bereikten.

De nachtwaker stommelde uit zijn hokje, een slimme knuppel en een sissend dievennet in de handen.

‘Wat… O, jullie zijn het.’

Het ging om de timing, wist Gretchen. Gundrich was bejaard en zijn vervanger kwam pas over twintig minuten opdagen. Hij stond al te zwaaien op zijn benen en kon een geeuw amper onderdrukken.

‘Wat komen jullie doen?’

Stephan hief het trommeltje triomfantelijk op. ‘Vati was zo slaperig dat hij zijn broodtrommel vergat. Muti stuurde ons.’

‘Gut. Jullie weten hem te vinden?’

‘Jawohl, meneer,’ zei Gretchen met haar beste prinsessenstemmetje. ‘Hij heeft vorig jaar mij en mijn vriendje de geologische zaal nog laten zien.’

‘Zijn kantoor kijkt daarover uit,’ vulde Stephan aan.

‘Ik roep wel even een lift,’ zei Gundrich. ‘Eigenlijk mogen kinderen daar niet in, maar vierentwintig trappen lopen is nicht zu tun.’

 

De liftdeur schoof achter Gundrich dicht en meteen ramde Stephan de sleutel in de opening onder het paneel.

‘Druk op de bovenste knop terwijl ik de sleutel in überschreiben houd.’

‘Überschreiben?’

‘Voor als een reparateur of een Soldat ergens heel snel moet zijn. Niemand kan dan onderweg instappen.‘

‘Herr Meisterboorder Heugarden,’ sprak een suikerzoete stem, ‘u wilt non-stop naar de honderdtwaalfde verdieping?’

Scheiße! Een levende lift.

‘Genau so,’ antwoordde Stephan.

‘Prima, Herr Meisterboorder.”

Geen ingebouwde stemherkenning dus, dacht Gretchen opgelucht. Wat knullig!

Een klik en de lift stoof omhoog, accelereerde zo hard dat ze ineens tweemaal zoveel wogen en hun voeten in kloppend lood veranderden.

‘Honderdtwaalf verdiepingen,’ zei Stephan, ‘en niemand kan ons stoppen!’

‘En dan?’

‘Dan de volgende lift! Beter zelfs: niemand kent ons vanaf dat punt. Ik zeg gewoon dat mijn vader helemaal bovenin is gestationeerd, en…’

 

Het werkte. Twee keer toonde Stephan het trommeltje en twee keer oogsten ze slechts een glimlach. In de laatste lift waren de panelen met geciseleerd platina bekleed en droegen de andere passagiers overalls van zijde en laarzen van kweekleer. Ze geurden naar de beste, etherische smeerolie en verse ozon.

Hoe hoger, hoe rijker, ging het door Gretchen heen.

Gelukkig had ze zelf ook haar beste kleren aangetrokken. Met stoffige klompen was ze direct door de mand gevallen als een mossel­kwekersmeisje of een beitelslijperskind. Stephan was gelukkig slim genoeg om tegen deze lieden niet over zijn vaders trommeltje te beginnen. Dit soort mensen nam hun ontbijt vast niet zelf mee.

Sommige zaken moet je niet te luid denken: een matrone wierp een keurende blik op Gretchens kleren, fronste haar wenkbrauwen.

‘Is dat tegenwoordig de mode bij de Jungmenschen?’

Ze heeft ons door! Ze weet dat we helemaal van beneden komen.

‘Niet echt,’ zei ze snel. ‘Stephan en ik gaan naar een feestje. Een verkleedfeestje. Ik ben een mosselkwekersmeisje en mijn broertje is een beitelslijperskind.’

De vrouw glimlachte: ‘Also, dat hebben jullie overtuigend aangepakt. Viel Spaß.’

 

De laatste tien verdiepingen waren ze godzijdank weer alleen en de lift bewoog zich geruisloos omhoog. Door de doorzichtige, diamanten wanden kon Gretchen recht in de Schacht kijken. De centrale boor was een immense cilinder van diamant-3 en gehard platina die zo langzaam roteerde dat het bijna onzichtbaar bleef.

Een klingel en de lift stopte.

‘U bent gearriveerd, Herr Meisterboorder Heugarden.’ Een mierzoete lach. ‘Of wie jullie ook in het echt zijn. Maar wat weet een simpele lift daarvan? De regels stellen dat wie een sleutel van de Meisterboorder meedraagt, ook de Meisterboorder is.’

 

Ze stapten de drempel over, de absolute vreemdheid in. Ten eerste was er de lucht, zo ijskoud en ijl dat Gretchen als een vis naar adem hapte. De hemel welfde zich over hen heen; een blauw dat aan het zwart grensde. Er hingen dagsterren in, felle fonkelpuntjes: het grootste gedeelte van de atmosfeer moest onder hen liggen.

Ze schuifelden als slaapwandelaars naar de reling en de Alderson­schijf ontvouwde zich voor hen, te immens om ooit te bevatten. Stel je een kosmische cd voor, met de zon in het gat en de rand ter hoogte van Neptunus. De Yedhimr, de bouwers, waren niet eens veel slimmer dan mensen – hun beschaving was gewoon een slordige zestig miljoen jaar ouder.

Toen hun ruimteschepen voor het eerst boven het wolkendek van Jupiter uitstegen, zagen ze het zonnestelsel als een prachtige bouwdoos voor zich liggen. Van die saaie bollen van gas, ijs en ijzer kon je iets veel eleganters en comfortabelers maken.

Hun eigen wereld was de eerste die omgezet werd tot een segment van die kosmische schijf. Daarna volgden Uranus en Neptunus, Saturnus en haar ijzige manen.

Twaalf jaar later lag er een glinsterende cirkel om de zon en de mensheid kon enkel ontzet toekijken. Ze hadden voetsporen op de maan achtergelaten, maar Mars nooit bereikt. Die rode planeet bleek de volgende en werd een sliert rossig gruis die door de uitdijende ring werd opgeslokt.

Tienduizenden zenders vulden de ether in een poging de aandacht van die kosmische ingenieurs te trekken. Om genade te smeken. Wij zijn er ook nog. Ga alsjeblieft niet op ons staan. Wij leven, wij voelen, we denken.

Een antwoord kwam terug, in Chinees, Hindi en een eiwitsequentie die door schimmels kon worden geïnterpreteerd: ‘Vrees niet. Wij vinden kleine kriebelbeestjes juist hoogst amusant.‘

De volgende morgen ontwaakte de voltallige wereldbevolking op de Aldersonschijf, onder een blauwe hemel. Voor mensen de volgende morgen, in realiteit vijfhonderd jaar later. Alle sterren in een omtrek van negen lichtjaar ontbraken: voor een Aldersonschijf heb je akelig veel bouwmateriaal nodig. Met enkel wat gasreuzen en ijsdwergen kom je er niet.

Er was water en zuurstof, iedere stad en elk dorpje was zorgvuldig getransplanteerd, al lagen ze vaak tienduizenden kilometers uit elkaar.

Magneetvelden tilden de zon op om de dag te maken, trokken haar weer omlaag om de onbekende onderkant van de schijf te verlichten. Een etmaal duurde nu negenentwintig uur, maar het leek de meeste mensen onverstandig om daarover bij de Yedhimr te klagen.

 

Gretchen boog zich over de reling: Mohrstadt was een smoezelige vlek in de geel-met-rode mosvelden en algenpoelen. Daarachter begon de kale bodem van de schijf: zeshoeken van vulkaanglas en gruis. Het was zijn ruwe materiaal: je had een Yedhimr-transformator nodig om water uit de lucht te trekken en vruchtbare aarde te maken.

‘Zo leeg,’ fluisterde Stephan naast haar, en het was wáár. Mohrstadt was niets meer dan een stip op een onbeschrijflijk groot en leeg schaakbord. De atmosfeer, die van de Venusbaan tot halverwege de Marsbaan reikte, legde een waas over alles en kleurde de einders sidderend blauw.

De rails van het Wereldspoor trokken een zilveren lijn in het zonlicht. Hij leek dun als een spinragdraad, maar moest in werkelijkheid minstens zestig meter breed zijn om de nucleaire stoomlocomotieven te kunnen dragen.

Ze kneep haar ogen tot spleetjes.

‘Ik zie daar iets in het oosten. Iets groens. Geef mij je kijker eens?’

Er zat een ingebouwde stabilisator in en waarschijnlijk een dozijn filters. Bij twintigduizend keer zoom sprong het woud naar voren. Juichend groen, met zilveren meren. Nog eens keer twee en het werden weelderige bomen.

Het bos stuurde smaragden uitlopers de leegte in. Het was zo intens levend, zo vitaal, dat Gretchen de tranen in de ogen sprongen.

Ze reikte hem de kijker aan. ‘Is het niet fabelhaft? Wie heeft dat gemaakt?’

‘Dat is gewoon het Woud van Arden. Een stel boomkussers dat denkt dat ze de hele schijf groen kan verven.’

Hij draaide de vergroting op maximaal. ‘Daar. De Jupitermuur. Daarachter liggen de kokende waterstofoceanen van de Yedhimr, met hun galjoenen van diamant-6.’

Ze keek even naar de paarse muur, maar dat was meer uit beleefdheid. Bij deze vergroting kon je bladeren aan de takken zien wuiven, zag ze, toen ze weer op het Woud van Arden richtte, de aardbeien aan een struik tellen.

Een meisje wandelde langs met een schep en een mand vol dennen­appels. De zon had haar armen bruin gekleurd: ze had niets van de zorgvuldige bleekheid die boorders zo aantrekkelijk vonden. Kinderen, even notenbruin als zij, dartelden door een rij sproeiers waarin regenbogen dansten.

Dat wil ik ook! Maak die zaden wakker met jullie gieters en sproeiers. Schilder de hele schijf groen!

‘Wat moet dat daar?’ kwam een schrille stem. ‘Jullie horen hier niet!’

Het was de achterdochtige matrone uit de lift en Gretchen begreep dat hun avontuur voorbij was.

Het doet er niet toe. Al proppen ze mijn mond vol aardwormen en hangen ze mij ondersteboven in de Schacht: het was het waard.

 

2

 

Uiteindelijk kwam Gretchen er nog genadig vanaf: een week huisarrest en geen toetje voor de rest van de maand. Vooral dat laatste was geen straf – Gretchen hield niet bijster veel van wentelteefjes of hangop.

Stephan verging het minder goed. De volgende dag weigerde hij te gaan zitten in de klas en bleef hij achter zijn tafeltje staan.

‘Vati schudde mijn spaardoos leeg en zei dat ik alle zaden in St. Mohrs missiepot moest stoppen,’ klaagde hij. ‘Waar slaat dat nu op? Dat ik op de boortoren klom, daar heeft Mohr toch niks mee te maken?’

‘Het is gewoon stom,’ troostte Gretchen. ‘Maar we hebben op het Kraaiennest gestaan! Niemand anders in onze klas lukte dat.’

‘Aufgepast!’ commandeerde de meester en trok de kaart omlaag. Zijn vinger priemde. ‘Gretchen, aangezien je zin hebt om te quatschen, vertel ons eens wat we daar zien.’

Ze zuchtte. ‘Dat is het Paradisio van de Twee Rivieren, aan de onderkant van de Schijf. Aan de gouden bomen groeien granaatappels van robijn. Door één rivier stroomt Schnapps en door de tweede honingwijn.’

Het leek haar geen aanbeveling: ze had een slok uit oom Heindrichs borrelglaasje genomen en het brandde zo gemeen in haar keel dat ze hard had moeten hoesten. En robijnen appels kon je niet eens eten.

‘Correct,’ zei meester Grottlof. ‘Als je sterft, gaat je ziel daarnaar toe en wandel je met St. Mohr in de grazige weiden. Maar dat lukt hoogstens één op de miljoen. De rest verwaait als rook in de wind.’

Lidwien stak haar vinger op en zei, na een hoofdknikje van de meester: ‘Maar daar boren we de Schacht voor, meester. Zodat we levend naar het Paradisio kunnen afdalen en voor altijd onsterfelijk en gelukkig zullen worden.’

Het wicht.

‘Dat klopt helemaal,’ zei Grottlof. ‘Elke generatie boren we een paar meter dieper. Eens konden we zelfs geen kras in de laag met diamant-4 zetten en nu houdt alleen de middelste laag van diamant-6 ons nog tegen. We hebben diamant-7 nodig om daardoorheen te komen.’

‘Ik leer later voor kristallograaf,’ zei Lidwien. ‘Mijn Vati zegt dat getallen graag in mijn hoofd wonen.’

‘Wie weet wandelen we straks dankzij jou over de grazige weiden,’ zei meester Grottloff met een glimlach. Het gerucht ging dat de oudere meisjes hem konden kussen voor een beter cijfer en Lidwien was beslist het mooiste meisje van de klas, ook al had ze nog geen borstjes.

Ik kus nog liever een varken dan hem, besloot Gretchen ter plaatse. En wat moet ik trouwens met hoge cijfers? Zodra ik genoeg gespaard heb, stap ik op de Wereldtrein en reis ik naar het Woud van Arden. Niks geen gehak in harde steen voor mij! Ik zal frambozenstruiken planten en bloemzaden rondstrooien tot de hele Schijf groen en kleurig is.

Ze leunde achterover en voelde zich diep tevreden. Meestal weet je op je achtste nog helemaal niet wat je met de rest van je leven moest aanvangen. En natuurlijk zou ze ook met Stephan trouwen, maar dat was van minder belang.

 

3

 

De volledige spinazieoogst was verpieterd – twee jaar aan toegepaste hydrocultuur naar de maan! Sinds Gretchen met groen werkte, kwam ze vaker lachend dan chagrijnig thuis, maar nu had ze er toch zonderling de pest in. Het appartement met zijn bakelietmuren en namaak-antracieten vloer deed weinig voor haar humeur.

‘Na klar,’ ze plofte een schoudertas met dorre blaadjes naast haar sociaal onwenselijke bonsaiboom, plofte zelf op de sofa, ‘Feierabend.’

Stephans neus kietelde in haar nek. Hoe vond hij toch altijd precies dat gevoelige plekje? Ze lachte schallend. Haar vriend rook naar de hachee die uren had staan garen.

‘Was het niet mijn beurt?’

‘Na tien jaar weet ik,’ Stephan sleurde het schort van zijn middel, ‘dat ik dan tot vlak voor de laatste boring kan wachten op een bord eten.’

