De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Steampunk

Genres

Category Archives: Steampunk

Fietspunk – Het zevende werk van Armsterk – Django Mathijsen

Ze vragen me altijd wat er waar is van de legendes over mijn ome Neel: journalisten, mensen in de kroeg, vakkenvullers bij Albert Heijn. Dan zeg ik altijd: ‘Het meeste ervan is waar.’ Meestal kijken ze me ongelovig aan. Of ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Maar dat hij de stroom terug heeft gebracht in Armsterkdam is toch zeker maar een mythe?’

Nog steeds word ik, net als toen ik jong was, een beetje boos als iemand waagt te twijfelen aan een van de twaalf werken van Armsterk. Je zou denken dat ik op mijn ouwe dag wat rustiger zou worden. Maar het lijkt wel alsof ik alleen maar feller wordt om ome Neel en zijn prestaties te verdedigen. Misschien omdat hij al zoveel jaar dood is en het zelf niet meer kan doen. Misschien omdat ik het gebrek aan respect voel bij de jongere generaties voor de grote Nederlandse helden: Willem Barentsz, Hansje Brinker, Anton Geesink… Ze kijken neer op de mensen die ons land groot hebben gemaakt.

Ach, ik geloof dat het ook typisch Nederlands is, hoor: op school wordt die kinderen al wijsgemaakt dat ze niet trots mogen zijn op ons land of op zichzelf. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ome Neel haatte die mentaliteit. Hij zei altijd: ‘Laat je niet terughouden, Jantje: door niks of niemand. Het gaat er niet om wat je doet, het gaat erom de beste te zijn in wat je doet. Winnen: daarvoor zijn we op aarde.’

Dat is het belangrijkste wat ik van hem heb geleerd. Ook ik heb mijn hele leven ernaar gestreefd om de beste te zijn. En volgens sommigen was ik dat ook: eerst als regeltechnicus en na mijn pensioen als klompensnijder. Nou ja, ik geef het toe: Mau van Walraven uit Appingedam was af en toe een beetje beter dan ik. Maar ja, niet iedereen kon zo hard werken en uitblinken in alles wat hij deed als ome Neel. Daarom is het belangrijk dat zijn nalatenschap niet bezoedeld wordt. Hij is een lichtend voorbeeld voor ons allemaal.

Dus telkens als iemand waagt te betwijfelen hoe ome Neel de energiecrisis heeft opgelost, dan leg ik het hem haarfijn uit. Gisteren nog in de kroeg:

‘Nee, snotneus, daar is geen woord van gelogen. In ‘73 brak de oliecrisis uit. Heb je daar weleens van gehoord? Die kwam omdat Rudi Carrell, een topjournalist in die tijd, in zijn actualiteitenprogramma ‘Poets’ een filmpje had laten zien dat met de verborgen camera was opgenomen. Daarin ontdekte hij dat de Ayatollah op zijn verjaardag allemaal damesondergoed cadeau kreeg. Nou, die oliesjeiks waren er zo boos over dat hun geheim ontdekt was dat ze pardoes de oliekraan dichtdraaiden. Enfin, Den Uyl, de president toen, die vroeg ome Neel om raad, want Nederland had nog maar voor een paar weken olie. Ome Neel kwam met het plan van de autoloze zondag. Dus op zondag mochten er geen auto’s rijden. En dan vraag je je af: waarom? Nou, ome Neel ging naar de Technische Hogeschool in Delft. Die bouwden samen met Batavus een speciale fiets met een enorm zeil. Op zondagochtend stapte ome Neel op en fietste de hele dag met een noodgang rondjes op de A10. De wervelwind die hij daarbij maakte, was zo groot dat de windmolens rond Armsterkdam genoeg stroom opwekten dat het land die dag geen olie nodig had. Die oliesjeiks schrokken er zo van dat wij hen niet nodig hadden, dat ze vlug de oliekraan weer opendraaiden. Gelukkig had toen ook het Arabische volk door dat die sjeiks helemaal niet zo machtig waren. Dat veroorzaakte weer de Arabische Lente.’

Enfin, de legendes over Armsterk en zijn twaalf werken zijn waar. Maar daarbuiten is er nog zoveel wat de mensen niet weten over de man en over wat er allemaal bij kwam kijken om zijn twaalf werken te realiseren. Als je de legendes hoort, was het allemaal zo gemakkelijk voor hem. Dus niet! Maar in al die gesprekjes in de kroeg en de super kun je niet vertellen hoe het echt allemaal was.

Daarom ben ik zo blij dat men mij gevraagd heeft mijn herinneringen aan ome Neel op te schrijven. Niet alleen om de legendes vast te houden, maar ook om de waarheden erachter te vertellen, geheimen die nog nooit zijn verteld. Dan vraag ik me wel af: wanneer de mensen die waarheden kennen, zullen ze dan ome Neel meer respecteren of misschien juist minder? Als ik zie hoe snel de jeugd van tegenwoordig stokken vindt om honden te slaan, redenen om verontwaardigd te zijn en om historische helden een kopje kleiner te maken… Als ik ze de hele waarheid vertel, lever ik ze dan niet juist munitie om Armsterks reputatie te verwoesten?

Dus heb ik lang getwijfeld of ik dit wel op moet schrijven. En hoe? Moet ik alles zeggen of mezelf censureren?

Ik ben er nog niet uit. Maar ik kan het niet langer uitstellen, ik word er niet jonger op. Als ik er niet meer ben, weet niemand meer hoe het was. En Armsterks verhaal moet verteld worden. Dus schrijf ik alles op. Op de enige manier waarop ik dat kan: precies zoals het was.

 

Maar waar begin je met Armsterks twaalf werken vastleggen voor het nageslacht? Bij de Grand Prix van Nederland? Waar hij afstapte op het circuit van Zandvoort en die Oostenrijker, die… hoe heette hij ook alweer? O ja: Niki Lauda het leven redde door hem uit de vlammen van zijn Formule 1-bolide te trekken? En dat hij vervolgens weer opstapte op zijn speciale Formule 1-fiets die Sparta voor hem had gebouwd en in een zinderende inhaalrace nog als eerste over de finish wist te komen?

Of moet ik beginnen bij zijn eerste werk, toen hij slechts een tiener was: in de Eerste Wereldoorlog toen Armsterk als jonge gevechtsfietser zijn jeugdidool, Manfred von Richthoven, de Baron op zijn roodgeverfde Gazelle, wist neer te schieten?

Nee, ik denk dat de maanrace het meeste zegt over ome Neel, wat voor iemand hij was en hoe ver hij bereid was om te gaan in zijn drang om de beste te zijn, de beste in alle opzichten. Bovendien heb ik dat werk van dichtbij meegemaakt en er verschillende levenslessen van ome Neel door geleerd. Lessen die ik nog steeds niet helemaal verwerkt heb.

 

Veel mensen zijn vergeten dat de maanrace al in 1957 begon. Toen bouwden de Russen in Kazachstan een antenne die bijna duizend kilometer lang was: Spoetnik 1. Toen die eenmaal was opgericht en uitgeschoven, reikte die tot in de ruimte. Het radiosignaal was in een groot deel van de wereld te ontvangen.

Ik weet nog dat ik als tiener in mijn zolderkamertje de hele Kerst bezig was geweest mijn kristalontvanger af te stellen. Ik had de spoelen zelf gewikkeld met koperdraad en toiletrollen. Mijn antenne was een draad die ik had gespannen van het zolderraam van paps huis naar het zolderraam van ome Neels huis.

Na uren frutten, hoorde ik het in mijn koptelefoon: een zwak piepje, drie keer per seconde. Ik rende de trap af en stormde de woonkamer in, waar ome Neel en mijn ouders een advocaatje zaten te drinken. Ome Neel was even niet in training, hij had dat jaar voor de zesde keer de Tour de France gewonnen en deed even rustig aan voordat hij voor de volgende moest gaan trainen.

‘Ik heb hem: Spoetnik. Ik heb hem!’ riep ik uit. Opgewonden nam ik hen mee naar boven. Ik stuiterde gewoon. ‘Kom, je moet het horen.’

Pap was als eerste boven. Hij ging op de houten stoel achter mijn radio zitten en ik zette hem de koptelefoon op.

Hij fronste en keek ingespannen op en neer van linksboven naar rechtsboven alsof hij dacht dat hij het signaal zou kunnen zien. ‘Ik hoor niks.’

‘Is hij weg?’ Ik schrok, rukte de koptelefoon van zijn hoofd en drukte een van de luidsprekers tegen mijn oor.

Piep… piep…

‘Je moet de schelpen goed aandrukken.’ Ik zette hem weer op zijn hoofd.

Hij duwde de schelpen hard tegen zijn oren. Opeens keek hij me verbaasd aan. Hij hief zijn vinger. ‘Piep… piep…’ Hij bewoog zijn vinger ritmisch mee. ‘Ja, daar is-ie.’ Hij draaide zich om naar mam. ‘Moet je horen.’ Hij nam de koptelefoon af en maakte plaats.

Mam ging zitten, zette de koptelefoon op, drukte de schelpen aan en keek strak naar haar linkerooghoek. ‘Ik hoor… o, wacht…’ Haar mond viel open. ‘Hij piept… goh, zijn dat nou die Russen?’

Ik knikte opgewonden.

‘Wat betekent dat nou?’ vroeg ze. ‘Wat willen ze daarmee?’

‘Laten zien dat ze eraan komen, dat ze meer kunnen dan wij.’

‘Meer dan wij?’ riep ome Neel uit. ‘Kan ik me niet voorstellen.’ In ons dorp noemden de kinderen hem weleens De Boom. Niet omdat hij boomlang was. Ik denk dat hij maar van gemiddelde lengte was. Nou ja, gemiddeld voor een Nederlander: we zijn het langste volk ter wereld, nietwaar? Toen ik volwassen was, was ik zelfs een centimetertje langer dan ome Neel. Toch keek ik ook toen nog tegen hem op als tegen een halfgod.

Nee, hij werd Boom genoemd omdat zijn armen en benen zo dik waren als boomstammen. Zelfs in zijn gewone buis en pantalon puilden zijn spieren aan alle kanten uit. Als je ome Neel vroeg waarom hij zo sterk was, zei hij altijd: ‘Hard werken, veel stamppot… en op zijn tijd een jenevertje.’

Zijn hoofd was hoekig en zijn kaak breed, maar er zat altijd een goedmoedige twinkeling in zijn ogen.

‘Nou, ome Neel, maar dit kunnen wij nog niet, hoor.’ Ik wees naar de koptelefoon.

‘Wil je ook eens luisteren, Nelis?’ Mam zette de koptelefoon af en maakte plaats.

Ome Neel ging zitten en drukte de schelpen tegen zijn oren. Hij knikte ritmisch: drie keer per seconde en keek me aan.

‘Als ze een zender zo hoog kunnen bouwen, kunnen ze ook een verrekijker zo hoog maken,’ zei ik. ‘Of misschien zelfs een camera.’

‘De moffen volgden ook precies de routes die door de zeppelin waren verkend,’ voegde pap eraan toe.

Ome Neels gezichtsuitdrukking ging langzaam over in bezorgdheid. Maar hij schokschouderde en sprak geruststellend: ‘Ach, ik weet zeker dat onze regering hen goed in de gaten houdt. Bovendien hebben wij nog steeds de beste gevechtsfietsen.’ Hij stond op en kneep in mijn schouder. ‘Leuk speeltje. Knap dat je dat allemaal kunt bouwen.’ Hij gebaarde naar mijn radio.

Een compliment van ome Neel! Ik was zo trots als een pauw.

Een paar maanden later won ome Neel zijn zevende Tour de France. En toen hadden die rot-Fransen er genoeg van dat ze voortdurend door ome Neel en de andere Nederlanders om de oren werden gereden. Ze lieten onderzoek doen en hun wetenschappers ontdekten dat stamppot, erwtensoep en haring prestatieverhogend werkten. Ze werden op de lijst van verboden middelen gezet. En aangezien ome Neel die middelen al zijn hele leven had gebruikt, nam de bond hem zijn zeven Tour-overwinningen af. Typisch Frans: als ze de wedstrijd niet kunnen winnen, veranderen ze gewoon de regels.

 

Dat het menens was, bleek vier jaar later. Tot onze verbazing waren de Russen doorgegaan met de hoogte in bouwen. Ze hadden een driehonderd kilometer lange ladder gemaakt. Toen die was opgericht en uitgeschoven, was die zelfs door een mens beklommen: Joeri Gagarin. Er was geen ontkomen meer aan: de Russen hadden de eerste man in de ruimte. Van daarboven af konden ze niet alleen al onze stellingen fotograferen, maar stel je voor dat die Gagarin een geweer mee naar boven had genomen. Of een kanon.

Ik las er alles over in de “Betweter, tijdschrift voor jeugdigen die alles willen weten”. Het was april 1961. Ik weet nog dat ik op zaterdag op mijn bed het artikel over Gagarin lag te lezen, al voor minstens de tiende keer, toen ik plotseling door het raam dat op een spleet openstond een trompet door de straat hoorde schallen: ome Neel. Hij was thuis.

Ik sprong van het bed en rende de straat over.

Toet! Pieeeeep!

De witte DAF van dokter Zijland kwam met piepende banden op me af. Hij leek te steigeren op zijn voorwielen.

Ik sprong opzij en rende zo hard ik kon.

‘Hela!’ hoorde ik achter me. ‘Kijk toch uit, schavuit!’

Zonder omkijken, rende ik het steegje naast ome Neels huis in, gooide het krakkemikkige houten poortje open en schoot zijn achtertuin in. Hijgend trok ik zijn achterdeur open en stormde ome Neels keuken binnen.

In de woonkamer lag hij in zijn ondergoed op de grond: hij was buikspieroefeningen aan het doen en tegelijkertijd Bye Bye Blackbird op zijn trompet aan het spelen.

Bij elke ademteug zette niet alleen zijn enorme borstkas uit. Ook zijn wangen puilden uit als een kikker. Die trompet was altijd het geheime wapen in zijn trainingsprogramma geweest. Hij had niet alleen een longvolume van bijna tien liter. Maar door het trompetspelen had hij ook nog circulair ademen geleerd en zijn wangen zover opgerekt dat hij er een liter extra lucht in kon bewaren.

‘Ome Neel, hebt u het gehoord van Joeri Gagarin?’

Hij hield op met trompetteren, maar bleef gewoon doorgaan met zijn buikspieroefeningen. Als hij vol in training was, deed hij elke dag tweeduizend opzit-oefeningen. In die tijd kon hij dat altijd nog binnen een uur, ook al was hij niet meer de jongste. ‘Ja, ik weet het, Jantje,’ zei hij terwijl hij zich omlaag liet zakken. Hij keek me met zijn altijd glimlachende ogen aan.

‘Ik heb het toch gezegd. De Russen komen. Waarom doen we daar niks aan?’

Hij haalde diep adem, spande zijn buikspieren en zijn bovenlijf ging weer omhoog. Eenmaal boven blies hij uit en zei: ‘Hoe kom jij erbij dat we niks eraan doen?’ Hij knipoogde.

Ik keek hem verbaasd aan. ‘U bedoelt…’

‘Ken je de NACA?’ zei hij bij de volgende beweging omlaag.

Ik knikte. ‘Natuurlijk. Heb ik in de Betweter over gelezen: de Nederlandse Aeronautische Cyclisten Associatie.’

‘Juist. Daar ben ik al een paar jaar lid van. En trouwens een heleboel oude gevechtsfietsers.’

‘Gaan jullie met een squadron die ladder in Bajkonoer wegschieten?’

Hij lachte. ‘Kun je een geheimpje bewaren?’ Hij wenkte me naderbij.

Ik ging op mijn knieën naast hem zitten.

Hij keek even om zich heen. ‘Die ladder staat in Tjoeratam,’ fluisterde hij terwijl hij zich weer terug liet zakken. Hij haalde adem, kwam weer omhoog. En terwijl hij zich de volgende keer liet zakken, fluisterde hij: ‘De Russen hebben Bajkonoer gezegd omdat ze bang waren dat wij zouden aanvallen, de lafaards.’ Hij knipoogde nog eens.

‘Hoe weet u dat?’

‘Spionageballonnen. Maar we gaan ze niet aanvallen, hoor.’

‘Niet?’

‘We gaan iets beters doen. Iets wat ik de president heb aangeraden.’

‘Wat dan?’

‘Dat mag ik je nog niet vertellen, Jantje.’

 

Ruim een jaar later, om precies te zijn op 12 september, was het het grote nieuws op de tv en in de krant. Dat was het wat ome Neel bedoeld had: president Kenjedie hield een rede op de Technische Hogeschool waarin hij trots verkondigde: ‘Er is nog geen strijd, geen vooroordeel, geen nationaal conflict in de ruimte. De gevaren ervan zijn vijandig voor ons allemaal. De verovering verdient het beste van de hele mensheid. En de kans voor vreedzaam samenwerken komt misschien nooit meer. Maar waarom de maan, zullen sommigen zeggen. Waarom kiezen we die als ons doel? Dan kunnen ze net zo goed vragen: waarom de hoogste berg beklimmen? Waarom reed Nelis Loetje Lenz Armsterk de Tour?

Wij kiezen ervoor om naar de maan te gaan. Wij kiezen ervoor om dit decennium naar de maan te gaan en die andere dingen te doen, niet omdat ze makkelijk zijn, maar omdat ze moeilijk zijn, omdat dat doel onze energie en vaardigheden in goede banen leidt, omdat we bereid zijn die uitdaging aan te gaan, eentje waarvan we niet bereid zijn die uit te stellen, een waarvan we van plan zijn die te winnen.’

In zijn woorden hoorde ik ome Neel. Dit had hij de president ingefluisterd. Maar toen ik de straat over rende en zijn huis binnenstormde, vond ik hem hoogst ongebruikelijk onderuitgezakt in zijn luie stoel met de jeneverfles naast zich op de grond. ‘Ha, Jantje, je wordt groot. Nog even en je gaat mij voorbij.’ Zijn woorden kwamen er slepend uit. Hij keek me glimlachend aan, hief zijn borrelglas en kiepte het achterover.

‘Ome Neel. Ik ben zo trots op u.’ Ik liep er gewoon van over.

‘Waarom, Jantje? Of beter gezegd: Jan.’

‘De Tour winnen was al geweldig. Maar naar de maan gaan… dat heeft nog nooit iemand gedaan.’

Voor het eerst zag ik hem zonder twinkeling in zijn ogen. Verslagenheid kwam over hem heen. ‘Ik ga niet naar de maan, Jantje.’

Mijn mond viel open. ‘Ik dacht…’

‘Ze hebben Gus Ullrich gekozen.’

‘Wat?’ riep ik uit. ‘Die Duitser? Die heeft de Tour toch maar één keer gewonnen?’

Hij knikte. ‘De president heeft een Duitser aangenomen om de fietssnelweg naar de maan te bouwen: Wernher von Braun. Die denkt dat ik te oud ben voor een fietstocht naar de maan.’

‘Te oud?’ riep ik uit. ‘Da’s niet eerlijk: u bent met afstand de beste gevechtsfietser van de wereld.’

Hij knikte. ‘Ze zullen hun redenen hebben. De maan is een bijzondere uitdaging. Daarboven is geen zuurstof. Misschien heeft een jonger iemand een voordeel.’ Hij schokschouderde. ‘Maar ze hebben mij tot Gus’ reserve gemaakt. Dus als hij mispeutert….’

‘U, reserve van zo’n flutfietser?’ Ik plofte neer op de bank en sloeg mokkend mijn armen over elkaar. ‘Von Braun…’ mompelde ik. Waar kende ik die naam van? O ja, daarover had ik in de Betweter gelezen. ‘Is dat niet een nazi?’

‘Hij staat nu aan de goeie kant, Jantje. Mensen veranderen. Bovendien, Wernher wilde altijd maar één ding: winnen. Toen hij nog aan de kant van de nazi’s stond, heeft hij van ons verloren. En verliezen is iets wat hij niet nog eens wil doen.’

‘Nee,’ zei ik beslist. ‘Hij staat niet aan de goede kant. Als hij wil winnen, moet hij de beste fietser nemen.’

 

De jaren daarna zag ik ome Neel weinig. Hij was te druk met Ullrich coachen en ik was te druk met studeren in Delft. Ik deed elektrotechniek, natuurlijk met specialisatie aeronautisch cyclistische regeltechniek. Maar het bleef me dwars zitten: het was niet eerlijk dat ome Neel tweede viool moest spelen voor iemand die hij talloze keren had geklopt. Als we de Russen wilden verslaan, hadden we de beste gevechtsfietser nodig.

Jaren later, toen ik mijn afstudeerverslag zat te typen, vloog ineens de deur van mijn kantoortje op de Hogeschool open.

Mijn professor stond naast de deur en stelde mij voor: ‘Dit is Jan Zoetemelk.’

Een man met grijzend haar in een strakke scheiding, gehuld in een al even strakke blazer met dubbele knopenrij en uitstekende kraagpunten, schreed naar binnen. ‘Ich hab al feel uver u geheurd.’ Hij bleef naast mijn bureau staan, kaarsrecht, kin omhoog, borst vooruit, buik in en hakken tegen elkaar. ‘Mein name ist Wernher von Braun.’

Verbluft richtte ik me op, prevelde mijn naam en schudde zijn hand.

‘Folgens de heer professor bent u sein besjte sjtoedent.’

‘Ik uh…’ Ik had de man gehaat omdat hij ome Neel had gepasseerd. Honderden keren had ik voor de spiegel gestaan om hem te vertellen wat ik van hem dacht. Nu ik oog in oog met hem stond, stond ik met mijn mond vol tanden.

Hij vroeg me alles over mijn afstudeeropdracht, mijn metingen, mijn conclusies. Ik vertelde hem over het nieuwe regelsysteem dat ik voor de vloeibare zuurstofopslag voor de maanreis had bedacht. Tot mijn verbazing kende hij verschillende details al.

‘Jawel, ich zie dat de heer professor en de heer Armsterk, onze reserveastrocyclist, nicht gelogen haben. Oe bent ein zeer competente knaap. Wilt oe onze manschap in Noordwijk komen versjterken zodra oe bent abgesjtoedeerd?’

 

En zo fietste ik in december 1966 door de poort van het NACA-complex in Noordwijk.

De zwarte spiraal die vanaf de grond oprees en boven in de wolken verdween was al van kilometers ver te zien. Toch had je pas door wat een onvoorstelbare prestatie de astrocyclist zou moeten verrichten als je aan het begin van het maanfietspad stond.

Het bevond zich in het midden van het NACA-terrein, omgeven door constructiemachines die hier en daar nog bedekt waren met smeltend ijs. Pegels aan de machines druppelden en voedden grote plassen op het beton eronder. Het pad stelde de gebouwen en de complexen van buizen en tanks op het terrein in de schaduw. Geen enkele toren die ik ooit had gezien rees zo hoog op.

Het pad was maar één meter breed en spiraalde in een draaicirkel van twintig meter met een schrikbarend hellingspercentage van zeven procent omhoog. Hier kon de gruwelijkste col niet tegenop. De roodzwarte kinderkopjes leken van bloed, zweet en teer. In werkelijkheid waren ze uit een speciaal ontwikkeld bakeliet-en-steenmengsel gebakken, het enige materiaal dat volgens de materiaalkundigen sterk en licht genoeg was om de spiraalweg tot aan de maan te kunnen realiseren.

De voet van het maanfietspad bestond uit een in beton verankerd frame uit vuistdikke buizen waarin de eerste rijen kinderkopjes tussen een twintigtal enorme stalen locomotiefwielen waren vastgeklemd. Een nieuwe rij kinderkopjes was al voor de helft eraan bevestigd. Als dadelijk de machines weer aan de gang waren, zouden ze eerst die rij afmaken en daarna de hele spiraal precies de breedte van een rij tussen de wielen verder rollen. Zo werd de spiraal rij voor rij langer en dus hoger. Het systeem was uitgevonden door Von Braun.

Daarmee had hij in zo korte tijd al die fietssnelwegen in Duitsland kunnen aanleggen. De Nederlanders hadden met afgunst naar dat wegennet gekeken. Tot aan de Anschluss. Toen bleek dat het doel van dat wegennet was geweest dat de squadrons gevechtsfietsers van de Fahrradwaffe razendsnel alle omringende landen konden aanvallen.

Het was middagpauze, de constructiemachines waren verlaten, afgezien van een paar potige werklui die in dikke jassen hun boterhammen met pindakaas of hagelslag zaten te eten uit hun broodtrommeltjes. Ik kon het niet laten. Ik zette mijn fiets op het begin van het maanfietspad.

Ik moest hem goed vasthouden, want het voorwiel wilde alle kanten op en het frame wilde omkiepen toen ik ernaast stond op de steile helling. Mijn voet op het pedaal zetten en mijn been over het zadel zwaaien, durfde ik niet: dat zou geheid misgaan. Dus ging ik voorzichtig op het zadel zitten met één voet aan de grond… Ik zette af en ging vol in de pedalen.

Vaart kreeg ik er niet in, mijn stuurwiel klapte dubbel en de fiets viel om. Ik knalde op de roodzwarte kinderkopjes, gelukkig met slechts wat geschaafde handpalmen en een gedeukt ego.

De werklui klapten en juichten. Iemand riep: ‘Leuk geprobeerd!’ Iemand anders zei: ‘Neem volgende keer een aanloop.’ En weer iemand anders: ‘We hebben een nieuwe astrocyclist.’

Ik krabbelde op, tilde mijn fiets op en sprong van het maanfietspad af. Met een zuurzoete glimlach maakte ik een buiginkje naar de werklui.

 

Ik werd te werk gesteld in de simulatorruimte als een van de programmeurs van het zuurstofcircuit. We zaten met een man of twintig aan een lange tafel achter de allernieuwste terminals. Grafiekjes, formules en regeltjes machinetaal in flikkerend groen op de beeldschermen voor ons. De geheugenbanden en een paar ponsbandmachines waarmee we nieuwe code konden invoeren achter ons.

Verderop, een eind voor onze tafel, stond de krachtsimulator: een van de door Batavus ontwikkelde Apollofietsen met een drievoudige Variomatic-overbrenging op een één meter brede loopband waarop de weerstand ingesteld werd om gelijk te zijn aan de rol-, lucht- en zwaarteweerstand die de astrocyclist zou ondervinden op het maanfietspad. De loopband stond een beetje schuin om de constante bocht te simuleren die de astrocyclist zou moeten maken.

Dagenlang zat ik te kijken hoe Gus Ullrich in zijn ruimtepak, omgeven door enorme bidons met verdunde Rostocksche Kartoffelsuppe en tanks vloeibare zuurstof op de Apollofiets zat te trappelen. In dat pak leek hij op Bibendum, het Michelinmannetje, hetgeen ironisch was aangezien zowel de banden als het slangenstelsel van de tanks en bidons naar de helm gemaakt waren door Englebert in Luik.

Ik weet zeker dat alle onderdelen van de fiets en alle randapparatuur wel tien keer zijn vervangen. Er werden efficiëntere lagers en banden, lichtere frames en tanks, en comfortabelere zadels ontwikkeld. Het mocht niet baten. Gus Ullrich zou volgens de simulatie niet verder komen dan halfweg het maanfietspad.

Ome Neel coachte hem zo goed hij kon. Maar Gus nam niets van hem aan: hij weigerde zelfs de aardappelsoep te laten vervangen door verdunde snert. Toen Gus weer eens na al een kwart van de vereiste afstand in elkaar zakte zodat ome Neel de zware Apollofiets moest opvangen, gaf ome Neel mij een wanhopige blik.

 

‘Denk je dat we het gaan halen?’ vroeg ik eens in de kantine. Ik was bij een paar fiets- en bandenmakers aan tafel gaan zitten.

‘Al zouden we de lagers nog vijftig procent efficiënter maken, en ik zie niet hoe we dat voor elkaar moeten krijgen, levert dat een actieradiuswinst van hooguit een half procentje op,’ antwoordde een man in Batavusoverall mistroostig.

‘Jao, we hebben onze beste bretellen al in die drie Variomatics zitten,’ zei de man met het DAF-shirt met een Brabants accent.

Een man in een Englebertoverall knikte. ‘Ook met de banden zitten we op de laagste rolweerstand die we eruit kunnen halen.’ Hij had een Vlaamse tongval. ‘Zelfs met een rolweerstand van nul, met alleen de zwaarteweerstand zou Ullrich het niet halen. Ze zeggen dat de Russen de zoon van een Kozak en een ijsbeervrouwtje hebben als astrocyclist.’

‘Kosmocyclist,’ verbeterde de DAF-man hem.

‘Hè?’

‘Zo noemen de Russen ze.’

‘Kosmocyclist dan. Ik heb de conditieparameters van Nelis Armsterk tijdens zijn laatste Tour eens ingevoerd in mijn terminal. Hij zou de maan al met moeite halen. Maar hij is de enige waarmee we kans maken.’

Ik wist wat me te doen stond.

 

Die avond sloop ik de kelder met de reserveonderdelen in. Ik wist dat de Englebertmannen de volgende dag alle ventielen zouden vervangen: routineonderhoud aan de Apollofiets. Dus liep ik door de lange, muffige keldergang op zoek naar de kamer met onderdelen voor het zuurstofsysteem. Mijn voetstappen galmden tegen de harde muren. Lampjes aan de muur wierpen schaars gelig schijnsel. Mijn schaduw was lang en leek mij steeds opnieuw in te halen. Voortdurend keek ik rond: gelukkig niemand te zien. Mijn hart bonsde in mijn keel.

Daar: op de deur stond Onderdelen zuurstofsysteem.

Ik hield mijn adem in.

Niks te horen, niks te zien.

De deur piepte toen ik hem openduwde, alsof hij me wilde waarschuwen: ‘Doe het niet’. Of misschien omdat hij iemand wilde alarmeren wat ik ging doen.

De stellages lagen vol kartonnen doosjes. Zorgvuldig las ik de opschriften.

Waar waren ze nou?

Daar: drukregelventiel 100 bar.

Voorzichtig opende ik het voorste doosje. Het mocht niet kapotgaan. Als ze zouden zien dat eraan geknoeid was, zou mijn plan mislukken. Ik liet het regelventiel in mijn hand glijden en stak het in mijn broekzak.

Uit mijn andere broekzak pakte ik het oude drukregelventiel dat ik weken geleden uit de afvalcontainer had gevist. Ik had het zorgvuldig gepoetst zodat het splinternieuw leek en vervolgens het veertje een beetje verbogen zodat het zou blijven haken. Ik hoopte dat dat genoeg zou zijn. Liever had ik ringetjes achter de veer gezet. Maar als er extra onderdelen in zaten, zou men achteraf vaststellen dat er sabotage was geweest.

Ik liet het ventiel in het doosje glijden. Ik sloot het doosje en legde het terug.

