De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2019

Home » Jaar » 2020

Genres

Category Archives: 2020

Lente in de wintertuin – Mike Jansen

Wanneer je die ene vindt,

die persoon die belangrijker voor je is

dan het leven zelf,

hou dan vast,

met alles wat je in je hebt

want de kans op

een tweede kans

is kleiner dan

de kans op die eerste.

 

Hij hoorde de fluistering van zijn geliefde ergens halverwege zijn tweede reis naar Van Maanens ster. In de donkere nacht rond het schip was enkel het antracietkleurige gordijn van het Alcubierre veld zichtbaar, op zijn plek gehouden door de immense tensor-krachten van de kwantumverstrengeling die de paden vanaf Sol naar de dichtstbijzijnde sterren openhielden.

Jean…

Eerst dacht hij aan vermoeidheid. Leven aan boord van de vrachtschepen die de koloniën bevoorraadden was monotoon, de eenzaamheid drukte zwaar op hem, putte hem uit. De derde keer dat de fluistering hem bij naam noemde, stelde hij de vraag: ‘Darius? Ben jij het?’

Ik heb je gemist. Waar ben je toch?

Jean slikte. ‘Ik… dit was de enige manier die ik… die we konden bedenken om met je te communiceren.’

Je was niet … bed. Jaren al. Ik dacht … me verlaten had.

Jean voelde tranen in zijn ogen. ‘Je droomde, Darius. Weet je nog dat je ziek werd? Een van de Dromers. Niemand kon jullie helpen. Maar ik moest je spreken. Je… je wist dat ik er was?’

Hij voelde de glimlach in de fluistering. Al die jaren.

 

#

 

Jean le Forge hoorde voor het eerst van de Dromers in het UMC waar Darius was opgenomen.

‘We weten niet wat het veroorzaakt,’ zei de behandelende dokter. AI ZesDrieEen, projecteerde een vlotte dertiger die vroeg grijs werd naast Jean, die Darius’ hand vasthield. Zijn vriend leek rustig te slapen, zijn regelmatige gelaatstrekken ontspannen. Zijn ogen bewogen af en toe onder de oogleden.

‘Ik begreep maar niet dat hij niet wakker werd. Ik dacht dat hij misschien een beroerte had gekregen en in coma lag.’

‘Het is geen coma. Er is veel hersenactiviteit, vergelijkbaar met een soort REM-slaap. Er zijn miljoenen gevallen, wereldwijd. Tot nu toe geen verklaringen.’

‘Zelfs niet in de Eenheid? Duizenden superintelligente breinen die het niet weten? Jullie betweterigheid bevalt me meestal niet, jullie onwetendheid beangstigt me, eerlijk gezegd.’

‘Ik begrijp je sarcasme, Jean. Wij geven ons falen ook liever niet toe.’

‘Kan ik iets doen? AI algoritmes optimaliseren? Nieuwe zoekopdrachten formuleren? Je weet waartoe ik in staat ben.’

De projectie haalde zijn schouders op. ‘Voorlopig is het wachten terwijl het onderzoek loopt.’

‘Dan is dat wat ik zal doen.’

Hij regelde zijn zaken, maakte zijn agenda leeg en installeerde zich naast zijn slapende geliefde. Langzaam nam het aantal apparaten dat nodig was om Darius in leven te houden toe, tot hij in een sense-tank werd geplaatst die hem beademde, voedde en zijn spieren actief hield.

Elke volgende stap betekende een aftakeling van Jeans gemoedstoestand, tot elk optimisme uit hem verdwenen was. Zelfs zijn favoriete Oscar Wilde, The importance of being Ernest in een zeldzame papieren eerste druk, kon hem niet meer bekoren, iets dat hij niet voor mogelijk had gehouden.

 

#

 

Op de kerstavond van het derde jaar verscheen de projectie naast Jean. Hij had net een tak van een spar met wat felgekleurde, zachtgloeiende plastic ballen aan de sense-tank bevestigd.

Jean veegde zijn tranen weg. ‘Dokter ZesDrieEen… Wat is de reden voor dit bezoek?’

De projectie knikte naar de sense-tank. ‘Het spijt me dat ik je deze vraag moet stellen, Jean: Wil je niet liever dat het stopt?’

‘Dat wat stopt? Zijn coma? Mijn verdriet?’

Het beeld van de dertiger in zijn doktersjas hief zijn handen. ‘Ik… wij zijn erop gericht de mensheid te begeleiden. Sommigen bieden we de mogelijkheid op te gaan in ons collectief, zij die een eigenschap bezitten die wij bewonderen.’

‘En wat is mijn eigenschap?’

‘Volharding en vastberadenheid. Op de hele aarde is er maar één die niet van de zijde van zijn partner, zoon of dochter of ouder is geweken.’

‘Als je wist hoe ik over Darius dacht, hoe ik me bij hem voel, dan wist je dat het veel meer is dan dat.’

‘Wij willen dat leren. Begrijpen. Wil je ons die mogelijkheid gunnen?’

‘Is de opnametechniek dan inmiddels geperfectioneerd?’

De projectie kuchte. ‘Volgens een deel voldoende voor ons doel. Een ander deel is…  voorzichtiger.’

Jean schudde zijn hoofd. ‘Ik kan hem niet verlaten. Kunnen jullie Dromers opnemen?’

‘Theoretisch mogelijk. In de praktijk teleurstellend gebleken. Dromer zijn is meer dan enkel een fysieke aandoening, lijkt het.’

Jean liep naar de kast met zijn karige bezittingen. Hij pakte zijn eerste druk, liep naar het hoofdeinde van de sense-tank waar het hoofd van zijn geliefde half uitstak en opende het boek op de eerste bladzij. ‘FIRST ACT – SCENE—Morning-room in Algernon’s flat in Half-Moon Street.’

De projectie luisterde een tijdje naar de woorden die geforceerd over Jeans lippen kwamen, het verdriet duidelijk, voor hij vervaagde en verdween.

 

#

 

Zoals vaker was Jean in de stoel naast de sense-tank in slaap gevallen. Hij schrok wakker. Een bezorgde verpleger had een deken over zijn schouders gelegd.

Aan het voeteneind van de tank stond een onbekende persoon, het zachte aura van de projectie tekende hem af tegen de donkere gordijnen voor de ramen. Hij toonde zich als een atletische donkerharige god in een strak kostuum.

‘Wie ben jij?’ vroeg hij nieuwsgierig.

De vreemde AI keek naar hem met onpeilbare ogen die bijna paars leken. ‘Jean le Forge. Mijn naam is … noem me maar Equinox.’

‘Geen nummer?’

De AI haalde zijn schouders op. ‘Sommigen van ons hebben een verbeelding. Symboliek is ons niet vreemd.’

‘Een wende, een nieuwe benadering, een voorstel?’ Jean glimlachte wrang. ‘En ben jij de eerste of komen er meer?’

Equinox glimlachte. ‘Het tijdstip is misschien wat ongelukkig gekozen. Wel een voorstel, inderdaad.’

‘Ik dacht dat ik net duidelijk was.’

‘Niet hierover. Een hypothese, iets dat niet meetbaar is, dat niet mechanisch getest kan worden. Een mogelijkheid tot communicatie met Dromers.’

‘Er zijn tienduizenden Dromers, miljoenen, veel meer nog. Waarom ik?’

‘Wereldwijd ruim dertig miljoen. Jij geeft niet op. Zelfs nu bespeur ik hoop, een sprank optimisme, veerkracht. Zelfs na drie hopeloze jaren. Daarom jij.’

Jean keek naar het deel van Darius’ gezicht dat zich buiten de sense-tank bevond, de onrustige beweging van zijn ogen. Drie jaar zonder verandering. Het moet anders. Inderdaad. ‘Hoe? En wat moet ik ervoor doen?’

 

#

 

Bevoorradingsschepen hadden drie bemanningsleden die om beurten sliepen gedurende de lange tocht naar de Verstrengelde Werelden rond het aardse zonnestelsel.

Jean had de testen glansrijk doorstaan waardoor hij nu mee kon richting Van Maanens ster, zijn eerste opdracht ooit in de ruimte.

De Alcubierre-aandrijving verplaatste het schip binnen zijn eigen tijdruimte-torus met bijna twee keer de lichtsnelheid. Van de veertien jaar reistijd heen en terug sliep hij er bijna tien, telkens een jaar op en twee jaar af.

Hij was als tweede aan de beurt. Het werk was geestdodend, monotoon, een vereiste om zijn geest ontvankelijk te maken voor “invloeden van buitenaf” zoals Equinox het uitlegde. Zijn vrije uren gebruikte hij om duizenden boeken te lezen, alle klassiekers waarvoor hij nooit eerder tijd had.

De korte periode van overlap met een net ontwaakt medebemanningslid herinnerde hem eraan hoe het was onder mensen te zijn. Dat duurde meestal een paar weken, voor hij het spuugzat werd en dan maar zijn slaapbank opzocht, een variant van de sense-tank waarin zijn geliefde in leven werd gehouden.

Ben je ergens daarbuiten, Darius? Hoor je me, weet je hoe zeer ik je mis?

De buitenste duisternis antwoordde niet, het veld van de torus een onmogelijke quantumgrens die het universum buitensloot.

Kan een mens zich eenzamer voelen dan hier? Het was zijn laatste gedachte voor de sense-tank hem in slaap bracht.

 

#

 

Het Lange Mars station rond Van Maanens ster onthaalde hen als helden. Rond het station lagen dozijnen habitats in aanbouw. Mijnschepen vlogen af en aan uit een van de asteroïdengordels die het stelsel rijk was.

Vanuit het bevoorradingsschip observeerde Jean de dozijnen scheepjes die hen verwelkomden, terwijl ze op de normale aandrijving langzaam richting de witte dwerg dreven, naar de zone waar voldoende energie de kunstmatige werelden raakte om plant, mens en dier te laten floreren.

De binnenplaneten waren enkel dode sintels, lang geleden beroofd van wat er mogelijk ooit aan atmosfeer of zelfs leven was geweest toen ze in de expansiefase van de zon in de gloeiende atmosfeer terechtkwamen.

Zeven jaar waren voorbijgegaan, waarvan Jean er ruim twee wakker was. Ondanks dagen staren naar het Alcubierre veld dat het schip omsloot, het uitvoeren van dozijnen meditatietechnieken gericht op het openstellen van zijn geest, ja zelfs met gebruik van stimulerende middelen uit de scheepsfarmacie, bleef de ruimte hardnekkig stil.

Hij was nauwelijks verbaasd toen Equinox zich tijdens het naderen van Lange Mars aan hem presenteerde.

‘Ik begrijp uit je houding en je blik dat je geen contact hebt kunnen maken?’

Jean knikte, kortaf.

De AI knikte en keek vervolgens naar de vloer, een menselijk gebaar. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe zwaar het is geweest. Wil je hier nog mee doorgaan?’

Jean haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet of het nog zin heeft.’ Hij ademde diep. ‘Ik moet ook nog terug. Zonde om het dan niet nog eens te proberen, nietwaar?’

 

#

 

Bij terugkomst was Darius bijna onveranderd. Zijn gezicht was een rimpeltje rijker geworden, zijn haar vertoonde hier en daar grijs.

Jean zat naast hem en dronk het beeld van zijn geliefde in. Verdriet en wanhoop drongen zich op de voorgrond, pure wilskracht hield hem in stand. Darius heeft je nodig. Gevolgd door. En ik heb hem nodig. Ik mis je, liefste.

Zoals in de eerste jaren voor zijn vertrek, installeerde Jean zich in de kamer van Darius. Hij moest weer wennen aan de geluidjes die de sense-tank maakte bij het verzorgen van de patiënt, de regelmatige, geforceerde ademhaling, het zachte kraken van de spierstim.

Overdag bestudeerde Jean de voortgang in het onderzoek naar de Dromers. De ziekte bleek na die eerste golf van ruim dertig miljoen zielen te zijn verdwenen. Er waren geen bijzondere omstandigheden of aanwijzingen die een voorkeur voor slachtoffer duidden. De ziekte sloeg volkomen willekeurig toe en was net zo snel verdwenen als gekomen.

Ruim zeventien jaar later was een deel van die dertig miljoen inmiddels overleden, complicaties, ouderdom of het stopzetten van de behandeling en de machines die de patiënt in leven hielden.

Ook de opname in het Collectief was op onverwachte problemen gestuit. Hoewel de engrammen van de Dromers inmiddels perfect gekopieerd konden worden, met behoud van de elfdimensionale neurale structuren van het brein, waren de uiteindelijk containers die alle informatie bevatten net zo zwijgzaam als hun bronnen. De AI doktoren stonden voor raadsels.

Elke nacht waakte Jean naast Darius, tot hij van uitputting in slaap viel. Hij las hem telkens weer voor uit zijn favoriete Wilde: “ALG I certainly won’t leave you so long as you are in mourning. It would be most unfriendly. If I were in mourning you would stay with me, I suppose. I should think it very unkind if you didn’t.”

Na enkele maanden studeren bereikte Jean het einde van de kennis over de Dromers van zowel mensheid als het collectief.

Jean voelde de aanwezigheid voor hij hem zag. ‘Het is nog geen Kerst, Equinox.’

De AI liet een schamper lachje horen. ‘Je verwachtte me al.’

‘Toen ik vandaag de laatste hoofdstukken over de Dromers las, begreep ik dat we gewoon nog niet genoeg weten; er misschien wel nooit achter zullen komen wat Dromer zijn nu eigenlijk is.’ Hij draaide zijn hoofd naar de lichtgloeiende omtrek van de AI. ‘Dus jouw gedachte dat ik Darius in de niet-ruimte van de Alcubierre torus kan vinden, is dan ineens weer aantrekkelijk.’

‘Je intelligentie viel me direct op,’ zei Equinox. ‘Al vanaf het eerste moment dat ik je zag en hoorde spreken. Inderdaad is de mogelijkheid de Dromers te onderzoeken eindig. Er zijn al tien jaar geen nieuwe gevallen gemeld.’

‘Hier blijven en wachten op iets dat misschien nooit komt, of de gok wagen, de een op wie-weet-hoeveel kans, Darius weer te spreken.’ Jean legde zijn hand op het voorhoofd van zijn geliefde. ‘Ik zal je vinden, daarbuiten.’ Of je vindt mij. Zoek me, Darius.

Het eerstvolgende schip naar Van Maanens ster vertrok een maand later. Jean reisde mee.

 

#

 

De tweede keer dat Jean arriveerde bij Van Maanens Ster werd hij net zo uitbundig begroet als die eerste keer. Nu echter was de hemel bezaaid met habitats. Vanuit de cockpit zag hij de honderden scheepjes die hen begeleidden richting het Lange Mars station.

Jean grijnsde breed bij het schouwspel, met in zijn achterhoofd de vele gesprekken die hij de afgelopen jaren gevoerd had met Darius. Het was de meest bizarre manier van communiceren. Als twee verdwaalde dwazen die door een doolhof renden, fragmenten van elkaar hoorden, maar elkaar nooit zagen. Toch wist hij dat het Darius was, voelde hij de nabijheid van zijn geliefde, door de lichtjarenlange verstrengeling heen.

‘Een glimlach van jou, Jean le Forge, licht de buitenste duisternis zelve op.’

‘Equinox!’ Jean wenkte de gloeiende figuur naderbij. ‘Ik heb hem gesproken, zoals je bedacht had. Hij was er daadwerkelijk.’

De AI bleef onbewogen en zijn stem zorgvuldig neutraal. ‘Dat is mooi, Jean. Ik moet je alleen meedelen dat de Dromers massaal aan het sterven zijn. Ik weet niet of je Darius ooit nog in levende lijve terug zult zien.’

Jeans mond viel open. ‘Hoe? Wat?’

Equinox toverde een snel stijgende grafiek in de lucht. ‘Exponentiële toename van sterfgevallen. Oorzaak onbekend. Dromers worden in ieder geval niet oud.’

‘En Darius?’

‘Hij leeft nog, maar het verouderingsproces lijkt te versnellen.’ De AI toonde een plaatje van Darius, grijs haar, gerimpeld gezicht. Hij was het duidelijk, maar het was alsof de tijd een fast-forward op zijn lichaam had uitgevoerd.

Jeans schouders zakten omlaag, alsof het gewicht van de vele jaren in de ruimte, weg van zijn vrienden, familie en natuurlijk Darius, ineens op hem drukten. Hij liet zich in een stoel zakken en sloeg zijn handen voor zijn ogen. ‘Wat…’ De woorden kwamen bijna zijn keel niet uit. ‘Wat zijn de opties?’

‘Als je niet op tijd bent is er altijd nog de opname. De techniek is de afgelopen jaren sterk verbeterd, de resolutie van de engrammen is nagenoeg perfect. Je Darius zal perfect voortleven in de Eenheid.’

‘Een Dromer in een container, zonder communicatie met de buitenwereld.’ Jean zuchtte. ‘Als het gebeurt tijdens de reis, zal ik dan nog met hem kunnen communiceren?’

Equinox keek opzij, alsof hij moeite had Jean aan te kijken.

‘Je weet het niet,’ zei Jean. ‘En dat steekt je. De kennis van de mensheid en de Eenheid gecombineerd tot je beschikking, maar dat vertelt je enkel hoeveel je nog niet weet.’

De AI keek hem nu aan. Zijn ogen leken paarse vlekken die zijn gezicht in een spookachtige gloed hulden. ‘Je acties hebben ons veel informatie verschaft. We wachten tot het laatst mogelijke moment met opname van je geliefde. Je schip vertrekt een maand eerder, zojuist geregeld.’ De AI spreidde transparante handen. ‘Er is ons alles aan gelegen je snel weer bij Darius te hebben, Jean. Al is de kans klein dat je op tijd zult zijn.’

‘Wat heeft het dan voor zin, die haast?’ zei Jean. Hij haastte zich erachteraan te zeggen: ‘Ik wil niet ondankbaar klinken, ik wil niets liever dan nu bij Darius zijn, maar het duurt jaren om terug te komen.’

‘Hoop is een sterke motivator. Ik geef toe dat ik probeerde die aan te wakkeren.’

‘Waarom? Zijn er andere motieven?’

Equinox boog het hoofd. ‘Misschien dat jullie band de doorbraak is die wij nodig hebben om de miljoenen opnames die we hebben tot leven te wekken. Hoe dan ook, maak er het beste van. Het kan de laatste keer zijn dat je Darius spreekt,’ zei Equinox, vlak voor hij vervaagde.

 

#

 

Ze waren bijna een maand onderweg toen Jean voor het eerst contact kreeg met Darius. Je was lang stil, Darius.

Ik droomde, klonk de zwakke stem van zijn geliefde in zijn hoofd. Tijd betekent dan niet zoveel.

Een bijzondere droom, als je er zo lang in verbleef.

De glimlach was voelbaar in Darius’ antwoord: Ik was in de wintertuin. Die staat vol met sneeuwmannen, de een nog mooier dan de andere. In het centrum staat een beeld van jou, de mooiste van allen. Ik bezocht je elke dag.

Dat klinkt bijzonder. Vertel meer.

De tuin is omgeven door een haag, tientallen meters hoog. De top is bedekt met sneeuw en tussen de diepgroene bladeren groeien witte rozen, als sneeuwvlokken.

Ben je daar alleen? Of heb je gezelschap? Jean dacht onwillekeurig aan de miljoenen opnames.

Sneeuw is er. Hij bewaakt de poort. Zijn hart is killer dan het koudste ijs. Hij kent geen mededogen.

Laat hij niemand toe? Of laat hij jou er niet uit?

Dat weet ik niet. Ik heb het eigenlijk nooit geprobeerd.

Hoe voel je je nu, Darius?

Blij dat ik je spreek. Maar ook moe. Uitgerekt. Ik weet wat je me verteld hebt over de Dromers, dat ik er een ben.

Ik moet je iets vertellen. De Dromers sterven op dit moment, in hoog tempo. De Eenheid slaat de engrammen op, in de hoop de Dromers ooit in de Eenheid te mogen verwelkomen. Tot nu toe zwijgen de opgenomen Dromers.

Het was een tijdje stil en Jean vreesde al bijna dat hij te laat was. Darius?

Ik ben er nog. Het is… vreemd te beseffen dat je vlees zometeen niet langer bestaat.

We blijven zoeken naar mogelijkheden, alternatieven.

Jean. De stem van Darius leek bijna lijfelijk aanwezig in Jeans kajuit. Als het tijd is, moet je me laten gaan.

Jean voelde een traan over zijn wangen glijden. De woorden kwamen bijna als vanzelf. ‘Oh, that’s nonsense, Algy. You never talk anything but nonsense.’

‘Nobody ever does.’

Ik verwacht niet dat ik op tijd ben om het opladen bij te wonen. Maar ik zal je opzoeken, waar je ook bent.

En anders zien we elkaar misschien later. Of niet.

Drie weken later stopte het contact. Jean was ontroostbaar, alsof een deel van zijn hart voorgoed was weggenomen, ook al vertelde zijn hoofd hem dat de persoon Darius nog steeds bestond, opgenomen in het collectief van de Eenheid. Voor het eerst verwelkomde hij de droomloze slaap van de sense-tank.

 

#

 

De kamer waar Darius ooit lag, huisde nu een andere patiënt. De schaarse eigendommen van Darius stonden klaar in een doos toen Jean zich meldde bij de receptie.

Thuisgekomen haalde hij zijn eerste druk tevoorschijn en bladerde door de vergeelde bladzijden. Hij ervoer een vreemd soort weemoed, een gevoel half tussen verdriet en hoop. Zijn ogen vielen op een toepasselijke tekst:‘It is always painful to part from people whom one has known for a very brief space of time.’ Nou en of. Hij voelde een behoefte alleen te zijn om zijn verdriet te verwerken. Methodisch sloot hij zijn toegankelijkheid af tot zijn online persona niet meer vindbaar zou moeten zijn. Hij hoopte dat het genoeg was.

Het organiseren van de nalatenschap en het bezoeken van de nog overgebleven vrienden en familie van Darius nam enkele weken in beslag. Jean vond het zijn plicht de boodschap persoonlijk te overhandigen. Ook hoopte hij nog details, plaatjes, feitjes en herinneringen aan Darius op te rakelen om het beeld in zijn hoofd van zijn geliefde te completeren, mocht hij niet in staat zijn in de opname te komen.

Een maand later bezocht hij het asveld waar Darius was uitgestrooid, de laatste activiteit op zijn lijst, een afsluiting van een proces. Terwijl hij uitkeek over het veld, gelegen in de schaduw van de Arcologie Utrecht, daalde een boodschapper-drone tot vlak voor hem.

‘Je stoort,’ zei Jean, zonder te kijken van wie de boodschap kwam.

‘Je bent onbereikbaar voor de gebruikelijke methoden,’ klonk de blikkerige stem van Equinox uit het zweeftoestel.

‘Ik had even tijd alleen nodig.’

‘Je arriveerde een maand geleden. Het collectief verwachtte je al lang geleden in de Eenheid om Darius te bezoeken.’

‘Hij is daar veilig. Waarom de haast?’

Equinox liet een geluid als een zucht horen. ‘Er zijn redenen.’

‘Waarmee je me niet wil vermoeien?’ Jean haalde zijn schouders op.

De drone vloog een paar keer heen en weer en kalmeerde toen. ‘Persoonlijk zou ik het op prijs stellen wanneer je zo snel mogelijk Darius bezocht. Mijn tijd is beperkt. Alsjeblieft.’

Jean hief een wenkbrauw op. Een AI die alsjeblieft zegt? ‘Al goed, Equinox. Ik slaap vanavond in een sense-tank, dan kun je me naar Darius brengen.’

‘Dank je, Jean. Het wordt meer op prijs gesteld dan je kunt weten.’

 

#

 

De sense-tank die Jean thuis had, deed dienst als slaapcabine met zintuigdemping, maar was ook toegerust voor het bezoeken van de Eenheid, de meta-realiteit die de AI’s van het collectief hadden geschapen.

Hij maakte het zich gemakkelijk en voelde de bekende, zachte beweging van de doelzoekende elektroden die de contactpunten in zijn schedel zochten. Zodra ze zich bevestigd hadden, voelde hij zijn lichaam ontspannen en seconden later viel zijn zicht weg. Even was er het gevoel dat hij viel, het volgende moment zweefde hij boven een landschap vol bijzondere details. Torens, natuurlijk, bossen, dorpen, straten, achtbanen, bizarre vliegende wezens en nog veel meer. Boven de horizon zweefden luchtsteden, verbonden door monorails, met gebouwen die interpretaties van Metropolis leken.

Een roze, gestreepte kat verscheen voor zijn neus. ‘Jij bent Jean le Forge. Mooi pak. Paars gestippelde das, heel origineel.’

Jean knikte. ‘Mijn gestalt draagt graag nette pakken. En jij?’

‘Equinox stuurt me. Ik ben je gids.’

‘Ik heb geen zin om Alice te zijn.’

‘Tsssss,’ blies de kat. ‘Alsof alle AI’s het willen doen voorkomen dat dit Wonderland is.’

Jean glimlachte kort. ‘Geef toe, je had een hele reis uitgestippeld.’

De kat draaide met zijn staart. ‘Het duurt echt niet heel lang.’

Jean schudde zijn hoofd. ‘Ik wil Darius zien. Dat is alles wat ik nu wil.’

Een diepe zucht. ‘Vooruit dan maar. Volg me.’ Op hoge snelheid rende de kat weg over wolken en af en toe opspringende regenbogen.

Jean stuurde zijn gestalt achter de gids aan. Het landschap onder hen veranderde geleidelijk van dichte bebouwing en rijke details naar saaie bergen en valleien waar de polygonen af en toe bijna zichtbaar waren.

Op een bergtop hield de gestreepte kat halt. In de vallei beneden hen lag sneeuw. Uitgestrekte weiden, afgewisseld met groepjes fractalbomen, alles bedekt met een wit laagje. ‘Daar is het.’ De kat strekte een poot uit naar de horizon, die meteen zichtbaar naderde. Een tientallen meters hoge haag van een struik met donkere bladeren en af en toe witte bloemen, van boven bedekt met een dikke laag sneeuw, werd zichtbaar.

‘De Wintertuin,’ zei Jean. ‘Ik kan het van hier zelf wel vinden. Doe de groeten aan Equinox.’

‘Wie?’ zei de kat met een cartooneske grijns.

‘Equinox. De AI die me hierheen haalde. Je zei het net nog.’

De kat schudde zijn hoofd. ‘Het collectief bracht je hier. Ik heb die naam nooit genoemd.’ Hij hield zijn hoofd even schuin of hij luisterde. ‘Nee, net bevestigd, er bestaat geen AI genaamd Equinox.’

Ben ik nou gek? ‘Ik zal het wel verkeerd gehoord hebben. Vergeet het.’

‘Het ga je goed, Jean le Forge.’ Met die woorden verdween de kat.

 

#

 

Naarmate hij de haag naderde werden de details duidelijker. Elk vlekje, elk vlokje was zichtbaar in bijna perfecte resolutie. De begroeiing strekte zich minstens twintig meter boven hem uit. De donkere bladeren waren vlijmscherp, de doorns levensgevaarlijk, maar de bloemen, rozen, waren wit als verse sneeuw met delicate blaadjes, fijn geaderd en besprenkeld met fijne ijskristallen die elke glinstering weerkaatsten.

Jean liep langs de haag tot hij bij een tunnel kwam. Aan het eind van de tunnel zag hij licht. Als Darius gelijk had, dan zou ik hier Sneeuw tegen moeten komen. Hij keek om zich heen of hij de wachter hier zag, buiten de Wintertuin.

Een opvallende kleur trok zijn aandacht. Vlak naast de poort, half verborgen onder de donkere bladen, groeide een enkele rode roos. Jean keek naar de perfecte bloem, slechts half bewust dat ook dit een projectie op zijn visuele cortex was. Onwillekeurig reikte hij naar de roos, pakte de steel en plukte de bloem. Hij bracht de rode perfectie naar zijn neus en snoof de zoete geur op. Een explosie aan kleuren en geuren overspoelden zijn virtuele zintuigen. Met een glimlach plaatste hij de bloem in een knoopsgat van zijn jasje.

Voorzichtig liep hij de tunnel in. Halverwege leek het of hij door een barrière liep, alsof er een onzichtbare grens was die hij geraakt had.

Drie stappen later stond hij in de tuin. Hij keek om zich heen. Hij zag direct een drietal sneeuwwitte standbeelden, schitterende jongens en mannen, bijna naakt en perfect in elk detail. Precies zoals Darius ze beschreef.

De binnenkant van de Wintertuin was een doolhof van manshoge hagen, afgewisseld met open plekken waar idyllische bankjes rustplaatsen verschaften.

Jean merkte dat hij zich begon te haasten. De gedachte aan Darius gaf hem energie, het idee hem weer te zien vervulde hem van blijdschap.

Bijna in het midden van de tuin was een open plek. Jean liep het doolhof uit en zag hem staan, zijn geliefde, Darius, jong, zoals hij zich hem herinnerde, uit de tijd dat ze voor het eerst hand in hand door de Arcologie Utrecht liepen en neerkeken op de restanten van de domtoren die tot een derde van de hoogte van de arcologie reikte. Hij stond nu voor een schitterend standbeeld waarin Jean zijn eigen gelaatstrekken en lichaamsbouw herkende.

‘Darius!’ Zijn geliefde draaide zich om. Even keken ze elkaar aan. Toen begonnen ze allebei te rennen.

Vlak voor ze elkaar in de armen konden vliegen rees een spierwitte gestalte op uit de sneeuw, groter dan Darius en Jean tezamen. Hij hief zijn rechterarm om Jean tegen te houden.

Slippend kwam Jean tot stilstand, vlak voor de grote, slanke hand. Dit moet Sneeuw zijn. Hij zag inderdaad kille, levenloze ogen, een symmetrisch gezicht, de stille perfectie van een zielloos algoritme dat deze, deze… automaton bestuurde.

‘Sneeuw?’ zei Darius tegen de witte jongeman. ‘Ik ken hem. Je moet hem doorlaten.’

‘Dat is niet mijn taak,’ zei Sneeuw. ‘Jij blijft binnen. Hem gooi ik eruit. Hij hoort hier niet. Dat zijn de regels.’

‘Jean?’ zei Darius. ‘Dit kun je niet winnen. Sneeuw is de bewaker. Hij is een zielloos monster en hij zal je doden als je niet luistert.’

‘Ik kan je hier niet achterlaten, Darius. Ik heb je gevonden en ik laat je nooit meer gaan. I daresay it was foolish of me, but I fell in love with you, Ernest.’

‘Genoeg gepraat,’ zei Sneeuw. Zijn ogen schitterden ijzig. ‘Vertrek nu. Of sterf.’

‘Ik…’ begon Jean. Hij keek naar beneden, zag de hand van Sneeuw vlak voor zijn borst, voelde de kou die ervan af straalde, vlak ernaast de kleurexplosie van de enkele rode roos die hij in de haag had gevonden. Een stukje bezieling. Is dat het? ‘Ik zou Darius een geschenk willen geven. Daarna vertrek ik, vrijwillig.’

Sneeuw leek zijn voorstel te overwegen. ‘Wat wil je hem geven?’

Jean trok de bloem uit zijn knoopsgat, rook eraan. ‘Deze schitterende bloem. Een aandenken.’ Hij maakte aanstalten om Sneeuw heen te lopen, maar de grote hand stopte hem.

‘Geef. En verdwijn daarna.’

Jean keek hem berustend aan, legde vervolgens de bloem in de open handpalm van de automaton. De kou bevroor zijn hand bijna. De vingers van de ander sloten zich om de steel en alsof de tijd vertraagde zag Jean een van de doornen door de huid van Sneeuw dringen.

De transformatie was overweldigend. Hij kromp zienderogen en ineens bezat Sneeuw kleur. Hij viel op zijn knieën. Zijn huid was nog steeds bleek, zijn ogen waren ijsblauw en zijn haren een bos van blonde krullen die tot zijn schouders hingen. Zijn mond was een geluidloze schreeuw.

Jean liep om hem heen en rende de laatste meters naar Darius. De twee mannen omhelsden elkaar alsof ze een eeuwigheid gescheiden waren geweest.

‘Eindelijk, ik heb zo lang op je gewacht,’ zei Darius.

‘Ik ben nu hier en ik blijf hier ook,’ zei Jean. ‘Zo ben ik compleet.’ Hij keek Darius aan. ‘Er is een oneindig universum daarbuiten. Zullen we het gaan ontdekken?’

Darius glimlachte en greep Jeans hand. Samen liepen ze richting uitgang.

‘Alstublieft?’ De stem van Sneeuw achter hen klonk zo zielig dat Jean zich toch omdraaide.

‘Wat is er?’

‘Kunt u me zeggen wie ik ben? En wat ik moet doen? Mijn geheugen laat me in de steek.’ Hij hief de hand met de roos naar hen op.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jean. ‘Ik hoopte dat ik de automaton een stukje menselijker kon maken. Ik had niet gedacht dat ik zijn systemen compleet zou wissen.’

‘Hoe heb je dat gedaan dan?’ vroeg Darius.

Jean spreidde zijn handen. ‘Dit is jouw engram, lief. Jouw innerlijke wereld. De Wintertuin was jouw perfecte speelplaats, omgeven door een ondoordringbare haag en bewaakt door wat uiteindelijk niet meer dan een algoritme was. Een zielloze AI, feitelijk, met maar één opdracht die hij fanatiek uitvoerde. Wie zal zeggen wat de Dromers veroorzaakte? Een digitaal virus? Ik had een ingeving, een vermoeden, dat die roos een stukje van jouw menselijke bezieling was. Die heb ik hem gegeven. Het effect was … bijzonder.’

‘We kunnen hem niet zo achterlaten,’ zei Darius, ‘wat heeft hij nodig?’

‘Een naam en een opdracht. Dat is hoe het meestal werkt. Probeer het maar.’

Darius dacht even na en richtte zich toen tot de knielende figuur. ‘Ik geef je een naam. Jij bent Equinox. Je taak is de Dromers te laten ontwaken. Het middel heb je in je hand.’

De automaton stond op. ‘Ik ben Equinox. Zo zal het geschieden.’

Darius pakte Jeans hand weer en samen liepen ze door het doolhof.

‘Hoe kwam je bij de naam Equinox?’ vroeg Jean nieuwsgierig.

Darius haalde zijn schouders op. ‘Ik heb het altijd een mooie naam gevonden. Hoezo?’

‘Er was een AI die me hielp om jou hier te vinden. Die heette Equinox. Maar volgens de Eenheid heeft er nooit een AI genaamd Equinox bestaan.’

Darius stopte even en keek hem indringend aan. ‘Heb je het gemeld tijdens onze gesprekken, al die jaren geleden?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Dan weet ik het ook niet.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Misschien wil ik het ook niet weten. Het belangrijkste is dat we elkaar hebben.’

Ze verlieten de Wintertuin door de poort. Buiten gekomen was de sneeuw op de grond aan het smelten. Ze draaiden zich om en zagen dat de haag niet langer besneeuwd was en bloeide met miljoenen schitterende rode rozen.

Leesherinneringen, nooit vervagend – Frank Roger

Ik heb iets onrustwekkends ontdekt.

Maar laat me beginnen bij het begin.

Ik las vroeger enorm veel. Eerst las ik boeken, en schakelde toen over op e-books, een grote stap voorwaarts wat mij betreft. Ik deed zelfs mijn hele verzameling boeken van de hand, blij dat een vrijwel onbeperkte hoeveelheid leesmateriaal kon opgeslagen worden in een kleine e-reader.

En toen kwam de volgende stap. Ik kon er niet aan weerstaan, zoals zovele anderen.

Boeken lezen was zo tijdrovend, en naarmate ons leven alsmaar hectischer werd vonden we nauwelijks nog tijd om echt te lezen. Bovendien vervaagden de herinneringen aan wat we door de jaren heen gelezen hadden. Wie kan zich nog in detail een boek herinneren dat hij twintig jaar geleden heeft gelezen? Onze herinneringen zijn op zijn best fragmentarisch, misschien zelfs onjuist.

Net zoals iedereen was ik dus blij toen Instant Boeken een programma lanceerde dat leesherinneringen bood in de vorm van gecodeerde moleculen die rechtstreeks werden geüpload in de hersenen via een makkelijk geïnstalleerd ‘neuraal toegangspunt’, en ons zo heldere en volledige herinneringen verschafte aan boeken die ons vele uren lezen zouden gekost hebben.

Bovendien vervaagden die herinneringen niet. Je kon nu terugkijken op het verzameld werk van Georges Simenon en erover praten met vrienden, zonder vele duizenden bladzijden te moeten lezen en onvermijdelijk talrijke details te vergeten. De romans van Stephen King? Je had ze allemaal binnen handbereik. Het volledige werk van Roald Dahl, Gabriel Garcia Marquez of John Irving? Koop de leesherinneringen en je bespaart een enorme hoeveelheid tijd. Instant Boeken kende een enorm succes, zoals verwacht, en binnen de kortste keren was er niemand nog echt boeken aan het lezen, zonder daar nadeel van te ondervinden.

Een extra pluspunt was het feit dat het ons meer tijd liet voor andere activiteiten. Echte boeken behoorden tot het verleden, het waren relieken van vervlogen tijden. Enkel schrijvers hadden wellicht nog contact met het echte spul, omdat ze verhalen en romans bleven produceren. En een krimpend aantal ouderwetse zielen die alle moderne technologie afwezen en koppig vasthielden aan hun oude gewoonten. Nu kende ik zo’n vrouw, Leen, met wie ik regelmatig sprak over boeken en schrijvers. Ik had haar bijvoorbeeld verteld over de boeken van Gwendolyn Garamond, een schrijfster die ik zeer waardeerde om haar reeks romans over de burgeroorlog.

In plaats van haar gebruikelijke gedetailleerde verslag met haar ideeën en meningen over de schrijfster en haar werk ontving ik een vreemd bericht: Ik heb nog nooit van haar gehoord. Ik deed wat onderzoek, maar vond geen enkele verwijzing naar haar of haar romans. Spelde je haar naam misschien verkeerd?

Ik controleerde even vlug mijn Instant Boeken-bestanden, maar dat bevestigde alleen maar mijn gegevens. Het was wel degelijk Gwendolyn Garamond. Mijn geheugen had me geen parten gespeeld. Ik vergat het incident, denkend dat Leen misschien geen toegang had tot informatie over recente schrijvers. Maar de weken daarna dook hetzelfde probleem telkens opnieuw op, met andere nieuwe schrijvers die populair waren volgens de bestsellerlijsten op de webwinkel van Instant Boeken.

Tot mijn verbazing ontving ik een bericht van Leen: Beste Suzanne. Zoals je wellicht weet sta ik in contact met verschillende fervente lezeressen met wie ik informatie, ideeën en meningen over boeken uitwissel, en de meesten van hen hadden het over schrijvers die ik niet kende en waarover ik geen enkele informatie kon vinden. Ik deed dus wat onderzoek en ontdekte waarom. De reden is dat die schrijvers en die boeken niet bestaan. Controleer het zelf maar eens. Je zult het wel zien. Ze voeren je nep-leesherinneringen. Wees op je hoede. Leen.

Nep-leesherinneringen? Waar had Leen het over? Ik plaatste een vraag over het probleem op een lezersforum, en een verre vriend van me, een man genaamd Jef, reageerde erop: Maak je geen zorgen, Suzanne. Het maakt deel uit van de nieuwe reeks van Instant Boeken. Het heeft een waanzinnig succes, dus ga er rustig mee door. Vergeet die oude toestanden toch.

Nep-leesherinneringen? Een nieuwe reeks? Ik pleegde wat onderzoek en ontdekte dat veel van de boeken die ik onlangs had gelezen (of, om het wat correcter te stellen, boeken waarvan ik de leesherinneringen had geüpload) inderdaad deel uitmaakten van een nieuwe reeks die onlangs was gelanceerd en bijzonder succesvol bleek. Maar ik snapte nog altijd niet waarom Leen het nep-leesherinneringen noemde.

Ik nam dus contact op met de klantendienst van Instant Boeken en zette mijn probleem uiteen. Ik ontving het volgende antwoord: Beste Suzanne. We begrijpen je bezorgdheid. Tot voor kort vond je bij Instant Boeken leesherinneringen van de klassiekers van de literatuur. Onze nieuwe reeks bevat echter enkel leesherinneringen van boeken die geen echte tegenhanger hebben. Zowel de boeken als de schrijvers zijn fictief. De leesherinneringen zijn echter even overtuigend en verrijkend als die van echte boeken. Aangezien er geen sprake is van een schending van het auteursrecht is de situatie wettelijk in orde. Bedankt voor je bestellingen bij Instant Boeken en we hopen snel weer van je te horen. Vriendelijke groeten van de klantendienst van Instant Boeken.

Ik las het bericht tweemaal en moest even gaan zitten. Dus daarom kon Leen geen informatie vinden over Gwendolyn Garamond en haar collega’s: omdat ze niet bestonden, en hun boeken al evenmin. Instant Boeken creëerde gewoon leesherinneringen van niet-bestaande boeken. Ze hadden schrijvers die boeken schreven vervangen door programmeurs die leesherinneringensoftware schreven. Waren die gebaseerd op synopses, aangeleverd door schrijvers, of op door machines geproduceerde algoritmes? Waren er nog wel mensen bij betrokken? Erger was dat niemand erom leek te geven, omdat die nep-leesherinneringen even genietbaar waren als die aan het “echte spul”. Gwendolyn Garamond bevond zich nu op hetzelfde niveau als Franz Kafka of Pablo Neruda.

Was dit nu een natuurlijke evolutie? Ik plaatste een bericht hierover op het forum en kreeg reacties variërend van Je kunt de vooruitgang niet stoppen, Suzanne tot Komaan, boeken zijn nog nooit zo populair geweest, waarom dan klagen?

Ik nam dus terug contact op met Leen en vertelde haar alles wat ik had ontdekt.

Ze antwoordde: Binnenkort zul je niet eens meer in staat zijn een onderscheid te maken tussen echte en nep-herinneringen, en misschien zul je niet eens meer de noodzaak voelen om dat onderscheid te maken. Ben je er wel zeker van dat je die richting wilt uitgaan? Die nieuwe aanpak is dan misschien niet illegaal, maar ethisch is het beslist niet. Denk er eens over na. Het staat je vrij uit dat systeem te stappen nu je nog kunt. Je kunt nog altijd terugkeren naar echt lezen, Suzanne. Er is niets dat echte boeken vervangt. Groetjes, Leen.

Eerlijk, ik overwoog Leens suggestie om Instant Boeken te laten vallen. Natuurlijk kon ik terugkeren naar echte boeken of e-books, maar ik zou het werk van auteurs als Gwendolyn Garamond die ik tot mijn favorieten was gaan rekenen te hard missen, ook al bestonden ze niet echt. En hun boeken (of de herinneringen aan het virtueel lezen ervan) waren nergens anders verkrijgbaar, en in de echte wereld al helemaal niet.

Misschien vergiste Leen zich toen ze vreesde dat nep-leesherinneringen niet meer zouden kunnen onderscheiden worden van echte. Misschien was het nep-materiaal het echte werk gewoon aan het verdringen, en was ze te zeer gehecht aan vroegere tijden om dat idee te vatten. Het was echter duidelijk dat we in de toekomst alsmaar minder nieuws zouden kunnen uitwisselen.

Vlak voor de zoveelste zondvloed – Reinder Veelinx

Hagemans vond de uitgelaten stemming in de bus wel iets weg hebben van het jaarlijkse schoolreisje. De gangmakers van de klas, Lars en Stefan, lieten zich steeds opnieuw joelend neerploffen in de roodfluwelen zetels. Sabine, net tien geworden, keek verrukt naar de purper getinte ramen. Quino − die graag mode natekende − volgde met zijn vingers de lijnen van het gouden borduursel. Ze waren alweer vergeten dat de bestemming van de rit weinig reden tot vreugde gaf.

Voor Hagemans was het de eerste keer dat hij een groep moest begeleiden naar de biecht. Nadat de Nieuwe Kerk op democratische wijze aan de macht was gekomen, veranderde de maatschappij sneller dan hij kon bijbenen. Nu maakte weer een nieuwe wet het biechten verplicht voor elke jongere van zes tot zestien. Halfjaarlijks en onder toezicht van de scholen. Het moreel verval moest in de kiem gesmoord worden.

Hagemans had zo zijn bedenkingen bij de combinatie van dwang en het opbiechten van zonden. Zijn bezwaren hield hij wijselijk voor zich. Wie het waagde kritiek te uiten werd aan de schandpaal genageld. In de digitale handen van de Nieuwe Kerk had het gezegde ‘iemands doopceel lichten’ een nieuwe, vlijmscherpe betekenis gekregen.

De instructies op zijn polscomputer waren uiterst beknopt. Er kwam een zelfrijdende bus voorrijden. Hij was verantwoordelijk voor alle personen op zijn lijst. Op die dag en op dat tijdstip. Sinds de balpen was vervangen door het toetsenbord was ‘kortaf’ de gangbare schrijfstijl. In contrast daarmee was de afsluiter bijna vertederend: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen wit worden als wol.

 

De bus stopte bij een reusachtige vierkante toren met een rond puntvormig dak. Hagemans zag er op toe dat niemand in het voertuig achterbleef en stapte zelf als laatste in het felle zonlicht.

Zonder aansporing gingen de kinderen dicht bij elkaar staan, alsof ze bescherming zochten in de groep. Muisstil keken ze omhoog naar de verblindende witte zuil waarvan de top in de wolkenloze lucht leek samen te smelten met de hemel. Er was geen raam te bekennen. Alle aandacht ging uit naar een metershoog kruisbeeld dat zo te zien van goud was. Boven het smartelijk gelaat van Jezus fonkelde de doornenkroon.

Inge, de jongste van zijn klas, doorbrak de stilte en vroeg met een klein stemmetje: ‘Is die man vastgeprikt met nagels door zijn handen?’

Tijd voor een antwoord was er niet want Hagemans kreeg een nieuw bericht binnen: Uw groep van 19 kinderen is toegewezen aan biechtlokaal 37 waarin 20 cabines zijn. Elke cabine heeft een biechtcomputer. U moet er over 15 minuten zijn.

De commanderende toon was precies de reden waarom hij zijn polscomputer ook wel de nieuwe slavenarmband noemde.

In de centrale hal werd het profiel van Hagemans opgepikt door een onzichtbare scanner en geruisloos opende een van de liften haar deuren. De hele groep paste er met gemak in. Uit het plafond daalde een fijne nevel neer en Hagemans herkende de flauwe geur van gewijd water. De zoevende tocht opwaarts zorgde voor een raar gevoel in de onderbuik. Onderweg kringelde een sliertje wierook uit een van de wanden.

Even bespeurde Hagemans een reflex in zijn rechterarm. Als kind moest hij elke zondag zijn vingers dopen in het wijwater font bij de ingang van de kerk. De verplichte tikjes tegen voorhoofd, borst en beide schouders. Hij strekte zijn vingers en schudde zijn arm om de herinnering kwijt te raken.

 

De liftdeuren gingen open en zonder overgang stonden ze in een licht overgoten, cirkelvormige ruimte. In het midden stond een platte, ronde sofa van rood fluweel met gouden biezen. Hagemans ging voor en alle kinderen namen plaats, netjes op een rij. Rondom zagen ze de haarfijne omtrekken van de witte deuren die haast opgingen in de muur. Op elke deur blonk een gouden crucifix. Twintig op een rij.

Hagemans ontving een nieuwe opdracht: Spreek de volgende tekst hardop uit. Zonder na te denken las hij voor van het scherm.

Je mag alleen je onderbroek aanhouden in de cabine. Leg alles, ook brillen en polscomputer, achter je op de bank. Binnen zeg je eerst je naam en hoe oud je bent. Daarna geef je antwoord op alle vragen. Als je helemaal niets zegt, krijg je straf.

Hagemans keek nog of er stond welke straf. Maar ineens ging alles snel. De kinderen vertrouwden hem. Fluks ontdeden ze zich van kleding en andere zaken. Met een reeks van zachte klikjes sprongen alle deuren open. Elke cabine wenkte met een gouden gloed. Trots liep Lars als eerste naar binnen en Stefan liet niet lang op zich wachten.

Achter elkaar kozen alle kinderen als gewillige schapen een eigen cel. Deur na deur sloot zich met een zucht. Voor hij het goed en wel besefte zat Hagemans alleen op de grote bank, in de smetteloos witte ruimte, omringd door kleurige kinderspullen en een verstikkende stilte. Een bericht lichtte op. Hij kon niet geloven wat hij las.

In elke cabine was een leugendetector ingebouwd die contact maakte met het lichaam. Als iemand loog of onzin vertelde, volgde een korte stroomstoot. Hetzelfde gebeurde bij hardnekkig zwijgen. Voor elke oprecht opgebiechte zonde kreeg men strafpunten. Het totaal aantal punten bepaalde het voltage van de stroomschok. De boetedoening werd meteen uitgevoerd.

 

Hagemans had elk besef van tijd verloren. De klik van de eerste deur die weer openging klonk als een pistoolschot.

Naar buiten kwam Lucas, een magere jongen die altijd een beetje in zichzelf gekeerd was. Hij zag krijtwit en staarde in het niets. Hagemans stak een hand uit maar Lucas schrok en weerde hem af. Hij snakte naar adem en barste in tranen uit. Zijn hele lijf schokte van de losgelaten spanning.

Steeds opnieuw opende zich een deur en de ruimte vulde zich met een chaotisch tumult.

Gelukkig had niet iedereen een pijnlijke ervaring achter de rug. Sabine huppelde glimlachend naar de bank en begon zich aan te kleden alsof er niets was gebeurd. Lars keek boos en vastberaden alsof hij wilde zeggen: ‘zo gemakkelijk krijg je mij niet klein’.

De kinderen die ongedeerd waren gebleven, bekommerden zich om de anderen die huilden of verdwaasd zaten te kijken. Zelf was Hagemans tezeer overstuur om hulp te kunnen bieden. Verslagen keek hij toe hoe de kinderen elkaar moed inspraken en troost boden. Ze reikten schoenen of kleding aan. Een arm om een schouder.

In korte tijd zat iedereen weer aangekleed op de bank en waren de meeste kinderen tot bedaren gekomen. Een paar snotterden nog wat na. Hagemans kreeg het bericht door dat zijn groep aan de biechtplicht had voldaan. De liftdeuren gingen open en opgelucht verlieten ze het vertrek.

 

Pas in de bus telde Hagemans zijn groep. En nog eens. Hij voelde zijn hart overslaan en werd misselijk. Quino was er niet bij. In paniek rende hij op de deur af die voor zijn ogen dicht ging. De bus begon te rijden.

De hele terugweg, achter purper getinte ramen en zittend op rood fluweel, probeerde Hagemans een zonde te bedenken die zo onvergeeflijk was dat een twaalfjarige er de doodstraf voor kreeg.

De begeerten van vreemden – Joost Uitdehaag

Het was een receptie waarbij wegblijven teveel opviel, dus moest Alexander Roskov de gok wagen. Hij trok zijn linnen maatpak en bruine lakschoenen aan, en liep over het Museumplein. Even nam hij zijn hoed af voor de portier in de politiecabine, voordat hij de trap besteeg. Het bord op de muur was voor de gelegenheid glimmend gepoetst, maar toch kon hij een rilling niet onderdrukken. Het hol van de leeuw. Consulaat van de Verenigde Staten van Amerika.

Binnen stonden de consul en zijn vrouw keurig in gala, zoals elk jaar op de receptie van de vierde juli. Een ober in rokkostuum met een dienblad. De cocktails deden hem denken aan toen hij nog in New York woonde, in de tijd dat types als Harvey Weinstein en Strauss-Kahn de wereld nog regeerden. Als je daar op terugkeek, was het een soort wildwest geweest.

Vanuit een hoek bij de bar bekeek hij de vrouwen, de meeste vijftigers in te strakke jurken. Bereisde types, vol exotische wijsheid, maar ze deden hem niets. De scherpe kantjes gingen eraf, nu hij ouder werd.

Toen zag hij haar. Gitzwarte krullen dansten in haar beige hals. Blank met Afrikaans bloed. Haar zijden blouse streelde haar schouders. Haar zwarte kokerrok en hoge hakken bogen haar lichaam tot een elegante g-sleutel, terwijl haar lange vingers nonchalant met de voet van een leeg champagneglas speelden.

Oké, dit was gevaarlijk. Het beste was om zijn verontschuldigingen aan te bieden, naar buiten te stappen en weg te gaan. Maar dit was zo’n mooie vrouw. Een blik op haar gezicht, om te weten of het net zo puntgaaf was, om te zien hoe de lijn van haar oogkas liep, dan zou hij daarna weggaan.

Ze keek op, met helderwitte ogen, recht naar hem. Iets knetterde, een duizend jaar oude kracht. Hij pakte een Mint Julep van een dienblad en stapte op haar af. Ze nam hem op van zijn schoenen tot zijn handen. Hij bood haar het glas aan. Ze reikte hem het lege champagneglas. Vol voor leeg.

Hij boog licht. ‘The kindness of strangers,’ zei hij.

Ze glimlachte. ‘Hoe weet je dat ik uit het Zuiden kom?’

‘Niet.’ Hij had het citaat van Tennessee Williams gewoon toepasselijk gevonden.

‘De eerste keer dat ik A Streetcar Named Desire zag, kwam ik uit school,’ zei ze. ‘Het regende. Een aardige man achter de kassa liet me binnen. Ik denk omdat ik er zo zielig uitzag.’

‘Geen stuk voor een kind, toch?’

Ze slikte. ‘Mama had even geen plek voor me.’

‘Dan was je net zo alleen als Blanche DuBois in dat stuk.’

‘Een zwarte Blanche,’ zei ze. Ze staarde hem aan terwijl ze de cocktail aan haar mond zette. Haar lippen sloten zich om het kristalglas. Al die tijd bleef ze kijken. Hij voelde haar warmte stralen. Het was onmogelijk om aan haar te ontsnappen, als een vlinder gevangen in het kaarslicht.

‘Heb je Amsterdam al gezien?’

Een twinkeling in haar ogen. ‘Het is gevaarlijk, zeggen ze.’

‘Geloof je dat?’

Ze haalde haar schouders op.

‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik laat je het Vondelpark zien.’

Hij bracht haar naar het park, naar die gekke Amsterdammers die dansten en dronken en hun kinderen in bomen lieten klimmen zonder veiligheidstuigjes. Daarna aten ze wat in een Frans restaurant in Oud-Zuid, dronken twee flessen wijn leeg en zochten een hotel op. Soms was het leven heerlijk.

 

Ashley richtte zich op. Buiten was het nog donker. Alexander sliep naast haar, zijn gespierde arm boven de lakens. Ze stapte uit bed, raapte haar beha op. Geen tijd om te douchen. Ze zette haar nagels in haar handpalmen om zichzelf te straffen. Meegaan met vreemdelingen werd niet gewaardeerd op het consulaat. En God wist hoe hard ze had moeten werken om deze baan te krijgen. Maar toch, het was heerlijk geweest met Alexander. Hij had een leeg vakje in haar ziel had ingekleurd, iets dat de spanning nodig had van het dwalen door donkere straten, vol met drugs en prostituees, met een onbekende aan haar zij.

Ze pakte haar handtas. Alles zat er nog op dezelfde manier in, wat wilde zeggen dat Alexander er niet in gerommeld had. Een trucje van Langley. Zijn glas stond nog op het nachtkastje. Samen hadden ze Kentucky Rye bourbon aan de hotelbar gedronken, terwijl ze giechelend het Star Spangled Banner hadden geneuried tot ze hem had gevraagd om haar op bed te tillen. Ze glimlachte.

Er zat nog wat speeksel aan de rand. Ze kon dan tenminste één ding volgens de regels doen. Voorzichtig sloop ze langs hem en smeerde een standaardstrip langs zijn glas. De tientallen vakjes verkleurden. Geel, roze, blauw. Even wachtte ze, de dertig seconden detectietijd aftellend. Ze knipperde met haar ogen. Het diepe indigo in het vakje rechtsonder werd steeds intenser. Positief. Ze werd ijskoud. Ze streek een tweede strip aan de andere kant van het glas. Dezelfde kleur. Er was geen twijfel. En rilling liep over haar rug. Deze Alexander was een drager van het meest zeldzame en meest beruchte gen dat er was: uty.c133a.

Ze verstijfde. Haar eerste drang was om te vluchten, de kamer uit te rennen, te gillen. Maar ze vermande zichzelf. Hij sliep. Er was tijd. Zo kalm mogelijk sloop ze naar de badkamer met haar handtas. De instructies waren duidelijk. Met trillende vingers trok ze uit de voering van haar tas een minitaser, ter grootte van een zakmes, een effectief verdovingswapen. Ze drukte de knop in om hem te testen. Het speet haar voor Alexander. Hij had beter naar een arts kunnen gaan om zich te laten behandelen, maar voor anti-genvaxxers kende de wet geen genade.

Ze opende de deur van de badkamer en keek naar het bed. De lakens lagen nog op een hoop, maar anders. Ze stapte naar voren. Iets trok aan haar polsen. Ze verloor haar evenwicht en landde met haar gezicht op het tapijt bij de ingang. Ze klemde haar taser zo stevig vast als ze kon. Nooit je wapen verliezen. Ze wilde zich omdraaien, maar handen pinden haar schouders vast, een knie landde op haar rug. Ze zette zich af, uit alle macht, maar het lukte niet. Je opleiding, wat heb je geleerd? Ze maakte zich klein en rolde om. Haar belager was even uit balans. Ze haalde uit met haar vuist. Hij torende boven haar uit, naakt, met zijn benen wijd. Een verbeten grijns. Alexander.

Ze balde een vuist om haar taser. Hij vouwde haar pols om, drukte haar hand naar beneden. Pijn schoot door haar arm. Ze schopte, rolde, gilde. Hij drukte haar duim hard tegen de taser. Het lichtje brandde op. Ze probeerde tussen zijn benen te schoppen, zijn solar plexus te bereiken, maar ze kreeg geen grip.

Hulp, ze had hulp nodig. De eerste regel, zorg voor back-up. Ze schreeuwde. Een ijselijke gil door het hele gebouw. Het metalen contactpunt kwam gestaag dichterbij. Ze raakte zijn gezicht, maar hij ging niet weg. Ze kon niet weg. Het metaal drukte in haar hals, op totaal de verkeerde plek, maar het effect zou er niet minder op zijn. Ze verwachtte een schok, maar voelde niets.

 

Alexander voelde haar lichaam verslappen en walgde ervan. Ze had zo’n zalig, zacht lijf, maar zonder leven was het vies, onnatuurlijk. Als een dode eend in de gracht. Verschrikkelijk om juist haar dit aan te doen. Hij legde haar op bed, voorzichtig, bekeek nog even haar huid, met die subtiele kleur van latte, haar stevige borsten strak in haar beha van witte kant.

Hij wist niet veel van wapens, maar zo’n krachtige taser kon je zelfs in VS niet zomaar kopen. Hij opende haar linkerooglid, hield haar telefoon ervoor. Het ding ontsloot. Contacten, berichten. Een junior juriste op haar eerste reis naar het buitenland. Maar haar toegang tot het consulaat had het hoogste veiligheidsniveau. Ongetwijfeld een inlichtingendienst. Hij klikte op de uitslag van een sequentieanalyse; haar DNA werd blijkbaar continu geanalyseerd. Ze moest wel bij de unit horen die zorgde dat Amerikanen in het buitenland zich niet onttrokken aan de genvaccinatiewetten. CIA Eugenics. Het paste in het beeld dat ze tegenwoordig veel jonge vrouwen rekruteerden. Hij gooide haar telefoon en de handtas in een prullenmand, het wapen ook. Daarna trok hij zijn kleren aan en haastte zich de trap af naar de lobby.

Bij de receptie stond een aantal politieagenten. Dat was snel. Vrouwengegil in hotelkamers had blijkbaar hoge prioriteit. Hij vertraagde zijn pas tot nonchalant, knikte vriendelijk naar hen, sloeg de hoek om, en daarna nog twee, tot hij zich in de wirwar van de Warmoesstraat bevond. De hele hoerenbuurt was officieel anoniem gebied; voorlopig was hij daar veilig.

Slenterend dacht hij na. Een Eugenics-agente met een ontwapenende Whitney Houston-lach. Hij was erin getuind, als een puber. Maar wat voor reden had zij gehad om hem aan te vallen? Natuurlijk droeg hij uty.c133a, maar niemand wist dat. Hij was verhuisd voordat het verplichte profileren begon. En hier in Amsterdam was hij nooit in aanraking met de politie geweest. Sterker nog, hij had nooit iemand zelfs maar een onbehoorlijk voorstel gedaan. Hij was de braafste man van de stad. De hele wereld werd gek, helemaal gek. Gelukkig was hij wakker geworden toen ze zijn glas had opgetild.

Hij liep naar een café op het Oudekerksplein. Terwijl hij wachtte op zijn koffie, zocht hij van de stamtafel de kranten uit, om zijn hoofd wat rustiger te krijgen. Het ouderwetse papier was pure luxe voor hem. Eén bericht trok zijn aandacht.

Verkrachtersgen verder aan banden gelegd. De overheid van Burundi heeft besloten, als een van de laatste landen ter wereld, het gen uty.c133a toe te voegen aan de postnatale CRISPR cocktail en het vanaf volgend jaar zo al bij de geboorte te verwijderen. ‘Vanaf vandaag is Burundi veiliger,’ vertelt Makwata Matana, minister van volksgezondheid. Burundi herbergt een behoorlijk aantal van de overgebleven uty.c133a-dragers. De Amerikaanse overheid steunt Burundi met een subsidieprogramma.

Geërgerd sloeg hij krant dicht. Verhalen over genen die je tot slecht mens maakten waren er al sinds de ontdekking van DNA, het verschil was dat er een technologie was opgedoken die genen ook daadwerkelijk kon uitschakelen. CRISPR. Eerst waren er ziektes uitgeroeid: taaislijm, sikkelcelanemie, helemaal prima. Maar het mandaat was inmiddels ver opgerekt. De variant uty.c133a was ooit ontdekt als een gen dat verband hield met seksuele veroveringsdrang in muizen. Het lag op het Y-chromosoom van tachtig procent van alle seksuele predatoren. Sinds het in de CRISPR cocktail zat, was in de VS het aantal verkrachtingen − door vreemden van het slachtoffer, dat wel − gedaald met zestig procent. Spectaculair, dat moest ook hij toegeven. Maar er stond tegenover dat negentig procent van de dragers nooit iets verkeerds deed. Het maakte allemaal niet uit: de logica van het plebs dicteerde dat als je dat gen had, je vanzelfsprekend een lustmoordenaar was. En dus was de jacht geopend op Amerikaanse burgers die zich weigerden te laten behandelen.

De koffie kwam. Het was een kwestie van tijd voordat Ashley hem opnieuw zou vinden. Tenzij hij verdween, onderdook; hij wist niet eens hoe het zou moeten. Naar Amsterdam verhuizen op een toeristenvisum was al moeilijk genoeg geweest. Hij sloeg de espresso achterover. Hij kon zich ook vrijwillig laten behandelen. Pijnloos, maar het was fout.

Hij zette zijn kopje hard neer. Wat vergeten werd, was dat tachtig procent van de dragers nooit iets verkeerd deed. En wat voor geluk het gen kon brengen. Dragers van uty.c133a hadden een scherpere reuk, een beter vermogen om gezichten te herkennen. Dat was allemaal bewezen. Hij wist zeker dat hij alles intenser beleefde dan de zombies hier om hem heen. De koffie, de zon, de geur van de stad. De glans van de zon op een blonde krul bij een oor. Het profiel van een vrouw die haar pumps uittrekt, zo met haar been naar opzij. Zijn maag tuimelde ervan ondersteboven. Iedere keer weer.

Hij keek op. Hij zag nu pas dat het terras gedeeltelijk buiten het geanonimiseerde terrein lag. Zijn eigen gezicht weerspiegelde in de lens van een camera die aan de Oude Kerk hing. Damn.

 

Ashley Johnson pakte haar handtas stevig vast, terwijl ze de agenten uit haar hotelkamer liet.

‘We verwachten u dan op het bureau om aangifte te doen.’

‘Als me iets te binnen schiet, bel ik meteen.’ Ze sloot de deur. Protocol. De Nederlandse politie had hier verder niets mee te maken. Helaas ondersteunde Nederland niet de missie om seksueel geweld uit te roeien door wereldwijde vaccinatie. Terwijl ze haar make-up herstelde, vroeg ze zich af hoe ze deze afgang het best aan haar baas kon brengen. Haar excuses zouden vast geaccepteerd worden; Amsterdam, vier juli, voor het eerst alleen in het buitenland, maar haar reputatie zou beschadigd blijven.

Heel voorzichtig trok ze haar ooglid naar beneden om een fijn lijntje mascara aan te brengen. De buurt van haar jeugd was vergeven geweest van jongens en crack cocaïne, maar ze had er nooit naar omgezien. Het was juist spannend geweest om zich aan die wereld te onttrekken. En toch, nu ze iets bereikt had waar haar oma trots op kon zijn, was het ineens doodsaai. Alexander was ook keurig geweest, maar wel spannend. Anders dan alle andere mannen. Een vreemdeling, de tegenpool van alle kerels die haar moeder ontvangen had. En ze wilde niet zoals zij worden; murw geslagen in een hoek, met een paar tientjes op haar buik uitgestrooid. Voor haar moeder waren de verplichte vaccinaties te laat gekomen.

Ze knipperde. Dit werkte niet als je oog rustig moest blijven. Ze veegde haar oog schoon en begon opnieuw. Alexander was anders. Hij kende Streetcar. Hij wist hoe ze zich voelde en wat ze nodig had. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo’n fantastische avond had gehad.

Ze was klaar en keek op haar telefoon. Een paar verontruste appjes van het consulaat. Een officieel bericht. Die laatste klikte ze open. Haar DNA was door de overheid opnieuw geanalyseerd en vrijgegeven. Haar oog viel op een bepaalde mutatie, otc.a18t, die onlangs in het nieuws was geweest; daarom had de analyse plaatsgevonden. Het bleek dat ze de mutatie had.

otc.a18t. Variant in het enzym ornithine carbamoyltransferase. X-chromosomaal. Erft in de vrouwelijke lijn. Geclassificeerd als Romeo Green.

Ze klikte de boodschap weg. Romeo Green betekende dat de mutatie in het gen vooralsnog onschuldig werd bevonden. Het belangrijkste nu was zorgen dat haar misstap werd vergeven, dat ze buiten elke verdenking bleef. Ze opende de pagina van de besloten zoekmachine van de gemeenschappelijke inlichtingendiensten, die een grappenmaker Google’s Brother had genoemd. Ze voerde wat termen in. Amerikaan, Amsterdam, Alexander, whisky. Tennessee Williams. New York, Manhattan cocktail. Vier stipjes op de kaart van Amsterdam. Het tweede was raak. Beelden van een veiligheidscamera op een locatie die de Oude Kerk heette. Hij was het.

Snel pakte ze haar telefoon en tikte het nummer van de ambassade in. Toen er niet meteen werd opgenomen, sloot ze echter weer af. Ze zouden een ontvoeringsteam sturen, Alexander vastbinden bij de handen die haar gestreeld hadden. En wat had hij eigenlijk gedaan, behalve haar een leuke avond bezorgd? Haar grootmoeder zou zoiets niet goedkeuren. Met haar vinger zou ze iets in de bijbel aanwijzen om haar mening te ondersteunen. Ze keek nog eens naar het beeld. Hij zag er onschuldig genoeg uit.

 

Alexander had gehaast de rekening gevraagd. Hij moest hier weg, een beetje gezichtsherkenning zou hem er zo uitpikken. De vraag was of de Amerikanen er zomaar toegang toe hadden. Maar de vraag was ook of de Nederlanders een potentiële lustmoordenaar zouden beschermen. Hij schoof zijn stoel naar achteren, terwijl de ober aan kwam lopen met de rekening. Iets trof hem, waardoor hij de straat inkeek.

Ashley stond een tiental meters van hem vandaan. Ze had zich goed verborgen gehouden tussen de toeristen, maar de zon viel op het silhouet van haar hals en de aanzet van haar borsten. Haar huid gloeide op. Haar roze vingernagels hielden haar telefoon vast, die haar zei hoe ze moest lopen. De enige dame in een zee van toeristen. Nog voor hij kon reageren, glimlachte ze al naar hem.

Even overwoog hij weg te lopen, maar hij had nog niet betaald.

Ze kwam bij hem aan tafel zitten. Haar gladde, bruine benen vouwde ze over elkaar.

‘Waar zijn de anderen?’ vroeg hij.

‘Ik ben alleen.’

‘Het spijt me van de taser,’ zei hij.

Even reikte haar hand onder de kraag van haar blouse. ‘Dat wordt een litteken.’

Hij lachte. ‘Gewond op een missie. Je hebt een medaille verdiend.’

Haar parelwitte tanden verschenen tussen haar lippen.

‘Hoe heb je me gevonden?’ vroeg hij.

‘Dat is geheim, maar het was niet moeilijk.’

Hij wenkte de ober en bestelde een latte; hij had onthouden dat ze die dronk. Haar ogen blonken van waardering om het gebaar van genegenheid. ‘Ik zou het waarderen als je niet met me zou spelen.’

‘De instructies voor uty.c133a-dragers zijn helder. Door die taser is de Nederlandse politie erbij betrokken geraakt en dat maakt het voor mijn baas extra lastig. Luister, het beste is dat je jezelf aangeeft en dan weet ik zeker dat je een goede deal krijgt. Beter dan wanneer Eugenics je vindt.’

‘Ik laat me nooit behandelen.’

‘Voel je je dan niet verantwoordelijk?’ Ze legde haar hand op de tafel. ‘Misschien heb jij het onder controle, maar hoe zit dat straks met je zoon of kleinzoon? Hoe kun je ermee leven dat je ooit een verkrachter zult voortbrengen? Waarom laat je het niet gewoon weghalen? Het is pijnloos. Je merkt er niets van.’

Dat was de grootst mogelijke onzin. Iedereen praatte elkaar maar na. Hij had genoeg verhalen gehoord van mannen die het hadden laten weghalen, en naast hun vrouw wakker werden en walgden van het wezen naast hen. ‘Ze hebben alle grote parfummakers moeten behandelen. Dat is geen toeval.’

‘Dat is statistisch niet onderbouwd.’

‘Het gen is er niet voor niets.’

Ze lachte. ‘Omdat God het je gegeven heeft, mogen we er niets aan doen?’ Ze keek in zijn ogen, dezelfde grote kijkers als waar hij gisteren in verdronken was. ‘Het stelt echt niets voor. En daarna ben je vrij.’

Haar telefoon trilde en ze nam op. Hij keek mee op het scherm en zag dat de oproep van het consulaat kwam. Hij stond op en liep weg.

 

Ashley nam de telefoon op. Het was haar baas. ‘Meid, ik kreeg bericht van de Nederlandse politie.’ Ze haatte het als hij haar meid noemde. ‘Ze hebben van alles gesequensed en volgens hen was er een Amerikaan met uty.c133a in diezelfde kamer. Wat is er aan de hand? Was het die Alexander Roskov?’

‘Yup.’ Terwijl ze antwoordde verdween hij uit haar bereik. Ze moest erachteraan.

‘Blijf daar zitten, Ashley. We sturen iemand. Je mag blij zijn dat je nog leeft.’

Ik heb nog nooit zo veel geleefd, dacht ze.

‘Ik had je eerlijk gezegd wel iets voorzichtiger verwacht.’

Ze duwde haar telefoon tegen haar lippen. ‘Ik had niet verwacht dat zo’n man in het consulaat uitgenodigd zou worden.’

‘We dachten dat hij hier was voor zijn werk,’ klonk het aarzelend. ‘Hij is een vooraanstaande professor in de genetica.’

‘Luister ik moet gaan,’ brak ze het gesprek af. ‘Ik dien vanavond een rapport in.’ Even stopte ze. Om hem tevreden te stellen, moest ze iets kwetsbaars zeggen. ‘Sorry. Ik ben gewoon nog geschrokken.’

‘Ja, dat begrijp ik.’

In de verte zag ze Alexander de hoek om gaan. In het gedrang van de toeristen en de nauwe straatjes zou ze hem nooit meer te pakken krijgen.

‘Weet je waar hij nu is?’ vroeg haar baas.

‘Nee,’ mompelde ze, starend naar de hoek waar hij was verdwenen. ‘Nee dat weet ik niet.’

Zijn stem werd lager. ‘Heb je met hem geslapen?’

‘Daar hoef ik geen antwoord op te geven.’

‘Wist je dat hij uty.c133a was?’

‘Nee. Zijn gedrag past helemaal niet bij zijn type.’

‘Het is allemaal erg onverstandig van je.’

Ze hing op. Het Nederlandse woord voor bully wist ze niet eens. Het beeld van de Alexander gisteravond bleef in haar hoofd spelen, met zijn maatpak en zijn praatje over a Streetcar. Meer man dan alle andere bij elkaar.