Voor iemand die de hele dag met ertsen en metalen werkte, was hij opmerkelijk goed in het bereiden van voedsel. Moest ook wel, samenwonend met Gretchen. Van trouwen was nog niets gekomen, samenwonen was voorlopig genoeg.

‘Zware dag op het werk?’ gokte hij.

‘Wist je dat er in deze hele klotestad,’ Gretchen zag Stephans blik vertrekken bij de heiligschennis, maar ging stug door, ‘geen brandschoon water te vinden is? Zelfs niet voor ons eigen vreten?’

Hij wist het. ‘De boorkop…’

‘Hoe is het mogelijk dat we al ons drinkwater in de schacht mikken om een boor te koelen die millimeters per jaar draait? Daardoor is nu al mijn spinazie verscheißt. Dat is een gevoelig gewas! Maar vertel dat aan een Meisterboorder, die zit met zijn kop in een substraat.’

‘Hé, dat, let op je taalgebruik.’ Stephan wist dat het hem op een giftige blik kwam te staan.

Feit was dat Gretchen nooit warm was gedraaid voor St. Mohrs heilige opdracht om het Paradisio te bereiken. Stephan zelf, ja, hij was even fanatiek als iedere andere trotse burgerboorder. Hij hoefde in de ochtend maar naar de stand van de boorkop te kijken om zijn borst te voelen zwellen. Dan wist hij: vandaag ging hij weer zijn uiterste best doen om een synthetisch materiaal met een hardheid van diamant-7 te vervaardigen. Ooit lukte het en kwamen ze door de kernplaat heen.

Gretchens geest hing meer naar het… biologische.

‘Het zit me gewoon tot híer, Stephan.’ Ze zwaaide boven haar hoofd, waar een keurige burger juist naar zijn enkels zou wijzen. Alles in Mohrstadt ging neerwaarts. ‘Elke dag word ik nijdiger.’

‘Kom, Gretchen,’ zei hij, ‘wees weer eens mijn Heidi.’

‘Ik bén geen verdammtes Heidi!’

Hij bedoelde het lief – hij bedoelde het altijd lief – maar juist dat schoot in haar verkeerde, inmiddels reusachtige keelgat. Ze kon geen woord meer horen over boren. Over schachten. Welk blödes stukje diamant harder was dan de vorige, en hoe onsterfelijkheid en zoete honingbrij wachtten aan de onderkant. Had niemand behalve zij een stel fatsoenlijke ogen in haar kop? Aan de horizon, hooguit tienduizend mijl ver, lag een weelderig woud, met meer biomassa en diversiteit en natuurschoon dan ze elders ooit zouden vinden!

Stephan ging nukken in de keuken. Prima, had zij geen last van hem. Het was best lang goed gegaan, vond ze. Gretchen kon zich zomaar ellendigere relaties voorstellen. Ze hadden elk hun passie, waardoor ze in ieder geval van elkaar begrepen wat de ander dreef. Ze hield soms zelfs van hem, echt.

Alleen was het moment gekomen dat ze al jaren aan voelde stormen: die passies liepen niet langer over dezelfde rails. Ze keek uit hun raam; een achteloos gedrilde apertuur in de buitenwand, waar ze langs honderden brutalistische flats en kromgetrokken gevels moest turen voor een flintertje horizon. Het woud had haar gedachten nooit verlaten.

Het was tijd. De hoogste tijd.

 

Tot haar verrassing voelde ze zich hier meer thuis dan al die jaren tussen grijze stadsblokken en schaduwrijke straten. Dit mosveld geurde naar oude compost en prikkelde Gretchens ogen. Rood en geel, waar je ook keek. Zelfs toen haar sokken zich volzogen met water toen ze in een verdekte algenpoel stapte, moest ze grinniken. Dit was zo heerlijk slordig en zompig allemaal.

En het was verbazingwekkend makkelijk geweest om voorbij het grenslint te komen.

‘Werda?’ blaften de wachters, priesters van de uiterwaarden met ceremoniële splinters van vulkaanglas in de hand. Ze stelden niet veel voor in de hiërarchie.

‘Gretchen,’ zei ze monter. ‘Ik maak een wandeling.’

‘Maar… waarheen?’

Ze wees een slordige vijfduizend mijl naar voren.

Het voelde aan als een grap van schijfgrote proporties. Hoe dichter je bij de Schacht kwam, in het centrum van Mohrstadt, des te strenger de controle. Slenterde je echter naar de randen toe, dan werd hun samenleving zo lek als een oude stoomkachel.

Ze lieten haar door, ongehinderd, zonder de gebruikelijke tol en fooien, omdat ze zich niet voor konden stellen dat iemand naar buiten zou willen. Horizontale bewegingen waren de wachters vreemd – het verticale was alles.

Het was meteen ook het laatste moment dat alles van een leien dakje ging. Voorbij de mosgrens begonnen de hexagonen van vulkaanglas – zo spekglad dat Gretchens zolen er geen grip op kregen. Na drie stappen glibberde ze al op haar heup, recht op een waterzak die knapte en een eeuwige plas op het oppervlak vormde. De Aldersonschijf was schoner dan het gewaad van de hoogste priester en bovendien absoluut waterdicht.

‘Verdammt.’

Het kostte haar een dag en een nacht om de halve zeshoek te doorkruisen. Zoveel leegte had Gretchen nog nooit gevoeld. Dit begon toch redelijk unheimlich te worden. Al die ruimtelijkheid om haar heen… Ze zou iemand in de verte aan kunnen zien komen, en dan duurde het alsnog een dag of langer voor ze elkaar de hand konden schudden.

Ze viel als een zeester in slaap, plat op de plaat. Het beetje energie dat ze ermee won was genoeg voor de tweede helft. En daarna nog een.

Haar rantsoenen – kliekjes hachee in een aluminium trommel – waren verorberd, de  waterzak halfleeg. De laatste loodjes konden niet snel genoeg komen.

 

Met een sprongetje van haar hart zag ze haar doel: het treinstation.

In haar jeugd had Gretchen nog het onnozele idee gehad dat ze naar het Woud van Arden zou kunnen lopen, of misschien met een vlieger vanaf het Kraaiennest? Met opgroeien kwam ook het besef dat die afstanden onmogelijk waren. Ze had vervoer nodig en de enige optie was per locomotief. De zilverdraad die ze ooit zag, sneed door de hele menselijke gordel, misschien nog wel verder. Maar Mohrstadt, wiens bevolking geen oog had voor eender welke reis dan naar beneden, was niet aangesloten op het spoornet. Er was zelfs nauwelijks informatie over bijeen te sprokkelen: hooguit dat het fenomenaal duur was om een ritje te maken, en dat het meest nabije station net zo goed aan de andere kant van de zon had kunnen liggen.

Mohrstedelingen waren geen reizigers.

Maar Gretchen was er niet veel beter op afgestemd; het werd haar pijnlijk duidelijk hoe waardeloos mensenogen zijn met het inschatten van enorme afstanden. Het station leek maar niet dichterbij te komen en uiteindelijk was ze een volle dag verder tot ze, moe en hongerig, in de vroege avond aankwam.

Uit het ticketpoortje werd ze geen wijs: haar wijsvinger liet een zigzag op het touchscreen achter die meteen uitdoofde en haar duimafdruk werd niet herkend.

Voetstappen.

‘Das ist ja geen gokkast, Mädchen,’ zei de stationsofficier. ‘Waarheen voert je reis?’

‘Ik wil naar Arden. Het Woud.’ Gretchens vervellende lippen speelden nauwelijks nog mee.

‘Dat komt straks wel. Allereerst: toegang tot Brosthoven Süd gaat per kwartier, een Viertel is negentig korrels, een Stunde driehonderd­veertig.’

Ze was te uitgeput om geschokt te reageren. Hoeveel?

Haar portemonnee, vol zakjes graan per tiental, was over de jaren speciaal voor deze gelegenheid gevuld, maar op deze bedragen had ze niet gerekend! Drie-veertig, dat was bijna de helft van haar spaargeld, en dan had ze alleen nog maar toegang tot het perron.

De officier zuchtte: hij was duidelijk gewend aan een welgestelder clientèle.

Gretchen blikte terug over het barre, waterloze land en wist dat ze de terugtocht nooit zou halen. Haar waterzak was leeg, de zolen van haar laarzen lagen aan flarden. Geen keus dus.

Ze viste de hoeveelheid granen op uit de map en kreeg als beloning een toegangsschijf die knalrood was. Elke minuut zou een fractie van de kleur vervallen – bij wit werd ze niet langer getolereerd.

De stationshal werd geflankeerd door lonkende waterwinkels en schoenenzaken, zag ze. Maar als ze daar haar overgebleven centen aan stuksloeg, kon ze die treinreis helemaal vergeten.

Verbrand alle schepen achter me. Het is niet erg als ik zonder een zaadje op zak aankom.

‘Nu wil ik graag een kaartje naar jullie eerste stop. Het Woud van Arden.’

‘Dat valt te regelen, dame.’ Hij gebaarde naar de printer die meteen begon te ratelen en een paar seconden later een kartonnen rechthoekje uitbraakte.

‘Dat wordt dan tweehonderdzestien zaden.’

Prima, dat haal ik nog net.

‘Elitezaden, welteverstaan.’ Zijn grijns droop van het leedvermaak. Er gingen honderd basiszaden in een elitezaad. Eenentwintig en een half duizend zaden. Een kapitaal dat geen normale arbeidster ooit bij elkaar kon schrapen.

‘Toch maar niet?’ zei die Arschloch en mikte het kaartje in de versnipperaar.

 

Ik heb een uur. Ze blikte naar het perronkaartje. Minus zeven minuten.

Halverwege Gleis 1 rees de locomotief op: aangekorste platen titanium, een blinkende schoorsteen van brons. Uit de opening wolkte verblindend witte stoom.

Ze snelde langs de zitbankjes, langs manshoge wielen.

Daar, de wagons. Vergeet de eerste klas met zijn satijnen gordijntjes. Zelfs de derde is te riskant.

Gretchen stopte bij de goederenwagon waaruit de stank van varkensmest walmde, keek om zich heen. Niemand. Ze trok zich op aan de deurhendel, mepte op de knop met twee van elkaar afgewende pijltjes die waarschijnlijk voor ‘open’ stonden.

Goed gegokt. De deur schoof terug met een allervervaarlijkst geknars.

Een ferme tik op haar schouder. Achter haar stond de officier. ‘De derde klas is twee wagons terug, mevrouw. Nu we hier toch staan, mag ik uw vervoersbewijs zien?’

 

Hij bleef haar volgen als een bloedhond: geen tweede kans.

Ze kocht een glas ijskoud rabarbersap bij een kraampje: haar zaden waren toch nutteloos. Zelfs de goedkoopste sandalen gingen haar budget te boven.

Bij de uitgang keek ze op haar perronkaartje. Bijna al het rood was weggebleekt en de wijzer van de geprinte klok stond al vlak voor de twaalf: ze zouden haar over enkele minuten uit het station zetten.

Net toen ze besloot zichzelf dan maar onder de treingrill van een langssnellende railsschuurder te slingeren, parkeerde een Yedhimr-aquarium zich naast haar.

Het was een bol vol kokende waterstof en slierende methaan. Daar­binnen was de anderling niet meer dan een vormeloze schaduw. Niemand had ooit een Yedhimr in zijn natuurlijke gedaante gezien en misschien was dat zijn ware vorm wel: kronkelende draden en een lijf van superhete waterstof?

Gretchen had het object eerder al gezien op het perron, maar weggecijferd als ornament.

Een hoge noot klonk en een avatar stapte uit het glas. Het wezen leek min of meer op een mens, al was hij zeker drie meter lang en had zijn eigenaar hem een extra paar armen gegeven. Aliens letten zelden op dat soort details, omdat ze de menselijke vorm sowieso belachelijk vonden.

De avatar keek op haar neer, trok zijn lippen tot iets wat waar­schijnlijk een vriendelijke glimlach moest voorstellen. ‘Wat een treurige tronie, meiske. Kneep een onverlaat in je teddybeer?’

Teddybeer? De vertaalmodules van de Yedhimr waren een stuk minder goed dan ze zelf geloofden.

‘Ik heb te weinig zaden voor water of nieuwe schoenen en straks duwen ze mij raus. Recht in het heetst van de dag.’

Het wezen keek omhoog. ‘De zon lijkt inderdaad feller dan anders. maar dat is toch geen probleem? Als je sterft, gaan jullie toch meteen door naar de Onderkant?’

‘Dat is een kletsverhaaltje om iedereen door te laten boren. Zolang we graven, geven we onze zaden zonder morren aan de priesters en hangen we ze niet aan de hoogste lantaarnpaal op.’

‘Die analyse lijkt mij juist,’ zei de Yedhimr. Hij trok aan zijn onderlip. ‘Ik begrijp dat je liever niet wilt sterven?’

‘Stimmt.’

‘Dan offreer ik een uitkomst. Ik geef je een lift naar Mohrstadt en je ziet vanavond nog de zon in zijn smog verzinken.’

Anderlingen deden niet werkelijk aan liefdadigheid. Ze hadden de mensheid gespaard om hun eigen redenen.

‘Ik heb nog driehonderd zaden over,’ zei Gretchen.

‘Dat volstaat als aanbetaling.’ De avatar stak zijn hand uit en ze schudde haar buidel helemaal leeg.

‘En hoe betaal ik de rest?’

‘Door te helpen. Je wordt mijn trouwe linkerpink. Verbleek niet: het zal je zaden opleveren. Bergen en hopen en uiteindelijk genoeg om een kaartje naar je onbereikbare Woud van Arden te kopen.’

‘Er is dus geen privacy op dit perron.’

‘Alsjeblieft, zeg. Mijn oren zijn enkele factoren beter dan die van jullie. Ik hoor alles. Van het ruisen van de longen van de rangeer­wachter tot het trippelen van de vijfpotige kakkerlak onder die tegel daar.’

Een kaartje. Ze zou haar ziel, als ze die al had, verkopen voor een kaartje. ‘Wat moet ik doen?’

‘Wat moeten wij samen doen?’ verbeterde hij haar. ‘Het is mij nog niet helemaal duidelijk. Een kraak, een spoliatie, een truc zo gewaagd dat ze zelfs achter de muur hun oren spitsen.’

‘Aha. Je wilt dus terug,’ zei Gretchen. ‘Je bent verstoten, of het werd je te heet onder de voeten.’

