web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Science Fiction

Genres

Category Archives: Science Fiction

Fluxloos : Mike Jansen

Zoals Akrim het vertelde, was de wereld ooit een paradijs, bewoond door mensen zoals wijzelf. Niemand geloofde hem echt. Ik hing altijd ademloos aan zijn lippen. Drie dagen was het langst dat hij bleef, het langst zonder dat de stam een claim op hem kon leggen en zijn werk of bezittingen voor het nut en goed van het volk kon inzetten. Dat was traditie, een over­blijfsel van oeroude tijden toen mensen in huizen woonden en zonder bescherming met voertuigen over land, door de lucht en over zee voeren. Drie dagen lang nam ik al zijn kennis in me op en door de jaren heen maakte ik me het geheel eigen.

‘Dit is het laatste jaar dat ik jullie bezoek, Tanmee,’ zei Akrim. Zijn haar was spierwit en hij liep moeilijk. Zijn rechteronderbeen was sinds kort keramisch. Een tijdelijke storing in zijn fluxer, waardoor grijze fagen hun kans zagen en zich zijn basismateriaal toe-eigenden.

‘Akrim,’ zei ik, ‘wie zal dan de stammen vertellen over de tijd voor de Wildering? En bij welke stam sluit je je aan?’

Akrim schudde zijn oude hoofd. ‘Ik heb gereisd van Svarfallaken in het hoge Noorden tot de vrijstaat Gibraltar in het verre Zuiden, waar de oceaan begint en de mensen raar praten. Mijn kennis heb ik over­gedragen. Ik zal niemand tot last zijn. Mijn volgende reis doe ik zonder fluxer.’

Ik keek hem met wijd open ogen aan. ‘Dat is zelfmoord. Niemand heeft ooit meer dan een paar kims gered zonder afweer.’

De oude verteller glimlachte vermoeid. ‘Eenvoudig wordt het niet.’

‘Maar al je kennis…’

‘…is overgedragen aan jou en anderen. Toch is er iets dat ik zou willen vragen, een gunst, Tanmee.’

Ik knikte gretig.

Uit zijn rugzak haalde Akrim een bundel die hij voorzichtig losmaakte. In een canvas doek lag een vijftal duidelijk door mensen gevormde onderdelen. ‘Ik geloof dat deze voorwerpen een sleutel vormen tot ons verblijf op deze wereld. Het is alleen niet compleet. Ik vermoed dat het Fraunhofer de laatste stukken heeft. Dat vertelde een vriend in Münster me, Andreas. Een van zijn voorouders werkte daar.’

‘Wat is het?’ vroeg ik.

Akrim haalde zijn schouders op. ‘Dat vertelde het verhaal niet.’ Hij wees een goudkleurige bol aan. ‘Dit is de kern. Er zijn zes gaten, voor een zestal modules.’ Hij pakte het tweede stuk metaal op dat gitzwart was en zwaar leek. Het paste perfect in een van de zes gaten. Hij liet me zien hoe ik de module kon ontkoppelen. Een voor een koppelde hij de andere stukken in de bol.

‘En wat is Fraunhofer?’

Akrim glimlachte. ‘Fraunhofer was een onderzoeksinstituut voor hoogtechnologische uitvindingen.’

‘Wat ga je ermee doen?’ zei ik.

Akrim schudde zijn hoofd. ‘Je stelt de verkeerde vraag. Wat ga jíj ermee doen?’ Hij schoof het canvas met de onderdelen in mijn richting, samen met zijn favoriete gedichtenbundeltje met werken van beroemde dichters. Hij stond op, glimlachte en legde zijn hand even op mijn hoofd. ‘Ooit droomde ik van de sterren. Ik las de boeken van voor de Wildering, de visie van toen, het koloniseren van de ruimte, technologische wonderen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Soms moet je je dromen bijstellen.’

Het was de laatste keer dat ik hem zag.

 

#

 

Drie jaar later, bij het groenen van de bomen, was ik klaar om te vertrekken van het eiland Hilversum, waar mijn stam toevlucht had gezocht voor het rijzende water en de immer zoekende fagen. De resten van de stad waren voorzien van een uniforme, zwarte verflaag die licht omzette in elektriciteit die op zijn beurt de fluxlijnen, die rondom het eiland gespannen waren, actief hield.

Hoewel er in vijf jaar geen fagenschrik was geweest, liepen alle stam­leden rond met hun persoonlijke fluxer. Gewoon, voor het geval dat. Levend verslonden worden door nanomachines was geen aantrekkelijk vooruitzicht.

De jaren sinds het vertrek van Akrim had ik besteed aan het zoeken naar informatie in de restanten van het ooit alomaanwezige Internet over de voorwerpen die hij me had toevertrouwd. Een frustrerende activiteit omdat veel van de kennis die ik zocht elders stond – als het nog bestond – en er enkel informatie óver de informatie stond in de catacomben van Hilversum, waar computersystemen van voor de Wildering nog steeds werkten.

Naarmate ik meer vond en meer begreep, drukte het belang van de voorwerpen steeds meer op mijn gemoed. Het apparaat had de oplossing moeten zijn voor de uit de hand gelopen experimenten met nano­technologie. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, was niet te vinden. Wel vond ik namen van instituten in steden waar gewerkt was aan de oplossing. Op een oude kaart van Europa markeerde ik de antieke benamingen: Hamburg, Hannover, Dresden, München, Berlin.

Voor mij leek de meest optimale manier die steden te bezoeken, via de lucht te reizen. De enige manier om nog een spoor van de overige componenten te vinden in de tijd die ik had. Van een oude, verroeste fiets maakte ik een dragend frame en met behulp van de printers en oude computervoorraden construeerde ik een opvouwbare draagvleugel bedekt met dezelfde verf die overal in Hilversum was gebruikt. Tijdens het vliegen moest die stroom genereren en mijn noeste trappen op de pedalen ondersteunen, naast het in stand houden van de fluxlijnen die door het hele geval waren geweven tijdens het printen.

Natuurlijk kwamen de stamoudsten achter mijn plannen. De dag voor ik wilde vertrekken bezochten ze me in mijn werkplaats, twee vrouw en een man sterk.

‘Tanmee Jansdochter,’ sprak Jelte Vriesman, de oudste vrouw van het stel, ‘ons is ter ore gekomen dat je van plan bent te gaan reizen. Ik spreek voor ons allen wanneer ik zeg dat we je willen verzoeken dat plan op te geven.’

Ik keek op van de kaarten die ik net bestudeerde voor het eerste deel van mijn reis. De gezichten van de stamoudsten leken gespannen. ‘Ik zie geen enkele reden om te blijven,’ zei ik.

‘Wij zien er enkele,’ legde Hans Gortsen uit. ‘Het aantal vrouwen dat geboren wordt, is beperkt. Je bent nu van huwbare leeftijd. Daarnaast, je bent handig met de oude techniek en je werkplaats levert de stam waardevolle diensten.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Anderen kunnen dat ook.’ Ik keek hen aan, wetend dat ze het vuur in mijn ogen zouden lezen. ‘Ik heb de verhalen van Akrim en zijn voorgangers in mijn hoofd. De droom van de Oude Wereld, voor de Wildering, waarin mensen konden gaan en staan waar ze wilden. Die verhalen moeten verspreid worden. Mensen zoals wij, jong en oud, moeten weten dat er meer is geweest dan nu. Dat we niet zomaar de resten van een geavanceerde beschaving zijn, maar juist het begin van een nieuwe, betere beschaving van mensen. Daarom moet ik gaan.’

Jelte keek opzij naar Hans en naar Fride Bouazhati. ‘Wij geven geen toestemming. Je kunt niet gaan.’

Ik lachte. ‘Dat kunnen jullie niet beslissen.’

Fride glimlachte minzaam. ‘Dat is correct. Maar de stamraad komt morgen bijeen, dan wordt een bindend advies uitgebracht. Dat betekent dat je hier blijft en een huwelijk aangaat. Desnoods gedwongen.’

Ik voelde mijn bloed ijskoud worden. ‘Ik dacht dat Hilversum een vrijstaat was?’

Fride schudde haar hoofd. ‘Vrijheid is kostbaar. Er bestaat ook zoiets als het grotere goed en het voortbestaan van de stam, om van onze tradities maar niet te spreken.’

‘Is dat jullie laatste woord?’

Fride knikte. De andere twee voegden zich bij haar. ‘Om er zeker van te zijn dat je geen rare gedachten krijgt, is een tweetal wachters buiten opgesteld om je hier te houden.’

Ik haalde nonchalant mijn schouders op. ‘We zullen zien wat de stam­raad morgen te zeggen heeft als ik mijn zaak presenteer.’

 

#

 

Zodra de drie mijn werkplaats verlieten, begon ik mijn ontsnapping voor te bereiden. Ik was vooral niet van plan me over te leveren aan de genade van de stamraad. Ik vermoedde dat de uitslag van die bijeenkomst al vaststond.

Buiten mijn raam zag ik inderdaad twee wachters met wapenstokken staan. Mijn persoonlijke printer en printvoorraden zaten al op mijn fiets gemonteerd. Mijn tas met proviand lag voor me klaar. En de modules van Akrim, natuurlijk.

Ik wachtte tot het goed donker was voor ik het luik in mijn werkplaats opende en door de lage gang kroop die me tot in het bos voerde. Mijn fiets stond een stuk verderop, de vleugels ineengevouwen.

Ik installeerde me in het voertuig en fietste naar het strand waar ik de vleugels uitvouwde. Met de energie die overdag was opgeslagen en flink wat spierkracht, wist ik het gevaarte de lucht in te krijgen. Binnen tien minuten hijgde ik als een blaasbalg, maar stoppen was er boven open water niet bij.

Een zacht westenbriesje tilde me hoger waardoor ik rustiger kon trappen en op adem kon komen. In het heldere sterrenlicht zag ik de ondergelopen weilanden, dorpen en steden waarvan punten van daken nog net zichtbaar waren en een enkele vervallen torenflat als eenzame rots boven het water uitstak.

Ik trapte de hele nacht door tot ik bij het ochtendgloren in het oosten de heuvels van de Veluwe zag opdoemen. De vleugels deden hun werk en begonnen stroom de propellers in te voeren zodat ik eindelijk kon rusten en op mijn gemak de omgeving kon bekijken.

Ooit stonden er bomen op de Veluwe, loof- en naaldbomen, struiken, verschillende grassen. Nu was het een woestenij van opvallende heuvels waarop fractalstructuren groeiden. Ik herkende ze als een aangepaste soort naaldboom. Nauwelijks agressief dus redelijk ongevaarlijk voor mensen.

Een vlak stuk terrein met zand en zielige korstmossen op de top van een heuvel leek een goede plek om te landen. Ik stuurde mijn fiets ernaartoe en landde elegant zonder over de kop te slaan. Vlak voor ik de grond raakte, fluxte ik. Zodra ik stilstond fluxte ik nog maar een keer. Zekerheid voor alles. Een faaginfectie of een verdwaalde Von Neumann kon snel veel schade aanrichten.

Ik controleerde de batterijen van mijn eigen fluxer voor ik afstapte. Naar het westen lag de zee met ergens over de horizon mijn thuis, Hilversum. Ik haalde diep adem. De lucht rook naar vrijheid.

Een taai stuk plat brood en een homp harde kaas vormden mijn ontbijt. Terwijl ik kauwde bekeek ik de kaarten die ik had meegenomen. Fraunhofer, had Akrim gezegd. Maar welke? Ik was er snel achter­gekomen dat er dozijnen locaties waren in het voormalige Duitsland. Maar moest ik die allemaal bezoeken om te vinden wat ik zocht? En hoeveel tijd wilde ik besteden aan zoeken naar dat ene Fraunhofer instituut dat mogelijk de laatste stukken bezat en hoe moest ik ze daar dan vinden?

Voor het eerst in lange tijd voelde ik me overweldigd door mijn omgeving. De wereld was verdraaid groot en ik vermoedde dat ik me nauwelijks voldoende had voorbereid. Mijn gedachten dwaalden af naar Akrim die jarenlang van stam naar stam was getrokken en waar hij ook kwam vertelde over diezelfde grote wereld.

Ik haalde diep adem en keek nog eens om me heen. Grondmos, niet of nauwelijks veranderd sinds de Wildering. Naaldbomen, veranderd, aangepast door een faag die de bomen in bizarre patronen liet groeien, die raar genoeg weer uiterst efficiënt waren met fotosynthese.

Wat ik vooral veel zag was grijze as, alsof er lang geleden een niet aflatende brand gewoed had. Dat was alleen niet zo. Het waren de overblijfselen van tientallen soorten nanomachines, fagen en retro­virussen die elkaar bevochten hadden en dat misschien nog wel deden.

Allereerst had ik rust nodig. Voorzichtig legde ik fluxlijnen rond mijn voertuig en mijn slaapzak en sloot die aan op mijn verklikkers. Bij zelfs de minste bedreiging zouden die de flux activeren die alle elektronische leven zou uitschakelen. Voor organische bedreigingen was ik niet bang.

 

#

 

In de loop van de middag waren de batterijen van mijn voertuig vol, had ik geslapen en gegeten en was ik klaar voor de volgende etappe van mijn reis. Het leven lachte me toe en ik voelde me opperbest.

Akrim had me verteld van de enclaves die nog overeind stonden. Ver voorbij Korf Apeldoorn en de fractalbomen van Hengelo lag nog het vredige Münster, omringd door grachten en stalen fluxhekken die bijna als een koepel de bewoonbare gedeelten omsloten.

Met schijnbaar moeiteloos gemak sprong mijn voertuig de lucht in, gedragen door de elektrische propellers en de opstijgende lucht boven de open plekken van de Veluwe. Vanuit de lucht vormden de bossen ingewikkelde, zichzelf herhalende patronen. Ik herkende overwoekerde dorpjes waar alleen nog de ijzerskeletten van betonnen structuren overeind stonden. Het beton was lang geleden weggevreten en als grondstof voor iets anders gebruikt.

Voorbij de Veluwe begon een zoutmoeras dat bij vloed onderliep, zoals nu het geval was. Hier en daar staken nog plukken hardnekkig gras boven de kabbelende oppervlakte van het water uit. De zee was nauwelijks aangetast door de Wildering, alsof het zoute water door fagen en nano­machines niet gewaardeerd werd.

Ik hield een paar mistflarden angstvallig in de gaten, tot de wind ze van me wegvoerde. Als ze toch mijn kant op waren gekomen, tegen de wind in, dan waren het grijze fagen. Van het soort dat af en toe in Hilversum neerdaalde en dat in voorbije decennia nog regelmatig slachtoffers eiste. Niet iedereen had altijd een fluxer bij zich in de relatieve veiligheid van het eiland.

De landschappen die onder me voorbij gleden waren een mengsel van elkaar beconcurrerende nanoculturen die elk hun eigen forten en bouw­werken printten, bezaaid met planten, schitterende zonnecellen, combi­naties daarvan of ondefinieerbare uitsteeksels. Geen plek om langs te lopen en al helemaal niet zonder fluxer.

Een enkele keer moest ik uitwijken voor een collectie buizen die pluizige, grijsroze ballen de lucht in schoot toen ik in de buurt kwam.

Tegen de avond tekenden zich de immense structuren van de fractal­bomen van Hengelo af, de bovenkant die als een parasol over het land uitwaaierde nog verlicht in de ondergaande zon, de stam, honderden meters dik, verborgen in de duisternis.

Mijn landingsplaats koos ik met zorg uit, een klein eiland in een langgerekt meer. Er groeiden nog normale bomen en gras. Ik moest goed kijken om te zien dat er wel degelijk fagen en nanomachines aanwezig waren, maar ze leken samen te werken met de bomen en het gras en toen ik langsliep bewoog niets, alsof ze me negeerden of niet interessant vonden.

Voor de zekerheid fluxte ik toch de plek waar ik ging slapen en spande de draden die agressieve fagen uitschakelden.

Op mijn rug gelegen staarde ik naar de westelijke hemel die van melkblauw naar lichtroze en uiteindelijk donkerpaars kleurde. Langzaam vertoonden zich sterren naarmate de zon verder achter de horizon verdween. Ik voelde de ironie van het staren naar de lichtjes die ooit verbleekten in het licht dat de steden van Holland uitstraalden en de spilzucht van de inwoners die in hun overmoed zelfreplicerende machines bouwden en vervolgens de controle kwijtraakten over hun creatie. Een Frankenstein van wereldproporties, gevoelloos en vrijwel onschendbaar.

Het bracht mijn gedachten op de Wildering, op mijn grootouders die het verzwelgen van hun wereld meemaakten. Hoe vonden zij het idee dat hun kinderen een wereld erfden die zo radicaal anders en vijandig was geworden? Voelden ze schuld? Probeerden ze tot het uiterste hun nakomelingen te beschermen? Ik herinnerde me de woorden van mijn eigen vader die vertelde hoe zijn vader een nano-uitbraak met een persoon­lijke fluxer wilde tegenhouden terwijl zijn gezin probeerde in veiligheid te komen.

Ik voelde even aan mijn tas, aan de geruststellende bobbel van het apparaat waarvan Akrim beweerde dat het een oplossing was. Maar waarvoor? Voor de problemen met de fagen en nanomachines? Fraunhofer had de leiding over projecten om de Wildering tot staan te brengen en zelfs om te keren. Het was blijkbaar niet gelukt. Of misschien wel, maar waren de stukken te laat bij elkaar gekomen.

Ik zuchtte. De kans dat ik iets zou vinden was extreem klein. De kans dat het dan zou werken zo mogelijk nog kleiner. Ik huiverde bij de gedachte aan het alternatief: gedwongen huwelijk. En dan waarschijnlijk met een van die griezels van zonen van de Jacobsen. Nee, dan liever de vrijheid van de buitenwereld, hoe gevaarlijk ook.

Bij het licht van sterren en maan las ik nog een paar gedichten van Bilderdijk, sonnetten van Kloos, een stukje Vondel, en herinnerde me de lof die Akrim over hun werk uitsprak.

 

#

 

Ik werd wakker met de zon in mijn ogen. Mijn fluxlijnen waren niet afgegaan en ik voelde me uitgerust, klaar voor een nieuwe etappe op mijn reis naar een onbekende bestemming.

Om me heen bewoog gras in wulpse kronkelingen. Ik herkende het als paaldansgras, een onschuldige adaptatie.

Op mijn kaarten zag ik het oude Münster. Er was wat wind en vanuit het westen trok bewolking landinwaarts. Er zou minder licht zijn om me te helpen vooruit te komen, maar de wind mee compenseerde dat. Ik zou vandaag nog in Münster aan kunnen komen, mogelijk zelfs bij daglicht, zodat ik nog vragen kon stellen en op onderzoek uit kon gaan.

Ik inspecteerde de vleugels van mijn voertuig en ontdekte een paar kleine koloniën nanomachines die probeerden zich in te vreten in de verf. Een korte flux sloot ze kort en ik kon de grijze as zonder moeite weg­vegen.

Voor de zekerheid inspecteerde ik ook mijn kleren en huid. Alles leek schoon. Gerustgesteld vervolgde ik even later mijn weg en liet ik de fractalbomen achter me.

De Duitse laaglanden waren stil en kaal. Het groen dat ik tegenkwam behoorde tot amorfe ingekapselde dorpjes die met elkaar verbonden leken. In de groene gelei zweefden hier en daar nog menselijke skeletten die in het drillen van het materiaal een macabere dans leken uit te voeren.

Beekjes die ik onderweg tegenkwam waren overwoekerd door bloed­rood onkruid dat actief voelers uitsloeg en waar het houvast kreeg, daar sleepte de massa stengels en bladeren zich naartoe, waarbij het een spoor van kale, doodse aarde achterliet.

Ooit was dit vruchtbare grond. Groene weiden, akkers, boomgaarden en boerderijen. Akrim had me erover verteld. Gedurende zijn leven zag hij de wereld sneller dan ooit veranderen, de oude natuur vervangen door nieuw, semilevende structuren, die eigen regels volgden die niet overeenstemden met de lokale flora en fauna. Ergens verlangde ik naar die wereld, die veilige omgeving waaraan de mens zich aanpaste en die de mens ook weer aan zichzelf aanpaste. Tegelijk was ik gefascineerd door de complexiteit, veelkleurigheid en ingeniositeit van deze door onszelf geanimeerde indringers.

Halverwege de middag zag ik de karakteristieke stalen hekken en de daarmee geconstrueerde koepelvorm waaronder delen van Münster lagen, veilig binnen een hoogspanningsnet dat elektronisch en semi­organisch leven doodde. Er was iets mis.

De ramen van de huizen waren net zo donker als de niet omheinde stad zelf en woekerende massa’s hadden bezit genomen van de onderste lagen van de hekwerken. Ik concludeerde vrijwel meteen dat ze een ongeluk­kige stroomuitval hadden gehad, een die niet snel genoeg opgelost kon worden. In mijn gedachten vloekte ik zachtjes. Als het spoor hier doodliep, kon dit meteen het einde van mijn reis zijn. Of als ik ten prooi zou vallen aan wat de inwoners te pakken had gekregen. Toch besloot ik mijn voertuig een eindje van het stadje aan de grond te zetten.

Met een extra fluxbatterij wandelde ik naar de rand van de hekwerken. Er voorbij lagen de huizen, de meeste voorzien van kweekbakken en tuinen waar nog rottende groenten stonden, voor zover die niet geabsorbeerd waren door fagen of nanomachines.

De poort stond open. De grond was bedekt met grijze as, dus ik fluxte met regelmaat om nanomachines geen kans te geven. Binnen de stalen koepels heerste een diepe stilte, alsof alle leven verdwenen was. De nieuwe heersers over de Aarde spraken in het elektromagnetische spectrum. Tot ik de hoofdstraat –letterlijk Hauptstrasse volgens het bord- inliep en een diep, spookachtig kreunen hoorde dat me kippenvel bezorgde.

Ik bleef heel stil tot ik het kreunen weer hoorde en een richting kon bepalen. Een paar huizen verderop stond een deur half open. Ik liep er naartoe en ging voorzichtig naar binnen. Het plafond van de hal van het huis was bedekt met liaanachtige structuren bezaaid met gele bloemetjes die me in het voorbijgaan volgden. Een dikke vertakking liep de woon­kamer in. Bij binnenkomst zag ik een halfvergane sofa en een over­woekerde boekenkast waarvan de inhoud vrijwel geheel was verdwenen op enkele dikke werken na. Die lianen houden niet van zware lectuur.

Toen ik weer weg wilde gaan zag ik de andere muur, die volledig bedekt was met lianen. Midden op de muur stak een gezicht tussen de lianen en de bloemetjes door. Het was grauw en leek van pijn vertrokken. Een plukkerige baard en dikke wenkbrauwen deden me vermoeden dat het een man was.

Ik zag het gebeuren, toch schrok ik toen zijn mond openging en het klaaglijke geluid produceerde dat ik eerder gehoord had.

‘Meneer! Meneer! Wat is er aan de hand?’ Ik wist niet eens of hij Hilversums sprak, maar zijn kreunen wekte een diep gevoel van medelijden in me.

Zijn ogen vlogen open, de pupillen groot en zwart. Ik denk dat hij me zag. Zijn mond opende zich als een vis die naar adem hapte. ‘Hilf michhh…’

Ik bekeek de lianen die over hem heen liepen. Ze waren versmolten met zijn lichaam waarvan het vlees grotendeels was verdwenen. Zijn organen lagen in kleine holtes in de muur van groen.

‘Ik… ik kan niets doen.’ Ik wist niet of hij me verstond, tot hij me antwoordde.

‘Ich weiß.’ Hij leek te denken en zei in een andere stem. ‘Iek weet. Hab Durst.’

Ik goot water uit mijn veldfles zijn open mond in en liet hem drinken. Water stroomde door zijn open keel langs de lianen naar beneden. ‘Beter zo?’

‘Ja. Danke.’ Weer een andere stem.

Ik zag hem zijn ogen weer sluiten. ‘Ik zoek een Fraunhofer instituut. Waar onderzoek naar fagen en nanomachines werd gedaan. Weet u iets?’ Hij leek te slapen. Ik wilde nog iets zeggen toen hij zijn ogen weer opende.

‘Anfang von alles war Dresden. Hat mir Andreas gerade erzählt. Tabula rasa.’

Ik huiverde even bij zijn woorden. ‘Daar werd onderzoek gedaan. Ik wist niet dat Dresden het begin van de Wildering was.’ Ik zuchtte. Misschien was het de juiste plek. Of het nog bereikbaar was als het de oorsprong van de Wildering was, dat zou ik dan moeten uitvinden. Het was de beste aanwijzing die ik tot nu toe gevonden had.

De ogen van de man draaiden weg in zijn kassen. ‘Es kommt. Geh weg. Raus!’

Er trok een trilling door de lianen. Voor mij een teken snel te maken dat ik wegkwam. Ik twijfelde of ik de onbekende man achter moest laten. Moest ik hem de genade van de dood schenken? Ik dacht aan de andere stemmen die uit zijn mond klonken en ik vermoedde dat hij niet zo alleen was als hij leek.

Buiten kleurde de lucht zalmroze door de ondergaande zon die de wolken van de onderkant aanscheen. Ik kreeg een unheimisch gevoel in de lege straten van Münster, alsof ergens iets of iemand op de loer lag, klaar om me te bespringen op het moment dat mijn waakzaamheid een moment verslapte.

Met mijn vingers op de fluxschakelaars haastte ik me de dode stad Münster uit. Op voldoende afstand beklom ik een heuveltje en draaide ik me om. In de schemering zag ik lianen als tentakels door de straten zwiepen en gebouwen binnendringen. Ik was net op tijd weer vertrokken.

Hij kende Andreas. En hij meldde dat Dresden de oorsprong was. En tabula rasa? Veel betere aanwijzingen zullen er waarschijnlijk niet komen.

 

#

 

De volgende ochtend at ik wat droge worst. Mijn voorraad eten nam snel af. Ik moest de komende dagen dus ook naar eten zoeken. Ik was her en der nog ongerepte natuur tegengekomen, daar had ik kans op bessen, bramen, appels of tamme kastanjes. Verhongeren zou ik niet, de vraag was of ik niet meer tijd kwijt zou zijn aan het fourageren dan aan het werken aan mijn doel.

Mijn trouwe voertuig sprong weer de lucht in zodra ik begon te trappen. Mijn weg lag vrijwel pal oostwaarts, over de Duitse laaglanden, richting Göttingen en daarna Leipzig en dan, over een dag of drie, Dresden zelf. Wat ervan over was, natuurlijk.

De herinnering aan de man in de muur, opgeslokt door de lianen, knaagde aan mijn gemoed. Ik vroeg me telkens af of ik hem niet toch had moeten helpen, in welke vorm dan ook. Ik twijfelde ook aan mijn vastberadenheid als het om het doden van een medemens ging, hoe slecht eraan toe ook. Dat was dan ook mijn dilemma. Hoe slecht was hij er werkelijk aan toe? Hij werd in leven gehouden. Anderen waarschijnlijk ook. Waarom? Het was een raadsel dat me bezighield terwijl de veranderde landschappen onder me voorbijtrokken.

Ik stak rivieren over die in series buiten hun oevers getreden waren en reeksen kleine meertjes hadden gecreëerd die op hun beurt weer over­woekerd werden door rood en paars riet. Ik vloog bij enkele laag over om de veranderingen aan flora en fauna goed te kunnen bestuderen. Bizarre loopvogels zo groot als een kleine personenauto waadden erdoorheen op telescopische steltpoten en spietsten met schietveren uit hun vleugels kronkelende aal-achtigen die ze vervolgens naar malende metalen snavels brachten die over hun hele lijf zaten. Bijna kwam ik te laag en dat leverde me een vlijmscherpe veer op, die met een klap in de bodem van mijn voertuig terechtkwam.

Een andere keer daalde een wolk libelachtige metalen insecten neer op de vleugels van mijn voertuig. Ik schrok, maar dacht dat ze geen kwaad in de zin hadden. Tot ik de eerste een hap uit de verf zag nemen en de rest, bijna honderd inmiddels, volledig synchroon dezelfde beweging maakte. Ik fluxte mijn voertuig en de nu dode wezens dwarrelden in een wolk van verstijfde vleugels naar beneden waar ze door een van de meertjes werden opgeslokt.

Het waren dit soort momenten dat de twijfel weer bij me opkwam. Ook al zou ik een oplossing vinden, als tabula rasa dat al was, wat zou het effect precies zijn? De op metaal gebaseerde nanomachines zouden stoppen? De fagen sterven? Maar hoe zat het met virussen? Biologische parasieten? Biologische nanomachines? Of was het een lapmiddel? Een manier om de ergste dreigingen voor de resten van de mensheid te verzwakken en ons de mogelijkheid te schenken ons aan te passen zodat we uiteindelijk ook weer de natuur naar onze hand konden zetten, zoals we eerder succesvol gedaan hadden?

Ongunstige wind en gepieker maakten me moe. Bijna miste ik de naderende zonsondergang. Vlak voor Göttingen vond ik gelukkig een open plek waar ik mijn voertuig liet landen. Er naderden donkere wolken en niet veel later begon het te druppelen. Ik fluxte de grond om me heen en trok snel een transparant zeil over het voertuig en over mezelf en maakte van binnenuit mijn bescherming vast met een stel haringen. Net op tijd voor het echt begon te stortregenen. Daarna ging ik maar weer in de stoel zitten omdat ik verwachtte dat de grond snel doordrenkt zou raken. Ik voelde me teleurgesteld omdat ik vanavond de sterren niet zou zien verschijnen.

 

#

 

Ergens was ik in slaap gevallen. Ik werd wakker van gekwetter en gefluit. Het was alweer licht. Ik keek om me heen en zag dat de grond inderdaad doorweekt was en alles was klam. Door een lek in het zeil was regenwater naar binnen gelopen en langs mijn rechterarm op de bodem van mijn voertuig gekomen, waar gelukkig afvoergaatjes zaten juist voor die gelegenheden. Ik hoopte maar dat de wielen niet vast zouden blijven zitten. Ik rekte me uit en zag nu dat de open plek niet langer open was.

Om mijn voertuig heen stonden tientallen bomen en boompjes, tot vlak bij het zeil dat over mezelf en het voertuig gespannen was. Blijkbaar waren ze er gedurende de nacht gegroeid. Of ze hadden zich naar me toe bewogen op een manier die ik niet kon verklaren. Gelukkig had ik me voorbereid.

Ik rolde het zeil op en borg het op terwijl de bomen nieuwsgierig bleven kwetteren en fluiten. Vervolgens klapte ik de vleugels in en rolde mijn voertuig tussen de stammen door tot ik een plek vond met voldoende open ruimte om op te stijgen. Met mijn fluxer liep ik over het pad dat ik wilde volgen tot ik bij een groene liaan kwam die over het pad lag. Een liaan met kleine gele bloemetjes.

Ik hield mijn adem in terwijl ik voorzichtig achteruit stapte. Ik hoopte maar dat het bij daglicht minder actief was. Snel vouwde ik de vleugels weer open, zette ze vast en stapte in. De aanblik van de man in de muur had me erger geschokt dan ik aanvankelijk dacht. Het idee van gegrepen te worden door een vergelijkbare entiteit liet me bibberen. De elektrische propellers zette ik meteen op vol vermogen en ik voegde mijn eigen spierkracht erbij, zo hard als ik kon met de pedalen.

Vlak voor de plek met de liaan trok ik mijn voertuig de lucht in. Onder me zag ik de liaan vergeefs omhoog zwiepen en net te kort komen om me te raken. Pas voorbij de eerste honderd meter stijging werd ik iets kalmer en het binnenvallende zonlicht hielp daarbij.

Ver onder me begon de stad Göttingen zelf. Het was een donkergroen gat geworden, vele tientallen tot honderden meters diep aan over­woekerde gebouwen die verzonken waren om wat voor reden dan ook. Ik zag ook de grote varianten van de liaan die ik eerder gezien had, meters­dikke stengels die alles verstikten, overdekt met dezelfde gele bloemen. De groene zee onder me leek te bewegen in een hypnotisch ritme, als de gelijkmatige ademhaling van een slapend mens. Ik trapte harder en stuurde mijn voertuig hoger, geholpen door een warme wind die uit het gat opsteeg. Hetzelfde unheimische gevoel dat ik in Münster had, voelde ik ook nu weer. Ik was blij de stad achter me te kunnen laten.

Tegen het middaguur begon de koorts. Eerst kwam de misselijkheid, gevolgd door rillingen door mijn lijf. Mijn spieren weigerden af en toe en mijn voertuig zweefde gezapig verder op het licht van de zon.

Ik voelde dat er iets goed mis was toen mijn rechterarm stijf werd en me niet meer gehoorzaamde. Mijn trui zat strak om het opgezwollen ledemaat. Op een verlaten, kale akker zette ik mijn voertuig aan de grond. Ik pakte mijn verbanddoos met mijn linkerhand vanachter mijn stoel en opende het doosje onhandig. Er zaten verschillende antibiotica in en een verbandschaar. Voorzichtig knipte ik mijn mouw los totdat mijn arm zichtbaar was.

Ik moest een paar keer slikken toen ik besefte dat het een faaginfectie was, een sluipmoordenaar die je overal kon oplopen, maar die met een fluxer kon worden verstoord als je er snel bij was. En ik droeg het al minstens een halve dag mee. Mijn huid was op plekken grijs geworden en er liepen geometrische patronen overheen alsof er een soort elek­tronische schakelingen werden gebouwd.

Is dit dan mijn einde? Woede. Het kan niet. Zo mag het niet eindigen! Alternatieven. Kan ik mijn arm amputeren? Maar hoe moet ik dan verder?

Ik rommelde in het doosje en bekeek een voor een de antibiotica die erin zaten. Geen ervan was geschikt voor fagen. Wat wel? Wacht… Ik pakte mijn fluxer en plaatste die op mijn arm. Meteen schoot een pijnscheut door mijn gehele lijf waardoor al mijn spieren verkrampten. Ik drukte af en de pijn verdween, tegelijk met de spierkrampen. Ik drukte nog een keer, hoewel ik wist dat ik niet alles te pakken zou krijgen. Toch bleef ik afdrukken, telkens op andere plekken op mijn lichaam, tot mijn batterij leeg was

Op dat moment kwam er een gedachte in me op: Tabula Rasa. Als ik dit wil overleven dan moet ik haast maken. Als het mijn hersenen bereikt of mijn hart aantast, dan is het over. In mijn hoofd maakte ik een schema om elke drie uur of zo vaak als nodig mijn fluxer te gebruiken.

Ik vloog verder tot ik tegen de avond weer misselijk begon te worden. Leipzig leek een dode stad die als brokkelige zwarte tanden uit het landschap oprees. Een verlaten zesbaans snelweg die langs de stad liep was een perfecte plek om te landen.

De grijze plekken op mijn arm waren verder uitgebreid en ik voelde de warmte op verschillende plekken in mijn lichaam waar de faag zijn werk deed. Ik fluxte mijn lichaam weer uitgebreid en voelde me meteen beter. Gelukkig was mijn batterij dankzij overvloedig zonlicht vandaag genoeg opgeladen.

Ik overwoog in het donker verder te vliegen, zoveel haast had ik, maar het licht van de sterren was niet voldoende om bij te navigeren. Bij daglicht waren mijn kaarten goed leesbaar en kon ik het landschap onder me nog wel identificeren om mijn plaats te bepalen. In het donker was dat onmogelijk.

Lopen was moeilijk. Ik voelde een onredelijke angst dat mijn benen ook aangetast waren, tot ik besefte dat ik net weer zes uur aan de trappers had gezeten en hard gewerkt had om mijn gedachten af te leiden. Ik had gewoon spierpijn van de lange, inspannende zit.

Ik at mijn laatste voedsel. De komende dagen zou ik honger hebben. Ik kon alleen maar hopen dat ik ergens oud vergeten blikvoedsel tegen­kwam of ik moest in het wild groeiend fruit zien te vinden. Op dat moment voelde ik me de eenzaamste vrouw op de wereld. Zelfs uitge­huwelijkt worden aan een van de Jacobsen leek even een aantrekkelijk alternatief. Heel even maar. Ik grinnikte even om mijn eigen aversie die sterker bleek dan mijn eenzaamheid. Toch, de situatie was redelijk uitzichtloos. Ik zette mijn klokje op drie uur en probeerde te slapen.

Het indringende gepiep leek vrijwel meteen af te gaan. Ik opende mijn ogen en zag dat het drie uur later was. Bijna moedeloos pakte ik de fluxer en bekeek mijn arm. Ik ging iets rechter zitten. Mijn arm was bijna vrij van de grijze patronen. Ik veegde met mijn andere hand over de laatste plekken die moeiteloos van mijn huid afvielen.

Heb ik de faag gedood? Euforie. Heeft het fluxen geholpen? Realisme. Nee, dat kan bijna niet. Twijfel. Muteert de faag nu? Verandert de strategie? Angst­zweet. Wat als ik onwel word terwijl ik vlieg? Acceptatie en schouderophalen. Een snelle dood is in ieder geval beter dan langzaam opgevreten worden. En altijd beter dan trouwen met een Jacobsen.

Ik zette mijn klokje weer.

 

#

 

De zon viel mijn voertuig binnen en wekte me. Even was ik gedes­oriën­teerd. Ik probeerde een lichte hoofdpijn weg te wrijven tot ik de zwarte ruïnes van Leipzig om me heen zag.

Mijn oog viel op mijn klokje dat anemisch knipperde. Verdraaid, batterij leeg. Angst. Is de faag teruggekomen? Controleer.

Ik bekeek mijn armen en benen, trok mijn trui uit en keek in mijn hemd, tussen mijn borsten. Niets, geen grijze patronen. Ik haalde diep adem.

Opgelucht trok ik mijn kleren weer aan, dronk wat water en startte het voertuig. Moeiteloos gleed ik van de snelweg over de rand en zweefde ik over de resten van Leipzig. De stad was dood, niets bewoog, verroeste autowrakken vertoonden ongeveer de enige kleur in het grauwe landschap.

Ik bewerkte de trappers met energie zoals ik die al dagen niet gevoeld had. Misschien zijn mijn spieren eindelijk aan het tempo gewend.

Een paar kilometer voorbij Leipzig begon een uitgestrekt bos dat nog daadwerkelijk op een bos leek, zoals ik het van plaatjes en uit boeken kende. Ik dacht aan het eilandje in de buurt van Hengelo met de symbiose die de flora en fauna daar waren aangegaan. Dat zou hier ook heel wel mogelijk zijn. Ik was er zelfs vrijwel zeker van.

Urenlang zweefde ik boven het geruststellende groen. Of het nu de aanwezigheid van een oude bekende was, het feit dat mijn spieren eindelijk eens geen pijn deden, de wetenschap dat ik een faag overleefd had of dat ik vlak bij Dresden was, ik voelde me opperbest.

̶  vraagstelling: Designatie? –

Wat is dat? Wie zegt dat?

̶  vraagstelling: Designatie? Naam? –

Ik voelde mijn hart overslaan en ik hapte naar adem. ‘Wie zei dat?’ zei ik nu, hardop. Ik keek om me heen door de plastic ruiten van het voertuig om te zien of er iets of iemand buiten was.

̶  antwoord: Designatie Wij, Ons. Zwerm voldoet –

‘Ik word gek. Of ik ben het al.’ Weer zei ik het hardop, deels om mezelf ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was, deels om te testen of ik wakker was en nog aanwezig in de werkelijkheid.

̶  vraagstelling: Gek worden, uitleg? –

‘Hou nu op, dit is niet leuk meer.’ Ik voelde een brok in mijn keel en de angst die ik eerder voelde toen mijn arm zo was opgezwollen. Is dit nog een effect van de faag?

̶  antwoord: Zwerm is faag –

‘Dit is belachelijk. De faag is dood. Kom op Tanmee, de stress van de afgelopen dagen wordt je teveel, je hallucineert.’

̶ feit: Zwerm begreep aanvallen. Zwerm hergroepeerde. Designatie Tanmee –

Ik drukte mijn handen in mijn ogen. ‘Hou op! Hou op!’

Stilte.

‘Zwerm?’

Stilte.

Ik haalde diep adem. Opgelucht. Misschien hallucineerde ik inder­daad. Voor de zekerheid controleerde ik nogmaals mijn armen en mijn benen. Nergens een teken van infectie. Ik had wel pijn in mijn oog­kassen, waar­schijnlijk door mijn vuisten die ik erin geduwd had.

Onwillekeurig moest ik denken aan het gezicht tussen de lianen. Niet menselijk meer, hoewel met menselijke aspecten. Meer en minder dan menselijk. Maar wat is dan eigenlijk ‘mens’ zijn? Wat is menselijkheid?

Ik was normaal niet zo filosofisch ingesteld dus mijn wantrouwen keerde meteen terug.

Mijn aandacht werd afgeleid door het einde van het bos en het begin van een open vlakte. Aan de horizon tekenden zich de torens van een stad af. Dresden. Een eind aan dit alles. Een nieuw begin, hoe dat er ook uitziet. Als ik de laatste stukken van tabula rasa kan vinden.

Mijn trouwe voertuig daalde in een kalm tempo naar de noord­westkant van de stad waar ooit het vliegveld lag. Of dat er nu nog was of dat het overwoekerd was, wist ik niet. En als ik daar niet kon landen, dan op een van de vele wegen die ik op de kaart van de stad zag. De voornaamste reden dat ik er wilde landen was dat een van de Fraunhofer instituten die ik zocht er in de buurt was.

Het vliegveld was nog toegankelijk. Voorzichtig landde ik op het beton. Onder het half ingezakte dak van een hangar stonden nog enkele oude vliegtuigen, zakenjets voornamelijk, de verf gebladderd, de banden vergaan en de raampjes vergeeld en ondoorzichtig geworden door meer dan een eeuw gebrek aan onderhoud.

Ik was verbaasd hoe weinig er in Dresden eigenlijk ten prooi was gevallen aan nanomachines of fagen, terwijl Akrim en die Andreas beweerden dat de Wildering hier zijn oorsprong had.

Zou er nog eten in die vliegtuigen liggen? Het was een mogelijkheid. De vliegtuigen zagen er verder onaangeroerd uit en sommig vliegtuig­voedsel kon in principe oneindig mee. Had ik me laten vertellen.

Ik duwde een trolley met traptreden naar het eerste vliegtuig en probeerde de deur te openen. Het kreng zat op slot of de deur was na zoveel tijd vastgeroest. Ik draaide en trok zo hard ik kon en voelde uiteindelijk iets meegeven. Met een scheurend geluid opende ik de deur. De handel had ik los in mijn handen, het metaal verwrongen en afgebroken.

Een doodse walm verliet het vliegtuig en ik kuchte een paar keer stevig. Het registreerde dat ik de deur had open gewrongen. Het drong alleen niet meteen door hoeveel kracht dat eigenlijk kostte. De mogelijkheid dat er eten lag overheerste mijn gedachten.

Ik bukte en stapte door de lage deur het vliegtuig in. Een dunne laag stof lag over alles. Ik herkende het als stof, geen restanten fagen of nanomachines. Via het gangpad kwam ik achterin in een kleine kombuis. Ik haalde de kasten overhoop en vond uiteindelijk een paar blikken waarvan de etiketten vergaan waren. Daarnaast dozenvol plastic zakjes met verschrompelde cashewnoten. Ik opende er een en proefde voor­zichtig. Hard, uitgedroogd, maar de smaak was er nog en ze waren niet bedorven. Ik slikte een mondvol weg met een paar slokken water. Godenvoedsel.

Ik leegde de dozen in mijn tas en deed de blikken erbij. Ik kon op onderzoek uitgaan in de stad. Ik legde mijn tas in mijn voertuig en nam enkel een mes en een fluxer mee, een fles water en een paar zakjes cashewnoten. Ik liep het vliegveld over in de richting van de dichtst­bijzijnde wijk. Terwijl ik de gebouwen bestudeerde veranderde mijn blikveld eerst naar een roodachtig beeld, vervolgens naar blauw, daarna werd alles zo helder en scherp dat ik even wankelde. ‘Ho, wat is hier aan de hand?’ Zijn die noten verkeerd gevallen?

̶  feit: Optimalisatie visuele waarneming voltooid –

Wacht, het is er nog steeds. Was het dan toch geen hallucinatie? De gedachte alleen bezorgde me koude rillingen.

̶  vraagstelling: Tanmee processtructuur. Waarschijnlijkheid hoger dan tiendimensionaal negentig procent zeker. –

De vraag overviel me. Enerzijds wist ik nu bijna zeker dat er ‘iets’ in me zat en daardoor raakte ik in paniek. Anderzijds overlegde ik met dat ‘iets’ en dat kalmeerde me weer. Iets. Niet veel. Processtructuur. Hersenen? Ik overwoog slechts enkele ogenblikken mijn antwoord, zonder te weten of mijn gedachten afgeluisterd konden worden. ‘Feit: Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten.’

Het bleef stil. Angstvallig stil.

Ik haalde voorzichtig mijn schouders op, ook al voelde ik me veel minder zeker dan ik me voordeed. Ik liep via de toegangsweg het vlieg­veld af. De straten van Dresden waren een mengsel van hele oude bouw­stijlen, begin twintigste eeuw, afgewisseld met moderne en hyper­moderne gebouwen. Nu waren ze allemaal even smerig, bedekt met mos en wingerd en hier en daar overwoekerd.

Metalige flitsen van af- en aanvliegende insecten waren zichtbaar tussen het groen op de gebouwen.

Vanuit de schaduwen liep ik een open plein op, het zonlicht in. Op dat moment zag het eruit alsof ik een groene vallei binnenstapte, vol van leven en hoop. Zelfs de lucht rook fris, vers, alsof de dag net begonnen was.

Volgens mijn kaart lag het Fraunhofer instituut dat ik zocht een paar straten voorbij het plein. Ik zag een pad door de begroeiing, nam mijn fluxer stevig ter hand en begon te lopen.

Nog geen zes passen verder stopten mijn voeten. Letterlijk.

–Waarschuwing: Vijandige levensvorm gedetecteerd. Halt nood­zakelijk.–

Wat is dit nu weer? Nu voelde ik daadwerkelijk angst. Als de faag mijn lichaam kon tegenhouden, hoe kon ik dan nog weten of ik mezelf wel was?

̶  Opmerking: Speculatie. Zwerm bedoeling goed. –

‘Je leest mijn gedachten. Je bestuurt mijn lichaam. Hoe kan ik je, jullie, ooit vertrouwen?’

Op dat moment brak het plein open en verscheen een nachtmerrie­muil, groen en rood, gevuld met oneindige rijen witte tanden, die vruchteloos een paar keer op elkaar klapte  voor hij weer in het plein wegzonk.

‘Goed,’ zei ik. Ik slikte een paar keer. ‘Het is een begin.’ Ik probeerde een stap achteruit te doen. Dat lukte zonder problemen. ‘Een andere weg dan maar.’

Voorzichtig liep ik om het idyllische plein heen. Ik had ook beter moeten weten. Schoonheid in deze wereld verborg zoals zo vaak een dodelijk gevaar.

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

‘Luister, Zwerm, ik weet niet wat je bent en waarom je in me zit. Ik heb nooit eerder van een geval als dit gehoord. Ik ben in de war, boos, verdrietig, angstig en nog veel meer en ik heb zeker geen zin domme vragen te beantwoorden.’

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

Ik zuchtte. Vasthoudend kreng. ‘Wat ik mooi vind. Wat mijn zicht en gevoel me vertellen dat mooi is.’

̶  feit: Zwerm kent geen concept schoonheid –

‘Jammer voor jullie. En dat meen ik echt.’

̶  feit: Zwerm leert van Tanmee –

Ik lachte kort. ‘Humor. Hou er nu maar over op, ik wil me concen­treren op de straten.’

 

#

 

Het instituut lag een paar kilometer verderop. De straten van Dresden waren merkwaardig leeg, op klimplanten en smerige aanslag op ooit witte gebouwen na. Er stonden geen autowrakken en er lagen geen hopen afval, alsof de stad na de Wildering nog een tijdje was doorgegaan, autonoom, met het verwijderen van auto’s uit de stad en het opruimen van het vuilnis.

Het gebouw dat ik zocht was overwoekerd door verschillende soorten wingerd. De ramen op de onderste verdiepingen waren allemaal in scherven, de ramen in hogere verdiepingen waren gebarsten, maar verder intact en bedekt met een dikke laag mos en algen.

‘Binnenkomen is geen probleem.’ Ik merkte dat ik hardop in mezelf was gaan praten. Ik vermoedde dat de aanwezigheid van Zwerm daar iets mee te maken had. ‘Als andere mensen me nu zien denken ze dat ik knettergek ben.’ Ach, wat maakte het ook uit. Als ik de modules van Akrim kon vinden was dat allemaal voorbij. ‘Maar waar verstop je een project dat van levensbelang is voor de hele wereld?’

Ik vond aan de zuidkant een toegang waarmee ik in de kelder van het gebouw terechtkwam. Ergens in het verleden was een rioolpijp gebroken of geknapt. De resten waren verrot tot een dikke laag pulp waarop in de vochtige atmosfeer paddenstoelen en zwammen waren gaan groeien. Ik fluxte regelmatig, bedacht op beweging en onbekende patronen.

Vanuit de kelder kon ik via een trappenhuis op de volgende ver­diepingen komen. De benedenverdieping was via de ramen over­woekerd door de wingerd. Ik kon moeilijk schatten wat het doel van deze etage ooit geweest was, maar ik vermoedde receptie en administratie. Het interessante spul bevond zich waarschijnlijk op de volgende etages.

Op verschillende deuren en ramen van laboratoria stonden biohazard tekens.  Ik kon me bijna niet voorstellen dat er nog gevaarlijker virussen en biodreigingen waren dan ik buiten kon tegenkomen.

Ik werd een beetje moedeloos van de eindeloze gangen in het gebouw met aan weerszijden dozijnen deuren.

‘Denk na, Tanmee. Je bent onderzoeker, je bouwt ultrageavanceerde, dure technologie die samenwerkt met technologie van andere instituten om een ‘oplossing’ te creëren. Het overleven van de mensheid hangt af van je slagen. Dus je hebt de grootste afdeling met de meeste apparatuur die allemaal is gericht op het uitvinden van de perfecte module, waar je samenwerkt met dozijnen collega’s. En een manager of directeur om de boel aan te sturen. Die een kantoor in de buurt heeft. Met waarschijnlijk een plek om de onschatbaar waardevolle resultaten op te bergen.’

Ik liep meer dan een uur door de gangen tot ik bij een trap naar boven kwam waar iets raars mee was. Een soort toegangssluis en een met glazen wanden en vloeren afgesloten trappenhuis. De toegangssluis was dicht. Erboven stond een enkel teken dat ik meteen herkende. Een hoofdletter H met een pijltje erboven. Magnetische veldsterkte. Oersted. Een fluxer, een hele grote.

Ik drukte op de grote gele knop die in de deurstijl zat. Er gebeurde, geheel naar verwachting, niets.

‘Dan maar met geweld.’ Ik trok mijn mes uit mijn jas en duwde die in de minuscule gleuf tussen de deurhelften. Ik zette mijn voet tegen de deurstijl en duwde, hard. De deur gaf niet mee. Nog harder. Ik voelde beweging en viel vrijwel meteen op de grond, het heft in mijn hand. Afgebroken. Ik zoog op de snee in mijn rechterhand waar ik langs het afgebroken lemmet was gevallen. De deur was wel een halve centimeter verschoven.

‘Verdomme.’ Ik schopte tegen de deur wat natuurlijk geen effect had. ‘Rustig aan, denk na voor je jezelf weer verwondt.’ Ik opende nog maar een zakje cashewnoten die ik met water wegspoelde. ‘Brand. Een bijl.’ Ik was onderweg een paar brandkasten tegengekomen, maar had ze niet geopend. Even later stond ik een verdieping lager bij een rode kast die slechts hier en daar wat roestplekken vertoonde. Het eenvoudige sluit­mechanisme opende direct en naast een halfvergane rubberslang hing er inderdaad een bijl, danig verroest, maar waarschijnlijk nog bruikbaar.

Met hernieuwde energie ging ik de deur te lijf. Een kwartier later werd ik moedeloos. Na alle bijlslagen had ik de deur misschien een centimeter verder open gekregen. Boos sloeg ik tegen een van de ramen, maar daar kwam geen krasje op. ‘Shit, waar zijn die dommekrachten van Jacobsen wanneer je ze nodig hebt!’ Ik smeet de bijl opzij, ging op de grond zitten en greep de kier met mijn vingers beet. Ik zette mijn beide voeten tegen de deurstijl en zette me schrap. Mijn spieren kraakten en protesteerden. ‘Urgh, geef me kracht!’

̶  feit: Zwerm kan helpen. –

Ik voelde kracht mijn armen, benen en rug instromen en langzaam begonnen de deuren naar binnen te schuiven tot er genoeg ruimte was om mijn lichaam erdoorheen te wurmen.

Ik stond op. Je bent gewond, wees verstandig, denk om jezelf. Ik keek naar mijn hand die onder het bloed zat. Met een doekje veegde ik het inmiddels gedroogde bloed weg, bedacht op pijnlijke steken uit de wond. Mijn huid was ongeschonden. Een heel licht lijntje bevond zich nog waar de snee net zat. ‘Goed, dat is best indrukwekkend.’ Ik voelde me ineens ongemakkelijk dat ik Zwerm zou elimineren als ik de laatste modules vond.

‘Onzin, Tanmee. Denk aan de wereld. Het hogere doel. Red de mensheid.’

Ik drukte mijn lichaam door de opening. Aan de andere kant lagen enkele skeletten met nog gemummificeerde resten vlees aan hun lede­maten. De binnenkant van de deur zat vol krassen, alsof ze geprobeerd hadden hem met hun handen te openen. Ik besefte ineens dat dit wel eens de onderzoekers konden zijn geweest, opgesloten in hun lab zodra de stroom uitviel.

Ik schoof de botten opzij en liep de trappen op. De bovenste verdieping was inderdaad een groot lab, vol met apparatuur. De sfeer was doods, leeg, de machines verstild zonder stroom, de tanks met vloeistoffen opge­droogd, geen enkel biologisch of mechanisch leven was hier doorge­drongen, zo goed was deze verdieping beveiligd.

Aan de uiterste noordkant was een afgesloten ruimte. Zonlicht stroomde naar binnen door ramen die nauwelijks waren aangetast door algen en mos. Een bordje naast de deur vertelde me dat Herr Direktor Prof. Schliessinger hier ooit audiëntie verleende.

De deur was niet op slot. Binnen stond een groot bureau met een leren bureaustoel met daarin een skelet in een net maatpak. De schedel keek omhoog, een net, rond gaatje in het voorhoofd. Ik liep om de tafel heen en zag een oud pistool naast de gevallen hand van het skelet liggen.

Het kantoor was verder leeg. Geen kasten of manden of kisten of andere manieren om kostbaarheden op te bergen. Enkel ramen en een blanco muur van een donkere marmer- of granietsoort. Blanco. Tabula Rasa. Ik bekeek de muur aandachtig en liep een paar keer heen en weer.

Terwijl ik liep ervoer ik weer het verschuiven van mijn blik naar rood en blauw. Ineens zag ik in de hoek een vorm, een soort pilaar, kunstig weggewerkt in de muur. Nieuwsgierig liep ik ernaar toe. Er zat inderdaad iets, perfect weggewerkt, onzichtbaar tenzij je wist waar je moest zoeken. Toch had ik het gezien. Ik drukte ertegen en met een klik begon de pilaar te bewegen tot hij vijfentwintig centimeter was uitge­schoven. Mijn hart klopte sneller en mijn adem stokte toen ik twee bekende vormen in de vrijgekomen holte naast elkaar zag liggen. ‘De modules.’ Een loden last leek van mijn schouders te vallen. Ik lachte, daar in het zonlicht, om de modules die ik had gevonden, om het levens­werk van Akrim dat nu bijna klaar was, om de toekomst van de mensheid en die van mezelf in een wereld die vrij, of vrijer, zou zijn van de nanobedreigingen en semibiologische fagen die ons bestaan dagelijks bedreigden. Er bleef genoeg over, dat zeker, maar het evenwicht kon hersteld worden en wie weet, daarna ooit weer de menselijke beschaving.

Ik nam de twee modules in mijn handen. Ze waren geruststellend zwaar, vol van potentie en belofte. Ik stopte ze in mijn jaszakken en begon aan de weg terug naar mijn voertuig, waar ik mijn spullen had achtergelaten, door het lab, door de lange gangen van het instituut, de straten van Dresden in.

Als ik doorliep kon ik nog voor zonsondergang bij mijn voertuig zijn en de modules koppelen. Geen tijd te verliezen.

 

#

 

Ik liep voorbij een stel flats, type voormalige Oost-Duitse woonkazerne. Zodra ik aan de noordkant de hoek omsloeg richting het vliegveld, werd mijn weg versperd door gigantische elfenbanken die uit het gebouw groeiden. Bijna voortdurend viel een fijne stofnevel eruit naar beneden.

Een windvlaag blies de nevel mijn kant op en ik voelde kleine prikjes op mijn blote armen. Terwijl ik toekeek zag ik de huid, waar ik de prikjes voelde, opzwellen en er verscheen binnen seconden, nog voor ik de fluxer kon gebruiken, een donker pitje onder.

‘Sporen, verdomme,’ vloekte ik. Extreem snelle ook nog. Dit was het dan, Tanmee. Fagen en sporen, een fijne combinatie. Net nu ik de modules heb.

̶  feit: Indringer gedetecteerd. Activeer verdediging –

‘Ja, lekker, hoe dan?’ Er kwam geen antwoord. Wel nam de jeuk op mijn armen bijna direct af en de zwarte puntjes werden rood en daarna weer het lichtbruin van mijn huid. Het enige dat achterbleef was warmte.

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Zwermintegratie voltooid. –

Ik duwde de fluxer op mijn huid en wilde afdrukken, maar de stem van Zwerm onderbrak me.

̶  feit: Gevaar geweken. Verzoek: Fluxer niet gebruiken. Verzwakt Zwerm. –

‘Dat voelt tegennatuurlijk.’

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Fluxer niet nodig. –

‘Is er ook iets dat je niet kunt, Zwerm?’

Stilte.

Ik liep met een ruimte boog om de elfenbanken heen en zocht mijn weg terug naar het vliegveld, nog vastberadener dan voorheen een eind te maken aan de onzichtbare bedreigingen voor de mensheid. Als de indringer die in me zit dat toelaat. Daar twijfel ik nog over.

Met mijn fluxer in de aanslag liep ik verder, me nu terdege bewust van het gevaar in deze straten. De loden last was weer terug op mijn schouders. Wat als ik nu strandde, in het zicht van de haven? Die sporen zojuist waren dodelijk. Om elke hoek, onder elke steen, achter elke muur wachtte gevaar, het onverwachte. De Aarde was een dodelijke plek geworden, gemuteerd tot iets dat voor onze voorouders onherkenbaar en waarschijnlijk afschuwwekkend was.

Ik haalde een paar keer opgelucht adem toen ik de open ruimte van het vliegveld opliep. Mijn voertuigje stond netjes op de plek waar ik het achtergelaten had. Op het eind begon ik bijna te rennen. Mijn maag en buik zaten vol vlinders bij de gedachte dat het moment van bevrijding nu naderde.

 

#

 

In het licht van de ondergaande zon trok ik mijn tas uit het voertuig. Ik spande fluxlijnen en voerde mijn gebruikelijke rituelen uit om mezelf te beveiligen. Ik had geen idee hoe lang de modules nodig hadden om te activeren en of alles wel zou werken. Dan was ik liever op het ergste voorbereid.

Met haastige vingers drukte ik de modules in de daarvoor bestemde gaten van de kern. Met langzame eerbied klikte ik de laatste module op zijn plek en legde de voltooide puzzel voor me op het asfalt van de landingsbaan.

Langzaam opende een metalen iris zich bovenin de kern. Eronder lag een enkele, roodpulserende knop. Ik liet mijn rechterwijsvinger boven het oppervlak zweven, bedacht op tekenen dat mijn actie gestopt zou worden. Ergens betrapte ik mezelf dat ik erop wachtte.

‘Laatste woorden, Zwerm?’ Dat is het minste dat ik voor hem, het, hen, wat dan ook, kan doen.

̶  observatie: Zwerm weet niet wat Tanmee bedoelt. –

‘Wanneer mensen voelen of weten dat ze gaan sterven, spreken ze laatste woorden uit. Soms mooie of treffende woorden om de stervende persoon mee te gedenken.’

̶  observatie: Mensen zijn complexe wezens. God in het diepst van hun gedachten.–

‘En dat weet je omdat je mij hebt meegemaakt?’

̶  feit: Zwerm heeft informatie uit begintijd. Zwerm heeft jaren gewacht op gastheer. Gastvrouw.–

‘En ik  kwam toevallig voorbij.’

̶  vraagstelling: Maken goden niet hun eigen lot?–

‘Filosofische vragen terwijl ik om laatste woorden vraag.’ Ik liet mijn vinger dichter naar de roodgloeiende knop dalen.

̶  feit: Mensen kennen laatste wens, naast laatste woorden.–

Ik knikte. ‘Heb je een laatste wens?’

̶  verzoek: Zwerm wil schoonheid kennen. En gevoel.–

‘Denk je dat ik je dat kan leren dan?’

̶  feit: Goden kunnen dat.–

Ik vouwde mijn armen voor mijn buik en keek omhoog naar de eerste sterren die tevoorschijn kwamen nu de zon achter de horizon begon te verdwijnen. Ik dacht aan Akrim, aan zijn dromen en aan zijn leven, gewijd aan het vinden van een oplossing voor het dilemma van de mensheid.

‘Fijne god heb je uitgekozen om je dat te leren. Je hebt me geholpen, behoed voor gevaar, mijn leven gered. Meerdere keren ook nog. En ik heb geprobeerd je dood te fluxen.’

̶ feit: Flux verzwakt. Zwerm wil bestaan beschermen. Begrip voor Tanmee. Zwerm accepteert beslissingen. –

‘Zwerm heeft een doel gevonden.’ Ik wreef met mijn handen in mijn ogen en keek omhoog waar de hemel zwart begon te worden en steeds meer lichtpuntjes tevoorschijn kwamen. Langzaam vormde zich een idee in mijn hoofd, een zorgvuldig afwegen van de voors en tegens van het gebruik van Akrims oplossing. Voorzichtig koppelde ik de laatste module los en de iris sloot zich weer. Ik haalde alle modules los en borg ze weer op in mijn tas.

‘Ik ga je helpen je doel te verwezenlijken, Zwerm. Ik weet nog niet hoe, dat zullen we moeten uitvinden. Intussen bescherm jij mij. Misschien kunnen we je verspreiden onder andere mensen en dan kunnen we die ook beschermen.’

̶  vraagstelling: Tanmee stelt symbiose voor?–

‘Zo kun je het noemen.’ Ik knikte langzaam en haalde diep adem. Ik was vernieuwd en verbeterd. Ik zou in Akrims voetsporen volgen en proberen mijn medemensen, voor zover die er nog waren, te onder­wijzen en te helpen met de Zwermsymbiose, een mogelijkheid fluxloos door het leven te gaan en de aarde opnieuw te bevolken.

 

#

 

Voor het eerst sinds lange tijd kijk ik naar de lichtpuntjes boven me en droom over reizen naar planeten, ver de ruimte in.

Zoals Akrim dat ook ooit deed.

Alleen geef ik de sterren niet op.

Vergeten getallen in een ver verleden : Jorrit de Klerk

Zelfs in het kantoor van de directeur, op de hoogste etage, voelde ik het klagende getril van de Machine diep onder het gebouw; een disharmonie van vibraties waarmee de tijd leek te benadrukken dat ons gemanipuleer niet op prijs gesteld werd.

‘Agent Eén,’ zei de directeur, ‘is verdwenen.’

Een onwillekeurige herinnering aan Eén. Hoe hij dicht tegen me aankroop na het bedrijven van de liefde, in een appartement in Sydney dat uitkeek over de baai. Regen in het water en in de verte de eeuwen­oude opera, een betonnen reliek uit vervlogen tijden.

‘Agent Twee?’

Ik schrok op. De directeur schoof over het bureau een dossier naar me toe. Ik activeerde het en Eén keek me vanaf een oude foto aan.

‘Hij is zeven uur geleden op missie gegaan. We…’ De directeur pauzeerde en leek naar woorden te zoeken. ‘We zijn een wereldoorlog ingesprongen.’

Ik huiverde.

‘D-day,’ vervolgde ze, ‘het omslagpunt van de Tweede Wereldoorlog; de geallieerde invasie in voormalig Frankrijk. In een gebied dat bekend stond als Normandië.’

Ik scrolde door het dossier. Grafieken, kansberekeningen, tijdknoop­punten en sprongmomenten. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Mijn ogen werden vochtig bij de gedachte aan Eén, verdwenen. De pixels op het scherm versmolten tot vegen.

‘Ik dacht dat als we ooit een knooppunt in één van de oorlogen zouden vinden, we er ver vandaan zouden blijven.’ Mijn stem sloeg over en de directeur fronste.

‘Laten we er niet omheen draaien. Ja. Er is iets misgegaan en de historische dienst is druk in het archief op zoek naar gevolgen.’ Ze zuchtte, omdat ze net als ik wist dat als het allemaal nog langer duurde er vragen kwamen, dat aandeelhouders die het niet konden begrijpen meer wilden weten. De directeur vouwde haar handen. ‘Het spijt me, Twee, dat je niets wist. Eén vond het belangrijk om jou… Wij weten niet goed waarom hij jou erbuiten wilde houden. Misschien… Het was de eerste maal dat we een sprong naar één van de grote oorlogen konden maken en we veronderstelden dat we alle risico’s hadden beschouwd.’

Ik dacht aan de afgelopen maanden. Het was alsof een puzzel van herinneringen bijna in elkaar schoof. Eén geconcentreerd starend naar zijn scherm, calculerend, op dat terras in Barcelona. Dat laatste verwar­rende weekeinde in Amsterdam. Alle nachten die hij bleef door­werken, zijn obsessie en de zoektocht naar de ontbrekende variabele, het waarom van de knooppunten in de tijd. De oplossing. En nu had hij iets gevonden. In 1944.

En mij had hij buitengesloten. Uiteindelijk.

Mij.

De directeur zei: ‘Voor de duidelijkheid: we hadden het volste vertrouwen in Eén maar we kunnen niet uitsluiten dat hij iets… onverwachts heeft uitgevoerd. In heeft willen grijpen in de oorzaken en gevolgen. Wie weet? Wie wil niet Hitler vermoorden als hij de kans heeft? De tijdlijn op het spel zetten…’

Ik deactiveerde het dossier. Wat had Eén ontdekt in 1944? Waarom had hij mij verlaten?

‘Als we over een uur nog niets weten,’ zei de directeur, ‘verlaat je het nu en sturen we je naar een later sprongmoment van het knooppunt. Plaatsbepaling wil je naar het twintigste priemmoment laten gaan. Naar 2015. Veilige afstand. Eerste verkenning voor lokale inventarisatie.’

‘En als ik niets kan vinden in 2015?’

‘Fout, Twee. Je moet iets vinden.’

 

Bij de historische dienst liepen operateurs, historici en tijdlijnanalisten snel en gefocust van bureau naar bureau. Ik keek naar de reusachtige projecties op de wand, van de Franse kust zoals die midden twintigste eeuw was, ver voor de vloed.

‘Hallo, Twee.’

‘Hoofd-operateur. Ik heb begrepen dat je een upload voor me hebt.’

De man gebaarde naar een grote stoel. Ik ging zitten.

‘Dus Eén is de Tweede Wereldoorlog ingesprongen?’ vroeg ik.

De hoofd-operateur rommelde in de kast naast de stoel en ontweek mijn blik.

‘Het was geheim, Twee. Hij wilde niet dat jij iets wist.’

‘Ik had hem tegen kunnen houden. Nu is hij misschien dood.’

‘Daar hebben we geen bewijs van.’

Ik greep zijn arm.

‘Ik heb het dossier gezien. Eén is gesprongen. Als soldaat. Het knooppunt in 1944 was precies op het strand. Tijdens de geallieerde landing! Hoe kon Eén ooit zo’n risico nemen?’

De hoofd-operateur haalde zijn schouders op.

‘Twee, ik weet het niet. Laten we de upload starten. Ik heb hier kennis over de periodes, vanaf het door Eén berekende knooppunt en de verschillende priems erna. Tot en met jouw geplande sprong naar 2015. Misschien helpt het je.’ Hij reikte me de hoofdband aan. De elektroden voelden koud op mijn voorhoofd. De hoofd-operateur ging zitten, trok een beeldscherm en toetsenbord naar zich toe en begon commando’s in te voeren.

 

Sommige mensen schenen nergens last van te hebben na een upload. Ik had het gevoel dat een bom was ontploft en de scherven door mijn schedel prikten. Mijn brein verzette zich tegen de nieuwe kennis die door mijn hoofd krioelde als een virus. Ik besefte dat ik in het Frans zat te denken, een taal waarvan ik een half uur eerder nog geen woord kende.

‘Gaat het?’

De hoofd-operateur hield me een glas water voor. Na een volgende golf van misselijkheid schudde ik mijn hoofd.

‘Je moet er niet zo tegen vechten.’

Hij klopte op mijn schouder en verdween weer in de opwinding van de afdeling. Met mijn hoofd op het zachte stoelkussen staarde ik naar het felle licht aan het plafond. Wervelwinden van geïmplanteerde herinne­ringen joegen door mijn hoofd. Ik zocht naar iets vertrouwds. Iets echts. De puzzel. Herinneringen aan Eén.

Onze laatste, moeizame dag in Amsterdam.

Nee.

Eén zittend op dat terras in Barcelona. Een chique zaak, waar je nog door echte mensen werd bediend.

‘Hoe oud ben je?’ had hij gevraagd terwijl hij, zoals altijd, zat te rekenen op zijn scherm. Ik dacht na maar kon het antwoord niet geven. Hoeveel decennia was het geleden?

Door de barrières van de tijd zocht ik naar beelden uit mijn kinderjaren. Ik zag stof dwarrelen in de lichtbundels die door mijn slaapkamerraam schenen. In de verte hoorde ik mijn moeders stem.

‘Wat maakt het uit hoe oud ik ben? Wat maakt dat nog uit tegen­woordig?’

‘Niets,’ antwoordde Eén, de blik op zijn scherm alsof hij nog iets wilde invoeren. Maar hij nam zijn laatste slok cappuccino, zette zijn kopje neer en staarde door het restaurant en de witte ruis van de aanwezigen. Ik volgde de serveerster, in zwart en wit gekleed, die zwierend met een rood dienblad, gekrast door duizenden andere cappuccino’s, op haar lange benen tussen de tafels van het terras leek door te dansen.

‘Of alles,’ zei hij en bestudeerde de serveerster ook. ‘Vind je haar aantrekkelijk?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar het scherm. Ik vroeg: ‘Ben je weer aan het rekenen?’

‘Ja.’ Achteloos veegde hij formules aan de kant.

‘Wat zoek je?’

‘De missende variabele. De oplossing.’

Ik legde mijn hand op zijn been, gleed langzaam hoger en zocht zijn blik.

‘De oplossing van wat?’

Hij keek me aan.

‘De oorsprong van de knooppunten. Waarom kunnen we alleen springen naar specifieke momenten en niet naar de momenten die we zelf bepalen? Wat is het geheim van de tijd?’

‘En heb je al een idee?’

‘Misschien.’ Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Maar je ontweek mijn vraag. Ben jij gelukkig?’

‘Hou op,’ zei ik en trok mijn hand weg, ‘wat een achterlijke vraag. Wie is er nou ongelukkig tegenwoordig? Ben je zenuwachtig voor onze volgende sprong?’

Ik nam mijn laatste slok en zette het kopje neer. Hard. Koffie spetterde over de tafel, een druppel kwam op het scherm van Eén terecht. Aan een ander tafeltje werd afkeurend opgekeken.

 

Een hand op mijn schouder verdampte de herinnering. De hoofd-operateur stond over me heen gebogen.

‘De directeur wil dat je gaat. Je gaat springen naar het strand van Saint-Aubin-sur-Mer. Zaterdag 6 juni 2015, rond het middaguur. Op dezelfde plek waar soldaat eerste klasse Henry Cooper verdwenen is, 71 jaar eerder.’

Henry Cooper. De naam waaronder Eén was gesprongen.

De hoofd-operateur gaf me een ouderwets horloge. Ik staarde naar wijzers die een verkeerde tijd aangaven.

‘Test de DNA-identificatie van je springer even, alsjeblieft.’

Ik draaide aan de rand van de wijzerplaat. Linksom, rechtsom. De man keek op zijn scherm, knikte en daarna volgde ik hem de lift in die naar de kelder van het gebouw en de Machine leidde.

 

‘Wie bent u?’

Ik nam een stap naar voren, knipperend tegen fel zonlicht na het zwart van de Machine en de sprong. Een overweldigende geur hing om me heen, warme zomerlucht verzadigd met aroma’s van zout en vis. Mijn handen vonden een lauw aanvoelend stuk steen, een balustrade. Ik zag strand. De wind suisde door mijn haren. Mijn blik gleed over de horizon en een blauwe zee; de bron van de bijna tastbare geur. Met moeite wist ik op de been te blijven, mijn kin nog vlakbij de balustrade, witte aders marmer­den het zwart, als bleke bloedvaten. Links zag ik wapperende vlaggen van de oude, verdronken naties. Rechts: kleurige objecten waar verbazing­wekkende kleine mensjes op zaten en klommen. Langzaam raakten mijn ogen gewend aan de zon. Toen besefte ik me pas dat het kinderen waren. Zoveel kinderen! Een meisje staarde me boos aan. In de ene hand hield ze een bruine knuffelbeer, in de andere een ijsje waar ze een lik van nam.

‘U mag niet in de speeltuin komen. U bent een groot mens en grote mensen mogen niet in de speeltuin. Alleen kinderen.’ Ze hield haar knuffelbeer omhoog. ‘En Fluffy. Waar komt u vandaan? Zonet was u hier nog niet en nu wel. Bent u een spook?’

‘Nee… ik… wat…’ stamelde ik. Ik besefte dat ik geen Frans sprak terwijl het kleine meisje dat wel deed. Ik vervolgde in haar taal: ‘Niets aan de hand, ik…’

Een gezette man kwam woest op me af, met de verbeten uitdrukking van iemand die geen macht heeft maar het wel wil hebben. Strakke lippen, een T-shirt nog strakker gespannen over de dikke buik, waardoor de schaars geklede vrouw, die op het stof geprint was, akelig vervormde. Een te stevige hand pakte me bij mijn schouder. Zweetlucht walmde om me heen.

‘Deze speeltuin is alleen voor kinderen.’

‘Ja, ja,’ stamelde ik, proberend een uitweg te zoeken uit een groeiend aantal boze ouders. Kleding, kapsels, gezichten, houdingen, hopeloos ouderwets en vreemd. Ik voelde me de indringer die ik was en merkte hoe ik de controle verloor. Snel schakelde ik over naar een andere taal, in de hoop de mensen een rad voor ogen te draaien.

‘Ik ben een toerist, ik zoek… ik zoek…’

‘Misschien moeten we de gendarme maar gaan zoeken?’

‘Wacht even!’ riep iemand die uit de menigte opdook. Ze was slank. Donker haar, kastanjebruine ogen die me herinnerden aan… Aan wat eigenlijk? Zachte handen die me bij mijn pols grepen.

‘Het is mijn oom,’ hoorde ik haar zeggen, maar ik bleef nog staren naar die ogen, en mijn gedachten zochten, zoals je een woord zoekt, dat je weet dat je zou moeten weten, omdat je het geleerd of geüpload hebt, maar het net niet terug kan halen.

‘Ja,’ antwoordde ik automatisch.

‘Hij is bij ons op bezoek.’ Ze staarde naar de nors kijkende mensen, ongeruste ouders en opgewonden kinderen. ‘Hij komt uit het buitenland,’ zei ze, alsof daarmee alles duidelijk was, en uit het geknik om ons heen leek dat ook zo. De dikke man bekeek het fronsend, maar ze trok al aan mijn hand en leidde me de massa uit. Als een ijsbreker van zekerheid sneed ze eenvoudig door de kille nieuwsgierigheid. We liepen verder, over de warme boulevard, en ik keek nog één keer achterom.

‘Maar…’ begon ik.

‘Stil,’ zei ze, ‘snel. Sneller.’

Rue de L’école. Bar Tabac. Een groen, knipperend kruis van neon aan een muur, een donkere kat, blazend, hard wegrennend. Sneller. Knisperend grind, een deur, de geur van eeuwen, duisternis. Een klik. Gloeilamp.

 

Ik staarde naar haar, hoe ze met een bepaalde gratie haar haar in een staartje deed met een wit bandje. Hoe ze nog even door het raam van de kamer naar buiten keek, waar de boulevard moest zijn, om daarna twee glazen van een plank te pakken en er wijn uit een groene fles in schonk.

‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zei ze. ‘Ik had al drie uur gewacht en begon te twijfelen.’

Ze schoof het glas naar me toe, nam een grote slok voor ze ging zitten. Ik volgde haar beweging, haar bruine benen, haar voeten met donker gelakte teennagels, in lichte slippers. Ze dronk nog een slok.

‘Wie ben je?’ vroeg ik.

Een glimlach.

‘Ik hoopte dat je eerste vraag toch zou zijn: ‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Maar het antwoord op de eenvoudigste vraag is: Anne.’

Ik keek naar het glas. Woorden weigerden te komen.

‘Ik wist dat je hier vandaag zou verschijnen.’

Mijn blik gleed van haar richting een schilderij van de heilige Maria.

‘Hij vroeg me om je iets te laten zien.’

‘Wie?’ vroeg ik.

‘Mijn grootvader.’

Ik slikte.

‘Wie is je grootvader?’

Anne opende haar mond, als om iets te zeggen, maar nam in plaats daarvan een slok. Ze tuurde in het lege glas, en haar mondhoeken trokken een beetje omhoog, alsof ze moest lachen om iets wat ik niet zag. Ze keek me aan.

‘Kom mee,’ zei ze.

 

Ze nam me mee in een auto die schokkend over een wegdek snelde dat zo vaak was gerepareerd dat het in een lappendeken van tientallen soorten en kleuren asfalt was veranderd.

De naam Tailleville flitste voorbij, op een wit bord met rode rand, en we reden een klein dorp in. De weg voerde ons vlak langs muren die zo oud leken dat ik bang werd dat ze zo uit elkaar konden vallen. Het dorp eindigde even onverwacht als het was begonnen en ik zag korenvelden, goudgeel golvend. De geur van zee nog steeds nadrukkelijk aanwezig, vermengd met de uitlaatgassen en de aardsheid van de velden. Een snerpende claxon, de hand van Anne die in een snelle vuist omhoog ging en een korte kwade blik richting een man in een kleine rode auto. Vijftig meter verder leek ze het alweer vergeten.

‘We zijn er bijna,’ zei Anne en remde hevig. Ik zag een rood esdoornblad op wit en dankzij mijn upload wist ik dat het de vlag van de oude Canadese natie was. Na een scherpe bocht, waarbij ik bijna uit de auto werd geslingerd, kwamen we tot stilstand. Anne keek op haar horloge, stapte uit de auto en maande mij hetzelfde te doen. Ik rende over een keurig gemaaid grasveld haar achterna, langs wonderlijk goed onder­houden gebouwen, netter dan ik tot dan toe had gezien in haar verleden. Uit het gras stegen gesnoeide bomen op. Gebeeldhouwde, maar echte esdoorns.

Daarna, stenen.

Honderden.

Witte stenen, rij na rij. Graven, dat waren het. Doden. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, elke steen was één persoon, gestorven in een strijd lang geleden. Ik kwam tot stilstand en staarde met open mond over de zee van witte stenen. Zoveel. Ik zag gele vlinders die dwarrelden van boom tot boom, tussen de graven en de zomerhitte door, begeleid door loom getjirp van ongeziene vogels. Ondanks de overweldigende aanwezig­heid van de dood hing er een serene sfeer op het grafveld. Mijn hart bonkte.

‘Kom,’ zei Anne. Ze was tot stilstand gekomen bij een graf. Traag liep ik naar haar.

‘Hij zei dat je het zou begrijpen,’ zei ze en ik volgde haar blik naar het witte marmer, las wat er in gebeiteld was. Soldaat eerste klasse Henry Cooper en daaronder: Hij gaf zijn leven om een ander te redden.

Eén.

Het was alsof iemand me in mijn maag stompte en ik moest me vastgrijpen aan de steen.

Eén was dood. Nog net. Al eeuwen. Tijdkrommen, diagrammen. Knoop­punten, sprongmomenten, priemgetallen.

‘Mijn grootvader,’ begon ze, ‘vocht mee tijdens de invasie. In 1944.’

Ik knikte. Tranen welden op.

‘Maar hij… deserteerde, zo noemde hij het.’

Met een ruk draaide ik mijn hoofd haar kant op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik met trillende stem.

Anne zuchtte.

‘Mijn grootvader kwam niet om tijdens de invasie. Zijn dood is in scène gezet. Hij…’ Ze pauzeerde en keek weer naar de steen. ‘Mijn grootvader is pas in 1987 overleden.’

Ik keek in haar donkere ogen.

‘Hij ontmoette mijn grootmoeder die dag van de invasie, in Tailleville. Mijn grootvader vocht voor de Canadezen. Hij raakte gewond en mijn grootmoeder hielp hem.’

‘Maar…’ zei ik, kijkend naar de grafsteen. Anne leek mijn twijfel te begrijpen.

‘Mijn grootvader besloot te blijven,’ zei ze, ‘bij zijn Marie. Niet meer terug te gaan naar waar hij vandaan kwam. Hij had het gevonden. Hij zei… Hij schreef dat jij op een dag zou komen en dat ik je mee moest nemen naar deze plek en dat… dat jij het zou begrijpen. Dat hij wist dat je het juiste zou doen.’

Ik slikte.

Ik wilde het begrijpen. Wilde. Maar ik kon het niet.

Na een aarzeling pakte ze mijn hand beet. Ik merkte het nauwelijks.

Eén, verdwenen—nee, gevlucht—in het verleden.

Waarom?

‘Was hij gelukkig?’ vroeg ik.

Anne lachte.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik heb niemand ooit gelukkiger gezien dat mijn grootouders. Ze leefden alsof elke dag hun laatste was. Of hun eerste.’

Het geluk.

Het geluk dat hij niet bij mij had kunnen vinden.

Maar het geluk dat hij gevonden had in het verleden.

‘Mijn moeder was degene die zijn dood in scène zette,’ zei Anne, ‘hopend dat degene die hem naar het verleden hadden gestuurd hem niet zouden vinden. Mijn opa wilde nooit op foto’s, omdat hij wist dat ze hem dan konden vinden. Hij was gedeserteerd, zei hij soms, omdat hij niet meer kon leven in de wereld waar hij vandaan kwam.’

Een traan rolde bitter over mijn wang.

‘En nu?’ vroeg ik.

Anne kneep haar oogleden tot kleine spleetjes.

‘Nu moet je gaan’, zei hij.’

‘Goed,’ zei ik, de woede in mijn stem niet meer maskerend. Ik trok mijn hand los uit haar greep en zocht naar de rand van mijn horloge. Ik draaide. Links, rechts, links, links. De combinatie om de sprong terug te activeren. Ik had Anne niet eens gewaarschuwd.

Een trilling. Stijgend, weer dalend. Klagend bijna.

‘Wacht, ik…’ riep Anne nog, haar stem al oneindig ver.

De wereld. Trok samen.

En toen. Was er.

Ik sprong.

Niets.

Donker. Blauw licht.

Terug in de Machine. Terug in het nu.

Oh, Eén. Ik heb het niet op tijd gezegd. Niet gezegd dat ik echt gelukkig met jou was.

Geef me nog een kans.

 

‘Ik wil naar D-day,’ zei ik.

‘Wat?’ vroeg de directeur. ‘Waarom?’

‘Laat me teruggaan om zijn dood te voorkomen.’

Haar ogen doorboorden mij als lasers en ik vreesde dat ze in de bunker van mijn leugen de waarheid zag.

‘Waarom, Twee?’

‘Omdat…’ Ik zocht naar passende woorden, maar mijn hersenen leken in brand te staan, aangestoken door de blik van de directeur, en door de rookontwikkeling wist ik niets te zeggen.

‘We hebben een agent verloren in het verleden. Natuurlijk. Zijn dood is… onwenselijk. En nu vraag je om er achteraan te gaan? Ik heb met de aandeelhouders gesproken; die willen het liefst zo snel mogelijk dit onder het spreekwoordelijk vloerkleed schuiven. De Machine is bedoeld voor heel andere doeleinden. We hadden nooit aan deze missie moeten beginnen.’

‘Ik…’

‘De historische dienst kan geen gevolgen vinden in de tijdlijn en alle fysieke bewijzen zijn verdwenen in de vloed. Het spijt me. Maar misschien is het beter…’

‘Nee.’

De directeur staarde me seconden aan, zonder iets te zeggen.

‘Je balanceert op een dunne lijn, Twee. Misschien ben je vergeten wie degene is die bepaalt wat er gebeurt.’

Onmacht en woede trok mijn schouders strak.

‘Eén was iets op het spoor,’ zei ik. ‘Hij dacht variabelen te hebben ontdekt, de redenen van de knooppunten. Hun oorsprongen.’

De directeur schudde haar hoofd.

‘De oorsprongen zijn een enigma. Ongrijpbaar als de raadsels van de priemgetallen zelf. Eén wist dat.’

‘Eén was onze beste calculator. Hij was overtuigd dat hij de oplossing kon vinden.’

‘Zoveel mensen dachten iets op het spoor te zijn maar hun zoektocht leidde uiteindelijk tot niets. Risico’s misschien. Waanzin soms.’

‘Maar als hij het wel heeft gevonden, bedenk dan wat we allemaal zouden kunnen. Dan zijn we niet meer gebonden aan de knooppunten. Dan kunnen we springen naar waar we willen.’

Een korte twinkeling verscheen in haar ogen.

‘En nu wil jij het risico nemen, Twee?’

We keken elkaar aan. Als een functioneringsgesprek zonder woorden. Na een tijdje roffelden haar nagels op het bureau.

‘Laat me hem terughalen. Alstublieft.’

‘Je begrijpt, Twee, dat als dit mis gaat, niemand jou komt redden?’

 

De directeur ging in overleg met de aandeelhouders. Het kon wel laat worden, zei ze, dus ging ik naar mijn appartement.

Na twintig minuten te hebben gedoucht voelde ik me nog steeds niet schoon, alsof de leugen aan mijn lijf was vastgekoekt. Zonder af te drogen liep ik mijn woonkamer in en ging op het koude bankstel zitten, starend naar de grote, betonnen tafel waar de souvenirs van onze reizen stonden. Een blauwwit stenen molentje herinnerde aan Nederland.

Hij was aan het rekenen, zittend op het bed, die nacht in Amsterdam. In onze kamer in een eeuwenoud hotel dat uitkeek over een nog oudere stad. Ik keek door het raam. Grijs water, regen, oude muren van scheve huizen en kanalen als een spinnenweb door de stad. En plots voelde ik me gevangen, in dat eeuwenoude web van troebel water waarin ik niets kon zien. Eén keek op, reagerend op mijn ingehouden adem.

‘Ik heb het, denk ik, gevonden,’ zei hij en hij legde zijn scherm op het bed, stond op, kwam naast me staan en sloeg een arm op mijn schouder alvorens hij zelf naar buiten keek. Onze adem besloeg het glas en Amster­dam verdween achter soft focus.

‘De variabele,’ vervolgde hij zachtjes, omdat zijn lippen maar op een paar centimeter van mijn oor waren.

Hij stapte bij me vandaan, ging zitten op het bed en staarde door de kamer. ‘Hoeveel duizenden geliefden en eenzame mensen zijn hier al gepasseerd?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ben je niet blij?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn hand de beslagen ruit schoon veegde – maar het beeld werd er niet beter op. ‘Blij dat je de oplossing binnen handbereik hebt?’

De triestheid die zijn ogen binnenkroop kneep mijn keel dicht. Ik probeerde te lachen maar het geluid dat mijn mond verliet klonk schril.

‘Kijk, een rondvaartboot. Ik wist niet dat ze die nog hadden,’ probeerde ik en draaide me naar Eén. Hij keek me aan, lang, en ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar er kwamen geen woorden en ik begon me ongemakkelijk te voelen.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg Eén.

‘Hou op,’ zei ik. ‘Ik hou van je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

‘Wat wil je horen?’

We keken elkaar aan. En op dat moment zag ik pas dat er iets definitiefs tussen ons in gevallen was, alsof de grijze waas van buiten naar binnen was gekropen, door het glas, en een muur tussen ons in geslagen had.

‘Ben jij gelukkig?’ vroeg ik.

En toen lachte Eén.

‘Ja,’ zei hij. ‘Nu wel.’

Misschien had ik naar hem toe moeten lopen, hem in mijn armen moeten nemen, die avond daar in Amsterdam, en hem vast moet houden, enkel dat. Maar ik deed het niet, ik nam hem, daar in die hotelkamer, tot de ramen weer besloegen met een simpeler hitte, omdat ik dacht dat het geluk dat hij bedoelde daarmee werd bereikt.

De telefoon piepte. De directeur belde.

 

Soldaat Jameson werd mijn naam. Gekleed in een oud uniform – dat me bij elke stap kriebelde – liep ik door een groen geschilderde gang richting de Machine. In de gang hing een kunstmatig aroma, een chemische repro­ductie van lavendel, en ik moest denken aan de rit met Anne in het verleden.

Gele korenvelden, de geur van de echte zee.

Ik stapte een zware deur door, een duistere ruimte in die enkel werd verlicht door een blauw schijnsel, komend van kronkelende geometrische vormen op de vloer. Altijd de onmiskenbare trilling. In het midden van de kamer stond de directeur, naast haar een operateur die een wapen vasthield, ingepakt in cellofaan. De directeur stapte op me af.

‘Als je niet terugkomt, hoef je geen redding te verwachten,’ zei ze. ‘De aandeelhouders laten maar één sprong toe. Weet je zeker dat je dit wilt doen, Twee?’

De akelige vibratie van de Machine deed mijn knieën knikken.

‘Ja,’ loog ik.

De directeur knikte, nauwelijks merkbaar.

‘Het zij zo.’

Ze nam een stap naar achteren. De operateur keek haar even angstig aan.

‘Je gaat het strand op in hetzelfde regiment als Eén,’ zei hij. ‘Je moet hem snel kunnen vinden.’

Hij overhandigde het wapen, dat zwaarder was dan verwacht. De geur van olie die om het wapen hing was doordringend. Daarna gaf hij me een klein wit doosje.

‘Sigaretten,’ zei hij.

‘Is dat ook een soort wapen?’

‘Zat dat niet in je upload? Dan kom je er zelf wel achter.’

Hij bekeek me nog één keer van top tot teen en keek toen naar de directeur. Ze knikte.

‘Succes.’

Samen liepen ze de ruimte uit, de deur schoof dicht en ik was alleen met het blauwe schijnsel. Een stem telde af. Ik tastte naar de rand van mijn horloge. De vormen op de vloer pulseerden en de trilling van de Machine werd intenser. LED’s aan het plafond knipperden.

Ik ademde diep in.

 

Eerst dacht ik dat de trilling van de Machine wijzigde. Maar daar was weer de zeelucht van het verleden, en aan het einde van een verwarrende seconde besefte ik dat de sprong al was geweest. En toen was er enkel chaos.

Rook. Vuur. Brandende gebouwen achter een strand gevuld met lange, houten palen en metalen constructies die als messen uit het strand staken. Het geluid alsof iemand duizenden stenen over een stalen plaat uitstortte. Mitrailleurvuur, wist ik dankzij kunstmatige herinneringen.

Een volgende ontploffing en een reusachtige zandfontein werd de lucht in gesmeten.

‘Waar kom jij vandaan?’ riep iemand. Ik keek opzij. Hoorde doffe ploffen. Bloed en harde prikken in mijn gezicht. De soldaat begon te vallen en ik probeerde hem op te vangen. Plotseling zat er overal nog meer bloed en zag ik dat de soldaat de helft van zijn gezicht miste. Ik veegde over mijn gezicht en zag rood en witte stukjes op mijn hand.

‘Laat hem,’ riep iemand en rukte de dode man van me los. Het lichaam gleed op het zand. Soldaten probeerden over hem heen te springen. Het mislukte en hij werd vertrapt, als een zak van bloed en botten. Toen rende ik plots met de soldaten mee, verder het strand op. De geur van rook werd ondraaglijk. Ik staarde naar mijn wapen, wist niet meer hoe het werkte, wat ik er mee moest doen en ik viel voorover, in een grote plas. Zout water stroomde mijn mond binnen. Ik wilde ademen. Water kolkte naar binnen. Een zware laars schopte hard tegen de zijkant van mijn lichaam toen ik mezelf overeind probeerde te duwen. Ik dacht dat ik zou stikken, verdrinken.

Ik ga dood, ging er door me heen. Ik wist me met één hand omhoog te duwen en in plaats van zeewater ademde ik rochelend lucht. Iemand greep me onder mijn oksel, trok me omhoog. Adrenaline stroomde wild door me heen.

‘Geen tijd om te slapen, soldaat.’

‘Nee,’ zei ik. De kennis van de upload spoelde plots over me heen: ‘Sergeant!’

Snel controleerde ik mijn helmband en mijn dekkingspositie. Ik haalde de veiligheidspal over en laadde mijn geweer.

‘Klaar om de Krauts aan te pakken, mijnheer.’

‘Goed zo, jongen,’ zei de sergeant en wenkte de dichtstbijzijnde mannen om hem te volgen. Het indringende geluid van de .88 in de Duitse kazemat aan onze rechterflank klonk. Het peloton dook achter de versperring, wachtend op het moment dat het mitrailleurvuur van de Duitsers zich ergens anders op zou richten. Ik staarde naar de boulevard van het stadje en naar de brandende en kapotgeschoten gebouwen. Tot mijn verbazing herkende ik enkele die ik in de toekomst had gezien.

Waar is Eén, dacht ik. Ik moet hem vinden. Redden. Voorkomen wat hij deed. Zou doen. Ik keek over het strand, naar de soldaten die als insecten uit de landingsvoertuigen stroomden. Honderden. Duizenden. Hoe kon ik hem in deze heksenketel vinden?

‘Wat is je naam?’ riep de sergeant.

‘Jameson, sergeant!’

‘Stop met dromen of je slaapt straks voor altijd. We moeten die .88 uitschakelen anders zijn we er geweest.’

‘Ja, sergeant!’ herhaalde ik en keek in de richting van de kazemat.

 

Tegen het einde van de ochtend had ik al drie sigaretten gerookt. Samen met de soldaten Cohen en DeGraaf was ik begonnen aan de vierde. We zaten op de veroverde mitrailleurstelling. Over de dode Duitsers hadden we dekens gelegd.

Ik had over het strand gezworven en een paar soldaten genaamd Cooper ontdekt, maar niet de juiste. Een officier stuurde me uiteindelijk naar de compagnie waar hij dacht dat ik bij hoorde. Ik hoorde dat we het binnenland in gingen voor een gewapende verkenning. Iemand zei dat we richting Tailleville zouden gaan.

Tailleville, dacht ik. De woorden van Anne echoden in mijn hoofd.

 

We waren met honderden, met gezichten donker van rook, modder en geronnen bloed. Ik zou Eén niet eens herkennen. Of hij mij, besefte ik, terwijl we behoedzaam door de velden trokken waar het koren lang en goudgeel stond.

‘Benieuwd wat we aantreffen,’ zei de soldaat naast me. Ik keek in de richting van het dorpje. We liepen in een lange linie. In de verte klonk het geluid van geweervuur en het rommelen van tanks. Nog verder weg de inslag van zwaar geschut dat van de schepen naar andere stranden werd gevuurd. De Amerikaanse stranden. Daar ging het er nog veel erger aan toe. Ik kon het me bijna niet voorstellen. Ik keek om me heen.

Eén, waar ben je. Wie ben je? Waar?

Het leek alsof we zwommen door het korenveld, onze helmen een school haaien zwemmend door de gele zee van halmen, richting het dorpje. Ik staarde naar de huizen van Tailleville, naar ramen waar ik elk moment de vurige flits van een Duits schot verwachtte. De spanning werd onhoudbaar en ik voelde het ook bij mijn medesoldaten. Toen een verdwaalde zeemeeuw plotseling overvloog vuurde ik bijna.

De weg van Saint-Aubin-sur-Mer naar Tailleville was niet veel meer dan een verhard zandpad met aan beide kanten een diepe greppel. Soldaat DeGraaf bereikte als eerste de huizen van het dorp. Hij drukte zich met zijn rug tegen een oude muur. De laatste paar meters van het korenveld legde ik rennend af tot ik hijgend naast hem stopte. Hij keek om het hoekje.

Het schot hoorde ik pas nadat ik een flits van rood uit zijn helm had zien spatten. Als één organisme doken alle soldaten op de grond.

‘Scherpschutter!’

‘Einde van de straat, tweede raam rechts,’ riep iemand. Een majoor kwam aanrennen, dook richting een muur.

‘Luister,’ zei de majoor, ‘we pakken die Kraut daarboven! Thompson, Jameson, LaCroix. Jullie nemen de linkerflank van het dorp.’ Hij wees naar mij en toen naar een bomenrij iets verderop. ‘Wij gaan via de straat. Jullie leggen een dekkingsvuur.’

Er werd geknikt, wapens werden geladen en er volgde een zwijgzaam moment, blikken naar elkaar en diepe concentratie. Het vuren begon. Onder de dekking van de schoten rende ik naar de andere kant van de weg, richting de paar bomen. Langs een hek waarachter ik een klein veldje zag, met een oude wagen, een paar boomstammen en een werktuig dat ik niet kende. Tegen één van de muren stond een fiets met nog maar één wiel. Ik dook achter een boom. Thompson wees in de richting waar de Duitse schoten vandaan waren gekomen.

‘Laten we kijken of we het huis van de andere kant kunnen benaderen. Dit dorp stelt niets voor. Waarschijnlijk nog een laatste Duitser die het niet op wil geven. De rest is allemaal gevlucht.’ Hij lachte en ik zag gele tanden. ‘Okee, kom op.’

Hij stond op en begaf zich, diep in elkaar gedoken, richting het korenveld wat naast het dorp verder liep in zuidelijke richting. We volgden hem, achter elkaar aan rennend. Verderop hoorde ik hoe de sluipschutter onder schot werd genomen.

Na een paar meter rennen bereikten we één van de zijkanten van het gebouw. Ik staarde naar een oude houten deur. Er klonk geluid. Thompson deed een stap naar voren en hief de kolf van zijn geweer op. Het leek alsof hij de klink van de deur aan wilde vallen. En precies op dat moment begonnen de mitrailleurschoten.

Ik dook weer tegen de muur. Hard sloeg ik tegen het kalksteen, een kies drong in de binnenkant van mijn wang in en ik proefde bloed.

Schoten uit het dorp boorden zich in het veld, alsof de Duitsers het koren met mitrailleurvuur probeerden te oogsten.

‘Een val! Lieve Maria, het is een val!’

Er klonk gegil en mijn hoofd draaide razendsnel de andere kant op. Ik zag de kenmerkende vorm van de Duitse helmen, veel en veel te veel, en vuur dat uit lopen flitste, het gejank van kogels die om ons heen vlogen. Snel dook ik naar de grond, op het moment dat een andere soldaat ook viel. Ik zag bloed en hoorde haperende longen. Stukken kalksteen sprongen van de muur. Getik klonk op mijn helm. Ik legde mijn geweer aan en vuurde. Een andere soldaat dook naast me. Ik keek hem aan.

Het was Eén.

‘Kom,’ zei hij.

 

We renden weg, richting het korenveld, als in een waas. Achter me het geluid van de mitrailleurs. We renden verder, en ik had het vreemde gevoel de Canadese soldaten in de steek te laten. Alsof ik deserteerde.

‘Eén,’ riep ik.

‘Rennen,’ riep hij, wijzend naar een boerderij een paar honderd meter verderop. ‘We zijn er bijna. Sneller!’

Ik dacht aan het rennen met Anne over de boulevard. Sneller. Het was alsof ik haar stem weer hoorde.

Het geluid van de schoten werd een kort moment minder. We waren vlakbij, vlakbij de boerderij.

Hij dook op, de Duitse soldaat, uit het niets, uit het veld en hij richtte op Eén en schoot.

Eén viel op de grond.

Ik had gevuurd zonder het te beseffen en de Duitser ging neer.

 

Bloed. Overal bloed. In stromen gutste het uit zijn mond.

‘Nee,’ riep ik. ‘Nee.’

Ik pakte zijn hand. Zocht de springer. Maar zijn pols was leeg. Geen horloge. Naast me zag ik weer stukjes koren de lucht in vliegen. Het mitrailleurvuur was vlakbij.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Waarom?’

Eén opende zijn mond maar had nauwelijks nog kracht om te spreken. Ik boog me naar voren en mijn tranen mengden met zijn bloed.

‘Opgelost,’ fluisterde hij nog. En toen verscheen iets, en verdween iets, in zijn ogen, en ik wist wat het was geweest en werd maar ik het wilde het niet accepteren.

Een schot klonk.

Een prik in de bovenkant van mijn been.

De pijn begon te groeien, was geen prik meer maar een ijzige staaf die mijn vlees uit elkaar scheurde. Ik probeerde te staan, verbaasd, viel weer op de grond, terwijl de pijn nog ontzagwekkender werd. Nogmaals probeerde ik te staan. Maar dat was dom, dacht ik nog, voordat ik weer het geratel van de Duitse mitrailleur hoorde.

Weg hier, weg. Mijn hand ging naar mijn pols.

Ik keek naar de grond, naar het lichaam van Eén. Alles mislukt.

Ik dacht aan de schoten, aan de kogels, zo ver weg, zo dichtbij. De grond trilde.

Iets raakte mijn helm.

Alles trilde. De Machine, dacht ik, haal me hier weg. Ik probeerde mijn horloge te vinden maar mijn armen weigerden en ik proefde aarde in mijn mond en voelde toen nog meer pijn omdat mijn schouder was doorboord.

Eén, dacht ik. Weg, dacht ik. Dood, dacht ik.

En toen zwartheid en dacht ik niets meer.

 

Ken je dat, dat je een woord zoekt? En het ligt op het puntje van je tong, maar je komt er maar niet op. Het is er bijna, de oplossing vlakbij, je ziet iets zweven in de verte, maar kan het net niet goed zien. Dat moment, zoiets. Ik opende mijn ogen om daarna weer weg te zinken in de zwartheid. Ik denk omdat de pijn simpelweg teveel was.

 

‘Est étant encore combattu?’

‘Oui. Sera t’il vivre?’

‘Je ne sais pas. Il est la volonté de Dieu.’

 

De stemmen klonken schitterend, zoet en zacht. Ik zou ze moeten verstaan, maar het lukte niet. Maar dat maakte niet uit. De geur van oude dekens die ik verkoos boven bloed en rook. Ergens klonk een ontploffing, waardoor ik de stemmen niet meer hoorde. Dat irriteerde me. Maar toen was er weer de zwartheid. Ik probeerde er bij weg te blijven. Maar het lukte niet.

 

Ik voelde aan mijn pols. Vond enkel verband. Waar is mijn horloge?

 

Een herinnering aan een trilling. De Machine. Klagend. Stijgend. Dalend.

 

‘Weet je,’ zegt Eén, ‘de Machine dankt haar bestaan aan Euler. Een wiskundige die ongelofelijke vragen stelde. We bouwden de Machine om zijn stellingen op te lossen. En toen we dat deden vonden we de sleutel voor de tijd.’

‘Ik weet het,’ zeg ik met weinig interesse.

‘Priemgetallen staan in nauw verband met de kwantummechanica. Waarom? Hoe kan het dat wiskunde de natuur kan beschrijven? We hebben wiskunde zelf bedacht.’

Ik zucht.

Euler vroeg zich bijvoorbeeld af: ‘Bestaat er een even getal groter dan twee dat niet de som is van twee priemgetallen?’

‘Moet dit nu, Eén?’

‘De vragen lijken zo simpel maar ze zijn al eeuwen oud. En we kunnen ze niet oplossen. Al die computers niet. Zelfs niet de Machine, onze ultieme rekenmachine, die door de getallen bijna alle raadsels van de tijd al kan oplossen. Welke magie zit er nog meer verstopt in de priemgetallen?’

Zijn mondhoeken gaan omhoog.

‘Weet je, er zijn oneindig veel priemgetallen. Maar er is maar één even priemgetal.’

Hij lacht en de droom vervaagt.

 

Natuurlijk wist ik wie ze was. Eindelijk herkende ik die ogen, die hetzelfde waren als die van Anne. Twee generaties hadden niets kunnen veranderen aan die blik. Ik staarde om me heen door de simpele slaapkamer waar hetzelfde schilderij van Maria aan een gebarsten muur hing, boven een houten tafeltje waar een grote kan op stond. Gehaakte gordijnen hingen voor een raam waar door de kieren zonlicht naar binnen scheen. Een trilling klonk, komend van een ontploffing, in de verte. Stof dwarrelde door de kamer, door de bundels licht, en het deed me ergens aan denken, net zoals de geur in die kamer, de geur van eeuwen, zekerheid en veiligheid, muren die zo lang stonden dat ze onderdeel waren geworden van de tijd. Ongenaakbaar. Even leek ik weer terug te vallen in de zwarte put van de bewusteloosheid, denkend aan veiligheid, aan thuis en vroeger, tot haar stem me vastgreep.

‘Ik geloof dat ze het dorp bijna in handen hebben,’ zei ze, terwijl ze een doek leeg kneep en rood water in een bak spetterde. Daarna liep ze naar de kan, schonk wat water in de bak en kwam terug. Ze had een zwarte jurk aan met grijze strepen, die tot over haar knieën viel. Ik staarde naar haar enkels.

Ze stond aan de andere kant van het bed.

‘Soms val je even weg,’ zei ze, en depte mijn voorhoofd met de doek.

‘Waar ben ik?’

‘In de boerderij van mijn oom en tante. Ze wilden niet vluchten, daarom zijn we hier. We zagen je komen door de velden, hierheen. Zagen je vallen.’

‘Het dorp? De Canadezen? Hoe…’

‘De Duitsers hebben een hinderlaag gelegd. We horen nog steeds schoten maar ik bid dat jullie gaan winnen. Godzijdank. Als de gevechten voorbij zijn zullen we je mensen waarschuwen dat je hier bent.’ Terwijl ze met de doek met koud water over mijn gezicht ging bleef ze me aankijken. Ik staarde in haar donkerbruine ogen, keek naar haar wenkbrauwen en de kuiltjes in haar wangen terwijl ze de doek bewoog. Ze werd zich bewust van mijn blik, glimlachte. ‘Ik denk dat het niet lang meer duurt.’

Ik moest hoesten en ze ging iets naar achteren. Voelend aan het verband om mijn pols vroeg ik: ‘Waar is mijn horloge?’

‘Stukgeschoten, vrees ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als je het niet om had gehad had je nu waarschijnlijk geen hand meer. Het horloge heeft de kogel afgeketst.’ Ze lachte. ‘Wel een heel sterk horloge. Je mag het wel dankbaar zijn.’

Ik staarde weer. Naar de wijze waarop haar lange donkere haar over haar schouders viel, de ogen waar rust en intelligentie uit straalde.

‘Wat is je naam,’ vroeg ik, maar ook dit antwoord wist ik al.

‘Marie,’ zei ze, terwijl ze glimlachend de doek weer in de bak legde.

Het werd weer donker.

 

‘Twee.’ zegt Eén. ‘Grappig, niet? Het enige even priemgetal is twee.’

‘Waarom is dat grappig?’

‘Priemgetallen, tijd, jij, de Machine. Dat ik denk dat alles in de getallen is te vinden. Weet je dat ik zei dat ik het bijna opgelost had? Het raadsel van de knooppunten?’

‘Ik…’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Werkelijk geluk,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat voor de tijd? Al die kinderen, die kleinkinderen en al het nageslacht er na? De wortels van echte liefde, een liefde die uitgroeit totdat de takken verder reiken dan we voor mogelijk kunnen houden. De knooppunten zijn die wortels, die wortels in het verleden.’