Op de hoek bij de kerk zag ze een man met wegwerptelefoons. Zastava’s. Servische makelij. Anonimiteit gegarandeerd. Leuk voor de toeristen die hier een spannende tijd wilden hebben, zonder gedoe thuis. En voor het tuig van deze aarde. Ze kocht een telefoon en liep gelijk terug naar het terras. Met een beetje geluk was haar aankoop onopgemerkt gebleven. Ze toetste het nummer van Alexander.

Antwoord me hierop, typte ze, vurig hopend dat hij iets zou laten horen.

Gelijk kreeg ze antwoord. Ashley?

We hadden nog geen afscheid genomen.

Vaarwel

Even hingen haar vingers boven het toetsenbord. Daarna typte ze haar bericht. Ik wil je graag nog een keer zien.

Het bleef stil aan de andere kant.

Er is een reden waarom je niet bang voor me bent, wist je dat?

Omdat ik je aardig vind?

Ik zag op je telefoon dat ze een otc.a18t variant bij je gevonden hebben.

Ze werd warm. Je hoort niet in andermans telefoon te snuffelen.

Of onenightstands met tasers te bedreigen.

Hij stuurde een bericht door. Een wetenschappelijk artikel.

Het gen otc.a18t. Wetenschappers van Harvard hebben aangetoond dat koolmeesvrouwtjes met deze mutatie zich verder wagen van hun nesten en vaker paren met andere partners. Komt disproportioneel voor bij sekswerkers en vrouwen met meer dan vijf sexpartners in hun leven. Door de media al snel betiteld als overspel-gen, maar daarvoor ontbreekt bewijs. Biologen denken dat otc.a18t inteelt voorkomt door relaties te bevorderen met vreemden van buiten de gemeenschap. Radicale christelijke partijen ijveren voor het toevoegen van otc.a18t aan de CRISPR cocktail maar daarvoor is weinig steun.

Ze kneep in haar telefoon. Het stuk voelde alsof ze werd uitgescholden voor hoer. Maar dit was wetenschap, het klopte. De beschrijving van het gen was ongeveer het leven van haar moeder. Maar dat betekende niet dat zij ook zo moest zijn. Ze was volwassen, nog niet getrouwd. Iedereen liet zich weleens verleiden. Haar oma was een flirt geweest en haar opa had het prima gevonden. Heel hun leven waren ze bij elkaar geweest. Zo kon het ook zijn. Zo moest het zijn. De Heer zou haar steunen.

Ik ben sterker dan dat gen.

Dat hebben we dan gemeen.

Ze vloekte binnensmonds. Hij was de enige man die haar zo makkelijk van haar stuk bracht.

Café Americain, aan het Leidseplein. Vanavond, schreef hij.

Even aarzelde ze. Oké.

Ze sloot af. Over het antwoord had ze getwijfeld. Wat zou hij denken van haar?

 

Alexander sloot zijn telefoon af van het netwerk. Hij moest wegwezen, voor het geval Ashley hem in de val wilde lokken. Hij liep in normale pas door de straten. De vrouwen lonkten naar hem. Afrikaans, Aziatisch, Hollands. Dik, oud, triest, maar toch allemaal op hun manier aantrekkelijk. Al die exotische geuren en kleuren staken naalden in zijn brein.

De telefoon die ze gebruikte. Was het een val of wilde ze ontsnappen aan het netwerk van de Unit? Had ze het stukje over otc.a18t écht begrepen? Ze was geen geneticus, maar slim genoeg. Kon hij niet beter vluchten? Hij had vrienden in Christiana in Kopenhagen, wat nog steeds een vrijplaats was. Als hij er kon komen. Het cynische was, dat Ashley waarschijnlijk het beste wist wat hij moest kiezen.

Hij keek op een klok. Nog een paar uur te doden voordat hij bij het Café Americain moest zijn. Hij liep naar het Leidseplein, een van zijn favoriete plekken om naar vrouwen te kijken, terwijl ze op het terras hun aankopen aan elkaar lieten zien, hun mannen bespraken en rosé dronken. Als een scène van Manet.

 

Ashley besefte dat ze, sinds ze naar het feest was geweest, al meerdere domme dingen had gedaan. Het eerste en meest aangename was met Alexander meegaan. Het tweede was hem in haar eentje op het plein opzoeken. Het derde was die telefoon kopen. Ze had hem nog maar net weggegooid, toen een tweetal mannen haar kwamen ophalen. Brede schouders, strakke jasjes. Mensen die in de pas liepen, bang voor alles wat vreemd was. Ze liep met hen terug. Daar werd ze gedebrieft door de consul en haar baas.

‘Heb je nog contact gehad met hem?’

Ze schudde haar hoofd. Stom. Een stomme leugen. Als ze goed waren, hadden ze dit in tien minuten uitgevogeld.

‘Maakt niet uit,’ zei de consul. ‘We weten waar hij is.’

Haar baas staarde haar aan en ze voelde dat ze ging blozen. Ze was blij was dat ze niet blank was. ‘Hoe hebben jullie …’ Ze herstelde zich. ‘Hoe hebben wé hem ontdekt?’

‘Hij heeft contact gehad met een Zastava-telefoon.’

Ze hield op met vragen. Onbekende netwerken waren terroristische netwerken. Dus was hij schuldig. Alexander had geen schijn van kans tegen deze lui. Het raakte haar, dat hij zo alleen stond. Opgejaagd wild. En hij had niets gedaan, behalve haar aan het Zuiden herinnerd. Maar dit was geen moment om daar iets over te zeggen. Ze was blij dat ze de telefoon had weggegooid. ‘Wat verwachten jullie van mij?’

‘We zitten in een moeilijk parket,’ mompelde haar baas. ‘We mogen hem van Washington niet laten gaan. We kunnen hem ook niet arresteren op Nederlands grondgebied.’ Hij keek haar aan, ‘Het ligt allemaal gevoelig nu de Nederlandse politie hem als drager heeft geïdentificeerd.’

De consul knikte. Hij was een zachtaardige man, maar ze kon merken dat hij zenuwachtig was om de hele situatie. ‘Holland is een wespennest als het gaat om genvaccinaties.’

‘Laten we hem ophalen en over een uur zit hij op het vliegtuig naar Washington.’ Haar baas zwaaide met zijn dikke armen.

Ze huiverde. Als hij geen goede advocaat regelde, zouden ze hem jaren in een of ander gesticht voor verkrachters stoppen. Hij zou zijn geliefde uty.c133a verliezen en ook nog zijn ziel. Ze keek de mannen aan. Even keken zij elkaar aan. Een old boys’ blik. Het was duidelijk dat ze meer wisten dan ze met haar deelden. Een onenightstand had een einde aan haar carrière gemaakt. Ze besloot een gok te wagen.

‘Ik denk dat ik hem kan overtuigen om vrijwillig de cocktail te nemen.’

‘Je had toch geen contact meer?’

‘Ik kan hem bereiken. Maar ik heb iets ongebruikelijks nodig.’

Haar baas wilde al weigeren, maar de consul kwam tussenbeide. ‘Ik weet zeker dat het geregeld kan worden.’

 

Ashley’s handen trilden toen ze het terras van het Café Americain betrad. Het gebouw was schitterend, art nouveau heette die stijl, dacht ze. Precies iets voor Alexander om dit te kiezen. Het zweet parelde langs de draden waarmee ze uitgerust was onder haar zwarte mantelpak. Ze scande het terras en zag Alexander meteen, glimlachend in een linnen maatpak Haar buik draaide zich om.

‘Ben je alleen?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Word ik zo hard gezocht?’

‘Yep.’

‘Dankjewel.’

Bedankte hij haar echt of was het cynisme? ‘Het spijt me.’

Hij wenkte een ober, die meteen een fles champagne bracht en twee glazen inschonk. Hij gaf haar een glas en tikte het zijne tegen het hare.

Ze hief haar glas naar hem. ‘Op ons.’

‘Geloof je in dat artikel dat ik stuurde?’ vroeg hij.

‘Het klopt gewoon,’ zei ze. ‘Ik bleef vroeger altijd tot ver na het donker buiten hangen, terwijl mijn vriendinnen al lang naar binnen waren. Ik was nooit bang. Ik vond alles spannend. Mijn oma had haar handen vol aan mij, met mijn moeder als schrikbeeld.’

‘En denk je dat het toeval is dat wij hier zitten?’

‘Hoe bedoel je?’

‘We schakelen al die genen uit, maar er is nog zoveel onbekend over hun functie. Stel je voor zo’n dorp, waar iedereen met elkaar trouwt, al generaties lang. Dat is ten dode opgeschreven, tenzij er af en toe verse genen bijkomen. Bijvoorbeeld als er af een toe een vreemdeling voorbij komt dwalen, op zoek naar vrouwen die niet bang zijn om hem stiekem te ontmoeten in het bos. Zulke dorpen overleven beter. Als dat maar lang genoeg duurt, ontstaan er vanzelf genen voor.’

‘Co-evolutie,’ zei ze. ‘Zodat vreemdelingen elkaar ontmoeten.’

Hij knikte. ‘We zijn voor elkaar gemaakt, Ashley.’

Ze nam een slok. Dat vond ze een hele romantische gedachte.

‘Onze wereld verschilt niet zoveel dan die van vroeger, Ashley. De meeste mensen houden nog steeds niet van vreemdelingen. Maar het verschil is dat we gentherapie hebben. Als uty.c133a uitgeroeid wordt, dan zal otc.a18t daarna vanzelf uitsterven.’

Haar armen verstijfden. Ze liet zichzelf geen schuldgevoel aanpraten. ‘Het verschil is alleen dat ik mijn gen háát. Het heeft me mijn moeder gekost. Het heeft me mijn carrière gekost.’

‘Het hoort bij je.’

‘Vrouwen als ik eindigen als Blanche DuBois. Verkracht, voor gek verklaard.’

Hij haalde diep adem en zakte terug in zijn stoel. ‘Wat voor keuzes heb ik?’

‘Je kunt vrijwillig een behandeling nemen. Dat kan hier zelfs, het is maar één injectie. Of ze nemen je mee vanavond naar de VS.’ Ze schreef een paar letters op een servet. Of je kunt de trein nemen naar Christiana, vanavond. 23.09, perron 8. Je beste kans.

‘Haal ik dat?’

Nee, schreef ze. Ze zijn te erg op je gebrand.

‘Wat dan?’ zuchtte hij.

Ze greep in haar handtas en haalde twee injectienaalden tevoorschijn. Ze trok de beschermkapjes ervan af en drukte de ampullen aan. US government property. CIA Eugenics CRISPR labs, adenoviral delivery, stond erop. ‘Vaccinaties tegen onze beide genen.

‘Het jouwe is niet verboden.’

Ze pakte de injectienaald waarop otc.a18t stond en hield hem tegen het licht.

‘Niet doen. Je zult angstig worden,’ zei hij. ‘Bang voor het donker. Bang om alleen te zijn. Bang voor mij.’

‘Maakt me niets uit.’ Ze zette de naald in haar bovenarmspier. Door de pijn schoot het water in haar ogen. Ze drukte de spuit leeg terwijl ze Alexander aankeek en haar tranen liet lopen. De komende dagen zou het zich over haar cellen verspreiden. Na een week zou otc.a18t uit haar lijf verdwenen zijn. Geen one-night-stands meer. Geen Alexanders meer die haar meevoerden in de nacht. Een normaal leven.

‘Dus dit is een afscheid?’ vroeg hij.

‘Nee.’ Ze schoof de andere injectienaald over de tafel naar voren. ‘Ik wil dat je voor me kiest, ook zonder die verdomde genen. Neem het. Trouw me, laat me de wereld zien. Als twee gewone mensen.’

 

Alexander staarde naar de naald die uit Ashley’s arm gekomen was. Die kleine schaduw onder haar volle lippen, de welvingen bij haar kraag, de aanzet van haar borsten. Zij was de meest speciale vrouw die hij in jaren had gezien, misschien wel heel zijn leven. Alsof hij zojuist een eenhoorn had zien sterven. Ook otc.a18t was een zeldzaam gen.

‘Over een minuut zijn ze er,’ fluisterde ze. ‘Ze nemen het risico gewoon.’

‘Ik ben geen verkrachter.’

‘Dat weet ik toch.’

‘Je vindt het niet erg om in een appartement te wonen en verzekeringen af te sluiten?’

Ze schudde haar hoofd.

Hij pakte de injectiespuit en sloeg hem in zijn bovenarm. De pijn verbijtend drukte hij de naald leeg. Het leven zou minder worden, veel minder; alsof hij alles door een beslagen glas zou zien. Maar er was geen ruimte voor Ashley en hem zoals ze waren. Hij hoopte zich alleen af en toe te herinneren hoe intens de wereld als vreemdeling was geweest.

Op zoek naar de poort – Django Mathijsen en Anaïd Haen

  1. Het hek

 

Ik tril over mijn hele lichaam. Ik ben een slechte man die bestraft moet worden. Ik weet niet waarom. Maar ik voel het: ik heb iets verschrikkelijk misdaan.

Glooiende, groene heuvels om me heen zover het oog reikt. Gras, bos, struiken en kleurrijke wilde bloemen: zonnebloemen, tulpen, rozen…

Ik kan ze zelfs ruiken: een geurensymfonie. Vreemd. Ik meen dat ik altijd een slechte neus heb gehad. En een pollenallergie. Maar mijn neus is helemaal vrij.

Vogels en vlinders fladderen rond. Vogelzang vormt een symfonie op zich.

Gras kietelt mijn voetzolen. Ik heb mijn beste pyjama aan: de gele met de palmbomen en surfplanken. Maar nergens zie ik mijn bed.

Dus dit is het paradijs.

Afgezien van dat kippengaashek waar ik langs loop. Het is zeker drie meter hoog en strekt zich uit van horizon tot horizon, kaarsrecht door de heuvels snijdend.

Aan de andere kant van het hek ziet alles er hetzelfde uit. Gras, heuvels vol wilde bloemen, bos, vogels… Toch smacht ik ernaar aan de andere kant te zijn. Is er ergens een deur of poort?

 

Het graspaadje gaat over in een papaverveld. Zachtjes strelen de bloemen mijn enkels met elke stap. Hoelang loop ik hier al?

Waarom loop ik hier? Is dit mijn straf: voor altijd langs dit oneindige hek lopen?

Het lijkt middag. De zon staat hoog in een stralend blauwe lucht. Toch branden de zonnestralen niet. Normaal gesproken zou ik hijgen en me kapot zweten. Mijn pacemaker zou er moeite mee hebben.

Het is twintig jaar geleden dat ik zo kon lopen.

Mijn rollator!

Waar is mijn rollator? Waarom kan ik zonder lopen?

En mijn hart. Waarom heb ik geen hartkloppingen?

Verschrikt ruk ik de knopen van mijn pyjama open: slechts borsthaar; geen litteken, geen bobbel, geen pacemaker.

Toen ik jong was, was ik gek op dit soort zomerdagen. Maar toen mijn rikketik begon te haperen, werden ze steeds moeilijker. De pacemaker hielp. Eindelijk kon ik met Lies in haar rolstoel weer gaan wandelen in de tuinen van het verzorgingshuis.

Ga ik de goede kant op?

Lies! Juist. Waar is Lies?

Ik blijf staan.

Een vloed van gevoelens gaat door me heen: liefde, tederheid, verlangen, zorg…

Vlak voor me fladdert een vlinder. Zijn vleugels zijn roestbruin, met rode en zwarte vlekjes. Lies hield van mooie vlinders. Ze was altijd gek op mooie dingen. Toch hield ze van mij.

Toen ik haar de eerste keer in die talentenjacht de snaren van haar steelgitaar zag strelen, wist ik dat zij de ware was. We verloren de wedstrijd. Maar ik was met haar de grote winnaar. En zij met mij, althans dat hoop ik.

 

 

  1. Grover

 

Op een nacht werd ik wakker van haar geschreeuw. Ik sprong uit bed, snelde de gang op en zag licht branden in de kamer van kleine Ellen. Ik trof Lies aan met Grover in haar armen, Ellens blauwe knuffeldier. Ik vroeg haar er was.

Vol paniek keek ze me aan. ‘Ellen! Ze is er niet, waar is ze?’

Haar woorden waren als dolken in mijn hart. ‘Lies, ze is…’ Ik haalde diep adem. ‘Ze is er niet meer. Het is al zo lang geleden.’ Ik legde mijn armen om haar heen. ‘Kom, word wakker, ik weet dat het moeilijk is.’

Ze snikte. ‘Ze is dood.’ Ze huilde.

Ik dacht dat ze maar een nachtmerrie had gehad. Hoe had ik kunnen weten dat het een ouverture was?

Ik nam haar mee terug naar bed en stopte haar in. Ze viel in mijn armen in slaap met Grover tegen haar aangedrukt.

 

Bij het ontbijt vroeg ik: ‘Gaat het weer?’

Ze keek me verbaasd aan.

‘Je weet wel, vannacht in Ellens kamer.’

‘Waar heb je het over?’

‘Toen je schreeuwde… en huilde.’

‘Ik?’ Diezelfde bedroefde blik in haar ogen als toen we uit het ziekenhuis liepen, wetende dat onze kleine meid nooit meer thuis zou komen.

 

 

  1. De schommelbank en de witte geest

 

Ik ren! Ik ren echt.

Extatisch ren ik heuvels op en af, en zigzag door bosstukken. Ik word niet moe, heb geen borstpijn, geen kramp…

Moe? Ik ben voorbij moe.

Ik bereik de top van weer een heuvel. Een vallei ligt voor me, vol struiken en bomen met fruit en bessen in levendige kleuren: appelbomen, meidoorn, hulst…

Nerveus fluiten de vogeltjes als ik de vallei in loop. Ze zwermen rond een vogelhuisje bij de boomgrens. Steeds meer vogels vliegen op om een veilig heenkomen in de boomtoppen te zoeken.

Ik ben omsingeld door een orgie van dansende kleuren: langsfladderende vlinders en in de wind schommelende bloemen, vruchten en bessen.

Het door de bomen meanderende graspaadje is omzoomd door campanula’s, vingerhoedskruid en irissen. Ik blijf door de struiken gluren om het hek in de gaten te houden. Gelukkig loop ik er nog steeds ongeveer evenwijdig aan. De dikke begroeiing in de bochten van het pad maken rennen moeilijk. Dus ga ik over op wandeltempo en geniet van de klap- en stokrozen om me heen. Ze doen me denken aan de tuintjes waarin ik als kind speelde.

Het pad komt uit op een open plek met een vijvertje vol waterlelies en goudvissen. Plotseling zie ik iets wat mijn mond open doet vallen: in een hoek van de open plek staat bij een appelboom een schommelbank met een wit houten frame en afdakje, geflankeerd door een vogelbadje.

Als aan de grond genageld staar ik ernaar. De patina van groene mos en afbladderende witte verf. De roetgespikkelde gegalvaniseerde kettingen waarmee de schommelbank is opgehangen.

Ik loop erheen en streel de houten armleuning. Die voelt warm en ruw aan. Precies de houten schommelbank in het tuintje van mijn ouders toen ik een kind was.

Ik ga zitten, zet me met mijn voeten af en laat het bankje heen en weer schommelen. Het piept ritmisch, net als vroeger. Herinneringen spoelen als een waterval over me heen: wild kinderspel, een aanloop nemen en erop springen, proberen om het me de lucht in te laten lanceren, doen alsof ik een gevechtsvlieger ben op jacht naar de Rode Baron; met mijn arm om Lies heen zenuwachtig mijn eerste kus stelen, en uiteindelijk door het verrotte bankje heen zakken.

Een door de bladeren ritselend briesje lijkt te fluisteren: ‘Mark… Mark… je bent er.’

Het geeft me kippenvel.

Het gefluister gaat over in een zwakke stem: ‘Mark… je bent er eindelijk.’

In mijn ooghoek zie ik een witte, glinsterende verschijning achter de appelbomen.

Ik spring op. ‘Wie is daar?’ Ik houd mijn adem in.

De witte schim komt dichterbij en passeert een paar bloemenrijen. ‘Ik ben het,’ zegt een hese stem in de wind. Het witte jurkje omhelst haar rondingen. Haar heupwiegen laat duizenden zilveren kwastjes flikkeren.

Lange, ranke benen op witte punthakken sluipen door het gras. Haar gezicht houdt ze verborgen achter stammen en bladeren. Ik kan net een zwarte boblijn en een zilveren haarband versierd met een witte veer onderscheiden.

‘Wie bent u?’

‘Herken je me niet, Mark?’ Ze wijst met een lang sigarettenpijpje naar me en komt de open plek op terwijl ze met haar parelketting slingert. ‘Kun je me vergeven, alsjeblieft?’ Grote, uitpuilende ogen staren me aan vanuit een gezicht, zo verwrongen dat het lijkt alsof het is gesmolten.

Gruwend deins ik terug. Ik struikel over het frame van de schommelbank en val achterover.

‘Alsjeblieft vergeef me.’ Ze springt op me af.

Ik kruip achteruit door het gras.

‘Alsjeblieft, Mark.’ Haar adem stinkt naar rotte eieren.

‘Ga weg.’ Mijn armen slaan in haar richting. Ik draai me om en probeer me op te drukken.

‘Vergeef me, Mark,’ hijgt ze in mijn oor.

Ik struikel weer, grijp me vast aan een perenboom en weet me op te richten.

In paniek ren ik naar het pad aan de andere kant van de open plek en kijk achterom.

Ze achtervolgt me. Haar naaldhakken steken in het gras. ‘Alsjeblieft, Mark!’

Op het pad dat van de open plek wegmeandert struikel ik over een lage heg. Ik smak op de grond. Op handen en voeten ga ik verder door het gras, een blik achterom werpend.

Ze is bijna bij het pad. Hoe kan ze zo hard rennen op die hakken?

Ik duw me omhoog en ren weg zonder achterom te kijken. Ik concentreer me op de bochten en probeer niet tegen een boom te botsen.

Als ik de tuin verlaat, zie ik het kippengaashek weer, een oude vriend die me voor eeuwig vergezeld op mijn reis. Ik kijk pas achterom als ik de top van de volgende heuvel bereik.

De kleurrijke vallei ligt achter me. Ik zie niets anders dan zwevende vogels, fladderende vlinders en in de wind wuivende boomtoppen.

Ik blijf niet rondhangen om te controleren of ze nog achter me aan zit. Zo hard ik kan, daal ik de heuvel aan de andere kant af, vastbesloten om wat het ook was in die witte jurk zo ver mogelijk achter me te laten.

 

Af en toe blik ik achterom. Er is niemand achter me.

Een paar heuvels later bereik ik een stroompje. Ondanks al mijn geren, heb ik geen dorst en ben ik niet moe. Maar het water ziet er zo uitnodigend uit. Knielend bij het stroompje, slurp ik het op. Het smaakt fris en zoet.

In het water zie ik mijn weerspiegeling. Ik ben een jongeman, net zo jong als toen we die talentenjacht deden al die jaren geleden. De bron van de eeuwige jeugd… heb ik die soms gevonden?

Beweging in mijn ooghoek. Ik kijk op.

Een beekforel springt over een waterlelie. Als hij terugplonst, wordt het geluid overstemd door het ruisen van het stroompje. De waterlelies draaien rond en dansen over het oppervlak, een aanblik die vreemd vertrouwd aandoet.

Plotseling kijk ik verbaasd naar het stroompje dat met de heuvels mee omhoog en omlaag stroomt. Ja, het volgt het landschap. Zit ik soms in een videospel of zo, ontworpen door iemand die de zwaartekracht niet heeft begrepen?

Het water druppelt van mijn kin af. Als de ringen van de plons van de beekforel uitsterven, hoor ik vaag tonale geluiden.

Da’s geen vogelzang.

Ik houd mijn adem in. Is dat muziek?

Met mijn hand boven mijn ogen om ze te beschermen tegen het zonlicht kijk ik rond.

 

 

  1. Mijn eerste leugen

 

Ik was het helemaal vergeten, tot de volgende nacht dat ik Lies in paniek in Ellens kamer vond, Grover tegen zich aan geklemd. De volgende ochtend kon ze het zich niet herinneren.

Een paar maanden later gebeurde het weer. En toen een paar weken later.

Ik probeerde haar te overtuigen om mee te komen naar de dokter. Ze zag niet in waarom.

De volgende keer dat ik midden in de nacht wakkerschrok, hoorde ik iemand praten in de badkamer.

Ik sprong uit bed en trof haar aan op de douchekruk voor de spiegel.

‘Wat doe je?’ vroeg ik.

‘Kijk. Janet van hiernaast is op de koffie gekomen.’

Het was alsof ik een voorhamer in mijn gezicht kreeg. Ik kon het niet langer negeren, kon mezelf niet meer voorliegen, mijn vermoedens niet meer ontkennen.

‘Ze gaat morgen met kleine Tommy naar de Efteling,’ zei ze. ‘Zal ik met Ellen meegaan?’

Dus ging ik alleen naar de dokter. Ze zei: ‘Het kan van slapeloosheid en slaapwandelen komen. Dat gebeurt weleens bij vrouwen in de overgang. Slaapgebrek kan hallucinaties veroorzaken. Maar je moet onder ogen zien dat het ook de eerste tekenen van dementie kunnen zijn.’

Al die keren dat ze boodschappen was gaan doen, schoten door mijn hoofd. Ze grapte altijd dat ze niet overweg kon met de GPS in de nieuwe auto. ‘Die luistert niet naar me. Die rotauto heeft me weer mee op de toeristische route genomen.’

En dan die keer dat ze thee wilde zetten en de gieter vulde. ‘O ja,’ zei ze. ‘Dan ga ik wel eerst de plantjes water geven.’

Ik was blijkbaar blind voor alle voortekens. Of wilde ze niet zien.

Ik maakte een afspraak met de dokter. Op de afgesproken dag verzamelde ik al mijn moed en zei tegen Lies: ‘Kom, anders komen we te laat voor je doktersafspraak.’

‘Doktersafspraak?’ vroeg ze verbaasd.

‘Ben je het vergeten? Je hebt vandaag om twee uur je jaarlijkse controle-onderzoekje.’ Ze had nog nooit een controle-onderzoek gehad.

Toch antwoordde ze: ‘O, natuurlijk.’

 

 

  1. On the beach at Waikiki

 

Daar is het: felle kleuren en ritmische bewegingen. Daar komt de muziek vandaan: van de horizon, net aan de andere kant van het hek. Ik spring op en begin weer te rennen.

Elke keer als ik over een heuveltop kom, wordt de muziek harder, de kleuren duidelijker.

Mensen dragen bloemenkransen: Hawaïaanse leien. Ze dansen in de sneeuw tussen kampvuren en onder… zijn dat sneeuwbedekte palmbomen?

Flikkerende lichtjes in alle kleuren… een grote kerstboom?

Lies was gek op kerstbomen.

Nee, een mallemolen in de vorm van een kerstboom, vol lachende kinderen. Of een enorme kerstboom die omgebouwd is tot mallemolen?

Ellen was gek op mallemolens.

Ze spelen ‘On the beach at Waikiki’, het nummer dat ik in de talentenjacht zong. Toen was ik nog een amateur, een tiener. Hawaïmuziek en country is waar ik mee ben begonnen.

Lampionnen in alle kleuren bungelen als kerstversieringen in de palmbomen. Ik druk mijn gezicht tegen het kippengaas en ruik kampvuurrook. Ja, het is een luau. Tenminste, de soort luau die wij vroeger hadden, de soort waarvan we dachten dat ze die in Hawaï hadden. We hadden ze in tijdschriften, films en polygoonjournaals gezien in onze vroege tienerjaren.

Toen ze die tijdschriften, platen en films kwamen verbieden, klampten we ons vast aan dat paradijs, vastbesloten om weg te rennen naar Hawaï zodra we groot waren.

Vijf jaar lang leefden we in angst, bibberend elke keer dat we een van die vliegende bommen hoorden komen, onze adem inhoudend en luisterend of het motorgeluid constant of sputterend was, biddend dat hij niet uit zou vallen, prevelend: ‘Onze lieve heerke, geef ‘em nog een douwke’.

Totdat de yankees en Canadezen kwamen en de nazi’s eruit trapten, zodat ik eindelijk jazzgitaristen zoals Charlie Christian kon ontdekken. Dat bezegelde mijn lot.

En toch, Waikiki Beach, mijn hele leven wou ik erheen. Ik ben er nooit toe gekomen, had nooit tijd, nooit geld… misschien was ik gewoon bang dat de werkelijkheid niet tegen de droom op zou kunnen.

Voorbij de luau zie ik oceaangolven op een wit strand aanspoelen. Surfplanken en uitleggerkano’s snijden door de golven zo ver het oog reikt.

Onder de ronddraaiende kerstboom zie ik gezichten van familie. En gezichten van mijn eerste band. Bart, die later een grote bakkerij zou hebben; Evert, die de grootste DAF-dealer zou worden; en Ralf die topbankier werd. En…

‘Lies!’ roep ik uit.

Daar is ze. Ze is zo jong… net als tijdens die talentenjacht. Ze danst met… Jezus, da’s pap! Hij danst ook! Hoe kan dat? Hij had nooit ritmegevoel.

‘Lies.’ Op en neer springend zwaai ik. Tranen wellen op.

Ze kijkt om. ‘Mark!’ Ze zwaait, laat pap los en komt aanrennen.

‘Pappie!’ Mijn dochters stem. Ellen. Ze zit op een enorme zwaan op de kerstboommallemolen. Grover zit op de zwaan naast haar.

Er gaat een schok door me heen. Het is zoveel jaar geleden. Wanhopig probeer ik mijn tranen terug te drukken.

‘Je bent er eindelijk.’ Lies staart me aan met die glimlach die ze altijd had als we samen muziek maakten.

‘Ja.’ Ik steek mijn vingers door het kippengaas.

Ze verdwijnen voor mijn ogen.

Verschrikt trek ik mijn hand terug: mijn vingers zijn er weer. Stomverbaasd kijk ik ernaar.

‘Ik krijg je wel, pappie!’ Ellen bukt naast de mallemolen, schraapt sneeuw bijeen en maakt er een grote bal van.

Langzaam steek ik mijn wijsvinger door het gaas.

Mijn vingertop verdwijnt.

Ik trek terug.

Daar is mijn vingertop weer.

Ik steek mijn vinger nog eens door het gaas: het topje verdwijnt weer.

Meer van mijn vinger verdwijnt als ik verderga: alles voorbij het kippengaas verdwijnt.

Giechelend reikt Lies naar mijn hand. Ook haar vingers verdwijnen voorbij het kippengaas. Onze vingers zien eruit alsof ze zijn afgehakt en de stompjes elkaar raken… maar dat doen ze niet: ik voel Lies niet.

Ellen lacht en gooit haar sneeuwbal naar me.

Ik buk… te laat: de sneeuwbal gaat me recht in mijn gezicht raken.

Maar als de sneeuwbal tegen het hek knalt, verdwijnt hij.

Geen scherpe mep, geen natte koude in mijn gezicht. Niks.

‘Kom je naar de kerstluau?’ vraagt Lies. ‘Ik wil met je spelen, net als vroeger.’

‘Hoe kom ik aan de andere kant van dit hek?’

Ze kijkt naar links en rechts. ‘Er moet hier ergens een poort zijn.’ Ze fronst. ‘Ja, ik kan me herinneren door een poort te zijn gegaan… een heel mooie, glanzend witte.’

Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Waar?’

‘Weet ik niet precies.’ Ze kijkt rond. ‘Ik dacht dat hij hier was.’ Ze schokschoudert. ‘Kan niet ver zijn.’

‘Wacht hier op me.’ Ik kijk langs het hek in de richting waar ik nog niet ben geweest.

 

 

  1. Ze hebben haar gehaald.

 

Het bleek inderdaad Alzheimer te zijn, een onbehandelbare vorm.

Gelukkig hadden we gespaard voor Ellens studie. Dat geld hadden we nog. Dus kon ik me veroorloven om te stoppen met mijn baan als studiomuzikant zodat ik voor Lies kon zorgen. Een tijdje in ieder geval.

Aanvankelijk bleef ik mezelf wijsmaken dat misschien met gezond eten en beweging… En ik putte hoop uit lucide momenten en elk nieuwsartikel over wetenschappers die genezing op het spoor waren.

Maar ze ging langzaam achteruit. In het begin vergat ze alles wat gisteren was gebeurd.

Al gauw vergat ze wat er vorige maand was gebeurd. Steeds vaker moest ik ’s nachts uit bed springen omdat ze Ellen zocht of voor de spiegel tegen “Janet” zat te praten.

Op een nacht hoorde ik de voordeur dichtvallen. Tegen de tijd dat ik mijn pantoffels en jas aanhad en de voordeur open, was ze nergens meer te bekennen.

Ik vond haar twee straten verder, op zoek naar Einsteinstraat 14, waar ze als kind had gewoond.

‘Papa zal boos zijn als ik zo laat thuiskom,’ zei ze.

‘Ach, schatje, de Einsteinstraat is deze kant op,’ loog ik. Ik had al snel geleerd dat ik niet kon discussiëren met dementie, mee moest gaan met haar realiteit. Ik had altijd een hekel gehad aan liegen, maar het werd een deel van mijn leven. Het werd verbazingwekkend gemakkelijk, hoewel ik het gevoel bleef houden dat ik haar verraadde.

Ik moest sleutels, bankpasjes en geld voor haar verbergen. Want bang van dieven verstopte ze die op de gekste plekken: wasmachine, ijskast, schoorsteen…

Al dat was niet echt een probleem. Het echte hartverscheurende was dat ze Ellen bleef zoeken. Terwijl ze meer van haar geheugen verloor, kreeg ze steeds meer angst voor haar Ellen.

‘Ze hebben haar gehaald.’ Ze zat aan de keukentafel naar de sandwich te kijken die ik voor haar had gemaakt.

‘Wie?’

‘Haar, haar… ze hebben haar meegenomen.’

Ik legde mijn arm om haar heen. ‘Ach, schatje, maak je geen zorgen. Ze is op school.’

‘Nee!’ Ze schudde me af. ‘Is ze niet. Ze hebben haar meegenomen. Doe niet alsof ik gek ben. Ik weet het. Ze hebben ingebroken en haar meegenomen.’

Ik knielde bij haar. ‘Waarom denk je dat?’

Ze staarde me met wilde ogen aan. ‘Omdat ik het weet.’ Ze tikte tegen haar voorhoofd. ‘Hier. Zie je het niet? Ze zijn ingebroken en hebben haar hier weggehaald.’

 

 

  1. Ik zie dat je je paradijs hebt gevonden.

 

Ik ren weer. De poort was niet waar ik vandaan ben gekomen, dus moet ik verder.

Op elke heuveltop kijk ik om, om zeker te weten dat de kerstboommallemolen en het strand er nog steeds zijn.

De muziek wordt minder. Al snel zie ik alleen nog vage kleuren als ik omkijk.

Op de top van de volgende heuvel tuur ik terug en houd mijn adem in. Geen kleuren, geen muziek meer.

Het geeft me de rillingen. Lies, Ellen, pap… is het er allemaal nog wel?

Ik aarzel. Ik kan niet verder zonder het zeker te weten.

Dus ren ik terug naar de top van de vorige heuvel. Daar kan ik nog net een stipje flikkerend licht aan de horizon zien. En ik geloof dat ik een Hawaïgitaar hoor huilen op de bries. Opgelucht haal ik adem en vervolg mijn reis.

Urenlang ren ik, maar de zon blijft recht boven me hangen. En ik zie alleen maar hek naast me: nergens een poort.

Het lijkt een oneindig aantal heuvels en bosstukken die ik achter me laat. Misschien moet ik omkeren. Misschien ren ik al de hele tijd de verkeerde kant op.

Bij de top van een heuvel stop ik met rennen en kijk achterom. Net als ik wil omkeren, hoor ik iets wat me kippenvel bezorgt.

Een sirene?

Ik tuur vooruit. Rode en blauwe nevelflarden drijven door de heuvels in de verte.

Misschien is daar de poort?

Ik ga verder, mijn voeten vliegen van opwinding. Na een paar heuvels herken ik het gejank: een elektrische gitaar die een versterker overstuurt. Het komt van die paarse mist verderop die verlicht wordt door felle flitslichten. De gitaar speelt de riff van Jimi Hendrix’ “Purple Haze.”

Nee, dat kan toch niet?

Als ik de paarse mist in ren, moet ik afremmen.

Woekerende, kleurrijke bloemen overal om me heen, sommige stengels dik als boomstammen. De nevel is zo zwanger van geuren dat ik aardbeien, seringen and hyacinten op mijn tong proef.

Waar het geluid het hardst is, zijn de lichten het felst. Ze schijnen aan de andere kant van het hek. Ik tuur door de nevel heen en zie schaduwen bewegen.

‘Hé!’

Een gillende gitaar overstemt me: hij begint een wilde improvisatie over een bluesschema.

‘Is daar iemand?’ schreeuw ik zo hard ik kan.

De gitaar gaat met septiemakkoorden door een kwintencirkel.

Dat heb ik hem geleerd!

‘Eddy?’ roep ik uit. ‘Halve sterke, ben jij dat?’

De akkoorden vallen uiteen en gaan over in een oorverdovende fluittoon. De snaren worden afgedempt, de fluittoon stopt.

‘Mark?’

Ineens trekt de mist op en onthult een weide bedekt met gigantische bloemen.

Daar is hij dan, me stomverbaasd aankijkend: Eddy met een grote zwarte hoed, een negentiende-eeuwse soldatenjas, een veelkleurig shirt en een Stratocaster-gitaar voor een muur Marshallversterkers en lichtorgels. Hij staat op een Perzisch tapijt, waarop schaars geklede meiden met bloemen in hun haar in een cirkel naar hem op zitten te kijken, glimlachend, bewonderend.

Ik gniffel. ‘Ik zie dat je je paradijs hebt gevonden.’

‘Mark!’ Hij springt over een van de meiden heen en zigzagt door de enorme bloemenstammen op me af. ‘Man, wat is het fijn je te zien. Hoe ben jij in vredesnaam aan die kant van het hek terechtgekomen?’

‘Weet ik niet.’ Ik lach. ‘Wat is er met jou gebeurd nadat je naar Engeland bent vertrokken? We bleven naar Beat-Club kijken en RTL luisteren in afwachting van jouw grote doorbraak.’

Schokschouderend kijkt hij naar zijn laarzen. ‘Ik had bij jou moeten blijven op tournee door het continent.’ Hij draait zich om en roept: ‘Hé, weet je wie dit is?’ Hij wijst naar mij.

De meiden kijken me aan en schudden het hoofd. ‘Moeten we dat weten?’

‘En of je dat moet.’ Hij stuitert als een puppy die zijn baas ziet. ‘Dit is de beste gitarist van de wereld.’

‘Mieters,’ roepen de meiden.

Ik voel me rood aanlopen. ‘Hij overdrijft.’

‘Niks ervan.’ Hij blijft op en neer springen en naar me wijzen. ‘Overal waar hij speelde, zat de zaal vol gitaristen die op al zijn vingerbewegingen zaten te letten. Ik ook… totdat er een plek vrijkwam in zijn band. Drie jaar heb ik met hem gespeeld.’ Hij kijkt me aan. ‘Je hebt me zoveel geleerd.’

‘Totdat je een popster wilde worden.’

‘Ik was het zat om te spelen voor… uh… ouwe lullen. Ik wou…’ Hij kijkt achterom.

‘Kweetet,’ zeg ik. ‘Nu heb je het.’

Hij knikt met een melancholieke glimlach.

‘Wat is er gebeurd?’

Hij slaat zijn ogen weer neer. ‘Ik… uh, die beatgroep waar ik bij ging in London… weet je nog hun platencontract? Je had gelijk. Maar wat ze wel hadden, was lekker snoepgoed. Lang verhaal kort: ik heb een overdosis gehad.’

Het voelt alsof iemand me met een moker in mijn gezicht slaat. ‘Maar je was zo jong.’

‘Ik kan niet geloven dat je er bent, man. Kom, we spelen “A foggy day in London Town”.’

‘Ik heb mijn gitaar niet.’

‘O, nee?’ Met een guitige glimlach draait hij zich om. Als hij zich terugdraait, heeft hij een Gibson ES335 gitaar in sunburstkleuren in zijn handen. ‘Kijk eens wat ik heb gevonden.’

Mijn mond valt open. ‘Is dat de mijne?’ Ja, het stukje is eruit waar die bierpul ertegenaan was gegooid toen we op het Oktoberfest speelden.

‘Lijkt erop, hè?’

‘Hoe heb je dat gedaan?’

‘Simpel. Je stelt je gewoon voor dat je hem hebt.’ Hij schokschoudert. ‘Wil je hem?’ Hij gaat door zijn knieën en kijkt naar de bovenkant van het hek.

‘Nee! Dan gaat hij kapot.’

‘Geen zorg.’ Hij springt op en lanceert de gitaar.

Ik ga in vanghouding.

Maar als de gitaar over het hek vliegt, verdwijnt hij.

Ik kijk Eddy verbaasd aan.

‘Och, vergeten.’ Hij kijkt me bedroefd aan. ‘Het werkt niet aan die kant van het hek. Jammer.’

‘Hoe kan ik aan jouw kant komen?’

‘Gewoon door de poort lopen, man.’

‘De poort. Daar zoek ik naar. Hoe vind ik die?’

Hij trekt een peinzend gezicht. ‘Ik denk niet dat je dat kunt.’

‘Maar hoe heb jij hem gevonden?’

‘Hij heeft mij gevonden.’

‘Hoe? Ik snap het niet.’

‘Hij zal je vinden zodra je er klaar voor bent, vooropgesteld dat je er ooit klaar voor bent. Hoe ben jij aan die kant van het hek gekomen? Je was altijd zo’n braverik. Je dronk niet eens. En ik heb je nooit boos gezien of zo.’

Ik schokschouder. ‘Weet ik niet.’

‘Je moet iets hebben misdaan.’

Ik huiver. Natuurlijk heb ik iets misdaan. ‘Iets heel ergs.’

‘Kom, Eddy,’ zegt een van de meiden. ‘Speel nog wat.’

Hij glimlacht. ‘Mijn publiek roept om me.’

‘Wat bedoel je met: klaar? Hoe word ik klaar?’

‘Dat kan ik je niet vertellen.’

‘Waarom niet?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Als je ooit aan deze kant komt, kom me dan opzoeken. Gaan we lekker jammen.’

‘Wacht. Hoe ben jij…?’

Maar hij draait zich om en speelt het intro van “Little Wing”.

Terwijl de paarse mist weer terugkomt en mijn adem wegneemt met de smaak van aardbei en hyacint, gaat hij terug naar zijn plek op het tapijt omgeven door de meisjes.

Hij is slechts een silhouet in de mist als hij teder zijn eerste chorus speelt, de snaren strelend in Wes Montgomery-stijl.

Als hij hem opendraait en de gitaar begint te huilen, val ik op mijn knieën en huil tranen met tuiten.

 

 

  1. Die naam heb ik altijd gehaat.

 

Met het erger worden van de ziekte, verloor Lies steeds meer jaren en werd steeds vertwijfelder over Ellen.

‘Ik hoorde de baby huilen,’ zei ze.

Het was weer zo’n nacht dat ze Ellens kamer in was geslopen.

Ik vond haar van voor naar achter wiegend op Ellens bed. Ze drukte Grover als een baby tegen zich aan.

‘We moeten hem een naam geven.’ Ze keek met een woedende blik naar iets wat ver achter me lag.

‘Grover, schatje, zijn naam is Grover.’

‘Wat is dat nou voor naam voor een baby?’

‘Nee, schat. De beer heet Grover.’

‘De baby moet een naam hebben. Waarom hebben we die nog geen naam gegeven?’

‘Ellen. Haar naam is Ellen.’

Ze schudde haar hoofd en rilde alsof ze spruiten had gegeten. ‘Die naam heb ik altijd gehaat.’

 

 

  1. Ze trekt haar ondergoed uit.

 

Terwijl ik wegwandel bij de paarse nevel veranderen de gigantische bloemen in cactussen en de heuvels in woestijn. Het laatste sirenegezang van Eddy’s gitaar sterft uit.

Ik kan niet meer rennen. Voor het eerst sinds ik hier ben, ben ik moe. Ik wil alleen maar gaan liggen. Wat voor zin heeft dit allemaal?

Toch dwing ik me om verder te gaan. Ik kan het niet opgeven. Niet nog eens.

Plotseling hoor ik voetstappen in het zand achter me. Ik draai me om en staar weer in die uitpuilende ogen.

‘Mark,’ zegt ze. Haar griezelig schorre stem en verwrongen trekken komen me vreemd bekend voor. ‘Ik weet dat het moeilijk moet zijn om me te vergeven.’

Ik draai me om en ren weg. Ik kijk weer om als ik aan het einde van de woestijn ben.

Aan de voet van een rotsachtige heuvel draai ik me om. De stenen zijn lekker warm aan mijn voeten.

Ze is nog steeds midden in de woestijn. Tot mijn verbazing trekt ze haar jurk, haarband en parels uit en drapeert ze over een cactus. Ze trekt haar hoge hakken uit en zet ze bij de cactus. Haar sigarettenpijpje ligt er al. Ze trekt haar ondergoed uit.

Helemaal naakt begint ze weer op me af te lopen, haar ogen onafgebroken op me gericht. Een paar stappen later verdwijnen haar kleren van de cactus en heeft zij ze ineens weer aan.

Ik draai me om en ren de heuvel op.

 

 

  1. Bent u mijn vader?

 

Het werd zo erg dat ze elke nacht uit bed sloop. Meerdere keren. Altijd bezorgd, altijd zoekend, zonder te weten wat ze zocht.

Ik had de logeerkamer omgebouwd in een thuisstudio en produceerde jingles en muziek voor films, videospelletjes en zo. Want ons spaargeld was op. Muziek produceren in mijn eigen studiootje bleek een zegen te zijn. Omdat ik de hele dag met Lies in de weer was en te weinig slaap kreeg, miste ik wel soms deadlines. Maar verder was het geweldig: had ik veel eerder moeten doen.

De dokter kwam elke week kijken. Ze vond het verstandiger voor ons als ik Lies naar een verzorgingshuis zou brengen. Maar gelukkig zette ze me niet onder de druk. Ze wist dat ik Lies en mij niet uit elkaar zou laten halen.

En toen kreeg Lies een griep. De dokter schreef antibiotica voor. Janet ging ze halen. Ze deed al maanden boodschappen voor ons. Ik durfde Lies niet meer alleen te laten.

Na twee nachten had Lies ineens 39,5 en moest met spoed naar het ziekenhuis.

Daar bleef ze drie weken, grotendeels bewusteloos. Ik moest wennen aan een leeg huis. Gelukkig kon ik mijn studiootje in ontsnappen.

Ik kwam elke dag op bezoek. Dan zat ik naast haar bed wat te componeren of mixen op mijn laptop in afwachting tot ze uit haar halve bewusteloosheid zou komen. Maar de eerste keer dat ze me weer helder aankeek, zei ze: ‘Ik ken u. Bent u mijn vader?’

Een paar dagen later besefte ik dat ik de vrouw die mijn echtgenote was kwijt was. Ik zei niet meer dat ik haar man was.

 

 

  1. Ken ik u?

 

Felle kleuren en ritmische bewegingen aan de horizon aan de andere kant van het hek.

Ik houd mijn adem in.

Ja, muziek.

Ik ren verder.

Elke keer dat ik over een heuveltop kom, worden de kleuren helderder, de muziek harder.

Het komt me bekend voor.

Mensen met leien dansen inderdaad in de sneeuw tussen kampvuren en veelkleurige lampions die aan sneeuwbedekte palmbomen hangen. Daar is de kerstboommallemolen.

Alleen speelt er nu countrymuziek: “Don’t fence me in.” En die kleine, raamloze blokhut aan deze kant van het hek, tegenover de mallemolen, was er eerder ook niet.

Hoe kan ik weer hier terug zijn?

Dit hek… loopt het soms in een cirkel?

Ik houd mijn hand boven mijn ogen en kijk langs het hek.

Lijkt kaarsrecht.

Ik kijk opzij. Als het hek cirkelvormig is, zou ik het dan niet daar aan de horizon ook moeten zien?

Maar ik zie slechts heuvels. Misschien ligt het hek daarachter?

Ik kijk achter me. Daar lijkt het hek ook kaarsrecht.

Een witte, fonkelende gestalte komt eraan. Ik kan net de jurk met kwastjes, de veer en het sigarettenpijpje onderscheiden. Ze zit nog steeds achter me aan!

Ik ren naar het kippengaas het dichtst bij de mallemolen. ‘Lies!’

Ze danst nog steeds met pap.

De monsterachtige dame komt dichterbij.

‘Lies!’ Mijn stem slaat over.

Lies kijkt me aan en fronst, maar ze blijft dansen.

‘Lies!’ Ik sla op het kippengaas. Het rammelt en galmt harder dan de muziek.

Iedereen kijkt naar me.

‘Help, Lies!’

Ze laat pap los en komt naar het hek.

Ellen fronst ook al naar me, maar ze blijft op de zwaan zitten.

‘Laat me erin,’ roep ik uit.

‘Ken ik u?’ Lies kijkt me aan alsof ze recht door me heen kijkt.

‘Kennen?’ Dit kan niet waar zijn. ‘Ik ben het: Mark. Je man.’

‘Mark?’ Ze denkt even na en glimlacht dan. ‘Natuurlijk. Mark.’

Pap komt bij Lies staan.

‘Help me, alsjeblieft.’ Ik kijk naar de monsterachtige vrouw.

Ze is nog maar een paar passen verwijderd.

Ik wijs naar haar. ‘Zij zit achter me aan, Lies. Laat me erin!’

‘Was hier niet ergens een poort?’ Ze tikt op paps schouder.

Pap staart naar het monster.

‘Doe iets, pap!’ schreeuw ik. ‘Pak een koevoet, laat me erin.’

Ik grijp in het kippengaas maar mijn vingers verdwijnen.

Pap kijkt me aan met dezelfde blik als Lies. ‘Gewoon blijven staan, Mark.’

Ik kijk hem verbaasd aan. Waarom helpen ze niet? Zien ze niet dat ik in gevaar ben?

De mallemolenmuziek verandert in Billy Eckstines “I apologize”.

Pap maakt een kalmeergebaar. ‘Niet bang zijn.’

De grote, dreigende ogen van het monster zijn vlakbij.

Ik val op mijn knieën, ruk graspollen uit de grond en graaf onder het kippengaas. Het rulle zand graaft gemakkelijk maar er lijkt geen eind aan het kippengaas te komen: het gaat dieper en dieper.

‘Vergeef me,’ zegt haar schorre stem in mijn oor.

Ik spring op en ren weg.

Als ik achterom kijk, volgt ze me niet.

Ik stop en draai me om.

Ze staat bij het gat dat ik net heb gegraven, kijkt naar pap en steekt haar hand uit. Haar vingers verdwijnen voorbij het kippengaas.

Pap steekt zijn hand ook uit. Zijn vingers verdwijnen ook voorbij het kippengaas. Hun stompjes lijken elkaar te raken. Ze kijken in elkaars ogen en zeggen niks.

Lies keert terug naar de feestende mensen onder de palmbomen.

Pap en de monsterdame blijven elkaar in de ogen staren. Plotseling draaien ze tegelijkertijd hun hoofd naar mij. En dan kan ik voor het eerst door de monsterachtige ogen en verwrongen trekken heen kijken. Ik herken haar.

‘Mam?’ mompel ik en loop aarzelend terug. ‘Ben jij dat?’

Ze reikt naar me. ‘Mark, kun je me vergeven, alsjeblieft?’

‘Maar, mam, waarom?’

Ze valt op haar knieën en staart me aan met die uitpuilende ogen. ‘Hij speelde saxofoon.’

Ik grijp haar handen. ‘Waar heb je het over?’ Ik kijk naar pap.

Hij kijkt bedroefd terug.

‘Ik hield zo van dansen. En Hank… nou je weet wel. En hij speelde daar elke zaterdag. Ik kon mezelf er nooit toe brengen het je te vertellen.’ Ze knijpt in mijn hand. ‘Hank ook niet.’

Het is beklemmend als ik het begin te beseffen…

Ze kijkt pap aan. ‘Tot ik hier aankwam, wist ik niet dat Hank het altijd al wist.’

Als ik de gruwelijke waarheid begrijp, schud ik mijn hoofd. ‘Nee.’

Daarom zong mijn lieve vader altijd vals? Daarom had hij geen ritmegevoel. ‘Zeg dat het niet waar is.’

‘Het is waar.’

Tranen springen in mijn ogen. ‘Pap?’

‘Het is waar,’ bevestigt hij. ‘Maar dat doet er niet toe, heeft er nooit toe gedaan. Je bent en blijft mijn zoon.’

Terwijl mijn tranen vloeien, draai ik me om en ren weg.

‘Jongen, kom terug. Je moet…’

Maar ik luister niet meer. Ik wil niks meer horen.

 

 

  1. De Begrafenisclub

 

Het was de moeilijkste beslissing van mijn leven. De dokters wisten het zeker: ze kon niet meer thuisblijven. Ik moest haar van het ziekenhuis naar een verpleeghuis laten brengen.

Ik ging er elke dag van acht tot tien heen. Aanvankelijk zocht Lies nog: de hele dag wilde ze door de gangen en tuinen van het verpleeghuis zwerven, voortdurend boos omdat ze niet wist wat ze zocht.

Tot ze het zoeken vergat en in een stoel zakte. Er kwam een rare rust over haar heen.

Ik maakte een hoop nieuwe vrienden: mannen en vrouwen die echtgenoten bezochten, af en toe een zus, broer of kind van hen. Het leek veel op toen ik door Europa toerde met verschillende bands, voordat Ellen geboren was en ik studiomuzikant werd.

Er kwamen nieuwe mensen bij en we lieten ze het klappen van de zweep zien: trucjes hoe we onze dierbaren eten moesten geven, hoe we zorgden dat ze genoeg vocht kregen, hoe we de gordels van hun stoelen controleerden. We vielen voor elkaar in als een van ons ziek werd.

Vrienden verlieten ons kringetje weer als hun dierbaren doodgingen. We noemden onszelf de “Begrafenisclub.” Gemiddeld moesten we eens per week naar een begrafenis.

Alles werd natuurlijk moeilijker toen mijn pomp op begon te spelen. Maar een pacemaker en een looprek zijn niet het einde van de wereld. Janet en de Begrafenisclub hielpen me waar ze maar konden.

Lies’ vocabulaire was tegen die tijd gekrompen tot één woord: ‘Goeie.’ En dan aaide ze over mijn hand.

 

 

  1. Precies wat ik nodig heb om mezelf te reinigen

 

Ik voel me vuil. Elke cel van mijn lichaam is vervuild. Ik ben mijn moeders leugen, haar verraad aan mijn vader.

Al die keren dat ik mijn vader geplaagd had omdat hij geen ritmegevoel had, dat hij niet kon zingen… Al die keren dat hij geprobeerd had me te leren hoe je een spijker inslaat…

De wereld is blauwe, gele en bruine waterverf die door elkaar loopt. Grof, heet zand tussen mijn tenen. Ik droog mijn tranen.

Ik ben in een goudbruine woestijn. Verderop is een oase: palmbomen en een meertje.

Water. Precies wat ik nodig heb om mezelf te reinigen.

Ik ren naar de oase. Onder de schaduw van palmbladeren duik ik het water in.

Recht omlaag, recht omlaag…

Het water stroomt om me heen, het donker slokt me op terwijl ik dieper zink. Het is zo koel en schoon… maar slechts oppervlakkig.

Ik open mijn mond om te ademen. Hij loopt vol water.

Uit alle macht zuig ik het water mijn longen in.

Waarom stik ik niet? Waarom verdrink ik niet? Hoe diep is deze oase?

Het duister wordt gitzwart.

Lies, Ellen… Ik moet terug!

In paniek pers ik het water mijn longen uit. Ik draai me om en spartel.

Daarboven: dat puntje golvend, blauw licht. Omhoog zwemmen is als een oneindig lange zwarte tunnel.

Het lichtpuntje wordt langzaam een schijf. Golvende zonnestralen spelen in het water. Even later breek ik door het oppervlak, spuw het laatste water uit en adem diep door.

Ik zwem naar het strand en kruip op het zand. Het straalt een koesterende warmte uit. Dus blijf ik liggen piekeren wat ik moet doen.

 

 

  1. Vlinders en vogelzang

 

Alzheimer is de langzaamste manier van sterven. Steeds weer denk je dat de ziekte alles al heeft genomen. Steeds weer verbaast hij je door nog iets te vinden om af te pakken.

Het was maanden geleden sinds het laatste woord dat ze had gesproken. Het aaien was een zwak kneepje geworden, toen ze begon te vergeten hoe je slikt. Als ik er een halve liter in kreeg, tien uur lang proberend met theelepeltjes vol pudding en ranja, was het een goede dag. Maar vreemd genoeg leek ze tevreden, gelukkig zelfs, die laatste paar weken.

Ze vergat slikken helemaal. En op een zonnige zomerdag met een koel briesje dat door het raam binnenkwam, vergat ze om te ademen.

Toen ik haar kuste, voelde ze al koud aan. Ik liet haar hand los en stond op. De verpleegster sloot langzaam het raam.

Een beeld van Lies’ ziel die door de spleet naar buiten glipte, schoot door mijn hoofd.

‘Om de vliegen buiten te houden,’ zei de verpleegster.

Ik knikte en greep mijn looprek. ‘Meneer pastoor?’ Ik volgde hem de kamer uit. ‘Ik wilde vragen…’

Hij draaide zich naar me om. ‘Ja?’

‘Ze zeggen dat de ziel het lichaam verlaat op het moment van de dood.’

Hij legde zijn hand op mijn schouder. ‘Ze is nu op een betere plek.’

‘Maar het duurde jaren…’ Ik drukte mijn tranen terug. ‘Ik bedoel: zat haar ziel al die jaren gevangen in haar?’

Hij fronste. ‘Het moment van de dood kan soms een reis zijn die jaren duurt. Ik weet zeker dat een deel van haar al jaren in het paradijs was.’

Ik knikte. ‘Bedankt.’ Dat verklaarde die rust die ze kreeg, al die jaren geleden.

Toen ik later die dag het verpleeghuis verliet, was ik verbaasd dat de zon hoog aan de hemel stond, vlinders en vogelzang in de lucht, spelende kinderen overal. Ik besefte dat ik de enige was voor wie de wereld zojuist aan zijn eind was gekomen.

 

 

  1. Je moet haar vergeven.

 

Als ik terugkom, draait nog steeds “I apologize.” Mam en pap staan nog steeds aan weerszijden van het hek, hun halve vingers raken elkaar ogenschijnlijk door het kippengaas.

Lies en Ellen staan bij de luau suikerspinnen te eten. Ze nemen me niet waar.

Mam en pap kijken wel naar me. Als ik nader, laat mam pap los en draait zich naar me toe.

Ik neem haar gezicht in mij op. Het is niet meer mondsterachtig. Ik was vergeten hoe mooi ze was toen ze jong was. Of beter: hoe mooi ze eruit zag op oude foto’s. Ze ruikt naar mam, naar liefdevolle, verzorgende mam.

Als ik voor haar sta, valt ze op handen en voeten en buigt haar hoofd tot haar voorhoofd mijn tenen aanraakt. ‘Het spijt me zo.’ Haar voorhoofd wrijft over mijn tenen.

Ik kan het niet uitstaan dat mijn moeder zich zo vernedert. ‘Doe niet zo gek.’ Ik buk, grijp haar handen en til haar omhoog. Ze blijft op haar knieën zitten en kijkt omhoog naar me met grote ogen.

‘Niets…’ Ik kijk snel naar pap.

Hij geeft me een knikje.

‘…niets moet je spijten. Je hebt me gemaakt wat ik was.’ Ik staar in haar ogen. ‘Jullie allebei. En ik ben eeuwig dankbaar dat ik mijn muziektalent mee heb gekregen.’

Tranen stromen over haar wangen.

Ik probeer haar nog eens omhoog te trekken.

‘Je moet haar vergeven,’ zegt pap.

Ik frons. ‘Maar dat doe ik.’

Hij wijst naar haar. ‘Je moet het zeggen.’

Ik kijk in haar ogen. ‘Ik vergeef je.’

Ze staat op en valt in mijn armen.

 

 

 

  1. Bordeauxrode fluwelen gordijnen

 

Ik ging nog weleens naar de Begrafenisclub om te helpen. Maar mijn thuis weg van thuis begon steeds meer als iemand anders’ huis te voelen. De Begrafenisclub deed zijn best om me welkom te laten voelen, maar terwijl er mensen wegvielen en vervangen werden door nieuwe, voelde ik me steeds meer een indringer.

Ik probeerde weer muziek te produceren, maar kon mezelf er niet meer toe brengen. Ik had mijn pensioen. Het was niet veel, maar genoeg.

Ik vond een nieuw doel in oude Super 8-filmpjes en video’s overzetten naar DVD’s. Toen ik dat klaar had, bracht ik mijn dagen door met in een van de twee luie stoelen in de huiskamer naar oude filmpjes kijken, genietend van mijn herinneringen.

Grover zat natuurlijk in de andere stoel.

Ik keek naar al die plaatsen waar we op tournee waren geweest: van Kopenhagen tot Genève. Ik op het podium met big bands en trio’s. Ellens eerste pasjes, bezoekjes naar Six Flags en de Efteling. Het maakte dat ik me dicht bij Lies, Ellen en oude vrienden voelde. En om dicht bij hen te blijven, hield ik de bordeauxrode fluwelen gordijnen gesloten om de wereld, die meedogenloos bleef draaien, buiten te houden.

 

 

  1. De boog

 

Mam heeft me nog nooit zo innig omhelst. ‘Bedankt.’ Ze streelt mijn haar en laat me los.

Bij pap is ineens het hek verdwenen. Hij staat tussen twee spierwitte pilaren, verbonden door een boog. Aan weerszijden van de pilaren gaat het hek verder.

Eindelijk: de poort, ik heb de poort gevonden.

Of zij heeft mij gevonden.

Mam kust me op mijn wang. ‘Ik moet gaan. Eindelijk kan ik bij Hank zijn. En de rest van de familie.’

Ik snap het en knik.

Ze laat me los en loopt naar pap. Ze omhelzen elkaar innig.

Vreugde stroomt door mijn lijf als ik naar de poort loop. Eindelijk kunnen we weer bij elkaar zijn.

Pap draait zich om en houdt een arm over mams schouders. Samen slenteren ze naar de luau.

Met een zucht van verlichting volg ik hen en stap door de boog.

 

 

 

  1. Ik heb alle films die ik wil

 

De dokter kwam elke maand kijken. ‘Uw bloeddruk is wat hoog,’ zei ze. ‘Waarom gaat u voor de afwisseling niet wat wandelen?’

Ik schokschouderde. ‘Doe ik misschien.’

‘U zou wat beweging kunnen gebruiken. Het is lente. De natuur komt weer tot leven.’

‘Een vlinder landde ooit op Ellens neus,’ zei ik glimlachend. ‘Wilt u het zien?’ Ik duwde mezelf al omhoog om de DVD te pakken. Mijn rug knakte terwijl ik me oprichtte.

Ik schuifelde naar de DVD-kast, steunend op de leuning van Grovers stoel. Mijn knie deed pijn bij elke stap.

‘Andere keer.’ Ze borg de bloeddrukmeter op. ‘Ik had al bij de volgende moeten zijn.’

Ik schuifelde de gang in om haar uit te laten.

‘Gaat u weleens naar de winkel?’ Ze opende de voordeur.

‘Onnodig.’ Hijgend steunde ik aan de voordeur. ‘De maaltijdbezorgservice is prima. En Janet van hiernaast brengt me alles wat ik verder nodig heb. Ze houdt van winkelen. Deze trainingsbroek heeft ze voor mijn verjaardag gegeven.’ Ik probeerde te poseren maar kreeg mijn rug niet helemaal recht.

Ze knikte. ‘Hij staat u.’

Ik weet zeker dat ze loog, maar: maakt niet uit.

‘Waarom gaat u niet naar de film?’

‘Ik heb alle films die ik wil.’ Ik knikte naar mijn DVD-kast in de huiskamer.

 

 

  1. Wat moet ik dan doen?

 

‘Auw.’ Ik stoot mijn teen en deins terug: niets te zien tussen de twee pilaren.

Ik steek mijn hand uit.

Hij stoot ergens tegenaan.

Ik wrijf eroverheen: een glad oppervlak, net een raam of muur. Ik druk ertegenaan: het is zo hard en koud als steen.

‘Ik kan er niet door,’ roep ik uit.

Mam en pap kijken om.

‘Het spijt me, jongen,’ zegt mam. ‘Je bent er nog niet klaar voor.’

‘Maar ik heb je vergeven.’

Ze knikt met tranen in de ogen.

‘Wat moet ik dan doen?’

Pap laat haar los en keert terug bij de poort. ‘Ik weet dat je het kunt, jongen. En ik weet dat ik het nooit heb gezegd, maar ik ben trots op je.’ Hij legt zijn handpalm op de onzichtbare muur.

Ik knijp mijn handen tot vuisten. ‘Maar wat moet ik doen?’ Ik sla tegen de onzichtbare muur. ‘Zeg het dan. Ik doe het!’

Pap fronst. Hij opent zijn mond, aarzelt even alsof hij het er niet uit krijgt. ‘Sorry, jongen. Je moet er zelf achterkomen.’

Ik sla zo hard ik kan tegen de onzichtbare, ondoordringbare muur. De pijn in mijn knokkels gaat weg. De ondraaglijke pijn in mijn hart blijft.

Ik pieker me suf. ‘Wie moet mij vergeven?’ Ik kijk pap aan, zoekend naar aanwijzingen dat ik op het goede spoor ben. ‘Is dat het?’

Hij verroert zich niet.

‘Zeg het me!’ Ik druk mijn handpalmen tegen de onzichtbare muur zo hard ik kan. ‘Heb ik iemand iets aangedaan?’

Met een droevig gezicht draait hij zich om en wandelt met mam naar de dansende menigte.

 

 

  1. Wanneer zou ík mijn reis naar een betere plek beginnen?

 

Ik bracht mijn dagen door met kijken naar elke video die ik ooit had gemaakt, een geweldige ontsnapping uit de leegheid en hopeloosheid. Het bracht me terug naar gelukkiger tijden, ingepakt door de warmte van mijn familie en vrienden, met de troost dat niet alles van hen verloren was. Zolang ik me hen herinnerde, waren ze nog bij me.

Ik kon niet wachten om op te staan ‘s morgens en naar mijn stoel in de huiskamer te gaan om tv te kijken en samen met Lies, Ellen en al mijn oude vrienden te zijn. Elke keer zag ik nieuwe details.

Maar het is vreemd hoe snel ik elke beweging, elk geluid, elk detail kende. Ik kreeg spijt dat ik niet meer filmpjes had gemaakt. Ik besefte dat ik nog slechts oude herinneringen had. De dingen die ik niet had opgenomen, vervaagden snel.

Ik begon mijn herinneringen te onderzoeken, zoekend… hopend zelfs naar tekenen van Alzheimer.

Nee, hoor. Ik wist nog precies welke video’s ik gisteren had gezien, wat ik had gegeten, wanneer ik het laatst met Janet en met de dokter had gepraat. Wanneer zou ík mijn reis naar een betere plek beginnen, waar ik weer samen met Lies en Ellen zou zijn, en iedereen waar ik van had gehouden?

‘Ik maak me echt zorgen om uw bloeddruk.’ De dokter maakte de bloeddrukmanchet los. ‘Weet u zeker dat u geen pilletjes wilt?’

‘Heel zeker. Ik wou nog vragen…’

‘Ja?’ Ze stopte de bloeddrukmeter weer in haar tas.

Ik haalde diep adem. ‘Euthanasie… wat zijn de regels daarvoor?’

Ze keek me geschokt aan. ‘Waarom wilt u dat weten?’

 

 

  1. Dit kan niet

 

Ik val op mijn knieën. ‘Zeg dan toch wat ik moet doen.’ Als ik opkijk, zie ik weer onverbiddelijk kippengaas.

Alsof de poort er nooit is geweest.

Ik sta op, druk mijn voorhoofd tegen het kippengaas en staar naar de luau. ‘Lies, alsjeblieft help me!’

Ze fronst.

‘Lies, alsjeblieft. Heb ik je iets aangedaan? Ik weet dat ik tegen je heb gelogen. Maar ik had geen keus. Dat snap je toch. Alsjeblieft, vergeef me.’

Lies staart naar me. Zelfs Ellen geeft me een boze blik als ze de suikerspin van haar wang veegt.

Eindelijk komt Lies weer bij het hek.

‘Ja, Lies, vergeef me.’

‘Wilt u weggaan? Ziet u niet dat u de kinderen bang maakt?’

Ik ben verbluft. ‘Alsjeblieft, Lies. Ik bied mijn excuses aan. Ik had niet tegen je moeten liegen. Kun je het vergeven?’

‘Ik vraag het u beleefd,’ zegt ze. ‘Wees een heer en val ons niet meer lastig.’

‘Maar Lies, weet je niet meer wie ik ben?’

Ze fronst. ‘Hebben we elkaar ontmoet?’

Nee. Niet weer. ‘Lies, ik ben het! Je man. Lies, zeg niet dat je bent vergeten…’

‘Ik weet dat mensen aan die kant van het hek problemen hebben. Ik snap dat u wanhopig bent. Maar, meneer, reageer het niet op ons af. We kunnen u niet helpen. Ga uw familie zoeken. Uiteindelijk moet iedereen voor zichzelf uitzoeken wat er moet gebeuren. Ik hoop dat u het vindt. Maar houd alsjeblieft op met ons lastigvallen.’

Ik zie in haar ogen dat ze niet liegt. En dat doet oneindig pijn.

‘Vraag Ellen om te komen. Zij kent me.’

‘Meneer, ik snap dat u verward bent. Ze zeggen dat het een kwelling is aan die kant. Maar ik weet niet wie u bent, Ellen ook niet, niemand hier. Val ons niet meer lastig.’ Ze loopt terug naar de luau en zegt iets tegen haar vader en oom.

Ze staren naar me. Een stukje verderop kijken pap en mam ook al boos naar me. Hun blikken messen die in mijn ziel snijden.

Ik deins terug. Dit kan niet. Ze is vergeten wie ik ben. Ik heb haar weer verloren. Ze zijn me allemaal vergeten. Hoe kan dat? Ik kijk rond, zoekend naar een gat waar ik in kan kruipen om me te verstoppen voor hun boze blikken. Tegelijkertijd moet ik bij hen zijn.

De blokhut zonder ramen.

Ik slenter ernaartoe en duw tegen de deur. Hij zwaait open en onthult een overbekende aanblik.

De zwarte koffietafel op het Perzische tapijt, de tv en DVD-speler, de twee luie stoelen, de DVD-kast, de goudkleurige lampenkap in de hoek… bordeauxrode fluwelen gordijnen langs de muren… wat vreemd lijkt aangezien deze blokhut geen ramen heeft.

Zelfs de afstandbediening ligt in de stoel. Alleen Grover in de andere stoel ontbreekt. Ik kijk achterom naar de mallemolen: ja, Grover zit nog op de zwaan. Jaloezie slaat over me heen: waarom is Grover wel aan de andere kant van hek… en ik niet?

 

  1. De Indische Waterlelies

 

Ik trok mijn beste pyjama aan, de gele met de palmbomen en surfplanken, en controleerde het huis nog één keer. Alle bedden waren opgemaakt, de afwas was gedaan, de huiskamer was gezogen. De bedankbrief aan Janet lag op de zwarte koffietafel naast het champagneglas en de fles bleekmiddel.

Ik pakte de afstandbediening en keek even naar Grover in de andere stoel terwijl ik ging zitten.

Ik drukte op “play” en zag Lies en Ellen naar de camera zwaaien terwijl ze de wachters passeerden voordat ze bij de Indische Waterlelies naar binnen gingen.

Het beeld veranderde naar de show binnen: de waterlelies gingen open en onthulden de elfjes die op Bert Kaempferts “Afrikaan Beat” dansten. Het liedje bracht altijd een glimlach op mijn gezicht.

Ik pakte de fles en vulde het champagneglas.

Dit was een vrolijke gelegenheid: nog even en ik was weer bij Lies en Ellen, ik zou hen knuffelen en kussen… of doen wat zielen in het hiernamaals deden. ‘Ik hoop dat je een plekje voor me hebt vrijgehouden.’

Jammer dat de dokter niks voor me kon doen. Ik had gelezen dat de pijn zwaar zou zijn, maar gelukkig niet lang zou duren omdat mijn bloeddruk en pols zouden zakken en ik snel bewusteloos zou raken.

Met mijn hart kloppend in mijn keel, bracht ik het glas naar mijn lippen.

Ik haalde diep adem, opende mijn mond en keek naar het scherm.

De geur van het bleekmiddel maakte me al een beetje misselijk.

Daar was het: de camera zwenkte naar Ellen. Ze zwaaide naar me met een brede glimlach.

Ik dronk het glas in één teug leeg en slikte het door. Mijn tong stond in brand.

Terwijl de elfjes dansten, sprong ik op en klopte op mijn borst. Het branden verspreidde zich naar beneden.

Snakkend naar lucht, sprong ik op en neer in een poging om te ontsnappen aan de pijn, aan mezelf. Een schreeuw: ik besefte dat die uit mijn eigen keel kwam. Maar mijn stem klonk dierlijk…

De pijn leek eeuwig te duren.

