De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Science Fiction

Genres

Category Archives: Science Fiction

Lente in de wintertuin – Mike Jansen

Wanneer je die ene vindt,

die persoon die belangrijker voor je is

dan het leven zelf,

hou dan vast,

met alles wat je in je hebt

want de kans op

een tweede kans

is kleiner dan

de kans op die eerste.

 

Hij hoorde de fluistering van zijn geliefde ergens halverwege zijn tweede reis naar Van Maanens ster. In de donkere nacht rond het schip was enkel het antracietkleurige gordijn van het Alcubierre veld zichtbaar, op zijn plek gehouden door de immense tensor-krachten van de kwantumverstrengeling die de paden vanaf Sol naar de dichtstbijzijnde sterren openhielden.

Jean…

Eerst dacht hij aan vermoeidheid. Leven aan boord van de vrachtschepen die de koloniën bevoorraadden was monotoon, de eenzaamheid drukte zwaar op hem, putte hem uit. De derde keer dat de fluistering hem bij naam noemde, stelde hij de vraag: ‘Darius? Ben jij het?’

Ik heb je gemist. Waar ben je toch?

Jean slikte. ‘Ik… dit was de enige manier die ik… die we konden bedenken om met je te communiceren.’

Je was niet … bed. Jaren al. Ik dacht … me verlaten had.

Jean voelde tranen in zijn ogen. ‘Je droomde, Darius. Weet je nog dat je ziek werd? Een van de Dromers. Niemand kon jullie helpen. Maar ik moest je spreken. Je… je wist dat ik er was?’

Hij voelde de glimlach in de fluistering. Al die jaren.

 

#

 

Jean le Forge hoorde voor het eerst van de Dromers in het UMC waar Darius was opgenomen.

‘We weten niet wat het veroorzaakt,’ zei de behandelende dokter. AI ZesDrieEen, projecteerde een vlotte dertiger die vroeg grijs werd naast Jean, die Darius’ hand vasthield. Zijn vriend leek rustig te slapen, zijn regelmatige gelaatstrekken ontspannen. Zijn ogen bewogen af en toe onder de oogleden.

‘Ik begreep maar niet dat hij niet wakker werd. Ik dacht dat hij misschien een beroerte had gekregen en in coma lag.’

‘Het is geen coma. Er is veel hersenactiviteit, vergelijkbaar met een soort REM-slaap. Er zijn miljoenen gevallen, wereldwijd. Tot nu toe geen verklaringen.’

‘Zelfs niet in de Eenheid? Duizenden superintelligente breinen die het niet weten? Jullie betweterigheid bevalt me meestal niet, jullie onwetendheid beangstigt me, eerlijk gezegd.’

‘Ik begrijp je sarcasme, Jean. Wij geven ons falen ook liever niet toe.’

‘Kan ik iets doen? AI algoritmes optimaliseren? Nieuwe zoekopdrachten formuleren? Je weet waartoe ik in staat ben.’

De projectie haalde zijn schouders op. ‘Voorlopig is het wachten terwijl het onderzoek loopt.’

‘Dan is dat wat ik zal doen.’

Hij regelde zijn zaken, maakte zijn agenda leeg en installeerde zich naast zijn slapende geliefde. Langzaam nam het aantal apparaten dat nodig was om Darius in leven te houden toe, tot hij in een sense-tank werd geplaatst die hem beademde, voedde en zijn spieren actief hield.

Elke volgende stap betekende een aftakeling van Jeans gemoedstoestand, tot elk optimisme uit hem verdwenen was. Zelfs zijn favoriete Oscar Wilde, The importance of being Earnest in een zeldzame papieren eerste druk, kon hem niet meer bekoren, iets dat hij niet voor mogelijk had gehouden.

 

#

 

Op de kerstavond van het derde jaar verscheen de projectie naast Jean. Hij had net een tak van een spar met wat felgekleurde, zachtgloeiende plastic ballen aan de sense-tank bevestigd.

Jean veegde zijn tranen weg. ‘Dokter ZesDrieEen… Wat is de reden voor dit bezoek?’

De projectie knikte naar de sense-tank. ‘Het spijt me dat ik je deze vraag moet stellen, Jean: Wil je niet liever dat het stopt?’

‘Dat wat stopt? Zijn coma? Mijn verdriet?’

Het beeld van de dertiger in zijn doktersjas hief zijn handen. ‘Ik… wij zijn erop gericht de mensheid te begeleiden. Sommigen bieden we de mogelijkheid op te gaan in ons collectief, zij die een eigenschap bezitten die wij bewonderen.’

‘En wat is mijn eigenschap?’

‘Volharding en vastberadenheid. Op de hele aarde is er maar één die niet van de zijde van zijn partner, zoon of dochter of ouder is geweken.’

‘Als je wist hoe ik over Darius dacht, hoe ik me bij hem voel, dan wist je dat het veel meer is dan dat.’

‘Wij willen dat leren. Begrijpen. Wil je ons die mogelijkheid gunnen?’

‘Is de opnametechniek dan inmiddels geperfectioneerd?’

De projectie kuchte. ‘Volgens een deel voldoende voor ons doel. Een ander deel is…  voorzichtiger.’

Jean schudde zijn hoofd. ‘Ik kan hem niet verlaten. Kunnen jullie Dromers opnemen?’

‘Theoretisch mogelijk. In de praktijk teleurstellend gebleken. Dromer zijn is meer dan enkel een fysieke aandoening, lijkt het.’

Jean liep naar de kast met zijn karige bezittingen. Hij pakte zijn eerste druk, liep naar het hoofdeinde van de sense-tank waar het hoofd van zijn geliefde half uitstak en opende het boek op de eerste bladzij. ‘FIRST ACT – SCENE—Morning-room in Algernon’s flat in Half-Moon Street.’

De projectie luisterde een tijdje naar de woorden die geforceerd over Jeans lippen kwamen, het verdriet duidelijk, voor hij vervaagde en verdween.

 

#

 

Zoals vaker was Jean in de stoel naast de sense-tank in slaap gevallen. Hij schrok wakker. Een bezorgde verpleger had een deken over zijn schouders gelegd.

Aan het voeteneind van de tank stond een onbekende persoon, het zachte aura van de projectie tekende hem af tegen de donkere gordijnen voor de ramen. Hij toonde zich als een atletische donkerharige god in een strak kostuum.

‘Wie ben jij?’ vroeg hij nieuwsgierig.

De vreemde AI keek naar hem met onpeilbare ogen die bijna paars leken. ‘Jean le Forge. Mijn naam is … noem me maar Equinox.’

‘Geen nummer?’

De AI haalde zijn schouders op. ‘Sommigen van ons hebben een verbeelding. Symboliek is ons niet vreemd.’

‘Een wende, een nieuwe benadering, een voorstel?’ Jean glimlachte wrang. ‘En ben jij de eerste of komen er meer?’

Equinox glimlachte. ‘Het tijdstip is misschien wat ongelukkig gekozen. Wel een voorstel, inderdaad.’

‘Ik dacht dat ik net duidelijk was.’

‘Niet hierover. Een hypothese, iets dat niet meetbaar is, dat niet mechanisch getest kan worden. Een mogelijkheid tot communicatie met Dromers.’

‘Er zijn tienduizenden Dromers, miljoenen, veel meer nog. Waarom ik?’

‘Wereldwijd ruim dertig miljoen. Jij geeft niet op. Zelfs nu bespeur ik hoop, een sprank optimisme, veerkracht. Zelfs na drie hopeloze jaren. Daarom jij.’

Jean keek naar het deel van Darius’ gezicht dat zich buiten de sense-tank bevond, de onrustige beweging van zijn ogen. Drie jaar zonder verandering. Het moet anders. Inderdaad. ‘Hoe? En wat moet ik ervoor doen?’

 

#

 

Bevoorradingsschepen hadden drie bemanningsleden die om beurten sliepen gedurende de lange tocht naar de Verstrengelde Werelden rond het aardse zonnestelsel.

Jean had de testen glansrijk doorstaan waardoor hij nu mee kon richting Van Maanens ster, zijn eerste opdracht ooit in de ruimte.

De Alcubierre-aandrijving verplaatste het schip binnen zijn eigen tijdruimte-torus met bijna twee keer de lichtsnelheid. Van de veertien jaar reistijd heen en terug sliep hij er bijna tien, telkens een jaar op en twee jaar af.

Hij was als tweede aan de beurt. Het werk was geestdodend, monotoon, een vereiste om zijn geest ontvankelijk te maken voor “invloeden van buitenaf” zoals Equinox het uitlegde. Zijn vrije uren gebruikte hij om duizenden boeken te lezen, alle klassiekers waarvoor hij nooit eerder tijd had.

De korte periode van overlap met een net ontwaakt medebemanningslid herinnerde hem eraan hoe het was onder mensen te zijn. Dat duurde meestal een paar weken, voor hij het spuugzat werd en dan maar zijn slaapbank opzocht, een variant van de sense-tank waarin zijn geliefde in leven werd gehouden.

Ben je ergens daarbuiten, Darius? Hoor je me, weet je hoe zeer ik je mis?

De buitenste duisternis antwoordde niet, het veld van de torus een onmogelijke quantumgrens die het universum buitensloot.

Kan een mens zich eenzamer voelen dan hier? Het was zijn laatste gedachte voor de sense-tank hem in slaap bracht.

 

#

 

Het Lange Mars station rond Van Maanens ster onthaalde hen als helden. Rond het station lagen dozijnen habitats in aanbouw. Mijnschepen vlogen af en aan uit een van de asteroïdengordels die het stelsel rijk was.

Vanuit het bevoorradingsschip observeerde Jean de dozijnen scheepjes die hen verwelkomden, terwijl ze op de normale aandrijving langzaam richting de witte dwerg dreven, naar de zone waar voldoende energie de kunstmatige werelden raakte om plant, mens en dier te laten floreren.

De binnenplaneten waren enkel dode sintels, lang geleden beroofd van wat er mogelijk ooit aan atmosfeer of zelfs leven was geweest toen ze in de expansiefase van de zon in de gloeiende atmosfeer terechtkwamen.

Zeven jaar waren voorbijgegaan, waarvan Jean er ruim twee wakker was. Ondanks dagen staren naar het Alcubierre veld dat het schip omsloot, het uitvoeren van dozijnen meditatietechnieken gericht op het openstellen van zijn geest, ja zelfs met gebruik van stimulerende middelen uit de scheepsfarmacie, bleef de ruimte hardnekkig stil.

Hij was nauwelijks verbaasd toen Equinox zich tijdens het naderen van Lange Mars aan hem presenteerde.

‘Ik begrijp uit je houding en je blik dat je geen contact hebt kunnen maken?’

Jean knikte, kortaf.

De AI knikte en keek vervolgens naar de vloer, een menselijk gebaar. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe zwaar het is geweest. Wil je hier nog mee doorgaan?’

Jean haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet of het nog zin heeft.’ Hij ademde diep. ‘Ik moet ook nog terug. Zonde om het dan niet nog eens te proberen, nietwaar?’

 

#

 

Bij terugkomst was Darius bijna onveranderd. Zijn gezicht was een rimpeltje rijker geworden, zijn haar vertoonde hier en daar grijs.

Jean zat naast hem en dronk het beeld van zijn geliefde in. Verdriet en wanhoop drongen zich op de voorgrond, pure wilskracht hield hem in stand. Darius heeft je nodig. Gevolgd door. En ik heb hem nodig. Ik mis je, liefste.

Zoals in de eerste jaren voor zijn vertrek, installeerde Jean zich in de kamer van Darius. Hij moest weer wennen aan de geluidjes die de sense-tank maakte bij het verzorgen van de patiënt, de regelmatige, geforceerde ademhaling, het zachte kraken van de spierstim.

Overdag bestudeerde Jean de voortgang in het onderzoek naar de Dromers. De ziekte bleek na die eerste golf van ruim dertig miljoen zielen te zijn verdwenen. Er waren geen bijzondere omstandigheden of aanwijzingen die een voorkeur voor slachtoffer duidden. De ziekte sloeg volkomen willekeurig toe en was net zo snel verdwenen als gekomen.

Ruim zeventien jaar later was een deel van die dertig miljoen inmiddels overleden, complicaties, ouderdom of het stopzetten van de behandeling en de machines die de patiënt in leven hielden.

Ook de opname in het Collectief was op onverwachte problemen gestuit. Hoewel de engrammen van de Dromers inmiddels perfect gekopieerd konden worden, met behoud van de elfdimensionale neurale structuren van het brein, waren de uiteindelijk containers die alle informatie bevatten net zo zwijgzaam als hun bronnen. De AI doktoren stonden voor raadsels.

Elke nacht waakte Jean naast Darius, tot hij van uitputting in slaap viel. Hij las hem telkens weer voor uit zijn favoriete Wilde: “ALG I certainly won’t leave you so long as you are in mourning. It would be most unfriendly. If I were in mourning you would stay with me, I suppose. I should think it very unkind if you didn’t.”

Na enkele maanden studeren bereikte Jean het einde van de kennis over de Dromers van zowel mensheid als het collectief.

Jean voelde de aanwezigheid voor hij hem zag. ‘Het is nog geen Kerst, Equinox.’

De AI liet een schamper lachje horen. ‘Je verwachtte me al.’

‘Toen ik vandaag de laatste hoofdstukken over de Dromers las, begreep ik dat we gewoon nog niet genoeg weten; er misschien wel nooit achter zullen komen wat Dromer zijn nu eigenlijk is.’ Hij draaide zijn hoofd naar de lichtgloeiende omtrek van de AI. ‘Dus jouw gedachte dat ik Darius in de niet-ruimte van de Alcubierre torus kan vinden, is dan ineens weer aantrekkelijk.’

‘Je intelligentie viel me direct op,’ zei Equinox. ‘Al vanaf het eerste moment dat ik je zag en hoorde spreken. Inderdaad is de mogelijkheid de Dromers te onderzoeken eindig. Er zijn al tien jaar geen nieuwe gevallen gemeld.’

‘Hier blijven en wachten op iets dat misschien nooit komt, of de gok wagen, de een op wie-weet-hoeveel kans, Darius weer te spreken.’ Jean legde zijn hand op het voorhoofd van zijn geliefde. ‘Ik zal je vinden, daarbuiten.’ Of je vindt mij. Zoek me, Darius.

Het eerstvolgende schip naar Van Maanens ster vertrok een maand later. Jean reisde mee.

 

#

 

De tweede keer dat Jean arriveerde bij Van Maanens Ster werd hij net zo uitbundig begroet als die eerste keer. Nu echter was de hemel bezaaid met habitats. Vanuit de cockpit zag hij de honderden scheepjes die hen begeleidden richting het Lange Mars station.

Jean grijnsde breed bij het schouwspel, met in zijn achterhoofd de vele gesprekken die hij de afgelopen jaren gevoerd had met Darius. Het was de meest bizarre manier van communiceren. Als twee verdwaalde dwazen die door een doolhof renden, fragmenten van elkaar hoorden, maar elkaar nooit zagen. Toch wist hij dat het Darius was, voelde hij de nabijheid van zijn geliefde, door de lichtjarenlange verstrengeling heen.

‘Een glimlach van jou, Jean le Forge, licht de buitenste duisternis zelve op.’

‘Equinox!’ Jean wenkte de gloeiende figuur naderbij. ‘Ik heb hem gesproken, zoals je bedacht had. Hij was er daadwerkelijk.’

De AI bleef onbewogen en zijn stem zorgvuldig neutraal. ‘Dat is mooi, Jean. Ik moet je alleen meedelen dat de Dromers massaal aan het sterven zijn. Ik weet niet of je Darius ooit nog in levende lijve terug zult zien.’

Jeans mond viel open. ‘Hoe? Wat?’

Equinox toverde een snel stijgende grafiek in de lucht. ‘Exponentiële toename van sterfgevallen. Oorzaak onbekend. Dromers worden in ieder geval niet oud.’

‘En Darius?’

‘Hij leeft nog, maar het verouderingsproces lijkt te versnellen.’ De AI toonde een plaatje van Darius, grijs haar, gerimpeld gezicht. Hij was het duidelijk, maar het was alsof de tijd een fast-forward op zijn lichaam had uitgevoerd.

Jeans schouders zakten omlaag, alsof het gewicht van de vele jaren in de ruimte, weg van zijn vrienden, familie en natuurlijk Darius, ineens op hem drukten. Hij liet zich in een stoel zakken en sloeg zijn handen voor zijn ogen. ‘Wat…’ De woorden kwamen bijna zijn keel niet uit. ‘Wat zijn de opties?’

‘Als je niet op tijd bent is er altijd nog de opname. De techniek is de afgelopen jaren sterk verbeterd, de resolutie van de engrammen is nagenoeg perfect. Je Darius zal perfect voortleven in de Eenheid.’

‘Een Dromer in een container, zonder communicatie met de buitenwereld.’ Jean zuchtte. ‘Als het gebeurt tijdens de reis, zal ik dan nog met hem kunnen communiceren?’

Equinox keek opzij, alsof hij moeite had Jean aan te kijken.

‘Je weet het niet,’ zei Jean. ‘En dat steekt je. De kennis van de mensheid en de Eenheid gecombineerd tot je beschikking, maar dat vertelt je enkel hoeveel je nog niet weet.’

De AI keek hem nu aan. Zijn ogen leken paarse vlekken die zijn gezicht in een spookachtige gloed hulden. ‘Je acties hebben ons veel informatie verschaft. We wachten tot het laatst mogelijke moment met opname van je geliefde. Je schip vertrekt een maand eerder, zojuist geregeld.’ De AI spreidde transparante handen. ‘Er is ons alles aan gelegen je snel weer bij Darius te hebben, Jean. Al is de kans klein dat je op tijd zult zijn.’

‘Wat heeft het dan voor zin, die haast?’ zei Jean. Hij haastte zich erachteraan te zeggen: ‘Ik wil niet ondankbaar klinken, ik wil niets liever dan nu bij Darius zijn, maar het duurt jaren om terug te komen.’

‘Hoop is een sterke motivator. Ik geef toe dat ik probeerde die aan te wakkeren.’

‘Waarom? Zijn er andere motieven?’

Equinox boog het hoofd. ‘Misschien dat jullie band de doorbraak is die wij nodig hebben om de miljoenen opnames die we hebben tot leven te wekken. Hoe dan ook, maak er het beste van. Het kan de laatste keer zijn dat je Darius spreekt,’ zei Equinox, vlak voor hij vervaagde.

 

#

 

Ze waren bijna een maand onderweg toen Jean voor het eerst contact kreeg met Darius. Je was lang stil, Darius.

Ik droomde, klonk de zwakke stem van zijn geliefde in zijn hoofd. Tijd betekent dan niet zoveel.

Een bijzondere droom, als je er zo lang in verbleef.

De glimlach was voelbaar in Darius’ antwoord: Ik was in de wintertuin. Die staat vol met sneeuwmannen, de een nog mooier dan de andere. In het centrum staat een beeld van jou, de mooiste van allen. Ik bezocht je elke dag.

Dat klinkt bijzonder. Vertel meer.

De tuin is omgeven door een haag, tientallen meters hoog. De top is bedekt met sneeuw en tussen de diepgroene bladeren groeien witte rozen, als sneeuwvlokken.

Ben je daar alleen? Of heb je gezelschap? Jean dacht onwillekeurig aan de miljoenen opnames.

Sneeuw is er. Hij bewaakt de poort. Zijn hart is killer dan het koudste ijs. Hij kent geen mededogen.

Laat hij niemand toe? Of laat hij jou er niet uit?

Dat weet ik niet. Ik heb het eigenlijk nooit geprobeerd.

Hoe voel je je nu, Darius?

Blij dat ik je spreek. Maar ook moe. Uitgerekt. Ik weet wat je me verteld hebt over de Dromers, dat ik er een ben.

Ik moet je iets vertellen. De Dromers sterven op dit moment, in hoog tempo. De Eenheid slaat de engrammen op, in de hoop de Dromers ooit in de Eenheid te mogen verwelkomen. Tot nu toe zwijgen de opgenomen Dromers.

Het was een tijdje stil en Jean vreesde al bijna dat hij te laat was. Darius?

Ik ben er nog. Het is… vreemd te beseffen dat je vlees zometeen niet langer bestaat.

We blijven zoeken naar mogelijkheden, alternatieven.

Jean. De stem van Darius leek bijna lijfelijk aanwezig in Jeans kajuit. Als het tijd is, moet je me laten gaan.

Jean voelde een traan over zijn wangen glijden. De woorden kwamen bijna als vanzelf. ‘Oh, that’s nonsense, Algy. You never talk anything but nonsense.’

‘Nobody ever does.’

Ik verwacht niet dat ik op tijd ben om het opladen bij te wonen. Maar ik zal je opzoeken, waar je ook bent.

En anders zien we elkaar misschien later. Of niet.

Drie weken later stopte het contact. Jean was ontroostbaar, alsof een deel van zijn hart voorgoed was weggenomen, ook al vertelde zijn hoofd hem dat de persoon Darius nog steeds bestond, opgenomen in het collectief van de Eenheid. Voor het eerst verwelkomde hij de droomloze slaap van de sense-tank.

 

#

 

De kamer waar Darius ooit lag, huisde nu een andere patiënt. De schaarse eigendommen van Darius stonden klaar in een doos toen Jean zich meldde bij de receptie.

Thuisgekomen haalde hij zijn eerste druk tevoorschijn en bladerde door de vergeelde bladzijden. Hij ervoer een vreemd soort weemoed, een gevoel half tussen verdriet en hoop. Zijn ogen vielen op een toepasselijke tekst:‘It is always painful to part from people whom one has known for a very brief space of time.’ Nou en of. Hij voelde een behoefte alleen te zijn om zijn verdriet te verwerken. Methodisch sloot hij zijn toegankelijkheid af tot zijn online persona niet meer vindbaar zou moeten zijn. Hij hoopte dat het genoeg was.

Het organiseren van de nalatenschap en het bezoeken van de nog overgebleven vrienden en familie van Darius nam enkele weken in beslag. Jean vond het zijn plicht de boodschap persoonlijk te overhandigen. Ook hoopte hij nog details, plaatjes, feitjes en herinneringen aan Darius op te rakelen om het beeld in zijn hoofd van zijn geliefde te completeren, mocht hij niet in staat zijn in de opname te komen.

Een maand later bezocht hij het asveld waar Darius was uitgestrooid, de laatste activiteit op zijn lijst, een afsluiting van een proces. Terwijl hij uitkeek over het veld, gelegen in de schaduw van de Arcologie Utrecht, daalde een boodschapper-drone tot vlak voor hem.

‘Je stoort,’ zei Jean, zonder te kijken van wie de boodschap kwam.

‘Je bent onbereikbaar voor de gebruikelijke methoden,’ klonk de blikkerige stem van Equinox uit het zweeftoestel.

‘Ik had even tijd alleen nodig.’

‘Je arriveerde een maand geleden. Het collectief verwachtte je al lang geleden in de Eenheid om Darius te bezoeken.’

‘Hij is daar veilig. Waarom de haast?’

Equinox liet een geluid als een zucht horen. ‘Er zijn redenen.’

‘Waarmee je me niet wil vermoeien?’ Jean haalde zijn schouders op.

De drone vloog een paar keer heen en weer en kalmeerde toen. ‘Persoonlijk zou ik het op prijs stellen wanneer je zo snel mogelijk Darius bezocht. Mijn tijd is beperkt. Alsjeblieft.’

Jean hief een wenkbrauw op. Een AI die alsjeblieft zegt? ‘Al goed, Equinox. Ik slaap vanavond in een sense-tank, dan kun je me naar Darius brengen.’

‘Dank je, Jean. Het wordt meer op prijs gesteld dan je kunt weten.’

 

#

 

De sense-tank die Jean thuis had, deed dienst als slaapcabine met zintuigdemping, maar was ook toegerust voor het bezoeken van de Eenheid, de meta-realiteit die de AI’s van het collectief hadden geschapen.

Hij maakte het zich gemakkelijk en voelde de bekende, zachte beweging van de doelzoekende elektroden die de contactpunten in zijn schedel zochten. Zodra ze zich bevestigd hadden, voelde hij zijn lichaam ontspannen en seconden later viel zijn zicht weg. Even was er het gevoel dat hij viel, het volgende moment zweefde hij boven een landschap vol bijzondere details. Torens, natuurlijk, bossen, dorpen, straten, achtbanen, bizarre vliegende wezens en nog veel meer. Boven de horizon zweefden luchtsteden, verbonden door monorails, met gebouwen die interpretaties van Metropolis leken.

Een roze, gestreepte kat verscheen voor zijn neus. ‘Jij bent Jean le Forge. Mooi pak. Paars gestippelde das, heel origineel.’

Jean knikte. ‘Mijn gestalt draagt graag nette pakken. En jij?’

‘Equinox stuurt me. Ik ben je gids.’

‘Ik heb geen zin om Alice te zijn.’

‘Tsssss,’ blies de kat. ‘Alsof alle AI’s het willen doen voorkomen dat dit Wonderland is.’

Jean glimlachte kort. ‘Geef toe, je had een hele reis uitgestippeld.’

De kat draaide met zijn staart. ‘Het duurt echt niet heel lang.’

Jean schudde zijn hoofd. ‘Ik wil Darius zien. Dat is alles wat ik nu wil.’

Een diepe zucht. ‘Vooruit dan maar. Volg me.’ Op hoge snelheid rende de kat weg over wolken en af en toe opspringende regenbogen.

Jean stuurde zijn gestalt achter de gids aan. Het landschap onder hen veranderde geleidelijk van dichte bebouwing en rijke details naar saaie bergen en valleien waar de polygonen af en toe bijna zichtbaar waren.

Op een bergtop hield de gestreepte kat halt. In de vallei beneden hen lag sneeuw. Uitgestrekte weiden, afgewisseld met groepjes fractalbomen, alles bedekt met een wit laagje. ‘Daar is het.’ De kat strekte een poot uit naar de horizon, die meteen zichtbaar naderde. Een tientallen meters hoge haag van een struik met donkere bladeren en af en toe witte bloemen, van boven bedekt met een dikke laag sneeuw, werd zichtbaar.

‘De Wintertuin,’ zei Jean. ‘Ik kan het van hier zelf wel vinden. Doe de groeten aan Equinox.’

‘Wie?’ zei de kat met een cartooneske grijns.

‘Equinox. De AI die me hierheen haalde. Je zei het net nog.’

De kat schudde zijn hoofd. ‘Het collectief bracht je hier. Ik heb die naam nooit genoemd.’ Hij hield zijn hoofd even schuin of hij luisterde. ‘Nee, net bevestigd, er bestaat geen AI genaamd Equinox.’

Ben ik nou gek? ‘Ik zal het wel verkeerd gehoord hebben. Vergeet het.’

‘Het ga je goed, Jean le Forge.’ Met die woorden verdween de kat.

 

#

 

Naarmate hij de haag naderde werden de details duidelijker. Elk vlekje, elk vlokje was zichtbaar in bijna perfecte resolutie. De begroeiing strekte zich minstens twintig meter boven hem uit. De donkere bladeren waren vlijmscherp, de doorns levensgevaarlijk, maar de bloemen, rozen, waren wit als verse sneeuw met delicate blaadjes, fijn geaderd en besprenkeld met fijne ijskristallen die elke glinstering weerkaatsten.

Jean liep langs de haag tot hij bij een tunnel kwam. Aan het eind van de tunnel zag hij licht. Als Darius gelijk had, dan zou ik hier Sneeuw tegen moeten komen. Hij keek om zich heen of hij de wachter hier zag, buiten de Wintertuin.

Een opvallende kleur trok zijn aandacht. Vlak naast de poort, half verborgen onder de donkere bladen, groeide een enkele rode roos. Jean keek naar de perfecte bloem, slechts half bewust dat ook dit een projectie op zijn visuele cortex was. Onwillekeurig reikte hij naar de roos, pakte de steel en plukte de bloem. Hij bracht de rode perfectie naar zijn neus en snoof de zoete geur op. Een explosie aan kleuren en geuren overspoelden zijn virtuele zintuigen. Met een glimlach plaatste hij de bloem in een knoopsgat van zijn jasje.

Voorzichtig liep hij de tunnel in. Halverwege leek het of hij door een barrière liep, alsof er een onzichtbare grens was die hij geraakt had.

Drie stappen later stond hij in de tuin. Hij keek om zich heen. Hij zag direct een drietal sneeuwwitte standbeelden, schitterende jongens en mannen, bijna naakt en perfect in elk detail. Precies zoals Darius ze beschreef.

De binnenkant van de Wintertuin was een doolhof van manshoge hagen, afgewisseld met open plekken waar idyllische bankjes rustplaatsen verschaften.

Jean merkte dat hij zich begon te haasten. De gedachte aan Darius gaf hem energie, het idee hem weer te zien vervulde hem van blijdschap.

Bijna in het midden van de tuin was een open plek. Jean liep het doolhof uit en zag hem staan, zijn geliefde, Darius, jong, zoals hij zich hem herinnerde, uit de tijd dat ze voor het eerst hand in hand door de Arcologie Utrecht liepen en neerkeken op de restanten van de domtoren die tot een derde van de hoogte van de arcologie reikte. Hij stond nu voor een schitterend standbeeld waarin Jean zijn eigen gelaatstrekken en lichaamsbouw herkende.

‘Darius!’ Zijn geliefde draaide zich om. Even keken ze elkaar aan. Toen begonnen ze allebei te rennen.

Vlak voor ze elkaar in de armen konden vliegen rees een spierwitte gestalte op uit de sneeuw, groter dan Darius en Jean tezamen. Hij hief zijn rechterarm om Jean tegen te houden.

Slippend kwam Jean tot stilstand, vlak voor de grote, slanke hand. Dit moet Sneeuw zijn. Hij zag inderdaad kille, levenloze ogen, een symmetrisch gezicht, de stille perfectie van een zielloos algoritme dat deze, deze… automaton bestuurde.

‘Sneeuw?’ zei Darius tegen de witte jongeman. ‘Ik ken hem. Je moet hem doorlaten.’

‘Dat is niet mijn taak,’ zei Sneeuw. ‘Jij blijft binnen. Hem gooi ik eruit. Hij hoort hier niet. Dat zijn de regels.’

‘Jean?’ zei Darius. ‘Dit kun je niet winnen. Sneeuw is de bewaker. Hij is een zielloos monster en hij zal je doden als je niet luistert.’

‘Ik kan je hier niet achterlaten, Darius. Ik heb je gevonden en ik laat je nooit meer gaan. I daresay it was foolish of me, but I fell in love with you, Ernest.’

‘Genoeg gepraat,’ zei Sneeuw. Zijn ogen schitterden ijzig. ‘Vertrek nu. Of sterf.’

‘Ik…’ begon Jean. Hij keek naar beneden, zag de hand van Sneeuw vlak voor zijn borst, voelde de kou die ervan af straalde, vlak ernaast de kleurexplosie van de enkele rode roos die hij in de haag had gevonden. Een stukje bezieling. Is dat het? ‘Ik zou Darius een geschenk willen geven. Daarna vertrek ik, vrijwillig.’

Sneeuw leek zijn voorstel te overwegen. ‘Wat wil je hem geven?’

Jean trok de bloem uit zijn knoopsgat, rook eraan. ‘Deze schitterende bloem. Een aandenken.’ Hij maakte aanstalten om Sneeuw heen te lopen, maar de grote hand stopte hem.

‘Geef. En verdwijn daarna.’

Jean keek hem berustend aan, legde vervolgens de bloem in de open handpalm van de automaton. De kou bevroor zijn hand bijna. De vingers van de ander sloten zich om de steel en alsof de tijd vertraagde zag Jean een van de doornen door de huid van Sneeuw dringen.

De transformatie was overweldigend. Hij kromp zienderogen en ineens bezat Sneeuw kleur. Hij viel op zijn knieën. Zijn huid was nog steeds bleek, zijn ogen waren ijsblauw en zijn haren een bos van blonde krullen die tot zijn schouders hingen. Zijn mond was een geluidloze schreeuw.

Jean liep om hem heen en rende de laatste meters naar Darius. De twee mannen omhelsden elkaar alsof ze een eeuwigheid gescheiden waren geweest.

‘Eindelijk, ik heb zo lang op je gewacht,’ zei Darius.

‘Ik ben nu hier en ik blijf hier ook,’ zei Jean. ‘Zo ben ik compleet.’ Hij keek Darius aan. ‘Er is een oneindig universum daarbuiten. Zullen we het gaan ontdekken?’

Darius glimlachte en greep Jeans hand. Samen liepen ze richting uitgang.

‘Alstublieft?’ De stem van Sneeuw achter hen klonk zo zielig dat Jean zich toch omdraaide.

‘Wat is er?’

‘Kunt u me zeggen wie ik ben? En wat ik moet doen? Mijn geheugen laat me in de steek.’ Hij hief de hand met de roos naar hen op.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jean. ‘Ik hoopte dat ik de automaton een stukje menselijker kon maken. Ik had niet gedacht dat ik zijn systemen compleet zou wissen.’

‘Hoe heb je dat gedaan dan?’ vroeg Darius.

Jean spreidde zijn handen. ‘Dit is jouw engram, lief. Jouw innerlijke wereld. De Wintertuin was jouw perfecte speelplaats, omgeven door een ondoordringbare haag en bewaakt door wat uiteindelijk niet meer dan een algoritme was. Een zielloze AI, feitelijk, met maar één opdracht die hij fanatiek uitvoerde. Wie zal zeggen wat de Dromers veroorzaakte? Een digitaal virus? Ik had een ingeving, een vermoeden, dat die roos een stukje van jouw menselijke bezieling was. Die heb ik hem gegeven. Het effect was … bijzonder.’

‘We kunnen hem niet zo achterlaten,’ zei Darius, ‘wat heeft hij nodig?’

‘Een naam en een opdracht. Dat is hoe het meestal werkt. Probeer het maar.’

Darius dacht even na en richtte zich toen tot de knielende figuur. ‘Ik geef je een naam. Jij bent Equinox. Je taak is de Dromers te laten ontwaken. Het middel heb je in je hand.’

De automaton stond op. ‘Ik ben Equinox. Zo zal het geschieden.’

Darius pakte Jeans hand weer en samen liepen ze door het doolhof.

‘Hoe kwam je bij de naam Equinox?’ vroeg Jean nieuwsgierig.

Darius haalde zijn schouders op. ‘Ik heb het altijd een mooie naam gevonden. Hoezo?’

‘Er was een AI die me hielp om jou hier te vinden. Die heette Equinox. Maar volgens de Eenheid heeft er nooit een AI genaamd Equinox bestaan.’

Darius stopte even en keek hem indringend aan. ‘Heb je het gemeld tijdens onze gesprekken, al die jaren geleden?’

‘Niet dat ik weet.’

‘Dan weet ik het ook niet.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Misschien wil ik het ook niet weten. Het belangrijkste is dat we elkaar hebben.’

Ze verlieten de Wintertuin door de poort. Buiten gekomen was de sneeuw op de grond aan het smelten. Ze draaiden zich om en zagen dat de haag niet langer besneeuwd was en bloeide met miljoenen schitterende rode rozen.

Leesherinneringen, nooit vervagend – Frank Roger

Ik heb iets onrustwekkends ontdekt.

Maar laat me beginnen bij het begin.

Ik las vroeger enorm veel. Eerst las ik boeken, en schakelde toen over op e-books, een grote stap voorwaarts wat mij betreft. Ik deed zelfs mijn hele verzameling boeken van de hand, blij dat een vrijwel onbeperkte hoeveelheid leesmateriaal kon opgeslagen worden in een kleine e-reader.

En toen kwam de volgende stap. Ik kon er niet aan weerstaan, zoals zovele anderen.

Boeken lezen was zo tijdrovend, en naarmate ons leven alsmaar hectischer werd vonden we nauwelijks nog tijd om echt te lezen. Bovendien vervaagden de herinneringen aan wat we door de jaren heen gelezen hadden. Wie kan zich nog in detail een boek herinneren dat hij twintig jaar geleden heeft gelezen? Onze herinneringen zijn op zijn best fragmentarisch, misschien zelfs onjuist.

Net zoals iedereen was ik dus blij toen Instant Boeken een programma lanceerde dat leesherinneringen bood in de vorm van gecodeerde moleculen die rechtstreeks werden geüpload in de hersenen via een makkelijk geïnstalleerd ‘neuraal toegangspunt’, en ons zo heldere en volledige herinneringen verschafte aan boeken die ons vele uren lezen zouden gekost hebben.

Bovendien vervaagden die herinneringen niet. Je kon nu terugkijken op het verzameld werk van Georges Simenon en erover praten met vrienden, zonder vele duizenden bladzijden te moeten lezen en onvermijdelijk talrijke details te vergeten. De romans van Stephen King? Je had ze allemaal binnen handbereik. Het volledige werk van Roald Dahl, Gabriel Garcia Marquez of John Irving? Koop de leesherinneringen en je bespaart een enorme hoeveelheid tijd. Instant Boeken kende een enorm succes, zoals verwacht, en binnen de kortste keren was er niemand nog echt boeken aan het lezen, zonder daar nadeel van te ondervinden.

Een extra pluspunt was het feit dat het ons meer tijd liet voor andere activiteiten. Echte boeken behoorden tot het verleden, het waren relieken van vervlogen tijden. Enkel schrijvers hadden wellicht nog contact met het echte spul, omdat ze verhalen en romans bleven produceren. En een krimpend aantal ouderwetse zielen die alle moderne technologie afwezen en koppig vasthielden aan hun oude gewoonten. Nu kende ik zo’n vrouw, Leen, met wie ik regelmatig sprak over boeken en schrijvers. Ik had haar bijvoorbeeld verteld over de boeken van Gwendolyn Garamond, een schrijfster die ik zeer waardeerde om haar reeks romans over de burgeroorlog.

In plaats van haar gebruikelijke gedetailleerde verslag met haar ideeën en meningen over de schrijfster en haar werk ontving ik een vreemd bericht: Ik heb nog nooit van haar gehoord. Ik deed wat onderzoek, maar vond geen enkele verwijzing naar haar of haar romans. Spelde je haar naam misschien verkeerd?

Ik controleerde even vlug mijn Instant Boeken-bestanden, maar dat bevestigde alleen maar mijn gegevens. Het was wel degelijk Gwendolyn Garamond. Mijn geheugen had me geen parten gespeeld. Ik vergat het incident, denkend dat Leen misschien geen toegang had tot informatie over recente schrijvers. Maar de weken daarna dook hetzelfde probleem telkens opnieuw op, met andere nieuwe schrijvers die populair waren volgens de bestsellerlijsten op de webwinkel van Instant Boeken.

Tot mijn verbazing ontving ik een bericht van Leen: Beste Suzanne. Zoals je wellicht weet sta ik in contact met verschillende fervente lezeressen met wie ik informatie, ideeën en meningen over boeken uitwissel, en de meesten van hen hadden het over schrijvers die ik niet kende en waarover ik geen enkele informatie kon vinden. Ik deed dus wat onderzoek en ontdekte waarom. De reden is dat die schrijvers en die boeken niet bestaan. Controleer het zelf maar eens. Je zult het wel zien. Ze voeren je nep-leesherinneringen. Wees op je hoede. Leen.

Nep-leesherinneringen? Waar had Leen het over? Ik plaatste een vraag over het probleem op een lezersforum, en een verre vriend van me, een man genaamd Jef, reageerde erop: Maak je geen zorgen, Suzanne. Het maakt deel uit van de nieuwe reeks van Instant Boeken. Het heeft een waanzinnig succes, dus ga er rustig mee door. Vergeet die oude toestanden toch.

Nep-leesherinneringen? Een nieuwe reeks? Ik pleegde wat onderzoek en ontdekte dat veel van de boeken die ik onlangs had gelezen (of, om het wat correcter te stellen, boeken waarvan ik de leesherinneringen had geüpload) inderdaad deel uitmaakten van een nieuwe reeks die onlangs was gelanceerd en bijzonder succesvol bleek. Maar ik snapte nog altijd niet waarom Leen het nep-leesherinneringen noemde.

Ik nam dus contact op met de klantendienst van Instant Boeken en zette mijn probleem uiteen. Ik ontving het volgende antwoord: Beste Suzanne. We begrijpen je bezorgdheid. Tot voor kort vond je bij Instant Boeken leesherinneringen van de klassiekers van de literatuur. Onze nieuwe reeks bevat echter enkel leesherinneringen van boeken die geen echte tegenhanger hebben. Zowel de boeken als de schrijvers zijn fictief. De leesherinneringen zijn echter even overtuigend en verrijkend als die van echte boeken. Aangezien er geen sprake is van een schending van het auteursrecht is de situatie wettelijk in orde. Bedankt voor je bestellingen bij Instant Boeken en we hopen snel weer van je te horen. Vriendelijke groeten van de klantendienst van Instant Boeken.

Ik las het bericht tweemaal en moest even gaan zitten. Dus daarom kon Leen geen informatie vinden over Gwendolyn Garamond en haar collega’s: omdat ze niet bestonden, en hun boeken al evenmin. Instant Boeken creëerde gewoon leesherinneringen van niet-bestaande boeken. Ze hadden schrijvers die boeken schreven vervangen door programmeurs die leesherinneringensoftware schreven. Waren die gebaseerd op synopses, aangeleverd door schrijvers, of op door machines geproduceerde algoritmes? Waren er nog wel mensen bij betrokken? Erger was dat niemand erom leek te geven, omdat die nep-leesherinneringen even genietbaar waren als die aan het “echte spul”. Gwendolyn Garamond bevond zich nu op hetzelfde niveau als Franz Kafka of Pablo Neruda.

Was dit nu een natuurlijke evolutie? Ik plaatste een bericht hierover op het forum en kreeg reacties variërend van Je kunt de vooruitgang niet stoppen, Suzanne tot Komaan, boeken zijn nog nooit zo populair geweest, waarom dan klagen?

Ik nam dus terug contact op met Leen en vertelde haar alles wat ik had ontdekt.

Ze antwoordde: Binnenkort zul je niet eens meer in staat zijn een onderscheid te maken tussen echte en nep-herinneringen, en misschien zul je niet eens meer de noodzaak voelen om dat onderscheid te maken. Ben je er wel zeker van dat je die richting wilt uitgaan? Die nieuwe aanpak is dan misschien niet illegaal, maar ethisch is het beslist niet. Denk er eens over na. Het staat je vrij uit dat systeem te stappen nu je nog kunt. Je kunt nog altijd terugkeren naar echt lezen, Suzanne. Er is niets dat echte boeken vervangt. Groetjes, Leen.

Eerlijk, ik overwoog Leens suggestie om Instant Boeken te laten vallen. Natuurlijk kon ik terugkeren naar echte boeken of e-books, maar ik zou het werk van auteurs als Gwendolyn Garamond die ik tot mijn favorieten was gaan rekenen te hard missen, ook al bestonden ze niet echt. En hun boeken (of de herinneringen aan het virtueel lezen ervan) waren nergens anders verkrijgbaar, en in de echte wereld al helemaal niet.

Misschien vergiste Leen zich toen ze vreesde dat nep-leesherinneringen niet meer zouden kunnen onderscheiden worden van echte. Misschien was het nep-materiaal het echte werk gewoon aan het verdringen, en was ze te zeer gehecht aan vroegere tijden om dat idee te vatten. Het was echter duidelijk dat we in de toekomst alsmaar minder nieuws zouden kunnen uitwisselen.

Vlak voor de zoveelste zondvloed – Reinder Veelinx

Hagemans vond de uitgelaten stemming in de bus wel iets weg hebben van het jaarlijkse schoolreisje. De gangmakers van de klas, Lars en Stefan, lieten zich steeds opnieuw joelend neerploffen in de roodfluwelen zetels. Sabine, net tien geworden, keek verrukt naar de purper getinte ramen. Quino − die graag mode natekende − volgde met zijn vingers de lijnen van het gouden borduursel. Ze waren alweer vergeten dat de bestemming van de rit weinig reden tot vreugde gaf.

Voor Hagemans was het de eerste keer dat hij een groep moest begeleiden naar de biecht. Nadat de Nieuwe Kerk op democratische wijze aan de macht was gekomen, veranderde de maatschappij sneller dan hij kon bijbenen. Nu maakte weer een nieuwe wet het biechten verplicht voor elke jongere van zes tot zestien. Halfjaarlijks en onder toezicht van de scholen. Het moreel verval moest in de kiem gesmoord worden.

Hagemans had zo zijn bedenkingen bij de combinatie van dwang en het opbiechten van zonden. Zijn bezwaren hield hij wijselijk voor zich. Wie het waagde kritiek te uiten werd aan de schandpaal genageld. In de digitale handen van de Nieuwe Kerk had het gezegde ‘iemands doopceel lichten’ een nieuwe, vlijmscherpe betekenis gekregen.

De instructies op zijn polscomputer waren uiterst beknopt. Er kwam een zelfrijdende bus voorrijden. Hij was verantwoordelijk voor alle personen op zijn lijst. Op die dag en op dat tijdstip. Sinds de balpen was vervangen door het toetsenbord was ‘kortaf’ de gangbare schrijfstijl. In contrast daarmee was de afsluiter bijna vertederend: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen wit worden als wol.

 

De bus stopte bij een reusachtige vierkante toren met een rond puntvormig dak. Hagemans zag er op toe dat niemand in het voertuig achterbleef en stapte zelf als laatste in het felle zonlicht.

Zonder aansporing gingen de kinderen dicht bij elkaar staan, alsof ze bescherming zochten in de groep. Muisstil keken ze omhoog naar de verblindende witte zuil waarvan de top in de wolkenloze lucht leek samen te smelten met de hemel. Er was geen raam te bekennen. Alle aandacht ging uit naar een metershoog kruisbeeld dat zo te zien van goud was. Boven het smartelijk gelaat van Jezus fonkelde de doornenkroon.

Inge, de jongste van zijn klas, doorbrak de stilte en vroeg met een klein stemmetje: ‘Is die man vastgeprikt met nagels door zijn handen?’

Tijd voor een antwoord was er niet want Hagemans kreeg een nieuw bericht binnen: Uw groep van 19 kinderen is toegewezen aan biechtlokaal 37 waarin 20 cabines zijn. Elke cabine heeft een biechtcomputer. U moet er over 15 minuten zijn.

De commanderende toon was precies de reden waarom hij zijn polscomputer ook wel de nieuwe slavenarmband noemde.

In de centrale hal werd het profiel van Hagemans opgepikt door een onzichtbare scanner en geruisloos opende een van de liften haar deuren. De hele groep paste er met gemak in. Uit het plafond daalde een fijne nevel neer en Hagemans herkende de flauwe geur van gewijd water. De zoevende tocht opwaarts zorgde voor een raar gevoel in de onderbuik. Onderweg kringelde een sliertje wierook uit een van de wanden.

Even bespeurde Hagemans een reflex in zijn rechterarm. Als kind moest hij elke zondag zijn vingers dopen in het wijwater font bij de ingang van de kerk. De verplichte tikjes tegen voorhoofd, borst en beide schouders. Hij strekte zijn vingers en schudde zijn arm om de herinnering kwijt te raken.

 

De liftdeuren gingen open en zonder overgang stonden ze in een licht overgoten, cirkelvormige ruimte. In het midden stond een platte, ronde sofa van rood fluweel met gouden biezen. Hagemans ging voor en alle kinderen namen plaats, netjes op een rij. Rondom zagen ze de haarfijne omtrekken van de witte deuren die haast opgingen in de muur. Op elke deur blonk een gouden crucifix. Twintig op een rij.

Hagemans ontving een nieuwe opdracht: Spreek de volgende tekst hardop uit. Zonder na te denken las hij voor van het scherm.

Je mag alleen je onderbroek aanhouden in de cabine. Leg alles, ook brillen en polscomputer, achter je op de bank. Binnen zeg je eerst je naam en hoe oud je bent. Daarna geef je antwoord op alle vragen. Als je helemaal niets zegt, krijg je straf.

Hagemans keek nog of er stond welke straf. Maar ineens ging alles snel. De kinderen vertrouwden hem. Fluks ontdeden ze zich van kleding en andere zaken. Met een reeks van zachte klikjes sprongen alle deuren open. Elke cabine wenkte met een gouden gloed. Trots liep Lars als eerste naar binnen en Stefan liet niet lang op zich wachten.

Achter elkaar kozen alle kinderen als gewillige schapen een eigen cel. Deur na deur sloot zich met een zucht. Voor hij het goed en wel besefte zat Hagemans alleen op de grote bank, in de smetteloos witte ruimte, omringd door kleurige kinderspullen en een verstikkende stilte. Een bericht lichtte op. Hij kon niet geloven wat hij las.

In elke cabine was een leugendetector ingebouwd die contact maakte met het lichaam. Als iemand loog of onzin vertelde, volgde een korte stroomstoot. Hetzelfde gebeurde bij hardnekkig zwijgen. Voor elke oprecht opgebiechte zonde kreeg men strafpunten. Het totaal aantal punten bepaalde het voltage van de stroomschok. De boetedoening werd meteen uitgevoerd.

 

Hagemans had elk besef van tijd verloren. De klik van de eerste deur die weer openging klonk als een pistoolschot.

Naar buiten kwam Lucas, een magere jongen die altijd een beetje in zichzelf gekeerd was. Hij zag krijtwit en staarde in het niets. Hagemans stak een hand uit maar Lucas schrok en weerde hem af. Hij snakte naar adem en barste in tranen uit. Zijn hele lijf schokte van de losgelaten spanning.

Steeds opnieuw opende zich een deur en de ruimte vulde zich met een chaotisch tumult.

Gelukkig had niet iedereen een pijnlijke ervaring achter de rug. Sabine huppelde glimlachend naar de bank en begon zich aan te kleden alsof er niets was gebeurd. Lars keek boos en vastberaden alsof hij wilde zeggen: ‘zo gemakkelijk krijg je mij niet klein’.

De kinderen die ongedeerd waren gebleven, bekommerden zich om de anderen die huilden of verdwaasd zaten te kijken. Zelf was Hagemans tezeer overstuur om hulp te kunnen bieden. Verslagen keek hij toe hoe de kinderen elkaar moed inspraken en troost boden. Ze reikten schoenen of kleding aan. Een arm om een schouder.

In korte tijd zat iedereen weer aangekleed op de bank en waren de meeste kinderen tot bedaren gekomen. Een paar snotterden nog wat na. Hagemans kreeg het bericht door dat zijn groep aan de biechtplicht had voldaan. De liftdeuren gingen open en opgelucht verlieten ze het vertrek.

 

Pas in de bus telde Hagemans zijn groep. En nog eens. Hij voelde zijn hart overslaan en werd misselijk. Quino was er niet bij. In paniek rende hij op de deur af die voor zijn ogen dicht ging. De bus begon te rijden.

De hele terugweg, achter purper getinte ramen en zittend op rood fluweel, probeerde Hagemans een zonde te bedenken die zo onvergeeflijk was dat een twaalfjarige er de doodstraf voor kreeg.

De begeerten van vreemden – Joost Uitdehaag

Het was een receptie waarbij wegblijven teveel opviel, dus moest Alexander Roskov de gok wagen. Hij trok zijn linnen maatpak en bruine lakschoenen aan, en liep over het Museumplein. Even nam hij zijn hoed af voor de portier in de politiecabine, voordat hij de trap besteeg. Het bord op de muur was voor de gelegenheid glimmend gepoetst, maar toch kon hij een rilling niet onderdrukken. Het hol van de leeuw. Consulaat van de Verenigde Staten van Amerika.

Binnen stonden de consul en zijn vrouw keurig in gala, zoals elk jaar op de receptie van de vierde juli. Een ober in rokkostuum met een dienblad. De cocktails deden hem denken aan toen hij nog in New York woonde, in de tijd dat types als Harvey Weinstein en Strauss-Kahn de wereld nog regeerden. Als je daar op terugkeek, was het een soort wildwest geweest.

Vanuit een hoek bij de bar bekeek hij de vrouwen, de meeste vijftigers in te strakke jurken. Bereisde types, vol exotische wijsheid, maar ze deden hem niets. De scherpe kantjes gingen eraf, nu hij ouder werd.

Toen zag hij haar. Gitzwarte krullen dansten in haar beige hals. Blank met Afrikaans bloed. Haar zijden blouse streelde haar schouders. Haar zwarte kokerrok en hoge hakken bogen haar lichaam tot een elegante g-sleutel, terwijl haar lange vingers nonchalant met de voet van een leeg champagneglas speelden.

Oké, dit was gevaarlijk. Het beste was om zijn verontschuldigingen aan te bieden, naar buiten te stappen en weg te gaan. Maar dit was zo’n mooie vrouw. Een blik op haar gezicht, om te weten of het net zo puntgaaf was, om te zien hoe de lijn van haar oogkas liep, dan zou hij daarna weggaan.

Ze keek op, met helderwitte ogen, recht naar hem. Iets knetterde, een duizend jaar oude kracht. Hij pakte een Mint Julep van een dienblad en stapte op haar af. Ze nam hem op van zijn schoenen tot zijn handen. Hij bood haar het glas aan. Ze reikte hem het lege champagneglas. Vol voor leeg.

Hij boog licht. ‘The kindness of strangers,’ zei hij.

Ze glimlachte. ‘Hoe weet je dat ik uit het Zuiden kom?’

‘Niet.’ Hij had het citaat van Tennessee Williams gewoon toepasselijk gevonden.

‘De eerste keer dat ik A Streetcar Named Desire zag, kwam ik uit school,’ zei ze. ‘Het regende. Een aardige man achter de kassa liet me binnen. Ik denk omdat ik er zo zielig uitzag.’

‘Geen stuk voor een kind, toch?’

Ze slikte. ‘Mama had even geen plek voor me.’

‘Dan was je net zo alleen als Blanche DuBois in dat stuk.’

‘Een zwarte Blanche,’ zei ze. Ze staarde hem aan terwijl ze de cocktail aan haar mond zette. Haar lippen sloten zich om het kristalglas. Al die tijd bleef ze kijken. Hij voelde haar warmte stralen. Het was onmogelijk om aan haar te ontsnappen, als een vlinder gevangen in het kaarslicht.

‘Heb je Amsterdam al gezien?’

Een twinkeling in haar ogen. ‘Het is gevaarlijk, zeggen ze.’

‘Geloof je dat?’

Ze haalde haar schouders op.

‘Kom mee,’ zei hij. ‘Ik laat je het Vondelpark zien.’

Hij bracht haar naar het park, naar die gekke Amsterdammers die dansten en dronken en hun kinderen in bomen lieten klimmen zonder veiligheidstuigjes. Daarna aten ze wat in een Frans restaurant in Oud-Zuid, dronken twee flessen wijn leeg en zochten een hotel op. Soms was het leven heerlijk.

 

Ashley richtte zich op. Buiten was het nog donker. Alexander sliep naast haar, zijn gespierde arm boven de lakens. Ze stapte uit bed, raapte haar beha op. Geen tijd om te douchen. Ze zette haar nagels in haar handpalmen om zichzelf te straffen. Meegaan met vreemdelingen werd niet gewaardeerd op het consulaat. En God wist hoe hard ze had moeten werken om deze baan te krijgen. Maar toch, het was heerlijk geweest met Alexander. Hij had een leeg vakje in haar ziel had ingekleurd, iets dat de spanning nodig had van het dwalen door donkere straten, vol met drugs en prostituees, met een onbekende aan haar zij.

Ze pakte haar handtas. Alles zat er nog op dezelfde manier in, wat wilde zeggen dat Alexander er niet in gerommeld had. Een trucje van Langley. Zijn glas stond nog op het nachtkastje. Samen hadden ze Kentucky Rye bourbon aan de hotelbar gedronken, terwijl ze giechelend het Star Spangled Banner hadden geneuried tot ze hem had gevraagd om haar op bed te tillen. Ze glimlachte.

Er zat nog wat speeksel aan de rand. Ze kon dan tenminste één ding volgens de regels doen. Voorzichtig sloop ze langs hem en smeerde een standaardstrip langs zijn glas. De tientallen vakjes verkleurden. Geel, roze, blauw. Even wachtte ze, de dertig seconden detectietijd aftellend. Ze knipperde met haar ogen. Het diepe indigo in het vakje rechtsonder werd steeds intenser. Positief. Ze werd ijskoud. Ze streek een tweede strip aan de andere kant van het glas. Dezelfde kleur. Er was geen twijfel. En rilling liep over haar rug. Deze Alexander was een drager van het meest zeldzame en meest beruchte gen dat er was: uty.c133a.

Ze verstijfde. Haar eerste drang was om te vluchten, de kamer uit te rennen, te gillen. Maar ze vermande zichzelf. Hij sliep. Er was tijd. Zo kalm mogelijk sloop ze naar de badkamer met haar handtas. De instructies waren duidelijk. Met trillende vingers trok ze uit de voering van haar tas een minitaser, ter grootte van een zakmes, een effectief verdovingswapen. Ze drukte de knop in om hem te testen. Het speet haar voor Alexander. Hij had beter naar een arts kunnen gaan om zich te laten behandelen, maar voor anti-genvaxxers kende de wet geen genade.

Ze opende de deur van de badkamer en keek naar het bed. De lakens lagen nog op een hoop, maar anders. Ze stapte naar voren. Iets trok aan haar polsen. Ze verloor haar evenwicht en landde met haar gezicht op het tapijt bij de ingang. Ze klemde haar taser zo stevig vast als ze kon. Nooit je wapen verliezen. Ze wilde zich omdraaien, maar handen pinden haar schouders vast, een knie landde op haar rug. Ze zette zich af, uit alle macht, maar het lukte niet. Je opleiding, wat heb je geleerd? Ze maakte zich klein en rolde om. Haar belager was even uit balans. Ze haalde uit met haar vuist. Hij torende boven haar uit, naakt, met zijn benen wijd. Een verbeten grijns. Alexander.

Ze balde een vuist om haar taser. Hij vouwde haar pols om, drukte haar hand naar beneden. Pijn schoot door haar arm. Ze schopte, rolde, gilde. Hij drukte haar duim hard tegen de taser. Het lichtje brandde op. Ze probeerde tussen zijn benen te schoppen, zijn solar plexus te bereiken, maar ze kreeg geen grip.

Hulp, ze had hulp nodig. De eerste regel, zorg voor back-up. Ze schreeuwde. Een ijselijke gil door het hele gebouw. Het metalen contactpunt kwam gestaag dichterbij. Ze raakte zijn gezicht, maar hij ging niet weg. Ze kon niet weg. Het metaal drukte in haar hals, op totaal de verkeerde plek, maar het effect zou er niet minder op zijn. Ze verwachtte een schok, maar voelde niets.

 

Alexander voelde haar lichaam verslappen en walgde ervan. Ze had zo’n zalig, zacht lijf, maar zonder leven was het vies, onnatuurlijk. Als een dode eend in de gracht. Verschrikkelijk om juist haar dit aan te doen. Hij legde haar op bed, voorzichtig, bekeek nog even haar huid, met die subtiele kleur van latte, haar stevige borsten strak in haar beha van witte kant.

Hij wist niet veel van wapens, maar zo’n krachtige taser kon je zelfs in VS niet zomaar kopen. Hij opende haar linkerooglid, hield haar telefoon ervoor. Het ding ontsloot. Contacten, berichten. Een junior juriste op haar eerste reis naar het buitenland. Maar haar toegang tot het consulaat had het hoogste veiligheidsniveau. Ongetwijfeld een inlichtingendienst. Hij klikte op de uitslag van een sequentieanalyse; haar DNA werd blijkbaar continu geanalyseerd. Ze moest wel bij de unit horen die zorgde dat Amerikanen in het buitenland zich niet onttrokken aan de genvaccinatiewetten. CIA Eugenics. Het paste in het beeld dat ze tegenwoordig veel jonge vrouwen rekruteerden. Hij gooide haar telefoon en de handtas in een prullenmand, het wapen ook. Daarna trok hij zijn kleren aan en haastte zich de trap af naar de lobby.

Bij de receptie stond een aantal politieagenten. Dat was snel. Vrouwengegil in hotelkamers had blijkbaar hoge prioriteit. Hij vertraagde zijn pas tot nonchalant, knikte vriendelijk naar hen, sloeg de hoek om, en daarna nog twee, tot hij zich in de wirwar van de Warmoesstraat bevond. De hele hoerenbuurt was officieel anoniem gebied; voorlopig was hij daar veilig.

Slenterend dacht hij na. Een Eugenics-agente met een ontwapenende Whitney Houston-lach. Hij was erin getuind, als een puber. Maar wat voor reden had zij gehad om hem aan te vallen? Natuurlijk droeg hij uty.c133a, maar niemand wist dat. Hij was verhuisd voordat het verplichte profileren begon. En hier in Amsterdam was hij nooit in aanraking met de politie geweest. Sterker nog, hij had nooit iemand zelfs maar een onbehoorlijk voorstel gedaan. Hij was de braafste man van de stad. De hele wereld werd gek, helemaal gek. Gelukkig was hij wakker geworden toen ze zijn glas had opgetild.

Hij liep naar een café op het Oudekerksplein. Terwijl hij wachtte op zijn koffie, zocht hij van de stamtafel de kranten uit, om zijn hoofd wat rustiger te krijgen. Het ouderwetse papier was pure luxe voor hem. Eén bericht trok zijn aandacht.

Verkrachtersgen verder aan banden gelegd. De overheid van Burundi heeft besloten, als een van de laatste landen ter wereld, het gen uty.c133a toe te voegen aan de postnatale CRISPR cocktail en het vanaf volgend jaar zo al bij de geboorte te verwijderen. ‘Vanaf vandaag is Burundi veiliger,’ vertelt Makwata Matana, minister van volksgezondheid. Burundi herbergt een behoorlijk aantal van de overgebleven uty.c133a-dragers. De Amerikaanse overheid steunt Burundi met een subsidieprogramma.

Geërgerd sloeg hij krant dicht. Verhalen over genen die je tot slecht mens maakten waren er al sinds de ontdekking van DNA, het verschil was dat er een technologie was opgedoken die genen ook daadwerkelijk kon uitschakelen. CRISPR. Eerst waren er ziektes uitgeroeid: taaislijm, sikkelcelanemie, helemaal prima. Maar het mandaat was inmiddels ver opgerekt. De variant uty.c133a was ooit ontdekt als een gen dat verband hield met seksuele veroveringsdrang in muizen. Het lag op het Y-chromosoom van tachtig procent van alle seksuele predatoren. Sinds het in de CRISPR cocktail zat, was in de VS het aantal verkrachtingen − door vreemden van het slachtoffer, dat wel − gedaald met zestig procent. Spectaculair, dat moest ook hij toegeven. Maar er stond tegenover dat negentig procent van de dragers nooit iets verkeerds deed. Het maakte allemaal niet uit: de logica van het plebs dicteerde dat als je dat gen had, je vanzelfsprekend een lustmoordenaar was. En dus was de jacht geopend op Amerikaanse burgers die zich weigerden te laten behandelen.

De koffie kwam. Het was een kwestie van tijd voordat Ashley hem opnieuw zou vinden. Tenzij hij verdween, onderdook; hij wist niet eens hoe het zou moeten. Naar Amsterdam verhuizen op een toeristenvisum was al moeilijk genoeg geweest. Hij sloeg de espresso achterover. Hij kon zich ook vrijwillig laten behandelen. Pijnloos, maar het was fout.

Hij zette zijn kopje hard neer. Wat vergeten werd, was dat tachtig procent van de dragers nooit iets verkeerd deed. En wat voor geluk het gen kon brengen. Dragers van uty.c133a hadden een scherpere reuk, een beter vermogen om gezichten te herkennen. Dat was allemaal bewezen. Hij wist zeker dat hij alles intenser beleefde dan de zombies hier om hem heen. De koffie, de zon, de geur van de stad. De glans van de zon op een blonde krul bij een oor. Het profiel van een vrouw die haar pumps uittrekt, zo met haar been naar opzij. Zijn maag tuimelde ervan ondersteboven. Iedere keer weer.

Hij keek op. Hij zag nu pas dat het terras gedeeltelijk buiten het geanonimiseerde terrein lag. Zijn eigen gezicht weerspiegelde in de lens van een camera die aan de Oude Kerk hing. Damn.

 

Ashley Johnson pakte haar handtas stevig vast, terwijl ze de agenten uit haar hotelkamer liet.

‘We verwachten u dan op het bureau om aangifte te doen.’

‘Als me iets te binnen schiet, bel ik meteen.’ Ze sloot de deur. Protocol. De Nederlandse politie had hier verder niets mee te maken. Helaas ondersteunde Nederland niet de missie om seksueel geweld uit te roeien door wereldwijde vaccinatie. Terwijl ze haar make-up herstelde, vroeg ze zich af hoe ze deze afgang het best aan haar baas kon brengen. Haar excuses zouden vast geaccepteerd worden; Amsterdam, vier juli, voor het eerst alleen in het buitenland, maar haar reputatie zou beschadigd blijven.

Heel voorzichtig trok ze haar ooglid naar beneden om een fijn lijntje mascara aan te brengen. De buurt van haar jeugd was vergeven geweest van jongens en crack cocaïne, maar ze had er nooit naar omgezien. Het was juist spannend geweest om zich aan die wereld te onttrekken. En toch, nu ze iets bereikt had waar haar oma trots op kon zijn, was het ineens doodsaai. Alexander was ook keurig geweest, maar wel spannend. Anders dan alle andere mannen. Een vreemdeling, de tegenpool van alle kerels die haar moeder ontvangen had. En ze wilde niet zoals zij worden; murw geslagen in een hoek, met een paar tientjes op haar buik uitgestrooid. Voor haar moeder waren de verplichte vaccinaties te laat gekomen.

Ze knipperde. Dit werkte niet als je oog rustig moest blijven. Ze veegde haar oog schoon en begon opnieuw. Alexander was anders. Hij kende Streetcar. Hij wist hoe ze zich voelde en wat ze nodig had. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo’n fantastische avond had gehad.

Ze was klaar en keek op haar telefoon. Een paar verontruste appjes van het consulaat. Een officieel bericht. Die laatste klikte ze open. Haar DNA was door de overheid opnieuw geanalyseerd en vrijgegeven. Haar oog viel op een bepaalde mutatie, otc.a18t, die onlangs in het nieuws was geweest; daarom had de analyse plaatsgevonden. Het bleek dat ze de mutatie had.

otc.a18t. Variant in het enzym ornithine carbamoyltransferase. X-chromosomaal. Erft in de vrouwelijke lijn. Geclassificeerd als Romeo Green.

Ze klikte de boodschap weg. Romeo Green betekende dat de mutatie in het gen vooralsnog onschuldig werd bevonden. Het belangrijkste nu was zorgen dat haar misstap werd vergeven, dat ze buiten elke verdenking bleef. Ze opende de pagina van de besloten zoekmachine van de gemeenschappelijke inlichtingendiensten, die een grappenmaker Google’s Brother had genoemd. Ze voerde wat termen in. Amerikaan, Amsterdam, Alexander, whisky. Tennessee Williams. New York, Manhattan cocktail. Vier stipjes op de kaart van Amsterdam. Het tweede was raak. Beelden van een veiligheidscamera op een locatie die de Oude Kerk heette. Hij was het.

Snel pakte ze haar telefoon en tikte het nummer van de ambassade in. Toen er niet meteen werd opgenomen, sloot ze echter weer af. Ze zouden een ontvoeringsteam sturen, Alexander vastbinden bij de handen die haar gestreeld hadden. En wat had hij eigenlijk gedaan, behalve haar een leuke avond bezorgd? Haar grootmoeder zou zoiets niet goedkeuren. Met haar vinger zou ze iets in de bijbel aanwijzen om haar mening te ondersteunen. Ze keek nog eens naar het beeld. Hij zag er onschuldig genoeg uit.

 

Alexander had gehaast de rekening gevraagd. Hij moest hier weg, een beetje gezichtsherkenning zou hem er zo uitpikken. De vraag was of de Amerikanen er zomaar toegang toe hadden. Maar de vraag was ook of de Nederlanders een potentiële lustmoordenaar zouden beschermen. Hij schoof zijn stoel naar achteren, terwijl de ober aan kwam lopen met de rekening. Iets trof hem, waardoor hij de straat inkeek.

Ashley stond een tiental meters van hem vandaan. Ze had zich goed verborgen gehouden tussen de toeristen, maar de zon viel op het silhouet van haar hals en de aanzet van haar borsten. Haar huid gloeide op. Haar roze vingernagels hielden haar telefoon vast, die haar zei hoe ze moest lopen. De enige dame in een zee van toeristen. Nog voor hij kon reageren, glimlachte ze al naar hem.

Even overwoog hij weg te lopen, maar hij had nog niet betaald.

Ze kwam bij hem aan tafel zitten. Haar gladde, bruine benen vouwde ze over elkaar.

‘Waar zijn de anderen?’ vroeg hij.

‘Ik ben alleen.’

‘Het spijt me van de taser,’ zei hij.

Even reikte haar hand onder de kraag van haar blouse. ‘Dat wordt een litteken.’

Hij lachte. ‘Gewond op een missie. Je hebt een medaille verdiend.’

Haar parelwitte tanden verschenen tussen haar lippen.

‘Hoe heb je me gevonden?’ vroeg hij.

‘Dat is geheim, maar het was niet moeilijk.’

Hij wenkte de ober en bestelde een latte; hij had onthouden dat ze die dronk. Haar ogen blonken van waardering om het gebaar van genegenheid. ‘Ik zou het waarderen als je niet met me zou spelen.’

‘De instructies voor uty.c133a-dragers zijn helder. Door die taser is de Nederlandse politie erbij betrokken geraakt en dat maakt het voor mijn baas extra lastig. Luister, het beste is dat je jezelf aangeeft en dan weet ik zeker dat je een goede deal krijgt. Beter dan wanneer Eugenics je vindt.’

‘Ik laat me nooit behandelen.’

‘Voel je je dan niet verantwoordelijk?’ Ze legde haar hand op de tafel. ‘Misschien heb jij het onder controle, maar hoe zit dat straks met je zoon of kleinzoon? Hoe kun je ermee leven dat je ooit een verkrachter zult voortbrengen? Waarom laat je het niet gewoon weghalen? Het is pijnloos. Je merkt er niets van.’

Dat was de grootst mogelijke onzin. Iedereen praatte elkaar maar na. Hij had genoeg verhalen gehoord van mannen die het hadden laten weghalen, en naast hun vrouw wakker werden en walgden van het wezen naast hen. ‘Ze hebben alle grote parfummakers moeten behandelen. Dat is geen toeval.’

‘Dat is statistisch niet onderbouwd.’

‘Het gen is er niet voor niets.’

Ze lachte. ‘Omdat God het je gegeven heeft, mogen we er niets aan doen?’ Ze keek in zijn ogen, dezelfde grote kijkers als waar hij gisteren in verdronken was. ‘Het stelt echt niets voor. En daarna ben je vrij.’

Haar telefoon trilde en ze nam op. Hij keek mee op het scherm en zag dat de oproep van het consulaat kwam. Hij stond op en liep weg.

 

Ashley nam de telefoon op. Het was haar baas. ‘Meid, ik kreeg bericht van de Nederlandse politie.’ Ze haatte het als hij haar meid noemde. ‘Ze hebben van alles gesequensed en volgens hen was er een Amerikaan met uty.c133a in diezelfde kamer. Wat is er aan de hand? Was het die Alexander Roskov?’

‘Yup.’ Terwijl ze antwoordde verdween hij uit haar bereik. Ze moest erachteraan.

‘Blijf daar zitten, Ashley. We sturen iemand. Je mag blij zijn dat je nog leeft.’

Ik heb nog nooit zo veel geleefd, dacht ze.

‘Ik had je eerlijk gezegd wel iets voorzichtiger verwacht.’

Ze duwde haar telefoon tegen haar lippen. ‘Ik had niet verwacht dat zo’n man in het consulaat uitgenodigd zou worden.’

‘We dachten dat hij hier was voor zijn werk,’ klonk het aarzelend. ‘Hij is een vooraanstaande professor in de genetica.’

‘Luister ik moet gaan,’ brak ze het gesprek af. ‘Ik dien vanavond een rapport in.’ Even stopte ze. Om hem tevreden te stellen, moest ze iets kwetsbaars zeggen. ‘Sorry. Ik ben gewoon nog geschrokken.’

‘Ja, dat begrijp ik.’

In de verte zag ze Alexander de hoek om gaan. In het gedrang van de toeristen en de nauwe straatjes zou ze hem nooit meer te pakken krijgen.

‘Weet je waar hij nu is?’ vroeg haar baas.

‘Nee,’ mompelde ze, starend naar de hoek waar hij was verdwenen. ‘Nee dat weet ik niet.’

Zijn stem werd lager. ‘Heb je met hem geslapen?’

‘Daar hoef ik geen antwoord op te geven.’

‘Wist je dat hij uty.c133a was?’

‘Nee. Zijn gedrag past helemaal niet bij zijn type.’

‘Het is allemaal erg onverstandig van je.’

Ze hing op. Het Nederlandse woord voor bully wist ze niet eens. Het beeld van de Alexander gisteravond bleef in haar hoofd spelen, met zijn maatpak en zijn praatje over a Streetcar. Meer man dan alle andere bij elkaar.

Op de hoek bij de kerk zag ze een man met wegwerptelefoons. Zastava’s. Servische makelij. Anonimiteit gegarandeerd. Leuk voor de toeristen die hier een spannende tijd wilden hebben, zonder gedoe thuis. En voor het tuig van deze aarde. Ze kocht een telefoon en liep gelijk terug naar het terras. Met een beetje geluk was haar aankoop onopgemerkt gebleven. Ze toetste het nummer van Alexander.

Antwoord me hierop, typte ze, vurig hopend dat hij iets zou laten horen.

Gelijk kreeg ze antwoord. Ashley?

We hadden nog geen afscheid genomen.

Vaarwel

Even hingen haar vingers boven het toetsenbord. Daarna typte ze haar bericht. Ik wil je graag nog een keer zien.

Het bleef stil aan de andere kant.

Er is een reden waarom je niet bang voor me bent, wist je dat?

Omdat ik je aardig vind?

Ik zag op je telefoon dat ze een otc.a18t variant bij je gevonden hebben.

Ze werd warm. Je hoort niet in andermans telefoon te snuffelen.

Of onenightstands met tasers te bedreigen.

Hij stuurde een bericht door. Een wetenschappelijk artikel.

Het gen otc.a18t. Wetenschappers van Harvard hebben aangetoond dat koolmeesvrouwtjes met deze mutatie zich verder wagen van hun nesten en vaker paren met andere partners. Komt disproportioneel voor bij sekswerkers en vrouwen met meer dan vijf sexpartners in hun leven. Door de media al snel betiteld als overspel-gen, maar daarvoor ontbreekt bewijs. Biologen denken dat otc.a18t inteelt voorkomt door relaties te bevorderen met vreemden van buiten de gemeenschap. Radicale christelijke partijen ijveren voor het toevoegen van otc.a18t aan de CRISPR cocktail maar daarvoor is weinig steun.

Ze kneep in haar telefoon. Het stuk voelde alsof ze werd uitgescholden voor hoer. Maar dit was wetenschap, het klopte. De beschrijving van het gen was ongeveer het leven van haar moeder. Maar dat betekende niet dat zij ook zo moest zijn. Ze was volwassen, nog niet getrouwd. Iedereen liet zich weleens verleiden. Haar oma was een flirt geweest en haar opa had het prima gevonden. Heel hun leven waren ze bij elkaar geweest. Zo kon het ook zijn. Zo moest het zijn. De Heer zou haar steunen.

Ik ben sterker dan dat gen.

Dat hebben we dan gemeen.

Ze vloekte binnensmonds. Hij was de enige man die haar zo makkelijk van haar stuk bracht.

Café Americain, aan het Leidseplein. Vanavond, schreef hij.

Even aarzelde ze. Oké.

Ze sloot af. Over het antwoord had ze getwijfeld. Wat zou hij denken van haar?

 

Alexander sloot zijn telefoon af van het netwerk. Hij moest wegwezen, voor het geval Ashley hem in de val wilde lokken. Hij liep in normale pas door de straten. De vrouwen lonkten naar hem. Afrikaans, Aziatisch, Hollands. Dik, oud, triest, maar toch allemaal op hun manier aantrekkelijk. Al die exotische geuren en kleuren staken naalden in zijn brein.

De telefoon die ze gebruikte. Was het een val of wilde ze ontsnappen aan het netwerk van de Unit? Had ze het stukje over otc.a18t écht begrepen? Ze was geen geneticus, maar slim genoeg. Kon hij niet beter vluchten? Hij had vrienden in Christiana in Kopenhagen, wat nog steeds een vrijplaats was. Als hij er kon komen. Het cynische was, dat Ashley waarschijnlijk het beste wist wat hij moest kiezen.

Hij keek op een klok. Nog een paar uur te doden voordat hij bij het Café Americain moest zijn. Hij liep naar het Leidseplein, een van zijn favoriete plekken om naar vrouwen te kijken, terwijl ze op het terras hun aankopen aan elkaar lieten zien, hun mannen bespraken en rosé dronken. Als een scène van Manet.

 

Ashley besefte dat ze, sinds ze naar het feest was geweest, al meerdere domme dingen had gedaan. Het eerste en meest aangename was met Alexander meegaan. Het tweede was hem in haar eentje op het plein opzoeken. Het derde was die telefoon kopen. Ze had hem nog maar net weggegooid, toen een tweetal mannen haar kwamen ophalen. Brede schouders, strakke jasjes. Mensen die in de pas liepen, bang voor alles wat vreemd was. Ze liep met hen terug. Daar werd ze gedebrieft door de consul en haar baas.

‘Heb je nog contact gehad met hem?’

Ze schudde haar hoofd. Stom. Een stomme leugen. Als ze goed waren, hadden ze dit in tien minuten uitgevogeld.

‘Maakt niet uit,’ zei de consul. ‘We weten waar hij is.’

Haar baas staarde haar aan en ze voelde dat ze ging blozen. Ze was blij was dat ze niet blank was. ‘Hoe hebben jullie …’ Ze herstelde zich. ‘Hoe hebben wé hem ontdekt?’

‘Hij heeft contact gehad met een Zastava-telefoon.’

Ze hield op met vragen. Onbekende netwerken waren terroristische netwerken. Dus was hij schuldig. Alexander had geen schijn van kans tegen deze lui. Het raakte haar, dat hij zo alleen stond. Opgejaagd wild. En hij had niets gedaan, behalve haar aan het Zuiden herinnerd. Maar dit was geen moment om daar iets over te zeggen. Ze was blij dat ze de telefoon had weggegooid. ‘Wat verwachten jullie van mij?’

‘We zitten in een moeilijk parket,’ mompelde haar baas. ‘We mogen hem van Washington niet laten gaan. We kunnen hem ook niet arresteren op Nederlands grondgebied.’ Hij keek haar aan, ‘Het ligt allemaal gevoelig nu de Nederlandse politie hem als drager heeft geïdentificeerd.’

De consul knikte. Hij was een zachtaardige man, maar ze kon merken dat hij zenuwachtig was om de hele situatie. ‘Holland is een wespennest als het gaat om genvaccinaties.’

‘Laten we hem ophalen en over een uur zit hij op het vliegtuig naar Washington.’ Haar baas zwaaide met zijn dikke armen.

Ze huiverde. Als hij geen goede advocaat regelde, zouden ze hem jaren in een of ander gesticht voor verkrachters stoppen. Hij zou zijn geliefde uty.c133a verliezen en ook nog zijn ziel. Ze keek de mannen aan. Even keken zij elkaar aan. Een old boys’ blik. Het was duidelijk dat ze meer wisten dan ze met haar deelden. Een onenightstand had een einde aan haar carrière gemaakt. Ze besloot een gok te wagen.

‘Ik denk dat ik hem kan overtuigen om vrijwillig de cocktail te nemen.’

‘Je had toch geen contact meer?’

‘Ik kan hem bereiken. Maar ik heb iets ongebruikelijks nodig.’

Haar baas wilde al weigeren, maar de consul kwam tussenbeide. ‘Ik weet zeker dat het geregeld kan worden.’

 

Ashley’s handen trilden toen ze het terras van het Café Americain betrad. Het gebouw was schitterend, art nouveau heette die stijl, dacht ze. Precies iets voor Alexander om dit te kiezen. Het zweet parelde langs de draden waarmee ze uitgerust was onder haar zwarte mantelpak. Ze scande het terras en zag Alexander meteen, glimlachend in een linnen maatpak Haar buik draaide zich om.

‘Ben je alleen?’

Ze schudde haar hoofd.

‘Word ik zo hard gezocht?’

‘Yep.’

‘Dankjewel.’

Bedankte hij haar echt of was het cynisme? ‘Het spijt me.’

Hij wenkte een ober, die meteen een fles champagne bracht en twee glazen inschonk. Hij gaf haar een glas en tikte het zijne tegen het hare.

Ze hief haar glas naar hem. ‘Op ons.’

‘Geloof je in dat artikel dat ik stuurde?’ vroeg hij.

‘Het klopt gewoon,’ zei ze. ‘Ik bleef vroeger altijd tot ver na het donker buiten hangen, terwijl mijn vriendinnen al lang naar binnen waren. Ik was nooit bang. Ik vond alles spannend. Mijn oma had haar handen vol aan mij, met mijn moeder als schrikbeeld.’

‘En denk je dat het toeval is dat wij hier zitten?’

‘Hoe bedoel je?’

‘We schakelen al die genen uit, maar er is nog zoveel onbekend over hun functie. Stel je voor zo’n dorp, waar iedereen met elkaar trouwt, al generaties lang. Dat is ten dode opgeschreven, tenzij er af en toe verse genen bijkomen. Bijvoorbeeld als er af een toe een vreemdeling voorbij komt dwalen, op zoek naar vrouwen die niet bang zijn om hem stiekem te ontmoeten in het bos. Zulke dorpen overleven beter. Als dat maar lang genoeg duurt, ontstaan er vanzelf genen voor.’

‘Co-evolutie,’ zei ze. ‘Zodat vreemdelingen elkaar ontmoeten.’

Hij knikte. ‘We zijn voor elkaar gemaakt, Ashley.’

Ze nam een slok. Dat vond ze een hele romantische gedachte.

‘Onze wereld verschilt niet zoveel dan die van vroeger, Ashley. De meeste mensen houden nog steeds niet van vreemdelingen. Maar het verschil is dat we gentherapie hebben. Als uty.c133a uitgeroeid wordt, dan zal otc.a18t daarna vanzelf uitsterven.’

Haar armen verstijfden. Ze liet zichzelf geen schuldgevoel aanpraten. ‘Het verschil is alleen dat ik mijn gen háát. Het heeft me mijn moeder gekost. Het heeft me mijn carrière gekost.’

‘Het hoort bij je.’

‘Vrouwen als ik eindigen als Blanche DuBois. Verkracht, voor gek verklaard.’

Hij haalde diep adem en zakte terug in zijn stoel. ‘Wat voor keuzes heb ik?’

‘Je kunt vrijwillig een behandeling nemen. Dat kan hier zelfs, het is maar één injectie. Of ze nemen je mee vanavond naar de VS.’ Ze schreef een paar letters op een servet. Of je kunt de trein nemen naar Christiana, vanavond. 23.09, perron 8. Je beste kans.

‘Haal ik dat?’

Nee, schreef ze. Ze zijn te erg op je gebrand.

‘Wat dan?’ zuchtte hij.

Ze greep in haar handtas en haalde twee injectienaalden tevoorschijn. Ze trok de beschermkapjes ervan af en drukte de ampullen aan. US government property. CIA Eugenics CRISPR labs, adenoviral delivery, stond erop. ‘Vaccinaties tegen onze beide genen.

‘Het jouwe is niet verboden.’

Ze pakte de injectienaald waarop otc.a18t stond en hield hem tegen het licht.

‘Niet doen. Je zult angstig worden,’ zei hij. ‘Bang voor het donker. Bang om alleen te zijn. Bang voor mij.’

‘Maakt me niets uit.’ Ze zette de naald in haar bovenarmspier. Door de pijn schoot het water in haar ogen. Ze drukte de spuit leeg terwijl ze Alexander aankeek en haar tranen liet lopen. De komende dagen zou het zich over haar cellen verspreiden. Na een week zou otc.a18t uit haar lijf verdwenen zijn. Geen one-night-stands meer. Geen Alexanders meer die haar meevoerden in de nacht. Een normaal leven.

‘Dus dit is een afscheid?’ vroeg hij.

‘Nee.’ Ze schoof de andere injectienaald over de tafel naar voren. ‘Ik wil dat je voor me kiest, ook zonder die verdomde genen. Neem het. Trouw me, laat me de wereld zien. Als twee gewone mensen.’

 

Alexander staarde naar de naald die uit Ashley’s arm gekomen was. Die kleine schaduw onder haar volle lippen, de welvingen bij haar kraag, de aanzet van haar borsten. Zij was de meest speciale vrouw die hij in jaren had gezien, misschien wel heel zijn leven. Alsof hij zojuist een eenhoorn had zien sterven. Ook otc.a18t was een zeldzaam gen.

‘Over een minuut zijn ze er,’ fluisterde ze. ‘Ze nemen het risico gewoon.’

‘Ik ben geen verkrachter.’

‘Dat weet ik toch.’

‘Je vindt het niet erg om in een appartement te wonen en verzekeringen af te sluiten?’

Ze schudde haar hoofd.

Hij pakte de injectiespuit en sloeg hem in zijn bovenarm. De pijn verbijtend drukte hij de naald leeg. Het leven zou minder worden, veel minder; alsof hij alles door een beslagen glas zou zien. Maar er was geen ruimte voor Ashley en hem zoals ze waren. Hij hoopte zich alleen af en toe te herinneren hoe intens de wereld als vreemdeling was geweest.

Schoolreisje – Paul van Leeuwenkamp

  1. Schiphol en Amsterdam

 

Natuurlijk werd Mike er weer uitgepikt door de douane. Hij zag er uit als iedere andere Japanner in zijn gezelschap, kort stug zwart haar, geelgetinte huid, kort van stuk en scheefstaande ogen, maar toch werd hij er weer uitgepikt. Dat kwam door zijn naam, Mike Havenaar, die gewoon niet paste bij een Japanner. En dat allemaal omdat er ooit een Nederlander naar Japan was gekomen en daar was getrouwd en kinderen had gekregen. De genetische invloed van die verre voorouder was bij Mike geheel verwaterd. Dit tot ergernis van zijn vader. Of nee, niet het zeer Japanse uiterlijk van Mike ergerde hem, maar de aandacht die de discrepantie tussen zijn naam en uiterlijk opriep. Mike’s vader wilde het liefst onzichtbaar door het leven gaan.

Een van de voorouders van Mike, met precies dezelfde naam, was hier in Nederland nog een beroemde voetballer geweest, maar dat was al lang vergeten, en zelfs wanneer dat niet zo was, zouden de Chinezen die hier op Schiphol aankomst en vertrek bewaakten, daar toch niets van weten. En dus werd Mike gefouilleerd, gescand, psychologisch getest en uitgebreid ondervraagd. En dat duurde natuurlijk wel een paar uurtjes.

Toen Mike eindelijk de aankomsthal in stapte, was de rest van zijn klas al vertrokken, uitgezonderd een zeer nors kijkende meester Sasaki en een breed lachende gids, bij wie de yuan-tekens bijna zichtbaar in de ogen glinsterden. Dat maakte Mike nog chagrijniger dan hij al was, want de reisorganisatie zou de extra kosten bij de school in rekening brengen, en die zou ze volledig doorbelasten aan zijn vader. En dat zou hij dan de rest van zijn leven te horen krijgen.

De gids legde zijn automatische geweer op de grond, zo te zien een G&G XA5 Defender, sjorde Mike in een kogelwerend vest en liep naar de uitgang. Daar wachtten ze tot er een gepantserde Tesla voor kwam rijden. Ze renden naar de auto, waar de gids Mike en meester Sasaki achterin duwde en zelf voorin dook, waarna de chauffeur er vol gas vandoor ging.

De rit naar Amsterdam verliep zonder noemenswaardige problemen. Ze werden even door Rijkspolitie achtervolgd, maar de chauffeur was vaardig en de achtervolgers werden al snel afgeschud. En bij een dorpje dat Amstelveen heette werden ze beschoten, zelfs een keer geraakt, maar de Big Tesla 7XV waarin ze reden werd er nauwelijks door van koers gebracht.

De gids, een lange man met zwart haar en een getinte huid, het tegengestelde van de kleine, blonde, vrouwelijke chauffeur, nam meteen nadat ze wegreden zijn rol van gids op zich, en ook al had Mike alles over Nederland gelezen wat er te lezen was, hij probeerde zo goed mogelijk te luisteren naar wat de man te vertellen had. Zijn vader zou hem grondig overhoren, zeker nu hij er door de individuele noodbehandeling van zijn zoon een heleboel extra voor moest betalen.

‘Na de Nexit kwam het proces van verzelfstandiging in een stroomversnelling en Nederland viel nog verder uiteen. Eerst in de twaalf Provinciën, daarna in talloze stadstaten.’

‘Ha ha! Kijk. Ze raken al op achterstand. Goed gereden Laura. Ze noemen zich Rijkspolitie; een groepering die beweert Nederland weer tot Nederland te willen herenigen, maar in de praktijk alleen maar een stelletje vrijbuiters die tussen de steden rondzwerft. Mooi Laura, kijk, ze geven het al op.’

‘Amstelveensters… Proberen Amsterdammers te zijn, de stumpers.’

‘Oké Laura, rustig de sluis in.’

De zwaar bewapende toegangspoort tot Amsterdam West was een van boven open doorgang door de tien meter brede metalen muur die om heel Amsterdam heen liep.

‘In het noorden en het oosten is er nog zo’n toegang. Al even zwaar bewaakt. De toegang in het zuiden is geblokkeerd sinds Zuiderlingen de stad probeerden binnen te komen.’

Nadat de gids, die zich Marco noemde, was gescand, konden ze de sluis uit rijden. Onder bewaking werden Mike en meester Sasaki teruggebracht naar de rest van de klas, die op dat moment het paleis op de Dam verliet, op weg naar een rondvaartboot die hen via de grachten van Amsterdammed naar het Rijksmuseum zou brengen. Mike sloot zich aan bij Fudo en Hideaki, het gegiechel van Wattan negerend. Na het Rijksmuseum, waar Mike zich stierlijk verveelde, bracht de bus hen naar het Okura Hotel aan de Ferdinand Bolstraat.

‘De legendarische Nederlandse rocker Herman Brood wilde van dit hotel springen om een einde aan zijn leven te maken. Uiteindelijk sprong hij van het Hilton. Een ander hotel, dat vlak voor de Nexit werd verplaatst naar het stadje Zwolle in het oosten. De geboorteplaats van de zanger. Daar is het in de Woelingen verloren gegaan.’

Mike sliep met Fudo en Hideaki op een van de jongenskamers. Nou ja, sliep…. Er werd natuurlijk lang genoten van de door Fudo meegesmokkelde saké. En nog meer van de meisjes Toko, Taree en Sai, die ongemerkt vanuit de meisjeskamer naar hen toe waren gekomen. Wat saké al niet teweeg kon brengen!

De volgende dag gingen ze naar de dierentuin, schommelden ze op de A’dam Toren en bezochten het Anne Frank huis, voortdurend omgeven door bewakers. Amsterdam was altijd een eigenzinnige stad geweest, waar landelijke wetten met gemak naast zich neer werden gelegd. Wanneer drugs verboden waren, werden ze in Amsterdam gedoogd. Wanneer gezichtbedekkende kleding verboden werd, stelde de Amsterdamse burgermoeder helder dat die wet niet gehandhaafd zou worden, wanneer er wetten werden aangenomen om huisjesmelken te beperken, werden de beroemdste huisjesmelkers uitgenodigd om het woningentekort op te lossen. Dat was ook de wereldwijde aantrekkingskracht van de stad geweest, de reden waarom al die toeristen naar Amsterdam kwamen en van de stad een rijke stad maakten. Na het wegvallen van de nationale overheid had Amsterdam natuurlijk een probleem: hoe kon de aantrekkelijke uitstraling van rebelsheid in stand worden gehouden? Het antwoord lag voor de hand: de regels die door de burgermoeder werden opgesteld moesten met voeten getreden kunnen worden. En dus ontstond er een precair evenwicht tussen de diverse maffia’s en de politiemacht; je kon in de stad rustig leven, maar je voelde je toch nooit helemaal veilig. Eigenlijk was leven in Amsterdam leven zoals het leven was, en dat bleek zelfs een nog grotere aantrekkingskracht uit te oefenen. Het werd dan ook als bij voorbaat gecalculeerde schampschade geaccepteerd dat aan het eind van hun bezoek aan Amsterdam Masaru en Tsuru verdwenen waren, wellicht in de kinderporno terecht gekomen maar mogelijk ook door een kinderloos echtpaar liefdevol geadopteerd. Er was binnen het reisschema natuurlijk geen tijd om daar achter te komen.

 

  1. Utrecht

 

De rit naar Utrecht was veel rustiger dan de rit naar Amsterdam was geweest. De zwaar gepantserde bus waarin het reisgezelschap werd vervoerd, met de geschutskoepels op het dak en in grote letters de naam van de gevreesde reisorganisatie Nikkonda, ontmoedigde alle mogelijke vrijbuiters. Zelfs pogingen om bijvoorbeeld met diepe valkuilen in de weg de bus te laten stranden, behoorden al lang tot het verleden. Sinds de bussen waren uitgerust met levitatie-units had dat immers toch geen zin. Het gebruik van die units kostte heel veel energie en zorgde er voor dat de bus niet zomaar verder kon, maar de snelheid waarmee Nikkonda dan met jachtvliegtuigjes ter plaatse was, bewapend met intelligente raketten, die elk doel uiteindelijk vonden, gaf vrijbuiters en terroristen ook dan niet de mogelijkheid er hun voordeel mee te doen. En die hielden het na de eerste pogingen dan ook voor gezien.

Utrecht was veel veiliger dan Amsterdam. Hier hoefden ze geen kogelwerende vesten te dragen, en naast de gids was één bodyguard voldoende. Ze liepen langs de grachten, keken naar de oprijzende gebouwen. Vanuit hun hotel op het Vredenburg liepen ze naar de Sint Willibrordkerk, waar al twintig jaar een oecumenische kerkdienst gaande was, om te voorkomen dat de familie Severeijns werd uitgezet naar de stad van herkomst. Na nog langer procederen had de hoogste rechter van Utrecht besloten dat de familie op het moment van de Uiteenval niet woonachtig was in de stad en volgens het GBA in Maastricht woonde, een stad die veilig was. Ook hun twee dochters, die toen in Utrecht studeerden, en hun drie kleinkinderen zouden op een beveiligd transport naar het Zuiden worden gezet.

Mike liep door de kerk en luisterde naar het gebrabbel van de voorganger. De familie Severeijns huisde achter het altaar, afgeschermd door een dik rood gordijn, maar er was altijd één van hen bij de dienst aanwezig. Zij wisselden elkaar af in de voorste bank, zoals de voorgangers elkaar afwisselden op de preekstoel.

Van de Sint Willibrordkerk liepen ze naar de Pieterskerk, waar een soortgelijke dienst bezig was, maar dan met een gezin dat naar Groningen was uitgewezen. En daarna volgden nog de Nicolaïkerk met een gezin dat naar Den Helder moest, de Sint Martinuskerk met een bejaarde vrouw waarvoor ooit het Kinderpardon ten onrechte niet was verleend, de Leeuwenbergkerk met een dienst voor de duistere Van Leeuwenberg, en de Janskerk, de Jacobikerk, de Sint Gertrudiskathedraal, de Geertekerk, de Walsteegkerk, de Domkerk en de Sint Catherinakathedraal, de Buurkerk en de Sint Augustinuskerk, allemaal met hun eigen, al decennia voortdurende kerkdienst, maar na de eerste kerken had Mike zijn aandacht daarvoor verloren, net als Fudo en Hideaki, en ze besteedden hun tijd met berichtjes uitwisselen via hun palio’s, waarin vooral met de docenten de draak werd gestoken.

Later bezochten ze de beroemde Utrechtse sterrenwacht, waar nog steeds gewacht werd op de al zo lang verwachte bezoekers ‘from outer space.’

‘De sterrenwacht werd medio 19de eeuw hier naartoe verplaatst door hoogleraar Buys Ballot. Het gebouw heette Sonnenborgh en was een verdedigingsbolwerk dat in 1552 in gebruik werd genomen.’

Ze liepen door het stedelijk museum waar de vloeren waren ingesmeerd met pindakaas.

‘De Pindakaasvloer is een conceptueel kunstwerk uit 1962 van de Nederlandse kunstenaar Wim T. Schippers. Het past in de conceptuele werkwijze van de beeldend kunstenaar en het geeft aan dat alles in principe zinloos en onzinnig is, maar daarom nog wel de moeite waard. Uit 1965 stammen soortgelijke kunstwerken; een stoel bekleed met bami uit blik en een tafel met doppertjes.’

Natuurlijk hielden de jongens een wedstrijdje wie ongezien de meeste pindakaas kon oplikken. Mike won die wedstrijd, maar was daar later, toen hij zich wat misselijk ging voelen, toch niet zo blij mee.

En als afsluiting bezochten ze Brouwerij De Leckere, waar rijstewijn werd gebrouwen.

Het waren twee rustige dagen en toen ze weer vertrokken, werd er niemand vermist.

 

  1. De Oostvaardersplassen

 

Na het saaie cultureel maatschappelijke onderdeel kwam er weer actie. Ze reden in de bussen naar het oosten, naar de Flevopolders, waar de mensheid voor het eerst de zee had verslagen, waar de golven waren weggestuurd om plaats te maken voor landbouwgrond en steden. Maar sinds men de Indische Oceaan had ingepolderd stelden die Flevopolders natuurlijk niets meer voor en ze stonden dan ook niet op het programma, nee, het ging om de klassieke hertenjacht bij Oostvaardersplassen.

Ze reden over de achtbaans A27 voorbij Hilversum naar de Stichtse Brug. Toen ze brug over gingen, rekten de brontosauriërs in de polder hun lange nekken en onder het uitstoten van lange klaaglijke kreten zwaaiden ze hun hoofden heen en weer. Voor veel toeristen was dit een mooi gezicht, waar ze vanaf de parkeerplaatsen op de brug volop foto’s van maakten, maar op de Japanners, bij wie monsterlijke sauriërs, apen en yeti’s zo lang en uitvergroot in de cultuur zaten, maakten ze weinig indruk. Hoe echt ze ook leken, de Japanners zagen meteen dat het maar imitaties waren en lachend wezen ze op de onjuistheden en haperingen.

‘Vroeger was hier een windmolenpark, maar nadat duidelijk was dat dat een zeer inefficiënte energiebron was, werden ze stilgezet. Jarenlang stonden de windmolens onbeweeglijk in het landschap, tot een of andere Canadees met Nederlandse roots bedacht dat het wel leuk was er bewegende brontosauriërs van te maken.’

Die mededeling leidde tot veel gejoel. De bus van Nikkonda stopte niet en reed meteen door.

Bij de Oostvaardersplassen aangekomen, stopten de bussen op ongeveer 500 meter van de strobalen waarachter de natuurbeschermers zich verscholen hadden. Ze verlieten de bus, werden in vijf teams verdeeld en kregen geweren uitgedeeld. Er werd wat gemopperd toen bleek dat het slechts verdovingsgeweren waren, maar toen stormde de groepjes op de verdedigingslinie af.

Mike zat uiteraard in een groepje met Fudo en Hideaki, daar zorgden ze wel voor. Ze leidden hun groepje naar rechts, waar ze zich verspreiden en allemaal tegelijk op de hooibalen afstormden en er soepel tegenop klommen. De verdedigers deden hun best hen terug te duwen, maar Fudo glipte tussen twee graaiende handen door en was toen achter de verdedigers. Omdat het slechts verdovingsgeweren waren, had het weinig zin om te schieten, en daarom gebruikte Fudo zijn geweer als een knuppel en hij ging de natuurbeschermers met de kolf van zijn geweer te lijf. Dat bleek een strategie waar de verdedigers niet op hadden gerekend, want onder luid gegil en getier draaiden ze zich naar Fudo, daarmee de rest van de groep alle ruimte biedend. En omdat ze hadden gezien hoe effectief dat was, gebruikten ook zij hun geweren als knuppels. In een mum van tijd lagen de dierenbeschermers kreunend en kermend op de grond en hadden Mike en zijn klasgenoten vrij toegang tot de herten die daarachter heen en weer renden. Maar ver kwamen ze niet. De organisatie, samen met meester Sasaki en juffrouw Rin, sneden hen de pas af. Ze kregen petsen om de oren en alle leerlingen werden terug naar de bussen gestuurd. Ze hadden zich niet aan de regels gehouden! En daar moest nu iedereen onder lijden.

Ze overnachten in het WTC-gebouw van Almere, waar Mike, Fudo en Hideaki zich verdedigden tegen hun klasgenoten. Zij konden toch niet weten dat er ‘spelregels’ waren? Dat was toch helemaal niet verteld! En bovendien, het waren helemaal geen echte herten die daar liepen, zei Fudo, die het dichtste bij was gekomen. Het waren oude mannen met een hertengewei op hun hoofd. Nep. Fake. Kinderachtig. Pas toen Aki op zijn palio achterhaalde dat de herten van de Oostvaardersplassen al meer dan 100 jaar eerder waren uitgeroeid, en dat het tegenwoordig oude mannen uit Zeeland waren, die naar de polders waren uitgeweken, keerde de rust op de slaapzalen terug.

 

  1. The Alkmaar Tourist Mall

 

Op de weg terug van Almere naar Schiphol bezochten ze The Alkmaar Tourist Mall, om daar hun vakantiefoto’s te laten maken. De Mall lag tussen de steden in en werd daarom bewaakt door Chinese militairen, die er echter voor zorgden uit het zicht te blijven, zodat de typisch Nederlandse uitstraling niet werd verstoord. Onder leiding van meester Sasaki en juffrouw Rin kronkelden ze door de Mall van fotoplaats naar fotoplaats. Kyo liet Mike struikelen, waardoor hij languit tussen de tulpen belandde, waar hij door meester Sasaki hardhandig uit werd getrokken en weer eens streng werd toegesproken. Aan het eind kregen ze de hele reportage rechtstreeks op hun palio gedownload, en toen werden ze weer de bussen in gedreven en waren ze weer op weg.