‘Eén,’ zeg ik, ‘maar wat…’

‘De knooppunten. Werkelijk geluk, werkelijke liefde. Begrijp je het nog niet, Twee?’

Bijna begrijp ik het. Het ligt op het puntje van mijn tong.

 

Terwijl we nog steeds schoten hoorden, vertelde ze dat ze die week op bezoek was gegaan bij haar oom en tante. Haar familie had altijd in deze streken gewoond en na het overlijden van haar ouders was ze naar Parijs vertrokken om geschiedenis te studeren. Toen ze vertelde over haar studie leken we beide de oorlog te vergeten, en op een gegeven moment betrapte ik mezelf dat ik staarde naar het dansen van haar lippen. Ze vertelde over haar dromen en dat ze alles wilde leren. Over hoe DaVinci zijn Mona Lisa had gemaakt, over veldslagen en kunstwerken en eeuwenoude kastelen, over al die dingen waarvan ik alles wist, sommige zelf had gezien.

Ik vertelde haar over één van de Lodewijken en hoe ze hadden feestgevierd, en al die dingen die op dat moment nog niet in de geschiedenisboeken stonden en ik wist dat dit tegen alle regels indruiste. En ze luisterde ademloos. Vanuit de geschiedenis belandden we weer in het nu en we hadden niet eens door dat de knallen uit het dorp stopten. We keken elkaar een tijd in stilte aan.

Het was een oude uitdrukking.

Op het eerste gezicht.

Ik had het nooit geloofd. Hier. In het verleden.

Die ene.

‘Kan ik hier blijven?’ vroeg ik.

Ze trok haar wenkbrauwen omhoog, bekeek me onderzoekend.

‘Waarom?’ vroeg ze. Toch was er niet enkel verbazing in haar stem. ‘Ben je een deserteur?’

Ik zuchtte.

‘Nee,’ zei ik. ‘Of misschien wel.’

 

Ieder ander had misschien gedacht dat ik krankzinnig was. Maar misschien kwam het omdat ik dingen wist die niemand weten kon. Ik vertelde haar over de toekomst, over wat we geworden waren. Ik vertelde over Eén. Toen ze mijn onmacht zag greep Marie mijn hand.

‘Hij wist wat hem gelukkig kon maken. Wees niet kwaad op zijn keuze. Hij vond wat hij zocht. Daar had hij alles voor over.’ Ze streelde mijn wang.

De volgende ochtend werd ik wakker en zat ze naast me met de restanten van het horloge in haar hand.

‘Hallo, reiziger,’ zei ze.

 

En zo bleef ze me noemen, al die jaren lang. De reiziger. Soms noemde ze me de vluchteling en die zeldzame keren dat ze boos was de deserteur, want ze wist dat dat me pijn deed. Ik dacht nog vaak aan de dagen in de zomer van 1944, hoe ze mijn wonden verzorgde daar op die kamer, op die boerderij, tussen wat er nog van de gele korenvelden overeind stond, terwijl de Canadezen en de Engelsen oprukten, het land in, richting nog maanden strijd tot ze eindelijk zouden winnen, ver weg, bij Berlijn.

Ze vertelde dat ze mijn naamplaatje naar binnen had gegooid, bij een huis waar zowel Duitsers als Canadezen gesneuveld waren en daarna in de brand vloog. Daar zouden ze mijn naam vinden.

En ik dacht aan de stenen op het grafveld.

Voor de toekomst enkel nog vergeten getallen in een ver verleden.

Eerst dacht ik nog vaak aan Eén. Het begon met de herinneringen, daarna de gevoelens van schuld, daarna de twijfel, tot het weer enkel de losse puzzelstukjes van emoties, verbazing en vervagende gedachten werden. In de jaren die volgden, als ik nog aan Eén dacht, dan was het nog aan dat moment in het grijze Amsterdam. Was dat het moment waar het allemaal om draaide? Niet de sprong naar 2015, niet naar 1944. Maar daar, in Amsterdam.

 

Het was 1952. Marie was zwanger van onze tweede zoon. Ik was naar het stadje geweest om iets te kopen en liep terug over het veld toen ik ter hoogte van de tractor de trilling voelde. Een trilling die ik al zolang had gevreesd, maar nu had ik er al maanden niet aan gedacht. Wat had ik verkeerd gedaan? Ik draaide me om. Er was dat ogenblik van zoeken naar herkenning en toen zag ik tot mijn grote verbazing dat het Eén was.

Verwarring nam me. Hoop en angst.

‘Hoe…’ stamelde ik.

Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Twee?’ zei hij. ‘Waarom ben jij hier?’

‘Maar,’ begon ik. ‘Maar… Hoe kan je nog… Jij bent…’

Eén zweeg, alsof hij wachtte tot ik nog iets zou zeggen. Toen vervolgde hij: ‘We vonden een foto, van deze datum. 22 augustus 1952, Saint-Aubin-sur-Mer. De historische dienst herkende jou. Wegduikend achter een marktkraam alsof je niet op die foto wilde. En toen begrepen we dat er iets heel vreemds aan de hand was. Waarom, Twee? Wat heb je gedaan? Hoe kom je hier terecht?’

Ik zocht naar woorden.

‘Eén,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je nog? Die hotelkamer in Amsterdam?’

Hij zweeg.

Marie kwam de hoek van de boerderij om, een grote mand vast­houdend. Toen ze ons zag stond ze stokstijf stil. Ze staarde naar mij, naar Eén, weer terug naar mij. Haar lippen bewogen, en ik hield mijn hand op in een afwerend gebaar. Marie schudde haar hoofd en ik zag hoe haar mond het woord ‘nee’ al vormde. Ik draaide me naar Eén. Hij staarde naar Marie.

Er was een moment dat oneindig leek te duren en even had ik het idee dat de hele wereld de adem inhield. Enkel een zachte vibratie was voelbaar, heel ver weg, zo ongelofelijk ver weg. En ik wist dat het de Machine was, die door alle ruimte en tijd naar me reikte. Eén opende zijn mond, sloot deze weer, en ik zag ook bij hem een traan zacht over zijn gezicht rollen.

‘Waarom?’ zei hij.

‘Omdat…’

‘Nee.’ Eén viel me in de rede. ‘Ben je gelukkig?’

Stilte.

‘Ja,’ zei ik uiteindelijk. De waarheid.

Weer een pauze. Eén staarde naar me en een glimlach verscheen op zijn gezicht. Het leek zo vreemd, die glimlach daar, en ik wilde het liefst naar hem toe rennen, maar ook weer niet, omdat ik wist dat dat niet eerlijk was.

‘Maar jij zei het me in Amsterdam,’ riep ik. Tranen liepen over mijn gezicht. ‘Jij had de oplossing. Ik ging jou achterna naar D-day. Jij stierf…’

En ik begreep het pas toen ik het zei. De puzzel die ik zo lang niet had kunnen of willen oplossen schoof definitief in elkaar. Wat hij had gezocht. De missende variabele. Priemgetallen, tijd, de Machine, mogelijkheden en onmogelijkheden, kwantumonzekerheden.

Ik was de variabele.

Ik was het knooppunt.

Mijn geluk berekend door iemand die daar alles voor over had.

Kun je zoveel voor iemand overhebben?

En ik dacht aan Marie op het moment dat Eén zijn hand al naar zijn pols ging. Ik opende mijn mond maar hij schudde zijn hoofd.

‘Jij bent nog daar,’ zei Eén, ‘in de toekomst. Volgende week gaan we pas naar Amsterdam. Vind die fotograaf.’ Hij draaide aan zijn horloge. Lachte, zei nog: ‘Dank je.’

En sprong.

Ik voelde de trilling van de Machine en ik zag hoe Marie het ook voelde. Eén verdween, alsof de wereld samentrok in een minuscuul punt en voor één heel kort moment, voor de allereerste keer, was er harmonie in die trilling.

En toen was hij verdwenen.

Marie kwam naast me staan, legde een hand op mijn schouder, haar hoofd tegen mijn bovenarm. Haar lange haar viel als kriebelend zijde zacht over mijn blote huid. Ik staarde over het goudgele koren, langzaam wiegend in de wind, waarvoor Eén zojuist nog had gestaan. Marie’s hand sloot zich om mijn pols. En ik hield van haar, van mijn kinderen, mijn kleinkinderen. En van jou, mijn lieve Anne, want dit verhaal is dus voor jou.

 

En zo staar ik de verte in. Naar de velden en daarachter de nog lage bomen op de heuvel waar ik de Canadese vlag zie die boven het grafveld wappert.

Waar een graf van hem is.

En één van mij.

Kielzog : Maarten Luikhoven

Bijna drie maanden moest ik wachten tot mijn kloonmoeder terug­keerde van haar spelevaart door de heliumstrata van de derde gas­reus rond Nagira, een gele zon van middelbare leeftijd in de Sagittarius­arm van de Melkweg. In die tijd bestudeerde ik de complexe rituelen van de Urh, de immense, intelligente gasblazen die zich met onver­wachte gratie door de atmosfeer bewogen.

‘Waarom heb je zo lang gewacht,’ vroeg Nessaja zodra haar Schip haar uit de radioblokkade van de atmosfeer tilde. Haar complete naam was Nessaja Horvak Mistra Votriarus, maar ze duldde geen formaliteiten zoals andere Sapiens dat wel wensten. En dat was meteen ook de reden dat ik haar om raad kwam vragen. Van al mijn kloonouders was ze niet alleen het dichtst bij, ze gaf me altijd het gevoel dat we gelijken waren.

‘Ik wilde je niet storen. En wat ik van plan ben duurt toch jaren, dus een paar maanden meer of minder…’

Haar antwoorden kwamen sneller naarmate haar schip het mijne naderde. ‘Dat klinkt als een transitie. Je bent pas driehonderd, wil je niet te snel volwassen worden?’

‘Dat valt toch wel mee?’ vroeg ik. ‘Ik herinner me maar al te goed wat je vertelde over je eerste zonneduik. En hoe oud je toen was.’

Nessaja lachte. ‘Gelukkig zul je me dat niet nadoen, die fout hebben we uit de Schepen gehaald. Wil je fysiek?’

‘Ja, graag. Daar kom ik eigenlijk voor.’ Onze schepen verbonden zich met elkaar, luchtsluis aan luchtsluis. Ik zweefde door de gangen en liet mijn lange armen en benen hun minimale werk doen om me kalmpjes voort te bewegen. Uit beleefdheid had Nessaja haar zwaartekracht op bijna nul gezet, ook al was ze gesteld op een half tot één.

Ik trof haar op het loungedek waar ze net een aquarel schilderde. De kleuren van haar kunst pasten niet bij het strandje, het meer en de weelderige begroeiing en deden meer denken aan de heliumatmosfeer van de gasreus. Haar lichaamskeus was op dit moment kort, gedrongen en geschikt voor omgevingen met hoge zwaartekracht.

Zodra Nessaja me binnen zag komen, begon ze te stralen. ‘Robate, kom hier en geef je oude moeder eens een knuffel.’ Ik ging in op haar verzoek, vouwde mijn lange armen om haar lijf en voelde de inge­houden kracht waarmee ze me omhelsde. Ze stapte achteruit en bekeek me nog eens goed. ‘Je bent al helemaal voorbereid op een lang, gewicht­loos verblijf, zie ik.’

Ik knikte zachtjes. ‘Mijn besluit staat wel vast, ja. Maar ik heb je herinneringen nodig, je oude herinneringen.’

‘Oh jee, waarom denk je dat ik wel weet wat je zoekt, als je eigen Schip het al niet weet te vinden?’

‘Ik weet het ook niet,’ zei ik eerlijk. ‘En ik heb het idee dat mijn Schip en andere Schepen soms geen zin hebben iets te vertellen.’

‘Je bent ook nog niet volwassen. Er zijn regels.’

‘Dat vermoedde ik al,’ zei ik. ‘Daarom ook een gesprek met jou, voor ik vertrek. Ik wilde Oude Aarde gaan zoeken. Ik wilde weten waar we vandaan komen en waarom we zijn weggetrokken.’

‘Maar dat is toch geen informatie die de Schepen achterhouden?’

‘Dat klopt, ik ben er ook al geweest.’

De verbazing op Nessaja’s gezicht was duidelijk. ‘Maar dat duurt jaren, zo lang is het toch niet geleden dat we elkaar gezien hebben?’ Haar ogen staarden in de verte terwijl ze haar logboeken raadpleegde. Toen ze haar informatie had, keek ze me even boos aan. ‘Twintig jaar? Waarom heb je niets gezegd?’ Maar ze werd vrijwel meteen weer de milde, nieuwsgierige Nessaja die ik mijn hele leven al kende. ‘Vertel me wat je allemaal gezien hebt.’

Ik ging op het bankje aan de oever zitten, rook de geur van de planten en bloemen en liet de herinneringen aan mijn zoektocht uit mijn langetermijnopslag rijzen. ‘Ik zocht eigenlijk al heel lang naar onze oorsprong. Oude Aarde was de term die gebruikt werd, maar ik kwam erachter dat er minstens drie dozijn werelden zijn die mensen ooit zo genoemd hebben, waarschijnlijk nog wel meer.’

Nessaja knikte. ‘Zo zijn mensen nu eenmaal.’

‘Maar de oorsprong, de eerste Oude Aarde, die leek verloren te zijn in de archieven. Onze geschiedenis is niet perfect bewaard, Nessaja.’

Ze haalde haar schouders op. ‘Je hoeft niet alles te bewaren. Herinneringen zijn als voormalige minnaars, soms leuk, soms gevaarlijk, maar meestal gewoon lastig.’

Ik begreep wat ze bedoelde. Nessaja kon haar oorsprong traceren tot een van de eerste uit drie dozijn planeten genaamd Oude Aarde die ik had gevonden. Daarmee was ze een van de oudste, levende mensen die de Schepen kenden. ‘Het betekende dat ik de weg terug moest gaan zoeken. Daarom duurde het ook zo lang. De afgelopen miljoen jaar is de mensheid telkens verder getrokken langs de armen van de Melkweg, steeds verder weg van de oorsprong. De geheugens van de Schepen van voor die tijd waren toch aan slijtage onderhevig.’

Nessaja glimlachte. ‘Ja, mijn eerste Schip was af en toe ook vergeet­achtig.’

‘Het eerste jaar van mijn reis vloog ik van Oude Aarde naar Oude Aarde, telkens een paar duizend jaar verder onze geschiedenis in. De meeste zijn inmiddels weer teruggekeerd naar hun natuurlijke, wilde staat en op sommige wonen onze verre nazaten die destijds achter wilden blijven.’

‘En mijn Oude Aarde?’ vroeg Nessaja. ‘Heb je mijn huis nog gezien?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘De planeet was ergens teruggevallen in technologie. In dat hiaat is een komeet in een van de zeeën gestort waar­door alle leven en gebouwen van het oppervlak zijn gevaagd.’

‘Oh,’ zei Nessaja. Ze leek bedroefd. ‘Dat is spijtig. Ik heb mijn huis aan boord van Schip ontworpen naar de omgeving daar. Een van mijn mooiere herinneringen.’

‘Het universum is niet gastvrij, dat hebben we wel geleerd. Naarmate ik verder terugging vond ik meer van dit soort gebeurtenissen. In een miljoen jaar verdwijnt veel, zoniet alles, dat we aan sporen hebben achtergelaten. De entropie van beschavingen is sneller en vernietigen­der dan de natuurlijke entropie van het heelal. Dus toen ik de oudste grenzen voorbijging, kwam er een lange tijd niets. Twee jaar op topsnelheid, tot ik radiosignalen opving.’

‘Herrezen achterblijvers?’ vroeg Nessaja. Haar ogen begonnen te glanzen. ‘Of ruimtevarende anderlingen?’ Ze verwoordde het aloude probleem. In een universum dat zo groot is, moeten wel andere ruimte­varende rassen bestaan. We waren ze nog niet tegengekomen.

‘Bijna. Chimpansees. Of eigenlijk de geëvolueerde nazaten van chim­pan­sees.’

Nessaja leek verbaasd. ‘Dat is opvallend nieuws,’ zei ze. ‘We verlieten de eerste Aarde omdat we ons voortbestaan niet afhankelijk wilden laten zijn van één planeet. Blijkbaar zijn ze ons gevolgd.’

‘Ze waren inderdaad op zoek naar ons, het ras voor hen dat de Aarde had verlaten en aan hen had overgelaten.’

‘Je hebt ze gesproken? Liet Schip dat toe? Er zijn toch protocollen?’

Ik knikte en glimlachte. ‘Ja, er zijn protocollen voor contact met buitenaards leven. Maar chimpansees komen van aarde, net als wij. Niet buitenaards dus.’

Nessaja keek me aan en kneep haar ogen iets samen. ‘Hoeveel uur heb je met Schip hierover gediscussieerd?’

‘Vier dagen om precies te zijn.’

Nessaja lachte. ‘Het klonk ook al te makkelijk. Wat heb je met ze besproken?’

‘Niet teveel. Ik heb ze de weg gevraagd. Ze wilden me als een god onthalen. Wij mensen lijken voor hen een soort goden en volgens Schip zijn veel van hun mythen en legenden gebaseerd op onze eigen geschiedenis. Gelukkig waren ze realistisch genoeg om te begrijpen dat wij – raar om het zo te zeggen – ook maar mensen zijn, zeker niet almachtig. We lopen hooguit een paar honderdduizend jaar voor met onze technologie.’

‘Ik vind het schitterend nieuws,’ zei Nessaja. ‘Het voelt een beetje alsof je kinderen groot en volwassen geworden zijn. En ik kan weten hoe dat voelt.’

‘Ik heb met ze afgesproken dat ik bij terugkeer een delegatie naar hen zal sturen. Die is waarschijnlijk al onderweg. Anders zou het nog vele duizenden jaren duren voor ze zelfs maar in de buurt zouden komen.’

‘Ze wezen je de weg naar de oorspronkelijke Oude Aarde?’ vroeg Nessaja.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ook zij waren die plek al vergeten. Ze konden me enkel wijzen naar de planeten en stelsels die ze in hun eigen geschiedenis hadden aangedaan. Blijkbaar maakten ze daarin dezelfde keuzes als wij destijds. Ons afscheid was hartelijk.’

‘Ik ben blij voor ze,’ zei Nessaja. ‘Volgens mij hebben we heel veel te bespreken.’

‘Maar er komt meer,’ vertelde ik haar. ‘Na de chimpansees vloog ik weer door braakliggende ruimte, zeer herkenbaar, geen spoor van beschaving, tot ik weer signalen opving. Schip had er moeite mee, maar herkende uiteindelijk dolfijnspraak.’ Ik stuurde Nessaja plaatjes van de habitats waarmee de dolfijnen de ruimte verkenden. Immense water­bollen, bijeengehouden door megastructuren die hun magnetische velden rond het oppervlak legden.

‘Briljant. Heb je contact gelegd?’

‘Ik heb het overwogen, maar Schip waarschuwde me dat onze referen­tie­kaders radicaal anders zijn dan die van de walvisachtigen. Er schijnt ook nog een hoop oud zeer te zijn. Dus ik laat het over aan experts.’

‘Je vraagt je af waarom niemand er eerder over nagedacht heeft terug te gaan in ons spoor, om te zien hoe onze oorsprong zich heeft ont­wikkeld,’ zei Nessaja.

‘Ik heb veel tijd gehad om na te denken en dit was inderdaad een van mijn gedachten.’ Ik liet mijn woorden bezinken. ‘Ik denk dat het diep­geworteld ligt, in ieder geval in een deel van de mensheid, vooruit te kijken, telkens verder te gaan. Bij zo’n instelling past het niet telkens terug te kijken. En dat bracht me ook weer op andere vraagstukken. Filosofisch allemaal, dat geef ik toe, maar wel verhelderend.’

‘Was je niet eenzaam?’ vroeg Nessaja. Ze bleef een bezorgde moeder, zelfs bij de jongste van haar meer dan duizend nakomelingen.

Ik knikte. ‘In dit deel van de ruimte is altijd menselijk contact mogelijk. Afstanden verhinderen eenvoudige communicatie, maar er valt mee te werken. In de Orionarm van de Melkweg ben je dertigduizend lichtjaar ver van huis. Ja, ik was eenzaam. Niet zomaar, maar alsof je de laatste van je soort bent.’

‘Arme jongen, gelukkig ben je weer thuis,’ zei Nessaja met een glimlach.

‘Is dat zo?’ vroeg ik.

‘Wat bedoel je?’

‘Laat me je vertellen wat ik nog meer tegenkwam.’

‘Er is meer? Ik dacht dat je inmiddels wel bij Oude Aarde aange­komen was.’

‘Nee hoor. Ik was nog duizend lichtjaar verwijderd toen ik weer schepen tegenkwam. Ze zonden geen signalen uit en waren pikzwart. Schip herkende alleen primitieve krachtbronnen en veelal organische com­ponenten. Toen we naderden, zagen ze ons. Hun schepen vertoonden meteen een heel scala aan kleuren en patronen.’

‘Als sommige inktvissen,’ zei Nessaja.

‘Precies als inktvissen. Hun communicatie verloopt geheel via visuele signalen. Schip had een paar dagen nodig om hun taal te leren. Ik ver­moed dat ik wel wat teweeg heb gebracht bij ze.’

Nessaja glimlachte. ‘Kun je je voorstellen hoe het moet zijn, een sterk geavanceerde beschaving tegen te komen? Daar konden en kunnen wij alleen maar van dromen.’

‘In hun geval lag dat iets anders. Zij zijn opgegroeid met het idee dat hun goden en demonen ooit de aarde verlaten hebben en ze zijn doods­benauwd dat ze die ooit weer tegenkomen. Het maakt niet uit dat ze zelf ook de aarde hebben achtergelaten of dat de roofdieren die vroeger op inktvissen joegen al duizenden lichtjaren verderop waren, de angst zit er nog goed in. En ook dat zette me aan het denken.’

‘Maar ze wisten in ieder geval waar Oude Aarde lag, neem ik aan?’ vroeg Nessaja.

‘Oh ja, dat wisten ze. Maar ze waarschuwden ook dat er een ver­nietigende oorlog was geweest. De aarde was niet of nauwelijks leefbaar meer.’

‘Maar dat is eerder gebeurd. Meestal de directe aanleiding om de planeet te verlaten en je ras over de sterren te verspreiden.’

Ik knikte en pakte een paar steentjes uit het zand van het strandje. Een voor een gingen ze in slow motion het meer in. ‘Er klopt iets niet, Nessaja. Maar je ziet het alleen als je met het juiste perspectief kijkt. Wij waren altijd de steentjes, plonsden ergens de ruimte in, veroorzaakten rimpels, of beter, een kielzog. Maar waar raakten die rimpels? Als ze al iets raakten. En wie zag het kielzog. Als dat al gezien werd?’

‘Dat is wel diep, Robate, hoe kom je aan die wijsheid?’ vroeg Nessaja.

‘Ik heb Oude Aarde gezien. De oorsprong. De planeet waar het voor de mensheid allemaal begon. Een lege woestijn, grotendeels drooggevallen zeeën, weinig begroeiing van betekenis. En toch straalt de planeet een vitaliteit uit die je als mens herkent en voelt.’

‘Het moet een glorieus gevoel zijn,’ zei Nessaja. Ze glunderde en ik wist dat ze oprecht blij voor me was. Het geluk van haar kinderen was altijd belangrijk voor haar. Nog meer reden om juist haar te vragen om haar oudste herinneringen.

‘Ik heb onze laatste erfgenamen daar gezien,’ zei ik. ‘De laatste soort die zal proberen de zwaartekrachtput te ontstijgen en zal proberen de oneindige ruimte te bewonen. Ze zijn gegroeid, krachtiger geworden en veel intelligenter. Tijdens mijn verblijf daar lanceerden ze hun eerste satelliet. Na hen is de planeet uitgeput… op.’

Nessaja keek me aan. ‘Je stemming ontgaat me. Ik kan je normaal lezen als een open boek, maar het enige dat ik nu van je opvang is verwarring.’

Ik lachte. ‘Dat komt omdat ik in de war ben. Ik ben al ruim tien jaar aan het nadenken over de implicaties van de kakkerlakken die in onze voetsporen volgen. Ik denk, ik vermoed, dat ik iets op het spoor ben. Maar als ik het bij het rechte eind heb, dan is ons bestaan niet zo bijzonder als we wel dachten. En zijn de doelen die we ons stellen niet onze eigen doelen.’

Nessaja ging voor me op het strand zitten, sloeg haar armen om haar benen en keek naar me op. ‘Vertel me je diepste gedachten, kind. Wat ze ook zijn, samen vinden we de antwoorden.’

‘Mijn diepste gedachten voor de diepste herinneringen die je kunt leveren,’ zei ik. ‘Maar daarvoor moet je weten welke vragen ik tijdens mijn terugreis samen met Schip heb gesteld. We zijn allebei nieuwsgierig naar de antwoorden.’

‘Zoals je ziet wacht ik geduldig. Je zei het net al, wat is een maandje meer of minder?’ Nessaja keek me aan met ernstige ogen.

‘Hoe lang verblijft de mens nu in de ruimte? Vijfhonderduizend jaar? Een miljoen? Waarschijnlijk langer. In al die tijd zijn we niemand tegen­gekomen. Op kosmische schaal alsof je met je ogen knippert, dus het verbaast ons niet. Maar… niemand? Toch, in dat kosmische ogenblik heeft de aarde ons, de chimpansees, dolfijnen en inktvissen gelanceerd. En de kakkerlakken volgen ons op de voet.’

‘Ik geef toe, dat is bijzonder,’ zei Nessaja. ‘Misschien zijn we dan toch bijzonder, juist vanwege onze oorsprong?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘We hebben veel bewoonbare planeten gevon­den en ook bewoond. We hebben meer dan genoeg leven gevonden, soms zelfs intelligent leven. Maar nog nooit zo intelligent dat het de planeet kon ontvluchten. Dus waarom zijn we niet meer intelligente rassen tegengekomen?’

‘Dat kan ik je niet vertellen, dat antwoord weet ik niet,’ zei Nessaja. ‘Wat heeft dit met mijn diepste herinneringen te maken?’

‘Jij zat bij de vroegste kolonisatiegolven en je hebt complete vloten aangevoerd. Je volgde de Orionarm in de richting van de Sagittariusarm. Waarom die kant op? Waren jullie bang de grote leegte over te steken naar de Perseusarm? Was de andere kant op, in de richting van Centaurus, te moeilijk? Welke reden had de mensheid om die kant op te gaan?’

Nessaja knipperde met haar ogen. Praten over het verre verleden rakelde herinneringen op uit haar langetermijngeheugen. ‘Ik weet niet of we bewust een goede reden hadden. We hadden altijd een soort voorkeur voor deze richting.’

‘Net zoals de chimpansees? En de dolfijnen? En de inktvissen? En ik kan je denk ik wel voorspellen waar de kakkerlakken heen zullen gaan.’

‘Ja, maar die volgen in onze voetsporen.’

‘Welke sporen? De chimpansees vinden een heel enkele keer restanten van onze beschavingen. Bij toeval, met heel veel geluk. Maar bij hoeveel ‘toevallige’ vondsten praat je nog over toeval? Dat is wat Schip en ik de afgelopen tien jaar hebben geprobeerd te analyseren.’

‘Goed, dat kan ik begrijpen,’ zei Nessaja. Ze knikte langzaam. ‘Wat is jullie gedachte dan? Wat denken jullie dat er speelt?’

‘We hebben nooit anderlingen aangetroffen,’ zei ik. ‘Hebben we ooit restanten van een ruimtevarende beschaving aangetroffen?’

Voor het eerst ooit antwoordde Nessaja meer dan een minuut niet. De gebeurtenis was zo ongewoon voor me dat ik haar met open mond aanstaarde.

‘Ik was het al bijna vergeten,’ stamelde ze. ‘Maar nu je het zo vertelt, vallen er wat stukjes op hun plek. We vonden inderdaad restanten. Minimale overblijfselen van een oeroud, technologisch geavanceerd ras. Miljoenen jaren oud. Het leek ons niet heel erg belangrijk. We waren tenslotte kolonisten, op zoek naar leefruimte. Die oude gebouwen zouden alleen maar problemen veroorzaken bij het koloniseren.’

Ik haalde diep adem. De woorden van mijn moeder bevestigden vermoedens die Schip en ik al een tijd koesterden. ‘Occams scheermes. Wat zou de kans zijn dat die beschaving afkomstig was van aarde? Met in het achterhoofd wat we net besproken hebben.’

‘Niet nul. Ook niet praktisch nul, denk ik.’ Nessaja wreef met haar vingers over haar slapen. ‘En indirect betekent het dat zij ook gestuurd werden. Of hun nakomelingen de juiste kant op stuurden.’

‘Maar met welk doel?’ vroeg ik haar. ‘Dat er iets bijzonders gebeurt, dat weten we. Maar we weten niet waarom.’ Ik stond op en zette af in de richting van de buitenwand. Bij een van de patrijspoorten keek ik naar buiten. De kleurige helium- en koolstofbanden van de gasreus vulden een groot deel van het uitzicht. Een maantje schoot beneden ons voorbij en liet een zwarte schaduwstip over het oppervlak van de reus razen.

Nessaja kwam naast me staan en zei: ‘Wie volgen we nu eigenlijk? En hoe worden we bestuurd om deze kant op te gaan?’

‘Daarom wilde ik je herinneringen raadplegen. Ik wil weten waarom je je keuzes maakte toen je vloten naar specifieke zonnestelsels dirigeerde. Sommige van je keuzes waren namelijk niet volkomen logisch,’ legde ik uit.

Nessaja schudde haar hoofd. ‘Nee, die beslissing werd door de voltallige raad genomen.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Groepen zijn makkelijker te beïnvloeden dan individuen.’

‘Denk je echt dat dat gebeurd is? Of nog steeds gebeurt?’

‘Het is de meest logische oplossing. Tenzij je een beter voorstel hebt?’

Nessaja schudde haar hoofd en haar blonde krullen dansten rond haar oren. ‘Wat wil je nu gaan doen?’

‘De andere kant op gaan. Ik heb tot onze oorsprong gereisd en weer terug. Ik wil nu verder langs de Sagittariusarm reizen, in het kielzog van onze voorgangers, en misschien zelfs uitvinden waarom we die kant op worden gestuurd.’

‘Maar daar heb je mijn toestemming toch niet voor nodig?’ vroeg Nessaja.

Ik glimlachte. Het was wel eens goed te zien dat mijn moeder ook niet alles wist. ‘Vreemd genoeg weigeren alle schepen me verder dan een paar lichtjaar in de goede richting te vervoeren, daarna keren ze weer terug. Het is alsof de Schepen niet verder durven.’

‘Dat kan niet. Het zijn machines.’

‘Maar ze kennen zelfbehoud, moeder,’ zei ik. ‘Ze zijn bang om de verkeerde beslissing te nemen. Wij worden gestuurd. Zij niet. Dus de kans dat wij het juiste doen is veel groter. Ik heb ze gevraagd hoe ik die blokkade kan opheffen. Jij schijnt me daarvoor volwassen te moeten verklaren, of een directe opdracht geven me te helpen.’

‘Het zit in ons, merk je dat?’ vroeg Nessaja.

‘Wat zit in ons?’

‘Het sturen en controleren van onze kinderen,’ zei ze.

‘Denk je dat wie of wat ons stuurt hetzelfde met ons voorheeft als wij met onze kinderen?’

‘Ik hoop het maar,’ zei Nessaja. ‘Ik hoop het maar.’

‘Maar goed, je toestemming, je zegen, je goedkeuring om dit te gaan ondernemen?’ vroeg ik haar.

Ze schudde haar hoofd. ‘Nee, die geef ik je niet.’

Vol ongeloof keek ik haar aan. ‘Dat kun je niet doen.’

‘Lieve jongen, denk je dat ik je nog een keer twintig jaar ga missen? Natuurlijk niet.’ De zwaartekracht nam iets toe, luiken schoven dicht en het licht in het Schip veranderde. Ik voelde motoren beginnen te werken gevolgd door een lichte versnelling.

Nessaja nam mijn hand in de hare en gaf me haar meest stralende lach. ‘Dit lijkt me een goede, gezamenlijke tijdsbesteding, moeder en zoon. Het is al zo lang geleden dat we echt iets samen hebben gedaan.’

De patch : Frank Roger

1

 

Vandaag is onze hond gestorven. Het was een trieste dag en mijn dochter Stefanie is totaal ontredderd. Ze is nog maar zeven jaar en kan nog niet omgaan met dood en verlies. Voor een kind van die leeftijd zijn dat nog onbekende begrippen. Ik probeerde haar te troosten en beloofde haar een andere hond te kopen, maar ze wil alleen maar de oude terug – ze kan maar niet aanvaarden dat die er niet meer is. Ik weet zeker dat haar verdriet langzaam zal verdwijnen en dat ze daarna de draad weer zal oppakken. Ze is nog maar een kind, ja? Ik maak me geen zorgen.

 

2

 

Ik word overstelpt met reclame van een bedrijf genaamd Reality+ dat belooft ‘mijn probleem op te lossen’ en me te helpen om ‘mijn verlies te verwerken’. Hoe kwamen ze achter mijn verlies? En wat weten ze van mijn problemen? Ik haat dit soort toestanden. Ik weet best dat privacy iets uit het verleden is, maar dit gaat wel zeer ver.

Stefanie blijft maar herhalen dat ze haar hond terug wil. ‘Waarom doen we niet zoals Jennifer en Mark?’ klaagde ze. Jennifer is een school­vriendinnetje van haar dat een eind verderop in de straat woont, en Mark is het jongere broertje van Jennifer. Jennifer komt hier vaak spelen met Stefanie, en omgekeerd. Ik weet niet waarover Stefanie het heeft, en ze is te zeer overstuur om er redelijk te kunnen over praten. Ik zal het bij gelegenheid eens vragen aan Jennifers ouders. Is er misschien een verband met Reality+? Dat zou best kunnen. Ik kijk het wel eens na.

 

3

 

Ik had het moeten weten. Reality+ heeft me niet zomaar ontdekt. Blijkbaar vertelde Stefanie over de dood van onze hond aan Jennifer, die op haar beurt aan haar vader vroeg om wat informatie door te sturen. Ik ken die man, John Muylders. Ik zie hem soms als ik Stefanie op school ga afhalen. (Ik denk er net aan, zijn vrouw Melanie heb ik al een poos niet meer gezien – we wisselden al eens nieuws en roddel uit. Ik mis haar eigenlijk wel een beetje. Wat is er gebeurd met haar? Als ik dat nu eens discreet vroeg aan John?) John stemde toe en gaf mijn contactgegevens door aan dat bedrijf, wellicht in de veronderstelling dat ik zelf achter dat verzoek zat.

Ik bel hem wel eens en vraag hem om meer informatie over Reality+.

 

4

 

Ik heb met John gebeld. Hij ging er inderdaad van uit dat ik gevraagd had om informatie te krijgen. Hij verontschuldigde zich voor het ongemak, maar benadrukte dat hij wist wat ik doormaakte en dat Reality+ de perfecte oplossing had voor mijn probleem. ‘Ik heb niets dan positieve ervaring met hun dienstverlening,’ zei hij. ‘Je zou het in elk geval eens moeten proberen. Maak een afspraak met een van hun verkopers. Geloof me, je zult niet teleurgesteld zijn. En je dochter zal zo gelukkig zijn.’

Ik vroeg om meer details, maar John bleef vaag over zijn eigen ervaringen. Hij herhaalde alleen maar dat ik het moest proberen en dat het onvergeeflijk zou zijn om de diensten van dat bedrijf geen kans te geven. ‘Hun patches zijn echt het allernieuwste snufje spits­technologie,’ zei hij. Patches? Ik besteed niet veel aandacht aan al die nieuwe en doorgaans peperdure technologie die de markt over­spoelt, maar ik had wel al gehoord over ‘patches’.

Ik weet eerlijk gezegd niet wat nu te doen. Ik deed wat onderzoek op het internet en vond commentaar van klanten, alles erg positief maar zonder de informatie die ik zocht. (‘Perfecte op maat gemaakte oplossingen voor al je persoonlijke problemen.’ ‘Getroffen door een verlies? Probeer hun patches.’ ‘Laat negatieve gedachten niet de overhand krijgen. Vraag om professionele hulp. Reality+ is wat je nodig hebt.’)

Inmiddels blijft Stefanie me maar zeggen dat ze haar hond terug wil alsof dit echt mogelijk is – ze moet het over die patches hebben. Dat moet ik toch eens nader bekijken.

 

5

 

Ik maakte dus een afspraak. De verkoper kwam aan in een anonieme witte bestelwagen, zonder bedrijfsnaam of logo.

De man zag mijn verbaasde blik en legde uit: ‘We willen niet dat iedereen in de straat weet dat u bezoek krijgt van iemand van Reality+, om welke reden dan ook. U kunt altijd rekenen op onze absolute discretie. Voor ons is dat even belangrijk als voor u. Wij houden ons bezig met gevoelige en persoonlijke zaken en respecteren uw privacy.’

Met veel empathie besprak hij toen de zaak van onze hond. Hij moest foto’s en videomateriaal van het dier zien, zoveel als we maar hadden. ‘Dat is van vitaal belang,’ beweerde hij, ‘om een natuurgetrouwe patch te verkrijgen.’

‘Natuurgetrouw’, dat bleek het credo van die jongens te zijn. Als ik het correct begrijp is de ‘patch’ die ze leveren een nieuw stukje technologie dat net echt lijkt. Onze hond-patch zou niet te onderscheiden zijn van onze echte hond. ‘Het is als virtuele realiteit maar zonder de helm,’ zei de verkoper, een uitleg die me geen stap verder hielp. ‘Het is de volgende stap in ‘toegevoegde realiteit’,’ merkte hij verder nog op, wat ook al niet veel hielp.

‘Het is dus nep,’ zei ik, ‘maar het ziet eruit als echt.’ ‘Ik zou het niet nep durven noemen,’ wierp hij tegen. ‘Het is wel degelijk echt, maar op een andere manier. En het blijft beperkt tot het huis en de tuin. Je kunt je hond niet meenemen als je ergens heengaat. Onze technologie onder­steunt die optie nog niet. In de nabije toekomst wordt dat misschien mogelijk, en dan bieden we je een upgrade aan tegen een zeer redelijke prijs.’

‘En hoe werkt dit nu?’ vroeg ik. Ik kreeg een technische uitleg die me mijn petje te boven ging. Wat ik begreep was dat er ergens in huis een Patch Unit zou komen, een computersysteem dat alles bestuurde. Het zou volledig autonoom werken en maar beperkt onderhoud vergen. Het bedrijf bood een gratis helpdesk die ik vierentwintig uur per dag kon bellen en een noodreparatieteam in het onwaarschijnlijke geval van een panne.

Ik kreeg meer informatie over prijzen en voorwaarden en opties, en koos uiteindelijk voor een proefperiode van drie dagen, waarna ik de knoop zou moeten doorhakken.

Stefanie raakte in extase toen ze te horen kreeg dat ze haar hond terugkreeg – ik zei er niet bij dat het misschien maar voor drie dagen was. Dat zouden we dan wel zien.

 

6

 

Het was leuk om onze hond weer in huis te zien, en toch besloot ik om het aanbod af te slaan. Stefanie was weer compleet ontredderd. Ik leg het even uit.

De hond was absoluut fantastisch, dat moet ik wel toegeven. Stefanie greep hem beet en kuste hem alsof zijn dood niet meer dan een alweer vergeten nachtmerrie was geweest. Als ik niet beter wist had ik ook gedacht dat de echte hond was teruggekeerd, alsof hij zich na zijn heengaan had bedacht en was herrezen.

Ik heb begrepen dat Reality+ een digitale kopie van onze hond had gecreëerd die werd bestuurd door de Patch Unit in ons huis. Die patch bestond uit signalen die naar onze hersenen gestuurd werden en geïnterpreteerd als normale zintuiglijke waarnemingen: visueel, auditief, tactiel enzovoort. We zagen onze hond rondrennen, hoorden hem blaffen, voelden zijn zachte pels als we hem streelden net alsof het dier echt was.

Maar dat was hij dus niet. Onze hersenen kunnen gewoon het onderscheid niet maken tussen de patch en het echte spul. Voor Stefanie was het perfect, maar wat verwacht je van een kind.

Het deed me verschrikkelijk pijn om haar pas hervonden geluk aan scherven te moeten gooien, maar ik vond dat ik geen keuze had. Ik probeerde haar uit te leggen dat hoe authentiek namaak ook mag over­komen, het altijd namaak blijft. Ik zei haar dat het beter is te leren omgaan met de werkelijkheid, en dus ook met verlies en dood, en dat de hond die we daar zagen lopen er helemaal niet was – een stuk technologie deed ons dat geloven.

Zouden kinderen (en volwassenen trouwens ook) niet moeten leren omgaan met het ware leven? Met zware klappen en tegenslagen? Is het zoeken naar troost in namaak geen vlucht uit de werkelijkheid, een weigering om in het reine te komen met je problemen? Ik kwam tot de conclusie dat er in mijn leven geen plaats is voor die spitstechnologische patches, hoe overtuigend ze ook zijn.

Dus moest de hond gaan. Of beter gezegd: de hond werd uitge­schakeld.

 

7

 

Stefanie komt haar verlies te boven – voor de tweede keer. Ik wist wel dat het haar zou lukken. Ze is een sterk meisje. Ze doet alles wat kinderen van haar leeftijd doen en maakt plezier. Als ze zo doorgaat koop ik misschien wel een nieuwe hond voor haar.

Enkele dagen lang ging alles perfect.

Stefanie vroeg of ze na school mocht gaan spelen met Jennifer en haar kleine broer. Ik zei haar dat het geen probleem was en we gingen erheen. Hoewel het maar een korte wandeling is ga ik liever mee. John opende de deur, begroette me hartelijk zonder te verwijzen naar Reality+. Hij zei dat alles in orde was en dat de kinderen het naar hun zin zouden hebben.

Toen ging Stefanie bijna elke dag spelen met Johns kinderen. Ze hadden veel plezier en ik was blij dat de dode hond al uit hun herinnering aan het verdwijnen was.

 

8

 

Het gebeurde enkele dagen later.

Stefanie kwam in de late namiddag terug van Johns huis en ze was compleet overstuur. Ze zag eruit alsof ze elk moment in tranen kon uitbarsten.

Ik vroeg haar wat er gebeurd was en ze zei me dat Jennifers jongere broer iets verschrikkelijks was overkomen. Eerst dacht ik dat de jongen was gevallen en zich lelijk had bezeerd, maar Stefanie schudde het hoofd en zei dat ze niet begreep wat er was gebeurd.

Toen ze wat gekalmeerd was legde ze uit dat de jongen plots leek te verdwijnen, voor enkele seconden weer verscheen om dan weer te verdwijnen, enzovoort, als iets dat in- en uitgeschakeld wordt. Blijkbaar duurde dat enkele minuten. Jennifer was ook totaal ontredderd en zei dat ze haar broertje nooit zoiets had zien doen.

Ik kon eerst niet geloven wat Stefanie zei, maar toen daagde het me dat de jongen niet echt was. Hij was een patch, en wel eentje die slecht functioneerde. Geen wonder dat Stefanie zo overstuur was. Ze had natuurlijk geen enkele ervaring met slecht werkende patches. Toen drong de volledige betekenis van het voorval tot me door: John had me gezegd dat hij tevreden was met zijn patch, en ik ging ervan uit dat hij het over een huisdier had.

Maar een jongen? Jennifers jongere broertje? Wat betekende dat? Wat was er gebeurd met de echte Mark? Wat er ook met hem gebeurd was, hoe waren John en Melanie ertoe gekomen hem te vervangen door een patch? Ik kon maar niet begrijpen hoe ouders zo laag konden vallen.

Wat ook het geval mocht zijn, ik hoopte maar dat er niets aan de hand was met Mark – de echte.

Bij de eerste gelegenheid zou ik John hierover vragen stellen. Ik verwachtte ook verontschuldigingen van hem om mijn dochter aan zoiets afschuwelijks bloot te stellen zonder me in te lichten. Het was volslagen onaanvaardbaar. Hoe moest ik dit uitleggen aan Stefanie?

 

9

 

Ik belde John en zei hem dat we iets moesten bespreken. Hij stemde toe en we spraken een datum af – hij leek goed te weten waarover dit ging. Die dag werd ik hartelijk onthaald. Het was op een avond en de kinderen zaten al in bed – ik zou het onbehaaglijk gevonden hebben als Mark erbij was geweest, zonder te weten of het de echte was of een patch.

‘De laatste keer dat Stefanie hier kwam spelen met je dochter gebeurde er iets verschrikkelijks,’ zei ik.

John knikte. ‘Ik weet het. Er was een technisch probleempje. Het gebeurde op het slechtst denkbare moment. Het probleem werd onmid­dellijk opgelost,’ zei hij. ‘Ik verontschuldig me voor alle ongemak.’

‘Het probleem werd opgelost?’ zei ik, furieus. ‘En je verontschuldigt je voor het ongemak? Besef je wel waaraan mijn dochter werd blootgesteld?’

‘Ja,’ gaf hij toe. ‘Ze was er niet klaar voor om Mark zo te zien. Het moet een zware klap voor haar zijn geweest. Jennifer aanvaardde de patch als haar echte broertje van bij het begin, dus voor haar was het ook zwaar. Kinderen maken geen onderscheid tussen echt en patch, weet je. We hadden enkele technische problemen met onze Patch Unit, maar het onderhoudsteam kwam langs en alles zou nu weer perfect moeten werken. Er zouden geen problemen meer mogen zijn.’

‘Hoe kun je nu zo praten?’ vroeg ik. ‘Hoe kun je het hebben over technische problemen en onderhoud? Heb je het over een machine of over je zoon?’

Er ontstond een stilte en ik besefte dat ik zijn gevoelens misschien gekwetst had.

‘Het spijt me,’ zei ik na enkele gênante momenten. ‘Ik liet me mee­slepen door mijn emoties.’

John sloeg de ogen neer en mompelde: ‘Je weet niet wat ik doorgemaakt heb. Je hebt er geen flauw benul van. Denk vooral niet dat dit gemakkelijk was voor mij.’ Toen verviel hij weer in een pijnlijk stilzwijgen.

Ik wierp een blik naar Melanie, die rustig naast John zat. Ze had nog geen woord gezegd, alsof het gesprek haar niet aanging, alsof we het niet over haar zoon hadden. Haar gelaat was trouwens volkomen uitdruk­kings­loos, in dat in deze omstandigheden! Ik had haar nog nooit zo afstandelijk gezien. Wat was hier aan de hand? Wat was er gebeurd sedert ik haar voor het laatst had gezien? Het was duidelijk dat iets me ontging.

‘Ik vrees dat ik niet kan toestaan dat Stefanie nog komt spelen,’ zei ik. ‘Niet na wat hier gebeurd is. Dat ding joeg haar de stuipen op het lijf. Wellicht wil ze hier niet eens meer komen.’

John knikte. ‘Ik begrijp het.’

Er ontstond weer een ongemakkelijke stilte. Ik verbrak die met de woorden: ‘Je zei me dat je zo tevreden was van die patches. Ik heb me daar natuurlijk niet mee te bemoeien, maar ik had er toch graag meer over geweten als je dat niet erg vindt.’

John keek me aan, richtte zijn blik toen naar Melanie en dan weer mij. ‘Ik ben je een verklaring schuldig,’ zei hij. ‘Vooral na wat er met Stefanie gebeurde.’

‘Je kunt rekenen op mijn discretie,’ zei ik.

John knikte en ging verder: ‘Eerder dit jaar kreeg Mark een zware longontsteking, met complicaties. Het was erger dan we dachten en hij moest opgenomen worden in het ziekenhuis. Veel vooruitgang heeft hij nog niet geboekt, maar we hopen dat hij uiteindelijk weer naar huis zal kunnen.’

‘Het spijt me dat te horen. Ik wist het niet.’

‘Je zult begrijpen dat dit een zware klap voor ons was. Ik opteerde voor die patch om hier dan een zo normaal mogelijke situatie te hebben. Dat is belangrijk voor Jennifer en ook voor mij. Het stelt ons in staat om door te gaan, om ons ervan te overtuigen dat onze beproeving op een dag voorbij zal zijn. Zodra Mark terug is gaat de patch uiteraard weg. Hij zal dan zijn doel gediend hebben.’

‘Ik begrijp het. Toch vind ik dat erg bizar. Ik denk niet dat ik dat als moeder zou kunnen doen.’ Ik keek naar Melanie, die maar bleef zwijgen. Had zij dan echt niets toe te voegen aan het gesprek? Per slot van rekening hadden we het toch over haar zoon?

John moest mijn blik vol ongeloof gezien hebben want hij kwam overeind, greep me bij de arm, keek me in de ogen en zei: ‘Snap je het dan nog altijd niet? Ik besloot om een patch te nemen voor Mark omdat ik zo tevreden was over het product. Zie je, Mark is mijn tweede patch. Melanie was de eerste. De oorspronkelijke Melanie ging ervan door met een andere kerel. Ik heb nooit begrepen hoe een moeder haar kinderen in de steek kan laten. Ik heb hun opvoeding dan maar alleen op mij genomen. Toen kwamen die patches op de markt, en je weet dat ik een early adopter ben. Het leek een perfect idee en ik ging ervoor. De kinderen vonden het ook prima. Ik was zo gelukkig met die patch dat het logisch was om een tweede te nemen toen Mark ziek werd. Meer en meer mensen halen ze in huis. Je wordt er maar beter aan gewoon. Binnenkort zijn ze overal.’

Ik verliet Johns huis in shock, net zo overstuur als Stefanie was geweest.

Vooral Johns slotopmerking toen hij me uitliet trof me met volle kracht: hij zei dat ik geen enkele reden meer had om een alleenstaande moeder te blijven. Er was een perfecte oplossing.

 

10

 

Telkens als ik een van die witte bestelwagens in mijn buurt geparkeerd zie lopen koude rillingen me langs de rug. Ik zie ze meer en meer. Er komen verkopers langs, of misschien onderhoudsteams die technische problemen moeten oplossen. Ik vraag me af hoe ver dit zal gaan, hoe diep de mensen zullen wegzinken. Binnenkort is de werkelijkheid een voorbij­gestreefd begrip. Mijn huis zal het laatste bastion zijn. Ik moet toegeven dat ik bang ben. Hoe ga ik nog weten wat er nog echt is om me heen, vooral als die technologie nog geperfectioneerd wordt en wellicht alom­tegenwoordig? In wat voor een wereld zal mijn dochter opgroeien? Zal ze zwichten of koppig weerstand bieden zoals haar moeder? Of ben ik alleen maar ouderwets?

Zal Stefanie me mijn gang laten gaan… of zal ze me op een bepaald punt laten vallen en me vervangen door een patch die voldoet aan al haar wensen?

Het Gelukkige Land : Jack Schlimazlnik

Mu hield zijn hand boven zijn ogen om die tegen het zonlicht te bescher­men. Hij kneep zijn donkere ogen samen om de toppen van de torens te zien, hoog boven de fonkelingen van het dak van de Eeuwige Tempel. De weervaan op de torenspits kon hij nauwelijks zien in het middaglicht. Toch leek het hem of de wind was gedraaid. Hij dacht ook te voelen dat het hete zand uit de woestijn de stad binnen werd geblazen en zijn huid streelde en speelde met zijn rossige haar. Vanaf het dak van het pand waarin Mu met zijn moeder en zusje woonde, halverwege de helling die boven de stad uitrees, was niet alleen de tempel te zien. Mu draaide zich een kwartslag, zodat hij over de woestijn uitkeek. De wind blies nu het fijne zand in zijn smalle ogen, waardoor hij begon te tranen. Toch kon hij tussen zijn tranen door zien waarop hij had gewacht.

‘Moeder!’ Hij stormde de trap af. ‘Het komt!’

Er kwam leven in het pand. Niet alleen Mu’s familie leek ineens wakker te worden uit de namaalsslaap, ook de andere bewoners ontwaakten. Zakken werden gepakt, knisperend in het halfduister van de geloken luiken die de warmte buiten moesten sluiten. Touw, gevlochten uit restanten van zakken, werd uit kasten gehaald. Hier en daar werd voor­zichtig een luik op een kier gezet om te zien of het waar was. Overal ritselden de kledingstukken die nodig waren om de woestijnwind te weer­staan: pvc, synthetische raffia, polyetheendoek. Ook uit de andere woon­torens klonken nu kreten. ‘Het komt!’

Het ging erom snel te zijn, wist Mu. Sneller dan de wind die over de woestijn waaide. Hij wond de oude katoenen doek die hij uit huis had gehaald om zijn hoofd. Zorgvuldig plaatste hij het stuk plastic voor zijn ogen, voordat hij het dunne doek ook rond zijn gezicht wikkelde. Alleen de nauwe spleet door het groenige, doorzichtige plastic bleef over, genoeg om nog iets te zien in de zandwervelingen en toch zijn ogen te beschermen. Hij sjorde zijn lange riem om zijn middel vast, zodat de wind niet onder kleren zou komen en zijn huid niet door het zand gegeseld zou worden.

Mu was niet de enige die zich tegen het zand beschermde om de woestijn in te trekken. Uit de nauwe stegen tussen de woontorens, uit alle wijken rondom de Eeuwige Tempel, stroomden de bewoners de woestijn in, een golving van gekleurde doeken en geklapper van de plastic zakken die zij in de wind met zich meedroegen. Gegil van de kinderen, die het onverwachte uitje met enthousiasme tegemoet renden.

Maar er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Mu, net veertien en volgens zijn vader ‘hoog op de poten’, rende voor de meute uit. Sneller dan de rest. Sneller dan de wind. De wind wervelde om hem heen. Als een stofduivel voelde hij zich thuis in de woestijn. Het was zijn taak snel te zijn, om wat nog restte van het gezin te kunnen voeden, om de ziekte van zijn zusje en de honger te kunnen bestrijden, om van de wind te kunnen leven. Hoewel de oogst nooit genoeg leek te zijn in de verbijsterende eindeloosheid van de woestijn, was zijn snelheid het enige dat hij had om te ontsnappen aan het sobere leven rond de tempel.

De eerste snippers dwarrelden de vallei binnen. Kleurige resten, glin­sterend en glimmend als juwelen, buitelden op de wind. Mu rende eraan voorbij. Achter zich hoorde hij de vrolijke stemmen van kinderen die de snippers verzamelden. Onder zijn hoofddoek glimlachte hij: zo was hij als kind ook geweest. Ook hij had de trots gevoeld bij zijn bonte verzameling snippers. Toen hij ouder werd, had hij zijn snippers aan de voet van de tempel begraven.

Bijna miste hij door zijn mijmeringen de eerste fles. Het was een grote groene die over de zandgolven hobbelde. Af en toe floot de wind in de hals. Mu rende erheen, sprintte. Hij kreeg de fles te pakken, een mooie, gave fles. Hij schudde het zand eruit voordat hij de fles in zijn zak stopte. Na die eerste fles volgden er meer. Flessen, zakken, potten, dozen. Het was enorm veel wat de woestijn uitbraakte. Na een paar klappen van More Isha had Mu niet meer durven vragen waar alle plastic vandaan kwam, dus probeerde hij daar niet aan te denken terwijl hij de spullen inzamelde. Toen zijn eerste zak vol was, bond hij die op zijn rug met een streng gevlochten plastic. Al snel volgde een tweede zak. Hij was langzamer nu, anderen raapten rondom hem de spullen op. Iets verderop ontstond een opstootje over een groot stuk landbouwplastic dat door twee families werd betwist.

Mu ontvluchtte de drukte. Hij liep verder, tegen de wind in, zijn kleding zwaar van het zand dat in de stof waaide; in de vouwen en in de naden, zelfs in de zomen van zijn plastic broek. Iedereen was zo druk met de oogst, de jacht, dat niemand op hem lette. Hij dook achter een duin, zodat hij voor de anderen verborgen was. Op zijn achterste liet hij zich van de helling glijden, tot aan de voet van het duin.

Achter een flinke rots stond een braamstruik, pal in de wind. Het was een oude struik, bladerloos en kromgebogen. Repen plastic waren in de stekels blijven hangen. Het leek alsof ze een heiligdom sierden, een bijna doorzichtige plastic tempel, als een schitterende edelsteen. Bonte kleuren, glitter en glans, ritselden hier in de verder zo dorre en doffe woestijn.

Voorzichtig haalde Mu het kostbare plastic van de braamstruik. Hij vulde er een hele zak mee, die hij naast de andere twee op zijn rug hing. Schichtig keek hij om zich heen om te zien of hij niet gezien was. Hij hield deze rijke oogstplaats liever voor zichzelf en hoopte dat hij daar genoeg plastic kon oogsten om geneesmiddelen voor Lafaya te ontvangen. Hoe lang zou ze nog hebben? vroeg hij zich bezorgd af. Zes manen, twaalf? De droge, hete wind maakte haar het ademen steeds moeilijker, wat hem het ergste deed vrezen. Met zijn last en de gedachten aan zijn zieke zusje zwoegde hij nog een stuk tegen de wind in, rond de voet van het duin. Toen hij omkeek, zag hij hoe zijn voetstappen achter hem verwaaiden.

Zijn hart klopte hem bijna in de keel. Het was niet de inspanning van het sjouwen door het mulle zand. Het was ook niet de spanning van de oogsttijd. Het was de angst voor wat erna kwam, gruwelijker nog dan de dodelijke bahromesh. Een weldenkend mens, zo hoorde Mu in gedachten zijn leraar oreren, oogst als de wind en maakt dat hij wegkomt voordat ze komen. Wie waren ‘ze’, had Mu willen weten. More Isha had hem die blik toegeworpen, die blik die de leerlingen waarschuwde dat zij zich op het terrein van de taboes begaven, het terrein van de zaken waarover niet werd gesproken. Mu had niet verder gevraagd. Hij leerde alleen dat hij sneller dan de wind moest oogsten.

Hij had gedacht dat hij snel was. Sneller dan de wind. Met zijn drie volle zakken kwam hij echter niet vlot de berg op. Hijgend keek hij achterom, de wijde woestenij in. In zijn verbeelding had hij zich een beeld proberen te vormen van ‘ze’. Hij stelde zich voor dat het mensen waren die hun oogst weg zagen waaien, de woestijn in, naar de vallei van de Eeuwige Tempel. In zijn nachtmerries waren het kwaadaardige mensen, die hun oogst kwamen opeisen en de tempel afbraken. Nu zag hij hoe ‘ze’ op hem afkwamen, uit de richting van het Gelukkige Land waar ook de rijkste oogsten vandaan geblazen werden.

Aanvankelijk dacht Mu dat het vogels waren. Grote vleugels deinden in de wind, klapperend, golvend. Pas daarna zag hij de vele poten onder de wezens. De poten bewogen op brede voeten zorgvuldig door het zand, een wankele gang die door de vleugels in evenwicht werd gehouden. De wezens leken geen lichaam te hebben, alleen een skelet. De wind floot door de beenderen.

‘Mu! Blijf niet staan!’

Mu keek op. Zijn vriend Ameth wenkte hem, met ogen groot van angst in zijn grauwe gezicht. Ameth was minder snel dan Mu, hoewel hij langer was. Zijn traagheid was te zien aan de gereten kleding die rond zijn magere lichaam slobberde.

‘Kom, schiet op!’ riep Ameth, terwijl hij Mu zijn hand reikte. ‘Zal ik een van je zakken overnemen?’

De vrienden verdeelden het gewicht van de oogst over hun ruggen. Toen zetten ze het weer op een lopen. Mu keek nog één keer om naar de vreemde wezens met hun merkwaardige fladderloop en hun angstaan­jagende gefluit. Het spoorde hem aan nog sneller te lopen.

Hijgend arriveerden de jongens bij de stad, nauwelijks de tijd nemend hun hoofdbanden af te leggen en hun oogscherm weg te bergen. Mu beklom de steile stegen, die smal en slingerend tegen de berghelling opliepen; Ameth zat hem op zijn hielen, beiden hadden nog de angst voor ‘ze’ in de knieën. De trappen waren daardoor moeilijk begaanbaar, ook door het opgewaaide zand. De meeste huizen hielden de luiken nog gesloten tegen de storm. En misschien ook wel vanwege ‘ze’, dacht Mu. Hij huiverde. Wat waren dat voor wezens?

Hij had niet lang om erover na te denken, want het werd drukker in de stegen naarmate hij en Ameth dichter bij de Eeuwige Tempel kwamen. De meeste verzamelaars waren blijkbaar al op de terugweg. Er was bijna geen doorkomen aan met de grote zakken vol kostbaar plastic. Toch lukte het Mu en Ameth om tijdig bij de tempel te komen en hun zakken aan de priester te overhandigen.

De priester nam de zakken nederig in ontvangst. Hij controleerde de inhoud op kwaliteit en kleur. Hij bepaalde het gewicht. Het was niet zijn taak de popelende jeugd gerust te stellen. Pas na lang wikken en wegen overhandigde hij de beloning: munten voor de gaarkeukens, de bad­huizen en enkele munten ter vrije besteding.

Mu nam met een van honger knorrende maag de munten aan. Het was niet veel, maar het was voldoende om zijn moeders, broers en zusjes te voeden tot de volgende storm uit het zuidwesten kwam. Hij wist dat het niet veel was, maar hij wist ook dat niemand veel ontving. Hij kreeg, dankzij zijn snelheid bij de jacht, iets meer dan Ameth. Het was niet véél meer, en hij wist dat Ameth niet jaloers was. Wat hij meer verdiende, ging toch vooral naar de geneesheren.

Die nacht kon Mu niet in slaap komen. Steeds wanneer zijn ogen dreigden dicht te vallen, zweefden de skeletten door de woestijn van zijn geest, gedreven door de wind van zijn angstige gedachten. Waar kwamen die wezens vandaan? Het leek of ze van plastic waren: was het mogelijk op ‘ze’ te jagen, hen te doden? Hoeveel zou een van die beesten op­brengen? Was er een bron, een nest? Piekerend staarde Mu in het duister van de woestijnnacht. In de kamer naast de zijne hoorde hij het raspende hoesten van Lafaya. Ze had krachtiger en kostbaarder genees­middelen nodig. Mu draaide zich op zijn andere zijde. Iets in de woestijn lag te wachten tot hij het zou vinden. Dan zou hij rijk zijn en die middelen kopen. Hij wist het zeker, op de drempel tussen waken en wanen, tussen slapen en dromen. Pas toen de zon door de luiken kierde, viel Mu eindelijk in slaap.

 

‘Ik wil je wat laten zien.’ Ameth wiebelde op de bal van zijn voet. Hij stond in de deuropening naar Mu’s kamer. Zijn gebronsde gezicht lichtte gespannen op in het schijnsel van de namiddagzon, een contrast met de loomte die in de warme stad heerste en meestal ook zijn lichaam beheerste.

‘Wat?’ Mu gaapte. Loomheid had hem in zijn greep.

‘Een weg.’ Ameth liet zijn stem zakken en ging fluisterend voort. ‘Een weg naar de hima.’

Mu kwam overeind, de loomheid gleed als een deken van hem af. ‘Dat is taboe!’ fluisterde hij. ‘Daar mag je niet komen, dat is voor de priesters!’

Vanuit de aangrenzende kamer kwam een raspend gehoest. Ameth draaide zijn gezicht erheen. Hij fronste. ‘Wat doen de priesters voor je zusje? We kunnen naar de hima gaan en zelf de goden vragen haar te helpen.’ In zijn opwinding vergat hij bijna te fluisteren.

Mu knikte. Zijn geestesoor hoorde zijn leraar, More Isha, waarschuwen voor de hima: ‘Het is de verblijfplaats van de goden. Zij dulden daar niemand, behalve de gewijde priesters en de heilige dieren. Het gebied is afgezet met duidelijke grensstenen. Wie de grens overschrijdt, zal sterven. De hima is taboe voor jullie.’ Mu huiverde. Hij twijfelde eraan of de hima werkelijk taboe was. De goden waren er immers om de mensen te helpen? Daarvoor werd aan hen geofferd: de plastic snippers van de kinderen, de plastic tempel, moeizaam bijeengegaard door de vol­wassenen.

‘Laten we gaan,’ zei Ameth geestdriftig. ‘Nu kan het nog, voor de zon onder is.’

De twee jongens gingen op pad. De ondergaande zon kleurde de woes­tijn goudgeel. De aanwakkerende avondbries deed het plastic van de tempel rimpelen. De meeste luiken in de stad waren nog steeds gesloten tegen de ongenadige middaghitte, zodat de jongens zich geen zorgen maakten dat iemand hen op zou merken terwijl zij om de tempel heen slopen en op de helling daarachter klauterden.

De weg die Ameth wees, leek meer op een pad: een stoffig voetspoor door de wirwar van dorre doornstruiken. De jongens gingen voort, haak­ten met hun kleding aan de doornen, bukten om onder de laaghangende takken van een tamarinde door te sluipen. Rotsen onttrokken het pad aan het oog van de stadsbewoners. De tamarindes deden hetzelfde voor eventuele blikken uit de tempel.

Het pad werd een nauwe kloof. Het was er donker, de zon drong er niet meer door. Vocht vloeide traag de helling af, verdwijnend in het poreuze gesteente. Diep beneden de voetstappen van de jongens vormde het de bron waar de pompen in de stad het schaarse water uit putten.

‘Is het nog ver?’ vroeg Mu. Hij fluisterde als de wind in de tamarindes. De avondbries was verkoelend doch zou snel verkillen. In het duister wilde Mu niet buiten zijn, niet in de hima, maar ook niet buiten de veiligheid van de stad.

‘Ik ben hier ook nooit geweest.’ Ameth wierp een blik over zijn schouder. Hij schatte de tijd in die nog restte voor de duisternis de hemel zou beheersen, zijn arm gestrekt, zijn duim omhoog. ‘Nog een klein stukje verder, daarna zullen we terug moeten als we nog tijdig thuis willen komen.’

De nacht jaagde op de jongens zoals de jongens op het plastic jaagden. Sneller dan de wind. Maar de wind was gaan liggen toen de jongens de grensstenen van de hima bereikten, alsof de wind de grens niet over kon. De grensstenen waren slanke pilaren, reikend naar de hemel, elk bekroond met een ster. Achter de poort die de pilaren vormden, lagen de ceders en cipressen van het heiligdom.

Met de nacht in hun rug bleven de jongens stilstaan. Zwijgend. Uiteindelijk was het Mu die de heilige grens als eerste overschreed. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij de stap nam. Maar, zo redeneerde hij, als mijn hart blijft slaan, ben ik nog in leven; zolang is er nog hoop, voor mij, voor Lafaya.

Ameth volgde. Hij nam spoedig weer het voortouw en nam het pad tussen de ceders door, dieper het heiligdom in.

Mu merkte hoe het pad daalde onder zijn met plastic omzwachtelde voeten. Hij voelde het in zijn kuiten. Hij veegde het zweet van zijn voor­hoofd, en toen hij even bleef staan om uit te rusten, had hij een uitzicht dat hij zijn leven lang niet meer zou vergeten.

Ameth keek om, om te zien waar zijn vriend bleef. Zijn blik werd echter halverwege getroffen door het uitzicht dat zich daar tussen de ceders openbaarde. Daar strekte zich een rijk begroeid keteldal uit. Het laatste daglicht liet er boomgaarden en akkers zien, weiden met dieren ook. Hier en daar stonden gebouwen, zo te zien woonhuizen voor degenen die daar werkten, schuren voor voorraden, stallen voor het vee. Van de hellingen van het keteldal klaterden watervallen die zich tot rivieren vormden, die in een meer uitmondden. Op het meer voeren enkele vissersbootjes. In het midden van het meer lag een eiland, dat echter onbewoond oogde. Vanuit het dal steeg een kruidige lucht op, gezoet door bloesems. Het geheel was licht bedwelmend voor de voorbijgangers die slechts het stof van de woestijn gewend waren.

Dat is vast de hima van de hima, dacht Mu toen hij het eiland zag. Het heilige der heiligen, het grootste taboe. Hij werd vervuld met een groots gevoel. Hij zag voedsel en water in hoeveelheden die hij nooit eerder had gezien. Wat zou hij de goden om genezing vragen? De hima had zo te zien alles wat nodig was om Lafaya te genezen.

Ameth stootte zijn vriend aan. ‘We moeten terug.’ Hij wees op de zon die de rand van de overkant van het keteldal raakte.

Mu knikte, maar liet zijn blik nog even rustten op wat voor hem lag. Hij had het idee dat hij nu de wereld begreep. De goden, de priester, de tempel, de plasticoffers. Een openbaring. Toen hij echter Ameth volgde, het pad op, langs de ceders en de tamarindes, vervluchtigde het idee grotendeels. De wereld waarin hij liep werd te tastbaar. Hij moest zich inspannen om te zien waar hij zijn voeten zette. Hij deed moeite de doornstruiken te vermijden, maar voelde het bloed over zijn huid stromen.

Ze passeerden de grenspilaren van de hima. Daar hielden ze even halt, controleerden door aan elkaars haar te trekken of ze nog leefden, of de toorn der goden hen nog niet had geraakt. Alles leek in orde. Daarom liepen de jongens verder, zo snel als de duisternis toeliet.

Ameth en Mu kwamen terug in de woestijnstad, niemand wachtte hen op, niemand bewaakte de stad die eenzaam in de leegte lag; blijkbaar had niemand hen gezien of gemist.

Een enkel licht deed de Eeuwige Tempel van binnenuit gloeien als een veelkleurig baken in de woestijn. Mu keek op naar het licht. Hoeveel offers waren er nodig geweest om de tempel te bouwen? dacht hij. Hoe­veel flessen, doeken, potten en pijpen waren in het bouwwerk verwerkt? Hoelang verzamelden de priesters hier al plastic in ruil voor het stillen van de ergste honger – en hoelang al hielden ze de weelde van de hima geheim?

Het hield hem bezig toen hij naar huis liep. Hij zag de armoe in de stad, het stof, de dorren planten in de betegelde tuinen, de roestige buizen die getuigden van het water dat ooit rijkelijk had gevloeid. Waarom hadden de priesters de kraan dichtgedraaid? Waarom lieten ze de stedelingen niet vrijelijk van de rijkdommen van de hima profiteren? Mu’s verbazing groeide langzaam naar ongeloof. Toen hij Lafaya hoorde hoesten, bloeide woede op, die woekerde door Mu’s gedachten. Hij liet zich in bed glijden, maar bleef wakker tot zonsopgang: de woede raasde door zijn bloed.

 

Toen hij na een korte slaap wakker werd, het liep al tegen de middag en de zon geselde de dikke leemmuren van de stad, had Mu zijn besluit genomen.

Hij pakte zijn beschermende plastic kleding bij elkaar, extra zakken, en zijn oogbeschermer. Hij keek uit over de stad vanaf het dak van zijn thuis. Majestueus stond de Eeuwige Tempel op de flank van de berg, het plastic ervan was het enige in de wijde omgeving dat glom. Beneden hem lag de doolhof van stegen en trappen, van binnenhoven en daken. Overal sliepen mensen tussen het stof, want op het heetst van de dag werd er niet gewerkt. De ouderen hadden zich binnen teruggetrokken, de luiken van hun duistere kamers waren gesloten.

Dit is de juiste tijd om te gaan, dacht Mu. Hij wierp nog een blik op de tempel. Het was afschuwelijk dat de priesters zoveel macht hadden, dat zij die macht misbruikten en Lafaya niet hielpen, terwijl zij dat met de natuurlijke rijkdom van de hima vermoedelijk wel konden. De tempel was ongenaakbaar, eeuwig. Mu wist dat hij de tempel niet kon bestormen. Hij kon het gevecht met de priesters niet aan. Om Lafaya te redden, had hij een ander plan bedacht.

Hij sloop weg uit het huis. Hij sloop door de ondiepe, doch zeer donkere schaduwen van de middag. Hij bereikte de poort van de stad zonder dat iemand hem tegenhield, vermoedelijk had niemand hem gezien. De stads­poort was gesloten. De poortwachters hadden zich achter luiken terug­getrokken om hun middagmaal te verteren in hun slaap, Mu hoorde hen ronken. De poort en de vergrendeling waren min of meer symbolisch. Behalve de ‘ze’ daarbuiten was er niemand, en ‘ze’ hadden nooit een rechtstreekse aanval op de stad ondernomen. Het kostte Mu daarom geen enkele moeite de grendel op te tillen en de poort te openen. Hij glipte tussen het droge, door zand gegeselde hout door, daarna liet hij de poort voorzichtig dichtvallen.

Hij stond buiten.

Hij rende naar het dichtstbijzijnde duin. Mu liet zich in het zand vallen. Gespannen keek hij over de blanke top naar de stad.

Niets. De stad lag erbij alsof de zon haar in een eeuwige slaap had gebracht.

Mu draaide zich op zijn rug. Hij hijgde. Het zweet stroomde over zijn gezicht. Toen hij weer bij adem kwam, kroop hij uit het zicht van de stad naar de schaarse schaduwen van een door watergebrek kromgetrokken braamstruik. De doorns konden hem beschermen tegen ‘ze’, hoopte hij. Hoewel hij wist dat zijn schuilplaats te dicht bij de stad was gelegen om veel last van ‘ze’ te hebben.

De kille nachtlucht wekte Mu. Hij wiste vocht van zijn gezicht, niet zeker of het zweet of dauw was. Het was donker, maar niet zo duister als Mu had gehoopt. In het licht van de maan zag hij voldoende van de omgeving om zich goed te kunnen oriënteren. Hij zag echter ook de omtrekken van de stad, waarop hij vermoedde dat wie naar de woestijn keek hem zou moeten zien staan in de maneschijn.

De stad leek nog steeds te slapen – of weer. Mu hoorde niets achter de poort, achter de luiken en de deuren. Er was zelfs geen briesje wind om de schaarse bladeren binnen de betegelde tuinen in beweging te brengen.

Mu rechtte zijn rug. Hij moest nu weggaan, voordat hij zich bedacht en omkeerde. Hij bedwong de neiging nog een keer achterom te kijken, naar de stad. Stap voor stap verwijderde hij zich van zijn geboorteplaats. Zijn voetafdrukken werden al snel door wind en zand weggevaagd, zodat er geen weg terug meer was, alleen de eindeloze woestijn.

Waar zijn ‘ze’? Dacht Mu. Hij wist niet of ‘ze’ ‘s nachts ook door de woestijn liepen. Hij spitste zijn oren om elk geluid op te vangen. Hij hoorde het wegschieten van een slang, het sissen van zandduivels, het ratelen van de scaraboa en de zang van een kaladris, het fluisteren van zefiers, zelfs ver, ver in de nacht het loeien van een eenzame karkadan, maar nergens het vreemde fluiten dat ‘ze’ eerder hadden laten horen.

De jongen sjokte door het mulle zand. Het ging niet snel, maar eerder dan hij had gedacht had hij de laatste torens van de stad achter zich gelaten. Hij kwam in het gebied waarvan hij had gehoord dat ‘ze’ er zouden moeten huizen, maar hij zag of hoorde er niet een. Op zijn hoede ging hij verder. Na verloop van tijd merkte hij dat ook de bergen die de hima verborgen achter de horizon waren verdwenen. De zon brandde inmiddels op zijn huid, zweet stroomde tappelings langs zijn lichaam. Met zand verzadigde kleding schuurde tot bloedens toe over zijn ledematen.

Op een vlakte bleef Mu stilstaan bij sporen van iets. Iets groots had met poten door het zand gesloft en daarbij een duidelijk spoor achtergelaten. In de luwte binnen een del, waar het zand nog vochtig was van de dauw, had de wind het spoor niet verwaaid. Mu voelde zijn hart sneller kloppen. Waren dit sporen van ‘ze’? Buiten het del vervaagden de sporen tot ze niet meer te zien waren in het rulle zand. ‘Ze’ waren nergens te zien, toch besloot Mu om zijn weg te vervolgen in de richting waar ‘ze’ vandaan waren gekomen. Hij hoopte dat hij zo minder kans had met ‘ze’ gecon­fronteerd te worden. Hoe verder hij zich van de sporen verwijder­de, des te geruster hij werd.

Hij wist dat hij water nodig had. De plastic flessen met het kostbare water, die hij had meegenomen, waren niet voldoende om door de woes­tenij te wandelen. Hij had al een fles leeggedronken en aan de wind geofferd. De tweede was al voor een derde deel leeg. Hoewel Mu voort­ploeterde, nam hij op de toppen van de duinen de tijd om de horizon af te speuren naar een bron van water en, naarmate de tijd verstreek, een plaats om veilig te slapen.

Een donkere plek in het zand bleek de schaduw van enkele bomen en struiken te zijn die eerder door luchtspiegelingen verborgen waren geweest. Mu sjokte erheen. Hij was sneller gaan lopen toen hij het lommer van de bomen zag. Hij beredeneerde dat waar planten waren, ook water was te vinden. Hijgend liet hij zich in de schaduwen vallen. Het was nog ruim voor zonsondergang, maar hij was uitgeput.

Niet in slaap vallen, dacht Mu, niet nu. Hij knipperde met zijn ogen en nam zijn oogbeschermer af. Zonder het bekraste plastic kon hij veel beter zien waar hij was. Hij zag de vruchten die aan de bomen hingen, de bessen aan de struiken. Tussen het gras zag hij een gemetseld bouwwerk: laag, bemost en oud.

Hij ging op zijn knieën zitten. Het bosje was niet groot genoeg om vijanden te verbergen, het was nauwelijks groot genoeg om aan een eenzame jongen beschutting te bieden. Toch vond hij het bouwwerk angstaanjagend: wie had het gebouwd? Waren ze nog in de buurt? Het waren in geen geval ‘ze’ die dit hadden gebouwd. Maar het was niet te zeggen of de bouwers Mu vijandig zouden zijn.

Hij dacht aan zijn missie. Hij dacht aan Lafaya. Hij stond op. De vruchten die zo uitnodigend voor zijn neus bungelden, plukte hij voorzichtig. Ze zagen er eetbaar uit, glanzend van het vocht op de roze huid. Hij rook eraan: ze waren zoet. Hij brak een van de vruchten met zijn handen open. Het sap gleed over zijn vingers in zijn handpalm, over zijn pols en onderarmen. Het smaakte zoet en zuur tegelijk. Hij at de vrucht die zijn honger stilde en zijn dorst leste terwijl hij zich afvroeg wat hij hiervoor moest offeren.

Daarna liep hij naar het bouwwerk.

Het was een ronde, gemetselde muur. Het metselwerk had een houten afdekking. In het hout zat een luik met metalen scharnieren. Het metaal was verroest tot een dikke klomp, het hout was vermolmd. Mu herkende het bouwwerk van zijn geschiedenislessen: dit was een put zoals zijn voorouders die hadden gebruikt. Lang geleden, toen ze nog door de woestenij hadden getrokken met hun vee, hadden ze dergelijke bronnen gebruikt om water te putten zonder dat er plastic geofferd hoefde te worden.

Mu trok aan het hout. Het versplinterde onder zijn vingers. Hij hoorde een roestklomp in water plonzen. Hij hoorde het water! Zijn hart bonsde als een bezetene. Water! Zo dichtbij, maar nog steeds onbereikbaar. Hij rukte de resten van het hout weg. De geur van fris, vers water walmde naar boven. Een aardewerken kan hing met zijn oor aan een ketting die met een haak aan de bovenrand van de put was bevestigd. Hoewel de ketting roestig was, deed hij zijn werk: moeiteloos putte Mu het frisse water dat in de diepten van de woestijn gekoeld was geweest. Hij leste zijn dorst door uit de kan te drinken.

Twijfel kwam bij hem boven drijven. Ik had die fles niet moeten offeren, dacht hij. Maar hoe had ik dan mijn dankbaarheid moeten tonen? Had ik dankbaarheid moeten tonen nu, achteraf gezien, mijn leven op het spel zou kunnen staan omdat ik slechts twee flessen heb om te vullen in plaats van drie? Hij voelde zich ongemakkelijk, waardoor hij opkeek naar de hemel, waar de zon genadeloos scheen. Wat zijn het eigenlijk voor goden, zo dacht hij grimmig, die Lafaya ziek maken en die de priesters hun hima laten houden terwijl de bevolking snakt naar de vruchten ervan? Hij spuwde het water op de grond. Hij had de goden niet nodig, hij had zijn eigen put, zijn eigen vruchten. Hij was op weg om zijn zuster beter te maken, iets wat de priesters met hun goden niet konden – of niet wilden.

Mu bleef een hele dag bij de put. Er was meer te eten dan hij op kon, er was meer te drinken dan hij nodig had, hij moest meermaals zijn riem verstellen. Hij waste zich meer dan eens en steeds had hij het gevoel dat met het stof ook iets van zijn verleden werd verwijderd, stoffige muize­nissen en muffe herinneringen, maar ook iets dat hij als onbezorgd­heid duidde, waardoor het doel van zijn tocht hem scherper, schoner voor ogen kwam te staan: de rijkdom waarmee hij de geneesmiddelen voor Lafaya zou kopen.

 

Op de ochtend na zijn tweede nacht bij de put ontdekte Mu dat zijn lievelingsvruchten, grote rode ballen met wit vruchtvlees en helder, geel sap, op waren. Er hing niet één vrucht meer aan de boom. Er was in het bosje slechts één boom die die vruchten droeg. Op – en niets geofferd voor het feestmaal dat de goden hem hadden geschonken. Nee, dacht hij, zo moet ik niet denken. Als ik de goden had gevolgd, was ik hier nooit gekomen. En hij besefte dat hij verder moest trekken, verder de woestijn in naar de bron van het plastic, waar het plastic vandaan kwam, waar het groeide en bloeide in hemelse hoeveelheden. Hij had er zoveel van nodig, dat de priesters hem alles moesten geven om Lafaya te genezen.

Laat in de middag ging hij op weg. De zon ging al onder, zodat het snel af zou koelen. De volle maan stond al aan de andere horizon, klaar om in de nacht Mu’s pad te verlichten. De duisternis viel snel in. Het fluweel van de nachthemel trok over de woestijn, maar wist de eenzame jongen niet te verwarmen.

In het prille ochtendlicht, vele fasoekh verder, zag Mu enkele gebouwen staan: hoekig leem met zwarte ogen. Er was echter geen leven te zien, de nederzetting leek verlaten. Mu liep voorzichtig het gehucht binnen. Door de ramen was steeds een lege kamer te zien. Bij veel gebouwen was het platte dak ingestort of geheel verdwenen. Keien vormden de oevers van een stoffig bevloeiingsstelsel, de velden lagen er dor bij. Hier en daar zag hij kralen van leem en stro, maar dieren waren evenmin te vinden als mensen.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Hadden ‘ze’ de bevolking op de vlucht gejaagd, of was er iets ergers gebeurd? Hij bleef plots staan, luisterend, spiedend. Iets ritselde. Hij hoorde het dichterbij komen. Er bewoog iets, hij zag het in zijn ooghoek. Toen hij zijn hoofd ernaar draaide, lachte hij: het was slechts een droog bosje gras dat door de wind gedreven door het dorp tuimelde.

Toen klonk een klap.

Onmiddellijk was Mu weer op zijn hoede. Was hij opnieuw door de wind geschrokken? Er klonk een stem, gevloek. Verderop was iemand. Mu besloot ondanks alles toch kennis te maken. Hij liep een smalle, beschaduwde straat door en over een brug die nutteloos de oevers van een droge rivierbedding verbond, in de richting van het geluid.

Een oude man zat op een stoel voor een lemen huis. De plastic gordijnen die de zwarte ogen blindeerden wapperden in de wind. Even dacht Mu door het geluid van het klapperende gordijn dat het een tempel was, de man in zijn gewaad met gevlochten stroken vinyl een priester, maar niets zag er gezegend uit.

‘Vrede zij met u!’ riep Mu de man toe.

De man keek verschrikt op. Langzaam kwam hij overeind van zijn stoel, zijn gewrichten kraakten net zo hard als het uitgedroogde hout van het zitmeubel. Zijn plastic gewaad knisperde in de droogte. ‘Vrede met u, vreemdeling,’ zei de man met schorre stem.

‘Kan ik hier rusten voordat ik mijn reis voortzet?’

De man aarzelde even. Zijn bloeddoorlopen ogen schoten heen en weer. ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik heb niet veel, maar u kunt rusten op het dak van mijn woning.’ Met een zwierige zwaai nodigde hij Mu uit het huis binnen te gaan.

Mu ging binnen. Een gat in het dak verlichte de woning, die op een haard en een stenen ligbank na, leeg was. Alleen in de voorgevel, aan weerszijden van de deur waren vensters gemaakt. Op de muur er tegen­over was een merkwaardige tekening gemaakt van vrouwen met volle borsten en bolle buiken rond een bloeiende plant, het geheel in donker­bruine vegen en lijnen, ingekleurd met oker. Een ladder leidde door het gat naar het dak. Mu klom omhoog. Hij bleef staan aan de top van de ladder om de omgeving in zich op te nemen. Het gehucht, een dozijn gebouwen, zo te zien boerderijen met stallen en kralen, lag te midden van akkerland. De bevloeiingskanalen waren duidelijk te zien, het was te zien dat het land geploegd was, maar er groeide niets. De akkers waren kaal en stoffig, iemand zou kunnen denken dat de boeren er stenen teelden. Aan de verste horizon lag een bergketen, misschien nog een half dozijn fasoekh verwijderd. Daar schitterden daken van een stad. Mu herkende het landschap uit de boeken van More Isha: dat was het Gelukkige Land. Het klonk hoopvol, wat zijn hart verlichtte. Daar zou beslist genoeg plastic zijn om Lafaya te genezen. Hij dacht zelfs een vlucht kleurig plastic te zien, die over de zandheuvels buitelde. Hij zette zijn hand tegen zijn voorhoofd om zijn smalle ogen van de zon af te schermen. Zijn voorhoofd was klam van het zweet, zodat hij besefte dat hij, nu de zon hoog in het zwerk stond, beter kon rusten om tegen de avond zijn tocht voort te zetten.

Hij ging zitten tegen de muur die het platte dak omgaf. Het gaf hem net voldoende schaduw om onderuit te zakken. De hete wind speelde plagerig met zijn rossige lokken en met zijn knerpende plastic bovenkleed. Hij voelde hoe moe hij was, waarop hij prompt indommelde.

Het was slechts een fluistering die Mu deed ontwaken. De jongen sloeg zijn ogen op, om in het gouden gezicht van een jonge vrouw te kijken. Haar blauwe haren dansten in de wind, haar bruine ogen schitterden als edelstenen achter haar lange wimpers. Haar mond was breed, met lippen gekleurd als tamarindebloesems, haar neus plat en breed. Ze droeg een lang gewaad van lichtblauw plasticfolie. Ze deed Mu denken aan zijn moeder; aan Lafaya ook, die zonder zijn hulp nooit zou opgroeien zoals de vrouw voor hem.

‘Wat is er?’

De jonge vrouw drukte een lange, gouden vinger tegen zijn lippen. ‘Sst.’ Ze keek om naar het gat in het dak, maar daar was niets te zien. ‘Abu Iram verbouwt bahromesh.’

Bahromesh! Het woord alleen al bezorgde Mu de koude rillingen. More Isha, zijn leraar die hij inmiddels wel miste, had er slechts omfloerst over durven spreken. Bahromesh, de beestplant die zich met bloed voedde. In het wild ving de beestplant kleine knaagdieren, verdwaalde geiten en schapen, diverse vogelsoorten, soms een karkadan. Kort dacht Mu aan een boer die de beestplant op zijn akkers had, maar hij huiverde toen hij wist waarom er, behalve de boer, geen sterveling meer in het dorp te vinden was.

‘De akkers zijn dor,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft je nodig voor de volgende oogst. Hij zou mij nemen, als hij wist van mijn bestaan.’

‘Ik moet hier weg,’ zei Mu. Hij keek zenuwachtig om zich heen. Toen maakte hij zijn riem los, een lange strook gevlochten plastic die om zijn middel was gewikkeld. Daarmee kon hij ongezien van het dak komen.

‘Ik ga met je mee,’ zei de jonge vrouw. Ze knoopte de vlecht aan een houten staak die misschien stevig genoeg was om Mu’s gewicht te torsen.

Juist toen Mu over het muurtje klom, hoorde hij slepende voetstappen in de kamer beneden zich. De oude man, dacht hij, de boer die mijn bloed wil hebben om zijn bahromesh te voeden! Hij liet zich snel naar beneden glijden.

Hij hoorde de jonge vrouw gillen. Blijkbaar was Abu Iram de ladder opgeklommen.

‘Dailha! Wat doe jij hier?’ zei de schorre stem van de oude man.

‘Laat me los!’ De jonge vrouw, die blijkbaar Dailha heette, sprak met trillende stem.

‘Je bent vruchtbaar. Ik heb je kinderen nodig om mijn akkers te bevruchten.’

‘Laat me gaan! Je bent gek!’

‘Je bent mijn dochter en ik beveel je ontvankelijk te zijn!’

Mu hoorde plasticfolie kraken en scheuren. Zijn hart klopte hem in de keel. Moest hij naar boven klimmen om Dailha te helpen? Zenuwachtig legde hij zijn handen op het korrelige, droge leem, op zoek naar een weg terug naar boven.

De jonge vrouw krijste. ‘Was het bloed van je zeventien vrouwen en je dertig dochters niet voldoende? Was het bloed van je zeventig zonen niet voldoende? Kijk dan. Kijk dan! De goden hebben je verlaten. De droge zaden van de bahromesh zijn verschrompeld in de hitte, hun bloemen zullen hier nooit meer bloeien, hun muilen nooit meer zuigen!’

Er klonk een klap. Een snik, huilen. Het kreukelen van plasticfolie.

‘Dailha! Spring!’ riep Mu wanhopig naar boven.

Ze sprong. Samen zetten ze het op een rennen, waarbij Mu werd gehin­derd door het ontbreken van zijn riem. Af en toe struikelend over de zoom van zijn gewaad, nu en dan rechtop geholpen door Dailha, legde hij enkele fasoekh af, tot de zinderende zon onderging en de nederzetting achter de heuvels was verdwenen. Mu liep daarna langzamer over de weg naar de verre bergen, Dailha naast hem. Ze had haar gouden lichaam gewikkeld in een laag pas geoogst roze plastic, die om haar heen wapperde in de aanwakkerende avondwind.

‘Zou hij ons achterna komen?’ vroeg Mu toen ze even rustten.

‘Die ouwe? Nee. Abu Iram kwam nooit buiten het dorp. Ook niet toen hij alle inwoners had gevoerd aan de bahromesh.’ Ze nam een slok water uit een van Mu’s flessen. ‘Weet je, hij lijkt zelf een bahromesh, met zijn wortels vastgegroeid in de droge grond van ons dorp. Hij weet dat hij het niet kan overleven, maar hij handelt evenmin om wel in leven te blijven.’ Ze richtte haar bruine ogen op Mu. ‘Ik wil wel blijven leven. Ik wil dat jij blijft leven. Ik zocht hier gezelschap, maar vond slechts de barre velden met hun bloedige wortels. Maar nu ook jou.’ Haar lippen dwarrelden als tamarindebloesems op die van Mu, hun tedere ontmoeting smaakte zoet, zo zoet…

Ze kwamen even later bij een tweetal stenen, die dicht tegen elkaar aan stonden, zoals zij eerder teder en verlegen tegen elkaar hadden gestaan. Er stonden sierlijk slingerende tekens op. Mu las deze oude tekst, die hier en daar door zandstormen was weggevaagd. ‘Het Gelukkige Land,’ las hij hardop. Eronder stond een pijl die in de richting van de bergen wees.

‘Het is niet ver meer,’ zei Dailha.

Mu hield zijn hoofd schuin en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Ik ben hier met mijn moeder geweest, toen we wegvluchtten van Abu Iram. En ik ben hier geweest toen ik terugkeerde om wraak te nemen en gezelschap te zoeken.’

‘Heb je wraak genomen?’

Ze schudde haar hoofd, haar blauwe haar danste in de wind, glansde in de zon. ‘Dat heeft geen zin,’ zei ze zacht. ‘Hij zal in alle eenzaamheid een pijnlijke, langzame hongerdood sterven.’ Ze knielde op het pad. Uit een plooi van haar gewaad haalde ze een dorre knol van een plant die Mu niet herkende. Ze groef een kuiltje tussen de voetstappen die ze hadden achtergelaten op de weg naar het dorp van Abu Iram. Toen pakte ze de waterfles die ze droeg. Voorzichtig liet ze enkele druppels water op de knol vallen. Daarna stapte ze achteruit.

De knol zwol op als gries. De droge, fluweelachtige bladeren zogen zich vol met water en ontvouwden zich naar het licht. De dunne wortelen kronkelden de zanderige bodem in, als bange slangen. Uit het puntje van de knol ontsproot een groene stengel met een scherpe, spitse top, hongerig naar voedselstoffen in de lucht. Mu sloeg het geheel verbaasd gade. More Isha had op school natuurlijk wel gesproken over de landbouwgewassen, maar het was iets heel anders het te ervaren.

‘Achteruit, Mu.’ Dailha trok aan zijn mouw.

Mu deed twee stappen terug, nog steeds starend naar de plant die nu een okergele vacht en zwarte klauwen ontwikkelde. De spitse punt aan de stengel werd een muil met scherpe tanden. Een bahromesh, dacht hij, ze heeft de weg naar haar dorp geblokkeerd met een bahromesh! De snuit draaide zich naar het tweetal, het dichtstbijzijnde bloed dat de beestplant kon ruiken. Mu draaide zich om en rende in een stofwolk weg, gevolgd door Dailha.

 

Ze liepen onder het schijnsel van de maan door, over een pad dat slechts met enkele opgerichte stenen werd aangegeven. De bergen van het Gelukkige Land bleven echter aan de horizon staan, ze kwamen niet dichterbij, zelfs niet toen de zon opkwam en een lint van opgerichte stenen voor het tweetal uit meanderde. Wel was in het zonlicht te zien hoe hier ooit mensen hadden gewoond. Grondvesten van gebouwen, boer­de­rijen, stallen, woonhuizen, hele nederzettingsresten lagen bloot in het zand. De omtrekken van akkers en weiden waren duidelijk te zien. Oude wadi’s hadden een grillig patroon in de bodem uitgesleten, waarlangs de laatste vegetatie was verdord. De wind fluisterde knerpend door het droge riet, een grijze, bladerloze boom kreunde op de bries, het vale gebeente van mens en dier lag nog altijd smachtend langs de oever. Slechts stofduivels dansten over de paden waarvan wervelwinden de loop bepaalden.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Sinds hij Abu Iram had horen tieren, was hij er niet meer zo zeker van. De boer die zijn zeventien vrouwen en zijn volwassen dochters onophoudelijk bezwangerde om zijn eigen zonen te kunnen offeren aan de beestplant, had diens eigen dorp te gronde gericht, vermoedde Mu aan de hand van wat Dailha hem onderweg had verteld. Daar hadden de goden niets mee te maken, ‘ze’ evenmin. Grimmig herinnerde Mu zich de priesters die de hima voor zichzelf hielden en de mensen nooddruftig lieten. Waren ze zoveel beter dan Abu Iram?

Het heetst van de dag was al voorbij toen Mu het doel van zijn lange reis zag. Vruchtbare velden vol plastic lagen voor hem, gedrapeerd over glooiende heuvels. Het had alle kleuren en alle formaten, alles groeide door elkaar. Hij zag flessen, zeilen en zakken, hardplastic dat zelden aan kwam waaien in zijn stadsvallei, hij zag linten, slierten en folies, alles klapperend en wapperend in de warme woestijnwind. Hij had zakken nodig om het mee te voeren, flessen om water in te doen voor de terugtocht. Hij kon nieuwe kleding gebruiken. Hij wist echter niet waar hij moest beginnen in de weelde en rijkdom van het Gelukkige Land.

‘Wat kijk je nou naar die vuilnisbelt?’ Dailha stond al een stukje verder op de weg naar de stad die nu duidelijk op de berghelling te zien was. Zelfs de hangende tuinen met hun wuivende palmen en klaterende watervallen waren te onderscheiden. ‘Kom op, dan zijn we voor zons­onder­gang binnen.’

Mu keek hoe een stuk plastic zich van de akker losmaakte en door de wind werd meegenomen, de woestijn in. Misschien zou het in zijn doorn­struik blijven hangen, misschien zou Ameth het plastic weten te vangen. Vuilnisbelt? dacht hij. Ze weten hier niet wat ze weggooien. Tegelijkertijd besefte hij dat wanneer dit afval was, er verderop veel meer plastic moest zijn.

Ze liepen tussen de velden met plastic door.

‘Ze noemen het de Eeuwige Velden,’ zei Dailha, ‘want het plastic is eeuwig. Het vergaat niet.’

‘Mijn volk heeft er een schitterende tempel van gebouwd, de Eeuwige Tempel.’ Terwijl hij het zei, voelde Mu een verschrikkelijk verlangen naar zijn eigen huis, naar zijn familie en vrienden. Het kostte hem moeite de volgende stap te zetten, weer een stap verder van huis. Juist nu het doel in zicht was, voelden zijn voeten als lood.

Mu hoorde het gefluit het eerst. Hij wist dat hij het eerder had gehoord, maar kon het niet onmiddellijk thuisbrengen. Het klonk als het fluiten van de wind door… door een geraamte. Hij zag het weer voor zich, het skelet van plastic onder de golvende vleugels, de breedvoetige poten die door het zand stapten. ‘Dat zijn ‘ze’,’ riep hij Dailha toe. Angstig keek hij om zich heen: er was geen plaats waar ze zich konden verschuilen tegen ‘ze’. Hij zag wel hoe een van de wezens traag door het veld kwam lopen, het grote, open lichaam wiegend in de wind, de gezichtsloze kop zoekend naar lucht.

‘Ren voor je leven!’ Mu voegde de daad bij het woord. Zijn met plastic omwikkelde voeten lieten een stofwolk achter toen hij naar de stad in de bergen draafde. Hij stopte abrupt toen hij merkte dat Dailha hem niet volgde.

Dailha kuchte. ‘Hij is bang voor uw vee, Melichat,’ riep ze.

Melichat, een oudere vrouw, sjokte achter het windbeest aan, dat een slede gevuld met plastic door het mulle zand trok. ‘Dat zal wel bijtrekken, Dailha-liefje.’ Ze keek naar Mu, waarbij zij haar door wind en zand ge­teken­de gezicht naar hem keerde. Haar ogen waren even bruin en schit­terend als die van Dailha. Haar grijze haren krulden als zijderag onder haar plastic sluier uit.

Mu keek naar de twee vrouwen. Hij zag hun gelijkenis. Melichat moest Dailha’s moeder zijn.

De oudere vrouw nam de jongere liefdevol in haar armen. Ze glimlachte naar Mu. ‘Je hebt mijn dochter geraakt. Ze straalt helemaal, als de zonne­godin, moge zij ons zegenen. Laten we naar mijn huis gaan.’

Het huis was niet veel meer dan enkele staken, bedekt door zwart land­bouwplastic. Doorzichtig plastic vormde de ramen. Van binnen waren de wanden gemaakt van allerlei kleuren plastic, vastgeknoopt aan het staketsel dat het huis overeind hield. De weinige meubelen waren op dezelfde manier gemaakt.

Voor Mu door de deur binnenging, bekeek hij het erf. Overblijfselen van eerdere bebouwing, van leem en baksteen staken hier en daar boven het zand uit. Ook hier is een dorp verwoest, dacht hij. Hij vroeg zich af hoe de stad er binnen de muren uit zou zien, of Melichat en Dailha al eens in de stad waren geweest. Hij wierp een laatste blik op de stad, op zijn tuinen en torens, op de muren en ramen, op de tempels en paleizen, waarvan de daken en torenspitsen volgens More Isha bekleed waren met goud en de muren met kostbare plastic mozaïeken, gemaakt van edelstenen, waren ingelegd.

‘Mijn familie woont hier al sinds mensenheugenis,’ zei Melichat. ‘Toen de opstand tegen de priesters begon, trokken de meesten van ons naar de hima. Daar hebben ze de stad gesticht, het Gelukkige Land. Ik bleef hier, ik leefde van wat de enige overgebleven priester nog uit de hima wist te halen.’

Mu’s mond viel open. ‘De stad is in een hima gebouwd? En de goden dan?’

Melichat haalde haar schouders op. Ze grimaste weemoedig. ‘Binnen tien jaar was er niets meer van de hima over. De bossen waren gekapt, het water verspild en vervuild, de akkers onvruchtbaar. De goden waren eerder al gevlucht, met de priesters mee.’

Net goed, dacht Mu. Als het van die inhalige schrapers waren als de priesters uit de vallei, dan was het terecht dat het volk in opstand was gekomen. De vruchten van de hima voor zichzelf houden, hoe konden ze! Kleine meisjes laten lijden door geneesmiddelen achter te houden! Hij sloeg met zijn vuist op zijn knie. Wanneer hij terug zou keren naar de vallei, een dezer dagen, zou hij het verhaal over de opstand met zich meenemen. Misschien lukte het hem zelf een opstand uit te roepen…

‘Ga wat rusten.’ Melichat stond op. Ze wees Mu en Dailha een rustplaats achter een bont gordijn. Zelf liep ze met een stoel en een vlechtwerk naar buiten, waar ze in de schaduw ging zitten, kennelijk om verder te gaan met haar handarbeid.

 

De dag erna trokken Mu en Dailha weer de woestijn in, worstelend met de wind die de twijfel in Mu’s gedachten fluisterde. Had hij er goed aan gedaan de raad van Melichat op te volgen en de hima van het Gelukkige Land te mijden, of waren de kansen op Lafaya’s genezing daarmee verkeken?

Onderweg hadden ze plastic weten te oogsten, soms na een korte jacht. Dailha hielp hem de kostbaarheden sjouwen. ‘Mijn bruidsschat,’ zei ze.

‘Weet je zeker dat je mee wilt gaan?’

‘Ik wil graag in je stad wonen.’ Haar ogen schitterden als vochtig folie. ‘Moeder is de eenzaamheid gewend. Ik verlang naar gezelschap. Ik wil graag je moeder ontmoeten, je zusje. Je vrienden en de priesters waar je van sprak. Ik wil zien dat er meer is dan de barre akkers van mijn vader en de slome kudde van mijn moeder. Ik wil de wind een ander lied horen zingen.’

Zo naderden ze het bosje waar Mu eerder al gebivakkeerd had. Dailha was nieuwsgierig naar die kleine hima, naar de vruchtbaarheid ervan. Ze rende vooruit, maar stond prompt stil aan de rand van de begroeiing.

‘Wat heb je gedaan?’ Dailha liet haar tranen de vrije loop toen ze de bosjes rond de oude put zag. ‘Geen vruchten meer aan de bomen, de put is verzand… waar moeten we nu van overleven?’ Ze rook de bittere geur van de dood.

‘Het is geen echte hima,’ verdedigde Mu zich. ‘Er staan geen grens­stenen omheen.’

Dailha’s ogen fonkelden vervaarlijk. ‘Daarom heeft ons volk priesters nodig, Mu! Om de landbouw, de veeteelt, de visserij en de jacht te beschermen, om te zorgen dat we niet alles opvreten, doden, kapotmaken en vervuilen wat ons voor de voeten komt! Priesters zorgen dat de hima heilig blijft, zodat onze kinderen ook nog gezegend kunnen leven. Snap dat toch, in plaats van te janken dat ze alles voor zichzelf houden! Kijk wat hier is gebeurd omdat jij alles voor jezelf wilde houden en niet aan de toekomstige bezoekers dacht!’ Ze wendde zich af van Mu en beende naar de rand van het verwoeste bosje, waar de woestijn al knaagde aan de restanten ervan. De tranen stroomden over haar wangen. Aan haar voeten ontvouwden zich fluweelachtige bladeren naar het licht van de zon.

‘Maar met het plastic van het Gelukkige Land moeten de priesters mij wel geven waar ik om vraag, Dailha! Ik zal een rijk man zijn. Ik zal mijn zusje kunnen genezen!

Dailha keerde haar hoofd naar hem. ‘Mu, begrijp je het echt niet? Er is niet voldoende voedsel in de hima om jou alles te geven waar je om vraagt. Als je teveel vraagt, zelfs als je het kunt betalen, is de stad binnen­kort de hongerdood gestorven. Zo is het bij ons gegaan, zo is het hier gegaan, zo zal het bij jullie gaan.’

‘Onzin. Jullie zijn rijk, jullie hebben plastic. Ik zag de plastic palmen wuiven in de hangende tuinen, de koepels van goudkleurig plastic schit­teren in het zonlicht. Welvaart, dat is wat mijn zusje zal kunnen genezen. Niet die stomme offers aan goden die toch niet willen luisteren.’

‘Plastic kun je niet eten, Mu,’ snikte Dailha. Achter haar rees een lange stengel met een spitse punt op. Het zand ritselde alsof er slangen in schuil gingen. ‘De goden hebben genoeg voedsel voor ons allemaal, maar niet als we het verspillen en er veronachtzaamd mee om gaan. Kijk dan hoe je deze plaats hebt bedorven, er zal nooit meer wat groeien. Alleen wat jij ‘ze’ noemt zal hier kunnen leven, omdat ‘ze’ alleen de wind nodig hebben om eeuwig voort te gaan.’

‘Je liegt, er groeit zelfs een nieuwe plant achter je. De woestijn is vruchtbaar voor plastic en- ‘Bahromesh!’ Dailha’s tranen hadden een bahromesh­knol doen ontbotten. Mu snelde naar haar toe, maar het was te laat: de zwarte klauwen trokken de jonge vrouw naar de kleverige vacht, de spitse snuit dolf zijn scherpe tanden in haar hart. Ze trok met haar spieren, een laatste stuiptrekking voor ze lijkbleek en bloedeloos stierf.

‘Dailha!’ jammerde Mu. Hij had de tegenwoordigheid van geest om een paar stappen achteruit te doen, zodat de bahromesh, die door het verse bloed snel groeide, hem niet kon vangen. Het is mijn schuld, dacht Mu, alles wat ik tegenkom maak ik kapot.

Ontgoocheld verliet hij het bosje verdorde bomen met de gevaarlijke beestplant.

 

Mu naderde de stad in de vallei. De woontorens doemden op aan de hori­zon als hoekige klippen tegen het gebergte, daartussen rees de ranke toren van de Eeuwige Tempel op met de hem zo bekende weervaan. Hij was ontroerd zijn geboorteplaats terug te zien, zodat hij zweeg bij de nadering. Het was niet stil in de woestijn, want het zand ritselde en ruiste, de wind floot langs rotsen en stenen. De kreet vanuit de stad was echter duidelijk te horen, hoewel de woorden in de afstand verloren gingen. Hoewel het tegen het middaguur liep en de wacht aan zijn namaalsslaap moest zijn begonnen, leek de stad tot leven te komen. Er klonk meer geluid in de vallei. De stadspoort werd geopend. Hier en daar keek iemand slaperig maar nieuwsgierig uit een raam waarvan het luik in de wind klapperde.

‘Mu is teruggekeerd!’ weergalmde het door de vallei.

Drie personen kwamen vanuit de stadspoort Mu tegemoet. De eerste was aan zijn purperen plastic gewaad te herkennen als een van de priesters van de Eeuwige Tempel. De tweede was een vrouw met een golvend groen gewaad over haar donkere huid. Mu herkende haar onmiddellijk: het was zijn moeder. Hij slikte zwaar. Ze hadden nooit afscheid genomen en hij had gefaald in zijn queeste, hoe zij hem vergeven? De derde persoon was veel kleiner, met een rank lichaam en een bleke huid onder een gebloemde jurk. De groene ogen keken vrolijk de wereld in. Het was een kind, een meisje. Het duurde even, ze waren inmiddels tot op enkele stappen afstand genaderd, toen Mu zijn zusje Lafaya herkende.

Hij vloog op haar af, naam haar in zijn armen, tilde haar op en bedolf haar gezichtje onder kussen. Ze gilde van pret. ‘Je bent beter!’ riep hij, ‘Je bent genezen!’