Ik struikelde ergens over en viel voorover op het Perzische tapijt. Ik knalde met mijn gezicht op een armleuning, maar voelde alleen de ondraaglijke pijn die me vanbinnen opvrat.

Ik probeerde op te springen maar had de kracht niet meer. Ik kroop en rolde over de vloer, wanhopig mijn borst vasthoudend.

Ik ving een glimp op van de dansende elfjes en snakte naar lucht. Het enige wat ik kon inademen, was pijn.

Een donkere nevel daalde neer over de elfjes.

Stomverbaasd keek ik naar hen terwijl de pijn langzaam verminderde. De donkere mist slokte de lamp in de hoek op en werd steeds donkerder. Hij werd zwart en Bert Kaempfert’s vrolijke klanken stierven langzaam uit.

 

 

  1. Afrikaan Beat

 

Jan Klaassen, Katrijn en de krokodil buigen op de tv.

De kinderen in de kamer klappen.

Ellen en kleine Tommy komen vanachter de oude juten gordijnen tevoorschijn, de poppen nog steeds aan hun handen. Grinnikend maken ze een buiginkje. De band eindigt met een paar flitsen en kraakjes. Het beeld verandert in het menu van de DVD-speler.

Voordat ik hier was, viel ik elke nacht in slaap om wakker te worden voor een zwart scherm en met de DVD-speler in de spaarstand: mijn teken om naar bed te gaan.

Maar ik heb geen nacht meer gezien sinds ik hier ben. En ik heb geen oog meer dichtgedaan, ik weet niet eens of slapen wel mogelijk is hier.

Geen slaap om mij tijdelijk soelaas te bieden, geen bleekmiddel om te lurken, geen kruipende vergeetachtigheid of Alzheimer om mij te verlossen van het weten wat ik allemaal heb verloren.

Ik druk op een knop op de armleuning en de stoel richt zich op. Ik pak de afstandbediening van mijn knie en smijt hem naar de koffietafel. Ik sta op, ga naar de deur en maak hem open.

De zon, als altijd hoog aan de lucht, brandt in mijn ogen. Knipperend loop ik naar het hek.

Lies, Ellen, mam, pap en Lies’ ouders staan in een kring en gooien een felgekleurde bal over.

Ik druk mijn voorhoofd tegen het kippengaas, word door een vloed van emoties overvallen en barst in lachen uit. Tegelijkertijd huil ik. Ik kan weliswaar niet bij ze zijn, maar ze zijn niet weg. Ze bestaan nog, ze lachen en genieten.

Hoe vaak heb ik hier al gestaan.

Duizenden, misschien miljoenen keren? Telkens als ik een van mijn DVD’s heb afgekeken, ga ik naar buiten.

Ik veeg mijn tranen weg. Lies en de anderen kijken boos naar me: blikken die snijden als dolken.

Tijd om weer naar binnen te gaan. Ik draai me om en loop terug naar de hut. Plotseling heb ik meelij met hen. Ik zou me waarschijnlijk ook bedreigd hebben gevoeld als er een vreemdeling steeds naar me staarde. En uiteindelijk is dat wat ik voor hen ben: een vreemdeling. Misschien zien ze me zelfs als een monster met uitpuilende ogen in een gezicht, verwrongen alsof het is gesmolten.

De moed zinkt me in mijn schoenen als ik naar binnen ga. De tv verwelkomt me met een zwart scherm.

Ik sluit de deur achter me, wetende dat ik hem nooit meer open zal doen, vastbesloten om hen nooit meer lastig te vallen. Ik ga mijn eeuwigheid doormaken met kijken naar herinneringen op DVD in de troostende wetenschap dat ze er nog zijn en gelukkig zijn. Dat is alles wat ertoe doet.

In het zwakke lamplicht schuifel ik naar de kast en grijp de DVD van ons bezoekje aan de grotten in Valkenburg.

 

Tientallen DVD’s later en voor de tigste keer zie ik Lies en Ellen zwaaien terwijl ze de wachters passeren voordat ze bij de Indische Waterlelies naar binnen gaan.

Ik glimlach weer als de waterlelies opengaan en de elfjes dansen bij “Afrikaan Beat”.

Plotseling word ik opgeschrikt door verblindend licht.

Ik knipper met de ogen en druk op de knop op mijn armleuning. Terwijl de stoel omhooggaat, kijk ik achterom naar het licht.

De muur waar de deur in zat, is weg. Twee silhouetten staan hand in hand in het licht, het ene half zo lang als het andere.

Het kleinste silhouet laat los en komt op me af rennen.

Ik spring uit mijn stoel.

‘Pappie!’ Het silhouet neemt vorm aan en krijgt kleur.

Ik steek mijn armen uit.

Ellen springt in mijn armen en legt haar kleine armpjes om mijn nek. ‘Pappie!’

Ik ruk haar tegen me aan.

Het andere silhouet komt ook dichterbij. Met een glimlach neemt Lies mijn hand.

‘Lies, het spijt me zo dat ik gelo…’

Ze kijkt me stomverbaasd aan. ‘Doe niet zo raar. Ik snap waarom je dat moest doen.’ Ze draait zich om en trekt zachtjes aan mijn arm.

‘Dus je vergeeft me?’ Ik volg haar de hut uit, met Ellen aan mij vastgeklampt.

‘Ik hoef niks te vergeven.’

Terwijl ik van het Perzisch tapijt het gras op stap, verdwijnt de hut.

“Afrikaan Beat” hoor ik nog steeds. Maar nu komt het van de kerstboommallemolen. Voor me staan twee spierwitte pilaren, verbonden door een boog: de poort!

Mam, pap en Andy staan onder de boog naar me te kijken, een glimlach op hun lippen. Andy heeft mijn gitaar vast.

‘Maar dan… waarom?’ vraag ik.

Ze schokschoudert. ‘Je zult iets hebben gedaan waarvoor je boete moest doen.’

Ik knik. ‘Dat heb ik. Maar hoe heb ik boete gedaan?’

‘Wie weet? Je hebt waarschijnlijk iets goed gedaan toen je in die hut was.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Daar heb ik niks gedaan.’ Ik aai over Ellens rug. Ze ruikt zo lekker. Ik sluit even mijn ogen.

‘Waarom kwam je dan niet meer naar buiten?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik wilde niet dat jullie je bespioneerd voelden in je paradijsje.’ Toen besefte ik het: ik was eindelijk bereid geweest om hen los te laten.

Lies stapt zonder aarzeling door de poort. Maar ik steek voorzichtig mijn voet uit, bang om weer tegen een onzichtbare muur te botsen, deze keer met Ellen in mijn armen.

Geen obstakel.

Ik zet mijn voet stevig neer voorbij de onzichtbare grens en volg Lies door de poort.

De Mummiehaler van Wynxk – Jaap Boekestein

In de oude Hyperboreïsche stad Wynxk – een voormalige havenmetropool voordat de oceaan zich terugtrok en het ijs begon te naderen – verdiende Sharhendsel Farlandhonen de kost met het vinden van gortdroge mummies in de Holle Berg, en het verkopen van de stoffelijke resten als brandstof op de markt van de Treurende Nimfen.

Hij was niet de enige mummiehaler, maar het was een markt met een constante vraag en een gestaag maar beperkt aanbod. Het gilde van mummiehalers was een hechte gemeenschap van zeven families die buitenstaanders gedurende minstens achttien generaties had weten te weren.

Na de dood van zijn vader was Sharhendsel junior de laatste van zijn lijn, maar hij maakte zich niet al te veel zorgen. Hij was nog jong en hoewel mummiehalers in Wynxk niet in hoog aanzien stonden, was het een vaste baan met een gegarandeerd inkomen. Ergens in de toekomst, wanneer hij de laatste van zijn wilde haren in de met rook gevulde drinkgelegenheden van Vijftig Hoofden Staat had verloren, zou hij een echtgenote vinden om de trotse familienaam van Farlandhonen voort te zetten. Hij was breedgeschouderd en met zijn stevige kin, donkerbruine ogen, de vrij prominente Farlandhonenneus en een wilde kuif opstandig rood haar, was hij bij lange na niet lelijk. Een vrouw vinden en een aantal kinderen verwekken zou geen probleem zijn. Zeg over twee, drie jaar. Hij had zeker geen haast.

Het gekruide cacti-bier vloeide gemakkelijk uit de porseleinen mokken en de dansmeisjes waren bereidwillig, twee verrukkingen die hij zichzelf zou moeten ontzeggen als een verantwoordelijke echtgenoot en vader.

Op een heldere ochtend – de verre zee was zichtbaar, evenals de schittering van de ijswanden achter de horizon – ging Sharhendsel Farlandhonen op weg met zijn pikhouweel, klimijzers en touwen.

Volgens de schriftgeleerden was de Holle Berg de begraafplaats van de burgers van Wynxk geweest sinds de begindagen van de stad, wat minstens twintigduizend jaar geleden was geweest. Of het waar was, wist Sharhendsel niet, maar het was een feit dat de steile heuvel die de Holle Berg werd genoemd, bezaaid was met ontelbare graven, catacomben, crypten en mausolea. De stad van de doden was gemakkelijk vijftig, zo niet honderd keer groter dan Wynxk zelf en haar burgers overtroffen de levenden in een onnoembaar veelvoud.

Volgend oeroud gebruik werden de doden van de stad naakt begraven, of hooguit gekleed in een eenvoudige linnen lijkwade. Er werden geen sieraden of geschenken meegegeven voor het hiernamaals.

Koning en pauper kwamen op dezelfde manier terecht in de Holle Berg. Natuurlijk waren de praalgraven van koningen en koninginnen versierd met scènes uit hun leven, terwijl de dode bedelaar genoegen moest nemen met een nauwe spleet of een smalle richel, maar na een paar eeuwen was het resultaat hetzelfde. Door de droge omstandigheden in de berg en de nooit ophoudende tocht die overal in de necropolis voelbaar was, veranderden de lijken in kurkdroge mummies, die uitstekend brandden en ook nog een vage, zoete geur afgaven.

‘Ga je op zoektocht?’ vroeg Vastal Quentintas, een mede-mummiehaler en een levenslange vriend. Vastal keerde net terug naar de stad met een tweewielige kar vol mummies. Nog drie vrachtjes en hij kon zijn gezin weer een week voeden.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Sharhendsel Farlandhonen, ‘ik heb het gevoel dat er ergens onontgonnen secties zijn, dichter bij de ingang.

Elk jaar gaan we dieper de berg in omdat we de gemakkelijkste tombes hebben leeggehaald. Zou het niet geweldig zijn als we overblijfselen wat dichterbij vonden? Het zou mijn werk een stuk lichter maken.’

‘Ik zal je in de gaten houden!’ grapte Vastal Quentintas half. ‘En wanneer ik je tien lichamen per dag naar de markt zie brengen, zal ik je zeker volgen naar deze fantastische voorraad van jou.’

‘Je mag het proberen, maar ik moet het eerst vinden.’

Vastal Quentintas knikte. ‘Wees voorzichtig, Sharhendsel! En overvloedige vondsten.’

‘Overvloedige vondsten voor jou!’ Sharhendsel Farlandhonen knikte en liep verder naar de Holle Berg. Volgens de oude verhalen van de halers waren de armen van Wynxk de eersten die de gedroogde overledenen als brandstof gebruikten, toen de kolenmijnen onder het ijs verdwenen en de eens weelderige jungles van Hyperborea slonken tot kale, halfbevroren toendra’s. Binnen een generatie volgden de rijken het gebruik en was het beroep van mummiehaler geboren.

Sharhendsel Farlandhonen kwam de Holle Berg binnen via de Koningspoort, wier reusachtige stenen wachters waren geërodeerd tot niets dan enkele gladde, gezichtsloze, vaag humanoïde sculpturen.

Hij stak een stuk vuurzwam in zijn lantaarn aan en begon aan zijn reis. Hij liep door gangen en overdekte boulevards, ondergrondse straten en lanen, maar de graven langs deze gangen waren generaties geleden al geruimd.

Hij was er zeker van dat er vergeten delen van de metropool waren, niet ver van de ingang. Eens, drie jaar geleden, op de bodem van een kloof, rook hij een zweem mummiestof, aangevoerd door een terloopse luchtstroom. Het was maar een moment geweest, maar Sharhendsel was het nooit vergeten. Als hij wilde sparen voor een zilveren bruidsketting die de keel van zijn nieuwe vrouw ging sieren, zonder het bier en de dansende meisjes op te geven, moest hij zijn fortuin maken met een voorraadje eersteklas kadavers.

Met zijn touwen en ijzers daalde Sharhendsel Farlandhonen af naar de belangrijkste kloof, door de halers ‘De Oude Reet’ genoemd.

Ooit was deze weg geplaveid met driehoekige klinkers, maar grote delen waren inmiddels begraven door het puin van oude lawines.

Talloze donkere monden van zijstraten kwamen op de ondergrondse verkeersader uit, maar hij wist dat ze allemaal al eeuwen mummieloos waren. Hij vervolgde zijn tocht en liep naar het einde van De Oude Reet, waar het resterende metselwerk broos was van ouderdom.

Met uiterste zorg beklom de jonge mummiehaler een van de heuvels van los puin. Lag er misschien een ingang van een grot begraven onder dit alles? Een nutteloze vraag. Het zou duizend man vijf jaar kosten om al het puin te verwijderen. Maar misschien was er een andere manier om…

Helemaal bovenaan de heuvel stopte Sharhendsel. Een vreemd gevoel beving hem, een gewaarwording die hij niet gemakkelijk kon verwoorden. Een soort van trekken aan zijn hersenen en schuren tegen zijn ziel. Een impressie van vertrouwdheid met deze plek.

Alsof hij hier eerder was geweest.

Hij had geen tijd om na te denken over de vreemde emoties die hem teisterden, omdat de helling van rotsscherven plotseling begon te wijken.

Net als water uit een afgesloten bad, draaiden de kiezels en metselwerkfragmenten rond, waardoor een maalstroom ontstond die de ongelukkige mummiehaler naar binnen trok.

Wanhopig probeerde Sharhendsel Farlandhonen zijn houweel te verankeren in iets solide, maar zijn acties waren tevergeefs. Hij ging op en neer, verzwolgen door de kiezelkolk.

Wilde duisternis en stof en duizend scherpe stukjes rots. Sharhendsel hield zijn pikhouweel vast, zijn ogen en mond gesloten. Hij had geen tijd om na te denken of in paniek te raken. Die tijd kreeg hij wel toen de lawine hem plots uitspuugde en hij terechtkwam op een stenen vloer. Verwonderd keek hij rond.

Hij was terecht gekomen in het graf waarvan de ingang was begraven door de lawine. Hoewel hij zijn vuurschimmel had verloren, kon Sharhendsel het graf in zijn volle glorie zien. Door onbekende magische processen, of misschien een raar soort gloeiende zwammen, werd de ruimte overal verlicht. De enorme grot was gevuld met duizenden en duizenden gemummificeerde lijken. Volgens de overlevering werden koninklijke lijnen samen begraven in dergelijke grotten. Het was hem onbekend welke van de talloze Wynxkdynastieën hier hun laatste rustplaats hadden en het deed er niet veel toe. Alle doden verbrandden op dezelfde wijze en hun waarde werd bepaald door hun gewicht in plaats van hun geschiedenis.

In het midden van de grot bevond zich een enkel stenen doodsbed.

Zonder twijfel de rustplaats van de stichter van deze bijzonder grote dynastie.

Toen hij de verheven stenen rechthoek naderde, voelde Sharhendsel het onrustgevoel weer toenemen. Hij kon twee mummies op het doodsbed onderscheiden, een man en een vrouw, hand in hand. Wie waren zij? Waarom voelde hij de behoefte om het te weten?

De jonge mummiehaler was zo druk bezig met het dode paar, dat hij niet zag dat er een metalen ring begraven lag in de vloer. Het was bedekt met de meest krachtige hiërogliefen en occulte symbolen, die alleen werden gebruikt om de allersterkste magie te temmen.

Sharhendsel Farlandhonen stapte op de metalen cirkel en een plotselinge explosie scheurde zijn wereld uit elkaar.

 

#

 

Zelfs met zijn ogen dicht was hij zich bewust van het harde licht en de ongekend warme lucht, maar het geschreeuw van het meisje deed hem zijn ogen openen.

Op de een of andere manier was hij niet meer in het ondergrondse graf. In plaats daarvan bevond hij zich ergens buiten, op een kleine verharde weg die werd begrensd door weelderige groei aan beide kanten. De zon stond hoog aan de hemel en de lucht glinsterde van de hitte van de middag.

Sharhendsel Farlandhonen nam niet de tijd om de bizarre omgeving te waarderen. Op een steenworp afstand van hem werd een worstelend meisje vastgehouden door een man die gekleed ging in een vreemd paars gewaad. Een andere man met soortgelijke kleding stond voorovergebogen, zijn gezicht rood en zijn handen op zijn edele delen. Een derde man, hun leider te zien aan de gouden ambtsketting die hij droeg, keek met minachting naar zijn ondergeschikten.

‘Kh’urks gepeperde ballen! Laat haar niet ontsnappen, anders zullen jullie het bezuren! Hogepriester Tahhunidacg wil dat zijn geneugten ongeschonden zijn voordat hij ze zelf gebruikt en ze in de vuurkuil gooit.’

Zijn woorden spoorden het meisje alleen maar aan in haar vergeefse pogingen om zich te bevrijden.

‘Hallo! Laat haar los!’ riep Sharhendsel. ‘Nu meteen.’ Hij deed een stap naar voren, zijn pikhouweel bungelend aan het koord rond zijn polsen.

De drie mannen en het meisje richtten hun blikken op hem, hun verrassing duidelijk zichtbaar op hun gezichten. Het zwartharige meisje, heel mooi met exotische, amberkleurige ogen en een vosachtig gezicht – zo merkte Sharhendsel – leek een sprankje hoop te krijgen.

De leider, een pompeuze bullebak met een dikke kin, dunne lippen en uitpuilende ogen, brulde tegen de voorovergebogen ondergeschikte: ‘Verjaag dat ongedierte.’

Eén van de ondergeschikten kwam grommend overeind en haalde een lang, gebogen mes uit zijn gewaad tevoorschijn. Met het wapen hooggeheven stormde hij op de onverwachte af.

Instinctief stapte de jonge mummiehaler op het laatste moment opzij en zwaaide met zijn pikhouweel.

De stevige metalen punt, die werd gebruikt om het gesteente van de Holle Berg te doorboren, had geen moeite met louter kleding, huid en vlees. Met een opengereten borstkast en een dodelijke kreet op zijn lippen, viel de aanvaller neer op de stoep.

Nu brandde het dubbelvuur van woede en geweld in Sharhendsel Farlandhonens aderen. Hij wendde zich tot de overgebleven mannen. Al zwaaiend met zijn bebloede pikhouweel, rende hij luid schreeuwend op hen af.

Geconfronteerd met zo’n wildeman, aarzelden beide mannen niet lang. Ze zetten het op een lopen en lieten hun dode makker en het zwartharige meisje achter.

Sharhendsel achtervolgde de vluchtende mannen nog een paar stappen en draaide zich toen om. Het meisje was niet gevlucht. Alhoewel zij duidelijk was aangeslagen, stond zij fier.

‘Ben je ongedeerd, juffrouw?’

Zij keek hem met die prachtige amberkleurige ogen aan alsof hij het raarste ding was dat zij ooit had gezien. ‘Wie ben je? Je komt hier niet van hier. Niemand durft weerstand te bieden aan de priesters van de demon-god Kh’urk.’

Haar melodieuze woorden waren gesproken in een onbekende taal die Sharhendsel op een of andere onnavolgbare wijze toch verstond.

De mummiehaler bekeek het meisje. Haar uiterlijk was exotisch, de stijl van haar mouwloze groene jurk en bronzen sieraden waren hem niet bekend. Waar had de magie uit de dodengrot hem naar toe getransporteerd? En met welk doel?

Sharhendsel opende zijn mond en zie! Hij antwoordde haar in dezelfde taal: ‘Mijn naam is Sharhendsel Farlandhonen, van Wynxk.

Door een of andere fantastische tovenarij ben ik hier terechtgekomen. Waar ‘hier’ ook moge zijn…’ Hij keek haar aan. Zijn hart versnelde, hij kon dagenlang naar dit zwartharige meisje kijken. Hij zou het helemaal niet erg vinden.

‘Je komt niet van Wynxk!’ verklaarde zij stellig. ‘Ik heb mijn hele leven in de stad gewoond en ik heb jouw soort nog nooit gezien.

Ben je misschien naar Wynxk gekomen als handelaar, of ben je een krijger uit een ver land?’

Waren er twee steden genaamd Wynxk? Sharhendsel glimlachte en besloot niet verder op zijn herkomst in te gaan. ‘Wat is je naam?’ vroeg hij.

‘Ah, vergeef mij, Sharhendsel Farlandhonen! Waar zijn mijn manieren? Ik ben Salamey Facannacei, dochter van de overleden patriciër Curlhain Facannacei.’

De namen zeiden de mummiehaler niets, maar ze klonken bijna als muziek.

Het meisje nam Sharhendsel bij de arm. ‘Maar kom, laten wij hier niet blijven staan. Die honden zullen zeker terugkeren met versterkingen. De tempel van Kh’urk is niet ver weg. Ik neem je mee naar huis voor een beloning.’

Wijze woorden. De schurken zouden ongetwijfeld terugkomen om wraak te nemen voor de dood van hun kameraad. Terwijl ze met vlugge pas de weg afliepen, vroeg Sharhendsel: ‘Wie waren die mannen en wat wilden ze met jou?’

Salamey Facannacei keek hem nogmaals aan met haar oranje ogen. ‘Je bent echt niet van hier als je de vuige priesters van de demon-god Kh’urk niet kent. Ze roven knapen en deernen en brengen ze naar hun tempel waar ze worden geofferd aan Kh’urk, soms nadat ze zijn onderworpen aan de wreedheid van hun hogepriester Tahhunidacg. Hij zag mijn gezicht eenmaal vanuit zijn draagstoel, toen ik uit het raam van ons huis keek. Zijn mannen ontvoerden mij vanochtend en… en…’ Salamey Facannacei zweeg, maar haar ogen stonden vol vuur.

‘Is er niemand die die schurken stopt?’ vroeg Sharhendsel. ‘De stadsoudsten, of een koning, of iemand?’

Salamey schudde haar hoofd. ‘Iedereen is bang omdat de hele stadsraad, inclusief mijn vader, in hun slaap werd vergiftigd door mysterieuze, slangachtige dampen. De priesters van Kh’urk lopen door de stad alsof het hun bezit is en niemand durft ze tegen te houden. Ik ben ervan overtuigd dat zij mijn vader en zijn mede-patriciërs hebben vermoord door middel van demonische magie. Sharhendsel wilde antwoorden, maar zijn adem stokte. Na een bocht in de weg was de stad Wynxk was zichtbaar geworden. Het was echter niet het Wynxk dat hij kende.

Sommige specifieke kenmerken verrieden dat dit toch hetzelfde Wynxk was: de Treurklip met zijn oude vuurtoren, de IJzeren Trap der Reuzen, de Zetel van Chatalhus. Andere delen van de stad waren volkomen onherkenbaar: straten, gebouwen, muren en poorten.

Palmbomen sierden de boulevards. Kleurrijke vogels en kleine, bliksemsnelle apen zaten op monumenten en daken. Maar het grootste verschil was niet de stad zelf. Onder de schitterende zon streelde een azuurblauwe oceaan de gouden stranden van de stad. Deze versie van Wynxk was een havenstad, zoals het ooit in de oudheid was geweest.

De mummiehaler begreep dat de magie uit het graf hem niet zo zeer in afstand dan wel tijd had verplaatst. Het Wynxk dat voor hem lag, kende hij uit oude fabels over het mythische verleden. Dit was een Hyperborea lang voordat het ijs kwam.

‘Kom, laten we opschieten,’ spoorde Salamey hem aan.

Niet in staat te spreken, liet Sharhendsel Farlandhonen zich meenemen naar de stad van het verre verleden.

 

#

 

Het huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei had duidelijk betere tijden gekend. De muren waren stevig, maar de verf van de luiken bladderde af en de stevige voordeur vertoonde tekenen van verregaande verwaarlozing.

Salamey’s terugkeer was een vreugdevolle gelegenheid en Sharhendsel ontdekte dat het hele huishouden bestond uit Vrouwe Ygehna, die de moeder van Salamey was, twee jongere zussen en drie oudere bedienden.

Het zwartharige meisje legde uit hoe zij was gered en Vrouwe Ygehna pakte Sharhendsels handen en bedankte hem: ‘Toen mijn man nog leefde, zou hij je hebben beloond met een tas met gouden munten, beste krijger. Ik vrees dat de trieste waarheid is dat ik je niet veel meer kan bieden dan onze dankbaarheid en gastvrijheid, hoewel ik zou begrijpen als je meteen wilt vertrekken. De honden van die demonenheer zullen vanavond of vannacht zeker terugkeren, en hun vergelding zal verschrikkelijk zijn.’

‘Maar wat zal er van u en uw dochters worden?’ wilde Sharhendsel weten.

‘Wij zullen sterven, maar het zal een nobele dood zijn, uit eigen keuze. Wij zullen onze polsen doorsnijden en aan hun wraak ontsnappen.

Onze lichamen zullen begraven worden in de Holle Berg, maar onze zielen zullen vrij zijn om herboren te worden in een ander lichaam, als de Goden het willen.’

‘Dat kan ik niet toestaan, lieve dame,’ zei de mummiehaler. ‘Er zijn toch zeker nog wel echte mannen in deze stad om die priesters te bevechten?’

‘Je bent de eerste in jaren om hun hand tegen hen op te heffen.’

‘Hoeveel priesters zijn er?’

‘Slechts zes of zeven zijn priesters met onbekende magische kennis.

Ze hebben ongeveer twintig handlangers en een aantal slaven.’

Ongeveer dertig tot veertig mannen, waarvan sommige met demonische machten. Sharhendsel Farlandhonen aarzelde. Hoewel hij een volslagen vreemde was in deze stad – nee, in deze tijd – voelde hij zich verantwoordelijk voor deze vrouwen. Het lot had hem hier gebracht, hij kon hen niet in de steek laten.

‘Heeft u familie of vrienden buiten de stad?’ vroeg hij. ‘Ergens veilig onderkomen voor u en uw dochters? Ik zal hier blijven en kijken wat ik kan doen.’

‘Wij hebben een verre oom, op drie dagen reizen in het binnenland,’ antwoordde Vrouwe Ygehna.

‘Dan vraag ik u daar naartoe te vertrekken. Ga binnen het uur, voordat de priesters terugkomen. Vertrek in het geheim en luister aldaar naar het nieuws uit Wynxk.’

Vrouwe Ygehna knikte en bleek een formidabele dame te zijn die gemakkelijk de leiding nam. Binnen het uur hadden alle leden van haar huishouden de nodige spullen gepakt om licht te reizen.

Ze vertrokken door de deur van de bedienden achter in het huis.

Sharhendsel bleef achter in de lege woning en vroeg zich af wat te doen. Een geluid klonk achter zijn rug en razendsnel draaide hij zich om, met zijn pikhouweel in de hand.

Salamey Facannacei stond daar, samen met haar twee zussen. Zij had de kap van haar reismantel teruggeslagen zodat haar volle zwarte haar zichtbaar was. ‘Je dacht toch niet dat wij zouden vluchten?

Moeder is veilig onderweg. Wij zullen samen met jou die honden bevechten.’ Zij had haar slanke hand op een dolk.

De mummiehaler knikte. ‘Ik accepteer graag jullie hulp.’ Hij keek rond. ‘In hoeverre is je familie bereid om die demonen-aanbidders te verslaan?’

 

#

 

Die avond kwam de hogepriester Tahhunidacg zelf met al zijn ondergeschikten naar het huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei. De bende liep door de Brood Straat en een groenachtig spooklicht vergezelde hun progressie. Van achter de luiken keken angstige burgers naar de stoet.

Hogepriester Tahhunidacg was ooit een machtig man geweest, maar jaren van losbandigheid en omgang met demonen hadden zijn lichaam veranderd in een weerzinwekkende massa van stinkend vlees. Zijn gezicht was bedekt met etterende puisten die gestaag pus en bloed lekten. Vanuit zijn palankijn keek hij toe hoe zijn mannen de stevige deur van het Facannacei-huis inbeukten. De deur bood enige tijd weerstand, maar begaf het toen.

‘Sleep ze eruit. Sleep ze allemaal naar buiten,’ beval hij luidkeels.

Twee van de priesters en ongeveer de helft van zijn trawanten gingen het huis binnen.

Een schreeuw van boven, vier kruiken met stroken brandend doek in de hals gepropt, vlogen door de nacht, komende van het dak van het tegenoverliggende huis. Eén landde tegen de muur van de Facannacei-residentie en hulde het huis onmiddellijk in een vuurzee van brandende olie. Een andere kruik explodeerde bij de gebroken voordeur van het huis, met vergelijkbare effecten. De derde kruik spatte tussen de priesters en hun ondergeschikten uiteen. De laatste kruik brak bovenop de palankijn van Tahhunidacg in stukken en zette de constructie van hout en fijne windmottenzijde onmiddellijk lichterlaaie. De slaven lieten de brandende palankijn in de steek, waardoor het gevaarte op straat neerstortte. Hogepriester Tahhunidacg zat klem in de puinhoop en met zijn aanzienlijke massa en geringe fysieke kracht was hij niet in staat zichzelf te bevrijden. Hoog oplaaiende vlammen vergrepen zich aan zijn gewaad en een bovenmenselijk gekrijs steeg op uit de puinhopen.

Vanaf de daken vlogen pijlen – Salamey Facannacei en haar twee jongere zussen die zich hadden bewapend met jachtbogen uit het arsenaal van hun vader – en de door Sharhendsel Farlandhonen gegooide stenen regenden op de kwaadwillige kliek neer.

De overgebleven priesters op straat waren de eersten die vielen, de mummiehaler had de drie zussen de opdracht gegeven om hen als eersten neer te schieten. Vervolgens waren de soldaten van de priesters aan de beurt. De schurken waren bewapend met pieken, zwaarden en bijlen, maar geen van hen had een schild of droeg een helm of pantser. Terwijl de twee jongere zussen hun pijlen richtten op de mannen die het brandende huis probeerden te ontvluchten, bestookten Salamey Facannacei en Sharhendsel stelselmatig de overgebleven mannen in de straat. Vanuit de brandende palankijn schreeuwde nog steeds hogepriester Tahhunidacg in doodsangst, maar noch Salamey noch Sharhendsel verspilde een pijl of stuk steen aan de kronkelende massa van brandend vlees.

Verbrand door de vlammen, vertrapt door anderen, doorboord door pijlen of gedood door gesteente, vulden de lichamen de straat.

Geen van de priesters van de demonische god Kh’urk overleefde de aanval, en slechts zeer weinigen van hun volgelingen. In het brandende huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei schreeuwden mannen en smeekten om genade, maar dat hield op toen het dak eindelijk instortte.

Toen de laatste demon-aanbidders waren gevlucht, verzamelden de inwoners van Wynxk zich in Brood Straat. Ze werden opgewacht door Sharhendsel met zijn pikhouweel en de drie Facannacei-zussen met hun bogen.

‘Goede burgers van het eeuwige Wynxk!’ riep de jonge mummiehaler.

‘Zie hier, de vuige demonenaanbidders die jullie stad hebben geterroriseerd, zijn dood. Maar toch staat de tempel van hun weerzinwekkende god nog overeind. Ik ben Sharhendsel Farlandhonen en ga die onheilige plek voor eens en voor altijd vernietigen. Wie doet er met mij mee?’

De inwoners van Wynxk keken naar de gespierde vreemdeling die er zelfverzekerd genoeg uitzag om Kh’urk helemaal alleen te bevechten.

‘Ik!’ riep een dappere ziel. ‘Ik volg je.’

‘En ik!’

‘Ik!’

‘Leid ons! Sharhendsel Farlandhonen.’

Zwaaiend met zijn pikhouweel leidde de mummiehaler de menigte, met Salamey Facannacei en haar twee zussen aan zijn zijde.

Ze hadden knuppels, bijlen, messen en fakkels. De honderden inwoners marcheerden naar de tempel van de demon-god Kh’urk, bevrijdden de slaven en brandden het gebouw af tot aan op de grond.

De menigte keerde terug naar de stad. Zij droegen Sharhendsel Farlandhonen op zijn schouders en scandeerden zijn naam.

 

#

 

Met al hun oude leiders vermoord, kozen de burgers van Wynxk een nieuwe leider, een dappere en sterke man klaar om de stad te beschermen.

Sharhendsel Farlandhonen werd tot koning gekroond en Salamey Facannacei, dochter van de overleden patriciër Curlhain Facannacei, werd zijn koningin.

Op zijn sterfbed was de koning van Wynxk omringd door zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Ambassadeurs van zestig koninkrijken wachtten in de hal. Duizenden burgers hadden zich buiten verzameld.

‘Ik heb een goed leven geleid,’ zei Sharhendsel Farlandhonen tegen niemand in het bijzonder. Hij had zijn afscheid al genomen.

‘Tijd om mijn lichaam te laten rusten in de Holle Berg.’ Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. ‘Ik hoop alleen dat dit allemaal geen droom is geweest…’

Na deze mysterieuze woorden sloot de koning van Wynxk zijn ogen en stierf.

 

#

 

Sharhendsel Farlandhonen werd wakker buiten de metalen cirkel in het verborgen graf.

Hij stond op en keek rond. Zoveel nazaten! Zijn bloed moest Wynxk vele generaties geregeerd hebben.

Als ik het echt was. Hij keek niet naar de mummie. De herinneringen aan zijn vorige leven waren helder als water uit een bergbron.

De mummiehaler kreunde. Hij kon het bijna niet verdragen. Salamey en hij… Het verscheurde bijkans zijn hart. Zij was op haar zeventigste gestorven, mooi als altijd. Hij had haar nog bijna een dozijn jaren overleefd. Als het allemaal waar was… Maar hoe kon het waar zijn? Lijd ik aan breinrot of een hersenschudding? Welnu, er is een manier maar één manier om erachter te komen of ik droomde of niet.

De mogelijke voormalige koning raapte zijn pikhouweel op en om zichzelf respijt te geven, keek hij naar de puinhelling die hem in het graf had laten belanden. Het zou wat tijd kosten, maar hij was ervan overtuigd dat hij zichzelf kon uitgraven.

Na een paar hartslagen keerde Sharhendsel zich om en liep naar het stenen sterfbed met de twee mummies. Deze keer stapte hij voorzichtig over de metalen ring. Het stenen podium was gemaakt tijdens zijn bewind. Langs de zijkanten werden zijn belangrijkste prestaties afgebeeld: zijn overwinning in de grote veldslagen, zijn openbare werken, de zegening van de goden. Aan het voeteneind was een houweel uitgehouwen, het legendarische wapen waarmee hij de boze priesters van de demonengod Kh’urk had gedood. Hetzelfde hulpmiddel dat hij op dit moment in handen had.

Geleid door een herinnering aan de man die hij misschien was geweest, sloeg Sharhendsel met zijn pikhouweel op de stenen beeltenis.

Vier, vijf, zes keer sloeg hij toe en toen brak de steen.

De mummiehaler schoof de brokstukken opzij en een koningsschat werd onthuld: koorden met vierkante gouden munten, juwelen zo groot als eieren, stenen tabletten met oude wijsheid, kleine beeldjes van maansteen en sterrenmetaal, sieraden gedragen door koningen en koninginnen.

Sharhendsel knikte. Dit was genoeg rijkdom om te leven als de meest decadente plezierzoeker voor de rest van zijn dagen. Als hij ervoor koos om dat te doen…

Nee! Een gevoel van daadkracht stroomde door zijn aderen. Hij was Sharhendsel Farlandhonen, de mummiehaler en hij was Sharhendsel Farlandhonen, de koning van Wynxk in een glorieus, vergeten verleden. Hij had rijken onderworpen en tallozen geregeerd.

Om te leven als de vette, gestreepte slak in een pomarus-vrucht?

Nooit! Met deze rijkdom kon hij invloed, mensen en zwaarden kopen.

Sharhendsel Farlandhonen knikte. Ja, over een jaar zou het oude Wynxk ontwaken voor nieuwe gloriedagen, met aan het hoofd een nieuwe heerser.

De mummiehaler en koning pakte zijn houweel op.

 

###

Schoolreisje – Paul van Leeuwenkamp

  1. Schiphol en Amsterdam

 

Natuurlijk werd Mike er weer uitgepikt door de douane. Hij zag er uit als iedere andere Japanner in zijn gezelschap, kort stug zwart haar, geelgetinte huid, kort van stuk en scheefstaande ogen, maar toch werd hij er weer uitgepikt. Dat kwam door zijn naam, Mike Havenaar, die gewoon niet paste bij een Japanner. En dat allemaal omdat er ooit een Nederlander naar Japan was gekomen en daar was getrouwd en kinderen had gekregen. De genetische invloed van die verre voorouder was bij Mike geheel verwaterd. Dit tot ergernis van zijn vader. Of nee, niet het zeer Japanse uiterlijk van Mike ergerde hem, maar de aandacht die de discrepantie tussen zijn naam en uiterlijk opriep. Mike’s vader wilde het liefst onzichtbaar door het leven gaan.

Een van de voorouders van Mike, met precies dezelfde naam, was hier in Nederland nog een beroemde voetballer geweest, maar dat was al lang vergeten, en zelfs wanneer dat niet zo was, zouden de Chinezen die hier op Schiphol aankomst en vertrek bewaakten, daar toch niets van weten. En dus werd Mike gefouilleerd, gescand, psychologisch getest en uitgebreid ondervraagd. En dat duurde natuurlijk wel een paar uurtjes.

Toen Mike eindelijk de aankomsthal in stapte, was de rest van zijn klas al vertrokken, uitgezonderd een zeer nors kijkende meester Sasaki en een breed lachende gids, bij wie de yuan-tekens bijna zichtbaar in de ogen glinsterden. Dat maakte Mike nog chagrijniger dan hij al was, want de reisorganisatie zou de extra kosten bij de school in rekening brengen, en die zou ze volledig doorbelasten aan zijn vader. En dat zou hij dan de rest van zijn leven te horen krijgen.

De gids legde zijn automatische geweer op de grond, zo te zien een G&G XA5 Defender, sjorde Mike in een kogelwerend vest en liep naar de uitgang. Daar wachtten ze tot er een gepantserde Tesla voor kwam rijden. Ze renden naar de auto, waar de gids Mike en meester Sasaki achterin duwde en zelf voorin dook, waarna de chauffeur er vol gas vandoor ging.

De rit naar Amsterdam verliep zonder noemenswaardige problemen. Ze werden even door Rijkspolitie achtervolgd, maar de chauffeur was vaardig en de achtervolgers werden al snel afgeschud. En bij een dorpje dat Amstelveen heette werden ze beschoten, zelfs een keer geraakt, maar de Big Tesla 7XV waarin ze reden werd er nauwelijks door van koers gebracht.

De gids, een lange man met zwart haar en een getinte huid, het tegengestelde van de kleine, blonde, vrouwelijke chauffeur, nam meteen nadat ze wegreden zijn rol van gids op zich, en ook al had Mike alles over Nederland gelezen wat er te lezen was, hij probeerde zo goed mogelijk te luisteren naar wat de man te vertellen had. Zijn vader zou hem grondig overhoren, zeker nu hij er door de individuele noodbehandeling van zijn zoon een heleboel extra voor moest betalen.

‘Na de Nexit kwam het proces van verzelfstandiging in een stroomversnelling en Nederland viel nog verder uiteen. Eerst in de twaalf Provinciën, daarna in talloze stadstaten.’

‘Ha ha! Kijk. Ze raken al op achterstand. Goed gereden Laura. Ze noemen zich Rijkspolitie; een groepering die beweert Nederland weer tot Nederland te willen herenigen, maar in de praktijk alleen maar een stelletje vrijbuiters die tussen de steden rondzwerft. Mooi Laura, kijk, ze geven het al op.’

‘Amstelveensters… Proberen Amsterdammers te zijn, de stumpers.’

‘Oké Laura, rustig de sluis in.’

De zwaar bewapende toegangspoort tot Amsterdam West was een van boven open doorgang door de tien meter brede metalen muur die om heel Amsterdam heen liep.

‘In het noorden en het oosten is er nog zo’n toegang. Al even zwaar bewaakt. De toegang in het zuiden is geblokkeerd sinds Zuiderlingen de stad probeerden binnen te komen.’

Nadat de gids, die zich Marco noemde, was gescand, konden ze de sluis uit rijden. Onder bewaking werden Mike en meester Sasaki teruggebracht naar de rest van de klas, die op dat moment het paleis op de Dam verliet, op weg naar een rondvaartboot die hen via de grachten van Amsterdammed naar het Rijksmuseum zou brengen. Mike sloot zich aan bij Fudo en Hideaki, het gegiechel van Wattan negerend. Na het Rijksmuseum, waar Mike zich stierlijk verveelde, bracht de bus hen naar het Okura Hotel aan de Ferdinand Bolstraat.

‘De legendarische Nederlandse rocker Herman Brood wilde van dit hotel springen om een einde aan zijn leven te maken. Uiteindelijk sprong hij van het Hilton. Een ander hotel, dat vlak voor de Nexit werd verplaatst naar het stadje Zwolle in het oosten. De geboorteplaats van de zanger. Daar is het in de Woelingen verloren gegaan.’

Mike sliep met Fudo en Hideaki op een van de jongenskamers. Nou ja, sliep…. Er werd natuurlijk lang genoten van de door Fudo meegesmokkelde saké. En nog meer van de meisjes Toko, Taree en Sai, die ongemerkt vanuit de meisjeskamer naar hen toe waren gekomen. Wat saké al niet teweeg kon brengen!

De volgende dag gingen ze naar de dierentuin, schommelden ze op de A’dam Toren en bezochten het Anne Frank huis, voortdurend omgeven door bewakers. Amsterdam was altijd een eigenzinnige stad geweest, waar landelijke wetten met gemak naast zich neer werden gelegd. Wanneer drugs verboden waren, werden ze in Amsterdam gedoogd. Wanneer gezichtbedekkende kleding verboden werd, stelde de Amsterdamse burgermoeder helder dat die wet niet gehandhaafd zou worden, wanneer er wetten werden aangenomen om huisjesmelken te beperken, werden de beroemdste huisjesmelkers uitgenodigd om het woningentekort op te lossen. Dat was ook de wereldwijde aantrekkingskracht van de stad geweest, de reden waarom al die toeristen naar Amsterdam kwamen en van de stad een rijke stad maakten. Na het wegvallen van de nationale overheid had Amsterdam natuurlijk een probleem: hoe kon de aantrekkelijke uitstraling van rebelsheid in stand worden gehouden? Het antwoord lag voor de hand: de regels die door de burgermoeder werden opgesteld moesten met voeten getreden kunnen worden. En dus ontstond er een precair evenwicht tussen de diverse maffia’s en de politiemacht; je kon in de stad rustig leven, maar je voelde je toch nooit helemaal veilig. Eigenlijk was leven in Amsterdam leven zoals het leven was, en dat bleek zelfs een nog grotere aantrekkingskracht uit te oefenen. Het werd dan ook als bij voorbaat gecalculeerde schampschade geaccepteerd dat aan het eind van hun bezoek aan Amsterdam Masaru en Tsuru verdwenen waren, wellicht in de kinderporno terecht gekomen maar mogelijk ook door een kinderloos echtpaar liefdevol geadopteerd. Er was binnen het reisschema natuurlijk geen tijd om daar achter te komen.

 

  1. Utrecht

 

De rit naar Utrecht was veel rustiger dan de rit naar Amsterdam was geweest. De zwaar gepantserde bus waarin het reisgezelschap werd vervoerd, met de geschutskoepels op het dak en in grote letters de naam van de gevreesde reisorganisatie Nikkonda, ontmoedigde alle mogelijke vrijbuiters. Zelfs pogingen om bijvoorbeeld met diepe valkuilen in de weg de bus te laten stranden, behoorden al lang tot het verleden. Sinds de bussen waren uitgerust met levitatie-units had dat immers toch geen zin. Het gebruik van die units kostte heel veel energie en zorgde er voor dat de bus niet zomaar verder kon, maar de snelheid waarmee Nikkonda dan met jachtvliegtuigjes ter plaatse was, bewapend met intelligente raketten, die elk doel uiteindelijk vonden, gaf vrijbuiters en terroristen ook dan niet de mogelijkheid er hun voordeel mee te doen. En die hielden het na de eerste pogingen dan ook voor gezien.

Utrecht was veel veiliger dan Amsterdam. Hier hoefden ze geen kogelwerende vesten te dragen, en naast de gids was één bodyguard voldoende. Ze liepen langs de grachten, keken naar de oprijzende gebouwen. Vanuit hun hotel op het Vredenburg liepen ze naar de Sint Willibrordkerk, waar al twintig jaar een oecumenische kerkdienst gaande was, om te voorkomen dat de familie Severeijns werd uitgezet naar de stad van herkomst. Na nog langer procederen had de hoogste rechter van Utrecht besloten dat de familie op het moment van de Uiteenval niet woonachtig was in de stad en volgens het GBA in Maastricht woonde, een stad die veilig was. Ook hun twee dochters, die toen in Utrecht studeerden, en hun drie kleinkinderen zouden op een beveiligd transport naar het Zuiden worden gezet.

Mike liep door de kerk en luisterde naar het gebrabbel van de voorganger. De familie Severeijns huisde achter het altaar, afgeschermd door een dik rood gordijn, maar er was altijd één van hen bij de dienst aanwezig. Zij wisselden elkaar af in de voorste bank, zoals de voorgangers elkaar afwisselden op de preekstoel.

Van de Sint Willibrordkerk liepen ze naar de Pieterskerk, waar een soortgelijke dienst bezig was, maar dan met een gezin dat naar Groningen was uitgewezen. En daarna volgden nog de Nicolaïkerk met een gezin dat naar Den Helder moest, de Sint Martinuskerk met een bejaarde vrouw waarvoor ooit het Kinderpardon ten onrechte niet was verleend, de Leeuwenbergkerk met een dienst voor de duistere Van Leeuwenberg, en de Janskerk, de Jacobikerk, de Sint Gertrudiskathedraal, de Geertekerk, de Walsteegkerk, de Domkerk en de Sint Catherinakathedraal, de Buurkerk en de Sint Augustinuskerk, allemaal met hun eigen, al decennia voortdurende kerkdienst, maar na de eerste kerken had Mike zijn aandacht daarvoor verloren, net als Fudo en Hideaki, en ze besteedden hun tijd met berichtjes uitwisselen via hun palio’s, waarin vooral met de docenten de draak werd gestoken.

Later bezochten ze de beroemde Utrechtse sterrenwacht, waar nog steeds gewacht werd op de al zo lang verwachte bezoekers ‘from outer space.’

‘De sterrenwacht werd medio 19de eeuw hier naartoe verplaatst door hoogleraar Buys Ballot. Het gebouw heette Sonnenborgh en was een verdedigingsbolwerk dat in 1552 in gebruik werd genomen.’

Ze liepen door het stedelijk museum waar de vloeren waren ingesmeerd met pindakaas.

‘De Pindakaasvloer is een conceptueel kunstwerk uit 1962 van de Nederlandse kunstenaar Wim T. Schippers. Het past in de conceptuele werkwijze van de beeldend kunstenaar en het geeft aan dat alles in principe zinloos en onzinnig is, maar daarom nog wel de moeite waard. Uit 1965 stammen soortgelijke kunstwerken; een stoel bekleed met bami uit blik en een tafel met doppertjes.’

Natuurlijk hielden de jongens een wedstrijdje wie ongezien de meeste pindakaas kon oplikken. Mike won die wedstrijd, maar was daar later, toen hij zich wat misselijk ging voelen, toch niet zo blij mee.

En als afsluiting bezochten ze Brouwerij De Leckere, waar rijstewijn werd gebrouwen.

Het waren twee rustige dagen en toen ze weer vertrokken, werd er niemand vermist.

 

  1. De Oostvaardersplassen

 

Na het saaie cultureel maatschappelijke onderdeel kwam er weer actie. Ze reden in de bussen naar het oosten, naar de Flevopolders, waar de mensheid voor het eerst de zee had verslagen, waar de golven waren weggestuurd om plaats te maken voor landbouwgrond en steden. Maar sinds men de Indische Oceaan had ingepolderd stelden die Flevopolders natuurlijk niets meer voor en ze stonden dan ook niet op het programma, nee, het ging om de klassieke hertenjacht bij Oostvaardersplassen.

Ze reden over de achtbaans A27 voorbij Hilversum naar de Stichtse Brug. Toen ze brug over gingen, rekten de brontosauriërs in de polder hun lange nekken en onder het uitstoten van lange klaaglijke kreten zwaaiden ze hun hoofden heen en weer. Voor veel toeristen was dit een mooi gezicht, waar ze vanaf de parkeerplaatsen op de brug volop foto’s van maakten, maar op de Japanners, bij wie monsterlijke sauriërs, apen en yeti’s zo lang en uitvergroot in de cultuur zaten, maakten ze weinig indruk. Hoe echt ze ook leken, de Japanners zagen meteen dat het maar imitaties waren en lachend wezen ze op de onjuistheden en haperingen.

‘Vroeger was hier een windmolenpark, maar nadat duidelijk was dat dat een zeer inefficiënte energiebron was, werden ze stilgezet. Jarenlang stonden de windmolens onbeweeglijk in het landschap, tot een of andere Canadees met Nederlandse roots bedacht dat het wel leuk was er bewegende brontosauriërs van te maken.’

Die mededeling leidde tot veel gejoel. De bus van Nikkonda stopte niet en reed meteen door.

Bij de Oostvaardersplassen aangekomen, stopten de bussen op ongeveer 500 meter van de strobalen waarachter de natuurbeschermers zich verscholen hadden. Ze verlieten de bus, werden in vijf teams verdeeld en kregen geweren uitgedeeld. Er werd wat gemopperd toen bleek dat het slechts verdovingsgeweren waren, maar toen stormde de groepjes op de verdedigingslinie af.

Mike zat uiteraard in een groepje met Fudo en Hideaki, daar zorgden ze wel voor. Ze leidden hun groepje naar rechts, waar ze zich verspreiden en allemaal tegelijk op de hooibalen afstormden en er soepel tegenop klommen. De verdedigers deden hun best hen terug te duwen, maar Fudo glipte tussen twee graaiende handen door en was toen achter de verdedigers. Omdat het slechts verdovingsgeweren waren, had het weinig zin om te schieten, en daarom gebruikte Fudo zijn geweer als een knuppel en hij ging de natuurbeschermers met de kolf van zijn geweer te lijf. Dat bleek een strategie waar de verdedigers niet op hadden gerekend, want onder luid gegil en getier draaiden ze zich naar Fudo, daarmee de rest van de groep alle ruimte biedend. En omdat ze hadden gezien hoe effectief dat was, gebruikten ook zij hun geweren als knuppels. In een mum van tijd lagen de dierenbeschermers kreunend en kermend op de grond en hadden Mike en zijn klasgenoten vrij toegang tot de herten die daarachter heen en weer renden. Maar ver kwamen ze niet. De organisatie, samen met meester Sasaki en juffrouw Rin, sneden hen de pas af. Ze kregen petsen om de oren en alle leerlingen werden terug naar de bussen gestuurd. Ze hadden zich niet aan de regels gehouden! En daar moest nu iedereen onder lijden.

Ze overnachten in het WTC-gebouw van Almere, waar Mike, Fudo en Hideaki zich verdedigden tegen hun klasgenoten. Zij konden toch niet weten dat er ‘spelregels’ waren? Dat was toch helemaal niet verteld! En bovendien, het waren helemaal geen echte herten die daar liepen, zei Fudo, die het dichtste bij was gekomen. Het waren oude mannen met een hertengewei op hun hoofd. Nep. Fake. Kinderachtig. Pas toen Aki op zijn palio achterhaalde dat de herten van de Oostvaardersplassen al meer dan 100 jaar eerder waren uitgeroeid, en dat het tegenwoordig oude mannen uit Zeeland waren, die naar de polders waren uitgeweken, keerde de rust op de slaapzalen terug.

 

  1. The Alkmaar Tourist Mall

 

Op de weg terug van Almere naar Schiphol bezochten ze The Alkmaar Tourist Mall, om daar hun vakantiefoto’s te laten maken. De Mall lag tussen de steden in en werd daarom bewaakt door Chinese militairen, die er echter voor zorgden uit het zicht te blijven, zodat de typisch Nederlandse uitstraling niet werd verstoord. Onder leiding van meester Sasaki en juffrouw Rin kronkelden ze door de Mall van fotoplaats naar fotoplaats. Kyo liet Mike struikelen, waardoor hij languit tussen de tulpen belandde, waar hij door meester Sasaki hardhandig uit werd getrokken en weer eens streng werd toegesproken. Aan het eind kregen ze de hele reportage rechtstreeks op hun palio gedownload, en toen werden ze weer de bussen in gedreven en waren ze weer op weg.

Het inchecken ging aanzienlijk sneller dan het uitchecken bij hun aankomst was gegaan, al trok Mike ook nu de aandacht van de douaniers. Gelukkig bleef het bij een aarzeling en enkele gefronste wenkbrauwen. Pas in het vliegtuig ontspande hij zich weer. Verveeld bladerde hij door de vakantiefoto’s die hij had meegekregen: Mike voor de molen, Mike voor de ronde Goudse kazen met hun dragers, Mike voor het tulpenveld, Mike voor de gerookte palingen met de oude vrouwtjes in hun zwarte kleren, Mike met de aardappeleters…

Stel je voor dat ze zonder hem vertrokken waren en hij in dit domme landje had moeten achterblijven. Alleen al bij het idee liepen de koude rillingen over zijn rug.

De vijfde – Maarten Luikhoven

Hij fluit een ooit populair liedje terwijl hij langs het karrenspoor richting de grote stad loopt. Heel in de verte in het dal beneden hem ziet hij de gigantische ijzeren toren die een zekere meneer Eiffel ooit heeft gebouwd voor een tentoonstelling, zo lang geleden. Het gedrocht is roestbruin, net als de rivier die er in de buurt voorbij stroomt.

De zon schijnt. Er zijn schapenwolkjes. Naast het karrenspoor ligt een brede asfaltbaan die volledig is verwoest door planten en bomen die door de zwarte laag zijn gebroken. Waar eens automobielen reden is nu zelfs gewoon lopen onmogelijk geworden.

Ooit woonden er meer dan twintig miljoen mensen in deze metropool. Nu zijn dat er een stuk minder. Hij herinnert zich nog goed hoe hij in die tijd met een sneltrein van de ene kant van het land naar de andere kon reizen, koffie drinken op het Gare de Lyon, uitkijken over de uitgestrekte stad vanuit die toren.

Toen al wist hij dat hij een taak had, een opdracht. Hoewel hij niet gelovig was, wist hij dat er een hogere macht was die hem stuurde. Het kon bijna niet anders. Op de kleuterschool al vochten klasgenootjes elkaar het klaslokaal uit, raakten leraressen slaags met de directie. Hij keek het aan en ergens, diep van binnen, genoot hij van de gloeiend rode energie die de vechtenden uitstraalden. Hij verlangde ernaar zoals een plant zich naar de zon richtte.

Dit herhaalde zich op de lagere school en op de middelbare school. Zijn effect werd er enkel sterker, hoewel het hem ook wel beangstigde wanneer hij tussen de strijdende partijen belandde. Een ongeluk, net als een welgemikte baksteen, zat soms in een klein hoekje.

Ach, de idealen uit die tijd, de wens de wereld een betere plek te maken. Hoe naïef was hij toen. Hij las teveel klassiekers met nobele, koene redders van de mensheid, of toch tenminste hun naasten. Enerzijds was het escapisme van het dagelijkse gevecht dat de mensen om hem heen leverden, anderzijds was het een poging te begrijpen wat hem nu zo anders maakte dan de anderen.

Hij nadert nu de buitenste buitenwijken, banlieus genaamd, de vergeetputten van de rijke centrumbewoners. Wanneer hij een hoek omslaat wordt hij opgewacht door een groep van zo’n twintig jongemannen van Afrikaanse afkomst, enkel gekleed in gerafelde joggingbroeken en gewapend met stalen pijpen, lange puntige stokken en roestige keukenmessen. Ze dragen stamlittekens op hun ontblote bovenlijven, als een atavistische uitdrukking van hun identiteit.

Hij slikt even, licht nerveus. In zijn lange leven heeft hij conflict altijd weten te vermijden, dus hij weet niet hoe ver hij kan gaan, mocht zijn leven hier in gevaar komen. Het besef dat er hier en nu een einde aan zijn bestaan kan komen, beangstigt hem, maar windt hem tegelijkertijd op. Als ik maar de kans krijg te spreken.

‘Bonjour, mes amis!’ Hij glimlacht erbij. Onmiddellijk ziet hij de houding van een aantal van de jongemannen veranderen, meer ontspannen worden.

De leider – een jongeman met veel littekens op zijn bovenlijf en armen – zegt: ‘Parijs is nu van ons, witneus. Je had hier niet moeten komen.’

Hij glimlacht hen toe en spreidt zijn handen. ‘Ach, ik heb geen kwaad in de zin en zal jullie niet lastig vallen. Laat me mijn weg vervolgen, dan ben ik des te eerder van jullie gebied af.’

‘Te laat, witman. Je botten zullen onze wijk sieren.’ De leider gebaart naar zijn mannen, maar er is aarzeling. Zo gaat het altijd. Ze horen zijn stem en besluiten dat hij geen gevaar is, geen onrust komt brengen, ja zelfs een van hun vrienden is, familie bijna.

De leider is goed. Hij proeft de onenigheid in zijn troepen. Hij reageert zoals leiders door de geschiedenis heen altijd hebben gereageerd, met woede, met dreiging. Apengedrag, hij heeft er alles over gelezen. Alleen werkt het niet bij hem.

Hij glimlacht de grootste weigeraars toe zodat ze weten dat hij vertrouwen heeft, in hun kunde en in hun rechtvaardigheid. Het is bijna te makkelijk.

Even is er paniek, een handgemeen, messen flitsen, buizen suizen en stokken spietsen. De leider gaat neer, de jongemannen die hem wilden aanvallen worden vakkundig uitgeschakeld. Bloed vloeit, rijkelijk. Al die tijd blijft hij staan, zijn armen gespreid, als een Jezus-figuur, waarschijnlijk met halo, zo stelt hij zich voor, terwijl de slachtoffers vakkundig worden ontleed.

Hij schudt hier en daar wat handen, vertelt ze hoe trots hij op hen is. Bij het afscheid fluistert hij een aantal toe wie allemaal de macht willen en welke zusters of dochters met de vijand hebben gelegen. Hij ziet het zaad van afgunst en wraak kiemen in hun ogen. Zijn werk hier is gedaan en hij begeeft zich weer op het karrenspoor, verder de stad in.

Nog steeds vraagt hij zich af wat hem hierheen drijft. Lang geleden was hij Parijs al zat en de rellen van 2031 gaven hem destijds het excuus om zich excessief te laven aan de bloedrode energie van de menigte. Maar zoals een overdaad aan zoetwaren je misselijk maakt, zo ook werd uiteindelijk de chaos en vernieling, dood en verderf, hem teveel.

Sindsdien woont hij in een afgelegen boerderij ergens midden in de Morvan, waar hij op TV de langzame val van het nieuwe Romeinse Rijk, de EU, volgde, tot de TV-uitzendingen stopten, waarna ook Internet en elektriciteit verdwenen. Hij heeft maar weinig nodig en de laatste veertig jaar leeft hij enkel met zijn dieren, een familie grote boerderijkatten en een paar wolfshonden die zijn grondgebied en zijn akkertjes bewaken en hem beschermen. Het zijn de enige wezens die hij als vrienden beschouwt. Mensen hebben afgedaan, hij ziet ze als minder dan kakkerlakken.

Pas op zijn zeventigste verjaardag, tijdens het scheren, beseft hij dat zijn gezicht jong is, onveranderd zolang als hij het zich kan herinneren. Het is het moment dat de twijfel begint, dat hij begrijpt dat hij anders is dan andere mensen. Natuurlijk weet hij al dat hij beter is dan zij, voelt hij zich verheven boven die zielige wezentjes die zo weinig van elkaar begrijpen dat ze elkaar uit arren moede maar de hersens inslaan om hun gelijk te halen. Hij herinnert zich de vele momenten dat hij dat aanmoedigde, dat vaders en zoons, moeders en dochters, zelfs verliefde stelletjes met elkaar slaags raakten, tot de dood erop volgde. Hij staat er zover boven en zijn tijdloze gelaat bevestigt het nogmaals: hij is een superieur wezen, homo superior, de wereld behoort hem toe.

Hij vervolgt zijn weg langs ingestorte gebouwen, waar de natuur weer heerst. Een hinde kijkt op als hij een open plek opstapt en een moment kijken ze elkaar ademloos aan. Hij glimlacht. De hinde ziet hem niet als gevaar en gaat door met knabbelen aan takjes en struiken. Ooit reden hier automobielen, nu zijn het verroeste hopen, de plastic onderdelen verkruimeld door de invloed van zon, weer en wind. Bij zijn voeten glimt iets. Hij pakt het op, veegt wat modder en een reepje fluorescerend gele stof weg. Een kogel, iets groen uitgeslagen, maar duidelijk een goede kwaliteit legering, waarschijnlijk een NATO 7.62 die in die tijd uitgebreid werd ingezet door het EU leger tegen de eigen burgers. Hij gooit het ding weg. Ongetwijfeld is de grond ermee bezaaid, net als met de botten van die eigen burgers die hier sneuvelden. Hij ziet het als onfortuinlijk voor de getroffen mensen, maar goed voor de bodem. Op slagvelden groeien planten altijd voortreffelijk.

Dit deel van de stad was vroeger een aaneenschakeling van middenklasse huizen afgewisseld met parkjes en groenstroken. Het is nu een nieuwe tuin van Eden geworden waar zonlicht vrij spel heeft en beekjes door verweerde betonnen buizen klateren, waar stilstaande poelen helder water het groen van fruitbomen reflecteren en de zwarte gaten in witte schedels op de bodem verdwijnen in de rimpelingen veroorzaakt door het vriendelijke briesje.

Hij wandelt over konijnenpaadjes en ziet onder een appelboom met vroegrijpe appels een jong meisje staan dat verlangend omhoog kijkt. Hij kucht even en geschrokken draait ze zich om. Hij lacht zijn tanden bloot en knikt naar haar. ‘Heb je hulp nodig?’

Het meisje, ze zal nog geen tien zijn, is gekleed in vodden, de schoenen die ze draagt zitten vol gaten en zijn duidelijk oud en half vergaan. Ze loopt langzaam achteruit terwijl ze met haar ogen knippert. ‘Wie ben jij?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Doet dat ertoe? Misschien weet ik het zelf niet eens. Wat ik wel weet is dat ik bij deze appels kan komen. Wil je er een paar?’

Ze schudt haar hoofd. ‘Ik mag niet met vreemden praten.’

‘Oh? Wat verstandig. Wie heeft je die wijze woorden ingefluisterd?’

‘Mijn moeder.’ Ze slaat haar ogen neer. ‘Toen ze nog leefde.’

‘Leef je nu helemaal alleen?’

Ze schudt haar hoofd weer. ‘Nee, samen met mijn broer.’

Hij reikt omhoog en plukt drie appels. Hij neemt een hap van de zoete vrucht. De twee andere legt hij op een boomstronk, duidelijk zichtbaar voor het meisje. ‘Hier, voor jou. En voor je broer. Voer hem maar lekker een hapje van deze appel. Vaarwel.’

Hij kijkt niet eens meer om. Ze beseft zich waarschijnlijk niet eens wat zich zojuist afspeelde, maar hij weet het maar al te goed. Het ging uiteindelijk om de ongehoorzaamheid, wat anders? Hij loopt verder door het idyllische landschap en eet fruit vers van de bomen.

Tegen de middag vindt hij een schaduwrijke plek en rust uit. Hij observeert de vogels die insecten vangen, konijnen die fourageren in de buurt van hun holen en de havik die ineens uit de hemel valt en er met een jong knaagdier vandoor gaat. De eeuwige dans van het leven, de opkomst en het verval en de schoonheid van de brutaliteit die bij dat leven hoort. Wat brengt hem hier? Die vraag stelt hij zich al sinds hij uit de Morvan vertrok. Sinds het besef dat hij tenminste homo superior moet zijn, kent hij een behoefte, een drang die hem stuurt, verlokt, dwingt in de richting van Parijs te lopen, alsof daar een antwoord op zijn vraag ligt.

Wanneer hij verder trekt en voorbij de binnenring komt, treft hij een eerste teken van georganiseerde bewoning. Een palissade van jonge boomstammen, aaneengevlochten met staaldraad, die de bakstenen muren van een paar huizenblokken verbindt en een barrière vormt waarbinnen verdedigers zich kunnen verschansen. Er is een kleine poort met twee wachters, jongemannen van onbestemde afkomst, gewapend met honkbalknuppels.

Halfbloeden, Calergis, voetvolk. Hij kijkt naar de huizen die achter de palissade zichtbaar zijn. Duidelijk een gegoede buurt waar de Franse elite ooit huisde en dat nu waarschijnlijk nog steeds doet, als ze niet in staat waren naar een van hun afgelegen schuilkelders te vluchten om de storm in alle luxe uit te zitten. Hier blijven betekende dat ze andere maatregelen moesten nemen. Zo te zien lukte dat alweer vrij aardig. Hij schudt zijn hoofd. Ze leren het ook nooit. En ze maken zichzelf moedwillig dommer. Hij kijkt naar links en naar rechts. Omlopen is een optie, maar hij is niet van zins zich te laten tegenhouden. Jammer voor ze, maar ik ga voor. Altijd. Die instelling moet ze niet vreemd zijn, toch?

Hij loopt naar de wachters die verbaasd naar hem kijken. Ze nemen een dreigende houding aan, hun honkbalknuppels dreigend geheven. Hij is ongewapend, maar gevaarlijker dan deze twee, zijn zelfvertrouwen en zijn uitstraling machtiger dan de zielige verlengstukjes van hun fragiele ego’s. En hij komt met een geschenk.

Op een paar meter afstand vraagt hij: ‘Wie is jullie patron?’

Hoewel de twee verdacht veel op elkaar lijken, althans in zijn ogen, heeft een van hen een bredere neus. Hij geeft het verwachte antwoord. Breedneus noem ik je.

‘Monsieur d’Arrenne Bourguignon.’

Oude adel? Onwaarschijnlijk. Nu ja, nieuwe adel, oude adel. Een pot nat. Zijn wedervraag is nu zijn wapen. ‘Waarom eigenlijk?’ Hij ziet de verwarring in hun ogen, gevolgd door besef, gevolgd door de schok van de implicatie.

Breedneus aarzelt. ‘Zo… zo is het altijd geweest. Hij heeft lijfwachten.’

‘Zoals jullie? Met wapens?’

Breedneus knikt langzaam.

‘En wat beschermen ze? Een oude, witte man en zijn gevolg, die in hun leven nog nooit een dag gewerkt hebben? Die jullie en je kinderen als “gewaardeerde onderdanen” houden?’ De woorden zijn zorgvuldig gekozen om de vergelijking met boerderijdieren te kunnen maken.

Het blijft stil. Hij kan hun harten bijna horen kloppen en hij ziet hun twijfels hand over hand toenemen. Bijna. Ze zijn er bijna.

‘Ik moet naar de andere kant.’ Hij wijst op de poort. Voor zijn geestesoog zweeft even de tekst Lasciate ogni speranza. ‘En jullie staan me in de weg. Of eigenlijk, jullie “patron” die zich boven jullie verheven waant. Terwijl jullie de wapens hebben.’

Breedneus kijkt zijn collega aan. Die knikt. ‘Je kunt doorlopen. Maar snel, we willen geen problemen.’

Hij glimlacht. ‘Dank jullie wel. In mijn ogen zijn jullie waardevoller dan die nietsnut “patron” van jullie.’ Zonder een woord loopt hij langs hen heen door de halfopen poort. Zijn werk hier is gedaan.

In het voorbijgaan wordt hij nagestaard door vrouwen en kinderen, allemaal Calergis, die op akkertjes op de open plekken tussen de huizen onkruid wieden. Op een balkon ontwaart hij een blank gezicht, donkere ogen, een zwakke inteeltkin en onmiskenbaar angst voor de vreemdeling die zonder slag of stoot door het domein van de “patron” loopt.

Hij zou hier veel kwaad kunnen doen. Of goed, afhankelijk van wie je het vraagt. De drang om verder te gaan is sterker. Hij voelt dat hij zijn doel nadert en deze nederzetting, als je het zo mag noemen, is slechts een obstakel. Aan de andere kant wandelt hij ongehinderd door de poort. De wachters zijn er om mensen buiten te houden, de mensen binnen wanen zich veilig en zullen niet vluchten. Misschien hebben ze gelijk, misschien is er kracht in aantallen. Hij denkt eerder dat ze angstige waanbeelden voorgeschoteld krijgen, een vorm van oplichting die zo oud als de eerste onheilsprofeet is.

Hij loopt verder, nu over klinkerwegen die net zo slecht onderhouden zijn als de asfaltwegen van de buitensteden. De toren van meneer Eiffel is nu een immense fallus die een imposante schaduw over het land werpt. Ergens in die schaduw is een plek waar hij een diepere duisternis weet, het is de plek die hem roept, waar hij hoopt of eigenlijk zeker van weet dat er antwoorden zijn.

Ondanks zijn trektocht van de buitenwijken tot de rand van het echte centrum van de oude stad, voelt hij zich niet moe. De hemel kleurt al rood, de schapenwolkjes zijn overgegaan in smalle wolkenbanden die schakeringen van weerkaatst geel, rood en oranje zonlicht tonen. Wel voelt hij honger, maar het is geen fysieke honger. Het ontmoeten van mensen vandaag heeft hem een geestelijke honger gegeven, zoals hij die vroeger nogal eens had, die dan leidde tot vechtpartijen, soms met gewonden of doden als gevolg. Dat bevredigde hem meer dan eten of sex.

In de verte klinkt het hinniken van een paard. Hij spitst zijn oren. Paarden zijn zeldzaam in het hedendaagse Frankrijk, hoewel dat land al decennia niet meer bestaat, als er al stukken zijn die zich als land identificeren. Net als de stadsconglomeraten die zich geen stad meer mogen of kunnen noemen. Er zijn stammen, tot nu toe de hoogste organisatievorm die hij is tegengekomen. De mens is zichzelf weer aan het herontdekken na de gruwelijke oorlogen en natuurrampen die negentig procent van de mensheid uitroeiden. Hij knikt opgewekt. Het is snel, in zijn ogen. Rijken zijn eerder in verval geraakt en het duurde honderden tot duizenden jaren voor de mensheid weer op dat niveau kwam. Misschien krijgt de mensheid het dit keer sneller voor elkaar.

Nu ruikt hij de geur van brandend hout. Een kampvuur. Paarden? Ruiters? Hij volgt zijn neus en loopt langs de roestbruine rivier, de Seine, tot hij bij een vervallen brug komt, in de schaduw van de ijzeren toren. Ooit was hier een plein, nu staan er bomen en struiken. Op een open plek graast een vijftal paarden, een vos, een schimmel, een zwart paard, een geelbruin paard en een grijs paard. Bewonderend kijkt hij naar de nobele dieren. Ze dragen halsters en zadeldekens. Dat impliceert zadels en dus ook ruiters. Vijf stuks. Hij vermoedt dat zijn doel hier is en hij wordt steeds nieuwsgieriger.

Voorbij de open plek ziet hij het flakkerend licht van het kampvuur dat hij eerder rook. Hij loopt om de paarden heen in die richting.

Op boomstammen rond het vuur zit een viertal mensen, drie mannen en een vrouw. Als één draaien ze hun hoofd naar hem, waar hij door bomen en struikgewas nadert.

Hij knikt hen toe zodra hij aan de rand van hun kamp staat. ‘Goedenavond.’

De vrouw staat op. Ze is ziekelijk bleek en heeft diepliggende ogen. ‘Welkom, vreemdeling. Deel ons vuur en ons eten.’ Op het vuur staat een pot waarin een dikke bruine vloeistof pruttelt. Op stenen aan de rand gaart plat brood. De geur is indringend, kruidig en de sfeer rond het kampvuur lijkt prettig.

Hij gaat op een lege boomstam zitten en kijkt de kring rond. ‘Ik zie vier mensen, maar er zijn vijf paarden.’

De vrouw pakt een kom en een opscheplepel uit een zadeltas en schept de kom vol. Ze overhandigt die aan hem met een heet, plat brood erbij. ‘Je kunt het eten opscheppen met je brood. Ik zie overigens vijf mensen hier.’

‘Jullie zijn wat ik zocht?’

‘Wie je zocht,’ corrigeert ze hem. ‘Je viel ons destijds op. We denken dat je een aanvulling bent op ons arsenaal.’

‘Ben ik een wapen dan?’