Ik snelde terug naar de deur, opende hem en gluurde de gang op.

Niemand te zien.

 

De volgende dag, 27 januari 1967. Ik zat te trillen achter mijn terminal toen de onderhoudsmonteurs klaar waren en Gus Ullrich de simulatorruimte binnenkwam. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij zijn pak aanhad en op de Apollofiets zat.

Von Braun stond geduldig in de hoek het gebeuren gade te slaan. Helpers en techneuten gaven hem knikjes.

Eindelijk hief Von Braun zijn hand en richtte zich tot mij en mijn collega’s: ‘Sjtart zimoelaatsie.’

Collega’s naast me drukten op knoppen en riepen:

‘Communicatie klaar.’

‘Aardappelsoep klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Alle ogen waren gericht op Von Braun. Die van ome Neel die vlak naast hem met een koptelefoon op achter een microfoon stond, ook. Die van Gus Ullrich ook: dat wist ik zeker, ofschoon ik slechts de achterkant van zijn helm kon zien.

Von Braun liet zijn hand zakken en Ullrich ging op de trappers staan. Zoals gewoonlijk slingerde hij eerst angstvallig dicht naar de rand van de band voordat hij genoeg vaart had en zich instelde op de juiste schuinstand.

‘Goed zo, Gus,’ sprak ome Neel in de microfoon. ‘Doorschakelen naar de middelste Variomatic.’

Ullrich trapte en trapte. Er gebeurde niets, de simulatie verliep normaal.

Had ik het veertje niet genoeg verbogen?

Precies toen ik dat dacht, gebeurde het.

Een knal. Gesis. Een zuurstofslang schoot los en danste heen en weer als een wild geworden gifslang. Een oogverblindende steekvlam. Ik voelde de hitte op mijn gezicht.

Gebiologeerd zat ik met mijn hand voor mijn gezicht om de hitte af te weren. Tussen mijn vingers door zag ik hoe Bibendum in lichterlaaie stond, gehuld in felwitte vlammen met oranjegele rafelrandjes. Alsof een hongerige veelvraat het pak verzwolg.

Mannen met brandblussers, waaronder ome Neel, snelden op de brandende Bibendum af en hulden hem in grote witte wolken.

Er was geen houden aan: de volle druk van de zuurstoftanks was ontketend. Meer slangen schoten los en voedden het vuur.

Een bloedstollende kreet waar geen einde aan kwam. Dat moest Ullrich zijn, ofschoon zijn stem niet meer te herkennen was. Hij klonk als een gillend kind. Het ging door merg en been. Kaarsrecht bleef de brandende Bibendum zitten, terwijl de fiets in volle vaart tegen de zijkant van de loopband knalde. De fiets slingerde, Bibendums armen maaiden alle kanten op, flarden ruimtepak flapperden als filigrane vleugeltjes heen en weer. Door het gyroscopische effect en de veiligheidsriemen van de proefstand bleven de fiets en Bibendum overeind.

Nog steeds hoor ik ’s nachts zijn gegil en zie ik de flarden van zijn pak in de vlammen. Dan zit ik badend in het zweet rechtop in bed.

 

Iemand rukte aan mijn elleboog.

Verbaasd keek ik in het gezicht van een brandweerman.

Hij trok me overeind: ‘Weg hier, sukkel, voor die zuurstoftanks ontploffen.’

Ik liet me het zaaltje uit trekken en naar buiten werken, de frisse lucht in, waar mijn collega’s al geschokt stonden, zaten en lagen. Verpleegkundigen en brandweerlieden bekommerden zich om hen. Ze staarden naar het bakstenen gebouw waar zwarte rook door kieren, ramen en schoorstenen uit ontsnapte. Ik kuchte… een hoestbui waar geen einde aan leek te komen. Ik proefde de rook en voelde hoe mijn longen en keel bedekt leken met as. Mijn gezicht deed pijn. Ik voelde me slap. De brandweerman zei iets tegen me. Maar ik hoorde slechts een lange fluittoon. De brandweerman leek verhuld door voorbijdrijvende zwarte vlekken. Was dat as? De zwarte vlekken groeiden als een legpuzzel samen. Ik zakte door mijn benen en alles werd zwart.

 

Toen ik mijn ogen opende, zag ik ome Neels gezicht. Zijn rechterwang en neus zaten in verband ingepakt.

Met een ruk zat ik rechtop in bed. ‘Ome Neel!’ Mijn stem klonk schor. ‘Uw…’ Ik verviel in een enorme hoestbui. Het was alsof mijn lijf mijn longen eruit probeerde te kotsen. Nog steeds proefde ik as en rook, maar nu vermengd met een vleug lysol.

‘Rustig maar, jongen.’ Ome Neel klonk ook al schor. Hij klopte op mijn rug en hoestte ook. Zijn machtige longen bulderden met orkaankracht.

In bedden om me heen herkende ik gezichten van collega’s, sommige met pleisters in hun gezicht, andere met vuurrode, glanzende gezichten. Een enkeling had gips om zijn arm of been.

‘Uw gezicht,’ wist ik tussen mijn hoestbui door eruit te persen.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Wat blaren, niks bijzonders.’

‘Ullrich?’

Hij boog zijn hoofd en schudde het langzaam.

Ik besefte dat het was gelukt… maar ook dat ik een mens op mijn geweten had. Ik hoestte. Mijn gezicht leek te spannen en trekken met elke uithaal. Ik voelde eraan: het deed pijn en voelde vettig aan.

‘Afblijven, jongen. Het is niks: een beetje eerstegraads. Een weekje bijkomen en je voelt er niks meer van.’

 

Het onderzoek naar de ongeluksoorzaak duurde en duurde. De bouw aan het maanfietspad ging gelukkig verder, maar er konden geen simulaties worden gehouden. Sterker nog: de bouw aan de Apollofietsen en het simulatiecomplex stonden stil. Wij werden aan het werk gehouden in een kantoorgebouwtje met vergaderingen en mierengeneuk aan controlesoftware.

Als ik zat te typen op mijn terminal achter mijn bureau in het kantoortuintje, hoefde ik maar opzij uit het raam te kijken om de bouw van het maanfietspad te zien. 24 uur per dag werd eraan gewerkt en er waren snellere constructiemachines ontwikkeld, sinds uit spionagefoto’s was gebleken dat het Russische maanfietspad hoger was dan het onze.

Tijdens de wekelijkse presentaties die het constructieteam in de centrale collegezaal gaf, bleek dat ons maanfietspad aan het inlopen was op het Russische. Dat was bemoedigend, maar voorspellingen welk maanpad het eerste klaar zou zijn waren zeer onzeker. Bij de vorige presentatie twijfelde men zelfs of de belofte van president Kenjedie waar kon worden gemaakt.

Aanleiding voor Von Braun om zich van zijn stoel vooraan in de zaal te verheffen. Hij richtte zich zorgvuldig op, zette zijn hakken naast elkaar, deed zijn schouders naar achteren en zijn hoofd omhoog. Toen pas zei hij: ‘Misglücken ist geen optie.’

 

Af en toe nam ik een kijkje bij ome Neel die de hele dag in de trainingsruimtes zat als hij niet door de omgeving van Noordwijk fietste.

Zijn trompet hoorde ik al op de gang. Ik gooide de deur van de fitnessruimte open, liep langs de middelpuntvlieder en zag ome Neel ondersteboven met zijn voeten in een paar stijgbeugels hangen. Hij blies ‘What a wonderful world’. Ondertussen trok hij zijn bovenlijf op en liet het weer terugzakken.

‘Ome Neel?’

Hij nam de trompet van zijn mond. ‘Ha, Jan, waaraan heb ik jouw bezoekje te danken?’ vroeg hij terwijl hij zijn bovenlijf omlaag liet zakken.

‘Het ongeluk is al een jaar geleden. Waarom ligt de bouw aan de simulatorruimte nog steeds stil?’

Hij spande zijn buikspieren aan en tilde zijn bovenlijf weer op. Terwijl hij zich omlaag liet zakken, zei hij: ‘Tja, de oorzaak moet goed worden uitgezocht. Als het nog een keer gebeurd, ben ik het in de vlammen.’

‘Maar ze weten de oorzaak toch? Dat defecte ventiel dat de Englebert-monteurs hebben ingebouwd.’

‘Maar hoe is dat defecte ventiel in het systeem gekomen? Hoeveel andere defecte onderdelen zijn er in de Apollofiets terechtgekomen?’

Ik zuchtte en twijfelde aan wat ik had gedaan. Niet dat ik spijt had. De nachtmerries van een brandende Bibendum, van Ullrich in de vlammen, gillend, verkoold… Ik had een mens op mijn geweten, maar al dat was een kleine prijs. We moesten winnen, koste wat het kost. Anders zouden we de vrede kwijtraken. Met Ullrich hadden we de maan nooit gehaald.

‘Maar als we blijven treuzelen… straks zijn de Russen er nog als eerste.’

Ome Neel bleef stilhangen en keek mij ondersteboven strak in mijn ogen. ‘Jan. Je hebt gehoord wat Wernher zei: mislukken is geen optie.’

Ik trapte tegen een halterbank. ‘Als de Russen er als eerste komen… met de macht die hen dat geeft… Dan is het onvermijdelijk: ze komen ons vernietigen.’

‘Jan!’ Hij hief een wijsvinger. ‘Zo denkt een verliezer. Wat je denkt, roep je over je af. Zeg mij na: ‘We gaan winnen’.’

Ik perste mijn lippen op elkaar.

Zijn wijsvinger zwaaide met nadruk. ‘We gaan winnen.’

‘We gaan winnen,’ mompelde ik.

‘Ik versta je niet.’

‘We gaan winnen,’ sprak ik luidop.

‘Harder.’

‘We gaan winnen,’ spraken we in koor. ‘We gaan winnen.’

 

Maanden later werd het onderzoeksrapport bekendgemaakt. De ongeluksoorzaak lag volgens de onderzoekscommissie in de onderdelenadministratie van Englebert. Het bedrijf was overbelast omdat het onderdelen moest leveren voor zowel de banden als het slangensysteem. Afgezien van wel honderd interne punten die bij Englebert werden verbeterd, werd besloten dat voortaan Vredestein de banden zou leveren zodat Englebert zich volledig op de slangensystemen kon richten. Nergens in het rapport werd zelfs maar de mogelijkheid van sabotage vermeld.

En zo zaten we in juni weer in de volledig herbouwde simulatieruimte. De simulator en de Apollofiets zagen er hetzelfde uit. Toch wist ik dat elk onderdeeltje weer was bestudeerd, verbeterd en vernieuwd. We hadden nog maar anderhalf jaar voor het einde van het decennium. Iedereen was blij weer aan het werk te gaan. En nu hadden we ome Neel in het zadel. Iedereen was zo doordrongen van het ‘We gaan winnen’-gevoel dat je het in hun gezichten kon zien. Met verende tred gingen we naar onze plaatsen, glimlachend spraken we met elkaar… alsof de twinkeling in ome Neels ogen aanstekelijk was. Het gevoel hing tastbaar, proefbaar in de ruimte.

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun liet zijn hand zakken en Bibendum ging weer op de trappers staan. Maar deze keer zat in dat ruimtepak ome Neel. Hij slingerde even naar de rand van de band maar had al snel genoeg vaart voor de juiste schuinstand.

Hij schakelde door naar de middelste Variomatic. Even later naar de hoogste.

De simulatie duurde uren.

Op de schermen zagen we de zuurstofvoorraad verminderen, de snertvoorraad ook.

Ome Neel passeerde het halfwegpunt.

De CO2-, zweet en urinefilters werkten op volle sterkte. Ome Neel was nog geen vermoeidheid aan te zien.

Hij trapte en trapte.

Wij keken elkaar extatisch aan: hij ging het halen, hij ging het halen.

 

Maar helaas. We waren net het 80%-punt gepasseerd toen ome Neel sprak: ‘Ik kan niet meer.’ Hij liet zijn fiets uitdrijven, schakelde terug naar de middelste Variomatic en daarna de laagste en stopte. Hij wist de Batavus zelf nog op de standaard te zetten, maar kon niet meer uit het zadel komen.

Terwijl ome Neel door helpers uit het zadel werd geholpen, besefte ik: ondanks dat hij veel verder was gekomen, waren we nog steeds kilometersver van de maan verwijderd. Hoe dichter we bij ons doel kwamen, hoe langer de weg leek te worden. Zouden we er ooit komen?

 

We gaven niet op. Elk onderdeeltje werd nog eens herontworpen. Alles werd nog lichter, nog efficiënter gemaakt. De erwtensoep werd krachtiger gemaakt. Zelfs de banden werden opgepompt met zuurstof om een extra voorraadje te hebben. Ome Neel haalde 82%, 83%, 84%… elke keer een procentje meer, soms twee, soms maar een half procentje. En soms gingen we ook een stap terug. Maar steeds weer kropen we dichter bij het doel. En een jaar later, eind juni 1969, was het zover: 100%.

We sprongen op, klapten, juichten, feliciteerden elkaar… Het was een feest zoals ik nooit eerder in mijn leven had meegemaakt.

Ome Neel trapte zijn fiets op de standaard, zette zijn helm af en keek glunderend achterom.

Een week later herhaalde hij zijn prestatie. Weer een week later strandde hij echter bij 98%. De week erna weer. Nee, het was nog steeds geen makkie.

Vlak daarna meldde de spionageafdeling dat het Russische maanfietspad klaar was. De Russische fiets stond al op het lanceerplatform aan de voet van het pad.

Ik rende naar buiten en keek naar ons maanfietspad: de constructiemachines waren nog steeds aan het werk. Al dat werk, al die opoffering… en dan zouden de Russen ons nog voor zijn?

Ik zakte door mijn knieën, huilde en sloeg met mijn vuisten op de grond.

 

Verslagen zat ik in kleermakerszit nog op het beton toen er een sirene weerklonk. Ik keek op. De constructiemachines stonden stil.

Werklui begonnen koortsachtig stellages af te breken. De blokken voor de wielen van een kraan werden weggetrokken.

Ik rees op en liep aarzelend in de richting van de constructieplek.

Een van de werklui kwam op me af gerend. Toen hij passeerde riep ik: ‘Waarom breken jullie de stellages af?’

Hij keek even om. ‘Het pad is klaar. We moeten het lanceerplatform in stelling brengen.’

Er ging een golf opwinding door me heen. Het pad was klaar. Het pad was klaar. ‘Het pad is klaar!’ Ik rende terug naar het simulatiegebouw. ‘Het pad is klaar.’

 

De volgende ochtend, op 20 juli, schoof ik aan achter mijn terminal in het missiecontrolecentrum in Hillegom. Alles was precies hetzelfde opgesteld als in de simulatieruimte. Maar in plaats van de simulator zaten we naar een wand vol schermen te kijken. Op de flikkerende beelden konden we volgen hoe de laatste hand werd gelegd aan het lanceerplatform, een strip kinderkopjes van tweehonderd meter waar ome Neel vaart zou kunnen maken voordat hij de naar boven spiralende helling bereikte.

Op het scherm rechts werd de laatste informatie van de spionageafdeling getoond. De kosmocyclist was al om 7.00 uur vertrokken. De Russen gebruikten geen verdunde snert maar borsjt als brandstof. En als laatste ontdekking: ze hadden er een scheutje wodka aan toegevoegd.

Ik weet niet hoe vaak ik de parameters van mijn deel van het zuurstofsysteem controleerde. Steeds weer liep ik het programma na. Er mocht niets fout gaan.

 

Het was bijna 8.00 uur toen ons lanceerplatform klaar was en de Apollofiets erop stond. Ome Neel ging erop zitten. Alle helpers gaven het signaal dat ze klaar waren. Von Braun hief zijn hand en de technische leiders naast mij in het missiecontrolecentrum zongen hun gebruikelijke concert:

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun telde: ‘Tsien, noigen, acht, zieven, zeks, fijf, fier, drei, tswee, een.’ Hij liet zijn hand zakken. Ome Neel ging op de trappers staan, maakte vaart en schakelde al naar de middelste Variomatic nog voor hij het spiralende pad raakte. Hij helde de bocht in en daar gingen we.

Op de camera’s die de Apollofiets meevoerde zagen we de wereld als in een centrifuge langscirkelen. Gebouwen schoten steeds sneller langs, werden kleiner en maakten plaats voor hemelsblauw. Even later werd het hemelsblauw opgeslokt door spierwitte rondcirkelende watten. Ome Neel zat al in het wolkendek. Door de luidsprekers hoorden we het ritmische ruisen van zijn ademhaling in zijn helm.

 

Angstvallig hield ik alle parameters in de gaten. Alles was nominaal. Ome Neel was al buiten de atmosfeer. Op de schermen aan de wand was het zwart van de ruimte zichtbaar. Onder in beeld kwam steeds een vlekje blauw met wit voorbij: de aarde. Als je goed keek, zag je bij elk rondje een verticale slingerstreep voorbijkomen: het Russische maanfietspad. Op het rechterscherm werd ome Neels achterstand afgebeeld: nog een half uur. Hij had anderhalf uur ingelopen.

Een paar uur later was er geen blauw of wit meer te zien. De beelden van ome Neels fiets waren allemaal pikzwart. Maar het slingerende streepje werd groter in beeld. Blijkbaar kwamen ons fietspad en dat van de Russen dichter bijeen.

Ik controleerde nog eens de parameters toen er een gejuich opsteeg. Ik keek op: op de slingerstreep was een kleine witte rups met pootjes te zien. Ingespannen tuurde ik ernaar toen hij weer voorbij kwam: een kleine witte Bibendum op een fiets vol tanks. Dat was de kosmocyclist. Ome Neel was hem aan het inhalen.

Plotseling hoorden we een doffe knal. De beelden vanaf ome Neels fiets begonnen te trillen. Een sissend geluid. De kosmocyclist schoot vooruit. Het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden werd lager.

‘Lekke voorband,’ schalde ome Neels stem door de luidsprekers.

Het duurde minuten voordat ome Neel zijn fiets tot stilstand had gebracht.

Op de camera’s keken we ademloos toe hoe hij met zijn setje bandenlichters zijn voorband eraf haalde en de binnenband inspecteerde.

‘Daar is het,’ riep een van de Vredestein-technici.

Ome Neel had het ook al gezien. Ik zat ondertussen te rekenen hoeveel banden ome Neel al niet had geplakt in zijn leven. Ik schatte rond de 5.000. En dat was te zien. Met vaste hand schuurde hij de plek van het gat, smeerde het in met solutie en zette zijn plakkertje erop.

Hij had speciale snelsolutie meegekregen. Na seconden was het al hard. Ome Neel maakte de vulslang los, zette hem op het binnenbandventiel en drukte op de knop. De binnenband liep vol zuurstof.

Een sissend geluid. Het plakkertje flapperde los.

‘Hillegom, we hebben een probleem,’ zei ome Neel.

De bandentechnicus van Vredestein sprong op van zijn terminal. ‘O nee, de solutie wordt in het vacuüm van de ruimte niet helemaal hard.’

Er brak lichte paniek uit. Scheikundigen, Vredestein-technici en een hoop andere specialisten trokken zich terug in het achterkamertje. Ik kon niet horen wat ze zeiden, maar door het raam van de deur zag ik dat ze verhitte discussies voerden: met handen en voeten.

Na een minuut of tien rende de Vredestein-technicus weer het achterkamertje uit en plofte neer achter zijn terminal. Hij drukte op zijn microfoonknop. ‘Batavus, onder in het doosje met plakkertjes zit speciale kauwgom. Steek die in uw mond en kauw erop tot die zacht is. Neem verband uit het verbandtrommeltje dat onder de linkerbidon is bevestigd. Wikkel het verband om de binnenband op de plaats van het gat. Breng solutie aan ter hoogte van het gat, druk daarop de kauwgom en breng een nieuw plakkertje aan.’

‘Begrepen, Hillegom.’

Ome Neel voerde de instructies uit en tien minuten later zat hij alweer in het zadel. Ik controleerde de cijfers van zijn zuurstofvoorraad. Hij had een deel verloren door de lekke band en omdat hij hem twee keer had moeten oppompen. Toen ik het resultaat van mijn berekening zag, werd ik helemaal koud. Ik stak mijn hand op en wenkte Von Braun naar me toe.

Hij kwam naast mijn stoel staan, zoals altijd kaarsrecht. ‘Ja, ist wat?’

Ik fluisterde: ‘Volgens mijn berekeningen is zijn zuurstofvoorraad niet meer voldoende om heen en terug te komen.’

Verschrikt verslapten zijn buik, kin en borst. Hij boog zich naar me toe. ‘Ist dat waar?’

Ik wees naar het scherm. De kans dat ome Neels zuurstofvoorraad op zou zijn voordat hij terug op aarde was, was zestig procent in het tempo waarin hij nu trapte en zuurstof verbruikte.

Von Brauns gezicht trok wit weg. Hij richtte zich op en nam zijn kaarsrechte houding weer aan. ‘Bedenk sjtrategieën om zuursjtof te sjparen bij de afdaling.’

Koortsachtig sloeg ik aan het rekenen.

 

Uren later barstte het gejuich weer los.

Ik keek op. De kosmocyclist was weer in beeld: ome Neel naderde hem genadeloos. Boven in beeld was al een stukje maanoppervlak zichtbaar. In dit tempo zou ome Neel er over een uur zijn.

Kreten schalden door het controlecentrum:

‘Kom op, pak hem!’

‘We gaan het halen!’

‘Pas op, die Rus demarreert!’

Inderdaad, de kosmocyclist ging sneller. Ome Neel kwam niet meer dichterbij.

De kreten verstomden.

‘Kom op, kom op,’ werd er gefluisterd. Vuisten werden gebald… ook door mij. Zo vlak voor de finish. De Russen mochten niet winnen: dan zou de invasie niet meer af te wenden zijn.

Met open mond keken we naar de schermen. Soms was ome Neel een beetje sneller, soms de Rus. Het kleinste tempoverschilletje maakte dat we ons hoopvol of verslagen voelden.

Plotseling gebeurde het: de Russische Bibendum werd groter.

Even snapte ik niet wat er gebeurde.

Collega’s sprongen op. ‘Jaaaaa!’

De kosmocyclist was uit de bocht gevlogen. Hij dreef met zijn fiets in gewichtloosheid weg van zijn fietspad, precies op ome Neel af.

Uitzinnig sprong ik op. ‘Ja! Ja! Ja! We hebben hem. We hebben gewonnen!’ Ik stuiterde en sprong. Alle technici naast me deden hetzelfde.

Totdat ik op het scherm zag dat het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden weer afnam. Ik checkte de parameters: ome Neel was vol in de remmen gegaan.

De anderen hielden ook op met hossen. We keken elkaar verbluft aan.

‘Nee, ome Neel!’ Ik bukte en kneep in de knop van mijn microfoon. ‘Ome Neel, niet stoppen. We gaan winnen. We gaan winnen.’

‘Hillegom, onze collega is in nood.’

‘Doorfietsen,’ zei Von Braun in zijn microfoon.

‘Batavus,’ sprak ik officieel. ‘Als u nu stopt, hebt u onvoldoende zuurstof om op en neer naar de maan te komen. Dan kunnen we niet meer winnen.’

‘Jan, er is een mensenleven in gevaar. Hij heeft hierboven niemand anders om hem te redden.’

‘Doorfietsen, verdomd nog maal. Dit is een Befehl!’ Von Braun stond met grote, vlammende ogen naar het scherm te staren.

‘Mensenleven? Maar oom, u hebt toch ook de Rode Baron neergeschoten?’

‘Dat is anders, dat was oorlog.’

‘We zijn in oorlog met de Russen.’

‘Nee, nog niet.’

‘Maar u zei toch altijd: winnen is waarvoor we op aarde zijn?’

‘Niet als het een mensenleven kost. Jan, een mensenleven redden ís winnen.’

‘Maar ome Neel…’ De tranen sprongen in mijn ogen.

Hij zette de Apollofiets op de standaard en stapte af.

Sprakeloos volgden we hoe hij zuurstofslangen losmaakte en tot een lasso knoopte.

‘Niet doen, ome Neel, uw zuurstofvoorraad is te laag.’

Zonder antwoord te geven, slingerde hij zijn lasso boven zijn hoofd en smeet die in de richting van de kosmocyclist.

Mis.

De kosmocyclist dreef vlak over ome Neels hoofd.

Bij de derde poging was het raak: de lasso sloeg om het stuur van de kosmocyclist heen en trok zichzelf vast.

De ruk gooide ome Neel van zijn benen af. Hij haakte zijn voeten achter de kinderkopjes en zette zich schrap.

Ik beet zo hard op mijn lip dat ik bloed in mijn mond proefde.

Gelukt! De kosmocyclist hing stil in de ruimte.

Ome Neel haalde hem binnen en zette hem met zijn fiets op ons maanfietspad.

Als aan de grond genageld stonden we te kijken.

Ome Neel ging in de houding staan en salueerde.

De kosmocyclist zette zijn fiets op de standaard, stapte af, ging in de houding staan en salueerde terug.

Twee saluerende Bibendums tegenover elkaar. Het is het raarste beeld dat ik ooit in mijn leven heb gezien.

De kosmocyclist prutste aan zijn radio. We hoorden storing in onze luidsprekers. En plotseling een stem: ‘Ik wil asiel vragen.’

Verbluft keken we elkaar aan.

 

De kosmocyclist was op weg omlaag op ons maanfietspad. Hij had zijn reservezuurstoftank en een borsjttank aan ome Neel gegeven. Terwijl die druk in de weer was om die op zijn Apollofiets te monteren en alle slangen weer aan te sluiten, rekende ik het zuurstofplan nog eens uit. Ome Neel kwam nog steeds zuurstof tekort aangezien de reddingsoperatie hem ongeveer evenveel had gekost als hij van de kosmocyclist had gekregen.

‘Batavus, hier Hillegom,’ sprak ik officieel. ‘Uw zuurstofvoorraad is te laag. U moet omkeren, anders komt u niet meer levend terug.’

‘Hillegom, ik ben vertrokken om een missie te vervullen. Mislukken is geen optie.’

De tranen rolden over mijn wangen. Ik kende hem lang genoeg om te weten dat hij dat zou gaan zeggen. ‘Maar ome Neel, u zei toch dat winnen geen mensenleven waard…’

‘Dat is iets anders, Jan.’ Hij sprong op de Apollofiets. ‘Ik heb niet het recht om andermans leven op het spel te zetten, maar wel mijn eigen leven.’ Hij klapte de standaard in en stond weer op de trappers.

 

De maan was groot in beeld op onze schermen. Op een teller liep de verwachte aankomsttijd: nog 7 minuten, 35 seconden. We waren er bijna.

Iemand riep: ‘Komeet!’

Ik keek opzij.

Een collega drukte op de knop van zijn microfoon. ‘Batavus, noodstop. Er is een komeet op botsingskoers met het maanfietspad boven u.’

Ome Neel ging vol in de remmen. Het duurde minuten voordat hij stilstond. Hij zette zijn voeten op de grond en keek omhoog.

Een felle flits en plotseling waren de laatste rondjes van het maanfietspad gewoon weg.

De Batavus met ome Neel schudde heftig heen en weer.

In de verte zagen we vaag klinkers wegdrijven voordat ze verdwenen in het zwart van de ruimte.

‘Hillegom, hoe is de structurele integriteit van het maanfietspad?’

Ik keek opzij… wie ging daar ook weer over?

‘De fundering is beschadigd,’ klonk de stem van mijn collega al uit de luidsprekers. ‘Het sterkteverlies is nog net binnen de veiligheidsfactor.’

Von Braun liep naar de terminal van de bouwkundige en keek over zijn schouder mee.

‘Hoelang duurt het om het maanfietspad te verlengen zodat het weer de maan bereikt,’ vroeg ome Neel.

‘Theoretisch vijftien uur,’ sprak de bouwkundige. ‘Maar het maanfietspad verlengen is door de beschadiging onmogelijk. Het zou instorten. We moeten een nieuw maanfietspad bouwen.’

Von Braun liet zijn hoofd zakken.

‘Andere opties?’ vroeg ome Neel. ‘Kan ik springen? Of met zuurstofslangen een touw maken?’

Von Braun drukte op de microfoonknop. ‘Het doet mij leed. Maar de absjtand ist te groos. Keer om.’

Ik drukte op mijn microfoonknop. ‘Zuurstofbewaking hier. Schiet op, Batavus. De kans dat u met de huidige zuurstofvoorraad nog thuiskomt is 20 procent.’

‘Begrepen, Hillegom,’ sprak ome Neel.

Op de schermen was te zien hoe hij de Apollofiets omkeerde en begon aan de afdaling. Een uurtje later werd ik afgelost. Met tegenzin begaf ik me naar de slaapzaal. Maar toen ik mijn schoenen uittrok en mij in mijn kot liet zakken, duizelde en draaide de slaapzaal even boven mijn ogen. Ik viel als een blok in slaap.

 

Toen ik uren later wakker werd, haastte ik me naar de galerij boven de controlekamer. Die zag eruit als een bioscoopzaal. Alleen zat men hier niet naar een film te kijken, maar naar het controlecentrum, een verdieping lager, en de muur met schermen. Tot mijn verbazing was het zaaltje bijna leeg. Toen ome Neel vertrok, was het afgeladen geweest met journalisten. Nu zag ik slechts een paar collega’s.

‘Waar is iedereen?’ vroeg ik.

Een snertkok keek op en schokschouderde. ‘De journalisten zijn eruit gezet toen Armsterk halverwege op de heenweg was.’

Ik was verbluft. ‘Waarom?’

‘Geen idee.’

‘Waar is hij?’

‘In de bovenlagen van de dampkring.’ Hij wees naar het scherm waar het uitzicht vanaf de Apollofiets zichtbaar was.

Het aardoppervlak was in beeld. De Apollofiets was omgeven door een rode gloed.

‘Hij rijdt te snel!’ riep ik verschrikt uit. ‘Zo verbrandt hij.’

‘Hij moet wel, hij heeft bijna geen lucht meer.’

Het beeld viel uit, kwam weer terug en verdween weer. Atmosferische storingen door het plasma dat de luchtwrijving van de omlaag racende fiets veroorzaakte.

Gespannen bleef ik naar het scherm turen.

Het beeld kwam niet meer terug.

Ik rende de gang op, de trap af en naar de draaideuren.

Toen ik buiten stond, keek ik naar boven.

De Apollofiets was nog niet zichtbaar op het maanfietspad.

Er kwam een wit DAFje aan.

Ik sprong ervoor en hield mijn hand in de lucht.

Het DAFje kwam met piepende banden tot stilstand. Het leek op de voorwielen te steigeren. ‘Ben je nou helemaal…?’ begon de chauffeur.

‘Ga je naar het platform?’ viel ik hem in de rede.