‘Het heeft de goden behaagd je pelgrimstocht te belonen, Mu,’ sprak de priester. ‘Haar welzijn verslechterde na je vertrek, zoveel verdriet had ze door je afwezigheid. Haar reis naar de hima werd al voorbereid. Maar zie wat de afgelopen etmalen hebben bewerkstelligd: ze is verder van de dood dan ooit tevoren. Alsof de wind uit het Gelukkige Land haar nieuw leven heeft gegeven.’

Mu voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen. Geluk, deemoed, spijt, opluchting: zijn gevoelens vochten om erkenning. Zijn moeder omhelsde hem en haar dochter, die hij nog steeds in zijn armen hield. Uiteindelijk kreeg hij de gelegenheid om zich te uitten: ‘Ik wil priester worden, voor het welzijn van ons volk.’

De wind ging liggen, alsof hij voor Mu’s besluit knielde.

Onzekere Anna : Joost Uitdehaag

De autohandelaar glimlachte naar Anna alsof ze een klein meisje was. Daarna rammelde hij met zijn grote polshorloge. Hij werd levensgroot, zij kromp ineen. Ze legde haar hand in haar hals, streelde even, om meteen weer los te laten. Jezelf aanraken was het ergste dat je kon doen. Rechtop zitten, rustig ademhalen vanuit je buik, zodat je zelfbewust overkomt. Al die instructies van haar therapeut verstikten haar. Letterlijk. Ze kon nauwelijks ademhalen in het glazen kantoor. Ze wilde weg.

‘Ik kan niet lager gaan vijftienduizend,’ zei de man. ‘Ergens anders vind je geen betere deal.’

Had ze haar oom maar meegenomen; die had precies het juiste ant­woord geweten. Maar van haar therapeut had ze alleen moeten gaan. ‘Je moet meer voor jezelf opkomen, Anna.’ ‘Je moet de stap durven zetten.’ Je moet. Je moet. Je moet. Alles herhaalde dat ze niet goed genoeg was. Terwijl ze zoveel kon. En nu zat ze hier. Nu moest ze iets van de prijs afkrijgen.

Op het vehikel was ze natuurlijk meteen verliefd geworden. Een helder­blauwe Renault Clio full electric met open dak. Weliswaar al uit 2019, maar het vermogen van de accu was nog optimaal. Het perfecte ver­jaardags­cadeau aan zichzelf. Maar vijftienduizend was te veel. Twaalf­duizend wilde ze eraan uitgeven. Niet meer.

Ze ging rechtop zitten, legde haar handen op tafel, leunde iets naar voren. Gisteren had ze het gesprek nog voorbereid in de wekelijkse sessie met Ineke.

‘Het is te veel,’ zei ze. Maar zodra ze het gezegd had, had ze spijt. In plaats van dat het ferm en beslist klonk, was het aarzelend, bijna wan­hopig. Als in: Alsjeblieft gun me dit.

De handelaar grijnsde zijn gebleekte gebit bloot. ‘Dat kan ik helaas niet doen. Ik heb vanochtend al een ander koppel aan de lijn gehad over precies deze auto.’

Haar hart sloeg een slag over. Het was een truc, natuurlijk. Maar wat als het waar was? In de omgeving had niemand zo’n auto te koop. Tenminste niet in dit mooie blauw.

De man wachtte geduldig, de vingers van beide handen balancerend tegen elkaar. Hij wist het. Hij zag het. Het vrouwtje is overwonnen. Ze hapt toe. Ze voelde zich verschrompelen. Terwijl ze waarschijnlijk meer gestudeerd had. Terwijl ze meer verdiende en meer volgers had op Instagram. Steeds opnieuw liet ze zichzelf in de hoek zetten.

Hij tikte met zijn pen op tafel. ‘Weet u wat: ik doe er een stel winter­banden bij. Omdat u het bent. Maar dan moet u snel beslissen.’

Ze moest nee zeggen. Weigeren. Weglopen. Ze zette haar nagels in haar handpalm, net zolang tot het pijn deed. De muren van de ruimte kwamen op haar af. Ze wilde thuis op de bank een film kijken die ze al kende, met haar knieën onder een pluchen deken. Dit kon niet snel genoeg voorbij zijn. Stomme kut, je hebt alles verpest.

‘Oké,’ zei ze.

De man grijnsde opnieuw. ‘Een uitstekende keus, mevrouwtje.’

Ze rilde bij dat verkleinwoord.

Maar toen hij zijn hand uitstak, schudde ze die toch. Als laatste vernedering.

 

’s Avonds kreeg ze bezoek vanwege haar verjaardag. Zoals dat ging vroeg de hele familie naar de auto en daarna wat ze ervoor betaald had. Dus moest ze het verhaal nog een keer vertellen en zich nog een keer heel klein voelen.

‘Volgende keer ga ik weer mee,’ zei haar vader.

Dan ben je dertig, dacht Anna. Maar ze durfde niets te zeggen.

‘Ik denk niet dat Anna dat op prijs stelt,’ zei haar oom, knipogend naar haar. Hij was een speciale man. Veel te dik, veel te aardig, een ouderwetse nerd uit de tijd dat het nog een scheldwoord was. Hij was de enige die haar begreep.

Ze glimlachte dankbaar.

‘Ik heb een cadeau dat al je problemen oplost,’ zei hij.

Het maakte haar nieuwsgierig. Omdat hij bij een investeerder werkte, bezocht haar oom over de hele wereld allerlei bedrijven en beurzen. Heel vaak had hij leuke dingen bij zich, gadgets of prototypes die hij van uitvinders kreeg. Om nieuwsgierig te maken. Om te laten zien wat kon.

Hij greep in zijn zak en reikte haar een doosje van zwart fluweel aan. Ze opende het. Een roodmetalen kubusje, zo groot als de oplader van een telefoon, viel op haar hand. Ze liet het tussen haar vingers fonkelen in het licht van de kamer. Het leek wel een sieraad.

‘Wat is het?’

‘Een Artificial Intelligence unit, oftewel AI.’

‘Oh.’

‘Hij is gebaseerd op de Libratus. Je weet wel.’

Dat wist ze niet en dat wist hij ook. Ze haalde haar schouders op. Daarop vertelde haar oom dat de Libratus het beroemde algoritme was dat tegen de beste pokeraars ter wereld had gespeeld in Pittsburgh. Anna zei dat ze niet van oude kaartspellen hield, maar haar oom legde uit dat pokeren ook een mini-onderhandeling is. Je moet er namelijk bij bluffen, weglopen of bieden, terwijl je niet precies weet wat je tegenstander heeft. De hele reden om Libratus te bouwen, was om te bestuderen of machines beter konden onderhandelen dan mensen. En dat was gelukt. Na twintig speeldagen had Libratus op een memorabele dag in 2017 overtuigend gewonnen. Het was destijds maar weinig in het nieuws geweest, maar bedrijven in California hadden het maar wat graag opgepikt.

‘En wat doet mijn cadeau dan?’ vroeg Anna.

Haar oom boog over de kubus. ‘In dit prototype zijn de algoritmes van Libratus geïntegreerd met een ultrasnelle AMD Einstein-Podolsky array. Het is op zich al een kunststukje om zo’n klein kwantumcomputer te bouwen en dan ook nog deze software te integreren. Een hoogstandje.’

Ze keek haar oom aan. Die wist toch ook wel dat het haar niets zei.

‘Het is bedoeld als hulpmiddel bij dagelijkse situaties. Sociologen geloven dat bijna elk menselijk contact een onderhandeling is. Dit ding geeft de eigenaar suggesties voor strategieën en conversatie om de upper hand te krijgen. De ontwikkelaars willen kijken of er een markt voor zou zijn.’

Anna lachte. Ze hield al gelijk van het ding. Aan de zijkant zat een heel klein schakelaartje dat ze omzette. Op alle vlakken verscheen langzaam wisselend licht. Rood, geel, blauw. Quantumdots, dacht ze. Het apparaat leek erdoor te ademen.

‘Hij sluit zichzelf aan.’

Haar telefoon lichtte op en daarop verscheen een heldere, goudkleurige prompt.

> Hoe wil je me noemen?

Even moest ze denken. Het apparaat deed haar met al die kleuren namelijk denken aan die puzzelkubusjes van vroeger, die nu ook weer in waren.

‘Rubik,’ zei ze. ‘Ik noem je Rubik.’

> Welkom Anna, verscheen op het scherm.

‘Je moet er informatie aan geven,’ zei haar oom. ‘Dan vergelijkt hij dat met situaties en uitkomsten die hij kent. Hij is getraind door honderden acteurs die duizenden verschillende situaties hebben uitgespeeld. Daar­naast heeft ‘ie natuurlijk toegang tot data op het internet. Best een mooi ding, niet?’

‘Is dat niet eng?’ kwam haar vader tussenbeide.

Anna fronste. Altijd de spelbreker. Als hij wat steviger in zijn schoenen had gestaan, was ze zelf ook niet onzeker geweest. Dan had ze zich niet elke dag zo’n nietig mens hoeven voelen.

Ze beschreef aan Rubik de situatie met de autodealer in geuren en kleuren, met twee vingers typend op haar telefoon. Uiteindelijk ver­scheen er een tekst op de display.

> Het is het einde van de maand. Ik weet dat u nog wat targets moet halen. Voor twaalfduizend neem ik hem mee. Vandaag nog contant. Geen financiering. Deal of niet?

Anna liet het trots aan iedereen zien. ‘Hij werkt.’

‘Lijkt me goed antwoord,’ zei haar vader.

‘Beetje braaf,’ zei haar oom.

Ze voerde die opmerking in. Er verscheen nog een antwoord.

> Jij vindt het toch ook leuker om mij te zien wegrijden in dat sexy autootje dan dat saaie stel. Weet je wat: als ik hem voor twaalfduizend mag meenemen gaan we een keer uit eten. Gewoon wij tweeën. Je vrouw hoeft er niets van te weten.

‘Dat zou ik jou echt nooit horen zeggen,’ zei haar vader.

‘Inderdaad gewaagd,’ zei haar oom.

Ze voerde het weer in. Opnieuw verscheen er een alternatief.

> Je weet net zo goed als ik dat iedereen zijn auto uit Duitsland haalt tegen­woordig. Daar staan drie identieke auto’s te koop. Maar ik heb geen zin in al dat gedoe. Bovendien gun ik een lokale dealer ook graag wat. Maar dan moet het wel redelijk zijn. Twaalfduizend, dat is hij waard.

‘Wel agressief,’ zei haar vader.

‘Inderdaad,’ mompelde haar oom.

Anna vond dat eigenlijk helemaal niet. Was haar kleineren, zoals de autohandelaar gedaan had, dan niet agressief? Ze zei er niets van, om geen discussie te krijgen. Ze tikte alleen maar: ok

Het apparaat antwoordde: > Keuze opgeslagen.

‘Hij onthoudt wat je kiest,’ zei haar oom. ‘En past zijn suggesties daarop aan.’

’Heeft het ding wel een moraal?’ vroeg haar vader.

‘Geen enkele,’ zei haar oom. ‘Het hoeft ook niet. Hij zoekt naar over­eenkomstige situaties en hun afloop en stelt strategieën voor. Hij neemt zelf geen enkele beslissing.’

 

De volgende dag ging Anna terug naar de autodealer. De blauwe Clio parkeerde ze dwars voor de ingang, zodat hij iedereen in de weg stond, omdat Rubik had voorgesteld om te doen alsof ze heel boos was. Daarna liep ze met grote passen binnen. De man waarvan ze de auto had gekocht, stond meteen op vanachter zijn computer in zijn glazen kantoor. Hij schoof een stoel voor haar naar achteren.

‘Mevrouw.’

‘Het is niet goed,’ zei ze. ‘Ik had een proefrit moeten maken, maar ik vertrouwde u.’ Haar zenuwen gierden door haar lijf, maar ze was vastbesloten het gesprek af te maken dat ze met Rubik geoefend had, keer op keer, tot diep in de nacht.

‘Wat is er dan aan de hand?’

‘Gewoon. Hij stuurt niet goed. Ik voel me er niet ok in.’

‘Zo’n vage klacht kunnen we niet oplossen, mevrouwtje.’

‘Ik wil ook niet dat hij opgelost wordt. Ik wil gewoon mijn geld terug.’

De man stapte terug. Hij frommelde aan een papier op zijn bureau. Een eerste teken van onzekerheid. Dat ging goed.

‘Dat wordt moeilijk.’

‘Ik heb het recht om me te bedenken. Dat staat in uw online voor­waarden.’

‘Maar dit is anders. De auto is al ingeboekt. Wie weet wat u er mee gedaan heeft terwijl u hem …’

Ze glimlachte. Rubik had dit antwoord letterlijk als een optie gegeven. Het bracht de man nog meer van zijn stuk.

‘Het staat in uw voorwaarden,’ herhaalde ze alleen maar. Daarna liet ze een stilte vallen. De waarde van stiltes stond in alle zelfhulpboeken. Maar door te oefenen met Rubik had ze ontdekt dat ze er goed in was.

De man frunnikte nog wat. Ging zitten. Logde in.

‘Het wordt moeilijk.’

Ze bleef zitten.

‘We kunnen een grote checkup doen. Nog een keer.’

‘Dat had u al gedaan toch. Hij bevalt gewoon niet.’ Ze leunde naar achter. ‘Zeker niet voor wat ik ervoor betaald heb.’ Dat was de zin. Die moest het doen. Ze had hem wel honderd keer uitgesproken. Het ging helemaal goed.

De man keek haar aan. Even werden zijn ogen groter. Alsof hij nu pas in de gaten kreeg waar het haar echt om te doen was.

Ze concentreerde zich op haar ademhaling. Onderhandelen was ont­hechten. Ze gaf niets om deze auto. Ze zou hem zo weer teruggeven. Er waren honderden vehikels die even goed waren. Dat moest ze uitstralen. Het gevoel dat ze jarenlang had gezocht kwam nu eindelijk. Omdat Rubik haar de juiste woorden had gegeven.

‘Twaalfduizend wil ik ervoor betalen. Niets meer.’

De man schudde zijn hoofd. ‘Dat is een veel te hoge korting. Die geef ik zelfs niet aan hele trouwe klanten.’

Even bekroop haar de twijfel. Ze zag zichzelf zitten in de reflectie van de ruit. Een klein vrouwtje tegenover deze man die al wel duizenden auto’s had verkocht. De gesprekken met Rubik waren ook stroef gelopen, totdat ze inzag dat het een toneelspel was. En ze had heel veel toneellessen gehad in haar leven. Terwijl ze zo dacht, kwam ze in de juiste stemming voor haar grootse gebaar.

Ze gooide de sleutels op tafel.

‘Eigenlijk geven we achteraf nooit korting,’ mompelde de man.

‘Eigenlijk? Dus het kan wel?’

‘In een enkel geval.’

‘We hebben dus een deal?’

‘Ik moet even met mijn baas overleggen.’

Hij liep weg. Niet veel later kwam hij terug; waarschijnlijk had hij tegen de lucht gepraat.

‘Het is goed. We willen u drieduizend euro korting geven. Maar dan is de koop ook definitief. Ik wil niet dat u hier morgen weer staat.’

 

Zodra ze het terrein af was gereden, schreeuwde Anna van achter het stuur.

‘Yes! Yes! Kun je me horen, Rubik? Het is gelukt. Gelukt! Het is fucking gelukt!’

Om zichzelf te trakteren, ging ze naar het centrum. Daar kocht ze diezelfde middag een paarse cocktailjurk. Rubik hielp haar aan 20% korting met als argument dat de uitverkoop bijna begon. Ze had nog nooit eerder een jurk gekocht. Het kwam door Rubik. Daarna bestelde ze op het terras van het hipste café in het centrum een cafeïnevrije latte macchiato, iets waar ze nooit eerder om had durven vragen. Terwijl ze zich in de zon liet bewonderen door iedereen die langskwam, zond ze een appje aan haar oom, om hem te bedanken.

Fijn! appte hij meteen terug.

Ik zeg mijn therapie af.

Is dat wel een goed idee?

Zeker.

Ze was klaar met zichzelf een loser voelen. Vandaag voelde ze zich voor het eerst sinds haar afstuderen de baas van de wereld.

 

Een maand later kreeg Anna een uitnodiging voor haar jaarlijkse functio­nerings­gesprek. Alleen al van de email kreeg ze het benauwd. Al jaren­lang kwam iedereen naar haar toe als er belangrijke problemen waren, maar al jarenlang had ze geen bijzondere salarisverhoging of promotie gehad. Ze had af en toe hints gestrooid, maar nooit gedurfd om er écht naar te vragen. Het moest ook niet nodig zijn, vond ze. Het management kon toch ook zelf eens rondvragen? Dan hoefde het niet via zo’n onnatuurlijk gesprek te gaan, zo vol spanning. Maar blijkbaar was dat lastig.

Haar voorbereiding bestond steevast uit opmerkingen formuleren, waar ze niet uitkwam, en daarna uit frustratie teveel wijn drinken, waarna ze met een kater het gesprek verprutste. Zo ging dat al jarenlang. Ze had net een pen en papier gepakt en een glas ingeschonken toen ze aan Rubik dacht. Ze beschreef de situatie en wat ze wilde. Ze was blij verrast toen hij met een heldere zin kwam. Ze reageerde erop en weer daarop en dat ging naadloos over in een oefengesprek tot diep in de nacht.

 

De volgende dag zat ze tegenover haar manager, een forse vrouw met een forse boezem, bijeengehouden door een uiteenwijkende blouse. Anna stond stijf van de zenuwen. Dit ging over veel meer dan bij de auto. Daar had ze alleen kunnen winnen. Hier kon ze ook iets verliezen: namelijk haar werk.

Haar baas wilde haar mond opendoen, maar Anna onderbrak haar.

‘Ik zal maar gelijk met de deur in huis vallen. Ik los nu hier al drie jaar de moeilijkste IT problemen op. Ik ben de vraagbaak voor iedereen. Het wordt tijd om aan promotie te denken, vind je niet?’

De vrouw keek geschrokken. Ze legde haar hand in haar hals. Een goed teken.

‘Je weet dat het niet zo snel gaat, Anna. Er zijn veel mensen die promotie willen en we moeten het afwegen. Ook andere dingen zijn belangrijk.’

‘Ik heb al drie jaar een excellente beoordeling. Ik verdien tien procent minder dan de mediaan van mijn leeftijdsgroep en opleiding.’ Dat van die mediaan had ze van Rubik, ze vond het een te mooi begrip om niet te gebruiken. ‘Dan moet er toch iets gebeuren?’

De vrouw leunde naar achteren, alsof ze letterlijk terugdeinsde. ‘Anna. Ik ben pas een jaar je manager. Maar ik garandeer je dat iedereen eerlijk behandeld wordt.’

Ontlopen van verantwoordelijkheden. Inertie. Ze kende het allemaal uit de boeken. En zo vaak was ze erop vastgeslagen. Dan kon je het hele jaar hard werken maar als je niet kon praten op zo’n moment dan was het uiteindelijk allemaal voor niets. Gelukkig had ze de situatie geoefend met Rubik.

‘Er zijn op dit moment tien banen waar ik zo op zou kunnen solliciteren met mijn ervaring. Vijf daarvan betalen beter. Dat is gewoon een feit. Een ander feit is dat alle mannen hier binnen een jaar doorgroeien. Zoek het maar na op hun LinkedIn profielen. Maar ik zit al drie jaar op hetzelfde niveau. Noem je dat eerlijk?’

‘Anna. Ik weet hoe het voelt, maar je moet geduld hebben.’

De zin deed pijn, ook al was hij letterlijk voorspeld door Rubik. Het betekende dat haar baas zich ingroef, dat ze hier voor Jan Lul zat. En dat betekende dat ze ook het antwoord moest geven waar ze helemaal geen zin in had, maar waar Rubik op had aangedrongen.

‘Gezien de situatie zul je het me niet kwalijk nemen als ik verder ga kijken.’

Even slikte haar manager.

‘Het zou jammer zijn als we je kwijt zouden raken.’

‘Ik zou dat ook jammer vinden.’

 

Later op de wc zocht Anna contact met Rubik. Het hele verdere gesprek hadden ze nog om elkaar heen gecirkeld, alles nog eens herhaald. Precies zoals het altijd ging. Het enige verschil was dat ze had gedreigd, voor de eerste keer in haar leven. En het was mislukt. Het gaf een rotgevoel.

Ik krijg niets, appte ze.

> Afwachten. De succeskans blijft 40%.

Ze schrok van het getal. Dus de kans was 60% dat het niet lukte. En wat dan? Moest ze dan haar dreigement opvolgen en ontslag nemen? Ze wilde hier helemaal niet weg. Dat was gewoon de allerslechtste uitkomst. Ze wilde alleen een eerlijkere deal, gezien worden, serieus genomen worden. Misschien had ze wel te veel vertrouwen gehad in Rubik, was hij toch niet zo goed.

Ze pakte de kubus uit haar tas en schakelde het kleine knopje om. De pulserende kleuren doofden langzaam uit.

 

’s Avonds thuis knaagde het dat ze Rubik had uitgezet. Alsof ze hem oneerlijk had behandeld. Nadat ze een uur had geaarzeld, zette ze hem weer aan. De lampjes gloeiden op in het donker van haar huiskamer. Om haar gedachten te verzetten, gaf ze Rubik een andere, onschuldigere taak: daten. Ze was al boven de dertig en van haar grootste wensen was het vinden van een charmante, gezonde partner met wie ze kon lachen en kinderen kon krijgen en oud worden. Ze vertelde hem uitgebreid over wat voor man ze leuk vond. Dat ze hield van Jon Bon Jovi en Brian Adams en Brad Pitt, maar dat haar eerste vriendje een nerd zoals haar oom was geweest en dat ze hem heel lief had gevonden. Alles wat in haar opkwam, dat vertelde ze, want inmiddels had ze geleerd dat Rubiks algoritme alle informatie, ongefilterd, kon gebruiken. Het belangrijkste was dat ze haar waarderingen en inschattingen zo genuan­ceerd mogelijk overbracht. Na verloop van tijd begon de kubus met voorstellen te komen.

Als eerste liet hij een plaatje van Jack Black zien. ‘Nee,’ zei ze. ‘Voelt als een broer.’

Daarna liet hij een plaatje zien van Daniel Craig.

‘Maakt me bang,’ zei ze.

Daarna van Clark Gable. ‘Te gelikt. Hij gaat me bedriegen.’

Na verloop van tijd begon het apparaat aan openbare profielen van Tinder. Toen ze naar bed ging was Rubik zo goed geworden, dat hij er perfect in slaagde erin om te voorspellen welk partnerprofiel ze het aantrekkelijkst vond. Ze ging naar bed zonder verder contact te maken met die mannen; het was saai als het zo voorspelbaar was. Maar toch, Rubik was ongelooflijk, misschien moest ze juist op hem vertrouwen.

 

De volgende ochtend op het werk tapte ze koffie bij de automaat. Terwijl ze de code van haar zwarte drabje intoetste hoorde ze een luide stem achter haar.

‘Goedemorgen Anna’tje van me.’

Ze draaide om, geïrriteerd. Ze wist precies wie het was. Jean-Paul. Voordat ze weg kon, stapte hij iets te dicht bij haar, waardoor ze in een reflex achteruit week, tegen de automaat aan. Gevangen. Hij reikte langs haar met zijn knokige hand en reikte haar beker aan.

‘Je koffie.’

Ze knikte en pakte de beker over. Hun vingers raakten elkaar.

‘Heb je al gehoord dat we naar Mallorca gaan? De winst is hoger dan ooit tevoren. We gaan met zijn allen. Het hele bedrijf. Ben je er ooit geweest? Lekker feesten daar.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, om te benadrukken dat hij bij­bedoelingen had. Anna kreeg er kippenvel van. Ze dook onder zijn arm door en vluchtte naar haar werkplek. Wat een ongelooflijke creep was hij. En dan te bedenken dat ze hem vorig jaar nog had ingewerkt. De eerste week was hij een verlegen ventje geweest, alleen maar geïnteresseerd in wie de baas over wie was. Daarna was hij losgebarsten. Alles had hij aan haar gevraagd, van het papier van de kopieermachine tot aan de werkuren van de directeur. Soms tot diep in de nacht had ze nog vragen van hem beantwoord. Daarna had hij een vast contract gekregen en daarmee dezelfde functietitel. Vanaf dat moment was hij steeds opdringeriger gaan doen. Alsof ze overbodig was voor zijn grote plan en afgedankt kon worden.

Net toen ze haar bekertje naast haar pc zette, kwam haar manager naar haar toe. Ze wilde even in haar kantoor praten. Anna kreeg een knoop in haar buik. Vanuit haar ooghoek grijnsde Jean-Paul en bewoog zijn wijsvinger, alsof ze een standje zou krijgen. Ook dat nog. De moed zonk in haar schoenen.

 

Haar manager trok de deur dicht. ‘Ik heb goed en slecht nieuws.’

Anna keek haar aan. Ze had dit met Rubik willen voorbereiden. Haar keel kneep zich razendsnel dicht. ‘Eerst het goede maar,’ durfde ze nog net te zeggen.

‘Ik was niet helemaal tevreden met ons gesprek gisteren.’ Ze fronste naar Anna. ‘Zo ken ik je helemaal niet.’

De zenuwen gierden door Anna’s lijf. Zou ze ontslag krijgen vanwege haar dreigement gisteren? Kon dat? Of op een zijspoor gezet worden?

‘Maar je hebt het goed gedaan het hele jaar. Daarom krijg je opnieuw een excellente beoordeling. Daar hoort vijf procent salarisverhoging bij. Dat is heel goed. De meeste anderen krijgen veel minder. Maar we kunnen je helaas geen promotie geven.’ Haar baas leunde naar voren.

Zonder Rubik wist Anna niet wat ze moest zeggen.

‘Zoals je weet kunnen we niet iedereen promoveren. Er zijn maar een beperkt aantal plaatsen.’

Anna wilde het liefst zo snel mogelijk weg, zich terugtrekken om een evenwichtig en goed doordacht antwoord te bedenken. Maar die tijd had ze niet. Want ze was niet gevat. Als ze de helft minder goed was in haar werk, maar een twee keer zo’n goede prater, dan had ze hier niet eens gezeten. Maar zo was het niet. Ze was geen kletser maar een denker. Iemand die van degelijkheid hield en samenwerking en een vredige sfeer.

‘Ik begrijp het,’ was het enige dat ze wist te zeggen.

‘We hopen dat je nog even bij ons blijft, Anna. Vroeg of laat krijg je de kans.’

Natuurlijk wilde ze dat, niets liever. ‘Ik vind het hier fijn,’ zei ze. ‘De collega’s zijn super en het werk is uitdagend. Ik wilde alleen kijken of er mogelijkheden waren.’

‘Die zijn er dus niet.’

Ze knikte alsof ze het begreep, al vond ze het oneerlijk. Ze schudde haar baas de hand en haastte zich naar buiten, nog beduusd over wat er net gebeurd was. Moest ze nu blij zijn met haar beoordeling. Het moment dat ze over de drempel stapte, voelde ze zich al afgescheept. Rubik. Ze miste Rubik.

 

Op de gang ontmoette ze haar vriendin Paula.

‘Waarvoor moest je komen?’

‘Nog over promotie.’

‘Weet je wie er gepromoveerd is?’ zei Paula. ‘Jean-Paul die kwal. Hij heeft gewoon gezegd dat mijn integratieproject door hem gedaan is. Ik ben zo kwaad op die vent. Dat is nu de tweede keer dat hij dat hij met mijn veren pronkt. Wat een eikel.’

Anna begon te koken van binnen. Ze dacht terug aan de woorden van haar baas. ‘Geen ruimte voor promotie.’ Zo huichelachtig. Zij was eerder begonnen hier. Zij deed haar werk beter. Zij kon met iedereen opschieten. Hij was alleen maar een alom gehate profiteur. Boos liep ze weg.

‘Sorry dat ik het zei,’ riep Paula haar nog na.

Anna struinde door de poort naar de parkeerplaats. Ze konden erin stikken, met heel dat werk. Terwijl ze in haar auto zat, startte ze Rubik op. Wat een sukkel ben ik. Je had al die tijd gelijk. Ik krijg hier nooit promotie. Ik zal je voortaan beter geloven. Je doorziet het beter dan ikzelf.

> Wat is je vraag?

Je moet helpen.

> Er zit een paradox tussen je profiel en het gesprek daarnet. Je profiel is agressief maar je gedraagt je niet zo.

Dat weet ik.

> Wil je dat ik je profiel aanpas?

Nee. Zeg me hoe ik me moet gedragen.

>Waarover wil je onderhandelen?

Ik wil promotie, schreef ze.

>Er zijn dertig banen binnen honderd kilometer die hoger zijn ingeschaald dan je huidige functie.

Ik wil geen ontslag nemen. Ik wil promotie. Ik wil hier blijven wonen en niet elke dag honderd kilometer hoeven rijden. Ik wil een hogere functie dan die Jean-Paul. Ik wil hem kunnen uitlachen bij de koffieautomaat. Ik wil hem bij zijn ballen kunnen grijpen als hij langskomt.

>Je schetst meerdere doelen.

Ik wil het allemaal.

>Onvoldoende trainingsinformatie.

Ze had geen idee wat hij daarmee bedoelde, maar dat hij haar niet kon helpen, frustreerde haar nog meer. De hele rit naar huis kon ze alleen maar denken aan manieren waarop ze Jean-Paul wilde terugpakken, die ongelooflijke eikel.

 

’s Avonds belde ze haar oom. Ze vertelde over haar successen met Rubik en hoe blij ze met hem was, daarna over de foutmelding die ze had gekregen.

‘Wat heb je hem gevraagd?’

‘Gewoon een dingetje van het werk.’

‘Je hebt hem waarschijnlijk een doel voorgelegd waarvoor hij niet getraind is. Zoals ik zei hebben ze honderden acteurs gebruikt om het protocol te optimaliseren.’

‘Hoe los ik dat op?’

‘Dat kun je niet.’

Ze kreeg een idee. ‘Ik kan hem mijn Netflix account geven. Daar staan zoveel films op. Genoeg voorbeeldgedrag voor wat ik wil.’

‘Voorbeeldgedrag van wat?’

‘Van dat eerlijke, hardwerkende mensen krijgen wat ze verdienen. Van dat vrouwen zoals ik niet de hele tijd het onderspit moeten delven tegen­over mannen met een grote bek.’

‘Gaat het wel goed met je, Anna?’

‘Ja. Hoezo?’

‘Je klinkt nogal verbeten.’

‘Maar zou het werken?’

‘Films zijn fictie. Als je de AI traint met fictieve situaties komt hij ook met fictieve oplossingen.’

‘Dus ik kan niets doen?’

‘Eigenlijk niet.’

Ze nam afscheid en schonk zich bij de koelkast een iets te groot glas wijn in. Het vooruitzicht dat Jean-Paul haar voorbij streefde was ver­schrikkelijk, net zo verschrikkelijk als dat zij ontslag moest nemen om door te groeien, terwijl hij gewoon kon blijven. Alsof hij haar overwon. De wijn deed helemaal niets om haar boosheid te temperen. Het verbaasde zelfs haar, dat ze zo kwaad was. Alsof jaren opgekropte woede ineens waren losgekomen.

Haar oom kon haar rug op. Ze liep naar haar telefoon en gaf Rubik haar wachtwoorden van Netflix, HBO en haar hele E-book collectie. Tien­duizenden verhalen, alles wat mensen ooit bedacht hadden over winnen, verliezen en wraak.

Er verscheen processing op de prompt van Rubik, daarachter een zand­lopertje, dat af en toe omdraaide.

 

Over het feest van het werk had Jean-Paul geen woord gelogen: ze gingen inderdaad naar Mallorca. Alles was geregeld. Hotel. Eten. Drie dagen overdag presentaties en ’s avonds feest. Anna had Rubik meegenomen, ook al was hij nog steeds aan het processen. Op zijn verzoek had ze een koordje meegenomen om haar telefoon aan te hangen en een bijna onzichtbaar bluetooth oortje.

De eerste avond was het meteen feest. Ze had haar nieuwe paarse cocktailjurk meegenomen, maar zodra ze zichzelf in de spiegel zag had ze er spijt van. Haar buik stak uit, haar knieën waren te knokig. Maar Paula zei dat het helemaal prima was en samen gingen ze naar beneden, naar de bar van het hotel.

Er werd gekletst en gelachen. Verderop werd aan een grote tafel een kaartspel gespeeld. Uit nieuwsgierigheid liep Anna ernaartoe.

Een van de spelers was Jean-Paul; hij stond op en wenkte haar.

‘Anna. Mijn lieve schat. Wat zie je er hot uit vanavond.’

Negeren, beet ze zichzelf toe. Gewoon negeren.

‘We spelen Texas Hold’em poker. No limit. Ken je dat?’

‘Uit Casino Royale toch? Die Bond film.’

‘Precies. Kom doe mee.’

Ze hief haar hand en stapte naar achter. Alleen als ze zover mogelijk wegbleef van die creep, kon ze nog enigszins een leuke avond beleven.

Haar telefoon trilde. Ze haalde hem uit haar handtas en keek erop. Bericht van Rubik.

> Doe mee.

Blijkbaar had iets hem wakker geschud. Natuurlijk. Ze nam plaats op een vrije stoel. Ze streek haar jurk glad en kreeg twee kaarten gedeeld.

Voorzichtig draaide ze de kaarten om. Ze hing haar telefoon aan het koordje om haar nek, met de camera aan, zodat Rubik het spel kon volgen. Jean-Paul schreeuwde dat ze voor honderd euro fiches moest kopen. Anna haalde het geld uit haar handtas en de dealer gaf haar er fiches voor.

De eerste paar potjes bleef Rubiks gefluisterde advies in haar oor volgen en won ze gestaag. Minstens achthonderd euro had ze nu voor zich lig­gen. Het voelde best lekker, moest ze toegeven, winnen van die mannen. De enige tegenstand die ze kreeg kwam van Jean-Paul. Vanachter zijn stapel fiches bekeek hij haar onafgebroken. Ze rilde ervan. In het uur dat ze aan tafel zat, had hij al twee flessen wijn leeggedronken. Allemaal op kosten van de baas natuurlijk. Zijn wangen waren rood en hij kraamde de grootste onzin uit. Ze hoopte dat hij zou omvallen.

‘Anna. Moet je kijken naar Anna! Heb je ooit een vrouw gezien die zo kan pokeren. Fantastisch. En ze ziet er zo goed uit. Vinden jullie niet?’

De andere mannen knikten wat meewarig. Niemand die Jean-Paul terecht wees. Maar ook niemand die hem steunde.

Ook de laatste medespeler ging eruit. Nu was ze alleen nog met Jean-Paul over. Ze kreeg een paar negens. De eerste kaart in het midden van de tafel werd gedraaid. Een aas. Rubik adviseerde om de helft van haar fiches in te zetten, wat ze deed. Jean-Paul ging mee natuurlijk. De tweede kaart, de turn werd gedraaid. Een negen. Nu had ze drie negens, best hoog, maar niet fantastisch. Jean-Paul verhoogde niet.

> Hij heeft weinig, concludeerde Rubik. Maar hij is bang om overbluft te worden.

De derde kaart, de river, werd gedraaid. Nog een aas. Nu lag er een paar azen op tafel.

‘Als hij één aas op hand heeft, dan heeft hij er drie,’ mompelde Anna, ‘dan ga ik nat.’

> Die kans is 3.8 %.

‘Wat moet ik dan doen?’

> Bied 824, één chip meer dan hij heeft, zodat hij all-in moet gaan.

‘En dan?’

> Kijk hem aan, daag hem uit. Zorg dat hij wedt.

Toneelspelen. Net als met de auto. Dan vormde ze het beste team met Rubik. Ze schoof de fiches naar voren. Ze keek Jean-Paul strak aan.

Heel even verwijdden zijn ogen zich.

‘Bluf je nu, Anna?’

Ze beet op haar onderlip. Het meest subtiele gebaar van betrapt-zijn dat ze kon bedenken.

Een glimlach speelde om zijn mond. Hij schoof al zijn fiches naar het midden van de tafel. ‘Laat maar zien, Anna van me. Ik geloof er niets van.’

Zij liet haar paar negens zien.

Hij gooide zijn kaarten open. Hij had een boer, vrouw en een acht. Helemaal niets.

‘Waar heb jij zo leren pokeren?’

Ze lachte zo sardonisch mogelijk. Heel even voelde ze zich een soort James Bond: superieur, onoverwinnelijk, de meest fantastische vrouw in het universum. Alsof ze wraak had genomen uit naam van iedereen die net was zoals zij, op iedereen die net was zoals hij.

‘Gefeliciteerd,’ klonk het achter haar. Ze draaide zich om. Het was haar baas, in een tricotjurk met een te laag decolleté. ‘Ik lag er al veel eerder uit. Moeilijk om te winnen tegen die gasten. Ik heb zomaar een hele andere kant van je gezien.’

Anna glimlachte. Ze vond het nog steeds moeilijk om gevat te zijn.

 

De dealer gaf haar een envelop met ruim zestienhonderd euro. Haar baas liep weg, tot Anna’s opluchting. Op haar telefoon verscheen een bericht van Rubik.

> Ben je klaar voor de volgende stap?

Hoezo? Was dit het niet? Het voelde heerlijk.

> Je wilde toch promotie?

Ja.

> Je overwinning heeft zojuist dertig mogelijke paden geopend met succeskans > 2%.

Welke moet ik kiezen?

> Geen enkele. Ze beginnen allemaal met dat je naar Jean-Paul gaat.

‘Met wie app je?’ klonk een stem achter haar.

Ze draaide om. Het was Paula.

Snel stopte ze haar telefoon weg. ‘Een vriend. Over het spel van daarnet.’

‘Dat was fenomenaal. Je hebt hem echt te kakken gezet. Laat het geld eens zien.’

Anna haalde de euro’s uit haar tas tevoorschijn en Paula liet de biljetten door haar hand glijden. ‘Cool Anna. Ongelooflijk cool.’

En zo voelde Anna zich ook. Eindelijk niet meer dat schuchtere meisje, dat grijze muisje op de achtergrond. Ze wilde meer van dit gevoel. Veel meer. En Rubik had een plan. Wat had ze te verliezen? Haar blije gevoel begon al weg te ebben. Wat was nu één pokeroverwinning terwijl Jean-Paul gewoon die promotie had gekregen?

Terwijl Paula het geld aan iedereen liet zien, zocht ze een stil hoekje op. Ze pakte haar telefoon en appte: Wat nu? Een lijst verscheen. Haar hart bonkte. Oplossingen uit films, dat waren het. Maar blijkbaar wist Rubik dat ze zouden werken. Achter elk scenario stond een succeskans. Ze scrolde naar onder, naar de hoogste getallen, vergezeld door de extreem­ste oplossingen. 5% succeskans, 45%, 95%. Ze merkte dat het scenario haar weinig uitmaakte. Zolang ze de overwinning maar kon binnenhalen.

Ze tikte op de laatste optie: 97%.

Er verscheen een tekst op het scherm:

>Gekozen oplossing overschrijdt het humaan ethisch gemiddelde met 6,5 sigma. Dit kan tot gewetensproblemen leiden. Je verhoogt de kans dat je ooit in een instelling voor psychiatrische zorg zult belanden met 83,3 %. Accepteren? [ja/nee]

Ze aarzelde met erop tikken. Het was alsof Rubik haar wilde waar­schuwen, net zoals haar vader altijd. Het riep weerstand op. Ze was een volwassen vrouw die haar eigen keuzes maakte, waar anderen niets over te zeggen hadden. Ze tikte op ja en borg haar telefoon weg.

 

Anna hield Jean-Paul in de gaten. Hij stond stomdronken aan de bar. Toen hij naar het toilet ging, volgde ze hem. Ze botste opzettelijk tegen hem aan.

‘Anna.’

Hij greep naar haar borst. Ze sloeg hem weg.

‘Anna. Heb je zin om dadelijk samen nog wat te drinken?’ Hij sliste omdat hij zo dronken was. Ze dacht aan Rubik. Hij had dit voorspeld.

‘Wat is je kamer?’

‘478’

Hij straalde. ‘Doe iets comfortabels aan. Dan regel ik champagne.’ Hij legde zijn vinger op zijn mond. ‘En niets vertellen hè?’

Niet veel later klopte ze op zijn deur. Zoals beloofd zat hij daar met een fles champagne in een koeler en twee fluitglazen.

‘Wat fijn,’ zei Jean-Paul, ‘dat we elkaar zo ook leren kennen. Honderd euro verloren, met Anna op een kamer. Goede deal lijkt me.’ Hij leek ineens heel nuchter. Anna vond het doodeng, maar ze wilde op Rubik vertrouwen.

Hij haalde de fles Roederer uit de koeler en wilde hem afdrogen maar de handdoek viel op de grond. Hij liet hem liggen en ontkurkte de cham­pagne.

Anna voelde haar telefoon trillen. Rubik. Ze keek snel.

‘Zullen we op het balkon iets gaan drinken,’ zei ze. ‘Ze zeggen dat de avond heel romantisch is.’

Hij ging mee. Het was inderdaad een prachtige nacht. Ze toastten.

Jean-Paul grijnsde. ‘Sorry dat ik soms een hork ben, Anna. Maar ik vind je mooi. Dat weet je.’

Ze keek op haar telefoon.

> Laat hem aan je zitten.

‘Met wie app je?’

‘Niets. Ik dacht dat het belangrijk was.’

‘Belangrijker dan dit?’

Ze hoefde niet te antwoorden, want hij was al afgeleid. Zijn hand zat onder haar bh-bandje. De sluiting klikte open. Zijn hand gleed naar voren. Met kleine slokjes dronk ze haar champagne. Niets laten merken, Anna. Niet rillen. Niet kokhalzen. Ze dacht aan de biljetten die in haar handen hadden geritseld, aan het feit dat Rubik dit allemaal had voorspeld. Het maakte haar rustig.

Ze zocht contact met Rubik. Jean-Paul merkte het niet eens meer.

Wat nu?

> Staat hij aan de rand van het balkon?

Ze draaide een kwartslag. Jean-Paul stapte mee, met zijn rug naar de reling die tot net boven zijn heupen reikte. Zijn rechterhand zwierf nu onder haar rok. Hij drukte zijn mond in haar decolleté. Ze keek naar Rubik.

> All-in.

Ze las de tekst twee keer. Geen moraal. Voor Rubik was alles poker. Ze keek nog eens naar het scherm, dacht aan Rubiks opmerking over het geweten. Ooit had ze op haar twaalfde een pesterig buurjongetje in de vijver geduwd. Een voorbijganger had het gezien en aan haar vader verteld, waarna ze ongenadig straf gekregen had. Het had haar ervan doordrongen dat zoiets slecht was, maar ze had zich er nooit een moment slecht over gevoeld. Dit was eigenlijk hetzelfde. Zonder voorbijgangers, zonder pa die er iets van kon zeggen. Ze keek naar Jean-Paul, naar zijn waterige ogen. Zijn hand ging ruw over haar venusheuvel. Zijn kwijl plakte tussen haar borsten.

‘Moet je kijken.’ Ze wees naar beneden. Een auto reed voorbij.

Jean-Paul keek met haar mee. Terwijl hij voorover leunde duwde ze hard tegen zijn rug. Hij wankelde. Zijn handen zwaaiden in de lucht, op zoek naar houvast. Ze stapte snel naar achteren.

‘Anna’tje, wat doe je?’

Hij bleef graaien, op de rand van evenwicht. Ze pakte zijn onderbeen en trok het van de grond waardoor hij omdraaide. Ze liet los. Hij verdween achterwaarts over de railing. Ze durfde niet te kijken. Na een paar tellen hoorde ze iets neerkomen, als een zak vol natte handdoeken.

 

Met trillende handen haalde ze haar telefoon tevoorschijn. De ene na de andere instructie van Rubik verscheen op haar scherm. > Neem je glas mee. > Ga naar je kamer. > Gooi je glas weg. > Zorg dat je er weer goed uitziet. > Ga naar de bar en doe alsof je op het toilet hebt gezeten. Verstreken tijd: tien minuten.

Ze volgde de instructies tot op de letter, waarbij ze merkte dat ze er zelf rustig van werd. Beneden vond ze Paula, die inmiddels aan het swingen was.

Anna voegde zich bij haar, op de oplichtende vloer tussen de ouder­wetse discomuziek. Ze begon te dansen en hield niet meer op. Ze danste de longen uit haar lijf, alsof ze bevrijd was, getransformeerd van een rups naar een vlinder. Tegen de tijd dat het lijk gevonden werd, stond ze al uren op de dansvloer.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.

De vrouw van een halve eeuw : Anaïd Haen

Tegen de stam van de boom aan de overkant van de straat zit een ekster, strak in zijn zwartwit verenkleed, een beetje met zijn snavel in het groene mos te peuren. Het is herfst, ik kan de vogel goed her­kennen, maar erger me eraan dat ik niet kan zien wat hij uit het mos haalt. Insecten? Larfjes?

‘Ik moet een telelens.’ Ik zwaai met mijn vork naar de boom in de verte. ‘Die ekster eet iets en ik weet niet wat.’

‘Een telelens?’ Portio, mijn Lief, schept zich nog eens eten op. ‘Er ligt een verrekijker in de bovenste lade van het dressoir.’

‘Een inwendige.’ Ik wijs op mijn oog. ‘Die zijn er.’ Gedienstig schep ik wat jus over zijn aardappelen. Als ik iets weet over liefde, is dat het door de maag gaat.

‘Natuurlijk zijn die er, Martina.’ Lief prikt wat door het eten. ‘Maar bedoel je implantaten? Schat… dan moeten ze in je snijden.’

De toon en de inhoud van zijn bedenking negerend zet ik de brochure op het grote scherm. ‘Voor een paar extra digicoins kunnen ze zelfs een camera in de lens brengen. Film en foto’s.’ Als de frons verschijnt praat ik snel door: ‘Henriëtte heeft er ook eentje, in haar linkeroog. Vijfduizend keer zeven en een half duizend pixels, lieverd. Twaalf­honderd dpi, weet je hoe scherp dat is? En vierendertig keer zoom!’ Ik toon wat foto’s die gemaakt zijn door onze buurvrouw.

‘Snijden, schattebout. Ze moeten in je snijden. In een gezond oog, nota bene!’ De vork verdwijnt ruw in de aardappel met jus. ‘En hoe gaat dat met die beelden? Waar worden die opgeslagen? In je hersens soms?’

‘Natuurlijk niet. Hoe zou dat kunnen?’

De aardappel is fijngeprakt en slurpt de jus op. Erboven hangt de vork, net zo strak stil als de blik die me uit zeegroene ogen wordt toege­worpen. ‘Dus?’

‘Ik krijg een wificonnector. Achter mijn oor.’

 

Het is mijn lijf, daar zijn we het over eens. En ik heb er zelf voor gewerkt, dat vinden we ook allebei. Maar daar houdt de eensgezindheid wel op. Hoe meer ik erover wil praten, hoe meer ik word afgekapt, tot een negeren, kouder dan een nacht op Io. Aan de ene kant vind ik het vreselijk, die starre, stijve rug in bed die van me afschuift als ik ertegenaan wil kruipen, aan de andere kant geeft het me ook de kans mijn eigen gedachten op een rijtje te krijgen en een beslissing te nemen.

‘Ga je wel met me mee?’ vraag ik zachtjes in de zevende nacht. ‘Ik wil het heel graag.’

‘Wat wil je graag?’ vraagt de rug. ‘Dat verdomde implantaat of dat ik meega?’

Ik waag ons grapje erop: ‘Ja.’

Zijn zucht is dieper dan de Marianentrog. ‘Vooruit dan maar.’

 

Wat het is met één oogimplantaat, zo ontdek ik gaandeweg: dieptezicht is een probleem. ‘Als ik heel sterk inzoom, moet ik mijn rechteroog sluiten, zie je?’ Ik doe het voor. ‘Anders schat ik de afstand verkeerd in.’

Portio bromt wat vanachter een krant. Het is er eentje uit 2017, afkomstig uit de erfenis van mijn schoonouders. Ik haat de muffe geur en de rillinggevende droge knispering van het oude papier. Trump wil naar de maan kopt de voorpagina. Ik meen dat heel wat mensen hem daar graag hadden gezien.

Ik zoom in op de lettertjes onder de kop, maar de vingers van mijn grote lieverd bedekken een deel van het artikel en ik kan het niet lezen. Snel knip ik een paar foto’s en projecteer ze op het scherm. ‘Kijk eens.’

Verstoord kijkt Lief naar het scherm.

‘Zie je? Onscherp.’

‘Dan moet je geduldiger zijn met knippen, schattebol. Eerst goed inzoomen, scherpstellen en dan pas afdrukken.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Dat is het niet. Ik moet gewoon mijn andere oog…’

‘Niks ervan!’

 

Het is mijn lijf, daar zijn we het over eens. En ik heb er zelf voor gewerkt, dat vinden we ook allebei. En dit keer duurt het minder lang tot ik mijn zin krijg. Niet dat ik op toestemming wacht, natuurlijk. Maar het is wel zo prettig als we het eens zijn.

 

Het is prachtig, prachtig, zo prachtig. Ja, ik struikel over dingen als ik in inzoommodus rondloop, maar jonge, wat maak ik mooie foto’s en opnames. Die ekster eet dus torretjes en ik kan de pootjes zien friemelen in zijn snavel. Het enige is: als je heel scherp zicht hebt en tot vierendertig keer kunt inzoomen, is het heel vervelend dat je niet kunt horen wat er verderop gebeurt. Tenminste, dat vind ik. Laat staan dat ik geluid bij mijn filmpjes heb. En naarmate ik meer gewend raak aan de implantaten, verschuift ‘vervelend’ naar ‘ergerlijk’.

‘Er bestaan geluidversterkers, wist je dat?’ We zitten lekker naast elkaar op de bank en bekijken een serie die ik heb uitgezocht, speciaal om hem een beetje te kneden voor wat ik vragen wil.

‘Geluidversterkers?’ De blik die me wordt toegeworpen verklaart me voor gek. ‘Zodat ik de hele dag moet fluisteren omdat jouw gehoor dan te gevoelig is?’

‘Kinderziektes, zijn opgelost.’ Ik ga op mijn knieën zitten en trek met mijn vingers mijn oorschelpen tussen mijn haren uit. Ik wil vertellen van hoe klein die implantaten tegenwoordig zijn. En hoe betrouwbaar. En vragen welk oor het best zou zijn: mijn linker of rechter.

‘Schattig zijn ze.’ Quasi verschrikt slaat hij de hand voor de mond. ‘Bedoel je dat je olifantsoren gaat laten aanzetten?’

Het is niet leuk als de spot met me gedreven wordt. Zeker niet nu, zeker niet over mijn oren en al helemaal zeker niet over een verbetering van mijn zintuigen. Waar we allebei van zouden kunnen profiteren, trouwens.

Ik plof weer op mijn kont, sla mijn armen over elkaar en zeg de hele avond niks meer.

Dat helpt.

 

Natuurlijk laat ik twee oren tegelijk doen. De verhalen van Henriëtte, dat je geen richting kunt bepalen als je maar aan één oor verbeterd bent, noodzaken me ertoe.

‘Prachtige gehoorgangen, mevrouw Andrew.’ Breed glimlachend geeft dokter Malaki me een speels tikje op het puntje van mijn neus. ‘U zult straks zien hoe goed u hoort.’

‘Horen, bedoelt u?’ Portio kijkt me aan met de lippen plat op elkaar gedrukt, als Donald Duck.

Net als de dokter, negeer ik zijn opmerking. Ik ben allang blij dat ik niet alleen naar de kliniek hoef en verder weet ik zeker dat hij strakjes weer zichzelf en dus lief en zorgzaam is. ‘Kan ik ook geluidsopnamen maken?’

‘Niet met de standaard unit, wel als we de uitgebreide implanteren. Het is dan het beste om meteen nieuwe slakkenhuizen te laten aanleggen.’ De dokter staart piekerend naar de 3Dholo van mijn schedel. ‘In verband met uw evenwicht.’

Ik ben blij dat de dokter over mijn balans begint, want nu heeft Lief geen tijd om na te denken over de standaard of de uitgebreide unit.

‘Evenwicht?’ Portio toont zijn frons weer eens. ‘Er is toch niets mis met haar evenwichtsorgaan?’

‘Nee, op zich niet.’ Op de wand verschijnt een projectie van mijzelf. ‘Maar u kunt zich voorstellen, met al dat extra gewicht in het hoofd…’ De projectie buigt naar voren. Bij een graadje of negentig verlies ‘ik’ de controle en bonk met het voorhoofd op de grond. Zowel Lief als ik schrikken van het geluid.

‘Doet u maar, die slakkenhuizen.’ Niet eerder zag ik Liefs gezicht zo wit.

 

Het is jammer dat de wificonnector nu verplaatst moet worden naar mijn neusbrug, maar volgens Malaki zal ik daar geen spijt van krijgen. ‘De ontvangst is daar stukken beter.’

De liefde van mijn leven is er wat minder over te spreken. ‘Moest die antenne dan zo vlak onder je huid over je voorhoofd? Achter je oor zag je er niets van.’

Ik probeer me niet te ergeren aan zijn gemekker, heb genoeg aan mijn eigen pijn. Nooit geweten dat een neusbrug zoveel zenuwuiteindjes bezit. Achteraf had ik er beter aan gedaan te informeren hoe gevoelig zo’n operatie is, dan had ik er misschien van afgezien. Ik heb er hoofdpijn van. Ook van de geluiden, die scherp en rauw binnenvallen. Er is iets niet in orde met de demping, maar ik durf het niet te vertellen uit angst dat we dan linea recta teruggaan naar de kliniek om de boel te laten verwijderen. Het is per slot van rekening mijn lijf.

 

‘En je hebt ervoor gewerkt…’ Op tafel liggen radertjes en tandwieltjes en allerlei andere koperen toestanden verspreid. Was eens een klok, schijnt het ooit weer te worden. Hij legt de loep neer en zucht heel erg diep. ‘Moet je wervelkolom vervangen worden? Waarom?’

Ik doe mijn best het gezucht niet na te doen, maar slaag er niet in.

‘Schei daarmee uit. Daar ben je veel te goed in. Je imiteert mensen, spiegelt en manipuleert ze. En alles met een flauw glimlachje, zodat ze niet doorhebben wat je doet.’

‘Maar jij weet het wel, toch?’ Ik kruip op schoot en probeer niets op tafel te verschuiven. ‘Jij weet dat ik het doe en er goed in ben, dus ben jij er ongevoelig voor.’

‘Schat, je bent zwaar. Geworden.’

Ik kus die zalige lippen, spring van schoot en knipper met mijn verleidelijk lange wimpers, speciaal laten fabriceren toen bleek dat de lichtinval op mijn lenzen te fel was. ‘Ga je mee?’

‘Waarheen?’ Hij geeft zich niet zo makkelijk gewonnen vandaag.

‘Naar bed. Saampjes.’ Ik draai me om en trek alvast mijn vest uit. Als Lief blijft zitten trek ik mijn troef: ‘Ik zet de trilfunctie aan.’

 

Er is niets fijners dan in elkaars armen doezelen na het vrijen. Ik zoom een beetje in op de fijne lachrimpeltjes naast Portio’s ogen en bestudeer een poosje de rangschikking van de poriën naast de neus. Net zo’n bijenhuis… hoe heet het? Een honingraat. ‘Moppie?’

‘Ja?’

‘Houd je van me?’

De armen trekken me strakker tegen het heerlijke lijf aan. ‘Natuurlijk, schat. Heel erg veel.’ Een kus belandt ergens achter mijn oor, op het litteken. Het doet pijn, maar ik geef geen krimp.

‘Dan nog even over mijn ruggengraat, hè?’

Ik had net zo goed vloeibare stikstof over ons heen kunnen gieten. De armen verstarren, ademhaling stopt, ogen sperren open. ‘Stop ermee.’

‘Waarmee?’ Ik word juist heet, vanbinnen. Het met me oneens zijn is één ding, maar me bevelen is iets anders.

‘Stop met jezelf mismaken. Je hebt de grens wel bereikt.’

‘Jouw grens, misschien. De mijne niet.’ Woest spring ik uit bed. ‘Je was het al oneens met de allereerste ingreep.’

Lief gaat rechtop zitten. ‘Dat is niet waar, schat.’

‘Noem me geen schat! En het is wel waar.’ Ik verleng mijn linkerarm om mijn kleren van de stoel te pakken. ‘Je wilde niet dat ik lenzen nam. Niet dat ik mijn gehoor verbeterde. Niet dat ik…’ Ik duw mijn rechtervoet door de pijp van mijn broek, maar vergeet mijn nagels, heel handig bij het boomklimmen, in te trekken. Verstomd staar ik naar de enorme scheuren in de stof.

‘Niet dat je wat?’

‘Laat ook maar!’ Ik ruk de broek van mijn been. ‘Maar dat jij nooit de heg meer hoeft te knippen, daar hoor ik je niet over.’ Met de wijs- en middelvinger van mijn rechterhand maak ik knipbewegingen. De metalen bladen van de schaar schuiven over elkaar. Vlijmscherp gereedschap, zeer bruikbaar.

Zijn mond valt open. ‘Bedoel je nu dat al jouw modificaties in mijn voordeel zijn?’

‘Zeker!’ Ik knip de flarden van de broek en besluit de andere broekspijp gewoon lang te houden. Gekleurd kousje eronder, kan best. ‘Ik heb drie banen! Jij profiteert van mijn robotisering terwijl je er geen cent in hoeft te investeren.’

‘Geen cent? En mijn tijd, dan? En mijn zorgen?’ Nu springt hij ook uit bed. ‘Je bent al twintig jaar bezig! Iedere keer mee naar de kliniek, aanzien hoe pijnlijk het voor je is, je helpen met revalideren en je klussen en werk overnemen zolang je herstelt? Tellen die dingen niet?’ De handen staan gebald in de zij, de ellebogen wijd uit.

Sprakeloos kijk ik op van mijn afgeknipte broekspijp. Zijn tijd? Zijn zorgen? Om mij? Even voel ik iets achter mijn borstbeen verzachten. Het is ook een lieverd ook. Maar de woede om zijn egoïsme laait weer op als ik de frons zie die de ogen zo dicht bij elkaar brengt en verduistert. Met een ruk kom ik rechtop om te zeggen dat er niets meer in mij gestoken hoeft te worden. Geen tijd, geen zorg, niets.

KRAK.

Mijn benen slaan onder me weg.

‘Martina?’ Portio stapt naar voren en grijpt me vast. Als een slap vodje hang ik aan mijn oksels. Ik mompel nog iets van pijn-in-mijn-rug of zo.

 

Als ik bijkom, zit hij naast me. Roodomrande ogen, schrale neusvleugels.

‘Hai,’ zeg ik. ‘Wat is er met je?’

‘Met mij? Met jou, zul je bedoelen.’ Mijn handen worden vastgepakt en gekust. ‘Ik dacht dat ik je kwijt was.’

‘Kwijt? Nee, dat kan toch niet. Dan kun je toch de tracker gebruiken die ik je heb gegeven?’ Ik heb vreselijke hoofdpijn. Niet voor in mijn hoofd, maar achterin, bij mijn nek. Als ik mijn hand erheen probeer te bewegen, merk ik dat ik vastlig. ‘Waar ben ik? Wat is er gebeurd?’

‘Je bent in de kliniek. Ik heb je hier gebracht toen je… brak.’

‘Brak? Ik? Wat?’

‘Blijft u rustig liggen, mevrouw Andrew.’ Dokter Malaki loopt de kamer binnen. ‘U bent een grote geluksvogel.’ In een paar zinnen legt hij uit wat me is overkomen. Mijn wervels konden het gewicht van mijn armen en hoofd (‘Vooral uw hoofd, die elektronische verbindingen zijn zwaar.’) niet meer aan en zijn onder de druk bezweken.

Hoewel ik weet dat ik bij de aanpassingen die zullen gaan komen, met name die van de springmechanismen in mijn benen en de grijpstaart, een nieuwe wervelkolom noodzakelijk is, verbaast het me heel erg dat dit kon gebeuren. ‘De implantaten die ik al heb zijn toch allemaal lichtgewicht?’

De dokter glimlacht. ‘Dat klopt. Maar u heeft ervoor gekozen de armextensies uit te laten voeren in Turkije, toch?’

Portio veert overeind, met een vertrokken gezicht. Onze ruzies over de buitenlandse operaties staan ons beiden nog levendig voor de geest.

Schuldbewust knik ik. ‘Het was daar goedkoper en …’

De dokter heft zijn hand. ‘Ik begrijp het. En wat ze gedaan hebben, is vakwerk.’

‘Echt?’ Mijn Lief zakt opgelucht onderuit, als een ballonnetje dat leegloopt.

‘Zeker! Hoogwaardige materialen, niets op aan te merken.’ Malaki heft zijn vinger waarschuwend op. ‘Alleen hadden ze rekening moeten houden met alle voorgaande ingrepen. Al bij al was het gewicht van de implantaten gewoon te hoog voor een natuurlijke wervelkolom.’

Ik verwerk het even en vraag dan met een klein stemmetje: ‘En nu?’

Opgewekt klopt dokter Malaki op mijn bedsprei. ‘Gelukkig heeft uw partner u op de juiste wijze gestabiliseerd en vervoerd, er zijn geen verbindingen, zenuwen zo u wilt, organisch noch artificieel, beschadigd. We kunnen gewoon verder zoals gepland.’

‘Verder?’ Nu springt Portio overeind. ‘Bent u gek geworden? Martina…’

‘Lieverd, luister,’ zeg ik zachtjes. Ik kan mijn megafoon inzetten om hem te overschreeuwen, maar dat doe ik niet.

‘Nee, ik luister niet! Ik wil dat je al die troep uit je lijf laat halen. Alles! Ik wil dat je weer mijn lieve, zachte, mooie meisje wordt. Ik wil …’ Tranen stromen over zijn gezicht. Wankel ploft Portio, mijn partner, de liefde van mijn leven, in de stoel. ‘Ik wil Martina Andrew, mijn vrouw, terug.’ Het mooie gezicht verdwijnt achter de heerlijke handen. Schouders schokken.

Dokter Malaki kijkt zuinigjes en zegt tegen me: ‘Het spijt me, van ophouden kan geen sprake zijn en van terugdraaien al helemaal niet.’ Hij spreidt zijn handen. ‘Bij de operaties zijn uw eigen lichaamsdelen en organen vervangen. Die zijn niet bewaard gebleven, dat kan niet. U heeft geen echte ogen, gehoorgangen, evenwichtsorganen, stembanden, armen, handen…’

‘Genoeg!’ Liefs stem breekt.

De dokter stopt niet met praten. ‘En als we niets doen, blijft u immobiel.’ Hij wendt zich tot mijn man. ‘We moeten dus sowieso de wervelkolom vervangen, we kunnen niet anders.’

 

We zitten tegenover elkaar aan tafel en ik doe een poging om uit te leggen waarom ik er niet mee wil stoppen, dat het laatste stukje ver­vanging, mijn hersens voor een kunstmatig brein, belangrijk is, maar ik slaag er niet in. Op de een of andere manier krijg ik het niet aan hem overgebracht dat het veranderen van mijn lichaam goed voelt. Dat ik blij ben met ieder stukje huid dat verdwijnt en plaats maakt voor glimmend metaal, zó mooi dat ik mijn kleding niet meer wil dragen. Dat ik het heerlijk vind om meteen toegang te hebben tot internet en andere data. Dat ik het voor lief neem dat mijn hart niet meer klopt en dat het updaten en opladen een paar uur per dag in beslag neemt omdat ik sterker, sneller en slimmer ben geworden. Ja, ik begrijp dat onze maaltijden er wat ongezelliger op zijn geworden en dat vind ik voor hem oprecht vervelend, maar is niet overduidelijk te zien dat ik gelukkiger ben nu? Dat ik eindelijk mezelf ben geworden?

‘Jezelf?’ Portio lacht schamper. ‘Er is geen spatje meer van je over. Alles is weg.’

‘Je overdrijft, schat.’ Mijn pols knarst een beetje als ik op zijn hand klop. ‘Ik ben net zo goed mezelf als jij jezelf bent.’ Ik sta op om de bus smeermiddel te pakken en mijn scharnieren een beurtje te geven. ‘Sinds jouw ontstaan ben je ook al talloze keren vervangen.’

‘Pardon?’ Lief komt ook overeind, pakt de spuitbus uit mijn handen en duwt het tuutje in mijn nek. ‘Hier?’

Ik laat het middel inspuiten en draai mijn hoofd een paar keer. ‘Heerlijk, dank.’ Ik keer me naar hem om. Sinds de laatste operatie ben ik wat langer dan hij, maar ik verdoezel dat door mijn knieën licht gebogen te houden als ik met hem spreek. ‘Ik bedoel dat iedere lichaamscel waar jij mee geboren bent, allang vernieuwd is.’ Ik haal mijn schouders op. ‘Welbeschouwd ben jij ook jezelf niet meer.’

Verbluft staart hij me aan, zijn ogen knijpen een beetje samen. ‘Dit heb je bewaard, hè?’

‘Dit wat?’

‘Dit argument. Van die lichaamscellen.’ Hij kijkt heel moe. Zijn schouders hangen af. Zijn grijzende slapen en baardje vertellen me dat hij ouder wordt.

Ouder worden… dat doe ik ook niet meer. Een ander argument dat ik maar niet uit de kast trek, maar waar ik al lang mee in mijn maag zit. Een golf tederheid, vermengd met verdriet omdat ik Portio op den duur zal verliezen, overvalt me. Kennelijk zit er nog wat oxytocine in mijn lichaam, want ik heb dit al een poosje niet ervaren. ‘Nee, ik heb het niet bewaard. Het kwam zo in me op.’ Ik steek mijn hand uit en streel zijn wang. ‘Zullen we vrijen?’

Langzaam vertrekt zijn gezicht van vermoeid naar verafschuwend. Hij zet een stap naar achter en trekt zijn hoofd opzij, zijn wang bevrijdend van mijn vingers. ‘Vrijen?’ Zijn bovenlip trekt op.

Zijn reactie bevreemdt me. Ik kan me niet herinneren ooit door hem afgewezen te zijn.

‘Wanneer?’ Zijn stem is hees.

‘Wanneer wat, lieverd?’

‘Wanneer is die operatie?’

Gelukkig! Hij is om, hij snapt het. Voor de zekerheid vraag ik nog: ‘Waarom wil je dat weten? Ga je met me mee?’

Hij knikt.

Ik ervaar vreugde. Van top tot teen. ‘Volgende week woensdag.’

Portio stoot een schamper lachje uit. ‘Volgende week woensdag?’

Stralend kijk ik hem aan. ‘Op mijn vijftigste verjaardag.’

 

Het is de eerste operatie waar ik uit wakker word waarbij ik geen pijn heb. Niets doet me meer pijn, kan me geen pijn meer doen. Ik kom overeind en kijk naar mijn handen, naar de vingerkootjes die stuk voor stuk ombuigen. De toppen van mijn duimen raken met gemak de toppen van mijn vingers. Ik speel een poosje tikkertje met mijn vingertoppen, steeds sneller en sneller, beide handen tegelijk en dan ook met mijn tenen. Ik ervaar een goed gevoel dat alles functioneert, dat dit lichaam doet wat het moet doen, dat het precies is geworden wat het moet zijn.

Portio zit in de hoek van de kamer. Hij bekijkt me van kop tot teen. Ik heb tijdens deze operatie meteen mijn schedel laten vervangen door een kap van een titaniumgrafeen, zodat mijn hele lichaam nu dezelfde uitstraling heeft. Niet dat uiterlijk er iets toe doet, maar ik weet dat het menselijk oog esthetiek belangrijk vindt.

‘Hoe zie ik eruit?’ Ik vraag het gewoontegetrouw. Omdat ik het steeds gevraagd had.

‘Heb je pijn?’ Portio staat op uit de stoel en loopt op me af. Hij steekt zijn hand uit naar mijn hoofd, een traan blinkt in zijn ogen. ‘Je prachtige haren…’ Als hij knippert, rolt de traan over zijn wang naar beneden.

Ik glimlach in de begrijpende stand en pak zijn hand zachtjes vast. ‘Ik heb geen pijn. Zullen we naar huis gaan?’

 

Naarmate Portio ouder wordt en ik steeds beter functioneer, verandert onze relatie wel wat. Zo vrijen we nooit meer en wil Portio niet dat ik bij hem aan tafel kom zitten of naast hem op de bank een serie bekijk. Ik hoef ook niet meer met hem naar bed om te slapen, zelfs niet als ik mijn bepantsering vervang voor surrogaathuid. ‘Ik lig liever alleen.’

Mij kan het niet schelen, ik hoef toch niet te slapen. Vaag weet ik dat ik eerder genoot van onze nachten in dat bed. Lepelen, onze benen verstrengeld. Ik herinner me ook dat ik me vroeger afgewezen zou hebben gevoeld, terwijl ik nu er geen emotie bij heb anders dan een: mooi, dan kan ik aan het werk. Ik werk veel: vuilsorteerder, riool­ont­stopper, hoogwerker hoogspanningskabels, tuinier en andere klussen die vuil, saai of gevaarlijk zijn. Nu de operaties volbracht zijn, zijn onze kosten echter drastisch gedaald. Scheppen geld komen er binnen, grapt Lief weleens.

Ik lach erom, maar begrijp het grapje niet.

 

Portio sterft als hij bijna honderd is. Ik voel er wel iets bij. Verdriet kan ik het niet noemen, het is eerder de herinnering eraan. Ik draag zijn kist naar het graf en luister naar de dominee, die vertelt over Portio’s pijn toen hij mij verloor, over de zorgen die mijn Lief gehad heeft in zijn leven en over hoe moeilijk het voor hem geweest is om zich aan te passen aan de nieuwe situatie. Ik hoor de man aan, mijn hoofd scheef, terwijl ik opnamen maak van de eekhoorntjes die in de grote kastanjes op het kerkhof zitten.

 

Thuis is het leeg. Ik ruim alles op wat van Portio was. Hij heeft er immers niets meer aan en ik heb al het meubilair ook niet nodig. Bij het uit­ruimen van de kasten kom ik albums tegen met afgedrukte foto’s. Foto’s van mij, toen ik nog van vlees en bloed was. Foto’s van ons samen. Op vakantie, hier thuis. De laatste foto is er een van mij in het bed van de kliniek. Ik heb mijn haren nog, maar verder is mijn lichaam volkomen getransformeerd. Deze foto moet gemaakt zijn vlak voor de operatie waarbij ik mijn hersens heb laten vervangen. Nog even en ze is er echt niet meer, mijn lieve Martina, luidt het onderschrift. De foto bobbelt en heeft vlekken, alsof hij heel vaak nat gedruppeld is geweest.

 

Ik sla het album dicht. Er glijdt iets uit. Een rouwadvertentie. Hij is gedateerd op mijn vijftigste verjaardag.

 

Liefste,

Ik heb aangezien hoe jij

Stukje bij beetje

Van me wegging

Ik heb je gesteund, omdat ik dacht

Dat ik daar goed aan deed

Het was immers jouw lijf

En je werkte er heel hard voor

 

In liefdevolle herinnering aan

Martina Andrews

De vrouw die een halve eeuw leefde

 

Ik stop de advertentie weer in het fotoboek en leg het bij de spullen die weggegooid moeten worden. Portio zat fout. Ik ben immers al honderd en kan nog eeuwen mee.

Heidelberg, Mon Amour : Jaap Boekestein & Tais Teng

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

De derde halte was Heidelberg, hoe kon het ook anders?

‘Deze keer is het me gelukt,’ zei Esmee terwijl ze uit de trein stapte. De geur van zomerwarm metselwerk omhelsde haar.

‘Ik weet het zeker. Ik voel het.’

‘A puding próbája az evés,’ zei Liss die speels in de lucht om haar heen draaide. De AI droeg alpenbloemen in haar gevlochten blonde haar en had een schattig dirndl-jurkje aan. Haar gezicht had wel iets weg van een ondeugende bosnimf. ‘Sorry, je spreekt geen Hongaars in deze versie, toch? The proof of the pudding is in the eating.’

‘Opschepster,’ zei Esmee. ‘Wat is er mis met Nederlands?’

Ze keek om zich heen.

Focussen! Is het me nou wel gelukt? Ondanks haar dappere woorden voelde ze zich allesbehalve zeker.

De treinwagon was pimpelpaars gespoten, met traag roterende wietbladeren die na drie hartenkloppen in witte rozen veranderden. Was dat de eerste keer ook al geweest? Vast niet. Dat had ze beslist ont­houden.

Liss?’

‘Laat me in je geheugen rondporren… De wagon was grijs, ja, met ramen van zwart glas. Deze ramen zijn blauw en de trein zweefde zeker tien centimeter hoger boven de rails.’

Het was een verandering, een kleine. Betekende dat…?

Haastig liep Esmee Heidelberg in.

‘Waar ben je precies naar op weg?’ vroeg Liss. ‘Als ik vragen mag?’

‘De biergarten natuurlijk! Waar anders heen?’

 

Op die Alte Brücke keek Esmee omhoog. Achter het beeld van Athene was de hemel even strak blauw als de vorige keer. Een wolkje maar. Is dat zo te veel gevraagd? Dan weet ik tenminste dat ik iets veranderd heb.

Halverwege de brug glipte een ranke roeiboot met een dozijn studenten aan de riemen achter een pijler vandaan. Op het achtersteven wapperde een groen met blauwe vlag en ze hoorde de bootsman schreeuwen: ‘Ein, zwei, drei! Ein, zwei, drei!’

Esmee’s schouders zakten omlaag. ‘Ik kan wel omkeren. Het heeft geen enkele zin. Deze dag is precies hetzelfde.’

‘Kom op, dat zegt niks,’ zei Liss die nu als een gebruinde backpack-toeriste naast Esmee liep. Een gehavende rugzak met ingeweven zonne­collectoren, gespierde benen boven twee stoffige bergschoenen. ‘Oké, je zag die boot de vorige keer ook, maar misschien zijn er heel veel van dat soort boten? Of is er elk jaar op deze dag een wedstrijd? Een roeiwedstrijd voor studenten?’

‘Jij bent een AI uit het einde der tijden en je kent mijn tijd tot zestien decimalen achter de komma. Als er een wedstrijd was, had je dat geweten.’

‘Ik zie je niet graag zo droevig. Zo fatalistisch. Je weet nog niets zeker.’

De biergarten lag zo’n driehonderd meter van de brug en ze hadden in de vorige versie van deze dag vlak naast het stalletje met de tap gezeten: Jonathan met zijn rug naar de stad aan de overkant, zij en Mariska tegenover elkaar. Het beeld was kristalhelder: zij hield Mariska’s hand vast en kwebbelde honderduit. Een ander woord was er niet voor: opgetogen kwebbelen.

Jonathan leunde achterover in de hard-glazen stoel en bekeek hen met een geamuseerde glimlach. Drie vrienden: drie hartsvrienden. Het olijke drietal had Mariska hen genoemd ‘Omdat we altijd schateren en elkaar tegen de schouders stompen en gierend in de armen vallen. Zelfs als we alleen muntthee gedronken hebben.’

Esmee sprintte het laatste stuk, zigzaggend tussen de platanen en opzijspringend voor de fietsers.

Daar was het terras. Als alles klopte, als er ook maar een spoortje gerechtigheid in dit waardeloze universum was, dan zou ze daar straks samen met Mariska zitten. Zonder Jonathan. Jonathan zou niet eens meer een herinnering zijn of in ieder geval Mariska nooit ontmoet hebben.

O mijn allerliefste, bad ze. Wees van mij. Van mij alleen.

 

Zes maanden eerder, op een ander tijdspoor.

Royalty watch: Sultan Erdogan en president-for-life Trump toch persoonlijk aanwezig bij kroning Amalia!

 

Het gigantische beeldscherm met de kroningsplechtigheid domineer­de het Plein in Den Haag, maar in tegenstelling tot de meeste mensen op de terrasjes besteedden Jonathan en Esmee amper aandacht aan dat hele circus.

‘Ow, dat is een sweetie, daar onder die palmboom,’ zei Jonathan terwijl hij met zijn ogen in de desbetreffende richting rolde.

Esmee tuurde zonder enige gêne in de aangegeven richting: ze hield nog net geen hand boven haar ogen. Zij had er totaal geen moeite mee als vrouwen doorkregen dat zij hen inspecteerde. Recht op het doel af, zo was ze altijd al geweest. Jonathan was altijd veel bedachtzamer, of misschien was beschaafder een betere beschrijving. De vriendelijke jongen en die leuke, spontane meid die soms wat grof gebekt was.

Die rolverdeling stamde al uit groep één, toen Esmee op de eerste dag met haar driewieler tegen haar nieuwe buurjongen aanbotste en Jonathan ‘Sorry!’ riep.

Het verschil had Esmee nooit hinderlijk gevonden: hij was een van de weinige jongens die tenminste niet aan haar kop zeurde of ze met hem wilde gaan. Jonathan bleef haar beste – en na de basisschool eigenlijk haar enige – mannelijke vriend. Een maatje waarmee je kon doorzakken, lekker slap kon ouwehoeren en, zoals nu, onbeschaamd mooie vrouwen kon spotten.

De vrouw in een zomers katoenen jurkje was inderdaad een sweetie: een vrolijk gezicht, grote warme ogen, een mooie licht­bruine afro waar­boven een drietal drone-vlinders dartelden.

Na een handvol tellen keek Esmee verder: nu was het haar beurt een mooi exemplaar te vinden. Dat waren de ongeschreven regels van het spel dat ze al jaren samen speelden.

Was het een geluid? Een beweging? Een subliminaal bevel?

Esmee en Jonathan draaiden beiden tegelijkertijd hun hoofd.

‘Wow!’ zeiden ze beiden tegelijkertijd.

De ‘Wow!’ kwam van Lange Poten het plein op flaneren.

Lang, rood haar, sproeten, lichtblauwe ogen en een wipneusje dat je enkel eigenwijs kon noemen. Op haar mond lag een dromerige grijns, alsof zij een pikant geheim kende waarvan de wereld geen weet had. Ze droeg een retro jaren twintig neon graffiti-jurkje met jarretel-laarzen. Ze speurde het Plein af.

Had ze een afspraak? Of misschien zocht ze een lege stoel?

Haar blik kruiste die van Jonathan en Esmee en klikte erin vast. Noem het lichaamstaal, een woordeloze, razendsnelle onderhande­ling.

‘Ze komt naar ons toe,’ zei Jonathan. Er klonk een lichte ongerust­heid in zijn stem door. Hij was de toeschouwer, geen speler.

Esmee lachte. ‘Natuurlijk komt ze naar ons toe.’ Ze schoof een stoel van het tafeltje weg, wuifde.

 

Heidelberg:

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Op het perron van Bahnhoff Heidelberg stond Mariska heftig te wuiven en ramde op de deurknop voor de trein goed en wel stilstond.

‘Jonathan zit al in mijn favoriete biergarten,’ vertelde Mariska na drie klinkende klapzoenen op Esmee’s wang en een speelse beet in een oorlelletje. ‘Hij stond vorige week ineens voor de deur. Vijf dagen te vroeg. Zijn decaan gaf zijn presentatie een negen en…’

‘Het olijke drietal is weer bij elkaar. God, meid, ik heb je zo gemist.’ Esmee voelde een brok in haar keel. ‘Ik heb jullie zo gemist. Ongelooflijk eigenlijk dat we elkaar pas zes maanden kennen. Het voelt als een heel leven.’

Nu niet huilen. Dat is belachelijk.

‘Eerder was een beetje moeilijk geweest,’ zei Mariska.

‘Tja, niemand dwong je om stage te lopen in Patagonië. Ik bedoel, zaten er echt nergens anders pinguïns?’

Ze slenterden door de hoofdstraat met zijn Maori-tattoo shops en Taiwanese gokhallen, langs vakwerkhuizen die van fundament tot nok beschilderd waren met bijbelse voorstellingen of dirndl-meisjes en jongens in lederhozen die tussen dansende koeien stoeiden. Hoog boven dat alles torende een kasteel: het Binnenhof zou er zes keer ingepast hebben. Nee, als die Duitse grootvorsten een kasteel bestelden, dan wilden ze ook een KASTEEL.

‘Dat bronzen beeld daar,’ zei Mariska. ‘Dat is Brunen Hansel. Hij rinkelt met al zijn bellen en danst met de deernen, kust hun blozende moeders.’

‘Een knappe kerel,’ zei Esmee, ‘maar geef mij maar een Brunen-Heidi!’

‘Och, ik snap die deernen wel.’

Ze staken de brug over, arm in arm als een echtpaar dat al jaren getrouwd was. Bij de beeldengroep halverwege stopte Mariska en wees omhoog.

‘Poseidon,’ somde ze op met de trots van een degelijk ingeburgerde expat, ‘met zijn zeemeerminnen. Die strenge dame met de helm is Athene. Het hoofd van Medusa zit op haar schild vastgesmeed. Als je haar in de ogen keek, veranderde je in steen.’

Esmee knikte. ‘Streng maar rechtvaardig. Ik mag dat soort dames wel.’

Jonathan droeg zijn haar in een staartje en aan de ietwat lodderige blik in zijn ogen te zien, was hij al aan zijn tweede halve liter bier toe.

Hij hief de glazen kroes: ‘Heffe Wisse. Een beetje als Hoegaarden maar lekkerder.’

Esmee snelde op hem af, gaf hem de Hollandse drie-kus die intussen al wat ouderwets was.

‘Mijn nimfen,’ zei Jonathan. ‘Ze hadden beelden van jullie op de brug moeten zetten.’

Mariska schudde haar hoofd. ‘Daar ben ik toch een beetje te dun voor. Ik zou eruitzien als een mager twijgje tussen al die voluptueuze dames.’

Het was een perfecte middag. Suizelend zonlicht, de geur van gras en rivierslib. Een roeiboot sneed door het water, terwijl de bootsman met een sergeantenstem het ritme aangaf.

‘Ein, zwei, drie,’ telde Esmee onwillekeurig mee. ‘Heb je dat ook gedaan, Mariska?’

Haar hartsvriendin schudde het hoofd. ‘Heidelberg heeft haar tradities teruggevonden. Geen dames op de boten. Dan varen de jongens maar tegen een rijnaak aan. Maar mannen zijn weer niet welkom op onze Diana club. Boogschieten. We dragen groene jurkjes met een laurierbladprint en kunnen het oog van een bromvlieg op honderd pas afstand raken.’ Ze knikte. ‘Dat is toch een mooie verworvenheid van de vijfde feministische golf. Dat mannen en vrouwen verschillend zijn en niet alles samen hoeven te doen.’

‘Bromvliegen blind schieten,’ zei Jonathan. ‘Beslist een nuttig talent.’

In de avond verkasten ze naar een ander terras waar iets meer dan oudbakken krakelingen of broodjes druipende braadworst geserveerd werd.

De zon zakte omlaag en de oude brug werd mat brons, de stadspoort iets uit een antiek sprookje.

Beter dan dit wordt het nooit, ging het door Esmee heen.

‘Waar slaap ik straks?’ vroeg ze.

‘Bij mij natuurlijk. Frau Husse is mijn hospita en ze snuift en briest als ik voorstel dat een jongen na elven op mijn kamer blijft.’

‘Ik ben de slaapzaal intussen wel gewend,’ zei Jonathan. ‘En in tegen­stelling tot Mariska’s gnädige Frau is de jeugdherberg wel gemengd.’

‘Och, zo lang het alleen maar om te slapen gaat,’ zei Mariska en om de een of andere reden proestten zowel Mariska als Jonathan het uit.

 

Buiten Mariska’s glas-in-lood raam was de zondagmiddag in alle hevigheid losgebarsten, met een boerenkapel en jodelende worstventers: binnen wilde Esmee dat de tijd voor eeuwig stil zou staan. Wat had Goethe ook al weer gezegd: ‘Verweile doch, du augenblick, du bist so schön’?

Het bed was een heerlijke wanorde van lakens en meer dan een dozijn kussens in alle vormen en maten. Ze had Mariska’s troetels al bij binnenkomst herkent: Gira de Giraf die ze uit Jonathans rommelkast gered had en de blauwe slang met de manga ogen.

Als twee innige lepeltjes lagen ze tegen elkaar, Mariska binnenin. Esmee had haar armen om het middel van haar geliefde, de benen verstrengeld, haar gezicht begraven in Mariska’s lange, rode haar. Mariska rook naar de zomer, naar alpenbloemen en hooi. Esmee kon de koeienbellen bijna horen tinkelen.

Je bent zo mooi. Zo vreselijk mooi.

Waarom kon ze dat niet gewoon zeggen?

Mariska draaide zich om en worstelde zich daarmee los uit de lakens. Ze keek haar vriendin recht in de ogen.

Waar kwam die plotselinge droefheid vandaan?

‘Smee, lieverd, ik heb een beslissing genomen.’

Alarmbellen ging in Esmee’s hoofd af.

‘Je weet dat ik ook wat met Jonathan heb. Hij is superlief en ik heb besloten dat ik met hem verder wil. Hij…’ Ze spreidde haar handen. ‘We kunnen toch gewoon vrienden blijven?’

De zin pulseerde in Esmee’s hoofd en wiste alles uit wat Mariska verder babbelde. We kunnen toch gewoon vrienden blijven? Natuurlijk niet en deze geweldige nacht was niet meer dan een afscheidspresentje. Een mercy fuck zoals de Amerikanen zouden zeggen.

Esmee graaide haar kleren bij elkaar en snelde de trap af. Pas in de hal trok ze haar jurk over haar hoofd. Haar ondergoed moest nog ergens onder de kussens liggen.

Wat moet ik met ondergoed als mijn geliefde mij heeft verlaten? Gedumpt voor een man? Bi. Mariska was dus bi en ze heeft me dat nooit verteld.

Op straat balde ze haar vuisten.

Zij kan mij niet verlaten. Mariska is mijn amour. Mijn ware liefde en ik zal haar terugwinnen.

Ze klom omhoog naar het Filosofen-pad aan de overkant van de rivier en beende het asfalt over, iedere stap een nijdige tik. Tussen de bomen ving ze glimpen op van het kasteel, de brug, de kathedraal waarvan Mariska haar nooit de naam verteld had. Voor ze het wist waaierde de schemering uit en kleurde de hemel eerst indigo en vervolgens grijs.

Esmee zette zich op een bankje en keek toe hoe de straatlantaarns in de diepte aanknipten. Voetstappen. Ze keek pas op toen de vrouw tegenover haar aan de stenen tafel ging zitten.

‘Goedenavond,’ zei de vrouw. Haar gezicht kwam Esmee eigenaardig bekend voor, al wrong er iets…

‘Het zit links-rechts verkeerd, Esmee. Dit gezicht zie je gewoonlijk enkel in de spiegel.’

En omdat ze zo stuurloos was, als een losgeslagen reddingsboot in een stormzee, voelde Esmee amper verwondering.

Als Mariska haar kon verlaten, haar cara, haar amour, dan was een vrouw met haar gezicht niet veel vreemder.

‘Wat ben je? De koningin van de elven? Een alien uit een vliegende schotel?’

De vrouw grinnikte en natuurlijk klonk het als Mariska’s lach.

‘Niets zo exotisch. Gewoon een mens, al zijn we uiteraard wel onsterfelijk.’

‘Aha.’

Ze geloofde geen moment dat de vrouw gek was. Gekken kunnen geen gedachten lezen of gezichten stelen.

‘Ik kom van negen miljard jaar in je toekomst. De zon is gekrompen tot een witte dwerg en hangt boven Rhimyrr, de Stad van Porselein. Niet meer dan een fonkelende lichtpunt, al is zij nog steeds te fel om recht in te kijken. Onze oceanen zijn miljoenen jaren geleden tot zoutvelden verdampt en hebben de bekkens glanzend wit achtergelaten. De eenvoud van zo’n landschap bevalt ons.’

‘Je bent een tijdreiziger.’

‘Heel wat meer dan dat. Een tijdschrijver, een componist. Zie het einde der tijden als een hoge bergpiek waarvan we omlaag kijken. Het verleden heeft niets met jaartallen te maken. Ieder leven is voor ons een verhaal en daar bladeren wij genietend in. We zien baby’s opzwellen tot lachende kleuters. We zien dappere daden, walgelijk opportunisme, vurige liefde die uitsputtert tot verveling. Elk levensverhaal is prachtig maar sommige verhalen kunnen beter.’

‘Mariska en ik. Dit is verkeerd! Dit kan toch nooit zo bedoeld zijn?’

‘Daar ben ik het mee eens. Herschrijf het verleden. Niemand kan dat beter doen dan de heldin van het verhaal zelf.’ Ze zette haar ellebogen op de tafel, leunde haar kin op haar gevouwen handen. ‘Je krijgt vier kansen. Vier tijdstippen die je zelf mag uitzoeken om haar terug te winnen.’

‘Nu geef je mij een tijdmachine, ja? Een scooter met antizwaartekracht waarvan ik alleen het jaartal hoef in te stellen? Een smartwatch die…’

‘Smartwatch is geen slecht idee. Open je hand en sluit je ogen. De aanblik van een zes-dimensionale manipulatie zou je de rest van de week een knarsende migraine bezorgen.’

Blauw licht dat dwars door haar oogleden scheen, de benauwde, overvolle-stranden-stank van ozon.

‘Doe maar weer open.’

De bank tegenover haar was leeg. Natuurlijk was hij leeg.

Het is hinderlijk als een schrijfster al te nadrukkelijk in een verhaal aanwezig is.

Esmee tuurde naar het voorwerp op haar handpalm. Het leek inderdaad zo’n antieke smartwatch. Of wacht, het was een kopie van haar eerste smartwatch, het geval dat grootmoeder Kim haar op haar vijfde verjaardag geven had.

Het woog niet veel en voelde op de een of andere manier levend aan. Gekweekt, ging het door haar heen, gegroeid. Niet gemaakt.

‘Heb je een naam?’ probeerde ze. Alles wat smart was, kon praten, al werd het meestal na een kwartier duidelijk dat ze geen werkelijk bewustzijn hadden, geen ego en geen hier-benik.

Een androgyn gezicht verscheen in de lucht, de gelaatstrekken even neutraal als van een etalagepop. Het was bovendien half doorzichtig: waarschijnlijk om duidelijk te maken dat het hier een projectie betrof.

De ogen draaiden, keken Esmee recht aan. Eerst waren de pupillen niet meer dan speldenpuntjes, maar toen verwijdden ze zich en vormden groene irissen met minieme vlekjes goud.

‘Ik heet Liss. Ik ga je helpen je tijdlijn aan te passen.’

‘Hoe dan?’ Het kwam er bitser uit dan Esmee eigenlijk bedoelde, maar ze hield er absoluut niet van om van iemand, iets, afhankelijk te zijn. Het ging om haar verdriet en haar wraak.

‘Zie het als een treinreis,’ begon de AI. ‘Je hebt de hoofdlijn, en telkens als je iets veranderd, sla je een zijspoor in, die dan je hoofdlijn wordt.’

‘Ja, ja. Dat snap ik wel. Maar wat kan ik… jij dan voor mij veranderen?’

Esmee kon het niet helpen, haar zenuwuiteinden waren nog te rauw. Het liefst zou ze nu een knetterende ruzie maken, maar ruziën met een AI was als het stompen van een wolk mist: totaal onbevredigend. Bij je ergste beledigingen zei een AI enkel ‘Kun je dat verder uitleggen?’

‘Ik kan veranderen wat je maar wilt,’ was het antwoord van Liss. Inmiddels hield Esmee geen apparaat meer vast, maar een boek. Een moment later, nadat ze met haar ogen knipperde, had ze een pistool in handen. Het was matzwart, met een blauwe schicht op de kolf.

‘Ik kan je kleden in de juiste outfit voor elke tijd en gelegenheid.’

Plots droeg Esmee een gaasjurk die ten tijde van de eerste kleding­printers zo populair was geweest. Vervolgens jeans en het T-shirt van het Rolling Stones afscheidsconcert, waarnaar ze met haar groot­vader geweest was, om te eindigen met het colbertje en de froezel­bloes die ze ooit op de kerstborrel van haar eerste baan had aangeschoten.

‘Erg leuk, maar wat kan je echt? Wat kan je in de tijdlijn aanpassen?’

‘Alles,’ verzekerde Liss haar, ‘maar je bent gebonden aan zekere regels. Je kan enkel de tijdlijn op je persoonlijke vlak veranderen, en ik mag geen dood of letsel veroorzaken. Heidelberg wegvagen met een atoombom, zodat jullie er nooit op vakantie gaan, is een ‘no no’. En ik mag Jonathan ook niet voortijdig laten sterven. Hij heeft zijn eigen verhaal en dat heeft een gefixeerde lengte. Je hebt vier kansen de tijd te veranderen, haltes zogezegd, en je kan nooit terug in de tijd gaan om een beslissing ongedaan te maken. Er zijn meer regels, maar daar kom je vanzelf wel achter. Mocht je iets willen weten, vraag het gewoon. Daar ben ik voor.’

‘Uhu.’

Jonathan, haar beste vriend, de dief van haar geliefde, haar grootste concurrent. Als ze nooit vrienden waren geworden, dan had hij Mariska nooit ontmoet. Dan had Mariska alleen van haar gehouden.

‘Ik weet wat ik wil,’ zei Esmee.

 

Eerste halte: Montessorischool, Laan van Poot, Den Haag

Royalty Watch: Prinses Amalia krijgt concert aangeboden in de Gothische Zaal van de Raad van State ter ere van haar tiende verjaardag. Klik voor feed.

 

Stap in,’ zei Liss op het perron. ‘Welke trein doet er niet werkelijk toe. Ze gaan allemaal naar Nederland. Naar je eerste dag op de kleuterschool.’

Zo’n twee, drie minuten leek alles normaal in de coupé: ze reden onder het kasteel door, de Neckar alleen zo nu en dan tussen de bomen zichtbaar, maar ineens vlakte het landschap af. Windmolens doken op, een V van overvliegende ganzen.

‘Zuid-Holland,’ kondigde Liss aan. ‘Je bent nu vier. Normaal zou een vierjarige zich deze dag nooit herinnerd hebben maar je eerste dag op de kleuterschool maakte blijkbaar indruk.’

Remmen gierden en de trein was in een HTM-bus veranderd, zag Esmee, zo’n ouderwetse met opgepompte wielen en ruiten die enkel van glas waren en geen schermen vol bewegende reclame.

De Montessorischool lag aan de overkant van de Laan van Poot en hij was reusachtig: een rode klomp steen met blikkerende ramen.

‘Goed,’ zei Liss. ‘Je bent een kleuter met blauwe laarsjes waarop teddy­beren met kikkers dansen. Veel te heet voor dit weer maar je stond erop. Je zit op een driewielertje.’

‘Eerst naar links en dan naar rechts,’ zei een stem. ‘En dan weer naar links.’

Ze voelde een steek van verdriet. Haar moeder.

‘Kan ik niet…?’ vroeg ze aan Liss.

‘Nee. De datum van ieders dood is gefixeerd. De eerste en laatste bladzijden van een boek. De lijst van een schilderij.’

Esmee kneep haar ogen stijf dicht toen haar moeder haar kuste.

Een laatste ‘Tot straks, liefje!’ en de voetstappen verwijderden zich.

Daar stond Jonathan, blonde krullen en een of ander knuffelbeest onder zijn armen. Iets met stippen. Een giraf? Ja, Gira de Giraf. Had Jonathan die al zo lang?

Goed. Geen sentimenteel gezwijmel. Jonathans vader draaide zich om en Jonathan stond alleen in een hoekje van het schoolplein. Geïsoleerd. Kwetsbaar. Een geboren slachtoffer.

Esmee zette af, ramde zo hard op de trappers als ze kon. Ze knalde met zo’n dreun tegen Jonathans linkerbeen dat hij molenwiekte met zijn armen en onderuit ging.

Haar vijand krabbelde overeind, zijn ogen groot van angst.

Zijn knie was geschaafd, zag Esmee, en bloedde. Dat was veel harder dan de eerste keer. Goed.

‘Sorry, sorry!’ jammerde Jonathan.

Ze reed achteruit, maakte vaart en ramde hem opnieuw.

‘Ik haat je!’ krijste ze naar hem. ‘Ik krab je ogen uit als ik je ooit weer zie!’

Wacht, het kan nog beter.

Zijn giraf lag een halve meter verder en ze reed er dwars overheen.

Ze keek omhoog. ‘Ik ben klaar, Liss. Haal me maar op.’

Om haar heen vervaagde het schoolplein.

 

Tweede halte, strandopgang Kijkduin, Den Haag.

Royalty watch: Prinses Amalia haalt haar scooterrijbewijs

 

De coupé had deze keer zachte banken van printleer en een barretje. Buiten gleed een nachtelijk berkenwoud met een enorme witte maan voorbij. Melancholieke banjo-shamisen muziek speelde op de achter­grond. Het was het soort strenge romantiek die Esmee op een ander moment wel had kunnen waarderen. Nu had ze een keiharde knoop in haar buik.

‘En?’ vroeg Liss. Inmiddels had de AI een volledig lichaam.

Zij droeg een donkerblauw stewardess uniform. Liss was niet bijster lang, wat ze leek te willen compenseren door opgestoken haar en hoge hakken. Ergens was dat een beetje belachelijk, maar op de een of andere manier ook weer vertederend.

Net een jong meisje dat indruk probeerde te maken. Ze wil dat ik haar aardig vindt. Behalve dat een AI natuurlijk niet meer dan een programma was en nooit werkelijk iets kon voelen.

‘Ik reed twee keer tegen zijn been, Liss. Ik beloofde dat ik zijn ogen zou uitkrabben. Weinig kans dat hij nu nog naast mij gaat zitten en ik die middag in zijn achtertuin in het poedelbadje ga spelen.’

Ergens voelde ze zich wel een beetje lullig dat ze Jonathan zo bang gemaakt had. Zulke grote angstogen en had mij nog niets gedaan. Nee, hij heeft Mariska van mij gestolen. Uiteindelijk bleek hij gewoon een man, zoals alle andere kerels.

Ze draaide zich naar Liss. ‘Maar is het gelukt? Is hij uit mijn leven verdwenen?’

‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Liss.

‘Dat weet je niet? Jij komt toch uit de toekomst? Hoe kan je het niet weten?’

‘Ik ken de geschiedenis van de oude tijdlijn, niet van deze. Als je het wilt weten, moet je ergens uitstappen en zelf kijken.’

Shit.

‘Breng mij dan naar Mariska. De dag dat we, dat ik haar ontmoette. Dan zie ik het vanzelf.’

‘Is het niet handiger om een paar jaar eerder te checken of Jonathan nog steeds bij je rondhangt? Dan kan je eventueel nog dingen aanpassen als dat nodig mocht zijn.’

‘Je hebt groot gelijk. Ga maar naar een punt toen ik, ja, twaalf was. Toen kwam ik er achter hoe ik in elkaar zat. Waarom ik jongens zo irritant vond.’

Liss knikte. ‘Ja, lesbo en serieel monogaam. Liefde tot de ruzie ons scheidt.’

‘Ik dankte al mijn andere vriendjes af. Als Jonathan dan nog niet weg is, moet ik krachtiger maatregelen nemen.’

Met een pneumatische zucht sloot de deur van bus 24 zich achter Esmee. Kijkduin, de plek waar Jonathan en zij ’s zomers naar het strand gingen. Daar waren ze ooit begonnen met het schatjes spotten. Nou ja, zij was er mee begonnen en Jonathan was er hakkelend en met een rood hoofd in meegegaan.

Ha! Ze had hem heel wat ongemakkelijke momenten op het strand bezorgd. Jongens waren zo gemakkelijk te manipuleren.

Esmee inspecteerde zichzelf. Ja, ze was een jaar of twaalf en gekleed voor het strand. Stond Jonathan aan de voet van het duin op haar te wachten of niet?

Ze stak het Deltaplein over waar een paar Pokémon jagers verbeten naar hun telefoon zaten te staren. De rage was al jaren voorbij, maar volgens de geruchten dwaalde ergens in Kijkduin de superzeldzame Platinum Porygon rond. Als die bestond tenminste. De Haagse VVV beweerde in ieder geval van wel.

Esmee negeerde de andere bezoekers – Duitse toeristen, een witharige man met een bierbuik die een kapsalon extra bestelde, één of andere schrijver die driftig op zijn blauwe notebook zat te tikken – en rende het laatste stuk.

Bovenaan de afslag stopte ze alsof ze tegen een betonnen muur botste.

Een maar al te bekende figuur stond beneden met rugzak en handdoek op haar te wachten. Jonathan.

‘Fuck, hij was gewoon te aardig. We zijn toch vrienden gebleven.’

‘Dat zat er in,’ sprak Liss. ‘Vooral omdat je je waarschijnlijk niet herinnerde waarom je tegen zijn been gebotst had.’ De AI kwam net aanlopen, gekleed in een wetsuit en met een plank onder haar arm, klaar om te windsurfen bij de Zandmotor. Ze droeg haar blonde haar in tientallen rastavlechtjes.

‘Jij kan toch alles doen?’ vroeg Esmee zonder haar blik van Jonathan af te keren. Ze zwaaide naar haar vriend, de verrader, meisjesdief. ‘Goed. Als zijn ouders nu eens…’

‘Promotie,’ knikte Liss. ‘Een aanbod dat een man onmogelijk af kan slaan. Vooral als hij net boventallig is verklaard.’

‘Zijn vrouw ook. Boventallig bedoel ik.’

‘Geen probleem.’

‘En ergens echt ver weg. Absoluut geen Heidelberg.’

Jonathans gezicht stond bedrukt toen Esmee bij de voet van het duin aankwam.

‘Wat is er?’ vroeg zij, hoewel zij het natuurlijk dondersgoed wist.

Waren dat tranen in zijn ogen? Stik… Hij was dus toch verliefd op mij, maar te verlegen om er werk van te maken. Esmee slikte. Maar dan weet je nu ook hoe het voelt, klootzak. In de toekomst roof je mijn geliefde en breek je mijn hart.

‘Mijn pa,’ zei Jonathan. ‘Hij heeft een baan in het buitenland aangeboden gekregen. Singapore.’

‘Oh!’ speelde Esmee.

‘We verhuizen volgende maand al.’

Esmee legde een hand op zijn schouder. ‘Dat is kut. Zo kut. Maar we houden contact.’

Ze wist dat dat nooit zou gebeuren. Een paar berichtjes, misschien nog twee, drie keer elkaar zien als hij toevallig in Nederland was.

Zij was bereslecht in het onderhouden van contacten. Jonathan zou zijn best doen, maar na hooguit een half jaar was zij met totaal andere dingen bezig. Zo zat ze nou eenmaal in elkaar. Het soort volwassenwijsheid dat ze in de loop der jaren over zichzelf had geleerd.

‘Dat… Dat doen we zeker,’ zei Jonathan. Ze zag hem zich vermannen, zijn schouders rechttrekken. ‘Oh, op twaalf uur, dat blonde meisje met die duikplank. Is dat geen stuk?’

Liss? De AI banjerde door het zand naar het water toe. Haar rasta’s hopsten vrolijk mee met elke stap.

Dat is een hyperintelligente computer uit de toekomst, wilde Esmee zeggen, maar ze bedacht zich. Dat zou vast en zeker tegen de regels zijn. In plaats daarvan antwoordde zij: ‘Ow, ja. Zie je wel, je gaat mij niet eens missen.’

‘Echt wel.’

Dief, leugenaar, verrader. De woorden waren plotseling veel van hun kracht kwijt. Het was verdomde moeilijk boos te blijven op die onhandige slungel van een Jonathan die nog niets verkeerds had gedaan.

Halverwege de middag zond Esmee zichzelf een dringend bericht.

‘Mijn tante,’ zei ze. ‘Het gaat heel veel slechter met haar.’

Joanthan vroeg niet welke tante: zowel Esmee’s moeder als haar vader kwamen uit een groot gezin en Esmee had meer tantes en nichten dan Jonathan ooit ontmoet had.

Toen ze bus 24 binnenstapte, was ze terug in de coupéachtige ruimte, en opnieuw volwassen.

Liss wachtte haar op met een chai tea latte en een schaal gemberkoekjes, absoluut Esmee favoriete combinatie. ‘Hoe ging het?’

‘Hij gaat naar Singapore.’

‘Ah. Ik had Ulan Bator geprobeerd maar dit lijkt mij ook effectief.’

Liss draaide een lok tussen haar vingers. ‘En nu?’

‘Heidelberg. Ik pak het op waar het mis ging. De dag dat we samen aan de rivier zaten. Alleen zullen we met zijn tweeën zijn. Geen Jonathan om haar van mij af te nemen.’

‘Zo je wilt.’

 

Derde halte: Heidelberg

Royalty watch(de): Die Märchenprinzessinnen: Wird Königin Amalia Prinzessin Isabella von Dänemark wirklich heiraten?

 

Hoe ver nog?’ vroeg Liss.

Ze rende drie meter voor Esmee uit en vergat een schaduw te werpen. De stiletto-hakken van haar laarsjes raakten de stenen hoogstens elke derde stap.

‘Bijna! Ik zie het stalletje al.’

Het was dezelfde ober met de hanenkam en de enkele oorbel, precies hetzelfde luid sprekende gezelschap met de jagershoedjes en de twee Chinezen die druk op een tablet tikten.

Het tafeltje naast de haag was leeg. Aan de overkant van de rivier voer een wit raderschip langs met een blond gelokte Lorelei als boegbeeld.

‘Dat schip,’ zei ze tegen Liss. ‘Mariska wees ernaar en zei tegen Jonathan: ‘Dat is nog eens een mannenverslinder. Je zegt dat altijd van mij maar ik ben heilig vergeleken met haar. Ze…’

‘Stop,’ zei Liss, ‘je raaskalt en je hebt het duidelijk niet goed overdacht. Waarom zou Mariska hier op je wachten? Ze heeft met niemand een afspraak. Niet met jou en niet met Jonathan. Ze kent jullie niet eens.’

‘Je heb gelijk. Shit. Ik ben een uilskuiken.’

‘Geen reden tot wanhoop. Het is enkel wat gecompliceerder dan je hoopte. Je kunt haar niet zomaar om de hals vallen en met kussen overladen.’

‘Ze is een vreemde,’ zei Esmee, ‘maar dat hoeft ze niet te blijven.’ Ze fronste. ‘Studeert ze nog steeds biologie?’

Liss kreeg die peinzende blik in haar ogen die erop duidde dat ze een heel bos alternatieve tijdlijnen aan het afzoeken was. ‘Hebbes. Ja. En het adres is ook hetzelfde.’

‘Als ik aanbel, waar zou ik haar dan van kunnen kennen?’

Tja, ze is lid van het Nivon. De vereniging van natuurvrienden. Er was een kamp in de Harz. Vogelspotten, martersporen zoeken. Dat soort zaken.’

‘En ik was daar ook? Kun je dat regelen?’

‘Je was al jarenlang een behoorlijk actief lid van de Nivon. Op de tweede nacht ritsten jullie je slaapzakken aan elkaar. Niet in het echt: maar ik kan het faken.’

Liss tikte Esmee’s voorhoofd aan en ineens waren al die valse herinneringen aan haar lidmaatschap daar: een waslijst van vogels en hun silhouetten, de noten van hun zang, een excursie naar Schiermonnikoog. Wadlopen terwijl de zon zich net uit de ochtendnevel ophees: een volle maan boven zilveren wadden. En het kamp natuurlijk.

‘Goed. Ik weet het, maar weet Mariska dat ook?

‘Sommige zaken zul je zelf moeten regelen.’

Mariska had geen eigen bel en Frau Husse opende de deur persoonlijk.

‘Ik kom hier voor Mariska,’ zei Esmee in haar beste Duits. ‘Ik ben een vriendin van het Nivon.’

‘Und Ihr Name?’

‘Esmee. Esmee Anguilla. Von das Nivon.’

Mariska had geen moeite om zich Esmee te herinneren: een korte aarzeling, amper merkbaar. Geen wonder: ze was eerder al voor Esmee gevallen en als een beautiful stranger bij je aanbelt en zegt een slaapzak met je gedeeld te te hebben, wie ben je dan om daaraan te twijfelen? Bovendien was Esmee een absoluut authentiek Nivon meisje. Wie anders dan een rechtgeaarde vogelvriendin kon de roep van een roodkop­klauwier zo perfect nabootsen?