Hij keek haar even aan met die rare avatarogen – nog nét niet helemaal overtuigend. Toen knikte hij vaderlijk. ‘Scherp. Ik maak in jou de juiste keuze. Ja, zo zit het. Kijk, jullie denken dat wij Yedhimr zo wijs en verhezen zijn: zenmonniken die over KI en de Eeuwigheid mediteren. Niets is minder wortel! Bij ons bepaalt sluwheid je status, de hoogste vorm van kunst is wat jullie een practical joke zouden noemen. Stel je negentien biljoen Reinaerde de Vossen voor, Loki’s en Odysseusen. Alles draait bij ons om ashad. Je kunt dat het beste vertalen als “een pokerface waarin zelfs de croupier gelooft”. Zonder ashad zal geen vrouw je haar eierstrengen willen tonen.’ Hij schudde zijn hoofd en deze keer had hij de droefheid wel te goed te pakken. ‘Mijn ashad was abominabel. Iedereen doorzag mijn trucs en uiteindelijk werd mijn status zo laag dat ik naar de mensencirkel werd verbannen. Ik moet hier een andere invalshoek vinden. Een grap die nooit eerder vertoond is.’

‘Met Mohrstadt als slachtoffer?’

‘Dat alleen al zou het uniek maken. Jullie bazen, jullie arrogante Meisterboorders, gaan bloeden en hun zaden in onze zakken gieten.’

‘Ik doe mee!’ Ze hief haar hand op en de anderling bleek ingeburgerd genoeg om haar een high five te geven. ‘Hoe heet je eigenlijk?’

‘Oplichters gebruiken de naam die nodig is. Meisterkristalloog Ludovicus lijkt mij toepasselijk.’ Hij grinnikte heel verdienstelijk. ‘Meister, omdat een Yedhimr automatisch die titel verdient. Per slot van rekening bouwden wij de Schijf.’

 

 

4

 

In het Mackiedistrict van Mohrstadt werden je zaden op elke straathoek geroofd en wist je nooit waar het mes vandaan zou komen. Burgerboorders ontweken deze wijk vol rapalje en mislukte kristal­vorsers. De perfect plek dus voor Gretchen en Ludo om kwartier te maken.

‘Die woordensoep daar,’ hij bedoelde uithangbord, ‘kunnen we er ongestoord complotteren?’

‘Ich bitte dich! Mensch, ik ben hier ook voor het eerst.’

‘Ha, Mensch. Humor.’

Ze versnelde haar pas om de entree tot nachtclub Nichtsdestotrotz open te houden voor de drie meter lange, veelarmige avatar die zijn menselijke wandeltred nog steeds niet lekker onder de knie had. Ook binnen vlogen de bevreemde blikken hun kant uit.

‘Wil je het nu nog steeds niet geloven?’ Ze stootte in zijn dijbeen. ‘Je bent acht koppen te groot voor ons en wij variëren minder met ons aantal armen dan je denkt.’

‘Hm, hm, je hebt misschien een potlood.’

Ach, hij had tenminste zijn ware gestalte in de koets gelaten. Het aquarium stond veilig geparkeerd in een garagebox, bedekt, vrij van nieuwsgierige ogen.

Zodra ze in een paarsbelichte nis zaten, nam een serveerster in dirndl hun bestelling op.

‘Aha!’ riep Ludo. ‘En dan is het nu tijd voor de list, de weldadige truc, de ontwrichting. Je opleiding begint hier, onvolwassen zygoot!’

 

De eerste oefening was in vingervlugheid. Of, zoals Ludo het uitlegde: ‘Deze vleeskloon is van inferieure kwaliteit. Van gedachte tot beweging duurt twee picoseconde; een oeverloze vertraging! Ik ben dus van de afleiding, jij afdeling gaphandjes.’

Gretchen en hij stonden voor een juwelier die zich specialiseerde in cocktailringen.

‘Ik, eh,’ zei Gretchen. Ze likte over haar lippen die ze voor de gelegenheid felrood gestift had. ‘Ik zou graag wat juwelen zien. Mijn oom Ludo zei, zoek er eentje uit die goed bij mijn huid past. De kleur van mijn haar.’

Ludo knipoogde naar de edelsmid – die wist vast wel hoe het was met suikeroompjes en hun geheime concubines.

‘Mohr, wat mooi!’ kirde Gretchen. ‘Komt dit allemaal uit de schijf?’

Ze beroerde héél voorzichtig de fonkelende opaal, toen de saffier, de ring met de smaragd, de ketting van barnsteen. De juwelier hield de kist stevig vast: forse polsen met links een aardig klokje eraan.

‘Niet bepaald,’ zei hij met valse vriendelijkheid. ‘Dit komt nog van de oude aarde. De materialen die de Yedhimr niet gebruikten, leverden ze geraffineerd en schoongepoetst aan ons terug.’

‘Waarom zijn ze dan nog zo duur?’ grapte Ludo, alsof het hem geen moer kon schelen.

‘Om hun waarde te behouden, natuurlijk. Stel je voor dat iedere stumper met zulke kostbaarheden loopt – u zou er niet meer mee gezien willen worden.’

Gretchen kon ondertussen niet ophouden met het bewonderen van de edelstenen. Plots was het blijkbaar genoeg. Ze schoot overeind en bedankte de ambachtsman. Voor hij kon antwoorden, was ze de deur al uit. Ludo gunde hem een blik van ‘Maîtresses, wat doe je eraan?’ en stapte hartelijk naar buiten.

De juwelier had het tweetal maar onbetrouwbaar gevonden en zijn edelstenen geen moment uit het oog gelaten. Hij sloot opgelucht zijn winkel, zeker dat er geen één was ontvreemd.

De volgende ochtend stond hij echter vloekend voor zijn badspiegel: zijn antieke Rolex was verwisseld voor een prul.

 

‘Ik dacht aan zaden,’ zei Ludo achteloos. Hij had inmiddels zijn armen gereduceerd tot het standaard duo en was vijftig centimeter geslonken.

‘O-oh?’

Gretchen was buiten adem. Ze was al honderdmaal van de ene kant van de steeg naar de andere gesprint – over de containers, onder het rooster door – een ware hindernisbaan. Nooit was ze snel genoeg, altijd zag hij haar uit zijn ooghoek. En nu hield die buitenaardse rakker ook nog een lezing.

Nog eens.

Ze zette af en probeerde razendsnel doch geruisloos het parcours te doorlopen.

‘Dat vind ik dus echt knap aan jullie. Mensen hebben buiten­proportionele hoeveelheden biomassa nodig voor de vertering van spijs. Nu biedt onze schijf oneindige ruimte om voedsel te verbouwen, en wat doen jullie? Jullie programmeren de zaadjes genetisch zo dat ze maar één keer bloeien en daarna niet meer. Jullie hinderen je groei om de zaden als handelsvector te kunnen gebruiken!’ Ludo schaterde, wat per ongeluk veranderde in huilen, toen weer lachen. ‘Meisterlijke oplichting. Ik neem er mijn hoofd voor af.’

Ze was er bijna.

‘Daar, bij de afvalsloot.’

‘Ach, scheiße!’

Opnieuw.

Glip in de goot, kruip achter de kliko’s, over die ellendig krakende ladder…

‘Maar alle gekheid op een spies. Kunnen we niet iets met zaden doen? Ze op een of andere manier kweken dat ze meerdere generaties meegaan, en daarmee de markt bespelen?’

Voor zo’n knaller zou ze terug moeten naar de hydroponische kas waar ze had gewerkt. Alsof iemand een dolk in haar hart stak: alleen de gedáchte al dat ze haar oude leven weer moest oppakken…

‘Te ingewikkeld,’ pufte ze. ‘Zaden zijn enkel ons doel, niet het middel. We hebben iets simpelers nodig. Iets waar elk burgerboordershart sneller van gaat draaien.’

‘Mee eens. Is dat een fladderend jasje dat ik zie?’

Ze vloekte nog eens hartgrondig, maar dacht: Als ik eerder op mijn buik ga, ben ik stiller. Dit lukt me.

 

De knisperende hologramborden in Mohrstadt rapporteerden een mini-misdaadgolf. Oplichters gesignaleerd: tientallen zaakjes en mensen waren verblüfft en zadenloos achtergelaten. De inwoners van het Mackiedistrict haalden hun schouders op.

 

Drie weken en honderd lessen later hield Ludo een kleine ceremonie: volgens hem was Gretchen er klaar voor.

‘Ik voel zelfs, ja, ik ben er zeker van: een beginnende ashad die in je opborsten!’

‘Laat mij het woord maar doen, Ludo,’ Gretchen grijnsde, ‘wanneer we onze slag slaan. Wat dat ook zal zijn.’

‘Was dat sarcasme? Kijk, zo goed ben je inmiddels – ik wéét het gewoon niet meer bij je.’

Hij mepte op haar voorhoofd met een loeiharde currywurst. Voor Yedhimr was het vast een teken van liefkozing of respect, voor Gretchen was het vooral een pijnlijke straf. Hij kreeg een pets ter vergelding (voelden ze wel pijn via hun avatar?), daarna wreef ze met een zuur gezicht over de beurse plek.

‘Jullie schedels kunnen wel wat hebben hoor,’ grapte Ludo. ‘Minstens diamant-4.’

Het zeer was op slag vergeten. ‘Daar zeg je iets… Mohr-im-Paradisio, ik denk dat ik weet wat we moeten doen.’ Ze stak een vinger in de lucht. ‘St. Mohrsdag en het Grote Boorfestijn!’

 

5

 

‘Ik heb eens nagedacht, Ludo,’ zei Gretchen drie dagen later, ‘over de hele operatie.’

‘Altijd een goede gewoonte, nadenken. Ga door.’

‘Waarom eigenlijk al die moeite? Jullie hebben de schijf gebouwd en als jullie diamant-6 kunnen maken, dan vast ook wel diamant-7. Kweek gewoon een boorkop van zeven! Geef ze op het festijn precies wat ze wensen.’

‘Een gebruikelijke, menselijke misconceptie! Wij bouwden de Schijf helemaal niet: dat deden de KI’s, onze kunstmatige intelligenties.’

‘Na und?’

Hij spreidde zijn handen. ‘Je snapt het niet. Wij programmeerden de eerst KI’s zo’n vijftig miljoen jaar geleden. De volgende generatie ontwikkelden zij echter zelf. Na de derde iteratie was er geen Yedhimr intelligent genoeg om hun uitleg te snappen. “Bouw een Aldersonschijf,” bevalen wij ze, en dat deden ze. Nee, melkmeisje, wij zijn de magiërs die de spreuk kennen om demonen voor ons te laten werken. Zelf toveren kunnen we niet.’

‘Dan is het nog steeds makkelijk zat. Roep zo’n demon op en vraag hem om een boor van diamant-7. Einfach!’

‘Iemand met zo’n lage ashad als ik?’ Ludo leek waarlijk gekrenkt, maar het was vast komedie. ‘Daar verschijnen ze echt niet voor. Laat staan dat zij mij gehoorzamen. En zelfs als dat zou werken: waar zit het bedrog? We geven ze precies wat ze wensen en krijgen ervoor betaald. Zoiets zou mij juist mijn laatste flinter ashad kosten…’

‘Goed, ik snap het, entschuldigung. Meld ons dan maar aan voor de boortest.’

‘Eergisteren al gedaan! Het kostte ons bijna alle zaden als onderpand.’

‘Wie zijn we precies?’ vroeg Gretchen. ‘Straks?’

‘De oude kristallograaf en zijn aanbiddelijke kleindochter, die helemaal idolaat van het boorgebeuren is.’

Hij morphte tot zijn huid bruin en rimpelig kleurde en er witte haren uit zijn schedel ontsproten. De avatar had zelfs poriën, zag Gretchen, en stoppels op zijn wangen. Dit was het betere werk.

 

Het festival zou over negen dagen beginnen en de ingang van de boortoren hing al vol lampions.

Ludo toonde de bewaker de vervalste kaartjes.

‘Dat is amper nodig, Meister,’ zei de bewaker. ‘U hoort hier duidelijk thuis.’

Ze namen de lift omlaag, een gevaarte zo wijd als een hockeyveld. Door de ramen zag Gretchen de boor voorbij snellen en hij leek haar sneller te draaien dan de keer dat ze naar het Kraaiennest gingen. Alsof ze toch nog een laatste wanhoopspoging deden om door de laag diamant-6 heen te breken.

Het eerste stuk verliep in vrije val en ze moest de armsteunen van haar stoel vastgrijpen om niet naar het plafond op te stijgen. Daarna kwam het gewicht terug en werd ze in de kussens gedrukt tot ze naar adem hapte.

Een schok en de grote deuren schoven open: ze waren onderin de Schacht, het heiligste der heiligdommen. Voor hen lag de befaamde St. Mohrzaal, waar de boorpunt zich in de schijf vastbeet. De punt was duidelijk diamant-6, vol regenboogglitters en moirépatronen. In de loop der jaren had de punt een ondiepe kuil uitgesleten in het keiharde materiaal, louter door wrijving. In een aangrenzende ruimte stonden de testplaten opgesteld, die binnenkort de hoofdrol speelden tijdens de festiviteiten.

Ludo trok een replica-testplaat van diamant-2 uit zijn buidel – vrij goedkoop te produceren, het had nauwelijks waarde. Hij streek met een knipoog over het oppervlak. Een hologram spreidde zich over het object uit en nam precies dezelfde schittering aan als diamant-6. Dit was Yedhimr-tech: veruit superieur aan alles wat mensen konden brouwen.

Hij stak haar de testplaat toe. ‘Nu is het jouw beurt.’

Ze danste op de suppoost af in een werveling van tule.

‘O, meneer,’ kirde ze, ‘is dat hem echt? De testplaat die St. Mohr persoonlijk uit de schijf gebikt heeft?’

Wat natuurlijk klinkklare nonsens was. Mohr leefde, als hij ooit echt bestaan had, eeuwen voor de boortoren zelfs maar opgericht was.

‘Dat is inderdaad zo, meisje.’ Hij streek over zijn snor, plukte aan de uitwaaierende bakkebaarden. Dit was duidelijk een persoon die geen ervaring met sexy bakvissen had. Gretchen greep zijn arm vast. ‘Weet u wat mijn diepste en grootste verlangen is?’

‘Eh, nee?’

‘Om de steen aan te raken, meneer. Gewoon even aanraken. Ik geef hem echt meteen terug.’