‘Ja, ik moet…’

Ik luisterde niet meer naar de rest, maar rende naar het passagiersportier, rukte het open en sprong in de auto. ‘Rijden dan!’

 

Toen het DAFje bij het platform aankwam, was dat omgeven door brandweerwagens, brandweerlieden en een ambulance. Even dacht ik terug aan de lichterlaaie staande Bibendum al die maanden geleden.

Daar was hij: een rode vuurbal met een zwartwitte staart rook achter zich aan brak door het wolkendek en spiraalde op het maanfietspad omlaag. De banden gilden: ome Neel had de remmen er vol op.

Hij leefde dus nog. Ergens in die rode vuurbal zat hij in zijn pak de remmen erop te trekken.

Het was alsof een rode knikker omlaag zwierde op een reusachtige, roodzwarte knikkerbaan.

Het was te zien hoe de fiets vaart minderde. De rode gloed werd minder fel, maar er waren duidelijk vlammen zichtbaar. De Apollofiets maakte zijn laatste rondje en schoot het platform op met nog steeds een flinke vaart. Ome Neel viel van de fiets en buitelde in zijn dikke, brandende ruimtepak over de grond.

Brandweermannen renden met blussers en slangen op hem af en hulden hem in wit schuim.

Ik rende erachteraan.

De Apollofiets schoot door, begon te slingeren, sloeg een paar keer over de kop en bleef rokend liggen.

Toen ik bij de doodstil liggende Bibendum kwam, waren de vlammen al uit. Ik viel op mijn knieën naast hem.

Brandweerlui maakten het vizier van de helm los en klapten het omhoog.

Ome Neel had zijn ogen stijf dicht. Hij bewoog zich niet.

‘Ome Neel!’ riep ik. ‘Ome Neel!’

Langzaam gingen zijn ogen open. Hij snakte naar lucht. Zijn longen vulden zich alsof ze helemaal leeg waren geweest. ‘Zo,’ verzuchtte hij. ‘Dat was de zinderendste finish sinds mijn eerste Tour de France.’ Hij keek me met die eeuwige twinkeling aan en knipoogde.

Ambulancebroeders laadden hem in de ambulance. Gek genoeg mocht ik niet meerijden.

Dus ik rende naar de ziekenpost en ging daar in de wachtkamer zitten.

 

De deur van de behandelkamer zwaaide open. Ome Neel kwam naar buiten in een schoon maanpak met zijn helm onder zijn arm.

Ik sprong op. ‘Hoe gaat het?’

Hij stak zijn duim omhoog. ‘Er is meer voor nodig om een Armsterk te barbecueën.’

Von Braun en een man met een brilletje die ik nog niet eerder had gezien kwamen ook naar buiten. Samen met ome Neel liepen ze naar de uitgang van het gebouw waar een VW-busje stond te wachten.

Ik liep mee, blij ome Neel weer heelhuids te zien.

Maar bij het busje hield Von Braun me tegen. ‘Jij mag nicht mee.’

Ik keek hem verbaasd aan.

Ome Neel legde zijn hand op Von Brauns schouder. ‘Hij mag wel mee.’

‘Ja, aber… als iemand dahinter komt dat…’

‘Niks aber. Ik speel dit louche spelletje niet mee als hij het er niet mee eens is.’ Ome Neel ging vlak voor Von Braun staan en keek hem strak in zijn ogen.

Von Braun kromp een beetje ineen.

 

In het busje legde ome Neel uit wat Von Braun en de andere meneer, die aan mij werd voorgesteld als meneer Haanstra, hadden bekokstoofd.

‘Ik vind het niet eerlijk,’ zei ome Neel. ‘Ik heb nog nooit eerder vals gespeeld en ik wil er nu ook niet aan beginnen. Maar ja, het is natuurlijk wel de manier om aan de Russen te laten zien dat wij sterker zijn. En we waren er bijna. Dus wat vind je: moet ik het doen of niet?’

Ik was verbluft: de wijste, sterkste, moedigste man ter wereld, de man die mij altijd goede raad had gegeven… die vroeg míj om raad?

Ik hoefde er niet lang over na te denken. Ik knikte. ‘Het is de enige manier om te zorgen dat de Russen de oorlog niet durven te beginnen.’

 

Het busje stopte voor een gebouwtje met een koepeldak. Dat gebouwtje was me nooit eerder op het terrein opgevallen. Meneer Haanstra leidde ons naar binnen. Hij brulde commando’s en plotseling kwam het hele gebouw tot leven: oogverblindend sterke schijnwerpers gingen aan. Mannen achter enorme camera’s richtten hun lenzen.

Voor ons lag een hal met een zwart geverfd dakgewelf vol kleine spikkels. Het zag eruit als een sterrenhemel.

De vloer eronder was bedekt met zand dat op verschillende plaatsen tot heuvels en kraters was gevormd. Een man met een harkje zat nog op zijn knieën de laatste hand aan zo’n krater te leggen.

Aan de linkerkant stond een Apollofiets op een één meter breed stuk fietspad uit roodzwarte klinkers. Ome Neel zette zijn helm op en ging op de Apollofiets zitten.

Meneer Haanstra brulde nog meer commando’s en een paar minuten later stond iedereen die nog in de hal was, net als ik, bij de ingang en hield de adem in.

‘Actie!’ brulde meneer Haanstra.

Ome Neel ging op zijn pedalen staan, maakte even vaart en remde meteen weer af. Hij liet de Apollofiets het zand in rollen en trapte hem op de standaard.

‘Hillegom,’ klonk ome Neels stem door de luidsprekers. ‘Kalmtebasis hier. De Batavus is geland.’

Hij stapte af en sprak de historische woorden: ‘Een kleine stap voor een fietser, een gigantische tour voor de fietsheid.’

Het genesis ei : Mike Jansen

Amsterdam, zomer 1893

 

In de ontvangstkamer van het statige herenhuis aan de Prinsengracht streek de voorzitter van het Bestedingscomité voor Naturalistische Innovaties over zijn weelderige snor.

‘Het spijt ons u te moeten meedelen dat we uw voorstel niet in over­weging zullen nemen.’ Er klonk instemmend gemompel van het viertal heren dat aan weerszijden van de voorzitter aan de lange tafel zat.

De jonge vrouw tegenover hen scheen uit het veld geslagen. Stofjes in de banen licht die door de ramen naar binnen vielen, leken doodstil in de lucht te blijven hangen. Zelfs het tikken van de Friese staartklok naast het raam pauzeerde even. Ze haalde diep adem. ‘Maar, maar… de cijfers. Hoe kunt u dit niet in overweging nemen?’

De voorzitter kuchte. ‘Wij hebben twee redenen. Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens heeft zich in de materie verdiept. Jonkheer?’

‘Inderdaad, meneer de voorzitter,’ sprak de jonkheer, die het dichtst bij het raam zat. ‘De gebruikte wiskunde bevat abstracties en concepten die niet algemeen geaccepteerd worden in de beschaafde, westerse wereld. Er is geen enkele manier om ze te verifiëren.’ Hij stond op en liep voor het raam heen en weer. ‘In uw beschrijving van de procedures geeft u verder aan dat u op basis van computantberekeningen kunt bepalen wat de functie van cellen zal worden en methodieken om deze functies te manipuleren.’

De jonge vrouw wilde overeind komen om antwoord te geven, maar de jonkheer gebaarde dat ze kon blijven zitten. ‘Gecombineerd met de nieuwste Leeuwenhoeck manipulators, computant-gestuurd, wordt dit inderdaad mogelijk,’ legde ze uit.

De jonkheer ging verder alsof hij haar niet gehoord had. ‘Hoewel vergezocht, zou dit nog enige waarde kunnen hebben voor het Innovatiefonds. De toepassingen zoals beschreven zijn echter vrijwel ondenkbaar: vervangen van ledematen, herstel van hersenletsel, het laten aangroeien van zenuwweefsel. Het leest als de fantasieën van Bilderdijk, vermakelijk, doch vergezocht. Derhalve kan ik niet anders dan concluderen dat uw documentatie, gelijk de werken van de heer Bilderdijk, tot het rijk der fabelen behoort en dat u waarschijnlijk meer geluk zult vinden bij een uitgever van dergelijke werkjes.’

Het gezicht van de jonge vrouw was rood aangelopen en een diepe gloed verspreidde zich over de huid van haar nek, onder haar blonde, opgestoken haar en tot aan haar decolleté. ‘U beticht mij van charla­tanerie? U, die een quaternion nog niet van polytoop kunt onder­scheiden?’ Ze richtte zich tot de voorzitter. ‘U sprak van twee redenen. Wat is de andere reden?’

De voorzitter glimlachte minzaam. ‘Mevrouw Tiersma, u denkt misschien zich te kunnen meten met de adepten in dit comité, ik zal hier geen waardeoordeel over vellen. Feit is dat u een vrouw bent.’ Hij vouwde zijn handen op zijn volumineuze leest. ‘Wetenschappers zijn nu eenmaal mannen. Uw plaats is niet in een laboratorium. Bestier een huishouden en zorg voor uw echtgenoot en kinderen, zoals alle vrouwen doen.’

Jeltje Tiersma rechtte haar rug. ‘Zowaar, Ada Lovelace en Mary Somerville zijn dus namen die u niets betekenen? Wat is dan nog de waarde van uw illustere genootschap, welke naturalistische innovatie denkt u te kunnen doen?’

De voorzitter wuifde haar opmerking weg. ‘U refereert aan Engelsen, die, zoals u wel weet, geen rol van betekenis spelen in deze wereld.’ Hij wenkte met zijn hand naar de dubbele deuren van de zaal. ‘De bediende zal u uitgeleide doen.’

Met het geluid van de dichtslaande deur van het herenhuis nog in haar oren besloot Jeltje Tiersma dat ze het bewijs van haar onderzoek zou leveren, ongeacht de kosten. Al was het maar om de uitdrukkingen op de gezichten van de comitéleden te zien wanneer ze haar werk publiceerde in de pagina’s van het gerenommeerde Batavia Mathe­matica.

 

 

Leiden, herfst 1893

 

‘Dit is de ruimte,’ sprak de oude boer. Hij ging Jeltje voor de immense schuur in.

Oud stro knisperde onder haar laarsjes en de geur van de stallen overviel haar, een rijk mengsel van paardenknollen, verschaalde urine en de ongetwijfeld talloze muizen die zich hier verschansten.

‘Hoeveel paarden hield u hier?’

De boer glimlachte. ‘Vóór de galvanische koetsen meer dan honderd. Goeie stevige Friezen, perfect om schuiten te trekken langs de Leidsche Vaart. Hij gebaarde naar het water dat op een steenworp afstand voorbij stroomde. ‘De laatste, Ouwe Tinus, heb ik vorig jaar persoonlijk naar de slager gebracht.’ Hij veegde een grove rechterhand over zijn ogen. ‘Hij was te oud. Ik inmiddels ook.’

Jeltje bekeek de longeerbak, de stallen, de mestkelder, de hooizolder en de berghokken voor de zadels en tuigage. Er was meer dan genoeg ruimte om haar plannen te kunnen uitvoeren. Maar ze moest wel een verbouwing bekostigen en tot nu toe was het haar niet gelukt een geldschieter te vinden die geloofde in haar plannen. ‘Hoeveel bedraagt de huur?’

De boer haalde zijn schouders op. ‘Kom je vaak in de stad?’ Hij knikte naar Leiden dat enkele kilometers zuidelijk van hen begon.

‘Elke week wel,’ zei Jeltje. ‘Ik geef les aan de universiteit. Assistent van de hoogleraren aan de wiskundefaculteit.’

‘Breng me een keer per week pijptabak en een kruik jenever, dan is het goed.’

Jeltje keek hem aan. ‘Dat is genereus.’

De boer knikte. ‘De boerderij sterft met mij. Mijn Fennigje heeft me nooit kinderen geschonken, helaas. Misschien brengt jouw aanwezig­heid wat leven in de brouwerij.’

Jeltje glimlachte. ‘Ik wil de schuur wel verbouwen voor mijn eigen doeleinde.’ Ze rekende in haar hoofd snel uit wat ze met de erfenis van haar vader zou kunnen bereiken. Ze dacht terug aan de dag dat hij stierf, nu twee jaar geleden. Hij had altijd in haar geloofd en dat hield haar op de been.

‘Doe wat je niet laten kunt.’

Ze stak haar hand uit. ‘Afgesproken.’

De boer nam hem aan. Zijn greep was opvallend zacht.

 

#

 

De aannemer die ze inhuurde vroeg bij het opnemen van de klus of hij haar vader of haar echtgenoot kon spreken. Zijn pijnlijke blik bij haar uitleg dat hij het met haar zou moeten doen, irriteerde haar. Toch gunde ze hem uiteindelijk de opdracht. Van het half dozijn lieden die ze had uitgenodigd, waren zijn ideeën het origineelst en zijn blik op haar visie sloot het best aan bij haar wensen.

Vlak voor de Kerst kon ze haar nieuwe woon- en werkruimte betrek­ken. De stallen waren verwijderd, de vloer was geëgaliseerd en voorzien van witte tegels over de gehele oppervlakte. Stevige houten schotten met grote ruiten vormden een aparte kamer met werkbanken, stromend water en een gasinstallatie.

Midden in het gebouw was een lift aangelegd, een gevaarte van staal en glas, aangedreven door een elektrofoormotor in de kelder, gevoed door het nieuwste model Teslaspoel die tot veertig meter boven het dak van de schuur uitstak.

In een van de voormalige tuigagekamers was nu haar kantoor. Gezeten achter haar bureau had ze uitzicht over de weilanden en af en toe een ondergaande zon. Secuur werkte ze haar kasboek bij en streepte ze de onderdelen van haar verbouwingsbudget weg tot haar gereserveerde bedrag op nul kwam. Eigenlijk was ze voorbij haar budget gegaan omdat ze de kelder extra diep had laten uitgraven. De aannemer zeurde natuurlijk, maar Jeltje hield haar poot stijf. Ze maakte een aantekening dat ze nog een kleine ereschuld aan de man had staan.

Voorlopig had ze eerst voorraden nodig. Ook een International Lovelace Mills computant en een Leeuwenhoeck manipulator stonden op haar lijst.

Jeltje zuchtte. Het innovatiecomité zag haar plannen niet zitten, maar de lokale koopmansvereniging had een tweemaandelijkse intro­ductieavond waar jonge uitvinders en ondernemers met geldschieters en investeerders konden spreken om hun ideeën en plannen bekostigd te krijgen.

Haar gedachten werden onderbroken door het galmen van de voordeurbel. Ze stak de vloer over richting de vestibule. Bij het openen van de deur viel haar mond even open van verbazing.

‘U lijkt vandaag meer onder de indruk van mijn verschijning dan van de zomer, mevrouw Tiersma.’

‘Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens, welk een onaangename verras­sing.’ Jeltje snoof zachtjes.

De jonkheer grijnsde. Zijn tanden waren perfect, evenals zijn onbe­rispe­lijk geschoren kin. In zijn donkerbruine ogen fonkelden pret­lichtjes. ‘Het genoegen is dan ook geheel eenzijdig, kan ik u verzeke­ren.’

Jeltje maakte aanstalten de zware deur dicht te gooien.

De jonkheer hief zijn rechterhand. ‘Toch wens ik iets met u te bespreken. Een mogelijk lucratief voorstel?’ Hij glimlachte bij haar aarzeling. ‘Misschien bij een kop thee?’

‘Vooruit maar.’

 

De salon naast de keuken keek uit over weilanden. Slootjes met rietkragen vormden kaarsrechte strepen die peristaltisch bewogen in een zachte bries, slechts hier en daar onderbroken door een treurende wilg. Twee dampende mokken stonden op de eenvoudige tafel en Jeltje en de jonkheer zaten tegenover elkaar.

Jeltje tikte met haar vingers op de tafel. ‘Ter zake.’

‘Even charmant als altijd.’

‘Mijn tijd is kostbaar.’ Jeltje gebaarde naar het laboratorium dat door de deur zichtbaar was.

‘Ach ja, geld, voor uw zoektocht naar de oervorm.’

‘U moet toegeven dat uw naturalistische instelling op zijn minst uw nieuwsgierigheid aanwakkert. Anders zat u niet in het comité.’

De jonkheer pakte zijn mok en blies zachtjes over de hete thee. ‘Wederom moet ik u teleurstellen. Er zijn interessanter onderzoeks­richtingen.’

Jeltje zweeg en keek de jonkheer aan tot hij wegkeek.

‘Ik kan u wel zeggen dat ik over u gesproken heb op de herensociëteit aan De Waag in Amsterdam. Ter vermaak van mijn gelijken, natuurlijk.’

Jeltje begon weer met haar vingers op de tafel te trommelen.

De jonkheer zuchtte. ‘Helaas was mijn jonge vriend Hugo Steenius aanwezig. Hij is snel onder de indruk en hij toonde bovenmatige interesse in uw werk.’

Jeltje ging iets rechter zitten. ‘Wat wilt u nu eigenlijk zeggen, jonk­heer?’

‘Dat mijn jonge vriend mij verzocht heeft u te polsen voor een gesprek. Ik zal hem uw afwijzing natuurlijk overbrengen, dat spreekt voor zich.’ De jonkheer schoof zijn stoel achteruit.

‘Wacht.’ Jeltje hief haar hand. ‘Een gesprek?’

De jonkheer haalde zijn schouders op. ‘Geraaskal van een jongmens die zich al patroon van de kunsten waant voor hij Rembrandt van Vermeer kan onderscheiden. Kom, ik zal uw tijd niet langer verdoen.’

Jeltje dacht snel na. ‘Ik verwacht dat uw dunk van meneer Steenius gegrond is. Mocht hij alsnog een gesprek wensen, dan kan hij op de zevende december de Leidsche Koopmansvereniging bezoeken, alwaar meerdere geïnteresseerden mijn presentatie zullen bijwonen.’

Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens nam een slok van zijn thee. ‘Ik zal hem de boodschap geven.’ Hij stond vrij abrupt op. ‘Met uw goed­vinden, mijn chauffeur wacht buiten op me.’

Jeltje liet haar bezoeker uit en zag hem een splinternieuw model galvanische koets instappen. Het gevaarte stak zijn Teslaspoel omhoog en reed even later gezwind haar erf af.

Een merkwaardig bezoek. Een Amsterdamse jonkheer die uren rijdt om een boodschap in Leiden af te geven. Ze schudde haar hoofd. Mijn vader zou nu enthousiast zijn geworden. Waarom heb ik er dan een slecht gevoel over?

 

 

Leiden, 7 december 1893

 

Een dikke laag sneeuw bedekte de binnenplaats van het hofje aan de Ketelboetersteeg waar de Leidsche Koopmansvereniging gevestigd was.

Jeltje hield haar mantel stevig om zich heen geslagen terwijl haar adem in witte wolken naar buiten kwam. In het licht van een eenzame elektrofoorlamp zag ze een tweetal galvanische koetsen voor de ingang die langzaam witter werden door de gestaag vallende vlokken. Ze vroeg zich af of een ervan van Hugo Steenius was.

Met haar portfolio in de hand beklom ze de treden van het bordes. Voor ze de bronzen klopper kon optillen zwaaide de deur voor haar open.

‘Mevrouw Tiersma, komt u toch binnen.’ Voor haar stond de weledelgestrenge heer Paridon, voorzitter van het bestuur van de koopmansvereniging.

Jeltje knikte beleefd en stapte de ontvangsthal in. ‘Uw bediende is afwezig?’

Heer Paridon schudde zijn hoofd. ‘Nee, nee, we hebben hoog bezoek. Harm heeft opdracht niet van zijn zijde te wijken.’

‘Hugo Steenius?’

De voorzitter knikte driftig. ‘Een telg uit het Hoekenes geslacht. Zegt dat voldoende?’

Jeltje slikte even.

 

Het zaaltje waar ze haar presentatie mocht geven was matig verlicht door een zestal elektrofoorlampen aan de muren.

Van de tien geplaatste stoelen waren er vijf bezet. De voorzitter, zijn bediende, Harm, twee lokale ondernemers die ze eerder gezien had en een jongeman met rossig haar en felle, donkerblauwe ogen. Dus dat is Hugo Steenius.

Jeltje plaatste haar tekeningen en formules netjes op volgorde. Zodra ze klaar was kuchte ze beleefd.

De voorzitter stond meteen op, draaide zich naar de aanwezigen en zei: ‘Welkom op deze bijzondere avond. Onze gewaardeerde stads­genote en uitvindster, Jeltje Tiersma, wenst u te informeren over haar bio­naturalistische onderzoek. Dit alles hopend u geïnteresseerd te krijgen in haar plannen en met haar mogelijkheden voor investeringen te beschouwen.’ Hij draaide zich naar Jeltje voor hij weer ging zitten. ‘Mevrouw Tiersma, het is aan u.’

‘Dank u voorzitter,’ zei Jeltje. Ze keek naar Hugo Steenius die kalm terugkeek. ‘Ik heb geprobeerd mijn stellingen op eenvoudige wijze weer te geven. De achterliggende wiskunde kan geducht zijn.’ Ze hing haar eerste tekening op. ‘De eerste vraag die ik wenste te beant­woorden was: wat was er eerder, de kip of het ei? Het antwoord was het ei.’

Haar volgende tekening bevatte een aanduiding van een aantal elementen, een stukje helixcode en een weergave van een microbe. ‘U herkent natuurlijk de symbolen, koolstof, stikstof, zuurstof, waterstof en fosfor. Dankzij Aarnout Vosmaer III weten we inmiddels hoe deze elementen de basis vormen voor het leven zoals we dat kennen.’ Ze wees op de microbe. ‘Van klein tot heel groot, alle flora en fauna die wij kennen is hieruit opgebouwd.’

Hugo Steenius kuchte even. ‘Mag ik u even onderbreken, juffrouw? Ik snap dat ei niet helemaal.’

‘Geduld alstublieft. Meneer Steenius, toch?’ zei Jeltje.

‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei hij, ‘gaat u vooral verder.’

Jeltje hing het volgende papier op. Er stond een ingewikkelde, wis­kundige formule op. ‘De helix volgt deze formule. Herleiden van de helix middels de formule levert op wat ik de “tabula rasa” heb gedoopt. Een onbeschreven blad waarop de onderzoeker kan schrijven. Het produceert een ei, letterlijk, een vrijwel ondoordringbare, transparante wand die enkel osmotische toegang verleent wanneer gestimuleerd door de juiste elektrofore krachtvelden.’

‘U kunt leven scheppen?’ zei Hugo Steenius, zijn stem vol van duide­lijk ongeloof.

‘Mijn onderzoek wijst uit dat leven zichzelf lijkt te kunnen scheppen,’ zei Jeltje. ‘De vraag is onder welke omstandigheden deze oer-eieren zich kunnen vormen. En hoe wezens erin kunnen ontstaan.’

‘Vermoedt u hogere machten?’ zei Hugo Steenius. Hij sloeg onwille­keurig een kruis.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Ik vermoed omstandigheden die perfect waren voor het ontstaan van eieren, hoe klein ook, gestimuleerd door elektrofore prikkeling zoals die ook nu nog ruimschoots op Aarde voorhanden is. Dan is het ontstaan van slechts enkele microben vol­doende om een begin te maken.’

Hugo Steenius haalde een gemonogrammeerde zakdoek tevoorschijn en depte zijn voorhoofd. ‘U wenst dit fenomeen verder te onder­zoeken?’

‘Dat is mijn bedoeling met deze presentatie, inderdaad,’ zei Jeltje.

‘Heeft u al commerciële toepassingen bedacht?’ zei Hugo Steenius.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nog niet. Hoewel kort nadenken wellicht snel tot interessante denkrichtingen kan voeren. Koeien die extra veel melk geven. Of waarom melk, waarom geen geneesmiddelen? Waarom geen specerijen ontwerpen die in beschaafde klimaten groeien zodat we ze niet meer van verre uit de tropen hoeven te halen?’

‘Wat zou u zeggen van soldaten, onvermoeibaar, onverslaanbaar? Of planten die breinversterkende kwaliteiten bezitten, zoals de coca-plant, maar dan sterker?’

‘Ik merk dat u inziet dat er vrijwel ongelimiteerde mogelijkheden zijn, heer Steenius,’ zei Jeltje. ‘Waak er echter voor dat u te snel handelt. Er is nog veel onderzoek en investering nodig om tot een goed prototype te komen.’

Hugo Steenius stond op. ‘Ik weet genoeg, mevrouw Tiersma. Ik wens uw onderzoek te steunen. Schikt het wanneer ik morgen langskom op uw adres met advocaat en notaris om een en ander te bekrachtigen?’

Jeltje voelde haar wangen heet worden. Even aarzelde ze. Doe het, Jeltje, dit is je kans om ze te laten zien dat je gelijk hebt. Batavia Mathematica, weet je nog?

 

 

Leiden, maart 1894

 

Jeltje wreef zich in haar ogen voor ze weer door de oculairs van de Leeuwenhoeck manipulator tuurde. Ze was zich vaag bewust van geluiden en beweging om haar heen van haar assistenten die materialen af- en aandroegen en opstellingen conform haar ontwerpen opbouwden.

Zelfs met de nieuwste apparatuur die de fondsen van Steenius haar verschaften, bleef het vinden van de juiste combinaties en elektrofoor­spanningen een Sisyfusarbeid zonder weerga.

Haar concentratie werd verstoord door een indringend gefluister. ‘Mevrouw Tiersma!’

Ze keek op. Naast haar stond Hans Janszoon, haar rechterhand. ‘Wat is er, Hans?’

‘Het is bijna zes uur. Einde van de werkdag. En het is vrijdagavond.’

Jeltje knipperde met haar ogen. ‘Ach, natuurlijk, loontijd. Is meneer Nederburgh al gearriveerd?’ Arndt Nederburgh was haar factoor en administrateur die elke vrijdag de loonzakjes kwam afleveren.

‘Hij wacht in uw kantoor.’

Jeltje stak haar handen in de zakken van haar laboratoriumjas en wandelde over de werkvloer naar het directiekantoor. Met genoegen zag ze het glaswerk gevuld met voedingsstoffen. Toen ze voorbij de lift liep, hoorde ze het zachte klikken van de computant die in de kelder zijn berekeningen deed, aangedreven door de elektrofore furiën van de Teslaspoel.

Door het raam van het afgesloten deel zag ze de onaardse lichten die uit de incubator opflitsten, waar mengsels van voedingsstoffen onder invloed van steeds andere elektrofoorstoten doorlopend werden getest.

Bij het kantoor stonden haar assistenten haar al op te wachten. Ze liep naar binnen, waar ze haar factoor achter een stapeltje loonzakjes zag zitten. Ze leunde tegen de sponning. ‘Meneer Nederburgh, ook goeiemiddag.’ Ze gaapte even.

Arndt gromde. ‘Vooruit met de geit. Ik heb niet de hele dag.’

Jeltje ging naast hem staan en ze reikte persoonlijk elk van haar assistenten zijn loonzakje aan. Vanaf het begin had ze hierop gestaan. Ze wilde haar werknemers in de ogen kunnen kijken. Het was een herinnering aan haar vader, die ooit door een werknemer bestolen was, die haar hiertoe motiveerde.

‘Tot volgende week maar weer, Arndt,’ zei Jeltje. ‘Ik ga nog even door.’

Arndt gromde weer, nam de grootboeken in zijn armen en liep de deur uit.

Even later klonk de deur weer.

‘Ben je iets vergeten, Arndt?’

De stem achter haar zei: ‘Nee hoor, ik herinner me dat we drie maanden geleden contracten hebben getekend.’

Jeltje draaide zich om. ‘Hugo. Leuk je hier te zien. Vanwaar de eer?’

‘Net binnen, een kruidige, sterke cognac.’ Hugo hield een fles omhoog. ‘Geweldig bij een Hispericaanse sigaar. Omdat het lente begint te worden.’

‘Je komt je investering bezichtigen, is dat het?’

Hugo Steenius grijnsde. Het maakte zijn gezicht aantrekkelijk en warm. Hij zette de fles en een doos sigaren op het bureau. ‘Waar heb je glazen?’

Jeltje knikte naar het dressoir waar een groot formaat tiphaigne van haar overleden vader stond. De sepia tinten kleurden zijn haar, dat hij toen nog had, een onnatuurlijk paars. Ze miste hem, zijn scherpte, maar nog meer zijn geduld met haar.

Even later stonden er twee glazen cognac te ademen. Twee sigaren lagen ernaast, klaar om aangestoken te worden.

‘Niet alleen mijn investering, madame, ook de briljante uitvindster die ermee bezig is heeft mijn aandacht.’

Hugo ging voor het bureau zitten en liet de directeursstoel aan haar. Jeltje liet zich erin ploffen.

‘Ik heb nog niet veel bereikt,’ begon ze.

Hugo zwaaide met zijn wijsvinger. ‘Wacht.’ Hij reikte haar een van de sigaren en nam de ander in zijn eigen hand. ‘Ruik.’

Jeltje deed wat hij vroeg en de rijke geur van de tabak vulde haar hoofd.

Hugo glimlachte, nam zijn glas en nipte voorzichtig.

Ze volgde zijn voorbeeld. De cognac was sterk, kruidig, smaakvol. Het was de perfecte aanvulling voor de geur van de sigaar die nog in haar neus zweefde.

‘Proef je dat?’ vroeg Hugo. ‘Voel je dat?’

Jeltje knikte. ‘Bijzonder.’ Hugo produceerde een aansteker en stak beide sigaren aan.

‘Nu dan,’ zei hij. ‘Dit is toch beter. Een gesprek tussen gelijken onder het genot van een sigaar en een goed glas cognac.’

‘Het verandert niets aan mijn resultaten. Of het gebrek daaraan.’

‘Vertel me wat er mis gaat,’ zei Hugo.

‘De wiskunde klopt. De chemie klopt. De elektrofore oscillaties lijken perfect. Maar dit is het beste dat ik heb kunnen bereiken.’ Ze haalde onder haar blouse een bronzen hanger vandaan waarin een enkele, waterige bol gevat was. ‘De kleintjes zijn instabiel. Vanaf een duim zijn ze stabiel. We hebben er dozijnen. Tabula rasa. Daar blijft het bij.’ Ze liet de hanger weer vallen waar hij tussen haar borsten bleef liggen.

‘Wat is dan het probleem?’ zei Hugo.

‘Er zit niets in. Ik verwachtte met voedingsstoffen en de Leeuwen­hoeck manipulator leven te kunnen maken. Maar de eieren zijn ondoordringbaar. En leeg. Dood.’ Ze keek even opzij naar de beeltenis van haar vader. Wat mis ik toch?

Hugo knikte. ‘Je bent zo’n drie maanden bezig. De meeste van mijn investeringen doen er een jaar of langer over om resultaat te boeken.’ Hij hief zijn glas. ‘Opdrinken.’ Hij gooide de inhoud van zijn glas in een keer zijn mond in.