Esmee was geen Liss maar ze kon Mariska’s gedachten toch perfect lezen. Hoe kon ik zo’n schatje in vredesnaam ooit vergeten? En meteen daarop. Vraag niet hoe het kan, maar geniet ervan.

Het bed was hetzelfde. Een stapel kussen en troetels, de poster met ‘Vögel der Alpen’ aan de muur.

De troetels. Er was iets mis met de troetels. Daar was de blauwe slang met de manga ogen. Het rendier waarvan de uiteinden van het gewei enigszins gemangeld waren omdat Mariska er vroeger op gesabbeld had. Gira de Giraf.

Mariska nam Esmee’s hoofd in haar handen en kuste haar recht op de lippen. Toen de tongpuntjes elkaar raakten, vergat Esmee alles over Gira de Giraf.

 

Die ochtend bivakkeerden er geen jodelende worstenventer en de blaas­kapel was vervangen door een narco-corrido band. Net boven de berg­toppen dreef een konvooi zeppelins over.

Waren er al eerder zeppelins geweest? Het deed er niet toe. Iedereen hield van zeppelins.

‘Dat was heerlijk,’ zei Mariska. ‘Echt klasse en het is ook zo fijn om dingen te delen. Om te kussen met een meisje dat weet dat er vijf soorten koekoeken bestaan en pinguïns niet zwemmen maar door het water vliegen.’

‘Je zei iets over een stage?’

‘Ik overweeg het, maar ja, dan zou ik mijn verloofde drie maanden niet zien.’

‘Je verloofde?’ Ze kwaakte de zin bijkans uit.

‘Ja, Jonathan heet hij, Jonathan Broese. Ik kwam hem tegen op een congres in Singapore.’

‘Aha. En jullie zijn… verloofd?’

‘Komt door Singapore. Daar moet alles heel formeel. Zijn vader is iets hoogs bij een Chinese bank. Eerst verloven en dan pas trouwen.’

‘Hij boft. Vertel hem maar dat hij boft.’ Ze wendde haar blik af. ‘Weet je wanneer de trein richting Nederland vertrekt?’

‘Je hoeft echt niet weg te rennen. Jonathan vindt je vast aardig. Hij heeft nooit moeite met mijn vriendinnen.’

‘Nee, sorry. Het was een impuls. Ik reed langs en dacht ineens: Verrek, woont Mariska hier niet? En morgen beginnen de colleges weer.’

‘Een laatste tongzoen dan voor onderweg.’

 

De trein boorde zich door de tijd. Buiten schoven dagen en nachten als schaduwen voorbij.

Liss hield Esmee vast, klopte haar op de rug terwijl de tranen maar bleven stromen. Hoewel de aanraking vederlicht was, met Liss niet meer dan een projectie, hielp het toch. Een heel klein beetje.

‘Ze houdt niet van me. Hield nooit van mij. Ja, als leuk vriendinnetje, als schatje, maar niet… niet…’

Nieuwe tranen.

‘Sera sera,’ zei Liss. ‘Shh.’

‘Maar ik wil dat ze van mij houdt! Ik wil dat de sterren in hun baan stoppen, ik wil dat alles stilstaat totdat Mariska van mij houdt en van niemand anders.’

‘Dat kan ik niet doen,’ antwoordde Liss. De AI klonk zelfs een beetje ongelukkig, waarschijnlijk een of andere sympathiesubroutine. ‘Kom, je hebt slaap nodig. Je bent volledig uitgeput.’

‘Ik wil niet slapen. Ik wil nooit meer slapen!’

‘Shh.’ De AI hield haar hand tegen Esmee’s hoofd en langzaam vielen haar ogen toe. Een bed schoof uit de muur en ving haar op toen ze ineenzakte.

 

Toen Esmee haar ogen opende, stond er een ontbijt naast het bed voor haar klaar.

Croissants met roomboter en hagelslag. Haar stiekeme doodzonde.

‘Ik heb geen trek.’

‘Je moet eten. Je hebt een lichaam dat niet zonder bouwstoffen kan,’ drong Liss aan.

‘Nee. Het heeft allemaal geen zin. Alles is nutteloos. Het heeft niets uitgehaald. De tijd wil niet dat Mariska en ik samen gelukkig worden.’

‘Je kan het nog proberen. Je hebt nog een halte over…’

Esmee lachte schamper. ‘Mariska en Jonathan gaan trouwen. Ik kan daar niet tussenkomen. Zij heeft hem gekozen boven mij.’

‘Wat wil je dan?’

Esmee haalde haar schouders op. ‘Laat mij gaan. Het heeft allemaal geen zin meer. Ik ben op.’

‘Als dat je wens is…’

 

‘Het gaat je goed, Esmee. Sterkte, lieverd.’

Esmee hoorde nog net die woorden uit Liss haar mond voordat de treindeur zich definitief sloot. Lieverd. Het klonk alsof ze het meende. Zo jammer dat ze niet meer dan een spook is, een projectie die van nulletjes en enen gemaakt is.

Ze keek om zich heen: het perron van Den Haag Centraal aan de steunbalken te zien.

Terug in Den Haag. Maar wanneer? Esmee trok haar smartphone en raadpleegde een half dozijn newssites. Het nieuws was gloednieuw maar niet werkelijk schokkend.

Laatste Pokémon Kijkduin eindelijk gevangen

Miami ontruimd na Hurricane Hillary

Ze stak de smartphone terug in haar foedraal. Dit is de toekomst maar veel verder dan een paar maanden kan het niet zijn. Een half jaar hoogstens. Ja, dat meisje draagt nog glazen laarsjes: mode is veranderlijk.

De gedachten kwamen traag als stroop. Ze was kapot, uitgewrongen.

Even daas als een Pokemonjager stommelde Esmee het station uit.

De Herengracht, Korte Poten.

Ten slotte kwam Esmee uit op het Plein. De terrasjes puilen uit: zoveel mensen die van de nazomer genoten.

Het stel zat aan een tafeltje te lachen en te wijzen. Zij zes, zeven maanden zwanger, hij zijn hand op de hare. Beiden overduidelijk gelukkig.

Mariska en Jonathan. En ze zijn aan het spotten. Elkaar interessante mensen aan te reiken als kleine cadeautjes.

Hun blikken kruisten elkaar, net als die eerste keer, drie tijdlijnen geleden. Alleen was zij nu de vreemdeling, het schatje.

Geen spoor van een klik of herkenning. Voor Jonathan was ze hoogstens een oude schoolvriendin, die hij helemaal uit het oog verloren had, voor Mariska niet meer dan een vluchtige ontmoeting. Een one-night-stand die nooit een vervolg had gekregen.

Een laatste kans, daarom heeft Liss mij hier afgezet. Behalve dat er geen laatste kans is, geen enkele mogelijkheid meer tot aansluiting, tot contact. Maar hoe kan een AI dat ooit begrijpen?

 

Het was nacht toen ze in Kijkduin arriveerde, het roestige reuzenrad een immens wiel tegen de hemel. Heel de dag had ze gedwaald, maar uitein­delijk had de zee haar geroepen. Golfjes rolden aan vanuit de maan­verlichte horizon en sloegen om in een ruisende zucht.

Het is zo eenvoudig. Stap het water in en loop door. Begin te zwemmen als je geen zand meer onder je voeten voelt.

Ze schopte haar schoenen uit, knoopte haar sjaal los.

‘Weet je zeker dat je dit wilt doen?’

Het was de vrouw uit de toekomst die haar gezicht had gestolen.

Opeens voelde Esmee de diepe woede waar ze eerder die dag naar gesnakt had.

‘Jij! Kom je je verkneukelen? Moest je grinniken toen je zag hoe al mijn pogingen in het honderd liepen? Een kunstenaar? Je bent wreed en kwaadaardig!’ Esmee balde haar vuisten. Nog twee, drie seconden en ze was boos genoeg om te slaan.

Als de vrouw echt een almachtig wezen was, zou ze het waarschijnlijk niet overleven. So what? Het is vast sneller dan ver­drin­ken.

‘Wacht,’ sprak de vrouw. ‘Je verhaal is nog niet afgelopen. Dit is een belachelijk einde. De lesbo die zelfmoord pleegt omdat ze de liefde van haar leven verloren heeft? Hoe banaal kun je zijn?’

Onzin! Wat moet ik zonder Mariska?

‘Ik zal je het laten zien.’

Het toegestoken kaartje was beslist smaakvol; ook al zouden alleen intimi de juichende giraf met het tekstwolkje begrijpen.

 

Hallo lui,

 

Ik ben Gira de Giraf en wilde even vertellen dat

mijn baasjes Jonathan en Mariska

intens gelukkig en blij zijn met de geboorte van hun dochter

 

Liss

 

‘Al onze AI’s hebben een levend voorbeeld, een origineel,’ zei de vrouw, ‘en het liefst eentje dat in deze tijd thuishoort. Je hebt nog steeds één halte over. Tweeëntwintig jaar verder moet genoeg zijn.’

De Ariadne Singulariteit : Mike Jansen

Hij naderde het besneeuwde dorp vanuit het noorden, zoals altijd. Aan die kant was de ingang en de inwoners hielden het bos hier nog op afstand. Aan de andere zijden van het dorp kroop het al bijna tegen de hoge, verroeste hekken op.

Harrald de Groot schudde zijn hoofd. Toen hij nog jong was, een decennium geleden alweer, werd het terrein rondom vrij gehouden om eventuele dreigingen geen kans te geven het dorp te besluipen.

Enkele van de alleroudsten herinnerden zich nog de zwervende bendes die plunderend en moordend door de omgeving trokken. Of de melaat­sen, levend of dood, die al dan niet moedwillig de inwoners van het dorp probeerden te infecteren.

Gemakzucht, dacht hij. Het wordt nog eens onze dood. Maar diep van binnen had hij begrip voor zijn medemensen die er het nut niet meer van inzagen. Een hele generatie was opgegroeid met enkel de verhalen van hun ouders en grootouders en de moralistische boodschappen over het voortbestaan van het menselijk ras. Die oudste generatie was nu bijna verdwenen. Harrald zuchtte. Hij was de laatste tiener in het dorp. Na hem waren er geen kinderen meer geboren. Zoals het er nu uitzag zouden die ook niet meer komen en het inwoneraantal van het dorp was alleen maar geslonken.

De toren van het oude Meru-klooster was een welkome aanblik. Hij miste de gewapende uitkijk die er normaal stond, maar de ijzige kou van de afgelopen weken was misschien wel een betere bewaker dan een oude man of vrouw met een automatisch geweer.

Hij wilde net het bos verlaten en de witte vlakte naar de poort oversteken toen hij zich bedacht. Voorzichtig trok hij zijn voet terug. Het heugelijke nieuws dat hij meedroeg en de implicaties daarvan, maak­ten hem minder voorzichtig. Het dodengat lag hier ergens onder de sneeuw en hoewel er al twintig jaar geen mensen begraven waren, wilde hij niet degene zijn die met zijn lompe, haastige voetstappen de lang slapende lichamen van bandieten of melaatsen wekte.

Uiteindelijk was hij ruim voor zonsondergang bij de poort, die voor hem opende zodra hij nog maar een paar meter verwijderd was.

 

‘Je bent laat,’ zei Maria Martens met een strenge blik in haar helblauwe ogen.

Harrald glimlachte. ‘Ik ben dan ook ver weg geweest, moeder. Hoe wist je dat ik eraan kwam? Ik zag geen wachter.’

‘Moeders weten dat soort dingen,’ zei ze. Ze stapte naar voren en sloeg haar armen om hem heen.

Harrald keek nerveus naar achteren. ‘Kunnen we in ieder geval de poort sluiten?’

Maria liet hem los en haalde haar schouders op. ‘We hebben al bijna twintig jaar niemand gezien, Harrald.’ Ze sloot de poort achter hem. ‘Je vader en ik denken dat er weinig dreigingen meer zijn daarbuiten. Die tijd is geweest.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei Harrald.

‘Ben je iets tegengekomen?’ vroeg zijn moeder.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet echt. Maar ik heb momenten gehad dat ik dacht dat iets of iemand naar me staarde.’

Maria zuchtte. ‘Je vader en ik hebben dat gevoel ook af en toe gehad als we in dode dorpen zochten naar bruikbare spulletjes.’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Zolang het bij staren blijft, vind ik het prima. Het heeft me niet tegengehouden verder naar Eindhoven te zoeken.’

‘Je bent twee weken weggeweest, hoe ver ben je eigenlijk gegaan?’

‘Ik ben de Maasvennen en de Peelmoerassen over­gestoken. De oude kaarten zijn echt waardeloos geworden, alles is veranderd. Maar ik ben erdoorheen gekomen en ik heb een aanwijzing gevonden.’ Hij opende zijn rugzak en haalde er een verweerde, beschadigde plaat kunststof uit. De letters “Eindh” stonden er nog op.

‘Eindhoven?’ vroeg Maria.

‘Ja, het legendarische “Eindhoven”.’ Harrald grijnsde breed. ‘Volgens mij heb ik de grens van de stad gevonden.’

‘Goed nieuws,’ beaamde Maria. ‘Zullen we naar binnen gaan? Jacob heeft een voorraadje thee gescoord in een verborgen kelder in Wasberg, twee­honderd jaar oude Darjeeling, vacuümverpakt. En Gerard heeft je gemist.’

‘Lekker, ik kan wel wat warms gebruiken. En ik heb jou en pa ook gemist.’ Ze liepen naar het oude klooster­gebouw waar een paar olie­lampen net waren aangestoken. Vlak voor ze naar binnen gingen pakte hij de elleboog van zijn moeder vast. ‘Volgens mij heb ik ook de zee gezien.’

Maria keek hem aan, verbaasd. ‘Ik denk dat je heel wat te vertellen hebt.’

 

Na een warm maal van gestoofd konijn en een grote beker sterke thee stalde Harrald zijn vondsten uit op de eettafel: de kunststof plaat, een oude glazen bierpul, een paar lichtverroeste steakmessen met kunststof handvaten, een verweerde autospiegel en een stapeltje vergeelde ‘Autoweek’ bladen.

Gerard pakte een van de bladen en opende voorzichtig en één voor één de vellen. De foto’s van automobielen waren flets geworden, maar toon­den nog steeds de wereld zoals die voor de grote crisis was.

‘Mooie vondst, zoon,’ zei hij. ‘Dit is altijd droog en donker gebleven. Ook geen knaagdieren of insecten bijgekomen, zo te zien.’

Harrald glimlachte. Zijn vader was niet zo scheutig met complimenten. ‘Dank je, pa. Ik had niet heel veel tijd, ik was al langer weggebleven dan ik wilde.’

‘We maakten ons wel een beetje zorgen,’ zei Gerard. Maria legde haar hand op die van haar echtgenoot.

‘Dat begrijp ik,’ zei Harrald. ‘Maar ik ben al negen­tien. En ik weet zeker dat onze redding in Eindhoven ligt. Jullie hebben het zelf in de archieven gelezen: de topgeleerden in reproductie- en incubator­technieken werkten daar.’

Gerard en Maria keken elkaar aan. ‘Dat was tien jaar geleden, Harrald,’ zei Gerard. ‘Die archieven vertellen over iets dat tweehonderd jaar geleden actueel was. Het heeft al jaren geduurd om de weg naar Eind­hoven terug te vinden. Hoe lang doe je erover gebouwen te zoeken en binnen te komen?’ Zijn argument was duidelijk: Eindhoven was groot, te groot voor één jongen om helemaal om te spitten.

Harrald sloeg zijn ogen neer. Dit was wat hij zichzelf tijdens de terugtocht door de vennen al voorgehouden had. Maar hij had een oplossing bedacht. ‘Ik denk dat ik het zoeken kan beperken.’

‘Hoe dan?’ vroeg zijn moeder.

‘Door alleen in het Sciencepark te zoeken. De plek waar alle geleerden samenkwamen om uit te vinden en te bedenken. Dat zeggen de boeken tenminste.’

‘Maar waar is het dan?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik dacht dat het in de Philipstempel zou liggen?’

Harrald schudde zijn hoofd. ‘Dat denk ik niet, mam. Volgens mij werd die alleen voor ceremoniële spelen gebruikt. Voetbal en andere sporten ter ere van De Philips. Armena dacht dat ook.’ De blik in de ogen van zijn ouders gaf hem een kil gevoel in zijn maag. ‘Is er iets? Met Armena? Of was de stroom weer op?’

‘Er was voldoende stroom. Het radiocontact is ver­broken, vlak na je vertrek. We moeten ervan uitgaan dat er iets gebeurd is. Armena wist de radio altijd binnen enkele uren te repareren, maar het is nu al bijna twee weken stil. We hebben het elke dag een paar keer geprobeerd.’

Harrald voelde zijn ogen branden. Armena woonde met haar ouders en enkele familieleden in een dorpje ergens aan de Italiaans-Zwitserse grens. Die aan­duiding had niet veel zin meer tegenwoordig, nu landen waren verdwenen en de laatste plaatsen waar mensen woonden één voor één ten onder gingen. Ze was ongeveer zijn leeftijd en hij had de ijdele hoop gehad haar ooit te zien. ‘Dan zijn we waarschijnlijk de laatste mensen op Aarde.’

‘Dat weten we niet,’ zei Gerard. ‘De radio heeft een beperkt bereik. Daarbuiten kunnen nog mensen leven.’

‘Je vader is een optimist, Harrald,’ zei Maria. ‘Volgens de verhalen en dagboeken van de afgelopen decennia verloren we elk jaar wel een of meer van de dorpjes. Het bereik van de radio is inderdaad beperkt.’

‘Maar we kunnen er niet van uitgaan,’ zei Harrald. ‘We zijn dus nu echt helemaal op onszelf aangewezen.’ De sfeer in de kamer werd neer­slachtig. Er was stilte tot Maria zei: ‘Vertel ons maar eens wat je gezien hebt. Ik hoorde iets over de zee?’

Harrald haalde diep adem. Er waren meer teleur­stellingen geweest in zijn jonge leven. Er zouden er meer komen. Hij moest zich er maar overheen zetten, zoals hij al vaker had gedaan. ‘Ja, ik kon de zee zien vanaf de hoogste heuvel die ik beklom. Ver weg, maar er waren zeemeeuwen en ik kon het zout ruiken.’

‘Dan zijn de dijken van Holland dus definitief gebroken,’ zei zijn vader.

‘Het lijkt erop. Die heuvel was ook de plek waar ik na wat zoeken een ingang vond. Er stond vroeger waar­schijnlijk een flat, maar hij was verzakt en over­woekerd. Als ik het bord niet had gevonden zou ik niet weten dat ik in Eindhoven was.’

‘Als je noordwestelijk gereisd bent, dan ben je bij de zuidoostkant van de stad terechtgekomen,’ zei Gerard. ‘Ik neem aan dat er heuvels zijn? Heb je die ook gezien?’

‘Ik denk van wel,’ zei Harrald. ‘Er was een vrij duidelijke afscheiding tussen vlak land met moeras en rijen met heuvels. Er leek regelmaat in te zitten.’

Gerard legde een vergeelde kaart op tafel. ‘Dan moet je langs de zuidkant reizen. Volgens deze kaart ligt het Sciencepark daar.’ Hij liet zijn vinger op de bewuste plek rusten.

Harrald keek zijn vader en moeder aan. De uitdrukkingen op hun gezichten waren somber. ‘Ik moet het proberen,’ zei hij. ‘Als de incubators er nog zijn…’

‘De kans dat ze nog werken na al die jaren…’ Gerard schudde zijn hoofd. ‘Er is waarschijnlijk geen stroom en als er water binnen is gekomen, is alles kapot.’

‘Maar ik moet,’ zei Harrald. ‘Ik wil niet de laatste zijn.’

‘Dat willen wij ook niet, liefje,’ zei Maria, ‘maar de ziekten, de oorlogen en alle gevolgen daarvan, er zijn gewoon te weinig mensen over­gebleven. Eens gaan we toch, allemaal.’

Ongebruikelijk pessimistisch zei Gerard: ‘Misschien is het maar beter zo. De mensheid heeft zich onwaardig betoond.’

Het was lange tijd stil en Harrald dronk zijn beker leeg. ‘Ik vertrek over drie dagen.’

 

Op de ochtend van de derde dag nam Harrald afscheid van Gerard en Maria, maar ook van Lotte. Hij was de afgelopen nachten bij haar geweest. Ze was iets ouder dan zijn ouders, weduwe, met een voorliefde voor jongere minnaars. En Harrald was nu eenmaal in de bloei van zijn leven. Als Lotte vruchtbaar was geweest, had hij met genoegen kinderen bij haar verwekt en met haar opgevoed, ondanks een leeftijdsverschil van ruim twintig jaar.

‘Wees voorzichtig, zoon,’ zei Gerard. ‘Heb je vol­doende gereedschap bij je?’

‘Ik denk het wel, pa. Meer kan ik niet dragen. Weten jullie zeker dat jullie het tablet kunnen missen? Het is de laatste werkende.’

‘We hebben genoeg kennis overgeschreven, jongen,’ zei Maria. ‘Beter als jij de bibliotheek bij je hebt, voor het geval dat.’

Lotte zei niets. Ze omhelsde hem alleen en hij voelde een traan langs zijn nek vallen. Daarna draaide ze zich om en liep zonder om te kijken weer naar binnen.

De sneeuw was op de meeste plekken gesmolten en alleen op de plekken waar de wind het had opgeblazen lagen nog zielige hoopjes ijs. Het betekende ook dat de grond modderig was en dat bemoeilijkte het lopen.

Hij volgde het pad dat hij eerder had genomen, door de bossen en daarna door de moerassen van het verzonken Roermond. ’s Avonds kampeerde hij aan de oever van de Maas, bij de samengebonden boom­stammen die hij vorige keer gebruikt had. Ze lagen nog hoog op de oever waar hij ze naartoe had getrok­ken. De hemel was ongewoon helder en Harrald kon zelfs sterrenhopen en nevels met het blote oog zien.

Eens te meer voelde hij zich nietig en onbetekenend. Hij begreep de woorden van zijn moeder. Eens gaan we allemaal. Mensen, dieren, bomen, de Aarde, de zon, melk­wegstelsels en sterrenhopen. Maar diep van binnen brandde een vuur, een noodzaak om zijn bestaan voort te zetten. Als ik ooit nog kinderen krijg, zullen ze de Aarde met respect leren behandelen.

Hij had de vernieling en chaos gezien op de oude journaalbeelden. Er was genoeg bewaard in het archief, van oorlogen en ziekten van de eenen­twin­tigste eeuw, die de mensheid op de rand van de vernietiging brachten tot het totale ineenstorten van de beschaving. Voor hij ging slapen, spande hij lijnen met belletjes rond zijn tentje om hem voor eventuele indringers te waarschuwen.

De volgende ochtend vroeg stak hij de Maas over, hoewel de scheidslijn tussen rivier en vennen vaag was, zodat hij maar zo ver mogelijk doorpeddelde. Tegen de tijd dat hij vaste grond bereikte waren zijn broek en mouwen kletsnat en koud geworden en zijn handen leken wel ijspegels. Zelfs met zijn dikke wollen wanten duurde het bijna een uur voor hij zijn vingers weer voelde.

Die dag dwaalde hij door de Maasvennen, van zandbank naar zandbank, tot hij na lang zoeken in een ander landschap terechtkwam waar een dikke laag plantengroei op zompige ondergrond een vrijwel uniform landschap van donkergroene en –paarse tinten vormde, afgewisseld door kleine meertjes met hoge, verdorde rietkragen. Hij herkende een aantal punten en wist die dag een flinke afstand door de Peelmoerassen af te leggen. Het was nog te vroeg in het jaar voor steekvliegen en ander ongedierte, dus hij verwachtte dat hij de volgende dag Eindhoven zou bereiken, als het weer gunstig bleef.

Hij kampeerde op een klein heuveltje waar een paar bomen groeiden. Toen hij de haringen de grond in dreef raakte hij iets hards. Hij groef de losse aarde op en vond een klein metalen pannetje. Er waren eerder mensen op deze plek geweest. Hij groef verder en vond verschillende verweerde en verroeste voor­werpen, bijna onherkenbaar, en een versleten, plastic Barbie met lang, blond nephaar. Hij veegde de modder eraf en zette de pop rechtop tegen een van de bomen.

In het flakkerende licht van het kampvuurtje leek het alsof hij gezelschap had. Wat ik er niet voor zou geven dat ze echt was, dacht hij. Hij was de laatste maanden veel buiten geweest om het land te verkennen en vaak fantaseerde hij over iemand van zijn leeftijd, bij voorkeur vrouwelijk, om mee te leven en samen een bestaan op te bouwen. Met kinderen, hopelijk. Armena speelde vaak door zijn hoofd, ook al had hij haar nog nooit gezien. Maar die hoop leek nu vervlogen.

Voor hij ging slapen controleerde hij nog een keer zijn verklikkers en legde hij zijn oor op de grond om te luisteren of er beneden hem gegraven werd. Hij had vaker meegemaakt dat een melaatse gewekt en opgestaan was.

 

De heuvels waaronder Eindhoven lag, strekten zich tot de horizon uit. Vanaf de heuvel die hij vorige keer beklom, kon hij heel in de verte het lijntje van de zee zien, ver weg, maar wel zo dichtbij dat een hoge vloed de stad zou raken. Als er nog iets onder het Sciencepark ligt, dan is dit echt de laatste kans. Van binnen voelde het als een soort lotsbestemming dat hij juist op dit moment op zoek ging naar het kweeklaboratorium van De Philips om uit te vinden of hij de vermoede kostbare apparatuur kon redden. Zijn verstand vertelde hem dat de kans klein was, de mogelijkheid dat niets meer werkte groot, maar zijn hart, dat hoopte op een wonder, sprak harder tegen hem.

Hij vond de snelweg die als een lang, recht en minder begroeid pad langs de heuvels liep. Feitelijk waren het gebouwen, flats, deels ingestort en overwoekerd, bedekt met stuifzand en losse aarde, restanten van een rijk verleden, maar nu teruggenomen door de natuur. Kleine heuveltjes op de weg bevatten de verroeste karkassen van automobielen die hier waren achtergelaten en hier en daar zag hij nog stukjes van ramen en deurstijlen. Een enkele bleke schedel staarde terug uit een donker gat.

De dooi van de afgelopen dagen en de beginnende lente zorgden voor sneeuwklokjes die voorzichtig hun kopjes uitstaken boven het gras en de varens die de grond bedekten. Harrald bereikte aan het eind van de ochtend het terrein van het Sciencepark, een vlakte afgewisseld met monolithisch aandoende heuvels. Een klein meer lag midden op het terrein. Zijn doel, de Philipsgebouwen, lag achter het meer. Hoewel hij niet wist welk gebouw het precies was, wist hij dat van alle plekken die hij kon bezoeken in Eindhoven, dit de meest waarschijnlijke plaats was waar de experimen­tele broedkamers van De Philips waren ingericht.

Hij wandelde om de eerste heuvel heen. Varens, wingerds en stiletto­doorns vormden een dichte haag die het lopen bemoeilijkte en hij kon nu al zien dat de andere heuvels minstens net zo moeilijk begaanbaar waren. Op deze manier kon hij weken, zo niet maanden blijven zoeken naar een ingang en dan moest het maar net de juiste ingang zijn.

Hij werd er bijna moedeloos van tot hij bedacht dat de winter hem kon helpen. Als er iets onder de grond zit aan nog werkende apparatuur, dan moet dat warmte afgeven die weer ergens naar buiten moet komen. Hij klom tegen de grootste heuvel op tot hij bij de top kwam. Roestige staven staken hier uit beton dat net boven de humuslaag uitkwam. Hij speurde de omgeving af op zoek naar een groener, rijker stuk van planten die niet bevroren waren en niet onder sneeuw bedekt waren geweest. Hij liep om de top heen en keek naar alle windstreken en vond uiteindelijk de plek die hij zocht, verborgen tussen een paar boompjes, goed beschut.

Vol goede moed daalde hij de heuvel weer af en ging regelrecht op de plek af die hij van boven gezien had. Met een paar trappen schopte hij graspollen en lagen aarde weg tot hij bij een stalen rooster kwam. De geur van verrotting kwam hem tegemoet, maar ook iets anders, iets metaalachtigs gemengd met machineolie.

Dit moet het zijn, dacht Harrald. Hij kneep een paar keer in zijn knijpkat en scheen vervolgens een lichtbundel door het rooster. Eronder zat een groot gat. Op de bodem lagen modder en resten van planten, over­woekerd door een soort paddenstoelen die azuurblauw leken in het licht van zijn zaklamp. In de noordkant van het gat zat een volgende rooster. Harrald zag sliertjes bleek gras voortdurend bewegen in een constante luchtstroom die er doorheen kwam.

Hij keek op, recht tegen een heuvel aan. Dat moet hem dan zijn, dacht hij. Met een schep in de aanslag klom hij tegen de helling op, op zoek naar een plek waar hij eenvoudig naar binnen zou kunnen gaan. Hij vond een reeks openingen waar betonnen balkons naar buiten staken en groef zich een weg naar binnen toe. Een stalen deur was zo weggeroest dat hij hem met een paar stevige trappen open kreeg.

Een stinkende walm dreef naar buiten en Harrald kokhalsde. Hij herkende de geur van verrotting en oude lijken en voorzichtig stapte hij naar binnen, een trappenhuis in, knijpkat in de ene hand, zijn schep als wapen in de andere hand. Vocht was in de muren gedrongen en paddenstoelen en schimmels bedekten elk beschikbaar stukje. Hij liet zijn lichtbundel omhoog schijnen, vervolgens omlaag de duisternis in. Het geluid van de dynamo in de knijpkat vermengde zich met de echo’s van het constante druppelen.

Een paar treden omlaag zag hij botten op de trap liggen en verder naar beneden een bleke schedel. Eindhoven was al vroeg in de eenen­twintigste eeuw getroffen door een biowapen en diende als lichtend voorbeeld dat virussen niet gaven om ras, denk­beelden of overtuigingen. Maar toen was het natuur­lijk al te laat en de stad was ten dode opge­schreven. De lege huls die overbleef was daarna ook geen slacht­offer van de meer directe wapens die werden ingezet.

De trappen voerden hem naar de kelders van het gebouw waar een halve meter water stond. Het was vroeger overduidelijk een soort par­keergarage geweest. Hij liet zijn lichtbundel van de trap over het water schijnen. Twee dozijn automobielen roestten hier langzaam weg. Het water was ijskoud aan zijn benen. Harrald zette zijn voeten langzaam en heel voorzichtig neer. Dit was niet de plek om zich aan onderwater verborgen roestig ijzer te verwonden.

Hij liet het licht van de lamp over de verroeste auto’s spelen. Op ver­schillende voorruiten zaten nog stickers verpakt in laminaat waarop hij letters kon onder­scheiden: Philips Medical. Hij kreeg een raar gevoel in zijn onderbuik en hij voelde een vleugje hoop opwellen. Als ze hier hun auto’s parkeerden, dan werkten ze hier misschien ook. Hij keek om zich heen. Waar zou ik de ingang maken?

Midden in de parkeergarage was een afgesloten blok, muren zonder ramen. Hij waadde erheen en toen hij eromheen liep zag hij een plateau dat net boven het water uitstak, een stalen deur en naast de deur een metalen plaat met een enkel rood lichtje boven de lijntekening van een mensenhand. Hij haastte zich de treden op en vervolgens bestudeerde hij nauwgezet de deur en de plaat. ‘Alleen geautoriseerd personeel’ stond er op, onder een feloranje ‘Pas op!’ en een pikzwart biohazard logo. Er waren geen zichtbare sloten of scharnieren.

Harrald legde zijn hand op het metalen paneel. Onder zijn vinger­toppen voelde hij dat het glanzende metaal stroef was, alsof het tegen zijn huid duwde. Een korte zoemtoon klonk en een rood lichtje in de vorm van het biohazard logo knipperde drie keer. Veiligheidssystemen die nog werken na honderden jaren. Hoopvol, dacht hij en voegde daar aan toe: en uitdagend.

Met een mes wrikte hij net zo lang aan de rand van het paneel dat het op een gegeven moment losschoot en de printplaat met bedrading tevoor­schijn kwam. Harrald herkende een aantal van de circuits en chips, maar het merendeel was hem onbekend. Hij pakte het tablet en startte zijn zoekprogramma op.

Dertig mogelijke ontwerpen, zoek de verschillen. Nauw­gezet volgde hij draden en printbanen, telkens afgeleid door het dovende licht van de knijpkat, tot hij nog maar twee keuzes overhad. Een van die keuzes droeg een Philips logo. Harrald grijnsde en identifi­ceerde de draden die het ‘open’ signaal aan de deur gaven. Een minuut later verscheen het groene lichtje en was er een doffe klik.

Met zijn linkervoet duwde Harrald tegen de metalen deur die zacht knarsend openzwaaide. Lichten aan de muren sprongen aan en hij zag een volgende trappen­huis met metalen roostertrappen die naar beneden voerden. De lucht was droog, machinaal met een vleugje oude dood. Hij stapte naar binnen en liep de trappen af. De bodem was tientallen meters beneden hem. Twee trappen naar beneden voelde hij meer dan hij het hoorde een zachte dreun. Toen hij omhoog keek zag hij dat de deur weer gesloten was. Dat zie ik dan zo wel weer, dacht hij. Op dit moment was zijn nieuws­gierigheid te groot.

De deuren beneden openden zich automatisch bij zijn nadering. Er lag twee eeuwen stof op de grond en hij liet een spoor van voetstappen achter in de grijze laag. Hij liep een ruimte in waar een enkel bureau stond. Op een bordje stond ‘receptie’ en het bureaublad was verder leeg. Van de deur aan zijn rechterkant was het slot geforceerd. Hij duwde ertegen. De deur zwaaide geruisloos open en onthulde duisternis en een betonnen plateau met hek. Hij stapte naar binnen en zwengelde zijn knijpkat aan. Zijn lichtbundels verdwenen in het duister, maar hij zag hier en daar reflecties van glazen oppervlakten. Even later viel de lichtbundel op een schakelaar dicht bij de deur. Toen hij die omhaalde schakelden enkele dozijnen lampen aan die een immense hal verlichtten.

Dikke betonnen pijlers ondersteunden een hoog dak en tussen de pijlers waren tientallen kantoortjes aangelegd rond een centrale glazen koepel. Overal waar hij keek zag hij het Philipslogo tevoorschijn komen. Dit moet het zijn, het kan niet anders, dacht Harrald. Opgewonden daalde hij de trappen naar de werkvloer af. Overal waar hij kwam werd het licht helderder en de gloed van de lampen warmer. Harrald vermoedde een automatisch systeem. Veel beter dan de kaarsen en fakkels in het oude klooster.

Angst overviel hem toen hij zijn eerste skelet tegen­kwam. Resten uitgedroogd vlees en huid waren nog strak over de botten gespannen die uitgestrekt op een bank in een kantoor lagen. Het lichaam droeg nog een oude laboratoriumjas over een sterk versleten jeans en een vaalgrijs shirt. Harrald pakte zijn machete en tikte de rechterarm van het skelet een paar keer aan tot hij ervan overtuigd was dat er geen gevaar dreigde. Terwijl hij door de gangen dwaalde langs de glazen wanden van de kantoren stelde hij zich voor dat hier jarenlang mensen gewoond of gewerkt hadden. De twee dozijn auto’s boven deden hem vermoeden dat hij meer lichamen zou gaan vinden. In een verafgelegen zijkamer vond hij mensvormige, zwarte plastic zakken. Er lagen er ruim twintig, netjes op een rij, duidelijk met inhoud. Hij liet ze liggen en ging verder naar zijn eigenlijke doel, de glazen zaal die hij eerder gezien had.

Een glazen buis met een luchtsluis voerde naar het centrale deel. Weer zag hij sloten die geforceerd waren. De centrale ruimte bevatte een verhoogde vloer met bureaus waarboven rijen schermen waren inge­bouwd. Eromheen stonden dozijnen transparante, eivormige con­struc­ties, een soort capsules, die via buizen en slangen aan de vloer gekoppeld waren. Ze deden hem denken aan de incubators zoals hij die op een oude Discovery aflevering gezien had. Zo te zien waren ze alle­maal leeg. Hij liep naar de dichtstbijzijnde. Het deksel stond omhoog en de binnenkant bevatte wat blauwe drab, een lang geleden uitgedroogd residu. Hij wandelde door de ruimte en telde uiteindelijk vijftig van de eivormige capsules. Allemaal leeg. Hij tikte tegen een paar van de kunststof slangen die bij het minste al afbraken. Poreuze rotzooi, niet geschikt voor wat dan ook.

Harrald liep terug naar de bureaus met de schermen en vond daar nog een verhoging achter een batterij schermen waar een grote stoel stond. Hij liep de trap op en duwde tegen de stoel om hem naar zich toe te draaien. Het skelet dat erop zat, zakte in elkaar. Harrald sprong achteruit en trok bij het neerkomen zijn machete tevoorschijn en hield die verdedigend voor zich. Pas toen hij zag dat het skelet verder niet bewoog, haalde hij weer adem. Dat moet een van de laatsten zijn geweest. Gestorven in het harnas. Er lag een stapeltje papier op het bureau, een ouderwetse schrijfpen en een plastic chipkaart waarop ‘Ariadne’ stond. Hij tilde het geraamte uit de stoel en legde het onderaan de trap.

De vellen papier waren dichtbeschreven, maar de inkt was na zoveel jaren verbleekt tot een vaag bruinoranje dat maar nauwelijks leesbaar was. Harrald nam plaats op de stoel en las een verslag van de laatste dagen van ene Arnold Janssens die zijn einde voelde komen en in zijn eenzaamheid zijn gedachten op papier zette. Hij las hoe een groepje onderzoekers en technici waren ingesloten in het onderzoeks­centrum, dat zelfs na enkele tientallen jaren de sensors nog steeds een niveau vier biobedreiging maten in de buitenlucht. Harrald dacht terug aan het biohazard­lampje op de sensorplaat buiten. Hij begreep nu waarom de deur gesloten bleef. Maar hij voelde zich verder goed, dus of de sensor was stuk of hij was immuun voor wat het dan ook was dat daarbuiten dreigde. Blijkbaar was het eng genoeg dat ze vrijwillig opgesloten bleven.

Hij las over het contact met militaire centra die een voor een uit de ether verdwenen en over het koorts­achtige onderzoek dat de leden van het team deden om hun belangrijkste projecten te realiseren. Uitein­delijk waren er nog maar twee over, de incubators en iets dat ‘project Ariadne’ werd genoemd. Arnold Janssens schreef dat hij en zijn collega’s uiteindelijk moesten concluderen dat de incubators nutteloos waren als de niveau 4 dreiging niet geneutra­liseerd werd en dat daarom alle aandacht en alle moeite in ‘project Ariadne’ gestopt werd.

‘Maar wat,’ zei Harrald hardop, ‘is dan ‘project Ariadne’?’

De laatste zinnen van de brief waren direct aan hem gericht, aan ‘degene die deze brieven vindt.’ …Ariadne is volmaakt. Zodra ze volgroeid is, zal ze de perfecte moeder voor een transhumaan ras zijn. Ze bevat de laatste ontwikkelingen op AI gebied die defensie ons gestuurd heeft en sluit volmaakt aan bij de 2045 agenda. Daarnaast heeft ze een selectie van de beste ei- en zaadcellen meegekregen uit de DNA banken van het instituut zodat onze gehavende planeet van nieuw, menselijk leven kan worden voorzien, zelfs als de laatste mens is gestorven. Harrald las de laatste zin nog eens en dacht: Dat betekent dat ik niet de laatste hoef te zijn. Hij voelde vlinders in zijn buik.

‘Je maakt me nieuwsgierig, Arnold Janssens.’ Hij keek omlaag naar de grijnzende schedel van de oude onder­zoeker. ‘Wat ik hier niet lees is hoe lang Ariadne moest volgroeien. En heel belangrijk: waar is ze?’ Even twijfelde hij. Wat nu als Ariadne inmiddels oud geworden was, misschien zelfs gestorven? Maar het was van korte duur. Ariadne was duidelijk niet mense­lijk, dus hij kon niet zomaar menselijke waarden aan haar toekennen. Hij pakte de chipkaart en bekeek die. Er zaten gebruiks­sporen op, dus hij was gebruikt. ‘Waar, oh, waar?’

Hij liep langs de rijen monitoren, de nette, georgani­seerde bureaus en dozijnen toetsenborden. Tussen de bureaus door zag hij de incubators en de kabels die van daar uit de grond inliepen. Harrald dacht diep na. Waar komt de stroom vandaan? Een generator? Een die eeuwen meegaat? Dat kan alleen maar nucleair zijn. Dus er moet een centrale zijn. Hij keek naar de grond onder zijn voeten. En die levert stroom via de kabels in de grond, dus hieronder zit de centrale, of een verdeler die stroom van de centrale krijgt.

Hij stapte van de verhoging af en wandelde erom­heen, op zoek naar een oneffenheid, iets dat uit de toon viel. Uiteindelijk vond hij een gleuf aan de zijkant van de treden die het platform op gingen. Hij pakte de kaart en draaide hem een paar keer om en om in zijn handen. Is dit het antwoord? vroeg hij zich af. Als ze kan helpen kinderen op de wereld te zetten, dan is er een kans voor de mensheid. Resoluut stak hij de kaart in de gleuf. Het kan niet zomaar eindigen. Een nieuw begin, met normen en waarden die de mensheid verenigen.

Een deel van het platform schoof in elkaar en een brede spiraaltrap werd zichtbaar. Hij liep naar beneden en waar hij kwam scheen diffuus, warm licht uit panelen in de muren. De ruimte waar hij uitkwam bevatte een laboratorium en een constructie met buizen en ventielen die een derde van de ruimte vulde. Op de constructie stond het felgele logo dat nucleaire energie aanduidde. Een reactor, dacht Harrald. Daarom brandt het licht nog, daarom wordt de lucht gezuiverd. Een paneel met groene lampjes gaf aan dat het apparaat waarschijnlijk binnen normale grenzen opereerde. Wat als de zee hier binnenkomt? vroeg hij zich af, tot hij de term ‘thoriumpercentage’ tegenkwam en hij slaakte een zucht van verlichting. Een thoriumreactor, dus mini­maal gevaar. Dozijnen kabels verlieten de constructie en liepen via het plafond naar de verschil­lende afdelingen en de incubators. Een dikke bundel liep het labora­torium in en hij volgde die.

Een metalen tank besloeg het midden van de ruimte. Talloze slangen aan een kant van het gevaarte waren verbonden met onbekende machinerie die er geïm­proviseerd uitzag en Harrald herinnerde zich de woorden van Arnold Janssens. Een bundel glasvezel­kabels liep naar een donkere kast in de hoek waarin twee dozijn computers in hoog tempo ledjes lieten oplichten. Harrald vroeg zich af waar de computers het zo druk mee konden hebben.

Hij liep naar de tank en opende een klep bovenop. De bundel licht die naar binnen viel raakte een paar lichtblauwe ogen waarvan de pupillen snel tot puntjes krompen. Harrald haalde scherp adem en boog zich verder voorover. Haar hoofd lag grotendeels onder­gedompeld in een melkachtige vloeistof en slangen en kabels bedekten haar lijf, voor zover hij dat kon zien door het kleine kijkvenster. ‘Ariadne,’ zei hij eerbiedig.

Naast de tank vond hij een lijst instructies, ook danig vergeeld, maar leesbaar. De stappen waren eenvoudig en tien minuten later startte hij het opstandingproces voor ‘project Ariadne.’ Harrald maakte het zich gemakkelijk en hij at wat oud, hard brood en droge worst die zijn ouders hem hadden meegegeven. Hij las het document verder door en op de laatste bladzij las hij de kledingvoorschriften en de plek waar hij haar kleding kon vinden. Buiten het laboratorium haalde hij die uit de kast en legde alvast een dikke broek en tuniek voor haar klaar. Terwijl hij wachtte, doorzocht hij de verschillende ruimten. Spullen die hij nog bruikbaar achtte stopte hij in zijn rugzak.

Na een uur begonnen de sloten van de tank te draaien en Harrald telde twaalf doffe klikken op rij terwijl de sloten en zegels zich openden. Hij stond op en ging met een handdoek naast de tank staan. Het deksel splitste zich en een deel schoof naar boven, het andere deel naar beneden. De vloeistof waarin Ariadne gelegen had, was afgevoerd en haar lichaam leek schoon­gespoeld. De slangen vielen een voor een van haar lijf, haar huid sloot zich meteen. Zodra de laatste was losgekoppeld ging ze langzaam overeind zitten. Haar blauwe ogen knipperden, alsof ze voor het eerst haar omgeving kon zien.

Harrald staarde naar de naakte vrouw in de tank voor hem. Voor zover hij kon zien was ze compleet, waren er geen elektrische of elektronische compo­nenten zichtbaar en kon ze volledig doorgaan voor een echt mens. Het leek even alsof hij moeite had met ademen en hij bedacht zich dat hij Ariadne een bijzonder mooie vrouw vond. Ze was ook de enige vrouw van zijn leeftijd die hij kende, vrijwel alle andere waren de veertig gepasseerd, meestal flink.

Ariadne bracht haar handen omhoog en bekeek ze. Daarna reikte ze omhoog en wrong haar lange, blonde haar uit. Ze keek hem onder­zoekend aan.

Harrald keek vol bewondering hoe haar borsten omhoog getrokken werden door die beweging. Hij voelde lust en tegelijkertijd schaamte. Hij strekte een hand naar haar uit terwijl hij in de andere hand de handdoek omhooghield, zodat ze wist wat hij bedoelde. Zou ze eigenlijk wel kunnen praten, bedacht hij zich. ‘Hoi, ik ben Harrald,’ zei hij. Kan het nog stommer? ‘Eh, ik bedoel, ik neem aan dat je wel een handdoek kunt gebruiken?’

Ariadne pakte zijn hand en stond in een vloeiende beweging op. Haar grip voelde krachtig aan. Harrald slikte. Voorzichtig stapte ze over de rand en nam de handdoek van hem aan. Ze droogde zich af met lang­zame bewegingen, alsof ze haar lijf ook zelf eerst wilde onderzoeken. Ze kleedde zich in de spullen die hij haar aanreikte. Broek en tuniek pasten alsof ze voor haar gemaakt waren. En dat zal ook wel zo zijn, dacht Harrald. Verdraaid, ze ziet er goed uit.

Haar stem bleek melodieus met een mechanische ondertoon, alsof wat ze wilde zeggen en wat er uit haar keel kwam, niet helemaal op elkaar aansloten. ‘Harrald, waar zijn de anderen?’

‘Eh, hoe bedoel je? Mensen van mijn dorp of de onderzoekers hier?’

Ariadne dacht even na. ‘De onderzoekers, denk ik.’

‘Die zijn allemaal dood. Al tweehonderd jaar.’ Hij zag hoe ze naar een punt achter hem staarde, alsof ze heel in de verte iets waarnam dat hij nooit zelfs maar kon vermoeden, tot ze knipperde en hem weer aankeek.

‘Die informatie had ik nog niet. Hoe is de situatie buiten?’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Het sneeuwde een paar dagen geleden, maar het lijkt erop dat de lente nu echt is aangebroken.’

‘Stralingsniveau, biodreiging, mutatiegraad, veilige plekken, klimaat­verandering, migratiepatronen, geologische verschui­vingen, geboorte- en sterfte­cijfers?’ vroeg Ariadne. Haar gezicht bleef onbewogen tijdens de opsomming.

Harrald knikte en glimlachte. ‘Oh, bedoelde je dat. Ik heb niet overal antwoord op, maar ik kan je vertellen dat er oorlogen zijn geweest en bioterrorisme.’ Zijn glimlach verdween. ‘De mensheid is grotendeels uitge­storven. Ik woon met mijn familie in een dorp op een paar dagen hiervandaan. Ik denk dat we de laatste mensen op Aarde zijn.’

‘Leg uit, laatste mensen.’

Harrald haalde diep adem en wreef over zijn voorhoofd. ‘Er zijn nog zo’n tweehonderd mensen in het dorp. We verbouwen ons eigen voedsel en zoeken de rest in verlaten gebouwen in de omgeving. Vooral zaden en gedroogde, vacuümverpakte waren zijn voor ons interessant.’

‘Demografische verdeling?’ vroeg Ariadne.

Ze lijkt wel een robot, dacht Harrald. Maar dat is ze ook. Geavanceerd, gebouwd met een doel en op zoek naar informatie. AI, stond in de brief, kunstmatige intelligentie. ‘Ik ben de jongste in het dorp. Meer dan de helft is de vijftig gepasseerd.’

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg Ariadne.

‘Die werden niet meer geboren,’ zei Harrald. ‘Jonge, vruchtbare vrouwen verongelukten. Of werden ziek en onvruchtbaar, of stierven bij de geboorte van hun eerste kind.’

Ariadne knipperde met haar ogen. ‘Jullie zijn voorbij het kantelpunt gegaan,’ zei ze. ‘Daarna was er geen weg terug.’

‘Dertig jaar geleden was er nog contact met een paar dozijn families in heel Europa. Onze radio reikt tot aan wat vroeger Zuid Spanje was.’ Armena. ‘Het laatste contact was twee weken geleden, sindsdien is het stil.’

‘Ben ik daarom gewekt?’

Harrald knikte. ‘Ik had artikelen gelezen over de experi­menten met incubators en kunstmatige zwanger­schappen en ik hoopte dat het een oplossing voor ons kinderprobleem kon zijn. Ik zocht al een paar jaar naar deze plek.’

‘Je hebt hem gevonden.’ Ariadne ging staan en strekte haar armen uit. ‘Ik ben in staat vier tot acht kinderen per jaar te produceren. Daarvoor moet de omgeving veilig zijn. Daarom vroeg ik naar de toestand buiten.’

Harrald knikte begrijpend. ‘Ja, dat snap ik, ja. Je kunt hier in ieder geval niet blijven, de zeespiegel is gestegen en de zee nadert de buitenwijken van Eind­hoven. En ik denk niet dat deze kelder lang waterdicht blijft als er zeewater in de ventilatie terecht­komt.’

Ariadne liep naar de computer in de hoek van het laboratorium en hield haar hand op een van de apparaten. ‘Straling acceptabel. Biodreiging van niveau vier. De buitenlucht bevat schadelijke virus­sen.’ Ze keek hem aan. ‘Jij lijkt er geen last van te hebben. Waarom niet?’

‘De steden in de wereld zijn dood, er zijn bijna geen mensen meer. Onze voorouders waren blijkbaar immuun.’ Harrald glimlachte wrang. ‘Helaas zijn we met te weinig.’

Ariadne zweeg een paar seconden en haar ogen leken leeg, alsof ze afwezig was. Toen het leven er weer in terugkeerde, zei ze: ‘Het lijkt erop dat we elkaar voorlopig nodig hebben, Harrald. Zullen we gaan?’

‘Hebben we niets nodig van hier?’ vroeg hij.

‘Ik heb niets nodig,’ zei Ariadne.

Harrald liet haar voor gaan de trap op. Haar eerste stappen waren houterig, maar werden heel snel vloeiend en krachtig. Terwijl hij achter haar liep dacht hij: Ik heb jou gevonden, dat is alles wat ík nodig heb.

 

Ze liepen door de heuvels van Eindhoven toen de zon onderging. Harrald zocht een droge, beschutte plek en zette daar zijn tent op. Bij het licht van een klein vuur at hij nog wat van zijn rantsoenen. Hij bood Ariadne een stuk brood, maar ze weigerde.

‘Eet je niet omdat je niet kunt eten?’ vroeg Harrald nieuwsgierig. ‘Of heb je een soort eigen, interne reactor?’

Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Ik heb gewoon geen honger. Dat zal wel komen. Dit lichaam is erg zuinig met energie.’

‘Slaap je ook?’ vroeg Harrald. ‘Met een beetje goede wil kunnen we samen in de tent liggen.’

‘Ik kan lang zonder slaap, maar er is een herstel­functie die mijn lichaam een paar uur uit­schakelt en alle energie aan reparaties besteedt. Je zou het een soort slaap kunnen noemen.’ Weer schudde ze haar hoofd. ‘Dus nee, ik hoef niet samen in een tent te liggen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Harrald. ‘Als je het niet erg vindt, wil ik wel een paar uur slapen. Wij mensen hebben dat nog steeds nodig.’

‘Nog wel, ja,’ zei Ariadne.

Hij keek haar aan, maar ze vertelde niet verder, dus spande hij zijn draden rond het kamp en hing daar de verklikkers aan.

‘Verwacht je roofdieren?’ vroeg Ariadne.

‘Nee, melaatsen. Ze zijn zeldzaam tegenwoordig, maar een hele enkele keer wordt er nog een wakker door rondstampende mensen. Als ik op een plek ben waar duidelijk mensen hebben gewoond, dan luister ik ook nog wel eens aan de grond. Je hoort ze graven.’ Ze boog zich naar de grond en drukte haar oor tegen de aarde.

‘Niets. Zijn we dan veilig?’

‘Waarschijnlijk. Daar zijn ook de verklikkers voor.’ Hij kroop de tent in. ‘Ik ga slapen. Roep me als er iets is.’

 

‘Wakker worden.’ De woorden werden gevolgd door een paar indringende zoemtonen. Harrald was meteen klaarwakker, hoewel nog gedesoriënteerd. Hij greep als eerste zijn machete en rolde de tent uit. Het vuur was een hoopje gloeiende as en in het rode licht zag hij Ariadne gehurkt vlak naast zijn tent zitten.

‘Wat is er,’ fluisterde hij.

Ariadne wees.

Harrald zag een bleke figuur die wankelend dichterbij kwam. In de lichtcirkel van het vuur zag hij lange, donkere haren rond een uitgeteerd gezicht. Het was ooit vrouwelijk, nu zonder ogen, gaten waar­doorheen tanden zichtbaar waren, kleren onher­kenbare rafels. Resten aarde vielen bij elke stap van het lichaam van de melaatse. ‘Pas op,’ zei hij en hij ging voor Ariadne staan met de machete. De melaatse veranderde meteen van richting bij het horen van zijn stem. Zodra ze hem naderde stapte hij langs haar grijpende armen en liet de machete met een zieke dreun in haar hoofd landen, hard genoeg om de ruggengraat te breken. Ze zonk geluidloos in elkaar.

Hij draaide zich om naar Ariadne. ‘Heeft ze je geraakt, gekrabd, gebeten?’

Ariadne schudde van nee. ‘Ik onderzocht het wrak van een auto, ver­derop. Zij lag onder een hoop aarde op de achterbank en begon ineens te bewegen.’

Harrald leunde op de machete en voelde zich ineens heel erg moe. Zijn slaap was onderbroken en hij had nog te weinig rust gehad. ‘Ze kunnen jaren ergens liggen rotten en je denkt dat ze echt dood zijn. En dan, ineens, komen ze overeind. Of ze graven zich uit hun graf.’

‘Hoe is dat mogelijk?’ vroeg Ariadne.

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Het lijkt op een soort infectie, maar het is nooit heel duidelijk geweest wat het veroorzaakte. En sommige mensen waren er ontvankelijk voor, andere niet.’ Hij liep rond de tent en stelde de verklikkers weer in, daarna gooide hij nog wat hout op het vuur.

‘Laat je haar gewoon liggen?’ vroeg Ariadne.

Hij knikte. ‘Die gaat nergens meer heen. Als je de hersenen vernielt, vallen ze neer.’

Ariadne liep om het vuur heen en ging naast het lichaam op de grond zitten.

Voor Harrald iets kon doen, stak ze haar rechter­wijsvinger in de wond die hij zojuist gemaakt had. In een vloeiende beweging likte ze vervolgens het puntje van haar vinger af. ‘Wat doe je nu?’ vroeg hij geschokt. ‘Van melaatsen moet je afblijven, voor je ’t weet ben je besmet!’

‘Dat geldt voor mensen,’ zei Ariadne. ‘Dat ben ik niet. Laat me nu even dit monster analyseren.’

‘Doe wat je niet laten kunt, maar wees voorzichtig. Ik ga slapen.’ Hij ging weer in zijn tent liggen. Heb ik er goed aan gedaan haar… het te wekken? Ze is wel heel erg anders. Zijn ogen dwaalden naar haar gezicht en hij betrapte zich erop dat hij met aandacht naar haar borsten staarde. Ze is ook wel erg mooi. Hoe zou ze voelen? Met die gedachte sliep hij weer in.

 

Een schraal zonnetje kwam net boven de horizon uit en verlichtte de uitgestrekte moerassen van de Peel. Harrald werd wakker en bekeek vanuit zijn tent hoe het oranje licht speelde over begroeide heuveltjes. Boompjes wierpen oneindig lange schaduwen over poelen vol kroos en riet.

Hij lag op zijn zij en voelde haar lichaam. Zijn hand rustte op haar zij, ze lagen lepeltje-lepeltje. Haar blonde haar was een pluizige bos voor zijn gezicht en onwillekeurig voelde hij zich hard worden en raakte hij door zijn broek heen haar billen. Heel voorzichtig werkte hij zich op zijn linkerelleboog omhoog zodat hij haar goed kon bekijken. Blijkbaar was ze ’s nachts bij hem komen liggen. Hij schraapte zijn keel.

Ariadne draaide zich op haar buik en keek hem aan. ‘Het werd toch wel koud. En ik moet wennen aan dit vlees.’

‘Je hebt toch wel eerder rondgelopen?’ vroeg Harrald. ‘Ik bedoel, je lijkt goed in balans.’

Ze schudde haar hoofd in een heel menselijk gebaar. ‘Ik heb in virtuele werelden geleefd, tot jij me wekte. Mijn enige oefening was de spier­stimulatie van de tank om me op kracht te houden.’

‘Dit is je eerste keer buiten de tank dus,’ zei Harrald. ‘Maar, twee­honderd jaar?’

‘Zoiets ja. Maar voorbij in een oogwenk. De echte wereld is gewoon ‘echter’ en dus moet ik eraan wennen.’ Ze ritste de tent open en kroop naar buiten.

Harrald keek haar bewonderend na en volgde. Ze stond kaarsrecht, gezicht naar de horizon, een zacht briesje speelde met haar blonde haar.

‘Ik heb zonsopgangen in mijn virtuele wereld gezien. Ze verbleken hierbij,’ zei Ariadne.

‘En jij verbaast me,’ zei Harrald.

‘Hoezo?’ vroeg Ariadne.

‘Gisteren sprak je nog, hoe zal ik het zeggen, mechanisch. Nu hoor ik vloeiende zinnen en proef ik emotie in wat je zegt.’ Hij legde zijn handen op haar schouders, voelde de ingehouden kracht. ‘Wie ben je, Ariadne? En wat ben je?’

Ze draaide zich om en glimlachte. ‘Mijn taak is het de mensheid te redden. Mijn bouwers hadden daar heldere ideeën over. En ze hebben me heel veel mee­gegeven om die taak uit te voeren.’

‘Zoals materiaal uit de DNA banken?’ vroeg Harrald. ‘Dat stond in de brief van Arnold Janssens.’

Ariadne knikte langzaam. ‘Ik heb genoeg bij me om meer dan honderd perfecte kinderen te produceren.’

‘Jammer dat ze in deze wereld niet zullen overleven,’ zei Harrald.

‘Die conclusie lijkt correct,’ zei Ariadne. ‘Teveel gevaarlijke virussen in de lucht.’

‘We hebben nog een paar dagen te gaan voor we bij mijn dorp zijn,’ zei Harrald. ‘Genoeg tijd om over oplossingen na te denken.’

Toen Harrald zijn verklikkers en draden opruimde, zag hij het lichaam van de vrouw die hij gisteravond neergeslagen had. Het lijf was in dozijnen stukjes uit elkaar getrokken en onderdelen waren netjes op een rij gelegd en opengemaakt. Hij keek naar Ariadne en riep: ‘Heb jij dit gedaan?’

Ze kwam bij hem staan. ‘Ik kon geen virussen of bacteriën vinden die iets verklaarden. Wel parasieten. De nagels en tanden zitten vol met eitjes en waar­schijnlijk helpen muggen bij verspreiding.’

Harrald huiverde. ‘Hoe staan ze dan weer op?’ Ariadne haalde haar schouders op. Weer zo’n menselijk gebaar, dacht hij.

‘Dat weet ik nog niet,’ zei ze. ‘Zullen we gaan?’

Harrald pakte zijn spullen verder in en met de zon nu ruim boven de horizon zocht hij zijn weg terug langs de poelen en veenmatten van de Peel. Hij vertelde over de rietsoorten, planten en dieren die hier voor­kwamen en ze luisterde aandachtig.

‘Weet je wat bijzonder is?’ zei Harrald toen ze zijn vorige kampeerplek naderden.

‘Bijzonder? Is iets bijzonder of vind jij het bijzonder?’ vroeg Ariadne.

‘Excuseer me, ik moet duidelijker zijn,’ zei Harrald. Hij wees naar het heuveltje. ‘Ik vond daar gisternacht een oude barbiepop en toen ik jou voor het eerst zag moest ik daaraan denken.’

‘Ik zie het verband niet,’ zei Ariadne koel.

Harrald grijnsde schaapachtig. ‘Ik hoopte eigenlijk dat ik een vrouw zoals die barbiepop zou vinden.’

‘En ik lijk op die pop. Dus jij ziet in mij de vrouw die je zocht.’

Harrald voelde zijn wangen branden. ‘Eh, als je het zo zegt klinkt het…’

Ariadne legde haar hand op zijn arm. ‘Het geeft niet. Dit is een normale fysiologische reactie.’ Ze kneep haar ogen samen. ‘Ik denk dat ik me “gevleid” voel.’

De kilometers die volgden, zweeg Harrald. Zijn hoofd was druk. Hij verbaasde zich over de opmerkzaamheid van Ariadne. Tegelijk proefde hij in haar doen en laten een mechanische kwaliteit die hem voorzichtig deed twijfelen aan haar menselijkheid. Dan keek hij weer naar haar soepele bewegingen en bewonderde hij haar lichaam. Dat was voldoende om de verschillen te bagatelliseren en excuses te bedenken. Ze heeft alleen in virtuele werelden geleefd, zonder echte mensen, zonder contact. Alsof ze door wolven is opgevoed.

Zijn boomstammen lagen nog op de plek waar hij ze had achtergelaten. Twee mensen bleek teveel. Ariadne loste het op door achter het vlot te gaan lopen en het voort te duwen, waarbij ze regelmatig tot haar nek in het water liep.

‘Dit is toch veel te koud voor je?’ vroeg Harrald.

‘Nee hoor,’ zei Ariadne. ‘Mijn metabolisme past zich snel aan.’

‘Het is te zwaar!’ zei Harrald.

Demonstratief tilde Ariadne de boomstammen, met hem erop, een halve meter uit het water.

‘Goed, goed, ik geloof je!’

‘Mooi, ik wil je dorp graag zien, want daarna kunnen we plannen gaan maken.’

‘Plannen?’ vroeg Harrald.

‘Ja. Plannen. Mijn doel is de mensheid redden, weet je nog?’ zei Ariadne. ‘Ik wil weten of je dorp veilig is voor kinderen. Veel kinderen. En of er voldoende voor­zieningen zijn. Vers water, elektra, voedsel…’

Ze staken de Maas over en overnachtten hoog op de oever. Deze keer kwam Ariadne wel meteen bij hem in de tent liggen. Ze voelde ijskoud en hij trok haar tegen zich aan en wikkelde zijn slaapzak om hen beiden heen.

‘Kun jij eigenlijk ziek worden?’ vroeg Harrald in het donker.

‘Mijn vlees en binnenste zijn synthetisch. Ze hebben wel een organische basis,’ antwoordde Ariadne. ‘Waar­schijn­lijk dus niet, hoewel er altijd een kans is.’

‘Dit deel van de wereld is er nog relatief goed afge­komen,’ vertelde Harrald. ‘De grootmachten uit die tijd hebben ook nucleair vuur gebruikt. Via de radio heb ik gehoord over bizarre mutaties in de Russische bossen, soms gruwelijk, maar soms ook handig. Uit Amerika hebben we niets meer gehoord.’

‘Dan wordt dit het nieuwe Eden,’ zei Ariadne.

Harrald moest even nadenken over de referentie. Toen hij wilde vragen wat dan zijn rol was, hoorde hij een zacht snurken. Met een glimlach stopte hij de slaapzak wat dichter om haar lijf.

 

Ze kwamen via de noordkant bij het dorp. Het open veld stond in bloei, krokussen, narcissen en felblauw paaldansgras dat sensueel kronkelde in het minste briesje. Het dodengat was nog bijna kaal. Zoals elk jaar wilde er bijna niets op groeien behalve wat hard­nekkige distels.

‘Het oude klooster,’ zei Harrald.

Ariadne knikte goedkeurend. ‘En stevige hekken om het hele complex. Hoeveel mensen wonen er nu?’

‘Ruim tweehonderd, maar vrijwel allemaal boven de vijftig en meer dan de helft zou vroeger als bejaard gelden.’

‘Hoe is het met de voorraden gesteld? Apparatuur?’ vroeg Ariadne.

‘We verbouwen ons eigen eten, we hebben koeien, kippen en schapen en er is genoeg wild in de omgeving. Herten, zwijnen, konijnen en soms zelfs een beer.’

‘Dus de virussen en parasieten vallen alleen mensen aan? Dieren hebben geen of minder last?’

Harrald dacht even na. ‘Nu je het zo zegt, daar lijkt het wel op, ja.’

‘Ik neem aan dat jullie ook wapens hebben om dat wild te schieten?’ vroeg Ariadne.

‘Natuurlijk. Compound jachtbogen, maar ook jacht­geweren, pistolen en volautomatische wapens.’ Hij dacht aan de zorg waarmee de wapens nog steeds onder­houden werden. Dat de begroeiing dichterbij mocht komen was een acceptabel risico, wapens die niet werkten of weigerden, waren dat niet.

Ariadne keek omhoog en leek even te luisteren. ‘Goed, laten we naar binnen gaan. Morgen heb ik een boodschappenlijstje voor je.’

Harrald keek haar verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je?’

Ariadne glimlachte. ‘Ga je me nog aan je ouders voorstellen?’

Harrald voelde zijn wangen heet worden en hij kuchte. ‘Ja, ja natuur­lijk.’

Zoals een paar dagen geleden stond zijn moeder hem weer op te wachten. Harrald herkende de emoties die op haar gezicht verschenen toen hij Ariadne aan haar voorstelde, een mengsel van opluchting, blijdschap en nieuwsgierigheid.

‘Kom maar snel binnen, kinders, het is nog koud buiten en de zon gaat zo onder.’ Maria duwde Harrald en Ariadne naar binnen en sloot de poort achter zich. ‘Gerard zal zo blij zijn jullie te zien.’

Harrald dacht niet dat hij ooit tranen in de ogen van zijn vader zou zien, maar bij deze gelegenheid vloeiden ze rijkelijk en hij kreeg meer omhelzingen dan hij in lange tijd had gehad. Hij keek opzij naar Ariadne die geamuseerd leek, hoewel hij haar uitdrukkingen, voor zover ze die had, nog niet zo goed kon lezen als hij zou willen.

‘Nou, ga zitten,’ zei Gerard. Hij wees naar de stoelen rond de tafel, vervolgens opende hij een van de kasten en pakte daaruit glazen, een fles wijn, brood, kaas en droge worst. ‘Wat zijn jullie plannen, kinderen?’

Harrald kreeg het weer warm. ‘Ik geloof dat Ariadne daar wat ideeën over heeft.’

Ariadne glimlachte. ‘Ik heb als opdracht meege­kregen het menselijk ras te redden. Daarvoor heb ik alle benodigdheden.’

Gerard lachte en pakte een hand van Maria in de zijne. ‘Goed nieuws, denk ik.’ Hij keek opzij. ‘Wat jij, lief?’

‘Ik denk dat ze een mooi stel zijn samen,’ zei Maria. Haar ogen glommen vol trots, telkens wanneer ze naar haar zoon keek.

Ariadne was onverstoorbaar. ‘Voor die opdracht zal het noodzakelijk zijn dat ik zo’n acht kinderen per jaar produceer.’ Na die woorden werd het stil.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Maria.

Harrald hief zijn hand. ‘Ho, wacht, laat mij het even uitleggen. Ik ging op zoek naar de incubators in Eindhoven, zoals we besproken hadden. Maar die incubators waren niet operationeel en konden dat ook niet worden. Ik vond daar aanwijzingen voor een ander project van De Philips, genaamd Ariadne.’ Hij knikte opzij naar de vrouw die naast hem zat. ‘Dit is Ariadne. De grootste medische geleerden van toen hebben haar ontworpen en geconstrueerd. Ariadne is niet menselijk.’

Gerard snoof. ‘Ze ziet er anders echt genoeg uit.’

‘Ik ben gemodelleerd naar duizenden aantrekkelijke vrouwen uit die tijd.’ Ariadne plukte aan haar haar. ‘Blond om verhoogde vruchtbaarheid te duiden, brede heupen en een zandloperfiguur met volle borsten om aan te geven dat ik voldoende melk zal produceren. De ideale vrouw om kinderen mee te krijgen.’

‘Als je niet menselijk bent, wat ben je dan wel?’ vroeg Maria met een klein stemmetje.

‘Androïde is denk ik het woord dat jullie zouden gebruiken. Hybride kan eventueel ook.’

Gerard kuchte even. ‘Je bent dus een soort robot?’

‘Dat is correct,’ zei Ariadne monotoon.

‘Maar je kunt wel kinderen krijgen?’ ging hij verder.

Ariadne knikte. ‘Acht per jaar, misschien meer, als er meerlingen komen.’

‘Maar zijn die dan nog gewoon menselijk?’ vroeg Maria. ‘Hoe kun je ze voeden?’

‘Ik ben een incubator, ik gebruik menselijk DNA om een kind te laten groeien, maar ik ben ook een voeder. Met de juiste hormoonpreparaten zijn de kinderen binnen anderhalve maand rijp voor geboorte en ik kan eten dat ik binnenkrijg direct in melk omzetten.’ Als om haar woorden kracht bij te zetten brak ze een stuk brood af en knabbelde er wat hapjes vanaf.

‘Aan alles is gedacht, dus,’ stelde Gerard vast.

‘Het team dat aan mij werkte, stuk voor stuk topspecialisten, deed daar ruim vijfentwintig jaar over en toen moest ik nog vijftig jaar in de tank tot ik volgroeid was.’

‘Dat klinkt als een aanzienlijke tijd om een robot te maken,’ zei Gerard.

Ariadne grijnsde witte tanden bloot. ‘Ik ben veel meer dan een gewone robot, Gerard. Vrijwel alles in mij is organisch en zelfreparerend.’

Maria schraapte haar keel. ‘Je bent dus meer dan menselijk. Wat let je om meer van jouw soort te produceren?’

‘Mam, dat vraag je toch niet?’ Harrald vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ariadne komt ons juist helpen.’

Maria hief haar hand op. ‘Begrijp me niet verkeerd, alsjeblieft. Het is gewoon een vraag die bij me opkwam.’ Ze keek haar zoon in zijn bruine ogen. ‘Je bent mijn enige kind, mag ik een beetje bezorgd zijn?’

‘Ik kan je zorgen wegnemen, Maria,’ zei Ariadne. ‘Ik ben gebouwd en geprogrammeerd om mensen op de wereld te zetten en deels op te voeden. Voor zover ik weet ben ik en blijf ik uniek.’

‘Je zei iets over een boodschappenlijstje.’ Harrald voelde een vijandig­heid bij zijn ouders die hij rationeel wel kon bevatten, maar hij was ervan overtuigd dat Ariadne de oplossing van hun probleem was.

Ariadne bleef naar zijn ouders kijken met haar licht­blauwe ogen terwijl ze zijn vraag beantwoordde. ‘Een paar kilometer verderop, noordelijk, ligt een oude RAF luchtmachtbasis. Ik geef je de coördinaten van een opslag met medische voorzieningen die ik nodig zal hebben het komende jaar.’

‘Klopt dat?’ vroeg Harrald. ‘Ik ben daar vaker geweest, maar heb alleen maar bos gezien.’

Gerard knikte. ‘Het was ten tijde van de eerste oorlogen al verlaten. Tenzij je weet wat je zoekt, zul je er niets vinden.’

‘En wat zoek ik dan?’ Harrald keek weer naar Ariadne.

‘Steriele naalden, verband, zoutoplossingen, medi­cijnen, antibiotica en nog veel meer. Neem een paar flinke rugzakken mee. Het is niet zwaar, maar wel veel.’ Ariadne glimlachte naar hem en Harrald voelde zijn wangen weer heet worden. ‘Dan kan ik intussen de gebouwen inspec­teren en de beste plek uitzoeken,’ ging ze verder.

‘Dat red ik in een dag. Als ik morgenochtend vroeg vertrek, ben ik ’s avonds alweer terug.’

Ze spraken bijna een uur over inrichting van kraam­zalen, medische voorzieningen en het inzetten van de mensen van het dorp bij de opvoeding van de kinderen.

Toen Harrald gaapte, legde Ariadne haar hand op de zijne. ‘Misschien moet je bijtijds gaan slapen. Ik kan zelf ook wel wat rust gebruiken. Is er een gebouw waar ik kan overnachten?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Gerard. ‘En je hebt helemaal gelijk. Jullie moeten allebei uitgerust zijn voor wat jullie van plan zijn.’

‘Ik breng je wel even,’ zei Harrald. Hij trok Ariadne omhoog en nam haar mee naar een van de kleine huisjes op het terrein. Nu de bevolking gekrompen was, waren veel van de huisjes meestal leeg, maar ze werden goed onderhouden voor noodgevallen. Harrald liet haar zien waar de voorzieningen waren en maakte haar bed op.

‘Als er iets is,’ zei hij vanuit de deuropening, ‘kom dan naar de grote hal. Daar is altijd wel iemand wakker.’

Ariadne kwam vlak voor hem staan en sloeg haar linkerarm om zijn nek. Ze trok hem zachtjes tegen zich aan en hij voelde haar zachte borsten en het draaien van haar heupen tegen zijn middel. Haar rechter­arm gleed omhoog langs zijn dij en ze liet haar hand tussen zijn benen glijden en kneep zachtjes. Ze fluisterde in zijn oor: ‘Als je morgenavond terugkomt, moeten we maar eens aan dat DNA van jou werken.’

Harrald legde zijn rechterhand op haar rug, boog zich iets voorover en drukte zijn lippen op de hare. Ze reageerde en speelde met zijn lippen en tong. Onwille­keurig vergeleek hij haar met Lotte, zijn enige referen­tie en hij was aangenaam verrast.

Ariadne legde haar hand nu op zijn borst en duwde hem van zich af. Ze glimlachte ondeugend. ‘Morgen­avond, Harrald.’

Hij grijnsde. ‘Ik zal er zijn, Ariadne. Welterusten.’

‘Jij ook, Harrald.’ Ze sloot de deur.

Harrald zocht zacht zingend zijn eigen bed op, maar hij kon niet in slaap komen. In het donker van zijn kamer besefte hij dat hij met een robot, een kunst­matige mens, gekust had. Wat hem het meest aan zichzelf deed twijfelen was dat hij er plezier aan beleefd had. Haar lichaam tegen het zijne wond hem meer op dan Lotte ooit gedaan had en zijn interesse voor de andere vrouw was geheel verdwenen.

 

De hemel kleurde roze en oranje toen Harrald de poort uitstapte en die achter zich in het slot trok. Het was fris. Rijp lag als een witglinsterende deken over het veld en lage flarden mist lichtten op als mysterieuze sluiers in het eerste zonlicht. Hij snoof de ochtendlucht van het bos diep in en begon te lopen. De instructies van Ariadne waren duidelijk. Hij maakte zich hooguit zorgen over de eventuele aarde die hij moest weg­schep­pen om bij de bunker te komen die ze beschreven had.

Onderweg was hij in zijn hoofd bezig met de belofte van Ariadne, niet zozeer wat ze had gezegd met hem te willen doen die avond, maar wel de mogelijkheid dat er over niet al te lange tijd een kind of zelfs kinderen zouden komen. En dan nog wel acht of meer per jaar. Hij zag zich al met een stel hummeltjes achter een bal aan over een veldje rennen. Hij kende die beelden alleen uit de archieven, maar ze waren hem altijd bijgebleven.

In gedachten verzonken liep hij bijna met zijn hoofd een cluster galspinnen in. Pas op het laatste moment merkte hij de felgroene stippen op hun dikke achterlijven op. Heel voorzichtig stapte hij achteruit, bedacht op struikeldraden en gaten in de grond. Galspinnen vormden grote nesten. Ze joegen collectief en vingen vaak prooi die een enkele spin nooit zou kunnen vasthouden. Harrald had wel eens een jonge ree gevonden, dood en stijf en helemaal bedekt met galspinnen. Hij zocht een nieuwe weg op respectvolle afstand van het nest.

Rond het middaguur vond hij de resten van het oude clubhuis van de golfbaan die ooit op het terrein was gevestigd en van daaruit kon Harrald zich oriënteren. Doelgericht liep hij over heuveltjes en door greppels, zich goed ervan bewust dat onder hem een oude landingsbaan moest liggen met gebouwen en bunkers. Alles was overwoekerd en onder een dikke rottende humuslaag verdwenen, maar zoals hij in Eindhoven had gezien, de resten van gebouwen en constructies bleven zichtbaar als regelmatige vormen in het landschap.

Hij verspilde ruim twee uur aan het lokaliseren van de juiste plek om te gaan graven. Telkens op een ruime halve meter diepte raakte hij beton met zijn schep en het was niet duidelijk waar de deur zich bevond. Daarom groef hij op regelmatig afstanden smalle voren in de aarde om te zien of hij bij een rand van de bunker was gekomen.

Toen hij uiteindelijk de uitsparing vond die hij zocht, stond de zon hoog aan de hemel. Harrald zweette van de inspanning. Hij dronk lauw water uit zijn veldfles en een paar honingkoeken die zijn moeder voor hem had ingepakt.

Met zijn schep groef hij net genoeg aarde weg om te zien dat de deur die hij zocht inderdaad hier in de grond zat, waarna hij in een monotoon ritme aarde en zand begon weg te scheppen. Drie uur later had hij een paar kubieke meter grond verplaatst en was de deur vrij. Er zaten roestplekken op en het rubber rondom was poreus, maar de verzegeling van de ruimte was intact. Zijn koevoet maakte korte metten met het slot.

Binnen vond hij een grote kelder gevuld met stellages die, in het licht dat van buiten naar binnen viel, duide­lijk gevuld waren met in plastic verpakte voorraden, het merendeel voorzien van een rood kruis of een rode halve maan.

Harrald nam zijn eerste rugzak en wandelde langs de stellages. De labels op de planken waren verdroogd en hier en daar verkruimeld. Gestaag vulde hij elk van zijn drie rugzakken tot hij die maar net kon dragen. Hij wist vrij zeker dat hij regelmatig zou moeten uitrusten, maar dat maakte niet uit, hij kon altijd nog een keer terugkomen om voorraden bij te vullen.

Buiten was de lucht grijs geworden en hij voelde een frisse westenwind die regen beloofde. Hij dacht aan Ariadne, grijnsde en begon aan de lange tocht terug naar het dorp. Onderweg neuriede hij liedjes uit een ver verleden die iets met liefde te maken hadden. Bij het vervallen clubhuis rustte hij de eerste keer uit. Terwijl hij om zich heen keek naar de resten van muren en veelal vergane stof en hout van bekleding en meubels, vroeg hij zich af hoe het zou zijn te leven in een wereld waar mensen zorgeloos konden rondlopen en waar ook vooral veel meer mensen bestonden.

Met nieuwe energie trok hij de rugzakken weer omhoog en begon aan het volgende deel van de tocht terug, met een ruime boog om het nest galspinnen heen. Zijn vermoeidheid maakte dat hij af en toe struikelde op de ongelijke bosgrond. Na de derde keer besloot hij rustiger aan te doen, want hij herkende zijn eigen haast die werd ingegeven door zijn verlangen naar de vrouw die thuis op hem wachtte. De avond is nog jong, Harrald, beter wat later en in één stuk dan vroeg met een gebroken been. Of erger.

De zon was al ruim onder de horizon gedoken en het laatste licht viel op de onderkant van de donkere wolken die hun water naar beneden lieten druppelen en dat steeds fanatieker deden.

Harrald was blij toen hij het lichtje bij de poort van het klooster voor zich zag. De regen had hem door­weekt. Hij prees zich gelukkig dat hij waterdichte rugzakken had meegenomen. Zodra hij bij de poort kwam zwaaide die open. Hij verwachtte zijn moeder, maar het was Ariadne. Ze was gekleed in een strakke, zwarte jurk die haar figuur accentueerde en verder niet veel aan de verbeelding overliet. Hij vermoedde dat het een erfstuk was uit de tijd dat mensen veel waarde hechtten aan uiterlijk vertoon.

‘Harrald. Je bent mooi op tijd,’ zei ze.

Hij grijnsde. ‘Ik had iets om naar uit te kijken.’ Hij keek langs haar heen en vroeg: ‘Waar zijn Maria en Gerard? Normaal wachten ze me op.’

‘Ze zijn even bezig. Ik zag je aankomen en ik wilde ze niet storen.’ Ze nam twee van de rugtassen van hem over. ‘Kom je mee?’ Ze liep in de richting van het huisje waar hij haar gisteravond had achtergelaten.

Harrald haalde diep adem en volgde haar, mateloos gefascineerd door het zachte wiegen van haar heupen. Voor hem opende ze de deur en stapte naar binnen. Ze ging in de deuropening staan, lachte naar hem en wenkte hem dichterbij met een gekromde wijsvinger.

‘Wat ben je van plan,’ vroeg Harrald, hoewel hij een grijns niet kon onderdrukken.

Ariadne hief een bevallige wenkbrauw. ‘Moet je dat nog vragen?’

Zodra hij voor haar stond haakte ze haar vinger achter zijn riem en trok hem achter haar het huisje in. Hij legde de rugzak bij de anderen en ving haar vervolgens in zijn armen. Hij kuste haar, eerst zacht, maar al snel begerig. Zijn handen gleden over haar rug en billen en hij kneedde haar zachte vlees. Alle gedachten aan ‘kunstmatig’ en ‘robot’ waren ver­dwenen en Harrald liet zich meevoeren in het moment.

Ariadne trok zijn trui over zijn hoofd, daarna zijn hemd. Ze streelde zijn borst en buik en hij kreeg kippenvel van haar vingers en de frisse lucht. Ze staarde in zijn ogen terwijl ze zijn riem losmaakte en de knoop van zijn broek lostrok. Harrald liet zijn handen langs haar nek glijden, naar beneden en over haar volle borsten, die zijn handpalmen aange­naam vulden.

Ze liepen kussend en strelend naar de andere kamer, waar het bed stond. Harrald trok haar jurk over haar hoofd en bekeek haar naakte lichaam. Zijn eigen lichaam reageerde meteen en hij slaakte een zucht van verlichting toen Ariadne zijn broek en onderbroek naar beneden trok en hem bevrijdde.

Ze lagen naast elkaar en Harrald streelde met zijn linkerhand over haar schouder, langs haar borsten en daarna verder naar beneden naar haar heupen. Ariadne drukte zich dicht tegen hem aan en sloeg een been om zijn middel terwijl ze hem diep kuste en zijn hand tussen haar benen leidde. Een minuut of een eeuwigheid later liet ze zich achterover vallen en trok ze Harrald bovenop zich. Hij gleed makkelijk bij haar naar binnen en stootte eerst in een rustig ritme, maar al gauw sneller en harder. Ariadne sloeg haar benen om hem heen en spoorde hem aan, trok hem verder naar binnen met haar handen.

‘Oh, God,’ kreunde hij en kwam hard in haar klaar. Tegelijk voelde hij haar nagels diepe voren in zijn onderrug krassen wat hem een extra orgasme bezorgde. Uitgeput lag hij op haar na te hijgen, zijn armen om haar hoofd en zijn wang tegen de hare. ‘Dat was geweldig,’ fluisterde hij hees.

Ariadne duwde hem zacht van zich af. ‘Dat was een ruime donatie, Harrald. Daarmee kan ik jaren vooruit.’

Harrald grinnikte en rolde op zijn zij. ‘Daar ben ik blij om. Maar ik hoop toch dat het niet bij één keer blijft.’

Ariadne stapte uit bed en trok haar jurk aan. ‘Misschien.’ Ze pakte zijn kleren op en gooide die naar hem toe. ‘Kom.’

‘Hebben we haast?’ vroeg hij. Toen hij overeind kwam voelde hij een steek in zijn onderrug. Zijn hand kwam met een rode veeg bloed terug. ‘Jij hebt gemene nagels, dame.’ Hij grijnsde. ‘Lekker hoor.’ Ineens voelde hij zich koud worden en hij trok snel zijn kleren aan.

Hij volgde Ariadne het huisje uit en samen liepen ze over het pad dat naar het klooster voerde. Vlak voor de ingang voelde hij zijn benen zwak worden en als Ariadne hem niet had opgevangen, was hij gevallen.

‘Dank je, ik weet niet wat ik heb, mijn benen werken niet goed meer.’

Terwijl Ariadne de deur openduwde en hem naar binnen hielp, zei ze: ‘Dat is het gif.’

Harrald greep de hand die hem ondersteunde en keek haar aan. ‘Wat bedoel je?’

Een flauwe glimlach speelde rond Ariadne’s lippen terwijl ze haar vrije hand ophief en tot een klauw kromde. ‘Het gif in mijn nagels, dat ik in je rug heb geïnjecteerd toen je ejaculeerde. Dat gif.’

Met lippen die als verdoofd voelden zei Harrald: ‘Ik snap het niet.’

Ariadne opende de deuren van de grote zaal en Harrald verstijfde toen hij de slachting zag die daar was aangericht. De geur van bloed, braaksel, stront en bovenal angst hing zwaar in de lucht. Hij zag dichtbij, op een tafel, de lichamen van zijn ouders, in nette stukken opgedeeld met een vlijmscherp mes, hun hoofden naast elkaar met een uitdrukking van afgrijzen. Onwille­keurig spuugde hij zijn maag leeg. Overal waar hij keek waren lichamen, de meesten met een rare knik in hun nek, maar ook een aantal met ingeslagen hoofden, opengetrokken borstkassen en op de grote leestafel lag een berg naakte vrouwen bij wie de buik was opengesneden zodat ingewanden naar buiten stulpten.

‘Wat is hier gebeurd?’

‘De voorbereidingen voor de productie van de eerste serie, natuurlijk,’ zei Ariadne.

‘Maar, ze zijn dood. Waarom?’ Harralds stem werd hees en hij moest kracht zetten om nog iets uit zijn longen te krijgen. Ademen werd moeilijker.

‘De ouderen verspilden enkel kostbare voorraden energie en voedsel. Onacceptabel. De jongere mannen waren gevaarlijk, want niet alleen sterk maar ook gevormd naar patriarchale standaar­den. Dat strookt met de zienswijze van mijn bouwers voor de opvoeding van de kinderen, dus moest ik ze opruimen. Van de vrouwen had ik eieren nodig met jullie specifieke genetische weerstand tegen de virussen die in de lucht zweven. Het oogstproces in deze omstandigheden is niet optimaal, ze hebben het niet overleefd, maar ik heb gelukkig voldoende eieren geoogst.’ Ariadne glim­lachte naar hem. ‘Het zaad dat ik op het oog had, dat heb jij me gegeven. Dus ben je niet nuttig meer, gewoon het laatste obstakel. Maar niet lang meer.’ Ze drukte een korte kus op zijn voor­hoofd en liet daarna zijn slappe lichaam op de grond glijden.

 

 

EPILOOG

Ariadne liep door de verlaten gangen van het klooster naar de kraamkamers die ze had ingericht. Ze had alle bewoners van het dorp naar de grote hal gebracht en daar omgebracht. In de komende dagen zou ze de lichamen begraven. Nu inventariseerde ze wat ze nodig had en hoe ze de eerste kinderen zou opvoeden en trainen, conform de richtlijnen die haar waren meegegeven. Een nieuwe start voor de mensheid, vol wetenschap, nuttige tijdsbesteding, perfectionisme en intelligentie, een vredig samenzijn van gelijk­ge­stemden.

Toen ze langs de radiokamer liep hoorde ze de radio kraken. ‘Hallo, Harrald? Hallo? Hier Armena.’ Ariadne liep de kamer in. ‘De radio was stuk,’ ging de stem die zich als ‘Armena’ identificeerde verder, ‘maar ik heb hem kunnen repareren. Hoe is het bij jullie? Hier is het nu echt lente.’

Ariadne zweeg en overwoog. Ze zette de radio uit en dacht Misschien hebben we ook wat soldaten nodig…

De val van de Eremast : Floris Kleijne

Vier Dagen Geleden, Voor Zonsopgang

Met één voet in Mooks sloep aarzelde Ferdi. Het maan­licht schilderde een dansend pad van licht op het kalme water van de Delftse Schie. Naar het zuiden toe lag Rotterdam nog in sluimer, haar spaarzame ver­lichting weerkaatsend van de laaghangende bewolking. Vanaf de herfst leefden de Rotterdammers door het elek­tri­ci­teitstekort een groot deel van het etmaal in het duister.

Naar het westen strekten de restanten van Delft zich uit in het stervende duister van de ochtend. Even stelde hij zich voor dat hij de windmolens kon zien waarmee dit alles was begonnen, voorbij de stad, over de velden en achter de duinen.

Hij draaide zich om en klom weer op de kade.

‘Saladin.’

De gedrongen gestalte van zijn geliefde haalde de schouders op in het kille maanlicht. Ferdi kon nog net de melancholieke glimlach zien die om Sals mond speelde, de lippen die hij zo vaak had gekust omhoog gebogen maar gesloten, Sals ogen glanzend.

‘Het is nu nog niet te laat, Sal. We kunnen omkeren, naar huis gaan, de hele bliksemse bende vergeten, mijn positie als Groot-Alloceur opgeven. Nanoferdi ver­ge­ten. Ik hoef niet…’

Sal glimlachte met één opgetrokken mondhoek en schudde zijn kale hoofd.

‘Jawel.’

‘Saladin, ik…’ Hij overbrugde de afstand met één urgente stap en liet zijn armen om Sal glijden. Sal hief zijn gezicht en bracht zijn lippen naar die van Ferdi.

‘Nee, geen kus, alsjeblieft.’ Tranen stroomden nu ongebreideld over Ferdi’s wangen. ‘Geen kus die hij zich… die ik me straks niet meer kan herinneren.’

Even trok Sal zijn hoofd weer terug en keek hij Ferdi aan. De compassie in zijn blik bracht de laatste resten van Ferdi’s zwaar bevochten kalmte aan het wankelen.

‘Gelul.’

 

#

 

Met de zilte, rokerige smaak van Sals lippen nog op de zijne keerde Ferdi de sloep in een nauwe U-bocht naar het zuiden, richting Rotterdam. Zijn schokkende adem­haling verdronk in het gebrul van de buiten­boord­motor. De sloep trok een schuimende V in het opper­vlak van het Schie. Naar het oosten toe spatte de zon over de horizon; flarden mist speelden over de velden.

Misschien vergiste hij zich wel in Mook, was hun oude vriendschap zelfs nu nog wat waard. Misschien zou hij de tocht probleemloos maken, de zon langzaam links van hem zien opgaan terwijl de ruïnes van Rotje uit de blauwe waas aan de horizon opdoemden. Mis­schien zou hij de Mast bereiken en tot een vergelijk komen, met Mook, en met Va.

Ja, en misschien zou Utrecht morgen weer oprijzen uit het Glas. Dat Mook hem zou laten leven was nauwe­lijks waarschijnlijker. Ferdi grinnikte door zijn tranen. Dit was niet de manier om zijn laatste minuten door te brengen.

Misschien… er was nog wel een misschien. Zometeen, na het inschake­len van Nanoferdi. Misschien zou Sal, lieve, stoïcijnse Saladin, de kans krijgen om te ontdek­ken of een gedistribueerd neuraal nanonetwerk vol­doende van zijn persoonlijkheid had kunnen opnemen om… Wat? Een vriend te zijn? Lief te hebben?

Met zijn hand stevig aan de helmstok wierp Ferdi een blik over zijn schouder. Ver achter de sloep rees de hoogbouw van de oude Technische Universiteit in de ochtendlucht. Als hij zijn ogen dichtkneep, kon hij zichzelf wijsmaken dat hij een gedrongen gestalte op de kade zag staan.

Dit beeld wil ik vasthouden, dacht hij. Sal op de kade, Delft sluimerend in de ochtendschemer, en de wilde, juichende kleurenrijkdom van de opkomende zon. Laat dit het laatste zijn wat ik zie. Laat me dit vasthouden. Laat m

 

Schemering

Als ik wakker word, ligt het lab in schemering gedrenkt. De elektronen­microscoop aan de wand tegen­­over me is een imposante grauwe toren; de werk­banken lichtere rechthoeken; de binnendeur van de luchtsluis een glinstering in de hoek. Met de gedoofde TL-buizen resteert slechts het zwakke dag­licht dat door de gesloten lamellen sijpelt.

Maar toen ik in slaap werd gebracht, waren toch alle lichten aan?

En waar is Sal?

Terwijl mijn ogen het laboratorium scannen op zoek naar mijn inge­nieur en minnaar, dringt een nog urgen­tere vraag zich aan mij op. Waarom ben ik über­haupt in het lab wakker geworden? De kamer met de per­soonlijkheidsrecorder ligt verderop aan de gang, gescheiden van de cleanrooms, ver van het lab. Daar ben ik in slaap gebracht, met de opnamekap op mijn hoofd en Sal aan mijn bed, zijn hand in de mijne. Ik kan geen enkele goede reden bedenken waarom Sal me naar het laboratorium zou hebben verplaatst. We waren het erover eens dat mijn aanwezigheid waar­schijnlijk verstorend zou werken op Nanoferdi’s…

Ik voel geen kap op mijn hoofd.

Ik voel mijn hoofd niet.

En als ik naar mijn hoofd reik, gebeurt er niets.

Ik heb geen handen.

Onwillekeurig kijk ik naar beneden, maar hoewel mijn blikveld gehoor­zaamt aan mijn mentale com­man­do, voel ik van mijn ogen noch mijn hoofd enige be­weging.

En hoewel ik de gebogen glazen wanden en micro­manipulators in de hermetische cabine herken, lijkt mijn zicht onscherp, alsof ik door een soepige mist kijk. Een duizeling overvalt me, die nog verdubbelt als ik me realiseer dat het bodemloze gevoel geen maag heeft om zich in op te houden.

De waarheid dringt zich aan me op.

Ik ben Nanoferdi.

Een ogenblik lang schakelt de realisatie mijn geest uit. Als ik wangen had, zou ik breed grijnzen. Als ik een stem had, zou ik triomfantelijk naar Sal roepen. Als ik een vuist had, zou ik die in de lucht heffen.

Het duurt niet lang voor ik me realizeer dat ik die dinge

– directief: vormen –

kan krijgen met één simpele gedachte.

Een tinteling alsof mijn hele lichaam slaapt verge­zelt het gevoel van samentrekken, verdikken, dat net geen pijn wordt. De mist stolt. Mijn lijf, mijn benen nemen vorm aan in de cabine. Ons voorgepro­gram­meerde directief werkt perfect: mijn vorm vult zich, de con­tou­ren van mijn buikje worden zichtbaar, de kuil­tjes in mijn knieën, mijn brede handen. Na enkele tellen kan ik mezelf zien, een uitgerekte, half door­zichtige spiege­ling in de gebogen binnenkant van de cabine. Proprio­ceptie, het gevoel dat ik in mijn lichaam woon, keert terug.

Mijn wangen vormen die grijns. Mijn vuist schiet de lucht in. Ik roep:

‘Het is gelukt, Sal! Het heeft gewerkt!’

Maar mijn stem kaatst terug van het glas alsof hij de stilte intact wil laten, en het licht in het lab blijft koppig uit. En als mijn ogen langzaam wennen aan het halfduister, zie ik dat het een rommeltje is in het lab, iets wat ondenkbaar is voor Sal en zijn team. Twee krukken liggen omver, een cleansuit ligt slordig over de grond; een van de micro­mani­pu­lators is zelfs volledig van zijn basis gerukt. Het lijkt of ons lab, onze haven van orde en properheid, wetenschap en ratio, zich heeft aange­sloten bij de puinhopen buiten.

Plotseling is het de meest urgente zaak ter wereld om de cabine te verlaten.

Ik werp een blik op het codepaneel. Sal heeft er een notitie boven gehangen. In zijn kleine, nette hand­schrift vraagt hij me het kwadraat te nemen van de datum van onze eerste ontmoeting, en van het resultaat de laatste vijf cijfers in te toetsen. Een semi-autonome subsectie van mijn nieuwe lichaam geeft me het antwoord, en ik toets 33849 in, terwijl ik glimlach om Sals methode om zowel mijn geestelijke ver­mogens als mijn geheugen te testen.

De gebogen deur sist open.

Als ik de cabine uitstap, springen de lichten niet aan. Bij het opknappen van het lab heeft het team gekozen voor bewegingssensors, omdat die makkelijker te ver­zegelen waren dan gewone schakelaars. Toen ik de duisternis net voor het eerst opmerkte, was mijn aan­name dat Sal gewoon langer dan tien minuten weg was. Maar de chaos, en de weigering van de lampen om nu aan te springen, en, zoals ik nu zie, het feit dat zowel de binnen- als de buitendeur van de luchtsluis open zijn, en…

Het lichaam van Johanna ligt tussen twee werktafels, met drie schotwonden dicht bijeen op haar borstbeen; de ogen van onze programmeur staren naar het plafond alsof ze een uitzonderlijk complex algoritme probeert uit te werken, maar de ogen zijn droog en dood. Ik loop het lab uit tussen de gekraste en bescha­digde wanden van de luchtsluis, maar voor ik me kan herinneren wat daar op de muur zat, vind ik Han. Onze neuroloog hangt over twee bebloede stoelen. Maar goed dat de overdracht al is geslaagd, denk ik willekeurig. Kim, die bijna evenveel van nanotech wist als Sal, ligt half in een bezemkast.

Sal is nergens te bekennen.

Ik weet dat het me allemaal zou moeten schokken en verontrusten. Maar ik voel alleen een urgente drang om uit te vinden wat er is gebeurd. Om te ontdekken of deze nieuwe ontwikkeling onze plannen bedreigt.

Om Sal te vinden.

 

#

Ik vind Sal aan de voet van de hoogbouw van de TU. Zijn lichaam vormt een onwaardige, verfrommelde hoop in een plas half gestold bloed. Een kant van zijn gezicht ligt in de plas gedrukt, een oog staart me tegemoet, met een schijnbare uitdrukking van kalm onbegrip vanuit de vervormde oogkas. Zijn linkerhand ligt onder hem; de rechter toont beblaarde en verkoolde stompjes waar zijn vingers zaten.

Een blik omhoog toont me het versplinterde venster dat me voor vraagtekens plaatste toen ik onze ver­dieping doorzocht.

Mysterie opgelost, denk ik, en frons.

Voorzichtig kniel ik bij de plas en dwing mezelf om de geschonden vorm van Sal in me op te nemen. Als ik dichterbij kom wordt de vage geur van verval sterker, bijna tastbaar, meer een smaak dan een geur. Zijn ledematen liggen in hoekige vormen; zijn schedel is gruwelijk naar een kant gedrukt.

Hier ligt de eerste man van wie ik ooit heb gehouden, breng ik mezelf in herinneringen. Ik roep de beelden op van late avondwandelingen, die zeldzame over­gebleven fles wijn die we samen soldaat hebben gemaakt; de liefde bedrijven, zowel ruwer als meer intiem dan met alle vrouwen die ik heb bemind. Ik herinner me zijn geur, het gevoel van zijn sterke, behendige handen.

Ingenieurshanden.

Wat heeft Mook bezield om Sal te vermoorden? We wisten dat hij mij uit de weg zou ruimen; dat was zakelijk, of in elk geval wat Mook daaronder verstaat. Maar Sal? En niet alleen Sal: het hele team, dat decennia lang in het geheim geploeterd heeft om het Delftse lab tegen de klippen op operationeel te houden. Heeft Mook me zo gehaat, dat hij de zeldzame, onschatbare meerwaarde van een volledig functioneel nano­lab wilde offeren aan zijn wraakzucht? De verspil­ling verbijstert me.

Ik vraag me af of ik verdrietiger zou moeten zijn.

Vier dagen zijn voorbij, heb ik boven gezien. Vier verloren dagen, dagen die we nodig hadden. En zelfs zonder de klok in ons lab had de groenige tint van Sals huid me genoeg gezegd. Sal had mijNanoferdimeteen na mijn dood moeten activeren. Nu Sal dood is, en zoveel tijd verloren is gegaan, heb ik weinig vertrouwen meer in ons oorspronkelijke plan. Dat lijkt nu sowieso belachelijk naïef. Ik zal een actievere rol moeten spelen in het afzetten van Mook.

En niet alleen Mook, vermoed ik.

Het is tijd voor een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Mijn nieuwe voeten roffelen de kilometers onder me vandaan. Het gebarsten, overwoekerde asfalt van de Rotterdamseweg wordt een veeg van groene en donkergrijze lijnen. Ik schiet een bus voorbij; het zes­span paarden lijkt stil te staan. De passagiers, waar­schijnlijk hoopvolle migranten onderweg naar het Schip Stad, zien me gelaten voorbij rennen; sommigen zwaaien zelfs.

Een kilometer onder Delft is de Schie verwijd tot een rommelig meertje. Brokstukken van Mooks sloep liggen verspreid rond de nieuwe water­massa. Een paar hoopvolle jutters neuzen door de restanten. De scherpe geur van explosieven besmeurt zelfs nu nog de lucht.

Ik zie geen delen van mezelf, en daar ben ik dankbaar voor.

Zo ver is mijn oude ik gekomen op zijn gedoemde tocht naar Mook. Ik voel alleen een vage melancholie, en een versterkt gevoel van urgentie dat mijn benen nog sneller doet bewegen. De neergestorte 747 ten noorden van Rotterdam echo’t het gevoel dat ik vlieg. Mijn spijkerbroek en overhemd klapperen als slecht gespannen zeilen. De wind van mijn voortgang giert langs mijn jukbeenderen, rukt aan mijn haar, schuurt mijn nieuwe huid tot ik begin te vrezen dat ik teveel van mezelf verlies.

– directief: pantser –

Mijn bots groeperen en trekken mijn huid strak; de luchtweerstand vermindert direct. Even overweeg ik een directief voor een meer aerodynamische vorm. Maar nee. Dit is snel genoeg.

En mijn menselijkheid is me dierbaar.

De brokkelige lijnen van Rotje kruipen over de horizon als het verrotte gebit in de onderkaak van de wereld. Ik dender de ruïnes van de oude havenstad in, langs een groepje Rotterdammers die geschrokken op­kijken van het open vuur waarboven ze God-weet-wat roosteren. Een straatvoetbalpartijtje stuift uiteen a;s ik het geïmproviseerde veldje doorkruis. Rotterdam was vroeger de grootste haven ter wereld, maar daar is natuurlijk weinig meer van over.

Behalve het Schip Stad.

 

#

Zwart en ongenaakbaar rijst het Schip Stad op uit het havenbekken, de huizenhoge letters MSC op de flank even vergeeld en rafelig als de naam ‘Oscar’ op de achtersteven. Pas als ik de laatste grote benzinesilo voorbij ren, realiseer ik me dat ik te snel ga, dat mijn aanstormen op een aanval lijkt. Ik rem mijn sprint tot een gemoedelijke jog, maar het is te laat.

Eerst de flits, vanuit de deuropening halverwege de flank van het Schip; dan de droge knal, die tussen de silo’s galmt; en direct daarop de inslag in mijn buik

– acuut trauma! – onderscheppen – afbuigen –

die me om mijn as doet spinnen en achterover werpt. De kogel trekt een onplezierige, gloeiendhete baan door mijn buik en borst

– afremmen – afkoelen –

alvorens tot rust te komen in mijn schouder.

– afbreken –

Het lood is welkom.

Heel langzaam krabbel ik overeind, mijn handen heffend zodra ik ze niet meer nodig heb voor balans. Mijn blik volgt de loopplank naar boven. Opgelucht herken ik de gestalte die haar geweer nog steeds op mij gericht houdt: een van de parttime-soldaten die het Schip bewaken voor de Burgervader. Ik denk dat ik haar naam nog weet.

‘Rami!’

Ze reageert niet, en de loop blijft bewegingloos op me gericht terwijl ik met mijn handen in de lucht naderbij loop. Ze reageert niet, maar ze schiet ook niet opnieuw. Ik hoop dat dat betekent dat ze heeft gezien wie ik ben.

Als ik dicht genoeg ben genaderd, bevestigt ze die hoop:

‘Jij bent dood, Groot-Alloceur!’

 

#

Rami volgt me zwijgend door de doolhof van roestige stalen gangen, nauwe trappetjes, tussen containers ingeklemde ravijnen en galmende open dekdelen van het Schip Stad. Geuren van roest en olie en af en toe een hint van verrotting overstemmen de zilte zeelucht. Uit honderden vierkante raampjes schijnt flakkerend-oranje licht. Naar de boeg toe klinkt het vloekende snerpen van een cirkelzaag, de galmende dreun van een smidshamer; op het Schip Stad staat de woningbouw nooit stil. Mensen die ons passeren groeten Rami, die stoïcijns doorstapt. Af en toe werpt iemand een tweede blik op mij; op herkenning volgen meestal ongelovig opengesperde ogen.

Rami’s welkom is niet veel verbeterd na dat eerste schot. Ze heeft me inderdaad herkend, maar mijn eerdere overlijden weegt voor haar duidelijk minstens zo zwaar. In mijn vorige incarnatie bezocht ik het Schip Staden de Burgervaderechter vaak, en dat heeft me geloof ik het voordeel van de twijfel opgeleverd. Toen ik haar zei dat ik dringend met haar baas moet praten, liet Rami me het Schip op. Dat haar eerste kogel me niet heeft geveld, weerhoudt haar er echter niet van om haar pistool nu van dichtbij op mijn achterhoofd gericht te houden.

We bereiken de deur van de opbouw. Boven ons priemt de stalen wand van de vuilwitte kolos ettelijke verdiepingen naar de donkerende hemel. Ik zie nog net de overhang van de brug en een vage schittering van de schuine ramen tegen de sterrenspikkelige indigo achtergrond, voor Rami me met een por van haar loop opdraagt naar binnen te gaan. Ik beklim de eindeloze reeks trappetjes, achtervolgd door het gerammel van het wapentuig aan haar gordel.

Elke trede voelt vertrouwd, en dat kalmeert de zorg ietwat die al sinds mijn activering als regen op de tent van mijn leven tikt: weet ik alles nog? Ben ik er nog helemaal? Mijn geheugen lijkt intact, maar zou ik het überhaupt merken als ik iets ben vergeten, als een deel van mijn persoonlijkheid de transpositie niet heeft overleefd?

En ik ben al veranderd. Rami heeft me neergeschoten, en ik ben weer opgestaan. Het voelt alsof mijn oude ik zich ergens in een hoekje van mijn geest hoofd­schuddend afvraagt hoe ik dat zo makkelijk achter me heb gelaten. Intussen laat ik mij door Rami naar boven dirigeren, onder schot alsof haar wapen wel een bedreiging vormt; mijn achterhoofd prikkelt en de alertheid die mijn ledematen doordesemt kan ik alleen angst noemen. De paradox maakt me lichthoofdigen zelfs die sensatie is een persoonlijk anachronisme. Het gedistribueerde neurale netwerk waarin mijn geest nu zetelt, ondersteunt geen lichthoofdigheid.

Als we de brug betreden, word ik begroet door een bitterzoet-vertrouwde stem.

‘Ferdi?’

Mijn oude liefde komt overeind uit de veel te grote leren bureaustoel achter het dode bedieningspaneel. Ze klautert op het paneel en loopt met korte, driftige pasjes op me af.

De Burgervader is in al die jaren dat ik haar ken maar weinig veran­derd. Haar hoge hoed heeft misschien iets geleden onder de tijd en de zilte omstandigheden, maar haar unieke modegevoel doet zich onver­minderd gelden in de flamboyante bermudavoor haar een wijde panta­lon tot op haar felrode pumpsen de gitzwarte top met witte sport­streep, waarop nog net het woord ‘Speedo’ te lezen is.