Het inchecken ging aanzienlijk sneller dan het uitchecken bij hun aankomst was gegaan, al trok Mike ook nu de aandacht van de douaniers. Gelukkig bleef het bij een aarzeling en enkele gefronste wenkbrauwen. Pas in het vliegtuig ontspande hij zich weer. Verveeld bladerde hij door de vakantiefoto’s die hij had meegekregen: Mike voor de molen, Mike voor de ronde Goudse kazen met hun dragers, Mike voor het tulpenveld, Mike voor de gerookte palingen met de oude vrouwtjes in hun zwarte kleren, Mike met de aardappeleters…

Stel je voor dat ze zonder hem vertrokken waren en hij in dit domme landje had moeten achterblijven. Alleen al bij het idee liepen de koude rillingen over zijn rug.

De vijfde – Maarten Luikhoven

Hij fluit een ooit populair liedje terwijl hij langs het karrenspoor richting de grote stad loopt. Heel in de verte in het dal beneden hem ziet hij de gigantische ijzeren toren die een zekere meneer Eiffel ooit heeft gebouwd voor een tentoonstelling, zo lang geleden. Het gedrocht is roestbruin, net als de rivier die er in de buurt voorbij stroomt.

De zon schijnt. Er zijn schapenwolkjes. Naast het karrenspoor ligt een brede asfaltbaan die volledig is verwoest door planten en bomen die door de zwarte laag zijn gebroken. Waar eens automobielen reden is nu zelfs gewoon lopen onmogelijk geworden.

Ooit woonden er meer dan twintig miljoen mensen in deze metropool. Nu zijn dat er een stuk minder. Hij herinnert zich nog goed hoe hij in die tijd met een sneltrein van de ene kant van het land naar de andere kon reizen, koffie drinken op het Gare de Lyon, uitkijken over de uitgestrekte stad vanuit die toren.

Toen al wist hij dat hij een taak had, een opdracht. Hoewel hij niet gelovig was, wist hij dat er een hogere macht was die hem stuurde. Het kon bijna niet anders. Op de kleuterschool al vochten klasgenootjes elkaar het klaslokaal uit, raakten leraressen slaags met de directie. Hij keek het aan en ergens, diep van binnen, genoot hij van de gloeiend rode energie die de vechtenden uitstraalden. Hij verlangde ernaar zoals een plant zich naar de zon richtte.

Dit herhaalde zich op de lagere school en op de middelbare school. Zijn effect werd er enkel sterker, hoewel het hem ook wel beangstigde wanneer hij tussen de strijdende partijen belandde. Een ongeluk, net als een welgemikte baksteen, zat soms in een klein hoekje.

Ach, de idealen uit die tijd, de wens de wereld een betere plek te maken. Hoe naïef was hij toen. Hij las teveel klassiekers met nobele, koene redders van de mensheid, of toch tenminste hun naasten. Enerzijds was het escapisme van het dagelijkse gevecht dat de mensen om hem heen leverden, anderzijds was het een poging te begrijpen wat hem nu zo anders maakte dan de anderen.

Hij nadert nu de buitenste buitenwijken, banlieus genaamd, de vergeetputten van de rijke centrumbewoners. Wanneer hij een hoek omslaat wordt hij opgewacht door een groep van zo’n twintig jongemannen van Afrikaanse afkomst, enkel gekleed in gerafelde joggingbroeken en gewapend met stalen pijpen, lange puntige stokken en roestige keukenmessen. Ze dragen stamlittekens op hun ontblote bovenlijven, als een atavistische uitdrukking van hun identiteit.

Hij slikt even, licht nerveus. In zijn lange leven heeft hij conflict altijd weten te vermijden, dus hij weet niet hoe ver hij kan gaan, mocht zijn leven hier in gevaar komen. Het besef dat er hier en nu een einde aan zijn bestaan kan komen, beangstigt hem, maar windt hem tegelijkertijd op. Als ik maar de kans krijg te spreken.

‘Bonjour, mes amis!’ Hij glimlacht erbij. Onmiddellijk ziet hij de houding van een aantal van de jongemannen veranderen, meer ontspannen worden.

De leider – een jongeman met veel littekens op zijn bovenlijf en armen – zegt: ‘Parijs is nu van ons, witneus. Je had hier niet moeten komen.’

Hij glimlacht hen toe en spreidt zijn handen. ‘Ach, ik heb geen kwaad in de zin en zal jullie niet lastig vallen. Laat me mijn weg vervolgen, dan ben ik des te eerder van jullie gebied af.’

‘Te laat, witman. Je botten zullen onze wijk sieren.’ De leider gebaart naar zijn mannen, maar er is aarzeling. Zo gaat het altijd. Ze horen zijn stem en besluiten dat hij geen gevaar is, geen onrust komt brengen, ja zelfs een van hun vrienden is, familie bijna.

De leider is goed. Hij proeft de onenigheid in zijn troepen. Hij reageert zoals leiders door de geschiedenis heen altijd hebben gereageerd, met woede, met dreiging. Apengedrag, hij heeft er alles over gelezen. Alleen werkt het niet bij hem.

Hij glimlacht de grootste weigeraars toe zodat ze weten dat hij vertrouwen heeft, in hun kunde en in hun rechtvaardigheid. Het is bijna te makkelijk.

Even is er paniek, een handgemeen, messen flitsen, buizen suizen en stokken spietsen. De leider gaat neer, de jongemannen die hem wilden aanvallen worden vakkundig uitgeschakeld. Bloed vloeit, rijkelijk. Al die tijd blijft hij staan, zijn armen gespreid, als een Jezus-figuur, waarschijnlijk met halo, zo stelt hij zich voor, terwijl de slachtoffers vakkundig worden ontleed.

Hij schudt hier en daar wat handen, vertelt ze hoe trots hij op hen is. Bij het afscheid fluistert hij een aantal toe wie allemaal de macht willen en welke zusters of dochters met de vijand hebben gelegen. Hij ziet het zaad van afgunst en wraak kiemen in hun ogen. Zijn werk hier is gedaan en hij begeeft zich weer op het karrenspoor, verder de stad in.

Nog steeds vraagt hij zich af wat hem hierheen drijft. Lang geleden was hij Parijs al zat en de rellen van 2031 gaven hem destijds het excuus om zich excessief te laven aan de bloedrode energie van de menigte. Maar zoals een overdaad aan zoetwaren je misselijk maakt, zo ook werd uiteindelijk de chaos en vernieling, dood en verderf, hem teveel.

Sindsdien woont hij in een afgelegen boerderij ergens midden in de Morvan, waar hij op TV de langzame val van het nieuwe Romeinse Rijk, de EU, volgde, tot de TV-uitzendingen stopten, waarna ook Internet en elektriciteit verdwenen. Hij heeft maar weinig nodig en de laatste veertig jaar leeft hij enkel met zijn dieren, een familie grote boerderijkatten en een paar wolfshonden die zijn grondgebied en zijn akkertjes bewaken en hem beschermen. Het zijn de enige wezens die hij als vrienden beschouwt. Mensen hebben afgedaan, hij ziet ze als minder dan kakkerlakken.

Pas op zijn zeventigste verjaardag, tijdens het scheren, beseft hij dat zijn gezicht jong is, onveranderd zolang als hij het zich kan herinneren. Het is het moment dat de twijfel begint, dat hij begrijpt dat hij anders is dan andere mensen. Natuurlijk weet hij al dat hij beter is dan zij, voelt hij zich verheven boven die zielige wezentjes die zo weinig van elkaar begrijpen dat ze elkaar uit arren moede maar de hersens inslaan om hun gelijk te halen. Hij herinnert zich de vele momenten dat hij dat aanmoedigde, dat vaders en zoons, moeders en dochters, zelfs verliefde stelletjes met elkaar slaags raakten, tot de dood erop volgde. Hij staat er zover boven en zijn tijdloze gelaat bevestigt het nogmaals: hij is een superieur wezen, homo superior, de wereld behoort hem toe.

Hij vervolgt zijn weg langs ingestorte gebouwen, waar de natuur weer heerst. Een hinde kijkt op als hij een open plek opstapt en een moment kijken ze elkaar ademloos aan. Hij glimlacht. De hinde ziet hem niet als gevaar en gaat door met knabbelen aan takjes en struiken. Ooit reden hier automobielen, nu zijn het verroeste hopen, de plastic onderdelen verkruimeld door de invloed van zon, weer en wind. Bij zijn voeten glimt iets. Hij pakt het op, veegt wat modder en een reepje fluorescerend gele stof weg. Een kogel, iets groen uitgeslagen, maar duidelijk een goede kwaliteit legering, waarschijnlijk een NATO 7.62 die in die tijd uitgebreid werd ingezet door het EU leger tegen de eigen burgers. Hij gooit het ding weg. Ongetwijfeld is de grond ermee bezaaid, net als met de botten van die eigen burgers die hier sneuvelden. Hij ziet het als onfortuinlijk voor de getroffen mensen, maar goed voor de bodem. Op slagvelden groeien planten altijd voortreffelijk.

Dit deel van de stad was vroeger een aaneenschakeling van middenklasse huizen afgewisseld met parkjes en groenstroken. Het is nu een nieuwe tuin van Eden geworden waar zonlicht vrij spel heeft en beekjes door verweerde betonnen buizen klateren, waar stilstaande poelen helder water het groen van fruitbomen reflecteren en de zwarte gaten in witte schedels op de bodem verdwijnen in de rimpelingen veroorzaakt door het vriendelijke briesje.

Hij wandelt over konijnenpaadjes en ziet onder een appelboom met vroegrijpe appels een jong meisje staan dat verlangend omhoog kijkt. Hij kucht even en geschrokken draait ze zich om. Hij lacht zijn tanden bloot en knikt naar haar. ‘Heb je hulp nodig?’

Het meisje, ze zal nog geen tien zijn, is gekleed in vodden, de schoenen die ze draagt zitten vol gaten en zijn duidelijk oud en half vergaan. Ze loopt langzaam achteruit terwijl ze met haar ogen knippert. ‘Wie ben jij?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Doet dat ertoe? Misschien weet ik het zelf niet eens. Wat ik wel weet is dat ik bij deze appels kan komen. Wil je er een paar?’

Ze schudt haar hoofd. ‘Ik mag niet met vreemden praten.’

‘Oh? Wat verstandig. Wie heeft je die wijze woorden ingefluisterd?’

‘Mijn moeder.’ Ze slaat haar ogen neer. ‘Toen ze nog leefde.’

‘Leef je nu helemaal alleen?’

Ze schudt haar hoofd weer. ‘Nee, samen met mijn broer.’

Hij reikt omhoog en plukt drie appels. Hij neemt een hap van de zoete vrucht. De twee andere legt hij op een boomstronk, duidelijk zichtbaar voor het meisje. ‘Hier, voor jou. En voor je broer. Voer hem maar lekker een hapje van deze appel. Vaarwel.’

Hij kijkt niet eens meer om. Ze beseft zich waarschijnlijk niet eens wat zich zojuist afspeelde, maar hij weet het maar al te goed. Het ging uiteindelijk om de ongehoorzaamheid, wat anders? Hij loopt verder door het idyllische landschap en eet fruit vers van de bomen.

Tegen de middag vindt hij een schaduwrijke plek en rust uit. Hij observeert de vogels die insecten vangen, konijnen die fourageren in de buurt van hun holen en de havik die ineens uit de hemel valt en er met een jong knaagdier vandoor gaat. De eeuwige dans van het leven, de opkomst en het verval en de schoonheid van de brutaliteit die bij dat leven hoort. Wat brengt hem hier? Die vraag stelt hij zich al sinds hij uit de Morvan vertrok. Sinds het besef dat hij tenminste homo superior moet zijn, kent hij een behoefte, een drang die hem stuurt, verlokt, dwingt in de richting van Parijs te lopen, alsof daar een antwoord op zijn vraag ligt.

Wanneer hij verder trekt en voorbij de binnenring komt, treft hij een eerste teken van georganiseerde bewoning. Een palissade van jonge boomstammen, aaneengevlochten met staaldraad, die de bakstenen muren van een paar huizenblokken verbindt en een barrière vormt waarbinnen verdedigers zich kunnen verschansen. Er is een kleine poort met twee wachters, jongemannen van onbestemde afkomst, gewapend met honkbalknuppels.

Halfbloeden, Calergis, voetvolk. Hij kijkt naar de huizen die achter de palissade zichtbaar zijn. Duidelijk een gegoede buurt waar de Franse elite ooit huisde en dat nu waarschijnlijk nog steeds doet, als ze niet in staat waren naar een van hun afgelegen schuilkelders te vluchten om de storm in alle luxe uit te zitten. Hier blijven betekende dat ze andere maatregelen moesten nemen. Zo te zien lukte dat alweer vrij aardig. Hij schudt zijn hoofd. Ze leren het ook nooit. En ze maken zichzelf moedwillig dommer. Hij kijkt naar links en naar rechts. Omlopen is een optie, maar hij is niet van zins zich te laten tegenhouden. Jammer voor ze, maar ik ga voor. Altijd. Die instelling moet ze niet vreemd zijn, toch?

Hij loopt naar de wachters die verbaasd naar hem kijken. Ze nemen een dreigende houding aan, hun honkbalknuppels dreigend geheven. Hij is ongewapend, maar gevaarlijker dan deze twee, zijn zelfvertrouwen en zijn uitstraling machtiger dan de zielige verlengstukjes van hun fragiele ego’s. En hij komt met een geschenk.

Op een paar meter afstand vraagt hij: ‘Wie is jullie patron?’

Hoewel de twee verdacht veel op elkaar lijken, althans in zijn ogen, heeft een van hen een bredere neus. Hij geeft het verwachte antwoord. Breedneus noem ik je.

‘Monsieur d’Arrenne Bourguignon.’

Oude adel? Onwaarschijnlijk. Nu ja, nieuwe adel, oude adel. Een pot nat. Zijn wedervraag is nu zijn wapen. ‘Waarom eigenlijk?’ Hij ziet de verwarring in hun ogen, gevolgd door besef, gevolgd door de schok van de implicatie.

Breedneus aarzelt. ‘Zo… zo is het altijd geweest. Hij heeft lijfwachten.’

‘Zoals jullie? Met wapens?’

Breedneus knikt langzaam.

‘En wat beschermen ze? Een oude, witte man en zijn gevolg, die in hun leven nog nooit een dag gewerkt hebben? Die jullie en je kinderen als “gewaardeerde onderdanen” houden?’ De woorden zijn zorgvuldig gekozen om de vergelijking met boerderijdieren te kunnen maken.

Het blijft stil. Hij kan hun harten bijna horen kloppen en hij ziet hun twijfels hand over hand toenemen. Bijna. Ze zijn er bijna.

‘Ik moet naar de andere kant.’ Hij wijst op de poort. Voor zijn geestesoog zweeft even de tekst Lasciate ogni speranza. ‘En jullie staan me in de weg. Of eigenlijk, jullie “patron” die zich boven jullie verheven waant. Terwijl jullie de wapens hebben.’

Breedneus kijkt zijn collega aan. Die knikt. ‘Je kunt doorlopen. Maar snel, we willen geen problemen.’

Hij glimlacht. ‘Dank jullie wel. In mijn ogen zijn jullie waardevoller dan die nietsnut “patron” van jullie.’ Zonder een woord loopt hij langs hen heen door de halfopen poort. Zijn werk hier is gedaan.

In het voorbijgaan wordt hij nagestaard door vrouwen en kinderen, allemaal Calergis, die op akkertjes op de open plekken tussen de huizen onkruid wieden. Op een balkon ontwaart hij een blank gezicht, donkere ogen, een zwakke inteeltkin en onmiskenbaar angst voor de vreemdeling die zonder slag of stoot door het domein van de “patron” loopt.

Hij zou hier veel kwaad kunnen doen. Of goed, afhankelijk van wie je het vraagt. De drang om verder te gaan is sterker. Hij voelt dat hij zijn doel nadert en deze nederzetting, als je het zo mag noemen, is slechts een obstakel. Aan de andere kant wandelt hij ongehinderd door de poort. De wachters zijn er om mensen buiten te houden, de mensen binnen wanen zich veilig en zullen niet vluchten. Misschien hebben ze gelijk, misschien is er kracht in aantallen. Hij denkt eerder dat ze angstige waanbeelden voorgeschoteld krijgen, een vorm van oplichting die zo oud als de eerste onheilsprofeet is.

Hij loopt verder, nu over klinkerwegen die net zo slecht onderhouden zijn als de asfaltwegen van de buitensteden. De toren van meneer Eiffel is nu een immense fallus die een imposante schaduw over het land werpt. Ergens in die schaduw is een plek waar hij een diepere duisternis weet, het is de plek die hem roept, waar hij hoopt of eigenlijk zeker van weet dat er antwoorden zijn.

Ondanks zijn trektocht van de buitenwijken tot de rand van het echte centrum van de oude stad, voelt hij zich niet moe. De hemel kleurt al rood, de schapenwolkjes zijn overgegaan in smalle wolkenbanden die schakeringen van weerkaatst geel, rood en oranje zonlicht tonen. Wel voelt hij honger, maar het is geen fysieke honger. Het ontmoeten van mensen vandaag heeft hem een geestelijke honger gegeven, zoals hij die vroeger nogal eens had, die dan leidde tot vechtpartijen, soms met gewonden of doden als gevolg. Dat bevredigde hem meer dan eten of sex.

In de verte klinkt het hinniken van een paard. Hij spitst zijn oren. Paarden zijn zeldzaam in het hedendaagse Frankrijk, hoewel dat land al decennia niet meer bestaat, als er al stukken zijn die zich als land identificeren. Net als de stadsconglomeraten die zich geen stad meer mogen of kunnen noemen. Er zijn stammen, tot nu toe de hoogste organisatievorm die hij is tegengekomen. De mens is zichzelf weer aan het herontdekken na de gruwelijke oorlogen en natuurrampen die negentig procent van de mensheid uitroeiden. Hij knikt opgewekt. Het is snel, in zijn ogen. Rijken zijn eerder in verval geraakt en het duurde honderden tot duizenden jaren voor de mensheid weer op dat niveau kwam. Misschien krijgt de mensheid het dit keer sneller voor elkaar.

Nu ruikt hij de geur van brandend hout. Een kampvuur. Paarden? Ruiters? Hij volgt zijn neus en loopt langs de roestbruine rivier, de Seine, tot hij bij een vervallen brug komt, in de schaduw van de ijzeren toren. Ooit was hier een plein, nu staan er bomen en struiken. Op een open plek graast een vijftal paarden, een vos, een schimmel, een zwart paard, een geelbruin paard en een grijs paard. Bewonderend kijkt hij naar de nobele dieren. Ze dragen halsters en zadeldekens. Dat impliceert zadels en dus ook ruiters. Vijf stuks. Hij vermoedt dat zijn doel hier is en hij wordt steeds nieuwsgieriger.

Voorbij de open plek ziet hij het flakkerend licht van het kampvuur dat hij eerder rook. Hij loopt om de paarden heen in die richting.

Op boomstammen rond het vuur zit een viertal mensen, drie mannen en een vrouw. Als één draaien ze hun hoofd naar hem, waar hij door bomen en struikgewas nadert.

Hij knikt hen toe zodra hij aan de rand van hun kamp staat. ‘Goedenavond.’

De vrouw staat op. Ze is ziekelijk bleek en heeft diepliggende ogen. ‘Welkom, vreemdeling. Deel ons vuur en ons eten.’ Op het vuur staat een pot waarin een dikke bruine vloeistof pruttelt. Op stenen aan de rand gaart plat brood. De geur is indringend, kruidig en de sfeer rond het kampvuur lijkt prettig.

Hij gaat op een lege boomstam zitten en kijkt de kring rond. ‘Ik zie vier mensen, maar er zijn vijf paarden.’

De vrouw pakt een kom en een opscheplepel uit een zadeltas en schept de kom vol. Ze overhandigt die aan hem met een heet, plat brood erbij. ‘Je kunt het eten opscheppen met je brood. Ik zie overigens vijf mensen hier.’

‘Jullie zijn wat ik zocht?’

‘Wie je zocht,’ corrigeert ze hem. ‘Je viel ons destijds op. We denken dat je een aanvulling bent op ons arsenaal.’

‘Ben ik een wapen dan?’

‘Meer dan je denkt.’ Instemmend gegrom van de anderen. ‘Het grijze paard is voor jou.’

‘En dan, wat doen we dan?’

‘Datgene waarvoor we gemaakt zijn. “Tot as zult gij wederkeren, maar uit de as zal een nieuwer, beter, groter Eden verrijzen.” De laatste keer was bijna ondoenlijk, dus je bent een welkome aanvulling.’

Terwijl hij zijn eten naar binnen schept met het harde brood, voelt hij dat het goed zit, dat hij eindelijk op zijn plek is, als de vijfde ruiter.

Kussen onder de dijkbomen en wolkenschepen – Tais Teng en Jaap Boekestein

‘De Rijn stroomt Nederland binnen bij Lobith,’ verklaarde Marco’s vader. ‘Dat zei mijn grootvader altijd.’

Marco Zevenaar keek uit over de gortdroge rivierbedding. Een minuscuul beekje slingerde zich onder hen door en in de verte was een ingezakte verkeersbrug te zien. Verder viel er geen woning te bekennen, enkel schraal gras en oeroude, kromme bomen. Het was verboden je hier te vestigen, zo dicht bij Nederzee.

‘Dit hier is Lobith?’ vroeg Marco.

‘Krek zo. Daarom nam ik jullie hier naartoe mee. Dit is het allerlaatste water dat ons land ooit zal binnenstromen.’

Onder hen gaf het beekje nog een finale, borrelende gulp van modderig water en toen zonk het moedeloos weg in het zand. Enkel gedroogde modder bleef over: de zon had ze tot zeshoekige adobe-tegels gebakken.

‘Ik had iets dramatischer verwacht, Bruno,’ zei Marco’s moeder. ‘Wanhopig klapwiekende reigers die opvliegen op zoek naar een andere rivier.’ Ze klakte met haar tong. ‘Zelfs geen verontwaardigd meerkoetje.’

‘Die zijn allemaal lang geleden naar Nederland gevlogen. Daar belanden ze tenminste niet in de pan.’

Marco keek naar het oosten, naar Duitsland. Het eeuwige ijs in de Alpen was allang verdwenen en met de schaarse regens werd elke druppel gebruikt door de honderden miljoenen op de droge landen. Bijna geen enkele rivier ter wereld bereikte tegenwoordig de zee nog.

‘Kunnen we nu naar huis?’ vroeg Edith. Zij schopte tegen een droge graspol die prompt tot stof verpulverde.

‘Terug naar de Nederzee?’ Edith was Marco’s vriendinnetje en natuurlijk ging ze deze zondag mee. Zoals zijn moeder altijd zei: ‘Een Marco zonder Edith is als een hengel zonder haakje.’

Marco draaide zich om en keek naar het westen waar het immense stuwmeer een zilveren streep was. De Nederzee reikte van het Verdronken Land van Scheveningen tot de Utrechtse Heuvelrug: zo’n tien meter diep vormde dat supermeer het grootste zoetwaterreservoir in de wereld. Marco sloot zijn ogen en sprong over naar een van de honderdduizenden drones die boven Nederland zweefden. Diep onder zich zag hij hen aan de slingerende rivierbedding staan, vier stipjes. Een knippering en hij zweefde zestig kilometer verder boven de kust van Amersfoort waar de golven aanrolden. Twee opvallend bolle wolken hingen aan de horizon, wolkenschepen die grijze regengordijnen achter zich aantrokken.

‘Verder,’ beval hij en drie drones later keek hij uit over de Stuwdijk. Ouderwetse molens lieten hun diamanten wieken nog rondsnorren maar eigenlijk was dat zwaar achterhaalde techniek. De immense osmotische filters in de dijk produceerden bijna alle bruikbare energie. Zoetwater sijpelde door de dijken de zoute pekelzee in en veroorzaakte een ladingsverschil, dat een constante stroom elektriciteit opleverde. Het stuwmeer werd zo een reusachtige accu die de eerste vijfhonderd jaar niet uitgeput zou raken. Om de drie kilometer stond een dijkboom, van wortel tot eeuwig vertakkende kruin meer dan een kilometer hoog. De biomechanische reuzen leefden van de energie die de dijk produceerde en op hun buurt verankerden ze de dijk, zogen grondstoffen uit de bodem en groeiden ze aan tot wolkenschepen.

‘Waar kijk je naar?’ vroeg Edith.

‘De Stuwdijk. Haak maar in.’

In zijn beeldveld verscheen Ediths imp, die stomme eenhoorn op rolschaatsen. Het hulpje wees naar een van de dijkbomen.

‘Moet je die boom daar zien,’ zei Edith enthousiast, ‘Zo’n joekel van een wolkenschip en het is bijna rijp!’

Ze had gelijk: aan de verste boom zweefde een wolkenschip, als een ballon aan een hoekig touwtje, klaar om weg te zweven. De wolkenschepen bestonden uit kluwens fractals die zich vertakten tot ze microscopisch klein werden. Net als de dauwnetten in de Sahara zeefden ze de waterdamp uit de lucht boven de warme zee en lieten het neerregenen in het stuwmeer. Vacuüm gevulde blazen hielden de schepen in de lucht.

‘Later als ik groot ben ga ik op een wolk wonen,’ verklaarde Edith. ‘Ik word de kapitein van een wolkenschip. De opperkapitein. Oké, Wiki de wijsneus, de admiraal.’

Zij klonk akelig zeker van zichzelf en Marco kon natuurlijk niet achterblijven. ‘En ik word dijkgraaf. Met een villa bovenop de grootste sluis, een zwembad vol zeeleeuwen en een… Een eigen tamme albatros!’

‘Goed prima de vista!’ joelde Edith en stak een vuist in de lucht. ‘Dat is dan afgesproken. Als mijn schip aanlegt dan kan ik bij je komen logeren.’

Marco kreeg een vreemd leeg gevoel in zijn buik. Maar dan zijn we bijna niet nooit meer bij elkaar. Op de een of andere manier was dat de afspraak: later als we groot zijn, trouwen we. Natuurlijk zei hij dat niet.

 

#

 

Ik ben niet eens boos, besefte Marco. Eigenlijk had ik dit wel verwacht.

Binnen in de hal was het examenfeest van het Nieuw Dordrechts Vondel College al in volle gang. De dreunende muziek deed het omringende riet sidderen en de licht-barrage weerkaatste op het donkere water van de Nederzee. En hij stond hierbuiten te wachten, in zijn nette polka pak en roodvlammende schoenen die zijn moeder die middag voor hem had geprint. De feesthal – een omgekeerde replica van Harald Ignarssons gigantisch Vikingschip – lag natuurlijk een flink eind binnengaats: de Stuwdijk was niet eens meer te zien, alleen een paar gekleurde wolkenschepen die nog vergroeid waren met de dijkbomen. Suikerspinnen met elvenlichtjes. Op een dag zouden ze uitvliegen en het ergens laten regenen. Met Edith aan het stuurwiel.

Tegen beter weten probeerde Marco haar nog een keer te pingen. Geef mij Edith van Oudekerke.

‘Er is contact, maar ze staat op niet storen,’ meldde zijn imp, een groengeschubte octopus met ramshorens en een zonnebril.

‘Heeft ze een boodschap achtergelaten? Is er iets gebeurd?’

‘Nee en nee. Haar imp geeft aan dat alles in orde is. Meer krijg ik er niet uit.’

Zij is mij vergeten. Of veel waarschijnlijker: er kwam iets tussendoor dat zij belangrijker vond. Iemand. Een wolkenmatroos die ze tegen het lijf liep, of een of ander feestje waar ze misschien een nuttiger contact kan opdoen. Zo is Edith nou eenmaal. Een berekenende, onbetrouwbare draaikont die je meteen laat vallen zodra zij iets belangrijkers vindt en die dan een paar weken later gewoon doet alsof er niks was gebeurd. Marco zuchtte. Hij had het al een dozijn keren eerder meegemaakt.

Berustend zette hij zijn telefoon op stand-by. En dit was de laatste keer. We zijn afgestudeerd! We zijn verdomme geen kind meer. Wat mij betreft kan ze van de Stuwdijk afspringen of met een wolkenschip naar Vuurland vliegen. Voor mij heeft Edith afgedaan.

‘He, wat zit jij hier te doen?’

Voor een hartenklop dacht Marco dat het meisje Edith was. Dat ze tóch gekomen was. Dat ze hem na al die keren eens niet in de steek had gelaten.

Het donkerharige meisje had paarse, flikkerende neonslierten door haar hoge kapsel gevlochten en een handvol feestdrones, niet groter dan bijen, zwierden loom rond haar hoofd. Ze droeg een zilveren jurk en gelijkgekleurde knielaarzen met plateauzolen die dik genoeg waren om er een half dorp op te laten drijven.

Mariska? Nee, Martha! herinnerde Marco zich. Haar moeder was een snoei-ingenieur van de steunwortels en haar vader… Ja, hij bestierde een rozenplantage dertig meter onder water, tegen de doorzichtige Stuwdijk. Zij is eigenlijk best wel leuk.

‘Uh, niks bijzonders eigenlijk. Hé Martha, heb je zin om te dansen? Of wil je wat drinken?’

‘Allebei klinkt goed.’ Ze glimlachte. Totaal anders dan Edith. Veel oprechter, op de een of andere manier. Zonnevlekjes in helder water. Niks geen duistere dieptes waarin hongerige barracuda’s rondzwommen.

Opeens vol bravoure, sloeg Marco zijn arm om het middel van Martha toen ze naar binnen liepen. Zij maakte geen bezwaar maar wreef haar hoofd tegen zijn schouder.

Marco en Martha. Het had iets, een vanzelfsprekend ritme. Heel anders dan Marco en Edith wat altijd een beetje stroef had geklonken.

 

#

 

Dijkgraaf Diederick van Dijk was een schoolvoorbeeld van een aptoniem, vond Marco, een naam die overeenkomt met je beroep. Met een naam als van Dijk was het zonneklaar waar hij thuishoorde. Misschien hadden ze hem in de kleuterschool gepest met die naam en hem Diederick Dijkgraaf genoemd? Hij was ook een kletsmajoor die niets zo heerlijk vond als zaken uitleggen aan ondergeschikten, dingen die ze in het eerste jaar van hun opleiding al geleerd hadden.

Ze wandelden langs de pijlers van de zweeftrein. Boven hun hoofd fonkelden de statige wieken van de antieke eenentwintigste windmolens. Een halve kilometer verder stonden ze stil, zag Marco, en waren ze genaast door kolonies witte reigers of aalscholvers. De zwarte wieken oogden druip-wit van de vogelpoep. Het was geen route om zonder paraplu te gaan.

Diederick gebaarde naar een dijkboom die in de verte oprees, anderhalve kilometer hoog met niet minder dan drie rijpe wolkenschepen aan de hoogste takken. ‘Zo’n wonder van ingenieurskunde,’ zei van Dijk. ‘Mijn hart springt op elke keer dat ik haar zie. Wortels die zich eerst om de Stuwdijk wikkelen en haar elk jaar verder versterken en ophogen. Aan de zeekant vormen ze een twijgenmuur die elk aanrollende vloedgolf dempt en bovenop worden het takken die het ene wolkenschip na het ander uitbotten.’

‘Het is een mirakels wonder,’ zei Marco maar. ‘En dat is het.’ Volgens zijn imp was spiegelen de juiste tactiek als het om lieden als de dijkgraaf ging. De man had “een mirakels wonder” een paar minuten eerder gekraaid en zou zijn eigen woorden niet herkennen maar instemmend knikken. Eindelijk een assistent die hem begreep en op dezelfde golflengte zat.

Marco’s imp was dol op oude gezegden en zou het bondig samenvatten als: ‘Je vangt nu eenmaal meer vliegen met stroop dan met azijn’.

Gewoon doorbijten. Ik ben al derde onder-assistent en het is maar een klein stapje naar assistent dijkgraaf. Eigenlijk ben ik geen haar beter dan Edith. Ik weet precies wat ik wil en bulldozer alle hindernissen uit de weg.

‘Heb je een momentje?’ vroeg zijn imp. ‘Je vrouw voor je.’

‘Voor Martha heb ik altijd tijd.’

‘Nǐ hǎo, geëerde echtgenoot!’ grapte ze in het Mandarijn. Het was een citaat uit hun favoriete serie Suzy Wang van Zeewolde-Zuid. ‘Janneke kreeg vandaag haar eerste implant bij het zuigelingenbureau en ze zit al druk te converseren met haar hoogsteigen imp.’

‘Hopelijk snapt hij er meer van dan wij,’ zei Marco. Hij voelde een steek van vaderlijke trots, Janneke’s eigen imp. Vanaf nu zal het snel gaan. Voor je het weet kruipt ze niet langer op handen en voeten.

‘Meer van snappen?’ zei Martha. ‘Wat valt er te snappen? Zo moeilijk is het niet. Jupjup is speentje. Eehr betekent de teddybeer en meestal Waar is mijn teddybeer nu weer? Jajup of Linlin betekent Zing nog een liedje en met je eigen lippen, niet uit dat stomme muziekdoosje met het trektouwtje want dat kan ik zelf ook wel. Iiihp! is Ik heb een natte luier en de verschoon-chip is weer kortgesloten.’

‘Ik sta met mijn mond vol tanden.’

‘Ze kent ongeveer evenveel woorden als een chimpansee maar dat wordt later vast wel beter.’

‘Het was fijn om te horen, maar ik moet door. Mijn dijkgraaf doet dat ding met zijn wenkbrauwen weer. We zijn op inspectie langs de zuiderfilters.’

‘Hij is een grotere aandachtvrager dan welke baby ook. Maar ja, het is voor een goed doel.’ Ze stak een vuist in de lucht en brulde: ‘Heil doorluchtige Dijkgraaf Marco!’

 

#

 

In de kop van het bericht stonden de gebruikelijke gegevens.

Aan: assistent-dijkgraaf Marco Zevenaar

Van: tweede steward van de Willem Alexander Edith van Oudekerke

Onderwerp: dankies!

Formaat: clip Speeltijd: 00:00:21

Edith had de clip opgenomen tegen de achtergrond van de Rocky Mountains, maar het had net zo goed ergens anders op de wereld kunnen zijn. De ene droge berghelling overdekt met zonnepaneelramen leek precies op de andere droge berghelling met zonnepaneelramen. Een gebruinde kerel in het uniform van eerste stuurman stond naast haar, zijn met tatoeages overdekte arm bezitterig om haar schouders.

Ediths buik vertoonde een maar al te bekende bolling. Ze glimlachte breed in de richting van de cameradrone. ‘Ha die Marco, dankies voor de gelukwensen van ons huwelijk. Eddie en ik vinden het super.’

Eddie knikte met de tevreden blik van een kerel die wist dat hij de hoofdprijs had binnengesleept.

‘Zoals je ziet ben ik inderdaad op een wolkenschip terecht gekomen, net als ik altijd wilde. Ik ben inmiddels opgeklommen naar tweede steward. We varen overal over de wereld. Een geweldig leven! Ik zou niks anders willen. Jij bent tegenwoordig assistent-dijkgraaf? Dan heb je ook wat te zeggen over de aanwas van de wolkenschepen? Wanneer ik weer terug ben in Groot Amersfoort-Kijkduin moeten we eens afspreken. Lijkt mij supergezellig!’

Edith zwaaide nog even en de clip eindigde. Haar eerste bericht na zeven jaar. Eénentwintig nietszeggende seconden.

Marco stuurde nog een felicitatie toen Ediths zoontje werd geboren, maar twee jaar later hoorde Marco via via dat het huwelijk tussen Edith en Eddie niet lang stand had gehouden. Na een half jaar en haar bevordering tot tweede stuurman, was Edith van Oudekerke gescheiden en binnen een paar dagen was ze ingetrokken bij de kapitein van de Willem Alexander, een breedgeschouderde kerel met een lange baard en nog veel meer tatoeages.

Marco stuurde maar geen nieuwe gelukwensen. Op deze manier kon hij wel bezig blijven.

 

#

 

‘Plak het paard achter het behang,’ joelde Janneke Marthasdochter. ‘Want geluk, dat is maar ene vinger lang!’

Het was Suikerfeest carnaval op Wilgenwoud-Breda dat aan de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aangemeerd lag. Het drijvende eiland was behangen met lampions en door de middengracht kronkelden feestdraken die popcorn uit hun neusgaten bliezen en lampions op lieten stijgen. Ze waren van rijstpapier en een waxinelichtje hield ze in de lucht.

Vorig jaar had ze er een opgevangen toen hij daalde en de gelukwens van het houdertje gepeld. ‘Je zult honderd jaar leven en een dozijn dappere dochters en gehoorzame zonen baren.’ Waarschijnlijk was die wens niet voor haar bedoeld: Nederland hanteerde een strikte anderhalf-kind-beleid.

Een lampion zweefde over en ze sprong, graaide, maar haar vingertoppen misten het touwtje net. Een ander kind, zo’n groene wij-leven-alleen-van zonlicht-knolraap ving het op. Hij scheurde de lampion open, ontrolde de spreuk. Zijn gezicht betrok. Hij verfrommelde het gouden strookje en stampte boos weg.

Slecht nieuws, dacht Janneke. Zeven jaar ongeluk of je zult een haaibaai huwen en je kinderen zullen trollen zijn. Sommige spreuken waren minder dan positief maar dat maakte het juist spannender. Alsof er bij het vissen tussen de gestippelde baarzen ook piranha’s zwommen.

Ze keek terug naar haar ouders die nog op de brug met die blonde vrouw aan het praten waren. Edith en nog iets. Volgens Jannekes imp was ze beeldschoon en dat kon kloppen. Haar vader kon zijn ogen niet van haar afhouden.

‘Vertel mij meer,’ zei ze tegen haar imp. ‘Over haar.’

De dwerg met de mokerhamer verscheen prompt en krabde zich op zijn kruin. ‘Tja, ze was vroeger zijn vriendinnetje, maar ze gingen elk een andere kant uit. Je vader de Stuwdijk op en zij de hemel in.’

‘Ze is een wolkendame?’

‘Een kapitein intussen en ze doet heel erg haar best om nog wat hogerop te komen. Net als je vader trouwens. Van junior-dijkgraaf is het maar een stapje naar dijkgraaf.’

‘Mama kijkt niet blij. Ze zou die Edith het liefst de ogen uitkrabben.’

‘Beeldschone vrouwen haten elkaar. Vooral als er eentje naar hun echtgenoot lonkt en met haar kont draait.’

‘Wacht. Mijn mama is beeldschoon?’

‘Best wel. Als ze langs wandelt, kijkt 98 procent van de mannen haar na. De overgebleven twee procent zijn waarschijnlijk blind. Beeldschoon is een tactiek en je moeder en Edith pakken het allebei anders aan.’

O jee, dit wordt weer een leermomentje.

‘Je moeder is beeldschoon omdat ze gelukkig is. Gelukkig met wie ze is en wat ze doet. Met haar partner. Als een man haar ziet, wil hij in haar zonneschijn wandelen en van haar goede humeur en enthousiasme genieten. Vrouwen willen haar hartsvriendin worden. Homo’s waarschijnlijk ook.’

‘Ik ben meestal wel blij,’ zei Janneke twijfelend.

‘Dat is een goed begin. Edith, zij mikt op sexy. Zij zet geen stap zonder zichzelf te zien. Ze glijdt als een tempeldanseres door de straten en als je haar aankijkt, glimlacht ze uitnodigend.’

‘Dat lijkt mij erg veel werk. Ik ben liever gewoon blij. Oké. Iets anders: gingen die Edith en papa met elkaar naar bed?’

‘Ik zal het zijn imp vragen.’ Een bliep volgde die waarschijnlijk nep was omdat imps nooit meer dan microseconden nodig hebben. ‘Ja, drie keer, maar dat was het wel. En dat was jaren en jaren geleden. Voor hij met je moeder ging.’

‘Ze gaan dus niet scheiden?’

‘De kans daarop is 0,01 procent. Hij kust nog liever een cactus.’

 

#

 

BOND VOOR WOLKENVAARDERS EIST EXTRA SCHEPEN

Perstuin, Lelymere – Gisteravond werd opnieuw duidelijk dat de Bond voor Wolkenvaarders (BvW) en de Raad der Dijkgraven recht tegenover elkaar staan.

De schippers eisen dat de dijkbomen meer wolkenschepen kweken, de Dijkraad stelt dat dit onmogelijk is.

‘Vanzelfsprekend snap ik dat er goudgeld te verdienen valt met meer wolkenschepen, maar onze dijkbomen zitten al aan de maximale capaciteit. Het kweken van meer wolken gaat ten koste van de versterking van de Stuwdijk. Wij kunnen en mógen niet buiten de gestelde veiligheidsmarges opereren. Momenteel kunnen we net aan de vervangingsvraag van de huidige vloot wolkenschepen voldoen, maar uitbreiding is niet bespreekbaar,’ aldus opper-dijkgraaf Marco Zevenaar, woordvoerder van de Dijkraad.

‘De Dijkraad claimt een volkomen onterecht monopolie op de dijkbomen,’ gaf admiraal Edith van Oudekerke van de BvW aan. ‘Onze schepen kruimelen onder onze voeten weg en de enige plek waar we ze kunnen aanvullen is in de Nederzee. De Dijkraad fnuikt ons in het verdienen van een eerlijke boterham. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen?’’

: RTL-Fox nieuws

 

De laatste zin ging prompt viraal. Zijn wij vale vuilnisbeltmeeuwen dat wij in oude graten moeten pikken terwijl de Dijkers hun borden volscheppen met blozende waterdruiven en vette zalmforellen? bleek prima rapbaar en een dozijn vloggers en lifestyle trutjes nam het dan ook gretig over. Twee dagen later vond opper-dijkgraaf Zevenaar het op de zeemuur van zijn villa gespoten. Er zaten niet minder dan vier spelfouten in.

 

#

 

Nieuwsdrones zwermden om de opper-dijkgraaf Marco Zevenaar. Dit ging duidelijk een iconisch moment worden, absoluut viraal. Marco besefte dat maar al te goed. Het zou nog miljoenen keren afgespeeld worden en in elk zichzelf respecterend geschiedenis-kristal belanden.

Hij rechtte zijn schouders, frunnikte aan het goudgalon van zijn mouwen. Ik draag verdorie evenveel medailles als een wolkenadmiraal en mijn pet is iets dat in een carnavalsoptocht thuishoort. Nu ja, Edith is begonnen. Hij herinnerde zich de beelden van haar uit de stuurhut van het vlaggenschip. Ze draaide aan een volstrekt overbodig stuurwiel en haar uniform zou een twintigste-eeuwse dictator laten kwijlen.

De wolkenvloot gleed uit de snerpend blauwe hemel omlaag: zeventien machtige schepen met het vlaggenschip blikkerend wit van boven terwijl een stortregen de Nederzee geselde. Het was puur machtsvertoon: Kijk eens wat wij allemaal uit de hemel weten te trekken. Genoeg water om woestijnen te laten bloeien en spoorbruggen weg te spoelen. Geef ons meer schepen en we maken Nederland schatrijk.

Edith vertegenwoordigde de Wolkenbond niet langer: haar Blauwe Coalitie had zich een week eerder afgescheiden van de meer conservatieve leden. De meeste wolkenschepen verlieten de Nederzee nooit en hun bemanning had geen enkele behoefte om naar hachelijke streken uit te zwermen om daar geblakerde landen te begieten. Hou de Nederzee vol: dat was ambitieus genoeg voor hen.

Het vlaggenschip bleef naast het hoge podium op de Zuidersluis hangen en rolde een tong van titanium uit. De groot-admiraal van de Coalitie schreed omlaag. Haar laarzen hadden stiletto hakken, terwijl Ediths getailleerde uniform niets aan de verbeelding overliet.

Haar gezicht was rimpelloos, zag Marco. Niet eens kraaienpootjes in de ooghoeken. Zelf had hij intussen grijzende slapen zoals het een dijkgraaf betaamd.

Ze liepen elkaar tegemoet, en het kwam Marco voor dat hij door stroop waadde. Een nachtmerrieachtig moment dat zich eindeloos rekte. Ze stapten elkaars persoonlijk ruimte in en hij kon haar parfum ruiken, kokos en rode klaver, de geur van de eindeloze en perfecte zomeravonden uit hun kindertijd. Ze manipuleert mij.

Edith offreerde hem haar wang voor de eerste van de drie traditionele kussen. Ze had haar armen al gespreid voor een omhelzing.

Nee, wij zijn geen vrienden meer. Al heel lang niet. Je bent mijn vijand. Hij pakte haar hand vast en schudde die. Daarna stapte hij achteruit. De blik van verbijstering wist ze meteen weg te strijken en door een brede glimlach te vervangen.

‘Welkom,’ zei Marco, ‘Welkom op de Stuwdijk.’

Het was een verkapte belediging, nee, een uitdaging.

De Blauwe Coalitie was nog steeds een deel van Nederland en hun groot-admiraal had evenveel recht om de Stuwdijk te betreden als welke dijkgraaf dan ook.

‘We weten allebei waarvoor ik kom. De Coalitie vertegenwoordigt de aloude handelsgeest. De ferme VOC-mentaliteit. Wij kunnen de driekleur hijsen op elk continent en Nederland groot maken, een wereldmacht.’

‘Wij zijn hier volkomen tevreden met onze Stuwdijk en Nederzee, de duizend drijvende rieteilanden.’

‘Vergeet onze eerdere eisen. Wij vragen niet langer om nieuwe wolkenschepen. We zullen onze eigen schepen kweken, ja? Geef ons zaailingen en wij kweken onze eigen dijkbomen.’

Het voelde als een schaakspel. Een opeenvolging van zetten.

‘Ik denk niet dat de Dijkraad ooit zal toestemmen, admiraal. De genetica van de dijkbomen is ons kostbaarste bezit, ons best bewaarde geheim. De zaailingen werden honderden keren gestolen door buitenlanders. Ze schoten op, spreidde hun eerste blaadjes en altijd, altijd verwelkten ze op de twintigste dag.’

‘Wij zijn ook Nederlanders! Het is idioot dat alleen een dijkgraaf de planten kan ontgrendelen!’

‘Zo zijn de zaken nu eenmaal geregeld. Iedere dijkgraaf is bovendien geconditioneerd: hij kan alleen een stek ontgrendelen als hij met beide voeten op de Stuwdijk staat.’

‘Dat is mij nooit verteld.’

‘Het is geen geheim. Niet echt.’

‘Ik moet dit met de anderen bespreken.’ Ze wreef over haar lippen en ze verschoten van een fel kersenrood naar een bedachtzamer roze. ‘Laten we niets overhaast doen. We staan beiden gespannen als boogpezen, ja? Ik stel voor dat we elkaar over drie uur ontmoeten. Onder het genot van een glas Moezelwijn en een schaal met versnaperingen?’

Het leek hem lomp om te weigeren.

‘Ik zal er zijn.’ Hij stak zijn hand uit maar ze omhelsde hem, kuste hem vol op de mond.

‘Sorry,’ lachte ze, ‘maar ik kon het niet laten.’ Ze draaide zich om en liep de loopplank van haar schip op voordat hij kon antwoorden.

Marco knipperde met zijn ogen en likte zijn lippen. Hij had niet teruggekust – natuurlijk niet! – maar hij proefde een spoor van haar lippenstift. Het smaakte vaag bekend, iets van vroeger. Had ze de lippenstift opgedaan uit de tijd dat zij zijn vriendinnetje was?

Het zou een typische Edith-actie zijn: alles gebruiken om een voordeel te behalen.

Hij bevochtigde zijn lippen. Op de een of andere manier leek zijn kop in vuur en vlam te staan. Het was toch zeker geen schaamte? Het was tenslotte maar een kus. Ja, zij was destijds zijn eerste vriendinnetje, maar dat was lang geleden, en he-le-maal over.

Hoofdschuddend vertrok Marco van de aanlegsteiger. Wolkenadmiraal Edith van Oudekerke was iets van plan, zoveel was zeker.

Maar ze is dan ook wel een verdraaid slimme en beeldschone vrouw. Huh? Waar komt die gedachte vandaan? Gehaaid en knap. Dát is ze. Dat is ze altijd al geweest. Ik moet duivels goed op mijn tellen passen voor haar streken.

Marco likte nogmaals zijn lippen.

Hij liet zijn imp de binnenkomende vragen van de andere dijkgraven afwimpelen met de mededeling: ‘Van Oudekerke begint te beseffen dat ze haar zin niet gaat krijgen. Ze heeft een reces van drie uur aangevraagd, dan zien we verder. Ik houd jullie op de hoogte.’

Vanaf het platform koos Marco een pad naar beneden, naar de voet van de binnendijk, de zoetwaterkant.

Voorbij de rietzoom zwommen eenden, zwarte nijlganzen en knobbelzwanen, veilig in de Nederzee. Achter hem rees de Stuwdijk, voor hem kabbelde de Nederzee, met her en der o zo Nederlandse drijvende dorpjes en stadjes. De schaduw van de dijkbomen strekte tot ver in het water. Dit al was een van de redenen dat hij een dijkgraaf was geworden: om het te behouden. Te veel wolkenschepen bracht deze perfecte idylle in gevaar. Veiligheid ging voor winst of macht.

Als Edith dat nou eens zag!

Natuurlijk zal ze dat zien. Ik kan haar overtuigen.

Ik weet zeker dat ze in de komende uren tot inkeer zal komen.

Met stevige pas begon Marco aan zijn wandeling. Dat zou zijn hoofd leegmaken en die rare opvlieging verjagen.

De smaak van Edith sluimerde nog steeds vaag na op zijn lippen.

 

#

 

Na drie uur was Marco terug bij het wolkenschip.

Edith stond hem op te wachten en keek hem aandachtig aan.

‘Wil je aan boord van mijn schip komen, beste Marco?’ Ze haalde haar hand door haar haar en lachte lief.

‘Graag! Het is je eigen wolkenschip? Wat fascinerend!’

Ik heb beet, ik weet zeker dat ze mij ziet zitten.

Ze kan haar ogen niet van mij afhouden.

Galant bood hij haar een arm aan. ‘Ik wil alles zien. Ik wil alles van je leven weten.’

Edith accepteerde zijn arm en sloot haar hand in de zijne. ‘Oh, ik ben zo blij dat je je zo voelt, Marco. Je bent veel minder… stug, nu.’

‘Als jij blij bent, ben ik dat helemaal.’ Het voelde zo goed om haar vast te houden, om haar geur te ruiken, haar smaak op zijn lippen.

‘Je voelt je oké, Marco?’

‘Kon niet beter!’

Later kon hij zich niet veel van de rondleiding herinneren.

Hij kon zijn ogen domweg niet Edith afhouden.

Alles wat zij vertelde was zo ontzettend interessant en grappig.

‘We dineren in mijn eigen kajuit, dat is wel zo prettig.’

Zij kneep zachtjes in zijn hand.

Hij kneep terug en waagde het om haar naar zich toe te trekken. Ze stribbelde niet tegen toen hij haar kuste. Integendeel zelfs.

Toen ze moesten pauzeren om adem te halen, zei Edith: ‘Misschien kunnen we later wel dineren.’

Ze blikte naar de deur van haar kajuit die niet veel verderop was, hoog in de boeg. ‘Lijkt je dat een goed idee?’

‘Zeker weten!’ Marco wist precies wat zij eerst gingen doen. Zij wilde het, hij wilde het. Het was nog nooit zo duidelijk geweest. Hij wilde al in beweging komen, maar Edith hield hem met zachte hand staande.

Zij keek hem aan. ‘Marco, zou jij met mij mee willen reizen op mijn schip? Kom met mij mee en zie met je eigen ogen hoeveel goed wij doen.’

Wat een geweldig idee! ‘Natuurlijk!’

‘Mooi. Het lijkt mij handig als je je raad een bericht stuurt dat je met mij meegaat om een oplossing te zoeken. Ik stuur je een tekst die passend is.’

Marco’s imp liet de tekst zien die binnen kwam.

Het bevatte zinsneden als ‘wederzijds belang’ en ‘oplossingsgericht handelen’ en ‘volste vertrouwen’.

‘Ik heb het naar de Raad verstuurd,’ zei Marco.

Edith glimlachte, een engelenglimlach. Ze trok hem mee in de richting van haar kajuit. ‘Kom, laten we onze reis beginnen.’

 

#

 

De admiraalshut keek uit over een wolkenlandschap.

Aan de horizon stak deze ochtend een rij getande bergen uit de zilveren nevelzee omhoog. De Dolomieten?

De Franse Alpen? Als dijkgraaf kende Marco iedere zandbank in de Nederzee, de positie van elk rieteiland, maar buitenlandse geografie had hem nooit bijster geïnteresseerd.

Edith stapte de drempel over, een vol dienblad in haar handen. ‘En dan is er een ontbijt op bed!’

Haar haar zat op een prachtige manier door elkaar en ze had van die lome ogen. Slaapkamerogen, noemden ze dat niet zo? Ze begroette hem met een langdurige kus en een kopje Lapsang Souchong, zijn favoriete smaak.

Dit is het paradijs. Waarom zijn we dit geen jaren eerder gaan doen? We zijn we voor elkaar gemaakt. Er was een reden waarom dat niet gebeurd was, maar op de een of andere manier deed die er niet meer toe. Al zijn herinneringen leken onbelangrijk, als vergeelde foto’s die mooi in hun doos mogen blijven zitten. Alleen het nu telde.

Croissants met granaatappeljam, een wijnglas met grapefruitsap, nog een kopje thee en daarna nestelde ze zich weer in zijn armen. Waar ze thuishoorde.

Toen ze voor de derde keer die ochtend op hem klom, protesteerde hij: ‘Ik ben geen achttien meer.’

‘Best wel!’ lachte ze en ze had verdorie nog gelijk ook.

‘De Middellandse zee,’ zei ze later die dag. Het wolkenschip had zich de Afrikaanse straalstroom ingehesen en ging nu razendsnel, bijna even hard als de legendarische vliegtuigen. De oververhitte Aarde had de straalstromen in de hoogste versnelling gezet: vierhonderd kilometer per uur, zeshonderd.

‘Kijk, je kunt de toppen van de flatgebouwen nog zien. Daar ging Nice kopje onder en verderop klotst het water over de parkeerplaats van het casino.’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Zoveel water en allemaal bremzout. We boden aan de Middellandse zee af te sluiten maar ze wilden niet luisteren.’

‘Dijken zeggen ze niks maar ons kent ieder kind. De Hollandse wolkenschepen.’

‘Waar zijn we eigenlijk naar op weg?’

‘De Negev. Daar betalen ze ons met zeldzame aardes, de zaden van zoutminnende dadels, organische brandewijn.’

Twee dagen later maakte het wolkenschip een zwieper naar rechts en de woestijn lag onder hen. Honderden tinten onder een spinnenweb van groen.

‘Elke groene streep is een vlucht van een wolkenschip,’ zei Edith. ‘Wij begieten het land waar ze opgevoerde zaden hebben gezaaid. Ze hebben alleen dat kleine zetje van een regenbui nodig en dan kunnen ze het verder zelf. Nu ja, niet helemaal. We moeten elke vier, vijf jaar nog een ondersteunende regenvlucht maken voor het echt geworteld zit.’

Ze zakten omlaag en de regen begon. Sluiers van vocht zwierden over steenvlakten, de eindeloze duinen.

In hun kielzog kleurde het land blauw en rood, klaproosoranje en schitterend groen.

‘Ze ontluiken. Woestijnplanten weten dat ze van iedere druppel water moeten profiteren.’

Die avond daalden ze af naar de hoofdstad van de Sefardisch-Palestijnse Unie. Zijden tenten zo ver het oog strekte en elke tent functioneerde zowel als zonnepaneel en als dauwnet.

Hun gastheer Yehudi Ben Hassan duwde Marco een spies nog sissend lamsvlees in de hand, schonk zijn kalebas vol dadelwijn. Ze toasten.

‘Moge de woestijn met tienduizend bloemen bloeien,’ zei hij. ‘Moge jullie de regens elke lente over de horizon aandragen.’

‘Reken op ons,’ zei Edith.

Yehudi grinnikte. ‘Ik reken op jullie hebzucht. Zolang wij zeldzame aardes opgraven zullen jullie de regens brengen.’

Er klonk geen afkeuring in zijn stem door. Bij Hollanders wist je tenminste wat je aan ze had, leek hij te zeggen. Niks geen belegen bloedwraak of sluwe plannen, gewoon geld verdienen.

Een vrouw stapte het licht van het kampvuur in, hief een mandoline en begon te zingen. Marco’s imp vertaalde de woorden automatisch.

‘Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

We zullen hand in hand

Door de poorten gaan.

Sommigen van ons

Bezoeken de Klaagmuur

En het graf van Joshua.

Anderen de Al Aqsamoskee.

Volgend jaar

Zullen we elkaar ontmoeten

Bij de muren van Jorsaleem.

Als wij de Chinezen verdreven hebben.

Volgend jaar.

Volgend jaar.’

Ze zweeg en wandelde de nacht opnieuw in.

‘Dat klonk nogal droevig,’ zei Marco.

‘Och,’ antwoordde Yehudi. ‘Het is waarschijnlijk een onuitvoerbare droom en zolang zitten we hier goed. Mijn buurman is Hamas, mijn dochter trouwde een Wahabi hydroloog. De Chinezen pikten onze heilige stad in en nu hebben wij een vijand. Lieden die zo slecht zijn dat we vergaten om met elkaar te vechten.’

Hij knikte. ‘Jullie water hielp ook. De wolkenmensen wilden alleen maar met een coöperatie zakendoen, niet met honderden vechtende groepjes die elkaars pijpleidingen opbliezen.’

Zijn imp hees zich zijn ooghoek in. ‘Martha wil je spreken.’

‘Martha wie? Zeg haar dat ik bezig ben. En dat ze mij niet lastig moet vallen.’ Hij sloeg een arm om Ediths schouder.

‘Ze beweert dat het dringend is. Dat ze al vijf dagen niets van je gehoord heeft.’

‘Waar slaat dit op! Ik ben verdorie… op… eh…’

‘Dienstreis. Blokkeer haar,’ zei Edith.

‘Ja. Blokkeer haar, imp.’

 

#

 

Met dikke rubberen handschoenen aan en een ademmasker op, opende Edith de doorzichtige verpakking die bedrukt was met Chinees schrift. Het kwam van dezelfde handelaar bij wie ze haar lippenstift had gekocht, maar dit was heel wat krachtiger. Niet krachtig genoeg om de ingeprente blokkades van de dijkgraven te doorbreken, maar dat hoefde ook helemaal niet. Je moest gewoon je verstand gebruiken.

Het kleine rode staafje, niet dikker dan een vingernagel, zag er onschuldig uit, als een stukje snoep. Zorgvuldig legde zij het strookje op de wang van de slapende Marco.

Binnen drie tellen was het volledig opgelost.

Marco sliep ronkend door.

 

#

 

‘Assistent dijkgraaf Edith van Oudekerke meldt zich, dijkgraaf Zevenaar.’

Marco knipperde met zijn ogen. De knappe, blonde vrouw in het donkere dijkbewakers-uniform kwam hem vaag bekend voor, maar hij kon zich niet herinneren waar hij haar eerder had gezien. En waar was hij nu? Zijn herinneringen waren als Enkhuizer ochtendmist na een driedaags drinkgelag.

Marco keek om zich heen. De kleine ruimte had geen ramen. Langs de wanden stond een rij glazen stolpen met in elk van hen een stekje dat onmiskenbaar van een dijkboom was.

Een broedserre, in de stuwdijk. Ja, natuurlijk. Het is wel veranderd sinds ik er voor het laatst was. Maar ja, dat was ook alweer wat jaartjes geleden.

Het leek wel of de hele kamer subtiel schommelde, maar dat was natuurlijk onzin. De Stuwdijk schommelde niet! Die stond onwrikbaar in de bodem en hield de Nederzee intact. Allemaal dankzij de gigantische dijkbomen.

‘Ahem, dijkgraaf. Vandaag staat de genetische ontgrendeling van de dijkbomen op het programma,’ herinnerde de assistent-dijkgraaf hem. ‘Over twee maanden word ik bevorderd tot dijkgraaf en j… u ging mij uitleggen hoe ik de zelfvernietigingsgenen kan uitzetten.’

‘Ah, ja. Ja, natuurlijk.’ Marco rechtte zijn schouders. ‘De eerste stap is het uitschakelen van je imp. Deze informatie moet je van buiten leren. Het mag nooit digitaal worden opgeslagen.’

De assistent-dijkgraaf knikte ijverig, gaf een draai met haar pols. ‘Mijn imp is uitgeschakeld.’

‘Uitstekend. Ik zie daar een gen-manipulator staan. Hoe is je zangstem, Van Oudekerke? Ken je de tekst van “Ketelbinkie”?’

‘Uh… ja?’ Het nummer was een van de dozijn verplichte liederen die in iedere kindercrèche werd onderwezen. Trots kweken voor de glorieuze, zilte Nederlandse geschiedenis. Beukende stormen, rijzend water, mega-technologie, koopmanschap en noeste arbeid. Naast de muziek waren er natuurlijk nog games, films, toneelstukken en een hele oceaan aan best wel foute, speculatieve literatuur: “De Modderzuiger Marietje Neeltje”, “Hollandse Meiden op Avontuur op Antarctica” en “De Vliegende Hollanders Schieten te Hulp”.

‘Begin maar te zingen. De ontsluitingscode is gebaseerd op het metrum van dat nummer.’

Edith van Oudekerke had een rokerige mezzosopraan die goed paste bij Marco’s bas-bariton. ‘Toen wij uit Rotterdam vertrokken…

‘Wilt u een snoepje, dijkgraaf? Na al dat zingen zal uw stem wel schor zijn.’

Met een glimlach accepteerde Marco het dunne, rode plakje uit de cellofaan wrapper. Het zag eruit alsof het naar aardbeien of bessen zou smaken, maar dat was oké. Zijn keel voelde inderdaad wat droog aan.

 

#

 

De drooggevallen waterloop van de Congo, met alleen hier en daar een plukje overgebleven oerwoud. Steden die door het water verzwolgen waren en andere die in de steek waren gelaten omdat het gras verdorde en er enkel verschuivende duinen overbleven.

Zoveel rampen maar de wolkenschepen deden overal wat ze konden, ook al werden ze er zelf zelden slechter van. Eigenlijk nooit. Maar ja, de schoorsteen moet ook kunnen blijven roken, zoals Marco’s imp zou zeggen. Paupers kunnen niemand helpen en niet eens zichzelf.

Ze pikten uiteindelijk een andere luchtstroom op en arriveerden boven de Aral zee. Dat ‘zee’ klopte al anderhalve eeuw niet meer, eerder een meer van bremzout water omgeven door verblindend witte zoutvelden. Het bewoonbare land lag er in een halve cirkel omheen. Het oogde mosgroen en elk jaar besproeiden de luchtschepen de landerijen.

Marco zat naast zijn geliefde op de bank in de stuurkamer toen het grote scherm aanknipte. Een gezicht verscheen, zo uitvergroot dat je iedere porie kon zien en de baardharen wel takkenbossen leken.

Edith veerde op. ‘Ah, graaf Oleg. Een plezier u weer te zien.’

‘Dat plezier is niet wederzijds,’ zei de graaf. Zijn ogen puilden uit, zijn lippen sidderden. Het was duidelijk dat hij in de greep van razernij verkeerde. ‘Jullie hemelmonsters. Jullie zuigen ons uit! Jullie verslinden onze cultuur. Onze maagdelijke dochters zingen “Twee emmertjes water halen” op hun huwelijksfeest en dansen zonder hoofddoek. Vaders noemen hun zonen Michiel of Maarten Harperszoon. Dat doen zelfs jullie Hollanders niet!’

Edith hief haar handen bezwerend op. ‘Rustig, graaf. Kalm. Wij komen enkel water brengen. Wij hebben niets met jullie cultuur.’

‘Dat is het juist. Jullie zijn barbaren. Nekulturny!’

Hij hief een dramatisch vuist. ‘Daar maak ik een eind aan. Nu.’ De camera zoomde uit en Marco zag dat de graaf in een controlekamer vol beeldschermen stond.

Het zag er allemachtig antiek uit, twintigste-eeuws bijna, maar juist in die tijd hadden ze de vreselijkste wapens geconstrueerd. Raketten die een straalvliegtuig in volle vlucht konden neerhalen, bommen die een stad in een vuurzee konden veranderen. Graaf Oleg boog zich voorover, drukte twee knoppen in en draaide vervolgens een roestige sleutel om toen de schermen een wolkenschip vertoonde.

Marco herkende het silhouet: het was Ediths vlaggenschip.

Twee condenssporen snelden door de hemel, convergeerden op het vlaggenschip. De vloer kantelde en het gezicht van de graaf kromp tot een sidderende stip. Een seconde later explodeerde het tweede projectiel.

‘Dat was onverstandig,’ zei Edith. ‘Zelfs een vriendelijke lobbes kun je beter niet schoppen.’ Ze stak een hand in de lucht. ‘Aan alle schepen. Stijg op naar de stratosfeer en zet de regen op hagel.’ Haar gezicht was een grimas, een demonisch masker. ‘De hagelstenen zullen zo groot als ganzeneieren zijn, als vuisten. Geen boomgaard blijft intact, geen kas.’

‘Maar…’ protesteerde Marco. ‘Het is alleen die idiote graaf. Zijn onderdanen hebben er niets mee te maken. Ze zingen “Twee emmertjes water halen” en noemen hun kinderen Maarten.’

‘Als je eenmaal over je heen laat lopen, trekken ze de volgende keer soldatenlaarzen met spijkerzolen aan.’

Het derde projectiel explodeerde en de opbollende vloer slingerde Edith en Marco tegen het plafond, liet ze terugvallen als ledenpoppen.

 

#

 

‘Sorry u te wekken, meneer van Oudekerke, maar nu de groot-admiraal in coma ligt, bent u haar opvolger. Als echtgenoot.’

‘Echtgenoot?’ Zijn gedachten voelden traag als stroop. ‘Maar mijn naam is Zevenaar.’

‘Volgens de imp van de groot-admiraal heeft de scheepskapelaan jullie in het huwelijk verbonden op de derde dag.’

‘Doet er niet toe. Hoe is met haar? Wanneer kan ik haar zien?’

‘Ze zit diep in het medisch schuim gewikkeld. We gaven haar een tijdelijk hart uit het noodaquarium, maar dat blijft altijd een gok. Persoonlijk geprint is altijd beter.’

Marco hees zich overeind. Zijn linkerbeen zat in het regenereergips zag hij, en zijn neus voelde ook vreemd. ‘Zet koers naar de Stuwdijk. Zo snel mogelijk.’

In zijn hoofd gonsde een vreemd soort leegte.

Hoe had hij zijn eigen huwelijk kunnen vergeten? En het was niet langer dan maand geleden. Het moet de klap zijn geweest. Ongetwijfeld komt de rest van mij herinneringen ook weer terug.

Natuurlijk had Marco miljoenen keren de Nederzee via drones bekeken, maar het was toch anders, zo staand op het deinende dek van een wolkenschip en met de wind die zijn ogen deed tranen.

‘Ediths toestand is stabiel,’ meldde het scheepssysteem via zijn imp. ‘Er staan ambulances voor haar en de bemanning klaar bij het afmeerplatform. Iedereen wordt ook gecontroleerd op stralingsziekte. De medische AI’s popelen: zulke zeldzame verwondingen zijn een buitenkansje!’

Stelletje digitale aasgieren! Nou ja, goed dat ze er zijn. Alles sal reg kom.

‘Edith gaat als eerste van boord,’ beval Marco.

‘Daarna de rest van de bemanning en ik als laatste. Ze zijn mijn verantwoordelijkheid.’

Gesproken als een ware schipper… Nou ja, ook als een dijkgraaf. Een dijkgraaf blijft op zijn post totdat het gevaar is bezworen, of hij wordt weggespoeld.

‘Aye, aye, kapitein!’

 

Ziekenhuizen waren allang geen grote, onpersoonlijke gebouwen meer met eindeloze gangen en kamers die stonken naar schoonmaakmiddelen. In plaats daarvan lag iedere patiënt in een knusse, huiselijke slaapkamer met uitzicht op binnenvennen langs de Stuwdijk. Alle apparatuur, inclusief de diagnose-AI, zat in muren en het comfortabele meubilair verwerkt.

Marco had voor een menselijke arts gekozen, die via zijn imp verbonden was met zijn AI-collega’s. ‘Met mevrouw Van Oudekerke komt alles goed. We houden haar nog een nachtje voor observatie, en dan kan ze naar huis.’

Marco knikte. Een molensteen rolde van zijn hart.

‘En de bemanning van het schip?’

‘Allemaal gezond als pekelharing. Het scheepssysteem heeft goed werk verricht. De meesten zijn alweer aan boord.’

‘Prima.’ Het was inderdaad prima, maar Marco voelde toch een vage onrust. Het was alsof er iets niet klopte. En het gevoel werd met het moment sterker.

‘Wat u betreft, meneer Zevenaar, u kunt over twintig minuten vertrekken. Uw verwondingen zijn inmiddels volledig hersteld.’

‘Uhm, waarom dan de vertraging?’

De arts keek Marco aan. ‘Behalve de schade van straling en de verwondingen door de schokgolf, troffen we in uw bloed nog wat anders aan. Iets wat er niet hoorde te zitten. We hebben het geanalyseerd en u had sporen van verschillende Chinese gedragsserums in uw lichaam. Een liefdeselixer waardoor u hotel de botel wordt van de eerste persoon wiens geur u opsnuift. Plus een zwaarder geval, een GMB-plus en oxytocine cocktail. Het slachtoffer verliest tijdelijk zijn geheugen en wordt uiterst ontvankelijk voor suggestie. Deze middelen staan in Nederland op de zwarte lijst en wij hebben u daarom een serie antidota toegediend die de werking ongedaan zal maken. Over tien, vijftien minuten zijn de serums uitgeschakeld en zult u zich de meeste dingen weer herinneren. Het kan wel zijn dat het tweede serum permanent herinneringen heeft gewist, maar het zij zo.’

Liefdeselixer? Geheugenwisser? Onzin! Pure kletsika.

Ik…

Het was geen onzin. Marco wist opeens afgrijselijk zeker dat het geen onzin was.

Hij wist ook precies wie het hem had toegediend.

Starend naar het rustgevende landschap, kwamen de herinneringen van de afgelopen weken bovendrijven als giftige gasbellen uit verzonken industriële landschappen. Zijn plotse, doldwaze verliefdheid op Edith, de landen die ze hadden gezien, de nacht in de woestijn met de vrouw met de mandoline, de aanval van de krankzinnige Russische graaf.

Waarom?

Omdat ze mij voor zich wilde winnen. Ze dacht dat als de opper-dijkgraaf overstag ging, de rest van de Dijkraad wel zou volgen… De arrogantie! De kortzichtigheid. Edith snapt echt niets van het grotere belang. Ze denkt alleen maar in termen van macht en overreding. Dat is altijd al zo geweest en…

Plotseling kwamen er andere herinneringen boven.

Zaken die Edith hem had laten vergeten.

‘Martha!’ riep Marco ontzet. O God, Martha! Mijn vrouw. En Janneke!

‘Ik moet naar huis, direct,’ riep Marco tegen zijn imp. ‘Regel een auto!’

‘Geregeld. Twee rechercheurs van de politie willen graag een gesprek met je. Ze willen weten of je aangifte wil doen tegen groot-admiraal Edith van Oudekerke.’

‘Aangifte? Nee! Daar heb ik geen tijd voor. Bovendien valt er niks te bewijzen. Ik moet zo snel mogelijk naar huis, naar Martha.’

 

#

 

De auto stopte voor precies voor het tuinhekje en pa stapte uit.

Pa? Ja het was inderdaad haar vader, maar wat was hij veranderd de laatste paar weken. Een gebruinde huid die uitstekend stond bij zijn grijze haar. En hij was een beetje magerder in zijn gezicht. Hij keek zorgelijk, zoals iedere terugkerende held, of zondaar, hoorde te doen.

Janneke Marthasdochter keek naar haar moeder.

Zal ze hem überhaupt wel binnenlaten? Of gaat ze met servies smijten? Het is nou niet bepaald alsof ma en pa ooit veel ruzie hadden maar dit is wel de allereerste keer dat pa er met een vuige, verleidelijke jeugdliefde vandoor ging en pas na een paar weken terugkeert.

Wauw, het leek wel een historisch drama, alleen dit was werkelijkheid en daardoor allemaal veel enger.

En spannender, zei een stemmetje dat niet van haar imp was maar helemaal van haarzelf.

De voordeur ging open: ma had hem niet geblokkeerd.

Geen woorden, geen verwijten, geen aarzeling. Haar vader en haar moeder vlogen elkaar in de armen. Het leek er verdacht veel op dat er tranen uit hun ogen rolden.

Ma wenkte haar en bijna als vanzelf kwam Janneke in beweging. Met twee, drie stuntelstappen was ze bij haar ouders en gooide haar armen om hen heen.

Het was het beste gevoel ter wereld.

Uitleg, verklaringen, excuses… Het zou allemaal later wel komen. Haar vader was terug, dat was het belangrijkste.

Wacht maar tot ik de beelden op school laat zien. Mijn vriendinnen zullen zo jaloers zijn!

 

#

 

‘Een, eh, dame wenst je te spreken,’ zei zijn imp. Marco hoefde niet te vragen welke dame dat was. ‘Geef haar maar door. En mieter haar tegelijk van mijn vriendenlijst af. Ja, zet haar op zwart. Het blijft bij dit ene gesprek.’

Haar gezicht was anders: absoluut en verterend sexy. Edith moest zijn seksuele profiel gehackt hebben en ze had haar make-up gefinetuned. Wenkbrauwen precies de juiste boogjes, smokey eyes maar toch ingetogen, een diep decolleté. Het ergerde hem mateloos dat hij meteen een erectie kreeg. Denk ze echt dat ik daar weer intrap?

‘Het is jammer dat het zo liep,’ begon ze.

‘Je hypnotiseerde me. Je kus, dat was geen haar beter dan een scheut rohypnol in mijn koffie gieten!’

‘Je vindt mij aardig. Je hebt altijd van mij gehouden. Die kus hielp maar een beetje. Een geheugensteuntje, een duwtje in de rug.’

Een het stomme was dat ze gelijk had. Zelfs nu hij haar haatte, kon hij een alternatieve toekomst zien, eentje waar hij met haar op een wolkenschip meegevaren was, de eindeloze blauwe hemels in. Als ze mij niet op het examenfeest had laten zitten…

‘Ik zou je voor de Raad moeten dagen. Het was een ontvoering.’

‘De Raad heeft niets meer over ons te zeggen. De Blauwe Coalitie verklaart zich op dit moment onafhankelijk. We zitten al halverwege de Duitse Golf en zullen ons eigen Holland bouwen.’

‘Een beetje een probleem zonder dijkbomen.’

‘Och, wij zullen ons wel weten te redden. Je zal het zien de komende jaren.’ Ze verbrak de verbinding.

 

#

 

Ze hadden een live band op Jannekes eindfeest: een dozijn opgevoerde mandrils die op trommels roffelden, een albinozanger met een gitaar die zo nu en dan tot een zwaard morfde, een achtergrondkoor met tijgermeisjes wier staarten op de ritmes zwaaiden.

Het had perfect kunnen zijn want ze was dol op Myth-pop en Papa had Martha voor het eerst op zijn eindfeest ontmoet. Eigenlijk had ze ook zoiets verwacht: haar prins op het witte paard en ze had heel zeker geweten dat die prins Lester Delacroix heette.

Alleen danste die glazige wateraardappel nu al een half uur met die griet uit 6B. Linda-Margaretha was waarschijnlijk het mooiste meisje van hun jaar maar dat was geen excuus. Lester heeft mij verdorie gevraagd! Ik had net zo lief voor het scherm opgekruld gelegen en The White Walkers Return nog een keer gespeeld.

Ze tuurde naar hem, haar blik een zengende laserstraal, maar hij was paranormaal gezien blijkbaar blind en doof en keek niet één keer in haar richting.

Langzaam werd ze zich bewust van een kriebel in haar eigen nek, een vreemde onstoffelijke druk.

Iemand keek naar haar, even gespannen als zij naar Lester tuurde. Ze zocht de dansvloer af en hun blikken kruisten. Ja, hij keek naar haar, maakte een handgebaar, gaf een vragende ruk met zijn hoofd.

Waarom ook niet? Ze knikte naar hem, slenterde over de vloer van gestabiliseerd ijs IV.

In de schemering bleef zijn gezicht een grijze ovaal, maar ze zou wel zien. Iedere haven is goed in een gierende storm, zoals ze zeggen. Niet dat ze wanhopig was, maar ze wilde dolgraag Lesters uitdrukking zien als ze langs danste aan de arm van een andere jongen.

Hij pingde haar en er verscheen een imp in haar ooghoek. Het was een wolk met een halo en een enkel oog. Een Wolkenjongen. Hij durft. Er zitten enkel Dijkers op deze school. Dat is even roekeloos als een kennel met bloedhonden binnenwandelen met een worst om je nek.

Ze moest het gesubvocaliseerd hebben want de wolk knipoogde naar haar.

‘Het was een weddenschap,’ kwam zijn stem. ‘Mijn vrienden zeiden dat ik jullie feest nooit zou durven crashen. Niet in mijn uniform.’

Hij was nu vlakbij en ze zag dat hij inderdaad het uniform van een adelborst droeg met het embleem van de wolk die drie regendruppels liet vallen. Of nee, dit was geen reguliere Wolker, niet met de twee bliksemschichten die de wolk flankeerden.

‘Je bent van de Blauwe Coalitie! Van Groter Holland!’

Ze had haar vader vaak op de Coalitie horen foeteren.

‘Groot Holland,’ mopperde hij. ‘Puur kolonialisme is het! Ze hangen een wolkenschip boven een vluchtelingenkamp en laten het regenen tot alles groen kleurt. “Sluit je bij ons aan,” zeggen ze ten slotte, “Of we vertrekken weer.” Natuurlijk zeggen die arme sloebers “Ja graag” en Groot Holland heeft er weer een provincie bij. En bovendien jatten ze de dijkbomen van ons.’

Zij staarde hem aan. Dit was de vijand dus en zijn huid was diep gebruind door uitheemse zonnen, zijn ogen staalgrijs. Zo romantisch.

‘Eddie junior. Zo heet ik. Hopelijk is dat geen bezwaar? Dat ik een Blauwe Wolker ben?’ zei hij. ‘Ik weet dat jullie hier allemaal Dijkers zijn en…’

Zij pakte zijn hand vast, glimlachte. Haar hart zong. Geen prins op een wit paard maar een witte wolk voldeed, vooral een met donder en bliksem.

‘Ik heet Janneke en mijn vader is de opper-dijkgraaf.’

‘Serieus? Ha, mijn imp ontploft bijna! Volgens hem ben je de meest onverstandige keuze om ten dans te vragen.’

Haar eigen imp knipperde ook al urgent, gebaarde met zijn mokerhamer. ‘Stop! Stop! Dat is Eddie van Oudekerke junior! Hij is de zoon van de groot-admiraal Van Oudekerke zelf! Puur vergif!’

Ze trok hem de dansvloer op. ‘Laten we onze ouders schokken. Mijn vader zal briesen als een ijsbeer, je moeder haar statiepet afrukken en vertrappen.’

Hij lachte opgetogen. ‘We doen een Romeo en Julia en stelen een wolk en een stek. Maken ons eigen Nederland!’

‘Dat lijkt mij een puik plan,’ zei Janneke. ‘Maar zullen we eerst eens kussen?’

 

###

Xtreme teleshopping – Adriaan van Garde

Op het scherm zie ik de aarde snel kleiner worden. Ik ben op weg naar een mijnbouwplaneet. En toch kan ik mijn lachen niet onderdrukken.

‘Waar lach je om?’ vraagt de man naast me.

‘Ik ben veroordeeld tot honderdentienduizend jaar dwangarbeid,’ weet ik uit te brengen. ‘Man, alsof ik zo lang leef.’

Nahikkend denk ik terug aan hoe het allemaal begon. Het kwam door die stomme antenne. Ik vervloek Carlos en zijn dumpwinkel.

 

Tevreden keek ik naar het resultaat van mijn geknutsel. Op de reling van het balkonnetje prijkte een wonderlijke constructie die in niets leek op een schotelantenne. Mijn tevredenheid sloeg meteen om in twijfel. Was het wel een antenne? Nou ja, eerst moest ik de kabel maar eens aansluiten op de tv. Ik viste de losse connector, die Carlos van Dump Universe er gratis bij had gegeven, uit de verpakking. Die moest op het snoer, want de Chinese connector leek niet van deze wereld. Vreemd eigenlijk, dat had je bij geen enkel ander product uit China. Dus misschien kwam het ding wel helemaal niet uit China, maar uit Noord-Korea of zo. Nou ja, het deed er niet toe.

Gelukkig had ik ervaring met dit soort klusjes. Na het wegknippen van de vreemde connector zag ik dat het om een redelijk standaard type coaxkabel ging, zij het een dunne. Ik wikkelde tape om de kabel op de plek waar hij in de connector geklemd moest worden. Daarna soldeerde ik de draadjes aan de pennen die op het bijgeleverde briefje stonden afgebeeld. Toen alles klaar was, sloot ik de connector aan op mijn tv.

Gespannen selecteerde ik de juiste ingang. Geen beeld, alleen ruis. Verdikkie, daar had je het weer met die goedkope troep. Waarom trapte ik daar nou altijd in? Omdat ik geen geld had voor het dure spul, simpel. Ik keek in de doos of ik een handleiding over het hoofd had gezien. Er lag een briefje op de bodem met tekeningen van kleine, bolle poppetjes. De antenne herkende ik meteen, dus ik zat op de goede weg. Het laatste plaatje toonde iets dat een afstandsbediening zou kunnen zijn.

Ik keerde de doos binnenste buiten, maar geen spoor van een afstandsbediening. Net toen ik me op de bank wilde laten vallen, hoorde ik een piepje. Het kwam uit de stapel met opvulmateriaal, stukken gevouwen karton. Ik vouwde alle kartonnen origami open tot ik iets zwarts op de grond zag vallen. Het leek wel een haltertje, een staafje met twee bolle uiteinden, die echter niet helemaal hetzelfde waren. Op de meest ronde bol zag ik een rood lampje knipperen.

Uit mijn ooghoek zag ik dat er beeld op het scherm was verschenen. Het toonde het zwarte staafje aan de linkerkant en Chinese tekens aan de rechterkant. Het volgende beeld toonde het staafje ongeveer dertig graden naar rechts gekanteld. Aan de rechterkant van het scherm schoven langzaam plaatjes omhoog. Dan een beeld met het staafje naar links gekanteld en plaatjes die naar beneden liepen. Kennelijk keek ik naar een spoedcursus voor het gebruik van de halter.

Uiteindelijk bleek de bediening heel eenvoudig. Alleen het kiezen van kanalen was nog niet behandeld, maar dat kon ik later uitzoeken. Eerst wilde ik eens oefenen met dit kanaal. Ik koos een plaatje uit de rij. Er verscheen een scherm met andere plaatjes. Dat ging een poosje zo door tot ik in een scherm met kirby’s terecht was gekomen. Of nee, hoe heetten die poppen ook alweer, firby’s, nee furby’s, dat was het. Mijn nichtje had er een. Ik koos een blauw-witte.

Het scherm toonde nu een furby in een vogelkooitje dat op een console stond. Ernaast stond een vreemd figuurtje dat zelf ook op een pop leek. Ik moest aan master Yoda denken uit de oude Star Wars films. Hij wees naar de kooi en zei iets dat ik niet goed kon verstaan. Het klonk als ‘saai mahan’. Daarna zei het wezen nog ‘toek’ en ‘sin’. Het bleef maar naar het kooitje wijzen. Ik wilde terug naar het vorige scherm, maar dat lukte niet.

Ik besloot eerst eens een kop koffie in te schenken. Maar toen ik naar mijn aanrechtblokje liep, hoorde ik geschreeuw. Omkijkend naar de tv zag ik dat het gezicht van Yoda nu het hele scherm vulde. Hij wees met een priemende vinger naar me en riep iets dat klonk als: ‘toemaja tikban dikki’. Bedremmeld liep ik terug naar de afstandsbediening.

Meteen zoomde het beeld uit en begon Yoda beurtelings op een groene en een rode cirkel te wijzen, die rechtsboven in beeld stonden. Ze waren me nog niet eerder opgevallen. In beide cirkels stonden Chinese karakters, althans daar leek het op. Yoda wees de cirkels beurtelings aan. Bij de rode zei hij ‘toek’ en bij de groene ‘sin’. Hij bleef dat herhalen terwijl hij tussendoor steeds even in de camera keek.

Het was me duidelijk dat ik één van de twee cirkels moest kiezen. Maar ik had geen idee wat ze betekenden. In China was de betekenis van rood en groen precies andersom als in het Westen, rood was doorgaan en groen was stoppen. En bij software was het gebruikelijk dat de laatste optie annuleren was, dus dan moest de bovenste optie, de rode, bevestigen betekenen. Ik klikte op de groene, want ik wilde terug naar het vorige scherm.

Alleen ging ik niet terug. In plaats daarvan deed Yoda een stap naar voren en maakte breed grijnzend een gebaar van handen schudden. Hij draaide zich half om, pakte het kooitje en liet het vervolgens aan me zien. Hierna verscheen een tekst in beeld en een bedrag. Ik schrok me kapot. Bijna twintigduizend, dat zou ik nooit kunnen betalen. Maar misschien was het een bedrag in Chinese valuta, dat zou wellicht schelen. Nou ja, ik wilde helemaal geen furby, hoe goedkoop die ook was. Ik moest gewoon annuleren. Het scherm werd echter zwart.

Ik stond nog verdwaasd met de afstandsbediening in mijn hand, toen de deurbel ging. Ik keek naar de klok. Wie kon er op dit tijdstip aanbellen? Door het spionnetje zag ik een man in een uniform, die een doos in zijn hand hield. Ik had toch niets besteld? Maar wacht, het kon voor de buren zijn.

De man grijnsde en vroeg ‘Andes Mutar, sin?’ Ik knikte, want het leek op mijn naam. De man stopte de behoorlijk grote doos in mijn handen en hield me daarna een apparaat voor. Ik zette de doos op de grond en pakte het apparaat. Moest ik een handtekening zetten? Ik keek de bezorger vragend aan. Die lachte weer breed en zei ‘djada men, sin’, waarbij hij zijn duim op het schermpje legde. Ik deed hem na. Het apparaat tingelde en het scherm werd groen. De man maakte een diepe buiging en vertrok zonder iets te zeggen.

Ik ontwaakte uit een soort sluimer en keek naar de doos. Had ik die wel aan moeten nemen? Ik had immers niets besteld. Ik begon steeds meer te balen. Hoeveel gevallen van dit soort oplichting had ik nu al opgelost voor mijn moeder? En dan nog trapte ik er zelf in. Ik overwoog wat me te doen stond. Niet openen en meteen terugsturen, dat was de aangewezen oplossing. Ik pakte de doos op en zette hem op tafel. Op het etiket stond niet veel. Een logo dat ik niet kende, met daaronder mijn naam, helemaal correct. Maar mijn adres ontbrak vreemd genoeg. Verder stond er helemaal niets op de doos. Dat betekende dat ik hem open zou moeten maken om het retouradres te vinden. ‘Shit, shit, shit’ riep ik gefrustreerd: . Uit de doos klonk een hoog geluid, dat me aan lachen deed denken.

Ik liep naar de keukenla om het kromme mesje te pakken dat ik gebruikte voor het opensnijden van verpakkingen. Ik was nog niet halverwege de naad aan de bovenkant, toen er een hoog stemmetje uit de doos klonk. Het klonk als ‘shit, shit, shit’. Ik schrok. Wat zat er in hemelsnaam in die doos? Het zou toch niet iets levends zijn? Voorzichtig ging ik verder, wat aanmoedigende geluidjes opleverde. Nadat ik het deksel had opengevouwen, klonk er een soort gejuich. Ik zag een kooi met daarin een paar grote ogen die me aankeken. Toen ik de kooi voorzichtig uit de doos tilde, zag ik dat het een furby was.

‘Krijg nou wat, wie ben jij?’ zei ik. Wat niet slim was, want een pop heeft geen verstand. Maar tot mijn verbazing herhaalde de furby wat ik zojuist had gezegd. Waarna het beest in lachen uitbarstte. Toen het eindelijk gekalmeerd was, keek het me een poosje aan.

‘Ayam,’ zei het, met een vingertje naar zichzelf wijzend. Daarna wees het naar mij. Ik was zo verbaasd dat ik een tijdje niets uit kon brengen. Er maalde van alles door mijn hoofd, onder andere de gedachte dat dit een levend wezen was en geen pop. Maar dat kon natuurlijk niet.

‘Ayam.’ zei het beest weer. Was het zichzelf aan het voorstellen? Dat moest ik testen.

‘Ayam,’ antwoordde ik, naar het beestje wijzend. Daarna wees ik naar mezelf en zei: ‘Anders’.

Het beestje herhaalde mijn naam. Daarna wees het op zijn geopende mond. Het had kennelijk honger, maar ik had geen idee wat zo’n beest at. Gelukkig wees het op de doos, waar nog een boekje in bleek te liggen. Ik bladerde het boekje door. Het was duidelijk een gebruiksaanwijzing voor de verzorging van furby’s, opgesteld in het allerbelabberdste Nederlands. Ik kwam bij een bladzijde met een etende furby. Hij was bezig een soort selderijstengel naar binnen te werken. De tekst was niet heel verhelderend, maar ik begreep dat het een planteneter was. Vlees en zeep waren uit den boze, dat werd me ook duidelijk. De afbeelding die een furby liet zien die een soort hamster opat, werd gevolgd door een afbeelding van diezelfde furby met een heleboel andere furby’s. Wat kon dat betekenen? Werden ze door vlees tot elkaar gebracht?

Ik keek in de koelkast of er iets te eten was. Er lag nog een bos radijsjes. Ik sneed er één af en gaf hem aan de furby. Die rook er aan en veegde er over. Daarna gaf hij hem terug en maakte een gebaar van handen wassen. Wat zou hij bedoelen? Moest hij zijn handen wassen voor het eten? Of nee, ik wist het al, hij wilde zijn radijsje gewassen. Wat een proper diertje.

De furby nam een hapje van het gewassen radijsje en kauwde voorzichtig. Daarna lachte hij en propte het hele radijsje in zijn mond. Toen hij het op had, wees hij op zijn mond en riep: ‘Anders, anders, anders.’

‘Nee, je moet zeggen “ik wil eten, ik heb honger”.’

‘Eten, honger?’ zei het, duidelijk verstaanbaar.

Ik wist niet wat ik aan mijn fiets had hangen. Dit beestje pikte de taal in recordtijd op. Na de maaltijd moest ik maar eens gaan oefenen. Ik gaf hem nog vier radijsjes, die hij smakelijk verorberde. Vervolgens liet hij een enorme boer, waarna hij in zijn kooi rondtolde van het lachen. Eerlijk gezegd ging ik zelf mee lachen, ook al was “wie lacht om een boer is een ouwehoer” een van mijn gevleugelde uitdrukkingen.

Ik scharrelde intussen een oud plaatjesboek uit de kast waarmee ik zelf als kind had leren lezen. Daarna haalde ik de furby uit de kooi en zette hem op schoot. Zo begon ik aan de taallessen, waarvan ik op dat moment nog dacht dat ik er weken mee bezig zou zijn.

Na een uurtje taalles bleek dat Ayam niet alleen heel taalvaardig was, maar ook nog eens een goed stel hersens had. Hij had er geen enkele moeite mee om de getekende plaatjes naar de werkelijkheid te vertalen. Alleen de spiegel bracht hem in verwarring, hij deinsde terug bij het zien van zijn spiegelbeeld. Hij vroeg of het ook een raam was. Na mijn uitleg streek hij met zijn handjes over zijn spiegelbeeld, waarbij het leek of hij zich realiseerde dat er geen andere furby achter het glas zat.

Ik zette hem terug in de kooi, omdat ik boodschappen moest doen. Voor de furby had ik groenten en fruit nodig. Misschien kon ik dan ook weer eens een echte maaltijd voor mezelf maken. Ayam krulde zich op in de kooi en ging meteen slapen. Daar was ik blij om, want ik wist niet hoe goed hij er tegen zou kunnen om alleen te zijn.

Toen ik terugkwam, hoorde ik zijn gekwetter al voordat ik bij mijn voordeur was. Ik zag gelukkig niemand in de hal, want officieel mocht ik geen huisdieren hebben. Dat moest ik hem dus afleren. Binnen zag ik dat hij stond te dansen, terwijl hij naar zijn achterste wees. Ik tilde hem uit de kooi en toonde hem de wc.

Dat leek hem niet te zinnen. Hij liep naar het doucheputje waar hij poepte en pieste. Daarna keek hij me vragend aan. Ik pakte wat wc-papier en veegde zijn drolletjes op, die gelukkig nogal hard bleken. Na te hebben doorgetrokken, spoelde ik het dekseltje van de doucheafvoer schoon. Hij knikte instemmend en zei: ‘Goed zo, Anders.’

Voor het avondmaal maakte ik een macaronischotel met veel groenten. Voor Ayam zette ik een bordje neer met verschillende stukken groente en fruit. Wortel en appel vond hij het lekkerst. Ik liet hem ook een hapje macaroni proeven, maar dat spuugde hij meteen weer uit. Waarvoor hij zich overigens verontschuldigde.

Was ik tot nu toe al verbaasd geweest over het leervermogen van mijn furby, na het eten deed het beest er nog een schepje bovenop. Ik wilde naar het nieuws kijken en na het aansluiten van de oude coaxkabel lukte dat. Ayam leefde met elk onderwerp intens mee. Hij klapte enthousiast bij een item over de bloembollenexport, greep zich angstig aan me vast bij beelden over geweld in het Midden-Oosten, juichte mee met de voetbalsupporters en huiverde bij het weerbericht.

‘De lente zet nog niet echt door,’ zei hij.

Tijdens het zappen raakte hij steeds meer opgewonden. Zijn leergierigheid was zo groot dat hij alles tegelijk wilde zien. Maar bij een programma over seksuele problemen viel hij ineens helemaal stil. Er was een vrouw met ontbloot bovenlichaam in beeld, royaal bedeeld in de borstensector, wat me de uitspraak “jemig, wat een kanjers” ontlokte. Ayam nam het gelukkig niet over. Hij keek beurtelings naar mij en de vrouw, waarna hij een handje in mijn overhemd stak om te voelen.

Ik legde hem uit hoe het zat, eerst de geslachtelijke voortplanting en later de seksuele genoegens. Voor het eerst in mijn leven kon ik dat doen zonder een rooie kop te krijgen. Wat misschien niet zo vreemd was omdat Ayam geen mens was. Tegen een eekhoorn of een hond had ik ook vrijuit kunnen praten. Maar aan de andere kant was Ayam wel net zo slim als een mens. Of misschien zelfs slimmer, wat ik geen prettige gedachte vond.

Op het scherm waren nu flitsen van een jong stel in allerlei standjes te zien. Ayam keek er gebiologeerd naar. Toen het programma afgelopen was, zat hij een poosje stilletjes voor zich uit te staren. Ik vroeg wat hem dwars zat.

‘Doet het geen pijn, Anders?’ vroeg hij.

Ik vertelde hem dat het normaal gesproken juist erg prettig was, een fijn gevoel, hoewel ik er zelf helaas nog geen ervaring mee had. Hij keek me met open mond aan, zodat ik vroeg hoe het bij furby’s ging.

‘Het gaat helemaal niet zo, wij doen het niet samen, maar alleen. Het gaat vanzelf door het eten van verboden vruchten. En het doet heel erg pijn. Ayam wil het niet.’

Ik schrok van zijn emotionele reactie. Dat domme voorlichtingsfilmpje had hem verdrietig gemaakt. Hij drukte zich tegen me aan en ik hield hem met beide handen vast. Vreemd dat ze niet aan geslachtelijke voortplanting deden. Kwam dat eigenlijk wel voor bij zoogdieren? Hoe heette het ook alweer, het was iets met “auto”. Misschien moest ik toch eens met mijn furby bij de universiteit langs.

Het liep intussen tegen tienen. Ik was doodop. Van nieuwe indrukken kon je erg moe worden. En daarvan had ik er deze dag heel veel gekregen. Ik zei tegen Ayam dat het tijd was om te gaan slapen. Hij knikte alleen maar stilletjes. Nadat ik hem in zijn kooi had gezet, krulde hij zich meteen weer op. In bed lag ik een poosje te woelen. Ayam had het over verboden vruchten gehad. Morgenochtend zou ik proberen te achterhalen welke dat dan waren. Want ik moest voorkomen dat hij pijn zou lijden.

 

Ik werd wakker van een zacht gejammer, dat af en toe overging in harde uithalen. Geschrokken knipte ik het licht aan, het was nog donker buiten. Snel liep ik naar Ayam. Die lag jammerend te kronkelen in zijn kooitje. Ik wilde hem oppakken, maar hij maakte een afwerend gebaar met zijn handjes.

‘Niet doen, Anders, niet aanraken. Au,  het doet pijn.’

‘Maar wat is er dan met je, Ayam? Oh, God, je zit helemaal onder de bulten.’

Zijn lijfje zat vol met zwellingen, het arme dier was doodziek.

‘Wat heb je, Ayam? Je gaat toch niet dood, hè? Heb je iets verkeerds gegeten?’

Na die laatste vraag hield Ayam op met kronkelen om me aan te kijken. Daarna knikte hij en wees op iets dat vlakbij de kooi lag. Ik zette mijn bril af om het van dichtbij te kunnen bekijken. Het leek wel, nee verdraaid, het was de staart van een muis, met een stukje achterlijf en een pootje er nog aan. Ik keek Ayam vragend aan. Hij knikte weer.

‘Verboden vruchten, Anders.’

Shit, ze mochten geen vlees, en geen zeep of zoiets. Wat moest ik doen? Het nachttarief van een dierenarts zou ik nooit kunnen betalen. Toch vroeg ik het.

‘Moet ik je naar een dokter brengen, Ayam?’

‘Niet nodig, Anders. Het gaat vanzelf over. Maar je moet wel heel veel eten halen.’

Ik knikte maar eens, zijn opmerking drong niet echt tot me door. Ik bleef bij hem zitten. Het gejammer en de uithalen gingen door. Geleidelijk begon ik weg te dommelen. Ik zei tegen Ayam dat ik in mijn bed ging liggen en dat we wel verder zouden zien als het licht was.

‘Als het licht is, ben ik weer blij, Anders. Geen zorgen.’

Het kwam er piepend uit, wat me deed twijfelen aan zijn geruststelling. Eenmaal in bed viel ik tegen mijn verwachting in nog vrij snel in slaap. Ik werd pas wakker toen het al licht begon te worden. Uit de woonkamer klonk gefluister. Van verschillende stemmen. Ik zat meteen rechtop. Voorzichtig liep ik naar de deur.

Behalve het kooitje zag ik echter niemand. Ik wilde de kamer instappen, toen ik mijn bloed voelde bevriezen. Het kooitje puilde uit. Ayam was helemaal opgezwollen. Of nee, dat was het niet.

‘Goedemorgen, Anders,’ zei een koor van stemmetjes.

Het duurde even voor ik kon duiden wat ik zag. De oogjes maakten alles begrijpelijk. Tien paar ogen keken me aan, de grote ogen van Ayam en kleine van, ja dat moesten wel jonkies zijn. Ayam had vannacht gejongd, het was dus een vrouwtje. Of nee, de voortplanting was ongeslachtelijk of hoe heette dat. Toch zou ik beter van “zij” dan van “hij” kunnen spreken.

‘Ayam, je bent moeder geworden, gefeliciteerd,’ riep ik.

‘Dank je, Anders. Misschien kun je ons nu redden, want de kleintjes groeien erg hard.’

Ayam had gelijk, het kooitje zat propvol, overal staken armpjes en beentjes door de tralies naar buiten. Ik maakte de sluiting van de bodem los en tilde de kooi voorzichtig op. Eén voor één rolden de kleintjes over de tafel, kirrend van de pret. Het zag er schattig uit. Ze gingen in een rijtje voor Ayam staan en keken me vragend aan. Toen ik niet meteen in actie kwam, wees Ayam op haar mond. De kleintjes deden haar na.

‘Blijf hier allemaal op tafel zitten,’ zei ik, denkend aan de muis, ‘en kom nergens aan, steek niets in je mond.’

In de keuken haalde ik mijn groentelade leeg. Zes uien, een halve bos wortelen, een halve komkommer en twee paprika’s. Dat zou toch wel even genoeg zijn? De knoflookbol legde ik terug. Op de fruitschaal lag nog een appel. Ik waste de komkommer en sneed die in plakken, zodat ze vast te eten hadden. De kleintjes keken er wantrouwig naar, maar toen Ayam op een plak begon te knabbelen, vielen ze aan.

Ik waste de rest van de groente en deed alles in een schaal, ook het wortelloof. Appelstukjes als versiering bovenop. Ik werd met gejuich ontvangen. In een razend tempo werkte mijn nieuwe huisfauna alles weg. Daarna moesten ze allemaal naar de wc. Ayam deed het voor. Ze waren wel erg zindelijk. Als er een drolletje lag, moest ik dat eerst weghalen voor de anderen wilden. Maar het was toch een stuk makkelijker dan een kattenbak.

Daarna wilden ze slapen. In overleg met Ayam besloot ik dat ze tijdelijk in de doos zouden slapen tot ik een geschikte behuizing had die hen tegen het risico van muizen kon beschermen. Zodra ze in de doos zaten, ging ik op zoek naar voedsel. Dat zou een probleem kunnen worden. Mijn budget was maar net toereikend om mezelf te voeden, dus waar ik eten voor de hongerige diertjes vandaan moest halen, wist ik even niet. Ik dacht aan mijn oom die een tijd gezworven had. Hij vertelde altijd dat je het beste naar de markt kon gaan. Er was genoeg afkeur die je zo mee kon nemen. De voedselbank was misschien ook een idee.

Op de markt ging ik meteen naar de kraam van Palijs. Kobus, die vroeger buschauffeur was geweest, kende ik via mijn ouders. Misschien kon hij me helpen. Helaas bleek Kobus overleden. De oude Jan Palijs zelf kwam naar me toe en vroeg waarom ik Kobus nodig had. Ik legde het uit.

‘Je boft, jongen,’ zei hij, ‘ik heb hier drie kisten met bloemkool, allemaal bruin, zoek de beste er maar uit.’

Ik laadde mijn AH-tas flink vol. Ik vroeg of er nog iets van beurs fruit was. Maar daar bleek het nog te vroeg voor. Jan zocht vier appels met een rotte plek voor me uit. Vandaag zou ik het wel even redden. Ik bedankte Jan en vroeg of ik nog eens langs mocht komen.