Jeltje keek naar de bruine vloeistof. Ze haalde haar schouders op en volgde zijn voorbeeld. God, dat brandt!

Hugo grijnsde ondeugend. ‘Na de tweede brandt het niet meer.’ Hij knipoogde en vulde haar glas bij. ‘Vertel me meer over je werk.’

Terwijl ze vertelde werd het donker buiten en de fles raakte steeds leger.

‘Tijd om te gaan,’ zei Jeltje. Ze stond op, maar de directeurskamer wankelde om haar heen. Hugo stond klaar om haar op te vangen. Ze giechelde terwijl ze tegen hem aan hing. De stof van zijn maatpak voelde prettig aan. Onwillekeurig boog ze haar hoofd iets en rook aan hem. Zijn geur was mannelijk, indringend. Ze voelde een merkwaardige leegte in haar onderbuik, alsof ze iets miste. Ze wreef haar neus tegen zijn nek. Alsof het een signaal was boog Hugo zich naar voren en zijn mond zocht de hare. De leegte in haar onderbuik werd ineens gevuld met een donkere gloed en ze wist dat ze hem wilde.

‘Kom,’ zei Jeltje. Ze wankelde het kantoor uit en trok Hugo achter zich aan in de richting van haar slaapvertrekken.

Giechelend trokken ze elkaar de kleren van het lijf. Op het bed voel­den ze elkaar feilloos aan en in de schemer van de slaapkamer weer­klonk enkel het gegrom en gesnuif van het copulerende stel.

Jeltje voelde haar eigen hoogtepunt naderen, gelijk met het haastige ademen en een versnelling van Hugo’s bewegingen.

Nog halfdronken spoelde het orgasme over haar heen, er danste vuurwerk tussen hen in, alsof er letterlijk licht opflakkerde terwijl hij haar vulde. De stekende pijn die ze vlak na hun orgasme in haar onder­buik ervoer, ebde snel weg in het geweld van de endorfinen die door haar lijf stroomden.

Ze vielen in elkaars armen in slaap.

 

#

 

’s Ochtends dreef de geur van gebakken eieren de slaapkamer in. Jeltje voelde haar maag rommelen en kwam overeind. Een stevige hamer dreunde tegen de binnenkant van haar schedel.

‘Auwauwauw…’ Ze kneep haar ogen dicht en hield haar hoofd in haar handen. Haar haren zaten nog opgebonden op haar hoofd, ongekamd. Ze vloekte zachtjes. Uit haar kledingkast haalde ze een lichtgeel peignoir. Voor de spiegel van haar kaptafel trok ze de spelden los en kamde haar haar. Dat verlichtte de pijn in haar hoofd iets.

Nu, tijd voor de inwendige mens. Ze liep door de gang langs haar woon­kamer naar de keuken. Achter het fornuis zag ze Hugo staan, enkel gekleed in zijn donkergroen zijden boksersbroek, stoeiend met twee braadpannen.

‘Dat ruikt goddelijk,’ zei Jeltje.

Hugo keek om. ‘Ga lekker zitten. Ik heb ook koffie gemaakt.’ Zijn glimlach verdween even en hij keek serieus. ‘Denk ik. Ik snap die appa­raten allemaal niet.’

‘Pannen gaan je goed af,’ zei Jeltje. Ze ging aan de eettafel zitten en even later verscheen er een bord eieren, gebakken spek en bloedworst voor haar.

Ze zwegen terwijl ze de eerste helft van hun borden leegden.

‘Normaal ben ik niet zo,’ zei Jeltje. Ze bloosde.

‘Ik ook niet,’ zei Hugo. ‘Liefde en zaken mengen slecht met elkaar. Ik verwijt het mezelf.’

Jeltje legde een vinger op haar lippen. ‘Ssht. Het is niet gebeurd.’

Hugo keek haar aan. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, sorry, ik kan vannacht niet vergeten. Ik zal ermee moeten leren leven.’

Jeltje sloeg haar ogen neer en at verder. Nerveus speelde ze met de hanger om haar nek.

‘Wat heb je gedaan?’ zei Hugo ineens.

Ze keek op. ‘Hoe bedoel je?’

Hugo wees op haar hanger. ‘Bewoog daar iets?’

Jeltje maakte de hanger los en hield de waterige bol in het ochtend­licht dat door de ramen kwam. Verdraaid, er is inderdaad iets.

 

 

Leiden, april 1894

 

Met een zwaai gooide Jeltje de voordeur dicht achter haar laatste assistent die ‘s avonds richting huis vertrok. Ze leunde met haar hoofd tegen het koele hout en wreef zacht over haar kloppende slapen.

‘Waar gaat het mis? Denk na, Jeltje Tiersma.’ Ze haalde de hanger voor de honderdste keer die dag tevoorschijn en staarde in de diepte van het ei. Af en toe was het wezentje net een klein foetus, niet groter dan een erwt, maar soms leek het te groeien. Dan vertroebelde het ei, zoals de mistflarden die over de weilanden naar binnen dreven. En zoals nu, alsof er een diepere dimensie in het ei verborgen was, zwom het wezentje door oneindige zeeën, glimmend zwart, met vleugels breder dan zijn lengte, majestueus bijna.

Een klop op de deur verstoorde haar fascinatie. Ze keek op, keek terug naar het minuscule wezentje dat anemisch bewoog in zijn glazen gevangenis.

Door het spionnetje zag ze Hugo. Met een glimlach opende ze de deur. Hugo Steenius, haar investeerder en aandeelhouder, inmiddels ook haar minnaar, stapte naar binnen, nam haar in zijn armen en kuste haar lang en hard.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij.

‘Ik jou ook,’ zei Jeltje. Ze duwde de deur dicht met haar voet en klemde zich stevig aan hem vast.

‘Is er iets?’ vroeg Hugo.

Ze maakte zich los en haalde haar schouders op. ‘Ik zoek al een maand tevergeefs naar een oplossing. Ik kan inmiddels tientallen perfecte eieren per dag produceren, de computant regelt het allemaal, de voedingsstoffen, de elektrofore spanning, alles. Maar ze zijn leeg. Stuk voor stuk.’ Ze hield haar hanger op. ‘Behalve deze.’

Hugo knikte. Hij haalde zijn eigen hanger uit zijn zak. ‘En deze.’

Jeltje knipperde met haar ogen. Ze hield haar hand uit. ‘Laat zien.’ Ze liep met zijn hanger het laboratorium in en hield het in brons gevatte ei in het licht. ‘Verdraaid.’ Ze siste zachtjes. ‘Deze doet het ook.’ Ze keek vragend naar Hugo die haar gevolgd was.

‘Ineens, ik weet het ook niet.’

‘Heb je de hanger bij je gedragen de afgelopen week?’

Hugo knikte. ‘Voortdurend.’

‘Dan moet dat het haast wel zijn.’ Jeltje pakte een stift en maakte een aantekening in een van de logboeken. ‘Ik zal mijn assistenten allemaal een hanger meegeven en dan dagelijks controleren.’

‘Alles voor de wetenschap,’ zei Hugo. Hij grijnsde en haalde een fles cognac uit zijn binnenzak. ‘Herinner je je deze nog?’

Jeltje keek zuur. ‘Mijn hoofd vergeet dat niet. Een week hoofdpijn en misselijk.’

‘Ik zei je dat je er nog wat van moest nemen. Je kunt niet in een keer stoppen, je moet geleidelijk afbouwen.’

‘Ik kan ook gewoon niet meer drinken.’

‘Maar dat is lang zo leuk niet,’ hij knipoogde ondeugend.

‘Niet nu, Hugo. Het zit me dwars, deze hele toestand. Mijn bereke­ningen lijken correct, toch werkt het proces niet als ik bedacht had.’

Hugo nam haar hand en trok haar mee naar de salon. Hij wees naar de weilanden en de laagstaande zon in het westen. ‘Ooit is hier leven ontstaan, op deze wereld. En ik denk dat jouw proces eraan ten grond­slag heeft gelegen.’

‘Ik twijfel er steeds meer aan, eerlijk gezegd,’ zei Jeltje zuur. Ze vouwde haar armen over elkaar.

‘Je mist gewoon nog iets,’ zei Hugo. ‘Ontdek dat, vind het uit.’

‘Waar ik over twijfel is dit alles,’ ze spreidde haar armen. ‘Planten, dieren, flora en fauna, het groeit allemaal zonder mijn eieren.’

‘Ooit is het ergens begonnen,’ zei Hugo. ‘Dat heb je me zelf verteld.’

‘Maar als het zo moeilijk is, is het dan met mijn eieren begonnen? Of heeft een andere, eenvoudiger manier het gewonnen? Wat is de ware Genesis geweest?’

‘Je moet je zinnen verzetten, Jeltje,’ zei Hugo. ‘Er is een theater­voorstelling in Leiden. Pyrrhus en Willem VI. Toepasselijk, denk ik.’

Jeltje knikte zachtjes. “Elke stap zal je kosten.”

‘Ware woorden. Wat zeg je ervan?’

Even later vertrokken ze in Hugo’s galvanische koets.

 

#

 

Na het weekeinde kwamen haar assistenten terug in het laboratorium. Met leven.

Jeltje onderzocht elk van de eieren en ondervroeg haar assistenten over alles wat ze in het weekend gedaan hadden. Het was verbazing­wekkend normaal. Eten, drinken, slapen, wandelen, sporten, tuinieren, lezen. Frustrerend. Maar het werkte.

Hugo organiseerde mooie, houten kistjes, van binnen bekleed met paars fluweel, waarin de hangers, in zilver en goud, konden worden opgebor­gen. Het waren extreem dure cadeaus, voor kinderen van regen­ten en gouverneurs die alles al hadden.

‘Ik heb al enkele dozijnen bestellingen binnen,’ zei Hugo. ‘De marge is navenant. Bij vijftig verkochte exemplaren is mijn investering winst­gevend.’

‘Doen we er goed aan?’ zei Jeltje. ‘We weten dat we iets levends hebben, we weten alleen nog steeds niet wat het is.’

Hugo haalde zijn schouders op. ‘Dit is gewoon de volgende stap. Mocht het iets schadelijks zijn, dan kunnen we op enig moment het speelgoed terughalen en vervangen door iets veiligers.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel het enige gevaar schuilt in wat ze met dit speelgoed stuk kunnen maken.’

Jeltje greep onwillekeurig naar haar nek, maar de hanger was daar niet. Ze had haar ei uit de hanger gehaald en in een incubator gelegd, volledig gecontroleerd door de Lovelace computant. In een week tijd was het ding bijna een duim in omvang gegroeid.

Het wezentje was meegegroeid, maar het leek in het geheel niet op welk foetus Jeltje ooit gezien had, zelfs niet in het Leidsch Natuur­historisch Museum dat toch bekend stond om zijn uitgebreide naturalistische collectie op sterk water.

Ze voelde zich misselijk, een onaangename leegte in haar buik bij de gedachte aan het ei in de kelder. Ze nam zich voor eind van de werkdag naar de kelder te gaan, het ei uit de incubator te halen en ermee in de salon te gaan zitten, uitkijken over de weilanden, staren naar het wezentje dat ze al zo lang bij zich droeg. Ze zou het aaien en stevig tegen zich aandrukken. Ze schudde haar hoofd. Doe niet zo raar, Jeltje. Het is een studieobject, een experiment.

 

#

 

Flarden mist trokken over het weiland waar ze stond. Jeltje keek om zich heen. Ze herkende deze plek niet. Een maantje verscheen boven de horizon en baadde de omgeving in een geel licht. Op een hoge heuvel in de verte zag ze de silhouet van torens en kantelen, een soort kasteel. Waar ben ik? Dit is Holland niet. Droom ik?

Ze nam een paar voorzichtige stappen. De grond was bedekt met lang gras, met hier en daar planten met roodomrande bladeren die dauw­druppeltjes aaneenregen tot waterparelsnoeren. De zoom van haar nachtjapon raakte snel doorweekt en sleepte over de grond.

Voor haar week de mist uiteen en ineens keek ze uit over een dal, diep en donker. Als golven in de branding rolden achtereenvolgende mistbanken over het land. Reflectie van de gele maan onthulde stukjes van de omgeving, struiken, vreemdgevormde bomen, kabbelende stroompjes en dreigende schaduwen die leken te bewegen.

Een rode maan verscheen achter het kasteel. Jeltje voelde de sfeer van de omgeving veranderen. De schaduwen werden dieper. Heel in de verte klonk een sonoor, laag brommen waarin Jeltje met enige moeite een ritme ontdekte, alsof een slapend wezen een melodieus geluid voortbracht. Het raakte haar diep in haar buik. Ze betrapte zich erop dat ze met open mond naar de maan staarde en dat ze bijna vergat te ademen.

Het geluid veranderde, werd melodieuzer, alsof het een lied was, een lied met een boodschap die op de rand van haar gehoor, van haar verstand lag. Ze zette een aarzelende stap in de richting van het kasteel en nog een. Ze versnelde haar passen tot ze de heuvel afrende. Struiken sloegen tegen haar benen, met moeite ontweek ze bomen en in de nevel stapte ze af en toe mis en struikelde over keien. Haar voeten deden pijn en het kille water van de stroompjes zoog zich vast aan haar kleed en probeerde haar onder te trekken, maar het lied was sterker en de melodie dreef haar tot het uiterste.

Met een schreeuw kwam ze overeind. Jeltje knipperde met haar ogen. Ze lag in haar eigen bed en ze was ijskoud. Klappertandend stapte ze uit bed om extra dekens te pakken. In het licht dat ze aanknipte zag ze meteen dat haar nachtjapon vol moddervegen zat en dat haar voeten vol blauwe plekken en schrammen zaten.

Verward pakte ze extra dekens. Het duurde lang voor ze warm werd. Daarna viel ze in slaap terwijl ze melodieus neuriede. Ze sliep droom­loos.

 

 

Leiden, juni 1894

 

‘Het spijt me, mevrouw Tiersma, maar de vrouw wil ze niet meer in huis.’ Harmen Rolants, een van haar assistenten, overhandigde de eieren die ze hem de dag ervoor had gegeven. Ze waren leeg.

‘Ik snap het niet zo goed, Harmen,’ zei Jeltje. ‘Voorheen was er geen probleem, wat is er dan nu aan de hand?’

Harmen bloosde. Hij keek naar zijn voeten. ‘Nou, het zit zo.’ Hij keek naar het plafond, zuchtte drie keer. ‘Gesina vindt ze eng. Als we… als we… nou ja, “samen” zijn, dan doet het pijn. Wanneer de eieren er zijn, bedoel ik.’

Jeltje slikte. Ze was zelden zo openhartig met haar assistenten. Ze wist niet goed waar ze moest kijken.

‘En het licht,’ ging Harmen verder. ‘Wanneer we, nou ja, u weet wel… Spookachtig, eng.’

Jeltje lette ineens scherp op. Dat heb ik eerder gezien. Ze herinnerde zich flarden van de dronken vrijpartij met Hugo, het vuurwerk dat ze dacht te hebben gezien. En ze dacht aan de pijn die ze toen voelde. Wat betekent dit?

Ze besloot haar dilemma wetenschappelijk te benaderen. Zonder omhaal liep ze naar Kees Kouwenhoven en vroeg hem op de man af of hij in de weekends dat hij eieren in huis had ook met zijn vrouw lag.

Kees grijnsde. ‘Veel en vaak, mijn vrouw houdt ervan.’ Hij kuchte even, serieus. ‘En we willen graag een kindje, dat helpt natuurlijk ook. Tot nu toe nog niets.’

‘Heeft je vrouw nog wel eens over pijn geklaagd?’

Kees schudde zijn hoofd. ‘Ze klaagt nooit. West Friezin, dat zijn bikkels.’

Jeltje knikte. ‘Dat klopt zeker.’ Ze praatte met elk van haar assisten­ten en aan het eind van de ochtend was ze er vrijwel zeker van: De eieren ontvingen leven in de buurt van vrijende mensen.

De rest van de dag bracht ze door achter haar schoolbord waarop ze met krijt steeds ingewikkelder formules kalkte.

 

#

 

‘Jeltje? Jeltjelief, wat doe je?’

Jeltje keek op. Hugo stond naast haar. De elektrofoorlampen waren aan, het werd al donker buiten. Ze zat op de grond voor het schoolbord. ‘Hugo, je bent er.’ Ze gaapte. ‘Ik denk dat ik even in slaap was gevallen.’

Hugo keek haar vreemd aan. ‘Nee, je sliep niet. Je staarde naar de muur en wiegde zachtjes heen en weer. Je neuriede iets, een liedje?’

Jeltje rekte zich uit en stond op. ‘Ik weet van niets.’ Een moment later zakten haar schouders af. ‘Wacht, ik weet het wel.’ Ze wees naar de krijtvegen op het bord. ‘De wiskunde. Te complex. Ik kan het niet in mijn hoofd krijgen.’

‘Welke wiskunde, Jeltje?’ Hugo keek naar het bord. ‘Ik zie alleen maar rare symbolen en diagrammen. Niets wat ik onder rekenarij versta.’

Jeltje liet haar ogen over de symbolen dwalen. Ze herkende haar handschrift, maar de tekens waren vreemd voor haar. Toch kriebelde er iets in haar achterhoofd, een betekenis die zich aandiende maar nooit volledig haar hersenen betrad om inzicht te verschaffen. ‘Ik kan het niet uitleggen. Ik snap het zelf ook niet.’ Ze twijfelde. ‘Ik begrijp er een beetje van. Maar de hogere dimensies zijn te complex.’

Hugo pakte haar schouders vast. ‘Werk je niet te hard, Jeltje? Je ziet er moe uit.’

‘Ik slaap slecht, Hugo. Dromen, nachtmerries eerder, die me wekken, waarna ik de slaap niet meer kan vatten.’

Hugo zuchtte. ‘Kom, we gaan wat eten. Lekker in bad en daarna stop ik je in bed. Zal ik een doctor laten halen? Je lijkt hysterisch.’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nee, vooral niet. Ik ben niet ziek. Moe, dat wel.’

Hugo bood haar zijn arm en samen liepen ze naar de keuken. Terwijl ze langs de salon liepen dacht Jeltje even een grote, rode maan boven de weilanden te zien, een flits, niet meer, daarna zag ze enkel de roodkleurende wolken in de laatste stralen van de ondergaande zon.

Terwijl ze een eenvoudig maal nuttigden, besprak Jeltje met Hugo haar bevindingen en de verhalen van haar assistenten.

‘Het geeft me een slecht gevoel,’ zei ze.

Hugo steunde zijn kin op zijn handen. ‘Ik begrijp je zorgen. We kunnen er op dit moment alleen weinig aan doen. Ik zal wel de orders tijdelijk weren zodat we dit goed kunnen uitzoeken.’ Hij wees vervol­gens naar Jeltje. ‘En jij moet wat meer rusten, mevrouwtje werkteveel.’ Een half uur later lag ze schoon in haar bed en deed Hugo het licht uit. ‘Goed uitrusten, lief, dan ziet de wereld er morgen beter uit.’

 

#

 

In het diepst van de nacht schrok ze wakker. Ze voelde weer die merk­waardige leegte in haar buik, alsof iets aan haar trok. In de stilte van de nacht hoorde ze elk geluidje en in de verte, heel zacht, een zacht zoemen, melodieus.

Nieuwsgierig stond ze op. Ze wandelde door de donkere kamers, richting het lab. Midden in het lab klonk het geluid het hardst. Ze keek naar het donkere gevaarte van de lift. Ze opende de deur en met een draai aan de hendel daalde ze af naar de kelder.

Uit de verste hoek van de kelder begroette een spookachtig flikkeren van elektrofoorontladingen in de incubator haar. Het gezoem was hier veel harder en de melodie leek synchroon aan het weerlicht.

Jeltje ging voor de incubator staan. Ze schakelde de elektrofoor­generator uit en opende de saffierglazen deur. In een schaal voedings­stoffen lag haar ei, nu twee vuisten groot. Ze wreef er zachtjes over. Het ei voelde niet meer koud en hard aan, het leek nu zachter en levend, alsof een transformatie bezig was.

Ze keek in de troebele diepten en zag daar de vleugels van het wezentje fier gespreid, terwijl het over een schaduwrijk dal vloog in licht dat aspecten geel en rood in zich leek te verenigen. Het lied nam in kracht toe. In een stroboscopische reeks indrukken zag ze struiken, verwrongen bomen en gras waarin af en toe planten met roodomrande bladeren, totdat het wezen de heuvels bereikte en scherp omhoog manoeuvreerde. Het miste ternauwernood de torens en kantelen van een kasteel dat ineens opdoemde.

Het lied overweldigde Jeltje zodat ze haar handen op haar oren duwde. Toen het aanhield, gooide ze snel de deur van de incubator weer dicht en startte ze de elektrofoorgenerator. Het lied daalde in volume tot een acceptabele melodieuze achtergrondruis.

Verward wankelde ze terug naar haar bed. De volgende ochtend werd ze laat wakker, maar haar slaap had haar geen rust gebracht.

 

 

Leiden, juli 1894,

 

Jeltje staarde afwezig naar de bloemenoverwoekerde weide waar de wilgen langs slootjes als fiergroene bronsgepantserde wachters de toegang leken te regelen voor de horden vliegen, bijen en ander ongedierte. In gedachten plaatste ze er heuvels achter, bergen zelfs, en een half gedroomd kasteel vol kristallen zalen en lange, donkere gangen.

Ze was er vaker geweest, na die eerste keer. Telkens dieper, telkens verder, langs spiralende trappen naar vochtige kelders met roestige kettingen en het gestage drup-drup-druppen van water dat van steun­beren en bogen kwam als begeleiding voor het lied dat nu zelfs in wakende toestand door haar hoofd weerklonk, zoet en verlokkend enerzijds, angstaanjagend door een donkere ondertoon, zwanger van gruwelijke beloften.

Haar onderzoek had te lijden onder haar slaapgebrek. Haar assisten­ten stonden af en toe werkloos bij hun werkbanken. Ze herkende hun blikken, het wantrouwen. Was dit wat haar vader ooit had meegemaakt met zijn eigen assistenten? Ze snoof zacht. Misschien moest ze een voorbeeld stellen. Die Rolants met zijn vrouw die weigerde de eieren in huis te nemen. Ze nam zich voor het met haar factoor op te nemen. Hij kende de regels in dit soort situaties.

De deur van de salon ging open en Hugo stapte naar binnen. ‘Daar ben je.’

Jeltje glimlachte, dankbaar dat hij haar gedachten onderbrak zodat de melodie tijdelijk even naar de achtergrond werd verdrongen.

‘Je ziet er bleek uit, gaat het wel met je?’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘De eieren met leven zijn ongevoelig voor welke behandeling dan ook. Enkel bouwstoffen, voeding en elektrofore stimulatie doen iets.’ Ze beet op haar onderlip. ‘En die hoger­dimen­sionale wiskunde… totaal onbegrijpelijk. Maar ik moet hem beheersen om te snappen waarmee ik te maken heb.’

‘Ik weet inmiddels dat ze stuk kunnen,’ zei Hugo. Hij haalde een doosje uit de binnenzak van zijn jacquet. ‘Dit is misschien niet wat je denkt,’ zei hij met een glimlach. Hij opende het doosje. Op zwart fluweel lagen stukjes glazen eierschaal.

‘Wat is er gebeurd?’ zei Jeltje.

‘Volgens de eigenaar niets. Het ding brak spontaan, er was niemand in de buurt. Er bleef enkel een zuur ruikende, zwartgeblakerde plek achter op een dressoir.’ Hugo zuchtte. ‘Ik heb natuurlijk meteen de schade vergoed en een nieuw exemplaar toegezegd. Onze klant was wel gehecht geraakt aan zijn kleinood. Hij drong zelfs stevig aan snel een vervanging te leveren.’

Jeltje stond op en liep voor het raam dat uitkeek over de weilanden heen en weer. ‘Ik heb op geen enkele manier eieren kunnen breken. Wacht hier.’ Ze liep naar het lab en kwam met een stevige naald terug. Ze legde een stukje ei met de bolle kant naar boven op haar salontafel. Met de naald stak ze hard op het glazen oppervlak in. De naald schoot weg en dreef een stukje het hout van de tafel in. Vervolgens draaide ze de scherf om en stak weer met de naald. Dit keer brak de scherf in drie stukken.

‘Verdraaid,’ zei Hugo.

‘Het ei is uitgekomen, vermoed ik,’ zei Jeltje bezorgd.

‘Maar wat…,’ zei Hugo, ‘wat is er uitgekomen?’

Jeltje schudde haar hoofd.

‘Dit kan nog vaker gaan gebeuren. Ik denk dat we de eieren moeten gaan vervangen door iets dat controleerbaar is,’ zei Hugo. ‘Dit kan onze investering danig schaden.’ Hij stond op, nam haar handen in de zijne. ‘Ik moet overleg plegen hierover, vergeef me dat ik je nu alleen laat. Weet dat je in mijn hart bent.’

‘En jij in mijn hart,’ zei Jeltje. Ze sloeg haar ogen neer. Een heel klein stukje toch. De band die ze met het ei in de incubator in de kelder voelde, trok haar onderbuik weer leeg, een bijna fysieke pijn die bleef tot ze naar beneden ging. Het ei was inmiddels bijna zo groot als de ruimte in de incubator toeliet en Jeltje vermoedde dat die al niet meer nodig was.

Hugo liet haar achter met de eierscherven in het doosje. Jeltje keek hem na en liep vervolgens vastberaden naar het laboratorium om daar nieuwe onderzoeksopdrachten uit te delen en haar assistenten goed op te zwepen. Zij zou intussen eindelijk proberen die vermaledijde wiskunde op orde te krijgen.

 

#

 

Als altijd begon de droom op de weide. Ze kende de weg nu en ze kon snel het dal in rennen en het kasteel bereiken. De poort was open, als altijd. Voor het eerst viel het haar op dat het van een afstand het leek alsof er gezichten in de steen van de buitenmuur van het kasteel zaten. Van dichtbij waren het gewoon vlekken en onregelmatigheden.

Ze liep door de ontvangsthal, langs gangen met hoge ramen, langs wenteltrappen naar de vele torens. Elk raam dat ze bekeek bood uit­zicht op een ander tafereel. Een hoogvlakte, een kasteeltuin, een snel­stromende beek, een donker bos, de smalle straatjes tussen middel­eeuwse huizen die tegen het kasteel aangebouwd leken.

Elk bezoek aan het kasteel was als een verkenningstocht door onont­gonnen gebied. Kamers leken zich te verplaatsen, zalen veran­der­den subtiel van kleur of structuur of verdwenen volledig en doken ineens ergens anders op.

De melodie, die alomaanwezige melodie, kwam van overal en ner­gens. Ze was er gewend aan geraakt, het registreerde niet meer in haar geest. Wat deze keer des te meer opviel was het geluid van een huilend kind, ergens in de verte.

Ze keek door een raam over een binnenplaats uit. Aan de overkant, in een schaduwrijke zuilengalerij, zag ze het silhouet van een peuter die daar over donkere tegels leek te kruipen. Voor het eerst dat ik hier mensen zie.

Ze haastte zich de gangen door, sloeg linksaf en nog eens linksaf. Waar ze de zuilengalerij verwachtte was een doodlopende gang. Een klein raam, niet breder dan haar hoofd, gaf uitzicht op een diep ravijn omgeven door pijnbomen, waarvan de bodem in nevelen gehuld was.

Ze hoorde het huilende kind weer. Ze volgde het geluid dat langzaam luider werd. Telkens wanneer ze dacht rond de volgende hoek een klein kind te zien zitten, verplaatste het geluid zich. Iemand speelt een spel met me.

De gedachte was net bij haar opgekomen toen ze een hoek omsloeg en midden in een kristallen zaal op een basalten verhoging een klein, blond jongetje zag zitten, gekleed in een zwart fluwelen broekje en een donkerpaars fluwelen tuniekje met gouden lusjes. Met indringend blauwe ogen keek hij haar aan. Tranen liepen nog van zijn wangetjes.

Aarzelend deed Jeltje een stap naar voren. Er klonk geluid van klapperende vleugels en de kamer verduisterde.

Ze snakte naar adem en schoot overeind in haar eigen bed. ‘Ver­draaid.’ Vanuit haar laboratorium klonk de melodie, zoet, donker, indringend. Ze begroef haar hoofd in de kussens. Je maakt me gek! Stop ermee!

 

 

Leiden, augustus 1894

 

‘Waar is ze?’ vroeg Hugo. ‘Kees Kouwenhoven toch?’ Hij was net aange­komen met zijn galvanische koets, vergezeld door zijn advocaat.

‘Ja, meneer,’ zei de assistent.

‘Nou?’

‘Ze sloot zich vanochtend in de directiekamer op. Ik heb haar sinds­dien nog niet gezien.’

Hugo knikte. ‘Doet ze dat vaker?’

‘Sinds een paar weken.’

Hugo keek opzij naar zijn metgezel. ‘Hoor je dat?’ De ander knikte minzaam. Hugo Steenius liep doelbewust door het laboratorium in de richting van de directiekamer. Hij duwde de klink omlaag en de deur zwaaide open.

‘Leeg,’ zei de advocaat die naast Hugo in de deuropening stond.

Hugo wilde de deur sluiten toen een beweging aan de overzijde van de kamer zijn aandacht trok. Alsof ze uit de schaduwen stapte, kwam Jeltje tevoorschijn. Ze zag hem en glimlachte.

‘Hugo, eindelijk heb ik je gevonden.’

Hugo keek zijn advocaat aan die zijn schouders ophaalde. ‘Ik zag het ook niet,’ zei de ander.

‘Wat is er, Jeltje, waar was je?’

‘Het kasteel, voorbij de vallei. Ik dacht dat ik de troonzaal instapte.’

Hugo knipperde met zijn ogen. ‘Dit klinkt heel raar, Jeltje. Mag ik je overigens voorstellen aan Jean de Lucardy, mijn advocaat?’

‘Volgens mij hebben we elkaar in het begin even gezien om de con­trac­ten door te nemen, nietwaar?’

‘Correct, mevrouw,’ antwoordde Jean de Lucardy.

‘Mag ik de reden van uw bezoek weten?’

‘Jazeker. Meneer Steenius heeft me verzocht mee te komen in ver­band met een aantal defecte hangers.’

‘Er zijn er meer stuk?’ zei Jeltje tegen Hugo.

Hugo knikte. ‘Bij een ervan is iets merkwaardigs gebeurd. Dat is de reden dat Jean is meegekomen.’

‘Vertel,’ zei Jeltje. ‘Kom, we gaan even zitten.’