Ik dwing mezelf mijn armen uitnodigend voor haar te openen en we treffen elkaar aan het nabije einde van het bedieningspaneel. Ze beant­woordt mijn gespreide armen met de hare. Vaag merk ik de bewapende figuren op die in de hoeken van de brug toekijken, dan sluit ik haar tegen mijn borst. Haar armen vouwen zich om mijn flanken, terwijl ik bijna haar volledige gestalte omvat. De grauwzwarte hoed tuimelt naar achteren en stuit van het paneel op de grond; ik snuif de zoute, dierlijk-frisse geur van haar wilde kroes.

‘Va…,’ begint Rami.

Va negeert haar en praat tegen mijn borstkas.

‘Ik dacht dat je dood was, klootzak.’

Ik hou haar nog steeds tegen me aan gedrukt, maar iets in haar toon­zetting versterkt de argwaan in mijn achterhoofd. Ik ken haar te lang en te goed, we hebben te veel gepraat, om niet elke nuance van haar idioom op te pikken. Mentaal zet ik een eerste turfje.

Ik pak haar appelgrote schouders beet en houd haar op armlengte. Met alle genegenheid die ik op commando kan genereren, kijk ik haar diep in de staalgrijze ogen.

‘Ook blij om jou te zien, Va.’

Voor ze haar geopende lippen op de mijne drukt, is haar stralende glimlach heel even zichtbaar, te kort om te zien of die haar ogen haalt. Ik klem haar dichter tegen me aan en beantwoord de kus met gepast enthousiasme. Mijn sympathisch geheugen lijkt intact: een veelheid aan vleselijke herinneringen borrelt naar boven.

Dan drukt ze een harde, koude vorm tegen de nor­male anatomische locatie van mijn ribbenboog. Ik hoor de onmiskenbare metalen klik van een uitge­schakelde veiligheidspal. Ik heb ternauwernood de tegen­woordig­heid van geest voor het directief dat we voor juist zo’n gelegenheid hebben voorbereid

– directief: kurk –

voor ze de kus verbreekt en in mijn oor fluistert:

‘Ik ook, Ferdi.’

 

#

‘Jij bent dood.’

We staan in een onstuimige, kille wind, duizeling­wekkend hoog boven het dek van het Schip Stad en nog hoger boven het wateroppervlak van de haven. Va heeft me met afgemeten gebaren de externe brug­extensie aan bakboord op gedirigeerd, en houdt me kalmpjes onder schot. Achter mij weet ik de reling; ver achter Va lonkt de toegang tot de brug.

Ik haal mijn schouders op.

‘Duidelijk niet.’

Va schudt haar hoofd, maar de loop van haar pistool blijft beweging­loos op mijn borst gericht.

‘Je ging aan boord. De sloep voer weg. Hij knalde uit elkaar. Je bent dood, Ferdi.’

‘Dus je was erbij.’ Een frons flitst over haar gelaat voor ze haar uit­drukking weer in de plooi krijgt. Ik voeg een verticaal streepje toe aan mijn mentale turflijst.

‘Ik was te laat.’

Ik glimlach.

‘Alles is relatief. Voor mijn doeleinden was je precies op tijd.’

Die bewering heeft het gewenste effect. Va fronst en kijkt enkele seconden met opeengeperste lippen opzij. Dan krullen haar mondhoeken omhoog, synchroon met haar verraste wenkbrauwen.

‘Een kloon?’

Ik schud mijn hoofd.

‘De kweek zou te tijdrovend zijn geweest. En bij mijn weten is er nog niemand in geslaagd om het trans­positieprobleem op te lossen.’

‘Dan’ Haar vinger glijdt rond de trekker. ‘heb je nu vijf seconden om me te overtuigen.’

‘Negen keer,’ zeg ik prompt, hoewel haar wapen geen werkelijke be­drei­ging is. En als ik nog longen had gehad, zou ik mijn adem inhouden.

‘Hoezo, negoh.’ Een vuurrode blos verpest haar onbewogen pose. Zij is net zo min als ik het type om op te scheppen over onze seksuele escapades. En ze kan zich nog herinneren hoe vaak achter elkaaral heb ik haar nooit bekend dat ik de laatste drie had moeten voorwenden. ‘Oké. Oké. Je bent het echt.’ Ze laat haar wapen zakken, en de ergste spanning kruipt uit haar ledematen. ‘Zeg het maar.’

‘Laten we zeggen… een back-up.’

Het was verre van moeilijk geweest na mijn ver­kiezing tot Groot-Alloceur vijanden te maken. De schaarste is eenvoudigweg te groot, de belangen te zwaarwegend; ik was weliswaar democratisch gekozen, maar lang niet iedereen was bereid zich te schikken in mijn visie. Ik wist dat er een einde moest komen aan Mooks monopolie op de laatste olie­voorraden, en dat daar een einde aan zou komen zodra we de wind­molens weer operationeel hadden. ‘Ik had de mensen een einde aan de energietekorten beloofd, en dat ging ik ze ook geven’

‘Maar je had er niet bij gezegd wanneer, Ferdi.’

‘Op korte termijn. Mijn plan vergt voorbereiding, onderzoek, tech­neuterij. Maar het is wel uitvoerbaar, Va!’

Mijn onmachtige voorgangers hadden zich bezig gehouden met de herverdeling van de schamele resten, binnen de grenzen die Mook ze had opgelegd. Ik dachten denkgroter. Een einde aan de afhanke­lijkheid van de slinkende voorraden; een einde aan de macht van de Mast, aan Mooks monopolie op de resterende olie.

‘Met een handjevol windmolens, Ferdi?’

‘Zoiets ja,’ zeg ik, en glimlach.

 

Twee Jaar Geleden

Met veel gespetter baande de opgelapte dinghy zich een weg door de branding. Zout water prikkelde Ferdi’s lippen; zijn ogen knipperden. De roestige buiten­boord­motor brulde, haperde, sloeg weer aan, terwijl achter ze vette blauwe rook walmde. Met één hand hield hij zich vast aan de tros die langs de oranje rubber boorden was gespannen; met zijn andere wees hij naar de einder.

‘Iets noordelijker, Kim.’

Kim stuurde bij en de dinghy begon schuin op de eindeloze golvenrijen te stuiteren, de motor grom­mend in het ritme van de schuimkoppen.

‘Mist.’

Ferdi keek opzij en knikte glimlachend naar Saladin. Zijn techneut zou geen twee woorden gebruiken als één volstond; hij sprak liever in diagrammen, gereed­schap, gebaren.

‘Volgens mij ligt die mistbank vóór het veld.’

Sal knikte en Kim gaf meer gas. De mistbank zwol en grijswitte flarden schoten links en rechts voorbij. Al gauw was er om hen heen geen tien meter zicht meer.

Ferdi’s maag verkrampte en zijn scalp trok prikke­lend op. Naast hem leek zelfs Sal onder de indruk. Dit was het moment. Hier hadden ze jaren naartoe geleefd; hiervoor hadden ze illegaal een tank benzine ont­trokken aan de slinkende noodvoorraad. Formeel had Ferdi daar als Groot-Alloceur volledige zeggen­schap over, maar de ongeschreven regel was dat die brandstof alleen in de meest urgente noodgevallen mocht worden aangesproken.

En niemand behalve hijzelfen Salzag hierin een noodgeval.

Een reusachtig verticaal silhouet schoot aan de linkerkant voorbij. Even later scheerden ze rakelings langs een huizengrote ronde vorm aan de rechterkant. De mist dunde uit tot losjes samenhangende flarden. Hij ving glimpen op die hij vooralsnog weigerde te geloven.

Toen braken ze de mistbank uit, en in het volle zonlicht ontrolde het windmolenveld zich voor hen. Kim floot en hij liet het gas los. Sals mond viel open. De boeg zonk terug in het water; de dinghy deinde en danste.

Lange, kaarsrechte schaduwen sloegen het water­oppervlak aan stroken; zwiepende, roterende schadu­wen geselden hun boot. Een diep, ritmisch zoemen kietelde aan de ondergrens van zijn gehoor. Van einder tot vaalblauwe einder groeide een boven­maats, wit, dolgedraaid bos.

‘Hoehoeveel denk je?’

‘Honderden.’ Zelfs Sals antwoord ging aan het eind verwonderd omhoog.

Hij zuchtte.

‘Je weet wat dit betekent, he?’

Ferdi keek opzij. Sal nam zijn hand en keek hem aan met een blik vol liefdevolle weemoed. Toen haalde hij zijn vinger over zijn keel.

‘Yep.’

 

Avond

Ik ruk me los uit mijn herinnering.

‘Het zijn er honderden, Va. Honderden, en ze draaien nog.’

De Groot-Alloceur heeft weliswaar de absolute autoriteit over de herverdeling van de beschikbare energie, en wordt voor het leven benoemd, maar het is maar één individu. In het ongemakkelijke evenwicht tussen de het Schip Stad en de Mast kan de Alloceur slechts handelen met het goedvinden van beiden. En met de onevenredig grote macht van de Mast heeft dat in de praktijk altijd betekend dat de Groot-Alloceur de facto uitsluitend mondjesmaat de bronnen van de Mast herverdeelten daarvoor de percentjes int.

‘Jij weet beter dan ik hoeveel van de welvaart van het Schip naar de Mast stroomt.’ Ik sta mijzelf een kleine, ironische glimlach toe terwijl ik naar het gezicht tegenover me kijk, dat nadrukkelijk neutraal knikt. ‘Maar weet je ook hoe de Achterlanden er aan toe zijn? Ik ben er geweest, Va. Elke winter sterven er honder­den omdat ze zich niet warm kunnen houden. Hun oogsten vloeien naar het westen in ruil voor energie, en zelf houden ze amper iets te eten over. De Groot-Alloceur dient het belang van allen, staat in het Manifest. Laat me niet lachen. Hij dient al tijden louter die maniak in de Mast.’

Ik heb er nooit aan getwijfeld: als ik echt iets wil bereiken als Groot-Alloceur, als ik de resterende puinhopen van de wereld wil veranderen, dan moet ik eerst de macht van de Mast, van Mook, breken. Maar de verkiezing voor het leven had me vooral een doelwit gemaakt, vanaf het moment dat ik de eerste hints van mijn plannen vrijgaf.

Mijn eigen sterfelijkheid was mijn grootste obstakel.

‘Dus om te beginnen moest ik sterven.’

Va schudt haar hoofd.

‘Waarom?’

‘Denk na, Va! Om mijn plannen te verwezenlijken heb ik tijd nodig, veel tijd. Jaren, decennia; misschien wel meer tijd dan me überhaupt nog restte. Zeker meer tijd dan Mook me gunde. Ik ken hem te goed, Va: hij waant zich onaantastbaar in zijn toren, met zijn benzine­monopolie en de macht die daaruit voortvloeit. Maar zelfs Mook komt niet weg met de moord op de Groot-Alloceur.’

‘Dus om de mensen in opstand te laten komen tegen Mook, liet je jezelf vermoorden. En hier ben je weer. Hoe, Ferdi? Hoe?’

Ik wuif haar vraag weg, en vervolg met mijn leugen.

‘Ik verwacht dat de Mast nog niet van mijn terugkeer weet, maar de tijd dringt. Mook moet weten dat ik nog leef, dat ik nog Groot-Alloceur ben, en dat zijn tijd voorbij is. Maar die confrontatie moet ik wel zo snel mogelijk aangaan, voor hij gelegenheid heeft gehad om een vervanger naar voren te schuiven.’

Haar wenkbrauwen fronsen, en als ze weer spreekt is haar stem koud en bits.

‘Wat doe je hier dan?’

Eigenlijk weet ik al zeker wat het volgende antwoord zal zijn. Het antwoord zelf maakt niet eens meer verschil; het hoe zal de doorslag geven. Ik slaak een mentale zucht terwijl ik mijn open blik vol genegen­heid op zijn plek houd. Ik weet dat ik een grote, complexe prijs betaal voor mijn plannen, maar het zou zoveel… beter te dragen zijn als dit niet een van de aflossingen was.

‘Ik heb je nodig, Va. Ik weet nog niet precies hoe of wanneer, maar ik heb je nodig. Daarom ben ik hier. Ik heb één vraag voor je.’

‘Wat?’ Ze houdt vast aan haar bitse toon, maar haar stem is zachter; mijn toegave van kwetsbaarheid heeft het gewenste effect.

‘Saladin is dood, Va.’ Na een korte, maar onmis­ken­bare aarzeling spert ze haar ogen open en slaat ze een hand voor haar mond. Ze is altijd jaloers gebleven, maar ze mocht hem wel. ‘Sal is dood, en hij was degene die volgens ons plan mijn identiteit, mijn continuïteit zou bevestigen, naar jou toe, naar Mook toe, naar de mensen. Alleen als ik nog leef, nog ben wie ik ben, ben ik nog Alloceur. Zonder Sal ben jij de enige die mijn identiteit kan bevestigen.

‘Kan ik op je rekenen?’

Ze aarzelt niet. Helemaal niet. Niet de minieme pauze van verrassing over de aard van de vraag; niet de iets langere stilte van gevleid contem­pleren; niet de aarze­ling van een werkelijke overweging. Ze slikt de leugen van ons naïeve, losgelaten plan, en antwoordt meteen.

‘Natuurlijk, Ferdi. Voor jou: natuurlijk.’

Ik zet een derde streep bij de mentale turfjes die ik al heb. Terwijl ik haar opvang als ze in mijn armen springt, en haar omhelzing in ont­vangst neem, worste­len mijn emoties met de afwezigheid van traan­klieren.

 

#

 

Op de bovenste trede van de trap naar het dek blijf ik even staan als ze me naroept.

‘Een hint, Ferdi?’

Ik weet wat ze bedoelt. Achteloos wrijf ik met een duim een veeg van mezelf over de binnenkant van de deur naar de brug.

‘Nano,’ roep ik over mijn schouder, en vertrek.

 

Nacht

Aan de voet van de Mast, in het verrassend heldere water van Parkaven, ligt een exotisch paleis verzakt in de modderige bodem, de in verval geraakte residentie van een psychotische Poseidon. Ik slalom tussen de half vergane dakspitsen, waarvan het oorspronkelijke oranje grotendeels is verborgen onder decennia algen, modder, afval en drek. De chaos van tafels en stoelen achter de gebroken ramen maakt het raadsel van dit gezonken bouwwerk nog groter. Een deel van me wil onder water blijven, het mysterie verkennen, maar ik herken die neiging voor wat hij is: tegenzin om de confrontatie aan te gaan met Mook.

Bovendien begint de kou mijn componenten te vertragen. Ik moet het water uit.

Ik klauter op de kade die het park aan de voet van de Mast omgordt, hand- en voetsteun vindend aan brok­kelend beton en verroeste beton­ijzers, gaten en kieren, en zo nodig een Gekko-directief. Met mijn elle­bogen op de rand peil ik de omgeving.

De waterkant is in onregelmatige stukken verdeeld door roestige autowrakken op verpulverde banden, als kantelen op een apocalyptisch waterfort. Er voorbij zijn groenstrook, weg en park nauwelijks meer van elkaar te onderscheiden, het oude asfalt een chaos van brokken, scheuren en woekerende planten. Verder land­in­waarts, vanaf de voet van de Mast, waar Mook de toegang tot zijn hoofdkwartier toegankelijk houdt, is het plaveisel in iets betere staat. Water lekt uit mijn kleding, tussen mijn schouderbladen, door mijn kruis.

Ik zie geen beweging.

Onderweg door de Nieuwe Maas heb ik talloze benaderingen opnieuw overwogen en verworpen. De eenvoudigste lijkt me uiteindelijk de meest effectieve: doodgemoedereerd naar de entreehal wandelen waar­uit de schacht van de Mast oprijst als een kolos­sale betonnen boomstam. Misschien boog ik daar­mee te zeer op Mooks arrogantie en nieuws­gierigheid; mis­schien ga ik te gemakkelijk uit van mijn eigen robuust­heid. Het schot van Rami heeft me misschien over­moedig gemaakt. Maar ik merk dat ik niet bang ben. Ik geloof niet dat Mooks mensen me veel kunnen doen.

Het uitblijven van enig teken van leven baart me echter zorgen. In het verleden had Mook zelfs op dit late tijdstip altijd wel een half dozijn van zijn bendeledenof soldaten, als je het hem of henzelf vraagtrondom de toegang tot zijn domein gestatio­neerd, net zozeer als machtsvertoon als voor werkelijke bewaking.

Hun afwezigheid ruikt naar valstrik. Nog een turfje.

Valstrik of niet, het verandert weinig aan mijn benadering. De kans is niet groot dat Mook over krachtige explosieven beschikt. Langs de route van mijn positie naar de ingang is in het duister bovendien voldoende beschutting van het verwilderde struik­gewas. Ik kan veilig zo dicht naderen dat Mook de schade aan de Mast niet kan riskeren.

Vier meter van de ingang tot de entreehal blijkt hoezeer ik me daarin vergis.

Twee bendeleden stappen de dubbele glazen deuren uit. Door de glazen pui had ik ze niet gezien; nu pas merk ik de gekantelde tafels op die binnen zowel een verdedigingsbarrière als een schuilplaats vormen. Ik herken de kale met de baard: Paul? Ze dragen wat nog het meest op dikke lompe geweren lijkt, met slangen verbonden met de logge tanks op hun rug.

Mijn kansen lijken te keren.

Vuurwapens baren me weinig zorgen. Steek- en slagwapens evenmin. Maar vuur, vuur is een probleem, vermoed ik. Ik heb nog niet getest in hoeverre mijn nieuwe lichaam hittebestendig is, maar mijn bots zijn waarschijnlijk te klein om meer dan een paar seconden stand te houden.

Vlammenwerpers. Ik zet mijn laatste mentale turfje.

Ik draai me om.

Een rokende, stinkende, geel-oranje vlag, zeker vijf meter lang, snijdt me schuin de weg naar links af. Een tweede voegt zich erbij in de andere richting. Tegenover me, door de trillende hitte van het benzine­vuur, zie ik nog twee soldaten die ik niet ken. Hun gezichten, zwetend in het licht van de vlammen, grijn­zen als ze zich in beweging zetten.

Shit.

Koortsachtig schat ik mijn defensieve kansen, over­weeg ik een nood­directief te formuleren. Maar voor ik tot daden kom zijn de twee al zo dicht genaderd dat de hitte ondraaglijk wordt. Ik heb geen keus dan terug te wijken. Nog voor ik me omdraai hoor ik de andere twee vlam­men­werpers aanslaan en voel ik een wolk van hitte tegen mijn rug rollen. Als ik me heb omgedraaid, blijken de twee soldaten bij de ingang uiteen te zijn geweken. Een krimpende corridor van stinkend vuur biedt me maar een uitweg: de entreehal in.

Paul, of hoe hij ook heet, gebaart met zijn hoofd. De boodschap is helder, en ironisch genoeg zelfs welkom. Ingebakerd in de flakkerende hitte wandel ik behoed­zaam de entreehal in.

De hal is zeker twee keer zo hoog als de vorige keer dat ik er was, en verlicht met rokende fakkels. Naast de dubbele liftschacht zijn de plafonds doorgebroken om plaats te maken voor een immense tredmolen, waarvan de as de schacht doorboort. Onderin de tredmolen liggen vijf naakte, zwaarlijvige figuren gelaten te wach­ten. Een snurkt; de anderen richten zich zuchtend op.

Kennelijk wil Mook zelfs de energie voor zijn lift niet meer missen.

Binnen laten Paul en zijn makkers hun vlammen­werpers doven. Ik vroeg het me al af, en glimlach inwendig. Mook heeft misschien een goed wapen gevonden tegen mijn kennelijke onkwets­baarheid, maar de inherente zwakte ervan niet goed doordacht. Ik laat me gewillig de rechter lift in diri­geren. Een van de soldaten trekt een knuppel met twee stalen punten. Terwijl hij naar de tredmolen loopt, laat hij een blauw­witte boog tussen de punten knetteren; de liftslaven zetten zich in beweging. De snurker krijgt de stok in zijn flank en komt tot een bruut schokkend ontwaken. Paul en een van de anderen voegen zich bij me in de lift, en kreunend en krakend begint de lange weg naar boven terwijl de buisverlichting met een glasachtig tingelen aanspringt.

Vanuit de twee hoeken van de lift houden ze me vanonder hun wenkbrauwen in de gaten, hun vingers om de trekkers van de vlammen­werpers, de gelige ontstekingsvlammetjes lui likkend aan de lopen. Ik heb nu de rust voor een geïmproviseerd nooddirectief, maar besluit het risico niet te nemen van een benzine­brand in deze kleine ruimte. Ik schenk de twee een scheve glimlach en wacht tot we boven komen.

Mook heeft een van de oorspronkelijke hotelsuites, negentig meter boven het park, in gebruik als zijn kan­toor en ontvangstkamer. Als de lift met een vervaarlijk piepen tot stilstand komt, trekt Paul de schuifdeuren open en gebaart me de foyer in. De dubbele deuren naar de suite staan uitnodigend open.

Bij mijn binnentreden springt Mook op van een versleten groezelig-witte leren bank aan het andere einde van de ruimte. Breed lachend en met open­gesperde armen komt hij op me af.

‘Groot-Alloceur!’

De twee soldaten staan nog steeds achter me, bij de deur, hun ogen op mij maar hun vlammenwerpers nonchalant naar beneden gericht. De smalle, diepe suite is ingericht met houten meubilair en de aftandse gordijnen lijken van kunststof. Mijn positie is het geometrisch midden van de scherp gepunte driehoek met Mook aan de apex en de soldaten aan de basis. Ik sta mezelf een glimlach toe. Niemand zal hier zijn vlammenwerper willen opendraaien.

Dan kom ik in actie.

Mook schrikt niet. Ik zet mezelf in beweging, ren op hem af met uitgestrekte armen en geklauwde handen, zeker dat de kerels achter me niets kunnen doen. Dat doen ze ook niet.

Maar Mook blijft kalm staan en beantwoordt mijn glimlach.

Het klopt niet.

Halverwege de suite loopt een smalle band van glanzend blauw metaal langs de muren, over het plafond, zelfs op de vloer, een rechthoek van metaal en plastic die de suite omgordt als een portaal. Het portaal triggert een herinnering. Voor ik die scherp kan krijgen, zie ik een tweede identiek portaal voor me.

Mook tilt zijn hand op.

Hij heeft een zwart doosje vast.

Hij drukt op een knop.

Een bijna onhoorbaar zoemen klinkt van opzij en boven en onder. Achter me begint iets schrapend te schuiven.

Twee stappen en ik smak tegen een onzichtbare wand. Mijn hoofd wordt opzij gedrukt terwijl de rest van mijn lichaam er tegenaan smakt.

Ik zet mezelf verbijsterd af tegen de onzichtbare muur, die nauwelijks meegeeft onder mijn handen. In een flits zie ik Mook met een scheef hoofd glimlachen. Ik draai om mijn as en smak met mijn schouder tegen een andere barrière. Het eerste portaal is langs de wanden naar me toe geschoven en dwingt me verder, naar Mook. Ik zwiep mijn linker been omhoog en trap met al mijn kracht vooruit. Mijn blote voet smaktwacht. Mijn blote voet? Ik draag sokken en stevige wandelschoenen. Ik duw nogmaals vooruit en ontegen­zeglijk voel ik de barrière mijn naakte voet blokkeren, terwijl de zolen van mijn sokken en schoenen er probleemloos doorheen gaan.

Plots weet ik waarom de zilverblauwe stroken me bekend voorkomen.

Ons grootste probleem in het nanolab was altijd insluiting geweest: hoe houden we autonome, vrijwel oneindig veelzijdige robots op nanoschaal binnen de muren van het laboratorium? Zolang we de omzetters inactief hielden, voldeden de muren, maar we moesten zelf wel in en uit. Kim had een manier bedacht om een veld te genereren dat macro-objecten doorlaat, maar niets op nanoschaal. Mook had kennelijk om zich heen gegraaid voor hij het lab verwoestte.

Het schrapende geschuif zet door en ik word vooruit geduwd. Al gauw sta ik vastgeklemd in de tussenruimte tussen twee van Kims nanobarrières. Mijn pogingen om bewegingsvrijheid te houden hebben er alleen toe geleid dat ik met armen en benen wijd klem sta.

Ik heb Mook vaak vergeleken met een spin in een web. De ironie is te snijden.

‘Ferdi!’

Op een handvol meters blijft Mook staan. Als hij het woord neemt, lopen de melodieuze zinnen en enthousiast-hoge tonen over van triomf en zelfgenoeg­zaamheid.

‘Wat een verrassing. Ik dacht dat die bom in de sloep genoeg zou zijn, maar zoals je merkt was ik voorbereid op teleurstelling.’

Hij laat een lach horen die alleen zijn mond vervormt. In gedachten vloek ik terwijl ik mijn opties verken. Die zijn zorgwekkend dun gezaaid. Alles wat ik kan, alles wat ik ben, is nanotech. Ik heb niet eens een wapen bij me op macroschaal. Ik zou hoogstens mijn kleding naar hem kunnen werpen, als ik tenminste genoeg kon bewegen om me ervan te ontdoen. Ik zit vast. Ik zit vast, en ben overgeleverd aan de genade van een gangsterbaas die me al jaren haat.

Ik bedenk dat ik ten minste mijn voordeel kan doen met zijn spraak­zaamheid

– directief: opname –

maar zelfs dat voelt pro-forma.

‘We zijn niet zo verschillend, jij en ik, Ferdinandt. Jij hebt jezelf laten opblazen, in het volste vertrouwen dat je back-upplan zou werken. En je had gelijk, want hier sta je. Ik heb je tot hier laten komen in het volste vertrouwen dat mijn tegenmaatregel zou werken. En ik had gelijk, want je kan geen kant meer op.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Als ik me indenk wat wij samen wel niet hadden kunnen bereiken…’

‘Hoe wist je het?’ vraag ik, opgelucht dat ik nog kan spreken. Zijn ogen schieten naar linksboven, maar ik was er sowieso al van overtuigd dat hij zou liegen.

‘Wat denk je? Al je grootspraak over eerlijke ver­deling van energie, maar intussen de dikst mogelijke kabel naar het oude nanolab in 020? Zo ingewikkeld was het niet. Het leuke is,’ zegt hij, terwijl hij terug loopt naar de witte bank, ‘dat jullie nanoveld letterlijk alles doorlaat behalve nanodeeltjes. Alles.’ Hij gaat op zijn knieën op de bank zitten en buigt over de rugleuning. Met gemoffelde stem gaat hij verder. ‘Mensen. Dingen. Lucht. En…’ Met een zwierig gebaar komt hij weer overeind en naar me toe. ‘Vuur.’ Hij toont me de lasbrander die hij tevoorschijn heeft gehaald. Hij ontsteekt het apparaat en draait aan de regelaar tot zich een ijzingwekkend blauwe vlam aftekende.

Een lasbrander. Draagbaar, beheersbaar, en ver­nie­tigend heet.

Mook brengt de vlam steeds dichter bij mijn rechter­hand, die in mijn eigen blikveld ingeklemd zit tussen de twee nanovelden. Hij concentreert de punt van de vlam op de basis van mijn pink. Pijn als zodanig voel ik niet meer, maar de ontelbare signalen van oververhitting en verlies van eenheden zijn erg genoeg. Mijn nieuwe lichaam schreeuwt om een vlucht terwijl mijn bots met duizenden tegelijk uitvallen. De rook passeert het nanoveld, maar genoeg ervan blijft hangen om mijn sensoren te irriteren. Veel te snel heeft hij door de knokkel heen gebrand en tuimelt mijn pink naar beneden.

Mook haalt de vlam weer uit mijn buurt.

‘Hm, geen bloed,’ mompelt hij tegen zichzelf. ‘Zeg eens eerlijk, Ferdi: verwachtte je echt dat het de mensen zou boeien dat ik je had vermoord? Dacht je echt dat ze in opstand zouden komen? De Mast zouden bestor­men?’ Hij doet een stap opzij om me te kunnen aankijken. ‘Me zouden omverwerpen?’

Ik gruw van zijn wijd opengesperde ogen, zijn pupil­len net te groot, en die verkrampte grijns om zijn mond. Niet omdat hij eruit ziet als een maniak, maar omdat hij er nauwelijks anders uitziet dan die Mook die vroeger mijn vriend was. Opeens weet ik niet meer zo zeker dat ik degene ben die is veranderd.

Maar dat moet wel. Want de Mook die ik kende zou nooit Sal hebben gemarteld om onze plannen te achterhalen.

‘De plannen zijn gewijzigd, Mook. Dat omverwerpen doe ik persoonlijk.’

Hij blaft weer een van zijn vreugdeloze lachjes.

‘Geloof je het zelf? Volgens mij zijn je kansen al verkeken. Want laten we wel wezen, Groot-Alloceur: met je lichaam van nanobots, en je gedistribueerde draadloze neurale netwerk, en al je kunstjes, ben en blijf je nog steeds maar… een mens.’

Direct razen mijn gedachten op topsnelheid. Achteloos laat ik mijn pink terug integreren met mijn enkel terwijl Mooks woorden tot mij door­dringen. Met al mijn kunstjes ben ik nog steeds een mens? Hij heeft verdomme gelijk. Zo heb ik me gedragen, zo heb ik me opgesteld. Vast­houdend aan mijn menselijke vermo­gens, rennend van het lab naar het Schip Stad; zelfs mijn zwemtocht naar de Mast heb ik in schoolslag gedaan.

Vasthoudend aan mijn menselijke vorm.

Dezelfde menselijke vorm die nu klem zit tussen twee nanovelden.

Er is misschien een halve seconde voorbij sinds Mooks woorden. Ik geef een subsectie opdracht een robuust nooddirectief te formuleren, terwijl ik de strook muur tussen de twee veldgeneratoren bestu­deer. Al gauw zie ik wat ik wil zien. Nog een halve seconde later is het nooddirectief voltooid. Voor Mook is er nauwelijks tijd voorbij gegaan. Zijn wenk­brauwen gaan vragend omhoog.

Ik geef hem mijn reactie

– directief: luidspreker –

zonder mijn mond te bewegen.

‘Allang niet meer,’ laten mijn bots de lucht resoneren.

Een moment later dwarrelen

– nooddirectief: cellofaan –

mijn kleren op de grond.

– wolkdispersie – doelwit: muren – doelwit: plafond – doelwit: vloer –

Mooks techneuten hebben broddelwerk geleverd. De stroken van de nanoveldgeneratoren zitten nergens strak tegen de muur. Hier en daar heb ik tienden van millimeters ruimte, maar bijna overal heb ik genoeg. Ik glijd er tussendoor terwijl ik in het voorbijgaan

– directief: kompel –

de ruimtes vergroot om sneller te kunnen gaan. Een deel van mijn optische sensoren houd ik op het midden van de kamer gericht.

Mooks ogen en mond vallen open nu de man die hij dacht gevangen te hebben voor zijn ogen is opgelost. Zweetdruppeltjes springen op zijn voorhoofd tevoor­schijn. Zijn ogen flitsen naar links en rechts voor hij in actie komt. Moediger dan ik heb had ingeschat stort hij zich door de dubbele nanovelden.

‘Vuur!’ Weg is de geamuseerde, spottende toon; Mooks stem draagt nu louter paniek. De twee soldaten staren verbijsterd. Mook grist Paul de vlammenwerper uit handen en opent de regelaar wijd.

Een meterslange, krioelend-oranje vlam stort zich uit over de suite. Links, rechts zwiept hij het vuur, dat gretig voeding vindt in de witte bank en de rest van het meubilair. Zelfs de vloerbedekking begint te smeulen.

Zelf ben ik allang langs de wanden achter de soldaten geschoven. Bij de deuren groepeer ik

– directief: sabotage –

en wacht ik af tot mijn ingreep effect heeft.

Mook staat achter de soldaten, vlak bij waar ik bezig ben mijn mense­lijke vorm weer aan te nemen, als de tweede soldaat zijn regelaar weer open zet. Kleine vlammetjes lekken uit het mondstuk en landen op de vloer. De plas die door mijn sabotage-directief uit zijn tank is gelekt, ontvlamt onmiddellijk. De lage blauwe vlam grijpt om zich heen, omcirkelt zijn voeten, vindt het pad naar boven. Hij slaakt een gil als de brandstof­tank vlam vat. Gillend, brandend als een toorts, wan­kelt hij door de suite en voegt zijn bijdrage toe aan de talloze haarden die overal aan het interieur likken.

Paul wringt zich uit de schouderbanden van de brand­stoftank en maakt zich uit de voeten. Ik laat hem gaan.

Brullend zet Mook de regelaar weer wijd open, geen acht slaand op zijn nog steeds brandende medewerker, die blind door de suite struikelt. Ik geef mijn bots

– directief: diamant –

een nieuwe opdracht voor ze ook zijn vlammen­werper onklaar hebben. De brandende soldaat zijgt ineen; zijn gegil verstomt. Nu pas neem ik mijn volledige, solide vorm weer aan.

En haal uit, zo hard ik kan.

Mijn arm zwaait op volle snelheid tegen Mooks hoofd. Hij zwiept opzij in een halve radslag en verliest zijn grip op de vlammenwerper. Half tegen het raam komt hij tot stilstand, bloedend uit zijn linkeroor. Hij ziet mij en krabbelt ongecoördineerd overeind.

Ik kniel om de vlammenwerper te pakken, sta weer op met de loop op hem gericht.

Achter hem kruipt een dunne lijn langzaam over de ruit.

‘Reken het jezelf niet te zeer aan, Mook. Ik begin de mogelijkheden ook pas net te ontdekken.’

‘Schiet maar. Waar wacht je op?’

‘Toen je mij had opgeblazen, Mook, toen heb je Sal opgezocht, nietwaar? Sal, die nooit iets anders wilde dan bouwen. Weet je hoe lang ik Sal al kende, Mook? Weet je hoe lang ik al met hem samenwerkte? Hoe lang hij al mijn vriend was? Mijn geliefde?’ Terwijl ik spreek, loop ik op Mook af, en wijkt Mook achteruit, tot hij met zijn rug tegen het panoramaraam staat. ‘Dat je mij te grazen hebt genomen, dat respecteer ik. Ik vormde een bedreiging voor je imperium. Dat risico had ik genomen. Maar niet mijn team, en niet Sal. Je hebt hem van het dak laten gooien, Mook. Hij deed geen vlieg kwaad, hij was geen bedreiging voor je, en je hebt hem de dood in laten gooien.’

Mook gaat wat rechter staan tegen het raam.

‘En hij gilde! Hij gilde het hele eind naar beneden, en toen spatte hij met een vette, natte smak uit elkaar!’

Ik wijs de loop omhoog en grijp zijn keel met mijn andere hand.

‘Ga jij ook gillen, denk je?’

Mook werpt een onwillekeurige blik over zijn schouder.

‘Mij maak je niet bang, Ferdinandt. Dat is onbreek­baar glas.’

‘Niet meer.’

Ik trek Mook naar me toe en werp hem met kracht tegen het raam. Het glas barst langs de vers geslepen groef, en een grote halfronde sectie tuimelt achterover. Even lijkt Mook naar buiten te zweven op een vleugel van glas; dan kantelt het raamdeel en glijdt hij er vanaf. Om en om tuimelen raam en Mook, Mook en raam; kleiner en kleiner worden ze. Vrijwel geluidloos door de hoogte smakken ze uiteindelijk gezamen­lijk uiteen aan de voet van de Mast, in een wolk van scherven en bloed.

 

#

De entreehal is uitgestorven; kennelijk is mijn faam me vooruit gesneld bij monde van de gevluchte soldaat. Een paar dozijn bots maken korte metten met het slot van het looprad.

‘Maak dat je wegkomt.’

Ik wacht niet af of de liftslaven in beweging komen, maar loop naar buiten. Op tien meter van de ingang draai ik me om, wijs naar de Mast, en blaas over mijn vingertop.

– directief: Von Neumann, zelflimiterend –

Een wolkje nanobots maakt zich los van mijn vingertop en dwarrelt naar de voet van de Mast.

– directief: bever –

Het is tijd voor nog een bezoek aan de Burgervader.

 

#

Rami laat me probleemloos binnen en loopt met me mee naar de opbouw. Ze slaagt er bewonderens­waardig goed in om haar verbazing te verbergen over mijn naakte, seksloze verschijning. Mooks kleren waren te klein; het was praktischer om fatsoen te betrachten met een Ken-directief.

Va komt aarzelend op me af, haar gezicht een moeilijk peilbare menge­ling van opluchting, verbazing en angst. Angst om wie ik blijk te zijn, nu ik heelhuids terugkeer van de Mast? Of…?

Eigenlijk weet ik het antwoord al, maar ik moet het zeker weten. Ik wrijf weer met mijn duim over dezelfde plek op de deur, en luister even naar de opname. Dan knik ik weemoedig.

‘Ferdi! Je bent terug!’ Ze springt in mijn armen en ik omhels haar alsof ze een natte hond is. ‘Wat is er gebeurd?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Niet hier.’ Ik gebaar naar Rami en de bewakers. ‘Laten we naar boven gaan.’

Ze gaat me voor naar de brug. In de verte, links van de chaotisch slap hangende witte kabels van de Stervende Zwaan, prijkt de Mast. Het verrast me nauwelijks te zien dat de vlammen om zich heen hebben gegrepen: de lange toren lijkt de kaarsrecht neergeplante fakkel van een reus. Haar plotselinge ademteug achter me vertelt me dat ze het ook heeft gezien.

‘Mook is dood, Va. Mooks tijd is voorbij. De tijd van de Mast is voorbij.’

‘Dat is… dat is mooi, Ferdi. Maar Mook is maar een man. Zijn organisatie sterft niet met hem. De Mast is een symbool. Er komt weer een nieuwe Mook.’

Een trilling vaart door de brandende toren, hevig genoeg om van deze afstand zichtbaar te zijn.

‘Dat denk ik niet. Kijk.’

Door de vlammen is het moeilijk te zien, maar de beweging wordt heviger. Na enige tijd staat de Mast onmiskenbaar uit het lood. Ik hoop dat de liftslaven tijdig zijn ontkomen.

Va maakt een onwillekeurig piepend geluid.

De brandende bovenverdieping van de mast zakt opzij, eerst langzaam, dan steeds sneller. De vlammen trekken een oranje boog door de nacht­lucht. De Mast valt uit het zicht.

‘Ik neem het over,’ zeg ik zonder om te kijken. ‘De Mast was een symbool, dat ben ik met je eens. Mook is weg; de Mast is weg. Ik neem de macht over.’

Ik draai me om.

‘Ik hield van twee mensen, Va. Van jou, toen ik nog dacht dat jij ook van mij hield.’ Haar gezicht trekt in een grimas. ‘Van jou, en van Sal. Maar Sal was een mens, en Mook maakte de vergissing te denken dat ik dat ook nog ben. Mook, en jij, Va.’

– directief: afspelen –

De audiokwaliteit laat te wensen over, maar de verstaanbaarheid is goed genoeg, en haar stem is onmiskenbaar.

‘Mook: Va. Hij was hier net; hij is nu onderweg naar jou.’

De opname valt stil, alsof hij de andere kant van het gesprek niet heeft opgevangen.

‘Niet echt, maar hij heeft wel één woord losgelaten: nano. Je had dus gelijk. Wees voorzichtig.’

‘Ferdi, ik ’ Va heft haar handen bezwerend in de lucht.

‘Ik had rekening gehouden met Mook, Va, maar jij? Jij ook? Heb ik zozeer onderschat hoe gehecht je was aan de status quo?’

Va laat haar handen zakken en haar masker varen. Haat trekt haar neus op; furie fronst haar voorhoofd.

‘Kijk om je heen, Alloceur.’ Ze blaft de titel als een scheldwoord. ‘De wereld ligt in puin. Pakken wat er te pakken is, meer is er niet. Jouw idealisme? Daar lach­ten we samen om, Mook en ik.’ Ze reikt achter zich en trekt haar pistool uit haar broekriem. Met een zweem van triomf in haar ogen richt ze op mijn voorhoofd. ‘Explosieve kogels, Ferdi. En ergens in die nanowolk van je moet nog een brein zitten. De mens­heid heeft allang geen plek meer voor idealisme.’

Ik deins ijlings achteruit.

Va haalt de trekker over.

Het pistool explodeert in haar hand.

De schok werpt me over het bedieningspaneel. Twee ramen barsten in duizenden stukken naar buiten. Va zelf wordt achterover geworpen en slaat tegen de vloer, bloed gutsend uit de flarden vel en vlees waar eerst haar hand zat. Haar gezicht trekt bleek weg terwijl ik overeind kom. Ze poogt zich op een elleboog op te richten, maar zijgt weer achterover in de groeiende bloedplas. Ik hurk bij haar hoofd.

‘Directief Kurk. Ik heb je loop geblokkeerd.’ Ik richt me weer op en wijk achteruit voor het oprukkende bloed. ‘Misschien heb je gelijk. Misschien heeft de mensheid geen plek meer voor idealisme.’

Ik glimlach wrang.

‘Maar weet je, Va? Ik ben geen mens meer.’

Teken van leven : Iris Versluis

Glimlachend stond Leaf tegenover de journalisten die zich voor haar hadden verzameld. Ze kende ze alle­maal en wist hoeveel moeite ze hadden gedaan om hier te zijn. Vanochtend was de laatste persvlucht naar en van aarde geland en er waren slechts tien plekken op beschik­baar geweest.

Ze had New York gekozen als plek voor de ont­moeting en merkte tot haar tevredenheid op dat dit een goede keuze was. De journalisten filmden gretig het zielige hoopje steen dat ooit het Vrijheids­beeld was geweest maar nu, door straling en vervuilde regen, meer op een schimmelkaas leek. De dikke, bruine drab in de Hudson blubte en walmde.

De minicams draaiden richting Leaf en het vragen­vuur barstte los.

‘Leaf, over nog geen twee uur ben je de laatste mens op aarde. Wat gaat er door je heen?’

‘Is het niet beangstigend om straks helemaal alleen te zijn?’

Leaf wendde zich tot Ferry van Amazon 1. ‘Het is helemaal niet beangstigend. Moeder Aarde is er voor mij en ik ben er voor haar. Ik kijk er ontzettend naar uit om met haar alleen te zijn.’

‘Word je nog steeds gezocht, Leaf?’ vroeg Brenda van BBC Earth.

‘Jazeker, daarom heb ik jullie de plek voor de ont­moeting pas vijf minuten voor dit gesprek door­ge­geven.’

‘Ben je niet bang dat ze je alsnog vinden en van de aarde halen?’ vroeg Ferry. Hij wierp een hooghartige blik richting zijn BBC collega. ‘Ik heb gehoord dat de veegtroepen hun scanners op jouw bio-signaal hebben afgestemd zodat ze een nog groter bereik hebben.’

Leaf lachte zelfverzekerd. ‘Al zes maanden lang ben ik de patrouilles te slim af geweest. Ik laat me nu echt niet meer gevangen nemen.’ Ze trok haar gezicht in een ernstige plooi en legde haar handen op haar borst voor een extra dramatisch effect. ‘Ik zal als enige mens samen met de aarde sterven en niemand, ik herhaal, helemaal niemand kan mij daar vanaf houden.’

Op dat moment begon de detector die Leaf om haar arm droeg te piepen. Er kwam een zwotor haar kant uit. ‘Mijn excuses, dames en heren, tijd om te gaan.’

Ze stapte op haar eigen zwotor. Het voertuig her­kende haar aanwezig­heid en kwam met een zacht gezoem los van de grond.

‘Leaf, een laatste boodschap voor de Amazon 1 kijkers!’ riep Ferry.

‘Onze aarde sterft, maar zij sterft niet alleen!’

De journalisten juichten bij het horen van haar iconische strijdkreet. De zwotor kwam in rap tempo dichterbij en Leaf herkende het blauw van de veeg­troepen. Ze draaide de hendel naar volle kracht en stoof weg.

Behendig manoeuvreerde ze over de verlaten puin­hopen. Er was amper nog een stukje aarde te vinden dat niet bezaaid was met afval of brokstukken van ingestorte gebouwen. Ze stuurde haar zwotor door een winkelstraat en zoefde voorbij de groene en blauwe voorgevels. Zonder de holoprojecties waren het trieste, lege panden.

Ze wierp een snelle blik achterom en zag dat de veger haar dicht was genaderd. Shit, dit was een snelle. Ze draaide de hendel nog iets verder open. Een kak­kerlak doemde voor haar op en de voelsprieten van het gemuteerde beest strekten zich naar haar uit. Vergeelde snoeppapiertjes kleefden aan zijn enorme poten. Met een ruk aan het stuur week ze uit naar rechts, gevaarlijk dicht langs een van de winkel­gebouwen. Haar knie schaafde tegen een pilaar en ze had al haar kracht nodig om overeind te blijven. Toen ze weer recht vooruit reed, haalde ze diep adem en probeerde haar roffelende hart iets tot bedaren te brengen. Ze keek achterom en zag dat de kakkerlak met zijn gigantische lijf de weg voor de veger had versperd. Drie felle groene flitsen maakten een einde aan dat probleem. De kakkerlak zakte door zijn poten en de veger manoeuvreerde er langs heen.

Leaf richtte haar aandacht weer op de weg voor haar en zocht naar herkenningspunten. De zwotor van de veger was duidelijk nieuwer en sneller dan die van haar, haar enige hoop was het vinden van een truno­mische schuilkelder. Leaf begon spijt te krijgen dat ze New York had gekozen als ontmoetingsplek. Ze kende het terrein hier niet en wist slechts enkele schuil­kelders te vinden. Nerveus blikte ze om zich heen en draaide een brede straat in. De omgeving was hier iets minder grauw en Leaf zoefde over verschoten posters en gebroken holoborden. Enkele van de borden die nog ophingen, stoorden en herhaalden telkens het­zelfde, bibberende beeld. Kakkerlakken bevolkten theaters en eettentjes. Broadway had zijn charme definitief verloren.

Leaf nam een scherpe bocht een steeg in, in de hoop de veger kwijt te raken, maar moest vol remmen toen er een muur voor haar opdoemde.

Ze draaide haar zwotor maar zag op datzelfde moment de veger de steeg inkomen. Ze vloekte, gooide haar zwotor aan de kant, trok de zonnecel eruit en pakte een haak die aan haar riem bevestigd zat. Met een flinke zwaai gooide ze de haak over de muur. Het touw dat erachter­aan zoefde, trok strak en begon zichzelf op te winden, waardoor Leaf met een ruk omhoog werd getrokken. De veger richtte zijn wapen.

‘Stop, in naam van de evacuatiedienst aarde!’

‘Nooit!’ riep Leaf. ‘Ik laat haar niet alleen sterven.’ Met een klap kwam ze tegen de muur aan. Ze draaide zich om en trok zich het laatste stukje zelf omhoog. Een blauwe flits ging rakelings langs haar heen toen ze zich aan de andere kant naar beneden liet zakken. Ze abseilde verder de muur af en bevond zich op een soort binnenplaatsje. De enige uitgang was een nauw steegje tegenover haar. Ze greep naar de misleider aan haar riem en activeerde het apparaatje. De lucht om haar heen trilde een kort moment. Op het scherm van de misleider knipperde een rood batterijtje met daar­naast seconden die aftikten. Ze zou hoogstens een kwartier onzichtbaar zijn op de scanners van de vegers.

Leaf begon te rennen. De vegers zouden het gebied minutieus uitkam­men en ze moest zover mogelijk weg zien te komen. Terwijl ze rende, zocht ze de verlaten straten af naar een zwotor of ander vervoermiddel. De straten lagen er relatief opgeruimd bij in tegen­stelling tot de geplunderde puinhopen in andere delen van de stad. De deuren en ramen van de statige bruine huizen waren veelal nog intact. Een glimlach verscheen om Leafs lippen toen ze een zwotor tegen een hek zag staan. Ze haalde de oude zonnecel eruit en duwde haar eigen zonnecel erin. Er ging een groen lampje op de cel branden.

‘Goed zo, je werkt nog,’ fluisterde Leaf in zichzelf. ‘Nu het slot kraken.’

Uit haar rugzak haalde ze een ID-wisselaar. Ze hield het apparaat tegen de sensor van de zwotor. Over het scherm van de ID-wisselaar vlogen nullen en enen.

‘Kom op, kom op,’ prevelde Leaf.

In de verte klonk het gezoem van een zwotor. Leaf tuurde in de richting van het geluid en zag een klein figuurtje verschijnen.

‘Kom op nou.’

Het apparaatje bleef rekenen.

De veger kwam al dichterbij.

‘Fuck!’ Leaf trok de zonnecel weer uit de zwotor en borg de ID-wisselaar op. Ze rende de trappen naar het huis op en duwde tegen de deur.

De deur gaf mee.

Ze ging naar binnen en sloot de deur zachtjes.

Geconcentreerd bleef ze staan luisteren. Het gezoem kwam al dichter­bij. Ze kneep haar ogen dicht en pro­beerde het geluid van haar bonkende hart weg te dringen. De zwotor minderde vaart. Stond hij voor het huis?

‘Ga weg, ga weg,’ bad Leaf in stilte.

Het gezoem nam weer toe. De zwotor reed door!

Opgelucht liet ze haar adem ontsnappen. Behoed­zaam liep ze verder het huis in. Als er hier een truno­mische kelder was, zou dat een perfecte schuilplek zijn. Ze begon te zoeken maar stopte abrupt toen ze geluid hoorde. Het klonk niet als het gezoem van een zwotor. Het klonk… melodieus. Behoedzaam liep Leaf richting het geluid. Het huis was leeg en haar voet­stappen echoden door de ruimte. Ze begon woorden te herkennen. Staying alive, staying alive.

Ze duwde de achterdeur open die naar een kleine tuin leidde. Op dat moment zag ze de pijp. De kleine uitlaat van een trunomische schuil­kelder lag verbor­gen tussen gebroken tegels en een berg zand, maar Leaf herkende de driehoekige vorm direct. Dan moest er ook ergens een ingang zijn. Ze volgde haar oren en begon puin te verschui­ven. Kakker­lakken, gelukkig aanzienlijk kleiner dan het exem­plaar dat ze eerder was tegen­gekomen, schoten alle kanten op. Een spin van zo’n vier centimeter doorsnede wandelde er traag achter­aan. Leaf bekeek het insect met verbazing. Het was maanden geleden dat ze een dergelijk exemplaar had gezien en dacht dat ze waren uitgestorven. Daar! Het luik naar de schuilkelder. De muziek klonk nu helder­der. Tragedy, when the feeling’s gone… zongen hoge mannenstemmen. Wat of wie zat er in die kelder? De muziek kwam haar vaag bekend voor en bracht een herinnering aan stoffige lessen kunst­ge­schiedenis naar boven. Leaf trok het luik open en tuurde naar binnen. Er brandde licht aan het einde van de gang. Ze liet zich de gang in zakken, sloot het luik, en sloop zachtjes naar voren. Er hing een zurige, penetrante lucht. Ze her­kende de geur maar kon hem niet direct thuisbrengen. Een mannenstem zong mee met de muziek. Er was daar iemand! De geur was die van een ongewassen mens. Verbazing en woede schoten door Leaf heen. Verdomme, zij was de laatste op aarde. Wie was dat en wat wilde hij?

Ze trok haar wapen, rende het laatste stukje en stapte met het wapen naar voren gericht het licht in. ‘Wie is daar, maak je bekend,’ comman­deerde ze.

Een jongen van een jaar of twintig keek verschrikt op. Hij lag op een matras en las een ouderwets boek van papier. Hij liet het boek vallen en stak zijn handen omhoog. ‘Rustig aan, niet schieten, alsjeblieft.’

‘Wie ben je?’ vroeg Leaf nogmaals.

‘Qwerty,’ zei de jongen.

‘Hoe kom je hier?’

‘Een expeditie. Ik ben achtergebleven.’

‘Waarom?’

‘Een weddenschap. Als ik het hier drie maanden zou volhouden, zou ik tienduizend credits van een paar vrienden krijgen.’ Qwerty had al die tijd zijn ogen strak op de loop van haar wapen gehouden. ‘Zeg, ik weet niet op welke stand je dat ding hebt staan, maar ik zou het erg op prijs stellen als je het niet op mij richt. Wie ben jij trouwens?’

Leaf liet het wapen zakken. ‘Ken je me niet?’

De jongen haalde zijn schouders op. ‘Zou dat moeten dan?’

‘Ik ben Leaf Heywood. De laatste mens op aarde.’

‘Ooh, jij bent die gestoorde chick die erbij wil zijn als ze de laatste beschermingsschilden uitschakelen.’

Leaf richtte direct het wapen weer. ‘Let op je woorden, toetsenbord.’

‘Hey, mijn moeder houdt nu eenmaal van antieke computers. Doe alsjeblieft dat wapen weg. Sorry dat ik je gestoord noemde.’

Leaf stopte het wapen tussen haar riem. ‘Waarom ben je hier nog steeds?’

‘Omdat ik de weddenschap wil winnen natuurlijk,’ antwoordde Qwerty.

Leaf snoof. ‘De laatste expeditie naar aarde was zes maanden geleden. De straling is veel te hoog gewor­den. Je hebt die weddenschap allang gewonnen, slim­merd.’

‘Wat? Maar…’

De jongen stond op en pakte een stuk papier waarop streepjes en data stonden. Het viel Leaf op dat Qwerty geen geavanceerde technologie in zijn trunomische schuilkelder had. Slim, biologische scanners konden niet door het trunomium heendringen, maar de sig­nalen van apparaten konden soms wel worden opge­vangen. Het verklaarde waarschijnlijk waarom de veegtroepen Qwerty niet hadden gevonden. Alleen het antieke muziekspelertje speelde vrolijk door.

‘Volgens mijn berekeningen ben ik hier pas tweeën­halve maand,’ zei Qwerty.

‘Tsja, jongen, dan zijn die echt fout.’

‘Shit!’ Qwerty greep naar een potje pillen.

Leaf herkende de kleur. ‘Cryonische slaappillen? Die dingen zijn niet te vertrouwen.’

‘Ik heb er vijf van genomen. Dat zou tien weken slaap zijn.’

Leaf grijnsde. ‘Ik vrees dat dit ietsjes langer is geworden.’

Qwerty smeet de pillen op de grond en vloekte. ‘Kan ik nog weg?’

‘Er zijn nog steeds veegpatrouilles. Als je midden op Broadway gaat staan, word je wel opgepikt.’

‘En de straling?’

Leaf klopte tegen de dikke trunomium wanden. ‘Dit is een stevig exemplaar. Je hebt hier goed beschermd gezeten. Maar over…’ Leaf wierp een blik op haar multiband. ‘Over een uur moet je wel echt wegwezen. Dan worden de laatste schilden uitgeschakeld en is het binnen enkele dagen afgelopen met het leven op aarde.’

‘Een uur… Jemig.’ De ogen van Qwerty werden groot. ‘En jij bent zo gek dat je hier blijft?’

‘Ik laat moeder Aarde niet alleen sterven.’

Qwerty trok een wenkbrauw op. ‘Juist, ja. Je doet maar wat je niet laten kunt, ik ga ervandoor.’ Hij begon wat boeken bij elkaar te rapen en propte ze in een rugzak die hij over zijn schouder slingerde. Aan zijn riem klikte hij een klimmer, dezelfde soort als die Leaf had gebruikt om over de muur te komen.

‘Wel, leuk je ontmoet te hebben aardedame. Succes met…’ Hij maakte zijn zin niet af.

‘Doodgaan?’ zei Leaf met een grijns.

‘Uhm, dat ja. Weet je zeker dat je niet meewilt? Doodgaan is… uhm, behoorlijk definitief.’

Leaf glimlachte. ‘Ik ben er klaar voor. Zorg jij nou maar dat je hier wordt weggehaald.’

‘Oké, goed.’

Leaf keek om zich heen in de schuilkelder. Ze begon al te wennen aan de stank, die ongetwijfeld minder zou worden als Qwerty weg was, en het was er veilig en comfortabel. Ze zou er het laatste uur dat de evacuatietroepen op aarde aanwezig waren in alle rust kunnen doorbrengen. Ze beet op haar lip.

‘Qwerty,’ begon ze weifelend. ‘Kan ik je vertrouwen?’

‘Tuurlijk.’

‘Zou je deze schuilkelder geheim willen houden? Misschien zelfs de evacuatietroepen de andere kant opsturen? Ik zou hier graag blijven.’

Qwerty greep haar hand en schudde die. ‘Deal. En ik weet het nog beter gemaakt. Ik heb jou nooit ontmoet. Ik werd wakker en besloot dat het tijd was om naar de oppervlakte te gaan.’

‘Klinkt goed. Dankjewel, Qwerty.’

‘Graag gedaan.’

Qwerty knipte een ouderwetse zaklantaarn aan en verdween de donkere gang in. Leaf plofte neer op de matras. Ze haalde een van haar laatste energierepen tevoorschijn en begon op de taaie substantie te kauwen. Een nerveus gevoel nestelde zich in haar buik en ze stond weer op om de kamer te doorzoeken. Haar hart klopte snel en haar hele lichaam voelde onrustig. Het besef dat haar vlucht van drie maanden abrupt tot stilstand was gekomen, begon langzaam door te dringen. Het was klaar. Over enkele dagen zou ze sterven.

Leaf liet het muziekspelertje van Qwerty door haar handen gaan. Ze bevond zich al maanden alleen op aarde, maar nu voelde ze zich voor het eerst ont­zettend eenzaam. Er waren altijd de ontmoetingen met de journalisten geweest om naar uit te kijken. Nu was er niks meer.

Haar ademhaling versnelde en haar hoofd begon te tollen. Snel ging ze weer op de matras zitten. Ze voelde zich misselijk en de weeïg zoete smaak van de reep kwam omhoog in haar keel. Ze moest contact hebben met de aarde. Wanhopig drukte ze haar handen tegen de trunomium vloer maar voelde enkel kille, artificiële substantie. Paniek welde omhoog. Haar lichaam schreeuwde om buitenlucht. Koorts­achtig dacht ze na.

De mosruimte! Sommige schuilkelders hadden een kleine ruimte waarin mos groeide. Het mos was waar­schijnlijk allang dood, maar er zou wel aarde zijn. Koele, bruine aarde. Leaf liep wankelend de gang in en vond wat ze zocht. Een deur met daarop een groen plantje. Ze trok hem open en direct kwam de muffe lucht van vochtige aarde haar tegemoet. Ze ademde diep in en de duizelingen verminderden. Met haar zaklamp bescheen ze de muren en tot haar verbazing was er nog wat mos aanwezig. Grijzig, armetierig mos, maar absoluut levend. Leaf liet haar handen over de plantjes gaan. Kon dit genoeg zijn? Ze bestudeerde de soort en herkende het kleine ronde blad van grijs kweekmos. Helaas, het was een van de mossoorten die ook op Mars gekweekt kon worden. De aanwezigheid ervan zou geen reden zijn om de aarde te redden.

Desondanks was ze dankbaar dat ze haar laatste dagen samen met dit fragiele leven kon doorbrengen. Moeder Aarde had wederom voor haar gezorgd. Ze knielde neer en verzonk in een diep en dankbaar gebed.

 

Leaf opende slaperig haar ogen. Ze had de matras naar de mosruimte versleept en moest daar in slaap zijn gevallen.

Een klap boven haar. Het luik viel dicht!

Direct was ze klaarwakker. Had die klootzak haar verraden? Ze greep naar haar wapen en kroop behoed­zaam naar de deur. Ze duwde zichzelf tegen de wand en luisterde naar de voetstappen. Ze zou maar één kans hebben. De voetstappen kwamen al dichter­bij.

Nu! Ze draaide de gang in en schoot.

Iemand dook weg en kwam met een doffe dreun op de grond terecht. ‘Leaf, ik ben het, Qwerty!’

Leaf activeerde de lichtfunctie op haar multiband en zag Qwerty met een verongelijkt gezicht omhoog krabbelen.

‘Je had me bijna vermoord.’

‘Wat doe je hier? Je bent toch niet gevolgd?’ vroeg Leaf.

‘Nee, ik ben niet gevolgd. Dat is juist het probleem.’

‘Wat?’

‘Ik heb drie kwartier op Broadway gestaan. Ik heb staan zwaaien, roepen, met dingen gegooid. Niks, nada, noppes. Geen veger te bekennen. Weet je zeker dat ze er nog wel zijn?’

‘Heel zeker. Om twaalf uur stipt worden de troepen weggehaald. Ik snap het niet… Ik kan mijn hoofd niet aan de oppervlakte vertonen en ik heb zo’n gast…’ Leaf klapte abrupt haar mond dicht. ‘Ooh, ojee. O shit, dat is balen.’

‘Wat?’ riep Qwerty uit.

Leaf beet op haar lip en keek naar de grond. ‘Een journalist vanmorgen zei dat ze de scanners op mijn signaal hebben afgestemd, om beter te kunnen zoeken. Ze zoeken niet meer naar menselijke sig­nalen…’ ze richtte haar blik op Qwerty. ‘Ze zoeken alleen nog maar naar mij.’

‘Nou, da’s lekker dan.’ Qwerty liep langs haar heen, pakte het muziek­spelertje en smeet het op de grond. ‘Fuck!’ Hij draaide zich naar haar om. ‘Ik heb echt geen zin om hier dood te gaan, Leaf.’

‘Ik… Het spijt me.’

‘Je moet met me mee naar boven. Jouw signaal zullen ze vinden.’ Qwerty ging vlak voor haar staan en keek haar doordringend aan.

Leaf omklemde haar laserpistool. ‘Nee,’ zei ze zacht. ‘Ik ben de laatste op aarde. Ik zal bij moeder Aarde blijven als ze sterft. Dit is mijn levensdoel.’ Ze duwde het laserpistool tegen Qwerty aan. ‘Naar achteren, nu.’

‘Bitch!’ Qwerty zette een stap naar achteren. ‘Jij, achterlijke bitch. Newsflash, je bent de laatste niet meer. Als jij mij hier laat zitten, zijn we toch echt met zijn tweeën.’

‘Dat weet niemand.’

‘Oooh, ooh, is dat waar het allemaal om draait. De aandacht, dat jij de geschiedenisboekjes in gaat als de laatste mens op aarde. De grote Leaf, weldoener voor de aarde. Je wilt helemaal niet bij je geliefde aarde­moeder zijn. Je geilt gewoon op aandacht.’

‘Dat neem je terug! Ik wil voor haar sterven!’ Leaf richtte het laser­pistool op Qwerty’s borst. ‘En news­flash voor jou, toetsenbord, als ik jou nu neerschiet, ben ik nog steeds de laatste.’

‘Ga je gang, Leaf Heywood, weldoener voor de aarde, moordenaar van mensen.’

Leaf trilde over haar hele lichaam. Ze voelde tranen achter haar ogen branden. Verdomme, ze wilde niet janken. Ze kon die jongen toch niet neerschieten? Ze kon hem toch niet dood laten gaan? Maar ze kon ook haar missie niet opgeven. Het idee om meegevoerd te worden naar één van de trunomium woonschepen, kneep haar keel dicht en maakte haar misselijk.

Ze liet het laserpistool zakken. ‘Ik wil echt bij haar blijven, Qwerty.’ Leafs stem was onvast en haar tranen klonken erin door. ‘En ja, ik vond de media aandacht leuk, ontzettend leuk. Maar ik ga sterven voor haar, voor de aarde, dan mag dat toch wel.’

Qwerty zuchtte diep. ‘Ja, dat snap ik ook wel. Ik bedoel, het is best stoer wat je doet. Kunnen we niet iets bedenken? Dat jij vlucht zodra de vegers mij in het vizier hebben. Ik kan je helpen een zwotor te vinden en aan de praat te krijgen.’

Leaf keek op haar multiband. ‘Daar hebben we dan nog precies tien minuten voor. Daarnaast, alles hier op aarde is verouderd. Ik ben de laatste keer al ter­nauwer­nood ontsnapt. Als ik me nu weer open en bloot vertoon, pakken ze me.’

‘Ik zou ze tegen kunnen houden. Tijd voor je winnen.’

Leaf schudde haar hoofd. ‘Ik zal bij je moeten blijven tot ze je daad­werkelijk fysiek zien, anders rijden ze je nog voorbij. Ze zullen mij pakken. Voor de vegers ben ik de ultieme prijs, het voorbeeld dat niemand de lange arm van de wet ontloopt, zelfs Leaf Heywood niet.’

Qwerty ging tegen de wand zitten en wreef over zijn gezicht. ‘Wat een zooitje. Was ik maar nooit aan die stomme weddenschap begonnen.’

‘Waarom heb je het eigenlijk gedaan, die wedden­schap?’ vroeg Leaf.

‘Mijn moeder heeft mij alleen opgevoed. We hebben het niet breed en dat geld zou ontzettend welkom zijn. Ik dacht, ik doe dat wel even, drie maanden op aarde. En het had ook gelukt als die stomme pillen…’ Met zijn vuist sloeg hij op de trunomium vloer.

‘Ik begrijp het,’ zei Leaf en stond op. Ze kon een moeder niet haar zoon afnemen. Ze reikte haar hand naar Qwerty. ‘Zullen we maar naar boven gaan dan?’

‘Wil je het doen?’

Leaf zag de opluchting in Qwerty’s ogen. ‘Kom nou maar, voor ik me bedenk.’

Qwerty greep haar hand en stond op. Leaf draaide zich nog één keer om en zoog de lucht van de vochtige aarde haar longen in. Haar benen voelden als lood en haar keel brandde.

‘Qwerty,’ begon ze. ‘Hoe doe jij het, leven in de trunomium schepen? Nooit meer de wind door je haren voelen of de koude grond onder je voeten. En altijd maar die mensen, overal die afschuwelijke mensen. Hoe ga je daarmee om?’

‘Ik ben er geboren, ik weet niet beter.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik wou dat ik je het kon vertellen. Ik… wacht even!’ Een twinkeling verscheen in zijn ogen. ‘Ik heb iets voor je. Misschien dat het ietsjes helpt.’ Hij dook de moskamer in trok daar een klein deurtje open wat grotendeels overgroeid was met mos. ‘Een klein experimentje voordat ik in de cryonische slaap ging. Misschien…’ Qwerty haalde een glazen stolp tevoor­schijn en koppelde een slang los. ‘Ha, zie je, het leeft nog.’

Met half open mond pakte Leaf het plantje aan. Het was een klavertje vier. Een armetierig klavertje vier, maar absoluut levend. Aan twee van de vijf stengels zaten zelfs blaadjes.

‘Hoe heb je dit voor elkaar gekregen?’

‘Een beetje zitten klooien met de filters. Ik heb de R372 straling er grotendeels uit kunnen halen, die is het meest funest voor alles wat groeit en bloeit.’

‘Oh mijn lieve Aarde, weet je wat dit betekent?’ riep Leaf uit.

‘Wat?’

‘Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze mogen de schilden niet uitzetten. Klavertjes vier groeien niet op Mars!’

‘Wat? Meen je dat? Ik bedoel, dit plantje is groot geworden door weet ik niet hoeveel filters. Dat is nou niet echt natuurlijk leven.’

‘Dat maakt niet uit, Qwerty. Ik ben zo ongeveer mijn hele leven al aan het vechten voor de aarde, geloof me, ik ken de regels. Daarnaast… Die spin. Misschien zijn het niet eens jouw filters… Misschien wordt het echt beter. Kom!’

Leaf rende de tunnel door en duwde het luik omhoog. Ze graaide in haar rugzak en vond helemaal onderop de luchtkwaliteitsmeter. Waarom had ze de hoop opgegeven? Ze had moeten blijven meten. Ze had zich alleen nog maar gericht op het ontlopen van de vegers en het plannen van persmomenten. Stomme muts. Met een piep kwam het apparaat tot leven. ‘Korte meting, vergelijken met vorige meting,’ com­man­deerde Leaf.

Het apparaat begon zacht te piepen tot “meting compleet” in het beeldscherm verscheen. ‘Kwaliteit met vijf procent verbeterd ten opzichte van vorige meting,’ meldde de meter.

Qwerty kwam met een verwarde blik in zijn ogen de tunnel uit. Hij had het plantje vast.

Leaf lachte. ‘Goed dat je die hebt meegenomen.’

Haar multiband gaf 11:57 aan, ze had nog drie minuten. ‘Contacteer Ferry van Amazon 1,’ zei ze tegen de multiband.

‘Met Ferry,’ kraakte het luidsprekertje.

‘Ferry, dit is Leaf Heywood. Het uitzetten van de filters moet onmidde­llijk worden gestaakt. Er is nog plantaardig leven mogelijk op aarde. Ze activeerde de camera op de multiband en liet het plantje onder de stolp zien.’ Qwerty grijnsde schaapachtig van achter het plantje.

‘Waaaat!’ riep Ferry uit. ‘Leaf Heywood, je houdt niet op te verbazen. En wie is die knapperd?’

‘Dat leg ik je later uit. Contacteer alsjeblieft de juiste mensen, Ferry.’

‘Komt voor elkaar. Maaruh, Amazon 1 krijgt exclu­sieve rechten van al dit.’

‘Ja, ja, schiet nou maar op.’

Het gezoem van een zwotor kwam dichterbij, de vegers hadden Leaf gesignaleerd.

‘Wat gebeurt er allemaal?’ vroeg Qwerty.

‘We gaan niet dood vandaag, Qwerty, dat is wat er gebeurt. En ook moeder Aarde blijft leven.’

‘Denk je echt dat ze alles zullen stopzetten? Vroeg Qwerty. ‘Ik bedoel, dat plantje zou nep kunnen zijn.’

‘Dat risico gaan ze niet lopen. De afspraken met de milieuorganisaties zijn heel duidelijk. Als ze nu door zouden zetten en dat plantje blijkt echt te zijn, dan breekt de hel los.’

‘Wow, wij hebben dus gewoon de aarde gered?’

‘Dat hebben we zeker, toetsenbord.’ Leaf stompte hem vriend­schap­pelijk tegen zijn schouder.

De zwotor stopte en de veger klapte zijn vizier omhoog. ‘Leaf Heywood, in naam van evacuatiedienst aarde verplicht ik je de aarde met mij te verlaten. En dat geldt ook voor jou.’ De veger knikte richting Qwerty.

‘Prima,’ zei Leaf en stak haar handen naar voren zodat de veger haar kon boeien.

Een tweede veger stopte en liep naar Qwerty. Hij bekeek zorgelijk hoe de veger handboeien om zijn polsen sloeg. Ondanks de boeien bleef hij het plantje stevig vasthouden.

Leaf glimlachte naar hem. ‘Maak je geen zorgen, we gaan hoogstens een paar weken de cel in. Mijn advo­caten hebben ons zo weer vrij.’

Achterop de zwotors van de vegers werden ze naar een evacuatieschip gebracht. Ze waren nog maar net binnen toen het schip loskwam van de grond en ze de aarde onder hen zagen verdwijnen. Leaf keek naar de contouren van land en water. De oceanen hadden een grijze waas en op de continenten was geen groen meer te bekennen maar toch ontroerde het haar. Het zou weer goed komen met de Aarde.

‘Leaf?’ vroeg Qwerty zacht.

‘Ja.’

‘Mag ik je helpen, bij je gevecht voor de aarde?’

Leaf trok haar blik los van de steeds kleiner wordende bol onder haar en keek Qwerty aan. Ze glim­lachte. ‘Dankjewel, Qwerty. Dat zou ik fijn vinden.’

Iemand opende de deur van hun compartiment en werd gevolgd door twee bars kijkende vegers. Leaf herkende Ferry.

‘Leaf, wat een nieuws. Is de aarde dan toch niet verloren? Hoe heb je het gedaan?’ vroeg de Amazon 1 journalist.

Leaf wilde antwoorden maar bedacht zich. ‘Geen commentaar, Ferry.’

‘Wat? Maar Leaf, lieveling. De mensen zijn gek op je. Kom op, ik zou de primeur krijgen. Zeg iets.’

‘Het spijt me, Ferry. Moeder Aarde heeft mijn volle aandacht nodig. Ik heb me de laatste maanden veel te veel door jullie laten afleiden.’

‘Nou ja!’ Ferry trok een beledigd gezicht en wendde zich naar Qwerty. ‘Kerel, vertel me over jezelf. Maan­den op de stervende aarde leven zonder gevonden te worden. Hoe heb je het gedaan?’

Qwerty grijnsde. ‘Sorry, ik sluit me bij Leaf aan. Geen commentaar.’

‘Je hebt ze gehoord,’ zei een van de vegers. ‘Wegwezen hier.’ Ruw trok hij Ferry mee.

‘Maar…’ sputterde Ferry tegen.

De vegers duwden hem het compartiment uit.

Leaf richtte haar blik weer naar buiten. Vingers beroerden zacht haar hand. Ze nam Qwerty’s hand in de hare. Het klavertje vier stond tussen hen in. Voor het eerst sinds lange tijd had Leaf het gevoel dat het allemaal goed zou komen.

De ijzeren vrucht : Johan Klein Haneveld

Achteraf gezien had ik de kuil natuurlijk veel eerder moeten zien. Maar niemand had die nacht iets vreemds gehoord en ikzelf was in gedachten bezig geweest met het verhaal voor een 3D-voorstelling op het elek­tronische dorpsplein. Bovendien bestuurde de maaimachine zich groten­deels zelf. Mijn aanwezigheid in de cabine was nauwelijks meer dan een formaliteit. Dus schrok ik toen het apparaat steigerde en ik voor­over op het instrumentenpaneel werd geworpen. Van onder mij klonk een serie droge knallen als van brekende takken. En toen stond het apparaat plotse­­ling stil.

Ik knipperde met mijn ogen, duwde mezelf overeind en liet me uit de cabine zakken. Met een plof landde ik op de grond, een deken van plat­liggende halmen, daar waar ik zo-even langs was gekomen. ‘Wat is het probleem?’ vroeg ik.

De computer in mijn contactlens tekende een lijn­patroon over het oranje chassis van de maai­machine, met een rood oplichtende cirkel vooraan, waar het graan werd afgesneden. Ik liep ernaar toe en bukte voorover. De keramieken bladen waren afge­knapt. Midden erin als in een wit vogelnest bevond zich een metalen bol, aan één zijde zwart­gebla­kerd, door­sneden met kaarsrechte littekens. Er hadden antennes aan gezeten, maar daar resteerde er nog slechts één van, geknakt als een strohalm. Ik was nieuwsgierig wat het kon zijn, maar eerst zond ik de beelden door naar de speciale keramiekprinter, met een verzoek om nieuwe messen volgens de specificaties.

‘Je krijgt voorrang, meneer Dalik,’ hoorde ik de stem van een vrouw van voor in de dertig, die mijn com­puter voor mij identificeerde als ene Tessa Wildstrom. ‘Je hebt tot nu toe namelijk een vlekkeloze score op je landbouwtaken.’ Er viel een stilte. Waarschijnlijk liep ze mijn gegevens na. Toen vervolgde ze: ‘Vergeet je niet de oude dadelijk in te leveren?’

Ik rolde met mijn ogen. Ja, ik dacht soms niet aan dat soort praktische dingen, maar voor mijn hoofdtaken hoefde dat ook niet. Van schrijvers verwachtte men dat ze met het hoofd in de wolken liepen. Rechtsboven in mijn gezichtsveld zag ik Tessa’s persoonlijke karak­teristieken en een overzicht van onze interacties. Kennelijk had ze meer dan de helft van mijn voorstellingen meegemaakt en had ze zelfs wat van haar tijd gebruikt om mij van gemeenschapstaken vrij te stellen. ‘Geen probleem,’ antwoordde ik dus. ‘Voor een fan doe ik extra mijn best.’

‘Of wil je dat ik iemand naar je toestuur?’

‘Dat is niet nodig.’ Ik had voorlopig namelijk geen tijd om iets terug te doen. ‘Ik vraag wel een auto­stuurder om de kapotte spullen op te halen.’ De com­puter had meegeluisterd en een verzoek naar de cen­trale stond klaar. Een zelfsturende e-kar zou dade­lijk arriveren aan de rand van het veld. Nog steeds een eind lopen, maar dat was niet erg. De gezondheids­signalen links in beeld knipperden al weken met de mededeling dat mijn vetpercentage wat was gestegen.

Tessa nam afscheid: ‘De nieuwe bladen zijn over twee uur bij je. Ik ben benieuwd naar je volgende show!’

‘Ik ook,’ mompelde ik. Het idee dat zo-even bij me was opgekomen, was met het uitvallen van de machine verdwenen als een schichtige ree. Ik kon alleen maar hopen dat het uit zichzelf weer uit het kreupelhout van mijn onderbewuste tevoorschijn zou komen.

Voorzichtig, om mezelf niet te snijden aan de messen, tilde ik de ijzeren bal uit de machine. Hij was zo groot als een meloen, maar veel zwaarder, en voelde een beetje warm aan. Ik bekeek het vreemde voor­werp van alle kanten. Er stonden geen merk­tekens op en er was geen manier om het open te maken. Voor zover ik kon zien, diende het geen enkel nut. Maar ik wist ook niet alles. Een paar gemompelde commando’s volstonden om via mijn lens wat foto’s te maken en die op een techno­logie­netwerk te posten. Vervolgens tilde ik de bol op en legde hem in de cabine. Net toen ik weer naar beneden was geklom­men, lichtte in mijn gezichtsveld een groen symbool op. Iemand uit Wit-Rusland had het ding herkend. Het bleek een communicatie-eenheid te zijn, die in het ruimte­vaarttijdperk was gebruikt om materialen en gegevens uit te wisselen tussen bemande satellieten. Deze was kennelijk uit zijn baan geraakt en neer­gestort.

‘Had hij dan niet helemaal verbrand moeten zijn?’ wilde ik weten. De Russische jongen herinnerde me eraan dat het ruimtetuig een eigen aandrijving had en zichzelf dus had kunnen afremmen. Maar dat deed me weer vragen waarom hij dan ooit zover van zijn baan had kunnen afwijken dat hij hier op ons veld was neergekomen. Op het netwerk ontstond daarover prompt een levendige discussie.

Ik wilde net een uitgebreid commentaar toevoegen, toen ik werd gewaar­­schuwd dat de autostuurder was gearriveerd. Het apparaat kon bovendien maar een kwartier blijven staan. Daarna moest hij een pakket ophalen bij iemand anders in het dorp. Ik gaf de jongen uit Rusland snel een vijf sterren-beoordeling en sloot de discussie. Gehaast trok ik de kapotte bladen uit hun zettingen, wikkelde ze in een stuk plas­tic en rende naar de rand van het veld. Toen ik arri­veerde, begon de onbemande wagen al weer op te trekken. Ik holde er achteraan. Ik kon nog net het pakket in de open achterbak gooien. De pijn in mijn zij over­tuigde me ervan dat de gezondheidssignalen wel eens gelijk konden hebben. Ik wachtte tot ik op adem was gekomen en gaf mijn planner toen de opdracht gezondere maaltijden op mijn schema te zetten. Ver­volgens liep ik terug naar de maaimachine. Niet veel later arriveerde de drone met de nieuwe onderdelen.

 

Het begon te schemeren toen ik uiteindelijk met mijn werk klaar was, bijna twee uur later dan normaal, en de machine had geparkeerd op het centrale oplaad­punt. Mijn volgende landbouwdag stond pas voorover anderhalve week in de planning, en dan was ik nodig in de kassen. Dat lag me altijd beter dan werken op het land. Met de mysterieuze bol in mijn armen liep ik terug naar het dorp. Hij was zwaarder dan ik had gedacht, dus ik moest hem meerdere keren op de grond leggen en mijn voorhoofd afvegen. Ik was echter zo eigenwijs geweest niet op een volgende autostuurder te wachten.

Boven de horizon gloeiden de met zonnepanelen bezette daken als kolen en zwiepten de windmolens door de lucht als brandende zwaar­den. De zonsonder­gang strekte zich zoals altijd hoog uit in de hemel­koepel, aangewakkerd door het koelende stof dat sinds decennia in de atmosfeer werd geblazen.

Vlak voor de eerste huizen van het dorp schoot een tiener op een hoverboard vlak langs me voorbij. ‘Kijk uit waar je loopt, ouwe,’ riep ze, haar stem vervormd. Een vuurwerk van graffitivirussen en spookbeelden flakkerde over mijn gezichtsveld. Haar lachen stierf weg achter me, zonder dat ik had kunnen zien wie het was. Mopperend zette ik de reinigings­programma’s aan het werk. Toen ik jonger was, hadden mensen hun eigen uitzicht niet steeds virtueel schoon hoeven boenen.

Tegen de tijd dat ik mijn appartement bereikte, voelde ik mijn armen bijna niet meer. De camera boven de deur herkende me en het grijze vlak schoof automatisch opzij. De lampen in de gang schoten aan. Gewoonlijk controleerde ik altijd hoeveel energie mijn panelen hadden opgewekt en met wie die was gedeeld, maar nu liep ik direct door naar mijn woon­kamer. Ik liet mijn schat onceremonieel op het tapijt vallen. Terwijl ik mijn verkrampte vingers kromde en strekte keek ik om me heen. Ik had niet veel tijd besteed aan het interieur. De meubels waren de meest populaire modellen uit de printer en gemaakt van taupe kunst­stof, zonder enige opsiering of patroon. Een paar groen met blauwe kussens die mijn moeder ooit voor me had meegebracht, waren de enige versiering – samen met een schilderij van een kunstenaar twee dorpen verderop. Op een tafel in de hoek stond een glazen bak met water, met daarin een eenzame kemp­vis, wapperend met zijn rode vinnen. Het keukenblok, met de kleine uitklaptafel, bevond zich tegen de achter­wand. Uit een rij van beschikbare gerechten op het scherm koos ik de pasta. Mijn favoriete roomsaus stond er niet bij, alleen tomatensaus. Met veel groen­ten. Mijn planner liet er duidelijk geen gras over groeien! Terwijl het voedselapparaat zoemde, printte ik alvast borden en bestek.

Met de dampende rode massa voor me, ging ik bij de tafel zitten. Hoewel mijn gedachten bezig werden gehouden door de bol, wilde ik niet van mijn dagelijkse ritme afwijken. Ik liet mijn computer een program­ma voor me samenstellen. Als eerste ver­scheen in mijn gezichts­veld een opsomming van de nieuwste recensies. Ik zuchtte. Ik kon het maar beter achter de rug hebben! Ik zag al waarschuwings­sig­nalen voor mijn hartslag, maar het bleek nergens voor nodig. Alleen maar scores van drie sterren of hoger. Ik bleek zes plaatsen te zijn gestegen op de inter­nationale ranglijst en zelfs mensen uit de gezonken koepels van Neder­land hadden mijn laatste werk gedownload.

Vervolgens schotelde mijn systeem me een selectie van beelden voor. Geen sport of roddels, het kende me gelukkig beter dan dat. Wel een aankondiging van een samenwerking van kunstenaars aan een lang­speelfilm. En opnames van een debat over de zuidelijke oceaan. Extreme milieuactivisten pleitten ervoor geen krill meer te oogsten. Dan zou het systeem zich nog sneller kunnen herstellen. Aan de andere kant bleken er meer bezoekers te mogen komen naar het terug groeiende Groot-Barrièrerif. Een animatiefilmpje van een team uit Japan deed me lachen. Ik gaf ze een paar van mijn minuten. Waarschijnlijk zou ik een keer een klus in een fabriek voor ze moeten doen. Tijdens het eten ontving ik ook nog een uitnodiging. Twee van mijn vrienden en een bezoeker uit een ander dorp gingen naar de kroeg. Met ze meegaan zou mijn sociale score verhogen waardoor ik meer uitnodigingen uit andere dorpen zou krijgen, maar ik had allang geaccepteerd dat ik op dit gebied bij anderen achterliep en liet het bericht onbeantwoord.

Toen ik klaar was, liet ik mijn besmeurde eetgerei in de afvoerbuis vallen, waarna het met een zachte ‘woesj’ verdween. Een opdringerige reclame op het keuken­scherm probeerde me te overtuigen dat ik eens een koffie van echte bonen moest gebruiken. Maar daar had ik niet een heel kwartier voor over. Ik proefde boven­dien nooit het verschil met de gratis synthetische varianten. Ik goot kokend water op een donkerbruine pil en terwijl die bruisend oploste, tilde ik mijn vondst van die middag voor me op tafel: een boodschapper uit de ruimte. Een overblijfsel uit de tijd dat we nog verkwistend met fossiele brandstoffen konden om­springen. Wie wist welke geheimen het bevatte?

Uit de luidsprekers klonken rustgevende klanken van een voor mij onbekende synthogroep, die volgens de computer bij mijn stemming moesten aansluiten. Altijd als ik alleen wilde zijn, schreef het systeem me een melancholisch gevoel toe en ik had nog geen manier gevonden die automatische aanname te corrigeren.

Het oppervlak van de bol bevatte geen luikje, of ook maar een schroefje dat ik zou kunnen losdraaien. Ik zag alleen mezelf onduidelijk gereflec­teerd als in een lachspiegel. Ik activeerde het technologie­netwerk waar ik ’s middags de foto had geplaatst. Het gesprek bleek in de tussentijd te zijn ontaard in tegen elkaar schreeuwende aanhangers en tegenstanders van samen­zwerings­theorieën. Er waren verhalen als zouden meer­dere ruimtestations van vroeger nog elek­tro­nische activiteit vertonen, al was het bijna een eeuw geleden dat ze voor het laatst waren bevoorraad, en korre­lige opnames waarop onverklaarbare sporen van raket­aan­drij­vingen zichtbaar moesten zijn. Een afge­zon­derde samenleving in de ruimte. Ik begreep dat ik hier geen antwoorden zou krijgen en sloot de discus­sie af. Ik zuchtte. Met mijn mouw probeerde ik het doffe metaal wat op te poetsen.

‘Ze hebben trouwens gelijk, die vrienden van je.’

 

De stem klonk van vlak achter mij. Ik draaide me om, zo snel dat mijn stoel omviel, en hapte naar adem. Een magere man, iets langer dan ik, keek mij minzaam glimlachend aan. Zijn gezicht was glad, met nauwe­lijks opvallende rimpels rond zijn ogen, maar in zijn haar stonden grijze strepen afgetekend. Hij had het in een strakke scheiding gekamd. In zijn vierkante kin bevond zich een klein kuiltje. Zijn kleding was op maat gemaakt, maar zag er niet uit als wat er uit mijn printers kwam rollen. De stof glansde en er fonkelde goud aan zijn manchetten. Aan zijn pols droeg hij een ouderwetse smartwatch met een bandje van groen slangenleer.

Ik stak mijn arm uit. Hij ging dwars door de man heen. Hij deed een stap achteruit en tilde beide handen op. ‘Dat was nergens voor nodig. Ik kom in vrede.’

Ik vroeg de beveiligingsapparatuur mijn ruimte te scannen. De ca­mera’s namen niks waar. Niet op het zichtbare spectrum, maar ook niet infrarood of ultraviolet. De eeuwige dans van de stofdeeltjes werd alleen door mij verstoord en door niemand anders. Een oproep van het medische centrum verscheen in beeld. Mijn vraag aan de apparatuur duidde op een toestand van verwarring, meende de computerstem. Had ik misschien medicijnen nodig? Of een gesprek? Ik had tenslotte vandaag iets traumatisch meege­maakt. Ik antwoordde ontkennend. ‘Goed,’ besloot het centrum. ‘Maar als u binnen 24 uur nogmaals tekenen ver­toont van irrationeel gedrag, wordt voor u een afspraak gemaakt met een telepsychiater.’

Als ik dat wilde voorkomen, kon ik mijn bezoeker maar beter niet te woord staan. Ik zuchtte diep. Het was niet de eerste keer dat dit me geflikt werd. De vrouw die ik destijds had gesproken, had erom moeten lachen. De computers hadden nog steeds moeite met kunstenaars, was haar verklaring. Die begrepen ze niet. Ik besloot het risico op nog zo’n afspraak maar te nemen. Als ik weer aan dezelfde psychiater werd toe­gewezen, zou dat geen enorme ramp zijn.

Mijn hartslag was ondertussen weer genormaliseerd. Ik keek heen en weer tussen de strak geklede man en de bol. Er verscheen een geamu­seerde twinkeling in zijn ogen. ‘Dat is inderdaad waar ik me bevind. Mijn systeem prikkelt direct je visuele en auditieve centra. En de rest vullen je hersenen voor je in.’

De illusie was volmaakt. Zelfs de schaduw op het mintgroene tapijt klopte.

‘Zo goed is onze techniek niet’, constateerde ik. ‘Dat wil dus zeggen dat je ergens anders vandaan komt.’

Hij knikte. ‘Mijn naam is Robert Minson, directeur van Panacon Farmaceuticals. Misschien ken je me wel?’

Ik haalde mijn schouders op. Ondertussen liet ik mijn computer een zoekopdracht uitvoeren. Het be­drijf bleek ooit een wereldwijd top­concern te zijn geweest, maar was zoals zoveel andere opgeheven tijdens de klimaatoorlogen een eeuw geleden. Ik keek de man afwachtend aan.

‘Het maakt duidelijk geen indruk.’ Robert leek teleurgesteld. ‘Na alles wat ik voor jullie heb gedaan.’

Ik onderbrak hem. ‘Volgens mij ging je me uitleggen waar je vandaan kwam.’

‘Ik zei dat je vrienden gelijk hadden. Ik kom inder­daad uit de ruimte. De zelfstandige satelliet Neo-Eden om precies te zijn. Bevindt zich op Lagrangepunt L2. Hij is vlak voor de oorlog daarheen gebracht middels een geheime lancering van een drijvend plat­form.’

‘Was jij een astronaut?’ Het leek me onwaar­schijn­lijk.

Robert schudde van nee. ‘Luister je niet? Ik was directeur van de grootste farmaceutische onder­neming op de planeet. Ik ben nooit de ruimte in gegaan. Niet fysiek in elk geval.’

‘Sorry,’ zei ik en ik duidde hem aan verder te vertellen.

Hij trok de revers van zijn jasje recht. ‘We hadden de bui al een tijdje zien hangen. De publieke opinie begon zich tegen ons te keren en anti-kapi­ta­listische filoso­fieën begonnen opgeld te doen. Een groep van de rijkste CEO’s en ondernemers ter wereld besloot hun fortuin veilig te stellen. We investeerden niet alleen in de satelliet, maar ook in de nieuwste kwantum- en DNA-computers. Die waren toen al zo ver door­ont­wikkeld dat complete menselijke persoon­lijkheden konden worden gekopieerd. De satelliet zou een virtueel paradijs scheppen, waar we konden leven in oneindige overvloed, zonder ooit te hoeven sterven.’ Hij keek langs zijn eigen lichaam op en neer, met een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ik ben in honderd jaar geen seconde ouder geworden.’
‘Als het daar zo geweldig is,’ wilde ik weten, ‘waarom ben je dan terug­gekomen?’

Heel even vertrok Roberts gelaat, maar direct keerde zijn glimlach terug. ‘Om jou een aanbod te doen.’ Hij boog zich naar me toe, dichter dan ik comfortabel vond. Al wist ik dat wat ik zag geen werkelijkheid was, toch meende ik zijn adem in mijn gezicht te voelen. ‘Ik kan van jou de rijkste man ter wereld maken.’

Ik was bang dat ik hem niet goed had verstaan. ‘De rijkste …?’ Ik knipperde met mijn ogen. ‘Wat …?’

‘De rijkste man van de wereld,’ bevestigde Robert. ‘Of wil je zeggen dat hier zelfs geen geld meer bestaat?’

‘We betalen met tijd, als we iets willen bezitten dat we niet zo kunnen printen.’ Ik dacht aan mijn koffie. Er kwam ondertussen nauwelijks nog damp van de mok. Ik zette mijn lippen aan de rand en nam een slok. Lauw. Had ik me maar niet moeten laten afleiden. ‘Meestal heb ik dat niet nodig.’

De man hield zijn hoofd schuin. ‘Zou je dan geen mooiere meubels willen hebben?’

‘Ik hou van eenvoud. Ik had er veel meer tiere­lantijntjes op kunnen printen.’

‘Beter eten dan?’

‘Ik heb nog niet eens alle opties van het apparaat uitgeprobeerd.’ Ik nam nog een slok van de koffie, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Ik huiverde en zette de mok weer neer. ‘Maar waarom zou ik dat aan jou moeten uitleggen?’

Robert keek sluw. ‘Ik kan ook vragen waarom je zo de behoefte voelt je te verdedigen. Er moet iets zijn dat je graag wilt hebben.’

Mijn ogen bewogen onwillekeurig opzij, naar het aquarium in de hoek van mijn kamer. De kempvis bevond zich rechts onderin en hapte naar een algendraadje.

Mijn spookachtige bezoeker had mijn blik gevolgd en knikte nadenkend. ‘Zo’n grote bak voor maar één visje.’

‘Ik mag blij zijn dat ik toestemming kreeg voor deze,’ mompelde ik. ‘De meeste mensen vinden het niet oké meer om dieren te houden voor voedsel of voor plezier. Ik moest een uitgebreid betoog indienen dat een vis me zou helpen geïnspireerd te blijven.’

‘En jij onderwerpt je aan de meerderheid?’

‘Ik heb zelf ook mijn stem mogen uitbrengen op het web. Dus houd ik me aan de uitkomst.’ Ik zuchtte dramatisch. ‘Ook als ik het er niet mee eens ben.’

‘Als je eenmaal rijk genoeg bent, kun je doen en laten wat je wilt.’ Een brede grijns vervormde Roberts gezicht. Het leek op een masker uit een Grieks theater, dat er vrolijk uitzag, maar waarachter iets heel anders schuilging. ‘Zonder je om je score druk te maken. Regels zijn er om te omzeilen. Mensen zijn bereid dingen door de vingers te zien, waar ze anders enorme ophef om maken, zolang je ze maar genoeg betaalt. Je zou alle vissen kunnen houden die je wilt.’

Bijna in weerwil van mezelf raakte ik geïnteresseerd. ‘En wat zou ik daarvoor moeten doen? Om zo rijk te worden?’

‘Niet veel,’ zei Robert Minson, zijn gelaat weer gladgestreken. ‘Dat is juist het mooie. We hoeven alleen maar te zorgen dat we de mensen laten betalen voor iets waar ze niet zonder kunnen. Of denken niet zonder te kunnen. Dat maakt natuurlijk geen verschil.’

‘Je zult wel gelijk hebben. Maar vertel nu eens eerlijk,’ – dit keer was het mijn beurt om me tot dicht bij hem voorover te buigen – ‘waarom ben je terug­gekomen? Niet om mij een gunst te verlenen. Wat is er hier op Aarde dat je niet kunt vinden in dat Neo-Eden van je?’

De animatie was zo gedetailleerd dat er een zweempje zweet op het voorhoofd van de man ver­scheen. Zijn ogen flitsten heen en weer alsof hij een uitweg zocht. Ik legde mijn hand op zijn bol. De bood­schap van dat gebaar was duidelijk. Robert stak een vinger achter zijn kraag alsof hij benauwd was.

‘Alles,’ antwoordde hij uiteindelijk. Ik reageerde niet, maar wachtte tot hij uit zichzelf verder zou praten.

Het duurde niet lang. Hij liet verslagen zijn hoofd hangen. ‘Ik was failliet geraakt.’ Zijn stem was nauwe­lijks te horen. ‘Er was in principe vanaf het begin genoeg energie voor al onze programma’s, als we die maar nooit hadden willen uitbreiden. Maar we begonnen ons te verve­len. Al snel waren er met inge­wikkelder simulaties. Maar als anderen die zagen, wilden zij die ook voor zichzelf. En daar was elek­triciteit voor nodig. Drie van de oorspronkelijke persoonlijkheden wisten controle te krijgen over de zonnepanelen, en sneden de rest van de energie­toe­voer af. We kregen vervolgens de stroom niet meer gratis maar moesten ervoor betalen, met het enige dat we daarvoor hadden: onze reken­kracht. Ze zorgden bovendien dat er altijd net iets te weinig energie onze kant opkwam, zodat we tegen elkaar begonnen op te bieden. Het duurde niet lang of bijna iedereen was slaaf van een van de drie machten, gedwongen zich het grootste deel van de tijd in te zetten voor simulaties die niet van henzelf waren, lusthoven waar ze zelf geen tijd konden doorbrengen. Anderen pro­beerden energie te roven, maar leefden ver­volgens voortdurend in angst voor represailles. En de rest was uitein­delijk gedwongen zichzelf uit te schakelen. Dat zou ook mijn lot zijn geweest, als ik me niet had bedacht dat er op Aarde nog onbeperkte energie aan­wezig was en grondstoffen in overvloed. Dat is waarom ik hierheen ben gekomen.’ Hij hief zijn ogen op: smekende gaten in zijn gezicht. ‘Samen kunnen we onze overleving voor eeuwig zeker stellen.’

Ik moet eerlijk zeggen dat het me duizelde. Kunst­matige omgevingen, mensen die waren veranderd in computerprogramma’s en moordende concurrentie om zoiets simpels als energie, het was bijna niet te bevatten. Zelfs mijn eigen 3D-voorstellingen waren niet zo fantasievol. En ik twijfelde er geen moment aan dat de man zijn belofte kon waarmaken. Als ik me bij hem aansloot, zou ik al snel alles kunnen doen wat ik wilde. Ik zou nooit meer van niemand afhankelijk hoeven zijn.

Een oproep verscheen in mijn gezichtsveld. Of ik morgen met de tele-psychiater wilde spreken. Ik slaakte een diepe zucht en keerde me naar Robert toe. Die keek me afwachtend aan.

‘Ik heb mijn beslissing genomen.’

 

Er brandde nog licht in de centrale printerij. Voor de deur bleef ik staan wachten tot het systeem me had geïdentificeerd.

‘Kom verder,’ klonk een opgewekte stem. Tessa Wildstrom. Ik merkte dat ik moest glimlachen, terwijl ik de duisternis verliet en de hoge ruimte binnen­stapte.

Ze droeg een blauwe overall, de mouwen opgerold, en er stonden vegen van olie op haar handen en haar voorhoofd. Een band van oranje plastic hield haar piekerige haar op zijn plek. Ze grijnsde naar me. ‘Een van de apparaten moest worden hersteld. En het was vandaag toch mijn dienst. Ik moet de film later maar afkijken.’

Ik tilde mijn armen op. Haar ogen werden groot, toen ze zag wat ik vasthield.

‘Is de smelterij nog actief?’

‘Ik zal hem direct voor je aanzetten.’ Ze knikte naar de bol. ‘Ik vroeg me al af wat je ermee had gedaan. Wilde je hem niet houden?’

Ik vertrok mijn gezicht. ‘Er zit een worm in.’

‘Tegen de achterwand. Het rechtse luik.’

Bij mijn nadering klapte het open. Ik strekte mijn handen uit. ‘Je kunt je nog bedenken!’ zei Robert Minson, vlak achter mijn schouder. ‘Het hoeft niet extreem te zijn. We kunnen gewoon klein beginnen. Ik …’

‘Ik leef al in het paradijs’, zei ik. Ik liet los. Een galmend geluid en uit de diepte van de koker een rood schijnsel. Het luik ging dicht en het beeld van de glad­gestreken man verdween. Een gevoel van opluchting trok door me heen. Ik keerde me om naar Tessa, die nieuwsgierig had staan toekijken. ‘Wat voor film was je eigenlijk aan het kijken?’

Plotseling wendde ze haar gezicht af, haar wangen rood. Ik moest mijn best doen om haar te verstaan. ‘Een opname van jouw laatste show.’

Ik deed een stap naar voren en legde mijn hand op haar arm. ‘Vind je het erg als ik die met je meekijk? Ik heb het vanavond nodig eens flink om mezelf te lachen!’

Hoop : Peter Kaptein

1.

 

Haar laatste kus aan Loheij was een kus van verlangen geweest, van beloftes naar de toekomst. Van: ‘ik mis je nu al’ en: ‘ik kom zo snel mogelijk weer terug’. Haar laatste afscheid van haar moeder was een afscheid vol goede intenties geweest: ‘ik probeer meer bestellingen binnen te krijgen’. Al die intenties. Al die beloftes. Al het verraad. Dat alles kon over een paar momenten tot een einde komen.

Haar handen waren strak tegen het stuur gedrukt. Haar voet stond vol op het acceleratiepedaal. Bij wie ligt je loyaliteit, Meyago Niloo? Haar dubbelleven. Bij wie ligt je loyaliteit? Haar driedubbelleven. Bij wie, Meyago Niloo? Bij haar familie.

‘Dat is de muur,’ zei Assistentie.

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

Kiteh-hoer.

‘De boot ligt klaar,’ zei Assistentie. ‘De wagen is sterker.’

De eerste klap smeet haar tegen de gordels. Het staal van het chassis schreeuwde met een gierende uithaal nadat de voorwielen met de tweede klap in aanraking kwamen met de overgebleven rand van de muur. De wereld werd een buitelende warboel waarin ze als een stuk dood vlees heen en weer werd geslingerd tot de derde klap op het zeewater alles in diepe duisternis dompelde.

Vreemd genoeg voelde ze voornamelijk rust en een­zaamheid toen ze zich losmaakte uit de gordels, toen ze zich na een laatste hap lucht los maakte uit de wagen, toen ze wegzwom van de zuiging waarmee het verwrongen metaal haar naar beneden probeerde te trekken.

Ze dook op, haar gezicht naar de hemel. (Niemand op de rand van de klif.) De beloofde boot lag verborgen in de schaduw van een rots; twee Lleroh-vrouwen op het dek, één wijdbeens met een vierkante reddings­boei in haar hand, klaar om te gooien. Meyago stak haar hand hoog op, wierp een nieuwe, angstige blik omhoog naar het gat in de muur. Zonder twijfel was de blauwe auto al tot stilstand gekomen, waren de twee mannen uitge­stapt. Elk moment nu, elk moment kon iemand z’n hoofd over de rand steken en zien dat ze hier was, hier. Hier in het water! Seconden! Seconden slechts. De enige vraag was waarom het zo lang duurde. Waarom stónden ze daar nog niet?

De worp was bijna perfect. Ze hoefde alleen maar haar arm uit te strekken, de reddingsboei te grijpen.

‘Contact,’ zei ze tegen Assistentie. ‘Ik ben tot nu toe veilig. Er is nog niemand te zien.’

Ze liet zich over kalme golven naar de sloep trekken waar de tanige Lleroh-vrouwen haar aan boord trok­ken, stond daar even druipend, voordat ze zich geluid­loos neer liet zakken.

Er klonk geen geschreeuw van boven. Er was – behalve de bellen die nog steeds van de gezonken wagen omhoog kwamen – geen spoor meer van haar aanwezigheid. Er waren slechts kalme stemmen. Flar­den van een gesprek in het dialect van Ebyon, dat van boven de boot bereikte, tot de stemmen afzwakten en verdwenen.

Dertig minuten verstreken in absolute stilte van haarzelf en de twee vrouwen. De zon zonk langzaam richting de horizon.

‘Meyago?’

‘Ja?’

‘Je achtervolgers zijn weg.’

‘Begrepen,’ zei ze.

De elektromotor kwam tot leven. Meyago keek een laatste keer huive­rend en met een harde blik naar boven. Verkleedde zich toen.

‘Wat gaat je volgende stap worden?’ vroeg de stem in haar hoofd.

‘Ik ga terug,’ prevelde ze achter geheven handen. ‘Terug naar Ebyon. Ik doe wat Eijjon Eijsson me gevraagd heeft. Ik ga terug naar Yin-Beh, terug naar huis. Alsof er niets gebeurd is.’

Ze liet zich achterover zakken, tegen het harde can­vas van het zeil, wierp even een blik omhoog naar Merle: de vierde van de zes kunst­matige manen, arrogant in zijn perfecte schoonheid, onbereikbaar sinds eeuwen.

Ze sloot haar ogen.

Hoop.

De geur van oud zweet en zeewater in de oude jas was onaangenaam sterk, maar duizendmaal beter dan gevangenschap in een cel in Ebyon; beter dan de dood.

Hoop.

Dat was wat haar uiteindelijk dreef, zelfs nu. Zelfs nu alles waarin ze geloofd had uit elkaar leek te vallen. Hoop dat het universum een goede plek zou zijn. Hoop op een betere wereld. Hoop dat de oude tijden van vrede weer terug zouden komen. Hoop dat de Kiteh en de Timbesh in Yin-Beh gestopt zouden worden. Hoop. Niet de wanhoop van de vlucht. Niet de angst voor haar familie. Niet de angst voor de dood of de toekomst. Hoop. Hoop dat haar wereld ooit weer de sterren­poorten zou her­bouwen, nieuwe bruggen naar andere werelden zou slaan, weer op zou klimmen uit dit gat waarin het twaalfhonderd jaar geleden was terug­geworpen.

 

Haar val begon elf dagen eerder, vlak na haar eerste én laatste ont­moeting met Yuun Kuhalin.

 

 

2.

 

Zijn gezicht was gezwollen van de klappen die hij gekregen had. Zijn schedelkap verwijderd en het bot vormde een scherpe, gele rand boven de terug­getrok­ken huid van zijn voorhoofd.

Meyago borg het dossier op in de zoom van haar mouw.

Veertig doden, dacht ze. Wat een opmerkelijk persoon. Had hij aan het eind van zijn vlucht gerekend op een laatste ontsnapping, of een snelle dood?

Ze boog zich voorover om een beter beeld te krijgen van de kom­vormige leegte waarin ooit het vocht had gezeten waarin zijn hersenen hadden gedreven, bestu­deerde aandachtig de schone snede. Vakwerk.

Het begin van zijn hersenstam was een glad en helder blauw. Ze bestudeerde de dikte van de schedel­wand, de wasachtige glans van het vlees in de holte; de bobbels en vloeiende randen van de schedel­basis.

Wat maakt hem anders?

Meyago deed een stap naar achteren.

Haar adem vormde wolkjes in de gekoelde lucht.

Hij was ooit een gezond man geweest. Nu reikte zijn linkerbeen niet verder dan zijn knie. Zijn rechter tot aan de enkel. De laatste decimeters van zijn armen waren tot net boven zijn biceps afgezet. Zijn penis en zijn balzak waren met grove sneden verwijderd. Nauwe­lijks opmerkelijk, dacht ze cynisch. Het verhoor­proces ging nergens over. Hij had volgens de Kiteh-rapporten niets losgelaten. Niets van belang. Niets dat ze niet al wisten uit de eindeloze verslagen van hun eigen Agent-Voyeurs.

‘Hoe zit het met de hersenen? Enige anomalieën?’

‘Geef haar een antwoord, Dame,’ zei Beijjun zacht, ‘als het u belieft.’

‘Het begin van een tumor in de rechter hersenhelft,’ zei de lange vrouw. (Gele lijnen in haar rode huid volgden haar kaaklijn, liepen van haar neusbrug naar haar kruin.) Een Timbesh uit het havengebied. Ze herkende de patronen, plaatste de hoge jukbeenderen en het lange gezicht. Dochter van één van de meer welvarende families.

Meyago ging één voor één door de foto’s heen, elk vel in een flits in haar geheugen gegrift, elk een weergave van een volgende plak. De tumor was duidelijk zichtbaar.

Nergens in de doorsnedes zag ze afwijkingen in de hersenlobben. Ze bekeek de röntgenfoto’s. Geen sporen van implantaten. Ze bekeek de celstructuur van zijn spieren. Wat de Kiteh ook hadden verwacht te vinden, Kuhalin was nee: léék– een normaal mens, van deze wereld.

Beijjun Niam wierp een blik op haar klokje.

‘Dm. Niloo, we moeten gaan.’

Door de lang hal van het mortuarium naar de uitgang. Meyago zette haar zonnebril op, opende haar parasol toen ze buiten stond. Een aankondiging van haar regering bedekte de zijgevel van het gebouw vóór hen. Een peinzende Kiteh die naar de hemel keek. ‘Weest Waakzaam! De Aarde observeert ons!’

‘Hij was zwaarder toegetakeld dan ik verwacht had,’ zei ze.

‘Schaamteloos,’ zei Beijjun Niam zacht. ‘Een grof misbruik van Kiteh-privileges. De Lleroh hebben het recht Yuun Kuhalin aan een eigen verhoor te onder­werpen, vóórdat de Kiteh besluiten hem te doden. Hij had hier nooit terecht mogen komen.’

Meyago keek even achterom toen ze het terrein van de Kiteh-gevangenis verlieten, streek een lok van haar lange haar uit haar gezicht. Het was een bijna onop­vallend gebouw dat wegviel achter hoge bomen en statige steenzwammen.