‘Tja.’

‘Ik weet dat het natuurlijk niet mag…’

Ludovic was dichterbij geslenterd, een en al toegeeflijke waardigheid. ‘Ik vrees dat mijn kleindochter een beetje opdringerig is, maar ja, de Sint is onze huisheilige en…’

‘Och, een keertje kan geen kwaad.’ Hij stak zijn sleutel in de vitrinekast, reikte haar de testplaat aan. Ze streek er met haar vingertoppen over, haar ogen groot van ontzag.

‘Meneer?’ Hij keek naar haar, niet langer naar de plaat, en ze vloog hem om de hals. ‘Vielen dank! U bent toch zo lief! Dit zal ik nooit vergeten!’

Hij maakte zich voorzichtig los uit haar omhelzing en legde de plaat terug in de vitrine. Het slot klikte.

‘Graag gedaan.’

 

‘Dat was glücklich makkelijker dan ik had gedacht,’ zei ze in de lift. ‘Ik hoop alleen dat niemand het verschil in gewicht merkt. Onze plaat weegt een stuk minder dan de echte.’

‘Allang geregeld, naïeve luis.’ Dat bedoelde hij uiteraard liefkozend. ‘Diamant-6 is zeker tweemaal zo zwaar omdat de koolstofatomen een stuk dichter op elkaar gepakt zitten. Ik gaf onze fake daarom een kern van kristallijn platina. Het is precies op gewicht.’

 

 

6

 

Of Gretchen inmiddels echt een ashad had, zoals Ludo beweerde, wist ze niet – maar ze had inmiddels goed in de smiezen hoe een degelijke oplichterij eruitzag. Eerst deed je het voorwerk: kostuums en een goedgekozen accent om verwarring te zaaien. Tijdens de afleiding verwisselde je dan iets authentieks voor een imitatie, iets hards voor iets zachts. Een testplaat van diamant-6 voor eentje van diamant-2.

Dan kwam de truc. Voor het soort waar Ludo op aasde moest het slachtoffer zelf toekijken en er volledig intuinen. Iedere zakkenroller kon iets stelen als de eigenaar er niet met zijn neus bovenop zat – maar waar zat daar de vaardigheid in?

Of de lol?

Gretchen gaf toe: ze had hier meer plezier in dan verwacht. Het kietelde haar zenuwen op een fijne manier.

‘Dus we arriveren op het feestgedruis met onze boor van diamant-4, die normaal gesproken bij lange na niet door de testplaat zou komen…’ Ludo kon het niet laten het plan te doorlopen. Hij zag het al helemaal voor zich.

‘Ware het niet dat we die plaat hebben vervangen. Genau?’ Ze slurpte aan haar houtskoolshake. ‘En dan ziet iedereen ons succes en vallen hun monden open en collecteren wij de jackpot.’

‘Een exorbitante zadenbuit.’

En ze hoefden zich beslist geen zorgen te maken dat iemand anders eerder hun nep-testplaat zou gebruiken. Er was al jaren geen uitvinder gek genoeg geweest om een jaarloon aan het wedstrijdgeld stuk te slaan – niet zolang er geen doorbraak was in artificiële hardheid.

‘Voor ze weten dat het bedrog is, zijn we al weg.’

Een geratel trok Gretchens blik naar het deelnemersbord dat rond een boorvormige ballon boven de feesthal-in-opbouw hing. Ludo en zij stonden tegen de reling en keken neer op de tienduizend stoeltjes die zichzelf uitklapten. Op het verre podium werd straks de jaarlijkse ceremonie gehouden. De prestaties van kristalvorsers en laboratoria uit heel Mohrstadt werden gevierd, in verschillende klassen. Het was al een prestatie om diamant-3 of -4 te maken, daar kwam nog keurig applaus voor. Het deelnemersbord vulde zich dan ook met namen in elke categorie.

Alleen de hoogste, de hoofdprijs, de heilige graal van hardheid, had maar één deelnemend paar. Zij.

Een nieuwe ratel.

De bordjes klapperden, kwamen tot stilstand. Gretchen knipperde met haar ogen en liet haar shake op de reling spetteren. De anderling had nog niets door.

‘L-Ludo…’

‘Wat is er, door-en-door-vlees? Sorry: Mensch?’

Ze wees naar de deelnemer die in hun categorie was verschenen, vóór hen zelfs.

Ludo stelde zijn ogen scherp en kakelde: ‘Zo zo, een opponent. Dat is onaccupunctuur.’

Een concurrent die hun bedrieglijke testplaat als eerste zou gebruiken en daarmee hun stunt aan het licht zou brengen, of nog erger: er met de buit vandoor zou gaan. Maar dat was in Gretchens optiek niet eens het ergste. Haar ingewanden verpulverden tot gruis: de naam boven de hunne was Stephanus Tocht. Háár Stephan.

 

Een kosmische grap, dat was dit. Een knipoog van de Yedhimr. Van alle dingen die ze het minste wilde, stond terugkeren naar hun appartement op nummer één. Toch stond ze hier en verdammt, haar sleutel paste nog in de voordeur.

Aankloppen? Als een vreemde? Het was nog geen twee maanden geleden dat ze hier woonde. Dat voelde inmiddels aan als jaren. Gretchen werd tegenwoordig omringd door uitschot en anderlingen, maar óók spektakel en kleur.

Ze duwde de klink naar beneden.

Stephan zat uitgeblust op de bank – net terug van werk – met een koffer vol vers gekristalliseerde boorkoppen nog op schoot. Voor ze haar keel schraapte om aandacht, rook hij haar al.

Dit was waar ze al die tijd voor had gevreesd: die gigantische ruzie die nog gevoerd moest worden. Stephan was overdonderd door haar aanwezigheid en stond op.

Gretchen zwaaide flauwtjes, mompelde een hallo.

Zijn blik van ongeloof veranderde in gelukzaligheid. Nu wist ze wat het was om een puppy te hebben. Hij schoot naar haar toe en pakte haar handen vast.

‘Gretchen, het is me gelukt!’ riep hij extatisch. ‘Diamant-7, Mohrzijgeprezen! Ik wist al dat ik op het juiste pad was, het afgelopen jaar, en hé, ik begrijp het, ik was alleen maar aan het werk en had geen aandacht voor je. Nu wordt alles anders. Maar weet je: ik wist dat je terug zou komen, je moest alleen even je hoofd weer recht op je nek draaien.’

Ze werd bijna boos. Stephan hoorde woedend te zijn, niet zielsblij! Ze was verdomme weggelopen zonder een boe of bah. En wáárom dacht hij precies dat ze was vertrokken? Een deel van haar wilde tegen hem snauwen dat hij zelf dolgedraaid was, maar als zijn aannames haar een vrijkaartje gaven – ausgezeichnet.

Zie dit als een volgende oefening, hoorde ze de stem van Ludo, die steviger in haar hoofd zat dan ze had gedacht.

Het duizelde Gretchen ineens en ze zeeg neer op de bank.

‘Ik heb het niet verdiend,’ murmelde ze, bleekjes, ‘maar zou je nog een keer wat Kräutertee voor me willen zetten?’

Dat hoefde je Stephan niet tweemaal te vragen. Hij stoof enthousiast de keuken in. Zodra Gretchen de ketel hoorde pruttelen, gleed ze in spagaat op de grond en vingerde een boorkop uit de koffer. De diamant had een fonkelrode kern die aan het zwart grensde. Het licht werd zo sterk gebroken dat enkel de langste golflengtes overbleven.

Het doelwit had ze ook al in haar vizier: die spuuglelijke vaas van diamant-6. Stephan wist ze stevig te maken, maar een groot kunstenaar was aan hem niet verloren gegaan.

Ze mikte de punt in de onderkant en schraapte er zomaar een krul vanaf.

Het is ‘m gewoon gelukt! Niet juichen nu, dat hoort hij. Diamant-7… Het spul is als natte klei onder zijn boor!

Voordat de thee zich klaar floot, zat ze weer terug tussen de kussens. Stephan kwam met een dampende mok van vulkanisch gesteente uit de keuken.

Hoe blij ik ook voor hem ben, dacht Gretchen met een slurp, als hij op het festival verschijnt, zijn we het haasje.

Ze boog zich naar voren. ‘Diamant-7! Stephan, liefste, dat moeten we vieren.’

 

‘Herr Thomas en Frau Hadewich Gauss!’

De ceremoniemeester maakte plaats voor de aangekondigde deel­nemers. Het echtpaar schuifelde zenuwachtig de bühne op onder felle mijnschachtwerpers. Thomas viste een boorkop uit zijn gereedschapskist, spoog er een dikke fluim tegenaan en wreef hem extra op – de zaal griezelde er hoorbaar van.

Die gruwel sloeg om in bewondering toen Hadewich niet alleen succesvol door de testplaat van Diamant-4 heen kwam, maar er met uitgebreide zwieren een tekening in schraapte. Voordat de schaafsels waren gevallen, toonde ze haar ets aan het publiek: een schets van Mohr zelf, met een kapsel dat uiteen waaierde in vloeiboren.

‘Een stilistisch Meisterwerk!’

Dit was zoveel beter dan waar de andere deelnemers mee waren gekomen! Die hadden hooguit neonverlichting op hun kleding of een kop die het stadslied afspeelde tijdens het draaien. Terwijl het publiek floot en met de voeten stampte, ramde een enthousiast jurylid op de gouden buzzer. Direct hoosde het confetti op Herr en Frau Gauss, die per decreet hun categorie wonnen. Mohrstadt ging uit zijn dak.

Snel, bezems, een hardheid omhoog!

Gretchens zenuwen waren al lang en diep uitgemijnd. Haar training ten spijt was dit alsnog te veel druk en spanning om goed aan te kunnen. Om rustig te blijven tot haar klasse aan bod kwam, glipte ze weg van Ludo’s zijde en bestelde Zwarte Olie (bessensap was niet chic genoeg als benaming) aan de bar.

‘Is het zo moeilijk voor mensen om hun vorm in bedwang te houden?’ Hij was haar gevolgd. ‘Het lukt mij toch ook met deze hopeloze koolstofmassa?’

Gretchen slurpte de schuimkraag weg en peinsde er niet over zijn vraag te beantwoorden. ‘Waarom stalen we Stephans boor niet? Ik had hem vast, het was een peulenschil geweest.’

De anderling hoefde eigenlijk al niet meer te antwoorden. Omdat het hem geen greintje ashad opleverde, wist Gretchen meteen. Hun bedrog zelf was het doel. Ze zou nooit wennen aan de mores van de Yedhimr.

 

‘Stephanus Tocht.’

Hier had de stad naar toegeleefd. Niet één, maar twee kandidaten in de allerhoogste poule. Dat was al tijden niet meer voorgekomen, en ondanks gezonde scepsis of er vandaag een mirakel zou gebeuren, prikkelde het de verbeelding. Het zou toch eens lukken…

Stephans naam bleef hangen op de speakers, de ceremoniemeester keek verwachtingsvol de coulissen in. Gretchen, dieper backstage, hield haar ogen strak naar voren. Zweetdruppels parelden langs haar slaap.

‘Laat ons niet in de spanning zitten, Herr Tocht!’, maar het podium bleef verlaten.

Ludo was alleszins meer ontspannen, maar dat kon gespeeld zijn. Hij floot een complexe melodie waarvoor een mens drie tongen nodig zou hebben. Waarschijnlijk bezat hij die.

De kandidaat werd voor een derde maal opgeroepen, en inmiddels werd het publiek onrustig. Niets maakte een presentator angstiger dan dat, dus de man in zijn glitterhabijt gaf een knikje naar de jury. Die drukten prompt op hun zwarte knop. Het podium baadde in felrood licht, alsof ze uit het Paradisium waren geschopt om terecht te komen in de Infernale, de plek waar burgerboorders belandden als ze niet genoeg hun best hadden gedaan de onderzijde te bereiken.

‘Het lijkt erop dat Herr Tocht koude voeten kreeg,’ grapte de ceremoniemeester. ‘Die krijgt onze Motivatiedienst binnenkort over de vloerrrr…’

Gelach uit de zaal; Schadenfreude was bijna net zo goed als vreugde zelf.

Je hebt het niet goed gespeeld, Stephan, overwoog Gretchen. Ze kon het niet laten sip voor hem te zijn.

‘In dat geval hebben we zowaar nóg een deelnemer dit jaar om de last te dragen – en de glorie! Tenzij ik nu voor een tweede maal in mijn hemd wordt gezet, wil ik graag een applaus voor Fräulein Greta Obst!’

De opgebouwde spanning voor Stephan vloeide nu automatisch naar Gretchen. Ze wandelde zwaaiend de schijnwerpers in, naar een zicht­baar opgeluchte presentator. Alles daarna was eigenlijk kinderspel. Ze zette haar standaardboor op de doorgestoken testplaat, deed alsof ze zich maximaal inspande en draaide er potloodslijpsel uit. Het publiek hield de adem in. Ze konden het niet meteen geloven.

Niets in Gretchens leven had haar voorbereid op het gevoel van tienduizend man die voor haar juichte. Hun applaus was een rollende donder. Zelfs de ceremoniemeester kon er weinig tegen beginnen. Pas na een half uur stierf het weg, vooral omdat alle handen rood en gezwollen werden.

Kijk ze nou eens, dacht Gretchen glunderend, de brave burgerboorders die geloven dat ze nu allemaal in het Paradisio komen.

‘Gezegend zij de heilige Mohr!’ riep de presentator. ‘Voor het eerst in een generatie kunnen we weer dieper boren, en ditmaal tot de andere zijde!’

Ludo had zich heel terloops bij haar op het podium gevoegd. In de euforie lette niemand echt meer op. Met wat vriendelijke porren van Gretchen en hij bracht de meester ze naar de fonkelende kluis van diamant-5. Daar lag de prijs: de traditionele juten zakken vol zaden, genoeg om een vorstelijke dynastie binnen Mohrstadts elite te stichten.

Ludo’s avatar hield zich keurig in, maar Gretchen greep een hengsel en was niet van plan die ooit weer los te laten.

De ceremoniemeester sloeg zijn armen om hen beide. ‘Terwijl wij hier stonden te vieren, waarde winnaars, hebben onze technici jullie boor reeds geïnstalleerd boven de kernlaag. Jawel, we verspillen geen seconde! Het doet mij deugd jullie uit te mogen nodigen voor de proefboring, tijdens het galadiner in deze zaal, in het bijzijn van zijne excellentie, de hoogheilige Meister zelf.’