‘In drie gevallen gebeurde er wat we eerder hebben meegemaakt. Die gevallen heb ik ook meteen in samenspraak met Jean afgehandeld. Eén geval is anders.’

‘Ahem.’ Jean de Lucardy schraapte zijn keel. Hij nam een opgevouwen papier uit zijn binnenzak en vouwde dat open. ‘Het vierde geval betreft een gegoede koopman uit het centrum van Amsterdam. Zijn zoontje van nog geen twee gebruikte de hanger regelmatig als rammelaar. Zo ook tijdens de gebeurtenis waarvan hij en zijn vrouw en een dienst­meisje getuige waren. Namelijk, dat de hanger brak, er vloeistof vrij­kwam die onmiddellijk tot een dichte, grijze nevel, die danig op de kelen van de aanwezigen sloeg, verdampte. Ramen werden geopend, de nevel trok weg, maar het zoontje was ook verdwenen. Zijn signalement, bijna twee jaar oud, blonde krullen, blauwe ogen, op dat moment gekleed in een zwarte broek en een paarse tuniek met gouden lusjes.’

Jeltje zakte onderuit in haar stoel.

‘Wat is er Jeltje,’ zei Hugo. ‘Je ziet extreem bleek. Is het een flauwte?’ Hij boog zich naar Jean de Lucardy. ‘Ze neigt soms naar het hysterische, met alle gevolgen vandien.’

Jean glimlachte minzaam. ‘Een vrouwelijke eigenschap, begrijpelijk.’

Jeltje kreeg al snel weer kleur op haar wangen, niet omdat ze zich beter voelde maar omdat een kille woede opborrelde over de neer­buigende toon van de mannen. Zelfs jij, Hugo. Heb ik me dan zo in je vergist? ‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ze op kille toon.

Jean de Lucardy vouwde het papier weer netjes op. ‘Wij, aandeel­houders en vertegenwoordiging, zijn door de rechtbank te Amsterdam gesommeerd ter zitting te verschijnen op zeven september 1894, om tien uur in de ochtend.’

‘Zijn we aangeklaagd?’ vroeg Jeltje. ‘Willen ze geld?’

Hugo schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat het een strafrechtzitting is. Er is een kind verdwenen in bijzijn van ons product, dat op dat moment faalde. Het enige dat ons op dit moment uit de cel houdt, is het feit dat het kind volledig verdwenen is.

‘Ik heb het gezien, een paar weken geleden, in het kasteel. Hij huilde, maar ik kon hem maar niet bereiken.’

Hugo keek naar Jean die betekenisvol terugkeek.

‘Jullie geloven me niet?’

De advocaat vouwde zijn handen samen. ‘Mejuffrouw Tiersma, het is van het uiterste belang dat u tijdens de strafzitting dit soort uitspraken niet doet. Wij zijn ons niet bewust van enige – potentiële – schade door onze producten.’

Jeltje knikte en staarde voor zich uit. Het lied uit de kelder zwol aan en verdronk het gesprek dat de mannen met haar probeerden te voeren, totdat ze uiteindelijk haar hoofd in haar handen legde en fluisterde: ‘Laat het stoppen, alsjeblieft.’

 

#

 

Zachtjes streelde ze met haar handen over het fluweelzachte oppervlak van het ei. Het was de incubator inmiddels ontgroeid en met veel moeite had ze het van de werkbank op de grond gekregen.

Het ei was content, de melodie die het produceerde was vriendelijk, subtiel dwingend en dreigend rustgevend.

Jeltje omhelsde het ei, maar ze kreeg haar armen er al niet meer omheen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze. Met haar wang wreef ze over het gladde oppervlak. In de diepte van het ei zag ze haar wezentje, haar kindje, haar diepste geheim. Het vloog over heuvels en dalen en cirkelde vele malen rond het immense kasteel dat ze inmiddels grondig had verkend.

‘Wat er ook gebeurt, hoe het over twee weken ook afloopt, ik zorg ervoor dat je veilig blijft, dat niemand je iets aandoet.’ Ze duwde werkbanken opzij tot ze voldoende ruimte had gemaakt voor het ei om ongehinderd verder te kunnen groeien.

 

‘Ik heb wat afspraken in Amsterdam, het kan zijn dat ik wat laat thuiskom, of misschien zelfs overnacht. Kunt u een oogje in het zeil houden?’ zei Jeltje tegen de boer.

De oude man glimlachte vriendelijk. ‘Natuurlijk, jongedame. De nieuwe bedrijvigheid die u heeft gebracht, heeft mijn oude hart goed gedaan. Laat de boel maar aan mij.’

‘Dank u,’ ze nam zijn handen in de hare. Ze waren nog net zo zacht als de eerste keer. Daarna nam ze haar valies en stapte in de richting van de wachtende galvanische koets.

 

Amsterdam, 7 september 1894

 

De rechtbank was een neogotische monstruositeit, gelegen tussen de Westerkerk en het centraal station. De koepel van het gebouw en de granieten zuilen waren zwart uitgeslagen door de eeuwige steenkool- en turfrook. Galvanische koetsen waren alomtegenwoordig in het centrum van Amsterdam, hoofdzetel van de VOC en thuis van de grootste en machtigste handelsbeurs ter wereld.

De belofte van Tesla’s elektrofore energie was zichtbaar in de ochtendzon als een pilaar van schitteringen aan de noordoever van het IJ, waar de nieuwe en spoedig hoogste Teslaspoel van de wereld zou verrijzen. Het betekende het einde van de vervuilende smeerpijpen van de industrieën langs het Noordzeekanaal en in het Westelijk Haven­gebied.

Jeltje voelde een steek van jaloezie bij het succes dat de Venetische weten­schapper boekte in heel West-Europa. Haar eigen vindingen waren minstens net zo revolutionair, als ze maar de tijd kreeg het proces te perfectioneren. Ze voelde ook de afstand tot Leiden, tot haar laboratorium, tot het ei in de kelder, hoewel het lied nog steeds in de verte in haar hoofd speelde.

Op de brede trappen van het bordes zag ze Hugo en Jean staan, beiden gekleed in onberispelijke jacquetten met bijpassende hoge hoeden.

‘Mevrouw Tiersma,’ begroette Jean haar. Hugo knikte alleen maar.

De ingang van de rechtbank bestond uit hoge, dubbele deuren die wijd open stonden. Op een bord bij de ingang waren kaartjes bevestigd met daarop kamernummer en de zaak die behandeld werd. Jean de Lucardy tikte er een aan. ‘Deze is voor ons.’

 

#

 

Zodra alle ontbodenen zaten, deden de magistraten en de rechter hun intrede. Ze begaven zich naar hun machtspositie, ruim verheven boven de eenvoudige banken van de gedaagden. Ter weerszijden van de verhoging stonden twee agenten in uniform.

Jeltje keek opzij naar de tegenpartij. Een gezette man met een jacquet met goudbrokaat, zijn vrouw in stemmig zwart en met een zwarte sluier. Een jongeman in een strak gesneden zwart uniform overlegde met hen.

De deuren sloten. De rechter sloeg zijn hamer op het bureau voor hem. Hij was een gezet man met brede schouders die door zijn zwarte kleed nog benadrukt werden. Zijn hoofd was bedekt met donkerbruin, krullend haar en hij had een lange, donkere baard.

‘Ter zake. De feiten zijn overlegd. Meneer de Lucardy, hoe pleit uw cliënt?’

‘Onschuldig, edelachtbare.’

De rechter knikte. ‘Een aantal zaken is mij nog onduidelijk. Ik heb vragen.’

‘Mijn cliënt is enkel de geldschieter, edelachtbare. De uitvindster is aanwezig.’

‘Mejuffer Tiersma, als ik het wel heb?’ De rechter keek op een van de papieren voor hem.

Jeltje keek opzij naar Jean de Lucardy die met zijn lippen het woord ‘opstaan’ vormde. Ze stond op. ‘Ja, edelachtbare.’

‘Uw onderzoek lijkt nogal wat controverse te kennen.’

‘Daarvan ben ik mij niet bewust.’

‘In deze wat vreemde zaak heb ik mij van informatie laten voorzien door een kenner op het gebied van Naturalistische onderzoeken, jonk­heer Van Vleuten tot Kerstens. Zijn opinie is dat uw onderzoek zeker van waarde is, maar dat uw gesteldheid een zeker risico met zich meedraagt.’

Jeltje was verbaasd. ‘Hoezo is mijn gesteldheid een risico, edel­achtbare?’

De rechter keek haar enkele ogenblikken aan. ‘Zowel de jonkheer als uw advocaat als zijn cliënt, de heer Steenius, hebben aangegeven dat u lijdt aan een vorm van hysterica, een bekende vrouwenkwaal die u zeker niet wordt aangerekend. Zoals in medische kringen welbekend is, brengt dat een zekere ontoerekeningsvatbaarheid met zich mede die in het oordeel van dit hof zal worden meegenomen.’

‘Ik ben niet hysterisch,’ zei Jeltje. Ze verhief haar stem. ‘Het idee alleen al. Ik ben een wetenschapper, wiskundig geschoold, summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit van Leiden.’

‘Als uw gesteldheid geen invloed heeft, dan bent u in staat dit hof uit te leggen wat u met “tabula rasa” bedoelt, nietwaar? En waarom u niet verder komt met uw onderzoek. En waarom u een niet getest, nauwe­lijks onderzocht product in de handen van consumenten hebt gegeven. Dit zijn kwalijke zaken die uiteindelijk geresulteerd hebben in de ver­dwijning van het zoontje van uw aanklagers. Ontkent u aansprake­lijkheid in deze?’

Jeltje slikte. Ze keek opzij. ‘Hugo?’ Hugo keek strak vooruit. Ineens herinnerde Jeltje zich de hanger die hij bij zich droeg, maanden geleden, de hanger waar ineens leven in zat. Hij had met een ander gelegen! Ze wankelde. Al zijn woorden, dat ze in zijn hart was, dat hij van haar hield, dat ze zo speciaal voor hem was, leugens. En nu wilden ze dit debacle op haar afwentelen.

Er knapte iets in haar hoofd en het lied spoelde over haar heen, onhoudbaar, vol van donkere beloften en zoete wraakbeelden. Ze liet het gaan, ze liet zich meevoeren, nauwelijks bewust van de geünifor­meerde agenten die haar meevoerden, de mannen in witte jassen die haar in een wagen plaatsten en op een brits vastketenden en de naald die in haar bovenarm werd gestoken. Alles was het lied, het lied was haar wezen.

 

 

Amsterdamsche Courant van zaterdag, acht september 1894

 

In de zaak Van Spui – Steenius velde de rechter gisteren vonnis. Een niet nader genoemd bedrag is toegekend als smart aan Dhr. Van Spui, terwijl aan de zijde van Steenius grove nalatigheid werd bewezen geacht door de hoofdonder­zoekster, mevrouw J. Tiersma. Gezien haar ontoerekenings­vatbaarheid en aan­toonbaar bewezen geachte hysterica is zij toegekend aan het Westgaards Sanatorium, tot zulks een tijd dat zij weer geschikt wordt bevonden voor terugkeer in de maatschappij. Haar laboratorium en werkplaats zijn tot nader order verzegeld en tot ontoegankelijk gebied verklaard.

 

 

Medisch rapport, Mevr. Jeltje Tiersma, twee oktober 1895

 

Na uitgebreide behandeling met de nieuwste elektrofoortherapie is mevr. Tiersma veel rustiger geworden. Zinnige gesprekken zijn evenwel slechts van korte duur, voor zij verzandt in achtervolgingswaanzin. ‘Het komt, het nadert, het groeit’ zijn dan de enige woorden die uit haar komen. Tijdens de kunst­therapie boekt ze vooruitgang en haar diagrammen en patronen worden door haar medepatiënten ten zeerste gewaardeerd.

 

 

Voetnoot in de Batavia Mathematica van zomer 1896

 

Door: jonkheer Van Vleuten tot Kerstens – een bijzondere mathematica, mevrouw Jeltje Tiersma, moet voor de wiskunde als verloren worden beschouwd. Haar “tabula rasa” theorie deed stof opwaaien, maar is inmiddels volledig ontkracht. Toch zijn enkele van haar hogerdimensionale wiskundige theorieën inmiddels als ‘geniaal’ bestempeld. In de komende jaren zullen zij op hoog wetenschappelijk niveau bestudeerd worden. Mevrouw Tiersma verblijft in het Westgaards Sanatorium op de afdeling langdurige hysterica.

 

Op het eind was er het lied in de diepe kelder van een boerderij aan de rand van Leiden, waar een transparant ei zich steeds dieper in de zachte aarde ingroef. Nog was het niet rijp, nog had het behoefte aan de energie die constant werd aangeleverd door de Teslaspoel die het laboratorium voorzag.

In de diepte van het ei vloog het wezen rond in zijn dimensie, met vleugels die zijn eigen wereld nu bijna omspanden, wachtend om zijn lied kenbaar te maken aan deze nieuwe, maagdelijke wereld.

 

Het Ottomaans gambiet : Mike Jansen

Het machtigste wapen van de handelaar is zijn telraam.
Voor wilden die dat niet snappen is er de musket
– oud VOC gezegde

 

Terugkeren naar Veneta, het stond Jacob Hooijmans elke keer  tegen. Toch ging hij elk half jaar stipt op tijd aan boord van de stoomlijner WitteDeWith die hem snel naar die stad vervoerde.

Johanna vond het vreselijk dat hij voor zijn werk naar het buitenland moest. Het betekende dat zijn gezin zonder hem naar de kerk moest. Niet zoals de Heer het bedoeld heeft, zoals zij hem dan voorhield. Maar hij was nu eenmaal aangesteld als controleur voor het Bureau der Externe Voorzieningen. Zijn grote cliënten moest hij verplicht twee maal per jaar bezoeken en controleren. Zoals de Doge van Veneta.

Eigenlijk was hij blij dat hij niet de drukte van thuis om zich heen had. En, zoals hij zijn vrouw voorhield, hij had net zo goed in de verre Oost gestationeerd kunnen zijn. Het leverde hem weinig begrip op.

Het gaf hem wel de mogelijkheid zich te vergapen aan de rijke roomse cultuur van Veneta, van het Zeepaleis van de drie pausen tot de ruim honderd basilieken die de stad rijk was. Jacobs eerste liefde ooit was de Westerbasiliek in Amsterdam die hij bijna dagelijks met zijn ouders bezocht. Ooit wilde hij bisschop worden, kardinaal zelfs, maar hij bleek zijn vaders boekhoudtalent te hebben.

Naarmate zijn bestemming naderde, verdween zijn weerstand. Hij verheugde zich op zijn komende verblijf.

 

***

 

Het schip bereikte de buitenste dijken rond de stad aan het begin van de avond. De ondergaande zon verlichtte de hoge wolkenpartij boven de noordelijke hemel en deed Jacob denken aan vurige ogen in een duister gezicht. Hij kon zich bijna besneeuwde Alpentoppen als puntige tanden voorstellen.

Rondom gingen de lichtjes van gebouwen en forten aan. Zelfs de hoge forten van Novigrad en Umag aan de horizon, die de Croatische kusten beschermden tegen Ottomaanse invallen van zee, waren zichtbaar in de heldere lucht en verlicht met rijen lampjes over de hele lengte van hun honderden voeten hoge Tesla-torens.

Jacobs hutkoffer en zijn aktetas stonden naast zijn tafel voor een van de ramen op het uitzichtdek. Hij haalde zijn uurwerk tevoorschijn uit het zakje op zijn linkerborst. De WitteDeWith voer exact op tijd en dat beviel hem.

‘Veneta komt tot leven wanneer het donker wordt,’ klonk het in uitstekend Hollands achter hem.

Jacob draaide zich om. Het heerschap voor hem droeg een klassiek overhemd met witte ruches, een lange overjas van donkerblauw fluweel met een fleur-de-lis patroon in gouddraad. Een koperen knijpbril met donkerrode glazen op zijn rechte neus leidde de aandacht van zijn ongekamde haar en warrige, bruine baard af.

‘Met wie heb ik het genoegen?’ vroeg hij beleefd. Hij vermoedde een aristocraat tegenover zich, het soort individu dat hij in zijn werk regelmatig tegenkwam. Meestal vond hij de erfgenamen van geroofde fortuinen onsmakelijke parvenu’s. Deze keer reserveerde hij zijn mening. Hij voelde een ongemakkelijke kilte in zijn maag terwijl hij de spreker van top tot teen opnam. De schaduwen rond dit heerschap verhinderden hem een correcte impressie te vormen.

‘Graaf Georg de Hunedoara,’ antwoordde de man en zijn korte buiging was perfect afgestemd op het vermeende niveauverschil tussen hen.

‘Aangenaam, heer,’ zei Jacob. ‘Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC.’

‘Een belangrijke positie,’ zei graaf Georg met een korte glimlach die spierwitte tanden toonde. ‘De VOC financiert immers de Doge en daarmee indirect het voortbestaan van Veneta.’

‘U doet het voorkomen alsof Veneta zelf niet in staat is in haar eigen behoeften en noden te voorzien,’ zei Jacob. Hij kon een lichte afkeuring niet uit zijn stem houden.

De graaf snoof. ‘Mijn voorouders verdedigden het westen tegen de Mongoolse horden en later tegen de Ottomanen. Het bloed van Atilla stroomt door onze aderen.’

‘Toch heeft dat de Ottomanen niet tegengehouden grote delen van het oosten van Europa te veroveren. Tot en met uw voorouderlijke landen toe. En Veneta steunt nog steeds uw forten en legers.’

‘Eens zullen onze landen herenigd worden, maar dan niet op Venetische voorwaarden,’ zei graaf Georg. ‘Ik voorspel dat wij vrienden worden. Onthoud mijn woorden.’

De hemel lichtte op en Jacob keek even om naar het spektakel van de lampen die in het Zeepaleis van de drie Pausen werden ontstoken. Toen hij terugkeek was de graaf verdwenen.

Hij schudde zijn hoofd en ging zitten om de verlichting ter ere van het feest van de Heilige Antonius Aggrippa van Genoa te bewonderen. Het Zeepaleis was in drieën verdeeld, waarbij de verlichting van de zuinige Nicolaas van Straalen, de Hollandse Paus in Veneta, in het niet viel bij de feestelijke verlichting van de Italische – en de Byzantijnse paus, hoewel die al bijna twee eeuwen van Ottomaanse afkomst was. Zijn magere vertoon kon echter wel de goedkeuring van Jacob Hooijmans wegdragen. Hij hield niet van verspilling en buitensporige weelde. In het licht van het Zeepaleis gloeiden de vele dozijnen Hollandse windmolens, die langs de hele lengte van de buitendijk stonden, spookachtig op.

De WitteDeWith voer de buitensluis van het dijkencomplex van Veneta in, een immens bouwwerk van de waterbouwkundige Lely die het destijds als zijn Magnum Opus beschouwde. De bronzen draaideuren schoven langzaam opzij zodat de stoomlijner samen met andere, kleinere schepen plaats kon nemen in de sluis.

Jacobs aandacht werd getrokken door een spierwit jacht voorzien van drie stoompijpen. Het voerde de Ottomaanse vlag, maar ook de pauselijke vlag met het Byzantijnse kruis erop. Aan dek zaten op regelmatige afstanden van elkaar kaalgeschoren moezelmannen met grote zwarte snorren in witte pofbroeken en met zilver ingelegde borstkurassen. Ze waren bewapend met hun kenmerkende kromzwaarden en droegen bandeliers met aan weerszijden een Ottomaanse achtklapper.

‘Janitsaren aan boord,’ mompelde Jacob. ‘Dan is de Ottomaanse paus er ook of ze gaan hem ophalen.’

Voor hij zich verder over hun aanwezigheid kon verwonderen, werd de WitteDeWith in een fel wit licht gebaad, gevolgd door een donderen als van duizend kanonnen en een schokgolf die het schip op het water liet dansen. Met de vlekken nog in zijn ogen zag hij wat er over was van het Zeepaleis in elkaar zakken met achterlating van een immense stofwolk.

Jacob sloeg zonder nadenken een kruis. ‘God in de hemel,’ fluisterde hij.

 

***

 

De kade leek een mierenhoop waarop kokend water was gegoten. Passagiers die ontscheepten botsten tegen mensen die probeerden weg te komen van de paniek die verderop in de stad was ontstaan. Verdwaasd liep Jacob de trap naar het vasteland af, gevolgd door de matroos met zijn hutkoffer.

Voor het eerst in alle jaren dat hij Veneta bezocht had, voelde hij zich ontheemd. Zijn hoofd werkte op volle toeren en hij probeerde de implicaties van wat hij gezien had en het angstige onderbuikgevoel dat die gebeurtenis bij hem opwekte, met elkaar te vereenzelvigen. Het lukte maar matig.

Hij haalde diep adem en keek om zich heen, op zoek naar een rustpunt. Naast een dure galvanische koets die stationair draaide, de Teslaspoel half ingetrokken, vlak bij een verderop gelegen douanepost, ging hij op zijn koffer zitten, hield zijn hoofd tussen zijn knieën en nam regelmatige, diepe teugen lucht.

‘Gaat het wel?’ vroeg een heldere stem achter hem.

Jacob kwam overeind en keek om. De deur van de koets was open en in de schaduwen van de cabine zag hij een vrouwelijk silhouet. Het deel van haar jurk dat zichtbaar was, had een indringende, diepgroene kleur. ‘Vergeef me, vrouwe, dat ik hier even tot mezelf kom. De explosie…’

‘Ach ja, de explosie…’ Ze kwam iets naar voren en Jacobs adem stokte toen haar gezicht in het licht kwam. Haar gezicht was perfect symmetrisch, haar huid was porseleinwit, haar ogen waren smaragdgroen, haar haar was zwart als de nacht en leek met de schaduwen samen te smelten. ‘Aanslagen gebeuren hier vaker, zo dicht bij het centrum van het Ottomaanse rijk. Dit zag er eerder uit als een oorlogsverklaring.’

‘Ah, u bent van hier?’ zei Jacob. Hij rook een kruidig parfum dat het beeld dat hij van haar had vervolmaakte en zijn lichaam reageerde onverwacht heftig. Je bent getrouwd, Hooijmans!

Ze knikte, een afgemeten, perfect gecontroleerde beweging. ‘Contessa Ilona Szilágyi van Zagreb. Ik wacht op mijn… neef, Georg, die met de WitteDeWith zou aankomen. U lijkt mij Hollands?’

Jacob schraapte zijn keel. Hij voelde zijn wangen branden, besefte dat het niet zichtbaar zou zijn in het donker. Kalm, Hooijmans, je lijkt wel een puber. Hij boog kort. ‘Inderdaad, contessa, Jacob Hooijmans is de naam, controleur namens de VOC.’ Hij ging iets rechter staan. ‘Derde echelon. Hoog genoeg om belangrijk te zijn, te laag om daadwerkelijk iets te betekenen,’ zei hij met een glimlach.

De mensenmenigte op de kade werd onrustig, paniekerig bijna en Jacob zag hoe mensen een veilig heenkomen probeerden te zoeken. De oorzaak werd al snel duidelijk. Met het plat van hun kromzwaarden sloegen de Janitsaren iedereen opzij die hen voor de voeten liep. In hun midden wandelde een lange, magere man met diepliggende, donkere ogen en een zwart met grijze druipsnor, gehuld in een witzijden mantel met goudbrokaat en een spierwitte tulband met daarop het Byzantijnse kruis.

Ahmed Ibrahim Iskenderen. Ik had gelijk, de Ottomaanse paus was onderweg, dacht Jacob.

De Janitsaren baanden zich een weg naar dezelfde douanepost waar hij en Ilona Szilágyi stonden. Zodra ze op gelijke hoogte kwamen, draaide de paus zich naar hen. Jacob neeg zijn hoofd lichtjes. Hoewel hij devoot katholiek was, waren de normen en waarden van die rebelse Calvijn toch danig bij hem ingesleten. En hij had de Hollandse paus Nicolaas van Straalen altijd geëerd. Iskenderen deed hem niet zoveel.

Naast hem boog de contessa diep en Jacob keek bewonderend naar haar slanke, spierwitte nek die onder haar zwarte haar tevoorschijn kwam. Om in te bijten. Hij knipperde met zijn ogen.

De paus wandelde langs de douanepost, de straten van Veneta in. Hij keurde hen verder geen blik waardig.

‘Ik merkte uw buiging op, contessa Szilágyi,’ zei Jacob. ‘Ik dacht dat uw familie een diepe vete met de Ottomanen had?’

De contessa glimlachte wrang. ‘Ooit volgden wij de orthodoxie van de oostelijke paus gezeteld in Byzantium. Tot dat veroverd werd door de Ottomanen. Nu volgen we de westelijke paus.’

‘Wie, Jean Baptiste Napoleon in het Vaticaan?’ zei Jacob vol ongeloof.

‘Natuurlijk niet. Iedereen weet dat de nepotistische Napoleonten geen enkel middel hebben geschuwd om de pauselijke troon te bezetten.’ Contessa Szilágyi snoof bijna verontwaardigd. ‘Wij volgen de échte pausen, Aristide Renard, Nicolaas van Straalen en Ahmed Ibrahim Iskanderen, allen gekozen door de Synode. Een evenwichtig triumviraat dat zich inzet voor zendingswerk in de Hispamericaanse Gewesten en de verre Oost.’

‘Dat heb ik vernomen,’ zei Jacob. ‘Dat evenwicht is dan nu danig verstoord.’

Contessa Szilágyi zweeg terwijl ze zijn woorden liet bezinken. ‘U hebt gelijk. Dit is belangwekkend.’ Ze draaide haar stoel, waarbij een houten paneel met bronzen meters en knoppen zichtbaar werd. ‘Kan ik u een ritje aanbieden?’ Ze knikte naar zijn hutkoffer. ‘Ik vermoed dat dragers op dit moment schaars zijn.’

Jacob nam haar aanbod dankbaar aan.

 

***

 

Met haar geur nog in zijn neus, stapte Jacob het bordes van het VOC Handelshuis op, een schitterend barok gebouw gelegen naast het streng aandoende, strakgelijnde en sombergrijze Venetische beursgebouw, waar alle dagen behalve de dag des Heeren de rijkdommen van de Oriënt verhandeld werden.

Hij keek haar galvanische koets na terwijl ze de toeristen en handelaren probeerde te ontwijken die op terrasjes en op de rand van een van de vijftien fonteinen van het Sint Marcusplein hun groene wijn dronken en tzipas -veel kleine gerechtjes uit verschillende streken- nuttigden.

‘Ahem, kan ik u van dienst zijn?’

Jacob Hooijmans draaide zich om en zag in de deuropening van het Handelshuis een gedistingeerd heerschap met halflang, grijs haar. ‘Oh, goedenavond, ik ben Jacob Hooijmans. Ik heb brieven van het hoofdkwartier voor de gouverneur.’

‘Aangenaam, mijn naam is Alex de Oude, beheerder,’ zei de andere man. ‘De gouverneur wordt problematisch. Hij ging vanavond met zijn gevolg naar het Zeepaleis voor de aanvang van het Heilig Antoniusfeest.’

‘Allemaal? Zijn vervanger? Assistenten? Is er nog iemand van niveau gamma twee of hoger?’

De beheerder dacht na. ‘Onze militaire contactpersoon, kapitein Everse. Die is gamma een of twee.’

‘Breng me naar hem toe.’

‘U kunt uw hutkoffer in de vestibule plaatsen.’ De beheerder wachtte niet af of Jacob zijn bagage daar inderdaad deponeerde.

Ze liepen door de verschillende lagen van het pand, langs smalle, steile trappetjes en minuscule kantoortjes waarvan een enkele nog verlicht was en waar werknemers nog driftig op Mill-typografen typten. De hogere verdiepingen waren ruimer van opzet en al snel hield de beheerder halt bij een gang die eindigde in een kunstig bewerkte eikenhouten deur.

‘Dit is zijn kantoor. Ik neem aan dat u het vanaf hier verder zelf kunt. Ik heb nog veel te regelen en uit te zoeken. Het is nog steeds niet bekend wat er in het Zeepaleis heeft plaatsgevonden.’

‘Ik wens u geluk en wijsheid toe,’ zei Jacob. Terwijl de beheerder zich wegspoedde, liep Jacob langzaam naar de deur.

Halverwege de gang hoorde hij voetstappen achter zich. Hij draaide zich snel om. Uit zijn ooghoek zag hij in een flits een donkerblauwe jas met gouden fleur-de-lis borduursel en wild, ongekamd haar de hoek omgaan. Hij liep terug, maar er was niemand. Ik zou toch zweren…

Hij liep naar de deur en klopte. Na drie tellen klopte hij weer. Hij luisterde even en dacht een stem te horen. Voorzichtig opende hij de deur.

Een bureau was in de verste hoek opgesteld. Erachter zat een man in kapiteinsuniform, Everse naar hij vermoedde. ‘Goedenavond?’ zei Jacob.

Terwijl hij wachtte op antwoord viel de man achter het bureau voorover en kwam hard met zijn hoofd op het houten blad terecht.

Snel liep Jacob naar voren, om het bureau heen. Hij pakte de schouder van kapitein Everse vast waardoor zijn hoofd opzij draaide. Dode ogen in een spierwit gezicht staarden hem aan. Jacob trok zijn hand snel terug.

Op het bureau stond een notenhouten kistje met een koperen spreekbuis en een dozijn bronzen knoppen, elk met een andere aanduiding, zoals Secr. en Bhrdr. Jacob drukte de laatste in en zei: ‘Er is een moord gepleegd. Kantoor Everse. Help!’

Enkele tellen later klonk er een krakerige stem uit de kast: ‘Er is hulp onderweg, blijf waar je bent!’

Nerveus wandelde Jacob heen en weer door de kamer. Op enkele tiphs in gelakte houten lijsten stond kapitein Everse afgebeeld, toen nog in leven, veelal met notabelen. Hij herkende onder andere de Ottomaanse paus Iskenderen, Doge Di Pietrello van Veneta en de Kretenzische vorst Nikolakonios.

Een glinstering bij de stoel van Everse trok zijn aandacht. Hij raapte een gouden ring op met het persoonlijke wapen van de Doge. Vreemd, dit lijkt zijn eigen zegelring. Hoe is die hier gekomen? Zonder nadenken stak hij de ring in zijn zak, vlak voor de deur werd opengegooid.

In de deuropening stonden twee soldaten, elk gewapend met een repeteermusket. Achter hen stond Alex de Oude, de beheerder. Jacob hief voorzichtig zijn handen. De soldaten liepen naar voren en duwden hem in een hoek terwijl de beheerder het lichaam van kapitein Everse onderzocht.

‘Laat hem gaan,’ zei de beheerder tenslotte, ‘meneer Hooijmans is niet de dader.’ De soldaten deden een paar stappen terug en zekerden de veiligheidspal van hun wapen.