Thuis bleek dat de honger alweer toegeslagen had. Ik werd met luide hongerkreten begroet. Gelukkig bleken de furby’s niet allergisch voor bloemkool.

Terwijl de kleintjes enthousiast zaten te knabbelen, opende ik een envelop zonder opdruk, die ik in mijn brievenbus had aangetroffen. Het bleek helaas geen reclame, maar leek eerder op een factuur. De tekst was onleesbaar, maar de opmaak liet weinig te raden over. Rechts van drie regeltjes tekst stond het getal “20.000”. Het valutateken zei me niets. Maar onderaan stonden een bankrekeningnummer en een bedrag in euro’s. Ik hapte naar adem, steun zoekend bij de rugleuning van mijn bank. Bijna één miljoen euro.

Verslagen ging ik op de bank zitten. Dat kon toch niet waar zijn. En waar ging het eigenlijk over? De factuur verhelderde niets. Maar het getal “20.000” deed een belletje rinkelen. Dat had ik ook op het scherm gezien toen ik Ayam kocht. Ik keek Ayam aan.

‘Kost jij werkelijk een miljoen euro, Ayam?’

‘Ayam weet het niet. In onze eigen wereld kosten we niets. Maar hier zijn geen andere Lemmyin, dus misschien zijn we daarom duur?’

Slim dier, dacht ik.

‘Lemmyin? Is dat de naam van jullie soort?’

‘Ja, in onze wereld, Anders. Soms zijn er heel veel van ons. Dan gaan we bijna allemaal dood en zijn er weer heel weinig.’

Lemmingen, dat was het. Het waren een soort lemmingen. Om te beginnen fokten ze echt als konijnen. En als er beurtelings veel en weinig waren, dan moest dat iets met voedselschaarste te maken hebben. Maar het diertje was geweldig slim. Hoe kon het dat het zich niet had ontworsteld aan het rigide regime van de natuur? Ik vroeg het aan Ayam.

‘Het is de zon, Anders. Als die weg is, zoeken we naar verboden vruchten. En als we verboden vruchten eten, dan komen er meer Lemmyin.’

‘Dus als ik het goed begrijp,’ zei ik, terwijl ik mijn gedachten in het juiste spoor probeerde te krijgen, ‘dan voelen jullie misschien geen honger naar verboden vruchten als er ‘s nachts zonlicht op jullie schijnt.’

‘Ayam weet het niet. Anders moet het maar proberen.’

‘Blijf hier, kom nergens aan, kijk maar even televisie.’

Ik zette de tv aan en ging naar de kelder van het pand. In mijn kelderbox lagen nog een paar daglichtlampen, die ik achterover had gedrukt toen de wietplantage bij de buren werd opgerold. Ik had ze willen verkopen, maar ik durfde er niet mee te adverteren. Voor je het wist, stond je te boek als wietkweker. En mijn uitkering lag toch al onder vuur. Ik stopte de stekker van een lamp in het stopcontact. Een oogverblindend licht vulde de kleine ruimte, het deed gewoon pijn aan mijn ogen. Snel trok ik de stekker er uit. Daar moest ik nog iets op verzinnen, een indirecte opstelling wellicht.

Terug in mijn flatje hoorde ik flarden van kreten van de kleine furby’s.

‘Landgenoten’, ‘wij koningin der Nederlanden’, ‘het verheugt ons’

Het was de stem van koningin Juliana, uit de monden van de kleine furby’s. Nou ja, klein, ze waren alweer gegroeid. Als het zo doorging, waren ze morgen volwassen. Op televisie zag ik nog net hoe hare majesteit een lintje doorknipte, waarna allemaal karretjes met bloemen voorbij reden. Vast een documentaire van MAX.

‘Wai zain zeer vergenuegd mit dize daag,’ hoorde ik een furby zeggen met de stem van prins Bernard.

Ik wilde de tv op een ander kanaal zetten. Maar in de linker bovenhoek stond dat Pipo zo zou beginnen. Dat kon tenminste geen kwaad. In de keukenhoek zette ik de lamp op een kast. Voor alle zekerheid legde ik er een bakblik onder, want die dingen konden goed heet worden. Over het drooglijntje dat ik daar had gespannen, hing ik een dubbelgevouwen, wit laken. Het licht was nog steeds fel maar al flink getemperd. Als ik even wat meer tijd had, moest ik eens uitzoeken of ik de spanning kon halveren. Dat zou misschien beter te verdragen zijn en mogelijk ook veiliger.

Nu de furby’s naar Pipo zaten te kijken, kon ik mooi even een biertje drinken. Ik ging aan de keukentafel zitten en pakte het Stadsblad van vorige week. Op bladzijde drie stond een artikel over de miljonairsfair die over twee weken zou beginnen. Dit jaar was het kernthema “verantwoord omgaan met exotische dieren”. Ik legde de krant weg en dronk bedachtzaam van mijn bier, terwijl ik genoot van het uitzicht op het schitterende plan dat zich begon te ontvouwen.

 

Vreemd genoeg was ik helemaal niet zenuwachtig meer toen ik eindelijk achter mijn quasi-exotisch aangeklede tafel op de miljonairsfair zat. Dat kwam niet zozeer door de pillen die mijn huisarts had voorgeschreven, als wel door de carrousel van emoties waarmee de voorbereidingen voor dit moment gepaard waren gegaan. Het wachten op de entree van de eerste gasten was bijna een vakantie.

De kooitjes waren nog gemakkelijk geweest. Carlos van Universe Dump was met kooien op de proppen gekomen nadat ik hem ervan beschuldigd had dat hij de oorzaak was van mijn financiële ellende. Na een dagje poetsen met het middel dat Carlos erbij had gedaan, hadden de kooien precies de juiste, tropische uitstraling.

De nieuwe vriend van mijn moeder had me het inschrijfgeld geleend ondanks haar niet aflatende waarschuwingen dat hij het gegarandeerd kwijt was. Mijn vermoeden dat hij een onderwereldfiguur was, werd bevestigd toen hij me verzekerde dat mijn moeder me niet zou kunnen helpen als ik het niet terugbetaalde.

Dat alles zou echter niets geholpen hebben als ik niet de hulp had ingeroepen van mijn oude studievriend. Timothy was computerwizard en kunstenaar in één. Hij had niet alleen de door de organisatie van de fair vereiste documenten gemaakt, maar hij had ook nog op diverse plaatsen op het internet informatie gedumpt over de beestjes. Het was allemaal zo goed doortimmerd dat ik het zelf bijna geloofde. En zijn trouwpak was ook welkom geweest, al was het een maatje te krap.

Ik was door de organisatie neergepoot in een dubieuze uithoek met voornamelijk onbekende soorten kleinere dieren. De uitdossing van de verkopers, die mij met argwaan bekeken, was er niet minder om. Piekfijn verzorgde heren met de pretenties van filmsterren en slanke dames in sexy cocktailjurkjes drentelden om elkaar en hun fauna heen. Ik had nog weinig van mijn koopwaar laten zien, over elke kooi hing een fluwelen doek.

Net toen ik weer op mijn horloge keek, zag ik dat het tafereel omsloeg. Gesprekken werden afgebroken, lachjes bestierven in de lucht, koffiebekertjes verdwenen spoorloos. Iedereen stond ineens bij de eigen stand. De heren hesen hun broek op, trokken hun stropdas recht en brachten hun manchetten op de voorgeschreven lengte onder de mouwen van hun jasjes. De dames rangschikten hun decolletés en splitten, schoven armsieraden recht en haalden een hand door hun haar.

Ze hadden zich niet hoeven haasten. De afdeling met ocelots, agoeti’s en okapi’s trok de meeste aandacht. Slechts één stel was kennelijk niet op het grotere werk uit en liep onze kant op. De man leek me een goed geconserveerde zeventiger, die me vaag bekend voorkwam. De vrouw was andere koek. Ik vroeg me af of Brigitte Bardot indertijd ook op die manier alle ogen naar zich toe gedwongen had. Alleen was deze vrouw op alle fronten rijker uitgemonsterd. Ik vroeg me af hoe kort geleden ze haar achttiende verjaardag had gevierd.

Terwijl de man vooral leek te genieten van de aandacht die de vrouw trok, keek ze vluchtig naar de dieren op de tafeltjes. Halverwege leek ze het gezien te hebben. Ze legde een hand op de borst van de man, die knikte en zich omdraaide. Ze keek nog één keer om en zag toen mijn fluwelen doeken.

Zonder haar man te waarschuwen, liep ze snel naar mijn tafel. Haar stem bestendigde mijn totale betovering alleen maar.

‘Hallo meneer, wat hebt u onder die doeken? Mag ik kijken?’

Kennelijk reageerde ik niet, hoewel ik toch het gevoel had dat mijn mond openging.

‘Is alles goed met u? U hebt toch niks gebruikt, hoop ik.’

Ik zag een stralende lach die overging in een diepe frons. Ik kwam bij zinnen. Snel stond ik op, terwijl ik iets probeerde te stamelen.

‘Nee nee, alles goed, hoor. Het was meer, nou ja ik bedoel, uw verschijning bracht me in een soort trance, denk ik.’

Ze keek me even aan, glimlachte flauwtjes.

‘Ja, dat gebeurt helaas wel vaker.’

Oei, slechte beurt gemaakt. Maar ze liet me geen tijd voor schaamte.

‘Wat zit er onder die doeken? Mag ik ze optillen?’

 

Ik maakte een gebaar dat ze haar gang kon gaan. Heel voorzichtig tilde ze een doek op. En gaf toen een gilletje. De furby gilde terug. De vrouw stond nu met haar hoofd te schudden.

‘Dit zijn helemaal geen dieren, dit zijn furby’s. Zo heb ik er thuis ook nog twee. U denkt toch niet dat ik hier intrap.’

Ze keek me nu boos aan. Ik moest snel handelen voor ze weg zou lopen.

‘U weet dus hoe een namaak furby voelt. Wilt u deze eens vasthouden?’

Ze aarzelde, duidelijk niet van plan mee te doen aan een scam. De furby kwam tussenbeide, iets te luid fluisterend.

‘Tering hé, wat een meloenen. Deze moet je niet laten gaan, Anders, zo’n vrouw vind je nooit meer. Vooruit, vraag of ze een frietje met ons gaat eten.’

Ik wenste me ter plekke naar een andere planeet. Tot ik zag dat de vrouw de vleesgeworden verrukking begon uit te beelden. Het leek wel of ik naar een oude Fellini zat te kijken. Ze hield haar handen in elkaar geslagen voor haar borst en de uitdrukking op haar gezicht was een mengeling van een beginnende lach en opperste verbazing. Dat werd nog erger door de kreten uit de andere kooitjes.

‘Haal weg die doek.’

‘Pipo, koeien!’

‘Ik wil haar ook zien.’

‘Anders, laat me meegenieten, toe.’

Ik trok de doeken weg. De vrouw bereikte nu duidelijk een kookpunt. Ze pakte me bij mijn arm.

‘Zijn, zijn ze echt? Mag ik er één vasthouden?’

Ik haalde de eerste furby uit de kooi en zette hem op haar arm. Ik zag hoe haar adem even stokte. Voorzichtig begon ze de furby in zijn nek te kriebelen, op de manier waarop je dat bij een kat zou doen.

‘Hé zeg, waar ben jij mee bezig? We zijn niet eens aan elkaar voorgesteld.’

De vrouw trok haar hand terug.

‘O sorry, ik wist niet .. Ik heet Angela. En jij?’

Voor de furby kon antwoorden, las ik snel het kaartje achter de kooi, want ik kon ze nog steeds niet uit elkaar houden.

‘Zij heet Boja, mevrouw.’

‘Hou je d’r effe buiten, Anders. Ik was met deze beeldschone dame in gesprek. Straks mag jij d’r hebben.’

Ik maakte een afwerend gebaar, terwijl ik zag dat de vrouw nu helemaal hoteldebotel van de furby’s was. Als ik me gedeisd hield, zouden ze gewoon zichzelf verkopen.

‘Toepasselijk naam Angela, lijkt op engel. Ik moest meteen denken aan Britt Ekland, maar dan veel knapper, natuurlijk.’

De vrouw slaakte een voorspelbaar kreetje van verrukking. Zelf stelde ik voor de zoveelste keer mijn visie op de furby’s bij. Een paar weekjes televisie kijken en ze legden onze ziel genadeloos bloot. Waren deze diertjes eigenlijk niet veruit superieur aan de mens?

Inmiddels ontstond op alle fronten beroering. De andere furby’s wilden ook bij de vrouw op schoot. De kraamhouders keken met onverholen afgunst naar de gebeurtenissen.

Angela’s mannelijke begeleider kwam gepikeerd aanlopen. Angela zelf had alleen maar oog voor Boja met wie ze een geanimeerd gesprek voerde. Het leek me een goed moment om haar mijn stoel aan te bieden. Ze zat nog niet of de man met de grijze manen legde een hand op haar schouder. Hij wilde een boze opmerking maken maar die bevroor ergens in zijn keel. Er kwam tenminste alleen maar een vreemde kreun uit zijn mond, toen hij de furby’s zag. De vrouw keek op.

‘Oh, Robert lieverd, deze dieren zijn geweldig. En slim, niet te geloven. Je moet er eentje voor me kopen.’

De man keek me nu aan. Hij greep mijn arm en trok me naar een rustiger plekje.

‘Freebies, of hoe heten die dingen, daar trapt toch echt niemand meer in. Hoe ben je hier in godsnaam binnen gekomen?’

Ik probeerde gekwetst te kijken en veegde voorzichtig zijn hand van mijn mouw.

‘Meneer, ik denk dat u aan furby’s refereert. Begrijpelijk, want zo noem ik ze zelf ook. Het zijn echter echte dieren, tot nu toe onbekend in het Westen. Ze zijn ongelofelijk slim, misschien zelfs slimmer dan wij. Als u me niet gelooft, moet u er maar eens één vasthouden, dan zult u wel voelen dat het geen mechaniek is.’

Hij keek me even wantrouwig aan, daarna ontspande zijn gezicht iets.

‘Goed, geef me maar zo’n beest. Maar als je een bedrieger bent, dan vraag ik het bestuur om je te verwijderen met je speelgoed.’

Ik reageerde hier niet op, maar duwde hem in plaats daarvan Bowie in zijn handen. Hij legde meteen een hand op de borst van het dier. Die was daar niet blij mee.

‘Hé, wat doe je nou, ouwe griezel? Betast je eigen.’

‘Geen paniek, vriend, ik wil alleen je hartslag even voelen.’

Bowie dacht hier over na.

‘Waarom dat dan? Je hebt toch zelf ook een hart. Voel daar dan aan. Maar wacht eens, ik ken jou. Ben jij niet die man die investeert in dubieuze bouwprojecten in het buitenland?’

De man schrok en keek om zich heen of iemand het gehoord had. Dat leek niet zo te zijn. Alle aandacht ging uit naar Boja, die haar handje tussen de borsten van Angela had gestoken, waar die om moest lachen. Toen Boja zag dat ik keek, wees ze naar me en fluisterde iets in haar oor. Ik zag nog net hoe Angela bijna dubbelsloeg voor ik me omdraaide. Inmiddels waren de man en Bowie in een gesprek verwikkeld. Ik probeerde iets op te vangen, maar ze spraken helaas op gedempte toon.

Plots sprong de man op. Hij drukte verwilderd de furby in mijn armen, fluisterde de mooie vrouw iets in haar oor en rende vervolgens weg.

‘Wat heb je hem in hemelsnaam verteld?’

‘Hm, beleggingsadviesje.’

‘Wat weet jij nou van beleggen?’ vroeg ik.

‘Meer dan hij.’

Ineens schoot me te binnen wie de man was. Ik had hem gezien in de Quote 500 toen ik potentiële klanten voor de furby’s aan het doornemen was. Hij investeerde vooral in megalomane, buitenlandse bouwprojecten die altijd de kwade geur van corruptie en uitbuiting om zich heen hadden hangen. Ik was blij dat hij opgehoepeld was. De stem van zijn mooie vriendin haalde me uit mijn overpeinzing.

‘We willen wel zo’n beest hebben. Wat kosten ze? En hoe moet je ze eigenlijk verzorgen? Wat eten ze?’

Ik vertelde haar alles behalve de prijs. Ze leek heel blij dat het strikte vegetariërs waren. En dat ze bij mij het doucheputje als wc gebruikten, vond ze ronduit vermakelijk. Maar ze liet zich niet afleiden en vroeg opnieuw naar de prijs. Haar gezicht vertrok tot een lelijke grimas toen ik het bedrag noemde.

‘O shit, dat vind Robert nooit goed. En ik vind het ook wel erg veel voor een beertje. Hiernaast koop je tien zeldzame ocelots voor dat geld.’

‘Hallo zeg, beertje, heb je ooit een beer ontmoet die kan praten? En dan nog in drie talen ook.’

Boja was boos en liet wat Franse, Spaanse en Engelse scheldwoorden horen. De anderen hadden zich omgedraaid in hun kooi. De vrouw beet op haar lip.

‘Tja mevrouw, het lijkt veel geld, maar deze negen lemmyins hebben me tot nu toe al meer dan een miljoen euro gekost. En ik wil ook nog wel wat verdienen.’

Ze beet weer op haar lip, maar nu anders, op een waanzinnig aantrekkelijke manier

‘Vreemd, waar heb je dat miljoen dan vandaan? Je ziet er niet uit als iemand die dat kan betalen.’

Ha, daar kon je op wachten. De omgang met het grote geld had haar karakter duidelijk nadelig beïnvloed.

‘Ik had dat geld ook niet. Maar nu is het mijn negatief vermogen als u begrijpt wat ik bedoel.’

Ze begreep het.

‘Oké, dan bied ik tweehonderdduizend. Onder voorbehoud dat Robert het goed vindt, natuurlijk.’

Ik kreeg een prettige tinteling in mijn buik. Met negen keer dat bedrag zou ik dik uit de moeilijkheden zijn. Voldaan keek ik om me heen. De tinteling verdween op slag. Er was iets raars aan de hand. De andere standhouders keken onveranderd vijandig. Maar overal zag ik slanke mannen en vrouwen in nette kleding die druk in hun mobiel aan het praten waren of er dingen op intypten. Zaakwaarnemers was mijn eerste ingeving. De jonge kerel in dat azuurblauwe pak had ik eerst bij een opgeblazen dikzak gezien. En die vrouw in dat mantelpakje stond eerst met een soort George Clooney te praten. Ze hielden me in de gaten. En ze kwamen dichterbij. De vrouw sprak me aan.

‘Meneer, neemt u me niet kwalijk, maar zou u mij iets willen vertellen over deze, uh, dieren? Wat zijn het precies, wat eten ze, hoe planten ze zich voort, hoe lang leven ze, waar komen ze vandaan?’

Voor ze verder kon gaan met vragen stellen, hief ik mijn handen op.

‘Ho, rustig aan, mevrouw. Op een heleboel vragen kan ik geen antwoord geven. Ik kreeg door een stom toeval deze dieren in mijn bezit. Waar ze vandaan komen, hoe lang ze leven en wat het precies zijn, weet ik niet. Ik weet wel dat ze zich ongeslachtelijk voortplanten en dat ze …’

Verder kwam ik niet.

‘Ongeslachtelijk voortplanten? Denkt u dat ik dat geloof. Ik ben bioloog. Zoogdieren die zich ongeslachtelijk voortplanten, bestaan niet. U bent toch geen charlatan, hoop ik.’

Ik moest even naar adem happen. Ze had natuurlijk gelijk, dat soort zoogdieren bestaat niet. Althans niet op onze planeet. Nu begreep ik ineens waarom het tv-kanaal er zo vreemd uit had gezien. Het was niet Chinees, het was buitenaards. Ik nam haar terzijde en vertelde haar op fluistertoon wat er gebeurd was.

‘Nou ja, het moet niet gekker worden. Zoiets kan helemaal niet.’

Doria kwam tussenbeide.

‘Hé, mevrouw de bioloog, wat weet jij eigenlijk van ons. Ik wed dat je nog nooit een lemmyin hebt gezien. En dan durf je zulke uitspraken te doen.’

Ik kon niet volgen wat er verder gebeurde, want er stonden twee mensen met hun mobieltjes te filmen. Iemand anders vroeg me nu naar de prijs van de furby’s. Een nerveuze man probeerde mijn aandacht te trekken. En Angela zat te schaterlachen. Achter haar zag ik haar vriend opdoemen. Hij had een verhit gezicht en zijn haar zat behoorlijk in de war. Hij smoesde wat met Angela.

‘Tweehonderdduizend!’ riep hij.

Hij schrok er zelf van en kwam meteen naar me toe. Hij bood vijftigduizend. Bowie hoorde het en trok aan zijn jasje.

‘Hé goof, ben je niet goed wijs of zo? Ik kan per dag miljoenen voor je verdienen. En dan bied jij een fooitje. Dat gaat mooi niet door, ik verhoog de prijs naar driehonderdduizend.’

De man en ik hapten tegelijk naar adem. De omstanders ook, want Bowie had nogal luid gesproken.

‘No way,’ zei de man. ‘Kom Angela, aan deze oplichterij doen we niet mee.’

Angela stond fronsend op met Boja op haar arm. Er leek zich een ruzie te ontwikkelen, maar de telefoon van de man maakte daar abrupt een eind aan. Hij snauwde iets tegen de telefoon. Gedurende het gesprek verdween de boze trek van zijn gezicht, hij stamelde af en toe een antwoord. Gek genoeg leek iedereen om hem heen de adem in te houden. Zelfs de furby’s waren stil.

De man liet de arm met de telefoon langs zijn lichaam zakken. Hij draaide zich om een keek naar Bowie.

‘Je had gelijk,’ zei hij.

‘Zei ik toch. Hoe jij zo rijk bent geworden, snap ik niet, want je weet duidelijk niks van beleggen.’

De man wierp zijn hoofd achterover en lachte uitzinnig. Angela drukte Boja tegen zich aan en deed een stap naar achteren. De uitbarsting duurde maar een paar tellen. Daarna keek hij me aan.

‘Akkoord,’ zei hij, ‘driehonderdduizend. En we nemen Bowie meteen mee.’

Ik lachte gelukzalig, net als Angela trouwens. En toen realiseerde ik me pas dat ik er niet over nagedacht had hoe de betaling van zulke grote bedragen zou gaan. Zou ik een cheque krijgen? Hoe wist ik dan of die gedekt was? En wat als iemand contant zou betalen? Ik zou een uur bezig zijn met tellen. Ik zag dat de man inderdaad al een chequeboekje uit zijn jasje had gehaald. Hij wenkte me om de deal af te handelen. En bevroor toen hij de jonge man in het azuurblauwe pak zag.

‘Ho wacht,’ zei hij, ‘kan ik ze ook allemaal kopen? Voor, zeg twee miljoen.’

Het begon me allemaal naar het hoofd te stijgen. Ik had wel eens gelezen dat het omgaan met grote bedragen net zoiets was als dronken worden. En dat was inderdaad wat ik nu voelde. Maar het was niets vergeleken met de chaos die zich in de volgende tien minuten ontwikkelde.

Iedereen begon te bieden, er werd geschreeuwd, ik werd heen en weer getrokken en geduwd, mensen pakten een kooi en zwaaiden met een chequeboekje, ik kreeg koffertjes vol met biljetten in mijn handen geduwd, de furby’s gilden om hulp en riepen dat ze ontvoerd werden. Uiteindelijk omringde de beveiliging mijn stand, wat waarschijnlijk de reden is dat niemand er stiekem met een furby vandoor kon gaan.

Na afloop had ik zeven cheques in de zakken van mijn jasje en twee koffertjes met biljetten. Ik herinnerde me een warme kus op mijn wangen, maar wist niet eens zeker of die van Angela was. Om me heen kijkend zag ik dat alle furby’s weg waren evenals de pakketjes met verzorgingsinstructies die Timothy gemaakt had. De andere standhouders bekeken me met een mengeling van afgunst en bewondering, althans zo interpreteerde ik hun blikken. Eentje was aan het inpakken. Ik voelde een hand op mijn schouder, een beveiliger.

‘Als u wilt, kunnen we u begeleiden naar een van onze bankkantoren. Want het lijkt me niet veilig om met zulke sommen over straat te gaan.’

 

Precies een maand later stak ik de sleutel in het slot van mijn flatje. Ayam zat op mijn rug te doezelen in de babycarrier die ik voor haar had gekocht. Ik trok de trolley over de drempel en deed de deur dicht. In de spiegel keurde ik mijn zonovergoten kleur. Het zag er beter uit dan dat bleke sproetenfestijn van een maand geleden.

Het eerste wat ik gedaan had na het bijkomen van het bezoek aan het bankfiliaal in het beursgebouw, was een vakantie in Griekenland boeken. Alle cheques bleken gedekt en met de contanten mee was het totaalbedrag op ruim drie miljoen uitgekomen. Ik had de volgende dag mijn bank opdracht gegeven om de rekening voor Ayam te betalen, want zelf werd ik geen wijs uit de betaalinstructies. Bij een reisbureau had ik een hotelvilla aan een baaitje geboekt, waar alleen Grieken vakantie vierden.

Dat bleek een gouden keuze. De Grieken accepteerden Ayam zonder lastige vragen. En omdat ze na een dag al Grieks sprak, had ik ook prima contact met de lokale bevolking en de vakantiegangers. Elke avond werden we uitgenodigd aan een andere tafel en niemand voelde zich gepasseerd. Wat een fantastische mensen.

Ik zwom dagelijks een paar keer in zee, terwijl Ayam op veilige afstand toekeek. Ze hield niet van zwemmen. Al snel had ze een mooie vrouw voor me geregeld zodat ik eindelijk leerde hoe “de lepel in de suikerpot moest” om met mijn oma te spreken. Ze ging helaas aan het eind van de week weg, maar Ayam had de volgende dag al een vervangster aan de haak geslagen. Deze vakantie was met lichtjaren voorsprong de mooiste tijd van mijn leven.

In de woonkamer viel mijn blik op de rare schotelantenne. Ik had er gemengde gevoelens over. Hij had me aanvankelijk diep in de problemen gebracht. Maar nu was mijn leven in een prettig vaarwater gekomen, wat indirect aan diezelfde antenne te danken was. Maar ik liet me niet in verleiding brengen, het ding moest weg en wel zo snel mogelijk.

Nadat ik Ayam een paar stengels van de onderweg gekochte bleekselderij had gegeven, ging ik op zoek naar mijn gereedschapskoffertje. Op dat moment klonk er een harde roffel op de voordeur. “Politie, doe open.” Ik schrok me te pletter. Snel rende ik naar de voordeur.

‘Anders Mutart?’ vroeg de voorste man die een identiteitsbewijs toonde.

Ik knikte. “BVD” had ik in de gauwigheid gelezen.

‘We willen met u praten. Mogen we binnenkomen?’

Verbluft stapte ik opzij en wees naar binnen. Behalve de eerste man kwamen nog een vrouw in burger en twee gewone politiemannen naar binnen. In de hal stelden zich twee zwaarbewapende politiemannen op met mitrailleur en kogelvrijvest. Dat laatste vond ik nog het meest verontrustend. Binnen stelden de man en de vrouw zich aan me voor. De vrouw nam het woord.

‘Ik zie dat we op het juiste adres zijn,’ zei ze, naar Ayam wijzend. ‘Mag ik u vragen hoe u aan dit dier bent gekomen?’

Ik wees naar de antenne en vertelde dat de eerste zender die ik ermee gevonden had een soort teleshopping kanaal was geweest. De uitzending was in een vreemde taal, mogelijk Chinees, en misschien was het daardoor dat ik per ongeluk dit dier had gekocht. De vrouw bleef me vragend aankijken zodat ik alles vertelde, inclusief mijn dure vakantie.

‘Hebt u tijdens die vakantie het nieuws gevolgd?’

‘Nee, daar had ik geen zin in. En bovendien geen tijd voor.’

De man die tot nu toe had toegekeken, haalde een paar opgevouwen kranten uit zijn binnenzak en vouwde die voor me open. De eerste was een Telegraaf van twee weken geleden. “Onbekende rattensoort teistert Wassenaar” stond er in grote letters op de voorpagina. Voor ik verder kon lezen, liet hij me een AD zien van een week oud. “Complete kippenfarm uitgemoord” was de kop. De laatste krant was van gisteren. “Explosieve toename mysterieuze moordratten” met een duidelijk foto van een hele massa furby’s. Ik liet de foto aan Ayam zien.

‘O nee, Anders, ze hebben verboden vruchten gegeten. Nu zullen er heel veel van komen, veel te veel.’

De andere aanwezigen reageerden verbaasd.

‘Kan dat dier praten?’ vroeg de man.

De vrouw keek hem even geringschattend aan en wendde zich toen tot Ayam.

‘Vertel eens kleine vriend, hoe zit dat met verboden vruchten?’

‘We moeten er niet van eten. Want dan komen er te veel van ons. Maar het gaat altijd zo. En als alle verboden vruchten op zijn, gaan we allemaal dood.’

Ayam begon zachtjes te snikken.

‘Wat bedoelt hij met verboden vruchten?’ vroeg de man.

‘Vlees, vis, ik weet niet precies, dierlijk eiwit in elk geval.’

‘Hoe snel vermenigvuldigen ze zich?’

‘Ayam kreeg direct na het eten van een muis negen jongen. Ik weet niet hoe snel die in staat zijn zich te vermenigvuldigen, maar ik vrees heel snel, want alles bij deze dieren gaat heel snel.’

De man keek de vrouw aan. Die leek diep in gedachten verzonken. Plots vertrok haar gezicht in een grimas.

‘Goeie god Jozias, dit is het recept voor een ramp. Misschien zijn er nu al miljoenen van die dieren. Over een week kunnen het er meer dan een miljoen keer zoveel zijn. We zullen allemaal opgevreten worden.’

‘Denk je echt? Maar .. OK, jij blijft hier, je hebt huisarrest. Probeer niet te ontsnappen, want ik zal opdracht geven je meteen neer te schieten. Jullie twee, organiseer een cordon rond dit pand. Kom op, Miranda, we gaan onmiddellijk alarm slaan.’

Twee tellen later was ik alleen met Ayam. Ik ging bij haar zitten en legde mijn hand op haar hoofd. Ze bleef snotteren. Zelf voelde ik me nog een beetje bibberig vanwege de inval. Ik probeerde mijn gedachten te ordenen. Maar ik kon alleen maar denken aan de exponentiële groei van het aantal furby’s. Zouden we er echt allemaal aangaan?

Bizar eigenlijk dat dit superintelligentie wezentje in zo’n dodelijke spiraal gevangen zat. Of waren er in haar wereld, op haar planeet misschien heel weinig andere dieren? Was het overwegend een plantenwereld met weinig prooidieren om op te eten? Of hadden ze misschien natuurlijke vijanden die de aantallen binnen de perken hielden?

‘Ayam, hebben lemmyins vijanden in jullie eigen wereld?’

Ze hield op met snotteren, keek me verbaasd aan en begon daarna harder te huilen dan voorheen. Ik vroeg het nog een keer.

‘Jjjjaaa, ulv .. ulvers’

Ulvers waren dus de vijanden van lemmyins. Zou dat misschien de oplossing zijn? Ik vroeg het.

‘Ze eten ons op. In … in één hap. Ze .. ze zijn groot en sterk.’

Ayam krulde zich helemaal op en snikte zachtjes verder. Ik keek naar de antenne. Eigenlijk wilde ik dat ding nooit meer aanraken, maar als we van de furbyplaag af wilden komen, dan zouden we hun natuurlijke vijand moeten importeren. Bovendien moest ik iets doen om te voorkomen dat ik de rest van mijn leven de gevangenis in zou gaan. Want ik maakte me geen illusies. Als ze het recht hadden om me neer te schieten, dan was ik vast al als zondebok aangewezen.

Ik zette de tv aan. Er verscheen een 3D portret van mijzelf. Hoe waren ze daar in godsnaam aan gekomen? De afbeelding golfde een beetje, vooruit en achteruit. Ik klikte hem aan, waarna een scherm verscheen met rijtjes onbegrijpelijke symbolen. Bij de bovenste stond de furby afgebeeld. Zou het een soort orderoverzicht zijn? De volgende twee begreep ik niet. Naast de vierde regel stond een in vakjes ingedeelde cirkel met plaatjes. Was dat de winkel?

Voor ik kon kiezen, verscheen een nieuw scherm. In het midden stond een furby. Eromheen stonden vakjes die met een lijntje met de furby verbonden waren. Het leken me accessoires, kammetjes, halsbandjes, spiegeltjes en …. wat was dat? Een plaatje met een hele massa furby’s. Zou dat iets zijn voor als je er teveel kreeg? Ik klikte er op in de wetenschap dat ik nu met rood terug kon.

Het volgende scherm was even schrikken. Er stond een weerwolf afgebeeld met een onnatuurlijk grote bek. Het beest stond op zijn achterpoten en had geen haren maar een soort dinosaurushuid. Zou dat de ulver zijn? Ik tikte Ayam op haar rug en vroeg haar om te kijken. Ze gilde en stoof naar de slaapkamer, vanwaar ze angstig riep om de afbeelding weg te doen. Dit was dus een ulver. Het was geen aantrekkelijk gezicht. Zou ik zo’n beest durven bestellen. Stel nou eens …

Ik had kennelijk mijn aanwijspijltje over de afbeelding bewogen, want Yoda verscheen in beeld.

‘Jaja tikki bon sin,’ zei hij.

Hij trok een riem naar zich toe waar een ulver aan vastzat. Het dier was groter dan hijzelf, maar het ging kwispelstaartend naast hem zitten. Vervolgens zette Yoda een kooitje met een furby neer. Het dier sprong er bovenop, slikte het kooitje in zijn geheel in, slaakte een grauwende kreet en spuugde vervolgens de fijngemalen resten van het kooitje weer uit. Daarna ging het op zijn achterste zitten en liet zich over de kop aaien door Yoda.

‘Tikki bon jaja, sin mala jam’

Mijn hart klopte in mijn keel. Dit was gruwelijk. Kon ik die arme furby’s zoiets aandoen? Konden we ze niet gewoon doodschieten? Of vallen zetten met muizen als lokaas? Op dat moment hoorde ik een luide knal. Ik keek om en zag de voordeur scheef hangen. De BVD-man stormde met opgeheven vinger op me af.

‘Jij idioot, weet je wat je gedaan hebt? Die beesten zijn overal, ze vreten al het vee op. En dat niet alleen, er worden steeds meer mensen als vermist opgegeven. Hoe komen we ervan af? Het zijn jouw dieren, dus jij mag het oplossen.’

Hij had zijn handen om mijn hals geslagen en drukte mijn keel dicht; hij wilde me wurgen. Maar zijn greep verslapte.

‘Wat is dat in godsnaam?’ zei hij, naar de tv wijzend.

‘Tikki bon jaja, sin mala jam,’ zei Yoda.

Ik wreef over mijn pijnlijke keel. Ik moest een paar keer slikken voor ik met enige moeite kon praten.

‘Dat is een ulver. Die eet furby’s.’

De man keek afwisselend van het scherm naar mij. Toen klaarde zijn gezicht op.

‘Je hebt een oplossing gevonden, geweldig. Misschien ontloop je zo levenslang. Vooruit, hoe komen we aan een legertje van die beesten?’

‘Je kunt ze bestellen via dit kanaal. Maar ik weet niet of …’

‘Niet zeuren. Is dat de afstandsbediening? Geef op’

Ik sputterde nog wat tegen, maar hij had hem al gepakt. Hij vroeg hoe het werkte. Ik besefte dat ik er niet onderuit zou komen en vertelde het hem. Alleen draaide ik de kleuren om, zodat hij op rood zou drukken om te bevestigen. Na enkele pogingen had hij een container vol met ulvers in beeld.

‘Die moeten we hebben, want met één zo’n beest krijgen we de plaag nooit onder controle. Rood om te bevestigen, zei je?’

Ik knikte en hij klikte. Op groen.

‘Je dacht zeker dat ik gekke henkie ben,’ zei hij met een grijns.

Het scherm toonde de gebruikelijke afhandeling door Yoda. Even later kwam één van de zwaarbewapende mannen binnen.

‘Inspecteur, er is hier een vrachtwagenchauffeur met een bestelling voor deze meneer.’

Jozias keek me aan met de grijns die op zijn gezicht leek genageld. Daarna draaide hij zich om en liep naar de deur.

‘Inspecteur, Jozias, wacht, denk na. Wat doen de ulvers straks als ze alle furby’s hebben opgegeten?’

Hij keek me aan en de grijns verdween. Hij wilde wat zeggen, slikte het in, dacht even na. Toen hief hij zijn vinger naar me op.

‘Als het fout loopt, zul jij het bezuren. Daarom blijft jouw huisarrest gehandhaafd. En waar is die furby van je? Ik neem hem mee voor onderzoek. We zullen ook zo’n, hoe heet dat beest, uiver achterhouden, zodat we iets kunnen ontwikkelen om ze uit te roeien.’

Hij begon te zoeken. Binnen de kortste keren had hij Ayam gevonden onder mijn bed. Hij zag het kooitje in de hoek van de slaapkamer en stopte haar er in. Daarna liep hij naar de deur.

‘Bedankt voor de tip,’ zei Jozias over zijn schouder.

Ik stond aan de grond genageld. Tranen sprongen in mijn ogen vanwege de hulpkreten van Ayam. Ik kon niets meer voor haar doen. Mijn blik viel op de tv. Mijn verdriet sloeg om in razernij. Ik trapte mijn scherm van de tafel en daarna ging ik op zoek naar mijn gereedschapkoffertje. Ik pakte een waterpomptang en begon als een bezetene de bouten van de antenne los te draaien. Zodra hij los was, smeet ik hem van het balkon.

Van beneden kwam een woedende kreet. De antenne was pal naast Carlos van de dump op straat gekletterd. Jammer, hij had hem op zijn kop moeten krijgen. Ik pakte gauw de afstandsbediening en gooide die naar hem. Hij sprong opzij en stak een vuist naar me op, terwijl hij allerlei verwensingen uitte. Daarna beende hij naar de hal van het gebouw. Ik haalde mijn schouders op. Die zou niet langs mijn bewakers komen.

In de volgende weken werd mijn vrees bewaarheid. Ik had een ouderwetse tv die ik als siertafeltje gebruikte aan de praat gekregen. Aanvankelijk toonden de journaals positieve berichten. De furby’s werden afgeslacht. Na twee weken was het probleem vrijwel opgelost, mede doordat ook de ulvers zich razendsnel voortplantten. Maar helaas hadden ze ook allemaal honger. Ze stapten soepeltjes over op huisdieren en de ledematen van hun baasjes.

De dag na de nieuwsuitzending met deze alarmerende berichten stormde Jozias binnen met een paar agenten. Hij vroeg me of ik het nieuws gezien had. En daarna of ik nog een oplossing wist voor de huidige problemen. Ik schudde mismoedig het hoofd. Hij liet me handboeien omdoen en troonde me met een grimmige trek op zijn gezicht naar de voordeur.

Daar werd hij staande gehouden door een hoge politieofficier. Achter hem stonden diverse mensen en iemand die op een kikvors leek. De officier hield een papier voor de neus van Jozias.

‘Het spijt me inspecteur, maar ik moet deze verdachte van u overnemen. Hij blijkt een schuld te hebben van driehonderdenzestig miljard euro. Op basis van inter eh… stellair recht is hij veroordeeld tot honderdentienduizend jaar dwangarbeid. U kunt dit arrestatiebevel als bewijs overleggen aan uw superieuren.’

Jozias keek me woest aan. Boven zijn linkeroog was een zenuwtrekking verschenen. Hij plaatste zijn wijsvinger op mijn neus.

‘Daar kom je dan mooi mee weg, mannetje. Wat mij betreft was het de galg geworden.’

 

Ik lach nog steeds om deze krankzinnige situatie. Dwangarbeid is vast geen lolletje, maar hoe lang heb ik in hemelsnaam nog te gaan. En bovendien is het op aarde nu ook niet leuk. Alle leven dreigt opgevreten te worden door de ulvers. Nee, die dwangarbeid is helemaal zo slecht nog niet. De man naast me tikt op mijn arm.

‘Ik denk dat je het mis hebt. Ze kennen methoden om je eeuwig in leven te houden. In het begin word je gekloond. Die klonen worden ingevroren en leveren de onderdelen die vervangen moeten worden. Het ergste schijnt te zijn dat je je na honderdduizend jaar echt zo oud voelt, terwijl je lichaam er uitziet alsof je nog dertig bent.’

Ik vervloek Carlos en zijn dumpwinkel.

Elvis Moet Dood – Bo Balder

De King moest dood. Dat was de enige manier om ooit een normaal leven te krijgen.

De avond begon normaal. Mijn benen pompten rond op de fietsgenerator zodat ma kon strijken en tv kijken. Niks interessants natuurlijk. Er wordt al veertig jaar niks meer uitgezonden, en maar heel soms druppelt er nieuws van buitenaf binnen. Meestal slecht nieuws, niet dat dat iets uitmaakte, ik wou toch weg. Wie wou er nou in Las Vegas blijven? Geen werk, geen opleiding, geen hoop.

Ma keek naar de zoveelste herhaling van Star Trek. Spock, in een raar pakje en met een sik, zei: ‘Mister Sulu, zet een phasersalvo op de Halkansteden klaar.’

Toen begon ma’s kont te draaien, en meteen kreeg ik kramp in mijn maag. Ze danst alleen voor die overjarige popster, de King. Ook bekend als Jezus, of de Wederopstanding. Ik snapte alleen niet hoe hij de Wederopstanding kon zijn, want we beleven bepaald niet het Duizendjarig Vrederijk. Joey zegt dat alle ellende in de wereld is begonnen toen de King net-niet-dood ging in 1977.

‘Ma!’ zei ik. De eerste misselijkheidssignalen prikten over mijn huid. Ik kreeg kippenvel van top tot teen. Zweet ontsproot uit mijn voorhoofd. ‘Ik zit vlak naast je. Zet uit!’

Ma schrok op. ‘Sorry Jesse Garon, je was zo stil, ik was vergeten dat je er ook was.’

Toen ma naar de tv liep om hem uit te zetten, stuiterden schuddende heupen en een gitzwarte haardos in beeld. Ze begon onwillekeurig te swingen en kleunde het strijkijzer in de wasmand. Het signaal werd sterker en denderde de huiskamer in.

Dit ging niet meer goed komen. Ik redde het strijkijzer, trok de stekker eruit zodat ma dat niet hoefde te doen en werkte mezelf de zitkamer uit. De lucht voelde zo dik en kleverig aan dat ik bijna niet kon ademen. Ik haalde de badkamer maar net, onder begeleiding van de honkeplonkgeluiden van ‘Such a Night’, ma’s lievelingslied.

Ik had wat afgekotst als kind, tot ma er eindelijk achter kwam dat Hij het was die me die rare dingen deed uitbraken. Deze keer waren het vreemde munten en een paar haveloze twee-dollar biljetten. Dat klinkt misschien leuk, maar iedereen weet dat twee-dollar biljetten niet bestaan dus ze kwamen niet uit de normale wereld.

Such a Night‘ brak af in het midden van het woord ‘kiss’. Gelukkig, de accu was leeg. De stilte was verrukkelijk, nasuizend op de echo’s van die laatste ‘s’. Ik steunde mijn klamme voorhoofd tegen het koele porselein van de wc. De misselijkheid trok weg. Ik greep in de stapel voorgescheurd krantenpapier om mijn voorhoofd af te vegen. Zweetdruppels zo groot als knikkers, echt waar.

Ma kwam binnen toen ik mijn mond aan het spoelen was. Haar gezicht in de spiegel zag er schuldbewust uit. ‘Sorry, schat. Meestal ben je al weg om deze tijd.’

‘Geeft niks, ma. Ik ben zo weg. Dan kan jij rustig naar je ouwe rocker kijken.’

Ze pruttelde nog wat, maar dat was alleen voor de vorm.

Ik griste pa’s schimmelige ouwe voetbaljack van de kapstok, checkte of ik mijn sigaretten en portemonnee bij me had, en bats, daar smakte de eerste regen al op het dak. Ik had het waarschijnlijk niet aan voelen komen door de misselijkheid. Ze zeggen dat het vroeger bijna nooit regende, hier in Las Vegas, maar het regent allejezushard nu. Ik voel het altijd kriebelen in mijn binnenoor wanneer er een bui aankomt. Ik hees me in mijn oliejas, regenbroek, helm en laarzen. Ze roken naar rottend kikkersap. Dat kreeg je er nooit echt uit.

Het dak daverde van de klappen van de aanzwellende neerslag. Pa en ma hadden tenminste een nieuw dak laten leggen toen de regens begonnen. Een hoop van onze buren hadden dat niet, en ongeveer de helft van de huizen in de straat was daardoor totaal verkrot, de daken doorgezakt door het gewicht van al die kikkerlijkjes. Je kunt je wel voorstellen hoe dat rook. Niet de meest gewilde buurt, die van ons. Het is een Toeristenbuurt, voornamelijk bewoond door mensen die hier gestrand waren tijdens de Omslag.

Het idee dat ik hier de rest van mijn leven moest doorbrengen, tussen de kikkers en de verkruimelende restanten van het verleden, was onverdraaglijk.

Ik ontvouwde mijn paraplu van oliedoek en dook de regen in. De helm was pure noodzaak. Eén kikker weegt niet veel, maar als die van god weet welke hoogte omlaag komt zetten, komt dat toch heel hard aan. Ik heb volwassen mannen neer zien gaan door een kikkerslag.

Mijn vader. Ik miste hem nog steeds.

Maar kikkers zijn niet alleen eetbaar, ze bevatten ook vocht. Wat zou er van ons geworden zijn zonder kikkers? We boften maar, hier in Vegas. Ik weet bijna zeker dat sprinkhanen, zoals ze in Utah hebben, niet zo breed inzetbaar zijn als kikkers. Ook al was het niet makkelijk een Toeristenkind te zijn, ook al hebben we het moeilijker dan de ingezetenen, wij kregen toch eten en drinken uit de hemel.

Ik nam de kortste weg binnendoor via het Flamingo Casino naar de Dunes. Ik stak de Strip over, zigzaggend tussen de overwoekerde autowrakken door. Het gerucht ging, dat er echt werkende gokmachines zouden worden aangevoerd via de nieuwe spoorlijn, en daarna echte toeristen van buiten de stad. Mijn vrienden en ik hoopten eigenlijk dat het niet door zou gaan. Wij hadden als kind zoveel gespeeld in de lege, vervallen casino’s dat we ze helemaal niet wilden afstaan aan toeristen. Wij waren de Toeristen, en we waren trots op die geuzennaam.

Als het regent, regent het goed, zeggen ze in Vegas, en de straten waren al enkeldiep met kikkers bedekt. Sommigen leefden nog, en een hele familie kwakers werd verorberd door verfomfaaide flamingo’s die behendig door de kikkerregen dansten. Voor hen moet Las Vegas wel zo ongeveer de hemel zijn.

Ik schudde de paraplu uit om de kikkerresten eraf te krijgen, voordat ik door de Flamingo naar de Strip liep. Ma zegt dat je vroeger ook altijd een hoed op moest in Vegas – maar dan niet tegen de kikkers, maar tegen de zon! En zonnebrandcrème, vliegtuigen in de lucht, en auto’s en iedere dag andere muziek. Echt moeilijk om je voor te stellen.

Dwayne was nergens te bekennen, maar Joey troonde al op een barkruk in de Dunes, wachtend tot de regen zou ophouden en onze dienst zou beginnen. ‘Ik dacht al dat ik je hier zou zien toen ik Hem op de tv zag.’

We dronken wat in kameraadschappelijke stilte en knaagden aan onze hot frogs in chilisaus. Mijn keel deed nog steeds zeer van de dollarbiljetten, maar eten en drinken hielp wel.

‘Mijn oma denkt dat Elvis Jezus is,’ zei Joey.

‘Zij en iedereen. En zeg zijn naam nou niet, eikel. Wil je behalve munten en knikkers ook mijn hot frog over je nieuwe broek heen?’ Ik slikte een zure oprisping weg. De King verklootte mijn spijsverteringsprocessen op alle mogelijke manieren.

Joey grijnsde verontschuldigend, maar aan de manier waarop hij peinzend door kauwde, kon ik zien dat er nog meer ging komen. ‘Zijn dood en herrijzenis zijn het allerbelangrijkste wat er ooit gebeurd is. De Wederopstanding.’

‘Ja en?’ snoof ik.

‘Ma zegt dat oma zich aan het leven vastklampt omdat ze erbij wil zijn als Hij dood gaat.’

Ik legde mijn broodje neer. Geen trek meer. Maar ondanks de dreigende misselijkheid vrolijkte de gedachte aan Zijn dood me op,

‘Waarom?’

‘Omdat als Hij doodgaat, hij linea recta naar de hemel gaat en haar meeneemt.’

‘Jouw oma? Waarom zou Hij haar nou speciaal meenemen?’ zei ik.

Joey rolde met zijn ogen. ‘Niet alleen haar! Iedereen. De Dag des Oordeels.’

De misselijkheid kwam weer op.

Ik boerde en hoestte een geel met blauwe knikker op. Het had erger gekund.

‘Hé, zullen we jouw oma blij maken? En dan wordt jouw moeder ook weer wat vrolijker, als je oma in de hemel is en zo.’

Had ik dat echt gezegd?

Ja, dat had ik. En de gedachte die achter die woorden schuilgingen waren nog erger. Maar ik wilde het doen. Ik wilde het echt heel graag doen. De hemel was zo ongeveer de enige manier om ooit uit Las Vegas weg te komen, voor mij en Joey.

We hadden leegstaande casino’s, twee uur herhalingen op tv iedere dag, en de kikkers. Onze ouders en iedereen van hun generatie zeurde altijd over hoe het leven zoveel beter was, toen ze nog spijkerbroeken met wijde pijpen droegen, toen Vietnam nog belangrijk was en iedereen bang was voor de Sovjet-Unie. Toen verbrandingsmotoren nog werkten en de zon nog scheen. Misschien was er wel zon in de hemel. Niemand die me dat kon vertellen.

Joey likte zijn vingers af terwijl hij me aankeek. ‘Ga je hem doodkotsen of zo? Zoals toen je kiezelsteentjes spuugde en mij een blauw oog bezorgde?’

Ik staarde hem in de ogen zo lang als ik kon. ‘Het is vast een héél stom idee.’ Ik zag dat Joey begreep dat ik het tegenovergestelde bedoelde.

 

#

 

Een maand later, toen ik terugkwam van het kikkerruimen, was ma weer braaf mijn onderbroeken aan het strijken, om de insecteneitjes uit het waswater te doden en schimmel te voorkomen. De tv was aan, dus ze had zelf de accu opgeladen. Weer dezelfde Star Trek aflevering. ‘Dit is niet ons universum, niet ons schip. Een parallel universum dat met het onze co-existeert op een ander dimensioneel niveau,’ zei Kirk. Niet mijn favoriete aflevering.

Ma had vast pret gehad met de Here, ik bedoel de King, helemaal in haar eentje. Ik gaf haar een kus.

‘Was het leuk?’

Ze straalde er nog van. ‘Hij is nog zo knap, ook al verft hij zijn haar. Hij zei dat Jezus hem had gered. Dat hij wel dood had kunnen zijn, als hij zich niet had bekeerd en berouw had getoond over zijn slechte daden.’

Ik vond een punt pizza alla ranocchio in de ijskast. ‘Maar hij stopt toch niet met zijn zondige songs en het shaken met zijn dikke ouwe kont?’

De pizza viel als een baksteen in mijn rillende maag. Ik had het niet over hem moeten hebben.

Ma perste haar lippen op elkaar. ‘Nou, hij moet er toch van leven.’

‘Ma, ik kan er niet tegen als we over hem praten, oké? Ik ga naar bed.’

Ze draaide aan haar schort. ‘Ik moet er wel over praten, schat. Hij komt naar Las Vegas. Hij treedt volgende week op ter ere van 17 augustus. Om de nieuwe spoorlijn te vieren. Ze sturen een speciale trein. Misschien moet je wel een tijdje de stad uit.’

Ik gooide het restje pizza in de vuilnisbak, mijn moeders geschokte protest over voedselverspilling negerend. ‘Wat! Op mijn verjaardag, hoe halen ze het in hun hoofd?’

‘Er was een speciale uitzending. En kijk me niet zo aan. Ik kan er toch niks aan doen?’

‘Natuurlijk niet, ma. Je hoeft er niet meteen een drama van te maken.’

Maar het zat me niet lekker. Integendeel.

Waarom zou ik het huis uit moeten op mijn verjaardag alleen maar omdat een wedergeboren zanger in al zijn vergane glorie naar ons toe kwam? Waarom had alles wat hij deed een negatieve invloed op mijn leven?

Als hij naar Vegas kwam, was het nu of nooit. Er moest een einde komen aan het kotsen, mijn kapotte keel, de dagelijkse angst om zijn muziek te horen. Of ik nou in de hel of naar de hemel terecht zou komen, de King moest dood.

 

#

 

Joey’s antieke rugzak hotste op en neer toen we ons over het ruwe terrein worstelden, overal nieuw opschietend struikgewas en de stenen glibberig van korstmos en mos. De wegen en straten van Las Vegas zijn sinds 1977 niet onderhouden natuurlijk, maar dit was nog een graadje erger. De ouwe legerschoenen van mijn vader – je vraagt je af waarom hij die bij zich had op zijn huwelijksreis naar Vegas – waren me veel te groot, maar de enige alternatieven waren slippers van oude banden.

‘Weet je zeker dat we goed gaan?’ riep ik naar Joey.

Hij stopte en schopte tegen iets dat net naast het pad lag. ‘Vrij zeker. Kijk maar.’

Ik zwoegde naar hem toe. Eerst leek het net of hij een hoop groen mos en struikgewas aan het schoppen was, maar toen zag ik dat het een skelet was. Het was nog steeds gekleed in zijn polyester vrijetijdspak – zo goed als onverwoestbaar door de alomtegenwoordige schimmel, ik droeg dat van mijn vader nog steeds – en had wat vage repen stof en een lege waterfles in zijn ontvleesde handen geklemd.

Joey bukte zich om de kostbare fles te pakken. Glas breekt, en we kunnen geen nieuw maken. In een opwelling wroette ik in de broekzak van het geraamte. Dat is waar toeristen hun portemonnees bewaren. En ik vond er één. Nepleer, gelukkig, of de woestijnbewoners zouden hem al lang hebben opgegeten. Niet dat het nu nog een woestijn is, met de mist en de kikkers, maar we noemen het nog steeds zo. Ik pelde voorzichtig de dichtgeschimmelde vakjes open. De verbleekte foto op het rijbewijs staarde me suf aan. Ik zag de vierkante vormen van lopers, zoals mijn moeder credit cards noemt. Die ik uitbraak zijn veel glimmender en hebben meer kleuren.

Ik vond zelfs wat slap oud geld. Maar het was de foto op het rijbewijs die me fascineerde. Hij zag eruit als een filmster, zo gezond en weldoorvoed. Bolle wangen. Wat aten mensen vroeger eigenlijk?

‘Waarom doe je dat?’ vroeg Joey. ‘Hij is dood. Hij is een van de Zeventigduizend, hij heeft geen familie in Vegas. Geen beloning.’

‘Ik wil gewoon weten hoe het vroeger was. Ma wil er nooit over praten,’ zei ik. Ik liet de portemonnee op het trainingspak vallen.

We keerden ons af van het sneue geraamte en begonnen weer te lopen. We kwamen nog meer kaalgevreten en groen uitgeslagen botten tegen. Ze noemen het een begraafplaats, maar niemand heeft ooit alle zeventigduizend Toeristen die besloten naar huis te lopen, geteld of begraven. Dat had ook niet gekund, zonder werkende graafmachines en zo. Toen ik nog klein was, kon ik maar niet begrijpen hoe zoveel mensen dood hadden kunnen gaan, maar een paar uur lopen van hier, maar ma had het me uitgelegd. Hoe heet het toen was, en hoe snel je uitgedroogd en uitgeput kon raken – vooral als je een iets te zware toerist was van middelbare leeftijd met een kater. Het zal wel.

‘Daar is de spoorlijn al,’ wees Joey.

We sjokten erheen om de rails van dichterbij te bekijken. De bielzen waren helemaal volgekladderd. ‘Johnny is op Anita’, ‘In Memoriam Dick, ploeg 44.’ Een hoop mensen waren gecrepeerd bij het aanleggen van de spoorlijnen. De Woestijn Xpress was een onderdeel van een serie initiatieven om Amerika te doen opleven, om ons weer het rijkste land van de wereld te maken. Ik merkte er nog niks van. Maar in ieder geval zouden ze Hem komen brengen, helemaal uit Beverly Hills.

We volgden de rails. We hoorden al gehamer nog voor we de tribune in opbouw zagen. De werkploeg moest er met een muildierkaravaan zijn gekomen, tegelijk met het timmerhout. Er zijn wel geen bomen in Las Vegas, maar er is hout genoeg te slopen uit verlaten huizen.

We verstopten ons achter een met een laagje verpletterd kikkervlees bedekte hoop stenen, dronken wat water, knabbelden op wat lauwe worst. We gingen hier in hinderlaag liggen tot de Xpress morgenmiddag binnenkwam. De roadies waren al bezig een rij fietsgeneratoren neer te zetten, om stroom te maken voor de camera’s en de lichten van de tv-ploeg.

Toen het donker werd en de temperatuur begon te dalen, rolden we ons op in onze dekens.

‘Voel je hem al aankomen?’ vroeg Joey slaperig.

Ik had mijn leven lang geoefend om nooit rechtstreeks aan Hem te denken, maar nu kon ik het niet tegenhouden. De King zat al in die sjieke trein, met elektrisch licht en dikke kussens, terwijl hij naar de duisternis achter de ramen staarde. Of misschien wel naar zijn eigen spiegelbeeld. Ja, ik voelde iets. Voelde hij mij ook? Zou hij ook de sterker wordende misselijkheid voelen, de rillingen, het koude zweet op zijn voorhoofd, terwijl hij Nevada naderde? Ik hoopte eigenlijk van wel. Het zou niet eerlijk zijn als ik het alleen had.

Niet lang meer.

 

#

 

Ik werd wakker omdat Joey aan mijn arm trok. Het deed pijn. Het licht duwde zo hard op mijn oogleden dat ik bang was dat mijn ogen uit elkaar zouden klappen.

‘Er komt iemand aan! We moeten hier weg!’

Ik wilde hem waarschuwen dat ik ging kotsen, maar het enige dat uit mijn mond kwam was een gekreun. Wat naar buiten wilde voelde gigantisch aan. Het deed ontzettend zeer. Joey’s bezorgde gezicht hing boven me. Ik wees op mijn strot. Hij knikte en verdween.

Het geplof van zijn voetstappen stierf weg.

Toen kwam hij weer terug, maar van de andere kant. Ik wilde hem zeggen dat hij weg moest blijven, maar ik kon niet praten. Het brandende gevoel in mijn slokdarm was niet te harden. Er zat iets goed verkeerd.

Ik hoorde een rits opengaan, en toen geklater. Het was Joey niet. Wie het ook wezen mocht kreunde zachtjes, alsof hij zich net zo ellendig voelde als ik. Dat gaf me de kracht om me om te rollen en mijn ogen te openen.

Niet meer dan tien meter verderop richtte een oude man een straal oranje plas op een zieltogende creosootstruik. Zijn gezicht was bleek en zweterig, in een potsierlijk contrast met zijn onwaarschijnlijk zwarte haar. Zijn mond vertrok en zweet gutste van zijn voorhoofd, zoals hij daar stond te plassen. Het zag er pijnlijk uit. Zodra hij zijn rits dicht had schoot zijn hand naar zijn mond en hij kokhalsde.

‘Lisa Marie,’ mompelde hij. ‘Ik voel me niet goed. Ik ben niet high, echt niet, ik ben ziek.’

De man kokhalsde weer, maar er kwam alleen wit poeder uit. Hij ging maar door, glinsterend wit poeder uitspugend over het zand. Met iedere braakstuip van zijn kant voelde ik me iets beter, hoewel het ding in mijn keel er nog zat.

Ik wist toen zeker dat Hij het was. Hij voelde de band tussen ons duidelijk ook. We waren op dezelfde dag in het leven gekomen, ik voor het eerst, hij voor de tweede keer. Dat moest betekenis hebben. Ik was blij dat hij het ook moeilijk had. Wel zo eerlijk.

De rugzak lag onder mijn wang. Ik had het geweer kunnen pakken en hem ter plekke kunnen doodschieten. Als ik tenminste normaal adem had kunnen halen om dat ding in mijn slokdarm heen.

Maar dat was niet hoe het moest gaan. Wat had ik eraan als hij hier zou doodgaan, zonder camera’s of getuigen? Hij moest in het volle zicht van de wereld overlijden. Als hij Jezus Christus was, als dit de Wederopstanding was, dan wilde hij het ook zo. Hij kende de waarde van publiciteit. Ik bedacht dat ik een kruis van bielzen voor hem had moeten timmeren. Maar daar was het nu te laat voor.

‘Jesse Garon!’ siste Joey.

Ik wilde geen geluid maken terwijl de oude man nog zo dichtbij was. Ik wachtte tot de leverkleurige pantalon weg gestrompeld was voordat ik naar Joey’s stem toe kroop, naar adem happend.

Zodra de man, de King – als hij het was – verder weg liep, werd ik weer misselijker.

‘Jezus Gar, je stinkt. Waarom moest je nou kotsen? Wie was die ouwe vent, was het El-’

Joey stopte net op tijd.

Hij ging naast me zitten en wrikte aan het obstakel in mijn keel. Ik steunde en schopte van de pijn. ‘Sorry,’ zei hij.

Er deed nog meer pijn dan alleen mijn keel. Ik kon nu helemaal geen adem meer krijgen. Ik probeerde stil te liggen zodat Joey me kon helpen.

De pijn werd nog tien keer erger. Ik schreeuwde het uit.

En toen realiseerde ik me dat ik weer kon schreeuwen. Op Joey’s hand lag een bloederig vierhoekig ding, een centimeter dik en ongeveer zo groot als twee credit cards naast elkaar.

Ik spuugde bloed uit en spoelde mijn mond met het lauwe water uit de veldfles

Ik begon me ietsje beter te voelen. De oude man liep nog steeds van me weg, maar hij was altijd nog dichterbij dan hij in mijn hele leven geweest was. En toch was ik hier gewoon, een beetje beverig, maar nog bij zinnen. Alsof zijn nabijheid op een of andere manier het effect dat hij normaal op me had, ophief.

Joey veegde het uitgebraakte object af met wat zand en zijn broekspijpen. Wat een raar ding. Als een miniatuur rekenmachine zonder knopjes, met een verlicht schermpje met kleine plaatjes erop, onder andere een telefoontje.

Ik drukte op het groene telefoontje. Een blikkerig geluidje kwam eruit. ‘Geen verbinding,’ flitste op het schermpje, een soort miniatuur tv’tje. Van schrik liet ik het ding vallen.

‘Wat is dat?’ zei Joey.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik met een stem als een verroeste scharnier. Ik stopte het toch maar in mijn zak. Misschien kon ik het nog verkopen.

Het was nog vroeg in de ochtend, en de trein stond geduldig op de rails te wachten.

Ik spuugde nog wat bloed uit. ‘Kunnen we vanaf hier schieten?’

Joey sleurde het jachtgeweer tevoorschijn. Het glom met blauw metaal en donker hout, en het rook naar ranzige olie. ‘Tuurlijk. Zoals we geoefend hebben.’

In de stuk of dertig films die sinds 1977 in Vegas draaiden, werd bij meer dan de helft met een of ander geweer of pistool geschoten. Het zag er altijd zo makkelijk uit, maar dat was ons nog lelijk tegengevallen.

Normaal zou ik dolgraag zijn gaan kijken bij het opbouwen van de hekken en tribunes en podiums, maar nu kon ik het risico niet nemen om zo dichtbij te komen. Een klein leger van arbeiders zwoegde op de generatorfietsen, elkaar afwisselend, om elektriciteit op te slaan voor vanavond.

Eindelijk daverde de soundcheck over het landschap, gedempt door laaghangende wolken. Mensen stroomden binnen vanuit Vegas, in rijtuigen, op paarden en zelfs te voet. Inboorlingen, voornamelijk. Toeristen, zoals mijn moeder en ik, hadden gewoon geen tijd of geld om aan leuke uitjes te besteden. De gedachte aan ma gaf me een scheut van spijt. Zou ik haar weerzien, als we met zijn allen naar de hemel gingen, samen met Hem? Ze was een lieverd. En ze was zo dol op zijn muziek, dat ik durfde te wedden dat ze in de hemel op de eerste rang zou zitten.

Het geluid van de menigte begon zachtjes en zwol aan, als het getikkel van neerregenende kikkers in de verte. Iemand, aan zijn pak en glinsterende ketting te zien de burgemeester, klom op het podium en begon te praten.

Ik voelde een kriebel in mijn oor, en ja hoor, de heuvels aan mijn linkerhand werden grijs, door een kikkerbui die onze kant op kwam. Minder dan tien minuten hiervandaan, schatte ik.

Joey en ik hesen onszelf in onze veiligheidshelmen en regenpakken. Het was nogal een gedoe om ze aan te trekken terwijl we op de grond lagen en stil probeerden te zijn. Ik had net mijn laarzen aan, toen ik de eerste gitaarakkoorden hoorde. ‘Jailhouse Rock’. Ik knarste met mijn tanden en gaf Joey, die traag was met zijn knopen dichtmaken, een por met mijn elleboog.

‘Pak het geweer. Nu,’ perste ik er nog net uit, voordat ik me afkeerde om een handjevol glimmende knikkers uit te spugen, en een wit plastic koord met twee ronde schijfjes eraan vast. Gelukkig niet weer zo’n groot ding met plaatjes.

De stijve oliepakken waren onhandig om in te werken. Joey vloekte terwijl hij met het schietijzer worstelde.

‘Snel!’ siste ik. ‘Voordat ze de boel afgelasten door de regen.’

Ik rilde van misselijkheid, maar het voelde beter te hanteren dan thuis. Ik staarde naar het figuurtje in het witte glitterpak dat op het podium stond te vibreren. De menigte veranderde van bruinig naar geelgevlekt, omdat heel Las Vegas hun oliepak aantrok.

De muzikanten verkleedden zich niet. Ik snapte wel dat ze minder cool zouden worden in regenpakken, maar de regen zou hun kleren totaal verpesten. En we droegen niet voor niets veiligheidshelmen.

Ik voelde me opeens beter, ik weet niet waarom, en nam de jachtbuks van Joey over. Ik richtte, biddend dat het geluid van de regen mijn schot zou verbergen.

God moest mijn gedachten gehoord hebben. Enorme kikkers regenden op ons neer, en de muzikanten werden goed geraakt. Ze waren traag met reageren, en nog trager met wegrennen naar een afdak. De gitaar kletterde op de grond toen een vette kikker de bassist vol op de pols raakte. Had dan niemand ze gewaarschuwd voor onze regen?

Ik moest schieten voordat het podium werd geëvacueerd. Nu of nooit. Ik vuurde.

Een zucht van schrik woei door de menigte. Ooh.

De figuur in wit wankelde. Ik strekte mijn nek om het beter te kunnen zien. Ik zag geen schotwond, alleen maar kikkersap. De neerdenderende kikkers maakten alles onscherp. Langzaam zakte het besmeurde witte pak opzij. Ik kon me niet voorstellen dat ik hem echt had geraakt met mijn lullige jachtgeweer.

De King ging neer.

Het altijd-aanwezige, onpasselijke gevoel in mijn maag verdween. Ik voelde me gezond en fit, beter dan ik me ooit had gevoeld.

Elvis moest dood zijn.

De naam deed me niets meer.

Ik dacht dat ik had gezien dat een reuzenkikker hem raakte. Was hij nu gedood door de hand van God of die van mij?

Ik kon geen woord uitbrengen. Ik gaf Joey een por en wees naar het podium. Mijn hand, die er wit had uitgezien, beverig van het braken, werd bruiner en steviger terwijl ik keek. ‘Joey, mijn hand!’

Hij staarde naar zijn eigen handen. Ik herkende hem nauwelijks. Hij zag er zo bruin uit, zo weldoorvoed, met zulke witte tanden. Zag ik er ook zo uit?

Een enorme hitte stortte op me neer. Zweet brak uit over mijn hele lichaam. Het had wat van opwellende misselijkheid, maar was toch weer anders. Hitte brandde op mijn helm, en een fel licht maakte het onmogelijk om iets te zien.

Mijn oliejas verstikte me. Ik rukte hem uit, dan maar kikkersap op mijn kleren. De broek moest ook uit. Mijn laarzen glibberden van mijn voeten in een stroom van zweet. De band van de veiligheidshelm klemde zo om mijn voorhoofd dat ik hem niet meer op kon houden.

Ik veegde het verblindende zweet uit mijn ogen. De menigte en het Elvisconcert waren nergens meer te bekennen. Een fel licht scheen op me neer uit een blauwe lucht.

Dat moest de zon zijn. Dat wist ik uit films.

Mijn voeten stonden op een effen trottoir, schoon en droog en nergens een kikker te bekennen. Dingen die op auto’s leken, maar zonder roest en niet stilstaand, suisden op nog geen meter afstand langs me heen. ‘Jailhouse Rock’ klonk achter me. Mijn maag bleef rustig.

‘Jesse Garon, waar zijn we?’ zei Joey met ontzag in zijn stem.

Ik draaide me om. Een vlaag van koele lucht woei uit de ingang van een gebouw dat ik nog nooit eerder had gezien. Het rees strak en wit omhoog, zo hoog dat ik de lucht niet meer kon zien. Ik deed een stap dichterbij, de koele schaduw in. Het klingelde en jengelde daarbinnen. Mensen stroomden in en uit, mensen met een vreemd waggelend loopje, omdat hun dijen te dik waren om gewoon te lopen. Ik had nog nooit zulke dikke mensen gezien. Hun gezichten waren bol in plaats van hol, net als hun lijven, ze waren bruin, hun kleren hadden fellere kleuren dan ik ooit had gezien.

De stad zag er zo anders uit, maar het klopte toch ergens. Zo had het altijd moeten zijn, een wereld met een dode King.

Aan de overkant van de weg zag ik een piramide, en de Eiffeltoren. Parijs? Een vliegtuig raasde hoog boven over. Joey’s oma had gelijk gekregen. Niet Parijs, maar het paradijs. Ons plan had gewerkt.

Er rinkelde iets in mijn zak. Ik viste het vreemde ding op dat ik daarstraks had uitgebraakt. Een grijs blok op het schermpje las: ‘T-mobile heet u welkom in de Verenigde Staten.’

 

###

Fietspunk – Het zevende werk van Armsterk – Django Mathijsen

Ze vragen me altijd wat er waar is van de legendes over mijn ome Neel: journalisten, mensen in de kroeg, vakkenvullers bij Albert Heijn. Dan zeg ik altijd: ‘Het meeste ervan is waar.’ Meestal kijken ze me ongelovig aan. Of ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Maar dat hij de stroom terug heeft gebracht in Armsterkdam is toch zeker maar een mythe?’

Nog steeds word ik, net als toen ik jong was, een beetje boos als iemand waagt te twijfelen aan een van de twaalf werken van Armsterk. Je zou denken dat ik op mijn ouwe dag wat rustiger zou worden. Maar het lijkt wel alsof ik alleen maar feller wordt om ome Neel en zijn prestaties te verdedigen. Misschien omdat hij al zoveel jaar dood is en het zelf niet meer kan doen. Misschien omdat ik het gebrek aan respect voel bij de jongere generaties voor de grote Nederlandse helden: Willem Barentsz, Hansje Brinker, Anton Geesink… Ze kijken neer op de mensen die ons land groot hebben gemaakt.

Ach, ik geloof dat het ook typisch Nederlands is, hoor: op school wordt die kinderen al wijsgemaakt dat ze niet trots mogen zijn op ons land of op zichzelf. Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ome Neel haatte die mentaliteit. Hij zei altijd: ‘Laat je niet terughouden, Jantje: door niks of niemand. Het gaat er niet om wat je doet, het gaat erom de beste te zijn in wat je doet. Winnen: daarvoor zijn we op aarde.’

Dat is het belangrijkste wat ik van hem heb geleerd. Ook ik heb mijn hele leven ernaar gestreefd om de beste te zijn. En volgens sommigen was ik dat ook: eerst als regeltechnicus en na mijn pensioen als klompensnijder. Nou ja, ik geef het toe: Mau van Walraven uit Appingedam was af en toe een beetje beter dan ik. Maar ja, niet iedereen kon zo hard werken en uitblinken in alles wat hij deed als ome Neel. Daarom is het belangrijk dat zijn nalatenschap niet bezoedeld wordt. Hij is een lichtend voorbeeld voor ons allemaal.

Dus telkens als iemand waagt te betwijfelen hoe ome Neel de energiecrisis heeft opgelost, dan leg ik het hem haarfijn uit. Gisteren nog in de kroeg:

‘Nee, snotneus, daar is geen woord van gelogen. In ‘73 brak de oliecrisis uit. Heb je daar weleens van gehoord? Die kwam omdat Rudi Carrell, een topjournalist in die tijd, in zijn actualiteitenprogramma ‘Poets’ een filmpje had laten zien dat met de verborgen camera was opgenomen. Daarin ontdekte hij dat de Ayatollah op zijn verjaardag allemaal damesondergoed cadeau kreeg. Nou, die oliesjeiks waren er zo boos over dat hun geheim ontdekt was dat ze pardoes de oliekraan dichtdraaiden. Enfin, Den Uyl, de president toen, die vroeg ome Neel om raad, want Nederland had nog maar voor een paar weken olie. Ome Neel kwam met het plan van de autoloze zondag. Dus op zondag mochten er geen auto’s rijden. En dan vraag je je af: waarom? Nou, ome Neel ging naar de Technische Hogeschool in Delft. Die bouwden samen met Batavus een speciale fiets met een enorm zeil. Op zondagochtend stapte ome Neel op en fietste de hele dag met een noodgang rondjes op de A10. De wervelwind die hij daarbij maakte, was zo groot dat de windmolens rond Armsterkdam genoeg stroom opwekten dat het land die dag geen olie nodig had. Die oliesjeiks schrokken er zo van dat wij hen niet nodig hadden, dat ze vlug de oliekraan weer opendraaiden. Gelukkig had toen ook het Arabische volk door dat die sjeiks helemaal niet zo machtig waren. Dat veroorzaakte weer de Arabische Lente.’

Enfin, de legendes over Armsterk en zijn twaalf werken zijn waar. Maar daarbuiten is er nog zoveel wat de mensen niet weten over de man en over wat er allemaal bij kwam kijken om zijn twaalf werken te realiseren. Als je de legendes hoort, was het allemaal zo gemakkelijk voor hem. Dus niet! Maar in al die gesprekjes in de kroeg en de super kun je niet vertellen hoe het echt allemaal was.

Daarom ben ik zo blij dat men mij gevraagd heeft mijn herinneringen aan ome Neel op te schrijven. Niet alleen om de legendes vast te houden, maar ook om de waarheden erachter te vertellen, geheimen die nog nooit zijn verteld. Dan vraag ik me wel af: wanneer de mensen die waarheden kennen, zullen ze dan ome Neel meer respecteren of misschien juist minder? Als ik zie hoe snel de jeugd van tegenwoordig stokken vindt om honden te slaan, redenen om verontwaardigd te zijn en om historische helden een kopje kleiner te maken… Als ik ze de hele waarheid vertel, lever ik ze dan niet juist munitie om Armsterks reputatie te verwoesten?

Dus heb ik lang getwijfeld of ik dit wel op moet schrijven. En hoe? Moet ik alles zeggen of mezelf censureren?

Ik ben er nog niet uit. Maar ik kan het niet langer uitstellen, ik word er niet jonger op. Als ik er niet meer ben, weet niemand meer hoe het was. En Armsterks verhaal moet verteld worden. Dus schrijf ik alles op. Op de enige manier waarop ik dat kan: precies zoals het was.

 

Maar waar begin je met Armsterks twaalf werken vastleggen voor het nageslacht? Bij de Grand Prix van Nederland? Waar hij afstapte op het circuit van Zandvoort en die Oostenrijker, die… hoe heette hij ook alweer? O ja: Niki Lauda het leven redde door hem uit de vlammen van zijn Formule 1-bolide te trekken? En dat hij vervolgens weer opstapte op zijn speciale Formule 1-fiets die Sparta voor hem had gebouwd en in een zinderende inhaalrace nog als eerste over de finish wist te komen?

Of moet ik beginnen bij zijn eerste werk, toen hij slechts een tiener was: in de Eerste Wereldoorlog toen Armsterk als jonge gevechtsfietser zijn jeugdidool, Manfred von Richthoven, de Baron op zijn roodgeverfde Gazelle, wist neer te schieten?

Nee, ik denk dat de maanrace het meeste zegt over ome Neel, wat voor iemand hij was en hoe ver hij bereid was om te gaan in zijn drang om de beste te zijn, de beste in alle opzichten. Bovendien heb ik dat werk van dichtbij meegemaakt en er verschillende levenslessen van ome Neel door geleerd. Lessen die ik nog steeds niet helemaal verwerkt heb.

 

Veel mensen zijn vergeten dat de maanrace al in 1957 begon. Toen bouwden de Russen in Kazachstan een antenne die bijna duizend kilometer lang was: Spoetnik 1. Toen die eenmaal was opgericht en uitgeschoven, reikte die tot in de ruimte. Het radiosignaal was in een groot deel van de wereld te ontvangen.

Ik weet nog dat ik als tiener in mijn zolderkamertje de hele Kerst bezig was geweest mijn kristalontvanger af te stellen. Ik had de spoelen zelf gewikkeld met koperdraad en toiletrollen. Mijn antenne was een draad die ik had gespannen van het zolderraam van paps huis naar het zolderraam van ome Neels huis.

Na uren frutten, hoorde ik het in mijn koptelefoon: een zwak piepje, drie keer per seconde. Ik rende de trap af en stormde de woonkamer in, waar ome Neel en mijn ouders een advocaatje zaten te drinken. Ome Neel was even niet in training, hij had dat jaar voor de zesde keer de Tour de France gewonnen en deed even rustig aan voordat hij voor de volgende moest gaan trainen.

‘Ik heb hem: Spoetnik. Ik heb hem!’ riep ik uit. Opgewonden nam ik hen mee naar boven. Ik stuiterde gewoon. ‘Kom, je moet het horen.’

Pap was als eerste boven. Hij ging op de houten stoel achter mijn radio zitten en ik zette hem de koptelefoon op.

Hij fronste en keek ingespannen op en neer van linksboven naar rechtsboven alsof hij dacht dat hij het signaal zou kunnen zien. ‘Ik hoor niks.’

‘Is hij weg?’ Ik schrok, rukte de koptelefoon van zijn hoofd en drukte een van de luidsprekers tegen mijn oor.

Piep… piep…

‘Je moet de schelpen goed aandrukken.’ Ik zette hem weer op zijn hoofd.

Hij duwde de schelpen hard tegen zijn oren. Opeens keek hij me verbaasd aan. Hij hief zijn vinger. ‘Piep… piep…’ Hij bewoog zijn vinger ritmisch mee. ‘Ja, daar is-ie.’ Hij draaide zich om naar mam. ‘Moet je horen.’ Hij nam de koptelefoon af en maakte plaats.

Mam ging zitten, zette de koptelefoon op, drukte de schelpen aan en keek strak naar haar linkerooghoek. ‘Ik hoor… o, wacht…’ Haar mond viel open. ‘Hij piept… goh, zijn dat nou die Russen?’

Ik knikte opgewonden.

‘Wat betekent dat nou?’ vroeg ze. ‘Wat willen ze daarmee?’

‘Laten zien dat ze eraan komen, dat ze meer kunnen dan wij.’

‘Meer dan wij?’ riep ome Neel uit. ‘Kan ik me niet voorstellen.’ In ons dorp noemden de kinderen hem weleens De Boom. Niet omdat hij boomlang was. Ik denk dat hij maar van gemiddelde lengte was. Nou ja, gemiddeld voor een Nederlander: we zijn het langste volk ter wereld, nietwaar? Toen ik volwassen was, was ik zelfs een centimetertje langer dan ome Neel. Toch keek ik ook toen nog tegen hem op als tegen een halfgod.

Nee, hij werd Boom genoemd omdat zijn armen en benen zo dik waren als boomstammen. Zelfs in zijn gewone buis en pantalon puilden zijn spieren aan alle kanten uit. Als je ome Neel vroeg waarom hij zo sterk was, zei hij altijd: ‘Hard werken, veel stamppot… en op zijn tijd een jenevertje.’

Zijn hoofd was hoekig en zijn kaak breed, maar er zat altijd een goedmoedige twinkeling in zijn ogen.

‘Nou, ome Neel, maar dit kunnen wij nog niet, hoor.’ Ik wees naar de koptelefoon.

‘Wil je ook eens luisteren, Nelis?’ Mam zette de koptelefoon af en maakte plaats.

Ome Neel ging zitten en drukte de schelpen tegen zijn oren. Hij knikte ritmisch: drie keer per seconde en keek me aan.

‘Als ze een zender zo hoog kunnen bouwen, kunnen ze ook een verrekijker zo hoog maken,’ zei ik. ‘Of misschien zelfs een camera.’

‘De moffen volgden ook precies de routes die door de zeppelin waren verkend,’ voegde pap eraan toe.

Ome Neels gezichtsuitdrukking ging langzaam over in bezorgdheid. Maar hij schokschouderde en sprak geruststellend: ‘Ach, ik weet zeker dat onze regering hen goed in de gaten houdt. Bovendien hebben wij nog steeds de beste gevechtsfietsen.’ Hij stond op en kneep in mijn schouder. ‘Leuk speeltje. Knap dat je dat allemaal kunt bouwen.’ Hij gebaarde naar mijn radio.

Een compliment van ome Neel! Ik was zo trots als een pauw.

Een paar maanden later won ome Neel zijn zevende Tour de France. En toen hadden die rot-Fransen er genoeg van dat ze voortdurend door ome Neel en de andere Nederlanders om de oren werden gereden. Ze lieten onderzoek doen en hun wetenschappers ontdekten dat stamppot, erwtensoep en haring prestatieverhogend werkten. Ze werden op de lijst van verboden middelen gezet. En aangezien ome Neel die middelen al zijn hele leven had gebruikt, nam de bond hem zijn zeven Tour-overwinningen af. Typisch Frans: als ze de wedstrijd niet kunnen winnen, veranderen ze gewoon de regels.

 

Dat het menens was, bleek vier jaar later. Tot onze verbazing waren de Russen doorgegaan met de hoogte in bouwen. Ze hadden een driehonderd kilometer lange ladder gemaakt. Toen die was opgericht en uitgeschoven, was die zelfs door een mens beklommen: Joeri Gagarin. Er was geen ontkomen meer aan: de Russen hadden de eerste man in de ruimte. Van daarboven af konden ze niet alleen al onze stellingen fotograferen, maar stel je voor dat die Gagarin een geweer mee naar boven had genomen. Of een kanon.

Ik las er alles over in de “Betweter, tijdschrift voor jeugdigen die alles willen weten”. Het was april 1961. Ik weet nog dat ik op zaterdag op mijn bed het artikel over Gagarin lag te lezen, al voor minstens de tiende keer, toen ik plotseling door het raam dat op een spleet openstond een trompet door de straat hoorde schallen: ome Neel. Hij was thuis.

Ik sprong van het bed en rende de straat over.

Toet! Pieeeeep!

De witte DAF van dokter Zijland kwam met piepende banden op me af. Hij leek te steigeren op zijn voorwielen.

Ik sprong opzij en rende zo hard ik kon.

‘Hela!’ hoorde ik achter me. ‘Kijk toch uit, schavuit!’

Zonder omkijken, rende ik het steegje naast ome Neels huis in, gooide het krakkemikkige houten poortje open en schoot zijn achtertuin in. Hijgend trok ik zijn achterdeur open en stormde ome Neels keuken binnen.

In de woonkamer lag hij in zijn ondergoed op de grond: hij was buikspieroefeningen aan het doen en tegelijkertijd Bye Bye Blackbird op zijn trompet aan het spelen.

Bij elke ademteug zette niet alleen zijn enorme borstkas uit. Ook zijn wangen puilden uit als een kikker. Die trompet was altijd het geheime wapen in zijn trainingsprogramma geweest. Hij had niet alleen een longvolume van bijna tien liter. Maar door het trompetspelen had hij ook nog circulair ademen geleerd en zijn wangen zover opgerekt dat hij er een liter extra lucht in kon bewaren.

‘Ome Neel, hebt u het gehoord van Joeri Gagarin?’

Hij hield op met trompetteren, maar bleef gewoon doorgaan met zijn buikspieroefeningen. Als hij vol in training was, deed hij elke dag tweeduizend opzit-oefeningen. In die tijd kon hij dat altijd nog binnen een uur, ook al was hij niet meer de jongste. ‘Ja, ik weet het, Jantje,’ zei hij terwijl hij zich omlaag liet zakken. Hij keek me met zijn altijd glimlachende ogen aan.

‘Ik heb het toch gezegd. De Russen komen. Waarom doen we daar niks aan?’

Hij haalde diep adem, spande zijn buikspieren en zijn bovenlijf ging weer omhoog. Eenmaal boven blies hij uit en zei: ‘Hoe kom jij erbij dat we niks eraan doen?’ Hij knipoogde.

Ik keek hem verbaasd aan. ‘U bedoelt…’

‘Ken je de NACA?’ zei hij bij de volgende beweging omlaag.

Ik knikte. ‘Natuurlijk. Heb ik in de Betweter over gelezen: de Nederlandse Aeronautische Cyclisten Associatie.’

‘Juist. Daar ben ik al een paar jaar lid van. En trouwens een heleboel oude gevechtsfietsers.’

‘Gaan jullie met een squadron die ladder in Bajkonoer wegschieten?’

Hij lachte. ‘Kun je een geheimpje bewaren?’ Hij wenkte me naderbij.

Ik ging op mijn knieën naast hem zitten.

Hij keek even om zich heen. ‘Die ladder staat in Tjoeratam,’ fluisterde hij terwijl hij zich weer terug liet zakken. Hij haalde adem, kwam weer omhoog. En terwijl hij zich de volgende keer liet zakken, fluisterde hij: ‘De Russen hebben Bajkonoer gezegd omdat ze bang waren dat wij zouden aanvallen, de lafaards.’ Hij knipoogde nog eens.

‘Hoe weet u dat?’

‘Spionageballonnen. Maar we gaan ze niet aanvallen, hoor.’

‘Niet?’

‘We gaan iets beters doen. Iets wat ik de president heb aangeraden.’

‘Wat dan?’

‘Dat mag ik je nog niet vertellen, Jantje.’

 

Ruim een jaar later, om precies te zijn op 12 september, was het het grote nieuws op de tv en in de krant. Dat was het wat ome Neel bedoeld had: president Kenjedie hield een rede op de Technische Hogeschool waarin hij trots verkondigde: ‘Er is nog geen strijd, geen vooroordeel, geen nationaal conflict in de ruimte. De gevaren ervan zijn vijandig voor ons allemaal. De verovering verdient het beste van de hele mensheid. En de kans voor vreedzaam samenwerken komt misschien nooit meer. Maar waarom de maan, zullen sommigen zeggen. Waarom kiezen we die als ons doel? Dan kunnen ze net zo goed vragen: waarom de hoogste berg beklimmen? Waarom reed Nelis Loetje Lenz Armsterk de Tour?

Wij kiezen ervoor om naar de maan te gaan. Wij kiezen ervoor om dit decennium naar de maan te gaan en die andere dingen te doen, niet omdat ze makkelijk zijn, maar omdat ze moeilijk zijn, omdat dat doel onze energie en vaardigheden in goede banen leidt, omdat we bereid zijn die uitdaging aan te gaan, eentje waarvan we niet bereid zijn die uit te stellen, een waarvan we van plan zijn die te winnen.’

In zijn woorden hoorde ik ome Neel. Dit had hij de president ingefluisterd. Maar toen ik de straat over rende en zijn huis binnenstormde, vond ik hem hoogst ongebruikelijk onderuitgezakt in zijn luie stoel met de jeneverfles naast zich op de grond. ‘Ha, Jantje, je wordt groot. Nog even en je gaat mij voorbij.’ Zijn woorden kwamen er slepend uit. Hij keek me glimlachend aan, hief zijn borrelglas en kiepte het achterover.

‘Ome Neel. Ik ben zo trots op u.’ Ik liep er gewoon van over.

‘Waarom, Jantje? Of beter gezegd: Jan.’

‘De Tour winnen was al geweldig. Maar naar de maan gaan… dat heeft nog nooit iemand gedaan.’

Voor het eerst zag ik hem zonder twinkeling in zijn ogen. Verslagenheid kwam over hem heen. ‘Ik ga niet naar de maan, Jantje.’

Mijn mond viel open. ‘Ik dacht…’

‘Ze hebben Gus Ullrich gekozen.’

‘Wat?’ riep ik uit. ‘Die Duitser? Die heeft de Tour toch maar één keer gewonnen?’

Hij knikte. ‘De president heeft een Duitser aangenomen om de fietssnelweg naar de maan te bouwen: Wernher von Braun. Die denkt dat ik te oud ben voor een fietstocht naar de maan.’

‘Te oud?’ riep ik uit. ‘Da’s niet eerlijk: u bent met afstand de beste gevechtsfietser van de wereld.’

Hij knikte. ‘Ze zullen hun redenen hebben. De maan is een bijzondere uitdaging. Daarboven is geen zuurstof. Misschien heeft een jonger iemand een voordeel.’ Hij schokschouderde. ‘Maar ze hebben mij tot Gus’ reserve gemaakt. Dus als hij mispeutert….’

‘U, reserve van zo’n flutfietser?’ Ik plofte neer op de bank en sloeg mokkend mijn armen over elkaar. ‘Von Braun…’ mompelde ik. Waar kende ik die naam van? O ja, daarover had ik in de Betweter gelezen. ‘Is dat niet een nazi?’

‘Hij staat nu aan de goeie kant, Jantje. Mensen veranderen. Bovendien, Wernher wilde altijd maar één ding: winnen. Toen hij nog aan de kant van de nazi’s stond, heeft hij van ons verloren. En verliezen is iets wat hij niet nog eens wil doen.’

‘Nee,’ zei ik beslist. ‘Hij staat niet aan de goede kant. Als hij wil winnen, moet hij de beste fietser nemen.’

 

De jaren daarna zag ik ome Neel weinig. Hij was te druk met Ullrich coachen en ik was te druk met studeren in Delft. Ik deed elektrotechniek, natuurlijk met specialisatie aeronautisch cyclistische regeltechniek. Maar het bleef me dwars zitten: het was niet eerlijk dat ome Neel tweede viool moest spelen voor iemand die hij talloze keren had geklopt. Als we de Russen wilden verslaan, hadden we de beste gevechtsfietser nodig.

Jaren later, toen ik mijn afstudeerverslag zat te typen, vloog ineens de deur van mijn kantoortje op de Hogeschool open.

Mijn professor stond naast de deur en stelde mij voor: ‘Dit is Jan Zoetemelk.’

Een man met grijzend haar in een strakke scheiding, gehuld in een al even strakke blazer met dubbele knopenrij en uitstekende kraagpunten, schreed naar binnen. ‘Ich hab al feel uver u geheurd.’ Hij bleef naast mijn bureau staan, kaarsrecht, kin omhoog, borst vooruit, buik in en hakken tegen elkaar. ‘Mein name ist Wernher von Braun.’

Verbluft richtte ik me op, prevelde mijn naam en schudde zijn hand.

‘Folgens de heer professor bent u sein besjte sjtoedent.’

‘Ik uh…’ Ik had de man gehaat omdat hij ome Neel had gepasseerd. Honderden keren had ik voor de spiegel gestaan om hem te vertellen wat ik van hem dacht. Nu ik oog in oog met hem stond, stond ik met mijn mond vol tanden.

Hij vroeg me alles over mijn afstudeeropdracht, mijn metingen, mijn conclusies. Ik vertelde hem over het nieuwe regelsysteem dat ik voor de vloeibare zuurstofopslag voor de maanreis had bedacht. Tot mijn verbazing kende hij verschillende details al.

‘Jawel, ich zie dat de heer professor en de heer Armsterk, onze reserveastrocyclist, nicht gelogen haben. Oe bent ein zeer competente knaap. Wilt oe onze manschap in Noordwijk komen versjterken zodra oe bent abgesjtoedeerd?’

 

En zo fietste ik in december 1966 door de poort van het NACA-complex in Noordwijk.

De zwarte spiraal die vanaf de grond oprees en boven in de wolken verdween was al van kilometers ver te zien. Toch had je pas door wat een onvoorstelbare prestatie de astrocyclist zou moeten verrichten als je aan het begin van het maanfietspad stond.

Het bevond zich in het midden van het NACA-terrein, omgeven door constructiemachines die hier en daar nog bedekt waren met smeltend ijs. Pegels aan de machines druppelden en voedden grote plassen op het beton eronder. Het pad stelde de gebouwen en de complexen van buizen en tanks op het terrein in de schaduw. Geen enkele toren die ik ooit had gezien rees zo hoog op.

Het pad was maar één meter breed en spiraalde in een draaicirkel van twintig meter met een schrikbarend hellingspercentage van zeven procent omhoog. Hier kon de gruwelijkste col niet tegenop. De roodzwarte kinderkopjes leken van bloed, zweet en teer. In werkelijkheid waren ze uit een speciaal ontwikkeld bakeliet-en-steenmengsel gebakken, het enige materiaal dat volgens de materiaalkundigen sterk en licht genoeg was om de spiraalweg tot aan de maan te kunnen realiseren.

De voet van het maanfietspad bestond uit een in beton verankerd frame uit vuistdikke buizen waarin de eerste rijen kinderkopjes tussen een twintigtal enorme stalen locomotiefwielen waren vastgeklemd. Een nieuwe rij kinderkopjes was al voor de helft eraan bevestigd. Als dadelijk de machines weer aan de gang waren, zouden ze eerst die rij afmaken en daarna de hele spiraal precies de breedte van een rij tussen de wielen verder rollen. Zo werd de spiraal rij voor rij langer en dus hoger. Het systeem was uitgevonden door Von Braun.

Daarmee had hij in zo korte tijd al die fietssnelwegen in Duitsland kunnen aanleggen. De Nederlanders hadden met afgunst naar dat wegennet gekeken. Tot aan de Anschluss. Toen bleek dat het doel van dat wegennet was geweest dat de squadrons gevechtsfietsers van de Fahrradwaffe razendsnel alle omringende landen konden aanvallen.

Het was middagpauze, de constructiemachines waren verlaten, afgezien van een paar potige werklui die in dikke jassen hun boterhammen met pindakaas of hagelslag zaten te eten uit hun broodtrommeltjes. Ik kon het niet laten. Ik zette mijn fiets op het begin van het maanfietspad.

Ik moest hem goed vasthouden, want het voorwiel wilde alle kanten op en het frame wilde omkiepen toen ik ernaast stond op de steile helling. Mijn voet op het pedaal zetten en mijn been over het zadel zwaaien, durfde ik niet: dat zou geheid misgaan. Dus ging ik voorzichtig op het zadel zitten met één voet aan de grond… Ik zette af en ging vol in de pedalen.

Vaart kreeg ik er niet in, mijn stuurwiel klapte dubbel en de fiets viel om. Ik knalde op de roodzwarte kinderkopjes, gelukkig met slechts wat geschaafde handpalmen en een gedeukt ego.

De werklui klapten en juichten. Iemand riep: ‘Leuk geprobeerd!’ Iemand anders zei: ‘Neem volgende keer een aanloop.’ En weer iemand anders: ‘We hebben een nieuwe astrocyclist.’

Ik krabbelde op, tilde mijn fiets op en sprong van het maanfietspad af. Met een zuurzoete glimlach maakte ik een buiginkje naar de werklui.

 

Ik werd te werk gesteld in de simulatorruimte als een van de programmeurs van het zuurstofcircuit. We zaten met een man of twintig aan een lange tafel achter de allernieuwste terminals. Grafiekjes, formules en regeltjes machinetaal in flikkerend groen op de beeldschermen voor ons. De geheugenbanden en een paar ponsbandmachines waarmee we nieuwe code konden invoeren achter ons.

Verderop, een eind voor onze tafel, stond de krachtsimulator: een van de door Batavus ontwikkelde Apollofietsen met een drievoudige Variomatic-overbrenging op een één meter brede loopband waarop de weerstand ingesteld werd om gelijk te zijn aan de rol-, lucht- en zwaarteweerstand die de astrocyclist zou ondervinden op het maanfietspad. De loopband stond een beetje schuin om de constante bocht te simuleren die de astrocyclist zou moeten maken.

Dagenlang zat ik te kijken hoe Gus Ullrich in zijn ruimtepak, omgeven door enorme bidons met verdunde Rostocksche Kartoffelsuppe en tanks vloeibare zuurstof op de Apollofiets zat te trappelen. In dat pak leek hij op Bibendum, het Michelinmannetje, hetgeen ironisch was aangezien zowel de banden als het slangenstelsel van de tanks en bidons naar de helm gemaakt waren door Englebert in Luik.

Ik weet zeker dat alle onderdelen van de fiets en alle randapparatuur wel tien keer zijn vervangen. Er werden efficiëntere lagers en banden, lichtere frames en tanks, en comfortabelere zadels ontwikkeld. Het mocht niet baten. Gus Ullrich zou volgens de simulatie niet verder komen dan halfweg het maanfietspad.

Ome Neel coachte hem zo goed hij kon. Maar Gus nam niets van hem aan: hij weigerde zelfs de aardappelsoep te laten vervangen door verdunde snert. Toen Gus weer eens na al een kwart van de vereiste afstand in elkaar zakte zodat ome Neel de zware Apollofiets moest opvangen, gaf ome Neel mij een wanhopige blik.

 

‘Denk je dat we het gaan halen?’ vroeg ik eens in de kantine. Ik was bij een paar fiets- en bandenmakers aan tafel gaan zitten.

‘Al zouden we de lagers nog vijftig procent efficiënter maken, en ik zie niet hoe we dat voor elkaar moeten krijgen, levert dat een actieradiuswinst van hooguit een half procentje op,’ antwoordde een man in Batavusoverall mistroostig.

‘Jao, we hebben onze beste bretellen al in die drie Variomatics zitten,’ zei de man met het DAF-shirt met een Brabants accent.

Een man in een Englebertoverall knikte. ‘Ook met de banden zitten we op de laagste rolweerstand die we eruit kunnen halen.’ Hij had een Vlaamse tongval. ‘Zelfs met een rolweerstand van nul, met alleen de zwaarteweerstand zou Ullrich het niet halen. Ze zeggen dat de Russen de zoon van een Kozak en een ijsbeervrouwtje hebben als astrocyclist.’

‘Kosmocyclist,’ verbeterde de DAF-man hem.

‘Hè?’

‘Zo noemen de Russen ze.’

‘Kosmocyclist dan. Ik heb de conditieparameters van Nelis Armsterk tijdens zijn laatste Tour eens ingevoerd in mijn terminal. Hij zou de maan al met moeite halen. Maar hij is de enige waarmee we kans maken.’

Ik wist wat me te doen stond.

 

Die avond sloop ik de kelder met de reserveonderdelen in. Ik wist dat de Englebertmannen de volgende dag alle ventielen zouden vervangen: routineonderhoud aan de Apollofiets. Dus liep ik door de lange, muffige keldergang op zoek naar de kamer met onderdelen voor het zuurstofsysteem. Mijn voetstappen galmden tegen de harde muren. Lampjes aan de muur wierpen schaars gelig schijnsel. Mijn schaduw was lang en leek mij steeds opnieuw in te halen. Voortdurend keek ik rond: gelukkig niemand te zien. Mijn hart bonsde in mijn keel.

Daar: op de deur stond Onderdelen zuurstofsysteem.

Ik hield mijn adem in.

Niks te horen, niks te zien.

De deur piepte toen ik hem openduwde, alsof hij me wilde waarschuwen: ‘Doe het niet’. Of misschien omdat hij iemand wilde alarmeren wat ik ging doen.

De stellages lagen vol kartonnen doosjes. Zorgvuldig las ik de opschriften.

Waar waren ze nou?

Daar: drukregelventiel 100 bar.

Voorzichtig opende ik het voorste doosje. Het mocht niet kapotgaan. Als ze zouden zien dat eraan geknoeid was, zou mijn plan mislukken. Ik liet het regelventiel in mijn hand glijden en stak het in mijn broekzak.

Uit mijn andere broekzak pakte ik het oude drukregelventiel dat ik weken geleden uit de afvalcontainer had gevist. Ik had het zorgvuldig gepoetst zodat het splinternieuw leek en vervolgens het veertje een beetje verbogen zodat het zou blijven haken. Ik hoopte dat dat genoeg zou zijn. Liever had ik ringetjes achter de veer gezet. Maar als er extra onderdelen in zaten, zou men achteraf vaststellen dat er sabotage was geweest.

Ik liet het ventiel in het doosje glijden. Ik sloot het doosje en legde het terug.

Ik snelde terug naar de deur, opende hem en gluurde de gang op.

Niemand te zien.

 

De volgende dag, 27 januari 1967. Ik zat te trillen achter mijn terminal toen de onderhoudsmonteurs klaar waren en Gus Ullrich de simulatorruimte binnenkwam. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij zijn pak aanhad en op de Apollofiets zat.

Von Braun stond geduldig in de hoek het gebeuren gade te slaan. Helpers en techneuten gaven hem knikjes.

Eindelijk hief Von Braun zijn hand en richtte zich tot mij en mijn collega’s: ‘Sjtart zimoelaatsie.’

Collega’s naast me drukten op knoppen en riepen:

‘Communicatie klaar.’

‘Aardappelsoep klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Alle ogen waren gericht op Von Braun. Die van ome Neel die vlak naast hem met een koptelefoon op achter een microfoon stond, ook. Die van Gus Ullrich ook: dat wist ik zeker, ofschoon ik slechts de achterkant van zijn helm kon zien.

Von Braun liet zijn hand zakken en Ullrich ging op de trappers staan. Zoals gewoonlijk slingerde hij eerst angstvallig dicht naar de rand van de band voordat hij genoeg vaart had en zich instelde op de juiste schuinstand.

‘Goed zo, Gus,’ sprak ome Neel in de microfoon. ‘Doorschakelen naar de middelste Variomatic.’

Ullrich trapte en trapte. Er gebeurde niets, de simulatie verliep normaal.

Had ik het veertje niet genoeg verbogen?

Precies toen ik dat dacht, gebeurde het.