Gretchen verbleekte, maar gelukkig was Ludo bij de pinken. ‘En wanneer heeft dit diner plaats, weledelgestelde?’

‘Over een klein uur, en jullie aanwezigheid is absoluut essentieel.’

‘Voortreffelijk!’ Gretchen was wakker geworden. ‘Maar voor zo’n audiëntie met de hoogheilige kan ik echt niet verschijnen in dit kloffie. Ik ga me razendsnel omkleden.’

‘Perzik, en ik,’ de taalmodule kon Ludo’s haastige gedachten niet bijbenen, ‘zie dat mijn stikstof dringend moet worden bijgevuld.’

De ceremoniemeester kreeg geen tijd om zich af te vragen waar iemand stikstof voor nodig had. Zijn twee kampioenen haastten zich het podium af, met in elke hand een draagzak vol zaden.

 

Stephan waarde rond in een dikke mistlaag, zo eentje die onverklaarbaar opsteeg uit een grondlaag tijdens het boren. De wereld was buitengewoon wazig en… paars.

‘Gretchen?’ zei hij met een gortdroge keel.

De smog trok weg. Hij lag op een zacht bankje, in een cabine, met veelgekleurde lampen die warm op zijn gezicht schenen. Stephan spartelde omhoog en schoof een smal deurtje opzij. Ongelooflijk: hij keek uit op een lege nachtclub. Door spleten in het geblindeerde venster lonkte daglicht. Toen hij uit het compartiment glipte, rinkelden lege flessen Schnapps rond zijn voeten.

‘Oppassen met dat vriendinnetje van je,’ adviseerde een stem vanaf de toog. Daar stond een morsige vrouw in dirndl haar glazen te poetsen. ‘Ze tikte evenveel weg als jij, alleen dronk zij uit die watertank achter je.’

Stephan probeerde te begrijpen hoe hij hier precies was beland, maar herinnerde zich hooguit Gretchens lach. Die heerlijke lach, tijdens het drankje om zijn prestatie te vieren.

 

 

7

 

De zon glipte weg achter de Drüsselburger duinen, lanceerde nog een laatste smaragdgroene straal de hemel in en toen viel de nacht. Het aquarium, voortspoedend op een magnetisch veld, had voor de gelegenheid een kleine koets op zijn top gevormd. Ludo en Gretchen zaten op zijn pluche stoelen, veilig uit de wind achter een scherm van synthetische robijn.

‘Vertrouwen is een mooi goed,’ zei Ludovic, ‘maar onder beroeps­oplichters is dat enkel dwaas.’

‘Helemaal mee eens,’ zei Gretchen. ‘Und jetzt, hoe pakken we het aan? Het aloude kiezen of delen?’

De anderling knikte. ‘Jij verdeelt de zaden en ik kies mijn hoop.’

Zo geschiedde.

De zaden waren in Gretchens ogen vele malen mooier dan dode juwelen, hoe kleurig of fonkelend ook. Uit ieder nootje of geschubde bes zou een complete boom groeien, een orchidee of een fiere brandnetel. Ze sorteerde de zaden, verdeelde ze over de tafel. Elk zaad was van elitekwaliteit, minstens honderd graankorrels waard.

‘Deze,’ wees Ludovic. ‘Kan ik de oorspronkelijke zak gebruiken? Ik heb er hier eentje voor je eigen zaden.’

Gretchen grinnikte. ‘Een trofee, ja? Ik snap het. Mij gaat het enkel om de zaden.’

 

De lichten van het station hesen zich boven een rij ornamentele cactussen uit. Iets erbuiten rees het silhouet van de nucleaire locomotief op. Wolken stoom dreven langs de opbouw en de heraldische feniks op de boeg had ogen zo vurig als de Infernale.

 

‘De trein vertrekt te middernacht,’ zei de kaartjesverkoopster. ‘De eerste halte is het Woud van Arden. Wat kan ik voor jullie uitprinten?’

‘Ik hoef niet verder dan het Woud,’ zei Gretchen. Ze telde de zaden uit. Haar berg leek er geen fractie minder hoog door.

‘Geef mij maar een onbeperkt ticket,’ zei Ludovic. ‘Ik moet nog een heel eind. Helemaal tot de Jupitermuur.’

‘Schönes Abend,’ zei de dame en reikte hen de kartonnen kaartjes aan.

Gretchen voelde een steek chagrijn. Zo makkelijk te vervalsen, dit! Het had enkel een hologram van de Wereldtrein om het te waarmerken. Die kon ze tegenwoordig repliceren in een minuut of twintig.

Ist mir egal, dacht ze. Ze had haar doel bereikt.

 

Ludovic schudde haar wakker: de treincoupé lag vol poelen van zonlicht, alsof ze onder een bladerdek tuften.

‘Ik gokte dat je dit niet zou willen missen.’

Bomen schoven buiten voorbij, kathedraalstammen die naar een zinderend blauwe hemel reikten. Ze ving een glimp op van een zwerm pelikanen, daarna een reusachtige, traag stromende rivier.

‘We zijn er bijna,’ zei haar vriend, maar hij verbeterde zichzelf: ‘Jij bent er bijna.’

En ja, de trein begon al af te remmen, gleed een station in dat uit louter hout was opgetrokken. Op de daken groeide muurpeper, een geel veel mooier dan het zuiverste goud in Gretchens ogen.

‘Dankeschön,’ zei ze tegen Ludovics avatar. ‘Zonder jou was ik hier nooit gekomen.’

‘Och, we hielpen elkaar. Allebei op onze eigen wijze.’

 

Ze keek de trein na, die als een stalen wolk uit haar leven weggleed, en zoog de lucht diep in haar longen. De geuren van appelbloesems, van nat sterrenmos en heimelijke stroompjes. Twee mensen wandelden over een pad van raaigras naar the station. Ze wuifden en Gretchen wuifde terug. Mijn mensen. Boomkussers en blad-aaiers. En ik kom niet met lege handen.

Ze trok de sluiting van haar overvolle zaadzak open en wist bij de eerste graai dat het mis was. Faliekant mis. Het zaad voelde te droog en te glad aan. Ze zette de buidel neer en bekeek de oogst. Ze zagen er precies hetzelfde uit en waren overduidelijk uit plastic gegoten.

Ze lachte en spreidde haar armen om de bries te voelen.

Laat hem, gun Ludovic zijn ashad. Dit is de perfecte truc. De bedriegster bedrogen zoals het hoort.

In haar hoofd zat een grotere schat. Ze kende de genomen van vijfduizend bloemen en geen korstmos had geheimen voor haar. Bovendien ben ik jong en sterk, en er is niks mis met het omspitten van een moestuin om zaden in de verse aarde te planten.

‘Hoi!’ riep ze. ‘Ik ben Gretchen,’ en rende haar nieuwe woudgenoten tegemoet.

Voor het ongeluk geboren : Wouter van Gorp

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? De strepen? Niet alleen de witte en gele lijnen die de weg volgen in iedere kromming, over iedere heuvel in het dorre landschap, maar ook de stroperige strepen teer die over het wegdek liggen en de illusie wekken dat dit stralend voorbeeld van de Amerikaanse open road onderhouden wordt?

Je waant je zeker veilig op deze weg, gelooft dat het een getemd beest is, een gemak, een hulpmiddel om met je Buicks en Chevy’s overheen te scheren en de mijlen asfalt onder je banden voorbij te zien vliegen.

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

Waarom ik dit weet? Je kunt zeggen dat ik er beroepshalve achter ben gekomen. Ik ken de weg, ik bereis haar, en ik let op. En eens in de zoveel tijd zijn mijn vaardigheden nodig.

Want net als iedere god, is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit, en op bloed.

En dan komen wij in het spel.

 

Nevada, 1978

 

Op de WC achterin de All Day Burger werd Ramscaps vermoeden bevestigd.

‘Shit! Shit, shit, dubbelshit!’

Hij zat op zijn knieën voor het toilet, zijn ellebogen rustend op het kunststof deksel. Om hem heen lagen stukken gereedschap en de onderdelen van de gedemonteerde stortbak. In zijn in latex gehulde handen hield hij de resten van wat ooit zijn prooi was geweest.

‘Shit…’

Het lichaam, dat als een waterig vlies haar oorspronkelijke vorm snel begon te verliezen, leek Ramscap vanuit een uitgelopen gezicht grijnzend aan te staren. Ramscap herkende de gelaatstrekken maar al te goed. Tot dit moment waren het de gelaatstrekken geweest van het wezen – niet de man, hoe verleidelijk het ook was om dat woord te gebruiken – dat hij dwars door de staat opjaagde.

Maar die gelaatstrekken gingen hem niet meer helpen zijn prooi te herkennen.

‘Twee uur,’ mompelde Ramscap, terwijl hij met zijn vingers over de blubberige massa van het gezicht streek en zag hoe de huid in klonters losliet. ‘Twee uur geleden. Het spoor is nog vers.’

‘Wat zeg je allemaal?’ riep de man uit het hokje naast hem. ‘Gaat ‘ie goed daar?’

Ramscap verspilde geen tijd. Snel stak hij de waterige resten terug in de stortbak – die zouden daar geheel oplossen – en schroefde de WC weer in elkaar. Nog geen minuut later liep hij door het familie­restaurant naar buiten. Een jong stel keek toe hoe de grote inheemse Amerikaan met donder in zijn ogen door het restaurant beende en de gele handschoenen van zijn handen pelde. De handschoenen belandden in de prullenbak, maar het stel keek er niet van op.

Dit was de open weg. Hier bemoeide men zich met zijn eigen zaken.

Dat kwam Ramscap goed uit.

‘Ramscap hier,’ sprak hij even later door de portofoon van zijn roestrode pick-up. ‘Ik ben bij de All Day.’

‘Bonafide hier,’ kwam het krakerige antwoord. ‘Doelwit gesignaleerd?’

‘Negatief. Doelwit heeft huls achtergelaten. Twee uur geleden. Huidige vorm onbekend.’

‘Shit… Is ‘ie nog daar?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Negatief.’ Hij keek naar de weg, die oost-west door het verlaten landschap sneed. ‘Wat ligt er in het oosten?’

Over de portofoon klonk het geritsel van kaarten. ‘Een knooppunt, na 70 mijl. Door naar Fort Jumpter in het oosten, Gennaro in het zuiden. Noordwaarts naar…’

‘Niet noordwaarts,’ onderbrak Ramscap zijn partner. ‘De afgelopen dagen hield hij steevast het zuiden aan.’

‘Juist. Oost of zuid, dus. Welke neem jij?’

‘Oost. Neem contact op zodra je hem ziet.’ Ramscap was even stil. ‘Dit wordt een grote, Bona. Ik voel het.’

‘Laten we hopen dat je het mis hebt.’

Inderdaad, dacht Ramscap, terwijl hij zijn pick-up met grommende geluiden weer de weg op loodste. Laten we het hopen, voor alle reizigers van Amerika.

 

*

 

Susan Bravado kreeg weinig medeleven van de oude pompbediende.

‘Luister,’ zei ze met op elkaar geklemde kaken. ‘Ik ben m’n creditcard kwijtgeraakt. En nee, ik weet niet waar dat is gebeurd. Kan goed tweehonderd mijl geleden zijn geweest. En nee, ik kan niet terug om te gaan zoeken, want ik heb geen benzine. En die benzine kan ik niet kopen, ik heb geen creditcard. Maar ik moet naar Gennaro, want… ’

‘Geen betaling, geen benzine,’ onderbrak de pompbediende haar. In zijn gegroefde gelaat was geen greintje emotie te bespeuren. ‘Als we iedere bedelaar met een zielig verhaal benzine moesten geven, hadden we aan het einde van de dag niets over.’

‘Hier!’ Susan sloeg een paar verfrommelde biljetten – het schamel restant van haar financiën – op de toonbank.  Haar horloge volgde. ‘En deze! Bok op met je ‘bedelaar’! Ik moet naar Gennaro, dus als je m’n schoenen ook nog wil hebben, prima, maar geef me die verdomde brandstof!’

De oude man bekeek het horloge kalmpjes. ‘Die kunnen we niet aannemen. Cash of creditcard, staat duidelijk op de deur.’

Hij wees naar de glazen deur, die net op dat moment met een irritant vrolijk geklingel openging. Een tanige vrouw met donker geverfd haar en spijkerjack – Susan schatte haar eind 50 – stapte het tankstation binnen.

‘Middag,’ zei ze. ‘Dat is jouw Buick buiten? Sorry, maar je blokkeert de pomp.’

‘Mevrouw kan niet betalen,’ zei de pompbediende droogjes.

‘Creditcard kwijt,’ mompelde Susan.

‘Hmm… welke kant ga je op?’

‘Gennaro. Hoezo?’

‘Mevrouw gaat helemaal nergens heen, want mevrouw kan de benzine niet…’

‘Ja, dat was me al duidelijk, dank je,’ onderbrak de tanige vrouw de pompbediende. Susan voelde haar waardering voor de vreemde groeien. ‘Oké, luister,’ de vrouw richtte zich nu tot Susan, met een verontschuldigende glimlach. ‘Ik moet ook naar Gennaro, of eigenlijk nog iets daarvoor. Mijn auto vertoont echter wat kuren, en ik riskeer het liever niet om midden op de weg stil te komen staan met pech.’

‘U kunt hier een garage bellen,’ probeerde de pompbediende behulpzaam te zijn, maar de vrouw wuifde zijn suggestie weg.

‘Er is haast bij, zie je. Een bruiloft. Nichtje van me. Wat nou als ik je benzine betaal, en jij mij een lift geeft?’

‘Naar Gennaro?’

‘Red Brook. Klein gehucht, net een paar mijl voor Gennaro. Hoeveel heb je nodig?’

‘Ehmm… 20 dollar moet genoeg zijn, maar ik… oh… wauw…’ Susan knipperde met haar ogen toen de vrouw een paar biljetten op de toonbank legde. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dankjewel.’

‘Breng me naar Red Brook. Dat is hoe je me bedankt.’ De vrouw grijnsde, en stak haar hand uit. Susan nam die gretig aan. ‘Susan Bravado,’ zei ze.

‘Dani,’ antwoordde de vrouw. ‘Dani Ransom.’