‘Hoe kunt u daar zeker van zijn?’ vroeg Jacob.

Alex de Oude glimlachte. ‘VOC beheerders zijn van veel markten thuis, van budgetteren tot mechanica en anatomie. Als een kapitein op een schip.’

‘Daar heb ik van gehoord,’ zei Jacob, ‘in het dagelijks leven merk je er alleen weinig van.’

‘Omdat onze zeggenschap tot de deur gaat en niet verder,’ zei Alex de Oude. Hij wees naar het lichaam. ‘Kapitein Everse is koud, hij lijkt leeggebloed. Daarom is hij lijkbleek. Echter, er ligt nergens bloed op de grond. U bent net aangekomen en u heeft niet de tijd gehad dit voor elkaar te krijgen.’

‘De graaf,’ zei Jacob. ‘Tenminste, ik dacht iemand op de gang te zien die leek op een zekere graaf Georg de Hunedoara die ik eerder op de WitteDeWith ontmoet heb.’

Beheerder Alex de Oude keek Jacob onderzoekend aan. ‘Dat zal zeker ‘lijken’ zijn geweest. Graaf Georg is al sinds mensenheugenis niet buiten Kasteel Bran geweest. En het lichaam is al koud.’

‘Dan iemand die op hem lijkt,’ zei Johan.

‘Niets verbaast me vanavond nog. Ik heb via de Marconi van de VOC-admiraliteit instructie gekregen dat u de hoogste in rang bent in Veneta. Er is een vervanger voor u onderweg, die zal binnen een week hier zijn, maar tot die tijd heeft u de leiding, met goedkeuring van de admiraliteit.’

Jacob Hooijmans haalde diep adem. ‘Dat is… onverwacht. Ik zal me zo goed mogelijk van deze belangrijke taak kwijten.’

‘Ongetwijfeld, heer. Ik begreep verder dat u kamers in het Grotius Hotel geboekt hebt. Uw koffers zijn daar al gearriveerd.’

‘Bedankt, Alex, dat stel ik op prijs.’

‘Rust uit, heer Hooijmans. Dat zult u nodig hebben voor uw schema de komende dagen. We beginnen om half zeven morgenochtend, stipt. Uw afspraak met de Doge is om half elf.’

‘Ik zal er zijn,’ zei Jacob. Half verdwaasd verliet hij het Handelshuis en wandelde door de electrofoor-verlichte straten naar zijn hotel dat ongeveer een mijl van het Sint Marcusplein lag.

Die nacht was zijn slaap onrustig en zijn dromen waren zwoel, vervuld van zwarte haren die om hem heen kronkelden, strelende, bleke ledematen en diepgroene ogen die hem aanstaarden vanuit de duisternis. Ze deden hem denken aan een zekere contessa en Jacob liet zich diep in zijn plezierige droom wegzakken.

 

***

 

Om half elf bevond Jacob Hooijmans zich in de ontvangsthal van het paleis van de Doge van Veneta. Als bij zijn eerdere bezoeken in voorgaande jaren, probeerde hij te ontdekken welke verbeteringen de Doge had laten aanbrengen in de barok uitgevoerde hal. Op het eerste gezicht vermoedde hij dat veel van de protserige krullen nu van een laagje goud waren voorzien, maar toen hij rondliep vond hij een nis met daarin een rijkversierde fontein uitgevoerd in marmer, ivoor en zilver die zacht klaterende straaltjes water produceerde. Hij herkende het als Ottomaans handwerk van de Byzantijnse zilversmeden.

Een man in een zwart lakens kostuum met een dubbele rij onderscheidingen op zijn linkerborst kwam naast hem staan. ‘Mijn nieuwste aanwinst. Past goed bij de nieuwe vleugel aan de oostkant. Groot genoeg om de complete Synode te huisvesten. Ik heb er zelfs een complete kapel in laten aanleggen.’

Jacob draaide zich naar de andere man. ‘Doge Di Pietrello, een waar genoegen.’ Hij boog diep. ‘Die kapel zou ik wel eens willen zien.’

De Doge gebaarde dat hij overeind moest komen. ‘We kennen elkaar al te lang, Jacob.’

‘Ik ben enigszins verbaasd dat deze afspraak doorging, heer, gezien de gebeurtenissen van gisteravond.’

De Doge haalde diep adem. ‘Een zeer kwalijke zaak, dat. Twee pausen gedood in de explosie, evenals een groot aantal notabelen. Het Sint Antoniusfeest is gewild.’

Jacob knikte. ‘Het lijkt er zelfs op dat ik de komende week de hoogste VOC functionaris ben.’

De Doge glimlachte weemoedig. ‘Dat spijt me, Jacob. De politiek in Veneta is moordend, dus weet waaraan je begint. Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate…

‘Ik ben slechts een eenvoudige controleur, heer, zonder politiek ambitie.’ Hij verbergt iets, fluisterde een stemmetje in Jacobs hoofd. Hij keek om zich heen. Een vleugje bekend parfum dreef zijn neus in.

‘Inderdaad, dit is je zesde jaar geloof ik,’ zei de Doge. ‘Daarmee ben je de langstdienende controleur van de VOC die ik gekend heb.’

‘Nu we het daarover hebben, ik zou graag de boeken controleren.’

De Doge glimlachte. ‘Ze liggen klaar in het kantoor waar je altijd zit.’ Met een handgebaar ging hij Jacob voor en samen liepen ze de hal door naar een van de vele gangen die erop uitkwamen. Langs schilderijen van de illustere voorvaderen van de Doge zelf en zijn familie en balkons met uitzicht op de Adriatische zee, kwamen ze uiteindelijk in de privévertrekken. In een klein kantoor met enkel een groot, notenhouten bureau en een uitzicht op de tuinen van het paleis, bevond zich een drietal dikke ordners. Een antiek telraam lag naast een moderne computantrekenaar met veel knoppen en toetsen.

‘Al eens gebruikt?’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob glimlachte en schudde zachtjes zijn hoofd.

‘Dacht ik wel, maar ik hoopte je wat tijd te besparen.’

‘Dat stel ik op prijs,’ zei Jacob. Vertrouw zijn machines niet!

‘Mooi,’ zei de Doge. ‘Ik heb zelf een stapel verzoeken en brieven door te werken. Als er iets is, zit ik in het kantoor tegenover de bar.’

Jacob bladerde door de bovenste ordner, alerter dan anders.

 

Enkele uren later verliet Jacob het kantoortje. Op een lage tafel voor de bar waren tzipas uitgestald. Er was van gegeten. Doge Di Pietrello zat in een luie stoel. Hij wenkte Jacob dichterbij en wees naar een tweede stoel. Jacob maakte er dankbaar gebruik van en zijn rug kraakte hoorbaar toen hij de zachte kussens raakte.

‘Intensief gewerkt?’ zei de Doge.

‘Nogal. Als ik in de cijfers zit vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet soms te bewegen.’

De Doge grijnsde. ‘Zolang je nog ademt zal het wel meevallen.’

‘Gewoon spierpijn. En wat onrustig geslapen.’ Jacob vouwde zijn vingers in elkaar. ‘Ik heb nog wel wat vragen.’

‘Oh?’ zei de Doge. Hij keek Jacob vragend aan. ‘Dat is voor het eerst in al die tijd.’

‘Eens moet de eerste keer zijn. De uitgaven zoals beschreven moeten aan bepaalde regels voldoen. Geld moet gealloceerd worden in bepaalde verhoudingen en hoeveelheden. Die verhoudingen zijn de afgelopen jaren scheefgegroeid, de laatste twee jaren zelfs versneld.’

‘Je praat boekhoudistaans tegen me,’ zei Doge Di Pietrello met een glimlach.

‘Eenvoudig gezegd: geld dat is bestemd voor het in stand houden van de Karpatische bufferzone, is op verkeerde plaatsen ingezet.’

‘Ik dacht dat we aan alle boekhoudregels van de VOC voldeden,’ zei de Doge.

‘Dat doet Veneta ook, hoewel het aantal posten ‘onvoorzien’ en ‘externe kosten’ vrij hoog was. Of zelfs vreemd, zoals die honderdduizend eiken balken. De opdracht echter is het in stand houden van die bufferzone. Besef goed dat de admiraliteit zaken doet met Veneta omdat jullie een handelsnatie zijn, zoals Holland. Wij begrijpen elkaar. De inwoners van de Karpatische landen niet. Jullie zijn hun buren. In ruil voor die relatie kunnen jullie tien procent van de fondsen naar wens inzetten. Het afgelopen jaar is dat bijna de helft geworden.’

‘De boekhouding geeft toch alles goed aan?’ De Doge haalde zijn schouders op. ‘Mijn adviseurs meenden dat het wel toegestaan zou zijn.’

‘Uw adviseurs hadden het mis. Daardoor is een belangrijke bron van fondsen voor de bufferzone weggevallen.’

Doge Di Pietrello stond op en ijsbeerde voor de bar heen en weer. ‘Het is weggegooid geld. Dat niet alleen, ik weet dat sommige elementen van de Hunedoara familie een machtspositie in Veneta hebben opgebouwd.’ Hij gebaarde met beide handen. ‘Totaal onbelangrijk voor hun eigenlijke taak, het buitenhouden van de Ottomanen.’

Excuses en uitvluchten. Vraag naar de ring. Jacob voelde even onwillekeurig aan zijn rechterbroekzak waarin de zegelring van de Doge zat. ‘Mag ik vragen wat uw relatie met kapitein Everse was?’

‘Die ken ik niet,’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob legde de zegelring op de tafel voor hem. ‘Herkent u deze?’ Hij observeerde het gezicht van Di Pietrello.

De Doge kwam naast hem staan en bekeek de ring. ‘Dat is mijn zegelring.’

Jacob zag zijn ogen heen en weer schieten en zijn handen nerveus trillen. ‘Ik vond hem vlak na de moord op Everse in zijn kantoor.’

‘Iemand probeert me zwart te maken.’ De Doge lachte, licht geforceerd. ‘Een opvallend amateuristisch en niet bepaald verfijnd staaltje schuldtoewijzing.’

Jacob glimlachte. ‘Dat leek mij ook. Beter dat het tussen ons blijft.’ Hij duwde de ring naar de Doge die hem onder zijn hand liet verdwijnen. ‘Er is immers al genoeg verwarring na de gebeurtenissen van gisteravond.’ Maar je stond wel met Everse op een tiphaigneplaat in zijn kantoor.

‘Inderdaad, een zware schok voor gelovigen over de hele wereld,’ beaamde de Doge.

Jacob tikte zijn lippen aan met zijn gevouwen handen. ‘Ik zag paus Iskenderen gisteren in de sluizen, vlak voor de explosie. Het was wel heel toevallig dat hij juist nu terugkeerde. En dat hij niet in het Zeepaleis was.’

Het gezicht van de Doge vertrok, zijn uitdrukking er een van groot ongenoegen. ‘U impliceert opzet in de dood van de twee andere pausen? Besef goed dat zelfs het gerucht over zoiets ongeloofwaardigs de Roomse wereld in vuur en vlam kan zetten en dan is het maar afwachten wie die vuurstorm zal overleven… God verhoede het dat de mensen zich afkeren van de ware pausen en die afschuwelijke Jean Baptiste Napoleon als enige paus gaan erkennen.’

‘Tot het nieuwe triumviraat is gekozen en geïnstalleerd, is Iskenderen de enige leider van de gelovigen. Zijn woord zal wet zijn,’ zei Jacob. ‘Dat zijn de regels van de Roomse Kerk zoals ik ze geleerd heb.’

‘Ik verwacht niet dat hij misbruik zal maken,’ zei de Doge met een glimlach. ‘Als de boeken verder goed zijn, kun je dan verder met mijn boekhouders overleggen? Ik heb nog een aantal belangrijke afspraken.’ Hij klapte in zijn handen.

‘Maar natuurlijk, Doge.’ Jacob boog kort en liet zich vervolgens door een dienaar meevoeren naar de uitgang.

Bij het verlaten van het paleis weerklonken door de gehele stad kerkklokken die een oproep tot het Angelus beierden. Veneta heeft nooit Angelus gedaan, dacht Jacob. Iskenderen maakt misschien geen misbruik, maar hij gebruikt zijn invloed wel. Devoot vouwde hij zijn handen en prevelde zijn Ave Maria.

 

***

 

De schemering was aardig gevorderd toen Jacob de deur van het handelshuis achter zich dichttrok. Bij het ruiken van de heerlijke geuren die de restaurants rond het Sint Marcusplein verspreidden, begon zijn maag te rommelen.

Hij koos een Hollandse taveerne en nam een tafel met uitzicht op de beurs. Gekleurde lampen op het plein verlichtten de fonteinen en vormden een betoverend tafereel waar Jacob korte tijd gebiologeerd naar staarde.

‘Hebt u er bezwaar tegen als wij aanschuiven?’

Jacob schrok van graaf Georg die voor hem stond, contessa Szilágyi aan zijn linkerzij. Voor hij zich kon bedenken, schoof de graaf de stoel van de contessa aan. Hij nam zelf plaats aan het hoofd van de tafel. ‘Graaf Georg, contessa, een onverwacht genoegen. Ik wilde net bestellen.’

‘Mooi, voor mij wat rode wijn graag, dat kan ik nog net verdragen,’ zei graaf Georg. Hij keek Jacob aan over zijn rode brillenglazen. ‘Hebt u het laatste nieuws al gelezen?’

Jacob schudde zijn hoofd. ‘Mijn werk was uitdagend, vandaag. Ik heb nog geen tijd gehad voor de krant.’ Hij bestelde een schotel zeevis en witte wijn voor zichzelf, rode wijn voor zijn gasten. De ober klikte met zijn hielen en haastte zich weg.

Graaf Georg gooide een Gazetta di Veneta op tafel. De kop schreeuwde: Paus roept op tot vrede!!!

‘Iskenderen laat er geen gras over groeien,’ zei Jacob. ‘Vrede is goed voor de handel.’

De graaf leunde achterover en plaatste zijn duimen in zijn jacquet. ‘Oorlog ook. De vraag is wie er aan het kortste eind trekt.’

‘Zijn er verliezers bij vrede?’ zei Jacob.

‘Initieel misschien niet. De Ottomanen hebben een indrukwekkend groot leger samengebracht in de Karpaten. Honderdduizend zwaarbewapende manschappen. Officieel om te oefenen.’

‘Dat kan, zelfs als het vrede is.’ Jacob keek de graaf vragend aan. ‘Wat wilt u precies zeggen?’

‘Uw opmerking gisteren tegen mijn nicht, de contessa hier, over het verstoorde evenwicht. Die getuigt van een scherp inzicht.’

Jacob keek even opzij. Hij staarde langer dan behoorlijk naar haar intens groene ogen in dat perfecte gezicht. Haar lippen waren donkerrood en er lag een uitnodigende glimlach rond haar mond. Hij slikte en rukte zich met moeite uit de diepe poelen van haar ogen. ‘Dank u, graaf. Ik begreep van de Doge vandaag dat paus Iskenderen geen kwaad in de zin heeft.’

‘Oh, nee,’ zei graaf Georg, ‘geen slecht woord over de paus. Hij is immers een van de drie vertegenwoordigers van God op Aarde.’ De graaf boog zich naar voren. ‘Maar ik vertrouw zijn landgenoten niet.’

‘Wat kan er gebeuren?’ zei Jacob. De ober onderbrak hun gesprek met een dampende schaal en drie kristallen glazen gevuld met witte en rode wijn.

Graaf Georg nipte aan zijn glas en keek Jacob toen indringend aan. ‘Onze familie hangt sterk aan haar roomse overtuiging. U en wij lijken hierin sterk op elkaar. Al van oudsher vecht de Orde van de Draak voor God, volk en vaderland. Indien Iskenderen zijn besluit aan de synode voorlegt en als Motu Proprio kan doen uitgaan, zijn wij gedwongen deze vrede te accepteren en handhaven.’

‘Zoals ik al zei, vrede is goed voor de handel,’ zei Jacob. Hij nam een paar happen terwijl hij wachtte op het antwoord van de graaf.

Ilona Szilágyi liet de wijn in haar glas rondjes draaien. ‘Beseft u wel dat de Karpatische bufferzone op dat moment niet meer bestaat? En dat de Germaanse federatie een wassen neus is wanneer een groot, vastberaden Ottomaans leger over hun grondgebied dendert? Als het leger er toch is, zullen de Pasja’s het gebruiken. Binnen tien dagen staan ze dan aan de Hollandse oostgrens…’  Ze liet de conclusie aan Jacob over.

Hij legde zijn bestek naast zijn bord. ‘Dat klinkt alsof er een samenzwering is. En een megalomaan plan.’ Hij nam zijn hoofd in zijn handen en pijnigde zijn hersenen. ‘Het Sint Antoniusfeest is gewild, dat zei de Doge vanochtend. Veel notabelen waren in het Zeepaleis.’

‘Maar niet de Doge,’ zei contessa Szilágyi.

‘Of kapitein Everse,’ voegde graaf Georg toe. ‘Er zijn er meer.’

‘Jullie twee waren er ook niet. En ik vraag me af waar u zich gisteravond bevond, graaf.’ Jacob dacht terug aan de figuur die hij in het handelshuis gezien had, maar hij kon niet met zekerheid de graaf als dader aanwijzen.

Contessa Szilágyi lachte en Jacob voelde een koude rilling. ‘Onze familie is niet welkom in de huizen van de Roomse Kerk.’

‘Kom nu,’ zei Jacob, ‘de Roomse Kerk is er voor iedereen, zelfs voor die afvalligen van Calvijn.’

‘De contessa heeft gelijk,’ zei graaf Georg serieus. ‘Een goddelijke vloek heeft onze voorouders getroffen. En tot wij onze schuld hebben ingelost, zijn wij gedoemd verre van de huizen van God te blijven.’

‘Dat klinkt serieus, graaf,’ zei Jacob. ‘Wat kan ik… wat kunnen wij doen om deze megalomane machinaties teniet te doen en het evenwicht zoals dat in Veneta heerst te bewaren?’

‘Een aantal zaken,’ zei graaf Georg. ‘Als hoogste vertegenwoordiger van de VOC in Veneta is uw stem van waarde.’

‘Ik betwijfel of de synode een eenvoudige functionaris zoals ik zal willen horen.’

Graaf Georg lachte. ‘Bedenk goed dat de VOC in haar jaren hier bepaalde rechten bedongen heeft, niet alleen van de Doge, maar ook van de Roomse Kerk.’

‘Daar weet ik niets van,’ zei Jacob. ‘Welke rechten zijn dat?’ Hij schrok van een beweging onder de tafel bij zijn linkerbeen en even later voelde hij een voet langs zijn knie en dijbeen omhoog gaan. Hij keek de contessa aan. Haar glimlach was onveranderd. Wat is dit?

Met zijn hoofd op zijn handen staarde graaf Georg over zijn rode brillenglazen naar Jacob. ‘Prima Initiatio, het recht van het voorstellen van een kandidaat paus voor de Hollandse pauselijke zetel. Zonder tussenkomst van de Synode.’

‘Nooit van gehoord. Voor ik boekhouder werd, heb ik de wetten van de kerk uitgebreid bestudeerd. Ik geloof er niet in.’ Jacob probeerde aan zijn vrouw en de Heer te denken, maar hij faalde in beide zodra de voet langs zijn broekzakken gleed.

Graaf Georg stond op en boog kort. ‘Mijn excuses, ik heb wetboeken te lezen en lokale procedures te onderzoeken. Om zeker te zijn.’ Met een zwierig gebaar schoof hij zijn stoel aan, nipte een laatste druppel wijn en haastte zich weg.

Jacob keek hem na en probeerde te vermijden dat hij weer naar de contessa Szilágyi keek, wat niet lukte. Haar ogen waren diepgroene poelen, haar lippen waren bloedrood, opwindend, zozeer dat gedachten aan vrouw, kinderen of de Heer hem geheel verlieten. ‘Ik moet ook maar eens vertrekken,’ zei hij. ‘Ik verblijf in het Grotius. Mag ik u voor een likeur uitnodigen?’ Waar zit je met je hoofd, Hooijmans, ze is adel, ze staat veel te ver boven je. En je bent getrouwd!

De contessa neeg een moment haar hoofd. ‘Kamer zeventien, nietwaar?’

‘Hoe weet u dat?’ zei Jacob.

‘De sleutel in uw broekzak.’ De contessa stond op, knikte naar hem en schreed de taveerne uit.

Jacob keek haar na. Snel rekende hij af en hij haastte zich naar het hotel. De deur van zijn kamer liet hij open. Hij zette een fles graanjenever en twee likeurglazen klaar op het tafeltje van zijn kamer. Vervolgens begaf hij zich naar de badkamer om zich op te frissen. In het gelige electrofoorlicht bekeek hij zichzelf in de spiegel. Slank, lang, conservatief gekleed, dun haar op zijn schedel die vrij hoekig was en grijze ogen in een bleek gezicht. Wat ziet ze in mij?

Hij trok zijn jasje en overhemd uit. Zijn trouwring en de ketting met crucifix deed hij af. Hij hoefde geen geschenken van zijn vrouw te dragen op dit moment, alsof het verwijderen van het symbool van hun verbintenis op de een of andere manier zijn mogelijke vreemdgaan vergoelijkte. De sieraden herinnerden hem enkel aan de goede maar vooral de overvloedige slechte tijden. Er waren legio redenen waarom hij ontvankelijk was voor de avances van de knappe contessa. Kan ik dit nog? Wil ik dit? ‘Rustig aan,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Misschien blijft het bij een likeurtje.’

Er klonk een zacht kloppen op zijn deursponning. Jacob haastte zich uit de badkamer. Van onder het zwarte kant van haar groene hoedje keek ze hem aan.

Jacob haalde diep adem en voelde een brok in zijn keel. ‘Contessa,’ kon hij maar net uitbrengen.

‘Mag ik binnenkomen?’

‘Maar natuurlijk. De likeur staat klaar, laat me even wat aantrekken,’ zei Jacob. Hij deed een stap achteruit.

Het volgende moment hing ze in zijn armen en voelde hij haar hete mond op zijn nek en een golf van sensueel genot spoelde over hem heen. Hij viel met haar achterover op het bed en verloor daar zijn bewustzijn.

 

***

 

De grond was een patroon van immense zwarte en witte vlakken. Het strekte zich tot de horizon uit, waar zichtbaar door dichte mist. Jacob knipperde met zijn ogen, zag het zwaard voor zich op de grond en pakte het zonder nadenken op. Aan die horizon, ver boven de mistbanken, dacht hij een figuur in een zwart gewaad met vurige ogen in een donker gezicht in de lucht te zien, maar het volgende moment was het niet meer dan een kolkende, dreigende wolkenmassa.

Hij kreeg een zet als van een onzichtbare hand die hem het volgende vlak op bewoog. Uit de mist kwam een wervelende ridder te paard die hem op zijn lans probeerde te spietsen, maar Jacob stapte opzij en sloeg de lans in stukken met zijn zwaard. ‘Wacht, wat gebeurt hier?’ zei hij met luide stem. De ridder antwoordde niet, maar trok zijn zwaard. Ze wisselden slagen uit tot Jacob een mogelijkheid zag. Hij greep de stijgbeugel aan het zadel van de ridder en duwde hard omhoog waardoor zijn tegenstander op de grond viel. ‘Geef je over,’ zei Jacob. Hij duwde zijn zwaard door de kijkspleet van de helm van de ridder en wachtte op antwoord, maar voor zijn ogen vervaagde en verdween zijn tegenstander. Wat is er aan de hand?

Weer een zet tegen zijn rug, een volgend vlak, een soldaat met een zwaard, die ook vervaagde toen Jacob hem bewusteloos sloeg met een goed geplaatste vuist. Weer de onzichtbare hand in zijn rug, maar toen hij op het volgende vlak kwam was er geen tegenstander.

Op de grond lagen lange, witte gewaden, het zwaard in zijn hand veranderde in een staf. Een witte mijter voorzien van een in goud geborduurd kruis daalde langzaam voor hem neer en bleef op ooghoogte hangen. Ze hadden een onverklaarbare aantrekkingskracht op hem en hij reikte zijn vrije hand uit naar de mijter.

Dit is je bestemming, je lot. De galmende woorden vielen als een loden last op zijn schouders.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jacob, ‘ik ben geen bisschop of paus.’ Maar diep van binnen voelde Jacob een sprankje opportunisme ontstaan, zag hij mogelijkheden te groeien in een richting die hij altijd begeerd had, maar nooit tot werkelijkheid kunnen maken.

Nog niet. Er klonk zelfverzekerde spot in de stem die meer nog dan dreigen of dwingen Jacob overtuigde dat mogelijkheden ook werkelijkheden konden worden.

‘Wie ben jij?’ schreeuwde Jacob tegen de hemel. ‘God of duivel?

Heer en meester.

Een fel licht verscheen boven hem in de lucht en verblindde hem.

 

***

 

De vroege ochtendzon scheen helder door het hotelraam naar binnen, begeleid door de geluiden van het ontwakende Veneta. Jacob werd kreunend wakker. Zijn hoofd bonsde en zijn mond was kurkdroog, alsof hij een stevige kater had. Hij bewoog en voelde zijn spieren kraken. Zijn rug voelde alsof hij in brand stond.

De contessa. Hij keek om zich heen, maar ze was niet in zijn hotelkamer, wat hij haar niet kwalijk kon nemen. Hij had zijn broek aan en hij kon zich behalve de eerste minuut van haar aanwezigheid spijtig genoeg niets herinneren. Wel voelde hij een immense druk op zijn blaas en hij haastte zich naar de badkamer.

Zodra hij klaar was bekeek hij zichzelf in de spiegel. Zijn gezicht was bleek, in zijn nek zaten blauwe plekken. Hij bekeek zijn rug en zag twee rijen diepe, evenwijdige voren over zijn rug alsof iemand er met lange nagels overheen gekrast had. Hij dacht aan Ilona Szilágyi en grijnsde.

Een rode vlek in het spiegelbeeld trok zijn aandacht. Op de tegenoverliggende muur was met iets als rode lippenstift geschreven, blijkbaar in spiegelbeeld. In de spiegel las hij: dragonul te posedă acum. Jacob herkende de taal niet, maar hij vermoedde dat de contessa hem haar draakje noemde.

Hij kleedde zich in een smetteloos grijs lakens pak met hoogsluitend boord dat de plekken in zijn nek verborg. Vervolgens begaf hij zich naar de lobby van het hotel waar hij een stevig ontbijt bestelde: een dubbele portie bloedworst met spek en eieren. Op het gepolitoerde bijzettafeltje lag de ochtendeditie van de Gazetta di Veneta.

Hij schrokte de bloedworst naar binnen. Zodra die op was, sloeg hij de krant open. Zijn blik viel meteen op een bericht over paus Iskenderen die vandaag een decreet aan de direct beschikbare leden van de Synode wilde voorleggen om een Roomse vrede uit te roepen.

Jacob leunde achterover in zijn fauteuil. Het was zoals de graaf en de contessa hem hadden voorgespiegeld. Jacob voelde diep van binnen een hem onbekende woede opborrelen, een verontwaardiging over de politieke machinaties van de vermaledijde Ottomanen die zelfs moord op de vertegenwoordigers van de Heer op Aarde niet schuwden en die zijn werkgever, de VOC en zijn volk, de hardwerkende Hollanders in de rug wilden aanvallen.

Hij haalde diep adem en probeerde zichzelf onder controle te krijgen. Hij viel aan op de rest van het eten om zijn gedachten te kalmeren. Bij de laatste hap ei viel zijn oog op een envelop met rood lakzegel die tegen de slanke witte vaas met de enkele roos was geplaatst. Waar komt die vandaan?

Hij brak het zegel en las het sierlijke handschrift:

 

Bună dimineața,

 

Kunnen wij elkaar treffen in de gouverneurskamer van het Handelshuis? Iskenderen drijft zijn zin door, zonder oppositie. Ottomaanse legers zijn de grens overgestoken en rukken op richting kasteel Bran. Er is veel te bespreken.

 

Georg de Hunedoara

 

Jacob vouwde het briefje dicht en stopte het in zijn aktetas. Tijd om aan het werk te gaan. Zijn gebruikelijke interesse was verminderd. In plaats daarvan dacht hij aan de Roomse Kerk, aan wat hij kon betekenen voor dat instituut op een invloedrijke positie. Zoals Nicolaas van Straalen.

 

***

 

‘We moeten actie ondernemen.’

Jacob keek op van de brieven op zijn bureau, die Alex de Oude daar neergelegd had voor zijn evaluatie, recht in de troebele ogen van graaf Georg. ‘Ongetwijfeld, maar wat kunnen wij betekenen? Een paar wetjes en bedingen van de VOC betekenen nog niet dat Iskenderen en de Synode zich eraan zullen houden.’

‘We moeten ze overvallen. De Synode is nog lang niet compleet, Iskenderen is nog niet helemaal zeker van zijn macht.’

‘Maar we weten niet wat de procedure is!’ Jacob voelde de woede weer opborrelen en kneep in de bureaurand tot zijn knokkels wit werden. Het hout kraakte onheilspellend.

‘Kalmeer.’ Het was slechts een enkel woord, maar de graaf zei het met een overtuiging en kracht die Jacob vrijwel meteen bedaarde. De graaf plaatste een koffertje op de tafel, knipte dat open en vouwde het vervolgens uit tot een stapel in leer gebonden boeken. Hij opende er twee van en sloeg met zijn rechterhand op het perkament. ‘Hier staat het allemaal, artikel viertwaalf en vierdertien.’

‘Wat moeten we doen?’

‘Allereerst moeten we de locatie van de Synode achterhalen. Ik vermoed dat ze in een van de basilieken samenkomen.’

Jacob zuchtte. ‘Veneta heeft er meer dan honderd. Hoe weten we welke?’

‘Mijn dienaren winnen op dit moment informatie in.’

‘Goed,’ zei Jacob, ‘zometeen weten we het. En dan? Wat moet ik doen? Wie moet ik als paus voordragen?’ Moet ik mezelf voordragen? Is dat wat de droom me vertelde?

Graaf Georg keek hem aan over zijn rode bril. ‘Noem mij een Hollander in Veneta, van onberispelijke reputatie, met voldoende kennis van de Roomse Kerk, haar wetten, haar gebruiken, haar invloedrijke leden.’ Hij zweeg om Jacob gelegenheid te geven te antwoorden.

‘Dat zijn er vast enkele,’ zei Jacob, hoewel hij zelfs met diep nadenken niemand kon vinden.

‘Er is maar één keus: Jacob Hooijmans, paus van de Roomse Kerk, primus inter pares paus van Holland en haar koloniën.’