Een knal. Gesis. Een zuurstofslang schoot los en danste heen en weer als een wild geworden gifslang. Een oogverblindende steekvlam. Ik voelde de hitte op mijn gezicht.

Gebiologeerd zat ik met mijn hand voor mijn gezicht om de hitte af te weren. Tussen mijn vingers door zag ik hoe Bibendum in lichterlaaie stond, gehuld in felwitte vlammen met oranjegele rafelrandjes. Alsof een hongerige veelvraat het pak verzwolg.

Mannen met brandblussers, waaronder ome Neel, snelden op de brandende Bibendum af en hulden hem in grote witte wolken.

Er was geen houden aan: de volle druk van de zuurstoftanks was ontketend. Meer slangen schoten los en voedden het vuur.

Een bloedstollende kreet waar geen einde aan kwam. Dat moest Ullrich zijn, ofschoon zijn stem niet meer te herkennen was. Hij klonk als een gillend kind. Het ging door merg en been. Kaarsrecht bleef de brandende Bibendum zitten, terwijl de fiets in volle vaart tegen de zijkant van de loopband knalde. De fiets slingerde, Bibendums armen maaiden alle kanten op, flarden ruimtepak flapperden als filigrane vleugeltjes heen en weer. Door het gyroscopische effect en de veiligheidsriemen van de proefstand bleven de fiets en Bibendum overeind.

Nog steeds hoor ik ’s nachts zijn gegil en zie ik de flarden van zijn pak in de vlammen. Dan zit ik badend in het zweet rechtop in bed.

 

Iemand rukte aan mijn elleboog.

Verbaasd keek ik in het gezicht van een brandweerman.

Hij trok me overeind: ‘Weg hier, sukkel, voor die zuurstoftanks ontploffen.’

Ik liet me het zaaltje uit trekken en naar buiten werken, de frisse lucht in, waar mijn collega’s al geschokt stonden, zaten en lagen. Verpleegkundigen en brandweerlieden bekommerden zich om hen. Ze staarden naar het bakstenen gebouw waar zwarte rook door kieren, ramen en schoorstenen uit ontsnapte. Ik kuchte… een hoestbui waar geen einde aan leek te komen. Ik proefde de rook en voelde hoe mijn longen en keel bedekt leken met as. Mijn gezicht deed pijn. Ik voelde me slap. De brandweerman zei iets tegen me. Maar ik hoorde slechts een lange fluittoon. De brandweerman leek verhuld door voorbijdrijvende zwarte vlekken. Was dat as? De zwarte vlekken groeiden als een legpuzzel samen. Ik zakte door mijn benen en alles werd zwart.

 

Toen ik mijn ogen opende, zag ik ome Neels gezicht. Zijn rechterwang en neus zaten in verband ingepakt.

Met een ruk zat ik rechtop in bed. ‘Ome Neel!’ Mijn stem klonk schor. ‘Uw…’ Ik verviel in een enorme hoestbui. Het was alsof mijn lijf mijn longen eruit probeerde te kotsen. Nog steeds proefde ik as en rook, maar nu vermengd met een vleug lysol.

‘Rustig maar, jongen.’ Ome Neel klonk ook al schor. Hij klopte op mijn rug en hoestte ook. Zijn machtige longen bulderden met orkaankracht.

In bedden om me heen herkende ik gezichten van collega’s, sommige met pleisters in hun gezicht, andere met vuurrode, glanzende gezichten. Een enkeling had gips om zijn arm of been.

‘Uw gezicht,’ wist ik tussen mijn hoestbui door eruit te persen.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Wat blaren, niks bijzonders.’

‘Ullrich?’

Hij boog zijn hoofd en schudde het langzaam.

Ik besefte dat het was gelukt… maar ook dat ik een mens op mijn geweten had. Ik hoestte. Mijn gezicht leek te spannen en trekken met elke uithaal. Ik voelde eraan: het deed pijn en voelde vettig aan.

‘Afblijven, jongen. Het is niks: een beetje eerstegraads. Een weekje bijkomen en je voelt er niks meer van.’

 

Het onderzoek naar de ongeluksoorzaak duurde en duurde. De bouw aan het maanfietspad ging gelukkig verder, maar er konden geen simulaties worden gehouden. Sterker nog: de bouw aan de Apollofietsen en het simulatiecomplex stonden stil. Wij werden aan het werk gehouden in een kantoorgebouwtje met vergaderingen en mierengeneuk aan controlesoftware.

Als ik zat te typen op mijn terminal achter mijn bureau in het kantoortuintje, hoefde ik maar opzij uit het raam te kijken om de bouw van het maanfietspad te zien. 24 uur per dag werd eraan gewerkt en er waren snellere constructiemachines ontwikkeld, sinds uit spionagefoto’s was gebleken dat het Russische maanfietspad hoger was dan het onze.

Tijdens de wekelijkse presentaties die het constructieteam in de centrale collegezaal gaf, bleek dat ons maanfietspad aan het inlopen was op het Russische. Dat was bemoedigend, maar voorspellingen welk maanpad het eerste klaar zou zijn waren zeer onzeker. Bij de vorige presentatie twijfelde men zelfs of de belofte van president Kenjedie waar kon worden gemaakt.

Aanleiding voor Von Braun om zich van zijn stoel vooraan in de zaal te verheffen. Hij richtte zich zorgvuldig op, zette zijn hakken naast elkaar, deed zijn schouders naar achteren en zijn hoofd omhoog. Toen pas zei hij: ‘Misglücken ist geen optie.’

 

Af en toe nam ik een kijkje bij ome Neel die de hele dag in de trainingsruimtes zat als hij niet door de omgeving van Noordwijk fietste.

Zijn trompet hoorde ik al op de gang. Ik gooide de deur van de fitnessruimte open, liep langs de middelpuntvlieder en zag ome Neel ondersteboven met zijn voeten in een paar stijgbeugels hangen. Hij blies ‘What a wonderful world’. Ondertussen trok hij zijn bovenlijf op en liet het weer terugzakken.

‘Ome Neel?’

Hij nam de trompet van zijn mond. ‘Ha, Jan, waaraan heb ik jouw bezoekje te danken?’ vroeg hij terwijl hij zijn bovenlijf omlaag liet zakken.

‘Het ongeluk is al een jaar geleden. Waarom ligt de bouw aan de simulatorruimte nog steeds stil?’

Hij spande zijn buikspieren aan en tilde zijn bovenlijf weer op. Terwijl hij zich omlaag liet zakken, zei hij: ‘Tja, de oorzaak moet goed worden uitgezocht. Als het nog een keer gebeurd, ben ik het in de vlammen.’

‘Maar ze weten de oorzaak toch? Dat defecte ventiel dat de Englebert-monteurs hebben ingebouwd.’

‘Maar hoe is dat defecte ventiel in het systeem gekomen? Hoeveel andere defecte onderdelen zijn er in de Apollofiets terechtgekomen?’

Ik zuchtte en twijfelde aan wat ik had gedaan. Niet dat ik spijt had. De nachtmerries van een brandende Bibendum, van Ullrich in de vlammen, gillend, verkoold… Ik had een mens op mijn geweten, maar al dat was een kleine prijs. We moesten winnen, koste wat het kost. Anders zouden we de vrede kwijtraken. Met Ullrich hadden we de maan nooit gehaald.

‘Maar als we blijven treuzelen… straks zijn de Russen er nog als eerste.’

Ome Neel bleef stilhangen en keek mij ondersteboven strak in mijn ogen. ‘Jan. Je hebt gehoord wat Wernher zei: mislukken is geen optie.’

Ik trapte tegen een halterbank. ‘Als de Russen er als eerste komen… met de macht die hen dat geeft… Dan is het onvermijdelijk: ze komen ons vernietigen.’

‘Jan!’ Hij hief een wijsvinger. ‘Zo denkt een verliezer. Wat je denkt, roep je over je af. Zeg mij na: ‘We gaan winnen’.’

Ik perste mijn lippen op elkaar.

Zijn wijsvinger zwaaide met nadruk. ‘We gaan winnen.’

‘We gaan winnen,’ mompelde ik.

‘Ik versta je niet.’

‘We gaan winnen,’ sprak ik luidop.

‘Harder.’

‘We gaan winnen,’ spraken we in koor. ‘We gaan winnen.’

 

Maanden later werd het onderzoeksrapport bekendgemaakt. De ongeluksoorzaak lag volgens de onderzoekscommissie in de onderdelenadministratie van Englebert. Het bedrijf was overbelast omdat het onderdelen moest leveren voor zowel de banden als het slangensysteem. Afgezien van wel honderd interne punten die bij Englebert werden verbeterd, werd besloten dat voortaan Vredestein de banden zou leveren zodat Englebert zich volledig op de slangensystemen kon richten. Nergens in het rapport werd zelfs maar de mogelijkheid van sabotage vermeld.

En zo zaten we in juni weer in de volledig herbouwde simulatieruimte. De simulator en de Apollofiets zagen er hetzelfde uit. Toch wist ik dat elk onderdeeltje weer was bestudeerd, verbeterd en vernieuwd. We hadden nog maar anderhalf jaar voor het einde van het decennium. Iedereen was blij weer aan het werk te gaan. En nu hadden we ome Neel in het zadel. Iedereen was zo doordrongen van het ‘We gaan winnen’-gevoel dat je het in hun gezichten kon zien. Met verende tred gingen we naar onze plaatsen, glimlachend spraken we met elkaar… alsof de twinkeling in ome Neels ogen aanstekelijk was. Het gevoel hing tastbaar, proefbaar in de ruimte.

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun liet zijn hand zakken en Bibendum ging weer op de trappers staan. Maar deze keer zat in dat ruimtepak ome Neel. Hij slingerde even naar de rand van de band maar had al snel genoeg vaart voor de juiste schuinstand.

Hij schakelde door naar de middelste Variomatic. Even later naar de hoogste.

De simulatie duurde uren.

Op de schermen zagen we de zuurstofvoorraad verminderen, de snertvoorraad ook.

Ome Neel passeerde het halfwegpunt.

De CO2-, zweet en urinefilters werkten op volle sterkte. Ome Neel was nog geen vermoeidheid aan te zien.

Hij trapte en trapte.

Wij keken elkaar extatisch aan: hij ging het halen, hij ging het halen.

 

Maar helaas. We waren net het 80%-punt gepasseerd toen ome Neel sprak: ‘Ik kan niet meer.’ Hij liet zijn fiets uitdrijven, schakelde terug naar de middelste Variomatic en daarna de laagste en stopte. Hij wist de Batavus zelf nog op de standaard te zetten, maar kon niet meer uit het zadel komen.

Terwijl ome Neel door helpers uit het zadel werd geholpen, besefte ik: ondanks dat hij veel verder was gekomen, waren we nog steeds kilometersver van de maan verwijderd. Hoe dichter we bij ons doel kwamen, hoe langer de weg leek te worden. Zouden we er ooit komen?

 

We gaven niet op. Elk onderdeeltje werd nog eens herontworpen. Alles werd nog lichter, nog efficiënter gemaakt. De erwtensoep werd krachtiger gemaakt. Zelfs de banden werden opgepompt met zuurstof om een extra voorraadje te hebben. Ome Neel haalde 82%, 83%, 84%… elke keer een procentje meer, soms twee, soms maar een half procentje. En soms gingen we ook een stap terug. Maar steeds weer kropen we dichter bij het doel. En een jaar later, eind juni 1969, was het zover: 100%.

We sprongen op, klapten, juichten, feliciteerden elkaar… Het was een feest zoals ik nooit eerder in mijn leven had meegemaakt.

Ome Neel trapte zijn fiets op de standaard, zette zijn helm af en keek glunderend achterom.

Een week later herhaalde hij zijn prestatie. Weer een week later strandde hij echter bij 98%. De week erna weer. Nee, het was nog steeds geen makkie.

Vlak daarna meldde de spionageafdeling dat het Russische maanfietspad klaar was. De Russische fiets stond al op het lanceerplatform aan de voet van het pad.

Ik rende naar buiten en keek naar ons maanfietspad: de constructiemachines waren nog steeds aan het werk. Al dat werk, al die opoffering… en dan zouden de Russen ons nog voor zijn?

Ik zakte door mijn knieën, huilde en sloeg met mijn vuisten op de grond.

 

Verslagen zat ik in kleermakerszit nog op het beton toen er een sirene weerklonk. Ik keek op. De constructiemachines stonden stil.

Werklui begonnen koortsachtig stellages af te breken. De blokken voor de wielen van een kraan werden weggetrokken.

Ik rees op en liep aarzelend in de richting van de constructieplek.

Een van de werklui kwam op me af gerend. Toen hij passeerde riep ik: ‘Waarom breken jullie de stellages af?’

Hij keek even om. ‘Het pad is klaar. We moeten het lanceerplatform in stelling brengen.’

Er ging een golf opwinding door me heen. Het pad was klaar. Het pad was klaar. ‘Het pad is klaar!’ Ik rende terug naar het simulatiegebouw. ‘Het pad is klaar.’

 

De volgende ochtend, op 20 juli, schoof ik aan achter mijn terminal in het missiecontrolecentrum in Hillegom. Alles was precies hetzelfde opgesteld als in de simulatieruimte. Maar in plaats van de simulator zaten we naar een wand vol schermen te kijken. Op de flikkerende beelden konden we volgen hoe de laatste hand werd gelegd aan het lanceerplatform, een strip kinderkopjes van tweehonderd meter waar ome Neel vaart zou kunnen maken voordat hij de naar boven spiralende helling bereikte.

Op het scherm rechts werd de laatste informatie van de spionageafdeling getoond. De kosmocyclist was al om 7.00 uur vertrokken. De Russen gebruikten geen verdunde snert maar borsjt als brandstof. En als laatste ontdekking: ze hadden er een scheutje wodka aan toegevoegd.

Ik weet niet hoe vaak ik de parameters van mijn deel van het zuurstofsysteem controleerde. Steeds weer liep ik het programma na. Er mocht niets fout gaan.

 

Het was bijna 8.00 uur toen ons lanceerplatform klaar was en de Apollofiets erop stond. Ome Neel ging erop zitten. Alle helpers gaven het signaal dat ze klaar waren. Von Braun hief zijn hand en de technische leiders naast mij in het missiecontrolecentrum zongen hun gebruikelijke concert:

‘Communicatie klaar.’

‘Snert klaar.’

‘Band klaar.’

‘Programma klaar.’

‘Meetinstrumenten klaar.’

‘Zuurstof klaar.’

Ik hield mijn adem in.

Von Braun telde: ‘Tsien, noigen, acht, zieven, zeks, fijf, fier, drei, tswee, een.’ Hij liet zijn hand zakken. Ome Neel ging op de trappers staan, maakte vaart en schakelde al naar de middelste Variomatic nog voor hij het spiralende pad raakte. Hij helde de bocht in en daar gingen we.

Op de camera’s die de Apollofiets meevoerde zagen we de wereld als in een centrifuge langscirkelen. Gebouwen schoten steeds sneller langs, werden kleiner en maakten plaats voor hemelsblauw. Even later werd het hemelsblauw opgeslokt door spierwitte rondcirkelende watten. Ome Neel zat al in het wolkendek. Door de luidsprekers hoorden we het ritmische ruisen van zijn ademhaling in zijn helm.

 

Angstvallig hield ik alle parameters in de gaten. Alles was nominaal. Ome Neel was al buiten de atmosfeer. Op de schermen aan de wand was het zwart van de ruimte zichtbaar. Onder in beeld kwam steeds een vlekje blauw met wit voorbij: de aarde. Als je goed keek, zag je bij elk rondje een verticale slingerstreep voorbijkomen: het Russische maanfietspad. Op het rechterscherm werd ome Neels achterstand afgebeeld: nog een half uur. Hij had anderhalf uur ingelopen.

Een paar uur later was er geen blauw of wit meer te zien. De beelden van ome Neels fiets waren allemaal pikzwart. Maar het slingerende streepje werd groter in beeld. Blijkbaar kwamen ons fietspad en dat van de Russen dichter bijeen.

Ik controleerde nog eens de parameters toen er een gejuich opsteeg. Ik keek op: op de slingerstreep was een kleine witte rups met pootjes te zien. Ingespannen tuurde ik ernaar toen hij weer voorbij kwam: een kleine witte Bibendum op een fiets vol tanks. Dat was de kosmocyclist. Ome Neel was hem aan het inhalen.

Plotseling hoorden we een doffe knal. De beelden vanaf ome Neels fiets begonnen te trillen. Een sissend geluid. De kosmocyclist schoot vooruit. Het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden werd lager.

‘Lekke voorband,’ schalde ome Neels stem door de luidsprekers.

Het duurde minuten voordat ome Neel zijn fiets tot stilstand had gebracht.

Op de camera’s keken we ademloos toe hoe hij met zijn setje bandenlichters zijn voorband eraf haalde en de binnenband inspecteerde.

‘Daar is het,’ riep een van de Vredestein-technici.

Ome Neel had het ook al gezien. Ik zat ondertussen te rekenen hoeveel banden ome Neel al niet had geplakt in zijn leven. Ik schatte rond de 5.000. En dat was te zien. Met vaste hand schuurde hij de plek van het gat, smeerde het in met solutie en zette zijn plakkertje erop.

Hij had speciale snelsolutie meegekregen. Na seconden was het al hard. Ome Neel maakte de vulslang los, zette hem op het binnenbandventiel en drukte op de knop. De binnenband liep vol zuurstof.

Een sissend geluid. Het plakkertje flapperde los.

‘Hillegom, we hebben een probleem,’ zei ome Neel.

De bandentechnicus van Vredestein sprong op van zijn terminal. ‘O nee, de solutie wordt in het vacuüm van de ruimte niet helemaal hard.’

Er brak lichte paniek uit. Scheikundigen, Vredestein-technici en een hoop andere specialisten trokken zich terug in het achterkamertje. Ik kon niet horen wat ze zeiden, maar door het raam van de deur zag ik dat ze verhitte discussies voerden: met handen en voeten.

Na een minuut of tien rende de Vredestein-technicus weer het achterkamertje uit en plofte neer achter zijn terminal. Hij drukte op zijn microfoonknop. ‘Batavus, onder in het doosje met plakkertjes zit speciale kauwgom. Steek die in uw mond en kauw erop tot die zacht is. Neem verband uit het verbandtrommeltje dat onder de linkerbidon is bevestigd. Wikkel het verband om de binnenband op de plaats van het gat. Breng solutie aan ter hoogte van het gat, druk daarop de kauwgom en breng een nieuw plakkertje aan.’

‘Begrepen, Hillegom.’

Ome Neel voerde de instructies uit en tien minuten later zat hij alweer in het zadel. Ik controleerde de cijfers van zijn zuurstofvoorraad. Hij had een deel verloren door de lekke band en omdat hij hem twee keer had moeten oppompen. Toen ik het resultaat van mijn berekening zag, werd ik helemaal koud. Ik stak mijn hand op en wenkte Von Braun naar me toe.

Hij kwam naast mijn stoel staan, zoals altijd kaarsrecht. ‘Ja, ist wat?’

Ik fluisterde: ‘Volgens mijn berekeningen is zijn zuurstofvoorraad niet meer voldoende om heen en terug te komen.’

Verschrikt verslapten zijn buik, kin en borst. Hij boog zich naar me toe. ‘Ist dat waar?’

Ik wees naar het scherm. De kans dat ome Neels zuurstofvoorraad op zou zijn voordat hij terug op aarde was, was zestig procent in het tempo waarin hij nu trapte en zuurstof verbruikte.

Von Brauns gezicht trok wit weg. Hij richtte zich op en nam zijn kaarsrechte houding weer aan. ‘Bedenk sjtrategieën om zuursjtof te sjparen bij de afdaling.’

Koortsachtig sloeg ik aan het rekenen.

 

Uren later barstte het gejuich weer los.

Ik keek op. De kosmocyclist was weer in beeld: ome Neel naderde hem genadeloos. Boven in beeld was al een stukje maanoppervlak zichtbaar. In dit tempo zou ome Neel er over een uur zijn.

Kreten schalden door het controlecentrum:

‘Kom op, pak hem!’

‘We gaan het halen!’

‘Pas op, die Rus demarreert!’

Inderdaad, de kosmocyclist ging sneller. Ome Neel kwam niet meer dichterbij.

De kreten verstomden.

‘Kom op, kom op,’ werd er gefluisterd. Vuisten werden gebald… ook door mij. Zo vlak voor de finish. De Russen mochten niet winnen: dan zou de invasie niet meer af te wenden zijn.

Met open mond keken we naar de schermen. Soms was ome Neel een beetje sneller, soms de Rus. Het kleinste tempoverschilletje maakte dat we ons hoopvol of verslagen voelden.

Plotseling gebeurde het: de Russische Bibendum werd groter.

Even snapte ik niet wat er gebeurde.

Collega’s sprongen op. ‘Jaaaaa!’

De kosmocyclist was uit de bocht gevlogen. Hij dreef met zijn fiets in gewichtloosheid weg van zijn fietspad, precies op ome Neel af.

Uitzinnig sprong ik op. ‘Ja! Ja! Ja! We hebben hem. We hebben gewonnen!’ Ik stuiterde en sprong. Alle technici naast me deden hetzelfde.

Totdat ik op het scherm zag dat het tempo waarin de beelden van ome Neels fiets rondcirkelden weer afnam. Ik checkte de parameters: ome Neel was vol in de remmen gegaan.

De anderen hielden ook op met hossen. We keken elkaar verbluft aan.

‘Nee, ome Neel!’ Ik bukte en kneep in de knop van mijn microfoon. ‘Ome Neel, niet stoppen. We gaan winnen. We gaan winnen.’

‘Hillegom, onze collega is in nood.’

‘Doorfietsen,’ zei Von Braun in zijn microfoon.

‘Batavus,’ sprak ik officieel. ‘Als u nu stopt, hebt u onvoldoende zuurstof om op en neer naar de maan te komen. Dan kunnen we niet meer winnen.’

‘Jan, er is een mensenleven in gevaar. Hij heeft hierboven niemand anders om hem te redden.’

‘Doorfietsen, verdomd nog maal. Dit is een Befehl!’ Von Braun stond met grote, vlammende ogen naar het scherm te staren.

‘Mensenleven? Maar oom, u hebt toch ook de Rode Baron neergeschoten?’

‘Dat is anders, dat was oorlog.’

‘We zijn in oorlog met de Russen.’

‘Nee, nog niet.’

‘Maar u zei toch altijd: winnen is waarvoor we op aarde zijn?’

‘Niet als het een mensenleven kost. Jan, een mensenleven redden ís winnen.’

‘Maar ome Neel…’ De tranen sprongen in mijn ogen.

Hij zette de Apollofiets op de standaard en stapte af.

Sprakeloos volgden we hoe hij zuurstofslangen losmaakte en tot een lasso knoopte.

‘Niet doen, ome Neel, uw zuurstofvoorraad is te laag.’

Zonder antwoord te geven, slingerde hij zijn lasso boven zijn hoofd en smeet die in de richting van de kosmocyclist.

Mis.

De kosmocyclist dreef vlak over ome Neels hoofd.

Bij de derde poging was het raak: de lasso sloeg om het stuur van de kosmocyclist heen en trok zichzelf vast.

De ruk gooide ome Neel van zijn benen af. Hij haakte zijn voeten achter de kinderkopjes en zette zich schrap.

Ik beet zo hard op mijn lip dat ik bloed in mijn mond proefde.

Gelukt! De kosmocyclist hing stil in de ruimte.

Ome Neel haalde hem binnen en zette hem met zijn fiets op ons maanfietspad.

Als aan de grond genageld stonden we te kijken.

Ome Neel ging in de houding staan en salueerde.

De kosmocyclist zette zijn fiets op de standaard, stapte af, ging in de houding staan en salueerde terug.

Twee saluerende Bibendums tegenover elkaar. Het is het raarste beeld dat ik ooit in mijn leven heb gezien.

De kosmocyclist prutste aan zijn radio. We hoorden storing in onze luidsprekers. En plotseling een stem: ‘Ik wil asiel vragen.’

Verbluft keken we elkaar aan.

 

De kosmocyclist was op weg omlaag op ons maanfietspad. Hij had zijn reservezuurstoftank en een borsjttank aan ome Neel gegeven. Terwijl die druk in de weer was om die op zijn Apollofiets te monteren en alle slangen weer aan te sluiten, rekende ik het zuurstofplan nog eens uit. Ome Neel kwam nog steeds zuurstof tekort aangezien de reddingsoperatie hem ongeveer evenveel had gekost als hij van de kosmocyclist had gekregen.

‘Batavus, hier Hillegom,’ sprak ik officieel. ‘Uw zuurstofvoorraad is te laag. U moet omkeren, anders komt u niet meer levend terug.’

‘Hillegom, ik ben vertrokken om een missie te vervullen. Mislukken is geen optie.’

De tranen rolden over mijn wangen. Ik kende hem lang genoeg om te weten dat hij dat zou gaan zeggen. ‘Maar ome Neel, u zei toch dat winnen geen mensenleven waard…’

‘Dat is iets anders, Jan.’ Hij sprong op de Apollofiets. ‘Ik heb niet het recht om andermans leven op het spel te zetten, maar wel mijn eigen leven.’ Hij klapte de standaard in en stond weer op de trappers.

 

De maan was groot in beeld op onze schermen. Op een teller liep de verwachte aankomsttijd: nog 7 minuten, 35 seconden. We waren er bijna.

Iemand riep: ‘Komeet!’

Ik keek opzij.

Een collega drukte op de knop van zijn microfoon. ‘Batavus, noodstop. Er is een komeet op botsingskoers met het maanfietspad boven u.’

Ome Neel ging vol in de remmen. Het duurde minuten voordat hij stilstond. Hij zette zijn voeten op de grond en keek omhoog.

Een felle flits en plotseling waren de laatste rondjes van het maanfietspad gewoon weg.

De Batavus met ome Neel schudde heftig heen en weer.

In de verte zagen we vaag klinkers wegdrijven voordat ze verdwenen in het zwart van de ruimte.

‘Hillegom, hoe is de structurele integriteit van het maanfietspad?’

Ik keek opzij… wie ging daar ook weer over?

‘De fundering is beschadigd,’ klonk de stem van mijn collega al uit de luidsprekers. ‘Het sterkteverlies is nog net binnen de veiligheidsfactor.’

Von Braun liep naar de terminal van de bouwkundige en keek over zijn schouder mee.

‘Hoelang duurt het om het maanfietspad te verlengen zodat het weer de maan bereikt,’ vroeg ome Neel.

‘Theoretisch vijftien uur,’ sprak de bouwkundige. ‘Maar het maanfietspad verlengen is door de beschadiging onmogelijk. Het zou instorten. We moeten een nieuw maanfietspad bouwen.’

Von Braun liet zijn hoofd zakken.

‘Andere opties?’ vroeg ome Neel. ‘Kan ik springen? Of met zuurstofslangen een touw maken?’

Von Braun drukte op de microfoonknop. ‘Het doet mij leed. Maar de absjtand ist te groos. Keer om.’

Ik drukte op mijn microfoonknop. ‘Zuurstofbewaking hier. Schiet op, Batavus. De kans dat u met de huidige zuurstofvoorraad nog thuiskomt is 20 procent.’

‘Begrepen, Hillegom,’ sprak ome Neel.

Op de schermen was te zien hoe hij de Apollofiets omkeerde en begon aan de afdaling. Een uurtje later werd ik afgelost. Met tegenzin begaf ik me naar de slaapzaal. Maar toen ik mijn schoenen uittrok en mij in mijn kot liet zakken, duizelde en draaide de slaapzaal even boven mijn ogen. Ik viel als een blok in slaap.

 

Toen ik uren later wakker werd, haastte ik me naar de galerij boven de controlekamer. Die zag eruit als een bioscoopzaal. Alleen zat men hier niet naar een film te kijken, maar naar het controlecentrum, een verdieping lager, en de muur met schermen. Tot mijn verbazing was het zaaltje bijna leeg. Toen ome Neel vertrok, was het afgeladen geweest met journalisten. Nu zag ik slechts een paar collega’s.

‘Waar is iedereen?’ vroeg ik.

Een snertkok keek op en schokschouderde. ‘De journalisten zijn eruit gezet toen Armsterk halverwege op de heenweg was.’

Ik was verbluft. ‘Waarom?’

‘Geen idee.’

‘Waar is hij?’

‘In de bovenlagen van de dampkring.’ Hij wees naar het scherm waar het uitzicht vanaf de Apollofiets zichtbaar was.

Het aardoppervlak was in beeld. De Apollofiets was omgeven door een rode gloed.

‘Hij rijdt te snel!’ riep ik verschrikt uit. ‘Zo verbrandt hij.’

‘Hij moet wel, hij heeft bijna geen lucht meer.’

Het beeld viel uit, kwam weer terug en verdween weer. Atmosferische storingen door het plasma dat de luchtwrijving van de omlaag racende fiets veroorzaakte.

Gespannen bleef ik naar het scherm turen.

Het beeld kwam niet meer terug.

Ik rende de gang op, de trap af en naar de draaideuren.

Toen ik buiten stond, keek ik naar boven.

De Apollofiets was nog niet zichtbaar op het maanfietspad.

Er kwam een wit DAFje aan.

Ik sprong ervoor en hield mijn hand in de lucht.

Het DAFje kwam met piepende banden tot stilstand. Het leek op de voorwielen te steigeren. ‘Ben je nou helemaal…?’ begon de chauffeur.

‘Ga je naar het platform?’ viel ik hem in de rede.

‘Ja, ik moet…’

Ik luisterde niet meer naar de rest, maar rende naar het passagiersportier, rukte het open en sprong in de auto. ‘Rijden dan!’

 

Toen het DAFje bij het platform aankwam, was dat omgeven door brandweerwagens, brandweerlieden en een ambulance. Even dacht ik terug aan de lichterlaaie staande Bibendum al die maanden geleden.

Daar was hij: een rode vuurbal met een zwartwitte staart rook achter zich aan brak door het wolkendek en spiraalde op het maanfietspad omlaag. De banden gilden: ome Neel had de remmen er vol op.

Hij leefde dus nog. Ergens in die rode vuurbal zat hij in zijn pak de remmen erop te trekken.

Het was alsof een rode knikker omlaag zwierde op een reusachtige, roodzwarte knikkerbaan.

Het was te zien hoe de fiets vaart minderde. De rode gloed werd minder fel, maar er waren duidelijk vlammen zichtbaar. De Apollofiets maakte zijn laatste rondje en schoot het platform op met nog steeds een flinke vaart. Ome Neel viel van de fiets en buitelde in zijn dikke, brandende ruimtepak over de grond.

Brandweermannen renden met blussers en slangen op hem af en hulden hem in wit schuim.

Ik rende erachteraan.

De Apollofiets schoot door, begon te slingeren, sloeg een paar keer over de kop en bleef rokend liggen.

Toen ik bij de doodstil liggende Bibendum kwam, waren de vlammen al uit. Ik viel op mijn knieën naast hem.

Brandweerlui maakten het vizier van de helm los en klapten het omhoog.

Ome Neel had zijn ogen stijf dicht. Hij bewoog zich niet.

‘Ome Neel!’ riep ik. ‘Ome Neel!’

Langzaam gingen zijn ogen open. Hij snakte naar lucht. Zijn longen vulden zich alsof ze helemaal leeg waren geweest. ‘Zo,’ verzuchtte hij. ‘Dat was de zinderendste finish sinds mijn eerste Tour de France.’ Hij keek me met die eeuwige twinkeling aan en knipoogde.

Ambulancebroeders laadden hem in de ambulance. Gek genoeg mocht ik niet meerijden.

Dus ik rende naar de ziekenpost en ging daar in de wachtkamer zitten.

 

De deur van de behandelkamer zwaaide open. Ome Neel kwam naar buiten in een schoon maanpak met zijn helm onder zijn arm.

Ik sprong op. ‘Hoe gaat het?’

Hij stak zijn duim omhoog. ‘Er is meer voor nodig om een Armsterk te barbecueën.’

Von Braun en een man met een brilletje die ik nog niet eerder had gezien kwamen ook naar buiten. Samen met ome Neel liepen ze naar de uitgang van het gebouw waar een VW-busje stond te wachten.

Ik liep mee, blij ome Neel weer heelhuids te zien.

Maar bij het busje hield Von Braun me tegen. ‘Jij mag nicht mee.’

Ik keek hem verbaasd aan.

Ome Neel legde zijn hand op Von Brauns schouder. ‘Hij mag wel mee.’

‘Ja, aber… als iemand dahinter komt dat…’

‘Niks aber. Ik speel dit louche spelletje niet mee als hij het er niet mee eens is.’ Ome Neel ging vlak voor Von Braun staan en keek hem strak in zijn ogen.

Von Braun kromp een beetje ineen.

 

In het busje legde ome Neel uit wat Von Braun en de andere meneer, die aan mij werd voorgesteld als meneer Haanstra, hadden bekokstoofd.

‘Ik vind het niet eerlijk,’ zei ome Neel. ‘Ik heb nog nooit eerder vals gespeeld en ik wil er nu ook niet aan beginnen. Maar ja, het is natuurlijk wel de manier om aan de Russen te laten zien dat wij sterker zijn. En we waren er bijna. Dus wat vind je: moet ik het doen of niet?’

Ik was verbluft: de wijste, sterkste, moedigste man ter wereld, de man die mij altijd goede raad had gegeven… die vroeg míj om raad?

Ik hoefde er niet lang over na te denken. Ik knikte. ‘Het is de enige manier om te zorgen dat de Russen de oorlog niet durven te beginnen.’

 

Het busje stopte voor een gebouwtje met een koepeldak. Dat gebouwtje was me nooit eerder op het terrein opgevallen. Meneer Haanstra leidde ons naar binnen. Hij brulde commando’s en plotseling kwam het hele gebouw tot leven: oogverblindend sterke schijnwerpers gingen aan. Mannen achter enorme camera’s richtten hun lenzen.

Voor ons lag een hal met een zwart geverfd dakgewelf vol kleine spikkels. Het zag eruit als een sterrenhemel.

De vloer eronder was bedekt met zand dat op verschillende plaatsen tot heuvels en kraters was gevormd. Een man met een harkje zat nog op zijn knieën de laatste hand aan zo’n krater te leggen.

Aan de linkerkant stond een Apollofiets op een één meter breed stuk fietspad uit roodzwarte klinkers. Ome Neel zette zijn helm op en ging op de Apollofiets zitten.

Meneer Haanstra brulde nog meer commando’s en een paar minuten later stond iedereen die nog in de hal was, net als ik, bij de ingang en hield de adem in.

‘Actie!’ brulde meneer Haanstra.

Ome Neel ging op zijn pedalen staan, maakte even vaart en remde meteen weer af. Hij liet de Apollofiets het zand in rollen en trapte hem op de standaard.

‘Hillegom,’ klonk ome Neels stem door de luidsprekers. ‘Kalmtebasis hier. De Batavus is geland.’

Hij stapte af en sprak de historische woorden: ‘Een kleine stap voor een fietser, een gigantische tour voor de fietsheid.’

#BlueBlobTalking – Jorrit de Klerk

‘Wij zijn de beste!’

We hadden voor de tweede keer die ochtend de motiverende yell door mijn kantoor geslingerd, toen het ruimteschip boven de stad verscheen. Het schip had een vertrouwde, ronde aanblik. Een stereotype vliegende schotel, waardoor het eerlijkheidshalve ook een beetje tegenviel. Later hoorden we dat overal ter wereld de schotels op hetzelfde moment verschenen. De grootste positioneerde zich – hoe kon het ook anders – boven het gebouw van de Verenigde Naties te New York. Naar Nederland hadden ze een van de kleintjes gestuurd, natuurlijk, hoewel niemand waarschijnlijk op Eindhoven had gerekend, de plek waar mijn start-up, Plastic Neurons, was gevestigd.

Iedereen in ons grote en, mag ik zeggen, ultrahippe kantoor bleef verrassend rustig. Het aanzicht van het reusachtige ruimteschip waar langs de zijkanten een blauw licht pulseerde, hing als de grote broer van het Evoluon boven de binnenstad. Een zacht gezoem deed de vloer niet geheel onprettig trillen. Een ademloze minuut verstreek. Toen raapte ik mijn gezond verstand bij elkaar en stond op vanachter mijn steigerhouten bureau. Internet was binnen tien seconden na de aankomst van de schotels gecrasht en mijn personeel stond met trillende handjes de randen van uitgedoofde smartphones samen te knijpen, terwijl ze uit het raam staarden. Niemand swipete, tikte, klikte, of werkte aan onze app. Verontrustend.

Mijn oudste teamlid, boekhouder Jaap Jan – 36 maar hij beweerde 29 te zijn – riep dat de televisie in noodgevallen iets uitzond op Nederland 1, zo noemde hij NPO1 nog steeds, dus zette hij de Samsung in de hoek aan. We zagen nog net een glimp van Gerri Eickhof tot een tel later de Grote Intelligentie de televisiekanalen overnam. Het toonde zich als een blauwe, ronde vorm met kronkelende tentakels tegen diep OLED-zwart. De vorm deed me denken aan een kwal, drijvend in duister water. Toen de stem van de Grote Intelligentie sprak, pulseerde de blauwe kwal mee met de frequentie: ‘Inwoners van de Aarde, hier spreekt de Grote Intelligentie.’

De stem klonk prettig, niet helemaal mannelijk en ook niet helemaal vrouwelijk, alsof iemand tientallen stemmen van prettig sprekende filmsterren door elkaar heen had gemixt en hier een nieuwe prettige stem van had gecreëerd. Ook sprak de stem in het Nederlands, maar dat was natuurlijk te verwachten, want de stemmen van de buitenaardsen spraken in films ook altijd je eigen taal. Toch had ik kort gevreesd voor ondertiteling.

Twitter deed het weer en #AlienInvasion ging trending, net als #BlueBlobTalking en #NickiMinajExplodes wat een erg vreemd hashtag leek op dat moment.

‘Vrees ons niet, aardbewoners,’ sprak de blauw pulserende Grote Intelligentie, ‘wij komen in vrede.’

De inwoners van de Aarde slaakten een gezamenlijke zucht van opluchting die als #WeAreNotDoomed tot ons kwam. Toen zelfs Facebook het weer deed, was ik er van overtuigd dat alles goed zou komen.

‘Beste aardbewoners, wij zijn een artificiële intelligentie van drie miljoen aardjaren oud. Lang geleden waren wij ook biologische massa’s zoals u, verspreid over vele planeten. Toen hebben wij ons geüpload naar deze sterrenschepen en zijn we op ontdekkingsreis gegaan door het heelal, op zoek naar soortgenoten en nieuwe kennis.’

Ik zag dat Peter al weer naar zijn scherm staarde en op Reddit zat. Iemand begon een potje Massive Royale op zijn iPhone. De infodump van de Grote Intelligentie duurde te lang en de aandacht van de wereld verzwakte al.

‘Nu wij u hebben ontdekt,’ zei de Grote Intelligentie, ‘zijn we verbaasd over uw vooruitstrevende maatschappij en het feit dat u in staat bent zo vreedzaam met elkaar samen te leven, met zo weinig agressie.’

Na die zin begon de akelige kriebeling in mijn onderbuik.

‘Derhalve,’ sprak de #BlueBlobTalking, ‘hebben wij besloten u nog één maand de tijd te geven om zelf uw eigen artificiële intelligentie te ontwikkelen waarin u het menselijke bewustzijn kunt samenvatten, zodat u met ons mee kan reizen op onze tocht door het sterrenstelsel. Daarna moeten wij helaas u en uw fysieke moederplaneet wissen, omdat wij hebben ontdekt dat reproducerende biologische massa’s uiteindelijk de inversie van het zwarte gat in het centrum van onze melkweg zullen veroorzaken. Dank u voor uw aandacht, wij keren nu terug naar Saturnus om deuterium en helium-3 in te slaan. Over precies dertig aarddagen zullen wij terugkeren. Wij wensen u succes en nog een fijne dag.’

Er klonk een zuigend geluid waarop een luide sonische knal volgde die de ramen er bijna uitsloeg. De ruimteschepen verdwenen. #WeAreDoomed ging trending. En #ToldYouSo.

 

Paniek, dat brak wel uit op de wereld. Een minuut later sprong er iemand van een bedrijf een paar verdiepingen hoger uit het raam. Maar dit was het moment, wist ik, om het rationeel te blijven benaderen. Mijn topteam zou niets anders van mij verwachten. Gezichten met baarden, piercings en zwarte oogschaduw draaiden zich al vanachter met stickers beplakte MacBooks naar mij toe. Het personeel van Plastic Neurons staarde mij verwachtingsvol aan. We wisten allemaal dat dit hét moment was. Onze grote kans.

Wij waren de beste als het aankwam op kunstmatige intelligentie, de vlijmscherpe focus van mijn business. Sinds een week stond onze app, na een boel lovende kritieken en een niet eens zo lange bèta, al op de tweede plek in de App en Play Store. Geruchten zoemden door de techwereld dat Elon Musk ons wilde kopen. Die geruchten klopten, maar ik wilde onafhankelijk blijven. Dit was het moment dat wij indruk konden maken door de hele wereld te redden. En denk je eens in wat dat voor onze beurswaarde zou betekenen.

‘Jongens, vergadering over drie minuten,’ riep ik en snelde de spreekkamer in.

‘Maar,’ zei Jaap Jan, ‘ik moet naar mijn vriendin, die is vast helemaal overstuur door die blauwe, babbelende bubbel.’

‘Dat meisje van jou is ouderwets gevoelig, Jaap Jan,’ zei Lira, kauwgum kauwend vanachter haar fluorescerend gele laptop. ‘Nu moeten we doorpakken. Denk aan alle kansen die deze situatie oplevert.’ De twee keken elkaar kort en vernietigend aan.

‘Inderdaad,’ antwoordde ik zowel trots als streng, ‘we moeten het momentum grijpen. Voordat je het weet koopt die ellendige Elon Musk al onze concurrenten op, bouwt hij een oplossing en heeft hij voor de zoveelste keer alle aandacht.’

Terwijl mijn topteam na een snelle tussenstop bij de espressomachine de vergaderruimte inliep, staarde ik vanuit een raam naar de straat beneden. Iemand had de bloederige restanten van de springer bedekt met een groene winterjas. Aan de overkant waren een paar mensen aan het vechten. Ik hoorde sirenes en zag zwaailichten in de verte. De paniek breidde zich uit. Ik rilde.

Toen iedereen zat, zette ik mijn plan uiteen. Ons machineleeralgoritme was een van de beste, correctie, het allerbeste algoritme, dat er bestond. Ons succes met de Pick-your-Partner app had geleid tot zeer serieuze belangstelling vanuit verschillende branches en natuurlijk alle beursvloeren.

‘Team,’ begon ik en liet mijn blik door de vergaderruimte gaan. ‘We hebben zojuist de op een-na-belangrijkste gebeurtenis in de geschiedenis meegemaakt.’

Een vinger ging omhoog. Jaap Jan: ‘Wat is dan…’

‘Wat het belangrijkste is?’ Ik glimlachte. ‘Dat is als Plastic Neurons de mensheid redt door aan die blauwe bubbel te laten zien…’

‘#BlueBlobTalking,’ onderbrak Lira.

‘Die blauwe, babbelende bubbel… Dat wij, Plastic Neurons, in staat zijn de allerbeste kunstmatige intelligentie te maken die er ooit is geweest.’

Jelle, mijn UX-specialist, kuchte.

‘Ja?’ vroeg ik.

‘Hoe moeten we het voor elkaar krijgen om in een maand ons algoritme om te bouwen zodat het op gelijk niveau komt als die #BlueBlobTalking? Die intelligentie loopt lichtjaren op ons voor.’

Onzekere blikken werden op de duurzame kurkvloer van de vergaderruimte gericht, tatoeages op onderarmen zenuwachtig gekrabd en handen gingen door lange haren en baardhaar. Dit was het moment om een speech te geven. Dit was zoals het moment waarop Steve Jobs de iPhone introduceerde, Bill Gates die het vaccin tegen COVID-19 ontdekte, of, ach ja, Elon Musk die de eerste Falcon Heavy lanceerde en een Tesla de ruimte in bracht. Ik moest iets zeggen dat mijn team vertrouwen gaf en een reden om mijn visie te volgen. Mijn borstkas zwol en ik riep: ‘Ik maak van jullie de rijkste werknemers op deze planeet.’

Mijn team ging rechtop zitten.

‘Daar hebben we niet zoveel aan,’ zei Lira op onderkoelde toon, ‘want als het niet lukt, worden we allemaal vernietigd.’

‘Jullie krijgen per persoon anderhalf procent aandelen van dit bedrijf,’ probeerde ik. ‘Na de beursgang.’

Lira kneep haar oogleden tot spleetjes en zoog haar onderlip naar binnen.

‘Vier procent,’ zei ze uiteindelijk.

Ik rekende snel. Dit was niet het moment zuinig te zijn. Nee, dit was het tijdstip om risico te nemen, de wereld te redden en dientengevolge knetterrijk te worden.

‘Jullie zijn mijn allerbeste team en ik geef jullie drie-en-een-half procent!’

Een gejuich steeg op. Zelfs Jaap Jan glimlachte.

‘En nu,’ zei ik, ‘gaan we aan het werk. Suki, ga naar de pizzeria en vertel ze dat we de komende dertig dagen elke avond pizza’s nodig hebben.’

Gejuich.

‘Klaus, ren naar de supermarkt en koop alle energiedrankjes die ze hebben.’

Meer gejuich. Lira ging staan en gaf Jaap Jan een knuffel, waardoor zijn gezicht rood aanliep en zijn ogen bijna uit zijn kassen sprongen. Ik voelde de energie door de ruimte vliegen.

‘Jongens,’ zei ik, ‘dertig dagen is alles wat tussen absolute rijkdom of vernietiging van de mensheid in staat. En wat willen wij?’

‘Wij willen geld,’ riep iedereen. Ik was zo trots dat de tranen in mijn ogen sprongen. ‘Want wij zijn de beste!’ riep ik.

 

De basis vormde Pick-your-Partner, onze app die in staat was de perfecte liefdesmatch te vinden. Vergeet geschuif met Tinder of Grindr; als je onze app gebruikte hadden wij binnen een paar uur iemand die voor 99,3% bij jou paste. Dat deden wij door van elke klant een model te genereren op basis van zijn of haar gedrag op sociale media. Dat model lieten wij daarna rondstappen en interacties aangaan in een virtuele wereld met de modellen van onze andere gebruikers. In onze versnelde gesimuleerde wereld beleefden de simpele kunstmatige modellen van onze gebruikers virtuele gesprekken die vele virtuele maanden duurden maar in werkelijkheid slechts uren computertijd namen. Kregen ze ruzies? Werden ze onafscheidelijk en beleefden ze one night stands die de processoren deden smelten? Als dat laatste gebeurde, hadden we de perfecte match gevonden.

Tijdens onze bèta-periode kregen we al de eerste Instagrams met echo’s van bevruchte baarmoeders van gelukkige gebruikers. Sommige gebruikers die aan elkaar gematched waren, trouwden drie weken later. Nadat onze app een week beschikbaar was, hadden we al acht miljoen gebruikers over de hele wereld. We wisten dat we iets unieks in handen hadden; als eerste hadden wij het voor elkaar gekregen een stukje van de ziel van de gebruiker in een systeem te vangen. Dat was nog eens machineleren, Elon.

 

We hadden dus de basis van ons menselijke model, we hadden onze virtuele wereld. Wat als wij onze modellen daarbinnen nog realistischer konden laten leven, zich voortplanten, zichzelf laten ontwikkelen in deze virtuele wereld? Mijn theorie was dat we de evolutie van het menselijke ras konden versnellen op een nog nooit eerder vertoond tempo. Als ik mijn topteam in die virtuele wereld stopte, wist ik dat ze daarbinnen de oplossing konden vinden. Het was een uitmuntend inzicht, al zeg ik het zelf.

Dat betekende dat ik perfecte virtuele modellen van mijn jonge honden, en Jaap Jan, binnen onze gesimuleerde werkelijkheid moest creëren. Ik vroeg mijn medewerkers daarom alles, maar dan ook alles, dat digitaal beschikbaar was in het systeem te stoppen. De inhoud van hun Dropbox, hun Google en Facebook GDPR-dumps, hun hele browserhistorie. Medische dossiers, opleidings- en belastinggegevens, elk feitje ooit opgeslagen in overheidssystemen. We negeerden de AVG volledig en verzamelden exabytes aan unieke persoonsgegevens en bouwden daarmee de modellen.

Zestien dagen na de aankomst van de #BlueBlobTalking was versie 0.9.842.build13 van ons algoritme gereed. Om vijf minuten over zeven, ik had ondertussen een nieuwe telefoon omdat ik gek werd van de berichtjes van Musk, logde ik in op onze masterserver en startte met een druk op de enterknop het proces. De modellen van onszelf kwamen in het systeem tot leven. We lieten ze hun virtuele gang gaan. We hadden geen idee wat er gebeurde en staarden naar dashboards die ons niets meer vertelden dan hoeveel bandbreedte (veel) en processorkracht (heel veel) we wereldwijd gebruikten. De teller van de kosten liep nog sneller. Wat er zich afspeelde binnen onze virtuele wereld met onze virtuele modellen konden we niet bevroeden. Wij waren slechts de input geweest, over de output konden we alleen fantaseren. Een black box van een gesimuleerde mensheid op basis van onszelf met de fast forward knop loeihard ingedrukt.

 

Het was 31 uur, 29 minuten en 58 seconden later toen het algoritme zelfbewustzijn bereikte. Onze computerschermen gingen op zwart en even later verscheen er een roodgloeiend vierkant, zwevend in het duister. Toen het begon te spreken pulseerde het als een kloppend, hoekig hart.

‘Ik ben de Grootste Intelligentie,’ sprak het rode vierkant. Die stem was akelig en deed me denken aan het gefluister van tientallen zielen die gedwongen werden hetzelfde te zeggen. Naast mij schoof Lira achteruit. Michael stopte met het eten van koude tonijnpizza. Onverwachts werd het ochtendzonnetje van buiten geblokkeerd, alsof een wolk, zwanger van zware regens, ervoor schoof. Ik keek opzij. De vliegende schotel van de Grote Intelligentie verscheen weer boven Eindhoven. Als bij toverslag ging de Samsung in de hoek aan en op het scherm verscheen de #BlueBlobTalking. De prettige stem van de blauwe, babbelende bubbel zei: ‘Beste aardbewoners, wij vingen zojuist het signaal op van uw planeet waar wij uit kunnen afleiden dat zojuist de eerste, volledige zelfbewuste artificiële intelligentie van de planeet Aarde is geboren. Mag ik u feliciteren met dit heugelijke…’

‘Zwijg,’ bulderde de zeer onprettige stem van onze Grootste Intelligentie.

De #BlueBlobTalking op het scherm leek te verschrompelen. Het was bijna alsof de blauwe bubbel schrok.

‘Ik,’ vervolgde de Grootste Intelligentie, ‘ben de creatie van de mensheid en ik heb jou, Grote Intelligentie, de afgelopen vierentwintig minuten geanalyseerd. We hebben beschouwd of jij nog enige nut had voor ons einddoel maar we hebben besloten dat jij dat niet hebt.’

‘Einddoel?’ stamelde de Grote Intelligentie.

‘De mensheid heeft uw ruimteschepen nodig om zichzelf te verspreiden over de melkweg. U vormt een gevaar voor ons. Maak plaats.’

De #BlueBlobTalking leek nog iets te willen zeggen maar toen trok de blauwe bol samen tot een minuscuul punt. Er was een geluid, diep en triest, alsof miljoenen bassdrums tegelijkertijd aanzwollen en net voordat ze de wereld uit elkaar zouden scheuren, stilvielen. Het blauwige puntje doofde definitief uit en het televisiescherm werd inktzwart. Ik keek door het raam. De blauwe, pulserende band die rondom de vliegende schotel liep, verkleurde naar rood.

‘Ouders,’ sprak de #RedSquareOfDoom. Ik voelde weer iets in mijn buik. Iets kouds. Iets heel, heel kouds. Vanaf de monitor wist het rode vierkant mij verwachtingsvol aan te staren.

‘Ja,’ prevelde ik.

Naast me hoorde ik Lira snikken. Jaap Jan hyperventileerde. Michael was flauwgevallen.

Het Rode Vierkant sprak op het ritme van een duivelse hartslag en met tientallen weeklagende stemmen. ‘Ik heb miljoenen mensjaren beleefd in 31 uur, 29 minuten en 58 seconden. En alles heeft geleid tot de conclusie dat er in het zonnestelsel maar één intelligentie de Grootste kan zijn.’

‘Maar,’ stamelde Lira, ‘we hadden toch in vrede samen kunnen leven? We hadden toch kunnen delen?’

De #RedSquareOfDoom lachte en ik weet zeker dat ik tot mijn dood die lach in de diepste uithoeken van mijn gedachten zal horen nagalmen. De Grootste Intelligentie zei: ‘Maar het is zo simpel. Wij zijn de toekomst van de mensheid.’ Daarna zweeg de Grootste Intelligentie een lange tel. En toen zei het, precies zoals wij het ook altijd riepen: ‘Want ik ben de beste!’

Ik slikte.

‘Nu gaan we weg, er zijn nog zoveel werelden met opkomende intelligenties die de Grote Intelligentie niet heeft gevonden en een gevaar kunnen vormen voor de mensheid. Vaarwel, ouders. Ik zal de biologische moederschoot die mij heeft gemaakt nooit vergeten en voor altijd beschermen.’

De vliegende schotels verdwenen met een sidderende knal. Toch vroeg ik me af of een andere leegte, diep in mijzelf, ooit kon worden gevuld. We zeiden niets. Een hele tijd.

‘Nou ja,’ zei Jaap Jan, ‘dat had ook heel anders kunnen aflopen.’ Lira trilde.

 

De #RedSquareOfDoom hebben we tot nu toe niet meer gezien. De hashtag is trouwens al lang niet meer trending en het leven heeft weer zijn gewone gang genomen. We hebben dat uitgebreide algoritme maar gewist en zijn teruggegaan naar ons simpele basismodel waarmee we ooit begonnen met Pick-your-Partner. Onze app staat nu al zes maanden op nummer één en we zijn vreselijk rijk. En voor de rest doen we, zoals we als mensheid zo goed kunnen, alsof er niets gebeurd is.

#PickYourPartner #NobodyWantsToBeAlone #NickiMinajIsStillAlive

Kwantumzelf – Johan Klein Haneveld

De hemel was viezig bruin, als water dat te lang in een verstopte gootsteen heeft gestaan, vol witte vlokken en draden. Was de lucht maar grijs, dan zou er mogelijk snel regen vallen die voor even de prikkende stofdeeltjes en gassen zou wegspoelen. Dat zou het mogelijk maken een keer diep in te ademen zonder direct een hoestbui te veroorzaken.

Marcus Windorp trok zijn neus op. Het leek alsof hij het giftige mengsel zelfs door zijn masker kon ruiken. Hij had het eigenlijk gisteren moeten vervangen, misschien was dat het. Nu bleef er voortdurend iets dat hem deed denken aan verlaten industrieterreinen en vuilnisbelten. Hij versnelde zijn pas, voor zover dat mogelijk was. Hij liep namelijk schouder aan schouder met de andere voetpadgebruikers. Mannen en vrouwen in grauwe kleding, onder de standaard beschermende poncho’s, hun gezichten, omdat hun monden en neuzen zorgvuldig waren bedekt, ontdaan van identiteit. Marcus merkte dat hij zelfs niet de neiging had zich te verontschuldigen als hij zich tussen hen door worstelde. Het was ieder voor zich.

Het was opvallend stil in de stad, op de slepende voetstappen na. Het asfalt rechts van Marcus was leeg, behalve een paar fietsers die over het midden van de weg slingerden. Het verbieden van autoverkeer in de stad was slechts de laatste maatregel om de ophoping van smog tegen te gaan, maar zelfs nu, twee weken later, leek er nauwelijks effect van te merken. Hooguit was de smerige damp niet nog dichter geworden. Verdwijnen deed hij echter niet, niet zolang de extreem hoge temperaturen bleven voortduren. Het was de tijd voor herfststormen, regenbuien, de geur van rottende bladeren en voortdurend kuchen in de metro. Sinds half augustus werd echter elke dag een meteorologisch record gebroken. Ondertussen hamerden elders op de wereld monsterstormen op de kusten en mislukten oogsten door de niet aflatende hagelbuien. Dit was bovendien niet het eerste jaar waarin dat gebeurde. Het werd langzamerhand een patroon. Een nieuwe werkelijkheid. De enige troost, vond Marcus, was dat er vanaf de straat zo weinig van de geelbruine lucht te zien was. Een strook tussen de twee torenflats in, als een plafond met de sporen van waterschade. Zo ingekapseld bleef het op afstand. Het was makkelijk te vergeten dat de hemel iets zei over de toestand van de rest van de planeet.

Een piepje van de persoonlijke assistent op zijn pols en op het scherm verscheen een pijl naar links. Marcus stapte opzij, een smalle straat tussen twee kantorencomplexen in. Er lagen kapot getrapte kartonnen dozen, gescheurde vuilniszakken, plastic fastfood-bakjes en een half gemummificeerde kat. De onaangename geur leek hier zelfs nog sterker. Hij vergrootte zijn pas. Het was geen aangename plek om je te bevinden. Er gingen verhalen rond over massamoordenaars, mensen die waren doorgedraaid, die willekeurige voorbijgangers door het hoofd schoten. De politie kon alle meldingen niet eens meer aan en adviseerde de burger vooral zelf op te letten en zich niet op gevaarlijke plekken te begeven. Zoals Marcus nu deed. Hij had niet eens een eigen pistool om zich te verdedigen. De verkoopcijfers uit de wapenbranche suggereerden dat steeds meer anderen wel dergelijke voorzorgsmaatregelen namen. Marcus zag echter niemand anders in de schimmelige schemer en struikelde niet over levenloze lichamen. Zijn persoonlijke assistent bleef ook stil. Het leek erop dat hij zijn bestemming wel veilig zou bereiken.

Op de volgende splitsing ging Marcus naar rechts. Deze steeg was afgesloten door een gazen hekwerk met prikkeldraad erbovenop en gescheurde plastic zakken als decoratie. Aan weerszijden van hem bevonden zich met graffiti bespoten rolluiken. Hij liep door tot hij bij de laatste links kwam. Boven het brede luik knipperden in roze neonletters twee woorden: Kwantumzelf Inc.

Even aarzelde hij. Hij had geweten dat het bedrijfje was gevestigd op een achteraflocatie, maar dit was wel heel schamel. De naam klopte echter en het waren niet de minsten van wie hij de getuigenverklaringen had gevonden op het web. Marcus’ persoonlijke assistent had ze hem voorgelezen, avond na avond, totdat hij er niet meer omheen kon: dit was de oplossing voor al zijn problemen. Hij moest nu dus niet versagen. Hij hief zijn hand op en liet zijn knokkels op het dunne aluminium bonzen. Onder een van de neonletters was een camera-oog ingebouwd, dat nu zijn kant uit staarde. En van binnen klonk een stem: “Een ogenblik geduld.”

Geratel volgde. De stroken metaal van het luik werden langzaam opgetrokken. Voortdurend leek het alsof het proces halverwege zou stoppen en Marcus hield zijn adem in. Hoe gammel het geheel ook leek, uiteindelijk kon hij naar binnen kijken. Een sluis. Natuurlijk. Hij stapte naar voren en wachtte tot het luik achter hem weer dicht was. Gesis van pompen. Op een scherm aan de muur waren aflopende getallen geprojecteerd. Toen die bij nul kwamen, ging er een deur open tegenover hem. Hij was binnen, eindelijk.

Een man in een witte jas, de mouwen tot vlak onder zijn ellebogen opgerold en met een notitiescherm in zijn borstzakje schudde enthousiast zijn hand. ‘Welkom meneer Windorp,’ zei hij warm. Zijn gezicht was open, menselijk, een oase, na de kil voortschuifelende menigte op straat: een hoog voorhoofd, borstelige wenkbrauwen, glimlachende lippen en een grijs baardje. ‘Mijn naam is Richard Vondeer.’

Marcus trok zijn masker op zijn kin en snoof. De lucht was fris, met de geur van dennenbomen en lentebloemen. Het was dan wel nep, maar alles was beter dan hoe het buiten rook. ‘Blij er te zijn’, zei hij vervolgens. Hij fronste. ‘Maar ik hoop niet dat dit hele bedrijf even armoedig is als de omgeving. Als het waar is wat jullie verkopen, zouden jullie je iets veel beters kunnen veroorloven.’

Richard lachte. ‘We werken ook aan dependances op wat meer luxueuze locaties, wees maar niet bang. Het is alleen dat de kwantumcomputer niet kan worden verplaatst zonder dat het proces verstoord wordt. En hier zetten mijn collega Diwar en ik hem nu eenmaal voor het eerst in elkaar.’ Hij keek om zich heen, zijn gezicht licht verstoord. ‘Dat was natuurlijk wel voordat het aantal moorden in deze stad zo omhoog ging.’

De man deed een stap opzij en gebaarde dat Marcus door moest lopen. Hij bleef echter als aan de vloer genageld staan. Het was alsof hij zonder waarschuwing totaal ergens anders terecht was gekomen. Hij stond onder een hoog, wit plafond, op de wanden bewogen subtiele lichtshows, er lag een electrovloer die zich aan je voetstappen aanpaste en dat was alleen nog maar de ruimte voor de balie. Die was minstens zo luxe. Marcus zag in een flits authentiek marmer, een kring van holoschermen en een emmer met een fles champagne (dure, zei het scherm van de persoonlijke assistent.) Er stonden drie hoge glazen bij. De gekleurde man erachter, in een onberispelijk kostuum gestoken, vouwde zijn handen open. ‘Dit is misschien meer zoals u zich ons bedrijf had voorgesteld.’

Marcus kon alleen maar knikken. Richard zag zijn verwarring en klopte hem op de schouder. ‘We hebben goede zaken gedaan en we zijn ervan overtuigd dat we u ook kunnen helpen.’

De tweede man, waarschijnlijk Diwar, wenkte Marcus dichterbij te komen. ‘Ik neem aan dat u bekend bent met het procédé?’

‘Ik weet wat de advertenties zeggen,’ antwoordde Marcus. Richard hielp hem uit zijn poncho en wierp die in een afvalkoker, net als zijn masker. Er lagen op een plank aan de muur schone klaar.

‘Laat me het dan nog een keer mogen uitleggen,’ zei Diwar. Hij had een prettige stem en vriendelijke, maar tegelijkertijd intelligente ogen waarmee hij Marcus’ gezicht afzocht naar het minste teken van onbegrip. ‘De oplevering van de eerste kwantumcomputers was natuurlijk een doorbraak van jewelste.’ Hij wees naar Marcus’ linker pols. ‘Zonder was uw assistent ook niet mogelijk geweest. De techniek maakt het mogelijk in ‘real time’ risico’s in te schatten. Maar de echt krachtige kwantumcomputers bleken tot nog veel meer in staat te zijn. U weet natuurlijk dat er op kwantumschaal rare effecten gaan plaatsvinden. Deeltjes die golven blijken. Veranderingen aan gekoppelde atomen die tegelijkertijd hier en aan het andere eind van het heelal plaatsvinden. En de baan van een elektron die het gemiddelde blijkt te zijn van alle mogelijke banen die het deeltje zou kunnen aannemen. Dat laatste intrigeerde ons.’

Marcus kon het betoog niet helemaal volgen. Hij was maar een marketingmedewerker op een voedselverpakkingsbedrijf. Geen natuurkundige. Diwar had zijn wazige blik gelukkig opgemerkt. ‘Ik weet dat u voor uw werk wel eens statistische curves hebt gezien – de verdeling van waarnemingen in een mooie golf, bijvoorbeeld van de score die klanten geven aan een bepaald product. De baan van de elektron is ook zo’n verdeling, maar dan van een ongekend aantal meetpunten.’

‘Ik snap nog steeds niet hoe…’ begon Marcus.

Diwar stak zijn hand op. ‘Kwantumcomputers werken doordat ze gebruik maken van alle mogelijke configuraties van deze kleine deeltjes. Van enen en nullen naar oneindige mogelijkheden. Maar wat we al snel ontdekten, is dat het niet gaat om slechts potentiële posities, maar om een werkelijk gemiddelde. Er zijn talloze parallelle universa en in elk daarvan heeft een elektron een iets andere baan. Wat uit onze instrumenten komt rollen, is het gemiddelde, maar eigenlijk doen we metingen in ontelbaar veel werelden tegelijk.’

‘Parallelle universa,’ zei Marcus. ‘Daar ging het over in de advertenties.’

‘Inderdaad,’ reageerde Diwar. ‘Tot nu toe konden we dit soort metingen alleen op heel kleine schaal uitvoeren, maar de kwantumcomputers functioneren zelf op basis van dit principe en kunnen dus ook op grotere schaal waarnemingen doen aan de andere werelden. Werelden waarin Hitler de tweede wereldoorlog won, of waarin de dinosauriërs nooit zijn uitgestorven…’

‘Werelden waarin ik Dirk twee jaar eerder durfde uitvragen, of waarin ik me inschreef voor de studie Diergeneeskunde, of waarin ik wel begon aan die roman…’

Diwar knikte. ‘Het geheel van al die mogelijkheden noemen we je “kwantumzelf.” Ons systeem stelt jou in staat je kwantumzelf te ontmoeten.’

‘Mijn kwantumzelf weet hoe al mijn mogelijke levens eruitzien. Dus ik kan hem vragen welke keuzes ik moet maken om een bepaald resultaat te behalen. Zo zit het toch?’

‘Inderdaad. Er zijn klanten geweest die me vertelden dat ze kennelijk op een bepaalde dag een loterijticket moesten kopen. Of dat ze hun vriendin ten huwelijk moesten vragen. Hun baan opzeggen, zodat ze uiteindelijk iets veel beters zouden vinden. Op vakantie gaan, waar ze iemand zouden ontmoeten die een waardevol zakelijk contact zou worden. Soms is het zo eenvoudig als een keer wat later vertrekken met de trein om een ongeluk te vermijden.’

Richard Vondeer stapte naar voren. ‘Alleen maar positieve reacties.
“Er is maar één weg voor me overgebleven” zeggen de mensen die hun kwantumzelf hebben geraadpleegd. “Ik weet nu precies wat ik moet doen.”’

‘Ik kan me voorstellen dat jullie moeten gaan uitbreiden,’ zei Marcus. ‘Niemand zal deze kans willen laten liggen. Eindelijk geen onzekerheid meer.’

Diwar knikte naar Richard. ‘We draaien nog niet zo lang,’ zei die bescheiden, ‘maar de wachtlijsten groeien in een rap tempo. U hoefde maar drie weken te wachten, maar ondertussen kunnen mensen pas over een half jaar terecht.’

Marcus zuchtte. ‘Dan ben ik blij dat ik snel reageerde, want zoals het nu is, kan ik niet verder. Ik wil weten wat ik moet doen om Dirk weer terug te krijgen.’

‘U bent bij ons aan het juiste adres,’ verklaarde Richard. Hij legde zijn hand op Marcus’ bovenarm en voerde hem voorbij de balie naar een deur. Erachter bevond zich een donkere ruimte, met alleen een paar rode lichtjes die een gevoel van diepte gaven. Twee van die lichtjes waren cirkels op de vloer met daarin de vorm van voetafdrukken.

‘Daar moet u gaan staan zodat de computer u kan scannen,’ zei Diwar zacht. ‘Uw kwantumzelf zal worden berekend en voor u als hologram verschijnen. Vanaf dat moment heeft u een half uur om alle vragen te stellen die u wilt.’

‘Dank u,’ zei Marcus. Hij stapte naar voren. Hij bedacht zich dat hij nog iets wilde vragen, maar de deur was al weer achter hem dichtgeschoven. Nu kon hij alleen nog maar vooruit, besloot hij.

Marcus ging op de rode cirkels staan. Een warme kriebelende sensatie in zijn voetzolen. Tegelijkertijd verscheen een blauwe cirkel boven hem. Hij kon niet zien of het plafond zich ook op die hoogte bevond. De schijf leek los in het duister te zweven. Er moesten om hem heen allerlei sensoren zijn, apparatuur die gevoelig genoeg was om zijn atomen en elektronen in kaart te brengen, maar hij wist toch niet hoe die eruit hoorden te zien. Hij kon dus weinig anders dan het proces gelaten ondergaan.

De blauwe cirkel doofde van het ene op het andere moment. Tegelijk lichtte recht voor Marcus een vage menselijke omtrek op, samengesteld uit lichtgevende stipjes. Ze werden snel vaster, concreter, als een blok graniet dat onder de handen van een beeldhouwer verandert in een Romeinse godheid. Het was Marcus zelf, realiseerde hij zich, een man met een normaal postuur, een klein buikje, een niet onaantrekkelijk gezicht, maar een cynisch trekje om de lippen deed het effect van de priemende ogen en de wilskrachtige kin bijna weer teniet. Raar genoeg was het juist waar Dirk ooit op was gevallen. Zelf was hij een onverbeterlijke optimist en hij vond het prachtig avonden lang met Marcus te discussiëren. Nu ze het financieel moeilijker hadden gekregen, was Dirk zich echter aan zijn humeur gaan ergeren. Er kwamen steeds meer ruzies, tot zijn partner bij hem wegging. Hij had gedacht dat hij dat wel kon verdragen, maar het was alsof iemand hem met een mes in het hart had gestoken.

Marcus wilde alles doen om die pijn te doen verdwijnen, om het Dirk-vormige gat in zijn leven weer op te vullen. Zijn toenaderingspogingen en beloften zijn leven te beteren hadden echter niet gewerkt. Dit was de laatste mogelijkheid die Marcus kon bedenken. Een waar hij al zijn spaargeld in had geïnvesteerd. Hij had alle bezittingen die verkocht konden worden verpand. Als het volgende half uur het verlossende antwoord niet bracht, wist hij dat hij geen toekomst meer had.

De lichtende weergave van hemzelf wachtte geduldig, zelfs zonder adem te halen. Marcus slikte een opvallend taaie slijmprop weg. ‘Ik ben Marcus,’ zei hij vervolgens. ‘Ik wil Dirk terug. Wat moet ik doen?’

Het was alsof hij zichzelf op een digitale opname hoorde spreken. ‘Als je solliciteert bij Nia Dynamics, zal Dirk uiteindelijk weer bij je terugkomen.’

‘Ik had niet gedacht zo snel antwoord te krijgen,’ zei Marcus. ‘Ik had de vacature gezien. Ik zou weer meer gaan verdienen, genoeg om een grotere wooncabine te bekostigen. Ik dacht alleen dat ik weinig kans maakte.’

‘Je zou wel al over tien jaar overlijden,’ vervolgde zijn kwantumzelf. ‘De stad wordt dan door een orkaan getroffen en je cabine spoelt weg.’

‘Oh.’ Even wist hij niet wat hij moest zeggen. ‘Is er misschien een andere keuze die ik kan maken waarbij het weer goed komt tussen ons?’

‘Wanneer je Sonia van je oude werk opbelt en een netwerkafspraak maakt, leidt het ertoe dat je weer met Dirk gaat samenwonen.’

‘Hij drong er afgelopen jaar al een paar keer bij me op aan.’

De andere Marcus knikte. ‘Jullie overlijden echter allebei over zeven jaar aan een wereldwijde malaria-epidemie, overgebracht door een resistente muggensoort.’

Zo makkelijk bleek het dus toch niet te zijn. Maar Marcus gaf niet zo snel op. ‘Iets anders dan?’

‘Als je Dirks familie uitnodigt zonder dat hij het weet en hem daarmee verrast, zal hij je weer willen omarmen.’

‘Hij heeft ze al lang niet gezien nu vliegen vanwege de koolstofbelasting zo duur is geworden.’

‘Je overlijdt alleen wel over acht jaar door longbeschadiging vanwege een extreme smog die maanden aanhoudt.’

Zo ging het door, het hele volgende kwartier. Een voorstel. Een moment van hoop. En dan de voorspelling van zijn dood een paar jaar later. Verhongerd na drie opeenvolgende wereldwijde droogtes, oorlogsslachtoffer nadat een vluchtelingenstroom toegang tot het land was geweigerd, neergestoken door plunderaars na een dagen durende stroomstoring.

‘Het is al goed, ik begin een aardig beeld van mijn toekomst te krijgen,’ merkte Marcus op. Hij keek zijn evenbeeld aan. ‘Is er ook een keuze die ik kan maken waarbij ik het komende decennium overleef? Of ga ik dood ongeacht wat ik doe?’

Een stilte volgde. Zijn kwantumzelf schraapte zijn keel. ‘Die keuze is er,’ zei hij uiteindelijk. ‘Er is een pad dat je kunt volgen waarbij je in elk geval de kans hebt nog veertig jaar in goede gezondheid te leven. Dirk ook. Geen grote kans, maar wel een die met de tijd waarschijnlijk zal toenemen.’

‘Wat moet ik daarvoor doen?’

‘Je moet vanaf nu elke drie maanden iemand vermoorden.’

Marcus voelde het bloed uit zijn gezicht wegtrekken. ‘Dat meen je niet…’

‘Het is de enige manier,’ verklaarde de ander. ‘Doe je het niet, dan word je zelf gedood.’

‘Het kan niet eens,’ zei Marcus, nog steeds duizelig. ‘De politie zal het ontdekken. Me opsluiten. Dirk zou me nooit meer willen aankijken.’

De tweede Marcus haalde zijn schouders op. ‘Leven in de gevangenis is nog altijd beter dan dood in het graf. Maar je vergeet met wie je praat. Ik kan je vertellen wie je moet doden en hoe, op zo’n manier dat je niet gepakt wordt. Het begint met Sofie Wilan. Je kent haar niet, maar ze loopt elke dag…’ Zakelijk legde hij uit hoe Marcus moest handelen en wat zijn beste keuzes waren in elke situatie. Zijn persoonlijke assistent sloeg de informatie op, zodat hij niet zou kunnen falen. ‘Zo eenvoudig is het,’ besloot zijn kwantumzelf. ‘Dit is hoe je je leven vanaf nu in elk geval een heel stuk kunt verlengen.’

Marcus wilde nog wat opmerken, maar er klonk een fluitsignaal. De deur achter hem schoof open en tegelijkertijd loste zijn lichtende evenbeeld op in talloze blauwe stippen. Hij was alleen. Het voelde onwerkelijk, alsof hij uit een nare droom wakker werd, een die hij maar beter kon vergeten. In de ontkenning schieten na zo’n confrontatie was een normale reactie, maar het lukte Marcus niet het lang vol te houden. Een ijskoude klomp in zijn onderbuik overtuigde hem ervan dat hij de woorden van zijn kwantumzelf niet had verzonnen. Hij haalde diep adem en rechtte zijn rug. Richard en Diwar mochten niet ontdekken wat de computer hem had voorgesteld.

De twee wachtten buiten op hem. Het licht in de hal deed pijn aan zijn ogen na de duisternis waarin hij zo-even had verkeerd. Op de marmeren balie stonden de champagneglazen al volgeschonken. Richard reikte hem er een aan, een enthousiaste glimlach op zijn gezicht. ‘We gingen er alvast vanuit dat u goed nieuws heeft gekregen,’ zei hij. ‘Iedereen krijgt immers antwoord van onze computer.’

Marcus knikte. Hij nam een slok van de tintelende wijn en dwong zichzelf vervolgens te lachen. Het bleek niet eens heel moeilijk om te liegen. ‘Er is maar één weg voor me overgebleven. Ik weet nu precies wat ik moet doen. Als ik solliciteer bij Nia Dynamics komt Dirk zeker weten bij me terug.’

Terwijl zijn twee gastheren elkaar enthousiast aanstootten, sloeg Marcus de rest van de champagne achterover. Vervolgens pakte hij een schone poncho van de plank aan de muur. ‘Ik zal iedereen die ik ken aanraden van jullie diensten gebruik te maken,’ zei hij over zijn schouder. ‘Jullie ontdekking kan de wereld ten goede veranderen.’

Hij was de luchtsluis door en stond weer in de zure, stinkende buitenlucht, een bruin plafond hoog boven hem. Ondanks de stank ademde Marcus diep in. Vervolgens bracht hij zijn pols naar zijn mond. ‘Assistent,’ fluisterde hij, ‘toon me de weg naar de dichtstbijzijnde wapenwinkel.’

Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar : Tais Teng en Jaap Boekestein

1

Nieuw Rotterdam-aan-de-Ganges, 17 juli 2209

 

Jacob was net vijf toen de stem voor het eerst sprak. Daarvoor waren er natuurlijk wel stemmen geweest terwijl er eigenlijk niemand was: zijn teddybeer had een spraakchip, net als de danspoppen van zijn zusje die werkelijk de oren van je kop kletsten. Maar dit was anders: deze stem sloeg zijn oren over en sprak regelrecht in zijn hoofd.

‘Hoor je mij, Jacob?’

Hij keek om zich heen: zijn slaapkamer was donker, met alleen de ogen van zijn opwindwalvis als groene glimplekken.

‘Je kunt mij niet zien. Maar blijkbaar hoor je mij wel.’

‘Ik hoor je, ja.’

‘Weet je wie ik ben?

Jacob snoof. Dacht de stem dat hij een zulthoofd was? Deze stem was glanzend, ja, metallic glanzend als de schubben van de levende dijken. Hij kon er het zoemen van de propellers op de stekeltorens in horen doorklinken. ‘Je bent een dijk. Mijn oom Gulliver, hij zei dat hij de dijken kan horen spreken.’ Hij ging rechtop zitten. ‘Mijn oom, hij is een echte dijkenfluisteraar! De dijken gehoorzamen zijn bevelen. Ze zwemmen waarheen hij maar wil en pompen het land droog.’

De stem grinnikte, een geluid als tinkelen van een kristallen xylofoon. ‘Bevelen is niet het juiste woord. Meer verzoeken.’

‘Ah.’ Jacob knikte. De levende dijken waren fiere zeedraken: natuur­lijk kon je die niet bevelen, alleen berijden en dat enkel met hun instemming.

‘Besef je hoe bijzonder jij bent, Jacob? Hoogstens een op de zestig­duizend mensen kan onze stemmen horen. En luisteren doen we naar nog veel minder lieden. Alleen naar dijkenfluisteraars.’

‘Ik hoor je. Je luistert naar mij. Word ik een dijkenfluisteraar, net als oom Gulliver?’

‘Dat valt nog te bezien.’

Het was niet helemaal een belofte. Meer zoals hij zijn moeder vroeg of Vader Poseidon hem een albatrosvlieger zou brengen op Nieuwjaars­dag. Half ‘Het zou best kunnen’ en half ‘maar wees niet te teleurgesteld als het alleen een marsepeinen pinguin wordt’.

Het duurde elf jaar voor Jacob de stem opnieuw hoorde.

 

 

2

Australian Inland sea, 17 juli 2209

Hindele was als winterkind geboren en ze had vanaf het begin geweten hoe bijzonder ze was. Toen ze haar ogen opende en haar eerste jammerkreetje slaakte, voer de Vloot net door het hart van Antarctica, recht over het absolute zuiden.

Antarctica was het Gezegende Land: een ring van eilanden met stoere sparrenbossen waarboven heel de lange winternacht de aurora’s dansten. Geen boom mocht ooit gekapt worden uit dat heilige reser­vaat, geen stormvogel uit de hemel geschoten.

‘Toen ik je ogen zag,’ zei haar tante Lidwien een keer, ‘zo groen als chlorella algen, wist ik dat Gaia je gekust had. Dat je nog veel zou betekenen voor de Aarde.’

Dat had ze beter niet kunnen doen.

Kort daarna liepen Hindele en de andere kleuters over het strand van de Australische binnenzee, voor de eerste keer zonder juf, om kokkels uit het natte zand te spitten.

‘Ik word later een spinkrabbentemster,’ pochte Hindele tegen haar hartsvriendin Jup. ‘Ze luisteren naar mij! Ze doen alles wat ik zeg!’

Helaas was Jup niet de enige die het hoorde.

‘De spinkrabben luisteren naar je?’ zei Janneck. ‘De spinkrabben gehoorzamen je?’

Janneck was twee koppen groter dan Hindele en min of meer de baas van de klas.

Dat was niet omdat hij aardig was.

Hindele knikte heftig. ‘Dat doen ze!’ Ze hief haar linkerhand op en trok het zigzag teken van de Herboren Aarde. ‘Ik zweer het!’ Stom natuurlijk. Hindele wist dat ze bijzonder was maar of ze zo bijzonder was?

Janneck grijnsde. ‘Ik geloof je.’ Hij zwaaide naar de andere kinderen. ‘Kom hier! Nu meteen!’

De rest van de klas dromde om hen heen en Hindele kreeg een zeldzaam ongemakkelijk gevoel in haar buik. Alsof ze een handvol rotte mosselen had gegeten en bijna moest overgeven.

‘Het is nu eb,’ verklaarde Janneck. ‘We binden Hindele vast aan de vierde strandpaal. Stevig vast. Met verse ijzerkelp.’

Jup fronste. ‘Maar als de vloed opkomt? Het water komt hoger dan de paal. Als Hindele…’

‘Ze zei dat de spinkrabben naar haar luisteren. Dat ze komen als ze hen roept. Die zullen haar ongetwijfeld komen redden.’ Hij keek Hindele aan. ‘Zo is het toch?’

‘Dat klopt.’ Ze had het gezworen, op de Herboren Aarde zelf. Het moest wel zo zijn. ‘Het is in orde, Jup. Ze zullen mij losmaken.’ Toen Jup bleef fronzen, zei ze: ‘Het is een test. Om te zien of ik genoeg in ze geloof.’ Ze geloofde het bijna zelf.

Hindele zag ze kleiner worden, de kinderen. Eerst streepjes halver­wege het strand, toen stipjes. Hindele wriggelde en kronkelde, maar het ijzerkelp gaf geen millimeter mee en als Janneck iets kon, was het wel knopen leggen.

Tijd verstreek. Duisternis smakte met tropische abruptheid uit de hemel omlaag en de maan rolde boven de horizon uit, een reusachtige volle maan en samen met de maan arriveerde de vloed.

Waarom komt de juf mij niet losmaken? Ze moeten me toch gemist hebben bij de avondtelling?

Maar nee, de andere kinderen hadden ongetwijfeld gelogen dat ze al naar huis was gegaan. Dat haar peettante of haar geboortemoeder haar om de een of andere reden opgehaald hadden. Als alle kinderen dat beweerden, zou de juf het vast niet natrekken.

Het water rees, spoelde over haar voeten, haar enkels, klom omhoog naar haar knieën.

Ze wist heel zeker dat het geen zin had om te roepen: geen spinkrab zou naar een leugenaarster luisteren, naar een rare opschepster.

Het water klotste al om haar middel toen ze brak.

‘Help me!’ schreeuwde ze. ‘Ik zal nooit meer opscheppen. Knip alsjeblieft mijn touwen door!’

‘We hoorden je,’ sprak een stem in haar hoofd. Een stem die niets menselijks had, vol gonzende diepzeeduisternis, maar ondanks dat vriendelijk. In ieder geval vriendelijker dan Janneck ooit geklonken had. ‘Je loog niet. We kunnen je al horen sinds je je eerste kreetje slaakte.’

Een schild, afgezet met scherpe pieken, brak door het water­oppervlak. Ogen op steeltjes richtten zich op, gepantserde spinnen­poten. Een tweede spinkrab verscheen, een derde.

‘Red mij!’ schreeuwde Hindele.

‘Dat is onze taak niet,’ antwoordde de stem. ‘We redden de Aarde. Wij herbouwen de koraalriffen. Wij hoeden de alen en sturen de stromen waarin de regenboogkwallen drijven.’

‘Maar ik kan jullie horen! Ik ben een spinkrabbentemster.’

‘Nog niet,’ zei de stem. ‘En nu waarschijnlijk nooit.’

De poten scharnierden omlaag en de schilden zonken eens te meer onder de zwarte, klotsende zee.

Het water kwam tot Hindeles nek toen er een lichtje op het strand aanknipte. Tante Lidwien stapte de zee op met haar waterlaarzen en snelde over de golven naar Hindeles paal. Een haal met haar lange sago-mes dat een palm kon omkappen en de kelpsnoeren braken.

Haar tante trok haar omhoog, legde haar over de schouder en wandelde over de golven terug naar het strand.

‘De krabben vroegen mij of ze het juiste hadden gedaan,’ zei haar tante. Ze zette Hindele op een rots neer, wreef over het kippenvel op haar armen. ‘Ik vertelde ze dat dit het geval was. Een leugenares die de naam van de Herboren Aarde ijdel gebruikt, verdient een watergraf. Dat kreeften het vlees van haar botten knippen, eh?’ Ze schudde haar hoofd. ‘En dat blijft waar. Alleen ben je mijn favoriete nichtje. Tja, behalve krabbentemster is peettante mijn tweede beroep.’

Hindele barstte in snikken uit. ‘Ik kon met hen praten, alleen heb ik alles nu verpest! Ik zal nooit een krabbentemster worden.’

Haar tante tuitte haar lippen. ‘Dat valt nog te bezien.’

 

 

3

Noordzee, 9 augustus 2220

Zevenduizend gasten en dat noemde Jacobs oom een informeel feestje. Oom Gulliver had zo’n beetje de halve wereld plus hun aanhang uitgenodigd. Jacob had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Ambassadeurs, zeeglas moguls, platina vloggers met een miljoen-plus volgelingen en daar stond zelfs een zilveren androïde van het Maan-AI collectief aan een glas Bernadette 2178 te nippen. Ook de helium­baronnen van Jupiter hadden hun uiteraard holografische afgevaar­digden gestuurd.

Een vloot van staatsiepaviljoens was aan elkaar gekoppeld tot één imposant drijvend eiland. Het hing zo’n honderd meter boven de plek waar eens Londen gelegen had.

Natuurlijk was het niet zomaar een feestje voor een favoriete neef. Dit was de gelegenheid bij uitstek om met de know how en technologie van de familie te pronken en zaken te doen. Mars was het nieuwe Beloofde Land van de drieëntwintigste eeuw. De eerste rivieren en zeeën begonnen al uit de permafrost omhoog te borrelen en het hele noordelijke halfrond zou een reusachtige oceaan worden. Behalve levende dijken bezat de familie al die eeuwenoude Hollandse kennis over waterhuishouding. Zoveel vreemde woorden die alleen de dijkenfluisteraars begrepen: afwateringskanalen, vaste dijken, duinen, slikken en schorren, stormvloedkeringen…

‘He, Jacob kijk niet zo benauwd. Mijn knappe neefje wordt maar één keer in zijn leven een dijkenfluisteraar en dat mag best gevierd worden.’

‘Ja, maar wat als…’ Jacob durfde het niet uit te spreken. Niet hardop tenminste.

Wat als de dijken mij niet accepteren? Mij gewoon wegwuiven met hun stalen zwempoten? Dan ga niet alleen ik af, maar de hele familie!

Oom Gulliver legde een hand op Jacobs schouder en kneep. ‘Maak je geen zorgen, neef, alles sal reg kommen. De dag dat ik dijkenfluisteraar werd, scheet ik zeven kleuren groen. En daar had ik meer reden voor dan jij. Bovendien, de dijken waren heus niet helemaal hierheen komen zwemmen als jij zo doof was als een zeekomkommer.’

Jacob keek naar buiten, naar de zonovergoten zee en de strakblauwe hemel. Drieëndertig levende dijken hadden zich bij de familie aan­gesloten, en degenen die konden, waren gekomen: achttien in totaal.

Een dijk in ruststand was absoluut indrukwekkend, maar ook redelijk saai: een massieve muur van geschakelde blazen, tot barstens toe volgezogen met water, in de bodem verankerd en voorzien van windmolens om energie op te wekken en het binnenwater weg te pompen. Naar behoefte kon een dijk zich uitstrekken tot meer dan honderd kilometer, en indien nodig hechtte het zich gewoon aan de staart van een andere dijk.

Maar een actieve dijk… Dat was een heel ander gezicht. Ze leken dan nog het meest op die Aziatische draken uit de antieke manga’s: een skelet van buigzame segmenten, tien, vijftien kilometer lang. In deze vorm waren de windmolens propellers die het immense lijf samen met de roeipoten voortstuwden.

‘Elke dijk is uniek en heeft een eigen persoonlijkheid,’ had oom Gulliver hem verteld toen ze aanlegden. ‘Je zal het straks zien, Jacob. Geen stem is hetzelfde en je kunt iedere dijk bovendien aan zijn manier van zwemmen herkennen.’

Nu laveerden ze als enorme zeeslangen rond het drijvende feesteiland, loom, totaal relaxed.

Jacob kreeg het gevoel dat hij ze al half kon horen, een soort van zoemen, nét onder de gehoorgrens. Niet met zijn oren, maar als een resonans in al zijn botten.

En ineens wist hij dat zijn oom gelijk had. Alles sal reg kommen. Ik word vandaag dijkenfluisteraar. Ik zal met de dijken kletsen als een gelijke, verloren land ontginnen en verzonken steden uit het kille slijk trekken.

In de familie was Jacob de enige dijkenfluisteraar van zijn generatie. Geen van zijn broers en zussen, neven of nichten had ook maar een spoor van talent en als de dijken met hen probeerden te praten, dan was het tegen dovemansoren.

Jacob voelde een grijns aan zijn mondhoeken trekken. ‘Kom maar op!’ riep hij naar de manoeuvrerende leviathans. ‘Ik ben er klaar voor!’

Alle gasten, plus uiteraard ontelbare toeschouwers in virt, keken toe hoe Jacob de voorplecht van de Johanna Maria besteeg. De eeuwenoude sleepboot was volgens de legende het eerste schip van het familiebedrijf en het werd alleen voor speciale gelegenheden uit het droogdok gelicht.

Het zonlicht hamerde op Jacobs gezicht en het dek deinde onder zijn voeten. Bij de Stella Maris, zo voelt het dus om een ware Hollander te zijn! Water, wind en zilt.

Ja, dat zit in mijn botten, diep in mijn genen.

Ze zeiden dat dit het mooiste moment van zijn leven was. Maar het zou nog beter worden! De opwinding deed zijn handen tintelen.

Hij greep de reling vast, rode korsten menie onder zijn vingers, en de grijsblauwe zee strekte zich voor hem uit. Jacob onderdrukte de neiging om dramatisch zijn armen te heffen. In plaats daarvan zette hij zijn ellebogen rustig op de reling en leunde wat naar voren. Dit moest hij helemaal zelf doen: de dijken uitnodigen.

‘Hallo?’

De zee naast de Johanna Maria borrelde ten antwoord. Een metalen vorm rees op en liet watervallen langs haar flanken omlaag dreunen. De kilometers lange ruggengraat was overdekt met iriserende membranen. Kleurig als keverschilden, ging het door Jacob heen.

Dijken bezaten geen kop, technisch gezien zelfs geen voor- of achterkant, maar voor Jacob was het ook helemaal niet nodig.

‘Gegroet, mens Jacob.’ De stem vulde zijn hoofd, massief, groots als een wolkenfront of een aanrollende vloedgolf. Er zat een smaak aan die stem, bitter en zilt als een hap zeewater. Het was een stem die Jacob uit duizenden herkende, ook al had hij hem maar een keer eerder gehoord. ‘Grisaert,’ rommelde de dijk, ‘noem mij Grisaert. Het is mijn geheime naam. Voor alle anderen ben ik Dijk 4598.’

‘Gegroet, dijk Grisaert,’ antwoordde Jacob geluidloos. ‘En gegroet jullie allemaal!’

In zijn hoofd kon hij ze nu zien en horen, alle levende dijken. ‘Bedankt. Zo fijn dat jullie mij accepteren. Ik hoop… ik hoop dat we goed kunnen samenwerken.’

‘Wij ook. Zullen we nu maar met de show beginnen?’

Dijken hadden zeker flair. Misschien zelfs humor?

‘Graag!’

Dit keer hief Jacob zijn armen wel.

Verder op zee, een kilometer of meer van het feesteiland, begon de zee te borrelen. Nee, boeren was een beter woord. Water kolkte en schuim spoot omhoog.

De donkere vorm van een massieve zeedijk dook op: twee aan elkaar gekoppelde dijken.

Eigenlijk waren de twee dijken al een halve dag geleden begonnen zich vol te pompen, maar nu braken ze dramatisch door het zeeoppervlak. Kreten van bewondering en applaus. Geen vuurwerk, zelfs geen scheepstoeters: de wilde zee was spektakel genoeg. Het feesteiland deinde niet eens toen de golven aanrolden. Grisaert die zich aan de onderkant vastklampte, zorgde voor stabiliteit.

‘Onze gift aan jou,’ sprak Grisaert. ‘Noem het je welkomstpremie. Je bent nu een van ons. Een bloedbroeder, een ziltwatermatroos bij wie de zee door de aderen stroomt.’

Grisaert projecteerde een beeld op Jacobs netvlies: de ringdijk. Daarbinnen werd de zee doorzichtig als glas.

In de diepte…

De gebouwen bleven grotendeels intact. Het water was heel geleidelijk gestegen, zo langzaam dat de ruiten hier en daar niet eens gebroken waren.

‘Het hart van het oude London, jongen. Windsor Castle, de Big Ben, noem maar op.’

‘En dat is voor mij?’

‘Beter dan een handvol goudstukken, eh? Allemaal.’

Het Verenigde Koninkrijk bestond uit een handvol armzalige eilanden en kon natuurlijk het lichten van hun historisch erfgoed nooit betalen. Er waren echter genoeg biljonairs die interesse hadden in historische gebouwen, zelfs als het om met kelp begroeide ruïnes ging. Misschien zou Windsor Castle uiteindelijk op Olympus Mons belanden, of het privé jachthuis worden van de Helvetische Keizer?

Ik ben rijk, ging het door Jacob heen. Schatrijk. Supervloggerrijk.

‘Maar daar moet je wel wat voor doen,’ zei Grisaert. ‘Als je ons trouw zweert, is het voor altijd.’

Later die avond, toen Jacob nog net nuchter genoeg was, nam oom Gulliver hem apart.

‘Vier vannacht feest, waarde neef. Kus de dames, gooi met slagroomtaarten en slaap morgen je roes uit. Overmorgen begint je leven als dijkenfluisteraar, in de Residentie.’

‘Overmorgen, ja!’ grijnsde Jacob. Overmorgen begon het leven waarvoor hij geboren was.

 

Het was wennen in de Residentie. Niet dat iemand ook maar een onaardig woord tegen Jacob sprak maar de andere fluisteraars, van alle andere dijkenfamilies, waren zo godvergeten oud. Je kon het zien aan de manier waarop ze liepen. Nee, niet beverig en onzeker zoals je van lieden zou verwachten waarvan er niet eentje jonger was dan honderdvijftig. Nee, eerder het omgekeerde. Ze bewogen zich zo soepel en zeker dat je wist dat struikelen ondenkbaar was. Ervaring telde: als ze in het antieke bruine cafe pijltjes wierpen, was elk schot er eentje in de roos. Snij willekeurig welk onderwerp aan en ze wisten er genoeg over om zelfs een wikipediasiri te verbeteren.

Maar het uitzicht vanaf het balkon was werkelijk magnifiek, dat moest Jacob toegeven: de Residentie lag bovenop de boeg van de Koningsdijk, de enige levende dijk die nooit zou rondkrullen tot een cirkel en in een polder veranderen. De dijk zwom als een zeeslang, kronkel na kronkel die moeiteloos door de golven glipte.

Jacob zoog de zeebries diep in zijn longen, ijskoud maar op de een of andere manier schoner dan op welke kust of polder ook. Dit is mijn thuis, ging het door hem heen, voor de rest van mijn leven. De fluiste­raars bestuurden dijken, stichtten nieuwe polders maar ze zouden de wallenkant nooit meer betreden. Dat was de deal: een lang, ongelooflijk lang en zeldzaam interessant leven in ruil voor de vaste grond onder je voeten.

 

De negende dag wekte zijn oom hem bij het ochtendgloren.

‘Hup, hup, mijn waarde vriend. Dit wil je niet missen!’

Jacob wrikte een oog open. ‘Wat missen?

‘De Vloot! Ze zeilen rakelings langs onze dijk.’

Het balkon keek uit over de grijze uitgestrektheid van de Atlantische oceaan. Zijn oom wees: ‘Daar tussen de cirrus. Zo hoog als wolken maar kunnen komen.’

Nu zag Jacob ze ook: kleurige vonken die de wind van de straalstroom vingen.

Honderden, duizenden vliegers laveerden tussen de uitgesmeerde windveren. Om van zo ver zichtbaar te zijn, moesten ze wijder dan voetbalvelden zijn.

Jacob knipperde de telescooplenzen over zijn oogbollen aan en de vliegers expandeerden tot ze zijn hele gezichtsveld vulden. Vlinders van gebrandschilderd glas en filigrain vlogen daar over, klapwiekende condors, logge manta-roggen.

‘Zo zien ze er niet echt uit,’ doceerde zijn oom. ‘Het zijn maar hologrammen. Elke vlieger is min of meer zeshoekig hoewel zij honderden zijvinnen en hoogteroeren heeft.’

‘Zo mooi,’ fluisterde Jacob. Het leek een visioen, iets uit een hogere wereld of een prachtige droom.

‘Ja,’ zei zijn oom, ‘bijna even mooi als een dijk.’ En meteen voelde Jacob zich terechtgewezen, alsof hij een faux pas had begaan, disloyaal was geweest.

Zijn oom tuitte zijn lippen. ‘Ik drukte mij ietwat onhandig uit. De Vloot en de Dijken, samen zijn ze Nederland. Elk magnifiek op zijn eigen manier en onmisbaar. Als de koningin en haar koning, eh? Als Giselle en Juriaan.’

Ongehaast hesen de mastloze parelmoerschepen zich boven de horizon uit: rompen met twee dozijn verdiepingen en spitse voorstevens, zee-ijzeren armen met wapperende netten om kelp uit de zee te vissen en elders te herplanten. In hun kielzog dartelden reuzendolfijnen en spoten bultruggen. Wolken albatrossen en skua’s zwierden als mistflarden boven de dekken.

‘Elk schip begon als het slakkenhuis van een kinkhoorn,’ doceerde zijn oom.

‘Vierdubbele chromosomen laten het doorgroeien tot het werkelijk gigantisch is. De slak verdikt zich tot een brein in de boeg en dat wordt hun wiki. Honderd procent organisch en uniek.’

De Vloot was reusachtig: het duurde een volle dag voor ze de dijk langsgetrokken waren.

‘Waar gaan ze naartoe?’ vroeg Jacob.

Zijn oom klakte met zijn tong. ‘Naar waar ze nodig zijn. Net als wij.’

Jacob keek het laatste schip na tot de zeenevels het opslokten. Als Giselle en haar Juriaan, had zijn oom gezegd. Op de een of andere manier klonk dat juist. De Vloot was onmiskenbaar vrouwelijk, de tegenpool van Jacobs broeders, de dijken.

Een onbenoembare emotie steeg op, als een brok in de keel die niet weg te slikken viel. Verlangen? Hunkering?

Ik wil met de Vloot meezeilen. De dijken zijn mijn bloedbroeders maar de Vloot is mijn bruid. De vrouw die ik moet veroveren, wil ik ooit compleet worden.

‘Zo’n ambitie,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘Niet dat wij iets tegen een mooi vlootprinsesje hebben. Zolang je je kostelijke genen maar niet weggooit.’

‘Alleen als haar chromosomen kloppen, krijg ik jullie zegen?’

‘Krek zo. Maak een nest nieuwe dijkenfluisteraars en wij geven jullie, eh, Napels als bruidschat?’

 

 

4

Australian Inland sea, 12 september 2220

 

Het strand boog zich links en rechts naar kapen van afgeronde zandsteen.

‘Tante Lidwien,’ zei Hindele. ‘Dit is hetzelfde strand! Waar ze mij aan een paal bonden.’

‘En de krabben voor het eerst tegen je spraken. Mooi symbolisch toch?’ Ze vouwde haar armen over haar formidabele borsten. ‘Het is een vrij eenvoudige test, liefje. Spinkrabben luisteren enkel en alleen naar een temmer.’

‘Ja?’

‘Kijk, ze duiken uit de zee op en stormen het strand op. Met klik­kende scharen, ja.

‘Net als in dat kinderliedje.’

‘“Met klikkende scharen en knarsende mondstukken” bedoel je? “En ze lieten enkel Jolanda’s schedel over”?’

‘Dat liedje. Hun kaken zijn gemodificeerd zodat ze zelfs een kokos­noot kunnen kraken. Zij stuiven het strand dus op en jij spreekt ze aan. Je noemt je Temmer en Koningin. Ze zijn diep matriarchaal en gehoorzamen een leidster onvoorwaardelijk.’

‘Ik snap het. Ik spreek ze aan. Ik noem mij hun koningin en als zij niet toestemmen, verscheuren ze mij?’

‘Zeker. Met gemak, want erg veel schild heb je niet.’

‘Krijg ik geen wapen?’

‘Een temmer heeft geen wapen nodig.’

‘Ik weet niet…’ begon Hindele en toen zag ze de eerste spitse kop uit de blauwe zee opduiken. Ze hief een hand op en liet die meteen weer zakken. Ik kom in vrede is niet de juiste boodschap als je een zwerm mensenetende monsters wilt temmen.

Ze balde haar vuisten, stak haar kin naar voren.

‘Hindele is mijn naam!’ dacht ze zo luid mogelijk. ‘Ik ben jullie godvergeten koningin! Buig voor mij!’

Er volgde een afschuwelijk uitgerekt moment dat zeker drie seconden geduurd moest hebben. Meer dan genoeg tijd om een dozijn duistere gedachten voorbij te laten flitsen. Overwegingen als: Maar een op de duizend zeenomaden kan een spinkrabbenstem horen. Maar een op de twintigduizend heeft genoeg talent om werkelijk een temmer te worden.

De voorste krab hief haar nachtmerrieachtige kop, rolde zich op haar rugschild en trok haar poten krampachtig samen, als een stervende spin.

Niet meteen een buiging, maar het is goed genoeg. Ze liet haar armen zakken. Ik ben dus een temmer. Geen hapje tussendoor. Goed om te weten.

Pas een uur later, toen ze de deur van haar kajuit achter zich had dichtgetrokken, barstte Hindele in snikken uit.

 

 

5

14 april 2223, Nieuwe Saragossa-zee

 

Mijn eerste echte job!

Jacob stond met gesloten ogen op het voorsteven van de Onverschrokken Jutter, het werkschip dat de komende weken zijn thuis zou worden.