 

*

 

Enkele mijlen voorbij het knooppunt hield Ramscap halt bij een uitzichtpunt: een langgerekte vlakte bezaaid met picknicktafels, aan de ene kant begrensd door de doorgaande weg, aan de andere kant door een afgrond.

Waarom hij stopte, kon hij niet goed verklaren. Iedere rationele gedachte in zijn hoofd vertelde hem dat hij dóór moest rijden, haast moest maken, als hij hoopte zijn prooi nog in te halen. Toch bracht zijn instinct hem ertoe te stoppen bij het uitzichtpunt. In de afgelopen decennia had Ramscap geleerd naar zijn instinct te luisteren.

Er was slechts één andere auto, vast van de familie rondom een pick­nicktafel. Ramscap parkeerde zijn pick-up op een afstandje en liep naar een informatiebord. Terwijl hij deed alsof hij zich inlas over de flora en fauna die op de vlaktes beneden hem te zien zouden moeten zijn, zocht hij met geoefende blik de parkeerplaats af. Wat hij zocht? Iets dat kon verklaren waarom zijn instinct zo op hol was geslagen.

Daar: bandensporen. De stank bereikte zijn neusgaten een fractie van een seconde later.

Wat hebben we hier?

Er had overduidelijk een auto gestaan, nog niet zo lang geleden. En die auto was met volle vaart weggescheurd, gezien hoe diep de banden­sporen in de droge aarde stonden. Maar dat was niet wat Ramscap zo interessant vond.

‘Oh, verdomme…’

Voorzichtig daalde de man af aan de andere kant van het uitzichtpunt, waar de parkeerplaats eindigde in een dichtbegroeide helling naar beneden. Anderhalve meter lager lag het: een tweede huls, droger en beter bewaard dan de vorige.

Slechts door jarenlange ervaring en gehardheid wist Ramscap te voorkomen dat hij zijn maag leegde bij het zien van de slaphangende huid, uitgevallen haren en uitgelopen oogballen van de jongen.

Nog geen achttien jaar oud, dacht Ramscap, en hij liet een grom ontsnappen. Een jongen op reis, het Amerikaanse avontuur in. Gereduceerd tot een hol karkas door een wezen dat zijn moordlust niet kan beteugelen.

Nog een meter of tien lager zag Ramscap in het struikgewas een motor liggen. Hij ploeterde er naartoe, zichzelf aan stronken en stenen vasthoudend om niet door de vegetatie het ravijn in te struikelen.

Halverwege moest hij stoppen. Een hoestbui overviel hem, en aan het einde ervan moest hij bloed van zijn lippen vegen.

Niet eens de eerste keer deze week, dacht hij weemoedig. Hoe lang nog? Een jaar? Zes maanden? Minder?

Hij zette de gedachte van zich af. Denken aan sterven kon altijd nog: nu was er werk aan de winkel. Hij hervatte zijn afdaling naar het achtergelaten vervoersmiddel.

De motor leek nog te werken, maar droeg duidelijke sporen van geweld: deuken, krassen, verbogen metaal. In zijn hoofd probeerde Ramscap de tijdlijn te reconstrueren.

Het wezen kwam hier, in de vorm van een jongen op een motor. Hij ontmoette een nieuw slachtoffer en nam diens vorm aan. Een tweede metamorfose in zeer korte tijd… waarom?

‘Omdat hij weet dat we hem opjagen.’

Ja, dat paste. Het wezen kwam uit het westen, en was tot voorbij het knooppunt gereden. Daar had het zich een nieuwe gedaante en een nieuw vervoersmiddel aangemeten. Om terug te gaan naar het knooppunt, en de achtervolging af te schudden. Door naar het zuiden te gaan.

Goed dat we met z’n tweeën zijn.

Ramscap ploeterde weer omhoog. Op de parkeerplaats, half verborgen onder opgespat grind, vond hij het rijbewijs, ongetwijfeld aan het nieuwste slachtoffer ontsnapt tijdens zijn worsteling met het wezen.

‘Yes.’

Dank voor je slordigheid. Nu heb je een naam en een gezicht, kreng. En als je maar lang genoeg in deze gedaante blijft, vinden Bonafide en ik je wel.

Ramscap klom verder omhoog, de parkeerplaats op, en hervatte de jacht. Op ene Dani Ransom.

 

*

 

‘Donker haar, eind vijftig, zo lang?’

Bernard Bonafide hield zijn vlakke hand op schouderhoogte, om de zuur ogende man aan de andere kant van de toonbank een idee te geven van de vrouw die hij zocht. ‘Heb je haar gezien?’

De pompbediende haalde zijn schouders op. ‘Ik zie zoveel klanten. Kan het allemaal niet meer bijhouden.’

Bernard trok een wenkbrauw op en keek veelbetekenend door de winkel. Naast een oud vrouwtje dat door een gangpad schuifelde, hoorbaar op zoek naar melk (‘Melk, melk,’ mompelde ze) en hijzelf waren er geen klanten in het tankstation. Bonafide vermoedde dat dat hier de norm was, ongeacht het tijdstip.

‘Toch zou ik het waarderen als je tenminste probeerde je deze vrouw te herinneren.’ Bonafide glimlachte, en liet een biljet over de toonbank glijden. ‘Ik zou het zeer waarderen.’

De pompbediende knikte, en nam het biljet aan. ‘Een vrouw,’ zei hij. ‘Lang, donker haar? Midden vijftig?’

‘Eind vijftig.’

‘Ja, ik herinner me haar.’

‘En?’

‘En wat?’

‘En wat kun je over haar vertellen?’

‘Waarom zou ik je iets over haar vertellen?’

Bonafide staarde hem aan. ‘Luister vriend, volgens mij weet je niet helemaal hoe onze economie werkt. Ik heb je net een tientje toegeschoven. Vervolgens vertel jij me alles wat je weet.’

‘Nee, jij hebt net een tientje verspild. En ik heb je vraag beantwoord. Anders nog iets?’

Bernard ‘Bonafide’ Jenkins was een grote, aimabele man. Met zijn lange, brede postuur en vriendelijke, open gezicht leek hij op je favoriete oom of sympathieke football coach. Iemand met wie je een paar blikken bier achterover kunt slaan, die alles weet van auto’s en de sportcompetities, die met een vriendelijke lach en een knipoog door het leven gaat. Niet iemand die bijzonder gevaarlijk is.

Bonafide verraste mensen.

Met een vliegensvlugge beweging trok hij de pompbediende over de toonbank naar zich toe. De pompbediende haalde paniekerig uit, maar Bonafide weerde de klap af, sloeg de hand van de pompbediende neer.

‘Oké, luister goed…’

‘Grgh-’

‘Zeer eloquent. Luister! Ik kan nog heel wat meer druk toepassen als ik wil, dus is het aan jou om me te overtuigen dat niet te doen. Ik stelde je wat vragen, en ik verwacht antwoord te krijgen. Normaal gesproken ben ik wat vriendelijker, wat geduldiger in mijn ondervragingen, maar de tijd staat me niet toe mijn joviale zelf te zijn. Er staan levens op het spel, levens die ik probeer te redden, en daar ga jij met je zure kop niet tussenkomen. Comprende?’

De zure kop knikte.

‘Mooi. Dan vraag ik het nog een keer: wat weet je over die vrouw? Wanneer was ze hier? Wat wilde ze? Met wie sprak ze? Waar is ze nu?’

‘Ik ehm… ze kwam hier… twintig – dertig? – dertig minuten geleden. Autopech.’

Bonafide keek over zijn schouder naar de parkeerplaats.

‘Staat haar wagen er nog?’

De pompbediende knikte, voor zover Bonafide dat toestond .’De beige Chrysler.’

‘Wat is er mis mee?’

‘Geen idee. Ze- ze wilde geen garage bellen. Ging mee met een vrouw. Een jongedame, zonder geld voor benzine. Zij schoot voor. Zeg, kun je misschien iets…’

‘Ze ging met haar mee? Kende ze haar?’

De man schudde van niet. ‘Een lift, in ruil voor benzine.’

‘Waarheen?’

‘Ehm…’

Bonafide voerde de druk op.

‘Gennaro! Red Brook!’

‘Gennaro Red Brook?’

‘Red Brook, net voor Gennaro. Ten zuiden van hier.’

‘En de vrouw die haar meenam?’

‘Sarah? Nee, Susan. Geloof ik. Jong, begin twintig. Blond. Arrogante houding van hier tot Tokyo. Lichtblauwe Buick.’

‘Perfect.’ Bonafide liet de man los, wachtte tot die overeind kwam, en klopte vervolgens diens schouders af. ‘Zo, was dat nu zo moeilijk?’

De pompbediende zei niets.

‘Ik ga die auto bekijken,’ deelde Bonafide mee, ‘en jij blijft hier je klanten bedienen. Mocht ik nog meer vragen bedenken, dan kom ik weer even binnenwippen. Wellicht dat een volgende ondervraging wat soepeler kan verlopen?’

Wederom geen reactie.

Bonafide stak glimlachend zijn duim omhoog en beende de winkel uit.

De Chrysler zei hem weinig: een tamelijk nieuw model, maar veel gebruikt en slecht onderhouden, met een kofferbak vol lappendekens, een dennengeur-luchtverfrisser aan de achteruitkijkspiegel en een half-leeggegeten zakje chips in het dashboardkastje. Memorabilia van de arme vrouw die ooit deze auto bestuurd had. Over het wezen dat nu haar lichaam bewoonde vertelden de objecten echter weinig.

Eén blik onder de motorkap en Bonafide wist genoeg. Dat het de auto geheel ontbrak aan enige vorm van autopech. En, bovendien, aan een huls.

‘Verdomme Ramscap, ze is weer gewisseld. Niet van gedaante, maar van vervoer. Over.’

Bonafide zat nu in zijn eigen wagen, een groen-en-witte Lincoln Continental. Vanuit de voorruit hield hij de winkel in de gaten, en dan met name de zuurpruim van een pompbediende. Hij leek Bonafide wel het type om de politie te bellen en te klagen over agressief gedrag van zijn klanten.

‘Wat bedoel je, van vervoer? Over.’

‘Ze heeft haar bak achtergelaten, zogenaamd vanwege pech. Maar met de auto lijkt niets mis. In plaats daarvan rijdt ze nu met een jonge vrouw mee, ene Susan, die haar een lift aanbood in ruil voor benzinegeld. Over.’

‘Een lift? Geen wissel?’

Bonafide knikte. ‘Het lijkt erop dat de twee samen onderweg zijn, zuidwaarts. Plaatsje genaamd Red Brook.’

Aan de andere kant bleef het stil. ‘Ramscap?’

‘Dus hij neemt twee keer, in korte tijd, een nieuwe gedaante aan. Hij weet dat we ‘m op de hielen zitten. En toch wisselt hij niet van richting. Oh, godver…’

‘Wat is er?’

‘Hij wisselt niet van richting, omdat het dáár gaat gebeuren. In Red Brook. En wat hij ook op de planning heeft staan, het zal een heel stuk spectaculairder zijn dan het ombrengen van individuele reizigers.’

‘Oké,’ Bonafide greep naar de sleutel in het contact. ‘Naar Red Brook, wat daar dan ook…’

Tik, tik, tik.

De oude vrouw uit het tankstation. Bonafide wilde al zeggen dat hij geen melk voor haar had, maar iets in haar blik hield hem tegen. ‘Mevrouw? Kan ik u helpen?’

‘Ik hoorde je met die vriendelijke pompbediende praten’ – ze leek niet sarcastisch – ‘en ik hoorde dat je naar iemand op zoek bent? In Red Brook?’

Bonafide knikte. ‘De vrouw naar wie ik vroeg, heeft u haar gezien?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Maar ik weet waar ze heengaan. De enige reden waarom er ooit iemand naar Red Brook gaat.’

Ze boog voorover, en bood Bonafide uitzicht op haar gelige grijns. ‘Ken je Big Cans?’

 

*

 

Big Cans was een van Amerika’s vele roadside attractions. Met zo’n naam trok de plaats nogal eens groepen hormonale jongeren, die er vervol­gens achter kwamen dat de ‘Cans’ eerder letterlijk dan meta­forisch bedoeld waren.

Een kaartje kostte drie dollar vijftig, en bij die prijs zat niet alleen inbegrepen dat je rondom de enorme blikken Blue Ribbon, Kool-Aid en Budweiser mocht lopen, maar ook dat je middels een wenteltrap om de hoogste van de blikken, een vijfendertig meter hoge cilinder met ‘Coca-Cola’ erop, omhoog kon klauteren, om vervolgens via het lipje op het dak af te dalen naar Amerika’s enige – beweerde men bij Big Cans althans – blikkenmuseum.

De meeste bezoekers brachten maar korte tijd door in het museum – een collectie van feiten en foto’s en kilometers stoffige blikjes – en gaven er de voorkeur aan de met parasols beschutte grasmat bovenop het colablik te bezetten voor een picknick met uitzicht over de woestijn.

Big Cans moest het, zoals alle attracties langs de Amerikaanse highways, met name hebben van die doortrekkende gezinnen, veelal onderweg van en naar een vakantiebestemming. Het gros van de jaarlijkse bezoekers was in de afgelopen maanden al langsgekomen, maar op deze zaterdagmiddag in september bleken er nog genoeg nomaden binnen te druppelen. Vanaf het dak van het colablik steeg het rumoer op van vaders en moeders en hun voor een half uur geamuseerde kroost.

Om half vier ‘s middags reed Dani Ransom de oprijlaan van Big Cans op in een blauwe Buick. Haar zonnebril verhulde een blauw oog, maar niet de grijns waarmee ze de kassamedewerker begroette.

‘Kaartje voor één, alstublieft.’

 

*

 

‘Drie dollar vijftig,’ gromde Ramscap, ‘voor deze onzin.’

‘De Amerikaanse spirit, makker,’ zei Bonafide. ‘Houdt de economische motor gesmeerd.’

‘Hé, als Jim en Judy Suburb hun kleine rakkers willen verblijden met een close-up kennismaking met een product dat ze evengoed in de koelkast kunnen vinden, prima, maar ik ben twee nullen verwijderd van faillissement. Ik betaal liever niet meer dan nodig voor het privilege een Budweiserblik te beklimmen.’

Dat was het probleem met het opsporen van nachtmerries die rechtstreeks ontsproten waren uit de genius loci van Amerikaanse wegen: de overgrote meerderheid van de bevolking geloofde er geen snars van. En zelfs degenen die dat wel deden, hadden er zelden een financiële bijdrage voor over.