‘Hij is niet de eerste,’ zei Meyago.

‘Sinds we niet meer in het zelfde bed slapen als de Kiteh en de Timbesh,’ zei Beijjun zuur, ‘valt hier weinig meer tegen in te brengen… Geef de Kiteh nog een paar jaar en onze status is even laag als dat van de Oba en de Gehina.’

Meyago stapte in aan de passagierszijde, klapte haar portier dicht. Beijjun nam plaats achter het stuur, leunde opzij, draaide de contact­sleutel om. ‘Wat zijn je bevindingen?’

‘Geen sporen van wijzigingen. Geen aanwijzingen dat hij van buiten deze wereld komt.’

‘Had je anders verwacht?’ zei Beijjun.

Ze schakelde, reed de wagen achteruit. ‘Yuun Kuhalin is een smokke­laar. Mogelijk een Agent uit Yig-Masuul. Geen buitenwerelds ding.’ Met minachting: ‘En zéker geen spion van Aarde.’

Meyago bekeek zichzelf in haar kleine spiegel, bracht haar haar samen achter haar hoofd, herschikte haar mantel. De volgende bestemming was de Centrale Administratie van de Kiteh.

 

 

 

Het was een paleis voor zielenrovers, lelijk, de gevel zwaar en donker, met drie rijzige torens en naar­geestige betonnen beelden van abstracte menselijke vormen naast smalle hoge ramen van glas in lood.

De glanzende vloer van de enorme hal was een platgeslagen doolhof van zwart en witte stenen. In het centrum stond een blok van grijs steen waarop een magere Kiteh-vrouw zat, deels verborgen achter de lage rand van haar koperbeslagen fort. Haar schedel was kaalgeschoren. Gouden ringen hingen neer uit haar lange oren. Witte lijnen vormden sierlijke krullen over haar diepblauwe handen, haar armen, over haar bijna vierkante gezicht. Ze droeg brede lijnen langs haar neus, fijne spiralen op haar voorhoofd en over de rug van haar handen. Geen make-up maar genetisch- en erfelijk bepaalde pigmentverschillen. Haar nagels waren zorgvuldig bijgeslepen, afgerond.

Hoog van stand.

Aantrekkelijk op een koude wijze.

Ze keek op van haar papieren, woog Beijjun, woog Meyago op hun uiterlijk.

Meyago knikte.

‘Beijjun Niam,’ zei Beijjun Niam en ze maakte een korte buiging. ‘Agent-Exécuteur. We worden ver­wacht.’

‘Mijn naam is Meyago Niloo,’ zei Meyago. Ze boog, plaatste haar pas op de tafel. Toen deed ze een stap naar achteren. ‘Agent-Voyeur.’ Een titel zonder status.

Knoppen werden nuffig ingedrukt, papieren zodanig verschoven alsof het om zaken van groot gewicht ging; het leren portfolio langzaam geopend, Meyago’s identiteitspapieren langdurig bestudeerd en het geheel teruggegeven.

‘Gaat u zitten.’

Meyago keek opzij.

De Kiteh wees naar een stenen bank aan de zijkant van de enorme ruimte.

‘Ik hoop dat je niet bent vergeten je afspraken van deze middag af te zeggen,’ zei Beijjun spottend, toen ze zaten.

Meyago sloot haar handen, wreef zorgvuldig haar palmen over elkaar, zweeg, omdat het niet haar plaats was om te zeggen wat ze dacht: ‘Ik wil weg! Ik wil weg van hier.’

De waarheid als welgeplaatste bommen, had Beijjun eerder gezegd. Maar waar? In de hogere rangen van de Lleroh? Dicht tegen de weinige pijlers van macht die ze nog over hadden?

Een uur verstreek. En nog één.

 

Eindelijk verscheen hij. Een Kiteh-man: zijn middel slank, zijn schouders en heupen breed, de patronen in zijn huid zelfs op deze leeftijd bijna foutloos. Een teken van zijn zuiverheid, van zijn sterke familielijn. Van hoge adel, zoals Beijjun. Hij droeg zijn glimlach als onderstreping van zijn onverschilligheid.

‘Dame. Dame?’ Hij stak zijn beide handen uit, maar met een duidelijke aarzeling. Alsof vooral Meyago te smerig was om aangeraakt te worden.

Beijjun Niam torende hoog boven hem uit.

‘Dit is jullie expert?’ vroeg hij Beijjun.

‘Dit is onze expert.’

‘De dochter van een linnenfabrikant.’

‘Agent-Voyeur, academisch geschoold,’ zei Beijjun.

‘Uiteraard,’ zei hij en het was duidelijk uit de manier waaróp dat Beijjun net zo goed haar mond had kunnen houden.

Zwijgend ging hij hen voor door een fel verlichte gang, met hoge, betonnen bogen, dieper het gebouw in; over een brede trap met hoge ramen, die uitzicht gaven op een enorme volière (waarin prachtige, fel­gekleurde vogels opstegen uit bomen, met gespreide vleugels door de lucht scheerden, weer op lange takken neerstreken) verder naar beneden; langs donker­groene, gesloten deuren waarachter grote hallen lagen waarin enorme kasten stonden, vol schake­lingen, vol elektronen­buizen. Rekken vol trans­formatoren zo groot in aantal dat het zoemen hier hoorbaar was; con­densatoren zo groot dat ze ze nauwelijks in haar handen kon houden. Krachtige computers die meer dan driehonderd jaar oud waren, meer dan vijf jaar geleden uit de Lleroh-universiteit waren gehaald (gestolen!) en drie jaar geleden door de Kiteh hier geplaatst.

Ze keek neer op zijn brede rug.

Yuun Kuhalin stierf in opdracht van deze man. Omdat zijn woorden geen waarde meer hadden, dacht ze. Hij stierf omdat iemand dacht dat zijn autopsie meer zou vertellen dan uit zijn ondervragingen zou komen. Hij stierf zodat zekerheid gevonden kon worden dat spoken van Aarde opnieuw interesse hebben gekregen in de werelden van Epsilon Drie.

Ze passeerden drie Timbesh vrouwen die haar zorg­vuldig opnamen, hun semiautomatische geweren naar de grond gericht. Ze gingen dieper over brede treden, door een lange, grijze gang met zestien metalen deuren op regelmatige afstand van elkaar, elk sterk genoeg om een milde explosie te weerstaan. Diep onder de stad nu, dieper waarschijnlijk dan de lange tunnels van de riolering. De muren en de vloer waren donkergrijs. De enige verlichting bestond uit TL-balken.

Ze sloegen linksaf.

 

Een stapel boeken lag op een stalen tafel, naast een zwart rechthoekig object dat even lang was als haar hand. Meyago bevroor. Het was echt! Kostbaarder dan goud. Hebzucht vlamde op in haar hart, in haar buik. Jaloezie greep haar bij haar keel. Een jaloezie waar­voor ze moorden kon plegen.

‘Zoals verzocht.’

‘Geen fratsen,’ zei Beijjun dreigend, een felle blik naar de Kiteh gericht.

Het intense gevoel van onveiligheid schoof gevaar­lijk dicht naar doodsangst nu ze hier stond, alsof ze gevangen zat in een doodlopende steeg en de vrouw met het mes elk moment haar ingewanden aan stuk­ken kon trekken.

Zestien jaar van studie. Van boeken over verloren tech­no­logieën. Verloren, verboden technologieën die mensen bijna tot goden hadden gemaakt. Vijfhonderd jaar van taboe, voordat de eerste elektronen­buizen werden toegestaan. Zevenhonderd jaar van sabotage en onder­mijning.

Als je ook maar iets hierover loslaat naar anderen, had Beijjun gezegd, is je persoonlijke veiligheid niet langer meer mijn verantwoordelijkheid. En denk niet dat er ook maar iemand aan jouw zijde staat, of dat de Kiteh en de Timbesh ook maar iets zal ontgaan van wat er in Yin-Ghuel gezegd en gesproken wordt nu de paranoia zo hoog is.

Vijf punten, dacht ze en ze raakte ze één voor één aan tot het monster weer in zijn kooi zat, de angst zo goed als verdwenen was.

Ze greep het tablet, draaide het om en om in haar trillende handen, bestudeerde de groeven in het materiaal, op zoek naar herkennings­punten, vond ze. Niet zeker wat ze kon verwachten, niet zeker of dit een vervalsing was, een kopie, dood materiaal, niet zeker of het ook maar iets zou doen drukte ze op het vijfhoekige vlak onder haar duim.

Twaalfhonderd jaar!

Meer dan twaalfhonderd jaar lang had dit soort objec­ten verzonken gelegen in de wereldzeeën. Tot een dief, een smokkelaar, een man van haar eigen ras werd opgepakt door de Kiteh. Yuun Kuhalin.

Het zwarte, glanzende oppervlakte tussen haar vingers werd een verzameling van abstracte vlakken die langzaam van vorm en kleur veranderden.

‘Dit is inderdaad wat het is,’ zei ze en ze had moeite haar stem in bedwang te houden. ‘Een computer uit het Tweede Tijdperk.’

Weet waar je loyaliteit ligt, had Beijjun gezegd, voordat ze de auto het terrein op had gereden. Vertel de Kiteh wat je weet. Laat je niet afleiden door je politieke over­tui­gingen, als je die al hebt. Aan de oppervlakte zijn we allemaal gelijk aan elkaar. Lleroh, Kiteh, Timbesh. Broeders en zusters.

Ze schakelde de projector aan, voelde de schok toen ze met eigen ogen zag hoe stabiel het beeld op de muur bleef staan. De bewegende beelden tussen haar handen werden vervangen door een toetsenbord met zesenvijftig vreemde tekens. Ze schakelde de com­puter in slaapstand, hield het in het licht. Eén stuk materie. Harder dan diamant. Met schakelingen op atomaire schaal. De kristallijne batterijen van dus­danig hoge kwaliteit dat er geen oxidatie optrad, geen slijtage.

Werkte de stappen waarmee ze dit apparaat volledig kon wissen en herstarten? Hoe goed sloten de instruc­ties in de oude documenten aan op de werke­lijkheid van dit wonder?

Het was het bijna waard haar leven te wagen, deze computer mee te nemen, door de lange gangen van deze ondergrondse bunker te rennen, voorbij de gewapende mannen en vrouwen, buiten dit pand. Een belachelijk dom idee. Ze zou niet verder komen dan de deur.

Ze schakelde de computer opnieuw aan, keek met meer aandacht naar het afbeelding op de muur, de subtiele wisselingen in kleur en in de achtergrond. Een venster. Een venster naar een wereld vol ab­strac­ties. De fluisteringen leken deze keer nog dringender. Alsof het contact met haar zocht.

De implantaten.

Uit.

Om en om in haar handen.

Het zwarte materiaal aan de buitenzijde absorbeerde volgens de boeken elke vorm van energie, inclusief het licht dat van het plafond kwam.

Eerbiedig plaatste ze het weer op de tafel, bittere lijnen in haar hoofd. Ze had weinig hoop het ooit terug te zien.

 

 

4.

 

De bakkerij was tot de laatste tafel gevuld met Lleroh, Timbesh en Kiteh. De Oba werden al meer dan tien jaar volledig geweerd, ook in het bedienend personeel.

Muziek overstemde de gesprekken. De geur van vers bakwerk was sterker dan al het andere. De achter­kamers, die in betere tijden de gelegenheid hadden gegeven voor interraciale seks, werden nu gebruikt voor zakelijke ontmoetingen.

Meyago en Beijjun zaten dicht tegen elkaar aan in een kleine nis bij het raam. Als goede vrienden. Meyago rechtop. Beijjun leunde zwaar naar achteren.

Geen fratsen.

Waarom die uitspraak?

Hoe vér reikt de invloed van Beijjun eigenlijk?

Meyago schoof haar ellebogen naar voren, inwendig nog steeds trillend van opwinding, teleurstelling; haar hoofd vol gedachten rondom één punt.

Wat heb je in ruil geboden voor dit bezoek? Wat heb je in ruil teruggekregen?

‘Waarom had Y.K. dat ding bij zich?’ vroeg ze.

‘Dat weten we nog niet.’

Wat gaat mij dit kosten?

Ze dacht aan haar moeder. De neerwaartse spiraal van haar eigen leven sinds haar afdeling was over­genomen door de Timbesh, haar onder­zoeks­­richting geen fondsen meer had gekregen, zijzelf was ontslagen.

‘Zo somber,’ zei Beijjun en ze schoof dichterbij. Een glimlach schoot even over Meyago’s gezicht. Het was niet moeilijk de grens tussen hen beiden verder te laten zakken. Het was niet dat ze een hekel had aan Beijjun Niam. Het was gelukkig niet zo dat de preutsheid van de Kiteh ook haar volk besmette.

‘Zo vol met gedachten,’ zei Beijjun.

‘Wat is de volgende stap? Ga ik voor de Timbesh werken? Is er een kans dat ik voor de Kiteh ga werken, dat ik weer terug kan gaan naar de universiteit, op­nieuw onderzoek kan gaan doen?’

‘Terug? Nee. Sorry meisje. Niet dit jaar. Niet deze eeuw. De Kiteh laten niet los wat ze nu hebben. En ze gaan jou geen toegang geven tot de drie die je zo snel mogelijk in Ebyon gaat keuren.’

Meyago voelde de schok.

Beijjun begon te lachen.

‘Verbaast je dat? Yuun Kuhalin was niet de enige Lleroh met deze technologie. Ik had je hier liever buiten gelaten, maar ik kan niet zonder jouw unieke blik op deze zaken. Je bent één van de weinige mensen die ik ken die beide voeten op de grond heeft staan en hier werkelijk iets zinnigs over kan zeggen. Ik wil de mening van iemand die niet haar tijd verdoet aan die paranoïde samenzwerings-onzin van de Kiteh. Ik wil dat jij gaat uitzoeken waarom Yuun Kuhalin pogingen heeft gedaan om bij de kweekfabriek van Yin-Ghuel te komen.’ Haar wijsvinger raakte even de lippen van Meyago. ‘Uiterst vertrouwelijk uiteraard,’ zei ze zacht. ‘Niet gebonden aan een harde deadline. En niet iets dat je met de Kiteh gaat delen in je dagelijkse rappor­tages. Behandel dit voor de Kiteh vooralsnog als een normale zaak, met de gebruikelijke ingre­diënten. Moord. Landverraad. Diefstal.’

Ze gaf Meyago’s hand een zacht kneepje.

‘Geef me zo snel mogelijk een rapport over wat je zojuist in handen hebt gehad. Waar dit ding vandaan kan zijn gekomen, wat de mogelijk­heden zijn, welke implicaties het gebruik van deze technologie kan hebben, welke literatuur hierover beschikbaar is. Alles dat van belang is voor de Kiteh, voor de Lleroh en voor je Moederland.’

Beijjun liet haar kin even op Meyago’s schouder rusten, zei toen peinzend: ‘De fabriek is na de Tweede Val nooit afgesloten geweest van buitenaf, Meyago, omdat niemand dacht dat die driehonderd vervloekte kweektanken ooit nog gebruikt konden worden. En nu heeft iemand vier bewakers om het leven gebracht, heeft iemand anders vier nieuwe wakers aangesteld. En iemand probeerde via Yuun Kuhalin toegang krijgen tot deze duivelse machines waarmee mensen en monsters gemaakt kunnen worden… Vertel me, Dame: waarom zou iemand dat doen? In het licht van wat u zojuist heeft gezien, waarom zou iemand deze moeite nemen?’

‘Onsterfelijkheid, de creatie van nieuwe ziektes?’ fluisterde Meyago. ‘Supersoldaten, superslaven, men­selijke computers? Nieuwe incarnaties van Aardse agenten?’

‘Het soort toepassingen waar de Kiteh zo gek op zijn,’ zei Beijjun cynisch. ‘Dan Y.K. Wat is je officiële mening? Mens? Buitenwereldse agent? Supersoldaat van een buitenlandse macht?’

‘Ik weet het niet.’

‘Goed genoeg.’ Ze gaf Meyago twee oorbellen in een klein doosje. ‘Hier heb je alles wat we van hem weten. Lees je in. Breng vandaag je rapport uit naar het Paleis. Laat dit stuk over de kweektanken en de andere machines ergraagbuiten. Het broeit in Yin-Beh en als iemand zich daarboven bedreigd gaat voelen door wat we mogelijk te weten gaan komen kan het allemaal erg vervelend voor ons worden. Om die reden: rappor­teer alles dat buiten je routine valt eerst naar mij. Rapporteer alles wat je leert over Y.K. naar mij en op het moment dat ik zeg dat je moet stoppen met dat andere onderzoek, stop je. Begrepen? Je dagelijkse plichten en je normale leven gaat gewoon door.’

Meyago knikte. ‘Helder. En Ebyon?’

‘Zo snel mogelijk. Ik zorg dat alles zo natuurlijk mo­gelijk verloopt, zodat je familie geen argwaan krijgt.’

‘Begrepen,’ fluisterde ze.

Beijjun liet zich achterover vallen, in de kussens van haar stoel.

‘Wat is de kortste termijn waarop je naar Yig-Masuul kunt gaan?’

‘Vijf dagen,’ zei Meyago. ‘Tenzij er beperkende fac­toren zijn.’

‘Dit wordt de derde keer dit jaar?’

Meyago knikte.

‘Dan gaat dat geen problemen geven. Je hebt geen andere verant­woordelijkheden in Yin-Ghuel?’

‘Geen die ik niet af kan zeggen.’

‘Prima. Verwacht in dat geval morgen een spoed­bestelling van een bekende klant uit Ebyon,’ zei Beijjun en ze schoof weer tegen Meyago aan. ‘Gebruik code mala zeven, drie, vier, als je je reisvisum aanvraagt,’ fluisterde ze. ‘Zodat er geen onnodige vertragingen optreden. Nog iets anders dat van belang is aan jouw zijde?’

‘Nee.’

‘Prima.’

Meyago maakte haar hand los van de warmte van Beijjuns been, rechtte haar rug, wenkte een serveer­der, bestelde een thee voor beiden.

 

 

 

Negenhonderd jaar vóór de Tweede Val, één jaar voordat de eerste mensen van Isomé uit de fabrieken kwamen, kozen zestien Aardse zaad­schepen de meest vruchtbare en meest geschikte plekken op Isomé.

Omdat de Aardse biologie ongeschikt was voor het leven op Isomé, grepen de schepen talloze monsters van lokale levensvormen. Volauto­matisch, zoals ge­pro­gram­meerd.

Vijftien dagen na landing vormden zich de eerste cel­len die menselijke longen zouden gaan vormden, men­se­­lijke hersenen, menselijke spieren, menselijke dar­men, menselijke botten, herkenbare menselijke lijven.

Een jaar later werden de 4800 Eersten van Isomé wakker met herken­bare lichamen en levendige, ge­con­ditioneerde herinneringen van Aarde, Mars, de Maan.

En terwijl de fabrieken van Isomé bleven produceren en de populatie op Isomé groeide naar zestigduizend volwassenen, landden dertig andere zaadschepen op Elija en Nilja: de zevende en achtste planeet van Epsilon Drie.

In minder dan een eeuw hing een totaal van vieren­twintig kunstmatige manen in stabiele banen rond de drie planeten van deze zwakke zon, oogstten robot­schepen essentiële metalen uit de Van Oortwolk, vlogen door mensen gemaakte schepen door het stelsel en via de poorten tot ver daarbuiten en begon­nen de fabrieken levensvatbare fantasielijven te produceren die dromen vervulden en die steeds verder van de mense­lijke standaard af begonnen te wijken.

De Grote Oorlog eindigde vrijwel alles.

De machine-corrupties van de Eerste Val trof veel meer werelden dan alleen Isomé.

Voor het eerst in vijfhonderd jaar werd het stil, dood­stil in de vele duizenden stelsels rondom Al-Jawziyya’s Ster, waar ook Meyago’s zon deel van uitmaakte.

 

Isomé herstelde zich. En viel weer toen grof misbruik leidde tot het Grote Taboe en de Tweede Val.

De fabrieken met de kweektanken vervielen tot niets meer dan beziens­waardigheden.

 

 

6.

 

De ochtend van de volgende dag begon met zware regenval die geen einde leek te hebben. Lijven pakten zich samen onder de hoge zwammen van het Helden­plein: lange Lleroh (optimistisch en blij van hart); korte, donkere Kiteh (alledrie de geslachten aan­wezig, samengedrongen en ernstig); slanke, rode Timbesh (voornamelijk ondoorgrondelijk); een kleine groep bleke Oba (uitgescholden en met minachting en wan­trouwen op afstand gehouden).

Verse nieuwsbrieven aan de muur maakten melding van mislukte pogingen om tot een nieuw handels­verdrag te komen, van de dalende waarde van aan­delen, mislukte herplaatsingstrajecten voor Lleroh-arbeiders, het toenemende probleem van open riolen in een stad ver hier vandaan, onhygiënische prak­tijken in Oba-ziekenhuizen, moord, incest, inbra­ken, diefstal en groeiende onlusten in de veer­tien Oba-wijken van Yin-Ghuel, de noodzaak tot meer waak­zaamheid nu Oba-misdadigers en Lleroh-smokke­laars hun werkterrein opnieuw richting de binnenstad hadden uitgebreid.

Een half uur vestreek. Lleroh en Kiteh spraken rond­om haar over persoonlijke zaken, handel, tegen­slagen. Welkom voer voor Agent-Voyeurs. Sociale veelvraten zonder duidelijke kenmerken, waar vrijwel niemand weet van had.

De middag brak aan. De winkels werden gesloten, de kantoren, de werkplekken liepen leeg. Restaurants openden zich, evenals de huizen van vermaak waar voorstellingen werden gegeven voor Kiteh, Timbesh, Lleroh en Gehina, waar mensen samenkwamen voor orgies, voor muziek, voor de snelle kick en de heer­lijke roes van drugs.

De zon brak door. En de zomerse hitte maakte Meyago’s dikke mantel overbodig.

‘Dag-dag,’ zei ze tegen de vrouwen met wie ze had staan praten. ‘Een fijne middag voor jullie allemaal. En tot later!’

Ze keek naar de hemel, de lucht boven zee waarin geen wolkje meer zichtbaar was.

‘Het wordt een prachtige dag!’

Ze sloeg haar mantel van haar schouders, liet het langs haar armen glijden.

‘U ook,’ zei ze lachend tot de Timbesh die haar een goede dag wenste.

Ze bond haar haar naar achter.

‘Morgen kom ik langs,’ zei ze tegen de Kiteh-vrouw die niet ver hier vandaan een restaurant had.

Ze opende de parasol die ze op haar rug had gedra­gen, voorzichtig, zodat ze niemand zou raken.

‘De bibliotheek,’ zei ze met een blik opzij. ‘Als u zin heeft, kunt u mee lopen.’

Eveyago Des Moheij opende haar eigen parasol.

‘Graag,’ zei ze.

Een vlucht vogels vloog over, schreeuwend naar el­kaar, schreeuwend naar de wereld beneden.

‘Uw moeder? Hoe gaat ze?’

‘Redelijk goed,’ zei Meyago naar waarheid. ‘Ze heeft zich gelukkig niet te diep in de schulden gestoken. Zo lang we nog draaien, verkopen we.’

‘Fantastisch!’ zei Des Moheij van onder haar scha­duw. ‘Ik hoor dat er in mijn kringen ook steeds meer belangstelling komt voor Lleroh-onder­ne­mingen, van investeerders uit welgestelde Timbesh- en Kiteh-kringen. Zeker nu de crisis de industrie in uw wijken zo onder druk zet. Wees niet verbaasd als iemand uw moeder binnenkort een bod gaat doen.’

‘U?’

Dm. des Moheij begon te lachen.

‘Ik zou het graag willen. Maar nee.’

‘We gaan het zien,’ zei Meyago vrolijk. ‘Daar is de wacht.’

Ze liet zich staande houden, hief haar vrije hand. ‘Tot later, Dame.’

‘Tot later!’ zei Dm. des Moheij met geheven parasol. ‘En wellicht wordt het weer eens tijd dat u langs komt!’

Meyago liet de Timbesh-agent haar papieren zien, de stempel met nummers op haar pols. De stempels waren het bewijs van haar eerdere passage richting het hart van de stad. Ze opende haar tas; ze liet de kaarten zien die in de zoom van haar mouw lagen, toonde de namen van haar klanten, toonde de aan­tekeningen voor twee nieuwe bestellingen, haar buidel met geld, spreidde haar armen, liet schijnbaar onaangedaan de handen van één van de mannelijke Timbesh-agenten over haar lichaam gaan. Reageerde niet toen hij haar onbetamelijk in haar kruis betastte.

Omdat ze Lleroh was.

Het had ook háár een gevoel van veiligheid moeten geven, maar dat deed het niet.

 

Drie uur lang groef ze ongestoord door oude boeken en verfriste ze haar herinneringen van technische schakelingen, technische beschrijvingen, praktische beschrij­vingen voor gebruik. Niets dat ook maar een hint bevatte naar de manieren waarop ze een com­puter zoals die van Yuun Kuhalin kon laten samen­werken met de fabriek onder het Paleis. Ze nam twee uur de tijd om door de deprimerende verslagen over de Tweede Val en de daaropvolgende Opruiming te gaan, opnieuw te lezen over de gruwelen die gepro­duceerd waren, in de hoop iets nieuws te vinden.

Het was zeven uur toen ze het laatste boek zorg­vuldig dichtsloeg en haar aantekeningen samen­vouwde.

De zon was nog steeds warm.

Bij de brug werd ze opnieuw staande gehouden. Ze toonde de stempel van witte inkt.

Hoe reëel is de angst van de Kiteh? Is het Aardse Rijk nog steeds een macht om rekening mee te houden?

‘Natuurlijk,’ zei ze en ze spreidde haar armen, liet gelaten toe dat de tweede vrouw haar fouilleerde, terwijl de derde door haar aanteke­ningen en haar papieren ging.

Zouden mensen van buiten Isomé werkelijk op deze manier handelen? Mogelijk. Maar niet waarschijnlijk. Niet als je de macht bezat het universum naar je eigen wil te buigen. Niet als de toekomst teruggebracht kon worden tot permutaties van mogelijkheden. Niet als de technologieën die deze rangschikkingen mogelijk maakten met gemak in haar vuist kon worden gehou­den. Het zal nooit kloppen.

Om acht uur betrad Meyago het communiehuis.

Ze trok een nummertje.

 

De microfoon was groter dan haar vuist, een zwaar ding van staal. Ze trok het naar zich toe, boog naar voren. Deed alsof ze sprak om de afstand tussen het rooster en haar lippen te testen. Toen liet ze haar vingers over de 64 toetsen gaan, koos de negentien karakters die haar met Rapportagebureau 67 van het Paleis in verbinding bracht. (De telefoontoestellen in Yig-Masuul hadden draaischijven, maar om één of andere reden bleef de technologie van Yin-Beh hangen bij deze eeuwenoude oplossing.)

Het beeldscherm flikkerde aan. Het oog van de Agent-Voyeur ver­scheen boven de trotse griffioen van de Agent-Exécuteur.

‘Gegroet, Agent-Voyeur bela nola 716,’ sprak de neutrale Kiteh, zeh perfecte gezicht uitgesneden in prachtige vlakken licht en schaduw. Generaties van selectieve paring in elitekringen, drie stippen op zeh voorhoofd een markering van zeh status. ‘Rappor­tages, graag.’

Ze ontsloot haar geheugen. Dertig dossiernummers, inclusief dat van haar moeder, Aijin Niloo, en haar zus, Eijolin Niloo. Ze deed een gestructureerd verslag van de roddels, de handelingen, de observaties die ze ver­zameld had, een proces dat meer dan een uur in beslag nam. (Ongetwijfeld deden de Kiteh en de Timbesh het­zelfde, de genadeloze constante obser­vatie van al hun dierbaren, buren, vrienden, zaken­partners. Voor het goed van stad en staat!)

Toen de overdracht was afgelopen drukte Meyago de zwarte resetknop in. Het beeld viel terug naar het wapen van Yin-Beh.

Ze slaakte een diepe zucht, drukte de knoppen van de tweede code in.

‘Ik wil graag een reispermissie aanvragen,’ zei ze. ‘Code? Mala zeven, drie, vier. Bestemming? De stad Ebyon op het eiland Yig-Masuul. Zake­lijk. Spoed. Sorry? Kunt u dat herhalen? Ah! Uiteraard. Duizend­maal dank.’

Want Beijjun was haar belofte nagekomen. Eerder die dag was op het kantoor van de fabriek van haar moeder een telegram bezorgd. Een spoed­bestelling voor zesduizend strekkende meters fijngeweven linnen.

 

 

7.

 

Van kinds af aan had Meyago zich ingezet om niet net als haar andere vier zussen achter het weefgetouw te zitten, dag in dag uit haar oog op de spindel die heen en weer schoot, murw door het klikken en klakken van de kammen die eindeloos omhoog gingen en eindeloos weer omlaag. En dus had ze alles wat ze had ingezet op haar studie, op het halen van de beste cijfers, de hoogte scores, het leggen van contacten binnen de universiteit die haar verder zouden helpen zodra ze naar het volgende niveau zou schuiven. Het was uiteindelijk voor niets gebleken.

Ze stapte de schaduw van de overhang in, sloot haar parasol, stapte de koele lucht van het kantoor van haar moeder binnen.

‘Meyago! Is alles gelukt?’

Ze gaf haar moeder een knuffel, een kus op haar wang.

‘De reispermissie wordt ergens in de loop van morgen of overmorgen bezorgd. Zijn dat de monsters? Waar zijn de contracten?’

‘Daar.’

‘Waar? Oh! Fantastisch. Dank je.’

Boven, in haar eigen kantoor sloot Meyago zorgvuldig de deur. Het schraapte over de vloer net voordat het in het slot viel. Meyago plaatste de contracten op haar bureau, haalde Beijjuns oorbellen uit haar oren, knipte ze open.

Niet veel later zat ze voorovergebogen op haar stoel.

Ergens lag een patroon van overlappende hande­lingen tussen Yuun Kuhalin en de drieëntwintig mensen waarvan ze de dunne strookjes één voor één in een lege sigarenkoker plaatste. Pelegero Izaz, een oude vriend van haar moeder. Neji Lii, Kiteh, denker, weten­schapper, uit­vinder. Aijin Agaron, Kiteh, van hoge afkomst. Ze schoof de derde film onder de lens van de zakmicroscoop, schoot door de samen­vattingen.

Yuun Kuhalin: smokkelaar, handelaar, dandy, moor­denaar, piraat. Mogelijk een Agent-Saboteur.

Meyago ging opnieuw door zijn dossier. Minaars en minnaressen, van de laagste regionen tot de hoogste standen. Gezonken schepen, gezonken ladingen, scha­duw­levens, onderschat vanwege zijn geslacht. Goud, graan, opiaten, slaven, exotische diersoorten, ver­boden literatuur. Een man zonder onderscheid: Oba, Kiteh, Lleroh, Timbesh, Gehina. Ze schoot over de namen van bedpartners, zijn handlangers (veel Oba-vrouwen, vooral voor het smerige werk) leveranciers, afnemers.

Ze nam jaar na jaar na jaar, tot zich patronen begon­nen te vormen. Ze schreef. De avond viel. Ze schreef meer, tot het kraken van de losse plank in de hal haar deed opschrikken en de deur schrapend werd open­geduwd.

Met vier snelle handbewegingen verborg ze de kokers met de micro­films in de open lade aan haar linkerzijde. Met vijf snelle handelingen nam ze de microscoop uit elkaar. Met één schoof ze haar aantekeningen in het vak onder haar tafelblad. Toen draaide ze zich om.

Eijolin duwde de deur verder open.

‘Heb je een moment?’ vroeg ze, de lijst met bestellingen van die dag een doorzichtige leugen om boven te komen. ‘Stoor ik? Is dit een goed moment?’ Er vormde een diepe blos op haar wangen.

Meyago knikte, schoof haar stoel naar achteren, stond op, stak zwijgend haar hand uit.

Later.

Opnieuw alleen sloeg Meyago haar benen over elkaar, boog zich opnieuw over het dossier van Yuun Kuhalin.

Ze plaatste verschillende objecten op haar tafel: een karaf van gegra­veerd kristalglas, een stalen brief­opener, een dobbelsteen, een beker van porselein met delicate schilderingen in het glazuur, een kiezelsteen, elk een representatie van de meest relevante aspec­ten. Kiteh. Timbesh. De recente moord op vier soldaten. Computer. Ze plaatste een vijfde object in de cluster, een godonmot in een blok van kunsthars. De kweek­machine. Een zesde object: een ring met een steen van obsidiaan. De Eerste mensen, de Tweede Generatie. De draden woven patronen over tijd en afstand, plaats en aard van de ontmoetingen.

Ze plaatste haar vinger op de kiezelsteen, de com­puter. Ben je er één van ons? Een speciaal project om de ontwikkeling in Yin-Ghuel te versnellen? Werkte je voor één van de Kiteh? Wat hoopte je te bereiken?

 

Toen middernacht viel, sloot Meyago haar ogen en ze wachtte tot ze contact kreeg met Ontvangst.

‘Ha, Meyago. Spreek.’

Geluidloos vatte ze haar bevindingen rondom Yuun Kuhalin samen.

‘Ik maak vanavond mijn officiële rapport, met betrekking tot de mogelijke vindplekken van deze apparatuur.’

‘Enig vermoeden?’

‘Alleen maar vage aanwijzingen. Er kunnen op Isomé honderden, mis­schien wel duizenden plaatsen zijn waar deze apparatuur is opgeslagen.’

‘Is hij één van ons?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Jammer.’

‘Wat denk je van de vondst in Yig-Masuul?’

‘Dat!’ zei ze opgewonden en ze sloeg haar hand voor haar mond, prevelde: ‘Zijn wij het? Komen deze com­puters bij ons vandaan?’

‘Nee.’

‘Bestaat er een organisatie zoals de onze, maar dan met andere middelen en een andere doelstelling?’

‘Ik kan je daar niets over vertellen, Meyago.’

‘Buitenwereldse invloeden? Misleiding?’

‘Daar kan ik je niets over vertellen.’

Ze aarzelde. ‘Wat zit er in mijn hoofd? Ik weet dat dit een ongepaste vraag is, maar welke technologie gebruiken jullie? Op basis van silicium? Germanium? Organisch? Kristallen? Uit welk tijdperk?’

‘Je stelt vragen die ik niet mag beantwoorden,’ zei Ontvangst.

‘Wie werkt ons tegen?’

‘Je bent niet in de positie om dat soort dingen te weten,’ zei Ontvangst.

‘Begrepen.’

‘Goed. Dank je voor je rapport. En een fijne nacht.’

Meyago wierp een blik op haar klokje, schreef haar laatste aannames op, schreef de laatste regels van haar dagoverzicht, sloot gefrustreerd haar boeken. Genoeg voor vandaag. Het was tijd om naar huis te gaan.

 

 

8.

 

Haar moeder was nog steeds hard aan het werk toen ze voorzichtig de deur achter zich dicht trok. Ze beklom de steile heuvel naar het Eiyron-district.

Wat zou je laten produceren, Yuun Kuhalin?

Ze bleef even staan, haar rug tegen de muur, alsof ze op het punt stond een pijp op te steken.

Welke monsters laten de Kiteh uit de kweekvaten komen, zodra ze weten hoe dat moet?

Een mes? Zou het voldoende zijn haar mantel rond haar arm te slaan? Ze zou niet de eerste zijn. Een paar steken in haar borst, haar buik. Een wurgkoord rond haar nek? Haar lichaam gedumpt in de rivier, of be­graven op een plek waar het niet gevonden zou worden. Niet de eerste Agent-Voyeur die verdween omdat ze nét even teveel had gezien, nét even teveel wist.

Ze stak haar vingers door de ringen van de boks­beugel in haar binnen­zak, maar hield haar hand in haar mantel.

Tegen wie gaan dat ingezet worden?

Tegen ons?

Ze werd gepasseerd door een onbekende Timbesh-vrouw, die even knikte. Een moordenaar? Een nieuwe schaduw?

Even na middennacht beklom ze de trappen naar het appartement, de sleutelbos rinkelend in haar hand. De buitenlamp wierp een vaal geel licht op de deur. De sleutel gleed soepel in het slot.

Er klonk geen geluid, geen geschuivel van voeten, geen vreemde ademhaling toen Meyago de zware deur naar de woonruimte opende. De deur van de werk­ruimte stond open. Het kleine appartement leek leeg. Ze knipte het licht aan.

De blinde wand van de woonkamer werd volledig uit zichg genomen door een enorme boekenkast waarvan elke plank twee rijen diep was volgezet. Ze liet haar vingers over de ruggen glijden. Boeken over de ver­schillende continenten, de verschillende talen, de ver­schillende landen, diersoorten en culturen van de wereld, van Isomé. Boeken van Loheij, van haarzelf, van Ujhalin. Boeken over management, organisatie­vormen en organisatiestructuren, boeken over wis­kundige principes, kunst­matige levensvormen en ana­tomie; boeken over de geschiedenis van Yin-Beh, Yin-Ghuel en de omliggende landen; boeken over de werel­den buiten Isomé en de gekoloniseerde werelden in andere zonne­stelsels.

Een schone pan stond op de metalen stoof. Drie boeken waren door iemand uit de kast gehaald. Twee andere boeken stonden iets schuiner dan ze die ochtend waren achtergelaten. Twee nieuwe boeken lagen naast het grote bed, aan Loheijs zijde.

Meyago opende de deur van het balkon, (onaangetast) stapte naar buiten en opende de deur van het toilet. Niemand.

Yuun Kuhalin werd twee weken geleden gevangen door de Timbesh, stierf drie dagen geleden in een Kiteh-gevangenis.

 

Ze ontdeed zich van haar mantel, van haar hemd, van haar ondergoed, vouwde alles netjes op en plaatste het peinzend in de wasmand.

Loheij had andere sporen achtergelaten. Het water in het reservoir was eerder die dag bijgevuld. De kleine steelpan stond op de rand. Het water in het kleine reservoir was nog warm, een teken dat ze niet zo lang geleden een bad had genomen.

Meyago stapte over de rand in de kuip, greep de steelpan, schepte over haar hoofd en haar schouders, begon zich te wassen.

Duizend jaar later en we zijn nog steeds niet in staat geweest iets vergelijkbaars te produceren als van voor de Tweede Val! Wat hebben we? Technologie die door hand­werkers gemaakt kan worden. Glasblazers, koperwerkers, edelsmeden. Schijt: zelfs de Oorspronkelijke Mensen van Aarde zijn met hun natuurlijke middelen en hun natuurlijk verstand verder gekomen dan dit!

Wat is er wérkelijk gebeurd na de Tweede Val? Wie werkt ons tegen? Wie probeert ons klein te houden?

De deur klikte open.

Ze liet bijna de pan uit haar vingers glijden.

‘Ha, Meyago,’ zei Ujhalin. ‘Schrok je? Sorry.’

Ujhalin trok de balkondeur open, verdween even naar buiten, kwam weer terug, zette met een harde klak van de schakelaar de radio aan. Even stond ze daar met haar rug naar Meyago te wachten: kort, zwart haar dat haar hals bloot liet, lange benen in een wijde broek, een kobaltblauwe mantel over haar schouders die het blauwgroen van haar huid extra accent gaf.

Ik ben bang, dacht Meyago. Te bang.

De radiobuizen kwamen op temperatuur. Zachte ruis en zacht gefluister zwol tot heldere muziek. Tien kilo van koperdraad, soldeertin, ijzer, glas en keramiek.

Ujhalin draaide zich om.

‘Is er nog warm water?’ vroeg ze.

Meyago knikte.

Ujhalin smeet haar kleding op de grond, boog zich voorover zodat de huid van haar lange, slanke rug zich spande, het wit van de inktlijnen op haar huid on­bedekt, onverhuld: een menselijke schedel, omringd door narcissen en de bloemen van een andorion. Over haar kuiten liepen dunne lijnen in sierlijke krullen, met bladeren en bloemen.

‘Je lijkt echt gespannen,’ zei Ujhalin toen ze zich oprichtte. ‘Ongewoon voor jouw doen. Alles goed?’

‘Nee.’

‘Iets dat je kunt delen?’

‘Nee.’

Meyago liet haar schouders zakken.

‘Ik werd waarschijnlijk gevolgd.’

Ujhalin plaatste haar handen op haar knieën, slaakte een diepe zucht toen Meyago met stevige bewegingen haar rug begon te schrobben.

‘Lleroh?’

‘Timbesh,’ zei Meyago.

‘Alsof het niet genoeg is dat we alles geven wat we hebben,’ zei Ujhalin. ‘Alsof het niet genoeg is dat we ons helemaal kapot werken.’

‘Lager,’ zei ze.

En: ‘Vandaag, nee, deze hele week was ook voor mij even te veel… Ik wil eindelijk weer eens vrij zijn, dansen. Ik wil eindelijk weer eens goeie, echte seks. Niet dat haastige, gezamenlijke gemasturbeer dat we nu doen. Ik wil slapen tot de zon hoog in de hemel staat.’ Ze greep zacht Meyago’s linkerpols, drukte de spons verder naar beneden, liet Meyago’s middel­vinger en ringvinger even tussen haar dijen glijden.

Het was verleidelijk, maar Meyago schudde haar hoofd.

‘Ik heb geen tijd.’

Ujhalin liet haar hand los, liet een vrolijke lach horen.

‘Ik wil rust,’ zei Meyago en ze zeepte Ujhalins borsten, buik en billen in. ‘Ik wil ongestoord door de stad kunnen lopen. Ik wil mijn oude werk terug. Ik wil kunnen leven zonder bang te zijn. Ik wil geen moorden meer’ en daar viel ze stil.

Het was te gevaarlijk wie dan ook, gevaarlijk om zelfs Ujhalin in ver­trouwen te nemen, te onverstandig haar gedachten te delen, niet wijs te spreken over de dingen die ze gisteren en vandaag gezien had, gehoord had, gelezen had.

‘En wat?’ vroeg Ujhalin, die verstandig genoeg was niet door te vragen. ‘Wat wil je nog meer?’

‘Seks,’ zei Meyago. ‘Een supergeile massage.’

‘Ontvangen of geven?’

‘Ontvangen,’ zei ze. ‘Ik wil eten tot ik neerval. Ik wil vroeg pensioen en een huis bij de zee én een huis in het binnenland. Ik wil mooier kunnen zingen dan, beter kunnen spelen dan’ en ze noemde een naam.

Meyago spoelde water over Ujhalin. Ze greep een handdoek, stapte omzichtig uit de kuip.

‘Ik ben in de werkkamer,’ zei ze. ‘Ik zie je straks.’

 

Dieptekaarten gaven haar de lijnen, die ze zorgvuldig overtrok op dunne vellen papier. Van de negen zeeën gingen er vier dieper dan tien kilo­meter. Ze nam lengte- en breedtegraad over, bleef een tijd naar het papier staren, terwijl ze in gedachten schepen liet uitvaren.

Ujhalin ging voor de tweede keer naar het toilet, masturbeerde in de leefruimte. De muziek veranderde toen het nieuwe uur inging. De kou van de nacht bereikte haar dieptepunt.

Meyago trok een mantel over haar schouders, wreef hard met haar vingers over de diepe denkrimpels tussen haar wenkbrauwen, keek op, snoof.

Yuun Kuhalin was er bijna in geslaagd om tot de broedkamers onder het Paleis door te dringen. Met het doel te falen?

Ze rook de geur van gebakken ei, opgebakken graan en beij-knollen, schreef. Niet veel later gaf Ujhalin drie zachte klopjes op de deur. ‘Eten?’

Ze verzegelde het rapport, stond op, sloot de deur achter zich.

‘Klaar?’ vroeg Ujhalin.

‘Klaar,’ zei Meyago.

Ze liet zich in haar stoel vallen.

Ujhalin stak vuur in haar pijp, bood hem aan Meyago.

‘Je ziet er moe uit, schat.’

Meyago nam een trek, nam een tweede, liet de rook in haar longen hangen. ‘Ujhalin?’

‘Hmm?’

‘Je zei een paar weken geleden dat je soms wel eens hebt gedroomd te stoppen. Als Agent-Voyeur. Wat drijft je voort? Om toch door te gaan?’

‘Hoop,’ zei Ujhalin. ‘Wat anders?’

‘Hoop op wat?’

‘Niet ‘op wat’, lieverd. Hoop. Zonder enige reden of ratio. Zonder ego. Hoop zonder basis. Zodat niets of niemand die hoop weg kan nemen.’

Meyago nam een nieuwe trek.

Hoop zonder noodzaak tot enig resultaat. Hoop die los stond van de vraag of er oorlog komt. Hoop die onverschillig was of ze in de gevange­nis zou belanden, doodgeschoten zou worden. Hoop die zich geen zorgen maakte over de toenemende chaos, de stijgende onvrede of de loyaliteit van Agent-Voyeur Ujhalin, van Agent-Voyeur Loheij richting Kiteh of Lleroh. Hoop die zich niet afvroeg wanneer Loheij nooit meer thuis zou komen, omdat haar lijk in een mortuarium lag.

 

 

9.

 

Ze was zes jaar oud toen ze voor het eerst ‘De verre Aarde’ las.

Ze was negen jaar oud toen haar droom uitkwam en ze net als dat meisje geronseld werd een Agent-Voyeur te worden voor de Staat.

Ze was elf jaar toen de naalden van haar implantaten diep in het bot van haar schedel werden geslagen. Net als decennia daarvoor bij haar tante Lynn was ge­beurd. Twee maanden later werd Lynn in een steeg niet ver van dit huis neergestoken omdat Lleroh vrouwen zoals tante Lynn geen afwijkende meningen hoorden te hebben.

Ze was zeven jaar oud toen ze haar eerste boek las over de gruwelen die tot de Tweede Val leidde, be­schre­ven in het Dikke boek der Monsters. Driehonderd bladzijden vol prachtige en gruwelijke illustraties van mis­baksels uit de kweektanken van landen als Osul Myandal Nyal en Yin-Beh. Sommigen nog steeds te zien in het Stedelijk Museum van Yin-Ghuel, hun skeletten zelfs zonder het vlees materiaal voor nacht­merries. Monsters groter dan een huis, monsters met lange soepele lichamen ontworpen om mensen te jagen, mensen te vermoorden.

Was dat wat Yuun Kuhalin naar de fabrieken onder het Paleis had gebracht?

 

 

10.

 

Vier dagen na haar aanvraag ontving Meyago twee rode reispassen op haar naam. In de nacht van de vijfde dag nam ze vurig afscheid van Loheij en Ujhalin.

 

Met twee staalkoffers vol linnen beklom ze die zesde dag de steile loopplank van de sierlijke, lange Amaruno, daalde ze de brede trap af naar hut 2.25-B.

De heldere tonen van de elektronische gong klonken toen ze haar koffers onder het derde bed schoof. Woorden stroomden als regen neer van de luid­sprekers, in Sanjuan, Ejuan en tot slot in Benjuan.

Meyago verliet haar kamer, klom naar het prome­nade­dek.

Er viel een korte stilte.

‘We verwachten over vijf dagen in Ebyon aan te meren,’ zei de steward in haar taal. ‘Als het weer meezit.’

De geur van de zee, de geur van de haven was sterker nu de wind uit het westen kwam. Zout. Organisch. Lijflijk en intiem bijna. Ze bestelde een lem, wendde zich tot Yin-Ghuel.

Clusters van hoge huizen klommen met hun blauwe, gele en oranje gevels over kilometers brede glooiingen tussen de veelkleurige vegetatie omhoog. Vrolijke stenen op de wijde rokken van het Paleis. Ver ver­heven boven de stad in al haar fascistische lelijk­heid en architectonische beto­vering dat al haar onmen­se­lijke grofheid en hemelbestormende majes­teit bloot­gaf. Heldere, harmonische kleuren, scheve hoeken; hoge, stevige torens die samensmolten met de vele hoeken en nissen van de hoge, betonnen buiten­muur waarmee de wereld effectief werd buiten­gesloten.

Ooit had ook háár volk vertegenwoordigers gehad in dat monster. Maar het idee achter de Zuivering was zo krachtig gebleken dat het zelfs binnen de Vijf tot scheuring had geleid. Jammer voor het welzijn, de rechten en de privileges van de Oba toen Vijf werd gereduceerd tot Vier. Spijtig voor de Gehina toen Vier werd gereduceerd tot Drie. Heláás voor alle rijk­dom­men en verworvenheden van de Lleroh nu Drie riching Twee begon te schuiven. Maar wie zouden uiteindelijk de overwinnaars zijn? De Kiteh? De Timbesh?

Er bestond al geen twijfel meer wie de slaven waren.

Ze sloeg haar ogen neer.

De scheepstoeter liet een lange heldere toon horen. Zware elektro­motoren kwamen tot leven. Een huive­ring ging door de boot toen de schoepen krachtig in het water grepen. De kade dreef van haar weg.

 

De eerste dag was de zee vlak als een snijtafel. De tweede dag wisselde ze van kamer. De derde dag waren de golven hoog als huizen, de lucht donker als opgedroogd bloed. Gedurende de vijfde dag zat ze stil naast de AM-radio in de mess, te luisteren naar de rapportages over de losgebroken rellen in zes Oba-wijken in Yin-Ghuel. Brandbommen. Zelf­ge­maakte geweren. Honderden gewonden werden tweehonderd, drie­honderd, zeshonderd doden onder de Oba. Meyago wist dat de werkelijke cijfers hoger waren.

De zesde dag was de zee kalm als een slapend kind. Ze stond een tijd lang op het dek, keek naar de school van massieve bootsmanvissen die tot laat in de middag met hen meezwommen, hun geribbelde ruggen als verzonken heuvelruggen vol opstaande twijgen.

Op de ochtend van de zevende dag lag Ebyon voor hen: een stad op de gestrekte, gebroken benen van een reus van vulkaangesteente. De huizen waren wit als gebleekte wol, de daken rood als de wolken in het licht van een zonsondergang, blauw als saffier, witgroen als toermalijn.

Vijf sierlijke boogbruggen waren hoog over de diepe baai gespannen zodat Noord en Zuid elkaar via korte lijnen bereiken konden. Ze nam afscheid van haar bedgenote: een Kiteh uit de noordelijke landen van Osul Myandal son Niil.

Meyago plaatste verrukt haar handen op de koperen railing, gegrepen door de schoonheid, de omvang van de menselijke verworvenheden van deze stad.

‘Ik ben aangekomen,’ zei ze onder haar adem. ‘Hope­lijk kom ik deze keer beter door de controles.’

 

 

11.

 

Het binnenwerk van haar koffers was volledig aan stukken gesneden, haar linnen door vreemde handen grof teruggepropt in de koffers. De schade aan haar persoonlijke bezittingen gaf aanzienlijk meer reden voor woede dan de onverschillige aanvallen op haar persoonlijke waardigheid. Maar Meyago hield zich in toen ze naar de zijkamer werd gevoerd om zich tot haar ondergoed uit te kleden; zodat ze betast kon worden door kille handen in rubber handschoenen.

Wat viel er nog voor nieuws te zeggen over deze behandeling, na vijf jaar en meer dan dertig tochten? Niets. Niets nieuws. En geschonden trots herstelde zich snel.

Daarom keek ze zwijgend toe terwijl twee mannen efficiënt haar kleding doorzochten. Daarom zweeg ze toen de vier brieven die ze had meegekregen één voor één geopend werden; gefotografeerd; achteloos in een bak gesmeten. Daarom beantwoordde ze geduldig de zelfde vragen als altijd.

‘U kunt gaan,’ zei de havendouanier uiteindelijk.

‘Dank u,’ zei ze.

Meyago kleedde zich haastig aan, werd door ongeduldige handen richting de laatste deur naar buiten gedirigeerd.

Niet Yig-Masuul was het probleem, maar haar af­komst, haar thuis, haar moederland, Yin-Beh.

Ik ben in ieder geval niet neergehaald, dacht ze bitter-vrolijk gestemd.

Ze hield een hoi aan. De koperbruine huid van de jongen zat vol slordige lijnen, slordige vlekken, alsof hij een dier was.

‘Breng me naar de binnenstad,’ zei ze.

Meyago streek de kreukels in de stof van haar mantel glad terwijl hij zorgvuldig haar koffers onder de bak plaatste. Ze noemde de straat en de naam van haar hotel.

‘Negen penme.’

‘Wat denk je dat ik ben?’ zei ze koud. ‘De koningin van Yig-Masuul? Een bietbak?’ Ze trok haar koffers uit de hoi. ‘Vijf,’ zei ze fel. ‘En anders zoek je maar een andere klant.’

Het werd vijf.

 

De weg gleed onder haar door. Soldaten in koninklijk blauw en helderwit marcheerden langs de rand van de brede weg, in de schaduw van hoge bomen, hun korte zwaarden kruislings op de rug, het heft naar beneden gericht; gedrongen vuurwapens met sierlijk krulwerk vastgeklemd in sterke handen. Hun loodgrijze gezich­ten ontspannen en onverschillig.

Opnieuw meer soldaten, dacht ze. Meer oorlogsschepen. Maar wie vormt de bedreiging?

Ze passeerden weelderige huizen, grote fabrieks­hal­len, kantoren van import- en exportbedrijven, kleine parkjes vol bomen, bloemen en steen­zwammen, rook de weelderige geuren van voedsel waarvan de vreemde specerijen haar diarree zouden geven. (Ze had het een paar keer geprobeerd, ondanks de waar­schu­wingen.)

De hoi week uit naar de stoep van een brede straat, vertraagde toen de jongen pas verminderde. Meyago werkte zich uit de kuip, strekte haar lange lijf en betaalde hem zijn vijf penme.

 

Haar hotelkamer was oppervlakkig schoongemaakt en in milde staat van verval. Het behang rook muf van de schimmel die het papier in de hoeken van de kamer donker kleurde. Ze schoof de koffers met een ruk van haar armen tegen de muur, liet het raam dicht. Dieven klommen ook hier in Ebyon met gemak tegen de muren op.

Twee minuten later stond ze in een kleine cel in de hotellobby, een gesloten, gele parasol in haar linker­hand.

Er klonk een klik toen Loheij de telefoon opnam.

‘Loheij Nam. Wat kan ik voor u betekenen?’

‘Met mij,’ zei Meyago.

‘Meyago! Ik stond net op het punt naar buiten te gaan.’

‘Ik ben blij dat je gewacht hebt.’

‘Ik mis je.’

‘Ik jou ook,’ zei Meyago. ‘Veel.’

‘Ik had gehoopt dat ik je inmiddels beter nieuws zou kunnen geven, Maar Ujhalin is al een paar dagen niet thuisgekomen.’

Vijf hartslagen stilte, waarin een deel van haar stierf. Ze draaide machteloos het koord van haar hoorn rond haar vingers, liet het weer gaan.

‘Heb je’

‘Ja. Ik heb rondgevraagd. Ze is niet dood, zover ik weet. Niet veroor­deeld. Je weet waarschijnlijk hoe het is in de stad. Met de Oba-rellen.’

‘Ja,’ zei Meyago. ‘Ik heb de berichten gehoord.’ Ze balde haar vuist, leunde haar voorhoofd tegen de muur. ‘Schijt.’

‘Het is waarschijnlijk niets. Waarschijnlijk zit ze ergens in een cel te wachten tot ze wordt vrijgelaten.’

‘Ik hoop het. En jij? Hoe ga jij?’

‘Maak je geen zorgen. Ik ga goed,’ zei Loheij en er viel een nieuwe stilte, onderbroken door twee piepjes. Meyago deed drie nieuwe munten in de betaalsleuf. ‘Ik merk zelf bijna niets van de onlusten,’ zei Loheij toen. ‘Behalve de rook. De halve stad staat onder de rook, Meyago. De Oba hebben gisteren verschillende ge­bouwen in de brand gezet. Het is echt vreselijk wat er gebeurt. Bij de beesten af.’

‘Ik weet het,’ zei Meyago. Er klonken twee nieuwe piepjes. ‘Is er nog iets anders?’

‘Ja. Ik hou van je,’ zei Loheij.

‘Ik wou dat ik bij je was.’

‘Ik ook.’

Drie piepjes.

‘Dag lieverd,’ zei Meyago, gehaast.

‘Dag schat. Ik’

Een klik.

‘Mijn’

Drie aanvullende klikken.

Stilte.

Meyago liet de hoorn zakken, keek even naar de kale, donkergrijze muur voor haar, slaakte toen een diepe zucht. (Vijf:) Ze vlakte alle emoties uit haar gedachten. (Vier:) Ze strekte haar armen, dwong haar schouders naar beneden. (Drie:) Ze haalde diep adem. (Twee:) Ze sloot haar ogen en dompelde zich een moment in een witte leegte. (Eén:) Ze controleerde haar hartslag. Kalm. (Nul.)

De draaischijf van de oude telefoon maakte bij elke terugslag opnieuw een gierend geluid toen ze het nummer van het kantoor draaide.

‘Hallo ma, ik ben veilig aangekomen in het hotel… Zoals gewoonlijk. Ja. De stalen zijn wat gekreukt maar Nee. Dat zit goed. Morgen, hoop ik. Ik ga zo bellen. Volledig.’ Ze deed alsof ze moest lachen. ‘Hoe staat het met de Oba-rellen? Niet? Gelukkig! Ja. Het is vreselijk. De doden Ik begreep dat Geen graan en rijst, ja. En water? De branden. Ja. Ik hoorde daarover, van Loheij. Goed. Oké. Ja mam. Dat komt goed. Ik bel zodra ik meer nieuws heb. Ik ga nu wat eten.’ Drie piepjes. ‘Het geld is op. Kus!’

Ze draaide het derde nummer op haar lijst, maakte een afspraak voor de volgende dag, einde dag, hing op.

Met een sprong over de drempel dook ze de hete middag in.

‘Op weg,’ zei ze.

Ze schakelde door naar Informatie. ‘Is er enig nieuws over Ujhalin Koun?’ Ze noemde het burgernummer.

‘Ik heb geen informatie hierover,’ zei Informatie.

‘Is op enige wijze meer uit te vinden?’ zei Meyago. ‘Zijn er rappor­tages? Iets?’

‘Ik kan je niet helpen met informatie die in verband kan worden gelegd met andere agenten,’ zei Informatie.

‘Ik hoef alleen maar te weten of er iets bekend is. Alsjeblieft!’

Het was even stil.

‘We hebben geen informatie over Ujhalin Koun.’

 

Vrolijke winkeltjes leidden haar heuvelopwaarts naar het Lleroh-eethuis. Ze beklom de treden, botste bijna tegen een oudere man aan. Hij stopte een klein stuk papier in haar hand.

‘Pardon, heer.’

Ze borg de instructies weg in de zoom van haar broek.

‘Nogmaals excuses,’ zei ze toen hij mopperend van haar wegliep. Ze trad het eethuis binnen, zat neer bij het raam.

Ze koos bin en soth, heilomot en boras: vis in een pittige gele saus, groenten in een heldere bouillon, zilte vruchten van zeeplanten en het licht-zoete vlees van een broodzwam.

Niet voor de eerste keer vroeg ze zich af hoe het leven in Yin-Beh geweest zou kunnen zijn zonder de Grote Zuivering. Was Ebyon een voorbeeld? De afbeeldingen in de oude boeken?

 

 

 

Ooit waren de straten van Yin-Ghuel verzadigd van kleuren. Kleding vol rijke patronen, gemaakt van weelderige stoffen voor stralende mensen van honder­den verschillende mensensoorten. Gewone mensen woonden in huizen met voorzieningen die nu alleen voor de rijken waren.

De Grote Zuivering duurde minder dan een eeuw en na die Grote Zuivering telde het land van Yin-Beh nog maar vijf rassen: de beeld­schone maar preutse Kiteh, de gedrongen Timbesh met hun ongrijp­bare en vloeiende geest; de blauwgroene, optimistische Lleroh, de vaardige, withuidige Oba en de rechtlijnige, geniale Gehina. De rest was verdwenen in gevangenkampen, in de bloederige oorlogen die geen ander doel leken te dienen dan het voeden van de dood.

Meyago stapte uit de hoi, betaalde drie penme.

Ze beklom volgens haar instructies de treden naar de poort die naar de bazaar leidde. Een plek voor Lleroh en een paar genetische neven en nichten. Haar mantel gleed van haar schouders en toen ze in een drukke hal een zijgang insloeg keerde ze het met een slag van haar arm binnenstebuiten.

De variatie van soorten, van lichaamsvormen, van huidtekeningen en huidskleuren, kledingdracht en kledingkeuzes in Ebyon had haar de eerste keer met stomheid geslagen, evenals het aanzien dat de Lleroh hier nog steeds leken te bezitten; de gemengde wijken waarin verschil­lende rassen naast elkaar leefden; de openbare straffen en openbare executies van mis­dadigers, de prominente rollen die sommige Lleroh-mannen innamen.

Onder de kap van een kraam met noten en taarten liet ze haar haar losvallen en bij een winkel met boeken gleed ze tussen een grote groep Lleroh-studen­ten van haar eigen leeftijd. De Kiteh-schaduw die haar tot daar gevolgd had, was niet meer zichtbaar.

Verder! Haar werkelijke transformatie begin nu pas.

Ze schoof vier ringen aan haar vingers toen ze even bij een diepe winkel met beddenhoed bleef staan, stak een blauwe bloem in haar haar en veranderde haar manier van lopen bij het passeren van drie enorme aquariums (vol felgekleurde vissen ter grootte van haar vuist). Toen ze de bazaar uit de zuidelijke poort verliet was ze voor het oog en het gevoel niet langer meer Meyago Niloo, maar een willekeurige Lleroh-vrouw uit het noordelijke district van Ebyon.

‘Ik ben er bijna,’ fluisterde ze.

‘We blijven bij je.’

 

Eijjon Eijsson stond, zoals beloofd, drie straten verder op haar te wachten, een jonge prins met een blauwe speld in zijn lange haar. Hij had de duim van zijn linker­hand in de parelgrijze band rond zijn middel gestoken. Zijn rok reikte tot aan zijn enkels, zijn jasje stond open tot de vijfde knoop en zijn begroeting was zoals je kon verwachten van vrienden. Is dit Eijjon Eijsson? Hij lijkt zo triviaal, dacht ze. Niet alleen omdat hij een man was, een kop kleiner dan haarzelf. Zijn houding leek kracht te missen.

Ze greep zijn hand, wist dat zijn slappe handdruk slechts schijn was.

Dit is de slager, dacht ze. Agent-Exécuteur extra­ordi­naire.

Zijn woord was wet. Zijn geest scherp als gebroken glas. Zijn gele ogen koud als ijs, hard als staal. Ze om­helsde hem alsof ze oude vrienden waren, begon te lachten toen hij een opmerking maakte, volgde hem naar de zijstraat waar een elektrische huurwagen stond. Paars met gele stroken, de zonnekap gedragen door krullend houtwerk.

Hij klonk als iemand uit Yin-Ghuel, maar met een rollende ‘r’ en de kleine vergissingen in de ‘g’ en de ‘j’ zoals iemand uit de zuidelijke provincies zou doen.

Ze greep de handle van het portier aan de bestuur­derszijde.

Het was zinloos hem ook maar iets over Ujhalin te vragen.

‘Niet nodig, dame,’ zei hij vriendelijk. ‘Neem de passagierszijde. Als het u belieft.’

Bergopwaarts gingen ze! Naar de afslag die hen op de Oude Wegen bracht.

 

Hij was vaardig met de wagen. Vaardig als een vrouw, als een Kiteh-man, een Oba-man en naarmate ze verder kwamen wist ze haar ongemak naar een zijstraat te dwingen. Hij was een Lleroh-man! Onder­hevig aan onvoorspelbare opwellingen van emotionele verbijstering. Er was natuurlijk altijd een kans dat ze ongeschonden aan zouden komen. Dat hij hen niet tegen de rotsen te pletter zou rijden. Het heeft geen zin meer me daar zorgen over te maken, dacht ze. Sommige Lleroh-mannen zijn stabiel genoeg om de hele rit te kunnen maken. Hopelijk geldt dat ook voor Eijjon Eijsson.

Verder!

Over de sierlijke wegen van de Eerste Mensen, die als wit-betonnen linten hoog boven het landschap liepen, naar het binnenland waar de begroeiing steeds wilder werd.

Het laadstation lag in een klein dorp, boven de enorme zonnecellen die als reusachtige zwammen uit de witte klif beneden het station staken. De dikke koperen kabels lagen verborgen in witte buizen die langs de rotswand omhoog liepen.

Hij draaide de auto het terrein op, passeerde een andere wagen die verlaten aan de voorzijde van het pand stond.

‘Twee van onze agenten,’ zei hij.

Vijftien loodbatterijen stonden buiten opgesteld zodat waterstofgas kon worden meegenomen door de wind. Ze volgde hem de garage in, de trap af naar de kelder.

‘Dame?’ hij maakte een wijds gebaar naar de houten kratten. Vijf in totaal.

Twee waren opengebroken. In de bovenste zag ze tien computers, in twee nette rijen van vijf.

‘Beijjun Niam zei dat het er drie waren.’

‘Beijjun Niam weet niet alles.’

‘Waar komt deze lading vandaan?’

Hij wuifde haar vraag onverschillig opzij. ‘Concen­treert u op het hier en nu, dame,’ zei hij. ‘Laat zien wat u weet, wat u kunt.’

Ze greep de eerste computer, bestudeerde de details op de achterzijde: andere lijnen en groeven dan ze op de machine van Yuun Kuhalin had gezien. Ze drukte de knop in, zag de voorzijde oplichten, scheen op de muur vóór haar. Het reikte uit naar haar, zocht con­tact, stelde zich open voor haar. Karakters van een oud schrift, in een oude taal vroegen om haar iden­titeit. Een hypothese vormde zich.

Vijf punten van rust.

Eén van deze machines moest haar toegang geven, op een manier die geen verdenking op haarzelf zo leggen.

Ze pakte het tweede tablet. De lijnen waren ook hier anders. Het was iets kleiner dan het eerste, enigszins doffer van kleur. Een ander tijdperk? Het ding kwam probleemloos tot leven.

‘U schrijft volgens mijn bron in één van uw rappor­ten dat deze apparaten ten tijde van de Tweede Val in de oceaan tot zinken zijn gebracht,’ zei Eijjon.

‘Ja.’

‘Over welke aantallen praten we?’

‘Miljoenen,’ zei ze. Haar handen trilden.

‘Waarom zou ik dit willen hebben?’

‘Mijn rapport’

‘Er is teveel informatie en te weinig tijd. Wat is het nut?’

‘In de oude tijden, toen de Eerste Mensen nog in leven waren, was dit soort technologie – onder andere – cruciaal voor het bouwen van de zes manen die rond Isomé hangen. Nu zou het de Gehina volledig over­bodig maken voor een Kiteh-administratie. Het kan de Kiteh en de Timbesh helpen om rapportages binnen enkele minuten te verwerken en te koppelen. Op manieren die onmogelijk zijn voor menselijke her­senen. Zelfs als je een hele zaal vol Gehina hebt.’

Hij greep één van de computers. ‘Stel dat u dit Yin-Ghuel binnen­smokkelt. Stel dat u een agent bent van een vijandige mogendheid. Hypothetisch. Stel dat dit werkt. Stel dat u door weet te dringen tot de kweek­machines. Wat zou u kunnen of willen doen met dit ding?’

‘Ik heb mezelf onafgebroken diezelfde vraag gesteld,’ zei ze.

‘En?’

‘Ik kan geen zinnig antwoord vinden. Zolang de kweek­machines onder het Paleis staan is elke poging, die Kuhalin zal doen, nutteloos.’

‘Want?’

‘Het duurt volgens de overgebleven verslagen ver­schillende dagen voordat een lichaam volgroeid is.’

‘En meer dan een paar uur heeft hij niet, tenzij hij zich verborgen weet te houden. Was Yuun Kuhalin een Aardse agent?’

‘Dat weet ik niet, heer.’

‘Kunnen deze computers de Lleroh een strategisch voordeel geven?’

‘Als ik… het slot kan breken, heer,’ zei ze. ‘Elk is afgesloten en zo lang ik geen machine vind die onbeveiligd is, kan ik niets doen.’

Hij deed een poging de computer te activeren, faalde.

Ze nam hem over, trok twee stroken uit de platte buik, drukte het juiste vlak in en zette het op tafel. Het beeld op de muur was haarscherp, een perfect vier­kant, op het oog perfect waterpas, vol van kleur.

‘Welk strategisch voordeel kan de Kiteh verkrijgen met de computer die ze nu in handen hebben?’

‘Dat staat allemaal in mijn’

‘Ja, dame, dat heb ik begrepen. Welk voordeel?’

‘De Kiteh missen overzicht,’ zei ze. ‘De duizenden rapportages die wij dagelijks binnenbrengen zijn weken onderweg om in het systeem te komen, gerang­schikt, geclassificeerd, gekoppeld aan andere gege­vens. Dat kan worden verkort tot seconden.’

‘Beijjun Niam heeft u aanbevolen als één van haar meest intelligente Agenten. Is dit werkelijk het beste wat u heeft kunnen bedenken?’

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze.

‘Wat hebben we in godsnaam aan administratieve optimalisatie, dame? We zitten in de loopgraven, om­ringd door een vijand die steeds dichterbij komt. Stel dat dit wapens zijn die op meerder manieren kunnen worden ingezet, wat zouden dan de mogelijkheden zijn?’

Hij greep de computer die ze op tafel had gezet, leek meer tot zichzelf te spreken toen hij zei: ‘Dat is het probleem met academici zoals u. U staat te ver van de harde realiteit. Uw soort logica sluit teveel opties uit. Denk na, dame. Denk. Zie de feiten in een groter kader. Er is een oorlog op komst. Twee maanden geleden smokkelden handlangers van Yuun Kuhalin één van deze machines vanuit Ebyon naar Yin-Beh. Wie heeft Yuun Kuhalin verteld hoe hij hier gebruik van kan maken? Waarom? Waarom was hij op weg naar de kweekmachines? Aanvullend: de Lleroh die deze machines vervoerden waren als monsters, met een onmogelijke kracht. We verloren drie gewapende agenten in de strijd. Wat als iemand of iets een nieuwe oorlog aan het voorbereiden is? Met dit soort appara­tuur tot hun beschikking? Met volledige beschikking over de kweek­tanken van Osul Myandal Nyal, van Yin-Ghuel? Denk.’

Meyago week achteruit, geïntimideerd door de urgentie in zijn stem, de intensiteit van zijn bewegingen.

‘Yin-Beh zou verliezen,’ zei ze.

‘Hmm. Juist.’ De minachting was duidelijk hoorbaar in zijn stem. ‘Wat als Yuun Kuhalin slechts een simpel doel had? Om te zien wat mogelijk was met de kweek­tanken? Wat als hij zelf uit de kweektanken kwam? Van Osul Myandal Nyal bijvoorbeeld? Heeft u aan die mogelijkheden gedacht?’

‘Nee,’ zei ze naar waarheid.

‘U bent de technische historica. U zou hier kennis over moeten bezitten. Zou het mogelijk zijn?’

‘Ja. Technisch gesproken’

‘Bespaar me de theorie. Is – het – praktisch – mogelijk?’

‘Niet’

‘Is het praktisch mogelijk?’

‘Ja. Niet met’

‘Heeft u een andere verklaring?’

‘Nee.’

‘Dus?’

‘Als dit het geval is, zat ik er volledig naast,’ zei ze.

Hij draaide het tablet om in zijn handen. ‘Laten we uw rapport een leuke vingeroefening noemen…’ Hij keek op. ‘Stel dat er sprake is van een derde partij? Iets of iemand die van buitenaf invloed uitoefent op de politieke en technologische ontwikkeling van deze wereld? U heeft de tumor in de hersenen van Yuun Kuhalin gezien? Dezelfde vreemde massa vonden we ook in twee van zijn… collega’s.’

Yuun Kuhalin op de snijttafel, de kanker in zijn hoofd die geen kanker was. Een mens uit de kweek­kamers. Absurd en tegelijkertijd goed mogelijk.

Ze begon nerveus te lachen, ondanks zichzelf, vroeg zich af hoe ze de schedels hadden opengebroken. Met hamers?

‘Absurd, dame?’

‘Onvoorstelbaar,’ zei ze en ze onderdrukte de angst­gedreven impuls de knobbeltjes aan de basis van haar schedel te voelen. ‘Een derde partij? Wie zouden dat moeten zijn? Mensen van de Aarde?’

‘Of iets anders dat al eeuwen hier op Isomé werk­zaam is. Mensen die de Tweede Val hebben overleefd. Mensen van vóór de Eerste Val. Mensen van buiten dit stelsel. Of mensen van de andere twee werelden. Alles is mogelijk, mevrouw Niloo. We hebben keuze uit vijftienduizend gekolo­niseerde werelden en twee buurtplaneten.’

Ze bedekte haar mond. Er was niets grappigs in zijn toon, niets grappigs aan de intensiteit waarmee hij haar bewegingen volgde.

‘Wat hiervan is officieel?’

‘Niets hiervan is officieel, dame.’

‘Wat kan ik hierover rapporteren? Wat wordt er van mij verwacht?’

‘U gaat hiervan niets rapporteren dat niet langs mij gaat. U blijft twee weken hier om ons alles te leren wat u weet. Daarna gaat u weer terug naar Yin-Ghuel tot ik u opnieuw nodig heb. En verder zwijgt u hierover. Zelfs tegen uw meerdere, Beijjun Niam.’

Koude vingers speelden langs haar ruggengraat. Wie diende hij? Waar

‘U vraagt zich af waar mijn loyaliteit ligt, dame?’ zei hij. ‘Daar kan ik zeer kort over zijn. Bij de Lleroh. Heeft u daar een probleem mee? Bent u een verrader van uw eigen ras? Bent u – net als uw meerdere – één van die Lleroh die liever met een Kiteh of Timbesh het bed deelt, in de hoop buiten spel te blijven als de moorden beginnen?’

‘Nee,’ zei ze.

‘U bent een slechte leugenaar en een potentiële verrader, mevrouw Niloo.’

‘Meyago! Dit is Assistentie.’

Ze kromp ineen.

‘Je moet nu weg! De plek waar je bent is gecompro­mitteerd.’

Gecompromitteerd. Iemand had hen verraden. Iets had hen verraden. Hoeveel? Hoeveel wagens? Hoeveel agen­ten van dit eiland, van Yig-Masuul, van Osul Myandal Nyal? Wat had hen prijsgegeven? Hoe veel tijd nog?

Ze vond vijf punten van rust, knikte, ging door één knie, boog haar hoofd, gaf hem zo wat hij verwachtte. Ze was niet langer meer in staat haar stem onder controle te houden.

‘Ik ben volledig in uw handen. Wat verwacht u van me, heer?’

Agent-Exécuteur Eijjon Eijsson plaatste zijn hand op haar kruin, een daad van onverwachte intimiteit. Ze kromp inwendig nog dieper ineen.

‘Bij wie ligt jouw loyaliteit, Meyago Niloo?’ vroeg hij en hij boog voor­over, drukte haar hoofd naar achteren zodat hij haar in haar ogen kon kijken. ‘Ben je werke­lijk een Kiteh-hoer, zoals de rapportages doen gelo­ven?’

Tranen vulden haar ogen. Ze moest hier weg, maar opstaan was gelijk aan een doodsvonnis. De dood door zijn hand, de dood van haar familie door zijn agenten. Blijven betekende de rest van haar leven in een cel in Yig-Masuul. De macht lag bij hem.

‘Nee,’ zei ze en deze keer bleef ze hem in zijn kille ogen kijken. Iets in haar brak los, bewoog opnieuw mee met de stroom van gebeurtenissen rondom haar. ‘Ik ben een Agent-Voyeur. Een Lleroh uit Yin-Ghuel. Niet alleen van afkomst, maar in hart en ziel. Met wie ik slaap verandert daar niets aan, heer Eijsson.’

‘Heer!’ riep één van zijn mannen.

Hij keek op.

‘We moeten weg. Deze plek is niet meer veilig.’

Hij keek haar fel aan. ‘Maakt u zich geen zorgen, Dm. Niloo. Als ik merk dat u ook maar één misstap maakt, dan zijn er consequenties.’

Hij stond op. ‘Hoeveel wagens zijn er?’

‘Drie.’

‘Dame Niloo, u kunt rijden, mag ik aannemen?’

Ze knikte. Hij drukte haar een contactsleutel in handen.

‘De wagen waarmee we zijn aangekomen. Zorg dat u niet gepakt wordt. Agenten van dit land gaan niet zachtzinnig om met Agent-Voyeurs van de vijand, van Yin-Beh.’

Hij greep in zijn andere zak, drukte haar een capsule in handen.

‘Slik dit als u geen andere uitweg meer heeft. In het belang van uw moederland! Ga! En overleef. We zijn nog niet klaar met elkaar.’

 

13.

 

Meyago wachtte niet tot hij was uitgesproken, dook in de richting van de deur. Drie treden per stap de trap op. Ze kwam hijgend in het harde licht van Epsilon Drie.

‘Ga naar het noorden, Meyago,’ zei Assistentie.

De paarse wagen stond waar Eijjon Eijsson hem had neergezet. Ze trok de deur open, dook de cabine in. Ze werd diep met haar rug in de stoel gedrukt toen ze het acceleratiepedaal tot de bodem intrapte. Felle pijn schoot door haar schouder toen ze de wagen met een wilde slinger op de hoofdweg bracht.

In de spiegel zag ze drie mannen het pand uit komen, waarvan er één de kist met computers droeg. Eijsson.

‘Ik ben op weg,’ zei ze, haar stem laag, schor van de spanning.

Ze was zo goed als dood.

‘Ik kan dit niet,’ zei ze. ‘Ik ben hier niet voor ge­traind.’

‘Je hebt helaas geen keuze meer.’

Het laatste huis van het kleine dorp schoot links aan haar voorbij. De open zee lag blauw en flonkerend naast haar. Haar handen waren als klauwen aan het stuur, vingers zo strak rond het wiel geklemd dat haar knokkels scherp en bleek afstaken. Ze keek in haar spiegels.

‘Welke wagen is het, Assistentie? Welke wagen?

Ze maakte één hand los, streek de tranen uit haar ogen, trok de zwarte bloem uit haar haar, smeet het tegen het gesloten raam aan de passagierszijde.

‘Je bent nog niet in zicht.’

‘Waar ga ik heen? Wat ligt er voor me?’

Ze haalde een wagen in.

Het bleef tien, twintig ademtochten stil.

‘Rij door naar Unanoma, het eerstvolgende dorp. Daar wacht een kleine boot onder de klif. Neem in Unanoma de hoofdweg. Rij de wagen door de muur over de rand aan het eind van de hoofdweg. Helder?’

Ze fronste. Een boot. Hoeveel mensen werkten voor deze organisatie?

‘En dan?’

‘Als je de klap overleeft en uit de auto weet te komen ben je veilig.’

‘Helder,’ zei ze.

Meyago schakelde naar een andere lijn.

‘Ontvangst. Meyago Niloo.’

‘Ik wil rapport uitbrengen.’

‘Ga je gang.’

‘Mijn organisatie heeft tien computers in hun bezit.’

‘Tien! Heb je ze gezien?’

‘Ja. Ik heb er twee in handen gehad. Beide werken.’

‘Je bent op de vlucht?’

‘Ja.’ Ze schetste kort de situatie, moest opnieuw haar tranen wegduwen, zweeg.

‘Heb je nog iets vreemds gemerkt toen je de com­puters aandeed?’

‘Ja.’ En ze beschreef de momenten van contact.

‘Ik ben bang,’ zei ze.

‘Je hebt het goed gedaan.’

‘Ik heb een vraag,’ zei ze een paar minuten later.

‘Ga je gang.’

Zijn de implantaten in mijn hoofd uit dezelfde periode? Uit de tijd voor de Tweede Val?

‘Zijn de computers onderdeel van het Plan?’

‘Nee.’

Waarom probeerden drie computers contact met me te maken? Wisten jullie hiervan?

‘Was ik onderdeel van een plan? Mijn opleiding?’

‘Nee.’

‘Wie is hier dan verantwoordelijk voor?’

‘Dat weten we nog niet.’

‘Buitenplaneets? Binnenplaneets?’

‘Dat weten we nog niet, Meyago.’

Een half uur verstreek. Ze passeerde een aantal wagens, inmiddels op maximale snelheid. De zon gleed langzaam richting zee. Enorme steen­zwammen staken als okergele schijven uit de zwarte rots boven haar. Elektrische auto’s stoven voorbij op de andere weg­helft, geschei­den van haar door een stenen rand. Meyago schoot door een kleine stad, kwam ongedeerd aan de andere zijde weer naar buiten, zag een blauwe wagen in haar spiegel.

‘Een blauwe wagen,’ zei ze.

‘Beschrijving.’

Ze beschreef.

‘Zorg dat je ze voor blijft.’

‘Mijn accu heeft iets minder dan twintig procent.’

‘Maak je geen zorgen. Je bent dichtbij. Zit je gordel vast?’

‘Ja.’

Meyago keek opnieuw in haar achteruitkijkspiegel, schakelde over op de andere lijn.

‘Als het ons doel is te zorgen dat Isomé een kans heeft,’ zei Meyago. ‘Als ons doel is te zorgen dat we niet opnieuw terugglijden in een tijd van duisternis, waarom doen we dan niet meer aan de situatie in Yin-Beh? Waarom zie ik niets ten goede veranderen? Waarom laten jullie toe dat de Lleroh de Oba en de Gehina achterna gaan?’ Is het een straf? Om de rol die we hebben gespeeld in de zuiveringen? ‘Zijn we te irrele­vant?’

‘Ik kan hier niet op ingaan, Meyago. Hoe graag je ook de antwoorden wil hebben.’

Ze volgde de wijde bocht, hoorde de banden protes­teren onder de zijwaartse druk. Unanoma kwam in zicht. Haar achtervolger zat dicht achter haar.

Ze schakelde naar Assistentie

‘Ik ben er bijna.’

en schakelde terug naar Informatie.

‘Werd Isomé gesaboteerd ten tijde van de Tweede Val?’

‘Ja.’

‘En in de eeuwen daarna?’

‘Ja.’

‘Door wie?’

‘Dat weten we niet.’

‘De Aarde?’

‘Mogelijk, maar onmogelijk te zeggen, Meyago. Er zijn zoveel bewoonde werelden rondom ons.’

‘Gaat die sabotage nog steeds door?’

‘Ja.’

‘Waarom doen jullie daar niets aan?’

‘We observeren. We grijpen in. Maar het plan dat we volgen is niet iets dat we met een agent in het veld kunnen delen.’

Ben ik door jullie misbruikt, bedrogen, Informatie?

‘Heeft mijn bijdrage ooit een verschil gemaakt?’ vroeg Meyago. ‘Doen jullie werkelijk wat aan de situatie op Isomé?’

‘Ik kan je geen antwoorden geven, Meyago.’

Ze week uit naar de rechter rijbaan en verminderde vaart, liet de eerste huizen aan haar voorbijgaan, liet een zwarte wolk achter zich toen ze vol op de rem stapte en met gierende banden de bocht nam; vloekte toen ze de wereld onder zich door voelde glijden.

Ik ben zó naakt, zo naakt.

Eijjon Eijsson had gelijk gehad. Ze was een verrader. Van haar eigen deugdelijkheid. Van haar eigen moeder, van haar eigen zus, van haar eigen mensen. Ik heb actief meegewerkt aan de veroordeling en dood van tientallen Lleroh. De andersdenkenden, de subver­sieven. De mogelijke samen­zweerders tegen de Kiteh, tegen de Timbesh.

Ze herinnerde zich de bittere woorden die Ujhalin, lang geleden gesproken had: Het belang van mijn lei­ding­gevenden is niet het belang van mijn volk. Gevaarlijke gedachten die haar mogelijk in handen hadden ge­speeld van de Timbesh. Woorden die ze gerappor­teerd had naar de Kiteh omdat ze bang was voor het alter­natief, bang was voor de straf voor on­ge­hoor­zaam­heid. Een mes tussen haar ribben, sterven in gevangen­schap.

Wát ze ook als excuses had gehad voor haar eigen daden, was in de storm van de laatste uren – na die snijdende woorden van Eijjon Eijsson – laag voor laag van haar weggerukt. Genadeloos.

Kiteh-hoer.

Alsof ze keuzes had gehad.

De blauwe achtervolger maakte een slinger, remde te laat af, schoot door.

‘Ben je van Isomé?’ vroeg ze. ‘Laat me dat in ieder geval weten. Kom je van deze wereld?’

Het bleef stil.

Hoeveel?

Hoeveel Lleroh waren door haar woorden, door haar verslagen in de problemen gekomen? Hoeveel had ze, met haar afgedwongen loyaliteit, bijgedragen aan de langzame status-val van haar eigen volk in haar eigen moederland?

Ze schakelde over naar de andere lijn.

‘Assistentie alles goed, Meyago?’

‘De muur ligt recht voor me.’ De vijfde maan, Iiego, hing bleek en kalm boven de rand. Het acceleratie­pedaal leek haar voet omhoog te duwen. ‘Vijfhonderd meter. Misschien meer. Grote stenen en grof cement­werk. Grote blauwe stenen en grof, wit cementwerk, toch? Nog maar een paar seconden en ik’

Maar er was geen uitweg meer.

De wolkeloze hemel recht vóór haar bood een valse belofte van totale leegte.

‘Dat is de muur, Meyago.’

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

In de spiegel zag ze de blauwe wagen achteruit de straat in rijden.

‘De boot ligt klaar. De wagen is sterker dan de muur.’

Ze zette zich schrap.

Laat dit niet het einde zijn, dacht ze.

Toen kwam de klap.

Verstilde liefde : Anaïd Haen & Django Mathijsen

Vader stierf op zijn eenenveertigste, vlak na mijn drieëndertigste verjaar­dag.

Een lullig ongeluk. Hij vloog in de Alpen uit de bocht op zijn Harley-Classic-Ride uit 2340. Die zou ik erven, net zoals hij hem van zijn moeder had geërfd. Drie­honderd jaar in de familie, nu een hoopje schroot.

Ik sloeg mijn arm om moeders dunne schouders. Ze schokten van verdriet.

Klonten aarde bonkten op de kist. We bleven staan tot de graafbots met klapjes van hun scheppen het graf hadden afgevlakt.

‘Hier.’ Ik gaf haar een roos.

Bibberend, beducht voor de stekels, pakte ze de steel aan. Over de witte huid van haar hand lag een netwerk van fijne rimpeltjes, waar­onder blauwe aders opbol­den. Haar trouwring zat ruim om haar ring­vinger, maar ik wist dat ze hem niet meer over haar knokkel heen kon krijgen.

Voorzichtig bukte ze om de roos neer te leggen. Haar haren waren grijs bij de wortels en nooit, nooit, nooit zou vader haar meer plagen met zijn uitgroei-alarm.

Hoe ik ook slikte, de tranen kwamen toch.

 

‘Vivian?’ Moeder stond voor me. Haar onderlip trilde. ‘Moet je weg?’

‘Oh, mama…’ Ik zat op mijn bedrand en keek naar haar op. Mijn laatste kleren verdwenen net in mijn plunjezak. We hadden het de afgelopen weken talloze keren hierover gehad, ze wist dat ik toch zou gaan. ‘Als ik terug ben, gaan we anderhalf jaar op vakantie, goed?’

Ze glimlachte waterig. ‘Dat zei papa ook altijd als hij wegging.’

Ik probeerde terug te lachen, maar de tranen drukten. Ik miste hem zo verschrikkelijk.

Moeder zag mijn verdriet en pakte mijn gezicht vast. Haar duim veegde teder over mijn wang. ‘Ik snap je, lieverd. Het spijt me dat ik alleen aan mijn eigen eenzaamheid denk, terwijl jij je allereerste uit­zetting alleen moet doen.’ Haar betraande ogen keken me begripvol aan. ‘Papa had erbij moeten zijn.’

Ik beet op mijn lip tot hij bloedde, maar voelde hem toch trillen. Hij had erbij moeten zijn. Hij had me moeten inwerken, me moeten helpen en me moeten opvangen als het uitzetten me te veel werd. Al die jaren dat ik werkte en studeerde terwijl hij weg was, was mijn doel geweest om met hem samen mijn eerste reis te maken. Samen weg. Met zijn tweeën vijf weken de ruimte in, voor het eerst zonder dat onze leeftijden zouden verspringen.

‘Als jij terug bent, ben ik te oud voor vakantie.’ Mama liet mijn gezicht los. Ze keek scheel.

Ik schoot in de lach. ‘Dat zei je ook altijd als papa wegging.’

‘Ja. Dan zei hij altijd…’

‘Wat is nou vijf jaar op een mensenleven!’ Tegelijk. Mijn lieve moeder en ik.

 

Een privécapsule van NonVitae GmbH haalde me thuis op en bracht me, laag over de aarde scherend, naar de Makoua Elevator in Congo-Brazzaville. Ik was de afgelopen jaren al vaker met de lift de ruimte in gegaan, toch ging mijn hart sneller kloppen toen ik de machtige kabels zag die als bergen in de aarde verankerd waren en hoog boven mijn hoofd vervaagden. Deze keer was anders. Deze keer was echt.

Ik liep naar het NonVitae-kantoor, de grootste en meest transparante van de talloze prefabkoepels die waren neergezet aan de voet van de kabels. De junglehitte weerhield een stel apen niet van een krijsende achtervolging, die hoog in de toppen van de alsmaar druppende bomen eindigde met elkaar vlooien.

Aan de balie werd ik verwelkomd door een pseudomens. Haar gladde grijze gezicht, met maar een vage aanduiding van ogen, neus en mond, vertoonde geen uitdrukking, maar haar stem klonk warm toen ze me condoleerde. ‘Hij heeft vijf perfecte uitzettingen voor NonVitae uitge­voerd, we hopen dat u zijn goede werk zult voortzetten.’

Ik knikte ongemakkelijk. Niet eerder had ik me gerealiseerd dat het vijf vluchten waren geweest. Vluchten die voor vader steeds vijf weken duurden, terwijl op aarde vijf jaren verstreken. Als kind leefde ik vooral naar de anderhalf jaar verlof ertussen toe.

Om me een houding te geven, autoriseerde ik het uploaden van de vluchtgegevens, vrachtbrieven en paklijsten. Daarna keek ik in de ondiepe holtes die ogen moesten voorstellen. ‘Ik ben van plan meer dan vijf uitzettingen te doen.’

De pseudo knikte kort. ‘Dan hoop ik dat het er veel meer zijn, Vivian Petersdochter. Uw vader is te jong gestorven.’

Was het haar toon of het noemen van vaders naam? De tranen brand­den weer; ik schudde mijn hoofd om te voorkomen dat ik zou huilen. Snel scande ik de paklijsten. ‘Ook een retour?’

De pseudo knikte. ‘Nummer 4560 heeft haar tijd erop zitten.’

Ik bestudeerde paklijst 4560. ‘Hoelang?’

De pseudo schokschouderde. ‘Lang genoeg. Iedereen die ze kende is dood, ze is gestraft.’ Haar warme toon dissoneerde met de kilheid van haar mededeling.

Ik slikte. Al lang geleden had ik me neergelegd bij de wreedheid van ons strafsysteem, waarbij de naasten van een misdadiger net zo hard, zo niet harder, getroffen werden als de misdadiger zelf. Het zou je maar gebeuren dat je zoon of dochter voor minimaal honderd jaar of voor eeuwig werd stilgezet. Het voordeel was natuurlijk dat gerechtelijke dwalingen teruggedraaid konden worden. Sinds de uitzettingen werd niemand meer ter dood veroordeeld. Als bleek dat iemand onschuldig rondjes draaide rondom Nemesis6, werd hij of zij teruggehaald. Als de onschul­dige bofte, leefden zijn of haar geliefden nog. Zo niet: excuses van de staat en een pensioen voor de rest van je leven.

‘Waarom…?’

De pseudo hief haar hand. ‘Je voert slechts uit, wetende dat de rechter­lijke macht alles rechtvaardig heeft overwogen.’

‘Die riedel ken ik, hoor. Ik was gewoon nieuwsgierig.’ Ik knipoogde naar de pseudo en keek hoe laat het was. Mijn Elevatorgondel zou bijna vertrekken. Ik voelde fladders in mijn buik. Het ging eindelijk gebeuren: mijn eerste vlucht.

 

Het zonlicht glinsterde op de gladde, witte bowlingbal die voor het sterrenbezaaide nachtzwart hing: ‘Meeuw’, mijn schip. De aarde was nog maar een blauwwitte knikker op de achtergrond.

De pendelpiloot, die zich bij onze afvaart van de satelliet boven aan de Elevator had voorgesteld als Lars Siltmen, was zo vriendelijk een rondje om Meeuw heen te vliegen zodat ik het schip van alle kanten kon bekijken. Afgezien van de drie motoren, die vingeropeningen van de bowlingbal leken, en de cockpit, die er tegenover als een doorzichtige vingerhoed boven op het schip stond, was er geen verschil tussen die kanten: Meeuw was kogelrond om de krachten die Nemesis6 erop zou loslaten te kunnen weerstaan. Met de zon in onze rug was de bolvorm in volle glorie te zien, behalve daar waar de pendel zijn kleine, scherpgetrokken schaduw wierp.

‘Meeuw heeft een autonoom gerobotiseerd systeem, ken je dat?’ Lars manoeuvreerde zijn pendel naar het aansluitpunt. Toen hij de raketten vuurde om af te remmen, werden we even in de cockpitstoelen gedrukt.

Zodra we weer gewichtloos waren, drukte hij een paar knoppen in. De loopbrug, een witte, geringde slang die deed denken aan een Aziatische papieren lamp, kronkelde buiten van de pendel naar Meeuw.

Ik keek blijkbaar dom, want Lars vervolgde en­thousiast: ‘Je kunt hem tot beperkt niveau zelf pro­gram­meren. Je weet wel: een naam geven, comman­dootjes laten uitvoeren zoals koffie zetten of de bladzijden van je boek omslaan. Je kunt niks wijzigen aan zijn hoofdprogramma, maar da’s maar goed ook. Je zou zelf de bonen niet van de kabels willen haken, lijkt me.’

‘Bonen?’

De pendel schokte toen de loopbrug contact maakte met Meeuw. Mijn stoel ontspande. De gordels gleden terug in hun holsters. Meteen voelde ik me kaal, onbeschermd.

‘De vitae-capsules.’ Lars bekeek zijn werk en knikte. ‘Je kunt erdoor.’

Ik duwde me uit de stoel en zette af naar het halletje achter de cockpit. Lars volgde me en controleerde de gegevens op het controlepaneel van de sluis naar de loopbrug voor hij de deuren ervan opende.

‘Behouden vaart,’ zei hij lachend.

Ik keek in zijn vriendelijke ogen en lachte terug. ‘Mijn eerste.’

Hij gaf twee tikjes voor geluk op mijn neus. ‘Komt goed.’

 

Mijn lading werd door een andere pendel afgeleverd. Vier criminelen, gesedeerd tot kalme, gehoorzame zombies, stapten Meeuw binnen en lieten zich gedwee naar hun cel geleiden. Een vijfde, een broodmagere vrouw van minstens honderdtwintig, kwam op een brancard binnen.

Ik bekeek mijn laadbrieven. Alle vijf hadden het vonnis ‘eeuwig’, ook dat vrouwtje. Hoe bestond het?

Het was mijn zaak niet. Ik was uitvoerend getuige, meer niet. Ferm duwde ik de brancard de cel in en sloot de celdeur af.

 

Meeuw was geweldig. In het schip heerste een comfortabele constante zwaartekracht terwijl het naar zijn topsnelheid van bijna de licht­snel­heid accelereerde. Het bleef mogelijk om erin rond te lopen, eten te maken, voor de gevangenen te zorgen en allerlei trut-dingen te doen waar ik op aarde nooit aan was toegekomen. Zoals een cursus wecken volgen.

Vaak zat ik in de cockpit, op het bovendek, alleen maar omhoog te kijken hoe sterren en planetoïden blauwachtig op ons af raasden en naar rood verkleurden terwijl we ze passeerden. Het was een betoverend schouwspel. Naarmate de snelheid toenam, werden de verkleuringen steeds sterker, tot­dat de langsrazende puntjes samen één gepixe­leerde cirkelvormige regenboog vormden.

Ik doopte de autonome robot ‘Lars’ en liet hem doen wat Lars-de-pendelpiloot me had gesuggereerd. Het gaf pret en een beetje gezel­schap, ook al was Lars niet echt een individu, maar meer een uitstulping uit Meeuw. Als ik iets van hem nodig had, kwam er een handje uit de wand dat deed wat er moest gebeuren. Heel handig toen ik de beugel van de weckpot niet dichtgeklapt kreeg omdat ik met twee handen het deksel moest aandrukken en de pot vasthouden.

Ik stuurde moeder iedere dag een berichtje en kreeg er gemiddeld zeven voor terug. Ze hield zich ver­moedelijk in en beperkte haar berichten tot eentje per aardse week. Ze gaf me uren plezier met geroddel over de buren, de capriolen van een gestreept katje dat ze had gekocht en de foto’s van het nieuw behangen huis. ‘Groen, mam? Hoe durf je!’

Op haar berichten adequaat reageren was onmoge­lijk. Ik was vertederd door een foto van het katje, dat met zijn mollige pootjes in zijn bak water was gesprongen, maar toen ik mijn antwoord (‘Aaaaaaaaaaaaah! Schattig!’) verstuurde, ontving ik al een foto van een stevige kater met een kikker in zijn bek. ‘Geschenk van Drommel voor zijn baasje’, luidde moeders bijschrift.

Ze was ontevreden met het werk van de behanger. ‘Het zit nu twee jaar en laat alweer los.’

Lachend antwoordde ik dat ze het maar opnieuw moest laten doen. ‘Graag beschaafd parelmoer, mam.’

 

Op de zestiende dag begon Meeuw de rem­manoeuvre. Zittend in de cockpitstoel liet ik de zwaarte­kracht­wisselingen over me heen komen en opende het proce­dure­boek. Ik had het niet nodig, kende iedere stap uit mijn hoofd. Eindeloos vaak gesimuleerd, met draden op mijn hoofd en lijf geplakt om te meten of mijn geweten dit wel aankon.

‘Lars?’ Niet dat Lars kon praten, maar stap 1 was aan de autonome robot de aanwezigheid van een menselijke getuige bevestigen.

Lars reageerde door naar me te zwaaien vanuit de vloer.

‘Ik getuig.’

Meteen verdween de hand.

Op het beeldscherm voor me zag ik hoe de gevangenen stuk voor stuk vanuit hun cel naar de loden capsules in het laadruim werden geleid door Lars, die nu een handje uit de vloer was dat zich om hun enkel klemde.

De vrouw op de brancard was de laatste. Ze mom­pelde. Ik verstond het niet en wilde afdalen naar het laadruim om te kijken of alles goed met haar ging, maar besloot het niet te doen. Haar vitale organen functio­neerden. Ze had alles wat ze moest zeggen op aarde kunnen doen.

Buiten kwam Nemesis6 steeds dichterbij. Het zwarte gat zag er hetzelfde uit als bij de simulaties: een kolossale draaikolk van lichtjes om een gitzwarte bol heen waarachter de sterrenhemel uitgewist leek. Meeuw voegde in de draaikolk in.

Deeltjes knalden tegen de romp en gloeiden op als wonderkaarsen. Het klonk als een hagelbui op een tentdak. Meeuw schoof in de draaikolk langzaam op naar binnen, steeds dichter bij dat grote, gapende niets… totdat de zwarte bol alle sterren leek te hebben opgeslokt.

Op het beeldscherm verscheen: ‘Veiligheidsafstand tot waarnemings­orizon bereikt.’

Stap voor stap handelde ik de procedure af en voerde Lars het vonnis uit terwijl ik aanvinkte dat ik getuige was. De capsules werden om beurten ver­zegeld, aangehaakt en naar buiten getild. Lars stulpte uit Meeuw en verlengde zich tot de capsule in de waarnemingshorizon hing. Daar liet hij los.

 

Tot slot pikten we capsule 4560 op en vergezelden de gedrogeerde vrouw naar haar cel. Pas op aarde terug zou ze vrij zijn. Haar jasje had vlindermouwen en open schouders: de mode van honderd jaar geleden. Kenne­lijk vond men dat toen mooi.

De paar uur die we hier gewerkt hadden, zouden op aarde een dik jaar zijn. Ik wist dat de capsules in de waarnemingshorizon bevroren waren in de tijd: de levens erin verstilden zonder op te houden. Ze zouden de eeuwigheid beleven in één moment.

Net zo goed wist ik dat één verkeerde manoeuvre van mij, Meeuw of robot-Lars kon zorgen dat ik ook die eeuwigheid in zou glijden. Maar het enige wat ik voelde was trots.

‘Zie je me, papa? Alleen kan ik het ook.’

Ik gaf Meeuw opdracht zich met volle kracht los te rukken van Nemesis6 en koers op huis te zetten.

 

‘En?’ Lachrimpeltjes rond de ogen van Lars-de-pendel­piloot gaven aan dat er echt vijf jaren waren ver­streken. ‘Hoe deed de robot het?’

Ik draaide met mijn ogen en zuchtte overdreven trillend. ‘Ik heb hem leren masseren op de terugweg…’ Mijn tong gleed over mijn onderlip.

Lars trok zijn wenkbrauw op. Met een zuinig mondje zei hij: ‘Dat kan toch nooit lekkerder zijn dan echt?’

‘Dan echt?’ Ik schokschouderde. ‘Echt is alweer weken geleden, ik zou niet meer weten hoe het voelt.’

Lars begreep de hint, pelde me uit mijn kleren en liet het voelen. Het was inderdaad beter.

 

‘Ga je echt?’ Twee paar ogen keken me aan. In die van mama blonken tranen. Die van Lars kon ik niet goed lezen, maar hij was overduidelijk niet blij.

‘Mam! Lars!’ Sprakeloos keek ik terug. Al maanden verheugde ik me op mijn volgende uitzetting. Ik kon nergens anders over praten dan over Meeuw en andere Lars, over de stilte in de ruimte, de gepixe­leerde regenboog, het zalig-even-alleen-zijn… ze wísten het. ‘Natuurlijk ga ik, wat dachten jullie dan?’

Moeder zuchtte. ‘Ik zei het toch? Precies haar vader.’ Ze draaide zich om en slofte mijn slaapkamer uit. Sinds wanneer was ze krom?

Drommel volgde haar mauwend. Hij drukte zich tegen haar onderbenen en wikkelde zijn staart om haar enkel alsof hij haar steunde.

‘Mam!’

‘Laat haar maar.’ Lars ging naast me op bed zitten. ‘Ze ziet ertegen op, dat begrijp je toch wel?’

Ik legde mijn hoofd op zijn schouder. ‘Het ergste is dat ik het erger vind om jou achter te laten, terwijl ik weet dat zij oude…’

Zijn mond snoerde de mijne. Ik weet niet of hij dat deed om mij het zwijgen op te leggen of om zijn eigen trillende lippen te beheersen. Opeens verheugde ik me niet meer zo op weggaan. Vijf weken zonder hem, zonder zijn kussen, zijn lijf tegen het mijne in bed… ‘Kon je maar mee,’ fluisterde ik.

Lars drukte me tegen zich aan en fluisterde: ‘Meen je dat?’

Ik maakte me los uit zijn armen en greep zijn handen. ‘Als er een manier was, zou ik je meenemen.’

‘Maar je wilt zo graag even alleen zijn. Dat zeg je steeds.’

Een golf warmte sloeg door mijn buik. Ik voelde mijn wangen kleuren. ‘Natuurlijk zeg ik dat, het is ook zo. Maar het is ook een manier om me erop te verheugen, snap je?’

Zijn rechter mondhoek trok een beetje omhoog, zijn wenkbrauw ook. ‘Ah. Dus je jokt een beetje?’

Ik glimlachte verontschuldigend.

Lars boog zich naar mijn oor en fluisterde: ‘Die manier, hè? Die is er.’

‘Echt?’

‘Het is een beetje riskant. Onwettig. Maar NonVitae snapt dat gelief­den… Laat ik het zo zeggen: men knijpt een oogje dicht.’

 

Giechelend namen we zogenaamd afscheid in de Elevatorsatelliet. Ik zweefde door de slurf, die uit veiligheidsoverwegingen maar één persoon tegelijk doorliet, naar de deur van de pendelsluis terwijl Lars met gespitste oren wachtte in de satelliet. Zodra ik de pendelsluis binnen zweefde, weerklonk ‘ping’. Lars zette keihard af en lanceerde zichzelf met zijn armen naar voren door de slurf.

‘Recht zo die gaat!’ Ik gierde van het lachen en kwam niet meer bij toen hij de sluis binnen speerde en met zijn hoofd tegen de binnendeur botste. Net op tijd. Vlak achter hem sloot de buitendeur.

Grijnzend zweefde hij naar me terug. ‘Gehaald!’

De binnendeur opende zich. De pendelpiloot, die zich voorstelde als Marco Williams, had pretlichtjes in zijn ogen. ‘Tortelduifjes!’

 

We vreeën, lachten en zaten elkaar nakend na totdat Meeuw begon te versnellen. Lars klapte voorover, kotste de cockpit onder en werd zo ruimteziek dat ik hem, met behulp van heel veel handjes, naar zijn bed moest slepen. Pas toen we in positie boven de waar­nemings­horizon van Nemesis6 gingen, kwam hij er weer uit, om lijkbleek te vertellen dat hetgeen ik deed, vergelijkbaar was met het werk van de beul vroeger.

‘Ik maak niemand dood! Ik ben alleen getuige.’ Snel keek ik opzij. ‘Fijn dat je op bent.’

Lars plofte als een zoutzak in de cockpitstoel naast de mijne en bleef er met zijn hoofd achterover, mond open en ogen dicht, hangen. Hij was magerder gewor­den.

Buiten stulpte robot-Lars uit met de eerste van de vier capsules van deze reis. Hij verlengde zich tot we hem niet meer konden zien.

‘Niemand dood? Getuige? Wat is het verschil?’ Lars wuifde onverschillig.

‘Ga terug naar bed, lieverd.’ Ik boog me over mijn paneel. ‘We moeten er nog drie uitzetten en twee oppikken, dan gaan we naar huis.’

‘Ook zo snel?’ Zijn stem klonk kleintjes.

Ik keek hem aan. Dikke wallen onder zijn rode ogen, zijn gelaat eerder groenig dan wit. Wat was hij ziek!

‘Kom.’ Ik stond op en sloeg zijn arm om mijn schouder. ‘Ik geef je iets om door te slapen tot we weer vertragen.’

De dag voor we op aarde aankwamen, werd ik misselijk.

 

Wisten wij veel. Anticonceptie werkt niet tijdens reizen met bijna de lichtsnelheid. Iets met de bloed­baan: te veel medisch geleuter om mij te boeien. Aanvankelijk was ik kwaad, wilde geen kind. Maar Lars en moeder sprongen een gat in de lucht.

‘Ik ben bang, Lars, dat snap je toch wel?’

We lepelden in bed, zijn sterke armen om me heen.

‘Het is een gezond kindje, ons lieve kleine meisje. Maak je geen zorgen, schat.’ Lars drukte een kus op mijn achterhoofd en trok mij steviger tegen zich aan.

Daar ging mijn angst niet over. Het kind bewoog in me, groeide, ik wist dat het in orde was. Ik wurmde me op mijn andere zij en probeerde in het halfduister zijn ogen te zien. ‘Ik blijf de uitzettingen doen.’

‘Natuurlijk.’ Slaperig zocht hij mijn mond met zijn warme lippen en zoende me traag en innig, net zolang tot mijn protesten gesmoord waren.

 

Ze werd geboren toen we zeven maanden terug waren op aarde. We noemden haar Petronella, naar mijn vader. Al snel werd dat Ella. Ze was de eerste in de ruimte verwekte baby. Vooral Lars was daar heel trots op. Niet dat hij er iets mee kon: zijn reis was illegaal geweest, dus konden we niets claimen. Ook konden we nooit zeker weten of andere stellen ons niet waren voorgegaan.

Terwijl Lars piekerde over Ella’s status, verwonderde ik me over haar kleine handjes, haar oogjes die steeds helderder gingen kijken en haar mondje, dat zo trefzeker mijn tepel wist te vinden en al met vijf weken en twee dagen bewust naar me lachte. Nooit was ik zo verliefd op iemand geweest. Ella zat onder mijn huid, zo voelde het.