Niemand van de bemanning waagde het zijn concentratie te verstoren: hij was per slot van rekening de dijkenfluisteraar, de belangrijkste persoon aan boord. Maar uniek en onvervangbaar of niet, hij sliep in dezelfde stapelbedden als de rest van de bemanning en at gewoon mee in de mess. Tijdens werktijd werd er gewerkt en op een Hollandse schuit was er geen ruimte voor kletskoek als bontgevoerde ligstoelen en gouden borden.

Over Jacobs netvlies trok de bodem onder het schip voorbij: de input van duizenden sensoren in de kiel. Grisaert ordende ze netjes voor Jacob. Hij wees hier het wrak van een antiek vliegtuig aan, daar een kudde potvissen en tekende de zeestromen uit in warm roze en killer blauw. Na zijn verblijf op de statige Koningsdijk begreep Jacob dat Grisaert piepjong moest zijn. De dijk was nog nieuwsgierig, watervlug, en meer dan een tikje eigengereid. De klik die er vanaf het begin was geweest, klonk nog steeds door. Fluisteraar en dijk: kameraden voor het leven.

Hoopte Jacob.

´Niet veel soeps hier,´ merkte Grisaert op. ‘Geen idee waarom Groot Nippon nu net hier een eiland wenst. Er zijn toch zat betere plekken voor hun wandelende steden?

Dichter bij Japan ook. Zeg nu zelf: nergens een mooie verdronken haven, geen velden met mangaanknollen, niks.’

De Japanners hadden het probleem van het stijgende water opgelost door hun steden op gigantische mechs te monteren. Ongehaast banjerden die door de ondiepere stukken van de oceanen, op zoek naar nieuwe grondstoffen.

‘Ze betalen altijd op tijd en wij vangen onze commissie,’ antwoordde Jacob. ‘En tien procent van een stuk met een stalen stad erop, is toch een goede deal? Alleen al de rioolrechten leveren ons een vermogen op.’

‘Met andere woorden, “Niet zeuren, maar pompen”?’

‘En vlot een beetje!’ zei Jacob, gevolgd door een stoot smileys. ‘Heb je tijdens al dat koekeloeren nog ordentelijke ankergrond gevonden? Ik zie daar in het westen een veelbelovende richel gneiss.’

‘Gneiss!’ De dijk snoof. ‘Geef mij maar graniet. Als ik op mijn kont ga zitten, dan graag op wat…’

Een hoog prioriteitssignaal knipperde. Oom Gulliver aan het logo te zien.

‘Momentje, Grisaert. Mijn oom, deze moet ik opnemen.’

‘No problemo.’

‘Oom?’ zei Jacob.

In plaats van zijn oude zeemanstrui en pet had oom Gulliver zich in zijn statieuniform gehesen: een zijden kaftan, afgezet met haardun goudstiksel. In zijn linkeroor droeg hij een knots van een zwarte parel. Officiëler kon amper.

‘Jacob, hallo. Nog bijzonderheden? Hoe verloopt je eerste soloklus?’

‘Alles goed hier,’ antwoordde Jacob. Hij was meteen op zijn hoede. Oom Gulliver zou echt geen hoog prioriteitsignaal versturen als het om prietpraat ging.

Gulliver leek zijn gedachten te lezen. ‘Ik zal ter zake komen. Jacob, ik heb je als ambassadeur nodig. Voor de Vloot. Ze hebben wat bedenkingen tegen de polder die je gaat aanleggen. Nu zit ik tot over mijn oren in die klus op de noordpool. Ik kan met geen mogelijkheid tijd vrij maken, nog geen uur. Maar het moet wel iemand van de familie zijn.’

Vrij vertaald: de zaak is behoorlijk dringend maar niet belangrijk genoeg om zelf af te handelen. Een mooi klusje voor Jacob en dan doet hij meteen wat ervaring op.

‘No problemo,’ echode Jacob zijn dijk. Beter dan no problemo. Sinds de Vloot langsvoer had hij hun schepen dolgraag willen bezoeken.

‘Wat hebben ze precies tegen de nieuwe polder? We pakken het volkomen Gaiavriendelijk aan. Zoals altijd.’

Oom schoof Jacob een bestand toe. ‘Het staat hier allemaal in. Vaar erheen en haal ze van ons dak. Die polder moet er absoluut komen, Jacob. We kunnen Groot Nippon onmogelijk als klant verliezen. Bied die zeenomaden een redelijke vergoeding, of desnoods een idioot gulle. Maar wat er ook gebeurt, die dijk wordt gelegd. Daarover valt niet te onderhandelen.’

‘Dat gaat wel lukken, oom. Ik bekijk de boel en stuur de dijk naar hun locatie.’

‘Ze komen naar jou toe, en hou Grisaert alsjeblieft uit het zicht. Een levende dijk kan te eenvoudig als provocatie gezien worden. Sommige zeenomaden zweren bij biotechnologie en moeten niets weten van onze machines. Bovendien geeft een dijk een signaal dat we dit de hoogste prioriteit geven. Dat versterkt hun onderhandelingspositie. We nemen hun protest uiteraard serieus, maar wel binnen zekere grenzen.’

‘Vanzelfsprekend.’ Verdorie, dat had ik zelf moeten bedenken. Laat ik om te beginnen eens uitzoeken wat de Vloot precies wil. Pas als je in de ziel van een klant kijkt, kan je de diepte van zijn portemonnee peilen.

 

 

De Onverschrokken Jutter bleef natuurlijk een werkschip, maar glans­platen van regenboogmica en fier wapperende vaandels had je binnen een paar uur geprint.

Tegen de tijd dat de Vloot Jacobs schip ontmoette, kon het zich bijna meten met de parelmoeren schepen.

De armada van schepen was van dichtbij nog indrukwekkender dan Jacob had verwacht. De Vloot was bij het passeren een visioen geweest, delicaat bijna. Dit had niets kwetsbaars. Het mocht dan louter bio­technologie zijn, alles gegroeid en niets geconstrueerd, maar er viel niks wrakkigs of ondermaats aan te ontdekken.

Organische zeekastelen kliefden trots en statig door het water. Dolfijnen en bultruggen volgden in hun kielzog. En daar, die enorme fontein, dat moest een blauwe vinvis zijn! Hij voelde een steek van pure opwinding, van fanverering. Jacob was een kenner: hij had alle bekende echoballades van de machtige zeezoogdieren honderden malen beluisterd.

Hij zoomde in op het vlaggenschip: een legpuzzel van kreeften­kweekkkooien en kwallenaquariums doemde op, van tuinen, kranen en droogdokken.

Ieder schip was volledig zelfvoorzienend, wist Jacob. De zeenomaden gaven steevast meer terug aan Gaia dan ze namen. Die biotechnologie was verdomde mooi – en handig – en iedere dijkenfamilie zou er honderd keer zijn jaarwinst voor over hebben om dat in handen te krijgen. De Vloot duldde echter geen pottenkijkers en ze verkochten hun geheimen nooit. En gelijk hadden ze. Hoe wij onze levende dijken printen en er mee werken, vertellen wij ook aan niemand.

 

Toen het vlaggenschip naast de werkboot tot stilstand kwam, riep Jacob de foto en het CV van zijn tegenhangster nog een keer op. Hindele. Oké, best wel jong, maar ze zullen ook geen giechelende bakvis op mij afsturen. Dit is waarschijnlijk de op een na belangrijkste vrouw van hun vloot. Hun Jacob. Een spinnentemster is te vergelijken met een dijkenfluisteraar. Nou ja, een beetje dan. Levende dijken zijn reteslimme machines en die spinkrabben enkel opgevoerde beesten.

De onderhandelingen vonden plaats op het vlaggeschip van de Vloot: een elegante parelmoeren vinvis-romp die bestond uit twaalf gekoppelde kinkhoorns. Het vaartuig was meer dan drie kilometer lang en tachtig meter hoog. Dit was het Heilige der Heiligen: Hier kwamen de admiraals en kapiteins van de Vloot bijeen, werden verdragen gesloten en ambassadeurs van de wallenkant ontvangen.

Louter het feit dat Jacob juist hier was uitgenodigd, bewees hoe hoog de Vloot de aanleg van de nieuwe dijk opnam. Dat hij ook nog eens hun numero uno spinkrabbentemster tegenover zich vond, was als een vergulde kers op een platina taart.

Ik ben benieuwd. Jacob checkte zijn donkerblauwe uniform met gouden knopen voor de laatste keer. Natuurlijk was alles piekfijn in orde. De vouw in zijn broek was nog steeds messcherp, zijn schoenen blonken. Hij trok zijn pet recht en onderdrukte de plotselinge aandrang tot plassen.

Hij grijnsde. Zenuwen waren goed, dat maakte hem enkel alerter.

 

De spinkrabbentemster van de Vloot bleek allesbehalve een giechelende bakvis.

Slim, ontwapenend, grappig? O ja. Ja op alles. Ze pakte spontaan zijn hand vast en keek hem recht aan.

‘Vind je het goed dat ik Jacob zeg? Dan kan je mij gewoon Hindele noemen, ja?

Dat is wel zo prettig, Beter toch dan geëerde dijkenfluisteraar of doorluchtige krabbendame?’

Haar Nederlands was meer dan uitstekend maar had een exotisch tintje. Blond haar, door de zon tot ivoorwit gebleekt. Groene ogen. Een beweeglijk gezicht, beslist niet conventioneel mooi maar eindeloos fascinerend. Alsof ik naar dansende zonnevlekjes in ondiep water kijk. Stop! Ik ben hier om zaken te doen. Niet om te flirten. Hoewel, wat doet zij anders? Hij wendde zijn blik af, tuurde naar zijn schoenpunten. Zaken gaan voor het meisje. En ik ben hier voor zaken. Hij zag oom Gulliver voor zich, zijn gezicht op onweer, zijn vinger bestraffend opgeheven. Je bent geen puber meer, Jacob, je bent een dijken­fluisteraar! Je vertegenwoordigt de familie. Zoiets.

Jacob dwong zichzelf te concentreren op Hindele’s betoog.

‘O, ik snap jullie argumenten best. Groot Nippon denkt volgens het internationale landreclameringsverdrag van 2185 het recht te hebben zich hier te vestigen. Maar wij vechten dat aan bij het Internationale Gerechtshof in Bhutan. Het enige wat wij vragen is dat jullie met die dijk wachten tot er een uitspraak is.’

‘De traagheid van hun rechters is berucht,’ protesteerde Jacob. ‘Allemaal heilige mannen in oranje gewaden. Een uitspraak kan makkelijk tien jaar op zich laten wachten. Sorry, wij kunnen het ons niet veroorloven om tien jaar te wachten, en Groot Nippon al helemaal niet. Sinds ze hun immigratiebeleid versoepelden, zitten ze met de snelst groeiende bevolking op de planeet.’

Hindele keek Jacob aan. ‘Groot Nippon. Een nieuw eiland is een druppel op de gloeiende plaat. Waarom denk je dat ze juist hier, op deze plek, een polder willen hebben?’

Precies wat wij ons ook al afvroegen. ‘Waarom niet? Deze plek is ondiep genoeg en er zitten geen claims op. Niet alle stukken van Groot Nippon hoeven in de buurt van de Japanse archipel te liggen. De Verenigde Nederlanden strekken zich ook uit over de hele wereld, en de Vloot ziet iedere oceaan als haar thuis.’

‘Ik laat je zien wat er speelt,’ sprak Hindele. Uit haar frons begreep Jacob dat het geen makkelijk besluit was. ‘Heb je wel eens met kunstkieuwen gedoken, Jacob?’ Ze keek hem vragend aan.

Jacob grijnsde terug. ‘Zeg, je hebt het wel tegen een Hollander, hoor! Geen Helvetische jodelaar. Ik zwem al sinds mijn vierde jaar met kieuwen. Van de kokende zee boven IJsland tot en met de maelstrom van Bangkok.’

‘Je bent misschien een beetje laat begonnen,’ zei Hindele met een stalen gezicht.

‘Wij trekken een baby in de vierde maand een kieuw aan en mikken haar in de zee. Vooruit dan maar, we wagen het erop.’ Ze legde haar hand op zijn arm, kneep. Haar glimlach was verblindend.

Ze zit met me te flirten! Nu weet ik het zeker!

 

Tachtig meter was niet bijster diep, en Jacob’s lenzen en de andere opgevoerde zintuigen verschaften hem een prima zicht.

Hindele en hij zwommen boven een kaal plateau: de top van een verdronken berg die waarschijnlijk nooit boven zee had uitgestoken. Hier en daar waren vissen zichtbaar en Jacob wist dat Grisaert ergens in de buurt moest rondhangen. Ver genoeg om niet op de sonar te registreren, maar dichtbij genoeg voor dijkenspraak.

‘Romantisch hoor, duiken met zo’n zeemeermin,’ zei Grisaert..

‘Zeg, zit niet zo te zuigen, jij opgevoerde waterduizendpoot. Dit is puur zakelijk.’

Grisaert snaterde, zeker even honend als een dolfijn.

‘Zei je wat?’ vroeg Hindele. Ze droeg een groen geschubde bodysuit. Haar helm was van gelatine die haar hoofd in een lillende bel omsloot.

Jacob droeg zijn oude, vertrouwde duikpak dat hij jaren geleden had geprint en sindsdien eindeloos had getweakt en verbeterd.

Ai, subvocaliseerde ik dat?

‘Ik zat te mompelen,’ improviseerde Jacob. ‘Ik maakte een aan­tekening. Maar wat wilde je mij laten zien?’

‘Kun je inzoomen? Kijk eens naar het zuidwesten. Op zeven uur.’

Een eindeloze colonne spinkrabben kwam vanuit de smaragdkleurige schemering aangemarcheerd. Een nachtmerrieleger met steltpoten en knijpscharen, getooid met een bos zwiepende ogen op steeltjes.

Ik ben vast de eerste dijker die ze van zo dichtbij ziet. De Vloot barricadeerde ieder gebied waar de krabben werkten. Dit waren de levende machines van de Vloot. Met de opgevoerde spinkrabben plantten de temmers hun kelpwouden, bouwden ze koraalriffen, schoonden ze vervuilde bodems op. Zonder de krabben was de Vloot weinig meer dan een stelletje biotech zwervers. Met de spinkrabben werd Hoeders van de Oceanen een allerminst lege titel.

Ergens net tegen Jacob’s gehoorgrens aan klonk het gegons van duizenden raspende kaken. Heel anders dan het diepe gebrom van de dijken, maar toch op de een of andere manier precies hetzelfde.

Curieus.

‘Dat zijn mijn spinkrabben,’ zei Hindele en er klonk gepaste trots in haar stem door.

‘Ik ben een van de twaalf mensen die hen kan horen en direct met hen kan spreken. Het is een zeer zeldzaam talent. Een beetje als jouw gave om met jullie machines te praten. Alhoewel dat natuurlijk maar technologie is. Natuurlijk wel behoorlijk geavanceerde technologie, ja.’

Jacob moest een glimlach onderdrukken. Jij denkt net zo over jouw krabben als ik over mijn dijken…

De colonne kwam dichterbij, evenals het gezoem in zijn hoofd. Jacob hoorde nu stemmen, voelde tienduizenden onafhankelijke gedachten, begon stromingen, temperaturen, bodemdichtheid en honderden andere gewaarwoordingen te ontvangen.

Het was chaotisch en redelijk bizar gecodeerd, maar na een paar tellen begon hij de informatiestromen toch te ontcijferen.

Ik hoor die spinkrabben. Niet alleen horen, ook begrijpen. Net als de levende dijken. Ik… Hij keek naar Hindele. Ze had duidelijk niets door.

Hij opende zijn mond. Sloot die weer.

‘Hoi, ik kan de gedachten van jullie heilige spinkrabben horen, leuk he?’

Nee, dat zou helemaal niet goed vallen. De politieke gevolgen waren niet te overzien. Hij zou niet alleen Hindele onsterfelijk beledigen, maar de complete Vloot.

Het zou zelfs op oorlog kunnen uitdraaien. De Vloot was een trots slag mensen: zulk gezichtsverlies was onvergeeflijk.

‘Indrukwekkend, niet?’ zei Hindele. Ze gebaarde naar de colonne. ‘En dat is nou precies de reden waarom Groot Nippon hier een eiland wil hebben. De berg is het paringsgebied van onze spinkrabben. Als ze hier een eiland neerplempen, komt er geen nieuwe generatie spinkrabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Daar zijn ze heel rigide in. Geen paringsberg, dan ook geen eieren. Denk aan zalmen: die kun je ook niet vertellen maar een andere rivier in te zwemmen als ze op een stuw stuiten.’

‘De Japanners moeten dit toch weten?’ zei Jacob. Waarom stond dit niet in het dossier van oom Gulliver? Dat is een idiote blunder! Iemand heeft zitten slapen.

Hindele knikte. ‘Zeker, maar de stille visserijoorlog tussen Groot Nippon en de Vloot is al anderhalve eeuw gaande. Ze jagen nog steeds op walvissen. Wij greenpeacen ze daarin zo veel mogelijk. Juridisch, maar ook regelrecht. Zij hopen ons in het hart te treffen door ons de spinkrabben af te nemen.’

‘Dit is dus eigenlijk heilige grond voor jullie?’

Het vlootmeisje keek hem aan met haar indringende groene ogen. ‘Ja en nee. Wij zijn de Vloot, wij claimen geen enkel deel van Gaia. Dat is niet onze rol in het grotere geheel. Maar wij hebben wel enorm veel… respect voor deze plek. Wij… We hebben deze berg even hard nodig als de spinkrabben. Kom, ik ga je iets tonen dat geen buitenstaander ooit mocht zien. Ik wil dat je begrijpt hoe belangrijk dit voor ons is. Kan ik je vertrouwen?’

‘Ja.’

Ze deden allang geen zaken meer op de normale manier, wist Jacob. Dit had niets van doen met winst en contracten of mogelijkheden. Dit was als een lang uitgestelde paringsdans. Een tussen de Vloot en de Dijkers. Dit ging om eer en geloof, om wederzijds vertrouwen.

‘Kom.’ Ze wenkte hem als een mythische zeemeermin, keek om. Volg mij. Volg mij naar de diepte, mijn lief.

Jacob dook achter het zeegroene meisje aan. Honderd meter, honderdvijftig. Al het licht ebde weg en Jacob ging op sonar over.

Een woud van schelpen bedekte de zuidflank van het plateau. Het waren doopvontschelpen vertelde zijn Siri hem: gigantische en genetisch gemodificeerd voor deze diepte. Het waren er duizenden en duizenden.

‘Dit is ons kostbaarste bezit, van mij en van iedereen in de Vloot. Wanneer een kind wordt geboren, zetten we hier een schelp uit die doorweven is met haar persoonlijke DNA. Die schelp symboliseert onze band met het water. Wij zijn er mee verbonden en tijdens bepaalde belangrijke momenten in ons leven, bezoeken wij onze levensschelp. En als we sterven…’ Inmiddels zwommen ze tussen de schelpen door: een doolhof van gestapelde schelpen.

‘Dan wordt die schelp jullie grafsteen,’ begreep Jacob. ‘Jullie geven jezelf weer terug aan Gaia. Ik voel mij enorm vereerd dat je mij dit laat zien, Hindele. Ik zal je vertrouwen niet beschamen. Op mijn woord als dijkenfluisteraar.’

‘Dat weet ik. Ik voel dat ik je kan vertrouwen.’

De intensiteit van de gevoelens deed bijna pijn, maar dit was zo ontzettend mooi. Hindele had hem het grootste geschenk gegeven wat ze kon bedenken. Hij kon niet anders dan haar ter wille zijn. Er zou hier geen eiland komen. Geen dijk zou op dit plateau rusten, en al helemaal geen stinkende robotstad.

In stilte zwommen ze verder totdat Hindele halt hield bij een van de schelpen. Ze legde haar handen op de schelp, op de een of andere manier een heel intiem gebaar. ‘Onze schelpen kunnen we verplaatsen, maar er is geen andere geschikte broedplaats voor de spinkrabben.’

‘Maak je geen zorgen, ik zal…’

De schelp opende zich.

In het hart van de schelp, in een nest van blauw satijn, glom een parel, zeven keer groter dan een voetbal. De globe gloeide, beelden flakkerden op in het binnenste: Hindeles gezicht, mooi en sereen als wuivende kelp, toen trots en uitdagend als een jonge zeegodin. Meer beelden: een kraaiende baby, een kleuter-Hindele die joelend op de rug van een dolfijn reed, een giechelmeisje met pas uitbottende borstjes die een octopus optilde en recht op zijn rimpelhoofd kuste, maar vreemd genoeg dook nu ook zijn eigen gezicht op. Twee keer, drie keer.

De parel is een biocomputer. Een kunstbrein van parelmoer, die al haar mooiste herinneringen bewaart. Jacob keek naar Hindele en het compliment dat op zijn lippen lag, stierf in zijn mond. Het gezicht van de krabbentemster was vertrokken van ontzetting en toen van woede. Ik heb iets gezien dat nooit voor mij bedoeld was.

‘Mijn zielenbeeld. Jij… ik… Je zag mijn zielenbeeld! We vertrekken. Nu.’ Haar stem trilde, maar had een ondertoon van staal. Ze was boos. O, wat was ze boos!

Woedend. Laaiend.

Er was iets gebroken. De band die ze hadden, lag plots in duizend stukken.

‘Ik…’ begon Jacob.

‘We. Gaan. Weg. Nu.’

Terwijl ze zwijgend naar boven zwommen, keek Jacob nog een keer om. Hindele’s schelp had zich inmiddels weer gesloten, met de parel in zijn binnenste. Zielenbeeld.

Het was in ieder geval een toepasselijke naam.

Ze smeet hem nog net niet overboord, maar het scheelde niet veel. Eenmaal terug op het vlaggenschip beende Hindele weg, haar rug zo recht alsof er een bezemsteel door haar ruggengraat gestoken was.

Jacob keerde terug naar de Onverschrokken Jutter.

‘En, wat gaat deze plek ons kosten?’ informeerde Grisaert. ‘Wanneer kan ik beginnen?’

‘We pakken de hele santekraam in. Er komt hier geen eiland.’

De verbazing van de jonge levende dijk was duidelijk te voelen. ‘Niet? Oh, dat zal je oom niet leuk vinden, Jacob.’

‘We hebben geen keus,’ sprak Jacob. Beelden rolden door zijn hoofd: de colonne van spinkrabben, het woud van reuzenschelpen maar vooral Hindele’s gezicht.

‘Als de grote fluisteraar Jacob het zegt. Ik ben immers alleen maar een opgevoerde waterduizendpoot? Toch? Sahib, meester?’

‘Ja ja.’ Een idee kwam bij Jacob boven. ‘Zeg, Grisaert, zie je die spin­krabben over het plateau klimmen?’

‘Hm ja?’ Een sonarbeeld van de colonne verscheen in Jacob’s hoofd.

‘Kan jij ze horen? Net zoals je mij en oom Gulliver hoort, of de andere dijken?’

‘Die beesten? Nee, natuurlijk niet.’ De dijk was er heel stellig in. ‘Waarom?’

‘Ik vroeg mij af of hun spinkrabbentemster op dezelfde manier communiceert met de krabben zoals jij en ik.’

De dijk snoof digitaal. ‘Je hoeft niet beledigend te worden! Die spinkrabben zijn niks anders dan dieren. Een stel bio-drones. Wij dijken zijn van een aanzienlijk hogere orde, hoor.’

‘Ik weet het,’ haastte Jacob zich te zeggen. Aan een nukkige dijk had hij niks. ‘Het was zomaar een gedachte.’

Jacob verbrak de verbinding met Grisaert. De aanwezigheid van de dijk verdween.

De tienduizend raspende stemmen van de spinkrabben bleven echter doormompelen.

 

 

6

De nacht van 14 op 15 april 2223, het vlaggenschip van de Vloot

 

Hindele had eerder vriendjes gehad. Maagd blijven tot je huwelijks­nacht mocht een grote hit zijn op de meer achterlijke stukken van de wallenkant, in de Vloot vonden ze dat belachelijk. Er waren echter andere taboes. Je liet je zielenbeeld enkel zien aan de liefde van je leven, mannelijk of vrouwelijk, en dat pas na een jaar of tien.

Hij zag mij. Hij zag alles wat ik was. Mijn diepste en kostbaarste geheimen. Ze balde haar vuisten, ontspande ze weer. Maar ik heb hem niet tegengehouden.

Het gebeurde te abrupt! Ik had nooit verwacht…

Zoveel stemmen in haar hoofd!

Nee, je liet hem gewoon door. Je toonde hem zelf je geheime schelp. De manier waarop hij naar je keek, ja? Dat beviel je best. Zo’n exotische jongen die naar je staarde alsof je een prinses uit een oud verhaal was.

Die stem stond duidelijk aan de kant van de fluisterjongen.

Hij stuurde zijn dijk weg. Zo maar. Omdat je het vroeg.

Nee, ik overtuigde hem. Hij begreep hoe belangrijk de trektocht van de spinkrabben was.

Hah, jouw mooie groene ogen overtuigden hem!

‘Hindele, ik vroeg je iets.’ De stem van haar tante rukte haar weg uit haar eigen tollende gedachten.

‘Eh, wat?’

Het was alsof de omgeving uit een grijze mist opdoemde. De bamboe­muren, de schriftrollen met de wetten van de Vloot, een rij maskers van mosselparelmoer die door eerdere admiraals gedragen werden.

Ik sta in de rechtszaal, in de Kamer der Waarheid en ik heb alle­machtig veel uit te leggen. O, heilige vader Cousteau, tante draagt zelf een parelmoeren masker! Dit is serieus.

‘Hij stuurde de dijk weg,’ zei haar tante. ‘Wat beloofde je hem als tegenprestatie?’

‘Eh, niets.’

De schouders van haar tante zakten omlaag. ‘En jij liet dat zomaar gebeuren? Je protesteerde niet?’ Ze rukte haar masker af en smeet het op de vloer. ‘Jij absolute idiote! Besef je niet wat je gedaan hebt? Nu kunnen ze letterlijk alles van ons vragen! En wij moeten instemmen. Een blanco cheque.’

‘Maar…’

‘Ga uit mijn ogen. Voor ik je nek omdraai als een kakelende kip!’

 

Het vlaggenschip was groter dan een 21ste eeuwse watertanker maar met haar tante aan boord, voelde het echter even benauwd als een rubberbootje. Ten slotte belandde Hindele als vanzelf in het kapelletje op de achterplecht.

In de wrakhouten deurpost stond de oude spreuk gebeiteld: ‘Volgend jaar in Rotterdam’. Bijna een eeuw lang was dat de hartenwens geweest die de gevluchte Nederlanders op Dijkbrekersdag uitspraken als ze een glas IJsselwijn hieven.

Toen de dijken definitief wegspoelden in de Derde Tsunami, was de helft van de Nederlanders de zee opgevaren in duizenden opgekale­faterde olietankers en vlotten van piepschuim. De anderen waren naar het hogere land gevlucht: eerst naar de Hondsrug en toen het stijgende water ook Amersfoort verzwolg, naar de Ardennen en de verlaten dorpjes van Noord-Frankrijk. Toen ze terugkeerden was het als dijkenfluisteraars.

Hindele mompelde de heilwens en de deur zwaaide automatisch open. Achterin stonden de twee beelden van de enige goden die de Vloot vereerde.

Maryam de Stella Maris en de Troost der Zeevaarders zat hand in hand met haar echtgenoot, sint Cousteau. Maryam droeg een blauwe mantel en gouden zeesterren in haar lokken, terwijl sint Cousteau een antieke koperen duikhelm had opgezet. Het net over zijn schouder had mazen die wijd genoeg waren om ondermaatse visjes te laten ontsnappen.

Hindele knielde, slikte, en fluisterde toen: ‘Moeder Maryam, ik heb iets heel doms gedaan.’

De ogen van het beeld lichtten op. ‘En wat dan wel, mijn dochter?’

‘Spreek vrijuit,’ zei sint Cousteau. ‘Niets kan onze oren doen tuiten. Wij hebben elke menselijk dwaasheid een miljoen keer gehoord.’

‘En een miljoen keer vergeven,’ voegde Maryam toe.

‘Maar dit is echt heel erg,’ zei Hindele en vertelde wat ze gedaan had.

Het bleef even stil.

‘Ai,’ zei Maryam.’

‘Dat was echt zeldzaam stom,’ concludeerde Cousteau.

Tranen prikten in Hindeles ooghoeken. ‘Wat moet ik doen? Over de railing springen?‘ Ze knikte. ‘Ja, dan heeft niemand meer last van mij. Als ik dood ben, kan tante zeggen dat de Vloot er niets mee te maken heeft.’

‘In zee springen en je lijf aan de sardines geven, kan altijd nog,’ zei Maryam. ‘Nee, je tante is een intelligente vrouw.’

‘Beter dan intelligent,’ knikte sint Cousteau. ‘Sluw. Doe precies wat je tante zegt. Dan komt alles goed.’

‘Echt?’

Het licht in de ogen van de beelden was echter gedoofd en Hindele begreep dat ze nu naar andere smekelingen luisterden. Meer raad kreeg ze niet. Doe precies wat je tante zegt.

 

Een klop op de deur van haar kajuit. Hindele trok het kussen over haar hoofd. Het was verdacht vochtig, alsof ze had liggen huilen, wat natuurlijk ondenkbaar was.

‘Ga weg! Ik wil met niemand praten.’

‘Maar ik wel met jou. Doe open, Hindele. Nu meteen!’

Mijn tante. Doe alles wat ze zegt, raadde sint Cousteau mij aan. Nee, niet aanraden, bevelen, en een god spreek je niet tegen.

‘Ik kom al.’ Haar eigen stem schokte haar. Ik klink als een verwende kleuter.

Ze trok de deur open. Haar tante droeg nog steeds haar admiraals­masker en Hindele begreep dat het nog niet voorbij was. Dat ze tot over haar oren in de rotte vissenkoppen zat.

‘Ja?’

‘Ik heb nog eens nagedacht. Met de andere kapiteins gesproken.’

Met de andere kapiteins gesproken. Die knikken alleen maar bij alles wat jij voorstelt.

‘Het gaat om evenwicht. Het enige dat even kostbaar is, kostbaar genoeg om de dijken weg te houden van de paringsgrond, ben jijzelf. Je genetica. Je moet een dijkenfluisteraar trouwen. Jullie kinderen zullen zowel met spinkrabben als met dijken kunnen spreken.’ Ze knikte. ‘Na een beetje genetische manipulatie uiteraard.’

‘Dat is wel erg vlot,’ zei ze. ‘Niet dat ik weiger maar ik heb hem pas één keer ontmoet.’ Maar hij kon zo in mijn geheime schelp kijken en mijn zielenbeeld zien.

Jacob moet de ware zijn.

Haar tante fronste haar wenkbrauwen. ‘Maar één keer ontmoet? Volgens mij heeft hij het vlaggenschip nooit eerder bezocht.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Ah, ik begrijp het. Niet hun jeugdige ambassadeur. Het gaat om de Dijkenschouwer zelf. Hij is honderdvijftig maar dat valt hem absoluut niet aan te zien. Niks mis met zijn sperma.’

Doe alles wat je tante zegt.

‘Goed,’ zei Hindele. ‘Als hij het ook wil. Als alles dan in orde is…’

‘Prima.’ Haar tante zette haar masker af, draaide zich om en beende weg. Wat haar betreft was het nu geregeld.

‘Maar toen zei mijn tante, ze zei, het is hem niet, maar die oude man, de Dijkenschouwer.’ Hindele balde haar vuisten. ‘Ik wed dat hij wel tien vrouwen heeft!’

‘Hij is ongetrouwd,’ zei Maryam. ‘Of nee, twee echtgenoten, geen echtgenotes. Hij vindt mannen duidelijk leuker dan vrouwen.’

‘Ook dat nog!’

Het beeld schudde haar hoofd, ‘Eerst klaagde je dat je niet met zo’n oude geit naar bed wilde en nu is het weer niet goed. Je hoeft alleen maar kinderen te krijgen. Hij heeft vast niets tegen kunstmatige inseminatie.’

‘Ben jij nu een vrouw? Je snapt niets van meisjes!’

‘Vroeger toen ik nog een maagdeke was, liep het anders. Alle huwelijken waren gearrangeerd en daar is niks mis mee. Yussuf was een schatje.’

 

 

7

15 april 2223, de Residentie

 

‘Bij de geschoren ballen van Boeddha, waarom heb je in Maryams naam je dijk weggestuurd? We hebben een contract met Groot Nippon, Jacob! Onwrikbaar en al tot de laatste yen vooruitbetaald. Besef je wel wat je gedaan hebt?’

Jacob had zijn oom nog nooit zo kwaad gezien. De ogen van de oude man spuwden bijkans vuur en klodders pruimtabak vlogen in het rond.

‘We mogen daar geen eiland aanleggen. Juist die plek is de broed­plaats van de spinkrabben. De enige nog ook. De Vloot zal nooit een dijk accepteren en het is zakelijk je reinste zelfmoord om de Vloot in het gezicht te spugen. Zodra wij bekend staan als anti-Gaiaans, als oceaanvervuilers, dan zal negentig procent van de wereld geen zaken meer met ons willen doen. En Mars kunnen we al helemaal vergeten.’

Het waren uitstekende argumenten. Allemaal ongetwijfeld waar. Maar waarom zag hij dan enkel Hindele’s gezicht voor zich? Alsof ze meeluisterde naar elk woord?

Ik ben verliefd, begreep hij. Ongeneeslijk en onomkeerbaar verliefd. Verliefd op een klant was wel het stomste dat een zakenman kon uithalen. Maar het was nog een graadje erger: Hindele was zijn klant niet, maar Groot Nippon wel.

‘Bovendien heb ik haar mijn woord gegeven. Geen dijk. Never nooit. En een dijkenfluisteraar breekt zijn woord niet.’

Het leek er even op dat oom Gulliver ter plekke een hartaanval zou krijgen: zo’n bietenrode kop, zo’n briesende adem, gebalde vuisten die open en dicht gingen als de grijpers van een mech. ‘Jij ongelooflijk achterlijk blaag! Je woord is bindend, nu kunnen we niet meer terug. Hoe ik dit goed kan maken met Groot Nippon…’

‘We betalen gewoon de boeteclausule van het contract, en als het Internationale Gerechtshof de Vloot in het gelijk stelt, dan vorderen we het geld weer terug. Met rente. En Groot Nippon is een belangrijke klant, maar we kunnen zonder ze. We gaan heus niet over de kop als we ze kwijtraken.’

Natuurlijk zou het financieel pijn doen, maar niemand van de familie zou er ooit een boterham minder door eten. Bovendien hadden ze nu goede contacten met de Vloot en die goodwill kon in de toekomst wel eens heel winstgevend uitpakken.

‘Het gaat niet om het geld!’ brulde oom Gulliver. ‘Ik had je dit moeten vertellen, zodat je had begrepen wat er speelde. Waarom denk je dat Groot Nippon nog steeds op walvissen jaagt? Als enige natie van de wereld? Toen het Grote Smelten de Inuits en IJslanders uit hun thuis­landen verjoeg, bleven de Japanners stug doorgaan met hun jacht. Dat was niet uit noodzaak of traditie. Het had zelfs niets met trots of koppigheid te maken.’ Hij sloot zijn ogen een moment en knikte toen. Jacob begreep dat zijn oom een besluit had genomen, een dat hem zeldzaam tegenstond.

‘Wij dijkenfluisteraars worden oud. Allemachtig oud. Dat is niet omdat we met de levende dijken kunnen praten, niks esoterisch. Louter en alleen omdat wij godvergeten rijk zijn. Rijk genoeg om de enige levensverlengende behandeling te kunnen betalen die werkelijk werkt. Het belangrijkste en niet na te maken ingrediënt is het extract van de pijnappelklier van de blauwe vinvis. Daarom jaagt Groot Nippon op walvissen en is het letterlijk van levensbelang ze te vriend te houden.’

Het was alsof er een half doorzichtig vlies van Jacob’s oogbollen werd weggerukt.

Voor hem stond niet meer oom Gulliver maar een gesticulerend geraamte, bekleed met vlees. Iets wat zijn jaren had gestolen van de wonderbaarlijkste en wijste wezens van de oceaan.

Het heeft niets met zaken te maken. Zelfs niet met winst of de familie. Jij en andere fluisteraars willen alleen maar eindeloos doorleven. Al het andere is slechts een dekmantel.

‘Dat is walgelijk,’ zei Jacob.

Gulliver lachte en er klonk zo’n narcistische superioriteit in door dat Jacob onwillekeurig huiverde. ‘De onwetenheid der jongeren! Nu kan je je nog zo’n mooie romantische mening veroorloven, maar wacht maar totdat je je honderdtwintigste verjaardag viert en geen van de serums meer werken. Geen telomeerverlenging, geen injecties met getemde kankers. O, dan wordt elke extra dag eindeloos kostbaar! Geen prijs lijkt dan te hoog.’

‘Je kunt ook te oud worden,’ zei Jacob. ‘Ik weiger een eiland aan te leggen voor Groot Nippon. Het zijn slagers, planeetverkrachters.’

‘Je hoeft ook nooit meer een eiland aan te leggen of een dijk te commanderen. Als directeur en grootste aandeelhouder van het familibedrijf ontsla ik je bij deze.’ Zijn gezicht had uit walrusivoor gesneden kunnen zijn, zo strak en bloedeloos. ‘Je bent geen dijkenfluisteraar meer, Jacob. Ik verban je.’

 

Jacob beende de Koningsdijk over tot de Residentie een grijze streep werd.

Ik verban je. Je bent geen dijkenfluisteraar meer. De zinnen galmden in zijn hoofd, bijna alsof ze door een god uitgesproken waren. Maar zijn oom was absoluut geen god: eerder een demon, een ondode die het leven zoog uit de prachtigste en wijste zangers van de oceaan.

Hij stopte bij het uiteinde, hief zijn hand op. Een hijskraan reageerde. Goed. Zijn oom had hem die privileges nog niet afgenomen: het recht om alle machines die lager dan een dijk waren te commanderen.

‘Takel een skimmer omlaag,’ beval hij.

 

Het vaartuig veerde op zodra hij op het pedaal trapte, het sloeg zijn ski’s uit en al snel schoot Jacob over de golven.

Pas toen de Koningsdijk achter de horizon verdwenen was, zette hij de motor af.

Hij keek om zich heen: een absoluut lege hemel, zonder een enkele wolk of verdwaalde meeuw.

Hij sloot zijn ogen. ‘Grisaert?’

‘Wat is er van je dienst?’

‘Je kunt mij nog horen? Mijn oom zei dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

Grisaert’s lach was als het snateren van een dolfijn. ‘Dat is absoluut niet aan hem om te zeggen. Dat zou een mooie boel zijn als mensen bepaalden met wie we spraken.’

‘Dus ik ben… Ik blijf…’

‘Voor altijd en eeuwig. Wij kiezen onze fluisteraars uit en niet andersom.’ Een bedachtzame pauze. ‘Je wilt een lift?’

‘Eigenlijk wel.’

Een segment rees boven het water uit en vlak daarop schoof een luik open. ‘Kom aan boord. Op mijn rug zitten kan ook maar dan zijn we een week of twee onderweg. Nu is het twee, drie dagen.’

‘Je weet waar ik heen wil?’

‘Mijn lieve jongen, dacht je dat ik brandende liefde niet kon herkennen?’ Prompt schalde er een ongetwijfeld antieke ballade over het water: ‘Je ogen zijn als de zee zo blauw, je lippen bloedkoraal. En als jij langsloopt, draaien alle mannenhoofden tot hun nekwervels kraken’ De elektrische sitar stierf weg. ‘In het Hindi klinkt het beter, maar het is zoiets, toch?’

‘Haar ogen waren groen, maar het klopt wel, ja. Een klik. En ze liet mij haar zielenbeeld zien. Al kreeg ze er meteen spijt van.’

‘Dat is geen kattenpis. Alsof de dochter van de sultan haar sluier oplicht.’

Hij begrijpt het. Het is heerlijk om een vriend te hebben die je begrijpt. Vooral als hij van titanium is en negen kilometer lang.

 

 

8

18 april 2223, het Vlaggenschip van de Vloot

 

‘Eh, Hindele?’ De oceaanstem van de krabben rolde Hindeles hoofd in.

‘Ja. Ik luister.’

‘Hij komt. We hoorden de roeipoten van zijn draak net boven onze colonne passeren.’ Draak? Ah, dijk. De spinkrabben noemen ze draken zolang ze rondzwemmen. Een verankerde dijk vinden ze domweg een stuk kust en totaal oninteressant. ‘Shit! Nu al?’

‘Ik dacht dat je met hem danste. Paring danste?’

‘Met die oude geit? Hah, hij houdt niet eens van vrouwen!’

‘Wij kregen een andere indruk. Toen je hem naar je schelp bracht…’

‘Wacht, wacht! Het is die andere? Jacob?’

‘Jacob zit in de buik van de draak, ja.’

‘Als mijn tante hem ziet, explodeert ze.’

‘Dat was ook onze conclusie. Trek een kieuw aan en duik de zee in. De draak, hij beloofde je op te pikken.’

 

Een metalen zwempoot graaide haar zonder omhaal uit zee en zette haar op een glanzende schub neer. Het was een raar gevoel om op de rug van een dijkdraak te staan. Het mocht dan wel een machine zijn, het bleef een akelig grote en machtige machine.

Hindele trok de kieuwen over haar hoofd en vouwde ze op. ‘En nu?’ vroeg ze aan de lege lucht.

‘Hij is op weg,’ zei een stem in haar hoofd. Deze stem leek in niets op de galmende diepzeeduisternis van de spinkrabben, geen schuren van monddelen en driftig schaargeknip. Deze stem glom en glinsterde en zat bomvol zonlicht. Het was duidelijk dat dijken in de open lucht thuishoorden, in het daglicht.

Een drakenstem… Haar verbazing was niet eens zo heel erg groot. Een dijk! Tante heeft gelijk. Ik kan ook dijken verstaan. Dijken en spin­krabben, het moet dezelfde mutatie zijn, dezelfde delicaat uitge­balanceerde genen.

Een luik schoof open en de jongen klom het dek op.

‘Jacob.’

‘Hindele.’ Ze bleven raar onwennig staan, als marionetten waarvan de touwtjes abrupt doorgeknipt waren en die nu hun eigen weg moesten vinden.

Hij spreidde zijn armen. ‘Ik…’

Niet moeilijk doen. Jongens zijn zulke klungels als het op woorden aankomt. Ze stapte recht in zijn omhelzing en sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem. Gelukkig kuste hij haar meteen terug.

‘Wow, Hindele,’ zei hij na de derde keer. ‘Ik was bang dat je nog boos op mij zou zijn. Omdat ik….’

‘Dat was voorbestemd. Ik was de stommeling. Een schelp snapt zulke zaken blijkbaar beter dan ik.’ Ze keek naar hem op. Gelukkig was hij maar een halve kop groter dan zij en konden ze de neuzen tegen elkaar wrijven. ‘Mijn tante was laaiend. Omdat ik je de dijk liet wegsturen zonder een prijs te vragen. Ze wil…’

‘Ze wil dat…’

‘Ja?’

‘Het is zo helemaal verkeerd! De dijken mogen niet terugkomen en daarom moet ik van haar met die oude dijkenfluisteraar trouwen. Met je oom.’

Jacob verstijfde. Hindele schrok: had ze het verkeerde gezegd? Was hij onvoorwaardelijk trouw aan de dijkenfluisteraars? Of erger, was hij alleen gearriveerd als voorhoede van een golf van verse dijken? Om zijn fout goed te maken?

‘Mijn oom. Als je gelooft dat je tante laaiend was, dan had je mijn oom moeten zien! Stoom uit zijn oren. Hij ontsloeg mij. Brulde dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

‘Maar hoe kun je dan nog op een dijk varen?’

‘Deze dijk is het er in ieder geval niet mee eens,’ sprak de dijk-draak in haar hoofd. ‘Ieder heeft zijn favoriete fluisteraar. Jacob is de mijne.’

‘Het dijkvolk is tegen al te overhaaste huwelijken,’ zei Jacob. ‘Je moet minstens twee weken samen zijn voor iemand iets als “Ja, ik wil” mag zeggen. Samen op een onbewoond eiland bij voorkeur.’

‘Jazeker!’ joelde de dijk in haar hoofd, ‘een palmbomeneiland onder een volle maan.’ Meteen barste hij in een lied uit: ‘Come with me While the moon is on the sea The night is young And so are we, so are we!’

‘Blue Hawaii,’ voegde hij toe. ‘Van de King zelf. En ik weet precies waar ik zo’n eiland kan vinden.’

 

Een waarlijk enorme volle groengevlekte maan wierp de palmbomen in silhouet.

‘Er is verder niemand,’ zei Grisaert. ‘Geen zeenomade en geen dijker.’ Een gniffel. ‘Toen jullie de krabben nog aan het muteren waren, liep het een beetje uit de hand. Ze klommen bij volle maan het eiland op en verslonden alle inwoners.’

‘Heilige goden, dit is Aruba?’ Ze had verhalen gehoord. Als er iets was waarvoor de zeenomaden zich zelfs na zeventig jaar nog schaamden, dan was het dit.

‘Geen krab meer te bekennen,’ zei de dijk, ‘en je hoeft ook niet bang te zijn om over botten en schedels te struikelen. Als een krab iets verslindt dan is het van top tot teen.’

Ze waadden het laatste stuk naar de kust, met de zee niet dieper dan hun enkels. Bij elke stap sprongen er verschrikte visjes uit het water die vonkten in het maanlicht.

‘Ik dacht dat ik eigenlijk nooit meer een voet op het vaste land mocht zetten?’ hoorde ze Jacob tegen de dijk zeggen. ‘Dat het in mijn eed zat?’

‘Och, eden en regels,’ zei Grisaert. ‘Daar doen we alleen maar aan omdat de mensen zich dan wat zekerder voelen. Wij dijken kennen maar twee regels: blijf pompen en zorg dat je niet lekt. Tja, ons leven is aanzienlijk overzichtelijker dan dat van jullie.’

Op een nabije heuvel knipte de lamp van een vuurtoren aan en een zoeklicht zwalkte door de hemel.

‘Jullie torenkamer,’ zei de dijk. ‘Ik heb een stel mechs vooruit­gestuurd en ze zijn druk bezig nieuw glas in de sponningen te printen en een tweepersoonbed te bouwen, dons voor jullie dekbed te verzamelen.’

Handig, van dat soort vrienden. Niet dat een dijk beter was dan de spinkrabben.

 

Ze hadden uiteindelijk geen veertien dagen samen op een onbewoond eiland. Enkel een nacht.

Een laag geloei wekte Jacob in de ochtend en het was een afgrijselijk bekend geluid.

‘Wat?’ zei Hindele en streek een lok uit haar ogen. ‘Is er iets?’ Ze was beeldschoon, met de afdruk van een kussenplooi nog over haar linker­wang en korrels slaap in haar ooghoeken. Haar zweet rook naar zee­water en pas aangespoeld wier, een geur die intens intiem was.

‘Dat was een misthoorn,’ zei Jacob en zijn maag trok samen. ‘De mist­hoorn van een zwemmende dijk.’

Hij beende de kamer door, rukte het damasten gordijn open. De Koningsdijk slingerde zich als een metalen glitterketting over de halve horizon. Minstens vijftien andere dijken moesten zich in zijn staart vastgebeten hebben om zo’n idiote lengte te bereiken.

Dit is puur machtsvertoon, ging het door hem heen. Ze zijn op weg naar de Vloot om de polderring te leggen. De hele bergtop leeg te pompen.

‘Je oom?’ zei Hindele.

‘Ik ben bang van wel. Mijn oom houdt niet van verliezen.’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Maar dit is bizar. Jullie gebied domweg binnenvaren is niet minder dan een oorlogsverklaring.’

‘De oceaan is van iedereen,’ zei Hindele automatisch en meteen daarop: ‘Nee, dat is onzin. Niet als je hier komt om alles kapot te maken.’ Ze boog zich naar voren. ‘O, nee toch?’

En Jacob begreep dat ‘O nee toch?’ meteen. Het raam vormde een 360 graden strook diamant langs de complete verdieping. Rechts, in het laatste kwart van de horizon dat nog vrij was, glom parelmoer. Vliegers dansten tussen de wolken.

‘Dat is de Vloot,’ zei Hindele. ‘Ze komen de dijken tegenhouden, de paringsvelden barricaderen.’ Ze graaide haar kleren bij elkaar en schoot haar laarzen aan. ‘Ik moet weg. Terug naar mijn tante. Ik ben de enige die ze kan stoppen.’

Het was als een nachtmerrieachtige rerun van hun vorige ontmoeting. Jacob hief zijn handen. ‘Hoe wil je naar de Vloot gaan? Zwemmen? Grisaert kan je onmogelijk brengen. Hij mag mijn vriend zijn maar hij kan onmogelijk tegen al die andere dijken op. Mijn oom is en blijft de opperfluisteraar.’

‘Ik heb Grisaert niet nodig,’ zei ze en haar schouders zakten omlaag. ‘Ze komen mij halen.’

’Halen, hoe?’

Een vlieger zakte omlaag, bleef met wapperende stabilisatievinnen naast het balkon hangen.

‘Daar is mijn vervoer al,’ zei Hindele. Een zenuwtick deed haar linker­wang trillen. ‘Mijn tante zit in de cockpit. Dit is niet iets dat ze aan een normale potige matroos kan overlaten. Je moet je eendenmossels zelf van je sloep schrapen, zei ze altijd.’

Ze rukte de schuifdeuren tweehandig open en een ijzige ochtendbries woei door de kamer. ‘Het was…’ zei Hindele. Ze wendde haar blik af. ‘Het spijt me zo!’

Ze nam een aanloop, zwiepte haar benen over de reling. De vlieger schoot naar voren en ving Hindele op, sloeg een veiligheidsgordel om haar middel. Een siddering en de vlieger schoot de hemel in.

Jacob keek haar na tot de vlieger tot een stip was gekrompen. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij.

’Zeg dat wel,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘En wat dacht je eraan te doen, vrind?’

‘Oom Gulliver is de opperfluisteraar. Alle dijken gehoorzamen hem.’ Het voelde alsof elk volgende woord de energie verder uit zijn lijf zoog. David tegen Goliath en ik heb niet eens een slinger.

‘Bijna goed, mon amigo. Alle dijken gehoorzamen hem omdat hij de zielenbroeder van de Koningsdijk is. Net als jij die van mij bent. Zonder de Koningsdijk zou Gulliver een oude man zijn die wat in de bries staat te murmelen.’

‘Wat wil je nu precies zeggen?’

‘Dat ze allebei al allemachtig lang de baas spelen. Misschien wel te lang?’

Ineens leek het Jacob geen enkel probleem om David tegen Goliath te spelen, niet als je een titanium slinger van anderhalve kilometer in je knuisten hield. ‘Ik denk niet dat ze ons op de bruiloft gaan uitnodigen.’

‘Des te beter! Dan verwachten ze ons ook niet. De mensen zijn jouw probleem, de dijken regel ik.’

 

 

Het Vlaggenschip van de Vloot:

 

Gulliver van Nijenbrink, opperfluisteraar en Dijkschouwer, rechtte zijn schouders, tikte zijn rozenkrans van drijfglas aan. Nu komt het er op aan. Puin ruimen en het is helemaal mijn eigen schuld. Een jongen die giert van de hormonen met een sluwe en bloedmooie vlootvrouw laten onderhandelen: waar zat mijn verstand?

De deur van de Vlootvoogdes zwaaide open en hij stond voor het eerst in zijn leven oog in oog met zijn tegenhangster. Dit was de vrouw die al zeker een eeuw beter dan alle anderen met de spinkrabben kon spreken, wiens woord voor de halve oceaan een bevel was. Haar gezicht was meisjesachtig glad en hij zou haar hoogstens twintig geven.

‘Heilige goden, je bent een onsterfelijke! Net als ik!’ Hij flapte het eruit, zo totaal verrast was hij. Ze is even leugenachtig als ik. Toen haar botten begonnen te knersen, waren de blauwe vinvissen opeens niet zo heilig meer.

De langlevenden kunnen gezichten lezen, al die kleine spier­trillinkjes, de stand van je lippen, een iets te snelle oogknippering. Ze klakte met haar tong. ‘Nu besluit je dat ik geen haar beter ben dan jij, ja? Mis. Als ik door de ogen van de spinkrabben kijk, kan ik iedere zeester een oester open zien wrikken, elke sardine tellen. Zodra er een blauwe vinvis sterft en naar de bodem zinkt dan weet ik dat. Lang voor de alen zich zijn hersens in kunnen knagen, heb ik zijn pijnappelklier al geoogst.’ Ze viste een buisje uit haar handtas. Het was zo dik als zijn duim en twee keer zo lang. De vloeistof lichtte smaragd-groen op, met minieme rode vonkjes.

De Japanners verkochten hun serum per milligram: deze ampul moest goed zijn voor zo’n duizend jaar jeugd. Gulliver voelde zijn tong droog van pure begeerte worden. Geen junkie kon ooit half zo gretig naar zijn kristallen gestaard hebben.

‘De helft is voor jullie,’ zei de Vlootvoogdes. ‘Meer dan de fluisteraars ooit op kunnen maken. Voortaan doen jullie geen zaken meer met Groot Nippon, maar met ons.’

Gulliver vouwde zijn handen samen, herhaalde zijn persoonlijke mantra tot hij zijn stem en vooral zijn verstand weer kon vertrouwen.

‘Een aantrekkelijk aanbod. Zonder meer.’

‘Het wordt nog beter. De mutatie die jullie met de dijken laat spreken, is zeldzaam en niet na te bouwen. Deze generatie hadden jullie maar èèn nieuwe fluisteraar. Wij twaalf. Ja, krabspreken en dijkenfluisteren zijn hetzelfde talent. Iets diep in het kwantumgebied, heb ik mij laten vertellen, het resoneren van je microtubuli met die van dijken en krabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Onbelangrijk. Ik bied je mijn nichtje ten huwelijk aan. Jullie kinderen zullen gegarandeerd top­fluisteraars en krabbentemsters worden.’

‘En je nichtje? Wat is haar mening?’

‘Ze is een gehoorzame vlootvrouw. Ze gelooft met heel haar hart in Gaia en zal doen wat juist is.’

‘In dat geval stem ik graag in. Misschien is het verstandig elkaar eerst te ontmoeten voor onze huwelijksdag?’

‘Zo zijn onze gewoonten niet. Je ziet haar gezicht als je haar sluier oplicht. En de bruiloft gaat sowieso door.’

 

 

9

16 juni 2223, Aruba

 

Hindele herkende het eiland zodra het boven de horizon uitpiepte: de eenzame berg die boven het verdronken laagland uittorende, de heuvel met de vuurtoren.

‘Deed je dat expres?’ vroeg ze haar tante. ‘Om het eens goed in te wrijven?’

‘Welnee. Aruba ligt gewoon handig in de buurt en niemand heeft het ooit durven claimen. Neutraal gebied.’ Ze opende haar tasje. ‘Hier, je sluier. Doe hem om voor je aan land stapt.’

‘Die oude geit weet heus wel hoe ik eruitzie. Er is niets geheim aan mijn gezicht.’

Haar tante haalde haar schouders op. ‘Zo is de traditie nu eenmaal.’

 

Palmbomen onder een strakblauwe hemel, rijen danseressen en lieden die handenvol kauries strooiden in het kielzog van de bruid. Halver­wege de praalweg draaide een complete tonijn aan het spit. Dat moest van de dijkers zijn: vlootmensen gaven de voorkeur aan vegetarischer hapjes. Het geroezemoes klonk Hindele hatelijk in de oren en haar sluier maakte alles grijs en wazig. Ze lachen mij uit. Ik ben het rare offerlam, de zondebok. Het zand werkte zich in haar muiltjes en het was alsof ze over levend schuurpapier strompelde. Ten slotte eindigde ze bij het altaar: een vergulde sloep met haar toekomstige echtgenoot aan het roer. Haar tante stond naast hem, bijna alsof zij de bruid was, met de ampul hoog geheven zodat iedereen de zon in het serum kon zien fonkelen.

De hogepriesteres van Gaia, Maryams vertegenwoordigster op Aarde, stapte naar voren en blies driemaal op een kinkhoorn.

‘Maakt er iemand bezwaar tegen dit huwelijk?’ galmde ze vervolgens. ‘Zo niet, laat zij dan eeuwig zwijgen!’

‘En of ik bezwaar maak!’ Jacob stapte uit de rij met kaurischelpen­strooiers. ‘De bruidegom is ouder dan Methusalem en de bruid… Als ze “Ja, ik wil” zegt, is het enkel met het mes op de keel.’

In de verblufte stilte kon Hindele haar tante horen fluisteren. ‘Je hebt hem toch verbannen, Gulliver? Hij is geen fluisteraar meer. Niet een van jullie?’

‘Dat klopt.’

‘Perfect!’ Tante strekte haar arm en kromde een vinger.

Ze roept de spinkrabben om hem te verscheuren. Ze hoorde haar tantes geluidloze gekrijs in haar hoofd, bevelen die enkel voor een spinkrabbentemster hoorbaar waren.

Een golf rolde aan, smeerde zich over het strand uit. Het was geen natuurlijke branding want de zee zelf bleef spiegelglad: een falanks zwoegende monsters stuwde het water voor zich uit. Ze renden het strand op met geheven scharen, rood als baksteen en een en al haak en speerpoot.

Een paar honderd meter verder speelde een ander drama zich af: de Koningsdijk rees als een getergde cobra uit de golven. Een veel kleinere dijk slingerde zich om zijn lijf. Een haal van een machtige ankerpoot en Grisaert tolde door de lucht, smakte in de oceaan. Hij zwom meteen terug en ditmaal was hij niet alleen. Een dozijn andere dijken hadden zich bij hem aangesloten en de Koningsdijk ging kopje onder.

Toen hij weer opdook was hij duidelijk op de vlucht.

Hindele keek terug: de spinkrabben snelden de praalweg over, omsingelden de sloep.

‘Hij daar!’ wees haar tante. ‘Verscheur hem! Ruk zijn ribben uit zijn lijf en laat geen bot ongebroken!’

Voor de eerste keer in haar leven sprak Hindele niet langer met de krabben, ze werd de krabben. Ineens bezat ze dozijnen ogen op steeltjes en liepen haar armen in scharen uit. Ze wierp een cordon om Jacob heen, een klikkende en sissende haag van opgeheven scharen die de andere krabben deed terugdeinzen. Ze sprong over naar een enkele krab en snelde op de sloep af, griste de ampul uit haar tantes handen.

Hindele stapte naar voren, half krab en half mens want ze kon het gewicht van de ampul in haar linkerschaar nog perfect voelen.

‘Je kunt kiezen,’ zei Hindele. ‘Een lang, lang leven, maar dan lijkt het mij verstandiger als jullie een stapje terugdoen. Stel, een mooie vakantie van zo’n vijftig jaar?’ Ze voelde een apengrijns aan de hoeken van haar lippen trekken. ‘Mijn krab kan natuurlijk ook jullie ampul in het zand leeg gieten. Dat is eigenlijk het enige alternatief.’ Ze liep op Jacob af en haakte haar arm in de zijne. ‘En nog iets. Een huwelijk tussen dijk en krab was zo’n slecht idee nog niet. En nu we hier toch zijn…’

De eindoplossing van het vetusentiteitenprobleem : Django Mathijsen

Samen met Morena, een van mijn promovendi, was ik vergelijkingen aan het narekenen uit een artikel van professor Yáo Liangyong, die een interessante variatie had bedacht op mijn cryptokinetisch causaal seismologische rekenmodel. Hij had daarmee de aardbevingen in het Wenchuan-gebied geanalyseerd en was tot bijzonder nauwkeurige cryptoseismologische voorspellingen kunnen komen van locatie, tijd en grootte van de recente bevingen daar.

Zijn voorspellingen leken geruststellend. Blijkbaar was de vetus­entiteit Diyu Yaomo niet sterk genoeg om door het aardoppervlak te breken. En volgens de kinetische patronen kwam Diyu Yaomo bijna nooit in de buurt van fissuren en zwakke plekken.

Bescherming, laat staan strijd, tegen vetusentiteiten was dus ook daar geen prioriteit voor de politiek. De aardbeving- en tsunami­besten­dige bouwrichtlijnen die de VN bijna overal had afgedwongen, zorgden dat zelfs bevingen tot een magnitude 8 nauwelijks nog verlies van mensen­­levens of infrastructuur opleverden.

Politici sliepen rustig verder: doof, blind en stom met betrekking tot het onzichtbare gevaar onder hun voeten dat zij voor het grote publiek geheimhielden.

De ene groep onwetend, de andere onverschillig. Dat was veront­rustend.

Nadat ik de spanningstensor had opgeschreven, nam ik een paar passen afstand van de digiborden die bijna alle wanden van mijn kan­toor bedekten. Morena was een differentiaalvergelijking aan het oplos­sen. Haar diepbruine krullen hingen als een tapijt over haar rug en raakten de slijtplekken op de leren rok die bijna dezelfde kleur had. Ze was de enige die ik kende die zo’n archaïsch kledingstuk droeg. Het was moeilijk om mijn ogen af te houden van de zacht uitpuilende rondingen waar haar slanke taille overging in haar achterwerk.

‘Denk aan de primitieve van de natuurlijke logaritme,’ prevelde ik, de tinteling in mijn kruis negerend.

‘Natuurlijk.’ Ze keek even om, een twinkeling in haar groene ogen. Als ze me zo aankeek, leek ze een kind en dus verdween mijn tinteling weer. Ze was al lang geen kind meer, maar wel net jong genoeg dat ze de dochter had kunnen zijn die ik nooit had gehad.

Ik glimlachte terug, verlegen hopend dat ik geen rode kleur op mijn wangen had.

Ze schreef door en ik vermaande mezelf. Ze was mijn promovendus. Ik mocht haar niet als iets anders zien: niet als kind, niet als vrouw. Haar haren leken op die van Mariska, de vriendin van Bart, mijn grote broer.

 

Hij was anders dan ik: er bestond geen apparaat dat hij niet kon repa­reren, geen machine die hij niet kon maken. Als kind al stond hij met zijn neus erbovenop als pap onze skelters, drones en zweefsteps repa­reerde. Als volwassene bouwde Bart de helft van het machinepark in zijn fabriekje. De andere helft verbeterde hij.

We waren even weetgierig hoe dingen in elkaar zaten. Maar bij hem waren die dingen machines, bij mij de aarde. Ik keek al naar aardrijks­kundige colleges op het omniweb lang voor ik ze kon begrijpen.

Ik maakte lange ontdekkingstochten: hutten bouwen in het bos, grotten verkennen, ruïnes van de voormalige aardgaswinning onder­zoeken. Bijna altijd met Bart in mijn kielzog. Pap had hem op het hart gedrukt op zijn kleine broertje te letten.

Maar het was ook zijn aard. Hij was degene die overal het gevaar kon identificeren… en de redding. Ik denk omdat hij constant zocht naar problemen om te fiksen, defecten om te repareren.

‘Niet doen, Haijtje, die ladder is verroest en je kunt de bodem niet zien.’ Zijn stem galmde door de oude fabriekshal. ‘Wat als je valt en die put geen bodem heeft?’

We staarden in de put die als een zwart gat het schijnsel van mijn helmlamp leek op te slokken.

Demonstratief zuchtend haalde ik mijn voet van de bovenste sport en keek rond. De lichtbundel van mijn helmlamp ging als een zoeklicht over de betonnen vloer en liet olievlekken, stof en spinnenwebben flonkeren. Daar: voor een van de verroeste machines lagen bouten en moeren. Ik raapte ze op en liet ze in de put vallen. ‘Eenentwintig, tweeëntwin…’

Harde knallen galmden op uit het donker.

‘Anderhalve seconde… het kan dus niet dieper zijn dan een meter of tien, vijftien…’

‘Het klonk niet alsof er iets bijzonders op de bodem lag,’ zei hij.

‘Bijzondere mineralen kun je niet horen.’ Ik stapte vastberaden weer op de ladder die in de put hing en begon af te dalen. De derde sport kraakte.

‘Wacht!’ riep Bart.

‘Da’s niks. Die ladder is hartstikke stevig.’ Ik gaf hem een boze blik.

‘Gewoon even wachten.’ Hij gebaarde me tot kalmte en keek koortsachtig om zich heen. ‘Ja.’ Weg rende hij.

Zijn voetstappen galmden door de fabriekshal.

Het kan nog geen tien seconden hebben geduurd of ik hoorde hem alweer terugkomen. Voor het kind dat ik toen was, leek het een eeuwigheid.

Triomfantelijk liet hij de vuile, bruine touwen in zijn handen zien. ‘Kom hier.’

‘Bahart… dit is…’

‘Hierkomen! Als je iets doet, moet je het goed doen.’

Sputterend en stampvoetend kwam ik de put uit.

Hij knoopte een lus, gooide die om mijn middel en maakte een andere lus. ‘Stap hierdoorheen.’

Ik deed wat hij zei.

Hij knoopte en bond: tussen mijn benen door en om mijn schouders heen en voor ik het in de gaten had, had ik een tuigje aan.

‘Nou ben ik net een paard,’ mopperde ik.

‘Bij de padvinders geleerd.’ Grijnzend trok hij de touwen tussen mijn benen strak.

‘Auw! Mijn plasser zit ertussen.’

Lachend legde hij de touwen in mijn kruis goed. ‘Dat krijg je als je overal je neus in wilt steken.’ Hij trok weer strak. ‘Gaat het zo?’

Het deed nog steeds een beetje pijn. Aarzelend knikte ik.

Hij bond een langer stuk touw achter mijn schouders aan het tuigje en hield het grijnzend vast. ‘Nu kun je veilig omlaag.’

Ik rolde met de ogen, maar stapte meteen omlaag… voordat hij zich nog eens bedacht. Het ging lekker. En het was lekker: de spanning kriebelde in mijn buik.

Bij de achtste sport gebeurde het: luid krakend brak het onderste stuk van de ladder af en schoot omlaag. Met een ruk kwam mijn ge­wicht aan mijn armen te hangen.

‘Aah!’ Mijn handen gleden weg. Ik stortte omlaag.

‘Auw!’ Abrupt kwam ik tot stilstand. Het was alsof iemand een mes in mijn kruis stak. Vlak daarna knalde ik ruggelings tegen de wand.

Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Help!’

Bungelend aan het touw spartelde en graaide ik naar het bovenstuk van de ladder. In het donker en door mijn tranen heen duurde het eeuwig voordat ik het stevige, koude staal van een sport weer in mijn handen voelde.

‘Ben je in orde, Haijtje?’ galmde Barts stem van boven.

Ik probeerde me op te trekken, maar was niet sterk genoeg. Ik pro­beerde Bart te antwoorden, maar de angst en pijn beroofden me van adem.

‘Niet bang zijn,’ riep Bart. ‘Ik trek je omhoog.’

Een vlijmscherpe ruk aan mijn kruis! Maar ik ging een stukje omhoog.

Langzaam sloot ik me af van de pijn. Rukje voor rukje kwam ik omhoog. Pijnscheut voor pijnscheut. De hele tijd dacht ik dat hij me niet meer zou kunnen houden, dat ik te pletter zou vallen. Er leek geen eind aan te komen.

Die dag redde hij mijn leven.

Maar zelfs hij was niet in staat geweest het gevaar te zien toen hij zo veel jaren later samen met Mariska naar Hoek van Holland ging. Hij had het ook niet kunnen weten. Ik wel: ik was toen al gepromoveerd. Nu was ík degene die het gevaar moest zien. En de redding.

Ik zou willen zeggen dat de schellen meteen van mijn ogen vielen, toen ik zijn laatste berichtje kreeg. Maar toen ik hoorde van de Noordzeetsunami en dat Bart er niet meer was, kon ik het aanvankelijk niet bevatten.

Misschien moest ik meer begrip hebben voor mensen die zich doof, blind en stom hielden voor de verschrikkelijke waarheid onder hun neus. Ook ik had het niet willen weten. Ook ik deed het lang af als complottheorieën. Ik had het moeten weten, het was mijn vakgebied: de seismologie.

 

Ik werd uit mijn overpeinzingen opgeschrikt door een belsignaal. Een rood lichtje flikkerde op een van de digischermen. De schrik liep van mijn buik naar mijn tenen.

‘Ga je in je eigen kantoor verder? Ik kom later wel naar je resultaten kijken.’

Morena knikte. Ze keek me even diep in de ogen en liep naar de deur.

Niet naar haar kont kijken, niet naar haar kont kijken…

De deur schoof opzij, ze verliet mijn kantoor.

‘Deur sluiten,’ zei ik en de deur sloot vlak achter haar heupwiegende kont.

Toch weer gekeken, verdorie.

‘Voor niemand opendoen.’ Met trillende vingers drukte ik op de rode lamp op het scherm. Mijn schaduwmail opende zich. Koortsachtig las ik de tekst. Instinctief maakte ik een vuist.

Yes.

Een uitnodiging voor een spoedconferentie van het Europees Crypto­seismologisch Genootschap. Ik werd om vijf uur, over een klein uur dus, thuis opgehaald door een dronetaxi. Chatham House Rule, kleding­voorschrift blauw. Ik moest een keynote address van een half uur geven. De mail was gemerkt: hoogste urgentie.

Hoogste urgentie, de woorden spookten door mijn hoofd. Hoogste urgentie. Dit moest het zijn: het moment waar ik al die jaren naartoe had gewerkt.

Ik zakte in de stoel achter mijn bureau maar sprong meteen weer op. Zoveel te doen, zo weinig tijd. Haast vloeide als een storm door mijn hoofd. Mijn documenten, mijn pak…

‘Kalm, Haijo.’ Ik ging weer zitten, pakte mijn e-rol uit mijn binnen­zak, rolde hem uit en controleerde of ik alle documenten die ik nodig zou hebben voor een rede over mijn onderzoek in crypto­seismo­logie en cryptoallectatie erin had staan. Een half uur… hoe… wat vertel ik?

Ik bekeek de schema’s van mijn laatste vier conferentiepraatjes. Ja, daar kon ik delen uit halen, details weglaten, me beperken tot de lijn… moest lukken.

Ik had alles. Het praatje zelf plakte ik wel in de dronetax in elkaar.

Met mijn e-rol weer in mijn binnenzak verliet ik mijn kantoor op de universiteit en liet mijn secretabot weten dat ik de rest van de dag en de volgende dag afwezig en voor niemand bereikbaar zou zijn.

 

Met mijn blauwe pak aan zakte ik in de luie fauteuil in mijn woon­kamer. Motortjes zoemden: de stoel nam mijn favoriete ligstand aan. Shit, door het raam zag ik slechts het stukje straat waar mijn eigen drone geparkeerd stond.

‘Omhoog’. De fauteuil ging in overeind-stand. Ik sprong op, liep naar het raam en keek rond.

Geen dronetaxi.

Ik keek omhoog: maar weinig verkeer, geen dronetaxi. Had ik mijn drone voor het huis van de buurman moeten parkeren zodat de drone­tax hier voor de deur had kunnen stoppen?

Ik had dorst, liep naar de keuken en besefte dat ik nu zeker geen dronetax kon zien landen. Mijn botler stond in de hoek: die had ook wel thee voor me kunnen pakken.

‘Thee,’ zei ik tegen mijn koelwarmkast. Het apparaat zoemde, stoom kwam eruit.

‘Extra melk.’

Het luikje boven in de kast schoof open.

Met de beker in de hand liep ik terug naar het raam. ‘Hoe laat is het?’ Ik blies in de thee.

Het scherm rechts van me lichtte op en liet een grote wijzerplaat zien. ‘Eén voor zes.’

Ik volgde de secondewijzer terwijl ik een slok hete thee in mijn mond spoelde. Hij prikte op mijn tong. Nog veertig seconden. Ik slikte door. Dertig. Ik nam gauw een tweede slok.

Masker!

Ik zette mijn theebeker op de vensterbank, rende naar de gang en opende mijn koffer…

Gelukkig, mijn blauwe masker zat erin. Ik hield het voor mijn gezicht. ‘Batterijcheck.’

In de glaasjes die de ooggaten vulden verscheen: negentig.

Negentig procent was ruim voldoende.

Ik propte het masker terug, rende weer naar de woonkamer en wou mijn theebeker grijpen. Op dat moment sprong de secondewijzer recht omhoog.

Er schoof een schaduw voor mijn raam: een dronetaxi landde achter mijn drone.

Ik greep mijn theebeker en goot de laatste slok naar binnen. Hij daalde brandend mijn slokdarm af. ‘Botler, huis afsluiten na mijn vertrek… voor lange afwezigheid.’

‘Tot uw orders, professor.’

 

De vlucht met de dronetax duurde een uur. Ik probeerde bij te houden welke kant hij op vloog: aan de ondergaande zon en opkomende maan te zien, overwegend zuidelijk, misschien een beetje westelijk.

Pas toen de dronetax in het halfduister begon te vertragen en dalen, begreep ik waar ik was, ofschoon ik hier nooit eerder was geweest. Een concentratie van miljoenen lichtjes… een enorme stad met trots erbovenuit: de Eiffeltoren.

Toen we eroverheen vlogen, zag ik onze bestemming. Het gebouw rees als een spiegelende diabolo op en was niet veel lager dan de Eiffeltoren: het parlement. We voegden in de file in naar het dak.

Snel stopte ik mijn e-rol weg, trok het masker uit mijn koffer en zette het op. Ik drukte de ingebouwde oorpluggen nog niet in mijn oren.

‘Test. Een, twee, drie,’ sprak ik.

‘Testo. Unu, du, tri,’ klonk uit de luidspreker van mijn masker in een stem, duidelijk lager en mechanischer dan de mijne.

Ik drukte de oorpluggen in mijn oren en herhaalde: ‘Test. Een, twee, drie.’

De mechanische stem echode in mijn oren het dubbel vertaalde: ‘Test, een, twee, drie.’ De automatische stemvervormer/vertaler werkte correct.

 

Het zenuwengekriebel in mijn buik ging over in misselijkheid. Het parlement. Ja, nu ging het erom.

Een voor een druppelden de dronetaxi’s de lange, donkere tunnel boven op het dak binnen, alsof we werden opgeslokt door een moloch met een wespentaille en een onstilbare honger.

Mijn dronetax vloog de duisternis in. Even voelde ik de heerlijke verschrikking die ik als kind in het spookhuis had gevoeld. Of in die put, voordat de ladder het begaf. Ik keek naar het licht aan het einde van de tunnel, maar herkende pas structuren toen we er vlakbij waren: verlichte vlakken, glinsteringen, de kleurenverscheidenheid van de dronetaxi’s en het felblauw en goudgeel van muren en zuilen.

De hal was groter dan een voetbalveld en helemaal leeg. De drones voor mij verdwenen weer in andere tunnels nadat ze hun passagiers hadden afgezet.

Verspilling van ruimte! Maar toen herkende ik de hal. Hij leek alleen anders dan op de nieuwsbeelden, want dan was hij bij zo’n conferentie­ontvangst altijd afgeladen met journalisten, journobots en journo­drones.

Ik trok mijn koffer alvast op schoot.

Mijn drone stopte bij een door botlers geflankeerde, rode loper die naar het ontvangsthalletje met glazen schuifdeuren leidde. De koepel scharnierde open en ik sprong eruit.

‘Gast nummer 51, ik ben uw persoonlijke botler voor de duur van uw verblijf.’ Een in gelid opgestelde botler kwam op mij af. ‘Kan ik uw bagage aannemen?’

Ik drukte mijn koffer instinctief tegen mijn borst. ‘Ik draag hem zelf wel.’

‘Zo u wilt, burger. Volgt u mij?’ Hij draaide zich om.

Ik volgde hem het halletje in.

‘Wilt u zich opfrissen of heeft u behoefte aan toiletbezoek?’

‘Opfrissen… nee,’ stamelde ik. ‘Toilet graag.’

 

Nadat ik mijn plas had gedaan, ving de botler mij weer op. ‘Gast nummer 1 wil u spreken.’ Hij maakte een weids gebaar. ‘Volgt u mij?’

De botler leidde me door een zaal met hoge, ronde tafeltjes waar mensen in net zulke blauwe pakken en maskers als ik met elkaar stonden te keuvelen. Via de slangetjes in hun maskers zogen ze champagne en sap uit kristallen glazen. Via luikjes in de mondstukken schoven ze hapjes naar binnen die er veel duurder uitzagen dan ik ooit op een conferentie van het Genootschap had gezien. Botlers liepen met dienbladen, glazen en schalen af en aan.

Mijn botler stak zijn vinger op naar een lange, brede man die bij een tafeltje duidelijk het hoogste woord voerde.

De man nam afscheid van zijn toehoorders. De burger links van hem – ik kon niet zien of het een man, vrouw of iets ertussenin was – kreeg een schouderklop.

De brede man drukte zijn platte hand op zijn hart, boog zich en deed een paar passen achteruit. Hij knikte naar mij en wenkte dat ik moest volgen.

Samen met mijn botler liep ik achter hem aan het zaaltje uit en een gang door.

‘Ik neem aan dat uw reis aangenaam was, professor Van Slochteren?’ zei hij.

Onthutst keek ik hem aan. Achter de oogglazen in het masker zaten onpeilbare, zwartbruine ogen.

Hij lachte. ‘Voor mij heeft niemand geheimen.’ Hij legde zijn vlakke hand op een scanner naast de deur aan het einde van de gang. ‘Niet in Eurafrika.’ De deur schoof opzij. ‘En da’s maar goed ook, nietwaar?’

Het licht ging aan en onthulde een werkkamer met pluchetapijt, rijkelijk versierd met beelden en schilderijen. Er stond een pijlvormige, blauwe vergadertafel met gouden stoelen en een antiek notenhouten bureau.

Zoals elke inwoner van Eurafrika kende ik dit kantoor.

Terwijl ik me afvroeg of zijn vraag retorisch was, ging ik naar binnen en bekeek de staatsieportretten van de presidenten. Op school hadden we het rijtje namen vanbuiten moeten leren. Maar die kennis had plaatsgemaakt voor belangrijker zaken. Politiek liet me koud. Ik hield me bezig met machtigere, oudere entiteiten. Dus kwam ik niet meer verder dan Hallstein, Rey, Malfatti, Mansholt… Daarna herkende ik alleen nog Thorn, Juncker en Famiglietti.

‘Sluiten,’ zei hij. De deur schoof achter ons dicht. ‘U weet wie ik ben, neem ik aan?’

Onder geen omstandigheden mochten wij op conferenties van het Genootschap onze identiteit prijsgeven. In geen geval, als we iemand herkenden, mochten we dat toegeven. Ik opende mijn mond en aarzelde schokschouderend.

Lachend liep de president naar het sigarenkistje op zijn bureau en opende het deksel. ‘Kan ik u blij maken met een vape?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Liever een echte?’

‘Ik rook niet.’

‘Verstandig.’ Hij plofte neer in de stoel achter zijn bureau en opende een la. ‘Ga zitten.’

Terwijl ik tegenover hem plaatsnam, haalde hij een sigaar uit zijn la. Een echte. Natuurlijk wist ik van de links tussen de Zuid-Amerikaanse en Nederlandse drugsmaffia, maar van dichtbij had ik zo’n sigaar nog nooit gezien.

‘Smerige gewoonte… maar toch zo bevredigend,’ zei hij. ‘Net als meer dingen in het leven. Dingen die we niet mogen, niet willen… maar moeten. Wij zijn geen gewone mensen, u en ik. Wij gehoorzamen geen regeltjes, maar ons verstand. We moeten dingen doen waar gewone mensen voor terugschrikken, die voor hen verboden zijn, waar ze geen weet van hebben.’ Hij haalde de sigaar uit het plastic, knipte met een tangetje het puntje eraf en stak hem met een gloeilaser aan. ‘Gij zult niet doden, was een leefregel in oude religies. Een regel die wij tegenwoordig nog als wet kennen.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Toch is het de taak van soldaten om precies die regel te schenden. Voor het alge­meen belang.’ Hij blies een rookkringetje uit, het stonk als verrotte peper. Vorsend keek hij me aan. ‘Hoe oud was uw broer ook weer toen hij stierf?’ Het was alsof hij recht door mijn masker keek.

Ik knipperde met de ogen en klemde me aan mijn koffer vast. ‘Uh…’ Natuurlijk wist ik het. Ik kreeg het alleen mijn strot niet uit.

Hij leunde naar voren. ‘U hebt sindsdien belangrijk werk geleverd. In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zijn wij ons heel erg bewust van het sluimerende gevaar onder onze grond.’ Hij kruiste zijn armen en steunde die op zijn bureau. ‘Met name dankzij uw rapporten en die van uw vakgenoten.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Maar wij zien op dit moment geen reële manier om ons ertegen te beschermen. Uw vak­gemeenschap waarschuwt ons. U bent zelfs als enige in staat om de entiteiten beneden ons te… hoe moet ik het zeggen… manipuleren, beheersen? En nu… vanwaar die ongemakkelijke blik?’

‘Beheersen,’ begon ik ‘… is overdreven.’ Ik trok mijn e-rol uit mijn binnenzak.

‘Geen documenten.’ Hij zwaaide vermanend met zijn sigaar. ‘Ik heb uw rapporten gelezen… erudiet, afgewogen, zakelijk, omzichtig. Ik wil uw eigen woorden horen… uw gevoelens, uw intuïtie, niet alleen uw intellect. Als een wilde hond mij bedreigt, kan ik hem opsluiten, afschieten of africhten. U komt het dichtst bij een hondentrainer, een… dompteur van deze entiteiten. Wat is uw advies: opsluiten, afschieten, onderhandelen, africhten?’

‘Opsluiten is wat volgens oude geschriften galactische machten hebben gedaan. Dat was goed en gedegen. Maar als je millennia de tijd hebt om een uitweg te zoeken… de gevangenis onder onze voeten heeft zwakke plekken. Van tijd tot tijd ontsnapt er een vetusentiteit… het is eigenlijk onbegrijpelijk dat er niet meer zijn ontsnapt. Het wezen dat mijn…’ Ik slikte. ‘…mijn broer fataal werd, was relatief zwak. En kijk eens naar de destructieve tsunami die het ontketende. Afschieten hebben mijn broer en zijn vriendin geprobeerd. Ze waren kansloos. En beheersen… ik kan het pad van die ene vetusentiteit onder de grond in Groningen beperkt sturen, hopelijk voldoende om hem bij fissuren weg te houden. Meer niet.’

‘Cryptoallectatie… spreek ik het goed uit?’

Ik knikte.

‘Maar da’s toch een belangrijke doorbraak?’ Hij keek naar het gloeiende einde van zijn sigaar. ‘U hebt dat vakgebied uitgevonden: een ongelooflijke prestatie.’

‘Ach…’ Ik keek verlegen naar mijn schoenen. ‘Misschien zal het ooit leiden tot technologie waarmee we daadwerkelijk vetusentiteiten kunnen beheersen, ‘africhten’ zoals u formuleerde. Maar daarvan zijn we nog decennia verwijderd… als dat al mogelijk is. Dus een vetus­entiteitendompteur… het spijt me, presi…’ Ik schrok van het woord dat ik op het punt stond uit te spreken.

Hij knikte en maakte een geruststellend gebaar. ‘We zijn onder vier ogen… en oren. Ga door.’

‘Een goede verdediging zal veel research kosten. Maar het handjevol wetenschappers dat hier momenteel aan werkt… zoals ik heb geschre­ven zou een investering vergelijkbaar met het Manhattan-project, Apolloprogramma of de Ruimtelift nodig zijn. Ik hoop dat de regering van Eurafrika dit inziet en navenante budgetten vrijmaakt.’

‘Uw broer gebruikte een antiek wapen. Sinds enkele eeuwen hebben we echter wapens die in staat zijn om grote monsters te vernietigen.’

‘Kernwapens?’

Hij knikte.

‘Theoretisch kunnen die bepaalde vetusentiteiten vernietigen,’ gaf ik aarzelend toe.

Hij leunde diep zuchtend terug in zijn stoel. ‘Sinds de Vijfde Oorlog hebben wij gelukkig een Eurafrikaans leger dat zich kan meten met de legers van andere werelddelen. Maar voor kernwapens krijgen we maar geen toestemming van de VN.’ Hij trok nog eens aan zijn sigaar. ‘En ook niet van ons electoraat, maar dat is minder problematisch. Kern­wapens… wat is uw mening?’

‘Erg lompe middelen. Ze leveren onherroepelijk grote bijkomende schade… vooral in mensenlevens.’

‘Niet zoals de Amerikanen, Russen en Chinezen het indertijd schijnen te hebben gedaan.’

‘U bedoelt de analyse van professor Zorro dat de ondergrondse atoomproeven een dekmantel waren om vetusentiteiten te ver­nietigen.’

Hij knikte. ‘Klopt die analyse?’

Ik schokschouderde. ‘Zijn bewijzen zijn overtuigend en door andere cryptohistorici bevestigd. Hoewel een aantal ze in twijfel trekken. Maar misschien kan ik die vraag beter aan u stellen. Wij, crypto­weten­schappers, kunnen de geheime archieven van leger en geheime dienst niet onderzoeken.’

‘Dus wat denkt u: hoe moeten we ons tegen deze entiteiten bescher­men?’

‘De satellietgebaseerde magnoplasmakanonnen die nu in ontwikke­ling zijn, bieden perspectieven voor acties met chirurgische precisie: een vernietigingskracht in de kilotonnen, geconcentreerd op een mini­maal doelbereik.’

Hij knikte. ‘Ik ken doctor Lionhearts rapporten. Hij is ook een van onze sprekers vandaag.’

‘Ik denk dat het de moeite waard is als ook Eurafrika deze wapens ontwikkelt.’ Ik kon geen antwoord in zijn ogen lezen op mijn impliciete vraag.

‘En kernwapens?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Voorlopig nog ons enige wapen dat effectief kan zijn tegen vetusentiteiten.’

Hij fronste. ‘Precies dat is het probleem. In tegenstelling tot de VS, China en Rusland kan de Unie niet over kernwapens beschikken. Wij zijn weerloos.’

‘Dus de Eurafrikaanse Unie hééft geen kernwapens?’ vroeg ik op de man af.

Hij keek opzij. ‘Als wij die zouden hebben, dan zou dat door de VN gezien worden als oorlogsdaad.’ Hij keek me weer aan. ‘Is het in geval van nood met uw methode mogelijk om een entiteit weg te lokken van de bewoonde omgeving zodat die met een kernwapen veilig kan worden uitgeschakeld?’

Ik schoof ongemakkelijk in mijn stoel. ‘Tot nu toe hebben mijn collega’s mijn succes in het sturen van een entiteit niet kunnen reproduceren.’

‘Maar u beweert in uw artikelen dat u de Groningse entiteit ergens heen kunt lokken.’

‘Beweert?’ Er ging een golf woede door me heen. ‘Als u mijn papers hebt gelezen, dan weet u dat ik Yog-Slochthoth met zestig procent zekerheid kan weglokken bij zwakke plekken in onze bodem.’

‘U zou hem dus ook naar een zwakke plek toe kunnen lokken.’

Ik krabde op mijn hoofd. ‘Uiteraard, maar waarom zou ik dat doen? Dan breekt hij toch door de aardkorst?’

‘Klopt het dat er een zwakke plek pal onder Rottumerplaat ligt?’

‘Ja, maar…’ Langzaam begon ik te vermoeden waar hij op aanstuurde.

‘Geen bewoning in een straal van vijf kilometer. Hoe zwaar zou de lading moeten zijn om Yog-Slochthoth te vernietigen?’

‘U refereert naar het strategische plan van professor Eifelmann?’

Hij knikte.

‘Hij heeft berekend dat een tactisch stralingswapen van een half kilo­ton het wezen zou vernietigen.’

‘En we kunnen tot zo’n twee kiloton gaan zonder dat de omgeving van Rottumerplaat substantieel geschaad zou worden. Is dat plan realistisch?’

‘Waarschijnlijk… als laatste optie… als het wezen daadwerkelijk door de aardkorst breekt. Waarom vraagt u mij dit?’

‘Vindt u dat Eurafrika over wapens moet kunnen beschikken die vetusentiteiten kunnen vernietigen?’

‘Ja, natuurlijk!’

‘Vindt u dat het grote publiek op de hoogte zou moeten zijn van het bestaan van deze entiteiten?’

Hij stelde allemaal vragen die ik niet verwachtte. ‘Moeilijk te beant­woorden. De overwegende consensus is dat dat een massapaniek zou kunnen opleveren die kan leiden tot vele gewonden en zelfs ineenstorting van het economische en politieke systeem. Maar alle pogingen om het publiek in te lichten door mensen die het geheimhoudingspact hebben geschonden, zijn tot nu toe opgevat als complottheorieën.’

‘Omdat wij als overheid hun bestaan altijd hebben ontkend. Maar wij hebben een kip-en-ei-probleem. Het publiek snapt de urgentie niet: dat wij een machtige vijand hebben waartegen we weerloos zijn.’

‘U overweegt het publiek in te lichten?’

Hij legde zijn sigaar in zijn asbak en stond op. ‘Mag ik u bedanken?’ Hij stak zijn hand uit. ‘Uw inzichten zijn zeer waardevol.’

Ik stond op en gaf hem een hand.

‘Ik denk dat ik u niet hoef te vertellen dat de keynote die u dadelijk gaat houden de belangrijkste in uw carrière is, de belangrijkste van uw leven. Misschien zelfs in de levens van alle Eurafrikanen.’

Alsof ik al niet zenuwachtig genoeg was.

 

Gelukkig ging het zoals altijd. Van het ene moment op het andere, exact toen ik op het podium, met een paar honderd maskers op mij gericht, mijn e-rol uit mijn zak trok en begon te praten. Praten over mijn vakgebied, mijn “speelgoedje” zoals Bart dat noemde. Op podiums, in collegezalen, alle ogen op je gericht, het centrum van de aandacht… pratend over dat deel van mijn vakgebied waarvan ik meer verstand had dan wie ook… Uitgerekend dat was altijd de plek waar alle zenuwen, twijfels en verlegenheid van me af vielen.

Mijn woorden vloeiden alsof ik operazanger was. Met bewegingen als een balletdanser. De maskers hingen aan mijn lippen, waren verwon­derd en geschokt als ik het wilde, hoopvol en inzichtelijk als ik het wilde, geamuseerd en verdrietig als ik het wilde. Het maakte ook niet uit dat dit een ander publiek was dan normaal: niet alleen weten­schappers, maar ook ambtenaren, politici en meer van dat soort volk.

Als je je vakgebied door en door begrijpt, kun je het ook uitleggen zodat iedereen het begrijpt… of in ieder geval denkt te begrijpen.

Ik beantwoordde na afloop nog een half uur lang hun vragen met dezelfde verve, oogstte hun daverend applaus… en begaf me onder hen… meteen weer een bonk zenuwen, schuifelend tussen de tafeltjes, stamelend vragen beantwoordend en alleen nog genietend als ik vragen kon stellen bij de voordrachten van de andere crypto­wetenschappers.

 

Zoals altijd wanneer ik van een congres of conferentie terugvloog, had ik een intellectueel high. Allemaal nieuwe informatie, inzichten en mogelijkheden schoten door mijn hoofd en probeerden een plaats te vinden in de structuren van mijn kennis. Het is vergelijkbaar met winnen met voetballen als kind. Of als ik een nieuw trucje op de zweefstep beheerste… nee, eerder: als ik van iemand een nieuw trucje leerde en fanatiek aan het werk ging om het te leren beheersen. Langzaam begin je het door te krijgen, maar je dondert op je knie, je staat weer op, het lukt bijna en dan weer helemaal niet. Je probeert het tien, twintig, honderd keer… en dan die ene keer dat het lukt… die ene keer dat je de nieuwe verbanden doorziet, hoe het je denkbeelden verandert… De informatie die ik deze keer had gekregen… het duurde een hele tijd voordat ik die verwerkt had.

Maar mijn intellectuele high ging vergezeld van angst, vooral door de voordracht van professor Eifelmann. Laacher-Nata, de vetusentiteit onder de Eifel, was actiever geworden, de bevingen intenser en frequenter. Het wezen, dat veel sterker was dan “mijn” Yog-Slochthoth, stond op het punt om uit te breken. Volgens Eifelmanns schattingen zou de initiële uitbraak al tienduizenden mensenlevens kosten. En dat was het gunstigste geval: als wij het meteen bij doorbaak door de aardkorst konden vernietigen.

Maar dat konden we niet. Was dat de reden dat de president van Eurafrika me al die vragen had gesteld?

Zou mijn methode geschikt zijn om Laacher-Nata naar een plek te lokken waar hij minder schade zou berokkenen? Zou Eurafrika op tijd over magnoplasmakanonnen of desnoods tactische kernwapens beschikken?

Ik checkte in de literatuur, voor zover aanwezig in mijn e-rol, waar de fissuren zaten onder de Eifel. Ik maakte een notitie dat ik, zodra ik thuis was, via de schaduwmail een bericht naar professor Eifelmann moest sturen om samen te experimenteren of het niet toch mogelijk was om Laacher-Nata bij fissuren weg te lokken.

Ik had gemengde gevoelens. Angst voor als Laacher-Nata zou uit­breken. Hoop dat de politiek eindelijk de omvang van het gevaar begreep. En het intellectuele orgasme van nieuwe kennis.

Kennis is macht volgens een oud gezegde. Ik voelde beide groeien. Dat was het verschil tussen ons, de mensheid, en vetusentiteiten. Zij waren machtiger dan wij, maar onze macht groeide. En bleef dankzij de wetenschap dagelijks groeien. We stonden op het punt om hen te evenaren, misschien zelfs overvleugelen.

Ik dacht terug aan Barts laatste woorden, het berichtje dat hij stuurde vlak voordat hij door de golven verzwolgen werd: ‘Ze bestaan.’

 

Ik was toen nog een normale seismoloog, een gepromoveerd weten­schapper met al een behoorlijke publicatielijst. Maar na dat berichtje kon ik de charade niet meer overeind houden. Mijn twijfels, twijfels die iedereen in mijn vakgebied weleens had geuit, meestal na een glaasje te veel en meestal je op het hart drukkend dat je het niet verder mocht vertellen. Want als bekend werd dat zij erover nadachten, zou het hun reputatie vernielen.

Mijn reputatie was onbelangrijk geworden: de waarheid weten was het enige wat telde.

Dus las ik alle zin en onzin die ik over vetusentiteiten kon vinden: feitjes en halve waarheden, doorspekt met waanzin en complot­theorieën. Op de openbare netwerken en bibliotheken kwam ik regelmatig verwijzingen tegen naar clandestiene netten en geheime documenten. En op een dag legde ik de verbinding met het schaduw­web en vond het: oude geschriften, pagina’s uit grimoires en de Necronomicon. Maar er waren ook wetenschappelijke handboeken, onderzoeken en artikelen door professoren met onbekende – en vaak merkwaardige – namen die niet in de geleerdenzoekmachines terug te vinden waren: cryptoseismologen, cryptohistorici, cryptobiologen…

Op een dag kreeg ik voor het eerst een berichtje via de schaduwmail. Ik weet nog hoe ik achter mijn bureau zat en plotseling het belsignaal en het rode lampje verschenen. Ik sprong op alsof een ijzeren vuist me bij de strot greep.

Ik was betrapt.

De mail was van professor Eifelmann, wiens naam ik al diverse keren op het schaduwweb was tegengekomen. Hij verzocht me vriendelijk doch dringend hem te ontmoeten in een motel bij Duisburg. Een behoorlijk prijzig motel: het had zelfs nog menselijke bediening.

 

‘Wilt u bestellen, meneer?’ De serveerster vroeg het me al voor de tweede keer.

‘Nee, dank u. Ik wacht op iemand. Brengt u mij nog maar een jus.’

Vlak daarna kwam hij het restaurant binnen: professor Hoffmann.

Ik dook weg achter de menukaart.

Lachend banjerde hij recht op mij af.

De moed zonk me in de schoenen: hij mocht niet zien dat ik een clandestiene afspraak had met een cryptowetenschapper.

‘Hallo, Haijo,’ zei hij in het Duits. ‘Hoe kom jij hier verzeild?’

‘Erich!’ Ik stond op en gaf hem een hand. ‘Ik had een afspraak maar ik denk dat ze niet meer komen.’

‘Ach. Nou, dat treft. Ik heb honger. Zullen we bestellen?’

Nee! ‘Ja, uh… ik denk dat ik beter mijn bed op kan zoeken.’ Ik wees omhoog. ‘Het was een lange dag.’

‘Heb je al gegeten dan?’

‘Nee,’ flapte ik eruit en beet op mijn lip. Liegen en geheimen bewaren zijn moeilijk aan te leren vaardigheden als je hele leven maar één doel kende: waarheidsvinding. ‘Dat niet, maar ik heb niet veel honger.’

‘Ik wel. Kom, blijf hier. Dan kunnen we praten over je nieuwste onderzoeken. Ik ben nieuwsgierig wat je allemaal hebt ontdekt.’

‘Nou, de seismische activiteit in het voormalige Groningse aardgas­veld is met veertig procent afgenomen sinds de politici zijn gestopt met dat onzinnige CO2 erin pompen.’

‘Dat onderzoek bedoelde ik niet.’ Hij wenkte de serveerster. ‘Ik bedoelde: op het schaduwweb.’

Het was alsof ik met een voorhamer in mijn gezicht werd geslagen. ‘Wat?’

Hij lachte. ‘Misschien moet ik me voorstellen.’ Hij stak zijn hand nog eens uit. ‘Mijn naam, of beter gezegd schuilnaam, is professor Eifel­mann.’

Zo werd ik ingewijd in het netwerk van cryptowetenschappers en ging verder als cryptoseismoloog. Hij vertelde dat hij al vijf jaar inge­wijd was en leerde me hoe ik anoniem kon blijven bij het verkennen van het schaduwweb. De schaduwbrowser gebruiken was onvoldoende: alleen met de juiste instellingen was je echt anoniem. En die instel­lingen kreeg je alleen als de gemeenschap oordeelde dat je een aan­winst was. Wetenschappers die hun mond niet konden houden, werden aan de autoriteiten verraden of zwartgemaakt als complottheoretici.

 

Ruim een jaar na de conferentie in het Eurafrikaparlement kwam er weer een bericht met hoogste urgentie binnen in mijn schaduwmail. Van professor Eifelmann, van wie ik in al die maanden niets had gehoord.

Hij schreef: Ik haal je om 13.15 uur met een vrachtdrone vanaf je campus af. Zorg dat je klaarstaat met alle apparatuur die je nodig hebt voor cryptoallectatie van vetusentiteiten.

 

‘Is hem dat?’ Morena wees omhoog.

Ik keek in de aangewezen richting en zag in de schijnbaar kriskras door elkaar lopende verkeersstromen van drones een smerig bruin­groene vrachtdrone naderen. ‘Dat is een militaire vrachtdrone. Die is niet voor ons.’

De drone bleef naderen en zette aan voor de landing.

‘Hij lijkt toch hiernaartoe te komen,’ zei ze.

Ik probeerde mijn verbazing niet te laten merken. ‘Dan zal professor Eifelmann een militaire vrachtdrone hebben geregeld.’

Hij landde precies voor onze voeten op de parkeerplaats. De koepel was nauwelijks open, of Erich sprong er al uit, een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Haijo, altes Haus.’ Hij stak zijn hand naar me uit. ‘Bist du bereit?’

Er zaten nog twee tot de tanden toe bewapende militairen in de cabine.

‘Ik was er al klaar voor bij mijn geboorte.’ Lachend schudde ik zijn stevige hand.

Hij wees naar Morena. ‘Ingewijd?’

‘Morena weet overal van.’ Vlak na de conferentie in Parijs had ik haar ingewijd.

Erich schudde ook haar hand. ‘Oké, gauw inladen. We moeten voortmaken.’

De twee militairen kwamen op ons af. Hun baarden waren slechts donsplukjes op kin en wangen. Ze leken nog niet oud genoeg voor volwassen holofilms, laat staan voor hun wapens. ‘Is dat alles?’ zei de ene met flaporen en wees naar de twee kasten op wieltjes waar onze meet- en regelapparatuur inzat.

‘En dit.’ Ik wees naar de aluminium koffer die Morena optilde. ‘Daarin zit de actuator.’

‘Komt in orde,’ zei Flapoor. Ze namen de koffer over en rolden de twee kasten naar de vrachtdrone.

‘Zullen we instappen?’ vroeg Erich.

‘Kom.’ Ik keek naar Morena.

‘Sorry.’ Erich maakte een stopgebaar. ‘Ik heb orders alleen jou mee te nemen.’

‘Maar er zijn twee man nodig om de apparatuur te bedienen.’ Het woordje ‘orders’ galmde na in mijn achterhoofd.

‘Kan ik toch doen?’ zei Erich.

‘Weet jij hoe je een cryptoallectatische excitator moet bedienen?’

‘Ooowww.’ Erich vertrok zijn gezicht alsof hij pijn had.

‘Alles is ingeladen, professor,’ riep Flapoor.

De glimlach was terug op Erichs gezicht. ‘Dan zit er niks anders op: je bent van de partij, meisje.’

 

Er was ruim plaats voor zes in de cabine. Toch zaten we voor mijn gevoel opeengepakt als sardientjes. De militairen keuvelden vrolijk met elkaar, lachten, praatten over het wereldkampioenschap robo­worste­len en deelden een vape die stonk naar aardbei.

‘Ook een trekje?’ vroeg Flapoor aan Morena.

‘Nee, dank je.’ Ze lachte ongemakkelijk, sloeg haar benen over elkaar en keek naar buiten. Tot mijn verbazing vloog de drone in noordelijke richting.

‘Misschien vind je de mijne lekkerder.’ De andere militair greep in zijn binnenzak. ‘Daar zit passievrucht in.’

Ze proestten het uit.

Morena keek hen grijnzend aan. ‘Ik kijk liever toe hoe jullie aan elkaars fluitjes zuigen.’

Even was het doodstil in de cabine. Ik was trots op Morena en probeerde mijn lachen in te houden.

De twee keken haar verbluft aan… en begonnen te bulderen van het lachen. We lachten allemaal mee.

Erich wreef in zijn handen. ‘Verheug je je erop?’

‘Het is fijn om eindelijk met jou samen te kunnen werken,’ zei ik. ‘Wat voor experiment gaan we precies doen?’

‘Experiment?’ Zijn lach galmde door de cabine. ‘Niks experiment.’ Hij sloeg me op mijn schouder. ‘Dit is het echte werk.’

Ik keek Morena aan. ‘Nou, ik vind anders dat wij hier in Groningen ook altijd echt werk hebben geleverd.’

Hij keek me verbaasd aan. ‘Maar, Haijo, zo bedoelde ik het toch niet? Ik bedoel: dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. Heeft de president je niet ingelicht?’