‘Vader Ignatius heeft misschien geld voor ons,’ opperde Bonafide.

‘Vader Ignatius is belast met vijf parochies, en geen daarvan verkeert in goede financiële staat.’

‘Dan wordt het misschien weer tijd voor wat… creatief lenen?’

Ramscap lachte en klopte zijn kompaan op de schouder. ‘Eens een oplichter, altijd een oplichter, nietwaar? Maar we verspillen onze tijd. We moeten onze prooi zoeken.’

‘Je weet zeker dat ze hier is?’

‘Ze is hier geweest, dat voel ik. En ik voel dat het hier gaat gebeuren. Dit is de plek van het offer.’

‘Maar wie dan?’ Bonafide keek om zich heen naar de aluminium cilinders. ‘En hoe? Een wegmerrie kiest zijn slachtoffers doorgaans op de weg zelf, en offert ze door middel van een ongeluk. Hoe zie je dat hier gebeuren?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Dat weet ik niet. Maar het is geen toeval dat het deze locatie gekozen heeft. Zoveel mensen bij elkaar… de wegmerrie is uit op een massaal offer, dat kan niet anders.’

‘Bovenop de Big Can?’

De indiaan knikte. ‘Een terras, met maar één toegang. Als er ergens iets gaat gebeuren dan is het daar.’

‘Ik denk,’ zei Bonafide, ‘dat we van het uitzicht moeten gaan genieten.’

 

*

 

Zeke Ordnance moest toegeven dat het uitzicht vanaf het grootste colablikje ter wereld niet tegenviel.

Hij doelde daarbij niet op de dorre woestijngrond die aan alle kanten om het afgesloten terrein heen lag. Hij kende mooiere plekken van de woestijn, en mooiere plekken om ze te bekijken.

Nee, het was hem meer te doen om de jonge moeders die op het circulair terras van een dagje uit met hun gezin genoten.

Vijf maanden deze zelfde saaie route dacht hij, en onderweg nauwelijks ergens een scharrel om op te pikken. Als ik nog lang droogsta, word ik gillend gek. Een van de moeders in zijn vizier boog voorover om iets uit een koeltas te pakken, en Zeke zuchtte gefrustreerd toen twee mannen voor zijn blikveld liepen en het zicht op het in spijkerstof gehulde achterwerk blokkeerden.

Een indiaan en een cowboy, dacht hij, terwijl hij de mannen met een frons bekeek. Wat krijgen we nu, de middagshow?

Zijn aandacht voor de twee vreemdelingen werd echter tenietgedaan door het piepen van zijn digitaal horloge. De timer die hij gezet had – een half uurtje, precies genoeg om wat te roken, te pissen en van het uitzicht op de Big Cans te genieten – liet hem weten dat het tijd werd zijn truck weer op te zoeken.

Net zoals de vorige keren dat hij de Cans bezocht, had Zeke zijn truck – een Ford Tank Truck, tot de nok toe gevuld met diesel – even buiten het terrein moeten parkeren. Het wandelingetje heen en weer vond hij echter een prima gelegenheid om zijn benen te strekken.

Met een boer kwam Zeke van zijn bankje, en tikte het alarm van zijn horloge uit. Met een laatste weemoedige blik in de rondte nam hij afscheid van het vrouwelijk schoon. Om zijn ogen tenslotte te laten rusten op de bekende vormen van zijn Ford tankwagen.

Die in volle vaart op de Big Cans afreed.

‘Hé!’

 

*

 

Hangend aan een koord, vijf meter boven de vloer van de circulaire bioscoop op de begane grond van het Big Cans museum, maakte Susan Bravado inventaris van haar ongeluk.

Eerst krijg ik te horen dat de baan een dag eerder begint, en moet ik vijfhonderd mijl in één dag zien af te leggen. Boven haar maakte het touw een krakend geluid. Natuurlijk vergeet ik mijn portemonnee in het motel, en moet ik bedelen om benzine. Gelukkig is er een vriendelijke mevrouw die wel benzine wil betalen, als ik haar een lift geef. En wat is er op tegen om een aardige mevrouw een lift te geven?

Een steek ging door haar nek en schouder, het resultaat van achtereenvolgens buiten bewustzijn geschopt worden, opgevouwen in een kofferbak liggen, en aan je armen aan een touw aan het plafond opgehangen worden.

Natuurlijk bleek die aardige mevrouw helemaal niet zo aardig, en nu moet ik die inschattingsfout bekopen met, jawel, dood door verveling.

Ze hing er al een halfuur, en haar armen werden gevoelloos door haar eigen gewicht. De  verlammende angst die ze oorspronkelijk had gevoeld toen ze bungelend wakker was geworden, was onder het gebrek aan gebeurtenissen vervaagd tot rationele angst, vervolgens onrust, en had ten slotte geheel plaatsgemaakt voor andere emoties. Frustratie, honger, zelfs slaperigheid.

Aanvankelijk had ze nog hoop gehad dat een verdwaalde bezoeker van het museum haar zou zien hangen. Door de continu herhalende 10-minuten durende film over de historie van blik – jawel, blik – die achter haar op het grote scherm geprojecteerd werd, wist Susan dat het museum open was. Maar toch kwam er niemand. Had de vrouw, die Dani Ransom, de deuren gesloten? En waar was zij eigenlijk? Susan had al meerdere rondes aan het koord gedraaid om de hele bioscoopzaal rond te kijken. Steeds ontbrak ieder spoor van de vrouw die haar gekneveld had.

Er kwam geen hulp, en erom roepen was door de lap stof in haar mond geen optie. Dus kon ze alleen maar wachten tot de vrouw terugkwam, om haar in reepjes te snijden of wat dan ook. Of… ze kon het heft in eigen handen nemen.

Het duurde even, en de zwaaiende bewegingen pijnigden haar polsen, maar uiteindelijk wist ze haar rechtervoet naar haar handen te tillen en een stiletto uit haar laars te vissen. Ik had hem moeten slijpen, dacht ze chagrijnig bij het zien van het uitgeklapte lemmet. Met zorgvuldige bewegingen begon ze het botte mes over het stugge touw te schrapen.

Ze had al een paar taaie vezels door toen de tankwagen met veel bombarie het museum binnenreed.

 

*

 

KRANG!

Een schok ging door het stalen complex heen, en nog voor het gebouw stopte met schudden, stonden de eerste ramptoeristen over de reling naar beneden te turen.

Er klonk een KNAL, een doffe woef, en het geschreeuw begon.

‘Brand! Brand!’

‘Een truck staat in de fik!’

‘Bel de politie!’

‘We moeten hier weg!’

‘Oh, verdomme,’ gromde Ramscap, die naast zijn kameraad over de reling naar beneden staarde en zag hoe de tankwagen zich het colablik in had geboord. En begon te branden. Ramscap wees. ‘Precies door de wenteltrap, zie je? Wordt een knap lastig karwei om daar naar beneden te gaan.’

Bonafide trok een grimas. ‘De wegmerrie… kolere, Ramscap, ze heeft ons in een val gelokt!’

‘Ons en nog vele anderen. Het lijkt erop dat we deel gaan uitmaken van haar massaoffer.’

Ze keken om zich heen. Het nieuws dat het terras bovenop het blik niet bepaald veilig meer was, had inmiddels iedereen bereikt. Een stormloop op de wenteltrap was begonnen.

‘Die dwazen gaan er halverwege achter komen dat de weg omlaag geblokkeerd is,’ kreunde Bonafide, en beende over het terras. Hij keek het trappengat in, naar de toegang tot het museum. Enkele onder­nemende zielen stonden al aan de dubbele deuren te trekken.

‘Die heeft ze ook geblokkeerd.’ De lijvige Texaan schudde zijn hoofd. ‘Maar dat maakt niet uit, want die truck blokkeert beneden ook de nooduitgang. We zitten vast.’

Diezelfde conclusie had ook de mensen bereikt die via de wenteltrap naar beneden waren gestoven. Kreten van paniek stegen langs de snel opwarmende wanden van het blik op.

Ramscap hurkte, en uit zijn rugzak haalde hij een opgerold stuk touw. ‘Ik denk dat we dit wel kunnen gebruiken, wat jij?’

 

*

 

‘Kom op, vorm een rij!’

‘Kinderen eerst, dan vrouwen…’

‘Hé, wat zeggen we net? Achteruit, kerel!’

‘Doorlopen, niet blijven hangen!’

‘Mevrouw, loodst u die kinderen hiervandaan?’

Langzaam begon er orde te komen in een chaotische situatie. Bonafide was als eerste langs het touw omlaag gegleden, zo laag op de wenteltrap als de brandende truck toeliet. Ramscap bleef boven en herinnerde iedereen vriendelijk aan de regels. Eén man had voor willen dringen en keek nu met een bloedneus toe hoe Ramscap samen met enkele ouders de kinderen naar beneden hielp.

‘Naar beneden, laat jezelf losmaken, en loop naar dat blikje Kool-Aid,’ herhaalde Ramscap zijn instructies voor de tiende keer, voordat hij het kind naar beneden liet.

Het voltallige personeel van het Big Cans-museum – een puistige puber en een vrouw van middelbare leeftijd – waren aan komen snellen met een tweede rol touw, en even boven Ramscap waren twee vaders bezig om er een tweede reddingslijn mee te knopen.

Maar toch… de truck brandde door, en er steeg angstwekkend veel rook omhoog uit de wagen en de begane grond van het blikken­museum.

Ramscap dacht er niet graag aan wat er zou gebeuren als de tankwagen ineens tot ontploffing zou komen.

‘Kom op!’ snauwde hij naar beneden. ‘Meer touw!’

 

*

 

‘Verdomme,’ hijgde Bonafide, ‘die kan ik wel weggooien.’

Ramscap keek naar de hoed van zijn kameraad: doordrenkt met zweet en geblakerd door roet. ‘Ga ermee rond langs de overlevenden,’ stelde hij voor. ‘Wellicht zamel je genoeg in voor een nieuw exemplaar.’

‘Grapjas,’ morde Bonafide. Evenwel verscheen er een tevreden glimlach op zijn gezicht bij het zien van de drommen mensen die nu door de medewerkers het terrein af werden geloodst.

‘Het is ons gelukt.’ De woorden ontsnapten aan Ramscaps lippen, ietwat ongelovig. ‘De wegmerrie zit daarbinnen, wij buiten. Geen slachtoffers, en wij kijken toe hoe het zichzelf uitbrandt.’

Bonafide knikte. Drie seconden lang staarden de twee mannen in vriendschappelijke stilte naar het vergaan van Biggest Can.

In die drie seconden maakten hun gezichtsuitdrukkingen exact dezelfde transformaties door: van een tevreden glimlach via een bedachtzame blik naar een verwarde frons en, tenslotte, naar een geschrokken grimas.

Ze keken elkaar aan.

‘De andere vrouw!’

‘Susan!’

Ze keken weer naar het brandende blik, en zeiden, in koor, ‘Verdomme!’

 

*

 

Als ik mijn portemonnee niet kwijt was geraakt, dacht Susan Bravado, bungelend in de bittere rook, was ik nooit in de klauwen van dit wicht terechtgekomen.

Het wicht in kwestie zat nu ergens in de rokerige ruimte. Zodra de truck met geweld door de muur geramd kwam, had Susan gezien hoe de gedaante van Dani Ransom uit de gehavende cabine kroop. Daarna was ze de vrouw even uit het oog verloren, totdat ze zag hoe ze bovenin de lichtinstallaties klauterde, deels verhuld door de rook. Een vreemd, sissend geluid ontsnapte aan de vrouw toen ze oogcontact maakte met Susan, en haar ontblote tanden leken te klein, te puntig om die van een mens te zijn. Susan had gehuiverd en haar ogen afgewend.

Hallucinaties, dacht ze, terwijl ze in de kringelende rook aan het koord deinde. Angst. Je beeldt je dingen in.

Inmiddels likten de vlammen gretig in het rond, en al wat ze raakten stond binnen luttele seconden  in brand. De eerste vlammen liepen al omhoog naar het plafond, en het schijnsel van de film die achter Susans rug nog steeds doordramde over het belang van goed uitgelijnde bliksnijders wierp een vreemde, witgrijze waas over de rokerige vlammenzee.

Susan had gehoopt dat een losgeslagen vlam inmiddels haar koord wel had doorgebrand, maar in dat opzicht liet het vuur haar in de steek. Bovendien zou ze dan nog steeds vijf meter naar beneden vallen, tussen de gloeiende stoelen, om het – slechts gewapend met haar botte mes – tegen de verrassend sterke Dani Ransom op te nemen. Een andere kans op ontsnapping leek er echter niet te zijn.

Wacht tot ze afgeleid is. En dan snijd je de laatste strengen door.

Een snauwend, snerpend geluid klonk vanaf de vloer. Susan keek angstig naar beneden, en verwachtte ieder moment de doorgedraaide liftster op haar af te zien springen.

Maar naar het bleek had Dani Ransom andere zaken aan haar hoofd.

Perfect, dacht Susan, en hervatte het snijwerk.

 

*

 

Door de rook dook Bonafide naar binnen, het blik in, met een juten zak in zijn rechterhand. De rook prikte in zijn ogen en de vlammen zorgden voor een bijna ondraaglijke hitte.

Dit houd ik niet lang vol. Zodra hij voorbij de truck was geschuifeld, cirkelde hij langs de muur aan de rechterkant, waar de vlammen om de een of andere reden minder huis hielden, op zoek naar een plek waar hij enigszins door de rook heen kon kijken.

De vrouw vinden bleek niet zo moeilijk: een blonde vrouw in spijkerjack bungelde aan haar polsen op vier, vijf meter hoogte.

‘SUSAN!’ riep Bonafide, en hij wist dat hij daarmee de aandacht van een geheel ander wezen zou trekken.

‘Leid haar af,’ had Ramscap gezegd, terwijl hij buiten het blik zijn ritueel met geoefende bewegingen opstartte. ‘Leid haar af, maar laat je niet grijpen. Als het te gevaarlijk wordt, kom je naar buiten.’

‘Naar buiten? En de vrouw dan?’

‘Daar bekommer ik me wel om.’

Bonafide schudde zijn hoofd. Als Ramscap geheimzinnig deed, wist je dat hij iets ging uithalen waar je het principieel mee oneens was. Helaas had Bonafide geen tijd om te bedenken wat.