‘Meer dan je denkt.’ Instemmend gegrom van de anderen. ‘Het grijze paard is voor jou.’

‘En dan, wat doen we dan?’

‘Datgene waarvoor we gemaakt zijn. “Tot as zult gij wederkeren, maar uit de as zal een nieuwer, beter, groter Eden verrijzen.” De laatste keer was bijna ondoenlijk, dus je bent een welkome aanvulling.’

Terwijl hij zijn eten naar binnen schept met het harde brood, voelt hij dat het goed zit, dat hij eindelijk op zijn plek is, als de vijfde ruiter.

Kussen onder de dijkbomen en wolkenschepen – Tais Teng en Jaap Boekestein

‘De Rijn stroomt Nederland binnen bij Lobith,’ verklaarde Marco’s vader. ‘Dat zei mijn grootvader altijd.’

Marco Zevenaar keek uit over de gortdroge rivierbedding. Een minuscuul beekje slingerde zich onder hen door en in de verte was een ingezakte verkeersbrug te zien. Verder viel er geen woning te bekennen, enkel schraal gras en oeroude, kromme bomen. Het was verboden je hier te vestigen, zo dicht bij Nederzee.

‘Dit hier is Lobith?’ vroeg Marco.

‘Krek zo. Daarom nam ik jullie hier naartoe mee. Dit is het allerlaatste water dat ons land ooit zal binnenstromen.’

Onder hen gaf het beekje nog een finale, borrelende gulp van modderig water en toen zonk het moedeloos weg in het zand. Enkel gedroogde modder bleef over: de zon had ze tot zeshoekige adobe-tegels gebakken.

‘Ik had iets dramatischer verwacht, Bruno,’ zei Marco’s moeder. ‘Wanhopig klapwiekende reigers die opvliegen op zoek naar een andere rivier.’ Ze klakte met haar tong. ‘Zelfs geen verontwaardigd meerkoetje.’

‘Die zijn allemaal lang geleden naar Nederland gevlogen. Daar belanden ze tenminste niet in de pan.’

Marco keek naar het oosten, naar Duitsland. Het eeuwige ijs in de Alpen was allang verdwenen en met de schaarse regens werd elke druppel gebruikt door de honderden miljoenen op de droge landen. Bijna geen enkele rivier ter wereld bereikte tegenwoordig de zee nog.

‘Kunnen we nu naar huis?’ vroeg Edith. Zij schopte tegen een droge graspol die prompt tot stof verpulverde.

‘Terug naar de Nederzee?’ Edith was Marco’s vriendinnetje en natuurlijk ging ze deze zondag mee. Zoals zijn moeder altijd zei: ‘Een Marco zonder Edith is als een hengel zonder haakje.’

Marco draaide zich om en keek naar het westen waar het immense stuwmeer een zilveren streep was. De Nederzee reikte van het Verdronken Land van Scheveningen tot de Utrechtse Heuvelrug: zo’n tien meter diep vormde dat supermeer het grootste zoetwaterreservoir in de wereld. Marco sloot zijn ogen en sprong over naar een van de honderdduizenden drones die boven Nederland zweefden. Diep onder zich zag hij hen aan de slingerende rivierbedding staan, vier stipjes. Een knippering en hij zweefde zestig kilometer verder boven de kust van Amersfoort waar de golven aanrolden. Twee opvallend bolle wolken hingen aan de horizon, wolkenschepen die grijze regengordijnen achter zich aantrokken.

‘Verder,’ beval hij en drie drones later keek hij uit over de Stuwdijk. Ouderwetse molens lieten hun diamanten wieken nog rondsnorren maar eigenlijk was dat zwaar achterhaalde techniek. De immense osmotische filters in de dijk produceerden bijna alle bruikbare energie. Zoetwater sijpelde door de dijken de zoute pekelzee in en veroorzaakte een ladingsverschil, dat een constante stroom elektriciteit opleverde. Het stuwmeer werd zo een reusachtige accu die de eerste vijfhonderd jaar niet uitgeput zou raken. Om de drie kilometer stond een dijkboom, van wortel tot eeuwig vertakkende kruin meer dan een kilometer hoog. De biomechanische reuzen leefden van de energie die de dijk produceerde en op hun buurt verankerden ze de dijk, zogen grondstoffen uit de bodem en groeiden ze aan tot wolkenschepen.

‘Waar kijk je naar?’ vroeg Edith.

‘De Stuwdijk. Haak maar in.’

In zijn beeldveld verscheen Ediths imp, die stomme eenhoorn op rolschaatsen. Het hulpje wees naar een van de dijkbomen.

‘Moet je die boom daar zien,’ zei Edith enthousiast, ‘Zo’n joekel van een wolkenschip en het is bijna rijp!’

Ze had gelijk: aan de verste boom zweefde een wolkenschip, als een ballon aan een hoekig touwtje, klaar om weg te zweven. De wolkenschepen bestonden uit kluwens fractals die zich vertakten tot ze microscopisch klein werden. Net als de dauwnetten in de Sahara zeefden ze de waterdamp uit de lucht boven de warme zee en lieten het neerregenen in het stuwmeer. Vacuüm gevulde blazen hielden de schepen in de lucht.

‘Later als ik groot ben ga ik op een wolk wonen,’ verklaarde Edith. ‘Ik word de kapitein van een wolkenschip. De opperkapitein. Oké, Wiki de wijsneus, de admiraal.’

Zij klonk akelig zeker van zichzelf en Marco kon natuurlijk niet achterblijven. ‘En ik word dijkgraaf. Met een villa bovenop de grootste sluis, een zwembad vol zeeleeuwen en een… Een eigen tamme albatros!’

‘Goed prima de vista!’ joelde Edith en stak een vuist in de lucht. ‘Dat is dan afgesproken. Als mijn schip aanlegt dan kan ik bij je komen logeren.’

Marco kreeg een vreemd leeg gevoel in zijn buik. Maar dan zijn we bijna niet nooit meer bij elkaar. Op de een of andere manier was dat de afspraak: later als we groot zijn, trouwen we. Natuurlijk zei hij dat niet.

 

#

 

Ik ben niet eens boos, besefte Marco. Eigenlijk had ik dit wel verwacht.

Binnen in de hal was het examenfeest van het Nieuw Dordrechts Vondel College al in volle gang. De dreunende muziek deed het omringende riet sidderen en de licht-barrage weerkaatste op het donkere water van de Nederzee. En hij stond hierbuiten te wachten, in zijn nette polka pak en roodvlammende schoenen die zijn moeder die middag voor hem had geprint. De feesthal – een omgekeerde replica van Harald Ignarssons gigantisch Vikingschip – lag natuurlijk een flink eind binnengaats: de Stuwdijk was niet eens meer te zien, alleen een paar gekleurde wolkenschepen die nog vergroeid waren met de dijkbomen. Suikerspinnen met elvenlichtjes. Op een dag zouden ze uitvliegen en het ergens laten regenen. Met Edith aan het stuurwiel.

Tegen beter weten probeerde Marco haar nog een keer te pingen. Geef mij Edith van Oudekerke.

‘Er is contact, maar ze staat op niet storen,’ meldde zijn imp, een groengeschubte octopus met ramshorens en een zonnebril.

‘Heeft ze een boodschap achtergelaten? Is er iets gebeurd?’

‘Nee en nee. Haar imp geeft aan dat alles in orde is. Meer krijg ik er niet uit.’

Zij is mij vergeten. Of veel waarschijnlijker: er kwam iets tussendoor dat zij belangrijker vond. Iemand. Een wolkenmatroos die ze tegen het lijf liep, of een of ander feestje waar ze misschien een nuttiger contact kan opdoen. Zo is Edith nou eenmaal. Een berekenende, onbetrouwbare draaikont die je meteen laat vallen zodra zij iets belangrijkers vindt en die dan een paar weken later gewoon doet alsof er niks was gebeurd. Marco zuchtte. Hij had het al een dozijn keren eerder meegemaakt.

Berustend zette hij zijn telefoon op stand-by. En dit was de laatste keer. We zijn afgestudeerd! We zijn verdomme geen kind meer. Wat mij betreft kan ze van de Stuwdijk afspringen of met een wolkenschip naar Vuurland vliegen. Voor mij heeft Edith afgedaan.

‘He, wat zit jij hier te doen?’

Voor een hartenklop dacht Marco dat het meisje Edith was. Dat ze tóch gekomen was. Dat ze hem na al die keren eens niet in de steek had gelaten.

Het donkerharige meisje had paarse, flikkerende neonslierten door haar hoge kapsel gevlochten en een handvol feestdrones, niet groter dan bijen, zwierden loom rond haar hoofd. Ze droeg een zilveren jurk en gelijkgekleurde knielaarzen met plateauzolen die dik genoeg waren om er een half dorp op te laten drijven.

Mariska? Nee, Martha! herinnerde Marco zich. Haar moeder was een snoei-ingenieur van de steunwortels en haar vader… Ja, hij bestierde een rozenplantage dertig meter onder water, tegen de doorzichtige Stuwdijk. Zij is eigenlijk best wel leuk.

‘Uh, niks bijzonders eigenlijk. Hé Martha, heb je zin om te dansen? Of wil je wat drinken?’

‘Allebei klinkt goed.’ Ze glimlachte. Totaal anders dan Edith. Veel oprechter, op de een of andere manier. Zonnevlekjes in helder water. Niks geen duistere dieptes waarin hongerige barracuda’s rondzwommen.

Opeens vol bravoure, sloeg Marco zijn arm om het middel van Martha toen ze naar binnen liepen. Zij maakte geen bezwaar maar wreef haar hoofd tegen zijn schouder.

Marco en Martha. Het had iets, een vanzelfsprekend ritme. Heel anders dan Marco en Edith wat altijd een beetje stroef had geklonken.

 

#

 

Dijkgraaf Diederick van Dijk was een schoolvoorbeeld van een aptoniem, vond Marco, een naam die overeenkomt met je beroep. Met een naam als van Dijk was het zonneklaar waar hij thuishoorde. Misschien hadden ze hem in de kleuterschool gepest met die naam en hem Diederick Dijkgraaf genoemd? Hij was ook een kletsmajoor die niets zo heerlijk vond als zaken uitleggen aan ondergeschikten, dingen die ze in het eerste jaar van hun opleiding al geleerd hadden.

Ze wandelden langs de pijlers van de zweeftrein. Boven hun hoofd fonkelden de statige wieken van de antieke eenentwintigste windmolens. Een halve kilometer verder stonden ze stil, zag Marco, en waren ze genaast door kolonies witte reigers of aalscholvers. De zwarte wieken oogden druip-wit van de vogelpoep. Het was geen route om zonder paraplu te gaan.

Diederick gebaarde naar een dijkboom die in de verte oprees, anderhalve kilometer hoog met niet minder dan drie rijpe wolkenschepen aan de hoogste takken. ‘Zo’n wonder van ingenieurskunde,’ zei van Dijk. ‘Mijn hart springt op elke keer dat ik haar zie. Wortels die zich eerst om de Stuwdijk wikkelen en haar elk jaar verder versterken en ophogen. Aan de zeekant vormen ze een twijgenmuur die elk aanrollende vloedgolf dempt en bovenop worden het takken die het ene wolkenschip na het ander uitbotten.’

‘Het is een mirakels wonder,’ zei Marco maar. ‘En dat is het.’ Volgens zijn imp was spiegelen de juiste tactiek als het om lieden als de dijkgraaf ging. De man had “een mirakels wonder” een paar minuten eerder gekraaid en zou zijn eigen woorden niet herkennen maar instemmend knikken. Eindelijk een assistent die hem begreep en op dezelfde golflengte zat.

Marco’s imp was dol op oude gezegden en zou het bondig samenvatten als: ‘Je vangt nu eenmaal meer vliegen met stroop dan met azijn’.

Gewoon doorbijten. Ik ben al derde onder-assistent en het is maar een klein stapje naar assistent dijkgraaf. Eigenlijk ben ik geen haar beter dan Edith. Ik weet precies wat ik wil en bulldozer alle hindernissen uit de weg.

‘Heb je een momentje?’ vroeg zijn imp. ‘Je vrouw voor je.’

‘Voor Martha heb ik altijd tijd.’

‘Nǐ hǎo, geëerde echtgenoot!’ grapte ze in het Mandarijn. Het was een citaat uit hun favoriete serie Suzy Wang van Zeewolde-Zuid. ‘Janneke kreeg vandaag haar eerste implant bij het zuigelingenbureau en ze zit al druk te converseren met haar hoogsteigen imp.’

‘Hopelijk snapt hij er meer van dan wij,’ zei Marco. Hij voelde een steek van vaderlijke trots, Janneke’s eigen imp. Vanaf nu zal het snel gaan. Voor je het weet kruipt ze niet langer op handen en voeten.

‘Meer van snappen?’ zei Martha. ‘Wat valt er te snappen? Zo moeilijk is het niet. Jupjup is speentje. Eehr betekent de teddybeer en meestal Waar is mijn teddybeer nu weer? Jajup of Linlin betekent Zing nog een liedje en met je eigen lippen, niet uit dat stomme muziekdoosje met het trektouwtje want dat kan ik zelf ook wel. Iiihp! is Ik heb een natte luier en de verschoon-chip is weer kortgesloten.’

‘Ik sta met mijn mond vol tanden.’

‘Ze kent ongeveer evenveel woorden als een chimpansee maar dat wordt later vast wel beter.’

‘Het was fijn om te horen, maar ik moet door. Mijn dijkgraaf doet dat ding met zijn wenkbrauwen weer. We zijn op inspectie langs de zuiderfilters.’

‘Hij is een grotere aandachtvrager dan welke baby ook. Maar ja, het is voor een goed doel.’ Ze stak een vuist in de lucht en brulde: ‘Heil doorluchtige Dijkgraaf Marco!’

 

#

 

In de kop van het bericht stonden de gebruikelijke gegevens.

Aan: assistent-dijkgraaf Marco Zevenaar

Van: tweede steward van de Willem Alexander Edith van Oudekerke

Onderwerp: dankies!

Formaat: clip Speeltijd: 00:00:21

Edith had de clip opgenomen tegen de achtergrond van de Rocky Mountains, maar het had net zo goed ergens anders op de wereld kunnen zijn. De ene droge berghelling overdekt met zonnepaneelramen leek precies op de andere droge berghelling met zonnepaneelramen. Een gebruinde kerel in het uniform van eerste stuurman stond naast haar, zijn met tatoeages overdekte arm bezitterig om haar schouders.

Ediths buik vertoonde een maar al te bekende bolling. Ze glimlachte breed in de richting van de cameradrone. ‘Ha die Marco, dankies voor de gelukwensen van ons huwelijk. Eddie en ik vinden het super.’

Eddie knikte met de tevreden blik van een kerel die wist dat hij de hoofdprijs had binnengesleept.

‘Zoals je ziet ben ik inderdaad op een wolkenschip terecht gekomen, net als ik altijd wilde. Ik ben inmiddels opgeklommen naar tweede steward. We varen overal over de wereld. Een geweldig leven! Ik zou niks anders willen. Jij bent tegenwoordig assistent-dijkgraaf? Dan heb je ook wat te zeggen over de aanwas van de wolkenschepen? Wanneer ik weer terug ben in Groot Amersfoort-Kijkduin moeten we eens afspreken. Lijkt mij supergezellig!’

Edith zwaaide nog even en de clip eindigde. Haar eerste bericht na zeven jaar. Eénentwintig nietszeggende seconden.

Marco stuurde nog een felicitatie toen Ediths zoontje werd geboren, maar twee jaar later hoorde Marco via via dat het huwelijk tussen Edith en Eddie niet lang stand had gehouden. Na een half jaar en haar bevordering tot tweede stuurman, was Edith van Oudekerke gescheiden en binnen een paar dagen was ze ingetrokken bij de kapitein van de Willem Alexander, een breedgeschouderde kerel met een lange baard en nog veel meer tatoeages.

Marco stuurde maar geen nieuwe gelukwensen. Op deze manier kon hij wel bezig blijven.

 

#

 

‘Plak het paard achter het behang,’ joelde Janneke Marthasdochter. ‘Want geluk, dat is maar ene vinger lang!’

Het was Suikerfeest carnaval op Wilgenwoud-Breda dat aan de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aangemeerd lag. Het drijvende eiland was behangen met lampions en door de middengracht kronkelden feestdraken die popcorn uit hun neusgaten bliezen en lampions op lieten stijgen. Ze waren van rijstpapier en een waxinelichtje hield ze in de lucht.

Vorig jaar had ze er een opgevangen toen hij daalde en de gelukwens van het houdertje gepeld. ‘Je zult honderd jaar leven en een dozijn dappere dochters en gehoorzame zonen baren.’ Waarschijnlijk was die wens niet voor haar bedoeld: Nederland hanteerde een strikte anderhalf-kind-beleid.

Een lampion zweefde over en ze sprong, graaide, maar haar vingertoppen misten het touwtje net. Een ander kind, zo’n groene wij-leven-alleen-van zonlicht-knolraap ving het op. Hij scheurde de lampion open, ontrolde de spreuk. Zijn gezicht betrok. Hij verfrommelde het gouden strookje en stampte boos weg.

Slecht nieuws, dacht Janneke. Zeven jaar ongeluk of je zult een haaibaai huwen en je kinderen zullen trollen zijn. Sommige spreuken waren minder dan positief maar dat maakte het juist spannender. Alsof er bij het vissen tussen de gestippelde baarzen ook piranha’s zwommen.

Ze keek terug naar haar ouders die nog op de brug met die blonde vrouw aan het praten waren. Edith en nog iets. Volgens Jannekes imp was ze beeldschoon en dat kon kloppen. Haar vader kon zijn ogen niet van haar afhouden.

‘Vertel mij meer,’ zei ze tegen haar imp. ‘Over haar.’

De dwerg met de mokerhamer verscheen prompt en krabde zich op zijn kruin. ‘Tja, ze was vroeger zijn vriendinnetje, maar ze gingen elk een andere kant uit. Je vader de Stuwdijk op en zij de hemel in.’

‘Ze is een wolkendame?’

‘Een kapitein intussen en ze doet heel erg haar best om nog wat hogerop te komen. Net als je vader trouwens. Van junior-dijkgraaf is het maar een stapje naar dijkgraaf.’

‘Mama kijkt niet blij. Ze zou die Edith het liefst de ogen uitkrabben.’

‘Beeldschone vrouwen haten elkaar. Vooral als er eentje naar hun echtgenoot lonkt en met haar kont draait.’

‘Wacht. Mijn mama is beeldschoon?’

‘Best wel. Als ze langs wandelt, kijkt 98 procent van de mannen haar na. De overgebleven twee procent zijn waarschijnlijk blind. Beeldschoon is een tactiek en je moeder en Edith pakken het allebei anders aan.’

O jee, dit wordt weer een leermomentje.

‘Je moeder is beeldschoon omdat ze gelukkig is. Gelukkig met wie ze is en wat ze doet. Met haar partner. Als een man haar ziet, wil hij in haar zonneschijn wandelen en van haar goede humeur en enthousiasme genieten. Vrouwen willen haar hartsvriendin worden. Homo’s waarschijnlijk ook.’

‘Ik ben meestal wel blij,’ zei Janneke twijfelend.

‘Dat is een goed begin. Edith, zij mikt op sexy. Zij zet geen stap zonder zichzelf te zien. Ze glijdt als een tempeldanseres door de straten en als je haar aankijkt, glimlacht ze uitnodigend.’

‘Dat lijkt mij erg veel werk. Ik ben liever gewoon blij. Oké. Iets anders: gingen die Edith en papa met elkaar naar bed?’

‘Ik zal het zijn imp vragen.’ Een bliep volgde die waarschijnlijk nep was omdat imps nooit meer dan microseconden nodig hebben. ‘Ja, drie keer, maar dat was het wel. En dat was jaren en jaren geleden. Voor hij met je moeder ging.’

‘Ze gaan dus niet scheiden?’

‘De kans daarop is 0,01 procent. Hij kust nog liever een cactus.’

 

#

 

BOND VOOR WOLKENVAARDERS EIST EXTRA SCHEPEN

Perstuin, Lelymere – Gisteravond werd opnieuw duidelijk dat de Bond voor Wolkenvaarders (BvW) en de Raad der Dijkgraven recht tegenover elkaar staan.

De schippers eisen dat de dijkbomen meer wolkenschepen kweken, de Dijkraad stelt dat dit onmogelijk is.

‘Vanzelfsprekend snap ik dat er goudgeld te verdienen valt met meer wolkenschepen, maar onze dijkbomen zitten al aan de maximale capaciteit. Het kweken van meer wolken gaat ten koste van de versterking van de Stuwdijk. Wij kunnen en mógen niet buiten de gestelde veiligheidsmarges opereren. Momenteel kunnen we net aan de vervangingsvraag van de huidige vloot wolkenschepen voldoen, maar uitbreiding is niet bespreekbaar,’ aldus opper-dijkgraaf Marco Zevenaar, woordvoerder van de Dijkraad.

‘De Dijkraad claimt een volkomen onterecht monopolie op de dijkbomen,’ gaf admiraal Edith van Oudekerke van de BvW aan. ‘Onze schepen kruimelen onder onze voeten weg en de enige plek waar we ze kunnen aanvullen is in de Nederzee. De Dijkraad fnuikt ons in het verdienen van een eerlijke boterham. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen?’’

: RTL-Fox nieuws

 

De laatste zin ging prompt viraal. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen? bleek prima rapbaar en een dozijn vloggers en lifestyle trutjes nam het dan ook gretig over. Twee dagen later vond opper-dijkgraaf Zevenaar het op de zeemuur van zijn villa gespoten. Er zaten niet minder dan vier spelfouten in.

 

#

 

Nieuwsdrones zwermden om de opper-dijkgraaf Marco Zevenaar. Dit ging duidelijk een iconisch moment worden, absoluut viraal. Marco besefte dat maar al te goed. Het zou nog miljoenen keren afgespeeld worden en in elk zichzelf respecterend geschiedenis-kristal belanden.

Hij rechtte zijn schouders, frunnikte aan het goudgalon van zijn mouwen. Ik draag verdorie evenveel medailles als een wolkenadmiraal en mijn pet is iets dat in een carnavalsoptocht thuishoort. Nu ja, Edith is begonnen. Hij herinnerde zich de beelden van haar uit de stuurhut van het vlaggenschip. Ze draaide aan een volstrekt overbodig stuurwiel en haar uniform zou een twintigste-eeuwse dictator laten kwijlen.

De wolkenvloot gleed uit de snerpend blauwe hemel omlaag: zeventien machtige schepen met het vlaggenschip blikkerend wit van boven terwijl een stortregen de Nederzee geselde. Het was puur machtsvertoon: Kijk eens wat wij allemaal uit de hemel weten te trekken. Genoeg water om woestijnen te laten bloeien en spoorbruggen weg te spoelen. Geef ons meer schepen en we maken Nederland schatrijk.

Edith vertegenwoordigde de Wolkenbond niet langer: haar Blauwe Coalitie had zich een week eerder afgescheiden van de meer conservatieve leden. De meeste wolkenschepen verlieten de Nederzee nooit en hun bemanning had geen enkele behoefte om naar hachelijke streken uit te zwermen om daar geblakerde landen te begieten. Hou de Nederzee vol: dat was ambitieus genoeg voor hen.

Het vlaggenschip bleef naast het hoge podium op de Zuidersluis hangen en rolde een tong van titanium uit. De groot-admiraal van de Coalitie schreed omlaag. Haar laarzen hadden stiletto hakken, terwijl Ediths getailleerde uniform niets aan de verbeelding overliet.

Haar gezicht was rimpelloos, zag Marco. Niet eens kraaienpootjes in de ooghoeken. Zelf had hij intussen grijzende slapen zoals het een dijkgraaf betaamd.

Ze liepen elkaar tegemoet, en het kwam Marco voor dat hij door stroop waadde. Een nachtmerrieachtig moment dat zich eindeloos rekte. Ze stapten elkaars persoonlijk ruimte in en hij kon haar parfum ruiken, kokos en rode klaver, de geur van de eindeloze en perfecte zomeravonden uit hun kindertijd. Ze manipuleert mij.

Edith offreerde hem haar wang voor de eerste van de drie traditionele kussen. Ze had haar armen al gespreid voor een omhelzing.

Nee, wij zijn geen vrienden meer. Al heel lang niet. Je bent mijn vijand. Hij pakte haar hand vast en schudde die. Daarna stapte hij achteruit. De blik van verbijstering wist ze meteen weg te strijken en door een brede glimlach te vervangen.

‘Welkom,’ zei Marco, ‘Welkom op de Stuwdijk.’

Het was een verkapte belediging, nee, een uitdaging.

De Blauwe Coalitie was nog steeds een deel van Nederland en hun groot-admiraal had evenveel recht om de Stuwdijk te betreden als welke dijkgraaf dan ook.

‘We weten allebei waarvoor ik kom. De Coalitie vertegenwoordigt de aloude handelsgeest. De ferme VOC-mentaliteit. Wij kunnen de driekleur hijsen op elk continent en Nederland groot maken, een wereldmacht.’

‘Wij zijn hier volkomen tevreden met onze Stuwdijk en Nederzee, de duizend drijvende rieteilanden.’

‘Vergeet onze eerdere eisen. Wij vragen niet langer om nieuwe wolkenschepen. We zullen onze eigen schepen kweken, ja? Geef ons zaailingen en wij kweken onze eigen dijkbomen.’

Het voelde als een schaakspel. Een opeenvolging van zetten.

‘Ik denk niet dat de Dijkraad ooit zal toestemmen, admiraal. De genetica van de dijkbomen is ons kostbaarste bezit, ons best bewaarde geheim. De zaailingen werden honderden keren gestolen door buitenlanders. Ze schoten op, spreidde hun eerste blaadjes en altijd, altijd verwelkten ze op de twintigste dag.’

‘Wij zijn ook Nederlanders! Het is idioot dat alleen een dijkgraaf de planten kan ontgrendelen!’

‘Zo zijn de zaken nu eenmaal geregeld. Iedere dijkgraaf is bovendien geconditioneerd: hij kan alleen een stek ontgrendelen als hij met beide voeten op de Stuwdijk staat.’

‘Dat is mij nooit verteld.’

‘Het is geen geheim. Niet echt.’

‘Ik moet dit met de anderen bespreken.’ Ze wreef over haar lippen en ze verschoten van een fel kersenrood naar een bedachtzamer roze. ‘Laten we niets overhaast doen. We staan beiden gespannen als boogpezen, ja? Ik stel voor dat we elkaar over drie uur ontmoeten. Onder het genot van een glas Moezelwijn en een schaal met versnaperingen?’

Het leek hem lomp om te weigeren.

‘Ik zal er zijn.’ Hij stak zijn hand uit maar ze omhelsde hem, kuste hem vol op de mond.

‘Sorry,’ lachte ze, ‘maar ik kon het niet laten.’ Ze draaide zich om en liep de loopplank van haar schip op voordat hij kon antwoorden.

Marco knipperde met zijn ogen en likte zijn lippen. Hij had niet teruggekust – natuurlijk niet! – maar hij proefde een spoor van haar lippenstift. Het smaakte vaag bekend, iets van vroeger. Had ze de lippenstift opgedaan uit de tijd dat zij zijn vriendinnetje was?

Het zou een typische Edith-actie zijn: alles gebruiken om een voordeel te behalen.

Hij bevochtigde zijn lippen. Op de een of andere manier leek zijn kop in vuur en vlam te staan. Het was toch zeker geen schaamte? Het was tenslotte maar een kus. Ja, zij was destijds zijn eerste vriendinnetje, maar dat was lang geleden, en he-le-maal over.

Hoofdschuddend vertrok Marco van de aanlegsteiger. Wolkenadmiraal Edith van Oudekerke was iets van plan, zoveel was zeker.

Maar ze is dan ook wel een verdraaid slimme en beeldschone vrouw. Huh? Waar komt die gedachte vandaan? Gehaaid en knap. Dát is ze. Dat is ze altijd al geweest. Ik moet duivels goed op mijn tellen passen voor haar streken.

Marco likte nogmaals zijn lippen.

Hij liet zijn imp de binnenkomende vragen van de andere dijkgraven afwimpelen met de mededeling: ‘Van Oudekerke begint te beseffen dat ze haar zin niet gaat krijgen. Ze heeft een reces van drie uur aangevraagd, dan zien we verder. Ik houd jullie op de hoogte.’

Vanaf het platform koos Marco een pad naar beneden, naar de voet van de binnendijk, de zoetwaterkant.

Voorbij de rietzoom zwommen eenden, zwarte nijlganzen en knobbelzwanen, veilig in de Nederzee. Achter hem rees de Stuwdijk, voor hem kabbelde de Nederzee, met her en der o zo Nederlandse drijvende dorpjes en stadjes. De schaduw van de dijkbomen strekte tot ver in het water. Dit al was een van de redenen dat hij een dijkgraaf was geworden: om het te behouden. Te veel wolkenschepen bracht deze perfecte idylle in gevaar. Veiligheid ging voor winst of macht.

Als Edith dat nou eens zag!

Natuurlijk zal ze dat zien. Ik kan haar overtuigen.

Ik weet zeker dat ze in de komende uren tot inkeer zal komen.

Met stevige pas begon Marco aan zijn wandeling. Dat zou zijn hoofd leegmaken en die rare opvlieging verjagen.

De smaak van Edith sluimerde nog steeds vaag na op zijn lippen.

 

#

 

Na drie uur was Marco terug bij het wolkenschip.

Edith stond hem op te wachten en keek hem aandachtig aan.

‘Wil je aan boord van mijn schip komen, beste Marco?’ Ze haalde haar hand door haar haar en lachte lief.

‘Graag! Het is je eigen wolkenschip? Wat fascinerend!’

Ik heb beet, ik weet zeker dat ze mij ziet zitten.

Ze kan haar ogen niet van mij afhouden.

Galant bood hij haar een arm aan. ‘Ik wil alles zien. Ik wil alles van je leven weten.’

Edith accepteerde zijn arm en sloot haar hand in de zijne. ‘Oh, ik ben zo blij dat je je zo voelt, Marco. Je bent veel minder… stug, nu.’

‘Als jij blij bent, ben ik dat helemaal.’ Het voelde zo goed om haar vast te houden, om haar geur te ruiken, haar smaak op zijn lippen.

‘Je voelt je oké, Marco?’

‘Kon niet beter!’

Later kon hij zich niet veel van de rondleiding herinneren.

Hij kon zijn ogen domweg niet Edith afhouden.

Alles wat zij vertelde was zo ontzettend interessant en grappig.

‘We dineren in mijn eigen kajuit, dat is wel zo prettig.’

Zij kneep zachtjes in zijn hand.

Hij kneep terug en waagde het om haar naar zich toe te trekken. Ze stribbelde niet tegen toen hij haar kuste. Integendeel zelfs.

Toen ze moesten pauzeren om adem te halen, zei Edith: ‘Misschien kunnen we later wel dineren.’

Ze blikte naar de deur van haar kajuit die niet veel verderop was, hoog in de boeg. ‘Lijkt je dat een goed idee?’

‘Zeker weten!’ Marco wist precies wat zij eerst gingen doen. Zij wilde het, hij wilde het. Het was nog nooit zo duidelijk geweest. Hij wilde al in beweging komen, maar Edith hield hem met zachte hand staande.

Zij keek hem aan. ‘Marco, zou jij met mij mee willen reizen op mijn schip? Kom met mij mee en zie met je eigen ogen hoeveel goed wij doen.’

Wat een geweldig idee! ‘Natuurlijk!’

‘Mooi. Het lijkt mij handig als je je raad een bericht stuurt dat je met mij meegaat om een oplossing te zoeken. Ik stuur je een tekst die passend is.’

Marco’s imp liet de tekst zien die binnen kwam.

Het bevatte zinsneden als ‘wederzijds belang’ en ‘oplossingsgericht handelen’ en ‘volste vertrouwen’.

‘Ik heb het naar de Raad verstuurd,’ zei Marco.

Edith glimlachte, een engelenglimlach. Ze trok hem mee in de richting van haar kajuit. ‘Kom, laten we onze reis beginnen.’

 

#

 

De admiraalshut keek uit over een wolkenlandschap.

Aan de horizon stak deze ochtend een rij getande bergen uit de zilveren nevelzee omhoog. De Dolomieten?

De Franse Alpen? Als dijkgraaf kende Marco iedere zandbank in de Nederzee, de positie van elk rieteiland, maar buitenlandse geografie had hem nooit bijster geïnteresseerd.

Edith stapte de drempel over, een vol dienblad in haar handen. ‘En dan is er een ontbijt op bed!’

Haar haar zat op een prachtige manier door elkaar en ze had van die lome ogen. Slaapkamerogen, noemden ze dat niet zo? Ze begroette hem met een langdurige kus en een kopje Lapsang Souchong, zijn favoriete smaak.

Dit is het paradijs. Waarom zijn we dit geen jaren eerder gaan doen? We zijn we voor elkaar gemaakt. Er was een reden waarom dat niet gebeurd was, maar op de een of andere manier deed die er niet meer toe. Al zijn herinneringen leken onbelangrijk, als vergeelde foto’s die mooi in hun doos mogen blijven zitten. Alleen het nu telde.

Croissants met granaatappeljam, een wijnglas met grapefruitsap, nog een kopje thee en daarna nestelde ze zich weer in zijn armen. Waar ze thuishoorde.

Toen ze voor de derde keer die ochtend op hem klom, protesteerde hij: ‘Ik ben geen achttien meer.’

‘Best wel!’ lachte ze en ze had verdorie nog gelijk ook.

‘De Middellandse zee,’ zei ze later die dag. Het wolkenschip had zich de Afrikaanse straalstroom ingehesen en ging nu razendsnel, bijna even hard als de legendarische vliegtuigen. De oververhitte Aarde had de straalstromen in de hoogste versnelling gezet: vierhonderd kilometer per uur, zeshonderd.

‘Kijk, je kunt de toppen van de flatgebouwen nog zien. Daar ging Nice kopje onder en verderop klotst het water over de parkeerplaats van het casino.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Zoveel water en allemaal bremzout. We boden aan de Middellandse zee af te sluiten maar ze wilden niet luisteren.’

‘Dijken zeggen ze niks maar ons kent ieder kind. De Hollandse wolkenschepen.’

‘Waar zijn we eigenlijk naar op weg?’

‘De Negev. Daar betalen ze ons met zeldzame aardes, de zaden van zoutminnende dadels, organische brandewijn.’

Twee dagen later maakte het wolkenschip een zwieper naar rechts en de woestijn lag onder hen. Honderden tinten onder een spinnenweb van groen.

‘Elke groene streep is een vlucht van een wolkenschip,’ zei Edith. ‘Wij begieten het land waar ze opgevoerde zaden hebben gezaaid. Ze hebben alleen dat kleine zetje van een regenbui nodig en dan kunnen ze het verder zelf. Nu ja, niet helemaal. We moeten elke vier, vijf jaar nog een ondersteunende regenvlucht maken voor het echt geworteld zit.’

Ze zakten omlaag en de regen begon. Sluiers van vocht zwierden over steenvlakten, de eindeloze duinen.

In hun kielzog kleurde het land blauw en rood, klaproosoranje en schitterend groen.

‘Ze ontluiken. Woestijnplanten weten dat ze van iedere druppel water moeten profiteren.’

Die avond daalden ze af naar de hoofdstad van de Sefardisch-Palestijnse Unie. Zijden tenten zo ver het oog strekte en elke tent functioneerde zowel als zonnepaneel en als dauwnet.

Hun gastheer Yehudi Ben Hassan duwde Marco een spies nog sissend lamsvlees in de hand, schonk zijn kalebas vol dadelwijn. Ze toasten.

‘Moge de woestijn met tienduizend bloemen bloeien,’ zei hij. ‘Moge jullie de regens elke lente over de horizon aandragen.’

‘Reken op ons,’ zei Edith.

Yehudi grinnikte. ‘Ik reken op jullie hebzucht. Zolang wij zeldzame aardes opgraven zullen jullie de regens brengen.’

Er klonk geen afkeuring in zijn stem door. Bij Hollanders wist je tenminste wat je aan ze had, leek hij te zeggen. Niks geen belegen bloedwraak of sluwe plannen, gewoon geld verdienen.

Een vrouw stapte het licht van het kampvuur in, hief een mandoline en begon te zingen. Marco’s imp vertaalde de woorden automatisch.

‘Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

We zullen hand in hand

Door de poorten gaan.

Sommigen van ons

Bezoeken de Klaagmuur

En het graf van Joshua.

Anderen de Al Aqsamoskee.

Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

Als wij de Chinezen verdreven hebben.

Volgend jaar.

Volgend jaar.’

Ze zweeg en wandelde de nacht opnieuw in.

‘Dat klonk nogal droevig,’ zei Marco.

‘Och,’ antwoordde Yehudi. ‘Het is waarschijnlijk een onuitvoerbare droom en zolang zitten we hier goed. Mijn buurman is Hamas, mijn dochter trouwde een Wahabi hydroloog. De Chinezen pikten onze heilige stad in en nu hebben wij een vijand. Lieden die zo slecht zijn dat we vergaten om met elkaar te vechten.’

Hij knikte. ‘Jullie water hielp ook. De wolkenmensen wilden alleen maar met een coöperatie zakendoen, niet met honderden vechtende groepjes die elkaars pijpleidingen opbliezen.’

Zijn imp hees zich zijn ooghoek in. ‘Martha wil je spreken.’

‘Martha wie? Zeg haar dat ik bezig ben. En dat ze mij niet lastig moet vallen.’ Hij sloeg een arm om Ediths schouder.

‘Ze beweert dat het dringend is. Dat ze al vijf dagen niets van je gehoord heeft.’

‘Waar slaat dit op! Ik ben verdorie… op… eh…’

‘Dienstreis. Blokkeer haar,’ zei Edith.

‘Ja. Blokkeer haar, imp.’

 

#

 

Met dikke rubberen handschoenen aan en een ademmasker op, opende Edith de doorzichtige verpakking die bedrukt was met Chinees schrift. Het kwam van dezelfde handelaar bij wie ze haar lippenstift had gekocht, maar dit was heel wat krachtiger. Niet krachtig genoeg om de ingeprente blokkades van de dijkgraven te doorbreken, maar dat hoefde ook helemaal niet. Je moest gewoon je verstand gebruiken.

Het kleine rode staafje, niet dikker dan een vingernagel, zag er onschuldig uit, als een stukje snoep. Zorgvuldig legde zij het strookje op de wang van de slapende Marco.

Binnen drie tellen was het volledig opgelost.

Marco sliep ronkend door.

 

#

 

‘Assistent dijkgraaf Edith van Oudekerke meldt zich, dijkgraaf Zevenaar.’

Marco knipperde met zijn ogen. De knappe, blonde vrouw in het donkere dijkbewakers-uniform kwam hem vaag bekend voor, maar hij kon zich niet herinneren waar hij haar eerder had gezien. En waar was hij nu? Zijn herinneringen waren als Enkhuizer ochtendmist na een driedaags drinkgelag.

Marco keek om zich heen. De kleine ruimte had geen ramen. Langs de wanden stond een rij glazen stolpen met in elk van hen een stekje dat onmiskenbaar van een dijkboom was.

Een broedserre, in de stuwdijk. Ja, natuurlijk. Het is wel veranderd sinds ik er voor het laatst was. Maar ja, dat was ook alweer wat jaartjes geleden.

Het leek wel of de hele kamer subtiel schommelde, maar dat was natuurlijk onzin. De Stuwdijk schommelde niet! Die stond onwrikbaar in de bodem en hield de Nederzee intact. Allemaal dankzij de gigantische dijkbomen.

‘Ahem, dijkgraaf. Vandaag staat de genetische ontgrendeling van de dijkbomen op het programma,’ herinnerde de assistent-dijkgraaf hem. ‘Over twee maanden word ik bevorderd tot dijkgraaf en j… u ging mij uitleggen hoe ik de zelfvernietigingsgenen kan uitzetten.’

‘Ah, ja. Ja, natuurlijk.’ Marco rechtte zijn schouders. ‘De eerste stap is het uitschakelen van je imp. Deze informatie moet je van buiten leren. Het mag nooit digitaal worden opgeslagen.’

De assistent-dijkgraaf knikte ijverig, gaf een draai met haar pols. ‘Mijn imp is uitgeschakeld.’

‘Uitstekend. Ik zie daar een gen-manipulator staan. Hoe is je zangstem, Van Oudekerke? Ken je de tekst van “Ketelbinkie”?’

‘Uh… ja?’ Het nummer was een van de dozijn verplichte liederen die in iedere kindercrèche werd onderwezen. Trots kweken voor de glorieuze, zilte Nederlandse geschiedenis. Beukende stormen, rijzend water, mega-technologie, koopmanschap en noeste arbeid. Naast de muziek waren er natuurlijk nog games, films, toneelstukken en een hele oceaan aan best wel foute, speculatieve literatuur: “De Modderzuiger Marietje Neeltje”, “Hollandse Meiden op Avontuur op Antarctica” en “De Vliegende Hollanders Schieten te Hulp”.

‘Begin maar te zingen. De ontsluitingscode is gebaseerd op het metrum van dat nummer.’

Edith van Oudekerke had een rokerige mezzosopraan die goed paste bij Marco’s bas-bariton. ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken…

‘Wilt u een snoepje, dijkgraaf? Na al dat zingen zal uw stem wel schor zijn.’

Met een glimlach accepteerde Marco het dunne, rode plakje uit de cellofaan wrapper. Het zag eruit alsof het naar aardbeien of bessen zou smaken, maar dat was oké. Zijn keel voelde inderdaad wat droog aan.

 

#

 

De drooggevallen waterloop van de Congo, met alleen hier en daar een plukje overgebleven oerwoud. Steden die door het water verzwolgen waren en andere die in de steek waren gelaten omdat het gras verdorde en er enkel verschuivende duinen overbleven.

Zoveel rampen maar de wolkenschepen deden overal wat ze konden, ook al werden ze er zelf zelden slechter van. Eigenlijk nooit. Maar ja, de schoorsteen moet ook kunnen blijven roken, zoals Marco’s imp zou zeggen. Paupers kunnen niemand helpen en niet eens zichzelf.

Ze pikten uiteindelijk een andere luchtstroom op en arriveerden boven de Aral zee. Dat ‘zee’ klopte al anderhalve eeuw niet meer, eerder een meer van bremzout water omgeven door verblindend witte zoutvelden. Het bewoonbare land lag er in een halve cirkel omheen. Het oogde mosgroen en elk jaar besproeiden de luchtschepen de landerijen.

Marco zat naast zijn geliefde op de bank in de stuurkamer toen het grote scherm aanknipte. Een gezicht verscheen, zo uitvergroot dat je iedere porie kon zien en de baardharen wel takkenbossen leken.

Edith veerde op. ‘Ah, graaf Oleg. Een plezier u weer te zien.’

‘Dat plezier is niet wederzijds,’ zei de graaf. Zijn ogen puilden uit, zijn lippen sidderden. Het was duidelijk dat hij in de greep van razernij verkeerde. ‘Jullie hemelmonsters. Jullie zuigen ons uit! Jullie verslinden onze cultuur. Onze maagdelijke dochters zingen “Twee emmertjes water halen” op hun huwelijksfeest en dansen zonder hoofddoek. Vaders noemen hun zonen Michiel of Maarten Harperszoon. Dat doen zelfs jullie Hollanders niet!’

Edith hief haar handen bezwerend op. ‘Rustig, graaf. Kalm. Wij komen enkel water brengen. Wij hebben niets met jullie cultuur.’

‘Dat is het juist. Jullie zijn barbaren. Nekulturny!’

Hij hief een dramatisch vuist. ‘Daar maak ik een eind aan. Nu.’ De camera zoomde uit en Marco zag dat de graaf in een controlekamer vol beeldschermen stond.

Het zag er allemachtig antiek uit, twintigste-eeuws bijna, maar juist in die tijd hadden ze de vreselijkste wapens geconstrueerd. Raketten die een straalvliegtuig in volle vlucht konden neerhalen, bommen die een stad in een vuurzee konden veranderen. Graaf Oleg boog zich voorover, drukte twee knoppen in en draaide vervolgens een roestige sleutel om toen de schermen een wolkenschip vertoonde.

Marco herkende het silhouet: het was Ediths vlaggenschip.

Twee condenssporen snelden door de hemel, convergeerden op het vlaggenschip. De vloer kantelde en het gezicht van de graaf kromp tot een sidderende stip. Een seconde later explodeerde het tweede projectiel.

‘Dat was onverstandig,’ zei Edith. ‘Zelfs een vriendelijke lobbes kun je beter niet schoppen.’ Ze stak een hand in de lucht. ‘Aan alle schepen. Stijg op naar de stratosfeer en zet de regen op hagel.’ Haar gezicht was een grimas, een demonisch masker. ‘De hagelstenen zullen zo groot als ganzeneieren zijn, als vuisten. Geen boomgaard blijft intact, geen kas.’

‘Maar…’ protesteerde Marco. ‘Het is alleen die idiote graaf. Zijn onderdanen hebben er niets mee te maken. Ze zingen “Twee emmertjes water halen” en noemen hun kinderen Maarten.’

‘Als je eenmaal over je heen laat lopen, trekken ze de volgende keer soldatenlaarzen met spijkerzolen aan.’

Het derde projectiel explodeerde en de opbollende vloer slingerde Edith en Marco tegen het plafond, liet ze terugvallen als ledenpoppen.

 

#

 

‘Sorry u te wekken, meneer van Oudekerke, maar nu de groot-admiraal in coma ligt, bent u haar opvolger. Als echtgenoot.’

‘Echtgenoot?’ Zijn gedachten voelden traag als stroop. ‘Maar mijn naam is Zevenaar.’

‘Volgens de imp van de groot-admiraal heeft de scheepskapelaan jullie in het huwelijk verbonden op de derde dag.’

‘Doet er niet toe. Hoe is met haar? Wanneer kan ik haar zien?’

‘Ze zit diep in het medisch schuim gewikkeld. We gaven haar een tijdelijk hart uit het noodaquarium, maar dat blijft altijd een gok. Persoonlijk geprint is altijd beter.’

Marco hees zich overeind. Zijn linkerbeen zat in het regenereergips zag hij, en zijn neus voelde ook vreemd. ‘Zet koers naar de Stuwdijk. Zo snel mogelijk.’

In zijn hoofd gonsde een vreemd soort leegte.

Hoe had hij zijn eigen huwelijk kunnen vergeten? En het was niet langer dan maand geleden. Het moet de klap zijn geweest. Ongetwijfeld komt de rest van mij herinneringen ook weer terug.

Natuurlijk had Marco miljoenen keren de Nederzee via drones bekeken, maar het was toch anders, zo staand op het deinende dek van een wolkenschip en met de wind die zijn ogen deed tranen.

‘Ediths toestand is stabiel,’ meldde het scheepssysteem via zijn imp. ‘Er staan ambulances voor haar en de bemanning klaar bij het afmeerplatform. Iedereen wordt ook gecontroleerd op stralingsziekte. De medische AI’s popelen: zulke zeldzame verwondingen zijn een buitenkansje!’

Stelletje digitale aasgieren! Nou ja, goed dat ze er zijn. Alles sal reg kom.

‘Edith gaat als eerste van boord,’ beval Marco.

‘Daarna de rest van de bemanning en ik als laatste. Ze zijn mijn verantwoordelijkheid.’

Gesproken als een ware schipper… Nou ja, ook als een dijkgraaf. Een dijkgraaf blijft op zijn post totdat het gevaar is bezworen, of hij wordt weggespoeld.

‘Aye, aye, kapitein!’

 

Ziekenhuizen waren allang geen grote, onpersoonlijke gebouwen meer met eindeloze gangen en kamers die stonken naar schoonmaakmiddelen. In plaats daarvan lag iedere patiënt in een knusse, huiselijke slaapkamer met uitzicht op binnenvennen langs de Stuwdijk. Alle apparatuur, inclusief de diagnose-AI, zat in muren en het comfortabele meubilair verwerkt.

Marco had voor een menselijke arts gekozen, die via zijn imp verbonden was met zijn AI-collega’s. ‘Met mevrouw Van Oudekerke komt alles goed. We houden haar nog een nachtje voor observatie, en dan kan ze naar huis.’

Marco knikte. Een molensteen rolde van zijn hart.

‘En de bemanning van het schip?’

‘Allemaal gezond als pekelharing. Het scheepssysteem heeft goed werk verricht. De meesten zijn alweer aan boord.’

‘Prima.’ Het was inderdaad prima, maar Marco voelde toch een vage onrust. Het was alsof er iets niet klopte. En het gevoel werd met het moment sterker.

‘Wat u betreft, meneer Zevenaar, u kunt over twintig minuten vertrekken. Uw verwondingen zijn inmiddels volledig hersteld.’

‘Uhm, waarom dan de vertraging?’

De arts keek Marco aan. ‘Behalve de schade van straling en de verwondingen door de schokgolf, troffen we in uw bloed nog wat anders aan. Iets wat er niet hoorde te zitten. We hebben het geanalyseerd en u had sporen van verschillende Chinese gedragsserums in uw lichaam. Een liefdeselixer waardoor u hotel de botel wordt van de eerste persoon wiens geur u opsnuift. Plus een zwaarder geval, een GMB-plus en oxytocine cocktail. Het slachtoffer verliest tijdelijk zijn geheugen en wordt uiterst ontvankelijk voor suggestie. Deze middelen staan in Nederland op de zwarte lijst en wij hebben u daarom een serie antidota toegediend die de werking ongedaan zal maken. Over tien, vijftien minuten zijn de serums uitgeschakeld en zult u zich de meeste dingen weer herinneren. Het kan wel zijn dat het tweede serum permanent herinneringen heeft gewist, maar het zij zo.’

Liefdeselixer? Geheugenwisser? Onzin! Pure kletsika.

Ik…

Het was geen onzin. Marco wist opeens afgrijselijk zeker dat het geen onzin was.

Hij wist ook precies wie het hem had toegediend.

Starend naar het rustgevende landschap, kwamen de herinneringen van de afgelopen weken bovendrijven als giftige gasbellen uit verzonken industriële landschappen. Zijn plotse, doldwaze verliefdheid op Edith, de landen die ze hadden gezien, de nacht in de woestijn met de vrouw met de mandoline, de aanval van de krankzinnige Russische graaf.

Waarom?

Omdat ze mij voor zich wilde winnen. Ze dacht dat als de opper-dijkgraaf overstag ging, de rest van de Dijkraad wel zou volgen… De arrogantie! De kortzichtigheid. Edith snapt echt niets van het grotere belang. Ze denkt alleen maar in termen van macht en overreding. Dat is altijd al zo geweest en…

Plotseling kwamen er andere herinneringen boven.

Zaken die Edith hem had laten vergeten.

‘Martha!’ riep Marco ontzet. O God, Martha! Mijn vrouw. En Janneke!

‘Ik moet naar huis, direct,’ riep Marco tegen zijn imp. ‘Regel een auto!’

‘Geregeld. Twee rechercheurs van de politie willen graag een gesprek met je. Ze willen weten of je aangifte wil doen tegen groot-admiraal Edith van Oudekerke.’

‘Aangifte? Nee! Daar heb ik geen tijd voor. Bovendien valt er niks te bewijzen. Ik moet zo snel mogelijk naar huis, naar Martha.’

 

#

 

De auto stopte voor precies voor het tuinhekje en pa stapte uit.

Pa? Ja het was inderdaad haar vader, maar wat was hij veranderd de laatste paar weken. Een gebruinde huid die uitstekend stond bij zijn grijze haar. En hij was een beetje magerder in zijn gezicht. Hij keek zorgelijk, zoals iedere terugkerende held, of zondaar, hoorde te doen.

Janneke Marthasdochter keek naar haar moeder.

Zal ze hem überhaupt wel binnenlaten? Of gaat ze met servies smijten? Het is nou niet bepaald alsof ma en pa ooit veel ruzie hadden maar dit is wel de allereerste keer dat pa er met een vuige, verleidelijke jeugdliefde vandoor ging en pas na een paar weken terugkeert.

Wauw, het leek wel een historisch drama, alleen dit was werkelijkheid en daardoor allemaal veel enger.

En spannender, zei een stemmetje dat niet van haar imp was maar helemaal van haarzelf.

De voordeur ging open: ma had hem niet geblokkeerd.

Geen woorden, geen verwijten, geen aarzeling. Haar vader en haar moeder vlogen elkaar in de armen. Het leek er verdacht veel op dat er tranen uit hun ogen rolden.

Ma wenkte haar en bijna als vanzelf kwam Janneke in beweging. Met twee, drie stuntelstappen was ze bij haar ouders en gooide haar armen om hen heen.

Het was het beste gevoel ter wereld.

Uitleg, verklaringen, excuses… Het zou allemaal later wel komen. Haar vader was terug, dat was het belangrijkste.

Wacht maar tot ik de beelden op school laat zien. Mijn vriendinnen zullen zo jaloers zijn!

 

#

 

‘Een, eh, dame wenst je te spreken,’ zei zijn imp. Marco hoefde niet te vragen welke dame dat was. ‘Geef haar maar door. En mieter haar tegelijk van mijn vriendenlijst af. Ja, zet haar op zwart. Het blijft bij dit ene gesprek.’

Haar gezicht was anders: absoluut en verterend sexy. Edith moest zijn seksuele profiel gehackt hebben en ze had haar make-up gefinetuned. Wenkbrauwen precies de juiste boogjes, smokey eyes maar toch ingetogen, een diep decolleté. Het ergerde hem mateloos dat hij meteen een erectie kreeg. Denk ze echt dat ik daar weer intrap?

‘Het is jammer dat het zo liep,’ begon ze.

‘Je hypnotiseerde me. Je kus, dat was geen haar beter dan een scheut rohypnol in mijn koffie gieten!’

‘Je vindt mij aardig. Je hebt altijd van mij gehouden. Die kus hielp maar een beetje. Een geheugensteuntje, een duwtje in de rug.’

Een het stomme was dat ze gelijk had. Zelfs nu hij haar haatte, kon hij een alternatieve toekomst zien, eentje waar hij met haar op een wolkenschip meegevaren was, de eindeloze blauwe hemels in. Als ze mij niet op het examenfeest had laten zitten…

‘Ik zou je voor de Raad moeten dagen. Het was een ontvoering.’

‘De Raad heeft niets meer over ons te zeggen. De Blauwe Coalitie verklaart zich op dit moment onafhankelijk. We zitten al halverwege de Duitse Golf en zullen ons eigen Holland bouwen.’

‘Een beetje een probleem zonder dijkbomen.’

‘Och, wij zullen ons wel weten te redden. Je zal het zien de komende jaren.’ Ze verbrak de verbinding.

 

#

 

Ze hadden een live band op Jannekes eindfeest: een dozijn opgevoerde mandrils die op trommels roffelden, een albinozanger met een gitaar die zo nu en dan tot een zwaard morfde, een achtergrondkoor met tijgermeisjes wier staarten op de ritmes zwaaiden.

Het had perfect kunnen zijn want ze was dol op Myth-pop en Papa had Martha voor het eerst op zijn eindfeest ontmoet. Eigenlijk had ze ook zoiets verwacht: haar prins op het witte paard en ze had heel zeker geweten dat die prins Lester Delacroix heette.

Alleen danste die glazige wateraardappel nu al een half uur met die griet uit 6B. Linda-Margaretha was waarschijnlijk het mooiste meisje van hun jaar maar dat was geen excuus. Lester heeft mij verdorie gevraagd! Ik had net zo lief voor het scherm opgekruld gelegen en The White Walkers Return nog een keer gespeeld.

Ze tuurde naar hem, haar blik een zengende laserstraal, maar hij was paranormaal gezien blijkbaar blind en doof en keek niet één keer in haar richting.

Langzaam werd ze zich bewust van een kriebel in haar eigen nek, een vreemde onstoffelijke druk.

Iemand keek naar haar, even gespannen als zij naar Lester tuurde. Ze zocht de dansvloer af en hun blikken kruisten. Ja, hij keek naar haar, maakte een handgebaar, gaf een vragende ruk met zijn hoofd.

Waarom ook niet? Ze knikte naar hem, slenterde over de vloer van gestabiliseerd ijs IV.

In de schemering bleef zijn gezicht een grijze ovaal, maar ze zou wel zien. Iedere haven is goed in een gierende storm, zoals ze zeggen. Niet dat ze wanhopig was, maar ze wilde dolgraag Lesters uitdrukking zien als ze langs danste aan de arm van een andere jongen.

Hij pingde haar en er verscheen een imp in haar ooghoek. Het was een wolk met een halo en een enkel oog. Een Wolkenjongen. Hij durft. Er zitten enkel Dijkers op deze school. Dat is even roekeloos als een kennel met bloedhonden binnenwandelen met een worst om je nek.

Ze moest het gesubvocaliseerd hebben want de wolk knipoogde naar haar.

‘Het was een weddenschap,’ kwam zijn stem. ‘Mijn vrienden zeiden dat ik jullie feest nooit zou durven crashen. Niet in mijn uniform.’

Hij was nu vlakbij en ze zag dat hij inderdaad het uniform van een adelborst droeg met het embleem van de wolk die drie regendruppels liet vallen. Of nee, dit was geen reguliere Wolker, niet met de twee bliksemschichten die de wolk flankeerden.

‘Je bent van de Blauwe Coalitie! Van Groter Holland!’

Ze had haar vader vaak op de Coalitie horen foeteren.

‘Groot Holland,’ mopperde hij. ‘Puur kolonialisme is het! Ze hangen een wolkenschip boven een vluchtelingenkamp en laten het regenen tot alles groen kleurt. “Sluit je bij ons aan,” zeggen ze ten slotte, “Of we vertrekken weer.” Natuurlijk zeggen die arme sloebers “Ja graag” en Groot Holland heeft er weer een provincie bij. En bovendien jatten ze de dijkbomen van ons.’

Zij staarde hem aan. Dit was de vijand dus en zijn huid was diep gebruind door uitheemse zonnen, zijn ogen staalgrijs. Zo romantisch.

‘Eddie junior. Zo heet ik. Hopelijk is dat geen bezwaar? Dat ik een Blauwe Wolker ben?’ zei hij. ‘Ik weet dat jullie hier allemaal Dijkers zijn en…’

Zij pakte zijn hand vast, glimlachte. Haar hart zong. Geen prins op een wit paard maar een witte wolk voldeed, vooral een met donder en bliksem.

‘Ik heet Janneke en mijn vader is de opper-dijkgraaf.’

‘Serieus? Ha, mijn imp ontploft bijna! Volgens hem ben je de meest onverstandige keuze om ten dans te vragen.’

Haar eigen imp knipperde ook al urgent, gebaarde met zijn mokerhamer. ‘Stop! Stop! Dat is Eddie van Oudekerke junior! Hij is de zoon van de groot-admiraal Van Oudekerke zelf! Puur vergif!’

Ze trok hem de dansvloer op. ‘Laten we onze ouders schokken. Mijn vader zal briesen als een ijsbeer, je moeder haar statiepet afrukken en vertrappen.’

Hij lachte opgetogen. ‘We doen een Romeo en Julia en stelen een wolk en een stek. Maken ons eigen Nederland!’

‘Dat lijkt mij een puik plan,’ zei Janneke. ‘Maar zullen we eerst eens kussen?’

 

###

Het spook in het homobos – Dirk Bontes

‘Godsallemachtig!’ Ron Opdekast gooide de fles met shampoo tegen de muur van zijn badcel. De groene shampoo spatte eruit. Hij keek ontzet naar zijn erectie, waar een gifgroene kikker tegenaan gekleefd zat. Die zat er al uren. En wilde maar niet loslaten. Hij had gedacht dat het beest wel zou loslaten wanneer hij een douche nam. Hij had gedacht dat het beest wel zou loslaten wanneer hij het bedolf onder een berg shampoo. Maar neen, neen, neen! Het beest liet niet los. Het bleef onwrikbaar aan zijn erectie vastgekleefd zitten – hetgeen de reden was dat hij een erectie had.

“Wil je een lekker wijf? Vermijd super-hiv! Houd anderhalve meter afstand!” had de advertentie met schreeuwende letters opgeroepen. “Masturbeer met een erectiekikker! Dat is hygiënisch en biologisch! Honderd procent natuur! Nooit meer handen met een geurtje! Bevrediging gegarandeerd! In de kleuren geel, groen, blauw en rood. Honderd procent legaal!”

Laat ik ook eens modern zijn, had hij gedacht. Maar wat de advertentie en de gebruiksaanwijzing hem niet hadden verteld, was dat die kikker niet losliet.

Hij raapte de fles shampoo op, deed hem dicht en zette hem neer. Verdomme! Hoe droog je een penis af waar een kikker op zit?

Hij kleedde zich uiteindelijk aan en belde met de hulplijn van het biotechnologische bedrijf – CRISPR-beesten – waar hij de kikker had gekocht. De klantenservice was tenminste goed, want hij werd onmiddellijk door een robot te woord gestaan.

‘Hoe mag ik u helpen, mijnheer?’ vroeg de warme, vrouwelijke stem van de robot.

‘Ja eh, ja hoor eens: Ik heb bij jullie een erectiekikker gekocht en dat beest laat niet los! Hij zit er nu al vier uur! Het is niet te harden. Wanneer laat dat beest los? Ik ben het zat!’

‘U heeft bij ons een erectiekikker gekocht en u heeft nu al vier uur een erectie. Begrijp ik u goed, mijnheer?’ vroeg ze zakelijk.

‘Ja, u begrijpt me goed. Wat gaat u eraan doen? Heb ik garantie?’

‘U heeft een erectie. De erectiekikker functioneert dus goed. U krijgt uw geld niet terug, mijnheer.’

‘Maar wat doe ik eraan?’

‘Voor ons klanttevredenheid onderzoek, mijnheer: heeft u een zaadlozing gehad?’

‘Wel vijf, en ik ben het zat. Ik wil de kikker retourneren.’

‘Dat kan, mijnheer, maar u krijgt uw geld niet terug. U heeft een erectie en u heeft vijf zaadlozingen gehad en dat is voor de wet voldoende.’

‘Maar de kikker.’

‘De kikker laat vanzelf los, mijnheer. Misschien slaapt hij.’

‘Ik denk dat het een zij is.’

‘Natuurlijk, mijnheer. U heeft immers bij uw aankoop aangevinkt dat u geen onnatuurlijke seks wilt. We hebben u dus een vrouwtjeskikker toegestuurd,’ legde de robot uit. ‘Kikkers van andere bedrijven blijven gemiddeld veel langer vastkleven dan de onze, mijnheer. U moet wat geduld met de kikker hebben. Langer dan zes uur duurt het meestal niet. Het helpt als u de kikker niet voert terwijl ze op uw penis zit.’

‘Hoe noemt men eigenlijk een vrouwelijke kikker?’

‘Gewoon vrouwtjeskikker, mijnheer. Heb ik uw vraag naar tevredenheid beantwoord, mijnheer?’

‘Hm, ja. Zes uur, zei u?’

‘Ja mijnheer. Dag mijnheer.’ De robot beëindigde het gesprek.

‘Klotebedrijf!’

Hij pakte zijn boodschappentas. Buiten was het warm weer met een stralend blauwe hemel; er was geen wolkje aan de lucht. Misprijzend keek hij naar zijn broek. De bobbel van zijn erectie was onder de stof duidelijk zichtbaar. Mopperend deed hij zijn lange regenjas aan. ‘Het kan me niet schelen, wat ze daarvan vinden,’ mompelde hij.

Die erectie was kut. Die kikker was kut.

In de supermarkt wierp hij al vloeken prevelend zijn boodschappen in de winkelwagen.

‘Wat zegt u?’ vroeg een vrouw die met haar karretje twee meter verderop stond.

‘Niks.’ Waar bemoeiden mensen zich toch mee? Hij liep nors door en voelde haar afkeurende blik in zijn rug priemen.

Terwijl hij stond af te rekenen, werd hij gebeld door Thaddeus Wijnema, een van zijn collega’s. ‘Hé, Opdekast, we hebben bij het homobos een pinkdealer opgepakt – en weer laten lopen omdat hij er een van de burgemeester bleek te zijn. Maar hij had een machtig vreemd verhaal dat je moet horen, zeg. Waar ben je?’

‘Bij de supermarkt op het Molenplein.’

‘Ben je je boodschappen aan het doen? Ga daar op de hoek staan, ik haal je zo op. Ik ben in de buurt.’

Een paar minuten later hield er inderdaad een patrouillewagen naast hem stil. Ron nam achterin plaats, in het arrestantengedeelte: hij was immers niet in uniform.

‘Is er soms regen voorspeld? Het ziet er niet naar uit dat het gaat regenen.’

‘Meh. Wat was dat vreemde verhaal?’

‘Henkeman Deurdeur de Tweede. Oude adel. Hij had een tas met van die zwaar verslavende en verboden roze erectiekikkers bij zich: pink, vandaar dat we hem aanhielden. Bijna twee dozijn van die illegale smokkelwaar. Hij vertelde dat hij sommige van zijn vaste klanten kwijtraakte: allemaal homo’s. Na enig aandringen vertelden die hem dat ze een spook in het bos hadden gezien en dat ze daarvan zo waren geschrokken dat ze op slag niet langer verslaafd waren. Hij was er zelf heen gegaan om dat te onderzoeken, want hij geloofde dat natuurlijk niet.’

‘Snap ik. Ik geloof het ook niet. En nu?’

‘We zijn er bijna, want ik wil er het fijne van weten. Jij toch ook?’

‘Meh. Misschien. Ik heb een pak ijsjes in mijn tas; die smelten bij dit weer.’

‘Geef ze dan weg. We nemen er ieder twee en de rest kun je wel kwijt aan voorbijgangers. Het is knap warm.’

 

Het homobos was verlaten, op een vrouw na die er rondliep. Ze was tegen de dertig, een zomers geklede blondine met een wit hemd en een wit met rode rok met bloemenpatronen. Vast lesbisch, dacht Ron. Jammer.

‘Zijn we hier officieel, Thad?’

‘Ik wel. Ik ben in uniform. Jij niet.’

‘Dan stel ik voor dat we apart het bos in gaan.’

Hij verloor Thad al snel uit het zicht. Er was in het bos niks te zien, niks bijzonders tenminste. Bomen, struiken, wat zingende vogels – die hij niet zag – en insecten die over de bosgrond scharrelden. Geen homo, geen spook. Geen voorbijganger die de drie andere ijsjes die in de doos die hij vasthield zaten, wilde. Niks, nada.

Maf verhaal. Henkie Henkie, dacht hij. Ik kan wel teruggaan. Hier is niks te zien. Wel een mooi bos, dit homobos.

Toen voltooide hij een kronkel in het pad en zag hij daar een monster tussen twee bomen zweven. Het was een wezen met veel tentakels en paars haar en schubben en een ontzettend grote kin, zag hij in de gauwigheid. Hij werd op hetzelfde moment onpasselijk. De misselijkheid kwam vanuit het niets dik omhooggolven en hij bezweek subiet. ‘Arrrgh! Gakaka!’ riep hij verward uit. Hij was echter niet zomaar onwel geworden, want zo erg gruwelijk zag het monster er nu ook weer niet uit, het was gewoon een soort Cthulhu-tentakelfiguur zoals er vaak stond afgebeeld op de horrorboekjes die hij las, dus hij was dat wel gewend. Neen, het was een soort telepathische verstoring die hij ervoer, een verstoring die hem in zijn wezen aantastte, besefte hij ergens op de grens van waanzin.

Het monster week achteruit en riep ook ‘Arrrgh! Gakaka!’ en verdween.

De lesbienne kwam van een andere kant aanrennen. ‘Oh! Oh! Heeft u Het gezien?’ riep ze. Bij hem aangekomen, bleef ze stilstaan en stak toen behulpzaam haar linkerarm uit om hem overeind te helpen. In haar rechterhand hield ze het apparaatje vast waar ze al vanaf het eerste moment dat hij haar had gezien op had lopen turen. Hij keek haar recht in de blauwe kijkers. Die kutregenjas van hem was aan de onderkant opengevallen en als ze die kant uitkeek, kon het niet anders of ze zou de bobbel in zijn broek zien. En hem natuurlijk uitlachen, of zo. Hij stond in een wip weer overeind en deed of er niets aan de hand was.

‘Het? Het? En of ik Het gezien heb! Het ging die kant uit. Denk ik.’

‘Oh, ik hoop dat u Het niet bang heeft gemaakt. Het is nogal teergevoelig.’

‘O ja? En wat is Het eigenlijk? En wie bent u, als ik vragen mag? En wat heeft u met Het te maken?’

Ze keek weifelend rond in het bos, op zoek naar Het, wat Het ook was. Eerst leek ze zijn vragen te willen negeren en weer het bos in te willen stuiven, maar toen bleef ze toch staan en richtte ze zich tot hem. ‘Goedemiddag. Ik ben Marjon en ik ben van de universiteit. Ik bestudeer er Ectoplasmatische Spiritualiteit in Endomorfen van een andere dimensie. U bent zo fortuinlijk geweest om mijn proefsubject tegen te komen. Het verdwaalde uit mijn laboratorium en zo is Het hier terechtgekomen, in een omgeving en een dimensie die Het wezensvreemd is. Het is echt heel zielig. En als ik Het niet terugvind en red, dan… dan…’

‘Nou, wat dan?’

‘Dan gaat Het dood!’ Ze barstte in tranen uit.

Hij dacht snel na. Dat Het en die lesbienne werkten dus niet voor de concurrerende handel in pink. Niet dat het een zier uitmaakte, want het kostte de gesanctioneerde illegale pinkhandel waarvoor de burgemeester de zetbaas was – je moest wat overhebben voor een politieke functie – linksom of rechtsom hun klanten. Als dat ding, die endomorf, zou doodgaan, dan zou dat iedereen goed uitkomen, behalve die wetenschapster dan. Het had hem flink beroerd, psychisch. Hij voelde zelfs weerzin bij de gedachte aan koffie.

‘Oké, en als je hem vindt, dan kun je hem terugbrengen naar jouw lab en naar zijn eigen dimensie? Dan zal ik je helpen. Kom.’

Ze droogde haar tranen en volgde hem het bos in. Hij zweette. Mooie vrouw. Kutregenjas. Waarom kon die kikker niet loslaten. Dit was zo genant. En dan was ze ook nog lesbisch.

Ze keek op haar apparaat en wees. ‘Die kant uit.’

‘Ik ben niet lesbisch, hoor,’ zei ze opeens, ‘mocht u dat misschien denken. Dit is een homobos. Het lesbos is een eind verderop, aan de andere kant van het kanaal.’

‘Ik dacht helemaal niets,’ loog hij. ‘Uh, ik dacht dat ik daar iets zag bewegen, iets paars, eventjes.’

‘Dat is vast Het! Blijft u hier! Het is bang van vreemden.’ Ze liep snel vooruit. Even later kwam ze opgelucht kijkend teruggelopen. ‘Ik heb Het,’ zei ze, een witte zak met een raster van rode lijntjes omhooghoudend. ‘Het zit hierin.’

‘Mooi! Dan kunnen jullie nu terug naar uw laboratorium en Het naar zijn eigen dimensie.’

Probleem opgelost! De burgemeester mocht hem daarvoor wel met een halve vrije dag belonen, maar dat zou natuurlijk niet gebeuren. Krent.

Toen klonk er echter opeens een luid gekwaak. De kikker in zijn broek! Hij kon wel door de grond zakken! Hij keek beschaamd omlaag naar zijn kruis, maar realiseerde zich toen dat hij geen erectie meer had, al enige tijd niet meer. De kikker had losgelaten, zonder dat hij het had bemerkt. En het was niet zijn kikker geweest die had gekwaakt, besefte hij. Vrouwtjeskikkers kwaken immers niet. Het geluid was ergens anders vandaan gekomen. Hij keek onzeker om zich heen – en toen zag hij de blos op Marjons wangen en haar neergeslagen blik.

‘Wat voor kleur?’ vroeg hij neutraal.

‘Een rode,’ fluisterde ze.

‘Ik heb een groene, van CRISPR-beesten. En jij?’

‘Eentje van Lekker Dier.’

‘Die blijven langer vastkleven; gemiddeld genomen.’

Ze keken elkaar begrijpend aan.

‘Wil je een ijsje?’

Xtreme teleshopping – Adriaan van Garde

Op het scherm zie ik de aarde snel kleiner worden. Ik ben op weg naar een mijnbouwplaneet. En toch kan ik mijn lachen niet onderdrukken.

‘Waar lach je om?’ vraagt de man naast me.

‘Ik ben veroordeeld tot honderdentienduizend jaar dwangarbeid,’ weet ik uit te brengen. ‘Man, alsof ik zo lang leef.’

Nahikkend denk ik terug aan hoe het allemaal begon. Het kwam door die stomme antenne. Ik vervloek Carlos en zijn dumpwinkel.

 

Tevreden keek ik naar het resultaat van mijn geknutsel. Op de reling van het balkonnetje prijkte een wonderlijke constructie die in niets leek op een schotelantenne. Mijn tevredenheid sloeg meteen om in twijfel. Was het wel een antenne? Nou ja, eerst moest ik de kabel maar eens aansluiten op de tv. Ik viste de losse connector, die Carlos van Dump Universe er gratis bij had gegeven, uit de verpakking. Die moest op het snoer, want de Chinese connector leek niet van deze wereld. Vreemd eigenlijk, dat had je bij geen enkel ander product uit China. Dus misschien kwam het ding wel helemaal niet uit China, maar uit Noord-Korea of zo. Nou ja, het deed er niet toe.