Mijn mond viel open. ‘President?’

Onder ons gingen weilanden, huizen en wegen over in strand en golven.

Erich zuchtte diep. ‘Ambtenaren.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Enfin, het gaat nu echt gebeuren. De president heeft gelukkig toestemming van de defensiecommissie en de VN, en de Ami’s hebben een paar kleine kernkopjes ter beschikking gesteld. We gaan hem met één kiloton bestoken.’

De rillingen liepen over mijn rug.

Zeewaterstroken in verschillende schakeringen blauw en groen gleden onder ons door. Vanaf een zandplaat stegen meeuwen op.

‘Kernkopjes? Wat is er aan de hand?’

‘Maar de president heeft je toch ingelicht toen we vorig jaar in het Eurafrikaparlement waren?’

‘Ingelicht… waarover?’

‘Over het plan om ons tegen Yog-Slochthoth en de andere vetus­entiteiten te verdedigen?’

‘Yog-Slochthoth… is hij doorgebroken?’ Ik keek Morena aan.

Zij zette grote ogen op en schudde het hoofd. ‘Voor we vertrokken, was hij nog bij het…’

‘Boschwadkruispunt,’ vulde Erich aan en wees naar de golven onder ons. ‘Voor het eerst sinds drie jaar. Als hij hier de juiste aftwijging neemt, dan…’ Hij wees naar voren.

Door de voorruit zag ik vlak boven de golven een vaalgeel hoefijzer met een groene vlek in het midden opdoemen. ‘Rottumerplaat,’ stamelde ik. Vlak ervoor leek een legergroene walvis in het ondiepe water te drijven.

‘Ja.’ Hij maakte een vuist. ‘Het is zover.’

Mijn gedachten raasden over elkaar heen. Ik keek op en neer van het eiland naar Morena. Die keek al even verbijsterd terug.

‘Dat is toch de juiste plek?’ vroeg Erich.

Aan de zuidoostpunt van het eiland rees op het strand een verzameling legergroene tenten, drones en stellages op. Het was inderdaad precies boven de Rottumerplaatruptuur.

‘Je wilt Yog-Slochthoth naar de zwakke plek lokken?’ stamelde ik.

‘Nee, mijn vriend. Die eer, die taak… die verdienste is aan jou.’ Hij slikte een brok weg. ‘Ik heb het plan slechts bedacht. Jij was het die de lokmethode heeft ontwikkeld. En het was jouw voordracht die de doorslag gaf in Parijs.’ Hij gaf me een schouderklop.

De legergroene walvis bleken er twee naast elkaar te zijn, verbonden door een ladder van draagvlakken: een atmosfregat. In het echt was dat ding nog groter en indrukwekkender dan op de beelden die ik van militaire vliegshows kende.

Onze drone zette de landing in bij de tenten. Twee andere legerdrones stegen op van het strand en vlogen naar het atmosfregat.

Terwijl het zand onder ons opstoof, weerklonken er twee luide knallen.

Ik schrok op.

Twee supersonische jachtdrones scheerden over het eiland.

Flapoor peurde in zijn oren en rolde met zijn ogen. ‘Die gamertjes denken dat ze ook meedoen.’

De andere vulde er lachend aan toe: ‘Zitten een beetje thuis op de basis bij mammie op schoot.’ Hij maakte een slappe vuist en bewoog die boven zijn kruis op en neer.

‘Maar Erich…’ begon ik.

‘Kom,’ viel hij mij in de rede terwijl de dronekoepel openging. ‘Keine Müdigkeit vortauschen.’ Hij sprong eruit en ging naar een groepje militairen die onder een luifel stonden.

‘De spullen daar bij de duin neerzetten?’ vroeg een van de militairen.

Ik keek besluiteloos naar Morena en prevelde: ‘Ja, goed.’

Ze sprongen uit de drone.

‘Heb ik dat goed begrepen, prof?’ vroeg ze. ‘Wij gaan Yog-Slochthoth naar boven lokken zodat zij er een atoombom op kunnen gooien?’

Ik wreef in mijn ogen. Dat was blijkbaar de bedoeling. Beelden van mijn broer flitsten door mijn hoofd: hoe hij me uit dat gat omhoogtrok, hoe hij in die golven moet zijn verdronken. Ik knikte.

‘Ik uh…’ begon ze.

Ik keek haar strak aan. ‘Zeg het maar.’

Ze schokschouderde.

‘Je weet toch,’ spoorde ik haar aan, ‘wetenschap groeit op de mest van scepsis.’

‘Gaan we dat werkelijk doen? Is dat ethisch?’

‘Ik weet het niet,’ flapte ik er naar waarheid uit.

‘U moet professor Van Slochteren zijn,’ sprak een zware stem. Een mouw vol rangtekens werd in de drone gestoken.

Zonder erbij na te denken schudde ik de hand. ‘Dat klopt.’

‘Ik ben kolonel Grobbauer.’ Hij… uh: zij had gemillimeterd haar in diverse grijstinten en een erg stoere kaaklijn, maar geen baardgroei. ‘Ik heb al veel over u gehoord. U bent de grondmonsterdompteur, niet­waar?’

Zei ze nou: grondmonster? ‘Dompteur…’ Ik keek bedenkelijk omlaag. ‘Ik…’

‘De genie heeft in die duin een put van twintig meter diep gemaakt, geheel volgens de specificaties. Ik hoop dat u daar alles aantreft wat u voor uw werk nodig hebt.’

De twee militairen waren onze spullen er al op een rupsband­plat­formpje naartoe aan het brengen.

‘De missie is gepland om te beginnen om veertien uur. U hebt dus nog…’ Haar ogen bewogen heen en weer achter haar stofbril. Daarin zat kennelijk een display. ‘…exact drieëndertig minuten en vijftien secon­den. Gaat u dat redden?’

Ik keek naar Morena. Haar mooie, groene ogen staarden leeg terug. Ze zag er ineens heel volwassen uit.

‘Dat zal wel lukken,’ zei ik.

De kolonel draaide zich om en brulde commando’s.

‘Aan het werk dan maar.’ Ik sprong uit de drone, onzeker of ik dit echt ging doen. Daarover kon ik tijdens het installeren van onze appa­ratuur nog nadenken.

 

Boven op de duin keek ik omlaag in de perfect ronde put. De twintig meter lange buis die de militairen er verticaal in hadden gezet, had harmonica-achtige ribbels. Op elke ribbel was een buisje gemonteerd. Samen vormden de buisjes een ladder omlaag. Op de bodem stonden de actuator en de controlekast met de cryptoallectatische oscillatoren.

De bodem begon te golven zoals het wateroppervlak voorbij het strand. Er ging een siddering door mijn benen, ze voelden aan als gelei. Ik wankelde en greep Morena bij de schouder.

‘Alles goed, prof?’ Ze keek me bezorgd aan en legde haar hand op mijn rug. Even wilde ik haar vastgrijpen, omhelzen, tegen me aan drukken…

Ik hapte naar lucht. ‘Het was altijd maar theorie,’ stamelde ik. ‘Een plan voor de toekomst. Nooit had ik gedacht dat ik dit nog zou meemaken, laat staan dat ik het zelf zou moeten doen.’

‘Ik ga wel omlaag.’ Ze kneep me in mijn schouder. ‘Ik heb geen hoogtevrees.’ Ze zette haar voet al op de bovenste sport.

‘Wacht.’ Ik greep haar hand.

Ze keek me verbaasd aan.

‘Ik moet iets…’ Ik maakte mijn zin niet af

‘Ja, professor?’

‘…vragen.’

Ze glimlachte. ‘Waarover?’

‘Over wat jij daarnet vroeg. Wat we hier doen… sta je daarachter?’

‘Ja, natuurlijk.’

‘Maar daarnet twijfelde je.’

Ze perste haar lippen opeen. ‘Heb erover nagedacht. Dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. U. En ik ook. Mijn hele studie. Ik wilde iets doen om mensen te beschermen tegen het seismische gevaar. En het cryptoseismische.’

Ik knikte.

Ze staarde in de verte. ‘Als dit lukt… de Nobelprijs misschien. Zelfs als we geen succes hebben: we zijn het eerste team dat dit doet. Hierna kan mijn academische carrière niet meer stuk.’

‘Dus je staat hier honderd procent achter?’

‘Zo’n kans laat je toch niet varen?’ Ze keek me vorsend aan.

Het besluit was gevallen. ‘Oké.’ Ik liet haar hand los.

Ze begon de ladder af te dalen. Even voelde ik weer hoe die oude verroeste trap het onder mij begaf. ‘Wacht!’

Ze keek verbaasd omhoog.

‘Wacht nog even.’ Ik keek rond waar de militairen waren gebleven die onze spullen hierheen hadden gesjouwd. ‘Hé!’ Ik wenkte ze.

Ze kwamen de heuvel op gestormd.

‘Hebben jullie een touw of zo?’

Ze keken me verbaasd aan. ‘Een touw?’

Ik wees in de put. ‘Om haar te zekeren.’

‘O, u bedoelt een lijn met een bajonet,’ zei Flapoor.

Ik knikte.

‘Nou, da’s toch niet nodig?’ zei de andere. ‘Die ladder is volkomen veilig.’

De woede kwam mijn oren uit. Er mocht Morena niks overkomen. En bovendien: had ik nou verdomme niks meer te zeggen over mijn eigen experiment? ‘Jullie halen onmiddellijk een harnas en een lijn voor haar. Jullie blijven hier staan met die lijn in jullie handen zolang het experi­ment duurt. Voor het geval. Is dat begrepen?’

 

Het was de eerste keer dat ik Morena niet kon aankijken tijdens een experiment. Het was ook de eerste keer dat ik de trillingen in de grond niet in mijn benen voelde. Het zand was te rul. Uit mijn ooghoek dacht ik vreemde golfpatronen op het zeewater te zien. Misschien beeldde ik me dat maar in. Op de driedimensionale schermen van mijn scanner­kast kon ik Yog-Slochthoths bewegingen onder de grond volgen: een kruisje in een driedimensionaal doolhof.

‘Ja, Morena,’ sprak ik in mijn headset. ‘Hij heeft de juiste afslag genomen en gaat op het laatste kruispunt af. Verschuif het hypo­centrum van ons signaal langzaam in westelijke richting.’

‘Oké, prof,’ klonk in mijn koptelefoon.

‘Verwachte aankomsttijd?’ vroeg de kolonel die naast mij stond.

‘Als hij bij de volgende kruising inderdaad de westelijke gang volgt, kan hij een minuut of tien later hier zijn.’

‘U kunt geen nauwkeuriger verwachting geven?’

Ik keek haar van opzij geërgerd aan. ‘Elf minuten plus of min twee minuten en twintig seconden na de volgende kruising.’

‘Ik dacht dat u geleerde was.’ Ze keek me aan met een zuinig mondje. ‘Mijn mannen kunnen verwachtingen geven tot op de microseconde precies.’

Ik stond al op het punt om haar op dubbele luidsterkte een college over juistheid, precisie en significante cijfers te geven, maar uit mijn ooghoek zag ik Erich zich verkneukelen. Hij hield een bedarend handje omhoog.

Dus richtte ik mijn blik weer op de schermen. ‘Langzamer, Morena. Langzamer het hypocentrum verschuiven. Hij mag geen argwaan krijgen. Vergeet niet dat hij over intelligentie beschikt.’

‘Oké, prof.’

Op mijn scherm zag ik het kruisje plotseling stilstaan.

‘Stop!’ riep ik uit.

‘Wat?’ zei Morena.

‘Even niets veranderen. Hij staat stil.’ Ik hield de adem in en wachtte tot het kruisje weer in beweging kwam.

‘Statusrapport,’ sprak de kolonel. ‘Wat betekent dit?’

Ik beet op mijn lip en gaf Erich een vertwijfelde blik.

‘Het is vaker voorgekomen bij professor Van Slochterens experimen­ten dat Yog-Slochthoth stilstaat,’ sprak Erich geruststellend. ‘Misschien rust hij even, misschien twijfelt hij aan de richting, misschien heeft hij geen zin meer. We weten het niet.’

Het kruisje ging plotseling terug. ‘Shit! Hij keert om.’

‘Bent u hem kwijt?’ vroeg de kolonel.

‘Niets bijzonders,’ suste Erich. ‘Gewoon afwachten.’

‘Professor, ik kan niet genoeg benadrukken hoe gevoelig deze opera­tie ligt,’ zei de kolonel. ‘De Unie heeft hemel en aarde hiervoor bewogen. Als u deze missie laat mislukken, krijgen we niet nog een…’

‘Kop dicht!’ riep ik uit. ‘Ik kan niet horen wat ze zegt.’

‘… naar harmonischeninstelling vijf?’ vroeg Morena.

‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Even niets doen.’

Het kruisje bleef zich terugbewegen. Het naderde alweer het vorige kruispunt en bewoog sneller…

Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. ‘Zet alle oscillatoren af.’

‘Af?’ vroeg ze.

‘Af,’ herhaalde ik.

‘Oké.’

Op mijn schermen zag ik ons signaal verdwijnen. Het kruisje bewoog onverstoorbaar verder.

De kolonel zuchtte in mijn oor. ‘U geeft het op?’

Ik hield mijn vlakke hand voor haar gezicht. Ingespannen tuurde ik op het scherm.

‘Luitenant.’ De kolonel liep weg. ‘Laat vier man terugkomen om het kamp weervast voor de nacht te maken.’

Het kruisje was bijna terug bij het vorige kruispunt. De moed zakte me in de schoenen.

‘En leg verbinding met de presi…’

‘Wacht!’ riep Erich uit.

Ik zag het ook: Yog-Slochthoth stond stil.

‘Annuleer laatste order, luitenant.’ Ze stond alweer naast me.

Yog-Slochthoth stond nog steeds stil.

‘Oké,’ fluisterde ik. ‘Stel het hypocentrum in op extreem noord­west.’ Waarom fluisterde ik? Dat Yog-Slochthoth mij kon horen was even waarschijnlijk als dat ik een regenworm kon horen praten.

‘Gedaan,’ antwoordde Morena.

‘Alle oscillatoren aan… nu!’

Mijn schermen begonnen weer te dansen. Het hypocentrum lag linksboven, buiten het bereik van de schermen.

Yog-Slochthoth reageerde niet.

‘Amplitudes opvoeren naar maximum,’ sprak ik.

De trillingen op het scherm werden sterker.

‘Maximum bereikt,’ meldde Morena.

‘Ja!’ riep Erich.

Hij had gelijk: Yog-Slochthoth bewoog. Langzaam zette het kruisje zich in beweging… recht op ons af.

Opgelucht haalde ik adem. Ik schoot in een zenuwachtige lach en keek even opzij.

De kolonel gaf mij een goedkeurend knikje.

Ik volgde hoe Yog-Slochthoth langzaam naar het laatste kruispunt bewoog. Zou hij de juiste aftakking nemen?

Vlak voor het kruispunt stond hij weer stil.

Ik hield de adem in.

‘Verschuif de resonantiepiek langzaam omhoog,’ fluisterde ik.

‘Resonantiepiek langzaam omhoog,’ bevestigde ze.

De kleuren op mijn scherm veranderden.

Het monster bleef daar maar staan.

‘Resonantie bij afrolpunt,’ zei Morena.

‘Daar houden,’ antwoordde ik.

Plotseling schoot het kruisje voorbij het kruispunt: precies de juiste weg in.

‘Luitenant, klaarmaken voor vertrek naar de Albicilla.’ De kolonel wendde zich tot mij. ‘Tien minuten?’

Het voelde ijskoud en gloeiendheet vanbinnen. Nog nooit had ik Yog-Slochthoth zo snel zien bewegen.

Er klonk gerommel. De grond begon te schudden. Ik keek op: zand schoof de duin af.

‘Meteen naar boven!’ riep ik.

‘Maar we moeten nog…’ wierp ze ertegenin.

‘Morena, naar boven. Nu!’

Een golf beukte op het strand achter ons. De grond schudde zo heftig dat ik omviel.

Ik greep me aan de kast vast, net als Erich en de kolonel.

De twee soldaten boven op de duin bij de put vielen op hun knieën.

‘Trek haar omhoog!’ riep ik boven het dreunende gebulder in de grond uit. ‘Vlug!’

Ze krabbelden overeind, trokken en rukten aan de lijn, vielen achter­over en bleven trekken.

Ik rende de duin op. ‘Trekken!’

Als een duveltje uit een doosje werd ik omhoog en achterover gewor­pen. Ik vloog door de lucht, duinzand om me heen.

Oogverblindend licht en verzengende gloed brandden op mijn gezicht.

Op mijn rug smakte ik in het rulle zand. Ik spartelde en reikte om me heen. Waar was ik, wat was er gebeurd?

Een hand sleurde me aan mijn pols omhoog.

Verschrikt staarde ik in het gezicht van de kolonel.

‘Kom!’ brulde ze.

Ik krabbelde overeind, de grond schoof en schudde onder me. ‘Maar Morena…’

‘Verloren!’

‘Nee!’ De pijn voelde alsof mijn hart eruit werd gerukt. Voor de tweede keer in mijn leven. Ik probeerde de duin op te kruipen.

‘We hebben geen tijd.’ Ze sleurde me naar het strand.

We renden op een drone af die centimeters boven het strand hing. In het opstuivende zand zag ik Erich en de luitenant er al in springen.

We renden als dronkaards: de bodem schoof en wankelde. We struikelden en krabbelden op. Zand prikte in mijn ogen.

Op mijn rug voelde ik de verzengende hitte. Het geraas was oorverdovend.

We renden het opstuivende zand in en sprongen in de drone.

Die schoot zo snel omhoog dat het de lucht uit mijn longen perste.

Ik snakte naar adem en knipperde het zand uit mijn ogen. Het koepeldak ging dicht: de drone vloog op de Albicilla af, de dubbele walvis die al metershoog boven de razende golven hing.

De kolonel brulde alweer bevelen: ‘Verzoek toestemming voor Paasei Nummer Een…’

Ik keek achterom.

Waar de duin en onze apparatuur waren geweest, rees een tientallen meters dikke zuil van vuurrood plasma uit de grond op. Hij eindigde in een punt die hoog boven ons uit torende en als een tentakel rondspartelde: Yog-Slochthoth.

Morena… en die twee jonge militairen… daar ergens in die vuurzee… Ik huilde.

Terwijl onze drone de Albicilla binnenvloog, zag ik door mijn tranen heen het strand openscheuren naast de vuurzuil. Vlak voor de hangar­deur sloot en onze drone landde, krioelde een tweede plasma-tentakel uit de grond omhoog.

Erich en ik sprongen achter de kolonel en de luitenant de drone uit en renden achter hen aan. Ik drukte mijn tranen weg: dat monster moest dood! Hartstikke dood!

Ik veegde over mijn ogen. Mijn gezicht voelde aan alsof het in brand stond.

Na wat gangen en een lift, kwamen we uit in een halfronde ruimte: de wand voor ons vol levensgrote schermen, langs de wand achter ons zaten militairen achter kleinere schermen.

‘Breng ons naar Aanvalspositie Twee!’ Ze ging op een stoel in het midden van de ruimte naast een paar andere militairen zitten en gespte zich in.

Erich en ik ploften in twee vrije stoelen.

Met een ruk kwam de Albicilla in beweging: mijn maag werd keihard in mijn onderbuik en tegen mijn rug werd gedrukt. Hijgend gespte ik me in.

‘Toestemming voor Paasei Nummer Een gegeven,’ sprak een merkwaardig zakelijk klinkende stem achter ons.

‘Richten op epicentrum van de vijand zodra we in positie zijn,’ zei de kolonel.

Na een wild achtbaanritje waarbij mijn maag soms in mijn tenen, soms in mijn hoofd zat, zagen we Rottumerplaat vanaf het Zuiden en hoog in de lucht. Er was nog slechts een stukje strand zichtbaar van het eiland. Zo te zien was Yog-Slochthoth pas half door het aardoppervlak gebroken. Tot honderden meters in de lucht rezen de vurige tentakels op. Ze krioelden over bijna het hele eiland. Ik haatte ze, ik haatte ze zoals ik nog nooit iets gehaat had.

‘Paasei Een gereed en gericht op doel.’

De kolonel stak haar vuist in de lucht. ‘Vuur!’

Ik kneep in mijn vuisten.

Er ging een schok door het toestel heen.

Op de schermen was het projectiel zichtbaar, een wit condensspoor achter zich aan, op weg naar het midden van het vurige tentakel­monster.

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Twee.’

Weer volgde er een wild achtbaanritje. Blijkbaar vlogen we nog hoger en verder weg. Op de schermen trof het projectiel doel.

Een lichtflits. De schermen werden donkerder. Het eiland en het tentakelmonster waren niet meer zichtbaar: donkere, wervelende rook­wolken verspreidden zich en rezen op.

Er ging een schok door de Albicilla heen. Een knal…

Terwijl een zuil van rook en stoom oprees, barstte het gejuich los.

Erich greep me bij de arm. ‘We hebben het voor elkaar.’

Ik keek hem wezenloos aan, maar zag alleen maar Morena’s stralend groene ogen.

Hij fronste. ‘Daar moeten we een hospik naar laten kijken.’

‘Wat?’ stamelde ik.

Terwijl de paddenstoelwolk zich op de schermen opbouwde, wees hij naar mijn gezicht. ‘Ziet er niet erg uit, hoor.’

Ik voelde aan mijn gezicht. ‘Auw!’ Mijn voorhoofd, mijn neus, mijn wangen…

‘Blijf er liever vanaf. Kom dan gaan…’

Een stem brulde door het gejuich heen. ‘Kolonel! Anomale beweging.’

Het werd muisstil: iedereen tuurde naar de schermen. Op een ervan leek een rood kronkelend puntje uit de rookwolken te steken. Het puntje werd langer… een tentakel. Er dook een tweede plasma-tentakel op.

‘Vijand verlaat het epicentrum in zuidelijke richting,’ klonk de stem achter ons.

‘Verbinding leggen met de president, hoogste prioriteit,’ brulde de kolonel. ‘Breng ons naar Aanvalspositie Vijf Zuid. Struisvogelei Een prepareren.’

Terwijl de Albicilla weer een misselijkmakend achtbaanritje maakte, gonsde het woord ‘Struisvogelei’ door mijn hoofd. Op het scherm doken steeds meer van Yog-Slochthoths vurige tentakels uit de rookwolken op. Waar ze de Waddenzee raakten, steeg stoom op. Jarenlang had ik geprobeerd me voor te stellen hoe Yog-Slochthoth eruit zou zien. Stapels artikelen had ik gelezen, gebaseerd op bodemscans en bewe­gings­patronen. Niets had me kunnen voorbereiden op de mon­ster­achtige kluwen plasma-tentakels die als een gigantische, gemu­teerde krab op weg was naar de Groningse noordkust.

Toen de Albicilla weer in positie zweefde, keek ik Erich aan. ‘Struisvogelei?’

Hij zag lijkbleek. ‘Honderd…’ Hij slikte. ‘Honderd kiloton.’

‘Maar dan zou een groot deel van…’ stamelde ik.

‘We hebben het verwond!’ riep de stem achter ons. ‘Er ontbreken drie tentakels. Twee anderen bewegen niet meer mee.’

Een onderkoeld gejuich ging door het controlecentrum heen.

‘President Kudeau hier,’ galmde door het controlecentrum. ‘Status­rapport, kolonel.’

‘Vijand is verwond maar niet uitgeschakeld. Hij beweegt zich op de Noordkust toe. Verzoek toestemming voor gebruik struisvogelei.’

‘Nee!’ Ik probeerde op te springen, maar de gordels hielden me terug. ‘President… professor Van Slochteren hier. Een honderd-kilotonner zou een deel van Groningen wegvagen. Dit kan niet. Hoeveel mensen­levens moet dit nog kosten?’

Het was even stil. Op het scherm krioelde het monster steeds verder. De eerste tentakels waren al bijna op de noordstranden.

‘Als we dit wezen en zijn soortgenoten niet uitschakelen, gaat dit veel meer mensenlevens kosten. Ik moet u en uw collega’s bedanken. Wij, alle Eurafrikanen, staan diep in uw schuld: waarom wij afdoende nucleaire bewapening nodig hebben, is nu duidelijk voor de VN. En dat zal het ook voor het electoraat zijn. Het spijt me dat u op het punt staat uw woning te verliezen, maar ik zal er persoonlijk voor zorgen dat u vervangend onderkomen toegewezen krijgt, hier in Marrakesh of op een andere veilige locatie van uw keuze. Kolonel, toestemming voor struisvogelei gegeven.’

De tranen sprongen me weer in de ogen. ‘Erich.’ Ik keek hem wanhopig aan. ‘Dit is waanzin.’

‘Richten op epicentrum van de vijand,’ brulde de kolonel.

‘Struisvogelei Een gericht op doel.’

‘Vuur!’

Er ging een schok door het toestel. Het projectiel verscheen op de schermen.

Erich kneep in mijn hand. ‘We kunnen niet meer terug.’

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Vijf Zuid.’

Nog tijdens het achtbaanritje volgde de lichtflits.

Een schokgolf verspreidde zich half cirkelvormig over landerijen, wegen, rivieren en dorpen.

De donkere, wervelende rookwolken die erachteraan rolden leken zich deze keer in slow motion te verspreiden en op te rijzen. Alsof het een goedkope holofilm was, speelgoed… míjn speelgoed.

Ik weet niet hoelang we de oprijzende paddenstoelwolk volgden.

 

Er heerste een ingehouden spanning in het controlecentrum. De verbinding met de president, die door de explosie was uitgevallen, was alweer hersteld. Hij had drie keer om een statusrapport gevraagd. Al drie keer was het antwoord geweest: ‘Geen beweging gedetecteerd. Maar scanners nog steeds gestoord.’

Erich en ik zaten zwijgend voor ons uit te staren. Mijn gezicht brandde, maar het kon me niet schelen. Hoeveel mensenlevens waren er verloren in Groningen? Mijn buurman… dat oude vrouwtje van tegenover me dat altijd stond te schelden dat ik mijn tuin niet goed onderhield…

‘Vijand gesignaleerd,’ klonk plotseling achter ons. ‘Op vier punt drie kilometer ten zuidoosten van de laatste treffer… bewegend in zuid­zuidoostelijke richting.’

Elk woord voelde als een mokerslag.

‘Hij heeft 64 procent schade, maar dat lijkt zijn bewegingsvrijheid niet… nee, wacht…’

Hoop vulde mijn lichaam.

‘Er is een tweede deel. Twee kilometer verder oostelijk. Kleiner. Circa 17 procent.’

‘Dus we hebben maar 19 procent schade aangericht?’ vroeg de kolonel.

‘Bevestigd.’

‘U hebt het gehoord, president?’

‘Wat adviseert u, kolonel?’

‘Verzoek toestemming inzet Sauruseieren.’

Wat? Nog groter?

‘Nee!’ Erich sprong op, liep naar de kolonel en greep haar pols. ‘Gebruik van tien-megatonners is niet volgens mijn plan. Daarbij kunnen de Eifelfissuren openscheuren. Dan kan Laacher-Nata naar boven komen.’

De twee keken elkaar in de ogen. Je kon een speld horen vallen.

Er galmde een diepe zucht door de commandocentrale heen. ‘We moeten dit afmaken, professor,’ sprak de president. ‘Dit is oorlog. Kolonel, toestemming Sauruseieren gegeven.’

De Heeren van ’s Gravensande : Anaïd Haen

Expositie

‘Gaat het?’

Mariska staat met haar rug naar me toe, haar schouders smal. Ze knikt. ‘Ben wel oké.’

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar tegen mijn borst. ‘Mijn broertje heeft zijn condoleances gestuurd.’

‘Dat is lief van Haijo, bedank hem van me.’

Mijn kin raakt net haar krullende haren. We kijken door het raam van de aula de enige andere bezoeker aan de rouwdienst na als deze zich door een taxidrone laat ophalen. Een verre neef van haar vader of zoiets. Hij zwaait nog voor hij instapt.

‘Papa moet heel eenzaam zijn geweest.’ Ze leunt tegen me aan, een beetje trillend. ‘Zelfs mama is niet gekomen.’

Ik druk een kus op haar kruin. ‘Daar heeft hij zelf voor gekozen, schat.’ Klein was ze altijd al, maar nu ik haar zo vasthoud merk ik dat ze de afgelopen dagen flink afgevallen moet zijn. Breekbaar. Het is ook geen sinecure om je vader voor je deur ineen te zien zakken.

Samen met de begrafenisondernemer (een humobot, zo te zien hoge klasse) lopen we achter de kist aan naar de droogvriezer. Mariska heeft erop gestaan zelf de vijzel te hanteren. ‘Dat is het minste wat ik kan doen.’

Op een seintje van de uitvaarder haalt ze de schakelaar aan de muur om. Achter het raam in de deur verschijnen ijsbloemen. Het gaat razendsnel, vanaf de onderkant van het glas tot aan de bovenkant. Ik wil bijna vragen hoe dat kan, maar ik realiseer me net op tijd dat er vocht in een menselijk lichaam zit en dat het doel van dat droogvriezen juist is om dat eraan te onttrekken,

Mariska heft haar hand en volgt met haar vinger de fragiele lijntjes van de groeiende kristallen. ‘Dit zou hij mooi hebben gevonden,’ verzucht ze.

Het duurt maar een minuutje of drie. Genoeg tijd om mij het gevoel te geven dat het mijn botten zijn die bevriezen. Dat ik verschrompel tot minder dan 6% van mijn massa om dan BAM! door de vijzel tot poeder geslagen te worden.

 

‘Alstublieft.’ De begrafenisondernemer piept een beetje als hij het sigarenkistje aan Mariska overhandigt. Ik vermoed in het pols­schar­nier. Als hij in mijn fabriek zou staan, zou ik hem laten door­smeren, want die gewrichten zijn veel te gevoelig voor vastlopen.

‘Dank u wel.’ Mariska pakt het doosje aan en wrijft erover met haar hand. ‘Ik wist niets beters om hem in te bewaren, hij rookte deze zo graag.’

Verbeeld ik het me nu, of haalt de begrafenisondernemer zijn schouders een beetje op? Ze maken die humobots ook steeds mense­lijker!

‘Roken is illegaal …’ begint het ding na wat geknars de standaard overheidsriedel af te steken. ‘De boetes op …’

‘Dat weten we.’ Ik pak Mariska’s elleboog. ‘Kom, schat. We hebben een afspraak met de notaris.’

 

Intrige

De enige manier om er te komen is varen of wachten op eb en hopen dat het water dan laag genoeg komt om te lopen. Zo dicht aan de kust, met de onverwacht opstekende duinzandhozen, kunnen drones niet komen.

Mariska wacht op eb. Ik dus ook. We zitten op de top van een duin en laten de zachte zeewind over onze gezichten strijken. Het sigarenkistje staat tussen ons in. Voor ons, over de watergeul, ligt wat rest van een bungalowpark. Eens heette het De Heeren van ’s Gravensande, maar vanaf hier is duidelijk te zien dat er nog maar één heer overeind staat.

‘Is dat het vakantiehuisje van je ouders?’ Ik wijs naar het grijze huis met de vierkante toren. Het staat hoger dan de ruïnes eromheen. Onder het dak van de toren zitten ramen rondom. Hiervandaan is te zien dat er een paar gebroken zijn.

‘Ja. Het is al in de familie sinds 2003, mijn betovergrootouders hebben het gekocht. Mijn opa heeft de duin eronder laten ophogen toen het water kwam.’ Ze tekent met haar voeten een hart in het zand. ‘Voor jou.’

Het mijne slaat over. Lief. Ik buig me naar haar toe en kus haar.

 

Als we dichterbij komen, zwoegend door het zachte zand onder onze voeten, is steeds beter te zien dat het huisje in slechte staat verkeert. De oranje pannen op het dak zijn verschoten naar een vaag geel. Er ontbreken er veel. Twee zonnepanelen liggen in stukken voor het huis, een derde bungelt scheef aan de dakgoot. De voorgevel is met een soort kunststof bekleed dat allang verboden is. Ooit moet het een blauw­achtig grijze kleur hebben gehad, maar nu is het verbleekt en krom­getrokken bij de hoeken. Het stucwerk vertoont gaten en aan de zijkant van de toren zit een scheur die zo diep en breed is, dat ik vermoed dat de muur omvalt als ertegenaan wordt geblazen.

‘Het lijkt wel een kind met een wisselgebit.’ Mariska kijkt naar me op. ‘Zo herinner ik het me niet.’

Ik begrijp wat ze bedoelt, hoewel het huis op mij eerder overkomt als een verslaafde bejaarde met rottende tanden.

We lopen het pad naar de voordeur op. Duidelijk te herkennen omdat er links en rechts wallen zand liggen. Er staat een sneeuwschep tegen de gevel. Haar vader moet het zand vaak opzij hebben geschept.

Mariska steekt de sleutel in het slot. Ze legt haar voorhoofd even tegen de deur. ‘Ik had hem hier weg moeten halen, hè?’

‘Zou hij meegegaan zijn?’

Ze schudt haar hoofd en draait de sleutel om.

Binnen zoemt de stroomomvormer. Kennelijk werkt dat zonnepaneel nog. Er is zand onder de deur door gewaaid; een fijne laag bedekt de rood­bruine vloertegels in de vierkante hal. Mariska’s bergschoenen maken er afdrukken in.

Rechts een deur, zo te zien van de wc, recht vooruit eentje met glas erin. Die gaat naar de woonkamer; ik zie een donkerblauw bankje en wat verdroogde kamerplanten. Links de trap. Mariska gaat naar boven, ik volg haar.

Stuifzand bedekt de treden, naarmate we hoger komen, meer. We komen op de overloop. Mariska negeert de deuren waarachter naar ik aanneem slaapkamer, slaapkamer, badkamer liggen en steekt over naar de volgende trap. Aan het eind maakt die een draai naar rechts.

Ze staat stil. Ik ga op de tree achter haar staan en kan dan nog steeds over haar heen kijken. Kleintje. ‘Wat is er?’

Een piepklein kantoor. Rondom ramen, een paar kapot. Zand stuift naar binnen. Ik zie een bureau, een enorme stoel, een telescoop op een statief en een …

‘Is dat een kanon?’ Mijn mond valt open. Een ouderwets, zeven­tiende-eeuws kolossaal kanon op een houten onderstel met ernaast een stapel kogels. ‘Dat die niet door de vloer zakt!’

‘Verstevigd.’ Mariska stapt het kantoortje binnen, legt het sigaren­kistje op het bureau en loopt naar de fauteuil. Ze klopt het zand eraf. Uit de gleuf tussen de leuning en de zitting haalt ze een aansteker tevoorschijn. Ze knipt hem aan. Een vlammetje danst boven haar hand. ‘Hier zat hij altijd, de laatste jaren.’ Ze blaast het vlammetje uit en knikt naar de telescoop. ‘Bijna dag en nacht door dat ding te staren, met zijn hand boven de lont.’

Ik stap achter haar aan en moet bukken om mijn hoofd niet tegen het dak te stoten. In het midden van het kamertje kan ik rechtop staan. De ramen geven rondom uitzicht op vooral zee. In de verte zie ik de pieken van de torenflats van Rotterdam uit het water opsteken, de andere kant op moet Den Haag zijn. Speedbootjes trekken witte sporen door het water als ze van flat naar flat varen. Het eilandje waar we ons op bevinden is nauwelijks groter dan een paar voetbalvelden. Ingestorte huisjes, volgestroomd met zand, vormen nieuwe duinen. Eenzaam. Een tikje verontrust over de vreemdheid van haar vader bekijk ik waar de telescoop op gericht staat. ‘Keek hij naar zee?’

Mariska schuift met de stoel naar de telescoop en legt haar rechter­oog ertegenaan. ‘Altijd naar de zee.’ Ze streelt het kanon. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien zat hij hier. Alle keren ervoor ook.’ Ze fronst. ‘Nu ik erover nadenk: alleen als klein meisje heb ik hem op een andere plek gezien dan hier. Toen leefde zijn vader nog, volgens mij. Dat moet …’ Nadenkend wrijft ze over haar bovenlip. ‘… zeker dertig jaar geleden zijn.’

‘Maar waarom?’ Ik kijk naar het kanon. Ook dat heeft de loop op zee gericht staan. ‘Verwachtte hij de Brittanniërs, soms?’ Alsof die na de Vijfde Engels-Nederlandse Oorlog nog mogelijkheden hadden het Kanaal over te steken.

‘Ik heb geen idee.’ Mariska ploft in de stoel. ‘Mama is niet voor niets bij hem weggegaan, hij wilde alsmaar hier blijven.’ Ze wrijft over de leuningen. ‘Ik heb zo gedacht: als we nu eens zijn poeder hier achter­laten? Hier, in de stoel?’

Ik glimlach. Het idee is gepast, maar hartstikke illegaal gezien de recyclingwet. ‘Je weet dat dat niet m…’

‘Ja, tuurlijk. En roken mag ook niet.’ Ze rolt met haar ogen, zet haar benen wijd uit elkaar, buigt zich voorover en trekt de onderkant van de stoel open. ‘We zijn rijk, schat.’

Tientallen sigarenkistjes.

‘Zijn ze vol?’ Ik hap naar adem. Iets wat je ook schijnt te doen als je veel rookt.

‘Dat neem ik aan. Want de lege stuurde hij me altijd per post op.’ Ze knikt naar het kistje op het bureau. ‘Daarom had ik die.’

 

Het zijn er zevenenvijftig. Zevenenvijftig sigarenkistjes met een straat­waarde van zo’n zestigduizend euro per kistje. Visioenen van inves­teringen in betere robots schieten door mijn hoofd. Misschien kan ik eindelijk die auto-inpakker aanschaffen waar ik al jaren van droom. ‘We zijn niet rijk. We zijn schathemeltergend rijk. Als we ze verkocht krijgen, tenminste.’

‘Doe niet zo somber. Dat lukt ons wel.’ Mijn lief vriendinnetje pakt een kistje uit de stoel en schuift de lade weer dicht. Op mijn vragende blik zegt ze: ‘We zijn met één kistje gekomen, we gaan met één kistje weer weg.’

Bijdehandje.

Ik loop naar het bureau. Er staat een vierkante kast op met een tastbaar scherm ernaast: een computer. Ik herken het apparaat uit mijn jeugd; mijn grootmoeder had er zo eentje. ‘Zou hij het doen? Het ding is antiek.’

‘Oh, die doet het. Hij hield alles in stand.’

Ik houd mijn glimlach in en kijk naar de kapotte ramen. ‘Niet alles even succesvol, lieverd.’

Ze steekt haar tong naar me uit.

 

Bepakt en bezakt met allerlei spulletjes die ze wil meenemen stapt ze het huisje uit. Ik heb net het pad weer vrijgemaakt van zand en zet de sneeuwschep terug op zijn plekje tegen de gevel. Het zweet biggelt me over de rug, zandruimen is zwaar werk. ‘Ben je klaar?’

Ze knikt. ‘Papa heeft een mooi plekje midden op de fauteuil gekregen, telescoop en kanon onder handbereik. Het kantoortje is aangeveegd en opgeruimd, dat was fijn om te doen.’ Ze staat even stil, de sleutel voor het slot. ‘Ik heb de computer niet uitgeprobeerd, hoor; vond het opeens te persoonlijk om in zijn bestanden te snuffelen.’

‘Jij en privacy.’ Glimlachend schud ik mijn hoofd. Beschermer. ‘Wat maakt het nu nog uit voor hem?’

Ze schokschoudert. ‘Ik draai de deur weer op slot, hè? Dan weten we zeker dat niemand erin kan om de siga…’ Ze kijkt omhoog, opeens behoedzaam.

Ik volg haar blik, zie niets wat op een overheidsdrone kan wijzen en haal dan toch ook opgelucht adem. Het is een ding om zevenvijftig kistjes vol sigaren te vinden, het is een ander ding om ze onopgemerkt mee te smokkelen en te verkopen. Beter maar onze monden erover gehouden.

 

Pas als we bij de oversteekplaats komen, beseffen we onze vergissing: het water is terug. Woest kolkt het door de geul die we een paar uur geleden nog lopend konden oversteken. Ik denk dat ik wel lang genoeg ben om erdoorheen te waden, maar Mariska niet.

‘Ik kan op je rug klimmen,’ stelt ze half lachend voor.

‘En dat dan de stroming aan mijn benen trekt en we beiden kopje-onder gaan? Ik ben geen paard.’ Ik steek mijn tong naar haar uit. ‘Kom, we gaan terug. Ik durf te wedden dat je paps genoeg conserven in huis had om het jaren te kunnen overleven. We blijven vannacht hier en gaan morgen terug, zodra het weer eb is.’

‘Kan dat wel, met de fabriek?’ Ze bijt op haar onderlip. ‘Je had toch morgen die installatie?’

Oef, ja. Ik haal mijn hand door mijn haar en voel fijne zandkorreltjes erin. ‘Ik bel wel even dat ik dan later kom. Jolanda is prima in staat het eerste stuk te begeleiden, als ik er maar ben bij de ingebruikneming.’

 

Verrassend genoeg is de slaapkamer de enige plaats in huis waar geen zand ligt, behalve dan hetgeen wij mee naar binnen hebben gelopen. Aan de slaapkamer grenst de badkamer. Er komt geen water meer uit de kranen en de toiletspullen van Mariska’s vader liggen er nog keurig in het gelid op het plankje onder de spiegel, maar afgezien van de onbruik­baarheid is het een onbeschadigde ruimte.

‘Als we ons kwaad zouden maken, zou het dan op te knappen zijn?’ Mariska trekt een schone set lakens uit de kast.

Ik ga aan de andere kant van het bed staan en pak de punten van het hoeslaken aan. ‘Waarom zou je dat willen? Het is al half vervallen, over een poosje heeft de natuur het weer helemaal overgenomen.’ Ik trek het elastiek van het laken over de punt van het matras, eerst het hoofdeinde, daarna het voeteneinde.

‘Ja, ik weet het niet. Ik dacht … Het is toch zonde als het verdwijnt? Het is nu mijn bezit en met de opbrengst van de sigarenkistjes … Wat?’

Mezelf vervloekend omdat ze me te goed kan lezen, schud ik mijn hoofd. ‘Nee, niks.’

‘Schei uit, Bart. Wat is er?’ Ze gooit me het dekbedovertrek toe. ‘Jij bent er handiger in.’

Ik keer het overtrek binnenstebuiten en pak de punten van het dekbed aan. Het lukt me niet haar vorsende blik te weerstaan. Mijn gezicht kleurt als ik toegeef dat ik de winst anders had willen besteden dan aan het opknappen van een vergaan vakantiehuisje dat eerdaags toch bedolven onder zand of door de golven opgeslokt zal worden. ‘Ik dacht alleen dat we het geld zouden kunnen gebruiken voor de fabriek. Dan zou het leven wat makkelijker worden.’

‘Ah.’

Ik heb mijn armen wijd en omhoog en schud het overtrek netjes over het dekbed. Dat ‘Ah’ geeft wel aan wat ze ervan denkt en ik voel me een rotzak. Maar goed dat ik achter het dekbed sta, hoef ik haar even niet aan te kijken. ‘Sorry, schat.’

‘Nee, geefnie.’ Ze schikt samen met mij het dekbed over het bed. ‘Ik doe het nu eenmaal met een industrieel.’ Ze knipoogt. ‘Als er wat over­blijft, goed?’

Ik doe mijn best mijn teleurstelling te verbijten en knik.

 

Climax

Midden in de nacht word ik wakker omdat ze weg is. Ik voel over het laken, het is koud. Ze moet al snel uit bed gekropen zijn gisteravond.

‘Maris?’ Ik ga rechtop zitten. De deur staat op een kier open. ‘Waar ben je?’

Boven mijn hoofd hoor ik gestommel.

Ik schiet in mijn jeans en schoenen. Er zit zand in en op. ‘Had je de deur niet kunnen dichtdoen?’

Al onder aan de trap zie ik een blauwwit licht. ‘Schat?’ Ik loop naar boven.

Ze heeft de fauteuil voor het bureau gedraaid en zit op het puntje ervan. Achter haar staat het sigarenkistje, haar ogen zijn op het scherm gericht. Kennelijk werkte de computer inderdaad nog. Zonder naar mij om te kijken zegt ze: ‘Je kunt maar beter gaan.’

Hoor ik haar nou goed? ‘Gaan? Wat bedoel je, gaan?’ Ik stap de laatste tree op en stoot mijn achterhoofd tegen het schuine dak. ‘Auw!’

Ze reageert niet. En meer dan de andere rare dingen die ze doet, zoals stiekem het bed uitgaan om midden in de nacht naar een antiek computerscherm te staren, baart het uitblijven van haar gebruikelijke ‘kusje d’rop?’ mij zorgen.

Ik ga achter haar staan. Vanaf het scherm staart haar vader me aan, zo te zien midden in een zin. Het beeld is bevroren, wat me onwille­keurig aan de inhoud van het sigarenkistje doet denken. Zijn vinger is opgeheven, zijn mond vormt een O.

‘Wat is er aan de hand?’

Mariska blijft strak vooruitkijken. ‘Ik zei dat je moest gaan, je bent toch niet doof?’ Fel.

Is ze nou helemaal gek geworden? Ik pak de rugleuning van de stoel beet en draai hem 180 graden, zet mijn handen op de armleuningen. ‘Doe eens niet zo lelijk tegen me! Ik stel je een normale vraag.’

Nu ze niet meer oog in oog met het scherm zit, kan ze me wel aan­kijken. Haar ogen zijn rood, alsof ze de hele nacht heeft gehuild.

Mijn zorgen om haar ontploffen in mijn buik. ‘Wat is er toch?’

Haar onderlip trilt. ‘Ik kan het je niet uitleggen,’ zegt ze hakkelend. ‘Maar ik moet hier blijven.’

Een stoot lucht ontsnapt aan mijn longen. ‘Hier?’ Ik ga rechtop staan en gebaar om me heen. ‘Hoelang?’

Een traan glijdt over haar wang. ‘Voor altijd.’

Knettergek. Ik kijk over haar schouder naar het scherm. Net zo gestoord als haar vader. ‘Laat het me zien!’

Ze schudt haar hoofd. ‘Er mag maar één persoon weten wat … anders …’ Angstig kijkt ze door het raam naar de maanbeschenen zee.

‘Schei eens uit!’ Nu word ik boos. Ik ruk de stoel opzij en tik op het scherm van de computer. Er gebeurt niks. Ik tik nog een keer.

‘Het werkt niet zo.’ Haar stem naast me klinkt triomfantelijk en kleintjes tegelijk. ‘Dat tikken deden ze jaren later.’

Ik doe mijn best mijn ergernis te onderdrukken. ‘Hoe werkt het dan?’

Weer staart ze over zee. De golven hebben witte toppen. ‘Dat vertel ik je niet.’ Haar kaken verstrakken, het licht van het computerscherm maakt haar gezicht hoekig. Vastberaden. ‘Het is beter als je niet weet wat er is.’

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze het daarbij zal houden. Of ik nu kwaad, verdrietig, zielig of hoopvol reageer; het zal geen verschil maken.

‘Zoals je wilt.’ Ik loop naar de trap. ‘Zodra het eb is, ben ik hier weg.’ Doe ik toch zielig, verdomme!

 

Met het sigarenkistje onder mijn arm loop ik naar de voordeur. ‘Ik ga!’

Geen sjoege.

Mijn hand rust op de deurknop, mijn oren zijn gespitst op geluid van boven. Maar er komt niets, Mariska zegt niets, niet eens gedag. Ik stap naar buiten.

Het tuinpad is alweer bedekt met een dun laagje zand. Ik onderdruk de neiging om de sneeuwschep te pakken en sluit de deur achter me. Mijn voetstappen maken een knarsend geluid.

Het water is nog niet helemaal weg uit de geul, maar ik heb geen zin om terug te gaan naar het huisje en daar te wachten tot volledig eb. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en rol mijn broekspijpen omhoog. Nog snel werp ik een blik achterom. Hoog in de toren, net boven het kozijn, zie ik een bos krullen. Mariska kijkt niet eens mijn kant op.

Beledigd stekker ik door het water. Het natte zand zuigt aan mijn voeten, houdt me vast. Met moeite worstel ik me door de geul, die dieper is dan ik ingeschat heb. Het water stroomt snel en komt tot mijn knieholten, maakt mijn broek nat. Fraai, moet ik zo door naar de fabriek. Foeterend op mezelf, Mariska, haar vader en dat debiele kanon ploeter ik verder.

Aan de overkant beklim ik de duin waar we gisteren nog samen op hebben gezeten. Het zand is rul onder mijn voeten en glijdt steeds weg, ik moet vooroverbuigen om boven te kunnen komen. Hijgend plof ik neer op de top en duw mijn voeten in het losse zand, in de hoop dat ze daarmee wat drogen.

Vanaf deze hoogte kan ik haar koppie beter zien dan van onderaf. Ze kijkt door de telescoop, onafgebroken. Concentratie.

Een vlaag wind laat de tranen in mijn ogen schieten. Waarom weet ik niet, maar ik moet opeens aan vorige week denken, aan toen haar vader opeens aanbelde.

Hij was graatmager, helemaal niet meer de gevulde en goedlachse man die Mariska me op foto’s had laten zien. Graatmager en geel. Zijn oogwit, zijn huid, zelfs zijn tandvlees. Ik opende de deur en deinsde achteruit, zo griezelig zag hij eruit. Ziek.

Gelukkig konden we de dokter in het ziekenhuis ervan overtuigen dat hij geen ‘uitgezaaide longkanker’ moest diagnosticeren. Anders had Mariska de boete geërfd in plaats van het vakantiehuis met zevenen­vijftig sigarenkistjes. Vol.

Somber staar ik naar het kistje dat ik naast me in het zand heb gelegd. Wat heb ik aan investeringen zonder haar?

Knipperend tegen de tranen, die me ondanks het liggen van de wind toch parten blijven spelen, trek ik mijn sokken uit mijn schoenen. Ik klop ze recht en trek mijn rechtervoet over mijn knie. Sok aan. Linkervoet.

In het zand voor me ligt nog vaag zichtbaar het hart dat ze gister met haar voeten heeft gemaakt.

 

Catastrofe

‘Ik ben terug.’ Ik weet dat ze niet zal reageren, maar dat maakt niet uit. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en recht mijn rug. Het is aan­ge­­naam warm binnen, ook hartje winter. Er zijn maar vier sigaren­kistjes nodig geweest om dit huisje in bijna oude glorie te herstellen. Voor drie andere heb ik een hovercraft gekocht, die me nu al vier maanden over de duinen en door de geul helpt, en met nog eens dertien is het werk in de fabriek zoveel gemakkelijker geworden dat ik het me kan permitteren om iedere dag naar hier te komen om eten te koken en Mariska af te lossen zodat ze kan douchen en dutten. Niet dat ik weet waar ik op moet letten, maar ik hang mijn oog plichtsgetrouw tegen de telescoop en probeer wakker te blijven.

‘Spaghetti vandaag, goed?’ Ik geef haar het bord aan en ga half op het kanon zitten, net als iedere avond. ‘Nog iets gebeurd?’ Ik wijs met mijn vork naar de donkere zee. Morgen de ramen eens zemen, door de stort­bui van gisteravond zijn ze beplakt met druppels zand.

Onwillig richt Mariska haar blik van de telescoop naar haar bord. Haar rechteroog is omrand door een blauwe cirkel, zo hard drukt ze tegen de kijker. ‘Nee.’

Onder het eten vertel ik van de fabriek en geef ik berichten door van haar vriendinnen en collega’s, die haar allemaal missen en denken dat ze van de erfenis spontaan op een wereldreis is gegaan. Eentje die zo haar aandacht opslokt dat ze begrijpen dat ik degene ben die hen sporadisch voorziet van informatie over haar reis.

Ik stel uit wat ik haar echt moet zeggen. Lafaard die ik ben.

Het reisverhaal is door mij verzonnen meteen nadat ik me reali­seerde vooral niet als haar moeder te willen zijn, die haar vader hier alleen liet. Die ochtend op die duin, het sigarenkistje naast me en het hart in het zand voor me, heb ik ons een alternatief leven gegeven waardoor zij hier kon blijven zolang ze dat zou willen. Wat al langer is dan ik ooit gedacht had, gezien haar gebruikelijke wispelturigheid. Gelukkig is ze op een wereldreis met primitieve vervoersmiddelen.

Als ik geen nieuwtjes meer heb, eten we zwijgend tot ik eindelijk genoeg moed heb verzameld.

‘Oh, ik sprak je moeder …’

Ze kijkt me vragend aan. Haar gezicht is bleek, haar wangen inge­vallen. Ik zeg er niks meer over, want alles wordt toch weggewuifd. Eigenwijs. ‘Wat is er met mama?’

‘Het zal wel niks zijn, maar ze zag er slecht uit.’

Haar kaken stoppen met kauwen, het bord zakt op haar bovenbenen. ‘Hoe slecht?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Bleek. En haar handen beefden, ze kon niet meer borduren zei ze.’ Ik zet mijn vork in het bord en draai de slierten roodgespikkelde pasta eromheen. ‘Ach, je kent haar. Ze kraakt en piept en leeft langer dan haar broers en zussen.’

‘Niet meer borduren?’ Haar onderlip trilt. ‘Hoe slecht, Bart?’

Opeens schaam ik me voor de manier waarop ik dit nieuws vertel. Net als zij weet ik dat haar moeder onlosmakelijk verbonden is met hand­werken. En dat niet-meer-borduren gelijk staat aan stervende zijn.

Ik neem haar bord van haar schoot en zet het naast het mijne op het bureau. ‘Ik denk …’ Ik schraap mijn keel en pak haar handen. ‘Ik denk erg slecht, schat.’ Het komt er fluisterend uit. ‘Als je haar nog wilt zien, dan …’

 

Daar gaat ze, beschenen door de maan. Voor het eerst in vier maanden is ze weg van dit eenzame oord. Ze zit als een koningin zo recht op de hovercraft en bestuurt hem alsof ze nooit anders heeft gedaan. Haar haren wapperen vanonder haar muts achter haar aan. Het water in de geul spettert op als ze eroverheen glijdt.

Ik zak in de fauteuil en klop op het kanon naast me. ‘Jij en ik, maatje. De bewakers van de Noordzeekust. De Heeren van ’s Gravensande.’ Grimmig grinnikend trek ik de lade onder mijn voeten uit. ‘De ridders van het duin. De onverschrokken bewakers van de golftoppen, de zandhelden van Hoek van Holland, enzovoorts, enzovoorts.’ Ik pak een kistje. ‘Daar nemen we een sigaartje op, wat jij?’

 

Ik schrik op van een vlaag wind die tegen het huisje beukt. Even weet ik zeker dat de toren hier niet tegen bestand is, ook al hebben we de scheur vakkundig laten herstellen.

De sigaar is uitgegaan. Ik moet hebben gedut. Plichtsgetrouw zet ik mijn oog tegen de kijker en tuur de nu spiegelgladde zee af. Kennelijk waait het alleen hier. Niks veranderd. De maan is wel een stuk verder gekropen en hangt nu op een meter boven de horizon. Een baan helderwit licht beschijnt het water.

Toch opgelucht dat er tijdens het verzaken van mijn plicht niets is voorgevallen, sta ik op. Hoe laat zou het zijn?

Ik geef een tik tegen het halfronde ding op het bureau, dat Mariska de muis noemt. Inmiddels weet ik dat ze hiermee de computer bedient. Het scherm floept aan. In de rechterbenedenhoek zie ik dat het vijf uur is. De nacht is zowat voorbij.

Ik zet het sigarenkistje met de resten van haar vader op de stoel en klop op het deksel. ‘Jouw beurt even, ouwe jongen, ik moet de benen strekken.’

 

Met een bord vol koude overgebleven spaghetti in mijn handen stommel ik een poosje later de trap weer op. Een blik op de zee vertelt me precies wat ik al dacht: er is niks gebeurd. Ik kijk op mijn com’pad: geen nieuws van Mariska. Hopelijk valt het mee met haar moeder.

Mijn broertje Haijo laat weten op een conferentie te zijn waar het opheffen van de verzakking van Groningen besproken gaat worden. Ik veeg over zijn bericht, het is zoals gebruikelijk te lang om van voor naar achter te lezen. Bovendien gaat het bij hem nooit over concrete zaken, maar over vage dingen als het ontbreken van drijfvermogen en de kracht van bevingen. Dan liever een fabriek.

Met mijn kont leun ik tegen het bureau, langzaam kauwend op het eten. Het scherm floept weer aan achter me. Het lukt me het te negeren tot mijn bord leeg is.

‘Nu tussen jou en mij.’ Vastbesloten zet ik het bord naast het sigarenkistje op de stoel. Ik buig me over het bureau en pak de muis vast.

Het kost me maar een paar minuten om uit te vinden hoe ik hem moet gebruiken. Twee tellen later heb ik het filmpje van haar vader gevonden.

Mijn wijsvinger hangt boven de knop. Nu ik zo dichtbij ben, wankelt mijn vastberadenheid om te weten te komen wat er speelt. Ik hóéf niet te klikken. Ik kan genoegen nemen met wat we nu hebben en de wetenschap dat ik haar hiermee help voldoende vinden. We kunnen nog jaren zo door.

Nog jaren.

‘Yeah, right!’ Mijn vinger drukt op de knop.

‘Lieve Mariska,’ zegt haar vader in de camera. Wat heeft hij een mager gezicht! Zijn oogwit is geel. Zijn blauwe irissen lijken er nog helderder door. ‘Ik moet je iets vertellen wat mijn vader aan mij heeft laten weten. En daarvoor diens moeder aan hem. En zij had het weer van háár moeder. En die van haar va… maar ik heb in een apart bestand de lijst opgenomen, zodat je kunt zien tot hoe ver die teruggaat.’ Hij wuift met zijn hand. ‘Generaties. En geen van ons heeft het bij leven aan de opvolger kunnen vertellen omdat …’ Hij buigt zich naar de camera waardoor ik onwillekeurig van het scherm deins. ‘… maar één persoon tegelijk de kennis mag bezitten.’ Hij heft zijn vinger en meteen herken ik het stilstaande beeld van maanden geleden. ‘Eén, Maris. Echt niet meer dan één persoon. Anders …’ Hij rilt.

Ik klik op de muis. De film stopt.

Ik ben een stiekemerd, verdomme. De man meent overduidelijk wat hij zegt en Mariska is er tot in iedere vezel van haar lichaam van over­tuigd dat hij gelijk heeft. Op zijn minst schend ik haar vertrouwen als ik doorga.

En op zijn hoogst red ik haar van dit leven. Want als ik weet wat zij weet, kan ik haar misschien overhalen deze eenzame missie te staken.

Dat geeft de doorslag.

‘Je bent nu in een vakantiepark dat de Heeren van ’s Gravensande wordt genoemd. Het is vernoemd naar ons, de bewakers van dit stuk Noorzeekust, ook al kent niemand de herkomst van de naam. Wij zijn de Heeren. Al eeuwenlang heeft iemand van onze familie de taak op zich genomen om dit duingebied, dat zich uitstrekt van de monding van de Nieuwe-Waterweg tot voorbij de pier van Scheveningen, die overigens ook niet voor niets is gebouwd, en het land erachter te beschermen tegen het ontwaken van een Oude God.’

Een oude wat? Ik tik weer op de knop. Gelooft Mariska in een god? Wat een nonsens!

Gerustgesteld dat mijn inbreuk op haar privacy geen waarde heeft nu het zogenaamde geheim flauwekul blijkt te zijn, laat ik de film weer doorlopen.

‘In de lade onder mijn stoel zitten niet alleen sigarenkistjes. Als je ze er allemaal uithaalt, zie je een plaat. Het lijkt de bodem van de lade, maar eronder liggen alle brieven en andere boodschappendragers aan de volgende bewaker.’

Dit vraagt om verificatie. Ik zet de film stop, haal het restant van de kistjes uit de lade en kan inderdaad de bodemplaat verwijderen.

Er liggen brieven in. Stapels. Sommige kort, andere lang. Onderop met schitterend bewerkte hoofdletters, als een oude bijbel die ik ooit in mijn handen heb gehad. Ik zie ook foto’s, vergeeld en met kartel­randen, een grammofoonplaat, een videoband, een spoel met een … dat moet een film zijn, een ding dat ik herken als een USB-stick, een schijfje … allemaal boodschappen. Hoeveel zijn het er wel niet? Tientallen.

Heel wat verdwaasde geesten. Een oude god, tjonge, jonge.

Ik krabbel rechtop en klik weer op de muis.

‘We leven niet zo lang, Mariska. En jij hebt geen kinderen. Ik weet niet hoe het na jou moet, misschien kun je iemand inwijden of dit huisje nalaten? Het spijt me dat ik het niet beter heb onderhouden, ik had er het kapitaal wel voor, maar de kracht ontbrak.’ Hij hoest.

Even gaat de film op zwart, dan verschijnt hij weer in beeld. ‘Hij slaapt. Hier, vlak voor de kust, in de zeebodem. Hij heeft zich ingegraven met zijn tentakelarmen. Als hij ontwaakt zal hij een vloedgolf veroorzaken van zo’n dertig meter hoog, iedereen zal ver­drinken. De aarde zal beven als nooit tevoren. Je moet schieten, beloof je dat?’ Hij hoest weer. ‘Ik weet niet of het zal helpen, maar het is het enige wat we kunnen doen als hij omhoogkomt: schieten.’

Ik weet genoeg. Hoewel we ons in de afgelopen eeuwen achtereen­volgens hebben ontworsteld aan het Rooms-Katholicisme, het Calvi­nisme en de Islam, zijn Mariska en haar familie in de ban van de Religie van de Oude Goden. Meer specifiek: van een begraven god met tenta­kel­armen. Goedgelovig.

Ik klik de film weg. Bedtijd. Voor de vorm keer ik de stoel naar het raam met het sigarenkistje midden op de zitting. ‘Doe je werk, malloot!’

 

Tegen de tijd dat ik wakker word, is het volop dag. Ik open mijn ogen. Ze staat aan het voeteneind van het bed.

‘Ha schat, hoe is het met je moeder?’

Haar ogen zijn wijd open. De blauwe kring rond haar rechteroog steekt donker af tegen haar lijkbleke gezicht. ‘Waarom ben je hier? Waarom kijk je niet? Je zou kijken!’ Ze rent de slaapkamer uit en dendert de trap op. Haar voetstappen trillen door het huisje, ik voel het zelfs tot in mijn bed.

‘Maak je niet zo druk.’ Ik sta op en grijp mijn spijkerbroek van het voeteneind. Met mijn linkerbeen in de pijp hompel ik naar de trap. Gek genoeg trilt hij nog steeds.

‘Wat heb je gedaan?’ Mariska gilt. ‘De zee! Wat heb je gedaan?’

‘Niks! Natuurlijk niet!’ Ik ben boven en steek mijn rechterbeen door de pijp. ‘Het is allemaal onzin, lieverd. Goden bestaan niet!’ Onzacht stoot ik mijn hoofd weer eens tegen de dakrand. ‘Ik …’

Het onafgebroken trillen verandert, wordt dieper, resoneert. Het huisje kraakt.

‘Wat … heb … je … gedaan?’ Ze keert zich naar me om. Inwit. Achter haar krakt een ruit. De barst schiet van onder naar boven en vertakt zich in sneltreinvaart. Net als eerder de ijsbloemen op de ruit van de droogvriezer.

De vloer onder me ramt omhoog en valt weer weg. Ik knal op mijn knieën.

Met moeite weet ik het kanon te grijpen en me eraan overeind te trekken.

‘De zee, Bart. De zee!’

Ik zie het ook.

 

 

Peripetie

De zee is verdwenen. Zover we kunnen kijken zien we nat, glad zand.

‘We moeten weg hier! Kom!’ Ik grijp haar hand en wil haar mee­trekken, naar beneden, naar de hovercraft.

‘Nee! Het is mijn taak!’ Ze trekt zich los. ‘De aansteker, waar is de aansteker?’ Paniekerig voelt Mariska tussen de zitting en de leuning van de stoel. Ze stoot erbij tegen het kistje.

Het schuift van de zitting.

Als in een vertraagde film zie ik het met een punt op de grond terechtkomen. Het koperen slotje van het deksel is niet tegen de val bestand; het springt open.

Poeder dwarrelt op. Heel fijn poeder. Het belemmert ons zicht op elkaar en op buiten.

Er was iets met stof en aanstekers.

‘Geen vuur maken!’ Ik stap blind naar voren, stoot mijn beurse knie tegen het kanon en sla met mijn vuist tegen het gebarsten raam.

Glas rinkelt. Meteen vlaagt de wind naar binnen. Mijn hand bloedt.

Het stof verdwijnt.

De zee is terug. Hij bolt op. Ergens recht voor ons uit komt hij omhoog.

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. ‘Een vloedgolf! We moeten hier weg!’

‘Dat is geen vloedgolf!’ Haar handen trillen. ‘Hij komt!’ Ze draait met haar duim aan het wieltje van de aansteker, maar er komt geen vlam­metje. Tweede poging, derde.

Geen tijd om met haar te discussiëren over de onzin waar ze in gelooft. ‘Geef hier.’ Ik pak de aansteker van haar af, maar mijn hand is glibberig.

Met mijn linkerhand lukt het, na drie pogingen. Ik ontsteek de lont. ‘We moeten weg!’

‘Dat heeft geen zin. Houd me vast.’ Mariska staart naar de zee. Haar blik vastgeklonken.

‘We kunnen met de hovercraft …’

‘Wat? Surfen? Daarop?’ Ze wijst naar de immense golf die ontstaat. ‘Hij is hier voor we de trappen af zijn.’

Ze heeft gelijk. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik wil het niet.

Ze wankelt; de grond schudt. Voor het raam langs vallen gloednieuwe dakpannen.

Ik pak haar vast en trek haar tegen me aan.

Mijn com’pad drukt tegen mijn borst. Ik haal hem tussen ons van­daan, de boodschap van Haijo licht op.

Voor ons bolt de zee op. Zo hoog als de torenflats van Rotterdam, zo ver links van ons. Iets schiet onze kant op, een sliert of een … spaghetti?

Maar dan dik. En groen. De punt zwiept langs de toren. Een knal als van een zweepslag teistert mijn trommelvliezen. Wat …?

Ik trek Mariska steviger tegen me aan en druk op de com’pad. De zee dendert op ons af, we moeten ons hoofd al in onze nek leggen om de top van de golf te kunnen zien. Erbovenuit zwiepen tentakels. Ik zie zuignappen. Ze openen en sluiten als hongerige muilen. Ik weet dat dit niet kan, maar toch zie ik het.

‘Ze bestaan,’ fluister ik.

Het kanon dondert.

Witruimte : Jasper Polane

Zij was zijn zelfmoordmissie.

De heks zat in kleermakerszit in het midden van haar tent. Haar blote voeten met gekleurde teennagels staken onder haar zwarte abaja uit. Ze keek op toen Dawud binnenkwam en herschikte haar hijab.

Hij was vergeten hoe mooi ze was. Haar ogen zwart als de nacht, poorten naar het duistere heelal, waarin het licht van de olielamp weerspiegelde als dansende sterren. Hartvormige lippen, dezelfde donkere henna als haar nagels. Expressieve smalle wenkbrauwen die de ravenzwarte kleur onthulden van haar onder de hoofddoek verborgen haren.

‘Ik ken u.’ Haar stem klonk diep en zoet. ‘Maar ik herinner me uw naam niet.’

‘Dawud al-Harûn, van de Orde der Leergierigen.’ Hij maakte een buiging. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet. Lang geleden, op de Nachtmerriemarkt.’

‘De Nachtmerriemarkt? Dat moet inderdaad lang geleden zijn.’ Ze gebaarde hem tegenover haar plaats te nemen. ‘Welkom in mijn bescheiden tent, administrator. Mijn naam is Zahra. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Mag ik u eerst welkom heten in de vijftiende eeuw. Mijn orde en het Ottomaanse leger zijn vereerd dat u zich bij ons voegt, priesteres van Rastaban.’

Ze glimlachte en zijn hart sloeg een slag over.

‘Is dat het?’ vroeg ze. ‘Het Ottomaanse leger?’

‘Hun sultan is nog steeds de baas. Hij heeft adviseurs en leveranciers uit de Witruimte, maar hij is nog steeds degene die bepaalt hoe alle raad en wapentuig wordt ingezet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat het wat uitmaakt. De christenen hebben ook hulp bij hun verdediging. We komen er niet doorheen.’

‘En daarom komt u bij mij?’

‘U weet waarom ik bij u kom.’ Hij haalde een aantekenboekje uit zijn buidel en bladerde erin. Hij kende de naam uit zijn hoofd, maar het was prettig zijn aandacht op iets anders dan haar ogen te vestigen. Hij las voor: ‘De C.A.D., een demon in de eerste cirkel. U kocht hem op de Nachtmerriemarkt, in de periode dat ik daar als assistent-administrator gevestigd was.’

Ze wierp een blik op de mand die schuin achter haar tegen het tentdoek stond. Het rieten deksel was vastgebonden met drie linten: een rood, een zwart en een zilverkleurig, in elkaar gebonden tot een onbreekbaar kwantumslot.

‘Als u weet dat ik de C.A.D. onder mijn toezicht heb, weet u vast ook waarom de sibbe hem aan mij heeft toevertrouwd,’ zei ze. ‘Ik kan hem niet gebruiken.’

‘Vrouwe Zahra, ik hoop dat u van gedachte wilt veranderen. We hebben uw hulp nodig.’

‘Willen is het probleem niet. Ik kán de C.A.D. niet gebruiken, ook al zou ik willen. Ik kan niet aan zijn voorwaarden voldoen. Het spijt me, administrator, u bent voor niets gekomen.’

‘Het spijt mij ook.’ Dawud stond op en maakte een lichte buiging naar de heks. Hij had de tentflap al opzij geschoven toen ze sprak: ‘Ik kan de C.A.D. niet inzetten, maar ik heb meerdere demonen onder mijn hoede: derde en tweede cirkel. Misschien minder machtig dan de C.A.D., echter te gebruiken zonder voorwaarden. Het is niet hetzelfde, maar alle kleine beetjes helpen.’

Hij twijfelde even of hij om zou draaien, besloot van niet en bleef voor zich uit staren terwijl hij zei: ‘Dank u, priesteres. We kunnen elke hulp goed gebruiken.’

 

Buiten de tent, bevrijd van haar ogen, slaakte Dawud nog eens een diepe zucht. Zahra, hier! Daar had hij niet op gerekend! Hij had misschien langer moeten blijven, met haar praten, een connectie leggen, maar zijn gevoelens hadden hem verraden.

Zijn vader had hem meer dan eens gewaarschuwd nooit verliefd te worden op een Rastabanheks, hoe mooi ze ook was. De heksen waren allemaal betoverend, zonder uitzondering. Trap er niet in, zei zijn vader. Hun schoonheid was schijn, een dekmantel voor hun verdorven innerlijk.

Maar zijn vaders raadgeving ten spijt was hij gevallen voor de eerste heks die hij had ontmoet, tientallen jaren geleden op de Nachtmerrie­markt. Als vijftienjarige was hij dat verdorven innerlijk compleet vergeten bij het zien van de inktzwarte ogen, gelegen in de schaduw van die lange wimpers, en het diepe decolleté van die perfecte borsten. Wat nou, innerlijk?

Dat hij haar nog eens zou ontmoeten had hij nooit kunnen denken. Hij was natuurlijk allang geen vijftien meer, maar evengoed had haar glimlach zijn liefde opnieuw aangewakkerd. Ook al had hij er niet op gerekend, het verbaasde hem geenszins dat ze zijn hart nooit verlaten had.

Misschien zou het zijn opdracht makkelijker maken. Zijn missie ging voor alles. De heks zou de C.A.D. gebruiken. Constantinopel zou vallen.

23 mei 1453 – het beleg van Constantinopel – de Witruimte-herconfiguratie.26B

 

De aanval was in volle gang. Het flikkerende krachtschild dat de Byzantijnen om de stad hadden opgetrokken werd continu geteisterd door de pulsgeweren van de Ottomaanse artillerie en lichtte blauw op waar de lasers insloegen. De schoten verzwakten het genoeg zodat de voetsoldaten er met hun vibrobajonetten doorheen konden snijden en de stadsmuur konden bereiken. De Ottomanen zetten hun zwarte ladders ertegen en begonnen te klimmen, of maakten gebruik van antigrav-schijven om de muur op te komen. De Byzantijnen op de muur vuurden op hun beurt energiewapens naar beneden om de soldaten van de ladders te schieten. Elk kwartier ging het enorme plasmakanon van de Ottomanen af en sloeg gaten in de muur die groot genoeg waren om walvisschepen doorheen te laten.

 

Dawud sloeg de veldslag door zijn verrekijker gade vanaf de heuvel aan de rand van het legerkamp. De muur en de paar honderd meter eronder waren een angstdroom van dood en verderf. Blokken steen regenden op de soldaten neer en stampten hen tot rode pulp. Plasma dat niet door het krachtschild heen kwam spetterde in het rond en vrat met een sissend geluid door alles en iedereen heen die het raakte. De grond was bezaaid met gesneuvelde soldaten en de rivier kleurde rood met het bloed van duizenden slachtoffers. Het gekerm van de gewonden oversteeg zelfs het geknal en gezoem van de wapens.

Het duurde uren voordat de aftocht werd geblazen en de Ottomanen zich terugtrokken, achternagezeten door de laserpulsen van de Byzan­tijnen. Dawud bleef toekijken totdat de laatste Ottomaanse soldaten buiten het bereik van de tegenstander waren.

Met een zucht liet hij de kijker zakken. De aanval had het leven van veel soldaten gekost, maar had het Ottomaanse leger niet dichter bij de overwinning gebracht. Het Byzantijnse krachtschild was intussen weer op volle sterkte en de zelf-reparerende stenen van de stadsmuur waren druk bezig de gaten te dichten.

Dawud had de allereerste versie van dit beleg meegemaakt, jaren geleden in de oorspronkelijke tijdlijn, toen hij werkte als assistent van administrator Assad al-Sunil, wiens baan hij nu had. Destijds bemoeiden de facties van de Witruimte zich nog niet met de strijd, die werd gevochten met authentieke wapens zoals zwaarden, speren en bogen, ook al hadden de Ottomanen toen ook een lijvig kanon gehad, zij het één traditionele die kogels afschoot. Het leger kon de stad ternauwernood innemen, omdat ze het geluk hadden dat een of andere sukkel was vergeten een zijpoort op slot te doen.

Maar dit keer hadden ze dat geluk niet. Groeperingen uit de Witruimte hadden hun oog op deze plaats in ruimtetijd laten vallen en nu werd de hele stad omgeven door een krachtschild. De verdedigers hanteerden wapens die vaak niet te onderscheiden waren van magie en alle natuurwetten leken te schenden. Tot dusver was het de aanvallers nog niet gelukt door de verdediging heen te breken, zelfs niet met hun eigen zo-goed-als-magisch wapentuig.

Dawud had er weinig vertrouwen in dat het de Ottomanen deze keer zou lukken de stad in te nemen. Toch was het van cruciaal belang dat Constantinopel zou vallen. Daarom was hij hier.

 

Toen hij de volgende avond bij haar tent kwam was ze er niet. Na enige tijd zoeken vond hij haar op dezelfde heuvel als hij de vorige avond voor zijn uitzicht gebruikt had, uitkijkend over de stad. Hij beklom de heuvel, met in zijn handen de kartonnen taartdoos.

Ze keek om toen hij haar naderde, haar donkere ogen vol emotie. Hij kon niet bepalen of ze hem afkeurend aankeek of dat ze hem verwelkomde, maar dat maakte hem niets uit. Als ze maar naar hém keek.

‘Goedenavond, administrator,’ zei ze. ‘Ik hoopte al dat u me op zou komen zoeken.’

Zodra ze haar aandacht op hem legde was Dawud zijn ingestudeerde tekst kwijt. In het nauw gedreven doordat hij plotseling moest improviseren stamelde hij: ‘Ja, door mijn werk op de Nachtmerriemarkt ben ik erg geïnteresseerd in de werking van demonen. Ik zou graag observeren hoe u deze gebruikt.’

‘Voel u vrij,’ zei Zahra. ‘Deze demon kan pas om twaalf uur ’s nachts gebruikt worden. Dat is over veertig minuten. Misschien wilt u uw boekje alvast gereedhouden.’

Ze draaide zich met de rug naar hem toe en richtte haar aandacht op het slagveld onder hen, waar de gesneuvelde soldaten van vandaag verzameld werden. Ze zouden vannacht begraven worden en hun programmatuur zou naar de Witruimte gekopieerd worden, zodat ze later ergens anders, in een andere tijd en op een andere plaats, ingezet konden worden in een nieuwe oorlog. De volle maan stond hoog boven de stad en rimpelde wanneer er een stroompiek door het krachtschild trok.

Hij was haar belangstelling kwijt. Hij had meteen moeten toegeven dat hij voor háár kwam.

Snel liep hij de laatste paar stappen de heuvel op en ging naast haar staan. Hij opende de taartdoos en bood haar de chocoladebruine cilindervormige gebakjes aan.

Zijn stem kraakte door zijn droge keel. ‘Ik heb iets voor u meege­nomen.’

Zahra keek verwonderd van hem naar de doos en weer terug. Ze nam een gebakje voorzichtig tussen haar vingers en draaide het onderzoekend in haar hand. ‘Wat zijn het?’

‘Ze heten zoenen, of soms chocozoenen. Een wafeltje als bodem, geklopt eischuim en een dun laagje chocola. Uitgevonden in de negentiende eeuw en zeer populair tot het einde van de twintigste, toen de naam veranderd moest worden.’

‘Waarom?’

‘Eerst heetten ze negerzoenen. Dat werd door sommigen racistisch of discriminerend gevonden.’ Dawud haalde zijn schouders op. ‘Iden­titeitspolitiek was toen anders dan nu.’

‘Ze gewoon “zoenen” noemen is wel de meest fantasieloze oplossing die ze konden bedenken,’ zei Zahra met een glimlach. ‘Ik zou ze nachtzoenen genoemd hebben, dan blijft die associatie met donker in de naam.’

‘Nachtzoenen hè? Mooi,’ zei Dawud. ‘Of klapzoenen, tongzoenen, Franse kussen, pakkerds, smakkerds.’

‘Nee, nachtzoenen is het beste.’

‘Daar heeft u gelijk in,’ antwoordde hij. ‘Kom, neem een hap.’

‘Waar begin ik?’

Dawud deed het voor. Hij pakte de nachtzoen bij het wafeltje en nam een grote hap van de bovenkant. Het chocola kraakte en een explosie van zoetigheid vulde zijn mond.

Zahra volgde zijn voorbeeld. Ze nam voorzichtig een klein hapje. ‘O, wat zoet!’ riep ze uit. ‘Wel lekker, hoor, maar zoeter dan honing!’

Ze nam nog een hap, nog een en een tijdje aten ze hun nachtzoen op, in stilte totdat die werd doorbroken door het gekraak van de wafeltjes. Zahra likte haar vingers af voordat ze hem weer aankeek.

‘Ze zijn moeilijk te eten, deze zoenen, maar ze zijn verrukkelijk.’

Ze lachte, vrolijk en verrassend, en tikte met haar vinger op het puntje van haar neus. Met een grijns veegde hij het schuim van zijn neus.

‘Nu heeft u mij een zoen gegeven, maar ik u nog niets. Ik sta bij u in het krijt.’

Plotseling stond ze tegen hem aan. Haar bedwelmende aanwezigheid omstrengelde zijn zintuigen. Haar boezem drukte zacht tegen zijn borstkas aan. Haar zoete geur deed zijn hoofd tollen. Ze keek hem diep in zijn ogen en hij dacht te verdrinken in haar zwarte ogen, maar toen sloot ze ze en hield haar hoofd een beetje schuin.

Hun kus was zacht en zoet, als een nachtzoen. Hij wilde zijn armen om haar heen te slaan, maar durfde niet en zij liet haar armen ook langs haar lichaam hangen. Waar haar lichaam hem aanraakte stuurde ze stroomstootjes het zijne in, die zijn hart aanjaagden en zijn kruis roerden. Het leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd veel te kort. Toen ze zich uit de kus losmaakte keek ze hem een moment teder aan, kwetsbaar en gevoelig, meer vrouw dan heks, maar toen viel haar eigen mysterieuze aura weer over haar heen.

Hij wist niet wat te zeggen, dus zei hij weer eens het verkeerde: ‘Zahra, het is bijna middernacht…’

Ze deed een stap terug. Haar warmte en zoetheid verliet hem. Ze draaide zich om en keek naar de zilveren maanschijf die boven de stad hing. ‘Juist… de demon.’

Ze maakte een fijn polskettinkje los en ging met haar wijsvinger de zilverkleurige kralen langs totdat ze bij een afwijkende kraal kwam, wit uitgeslagen en een millimeter groter. Die drukte ze fijn tussen duim en wijsvinger. Een klein olijfgroen wormpje sprong uit de kraal tevoorschijn en zweefde omhoog. Terwijl het verder de lucht in vloog werd het snel groter. Het groeide en groeide, totdat het een groene slang bleek te zijn.

‘Dit is de Bakunawa,’ zei Zahra. ‘Hij is…’

‘…de Eter van de Maan,’ vulde Dawud aan. ‘De eclipsdemon.’

De slang bleef groeien, totdat een gigantisch monster, met rode tong en asgrijze vleugels, als een speer op de maan afstevende. Er klonk geschreeuw van soldaten op het veld onder hen en vanaf de kantelen van de stad.

‘Er is een oude profetie die vertelt dat Constantinopel zal vallen wanneer de maan verdwijnt,’ zei Zahra. ‘Bakunawa zal dit bewerk­stelligen.’

Dawud trok een wenkbrauw op. ‘Werkt dat? Is dat alles wat er nodig is? De maan verdwijnt en de profetie komt uit?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ grijnsde Zahra. ‘Maar dat weten de Byzantijnen niet. Hoezeer hun adviseurs uit de Witruimte hen ook zullen verzekeren dat er niets aan de hand is, zij zullen ontmoedigd worden door de maansverduistering. De Ottomanen geloven er trouwens ook in, dus zij zullen extra gesterkt worden. Dubbele winst.’

De gigantische slang bereikte de maan en opende zijn enorme muil. Op het moment dat de zilveren schijf in zijn bek verdween loste Bakunawa in het niets op. De lucht boven de stad leeg, de maan verdwenen. Overal vanuit de stad steeg gehuil, gejammer en gebeden op. Vanuit het Ottomaanse legerkamp klonk gejuich.

Met een tevreden glimlachje richtte Zahra haar aandacht weer op haar kettinkje. Ze wreef met haar vingers over de kapotte kraal en toen ze het kettinkje weer om haar pols bond, zat de wit uitgeslagen kraal er weer aan, met de Bakunawa erin.

De profetie zou in vervulling gaan.

 

‘Waarom is het zo belangrijk dat Constantinopel valt?’ vroeg Zahra.

Het was de volgende dag en ze zaten op ‘hun’ heuvel in kleermakers­zit naast elkaar. Zahra had een urn van wit porselein tussen haar voeten geklemd.

Onder hen sloegen nieuwe golven soldaten tegen de stadsmuren. Het plasmakanon en de pulsgeweren vuurden in computergestuurde inter­vallen op het Byzantijnse krachtschild. De Ottomanen haasten zich door de ontstane gaten voordat de fasegenerator het schild weer op kracht kreeg, maar werden bij de stadsmuur opgewacht door de energiewapens en  magnetische railguns van de tegenstander. De lijken stapelden zich op, waardoor de aanvallende soldaten bergen lichamen moesten beklimmen om bij de muur te komen.

‘Waarom bemoeien uw Orde der Leergierigen en andere afdelingen van de Witruimte zich met deze oorlog?’ Ze wees op de stad in de verte. ‘Het is niet meer dan een suf stadje, waarvan de reputatie vele malen groter is dan zijn werkelijke aard. Waarom verspillen jullie zoveel middelen om de Ottomanen te laten winnen?’

Dawud haalde zijn blocnote tevoorschijn en bladerde naar zijn vijftiende-eeuwse tijdlijn en hield die voor haar op. Ze kroop wat dichterbij om beter te kunnen zien. Deze keer wist hij wel wat te zeggen. Hier had hij jaren voor gestudeerd en hij kende de stof door en door. De nabijheid van een zoet ruikende warme dame leidde hem af, maar niet genoeg om zijn opleiding te vergeten.

‘De val van Constantinopel in 1453 markeert het einde van de Middeleeuwen,’ legde hij uit. Hij trok met zijn wijsvinger een denkbeeldige lijn van boven naar beneden op het papier. ‘Links leven de volkeren in angst. Ze zijn bang voor God, of hun leiders, of de monsters die zich in de nacht schuilhouden. Rechts de geboorte van belangrijke nieuwe ontwikkelingen, de neergang van het feodale stelsel, de opkomst van de drukpers en het buskruit. Een tijd waarin de mens zijn omgeving steeds beter leert kennen en gebruiken.’

‘Maar dat is slechts een voortgang van ontwikkelingen die zich al enige jaren voordoen,’ zei Zahra. ‘Ontwikkelingen die in de Middeleeuwen geboren zijn en verder zullen gaan, Constantinopel of geen Constantinopel. De val van de stad is een symbool, een idee.’

‘U bent een priesteres, u moet toch de kracht van symbolisme kennen?’ Hij keek haar aan en zij keek met die donkere poelen terug. Dit keer verdronk hij echter niet. ‘De maansverduistering van Bakunawa was ook een idee. Maar niet “slechts” een idee: een heel krachtig idee. Als de stad niet valt zal de wereld in duisternis gehuld blijven. De wetenschap zal geen nieuwe opmars maken, de technologische revoluties zullen achterwege blijven en uiteindelijk zal de Witruimte nooit bestaan hebben.’

‘Ik heb de filosofische kant van de Leergierigen altijd interessant gevonden.’ Zahra glimlachte. Ze greep naar de urn en haalde het deksel eraf. ‘Ik zal eerst deze demon loslaten. Ik denk dat ik u daarna nog een keer ga zoenen.’

De demon Osiris, de Herrezene, had de uiterlijke vorm van een wervelwind die bestond uit grauwe as. Hij stormde over het slagveld, over de opgestapelde lichamen en regende warm- en koelgrijze stukjes op hen neer. De lijken die door de as ondergesneeuwd raakten begonnen zich te roeren. Een spookachtig gekreun kwam uit hun monden. Houterig en onbehaaglijk stonden ze op. Niet langer dood, niet echt levend, maar ondood, onlevend. Demonische as-zombies uit de Witruimte, bestuurd door de Osiris-software van de heks. De zombies raapten hun pulsgeweren en vibrobajonetten op en begonnen aan een nieuwe bestorming van de muren.

Zahra en Dawud zagen het niet. Zij waren verwikkeld in een innige kus, hartstochtelijk en geweldig. Ze had haar armen om zijn nek gelegd en trok hem naar zich toe. Hij sloeg zijn armen om haar middel en deed hetzelfde, hun lichamen stevig tegen elkaar aan getrokken alsof ze in elkaar versmelten zouden, hun warmte delend. Iedere seconde dat hun lippen elkaar raakten wond hem meer op.

Hij wilde meer. Natuurlijk wilde hij meer. Maar nu nog niet. Dat zou te snel zijn. Vooralsnog was deze kus perfect.

 

Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij lag in zijn tent, eenzaam en alleen, zijn gedachten volledig beheerst door die donkere ogen, die heerlijke volle lippen, die ongelooflijke borsten en die prachtige billen. Haar zoete geur en smaak bleven om hem heen hangen en vervulden zijn verbeelding. Zou hij naar haar toegaan? Wat zou ze doen als hij bij haar de tent inkroop? Zou ze hem met open armen ontvangen? Hij geloofde niet dat ze hem weg zou sturen, maar toch durfde hij niet, ook al was er niets dat hij liever zou doen.

Het zou niet verstandig zijn. Hij zou wachten, totdat hij zeker wist dat ze hetzelfde voor hem voelde. Dus bleef hij liggen, dan weer op zijn rug starend naar de vouwen van zijn tent, dan weer draaiend en woelend, op zoek naar slaap. Haar gezicht bij hem wanneer hij zijn ogen sloot, haar gelach in zijn oren wanneer hij zijn hoofd onder zijn kussen verborg. Toen hij de volgende ochtend uit de tent kroop voelde hij zich ellendig en nauwelijks uitgerust.

Hij had het werkelijk flink te pakken. Ieder moment van de dag dacht hij aan haar. Wanneer hij door het kampement liep bleef hij in het rond kijken, in de hoop dat hij haar tegen zou komen, ook al wist hij dat ze hier nooit kwam. Elke vrouw die hij zag vergeleek hij met haar, maar geen van hen was ook maar half zo mooi.

Hij zwierf door het kamp, op zoek naar niets in het bijzonder. Hij wist dat deze zotheid niet lang kon duren. Hij moest een missie vervullen. Daarom was hij hier. Daarom had hij haar opgezocht. Het was niet de bedoeling geweest dat híj zo hoteldebotel voor haar zou vallen.

Zijn missie. Zijn verdomde zelfmoordmissie… Hij had hem gekregen omdat hij bekend was met de C.A.D., niet omdat hij Zahra kende. Dat hij lang geleden verliefd op haar was geworden deed er niet toe. Toen was hij een tiener, een jongen nog, het was kalverliefde. Liefde op het eerste gezicht was immers niet echt. Het was een bevlieging, meer niet. Niemand had erop gerekend dat liefde op het tweede gezicht vele malen heviger zou zijn.

Dus nu liep hij hier, wetende dat hij de vrouw van wie hij hield moest verraden. Hij wist dat zijn opdracht haar pijn zou doen. Zoveel pijn dat ze er misschien nooit meer overheen zou komen. Was dat het waard?

Haar pijn deed hem meer dan zijn eigen naderende dood. Hij wist dat hij deze missie niet zou overleven – niet kón overleven – en had zich daar bij neergelegd. Hij had zijn bevelen van de Orde der Leergierigen. Zahra’s gevoelens waren nevenschade, collateral damage. jammerlijk, maar niet te vermijden.

Of wel?

Hij keek naar de stad in de verte, de bruingrijze en grijsbruine stenen van de muren, het kleirood en baksteenoranje van de daken. Constan­tinopel moest vallen, anders zou de Witruimte nooit bestaan. Dat had hij aan Zahra verteld, zoals zijn mentor Assad al-Sunil hem had verteld. Maar had hij gelijk?

Of had Zahra gelijk, als ze zei dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren verder zouden gaan, Constantinopel of geen Constantinopel? Dan zou zijn opdracht onnodig zijn.

Hij probeerde zich haar gezicht voor te stellen. Treurend. Zou ze huilen? Tranen in haar ogen, misschien, maar meer dan dat kon hij zich nauwelijks inbeelden. Hij had zich echter haar lach ook niet kunnen inbeelden en haar kussen al helemaal niet. Zahra was een gepassioneerde vrouw en haar emoties witheet als vloeibaar metaal. Ze zou huilen, ze zou schreeuwen, ze zou hem haten en vervloeken. De pijn zou haar nooit verlaten.

Hij kon het niet. Hij hield te veel van haar. Hij kon haar geen pijn doen. Hij zou haar geen pijn doen.

Dawud activeerde zijn interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

 

Hij materialiseerde op het witte strand van de planeet Newton-5. Hij was van plan geweest om een paar dagen hier door te brengen; hangen aan de bar van de strandtent, mijmerend uitkijken over het groene water van de Koperzee, misschien een gedicht of twee schrijven. Maar zijn verliefdheid liet hem niet met rust. Gedachten over lange strandwandelingen en vrijen in de branding drongen zich aan hem op. Een poging een gedicht over Zahra te schrijven resulteerde enkel in een bladzijde in zijn aantekenboekje volgekladderd met hartjes. Dit was duidelijk niet de plaats om haar achter zich te laten.

Dan maar het grove geschut: haar proberen te vergeten met drank, drugs en seks. Hij streek neer op de planeet Hades en bezocht daar de beroemde plezierpaleizen. Hij had keuze uit mensvrouwen en -mannen, hermafrodieten, katmeisjes en duivelsjongens, klonen van bekende vloggers en zelfs een aantal ex-politici. Voor elk wat wils, maar Dawud begreep snel dat zijn smaak er niet bij zat. Hij verlangde slechts naar één vrouw.

Drie dagen bleef hij reizen, steeds verder weg van de Aarde in 1453, weg van de vrouw bij wie hij het liefst wilde zijn. De Orde van Leergierigen had intussen gemerkt dat hij weg was. Hij nam hun oproepen niet aan. Iedere avond wiste hij hun ingesproken berichten, onbeluisterd. Totdat op de derde avond een bericht binnenkwam dat niet van de Leergierigen afkomstig was. Zijn hart sloeg een slag over toen hij de User ID zag: ZaHRa.

Met trillende vingers opende hij de voicemail. Haar zoete stem begon zakelijk: ‘Administrator, dit is Zahra. Ik heb uw aanwezigheid gemist de afgelopen avonden en ik bel om te informeren of alles in orde is. Ik heb nog een demon tot mijn beschikking. Die zal ik morgen activeren.’ Toen werd haar stem zachter, teder bijna: ‘Dawud… Ontloop je me? Heb ik iets gedaan? Heb ik iets gezegd? Als dat zo is dan spijt het me. Zie ik je morgen? Kus.’

Hij zuchtte een keer diep. Hij kon haar niet meer ontlopen. Die kus had zijn lot bezegeld.

 

Die dag was de hemel het gebroken wit van verse room, dat in de middag verschoot naar een dreigend okergrijs. Dawud had besloten zijn drie subjectieve dagen objectief te maken zodat hij de achtentwintigste pas terug was in Byzantium. Zwijgend, met lood in zijn schoenen en in zijn maag, liep hij de heuvel op. Hij kreeg kippenvel toen hij haar zag staan, zo mooi en beangstigend.

Ze keek niet om.

In de verte rolde een dikke mist vanaf zee het land op, als een roofdier dat geluidloos naderbij sloop. De stad lag er grauw en versleten bij, een slapend dier te log om zich uit te voeten te maken wanneer de nevel hem zou grijpen. Ongehinderd door het krachtschild rolde de mist de straten in. Al snel waren de straten van Constantinopel gehuld in een dikke, ondoorzichtige deken.

‘De djinn Ibris.’ Zahra’s stem klonk vlak. ‘Een demon van de tweede cirkel, nuttig om angst te zaaien en het moreel van de tegenstander te ondermijnen.’

‘Een soort nanonevel?’ Dawud keek door zijn verrekijker. ‘Hoe komt het door het krachtschild? Onze nevels ketsen erop af.’

‘Het krachtschild is poreus. Het laat lucht door, anders zouden de inwoners van de stad allang gestikt zijn. Het schild is geprogrammeerd om mechanische nanobots tegen te houden, maar het laat watermoleculen door.’

‘Bedoel je dat het echte watermist is?’

‘Slimme watermist, uitgerust met verschillende aanvalssubroutines.’

‘Geprogrammeerd water? Dat is niet mogelijk.’

‘Daar is het een demon voor. Ibris zal vanavond pas zijn volle effect krijgen.’ Ze ging als een kleermaker op de grond zitten. ‘Nu wachten we.’

Dawud nam plaats naast haar op de grond. Enige tijd zaten ze zwijgend naast elkaar, niet omkijkend, elkaars aanwezigheid amper bevestigend.

‘U hebt niets fout gedaan.’ Dawud schraapte zijn keel. ‘Daarom ging ik niet weg. Ik… Ik ben juist heel graag in uw gezelschap. Maar u bent een priesteres en ik ben een administrator. Het is onmogelijk te bepalen wat onze kansen zijn als we deze plaats en tijd verlaten, ná de val van Constantinopel. Kunnen we samenzijn totdat ieder van ons een nieuwe opdracht krijgt? Kunnen we een relatie in stand houden als we miljoenen ruimtetijdpunten van elkaar verwijderd zijn? Die onzekerheid beangstigt me. Ik wil geen ketenen smeden waar ik niet meer uit kan komen als u weg bent.’

Zahra bleef zwijgend naar de in nevel gehulde stad kijken.

‘Eloquent, administrator,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zeg alsjeblieft “jij” tegen me.’

‘Het spijt me. Ik had op zijn minst afscheid moeten nemen.’

‘Dan was je misschien niet meer teruggekomen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Je had op zijn minst nog een doos nachtzoenen mee kunnen nemen.’

‘Daar heb ik niet aan gedacht. Neem je genoegen met een ander soort zoen?’

‘Eentje maar?’

Ze hadden natuurlijk vaker gekust, maar zo voelde het niet. Nog steeds klopte Dawuds hart in zijn keel, nog steeds sloeg zijn hoofd op hol, nog steeds gaf ze hem kippenvel. Ze maakten zich los uit de kus. Haar zoete adem verliet hem, maar die onpeilbare ogen lieten hem niet los.

‘De afgelopen drie dagen hebben mij ook de kans gegeven na te denken. En je hebt gelijk, het is lang niet zeker of we bij elkaar kunnen blijven. Het is echter zeker dat we nú bij elkaar zijn. Misschien is dat genoeg. Onze toekomst is onzeker, maar nu is niet het moment om ons daar druk over te maken.’ Ze stond op, streek haar abaja glad. Dawud keek haar na terwijl ze de heuvel afliep, totdat ze halverwege bleef staan en vroeg: ‘Kom je?’

Hij wierp een blik op de stad in de verte, nog steeds bedekt in een dikke wolkendeken. ‘Maar… de demon?’

‘Ibris kan zijn werk doen zonder ons. Kom mee.’

 

’s Avonds slonk de mist, als een waterzak die leeggegoten werd, maar de Ibrisnevel liet een cadeautje achter. De demon had kleine aanpassingen gemaakt in de alles omringende omgevingssoftware van de Witruimte. Het programma werd door ontelbare kleine subroutines geleid, die steeds minuscule veranderingen in de stad aanbrachten. De  aanwezige ontwerpers  uit de Witruimte hadden al snel door wat er gebeurde en probeerden de demon te onderscheppen, maar ze waren te laat.

Vlammen overspoelden de koepel van de Hagia Sophia. Glinsterende lichten verhieven zich uit het dak van de kathedraal en vlogen naar het westen, tot ver in het afgelegen platteland achter het kamp van de Ottomanen.

Een gehuil rees op uit de stad. Geschreeuw klonk vanaf de stads­muren. Onheilsprofeten zwierven door de straten en verkon­digden het einde van Constantinopel, nu de Heilige Geest de kathedraal was ontvlucht.

De Ibrisnevel had zijn werk gedaan, maar Dawud en Zahra waren er niet om zijn verrichtingen te aanschouwen. Zij bevonden zich in Zahra’s tent en maakten hun eigen vlammen.

 

Naderhand lagen ze bij elkaar, starend naar het tentdoek boven hen, Dawud een arm om haar heen geslagen. Hij zou zich gelukkig moeten voelen, nu hij niet alleen seks had gehad met zijn droomvrouw, maar er ook een relatie in het verschiet lag. Maar zo voelde hij zich niet. Hij werd koud en alsmaar kouder, want hij wist wat nu ging komen.

‘Ik hou van je,’ zei hij zacht.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ze. Ze lachte van oor tot oor. ‘Het zou niet mogelijk moeten zijn, maar toch is het zo. Ik hou van je, Dawud al-Harûn.’

‘Dat is fijn om te horen.’

Zijn kille toon deed haar opkijken. Ze richtte zich op en bestudeerde zijn gezicht. Plotseling verscheen het besef in haar ogen.

‘O nee!’ Met beide handen duwde ze hem van zich af. ‘Nee nee nee! Jij! Jij klootzak!’

Ze sloeg hem, keer op keer, haar vuisten tegen zijn blote borst. Hij voelde er weinig van, want ze hield zich onwillekeurig in, maar de pijn in Dawuds hart werd bij iedere slag heviger. Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn lief…’

‘Noem me niet zo! Jij… klootzak!’ Ze verzette zich tegen zijn greep en probeerde zich los te trekken. Na enige worsteling liet hij haar gaan. Ze rolde van hem weg en bleef met haar rug naar hem toe liggen.

‘Zahra… Het spijt…’

‘Lieg niet tegen me. Het spijt je niet.’ Ze bleef met haar gezicht naar het tentdoek liggen, maar haar stem trilde genoeg om haar emotie te bepalen. ‘Kwam je alleen naar hier om me te versieren?’

Dawud probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. ‘In het begin wel, ja,’ gaf hij toe.

‘Klootzak. Waarom moet je mijn hart als wapen gebruiken?’

‘En het mijne.’ Hij wreef de tranen uit zijn ogen. ‘Ik hou van je, Zahra. Ik heb altijd van je gehouden, vanaf het moment dat ik je voor het eerst zag. Jij bent de vrouw die mijn leven beheerst.’

Haar onderlip trilde. Haar ademhaling was diep en trilde. ‘Maar dat is niet belangrijk. Het gaat er niet om of je van mij houdt of niet, het gaat erom of ík van jóu houd.’

‘En dat is zo… toch?’

Zahra richtte zich op en ging op haar knieën zitten. Dawuds hart zonk, zwaar als steen, toen hij de uitgelopen strepen kohl op haar gezicht zag. Haar donkere ogen straalden nu enkel nog verdriet uit. Na enige tijd elkaar stilzwijgend te hebben aangekeken reikte zij onder haar kussen en haalde er een dolk vandaan.

‘De C.A.D., de resetdemon.’ Haar stem was nauwelijks meer dan gefluister. ‘Een demon van de eerste cirkel, zo sterk dat hij voor­waarden aan zijn meesteres kan stellen. In dit geval: de dood van een geliefde. Een reset van het hart. Ik heb de demon onder mijn hoede omdat ik geen geliefde heb… of had.’

De nano-dolk zat in een schede van kracht, vergelijkbaar met het schild van de Byzantijnen, omdat het lemmet scherp genoeg was om door elke materie heen te snijden. De dolk kon door diamant heen snijden, dus door een mens zou geen probleem zijn. Dawud zou er waarschijnlijk niets van voelen.

Zahra trok de dolk uit de schede. ‘We hoeven de C.A.D. niet te gebruiken. We kunnen hier weggaan, vluchten, de boel de boel laten. Laat de Ottomanen en de Byzantijnen en alle Witruimte-facties het maar uitvechten. Alsjeblieft, Dawud, ga met me mee…’

Natuurlijk kwam hij in de verleiding. Hij aanschouwde de prachtige naakte vrouw voor hem en kon zich maar al te goed voorstellen hoe het zou zijn de rest van zijn leven met haar door te brengen. Een eeuwigheid naar haar kijken, met haar praten, kussen, neuken… Natuurlijk was het niet zeker of ze bij elkaar zouden blijven, maar in de liefde was het dat nooit. Ze zouden het toch kunnen proberen…

‘Nee, we moeten deze oorlog winnen. Constantinopel moet vallen. De Middeleeuwen moeten eindigen.’