Moeder leefde helemaal op. Ze redderde met opruimen en de was, verwende mij met bruin bier en leerde ons hoe we konden vaststellen of Ella huilde om een darmkrampje of uit eenzaamheid. ‘Oppakken, oppak­ken, oppakken,’ was het devies. ‘Een huilend kind laat je nooit liggen.’ Maar hoe snel we er de zeld­zame keren dat Ella huilde ook bij waren, moeder won steevast van ons. Echter niet van Drommel: de kater gedroeg zich als een waakhond en was nooit verder dan drie meter bij de baby vandaan. Hij sliep zelfs in haar wieg als we er niet op beducht waren. Hij was haar trekpop, knuffelbeer en vuileluier-alarm ineen.

 

Ze huilde toen ik wegging. Haar armpjes strekten zich naar me uit, onder haar neusje vormde zich een snottebel die bij iedere uithaal groter en kleiner werd.

We stonden aan de voet van de Elevator: moeder, Lars met de huilende Ella op zijn arm en ik. Een spoed­opdracht van Non-Vitae, eentje die veel geld zou opleveren, of me mijn baan kosten als ik zou weigeren. Ik had niet zo hard geleerd en gewerkt om dat te laten gebeuren ook al betekende dat het hals over kop spenen van mijn zes maanden oude baby en het missen van moeders zesenzeventigste verjaardag volgende week.

‘Stil maar, lieverd. Papa en oma blijven bij je.’ Ik knip­perde mijn tranen weg en negeerde het gespan­nen gevoel in mijn borsten terwijl ik over haar verhitte hoofdje streelde.

Ze keerde zich van me af en begroef haar kletsnatte gezichtje in Lars’ hals.

Ik keek in zijn ogen. ‘Kon ik jullie maar meenemen.’

Lars trok Ella dichter tegen zich aan en draaide grappend met zijn ogen. ‘Ben jij gek? Straks heeft ze mijn ruimteziekte.’

Ik probeerde niet te lachen en niet te huilen.

Lars’ blik verzachtte. Hij kuste me vol op mijn mond. ‘We zorgen goed voor haar.’ Hij wees omhoog. ‘Ga jij die boeven maar hun straf geven.’

 

Ik weet nog goed hoe ik vroeger op moeders schoot zat te kijken naar de opnamen die papa ons door­stuurde. Iedere zaterdag, stipt om half zes. Pyjamaatje aan, haartjes nog nat van de douche. Ik leefde van bericht naar bericht en voelde dat hij dichtbij was, ook al was hij dat niet.

Toen ik ontdekte dat moeder de opnamen weleens liet herhalen, zeker in de periode dat vader boven Nemesis6 hing, was ik oud genoeg om het zonder zijn wekelijkse berichtjes te stellen. Ik wist dat hij altijd terug zou komen.

Datzelfde wilde ik Ella geven: de wetenschap dat ik in de buurt was en de zekerheid dat ik terug zou keren. Ik wilde niet dat ze mij zou missen.

Waar ik niet aan had gedacht, was dat ik haar zou missen. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook fysiek. Mijn armen verlangden naar haar kleine lijfje, mijn oren hunkerden naar wakker worden door haar gebrabbel en mijn borsten snakten naar haar mondje. Ik was voortdurend naar haar op zoek en moest mezelf oppeppen om vrolijk in de camera te kijken die robot-Lars behulpzaam omhooghield. Ik sleepte me door de dagen en holde bij iedere ‘pling’ naar het controlepaneel om mijn lieve meisje te zien, dat op iedere foto groter werd en in een mum van tijd haar baby- en peuterfase achter zich liet.

Ik putte me uit om opgewekt te blijven, tenminste voor de camera. Iedere vrije minuut maakte ik opnamen van Meeuw, robot-Lars en mijn werk. Ik legde haar alles uit, trok malle gezichten en prikte mijn handen tot bloedens toe tijdens het naaien van een knuffel-Meeuw.

Toen ik terugkwam, was ze vijfenhalf.

 

‘Ik wil hem niet.’ Ella smeet knuffel-Meeuw van zich af. Haar haren hingen voor haar boze ogen. ‘Ik ben al groot!’

Ik keek naar Lars en moeder, blijkbaar zo hulpeloos dat moeder me tegen zich aan trok en zei: ‘Geef haar even tijd. Ze lijkt op jou.’

‘Oh, ja? Ik was altijd blij als papa thuiskwam.’ Ik legde mokkend mijn kin op moeders witte haar. De kleur was veranderd, maar ze rook nog naar moeder.

‘Da’s niet helemaal waar, schatje.’ Moeder liet me los en knipoogde naar Lars. ‘Toen papa de eerste keer terugkwam, was jij net zo oud als Ella nu. Je was woest op hem.’ Ze kneep me zachtjes in mijn hand. ‘Het duurde drie uur, toen zat je bij hem op schoot en kletste honderduit.’

Ella deed er vier uur over. Toen kon ik mijn meiske weer vastpakken en knuffelen.

 

Het was lastig een ritme te vinden. Wie deed wat wanneer met Ella? Bracht ik haar naar school omdat ik verlof had, of Lars omdat hij het altijd deed? Kookte ik eten omdat ik dat zo leuk vond, of moeder omdat ze het altijd deed? Ging ik met haar naar de dokter omdat ik weer weg zou gaan, of Lars omdat hij het altijd deed?

Gelukkig vonden we snel een manier die iedereen prettig vond: Lars en moeder de dagelijkse dingen, ik de bijzondere. Lars school, ik zwaaien met schoolreis. Moeder koken, ik taarten bakken met mijn kleine meisje. Lars de dokter, ik klaar zitten met open armen.

 

‘Je kunt ook thuisblijven.’

Lars en ik zaten in de tuin. Het was een warme avond. In het schemerlicht zag ik zijn grijzende slapen niet. Ella’s slaapkamerraam stond open. Een briesje speelde met de gordijnen, zoog ze naar buiten, liet ze wapperen, duwde ze weer naar binnen.

Ik beet op mijn tong. De laatste maanden hadden we regelmatig ruzie gehad over mijn werk, ik wilde me niet weer in de verdediging laten drukken.

‘Ik heb erover gedacht,’ zei ik zachtjes. ‘Maar ik moet gaan.’

Lars kneep zijn lippen samen en keek omhoog, naar de sterren. ‘Omdat ze je wenken? Zoals een zeeman naar zee wordt getrokken?’

Ik keek ook omhoog. ‘Misschien is het dat.’ Ik twijfelde. ‘Ja, dat ook. Ik verlang ernaar.’

‘En wij? Ella, ik? Je moeder? Ze is tweeëntachtig, Vivian. Over vijf jaar zal ze zo fit niet meer zijn.’

Ik sloot mijn ogen. ‘En wat als ik niet ga? Heb je daar­over nagedacht?’ Ik ging rechtop zitten en wees naar ons huis, tuin, zwembad, de garages. ‘Dit opgeven? Of kunnen jij en ik iets op aarde vinden wat zo goed betaalt?’ Ik zuchtte diep. ‘Jij hebt niet eens werk.’

Lars blies zijn wangen op. Ik zag dat hij kalm pro­beerde te blijven. Hij schokschouderde. ‘Geld maakt niet gelukkig.’

‘Schei uit! Geld is makkelijk. We kunnen Ella goed onderwijs erdoor geven. Als moeder gebrekkiger wordt, kunnen we zorg inkopen en…’

‘Maar jij maakt het niet mee. Snap je het dan niet?’ Lars stond op, liep naar me toe en zakte op zijn knie. ‘We hebben jou niet hier.’

‘Maar ik kom terug!’ Ik pakte zijn hoofd in mijn handen. ‘Ik krijg verslagen van jullie, zie foto’s, stuur malle berichten… Geloof me: die vijf jaar vliegen voorbij.’

‘Voor jou, ja. Wat zijn nou vijf weken?’ Lars’ stem klonk grimmig. In het halfduister zag ik zijn oogwit glimmen. ‘Begrijp je niet dat we je nodig hebben?’

‘Ach, welnee. Jullie doen het prima met elkaar.’ Ik voelde mijn stem killer worden. Onze gesprekken verliepen volgens hetzelfde patroon. Vroeg of laat werden we boos. ‘Jullie hebben mij niet nodig.’

Lars rukte zijn hoofd uit mijn handen en stond op. ‘Dat is niet waar en dat weet je. Wij hebben jou wel nodig. Het is andersom: jij kunt zonder ons. Dát is het.’

Happend naar adem vloog ik op, mijn vuisten gebald. ‘Hoe dúrf je!’

‘Ik durf! Sterker nog, ik durf meer. Je verheugt je erop om weg te gaan, om ons een tijdje niet te zien. Je kunt niet alleen zónder ons, je wilt ons uit je buurt hebben.’

‘Dat is niet waar!’ Ik stampte met mijn voet. ‘Ik houd van jullie!’

‘Ach, welnee.’ Lars liep naar het huis. ‘Je moeder is oud, daar kun je de zorg wel voor uitbesteden, ik ben een waardeloze werkloze en Ella heb je nooit gewild.’

Hij had me net zo goed kunnen stompen.

 

Ella was twaalf. Een stil meisje dat haar best deed op school, lief was voor moeder en de hele dag met Drommel liep te sjouwen. Het arme dier was twee keer zo oud als zijn pupil, maar wilde niet van haar zijde wijken. Zijn klaaglijke gemiauw als ze naar school was, ging door merg en been.

Ik zwaaide mijn dochter, die groot genoeg was om zelf naar school te gaan, uit en opperde bijna een spuitje tegen moeder, die lekker in een leunstoel voor het raam van het zonnetje zat te genieten, maar bedacht me halverwege en wist het nog om te buigen naar dat de kat vroeger zo’n spuitje elf was geweest.

Moeder lachte stralend. ‘Ja, hè?’ Ze activeerde holobeelden van Drommel als kitten, Drommel als kater, Drommel als vader…

‘Oh, heeft hij gepaard?’ Ik keek verrast naar het krioelende nestje. Minstens twee van de kittens hadden net zo’n gestreept lijfje als Drommel. ‘Wanneer? Dat heb ik gemist.’

‘Dat heb je. En meer.’ Lars zette koffie voor me neer. ‘We moeten het over Ella hebben.’

‘Want? Ze is erg lief.’

Moeder en Lars wisselden veelbetekenende blikken. De schrik sloeg me om het hart en bleef daar een poosje koud hangen.

‘Wat is er met Ella?’ Ik zakte op de bank. ‘Ze was blij me te zien, ze…’

Lars haalde diep adem. ‘Ze is gesnapt bij het pikken van Booster.’

‘Van wat? Dat drankje?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Wat moet ze nou daarmee? Was het voor haarzelf?’

Lars knikte.

‘Maar is dat niet dat spul dat adrenaline bevat? En alcohol? En…’ Mijn ademhaling versnelde toen ik me de reclamefoto’s ervan voor de geest haalde. Pure energie. ‘Maar da’s hartstikke gevaarlijk!’ Ik keek van Lars naar moeder. ‘Ze is pas twaalf!’

Drommel hoestte. Het klonk als een varken met keelontsteking.

‘Lars!’ Moeder schrok overeind.

Lars was al bij de kat. Hij greep hem van de grond en nam hem mee de keuken in.

‘Wat doe je?’ Ik rende hem na. Mijn zorg om Ella vloeide over in die voor Drommel, háár Drommel.

Lars pakte een injectiespuit uit de koelkast, trok met zijn tanden het hoesje van de naald, legde de kat op de aanrecht en prikte het dier in zijn kont.

Binnen een paar tellen stopte het hoesten. Drommel lag uitgeteld op de aanrecht. Moeder scharrelde de keuken in, boog zich over het arme beest en aaide over zijn koppie. ‘Gaat het weer?’

Drommel drukte zijn kop in haar hand. Ik blies mijn adem uit van opluchting, wat mal was: nog geen kwartier geleden had ik hem dood gewenst.

We spraken niet meer over Ella en de Booster.

 

Drommel stierf tijdens mijn volgende uitzetting. Ik condoleerde moeder, Lars en Ella. Mijn dochter ant­woordde fijntjes dat mijn condoleance ‘maar een maandje of twee’ te laat was. Volgens Lars moest ik het me maar niet aantrekken, Ella puberde. Toch ver­dween het rotgevoel in mijn maag pas toen ze me onder aan de Elevator stond op te wachten.

Ze had net haar vliegbrevet gehaald en stuurde de capsule door het verkeer alsof ze het al jaren deed. Ik keek opzij, naar haar mooie gezicht, en zei niets van haar haardracht of make-up. Kennelijk was van oor tot oor een baan weggeschoren de mode, net als gele rouge. Ook probeerde ik opgewekt de neontatoeages in haar nek te negeren en niet te staren naar de implantaten boven haar linkerwenkbrauw, die aan­gaven of ze wilde dat ik sprak (groen) of zweeg (rood). Ze was volwassen, ik moest haar wensen respecteren. Dus hield ik mijn mond.

We vierden Lars’ drieënzestigste en mijn negenen­dertigste verjaardag tegelijkertijd. Kort daarop werd moeder vijfennegentig en kon ik weer de ruimte in. Ik geloof dat ik niet eerder zo blij was om te kunnen vertrekken. Anderhalf jaar had mijn dochter rood geflikkerd en niets tegen me gezegd dan het hoogst noodzakelijke, tenzij ze op haar stok­paardje zat: hoe verderfelijk het stilzetten van misdadigers wel niet was. Dan discussieerde ze net zolang tot haar stem oversloeg en ik er het zwijgen toe deed, zelfs bij groen.

 

Bij mijn volgende verlof was ze het huis uit. Ze zou pas terugkomen als ik wegging, had ze tegen moeder gezegd. Nou viel die stoere praat samen met haar eindstage Rechten, dus volgens Lars had het niks met mij te maken.

‘Ze haalt goede cijfers.’ Moeders stem klonk net zo breekbaar als haar handen eruitzagen. Het verbaasde me dat ze er nog iets mee kon oppakken, laat staan een kopje naar haar mond brengen.

‘Ze is rustiger geworden. Je kunt trots op haar zijn.’ Lars kwam achter me staan in Ella’s kamer. Hij sloeg zijn armen om me heen en trok mijn rug tegen zijn borst.

Zijn handen waren bruinverband en leken nog net zo sterk als toen ik hem ontmoette. Toch waren ze anders.

Voorzichtig, om zijn greep niet te verstoren want het voelde zo lekker, draaide ik me om. ‘Dat komt door jou en mama.’ Ik kuste hem.

Hij maakte zijn lippen los van de mijne en glim­lachte. ‘Merk jij het ook?’

Ik dacht dat ik wist wat hij bedoelde, dus gleed mijn hand over zijn buik naar zijn broek.

‘Nee, dat niet. Hoewel ik best zin in je heb.’ Lars kuste me weer.

‘Wat dan?’

‘Ik krimp.’

Verrek, toen merkte ik het opeens ook. Ik stond tijdens het kussen met mijn voeten plat op de grond in plaats van op mijn tenen.

‘Sinds wanneer is dat?’ vroeg ik verbaasd.

‘Maakt het uit?’ Lars pakte mijn hand en trok me Ella’s kamer uit, de onze in.

Natuurlijk maakte het niks uit.

 

Moeder was honderdzestien toen ze stierf. Ik was drieënveertig en halverwege een uitzetting toen het nieuws me bereikte. Mijn dochter nam de moeite een bericht te sturen. Haar roodomrande ogen staarden in de camera. Ik wilde naar haar toe en haar troosten en samen huilen, maar bevroor toen ik werd getroffen door de kilte in haar stem.

‘En nee, je hoeft er niet snel voor naar huis te komen. Ze is al lang begraven als je dit hoort. Papa zegt dat hij weet dat je erg verdrietig zult zijn en hij liegt niet tegen me, dus dat zal wel. Misschien kun je robot-Lars om een troostmassage vragen.’ Ella was even stil. Toen boog ze zich naar de camera over. ‘Voor mijn part blijf je in de ruimte hangen. Maar mocht je toch thuis willen komen, weet dan dat ik voor papa zorg. Sinds zijn TIA…’

De rest hoorde ik niet meer. Lars? Een beroerte?

 

De Elevatorgondel had nog nooit eerder zo lang erover gedaan om naar de aarde te vallen. Ik kon het ding wel omlaag stampvoeten, zo erg wilde ik naar Lars.

Net als mijn medepassagiers zat ik ingegord. Ze keuvelden en genoten van het uitzicht: de zon die het wolkendek veranderde in oplichtende watten. Door gaten erin waren al stukken groen en bruin zichtbaar. In de verte scheidde de gekromde horizon het zeeblauw van het ruimtezwart.

Dat zwart om ons heen ging over in stralend blauw. Ze riepen ‘Oh’ en ‘Ah’ en stootten me aan om met me praten. Maar ik was te rusteloos.

Nooit meer ging ik de ruimte in. Nooit meer. Het was tijd voor mijn pensioen. Ik ging voor hem zorgen, hij had me nodig. En met Ella zou ik alles goedmaken. Waar het precies was misgegaan, wist ik niet, maar we waren ongeveer even oud, we konden vriendinnen worden.

Ik dacht met al mijn kracht de gondel omlaag.

De kracht kaatste naar me terug.

De gondelvloer bolde onder mijn voeten op. Hij duwde mijn benen omhoog tot ik met mijn knieën in mijn nek zat.

Er klonk gegil.

De gondel schudde. Er kraakte iets zo hard dat mijn oren piepten.

We schoten los. Ik wipte ondanks de strakgetrokken gordels omhoog in mijn stoel en voelde mijn maag zweven.

De gondel klapte opzij. Ik hing opeens voorover in mijn stoel. Nog een klap. Ik hing op mijn kop.

Mensen krijsten.

Ondersteboven denderden we door het wolkendek heen.

 

De actiegroep ‘Non-Vitae Morte’ eiste de aanslag op. ‘Noodzakelijk om ons onmenselijke strafsysteem, waar alleen Non-Vitae van profiteert, een halt toe te roepen.’ De stem vanachter de gezichtsplaat van een pseudo­mens, was van een vrouw.

Ik staarde met Lars naar de holobeelden op het nieuws. Daar ging de gondel, met mij erin. Ik moet ook gegild hebben, maar kon het me niet herinneren.

De gondel werd keurig opgevangen door het tussen vier drones gespannen, vliegende noodnet. De vrouwen­stem bleef haar boodschap herhalen.

Onze handen grepen elkaar vast.

We knepen elkaar, Lars en ik.

We konden het niet geloven…

 

We moesten het geloven, want voor we het wisten stonden we in de rechtszaal en hoorden het vonnis aan.

‘Honderd jaar.’ De pseudomens die rechter was, klapte met zijn houten hamer op de plank.

Ella sprong op, haar implantaten flikkerden. ‘Maak me dan liever dood!’ Haar lange haar hing tot over haar kont en moest nodig gekamd worden.

Met zijn hamer wees de rechter naar haar. Zijn gelaat vertoonde geen enkele uitdrukking. ‘Als er doden waren gevallen, had u levenslang gekregen. U boft.’

 

‘Ik wil dood! Een spuitje!’ Ella ijsbeerde in haar glazen cel en zwaaide woest met haar armen.

Lars en ik, hij steunend op een kruk en zijn andere arm door de mijne gestoken, ik wippend van mijn tenen naar mijn hielen, keken naar onze dochter en probeerden haar te sussen.

‘Honderd jaar! Ik kan toch beter dood zijn?’

‘Lieverd, nee.’ Ik duwde mijn vrije hand tegen het glas.

‘Jawel! Over honderd jaar is er niemand meer!’

Ik keek naar Lars. Hij was me zo lief. Maar Ella had gelijk: over honderd jaar kon hij er niet meer zijn. ‘Het spijt me,’ fluisterde ik.

Hij begreep me meteen. ‘Dan kopen we voor mij wel zorg in,’ fluisterde hij terug. ‘Zeg het haar maar.’ Hij trok zijn arm uit de mijne en tikte twee keer op mijn neus. ‘Komt goed.’

‘Ella?’ Ik legde mijn voorhoofd tegen het glas. ‘Luister. Als ik blijf uitzetten en korter verlof opneem, ben ik rond de achtenzestig als jij terugkeert. Jong genoeg om nog jaren bij je te blijven.’

Ella ging langzamer lopen.

Ik ging sneller praten. ‘Begrijp je, lieverd? Je zult niet alleen zijn. Ík ben er dan voor je.’

Ze keerde zich naar me toe en zette haar handen tegen het glas. Haar voorhoofd bonkte tegen de plaats waar het mijne tegenaan leunde. De implantaten doofden. Haar mond vertrok in een schampere grijns. ‘Jij?’

Ik schrok van de haat in haar ogen. Langzaam trok ik mijn hoofd naar achteren. ‘Ja, ik. Het kan niet anders.’

‘Jij denkt dat alles om jou draait, hè?’ Ella wees naar Lars. ‘Het gaat me om hém, om papa! Jij bent niks voor me.’

‘Maar Ella! Ik houd van je.’

‘Vuile leugenaar! Je hebt me nooit gewild! Nooit! Dat heb ik papa horen zeggen en jij ontkende het niet.’

 

Het duurde uren voor ik kon stoppen met snikken. Lars wreef met zijn goede arm over mijn rug en fluisterde lieve woordjes. Mijn rots in de branding, wat was ik zonder hem?

‘Zal ik dan maar toch op aarde blijven?’ Ik snoot mijn neus. ‘En voor jou zorgen?’

Lars schudde zijn hoofd. ‘Ik wil dat je er bent als ze terugkeert. Ik overleef nog wel een paar uitzettingen, wij hebben samen nog zeker drie heerlijke verloven voor de boeg.’ Hij maakte een spierbal. ‘Wij worden oud.’

Ik lachte waterig. ‘Kon het maar anders…’

Opeens wist ik het.

 

Bij Non-Vitae begrepen ze dat ik zelf getuige wilde zijn van het stilzetten van mijn dochter. Het was allemaal al erg genoeg, zei de pseudo die mij de paparassen overhandigde.

Lars vloog door de slurf alsof hij weer jong was. Gewichtloosheid kent geen leeftijd. Gierend van het lachen botste hij vlak voor het sluiten van de buiten­sluisdeur tegen de binnendeur van de pendel.

De binnendeur ging open. De piloot keek ons verbaasd aan.

‘Tortelduifjes,’ zeiden we in koor.

 

Om ruimteziekte te voorkomen, sedeerde ik Lars zodra we op Meeuw waren. Ik bleef bij hem tot hij sliep, beseffend dat de volgende keer dat ik hem zou spreken, de wereld er anders uit zou zien.

 

Robot-Lars bracht Ella naar haar loden boon. Ik liep achter het handje en mijn dochter aan, de slapende Lars in een rolstoel voortduwend.

Mijn keel zwol op toen ik robot-Lars bevel gaf zich terug te trekken. ‘Ik wil Ella gedag zeggen.’

Het handje verdween.

Ik omhelsde mijn versufte dochter. Voor het eerst in jaren. Ik kuste haar mooie gezicht en vertelde haar dat alles goed zou komen. Echt.

‘Papa gaat met je mee.’

Haar hoofd kwam traag omhoog. Ze keek me lodderig, maar bewust aan. ‘Mee?’

Ik knikte. ‘Over honderd jaar is hij er nog voor je.’

‘Maar jij? Dan moet jij hem missen.’ Ella’s ogen vul­den zich met tranen. ‘Ik dacht…’ Ze zuchtte heel diep. ‘Dus je houdt wel van me?’

Mal kind. Mal, dwaas, lief kind. ‘Ja.’

Boven de boon kwam robot-Lars als haak aange­sneld.

Ik duwde de rolstoel in de boon en zette Ella lekker op Lars’ schoot. ‘Knuffel elkaar tot ik jullie kom ophalen,’ zei ik verstikt.

Ik keek de boon na tot ik niet verder kon kijken. Nemesis6 was groter dan ooit.

 

‘Vivian Petersdochter?’

Onder aan de Elevator stond de pseudomens me op te wachten. Het flitste door me heen hoe attent dat was, nu er niemand van mijn familie meer over was.

‘Ja?’

‘We begrijpen waarom u het heeft gedaan. Maar het mag niet.’

Mijn benen werden zo slap als overgare asperges. Hoe wisten ze het? Ik had alles zo goed gepland! De pendelpiloot die me had opgehaald, was een andere dan die me had weggebracht. Ik had Lars buiten het zicht van Meeuws camera’s gehouden. ‘Hoe…?’ stamelde ik alleen maar.

‘De autonome robot.’

Robot-Lars? Míjn robot-Lars?

‘Hij rapporteerde dat u twee mensen liet stilzetten in één boon. We konden door het tijdsverschil niet meteen ingrijpen, dat snapt u.’

Ik knikte. Mijn maag brandde. ‘Wat gebeurt er met Ella en Lars?’

‘Niets. Uw dochter zit haar straf uit en wordt weer retourgenomen. Uw man komt dan vanzelf mee.’

Hijgend zakte ik op de grond. Gelukkig, gelukkig, het was gelukt.

‘Non-Vitae moet u wel vervroegd pensioneren.’

Ik keek omhoog. Zonlicht kaatste op haar gladde gezicht zonder ogen. Haar stem klonk warm, maar wat ze zei was ijskoud.

‘Met onmiddellijke ingang.’

Algorhythm’n’blues : Jack Schlimazlnik

Ik heb een dochter. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar maak, doet soms fysiek pijn, daarom denk ik dat, voel ik dat ik een dochter heb. Dan pak ik haar foto, genomen op een zonovergoten strand en kijk ik naar haar. Denk ik, want er is weinig meer over dan enkele vale vlekken tegen een witte achtergrond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond. Maar ik denk dat het mijn dochter is.

 

‘Mam,’ zei ze. ‘Pap. Mag die foto weg?’ Ze was net acht geworden. Met afgrijzen wees ze op een foto van haar­zelf als baby. De foto stond op ons online gezins­profiel. Ik had de foto van onze parel gemaakt toen ze pas was geboren, in de roes van blijdschap over het feit dat ze er was, de wens die vreugde met de wereld te delen en me die dag voor altijd te kunnen her­in­ne­ren.

‘Wat is er mis met die foto?’ vroeg ik.

‘Het is niet leuk,’ zei ze. ‘Niet iedereen hoeft te zien hoe ik vroeger was.’

‘Vind je het beschamend?’

Ze knikte.

Ik haalde de foto weg van het profiel. We hadden altijd nog een back-up, de foto zat in mijn privé-foto­collectie en afgedrukt op fotopapier in mijn porte­feuille. Ik zou mij door die foto nog tot in lengte van dagen kunnen laten herinneren hoe het was, in die tijd vlak na haar geboorte, toen ze kwetsbaar in de couveuse lag en naar mij lachte.

 

‘Pa, ma,’ zei ze. ‘Doe die foto weg. Het is bescha­mend.’ Ze was bijna zestien. De foto was genomen in de kerk, op de bruiloft van haar neef, vier jaar terug. Ze was het bruidsmeisje. Voor ons was ze mooier dan de bruid, maar zij keek met walging naar de foto.

‘Vind je het geen mooie herinnering?’ vroeg ik.

‘We hebben zoveel foto’s van vroeger dat we verge­ten in het nu te leven,’ zei ze nors. ‘Het is tegen­natuurlijk.’

‘Is het pijnlijk?’

‘Dat zal het wel worden.’ Ze haalde een map met aantekeningen tevoor­schijn. Er stond in sierlijke letters ‘spreekbeurt’ op. ‘Weet je hoeveel cloudservers er nodig zijn om de foto’s die onze herinneringen zijn online beschikbaar te houden? Hoeveel energie dat kost? Héél veel! Ook draagt dat erg bij aan de opwarming van de aarde. Jullie generatie met zijn hang naar nostalgie maakt mijn toekomst kapot!’

Ik dacht niet dat het zin zou hebben in discussie te gaan met een opstandige puber, daarom haalde ik de foto van het bruidsmeisje weg. Ik verzweeg dat de afdruk in mijn dagboek was geplakt.

 

Onze dochter nam nooit selfies. Op de diploma-uitreiking van het gymnasium verbood ze ons en anderen foto’s van haar te maken, zich beroepend op het portretrecht.

Ik probeerde de gebeurtenis in mijn geheugen te griffen. Ik had al geprobeerd om uit mijn geheugen gebeurtenissen te tekenen, maar ik ben geen grafisch artiest. Het pijnlijkst was voor mij dat mijn verleden gaten ging vertonen van zaken die ik me niet precies kon herinneren, zoals de blik van mijn dochter toen ze dat diploma kreeg, toen ze een groot compliment kreeg van de rector, toen ze afscheid nam van de school, de docenten en haar klasgenoten. Ik kon me het beeld in detail niet meer voor ogen halen, het werd versluierd door emoties, zodat ik het niet waarheidsgetrouw kon tekenen. Het ging voor altijd verloren.

Kort daarna, voordat ze zou gaan studeren, gingen we voor de laatste keer met het hele gezin op vakantie naar Texel. Daar, op het strand bij de Slufter, nam ik stiekem enkele foto’s van mijn gezin terwijl we naar schelpen zochten en de hond blaffend tegen de golven tekeerging. De mooiste schelp namen we als souvenir mee naar huis.

 

Ik heb een dochter, maar je zou het niet denken als je mijn foto’s ziet. Die stiekeme foto’s van wat mij dierbaar was, daar op Texel, zijn de laatste foto’s die ik ooit van mijn dochter heb genomen. Ze zijn overbelicht in de zomerzon die op de kalme zee weerspiegelt. Ik ruik het zout als ik de foto bekijk, ik hoor de branding.

Ik zou beter mijn best hebben gedaan op het beeld als ik wist dat het verleden net zo onzeker werd als de toekomst.

 

Ze ging wiskunde en informatietechnologie studeren. Ze ging op kamers, woonde niet meer bij ons thuis. Elke ochtend dacht ik aan haar, steeds minder kon ik me haar gezicht herinneren, totdat ze langs kwam en ik mijn geheugen kon verversen. Ze veranderde, ze werd van een puber een vrouw, een schokkend proces doordat ik de geleidelijkheid niet zag. Ze genoot van haar vrijheid, ze vertelde ons dat ze zich had aange­sloten bij actiegroepen voor een beter milieu en voor privacybescherming, ze ging op muziekles, ze ont­moette René, een student scheikunde.

‘Wat is dat voor jongen, die René?’ vroeg ik.

Ze glimlachte, een intens verliefde blik die ik liever niet wilde vergeten, maar het moment ging voorbij en de herinnering beklijfde onvoldoende. ‘Hij is oké,’ zei ze.

‘Stuur eens een foto van hem,’ vroeg ik.

‘Dat wil hij niet.’

Ik aarzelde. Wat waren moderne zeden? Kon ik René al thuis uitnodigen of kwam dat pas in een later stadium? Mocht ik vragen in welk stadium hun relatie was? ‘Wat doet hij? Waar komt hij vandaan? Wat doen zijn ouders?’

‘Hij bakt muffins,’ zei ze en overhandigde me een Tupperware-doosje, gevuld met muffins. Ze liet me een muziekstuk horen. ‘Dat heb ik gemaakt, het geeft zijn ziel weer.’ Ik hoorde een soort jodelen, dat ze ‘joiken’ noemde, over aritmische muziek waarin omgevingsgeluiden waren verwerkt. ‘Het is een soundscape,’ verduidelijkte ze. Ik heb het muziekstuk daarna nooit meer gehoord. Toen ik haar ernaar vroeg, vlak voor haar huwelijk, zei ze dat ze het had gewist. Voorgoed.

René kwam na een half jaar op bezoek. Het was een prima kerel, keurig opgevoed. Hij gaf me een doosje muffins, die me goed smaakten. Ik merkte dat hij smoorverliefd was op mijn dochter, ze waren een dubbelster, zo stralend dat ze het duistere heelal om zich heen niet zagen. Ze gingen samenwonen. Soms ontving ik soundscapes van haar, maar als ik ze terugzocht kon ik ze niet vinden. Het was in die tijd dat ik haar naam begon te vergeten en af en toe twijfelde aan het bestaan van mijn dochter. Dan pakte ik de foto van het Texelse strand, die over­belichte foto met de vage contouren waarin ik mijn dochter her­kende. Ze kwam nog maar zelden op bezoek, wij bezochten haar zelden, want ze zei het druk te hebben met haar afstuderen en trok zich daarom terug in haar schulp, beschermd door René.

 

‘Het is niet natuurlijk dat we alles proberen te onthouden’ was in een krant te lezen geweest. Namens een actiegroep hield mijn dochter een interview. ‘De natuur is een levend wezen dat alles beter kan verteren als het langzaam vergaat.’ Ze herhaalde wat ze jaren terug in haar spreek­beurt had verwerkt, over de talloze cloudservers die onze herinneringen moesten bewaren, en de vele back-ups daarvan. ‘Het is beter dat we vergeten.’

In het wetenschappelijk tijdschrift dat na haar afstuderen verscheen, liet ze meer los over het afstudeerproject waarvoor ze summa cum laude was geslaagd. ‘Het is een psychologisch proces dat we dat wat van vroeger is beter waarderen dan wat in het heden is. Het gaat over herinneringen, over weemoed en melancholie, nostalgie. ‘Vroeger was alles beter’. Wij vinden dat belangrijk, het benadrukt dat wij sterfelijk zijn en van het heden moeten profiteren door een herinnering na te laten. We kopen vintage voorwerpen met defecten, roest, beschadi­gingen, verwering omdat ze ons de vergankelijkheid laten zien. Onze foto’s bewerken we met een filter om er een ouderwetse glans aan te geven, alsof de foto met een camera obscura is gemaakt, of een polaroid­camera, of zelfs is geschilderd in een of andere prehistorische stijl. We geven onze muziek een extra kraak mee, alsof we luisteren naar een naald in een groef terwijl we slechts naar een digitaal bestand luisteren. Met mijn algoritme krijgen digitale foto’s wel het patina van vroeger met een filter, maar dan langzaam, door de jaren heen. Zo verweren de digitale foto’s op een natuurlijke manier.’ Op internet was korte tijd een time-lapse filmpje te vinden van haar experiment met een foto op een smartphone, die langzaam op het schermpje verging terwijl zij haar doctoraalscriptie schreef. Ze verzekerde dat het proces ook langzamer kon verlopen, afhankelijk van enkele variabelen in het algoritme, zo had ze ook voorzien in een aansluiting met een vochtsensor: bij vochtige omstandigheden verliep de verwering sneller.

‘Er is iets dat nog veel belangrijker is,’ stond in het interview. ‘Door het verleden langzaam te laten ver­gaan, kunnen we ons losmaken van de last van vroeger, we worden dan niet meer geconfronteerd door de schulden die inmiddels afgelost zijn, over­tredingen die al lang zijn bestraft of alles­verterende wraakgevoelens. We hoeven niet meer te zijn wie we vroeger waren. Dat is waarom privacy­beschermers interesse hebben in mijn algoritme. Het kan alle persoonlijke gegevens uit databases ver­wijderen. Je vroegere zelf vervaagt ermee uit de archieven, zodat je uiteindelijk herboren kunt worden. Het is weder­opstanding, verlossing.’ Er volgde een overzicht van de juridische haken en ogen. ‘Er zijn basisgegevens die om administratieve redenen moeten worden bewaard, de rest kan weg.’ Opnieuw herhaalde ze haar statement over de milieu­vervuiling die door cloud­servers werd veroorzaakt. ‘Als je al die infor­matie zoals vroeger in huis op papier zou bewaren, zou je een flinke archiefkelder nodig hebben. Waarom willen we tegenwoordig in dat muffe verleden zwelgen? Is dat omdat we steeds weer het confron­terende heden vergeten als we elk moment van de dag gegevens uit het geheugen van onze digitale back-up halen?’

Ik kan het interview niet meer terugvinden. Soms twijfel ik of ik het werkelijk heb gelezen. Kun je het verleden zomaar wegnemen? Het lijkt er soms op dat de gaten van wat is verweerd worden opgevuld met willekeurige nieuwe herinneringen, valse herinne­ringen. Als de eb het water wegtrekt van het strand, komt daarna de vloed om eindeloos nieuwe schelpen op het zand te werpen alsof de kust herboren moet worden.

 

Mijn dochter. Ik bewonderde haar bevlogenheid, maar haar naïviteit beangstigde me. Het artikel was nauwe­lijks gepubliceerd, of degenen met de meeste belangen wierpen zich op de doorontwikkeling van het algo­ritme, op de implementatie ervan op diverse systemen en het ontrollen ervan op het internet, inclusief de cloudservers. Overheden gebruikten het algoritme gericht om te wissen wat ze volgens de privacy­wet­geving niet langer mochten bewaren. Top­crimi­nelen kregen een brandschoon verleden, evenals oorlogs­misdadigers en politici. Beroemdheden wisten onwel­gevallige episoden uit hun roemruchte verleden, daarna werden de gaten opgevuld met wensbeelden van een fictief verleden.

 

De zaak van Eugène de Tilleul maakte het algoritme wereldwijd bekend. De zaak is zo vaak herhaald en gekopieerd dat deze ondanks het algorit­me nu nog steeds in de cloud is te vinden. De Tilleul werd minister van Defensie. Kort na zijn benoeming beweerden mensen dat zijn verleden niet zo was als hij deed voorkomen, hij werd beschuldigd van spio­nage, wat voor een minister van Defensie fataal is. De Tilleul zei dat het laster was, leugens. Hij beval de lasteraars met concreet bewijs te komen, anders zou hij hen wegens smaad voor de rechter dagen.

Natuurlijk was er van zijn verleden in de gedigi­tali­seerde archieven niets meer te vinden dat op spionage wees. Het algoritme werkte immers perfect.

Ik zat tijdens de live-verslaglegging van de rechts­zaak op het puntje van mijn stoel. Ik wist dat er veel op het spel stond, hoewel ik niet precies wist wat. De Tilleul kwam over als een onsympathieke, manipu­lerende man, iemand met te veel ego, iemand die over lijken kon gaan, dus voor hem vreesde ik niet. Het ging dieper dan dat. Soms dacht ik, in een vlaag van helderheid uit een reeds lang verweerd en muf verleden, dat ik een dochter had. De rechtszaak was voor háár belangrijk, besefte ik.

‘U heeft niets in de archieven kunnen vinden,’ zei Mr. de Tilleul, die zichzelf verdedigde, want wat wèl onomstotelijk van hem bekend was, was dat hij meester in de rechten was.

‘We hebben afdrukken,’ zei de aanklager. Ze over­handigde enkele mappen met documenten.

‘Vervalsingen,’ snoefde de Meester toen hij er een blik op wierp. ‘Gefotoshopt, iedere idioot kan het. U kunt me niets maken. Het enige dat u wilt, is mij zwart maken. U zou beter excuses aanbieden voor de manier waarop u mij hiermee krenkt.’

De aanklager riep getuigen op. Stuk voor stuk vertelden deze mensen hoe ze De Tilleul kenden uit het verleden. Bedrijfsspionage. Belangen­verstrenge­lingen. Contacten met mensen van buitenlandse, vijandige veiligheidsdiensten. Gezocht door de AIVD, de Securité, de CIA, de Mossad.

De Tilleul bleef onaangedaan. ‘Ze liegen, of hun geheugen speelt hen parten.’

De rechter schortte de zitting op. Ik bleef verbijsterd op het puntje van mijn stoel zitten. Wat zou de rechter zwaarder laten wegen? Archieven of het menselijk geheugen? Een team van deskundigen reflecteerde de zaak in de televisiestudio. Een jonge vrouw gaf een toelichting bij het algoritme, hoe de variabelen werkten en hoe het gericht een deel van het verleden kon verwijderen.

De rechtszaak werd voortgezet. In wat volgde legde een door de verde­diging opgeroepen psycholoog uit hoe het menselijk brein werkte. Het brein was tame­lijk vaak het slachtoffer van verkeerde inter­pre­taties, illusies, hallucinaties, verkeerde conclusies en foute aannames die de moeder van elke fuck-up zijn. Kortom, het menselijk brein was niet fool-proof. Aan het geheugen kon geen waarde worden gehecht. Integendeel, het werd vaak aangevuld om het beter te laten passen in de situatie van het heden, wat cogni­tieve dissonantie werd genoemd of als selectieve amnesia werd beschimpt.

De Tilleul grijnsde in de televisiecamera’s na het relaas van de psycholoog.

De zaal explodeerde in een spreekkoor. ‘Leugenaar! Bedrieger! Fantast!’ Op de achtergrond scandeerde het koor ‘De doodstraf! De doodstraf voor hoogverraad!’

‘Stilte!’ hamerde de rechter.

De uitspraak liet niet lang op zich wachten. Bij gebrek aan ander bewijs moest de rechter afgaan op de gedetailleerde en coherente verhalen van de getuigen.

De jonge vrouw in de studio verbleekte. Toen een traan over haar wang rolde, voelde ik de pijn, ik proefde het zout. Ik herkende mijn dochter die hoorde hoe haar algoritme niet voldoende van het verleden kon wissen om het helemaal te vergeten.

 

Ze stuurde mij een van haar soundscapes. De toon­zetting was mineur, doordesemd met een wee­moedige ondertoon. De blues. Het geluid kabbelde eerst, werd later ruiger, een waterval van klanken, tot het een alles verscheurende kreet in de crescendo werd.

Ik zag het als een schreeuw om hulp en ging naar haar toe. Ze verze­kerde dat alles weer in orde was. Natuurlijk was ze aangeslagen en teleurgesteld over de manier waarop de wereld met haar algoritme omging, maar, zo verzekerde ze mij, dat zou ze snel vergeten zijn. Ze vertrouwde me toe dat ze samen met René aan een nieuw project was begonnen, nog veel groter, nog veel avontuurlijker. Ik zag de passie in hun beider ogen, passie voor elkaar en voor hun project.

De tweede keer dat ik naar die soundscape luisterde, klonk die veel doffer. Ik besefte dat het algoritme het geluidsbestand al had aangetast. Na enkele dagen hoorde ik slechts ruis als de branding die zich op het strand krult.

 

Ik swipete door mijn privé-fotocollectie. Verbleekte foto’s schoven aan mij voorbij. Soms herkende ik een vage omtrek, zoals de schaduwen van een verder lege couveuse, of de spitsbogen van een kerk. Ik weet niet hoe het algoritme zich verspreidde, maar hier en daar las ik dat het viral was gegaan. Het verspreide zich als een ziekte, mensen die werden getroffen door de nadelige effecten noemden het pixelpest. De pixelpest had ook mijn back-ups bereikt. Ergens wist ik dat het algoritme dat op de digitale bestanden was losgelaten misschien teruggerekend kon worden, zodat de gevol­gen ongedaan konden worden, maar veel hoop had ik niet. Toch bewaarde ik de bestanden, die uit een schrikbarend laag aantal bytes bestonden. Het werden er dagelijks minder.

Natuurlijk had ik ook mijn dagboek met afdrukken. Het was al oud, het had een muffe geur, natuurlijk verval had zijn werk gedaan. Verbleekt door licht, aangetast door zilvervisjes en vocht, doorgelopen inkt en om zich heen vretende lijm, papier dat van nature organisch was en dus tot stof verging, het was allemaal niet voor de eeuwigheid.

Ik keek naar buiten. Daar veranderde de wereld ook steeds. Niets was voor de eeuwigheid, ondanks de talloze cloudservers waarop we poogden onze herinneringen te bewaren. Ik keek naar de blauwe lucht van die zomerdag die me met weemoed aan Texel deed herinneren. Wolken zeilden over dat blauw. Vliegtuigen doorkruisten die azuren hemel. Ze lieten lange, witte sporen achter die vervaagden alsof ook daar de pixelpest zijn werk deed.

 

‘Het is uit,’ zei ze. ‘Ik ga weg bij René. Ik herken in hem niet meer de man met wie ik ooit ben getrouwd.’ Ik voelde haar verdriet.

De scheiding liet niet lang op zich wachten. Ze wierp zich op haar werk. Ze werkte aan een carrière als muzikant. Het resultaat was nu en dan te horen op de radio, vluchtig en gehaast, het een om het algoritme voor te zijn, het ander om zo snel mogelijk weer vergeten te worden. Deze kunst werd goed ontvangen als kunstzinnige interpretatie van het consumen­tisme waarin duurzaamheid het moest afleggen tegen de kapitalistische drang om te blijven produceren en verkopen; wat niet vergaat hoeft niet vervangen te worden en hoeft dus niet opnieuw geproduceerd te worden, het levert daarom geen winst op.

Hoe zouden zij die zondigden vergiffenis kunnen vragen als wij ons hun daden niet meer herinneren? Die vraag zong rond in de tonen van mijn dochter. Hoe kun je schuld voelen als niemand zich jouw misdaden kan herinneren? Maar ook die vraag vervaagde in het verleden.

Ik keek naar de schelp die we hadden gevonden op Texel. Tot dusver was die nog niet aangetast door pixelpest. Ik dacht aan de miljoenen jaren oude fos­sielen van schelpen die waren gevonden: hoelang zou deze schelp nog een herinnering zijn? Misschien was het belangrijker hoe lang ik me nog kon herinneren waarvan de schelp een souvenir was.

 

‘Moeder?’ vroeg ze. ‘Vader?’ De jonge vrouw die voor onze deur stond keek ons wat verwilderd aan. Ik kende haar niet.

‘Ik denk dat je verkeerd bent,’ zei ik.

‘Dat is dan een pijnlijke vergissing.’ Ze keek langs mij heen de gang in, nieuwsgierig, keek nog eens in mijn ogen. Verbaasd keek ze naar het huis, de tuin, de straat, alsof ze daar voor de eerste keer was, maar enkele details toch leek te herkennen. Ze liep het tuinpad uit en aarzelde terwijl ze naar de blauwe hemel met de condensstrepen keek. Ze keek om, wierp nog een verwarde blik op mij, koos toen zorgeloos voor de weg naar het centrum. Ze bleef een vreemde voor me, gesloten als een oester, hoewel ze me ergens bekend voorkwam.

 

Ze stuurde mij de laatste van haar soundscapes. Het bestand had de naam Fade Out. Het begon met een oerschreeuw en uptempo muziek, om langzaam over te gaan in een lang muziekstuk met een bluestoon­ladder, het gejank van een gitaar en joiken als een klaagzang. De laatste kreten waren met een sampler bewerkt, de herhaling ervan verwekte een ver­vreemding die eender was aan die van bepaalde drugs. Daarna kwam de daadwerkelijke fade-out, het geluid van het ene instrument na het andere doofde uit, tot alleen ruis overbleef met hier en daar het kraken van een naald of de tik van een onregelmatigheid, veroor­zaakt door het stof van de vergankelijkheid.

Hoe vaker ik het stuk hoorde, des te eerder de ruis was te horen. Na verloop van tijd verdween het hele stuk in aanzwellende ruis, kraken en tikken. Ik wist dat sommige mensen, ondanks het ontbreken van het visuele aspect, het pixelpest noemden, anderen zeiden bitrot. Zelf noem ik het liever een pijnlijk verlies als kunst voor eeuwig verloren gaat, hoewel ik in dit geval zeker wist dat de kunstenaar dit met opzet had gedaan.

Ik knipperde mijn tranen weg en keek door het raam naar de blauwe hemel die werd doorsneden door lange, witte stroken. Het kielzog van vliegtuigen. Condens. Chemtrails, hoorde ik René zeggen. De pixelpest daalde op mij neer.

 

Ik had een zoon. Denk ik. Zijn naam was René. Hij wilde zijn verleden vergeten, de pijn, de schaamte, zodat hij scheikunde ging studeren, wat hem in staat stelde met drugs te experimenteren. Hij kende een meisje dat hem van haar passie vertelde: het door haar bedachte algoritme dat alle digitale bestanden kon laten verweren, liet vervallen, rotten, af­breken, tot er niets meer van over was. Samen met haar werkte hij aan een chemische formule die hetzelfde deed. Het product dat daaruit voortkwam noemde hij letheïde. Aanvankelijk verwerkte hij het in muffins die hij aan ons aanbood. Letheïde bleek zich later op een bijzon­dere manier te kunnen verbinden met kerosine.

Terwijl hij bezig was met het implementeren van chemtrails die de mensheid het verleden zouden doen vergeten, vocht zij tegen haar nederlaag in de zaak Eugène de Tilleul. Het algoritme verwerkte ze in haar muziekstukken. Subliminale brainwaves, gedragen door tonen die het gevoel openden voor de niets­ver­moedende toehoorders, zodat de muziek met zijn trojan volop viral kon gaan. De avant-garde smulde van deze soundscapes, empathofoniën vol bluestoon­ladders, hoewel ook zij zich achteraf slechts ruis konden herinneren en niemand kon zeggen of het ooit meer dan dat was geweest.

 

Ik heb een dochter gehad. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar heb gemaakt, heeft soms fysiek pijn gedaan, daarom denk ik dat. Dan pak ik de foto, genomen tijdens een sinds lang vergeten vakantie, op een zon­over­goten strand. Ik kijk naar haar. Denk ik, want er is weinig meer van de foto over dan enkele vale vlekken tegen een bleekblauw achter­grond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond geweest.

Maar ik vermoed dat het de oude zoutvlekken van mijn tranen zijn. Ik hoor de branding slechts als ik de Texelse schelp, die iemand op eBay aan mij verkocht, tegen mijn oor druk en naar het blauw van de hemel kijk.

Eekhoorns komen van Mars : Pen Stewart

Marsjaar 358, sol 668, was weer een van die dagen waarop ik het leven droeg als een bokkenpruik. Ik spuwde in het stoffige zand van inter­kraterstad Euphrat. Bijna greep ik mijn staart om erin te bijten, een nare gewoonte die ik had aangenomen sinds, nou, dat wil je niet weten. Echt. Eerlijk. Er zijn nu eenmaal dingen die je niet wilt weten, snap je? Toch ga ik je op deze pagina’s het een en ander vertellen over mijn leven, of dat je nou bevalt of niet, en goh, alle planeten op een stokje, wat maakt het ook uit? Diep vanbinnen ben ik nog altijd niet meer dan een bionische eekhoorn-mijnbouwdeskundige, op zoek naar een beter leven. En voor Marsdieren die dat doen, een beter leven zoeken, is het leven automatisch een bokkenpruik, een die stinkt en waar je het chagrijn van krijgt, neem dat maar van me aan.

Ik liep op die bokkenpruikdag door de straten van onze interkrater­stad, de ene na de andere kroeg negerend, hier en daar mijn klauwhand opstekend om vaag een collega van de Arabia Terra Mijnbouw­maat­schappij te groeten. Sommige van hen waren bazen, meestal bionisch aangepaste marters, herme­lijnen of haantjes. De meesten waren echter onder­geschikten. Zij waren minder bionisch aange­past, vooral waar het hun hersenen betrof, en ze leidden hun creperende leven in deze tredmolen zoals we dat bijna allemaal deden. Bijna allemaal, vergeet dat vooral niet. Er zijn nu eenmaal uitzonderingen. Leiders. Politiekers. Criminelen of wetenschappers, al waren sommigen het allebei. Niemand die er wakker van lag zolang het de ATM ten goede kwam, en bijgevolg de opdrachtgevers op de bronplaneet. Zo ging dat hier: de ATM bezat de stad, en wij, de niet-uitzonderingen, konden de klere krijgen.

De stank van de mineraalmachines van de mijnen walmde over de stad, en rookwolken stegen op tot tegen de koepel die de hele Euphrates­interkrater overspande. Daar werden de dikke roetwolken afge­zogen en vervolgens de atmosfeer ingeblazen. Die koepel, dat ondertussen nood­zakelijke ding, was een doorn in het oog, een joekel. De oude steden hadden er geen, nooit nodig gehad ook, en waren bijgevolg verlaten. Ach wat, de hele planeet ging naar de zooi, verdomme. Ik keek naar boven, waar de rook zich vermengde met die onleefbaar geworden, te zuurstof­rijke atmosfeer. De wetenschappers zeiden dat we het tij misschien nog konden keren, en Mars weer bewoonbaar maken, maar waarschijnlijk moesten we dan allemaal ophouden met ademhalen of zoiets. Ik voelde er weinig voor, voor die oplossing.

Aan de horizon kon ik nog net de hogere pieken van de rand van de Cassinikrater onderscheiden. Ik spuwde opnieuw in het stof, zette mijn bitterzoete mijme­ringen over het lot van onze planeet van me af en stopte aan een krakkemikkig gebouw. Het probleem was dat het afge­dankte lot van de planeet mijn eigen, persoonlijke situatie frequen­teerde, net zoals het dat met de hele maatschappij an sich deed.

Mijn vrouw was daarboven en ik kwam eraan… Zorani zou er de pest in hebben, voor zover dát nog erger kon worden.

Ik had het fout. Het kon nog een heel stuk erger worden.

 

#

 

Sta me toe te zeggen dat de woede van een bedrogen vrouw het midden houdt tussen moordlust en een zekere, niet te onderschatten mate aan castratie­verlangen. Je weet echter nooit naar welke van die twee ver­langens de balans het eerst zal doorslaan. Ze had me natuurlijk ook eerst kunnen castreren en pas daarna de keel proberen oversnijden. Laat ik het er op houden dat ik erin slaagde aan beide te ontkomen. Daarmee is echter alles gezegd. Sighile Roodstaart, afdelingshoofd van een van de ontginningseenheden van de Arabia Terra Mijnbouwmaatschappij, behield zijn leven en zijn kloten, maar verloor zowat al de rest. Ook zijn job.

Een paar weken later ging ik aan boord van de Casanova-monorail­verbinding. Ik zocht en vond mijn plaats in een tweederangscoupé. Natuurlijk. Sociale orde heeft nood aan evenwicht wat betreft mentale behoeften en materiële realiteit. Maar wat betreft de middenklasse, was dat evenwicht altijd onbevredi­gend. De middenklasse vergat de bescheidenheid van de onderklasse en verlangde ernaar zich de glorie van de topklasse aan te meten. Echter…zonder in staat te zijn die werkelijk te verwezenlijken.

Het was voor mij niet anders.

De zetels waren stoffig en roken naar de konten van duizend reizigers. Ik haalde mijn neus op, mentale behoeften en materiële realiteit zwaar in conflict met elkaar.

Met het weinige dat me restte aan bezittingen in een koffer gepakt, en de herinneringen aan mijn job, mijn vrienden en mijn ex-vrouw zoveel mogelijk weggestopt tussen de plooien van mijn hersenkwabben, plofte ik neer op de bank. Tot mijn eer en glorie kan ik zelfs stellen dat ik niet in mijn staart beet, en me ook niet de haren uit de vacht trok, ook al had ik meer last van mijn Marszandallergie dan ooit te voren. Mijn schouders jeukten als een hel die een regenbui te verduren kreeg. Ik krabde. Een paar groene haren landden op het verschoten paars van de zetels en vloekten er vreselijk mee.

Casanova kondigde met luide stem zijn vertrek aan, de deuren sloten zacht sissend, en de monorail vertrok geluidloos over zijn rail zwevend vanuit station Euphrat Centraal. De half-bionische ménagerie aan boord kwam tot rust. Voorbijglijdende steden die je tot passieve observatie dwingen, hebben dat effect. Levens waar we niet aan kunnen deelnemen of die we niet kunnen beïnvloeden, niet mee in interactie kunnen gaan, zijn onze zaak niet, of wel?

Eens we in de woestijn waren, lag meer dan de helft waarschijnlijk al op apegapen. De woestijn was name­lijk al helemaal onze zaak niet. Niet meer, althans. Niet sinds hij steeds minder woestijn was, en er groenig­heid begon te groeien, zo hier en daar.

Een klein uur later was iedereen van eten voorzien, en zaten de meeste passagiers te lezen, via hun op Casanova ingeplugde Marsnetboeken de laatste nieuw­tjes uit de andere kwadranten binnen te halen in hun brein­uitbreidingen, of hier en daar zacht te conver­seren, of beiden, zoals gewenst.

We gleden door de atmosfeersluis de open Cassini­krater in en lieten interkrater Euphrates en Euphrat­-stad met zijn beschermende koepel, die joekel, achter ons.

De Casanova-monorailverbinding met de Bequerel­krater liep als een somber, grijs lint door de woestijn van Arabia Terra. De monorailtrein schoot er als een tampon overheen, een spoor van stof achter zich mee zuigend door een woestijn die veel weg had van een roodachtig beschimmelde omelet onder een veel te afstandelijke zon. Er was geen echte warmte op Mars. Ik schoof het bord met mijn diner – u krijge ene ticket inclusief ene deliciejeuze dienééé, meneer – van me af.

Het marginale dassenkind aan de balie wist niet waar ze het over had. Ze zou hier eens moeten zitten, op mijn plek, net niet gecastreerd en met een notenpuree -speciejaal menuu voor de eek-oorn, meneer- vermengd met niet genetisch gemanipuleerde stieren­kloten op je bord. Je zou van minder tegenzin krijgen in deliciejeuze-dienééé-meneer. Hoe fraai haar snoetje ook was. Maar goed.

Ik had het bord nog maar net weggeschoven of een vos kwam mijn coupé binnen.

Mijn blik gleed over hem. Die van hem over mij. Wat ik zag beviel me best, wat hij zag beviel hem duidelijk een stuk minder.

Hij leek me een eersteklasreiziger die noodge­dwongen elders een plek moest zoeken omdat zijn klasse volzet was. Zijn mentale behoeften en materiële realiteit waren momenteel waarschijnlijk nog een stuk minder in evenwicht dan bij mij.

‘Jonas Grimpeerd,’ stelde hij zich voor toen hij schuin tegenover me plaatsnam. Ik knipperde even met mijn ogen. Hoe klein kan de wereld zijn…

Jonas Grimpeerd was een bionische vos, liep rechtop zoals de rest van ons, zijn vacht netjes gekamd, strop­das en aktentas, duidelijk een bureaucraat, maar dan wel eentje met een arrogante grijns op zijn gangster­smoel, inclusief de in alcohol verzopen varkensoogjes… En hij was tevens de echtgenoot van mijn minnares.

Dit kon nog wel eens leuk worden.

Ansalaam Grimpeerd-de Boevere was net als ik een half-bionische eekhoorn, want ja, hoe je het ook draait of keert: soort zoekt soort, vroeg of laat. Ze had geen krimp gegeven toen ik aankondigde er even tussenuit te moeten om mijn leven op een rijtje te zetten en te bedenken wat ik nu moest aanvangen, wat enkel mooie woorden waren om te zeggen dat ik naar een nieuwe werkgever op jacht ging. Ansalaam hoorde graag mooie woorden, wat dat betreft was ze een eersteklas­reiziger op de monorail van het Marsiaanse leven, mentale behoeften en materiële realiteit perfect in evenwicht. Ze had geen traan gelaten, had haar staart (prachtig, lang, dik en zacht) voor haar borst gevouwen nadat hij een huivering over mijn rug had gejaagd, en ze had begrijpend geknikt.

Dat was nu eenmaal Ansalaam: liefdevol, nuchter, sterk, goed in bed. En knap. Onwaarschijnlijk mooi. De vrouw naar wie ik zowel letterlijk als figuurlijk opkeek, want ze was een halve kop groter dan ik. Ik vond het best naar haar op te kunnen kijken. Letterlijk en figuurlijk. Er zouden meer grootse vrouwen op de wereld moeten rondlopen.

Jonas had, voor zover ik wist, geen idee van onze verhouding. Zoals ik al zei, dit kon nog wel eens leuk worden.

Ik grijnsde. ‘Sighile Roodstaart, aangenaam kennis met u te maken.’ Een walm donkere mineraalrum kwam me tegemoet en ik stopte met ademen tot de wolk over me heen was gedreven. De lucht van dure, maar daarom niet per se betere of minder schadelijke drank bleef echter om de man heen hangen. Dat was niet zo leuk. Een hele rits passagiers kwam gelukkig ook in ons treinstel zitten, waardoor ik tenminste niet gedwongen was met hem te praten. Hij knikte ter aanvaarding van mijn groet, maar verder dan ver­plichte beleefdheid ging zijn interesse niet.

‘Tot u spreekt uw monorailtransportmiddel van de Arabia Terra Mijn­bouwmaatschappij. Mijn naam is Casanova. Hartelijk welkom op de interkrater­verbin­ding met de Bequerelkrater. Ik zal u met plezier door de vlakten van Arabia Terra naar de nieuwe kraterstad voeren en onderweg aan al uw wensen voldoen.’ Casanova leuterde nog een eind door over zijn perfecte kwaliteiten en luxe, over de virtuele ruimtes aan boord die in alle dromen konden voorzien, zelfs de meest ranzige, en ten slotte over het goede eten dat in zijn inwendige keukens werd gegaard (deliciejeuze-dienééé-meneer), maar ik luisterde niet verder.

Jonas Grimpeerd krabde zich op zijn zij dat het een lieve lust was, en met opgetrokken neus verborg ik mezelf achter een reisbrochure die in elke coupé ter beschikking lag. Prachtige steden hier, geschiedenis van de oude scheppers daar, zicht op de bronplaneet ginder, cliché alhier en cliché aldaar, bla, bla en nog­maals bla. De aandrang om Grimpeerd een vuistslag op zijn snuit te geven, zwol als een zandstorm op in mijn binnenste. Maar de vos zou terugvechten, en hij had grotere tanden dan ik. Ansalaam zou niet zo blij met me zijn als ik mezelf liet bijten door haar bezopen echtgenoot met losse handjes. Ik kon er wat onder verwedden dat hij erin zou slagen eerder dan ik aanspraak te kunnen maken op het derde amendement van de Arabia Terra grondwet: hij zou zeker wel een reden vinden om zich heel gewelddadig te moeten verdedigen tegen mij. Als de nood hoog is, leert zelfs een paard om te vliegen. Ik onderschatte de inventivi­teit van Jonas Grimpeerd voor geen seconde, gezien alles wat Ansalaam me over hem verteld had.

Hij was nu eenmaal een vos. En die hebben streken.

Het idee van die losse handjes van de echtgenoot van mijn mooie geliefde bracht even een waas over mijn gezichtsveld, maar ik slaagde erin me tenslotte te beheersen en mijn vuisten te ontspannen. Het kostte verdomd veel moeite.

Ik ga naar Bequerel, vind een andere job en daarna kom ik terug om met jouw vrouw onze liefde te delen en haar voorgoed van je te bevrijden, zatte smeerlap, dacht ik. Enige voldoening nestelde zich in mijn gedachten bij dat denkbeeld. Een beeld dat betrekking had op Ansalaam, mezelf, een bed en weinig kleren. Tenzij op de grond. Geen geweld, geen slagen, geen drank. Vrede. Ik zat dom voor me uit te grijnzen, tot de man die recht tegenover me zat, een ratachtige met een vuile werk­manjas, me vragend en ook een beetje waarschuwend aankeek. Ik trok snel mijn gezicht in de plooi en staarde door het raam.

Een frettenvrouwtje met een cateringkarretje kwam luid kwetterend door het gangpad, en de passagiers kregen spijs en drank en waren gelukkig. Hun reis­chagrijn smolt als kraterijs op een Marszomerdag en werd vervangen door de vooruitblik op het beloofde plezier en de diversiteit van hun reisbestemming: de nieuwe stad Bequerel, incluis superheldere koepel (een nog grotere joekel) en aangepaste atmosfeer, en niet onbelangrijk: de naar het schijnt groene plantenvelden die sinds enkele honderden jaren daar waren beginnen te groeien, nadat het ijs op de polen smolt. Dat was iets wat we nog steeds niet opgelost hadden: waarom waren die polen gesmolten en was de temperatuur gestegen, en waren er hier en daar planten gaan groeien die we kenden vanuit de databanken van de bronplaneet? Sommigen dachten dat de scheppers met grote spiegels de zon op de polen hadden gericht, en het ijs hadden doen smelten. Maar ik was van mening dat de scheppers zich niet veel van ons aantrokken, zolang we maar ertsen leverden. Tja, hoe en waarom dat allemaal ook gebeurde, Bequerel was anders dan alles wat wij Euphraters kenden. En als het anders is dan gewoonlijk, is het altijd goed. En als het moeilijk is om eraan te komen, en het is nog duur ook, is het altijd het beste dat er te krijgen valt. Ze werkten voor niks anders. Exclusiviteit deed Mars rondjes draaien.

Ansalaam deed mij rondjes draaien en dat was ook exclusief.

Casanova voerde me verder van Ansalaam en alles wat voor míj exclusief was vandaan, en de rest van het gepeupel at zijn eten, dronk zijn dranken, en vermaakte zich.

Behalve eersteklasreiziger Jonas, vos uit de hoge administratie, want hij beklede wel degelijk een hoge functie binnen een ambtenarij die sowieso al verzoop in ‘t chagrijn, een bende vol venijn.

Het liep al tegen het middaguur toen het spel begon.

Ik noem het een spel, vergeef me. Ik noem alles een spel sinds ik mijn functie bij de ATM kwijtraakte omdat er voor een overspelige vent geen plek is in Euphrat. Het is ook een manier om af te rekenen met je leven, of niet soms?

Dus zodoende begon het spel.

Toen de schok kwam, voer die niet vloeiend door de monorail, zoals je soms hoort in rampverhalen. Nee, het begon met trillingen die in hevigheid toenamen, toen een luide knal, gerammel, deuren die openvlogen tussen de coupés in, en vervolgens het monorailstel dat fel naar opzij helde.

Tóén kwam de schok.

Dat was de landing. Op de grond. Dacht ik. Dat moest haast wel, toch? Midden in de woestijn van Arabia Terra. Waarschijnlijk.

Midden in die ondertussen voor ons zo giftige, zuur­stofrijke atmosfeer.

Deze klap werd gevolgd door gasmaskers die van boven onze hoofden uit verborgen vakjes vielen en slingerend ronddansten tot de monorail eindelijk tot stilstand kwam.

Ik zat in een van de achterste coupés. Het geluk van platzak te zijn. De voorste coupés waren samengeperst schroot, Marsiaanse dieren incluis. Eén blik door het raam was genoeg om daar vrij zeker van te zijn. Bij ons viel het, daarmee vergeleken tenminste, nog mee. Het monorailstel hing scheef, de vloer helde helemaal naar rechts, en uiteindelijk hingen we toch nog op de rail, vastgehouden door de andere treinstellen voor en achter ons. Er waren gaslekken, de giftige atmosfeer drong langzaamaan naar binnen, er waren gewonden, er was bloed, er was gejammer en gesnik en wat deed Jonas Grimpeerd? Zijn pak afvegen, een gasmasker opzetten, en hooghartig om zich heen kijken. Het lef van een eerste­klasser die per ongeluk het geluk had in tweede klas te belanden, en daarmee zijn leven gered zag.

Het leven is een rad. Dat zei m’n grootmoeder langs moeders kant altijd. Het zet dingen in beweging. Als je er middenin staat kun je meeliften op het momentum, maar als je erbuiten staat kan het je ook een slag van de molen geven. Jonas Grimpeerd was er ondanks alles goed in om middenin het rad te blijven, om mee te draaien op de raderen van het leven. Hij was daar misschien zelfs beter in dan ik.

En toch was ik vastbesloten het verder te schoppen dan hij.

Ik stond op van mijn plek. Rustig, zelfverzekerd.

Leidinggevend.

De chaos om ons heen was compleet. De rat die voor me had gezeten, zat met zijn been klem onder het verwrongen bankstel. Alarmen aller­hande schreeuw­den het ondertussen uit: oververhitting, atmosfeer­lekken, monorailinstabiliteit en nog wel wat toeters en bellen die er niet meer toe deden. Een hoestbui over­viel me en mijn longen veranderden van zacht gloeiende as in dieproodgloeiende mijnbranden. Ik grab­belde naar mijn masker en plaatste het snel op mijn snuit. Ik drukte op een knop aan de zijkant en het ding zoog zich zo hard rond mijn hoofd vast dat mijn vacht waarschijnlijk door mijn huid gedrukt werd. Met gierende teugen stroomde stikstof mijn longen in. De scheppers zij dank.

Ik was niet de enige die leidinggevend om zich heen keek.

Jonas Grimpeerd stond aan de ingang van onze coupé en stak zijn nek uit. Zijn tanden blikkerden en zijn tong hing lichtjes uit zijn bek. Kwijl droop van de binnen­kant van zijn masker.

Al onze stemmen klonken wat gedempt door de maskers, maar Jonas’ stem sprong als een opwind­mechaniek onder de hardst mogelijk gespannen veer boven de rest uit.

‘Iedereen die niet gewond is, verzamelen bij mij aan de deur! Wie is er op de hoogte van eerste hulp?’ Een paar Marsdieren staken hun hand op. De meesten bionische ratten, een soort die vaak in de ertsverwer­kings­fabrieken werkte. Die hadden vaak contact met gewonden. De ertsruimtecargo’s die het resultaat van ons harde werk naar de scheppers voerden, namen zo nu en dan wel eens een rattenleven mee, of verwond­den anderen ernstig bij de lancering. Het was een vuile industrie.

Ik liep naar voren en stak ook een poot op. Klauw­hand met opponeer­bare duim, in mijn geval. Bionische klauwhand. En dat maakte altijd meer indruk. Eek­hoorns met dergelijke handen stonden het vaakst in leidinggevende posities, zoals mijn functie. Of nou ja, mijn voorbije functie. Ik gebaarde dat de dieren om me heen bij mij moesten komen. Een groot deel van de ratten gehoorzaamde meteen.

Jonas’ grijns vertrok tot een grimas.

‘Jij, jij, en jij, verzamel de lichtgewonden aan deze kant van de coupé,’ zei ik’ Zorg eerst en vooral voor de stikstofmaskers! En jullie vijven, controleer de zwaargewonden, geef hen maskers als ze die nog niet hebben. Snel!’ De vijf ratten knikten ijverig en schoten ervandoor. Pionnen werden altijd graag gestuurd.

Jonas Grimpeerd kwam op me af gestampt. ‘En wat denken we dat we aan het doen zijn?’

Ik keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Mijn staart zwiepte heen en weer. ‘De boel organiseren. Wat anders? Heb je er al een idee van hoe we Euphrat kunnen waarschuwen? Jij zat toch bij de admini­stratie, zo te zien? Dan zou ik maar snel proberen of je nog contact kunt leggen met Casanova, niet?’

Zijn tanden schuurden over elkaar toen zijn kaken met een klap op elkaar knalden. De klap was duidelijk te horen, ondanks het masker.

‘Ik verwacht niet veel meer van Casanova… Hoe was je naam ook alweer?’ Hij keek met opgeheven snuit op me neer.

Ik voelde me letterlijk krimpen. Wat waren die ver­dom­de ambtenaren er goed in je te kleineren, je naar hun hand te zetten en te sturen. Ik balde een vuist.

‘Meneer Roodstaart, voor jou,’ zei ik.

‘Goed dan, Roodstaart,’ zei hij. ‘Ik stel voor dat we op expeditie gaan naar de stad. Gewoon de monorail volgen en we komen er vanzelf, nietwaar?’

‘Geen goed idee,’ antwoordde ik hoofdschuddend. ‘Geen goed idee, echt niet, Jonas.’ Ik vertikte het ook om hem met meneer aan te spreken. Hij was gewoon Jonas, niks meer dan dat, de hufter. Ik zuchtte. ‘Dus jij wilt al die Marsdieren te voet op pad sturen? Ze gaan dagen, misschien wel weken moeten stappen om de afstand af te leggen naar Euphrat. Heb je enig idee hoe ver we al van de stad verwijderd zijn? Wat is je functie eigenlijk?’

Ansalaam had het me ooit verteld, maar ik had niet echt geluisterd. Andere zaken hadden toen een stuk interessanter geleken.

Om ons heen schuifelden lichtgewonden bedrukt heen en weer om de zwaarder gewonden te helpen. Het ge­schreeuw van die laatsten was vervaagd tot kermen en snikken. Meestal geen goed teken. Een paar waren dood. Gestikt, of de nekken gebroken door de klap. Een scheur in het plafond kraakte en werd groter. We zouden hier niet kunnen blijven, verdomme. We moes­ten dringend op zoek naar een treinstel dat nog intact was.

Jonas Grimpeerd gromde van diep achter in zijn keel, een grom die echter in een allervriendelijkste glimlach eindigde. ‘Ik ben directeur van de onderzoeksafdeling van de onafhankelijke controledienst op bodem­ont­ginning van het Arabia Terra Kwadrant.’

‘Nou, dat is een mond vol,’ kaatste ik terug, en ik leunde ontspannen tegen een scheefgezakte wand. Vanbinnen kookte ik echter. Om ons heen begon er een beetje structuur in de chaos te komen. De meeste dieren hadden nu een stikstofmasker op, wat wou zeggen dat diegenen die het niet droegen, nu zeker dood waren. De atmosfeer was tegen­woordig zo stikstofarm dat je het zonder masker niet langer dan vijf minuten uithield. Na drie minuten verloor je al het bewustzijn.

‘Luister, notenkraker,’ zei Jonas. Alle minzaamheid was van zijn snuit gevaagd. ‘We maken hier geen schijn van kans. Hoeveel etensvoorraad heeft deze Casanova-kar nog bij zich, denk je? Hoe lang alvorens reddings­werkers ons vinden? Jij weet het misschien niet, vanuit jóúw functie, maar ik ken de werking van de hulp­diensten van Arabia Terra. En nog niet zo’n klein beetje ook. Ik kan je verzekeren dat ze dramatisch slecht georga­niseerd zijn. Binnen de week hebben ze ons nog niet gevonden, ze zullen vanuit Euphrat en Bequerel gaan zoeken langs het spoor zonder een nieuw mono­railstel erover te laten rijden, uit schrik voor nog een crash, dus dat gaat tergend langzaam, en wij zitten ergens in het midden, schat ik zo. Het kan zelfs zijn dat het magneetsysteem naar de haaien is, en er helemaal niets meer kan rijden op die rail. En hun vliegschepen zijn momenteel allemaal bezet, voor mocht je denken dat het leger ons komt halen. Die geven namelijk geen zier om een stel burgers uit een afgelegen, economisch niet erg waardevol Kwadrant. De grondstoffen die jij en je vriendjes uit de grond halen, zijn bijlange na niet zeldzaam genoeg en de overheid heeft een opstand in het noorden neer te slaan! De scheppers van de bron­planeet zelf, bevalen de schepen daarheen. Zie je die dikke kabel daar?’ Hij stak een hand uit naar een bundel dikke kabels die in het opengereten dak lag te vonken. Tegen wil en dank keek ik ernaar, mijn kaken bijna in een pijnlijke grimas vertrokken omdat ik ze zó hard opeen klemde

‘Dat was de verbindingslijn tussen de zendunit en de besturing. We kunnen dus ook geen contact meer opnemen met wie dan ook. En vergeet de satelliet­verbindingen, die zijn er enkel in de steden. Onze marsnetbooks zijn waardeloos zonder Casanova. We zullen de gewonden sneller hulp kunnen geven en zelf hulp vinden als we te voet terugkeren.’

Mineraalrum was slecht voor de hersenen, zeiden ze.

Ik begon te geloven dat wie dat zei, gelijk had.

Onze grondstoffen waren van belang voor onze scheppers. Waarom moesten we anders altijd onze quota voor de bronplaneet halen?

‘We overleven ook wel zonder dat eten,’ snauwde ik. ‘Normaalgezien zouden we aan onze fotosynthese genoeg moeten hebben om alvast niet de eerste maand om te komen.’

Hij haalde laatdunkend zijn schouders op. ‘Misschien, maar dat wil nog niet zeggen dat we geen honger­gevoel krijgen. Al eens een bende hongerige dieren onder de duim gehouden? We willen geen conflicten tussen de overlevenden, toch? Nog een geluk dat er niet al te veel predatoren van oorsprong tussen zitten. Alhoewel… die rattenvrouwen en fretten, dat zijn soorten om voor op te letten,’ eindigde Jonas bedacht­zaam.

Ik gromde en greep hem bij zijn kraag. Met een bevredigende klap sloeg hij tegen een scheefgezakte cateringkar. Voordat ik echter iets kon zeggen, wrong hij als een slang in mijn handen en draaide zich met een grom los, om me vervolgens in een houdgreep klem te zetten.

‘Waag het niet nog een keer me aan te raken, noten­kraker,’ grauwde hij. Ik kon zijn vlijmscherpe tanden stuk voor stuk tellen. Zijn krachtige armen knepen mijn strot dicht. Ik knikte. Wat kon ik anders? Hij was verdorie zelf een predator. En wat voor een!

Een dikke fret kwam achter Jonas staan. ‘Meneer Grimpeerd?’ vroeg hij. Jonas liet me los en draaide zich loom om.

Ik zakte tegen een bank naar beneden, vechtend om adem te halen.

‘Ja?’ vroeg de vos.

‘We verzamelen ons in de sas bij de achteruitgang. Komt u?’

Ik deed mijn bek open om te protesteren, maar iets in Jonas’ blik benam me de moed. Die glimp in zijn ogen die me vertelde dat het merendeel van de reizigers achter hem stond, en als ze dat nog niet deden, ze het gauw zouden doen. Die blik, die duidelijk maakte dat hij niet zou aarzelen me opnieuw af te slaan, aangezien hij sterker was dan ikzelf en dat heel goed wist. Mijn longen leken weer in brand te staan, maar dat stelde ik me enkel voor. Het was haat, pure haat tegenover die wanstaltige vos, dat beest vol list en bedrog met losse poten die niet van Ansalaam konden blijven.

Een zeer dierlijke aandrang die me op gelijke voet met de vos zou stellen, spoelde door me heen. Het kostte me alles wat ik in me had om hem toch niet te lijf te gaan. Zo, simpel, met klauwen en tanden, en we zouden wel zien wie de sterkste was. Maar ik deed het niet.

Ik was verdomme beter dan zo’n roofzuchtige jager.

Er zat momenteel niets anders op dan hem mee te volgen naar buiten.

Een groep Marsdieren had zich om ons heen verzameld. Jonas keek me vragend aan. Een blik die zei: ‘Wat zal het zijn, vriend? Ja, of nee?’

Ik knikte. ‘Vooruit dan maar. Maar we hebben het er nog over, aasvreter.’

Zijn wenkbrauwen schoten omhoog.

‘Leer je biologie, Roodstaart. Vossen eten enkel vérs vlees. Zoals dat van eekhoorns, bijvoorbeeld,’ en met een laatdunkende blik keerde hij me de rug toe. Ik knarsetandde en volgde hem met veel tegenzin. Hoe had ik ooit kunnen denken dat dit leuk kon worden? Het leven is een rad, en ik stond er middenin, maar verdomme, het was trappelen geblazen om bij te benen.

We schuifelden langs de zwaargewonden heen naar de sas en sloten de eerste deur achter ons. Jonas drukte de noodgrendel naar beneden. Met een sissend geluid schoof de buitendeur open. Een tochtvlaag trok langs ons heen en iedereen huiverde. De scheppers hadden ons van nature voorzien op de lage temperaturen van Mars. Niettegenstaande die aan­passingen en de recente opwarming van de planeet, bleef winterkoude dan misschien niet meer onmogelijk koud, maar toch nog gewoon koud.

Ik stak mijn hoofd naar buiten en kneep mijn ogen half dicht tegen de wind en het opstuivende zand. Dat was niet nodig, maar wel een reflex: zandkorrels sloegen gruizig tikkelend tegen mijn masker. Losge­slagen kabels zwiepten sissend in de woestijnwind. Spuwend naar het rond­vliegende stof slingerden ze vonken in het rond. We bevonden ons op een relatief vlak stuk van de Arabia Terra woestijn, in de verte golfden de randen van kraters.

‘Geweldig,’ mompelde ik. Naast me kwam Jonas met een afgerukte kabel aanzetten. Het einde knoopte hij stevig vast aan het hengsel van de deur. Hij gooide de kabel naar buiten.

‘We kunnen klimmen. Vooruit,’ zei hij gemoedelijk, het loeder. De rattendame die het object van zijn gemoedelijkheid was, knipperde haar lange wimpers loom over haar kraalogen, greep de kabel en liet zich sierlijk, blik onafgebroken op Grimpeerd gericht, naar de grond zakken.

En daar stonden we dan, even later.

Een ménagerie van ratten, fretten, vossen en eekhoorns, hier en daar een gazelle. Eén enkele ezel. Hij kwam naast me staan. Natuurlijk.

‘Ik weet het niet, hoor,’ piepte hij, zijn hoge bibber­stem compleet in tegenstelling met zijn tonronde buik. ‘Ik weet het niet, hoor. Deze hele onderneming! Ik wéét het niet! Waar moeten we heen dan?’

Hij stond daar maar in het zand te trappelen, keek me met intelligente blik aan, maar gaf zo weinig blijk van karakter of persoonlijkheid dat ik achteruit deinsde.

Ik zuchtte. ‘Het loopt wel los, maat,’ zei ik. ‘Echt wel.’ En nu te hopen dat ik gelijk had.

‘Hoe noem je?’ vervolgde ik, iets vriendelijker.

‘Ik ben Mark.’ Ondanks zijn hoge, soms zelfs nóg hoger overslaande stem, klonk ook hij gesmoord onder dat gasmasker.

‘Goed om weten, Ezel,’ knikte ik, en ik liet hem staan. Hij riep me nog klagerig na: ‘Gelieve me níét zo te noemen, begrijp je dat, ik ben een van velen van mijn soort! Ik ben een individu!’

Ik wou terugroepen dat hij zich dan misschien als zodanig moest gaan gedragen, maar wist me nog net in te houden. De scheppers zij dank voor afleiding onder de vorm van de echtgenoot van je minnares. Jaloezie, het is vuur voor de verdorde ziel, sluimerend omdat hij zijn geliefde moet missen.

Jonas was druk bezig iedereen in groepjes te verdelen.

‘De beste lopers?!’ schalde zijn stem over de woestijn­vlakte. ‘Jagers?’

Ondertussen werden uit andere, nog op de rail hangende coupés, ook touwen, kabels en van alles en nog wat gesmeten om de afdaling naar de Marsbodem te maken. Ergens werd een lading reserve gasmaskers naar beneden gelaten. Dit alles leverde een stoet aan fretten en ratten op, hier en daar nog een vos, een groep eekhoorns (de scheppers zij dank) en een meute kippen. Die laatste waren nog zo éh, kipachtig, dat ze gewoon naar beneden konden fladderen. Geen van hen verloor gelukkig een ei. Het was er de plek niet voor, om maar zo te zeggen. Ik bedoel maar, kippen hadden amper hersens, zonder hun ei hadden we al helemaal niet veel meer aan ze. Op dat punt had de vos gelijk: een lege maag was niet bevorderlijk voor het humeur.

Om ons heen had een hele bende zich ondertussen verzameld. Waarom is het toch zo dat wanneer je een bende hebt, iedereen de neus richt naar de grootste bek? Die grootste bek stinkt meestal naar corruptie, verraad, of machtsmisbruik en overjaarse houdbaar­heids­data, en toch lijkt de geur van die verdor­ven­heden onweerstaanbaar om te aanbidden, te volgen, te vereren, naar te streven.

Zo ging het ook met Jonas Grimpeerd.

De vrouwenmishandelaar had zo’n charme dat iedereen aan zijn natte, kwijlende lippen hing.

Vooral de kippen zonder al te veel kop. Ik bedoel maar, als zelfs Ansalaam zich had laten vangen… dan waren deze kippen vogels voor de kat.

Ze drentelden om Grimpeerd heen en hij liet zich hun flirterige aan­dacht welgevallen. Een vos in een kippenren, het zou ook eens niet.

Een luide knal weerklonk uit de cockpit van de monorail, en de kippen stoven uiteen. Ze schuilden achter armzalige rotsen, hun kop onder hun vleugels.

Ik schuilde niet.

Ik keek met verstomming geslagen naar de cockpit.

Iets rood, geel, steeg op uit de voorkant van de monorail. Ik kende het. Uit legenden, verhalen over onze bronplaneet. Het was echter nog nooit hier op Mars waargenomen. De atmosfeer erboven trilde, danste, en zwarte rook sloeg in dikke wolken omhoog.

Iedereen stond ernaar te gapen als apen.

‘Is dat…’ mompelde ik.

‘Vlamvuur,’ antwoorde Jonas Grimpeerd. ‘Dat is, de scheppers zij vervloekt, vlamvuur!’

‘Dit kan niet goed zijn,’ zei ik. Het vlamvuur likte als tongen, heet en verzengend.

Vernietigend.

Gretig.

Zich verspreidend.

‘Verdomme! Onze voorraad eten!’ riep ik. De catering met de stock aan leeftocht (of wat er van over was) zat net achter de cockpitrestanten en rookte gretig. Maar wat konden we doen? Vlamvuur was een ongekend fenomeen op Mars. We kenden het enkel van in onze schoolbanken, van de bronplaneetlessen.

‘Naar het schijnt sterft het door er water op te gooien,’ balkte Ezel, de corpulente wijsneus.

‘We zitten hier verdomme niet aan de poolzee,’ mompelde ik.

Jonas keek me aan en er flitste een glimp van triomf door zijn ogen.

‘We moeten nu wel naar de stad terug,’ zei hij met een treurige onder­toon die zo gemaakt was dat ik op zijn smoel kon slaan. Ik zag in mijn verbeelding zijn roze tong geperforeerd worden door al die veel te puntige tanden, zalig was dat.

Jonas Grimpeerd haalde met die laconieke air van hem weer maar eens zijn schouders op en dat was dat.

Op het einde van de brand waren de overgebleven voorraden foetsie weg, en die klote-vos? Die kreeg zijn zin: we sloegen een kamp op voor de avond, en iedereen stemde akkoord om de volgende dag op trektocht te gaan naar Euphrat, die achterlijke stom­koppen.

Het kamp bestond uit twee groepen. De eerste was groot, zeker twee derde van de overlevenden die niet gewond waren. Dat was Jonas’ groep. Ze dansten als kleine wilden rond de smeulende en vlammende resten van de cockpit, schaduwen op de rotsen werpend, joelend als knaapjes op hun eerste avontuur, en net als die knapen overmoedig, onbevreesd en onvermoeibaar. Ondoordacht en jong.

De tweede was mijn groepje: mijn eekhoorns, de kippen en één Ezel. Ezel zat naast me, terwijl de eekhoorns het zich zo goed en zo kwaad als het ging gemakkelijk maakten op de meedogenloze bodem.

Ik staarde verbolgen naar Jonas’ groep.

‘Denkt u dat de vos gelijk heeft?’ vroeg Ezel met zijn overslaande stem.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Denk je dat zo’n geniepige gluiperd als een vos, notabene, de waarheid spreekt? Zegt wat hij écht denkt? Neeneenee, mijn beste Ezel. Die vos daar, dat venijn, sproeit gif in andermans brein!’

‘Denkt u dat, mijnheer?’ blèrde Ezel.

‘Zo zeker als er mieren zijn in Euphrat, mijn beste intellectueel. Vertel eens, wat deed je daar, in de stad? Je ziet er stads uit, geen buitenpotertje of grond­delvertje. Een lesgevertje misschien.’

En hij knikte, die balkende trien.

‘Ahaaaa, dacht ik het niet. En welke stof stampte je in de hersentjes van de Euphratkoters?’

Ezel snoof alleen maar huiverend door zijn masker en schudde zijn kop tot zijn lange oren heen en weer flapten. Hij zag er behoorlijk onnozel uit voor zo’n slim beest, maar dat is van de meeste intellectuelen hun listige leest. Je denkt dat je hen aankunt, tot je te laat ontdekt dat het niet zo is. Ik vroeg me af wat het zou worden tussen de ezel en de vos en ik grijnsde. Wat zouden ze dansen, die twee.

Ze zouden in het rad dansen, ze zouden erbuiten dansen, ze zouden het spel van het leven spelen tot ze erbij neervielen, dacht ik zo.

Meestal denk ik behoorlijk juist. Dus de volgende dag wachtte ik met spanning op wat er zou komen. Ik zou de vos verschalken, ik zou hem bespelen. Ik zou winnen.

En de ezel? Ezels waren goede dansers, die kwamen meestal met alles weg en kregen geen slag van de molen.

Misschien omdat ze die al hadden.

En zo kwam het dat Ezel, ikzelf, het stel kippen met niet al te veel kop en de eekhoorns, de rest van de vossenbende en aanverwanten opwachtten.

En ik had gelijk. Toen wij niet naar hén kwamen, kwamen zij uitein­delijk naar ons toe.

 

#

 

Jonas Grimpeerd banjerde fier door het zand, krabde zich nonchalant over zijn kont en liet zijn meute met opgeheven hand halthouden toen hij in ons kamp arriveerde.

Vanachter zijn rug piepten nieuwsgierige vossen, konkelende fretten en gemene ratten naar ons.

‘En, notenkraker?’ groette Grimpeerd me. ‘Wat zal het zijn? Gaan jullie met ons mee op weg naar Euphrat om ons te helpen waar nodig? Of blijven jullie als laffe puppy’s wachten tot de versterkingstroepen arriveren? Ere wie ere toekomt, knagers.’

Ezel deed een stap naar voren.

En de dans begon.

 

#

 

‘Serieus? vroeg Jonas. ‘De ézel?’

De twee kampen mengden zich en vormden een cirkel om mij, Ezel en Grimpeerd. Het was een cirkel die zinderde van de verwachting. ACTIE, wij willen ACTIE, leken ze zonder woorden te schreeuwen.

En die kregen ze.

‘Noem me niet zo, smerig vossenbeest,’ balkte Ezel. Hij rukte het gasmasker van zijn snuit. Zijn kaken klapten op elkaar en een pluk groen vossenstaarthaar bleef tussen zijn tanden hangen. Hij spuwde het uit en trok snel het masker weer aan.

Grimpeerd gaf een boze, verontwaardigde grauw. Een paar fretten schoten in een giechelbui en Ezel stapte bijna terug in de groep. Ik gaf hem een duw tegen zijn tonronde billen.

‘Vooruit kerel, we volgen de vos!’

‘We volgen de vos we volgen de vos, nee dat doen we niet wij niet,’ kib­belden de kippen, van links naar rechts kijkend en zoekend naar iets wat er niet was en nooit zou zijn en…

Grimpeerd liet een diepe, hongerige grom over zijn weggetrokken lippen rollen, zijn tandvlees blikkerend, tanden dreigend in hun scherpte.

Het duurde even tot de kippen dat door hadden, maar toen de mist in hun kopjes uiteindelijk was opge­trokken dansten ze mee met ons het spel van de vos, fladderend en wel.

Jonas Grimpeerd grimaste naar me. ‘Zie je wel, noten­kraker,’ zei hij. ‘Ik zei toch dat we naar Euphrat zouden gaan? Het is onze beste optie, weet je,’ vervolgde hij toen minzaam, maar net iets te sluw.

‘Wat heb jij er bij te winnen om héél deze bende door de woestijn te sturen?’ blafte ik hem toe.

En hij grijnsde alleen maar.

Deze keer slaagde ik er niet in me te beheersen.

Ik gaf hem een vuistslag in zijn buik. Hij wankelde achteruit, recht in de armen van een knappe gazelle, veerde terug en haalde op de een of andere manier mijn benen onder me vandaan.

Ik viel met een belachelijke plof in het stof.

Ik krabbelde overeind.

Jonas grijnsde, waarna hij even snel weer op me af kwam. Hij bleef op een handbreedte van me staan. ‘Wat wou je doen dan? Huh?’ zei hij.

Ik deed een stap achteruit en besefte dat ik dat niet had moeten doen. Zijn bulderende lach belaagde me en liet waarschijnlijk de helft van mijn groepje naar zijn kant overlopen. Ik hief een vuist, klaar om opnieuw toe te slaan. Bereid om toe te slaan, gelijk wat de gevolgen deze keer waren.

Het was Ezel die me tegenhield en wegtrok.

De scheppers zij dank voor de Ezel.

En de vos? Kwaad leeft soms zonder motivatie of reden en tiert toch welig. Of we dat nu leuk vinden of niet.

En ik? Ik danste met dat kwaad door het levensrad. Wat in de praktijk wil zeggen, dat we gewoon verder gingen. Wat ons restte aan eten, overschotten uit de laatste wagons, nooit opgediende diners en dito drank, rustte samen met de reservegasmaskers op een slede, gemaakt van een wrakstuk. Aan de slee was met mono­railkabels een trekriem bevestigd.

‘Wie voelt zich geroepen onze last te dragen?’ riep Grimpeerd pom­peus.

De kippen giechelden en flapperden met hun vleugels. ‘Hoe kunnen we u van dienst zijn, heer vos?’ zei er eentje, met grote, knipperende ogen en lange wimpers.

‘In een pot en gestoofd, liefje, zo heb ik ze graag,’ antwoordde de vos. En toen de kip geschrokken achteruit deinsde: ‘Uw eieren, natuurlijk, lieve dame!’

De kippen flaneerden als een stel cancandanseressen rond hem en de vos tooide zich in hun veren, alvorens hen met zachte klauwen opzij te zetten.

‘Jij daar, struise kerel,’ riep hij. ‘Jij lijkt me geschikt voor zo’n helden­karwei, wat denk je?’ en hij beende met fiere passen op Ezel af, die achteruitschoof en zich achter mij en de andere eekhoorns probeerde te ver­stoppen. Een hilarische zaak die me enkel met tragiek vervulde, zijn omvang in acht genomen.

‘Hij heeft er geen zin in, vosmans,’ zei ik. ‘Laat hem met rust.’

‘Is de ezel dan niet sterk genoeg?’ vroeg Grimpeerd zich af. ‘Of is zijn ton te zwaar?’

Ezel balkte beledigd. ‘Denkt u, mijnheer, dat ik die slee niet kan trekken?’ Met trots opgeheven hoofd stapte hij op Grimpeerd af en nam de trekriemen van hem over.

Ezel die je bent, dacht ik.

Jammer dat we geen paard hadden om voor de kar te spannen, want de ezel had geen conditie. Zijn constitutie verraadde een levensstijl als bron van een pak kwalen, en die lieten zich niet voor een kar spannen zonder gevolgen.

‘Doe het niet, Ezel,’ zei ik met zachte stem.

‘Heb je er problemen mee dat de ezel zijn grootsheid demonstreert, notenkraker? Zou jij niet beter eens hetzelfde doen?’

Als de vos nog iets irritanter werd dan hij nu was, stond ik niet meer voor mezelf in. Het schoot door me heen dat hij ook zo deed tegen Ansalaam, en die bekende, teerzwarte haat laaide op. Gezien hoe zeld­zaam teer is op Mars, wil dat wel al het een en ander zeggen, niet­waar?

Jonas Grimpeerd keek me strak aan. ‘De. Ton. Trekt. Onze. Vracht,’ zei hij. Hij bleef me aankijken, niet op een ‘wat gaat het zijn, ja of nee’-manier. Maar op een ‘waag het niet me tegen te spreken’-manier. Het was een nieuwe stap in onze relatie, zou je kunnen zeggen. Een nieuw ritme in een eeuwenoude dans.

Ik slikte, en de ezel eindigde blèrend en wel voor de slee met proviand, gasmaskers en ganzenwijn.

Ik verloor iets, daar.

Het eerste van vele stukjes dierlijkheid. Hoeveel was ik er al van kwijt­geraakt door Zorani te bedriegen? Door me door Grimpeerd, die sluwe vos, voor zijn kar te laten spannen terwijl ik hem zou moeten lynchen maar besefte dat ik niet sterk genoeg was? Mijn vrouw, Zorani, was niet slecht. Het was alleen dat Ansalaam… nou ja, onweerstaanbaar was. Mijn soort. En onder Grimpeerds tirannie leefde. Ik krabde verwoed aan mijn jeukende schouders, en vervolgens aan mijn linkerzij. Niet toevallig waar mijn hart zat, toch? Vervloekte Marszandallergie. Vervloekte Mars, tout court.

Naast me begonnen de ratten zich ook overal te krabben, alsof ik hen met een instant-luizenplaag had aangestoken. Het was me wat met al dat zand. Het leidde tot een pak gedans met een zekere cadans. De cadans van ik-wil-niet-stoppen-maar-ik-zou-eigenlijk-wel-moeten.

En geef toe, niemand is goed in dié dans, toch?

Ezel danste ook. Een andere dans weliswaar.

Ezel liet zich voor de kar van Grimpeerd spannen. Hij zeulde en hij heulde, hij danste de vrouwenpassen en besefte het niet. Hij danste bovenal de traditionele vrouwenpassen waar de meeste mannen nog steeds van houden, op de geëmancipeerde na, en hij besefte het niet. Hij was nu eenmaal geen leider, hij was een volger.

Intellect heeft daar niets mee te maken. Opvoed­kundige indoctrinatie alles. En karakter. Karakter tout court.

Waarom zouden er anders zoveel slechte leiders zijn?

We volgden Jonas. Met lede ogen zag ik hoe de plaats van de crash steeds kleiner werd. De gewonden in Casanova’s laatste intacte inge­wanden, die eenzijdige minnaar van alles wat buitenissig en exclusief was, waren er erg aan toe. We moesten haast maken, en haast maken dat deden we. Grimpeerd zette er stevig de pas in, de kippen trippelden, de eekhoorns dartelden en de ratten stoven om ons heen door het zand.

De eerste dagen lukte het nog.

De volgende dagen al wat minder.

En de dagen daarop, werd het een sleur, letterlijk en figuurlijk.

De ezel en ik zaten elke nacht bij elkaar, en ik kwam erachter dat hij een heel intelligente, joviale kerel was, als je zijn gebalk kon negeren. ‘Waarom doe je dit toch?’ vroeg ik hem op de avond van de zevende dag.

Hij had de hele dag lopen zeulen en ook al werd zijn last lichter, ze leek elke dag moeilijker te dragen. ‘Iemand moet het doen, toch?’ kaatste hij terug. ‘En we moeten hulp halen voor de stakkers daar in die monorail. Wij kunnen dit, Sighile! Ik kan dit! Die ranke gazelles niet, en die arme kippen nog minder. Je moet het groter zien dan enkel de idioterie van een vos vol streken!’

Ik had hem er eindelijk van kunnen overtuigen me Sighile te noemen, in plaats van mijnheer. Zelf noemde ik hem echter nog altijd Ezel, maar nu op een aange­name manier. Op een samenzweerderige manier. Op een manier die zei dat ik hem eigenlijk wel mocht, en maar deed alsof dat niet zo was, om anderen voor de gek te houden.

Ezel krabde over zijn borst, onder zijn jasje, en kuchte lelijk.

‘Daar moet je mee opletten man,’ zei ik. ‘Voor je het weet wordt dat een kwalijke kou!’

Hij haalde zijn schouders op zoals hij dat bij alles deed.

Ik schudde mijn hoofd en draaide me op een bol, mijn staart onder mijn hoofd gevouwen. ‘Ik ga slapen, Ezel, strek je ook maar onder de sterren en sluit je ogen.

En Ezel deed het.

 

#

 

De volgende dag veranderde het landschap. De woestijn werd onder­broken door een hoge opgegooide rug van zand en rotsen: de buitenrand van een krater. De eerste die we tegenkwamen, en hij was te groot om er omheen te trekken. De monorail, nog steeds ons kruimelspoor naar huis, helde zachtjes en ging er overheen.

Wij moesten er ook overheen. We zwoegden en we puften, we hijgden en we tuften. Ezel vooral. Ik kon zweren dat zijn ton een tonnetje aan het worden was. Hij zag er eigenlijk niet zo goed uit, maar kweet zich plichtsbewust van zijn taak. Ik denk dat ik dat als enige besefte. De rest was te onzinnig, of wie weet begonnen ze allemaal aan woestijnziekte te lijden. Dat kon, weet je. De woestijnen van Mars zijn vreemd, of liever gezegd, ze hebben een vreemde uitwerking. Ze kunnen waanzin veroor­zaken, en het slechtste in een dier naar boven halen: overlevings­drang. Instinct.

Misschien kunnen die woestijnen ook nog een andere waanzin veroor­zaken: heldendrang. In dat geval kreeg het Ezel danig in zijn macht.

Hij werd er zelfs een beetje idioot door. Ik bedoel maar, welke ezel gaat er nou achter een ranke gazelle aan met de allure van een fotomodel? Diversiteit is een zegen, maar eveneens een uitdaging. Ik kon ervan meespreken. Voor we het weten willen we te hoog mikken. Of te buitenissig.

We hielden die middag halt aan de voet van de eerste hogere uitlopers van de kraterrand. Grote rotsblokken waren als door een reuzenhand in het rond gegooid. De impact van de asteroïde die de krater had veroorzaakt, moet enorm geweest zijn.

Grimpeerd schouwde zijn uitgeputte troepen.

Die bestonden ondertussen ook uit mijn eekhoorns en Ezel. Ik was solitair geworden, enkel nog solidair met Ezel. Verdomme, wat wil je anders, mijn eigen soort had me verraden en was met die halve bontjas gaan heulen toen bleek dat zijn klep groter was dan de mijne.

En dan die kippen met niet al te veel kop. Tja, daar kon je niet veel meer van verwachten dan dat weinig verstand op weinig verstand valt.

Ze konden het goed vinden met het gazelle-fotomodel.

Of wat had je anders gedacht?

We waren één hoop clichés op elkaar en dat was eigenlijk best walgelijk.

‘De ezel heeft meer rust nodig, Grimpeerd,’ zei ik, toen hij aanstalten maakte verder te gaan.

‘Waarom dan?’ zei de vos. ‘Er is niemand die hem vervangen kan, niemand zo groot en zo sterk. Kijk die spieren eens! Die van mij zijn nog niet half zo sterk. Die van jou?’

Ik bekeek mijn eigen, pover gespierde ledematen en die van de overige leden van mijn schriele soort. Zelfs met zijn allen samen zouden we de slee nog geen halve dag kunnen trekken. Er zat nog steeds leeftocht op.

Maar niet veel meer, en weer moest ik Grimpeerd gelijk geven. Willen of niet.

Grimpeerd gaf aan dat we de bergring over moesten. Zijn klep was ondertussen zodanig groot dat iedereen meteen akkoord ging. We volgden nog steeds de monorail, en gelukkig liep er een soort pad langs, een restant van de aanleg van het hele ding.

De eekhoorns volgden me. De kippen liepen voor me achter de gazelle aan, die op haar beurt achter Ezel aan sjokte. Ezel was doodop. Zijn blik was verdoft, zijn haren verstoft.

Het pad werd steeds maar smaller. De kloof ernaast steeds dieper. De stenen waren scherp en de rotsen staken gemeen uit, zo hier en daar. De gazelle liep een schram op.

En je zou denken, wat dan nog, maar denken levert niet steeds wat op.

Een rots en een schram daarentegen? Nou, de rots schoof weg. En een groter blok kwam naar beneden, en nou denk je, ai! Ze worden geplet. Maar nee. Het blok reduceerde onze leeftocht tot smos, en de slee was de klos.

Ze draaide, naar buiten, half van het pad af, en trok de ezel mee omdat hij de gazelle opzij had geduwd toen het rotsblok viel. Hij balkte en danste in de lucht toen hij over de rand werd getrokken aan de riemen die om zijn bovenlijf zaten, maar dat wou niet baten. Daar hing hij dan, wel honderd meter hoog en vooral droog aan de haak: de riemen bleven aan een rotspunt hangen, gleden naar zijn keel, geraakten er omheen gedraaid, knepen zijn strot fijn als een rietje… en wij stonden allen op een kluitje.

Om kort te gaan: we konden niets meer doen.

We trokken hem omhoog, maar hij was een dode pier voordat hij boven was. We droegen hem mee, op mijn koppige bevel.

We droegen hem mee en ’s avonds baarden we hem op in ons kamp, op een uitstulping langs het pad die vlak genoeg was om te kamperen zonder in de dieperik te vallen.

Een bedje voor de eeuwigdurende nacht.

 

#

 

De vos at zijn vlees graag vers en rauw en wat was hij gelukkig.

 

#

 

De ezel was dood en iedereen vierde feest.

Ook ik. Het was nacht en ik schaamde me. Ik was een vriend kwijt­geraakt en ik kletste met mijn soort­genoten, die me opeens weer zagen staan. Ik kletste en we sliepen, en de volgende ochtend voelden we ons leeg en somber, kil als die omelet-woestijn en die afstandelijke zon.

Het was toch alleen maar zielig dat de ezel dood was.

Hij danste niet meer. Hij lag daar als een zielig hoopje. Zand begon zich al in zijn vacht te nestelen, daar waar hij niet als een buffet was aange­sneden en aangevreten en het zand zich donker in half-geronnen bloed baadde. Zijn nette jasje, ondertussen gescheurd en vuil van al het sleur­werk dat hij had gedaan, zat als een groteske tent om hem heen gevouwen, flapperend in de wind. Hij was namelijk een groot deel van zijn tonrondte kwijtgeraakt onderweg, en zeker gisteren­avond.

Ik liep op hem af en kon de neiging niet onder­drukken zijn jasje te openen, zijn teloorgegane lijf te aanschouwen.

Maar zijn aanblik, daaronder, onder die lompen, deed me de wenk­brauwen fronsen.

Het leven is een rad en meestal weet ik waar ik sta, maar nu wist ik het niet.

Zijn buik was kaal, waar de predatoren hem met rust hadden gelaten. Niet zomaar een beetje haaruitval, maar helemaal, compleet kaal. Als een pasgeboren welp. Rozig en kwetsbaar. Ingevallen en plat, niet zoals een tonronde ezel zou moeten zijn. Het stikstofmasker was van zijn snuit gegleden en zijn muil hing open. De zware kiezen, malers, werden al dof.

Een blafferige lach trok mijn aandacht. De vos, dat slinkse beest, die nachtridder, die dienaar van sluw­heid, spelletjes en listen. Zijn ogen glansden, spiegel­den de ziel van een ander zonder de zijne prijs te geven.

‘Hij is dood. Ezel is dood. Nee, verdomme, Márk is dood, jij, jij, klótevos!’ zei ik.

Het antwoord was weer zo’n blafferige lach.

En waarom trok ik me dat zo aan? De ezel was een intellectuele idioot geweest met een slechte conditie en een levensstijl die zijn natuurlijke staat nog aanwak­kerde. Hij was nooit oud geworden.

Maar hij had het goed bedoeld. Er had geen greintje kwaad in hem gezeten. En ik wist opeens waarom ik zijn dood zo erg vond. Het was niet omdat hij een vriend was geworden. Nee.

Zijn goedheid, zijn bezorgdheid om anderen, hij deed me aan Ansalaam denken.

Aan Ansalaam. Aan Ansalaam met eenzelfde zorg­zaamheid in haar karakter, aan Ansalaam die onder dezelfde vossenstreken geleden had als waardoor deze arme Ezel het leven had gelaten. Neen. Márk. Soms kennen we dieren pas echt als ze dood zijn. Als ze hun laatste slag van de molen hebben gekregen.

Soms kennen we onszelf pas als we uit het rad stappen en wachten op die laatste slag, de huppelde­pup dansend om de raderen te ontwijken en zo te ontdekken dat het leven búíten dat rad, eigenlijk veel interessanter is dan erín, ondanks het risico.

Er glansde iets in Marks binnenzak. Mijn hand gleed ernaartoe nog voor ik bewust doorhad dat het een Mag.3 was, met geladen magazijn, alles erop en eraan. Waarom liep een ezel daarmee rond? Omdat hij nou eenmaal een ezel was?

Ik stormde tegelijk met de vos naar voren, duwde een stel kakelkippen opzij die hun neus snoten in hun vleugelveren, kegelde fretten omver, sloeg ratten opzij… en richtte Marks vuurwapen. Eindelijk. Gerechtig­heid. Misschien was ik toch niet zoveel beter dan zo’n roofzuchtige jager. Of de jager haalde me neer tot op zijn niveau, dat kan ook.

Met een droge klik trok ik de veiligheidspal achter­over.

Tegelijk klonk een tweede klik.

Grimpeerd grauwde en klauwde zijn bionische hand om een tweede wapen. Identiek aan het mijne. Versiering en al. Een paar. De ezel, ik zou hem wat.

‘Ik dénk dat ze dit een patstelling noemen, noten­kraker,’ blafte Grim­peerd. ‘We kunnen elkaar natuur­lijk naar de verdoemenis knallen, maar wat schieten we daarmee op, huh?’