Gelukkig had ik ervaring met dit soort klusjes. Na het wegknippen van de vreemde connector zag ik dat het om een redelijk standaard type coaxkabel ging, zij het een dunne. Ik wikkelde tape om de kabel op de plek waar hij in de connector geklemd moest worden. Daarna soldeerde ik de draadjes aan de pennen die op het bijgeleverde briefje stonden afgebeeld. Toen alles klaar was, sloot ik de connector aan op mijn tv.

Gespannen selecteerde ik de juiste ingang. Geen beeld, alleen ruis. Verdikkie, daar had je het weer met die goedkope troep. Waarom trapte ik daar nou altijd in? Omdat ik geen geld had voor het dure spul, simpel. Ik keek in de doos of ik een handleiding over het hoofd had gezien. Er lag een briefje op de bodem met tekeningen van kleine, bolle poppetjes. De antenne herkende ik meteen, dus ik zat op de goede weg. Het laatste plaatje toonde iets dat een afstandsbediening zou kunnen zijn.

Ik keerde de doos binnenste buiten, maar geen spoor van een afstandsbediening. Net toen ik me op de bank wilde laten vallen, hoorde ik een piepje. Het kwam uit de stapel met opvulmateriaal, stukken gevouwen karton. Ik vouwde alle kartonnen origami open tot ik iets zwarts op de grond zag vallen. Het leek wel een haltertje, een staafje met twee bolle uiteinden, die echter niet helemaal hetzelfde waren. Op de meest ronde bol zag ik een rood lampje knipperen.

Uit mijn ooghoek zag ik dat er beeld op het scherm was verschenen. Het toonde het zwarte staafje aan de linkerkant en Chinese tekens aan de rechterkant. Het volgende beeld toonde het staafje ongeveer dertig graden naar rechts gekanteld. Aan de rechterkant van het scherm schoven langzaam plaatjes omhoog. Dan een beeld met het staafje naar links gekanteld en plaatjes die naar beneden liepen. Kennelijk keek ik naar een spoedcursus voor het gebruik van de halter.

Uiteindelijk bleek de bediening heel eenvoudig. Alleen het kiezen van kanalen was nog niet behandeld, maar dat kon ik later uitzoeken. Eerst wilde ik eens oefenen met dit kanaal. Ik koos een plaatje uit de rij. Er verscheen een scherm met andere plaatjes. Dat ging een poosje zo door tot ik in een scherm met kirby’s terecht was gekomen. Of nee, hoe heetten die poppen ook alweer, firby’s, nee furby’s, dat was het. Mijn nichtje had er een. Ik koos een blauw-witte.

Het scherm toonde nu een furby in een vogelkooitje dat op een console stond. Ernaast stond een vreemd figuurtje dat zelf ook op een pop leek. Ik moest aan master Yoda denken uit de oude Star Wars films. Hij wees naar de kooi en zei iets dat ik niet goed kon verstaan. Het klonk als ‘saai mahan’. Daarna zei het wezen nog ‘toek’ en ‘sin’. Het bleef maar naar het kooitje wijzen. Ik wilde terug naar het vorige scherm, maar dat lukte niet.

Ik besloot eerst eens een kop koffie in te schenken. Maar toen ik naar mijn aanrechtblokje liep, hoorde ik geschreeuw. Omkijkend naar de tv zag ik dat het gezicht van Yoda nu het hele scherm vulde. Hij wees met een priemende vinger naar me en riep iets dat klonk als: ‘toemaja tikban dikki’. Bedremmeld liep ik terug naar de afstandsbediening.

Meteen zoomde het beeld uit en begon Yoda beurtelings op een groene en een rode cirkel te wijzen, die rechtsboven in beeld stonden. Ze waren me nog niet eerder opgevallen. In beide cirkels stonden Chinese karakters, althans daar leek het op. Yoda wees de cirkels beurtelings aan. Bij de rode zei hij ‘toek’ en bij de groene ‘sin’. Hij bleef dat herhalen terwijl hij tussendoor steeds even in de camera keek.

Het was me duidelijk dat ik één van de twee cirkels moest kiezen. Maar ik had geen idee wat ze betekenden. In China was de betekenis van rood en groen precies andersom als in het Westen, rood was doorgaan en groen was stoppen. En bij software was het gebruikelijk dat de laatste optie annuleren was, dus dan moest de bovenste optie, de rode, bevestigen betekenen. Ik klikte op de groene, want ik wilde terug naar het vorige scherm.

Alleen ging ik niet terug. In plaats daarvan deed Yoda een stap naar voren en maakte breed grijnzend een gebaar van handen schudden. Hij draaide zich half om, pakte het kooitje en liet het vervolgens aan me zien. Hierna verscheen een tekst in beeld en een bedrag. Ik schrok me kapot. Bijna twintigduizend, dat zou ik nooit kunnen betalen. Maar misschien was het een bedrag in Chinese valuta, dat zou wellicht schelen. Nou ja, ik wilde helemaal geen furby, hoe goedkoop die ook was. Ik moest gewoon annuleren. Het scherm werd echter zwart.

Ik stond nog verdwaasd met de afstandsbediening in mijn hand, toen de deurbel ging. Ik keek naar de klok. Wie kon er op dit tijdstip aanbellen? Door het spionnetje zag ik een man in een uniform, die een doos in zijn hand hield. Ik had toch niets besteld? Maar wacht, het kon voor de buren zijn.

De man grijnsde en vroeg ‘Andes Mutar, sin?’ Ik knikte, want het leek op mijn naam. De man stopte de behoorlijk grote doos in mijn handen en hield me daarna een apparaat voor. Ik zette de doos op de grond en pakte het apparaat. Moest ik een handtekening zetten? Ik keek de bezorger vragend aan. Die lachte weer breed en zei ‘djada men, sin’, waarbij hij zijn duim op het schermpje legde. Ik deed hem na. Het apparaat tingelde en het scherm werd groen. De man maakte een diepe buiging en vertrok zonder iets te zeggen.

Ik ontwaakte uit een soort sluimer en keek naar de doos. Had ik die wel aan moeten nemen? Ik had immers niets besteld. Ik begon steeds meer te balen. Hoeveel gevallen van dit soort oplichting had ik nu al opgelost voor mijn moeder? En dan nog trapte ik er zelf in. Ik overwoog wat me te doen stond. Niet openen en meteen terugsturen, dat was de aangewezen oplossing. Ik pakte de doos op en zette hem op tafel. Op het etiket stond niet veel. Een logo dat ik niet kende, met daaronder mijn naam, helemaal correct. Maar mijn adres ontbrak vreemd genoeg. Verder stond er helemaal niets op de doos. Dat betekende dat ik hem open zou moeten maken om het retouradres te vinden. ‘Shit, shit, shit’ riep ik gefrustreerd: . Uit de doos klonk een hoog geluid, dat me aan lachen deed denken.

Ik liep naar de keukenla om het kromme mesje te pakken dat ik gebruikte voor het opensnijden van verpakkingen. Ik was nog niet halverwege de naad aan de bovenkant, toen er een hoog stemmetje uit de doos klonk. Het klonk als ‘shit, shit, shit’. Ik schrok. Wat zat er in hemelsnaam in die doos? Het zou toch niet iets levends zijn? Voorzichtig ging ik verder, wat aanmoedigende geluidjes opleverde. Nadat ik het deksel had opengevouwen, klonk er een soort gejuich. Ik zag een kooi met daarin een paar grote ogen die me aankeken. Toen ik de kooi voorzichtig uit de doos tilde, zag ik dat het een furby was.

‘Krijg nou wat, wie ben jij?’ zei ik. Wat niet slim was, want een pop heeft geen verstand. Maar tot mijn verbazing herhaalde de furby wat ik zojuist had gezegd. Waarna het beest in lachen uitbarstte. Toen het eindelijk gekalmeerd was, keek het me een poosje aan.

‘Ayam,’ zei het, met een vingertje naar zichzelf wijzend. Daarna wees het naar mij. Ik was zo verbaasd dat ik een tijdje niets uit kon brengen. Er maalde van alles door mijn hoofd, onder andere de gedachte dat dit een levend wezen was en geen pop. Maar dat kon natuurlijk niet.

‘Ayam.’ zei het beest weer. Was het zichzelf aan het voorstellen? Dat moest ik testen.

‘Ayam,’ antwoordde ik, naar het beestje wijzend. Daarna wees ik naar mezelf en zei: ‘Anders’.

Het beestje herhaalde mijn naam. Daarna wees het op zijn geopende mond. Het had kennelijk honger, maar ik had geen idee wat zo’n beest at. Gelukkig wees het op de doos, waar nog een boekje in bleek te liggen. Ik bladerde het boekje door. Het was duidelijk een gebruiksaanwijzing voor de verzorging van furby’s, opgesteld in het allerbelabberdste Nederlands. Ik kwam bij een bladzijde met een etende furby. Hij was bezig een soort selderijstengel naar binnen te werken. De tekst was niet heel verhelderend, maar ik begreep dat het een planteneter was. Vlees en zeep waren uit den boze, dat werd me ook duidelijk. De afbeelding die een furby liet zien die een soort hamster opat, werd gevolgd door een afbeelding van diezelfde furby met een heleboel andere furby’s. Wat kon dat betekenen? Werden ze door vlees tot elkaar gebracht?

Ik keek in de koelkast of er iets te eten was. Er lag nog een bos radijsjes. Ik sneed er één af en gaf hem aan de furby. Die rook er aan en veegde er over. Daarna gaf hij hem terug en maakte een gebaar van handen wassen. Wat zou hij bedoelen? Moest hij zijn handen wassen voor het eten? Of nee, ik wist het al, hij wilde zijn radijsje gewassen. Wat een proper diertje.

De furby nam een hapje van het gewassen radijsje en kauwde voorzichtig. Daarna lachte hij en propte het hele radijsje in zijn mond. Toen hij het op had, wees hij op zijn mond en riep: ‘Anders, anders, anders.’

‘Nee, je moet zeggen “ik wil eten, ik heb honger”.’

‘Eten, honger?’ zei het, duidelijk verstaanbaar.

Ik wist niet wat ik aan mijn fiets had hangen. Dit beestje pikte de taal in recordtijd op. Na de maaltijd moest ik maar eens gaan oefenen. Ik gaf hem nog vier radijsjes, die hij smakelijk verorberde. Vervolgens liet hij een enorme boer, waarna hij in zijn kooi rondtolde van het lachen. Eerlijk gezegd ging ik zelf mee lachen, ook al was “wie lacht om een boer is een ouwehoer” een van mijn gevleugelde uitdrukkingen.

Ik scharrelde intussen een oud plaatjesboek uit de kast waarmee ik zelf als kind had leren lezen. Daarna haalde ik de furby uit de kooi en zette hem op schoot. Zo begon ik aan de taallessen, waarvan ik op dat moment nog dacht dat ik er weken mee bezig zou zijn.

Na een uurtje taalles bleek dat Ayam niet alleen heel taalvaardig was, maar ook nog eens een goed stel hersens had. Hij had er geen enkele moeite mee om de getekende plaatjes naar de werkelijkheid te vertalen. Alleen de spiegel bracht hem in verwarring, hij deinsde terug bij het zien van zijn spiegelbeeld. Hij vroeg of het ook een raam was. Na mijn uitleg streek hij met zijn handjes over zijn spiegelbeeld, waarbij het leek of hij zich realiseerde dat er geen andere furby achter het glas zat.

Ik zette hem terug in de kooi, omdat ik boodschappen moest doen. Voor de furby had ik groenten en fruit nodig. Misschien kon ik dan ook weer eens een echte maaltijd voor mezelf maken. Ayam krulde zich op in de kooi en ging meteen slapen. Daar was ik blij om, want ik wist niet hoe goed hij er tegen zou kunnen om alleen te zijn.

Toen ik terugkwam, hoorde ik zijn gekwetter al voordat ik bij mijn voordeur was. Ik zag gelukkig niemand in de hal, want officieel mocht ik geen huisdieren hebben. Dat moest ik hem dus afleren. Binnen zag ik dat hij stond te dansen, terwijl hij naar zijn achterste wees. Ik tilde hem uit de kooi en toonde hem de wc.

Dat leek hem niet te zinnen. Hij liep naar het doucheputje waar hij poepte en pieste. Daarna keek hij me vragend aan. Ik pakte wat wc-papier en veegde zijn drolletjes op, die gelukkig nogal hard bleken. Na te hebben doorgetrokken, spoelde ik het dekseltje van de doucheafvoer schoon. Hij knikte instemmend en zei: ‘Goed zo, Anders.’

Voor het avondmaal maakte ik een macaronischotel met veel groenten. Voor Ayam zette ik een bordje neer met verschillende stukken groente en fruit. Wortel en appel vond hij het lekkerst. Ik liet hem ook een hapje macaroni proeven, maar dat spuugde hij meteen weer uit. Waarvoor hij zich overigens verontschuldigde.

Was ik tot nu toe al verbaasd geweest over het leervermogen van mijn furby, na het eten deed het beest er nog een schepje bovenop. Ik wilde naar het nieuws kijken en na het aansluiten van de oude coaxkabel lukte dat. Ayam leefde met elk onderwerp intens mee. Hij klapte enthousiast bij een item over de bloembollenexport, greep zich angstig aan me vast bij beelden over geweld in het Midden-Oosten, juichte mee met de voetbalsupporters en huiverde bij het weerbericht.

‘De lente zet nog niet echt door,’ zei hij.

Tijdens het zappen raakte hij steeds meer opgewonden. Zijn leergierigheid was zo groot dat hij alles tegelijk wilde zien. Maar bij een programma over seksuele problemen viel hij ineens helemaal stil. Er was een vrouw met ontbloot bovenlichaam in beeld, royaal bedeeld in de borstensector, wat me de uitspraak “jemig, wat een kanjers” ontlokte. Ayam nam het gelukkig niet over. Hij keek beurtelings naar mij en de vrouw, waarna hij een handje in mijn overhemd stak om te voelen.

Ik legde hem uit hoe het zat, eerst de geslachtelijke voortplanting en later de seksuele genoegens. Voor het eerst in mijn leven kon ik dat doen zonder een rooie kop te krijgen. Wat misschien niet zo vreemd was omdat Ayam geen mens was. Tegen een eekhoorn of een hond had ik ook vrijuit kunnen praten. Maar aan de andere kant was Ayam wel net zo slim als een mens. Of misschien zelfs slimmer, wat ik geen prettige gedachte vond.

Op het scherm waren nu flitsen van een jong stel in allerlei standjes te zien. Ayam keek er gebiologeerd naar. Toen het programma afgelopen was, zat hij een poosje stilletjes voor zich uit te staren. Ik vroeg wat hem dwars zat.

‘Doet het geen pijn, Anders?’ vroeg hij.

Ik vertelde hem dat het normaal gesproken juist erg prettig was, een fijn gevoel, hoewel ik er zelf helaas nog geen ervaring mee had. Hij keek me met open mond aan, zodat ik vroeg hoe het bij furby’s ging.

‘Het gaat helemaal niet zo, wij doen het niet samen, maar alleen. Het gaat vanzelf door het eten van verboden vruchten. En het doet heel erg pijn. Ayam wil het niet.’

Ik schrok van zijn emotionele reactie. Dat domme voorlichtingsfilmpje had hem verdrietig gemaakt. Hij drukte zich tegen me aan en ik hield hem met beide handen vast. Vreemd dat ze niet aan geslachtelijke voortplanting deden. Kwam dat eigenlijk wel voor bij zoogdieren? Hoe heette het ook alweer, het was iets met “auto”. Misschien moest ik toch eens met mijn furby bij de universiteit langs.

Het liep intussen tegen tienen. Ik was doodop. Van nieuwe indrukken kon je erg moe worden. En daarvan had ik er deze dag heel veel gekregen. Ik zei tegen Ayam dat het tijd was om te gaan slapen. Hij knikte alleen maar stilletjes. Nadat ik hem in zijn kooi had gezet, krulde hij zich meteen weer op. In bed lag ik een poosje te woelen. Ayam had het over verboden vruchten gehad. Morgenochtend zou ik proberen te achterhalen welke dat dan waren. Want ik moest voorkomen dat hij pijn zou lijden.

 

Ik werd wakker van een zacht gejammer, dat af en toe overging in harde uithalen. Geschrokken knipte ik het licht aan, het was nog donker buiten. Snel liep ik naar Ayam. Die lag jammerend te kronkelen in zijn kooitje. Ik wilde hem oppakken, maar hij maakte een afwerend gebaar met zijn handjes.

‘Niet doen, Anders, niet aanraken. Au,  het doet pijn.’

‘Maar wat is er dan met je, Ayam? Oh, God, je zit helemaal onder de bulten.’

Zijn lijfje zat vol met zwellingen, het arme dier was doodziek.

‘Wat heb je, Ayam? Je gaat toch niet dood, hè? Heb je iets verkeerds gegeten?’

Na die laatste vraag hield Ayam op met kronkelen om me aan te kijken. Daarna knikte hij en wees op iets dat vlakbij de kooi lag. Ik zette mijn bril af om het van dichtbij te kunnen bekijken. Het leek wel, nee verdraaid, het was de staart van een muis, met een stukje achterlijf en een pootje er nog aan. Ik keek Ayam vragend aan. Hij knikte weer.

‘Verboden vruchten, Anders.’

Shit, ze mochten geen vlees, en geen zeep of zoiets. Wat moest ik doen? Het nachttarief van een dierenarts zou ik nooit kunnen betalen. Toch vroeg ik het.

‘Moet ik je naar een dokter brengen, Ayam?’

‘Niet nodig, Anders. Het gaat vanzelf over. Maar je moet wel heel veel eten halen.’

Ik knikte maar eens, zijn opmerking drong niet echt tot me door. Ik bleef bij hem zitten. Het gejammer en de uithalen gingen door. Geleidelijk begon ik weg te dommelen. Ik zei tegen Ayam dat ik in mijn bed ging liggen en dat we wel verder zouden zien als het licht was.

‘Als het licht is, ben ik weer blij, Anders. Geen zorgen.’

Het kwam er piepend uit, wat me deed twijfelen aan zijn geruststelling. Eenmaal in bed viel ik tegen mijn verwachting in nog vrij snel in slaap. Ik werd pas wakker toen het al licht begon te worden. Uit de woonkamer klonk gefluister. Van verschillende stemmen. Ik zat meteen rechtop. Voorzichtig liep ik naar de deur.

Behalve het kooitje zag ik echter niemand. Ik wilde de kamer instappen, toen ik mijn bloed voelde bevriezen. Het kooitje puilde uit. Ayam was helemaal opgezwollen. Of nee, dat was het niet.

‘Goedemorgen, Anders,’ zei een koor van stemmetjes.

Het duurde even voor ik kon duiden wat ik zag. De oogjes maakten alles begrijpelijk. Tien paar ogen keken me aan, de grote ogen van Ayam en kleine van, ja dat moesten wel jonkies zijn. Ayam had vannacht gejongd, het was dus een vrouwtje. Of nee, de voortplanting was ongeslachtelijk of hoe heette dat. Toch zou ik beter van “zij” dan van “hij” kunnen spreken.

‘Ayam, je bent moeder geworden, gefeliciteerd,’ riep ik.

‘Dank je, Anders. Misschien kun je ons nu redden, want de kleintjes groeien erg hard.’

Ayam had gelijk, het kooitje zat propvol, overal staken armpjes en beentjes door de tralies naar buiten. Ik maakte de sluiting van de bodem los en tilde de kooi voorzichtig op. Eén voor één rolden de kleintjes over de tafel, kirrend van de pret. Het zag er schattig uit. Ze gingen in een rijtje voor Ayam staan en keken me vragend aan. Toen ik niet meteen in actie kwam, wees Ayam op haar mond. De kleintjes deden haar na.

‘Blijf hier allemaal op tafel zitten,’ zei ik, denkend aan de muis, ‘en kom nergens aan, steek niets in je mond.’

In de keuken haalde ik mijn groentelade leeg. Zes uien, een halve bos wortelen, een halve komkommer en twee paprika’s. Dat zou toch wel even genoeg zijn? De knoflookbol legde ik terug. Op de fruitschaal lag nog een appel. Ik waste de komkommer en sneed die in plakken, zodat ze vast te eten hadden. De kleintjes keken er wantrouwig naar, maar toen Ayam op een plak begon te knabbelen, vielen ze aan.

Ik waste de rest van de groente en deed alles in een schaal, ook het wortelloof. Appelstukjes als versiering bovenop. Ik werd met gejuich ontvangen. In een razend tempo werkte mijn nieuwe huisfauna alles weg. Daarna moesten ze allemaal naar de wc. Ayam deed het voor. Ze waren wel erg zindelijk. Als er een drolletje lag, moest ik dat eerst weghalen voor de anderen wilden. Maar het was toch een stuk makkelijker dan een kattenbak.

Daarna wilden ze slapen. In overleg met Ayam besloot ik dat ze tijdelijk in de doos zouden slapen tot ik een geschikte behuizing had die hen tegen het risico van muizen kon beschermen. Zodra ze in de doos zaten, ging ik op zoek naar voedsel. Dat zou een probleem kunnen worden. Mijn budget was maar net toereikend om mezelf te voeden, dus waar ik eten voor de hongerige diertjes vandaan moest halen, wist ik even niet. Ik dacht aan mijn oom die een tijd gezworven had. Hij vertelde altijd dat je het beste naar de markt kon gaan. Er was genoeg afkeur die je zo mee kon nemen. De voedselbank was misschien ook een idee.

Op de markt ging ik meteen naar de kraam van Palijs. Kobus, die vroeger buschauffeur was geweest, kende ik via mijn ouders. Misschien kon hij me helpen. Helaas bleek Kobus overleden. De oude Jan Palijs zelf kwam naar me toe en vroeg waarom ik Kobus nodig had. Ik legde het uit.

‘Je boft, jongen,’ zei hij, ‘ik heb hier drie kisten met bloemkool, allemaal bruin, zoek de beste er maar uit.’

Ik laadde mijn AH-tas flink vol. Ik vroeg of er nog iets van beurs fruit was. Maar daar bleek het nog te vroeg voor. Jan zocht vier appels met een rotte plek voor me uit. Vandaag zou ik het wel even redden. Ik bedankte Jan en vroeg of ik nog eens langs mocht komen.

Thuis bleek dat de honger alweer toegeslagen had. Ik werd met luide hongerkreten begroet. Gelukkig bleken de furby’s niet allergisch voor bloemkool.

Terwijl de kleintjes enthousiast zaten te knabbelen, opende ik een envelop zonder opdruk, die ik in mijn brievenbus had aangetroffen. Het bleek helaas geen reclame, maar leek eerder op een factuur. De tekst was onleesbaar, maar de opmaak liet weinig te raden over. Rechts van drie regeltjes tekst stond het getal “20.000”. Het valutateken zei me niets. Maar onderaan stonden een bankrekeningnummer en een bedrag in euro’s. Ik hapte naar adem, steun zoekend bij de rugleuning van mijn bank. Bijna één miljoen euro.

Verslagen ging ik op de bank zitten. Dat kon toch niet waar zijn. En waar ging het eigenlijk over? De factuur verhelderde niets. Maar het getal “20.000” deed een belletje rinkelen. Dat had ik ook op het scherm gezien toen ik Ayam kocht. Ik keek Ayam aan.

‘Kost jij werkelijk een miljoen euro, Ayam?’

‘Ayam weet het niet. In onze eigen wereld kosten we niets. Maar hier zijn geen andere Lemmyin, dus misschien zijn we daarom duur?’

Slim dier, dacht ik.

‘Lemmyin? Is dat de naam van jullie soort?’

‘Ja, in onze wereld, Anders. Soms zijn er heel veel van ons. Dan gaan we bijna allemaal dood en zijn er weer heel weinig.’

Lemmingen, dat was het. Het waren een soort lemmingen. Om te beginnen fokten ze echt als konijnen. En als er beurtelings veel en weinig waren, dan moest dat iets met voedselschaarste te maken hebben. Maar het diertje was geweldig slim. Hoe kon het dat het zich niet had ontworsteld aan het rigide regime van de natuur? Ik vroeg het aan Ayam.

‘Het is de zon, Anders. Als die weg is, zoeken we naar verboden vruchten. En als we verboden vruchten eten, dan komen er meer Lemmyin.’

‘Dus als ik het goed begrijp,’ zei ik, terwijl ik mijn gedachten in het juiste spoor probeerde te krijgen, ‘dan voelen jullie misschien geen honger naar verboden vruchten als er ‘s nachts zonlicht op jullie schijnt.’

‘Ayam weet het niet. Anders moet het maar proberen.’

‘Blijf hier, kom nergens aan, kijk maar even televisie.’

Ik zette de tv aan en ging naar de kelder van het pand. In mijn kelderbox lagen nog een paar daglichtlampen, die ik achterover had gedrukt toen de wietplantage bij de buren werd opgerold. Ik had ze willen verkopen, maar ik durfde er niet mee te adverteren. Voor je het wist, stond je te boek als wietkweker. En mijn uitkering lag toch al onder vuur. Ik stopte de stekker van een lamp in het stopcontact. Een oogverblindend licht vulde de kleine ruimte, het deed gewoon pijn aan mijn ogen. Snel trok ik de stekker er uit. Daar moest ik nog iets op verzinnen, een indirecte opstelling wellicht.

Terug in mijn flatje hoorde ik flarden van kreten van de kleine furby’s.

‘Landgenoten’, ‘wij koningin der Nederlanden’, ‘het verheugt ons’

Het was de stem van koningin Juliana, uit de monden van de kleine furby’s. Nou ja, klein, ze waren alweer gegroeid. Als het zo doorging, waren ze morgen volwassen. Op televisie zag ik nog net hoe hare majesteit een lintje doorknipte, waarna allemaal karretjes met bloemen voorbij reden. Vast een documentaire van MAX.

‘Wai zain zeer vergenuegd mit dize daag,’ hoorde ik een furby zeggen met de stem van prins Bernard.

Ik wilde de tv op een ander kanaal zetten. Maar in de linker bovenhoek stond dat Pipo zo zou beginnen. Dat kon tenminste geen kwaad. In de keukenhoek zette ik de lamp op een kast. Voor alle zekerheid legde ik er een bakblik onder, want die dingen konden goed heet worden. Over het drooglijntje dat ik daar had gespannen, hing ik een dubbelgevouwen, wit laken. Het licht was nog steeds fel maar al flink getemperd. Als ik even wat meer tijd had, moest ik eens uitzoeken of ik de spanning kon halveren. Dat zou misschien beter te verdragen zijn en mogelijk ook veiliger.

Nu de furby’s naar Pipo zaten te kijken, kon ik mooi even een biertje drinken. Ik ging aan de keukentafel zitten en pakte het Stadsblad van vorige week. Op bladzijde drie stond een artikel over de miljonairsfair die over twee weken zou beginnen. Dit jaar was het kernthema “verantwoord omgaan met exotische dieren”. Ik legde de krant weg en dronk bedachtzaam van mijn bier, terwijl ik genoot van het uitzicht op het schitterende plan dat zich begon te ontvouwen.

 

Vreemd genoeg was ik helemaal niet zenuwachtig meer toen ik eindelijk achter mijn quasi-exotisch aangeklede tafel op de miljonairsfair zat. Dat kwam niet zozeer door de pillen die mijn huisarts had voorgeschreven, als wel door de carrousel van emoties waarmee de voorbereidingen voor dit moment gepaard waren gegaan. Het wachten op de entree van de eerste gasten was bijna een vakantie.

De kooitjes waren nog gemakkelijk geweest. Carlos van Universe Dump was met kooien op de proppen gekomen nadat ik hem ervan beschuldigd had dat hij de oorzaak was van mijn financiële ellende. Na een dagje poetsen met het middel dat Carlos erbij had gedaan, hadden de kooien precies de juiste, tropische uitstraling.

De nieuwe vriend van mijn moeder had me het inschrijfgeld geleend ondanks haar niet aflatende waarschuwingen dat hij het gegarandeerd kwijt was. Mijn vermoeden dat hij een onderwereldfiguur was, werd bevestigd toen hij me verzekerde dat mijn moeder me niet zou kunnen helpen als ik het niet terugbetaalde.

Dat alles zou echter niets geholpen hebben als ik niet de hulp had ingeroepen van mijn oude studievriend. Timothy was computerwizard en kunstenaar in één. Hij had niet alleen de door de organisatie van de fair vereiste documenten gemaakt, maar hij had ook nog op diverse plaatsen op het internet informatie gedumpt over de beestjes. Het was allemaal zo goed doortimmerd dat ik het zelf bijna geloofde. En zijn trouwpak was ook welkom geweest, al was het een maatje te krap.

Ik was door de organisatie neergepoot in een dubieuze uithoek met voornamelijk onbekende soorten kleinere dieren. De uitdossing van de verkopers, die mij met argwaan bekeken, was er niet minder om. Piekfijn verzorgde heren met de pretenties van filmsterren en slanke dames in sexy cocktailjurkjes drentelden om elkaar en hun fauna heen. Ik had nog weinig van mijn koopwaar laten zien, over elke kooi hing een fluwelen doek.

Net toen ik weer op mijn horloge keek, zag ik dat het tafereel omsloeg. Gesprekken werden afgebroken, lachjes bestierven in de lucht, koffiebekertjes verdwenen spoorloos. Iedereen stond ineens bij de eigen stand. De heren hesen hun broek op, trokken hun stropdas recht en brachten hun manchetten op de voorgeschreven lengte onder de mouwen van hun jasjes. De dames rangschikten hun decolletés en splitten, schoven armsieraden recht en haalden een hand door hun haar.

Ze hadden zich niet hoeven haasten. De afdeling met ocelots, agoeti’s en okapi’s trok de meeste aandacht. Slechts één stel was kennelijk niet op het grotere werk uit en liep onze kant op. De man leek me een goed geconserveerde zeventiger, die me vaag bekend voorkwam. De vrouw was andere koek. Ik vroeg me af of Brigitte Bardot indertijd ook op die manier alle ogen naar zich toe gedwongen had. Alleen was deze vrouw op alle fronten rijker uitgemonsterd. Ik vroeg me af hoe kort geleden ze haar achttiende verjaardag had gevierd.

Terwijl de man vooral leek te genieten van de aandacht die de vrouw trok, keek ze vluchtig naar de dieren op de tafeltjes. Halverwege leek ze het gezien te hebben. Ze legde een hand op de borst van de man, die knikte en zich omdraaide. Ze keek nog één keer om en zag toen mijn fluwelen doeken.

Zonder haar man te waarschuwen, liep ze snel naar mijn tafel. Haar stem bestendigde mijn totale betovering alleen maar.

‘Hallo meneer, wat hebt u onder die doeken? Mag ik kijken?’

Kennelijk reageerde ik niet, hoewel ik toch het gevoel had dat mijn mond openging.

‘Is alles goed met u? U hebt toch niks gebruikt, hoop ik.’

Ik zag een stralende lach die overging in een diepe frons. Ik kwam bij zinnen. Snel stond ik op, terwijl ik iets probeerde te stamelen.

‘Nee nee, alles goed, hoor. Het was meer, nou ja ik bedoel, uw verschijning bracht me in een soort trance, denk ik.’

Ze keek me even aan, glimlachte flauwtjes.

‘Ja, dat gebeurt helaas wel vaker.’

Oei, slechte beurt gemaakt. Maar ze liet me geen tijd voor schaamte.

‘Wat zit er onder die doeken? Mag ik ze optillen?’

 

Ik maakte een gebaar dat ze haar gang kon gaan. Heel voorzichtig tilde ze een doek op. En gaf toen een gilletje. De furby gilde terug. De vrouw stond nu met haar hoofd te schudden.

‘Dit zijn helemaal geen dieren, dit zijn furby’s. Zo heb ik er thuis ook nog twee. U denkt toch niet dat ik hier intrap.’

Ze keek me nu boos aan. Ik moest snel handelen voor ze weg zou lopen.

‘U weet dus hoe een namaak furby voelt. Wilt u deze eens vasthouden?’

Ze aarzelde, duidelijk niet van plan mee te doen aan een scam. De furby kwam tussenbeide, iets te luid fluisterend.

‘Tering hé, wat een meloenen. Deze moet je niet laten gaan, Anders, zo’n vrouw vind je nooit meer. Vooruit, vraag of ze een frietje met ons gaat eten.’

Ik wenste me ter plekke naar een andere planeet. Tot ik zag dat de vrouw de vleesgeworden verrukking begon uit te beelden. Het leek wel of ik naar een oude Fellini zat te kijken. Ze hield haar handen in elkaar geslagen voor haar borst en de uitdrukking op haar gezicht was een mengeling van een beginnende lach en opperste verbazing. Dat werd nog erger door de kreten uit de andere kooitjes.

‘Haal weg die doek.’

‘Pipo, koeien!’

‘Ik wil haar ook zien.’

‘Anders, laat me meegenieten, toe.’

Ik trok de doeken weg. De vrouw bereikte nu duidelijk een kookpunt. Ze pakte me bij mijn arm.

‘Zijn, zijn ze echt? Mag ik er één vasthouden?’

Ik haalde de eerste furby uit de kooi en zette hem op haar arm. Ik zag hoe haar adem even stokte. Voorzichtig begon ze de furby in zijn nek te kriebelen, op de manier waarop je dat bij een kat zou doen.

‘Hé zeg, waar ben jij mee bezig? We zijn niet eens aan elkaar voorgesteld.’

De vrouw trok haar hand terug.

‘O sorry, ik wist niet .. Ik heet Angela. En jij?’

Voor de furby kon antwoorden, las ik snel het kaartje achter de kooi, want ik kon ze nog steeds niet uit elkaar houden.

‘Zij heet Boja, mevrouw.’

‘Hou je d’r effe buiten, Anders. Ik was met deze beeldschone dame in gesprek. Straks mag jij d’r hebben.’

Ik maakte een afwerend gebaar, terwijl ik zag dat de vrouw nu helemaal hoteldebotel van de furby’s was. Als ik me gedeisd hield, zouden ze gewoon zichzelf verkopen.

‘Toepasselijk naam Angela, lijkt op engel. Ik moest meteen denken aan Britt Ekland, maar dan veel knapper, natuurlijk.’

De vrouw slaakte een voorspelbaar kreetje van verrukking. Zelf stelde ik voor de zoveelste keer mijn visie op de furby’s bij. Een paar weekjes televisie kijken en ze legden onze ziel genadeloos bloot. Waren deze diertjes eigenlijk niet veruit superieur aan de mens?

Inmiddels ontstond op alle fronten beroering. De andere furby’s wilden ook bij de vrouw op schoot. De kraamhouders keken met onverholen afgunst naar de gebeurtenissen.

Angela’s mannelijke begeleider kwam gepikeerd aanlopen. Angela zelf had alleen maar oog voor Boja met wie ze een geanimeerd gesprek voerde. Het leek me een goed moment om haar mijn stoel aan te bieden. Ze zat nog niet of de man met de grijze manen legde een hand op haar schouder. Hij wilde een boze opmerking maken maar die bevroor ergens in zijn keel. Er kwam tenminste alleen maar een vreemde kreun uit zijn mond, toen hij de furby’s zag. De vrouw keek op.

‘Oh, Robert lieverd, deze dieren zijn geweldig. En slim, niet te geloven. Je moet er eentje voor me kopen.’

De man keek me nu aan. Hij greep mijn arm en trok me naar een rustiger plekje.

‘Freebies, of hoe heten die dingen, daar trapt toch echt niemand meer in. Hoe ben je hier in godsnaam binnen gekomen?’

Ik probeerde gekwetst te kijken en veegde voorzichtig zijn hand van mijn mouw.

‘Meneer, ik denk dat u aan furby’s refereert. Begrijpelijk, want zo noem ik ze zelf ook. Het zijn echter echte dieren, tot nu toe onbekend in het Westen. Ze zijn ongelofelijk slim, misschien zelfs slimmer dan wij. Als u me niet gelooft, moet u er maar eens één vasthouden, dan zult u wel voelen dat het geen mechaniek is.’

Hij keek me even wantrouwig aan, daarna ontspande zijn gezicht iets.

‘Goed, geef me maar zo’n beest. Maar als je een bedrieger bent, dan vraag ik het bestuur om je te verwijderen met je speelgoed.’

Ik reageerde hier niet op, maar duwde hem in plaats daarvan Bowie in zijn handen. Hij legde meteen een hand op de borst van het dier. Die was daar niet blij mee.

‘Hé, wat doe je nou, ouwe griezel? Betast je eigen.’

‘Geen paniek, vriend, ik wil alleen je hartslag even voelen.’

Bowie dacht hier over na.

‘Waarom dat dan? Je hebt toch zelf ook een hart. Voel daar dan aan. Maar wacht eens, ik ken jou. Ben jij niet die man die investeert in dubieuze bouwprojecten in het buitenland?’

De man schrok en keek om zich heen of iemand het gehoord had. Dat leek niet zo te zijn. Alle aandacht ging uit naar Boja, die haar handje tussen de borsten van Angela had gestoken, waar die om moest lachen. Toen Boja zag dat ik keek, wees ze naar me en fluisterde iets in haar oor. Ik zag nog net hoe Angela bijna dubbelsloeg voor ik me omdraaide. Inmiddels waren de man en Bowie in een gesprek verwikkeld. Ik probeerde iets op te vangen, maar ze spraken helaas op gedempte toon.

Plots sprong de man op. Hij drukte verwilderd de furby in mijn armen, fluisterde de mooie vrouw iets in haar oor en rende vervolgens weg.

‘Wat heb je hem in hemelsnaam verteld?’

‘Hm, beleggingsadviesje.’

‘Wat weet jij nou van beleggen?’ vroeg ik.

‘Meer dan hij.’

Ineens schoot me te binnen wie de man was. Ik had hem gezien in de Quote 500 toen ik potentiële klanten voor de furby’s aan het doornemen was. Hij investeerde vooral in megalomane, buitenlandse bouwprojecten die altijd de kwade geur van corruptie en uitbuiting om zich heen hadden hangen. Ik was blij dat hij opgehoepeld was. De stem van zijn mooie vriendin haalde me uit mijn overpeinzing.

‘We willen wel zo’n beest hebben. Wat kosten ze? En hoe moet je ze eigenlijk verzorgen? Wat eten ze?’

Ik vertelde haar alles behalve de prijs. Ze leek heel blij dat het strikte vegetariërs waren. En dat ze bij mij het doucheputje als wc gebruikten, vond ze ronduit vermakelijk. Maar ze liet zich niet afleiden en vroeg opnieuw naar de prijs. Haar gezicht vertrok tot een lelijke grimas toen ik het bedrag noemde.

‘O shit, dat vind Robert nooit goed. En ik vind het ook wel erg veel voor een beertje. Hiernaast koop je tien zeldzame ocelots voor dat geld.’

‘Hallo zeg, beertje, heb je ooit een beer ontmoet die kan praten? En dan nog in drie talen ook.’

Boja was boos en liet wat Franse, Spaanse en Engelse scheldwoorden horen. De anderen hadden zich omgedraaid in hun kooi. De vrouw beet op haar lip.

‘Tja mevrouw, het lijkt veel geld, maar deze negen lemmyins hebben me tot nu toe al meer dan een miljoen euro gekost. En ik wil ook nog wel wat verdienen.’

Ze beet weer op haar lip, maar nu anders, op een waanzinnig aantrekkelijke manier

‘Vreemd, waar heb je dat miljoen dan vandaan? Je ziet er niet uit als iemand die dat kan betalen.’

Ha, daar kon je op wachten. De omgang met het grote geld had haar karakter duidelijk nadelig beïnvloed.

‘Ik had dat geld ook niet. Maar nu is het mijn negatief vermogen als u begrijpt wat ik bedoel.’

Ze begreep het.

‘Oké, dan bied ik tweehonderdduizend. Onder voorbehoud dat Robert het goed vindt, natuurlijk.’

Ik kreeg een prettige tinteling in mijn buik. Met negen keer dat bedrag zou ik dik uit de moeilijkheden zijn. Voldaan keek ik om me heen. De tinteling verdween op slag. Er was iets raars aan de hand. De andere standhouders keken onveranderd vijandig. Maar overal zag ik slanke mannen en vrouwen in nette kleding die druk in hun mobiel aan het praten waren of er dingen op intypten. Zaakwaarnemers was mijn eerste ingeving. De jonge kerel in dat azuurblauwe pak had ik eerst bij een opgeblazen dikzak gezien. En die vrouw in dat mantelpakje stond eerst met een soort George Clooney te praten. Ze hielden me in de gaten. En ze kwamen dichterbij. De vrouw sprak me aan.

‘Meneer, neemt u me niet kwalijk, maar zou u mij iets willen vertellen over deze, uh, dieren? Wat zijn het precies, wat eten ze, hoe planten ze zich voort, hoe lang leven ze, waar komen ze vandaan?’

Voor ze verder kon gaan met vragen stellen, hief ik mijn handen op.

‘Ho, rustig aan, mevrouw. Op een heleboel vragen kan ik geen antwoord geven. Ik kreeg door een stom toeval deze dieren in mijn bezit. Waar ze vandaan komen, hoe lang ze leven en wat het precies zijn, weet ik niet. Ik weet wel dat ze zich ongeslachtelijk voortplanten en dat ze …’

Verder kwam ik niet.

‘Ongeslachtelijk voortplanten? Denkt u dat ik dat geloof. Ik ben bioloog. Zoogdieren die zich ongeslachtelijk voortplanten, bestaan niet. U bent toch geen charlatan, hoop ik.’

Ik moest even naar adem happen. Ze had natuurlijk gelijk, dat soort zoogdieren bestaat niet. Althans niet op onze planeet. Nu begreep ik ineens waarom het tv-kanaal er zo vreemd uit had gezien. Het was niet Chinees, het was buitenaards. Ik nam haar terzijde en vertelde haar op fluistertoon wat er gebeurd was.

‘Nou ja, het moet niet gekker worden. Zoiets kan helemaal niet.’

Doria kwam tussenbeide.

‘Hé, mevrouw de bioloog, wat weet jij eigenlijk van ons. Ik wed dat je nog nooit een lemmyin hebt gezien. En dan durf je zulke uitspraken te doen.’

Ik kon niet volgen wat er verder gebeurde, want er stonden twee mensen met hun mobieltjes te filmen. Iemand anders vroeg me nu naar de prijs van de furby’s. Een nerveuze man probeerde mijn aandacht te trekken. En Angela zat te schaterlachen. Achter haar zag ik haar vriend opdoemen. Hij had een verhit gezicht en zijn haar zat behoorlijk in de war. Hij smoesde wat met Angela.

‘Tweehonderdduizend!’ riep hij.

Hij schrok er zelf van en kwam meteen naar me toe. Hij bood vijftigduizend. Bowie hoorde het en trok aan zijn jasje.

‘Hé goof, ben je niet goed wijs of zo? Ik kan per dag miljoenen voor je verdienen. En dan bied jij een fooitje. Dat gaat mooi niet door, ik verhoog de prijs naar driehonderdduizend.’

De man en ik hapten tegelijk naar adem. De omstanders ook, want Bowie had nogal luid gesproken.

‘No way,’ zei de man. ‘Kom Angela, aan deze oplichterij doen we niet mee.’

Angela stond fronsend op met Boja op haar arm. Er leek zich een ruzie te ontwikkelen, maar de telefoon van de man maakte daar abrupt een eind aan. Hij snauwde iets tegen de telefoon. Gedurende het gesprek verdween de boze trek van zijn gezicht, hij stamelde af en toe een antwoord. Gek genoeg leek iedereen om hem heen de adem in te houden. Zelfs de furby’s waren stil.

De man liet de arm met de telefoon langs zijn lichaam zakken. Hij draaide zich om een keek naar Bowie.

‘Je had gelijk,’ zei hij.

‘Zei ik toch. Hoe jij zo rijk bent geworden, snap ik niet, want je weet duidelijk niks van beleggen.’

De man wierp zijn hoofd achterover en lachte uitzinnig. Angela drukte Boja tegen zich aan en deed een stap naar achteren. De uitbarsting duurde maar een paar tellen. Daarna keek hij me aan.

‘Akkoord,’ zei hij, ‘driehonderdduizend. En we nemen Bowie meteen mee.’

Ik lachte gelukzalig, net als Angela trouwens. En toen realiseerde ik me pas dat ik er niet over nagedacht had hoe de betaling van zulke grote bedragen zou gaan. Zou ik een cheque krijgen? Hoe wist ik dan of die gedekt was? En wat als iemand contant zou betalen? Ik zou een uur bezig zijn met tellen. Ik zag dat de man inderdaad al een chequeboekje uit zijn jasje had gehaald. Hij wenkte me om de deal af te handelen. En bevroor toen hij de jonge man in het azuurblauwe pak zag.

‘Ho wacht,’ zei hij, ‘kan ik ze ook allemaal kopen? Voor, zeg twee miljoen.’

Het begon me allemaal naar het hoofd te stijgen. Ik had wel eens gelezen dat het omgaan met grote bedragen net zoiets was als dronken worden. En dat was inderdaad wat ik nu voelde. Maar het was niets vergeleken met de chaos die zich in de volgende tien minuten ontwikkelde.

Iedereen begon te bieden, er werd geschreeuwd, ik werd heen en weer getrokken en geduwd, mensen pakten een kooi en zwaaiden met een chequeboekje, ik kreeg koffertjes vol met biljetten in mijn handen geduwd, de furby’s gilden om hulp en riepen dat ze ontvoerd werden. Uiteindelijk omringde de beveiliging mijn stand, wat waarschijnlijk de reden is dat niemand er stiekem met een furby vandoor kon gaan.

Na afloop had ik zeven cheques in de zakken van mijn jasje en twee koffertjes met biljetten. Ik herinnerde me een warme kus op mijn wangen, maar wist niet eens zeker of die van Angela was. Om me heen kijkend zag ik dat alle furby’s weg waren evenals de pakketjes met verzorgingsinstructies die Timothy gemaakt had. De andere standhouders bekeken me met een mengeling van afgunst en bewondering, althans zo interpreteerde ik hun blikken. Eentje was aan het inpakken. Ik voelde een hand op mijn schouder, een beveiliger.

‘Als u wilt, kunnen we u begeleiden naar een van onze bankkantoren. Want het lijkt me niet veilig om met zulke sommen over straat te gaan.’

 

Precies een maand later stak ik de sleutel in het slot van mijn flatje. Ayam zat op mijn rug te doezelen in de babycarrier die ik voor haar had gekocht. Ik trok de trolley over de drempel en deed de deur dicht. In de spiegel keurde ik mijn zonovergoten kleur. Het zag er beter uit dan dat bleke sproetenfestijn van een maand geleden.

Het eerste wat ik gedaan had na het bijkomen van het bezoek aan het bankfiliaal in het beursgebouw, was een vakantie in Griekenland boeken. Alle cheques bleken gedekt en met de contanten mee was het totaalbedrag op ruim drie miljoen uitgekomen. Ik had de volgende dag mijn bank opdracht gegeven om de rekening voor Ayam te betalen, want zelf werd ik geen wijs uit de betaalinstructies. Bij een reisbureau had ik een hotelvilla aan een baaitje geboekt, waar alleen Grieken vakantie vierden.

Dat bleek een gouden keuze. De Grieken accepteerden Ayam zonder lastige vragen. En omdat ze na een dag al Grieks sprak, had ik ook prima contact met de lokale bevolking en de vakantiegangers. Elke avond werden we uitgenodigd aan een andere tafel en niemand voelde zich gepasseerd. Wat een fantastische mensen.

Ik zwom dagelijks een paar keer in zee, terwijl Ayam op veilige afstand toekeek. Ze hield niet van zwemmen. Al snel had ze een mooie vrouw voor me geregeld zodat ik eindelijk leerde hoe “de lepel in de suikerpot moest” om met mijn oma te spreken. Ze ging helaas aan het eind van de week weg, maar Ayam had de volgende dag al een vervangster aan de haak geslagen. Deze vakantie was met lichtjaren voorsprong de mooiste tijd van mijn leven.

In de woonkamer viel mijn blik op de rare schotelantenne. Ik had er gemengde gevoelens over. Hij had me aanvankelijk diep in de problemen gebracht. Maar nu was mijn leven in een prettig vaarwater gekomen, wat indirect aan diezelfde antenne te danken was. Maar ik liet me niet in verleiding brengen, het ding moest weg en wel zo snel mogelijk.

Nadat ik Ayam een paar stengels van de onderweg gekochte bleekselderij had gegeven, ging ik op zoek naar mijn gereedschapskoffertje. Op dat moment klonk er een harde roffel op de voordeur. “Politie, doe open.” Ik schrok me te pletter. Snel rende ik naar de voordeur.

‘Anders Mutart?’ vroeg de voorste man die een identiteitsbewijs toonde.

Ik knikte. “BVD” had ik in de gauwigheid gelezen.

‘We willen met u praten. Mogen we binnenkomen?’

Verbluft stapte ik opzij en wees naar binnen. Behalve de eerste man kwamen nog een vrouw in burger en twee gewone politiemannen naar binnen. In de hal stelden zich twee zwaarbewapende politiemannen op met mitrailleur en kogelvrijvest. Dat laatste vond ik nog het meest verontrustend. Binnen stelden de man en de vrouw zich aan me voor. De vrouw nam het woord.

‘Ik zie dat we op het juiste adres zijn,’ zei ze, naar Ayam wijzend. ‘Mag ik u vragen hoe u aan dit dier bent gekomen?’

Ik wees naar de antenne en vertelde dat de eerste zender die ik ermee gevonden had een soort teleshopping kanaal was geweest. De uitzending was in een vreemde taal, mogelijk Chinees, en misschien was het daardoor dat ik per ongeluk dit dier had gekocht. De vrouw bleef me vragend aankijken zodat ik alles vertelde, inclusief mijn dure vakantie.

‘Hebt u tijdens die vakantie het nieuws gevolgd?’

‘Nee, daar had ik geen zin in. En bovendien geen tijd voor.’

De man die tot nu toe had toegekeken, haalde een paar opgevouwen kranten uit zijn binnenzak en vouwde die voor me open. De eerste was een Telegraaf van twee weken geleden. “Onbekende rattensoort teistert Wassenaar” stond er in grote letters op de voorpagina. Voor ik verder kon lezen, liet hij me een AD zien van een week oud. “Complete kippenfarm uitgemoord” was de kop. De laatste krant was van gisteren. “Explosieve toename mysterieuze moordratten” met een duidelijk foto van een hele massa furby’s. Ik liet de foto aan Ayam zien.

‘O nee, Anders, ze hebben verboden vruchten gegeten. Nu zullen er heel veel van komen, veel te veel.’

De andere aanwezigen reageerden verbaasd.

‘Kan dat dier praten?’ vroeg de man.

De vrouw keek hem even geringschattend aan en wendde zich toen tot Ayam.

‘Vertel eens kleine vriend, hoe zit dat met verboden vruchten?’

‘We moeten er niet van eten. Want dan komen er te veel van ons. Maar het gaat altijd zo. En als alle verboden vruchten op zijn, gaan we allemaal dood.’

Ayam begon zachtjes te snikken.

‘Wat bedoelt hij met verboden vruchten?’ vroeg de man.

‘Vlees, vis, ik weet niet precies, dierlijk eiwit in elk geval.’

‘Hoe snel vermenigvuldigen ze zich?’

‘Ayam kreeg direct na het eten van een muis negen jongen. Ik weet niet hoe snel die in staat zijn zich te vermenigvuldigen, maar ik vrees heel snel, want alles bij deze dieren gaat heel snel.’

De man keek de vrouw aan. Die leek diep in gedachten verzonken. Plots vertrok haar gezicht in een grimas.

‘Goeie god Jozias, dit is het recept voor een ramp. Misschien zijn er nu al miljoenen van die dieren. Over een week kunnen het er meer dan een miljoen keer zoveel zijn. We zullen allemaal opgevreten worden.’

‘Denk je echt? Maar .. OK, jij blijft hier, je hebt huisarrest. Probeer niet te ontsnappen, want ik zal opdracht geven je meteen neer te schieten. Jullie twee, organiseer een cordon rond dit pand. Kom op, Miranda, we gaan onmiddellijk alarm slaan.’

Twee tellen later was ik alleen met Ayam. Ik ging bij haar zitten en legde mijn hand op haar hoofd. Ze bleef snotteren. Zelf voelde ik me nog een beetje bibberig vanwege de inval. Ik probeerde mijn gedachten te ordenen. Maar ik kon alleen maar denken aan de exponentiële groei van het aantal furby’s. Zouden we er echt allemaal aangaan?

Bizar eigenlijk dat dit superintelligentie wezentje in zo’n dodelijke spiraal gevangen zat. Of waren er in haar wereld, op haar planeet misschien heel weinig andere dieren? Was het overwegend een plantenwereld met weinig prooidieren om op te eten? Of hadden ze misschien natuurlijke vijanden die de aantallen binnen de perken hielden?

‘Ayam, hebben lemmyins vijanden in jullie eigen wereld?’

Ze hield op met snotteren, keek me verbaasd aan en begon daarna harder te huilen dan voorheen. Ik vroeg het nog een keer.

‘Jjjjaaa, ulv .. ulvers’

Ulvers waren dus de vijanden van lemmyins. Zou dat misschien de oplossing zijn? Ik vroeg het.

‘Ze eten ons op. In … in één hap. Ze .. ze zijn groot en sterk.’

Ayam krulde zich helemaal op en snikte zachtjes verder. Ik keek naar de antenne. Eigenlijk wilde ik dat ding nooit meer aanraken, maar als we van de furbyplaag af wilden komen, dan zouden we hun natuurlijke vijand moeten importeren. Bovendien moest ik iets doen om te voorkomen dat ik de rest van mijn leven de gevangenis in zou gaan. Want ik maakte me geen illusies. Als ze het recht hadden om me neer te schieten, dan was ik vast al als zondebok aangewezen.

Ik zette de tv aan. Er verscheen een 3D portret van mijzelf. Hoe waren ze daar in godsnaam aan gekomen? De afbeelding golfde een beetje, vooruit en achteruit. Ik klikte hem aan, waarna een scherm verscheen met rijtjes onbegrijpelijke symbolen. Bij de bovenste stond de furby afgebeeld. Zou het een soort orderoverzicht zijn? De volgende twee begreep ik niet. Naast de vierde regel stond een in vakjes ingedeelde cirkel met plaatjes. Was dat de winkel?

Voor ik kon kiezen, verscheen een nieuw scherm. In het midden stond een furby. Eromheen stonden vakjes die met een lijntje met de furby verbonden waren. Het leken me accessoires, kammetjes, halsbandjes, spiegeltjes en …. wat was dat? Een plaatje met een hele massa furby’s. Zou dat iets zijn voor als je er teveel kreeg? Ik klikte er op in de wetenschap dat ik nu met rood terug kon.

Het volgende scherm was even schrikken. Er stond een weerwolf afgebeeld met een onnatuurlijk grote bek. Het beest stond op zijn achterpoten en had geen haren maar een soort dinosaurushuid. Zou dat de ulver zijn? Ik tikte Ayam op haar rug en vroeg haar om te kijken. Ze gilde en stoof naar de slaapkamer, vanwaar ze angstig riep om de afbeelding weg te doen. Dit was dus een ulver. Het was geen aantrekkelijk gezicht. Zou ik zo’n beest durven bestellen. Stel nou eens …

Ik had kennelijk mijn aanwijspijltje over de afbeelding bewogen, want Yoda verscheen in beeld.

‘Jaja tikki bon sin,’ zei hij.

Hij trok een riem naar zich toe waar een ulver aan vastzat. Het dier was groter dan hijzelf, maar het ging kwispelstaartend naast hem zitten. Vervolgens zette Yoda een kooitje met een furby neer. Het dier sprong er bovenop, slikte het kooitje in zijn geheel in, slaakte een grauwende kreet en spuugde vervolgens de fijngemalen resten van het kooitje weer uit. Daarna ging het op zijn achterste zitten en liet zich over de kop aaien door Yoda.

‘Tikki bon jaja, sin mala jam’

Mijn hart klopte in mijn keel. Dit was gruwelijk. Kon ik die arme furby’s zoiets aandoen? Konden we ze niet gewoon doodschieten? Of vallen zetten met muizen als lokaas? Op dat moment hoorde ik een luide knal. Ik keek om en zag de voordeur scheef hangen. De BVD-man stormde met opgeheven vinger op me af.

‘Jij idioot, weet je wat je gedaan hebt? Die beesten zijn overal, ze vreten al het vee op. En dat niet alleen, er worden steeds meer mensen als vermist opgegeven. Hoe komen we ervan af? Het zijn jouw dieren, dus jij mag het oplossen.’

Hij had zijn handen om mijn hals geslagen en drukte mijn keel dicht; hij wilde me wurgen. Maar zijn greep verslapte.

‘Wat is dat in godsnaam?’ zei hij, naar de tv wijzend.

‘Tikki bon jaja, sin mala jam,’ zei Yoda.

Ik wreef over mijn pijnlijke keel. Ik moest een paar keer slikken voor ik met enige moeite kon praten.

‘Dat is een ulver. Die eet furby’s.’

De man keek afwisselend van het scherm naar mij. Toen klaarde zijn gezicht op.

‘Je hebt een oplossing gevonden, geweldig. Misschien ontloop je zo levenslang. Vooruit, hoe komen we aan een legertje van die beesten?’

‘Je kunt ze bestellen via dit kanaal. Maar ik weet niet of …’

‘Niet zeuren. Is dat de afstandsbediening? Geef op’

Ik sputterde nog wat tegen, maar hij had hem al gepakt. Hij vroeg hoe het werkte. Ik besefte dat ik er niet onderuit zou komen en vertelde het hem. Alleen draaide ik de kleuren om, zodat hij op rood zou drukken om te bevestigen. Na enkele pogingen had hij een container vol met ulvers in beeld.

‘Die moeten we hebben, want met één zo’n beest krijgen we de plaag nooit onder controle. Rood om te bevestigen, zei je?’

Ik knikte en hij klikte. Op groen.

‘Je dacht zeker dat ik gekke henkie ben,’ zei hij met een grijns.

Het scherm toonde de gebruikelijke afhandeling door Yoda. Even later kwam één van de zwaarbewapende mannen binnen.

‘Inspecteur, er is hier een vrachtwagenchauffeur met een bestelling voor deze meneer.’

Jozias keek me aan met de grijns die op zijn gezicht leek genageld. Daarna draaide hij zich om en liep naar de deur.

‘Inspecteur, Jozias, wacht, denk na. Wat doen de ulvers straks als ze alle furby’s hebben opgegeten?’

Hij keek me aan en de grijns verdween. Hij wilde wat zeggen, slikte het in, dacht even na. Toen hief hij zijn vinger naar me op.

‘Als het fout loopt, zul jij het bezuren. Daarom blijft jouw huisarrest gehandhaafd. En waar is die furby van je? Ik neem hem mee voor onderzoek. We zullen ook zo’n, hoe heet dat beest, uiver achterhouden, zodat we iets kunnen ontwikkelen om ze uit te roeien.’

Hij begon te zoeken. Binnen de kortste keren had hij Ayam gevonden onder mijn bed. Hij zag het kooitje in de hoek van de slaapkamer en stopte haar er in. Daarna liep hij naar de deur.

‘Bedankt voor de tip,’ zei Jozias over zijn schouder.

Ik stond aan de grond genageld. Tranen sprongen in mijn ogen vanwege de hulpkreten van Ayam. Ik kon niets meer voor haar doen. Mijn blik viel op de tv. Mijn verdriet sloeg om in razernij. Ik trapte mijn scherm van de tafel en daarna ging ik op zoek naar mijn gereedschapkoffertje. Ik pakte een waterpomptang en begon als een bezetene de bouten van de antenne los te draaien. Zodra hij los was, smeet ik hem van het balkon.

Van beneden kwam een woedende kreet. De antenne was pal naast Carlos van de dump op straat gekletterd. Jammer, hij had hem op zijn kop moeten krijgen. Ik pakte gauw de afstandsbediening en gooide die naar hem. Hij sprong opzij en stak een vuist naar me op, terwijl hij allerlei verwensingen uitte. Daarna beende hij naar de hal van het gebouw. Ik haalde mijn schouders op. Die zou niet langs mijn bewakers komen.

In de volgende weken werd mijn vrees bewaarheid. Ik had een ouderwetse tv die ik als siertafeltje gebruikte aan de praat gekregen. Aanvankelijk toonden de journaals positieve berichten. De furby’s werden afgeslacht. Na twee weken was het probleem vrijwel opgelost, mede doordat ook de ulvers zich razendsnel voortplantten. Maar helaas hadden ze ook allemaal honger. Ze stapten soepeltjes over op huisdieren en de ledematen van hun baasjes.

De dag na de nieuwsuitzending met deze alarmerende berichten stormde Jozias binnen met een paar agenten. Hij vroeg me of ik het nieuws gezien had. En daarna of ik nog een oplossing wist voor de huidige problemen. Ik schudde mismoedig het hoofd. Hij liet me handboeien omdoen en troonde me met een grimmige trek op zijn gezicht naar de voordeur.

Daar werd hij staande gehouden door een hoge politieofficier. Achter hem stonden diverse mensen en iemand die op een kikvors leek. De officier hield een papier voor de neus van Jozias.

‘Het spijt me inspecteur, maar ik moet deze verdachte van u overnemen. Hij blijkt een schuld te hebben van driehonderdenzestig miljard euro. Op basis van inter eh… stellair recht is hij veroordeeld tot honderdentienduizend jaar dwangarbeid. U kunt dit arrestatiebevel als bewijs overleggen aan uw superieuren.’

Jozias keek me woest aan. Boven zijn linkeroog was een zenuwtrekking verschenen. Hij plaatste zijn wijsvinger op mijn neus.

‘Daar kom je dan mooi mee weg, mannetje. Wat mij betreft was het de galg geworden.’

 

Ik lach nog steeds om deze krankzinnige situatie. Dwangarbeid is vast geen lolletje, maar hoe lang heb ik in hemelsnaam nog te gaan. En bovendien is het op aarde nu ook niet leuk. Alle leven dreigt opgevreten te worden door de ulvers. Nee, die dwangarbeid is helemaal zo slecht nog niet. De man naast me tikt op mijn arm.

‘Ik denk dat je het mis hebt. Ze kennen methoden om je eeuwig in leven te houden. In het begin word je gekloond. Die klonen worden ingevroren en leveren de onderdelen die vervangen moeten worden. Het ergste schijnt te zijn dat je je na honderdduizend jaar echt zo oud voelt, terwijl je lichaam er uitziet alsof je nog dertig bent.’

Ik vervloek Carlos en zijn dumpwinkel.

Elvis Moet Dood – Bo Balder

De King moest dood. Dat was de enige manier om ooit een normaal leven te krijgen.

De avond begon normaal. Mijn benen pompten rond op de fietsgenerator zodat ma kon strijken en tv kijken. Niks interessants natuurlijk. Er wordt al veertig jaar niks meer uitgezonden, en maar heel soms druppelt er nieuws van buitenaf binnen. Meestal slecht nieuws, niet dat dat iets uitmaakte, ik wou toch weg. Wie wou er nou in Las Vegas blijven? Geen werk, geen opleiding, geen hoop.

Ma keek naar de zoveelste herhaling van Star Trek. Spock, in een raar pakje en met een sik, zei: ‘Mister Sulu, zet een phasersalvo op de Halkansteden klaar.’

Toen begon ma’s kont te draaien, en meteen kreeg ik kramp in mijn maag. Ze danst alleen voor die overjarige popster, de King. Ook bekend als Jezus, of de Wederopstanding. Ik snapte alleen niet hoe hij de Wederopstanding kon zijn, want we beleven bepaald niet het Duizendjarig Vrederijk. Joey zegt dat alle ellende in de wereld is begonnen toen de King net-niet-dood ging in 1977.

‘Ma!’ zei ik. De eerste misselijkheidssignalen prikten over mijn huid. Ik kreeg kippenvel van top tot teen. Zweet ontsproot uit mijn voorhoofd. ‘Ik zit vlak naast je. Zet uit!’

Ma schrok op. ‘Sorry Jesse Garon, je was zo stil, ik was vergeten dat je er ook was.’

Toen ma naar de tv liep om hem uit te zetten, stuiterden schuddende heupen en een gitzwarte haardos in beeld. Ze begon onwillekeurig te swingen en kleunde het strijkijzer in de wasmand. Het signaal werd sterker en denderde de huiskamer in.

Dit ging niet meer goed komen. Ik redde het strijkijzer, trok de stekker eruit zodat ma dat niet hoefde te doen en werkte mezelf de zitkamer uit. De lucht voelde zo dik en kleverig aan dat ik bijna niet kon ademen. Ik haalde de badkamer maar net, onder begeleiding van de honkeplonkgeluiden van ‘Such a Night’, ma’s lievelingslied.

Ik had wat afgekotst als kind, tot ma er eindelijk achter kwam dat Hij het was die me die rare dingen deed uitbraken. Deze keer waren het vreemde munten en een paar haveloze twee-dollar biljetten. Dat klinkt misschien leuk, maar iedereen weet dat twee-dollar biljetten niet bestaan dus ze kwamen niet uit de normale wereld.

Such a Night‘ brak af in het midden van het woord ‘kiss’. Gelukkig, de accu was leeg. De stilte was verrukkelijk, nasuizend op de echo’s van die laatste ‘s’. Ik steunde mijn klamme voorhoofd tegen het koele porselein van de wc. De misselijkheid trok weg. Ik greep in de stapel voorgescheurd krantenpapier om mijn voorhoofd af te vegen. Zweetdruppels zo groot als knikkers, echt waar.

Ma kwam binnen toen ik mijn mond aan het spoelen was. Haar gezicht in de spiegel zag er schuldbewust uit. ‘Sorry, schat. Meestal ben je al weg om deze tijd.’

‘Geeft niks, ma. Ik ben zo weg. Dan kan jij rustig naar je ouwe rocker kijken.’

Ze pruttelde nog wat, maar dat was alleen voor de vorm.

Ik griste pa’s schimmelige ouwe voetbaljack van de kapstok, checkte of ik mijn sigaretten en portemonnee bij me had, en bats, daar smakte de eerste regen al op het dak. Ik had het waarschijnlijk niet aan voelen komen door de misselijkheid. Ze zeggen dat het vroeger bijna nooit regende, hier in Las Vegas, maar het regent allejezushard nu. Ik voel het altijd kriebelen in mijn binnenoor wanneer er een bui aankomt. Ik hees me in mijn oliejas, regenbroek, helm en laarzen. Ze roken naar rottend kikkersap. Dat kreeg je er nooit echt uit.

Het dak daverde van de klappen van de aanzwellende neerslag. Pa en ma hadden tenminste een nieuw dak laten leggen toen de regens begonnen. Een hoop van onze buren hadden dat niet, en ongeveer de helft van de huizen in de straat was daardoor totaal verkrot, de daken doorgezakt door het gewicht van al die kikkerlijkjes. Je kunt je wel voorstellen hoe dat rook. Niet de meest gewilde buurt, die van ons. Het is een Toeristenbuurt, voornamelijk bewoond door mensen die hier gestrand waren tijdens de Omslag.

Het idee dat ik hier de rest van mijn leven moest doorbrengen, tussen de kikkers en de verkruimelende restanten van het verleden, was onverdraaglijk.

Ik ontvouwde mijn paraplu van oliedoek en dook de regen in. De helm was pure noodzaak. Eén kikker weegt niet veel, maar als die van god weet welke hoogte omlaag komt zetten, komt dat toch heel hard aan. Ik heb volwassen mannen neer zien gaan door een kikkerslag.

Mijn vader. Ik miste hem nog steeds.

Maar kikkers zijn niet alleen eetbaar, ze bevatten ook vocht. Wat zou er van ons geworden zijn zonder kikkers? We boften maar, hier in Vegas. Ik weet bijna zeker dat sprinkhanen, zoals ze in Utah hebben, niet zo breed inzetbaar zijn als kikkers. Ook al was het niet makkelijk een Toeristenkind te zijn, ook al hebben we het moeilijker dan de ingezetenen, wij kregen toch eten en drinken uit de hemel.

Ik nam de kortste weg binnendoor via het Flamingo Casino naar de Dunes. Ik stak de Strip over, zigzaggend tussen de overwoekerde autowrakken door. Het gerucht ging, dat er echt werkende gokmachines zouden worden aangevoerd via de nieuwe spoorlijn, en daarna echte toeristen van buiten de stad. Mijn vrienden en ik hoopten eigenlijk dat het niet door zou gaan. Wij hadden als kind zoveel gespeeld in de lege, vervallen casino’s dat we ze helemaal niet wilden afstaan aan toeristen. Wij waren de Toeristen, en we waren trots op die geuzennaam.

Als het regent, regent het goed, zeggen ze in Vegas, en de straten waren al enkeldiep met kikkers bedekt. Sommigen leefden nog, en een hele familie kwakers werd verorberd door verfomfaaide flamingo’s die behendig door de kikkerregen dansten. Voor hen moet Las Vegas wel zo ongeveer de hemel zijn.

Ik schudde de paraplu uit om de kikkerresten eraf te krijgen, voordat ik door de Flamingo naar de Strip liep. Ma zegt dat je vroeger ook altijd een hoed op moest in Vegas – maar dan niet tegen de kikkers, maar tegen de zon! En zonnebrandcrème, vliegtuigen in de lucht, en auto’s en iedere dag andere muziek. Echt moeilijk om je voor te stellen.

Dwayne was nergens te bekennen, maar Joey troonde al op een barkruk in de Dunes, wachtend tot de regen zou ophouden en onze dienst zou beginnen. ‘Ik dacht al dat ik je hier zou zien toen ik Hem op de tv zag.’

We dronken wat in kameraadschappelijke stilte en knaagden aan onze hot frogs in chilisaus. Mijn keel deed nog steeds zeer van de dollarbiljetten, maar eten en drinken hielp wel.

‘Mijn oma denkt dat Elvis Jezus is,’ zei Joey.

‘Zij en iedereen. En zeg zijn naam nou niet, eikel. Wil je behalve munten en knikkers ook mijn hot frog over je nieuwe broek heen?’ Ik slikte een zure oprisping weg. De King verklootte mijn spijsverteringsprocessen op alle mogelijke manieren.

Joey grijnsde verontschuldigend, maar aan de manier waarop hij peinzend door kauwde, kon ik zien dat er nog meer ging komen. ‘Zijn dood en herrijzenis zijn het allerbelangrijkste wat er ooit gebeurd is. De Wederopstanding.’

‘Ja en?’ snoof ik.

‘Ma zegt dat oma zich aan het leven vastklampt omdat ze erbij wil zijn als Hij dood gaat.’

Ik legde mijn broodje neer. Geen trek meer. Maar ondanks de dreigende misselijkheid vrolijkte de gedachte aan Zijn dood me op,

‘Waarom?’

‘Omdat als Hij doodgaat, hij linea recta naar de hemel gaat en haar meeneemt.’

‘Jouw oma? Waarom zou Hij haar nou speciaal meenemen?’ zei ik.

Joey rolde met zijn ogen. ‘Niet alleen haar! Iedereen. De Dag des Oordeels.’

De misselijkheid kwam weer op.

Ik boerde en hoestte een geel met blauwe knikker op. Het had erger gekund.

‘Hé, zullen we jouw oma blij maken? En dan wordt jouw moeder ook weer wat vrolijker, als je oma in de hemel is en zo.’

Had ik dat echt gezegd?

Ja, dat had ik. En de gedachte die achter die woorden schuilgingen waren nog erger. Maar ik wilde het doen. Ik wilde het echt heel graag doen. De hemel was zo ongeveer de enige manier om ooit uit Las Vegas weg te komen, voor mij en Joey.

We hadden leegstaande casino’s, twee uur herhalingen op tv iedere dag, en de kikkers. Onze ouders en iedereen van hun generatie zeurde altijd over hoe het leven zoveel beter was, toen ze nog spijkerbroeken met wijde pijpen droegen, toen Vietnam nog belangrijk was en iedereen bang was voor de Sovjet-Unie. Toen verbrandingsmotoren nog werkten en de zon nog scheen. Misschien was er wel zon in de hemel. Niemand die me dat kon vertellen.

Joey likte zijn vingers af terwijl hij me aankeek. ‘Ga je hem doodkotsen of zo? Zoals toen je kiezelsteentjes spuugde en mij een blauw oog bezorgde?’

Ik staarde hem in de ogen zo lang als ik kon. ‘Het is vast een héél stom idee.’ Ik zag dat Joey begreep dat ik het tegenovergestelde bedoelde.

 

#

 

Een maand later, toen ik terugkwam van het kikkerruimen, was ma weer braaf mijn onderbroeken aan het strijken, om de insecteneitjes uit het waswater te doden en schimmel te voorkomen. De tv was aan, dus ze had zelf de accu opgeladen. Weer dezelfde Star Trek aflevering. ‘Dit is niet ons universum, niet ons schip. Een parallel universum dat met het onze co-existeert op een ander dimensioneel niveau,’ zei Kirk. Niet mijn favoriete aflevering.