‘Maar ik ben getrouwd, ik heb kinderen.’ Hij dacht altijd dat de hoge functionarissen van de kerk vervuld waren van nederigheid, lichtende voorbeelden voor hun volgers, maar het enige dat hij voelde was een diep verlangen naar de macht en het aanzien van een hoge, zoniet de hoogste post binnen de Roomse Kerk.

De graaf glimlachte. ‘De tweede Borgiapaus had meerdere vrouwen bij wie hij kinderen verwekte. Je bent dus niet uniek.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ zei Jacob nerveus.

‘Gezien de haast van Iskenderen tot nu toe, de Ottomaanse legers die oprukken, denk ik dat we vandaag de keus voor de Hollandse paus moeten aankondigen.’

Jacob zweeg, maar zijn hoofd was een maalstroom van ambitieuze gedachten.

 

‘Hoe weten uw dienaren waar ze u moeten vinden?’ zei Jacob terwijl hij voor de open haard heen en weer liep. Af en toe keek hij naar het schilderij van stadhouder Willem VI, heldhaftig afgebeeld met zijn voet op de borst van een Franse soldaat en een gescheurde Franse driekleur, met in sierlijke letters onder het tafereel ‘Verdediger van het Vaderland’.

Graaf Georg zat met gevouwen handen in een van de grote, leren fauteuils. ‘Dat, mijn waarde, is misschien kennis die je niet wil bezitten.’ Hij keek opzij naar een van de ramen van de kamer waar een kraai misbaar maakte. ‘De basilieken in Santa Croce en Cannaregio zijn het niet.’

Jacob gebaarde met zijn hand. ‘Weet u ook waar de contessa is?’

‘San Michele,’ antwoordde de graaf.

Jacob kwam voor hem staan. ‘Wat doet ze op een kerkhof?’ zei hij wantrouwig.

De graaf kneep even in de brug van zijn neus. ‘Ik bedoel, in haar hotel in de buurt van San Michele. Ik vermoed dat ze bijna hier is.’ Hij zei het met een aan zekerheid grenzende overtuiging.

Van buiten klonk het luide krassen van dozijnen kraaien die op de vensterbank waren geland. Graaf Georg stond op en ging voor het raam staan, zijn hoofd schuin alsof hij aandachtig luisterde naar de kakofonie.

‘Ik was er al bang voor, de overige basilieken in San Polo, Dorsoduro, San Marco en Castello zijn leeg. Nog geen stuk brood te vinden.’

‘Waar kunnen ze dan heen? Het Zeepaleis is vernietigd. Wie anders heeft de ruimte en voorzieningen om de paus, bisschoppen en kardinalen te huisvesten?’ Een licht ging hem op nog voor de vraag goed en wel zijn mond uit was. Hij liet zich in een van de andere fauteuils vallen. ‘De Doge.’

‘Wat heeft die hiermee te maken?’

‘Alles, vermoed ik,’ zei Jacob. ‘Hij heeft een nieuwe vleugel aan het paleis laten bouwen. Groot genoeg voor de complete Synode, met een eigen kapel. Zijn eigen woorden nog wel.’

Graaf Georgs gezicht vertrok in een soort pijnlijke grimas. ‘De voorbereidingen waren al getroffen, dus. Hoeveel meer bewijs voor zijn betrokkenheid hebben we nodig?’

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Hij is de Doge. Hij is onaantastbaar.’

‘Maar wat wint hij ermee?’ zei graaf Georg.

‘De Ottomanen zullen wel meer betalen,’ zei Jacob. ‘Geld kan een sterke motivatie zijn voor sommige… voor de meeste personen.’ Anderen zoeken iets verheveners.

De graaf leek diep in te ademen, zijn troebele ogen weerkaatsten het licht dat door het raam viel in vreemde hoeken. ‘Angst ook,’ zei hij, ‘dat zullen ze vandaag leren.’ Hij pakte zijn hoed en liep naar de uitgang. ‘Ga mee.’

Jacob volgde de graaf zonder zijn aktetas of hoed mee te nemen. ‘Het paleis is een uur lopen en een stuk met de gondel. Zijn we wel op tijd?’

‘Als we zouden lopen misschien niet,’ zei graaf Georg. Hij staarde Alex de Oude opzij en gooide de zware deuren van het Handelshuis open. Daar stond de Tesla van contessa Szilágyi al klaar. Over bijna de gehele lengte van het voertuig zaten kraaien. ‘Maar over de Lelybrug zijn we er in tien minuten.’

Ze namen plaats in de galvanische koets en zodra de deur dichtsloeg drukte de contessa de snelheidshendel diep in. De spoelmotor produceerde een hoog gierend geluid en de koets sprong vooruit. Angstige burgers sprongen weg voor het vehikel en hieven kwaad hun vuisten naar de wegstuivende wagen.

Jacob Hooijmans keek nerveus naar de voorbijsnellende gebouwen. Hij prefereerde de gezapige snelheid van schepen of koetsen voortgetrokken door paarden.

‘Herinner je je nog iets van gisteravond, Jacob?’ zei de contessa zonder om te kijken.

Jacob aarzelde. ‘Niet heel veel. Ik werd wel wakker met een kater zoals ik niet eerder heb meegemaakt.’

‘Het is maar beter zo,’ zei graaf Georg. ‘We zullen vandaag genoeg geheimen onthullen, zaken die we liever niet zouden blootgeven.’ De contessa deed er het zwijgen toe.

Ze draaiden de Lelybrug op en de contessa stuurde behendig om langzamer verkeer heen. De eerste afslag na de brug bracht hen op het eiland waar het paleis van de Doge zich bevond.

De contessa stuurde de galvanische koets recht op het gesloten ijzeren hek af, overreed bijna twee wachters en ramde vervolgens de traliedeuren open. De koets ging rechtdoor, richting de hoofdingang, waar ze het voertuig neerzette onderaan de marmeren trappen.

Jacob stapte uit, direct gevolgd door de graaf. De contessa kwam ook naast Jacob staan. Geklapper van vleugels klonk boven hen. Jacob zag honderden kraaien rondzwermen. Ze verduisterden de hemel bijna.

Bij de dubbele deuren van de hoofdingang stonden twee verbaasde Janitsaren. Ze trokken hun zwaarden en stormden de trappen af naar de mensen die zojuist uit de galvanische koets waren gestapt.

Voor ze goed en wel bij hun doelen waren, daalden de kraaien op hen neer. Graaf Georg mengde zich in de chaos en er klonken twee schoten waarna de kraaien uiteenstoven. De graaf stond daar met in elke hand een rokende Ottomaanse achtklapper. De Janitsaren lagen als gebroken poppen op de trappen, bloed stroomde uit hun grotendeels verpletterde slapen.

‘Geen tijd te verliezen,’ zei de contessa naast hem. Ze greep Jacob bij zijn arm en hij kon een kreun van pijn niet onderdrukken. Haar vingers leken van staal en ze sleurde hem half de trappen op. Graaf Georg was hen voor. Hij schopte de eiken deuren uit de sponningen en sloeg twee Janitsaren die hem aanvielen de trappen af. Ze bleven vlakbij de koets doodstil liggen, hun nek en rug in rare bochten geforceerd.

‘De oostvleugel, naar rechts,’ hijgde Jacob. De contessa liet hem los. Geflankeerd door de twee edellieden liep hij door een zuilengalerij met hier en daar een heiligenbeeld. Licht viel naar binnen door hoge dakramen Ze naderden een hal met grote dubbele deuren waarboven ‘Auditorium’ was geschreven. Een groep van minstens twintig Janitsaren bewaakte deze ingang en zodra Jacob, graaf Georg en contessa Szilágyi voor hen verschenen, stelden ze zich in gevechtsorde op en trokken zwaarden en achtklappers.

‘Wacht hier,’ zei graaf Georg. Het volgende moment waren hij en de contessa verdwenen. Een zwerm raven denderde langs Jacob en vulde de hal met hun galmend gekras dat klonk als het laatste oordeel.

Af en toe zag Jacob een Janitsaar door de wirwar aan lijven en vleugels, altijd met paniek in de ogen en op dat moment in doodsnood, alsof hij opzettelijk getuige werd gemaakt van wat hier plaatsvond.

Zo snel als de kraaien naar binnen waren gevlogen, zo snel waren ze ook weer verdwenen. Jacob zag twee mensen staan, de graaf en de contessa, tegenover elkaar. Hun gezichten kon hij alleen maar als beestachtig omschrijven. Beiden hadden bloed op hun gezicht en hun handen en kleren zaten vol bloed en lillende stukjes. Om hen heen lagen de overblijfselen van waarschijnlijk alle Janitsaren.

Jacob voelde de zure golf omhoogkomen en braakte alles wat hij nog in zich had uit. Toen hij overeind kwam stonden de twee naast hem.

‘Uw beurt, heer Hooijmans,’ zei graaf Georg. Jacob durfde hem niet aan te kijken.

‘Ga naar binnen,’ siste Ilona Szilágyi. Hoewel hij zijn lichaam geen opdracht gaf, voelde Jacob zijn voeten bewegen. Hij vermeed het bloed op de vloer en met droge voeten opende hij de deur.

 

***

 

De Synode was bij lange niet compleet. Niet meer dan een tiende van de banken was gevuld en op een podium in het midden stond paus Iskenderen. Jacob luisterde naar wat hij te zeggen had.

‘De vrede die ik voor ogen heb, maakt een eind aan de voortdurende strijd tussen volkeren. Laten wij als Roomse Kerk dan het goede voorbeeld geven en alle partijen die nu in conflict zijn met elkaar opdracht geven de strijd te staken.’ Hij zweeg even en er klonk een beleefd applaus.

Jacob nam zijn kans en liep tussen de banken door in de richting van het podium. Zodra de eerste bisschoppen en kardinalen die aanwezig waren hem zagen, klonk er gedempt geroezemoes.

Paus Iskenderen keek naar Jacob en vervolgens naar de ingang van het auditorium waar twee donkere, in schaduwen gehulde figuren stonden. ‘Waar zijn mijn Janitsaren? Hoe komt u hier binnen?’

Jacob voelde een zure oprisping, maar hij wist die te onderdrukken. ‘Ze zijn weg,’ zei hij met een klein stemmetje. Hij schraapte zijn keel en rechtte zijn rug. ‘Ze zijn weg. Als in niet meer in deze wereld.’

‘En wie bent u dan wel? En wat komt u hier doen?’ Iskenderen stapte naar de rand van het podium en keek op Jacob neer.

‘Ik ben Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC. Ik ben hier vanwege artikel viertwaalf en vierdertien.’ Het werd ineens muisstil.

Paus Iskenderen vouwde zijn armen voor zich. ‘Die vereisen een kandidaat en de hoogste VOC functionaris die in Veneta aanwezig is. Ik zie de gouverneur hier niet.’

‘De admiraliteit heeft mij als tijdelijk gouverneur aangesteld.’ Hij rechtte zijn rug en verhief zijn stem. ‘En degene die ik voordraag als paus voor Holland, dat ben ik zelf.’

‘Dit is een schaamteloze vertoning,’ riep een kardinaal van de voorste rij. ‘U meneer, is een leek, u hebt niets te zoeken in deze geheiligde hallen.’

Jacob beklom de treden van het podium. Hij voelde zich alsof hij een complexe boekhoudbeslissing moest verdedigen tegenover een cliënt. ‘In tegendeel. Mijne heren!’ Hij keek naar de leden van de Synode, probeerde zoveel mogelijk van hen met zijn ogen te vangen. ‘Ik ben boekhouder. Nicolaas van Straalen heb ik altijd geëerd. Zijn zuinigheid was een voorbeeld voor me. Hij was altijd de redelijke, de vredestichter, de bewaarder van de status quo. Het voorstel van paus Iskenderen, hoe goed bedoeld ook, zal dwingend zijn voor eenieder die lid is van de heilige Roomse Kerk.’

‘Exact,’ ging paus Iskenderen verder. ‘Vrede zal goed voor ons zijn. En ook voor de VOC en de handel, dat moet u met me eens zijn, meneer Hooijmans.’

Jacob glimlachte. ‘Vrede is inderdaad goed voor de handel, paus Iskenderen. En de volgelingen van de Roomse Kerk zullen inderdaad met elkaar kunnen handelen in plaats van strijden. Mijn vraag is alleen: zullen niet-gelovigen ook uw decreet accepteren?

Paus Iskenderen zweeg. Zijn ogen flitsten nerveus heen en weer.

Jacob wachtte even, maar hij wist dat de theorie van de contessa feit was. Hij zuchtte en likte zijn lippen. Vers bloed, kloppend hart, smaak van ijzer en zout. ‘Ik activeer bij deze artikel viertwaalf en vierdertien. Vanaf heden ben ik paus Jacobus de Eerste en zijn er twee pausen in Veneta.’

‘Onmogelijk,’ blies paus Iskenderen. ‘De Synode moet hierover beslissen. Zodra het op de agenda uitkomt, over enkele weken.’

‘Dat duurt te lang,’ zei Jacob. ‘U riskeert open oorlog met de VOC? En de feestelijke intocht van Calvijnaanhangers in Holland? En de ondermijning van de Roomse Kerk? Het verstoren van delicate evenwichten in de wereld?’ Hij kreeg onverwacht veel bijval van enkele bisschoppen en kardinalen op de voorste rijen.

‘Accepteer het, Iskenderen,’ zei een van de bisschoppen. ‘Die overeenkomst bestaat en paus Jacobus de Eerste heeft hem in werking gezet.’ Hij hief zijn arm en riep: ‘Leve paus Jacobus de Eerste.’ De bijval vanaf de banken van het auditorium was duidelijk genoeg.

Een oude kardinaal die op een van de achterste banken zat, stond op. ‘Als dat dan nu duidelijk is, er is een Motu Proprio gedaan. Is er een meerderheid van pauselijke stemmen?’

‘Ja!’ zei paus Iskenderen hard.

‘Ik stem tegen,’ zei Jacob.

‘Dan is het helder,’ zei de oude kardinaal. ‘Deze Motu Proprio is afgewezen.’

Iskenderen stond met open mond en gebalde vuisten. Hij werd rood, toen bleek. Hij dook op Jacob af en een lange dolk was ineens in zijn hand.

Jacob voelde de voren op zijn rug branden, zag Iskenderen op zich afkomen, vertraagd, als een reeks tiphs op een reliëfscherm. Hij stapte net genoeg opzij om het mes te ontwijken, duwde net genoeg om paus Iskenderen uit evenwicht te brengen en in zijn val plukte hij het mes uit de hand van zijn tegenstander. Hij had zelfs nog tijd om te denken: bijzonder handig.

De Ottomaanse paus viel languit op de grond, maar krabbelde vrijwel meteen overeind. Met een schreeuw en een woedend gebaar rende hij van het podium weg en richting de uitgang. Graaf Georg en contessa Szilágyi lieten hem voorbij rennen, door de resten van zijn Janitsaren. Zijn schreeuw van afschuw weerklonk in het auditorium.

Jacob richtte zich tot de aanwezigen. ‘Als er al vrede met de Ottomanen komt, dan is dat een politieke vrede, gewenst door beide partijen. Geen opgelegde, eenzijdige, religieuze vrede.’

De kardinaal die Jacob eerder voor leek uitmaakte, schraapte zijn keel en stond op. ‘Paus Jacobus, ik groet u en noem u “vredestichter”.’ Hij kreeg eerst aarzelend maar al snel enthousiast bijval van alle aanwezigen op de Synode.

 

***

 

‘Ik voorzie een vruchtbare samenwerking, paus Jacobus,’ zei graaf Georg tegen Jacob.

Jacob knikte. ‘U had zoiets al voorspeld aan boord van de WitteDeWith, bijna alsof u wist wat er zou gebeuren. Maar dat is natuurlijk onzin, alleen de Heer weet wat voor ons is weggelegd.’

Graaf Georg grijnsde en liet zich achterover zakken in een van de fauteuils in de gouverneurskamer van het VOC Handelshuis.

‘Toch heb ik nog wel wat vragen,’ zei Jacob. ‘Er zijn schokkende zaken voorgevallen, waarvoor ik geen verklaring heb.’

‘Wie weet wat de waarheid is? Wie weet wat had kunnen zijn?’ Contessa Szilágyi bestudeerde het schilderij van Willem VI. ‘Laten we zeggen dat de wegen van de Heer soms ondoorgrondelijk zijn, mysterieus zelfs. En wraakzuchtig, vooral als het om Zijn zoon gaat.’

‘U gebruikt de woorden van de Kerk tegen me, hoe oneerlijk,’ zei Jacob. De contessa glimlachte alleen maar. ‘En wat gebeurt er nu met het Ottomaanse leger? Want die zijn waarschijnlijk al onderweg. Moeten we iemand waarschuwen?’

Graaf Georg hief zijn handen. ‘Het is in Gods handen, paus Jacobus. Hij eist offers. Daarvoor zijn rond kasteel Bran inmiddels honderdduizend eiken staken opgesteld…’

Jacob keek op. ‘Dus daar was die post voor.’

Weer grijnsde graaf Georg en knikte. ‘Soms,’ zei hij, ‘vraag ik me wel eens af: waren het de dertig zilverlingen?’

Bliksem uit het niets doorkliefde de hemel buiten. De donder die volgde deed het Handelshuis op haar grondvesten trillen.

Het bleef lang betekenisvol stil in de gouverneurskamer.

De eer van André Fantone : Jaap Boekestein

Het was dag, maar de lampen waren aangestoken. Regen sloeg onophoudelijk tegen de ruiten en zo nu en dan lichtte de duisternis op door een bliksemflits, gevolgd door zwaar gedonder.

Ik zat roerloos en keek naar het noodweer buiten. Eigenlijk zou ik moeten huiveren, want onweer jaagt mij gewoonlijk grote angst aan. Vandaag gleed het natuurgeweld langs mij heen zonder mij te beroeren. Niets kon mij raken vandaag. De dikke stapel kranten en periodieken niet, de diverse romans die halfgelezen lagen te wachten. Alles was leeg, nutteloos, sleur. Ik zat in mijn stoel en keek uit het raam. Een levend lijk gehuld in zwart.

André had natuurlijk nergens last van. Hij was druk bezig zijn schoenen te poetsen. Als soldaten stonden ze te wachten in gelid. André droeg een schort en had voor zich op tafel diverse potjes staan met een bijbehorende verzameling borstels en doeken. Het was bediendenwerk, maar André had nooit genoeg geld om bedienden te kunnen betalen. En ik ging het niet voor hem doen. Ik was zijn bediende niet. Enkel zijn hoer.

Door de regen heen zag ik op straat het donkere gevaarte van een koets naderen. Het voertuig werd verlicht door twee lampen en de arme koetsier zat helemaal weggedoken in zijn regenmantel. Tot mijn verbazing stopte de koets aan de overkant van de straat. De deur ging open en een regenscherm werd naar buiten gestoken en geopend. Een man met bolle wangen en een fikse knevel stapte uit. Hij keek even om zich heen en stak toen de modderige straat over. Zijn blik op ons huis gericht.

Ondanks dat ik veilig onzichtbaar verscholen zat achter de vitrage, trok ik mij schielijk terug. ‘André, ik geloof dat we bezoek krijgen.’

‘Hu, watte?’ André was zo verdiept in het poetswerk dat hij niet had gehoord wat ik zei.

‘We hebben een bezoeker.’ Mijn woorden werden ondersteund door het geluid van de voordeurbel.

‘O… Ah…’ André sprong op en bekeek zijn schoenen en poetsgerij. Het was niet echt iets waarvan je wilde dat een bezoeker het zag. Ik was ondertussen opgestaan en liep naar de hal, waar de trap naar boven zich bevond. ‘Doe je schort af,’ adviseerde ik André terwijl ik met enig leedvermaak de treden beklom. Het gebeurde niet vaak dat André besluitloos was en ik putte er een geniepig genoegen uit.

Vijf tellen later kwam André, schortloos, de hal in. Hij wachtte totdat hij mijn kamerdeur hoorde sluiten. Ondertussen sloop ik terug over de overloop. Ik had mijn kamerdeur wel dicht gedaan, maar zelf was ik op de gang blijven staan. Ik was veel te nieuwsgierig wie de onaangekondigde bezoeker was. Verborgen in de schaduwen, net om het hoekje van de overloop, kon ik alles zien en horen wat er in de hal gebeurde.

De voordeurbel klingelde opnieuw.

Nonchalant opende André de deur, iets wat ik niet zo maar gedaan zou hebben, maar André was soms ontzettend roekeloos.

De man met de bolle wangen en fikse knevel stond voor de deur. ‘Goedenavond. De heer Fantone?’ Je kon aan de blik van de man zien dat hij al wist dat hij André tegenover zich had. Hoeveel albino dandy’s waren er tenslotte in New Orleans?

‘Goedenavond. Daar spreekt u mee. Wat is er van uw dienst?’ André kon hoffelijk zijn, tegen derden. Jammer dat ik altijd de tweede was. Hij deed een stap naar achteren zodat de bezoeker binnen kon komen, uit de regen.

‘Mijn naam is Richard Portman. Ik treed op namens de heer Barymore als zijn secondant. Hij daagt u uit voor een duel tot de dood.’

Ik zag alleen maar André’s rug. Wat had ik er op dat moment niet voor over gehad om zijn gezicht te kunnen lezen! Was het net als mijn gezicht vertrokken in totale ontzetting toen de woorden inzonken? Een duel tot de dood!

André knikte, alsof hij een vriendelijke invitatie voor een avond naar het theater ontving. ‘Het was onvermijdelijk. Ik accepteer het duel.’ Hij klonk volkomen onaangedaan.

Op de overloop stierf ik een duizend maal. Een duel tot de dood!

Op zijn beurt knikte Richard Portman vromelijk. ‘Wilt u het zwaard of het pistool?’

‘Hm…’ Ik had André op zo’n toon horen twijfelen over de ene of gene cravate. ‘Het zwaard. Maar niet de trihedral épée, maar de sabel. Ik zal een set meebrengen.’

‘Zo ook meneer Barymore. Schikt negen uur morgenochtend u? Wij stellen het oude Spaanse fort voor.’

‘De tijd en plaats zijn adequaat,’ sprak André. ‘Ik zal er zijn.’

De besnorde bezoeker maakte een korte buiging ten teken van afscheid. ‘De heer Barymore verwacht niet anders.’

André boog terug. ‘Goedenavond meneer Portman.’

‘Goedenavond meneer Fantone. O, meneer Barymore verblijft in het Saint Louis, als u zich nog mocht bedenken in de onderliggende kwestie…’

‘Nooit.’ Voor het eerst klonk er emotie in André’s stem door. Het was ijskoude woede. ‘Goedenavond.’

Richard Portman stapte terug in de regen en deed zijn regenscherm open.

André sloot de deur.

Ik snelde naar beneden. ‘André! Wat is er aan de hand? Wie is die man?’ Ik zocht in de herinneringen van Natalie Owen, André’s oude geliefde, maar vond niets. Barymore en Portman waren geen namen die ze kende. Misschien waren de herinneringen vervaagd, maar ik had het gevoel van niet. Dit moest iets uit André’s verleden zijn van de tijd voordat hij Natalie leerde kennen.

‘Ik wil er niet over praten,’ sprak André beslist. ‘Het zijn geen zaken die je aangaan.’ Hij negeerde het feit dat ik maar al te duidelijk op de gang had staan wachten.

‘Geen zaken die mij aangaan!’ Ik werd niet snel boos, maar dit keer was ik het wel. ‘Natuurlijk gaat het mij aan! Wat moet ik doen als jij sterft?’ Ik balde mijn vuisten. Het was vreselijk om afhankelijk te zijn, maar nog vreselijker om dat hardop te moeten zeggen.

‘Ach…’ antwoordde André plotseling slap. Het was duidelijk dat hij nooit had beseft dat ik zonder hem niets was. Hij zag mij als een manier om geld te verdienen, als gezelschap – een huisdier – op zijn best. Hij besefte zijn verantwoordelijkheid niet en had er ook duidelijk geen behoefte aan.

Woedend wendde ik mij van de albino man af. ‘Ga maar naar dat duel! Laat je maar neersteken! Wat kan mij het schelen! Mijn mening doet er toch niet toe!’

Mijn woede voedde André’s woede – een veilige uitweg voor zijn angst en onzekerheid. ‘Ik heb jouw toestemming helemaal niet nodig! Ik heb je uit het graf gehaald! Ik ben je niets verschuldigd! Ik zal doen wat ik moet doen!’ Hij sprong op en beende razend de hal uit.

Ik deed niet voor hem onder en stormde terug de trap op, naar mijn kamer. De klap waarmee ik de deur dichtsmeet, daverde door heel het huis. Hijgend viel ik op het bed. Ik was te verstikt van woede om te huilen. Mijn kaak was verkrampt, de nagels van mijn gebalde vuisten staken in mijn handpalmen en mijn hart ging als een razende te keer. Nog nooit was ik zo woedend geweest!

 

***

 

Toen ik weer beneden kwam was het donker en was het huis verlaten. André was uitgegaan, waarschijnlijk om zich te bezatten, of om een klein vermogen te vergokken, of om in de armen te vallen van een of andere lellebel. Morgen was hij misschien dood en wat deed hij? Hij verspilde zijn laatste uren met drank en ontucht. Ik aarzelde. Tijdens mijn uren dat ik vol verkrampte woede in bed lag, had ik een plan bedacht. Maar nu ik beneden stond, leek het geheel dwaas en zelfs gevaarlijk. Wat heb ik dan te verliezen? vroeg ik mijzelf. Als André dood is, ben ik zelf ook ten dode opgeschreven. Ik heb hem nodig. Ik moet hem redden.

Het was zo gemakkelijk bedacht. Maar de uitvoering… Ik besloot niet langer te aarzelen. Niet nadenken, maar dóen! Als ik te lang stil stond bij de mogelijke consequenties, zou ik nooit verder durven te gaan.

Ik ging terug naar mij kamer en kleedde mij om: de extra lange zwarte handschoenen, de hoed met de zware voile. Onherkenbaar in zwart, naamloos en gezichtsloos. Het enige probleem was nog geld, maar dat was gemakkelijk genoeg opgelost. André was altijd nonchalant met geld. Door het huis heen, in stoelen en op tafeltjes, in laden en jaszakken, was genoeg te vinden. Genoeg voor mijn doel in ieder geval. Buiten begon de avond te naderen. Gelukkig was het inmiddels droog geworden en zelfs de hemel klaarde wat op. De wandeling naar het verhuurbedrijf was niet lang, maar ik zag wel de blikken van de mensen. Het waren echter enkel nieuwsgierige blikken. Geen angst, geen woede, geen geschreeuw en geen geweld… Ik drukte de herinneringen weg aan de nacht als Betty Connogan. Er was niemand die mijn gezicht kon zien, er was niemand die mij kwaad wilde doen…

De wagenverhuurder was een lange Hollander met stroblond haar en fletse blauwe ogen. Een dikke sigaar hing uit zijn mondhoek. Hij haakte zijn duimen in zijn vestzakken terwijl hij boven mij uittorende. Zijn Engels was langzaam en slepend, vol vreemde Germaanse klanken. ‘U wilt een rijtuig met koetsier huren? Nu? Geen enkel probleem, mevrouw.’

Soms waren zelfs heuvels niks meer dan lage duinen. Maar er waren altijd doornstruiken…

‘U bent die vrouw van Fantone verderop, niet?’

Het verbaasde mij dat de baas mij kende. Toen besefte ik dat mijn verschijning onvermijdelijk over de tong was gegaan. André was al opvallend genoeg. En dan ikzelf, gehuld in mysterieus zwart… Genoeg mensen had mij uit het huis zien komen en in de koets zien stappen. Of ik het wilde of niet, ik had een reputatie. Natalie Owen had er ook mee geworsteld – als ongetrouwde vrouw inwonend bij een enigszins scandaleus figuur als André – maar ze had zich er uiteindelijk overheen gezet. Ik… Natalie Owen had haar liefde voor André. Ik had niets en daarom trof het mij onverwacht hard.

Er werd een koetsier opgetrommeld – blijkbaar één van de slungelige neven van de baas, waren al die Hollanders reuzen? – en ik mocht zelfs kiezen welke koetsje ik wilde hebben. Ik koos een coupé in plaats van de landauer die André normaal reed. Ik had behoefte aan beslotenheid. Vooral nu ik wist dat ik onherkenbaar was, maar zeker niet onzichtbaar. De baas hielp mij met instappen.

Toen ik eenmaal zat, keek hij mij aan met zijn blauwe kijkers. ‘Mevrouw, als ik vragen mag, voor wie rouwt u?’

Sommige vragen zijn zo onverwacht dat ze in één klap de kijk op je wereld veranderen. Niemand had mij ooit die vraag gesteld. Nou had ik ook, buiten André, met bijna niemand anders gesproken als mijzelf. En niemand was geïnteresseerd in mij als persoon. Enkel wat ik kon leveren. De vraag van de Hollander was zo alledaags en normaal, maar daardoor tegelijkertijd voor mij zo bijzonder.

‘Ik, eh… Ik ben in rouw voor een geliefde. Mijn zuster.’

De Hollander knikte ernstig. ‘Sterkte mevrouw, u moet erg van haar gehouden hebben.’ Als afscheidsgroet tikte hij met zijn vingers tegen zijn slaap.

De deur van het koetsje ging dicht en na een ‘Huh!’ vanaf de bok, zette het voertuig zich in beweging. De rit voerde door straten die ik grotendeels kende uit de herinneringen van anderen. Zonder verdere noemenswaardigheden kwamen wij aan op de plaats van bestemming. Het Saint Louis was een gloednieuw, luxueus hotel van vier verdiepingen, gebouwd in de stijl van de Oude Wereld. Het was een hotel voor de rijke Creolen die er dineerden en overnachtten als ze naar de stad kwamen om zaken te doen. Frans was er de voertaal. In de nieuwspagina’s had ik al over diverse schandalen gelezen die in en rond het hotel hadden plaatsgevonden. De Creolen beschouwden zichzelf als de aristocratie van de streek en passies konden hoog oplopen over eer, vrouwen of geld, of alle drie tegelijk. Waarom zou die man Barymore André uitdagen voor een duel? Was het één van de drie redenen, of iets anders? André was zelf een Creool, maar zijn maanbleke huid en haar had hem grotendeels apart geplaatst. Hij had echter wel de smaak en passies van zijn volk.

De hal van het hotel was een enorme koepel met spiegels, palmbomen, verguldsel, marmer en kroonluchters. Heren paradeerden er met hun vrouw – of die van iemand anders, de dames droegen kleurrijke japonnen, kleine zwarte dienjongens in rood tenue renden af en aan.