Het sissende geluid kwam van rechts. Bonafide draaide snel, maar niet snel genoeg. De klap trof hem in de borst en hij viel achterover op een van de harde houten bioscoopstoelen.

Ze zat recht voor hem, balancerend op de rand van een stoel, haar knieën opgetrokken als een groteske waterspuwer.

Dani Ransom had weinig menselijks meer: haar haren hingen als donkere gordijnen aan weerszijden van haar verlengde gelaat, en de tanden in haar grijns waren te klein, te vlijmscherp om die van een mens te zijn. Bonafide wist dat ze, als ze sprak, een tweede rij tanden zou onthullen, nog kleiner, nog scherper dan de eerste.

Haar ogen waren echter het ergst. Putten in haar gelaat, met daarachter donkere vlekken waar een constante beweging in zat. Asfalt dat onder je wielen voorbij raast.

Die groteske parodieën op ogen keken Bonafide aan. ‘Wel, wel,’ gromde het wezen. ‘Bemoeial nummer één.’

‘Ik kom een vriendin van me ophalen’, zei Bonafide kalm, terwijl zijn vingers de rand van zijn juten zak vonden. ‘Jong, blond, bungelt aan een touw?’

De wegmerrie grijnsde, en een straal amberkleurige vloeistof liep over haar kin naar beneden. ‘Een vriendin? Mijn offer, zul je bedoelen. Dus je doorzag m’n list? Slim, maar nu heb je er alleen voor gezorgd dat ik een medicijnman aan mijn prijs mag toevoegen.’

Ze denkt dat ik Ramscap ben, besefte Bonafide. Perfect.

Het wezen boog zich over hem heen, en Bonafide kon de teer in haar adem ruiken. ‘Een kans om me van de bemoeizuchtige medicijnman te ontdoen… en me ervan te verzekeren dat mijn soortgenoten voortaan ongestoord hun gang kunnen gaan…’

Bonafide hield de zak voor zich uit, één hand erin gestoken.

De wegmerrie trok haar wenkbrauw op. ‘Wat dacht je daarmee te doen? Een gebed uitspreken? Me met een zandtekening uitbannen?’

‘Ik dacht aan iets efficiënters,’ zei Bonafide.

BLAM!

De metalen hagel reet de juten zak uiteen, en een wolk hagel onttrok de achterover gevallen wegmerrie aan het zicht. Bonafide stond op en klauterde over de stoelen voor hem, terwijl hij de shotgun met afgezaagde loop uit de doorzeefde zak trok.

Waar is ze?

Het wezen sprong van links, krijsend, maaiend met haar armen. Bonafide richtte zich grommend tot het monster.

Ramscap, waar blijf je met je ritueel?

 

*

 

Ze was te laat. Dat besefte Susan, hangend in de rook, toen ze de hoestbuien niet meer tegen kon houden. Haar lichaam leek op automatische reacties over te gaan, en haar gedachten werden traag en verward. Onder haar was een gevecht bezig. Geschreeuw. Schoten. Iets over een offer. Het leek allemaal onbelangrijk.

Adem de rook in, leek een deel van haar geest te suggereren. Laat het toe.

‘Bok op,’ gromde ze. Of wilde ze grommen. Het kwam eruit als een astmatisch gerochel.

Nee? Nog geen zin om op te geven? Mooi zo.

Vreemd. Dát was niet haar stem.

Inderdaad. De mannenstem lachte, warm en diep. Ik ben op bezoek. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.

‘Ik ijl,’ mompelde Susan door de lap stof. ‘Misschien ben ik al dood.’

Nog niet. Maar lang zal het niet meer duren.

Van boven kwam een krakend, kreunend geluid. Het plafond, besefte ze.

Tenzij, zei de warme stem, je precies doet wat ik zeg.

 

*

 

Bonafide verloor bloed uit drie afzonderlijke wonden. Eén ervan zou zijn dood worden, als hij er niet snel iets aan deed. Hij voelde er weinig van.

Jezus, ze is sterk!

De wegmerrie haalde opnieuw uit, een backhand met rechts, en Bonafide kon niet op tijd uitwijken. ‘Oef!’

Zijn schouder voelde verdoofd, en hij kreeg het wapen nauwelijks opgetild. Steeds verder dreef de wegmerrie hem achteruit, richting de brandende truck, en Bonafide kon weinig meer doen dan de zwiepende klauwen proberen te ontwijken.

Als die verdomde Ramscap niet heel snel…

‘Bonafide! Nu, terug!’

Perfect. Hij manoeuvreerde de shotgun tussen zichzelf en de naderende wegmerrie, wachtte tot haar groteske gedaante dichtbij genoeg was, en vuurde zijn laatste patroon.

BLAM!

Met een klap werd de wegmerrie teruggedreven, en Bonafide zag goedkeurend toe hoe haar borstkas in repen huid en vlees naar beneden hing. Het wezen zou er niet aan doodgaan, maar het voelde goed om het tenminste zoveel mogelijk te pijnigen voor wat ze wilde doen.

‘Daarvoor,’ siste de wegmerrie, terwijl ze overeind krabbelde, ‘ga ik je je eigen testikels voeren, medicijnman.’

‘Sorry,’ hijgde hij. ‘Ik probeer te lijnen. Doktersadvies’

Hij graaide in zijn binnenzak en gooide een stungranaat de vlammen in die achter de wegmerrie dansten.

Toen de flits afnam en de wegmerrie zich met suizende oren begon te oriënteren, was er van Bonafide geen spoor meer te bekennen.

Ze snauwde, en richtte zich op de uitgang.

 

*

 

Nu, Susan Bravado!

Ze opende haar ogen in kleermakerszit, op een kleed in – dit was het verbazingwekkendst – de schone buitenlucht. De man had haar verteld wat er zou gebeuren. Toch bleek ze er slecht op voorbereid.

Vanuit het enorme blik voor haar, waar de brandende truck door­heen was geramd, klonk een ijzingwekkende schreeuw.

Dani Ransom, dacht Susan verbeten, en ze kwam in beweging. Ze greep de twee potten voor haar, aarde en zout, en zag de tekening die de man in het zand gemaakt had: een weergave van het blik, met cirkels eromheen om het kwaad in te sluiten. Er ontbrak slechts nog een handvol korrels in beide cirkels. Precies de ruimte die de medicijnman nodig had gehad om Susan naar buiten te halen.

Susan nam een greep zout in haar linkerhand, aarde in haar rechter. En sloot de cirkels.

‘Daar, teef.’

 

*

 

Bonafide strompelde naar buiten, gebukt om onder de vlammen door te komen die vanuit de truck omhoog sloegen. Zijn rechterbeen werkte niet mee, en tot tweemaal toe viel hij voorover in het zand.

Overeind, Bernard. Die wegmerrie wacht niet!

Achter zich haar hij haar gegil, woedend, moordlustig. Waarom had ze hem nog niet gegrepen?

Een gedaante dook voor hem op uit de rook. Ramscap?

‘Ze… komt… eraan,’ hijgde hij, voordat hij ineen stortte.

De gedaante boog zich over hem heen, en hij voelde hoe twee slanke armen hem overeind hielpen.

‘Nee,’ zei de jonge vrouw. ‘Ze komt er helemaal niet aan.’

En Bonafide wist wat Ramscap gedaan had. ‘Godverdomme,’ gromde hij, en vocht tegen de tranen.

 

*

 

De wegmerrie beukte tegen de ijle lucht, keer op keer, maar de onzichtbare barrière hield het monster tegen.

De medicijnman heeft de cirkel gesloten, besefte het wezen. Hij heeft zichzelf gered, en de vrouw aan haar lot overgelaten!

Het diepe gelach achter haar klonk gemeen, bijtend.

De wegmerrie nam drie stappen terug, en sprong. Ze klampte zich vast aan de gedaante die bungelde in het vuur, in de rook. De gedaante die twee koppen groter en vele kilo’s zwaarder was geworden.

‘Dwaas!’ siste de wegmerrie de man toe. ‘Dacht je mij te dwarsbomen, door met haar van plaats te wisselen? Denk je dat het mij uitmaakt wie ik in mijn web heb?’

Ramscaps grijns was verbeten van de pijn en de hitte, maar het was een grijns.

‘Ik denk dat dat wel degelijk uitmaakt. Je zit hier, gevangen in je eigen val. En je wordt afgesloten van de donkere geest die je op onze aarde liet verschijnen.’

‘Idioot, je kunt me niet tegenhouden! Ik ben Tijd, ik ben Vooruitgang! Ik ben de Zwarte Vlam die de Zon zal Verschroeien!’

‘Nee, jij bent degene die zonder offer zal sterven.’

Haar ogen verwijdden zich. ‘Dan gebruik ik jou als offer!’

‘Zo werkt het niet.’ Zijn stem klonk zacht. ‘Een offer, vrijwillig gegeven, is altijd krachtiger dan een offer dat simpelweg wordt genomen. Maar dat is iets wat jij nooit zult begrijpen.’ Ramscap glimlachte en sloot zijn ogen. ‘Mijn ziel zal zich naar de Grote Geest verheffen. Maar jou, jou staat het Niets te wachten.’

De wegmerrie gilde, een ijzingwekkende schreeuw waarin al haar woede, frustratie, machteloosheid en angst verweven waren.

En toen kwam het dak naar beneden.

 

*

 

Bonafide moest het Susan Bravado nageven: ze pikte de terminologie snel op.

‘En iedere keer als zo’n… wegmerrie… zich manifesteert, houden jullie het tegen?’

‘Niet iedere keer.’ Bonafide zuchtte. ‘Meestal is een wegmerrie maar enkele uren in onze wereld. Dan klampt ze zich vast aan een mens, of een machine, en veroorzaakt ze een ongeluk. Grofweg tien procent van alle dodelijke ongelukken op de weg,’ voegde Bonafide er na een slok whisky aan toe. Het verband om zijn schouder trok en hij grimaste van de pijn. Hij was er slecht aan toe, maar hij zou het overleven. Dankzij Susan.

De vrouw had hem overeind getrokken nadat hij half buiten bewustzijn door het bloedverlies het blik uit was gestrompeld. Ze had hem in haar auto geholpen, en was met hem naar het dichtstbijzijnde motel gereden. Daar had ze hem geholpen zijn wonden schoon te maken en te verbinden.

Ze waren niet blijven wachten bij het brandende blik, om van de brandweer te horen te krijgen dat er in de smeulende resten het stoffelijk overschot van een Indiaanse man was aangetroffen.

Bonafide wist zo ook wel dat zijn vriend er niet meer was.

‘Maar als een wegmerrie meer dan een dag of twee in fysieke gedaante in onze wereld blijft,’ ging Bonafide verder, met schorre stem, ‘dan weten we dat het iets groots van plan is. Een massaal ongeluk. Een brand. Iets waar veel slachtoffers bij vallen. En dan kunnen we, als we geluk hebben, ingrijpen.’

Susan keek naar het glas in haar ingezwachtelde handen. Ze schonk zichzelf bij.

‘Een wegmerrie,’ zei ze. ‘Een monster dat opduikt, op bloed belust. En dat kan overal gebeuren…’

‘Overal waar wegen zijn,’ zei Bonafide zachtjes.

Ze keek hem aan. ‘Waarom? Hoe kan dit gebeuren?’

‘Waarom?’ de grote man snoof. ‘Omdat we het ernaar gemaakt hebben. Dat zei Ramscap altijd. We temden een land vol geesten, en verwisselden de tipi’s voor steen en staal. We maakten een netwerk van teer en asfalt en drukten de geest van het land weg. We verafgoodden de kooi die we van het land gemaakt hadden: billboards, motels, auto’s… alles in dienst van de Highway. Symbool van Amerikaanse vrijheid, van mogelijkheden.’

‘Ramscap…’ Susan haalde diep adem. ‘Je partner… offerde zich op. Voor mij. Als ik niet…’

‘Mijn vriend,’ onderbrak Bonafide haar, ‘maakte zijn eigen keuze. Een keuze die hij niet anders had kunnen maken, simpelweg door wie hij was. En jij en ik hoeven ons daar allebei niet schuldig om te voelen, mevrouw Bravado. Dat zou een belediging zijn aan zijn nagedachtenis. Denk je niet?’

Susan keek weg. De tranen brandden in haar ooghoeken. Ze knikte.

‘Goed,’ Bonafide klonk nu vriendelijker. ‘Hij wilde dat je bleef leven, dus leef. Dat is de beste manier om hem te bedanken.’ Hij zuchtte. ‘Maar ik zal hem missen. Godverdomme, wat zal ik hem missen.’

‘Wat… wat ga je nu doen?’

‘Eerst naar Mexico. Er is daar een pater die ons… die mij weer op m’n benen kan krijgen. Wat rust, wat geld, en dan opnieuw op pad. Op monsterjacht.’

Susan viel stil. Ze dacht aan de vrouw met de levendige ogen, die haar zo gemakkelijk bedrogen had. Aan hoe ze in een kofferbak was gesmeten, hoe ze was opgehangen als een stuk vlees.

Miljoenen kilometers wegen in Amerika. Vol Susans. Vol mannen, vrouwen, kinderen, nietsvermoedend op weg.

Met niemand om ze te beschermen.

‘Naar Mexico, uitrusten, dan op jacht… Klinkt goed,’ zei ze. Ze keek Bonafide in de ogen.

‘Oh nee,’ zei hij. ‘Nee, nee, nee.’

‘Ramscap offerde zich op, zodat ik kon leven, nietwaar?’

‘Dat is niet wat ik…’

‘En de beste manier om hem te bedanken is door dat leven volop te leven, zoals ik dat wil?’

‘Ja, maar…

‘Dus zat ik zo te denken,’ zei Susan, met bliksem in haar ogen. ‘Dat ik het niemand gun dat die klootzakken hen van de weg plukken voor hun zieke spelletjes, zoals ze dat met mij deden. En je kunt me proberen tegen te houden, of je kunt me leren wat Ramscap jou leerde. Wat denk je dat hij gewild zou hebben?’

Bonafide hield haar blik lange tijd vast.

‘Ik denk,’ zei hij, en eindelijk brak een glimlach door, ‘dat jij het in je hebt om net zo’n rotzak te worden als hij.’

Hij overhandigde haar de fles whisky. Ze nam hem grijnzend aan. ‘Dus,’ vroeg ze, ‘wanneer beginnen we?’

 

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? Waan je jezelf er veilig?

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

En net als iedere god en iedere demon is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit.

En dan komen wij in het spel.