Ze liet een zacht gejammer horen. Haar schouders schokten, slechts één keer. Toen stootte ze haar dolk in zijn hart.

 

Ze nam geen moeite zich aan te kleden. Slechts gekleed in tranen en Dawuds bloed tilde ze de rieten mand de heuvel op. Daar zette ze het op de grond en legde haar hand op het kwantumslot. Dat herkende meteen haar DNA-signatuur en liet een goedkeurende bliep horen. De linten gleden geluidloos op de grond. Ze schoof het deksel van de mand af en bevrijdde de demon.

De heksen van Rastaban waren de hoedsters van demonen uit de Witruimte. Zahra bezat een verzameling broncodes, subroutines en kunstmatige intelligenties, brokken programmatuur van verworpen ontwikkelingspaden uit de post-humanistische superomgeving. De meesten daarvan mocht ze gebruiken wanneer ze dat nodig achtte, zoals ze Bakunawa en Osiris en Ibris had gebruikt om het Ottomaanse leger te helpen.

Sommige demonen waren echter te gevaarlijk, te krachtig. Krank­zinnige zelfbewuste virussen, zo sterk dat het eisen aan zijn gebruiker kon stellen. Ze stelden voorwaarden, zoals de dood van een geliefde.

Een lichtgevende reeks nullen en enen steeg op uit de mand. Hij bleef kort voor haar gezicht hangen en zette toen uit. Het verspreidde zich gelijkmatig over de omgevingssoftware. Fluorescerend blauwe golven zwommen naar de stadsmuur. Een zee van licht verspreidde zich over het Ottomaanse kamp.

De C.A.D., de resetdemon, breidde zich uit. Hij bereikte het kracht­veld dat om Constantinopel lag en begon het uit te wissen. Aan de andere kant van het slagveld wikkelde het zich om het plasmakanon en nam gulzige happen uit de broncode. Pulsgeweren, vibrobajonetten, as-zombies, nano-nevels, integriteitsbrekers, trans-realiteitscapacitors, digitale re­plicanten, biomorfische klonen; de C.A.D. wiste alles wat de facties uit de Witruimte naar deze plaats hadden gebracht.

Zahra voelde de demon door haar programmatuur gaan, maar Dawuds bloed beschermde haar. Net zoals alle heksen had ze een karakteranalyse moeten ondergaan toen ze als jong meisje de sibbe van Rastaban betrad. Afstandelijk, had de A.I. haar genoemd. Een observator, had het gezegd. En vooral: niet in staat om lief te hebben. Het computer­programma was onfeilbaar, maar toch had het geen gelijk gehad. Het had met één variabele geen rekening gehouden: dat iemand van háár zou kunnen houden. Haar verschijning, aura en status als priesteres was meestal genoeg om mannen op een afstand te houden. Dawud was de eerste die dat krachtveld had doorbroken, omdat hij vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag van haar hield. Liefde op het eerste gezicht bestond niet, dat stond vast. Miljoenen applicaties en simulaties hadden het onderzocht en waren het daar over eens. Liefde op het eerste gezicht was een symbool, een idee.

Maar niet ‘slechts’ een idee. Een heel krachtig idee.

Terwijl de C.A.D. de lagen Witruimte van de historische feitelijkheid afstroopte en echt gescheiden werd van niet echt, begon Zahra het te begrijpen. Ze zag het, nu. Ze zag waarom Dawud zijn leven had gegeven.

Ze leefden in een universum waarin alles mogelijk was. Dankzij de onvoorstelbaar geavanceerde technologie van de Witruimte kon iedereen zijn wie ze wilden zijn, eruitzien zoals ze wilden, leven zoals ze wilden. Ze konden elke planeet in het Melkwegstelsel bezoeken zonder zich zorgen te hoeven maken of ze daar konden overleven. Ze konden elk moment in de tijd beleven, verleden en toekomst, zonder zich zorgen te maken of ze de tijdlijn zouden beschadigen. De demonen van de Nachtmerriemarkt brachten zelfs het onmogelijke binnen hand­bereik.

Alles was mogelijk, de Witruimte had onbeperkt potentieel. Het was het blanke canvas wachtende op de schilder, de witte bladzijde in afwachting van de schrijver. Daarom waren ideeën belangrijker dan ooit. Ideeën, dromen, symbolen, ze waren de motoren achter de maakbare superrealiteit. Ze zwengelden het geheel aan.

Je kunt alles maken wat je wilt. Wat ga je maken? Een idee.

Daarom moest Constantinopel vallen. Hij had als symbolische droom veel meer waarde dan als reële stad. Vertellers zouden tot ver in de toekomst verhalen blijven optekenen over zijn legendarische bibliotheek, zijn onneembare muren, zijn omvang en zijn rijkdom. De mythe van Constantinopel zou zich door de tijd uitrekken en tot de verbeelding blijven spreken.

Zonder die mythe was Zahra hier niet geweest. Wij allemaal niet.

 

 

29 mei 1453 – de val van Constantinopel – basisconfiguratie.0

 

De tijdlijn vervaagde.

Zahra activeerde haar interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

De minnaar van mevrouw Mellors : Joost Uitdehaag

Sinds ik dat boek vond in de bibliotheek van mijn vader, groeit het. Een hunkering die alles overneemt, een onkruid dat al mijn andere wensen overwoekert. Het genot van eten of wandelen is me vergaan. Ik staar en ik dwaal alleen maar, terwijl ik fantaseer over armen die om me heen slaan en me vastpinnen.

Het boek blaast zuurstof in mijn passie, gidst me. Via de rozentuin kom ik bij de garage uit, het voormalige koetshuis. Je staat met ontbloot bovenlijf te werken. Mijn ogen vallen op je kleine, schomme­lende mannenborsten en je blanke huid. Op je baardloze kin en je glanzende lokken. Die vervloekte Pen maakt een eunuch van je. Ik vraag me af of je ooit kunt worden als de jachtopziener.

Als je merkt dat ik er ben, draai je je om. Het zweet loopt over je rug. Je bent ooit begonnen als vaders monteur en nu buig je je over zijn Bugatti, een prachtige auto met alleen maar gebogen lijnen. Ik ben jaloers op het plaatwerk van die machine.

Ik ga in de deurpost hangen. ‘Richard, drink je een kop thee mee in de Orangerie?’

Je kijkt verrast. Toen vader nog leefde mocht dit soort dingen niet.

‘Over tien minuten,’ zeg ik beslist. Nu ben ik de baas hier.

Je glimlacht.

Even later drinken we thee en het zonlicht valt door de hoge ramen. Je staart verwonderd naar mijn helderblauwe plooirok. Zo’n contrast met je eigen werkkleren die vol smeerolie zitten. Ik plaats mijn voet tegen de binnenkant van je been. Je kijkt verschrikt op en schuift naar achter. Ik ga rechtop zitten. Opnieuw de eerbare vrouw. Ben ik zo’n slechte verleidster? Ik bezweer mezelf van niet.

 

Ik voel me verbonden met die vrouw uit het boek, want haar leven is een dwangbuis, net als dat van mij. Waarom willen ze me wijsmaken dat alles nu anders is? Dat ik vrij ben, dat er veel bereikt is voor vrouwen. Mijn lust is even geknecht als die van haar. Maar zij vertelt me dat de Pen of wat dan ook, niet gaat helpen. Ik moet het heft in eigen hand nemen.

De volgende middag zoek ik je weer op. Je bent pauze aan het houden op een bankje voor de garage. In je handen klem je een metalen broodtrommel. Je lijkt op een arbeider in die oude films. Naast je heupen ligt een etui met een groen kruis erop. Ik ga naast je zitten en wijs ernaar.

‘Ga je ermee door nu vader dood is?’

‘Het staat in mijn contract.’

‘Wil je niet stoppen?’

Je haalt je schouders op. Je wijst naar de auto. ‘Het leven is goed zo.’

Dat is niet wat ik voel. Vader is dood. Alles hoeft niet meer te zijn zoals het altijd was. Jij kunt jezelf zijn. Ik kan mezelf zijn. Ik bespreek het niet verder. Je gaat dit niet begrijpen. Er zijn immers wetten van buiten het landgoed. Wetten van fatsoen en schone schijn. Net als in haar tijd.

‘Mag ik het ding eens zien?’

Je pakt het etui op, aarzelend. Het is een object van schaamte. Hoe vaak je ook zegt dat het leven zo goed is. Maar je gehoorzaamt, dat hoort ook bij de Pen.

Het etui is van canvas en voelt ruw aan mijn vingers. Ik vouw het open en pak er een gepolijst titanium staafje uit, met een glazen ampul erin. De Pen van Fernouilli. Sommigen vinden het de belangrijkste uitvinding in de relatie tussen man en vrouw sinds de pil. Alleen bevat de Pen geen hormonen. Crispr-technologie heet het, iets met DNA. Dat heeft Patricia Fernouilli niet bedacht. Maar ze heeft wel uitgevonden hoe je er mannelijke lusten mee uitschakelt. Heel precies. Omkeerbaar. Zonder bijeffecten. Bijna. Toch in ieder geval duizend malen milder dan die hormooninjecties van vroeger, die Alan Turing tot zelfmoord dreven. Zo mild dat geen man er redelijkerwijs bezwaren tegen kan hebben. Een revolutie.

Het is tijd, dat weet ik, daarom lag het ding klaar. Ik log je in op de display, want alles wordt bijgehouden. Je laat het allemaal toe. Ik leg je arm op mijn schoot. Je kijkt verbaasd. Ik zoek een ader, zoals ik dat de laatste jaren ook bij vader deed, voor zijn medicijnen. Het verbaast me nog steeds dat ik zo’n goede verpleegster ben geworden, voor iemand die nooit iets praktisch heeft geleerd. Ik houd het staafje tegen het bloedvat en schiet het erin. Een virus dat je receptoren uitschakelt. In je arm staan twee kleine puntjes, als de beet van een vampier. Ik pak alles weer in en druk het etui in je handen.

Je zegt niets. Je zit daar maar. Schitterend kwetsbaar. Als een kind. Maar ik wil geen kind op het landgoed. Ik wil een man.

 

Ik zoek je de dag erna op tijdens de lunch. Ik heb sandwiches bij me en een witte, mousserende wijn en een restje gehaktbrood. Ik stal ze uit op de motorkap. Je kijkt verlegen en pakt je eigen boterhammen weer in. Voorzichtig mompel je een dankjewel. Ik moet er rekening mee houden dat ik je niet teveel verzorg. Je moet ook trots kunnen zijn.

Als het tijd is voor je injectie, herhaal ik het ritueel van gisteren. Het stukje DNA dat door de Pen wordt weggeknipt is een overblijfsel uit de oertijd. Iets wat overbodig is, zoals de blinde darm. Er wordt volop mee geadverteerd. Waarom wachten tot je in je geilheid je dochter aanrandt? Schakel je driften eenvoudig preventief uit. Neem de Pen. Zo neem je verantwoordelijkheid.

Maar jij neemt de Pen niet écht vrijwillig. Jij en ik zijn allebei slachtoffers. Vader maakte hem verplicht. Hij kruiste elk jaar weer dat hokje aan op je contract. Werkt met seksueel kwetsbaren. Zelfs al ben ik al dertig, nog steeds dacht hij mij te moeten beschermen. Ik heb vaak gedacht dat vader hem eigenlijk zelf moest nemen.

We drinken samen een halve fles wijn leeg. Daarna pak ik je arm weer. Dit keer lach je. Je houdt van de vriendschap en het samenzijn, maar ik wil meer. Er is een trucje dat ik ooit heb geleerd. Door de alcohol durf ik het ook. Ik pak een stukje rubber, leg het op je arm en zet daar de naald in. De display geeft aan dat de injectie correct is verlopen, maar er staan geen puntjes op je huid. Als ik het gedaan heb, kijk ik je aan. Je ogen staan wijd open.

‘Maar ik moet…’ mompel je.

‘Het is goed zo,’ fluister ik. Je knikt volgzaam. Geen agressie, geen dominantie. Tevredenheid met het hier en nu. Zo anders dan mijn vader. De Pen is echt een uitvinding.

 

Die nacht slaap ik niet. Ik denk na over wat ik gedaan heb. Ik ben onrustig. Ik denk iets te horen beneden, maar als ik het bed uitga is er niets. Ik lees op mijn tablet over wat ik heb gedaan en wat ik kan verwachten. Daarna pak ik het boek weer. Ik masturbeer denkend aan wat er gaat gebeuren.

De volgende dag drinken we ‘s ochtends thee in de Orangerie. Je schenkt dit keer zelf je thee bij. Iets wat je niet eerder hebt gedaan. Ik duw mijn pump uit en druk mijn ontblote voet tegen je been. Je schrikt niet. Je kijkt verrast naar beneden, daarna recht in mijn ogen. Je glimlacht heel flauwtjes. Die middag laat ik de injectie weer weglopen in het rubber.

 

Elke dag is er nu een verandering. Je maakt je kwaad omdat er een bout vastzit. Het vet op je borsten en heupen brandt weg; er verschijnen bundels spieren op je schouders en je bovenarmen. Ik zie ze aan­spannen terwijl je druk zet. Je maakt een opgejaagde indruk. Je vloekt als de bout uiteindelijk losschiet. Er hangt een nieuwe geur in de garage. Scherp, pittig. Het hitst me op.

Als ik binnenkom, kijk je alsof ik je territorium heb betreden. Je ogen glijden over mijn lichaam en blijven hangen bij mijn borsten. Het windt me op. Ik knoop mijn blouse los en leg je handen op mijn bustier. Je lacht breeduit. Ik verleid je om in me te komen over de motorkap. Je aarzelt. Ik help je. Het kost je moeite, die eerste keer. Maar voor mij is het zalig.

Na de daad breng ik twee flesjes van vaders bier naar de garage. We proosten samen. De laatste keer dat ik bier dronk was op mijn afstudeerfeest. Dat was ook de laatste keer dat ik seks had. Na afloop huppel ik naar het landhuis. Het is heerlijk. Ik ben bevrijd. Ik zweef. Ik ben een baken van licht.

 

Thuis op de sofa overdenk ik mijn daden. Ik ben er toch trots op, al durf ik het niemand te vertellen. Ik ben bang dat ik scheef aangekeken word; iedereen herinnert zich nog de oude wereld. De Pen heeft vele vrouwen bevrijd van een leven in angst. Maar het is onnatuurlijk, vind ik. Als er zoiets als de Pen nodig is, is het moderne leven dan wel zo goed?

De dagen daarna bespied ik je. Als je door de tuin loopt, als je buiten op het bankje je shagje rolt en oprookt, als je banden over de oprit rolt. Het is alsof ik een zeldzaam natuurfenomeen aanschouw en in zekere zin is dat ook zo. Ik hoorde onlangs dat nu meer dan de helft van de mannen de Pen neemt. Zoals vrouwen ooit de pil. Maakt het me slecht, dat ik me onttrek aan iets dat mij moet helpen? Of juist goed, omdat ik je de kans geef je natuurlijke zelf te zijn?

 

Elke middag ruk je me de kleren van het lijf. Van het eerste gestuntel is niets meer over. Ik moet Maisy steeds vaker vragen om knopen aan te zetten. Je drapeert me over de motorkap alsof ik gewichtloos ben. Je klemt me vast, zodat ik nergens heen kan. Steeds wilder ben je. Het is een heerlijk en een gevaarlijk spel. Mannen die van de Pen afkicken zijn berucht. Daarom zijn er regels nodig. En ritme. Hoe gevaarlijker het spel, hoe duidelijker de regels moeten zijn. Eén daarvan is dat ik bepaal wanneer het gebeurt.

Die ochtend sta je ineens voor me in de keuken. Ik ben net terug van een tocht met Prince en heb mijn rijbroek nog aan. Je zet je handen in je zij als iemand die zich onaantastbaar voelt. Ik glimlach geforceerd. Je verlegenheid is weg. Dat is een goed ding. Het maakt je aantrekkelijker. Maar dat je met zo’n houding binnenkomt, bezorgt me rillingen.

‘Ik wil je,’ zeg je.

‘Vanmiddag,’ antwoord ik.

‘Vanmiddag moet ik weg. Banden ophalen.’

‘Dan lukt het vandaag niet.’

‘Of we doen het nu.’

Je pakt mijn arm. Ik ruk me los. De zenuwen gieren door mijn lijf. Dit is waar ik om gevraagd heb, toen ik met je Pen speelde. Ik stap naar achter en mijn stoel valt om. Je lacht me uit om mijn paniek. Alsof ik een weerloos meisje ben. Ik vermaan me zelf. Ik ga rechtop staan en kijk je dwingend in de ogen.

‘Morgen,’ zeg ik, op stevige, maar normale toon. ‘Je kunt nu gaan.’ Ik probeer te klinken zoals vader.

Ik zet me schrap voor een mep, maar die komt niet. Je aarzelt.

‘Je kunt gaan,’ zeg ik, iets fermer.

Je haalt je schouders op en loopt weg.

Ik zucht diep. Van de ontlading schieten er tranen in mijn ogen. Toch ben ik blij. Vader zat fout, die Pen was overbodig. Ik kan mijn eigen leven best inrichten.

Vreemd genoeg voel ik me veiliger na dit akkefietje. Ik ben blij dat je dit landgoed als je domein ziet. Voor het eerst sinds vader is gestorven, droom ik ‘s nachts niet meer over inbrekers.

 

Alles verandert, steeds weer. Je glimlach wordt rustiger. Als we tegen­over elkaar zitten, zeg je dat je blij bent dat je van de Pen af bent en dat je me wil bedanken voor het vertrouwen. Je vertelt dat je je veel fitter en scherper voelt. Zo zie je er ook uit. Ik bedank je met een zoen op je nu bebaarde wang. Je laat het daarbij, je probeert niet nog meer te halen. Het is mooi dat je jezelf zo in de hand hebt. Dan haal je een pakje van de werkbank en drukt het in mijn handen.

Ik open het. In een oud fluwelen doosje ligt een zakhorloge dat ik herken. Vader had het op de grond laten vallen. Eerst vond je het te moeilijk om te repareren, maar nu leeft het, tikt het. Een van mijn vroegste herinneringen is dat we samen ontbijten – moeder, vader, mijn zus en ik –  en dat vader dit horloge uit zijn vestzak haalt.

Ik bijt op mijn lip. ‘Bedankt,’ mompel ik.

‘Ik zag gisteren dat het veertje verbogen was.’

Ik vraag me af of je ook minder precies was door de Pen. ‘Het is prachtig.’

‘Het spijt me van vorige week.’

Ik voel me ontzettend schuldig dat ik alleen aan mezelf denk. Je krijgt nog een zoen van me. Je bloost. Voor het eerst drinken we zomaar wat. We kijken samen naar de tijd die wegtikt op het horloge. Zou er iets meer inzitten tussen ons? Ik durf er niet eens over na te denken. Vader zou het nooit goed gevonden hebben. Zijn dochter met een dood­gewone automonteur. Maar hij was een man uit een andere wereld.

 

Maar ook dit verandert. Die middag staat mijn zus Sophie op de oprijlaan. Elke zomervakantie komt ze logeren met de kinderen omdat ze hoopt dat ze iets zullen oppikken van de trots van de landadel; daar zullen ze veel aan hebben later. Ik sta bij de deur om haar te verwel­komen. Het is de eerste vakantie met mij als vrouw des huizes. Ik ben benieuwd hoe het zal gaan. Soms walst Sophie nogal over me heen. Dan claimt ze dat alles in de stad veel beter is.

Terwijl ik samen met Sophie mijn toilet maak, zie ik weer hoe knap ze kan zijn. Ze draagt een mintgroene mousselinen jurk die haar borsten benadrukt. Haar krullen vallen uit haar opgestoken haar. Als je in de stad woont, kun je er mooier uitzien.

Het liefst zou ik je helemaal bij mijn zus weghouden, maar dat kan niet. Het is de gewoonte dat je helpt met bedienen bij het diner, want anders kan Maisy het niet aan. Ze overtreft zichzelf met haar crêpes Suzette. De ogen van de kinderen worden gegrepen door het oplaaiende vuur. Maar Sophie ziet het niet, ze is te druk met jou. En jij met haar. Je maakt haar aan het lachen en complimenteert haar vrijmoedig met haar parfum. Je drinkt haar schoonheid als nectar. Mij kijk je niet eenmaal aan. Ik ben jaloers. Ik weet niet aan wie het ligt: aan jou of aan Sophie of aan mezelf. Wat voor recht kan ik op je laten gelden? Ik moet af van het idee dat je een huisdier bent. Maar toch, als het diner voorbij is, ben ik blij dat je teruggaat naar de garage.

Sophie en ik drinken Cointreau in de rookkamer. Het voelt nu heerlijk om in vaders stoel te zitten. Sophie vraagt aan mij of je de Pen nog neemt, want ze heeft je baard gezien. Het heeft geen zin om te proberen het geheim te houden. Ik vertel alles over onze verhouding. Ze bijt op haar lip. Ik vermoed dat ze jaloers is.

Op mijn beurt vraag ik naar haar man, mijn zwager Mark. Dat is een beetje gemeen, omdat ik weet dat hij de Pen neemt. Dat vonden ze allebei beter, in verband met de kinderen. Sophie zegt dat het goed gaat. Er zijn tegenwoordig veel mannen die hem nemen, legt ze uit. Het is gewoon veiliger. Later als de kinderen groot zijn, stopt Mark misschien. Maar misschien ook niet, want het bevalt hem goed. Het geeft zoveel rust. Het is haast onmogelijk om tegenwoordig nog een natuurlijke man te zijn, zoals vader was, zonder hulp. De tijd is gewoon veranderd. Ze legt teveel uit. Ze schuift met haar benen over elkaar. Ik vraag of ze een minnaar heeft. Ze bloost. Ik trek het uit haar. Het is gewoon de hunkering, legt ze uit. Die vreselijke hunkering die alles overneemt. Ze schaamt zich. Ik veroordeel haar niet. Ik heb hetzelfde gevoeld.

 

Ik stel voor dat we gaan slapen. Ze stemt zo snel in, dat ik achter­dochtig word. Als ik alleen in mijn kamer ben, ga ik voor het raam staan, met de lichten uit. Mijn vermoeden komt uit, want Sophie sluipt naar de garage met een volle fles champagne in haar hand.

Ik trek mijn laarzen aan; ik kan het niet laten om haar te volgen. Door een spleet in het houtwerk zie ik jullie twee. Je zit rechtop in het lamplicht, Richard. Sophie heeft je gestoord bij je glas whisky, dat je ’s avonds drinkt om tot rust te komen. Ze eist alle aandacht, zoals gewoonlijk. Ze zet de champagne op de motorkap van de auto. Iets te hard. Je fronst, bang voor beschadigingen. Sophie giechelt. Ze is helemaal geil. Het doet me pijn om haar zo te zien.

Ze pakt je glas af en drinkt het leeg. Daarna opent ze de fles. Ze giet je glas tot de rand vol. Zelf zet ze de fles aan haar mond. Mijn zus heeft altijd weinig maat gekend als het om drank gaat. Soms kan ze na een diner niet meer rechtop staan. Ik maak me zorgen om haar. Ik leg mijn oor te luisteren.

‘Ik weet dat je iets met Charlotte hebt,’ zegt ze.

‘Jonkvrouw Sophie, wilt u weggaan, alstublieft.’

‘Ik wil jou ook.’ Ze strekt haar been uit over de motorkap. ‘Eén keertje maar.’

Je ogen glijden over haar mooie lichaam. Ik neem me voor dat ik mijn ogen sluit en wegga, als je jezelf laat verleiden. Eigenlijk zou het beter zijn als ik nu al vertrok, maar het lukt me niet. Ik hou mijn adem in.

‘Ik denk niet dat mevrouw dat wil.’

Ik ben zo blij om wat je zegt. Er zijn mannen die nooit de Pen gebruikt hebben, die minder standvastig zijn. Ik laat mijn longen opgelucht gaan.

‘Charlotte en ik hebben altijd onze vriendjes gedeeld. Ik weet zeker dat ze het goed vindt.’

Sophie wil je glas nog verder volgieten, maar je hebt er nog niets uit gedronken. Ze neemt weer een hijs van de fles. Jij blijft onbewogen zitten. Ik aarzel om in te grijpen, maar weet nog niet precies met welk excuus. Ik heb geen enkel recht op jou. Je moet zelf kiezen.

‘Ik wil seks,’ zegt ze.

‘Ik ben geen dekhengst, jonkvrouw Sophie.’

‘Als het uitlekt dat je zomaar gestopt bent met de Pen, kom je nooit meer ergens aan werk.’

Je fronst van ergernis. Je staat op en wil weglopen. Sophie gaat voor je staan. Wat bezielt haar? Ze pakt je hand. Je laat het gebeuren. Ze streelt haar borsten met jouw vingers. Net als ik de eerste keer. Ze laat je voelen tussen haar benen en giechelt.

‘Jonkvrouw Sophie. Als ik u was, ging ik gewoon naar huis.’

Mijn zus wordt chagrijnig omdat ze haar zin niet krijgt. Ze legt haar hand in je kruis. Ze knijpt je. Je grijpt van schrik haar pols vast. Ze slaakt een kreet.

‘Je doet me pijn, Richard.’

‘Ik zei nee, Sophie.’ Je noemt haar geen jonkvrouw meer. Ik ben alert.

Je laat haar los. Ze schudt haar pols.

‘Hier ga je meer van horen,’ dreigt ze.

Je ogen worden nauwe spleetjes. Ik wil roepen maar er komt geen geluid uit mijn keel. Je haalt uit. Met je open hand raak je haar hard en ongelukkig. Sophie valt op de motorkap en glijdt omlaag op de vloer. Even ligt ze stil. Dan grijpt ze naar haar oog en begint ze te gillen.

Ik ruk de deur open. Je buigt over mijn zus om haar nog een klap te verkopen. Je draait om en kijkt me aan: betrapt, verward. Er is zoveel afstand tussen ons. Dan verandert je blik; je ogen spuwen vuur. Je vindt dat ik moet wegwezen zodat je Sophie kunt afranselen tot ze niet meer gilt. Ik wurm mezelf langs je naar mijn zus. Ik heb geen idee wat je gaat doen. Mijn hart raast. Mijn lichaam zet zich schrap terwijl ik haar meetrek.

 

We gaan op een bankje zitten. Er zit overal bloed.

‘Hoe waagt ‘ie het!’ schreeuwt Sophie. ‘Ik geef hem aan! Hij komt nooit meer aan het werk!’

‘Waarom ging je daar heen?’

‘Het is onverantwoordelijk om iemand van de Pen af te halen!’

‘Alles ging goed tot jij kwam en hem begon uit te dagen.’ Ik ben boos en spreek haar streng toe. ‘Wat bezielt je om hem zo op te naaien?’

Sophie valt stil. Ik omhels haar en ze begint te snikken. Grote, schokkende snikken. Ze schaamt zich. Ze kan de kinderen zo niet onder ogen komen. En Mark al helemaal niet. Hoe moet ze straks haar oog verbergen, dat zeker blauw wordt? En het bloed op haar kleren? Straks wordt Mark nog beschuldigd. Dat gebeurt soms, zelfs al nemen mannen de Pen. Dan zou ze hem ook kwijt zijn. Ik heb medelijden met haar. De wereld waar ze vandaan komt, voelt benauwd, er is geen ruimte om mens te zijn. Ik zeg dat ze dit met Mark moet bespreken. Hij moet met de Pen stoppen. Anders werkt het niet. Wat ze daar ook zeggen in de stad. Ze knikt een vage belofte. We lopen samen naar huis en ik geef haar een ice pack voor haar oog. Daarna stop ik haar onder de dekens.

 

Terug in de hal zie ik het boek weer, dat ik daar gelegd had toen Sophie kwam. Ik pak het beige bandje met de adelaar op en druk het tegen me aan. De muffe geur zegt me dat het terug hoort in de bibliotheek. Een eerste editie, één van maar duizend kopieën, weet ik. Vader was er trots op, al mocht ik het nooit lezen. Ik streel de kaft en lees de rug. D.H. Lawrence staat er. En Lady Chatterley’s lover. Een tekst uit een andere tijd, die toch hetzelfde is. Het einde is gruwelijk in mijn ogen. Er komt een schandaal en ze gaat wonen bij haar zus. Waarom wordt ze bestraft voor haar hunkering, die zo natuurlijk is? Mijn tranen wellen op. De mensen in de stad weten er niets van: ze zullen me veroordelen, met dezelfde woorden als Sophie gebruikte, als ze tegen Connie Chatterley opvoerden. Ze zullen me gevaarlijk vinden, gek, instabiel, onaangepast, me het landgoed van mijn vader willen afnemen. Maar ik laat me niet wegschuiven. Het boek waarschuwt me.

 

Als Sophie al ligt te slapen, loop ik naar de garage. Als ik binnenkom, hef je de grote sloophamer boven je hoofd. Je laat hem neerkomen op de Bugatti. Ik leg mijn handen op mijn oren. De lak versplintert, de motorkap kreukelt als papier. Er zijn geen mooie lijnen meer, alleen maar hoeken. Je heft de hamer opnieuw en slaat nog een keer. De voorruit springt kapot. De tranen schieten me in de ogen. Hoe kun je zo kwaad zijn dat je je eigen werk vernietigt?

Je kijkt me strak aan.

‘Ik hoop dat Sophie wegrot in de stad,’ grom je.

‘Waarom ging je niet op haar avances in?’

‘Ik wil geen complicaties. Ik wil gewoon een rustig leven hier. Met u.’

‘Je had haar niet moeten slaan.’

Je kijkt fel. Je weet heel goed wat wel en niet mag. Je zet de hamer op de grond. Je spieren trillen. Ik heb medelijden met je. Ik stap op je af en omhels je gespannen lichaam, dat helemaal nat is van het zweet. Ik begeleid je naar een stoel en ga zitten, met je torso in mijn schoot. Even voel ik me een piëta.

‘Ze was heel boos,’ mompel ik.

‘Sophie verpest altijd al alles, heel uw leven al. Weet u nog dat ze met uw nieuwe fiets over de stoppels van het maisveld ging crossen?’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Laten we samen wegvluchten,’ zeg je.

Ik voel me schuldig voor je angst. Wat voor vrouw des huizes ben ik? Ik had er niet vanuit moeten gaan dat je het zelf wel zou regelen. Ik had je moeten beschermen voor de buitenwereld en Sophie in het bijzonder.

 

Er wordt op het raam geklopt. Ik wurm je los, doe open en loop naar buiten. Maisy staat er, met twee agenten achter haar in de schaduw. Eindelijk. Ik weersta hun beschuldigende woorden. ‘U moet nooit iemand van de Pen halen zonder professionele begeleiding. U heeft geluk gehad dat u het er zo van heeft afgebracht.’

Ik leid de agenten de garage binnen. Als je ze ziet, schiet je omhoog. Alles wat we samen hebben, verdampt op dat moment. Je wil me het liefst raken met die hamer, maar hij staat te ver weg. De agenten slaan je in de boeien. Je buigt het hoofd, berustend, beschuldigend. Ik heb medelijden met je.

‘Wat is dit voor flauwekul Charlotte?’ vraag je.

‘Je had haar niet moeten slaan,’ zeg ik.

‘U weet hoe het zit.’

‘Het gaat erom wat de wereld vindt.’

Ik kijk hoe je in de auto wordt weggereden. Ze zullen je wel weer snel terug aan de Pen zetten en misschien kunnen we dan schrijven. Mijn hunkering speelt al weer op. Ik vraag me af hoe lang het had kunnen duren tussen ons als Sophie niet was langsgekomen. Alles wat natuurlijk is, gaat kapot. Dat zei het boek al.

En de horizon ligt zestig miljoen mijlen ver : Tais Teng & Roderick Leeuwenhart

 

1

 

De zon werd juist boven de zestig miljoen mijl verre horizon getild, toen Gretchen bij de voet van de boortoren arriveerde. De inktzwarte slagschaduw van de boortoren hield het centrum van Mohrstadt nog in de schemering, maar Gretchen kon overal wekkers horen afgaan. Sommige bootsten de ochtendroep van mythologische hanen na, andere floten schril. De zon zelf dobberde in een trechter van wapperend noorderlicht en Cherenkovbliksems.

Stephan stond inderdaad bij de poort, zoals hij had beloofd.

‘Heb je het?’ vroeg Gretchen, en hij opende zijn hand. Op de palm glinsterde een staafje diamant-2, met strepen git voor de code.

‘Jij durft,’ zei ze. ‘Als je vader je betrapt, hangen ze je ondersteboven in de Schacht.’

‘Als ze ons pakken,’ verbeterde hij haar en Gretchen voelde haar maag samentrekken.

‘We kunnen echt helemaal tot boven?’ vroeg ze. ‘Tot het Kraaiennest?’

‘Het is de reservesleutel van mijn Vati en hij heeft die nog nooit gebruikt.’

‘Maar als ze vragen wat we hier uitspoken? De rondleidingen beginnen pas over drie Stunden en die zijn alleen voor de grote kinderen. Voor de eerstejaars boorgezellen.’

‘Daar heb ik aan gedacht.’ Stephan viste een plastic trommel uit zijn knapzak. ‘Sushi voor papa. Plus klapperbrood met bloedworst. Ik zeg dat hij die in de keuken heeft laten liggen.’ Hij greep haar hand en ze wist dat ze nu onmogelijk meer terug kon.

‘Kom,’ zei Stephan, ‘lass uns gehen. Veeg die grijns van je gezicht. Kijk lief. Heidi-schattig.’

‘Ik haat schattig,’ protesteerde Gretchen en dat was waar. Op Ludwilladag had ze de Valse Wolf gespeeld en niet een van de roze engeltjes.

‘Het is voor een goed doel.’

 

De poort zwaaide open bij hun nadering. Het was Yedhimr-tech, van voorbij de Jupiter-muur. Mensen konden dat vast ook wel, automatische deuren, maar dan zou je knarsende tandwielen en geratel horen, knetterende elektriciteit.

Boven de heraldische handboor en pikhouweel gaven letters van buigstaal de huidige diepte van de boorkop aan: 17.734,847 meter. De laatste zes jaar waren ze maar drie millimeter dieper gegaan, wist Gretchen. Met dit tempo zou het nog eeuwen duren voor ze de onderkant van de Schijf bereikten.

De nachtwaker stommelde uit zijn hokje, een slimme knuppel en een sissend dievennet in de handen.

‘Wat… O, jullie zijn het.’

Het ging om de timing, wist Gretchen. Gundrich was bejaard en zijn vervanger kwam pas over twintig minuten opdagen. Hij stond al te zwaaien op zijn benen en kon een geeuw amper onderdrukken.

‘Wat komen jullie doen?’

Stephan hief het trommeltje triomfantelijk op. ‘Vati was zo slaperig dat hij zijn broodtrommel vergat. Muti stuurde ons.’

‘Gut. Jullie weten hem te vinden?’

‘Jawohl, meneer,’ zei Gretchen met haar beste prinsessenstemmetje. ‘Hij heeft vorig jaar mij en mijn vriendje de geologische zaal nog laten zien.’

‘Zijn kantoor kijkt daarover uit,’ vulde Stephan aan.

‘Ik roep wel even een lift,’ zei Gundrich. ‘Eigenlijk mogen kinderen daar niet in, maar vierentwintig trappen lopen is nicht zu tun.’

 

De liftdeur schoof achter Gundrich dicht en meteen ramde Stephan de sleutel in de opening onder het paneel.

‘Druk op de bovenste knop terwijl ik de sleutel in überschreiben houd.’

‘Überschreiben?’

‘Voor als een reparateur of een Soldat ergens heel snel moet zijn. Niemand kan dan onderweg instappen.‘

‘Herr Meisterboorder Heugarden,’ sprak een suikerzoete stem, ‘u wilt non-stop naar de honderdtwaalfde verdieping?’

Scheiße! Een levende lift.

‘Genau so,’ antwoordde Stephan.

‘Prima, Herr Meisterboorder.”

Geen ingebouwde stemherkenning dus, dacht Gretchen opgelucht. Wat knullig!

Een klik en de lift stoof omhoog, accelereerde zo hard dat ze ineens tweemaal zoveel wogen en hun voeten in kloppend lood veranderden.

‘Honderdtwaalf verdiepingen,’ zei Stephan, ‘en niemand kan ons stoppen!’

‘En dan?’

‘Dan de volgende lift! Beter zelfs: niemand kent ons vanaf dat punt. Ik zeg gewoon dat mijn vader helemaal bovenin is gestationeerd, en…’

 

Het werkte. Twee keer toonde Stephan het trommeltje en twee keer oogsten ze slechts een glimlach. In de laatste lift waren de panelen met geciseleerd platina bekleed en droegen de andere passagiers overalls van zijde en laarzen van kweekleer. Ze geurden naar de beste, etherische smeerolie en verse ozon.

Hoe hoger, hoe rijker, ging het door Gretchen heen.

Gelukkig had ze zelf ook haar beste kleren aangetrokken. Met stoffige klompen was ze direct door de mand gevallen als een mossel­kwekersmeisje of een beitelslijperskind. Stephan was gelukkig slim genoeg om tegen deze lieden niet over zijn vaders trommeltje te beginnen. Dit soort mensen nam hun ontbijt vast niet zelf mee.

Sommige zaken moet je niet te luid denken: een matrone wierp een keurende blik op Gretchens kleren, fronste haar wenkbrauwen.

‘Is dat tegenwoordig de mode bij de Jungmenschen?’

Ze heeft ons door! Ze weet dat we helemaal van beneden komen.

‘Niet echt,’ zei ze snel. ‘Stephan en ik gaan naar een feestje. Een verkleedfeestje. Ik ben een mosselkwekersmeisje en mijn broertje is een beitelslijperskind.’

De vrouw glimlachte: ‘Also, dat hebben jullie overtuigend aangepakt. Viel Spaß.’

 

De laatste tien verdiepingen waren ze godzijdank weer alleen en de lift bewoog zich geruisloos omhoog. Door de doorzichtige, diamanten wanden kon Gretchen recht in de Schacht kijken. De centrale boor was een immense cilinder van diamant-3 en gehard platina die zo langzaam roteerde dat het bijna onzichtbaar bleef.

Een klingel en de lift stopte.

‘U bent gearriveerd, Herr Meisterboorder Heugarden.’ Een mierzoete lach. ‘Of wie jullie ook in het echt zijn. Maar wat weet een simpele lift daarvan? De regels stellen dat wie een sleutel van de Meisterboorder meedraagt, ook de Meisterboorder is.’

 

Ze stapten de drempel over, de absolute vreemdheid in. Ten eerste was er de lucht, zo ijskoud en ijl dat Gretchen als een vis naar adem hapte. De hemel welfde zich over hen heen; een blauw dat aan het zwart grensde. Er hingen dagsterren in, felle fonkelpuntjes: het grootste gedeelte van de atmosfeer moest onder hen liggen.

Ze schuifelden als slaapwandelaars naar de reling en de Alderson­schijf ontvouwde zich voor hen, te immens om ooit te bevatten. Stel je een kosmische cd voor, met de zon in het gat en de rand ter hoogte van Neptunus. De Yedhimr, de bouwers, waren niet eens veel slimmer dan mensen – hun beschaving was gewoon een slordige zestig miljoen jaar ouder.

Toen hun ruimteschepen voor het eerst boven het wolkendek van Jupiter uitstegen, zagen ze het zonnestelsel als een prachtige bouwdoos voor zich liggen. Van die saaie bollen van gas, ijs en ijzer kon je iets veel eleganters en comfortabelers maken.

Hun eigen wereld was de eerste die omgezet werd tot een segment van die kosmische schijf. Daarna volgden Uranus en Neptunus, Saturnus en haar ijzige manen.

Twaalf jaar later lag er een glinsterende cirkel om de zon en de mensheid kon enkel ontzet toekijken. Ze hadden voetsporen op de maan achtergelaten, maar Mars nooit bereikt. Die rode planeet bleek de volgende en werd een sliert rossig gruis die door de uitdijende ring werd opgeslokt.

Tienduizenden zenders vulden de ether in een poging de aandacht van die kosmische ingenieurs te trekken. Om genade te smeken. Wij zijn er ook nog. Ga alsjeblieft niet op ons staan. Wij leven, wij voelen, we denken.

Een antwoord kwam terug, in Chinees, Hindi en een eiwitsequentie die door schimmels kon worden geïnterpreteerd: ‘Vrees niet. Wij vinden kleine kriebelbeestjes juist hoogst amusant.‘

De volgende morgen ontwaakte de voltallige wereldbevolking op de Aldersonschijf, onder een blauwe hemel. Voor mensen de volgende morgen, in realiteit vijfhonderd jaar later. Alle sterren in een omtrek van negen lichtjaar ontbraken: voor een Aldersonschijf heb je akelig veel bouwmateriaal nodig. Met enkel wat gasreuzen en ijsdwergen kom je er niet.

Er was water en zuurstof, iedere stad en elk dorpje was zorgvuldig getransplanteerd, al lagen ze vaak tienduizenden kilometers uit elkaar.

Magneetvelden tilden de zon op om de dag te maken, trokken haar weer omlaag om de onbekende onderkant van de schijf te verlichten. Een etmaal duurde nu negenentwintig uur, maar het leek de meeste mensen onverstandig om daarover bij de Yedhimr te klagen.

 

Gretchen boog zich over de reling: Mohrstadt was een smoezelige vlek in de geel-met-rode mosvelden en algenpoelen. Daarachter begon de kale bodem van de schijf: zeshoeken van vulkaanglas en gruis. Het was zijn ruwe materiaal: je had een Yedhimr-transformator nodig om water uit de lucht te trekken en vruchtbare aarde te maken.

‘Zo leeg,’ fluisterde Stephan naast haar, en het was wáár. Mohrstadt was niets meer dan een stip op een onbeschrijflijk groot en leeg schaakbord. De atmosfeer, die van de Venusbaan tot halverwege de Marsbaan reikte, legde een waas over alles en kleurde de einders sidderend blauw.

De rails van het Wereldspoor trokken een zilveren lijn in het zonlicht. Hij leek dun als een spinragdraad, maar moest in werkelijkheid minstens zestig meter breed zijn om de nucleaire stoomlocomotieven te kunnen dragen.

Ze kneep haar ogen tot spleetjes.

‘Ik zie daar iets in het oosten. Iets groens. Geef mij je kijker eens?’

Er zat een ingebouwde stabilisator in en waarschijnlijk een dozijn filters. Bij twintigduizend keer zoom sprong het woud naar voren. Juichend groen, met zilveren meren. Nog eens keer twee en het werden weelderige bomen.

Het bos stuurde smaragden uitlopers de leegte in. Het was zo intens levend, zo vitaal, dat Gretchen de tranen in de ogen sprongen.

Ze reikte hem de kijker aan. ‘Is het niet fabelhaft? Wie heeft dat gemaakt?’

‘Dat is gewoon het Woud van Arden. Een stel boomkussers dat denkt dat ze de hele schijf groen kan verven.’

Hij draaide de vergroting op maximaal. ‘Daar. De Jupitermuur. Daarachter liggen de kokende waterstofoceanen van de Yedhimr, met hun galjoenen van diamant-6.’

Ze keek even naar de paarse muur, maar dat was meer uit beleefdheid. Bij deze vergroting kon je bladeren aan de takken zien wuiven, zag ze, toen ze weer op het Woud van Arden richtte, de aardbeien aan een struik tellen.

Een meisje wandelde langs met een schep en een mand vol dennen­appels. De zon had haar armen bruin gekleurd: ze had niets van de zorgvuldige bleekheid die boorders zo aantrekkelijk vonden. Kinderen, even notenbruin als zij, dartelden door een rij sproeiers waarin regenbogen dansten.

Dat wil ik ook! Maak die zaden wakker met jullie gieters en sproeiers. Schilder de hele schijf groen!

‘Wat moet dat daar?’ kwam een schrille stem. ‘Jullie horen hier niet!’

Het was de achterdochtige matrone uit de lift en Gretchen begreep dat hun avontuur voorbij was.

Het doet er niet toe. Al proppen ze mijn mond vol aardwormen en hangen ze mij ondersteboven in de Schacht: het was het waard.

 

2

 

Uiteindelijk kwam Gretchen er nog genadig vanaf: een week huisarrest en geen toetje voor de rest van de maand. Vooral dat laatste was geen straf – Gretchen hield niet bijster veel van wentelteefjes of hangop.

Stephan verging het minder goed. De volgende dag weigerde hij te gaan zitten in de klas en bleef hij achter zijn tafeltje staan.

‘Vati schudde mijn spaardoos leeg en zei dat ik alle zaden in St. Mohrs missiepot moest stoppen,’ klaagde hij. ‘Waar slaat dat nu op? Dat ik op de boortoren klom, daar heeft Mohr toch niks mee te maken?’

‘Het is gewoon stom,’ troostte Gretchen. ‘Maar we hebben op het Kraaiennest gestaan! Niemand anders in onze klas lukte dat.’

‘Aufgepast!’ commandeerde de meester en trok de kaart omlaag. Zijn vinger priemde. ‘Gretchen, aangezien je zin hebt om te quatschen, vertel ons eens wat we daar zien.’

Ze zuchtte. ‘Dat is het Paradisio van de Twee Rivieren, aan de onderkant van de Schijf. Aan de gouden bomen groeien granaatappels van robijn. Door één rivier stroomt Schnapps en door de tweede honingwijn.’

Het leek haar geen aanbeveling: ze had een slok uit oom Heindrichs borrelglaasje genomen en het brandde zo gemeen in haar keel dat ze hard had moeten hoesten. En robijnen appels kon je niet eens eten.

‘Correct,’ zei meester Grottlof. ‘Als je sterft, gaat je ziel daarnaar toe en wandel je met St. Mohr in de grazige weiden. Maar dat lukt hoogstens één op de miljoen. De rest verwaait als rook in de wind.’

Lidwien stak haar vinger op en zei, na een hoofdknikje van de meester: ‘Maar daar boren we de Schacht voor, meester. Zodat we levend naar het Paradisio kunnen afdalen en voor altijd onsterfelijk en gelukkig zullen worden.’

Het wicht.

‘Dat klopt helemaal,’ zei Grottlof. ‘Elke generatie boren we een paar meter dieper. Eens konden we zelfs geen kras in de laag met diamant-4 zetten en nu houdt alleen de middelste laag van diamant-6 ons nog tegen. We hebben diamant-7 nodig om daardoorheen te komen.’

‘Ik leer later voor kristallograaf,’ zei Lidwien. ‘Mijn Vati zegt dat getallen graag in mijn hoofd wonen.’

‘Wie weet wandelen we straks dankzij jou over de grazige weiden,’ zei meester Grottloff met een glimlach. Het gerucht ging dat de oudere meisjes hem konden kussen voor een beter cijfer en Lidwien was beslist het mooiste meisje van de klas, ook al had ze nog geen borstjes.

Ik kus nog liever een varken dan hem, besloot Gretchen ter plaatse. En wat moet ik trouwens met hoge cijfers? Zodra ik genoeg gespaard heb, stap ik op de Wereldtrein en reis ik naar het Woud van Arden. Niks geen gehak in harde steen voor mij! Ik zal frambozenstruiken planten en bloemzaden rondstrooien tot de hele Schijf groen en kleurig is.

Ze leunde achterover en voelde zich diep tevreden. Meestal weet je op je achtste nog helemaal niet wat je met de rest van je leven moest aanvangen. En natuurlijk zou ze ook met Stephan trouwen, maar dat was van minder belang.

 

3

 

De volledige spinazieoogst was verpieterd – twee jaar aan toegepaste hydrocultuur naar de maan! Sinds Gretchen met groen werkte, kwam ze vaker lachend dan chagrijnig thuis, maar nu had ze er toch zonderling de pest in. Het appartement met zijn bakelietmuren en namaak-antracieten vloer deed weinig voor haar humeur.

‘Na klar,’ ze plofte een schoudertas met dorre blaadjes naast haar sociaal onwenselijke bonsaiboom, plofte zelf op de sofa, ‘Feierabend.’

Stephans neus kietelde in haar nek. Hoe vond hij toch altijd precies dat gevoelige plekje? Ze lachte schallend. Haar vriend rook naar de hachee die uren had staan garen.

‘Was het niet mijn beurt?’

‘Na tien jaar weet ik,’ Stephan sleurde het schort van zijn middel, ‘dat ik dan tot vlak voor de laatste boring kan wachten op een bord eten.’

Voor iemand die de hele dag met ertsen en metalen werkte, was hij opmerkelijk goed in het bereiden van voedsel. Moest ook wel, samenwonend met Gretchen. Van trouwen was nog niets gekomen, samenwonen was voorlopig genoeg.

‘Zware dag op het werk?’ gokte hij.

‘Wist je dat er in deze hele klotestad,’ Gretchen zag Stephans blik vertrekken bij de heiligschennis, maar ging stug door, ‘geen brandschoon water te vinden is? Zelfs niet voor ons eigen vreten?’

Hij wist het. ‘De boorkop…’

‘Hoe is het mogelijk dat we al ons drinkwater in de schacht mikken om een boor te koelen die millimeters per jaar draait? Daardoor is nu al mijn spinazie verscheißt. Dat is een gevoelig gewas! Maar vertel dat aan een Meisterboorder, die zit met zijn kop in een substraat.’

‘Hé, dat, let op je taalgebruik.’ Stephan wist dat het hem op een giftige blik kwam te staan.

Feit was dat Gretchen nooit warm was gedraaid voor St. Mohrs heilige opdracht om het Paradisio te bereiken. Stephan zelf, ja, hij was even fanatiek als iedere andere trotse burgerboorder. Hij hoefde in de ochtend maar naar de stand van de boorkop te kijken om zijn borst te voelen zwellen. Dan wist hij: vandaag ging hij weer zijn uiterste best doen om een synthetisch materiaal met een hardheid van diamant-7 te vervaardigen. Ooit lukte het en kwamen ze door de kernplaat heen.

Gretchens geest hing meer naar het… biologische.

‘Het zit me gewoon tot híer, Stephan.’ Ze zwaaide boven haar hoofd, waar een keurige burger juist naar zijn enkels zou wijzen. Alles in Mohrstadt ging neerwaarts. ‘Elke dag word ik nijdiger.’

‘Kom, Gretchen,’ zei hij, ‘wees weer eens mijn Heidi.’

‘Ik bén geen verdammtes Heidi!’

Hij bedoelde het lief – hij bedoelde het altijd lief – maar juist dat schoot in haar verkeerde, inmiddels reusachtige keelgat. Ze kon geen woord meer horen over boren. Over schachten. Welk blödes stukje diamant harder was dan de vorige, en hoe onsterfelijkheid en zoete honingbrij wachtten aan de onderkant. Had niemand behalve zij een stel fatsoenlijke ogen in haar kop? Aan de horizon, hooguit tienduizend mijl ver, lag een weelderig woud, met meer biomassa en diversiteit en natuurschoon dan ze elders ooit zouden vinden!

Stephan ging nukken in de keuken. Prima, had zij geen last van hem. Het was best lang goed gegaan, vond ze. Gretchen kon zich zomaar ellendigere relaties voorstellen. Ze hadden elk hun passie, waardoor ze in ieder geval van elkaar begrepen wat de ander dreef. Ze hield soms zelfs van hem, echt.

Alleen was het moment gekomen dat ze al jaren aan voelde stormen: die passies liepen niet langer over dezelfde rails. Ze keek uit hun raam; een achteloos gedrilde apertuur in de buitenwand, waar ze langs honderden brutalistische flats en kromgetrokken gevels moest turen voor een flintertje horizon. Het woud had haar gedachten nooit verlaten.

Het was tijd. De hoogste tijd.

 

Tot haar verrassing voelde ze zich hier meer thuis dan al die jaren tussen grijze stadsblokken en schaduwrijke straten. Dit mosveld geurde naar oude compost en prikkelde Gretchens ogen. Rood en geel, waar je ook keek. Zelfs toen haar sokken zich volzogen met water toen ze in een verdekte algenpoel stapte, moest ze grinniken. Dit was zo heerlijk slordig en zompig allemaal.

En het was verbazingwekkend makkelijk geweest om voorbij het grenslint te komen.

‘Werda?’ blaften de wachters, priesters van de uiterwaarden met ceremoniële splinters van vulkaanglas in de hand. Ze stelden niet veel voor in de hiërarchie.

‘Gretchen,’ zei ze monter. ‘Ik maak een wandeling.’

‘Maar… waarheen?’

Ze wees een slordige vijfduizend mijl naar voren.

Het voelde aan als een grap van schijfgrote proporties. Hoe dichter je bij de Schacht kwam, in het centrum van Mohrstadt, des te strenger de controle. Slenterde je echter naar de randen toe, dan werd hun samenleving zo lek als een oude stoomkachel.

Ze lieten haar door, ongehinderd, zonder de gebruikelijke tol en fooien, omdat ze zich niet voor konden stellen dat iemand naar buiten zou willen. Horizontale bewegingen waren de wachters vreemd – het verticale was alles.

Het was meteen ook het laatste moment dat alles van een leien dakje ging. Voorbij de mosgrens begonnen de hexagonen van vulkaanglas – zo spekglad dat Gretchens zolen er geen grip op kregen. Na drie stappen glibberde ze al op haar heup, recht op een waterzak die knapte en een eeuwige plas op het oppervlak vormde. De Aldersonschijf was schoner dan het gewaad van de hoogste priester en bovendien absoluut waterdicht.

‘Verdammt.’

Het kostte haar een dag en een nacht om de halve zeshoek te doorkruisen. Zoveel leegte had Gretchen nog nooit gevoeld. Dit begon toch redelijk unheimlich te worden. Al die ruimtelijkheid om haar heen… Ze zou iemand in de verte aan kunnen zien komen, en dan duurde het alsnog een dag of langer voor ze elkaar de hand konden schudden.

Ze viel als een zeester in slaap, plat op de plaat. Het beetje energie dat ze ermee won was genoeg voor de tweede helft. En daarna nog een.

Haar rantsoenen – kliekjes hachee in een aluminium trommel – waren verorberd, de  waterzak halfleeg. De laatste loodjes konden niet snel genoeg komen.

 

Met een sprongetje van haar hart zag ze haar doel: het treinstation.

In haar jeugd had Gretchen nog het onnozele idee gehad dat ze naar het Woud van Arden zou kunnen lopen, of misschien met een vlieger vanaf het Kraaiennest? Met opgroeien kwam ook het besef dat die afstanden onmogelijk waren. Ze had vervoer nodig en de enige optie was per locomotief. De zilverdraad die ze ooit zag, sneed door de hele menselijke gordel, misschien nog wel verder. Maar Mohrstadt, wiens bevolking geen oog had voor eender welke reis dan naar beneden, was niet aangesloten op het spoornet. Er was zelfs nauwelijks informatie over bijeen te sprokkelen: hooguit dat het fenomenaal duur was om een ritje te maken, en dat het meest nabije station net zo goed aan de andere kant van de zon had kunnen liggen.

Mohrstedelingen waren geen reizigers.

Maar Gretchen was er niet veel beter op afgestemd; het werd haar pijnlijk duidelijk hoe waardeloos mensenogen zijn met het inschatten van enorme afstanden. Het station leek maar niet dichterbij te komen en uiteindelijk was ze een volle dag verder tot ze, moe en hongerig, in de vroege avond aankwam.

Uit het ticketpoortje werd ze geen wijs: haar wijsvinger liet een zigzag op het touchscreen achter die meteen uitdoofde en haar duimafdruk werd niet herkend.

Voetstappen.

‘Das ist ja geen gokkast, Mädchen,’ zei de stationsofficier. ‘Waarheen voert je reis?’

‘Ik wil naar Arden. Het Woud.’ Gretchens vervellende lippen speelden nauwelijks nog mee.

‘Dat komt straks wel. Allereerst: toegang tot Brosthoven Süd gaat per kwartier, een Viertel is negentig korrels, een Stunde driehonderd­veertig.’

Ze was te uitgeput om geschokt te reageren. Hoeveel?

Haar portemonnee, vol zakjes graan per tiental, was over de jaren speciaal voor deze gelegenheid gevuld, maar op deze bedragen had ze niet gerekend! Drie-veertig, dat was bijna de helft van haar spaargeld, en dan had ze alleen nog maar toegang tot het perron.

De officier zuchtte: hij was duidelijk gewend aan een welgestelder clientèle.

Gretchen blikte terug over het barre, waterloze land en wist dat ze de terugtocht nooit zou halen. Haar waterzak was leeg, de zolen van haar laarzen lagen aan flarden. Geen keus dus.

Ze viste de hoeveelheid granen op uit de map en kreeg als beloning een toegangsschijf die knalrood was. Elke minuut zou een fractie van de kleur vervallen – bij wit werd ze niet langer getolereerd.

De stationshal werd geflankeerd door lonkende waterwinkels en schoenenzaken, zag ze. Maar als ze daar haar overgebleven centen aan stuksloeg, kon ze die treinreis helemaal vergeten.

Verbrand alle schepen achter me. Het is niet erg als ik zonder een zaadje op zak aankom.

‘Nu wil ik graag een kaartje naar jullie eerste stop. Het Woud van Arden.’

‘Dat valt te regelen, dame.’ Hij gebaarde naar de printer die meteen begon te ratelen en een paar seconden later een kartonnen rechthoekje uitbraakte.

‘Dat wordt dan tweehonderdzestien zaden.’

Prima, dat haal ik nog net.

‘Elitezaden, welteverstaan.’ Zijn grijns droop van het leedvermaak. Er gingen honderd basiszaden in een elitezaad. Eenentwintig en een half duizend zaden. Een kapitaal dat geen normale arbeidster ooit bij elkaar kon schrapen.

‘Toch maar niet?’ zei die Arschloch en mikte het kaartje in de versnipperaar.

 

Ik heb een uur. Ze blikte naar het perronkaartje. Minus zeven minuten.

Halverwege Gleis 1 rees de locomotief op: aangekorste platen titanium, een blinkende schoorsteen van brons. Uit de opening wolkte verblindend witte stoom.

Ze snelde langs de zitbankjes, langs manshoge wielen.

Daar, de wagons. Vergeet de eerste klas met zijn satijnen gordijntjes. Zelfs de derde is te riskant.

Gretchen stopte bij de goederenwagon waaruit de stank van varkensmest walmde, keek om zich heen. Niemand. Ze trok zich op aan de deurhendel, mepte op de knop met twee van elkaar afgewende pijltjes die waarschijnlijk voor ‘open’ stonden.

Goed gegokt. De deur schoof terug met een allervervaarlijkst geknars.

Een ferme tik op haar schouder. Achter haar stond de officier. ‘De derde klas is twee wagons terug, mevrouw. Nu we hier toch staan, mag ik uw vervoersbewijs zien?’

 

Hij bleef haar volgen als een bloedhond: geen tweede kans.

Ze kocht een glas ijskoud rabarbersap bij een kraampje: haar zaden waren toch nutteloos. Zelfs de goedkoopste sandalen gingen haar budget te boven.

Bij de uitgang keek ze op haar perronkaartje. Bijna al het rood was weggebleekt en de wijzer van de geprinte klok stond al vlak voor de twaalf: ze zouden haar over enkele minuten uit het station zetten.

Net toen ze besloot zichzelf dan maar onder de treingrill van een langssnellende railsschuurder te slingeren, parkeerde een Yedhimr-aquarium zich naast haar.

Het was een bol vol kokende waterstof en slierende methaan. Daar­binnen was de anderling niet meer dan een vormeloze schaduw. Niemand had ooit een Yedhimr in zijn natuurlijke gedaante gezien en misschien was dat zijn ware vorm wel: kronkelende draden en een lijf van superhete waterstof?

Gretchen had het object eerder al gezien op het perron, maar weggecijferd als ornament.

Een hoge noot klonk en een avatar stapte uit het glas. Het wezen leek min of meer op een mens, al was hij zeker drie meter lang en had zijn eigenaar hem een extra paar armen gegeven. Aliens letten zelden op dat soort details, omdat ze de menselijke vorm sowieso belachelijk vonden.

De avatar keek op haar neer, trok zijn lippen tot iets wat waar­schijnlijk een vriendelijke glimlach moest voorstellen. ‘Wat een treurige tronie, meiske. Kneep een onverlaat in je teddybeer?’

Teddybeer? De vertaalmodules van de Yedhimr waren een stuk minder goed dan ze zelf geloofden.

‘Ik heb te weinig zaden voor water of nieuwe schoenen en straks duwen ze mij raus. Recht in het heetst van de dag.’

Het wezen keek omhoog. ‘De zon lijkt inderdaad feller dan anders. maar dat is toch geen probleem? Als je sterft, gaan jullie toch meteen door naar de Onderkant?’

‘Dat is een kletsverhaaltje om iedereen door te laten boren. Zolang we graven, geven we onze zaden zonder morren aan de priesters en hangen we ze niet aan de hoogste lantaarnpaal op.’

‘Die analyse lijkt mij juist,’ zei de Yedhimr. Hij trok aan zijn onderlip. ‘Ik begrijp dat je liever niet wilt sterven?’

‘Stimmt.’

‘Dan offreer ik een uitkomst. Ik geef je een lift naar Mohrstadt en je ziet vanavond nog de zon in zijn smog verzinken.’

Anderlingen deden niet werkelijk aan liefdadigheid. Ze hadden de mensheid gespaard om hun eigen redenen.

‘Ik heb nog driehonderd zaden over,’ zei Gretchen.

‘Dat volstaat als aanbetaling.’ De avatar stak zijn hand uit en ze schudde haar buidel helemaal leeg.

‘En hoe betaal ik de rest?’

‘Door te helpen. Je wordt mijn trouwe linkerpink. Verbleek niet: het zal je zaden opleveren. Bergen en hopen en uiteindelijk genoeg om een kaartje naar je onbereikbare Woud van Arden te kopen.’

‘Er is dus geen privacy op dit perron.’

‘Alsjeblieft, zeg. Mijn oren zijn enkele factoren beter dan die van jullie. Ik hoor alles. Van het ruisen van de longen van de rangeer­wachter tot het trippelen van de vijfpotige kakkerlak onder die tegel daar.’

Een kaartje. Ze zou haar ziel, als ze die al had, verkopen voor een kaartje. ‘Wat moet ik doen?’

‘Wat moeten wij samen doen?’ verbeterde hij haar. ‘Het is mij nog niet helemaal duidelijk. Een kraak, een spoliatie, een truc zo gewaagd dat ze zelfs achter de muur hun oren spitsen.’

‘Aha. Je wilt dus terug,’ zei Gretchen. ‘Je bent verstoten, of het werd je te heet onder de voeten.’

Hij keek haar even aan met die rare avatarogen – nog nét niet helemaal overtuigend. Toen knikte hij vaderlijk. ‘Scherp. Ik maak in jou de juiste keuze. Ja, zo zit het. Kijk, jullie denken dat wij Yedhimr zo wijs en verhezen zijn: zenmonniken die over KI en de Eeuwigheid mediteren. Niets is minder wortel! Bij ons bepaalt sluwheid je status, de hoogste vorm van kunst is wat jullie een practical joke zouden noemen. Stel je negentien biljoen Reinaerde de Vossen voor, Loki’s en Odysseusen. Alles draait bij ons om ashad. Je kunt dat het beste vertalen als “een pokerface waarin zelfs de croupier gelooft”. Zonder ashad zal geen vrouw je haar eierstrengen willen tonen.’ Hij schudde zijn hoofd en deze keer had hij de droefheid wel te goed te pakken. ‘Mijn ashad was abominabel. Iedereen doorzag mijn trucs en uiteindelijk werd mijn status zo laag dat ik naar de mensencirkel werd verbannen. Ik moet hier een andere invalshoek vinden. Een grap die nooit eerder vertoond is.’

‘Met Mohrstadt als slachtoffer?’

‘Dat alleen al zou het uniek maken. Jullie bazen, jullie arrogante Meisterboorders, gaan bloeden en hun zaden in onze zakken gieten.’

‘Ik doe mee!’ Ze hief haar hand op en de anderling bleek ingeburgerd genoeg om haar een high five te geven. ‘Hoe heet je eigenlijk?’

‘Oplichters gebruiken de naam die nodig is. Meisterkristalloog Ludovicus lijkt mij toepasselijk.’ Hij grinnikte heel verdienstelijk. ‘Meister, omdat een Yedhimr automatisch die titel verdient. Per slot van rekening bouwden wij de Schijf.’

 

 

4

 

In het Mackiedistrict van Mohrstadt werden je zaden op elke straathoek geroofd en wist je nooit waar het mes vandaan zou komen. Burgerboorders ontweken deze wijk vol rapalje en mislukte kristal­vorsers. De perfect plek dus voor Gretchen en Ludo om kwartier te maken.

‘Die woordensoep daar,’ hij bedoelde uithangbord, ‘kunnen we er ongestoord complotteren?’

‘Ich bitte dich! Mensch, ik ben hier ook voor het eerst.’

‘Ha, Mensch. Humor.’

Ze versnelde haar pas om de entree tot nachtclub Nichtsdestotrotz open te houden voor de drie meter lange, veelarmige avatar die zijn menselijke wandeltred nog steeds niet lekker onder de knie had. Ook binnen vlogen de bevreemde blikken hun kant uit.

‘Wil je het nu nog steeds niet geloven?’ Ze stootte in zijn dijbeen. ‘Je bent acht koppen te groot voor ons en wij variëren minder met ons aantal armen dan je denkt.’

‘Hm, hm, je hebt misschien een potlood.’

Ach, hij had tenminste zijn ware gestalte in de koets gelaten. Het aquarium stond veilig geparkeerd in een garagebox, bedekt, vrij van nieuwsgierige ogen.

Zodra ze in een paarsbelichte nis zaten, nam een serveerster in dirndl hun bestelling op.

‘Aha!’ riep Ludo. ‘En dan is het nu tijd voor de list, de weldadige truc, de ontwrichting. Je opleiding begint hier, onvolwassen zygoot!’

 

De eerste oefening was in vingervlugheid. Of, zoals Ludo het uitlegde: ‘Deze vleeskloon is van inferieure kwaliteit. Van gedachte tot beweging duurt twee picoseconde; een oeverloze vertraging! Ik ben dus van de afleiding, jij afdeling gaphandjes.’

Gretchen en hij stonden voor een juwelier die zich specialiseerde in cocktailringen.

‘Ik, eh,’ zei Gretchen. Ze likte over haar lippen die ze voor de gelegenheid felrood gestift had. ‘Ik zou graag wat juwelen zien. Mijn oom Ludo zei, zoek er eentje uit die goed bij mijn huid past. De kleur van mijn haar.’

Ludo knipoogde naar de edelsmid – die wist vast wel hoe het was met suikeroompjes en hun geheime concubines.

‘Mohr, wat mooi!’ kirde Gretchen. ‘Komt dit allemaal uit de schijf?’

Ze beroerde héél voorzichtig de fonkelende opaal, toen de saffier, de ring met de smaragd, de ketting van barnsteen. De juwelier hield de kist stevig vast: forse polsen met links een aardig klokje eraan.

‘Niet bepaald,’ zei hij met valse vriendelijkheid. ‘Dit komt nog van de oude aarde. De materialen die de Yedhimr niet gebruikten, leverden ze geraffineerd en schoongepoetst aan ons terug.’

‘Waarom zijn ze dan nog zo duur?’ grapte Ludo, alsof het hem geen moer kon schelen.

‘Om hun waarde te behouden, natuurlijk. Stel je voor dat iedere stumper met zulke kostbaarheden loopt – u zou er niet meer mee gezien willen worden.’

Gretchen kon ondertussen niet ophouden met het bewonderen van de edelstenen. Plots was het blijkbaar genoeg. Ze schoot overeind en bedankte de ambachtsman. Voor hij kon antwoorden, was ze de deur al uit. Ludo gunde hem een blik van ‘Maîtresses, wat doe je eraan?’ en stapte hartelijk naar buiten.

De juwelier had het tweetal maar onbetrouwbaar gevonden en zijn edelstenen geen moment uit het oog gelaten. Hij sloot opgelucht zijn winkel, zeker dat er geen één was ontvreemd.

De volgende ochtend stond hij echter vloekend voor zijn badspiegel: zijn antieke Rolex was verwisseld voor een prul.

 

‘Ik dacht aan zaden,’ zei Ludo achteloos. Hij had inmiddels zijn armen gereduceerd tot het standaard duo en was vijftig centimeter geslonken.

‘O-oh?’

Gretchen was buiten adem. Ze was al honderdmaal van de ene kant van de steeg naar de andere gesprint – over de containers, onder het rooster door – een ware hindernisbaan. Nooit was ze snel genoeg, altijd zag hij haar uit zijn ooghoek. En nu hield die buitenaardse rakker ook nog een lezing.

Nog eens.

Ze zette af en probeerde razendsnel doch geruisloos het parcours te doorlopen.

‘Dat vind ik dus echt knap aan jullie. Mensen hebben buiten­proportionele hoeveelheden biomassa nodig voor de vertering van spijs. Nu biedt onze schijf oneindige ruimte om voedsel te verbouwen, en wat doen jullie? Jullie programmeren de zaadjes genetisch zo dat ze maar één keer bloeien en daarna niet meer. Jullie hinderen je groei om de zaden als handelsvector te kunnen gebruiken!’ Ludo schaterde, wat per ongeluk veranderde in huilen, toen weer lachen. ‘Meisterlijke oplichting. Ik neem er mijn hoofd voor af.’

Ze was er bijna.

‘Daar, bij de afvalsloot.’

‘Ach, scheiße!’

Opnieuw.

Glip in de goot, kruip achter de kliko’s, over die ellendig krakende ladder…

‘Maar alle gekheid op een spies. Kunnen we niet iets met zaden doen? Ze op een of andere manier kweken dat ze meerdere generaties meegaan, en daarmee de markt bespelen?’

Voor zo’n knaller zou ze terug moeten naar de hydroponische kas waar ze had gewerkt. Alsof iemand een dolk in haar hart stak: alleen de gedáchte al dat ze haar oude leven weer moest oppakken…

‘Te ingewikkeld,’ pufte ze. ‘Zaden zijn enkel ons doel, niet het middel. We hebben iets simpelers nodig. Iets waar elk burgerboordershart sneller van gaat draaien.’

‘Mee eens. Is dat een fladderend jasje dat ik zie?’

Ze vloekte nog eens hartgrondig, maar dacht: Als ik eerder op mijn buik ga, ben ik stiller. Dit lukt me.

 

De knisperende hologramborden in Mohrstadt rapporteerden een mini-misdaadgolf. Oplichters gesignaleerd: tientallen zaakjes en mensen waren verblüfft en zadenloos achtergelaten. De inwoners van het Mackiedistrict haalden hun schouders op.

 

Drie weken en honderd lessen later hield Ludo een kleine ceremonie: volgens hem was Gretchen er klaar voor.

‘Ik voel zelfs, ja, ik ben er zeker van: een beginnende ashad die in je opborsten!’

‘Laat mij het woord maar doen, Ludo,’ Gretchen grijnsde, ‘wanneer we onze slag slaan. Wat dat ook zal zijn.’

‘Was dat sarcasme? Kijk, zo goed ben je inmiddels – ik wéét het gewoon niet meer bij je.’

Hij mepte op haar voorhoofd met een loeiharde currywurst. Voor Yedhimr was het vast een teken van liefkozing of respect, voor Gretchen was het vooral een pijnlijke straf. Hij kreeg een pets ter vergelding (voelden ze wel pijn via hun avatar?), daarna wreef ze met een zuur gezicht over de beurse plek.

‘Jullie schedels kunnen wel wat hebben hoor,’ grapte Ludo. ‘Minstens diamant-4.’

Het zeer was op slag vergeten. ‘Daar zeg je iets… Mohr-im-Paradisio, ik denk dat ik weet wat we moeten doen.’ Ze stak een vinger in de lucht. ‘St. Mohrsdag en het Grote Boorfestijn!’

 

5

 

‘Ik heb eens nagedacht, Ludo,’ zei Gretchen drie dagen later, ‘over de hele operatie.’

‘Altijd een goede gewoonte, nadenken. Ga door.’

‘Waarom eigenlijk al die moeite? Jullie hebben de schijf gebouwd en als jullie diamant-6 kunnen maken, dan vast ook wel diamant-7. Kweek gewoon een boorkop van zeven! Geef ze op het festijn precies wat ze wensen.’

‘Een gebruikelijke, menselijke misconceptie! Wij bouwden de Schijf helemaal niet: dat deden de KI’s, onze kunstmatige intelligenties.’

‘Na und?’

Hij spreidde zijn handen. ‘Je snapt het niet. Wij programmeerden de eerst KI’s zo’n vijftig miljoen jaar geleden. De volgende generatie ontwikkelden zij echter zelf. Na de derde iteratie was er geen Yedhimr intelligent genoeg om hun uitleg te snappen. “Bouw een Aldersonschijf,” bevalen wij ze, en dat deden ze. Nee, melkmeisje, wij zijn de magiërs die de spreuk kennen om demonen voor ons te laten werken. Zelf toveren kunnen we niet.’

‘Dan is het nog steeds makkelijk zat. Roep zo’n demon op en vraag hem om een boor van diamant-7. Einfach!’

‘Iemand met zo’n lage ashad als ik?’ Ludo leek waarlijk gekrenkt, maar het was vast komedie. ‘Daar verschijnen ze echt niet voor. Laat staan dat zij mij gehoorzamen. En zelfs als dat zou werken: waar zit het bedrog? We geven ze precies wat ze wensen en krijgen ervoor betaald. Zoiets zou mij juist mijn laatste flinter ashad kosten…’

‘Goed, ik snap het, entschuldigung. Meld ons dan maar aan voor de boortest.’

‘Eergisteren al gedaan! Het kostte ons bijna alle zaden als onderpand.’

‘Wie zijn we precies?’ vroeg Gretchen. ‘Straks?’

‘De oude kristallograaf en zijn aanbiddelijke kleindochter, die helemaal idolaat van het boorgebeuren is.’

Hij morphte tot zijn huid bruin en rimpelig kleurde en er witte haren uit zijn schedel ontsproten. De avatar had zelfs poriën, zag Gretchen, en stoppels op zijn wangen. Dit was het betere werk.

 

Het festival zou over negen dagen beginnen en de ingang van de boortoren hing al vol lampions.

Ludo toonde de bewaker de vervalste kaartjes.

‘Dat is amper nodig, Meister,’ zei de bewaker. ‘U hoort hier duidelijk thuis.’

Ze namen de lift omlaag, een gevaarte zo wijd als een hockeyveld. Door de ramen zag Gretchen de boor voorbij snellen en hij leek haar sneller te draaien dan de keer dat ze naar het Kraaiennest gingen. Alsof ze toch nog een laatste wanhoopspoging deden om door de laag diamant-6 heen te breken.

Het eerste stuk verliep in vrije val en ze moest de armsteunen van haar stoel vastgrijpen om niet naar het plafond op te stijgen. Daarna kwam het gewicht terug en werd ze in de kussens gedrukt tot ze naar adem hapte.

Een schok en de grote deuren schoven open: ze waren onderin de Schacht, het heiligste der heiligdommen. Voor hen lag de befaamde St. Mohrzaal, waar de boorpunt zich in de schijf vastbeet. De punt was duidelijk diamant-6, vol regenboogglitters en moirépatronen. In de loop der jaren had de punt een ondiepe kuil uitgesleten in het keiharde materiaal, louter door wrijving. In een aangrenzende ruimte stonden de testplaten opgesteld, die binnenkort de hoofdrol speelden tijdens de festiviteiten.

Ludo trok een replica-testplaat van diamant-2 uit zijn buidel – vrij goedkoop te produceren, het had nauwelijks waarde. Hij streek met een knipoog over het oppervlak. Een hologram spreidde zich over het object uit en nam precies dezelfde schittering aan als diamant-6. Dit was Yedhimr-tech: veruit superieur aan alles wat mensen konden brouwen.

Hij stak haar de testplaat toe. ‘Nu is het jouw beurt.’

Ze danste op de suppoost af in een werveling van tule.

‘O, meneer,’ kirde ze, ‘is dat hem echt? De testplaat die St. Mohr persoonlijk uit de schijf gebikt heeft?’

Wat natuurlijk klinkklare nonsens was. Mohr leefde, als hij ooit echt bestaan had, eeuwen voor de boortoren zelfs maar opgericht was.

‘Dat is inderdaad zo, meisje.’ Hij streek over zijn snor, plukte aan de uitwaaierende bakkebaarden. Dit was duidelijk een persoon die geen ervaring met sexy bakvissen had. Gretchen greep zijn arm vast. ‘Weet u wat mijn diepste en grootste verlangen is?’

‘Eh, nee?’

‘Om de steen aan te raken, meneer. Gewoon even aanraken. Ik geef hem echt meteen terug.’

‘Tja.’

‘Ik weet dat het natuurlijk niet mag…’

Ludovic was dichterbij geslenterd, een en al toegeeflijke waardigheid. ‘Ik vrees dat mijn kleindochter een beetje opdringerig is, maar ja, de Sint is onze huisheilige en…’

‘Och, een keertje kan geen kwaad.’ Hij stak zijn sleutel in de vitrinekast, reikte haar de testplaat aan. Ze streek er met haar vingertoppen over, haar ogen groot van ontzag.

‘Meneer?’ Hij keek naar haar, niet langer naar de plaat, en ze vloog hem om de hals. ‘Vielen dank! U bent toch zo lief! Dit zal ik nooit vergeten!’

Hij maakte zich voorzichtig los uit haar omhelzing en legde de plaat terug in de vitrine. Het slot klikte.

‘Graag gedaan.’

 

‘Dat was glücklich makkelijker dan ik had gedacht,’ zei ze in de lift. ‘Ik hoop alleen dat niemand het verschil in gewicht merkt. Onze plaat weegt een stuk minder dan de echte.’

‘Allang geregeld, naïeve luis.’ Dat bedoelde hij uiteraard liefkozend. ‘Diamant-6 is zeker tweemaal zo zwaar omdat de koolstofatomen een stuk dichter op elkaar gepakt zitten. Ik gaf onze fake daarom een kern van kristallijn platina. Het is precies op gewicht.’

 

 

6

 

Of Gretchen inmiddels echt een ashad had, zoals Ludo beweerde, wist ze niet – maar ze had inmiddels goed in de smiezen hoe een degelijke oplichterij eruitzag. Eerst deed je het voorwerk: kostuums en een goedgekozen accent om verwarring te zaaien. Tijdens de afleiding verwisselde je dan iets authentieks voor een imitatie, iets hards voor iets zachts. Een testplaat van diamant-6 voor eentje van diamant-2.

Dan kwam de truc. Voor het soort waar Ludo op aasde moest het slachtoffer zelf toekijken en er volledig intuinen. Iedere zakkenroller kon iets stelen als de eigenaar er niet met zijn neus bovenop zat – maar waar zat daar de vaardigheid in?

Of de lol?

Gretchen gaf toe: ze had hier meer plezier in dan verwacht. Het kietelde haar zenuwen op een fijne manier.

‘Dus we arriveren op het feestgedruis met onze boor van diamant-4, die normaal gesproken bij lange na niet door de testplaat zou komen…’ Ludo kon het niet laten het plan te doorlopen. Hij zag het al helemaal voor zich.

‘Ware het niet dat we die plaat hebben vervangen. Genau?’ Ze slurpte aan haar houtskoolshake. ‘En dan ziet iedereen ons succes en vallen hun monden open en collecteren wij de jackpot.’

‘Een exorbitante zadenbuit.’

En ze hoefden zich beslist geen zorgen te maken dat iemand anders eerder hun nep-testplaat zou gebruiken. Er was al jaren geen uitvinder gek genoeg geweest om een jaarloon aan het wedstrijdgeld stuk te slaan – niet zolang er geen doorbraak was in artificiële hardheid.

‘Voor ze weten dat het bedrog is, zijn we al weg.’

Een geratel trok Gretchens blik naar het deelnemersbord dat rond een boorvormige ballon boven de feesthal-in-opbouw hing. Ludo en zij stonden tegen de reling en keken neer op de tienduizend stoeltjes die zichzelf uitklapten. Op het verre podium werd straks de jaarlijkse ceremonie gehouden. De prestaties van kristalvorsers en laboratoria uit heel Mohrstadt werden gevierd, in verschillende klassen. Het was al een prestatie om diamant-3 of -4 te maken, daar kwam nog keurig applaus voor. Het deelnemersbord vulde zich dan ook met namen in elke categorie.

Alleen de hoogste, de hoofdprijs, de heilige graal van hardheid, had maar één deelnemend paar. Zij.

Een nieuwe ratel.

De bordjes klapperden, kwamen tot stilstand. Gretchen knipperde met haar ogen en liet haar shake op de reling spetteren. De anderling had nog niets door.

‘L-Ludo…’

‘Wat is er, door-en-door-vlees? Sorry: Mensch?’

Ze wees naar de deelnemer die in hun categorie was verschenen, vóór hen zelfs.

Ludo stelde zijn ogen scherp en kakelde: ‘Zo zo, een opponent. Dat is onaccupunctuur.’

Een concurrent die hun bedrieglijke testplaat als eerste zou gebruiken en daarmee hun stunt aan het licht zou brengen, of nog erger: er met de buit vandoor zou gaan. Maar dat was in Gretchens optiek niet eens het ergste. Haar ingewanden verpulverden tot gruis: de naam boven de hunne was Stephanus Tocht. Háár Stephan.

 

Een kosmische grap, dat was dit. Een knipoog van de Yedhimr. Van alle dingen die ze het minste wilde, stond terugkeren naar hun appartement op nummer één. Toch stond ze hier en verdammt, haar sleutel paste nog in de voordeur.

Aankloppen? Als een vreemde? Het was nog geen twee maanden geleden dat ze hier woonde. Dat voelde inmiddels aan als jaren. Gretchen werd tegenwoordig omringd door uitschot en anderlingen, maar óók spektakel en kleur.

Ze duwde de klink naar beneden.

Stephan zat uitgeblust op de bank – net terug van werk – met een koffer vol vers gekristalliseerde boorkoppen nog op schoot. Voor ze haar keel schraapte om aandacht, rook hij haar al.

Dit was waar ze al die tijd voor had gevreesd: die gigantische ruzie die nog gevoerd moest worden. Stephan was overdonderd door haar aanwezigheid en stond op.

Gretchen zwaaide flauwtjes, mompelde een hallo.

Zijn blik van ongeloof veranderde in gelukzaligheid. Nu wist ze wat het was om een puppy te hebben. Hij schoot naar haar toe en pakte haar handen vast.

‘Gretchen, het is me gelukt!’ riep hij extatisch. ‘Diamant-7, Mohrzijgeprezen! Ik wist al dat ik op het juiste pad was, het afgelopen jaar, en hé, ik begrijp het, ik was alleen maar aan het werk en had geen aandacht voor je. Nu wordt alles anders. Maar weet je: ik wist dat je terug zou komen, je moest alleen even je hoofd weer recht op je nek draaien.’

Ze werd bijna boos. Stephan hoorde woedend te zijn, niet zielsblij! Ze was verdomme weggelopen zonder een boe of bah. En wáárom dacht hij precies dat ze was vertrokken? Een deel van haar wilde tegen hem snauwen dat hij zelf dolgedraaid was, maar als zijn aannames haar een vrijkaartje gaven – ausgezeichnet.

Zie dit als een volgende oefening, hoorde ze de stem van Ludo, die steviger in haar hoofd zat dan ze had gedacht.

Het duizelde Gretchen ineens en ze zeeg neer op de bank.

‘Ik heb het niet verdiend,’ murmelde ze, bleekjes, ‘maar zou je nog een keer wat Kräutertee voor me willen zetten?’

Dat hoefde je Stephan niet tweemaal te vragen. Hij stoof enthousiast de keuken in. Zodra Gretchen de ketel hoorde pruttelen, gleed ze in spagaat op de grond en vingerde een boorkop uit de koffer. De diamant had een fonkelrode kern die aan het zwart grensde. Het licht werd zo sterk gebroken dat enkel de langste golflengtes overbleven.

Het doelwit had ze ook al in haar vizier: die spuuglelijke vaas van diamant-6. Stephan wist ze stevig te maken, maar een groot kunstenaar was aan hem niet verloren gegaan.

Ze mikte de punt in de onderkant en schraapte er zomaar een krul vanaf.

Het is ‘m gewoon gelukt! Niet juichen nu, dat hoort hij. Diamant-7… Het spul is als natte klei onder zijn boor!

Voordat de thee zich klaar floot, zat ze weer terug tussen de kussens. Stephan kwam met een dampende mok van vulkanisch gesteente uit de keuken.

Hoe blij ik ook voor hem ben, dacht Gretchen met een slurp, als hij op het festival verschijnt, zijn we het haasje.

Ze boog zich naar voren. ‘Diamant-7! Stephan, liefste, dat moeten we vieren.’

 

‘Herr Thomas en Frau Hadewich Gauss!’

De ceremoniemeester maakte plaats voor de aangekondigde deel­nemers. Het echtpaar schuifelde zenuwachtig de bühne op onder felle mijnschachtwerpers. Thomas viste een boorkop uit zijn gereedschapskist, spoog er een dikke fluim tegenaan en wreef hem extra op – de zaal griezelde er hoorbaar van.

Die gruwel sloeg om in bewondering toen Hadewich niet alleen succesvol door de testplaat van Diamant-4 heen kwam, maar er met uitgebreide zwieren een tekening in schraapte. Voordat de schaafsels waren gevallen, toonde ze haar ets aan het publiek: een schets van Mohr zelf, met een kapsel dat uiteen waaierde in vloeiboren.

‘Een stilistisch Meisterwerk!’

Dit was zoveel beter dan waar de andere deelnemers mee waren gekomen! Die hadden hooguit neonverlichting op hun kleding of een kop die het stadslied afspeelde tijdens het draaien. Terwijl het publiek floot en met de voeten stampte, ramde een enthousiast jurylid op de gouden buzzer. Direct hoosde het confetti op Herr en Frau Gauss, die per decreet hun categorie wonnen. Mohrstadt ging uit zijn dak.

Snel, bezems, een hardheid omhoog!

Gretchens zenuwen waren al lang en diep uitgemijnd. Haar training ten spijt was dit alsnog te veel druk en spanning om goed aan te kunnen. Om rustig te blijven tot haar klasse aan bod kwam, glipte ze weg van Ludo’s zijde en bestelde Zwarte Olie (bessensap was niet chic genoeg als benaming) aan de bar.

‘Is het zo moeilijk voor mensen om hun vorm in bedwang te houden?’ Hij was haar gevolgd. ‘Het lukt mij toch ook met deze hopeloze koolstofmassa?’

Gretchen slurpte de schuimkraag weg en peinsde er niet over zijn vraag te beantwoorden. ‘Waarom stalen we Stephans boor niet? Ik had hem vast, het was een peulenschil geweest.’

De anderling hoefde eigenlijk al niet meer te antwoorden. Omdat het hem geen greintje ashad opleverde, wist Gretchen meteen. Hun bedrog zelf was het doel. Ze zou nooit wennen aan de mores van de Yedhimr.

 

‘Stephanus Tocht.’

Hier had de stad naar toegeleefd. Niet één, maar twee kandidaten in de allerhoogste poule. Dat was al tijden niet meer voorgekomen, en ondanks gezonde scepsis of er vandaag een mirakel zou gebeuren, prikkelde het de verbeelding. Het zou toch eens lukken…

Stephans naam bleef hangen op de speakers, de ceremoniemeester keek verwachtingsvol de coulissen in. Gretchen, dieper backstage, hield haar ogen strak naar voren. Zweetdruppels parelden langs haar slaap.

‘Laat ons niet in de spanning zitten, Herr Tocht!’, maar het podium bleef verlaten.

Ludo was alleszins meer ontspannen, maar dat kon gespeeld zijn. Hij floot een complexe melodie waarvoor een mens drie tongen nodig zou hebben. Waarschijnlijk bezat hij die.

De kandidaat werd voor een derde maal opgeroepen, en inmiddels werd het publiek onrustig. Niets maakte een presentator angstiger dan dat, dus de man in zijn glitterhabijt gaf een knikje naar de jury. Die drukten prompt op hun zwarte knop. Het podium baadde in felrood licht, alsof ze uit het Paradisium waren geschopt om terecht te komen in de Infernale, de plek waar burgerboorders belandden als ze niet genoeg hun best hadden gedaan de onderzijde te bereiken.

‘Het lijkt erop dat Herr Tocht koude voeten kreeg,’ grapte de ceremoniemeester. ‘Die krijgt onze Motivatiedienst binnenkort over de vloerrrr…’

Gelach uit de zaal; Schadenfreude was bijna net zo goed als vreugde zelf.

Je hebt het niet goed gespeeld, Stephan, overwoog Gretchen. Ze kon het niet laten sip voor hem te zijn.

‘In dat geval hebben we zowaar nóg een deelnemer dit jaar om de last te dragen – en de glorie! Tenzij ik nu voor een tweede maal in mijn hemd wordt gezet, wil ik graag een applaus voor Fräulein Greta Obst!’

De opgebouwde spanning voor Stephan vloeide nu automatisch naar Gretchen. Ze wandelde zwaaiend de schijnwerpers in, naar een zicht­baar opgeluchte presentator. Alles daarna was eigenlijk kinderspel. Ze zette haar standaardboor op de doorgestoken testplaat, deed alsof ze zich maximaal inspande en draaide er potloodslijpsel uit. Het publiek hield de adem in. Ze konden het niet meteen geloven.

Niets in Gretchens leven had haar voorbereid op het gevoel van tienduizend man die voor haar juichte. Hun applaus was een rollende donder. Zelfs de ceremoniemeester kon er weinig tegen beginnen. Pas na een half uur stierf het weg, vooral omdat alle handen rood en gezwollen werden.

Kijk ze nou eens, dacht Gretchen glunderend, de brave burgerboorders die geloven dat ze nu allemaal in het Paradisio komen.

‘Gezegend zij de heilige Mohr!’ riep de presentator. ‘Voor het eerst in een generatie kunnen we weer dieper boren, en ditmaal tot de andere zijde!’

Ludo had zich heel terloops bij haar op het podium gevoegd. In de euforie lette niemand echt meer op. Met wat vriendelijke porren van Gretchen en hij bracht de meester ze naar de fonkelende kluis van diamant-5. Daar lag de prijs: de traditionele juten zakken vol zaden, genoeg om een vorstelijke dynastie binnen Mohrstadts elite te stichten.

Ludo’s avatar hield zich keurig in, maar Gretchen greep een hengsel en was niet van plan die ooit weer los te laten.

De ceremoniemeester sloeg zijn armen om hen beide. ‘Terwijl wij hier stonden te vieren, waarde winnaars, hebben onze technici jullie boor reeds geïnstalleerd boven de kernlaag. Jawel, we verspillen geen seconde! Het doet mij deugd jullie uit te mogen nodigen voor de proefboring, tijdens het galadiner in deze zaal, in het bijzijn van zijne excellentie, de hoogheilige Meister zelf.’

Gretchen verbleekte, maar gelukkig was Ludo bij de pinken. ‘En wanneer heeft dit diner plaats, weledelgestelde?’

‘Over een klein uur, en jullie aanwezigheid is absoluut essentieel.’

‘Voortreffelijk!’ Gretchen was wakker geworden. ‘Maar voor zo’n audiëntie met de hoogheilige kan ik echt niet verschijnen in dit kloffie. Ik ga me razendsnel omkleden.’

‘Perzik, en ik,’ de taalmodule kon Ludo’s haastige gedachten niet bijbenen, ‘zie dat mijn stikstof dringend moet worden bijgevuld.’

De ceremoniemeester kreeg geen tijd om zich af te vragen waar iemand stikstof voor nodig had. Zijn twee kampioenen haastten zich het podium af, met in elke hand een draagzak vol zaden.

 

Stephan waarde rond in een dikke mistlaag, zo eentje die onverklaarbaar opsteeg uit een grondlaag tijdens het boren. De wereld was buitengewoon wazig en… paars.

‘Gretchen?’ zei hij met een gortdroge keel.

De smog trok weg. Hij lag op een zacht bankje, in een cabine, met veelgekleurde lampen die warm op zijn gezicht schenen. Stephan spartelde omhoog en schoof een smal deurtje opzij. Ongelooflijk: hij keek uit op een lege nachtclub. Door spleten in het geblindeerde venster lonkte daglicht. Toen hij uit het compartiment glipte, rinkelden lege flessen Schnapps rond zijn voeten.

‘Oppassen met dat vriendinnetje van je,’ adviseerde een stem vanaf de toog. Daar stond een morsige vrouw in dirndl haar glazen te poetsen. ‘Ze tikte evenveel weg als jij, alleen dronk zij uit die watertank achter je.’

Stephan probeerde te begrijpen hoe hij hier precies was beland, maar herinnerde zich hooguit Gretchens lach. Die heerlijke lach, tijdens het drankje om zijn prestatie te vieren.

 

 

7

 

De zon glipte weg achter de Drüsselburger duinen, lanceerde nog een laatste smaragdgroene straal de hemel in en toen viel de nacht. Het aquarium, voortspoedend op een magnetisch veld, had voor de gelegenheid een kleine koets op zijn top gevormd. Ludo en Gretchen zaten op zijn pluche stoelen, veilig uit de wind achter een scherm van synthetische robijn.

‘Vertrouwen is een mooi goed,’ zei Ludovic, ‘maar onder beroeps­oplichters is dat enkel dwaas.’

‘Helemaal mee eens,’ zei Gretchen. ‘Und jetzt, hoe pakken we het aan? Het aloude kiezen of delen?’

De anderling knikte. ‘Jij verdeelt de zaden en ik kies mijn hoop.’

Zo geschiedde.

De zaden waren in Gretchens ogen vele malen mooier dan dode juwelen, hoe kleurig of fonkelend ook. Uit ieder nootje of geschubde bes zou een complete boom groeien, een orchidee of een fiere brandnetel. Ze sorteerde de zaden, verdeelde ze over de tafel. Elk zaad was van elitekwaliteit, minstens honderd graankorrels waard.

‘Deze,’ wees Ludovic. ‘Kan ik de oorspronkelijke zak gebruiken? Ik heb er hier eentje voor je eigen zaden.’

Gretchen grinnikte. ‘Een trofee, ja? Ik snap het. Mij gaat het enkel om de zaden.’

 

De lichten van het station hesen zich boven een rij ornamentele cactussen uit. Iets erbuiten rees het silhouet van de nucleaire locomotief op. Wolken stoom dreven langs de opbouw en de heraldische feniks op de boeg had ogen zo vurig als de Infernale.

 

‘De trein vertrekt te middernacht,’ zei de kaartjesverkoopster. ‘De eerste halte is het Woud van Arden. Wat kan ik voor jullie uitprinten?’

‘Ik hoef niet verder dan het Woud,’ zei Gretchen. Ze telde de zaden uit. Haar berg leek er geen fractie minder hoog door.

‘Geef mij maar een onbeperkt ticket,’ zei Ludovic. ‘Ik moet nog een heel eind. Helemaal tot de Jupitermuur.’

‘Schönes Abend,’ zei de dame en reikte hen de kartonnen kaartjes aan.

Gretchen voelde een steek chagrijn. Zo makkelijk te vervalsen, dit! Het had enkel een hologram van de Wereldtrein om het te waarmerken. Die kon ze tegenwoordig repliceren in een minuut of twintig.

Ist mir egal, dacht ze. Ze had haar doel bereikt.

 

Ludovic schudde haar wakker: de treincoupé lag vol poelen van zonlicht, alsof ze onder een bladerdek tuften.

‘Ik gokte dat je dit niet zou willen missen.’

Bomen schoven buiten voorbij, kathedraalstammen die naar een zinderend blauwe hemel reikten. Ze ving een glimp op van een zwerm pelikanen, daarna een reusachtige, traag stromende rivier.

‘We zijn er bijna,’ zei haar vriend, maar hij verbeterde zichzelf: ‘Jij bent er bijna.’

En ja, de trein begon al af te remmen, gleed een station in dat uit louter hout was opgetrokken. Op de daken groeide muurpeper, een geel veel mooier dan het zuiverste goud in Gretchens ogen.

‘Dankeschön,’ zei ze tegen Ludovics avatar. ‘Zonder jou was ik hier nooit gekomen.’

‘Och, we hielpen elkaar. Allebei op onze eigen wijze.’

 

Ze keek de trein na, die als een stalen wolk uit haar leven weggleed, en zoog de lucht diep in haar longen. De geuren van appelbloesems, van nat sterrenmos en heimelijke stroompjes. Twee mensen wandelden over een pad van raaigras naar the station. Ze wuifden en Gretchen wuifde terug. Mijn mensen. Boomkussers en blad-aaiers. En ik kom niet met lege handen.

Ze trok de sluiting van haar overvolle zaadzak open en wist bij de eerste graai dat het mis was. Faliekant mis. Het zaad voelde te droog en te glad aan. Ze zette de buidel neer en bekeek de oogst. Ze zagen er precies hetzelfde uit en waren overduidelijk uit plastic gegoten.

Ze lachte en spreidde haar armen om de bries te voelen.

Laat hem, gun Ludovic zijn ashad. Dit is de perfecte truc. De bedriegster bedrogen zoals het hoort.

In haar hoofd zat een grotere schat. Ze kende de genomen van vijfduizend bloemen en geen korstmos had geheimen voor haar. Bovendien ben ik jong en sterk, en er is niks mis met het omspitten van een moestuin om zaden in de verse aarde te planten.

‘Hoi!’ riep ze. ‘Ik ben Gretchen,’ en rende haar nieuwe woudgenoten tegemoet.

Fluxloos : Mike Jansen

Zoals Akrim het vertelde, was de wereld ooit een paradijs, bewoond door mensen zoals wijzelf. Niemand geloofde hem echt. Ik hing altijd ademloos aan zijn lippen. Drie dagen was het langst dat hij bleef, het langst zonder dat de stam een claim op hem kon leggen en zijn werk of bezittingen voor het nut en goed van het volk kon inzetten. Dat was traditie, een over­blijfsel van oeroude tijden toen mensen in huizen woonden en zonder bescherming met voertuigen over land, door de lucht en over zee voeren. Drie dagen lang nam ik al zijn kennis in me op en door de jaren heen maakte ik me het geheel eigen.

‘Dit is het laatste jaar dat ik jullie bezoek, Tanmee,’ zei Akrim. Zijn haar was spierwit en hij liep moeilijk. Zijn rechteronderbeen was sinds kort keramisch. Een tijdelijke storing in zijn fluxer, waardoor grijze fagen hun kans zagen en zich zijn basismateriaal toe-eigenden.

‘Akrim,’ zei ik, ‘wie zal dan de stammen vertellen over de tijd voor de Wildering? En bij welke stam sluit je je aan?’

Akrim schudde zijn oude hoofd. ‘Ik heb gereisd van Svarfallaken in het hoge Noorden tot de vrijstaat Gibraltar in het verre Zuiden, waar de oceaan begint en de mensen raar praten. Mijn kennis heb ik over­gedragen. Ik zal niemand tot last zijn. Mijn volgende reis doe ik zonder fluxer.’

Ik keek hem met wijd open ogen aan. ‘Dat is zelfmoord. Niemand heeft ooit meer dan een paar kims gered zonder afweer.’

De oude verteller glimlachte vermoeid. ‘Eenvoudig wordt het niet.’

‘Maar al je kennis…’

‘…is overgedragen aan jou en anderen. Toch is er iets dat ik zou willen vragen, een gunst, Tanmee.’

Ik knikte gretig.

Uit zijn rugzak haalde Akrim een bundel die hij voorzichtig losmaakte. In een canvas doek lag een vijftal duidelijk door mensen gevormde onderdelen. ‘Ik geloof dat deze voorwerpen een sleutel vormen tot ons verblijf op deze wereld. Het is alleen niet compleet. Ik vermoed dat het Fraunhofer de laatste stukken heeft. Dat vertelde een vriend in Münster me, Andreas. Een van zijn voorouders werkte daar.’

‘Wat is het?’ vroeg ik.

Akrim haalde zijn schouders op. ‘Dat vertelde het verhaal niet.’ Hij wees een goudkleurige bol aan. ‘Dit is de kern. Er zijn zes gaten, voor een zestal modules.’ Hij pakte het tweede stuk metaal op dat gitzwart was en zwaar leek. Het paste perfect in een van de zes gaten. Hij liet me zien hoe ik de module kon ontkoppelen. Een voor een koppelde hij de andere stukken in de bol.

‘En wat is Fraunhofer?’

Akrim glimlachte. ‘Fraunhofer was een onderzoeksinstituut voor hoogtechnologische uitvindingen.’

‘Wat ga je ermee doen?’ zei ik.

Akrim schudde zijn hoofd. ‘Je stelt de verkeerde vraag. Wat ga jíj ermee doen?’ Hij schoof het canvas met de onderdelen in mijn richting, samen met zijn favoriete gedichtenbundeltje met werken van beroemde dichters. Hij stond op, glimlachte en legde zijn hand even op mijn hoofd. ‘Ooit droomde ik van de sterren. Ik las de boeken van voor de Wildering, de visie van toen, het koloniseren van de ruimte, technologische wonderen.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Soms moet je je dromen bijstellen.’

Het was de laatste keer dat ik hem zag.

 

#

 

Drie jaar later, bij het groenen van de bomen, was ik klaar om te vertrekken van het eiland Hilversum, waar mijn stam toevlucht had gezocht voor het rijzende water en de immer zoekende fagen. De resten van de stad waren voorzien van een uniforme, zwarte verflaag die licht omzette in elektriciteit die op zijn beurt de fluxlijnen, die rondom het eiland gespannen waren, actief hield.

Hoewel er in vijf jaar geen fagenschrik was geweest, liepen alle stam­leden rond met hun persoonlijke fluxer. Gewoon, voor het geval dat. Levend verslonden worden door nanomachines was geen aantrekkelijk vooruitzicht.

De jaren sinds het vertrek van Akrim had ik besteed aan het zoeken naar informatie in de restanten van het ooit alomaanwezige Internet over de voorwerpen die hij me had toevertrouwd. Een frustrerende activiteit omdat veel van de kennis die ik zocht elders stond – als het nog bestond – en er enkel informatie óver de informatie stond in de catacomben van Hilversum, waar computersystemen van voor de Wildering nog steeds werkten.