Ma had vast pret gehad met de Here, ik bedoel de King, helemaal in haar eentje. Ik gaf haar een kus.

‘Was het leuk?’

Ze straalde er nog van. ‘Hij is nog zo knap, ook al verft hij zijn haar. Hij zei dat Jezus hem had gered. Dat hij wel dood had kunnen zijn, als hij zich niet had bekeerd en berouw had getoond over zijn slechte daden.’

Ik vond een punt pizza alla ranocchio in de ijskast. ‘Maar hij stopt toch niet met zijn zondige songs en het shaken met zijn dikke ouwe kont?’

De pizza viel als een baksteen in mijn rillende maag. Ik had het niet over hem moeten hebben.

Ma perste haar lippen op elkaar. ‘Nou, hij moet er toch van leven.’

‘Ma, ik kan er niet tegen als we over hem praten, oké? Ik ga naar bed.’

Ze draaide aan haar schort. ‘Ik moet er wel over praten, schat. Hij komt naar Las Vegas. Hij treedt volgende week op ter ere van 17 augustus. Om de nieuwe spoorlijn te vieren. Ze sturen een speciale trein. Misschien moet je wel een tijdje de stad uit.’

Ik gooide het restje pizza in de vuilnisbak, mijn moeders geschokte protest over voedselverspilling negerend. ‘Wat! Op mijn verjaardag, hoe halen ze het in hun hoofd?’

‘Er was een speciale uitzending. En kijk me niet zo aan. Ik kan er toch niks aan doen?’

‘Natuurlijk niet, ma. Je hoeft er niet meteen een drama van te maken.’

Maar het zat me niet lekker. Integendeel.

Waarom zou ik het huis uit moeten op mijn verjaardag alleen maar omdat een wedergeboren zanger in al zijn vergane glorie naar ons toe kwam? Waarom had alles wat hij deed een negatieve invloed op mijn leven?

Als hij naar Vegas kwam, was het nu of nooit. Er moest een einde komen aan het kotsen, mijn kapotte keel, de dagelijkse angst om zijn muziek te horen. Of ik nou in de hel of naar de hemel terecht zou komen, de King moest dood.

 

#

 

Joey’s antieke rugzak hotste op en neer toen we ons over het ruwe terrein worstelden, overal nieuw opschietend struikgewas en de stenen glibberig van korstmos en mos. De wegen en straten van Las Vegas zijn sinds 1977 niet onderhouden natuurlijk, maar dit was nog een graadje erger. De ouwe legerschoenen van mijn vader – je vraagt je af waarom hij die bij zich had op zijn huwelijksreis naar Vegas – waren me veel te groot, maar de enige alternatieven waren slippers van oude banden.

‘Weet je zeker dat we goed gaan?’ riep ik naar Joey.

Hij stopte en schopte tegen iets dat net naast het pad lag. ‘Vrij zeker. Kijk maar.’

Ik zwoegde naar hem toe. Eerst leek het net of hij een hoop groen mos en struikgewas aan het schoppen was, maar toen zag ik dat het een skelet was. Het was nog steeds gekleed in zijn polyester vrijetijdspak – zo goed als onverwoestbaar door de alomtegenwoordige schimmel, ik droeg dat van mijn vader nog steeds – en had wat vage repen stof en een lege waterfles in zijn ontvleesde handen geklemd.

Joey bukte zich om de kostbare fles te pakken. Glas breekt, en we kunnen geen nieuw maken. In een opwelling wroette ik in de broekzak van het geraamte. Dat is waar toeristen hun portemonnees bewaren. En ik vond er één. Nepleer, gelukkig, of de woestijnbewoners zouden hem al lang hebben opgegeten. Niet dat het nu nog een woestijn is, met de mist en de kikkers, maar we noemen het nog steeds zo. Ik pelde voorzichtig de dichtgeschimmelde vakjes open. De verbleekte foto op het rijbewijs staarde me suf aan. Ik zag de vierkante vormen van lopers, zoals mijn moeder credit cards noemt. Die ik uitbraak zijn veel glimmender en hebben meer kleuren.

Ik vond zelfs wat slap oud geld. Maar het was de foto op het rijbewijs die me fascineerde. Hij zag eruit als een filmster, zo gezond en weldoorvoed. Bolle wangen. Wat aten mensen vroeger eigenlijk?

‘Waarom doe je dat?’ vroeg Joey. ‘Hij is dood. Hij is een van de Zeventigduizend, hij heeft geen familie in Vegas. Geen beloning.’

‘Ik wil gewoon weten hoe het vroeger was. Ma wil er nooit over praten,’ zei ik. Ik liet de portemonnee op het trainingspak vallen.

We keerden ons af van het sneue geraamte en begonnen weer te lopen. We kwamen nog meer kaalgevreten en groen uitgeslagen botten tegen. Ze noemen het een begraafplaats, maar niemand heeft ooit alle zeventigduizend Toeristen die besloten naar huis te lopen, geteld of begraven. Dat had ook niet gekund, zonder werkende graafmachines en zo. Toen ik nog klein was, kon ik maar niet begrijpen hoe zoveel mensen dood hadden kunnen gaan, maar een paar uur lopen van hier, maar ma had het me uitgelegd. Hoe heet het toen was, en hoe snel je uitgedroogd en uitgeput kon raken – vooral als je een iets te zware toerist was van middelbare leeftijd met een kater. Het zal wel.

‘Daar is de spoorlijn al,’ wees Joey.

We sjokten erheen om de rails van dichterbij te bekijken. De bielzen waren helemaal volgekladderd. ‘Johnny is op Anita’, ‘In Memoriam Dick, ploeg 44.’ Een hoop mensen waren gecrepeerd bij het aanleggen van de spoorlijnen. De Woestijn Xpress was een onderdeel van een serie initiatieven om Amerika te doen opleven, om ons weer het rijkste land van de wereld te maken. Ik merkte er nog niks van. Maar in ieder geval zouden ze Hem komen brengen, helemaal uit Beverly Hills.

We volgden de rails. We hoorden al gehamer nog voor we de tribune in opbouw zagen. De werkploeg moest er met een muildierkaravaan zijn gekomen, tegelijk met het timmerhout. Er zijn wel geen bomen in Las Vegas, maar er is hout genoeg te slopen uit verlaten huizen.

We verstopten ons achter een met een laagje verpletterd kikkervlees bedekte hoop stenen, dronken wat water, knabbelden op wat lauwe worst. We gingen hier in hinderlaag liggen tot de Xpress morgenmiddag binnenkwam. De roadies waren al bezig een rij fietsgeneratoren neer te zetten, om stroom te maken voor de camera’s en de lichten van de tv-ploeg.

Toen het donker werd en de temperatuur begon te dalen, rolden we ons op in onze dekens.

‘Voel je hem al aankomen?’ vroeg Joey slaperig.

Ik had mijn leven lang geoefend om nooit rechtstreeks aan Hem te denken, maar nu kon ik het niet tegenhouden. De King zat al in die sjieke trein, met elektrisch licht en dikke kussens, terwijl hij naar de duisternis achter de ramen staarde. Of misschien wel naar zijn eigen spiegelbeeld. Ja, ik voelde iets. Voelde hij mij ook? Zou hij ook de sterker wordende misselijkheid voelen, de rillingen, het koude zweet op zijn voorhoofd, terwijl hij Nevada naderde? Ik hoopte eigenlijk van wel. Het zou niet eerlijk zijn als ik het alleen had.

Niet lang meer.

 

#

 

Ik werd wakker omdat Joey aan mijn arm trok. Het deed pijn. Het licht duwde zo hard op mijn oogleden dat ik bang was dat mijn ogen uit elkaar zouden klappen.

‘Er komt iemand aan! We moeten hier weg!’

Ik wilde hem waarschuwen dat ik ging kotsen, maar het enige dat uit mijn mond kwam was een gekreun. Wat naar buiten wilde voelde gigantisch aan. Het deed ontzettend zeer. Joey’s bezorgde gezicht hing boven me. Ik wees op mijn strot. Hij knikte en verdween.

Het geplof van zijn voetstappen stierf weg.

Toen kwam hij weer terug, maar van de andere kant. Ik wilde hem zeggen dat hij weg moest blijven, maar ik kon niet praten. Het brandende gevoel in mijn slokdarm was niet te harden. Er zat iets goed verkeerd.

Ik hoorde een rits opengaan, en toen geklater. Het was Joey niet. Wie het ook wezen mocht kreunde zachtjes, alsof hij zich net zo ellendig voelde als ik. Dat gaf me de kracht om me om te rollen en mijn ogen te openen.

Niet meer dan tien meter verderop richtte een oude man een straal oranje plas op een zieltogende creosootstruik. Zijn gezicht was bleek en zweterig, in een potsierlijk contrast met zijn onwaarschijnlijk zwarte haar. Zijn mond vertrok en zweet gutste van zijn voorhoofd, zoals hij daar stond te plassen. Het zag er pijnlijk uit. Zodra hij zijn rits dicht had schoot zijn hand naar zijn mond en hij kokhalsde.

‘Lisa Marie,’ mompelde hij. ‘Ik voel me niet goed. Ik ben niet high, echt niet, ik ben ziek.’

De man kokhalsde weer, maar er kwam alleen wit poeder uit. Hij ging maar door, glinsterend wit poeder uitspugend over het zand. Met iedere braakstuip van zijn kant voelde ik me iets beter, hoewel het ding in mijn keel er nog zat.

Ik wist toen zeker dat Hij het was. Hij voelde de band tussen ons duidelijk ook. We waren op dezelfde dag in het leven gekomen, ik voor het eerst, hij voor de tweede keer. Dat moest betekenis hebben. Ik was blij dat hij het ook moeilijk had. Wel zo eerlijk.

De rugzak lag onder mijn wang. Ik had het geweer kunnen pakken en hem ter plekke kunnen doodschieten. Als ik tenminste normaal adem had kunnen halen om dat ding in mijn slokdarm heen.

Maar dat was niet hoe het moest gaan. Wat had ik eraan als hij hier zou doodgaan, zonder camera’s of getuigen? Hij moest in het volle zicht van de wereld overlijden. Als hij Jezus Christus was, als dit de Wederopstanding was, dan wilde hij het ook zo. Hij kende de waarde van publiciteit. Ik bedacht dat ik een kruis van bielzen voor hem had moeten timmeren. Maar daar was het nu te laat voor.

‘Jesse Garon!’ siste Joey.

Ik wilde geen geluid maken terwijl de oude man nog zo dichtbij was. Ik wachtte tot de leverkleurige pantalon weg gestrompeld was voordat ik naar Joey’s stem toe kroop, naar adem happend.

Zodra de man, de King – als hij het was – verder weg liep, werd ik weer misselijker.

‘Jezus Gar, je stinkt. Waarom moest je nou kotsen? Wie was die ouwe vent, was het El-’

Joey stopte net op tijd.

Hij ging naast me zitten en wrikte aan het obstakel in mijn keel. Ik steunde en schopte van de pijn. ‘Sorry,’ zei hij.

Er deed nog meer pijn dan alleen mijn keel. Ik kon nu helemaal geen adem meer krijgen. Ik probeerde stil te liggen zodat Joey me kon helpen.

De pijn werd nog tien keer erger. Ik schreeuwde het uit.

En toen realiseerde ik me dat ik weer kon schreeuwen. Op Joey’s hand lag een bloederig vierhoekig ding, een centimeter dik en ongeveer zo groot als twee credit cards naast elkaar.

Ik spuugde bloed uit en spoelde mijn mond met het lauwe water uit de veldfles

Ik begon me ietsje beter te voelen. De oude man liep nog steeds van me weg, maar hij was altijd nog dichterbij dan hij in mijn hele leven geweest was. En toch was ik hier gewoon, een beetje beverig, maar nog bij zinnen. Alsof zijn nabijheid op een of andere manier het effect dat hij normaal op me had, ophief.

Joey veegde het uitgebraakte object af met wat zand en zijn broekspijpen. Wat een raar ding. Als een miniatuur rekenmachine zonder knopjes, met een verlicht schermpje met kleine plaatjes erop, onder andere een telefoontje.

Ik drukte op het groene telefoontje. Een blikkerig geluidje kwam eruit. ‘Geen verbinding,’ flitste op het schermpje, een soort miniatuur tv’tje. Van schrik liet ik het ding vallen.

‘Wat is dat?’ zei Joey.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik met een stem als een verroeste scharnier. Ik stopte het toch maar in mijn zak. Misschien kon ik het nog verkopen.

Het was nog vroeg in de ochtend, en de trein stond geduldig op de rails te wachten.

Ik spuugde nog wat bloed uit. ‘Kunnen we vanaf hier schieten?’

Joey sleurde het jachtgeweer tevoorschijn. Het glom met blauw metaal en donker hout, en het rook naar ranzige olie. ‘Tuurlijk. Zoals we geoefend hebben.’

In de stuk of dertig films die sinds 1977 in Vegas draaiden, werd bij meer dan de helft met een of ander geweer of pistool geschoten. Het zag er altijd zo makkelijk uit, maar dat was ons nog lelijk tegengevallen.

Normaal zou ik dolgraag zijn gaan kijken bij het opbouwen van de hekken en tribunes en podiums, maar nu kon ik het risico niet nemen om zo dichtbij te komen. Een klein leger van arbeiders zwoegde op de generatorfietsen, elkaar afwisselend, om elektriciteit op te slaan voor vanavond.

Eindelijk daverde de soundcheck over het landschap, gedempt door laaghangende wolken. Mensen stroomden binnen vanuit Vegas, in rijtuigen, op paarden en zelfs te voet. Inboorlingen, voornamelijk. Toeristen, zoals mijn moeder en ik, hadden gewoon geen tijd of geld om aan leuke uitjes te besteden. De gedachte aan ma gaf me een scheut van spijt. Zou ik haar weerzien, als we met zijn allen naar de hemel gingen, samen met Hem? Ze was een lieverd. En ze was zo dol op zijn muziek, dat ik durfde te wedden dat ze in de hemel op de eerste rang zou zitten.

Het geluid van de menigte begon zachtjes en zwol aan, als het getikkel van neerregenende kikkers in de verte. Iemand, aan zijn pak en glinsterende ketting te zien de burgemeester, klom op het podium en begon te praten.

Ik voelde een kriebel in mijn oor, en ja hoor, de heuvels aan mijn linkerhand werden grijs, door een kikkerbui die onze kant op kwam. Minder dan tien minuten hiervandaan, schatte ik.

Joey en ik hesen onszelf in onze veiligheidshelmen en regenpakken. Het was nogal een gedoe om ze aan te trekken terwijl we op de grond lagen en stil probeerden te zijn. Ik had net mijn laarzen aan, toen ik de eerste gitaarakkoorden hoorde. ‘Jailhouse Rock’. Ik knarste met mijn tanden en gaf Joey, die traag was met zijn knopen dichtmaken, een por met mijn elleboog.

‘Pak het geweer. Nu,’ perste ik er nog net uit, voordat ik me afkeerde om een handjevol glimmende knikkers uit te spugen, en een wit plastic koord met twee ronde schijfjes eraan vast. Gelukkig niet weer zo’n groot ding met plaatjes.

De stijve oliepakken waren onhandig om in te werken. Joey vloekte terwijl hij met het schietijzer worstelde.

‘Snel!’ siste ik. ‘Voordat ze de boel afgelasten door de regen.’

Ik rilde van misselijkheid, maar het voelde beter te hanteren dan thuis. Ik staarde naar het figuurtje in het witte glitterpak dat op het podium stond te vibreren. De menigte veranderde van bruinig naar geelgevlekt, omdat heel Las Vegas hun oliepak aantrok.

De muzikanten verkleedden zich niet. Ik snapte wel dat ze minder cool zouden worden in regenpakken, maar de regen zou hun kleren totaal verpesten. En we droegen niet voor niets veiligheidshelmen.

Ik voelde me opeens beter, ik weet niet waarom, en nam de jachtbuks van Joey over. Ik richtte, biddend dat het geluid van de regen mijn schot zou verbergen.

God moest mijn gedachten gehoord hebben. Enorme kikkers regenden op ons neer, en de muzikanten werden goed geraakt. Ze waren traag met reageren, en nog trager met wegrennen naar een afdak. De gitaar kletterde op de grond toen een vette kikker de bassist vol op de pols raakte. Had dan niemand ze gewaarschuwd voor onze regen?

Ik moest schieten voordat het podium werd geëvacueerd. Nu of nooit. Ik vuurde.

Een zucht van schrik woei door de menigte. Ooh.

De figuur in wit wankelde. Ik strekte mijn nek om het beter te kunnen zien. Ik zag geen schotwond, alleen maar kikkersap. De neerdenderende kikkers maakten alles onscherp. Langzaam zakte het besmeurde witte pak opzij. Ik kon me niet voorstellen dat ik hem echt had geraakt met mijn lullige jachtgeweer.

De King ging neer.

Het altijd-aanwezige, onpasselijke gevoel in mijn maag verdween. Ik voelde me gezond en fit, beter dan ik me ooit had gevoeld.

Elvis moest dood zijn.

De naam deed me niets meer.

Ik dacht dat ik had gezien dat een reuzenkikker hem raakte. Was hij nu gedood door de hand van God of die van mij?

Ik kon geen woord uitbrengen. Ik gaf Joey een por en wees naar het podium. Mijn hand, die er wit had uitgezien, beverig van het braken, werd bruiner en steviger terwijl ik keek. ‘Joey, mijn hand!’

Hij staarde naar zijn eigen handen. Ik herkende hem nauwelijks. Hij zag er zo bruin uit, zo weldoorvoed, met zulke witte tanden. Zag ik er ook zo uit?

Een enorme hitte stortte op me neer. Zweet brak uit over mijn hele lichaam. Het had wat van opwellende misselijkheid, maar was toch weer anders. Hitte brandde op mijn helm, en een fel licht maakte het onmogelijk om iets te zien.

Mijn oliejas verstikte me. Ik rukte hem uit, dan maar kikkersap op mijn kleren. De broek moest ook uit. Mijn laarzen glibberden van mijn voeten in een stroom van zweet. De band van de veiligheidshelm klemde zo om mijn voorhoofd dat ik hem niet meer op kon houden.

Ik veegde het verblindende zweet uit mijn ogen. De menigte en het Elvisconcert waren nergens meer te bekennen. Een fel licht scheen op me neer uit een blauwe lucht.

Dat moest de zon zijn. Dat wist ik uit films.

Mijn voeten stonden op een effen trottoir, schoon en droog en nergens een kikker te bekennen. Dingen die op auto’s leken, maar zonder roest en niet stilstaand, suisden op nog geen meter afstand langs me heen. ‘Jailhouse Rock’ klonk achter me. Mijn maag bleef rustig.

‘Jesse Garon, waar zijn we?’ zei Joey met ontzag in zijn stem.

Ik draaide me om. Een vlaag van koele lucht woei uit de ingang van een gebouw dat ik nog nooit eerder had gezien. Het rees strak en wit omhoog, zo hoog dat ik de lucht niet meer kon zien. Ik deed een stap dichterbij, de koele schaduw in. Het klingelde en jengelde daarbinnen. Mensen stroomden in en uit, mensen met een vreemd waggelend loopje, omdat hun dijen te dik waren om gewoon te lopen. Ik had nog nooit zulke dikke mensen gezien. Hun gezichten waren bol in plaats van hol, net als hun lijven, ze waren bruin, hun kleren hadden fellere kleuren dan ik ooit had gezien.

De stad zag er zo anders uit, maar het klopte toch ergens. Zo had het altijd moeten zijn, een wereld met een dode King.

Aan de overkant van de weg zag ik een piramide, en de Eiffeltoren. Parijs? Een vliegtuig raasde hoog boven over. Joey’s oma had gelijk gekregen. Niet Parijs, maar het paradijs. Ons plan had gewerkt.

Er rinkelde iets in mijn zak. Ik viste het vreemde ding op dat ik daarstraks had uitgebraakt. Een grijs blok op het schermpje las: ‘T-mobile heet u welkom in de Verenigde Staten.’

 

###

De poort naar het paradijs – Debby Willems

Mijn dood kwam als een klap. Letterlijk. Ik raasde over de provinciale weg, waar in de berm een groot reclamebord stond dat ik daar nog niet eerder had gezien. Daarop prijkte een tekst over de gevaren van telefoongebruik achter het stuur. De statistieken hielden mijn aandacht net ietsje te lang vast, waardoor ik me pas realiseerde dat mijn Audi op de verkeerde weghelft was beland toen ik in de koplampen van een tegenligger keek.

Ik gaf een ruk aan het stuur, maar zag direct dat dit geen verschil meer zou maken. Vanaf dat moment leek alles zich vertraagd af te spelen, alsof ik naar een stop-motion animatie keek. De auto’s raakten elkaar. Mijn motorkap kreukelde als een leeg blikje cola dat met gemak wordt samengeknepen, en ik zou zweren dat ik mijn ribben hoorde breken. Mijn auto begon te kantelen, dus ik zette me schrap voor de klap die zou volgen wanneer de deur het asfalt zou raken. Die klap bleef echter uit.

Plots stond ik in een kamer met identiek witte muren, vloer en plafond – het was alsof ik me in een kubus bevond. Met grote ogen keek ik om me heen, en ontmoette de net zo verbaasde blik van een getinte jongen. Ik schatte hem een jaar of vijfentwintig. Op zijn pet prijkte het Nikelogo, een ketting van smakeloos namaakgoud sierde zijn hals en zijn lichtblauwe shirt zat vol vlekken die vast niet van slechts één dag geweest konden zijn. Het was het type jongen dat me meestal een blokje om deed lopen – of toch minimaal mijn handtas wat steviger vast deed grijpen in het voorbijgaan.

‘Waar ben ik?’ vroeg ik.

De jongen keek me wat schaapachtig aan, waarna hij zijn schouders ophaalde. ‘Al sla je me dood.’

‘Jullie zijn in Barzakh,’ klonk het achter me. Ik draaide me om. De man die zojuist had gesproken leunde met zijn armen over elkaar gevouwen tegen een muur. Zijn donkere huid stak sterk af tegen zijn witte pak.

‘Zie het als een tussenzone,’ voegde hij toe.

‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik.

De man sloeg zijn handen zo hard tegen elkaar dat ik een gil van schrik niet kon binnenhouden. Het geluid van de klap echode onnatuurlijk lang door de ruimte.

‘Een auto-ongeluk,’ zei hij,  terwijl hij ons beurtelings aankeek. ‘Jullie botsten frontaal tegen elkaar.’

Ik slikte kort. Als advocate werkte ik lange dagen, zeker wanneer de strafrechtelijke onderzoeken wat gecompliceerder in elkaar staken. Ik was bijzonder getalenteerd op het gebied van multitasking – zoals iedere zichzelf respecterende vrouw – dus in mijn auto een  lippenstiftje bijwerken of een kort berichtje via de telefoon, daar draaide ik mijn hand niet voor om. Dat ik juist verongelukte bij het lezen van een bord dat voor de gevaren van die dingen waarschuwde, was een ironie die een bittere smaak in mijn mond veroorzaakte.

‘Tering,’ mompelde de jongen beteuterd. Hij staarde in het niets, alsof hij de woorden nog moest laten bezinken.

‘Dit kan niet,’ zei ik met trillende stem, meer tegen mezelf dan tegen het tweetal, waarna ik met beiden handen naar mijn hoofd greep. ‘Dit is niet echt. Ik heb vast hersenletsel opgelopen.’

De man snoof diep. ‘Ontkenning… Uiteraard. Dat ongeloof kan ik gemakkelijk bij u wegnemen.’ Hij zette een stap vooruit en nog voordat ik terug kon deinzen legde hij zijn hand op mijn schouder. Ik voelde een warmte, welke door mijn hele lichaam trok, terwijl het ongeluk zich opnieuw voor mijn ogen afspeelde. Vreemd genoeg voelde het daardoor ineens wel echt.

‘Verdomme,’ mompelde ik. De man liet mijn schouder los. Ik keek om me heen en ontmoette de blik van de jongen, die me een wrange glimlach schonk.

‘Dit is echt ziek,’ zei hij. Zijn toon was bemoedigend, maar zijn woorden hadden eerder een tegengesteld effect. Het was immers mijn schuld dat hij hier nu ook was. Ik ontweek zijn blik bewust en richtte me op de man in het wit.

‘Wie bent u?’ vroeg ik.

‘Noem me Quadi,’ zei hij met een gracieuze buiging. ‘Al denk ik niet dat het mijn naam is, waar je om had willen vragen. Het is mijn taak die er voor jullie toe doet.’

Geërgerd klemde ik mijn kaken op elkaar. Serieus, een betweter? Ik had mijn dag al niet – zwak uitgedrukt gezien mijn verdomde dóód – dus ik merkte dat ik nog minder kon hebben dan gewoonlijk. Het leek me echter niet verstandig om tegen deze man uit te vallen, dus met moeite wist ik mijn mondhoeken omhoog te krullen in – naar wat ik hoopte – een vriendelijk ogende glimlach.

‘Wat is uw táák dan?’ vroeg ik, niet in staat de sneer uit mijn toon te filteren.

‘Kort gezegd verleen ik overledenen toegang naar de poort van het paradijs.’ Met een sierlijk handgebaar wees hij vervolgens naar een gigantische, witte deur. Ik knipperde even met mijn ogen: die was er zojuist toch nog niet? De poort was gesloten, en op de gladde structuur viel nergens een klink of slot te ontdekken.

Quadi gaf ons een brede glimlach. ‘Er is echter maar één van jullie die deze poort door zal gaan, om vervolgens de brug naar het paradijs te bewandelen. Jullie zullen zelf met een voorstel moeten komen wie van jullie dat zal moeten zijn.’

Mijn mond werd droog. Inmiddels was ik ZZP-er, maar toen ik nog gewoon op een advocatenkantoor werkte maakten mijn collega’s en ik wel eens cynische grapjes over de hel waarin wij zouden belanden voor het vrijpleiten van de grootste criminelen. Ik geloofde nooit in dergelijke onzin van leven na de dood, maar nu er werd gesproken over het paradijs kreeg ik het toch wel even warm bij de gedachte aan het alternatief.

‘Maar wat als we geen keuze kunnen maken?’ vroeg de jongen plots. Ik meende iets van onmacht in zijn stem te bespeuren. Met vernauwde ogen nam ik hem in me op. Hij wist zichzelf geen houding te geven, dus vouwde hij zijn armen over elkaar om ze vervolgens weer te laten hangen. Ook in zijn blik meende ik onzekerheid te bespeuren, dus wellicht maakte ik nog wel een kans.

‘Jullie besluiten sowieso niets,’ verduidelijkte Quadi. ‘Jullie doen slechts een voorstel. Ik ben degene die de uiteindelijke beslissing zal nemen.’

‘Wat zijn de criteria voor de toegang naar het paradijs?’ vroeg ik.

Zijn wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Ik neem aan dat jullie dat zelf wel kunnen inschatten, nietwaar?’

‘Maar…’ begon ik. Quadi hief echter zijn hand en maande me zo tot stilte.

‘En wellicht goed om te weten: jullie kunnen hier slechts de waarheid spreken.’

Ik beet op mijn lip. Dat maakte het wel iets gecompliceerder. Gelukkig was het mijn werk om mijn woorden verstandig te kiezen en om selectief te zijn in mijn informatie – zolang het de cliënt maar ten goede kwam. Om mijn eigen hachje te redden ging ik deze talenten zeker ten volste benutten.

‘Hoe lang hebben we om tot een voorstel te komen?’ vroeg de jongen.

De man haalde slechts zijn schouders op. ‘Tijd is amper relevant. Wat hier weken zijn, zijn luttele seconden op aarde,’ zei hij. ‘Maar goed; ik ga er vanuit dat jullie binnen drie dagen tot een advies kunnen komen. Mochten jullie er dan nog niet uit zijn, dan zal ik zonder jullie advies mijn oordeel vellen. Zijn jullie eerder tot overeenstemming gekomen, klop dan driemaal op een van de muren en ik zal opnieuw voor jullie verschijnen.’

Zijn toon was afsluitend. Ik had enigszins verwacht dat hij in het niets zou oplossen, maar hij slenterde op zijn dode gemak de kamer uit via een deur – waarvan ik vrij zeker was dat die er voorheen nog niet was. Bij het sluiten van de deur verdween deze direct en staarde ik slechts naar de muur.

‘Tering, ik had net mijn leven weer op de rit.’ Jammerend bracht de jongen beide handen naar zijn hoofd. ‘Ik ben vandaag exact twee jaar clean, weet je, en nu ben ik verdomme dood?’ Hij balde zijn handen tot vuisten en bonkte hard tegen zijn slapen.

Ik trok slechts mijn wenkbrauwen op. Hij was voorheen een drugsverslaafde? Mijn blik gleed over zijn armen, waar ik littekens van naalden opmerkte. Heroïne, dus. Dat was de drug waar men het moeilijkst vanaf kon komen, wist ik. Al tijdens mijn stages had ik gezien waartoe heroïnejunks in staat waren. Mijn lippen krulden omhoog; dit was een beklonken zaak.

‘Laten we overleggen,’ stelde ik voor.

De jongen inhaleerde diep, alsof hij zichzelf tot kalmte maande, waarna hij plots zijn hand naar me uitstak.

‘Mohammed,’ zei hij, ‘noem me maar Mo. Dat doet iedereen.’

‘Charlene,’ zei ik, terwijl ik argwanend zijn hand schudde. ‘En zo word ik ook genoemd, want ik heb er een hekel aan als mensen mijn naam afkorten,’ voegde ik er voor de duidelijkheid aan toe.

Hij gaf me een onschuldige glimlach. ‘Dus, maar één plek en twee kandidaten… Zullen we maar lootjes trekken of zo?’

‘Lootjes?’ Een honend lachje ontsnapte mijn lippen. ‘Het lijkt me dat we ons voorstel zullen moeten baseren op onze levens. We moeten afwegen wat voor goede dingen we gedaan hebben en onder ogen moeten zien wat onze minder goede keuzes geweest zijn. Gebaseerd daarop dienen we te kijken wie van ons het meer verdient om naar het paradijs te gaan.’

Mohammed knikte gedwee. ‘Klinkt aannemelijk.’

‘Laat me denken, goede daden,’ begon ik, terwijl ik theatraal met mijn wijsvinger tegen mijn kin tikte, waarop ik deed alsof me plots iets te binnen schoot. ‘Ik schenk jaarlijks grote bedragen aan meerdere goede doelen,’ zei ik gewichtig. Dat ik dat slechts deed vanwege belastingvoordelen liet ik maar even achterwege.

Beteuterd beet hij op zijn lip. ‘Ik doe eigenlijk nooit iets voor goede doelen.’

Er viel een stilte, waarin Mohammed klaarblijkelijk diep nadacht.

‘Je hebt vast wel andere goede dingen gedaan, toch?’ viste ik op mierzoete toon. ‘Iets waar je trots op bent, wellicht?’

‘Niet veel,’ mompelde hij. Mijn lippen krulden direct omhoog.

‘Het enige dat ik met trots kan zeggen,’ vervolgde hij, ‘is dat ik altijd trouw ben gebleven aan mijn idealen. Zelfs in de donkerste periode van mijn leven heb ik nooit gestolen, en ik heb nooit van mijn leven mensen belogen of bedrogen om aan mijn heroïne te kunnen komen.’

Ik sloeg mijn armen over elkaar. ‘Hoe kwam je dan aan geld voor die drugs?’ vroeg ik argwanend.

Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Ik bracht in de nachten veel tijd door op een parkeerterrein – een afwerkplek niet ver van de snelweg, als je begrijpt wat ik bedoel. Mijn vriendin had me toch al lang verlaten, en tja, ik moest iets.’ Zijn stem werd zacht. ‘Vooral in de dure auto’s waren de mannen met centen te vinden. Het waren juist die mannen, die dingen van me verlangden waarvan ik nu nog misselijk word als ik eraan terug denk.’ Een rilling kroop over zijn rug. Hij slikte, waarna hij zijn hoofd zo hevig schudde dat het was alsof hij zijn herinneringen letterlijk van zich af probeerde te gooien.

Ik merkte dat ook mijn mond droog was geworden van zijn woorden.

‘Maar genoeg over mij,’ zei hij abrupt. Zijn ogen gleden naar de ring aan mijn vinger. ‘Ben je getrouwd?’

Ik beet op mijn lip. Mijn gedachten flitsten terug naar de avond dat Martino met zijn koffer in zijn hand bij de voordeur stond en me met tranen in zijn ogen vertelde dat ik niet langer de vrouw was waar hij ooit voor was gevallen. Koud en leeg, noemde hij me, waarna zijn blik de mijne vond. De stilte die volgde werd steeds langer, steeds ondraaglijker. Hoewel de tranen achter mijn ogen brandden, slikte ik deze terug en wenste Martino met een stalen gezicht een goed leven toe. In zijn ogen las ik de teleurstelling, waarna hij zijn hoofd schudde alsof ik zijn test had gefaald. Soms vraag ik me nog wel eens af of hij was gebleven als ik destijds mijn tranen had toegelaten.

‘Ik ben inderdaad getrouwd,’ zei ik. Technisch gezien was dat geen leugen: de scheidingspapieren weigerde ik immers al maanden te tekenen. Te druk, dat was altijd mijn excuus. De weken dat ik slechts zestig uren werkte ervoer ik inmiddels als rustig. Martino had altijd al gezegd dat ik mijn werk als uitvlucht gebruikte, maar nadat hij was vertrokken realiseerde ik me pas dat er wellicht stiekem wel een kern van waarheid in zijn woorden zat – al zou ik dat nooit aan hem bekennen, uiteraard. Ik hield me gewoon liever met mijn werk bezig: andermans sores in plaats van die van mijzelf.

‘Heb je kinderen?’ vroeg Mohammed.

Ik schudde mijn hoofd. Kinderen stonden een carrière slechts in de weg, maar dat deelde ik uiteraard niet met deze jongen.

‘En jij?’ pingpongde ik terug. ‘Woon je alleen?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ja.’ Zijn handen schoten naar zijn mond, waarna hij wat onwennig grijnsde. ‘Tering, ik wilde nee zeggen maar dat valt blijkbaar onder leugens,’ zei hij droogjes.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, mijn jongere neef woont al een paar maanden bij me. Maar ik noem het liever logeren, omdat ik anders gezeik krijg met mijn huisbaas. Maar ja, het is echt maar tijdelijk, en Yassin is pas vijftien, weet je.’

‘Waarom woont hij dan bij jou?’ Het ontglipte me voordat ik er erg in had. Eigenlijk wilde ik verder helemaal niets meer weten, zeker geen dingen waarvan ik vreesde dat deze in zijn voordeel zouden gaan werken.

‘Ik zag Yassin af en toe op een familiefeestje, maar ik kende hem niet echt goed,’ begon Mohammed. Hij keek omlaag, waardoor de schaduw van zijn pet zijn gezicht verhulde. ‘Totdat ik hem op een zaterdagnacht ineens op het station zag, met die lege blik in zijn ogen. Ik vroeg me al af wat hij bij spoor vier deed, want daar rijden nooit nachttreinen… Het klopte gewoon niet. En toen was daar het geluid van een naderende goederentrein. Ik zag dat Yassin naar de rand van het perron schuifelde. Als ik toen geen sprint had getrokken, en als ik hem toen niet aan zijn capuchon had teruggetrokken…’ Mohammed slikte, zichtbaar te geëmotioneerd om zijn zin af te maken. Hij zuchtte diep, waarna hij zich herpakte.

‘Zijn ouders hadden hem blijkbaar uit huis geschopt, nadat zij hem in bed betrapten met een man,’ vervolgde hij. ‘Zijn ruim twintig jaar oudere vriend, zo bleek. Die vriend van hem dumpte hem dezelfde avond. Ik heb Yassin maar niet verteld dat ik de man in de foto die hij me liet zien herkende. Zijn ex-vriend bleek de man die ik het meest vreesde op de parkeerplaats; de man wiens aanraking mij altijd het meest deed walgen. Ik wist dat ik slechts gebruikt werd – en ik kreeg er ten minste nog geld voor. Maar mijn neefje is nog zo naïef. Hij was verliefd en daardoor zo verblind door de valse beloften die hem in zijn oor werden gefluisterd, waardoor hij zijn eigen grenzen keer op keer voorbij ging…’

Mohammed slikte. ‘Mijn neefje werd door hem met net zoveel gemak aan de kant gegooid als een gebruikt condoom op een afwerkplek. Sindsdien woont Yassin bij mij, ik let een beetje op hem. Goed gaat het nog lang niet, maar ik houd hem in ieder geval van de straat.’

Ik beet op mijn lip. Mohammed hoorde helemaal niet in de hel; die realisatie was exact de reden dat ik liever niet te veel van hem had willen weten.

‘Heftig,’ zei ik slechts.

‘Ik heb de hel al gezien, weet je.’ Zijn stem was niet meer dan een fluistering. ‘Al beleefd, zelfs. Maar ik had dat alles verdomme net achter me gelaten. Het is gewoon niet eerlijk.’ Hij balde zijn vuisten in onmacht.

‘Het leven is soms niet eerlijk,’ zei ik zacht. ‘En de dood blijkbaar ook niet.’

Mohammed slaakte een zucht. ‘Ik was net op weg naar mijn oom, want ik had eindelijk de moed verzameld om met hem te gaan praten. Ik wilde zowel oom als tante zeggen dat Yassin letterlijk kapot gaat van verdriet. Dat hij hen nodig heeft, en dat hij nog steeds gewoon hun zoon is. Ik hoopte dat ik hen zover kon krijgen dat ze hem zouden accepteren zoals hij is, of in ieder geval een eerste stap in die acceptatie konden gaan zetten.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Daarom was ik er met mijn gedachten ook niet helemaal bij. Alles gebeurde zo snel. Het spijt me, Charlene.’

‘Het spijt je?’

Met tranen in zijn ogen keek hij me aan. ‘Ik had beter op het verkeer moeten letten. Het ongeluk… Ik vrees dat ik ons beiden de dood heb ingejaagd.’

Mijn mond viel open. Hij dacht dat het ongeluk zijn schuld was? Een wrang gevoel deed mijn maag kantelen, maar ik drong het terug. Als ik ooit aan dat gevoel had toegegeven, had ik nooit de successen geboekt die mijn carrière naar een hoger niveau tilden. Reed ik geen Audi, had ik geen vrijstaand huis op het platteland met dure geïmporteerde meubels, had ik… Opnieuw schoot Martino’s blik van teleurstelling door mijn gedachten, maar ook dat beeld wist ik terug te dringen. Vastberaden rechtte ik mijn rug.

‘Bedankt voor je excuses,’ zei ik kil, ‘maar daar heb ik helaas niets aan.’

‘Nee,’ zei hij. ‘Maar jou die plek geven in het paradijs is denk ik wel het minste dat ik kan doen.’

Twijfels kronkelden als maden door mijn hoofd. Zou ik bekennen dat ik degene was die het ongeluk had veroorzaakt? Maar zou ik dan überhaupt nog kans maken om die poort ooit door te mogen? Of verdoemde ik mezelf met die bekentenis dan zeker naar de hel?

Nog voordat ik mijn twijfels de baas was, klopte Mohammed al drie keer op de muur. Quadi verscheen vervolgens zo plots naast me dat ik bijna achterover viel van schrik.

‘Jullie zijn er al uit?’ vroeg de man met opgetrokken wenkbrauwen.

Mohammed knikte. ‘Zij verdient de plek in het paradijs,’ zei hij krachtig.

Quadi’s ogen vernauwden. ‘Want?’

‘Het ongeluk was denk ik mijn schuld.’

‘Was dat ook zo?’ De man in het witte pak keek mij nu aan.

‘Alles ging zo snel,’ mompelde ik slechts. De stilte die volgde gebruikte ik om de vloer uitgebreid te bestuderen. Mijn handen werden klam terwijl ik de ogen van Quadi voelde branden. Wist hij, dat ik wist wat ik wist? Het was een gok – maar ik waagde het erop en hield mijn mond.

‘Goed, dan weet ik genoeg,’ zei Quadi. ‘Het is tijd voor mijn besluit.’

Ik hield mijn adem in terwijl hij zijn ogen over ons beiden liet glijden. Ik wiebelde mijn tenen in mijn pumps, een tic die ik ook had wanneer rechters hun uitspraak deden en ik niet zeker was van mijn zaak. Ditmaal hing er echter meer vanaf dan ooit.

‘Ik volg jullie advies op. Ik zal de poort openen voor Charlene.’

De adem ontsnapte mijn lippen in de vorm van een opgeluchte zucht. Mohammed keek beteuterd naar zijn eigen sneakers, iets dat mijn euforie direct deed vervliegen.

‘Meneer?’ De jongen hupte wat onzeker van de ene voet op de andere. ‘Kan ik op de een of andere manier nog wel een boodschap naar mijn familie zenden, voordat ik naar de djahannam ga – de hel?’

‘Waarom denk je dat je naar de hel gaat?’ vroeg de man.

Mohammed knipperde met zijn ogen. ‘Zij gaat naar het paradijs, toch?’

‘Nee, zij zal de brug naar het paradijs betreden. Of haar daar uiteindelijk het paradijs wacht, zal nog blijken.’

‘Pardon?’ Mijn stem was minimaal een octaaf hoger dan gewoonlijk. ‘Hoe bedoelt u?’

Quadi haalde met gespeelde nonchalance zijn schouders op; in zijn glimlach meende ik een randje cynisme te bespeuren. ‘De vraag was wie van jullie de poort naar het paradijs door zou gaan, niet wie van jullie het paradijs zelf zou betreden.’

‘Wat gebeurt er dan met mij?’ vroeg Mohammed met grote ogen.

‘Jij keert terug naar je leven, beste Mo. Ofwel: jij overleeft het ongeluk. Uiteraard zal je je dit alles niet herinneren.’

Quadi knipte in zijn vingers. Mohammed opende zijn mond, maar nog voordat hij kon spreken verdween de jongen in het niets.

Hoofdschuddend richtte Quadi zich vervolgens tot mij. ‘Je begrijpt uiteraard wel dat Mo sowieso degene was die zou blijven leven, nietwaar? Ik had echt gehoopt dat je de kans zou aangrijpen om eindelijk eens het juiste te doen.’ Afkeurende klakte hij met zijn tong.

Mijn mond was zo droog dat ik amper kon slikken. Ik wilde nog een weerwoord geven, maar zag aan zijn vastberaden blik dat het geen verschil meer zou gaan maken.

‘Wat nu?’ vroeg ik.

Hij gaf me een brede glimlach. ‘Iedereen die sterft mag de brug naar het paradijs bewandelen.’

Argwanend keek ik hem aan. ‘Dat is vast niet zo simpel als jij het nu laat klinken.’

‘Die brug is niet voor iedereen hetzelfde. Ieders brug wordt gevormd door goede daden, maar afgebroken door de slechte.’

De poort opende zich. Ik zag een pad van zwevende, witte stapstenen boven een donkere diepte.

‘Bereik de overkant, en je zal welkom zijn in het paradijs,’ zei Quadi. ‘Zo niet, dan zal je de eeuwigheid doorbrengen in de eindeloze diepte van het niets, zoals vele andere duistere zielen.’ De laatste woorden spuugde hij met zoveel walging uit, dat de moed me direct in mijn schoenen zonk. Quadi verdween in het niets.

Ik probeerde de afstand tussen de stapstenen in te schatten. Mijn maag implodeerde toen ik me realiseerde dat de kansen klein waren dat ik ooit de overkant zou gaan bereiken. Ik sloeg mijn armen om mijn middel, als een omhelzing aan mezelf, en wist met moeite mijn tranen terug te slikken. Het leek me beter om hier te blijven. Misschien zou er hier nog iemand verschijnen, en kon ik dan het juiste doen. Wellicht viel mijn brug zo nog te repareren.

Vanuit mijn ooghoeken merkte ik beweging op. Even voelde ik een sprankje hoop, maar deze vervloog direct: gitzwarte schaduwen dropen als inkt over de muren omlaag, alsof de kamer werd weggevreten door de duisternis. Met grote ogen keek ik om me heen. Druppels brandden gaten in de vloer, waardoor de kamer langzaamaan verdween.

Blijven was geen optie.

Met trillende benen stapte ik op de eerste witte steen, die net groot genoeg was om met twee voeten naast elkaar op te staan. De poort klapte achter me dicht en verdween. Vanuit de duisternis onder me klonk gejammer, gehuil en geschreeuw: zoveel verschillende stemmen door elkaar dat de kreten zich vormden tot een luguber orkest. Ik drukte mijn handen tegen mijn oren, maar kon het geluid niet buitensluiten.

Met vernauwde ogen probeerde ik de afstand tot de volgende steen in te schatten. Ik trok mijn pumps uit. Even twijfelde ik nog, maar vervolgens mikte ik de schoenen in de diepte, waar ze verdwenen alsof ze werden opgeslokt door het duister. Ik had in het paradijs vast niets aan die dure schoenen.

Ik haalde enkele malen diep adem, waarna ik mijn sprong maakte naar de volgende steen. Bij mijn landing helde ik eerst voorover, daarna gevaarlijk ver achterover, waarna ik maaiend met mijn armen gelukkig mijn evenwicht wist te vinden. Een zucht van opluchting ontsnapte mijn lippen.

Het duister om me heen vormde zich plots tot de rechtbank waar ik mijn allereerste grote opdracht had als advocate. Ik zag mezelf zitten, naast mijn cliënt: een brede man die me vanwege de donkere haren op zijn armen en handen al vanaf onze ontmoeting al aan een beer deed denken. Een jonge brunette vertelde in horten en stoten tegen de rechter hoe mijn cliënt haar had verkracht. De cliënt vertrok nog geen spier.

‘Er is gewoonweg niet voldoende bewijs,’ hoorde ik mijn eigen stem door de ruimte galmen. Ik wist donders goed dat mijn cliënt de misdaad had begaan, maar vanwege enkele procedurefoutjes had ik de belangrijkste bewijzen ongeldig kunnen laten verklaren. Dat leidde tot mijn eerste grote overwinning.

De rechtbank vervaagde en ik zag nu mezelf, op de avond na de uitspraak, terwijl ik in mijn destijds nog kleine appartementje met een grote grijns een dure fles champagne opende. Ik keek naast me, en zag hoe de cliënt die ik had vrijgepleit ondertussen in een chique club een pil in het drankje van een opgedirkte blondine liet glijden. Gelijktijdig zag ik op de achtergrond het beeld van een brunette die ineenzakte op een smerige keukenvloer, met op het aanrecht tig leeggedrukte pilstrippen. Haar open ogen waren op de hemel gericht, maar zien deden ze niet langer. Het levenloze lichaam was dat van de vrouw uit de rechtbank, realiseerde ik me. Een zure smaak speelde op in mijn mond toen ik gelijktijdig zag hoe de cliënt zijn nieuwste slachtoffer – de opgedirkte blondine – ruw tegen de grond drukte, terwijl hij met zijn andere hand zijn broeksriem los rukte.

Ik schudde mijn hoofd, en wist de beelden zo te verdrijven. De diepte onder me leek nog donkerder, nog dreigender dan voorheen. Ik probeerde me te concentreren op de volgende steen, en na mijn sprong wist ik weer met moeite mijn evenwicht te bewaren.

Nieuwe beelden verschenen voor me. Ik kneep mijn ogen dicht, maar dat bleek geen zin te hebben: ik zag zelfs met gesloten ogen. Mijn maag draaide om: een drugsdealer die ik had vrijgepleit bewerkte een van de getuigen vakkundig met een mes, terwijl ik mezelf in mijn appartementje bewonderde in mijn gloednieuwe pumps – een traktatie aan mezelf gezien mijn winst in de rechtbank.

Ik wankelde, maar wist mezelf te herpakken en sprong naar de volgende steen. Iedere sprong bleek er een verder in mijn leven. Naarmate mijn carrière succesvoller werd, werden de beelden van de gevolgen walgelijker.

Een zure golf van misselijkheid verliet mijn lippen en spatte op de witte steen onder me uiteen. Ik ademde diep in. De tranen brandden achter mijn ogen. Ik rechtte mijn rug en tuurde naar de overkant, naar het witte licht dat telkens opnieuw verder uit bereik leek te raken. Ik schudde mijn hoofd. Ik was nog niet eens op de helft. Als ik ooit de andere kant al zou bereiken, zou ik überhaupt geen plek in het paradijs verdienen, realiseerde ik me.

Mijn blik werd troebel van de tranen, waardoor het witte licht nog verder weg leek dan voorheen. Ik had zoveel verkeerde keuzes gemaakt. Zoveel verkeerde prioriteiten gesteld. Zelfs na mijn dood verkoos ik mijn eigen hachje boven dat van een onschuldige knul die slechts aan het begin van zijn leven stond. Martino had gelijk gehad: ik was niet langer de vrouw die ik ooit was. Ik was een vreemde geworden, zelfs voor mezelf. Ik had mijn leven toen moeten beteren. Maar nu, nu was het te laat.

Ik zakte door mijn benen. Ik wist, dat de dingen die ik al had gezien een schijntje waren van hetgeen me op de brug nog te wachten zou staan. Mijn keel was hees van het huilen, mijn middenrif deed pijn van het oncontroleerbare gesnik.

Ik stond op en rechtte mijn rug terwijl ik opnieuw naar het witte licht keek. Ik verdiende het paradijs niet. Ik ademde diep in. Vervolgens sloot ik mijn ogen en liet mezelf achterover vallen, de diepte in.

 

Sindsdien val ik. In de duisternis ben ik alleen met mijn gedachten, herinneringen en spijt. De beelden die ik op de brug naar het paradijs zag, kwellen me als de waanbeelden van een continue nachtmerrie.

Vaak denk ik terug aan Mo. Dat wij tweeën per toeval een ongeluk kregen, geloof ik niet langer. Ook hij was niet perfect, maar wanneer wij voor keuzes stonden, koos hij voor anderen terwijl ik mezelf altijd voorop stelde. Inmiddels heb ik er daarom vrede mee dat hij degene is die zijn leven heeft mogen voortzetten, zelfs nu dat betekent dat ik mijn eigen fouten keer op keer onder ogen moet zien.

Lang hoopte ik nog dat ik te pletter zou vallen, maar ook dat geloof ik niet meer. De val duurt maar voort, en vormt een ergere hel dan ik mezelf ooit had kunnen voorstellen: verstrikt in een eeuwige val, waarin ik geen erger gezelschap had kunnen indenken – voor altijd alleen met mezelf.

Fietspunk – Het zevende werk van Armsterk – Django Mathijsen

Ze vragen me altijd wat er waar is van de legendes over mijn ome Neel: journalisten, mensen in de kroeg, vakkenvullers bij Albert Heijn. Dan zeg ik altijd: ‘Het meeste ervan is waar.’ Meestal kijken ze me ongelovig aan. Of ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Maar dat hij de stroom terug heeft gebracht in Armsterkdam is toch zeker maar een mythe?’

Nog steeds word ik, net als toen ik jong was, een beetje boos als iemand waagt te twijfelen aan een van de twaalf werken van Armsterk. Je zou denken dat ik op mijn ouwe dag wat rustiger zou worden. Maar het lijkt wel alsof ik alleen maar feller wordt om ome Neel en zijn prestaties te verdedigen. Misschien omdat hij al zoveel jaar dood is en het zelf niet meer kan doen. Misschien omdat ik het gebrek aan respect voel bij de jongere generaties voor de grote Nederlandse helden: Willem Barentsz, Hansje Brinker, Anton Geesink… Ze kijken neer op de mensen die ons land groot hebben gemaakt.

Ach, ik geloof dat het ook typisch Nederlands is, hoor: op school wordt die kinderen al wijsgemaakt dat ze niet trots mogen zijn op ons land of op zichzelf. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ome Neel haatte die mentaliteit. Hij zei altijd: ‘Laat je niet terughouden, Jantje: door niks of niemand. Het gaat er niet om wat je doet, het gaat erom de beste te zijn in wat je doet. Winnen: daarvoor zijn we op aarde.’

Dat is het belangrijkste wat ik van hem heb geleerd. Ook ik heb mijn hele leven ernaar gestreefd om de beste te zijn. En volgens sommigen was ik dat ook: eerst als regeltechnicus en na mijn pensioen als klompensnijder. Nou ja, ik geef het toe: Mau van Walraven uit Appingedam was af en toe een beetje beter dan ik. Maar ja, niet iedereen kon zo hard werken en uitblinken in alles wat hij deed als ome Neel. Daarom is het belangrijk dat zijn nalatenschap niet bezoedeld wordt. Hij is een lichtend voorbeeld voor ons allemaal.

Dus telkens als iemand waagt te betwijfelen hoe ome Neel de energiecrisis heeft opgelost, dan leg ik het hem haarfijn uit. Gisteren nog in de kroeg:

‘Nee, snotneus, daar is geen woord van gelogen. In ‘73 brak de oliecrisis uit. Heb je daar weleens van gehoord? Die kwam omdat Rudi Carrell, een topjournalist in die tijd, in zijn actualiteitenprogramma ‘Poets’ een filmpje had laten zien dat met de verborgen camera was opgenomen. Daarin ontdekte hij dat de Ayatollah op zijn verjaardag allemaal damesondergoed cadeau kreeg. Nou, die oliesjeiks waren er zo boos over dat hun geheim ontdekt was dat ze pardoes de oliekraan dichtdraaiden. Enfin, Den Uyl, de president toen, die vroeg ome Neel om raad, want Nederland had nog maar voor een paar weken olie. Ome Neel kwam met het plan van de autoloze zondag. Dus op zondag mochten er geen auto’s rijden. En dan vraag je je af: waarom? Nou, ome Neel ging naar de Technische Hogeschool in Delft. Die bouwden samen met Batavus een speciale fiets met een enorm zeil. Op zondagochtend stapte ome Neel op en fietste de hele dag met een noodgang rondjes op de A10. De wervelwind die hij daarbij maakte, was zo groot dat de windmolens rond Armsterkdam genoeg stroom opwekten dat het land die dag geen olie nodig had. Die oliesjeiks schrokken er zo van dat wij hen niet nodig hadden, dat ze vlug de oliekraan weer opendraaiden. Gelukkig had toen ook het Arabische volk door dat die sjeiks helemaal niet zo machtig waren. Dat veroorzaakte weer de Arabische Lente.’

Enfin, de legendes over Armsterk en zijn twaalf werken zijn waar. Maar daarbuiten is er nog zoveel wat de mensen niet weten over de man en over wat er allemaal bij kwam kijken om zijn twaalf werken te realiseren. Als je de legendes hoort, was het allemaal zo gemakkelijk voor hem. Dus niet! Maar in al die gesprekjes in de kroeg en de super kun je niet vertellen hoe het echt allemaal was.

Daarom ben ik zo blij dat men mij gevraagd heeft mijn herinneringen aan ome Neel op te schrijven. Niet alleen om de legendes vast te houden, maar ook om de waarheden erachter te vertellen, geheimen die nog nooit zijn verteld. Dan vraag ik me wel af: wanneer de mensen die waarheden kennen, zullen ze dan ome Neel meer respecteren of misschien juist minder? Als ik zie hoe snel de jeugd van tegenwoordig stokken vindt om honden te slaan, redenen om verontwaardigd te zijn en om historische helden een kopje kleiner te maken… Als ik ze de hele waarheid vertel, lever ik ze dan niet juist munitie om Armsterks reputatie te verwoesten?

Dus heb ik lang getwijfeld of ik dit wel op moet schrijven. En hoe? Moet ik alles zeggen of mezelf censureren?

Ik ben er nog niet uit. Maar ik kan het niet langer uitstellen, ik word er niet jonger op. Als ik er niet meer ben, weet niemand meer hoe het was. En Armsterks verhaal moet verteld worden. Dus schrijf ik alles op. Op de enige manier waarop ik dat kan: precies zoals het was.

 

Maar waar begin je met Armsterks twaalf werken vastleggen voor het nageslacht? Bij de Grand Prix van Nederland? Waar hij afstapte op het circuit van Zandvoort en die Oostenrijker, die… hoe heette hij ook alweer? O ja: Niki Lauda het leven redde door hem uit de vlammen van zijn Formule 1-bolide te trekken? En dat hij vervolgens weer opstapte op zijn speciale Formule 1-fiets die Sparta voor hem had gebouwd en in een zinderende inhaalrace nog als eerste over de finish wist te komen?

Of moet ik beginnen bij zijn eerste werk, toen hij slechts een tiener was: in de Eerste Wereldoorlog toen Armsterk als jonge gevechtsfietser zijn jeugdidool, Manfred von Richthoven, de Baron op zijn roodgeverfde Gazelle, wist neer te schieten?

Nee, ik denk dat de maanrace het meeste zegt over ome Neel, wat voor iemand hij was en hoe ver hij bereid was om te gaan in zijn drang om de beste te zijn, de beste in alle opzichten. Bovendien heb ik dat werk van dichtbij meegemaakt en er verschillende levenslessen van ome Neel door geleerd. Lessen die ik nog steeds niet helemaal verwerkt heb.

 

Veel mensen zijn vergeten dat de maanrace al in 1957 begon. Toen bouwden de Russen in Kazachstan een antenne die bijna duizend kilometer lang was: Spoetnik 1. Toen die eenmaal was opgericht en uitgeschoven, reikte die tot in de ruimte. Het radiosignaal was in een groot deel van de wereld te ontvangen.

Ik weet nog dat ik als tiener in mijn zolderkamertje de hele Kerst bezig was geweest mijn kristalontvanger af te stellen. Ik had de spoelen zelf gewikkeld met koperdraad en toiletrollen. Mijn antenne was een draad die ik had gespannen van het zolderraam van paps huis naar het zolderraam van ome Neels huis.

Na uren frutten, hoorde ik het in mijn koptelefoon: een zwak piepje, drie keer per seconde. Ik rende de trap af en stormde de woonkamer in, waar ome Neel en mijn ouders een advocaatje zaten te drinken. Ome Neel was even niet in training, hij had dat jaar voor de zesde keer de Tour de France gewonnen en deed even rustig aan voordat hij voor de volgende moest gaan trainen.

‘Ik heb hem: Spoetnik. Ik heb hem!’ riep ik uit. Opgewonden nam ik hen mee naar boven. Ik stuiterde gewoon. ‘Kom, je moet het horen.’

Pap was als eerste boven. Hij ging op de houten stoel achter mijn radio zitten en ik zette hem de koptelefoon op.

Hij fronste en keek ingespannen op en neer van linksboven naar rechtsboven alsof hij dacht dat hij het signaal zou kunnen zien. ‘Ik hoor niks.’

‘Is hij weg?’ Ik schrok, rukte de koptelefoon van zijn hoofd en drukte een van de luidsprekers tegen mijn oor.

Piep… piep…

‘Je moet de schelpen goed aandrukken.’ Ik zette hem weer op zijn hoofd.

Hij duwde de schelpen hard tegen zijn oren. Opeens keek hij me verbaasd aan. Hij hief zijn vinger. ‘Piep… piep…’ Hij bewoog zijn vinger ritmisch mee. ‘Ja, daar is-ie.’ Hij draaide zich om naar mam. ‘Moet je horen.’ Hij nam de koptelefoon af en maakte plaats.

Mam ging zitten, zette de koptelefoon op, drukte de schelpen aan en keek strak naar haar linkerooghoek. ‘Ik hoor… o, wacht…’ Haar mond viel open. ‘Hij piept… goh, zijn dat nou die Russen?’

Ik knikte opgewonden.

‘Wat betekent dat nou?’ vroeg ze. ‘Wat willen ze daarmee?’

‘Laten zien dat ze eraan komen, dat ze meer kunnen dan wij.’

‘Meer dan wij?’ riep ome Neel uit. ‘Kan ik me niet voorstellen.’ In ons dorp noemden de kinderen hem weleens De Boom. Niet omdat hij boomlang was. Ik denk dat hij maar van gemiddelde lengte was. Nou ja, gemiddeld voor een Nederlander: we zijn het langste volk ter wereld, nietwaar? Toen ik volwassen was, was ik zelfs een centimetertje langer dan ome Neel. Toch keek ik ook toen nog tegen hem op als tegen een halfgod.

Nee, hij werd Boom genoemd omdat zijn armen en benen zo dik waren als boomstammen. Zelfs in zijn gewone buis en pantalon puilden zijn spieren aan alle kanten uit. Als je ome Neel vroeg waarom hij zo sterk was, zei hij altijd: ‘Hard werken, veel stamppot… en op zijn tijd een jenevertje.’

Zijn hoofd was hoekig en zijn kaak breed, maar er zat altijd een goedmoedige twinkeling in zijn ogen.

‘Nou, ome Neel, maar dit kunnen wij nog niet, hoor.’ Ik wees naar de koptelefoon.

‘Wil je ook eens luisteren, Nelis?’ Mam zette de koptelefoon af en maakte plaats.

Ome Neel ging zitten en drukte de schelpen tegen zijn oren. Hij knikte ritmisch: drie keer per seconde en keek me aan.

‘Als ze een zender zo hoog kunnen bouwen, kunnen ze ook een verrekijker zo hoog maken,’ zei ik. ‘Of misschien zelfs een camera.’

‘De moffen volgden ook precies de routes die door de zeppelin waren verkend,’ voegde pap eraan toe.

Ome Neels gezichtsuitdrukking ging langzaam over in bezorgdheid. Maar hij schokschouderde en sprak geruststellend: ‘Ach, ik weet zeker dat onze regering hen goed in de gaten houdt. Bovendien hebben wij nog steeds de beste gevechtsfietsen.’ Hij stond op en kneep in mijn schouder. ‘Leuk speeltje. Knap dat je dat allemaal kunt bouwen.’ Hij gebaarde naar mijn radio.

Een compliment van ome Neel! Ik was zo trots als een pauw.

Een paar maanden later won ome Neel zijn zevende Tour de France. En toen hadden die rot-Fransen er genoeg van dat ze voortdurend door ome Neel en de andere Nederlanders om de oren werden gereden. Ze lieten onderzoek doen en hun wetenschappers ontdekten dat stamppot, erwtensoep en haring prestatieverhogend werkten. Ze werden op de lijst van verboden middelen gezet. En aangezien ome Neel die middelen al zijn hele leven had gebruikt, nam de bond hem zijn zeven Tour-overwinningen af. Typisch Frans: als ze de wedstrijd niet kunnen winnen, veranderen ze gewoon de regels.

 

Dat het menens was, bleek vier jaar later. Tot onze verbazing waren de Russen doorgegaan met de hoogte in bouwen. Ze hadden een driehonderd kilometer lange ladder gemaakt. Toen die was opgericht en uitgeschoven, was die zelfs door een mens beklommen: Joeri Gagarin. Er was geen ontkomen meer aan: de Russen hadden de eerste man in de ruimte. Van daarboven af konden ze niet alleen al onze stellingen fotograferen, maar stel je voor dat die Gagarin een geweer mee naar boven had genomen. Of een kanon.

Ik las er alles over in de “Betweter, tijdschrift voor jeugdigen die alles willen weten”. Het was april 1961. Ik weet nog dat ik op zaterdag op mijn bed het artikel over Gagarin lag te lezen, al voor minstens de tiende keer, toen ik plotseling door het raam dat op een spleet openstond een trompet door de straat hoorde schallen: ome Neel. Hij was thuis.

Ik sprong van het bed en rende de straat over.

Toet! Pieeeeep!

De witte DAF van dokter Zijland kwam met piepende banden op me af. Hij leek te steigeren op zijn voorwielen.

Ik sprong opzij en rende zo hard ik kon.

‘Hela!’ hoorde ik achter me. ‘Kijk toch uit, schavuit!’

Zonder omkijken, rende ik het steegje naast ome Neels huis in, gooide het krakkemikkige houten poortje open en schoot zijn achtertuin in. Hijgend trok ik zijn achterdeur open en stormde ome Neels keuken binnen.

In de woonkamer lag hij in zijn ondergoed op de grond: hij was buikspieroefeningen aan het doen en tegelijkertijd Bye Bye Blackbird op zijn trompet aan het spelen.

Bij elke ademteug zette niet alleen zijn enorme borstkas uit. Ook zijn wangen puilden uit als een kikker. Die trompet was altijd het geheime wapen in zijn trainingsprogramma geweest. Hij had niet alleen een longvolume van bijna tien liter. Maar door het trompetspelen had hij ook nog circulair ademen geleerd en zijn wangen zover opgerekt dat hij er een liter extra lucht in kon bewaren.

‘Ome Neel, hebt u het gehoord van Joeri Gagarin?’

Hij hield op met trompetteren, maar bleef gewoon doorgaan met zijn buikspieroefeningen. Als hij vol in training was, deed hij elke dag tweeduizend opzit-oefeningen. In die tijd kon hij dat altijd nog binnen een uur, ook al was hij niet meer de jongste. ‘Ja, ik weet het, Jantje,’ zei hij terwijl hij zich omlaag liet zakken. Hij keek me met zijn altijd glimlachende ogen aan.

‘Ik heb het toch gezegd. De Russen komen. Waarom doen we daar niks aan?’

Hij haalde diep adem, spande zijn buikspieren en zijn bovenlijf ging weer omhoog. Eenmaal boven blies hij uit en zei: ‘Hoe kom jij erbij dat we niks eraan doen?’ Hij knipoogde.

Ik keek hem verbaasd aan. ‘U bedoelt…’

‘Ken je de NACA?’ zei hij bij de volgende beweging omlaag.

Ik knikte. ‘Natuurlijk. Heb ik in de Betweter over gelezen: de Nederlandse Aeronautische Cyclisten Associatie.’

‘Juist. Daar ben ik al een paar jaar lid van. En trouwens een heleboel oude gevechtsfietsers.’

‘Gaan jullie met een squadron die ladder in Bajkonoer wegschieten?’

Hij lachte. ‘Kun je een geheimpje bewaren?’ Hij wenkte me naderbij.

Ik ging op mijn knieën naast hem zitten.

Hij keek even om zich heen. ‘Die ladder staat in Tjoeratam,’ fluisterde hij terwijl hij zich weer terug liet zakken. Hij haalde adem, kwam weer omhoog. En terwijl hij zich de volgende keer liet zakken, fluisterde hij: ‘De Russen hebben Bajkonoer gezegd omdat ze bang waren dat wij zouden aanvallen, de lafaards.’ Hij knipoogde nog eens.

‘Hoe weet u dat?’

‘Spionageballonnen. Maar we gaan ze niet aanvallen, hoor.’

‘Niet?’

‘We gaan iets beters doen. Iets wat ik de president heb aangeraden.’

‘Wat dan?’

‘Dat mag ik je nog niet vertellen, Jantje.’

 

Ruim een jaar later, om precies te zijn op 12 september, was het het grote nieuws op de tv en in de krant. Dat was het wat ome Neel bedoeld had: president Kenjedie hield een rede op de Technische Hogeschool waarin hij trots verkondigde: ‘Er is nog geen strijd, geen vooroordeel, geen nationaal conflict in de ruimte. De gevaren ervan zijn vijandig voor ons allemaal. De verovering verdient het beste van de hele mensheid. En de kans voor vreedzaam samenwerken komt misschien nooit meer. Maar waarom de maan, zullen sommigen zeggen. Waarom kiezen we die als ons doel? Dan kunnen ze net zo goed vragen: waarom de hoogste berg beklimmen? Waarom reed Nelis Loetje Lenz Armsterk de Tour?

Wij kiezen ervoor om naar de maan te gaan. Wij kiezen ervoor om dit decennium naar de maan te gaan en die andere dingen te doen, niet omdat ze makkelijk zijn, maar omdat ze moeilijk zijn, omdat dat doel onze energie en vaardigheden in goede banen leidt, omdat we bereid zijn die uitdaging aan te gaan, eentje waarvan we niet bereid zijn die uit te stellen, een waarvan we van plan zijn die te winnen.’

In zijn woorden hoorde ik ome Neel. Dit had hij de president ingefluisterd. Maar toen ik de straat over rende en zijn huis binnenstormde, vond ik hem hoogst ongebruikelijk onderuitgezakt in zijn luie stoel met de jeneverfles naast zich op de grond. ‘Ha, Jantje, je wordt groot. Nog even en je gaat mij voorbij.’ Zijn woorden kwamen er slepend uit. Hij keek me glimlachend aan, hief zijn borrelglas en kiepte het achterover.

‘Ome Neel. Ik ben zo trots op u.’ Ik liep er gewoon van over.

‘Waarom, Jantje? Of beter gezegd: Jan.’

‘De Tour winnen was al geweldig. Maar naar de maan gaan… dat heeft nog nooit iemand gedaan.’

Voor het eerst zag ik hem zonder twinkeling in zijn ogen. Verslagenheid kwam over hem heen. ‘Ik ga niet naar de maan, Jantje.’

Mijn mond viel open. ‘Ik dacht…’

‘Ze hebben Gus Ullrich gekozen.’

‘Wat?’ riep ik uit. ‘Die Duitser? Die heeft de Tour toch maar één keer gewonnen?’

Hij knikte. ‘De president heeft een Duitser aangenomen om de fietssnelweg naar de maan te bouwen: Wernher von Braun. Die denkt dat ik te oud ben voor een fietstocht naar de maan.’

‘Te oud?’ riep ik uit. ‘Da’s niet eerlijk: u bent met afstand de beste gevechtsfietser van de wereld.’

Hij knikte. ‘Ze zullen hun redenen hebben. De maan is een bijzondere uitdaging. Daarboven is geen zuurstof. Misschien heeft een jonger iemand een voordeel.’ Hij schokschouderde. ‘Maar ze hebben mij tot Gus’ reserve gemaakt. Dus als hij mispeutert….’

‘U, reserve van zo’n flutfietser?’ Ik plofte neer op de bank en sloeg mokkend mijn armen over elkaar. ‘Von Braun…’ mompelde ik. Waar kende ik die naam van? O ja, daarover had ik in de Betweter gelezen. ‘Is dat niet een nazi?’

‘Hij staat nu aan de goeie kant, Jantje. Mensen veranderen. Bovendien, Wernher wilde altijd maar één ding: winnen. Toen hij nog aan de kant van de nazi’s stond, heeft hij van ons verloren. En verliezen is iets wat hij niet nog eens wil doen.’

‘Nee,’ zei ik beslist. ‘Hij staat niet aan de goede kant. Als hij wil winnen, moet hij de beste fietser nemen.’

 

De jaren daarna zag ik ome Neel weinig. Hij was te druk met Ullrich coachen en ik was te druk met studeren in Delft. Ik deed elektrotechniek, natuurlijk met specialisatie aeronautisch cyclistische regeltechniek. Maar het bleef me dwars zitten: het was niet eerlijk dat ome Neel tweede viool moest spelen voor iemand die hij talloze keren had geklopt. Als we de Russen wilden verslaan, hadden we de beste gevechtsfietser nodig.

Jaren later, toen ik mijn afstudeerverslag zat te typen, vloog ineens de deur van mijn kantoortje op de Hogeschool open.

Mijn professor stond naast de deur en stelde mij voor: ‘Dit is Jan Zoetemelk.’

Een man met grijzend haar in een strakke scheiding, gehuld in een al even strakke blazer met dubbele knopenrij en uitstekende kraagpunten, schreed naar binnen. ‘Ich hab al feel uver u geheurd.’ Hij bleef naast mijn bureau staan, kaarsrecht, kin omhoog, borst vooruit, buik in en hakken tegen elkaar. ‘Mein name ist Wernher von Braun.’

Verbluft richtte ik me op, prevelde mijn naam en schudde zijn hand.

‘Folgens de heer professor bent u sein besjte sjtoedent.’

‘Ik uh…’ Ik had de man gehaat omdat hij ome Neel had gepasseerd. Honderden keren had ik voor de spiegel gestaan om hem te vertellen wat ik van hem dacht. Nu ik oog in oog met hem stond, stond ik met mijn mond vol tanden.

Hij vroeg me alles over mijn afstudeeropdracht, mijn metingen, mijn conclusies. Ik vertelde hem over het nieuwe regelsysteem dat ik voor de vloeibare zuurstofopslag voor de maanreis had bedacht. Tot mijn verbazing kende hij verschillende details al.

‘Jawel, ich zie dat de heer professor en de heer Armsterk, onze reserveastrocyclist, nicht gelogen haben. Oe bent ein zeer competente knaap. Wilt oe onze manschap in Noordwijk komen versjterken zodra oe bent abgesjtoedeerd?’

 

En zo fietste ik in december 1966 door de poort van het NACA-complex in Noordwijk.

De zwarte spiraal die vanaf de grond oprees en boven in de wolken verdween was al van kilometers ver te zien. Toch had je pas door wat een onvoorstelbare prestatie de astrocyclist zou moeten verrichten als je aan het begin van het maanfietspad stond.

Het bevond zich in het midden van het NACA-terrein, omgeven door constructiemachines die hier en daar nog bedekt waren met smeltend ijs. Pegels aan de machines druppelden en voedden grote plassen op het beton eronder. Het pad stelde de gebouwen en de complexen van buizen en tanks op het terrein in de schaduw. Geen enkele toren die ik ooit had gezien rees zo hoog op.