Een kraai in een kooi met kwetterende zangvogels, zo voelde ik me. Ik negeerde de blikken en het gefluister. Het was niet dat de hele hal stilviel en naar mij staarde, maar zo voelde het wel. O wat als ze zien wat ik echt ben! Geen mens onder mensen, maar een monster, een dode die speelt dat ze leeft… Beelden van gegil en paniek speelden door mijn hoofd. Vast en zeker had één van de heren wel een degenstok, of een verborgen pistool of mes. Creolen hadden heet bloed. Zouden ze mij hier afmaken in deze hal die in een paleis niet zou misstaan? Of zouden ze mij de straat op sleuren om mij op te knopen aan de dichtstbijzijnde boom?

Gelukkig kon niemand zien wat er zich onder mijn sluiers schuilhield en ongedeerd bereikte ik de balie.

‘Madame? Hoe kan ik u helpen?’ vroeg een klerk, een stijve man met een smal kaal hoofd en het soort Frans dat afkomstig was van de Oude Wereld.

‘De heer Barymore, is hij aanwezig?’ Het gezicht van de klerk vertrok geen millimeter, alsof het de normaalste zaak ter wereld was dat een zwaar gesluierde weduwe, alleen, ‘s avond informeerde naar de kamer van een heer. Misschien had hij vreemder meegemaakt, misschien was hij geselecteerd op dat onbewogen gezicht. Hij blikte even naar achteren, naar het rek met sleutels en postvakken. ‘De heer Barymore is nog in het hotel. Moet ik een boodschap laten overbrengen, madame?’

‘Nee dank u, ik bezoek hem zelf wel. Wat is zijn kamernummer?’

Discreet, o zo discreet, was de klerk. Hij schreef het nummer op een kaartje en schoof het mij over de marmeren balie toe. Gewapend met het kaartje en mijn sluier, en zenuwachtig als een stal vol paarden tijdens een orkaan, nam ik de lift naar de juiste verdieping. De gangen waren eindeloos, met rode lopers, gaslampen en prenten aan de muur van de landhuizen en het leven langs de rivier. Om de zoveel deuren stond er een mahoniehouten empiretafeltje met daarop een Chinese vaas vol verse bloemen.

Bij de juiste deur klopte ik aan.

‘Ja? Wie is daar?’ klonk het na een handvol tellen. Ik slikte, mijn keel was plotseling heel erg droog.

‘Ik kom voor meneer Barymore.’ Het klonk lang zo daadkrachtig niet als ik had gewild.

De deur ging open, op de ketting. Een man met een grote neus, woeste krullen en verbeten trekken rond zijn ogen en mond staarde mij aan. Hij was duidelijk verbaasd. ‘Ik ben Barymore. Simon Barymore.’

‘Meneer Barymore, ik wil met u spreken. Het betreft meneer Fantone.’

Simon Barymore blikte links en rechts van mij, maar ik was alleen. Hij maakte de ketting open en deed de deur verder open, langzaam, alsof hij er op bedacht was dat André plots als een duveltje uit een doosje tevoorschijn zou springen.

Ik ging naar binnen, bevend als een riet. Als ik maar slaagde! Er hing zoveel van dit gesprek af… Alles, eigenlijk. André’s leven, mijn voortbestaan…

De deur werd weer gesloten en Simon Barymore deed de ketting er weer op. Hij had mij geen moment de rug toegekeerd, maar nu schonk hij mij zijn volledige aandacht. ‘U komt namens André Fantone. Wie bent u, madame?’

Dat was een gerechtvaardigde vraag, maar één die ik niet kon beantwoorden. Ik koos voor de enige uitleg die Simon Barymore kon begrijpen. ‘Ik ben… Ik ben de vrouw van André Fantone.’

Simon Barymore lachte. ‘Een vrouw, maar niet dé vrouw van hem, durf ik te verwedden.’

Hij had gelijk natuurlijk, maar het raakte mij desondanks. Ik werd ingeschat als onbelangrijk, vluchtig. Een vrouw van losse zeden. Een maîtresse.

‘Wij zijn niet getrouwd, maar ik… sta onder de zorg van André.’

De man maakte een gebaar dat het hem weinig uitmaakte. ‘Wat komt u doen? Heeft Fantone u gestuurd om te smeken om zijn leven? Bespaar u dan de moeite, want dit keer komt hij er niet zo gemakkelijk vanaf!’

‘De heer Fantone weet niet dat ik hier ben,’ antwoordde ik koeltjes, wat mijzelf verbaasde. Op de één of andere manier waren plots mijn angst en zenuwen verdwenen. ‘Maar ik kom wel om zijn leven smeken, ja.’

‘Hm,’ was het commentaar van Simon Barymore. Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Bespaar u de moeite, madame. Al had André de zorg voor een heel weeshuis en deelde hij zijn mantel met een behoeftige bedelaar, dan nog zie ik niet af van het duel. Wat hij heeft gedaan, kan enkel met bloed worden uitgewist.’

Maar wat heeft André dan gedaan? Ik stelde die vraag.

‘U weet het niet? Ha, vanzelfsprekend niet.’ Simon Barymore snoof. ‘Het is geen zaak waar die kerel mee te koop loopt, dunkt me.’

‘Ik weet alleen dat de kwestie al jaren speelt,’ polste ik. Wat het ook was, welk conflict André Fantone en Simon Barymore ook met elkaar hadden, het moest hebben plaatsgevonden voordat André Natalie had leren kennen. Nergens in haar herinneringen was er iets te vinden over Simon Barymore of een duel.

‘De kwestie speelt inderdaad al jaren,’ gaf Simon Barymore toe, ‘maar ik ben niet degene die u er over gaat inlichten, madame. Als hij morgen met een rein geweten wil sterven, kan hij wandaad vannacht nog bekennen aan de ene of gene. Fantones eer en zaligheid zijn zijn zaak, alhoewel ik betwijfel of hij van beide veel bezit.’

Het was vreemd, maar ik voelde toch de behoefte om André te verdedigen. Mijn stem was ijskoud. ‘Hij heeft genoeg eer om morgenochtend een duel met u aan te gaan, meneer Barymore.’

‘Alleen omdat hij weet dat er dit keer geen ontsnappen mogelijk is. Fantone weet dat ik hem na zal zitten tot het eind van de wereld als dat nodig is. Ik zal niet rusten voordat hij dood is.’

Een rilling trok over mijn rug. Simon Barymore zei het met zoveel overtuiging dat ik hem ook geloofde. Hij zou André doden en mijn weduwezwart zou dan opeens echt weduwezwart zijn… En zonder André’s bescherming zou ik hulpeloos zijn. Ik moest alles op alles zetten om dat te voorkomen.

‘Meneer Barymore… Simon. Ik smeek u, zie af van het duel! Ik… Ik heb er alles voor over om het niet door te laten gaan! Ik… Hebt u ooit een geliefde verloren?’

Simon Barymore lachte, luid en akelig. Hij lachte mij uit en reduceerde mij daarmee tot een geslagen hond, of nog minder zelfs.

‘Madame! Wat u voorstelt is zo laag dat ik enkel met grofheid kan beantwoorden. Als ik een hoer nodig heb, dan zoek ik wel gezelschap in één van de vele plezierhuizen die deze stad rijk is. Die dames zijn professioneel en niet een afdanker van de man die heb gezworen te doden. André kan mij niet afkopen met zijn… vrouw.’

Mijn wangen gloeiden. Ik voelde mij oneindig klein. Ik had niet bedoeld dat… Maar het was precies wat ik wél bedoelde. ‘Bent u dan nooit een vrouw verloren, een geliefde? Iemand waarvoor u de wereld zou geven om haar terug te zien?’ fluisterde ik.

‘Nee. Dus uw praatjes hebben geen zin. Ik heb geen interesse in u en u hoeft mij ook niet op mijn gemoed te werken. Morgen zal Fantone sterven.’

Simon Barymore sprak de waarheid. Tenminste, de waarheid die hij kende. Ik hoorde het aan zijn stem. Er was geen wreed weggerukte liefde, geen verlangen naar een dode vrouw. Ik leefde van de mannen waar dat wel het geval was, maar ik was vergeten dat lang niet iedere man in die situatie verkeerde. Ik had Simon Barymore niets te bieden.

‘Madame, het is beter als u nu vertrekt. Doe met Fantone wat u belieft, maar doe het wel vannacht. Morgen zal hij sterven.’ En met die woorden zette Simon Barymore mij buiten de deur.

Terug in de koets vroeg mijn koetsier: ‘Madame? Waarheen nu?’

‘Eh…’ Wat moest ik doen? Terug naar huis gaan? Of moest ik André zoeken om hem te bewegen met Simon Barymore te gaan praten, of wellicht om op de vlucht te slaan (Ik had misschien wel eer, maar niet genoeg om voor te sterven). Ik wilde André spreken, maar ik had geen idee waar ik hem moest zoeken. New Orleans was vol drank- en gokhuizen, en erger nog. Geen van de vrouwen die ik was geweest had ooit gelegenheden bezocht met zo’n slechte reputatie. En ik kon onmogelijk als vrouw – en vooral in mijn huidige verschijning – op de bonnefooi gaan zoeken. En wellicht was André al thuis… Uiteindelijk was er maar één besluit mogelijk: terug naar huis.

Teruggekomen wist ik al dat André er niet was. Het huis was donker. Ik ontsloot de deur en riep in de hal: ‘André?’ Er was geen antwoord. Zenuwachtig ging ik in de salon op hem zitten wachten.

 

***

 

Ik moest in slaap zijn gesukkeld en had heel de nacht in de stoel gelegen. Toen André eindelijk thuis kwam, was de zon nog niet op, maar het scheelde niet veel. Stijf en stram kwam ik overeind uit de stoel. De kamer stonk naar een olielamp die te lang niet was geknipt. Ik hoorde André in de hal de buitendeur vergrendelen. Daarna kwam hij de salon in.

André was verbaasd mij te zien. Hij zag er uit alsof hij de hele nacht had doorgebrast, iets wat hij ongetwijfeld ook had gedaan. Zijn ogen stonden vermoeid, zijn schouders hingen en zijn kledij zat vol kreuken en vlekken. De ontzettende ezel! Binnen een paar uur had hij een duel op leven en dood te vechten, en hij zag er nu al uit als halverwege het graf! Dit kon niet, dit mócht niet!

‘André, je moet stoppen met dit duel! Je kunt het risico niet nemen! Wat als je sterft? Ik smeek je!’

Het was de tweede keer die nacht dat ik een man smeekte. En met evenveel resultaat. Het moet gezegd worden dat André dit keer niet tegen mij uitviel. Hij zei enkel: ‘Ik moet dit doen. Er is geen weg terug. Het heeft al te lang geduurd.’

Wat heeft te lang geduurd? Laat het nog eeuwen duren! Zo lang hij maar blijft leven! Ik zweeg, ik kon niets meer zeggen wat al niet gezegd was. André zou naar het oude Spaanse fort gaan en daar duelleren met Simon Barymore. En er was niets wat ik daaraan kon doen.

‘Ik ga naar boven, mij opknappen. De sabels bekijk ik straks wel.’ Vermoeid als een oude man keerde André zich om en verliet de kamer. Voelde hij dezelfde doem die ik voelde? Zelfs als dat het geval was, dan maakte het nog niet uit, wist ik.

Een paar uur later kwam hij weer beneden. Hij zag er iets beter uit. In ieder geval weer als de verzorgde dandy die hij normaal was. Zijn witte haar was met olie strak in model gekamd en hij had schone kleding aangetrokken: een lichtblauw hemd, zwart vest en zijn bordeauxrode pak. Het geheel werd afgewerkt met een zwarte cravate met wit werkje, een gouden dasspeld in de vorm van een eikenblad, zijn beste gouden horloge en zijn favoriete manchetknopen met diamanten. Blijkbaar was dat de kleding waarin hij wilde sterven. Hij knikte mij toe – ik was niet naar bed gegaan, wat voor zin had dat nog? – en liep naar zijn studeerkamer. Hij kwam terug met een set sabels die volledig gelijk in lengte en afwerking waren. Hij deed zijn handschoenen aan. ‘Ik vertrek. Ik weet niet… Ik weet niet of ik terugkeer.’

‘Ik ga mee,’ besloot ik. ‘Ik wil er bij zijn. Als je sterft dan…’ Mijn keel zat dicht en hoe hard ik ook tegen de tranen vocht, toch vulden ze mijn ogen en liepen langs mijn gezicht naar beneden. ‘Ik moet er bij zijn!’ Alsjeblieft!

André knikte. ‘Kom mee dan.’ Mijn hoed, mijn handschoenen. Ik was binnen enkele ogenblikken klaar. André stond al bij de deur te wachten, de twee sabels met hun schedes onder zijn arm. ‘Wacht hier, dan haal ik de wagen.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee André, laat mij dit keer aan je zijde lopen. Het is misschien de… de…’ Opnieuw rolden de tranen over mijn wangen. Verborgen als ze waren onder mijn sluier, zag André ze niet, maar ik voelde dat hij wist dat ze er waren. Hij bood mij zijn arm aan en ik accepteerde. In het ochtendlicht liepen we arm in arm, heer en dame, dezelfde weg die ik de avond daarvoor alleen had afgelegd.

De lange Hollander was al weer op, maar er hing geen sigaar in zijn mond.

‘Monsieur Fantone, madame…’ Even laaide mijn angst op. Als de wagenverhuurder zijn mond maar hield! André wist niet dat ik met Simon Barymore had gepraat en hij hoefde het ook niet te weten. Dat zou op dit moment alleen maar voor afleiding zorgen die André niet kon gebruiken. Ik maakte mij echter voor niets zorgen. Ik had geen idee of er veel dames – of wat dat betreft heren – waren die in het geniep zich naar een hotel lieten vervoeren. Maar de Hollander was in ieder geval discreet. Hij verraadde niets van wat hij wist. ‘… uw gebruikelijke wagen?’ vroeg de Hollander lijzig.

‘Gaarne beste man.’ Tien minuten later was de landauer klaar en vertrokken we naar het Spaanse Fort. Tijdens de rit werd er niet gesproken. Wat viel er verder nog te zeggen? Er waren momenten dat het leven was teruggebracht tot de simpelste keuzes: leven of dood, ja of nee. Op dat soort ogenblikken was praten nutteloos.

 

***

 

Het Spaanse Fort was verlaten, op Richard Portman en Simon Barymore na. Het was vroeg maar al zonnig, wat mij ongerijmd voorkwam. In mijn gedachten hoorde een duel gevochten te worden op een nevelig veld, met het gras en de bladeren nat van de dauw, en het schorre gekras van kraaien. In plaats daarvan zongen de vogels vrolijk in de bomen. André hielp mij uitstappen en daarna pakte hij zijn sabels. Samen liepen we naar de mannen toe.

‘Monsieur Fantone, madame, goedemorgen,’ sprak Richard Portman.

Simon Barymore zweeg enkel. Hij zag er niet zenuwachtig uit, maar was het ongetwijfeld wel, net als André.

‘Goedemorgen,’ antwoordde André kort. Hij richtte het tot Richard Portman, niet tot Simon Barymore. De beide duellisten negeerden elkaar intens.

‘U hebt geen secondant?’

André schudde zijn hoofd. ‘Geen témoins. Laten we voortmaken.’

Richard Portman knikte. ‘U hebt een set sabels? De heer Barymore ook. Als u de wapens wilt inspecteren en een keuze wilt maken?’

Ik had begrepen dat er diverse regels waren wat betreft duelleren, maar dat weinigen het over die regels eens waren. Ik had ooit gehoord dat de rol van de témoins niet alleen bedoeld was om de duellist bijstand te verlenen. In vroeger dagen – en nog wel eens – gebeurde het dat één van de duellisten opdaagde met een groep handlangers om zijn vijand te overweldigen en te doden. De témoins waren bedoeld om dit soort praktijken tegen te gaan. Blijkbaar vertrouwde André er op dat Simon Barymore niet zulk bedrog zou plegen, of misschien had André niemand die voor hem als témoin wilde optreden.

De twee duellisten controleerden de wapens en kozen elk een sabel. Elk hield het op een van zijn eigen exemplaren. Beide mannen deden hun jas en vest uit, zodat ze genoeg bewegingsvrijheid hadden. Het had de formaliteit van een eeuwenoud ritueel.

‘Heren,’ begon Richard Portman. De man met de knevel en bolle wangen was duidelijk zichtbaar. ‘Ik vraag u nog eenmaal, bent u bereid dit conflict op vreedzame wijze op te lossen?’

‘Nee!’ Het kwam gelijktijdigs uit André’s en Simons mond, iets wat hen beide niet zinde. Ze wierpen elkaar duistere blikken toe.

Richard Portman haalde zijn schouders op. Het was duidelijk dat hij niet anders had verwacht.

Misschien was dat het moment geweest dat ik had moeten spreken. Ik had beide mannen tevergeefs gesmeekt, maar zou een laatste poging niet slagen? Ik hield echter mijn mond. Het was vreemd, maar ergens in een diep en duister deel van mijn hart wílde ik nu dat het duel zou plaatsvinden. Het was dezelfde soort gewaarwording die mensen beving wanneer ze op een hoge plek stonden en plots de bijna onbedwingbare lust hadden te springen. Of tijdens een beschaafd gesprek opzettelijk een grove pas comme il faut te maken.

‘U beiden wilt een gevecht tot de dood. Dat betekent dat om kwartier gevraagd kan worden, maar dat het niet gegeven hoeft te worden. Begrijpt u dit, heren?’

‘Ja.’

‘Ja! Maar ik wil eerst iets zeker weten!’ André rukte zijn hemd open. Zijn krijtwitte borstkas stak fel af tegen de lichtblauwe stof van zijn hemd. Zoals ik wist – uit de herinneringen van Natalie Owen! – waren zelfs zijn borstharen volledig wit. ‘Zie hier, mijn vlees. Ik ben bereid te sterven voor mijn eer. Is Barymore daar ook toe bereid?’

Simon Barymore snoof woedend maar verwaardigde zich geen antwoord.

‘U bedoelt…?’ informeerde Richard Portman.

André legde de hand op zijn naakte borst. ‘Ik draag geen enkele bescherming. Ik wil zeker weten dat mijn tegenstander even eervol is!’

‘Eervol? Je weet niet wat eer is al zou je er over struikelen Fantone!’

‘Heren!’ sprak Richard Portman sussend. ‘Ik ben er zeker van dat dit onnodig is…’

André schudde beslist zijn hoofd. ‘U vraagt aan mij de man te vertrouwen die gezworen heeft mij te doden? Ik heb aangetoond dat ik te goeder trouw ben. Maar als Barymore weigert dan kan ik niet anders concluderen dat er bedrog in het spel is. En daar werk ik niet aan mee.’

Mijn hoop laaide op. Zou het…? O, als dit een uitweg was! Als Simon Barymore zou weigeren dan hoefde André niet te-

‘Al goed, al goed!’ Met die woorden vernietigde Simon Barymore mijn laatste hoop. Ik wilde het duel wel en ik wilde het duel niet. Ik wilde in ieder geval niet dat André zou sterven of zwaar gewond zou raken. Ondertussen trok Simon Barymore woest aan de knopen van zijn hemd. Een bleke borstkas – maar niet krijtwit zoals die van André – kwam te voorschijn. Simon Barymore droeg geen geheime bescherming.

‘U bent tevreden gesteld, meneer Fantone?’ vroeg Richard Portman droog.

Een knik was het enige antwoord.

‘Heren, dan is aan alle regels voldaan. Doe elk drie passen naar achteren.’

Spelers in een toneelstuk, schoot er door mijn hoofd. Zo ongerijmd was alles. André stond klaar, evenals Simon Barymore. De sabels glinsterden. De wereld leek stil te staan.

‘Madame, u kunt beter enige afstand nemen.’ Richard Portman voerde mij mee aan mijn arm. Ik kon er geen hoogte van krijgen wat zijn rol in dit geheel was. Zijn accent verraadde zijn noordelijke herkomst en zijn kledij en gedrag bestempelden hem als een heer. Hij trad op voor Simon Barymore maar leek geen hechte vriend van de man te zijn. Het leek meer op een zakenrelatie of een ingehuurde advocaat of zoiets. Het was een klein mysterie wat bovenop de vraag kwam welk verleden André Fantone en Simon Barymore samen hadden gehad. Wat het ook geweest was, het had diepe haat gezaaid.

Het gevecht begon. De twee mannen stormden niet op elkaar af onder het uiten van vreselijke bedreigingen. Zoiets was voor de sensatieromannetjes. Ze kwamen langzaam op elkaar af, elkaar aftastend, peilend wat de bekwaamheid van de tegenstander was. Ze wisselden een paar slagen en draaiden om elkaar heen. Er werd geen woord gesproken. Heel de wereld hield zijn adem in, zelfs de zangvogels waren stil. André deed een uitval, Barymore pareerde en viel op zijn beurt aan. André verdedigde zich en stapte opzij. Ik smoorde een piep van opwinding in mijn keel. Ik wilde geen geluid maken, geen zucht zelfs. Het was mijn grootste angst dat ik André zou afleiden, al was het maar voor een seconde, en dat André doorboord zou worden. Verkrampt hing ik aan Richard Portmans arm. Het gevecht ging door. Er waren aanvallen en tegenaanvallen. Voor iedere beweging bestond vast en zeker een technische term, maar ik was een vrouw. Ik kon nog geen revers de dessous van een coup de point onderscheiden. Het viel voor mij onmogelijk te bepalen wie de betere zwaardvechter was. André en Simon Barymore leken aan elkaar gewaagd te zijn. Het zwaardgevecht was een deel van de opvoeding van iedere echte heer. Zweet gutste van hun hoofd en veroorzaakte grote vlekken in hun hemd. Zweet tot nu toe, geen bloed.

‘Laat ze ophouden. God laat ze ophouden,’ prevelde ik. Het enige antwoord van Richard Portman was dat hij mij steun bood. Hij sprak zich niet voor of tegen het duel uit.

Vochten ze een uur? Of was het slechts een dozijn minuten? Ik verloor ieder besef van tijd. De wereld bestond uit het geluid van staal tegen staal, onderstreept met vermoeid gesnuif en gehap naar adem. En toen…

André deed een uitval, de punt van zijn sabel recht op de borst van Simon Barymore gericht. Maar daarmee gaf hij zichzelf bloot. Simon Barymore had zich moeten terugtrekken, een simpele stap opzij was genoeg geweest. Maar de haat die in zijn hart nestelde was diep. Hij stapte niet opzij, hij sloeg eveneens toe. Bij sommige duels brachten de tegenstanders elkaar tegelijkertijd de doodssteek toe. Die duels eindigden met twee doden. Eén oneindig lang moment vreesde ik dat ik dat voor mijn ogen zag gebeuren. De punt van André’s sabel boorde zich diep in Simon Barymores borstkas en Simon Barymores wapen deed hetzelfde… Nee, léék hetzelfde te doen. Maar op het laatste moment – was het door een minimale draai van André, was het puur geluk of goddelijke ingrijpen? – schampte Barymores wapen langs André’s borst. De punt begroef zich in de bovenarm van mijn albino beschermer. Beide mannen gingen neer. Beide gewond. Eén stervend.

‘André!’ Ik rende op hem toe. Een obsceen grote bloedvlek die maar bleef groeien en groeien, kleurde de mouw van zijn hemd donker. ‘André!’

‘Ik ben in orde,’ kreeg André er uit tussen zijn opeengeklemde kaken. De pijn moest intens zijn. ‘Stelp het bloeden!’

Ik trok het hemd omhoog en drukte de wond dicht. André’s cravate diende als verband. Ik mocht dan een vrouw zijn en niets weten van vechten, ik wist genoeg van wonden. Ik had in mij de herinneringen van allerlei vrouwen, wonend in landhuizen ver van iedere arts verwijderd. Ik had ruime ervaring in het verbinden van wonden.

‘Mijn cravate!’ klaagde André. ‘Hij is geruïneerd!’

‘Hsss!’ Ik trok het verband extra strak aan wat aan hem een kreet van pijn ontlokte. Hij was bijna dood geweest, en wat deed die dwaas? Hij klaagde over een kledingstuk! André!

Het was onmogelijk voor André bleker te worden dan hij al was, maar vers zweet parelde over zijn voorhoofd.

‘Barymore? Is hij…?’

De schaduw van Richard Portman viel over ons. ‘De heer Barymore is dood. Ik stel voor dat u deze plek verlaat. Ik zal zorg dragen voor het lichaam.’ De man met de bolle wangen en de grote snor legde André’s schoongeveegde sabel in diens schoot. ‘Het is afgelopen, de zaak is gesloten. U kunt op mijn discretie rekenen.’

Richard Portman hielp André overeind maar André weigerde verder zijn steun in de wandeling naar de koets. ‘Ik ben in orde!’

Natuurlijk was hij dat helemaal niet en tijdens de tien, vijftien stappen bleef ik aan zijn zijde om hem op te vangen – nou ja om zijn val te verzachten – wanneer zijn krachten het zouden begeven. Wonder boven wonder haalde hij ongedeerd de koets. Dit keer klom hij op bank en ik op de koets.

‘Monsieur, madame.’ Richard Portman nam als groet zijn hoed af. De set sabels legde hij naast André op de bank.

Ik vroeg mij af wat hij met de wapens van Simon Barymore zou doen. Overhandigen aan zijn weduwe, als hij die had? Ik bleef echter niet te lang aarzelen. Ik spoorde het paard aan en de wagen zette zich in beweging.

 

***

 

De wond was weer gaan bloeden toen we thuis kwamen, maar niet heel erg hard. André wist de sofa in de salon te halen en zakte daar ineen.

‘Ik ga een dokter halen, de wond moet dichtgenaaid worden.’ En de koets moet nog terug worden gebracht, en is er genoeg te eten in huis? Als ik een moment stil had gestaan, was ik verbaasd geweest over mijn eigen besluitvaardigheid. In tijden van nood leert men zichzelf kennen.

‘Ja, maar help mij eerst hieruit.’

Ik dacht dat André zijn hemd bedoelde. Het was ook zijn hemd, maar nog meer. Onder zijn hemd ontdekte ik een borstplaat. Het stalen ding was strak op André’s borstkas gebonden. Het had de vorm van een normale mannelijke borstkas en was dezelfde kleur geverfd als André´s huid. Er waren zelfs kleine borsthaartjes opgeplakt en twee tepels die bij nadere beschouwing gemaakt waren van geverfde puntjes klei. Het pantser viel nauwelijks van echt te onderscheiden. Van het hart naar de zijkant, de kant van André’s gewonde arm, liep een kras. Alsof de punt van een sabel er langs was geschuurd…

‘Wat is dit?’ vroeg ik verbaasd. Het pantser leek zo… zo onecht, onmogelijk. Maar toch voelde ik het metaal massief in mijn handen.

‘Dat heb ik afgelopen nacht laten maken. Het heeft een klein fortuin gekost, maar het was het waard.’

‘Maar…’ Ik zweeg. André leefde nog, Simon Barymore was dood. Zonder deze bedriegerij had ik misschien nu alleen hier gezeten. André leefde nu nog… Eer? Malo mori quam foedari… Niet echt dus. Maar woorden waren enkel woorden. André leefde en dat was wat telde. De eer mochten ze houden.

Uit mijn herinneringen van mijn vorige levens putte ik de naam van een goede arts. Ik borg het pantser op en met een laatste blik op André ging ik een dokter halen.

***

 

André aan de rand van mijn bed. Hoe vaak had ik dat al niet meegemaakt? Dit keer waren de rollen omgekeerd. Ik zat op de rand van zijn bed toen hij wakker werd.

‘Hallo,’ zei hij slaperig.

‘Hallo. Hoe voel je je? Heb je dorst? Heb je koorts? Wil je wat eten?’

‘Hmpf. Gaat wel. Moe.’

Ik voelde zijn voorhoofd. Het was niet bijzonder heet, god zij dank. Wondkoorts kon even dodelijk zijn als een zwaard door een vitaal orgaan. ‘Je had behoorlijk wat bloed verloren, zie de dokter. Maar hij heeft enkel het vlees en je spieren geraakt. Je arm blijft een tijdje verbonden en je zal een draagdoek hebben.’

‘Hmpf, geen gezicht zo’n draagdoek. Verpest mijn verschijning.’

Het was gek, maar ik lachte. Voor het eerst deed André mij hardop lachen en dat nog wel aan zijn ziekenbed. De woorden van de modieuze albino fat waren zo ongerijmd dat ik er niet boos om kon worden. Ik kon er enkel om lachen.

André glimlachte mee. Blijkbaar besefte hij hoe belachelijk hij klonk. ‘Misschien nog een mooi litteken dan.’

‘Misschien wel.’ Ik bette zijn gezicht en voerde hem wat bouillon. Het bleef een uiterst gek gevoel dat de rollen nu zo waren omgedraaid. Nadat ik hem had gevoerd – André weigerde door mij verschoond te worden – bleef ik nog even aan zijn bed zitten. ‘André… Waarom heb je dat pantser laten maken? Ik dacht dat je de dood zocht. Een leven zonder Natalie…’ Ik liet mijn woorden wegsterven. Het was alles behalve slim om nu weer over André’s dode geliefde te beginnen. Maar ik moest het weten.

Mijn albino beschermer was een tijdje stil. Hij was niet gewend om zijn gevoelens of beweegredenen onder woorden te brengen. André leefde in een eenzame wereld waarin alleen hij belangrijk was.

‘Ik wil leven,’ sprak hij uiteindelijk. ‘Zelfs zonder Natalie. Ik zal altijd van haar blijven houden, maar ik wil léven. Jezelf doden… Het is laf. Leven is moeilijker, meer eervol.’

Vreemde woorden van een man die net via oneervolle bedriegerij zijn huid had gered, maar ik begreep het. En waar lag uiteindelijk de eer als je jezelf liet doden door een ander? Je leefde om te leven, niet om te sterven. Dat kon altijd nog wel. Ik streek door André’s haren. Vaak was hij een volkomen onmogelijke man en soms haatte ik hem. Maar soms, heel soms, kwamen de gevoelens van Natalie Owen boven en zag ik wat zij had gezien. Maar het waren en bleven zeldzame momenten. Nu André zo spraakzaam was, besloot ik een ander onderwerp aan te snijden wat mij de afgelopen dagen niet los had gelaten. ‘André… Waarom hebben jullie gevochten? Wat is er ooit gebeurd tussen jou en Simon Barymore?’

André maakte een afwerend gebaar. ‘Dat verhaal is nu met Simon Barymore gestorven. Ik wil daar niet over spreken.’

Niet over spreken? Ik had het verdiend te weten wat er aan hand was! Een man was gestorven en André was gewond en ik zou niet weten waarom? Dat was onverdraagbaar! ‘Maar–’ begon ik.

‘Basta!’ kapte André mij af. ‘Barymore is dood, ik leef. Dat is het enige wat telt! Ik heb het er niet meer over.’

Nu niet, dacht ik, maar ik krijg het wel een keer uit je. Ooit.

Maar ik kwam het nooit te weten.