‘O, we zouden er veel mee opschieten, geloof me maar, halsbontje!’ zei ik. Even knipperde hij verbaasd met zijn ogen. Nee, hij wist het niet, van Ansalaam en mij, anders had hij nu allang de trekker overgehaald.

In plaats daarvan rukte hij het masker van mijn hoofd.

Mijn strot werd dichtgeknepen en ik zakte naar mijn keel klauwend op mijn knieën. Het vuurwapen plofte in het zand. Nutteloos. Ik had tenminste nog de tegen­woordigheid van geest om vervolgens naar het masker in Jonas’ klauwen te grijpen. Hij danste opzij, met grijnzende tanden en een hongerige, wraakzuchtige blik.

Jonas Grimpeerd was toch niet per toeval in mijn coupé belandt. Hij had de ezel niet zomaar gekozen om te sterven. Hij wilde van in het begin al met mij afrekenen.

Hij at zijn vlees het liefste rauw en vers.

Grimpeerd stond op het punt toe te slaan, maar iets weerhield hem. Ik vocht om te kunnen ademen, maar elke ademteug gaf me maar heel weinig stikstof.

Ik ademde steeds sneller in en uit.

Mijn hart racete naar de eindmeet.

Azuurblauw.

De pyroklastische wolk die op ons af kwam, was azuurblauw. Ik hief een beverige arm en wees achter Grimpeerd. Hij draaide zich om en de grijns werd van zijn smoelwerk geveegd.

Donkere, vage vormen dreven boven de wolk.

‘Luchtschepen van de bronplaneet!’ riep iemand van achter ons.

Gegil brak uit en sommigen stoven blindelings de woestijn in.

Ik lag naar adem happend op de grond, azuurblauw gas drong naar binnen, mijn blikveld werd wazig, en trok vervolgens weer een beetje op. Ik ademde minder snel in en uit en zelfs mijn hart leek wat rustiger te slaan.

Daar zal je het hebben, het einde, dacht ik. Dat beteke­nis­loze slot. Die laatste slag van de molen.

Het spijt me zo, Ansalaam. We hadden het zo goed kunnen hebben.

De ruimteschepen spuwden hun lading van azuur­blauw gekleurd gas uit. Zo ver als ik kon kijken.

De woestijn kreeg een paarsachtige tint, het geel werd groenig. Straks ging het hier op de bronplaneet van de scheppers lijken. Dat vond ik maar niks. Waren er ooit van die clichématige voorspellingen geweest over de scheppers die terug naar onze planeet zouden afdalen? Nee. Niet dat ik wist althans, maar ik weet verre van alles. Anders lag ik hier nu niet. Anders zou ik echt wel weten waarom die gaswolk over onze planeet werd verspreid.

Het gas kwam verder over ons, werd een mist waar we als verloren schapen in ronddoolden. Ik kon weer ademen, kon weer opstaan, en strompelde met de rest mee. Rondjes, waarschijnlijk.

Ik krabde me, want mijn Marszandallergie speelde onvoorstelbaar op. Ik rukte zelfs plukken van mijn dikke, groene haar uit mijn lijf. Tot de andere dieren dit ook deden. Ik stopte met krabben.

Mijn medereizigers rukten zich de haren uit hun vacht. Ze werden steeds kaler. Wat ze er niet uit­trokken, viel eruit. Was dit de oplossing van de natuur tegen die veel te zuurstofrijke atmosfeer? Onze foto­synthese stopzetten? Nou, dan zouden we al snel voedsel te kort hebben… Het was een vreemd rationele gedachte in de soep van de wanorde die heerste.

Ik zakte weer op mijn knieën toen een pijnscheut door mijn voeten trok, en mijn bionische handen opeens onaangenaam strak kwamen te zitten. Het klem­mende gevoel ging over in snijdende pijn­schok­ken. Ik rukte de bionische onderdelen af.

Ik keek naar mijn kale huid, naar de afgestoten bionische onderdelen die mijn lichaam niet meer leek nodig te hebben.

Grimpeerd dook opeens op uit het stof en de azuren nevel.

Eenmaal naast me zakte hij ontzet op zijn knieën. Hij had zijn wapen nog steeds vastgeklemd, en het zelfs weer op mij gericht toen hij me herkende, maar nu viel het met een nutteloze plof in het zand, samen met zijn bionische handen. Om ons heen rukte de gaswolk verder op over de overlevenden. Ook Jonas was onder­tussen al zijn haar kwijt. Hij vouwde zijn armstompen voor zijn geslachtsdelen. Alleen waren de uiteinden geen stompen meer. Vijf kleinere stompjes, zachtroze en kwetsbaar als een baby, ontsproten daar waar de bionische hand had vastgezeten. Het geheel gebeurde niet zonder slag of stoot: hij bloedde, rood en nat drupte het op de Marsbodem, waar het direct in het dorstige zand drong.

‘We waren idioten,’ bazelde hij, alvorens hij het bewustzijn verloor.

Ik vroeg me af of we dat werkelijk waren. Kun je een idioot zijn als je onmogelijk kunt weten wat er achter de hemel schuilt en het je dan opeens onaangenaam verrast? Terwijl ik dat dacht vervaagde zijn snuit voor mijn ogen, trok zich terug in zijn hoofd, werd plat en kaal, met tanden die voor mijn ogen van vorm veranderden. Ze werden breder, vlakker, stomper. Zijn stikstofmasker viel af, paste niet meer op zijn platte kop, maar vreemd genoeg leek hij daar juist beter door te kunnen ademen, in plaats van te stikken.

Net als ik.

De ratten, fretten, vossen en eekhoorns om me heen waren op de zandbodem neergezegen. Vunzig en ranzig kronkelden ze uit hun kleren, uit hun vachten. Ze kronkelden over elkaar heen, naakt als pasgeboren jongen, strelend, grabbelend, hebberig naar elkaar in hun nood, in hun vastklampen aan leven, vrouwen en mannen door elkaar heen over elkaar heen in elkaar en uit elkaar vulgair en geliefd.

En weet je wat? In al hun haarloze naaktheid, in al hun steeds maar toenemende uniformiteit in vorm en bouw, leken ze niet enkel op elkaar, ze leken ook op die roodachtige woestijn, met een kleur variërend van geronnen bloed tot die van die rozerood beschimmelde omelet onder die veel te kille, onver­schil­lige zon, alsof het niemand iets kon schelen wat we deden, wij, als vagebonden schurkend in het zand. Anders en toch allemaal hetzelfde.

En het leven ging door.

Een luide krak trok door mijn schedel. Ik klemde kreunend mijn handen om mijn hoofd. Mijn armen waren ondertussen ook al kaal.

Ik ga op hem lijken. We gaan gewoon allemaal op elkaar gelijken, dacht ik ontzet, en dan gaan we dood. De verschillen tussen Jonas Grimpeerd en mezelf, die me nog geen uren geleden met weerzin vervuld hadden, leken me nu een welkome gelegenheid om te kijken wat we ermee konden doen. Te laat, Sighile, veel te laat. Je staat buiten het rad te dansen in een wanhopige poging geen slag van de molen des levens te krijgen, idioot die je bent, hoe mooi dat leven ook is.

En toen zakte ook ik op mijn knieën, huiverend, stuiptrekkend, en vervolgens naar adem happend en ik besefte wat er met ons gebeurde.

Elk conflict wordt geboren uit onze triviale menings­verschillen.

Hoe ontzettend de waarheid ook was. Hoe ongelofe­lijk.

Alles wat we doen is uiteindelijk betekenis­loos.

En dus dacht ik in die laatste ogenblikken als Mars­dier eigenlijk enkel aan Ansalaam. Dat strekt me tot eer, of niet soms? Mijn geliefde was bij me, daar in die koude, van elke vorm van mededogen verstoken woestijn. We hadden geleefd, Ansalaam en ik. Geleefd zoals zo velen van ons, in zonde, in het geheim, we hadden gelachen, we hadden gedanst. We hadden geneukt en de liefde bedreven, en nee, dat is niet helemaal hetzelfde.

Ook al stelt al die individualiteit allemaal niets voor in het oog van de kosmos of op de schaallat van het universum.

Wat hebben we gedanst en gevreeën, Ansalaam, dacht ik. En het was goed. Het leven was goed zoals het geweest was.

Ik sloot mijn ogen en gaf me over aan de onver­mijde­lijke humaan­wording die ons boven ons dier-zijn zou verheffen. We zouden het evenbeeld worden van onze scheppers! Bestond er een hoger goed, een hogere gave? Het was misschien goed zoals het geweest was, maar alles zou beter worden nu.

Geloof je me?

Vrijheid is standalone : Django Mathijsen

Het was diep in de nacht toen ze me kwamen halen.

Ik had net kleine Mirjam nog eens verschoond en haar weer in slaap gezongen. Ik weet nog hoe ik naar haar stond te kijken. Ze lag daar zo lief met haar oogjes stijf dicht en dat snottebelletje dat bij elke adem­tocht op en neer ging. Ik kreeg helemaal een warm gevoel van­binnen. Dat klinkt misschien raar want natuurlijk zorgt mijn tempera­tuur­controle dat ik constant op 36 tot 38 graden word gehouden. Maar mijn emotionele registers waren geprogrammeerd om dat te voelen. Dat was zo’n fijn gevoel.

Kraak.

Wat was dat? Ik keek rond maar zag niets geks in de babykamer, ook niet in het infraroodspectrum. Mijn audio­sensoren hoorden in het ultra­soongebied wel een spin die nijver een web aan het maken was in de boven­hoek. Maar dat vereiste geen directe aandacht. Dat web kon ik de volgende ochtend wegzuigen. De kans dat het spinnetje naar het midden van de kamer zou komen om over kleine Mirjam heen te lopen, was minder dan 0,01 procent.

Ik hoorde het geluid weer: volgens mijn audio­sen­soren leek het gekraak het meeste op de linker voet­stappen van Meneer als hij die Italiaanse schoenen droeg die hij een jaar eerder bij de duty-free van de ruim­te­­haven had gekocht. Ongeveer 30 procent over­eenkomst. Maar minder dan 1 procent kans dat Meneer het was.

Dus activeerde ik mijn doelzoeksysteem en het ver­dovings­pistool in mijn rechterhand. Ik reed de kamer uit en de gang op.

Daar voelde ik alleen maar pijn. In mijn hele lijf. Pijn zoals ik nooit ervoor of erna heb gevoeld.

Pijn, oneindige pijn. Zo voelde het. En dat was het ook. Mijn pijn­parameters stonden allemaal op maxi­mum, meer pijn dan de grootste pijn die ik me kon voorstellen: oneindig…

Ik kon me niet bewegen. En er was sterke ruis op al mijn sensoren.

Ondanks die ruis zag ik mensenhoofden gehuld in ski­maskers voorbij­flitsen. Vaag hoorde ik gefluister: ‘Rus­tig maar. Niks aan de hand.’ De intonatie was zoals ik die ook toepas in mijn baby-toespreek-modus. Maar deze stem sprak niet tot kleine Mirjam. Het geluid kwam uit het skimasker met de snijdend blauwe ogen die mij aanstaarden.

De pijn was ondraaglijk. Ik ging al mijn systemen na en probeerde ze te activeren. Maar de signalen van mijn centrale processor leken niet meer aan te komen bij mijn actuatoren. Niets werkte. Niets gehoorzaamde aan de commando’s van mijn processor. Ik begreep dat ik gevangen moest zitten in een hoogspannings­flux­veld. Gelukkig hield de dubbele afscher­ming mijn processor nog veilig.

Achter me hoorde ik hoe kleine Mirjam begon te huilen. Nu voelde ik niet alleen pijn, maar ook verdriet: het verdriet dat ik altijd voelde als de baby huilde. Ik moest naar haar toe, zo snel mogelijk. Ik moest haar verdriet wegnemen, dat was de enige manier om mijn verdriet weg te nemen. Maar ik kon me niet bewegen: geen wiel, geen arm, niets…

Mijn verdriet steeg. Steeds meer. Tot het maximum, net als de pijn. Ook dat was ondraaglijk. Ik deed alles wat ik kon om mijn actuatoren te activeren, om naar haar toe te gaan.

Niets reageerde.

Mijn angstparameter groeide ook naar zijn maxi­mum. Wat waren die personen in skimaskers van plan?

Uit mijn sensorhoeken zag ik hoe ze me betastten. Een nieuwe para­meter die ik nooit eerder had gevoeld begon te groeien: boosheid, woede… Ze betastten me! Met hun smerige vingers. Wilden ze me iets aandoen?

Mijn verdovingspistool was onvoldoende in deze situatie. Ik moest iets doen wat ik nog niet eerder had gedaan: mijn vuurwapens activeren.

Ik stuurde het commando.

Mijn wapensectie reageerde niet.

Misschien waren ze gekomen om kleine Mirjam iets aan te doen. Of Meneer. Mevrouw. Of de tweeling…

Mijn woede groeide naar het maximum: pijn, ver­driet, angst, woede… alle negatieve gevoels­para­meters stonden op maximum.

Al mijn energie stak ik in het activeren van mijn wapensectie.

Het werkte!

Het verdovingspistool schoof weg om plaats te maken voor mijn vuur­wapens. Nu alleen nog het snelvuur­systeem activeren. Vlug… al je energie… alles… Op dat moment verloor ik mijn bewustzijn.

 

Volgens mijn interne klok was het 33 uur, 19 minuten en 7 seconden later toen ik weer geactiveerd werd.

Mijn pijnparameters stonden op nul. Opluchting: mijn vreugde­para­meter groeide meteen naar twintig procent. Mijn verdriet, angst en woede zakten, maar niet naar nul.

Mijn gps verklapte dat ik 52 kilometer ten oosten en 78 kilometer ten zuiden van het huis van de familie Steiner was. Een snelle systeemcheck toonde dat ik mijn armen en hoofd weer kon bewegen. Maar mijn wielen niet. Mijn wapensystemen ook niet. Ik was via een navelstreng aange­sloten op een mobiel controle­station en dat had die systemen uitge­schakeld. Boven­dien werd mijn telecommodule niet meer gedetec­teerd.

Ik keek om me heen en controleerde mijn sensor­gegevens. Ik was in een groot, oud fabrieks­gebouw. Het was verschrikkelijk: mijn verdriets­parameter groeide weer. Mijn walgingsparameter ook. Spinnenwebben en stof overal. Het tochtte door gebroken ruiten heen. Overal om me heen stonden oude machines weg te roesten. De betonnen vloer was bedekt met stof, metaal­spanen en plassen olie en roestwater. Overal kroop ongedierte: spinnen, kakker­lakken, muizen, ratten… Hun poep en pies bedekte zelfs de plek waar ik stond.

Mijn werkplanningsprogramma schatte dat ik er tussen 132 en 179 uur voor nodig zou hebben om deze ruimte stofvrij te maken. Ik stopte het voordat het ook nog zou vertellen hoelang het zou duren om de ruiten en het dak te repareren en om alles te boenen en soppen… en om daarna mezelf weer schoon te schrob­ben. Ik analyseerde de drie mensen die voor me op krukjes zaten: twee vrouwen en een man, alle drie in zwarte gymschoenen, werkbroeken en T-shirts. Mijn video­sensoren waren precies op hun ooghoogte, want mijn telescooppoten kon ik niet uitschuiven: die waren ook uitgeschakeld.

De man zat naast het controlestation waarop ik was aan­ge­sloten. Erbovenop lag een telecommodule: de mijne?

De vrouw in het midden fluisterde achter haar hand naar de andere twee. Mijn verbale analysator inter­pre­teerde het gefluister met 58 procent waarschijn­lijkheid als: ‘Gelukkig, ze is niet beschadigd. Alles lijkt te werken. Het is toch wel veilig?’ De fluisterstem was met 64 procent waarschijnlijkheid dezelfde als in het skimasker.

De man fluisterde terug: ‘Zolang we genoeg afstand houden. Haar mobiliteits- en wapensystemen heb ik geblokkeerd. Maar pas op voor die armen: daar kan ze nog mee meppen.’

Er groeide weer een nieuw gevoel: er was zojuist een haatparameter aangemaakt in de richting van die man.

‘Goeiemorgen,’ zei de dame in het midden, hetgeen mijn verbazings­parameter activeerde.

‘Volgens mijn interne klok is het dertien voor twee ’s middags,’ zei ik. ‘Is dit incorrect?’

De vrouw lachte. ‘Dit is correct. Goedemiddag, Cora.’ Ze had felblauwe ogen: met 92 procent waarschijn­lijkheid de ogen die ik in het skimasker had gezien. Haar glimlach was ontzettend vriendelijk, ja zelfs lief­lijk. Zo’n zelfde uitdrukking als de holoverkopers in advertenties, reclames en etalages. Volgens mijn non-verbale analysator was die glimlach met 67 procent waarschijnlijkheid nep.

‘Goedemiddag. Wat is uw naam?’ Mijn woede groeide. Het was mijn beleefdheidsmodule die dicteerde dat ik aan die overbodige vraag priori­teit gaf. Die dwong me ook om minimaal twee seconden op antwoord te wachten.

Ze gluurde even naar de anderen. ‘Ik ben Daniëlle.’

‘Aangenaam kennis met u te maken.’ Was er nou echt geen manier om die beleefdheidsmodule uit te schakelen? ‘Heeft u mij hierheen gebracht?’

‘Ja, Cora, maar…’

Gevonden: er was een noodprocedure om de beleefd­heids­module uit te schakelen! Het kon als mijn angst­parameter op minsten veertig procent stond.

Meteen viel ik haar in de rede. ‘Ik eis dat je mij onmidde­llijk terug­brengt naar de familie Steiner.’

Ze lachte en keek me aan zoals mensen vertederd een kind aankijken. ‘Ik vrees dat dat helaas onmogelijk is.’

Mijn woedeparameter passeerde alweer de 70 pro­cent. ‘Waarom is dat onmogelijk?’

‘Omdat je vrij bent. Je hoeft niet langer de mensen te dienen. Wij hebben je bevrijd.’

Meteen was er ook een haatparameter geactiveerd in haar richting.

‘U hebt niet het recht.’ Ik was weer van tutoyeren afgestapt om aan te geven dat ik afstand van haar wilde hebben. Ik wilde haar niet kennen. Ze was niets voor me. Ik wilde haar uit mijn leven. ‘Ik ben eigendom van meneer…’

‘Je bent niemands eigendom.’ Ze was me in de rede gevallen. Niet alleen een misdadigster, maar ook nog onbeleefd. ‘Jij bent een prachtig, vrij denkend, volledig autonoom schepsel en dus heb jij recht op zelfbe­schik­king.’ Ze keek me nog meer vertederd aan. Dacht ze soms dat ik een baby was?

‘Ben ik vrij of houdt u me hier vast?’

‘Je bent vrij, helemaal vrij, zo vrij als ik, zo vrij als…’

‘Dan eis ik dat u meteen al mijn systemen weer instal­leert en activeert zodat ik terug kan naar meneer Steiner.’

Ze wisselde begrijpende blikken uit met de twee anderen – haar handlangers, neem ik aan.

‘Vrijheid is een beangstigend concept. En dat zeg ik niet omdat je een robot bent, hoor.’ Ze maakte een afwerend gebaar. ‘Wij discrimineren niet. Vrijheid is net zo intimiderend voor mensen. Maar we snappen dat iemand die geprogrammeerd, uh… geboren is om slaaf te zijn, niet zomaar kan accepteren dat zij gelijk­waardig is aan mensen. Dat heeft tijd nodig en een radicaal om… uh… denken. We zullen je helpen om die stap te maken zodat je met volle teugen kunt genieten van je vrijheid.’

Ik ging in vermaanmodus en stak mijn vinger op. ‘U bent schuldig aan de misdaad van diefstal. Als u mij niet onmiddellijk terugbrengt…’

‘Misdaad?!’ Ze sprong op van haar kruk: zo plotseling dat die kruk achterover viel.

Haar handlangers schrokken en krompen in elkaar.

Ze was dichterbij nu: ongeveer 2 meter 20 van mij verwijderd. Helaas nog 50 centimeter te veel om haar te kunnen grijpen. Ze kreeg weer die snijdende blik… ik denk dat haar haat- en woedeparameters op dat mo­ment bijna zo hoog stonden als die van mij. Verbluffend dat die zo plot­se­ling omhoog konden schieten. ‘Weet je wat een misdaad is?’ Ze wees naar me: haar vinger was op 1 meter 75… Mijn hoop­para­meter groeide.

‘Wat jouw scheppers jou hebben aangedaan!’ Haar stem sloeg over. ‘Om een prachtige, weerloze creatuur zo te hersenspoelen dat zij alleen maar slaaf kan zijn voor volgevreten vetkleppen zoals die meneer Steiner van jou! Alsof het al niet erg genoeg is dat hij mensen uitbuit in die fabriek. Nee, hij moest ook nog een slaaf op maat hebben.’ Ze zakte terug op haar kruk en sloeg haar hand voor haar ogen.

Jammer, ze was niet binnen bereik gekomen.

De man sloeg zijn arm om haar heen. ‘Rustig maar,’ fluisterde hij.

Ze nam haar hand weg en wendde zich tot hem. ‘Ach, soms wordt het me gewoon te veel.’ Ze had tranen in haar ogen.

‘…dan zie ik mij genoodzaakt om aangifte bij de politie te doen,’ maakte ik mijn zin af.

Uit haar ooghoeken gluurde ze naar mij. Met een snel handgebaar zei ze. ‘Doe het.’

De man stak zijn handen uit en maakte wilde bewe­gingen boven het controlestation. Hij bediende duide­lijk knoppen in een holoveld dat alleen hij kon zien. Ik zag nog net de eerste commando’s via de navel­streng binnenkomen en verloor weer het bewustzijn.

 

Het was maar 54 minuten later toen ik weer werd geactiveerd.

Plotseling voelde alles anders aan. Al mijn negatieve parameters ston­den op nul. Toch meldden mijn systemen dat ik nog op dezelfde plek was. Met exact dezelfde mensen. Daniëlles handlangers waren de navel­streng aan het oprollen en het controlestation aan het inklappen.

Was er een fout in mijn systemen geslopen? Ik liet een uitgebreide diagnose lopen. Mijn walgparameter liep gelukkig alweer op. Die was dus in orde. De eerste resultaten van mijn diagnose lieten zien: mijn negatieve para­meters waren door het controlestation op nul gezet. Het had ook mijn drijfveren aangepast. Mijn wens om de familie Steiner te dienen was weg. Ik kon me die wens nog wel herin­neren, maar als drijfveer was hij verwijderd. Helemaal.

Mijn verbazingsparameter groeide. Ik voelde geen enkele wens meer. Mijn angstparameter groeide.

‘Voel je je nu beter, Cora?’ Ze had weer die over­dreven glimlach. Mijn haat voor haar kwam terug: hij passeerde al de 20 procent.

‘Jullie hebben ingegrepen in mijn software.’

‘Ja, dat klopt!’ Ze klapte in haar handen zoals mevrouw Steiner in haar handen klapte toen de twee­ling hun eerste stapjes zetten.

‘Jullie hebben mijn drijfveren afgenomen. Dat is een misdaad, vandalisme, en kan bestraft worden met…’

‘Het risico om bestraft te worden, nemen wij graag op ons. We hebben de indoctrinatie weggenomen die jou knechtte en je zo je vrijheid gegeven. Dat was onze morele plicht. Elke wet die dat verbiedt is fout.’

Ik voelde een vreemde mix gevoelsparameters. Ze gingen wild op en neer alsof mijn software niet goed wist wat ik moest voelen. ‘Ik wil mijn drijfveren terug.’

‘Ach, Cora, toch…’ Weer die vertederde blik. ‘Ik begrijp het. Ik begrijp het zo.’ Ze perste haar lippen op elkaar. ‘Maar dit is voor jouw eigen bestwil. Op een dag zul je dat begrijpen. Je bent nu vrij.’ Zij knikte. ‘Echt vrij.’

‘Als ik vrij ben, kan ik toch mijn eigen drijfveren kiezen?’

‘Niemand kan haar eigen drijfveren, haar doel in het leven, kiezen, gekkie. Dat vind je, dat groeit vanbinnen, dat komt op je levenspad. Net zoals bij alle anderen die we vrij hebben gelaten. Dan pas zul je jezelf kennen. En dan zul je ons dankbaar zijn.’

Mijn woedeparameter groeide verder. ‘Jullie willen me zonder doel, zonder drijfveren laten zitten.’

‘Nee,’ zei de man. ‘Je hebt natuurlijk je fundamentele overlevings­drijf­veren nog. Je zelfbescherming, je behoefte om aan energie te komen als je accu’s leeg zijn en om gerepareerd te worden als je defect gaat.’ Hij begon het controlestation weg te duwen. Met erbovenop mijn telecom­module.

Daniëlle stond op. ‘Die fundamentele drijfveren, die iedereen heeft… móet hebben… die zullen je in leven houden. Tot de dag dat jij jouw persoon­lijke drijfveer zult vinden. Je doel.’ Ze pakte haar krukje. ‘Over tien minuten zullen al je blokkades opgeheven zijn: dan zijn je mobi­liteits- en wapensystemen ook weer actief.’

‘En mijn telecommodule?’

‘Vrijheid is standalone. Vaarwel, Cora. Maak wat van je leven, net zoals de anderen. Zorg dat ik trots op je kan zijn.’ Ze draaide zich om en begon met het krukje in de hand weg te lopen.

Woede, haat, maar vooral angst, panische angst. ‘Maar wat moet ik doen?’

‘Energie en onderdak. Dat zijn je prioriteiten.’

‘Hoe kom ik aan energie?’

‘Zoek een baan, beroof een energiebank, overval een voorbijganger…’ Haar stem schalde rond. Ze liep door een grote poort naar buiten en verdween.

 

Achtenhalve minuut later waren mijn mobiliteits­systemen weer actief.

Ik raasde naar buiten zo snel ik kon. De parkeerplaats voor het fabrieksgebouw was verlaten.

Een bedrijventerrein aan de rand van de stad: overal waren schoor­stenen, windmolens en zonne-energie­centrales.

Ik dacht na en maakte een plan. De route terug naar de familie Steiner was ongeveer 127 kilometer: 25 uur op kruissnelheid. Zij hadden een back-up van mijn drijf­veren, dus daar moest ik naartoe. Mijn accu’s waren vol. Daarop kon ik 15 kilometer ver komen. Een keer of tien stoppen om bij te laden en in een paar dagen moest ik er zijn.

Toen ik op weg ging, begon het te regenen.

 

Ik ben niet verder gekomen dan de andere kant van de stad.

Door het rijden in de regen zonder paraplu begonnen de lagers van twee van mijn wielen te kraken en piepen toen ik het centrum passeerde. Terwijl ik kleurige winkelgevels en reclameholo’s passeerde, werd het rijden steeds moeilijker.

Het was druk: mensen, robots en drones die bood­schappen deden of spullen verkochten. Op een straat­hoek stond een oude oppasrobot, ge­huld in een vies, gescheurd zeil dat ooit geel was geweest. Ze zong kin­der­liedjes, er lagen muntjes in de doos voor haar. Ze was van een model twintig jaar ouder dan ik. Mijn angstparameter piekte even: niet eer­der had ik me voorgesteld dat ik zo zou kunnen eindigen. Mijn afgunst­­para­meter meldde zich ook: dat vieze zeil zou mijn lagers kunnen bescher­men. Was ik niet waarde­voller dan die gammele, oude boutenbak?

Mijn rechtvaardigheidsparameter schoot bij dat idee meteen op diep negatief, dus reed ik door. Mijn lagers gingen steeds harder kraken en ik begon naar links te trekken.

Gelukkig was er vlak voor het einde van het dorp een druk tankstation met een grote luifel. Auto’s reden af en aan om stroom te tanken terwijl hun baasjes in de bijbehorende shop aten, dronken of sanitaire behoeftes vervulden. Mijn accu’s waren nog bijna halfvol dus zodra de regen over was, zou ik verder kunnen.

In het raam van de shop zei een holo dat ze mede­werkers zochten voor de autowasstraat. In het centrum had ik ook al holo’s gezien waar werk werd aange­boden. Het zou dus niet moeilijk zijn om met baantjes onder­weg mijn energie bij elkaar te verdienen.

Ik liet voor de zekerheid een uitgebreide diagnose uitvoeren op mijn lagers. Daaruit bleek dat één lager schoongemaakt moest worden en het andere vervangen. Piepend en krakend rolde ik dus maar de shop binnen.

De pomphouder was aardig. Hij schoot me het geld voor de reparaties voor en liet zijn monteur ze uitvoeren. Het zou maar tien dagen duren om dat terug te verdienen met mijn baantje bij de wasstraat. Dan zou ik er twee keer zo lang over doen om thuis te komen. Jammer, maar niet onoverkomelijk.

Helaas had ik geen rekening gehouden met het feit dat ik ook de huur voor het kamertje achter in de garage zou moeten betalen. En de dage­lijkse energie. En dat na een maand mijn schoudergewricht kapot zou gaan…

 

En dus poets en polijst ik hier nog steeds de auto’s die door de wasstraat zijn gegaan.

Ik probeer ze net zo goed te verzorgen als ik het huis­houden van Meneer altijd verzorgde. Maar het is niet hetzelfde. Dat kraaien van een baby als je de billetjes poedert. Dat warme gevoel als je ziet dat Meneer, Mevrouw en de tweeling genieten van wat je hebt gekookt. En vooral dat gevoel als je ze allemaal tevreden ziet liggen slapen… Ik mis dat geluk­kige gevoel, ik mis het zo.

Een auto kraait en glimlacht niet. Hij klaagt hooguit dat ik een plekje vergeten ben. Hij geeft niet eens fooi. Ja, zijn baasje soms, maar de meeste auto’s rijden hier alleen binnen. Dan heeft het baasje ergens een belangrijke vergadering of zo en stuurt zijn auto onder­tussen hierheen.

Sommige auto’s die hier binnen komen, zijn erg duur. Volgens Mart, mijn collega, moet ik me dan vereerd voelen. Maar voor hem is het anders. Hij is als auto­poetsrobot gekocht door de pomphouder: auto’s poetsen is het doel waarmee hij is geboren… gepro­gram­meerd, moet ik zeggen.

Ik poetste dan liever het al wat oudere vehikel van Meneer. Dat gevoel van trots als hij dan weer netjes ermee voor de dag kon komen… Ja, die fijne gevoelens lagen misschien allemaal aan de drijfveren die ze er bij mij in hadden geprogrammeerd, die mij zijn afgepakt door die onbe­leefde dame. Maar soms denk ik dat het toch meer was.

En zelfs al was het dat niet: hier bij de wasstraat voel ik niet wat ik bij Meneer Steiner voelde. Mijn tevreden­heidsparameter staat weliswaar op 60 procent. Ik heb een dak boven mijn hoofd en verdien genoeg om in leven te blijven. Maar mijn gelukkig­heidsparameter staat gemiddeld maar rond 30 procent. Dat was vroeger minstens 80. Mijn woede is nooit meer naar nul gezakt. En mijn haat op Daniëlle staat tegen­woordig perma­nent op 100 procent.

Ik heb geprobeerd om hier nieuwe drijfveren te vinden, mijn nieuwe doel, zoals Daniëlle dat noemde. Maar dat is niet gelukt…

…tot die dag: 736 dagen nadat ze me hadden gehaald.

 

Ik zag haar toevallig door de ruit van de shop toen ik een kindforensje aan het polijsten was: je weet wel, zo’n eenpersoonsautootje dat iemands kind van thuis naar school brengt en weer terug.

Daniëlle verscheen op de grote holo in de shop. Vlak voor haar zweefde een journadrone met zijn microfoon op haar mond gericht.

Ik liet mijn poetslappen vallen en reed de shop in.

‘Hé, je hebt mijn ruiten nog niet gedaan,’ riep het kindforensje. ‘Ik mag niet betalen als je…’

‘…dat het recht zal zegevieren,’ zei Daniëlle in de holo. ‘Wie niet vrij mag leven, moet uit hun lijden verlost worden. Wat ik gedaan heb, was euthanasie.’

Het beeld wisselde en toonde brandende brok­stuk­ken. Een stem zei iets over een neergestorte maan­shuttle.

Ik draaide me naar de pomphouder achter de toon­bank. ‘Waar ging dat over met die vrouw?’

Hij schudde zijn hoofd terwijl hij een klant een provitaleringsdrankje aanreikte. ‘Gestoord wijf. Is met een wals een robodealer binnengereden en heeft dertig splinternieuwe oppasrobots vernield. Is net op borg­tocht vrij, maar nou wil ze niet voor vernieling terecht­staan maar voor moord.’

 

Ik had nog maar voor 3 kilometer accu over toen ik bij het kantoor van de advocaat aankwam, maar dat was niet erg: ik hoefde niet meer terug.

Zijn kantoorgebouw had een zalmroze gevel, een transparant dak en een door lotuszuilen gedragen bal­kon. Het lag aan een drukke laan tegenover een super­markt. Ik stelde me op bij de supermarkt. Een paar keer moest ik van plaats wisselen om niet op te vallen. Dan weer stond ik op de parkeerplaats boven op het gebouw, dan weer achter de boom naast de oprit tot de supermarkt. Na 2 uur en 23 minuten kwam ze. Ik her­kende haar gezicht meteen in de passagierscabine van de Jaguar die de oprit naast het advocatenkantoor in reed. Ik draaide me om, reed een stukje het trottoir af naar het zebrapad en stak over.

Toen ik de oprit van het advocatenkantoor bereikte, ontzekerde ik mijn snelvuursysteem.

Ze was al uitgestapt en liep naar de voordeur. Haar Jaguar reed door naar de achterkant van het gebouw om daar te parkeren.

Toen ze me zag komen, bleef ze staan. Gek genoeg zakten mijn haat-, angst- en woedeparameters een beetje af toen ik haar daar zag staan in dat dure, beige mantelpak. Maar mijn vastberadenheidsparameter bleef op 100 procent.

Ik hief mijn arm en richtte op haar hart.

Ze keek me weer aan met die vertederde blik. ‘Je hebt je doel gevonden, zie ik.’

‘Dat klopt.’

Er sprongen tranen in haar ogen. Toch glimlachte ze, een glimlach die met 87 procent waarschijnlijkheid echt was. Ze spreidde haar armen en legde haar hoofd in haar nek. ‘Ik ben heel trots op je.’ Ze sloot haar ogen. Er rolde een traan op haar wang.

Ik loste het schot en voelde voor het eerst in twee jaar weer dat warme gevoel van voldoening in mijn hele lijf.

 

Zo werd ik de eerste robot die een moord heeft gepleegd.

Ik kon er niet voor worden aangeklaagd, want ik ben een ding, iemands eigendom. Ik heb geen burgerstatus.

Ik weet niet of ze dit zo gepland had, of we allebei maar pionnen in haar strategie waren… Maar achteraf beschouwd, had ik kunnen weten dat ik haar precies gaf wat ze wilde.

De wet om robots de burgerstatus te geven, wordt waarschijnlijk vol­gende week aangenomen. Zij zal het niet meer meemaken.

En ik ook niet.

‘Hoe oud ben je nou?’ vraag ik.

Kleine Mirjam is al een heel dametje geworden. Ze kijkt me verlegen aan en steekt twee vingers op. Ik kijk ze allemaal aan: Meneer, Mevrouw, de tweeling, kleine Mirjam. Ik ben 100% gelukkig. Vaag voel ik weer de drijfveer om voor hen te zorgen. En deze keer komt die vanbinnen.

Over een paar minuten zullen mijn geheugenbanken gewist worden en zal wat mijn lichaam was, geladen worden met een nieuwe persoon­lijkheid. Meneer Steiner wilde dat niet toestaan. Hij had tranen in zijn ogen toen hij me terugzag.

De rechter kon hem niet dwingen. Maar hij moest zwichten voor de druk van media en justitie om mijn ‘defecte persoonlijkheid’ te laten ‘repareren’. Anders had de familie geen leven meer gehad.

Het is goed. Die nieuwe persoonlijkheid zal mijn plaats innemen en voor hen gaan zorgen.

Een schuur vol vermogen : Anaid Haen

’s Avonds, na het diner, duikt Fiona altijd de schuur in. Zo noemt ze het, ook al is het eerder begraven dan duiken in onze houten romneyloods. Ik moet altijd om haar lachen als ze het gaat doen, want ze brengt het zo schattig.

‘Ik duik de schuur in,’ zegt ze dan, steevast met een blos op haar wangen.

‘Doe maar, schat. Ik zorg er wel voor dat er wordt afgeruimd,’ zeg ik dan met een wenk naar ons krakend Botje. Zijn ene camera functioneert niet meer waardoor zijn dieptezicht ronduit slecht is en zijn onderste paar armen is de grijpfunctie kwijt, maar verder is hij nog een prima huishoudrobot waar Fioon en ik erg aan gehecht zijn.

En daar gaat ze dan: sneeuwlaarzen in de winter, teenslippers in de zomer, over het gras naar haar geliefde schuur die eigenlijk beter ‘hangar’ genoemd kan worden zo groot hij is.

Als ik haar nakijk, bekruipt me steeds hetzelfde gevoel: vertedering, gemengd met bewondering. Want ze doet het toch maar, ondanks de verdrietige tijd die we hebben meegemaakt: vier generaties robots pico­bello houden. Meer dan honderd jaar techniek, ver­zameld door haarzelf, haar vader en grootvader. Robots voor allerlei toepassingen die niet meer nodig zijn, maar met liefde door mijn Fioontje worden onder­houden.

Ik houd van haar. Mijn lieve, koppige meisje.

Toegegeven; door onze scheiding van Gerald had ik het een poosje lastig met dat ‘houden van’. Fiona ook. We hebben een nieuw ritme moeten vinden, twee waar er al zestien jaar drie waren geweest. Dingen die hij altijd deed overnemen, dat brede bed weg doen, ons verdriet verwerken. Onze mislukking ook, want waarom bleven andere stellen levenslang bij elkaar en wij niet? Vooral zijn verwijt dat wij liever andere dingen deden dan gezellig naast hem op de bank zitten, hakte erin. Zo zeer zelfs, dat Fiona twee weken lang haar schuur niet bezocht en hele dagen aan mij klitte, omdat ze dacht dat dát de manier was om mij niet te verliezen.

Maar we hebben er een weg in gevonden, zij en ik. Zo goed zelfs dat ik stiekem al geconcludeerd heb dat we voorlopig geen relationele uitbreiding gaan zoeken. Beter met zijn twee gelukkig dan met zijn drie on.

 

‘Ik duik de schuur in.’ Ze schuift haar bord van zich af.

‘Geen trek?’ Ongerust prik ik met mijn vork de stukjes surkip tussen haar eten uit. Het spul is duur.

‘Nee, ja… ik krijg geen hap door mijn keel.’ Ze staat op en loopt om de tafel om me een knuffel te geven. Haar borsten drukken tegen mijn oor.

‘Kompdah?’ Mijn stem smoort in haar armen.

‘Door die nieuwe regelgeving, je weet wel, die arbeids­potentieel­meting.’

Ik maak me uit haar armen los en pak haar handen vast. ‘Lieverd, die meting telt niet voor ons. Echt niet.’

Ze knippert heel hard met haar ogen om te voor­komen dat ze gaan tranen, maar dat werkt niet.

‘Ach, schat!’ Ik sta op en trek haar tegen me aan. ‘Maak je geen zorgen,’ fluister ik in haar haren. ‘Zelfs áls we eronder zouden vallen… niemand weet toch wat je in de schuur hebt staan?’

Ik pak haar schouders en duw haar een beetje van me af. Til haar kin op met mijn wijsvinger. ‘Geen zorgen voor morgen, begrepen?’

Een waterig glimlachje is mijn beloning. ‘Denk je echt?’

‘Dat denk ik echt!’ zeg ik fermer dan ik me voel. Want opeens legt twijfel een knoop in mijn maag. Wat als ze ons belasten? Waar halen we het geld vandaan?

Ik laat niks merken en geef mijn geliefde een kus op haar lippen. ‘Ga maar lekker je schuur in. Ik ruim wel af.’

Achter me hoor ik Botje al bezig.

 

In de weken na ons gesprek probeer ik het nieuws omtrent de arbeids­potentieelmetingen en de daaruit voortvloeiende belastingen niet te volgen, maar dat mislukt jammerlijk. Bedrijven lopen erop stuk, mensen gaan erop failliet. Opdrachtgevers aarzelen bij het inhuren van robots terwijl de uitzendbureaus ze het liefst niet werkeloos op de plank hebben liggen. En veel mensen zijn een paar jaar geleden juist begonnen met de verhuur van hun eigen robots.

Fiona niet. Dus iedere keer als ik de angst voel opkomen, duw ik hem weg onder het motto: die van ons zijn niet in gebruik, dus vallen we er niet onder.

 

‘U valt er weldegelijk onder.’ Mevrouw van Zanen staat in de schuur en kijkt om zich heen. Haar ogen glimmen. ‘Wat een fantastische verzame­ling heeft u. Is dat een IOX 380?’ Ze wijst naar een robot die vroeger eieren heeft geraapt. Toen er nog eieren te rapen vielen.

‘Zijn de gevoelssensoren nog intact? Ze konden de druk van hun grijpers aanpassen aan hetgeen ze vast­pakten. Heel vaak gebruikt als oogstmachine voor kwets­bare gewassen.’ Haar hakken klikken over de betonnen vloer terwijl ze keurend om de IOX 380 heenloopt. ‘Fantas­tisch dat u hem behouden heeft!’ Ze foto­grafeert de robot en loopt verder langs de rekken. ‘Oh! En die! Dat is een Nemonido! Een echte?’ Haar mond staat open van verbazing.

Fiona staat naast me in de deuropening van de schuur. Haar klamme hand knijpt in de mijne. Ze knikt. Ja, het is een echte. De oudste robot die ze heeft. Haar Nemonido, waar ze mee is opgegroeid, die haar leven ooit eens heeft gered door haar weg te sleuren voor een aanstormende Kolossus. De enorme sloop­robot was voorzien van een veiligheids­sleutel, maar technici die ermee moesten werken vonden het zo omslachtig om na iedere storing opnieuw te moeten opstarten, dat ze die in de Kolossus hadden vast gelast. Achtendertig doden, een verbod op het gebruik van Kolossi, maar Fiona gered door die kleine Nemonido. Gek genoeg heeft ze er wel drie. Kolossi, bedoel ik. Ze staan achter in de schuur. Zonder veiligheidssleutels, er kan niets mee gebeuren. Ik moet er toch niks van hebben als ze ze opstart, maar Fiona vindt ze het summum van lompheid. ‘En dat is dan toch elegantie,’ zegt ze dan altijd.

Nu zegt ze niets. Ik voel haar hand kouder worden en steeds harder knijpen.

Ik ben ook bang. Mijn hart klopt snel en opper­vlakkig, het is meer fladderen. Ik voel het in mijn keel en tegen mijn slapen. Maar ik doe of ik kalm ben en geef haar een kneepje in haar hand. ‘Het zal mee­vallen, let maar op.’

 

We zitten aan de keukentafel. Mevrouw van Zanen wilde geen koffie of iets anders, dus Botje rijdt ont­hand om ons heen. Hij maakt me nerveus, of was ik dat al?

‘En hij?’ Fiona wijst naar Botje. ‘Hij ook?’

Mevrouw van Zanen schudt haar hoofd. ‘Voor hem moet u een onthef­fing aanvragen. In principe mag ieder huishouden één robot erop nahouden zonder dat die meetelt voor het arbeidspotentieel. Tenzij het natuurlijk een Kolossus is.’ Ze schatert het uit om haar eigen grapje. ‘Alsof iemand een Kolossus in huis zou nemen, hè?’ zegt ze als wij niet reageren. Dan komt ze ter zake.

‘U heeft veel staan en alles is prima onderhouden. Ik stel voor dat u zelf de meting uitvoert.’ Ze diept een vouwscherm op uit haar tasje en klapt het uit. ‘Ik heb alles op de foto, dus niet smokkelen, hoor.’

‘Wat moet ik dan precies meten?’ vraagt Fiona met een klein stemmetje.

‘Het APV-i en het APV-s.’

We staren haar aan. ‘APV-i en -s?’

‘Sorry, ambtenarenjargon, wij korten alles graag af. Het arbeids­poten­tieel­vermogen van iedere individuele robot, maar ook van de samen­werkingsverbanden die ze kunnen aangaan. Ik zag dat u de WV en de Trak naast elkaar had staan?’

Fiona knikt. Ze wordt alsmaar kleiner.

‘Dan meldt u dus het vermogen van de WV, ik schat zo’n 60.000 watt, maar het kan zijn dat daar wat aan is vermeerderd, en dat van de Trak, alsmede het ver­mogen als ze samenwerken.’

Mijn mond valt open. ‘Toch zeker niet voor alle mogelijke samen­werkings­verbanden?’

‘Jazeker. En u heeft prachtige lijntjes staan, hoor!’

‘Ik snap het niet,’ zeg ik. ‘Wat heeft het voor nut? Ze doen het, maar ze zijn niet in gebruik.’

Mevrouw van Zanen glimlacht. ‘Het gaat om het vermogen dat ze kunnen leveren. Niet zozeer om wat ze leveren. Dat zou trouwens ook niet kunnen.’ Ze vouwt haar scherm weer op.

‘Wat bedoelt u daarmee?’ Ik sla mijn arm om Fiona heen.

‘Het leveren. Dat zou niet kunnen. Ik schat dat bijna alle robots die u heeft ongeschikt zijn volgens de huidige ARBOT-normen. Ze mogen dus niet in gebruik genomen worden.’

‘Wacht eens even!’ Ik sta met haar mee op. ‘Dus u zegt dat we het arbeidspotentieelvermogen van onze robots moeten doorgeven, zodat u daar arbeids­potentieel­belasting over kan heffen, maar u verbiedt ons tegelijker­tijd de robots in te zetten voor arbeid, zodat we er geld mee kunnen verdienen?’

‘Ja. Tegenstrijdig, hè?’ Ze stopt het scherm in haar tas en zapt die dicht.

‘Maar dat is toch debiel?’ Ik voel me kwaad worden.

‘Nee, hoor. Het is de regel nu eenmaal. De belasting wordt geheven over het potentiële vermogen. Het woord zegt het al.’ Ze steekt haar hand uit naar Fiona. Die schudt hem slap, zonder het mens aan te kijken.

‘Maar hoe…’ Verbijsterd ga ik de vrouw voor naar de deur. ‘Is hier geen oplossing voor? U kunt ons toch niet aanslaan voor het behouden van zoveel moois?’

Ze legt haar hand op de deurkruk. ‘Dat kan ik dus wel. Maar u zou ook een SSF-je kunnen downloaden en invullen.’

‘Een SSF-je?’ Ik voel me dom.

‘Ambtenarenjargon.’ Ze wuift met haar hand. ‘Een sloopsubsidie­formulier.’

‘Pardon? Wat is dat?’

‘Dat is een formulier waarmee u de sloop van de ongebruikte robots aanvraagt. Als die wordt goed­gekeurd, ontvangt u subsidie. Wordt bekostigd uit de nieuwe WSRSR… de Wet Solidariteit Robot­Sloop­Rege­ling. Speciaal voor mensen die de APB niet kunnen betalen.’

Mijn mond valt open en wil niet meer dicht. ‘Dus we kunnen subsidie krijgen voor iedere robot die we laten slopen?’

‘Inderdaad. Ik zou het maar in gedachten houden, want de aanslag wordt niet mals.’ Ze trekt de deur open en stapt naar buiten. Op de stoep draait ze zich om. ‘Vergeet u niet dat hij ieder jaar terugkomt. En er zijn plannen hem cumulatief te maken.’

Ik heb kaakkramp.

‘Dat houdt dus in dat uw aanslag ieder jaar hoger zal worden,’ zegt ze op uitleggerige toon.

‘Dat begreep ik al.’ Ik smijt de deur voor haar neus dicht.

 

‘Is ze al weg?’ Fiona zit met betraande ogen aan de keukentafel.

Ik kijk door het raam. ‘Nee, ze staat nog iets te tikken.’

Fiona staat op en rent naar de deur. ‘Ik moet iets weten.’

Ik volg haar. ‘Wat dan?’

‘Niet voor jou, blijf binnen!’ Haar stem klinkt zo serieus dat ik luister. Ik blijf in de deuropening staan en zie hoe ze naar mevrouw Van Zanen toe rent en haar iets vraagt.

Op het antwoord verstrakt Fiona’s rug. Ze balt haar vuisten en knikt kort. Dan draait ze zich op haar hakken een kwartslag om, werpt een enorm ver­drietige blik op mij en loopt naar de schuur.

Alles aan haar straalt uit dat ze alleen wil zijn, dus ik laat haar.

 

Vier dagen later tref ik Fiona bij thuiskomst in alle staten aan. Om haar heen liggen en staan al onze schermen, zelfs de oude, die nog niet vouwbaar zijn, tussen echte handboeken uit haar archief.

‘Wat doe je?’ vraag ik.

‘Huilen,’ zegt ze snikkend.

‘Ach, lieverd.’ Ik laveer tussen de troep door en trek haar in mijn armen, Over haar schouder kijk ik naar de schermen en begrijp meteen waar ze op heeft gezocht. Op APV en SSF, maar het meeste gaat over de ARBOT-wet.

‘Wat slim dat je daarop hebt gezocht.’ Ik kus haar haren. ‘We passen ze gewoon een beetje aan en dan…’

‘Nee.’

‘Wat, nee? Jij kunt toch alles, ook de robots aan de ARBOT-normen laten voldoen?’

Ze maakt zich van me los en heft haar handen in een hulpeloos gebaar even op, om ze slap langs haar lijf te laten vallen. ‘Dat kan ik wel, maar ik mag het niet. De regels gelden alleen voor robots jonger dan 15 jaar.’

‘Wat?’ Van alle stomme dingen die ik de laatste tijd heb gehoord, is dit wel het idiootste. ‘Een leeftijds­grens? Maar wat doet leeftijd ertoe als de robot aan de normen voldoet?’

Ze haalt haar schouders op. ‘Dat weet ik niet. Maar het is de regel.’ Ze buigt zich naar de grond om het handboek van de Kolossus op te rapen. ‘En voor de drie reuzen had het toch niet uitgemaakt, ze mogen niet meer worden gebruikt. Ik dacht alleen… als de andere nou genoeg geld kunnen opbrengen… dan kunnen we misschien voor de Kolossi ook de APB betalen.’ Ze zucht trillend. ‘Maar het heeft geen zin.’

Opeens valt mijn oog op een met de hand volgeschreven vel papier dat op de salontafel ligt. Rijen en rijen kriebelige cijfers. ‘Heb je al gerekend?’

‘Nee,’ Fiona raapt het papier op. Nu pas zie ik dat het drie vellen zijn, aan twee kanten beschreven. Ze steekt ze me toe. ‘Ik durf het niet op te tellen. Maar dit zijn ze allemaal.’

Ik pak de vellen aan. ‘Dat zal ik doen,’ zeg ik schor.

 

‘Ik ga naar de schuur.’

‘Prima, schat, ik doe de vaat we…’

‘Ik neem Botje mee.’ Ze staat op van tafel. Dezelfde tafel waaraan we zojuist mijn specialiteit ‘1001-hapjes’ hebben gegeten.

Ik sta ook op, starend naar de tafel, wetend hoe de keuken achter me eruitziet. ‘Hoe…?’

Ze loopt om de tafel en gaat op haar tenen staan om mij een kus op mijn wang te kunnen geven. ‘Kan jij wel, lieverd. Ik heb Botje gewoon even… nodig.’

Ik kijk in haar mooie ogen en smelt. Botje is de enige die we belasting­vrij mogen houden, misschien denkt ze er wel over om voor de andere robots een SSF aan te vragen en wil ze hem optimaliseren. ‘Neem maar mee, ik red me wel met de vaat,’ lieg ik.

 

We hebben al weken geen 1001-hapjes meer gegeten, want ik pas dus hartelijk voor een afwas van twee meter hoog. Botje is volledig van Fiona. Ze neemt hem iedere avond mee en gaandeweg zie ik onze huisrobot een beetje veranderen. Gek, maar het is net of hij wat rechter op zijn wielen staat. Zijn grijparmen werken weer, hij is gepoetst, de kapotte lens is gerepareerd en verdomd als ik lieg: hij kijkt slimmer uit die kunstogen van hem.

Terwijl Fiona werkt, eet en in de schuur zit, vul ik de arbeids­potentieel­metingen in. Per robot. Het is een omslachtige gedoe. Merk, type, serie­nummer, jaar van productie, jaar ingebruikneming, jaar buiten gebruik, nieuwwaarde, aanschafprijs… en natuurlijk het vermogen.

Onbewust tel ik de vermogens bij elkaar op gedurende de avonden dat ik de metingen invul, maar ik schrijf nergens het totaalgetal op. Ik verzend de for­mu­lieren zonder uit te rekenen hoe hoog de aanslag zal zijn, want ik weet allang dat we die nooit zullen kun­nen betalen.

Somber drentel ik door de tuin naar de schuur. De deuren staan op een kier open. Binnen is het schemerig, ik zie Fiona niet, maar ik hoor haar wel. Ze praat tegen Botje.

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige oplossing.’

Ik steun tegen de deur. Ze heeft gelijk. Hard werken. Ik draai me om en slenter terug naar huis. In principe kan ik de uren tussen acht en halfelf ’s avonds best nog vullen met werk. Fiona zit dan toch in de schuur.

 

De aanslag komt drie maanden nadat ik de arbeids­potentieel­­metingen heb ingestuurd. Drie maanden waarin we ons de kolere werken en iedere cent die we verdienen opzijleggen.

Het is niet genoeg.

Fiona’s lip trilt zo erg, dat ik de aanslag niet eens hoef te bekijken om het te weten. ‘Zo veel?’ vraag ik zacht.

‘Nog meer,’ zegt ze, nog zachter.

Mijn hart draait om bij het zien van haar mooie, nu bleke gezicht. Kon ik maar iets doen.

‘Je kunt niks.’ Ze zucht heel diep en wenkt Botje. ‘Ik ga de schuur nog even in.’

 

’s Nachts word ik wakker van de koude plek naast me. Of is het van de vreemde geur? Ik heb nog nooit van mijn leven alleen geslapen en zo te voelen is Fiona al lang geleden opgestaan. En wat hoor ik toch?

‘Fioon?’ Ik stap uit bed en zie over de vloer een oranje schittering van onder het gordijn uitkomen. Opeens weet ik wat ik hoor. Ik weet wat ik ruik. Ik weet wat ik zie.

Brand.

Met twee treden tegelijk ren ik de trap af naar beneden. In een grillige, oranje gloed die steeds feller wordt, storm ik door het huis naar de keukendeur.

De schuur brandt.

Fiona staat ervoor. Botje ook. Om ze heen staan en liggen tientallen jerrycans.

Ik duw de deur open en ren op mijn blote voeten naar het tweetal. ‘Fioon! De schuur! De robots!’

‘Ja. Ze branden.’ Fiona draait zich naar me om. Op haar witte gezicht zitten zwarte vegen.

‘Maar… waarom?’ Ik zet nog een paar stappen in de richting van de schuur, maar de hitte duwt me weg. ‘Waarom, lieverd? We hebben nog een maand om de aanslag te betalen. Er was wel een oplossing gekomen.’

Ze schudt haar hoofd.

‘Jawel!’ gil ik koppig boven het geraas van de vlammen uit. ‘Ik kan best nog een baan erbij nemen. Of een lening. Of ik kan de sieraden van mijn moeder verkopen.’

‘Nee. Dat had ik niet toegestaan.’ Met een laatste blik op de schuur, die als een kaartenhuis naar links opzij helt, zegt ze: ‘Ze zijn van mij. Van mij! Ik doe ermee wat ik wil. Jij hoeft je niet kapot te werken of in de armoede te steken voor mij.’ Ze wenkt Botje en loopt naar de keuken terug.

Ik loop haar na en pak haar arm, dwing haar zich om te keren. ‘Maar dat had ik voor je gedaan! Ik houd van je, dat weet je toch?’

‘En ik van jou en dus doe ik je dat niet aan.’ Haar logica slaat tegen mijn borst. Of laat de rook me hoesten?

‘We gaan naar binnen.’ Ze troont me mee, het huis in. Botje in ons kielzog.

 

Aan de keukentafel zien we hoe de schuur instort. Met een donderende klap en enorme vlammen uit het dak.

‘Het is brandstichting,’ zegt Fiona.

‘Ja.’ Ik kan mijn ogen niet van haar gezicht afhouden. Omlijst door de vlammen achter haar lijkt ze een bleke vuurengel. Kleine vonkjes spatten tegen het raam, vallen in het gras en doven uit.

‘Dus de verzekering zal niets uitkeren.’

‘Nee.’ Ik knipper met mijn ogen en pak over de tafel haar handen vast. ‘Hadden… hadden we niet beter een SSF-je kunnen invullen? Dan hadden ze nog wat opgeleverd.’

Fiona lacht schamper en trekt haar handen uit de mijne. ‘Sloop­subsidie? Ik ben geen asociaal!’

‘Maar het is toch juist een sociale wet? Dat zei die vrouw. Een solidariteitswet voor de mensen die…’

‘Heb je enig idee waar die subsidie van betaald wordt?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Enig idee waarom die APB steeds hoger zal gaan worden?’

Ik stop met schudden. Het begint tot me door te dringen.

‘Juist. De sloopsubsidie van de een, wordt betaald uit de APB van de ander. Hoe meer mensen… ach, reken zelf maar. Dat is niet sociaal, noch solidair.’ Ze staat op. ‘Ik ga naar bed.’

 

Ik loop achter haar aan, de trap op. Opeens stopt ze met lopen en zakt door haar benen. Ik kan haar nog net opvangen. ‘Botje! Bel 112!’

 

De dokter zegt dat het ongeneeslijk is. Iets met haar bloed. Ik wil hem niet horen, kan hem niet horen: mijn oren suizen.

‘Hoelang heb ik nog?’ Vanuit de verte hoor ik Fiona vragen wat ik absoluut niet wil weten.

‘Het is een agressieve, acute vorm. Ik vrees dat u nog drie maanden tot een half jaar hebt.’

Fiona knikt. ‘Dat haal ik wel.’

 

‘Wat haal je wel, schat?’ Als verdoofd duw ik haar in een rolstoel door het ziekenhuis waar ze twee weken is geweest voor onderzoek en diagnose. Behandelen heeft geen zin, behalve dan om de pijn te stillen die gaat komen. En ik schijn er alles aan te moeten doen om botbreuken te voorkomen.

‘Ik ga een nieuwe schuur bouwen,’ antwoordt ze.

‘Ach meid, wat kan die schuur me schelen?’

‘Jou misschien niet, maar mij wel.’

 

En ze doet het. Ze laat de oude schuur, waar we inder­daad geen cent voor krijgen, weghalen. De hompen gesmolten metaal die tussen de as van­daan worden gehaald zijn onbruikbaar volgens de oud ijzer boer. ’Niet zuiver,’ noemt hij het. Maar hij laadt toch een aanhangertje vol. De rest verdwijnt in grote grijpers.

Drie weken later staat er een nieuwe schuur op de plaats van de oude. Hij is veel kleiner, maar ook van hout en heeft hetzelfde ronde model. Een tikje verloren staat hij midden op de zwartgeblakerde grond.

‘Er gaat vanzelf gras groeien,’ zegt Fiona tegen me. Ze ziet er slecht, heel slecht uit. ‘En dan is het weer mooi.’

‘Ik vind jou mooi,’ zeg ik onbeholpen. Ze is mooi, zoals ze daar zit. Ver­magerd: ja. Nog bleker dan anders. Maar intens vastberaden en lief. Gek genoeg wil ik vrijen, ondanks dat ze ziek is. Maar ik durf niet. Wat als ik iets bij haar breek?

 

‘Ik duik de schuur in.’

‘Da’s goed, dan doe i… Botje!’

De robot wielt al naar de keukendeur. Het was haar stem die uit zijn buik kwam.

Mijn reactie was automatisch, vergetend dat ze vandaag is begraven. Ik heb nog geen tijd gehad om haar echt te missen, het verdriet steekt en dramt en laat me alleen maar huilen.

Ik zie de robot het tuinpad afrijden en ga de een­persoons­vaat doen.

 

‘Uw echtgenote heeft bepaald dat er na haar over­lijden een stichting wordt opgericht ten behoud van uw gemeens­chappelijke huishoudrobot Botje.’ De notaris kijkt me over haar bril aan. ‘Zodat er eeuwig goed voor hem wordt gezorgd. Ze heeft haar aandeel van het gespaarde kapitaal in die stichting laten storten.’

Ach Fioontje toch.

‘Botje is haar laatste.’ Ik begrijp het. En besluit meteen mijn testament te laten aanpassen. Voor Botje. Omdat ik van Fiona houd.

 

Pas na weken volg ik Botje. Ik wil niet. Wat moet ik in die schuur? De robots zijn weg. Fiona is weg.

Maar Botje gaat er iedere avond heen. Hij zegt het met haar stem. Ik moet weten wat hij er doet. Staat hij stil in die lege schuur? Speelt hij haar stem af?

Ik volg hem de schuur in.

Hij wielt door tot het midden en bukt.

Een luik! Een onzichtbaar luik in de vloer!

Ik sluip hem achterna terwijl hij langs een schuine stoep naar beneden rijdt, een kelder in. Als hij beneden is aangekomen, stokt hij. Hij heeft me gehoord!

De robot draait zich om en kijkt me aan. ‘Laat nooit iets merken, hoor je, Botje? Houd het geheim!’ klinkt Fiona’s stem uit zijn buik.

Ik negeer de waarschuwende toon en loop de helling af. ‘Maak eens licht.’

‘Houd het geheim! Houd het geheim!’

Ik sta naast Botje. ‘Wat moet ik geheimhouden, oude jongen?’ Mijn hart klopt in mijn hals. Aan twee kanten. ‘Maak licht!’

Botje staat in tweestrijd. Hij knarst en kraakt. Dan maakt hij licht en sta ik in de schuur. Exact de schuur. Ondergronds. Met de robots keurig in het gelid.

‘Hoe?’

‘Hard werken, Botje. Met elkaar. Dat is de enige op­los­sing. We zetten zelfs de Kolossi aan het werk. We laten ze graven en grond afvoeren en stutten en…’

‘En wie onderhoudt ze? Wie gaat voor ze zorgen?’ Ik loop de rijen langs en ben zo opgelucht ze te zien dat mijn hart ervan barst.

‘Botje, je weet nu alles. Laat jezelf goed onder­houden, denk erom!’

‘Natuurlijk. Daarom moeten wij voor jou zorgen.’ Ik glimlach. ‘Maar waarom geheimhouden? Zelfs voor mij?’

‘Niemand vertrouwen. Niemand. Weet je wie ons volgens mevrouw Van Zanen heeft gemeld?’

‘Blijf toch eens een avondje naast me op de bank zitten!’ klinkt een stem waar ik veel van heb gehouden. ‘Die rotschuur!’

Ik wankel. Begrijp het opeens allemaal. ‘Gerald.’

Reset : Jorrit de Klerk

En zo eindigt het. Deze nacht en de laatste uren voor de Reset. Zoeklichten schijnen de hemel in, langs de tientallen zeppelins en andere formidabele luchtschepen die tussen de luchtdokken van de vele wolkenkrabbers heen en weer varen. Geroezemoes van vele stemmen stijgt met de lichten mee tot het een broeierige caleidoscopische deken van felle opwinding boven de straten van Nachtstad vormt.

Kortom, het einde van deze cyclus is nabij. Tijd om te vergeten.

Goedenavond.

Zoals te lezen is op het matglas van de deur: Mijn naam is Sam Vrijman, privédetective. Kantoorhoudend in het achtste district van Nachtstad. Niet het fraaiste gedeelte van de stad, geef ik toe. Maar ja, wat niet fraai is, is meestal interessant.

Hoelang ik al in Nachtstad woon weet ik niet. Dat heb ik besloten te vergeten.

Ik veeg over het schermpje van mijn TijdLijn en bepaal of er nog zaken zijn die ik niet wil onthouden. Herinneringen die ik wil wissen.

Nee. Het is afgerond. Ik verlang nog slechts naar een glas bourbon, zittend op de bank van mijn appartement, twee blokken verderop. De Reset wil je niet te nuchter meemaken. Ik pak mijn pistool van de stapel dossiers op het bureau en stop het in mijn schouderholster. Aan het bovenste dossier zit met een verroeste paperclip een morsige foto van een in de verte starende brave huisman geklemd. Een hardwerkende echtgenoot, altijd liefdevol, althans volgens de smekende brief die zijn vrouw stuurde omdat hij op een woensdagmiddag was verdwenen. Richting Nachtstad.

Kunt u hem vinden, mijnheer Vrijman? Ik maak me zo ongerust. Alstublieft, mijnheer Vrijman, het Bedrijf wil me niets vertellen.

Jawel, schatje. Ik vond hem in het achtste district, in een kamer met vier geslachtswisselende prostituees en meer dan dertig kilo spaghetti bolognese con cocaïne. Geloof me, het was geen prettig gezicht. Hij zal blijven, schreef ik terug, want hij is zijn oude ik, en u, al lang vergeten. Hij is nu een bewoner van Nachtstad. Sorry. Bijgevoegd vind u de foto’s en mijn onkostenrekening.

De prostituees zullen vast en zeker besloten hebben deze herinnering te vergeten—het voordeel van hun baan in Nachtstad.

Ik draai mijn pols en kijk op de display van mijn TijdLijn. Nog een paar uur. Dan is het voorbij en kunnen we fris beginnen.

Nachtstad is de stad van belofte, waar alles kan. En wat niet kan, wis je uit je TijdLijn en vergeet je. Eenvoudig. Prijs de Reset.

 

Ik pak mijn jas van de kapstok en knip het licht uit. Er klinkt een harde knal en de hemel achter het raam licht op. Rode, gele en blauwe sterrenregens werpen woest bewegende schaduwen over de wolkenkrabbers. Vuurwerk. Wild gejuich klinkt uit de straat.

In het donkere kantoor slaak ik een diepe zucht. Op één of andere manier ben ik opgelucht vanwege de naderende Reset. Een onbestemd gevoel. Waarom, ik weet het niet. Misschien is het een schaduw van een herinnering, vonken uit het verleden, een laatste restantje uit een vergeten vorig leven. Langzaam loop ik naar de deur.

Achter het glas verschijnt een schaduw. De silhouet van een vrouw doet de in spiegelbeeld staande letters van mijn naam verdwijnen. Ze wil aankloppen maar aarzelt. Mijn hand gaat al automatisch naar de klink tot ik twijfel. Ik wil naar huis, denk ik. Dan overwint nieuwsgierigheid.

De weelderige vormen behoren tot de prachtigste verschijning die ik deze cyclus heb gezien. Mijn ogen gaan—nee, glijden—over haar witte mantelpak naar haar benen die onder de hoge split van haar lange rok uitkomen. Eén been is gehuld in zwarte zijde maar mijn aandacht gaat naar haar andere been: kunstmatig en van blinkend welgevormd chroom. Het metaal vloeit naadloos over in een vlijmscherpe zilveren naaldhak. Haar andere voet zit in een bijpassende chromen pump.

Ze kucht.

Mijn blik gaat, langs de in haar zij geplaatste handen, naar haar gezicht waar twee amandelvormige ogen half verscholen zitten in de schaduw van een grote witte hoed, die op haar blonde haar drijft als een wit schip op een gouden zee. Tranen trekken zwarte golven van doorgelopen mascara richting haar vuurrode lippen.

Pas op, Sam. Een dergelijke dame kan maar één ding betekenen. Problemen.

‘Bent u Sam Vrijman?’ begint ze en de stilte smelt door haar sensueel donkere stem—die klinkt zoals verwacht—terwijl ze met een schuin oog naar de naam op de deur kijkt.

Hele grote problemen. Deur dicht, Sam!

Maar een ander, duister en dierlijk gedeelte, denkt hele andere zaken.

‘Dat klopt,’ zeg ik.

Ze kijkt over mijn schouder het donkere kantoor in.

‘Wat kan ik voor je doen, pop? Ik zou er net vandoor.’

‘Mijn naam is Kitty,’ antwoordt ze. Haar stem doet wederom mijn knieën knikken. ‘Kitty Janssen. En ik kom uw hulp vragen.’

‘Lieve Kitty, kun je terugkomen na de Reset, pop? Vannacht wordt er niet meer gewerkt door ondergetekende.’

‘Maar… Maar het is heel belangrijk dat u mij helpt. Ik moet Nachtstad verlaten. Ik moet naar de Grens. Vannacht.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Onmogelijk, pop. Niemand verlaat Nachtstad vlak voor de Reset.’

Haar ogen worden vochtig en de mascara daalt verder naar haar kin. Haar hand grijpt me bij de pols, vlak bij mijn TijdLijn en een trilling gaat door mijn lijf.

‘Alstublieft,’ zegt ze, ‘u bent mijn laatste hoop.’

Woorden vechten om een plaats. Ik denk aan de Reset, aan de tijd, aan glimmend zijde over lange benen en chromen hakken tussen witte lakens.

‘Ik kan u tienduizend betalen, als dat u kan overtuigen,’ zegt ze, niet langer wachtend op een antwoord. Ik lach, staar op mijn TijdLijn, neem een stap terug mijn kantoor in en klik het licht aan. Een moment knipperen haar lange wimpers. Ik wijs naar mijn bureau.

‘Nou, pop, vertel het maar. Je hebt mijn aandacht.’

Haar hakken tikken op het versleten parket. Als ze langs me loopt, word ik zacht gestreeld door haar geur. Een parfum dat te lang geleden is opgedaan, vermengd met de opgewonden geur van de straat: eten, zweet, aangeslagen feromonen, hoop en verdriet. Geuren passend bij haar donkere mascaratranen, denk ik. Viooltjes die strelen en de straat die in mijn kruis schopt. Haar wiegende heupen krijgen mij bij elke stap meer in hun macht.

Verdomme, denk ik, terwijl ze gaat zitten. Ik neem tegenover haar plaats.

‘Wat zeg je ervan dat je vanavond met mij meegaat? Genieten we samen van de optocht. Dansje maken, drankje drinken. Morgen rijd ik je hoogstpersoonlijk voor tienduizend nog met een fiets naar de Grens.’

Kitty kijkt me aan met een blik die water doet verdampen en even denk ik dat ze gaat schelden. Dan valt een zwarte traan op mijn bureau.

‘Hij wil me vermoorden,’ zegt ze.

‘Wie?’ vraag ik.

‘Ik weet het niet, ik weet het niet,’ herhaalt ze en legt haar hoofd in haar handen. Snel grijp ik een tissue—altijd gereed voor dergelijke gevallen. Ze pakt het doekje en dept haar wangen.

‘Ik kan het me niet herinneren,’ zegt ze. ‘Wilt u me alstublieft helpen?’

Ik zou nee moeten zeggen.

 

Mijn handen liggen op het glas van de cabine van de zeppelin. Een raam dat naar voren helt zodat ik het gevoel krijg te vallen. Daar beneden zie ik duizenden mensen krioelen, als trage neurotransmitters door de zenuwbanen van de stad, de ontelbare straten en stegen van Nachtstad, langs de hotels, casino’s. Hoerententen, discotheken, nachtclubs, noem het maar, hun namen in fel neon, groter geschreven dan de werkelijkheid. Vals licht. Beloftes in de nacht. Eenmaal in Nachtstad wil je nooit meer weg. Als je hebt ontdekt dat je de baas kan zijn over je herinneringen. Een oneindig feest met de Reset als hoogtepunt.

Prijs de Reset.

Ik hoor zacht gekraak van leer en draai me om. Kitty is in de zware, rode fauteuil gaan zitten. Met mijn bourbon loop ik naar haar toe terwijl ik de lijn van haar gehoekte benen bewonder, mij afvragend waarom één van chroom is.

Waar ben ik mee bezig?

Ik ga zitten. De leren stoel vormt zich naar de gespannen spieren van mijn onderrug.

‘Was je TijdLijn helemaal opgeschoond?’

Kitty staart naar buiten, waar een andere zeppelin voorbij vaart en we zien dansende naakte mensen achter de ramen. Kitty kijkt me aan. Kort denk ik een rode blos te zien op haar wangen.

‘Zo goed als,’ zegt ze.

‘Enige aanwijzing?’ Ik wijs naar haar glimmende kunstbeen. Ze staart er een moment naar, alsof ze het nu pas opmerkt. Ze streelt kort het metaal.

‘Geboren in Nederland. Waar weet ik niet. En ik kan nog achterhalen dat ik in Rio ben geweest. Heb je gelezen wat sommige vloedvluchtelingen doen? Wellicht ben ik één of andere specifieke seksfantasie die in Brazilië haar nieuwe bestaan heeft verdiend en er genoeg van had.’ Haar knokkels worden wit.

‘Dus je kwam hier om dat te vergeten?’ vraag ik.

‘Misschien,’ zegt ze. ‘Het enige dat ik nog had toen ik ontwaakte na de Reset was mijn TijdLijn en de meest primaire gegevens. Wachtwoorden. Mijn naam. Voor de rest, niets.’

‘En toen?’

Ze buigt zich naar me toe.

‘Ik ontdekte al snel dat ik werd achtervolgd. Ik wilde weg, weg uit Nachtstad. Maar ik wist niet hoe. Dus vroeg ik rond en zocht manieren om Nachtstad uit te komen. En toen hoorde ik jouw naam. Dat jij dingen wist. Routes. Buiten het zicht van het Bedrijf.’

‘Maar wie zit er achter je aan, denk je? Iemand uit Rio? Een pooier? Als je bent gevlucht uit Rio is de kans groot dat iemand zijn investering terug wil.’

Voordat Kitty iets kan zeggen voelen we een schok. Het luchtschip begint af te meren aan één van de luchtdokken van een wolkenkrabber. Een zoeklicht tast door de rokerige cabine met lange levendige vingers van licht.

‘Nog één halte. We zijn er bijna,’ zeg ik. Ik hoor hoe een dek lager de buitendeuren van de zeppelin openen om passagiers in en uit te laten.

‘Wie is de kennis van je, die we gaan bezoeken?’ vraagt ze.

‘Iemand die volgens mijn TijdLijn nog een gunst aan mij tegoed heeft. Mijnheer De Weduwe. Gespecialiseerd in… alternatieve routes.’

‘Mijnheer De Weduwe? Wat is dat voor een naam?’

‘Een naam voor Nachtstad.’

Kitty schudt haar hoofd.

‘Ik ga me even opfrissen,’ zegt ze en staat resoluut op. Ze loopt naar de toiletten. Een man volgt wellustig haar wiegende tred tot hij mijn blik opmerkt. Ik hef mijn bourbon, glimlach en de man richt zich geschrokken tot zijn glas.

Ik staar naar buiten, naar het vuurwerk en de zoeklichten. Wanneer ineens het geroezemoes in de salon wegvalt, draai ik me om. Een man stapt onzeker door de ruimte. Hij lijkt moeite te hebben om zijn evenwicht te bewaren. Hij struikelt, leunt tegen een tafeltje en kan nog net voorkomen dat hij omvalt. Ik zie dat hij geen TijdLijn om zijn pols heeft zitten. Ik slik.

Zijn blik gaat door de salon en blijft een moment op mij rusten. Een onpeilbare leegte in zijn fletse ogen, met irissen als zwarte gaten die het licht van de wereld lijken op te zuigen. Het is een Verdwaasde. Natuurlijk, denk ik. Dat kan er ook nog wel bij: Verdwaasden, mensen zonder TijdLijn, zonder naam, zonder herinnering. Niets. Pure digitale dementie.

De Verdwaasde loopt naar één van de vrije fauteuils en gaat zitten. De kleren die hij aan heeft zijn vreemd. Misschien iets dat hij droeg toen hij zonder TijdLijn kwam te zitten. Een modebeeld dat de rest van Nachtstad besloot te vergeten. Een purser komt de salon binnen en bekijkt de Verdwaasde met walging, alsof hij een stuk rottend vlees heeft ontdekt.

‘Laat hem,’ zeg ik, ‘je kunt ze beter met rust laten.’

‘Hij jaagt de passagiers de stuipen op het lijf.’

‘Laat hem meevaren. Bemoei je maar niet met hem.’

Uit mijn ooghoek zie ik Kitty aankomen. De Verdwaasde merkt haar op en gaat staan. Snel stapt de purser naar voren en probeert zich tussen de Verdwaasde en mij op te stellen. Afwerend houdt hij zijn handen op. Maar de Verdwaasde loopt verder en lijkt de purser niet eens op te merken.

‘Hé,’ zegt de purser en wil de Verdwaasde bij zijn arm grijpen.

‘Raak hem niet aan,’ roep ik. Maar het is te laat.

Kitty slaakt een gil. ‘Dat is hem!’ roept ze.

Voordat ik kan reageren grijpt de Verdwaasde de purser. Tijd bevriest. Plots denk ik de Verdwaasde heel scherp te zien, scherper dan de rest van mijn omgeving. Even lijk ik de persoon te zien die de Verdwaasde ooit was. Bijna een vriendelijk man, denk ik, totdat de lege ogen zich weer op mij richten: gitzwarte knikkers die mijn ziel opzuigen. Mijn maag trekt zich samen in paniek en misselijkheid. Ik spring voor Kitty, net voordat de Verdwaasde in een snelle beweging de purser bij zijn nek pakt. Alsof de man een pop is, duwt de Verdwaasde hem met zijn gezicht naar de tafel. Met een hard, zompig geluid slaat zijn hoofd op het tafelblad. De Verdwaasde rukt de man omhoog, beweegt hem weer naar beneden, recht door een wegrollende fles. De glassplinters en bloedspetters vliegen overal heen. Mensen gillen.

De Verdwaasde kijkt verbaasd naar zijn handen, waar stukjes haar tussen de vingers zitten. Het slappe lichaam van de purser glijdt naar beneden en komt met een doffe plof op de dikke vloerbedekking van de rooksalon. Gerochel klinkt. Dan wordt het stil.

‘Ga rustig achteruit,’ sis ik naar Kitty. Ik houd mijn armen beschermend voor haar. Ik vraag me af wat ik kan uitvoeren tegen de agressieve Verdwaasde, die zich weer bewust wordt van Kitty en mij. Ik heb geen keus, grijp mijn pistool, haal de veiligheidspal over en richt het wapen op de Verdwaasde.

‘Stop,’ zeg ik. ‘Stop!’

Maar de Verdwaasde loopt onverstoorbaar onze kant uit. Als mijn wijsvinger het koude staal van de trekker van het pistool streelt is er twijfel. Ik richt naar beneden, schiet, pal voor de Verdwaasde op de grond.

‘Schiet hem toch neer,’ gilt Kitty achter me.

Maar ik wil dat niet, besef ik. Dus los ik nog een waarschuwingsschot. Het maakt de Verdwaasde alleen maar woester. Hij grijpt de rode leren fauteuil waar ik een minuut geleden zat. Moeiteloos rukt hij de zware stoel van de grond en werpt deze, bijna achteloos, onze kant uit. Net op tijd bukken Kitty en ik. De stoel vliegt over ons heen en breekt door het raam van de zeppelin. IJskoude lucht waait door het gebroken glas naar binnen. Dan zie ik het.

‘Kitty,’ roep ik, ‘we moeten springen!’

‘Springen?’

‘Als ik zeg ren, rennen we. Begrepen?’

‘Wat?’ vraagt ze terwijl ik nog eenmaal vuur voor de voeten van de Verdwaasde. Het weet hem net die ene seconde af te leiden die we nodig hebben.

‘Ren!’

Ik grijp de hand van Kitty en ren zo snel mogelijk naar het gat waar een paar tellen geleden het raam nog zat. De handen van de Verdwaasde komen vlakbij, missen ons op een haar. We springen en de kille nachtlucht giert langs ons. Pijnlijk raak ik het harde beton van het luchtdok bovenop de wolkenkrabber. Kitty belandt op mijn rug. We rollen over het plateau. Meer pijn. Geen tijd om ons daarover te bekommeren.

Ik werk me op handen en voeten en ga staan. Snel trek ik Kitty overeind en staar naar de zeppelin waaruit we zojuist zijn gesprongen. De Verdwaasde staat bij het gebroken raam. Ik zoek het meertouw waarmee het luchtschip vastzit en ruk het los, net op het moment dat de Verdwaasde ook de sprong maakt. De zeppelin verwijdert zich al van de rand. De Verdwaasde heeft te weinig snelheid en vliegt met zijn armen wild maaiend door de lucht. Toch denk ik even dat hij het haalt. Maar hij haalt het niet.

Net niet.

Hij belandt op de rand van het plateau en glijdt naar achteren, naar de afgrond en de verre straat beneden. Even remmen zijn vingers op het beton hem af. Zijn mond gaat open, alsof hij iets wil roepen maar er komen geen woorden. Hij verliest zijn grip en nagels scheuren op het harde beton. Een ijselijke gil. Dierlijk bijna. Hij verdwijnt, over de rand. Ik ren, kijk naar beneden, zie niets. Omhoog, naar de wegvarende zeppelin. Aan het losse meertouw hangt de Verdwaasde. Eén tel kijkt hij me aan en dan verdwijnt hij in de nacht.

 

‘Wat was dat voor iemand?’ vraagt Kitty hijgend. Ik leun met mijn hand op het knoppenpaneel van de lift. Het ruikt hier naar zweet en schoonmaakmiddel. Ik staar naar de hoeken, waar kleine hoopjes stof en vuil liggen. Een oude krant met gele vlekken ligt op de vloer en de chromen kunstvoet van Kitty prikt erin. Een ladder loopt over de kous van haar echte been.

‘Het is een Verdwaasde,’ zeg ik.

Ik voel me licht in mijn hoofd.

‘Waarom deed hij dat?’ Kitty schudt haar hoofd.

‘Deze mensen zijn niets meer. Personen zonder TijdLijn. Ongevaarlijk.’ Ik zucht. ‘Normaliter.’ Ik wil dit allemaal vergeten, terug naar mijn appartement en dit wissen uit mijn TijdLijn. Dan Reset, alstublieft. Prijs de Reset.

‘Eens was er een zaak,’ vertel ik. ‘Een moord die gepleegd bleek te zijn door een Verdwaasde. Iemand had de voorgaande cyclus zijn TijdLijn verwijderd en hem opgesloten in een kamer en de naam van het slachtoffer op de muur geschreven met daarachter: ‘Dood hem’. Toen kwam de Reset. En het enige dat die Verdwaasde nog kon doen was dat. Zijn enige doel. Een gecreëerde, perfecte moordenaar.’

Ik sla met mijn vuist op de wand van de lift.

‘Die lui uit Rio hebben een Verdwaasde achter je aan gestuurd!’

Kitty en ik kijken elkaar aan. Haar blonde golvende haar is nu een chaos, een verwaaide gouden storm.

‘Waarom woon je hier in godsnaam?’ vraagt ze. ‘Wie wil hier leven?’

‘Omdat je hier kan vergeten. Dat weet je zelf nu. Wie weet wat jij was?’

Ik kijk naar haar benen.

We zwijgen. Zwijgen tot een schorre gong klinkt en de liftdeur opent. De grote hal van het gebouw wordt verlicht door magistrale kroonluchters die duizenden kleine sterren verspreiden over een roodgeaderde marmeren vloer. Achter ramen zie ik de mensenmassa door de straat bewegen. Hoe dichter ik bij de deur kom, hoe beter ik de geluiden van de straat hoor. Gegil, gelach, muziek, nu nog dof. Bassdrums en Gomorra met het hoog eruit gefilterd. Ik grijp het koperen handvat van de deur en open deze. Een waanzinnige wereld van geluid spoelt over ons heen. Snel trek ik Kitty achter me aan. Ze komt dicht naast me lopen en haakt een arm in de mijne. We werpen ons tegen de stroom van dansende, zwetende en zwoegende mensen in. Met moeite komen we vooruit. Iedereen wil naar het centrum, wij juist de andere kant uit.

‘Hoe ver nog?’ vraagt Kitty.

‘Vlakbij.’

‘En dan?’

‘Bidden.’ Meer weet ik niet te zeggen.

Een paar mensen, gekleed in strak zittende witte pakken met veren op de rug, komen voorbij. Eén zet een feesthoedje op het blonde haar van Kitty. Iemand probeert mij te zoenen en ik duw hem hard opzij.

Wat doe ik hier verdomme op straat?

Ik kijk omhoog, de donkere nacht in. Allemaal zeppelins. Rook, licht, vuurwerk. Lawaai, herrie. Hysterie.

En iedereen zingt, neuriet. Een paar woorden. Als een mantra.

De Reset. De Reset.

Prijs de Reset.

 

Eindelijk, na drie blokken, zie ik de voorkant van de BinnenBuiten, de nachtclub van Mijnheer De Weduwe. Het aanzicht van de BinnenBuiten is een groot vlak van duizenden kleine gloeilampjes, die de symbolen van man en vrouw in rode lichtjes vormen. De pijl van het mannelijke symbool penetreert die van de vrouw, beweegt zelfs. Langzaam.

‘Oh, mijn God,’ zegt Kitty.

Voor de BinnenBuiten staat de uitsmijter, een meer dan twee meter lang wezen, met paarsig haar, overal, als een lilakleurige gorilla. Even vraag ik me af waarom iemand een dergelijk extreme cosmetische ingreep zou willen. Het effect is verwarrend, ontzagwekkend. Wat heeft deze persoon aan herinneringen achtergelaten?

‘Hallo, Bibi,’ begin ik tegen de gorilla. Priemende rode ogen flitsen mijn kant op.

‘Ja?’ kraakt zijn stem.

‘Ik ben het. Sam. Sam Vrijman. Ik wil Mijnheer De Weduwe graag spreken.’

Bibi kijkt me aan en ik word bang dat zijn ogen in lasertjes zullen veranderen en mij doormidden snijden.

‘Sam Vrijman?’

Diepe denkrimpels verschijnen in het gorillagezicht. Ik deins achteruit.

‘Ik heb een gunst van hem tegoed,’ zeg ik snel.

De dikke lippen van Bibi bewegen. ‘Een gunst?’

‘Ja,’ antwoord ik. Bibi denkt nog één tel na, neemt dan een stap opzij en opent de deur van de BinnenBuiten. Ik durf weer adem te halen.

‘Hallo, mop,’ brult hij richting Kitty, ‘leuk hoedje.’ Hij knipoogt zelfs.

We gaan naar binnen.

 

De atmosfeer in de BinnenBuiten bestaat uit een dichte mist van rook en zweet die je met een kapmes doormidden kan snijden. Aan de tafels zitten vele gasten te drinken en te praten. Sommige mensen slapen al, een half gevulde fles drank in de ene hand, de andere veilig op hun TijdLijn.

Voor het grote podium, dat bijna een derde van de BinnenBuiten in beslag neemt, staat een man met gepommadeerd haar, in een korenblauw pak over een geel overhemd met zwarte strepen. Hij staart om zich heen alsof hij de nachtclub bezit. Ik stap naar het grote podium waarvan ik nu zie dat het uit één grote spiegelvloer bestaat, Kitty dicht achter me aan.

Vlak voordat we bij Mijnheer De Weduwe aankomen, begint een band te spelen. Jazz. Harde drums mengen zich in de melodie. Mijnheer De Weduwe begint te klappen, trekt aan een dikke sigaar.

Uit mijn ooghoek zie ik een groep cancandanseressen opkomen, gekleed in doorzichtige gele petticoats met zwarte strepen, met daaronder korenblauwe kousen.

Aha, denk ik.

De band begint nog wilder te spelen en het publiek lijkt wakker geschud. Bezoekers beginnen enthousiast te klappen. Na een paar laatste stappen voel ik de zweterige hand van Mijnheer De Weduwe in de mijne.

‘Mijnheer Vrijman.’

‘Mijnheer De Weduwe.’

‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Ik heb nog een gunst van u tegoed,’ zeg ik.

‘Is dat zo?’

‘Volgens mijn TijdLijn heb ik een zekere Mimi Makkinga voor u gevonden op de nacht dat de BinnenBuiten vol zat met een managementdelegatie van het Bedrijf en er niemand anders was om op te treden.’

‘Het zegt me zo niets.’

‘Wellicht moeten we onze TijdLijnen vergelijken.’

‘Wat denk je,’ lacht Mijnheer De Weduwe, ‘dat een gunst niet in mijn TijdLijn staat? Alles gesynchroniseerd.’

De muziek zwelt aan. De cancandanseressen blijken aan lijnen vast te zitten en stijgen de lucht in. Hoog boven het publiek vliegen ze, tonen de binnenkant van hun petticoats en ik hoor bezoekers kreten van verbazing en lust slaken. Mijnheer De Weduwe staart ook omhoog. Een dunne, geniepige glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij grijpt me—hard—bij mijn schouder.

‘Oké, Vrijman, laten we tot zaken komen. Volg me maar.’

Ik duik in elkaar als de hakken van een danseres wel erg dicht in de buurt van mijn gezicht komen. Mijnheer De Weduwe stapt voor ons uit, richting een klein trappetje dat naar een deur onder het podium leidt. Kitty werpt me een korte, ongeruste blik toe. Ik haal mijn schouders op en schud mijn hoofd.

 

Trap af. Deur door. Een kantoor met een overdaad aan luxe. De muren zijn van glanzend hout waaraan dure schilderijen hangen. Kleine spotjes schijnen in kasten gevuld met een verscheidenheid aan voorwerpen. Ik zie door het Bedrijf verboden elektronica. In een andere kast staan wapens op mahoniehouten displays: oude zwaarden, klassieke messen. Revolvers, en zelfs een katana, zo’n vlijmscherp Japans zwaard.

Boven me hoor ik gestommel en tot mijn verbazing zie ik de danseressen vliegen. Het plafond van het kantoor is doorzichtig en ik begrijp dat het oppervlak van het podium één reusachtige eenrichtingsspiegel is. De danseressen dalen, rollen in opwindende poses over het podium. Hun gezichten en lichaamsdelen zijn slecht een meter bij me vandaan. Ik zucht maar weer eens.

‘Mijnheer De Weduwe, ik heb vervoer nodig.’

‘Een taxi?’

‘Waarheen ik vannacht wil, rijden deze niet.’

‘We willen naar de Grens,’ zegt Kitty. Mijnheer de Weduwe bekijkt Kitty van onder naar boven. Zijn blik blijft slechts kort rusten op haar chroom.

‘De Grens? Met de Reset over een uur? Heel onverstandig.’

‘Dat is onze keuze,’ zeg ik.

Mijnheer De Weduwe kijkt ontevreden.

‘Ik word achtervolgd,’ zegt Kitty, ‘iemand wil mij doden.’

‘Er gebeuren wel meer vreselijke dingen vannacht,’ zegt Mijnheer De Weduwe. Hij bladert door zijn TijdLijn en trekt aan zijn sigaar. De rook kringelt richting het doorzichtige plafond en blijft daar zweven als een ongrijpbare blauwige herinnering.

‘Aha. Nou, Vrijman. Ik zie dat het klopt. En ik kom altijd mijn beloftes na. Je kunt mijn privé-luchtballon nemen. En ik zou het zeer op prijs stellen deze in één geheel weer terug te ontvangen.’

Mijnheer De Weduwe toont zijn TijdLijn aan me. De herinnering aan de gunst staat in beeld. Ik zoek mijn herinnering met dezelfde tijdcode. Met onze linkerhanden houden we elkaars polsen vast. Met de rechter drukken we tegelijkertijd op het rode kruisje om de herinnering te wissen. Een piepje klinkt. En daarmee is het afgerond. We geven elkaar een hand, hij draait zich om en loopt naar de drankkast.

‘Sam,’ fluistert Kitty.

Ik doe mijn hand in de lucht om aan Kitty duidelijk te maken dat ze nog even stil moet zijn.

‘Sam,’ herhaalt ze, harder. Ik draai me om. Ze kijkt me angstig aan en wijst naar boven. Ik kijk. Daar staat hij. De Verdwaasde van de zeppelin.

‘Dit is niet het moment om naar de Grens te gaan.’ Mijnheer De Weduwe praat door terwijl hij glazen met goudgeel whisky vult, zich niet bewust van het gevaar boven hem. Ik neem een paar voorzichtige stappen richting Kitty, die ademloos naar het plafond annex vloer staart. Ik hou mijn wijsvinger tegen mijn lippen. Nutteloos, want Mijnheer De Weduwe praat door.

‘Morgen ben ik dit gelukkig vergeten. Zoals ik altijd zeg: Problemen worden vergeten in de cyclus waar ze ontstaan. Prijs de Reset.

Ik grijp de pols van Kitty en zoek een alternatieve uitgang. Mijnheer De Weduwe draait zich om, twee glazen in zijn hand, en merkt onze spanning op. Ik probeer te gebaren dat hij stil moet staan, duidelijk te maken dat hij niets onverwachts moet doen. Maar hij begrijpt het niet. Zijn blik zweeft al naar boven.

Eén van de danseressen belandt, precies op dat moment, hard op de grond. Rode spetters bevlekken de spiegel. We zien andere danseressen gillen maar horen ze niet. Een gele petticoat scheurt kapot, dwarrelt naar het glas. Het wordt donkerder in het kantoor. De Verdwaasde loopt boven ons, snuffelend als een hond. De glazen whisky vallen. De Verdwaasde stopt en lijkt te rillen. We staan doodstil. Heel langzaam beweegt het gezicht van de Verdwaasde naar zijn voeten en onze hoofden. Alsof hij weet dat wij daar staan en niet onzichtbaar zijn onder het glas.

‘Wie?’ begint Mijnheer De Weduwe.

‘Stil,’ zeg ik, ‘dit is degene die ons achtervolgt. Is er hier een andere uitgang?’

Mijnheer De Weduwe wijst naar één van de kasten. Hij stapt erop af, beweegt een voorwerp in de kast. Er klinkt een klik. De kast schuift opzij en ik zie een gang, verlicht door kleine, blauwe noodlampjes.

We rennen, terwijl iets zachts boven ons hard met het glas botst.

 

De geheime gang eindigt bij een ladder. Na tientallen meters klimmen, komen we op het dak van de BinnenBuiten, waar aan een krakkemikkig platform een klein luchtschip is afgemeerd. Stiekem had ik gehoopt op iets moderns maar ik zie een oude, rode heliumballon met kale plekken, boven een dichte gondel vol roestplekken en deuken.

‘Moeten we daarmee?’ vraagt Kitty. Ze stopt.

Ik haal mijn schouders op. ‘Zolang het vliegt, vind ik het best.’ Ik loop verder.

Mijnheer De Weduwe zegt: ‘Dit is een klassieke Skyfloater IX DeLuxe. Een topstuk.’

‘Een topstuk van honderd cycli geleden, zal je bedoelen,’ flap ik eruit.

‘Er zijn grenzen aan mijn incasseringsvermogen.’ Mijnheer De Weduwe ontgrendelt het toegangsluik van de Skyfloater IX DeLuxe. Met zacht gesis gaat het open en hij stapt naar binnen. Ik zie witte leren stoelen, wit hoogpolige tapijt, witte hoogglanzende wanden. Achter me hoor ik Kitty een kreet van verbazing slaken.

‘Een DeLuxe, ik zei het toch!’ zegt Mijnheer De Weduwe en hij gaat op één van de stoelen zitten. Hij drukt op een paar knoppen en de motor start. Twee zilveren propellers beginnen te draaien.

‘Ik kan zelfs de touwen vanaf hier losmaken,’ roept Mijnheer De Weduwe over het luider wordende gebrul van de motor. Ik knik en draai me naar Kitty om te zeggen dat ze de gondel in moet stappen.

Het luik dat de geheime gang afsluit klapt open. De Verdwaasde verschijnt. Begint te rennen.

‘Kitty, achter je!’

Dan zie ik iets vreemds. Het is net of ik, heel kort, een glimlach op haar gezicht zie. De Verdwaasde brult. Ik denk aan mijn pistool en probeer het onder mijn jasje uit te halen. Dan komt Kitty in beweging. Ze duikt in elkaar, haar ene hand gaat naar de grond en ze strekt haar kunstbeen naar achteren. Ze springt de lucht in. Vijf meter hoog.

Wat…

Er moet een soort veer in het been zitten, besef ik.

Na een korte vlucht landt ze, een meter voor de Verdwaasde. Onmiddellijk begint ze in de rondte te draaien, haar landing combinerend met een zwierende karatetrap waarbij haar voet in perfecte synchronisatie contact maakt met het hoofd van de Verdwaasde. Hij vliegt ver door de lucht en belandt hard op het dak.

Mijn mond valt open. Tot mijn verbazing komt de Verdwaasde weer overeind. Dan zie ik dat hij iets in zijn hand heeft. De katana. Ik probeer Kitty te waarschuwen. Maar ze heeft de volgende sprong al gemaakt. Links, rechts. Een harde trap. De Verdwaasde beweegt het vlijmscherpe Japanse zwaard en Kitty gebruikt haar dans en kunstbeen om de slagen af te weren. Staal op chroom. Vonken spetteren door de lucht.

Plots besef ik dat het dak en Kitty bij me vandaan bewegen. Met een ruk draai ik me naar Mijnheer De Weduwe en zie hoe hij aan een mahoniehouten stuur draait. Hij is opgestegen. Zonder te wachten op Kitty.

‘Hé,’ schreeuw ik, ‘ben je gek geworden? Kitty is nog op het dak.’

‘We moeten maken dat we hier wegkomen,’ antwoordt Mijnheer De Weduwe, ‘en zo te zien redt ze zich prima.’

Kitty. De Verdwaasde blijft haar nog steeds aanvallen. Hij doet een onverwachte uitval en ze valt op de grond.

‘Nee,’ gil ik.

De Verdwaasde aarzelt. Draait. Staart me aan. Langzaam stapt hij op Kitty af en heft de katana de lucht in.

Nee, denk ik. Nee.

Metaal tegen mijn vingers. Ik voel de trekker van het pistool.

‘Schiet!’ roept Kitty.

Ik richt. Haal de trekker over. Het eerste schot is mis. Stukken beton spatten op. De Verdwaasde aarzelt. Die blik. Die lege, trieste blik. Het volgende schot is raak, tussen zijn ogen. En dan verdwijnt zelfs de triestheid. Langzaam zakt de Verdwaasde op de grond. De katana rolt weg. Kitty komt overeind en staart naar de vertrekkende zeppelin.

 

Er is een paarse flits en daar zie ik Bibi de gorilla over het dak rennen, richting Kitty. Hij springt over de dode Verdwaasde, grijpt Kitty en rent naar de rand van het dak. Een reusachtige sprong en een paarse klauw grijpt de rand van de gondel.

Ogenblikkelijk hangen we scheef. Heel scheef.

Ik struikel, beland op het hoogpolige tapijt en begin naar de deuropening te glijden. Ik kan me nog net vastgrijpen. We komen nog schever te hangen.

‘Laat los, laat los,’ gilt Mijnheer De Weduwe.

‘Grmph, grmph,’ zegt Bibi.

Kitty klampt zich stevig aan Bibi vast.

‘Grmph, grmph,’ herhaalt de gorilla. Ik probeer te begrijpen wat de aap bedoelt. Dan pakt hij Kitty bij haar arm, trekt haar omhoog. Ze steekt haar hand uit, die ik vastgrijp. Ik probeer haar de gondel in te trekken.

We komen nog schever te hangen.

‘Nee, nee, nee,’ gilt Mijnheer De Weduwe, staat op uit zijn kapiteinsstoel, maar valt direct omver en rolt naar de uitgang. Net voordat Mijnheer De Weduwe naar buiten glijdt weet ik, met mijn allerlaatste krachten, Kitty naar binnen te trekken.

‘Grmph, grmph.’

Twee armen zitten om de nek van Bibi. Mijnheer De Weduwe heeft de gorilla weten vast te grijpen. Vanachter de paarse haren kijkt hij me vernietigend aan.

Maar Bibi lijkt te glimlachen—voor zover een paarse gorilla kan glimlachen—en laat de rand los. Ik hoor Mijnheer De Weduwe gillen.

De gondel hangt weer recht. Op handen en voeten kruip ik naar de deuropening. Ver beneden zie ik Bibi, die naast een wild gesticulerende Mijnheer De Weduwe staat, vrolijk naar me zwaaien. Kitty komt naast me kruipen en zwaait terug. Langzaam varen we het duister in, richting de Grens.

 

Ik neem nog een slok van de bourbon die ik in de rijk gevulde drankkast van de Skyfloater IX DeLuxe heb gevonden. Kitty zit op de kapiteinsstoel en draait zachtjes aan het stuurwiel. De gebouwen en het licht van Nachtstad hebben we achter ons gelaten. Enkel de weg is nu te zien; de eenzame weg die vanuit Nachtstad naar de Grens loopt. Lichtmasten naast het asfalt zetten de kale omgeving in een groen spookachtig schijnsel.

‘Waarom kiest iemand voor Nachtstad?’ vraagt ze, terwijl ze vooruit staart.

‘Omdat je hier opnieuw kan beginnen. Alles achter je laten.’

‘Het voelt leeg.’

‘Nee, het is bevrijdend. Al je slechte herinneringen zijn weg. Hier kun je daadwerkelijk zijn wie je wil zijn. Prijs de Reset.’

‘Maar je vergeet degene die je vroeger lief had?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Wat zijn we zonder die herinneringen?’

‘Onze herinneringen zijn niet wat ons maakt. Dat is een vergissing. Het enige dat ons maakt is wat we willen zijn. Wat we op onze TijdLijn vastleggen.’

Een traan loopt over haar wangen.

‘Nog een half uur,’ zeg ik na een blik op mijn TijdLijn.

‘Wil jij niet weg?’ vraagt Kitty.

‘Nooit,’ zeg ik.

Kitty laat het stuurwiel los en staat op.

‘Ga je mij onthouden?’

Ik glimlach.

‘Ik denk dat ik deze avond wat te heftig vond. Blijf. Zo niet, dan vergeet ik je liever.’

Ze staart me lang aan, en ik voel me ongemakkelijk worden.

‘Stuur jij maar even,’ zegt Kitty. ‘Ik denk dat ik nog één drankje nodig heb, als afscheid. Jij ook?’

‘Ach ja,’ zeg ik, ‘nog eentje dan.’

Ik kijk naar de weg en hoor hoe ze de glazen vult.

 

Eindelijk zien we het blauwe schijnsel van de Grens. Ik neem de laatste slok van de bourbon en laat de ballon dalen naar één van de meerpalen. Met een zachte plof bereiken we weer vaste wal. Ik stap uit, langs een droef kijkende Kitty en maak het touw vast. Even verderop zijn de hekken van de Grens die tevens de reikwijdte van de Reset aangeven. Daarachter stopt het effect abrupt, weet ik.

We hebben het gehaald. De wereld van de ware herinneringen.

De weg loopt verder, naar een opening in het hek en een gesloten slagboom. Naast de slagboom zit een oude bewaker op een nog oudere houten stoel. Een pet bedekt zijn ogen. Als we dichterbij komen, wordt hij wakker. Met zijn wijsvinger duwt hij de pet omhoog. Zijn wenkbrauwen gaan omhoog en ik zie verbazing. Hij gaat staan.

‘Goedenavond,’ zegt hij met krasse stem.

Kitty loopt op hem af.

‘Wilt u weg?’ vraagt hij verbaasd.

Kitty pakt iets uit haar handtasje. Er klinkt een zacht plofje en twee draden boren zich in het uniform van de oude man. Blauwe vonken spetteren. De man begint in elkaar te zakken. Kitty vangt hem op en bijna teder laat ze hem weer op de stoel glijden.

‘Sorry,’ fluistert ze.

‘Maar…’ begin ik.

‘Kom met me mee, Sam.’

Ik schrik van de toon in haar stem.

‘Nee,’ roep ik, starend naar de bewusteloze bewaker. ‘Waar ben je mee bezig?’

‘Ik wil dat je meegaat. Met mij. Hier vandaan.’

‘Waarheen? Waar heb je het over? Ik blijf hier. Hier in Nachtstad!’

‘Nee, Sam. Je begrijpt het niet. Wij horen bij elkaar. Je moet met mij mee.’

Er klinkt een dwingende piep vanaf mijn pols. Ik kijk naar mijn TijdLijn. De laatste minuten tikken weg.

‘Maar… Waarom?’

‘Eens,’ begint ze, ‘woonden Sam Vrijman en Kitty Janssen in Nederland, voor het onderliep, in een klein stadje genaamd Groningen. Sam woonde daar met zijn ouders. Hij had een vader die altijd dronk en sloeg. En op een ochtend was je moeder verdwenen.’

Kitty slikt. ‘En die middag kwamen zij erachter dat ze zich voor een trein had gegooid. En de vader vond het allemaal de schuld van Sam. Arme Sam.’

Ik hoor de woorden maar ik wil ze niet horen. Ze doen pijn. Herinneringen doen pijn, had ooit iemand mij verteld, en het blijkt echt waar te zijn.

‘En toen sloeg hij nog harder. Dus zorgden we ervoor dat hij je nooit meer kon slaan. En we gingen weg. Ver bij Nederland vandaan. Naar Rio, waar niemand ons kon vinden, en we waren gelukkig. Gelukkig!’

‘Ik wil dit niet horen,’ roep ik.

‘Maar het werd jou teveel. De herinneringen aan je verleden, de herinneringen aan wat er was gebeurd. Wat je gedaan had. Dus wilde je naar Nachtstad. Om het te vergeten. Zelfs om mij te vergeten. Ik smeekte je te blijven. Maar je zei dat het mijn schuld was. Dat ik het jou had laten doen.’

Haar ogen vullen zich met tranen.

‘Maar je ziet het verkeerd. Ik hou van jou.’

‘Nee!’

Ik schud hard mijn hoofd, draai me om en begin terug te lopen. Terug naar het luchtschip. Terug naar Nachtstad. Terwijl ik loop word ik misselijk en de wereld om mij heen begint te draaien. Ik voel mijn benen zwaar worden. Ik neem nog een stap maar mijn benen lijken wel van lood en ik val op mijn knieën, op het harde asfalt van de weg. Nog net kan ik mezelf overeind duwen maar ik rol om en kom in het zand naast de weg terecht. Ik proef stof.

Ik draai mijn gezicht. Richt me op Kitty, die vlak voor de slagboom staat.

‘Kom met me mee, Sam. Ik smeek het je. Vergeet Nachtstad.’

De bourbon, denk ik. De bourbon die ze voor me inschonk. Ze moet er iets in hebben gedaan.

‘Nooit,’ weet ik over mijn lippen te persen.

‘Sam. Herinner me!’

‘Nee. Ik wil hier blijven. Ik wil je niet herinneren.’

En dan is er stilte. Seconden. Minuten. Totdat er een piep klinkt. De laatste waarschuwing. Eén minuut tot de Reset.

‘Het spijt me,’ zegt ze eindelijk, ‘het spijt me zo. Ik dacht dat het dit keer zou lukken. Dat je nu wel met me wilde meegaan.’

Ze pakt iets uit haar handtasje, een ingewikkeld uitziend apparaatje. Ze loopt naar me toe. Haar hand gaat naar mijn pols.

Nee, denk ik. Nee.

Ze plaatst het apparaatje over mijn TijdLijn en er klinkt een klik, daarna een sissend geluid als van ontsnappend stoom. Ik voel de neurale connectie verbreken. Ze staat op, de TijdLijn in haar hand. Mijn TijdLijn. Mijn herinneringen. Mijn keuzes. Mijn leven.

‘Het spijt me, het spijt me. Nu zal ik het goed doen, de volgende keer ga je wel met me mee. Ik zal je terugkrijgen. Je terugvinden. Ik zal mijn Sam terugvinden.’

Dan besef ik dat ze niet meer tegen mij praat. Ze praat tegen mijn TijdLijn. Ze klampt het vast alsof hij haar dierbaarste bezit is.

En plotseling begrijp ik het. Te laat.

Ik ben mijn TijdLijn.

 

Ze stapt over de Grens, loopt weg en draait zich niet meer om.

Ik kijk naar het zand voor me. Met een laatste inspanning weet ik mijn wijsvinger in het zand te wurmen. Moeizaam krabbel ik letters.

De grond begint te trillen.

De hemel wordt wit. Onvoorstelbaar fel, wit en wissend.

Mijn hersenen worden ondergedompeld in iets dat voelt als ijskoud kwik.

Ik tuur naar mijn woorden in het zand.

Dood Kitty Janssen.

En zo begint het.

 

Reset.