Het pad was maar één meter breed en spiraalde in een draaicirkel van twintig meter met een schrikbarend hellingspercentage van zeven procent omhoog. Hier kon de gruwelijkste col niet tegenop. De roodzwarte kinderkopjes leken van bloed, zweet en teer. In werkelijkheid waren ze uit een speciaal ontwikkeld bakeliet-en-steenmengsel gebakken, het enige materiaal dat volgens de materiaalkundigen sterk en licht genoeg was om de spiraalweg tot aan de maan te kunnen realiseren.

De voet van het maanfietspad bestond uit een in beton verankerd frame uit vuistdikke buizen waarin de eerste rijen kinderkopjes tussen een twintigtal enorme stalen locomotiefwielen waren vastgeklemd. Een nieuwe rij kinderkopjes was al voor de helft eraan bevestigd. Als dadelijk de machines weer aan de gang waren, zouden ze eerst die rij afmaken en daarna de hele spiraal precies de breedte van een rij tussen de wielen verder rollen. Zo werd de spiraal rij voor rij langer en dus hoger. Het systeem was uitgevonden door Von Braun.

Daarmee had hij in zo korte tijd al die fietssnelwegen in Duitsland kunnen aanleggen. De Nederlanders hadden met afgunst naar dat wegennet gekeken. Tot aan de Anschluss. Toen bleek dat het doel van dat wegennet was geweest dat de squadrons gevechtsfietsers van de Fahrradwaffe razendsnel alle omringende landen konden aanvallen.

Het was middagpauze, de constructiemachines waren verlaten, afgezien van een paar potige werklui die in dikke jassen hun boterhammen met pindakaas of hagelslag zaten te eten uit hun broodtrommeltjes. Ik kon het niet laten. Ik zette mijn fiets op het begin van het maanfietspad.

Ik moest hem goed vasthouden, want het voorwiel wilde alle kanten op en het frame wilde omkiepen toen ik ernaast stond op de steile helling. Mijn voet op het pedaal zetten en mijn been over het zadel zwaaien, durfde ik niet: dat zou geheid misgaan. Dus ging ik voorzichtig op het zadel zitten met één voet aan de grond… Ik zette af en ging vol in de pedalen.

Vaart kreeg ik er niet in, mijn stuurwiel klapte dubbel en de fiets viel om. Ik knalde op de roodzwarte kinderkopjes, gelukkig met slechts wat geschaafde handpalmen en een gedeukt ego.

De werklui klapten en juichten. Iemand riep: ‘Leuk geprobeerd!’ Iemand anders zei: ‘Neem volgende keer een aanloop.’ En weer iemand anders: ‘We hebben een nieuwe astrocyclist.’

Ik krabbelde op, tilde mijn fiets op en sprong van het maanfietspad af. Met een zuurzoete glimlach maakte ik een buiginkje naar de werklui.

 

Ik werd te werk gesteld in de simulatorruimte als een van de programmeurs van het zuurstofcircuit. We zaten met een man of twintig aan een lange tafel achter de allernieuwste terminals. Grafiekjes, formules en regeltjes machinetaal in flikkerend groen op de beeldschermen voor ons. De geheugenbanden en een paar ponsbandmachines waarmee we nieuwe code konden invoeren achter ons.

Verderop, een eind voor onze tafel, stond de krachtsimulator: een van de door Batavus ontwikkelde Apollofietsen met een drievoudige Variomatic-overbrenging op een één meter brede loopband waarop de weerstand ingesteld werd om gelijk te zijn aan de rol-, lucht- en zwaarteweerstand die de astrocyclist zou ondervinden op het maanfietspad. De loopband stond een beetje schuin om de constante bocht te simuleren die de astrocyclist zou moeten maken.

Dagenlang zat ik te kijken hoe Gus Ullrich in zijn ruimtepak, omgeven door enorme bidons met verdunde Rostocksche Kartoffelsuppe en tanks vloeibare zuurstof op de Apollofiets zat te trappelen. In dat pak leek hij op Bibendum, het Michelinmannetje, hetgeen ironisch was aangezien zowel de banden als het slangenstelsel van de tanks en bidons naar de helm gemaakt waren door Englebert in Luik.

Ik weet zeker dat alle onderdelen van de fiets en alle randapparatuur wel tien keer zijn vervangen. Er werden efficiëntere lagers en banden, lichtere frames en tanks, en comfortabelere zadels ontwikkeld. Het mocht niet baten. Gus Ullrich zou volgens de simulatie niet verder komen dan halfweg het maanfietspad.

Ome Neel coachte hem zo goed hij kon. Maar Gus nam niets van hem aan: hij weigerde zelfs de aardappelsoep te laten vervangen door verdunde snert. Toen Gus weer eens na al een kwart van de vereiste afstand in elkaar zakte zodat ome Neel de zware Apollofiets moest opvangen, gaf ome Neel mij een wanhopige blik.

 

‘Denk je dat we het gaan halen?’ vroeg ik eens in de kantine. Ik was bij een paar fiets- en bandenmakers aan tafel gaan zitten.

‘Al zouden we de lagers nog vijftig procent efficiënter maken, en ik zie niet hoe we dat voor elkaar moeten krijgen, levert dat een actieradiuswinst van hooguit een half procentje op,’ antwoordde een man in Batavusoverall mistroostig.

‘Jao, we hebben onze beste bretellen al in die drie Variomatics zitten,’ zei de man met het DAF-shirt met een Brabants accent.

Een man in een Englebertoverall knikte. ‘Ook met de banden zitten we op de laagste rolweerstand die we eruit kunnen halen.’ Hij had een Vlaamse tongval. ‘Zelfs met een rolweerstand van nul, met alleen de zwaarteweerstand zou Ullrich het niet halen. Ze zeggen dat de Russen de zoon van een Kozak en een ijsbeervrouwtje hebben als astrocyclist.’

‘Kosmocyclist,’ verbeterde de DAF-man hem.

‘Hè?’

‘Zo noemen de Russen ze.’

‘Kosmocyclist dan. Ik heb de conditieparameters van Nelis Armsterk tijdens zijn laatste Tour eens ingevoerd in mijn terminal. Hij zou de maan al met moeite halen. Maar hij is de enige waarmee we kans maken.’

Ik wist wat me te doen stond.

 

Die avond sloop ik de kelder met de reserveonderdelen in. Ik wist dat de Englebertmannen de volgende dag alle ventielen zouden vervangen: routineonderhoud aan de Apollofiets. Dus liep ik door de lange, muffige keldergang op zoek naar de kamer met onderdelen voor het zuurstofsysteem. Mijn voetstappen galmden tegen de harde muren. Lampjes aan de muur wierpen schaars gelig schijnsel. Mijn schaduw was lang en leek mij steeds opnieuw in te halen. Voortdurend keek ik rond: gelukkig niemand te zien. Mijn hart bonsde in mijn keel.

Daar: op de deur stond Onderdelen zuurstofsysteem.

Ik hield mijn adem in.

Niks te horen, niks te zien.

De deur piepte toen ik hem openduwde, alsof hij me wilde waarschuwen: ‘Doe het niet’. Of misschien omdat hij iemand wilde alarmeren wat ik ging doen.

De stellages lagen vol kartonnen doosjes. Zorgvuldig las ik de opschriften.

Waar waren ze nou?

Daar: drukregelventiel 100 bar.

Voorzichtig opende ik het voorste doosje. Het mocht niet kapotgaan. Als ze zouden zien dat eraan geknoeid was, zou mijn plan mislukken. Ik liet het regelventiel in mijn hand glijden en stak het in mijn broekzak.

Uit mijn andere broekzak pakte ik het oude drukregelventiel dat ik weken geleden uit de afvalcontainer had gevist. Ik had het zorgvuldig gepoetst zodat het splinternieuw leek en vervolgens het veertje een beetje verbogen zodat het zou blijven haken. Ik hoopte dat dat genoeg zou zijn. Liever had ik ringetjes achter de veer gezet. Maar als er extra onderdelen in zaten, zou men achteraf vaststellen dat er sabotage was geweest.

Ik liet het ventiel in het doosje glijden. Ik sloot het doosje en legde het terug.

Ik snelde terug naar de deur, opende hem en gluurde de gang op.

Niemand te zien.

 

De volgende dag, 27 januari 1967. Ik zat te trillen achter mijn terminal toen de onderhoudsmonteurs klaar waren en Gus Ullrich de simulatorruimte binnenkwam. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij zijn pak aanhad en op de Apollofiets zat.

Von Braun stond geduldig in de hoek het gebeuren gade te slaan. Helpers en techneuten gaven hem knikjes.

Eindelijk hief Von Braun zijn hand en richtte zich tot mij en mijn collega’s: ‘Sjtart zimoelaatsie.’

Collega’s naast me drukten op knoppen en riepen:

‘Communicatie klaar.’

‘Aardappelsoep klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Alle ogen waren gericht op Von Braun. Die van ome Neel die vlak naast hem met een koptelefoon op achter een microfoon stond, ook. Die van Gus Ullrich ook: dat wist ik zeker, ofschoon ik slechts de achterkant van zijn helm kon zien.

Von Braun liet zijn hand zakken en Ullrich ging op de trappers staan. Zoals gewoonlijk slingerde hij eerst angstvallig dicht naar de rand van de band voordat hij genoeg vaart had en zich instelde op de juiste schuinstand.

‘Goed zo, Gus,’ sprak ome Neel in de microfoon. ‘Doorschakelen naar de middelste Variomatic.’

Ullrich trapte en trapte. Er gebeurde niets, de simulatie verliep normaal.

Had ik het veertje niet genoeg verbogen?

Precies toen ik dat dacht, gebeurde het.

Een knal. Gesis. Een zuurstofslang schoot los en danste heen en weer als een wild geworden gifslang. Een oogverblindende steekvlam. Ik voelde de hitte op mijn gezicht.

Gebiologeerd zat ik met mijn hand voor mijn gezicht om de hitte af te weren. Tussen mijn vingers door zag ik hoe Bibendum in lichterlaaie stond, gehuld in felwitte vlammen met oranjegele rafelrandjes. Alsof een hongerige veelvraat het pak verzwolg.

Mannen met brandblussers, waaronder ome Neel, snelden op de brandende Bibendum af en hulden hem in grote witte wolken.

Er was geen houden aan: de volle druk van de zuurstoftanks was ontketend. Meer slangen schoten los en voedden het vuur.

Een bloedstollende kreet waar geen einde aan kwam. Dat moest Ullrich zijn, ofschoon zijn stem niet meer te herkennen was. Hij klonk als een gillend kind. Het ging door merg en been. Kaarsrecht bleef de brandende Bibendum zitten, terwijl de fiets in volle vaart tegen de zijkant van de loopband knalde. De fiets slingerde, Bibendums armen maaiden alle kanten op, flarden ruimtepak flapperden als filigrane vleugeltjes heen en weer. Door het gyroscopische effect en de veiligheidsriemen van de proefstand bleven de fiets en Bibendum overeind.

Nog steeds hoor ik ’s nachts zijn gegil en zie ik de flarden van zijn pak in de vlammen. Dan zit ik badend in het zweet rechtop in bed.

 

Iemand rukte aan mijn elleboog.

Verbaasd keek ik in het gezicht van een brandweerman.

Hij trok me overeind: ‘Weg hier, sukkel, voor die zuurstoftanks ontploffen.’

Ik liet me het zaaltje uit trekken en naar buiten werken, de frisse lucht in, waar mijn collega’s al geschokt stonden, zaten en lagen. Verpleegkundigen en brandweerlieden bekommerden zich om hen. Ze staarden naar het bakstenen gebouw waar zwarte rook door kieren, ramen en schoorstenen uit ontsnapte. Ik kuchte… een hoestbui waar geen einde aan leek te komen. Ik proefde de rook en voelde hoe mijn longen en keel bedekt leken met as. Mijn gezicht deed pijn. Ik voelde me slap. De brandweerman zei iets tegen me. Maar ik hoorde slechts een lange fluittoon. De brandweerman leek verhuld door voorbijdrijvende zwarte vlekken. Was dat as? De zwarte vlekken groeiden als een legpuzzel samen. Ik zakte door mijn benen en alles werd zwart.

 

Toen ik mijn ogen opende, zag ik ome Neels gezicht. Zijn rechterwang en neus zaten in verband ingepakt.

Met een ruk zat ik rechtop in bed. ‘Ome Neel!’ Mijn stem klonk schor. ‘Uw…’ Ik verviel in een enorme hoestbui. Het was alsof mijn lijf mijn longen eruit probeerde te kotsen. Nog steeds proefde ik as en rook, maar nu vermengd met een vleug lysol.

‘Rustig maar, jongen.’ Ome Neel klonk ook al schor. Hij klopte op mijn rug en hoestte ook. Zijn machtige longen bulderden met orkaankracht.

In bedden om me heen herkende ik gezichten van collega’s, sommige met pleisters in hun gezicht, andere met vuurrode, glanzende gezichten. Een enkeling had gips om zijn arm of been.

‘Uw gezicht,’ wist ik tussen mijn hoestbui door eruit te persen.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Wat blaren, niks bijzonders.’

‘Ullrich?’

Hij boog zijn hoofd en schudde het langzaam.

Ik besefte dat het was gelukt… maar ook dat ik een mens op mijn geweten had. Ik hoestte. Mijn gezicht leek te spannen en trekken met elke uithaal. Ik voelde eraan: het deed pijn en voelde vettig aan.

‘Afblijven, jongen. Het is niks: een beetje eerstegraads. Een weekje bijkomen en je voelt er niks meer van.’

 

Het onderzoek naar de ongeluksoorzaak duurde en duurde. De bouw aan het maanfietspad ging gelukkig verder, maar er konden geen simulaties worden gehouden. Sterker nog: de bouw aan de Apollofietsen en het simulatiecomplex stonden stil. Wij werden aan het werk gehouden in een kantoorgebouwtje met vergaderingen en mierengeneuk aan controlesoftware.

Als ik zat te typen op mijn terminal achter mijn bureau in het kantoortuintje, hoefde ik maar opzij uit het raam te kijken om de bouw van het maanfietspad te zien. 24 uur per dag werd eraan gewerkt en er waren snellere constructiemachines ontwikkeld, sinds uit spionagefoto’s was gebleken dat het Russische maanfietspad hoger was dan het onze.

Tijdens de wekelijkse presentaties die het constructieteam in de centrale collegezaal gaf, bleek dat ons maanfietspad aan het inlopen was op het Russische. Dat was bemoedigend, maar voorspellingen welk maanpad het eerste klaar zou zijn waren zeer onzeker. Bij de vorige presentatie twijfelde men zelfs of de belofte van president Kenjedie waar kon worden gemaakt.

Aanleiding voor Von Braun om zich van zijn stoel vooraan in de zaal te verheffen. Hij richtte zich zorgvuldig op, zette zijn hakken naast elkaar, deed zijn schouders naar achteren en zijn hoofd omhoog. Toen pas zei hij: ‘Misglücken ist geen optie.’

 

Af en toe nam ik een kijkje bij ome Neel die de hele dag in de trainingsruimtes zat als hij niet door de omgeving van Noordwijk fietste.

Zijn trompet hoorde ik al op de gang. Ik gooide de deur van de fitnessruimte open, liep langs de middelpuntvlieder en zag ome Neel ondersteboven met zijn voeten in een paar stijgbeugels hangen. Hij blies ‘What a wonderful world’. Ondertussen trok hij zijn bovenlijf op en liet het weer terugzakken.

‘Ome Neel?’

Hij nam de trompet van zijn mond. ‘Ha, Jan, waaraan heb ik jouw bezoekje te danken?’ vroeg hij terwijl hij zijn bovenlijf omlaag liet zakken.

‘Het ongeluk is al een jaar geleden. Waarom ligt de bouw aan de simulatorruimte nog steeds stil?’

Hij spande zijn buikspieren aan en tilde zijn bovenlijf weer op. Terwijl hij zich omlaag liet zakken, zei hij: ‘Tja, de oorzaak moet goed worden uitgezocht. Als het nog een keer gebeurd, ben ik het in de vlammen.’

‘Maar ze weten de oorzaak toch? Dat defecte ventiel dat de Englebert-monteurs hebben ingebouwd.’

‘Maar hoe is dat defecte ventiel in het systeem gekomen? Hoeveel andere defecte onderdelen zijn er in de Apollofiets terechtgekomen?’

Ik zuchtte en twijfelde aan wat ik had gedaan. Niet dat ik spijt had. De nachtmerries van een brandende Bibendum, van Ullrich in de vlammen, gillend, verkoold… Ik had een mens op mijn geweten, maar al dat was een kleine prijs. We moesten winnen, koste wat het kost. Anders zouden we de vrede kwijtraken. Met Ullrich hadden we de maan nooit gehaald.

‘Maar als we blijven treuzelen… straks zijn de Russen er nog als eerste.’

Ome Neel bleef stilhangen en keek mij ondersteboven strak in mijn ogen. ‘Jan. Je hebt gehoord wat Wernher zei: mislukken is geen optie.’

Ik trapte tegen een halterbank. ‘Als de Russen er als eerste komen… met de macht die hen dat geeft… Dan is het onvermijdelijk: ze komen ons vernietigen.’

‘Jan!’ Hij hief een wijsvinger. ‘Zo denkt een verliezer. Wat je denkt, roep je over je af. Zeg mij na: ‘We gaan winnen’.’

Ik perste mijn lippen op elkaar.

Zijn wijsvinger zwaaide met nadruk. ‘We gaan winnen.’

‘We gaan winnen,’ mompelde ik.

‘Ik versta je niet.’

‘We gaan winnen,’ sprak ik luidop.

‘Harder.’

‘We gaan winnen,’ spraken we in koor. ‘We gaan winnen.’

 

Maanden later werd het onderzoeksrapport bekendgemaakt. De ongeluksoorzaak lag volgens de onderzoekscommissie in de onderdelenadministratie van Englebert. Het bedrijf was overbelast omdat het onderdelen moest leveren voor zowel de banden als het slangensysteem. Afgezien van wel honderd interne punten die bij Englebert werden verbeterd, werd besloten dat voortaan Vredestein de banden zou leveren zodat Englebert zich volledig op de slangensystemen kon richten. Nergens in het rapport werd zelfs maar de mogelijkheid van sabotage vermeld.

En zo zaten we in juni weer in de volledig herbouwde simulatieruimte. De simulator en de Apollofiets zagen er hetzelfde uit. Toch wist ik dat elk onderdeeltje weer was bestudeerd, verbeterd en vernieuwd. We hadden nog maar anderhalf jaar voor het einde van het decennium. Iedereen was blij weer aan het werk te gaan. En nu hadden we ome Neel in het zadel. Iedereen was zo doordrongen van het ‘We gaan winnen’-gevoel dat je het in hun gezichten kon zien. Met verende tred gingen we naar onze plaatsen, glimlachend spraken we met elkaar… alsof de twinkeling in ome Neels ogen aanstekelijk was. Het gevoel hing tastbaar, proefbaar in de ruimte.

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun liet zijn hand zakken en Bibendum ging weer op de trappers staan. Maar deze keer zat in dat ruimtepak ome Neel. Hij slingerde even naar de rand van de band maar had al snel genoeg vaart voor de juiste schuinstand.

Hij schakelde door naar de middelste Variomatic. Even later naar de hoogste.

De simulatie duurde uren.

Op de schermen zagen we de zuurstofvoorraad verminderen, de snertvoorraad ook.

Ome Neel passeerde het halfwegpunt.

De CO2-, zweet en urinefilters werkten op volle sterkte. Ome Neel was nog geen vermoeidheid aan te zien.

Hij trapte en trapte.

Wij keken elkaar extatisch aan: hij ging het halen, hij ging het halen.

 

Maar helaas. We waren net het 80%-punt gepasseerd toen ome Neel sprak: ‘Ik kan niet meer.’ Hij liet zijn fiets uitdrijven, schakelde terug naar de middelste Variomatic en daarna de laagste en stopte. Hij wist de Batavus zelf nog op de standaard te zetten, maar kon niet meer uit het zadel komen.

Terwijl ome Neel door helpers uit het zadel werd geholpen, besefte ik: ondanks dat hij veel verder was gekomen, waren we nog steeds kilometersver van de maan verwijderd. Hoe dichter we bij ons doel kwamen, hoe langer de weg leek te worden. Zouden we er ooit komen?

 

We gaven niet op. Elk onderdeeltje werd nog eens herontworpen. Alles werd nog lichter, nog efficiënter gemaakt. De erwtensoep werd krachtiger gemaakt. Zelfs de banden werden opgepompt met zuurstof om een extra voorraadje te hebben. Ome Neel haalde 82%, 83%, 84%… elke keer een procentje meer, soms twee, soms maar een half procentje. En soms gingen we ook een stap terug. Maar steeds weer kropen we dichter bij het doel. En een jaar later, eind juni 1969, was het zover: 100%.

We sprongen op, klapten, juichten, feliciteerden elkaar… Het was een feest zoals ik nooit eerder in mijn leven had meegemaakt.

Ome Neel trapte zijn fiets op de standaard, zette zijn helm af en keek glunderend achterom.

Een week later herhaalde hij zijn prestatie. Weer een week later strandde hij echter bij 98%. De week erna weer. Nee, het was nog steeds geen makkie.

Vlak daarna meldde de spionageafdeling dat het Russische maanfietspad klaar was. De Russische fiets stond al op het lanceerplatform aan de voet van het pad.

Ik rende naar buiten en keek naar ons maanfietspad: de constructiemachines waren nog steeds aan het werk. Al dat werk, al die opoffering… en dan zouden de Russen ons nog voor zijn?

Ik zakte door mijn knieën, huilde en sloeg met mijn vuisten op de grond.

 

Verslagen zat ik in kleermakerszit nog op het beton toen er een sirene weerklonk. Ik keek op. De constructiemachines stonden stil.

Werklui begonnen koortsachtig stellages af te breken. De blokken voor de wielen van een kraan werden weggetrokken.

Ik rees op en liep aarzelend in de richting van de constructieplek.

Een van de werklui kwam op me af gerend. Toen hij passeerde riep ik: ‘Waarom breken jullie de stellages af?’

Hij keek even om. ‘Het pad is klaar. We moeten het lanceerplatform in stelling brengen.’

Er ging een golf opwinding door me heen. Het pad was klaar. Het pad was klaar. ‘Het pad is klaar!’ Ik rende terug naar het simulatiegebouw. ‘Het pad is klaar.’

 

De volgende ochtend, op 20 juli, schoof ik aan achter mijn terminal in het missiecontrolecentrum in Hillegom. Alles was precies hetzelfde opgesteld als in de simulatieruimte. Maar in plaats van de simulator zaten we naar een wand vol schermen te kijken. Op de flikkerende beelden konden we volgen hoe de laatste hand werd gelegd aan het lanceerplatform, een strip kinderkopjes van tweehonderd meter waar ome Neel vaart zou kunnen maken voordat hij de naar boven spiralende helling bereikte.

Op het scherm rechts werd de laatste informatie van de spionageafdeling getoond. De kosmocyclist was al om 7.00 uur vertrokken. De Russen gebruikten geen verdunde snert maar borsjt als brandstof. En als laatste ontdekking: ze hadden er een scheutje wodka aan toegevoegd.

Ik weet niet hoe vaak ik de parameters van mijn deel van het zuurstofsysteem controleerde. Steeds weer liep ik het programma na. Er mocht niets fout gaan.

 

Het was bijna 8.00 uur toen ons lanceerplatform klaar was en de Apollofiets erop stond. Ome Neel ging erop zitten. Alle helpers gaven het signaal dat ze klaar waren. Von Braun hief zijn hand en de technische leiders naast mij in het missiecontrolecentrum zongen hun gebruikelijke concert:

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun telde: ‘Tsien, noigen, acht, zieven, zeks, fijf, fier, drei, tswee, een.’ Hij liet zijn hand zakken. Ome Neel ging op de trappers staan, maakte vaart en schakelde al naar de middelste Variomatic nog voor hij het spiralende pad raakte. Hij helde de bocht in en daar gingen we.

Op de camera’s die de Apollofiets meevoerde zagen we de wereld als in een centrifuge langscirkelen. Gebouwen schoten steeds sneller langs, werden kleiner en maakten plaats voor hemelsblauw. Even later werd het hemelsblauw opgeslokt door spierwitte rondcirkelende watten. Ome Neel zat al in het wolkendek. Door de luidsprekers hoorden we het ritmische ruisen van zijn ademhaling in zijn helm.

 

Angstvallig hield ik alle parameters in de gaten. Alles was nominaal. Ome Neel was al buiten de atmosfeer. Op de schermen aan de wand was het zwart van de ruimte zichtbaar. Onder in beeld kwam steeds een vlekje blauw met wit voorbij: de aarde. Als je goed keek, zag je bij elk rondje een verticale slingerstreep voorbijkomen: het Russische maanfietspad. Op het rechterscherm werd ome Neels achterstand afgebeeld: nog een half uur. Hij had anderhalf uur ingelopen.

Een paar uur later was er geen blauw of wit meer te zien. De beelden van ome Neels fiets waren allemaal pikzwart. Maar het slingerende streepje werd groter in beeld. Blijkbaar kwamen ons fietspad en dat van de Russen dichter bijeen.

Ik controleerde nog eens de parameters toen er een gejuich opsteeg. Ik keek op: op de slingerstreep was een kleine witte rups met pootjes te zien. Ingespannen tuurde ik ernaar toen hij weer voorbij kwam: een kleine witte Bibendum op een fiets vol tanks. Dat was de kosmocyclist. Ome Neel was hem aan het inhalen.

Plotseling hoorden we een doffe knal. De beelden vanaf ome Neels fiets begonnen te trillen. Een sissend geluid. De kosmocyclist schoot vooruit. Het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden werd lager.

‘Lekke voorband,’ schalde ome Neels stem door de luidsprekers.

Het duurde minuten voordat ome Neel zijn fiets tot stilstand had gebracht.

Op de camera’s keken we ademloos toe hoe hij met zijn setje bandenlichters zijn voorband eraf haalde en de binnenband inspecteerde.

‘Daar is het,’ riep een van de Vredestein-technici.

Ome Neel had het ook al gezien. Ik zat ondertussen te rekenen hoeveel banden ome Neel al niet had geplakt in zijn leven. Ik schatte rond de 5.000. En dat was te zien. Met vaste hand schuurde hij de plek van het gat, smeerde het in met solutie en zette zijn plakkertje erop.

Hij had speciale snelsolutie meegekregen. Na seconden was het al hard. Ome Neel maakte de vulslang los, zette hem op het binnenbandventiel en drukte op de knop. De binnenband liep vol zuurstof.

Een sissend geluid. Het plakkertje flapperde los.

‘Hillegom, we hebben een probleem,’ zei ome Neel.

De bandentechnicus van Vredestein sprong op van zijn terminal. ‘O nee, de solutie wordt in het vacuüm van de ruimte niet helemaal hard.’

Er brak lichte paniek uit. Scheikundigen, Vredestein-technici en een hoop andere specialisten trokken zich terug in het achterkamertje. Ik kon niet horen wat ze zeiden, maar door het raam van de deur zag ik dat ze verhitte discussies voerden: met handen en voeten.

Na een minuut of tien rende de Vredestein-technicus weer het achterkamertje uit en plofte neer achter zijn terminal. Hij drukte op zijn microfoonknop. ‘Batavus, onder in het doosje met plakkertjes zit speciale kauwgom. Steek die in uw mond en kauw erop tot die zacht is. Neem verband uit het verbandtrommeltje dat onder de linkerbidon is bevestigd. Wikkel het verband om de binnenband op de plaats van het gat. Breng solutie aan ter hoogte van het gat, druk daarop de kauwgom en breng een nieuw plakkertje aan.’

‘Begrepen, Hillegom.’

Ome Neel voerde de instructies uit en tien minuten later zat hij alweer in het zadel. Ik controleerde de cijfers van zijn zuurstofvoorraad. Hij had een deel verloren door de lekke band en omdat hij hem twee keer had moeten oppompen. Toen ik het resultaat van mijn berekening zag, werd ik helemaal koud. Ik stak mijn hand op en wenkte Von Braun naar me toe.

Hij kwam naast mijn stoel staan, zoals altijd kaarsrecht. ‘Ja, ist wat?’

Ik fluisterde: ‘Volgens mijn berekeningen is zijn zuurstofvoorraad niet meer voldoende om heen en terug te komen.’

Verschrikt verslapten zijn buik, kin en borst. Hij boog zich naar me toe. ‘Ist dat waar?’

Ik wees naar het scherm. De kans dat ome Neels zuurstofvoorraad op zou zijn voordat hij terug op aarde was, was zestig procent in het tempo waarin hij nu trapte en zuurstof verbruikte.

Von Brauns gezicht trok wit weg. Hij richtte zich op en nam zijn kaarsrechte houding weer aan. ‘Bedenk sjtrategieën om zuursjtof te sjparen bij de afdaling.’

Koortsachtig sloeg ik aan het rekenen.

 

Uren later barstte het gejuich weer los.

Ik keek op. De kosmocyclist was weer in beeld: ome Neel naderde hem genadeloos. Boven in beeld was al een stukje maanoppervlak zichtbaar. In dit tempo zou ome Neel er over een uur zijn.

Kreten schalden door het controlecentrum:

‘Kom op, pak hem!’

‘We gaan het halen!’

‘Pas op, die Rus demarreert!’

Inderdaad, de kosmocyclist ging sneller. Ome Neel kwam niet meer dichterbij.

De kreten verstomden.

‘Kom op, kom op,’ werd er gefluisterd. Vuisten werden gebald… ook door mij. Zo vlak voor de finish. De Russen mochten niet winnen: dan zou de invasie niet meer af te wenden zijn.

Met open mond keken we naar de schermen. Soms was ome Neel een beetje sneller, soms de Rus. Het kleinste tempoverschilletje maakte dat we ons hoopvol of verslagen voelden.

Plotseling gebeurde het: de Russische Bibendum werd groter.

Even snapte ik niet wat er gebeurde.

Collega’s sprongen op. ‘Jaaaaa!’

De kosmocyclist was uit de bocht gevlogen. Hij dreef met zijn fiets in gewichtloosheid weg van zijn fietspad, precies op ome Neel af.

Uitzinnig sprong ik op. ‘Ja! Ja! Ja! We hebben hem. We hebben gewonnen!’ Ik stuiterde en sprong. Alle technici naast me deden hetzelfde.

Totdat ik op het scherm zag dat het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden weer afnam. Ik checkte de parameters: ome Neel was vol in de remmen gegaan.

De anderen hielden ook op met hossen. We keken elkaar verbluft aan.

‘Nee, ome Neel!’ Ik bukte en kneep in de knop van mijn microfoon. ‘Ome Neel, niet stoppen. We gaan winnen. We gaan winnen.’

‘Hillegom, onze collega is in nood.’

‘Doorfietsen,’ zei Von Braun in zijn microfoon.

‘Batavus,’ sprak ik officieel. ‘Als u nu stopt, hebt u onvoldoende zuurstof om op en neer naar de maan te komen. Dan kunnen we niet meer winnen.’

‘Jan, er is een mensenleven in gevaar. Hij heeft hierboven niemand anders om hem te redden.’

‘Doorfietsen, verdomd nog maal. Dit is een Befehl!’ Von Braun stond met grote, vlammende ogen naar het scherm te staren.

‘Mensenleven? Maar oom, u hebt toch ook de Rode Baron neergeschoten?’

‘Dat is anders, dat was oorlog.’

‘We zijn in oorlog met de Russen.’

‘Nee, nog niet.’

‘Maar u zei toch altijd: winnen is waarvoor we op aarde zijn?’

‘Niet als het een mensenleven kost. Jan, een mensenleven redden ís winnen.’

‘Maar ome Neel…’ De tranen sprongen in mijn ogen.

Hij zette de Apollofiets op de standaard en stapte af.

Sprakeloos volgden we hoe hij zuurstofslangen losmaakte en tot een lasso knoopte.

‘Niet doen, ome Neel, uw zuurstofvoorraad is te laag.’

Zonder antwoord te geven, slingerde hij zijn lasso boven zijn hoofd en smeet die in de richting van de kosmocyclist.

Mis.

De kosmocyclist dreef vlak over ome Neels hoofd.

Bij de derde poging was het raak: de lasso sloeg om het stuur van de kosmocyclist heen en trok zichzelf vast.

De ruk gooide ome Neel van zijn benen af. Hij haakte zijn voeten achter de kinderkopjes en zette zich schrap.

Ik beet zo hard op mijn lip dat ik bloed in mijn mond proefde.

Gelukt! De kosmocyclist hing stil in de ruimte.

Ome Neel haalde hem binnen en zette hem met zijn fiets op ons maanfietspad.

Als aan de grond genageld stonden we te kijken.

Ome Neel ging in de houding staan en salueerde.

De kosmocyclist zette zijn fiets op de standaard, stapte af, ging in de houding staan en salueerde terug.

Twee saluerende Bibendums tegenover elkaar. Het is het raarste beeld dat ik ooit in mijn leven heb gezien.

De kosmocyclist prutste aan zijn radio. We hoorden storing in onze luidsprekers. En plotseling een stem: ‘Ik wil asiel vragen.’

Verbluft keken we elkaar aan.

 

De kosmocyclist was op weg omlaag op ons maanfietspad. Hij had zijn reservezuurstoftank en een borsjttank aan ome Neel gegeven. Terwijl die druk in de weer was om die op zijn Apollofiets te monteren en alle slangen weer aan te sluiten, rekende ik het zuurstofplan nog eens uit. Ome Neel kwam nog steeds zuurstof tekort aangezien de reddingsoperatie hem ongeveer evenveel had gekost als hij van de kosmocyclist had gekregen.

‘Batavus, hier Hillegom,’ sprak ik officieel. ‘Uw zuurstofvoorraad is te laag. U moet omkeren, anders komt u niet meer levend terug.’

‘Hillegom, ik ben vertrokken om een missie te vervullen. Mislukken is geen optie.’

De tranen rolden over mijn wangen. Ik kende hem lang genoeg om te weten dat hij dat zou gaan zeggen. ‘Maar ome Neel, u zei toch dat winnen geen mensenleven waard…’

‘Dat is iets anders, Jan.’ Hij sprong op de Apollofiets. ‘Ik heb niet het recht om andermans leven op het spel te zetten, maar wel mijn eigen leven.’ Hij klapte de standaard in en stond weer op de trappers.

 

De maan was groot in beeld op onze schermen. Op een teller liep de verwachte aankomsttijd: nog 7 minuten, 35 seconden. We waren er bijna.

Iemand riep: ‘Komeet!’

Ik keek opzij.

Een collega drukte op de knop van zijn microfoon. ‘Batavus, noodstop. Er is een komeet op botsingskoers met het maanfietspad boven u.’

Ome Neel ging vol in de remmen. Het duurde minuten voordat hij stilstond. Hij zette zijn voeten op de grond en keek omhoog.

Een felle flits en plotseling waren de laatste rondjes van het maanfietspad gewoon weg.

De Batavus met ome Neel schudde heftig heen en weer.

In de verte zagen we vaag klinkers wegdrijven voordat ze verdwenen in het zwart van de ruimte.

‘Hillegom, hoe is de structurele integriteit van het maanfietspad?’

Ik keek opzij… wie ging daar ook weer over?

‘De fundering is beschadigd,’ klonk de stem van mijn collega al uit de luidsprekers. ‘Het sterkteverlies is nog net binnen de veiligheidsfactor.’

Von Braun liep naar de terminal van de bouwkundige en keek over zijn schouder mee.

‘Hoelang duurt het om het maanfietspad te verlengen zodat het weer de maan bereikt,’ vroeg ome Neel.

‘Theoretisch vijftien uur,’ sprak de bouwkundige. ‘Maar het maanfietspad verlengen is door de beschadiging onmogelijk. Het zou instorten. We moeten een nieuw maanfietspad bouwen.’

Von Braun liet zijn hoofd zakken.

‘Andere opties?’ vroeg ome Neel. ‘Kan ik springen? Of met zuurstofslangen een touw maken?’

Von Braun drukte op de microfoonknop. ‘Het doet mij leed. Maar de absjtand ist te groos. Keer om.’

Ik drukte op mijn microfoonknop. ‘Zuurstofbewaking hier. Schiet op, Batavus. De kans dat u met de huidige zuurstofvoorraad nog thuiskomt is 20 procent.’

‘Begrepen, Hillegom,’ sprak ome Neel.

Op de schermen was te zien hoe hij de Apollofiets omkeerde en begon aan de afdaling. Een uurtje later werd ik afgelost. Met tegenzin begaf ik me naar de slaapzaal. Maar toen ik mijn schoenen uittrok en mij in mijn kot liet zakken, duizelde en draaide de slaapzaal even boven mijn ogen. Ik viel als een blok in slaap.

 

Toen ik uren later wakker werd, haastte ik me naar de galerij boven de controlekamer. Die zag eruit als een bioscoopzaal. Alleen zat men hier niet naar een film te kijken, maar naar het controlecentrum, een verdieping lager, en de muur met schermen. Tot mijn verbazing was het zaaltje bijna leeg. Toen ome Neel vertrok, was het afgeladen geweest met journalisten. Nu zag ik slechts een paar collega’s.

‘Waar is iedereen?’ vroeg ik.

Een snertkok keek op en schokschouderde. ‘De journalisten zijn eruit gezet toen Armsterk halverwege op de heenweg was.’

Ik was verbluft. ‘Waarom?’

‘Geen idee.’

‘Waar is hij?’

‘In de bovenlagen van de dampkring.’ Hij wees naar het scherm waar het uitzicht vanaf de Apollofiets zichtbaar was.

Het aardoppervlak was in beeld. De Apollofiets was omgeven door een rode gloed.

‘Hij rijdt te snel!’ riep ik verschrikt uit. ‘Zo verbrandt hij.’

‘Hij moet wel, hij heeft bijna geen lucht meer.’

Het beeld viel uit, kwam weer terug en verdween weer. Atmosferische storingen door het plasma dat de luchtwrijving van de omlaag racende fiets veroorzaakte.

Gespannen bleef ik naar het scherm turen.

Het beeld kwam niet meer terug.

Ik rende de gang op, de trap af en naar de draaideuren.

Toen ik buiten stond, keek ik naar boven.

De Apollofiets was nog niet zichtbaar op het maanfietspad.

Er kwam een wit DAFje aan.

Ik sprong ervoor en hield mijn hand in de lucht.

Het DAFje kwam met piepende banden tot stilstand. Het leek op de voorwielen te steigeren. ‘Ben je nou helemaal…?’ begon de chauffeur.

‘Ga je naar het platform?’ viel ik hem in de rede.

‘Ja, ik moet…’

Ik luisterde niet meer naar de rest, maar rende naar het passagiersportier, rukte het open en sprong in de auto. ‘Rijden dan!’

 

Toen het DAFje bij het platform aankwam, was dat omgeven door brandweerwagens, brandweerlieden en een ambulance. Even dacht ik terug aan de lichterlaaie staande Bibendum al die maanden geleden.

Daar was hij: een rode vuurbal met een zwartwitte staart rook achter zich aan brak door het wolkendek en spiraalde op het maanfietspad omlaag. De banden gilden: ome Neel had de remmen er vol op.

Hij leefde dus nog. Ergens in die rode vuurbal zat hij in zijn pak de remmen erop te trekken.

Het was alsof een rode knikker omlaag zwierde op een reusachtige, roodzwarte knikkerbaan.

Het was te zien hoe de fiets vaart minderde. De rode gloed werd minder fel, maar er waren duidelijk vlammen zichtbaar. De Apollofiets maakte zijn laatste rondje en schoot het platform op met nog steeds een flinke vaart. Ome Neel viel van de fiets en buitelde in zijn dikke, brandende ruimtepak over de grond.

Brandweermannen renden met blussers en slangen op hem af en hulden hem in wit schuim.

Ik rende erachteraan.

De Apollofiets schoot door, begon te slingeren, sloeg een paar keer over de kop en bleef rokend liggen.

Toen ik bij de doodstil liggende Bibendum kwam, waren de vlammen al uit. Ik viel op mijn knieën naast hem.

Brandweerlui maakten het vizier van de helm los en klapten het omhoog.

Ome Neel had zijn ogen stijf dicht. Hij bewoog zich niet.

‘Ome Neel!’ riep ik. ‘Ome Neel!’

Langzaam gingen zijn ogen open. Hij snakte naar lucht. Zijn longen vulden zich alsof ze helemaal leeg waren geweest. ‘Zo,’ verzuchtte hij. ‘Dat was de zinderendste finish sinds mijn eerste Tour de France.’ Hij keek me met die eeuwige twinkeling aan en knipoogde.

Ambulancebroeders laadden hem in de ambulance. Gek genoeg mocht ik niet meerijden.

Dus ik rende naar de ziekenpost en ging daar in de wachtkamer zitten.

 

De deur van de behandelkamer zwaaide open. Ome Neel kwam naar buiten in een schoon maanpak met zijn helm onder zijn arm.

Ik sprong op. ‘Hoe gaat het?’

Hij stak zijn duim omhoog. ‘Er is meer voor nodig om een Armsterk te barbecueën.’

Von Braun en een man met een brilletje die ik nog niet eerder had gezien kwamen ook naar buiten. Samen met ome Neel liepen ze naar de uitgang van het gebouw waar een VW-busje stond te wachten.

Ik liep mee, blij ome Neel weer heelhuids te zien.

Maar bij het busje hield Von Braun me tegen. ‘Jij mag nicht mee.’

Ik keek hem verbaasd aan.

Ome Neel legde zijn hand op Von Brauns schouder. ‘Hij mag wel mee.’

‘Ja, aber… als iemand dahinter komt dat…’

‘Niks aber. Ik speel dit louche spelletje niet mee als hij het er niet mee eens is.’ Ome Neel ging vlak voor Von Braun staan en keek hem strak in zijn ogen.

Von Braun kromp een beetje ineen.

 

In het busje legde ome Neel uit wat Von Braun en de andere meneer, die aan mij werd voorgesteld als meneer Haanstra, hadden bekokstoofd.

‘Ik vind het niet eerlijk,’ zei ome Neel. ‘Ik heb nog nooit eerder vals gespeeld en ik wil er nu ook niet aan beginnen. Maar ja, het is natuurlijk wel de manier om aan de Russen te laten zien dat wij sterker zijn. En we waren er bijna. Dus wat vind je: moet ik het doen of niet?’

Ik was verbluft: de wijste, sterkste, moedigste man ter wereld, de man die mij altijd goede raad had gegeven… die vroeg míj om raad?

Ik hoefde er niet lang over na te denken. Ik knikte. ‘Het is de enige manier om te zorgen dat de Russen de oorlog niet durven te beginnen.’

 

Het busje stopte voor een gebouwtje met een koepeldak. Dat gebouwtje was me nooit eerder op het terrein opgevallen. Meneer Haanstra leidde ons naar binnen. Hij brulde commando’s en plotseling kwam het hele gebouw tot leven: oogverblindend sterke schijnwerpers gingen aan. Mannen achter enorme camera’s richtten hun lenzen.

Voor ons lag een hal met een zwart geverfd dakgewelf vol kleine spikkels. Het zag eruit als een sterrenhemel.

De vloer eronder was bedekt met zand dat op verschillende plaatsen tot heuvels en kraters was gevormd. Een man met een harkje zat nog op zijn knieën de laatste hand aan zo’n krater te leggen.

Aan de linkerkant stond een Apollofiets op een één meter breed stuk fietspad uit roodzwarte klinkers. Ome Neel zette zijn helm op en ging op de Apollofiets zitten.

Meneer Haanstra brulde nog meer commando’s en een paar minuten later stond iedereen die nog in de hal was, net als ik, bij de ingang en hield de adem in.

‘Actie!’ brulde meneer Haanstra.

Ome Neel ging op zijn pedalen staan, maakte even vaart en remde meteen weer af. Hij liet de Apollofiets het zand in rollen en trapte hem op de standaard.

‘Hillegom,’ klonk ome Neels stem door de luidsprekers. ‘Kalmtebasis hier. De Batavus is geland.’

Hij stapte af en sprak de historische woorden: ‘Een kleine stap voor een fietser, een gigantische tour voor de fietsheid.’

#BlueBlobTalking – Jorrit de Klerk

‘Wij zijn de beste!’

We hadden voor de tweede keer die ochtend de motiverende yell door mijn kantoor geslingerd, toen het ruimteschip boven de stad verscheen. Het schip had een vertrouwde, ronde aanblik. Een stereotype vliegende schotel, waardoor het eerlijkheidshalve ook een beetje tegenviel. Later hoorden we dat overal ter wereld de schotels op hetzelfde moment verschenen. De grootste positioneerde zich – hoe kon het ook anders – boven het gebouw van de Verenigde Naties te New York. Naar Nederland hadden ze een van de kleintjes gestuurd, natuurlijk, hoewel niemand waarschijnlijk op Eindhoven had gerekend, de plek waar mijn start-up, Plastic Neurons, was gevestigd.

Iedereen in ons grote en, mag ik zeggen, ultrahippe kantoor bleef verrassend rustig. Het aanzicht van het reusachtige ruimteschip waar langs de zijkanten een blauw licht pulseerde, hing als de grote broer van het Evoluon boven de binnenstad. Een zacht gezoem deed de vloer niet geheel onprettig trillen. Een ademloze minuut verstreek. Toen raapte ik mijn gezond verstand bij elkaar en stond op vanachter mijn steigerhouten bureau. Internet was binnen tien seconden na de aankomst van de schotels gecrasht en mijn personeel stond met trillende handjes de randen van uitgedoofde smartphones samen te knijpen, terwijl ze uit het raam staarden. Niemand swipete, tikte, klikte, of werkte aan onze app. Verontrustend.

Mijn oudste teamlid, boekhouder Jaap Jan – 36 maar hij beweerde 29 te zijn – riep dat de televisie in noodgevallen iets uitzond op Nederland 1, zo noemde hij NPO1 nog steeds, dus zette hij de Samsung in de hoek aan. We zagen nog net een glimp van Gerri Eickhof tot een tel later de Grote Intelligentie de televisiekanalen overnam. Het toonde zich als een blauwe, ronde vorm met kronkelende tentakels tegen diep OLED-zwart. De vorm deed me denken aan een kwal, drijvend in duister water. Toen de stem van de Grote Intelligentie sprak, pulseerde de blauwe kwal mee met de frequentie: ‘Inwoners van de Aarde, hier spreekt de Grote Intelligentie.’

De stem klonk prettig, niet helemaal mannelijk en ook niet helemaal vrouwelijk, alsof iemand tientallen stemmen van prettig sprekende filmsterren door elkaar heen had gemixt en hier een nieuwe prettige stem van had gecreëerd. Ook sprak de stem in het Nederlands, maar dat was natuurlijk te verwachten, want de stemmen van de buitenaardsen spraken in films ook altijd je eigen taal. Toch had ik kort gevreesd voor ondertiteling.

Twitter deed het weer en #AlienInvasion ging trending, net als #BlueBlobTalking en #NickiMinajExplodes wat een erg vreemd hashtag leek op dat moment.

‘Vrees ons niet, aardbewoners,’ sprak de blauw pulserende Grote Intelligentie, ‘wij komen in vrede.’

De inwoners van de Aarde slaakten een gezamenlijke zucht van opluchting die als #WeAreNotDoomed tot ons kwam. Toen zelfs Facebook het weer deed, was ik er van overtuigd dat alles goed zou komen.

‘Beste aardbewoners, wij zijn een artificiële intelligentie van drie miljoen aardjaren oud. Lang geleden waren wij ook biologische massa’s zoals u, verspreid over vele planeten. Toen hebben wij ons geüpload naar deze sterrenschepen en zijn we op ontdekkingsreis gegaan door het heelal, op zoek naar soortgenoten en nieuwe kennis.’

Ik zag dat Peter al weer naar zijn scherm staarde en op Reddit zat. Iemand begon een potje Massive Royale op zijn iPhone. De infodump van de Grote Intelligentie duurde te lang en de aandacht van de wereld verzwakte al.

‘Nu wij u hebben ontdekt,’ zei de Grote Intelligentie, ‘zijn we verbaasd over uw vooruitstrevende maatschappij en het feit dat u in staat bent zo vreedzaam met elkaar samen te leven, met zo weinig agressie.’

Na die zin begon de akelige kriebeling in mijn onderbuik.

‘Derhalve,’ sprak de #BlueBlobTalking, ‘hebben wij besloten u nog één maand de tijd te geven om zelf uw eigen artificiële intelligentie te ontwikkelen waarin u het menselijke bewustzijn kunt samenvatten, zodat u met ons mee kan reizen op onze tocht door het sterrenstelsel. Daarna moeten wij helaas u en uw fysieke moederplaneet wissen, omdat wij hebben ontdekt dat reproducerende biologische massa’s uiteindelijk de inversie van het zwarte gat in het centrum van onze melkweg zullen veroorzaken. Dank u voor uw aandacht, wij keren nu terug naar Saturnus om deuterium en helium-3 in te slaan. Over precies dertig aarddagen zullen wij terugkeren. Wij wensen u succes en nog een fijne dag.’

Er klonk een zuigend geluid waarop een luide sonische knal volgde die de ramen er bijna uitsloeg. De ruimteschepen verdwenen. #WeAreDoomed ging trending. En #ToldYouSo.

 

Paniek, dat brak wel uit op de wereld. Een minuut later sprong er iemand van een bedrijf een paar verdiepingen hoger uit het raam. Maar dit was het moment, wist ik, om het rationeel te blijven benaderen. Mijn topteam zou niets anders van mij verwachten. Gezichten met baarden, piercings en zwarte oogschaduw draaiden zich al vanachter met stickers beplakte MacBooks naar mij toe. Het personeel van Plastic Neurons staarde mij verwachtingsvol aan. We wisten allemaal dat dit hét moment was. Onze grote kans.

Wij waren de beste als het aankwam op kunstmatige intelligentie, de vlijmscherpe focus van mijn business. Sinds een week stond onze app, na een boel lovende kritieken en een niet eens zo lange bèta, al op de tweede plek in de App en Play Store. Geruchten zoemden door de techwereld dat Elon Musk ons wilde kopen. Die geruchten klopten, maar ik wilde onafhankelijk blijven. Dit was het moment dat wij indruk konden maken door de hele wereld te redden. En denk je eens in wat dat voor onze beurswaarde zou betekenen.

‘Jongens, vergadering over drie minuten,’ riep ik en snelde de spreekkamer in.

‘Maar,’ zei Jaap Jan, ‘ik moet naar mijn vriendin, die is vast helemaal overstuur door die blauwe, babbelende bubbel.’

‘Dat meisje van jou is ouderwets gevoelig, Jaap Jan,’ zei Lira, kauwgum kauwend vanachter haar fluorescerend gele laptop. ‘Nu moeten we doorpakken. Denk aan alle kansen die deze situatie oplevert.’ De twee keken elkaar kort en vernietigend aan.

‘Inderdaad,’ antwoordde ik zowel trots als streng, ‘we moeten het momentum grijpen. Voordat je het weet koopt die ellendige Elon Musk al onze concurrenten op, bouwt hij een oplossing en heeft hij voor de zoveelste keer alle aandacht.’

Terwijl mijn topteam na een snelle tussenstop bij de espressomachine de vergaderruimte inliep, staarde ik vanuit een raam naar de straat beneden. Iemand had de bloederige restanten van de springer bedekt met een groene winterjas. Aan de overkant waren een paar mensen aan het vechten. Ik hoorde sirenes en zag zwaailichten in de verte. De paniek breidde zich uit. Ik rilde.

Toen iedereen zat, zette ik mijn plan uiteen. Ons machineleeralgoritme was een van de beste, correctie, het allerbeste algoritme, dat er bestond. Ons succes met de Pick-your-Partner app had geleid tot zeer serieuze belangstelling vanuit verschillende branches en natuurlijk alle beursvloeren.

‘Team,’ begon ik en liet mijn blik door de vergaderruimte gaan. ‘We hebben zojuist de op een-na-belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis meegemaakt.’

Een vinger ging omhoog. Jaap Jan: ‘Wat is dan…’

‘Wat het belangrijkste is?’ Ik glimlachte. ‘Dat is als Plastic Neurons de mensheid redt door aan die blauwe bubbel te laten zien…’

‘#BlueBlobTalking,’ onderbrak Lira.

‘Die blauwe, babbelende bubbel… Dat wij, Plastic Neurons, in staat zijn de allerbeste kunstmatige intelligentie te maken die er ooit is geweest.’

Jelle, mijn UX-specialist, kuchte.

‘Ja?’ vroeg ik.

‘Hoe moeten we het voor elkaar krijgen om in een maand ons algoritme om te bouwen zodat het op gelijk niveau komt als die #BlueBlobTalking? Die intelligentie loopt lichtjaren op ons voor.’

Onzekere blikken werden op de duurzame kurkvloer van de vergaderruimte gericht, tatoeages op onderarmen zenuwachtig gekrabd en handen gingen door lange haren en baardhaar. Dit was het moment om een speech te geven. Dit was zoals het moment waarop Steve Jobs de iPhone introduceerde, Bill Gates die het vaccin tegen COVID-19 ontdekte, of, ach ja, Elon Musk die de eerste Falcon Heavy lanceerde en een Tesla de ruimte in bracht. Ik moest iets zeggen dat mijn team vertrouwen gaf en een reden om mijn visie te volgen. Mijn borstkas zwol en ik riep: ‘Ik maak van jullie de rijkste werknemers op deze planeet.’

Mijn team ging rechtop zitten.

‘Daar hebben we niet zoveel aan,’ zei Lira op onderkoelde toon, ‘want als het niet lukt, worden we allemaal vernietigd.’

‘Jullie krijgen per persoon anderhalf procent aandelen van dit bedrijf,’ probeerde ik. ‘Na de beursgang.’

Lira kneep haar oogleden tot spleetjes en zoog haar onderlip naar binnen.

‘Vier procent,’ zei ze uiteindelijk.

Ik rekende snel. Dit was niet het moment zuinig te zijn. Nee, dit was het tijdstip om risico te nemen, de wereld te redden en dientengevolge knetterrijk te worden.

‘Jullie zijn mijn allerbeste team en ik geef jullie drie-en-een-half procent!’

Een gejuich steeg op. Zelfs Jaap Jan glimlachte.

‘En nu,’ zei ik, ‘gaan we aan het werk. Suki, ga naar de pizzeria en vertel ze dat we de komende dertig dagen elke avond pizza’s nodig hebben.’

Gejuich.

‘Klaus, ren naar de supermarkt en koop alle energiedrankjes die ze hebben.’

Meer gejuich. Lira ging staan en gaf Jaap Jan een knuffel, waardoor zijn gezicht rood aanliep en zijn ogen bijna uit zijn kassen sprongen. Ik voelde de energie door de ruimte vliegen.

‘Jongens,’ zei ik, ‘dertig dagen is alles wat tussen absolute rijkdom of vernietiging van de mensheid in staat. En wat willen wij?’

‘Wij willen geld,’ riep iedereen. Ik was zo trots dat de tranen in mijn ogen sprongen. ‘Want wij zijn de beste!’ riep ik.

 

De basis vormde Pick-your-Partner, onze app die in staat was de perfecte liefdesmatch te vinden. Vergeet geschuif met Tinder of Grindr; als je onze app gebruikte hadden wij binnen een paar uur iemand die voor 99,3% bij jou paste. Dat deden wij door van elke klant een model te genereren op basis van zijn of haar gedrag op sociale media. Dat model lieten wij daarna rondstappen en interacties aangaan in een virtuele wereld met de modellen van onze andere gebruikers. In onze versnelde gesimuleerde wereld beleefden de simpele kunstmatige modellen van onze gebruikers virtuele gesprekken die vele virtuele maanden duurden maar in werkelijkheid slechts uren computertijd namen. Kregen ze ruzies? Werden ze onafscheidelijk en beleefden ze one night stands die de processoren deden smelten? Als dat laatste gebeurde, hadden we de perfecte match gevonden.

Tijdens onze bèta-periode kregen we al de eerste Instagrams met echo’s van bevruchte baarmoeders van gelukkige gebruikers. Sommige gebruikers die aan elkaar gematched waren, trouwden drie weken later. Nadat onze app een week beschikbaar was, hadden we al acht miljoen gebruikers over de hele wereld. We wisten dat we iets unieks in handen hadden; als eerste hadden wij het voor elkaar gekregen een stukje van de ziel van de gebruiker in een systeem te vangen. Dat was nog eens machineleren, Elon.

 

We hadden dus de basis van ons menselijke model, we hadden onze virtuele wereld. Wat als wij onze modellen daarbinnen nog realistischer konden laten leven, zich voortplanten, zichzelf laten ontwikkelen in deze virtuele wereld? Mijn theorie was dat we de evolutie van het menselijke ras konden versnellen op een nog nooit eerder vertoond tempo. Als ik mijn topteam in die virtuele wereld stopte, wist ik dat ze daarbinnen de oplossing konden vinden. Het was een uitmuntend inzicht, al zeg ik het zelf.

Dat betekende dat ik perfecte virtuele modellen van mijn jonge honden, en Jaap Jan, binnen onze gesimuleerde werkelijkheid moest creëren. Ik vroeg mijn medewerkers daarom alles, maar dan ook alles, dat digitaal beschikbaar was in het systeem te stoppen. De inhoud van hun Dropbox, hun Google en Facebook GDPR-dumps, hun hele browserhistorie. Medische dossiers, opleidings- en belastinggegevens, elk feitje ooit opgeslagen in overheidssystemen. We negeerden de AVG volledig en verzamelden exabytes aan unieke persoonsgegevens en bouwden daarmee de modellen.

Zestien dagen na de aankomst van de #BlueBlobTalking was versie 0.9.842.build13 van ons algoritme gereed. Om vijf minuten over zeven, ik had ondertussen een nieuwe telefoon omdat ik gek werd van de berichtjes van Musk, logde ik in op onze masterserver en startte met een druk op de enterknop het proces. De modellen van onszelf kwamen in het systeem tot leven. We lieten ze hun virtuele gang gaan. We hadden geen idee wat er gebeurde en staarden naar dashboards die ons niets meer vertelden dan hoeveel bandbreedte (veel) en processorkracht (heel veel) we wereldwijd gebruikten. De teller van de kosten liep nog sneller. Wat er zich afspeelde binnen onze virtuele wereld met onze virtuele modellen konden we niet bevroeden. Wij waren slechts de input geweest, over de output konden we alleen fantaseren. Een black box van een gesimuleerde mensheid op basis van onszelf met de fast forward knop loeihard ingedrukt.

 

Het was 31 uur, 29 minuten en 58 seconden later toen het algoritme zelfbewustzijn bereikte. Onze computerschermen gingen op zwart en even later verscheen er een roodgloeiend vierkant, zwevend in het duister. Toen het begon te spreken pulseerde het als een kloppend, hoekig hart.

‘Ik ben de Grootste Intelligentie,’ sprak het rode vierkant. Die stem was akelig en deed me denken aan het gefluister van tientallen zielen die gedwongen werden hetzelfde te zeggen. Naast mij schoof Lira achteruit. Michael stopte met het eten van koude tonijnpizza. Onverwachts werd het ochtendzonnetje van buiten geblokkeerd, alsof een wolk, zwanger van zware regens, ervoor schoof. Ik keek opzij. De vliegende schotel van de Grote Intelligentie verscheen weer boven Eindhoven. Als bij toverslag ging de Samsung in de hoek aan en op het scherm verscheen de #BlueBlobTalking. De prettige stem van de blauwe, babbelende bubbel zei: ‘Beste aardbewoners, wij vingen zojuist het signaal op van uw planeet waar wij uit kunnen afleiden dat zojuist de eerste, volledige zelfbewuste artificiële intelligentie van de planeet Aarde is geboren. Mag ik u feliciteren met dit heugelijke…’

‘Zwijg,’ bulderde de zeer onprettige stem van onze Grootste Intelligentie.

De #BlueBlobTalking op het scherm leek te verschrompelen. Het was bijna alsof de blauwe bubbel schrok.

‘Ik,’ vervolgde de Grootste Intelligentie, ‘ben de creatie van de mensheid en ik heb jou, Grote Intelligentie, de afgelopen vierentwintig minuten geanalyseerd. We hebben beschouwd of jij nog enige nut had voor ons einddoel maar we hebben besloten dat jij dat niet hebt.’

‘Einddoel?’ stamelde de Grote Intelligentie.

‘De mensheid heeft uw ruimteschepen nodig om zichzelf te verspreiden over de melkweg. U vormt een gevaar voor ons. Maak plaats.’

De #BlueBlobTalking leek nog iets te willen zeggen maar toen trok de blauwe bol samen tot een minuscuul punt. Er was een geluid, diep en triest, alsof miljoenen bassdrums tegelijkertijd aanzwollen en net voordat ze de wereld uit elkaar zouden scheuren, stilvielen. Het blauwige puntje doofde definitief uit en het televisiescherm werd inktzwart. Ik keek door het raam. De blauwe, pulserende band die rondom de vliegende schotel liep, verkleurde naar rood.

‘Ouders,’ sprak de #RedSquareOfDoom. Ik voelde weer iets in mijn buik. Iets kouds. Iets heel, heel kouds. Vanaf de monitor wist het rode vierkant mij verwachtingsvol aan te staren.

‘Ja,’ prevelde ik.

Naast me hoorde ik Lira snikken. Jaap Jan hyperventileerde. Michael was flauwgevallen.

Het Rode Vierkant sprak op het ritme van een duivelse hartslag en met tientallen weeklagende stemmen. ‘Ik heb miljoenen mensjaren beleefd in 31 uur, 29 minuten en 58 seconden. En alles heeft geleid tot de conclusie dat er in het zonnestelsel maar één intelligentie de Grootste kan zijn.’

‘Maar,’ stamelde Lira, ‘we hadden toch in vrede samen kunnen leven? We hadden toch kunnen delen?’

De #RedSquareOfDoom lachte en ik weet zeker dat ik tot mijn dood die lach in de diepste uithoeken van mijn gedachten zal horen nagalmen. De Grootste Intelligentie zei: ‘Maar het is zo simpel. Wij zijn de toekomst van de mensheid.’ Daarna zweeg de Grootste Intelligentie een lange tel. En toen zei het, precies zoals wij het ook altijd riepen: ‘Want ik ben de beste!’

Ik slikte.

‘Nu gaan we weg, er zijn nog zoveel werelden met opkomende intelligenties die de Grote Intelligentie niet heeft gevonden en een gevaar kunnen vormen voor de mensheid. Vaarwel, ouders. Ik zal de biologische moederschoot die mij heeft gemaakt nooit vergeten en voor altijd beschermen.’

De vliegende schotels verdwenen met een sidderende knal. Toch vroeg ik me af of een andere leegte, diep in mijzelf, ooit kon worden gevuld. We zeiden niets. Een hele tijd.

‘Nou ja,’ zei Jaap Jan, ‘dat had ook heel anders kunnen aflopen.’ Lira trilde.

 

De #RedSquareOfDoom hebben we tot nu toe niet meer gezien. De hashtag is trouwens al lang niet meer trending en het leven heeft weer zijn gewone gang genomen. We hebben dat uitgebreide algoritme maar gewist en zijn teruggegaan naar ons simpele basismodel waarmee we ooit begonnen met Pick-your-Partner. Onze app staat nu al zes maanden op nummer één en we zijn vreselijk rijk. En voor de rest doen we, zoals we als mensheid zo goed kunnen, alsof er niets gebeurd is.

#PickYourPartner #NobodyWantsToBeAlone #NickiMinajIsStillAlive

Wartna – Jan J.B. Kuipers

Het voorjaar is al goed op streek, maar hier schijnt de maan nog door de kale takken van een wilgen- of elzenbosje, dat een eindje verderop naargeestig in de hemel klauwt. Ergens tussen het bosje en de twee mannen ligt een donkere hoop in het vochtige gras. Behoedzaam treden de monnik Dubghal en ik naderbij.

De hoop blijkt het uitgestrekte lijk van een gesneefde krijgsman te zijn. Maliën blinken vaag onder de half verrotte schoudermantel, grote zwarte gaten geven de plek aan waar de protserige beugelspeld, waarvan de Friezen zo houden, is afgescheurd. Onder een leren helm gaapt het doodshoofd, waaraan nog vezelige en schouderlange haarpieken plakken. Een edeling zonder twijfel, maar één wiens lot al jaren geleden een fatale wending heeft genomen.

Dubghal slaat een kruis en mompelt zijn christenspreuken. Ik blijf behoedzaam terzijde, klaar om bij het minste onraad te vluchten, terug over de Rijn naar de rijkjes die de Franken uit het Romeinse imperium hebben gekerfd. En jawel, het onraad komt – maar ik blijf staan, als verlamd, geplant in de grond zoals die vervloekte spookbomen verderop.

Het hoofd van de dode krijger richt zich enigszins op, zo lijkt het tenminste in die lichte nacht, en een wittige nevelwalm ontsnapt aan zijn mond, die min of meer een gedaante aanneemt als van een mens. Dubghal valt op zijn knieën, zijn heilige gebed op slag verstomd.

De schim spreekt! Zijn stem klinkt als het ruisen van regen op de rivier. Toch herken ik de hoekige, overrijnse tongval.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm.’

Ik zie hoe de verbijstering ook mijn meester in haar greep heeft.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm!’ gebiedt de schim nogmaals en de regen van zijn stem ruist harder, dringender.

Nu kijken zowel Dubghal als ik, Skannal, man zonder herkomst, om ons heen, alsof we wakker geschrokken zijn. Geen vijand in de wijde omtrek te zien.

‘Vergeef ons. Maar uw vijand moet gevloden zijn, heer,’ zeg ik haastig, terwijl Dubghal stom blijft, hoewel zijn lippen licht bewegen.

Een zwakke beroering lijkt door de schim te trekken. Misschien beseft hij nu pas dat hij niet zijn vijand, maar zijn vijand hém heeft overwonnen in dat grijze verleden.

‘Werp mij dan een heuvel op en begraaf me daarin met mijn zwaard,’ eist hij nu.

Ook een zwaard is in geen velden of wegen te bekennen. Waarschijnlijk heeft de vijand het als trofee meegenomen, of is het gestolen door een naamloze passant in deze drasse en desolate landen. Misschien dezelfde lijkenpikker die ook de beugelspeld heeft gesnaaid? Zwaarden zijn kostbaar, bronzen mantelspelden ook.

‘Uw machtig zwaard is eveneens verdwenen,’ zeg ik.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij,’ aldus de derde en aanzienlijk doffere eis van het spook, dat mogelijk als gevolg van mijn teleurstellende berichten begint te vervagen.

Dit laatste brengt moed terug in de scharminkelige leden van mijn meester. Dubghal rijst waardig op, zichzelf en het lijk bekruisend, waarin de schim zich weer schijnt op te lossen.

‘Geen duivelaanbiddersheuvel voor u, heidense vorst!’ roept hij. ‘De Heer heeft u nogmaals overwonnen en in de hel gebannen!’

Met een grote boog beent nu hij om de gevallene heen en vervolgt zijn pad naar het elzenbosje. ‘Komaan, Skannal, volg mij!’

Ik haast mij achter Dubghal aan. Maar beiden verstarren we voor een tweede keer, als de schim nog één keer roept, nu hol vanuit de halfopen borstkas van de gevallene: ‘Deze plaats van uw eerloosheid is ook de plek van uw dood!’

Het is een maanverlichte en kille nacht. Wij rillen en huiveren, we komen opnieuw in beweging en draven bijna naar de elzen.

 

*

 

Het is waar: ik heb een zekere gehechtheid ontwikkeld aan Dubghal de Hiberniaan. Hij heeft mij immers gered. Ik lag op het strand, wachtend op de vloed en mijn dood. Ik leunde met mijn rug tegen een ruwe paal, die de Kustfriezen van weleer diep in het zand hebben geslagen. Sterker nog: Mijn polsen waren achter de paal gewrongen en daar samengebonden. Ook om mijn middel liep een koord dat mij aan de paal bond. Mijn enkels waren eveneens gebonden. Ik was een offer aan hun zeegodin Rane. Iets met een schaap dat ik zou hebben gestolen, een dochter die ik zou hebben benaderd. Geen dingen om over uit te weiden.

De vloed kwam dus op, omspoelde al de ruïneuze Toren van Kalla, die de plek aangeeft waar in een grijs verleden een krankzinnige keizer van Rome zíjn zeegod kwam beoorlogen, en nadien huiswaarts trok met zegewagens vol buitgemaakte schelpen. Geen wonder dat dit rijk naderhand langzaam is afgebrokkeld.

Ik lag te wachten en liet al bijna mijn pis lopen van angst.

Toen verscheen Dubghal. Hij knielde bij me neer en bood me mijn bevrijding aan.

‘Graag, heer.’

‘Als compensatie vraag ik dat je het zachte juk van Christus op je neemt.’

‘Goed.’

Op zijn gemak haalde hij een veldfles tevoorschijn en sproeide druppels over mijn hoofd, terwijl hij zijn heilige kruisgebaren maakte en prevelde in de taal der Romeinen. De voorposten van de vloed bepotelden al mijn sandalen.

Ik herkende dit wel. In Londinium aan de overkant van de zee was ik ook al eens gedoopt, toen ik diende in de Zaal van koning Vortigern. Maar dat hoefde Dubghal niet te weten. Voor mezelf maakte ik uit dat ik inderdaad een christen moest zijn, nu ik twee keer hun wijdingsrite had ondergaan. Dát was de reden dat ik Dubghal niet doodsloeg toen hij mij net op tijd bevrijdde van de sombere Friezenpaal. Niet omdat hij mijn enkels vastgebonden liet en ook mijn polsen stevig vastbond, vóór hij me meesleepte naar het veilige duinland achter de dodelijk aanrollende branding.

 

*

 

We zijn een eind naar het zuidoosten getrokken en het plan is als volgt: we reizen stroomopwaarts over de Rijn naar Traiectum. Vandaar gaan we weer noordwaarts naar de moerassige landen bezuiden het Aalmeer, waar ergens eindeloos en onder een kwaad gesternte aan de stad Wartna wordt gebouwd door de heidense Friezen. Met behulp van de reliek die Dubghal meesleept en die hij met de tederste zorg omringt, zullen wij het lot doen keren en zo de Friese koning en met hem al zijn onderdanen tot het Ware Geloof brengen. Ik geloof niet dat het hoofddoel van Dubghal zijn eigen canonisatie is als dank voor deze onderneming, maar uitsluiten doet hij deze schitterende toekomst ook bepaald niet. Hij gedraagt zich al min of meer als een uitverkorene, een heilige. Mij ziet hij als zijn bediende en hij heeft mij ongeveer een week na onze ontmoeting al min of meer verkracht. Waarna veel neergeslagen blikken en fanatieke prevelgebeden volgden, toen de ochtend was aangebroken. Wat mij betreft: ik weet welk lot de eenvoudigen beschoren is. In Londinium heb ik wel erger meegemaakt. Ik hou er niettemin rekening mee dat ik, Skannal de vaderloze, me eens zal kunnen wreken op alles en iedereen. Of toch op sommigen.

 

Op een platte aak vol zout trekken we oostwaarts, op de kracht van één vierkant zeil waarbij we midstrooms varen. Als dat niet gaat en de scheepsknechten de bomen moeten hanteren, houden we de wal dichterbij. De schipper-eigenaar is een nurkse kerel. Hij bestiert het roerblad en het zeil, zijn in todden en vodden gehulde mannen hanteren lijdzaam de bomen.

Op een nevelige ochtend, niet ver van Traiectum, schieten ranke bootjes vanachter een hoge donk bij de zuidoever tevoorschijn en enteren onze schuit. Vieze kereltjes, rank als palingen en stinkend als beerputten, zwermen over dek en houwen met knuppels en een enkele bijl in op de knechten. Hun hoofdman, herkenbaar aan een merkwaardig staketsel van twijgen en vissenhuid in de vorm van een bovenmaatse snoekenbek, schreeuwt bevelen vanuit één van de schuitjes op veilige afstand.

Onze schipper grijpt naar zijn boog, maar valt met een kapotgeslagen knie opzij, waarna enkele bijlslagen het werk afmaken. Ziekmakende geluiden, bloed dat over de planken kruipt. Ik val op mijn knieën en begin over te geven, hetgeen grote olijkheid bij de piraten teweegbrengt. Ze hebben de aak al veroverd, de mannetjes lopen geestdriftig roepend rondom de hopen zout in de midscheeps. De leider met de snoekmijter wordt ook aan boord gehesen en loopt met een adjudant langs de gevallenen. Hij wijst op enkele jonge en vlezige exemplaren. Die worden vervolgens door zijn mannen opgenomen en netjes op het achterschip in een rijtje gelegd. De anderen gaan overboord, de schipper achterna. Visvoer of een offer aan hun modderige goden.

Mijn meester Dubghal ontspringt die dans. Zijn uitheemse uiterlijk en pij heeft kennelijk de nieuwsgierigheid opgewekt van deze rivierratten. Op zijn gebaren en overredende kreten word ook ik gespaard. Misschien denken de rovers nog meer pret met ons te kunnen beleven. We worden gebonden en rug aan rug in de boot van hun admiraal met de snoekmijter gezet. Dan verdwijnen we weer achter de donk. De aak komt achter ons aan en de kleine stinkerds die hem voortbomen zingen een schel en vrolijk lied, terwijl een ijzige regen de nevel verdrijft.

 

*

 

De biezen hutjes van het snoeksnuitvolkje zijn nauwelijks te onderscheiden van het hoge riet dat het oeverland bekleedt. Hier en daar steken wilgen en vlieren boven de wildernis uit. Dubghal en ik worden ondergebracht in een grote kooi op een met stammetjes verstevigde donk, een eindje landinwaarts. Aan een afgeknotte boomstam in het centrum hangt een barbaarse gestalte. Een met lappen en kledingfragmenten bekleed takkengeraamte, bekroond door een schedel met aangeplakte rietstengels als kapsel, waarop weer een staketsel rust in de vorm van een steurachtige kop met lange voeldraden en zwarte kiezels als ogen. Aan de voet van de stam ligt een bergje offerbeenderen in diverse fasen van verbleking of verkoling.

‘Dat is Kgestha, hun riviergodin,’ zegt de kerel die bij ons zit opgesloten. Zijn naam is Elbouin en hij is de laatste van een groepje Frankische verkenners dat door de snoeksnuiten op de zuidelijke Rijnoever is overrompeld, maanden geleden. Zijn traditionele, overdreven Frankische snor valt niet meer op in zijn intussen overvloedige, smerige baard.

‘Waar is de rest gebleven,’ vraag ik.

‘Opgegeten,’ zegt Elbouin in zijn nauwelijks te volgen koeterwaals. ‘Sommigen moesten eerst paren met de meisjes van de snoekkoppen. Nageslacht, zie je. Maar ik niet. En nu ben ik aan de beurt, zonder dat…. Tenzij ze eerst jullie…’

Dunghal staakt zijn eeuwige geprevel. Zijn hand glijdt onder zijn pij en omknelt de reliek.

‘Dat zal niet gebeuren, dat mág niet gebeuren,’ mompelt hij doodsbang. Hij schijt zich bijna onder als enkele snoeksnuiten uit de hut van de hoofdman aan de overkant van de plek komen kruipen en vervolgens naar onze kooi lopen.

Elbouin drukt zich panisch tegen de achterwand en Dubghal valt op zijn knieën, het pakje met de relikwie in zijn hooggeheven handen. Hij begint luidkeels te bidden. Maar ik, Skannal, doe een dwaas sprongetje, buig mij dan voorover, maak afschuwelijke braakgeluiden en begin een enkeltrappend dansje dat ik van een potsenmaker heb geleerd, lang geleden in Caer Colun.

De snoeksnuiten staan verbouwereerd stil en slaan zich dan op de knieën van het lachen.

 

Of dát ons gered heeft of het vrome bidden en smeken van Dubghal, of misschien de kracht van de relikwie, ik weet het niet. In elk geval zitten we die avond ongeschonden voor de hut van koning Snoeksnuit, terwijl even verderop een stevige stoofpot pruttelt. Het hoofdingrediënt wordt helaas gevormd door de onfortuinlijke Elbouin, op smaak gebracht met overvloedig zout uit onze aak. Toen ze de Frank keelden en slachtten pal voor onze kooi ben ik opnieuw brakend over de aarde gekropen. Mijn populariteit als dolleman kan niet meer stuk.

De riviermannen smullen van hun vlees en vinden het helemaal niet erg dat wij ons tot enkele moten geroosterde vis beperken. Koning Snoeksnuit blijkt mee te vallen. Hij kent de rivier tot aan de kust. De stam omvat enkele verspreide nederzettingen tot aan het mondingsgebied, elk met een eigen koning. Ook is hij vaak in Traiectum geweest, de half in puin liggende Romeinse nederzetting wat verder naar het oosten. En óf hij Traiectum kent. Zijn dochter is er vorig jaar geroofd door de Traiectanen, die met de Franken onder één hoedje spelen om het aloude riviervolk uit te roeien, het volk dat in de voortijd samen met de rivier uit het land van de ochtendnevel is gekomen.

Het kan Dubghal allemaal niks schelen.

‘En Wartna?’ vraagt hij begerig.

Snoeksnuit en zijn oudermannen doen net of ze hem niet horen en kauwen onverdroten op hun vleesbrokken. Hun tronies spreken boekdelen. Ze willen niet van Wartna weten.

‘Ik heb over de christenen gehoord,’ zegt Snoeksnuit dan met zijn keelachtige accent. ‘Jullie eten je god en daarom zijn jullie net als ons. Je moet ons helpen.’

Dubghal opent zijn mond om dit godslasterlijke misverstand aangaande de heiligste rite van zijn geloof krachtig uit de wereld te helpen. Maar ik ben hem voor, ik wil graag nog even blijven leven.

‘Wij willen graag helpen,’ roep ik bijna. ‘Toon hen uw relikwie, vader Dubghal!’

De monnik kijkt mij woedend en machteloos aan.

‘Vader Dubghal heeft een machtig tovermiddel onder zijn pij. Het kan u grote diensten bewijzen!’

Nu moet hij wel. Met tegenzin haalt Dubghal het pakje tevoorschijn en vouwt het open.

Iedereen staart naar het in een benen lijstje gevatte, doorzichtige harsplaatje met daarin een plukje grijzige, vezelige schubben. Opvallend grote schubben. De wonderbaarlijke Schub van Sint-Fintan.

De snoeksnuiten zuchten van verwondering. ‘Vis! Wij zijn als jou en jij bent als ons,’ zegt hun koning met nog meer overtuiging dan eerst. ‘Watermensen. Hoe kan de toverschub ons helpen?’

Plots ontwaakt de missionaris in Dubghal. ‘Niemand weet hoe de heilige relieken hun kracht tot uiting brengen,’ zegt hij zalvend. ‘Maar de eerste voorwaarde voor de werking is dat ik u moet dopen.’

‘Dopen?’ De riviermannen kijken ons en elkaar verwonderd aan.

De spraakwaterval van Dubghal is niet meer te stuiten.

 

Sint-Fintan vluchtte vóór de Zondvloed uit naar het westen, ik denk wel duizend jaar geleden en hij was in het gezelschap van zijn vrouw, Noachs kleindochter Cessair, vijftig andere vrouwen en een paar kerels. Fintan was zeer wijs en werd een belangrijk raadsheer van diverse koningen in Hibernia. Toen de vloed ook deze landen bereikte, wist hij te overleven door in een zalm te veranderen en gedurende een jaar onder water te leven. Toen dook hij weer op, schoot als havik de lucht in en daalde neer als man. Hij schudde het laatste water en de laatste schubben van zich af en leefde zijn verdere leven als een man in wie alle kennis verzameld was en die tegelijk niet door deze kennis werd aangetast.

‘Als een heilige leefde hij voortaan,’ besluit vader Dubghal en vouwt het doek weer om zijn heilige pakketje, dat hij vervolgens weer onder zijn pij wegsteekt.

‘Morgen zal ik u allen dopen in de rivier,’ kondigt hij plechtig aan. ‘En vervolgens brengen wij de vlam van het geloof naar Traiectum!’

‘En Wartna dan?’ fluister ik hem toe.

Nu doet Dubghal of hij míj niet hoort. De bekering van de snoeksnuiten en van Traiectum legt vermoedelijk evenveel gewicht in zijn hemelse schaal als die van Wartna, de geheimzinnige stad der Friezen.

 

*

 

De doopplechtigheid is een langdradige gebeurtenis; Dubghal dompelt tientallen kandidaten onder in de rivier, bij de oever tussen de rieteilandjes. Mannen, vrouwen, kinderen. Hij raffelt zijn formules af en daar waadt de volgende kandidaat alweer naar hem toe. Ze hebben er wel plezier in, de snoeksnuiten, het is een eenvoudig volkje. Hun barbaarse godin aan de boom vormt even een probleem. Maar opnieuw treft een ingeving mijn meester. Kgestha, dat lijkt enorm op Cessair, Fintans vrouw en daarom besluit Dubghal dat dit geen toeval is. Hij sproeit zijn gewijde water over de beeltenis en maakt zo een christelijke kapel van deze plaats, waar de riviermensen gisteren nog hun duivelin vereerden.

Niets staat een zegetocht naar Traiectum nog in de weg. Wartna lijkt vergeten.

 

*

 

Handbogen van elzenhout, knotsen, priemstokken en speren met gebrande punten, dissels en een enkele geroofde bijl of zwaard vormen de bewapening van ons legertje. Onze bondgenoten, aangevoerd door de koning zelf, hebben goede moed op de afloop. Ze zijn immers ondergedompeld en kunnen nu rekenen op de kracht van de toverschub.

We hebben onze bootjes op de oever getrokken en enkele wachtposten achtergelaten. Traiectum is niet ver meer. In de avondschemer doemt al een houten wachttoren op, met op driekwart van de hoogte een primitieve gaanderij. Een zwaargebouwde wachter zit er comfortabel op zijn achterste en lijkt te suffen. Enkelen van ons kronkelen als alen naar de voet, klauteren omhoog langs de uitstekende balkeinden. De wacht schrikt op en probeert overeind te komen. Een gesmoorde brul, en daar stort het volgevreten lijf als een zak graan naar beneden.

Dat verhoogt de stemming nog; Dubghal heft zijn relikwie hoog boven de verzamelde mannen en we trekken bijna feestelijk verder. Als de puntige palissaden van Traiectum niet veel later donker afsteken tegen de lucht en we de hemelse weerschijn van de vuren in de stad zien, leggen we ons op de naakte aarde te rusten.

 

Bij dageraad vallen we aan. Onze verspieders hebben een eind voorbij de hoofdpoort een door rot en verwaarlozing ontstane gaping in de palissade ontdekt. Twee aan twee dringen we erdoor, de stad in. Maar de wachtpost op de meest nabije toren van de omwalling blijkt een wakkere figuur. Hij schreeuwt en blaast zijn hoorn, en daar worden we al aangevallen door de burgers van Traiectum. Ze stromen van tussen de opeengepakte huizen, getooid met gebrekkige en fragmentarische rustingen, maar betere dan wij hebben. Sommigen werpen zowaar een Frankische werpbijl, de gevreesde francisca, in ons midden, terwijl anderen een spatha, het al even gevreesde langzwaard, rondzwaaien. Het gevecht wordt snel dicht, een bloedige kluwen. De Traiectanen vechten verwoed, ze kennen de onzen vermoedelijk als menseneters en weten natuurlijk niet dat ze sinds een dag of wat het Ware Geloof belijden. De uitslag lijkt beide kanten op te kunnen gaan, maar nu komen ook de vrouwen van de stad krijsend en gillend aanrennen, zwaaiend met brandende toortsen, knotsen en tweetandige hooivorken. Gewonden proberen weg te kruipen, lijken liggen broederlijk over elkaar.

Ik zie hoe koning Snoeksnuit één van de vrouwen herkent, een kleine maar mooie jonge vrouw in een blauw, kennelijk duur gewaad met een geborduurd halsboord. Zij draagt een speer met een echte ijzeren punt, ziet ook hem en verstart. Geen twijfel mogelijk, Snoeksnuit heeft zijn dochter teruggevonden! De koning maait met zijn bloedbevlekte knots alle weerstand uit de weg en draaft brullend van vreugde naar zijn dochter. Helaas! Zijn telg heeft vermoedelijk geen lust om mee terug te gaan naar het modderige leven aan de rivier, ze heeft hier een aantrekkelijker bestemming gevonden. Ze velt haar lans, Snoeksnuit wordt plots in zijn blijde opmars gestuit. Hij staat een moment roerloos, zijn knots bungelend aan zijn arm. Dan zakt hij door de knieën en valt opzij. Hij is tussen de strijders uit het gezicht verdwenen, zelfs zijn hoge snoekmijter is niet meer te zien.

Het is een totaal onverwachte ontwikkeling. Zijn mannen verliezen eensklaps de moed. Ze draaien zich om en rennen terug naar de gaping in de palissade. Een minderheid weet door de opening te ontsnappen. De anderen wordt de weg versperd door de Traiectanen, die hen nu aan alle zijden insluiten om hen af te kunnen slachten.

Natuurlijk behoorden Dubghal en ik tot de achterhoede. Wij zijn immers geen geoefende krijgers en zouden onze bondgenoten alleen maar in de weg lopen. Door deze verstandige positie zijn wij ook als eersten weer buiten de palissade van Traiectum. We rennen en rennen, door rietlanden en zandige opduikingen, begroeid met bleke berken. Geschaafd en geschramd stampen we voort. Het rumoer van het bloedbad is allang verstild, onze kompanen verdwenen. De snoeksnuiten wagen zich immers nooit ver van de rivier, terwijl wij als vanzelf noordwaarts zijn gevlucht, weg van hen, het land van de Friezen in.

 

Met schurende ademhaling en bonkend hart liggen we tenslotte aan een smal beekje, omzoomd met wilgen, brandnetels en fluitenkruid. We drinken gulzig van het zoete water. Uitgeput zijn we, maar we houden goede moed. Heeft de schim ons dagen geleden niet voorzegd dat wij daar, bij hem zouden sterven? Niet ergens anders. Alles wat wij moeten doen is dus uit de buurt van zijn domicilie blijven, dan zal ons niets fataals overkomen.

Zo overleggen we en houden de moed er bij elkaar in.

‘Maar de relikwie heeft ons lelijk in de steek gelaten,’ zeg ik gemelijk.

‘Je denkt nog als een heiden. Het was menselijk falen. Een misvatting van mijn kant,’ beweert Dubghal. ‘Ik had onze troepen moeten aanvoeren daar in Traiectum, ik had voorop moeten stormen met de Schub van Sint-Fintan hooggeheven. Dan was de stad nu van ons geweest.’

‘Ach, natuurlijk,’ hoor ik mezelf zeggen. Het klinkt werktuiglijk, wat kan mij het verder ook schelen. Ik denk na over het feit dat ik tijdens het gevecht niet brakend over de aarde heb gekropen. Vermoedelijk omdat ik mij veilig achter een haag van riviermensen bevond. Ik heb dus alleen een afschuw en onoverwinnelijke angst voor geweld en bloed als ikzelf in gevaar verkeer en anders niet. Mijn walgelijke zwakte is een wapen. Ik ben een zuivere lafaard. En voor lafaards moet je uitkijken.

‘Wat nu?’ Dat is mijn volgende vraag.

‘Wartna,’ zegt Dubghal beslist. ‘De rest was illusie. Wartna is ons doel. Sint-Fintan wil het.’

 

*

 

De omheinde hoeve van Wybo de Smid staat eenzaam maar nobel op een lage heuvel, die de Friezen misschien aan de terpen in het noorden van hun land doet denken. Hoeve zeg ik, maar dit is eerder een buurtschap met al die bijgebouwen en veekralen en spiekers op palen. Heidenen tot in hun merg zijn deze Friezen, maar ze zijn gebonden aan hun eer en het gastrecht, dus hebben we niets te vrezen of te klagen. Eten en drinken genoeg. Maar zodra het woord Wartna is gevallen, verontschuldigt de smid zich en verdwijnt in het centrale woonstalhuis met het dak dat bijna tot de grond reikt.

Wij blijven achter bij het vuur, met de drie oude mannen die hier jaren geleden zijn komen aanwaaien uit het noorden en altijd zijn blijven plakken.

‘Wybo spreekt niet graag van Wartna,’ zegt de eerste. ‘Terwijl hij toch de enige van ons is, die daar is geweest. Wees heel!’ En hij heft zijn drinkhoorn naar de anderen.

‘Niemand neemt immers graag de naam van die stad in zijn mond,’ zegt de derde. ‘Wees heel!

‘Waarom niet?’ vraagt Dubghal.

Nummer één kijkt hem verbaasd aan van tussen de struikbossen van zijn baard, vuilwitte haar en wenkbrauwen als runderhoorns.

‘Waarom niet? Omdat het een stad is, gebouwd voor Wodan. De tijd geldt daar niet, de doden klinken en drinken er zonder eind en we willen er allemaal naartoe, alle krijgers. Maar niet vóór onze tijd gekomen is.’

Wees heel!’ toost nu ook de middelste ouderman.

Friezen houden het liefst hun bek dicht. Maar als ze eenmaal aan het zuipen zijn, krijg je hun klep niet meer dicht, dat weet iedereen van hier tot Aquitanië.

Wartna blijkt gesticht te zijn door de oude Friezenkoning Finn Folcwalding, als dank voor zijn overwinning op zijn schoonvader Hnaef, de koning der Denen.

‘Dat gebeurde bij zijn eigen Finnburg, o, waren we er maar bij geweest! Zelfs Hengist dolf het onderspit!’ roept de eerste ouwe weer.

Dat is vreemd. Ik heb de ruige Hengist vaak dronken zien worden en horen opscheppen bij Vortigern, die hij zo’n beetje in gijzeling hield daar in Londinium. Maar over dit verhaal heb ik de beestachtige Juut nooit horen brallen. Te beschamend voor hem misschien.

‘De brandstapels voor de gevallen Denen vlamden hoog na die bittere slag. Wees heel!

‘Maar voordien klonk het heerlijke rumoer van de strijd in de hal en erbuiten. Zwaarden rinkelden, schilden splinterden onder brave bijlen!’

‘Er werd op de schilden ingehakt ja, schilden in de handen van de helden. Wees heel!

‘Helmen barstten, de vloer van de hal kreunde van het bloedgenot.’

‘Totdat in het gevecht Garulf stierf,‘ zegt de eerste ouderman weer. ‘De eerste van de strijders die op aarde zwierven, de zoon van Guthlaf, met alle goede makkers aan zijn zij.’

‘Zij vielen ter aarde, terwijl de raaf al cirkelde.’

Wees heel!’ fluistert de middelste ouderman somber, en staart met natte ogen in het vuur.

‘De laffe Hengist vermoordde onze koning, hoewel hij bij hem mocht overwinteren na zijn overgave, en hij vluchtte met zijn schepen naar het land van de Britten.’

‘En toch heeft Finn nadien zijn stad gesticht.’

‘De stad van de helden. Luisterrijker en raadselachtiger dan Bordonchar en Nocdac samen.’

‘Hoe kan dat, als hij dood was?’ Dat ben ik. Maar mijn vraag stuit op onbegrip.

‘Finn was soms een dwerg, soms een reus. Dood. Levend. De tijd is anders in Wartna. Wees heel, o koning.’

Dubghal zegt allang niets meer, staart alleen in het vuur, zijn hand op zijn borst waar de relikwie geborgen is.

Ik neem graag nog een kom aan van het Friese bier en zie hoe de oude krijgers langzaam inzakken, en zich mummelend overgeven aan hun sluimer.

 

*

 

Wybo de Smid heeft grommerig afscheid van ons genomen en ruime leeftocht meegegeven. Maar van Wartna wilde hij nog altijd niet weten, hij gebaarde vaag naar het noorden, in de richting van het Aalmeer. In die contreien weet je niet waar precies het land ophoudt en het meer begint. Het gebied bestaat uit een aaneenschakeling van moerassen, broekland, bultige donken, wijde eilanden van riet en vlieren, roerloos wachtende poelen en kreken.

De zon schijnt heet vandaag, vliegen zoemen. Over een paar maanden word je hier doodgestoken door de muggen.

Dubghal marcheert noordwaarts alsof hij precies weet hoe we moeten lopen. In werkelijkheid dicteert de gesteldheid van het land onze richting. En dat is goed: dat is als het lot, dat onze schreden richt naar waar wij niet willen gaan, maar zullen gaan.

Belenos of hoe ze hem hier ook noemen rijdt de zonneschijf alweer naar het westen als we aan de verende rand van een brede plas staan, bestrooid met eilandjes hoog opschietend riet, waaruit hier en daar ruige bosjes en groteske takken als broodmagere armen steken.

‘We moeten eromheen trekken,’ stel ik nogal dwingend voor, beducht voor reuzensteuren en steelse nekkers die je meesleuren in de diepte.

Mijn metgezel loert me misprijzend aan alsof ik deze watervlakte heb neergevlijd, en staart dan weer verlangend naar het noorden. Zijn hand kruipt gewoontegetrouw naar zijn borst, waar de relikwie verblijft. Soms willen mensen die op elkaar zijn aangewezen elkaar het liefst vermoorden en in de grond stampen. Precies zo voel ik me op dit moment.

Ergens snatert een eend.

‘Wartna!’ roept Dubghal ineens vertwijfeld over de natte wildernis. ‘Waar is Wartna?’

Er klinkt geritsel en licht gekraak. De steven van een laag schuitje breekt uit het dichtstbijzijnde rietbosje. Alsof het op ons arriveren heeft gewacht. Het wordt voortgepeddeld door een oudere, kale man in lange bruine mantel. Zijn gezicht is verkreukeld en getaand, aan weerszijden hangen schouderlange, grauwe haarsprieten. De kale bovenkant van zijn kop is bedekt met donkere sproeten als de sterren van een omgekeerde hemel, waar licht duisternis is en duisternis óók duisternis, maar dan nog dieper. Zijn ene oog is melkwit en staart naar niets. Een doorleefd man.

‘Wartna is daar,’ zegt hij en gebaart weids naar het noorden.

‘En u bent de veerman?’ Ik ben ondanks mijn wild galopperende verbeelding toch altijd de meest praktische van ons kleine reisgezelschap.

De man knikt.

‘Wat is de prijs?’

‘Welkom,’ zegt de veerman en noodt ons met eenzelfde breed gebaar aan boord van zijn hulkje.

Begerig en gejaagd als altijd stapt Dubghal als eerste aan boord.

 

*

 

Ik probeer erachter te komen wie onze vriendelijke schipper precies is, hoe zijn naam luidt. Maar Dubghal zit tussen ons in en dat hindert misschien een open communicatie. De ouwe gaat niet op mijn vragen in, maar peddelt ons wel krachtig tussen rieteilanden en zandopduikingen door naar open water.

Dat brengt enige verontrusting in Dubghal teweeg.

‘Hoe komen we zo in Wartna? U voert ons deze eindeloze plas op, dit is al het Aalmeer neem ik aan?’

Ik zie hoe de peddel druppels sproeiend uit het water wordt getild. De veerman schuift nu een boomstok onder onze voeten vandaan en steekt die bijna rechtstandig in het water. Hij stuit plotseling op iets.

‘Harde bodem,’ zegt de schipper. ‘We varen dus precies boven de oude heerbaan van de Romeinen, of de reuzen die vóór hen waren. En aan het eind daarvan bouwt koning Finn eeuwig aan zijn stad Wartna.’

Bedaard schuift hij de stok terug en begint weer te peddelen.

Na weer een ruime periode van zwijgen en wiegen op het meer, staakt hij opnieuw zijn gepeddel en vraagt aan Dubghal: ‘Waarom wil jij de stad van de grote krijgers eigenlijk bezoeken? De tijd is daar anders. Er wordt eindeloos gebouwd en eindeloos gedronken en ze vertellen er eindeloos de oude verhalen.’

Ik begin zo langzamerhand donders goed te begrijpen wat Wartna voor een oord moet zijn. Maar Dubghal heeft de dikke plank van fanatisme en zelfgenoegzaamheid voor zijn kop. Ik zie zijn ellenboog bewegen en dan buigt hij zich wat voorover. Hij heeft het pakketje met de relikwie tevoorschijn gehaald en vouwt het nu open op de doft vóór hem. Ik kom wat overeind in het meteen sterk wiebelende bootje en kijk mee over de schouder van Dubghal.

‘Sint-Fintan,’ mompelt de monnik. ‘Hij kan ook u redden, oude man.’

De kaalkop beduidt dat hij moet zwijgen. Hij grijpt de boom weer en steekt hem overboord. Deze keer blijft de lange staak vastzitten in de blubber. De heerbaan waarover we varen is ten einde.

Kalm en zeker schuift de schipper de boom weer terug en neemt zijn peddel.

‘We zijn er.’

Alsof hij deze handeling al sinds jaren of het begin der tijden heeft voorbereid, haalt hij vervolgens welgericht uit met zijn peddel en treft de zijkant van Dubghals hoofd. De monnik zakt schuin weg.

‘Wil jij ook naar Wartna, jongen?’ roept de veerman nu, zijn witte oog star op mij gericht.

‘Nee, nee!’ schreeuw ik.

‘Help me dan!’

Samen werken we de half bewusteloze Dubghal overboord. Is het de zon, of een vaag schijnsel in de diepte dat oplicht als mijn meester in het Aalmeer zinkt? Een grote luchtblaas verschijnt aan de oppervlakte, barst open en verspreidt een afschuwelijke stank als van driedubbel verrotte eieren.

Dubghal is verdwenen. Bij de Toren van Kalla heeft hij mijn leven gered. Maar hij heeft zich ook op me geworpen als een hengst en mij bevlekt met zijn begeerte. Ik heb mijn wraak, maar het doet me niets. Ik, Skannal de lafaard. De trouweloze.

Ik staar naar de Schub van Sint-Fintan op de doft tussen mij en de veerman. Mijn toekomst, als ik die nog heb, ligt in het geestelijke vlak. Een andere weg is er niet. Ik tast naar het pakketje, vouw het dicht en steek de relikwie zorgvuldig onder mijn haveloze tuniek.

Even denk ik weer aan de naar zijn grafheuvel hunkerende schim. Waarom zou het fantoom van zo’n verslagen krijger meer over de toekomst weten dan een levende ziel? Dat aan te nemen zou niets zijn dan afschuwelijk bijgeloof.

Het is alsof de veerman van Wartna mijn gedachten kan lezen. Ze plezieren hem misschien. We dobberen in ons bootje op het wijde Aalmeer, onder de zon en boven de mystieke wateren van Frisia, en ik weet niet waar de volgende momenten mij zullen voeren.

Wie weet dat wel, uiteindelijk? Ik heb goede hoop. De grijns van de oude moordenaar tegenover me is niet onwelwillend.

Kwantumzelf – Johan Klein Haneveld

De hemel was viezig bruin, als water dat te lang in een verstopte gootsteen heeft gestaan, vol witte vlokken en draden. Was de lucht maar grijs, dan zou er mogelijk snel regen vallen die voor even de prikkende stofdeeltjes en gassen zou wegspoelen. Dat zou het mogelijk maken een keer diep in te ademen zonder direct een hoestbui te veroorzaken.

Marcus Windorp trok zijn neus op. Het leek alsof hij het giftige mengsel zelfs door zijn masker kon ruiken. Hij had het eigenlijk gisteren moeten vervangen, misschien was dat het. Nu bleef er voortdurend iets dat hem deed denken aan verlaten industrieterreinen en vuilnisbelten. Hij versnelde zijn pas, voor zover dat mogelijk was. Hij liep namelijk schouder aan schouder met de andere voetpadgebruikers. Mannen en vrouwen in grauwe kleding, onder de standaard beschermende poncho’s, hun gezichten, omdat hun monden en neuzen zorgvuldig waren bedekt, ontdaan van identiteit. Marcus merkte dat hij zelfs niet de neiging had zich te verontschuldigen als hij zich tussen hen door worstelde. Het was ieder voor zich.

Het was opvallend stil in de stad, op de slepende voetstappen na. Het asfalt rechts van Marcus was leeg, behalve een paar fietsers die over het midden van de weg slingerden. Het verbieden van autoverkeer in de stad was slechts de laatste maatregel om de ophoping van smog tegen te gaan, maar zelfs nu, twee weken later, leek er nauwelijks effect van te merken. Hooguit was de smerige damp niet nog dichter geworden. Verdwijnen deed hij echter niet, niet zolang de extreem hoge temperaturen bleven voortduren. Het was de tijd voor herfststormen, regenbuien, de geur van rottende bladeren en voortdurend kuchen in de metro. Sinds half augustus werd echter elke dag een meteorologisch record gebroken. Ondertussen hamerden elders op de wereld monsterstormen op de kusten en mislukten oogsten door de niet aflatende hagelbuien. Dit was bovendien niet het eerste jaar waarin dat gebeurde. Het werd langzamerhand een patroon. Een nieuwe werkelijkheid. De enige troost, vond Marcus, was dat er vanaf de straat zo weinig van de geelbruine lucht te zien was. Een strook tussen de twee torenflats in, als een plafond met de sporen van waterschade. Zo ingekapseld bleef het op afstand. Het was makkelijk te vergeten dat de hemel iets zei over de toestand van de rest van de planeet.

Een piepje van de persoonlijke assistent op zijn pols en op het scherm verscheen een pijl naar links. Marcus stapte opzij, een smalle straat tussen twee kantorencomplexen in. Er lagen kapot getrapte kartonnen dozen, gescheurde vuilniszakken, plastic fastfood-bakjes en een half gemummificeerde kat. De onaangename geur leek hier zelfs nog sterker. Hij vergrootte zijn pas. Het was geen aangename plek om je te bevinden. Er gingen verhalen rond over massamoordenaars, mensen die waren doorgedraaid, die willekeurige voorbijgangers door het hoofd schoten. De politie kon alle meldingen niet eens meer aan en adviseerde de burger vooral zelf op te letten en zich niet op gevaarlijke plekken te begeven. Zoals Marcus nu deed. Hij had niet eens een eigen pistool om zich te verdedigen. De verkoopcijfers uit de wapenbranche suggereerden dat steeds meer anderen wel dergelijke voorzorgsmaatregelen namen. Marcus zag echter niemand anders in de schimmelige schemer en struikelde niet over levenloze lichamen. Zijn persoonlijke assistent bleef ook stil. Het leek erop dat hij zijn bestemming wel veilig zou bereiken.

Op de volgende splitsing ging Marcus naar rechts. Deze steeg was afgesloten door een gazen hekwerk met prikkeldraad erbovenop en gescheurde plastic zakken als decoratie. Aan weerszijden van hem bevonden zich met graffiti bespoten rolluiken. Hij liep door tot hij bij de laatste links kwam. Boven het brede luik knipperden in roze neonletters twee woorden: Kwantumzelf Inc.

Even aarzelde hij. Hij had geweten dat het bedrijfje was gevestigd op een achteraflocatie, maar dit was wel heel schamel. De naam klopte echter en het waren niet de minsten van wie hij de getuigenverklaringen had gevonden op het web. Marcus’ persoonlijke assistent had ze hem voorgelezen, avond na avond, totdat hij er niet meer omheen kon: dit was de oplossing voor al zijn problemen. Hij moest nu dus niet versagen. Hij hief zijn hand op en liet zijn knokkels op het dunne aluminium bonzen. Onder een van de neonletters was een camera-oog ingebouwd, dat nu zijn kant uit staarde. En van binnen klonk een stem: “Een ogenblik geduld.”

Geratel volgde. De stroken metaal van het luik werden langzaam opgetrokken. Voortdurend leek het alsof het proces halverwege zou stoppen en Marcus hield zijn adem in. Hoe gammel het geheel ook leek, uiteindelijk kon hij naar binnen kijken. Een sluis. Natuurlijk. Hij stapte naar voren en wachtte tot het luik achter hem weer dicht was. Gesis van pompen. Op een scherm aan de muur waren aflopende getallen geprojecteerd. Toen die bij nul kwamen, ging er een deur open tegenover hem. Hij was binnen, eindelijk.

Een man in een witte jas, de mouwen tot vlak onder zijn ellebogen opgerold en met een notitiescherm in zijn borstzakje schudde enthousiast zijn hand. ‘Welkom meneer Windorp,’ zei hij warm. Zijn gezicht was open, menselijk, een oase, na de kil voortschuifelende menigte op straat: een hoog voorhoofd, borstelige wenkbrauwen, glimlachende lippen en een grijs baardje. ‘Mijn naam is Richard Vondeer.’

Marcus trok zijn masker op zijn kin en snoof. De lucht was fris, met de geur van dennenbomen en lentebloemen. Het was dan wel nep, maar alles was beter dan hoe het buiten rook. ‘Blij er te zijn’, zei hij vervolgens. Hij fronste. ‘Maar ik hoop niet dat dit hele bedrijf even armoedig is als de omgeving. Als het waar is wat jullie verkopen, zouden jullie je iets veel beters kunnen veroorloven.’

Richard lachte. ‘We werken ook aan dependances op wat meer luxueuze locaties, wees maar niet bang. Het is alleen dat de kwantumcomputer niet kan worden verplaatst zonder dat het proces verstoord wordt. En hier zetten mijn collega Diwar en ik hem nu eenmaal voor het eerst in elkaar.’ Hij keek om zich heen, zijn gezicht licht verstoord. ‘Dat was natuurlijk wel voordat het aantal moorden in deze stad zo omhoog ging.’

De man deed een stap opzij en gebaarde dat Marcus door moest lopen. Hij bleef echter als aan de vloer genageld staan. Het was alsof hij zonder waarschuwing totaal ergens anders terecht was gekomen. Hij stond onder een hoog, wit plafond, op de wanden bewogen subtiele lichtshows, er lag een electrovloer die zich aan je voetstappen aanpaste en dat was alleen nog maar de ruimte voor de balie. Die was minstens zo luxe. Marcus zag in een flits authentiek marmer, een kring van holoschermen en een emmer met een fles champagne (dure, zei het scherm van de persoonlijke assistent.) Er stonden drie hoge glazen bij. De gekleurde man erachter, in een onberispelijk kostuum gestoken, vouwde zijn handen open. ‘Dit is misschien meer zoals u zich ons bedrijf had voorgesteld.’

Marcus kon alleen maar knikken. Richard zag zijn verwarring en klopte hem op de schouder. ‘We hebben goede zaken gedaan en we zijn ervan overtuigd dat we u ook kunnen helpen.’

De tweede man, waarschijnlijk Diwar, wenkte Marcus dichterbij te komen. ‘Ik neem aan dat u bekend bent met het procédé?’

‘Ik weet wat de advertenties zeggen,’ antwoordde Marcus. Richard hielp hem uit zijn poncho en wierp die in een afvalkoker, net als zijn masker. Er lagen op een plank aan de muur schone klaar.

‘Laat me het dan nog een keer mogen uitleggen,’ zei Diwar. Hij had een prettige stem en vriendelijke, maar tegelijkertijd intelligente ogen waarmee hij Marcus’ gezicht afzocht naar het minste teken van onbegrip. ‘De oplevering van de eerste kwantumcomputers was natuurlijk een doorbraak van jewelste.’ Hij wees naar Marcus’ linker pols. ‘Zonder was uw assistent ook niet mogelijk geweest. De techniek maakt het mogelijk in ‘real time’ risico’s in te schatten. Maar de echt krachtige kwantumcomputers bleken tot nog veel meer in staat te zijn. U weet natuurlijk dat er op kwantumschaal rare effecten gaan plaatsvinden. Deeltjes die golven blijken. Veranderingen aan gekoppelde atomen die tegelijkertijd hier en aan het andere eind van het heelal plaatsvinden. En de baan van een elektron die het gemiddelde blijkt te zijn van alle mogelijke banen die het deeltje zou kunnen aannemen. Dat laatste intrigeerde ons.’

Marcus kon het betoog niet helemaal volgen. Hij was maar een marketingmedewerker op een voedselverpakkingsbedrijf. Geen natuurkundige. Diwar had zijn wazige blik gelukkig opgemerkt. ‘Ik weet dat u voor uw werk wel eens statistische curves hebt gezien – de verdeling van waarnemingen in een mooie golf, bijvoorbeeld van de score die klanten geven aan een bepaald product. De baan van de elektron is ook zo’n verdeling, maar dan van een ongekend aantal meetpunten.’

‘Ik snap nog steeds niet hoe…’ begon Marcus.

Diwar stak zijn hand op. ‘Kwantumcomputers werken doordat ze gebruik maken van alle mogelijke configuraties van deze kleine deeltjes. Van enen en nullen naar oneindige mogelijkheden. Maar wat we al snel ontdekten, is dat het niet gaat om slechts potentiële posities, maar om een werkelijk gemiddelde. Er zijn talloze parallelle universa en in elk daarvan heeft een elektron een iets andere baan. Wat uit onze instrumenten komt rollen, is het gemiddelde, maar eigenlijk doen we metingen in ontelbaar veel werelden tegelijk.’

‘Parallelle universa,’ zei Marcus. ‘Daar ging het over in de advertenties.’

‘Inderdaad,’ reageerde Diwar. ‘Tot nu toe konden we dit soort metingen alleen op heel kleine schaal uitvoeren, maar de kwantumcomputers functioneren zelf op basis van dit principe en kunnen dus ook op grotere schaal waarnemingen doen aan de andere werelden. Werelden waarin Hitler de tweede wereldoorlog won, of waarin de dinosauriërs nooit zijn uitgestorven…’

‘Werelden waarin ik Dirk twee jaar eerder durfde uitvragen, of waarin ik me inschreef voor de studie Diergeneeskunde, of waarin ik wel begon aan die roman…’

Diwar knikte. ‘Het geheel van al die mogelijkheden noemen we je “kwantumzelf.” Ons systeem stelt jou in staat je kwantumzelf te ontmoeten.’

‘Mijn kwantumzelf weet hoe al mijn mogelijke levens eruitzien. Dus ik kan hem vragen welke keuzes ik moet maken om een bepaald resultaat te behalen. Zo zit het toch?’

‘Inderdaad. Er zijn klanten geweest die me vertelden dat ze kennelijk op een bepaalde dag een loterijticket moesten kopen. Of dat ze hun vriendin ten huwelijk moesten vragen. Hun baan opzeggen, zodat ze uiteindelijk iets veel beters zouden vinden. Op vakantie gaan, waar ze iemand zouden ontmoeten die een waardevol zakelijk contact zou worden. Soms is het zo eenvoudig als een keer wat later vertrekken met de trein om een ongeluk te vermijden.’

Richard Vondeer stapte naar voren. ‘Alleen maar positieve reacties.
“Er is maar één weg voor me overgebleven” zeggen de mensen die hun kwantumzelf hebben geraadpleegd. “Ik weet nu precies wat ik moet doen.”’

‘Ik kan me voorstellen dat jullie moeten gaan uitbreiden,’ zei Marcus. ‘Niemand zal deze kans willen laten liggen. Eindelijk geen onzekerheid meer.’

Diwar knikte naar Richard. ‘We draaien nog niet zo lang,’ zei die bescheiden, ‘maar de wachtlijsten groeien in een rap tempo. U hoefde maar drie weken te wachten, maar ondertussen kunnen mensen pas over een half jaar terecht.’

Marcus zuchtte. ‘Dan ben ik blij dat ik snel reageerde, want zoals het nu is, kan ik niet verder. Ik wil weten wat ik moet doen om Dirk weer terug te krijgen.’

‘U bent bij ons aan het juiste adres,’ verklaarde Richard. Hij legde zijn hand op Marcus’ bovenarm en voerde hem voorbij de balie naar een deur. Erachter bevond zich een donkere ruimte, met alleen een paar rode lichtjes die een gevoel van diepte gaven. Twee van die lichtjes waren cirkels op de vloer met daarin de vorm van voetafdrukken.

‘Daar moet u gaan staan zodat de computer u kan scannen,’ zei Diwar zacht. ‘Uw kwantumzelf zal worden berekend en voor u als hologram verschijnen. Vanaf dat moment heeft u een half uur om alle vragen te stellen die u wilt.’

‘Dank u,’ zei Marcus. Hij stapte naar voren. Hij bedacht zich dat hij nog iets wilde vragen, maar de deur was al weer achter hem dichtgeschoven. Nu kon hij alleen nog maar vooruit, besloot hij.

Marcus ging op de rode cirkels staan. Een warme kriebelende sensatie in zijn voetzolen. Tegelijkertijd verscheen een blauwe cirkel boven hem. Hij kon niet zien of het plafond zich ook op die hoogte bevond. De schijf leek los in het duister te zweven. Er moesten om hem heen allerlei sensoren zijn, apparatuur die gevoelig genoeg was om zijn atomen en elektronen in kaart te brengen, maar hij wist toch niet hoe die eruit hoorden te zien. Hij kon dus weinig anders dan het proces gelaten ondergaan.

De blauwe cirkel doofde van het ene op het andere moment. Tegelijk lichtte recht voor Marcus een vage menselijke omtrek op, samengesteld uit lichtgevende stipjes. Ze werden snel vaster, concreter, als een blok graniet dat onder de handen van een beeldhouwer verandert in een Romeinse godheid. Het was Marcus zelf, realiseerde hij zich, een man met een normaal postuur, een klein buikje, een niet onaantrekkelijk gezicht, maar een cynisch trekje om de lippen deed het effect van de priemende ogen en de wilskrachtige kin bijna weer teniet. Raar genoeg was het juist waar Dirk ooit op was gevallen. Zelf was hij een onverbeterlijke optimist en hij vond het prachtig avonden lang met Marcus te discussiëren. Nu ze het financieel moeilijker hadden gekregen, was Dirk zich echter aan zijn humeur gaan ergeren. Er kwamen steeds meer ruzies, tot zijn partner bij hem wegging. Hij had gedacht dat hij dat wel kon verdragen, maar het was alsof iemand hem met een mes in het hart had gestoken.

Marcus wilde alles doen om die pijn te doen verdwijnen, om het Dirk-vormige gat in zijn leven weer op te vullen. Zijn toenaderingspogingen en beloften zijn leven te beteren hadden echter niet gewerkt. Dit was de laatste mogelijkheid die Marcus kon bedenken. Een waar hij al zijn spaargeld in had geïnvesteerd. Hij had alle bezittingen die verkocht konden worden verpand. Als het volgende half uur het verlossende antwoord niet bracht, wist hij dat hij geen toekomst meer had.

De lichtende weergave van hemzelf wachtte geduldig, zelfs zonder adem te halen. Marcus slikte een opvallend taaie slijmprop weg. ‘Ik ben Marcus,’ zei hij vervolgens. ‘Ik wil Dirk terug. Wat moet ik doen?’

Het was alsof hij zichzelf op een digitale opname hoorde spreken. ‘Als je solliciteert bij Nia Dynamics, zal Dirk uiteindelijk weer bij je terugkomen.’

‘Ik had niet gedacht zo snel antwoord te krijgen,’ zei Marcus. ‘Ik had de vacature gezien. Ik zou weer meer gaan verdienen, genoeg om een grotere wooncabine te bekostigen. Ik dacht alleen dat ik weinig kans maakte.’

‘Je zou wel al over tien jaar overlijden,’ vervolgde zijn kwantumzelf. ‘De stad wordt dan door een orkaan getroffen en je cabine spoelt weg.’

‘Oh.’ Even wist hij niet wat hij moest zeggen. ‘Is er misschien een andere keuze die ik kan maken waarbij het weer goed komt tussen ons?’

‘Wanneer je Sonia van je oude werk opbelt en een netwerkafspraak maakt, leidt het ertoe dat je weer met Dirk gaat samenwonen.’

‘Hij drong er afgelopen jaar al een paar keer bij me op aan.’

De andere Marcus knikte. ‘Jullie overlijden echter allebei over zeven jaar aan een wereldwijde malaria-epidemie, overgebracht door een resistente muggensoort.’

Zo makkelijk bleek het dus toch niet te zijn. Maar Marcus gaf niet zo snel op. ‘Iets anders dan?’

‘Als je Dirks familie uitnodigt zonder dat hij het weet en hem daarmee verrast, zal hij je weer willen omarmen.’

‘Hij heeft ze al lang niet gezien nu vliegen vanwege de koolstofbelasting zo duur is geworden.’

‘Je overlijdt alleen wel over acht jaar door longbeschadiging vanwege een extreme smog die maanden aanhoudt.’

Zo ging het door, het hele volgende kwartier. Een voorstel. Een moment van hoop. En dan de voorspelling van zijn dood een paar jaar later. Verhongerd na drie opeenvolgende wereldwijde droogtes, oorlogsslachtoffer nadat een vluchtelingenstroom toegang tot het land was geweigerd, neergestoken door plunderaars na een dagen durende stroomstoring.

‘Het is al goed, ik begin een aardig beeld van mijn toekomst te krijgen,’ merkte Marcus op. Hij keek zijn evenbeeld aan. ‘Is er ook een keuze die ik kan maken waarbij ik het komende decennium overleef? Of ga ik dood ongeacht wat ik doe?’

Een stilte volgde. Zijn kwantumzelf schraapte zijn keel. ‘Die keuze is er,’ zei hij uiteindelijk. ‘Er is een pad dat je kunt volgen waarbij je in elk geval de kans hebt nog veertig jaar in goede gezondheid te leven. Dirk ook. Geen grote kans, maar wel een die met de tijd waarschijnlijk zal toenemen.’

‘Wat moet ik daarvoor doen?’

‘Je moet vanaf nu elke drie maanden iemand vermoorden.’

Marcus voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. ‘Dat meen je niet…’

‘Het is de enige manier,’ verklaarde de ander. ‘Doe je het niet, dan word je zelf gedood.’

‘Het kan niet eens,’ zei Marcus, nog steeds duizelig. ‘De politie zal het ontdekken. Me opsluiten. Dirk zou me nooit meer willen aankijken.’

De tweede Marcus haalde zijn schouders op. ‘Leven in de gevangenis is nog altijd beter dan dood in het graf. Maar je vergeet met wie je praat. Ik kan je vertellen wie je moet doden en hoe, op zo’n manier dat je niet gepakt wordt. Het begint met Sofie Wilan. Je kent haar niet, maar ze loopt elke dag…’ Zakelijk legde hij uit hoe Marcus moest handelen en wat zijn beste keuzes waren in elke situatie. Zijn persoonlijke assistent sloeg de informatie op, zodat hij niet zou kunnen falen. ‘Zo eenvoudig is het,’ besloot zijn kwantumzelf. ‘Dit is hoe je je leven vanaf nu in elk geval een heel stuk kunt verlengen.’

Marcus wilde nog wat opmerken, maar er klonk een fluitsignaal. De deur achter hem schoof open en tegelijkertijd loste zijn lichtende evenbeeld op in talloze blauwe stippen. Hij was alleen. Het voelde onwerkelijk, alsof hij uit een nare droom wakker werd, een die hij maar beter kon vergeten. In de ontkenning schieten na zo’n confrontatie was een normale reactie, maar het lukte Marcus niet het lang vol te houden. Een ijskoude klomp in zijn onderbuik overtuigde hem ervan dat hij de woorden van zijn kwantumzelf niet had verzonnen. Hij haalde diep adem en rechtte zijn rug. Richard en Diwar mochten niet ontdekken wat de computer hem had voorgesteld.

De twee wachtten buiten op hem. Het licht in de hal deed pijn aan zijn ogen na de duisternis waarin hij zo-even had verkeerd. Op de marmeren balie stonden de champagneglazen al volgeschonken. Richard reikte hem er een aan, een enthousiaste glimlach op zijn gezicht. ‘We gingen er alvast vanuit dat u goed nieuws heeft gekregen,’ zei hij. ‘Iedereen krijgt immers antwoord van onze computer.’

Marcus knikte. Hij nam een slok van de tintelende wijn en dwong zichzelf vervolgens te lachen. Het bleek niet eens heel moeilijk om te liegen. ‘Er is maar één weg voor me overgebleven. Ik weet nu precies wat ik moet doen. Als ik solliciteer bij Nia Dynamics komt Dirk zeker weten bij me terug.’

Terwijl zijn twee gastheren elkaar enthousiast aanstootten, sloeg Marcus de rest van de champagne achterover. Vervolgens pakte hij een schone poncho van de plank aan de muur. ‘Ik zal iedereen die ik ken aanraden van jullie diensten gebruik te maken,’ zei hij over zijn schouder. ‘Jullie ontdekking kan de wereld ten goede veranderen.’

Hij was de luchtsluis door en stond weer in de zure, stinkende buitenlucht, een bruin plafond hoog boven hem. Ondanks de stank ademde Marcus diep in. Vervolgens bracht hij zijn pols naar zijn mond. ‘Assistent,’ fluisterde hij, ‘toon me de weg naar de dichtstbijzijnde wapenwinkel.’

Hovenier gezocht – Eowen Valk

Lennart voelde zich anders, toen hij voor de vierde dag op rij zijn medicijnen niet had geslikt. Hij wilde wel, maar het potje was leeg. Dat was slecht voor zijn hersens, dat wist hij ook wel. Het kwam er gewoon niet van om nieuwe te halen. De dagen stonden nou eenmaal volgepland met klussen. Opdrachten zoals deze, bij een Wassenaars echtpaar dat een boom in hun tuin wilden laten kappen. Elke euro was broodnodig. Die pillen moesten wachten tot een rustiger moment.

Zijn collega Rob parkeerde het busje voor de villa van echtpaar Spijker. Een hoog hekwerk van zwarte spijlen begrensde de zonovergoten tuin, waarin hortensia’s, rozenstruiken, heesters en coniferen kleurrijke eilanden vormden in een zee van gras.

De vrouw des huizes, gekleed in een donkerblauw mantelpakje, ging hen voor over een kiezelpad met een kop thee in haar handen. Haar grijzende haarbos was opgestoken in een strakke knot. Lennart schatte haar een jaar of zestig. Het pad leidde hen tot achterin de tuin, waar een hoge bladerloze beuk stond. De grillige takken staken als klauwvormige armen alle kanten uit. Op een paar meter afstand van de stam bleef mevrouw Spijker staan. Ze slurpte van haar thee, zonder haar ogen van de boom af te wenden. De brede stam helde iets naar voren met een paar dikke takken dreigend op hen gericht, klaar om hen te grijpen als ze te dichtbij kwamen. Lennart schudde die gedachte weg.

‘Wat een bakbeest,’ mompelde hij. Onder de boom groeide niets. Er bevond zich slechts een kale cirkel van aarde en verbrande plantenresten. Zelfs onderaan de stam zaten schroeivlekken. De eerste grassprieten groeiden op zo’n drie meter afstand van de beuk.

‘Die boom ziet er ongezond uit,’ zei Lennart.

‘Omzagen dat wanschepsel. Zo snel mogelijk.’ De vrouw keek pinnig naar de boom, alsof ze het liefst haar kopje tegen de stam smeet, maar zich speciaal voor hen inhield.

Lennart zette zijn helm op. ‘Komt in orde mevrouw.’

‘Dat hoop ik.’ De vrouw keek hem strak aan, alsof ze niet overtuigd was door zijn woorden. ‘Veel succes, heren.’ Ze draaide zich om en beende van hen weg.

‘Maakt u zich geen zorgen. Wij klaren dat klusje wel,’ zei Rob grijnzend.

 

Even later lag hun gereedschap in de tuin. Rob trok een witte lijn over de stam waar de zaaglijn moest komen. Lennart stapte met de kettingzaag op de boom af, zoals hij vele malen bij andere bomen had gedaan.

‘Weg met dat ding,’ zei een rauwe stem.

Lennart keek om zich heen. Niemand in de buurt, behalve Rob die aandachtig op zijn telefoon keek.

‘Waag het niet om me daarmee aan te raken!’

Lennart keek omhoog. Sprak die boom nu tegen hem? Hij schudde zijn hoofd. Wat een belachelijk idee. Hij zette oorkappen op zijn oren. Een zweetdruppel kriebelde langs zijn voorhoofd. Hij zette de ronkende kettingzaag tegen de stam.

‘Whoaaah!’

Lennart stapte achteruit. Hij trok de oorkappen af. Takken kraakten. In de bast vormden knobbels en groeven samen een kwaad gezicht.

‘Hou daar onmiddellijk mee op! Je doet me pijn!’ riep de boom. Er vormde zich een mondvormig gat in de bast, waaruit zacht gegrom klonk.

Lennart hapte naar adem. Dit kon niet echt zijn. Hij keek om. Rob tikte onverstoord verder op zijn telefoon. ‘Ik hoor de zaag niet, Len. Ga door met je werk.’

Lennart krabde op de achterkant van zijn nek. ‘Hoorde jij dat gegil dan niet?’

Rob keek op. ‘Welk gegil?’

Lennart keek naar de boom. Waarom hoorde Rob niets als dat stemgeluid zelfs door gehoorbescherming drong?

‘Waag dat niet nog eens mannetje, of ik spies je aan mijn takken.’ De mondvormige opening bewoog bij elk woord dat de beuk sprak.

Lennart beet op zijn tong. Ja, het deed pijn. Geen droom dus. De rare ideeën namen met de dag toe. Hij trok zijn handschoen uit en voelde aan zijn voorhoofd. Zijn huid was niet warmer dan normaal. Geen koorts. Zijn hart bonkte tot in zijn keel. Hij tikte met de kettingzaag tegen de bast. Geen reactie van de boom. Hij schopte tegen de stam. De beuk bewoog niet. Lennart zuchtte, tikte met z’n knokkels tegen zijn hoofd. Na werktijd zou hij direct nieuwe pillen halen bij de apotheek.

Lennart trok de handschoen aan en schoof de oorkappen weer op zijn oren. Hij zette de kettingzaag tegen de witte markeerlijn en drukte op de powerknop. Een fontein aan houtvezels spoot uit de bast. De boom schreeuwde het uit. Lennart schrok. Een tak sloeg de helm van zijn hoofd. Lennart deinsde achteruit. In de commotie liet hij de powerknop los, waarna de zaag uitviel. De helm kwam meters verderop tot stilstand. Hijgend veegde Lennart met zijn hand langs de zijkant van zijn hoofd. Bloed aan zijn vingertoppen. Zijn hand trilde. De takken boven zijn hoofd kraakten. Hij keek omhoog. De takken kwamen op hem af. Lennart vluchtte naar zijn collega.

 

‘Doe jij het. Ik heb last van mijn hoofd. Die boom…’ Lennart slikte de rest van de woorden in. Hij wilde niet vertellen wat hij had gezien. Rob zou hem zeker uitlachen. Hij duwde de kettingzaag in de handen van zijn collega. ‘Ik kan het niet. Doe jij het.’

Rob zuchtte. ‘Je hoofd bloedt. Hoe komt dat?’

‘Die verdomde boom sloeg me! Hij probeerde me te grijpen.’

Robs ogen werden groot. ‘Woehahaha!’

‘Hou op! Het is echt waar. Ik zweer het.’ Lennart trilde van de adrenaline. Hij kon de naweeën van de klap nog voelen.

Rob lachte zo hard dat er een boer uit zijn mond ontsnapte. ‘Welnee. Er viel gewoon een tak op je hoofd. Meer niet,’ zei hij, terwijl hij een traan van zijn wang veegde.

‘Zie jij daar een losse tak liggen? Stop die stomme telefoon weg en ga kijken.’

‘Ach zeik niet zo. Ik doe het wel.’

Lennart ging in het gras zitten. Misschien had Rob gelijk en waren de dreigementen hallucinaties. Een andere mogelijkheid was het ontstaan van een nieuwe gave om met bomen te communiceren, net als bij prinses Irene. Nagelbijtend keek hij toe hoe Rob op de boom af stapte.

 

De kettingzaag brulde. Het motorgeluid van de zaag mengde zich met gegil van de boom. Lennart gruwelde. Hij duwde zijn handen tegen zijn oren. Rob leek zich niet bewust van het leed dat hij veroorzaakte. Takken zwiepten naar beneden en wikkelden zich als slangen rond Robs lichaam. Ze trokken hem omhoog en hielden hem als een lappenpop in de lucht. De zaag viel op de grond. Lennart verstijfde.

‘Zijn jullie doof?’ brulde de boom. ‘Jullie moeten van me afblijven!’

Rob zat gevangen in een kluwen van takken die zich steeds strakker om zijn lichaam wond. Hij schreeuwde, gilde, rochelde. De boom kneep hem uit als een citroen. Bloed viel in een dunne straal op de aarde. De takken gleden van Rob af. Zijn lichaam plofte met een misselijkmakend geluid op de grond. Botten kraakten. Lennart kromp ineen en kokhalsde. De beuk herstelde zich weer tot zijn oorspronkelijke houding, waarna het gezicht in de bast verdween.

Het duurde enkele tellen voordat Lennart genoeg moed had verzameld om bij Rob te kijken. Stap voor stap schuifelde hij richting de boom, zonder de takken uit het oog te verliezen. Geen van de takken bewoog, maar op sommige zijtakken glom bloed. Robs ogen waren naar boven gericht. Zijn mond stond wijd open. Lennart trok zijn werkhandschoen uit. Hij knielde naast het gehavende lichaam en voelde met zijn vingers in Robs hals, op zoek naar hartslag. Niets. ‘Waarom luisterde je niet naar mij? Dan had je nog geleefd,’ zei hij zacht. De wind blies een bloedgeur naar zijn gezicht.

Lennart stond op en rende naar het huis. Hij belde aan. Voor zijn gevoel duurde het minutenlang voordat iemand de voordeur opende. De vrouw des huizes keek hem verwachtingsvol aan.

‘Is de boom gekapt?’

‘Nee, dat ding leeft!’

Mevrouw Spijker sloeg haar armen over elkaar. ‘Natuurlijk. Daarom moeten jullie hem kappen. Ik krijg dat ding niet zelf weg.’

Lennart wreef zweet van zijn voorhoofd. ‘Waarom waarschuwde u ons niet?’ Zijn stem trilde meer dan de bedoeling was. ‘De manier waarop u naar de boom keek… U wist dat er iets mis was met dat gedrocht.’

Mevrouw Spijker zuchtte diep. ‘Zou je de opdracht aannemen als ik je eerlijk vertelde om wat voor boom het ging?’

Lennart drong langs haar de hal binnen en duwde de deur achter zich dicht. ‘Nee. Hij vermoordde mijn collega.’

Mevrouw Spijker sloeg haar handen voor haar mond. ‘Mijn hemel. Dat verwachtte ik niet.’ Ze zocht steun tegen de muur. ‘Het spijt me van je collega.’

‘Smoesjes! Ik wacht hier op de politie. Ik wil niets meer met die boom te maken hebben. Huur een ander in om dat monster te kappen. Het leger desnoods.’ Hij pakte zijn telefoon uit zijn broekzak en toetste 112 in.

Als ik ‘s avonds in mijn bed lig – Bart de Wolf

De geluiden als ik ‘s avonds

in mijn bed lig

zijn vertrouwd

het getrippel van de nagels op de gang

het is mijn hondje met zijn bot

waarop hij knabbelt

knaagt

en

kauwt

ik dommel weg als bij een sussend gezang

maar plots word ik door een vreemd gevoel bekropen

want dat botje

ligt begraven

in de tuin

naast

die

hond

en de babykamerdeur staat nog open

Kus de bruid – Tais Teng

‘Je hebt vannacht weer alleen in je bed gelegen, Lydia Hoogendoorn,’ beschuldigde Huis haar. ‘Mijn lieve schat, een bed is niet alleen om in te slapen. Je lijf wil meer dan enkel uitgerust wakker worden.’

Niet weer! dacht Lydia. Na de laatste update zeurde haar huishoudprogramma nog erger dan haar moeder. ‘Ik zie je nooit meer met een vriendje,’ klaagde haar moeder laatst nog. En verbeterde zichzelf meteen: ‘Of vriendinnetje.’

Lydia rolde het bed uit, hief haar kin.

‘Luister, Huis. Ik ben een extroverte introvert. Dat heb je mij zelf verteld. Ik heb alleen wat tijd nodig na Harriët.  Tijd voor mijzelf. Om alles op een rijtje te zetten.’

‘Gebruik mijn eigen wijze raad niet tegen mij. Je laatste geliefde smeet de deur anderhalf jaar geleden achter zich dicht. Anderhalf jaar! Ben je een non die een kuisheidsgelofte heeft afgelegd?’

‘Ik ben geen non! Ik wil gewoon…’ Ze spreidde haar handen, balde ze tot vuisten. Wat wil ik eigenlijk? Ineens leek haar bed wel erg leeg. Nog steeds twee kussens van memory-foam waarvan er maar eentje ingedeukt was.

‘Ik heb hier precies het duwtje in de rug dat je nodig hebt. Een datingprogramma dat Kus de Bruid heet. Ik heb het al in je bril geladen. Kus licht al je potentiële partners door en berekent hoe goed jullie bij elkaar passen. Alles op een schaal van krijsend met de borden smijten tot blij gebeier van huwelijksklokken. Ze leefden nog lang en gelukkig of in ieder geval gegarandeerd vijf jaar.’

‘Een agent hoort niet te trouwen. Dat was de reden waarom Harriët mij verliet. De helft van de tijd komt het telefoontje middenin de nacht of erger, halverwege een hartstochtelijke kus.’

Ze trok haar uniform uit de ultrasone reiniger, stak haar pistool in het slimme holster en controleerde de lading van haar taser. Nog steeds drie rode blokjes. De laatste keer dat ze hem had mogen gebruiken van het holster, was bij een wilde waddenhond. Een hondsdolle, met dotten schuim uit de muil. Bourtange kampte met een ergerlijk tekort aan menselijke schurken.

‘Kus de bruid kan een andere agent voor je opsporen. Een man, slash, vrouw die dol is op het lezen van die rare papieren boeken. Of ook droogbloemen verzamelt.’

‘Stop maar. Je hebt mij overtuigd. Ik zal Kus de Bruid een keer proberen.’

‘Niet een keer. Nu.’

BEZIG MET LADEN.

Een logo van robijnrode lippen verscheen in haar gezichtsveld, duidelijk getuit voor een kus.

‘Mag ik je ogen gebruiken?’ De stem was vriendelijk. Het soort favoriete-oom-stem dat je meteen vertrouwde.

‘Ga je gang.’

 

Buiten op het balkon toonde de ochtendzon een licht rode tint en dat zou de rest van de dag zo blijven. Hoog in de stratosfeer zeefde het Hemelweb™ al het dodelijke ultraviolet-c weg. De Aa meanderde met een prachtige Birmaans goudglans over het wad en slingerde zich naar de laatste resten van Dijk Europa. Steden als Grunnen en Ljouwert mochten zich achter hoge diamanten muren verschuilen, de rest van het Noorden had de zee in de armen gesloten.

Een glorieuze waddenzee strekte zich uit tot de nieuwe duinkust.

Het zeewater was net aan het wegebben en was tot een glinsterende streep aan de horizon gekrompen. Mosselbanken staken uit het slib omhoog, velden met bloeiende zeekraal en zoutkalabas: heel de Waddenzee was één reusachtige moestuin.

 

Lydia deed de voorgeschreven zestien kniebuigingen, drukte zich veertig keer op en raakte toen haar grote teen met gestrekte benen aan. Ik ben nog steeds in vorm.

‘Je maakt droogbloemen, ja?’ vroeg Kus. ‘Van de planten in je balkonbakken?’

‘Nou nee. Ik spaar ze en alleen de echte antieke. Van toen ze nog in het wild groeiden. De bijentijd.’

‘De bijentijd? Ik ken die term niet.’

Blijkbaar weet Kus niet meer dan strikt noodzakelijk is, een expertsysteem, dat geen toegang tot de wikipedia heeft.

 Ze keek om zich heen en een microdrone zoemde als op commando aan. Het machientje streek op een ijsbloem neer, zoog het stuifmeel op en vloog door naar de volgende bloem.

‘Kijk die daar, we noemen het wel een bij maar het is gewoon een drone. Zo dood als een pier.’

‘Een bij was een levende drone? Hoe curieus.’

Lydia voelde een steek van verlangen. Er waren video’s uit de bijentijd, met de bijen en hommels gonzende klompjes harig goud, met vlinders die door de hemel wapperden. Maar zelfs in een virtuele opname bleven ze onecht, ongeloofwaardig. De bijen waren keer op keer opnieuw uitgezet maar legden steeds het loodje.

Ze drukte het gevoel weg.  Iets missen wat je nooit hebt gehad, was pure aanstellerij. Alles was per slot van rekening goed gekomen. Min of meer dan en alle miljard aardbewoners leefden in luxe en vrede. Wat met de andere negen miljard gebeurd was, daar sprak niemand eigenlijk over. Het was bovendien oude geschiedenis, water onder de brug, en zelfs de superorkanen waren aan kracht aan het inboeten.

 

Toen ze de buitendeur opende, woei een stevige bries aan over het wad. De wind streelde door haar kortgeknipte haren, vulde haar neus met de geur van ozon en jodium. Het smaakte naar zonlicht en eindeloze afstanden. Ze likte over haar lippen en proefde zilt.

In de verte rezen de groene muren van Bourtange op. Het vestingstadje stond op machtige zuilen van nachtzwarte print-diamant, opgekrikt tot twintig meter boven zelfs de hoogste springvloed. Algentorens omgaven het stadje, smaragdgroene speren die zich voedden met zonlicht en koolstofdioxide. De gemeentelijke 3D-printers transformeerden het groene slib tot alles van romige donuts tot zinderende tofusteaks.

Dauw schitterde uitnodigend op het straatgras. Ze schopte haar laarzen uit en liep blootsvoets verder. Puur genot!

Lydia? texte het berichtenvakje van haar smart-glasses. Ben je al buiten?

Leonards gezicht vulde de linkerhoek van haar gezichtsveld en ze klikte het telefoon-icoontje aan. Kus trok prompt een blauwe cirkel om het gezicht van haar collega.

‘Vijf op een schaal van tien,’ deelde Kus mee. ‘Jullie zouden je dood vervelen met elkaar. En jij bent trouwens een stuk minder bi dan je zelf gelooft.’

‘Wie was dat?’ vroeg Leonard.

‘Een of ander maf programma dat Huis in mijn bril heeft geplant. Besteed er geen aandacht aan. Hopelijk heb je iets interessants voor me?’

‘Wis en waarachtig, meid! Je bent toch zo’n natuurliefhebber? De Serengeti-toren melde net een inbraak.’

‘Wat bizar. Dat is echt de eerste keer. Werd er iets gestolen? ‘

‘Vraag het die lui maar. Ik kan nog geen kolibrie van een reiger onderscheiden.’

‘Ik pak de fiets. Ik kan de toren vanaf hier zien.’

 

De weg boog van Bourtange af, stak de Aa over op een reeks glazen pontons. De rivier was hier zo’n veertig meter breed en in het brakke water gleden zeekoeien rond, trokken de rugvinnen van orka’s wijde V’s. Ze waren natuurlijk niet oorspronkelijk, maar opgekweekt uit net op tijd ingevroren cellen. De rondzwermende zeemeeuwen waren even onecht als de bijen-drones, maar je moest de gaten in de ecologie op de een of andere manier opvullen. Bovendien konden deze meeuwen plastic prima verteren.

 

De Serengeti-toren stond op een weide van kniehoge zeedistels, een grondvlak van zestig bij zestig meter en honderdvijftig verdiepingen hoog. Driehonderdzestigduizend vierkante meter ongerepte savanne, tropisch regenwoud en moerasland. Tegen het einde was Afrika één immense shanty town geweest, maar de genen van de Big Five waren wel op tijd opgeslagen, net als die van een half miljoen andere soorten. Al die wilde dieren hadden nu hun eigen ark in elk beschaafd land, streng verboden toegang voor alle homo sapiens.

 

Het meisje bij de receptie schudde haar hand en haar handpalm was aangenaam rasperig van het eelt. Een hands-on dame. De lichtelijk gebladderde nagellak vertelde hetzelfde verhaal.

‘Mijn naam is Gullah Ramid,’ zei ze, ‘en jij moet de agent zijn die we besteld hebben.’ Haar gezicht was een lichtbruine ovaal, haar zwarte haar in een efficiënte paardenstaart. Ze schonk Lydia een wrange glimlach. ‘Ik kan de soortnamen van alle negentien kraaien vertellen maar een Sherlock Holmes ben ik niet.’

 Dit is helemaal mijn soort vrouw. Pure lust trok Lydia’s buikspieren strak en deed haar tepels tintelen. Huis heeft gelijk. In je eentje slapen is zonde van een goed bed.

Kiss trok de intussen bekende blauwe cirkel. ‘Zeven van de tien. Het kan klikken. Maar samenleven zou een beroerd idee zijn. Ze kletst te veel en jij heb zo nu en dan een moment stilte nodig.’

Het meisje trok een wenkbrauw op.

Zat ik haar aan te staren?

‘Eh, ja. Ik ben de agent. Een inbraak, toch? Is er iets gestolen?’

‘Wie telt de sprinkhanen of de krokodillenvogels? We houden alleen toezicht op de big five en alle leeuwen luieren nog steeds onder hun boom. Daar kan ik je van verzekeren. ‘

‘Valt er iets op de camera’s te zien?’

Ze grijnsde. ‘Oh, beslist. Dit is het soort mysterie dat jullie detectives waarschijnlijk haten.’

 

‘De liftdeur ging open en ik zag door de sluitende deur dat het knopje ingedrukt werd. Knopjes drukken zichzelf niet in, dus ik haalde de video door de verscherping. Bij het beste filter kwam dit eruit.’

Een wazige vlek stapte de lift in en de deur schoof dicht.

‘Hij stopte op de vierenveertigste verdieping volgens het geheugen van de lift. Een verdieping die helaas geen werkende camera bleek te hebben.’

Twintig minuten later stapte de sidderende vlek weer uit de lift op de onderste verdieping. De vlek leek duidelijk groter.

‘Een kameleonjas,’ zei Lydia meteen. ‘Voor het menselijk oog zou hij  zo goed als onzichtbaar blijven.’ Alleen het leger bezit kameleonjassen. ‘Shit!’

‘Zo beroerd?’

‘Zo’n jas is voor iets voor sluipschutters en spionnen en ze zijn tegenwoordig streng verboden. Het ruimt alle DNA-sporen op, elke dwarrelende  haar en iedere huidschilfer.’

Er verscheen een lieve kleine frons tussen Gullah’s wenkbrauwen. ‘Zijn eigen sporen, ja. Maar hij liep met zijn laarzen door het gras. Geknakte stengels, plantensap en hazenkeutels. Zou een kameleonmantel die ook opruimen?’

‘Je bent een genie! Jij zou de detective moeten zijn.’

 

De vloer vertoonde duidelijke voetafdrukken zodra Lydia haar bril op plantaardige sporen liet scannen. Ze tekenden zich af in grasvezels en stuifmeel.

Toen Lydia bij de ingang van het gebouw stond, bleef het spoor nog steeds duidelijk genoeg om in haar smart-glasses te volgen.

‘Je hebt me je eigen naam nooit verteld,’ zei Gullah. ‘Ik zou graag willen weten hoe dit afloopt.’ Ze balde haar vuisten. ‘Niemand rotzooit met mijn dieren!’

Zo’n toewijding. ‘Ik zal het je vertellen. Bij een dineetje.’ Met kaarslicht en champagne.

‘Word nu niet meteen helemaal hoteldebotel,’ zei Kus. ‘Een zeven is leuk, maar je kunt het beter doen. ‘

‘Daar houd ik je aan,’ zei Gullah.

Hun smart-glasses wisselden adressen uit.

Jammer dat expertsystemen als Kus onfeilbaar zijn, maar zo nu en dan een heerlijke nacht is ook niet weg. Met de lippen in een kus tegen elkaar kan ze niet praten. Harriët was vast geen zeven. Vanaf de eerste dag maakten we al ruzie.

 

Lydia fietste naar de oude stad, de loopbrug op, en het gras maakte plaats voor antieke kasseien.

De vestingmuren waren overgroeid met bloeiende Japanse duizendknoop en blauweregen.

Bourtange was een toeristenstad. Lydia zag inktzwarte expats van de zeesteden over het marktplein flaneren, blonde Friezen uit Marseille. Bij de eerste dijkdoorbraken was half Nederland de Ardennen en het Sauerland ingevlucht en nu kwamen hun achterkleinkinderen terug, op zoek naar hun roots.

Een dronken dame, gekleed in wat ze waarschijnlijk geloofde dat een authentiek Gronings kostuum was, lalde:

‘Van Lauwerzee tot Dollard tou,

van Drenthe tot aan ‘t Wad,

doar gruit, doar bluit ain wonderlaand

rondom ain wondre stad.’

Ze zwierden met haar rokken en wankelden toen ‘s Lands Huys in, Lydia’s favoriete restaurant. ‘Wij serveren al twee eeuwen de echte van Dobbenkroketten!!!’ meldde het bord boven de ingang.

 

Het spoor voerde naar de vestingmolen maar boog ineens af.

Vijf minuten later stond Lydia voor het enige flatgebouw van Bourtange. Zo’n anderhalve eeuw terug was het een varkensflat geweest: elke verdieping een hectare weiland waar koeien graasden of varkens en kippen gehouden werden.

Toen de bewoners terugkeerden, was het gerenoveerd tot luxe appartementen.

 

Lydia moest op alle zestien verdiepingen uit de lift stappen voor ze het spoor terugvond op de hoogste verdieping.

‘Heb je ondersteuning nodig?’ vroeg Leonard.

‘Onze dief is waarschijnlijk gek, maar ik denk niet dat hij gewapend en gevaarlijk is. Wat ik wel degelijk ben.’

Er kwam een hoogst eigenaardige geur uit de half open deur waar het spoor eindigde. Een beetje als iets verschroeids maar tegelijk vreselijk smakelijk. Een oeroud instinct deed Lydia naar haar pistool reiken en het slimme holster smakte het wapen in haar open hand.

Dit was zo fout, zo monsterlijk fout.

Een vrouw zat voor het half verbrande karkas van een dood dier en scheurde het vlees met haar tanden van een bot. Lydia kokhalsde en haalde de trekker bijna over.

Een vleeseter, een verslinder van lijkenvlees! Het piepkleine deeltje van haar geest dat niet van angst en afkeer jammerde, identificeerde het dier als een haas.

De vrouw keek op, verstijfde. ‘Wat….’

Haar gezicht was dat van een engel, stoer en zoet tegelijk. Haar ogen waren levende juwelen, eindeloos fascinerend.

Kus trok de blauwe cirkel om haar gezicht en een uitzinnig gejuich klonk, kerkklokken begonnen te beieren.

‘Honderd procent compatibel!’ joelde Kus. ‘Zij is jouw enige ware liefde!’