Naarmate ik meer vond en meer begreep, drukte het belang van de voorwerpen steeds meer op mijn gemoed. Het apparaat had de oplossing moeten zijn voor de uit de hand gelopen experimenten met nano­technologie. Hoe dat in zijn werk zou moeten gaan, was niet te vinden. Wel vond ik namen van instituten in steden waar gewerkt was aan de oplossing. Op een oude kaart van Europa markeerde ik de antieke benamingen: Hamburg, Hannover, Dresden, München, Berlin.

Voor mij leek de meest optimale manier die steden te bezoeken, via de lucht te reizen. De enige manier om nog een spoor van de overige componenten te vinden in de tijd die ik had. Van een oude, verroeste fiets maakte ik een dragend frame en met behulp van de printers en oude computervoorraden construeerde ik een opvouwbare draagvleugel bedekt met dezelfde verf die overal in Hilversum was gebruikt. Tijdens het vliegen moest die stroom genereren en mijn noeste trappen op de pedalen ondersteunen, naast het in stand houden van de fluxlijnen die door het hele geval waren geweven tijdens het printen.

Natuurlijk kwamen de stamoudsten achter mijn plannen. De dag voor ik wilde vertrekken bezochten ze me in mijn werkplaats, twee vrouw en een man sterk.

‘Tanmee Jansdochter,’ sprak Jelte Vriesman, de oudste vrouw van het stel, ‘ons is ter ore gekomen dat je van plan bent te gaan reizen. Ik spreek voor ons allen wanneer ik zeg dat we je willen verzoeken dat plan op te geven.’

Ik keek op van de kaarten die ik net bestudeerde voor het eerste deel van mijn reis. De gezichten van de stamoudsten leken gespannen. ‘Ik zie geen enkele reden om te blijven,’ zei ik.

‘Wij zien er enkele,’ legde Hans Gortsen uit. ‘Het aantal vrouwen dat geboren wordt, is beperkt. Je bent nu van huwbare leeftijd. Daarnaast, je bent handig met de oude techniek en je werkplaats levert de stam waardevolle diensten.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Anderen kunnen dat ook.’ Ik keek hen aan, wetend dat ze het vuur in mijn ogen zouden lezen. ‘Ik heb de verhalen van Akrim en zijn voorgangers in mijn hoofd. De droom van de Oude Wereld, voor de Wildering, waarin mensen konden gaan en staan waar ze wilden. Die verhalen moeten verspreid worden. Mensen zoals wij, jong en oud, moeten weten dat er meer is geweest dan nu. Dat we niet zomaar de resten van een geavanceerde beschaving zijn, maar juist het begin van een nieuwe, betere beschaving van mensen. Daarom moet ik gaan.’

Jelte keek opzij naar Hans en naar Fride Bouazhati. ‘Wij geven geen toestemming. Je kunt niet gaan.’

Ik lachte. ‘Dat kunnen jullie niet beslissen.’

Fride glimlachte minzaam. ‘Dat is correct. Maar de stamraad komt morgen bijeen, dan wordt een bindend advies uitgebracht. Dat betekent dat je hier blijft en een huwelijk aangaat. Desnoods gedwongen.’

Ik voelde mijn bloed ijskoud worden. ‘Ik dacht dat Hilversum een vrijstaat was?’

Fride schudde haar hoofd. ‘Vrijheid is kostbaar. Er bestaat ook zoiets als het grotere goed en het voortbestaan van de stam, om van onze tradities maar niet te spreken.’

‘Is dat jullie laatste woord?’

Fride knikte. De andere twee voegden zich bij haar. ‘Om er zeker van te zijn dat je geen rare gedachten krijgt, is een tweetal wachters buiten opgesteld om je hier te houden.’

Ik haalde nonchalant mijn schouders op. ‘We zullen zien wat de stam­raad morgen te zeggen heeft als ik mijn zaak presenteer.’

 

#

 

Zodra de drie mijn werkplaats verlieten, begon ik mijn ontsnapping voor te bereiden. Ik was vooral niet van plan me over te leveren aan de genade van de stamraad. Ik vermoedde dat de uitslag van die bijeenkomst al vaststond.

Buiten mijn raam zag ik inderdaad twee wachters met wapenstokken staan. Mijn persoonlijke printer en printvoorraden zaten al op mijn fiets gemonteerd. Mijn tas met proviand lag voor me klaar. En de modules van Akrim, natuurlijk.

Ik wachtte tot het goed donker was voor ik het luik in mijn werkplaats opende en door de lage gang kroop die me tot in het bos voerde. Mijn fiets stond een stuk verderop, de vleugels ineengevouwen.

Ik installeerde me in het voertuig en fietste naar het strand waar ik de vleugels uitvouwde. Met de energie die overdag was opgeslagen en flink wat spierkracht, wist ik het gevaarte de lucht in te krijgen. Binnen tien minuten hijgde ik als een blaasbalg, maar stoppen was er boven open water niet bij.

Een zacht westenbriesje tilde me hoger waardoor ik rustiger kon trappen en op adem kon komen. In het heldere sterrenlicht zag ik de ondergelopen weilanden, dorpen en steden waarvan punten van daken nog net zichtbaar waren en een enkele vervallen torenflat als eenzame rots boven het water uitstak.

Ik trapte de hele nacht door tot ik bij het ochtendgloren in het oosten de heuvels van de Veluwe zag opdoemen. De vleugels deden hun werk en begonnen stroom de propellers in te voeren zodat ik eindelijk kon rusten en op mijn gemak de omgeving kon bekijken.

Ooit stonden er bomen op de Veluwe, loof- en naaldbomen, struiken, verschillende grassen. Nu was het een woestenij van opvallende heuvels waarop fractalstructuren groeiden. Ik herkende ze als een aangepaste soort naaldboom. Nauwelijks agressief dus redelijk ongevaarlijk voor mensen.

Een vlak stuk terrein met zand en zielige korstmossen op de top van een heuvel leek een goede plek om te landen. Ik stuurde mijn fiets ernaartoe en landde elegant zonder over de kop te slaan. Vlak voor ik de grond raakte, fluxte ik. Zodra ik stilstond fluxte ik nog maar een keer. Zekerheid voor alles. Een faaginfectie of een verdwaalde Von Neumann kon snel veel schade aanrichten.

Ik controleerde de batterijen van mijn eigen fluxer voor ik afstapte. Naar het westen lag de zee met ergens over de horizon mijn thuis, Hilversum. Ik haalde diep adem. De lucht rook naar vrijheid.

Een taai stuk plat brood en een homp harde kaas vormden mijn ontbijt. Terwijl ik kauwde bekeek ik de kaarten die ik had meegenomen. Fraunhofer, had Akrim gezegd. Maar welke? Ik was er snel achter­gekomen dat er dozijnen locaties waren in het voormalige Duitsland. Maar moest ik die allemaal bezoeken om te vinden wat ik zocht? En hoeveel tijd wilde ik besteden aan zoeken naar dat ene Fraunhofer instituut dat mogelijk de laatste stukken bezat en hoe moest ik ze daar dan vinden?

Voor het eerst in lange tijd voelde ik me overweldigd door mijn omgeving. De wereld was verdraaid groot en ik vermoedde dat ik me nauwelijks voldoende had voorbereid. Mijn gedachten dwaalden af naar Akrim die jarenlang van stam naar stam was getrokken en waar hij ook kwam vertelde over diezelfde grote wereld.

Ik haalde diep adem en keek nog eens om me heen. Grondmos, niet of nauwelijks veranderd sinds de Wildering. Naaldbomen, veranderd, aangepast door een faag die de bomen in bizarre patronen liet groeien, die raar genoeg weer uiterst efficiënt waren met fotosynthese.

Wat ik vooral veel zag was grijze as, alsof er lang geleden een niet aflatende brand gewoed had. Dat was alleen niet zo. Het waren de overblijfselen van tientallen soorten nanomachines, fagen en retro­virussen die elkaar bevochten hadden en dat misschien nog wel deden.

Allereerst had ik rust nodig. Voorzichtig legde ik fluxlijnen rond mijn voertuig en mijn slaapzak en sloot die aan op mijn verklikkers. Bij zelfs de minste bedreiging zouden die de flux activeren die alle elektronische leven zou uitschakelen. Voor organische bedreigingen was ik niet bang.

 

#

 

In de loop van de middag waren de batterijen van mijn voertuig vol, had ik geslapen en gegeten en was ik klaar voor de volgende etappe van mijn reis. Het leven lachte me toe en ik voelde me opperbest.

Akrim had me verteld van de enclaves die nog overeind stonden. Ver voorbij Korf Apeldoorn en de fractalbomen van Hengelo lag nog het vredige Münster, omringd door grachten en stalen fluxhekken die bijna als een koepel de bewoonbare gedeelten omsloten.

Met schijnbaar moeiteloos gemak sprong mijn voertuig de lucht in, gedragen door de elektrische propellers en de opstijgende lucht boven de open plekken van de Veluwe. Vanuit de lucht vormden de bossen ingewikkelde, zichzelf herhalende patronen. Ik herkende overwoekerde dorpjes waar alleen nog de ijzerskeletten van betonnen structuren overeind stonden. Het beton was lang geleden weggevreten en als grondstof voor iets anders gebruikt.

Voorbij de Veluwe begon een zoutmoeras dat bij vloed onderliep, zoals nu het geval was. Hier en daar staken nog plukken hardnekkig gras boven de kabbelende oppervlakte van het water uit. De zee was nauwelijks aangetast door de Wildering, alsof het zoute water door fagen en nano­machines niet gewaardeerd werd.

Ik hield een paar mistflarden angstvallig in de gaten, tot de wind ze van me wegvoerde. Als ze toch mijn kant op waren gekomen, tegen de wind in, dan waren het grijze fagen. Van het soort dat af en toe in Hilversum neerdaalde en dat in voorbije decennia nog regelmatig slachtoffers eiste. Niet iedereen had altijd een fluxer bij zich in de relatieve veiligheid van het eiland.

De landschappen die onder me voorbij gleden waren een mengsel van elkaar beconcurrerende nanoculturen die elk hun eigen forten en bouw­werken printten, bezaaid met planten, schitterende zonnecellen, combi­naties daarvan of ondefinieerbare uitsteeksels. Geen plek om langs te lopen en al helemaal niet zonder fluxer.

Een enkele keer moest ik uitwijken voor een collectie buizen die pluizige, grijsroze ballen de lucht in schoot toen ik in de buurt kwam.

Tegen de avond tekenden zich de immense structuren van de fractal­bomen van Hengelo af, de bovenkant die als een parasol over het land uitwaaierde nog verlicht in de ondergaande zon, de stam, honderden meters dik, verborgen in de duisternis.

Mijn landingsplaats koos ik met zorg uit, een klein eiland in een langgerekt meer. Er groeiden nog normale bomen en gras. Ik moest goed kijken om te zien dat er wel degelijk fagen en nanomachines aanwezig waren, maar ze leken samen te werken met de bomen en het gras en toen ik langsliep bewoog niets, alsof ze me negeerden of niet interessant vonden.

Voor de zekerheid fluxte ik toch de plek waar ik ging slapen en spande de draden die agressieve fagen uitschakelden.

Op mijn rug gelegen staarde ik naar de westelijke hemel die van melkblauw naar lichtroze en uiteindelijk donkerpaars kleurde. Langzaam vertoonden zich sterren naarmate de zon verder achter de horizon verdween. Ik voelde de ironie van het staren naar de lichtjes die ooit verbleekten in het licht dat de steden van Holland uitstraalden en de spilzucht van de inwoners die in hun overmoed zelfreplicerende machines bouwden en vervolgens de controle kwijtraakten over hun creatie. Een Frankenstein van wereldproporties, gevoelloos en vrijwel onschendbaar.

Het bracht mijn gedachten op de Wildering, op mijn grootouders die het verzwelgen van hun wereld meemaakten. Hoe vonden zij het idee dat hun kinderen een wereld erfden die zo radicaal anders en vijandig was geworden? Voelden ze schuld? Probeerden ze tot het uiterste hun nakomelingen te beschermen? Ik herinnerde me de woorden van mijn eigen vader die vertelde hoe zijn vader een nano-uitbraak met een persoon­lijke fluxer wilde tegenhouden terwijl zijn gezin probeerde in veiligheid te komen.

Ik voelde even aan mijn tas, aan de geruststellende bobbel van het apparaat waarvan Akrim beweerde dat het een oplossing was. Maar waarvoor? Voor de problemen met de fagen en nanomachines? Fraunhofer had de leiding over projecten om de Wildering tot staan te brengen en zelfs om te keren. Het was blijkbaar niet gelukt. Of misschien wel, maar waren de stukken te laat bij elkaar gekomen.

Ik zuchtte. De kans dat ik iets zou vinden was extreem klein. De kans dat het dan zou werken zo mogelijk nog kleiner. Ik huiverde bij de gedachte aan het alternatief: gedwongen huwelijk. En dan waarschijnlijk met een van die griezels van zonen van de Jacobsen. Nee, dan liever de vrijheid van de buitenwereld, hoe gevaarlijk ook.

Bij het licht van sterren en maan las ik nog een paar gedichten van Bilderdijk, sonnetten van Kloos, een stukje Vondel, en herinnerde me de lof die Akrim over hun werk uitsprak.

 

#

 

Ik werd wakker met de zon in mijn ogen. Mijn fluxlijnen waren niet afgegaan en ik voelde me uitgerust, klaar voor een nieuwe etappe op mijn reis naar een onbekende bestemming.

Om me heen bewoog gras in wulpse kronkelingen. Ik herkende het als paaldansgras, een onschuldige adaptatie.

Op mijn kaarten zag ik het oude Münster. Er was wat wind en vanuit het westen trok bewolking landinwaarts. Er zou minder licht zijn om me te helpen vooruit te komen, maar de wind mee compenseerde dat. Ik zou vandaag nog in Münster aan kunnen komen, mogelijk zelfs bij daglicht, zodat ik nog vragen kon stellen en op onderzoek uit kon gaan.

Ik inspecteerde de vleugels van mijn voertuig en ontdekte een paar kleine koloniën nanomachines die probeerden zich in te vreten in de verf. Een korte flux sloot ze kort en ik kon de grijze as zonder moeite weg­vegen.

Voor de zekerheid inspecteerde ik ook mijn kleren en huid. Alles leek schoon. Gerustgesteld vervolgde ik even later mijn weg en liet ik de fractalbomen achter me.

De Duitse laaglanden waren stil en kaal. Het groen dat ik tegenkwam behoorde tot amorfe ingekapselde dorpjes die met elkaar verbonden leken. In de groene gelei zweefden hier en daar nog menselijke skeletten die in het drillen van het materiaal een macabere dans leken uit te voeren.

Beekjes die ik onderweg tegenkwam waren overwoekerd door bloed­rood onkruid dat actief voelers uitsloeg en waar het houvast kreeg, daar sleepte de massa stengels en bladeren zich naartoe, waarbij het een spoor van kale, doodse aarde achterliet.

Ooit was dit vruchtbare grond. Groene weiden, akkers, boomgaarden en boerderijen. Akrim had me erover verteld. Gedurende zijn leven zag hij de wereld sneller dan ooit veranderen, de oude natuur vervangen door nieuw, semilevende structuren, die eigen regels volgden die niet overeenstemden met de lokale flora en fauna. Ergens verlangde ik naar die wereld, die veilige omgeving waaraan de mens zich aanpaste en die de mens ook weer aan zichzelf aanpaste. Tegelijk was ik gefascineerd door de complexiteit, veelkleurigheid en ingeniositeit van deze door onszelf geanimeerde indringers.

Halverwege de middag zag ik de karakteristieke stalen hekken en de daarmee geconstrueerde koepelvorm waaronder delen van Münster lagen, veilig binnen een hoogspanningsnet dat elektronisch en semi­organisch leven doodde. Er was iets mis.

De ramen van de huizen waren net zo donker als de niet omheinde stad zelf en woekerende massa’s hadden bezit genomen van de onderste lagen van de hekwerken. Ik concludeerde vrijwel meteen dat ze een ongeluk­kige stroomuitval hadden gehad, een die niet snel genoeg opgelost kon worden. In mijn gedachten vloekte ik zachtjes. Als het spoor hier doodliep, kon dit meteen het einde van mijn reis zijn. Of als ik ten prooi zou vallen aan wat de inwoners te pakken had gekregen. Toch besloot ik mijn voertuig een eindje van het stadje aan de grond te zetten.

Met een extra fluxbatterij wandelde ik naar de rand van de hekwerken. Er voorbij lagen de huizen, de meeste voorzien van kweekbakken en tuinen waar nog rottende groenten stonden, voor zover die niet geabsorbeerd waren door fagen of nanomachines.

De poort stond open. De grond was bedekt met grijze as, dus ik fluxte met regelmaat om nanomachines geen kans te geven. Binnen de stalen koepels heerste een diepe stilte, alsof alle leven verdwenen was. De nieuwe heersers over de Aarde spraken in het elektromagnetische spectrum. Tot ik de hoofdstraat –letterlijk Hauptstrasse volgens het bord- inliep en een diep, spookachtig kreunen hoorde dat me kippenvel bezorgde.

Ik bleef heel stil tot ik het kreunen weer hoorde en een richting kon bepalen. Een paar huizen verderop stond een deur half open. Ik liep er naartoe en ging voorzichtig naar binnen. Het plafond van de hal van het huis was bedekt met liaanachtige structuren bezaaid met gele bloemetjes die me in het voorbijgaan volgden. Een dikke vertakking liep de woon­kamer in. Bij binnenkomst zag ik een halfvergane sofa en een over­woekerde boekenkast waarvan de inhoud vrijwel geheel was verdwenen op enkele dikke werken na. Die lianen houden niet van zware lectuur.

Toen ik weer weg wilde gaan zag ik de andere muur, die volledig bedekt was met lianen. Midden op de muur stak een gezicht tussen de lianen en de bloemetjes door. Het was grauw en leek van pijn vertrokken. Een plukkerige baard en dikke wenkbrauwen deden me vermoeden dat het een man was.

Ik zag het gebeuren, toch schrok ik toen zijn mond openging en het klaaglijke geluid produceerde dat ik eerder gehoord had.

‘Meneer! Meneer! Wat is er aan de hand?’ Ik wist niet eens of hij Hilversums sprak, maar zijn kreunen wekte een diep gevoel van medelijden in me.

Zijn ogen vlogen open, de pupillen groot en zwart. Ik denk dat hij me zag. Zijn mond opende zich als een vis die naar adem hapte. ‘Hilf michhh…’

Ik bekeek de lianen die over hem heen liepen. Ze waren versmolten met zijn lichaam waarvan het vlees grotendeels was verdwenen. Zijn organen lagen in kleine holtes in de muur van groen.

‘Ik… ik kan niets doen.’ Ik wist niet of hij me verstond, tot hij me antwoordde.

‘Ich weiß.’ Hij leek te denken en zei in een andere stem. ‘Iek weet. Hab Durst.’

Ik goot water uit mijn veldfles zijn open mond in en liet hem drinken. Water stroomde door zijn open keel langs de lianen naar beneden. ‘Beter zo?’

‘Ja. Danke.’ Weer een andere stem.

Ik zag hem zijn ogen weer sluiten. ‘Ik zoek een Fraunhofer instituut. Waar onderzoek naar fagen en nanomachines werd gedaan. Weet u iets?’ Hij leek te slapen. Ik wilde nog iets zeggen toen hij zijn ogen weer opende.

‘Anfang von alles war Dresden. Hat mir Andreas gerade erzählt. Tabula rasa.’

Ik huiverde even bij zijn woorden. ‘Daar werd onderzoek gedaan. Ik wist niet dat Dresden het begin van de Wildering was.’ Ik zuchtte. Misschien was het de juiste plek. Of het nog bereikbaar was als het de oorsprong van de Wildering was, dat zou ik dan moeten uitvinden. Het was de beste aanwijzing die ik tot nu toe gevonden had.

De ogen van de man draaiden weg in zijn kassen. ‘Es kommt. Geh weg. Raus!’

Er trok een trilling door de lianen. Voor mij een teken snel te maken dat ik wegkwam. Ik twijfelde of ik de onbekende man achter moest laten. Moest ik hem de genade van de dood schenken? Ik dacht aan de andere stemmen die uit zijn mond klonken en ik vermoedde dat hij niet zo alleen was als hij leek.

Buiten kleurde de lucht zalmroze door de ondergaande zon die de wolken van de onderkant aanscheen. Ik kreeg een unheimisch gevoel in de lege straten van Münster, alsof ergens iets of iemand op de loer lag, klaar om me te bespringen op het moment dat mijn waakzaamheid een moment verslapte.

Met mijn vingers op de fluxschakelaars haastte ik me de dode stad Münster uit. Op voldoende afstand beklom ik een heuveltje en draaide ik me om. In de schemering zag ik lianen als tentakels door de straten zwiepen en gebouwen binnendringen. Ik was net op tijd weer vertrokken.

Hij kende Andreas. En hij meldde dat Dresden de oorsprong was. En tabula rasa? Veel betere aanwijzingen zullen er waarschijnlijk niet komen.

 

#

 

De volgende ochtend at ik wat droge worst. Mijn voorraad eten nam snel af. Ik moest de komende dagen dus ook naar eten zoeken. Ik was her en der nog ongerepte natuur tegengekomen, daar had ik kans op bessen, bramen, appels of tamme kastanjes. Verhongeren zou ik niet, de vraag was of ik niet meer tijd kwijt zou zijn aan het fourageren dan aan het werken aan mijn doel.

Mijn trouwe voertuig sprong weer de lucht in zodra ik begon te trappen. Mijn weg lag vrijwel pal oostwaarts, over de Duitse laaglanden, richting Göttingen en daarna Leipzig en dan, over een dag of drie, Dresden zelf. Wat ervan over was, natuurlijk.

De herinnering aan de man in de muur, opgeslokt door de lianen, knaagde aan mijn gemoed. Ik vroeg me telkens af of ik hem niet toch had moeten helpen, in welke vorm dan ook. Ik twijfelde ook aan mijn vastberadenheid als het om het doden van een medemens ging, hoe slecht eraan toe ook. Dat was dan ook mijn dilemma. Hoe slecht was hij er werkelijk aan toe? Hij werd in leven gehouden. Anderen waarschijnlijk ook. Waarom? Het was een raadsel dat me bezighield terwijl de veranderde landschappen onder me voorbijtrokken.

Ik stak rivieren over die in series buiten hun oevers getreden waren en reeksen kleine meertjes hadden gecreëerd die op hun beurt weer over­woekerd werden door rood en paars riet. Ik vloog bij enkele laag over om de veranderingen aan flora en fauna goed te kunnen bestuderen. Bizarre loopvogels zo groot als een kleine personenauto waadden erdoorheen op telescopische steltpoten en spietsten met schietveren uit hun vleugels kronkelende aal-achtigen die ze vervolgens naar malende metalen snavels brachten die over hun hele lijf zaten. Bijna kwam ik te laag en dat leverde me een vlijmscherpe veer op, die met een klap in de bodem van mijn voertuig terechtkwam.

Een andere keer daalde een wolk libelachtige metalen insecten neer op de vleugels van mijn voertuig. Ik schrok, maar dacht dat ze geen kwaad in de zin hadden. Tot ik de eerste een hap uit de verf zag nemen en de rest, bijna honderd inmiddels, volledig synchroon dezelfde beweging maakte. Ik fluxte mijn voertuig en de nu dode wezens dwarrelden in een wolk van verstijfde vleugels naar beneden waar ze door een van de meertjes werden opgeslokt.

Het waren dit soort momenten dat de twijfel weer bij me opkwam. Ook al zou ik een oplossing vinden, als tabula rasa dat al was, wat zou het effect precies zijn? De op metaal gebaseerde nanomachines zouden stoppen? De fagen sterven? Maar hoe zat het met virussen? Biologische parasieten? Biologische nanomachines? Of was het een lapmiddel? Een manier om de ergste dreigingen voor de resten van de mensheid te verzwakken en ons de mogelijkheid te schenken ons aan te passen zodat we uiteindelijk ook weer de natuur naar onze hand konden zetten, zoals we eerder succesvol gedaan hadden?

Ongunstige wind en gepieker maakten me moe. Bijna miste ik de naderende zonsondergang. Vlak voor Göttingen vond ik gelukkig een open plek waar ik mijn voertuig liet landen. Er naderden donkere wolken en niet veel later begon het te druppelen. Ik fluxte de grond om me heen en trok snel een transparant zeil over het voertuig en over mezelf en maakte van binnenuit mijn bescherming vast met een stel haringen. Net op tijd voor het echt begon te stortregenen. Daarna ging ik maar weer in de stoel zitten omdat ik verwachtte dat de grond snel doordrenkt zou raken. Ik voelde me teleurgesteld omdat ik vanavond de sterren niet zou zien verschijnen.

 

#

 

Ergens was ik in slaap gevallen. Ik werd wakker van gekwetter en gefluit. Het was alweer licht. Ik keek om me heen en zag dat de grond inderdaad doorweekt was en alles was klam. Door een lek in het zeil was regenwater naar binnen gelopen en langs mijn rechterarm op de bodem van mijn voertuig gekomen, waar gelukkig afvoergaatjes zaten juist voor die gelegenheden. Ik hoopte maar dat de wielen niet vast zouden blijven zitten. Ik rekte me uit en zag nu dat de open plek niet langer open was.

Om mijn voertuig heen stonden tientallen bomen en boompjes, tot vlak bij het zeil dat over mezelf en het voertuig gespannen was. Blijkbaar waren ze er gedurende de nacht gegroeid. Of ze hadden zich naar me toe bewogen op een manier die ik niet kon verklaren. Gelukkig had ik me voorbereid.

Ik rolde het zeil op en borg het op terwijl de bomen nieuwsgierig bleven kwetteren en fluiten. Vervolgens klapte ik de vleugels in en rolde mijn voertuig tussen de stammen door tot ik een plek vond met voldoende open ruimte om op te stijgen. Met mijn fluxer liep ik over het pad dat ik wilde volgen tot ik bij een groene liaan kwam die over het pad lag. Een liaan met kleine gele bloemetjes.

Ik hield mijn adem in terwijl ik voorzichtig achteruit stapte. Ik hoopte maar dat het bij daglicht minder actief was. Snel vouwde ik de vleugels weer open, zette ze vast en stapte in. De aanblik van de man in de muur had me erger geschokt dan ik aanvankelijk dacht. Het idee van gegrepen te worden door een vergelijkbare entiteit liet me bibberen. De elektrische propellers zette ik meteen op vol vermogen en ik voegde mijn eigen spierkracht erbij, zo hard als ik kon met de pedalen.

Vlak voor de plek met de liaan trok ik mijn voertuig de lucht in. Onder me zag ik de liaan vergeefs omhoog zwiepen en net te kort komen om me te raken. Pas voorbij de eerste honderd meter stijging werd ik iets kalmer en het binnenvallende zonlicht hielp daarbij.

Ver onder me begon de stad Göttingen zelf. Het was een donkergroen gat geworden, vele tientallen tot honderden meters diep aan over­woekerde gebouwen die verzonken waren om wat voor reden dan ook. Ik zag ook de grote varianten van de liaan die ik eerder gezien had, meters­dikke stengels die alles verstikten, overdekt met dezelfde gele bloemen. De groene zee onder me leek te bewegen in een hypnotisch ritme, als de gelijkmatige ademhaling van een slapend mens. Ik trapte harder en stuurde mijn voertuig hoger, geholpen door een warme wind die uit het gat opsteeg. Hetzelfde unheimische gevoel dat ik in Münster had, voelde ik ook nu weer. Ik was blij de stad achter me te kunnen laten.

Tegen het middaguur begon de koorts. Eerst kwam de misselijkheid, gevolgd door rillingen door mijn lijf. Mijn spieren weigerden af en toe en mijn voertuig zweefde gezapig verder op het licht van de zon.

Ik voelde dat er iets goed mis was toen mijn rechterarm stijf werd en me niet meer gehoorzaamde. Mijn trui zat strak om het opgezwollen ledemaat. Op een verlaten, kale akker zette ik mijn voertuig aan de grond. Ik pakte mijn verbanddoos met mijn linkerhand vanachter mijn stoel en opende het doosje onhandig. Er zaten verschillende antibiotica in en een verbandschaar. Voorzichtig knipte ik mijn mouw los totdat mijn arm zichtbaar was.

Ik moest een paar keer slikken toen ik besefte dat het een faaginfectie was, een sluipmoordenaar die je overal kon oplopen, maar die met een fluxer kon worden verstoord als je er snel bij was. En ik droeg het al minstens een halve dag mee. Mijn huid was op plekken grijs geworden en er liepen geometrische patronen overheen alsof er een soort elek­tronische schakelingen werden gebouwd.

Is dit dan mijn einde? Woede. Het kan niet. Zo mag het niet eindigen! Alternatieven. Kan ik mijn arm amputeren? Maar hoe moet ik dan verder?

Ik rommelde in het doosje en bekeek een voor een de antibiotica die erin zaten. Geen ervan was geschikt voor fagen. Wat wel? Wacht… Ik pakte mijn fluxer en plaatste die op mijn arm. Meteen schoot een pijnscheut door mijn gehele lijf waardoor al mijn spieren verkrampten. Ik drukte af en de pijn verdween, tegelijk met de spierkrampen. Ik drukte nog een keer, hoewel ik wist dat ik niet alles te pakken zou krijgen. Toch bleef ik afdrukken, telkens op andere plekken op mijn lichaam, tot mijn batterij leeg was

Op dat moment kwam er een gedachte in me op: Tabula Rasa. Als ik dit wil overleven dan moet ik haast maken. Als het mijn hersenen bereikt of mijn hart aantast, dan is het over. In mijn hoofd maakte ik een schema om elke drie uur of zo vaak als nodig mijn fluxer te gebruiken.

Ik vloog verder tot ik tegen de avond weer misselijk begon te worden. Leipzig leek een dode stad die als brokkelige zwarte tanden uit het landschap oprees. Een verlaten zesbaans snelweg die langs de stad liep was een perfecte plek om te landen.

De grijze plekken op mijn arm waren verder uitgebreid en ik voelde de warmte op verschillende plekken in mijn lichaam waar de faag zijn werk deed. Ik fluxte mijn lichaam weer uitgebreid en voelde me meteen beter. Gelukkig was mijn batterij dankzij overvloedig zonlicht vandaag genoeg opgeladen.

Ik overwoog in het donker verder te vliegen, zoveel haast had ik, maar het licht van de sterren was niet voldoende om bij te navigeren. Bij daglicht waren mijn kaarten goed leesbaar en kon ik het landschap onder me nog wel identificeren om mijn plaats te bepalen. In het donker was dat onmogelijk.

Lopen was moeilijk. Ik voelde een onredelijke angst dat mijn benen ook aangetast waren, tot ik besefte dat ik net weer zes uur aan de trappers had gezeten en hard gewerkt had om mijn gedachten af te leiden. Ik had gewoon spierpijn van de lange, inspannende zit.

Ik at mijn laatste voedsel. De komende dagen zou ik honger hebben. Ik kon alleen maar hopen dat ik ergens oud vergeten blikvoedsel tegen­kwam of ik moest in het wild groeiend fruit zien te vinden. Op dat moment voelde ik me de eenzaamste vrouw op de wereld. Zelfs uitge­huwelijkt worden aan een van de Jacobsen leek even een aantrekkelijk alternatief. Heel even maar. Ik grinnikte even om mijn eigen aversie die sterker bleek dan mijn eenzaamheid. Toch, de situatie was redelijk uitzichtloos. Ik zette mijn klokje op drie uur en probeerde te slapen.

Het indringende gepiep leek vrijwel meteen af te gaan. Ik opende mijn ogen en zag dat het drie uur later was. Bijna moedeloos pakte ik de fluxer en bekeek mijn arm. Ik ging iets rechter zitten. Mijn arm was bijna vrij van de grijze patronen. Ik veegde met mijn andere hand over de laatste plekken die moeiteloos van mijn huid afvielen.

Heb ik de faag gedood? Euforie. Heeft het fluxen geholpen? Realisme. Nee, dat kan bijna niet. Twijfel. Muteert de faag nu? Verandert de strategie? Angst­zweet. Wat als ik onwel word terwijl ik vlieg? Acceptatie en schouderophalen. Een snelle dood is in ieder geval beter dan langzaam opgevreten worden. En altijd beter dan trouwen met een Jacobsen.

Ik zette mijn klokje weer.

 

#

 

De zon viel mijn voertuig binnen en wekte me. Even was ik gedes­oriën­teerd. Ik probeerde een lichte hoofdpijn weg te wrijven tot ik de zwarte ruïnes van Leipzig om me heen zag.

Mijn oog viel op mijn klokje dat anemisch knipperde. Verdraaid, batterij leeg. Angst. Is de faag teruggekomen? Controleer.

Ik bekeek mijn armen en benen, trok mijn trui uit en keek in mijn hemd, tussen mijn borsten. Niets, geen grijze patronen. Ik haalde diep adem.

Opgelucht trok ik mijn kleren weer aan, dronk wat water en startte het voertuig. Moeiteloos gleed ik van de snelweg over de rand en zweefde ik over de resten van Leipzig. De stad was dood, niets bewoog, verroeste autowrakken vertoonden ongeveer de enige kleur in het grauwe landschap.

Ik bewerkte de trappers met energie zoals ik die al dagen niet gevoeld had. Misschien zijn mijn spieren eindelijk aan het tempo gewend.

Een paar kilometer voorbij Leipzig begon een uitgestrekt bos dat nog daadwerkelijk op een bos leek, zoals ik het van plaatjes en uit boeken kende. Ik dacht aan het eilandje in de buurt van Hengelo met de symbiose die de flora en fauna daar waren aangegaan. Dat zou hier ook heel wel mogelijk zijn. Ik was er zelfs vrijwel zeker van.

Urenlang zweefde ik boven het geruststellende groen. Of het nu de aanwezigheid van een oude bekende was, het feit dat mijn spieren eindelijk eens geen pijn deden, de wetenschap dat ik een faag overleefd had of dat ik vlak bij Dresden was, ik voelde me opperbest.

̶  vraagstelling: Designatie? –

Wat is dat? Wie zegt dat?

̶  vraagstelling: Designatie? Naam? –

Ik voelde mijn hart overslaan en ik hapte naar adem. ‘Wie zei dat?’ zei ik nu, hardop. Ik keek om me heen door de plastic ruiten van het voertuig om te zien of er iets of iemand buiten was.

̶  antwoord: Designatie Wij, Ons. Zwerm voldoet –

‘Ik word gek. Of ik ben het al.’ Weer zei ik het hardop, deels om mezelf ervan te overtuigen dat er niets aan de hand was, deels om te testen of ik wakker was en nog aanwezig in de werkelijkheid.

̶  vraagstelling: Gek worden, uitleg? –

‘Hou nu op, dit is niet leuk meer.’ Ik voelde een brok in mijn keel en de angst die ik eerder voelde toen mijn arm zo was opgezwollen. Is dit nog een effect van de faag?

̶  antwoord: Zwerm is faag –

‘Dit is belachelijk. De faag is dood. Kom op Tanmee, de stress van de afgelopen dagen wordt je teveel, je hallucineert.’

̶ feit: Zwerm begreep aanvallen. Zwerm hergroepeerde. Designatie Tanmee –

Ik drukte mijn handen in mijn ogen. ‘Hou op! Hou op!’

Stilte.

‘Zwerm?’

Stilte.

Ik haalde diep adem. Opgelucht. Misschien hallucineerde ik inder­daad. Voor de zekerheid controleerde ik nogmaals mijn armen en mijn benen. Nergens een teken van infectie. Ik had wel pijn in mijn oog­kassen, waar­schijnlijk door mijn vuisten die ik erin geduwd had.

Onwillekeurig moest ik denken aan het gezicht tussen de lianen. Niet menselijk meer, hoewel met menselijke aspecten. Meer en minder dan menselijk. Maar wat is dan eigenlijk ‘mens’ zijn? Wat is menselijkheid?

Ik was normaal niet zo filosofisch ingesteld dus mijn wantrouwen keerde meteen terug.

Mijn aandacht werd afgeleid door het einde van het bos en het begin van een open vlakte. Aan de horizon tekenden zich de torens van een stad af. Dresden. Een eind aan dit alles. Een nieuw begin, hoe dat er ook uitziet. Als ik de laatste stukken van tabula rasa kan vinden.

Mijn trouwe voertuig daalde in een kalm tempo naar de noord­westkant van de stad waar ooit het vliegveld lag. Of dat er nu nog was of dat het overwoekerd was, wist ik niet. En als ik daar niet kon landen, dan op een van de vele wegen die ik op de kaart van de stad zag. De voornaamste reden dat ik er wilde landen was dat een van de Fraunhofer instituten die ik zocht er in de buurt was.

Het vliegveld was nog toegankelijk. Voorzichtig landde ik op het beton. Onder het half ingezakte dak van een hangar stonden nog enkele oude vliegtuigen, zakenjets voornamelijk, de verf gebladderd, de banden vergaan en de raampjes vergeeld en ondoorzichtig geworden door meer dan een eeuw gebrek aan onderhoud.

Ik was verbaasd hoe weinig er in Dresden eigenlijk ten prooi was gevallen aan nanomachines of fagen, terwijl Akrim en die Andreas beweerden dat de Wildering hier zijn oorsprong had.

Zou er nog eten in die vliegtuigen liggen? Het was een mogelijkheid. De vliegtuigen zagen er verder onaangeroerd uit en sommig vliegtuig­voedsel kon in principe oneindig mee. Had ik me laten vertellen.

Ik duwde een trolley met traptreden naar het eerste vliegtuig en probeerde de deur te openen. Het kreng zat op slot of de deur was na zoveel tijd vastgeroest. Ik draaide en trok zo hard ik kon en voelde uiteindelijk iets meegeven. Met een scheurend geluid opende ik de deur. De handel had ik los in mijn handen, het metaal verwrongen en afgebroken.

Een doodse walm verliet het vliegtuig en ik kuchte een paar keer stevig. Het registreerde dat ik de deur had open gewrongen. Het drong alleen niet meteen door hoeveel kracht dat eigenlijk kostte. De mogelijkheid dat er eten lag overheerste mijn gedachten.

Ik bukte en stapte door de lage deur het vliegtuig in. Een dunne laag stof lag over alles. Ik herkende het als stof, geen restanten fagen of nanomachines. Via het gangpad kwam ik achterin in een kleine kombuis. Ik haalde de kasten overhoop en vond uiteindelijk een paar blikken waarvan de etiketten vergaan waren. Daarnaast dozenvol plastic zakjes met verschrompelde cashewnoten. Ik opende er een en proefde voor­zichtig. Hard, uitgedroogd, maar de smaak was er nog en ze waren niet bedorven. Ik slikte een mondvol weg met een paar slokken water. Godenvoedsel.

Ik leegde de dozen in mijn tas en deed de blikken erbij. Ik kon op onderzoek uitgaan in de stad. Ik legde mijn tas in mijn voertuig en nam enkel een mes en een fluxer mee, een fles water en een paar zakjes cashewnoten. Ik liep het vliegveld over in de richting van de dichtst­bijzijnde wijk. Terwijl ik de gebouwen bestudeerde veranderde mijn blikveld eerst naar een roodachtig beeld, vervolgens naar blauw, daarna werd alles zo helder en scherp dat ik even wankelde. ‘Ho, wat is hier aan de hand?’ Zijn die noten verkeerd gevallen?

̶  feit: Optimalisatie visuele waarneming voltooid –

Wacht, het is er nog steeds. Was het dan toch geen hallucinatie? De gedachte alleen bezorgde me koude rillingen.

̶  vraagstelling: Tanmee processtructuur. Waarschijnlijkheid hoger dan tiendimensionaal negentig procent zeker. –

De vraag overviel me. Enerzijds wist ik nu bijna zeker dat er ‘iets’ in me zat en daardoor raakte ik in paniek. Anderzijds overlegde ik met dat ‘iets’ en dat kalmeerde me weer. Iets. Niet veel. Processtructuur. Hersenen? Ik overwoog slechts enkele ogenblikken mijn antwoord, zonder te weten of mijn gedachten afgeluisterd konden worden. ‘Feit: Ik ben een God in het diepst van mijn gedachten.’

Het bleef stil. Angstvallig stil.

Ik haalde voorzichtig mijn schouders op, ook al voelde ik me veel minder zeker dan ik me voordeed. Ik liep via de toegangsweg het vlieg­veld af. De straten van Dresden waren een mengsel van hele oude bouw­stijlen, begin twintigste eeuw, afgewisseld met moderne en hyper­moderne gebouwen. Nu waren ze allemaal even smerig, bedekt met mos en wingerd en hier en daar overwoekerd.

Metalige flitsen van af- en aanvliegende insecten waren zichtbaar tussen het groen op de gebouwen.

Vanuit de schaduwen liep ik een open plein op, het zonlicht in. Op dat moment zag het eruit alsof ik een groene vallei binnenstapte, vol van leven en hoop. Zelfs de lucht rook fris, vers, alsof de dag net begonnen was.

Volgens mijn kaart lag het Fraunhofer instituut dat ik zocht een paar straten voorbij het plein. Ik zag een pad door de begroeiing, nam mijn fluxer stevig ter hand en begon te lopen.

Nog geen zes passen verder stopten mijn voeten. Letterlijk.

–Waarschuwing: Vijandige levensvorm gedetecteerd. Halt nood­zakelijk.–

Wat is dit nu weer? Nu voelde ik daadwerkelijk angst. Als de faag mijn lichaam kon tegenhouden, hoe kon ik dan nog weten of ik mezelf wel was?

̶  Opmerking: Speculatie. Zwerm bedoeling goed. –

‘Je leest mijn gedachten. Je bestuurt mijn lichaam. Hoe kan ik je, jullie, ooit vertrouwen?’

Op dat moment brak het plein open en verscheen een nachtmerrie­muil, groen en rood, gevuld met oneindige rijen witte tanden, die vruchteloos een paar keer op elkaar klapte  voor hij weer in het plein wegzonk.

‘Goed,’ zei ik. Ik slikte een paar keer. ‘Het is een begin.’ Ik probeerde een stap achteruit te doen. Dat lukte zonder problemen. ‘Een andere weg dan maar.’

Voorzichtig liep ik om het idyllische plein heen. Ik had ook beter moeten weten. Schoonheid in deze wereld verborg zoals zo vaak een dodelijk gevaar.

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

‘Luister, Zwerm, ik weet niet wat je bent en waarom je in me zit. Ik heb nooit eerder van een geval als dit gehoord. Ik ben in de war, boos, verdrietig, angstig en nog veel meer en ik heb zeker geen zin domme vragen te beantwoorden.’

̶  vraagstelling: Definitie schoonheid –

Ik zuchtte. Vasthoudend kreng. ‘Wat ik mooi vind. Wat mijn zicht en gevoel me vertellen dat mooi is.’

̶  feit: Zwerm kent geen concept schoonheid –

‘Jammer voor jullie. En dat meen ik echt.’

̶  feit: Zwerm leert van Tanmee –

Ik lachte kort. ‘Humor. Hou er nu maar over op, ik wil me concen­treren op de straten.’

 

#

 

Het instituut lag een paar kilometer verderop. De straten van Dresden waren merkwaardig leeg, op klimplanten en smerige aanslag op ooit witte gebouwen na. Er stonden geen autowrakken en er lagen geen hopen afval, alsof de stad na de Wildering nog een tijdje was doorgegaan, autonoom, met het verwijderen van auto’s uit de stad en het opruimen van het vuilnis.

Het gebouw dat ik zocht was overwoekerd door verschillende soorten wingerd. De ramen op de onderste verdiepingen waren allemaal in scherven, de ramen in hogere verdiepingen waren gebarsten, maar verder intact en bedekt met een dikke laag mos en algen.

‘Binnenkomen is geen probleem.’ Ik merkte dat ik hardop in mezelf was gaan praten. Ik vermoedde dat de aanwezigheid van Zwerm daar iets mee te maken had. ‘Als andere mensen me nu zien denken ze dat ik knettergek ben.’ Ach, wat maakte het ook uit. Als ik de modules van Akrim kon vinden was dat allemaal voorbij. ‘Maar waar verstop je een project dat van levensbelang is voor de hele wereld?’

Ik vond aan de zuidkant een toegang waarmee ik in de kelder van het gebouw terechtkwam. Ergens in het verleden was een rioolpijp gebroken of geknapt. De resten waren verrot tot een dikke laag pulp waarop in de vochtige atmosfeer paddenstoelen en zwammen waren gaan groeien. Ik fluxte regelmatig, bedacht op beweging en onbekende patronen.

Vanuit de kelder kon ik via een trappenhuis op de volgende ver­diepingen komen. De benedenverdieping was via de ramen over­woekerd door de wingerd. Ik kon moeilijk schatten wat het doel van deze etage ooit geweest was, maar ik vermoedde receptie en administratie. Het interessante spul bevond zich waarschijnlijk op de volgende etages.

Op verschillende deuren en ramen van laboratoria stonden biohazard tekens.  Ik kon me bijna niet voorstellen dat er nog gevaarlijker virussen en biodreigingen waren dan ik buiten kon tegenkomen.

Ik werd een beetje moedeloos van de eindeloze gangen in het gebouw met aan weerszijden dozijnen deuren.

‘Denk na, Tanmee. Je bent onderzoeker, je bouwt ultrageavanceerde, dure technologie die samenwerkt met technologie van andere instituten om een ‘oplossing’ te creëren. Het overleven van de mensheid hangt af van je slagen. Dus je hebt de grootste afdeling met de meeste apparatuur die allemaal is gericht op het uitvinden van de perfecte module, waar je samenwerkt met dozijnen collega’s. En een manager of directeur om de boel aan te sturen. Die een kantoor in de buurt heeft. Met waarschijnlijk een plek om de onschatbaar waardevolle resultaten op te bergen.’

Ik liep meer dan een uur door de gangen tot ik bij een trap naar boven kwam waar iets raars mee was. Een soort toegangssluis en een met glazen wanden en vloeren afgesloten trappenhuis. De toegangssluis was dicht. Erboven stond een enkel teken dat ik meteen herkende. Een hoofdletter H met een pijltje erboven. Magnetische veldsterkte. Oersted. Een fluxer, een hele grote.

Ik drukte op de grote gele knop die in de deurstijl zat. Er gebeurde, geheel naar verwachting, niets.

‘Dan maar met geweld.’ Ik trok mijn mes uit mijn jas en duwde die in de minuscule gleuf tussen de deurhelften. Ik zette mijn voet tegen de deurstijl en duwde, hard. De deur gaf niet mee. Nog harder. Ik voelde beweging en viel vrijwel meteen op de grond, het heft in mijn hand. Afgebroken. Ik zoog op de snee in mijn rechterhand waar ik langs het afgebroken lemmet was gevallen. De deur was wel een halve centimeter verschoven.

‘Verdomme.’ Ik schopte tegen de deur wat natuurlijk geen effect had. ‘Rustig aan, denk na voor je jezelf weer verwondt.’ Ik opende nog maar een zakje cashewnoten die ik met water wegspoelde. ‘Brand. Een bijl.’ Ik was onderweg een paar brandkasten tegengekomen, maar had ze niet geopend. Even later stond ik een verdieping lager bij een rode kast die slechts hier en daar wat roestplekken vertoonde. Het eenvoudige sluit­mechanisme opende direct en naast een halfvergane rubberslang hing er inderdaad een bijl, danig verroest, maar waarschijnlijk nog bruikbaar.

Met hernieuwde energie ging ik de deur te lijf. Een kwartier later werd ik moedeloos. Na alle bijlslagen had ik de deur misschien een centimeter verder open gekregen. Boos sloeg ik tegen een van de ramen, maar daar kwam geen krasje op. ‘Shit, waar zijn die dommekrachten van Jacobsen wanneer je ze nodig hebt!’ Ik smeet de bijl opzij, ging op de grond zitten en greep de kier met mijn vingers beet. Ik zette mijn beide voeten tegen de deurstijl en zette me schrap. Mijn spieren kraakten en protesteerden. ‘Urgh, geef me kracht!’

̶  feit: Zwerm kan helpen. –

Ik voelde kracht mijn armen, benen en rug instromen en langzaam begonnen de deuren naar binnen te schuiven tot er genoeg ruimte was om mijn lichaam erdoorheen te wurmen.

Ik stond op. Je bent gewond, wees verstandig, denk om jezelf. Ik keek naar mijn hand die onder het bloed zat. Met een doekje veegde ik het inmiddels gedroogde bloed weg, bedacht op pijnlijke steken uit de wond. Mijn huid was ongeschonden. Een heel licht lijntje bevond zich nog waar de snee net zat. ‘Goed, dat is best indrukwekkend.’ Ik voelde me ineens ongemakkelijk dat ik Zwerm zou elimineren als ik de laatste modules vond.

‘Onzin, Tanmee. Denk aan de wereld. Het hogere doel. Red de mensheid.’

Ik drukte mijn lichaam door de opening. Aan de andere kant lagen enkele skeletten met nog gemummificeerde resten vlees aan hun lede­maten. De binnenkant van de deur zat vol krassen, alsof ze geprobeerd hadden hem met hun handen te openen. Ik besefte ineens dat dit wel eens de onderzoekers konden zijn geweest, opgesloten in hun lab zodra de stroom uitviel.

Ik schoof de botten opzij en liep de trappen op. De bovenste verdieping was inderdaad een groot lab, vol met apparatuur. De sfeer was doods, leeg, de machines verstild zonder stroom, de tanks met vloeistoffen opge­droogd, geen enkel biologisch of mechanisch leven was hier doorge­drongen, zo goed was deze verdieping beveiligd.

Aan de uiterste noordkant was een afgesloten ruimte. Zonlicht stroomde naar binnen door ramen die nauwelijks waren aangetast door algen en mos. Een bordje naast de deur vertelde me dat Herr Direktor Prof. Schliessinger hier ooit audiëntie verleende.

De deur was niet op slot. Binnen stond een groot bureau met een leren bureaustoel met daarin een skelet in een net maatpak. De schedel keek omhoog, een net, rond gaatje in het voorhoofd. Ik liep om de tafel heen en zag een oud pistool naast de gevallen hand van het skelet liggen.

Het kantoor was verder leeg. Geen kasten of manden of kisten of andere manieren om kostbaarheden op te bergen. Enkel ramen en een blanco muur van een donkere marmer- of granietsoort. Blanco. Tabula Rasa. Ik bekeek de muur aandachtig en liep een paar keer heen en weer.

Terwijl ik liep ervoer ik weer het verschuiven van mijn blik naar rood en blauw. Ineens zag ik in de hoek een vorm, een soort pilaar, kunstig weggewerkt in de muur. Nieuwsgierig liep ik ernaar toe. Er zat inderdaad iets, perfect weggewerkt, onzichtbaar tenzij je wist waar je moest zoeken. Toch had ik het gezien. Ik drukte ertegen en met een klik begon de pilaar te bewegen tot hij vijfentwintig centimeter was uitge­schoven. Mijn hart klopte sneller en mijn adem stokte toen ik twee bekende vormen in de vrijgekomen holte naast elkaar zag liggen. ‘De modules.’ Een loden last leek van mijn schouders te vallen. Ik lachte, daar in het zonlicht, om de modules die ik had gevonden, om het levens­werk van Akrim dat nu bijna klaar was, om de toekomst van de mensheid en die van mezelf in een wereld die vrij, of vrijer, zou zijn van de nanobedreigingen en semibiologische fagen die ons bestaan dagelijks bedreigden. Er bleef genoeg over, dat zeker, maar het evenwicht kon hersteld worden en wie weet, daarna ooit weer de menselijke beschaving.

Ik nam de twee modules in mijn handen. Ze waren geruststellend zwaar, vol van potentie en belofte. Ik stopte ze in mijn jaszakken en begon aan de weg terug naar mijn voertuig, waar ik mijn spullen had achtergelaten, door het lab, door de lange gangen van het instituut, de straten van Dresden in.

Als ik doorliep kon ik nog voor zonsondergang bij mijn voertuig zijn en de modules koppelen. Geen tijd te verliezen.

 

#

 

Ik liep voorbij een stel flats, type voormalige Oost-Duitse woonkazerne. Zodra ik aan de noordkant de hoek omsloeg richting het vliegveld, werd mijn weg versperd door gigantische elfenbanken die uit het gebouw groeiden. Bijna voortdurend viel een fijne stofnevel eruit naar beneden.

Een windvlaag blies de nevel mijn kant op en ik voelde kleine prikjes op mijn blote armen. Terwijl ik toekeek zag ik de huid, waar ik de prikjes voelde, opzwellen en er verscheen binnen seconden, nog voor ik de fluxer kon gebruiken, een donker pitje onder.

‘Sporen, verdomme,’ vloekte ik. Extreem snelle ook nog. Dit was het dan, Tanmee. Fagen en sporen, een fijne combinatie. Net nu ik de modules heb.

̶  feit: Indringer gedetecteerd. Activeer verdediging –

‘Ja, lekker, hoe dan?’ Er kwam geen antwoord. Wel nam de jeuk op mijn armen bijna direct af en de zwarte puntjes werden rood en daarna weer het lichtbruin van mijn huid. Het enige dat achterbleef was warmte.

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Zwermintegratie voltooid. –

Ik duwde de fluxer op mijn huid en wilde afdrukken, maar de stem van Zwerm onderbrak me.

̶  feit: Gevaar geweken. Verzoek: Fluxer niet gebruiken. Verzwakt Zwerm. –

‘Dat voelt tegennatuurlijk.’

̶  feit: Immuunsysteem versterkt. Fluxer niet nodig. –

‘Is er ook iets dat je niet kunt, Zwerm?’

Stilte.

Ik liep met een ruimte boog om de elfenbanken heen en zocht mijn weg terug naar het vliegveld, nog vastberadener dan voorheen een eind te maken aan de onzichtbare bedreigingen voor de mensheid. Als de indringer die in me zit dat toelaat. Daar twijfel ik nog over.

Met mijn fluxer in de aanslag liep ik verder, me nu terdege bewust van het gevaar in deze straten. De loden last was weer terug op mijn schouders. Wat als ik nu strandde, in het zicht van de haven? Die sporen zojuist waren dodelijk. Om elke hoek, onder elke steen, achter elke muur wachtte gevaar, het onverwachte. De Aarde was een dodelijke plek geworden, gemuteerd tot iets dat voor onze voorouders onherkenbaar en waarschijnlijk afschuwwekkend was.

Ik haalde een paar keer opgelucht adem toen ik de open ruimte van het vliegveld opliep. Mijn voertuigje stond netjes op de plek waar ik het achtergelaten had. Op het eind begon ik bijna te rennen. Mijn maag en buik zaten vol vlinders bij de gedachte dat het moment van bevrijding nu naderde.

 

#

 

In het licht van de ondergaande zon trok ik mijn tas uit het voertuig. Ik spande fluxlijnen en voerde mijn gebruikelijke rituelen uit om mezelf te beveiligen. Ik had geen idee hoe lang de modules nodig hadden om te activeren en of alles wel zou werken. Dan was ik liever op het ergste voorbereid.

Met haastige vingers drukte ik de modules in de daarvoor bestemde gaten van de kern. Met langzame eerbied klikte ik de laatste module op zijn plek en legde de voltooide puzzel voor me op het asfalt van de landingsbaan.

Langzaam opende een metalen iris zich bovenin de kern. Eronder lag een enkele, roodpulserende knop. Ik liet mijn rechterwijsvinger boven het oppervlak zweven, bedacht op tekenen dat mijn actie gestopt zou worden. Ergens betrapte ik mezelf dat ik erop wachtte.

‘Laatste woorden, Zwerm?’ Dat is het minste dat ik voor hem, het, hen, wat dan ook, kan doen.

̶  observatie: Zwerm weet niet wat Tanmee bedoelt. –

‘Wanneer mensen voelen of weten dat ze gaan sterven, spreken ze laatste woorden uit. Soms mooie of treffende woorden om de stervende persoon mee te gedenken.’

̶  observatie: Mensen zijn complexe wezens. God in het diepst van hun gedachten.–

‘En dat weet je omdat je mij hebt meegemaakt?’

̶  feit: Zwerm heeft informatie uit begintijd. Zwerm heeft jaren gewacht op gastheer. Gastvrouw.–

‘En ik  kwam toevallig voorbij.’

̶  vraagstelling: Maken goden niet hun eigen lot?–

‘Filosofische vragen terwijl ik om laatste woorden vraag.’ Ik liet mijn vinger dichter naar de roodgloeiende knop dalen.

̶  feit: Mensen kennen laatste wens, naast laatste woorden.–

Ik knikte. ‘Heb je een laatste wens?’

̶  verzoek: Zwerm wil schoonheid kennen. En gevoel.–

‘Denk je dat ik je dat kan leren dan?’

̶  feit: Goden kunnen dat.–

Ik vouwde mijn armen voor mijn buik en keek omhoog naar de eerste sterren die tevoorschijn kwamen nu de zon achter de horizon begon te verdwijnen. Ik dacht aan Akrim, aan zijn dromen en aan zijn leven, gewijd aan het vinden van een oplossing voor het dilemma van de mensheid.

‘Fijne god heb je uitgekozen om je dat te leren. Je hebt me geholpen, behoed voor gevaar, mijn leven gered. Meerdere keren ook nog. En ik heb geprobeerd je dood te fluxen.’

̶ feit: Flux verzwakt. Zwerm wil bestaan beschermen. Begrip voor Tanmee. Zwerm accepteert beslissingen. –

‘Zwerm heeft een doel gevonden.’ Ik wreef met mijn handen in mijn ogen en keek omhoog waar de hemel zwart begon te worden en steeds meer lichtpuntjes tevoorschijn kwamen. Langzaam vormde zich een idee in mijn hoofd, een zorgvuldig afwegen van de voors en tegens van het gebruik van Akrims oplossing. Voorzichtig koppelde ik de laatste module los en de iris sloot zich weer. Ik haalde alle modules los en borg ze weer op in mijn tas.

‘Ik ga je helpen je doel te verwezenlijken, Zwerm. Ik weet nog niet hoe, dat zullen we moeten uitvinden. Intussen bescherm jij mij. Misschien kunnen we je verspreiden onder andere mensen en dan kunnen we die ook beschermen.’

̶  vraagstelling: Tanmee stelt symbiose voor?–

‘Zo kun je het noemen.’ Ik knikte langzaam en haalde diep adem. Ik was vernieuwd en verbeterd. Ik zou in Akrims voetsporen volgen en proberen mijn medemensen, voor zover die er nog waren, te onder­wijzen en te helpen met de Zwermsymbiose, een mogelijkheid fluxloos door het leven te gaan en de aarde opnieuw te bevolken.

 

#

 

Voor het eerst sinds lange tijd kijk ik naar de lichtpuntjes boven me en droom over reizen naar planeten, ver de ruimte in.

Zoals Akrim dat ook ooit deed.

Alleen geef ik de sterren niet op.

Vergeten getallen in een ver verleden : Jorrit de Klerk

Zelfs in het kantoor van de directeur, op de hoogste etage, voelde ik het klagende getril van de Machine diep onder het gebouw; een disharmonie van vibraties waarmee de tijd leek te benadrukken dat ons gemanipuleer niet op prijs gesteld werd.

‘Agent Eén,’ zei de directeur, ‘is verdwenen.’

Een onwillekeurige herinnering aan Eén. Hoe hij dicht tegen me aankroop na het bedrijven van de liefde, in een appartement in Sydney dat uitkeek over de baai. Regen in het water en in de verte de eeuwen­oude opera, een betonnen reliek uit vervlogen tijden.

‘Agent Twee?’

Ik schrok op. De directeur schoof over het bureau een dossier naar me toe. Ik activeerde het en Eén keek me vanaf een oude foto aan.

‘Hij is zeven uur geleden op missie gegaan. We…’ De directeur pauzeerde en leek naar woorden te zoeken. ‘We zijn een wereldoorlog ingesprongen.’

Ik huiverde.

‘D-day,’ vervolgde ze, ‘het omslagpunt van de Tweede Wereldoorlog; de geallieerde invasie in voormalig Frankrijk. In een gebied dat bekend stond als Normandië.’

Ik scrolde door het dossier. Grafieken, kansberekeningen, tijdknoop­punten en sprongmomenten. Mogelijkheden en onmogelijkheden. Mijn ogen werden vochtig bij de gedachte aan Eén, verdwenen. De pixels op het scherm versmolten tot vegen.

‘Ik dacht dat als we ooit een knooppunt in één van de oorlogen zouden vinden, we er ver vandaan zouden blijven.’ Mijn stem sloeg over en de directeur fronste.

‘Laten we er niet omheen draaien. Ja. Er is iets misgegaan en de historische dienst is druk in het archief op zoek naar gevolgen.’ Ze zuchtte, omdat ze net als ik wist dat als het allemaal nog langer duurde er vragen kwamen, dat aandeelhouders die het niet konden begrijpen meer wilden weten. De directeur vouwde haar handen. ‘Het spijt me, Twee, dat je niets wist. Eén vond het belangrijk om jou… Wij weten niet goed waarom hij jou erbuiten wilde houden. Misschien… Het was de eerste maal dat we een sprong naar één van de grote oorlogen konden maken en we veronderstelden dat we alle risico’s hadden beschouwd.’

Ik dacht aan de afgelopen maanden. Het was alsof een puzzel van herinneringen bijna in elkaar schoof. Eén geconcentreerd starend naar zijn scherm, calculerend, op dat terras in Barcelona. Dat laatste verwar­rende weekeinde in Amsterdam. Alle nachten die hij bleef door­werken, zijn obsessie en de zoektocht naar de ontbrekende variabele, het waarom van de knooppunten in de tijd. De oplossing. En nu had hij iets gevonden. In 1944.

En mij had hij buitengesloten. Uiteindelijk.

Mij.

De directeur zei: ‘Voor de duidelijkheid: we hadden het volste vertrouwen in Eén maar we kunnen niet uitsluiten dat hij iets… onverwachts heeft uitgevoerd. In heeft willen grijpen in de oorzaken en gevolgen. Wie weet? Wie wil niet Hitler vermoorden als hij de kans heeft? De tijdlijn op het spel zetten…’

Ik deactiveerde het dossier. Wat had Eén ontdekt in 1944? Waarom had hij mij verlaten?

‘Als we over een uur nog niets weten,’ zei de directeur, ‘verlaat je het nu en sturen we je naar een later sprongmoment van het knooppunt. Plaatsbepaling wil je naar het twintigste priemmoment laten gaan. Naar 2015. Veilige afstand. Eerste verkenning voor lokale inventarisatie.’

‘En als ik niets kan vinden in 2015?’

‘Fout, Twee. Je moet iets vinden.’

 

Bij de historische dienst liepen operateurs, historici en tijdlijnanalisten snel en gefocust van bureau naar bureau. Ik keek naar de reusachtige projecties op de wand, van de Franse kust zoals die midden twintigste eeuw was, ver voor de vloed.

‘Hallo, Twee.’

‘Hoofd-operateur. Ik heb begrepen dat je een upload voor me hebt.’

De man gebaarde naar een grote stoel. Ik ging zitten.

‘Dus Eén is de Tweede Wereldoorlog ingesprongen?’ vroeg ik.

De hoofd-operateur rommelde in de kast naast de stoel en ontweek mijn blik.

‘Het was geheim, Twee. Hij wilde niet dat jij iets wist.’

‘Ik had hem tegen kunnen houden. Nu is hij misschien dood.’

‘Daar hebben we geen bewijs van.’

Ik greep zijn arm.

‘Ik heb het dossier gezien. Eén is gesprongen. Als soldaat. Het knooppunt in 1944 was precies op het strand. Tijdens de geallieerde landing! Hoe kon Eén ooit zo’n risico nemen?’

De hoofd-operateur haalde zijn schouders op.

‘Twee, ik weet het niet. Laten we de upload starten. Ik heb hier kennis over de periodes, vanaf het door Eén berekende knooppunt en de verschillende priems erna. Tot en met jouw geplande sprong naar 2015. Misschien helpt het je.’ Hij reikte me de hoofdband aan. De elektroden voelden koud op mijn voorhoofd. De hoofd-operateur ging zitten, trok een beeldscherm en toetsenbord naar zich toe en begon commando’s in te voeren.

 

Sommige mensen schenen nergens last van te hebben na een upload. Ik had het gevoel dat een bom was ontploft en de scherven door mijn schedel prikten. Mijn brein verzette zich tegen de nieuwe kennis die door mijn hoofd krioelde als een virus. Ik besefte dat ik in het Frans zat te denken, een taal waarvan ik een half uur eerder nog geen woord kende.

‘Gaat het?’

De hoofd-operateur hield me een glas water voor. Na een volgende golf van misselijkheid schudde ik mijn hoofd.

‘Je moet er niet zo tegen vechten.’

Hij klopte op mijn schouder en verdween weer in de opwinding van de afdeling. Met mijn hoofd op het zachte stoelkussen staarde ik naar het felle licht aan het plafond. Wervelwinden van geïmplanteerde herinne­ringen joegen door mijn hoofd. Ik zocht naar iets vertrouwds. Iets echts. De puzzel. Herinneringen aan Eén.

Onze laatste, moeizame dag in Amsterdam.

Nee.

Eén zittend op dat terras in Barcelona. Een chique zaak, waar je nog door echte mensen werd bediend.

‘Hoe oud ben je?’ had hij gevraagd terwijl hij, zoals altijd, zat te rekenen op zijn scherm. Ik dacht na maar kon het antwoord niet geven. Hoeveel decennia was het geleden?

Door de barrières van de tijd zocht ik naar beelden uit mijn kinderjaren. Ik zag stof dwarrelen in de lichtbundels die door mijn slaapkamerraam schenen. In de verte hoorde ik mijn moeders stem.

‘Wat maakt het uit hoe oud ik ben? Wat maakt dat nog uit tegen­woordig?’

‘Niets,’ antwoordde Eén, de blik op zijn scherm alsof hij nog iets wilde invoeren. Maar hij nam zijn laatste slok cappuccino, zette zijn kopje neer en staarde door het restaurant en de witte ruis van de aanwezigen. Ik volgde de serveerster, in zwart en wit gekleed, die zwierend met een rood dienblad, gekrast door duizenden andere cappuccino’s, op haar lange benen tussen de tafels van het terras leek door te dansen.

‘Of alles,’ zei hij en bestudeerde de serveerster ook. ‘Vind je haar aantrekkelijk?’

Ik haalde mijn schouders op en wees naar het scherm. Ik vroeg: ‘Ben je weer aan het rekenen?’

‘Ja.’ Achteloos veegde hij formules aan de kant.

‘Wat zoek je?’

‘De missende variabele. De oplossing.’

Ik legde mijn hand op zijn been, gleed langzaam hoger en zocht zijn blik.

‘De oplossing van wat?’

Hij keek me aan.

‘De oorsprong van de knooppunten. Waarom kunnen we alleen springen naar specifieke momenten en niet naar de momenten die we zelf bepalen? Wat is het geheim van de tijd?’

‘En heb je al een idee?’

‘Misschien.’ Hij legde zijn hand op de mijne. ‘Maar je ontweek mijn vraag. Ben jij gelukkig?’

‘Hou op,’ zei ik en trok mijn hand weg, ‘wat een achterlijke vraag. Wie is er nou ongelukkig tegenwoordig? Ben je zenuwachtig voor onze volgende sprong?’

Ik nam mijn laatste slok en zette het kopje neer. Hard. Koffie spetterde over de tafel, een druppel kwam op het scherm van Eén terecht. Aan een ander tafeltje werd afkeurend opgekeken.

 

Een hand op mijn schouder verdampte de herinnering. De hoofd-operateur stond over me heen gebogen.

‘De directeur wil dat je gaat. Je gaat springen naar het strand van Saint-Aubin-sur-Mer. Zaterdag 6 juni 2015, rond het middaguur. Op dezelfde plek waar soldaat eerste klasse Henry Cooper verdwenen is, 71 jaar eerder.’

Henry Cooper. De naam waaronder Eén was gesprongen.

De hoofd-operateur gaf me een ouderwets horloge. Ik staarde naar wijzers die een verkeerde tijd aangaven.

‘Test de DNA-identificatie van je springer even, alsjeblieft.’

Ik draaide aan de rand van de wijzerplaat. Linksom, rechtsom. De man keek op zijn scherm, knikte en daarna volgde ik hem de lift in die naar de kelder van het gebouw en de Machine leidde.

 

‘Wie bent u?’

Ik nam een stap naar voren, knipperend tegen fel zonlicht na het zwart van de Machine en de sprong. Een overweldigende geur hing om me heen, warme zomerlucht verzadigd met aroma’s van zout en vis. Mijn handen vonden een lauw aanvoelend stuk steen, een balustrade. Ik zag strand. De wind suisde door mijn haren. Mijn blik gleed over de horizon en een blauwe zee; de bron van de bijna tastbare geur. Met moeite wist ik op de been te blijven, mijn kin nog vlakbij de balustrade, witte aders marmer­den het zwart, als bleke bloedvaten. Links zag ik wapperende vlaggen van de oude, verdronken naties. Rechts: kleurige objecten waar verbazing­wekkende kleine mensjes op zaten en klommen. Langzaam raakten mijn ogen gewend aan de zon. Toen besefte ik me pas dat het kinderen waren. Zoveel kinderen! Een meisje staarde me boos aan. In de ene hand hield ze een bruine knuffelbeer, in de andere een ijsje waar ze een lik van nam.

‘U mag niet in de speeltuin komen. U bent een groot mens en grote mensen mogen niet in de speeltuin. Alleen kinderen.’ Ze hield haar knuffelbeer omhoog. ‘En Fluffy. Waar komt u vandaan? Zonet was u hier nog niet en nu wel. Bent u een spook?’

‘Nee… ik… wat…’ stamelde ik. Ik besefte dat ik geen Frans sprak terwijl het kleine meisje dat wel deed. Ik vervolgde in haar taal: ‘Niets aan de hand, ik…’

Een gezette man kwam woest op me af, met de verbeten uitdrukking van iemand die geen macht heeft maar het wel wil hebben. Strakke lippen, een T-shirt nog strakker gespannen over de dikke buik, waardoor de schaars geklede vrouw, die op het stof geprint was, akelig vervormde. Een te stevige hand pakte me bij mijn schouder. Zweetlucht walmde om me heen.

‘Deze speeltuin is alleen voor kinderen.’

‘Ja, ja,’ stamelde ik, proberend een uitweg te zoeken uit een groeiend aantal boze ouders. Kleding, kapsels, gezichten, houdingen, hopeloos ouderwets en vreemd. Ik voelde me de indringer die ik was en merkte hoe ik de controle verloor. Snel schakelde ik over naar een andere taal, in de hoop de mensen een rad voor ogen te draaien.

‘Ik ben een toerist, ik zoek… ik zoek…’

‘Misschien moeten we de gendarme maar gaan zoeken?’

‘Wacht even!’ riep iemand die uit de menigte opdook. Ze was slank. Donker haar, kastanjebruine ogen die me herinnerden aan… Aan wat eigenlijk? Zachte handen die me bij mijn pols grepen.

‘Het is mijn oom,’ hoorde ik haar zeggen, maar ik bleef nog staren naar die ogen, en mijn gedachten zochten, zoals je een woord zoekt, dat je weet dat je zou moeten weten, omdat je het geleerd of geüpload hebt, maar het net niet terug kan halen.

‘Ja,’ antwoordde ik automatisch.

‘Hij is bij ons op bezoek.’ Ze staarde naar de nors kijkende mensen, ongeruste ouders en opgewonden kinderen. ‘Hij komt uit het buitenland,’ zei ze, alsof daarmee alles duidelijk was, en uit het geknik om ons heen leek dat ook zo. De dikke man bekeek het fronsend, maar ze trok al aan mijn hand en leidde me de massa uit. Als een ijsbreker van zekerheid sneed ze eenvoudig door de kille nieuwsgierigheid. We liepen verder, over de warme boulevard, en ik keek nog één keer achterom.

‘Maar…’ begon ik.

‘Stil,’ zei ze, ‘snel. Sneller.’

Rue de L’école. Bar Tabac. Een groen, knipperend kruis van neon aan een muur, een donkere kat, blazend, hard wegrennend. Sneller. Knisperend grind, een deur, de geur van eeuwen, duisternis. Een klik. Gloeilamp.

 

Ik staarde naar haar, hoe ze met een bepaalde gratie haar haar in een staartje deed met een wit bandje. Hoe ze nog even door het raam van de kamer naar buiten keek, waar de boulevard moest zijn, om daarna twee glazen van een plank te pakken en er wijn uit een groene fles in schonk.

‘Ik dacht dat je niet meer kwam,’ zei ze. ‘Ik had al drie uur gewacht en begon te twijfelen.’

Ze schoof het glas naar me toe, nam een grote slok voor ze ging zitten. Ik volgde haar beweging, haar bruine benen, haar voeten met donker gelakte teennagels, in lichte slippers. Ze dronk nog een slok.

‘Wie ben je?’ vroeg ik.

Een glimlach.

‘Ik hoopte dat je eerste vraag toch zou zijn: ‘Hoe wist je dat ik kwam?’ Maar het antwoord op de eenvoudigste vraag is: Anne.’

Ik keek naar het glas. Woorden weigerden te komen.

‘Ik wist dat je hier vandaag zou verschijnen.’

Mijn blik gleed van haar richting een schilderij van de heilige Maria.

‘Hij vroeg me om je iets te laten zien.’

‘Wie?’ vroeg ik.

‘Mijn grootvader.’

Ik slikte.

‘Wie is je grootvader?’

Anne opende haar mond, als om iets te zeggen, maar nam in plaats daarvan een slok. Ze tuurde in het lege glas, en haar mondhoeken trokken een beetje omhoog, alsof ze moest lachen om iets wat ik niet zag. Ze keek me aan.

‘Kom mee,’ zei ze.

 

Ze nam me mee in een auto die schokkend over een wegdek snelde dat zo vaak was gerepareerd dat het in een lappendeken van tientallen soorten en kleuren asfalt was veranderd.

De naam Tailleville flitste voorbij, op een wit bord met rode rand, en we reden een klein dorp in. De weg voerde ons vlak langs muren die zo oud leken dat ik bang werd dat ze zo uit elkaar konden vallen. Het dorp eindigde even onverwacht als het was begonnen en ik zag korenvelden, goudgeel golvend. De geur van zee nog steeds nadrukkelijk aanwezig, vermengd met de uitlaatgassen en de aardsheid van de velden. Een snerpende claxon, de hand van Anne die in een snelle vuist omhoog ging en een korte kwade blik richting een man in een kleine rode auto. Vijftig meter verder leek ze het alweer vergeten.

‘We zijn er bijna,’ zei Anne en remde hevig. Ik zag een rood esdoornblad op wit en dankzij mijn upload wist ik dat het de vlag van de oude Canadese natie was. Na een scherpe bocht, waarbij ik bijna uit de auto werd geslingerd, kwamen we tot stilstand. Anne keek op haar horloge, stapte uit de auto en maande mij hetzelfde te doen. Ik rende over een keurig gemaaid grasveld haar achterna, langs wonderlijk goed onder­houden gebouwen, netter dan ik tot dan toe had gezien in haar verleden. Uit het gras stegen gesnoeide bomen op. Gebeeldhouwde, maar echte esdoorns.

Daarna, stenen.

Honderden.

Witte stenen, rij na rij. Graven, dat waren het. Doden. Slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, elke steen was één persoon, gestorven in een strijd lang geleden. Ik kwam tot stilstand en staarde met open mond over de zee van witte stenen. Zoveel. Ik zag gele vlinders die dwarrelden van boom tot boom, tussen de graven en de zomerhitte door, begeleid door loom getjirp van ongeziene vogels. Ondanks de overweldigende aanwezig­heid van de dood hing er een serene sfeer op het grafveld. Mijn hart bonkte.

‘Kom,’ zei Anne. Ze was tot stilstand gekomen bij een graf. Traag liep ik naar haar.

‘Hij zei dat je het zou begrijpen,’ zei ze en ik volgde haar blik naar het witte marmer, las wat er in gebeiteld was. Soldaat eerste klasse Henry Cooper en daaronder: Hij gaf zijn leven om een ander te redden.

Eén.

Het was alsof iemand me in mijn maag stompte en ik moest me vastgrijpen aan de steen.

Eén was dood. Nog net. Al eeuwen. Tijdkrommen, diagrammen. Knoop­punten, sprongmomenten, priemgetallen.

‘Mijn grootvader,’ begon ze, ‘vocht mee tijdens de invasie. In 1944.’

Ik knikte. Tranen welden op.

‘Maar hij… deserteerde, zo noemde hij het.’

Met een ruk draaide ik mijn hoofd haar kant op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik met trillende stem.

Anne zuchtte.

‘Mijn grootvader kwam niet om tijdens de invasie. Zijn dood is in scène gezet. Hij…’ Ze pauzeerde en keek weer naar de steen. ‘Mijn grootvader is pas in 1987 overleden.’

Ik keek in haar donkere ogen.

‘Hij ontmoette mijn grootmoeder die dag van de invasie, in Tailleville. Mijn grootvader vocht voor de Canadezen. Hij raakte gewond en mijn grootmoeder hielp hem.’

‘Maar…’ zei ik, kijkend naar de grafsteen. Anne leek mijn twijfel te begrijpen.

‘Mijn grootvader besloot te blijven,’ zei ze, ‘bij zijn Marie. Niet meer terug te gaan naar waar hij vandaan kwam. Hij had het gevonden. Hij zei… Hij schreef dat jij op een dag zou komen en dat ik je mee moest nemen naar deze plek en dat… dat jij het zou begrijpen. Dat hij wist dat je het juiste zou doen.’

Ik slikte.

Ik wilde het begrijpen. Wilde. Maar ik kon het niet.

Na een aarzeling pakte ze mijn hand beet. Ik merkte het nauwelijks.

Eén, verdwenen—nee, gevlucht—in het verleden.

Waarom?

‘Was hij gelukkig?’ vroeg ik.

Anne lachte.

‘Ja,’ zei ze. ‘Ik heb niemand ooit gelukkiger gezien dat mijn grootouders. Ze leefden alsof elke dag hun laatste was. Of hun eerste.’

Het geluk.

Het geluk dat hij niet bij mij had kunnen vinden.

Maar het geluk dat hij gevonden had in het verleden.

‘Mijn moeder was degene die zijn dood in scène zette,’ zei Anne, ‘hopend dat degene die hem naar het verleden hadden gestuurd hem niet zouden vinden. Mijn opa wilde nooit op foto’s, omdat hij wist dat ze hem dan konden vinden. Hij was gedeserteerd, zei hij soms, omdat hij niet meer kon leven in de wereld waar hij vandaan kwam.’

Een traan rolde bitter over mijn wang.

‘En nu?’ vroeg ik.

Anne kneep haar oogleden tot kleine spleetjes.

‘Nu moet je gaan’, zei hij.’

‘Goed,’ zei ik, de woede in mijn stem niet meer maskerend. Ik trok mijn hand los uit haar greep en zocht naar de rand van mijn horloge. Ik draaide. Links, rechts, links, links. De combinatie om de sprong terug te activeren. Ik had Anne niet eens gewaarschuwd.

Een trilling. Stijgend, weer dalend. Klagend bijna.

‘Wacht, ik…’ riep Anne nog, haar stem al oneindig ver.

De wereld. Trok samen.

En toen. Was er.

Ik sprong.

Niets.

Donker. Blauw licht.

Terug in de Machine. Terug in het nu.

Oh, Eén. Ik heb het niet op tijd gezegd. Niet gezegd dat ik echt gelukkig met jou was.

Geef me nog een kans.

 

‘Ik wil naar D-day,’ zei ik.

‘Wat?’ vroeg de directeur. ‘Waarom?’

‘Laat me teruggaan om zijn dood te voorkomen.’

Haar ogen doorboorden mij als lasers en ik vreesde dat ze in de bunker van mijn leugen de waarheid zag.

‘Waarom, Twee?’

‘Omdat…’ Ik zocht naar passende woorden, maar mijn hersenen leken in brand te staan, aangestoken door de blik van de directeur, en door de rookontwikkeling wist ik niets te zeggen.

‘We hebben een agent verloren in het verleden. Natuurlijk. Zijn dood is… onwenselijk. En nu vraag je om er achteraan te gaan? Ik heb met de aandeelhouders gesproken; die willen het liefst zo snel mogelijk dit onder het spreekwoordelijk vloerkleed schuiven. De Machine is bedoeld voor heel andere doeleinden. We hadden nooit aan deze missie moeten beginnen.’

‘Ik…’

‘De historische dienst kan geen gevolgen vinden in de tijdlijn en alle fysieke bewijzen zijn verdwenen in de vloed. Het spijt me. Maar misschien is het beter…’

‘Nee.’

De directeur staarde me seconden aan, zonder iets te zeggen.

‘Je balanceert op een dunne lijn, Twee. Misschien ben je vergeten wie degene is die bepaalt wat er gebeurt.’

Onmacht en woede trok mijn schouders strak.

‘Eén was iets op het spoor,’ zei ik. ‘Hij dacht variabelen te hebben ontdekt, de redenen van de knooppunten. Hun oorsprongen.’

De directeur schudde haar hoofd.

‘De oorsprongen zijn een enigma. Ongrijpbaar als de raadsels van de priemgetallen zelf. Eén wist dat.’

‘Eén was onze beste calculator. Hij was overtuigd dat hij de oplossing kon vinden.’

‘Zoveel mensen dachten iets op het spoor te zijn maar hun zoektocht leidde uiteindelijk tot niets. Risico’s misschien. Waanzin soms.’

‘Maar als hij het wel heeft gevonden, bedenk dan wat we allemaal zouden kunnen. Dan zijn we niet meer gebonden aan de knooppunten. Dan kunnen we springen naar waar we willen.’

Een korte twinkeling verscheen in haar ogen.

‘En nu wil jij het risico nemen, Twee?’

We keken elkaar aan. Als een functioneringsgesprek zonder woorden. Na een tijdje roffelden haar nagels op het bureau.

‘Laat me hem terughalen. Alstublieft.’

‘Je begrijpt, Twee, dat als dit mis gaat, niemand jou komt redden?’

 

De directeur ging in overleg met de aandeelhouders. Het kon wel laat worden, zei ze, dus ging ik naar mijn appartement.

Na twintig minuten te hebben gedoucht voelde ik me nog steeds niet schoon, alsof de leugen aan mijn lijf was vastgekoekt. Zonder af te drogen liep ik mijn woonkamer in en ging op het koude bankstel zitten, starend naar de grote, betonnen tafel waar de souvenirs van onze reizen stonden. Een blauwwit stenen molentje herinnerde aan Nederland.

Hij was aan het rekenen, zittend op het bed, die nacht in Amsterdam. In onze kamer in een eeuwenoud hotel dat uitkeek over een nog oudere stad. Ik keek door het raam. Grijs water, regen, oude muren van scheve huizen en kanalen als een spinnenweb door de stad. En plots voelde ik me gevangen, in dat eeuwenoude web van troebel water waarin ik niets kon zien. Eén keek op, reagerend op mijn ingehouden adem.

‘Ik heb het, denk ik, gevonden,’ zei hij en hij legde zijn scherm op het bed, stond op, kwam naast me staan en sloeg een arm op mijn schouder alvorens hij zelf naar buiten keek. Onze adem besloeg het glas en Amster­dam verdween achter soft focus.

‘De variabele,’ vervolgde hij zachtjes, omdat zijn lippen maar op een paar centimeter van mijn oor waren.

Hij stapte bij me vandaan, ging zitten op het bed en staarde door de kamer. ‘Hoeveel duizenden geliefden en eenzame mensen zijn hier al gepasseerd?’

Ik haalde mijn schouders op.

‘Ben je niet blij?’ vroeg ik, terwijl ik met mijn hand de beslagen ruit schoon veegde – maar het beeld werd er niet beter op. ‘Blij dat je de oplossing binnen handbereik hebt?’

De triestheid die zijn ogen binnenkroop kneep mijn keel dicht. Ik probeerde te lachen maar het geluid dat mijn mond verliet klonk schril.

‘Kijk, een rondvaartboot. Ik wist niet dat ze die nog hadden,’ probeerde ik en draaide me naar Eén. Hij keek me aan, lang, en ik wachtte tot hij iets zou zeggen, maar er kwamen geen woorden en ik begon me ongemakkelijk te voelen.

‘Ben je gelukkig?’ vroeg Eén.

‘Hou op,’ zei ik. ‘Ik hou van je.’

‘Dat vroeg ik niet.’

‘Wat wil je horen?’

We keken elkaar aan. En op dat moment zag ik pas dat er iets definitiefs tussen ons in gevallen was, alsof de grijze waas van buiten naar binnen was gekropen, door het glas, en een muur tussen ons in geslagen had.

‘Ben jij gelukkig?’ vroeg ik.

En toen lachte Eén.

‘Ja,’ zei hij. ‘Nu wel.’

Misschien had ik naar hem toe moeten lopen, hem in mijn armen moeten nemen, die avond daar in Amsterdam, en hem vast moet houden, enkel dat. Maar ik deed het niet, ik nam hem, daar in die hotelkamer, tot de ramen weer besloegen met een simpeler hitte, omdat ik dacht dat het geluk dat hij bedoelde daarmee werd bereikt.

De telefoon piepte. De directeur belde.

 

Soldaat Jameson werd mijn naam. Gekleed in een oud uniform – dat me bij elke stap kriebelde – liep ik door een groen geschilderde gang richting de Machine. In de gang hing een kunstmatig aroma, een chemische repro­ductie van lavendel, en ik moest denken aan de rit met Anne in het verleden.

Gele korenvelden, de geur van de echte zee.

Ik stapte een zware deur door, een duistere ruimte in die enkel werd verlicht door een blauw schijnsel, komend van kronkelende geometrische vormen op de vloer. Altijd de onmiskenbare trilling. In het midden van de kamer stond de directeur, naast haar een operateur die een wapen vasthield, ingepakt in cellofaan. De directeur stapte op me af.

‘Als je niet terugkomt, hoef je geen redding te verwachten,’ zei ze. ‘De aandeelhouders laten maar één sprong toe. Weet je zeker dat je dit wilt doen, Twee?’

De akelige vibratie van de Machine deed mijn knieën knikken.

‘Ja,’ loog ik.

De directeur knikte, nauwelijks merkbaar.

‘Het zij zo.’

Ze nam een stap naar achteren. De operateur keek haar even angstig aan.

‘Je gaat het strand op in hetzelfde regiment als Eén,’ zei hij. ‘Je moet hem snel kunnen vinden.’

Hij overhandigde het wapen, dat zwaarder was dan verwacht. De geur van olie die om het wapen hing was doordringend. Daarna gaf hij me een klein wit doosje.

‘Sigaretten,’ zei hij.

‘Is dat ook een soort wapen?’

‘Zat dat niet in je upload? Dan kom je er zelf wel achter.’

Hij bekeek me nog één keer van top tot teen en keek toen naar de directeur. Ze knikte.

‘Succes.’

Samen liepen ze de ruimte uit, de deur schoof dicht en ik was alleen met het blauwe schijnsel. Een stem telde af. Ik tastte naar de rand van mijn horloge. De vormen op de vloer pulseerden en de trilling van de Machine werd intenser. LED’s aan het plafond knipperden.

Ik ademde diep in.

 

Eerst dacht ik dat de trilling van de Machine wijzigde. Maar daar was weer de zeelucht van het verleden, en aan het einde van een verwarrende seconde besefte ik dat de sprong al was geweest. En toen was er enkel chaos.

Rook. Vuur. Brandende gebouwen achter een strand gevuld met lange, houten palen en metalen constructies die als messen uit het strand staken. Het geluid alsof iemand duizenden stenen over een stalen plaat uitstortte. Mitrailleurvuur, wist ik dankzij kunstmatige herinneringen.

Een volgende ontploffing en een reusachtige zandfontein werd de lucht in gesmeten.

‘Waar kom jij vandaan?’ riep iemand. Ik keek opzij. Hoorde doffe ploffen. Bloed en harde prikken in mijn gezicht. De soldaat begon te vallen en ik probeerde hem op te vangen. Plotseling zat er overal nog meer bloed en zag ik dat de soldaat de helft van zijn gezicht miste. Ik veegde over mijn gezicht en zag rood en witte stukjes op mijn hand.

‘Laat hem,’ riep iemand en rukte de dode man van me los. Het lichaam gleed op het zand. Soldaten probeerden over hem heen te springen. Het mislukte en hij werd vertrapt, als een zak van bloed en botten. Toen rende ik plots met de soldaten mee, verder het strand op. De geur van rook werd ondraaglijk. Ik staarde naar mijn wapen, wist niet meer hoe het werkte, wat ik er mee moest doen en ik viel voorover, in een grote plas. Zout water stroomde mijn mond binnen. Ik wilde ademen. Water kolkte naar binnen. Een zware laars schopte hard tegen de zijkant van mijn lichaam toen ik mezelf overeind probeerde te duwen. Ik dacht dat ik zou stikken, verdrinken.

Ik ga dood, ging er door me heen. Ik wist me met één hand omhoog te duwen en in plaats van zeewater ademde ik rochelend lucht. Iemand greep me onder mijn oksel, trok me omhoog. Adrenaline stroomde wild door me heen.

‘Geen tijd om te slapen, soldaat.’

‘Nee,’ zei ik. De kennis van de upload spoelde plots over me heen: ‘Sergeant!’

Snel controleerde ik mijn helmband en mijn dekkingspositie. Ik haalde de veiligheidspal over en laadde mijn geweer.

‘Klaar om de Krauts aan te pakken, mijnheer.’

‘Goed zo, jongen,’ zei de sergeant en wenkte de dichtstbijzijnde mannen om hem te volgen. Het indringende geluid van de .88 in de Duitse kazemat aan onze rechterflank klonk. Het peloton dook achter de versperring, wachtend op het moment dat het mitrailleurvuur van de Duitsers zich ergens anders op zou richten. Ik staarde naar de boulevard van het stadje en naar de brandende en kapotgeschoten gebouwen. Tot mijn verbazing herkende ik enkele die ik in de toekomst had gezien.

Waar is Eén, dacht ik. Ik moet hem vinden. Redden. Voorkomen wat hij deed. Zou doen. Ik keek over het strand, naar de soldaten die als insecten uit de landingsvoertuigen stroomden. Honderden. Duizenden. Hoe kon ik hem in deze heksenketel vinden?

‘Wat is je naam?’ riep de sergeant.

‘Jameson, sergeant!’

‘Stop met dromen of je slaapt straks voor altijd. We moeten die .88 uitschakelen anders zijn we er geweest.’

‘Ja, sergeant!’ herhaalde ik en keek in de richting van de kazemat.

 

Tegen het einde van de ochtend had ik al drie sigaretten gerookt. Samen met de soldaten Cohen en DeGraaf was ik begonnen aan de vierde. We zaten op de veroverde mitrailleurstelling. Over de dode Duitsers hadden we dekens gelegd.

Ik had over het strand gezworven en een paar soldaten genaamd Cooper ontdekt, maar niet de juiste. Een officier stuurde me uiteindelijk naar de compagnie waar hij dacht dat ik bij hoorde. Ik hoorde dat we het binnenland in gingen voor een gewapende verkenning. Iemand zei dat we richting Tailleville zouden gaan.

Tailleville, dacht ik. De woorden van Anne echoden in mijn hoofd.

 

We waren met honderden, met gezichten donker van rook, modder en geronnen bloed. Ik zou Eén niet eens herkennen. Of hij mij, besefte ik, terwijl we behoedzaam door de velden trokken waar het koren lang en goudgeel stond.

‘Benieuwd wat we aantreffen,’ zei de soldaat naast me. Ik keek in de richting van het dorpje. We liepen in een lange linie. In de verte klonk het geluid van geweervuur en het rommelen van tanks. Nog verder weg de inslag van zwaar geschut dat van de schepen naar andere stranden werd gevuurd. De Amerikaanse stranden. Daar ging het er nog veel erger aan toe. Ik kon het me bijna niet voorstellen. Ik keek om me heen.

Eén, waar ben je. Wie ben je? Waar?

Het leek alsof we zwommen door het korenveld, onze helmen een school haaien zwemmend door de gele zee van halmen, richting het dorpje. Ik staarde naar de huizen van Tailleville, naar ramen waar ik elk moment de vurige flits van een Duits schot verwachtte. De spanning werd onhoudbaar en ik voelde het ook bij mijn medesoldaten. Toen een verdwaalde zeemeeuw plotseling overvloog vuurde ik bijna.

De weg van Saint-Aubin-sur-Mer naar Tailleville was niet veel meer dan een verhard zandpad met aan beide kanten een diepe greppel. Soldaat DeGraaf bereikte als eerste de huizen van het dorp. Hij drukte zich met zijn rug tegen een oude muur. De laatste paar meters van het korenveld legde ik rennend af tot ik hijgend naast hem stopte. Hij keek om het hoekje.

Het schot hoorde ik pas nadat ik een flits van rood uit zijn helm had zien spatten. Als één organisme doken alle soldaten op de grond.

‘Scherpschutter!’

‘Einde van de straat, tweede raam rechts,’ riep iemand. Een majoor kwam aanrennen, dook richting een muur.

‘Luister,’ zei de majoor, ‘we pakken die Kraut daarboven! Thompson, Jameson, LaCroix. Jullie nemen de linkerflank van het dorp.’ Hij wees naar mij en toen naar een bomenrij iets verderop. ‘Wij gaan via de straat. Jullie leggen een dekkingsvuur.’

Er werd geknikt, wapens werden geladen en er volgde een zwijgzaam moment, blikken naar elkaar en diepe concentratie. Het vuren begon. Onder de dekking van de schoten rende ik naar de andere kant van de weg, richting de paar bomen. Langs een hek waarachter ik een klein veldje zag, met een oude wagen, een paar boomstammen en een werktuig dat ik niet kende. Tegen één van de muren stond een fiets met nog maar één wiel. Ik dook achter een boom. Thompson wees in de richting waar de Duitse schoten vandaan waren gekomen.

‘Laten we kijken of we het huis van de andere kant kunnen benaderen. Dit dorp stelt niets voor. Waarschijnlijk nog een laatste Duitser die het niet op wil geven. De rest is allemaal gevlucht.’ Hij lachte en ik zag gele tanden. ‘Okee, kom op.’

Hij stond op en begaf zich, diep in elkaar gedoken, richting het korenveld wat naast het dorp verder liep in zuidelijke richting. We volgden hem, achter elkaar aan rennend. Verderop hoorde ik hoe de sluipschutter onder schot werd genomen.

Na een paar meter rennen bereikten we één van de zijkanten van het gebouw. Ik staarde naar een oude houten deur. Er klonk geluid. Thompson deed een stap naar voren en hief de kolf van zijn geweer op. Het leek alsof hij de klink van de deur aan wilde vallen. En precies op dat moment begonnen de mitrailleurschoten.

Ik dook weer tegen de muur. Hard sloeg ik tegen het kalksteen, een kies drong in de binnenkant van mijn wang in en ik proefde bloed.

Schoten uit het dorp boorden zich in het veld, alsof de Duitsers het koren met mitrailleurvuur probeerden te oogsten.

‘Een val! Lieve Maria, het is een val!’

Er klonk gegil en mijn hoofd draaide razendsnel de andere kant op. Ik zag de kenmerkende vorm van de Duitse helmen, veel en veel te veel, en vuur dat uit lopen flitste, het gejank van kogels die om ons heen vlogen. Snel dook ik naar de grond, op het moment dat een andere soldaat ook viel. Ik zag bloed en hoorde haperende longen. Stukken kalksteen sprongen van de muur. Getik klonk op mijn helm. Ik legde mijn geweer aan en vuurde. Een andere soldaat dook naast me. Ik keek hem aan.

Het was Eén.

‘Kom,’ zei hij.

 

We renden weg, richting het korenveld, als in een waas. Achter me het geluid van de mitrailleurs. We renden verder, en ik had het vreemde gevoel de Canadese soldaten in de steek te laten. Alsof ik deserteerde.

‘Eén,’ riep ik.

‘Rennen,’ riep hij, wijzend naar een boerderij een paar honderd meter verderop. ‘We zijn er bijna. Sneller!’

Ik dacht aan het rennen met Anne over de boulevard. Sneller. Het was alsof ik haar stem weer hoorde.

Het geluid van de schoten werd een kort moment minder. We waren vlakbij, vlakbij de boerderij.

Hij dook op, de Duitse soldaat, uit het niets, uit het veld en hij richtte op Eén en schoot.

Eén viel op de grond.

Ik had gevuurd zonder het te beseffen en de Duitser ging neer.

 

Bloed. Overal bloed. In stromen gutste het uit zijn mond.

‘Nee,’ riep ik. ‘Nee.’

Ik pakte zijn hand. Zocht de springer. Maar zijn pols was leeg. Geen horloge. Naast me zag ik weer stukjes koren de lucht in vliegen. Het mitrailleurvuur was vlakbij.

‘Waarom?’ vroeg ik. ‘Waarom?’

Eén opende zijn mond maar had nauwelijks nog kracht om te spreken. Ik boog me naar voren en mijn tranen mengden met zijn bloed.

‘Opgelost,’ fluisterde hij nog. En toen verscheen iets, en verdween iets, in zijn ogen, en ik wist wat het was geweest en werd maar ik het wilde het niet accepteren.

Een schot klonk.

Een prik in de bovenkant van mijn been.

De pijn begon te groeien, was geen prik meer maar een ijzige staaf die mijn vlees uit elkaar scheurde. Ik probeerde te staan, verbaasd, viel weer op de grond, terwijl de pijn nog ontzagwekkender werd. Nogmaals probeerde ik te staan. Maar dat was dom, dacht ik nog, voordat ik weer het geratel van de Duitse mitrailleur hoorde.

Weg hier, weg. Mijn hand ging naar mijn pols.

Ik keek naar de grond, naar het lichaam van Eén. Alles mislukt.

Ik dacht aan de schoten, aan de kogels, zo ver weg, zo dichtbij. De grond trilde.

Iets raakte mijn helm.

Alles trilde. De Machine, dacht ik, haal me hier weg. Ik probeerde mijn horloge te vinden maar mijn armen weigerden en ik proefde aarde in mijn mond en voelde toen nog meer pijn omdat mijn schouder was doorboord.

Eén, dacht ik. Weg, dacht ik. Dood, dacht ik.

En toen zwartheid en dacht ik niets meer.

 

Ken je dat, dat je een woord zoekt? En het ligt op het puntje van je tong, maar je komt er maar niet op. Het is er bijna, de oplossing vlakbij, je ziet iets zweven in de verte, maar kan het net niet goed zien. Dat moment, zoiets. Ik opende mijn ogen om daarna weer weg te zinken in de zwartheid. Ik denk omdat de pijn simpelweg teveel was.

 

‘Est étant encore combattu?’

‘Oui. Sera t’il vivre?’

‘Je ne sais pas. Il est la volonté de Dieu.’

 

De stemmen klonken schitterend, zoet en zacht. Ik zou ze moeten verstaan, maar het lukte niet. Maar dat maakte niet uit. De geur van oude dekens die ik verkoos boven bloed en rook. Ergens klonk een ontploffing, waardoor ik de stemmen niet meer hoorde. Dat irriteerde me. Maar toen was er weer de zwartheid. Ik probeerde er bij weg te blijven. Maar het lukte niet.

 

Ik voelde aan mijn pols. Vond enkel verband. Waar is mijn horloge?

 

Een herinnering aan een trilling. De Machine. Klagend. Stijgend. Dalend.

 

‘Weet je,’ zegt Eén, ‘de Machine dankt haar bestaan aan Euler. Een wiskundige die ongelofelijke vragen stelde. We bouwden de Machine om zijn stellingen op te lossen. En toen we dat deden vonden we de sleutel voor de tijd.’

‘Ik weet het,’ zeg ik met weinig interesse.

‘Priemgetallen staan in nauw verband met de kwantummechanica. Waarom? Hoe kan het dat wiskunde de natuur kan beschrijven? We hebben wiskunde zelf bedacht.’

Ik zucht.

Euler vroeg zich bijvoorbeeld af: ‘Bestaat er een even getal groter dan twee dat niet de som is van twee priemgetallen?’

‘Moet dit nu, Eén?’

‘De vragen lijken zo simpel maar ze zijn al eeuwen oud. En we kunnen ze niet oplossen. Al die computers niet. Zelfs niet de Machine, onze ultieme rekenmachine, die door de getallen bijna alle raadsels van de tijd al kan oplossen. Welke magie zit er nog meer verstopt in de priemgetallen?’

Zijn mondhoeken gaan omhoog.

‘Weet je, er zijn oneindig veel priemgetallen. Maar er is maar één even priemgetal.’

Hij lacht en de droom vervaagt.

 

Natuurlijk wist ik wie ze was. Eindelijk herkende ik die ogen, die hetzelfde waren als die van Anne. Twee generaties hadden niets kunnen veranderen aan die blik. Ik staarde om me heen door de simpele slaapkamer waar hetzelfde schilderij van Maria aan een gebarsten muur hing, boven een houten tafeltje waar een grote kan op stond. Gehaakte gordijnen hingen voor een raam waar door de kieren zonlicht naar binnen scheen. Een trilling klonk, komend van een ontploffing, in de verte. Stof dwarrelde door de kamer, door de bundels licht, en het deed me ergens aan denken, net zoals de geur in die kamer, de geur van eeuwen, zekerheid en veiligheid, muren die zo lang stonden dat ze onderdeel waren geworden van de tijd. Ongenaakbaar. Even leek ik weer terug te vallen in de zwarte put van de bewusteloosheid, denkend aan veiligheid, aan thuis en vroeger, tot haar stem me vastgreep.

‘Ik geloof dat ze het dorp bijna in handen hebben,’ zei ze, terwijl ze een doek leeg kneep en rood water in een bak spetterde. Daarna liep ze naar de kan, schonk wat water in de bak en kwam terug. Ze had een zwarte jurk aan met grijze strepen, die tot over haar knieën viel. Ik staarde naar haar enkels.

Ze stond aan de andere kant van het bed.

‘Soms val je even weg,’ zei ze, en depte mijn voorhoofd met de doek.

‘Waar ben ik?’

‘In de boerderij van mijn oom en tante. Ze wilden niet vluchten, daarom zijn we hier. We zagen je komen door de velden, hierheen. Zagen je vallen.’

‘Het dorp? De Canadezen? Hoe…’

‘De Duitsers hebben een hinderlaag gelegd. We horen nog steeds schoten maar ik bid dat jullie gaan winnen. Godzijdank. Als de gevechten voorbij zijn zullen we je mensen waarschuwen dat je hier bent.’ Terwijl ze met de doek met koud water over mijn gezicht ging bleef ze me aankijken. Ik staarde in haar donkerbruine ogen, keek naar haar wenkbrauwen en de kuiltjes in haar wangen terwijl ze de doek bewoog. Ze werd zich bewust van mijn blik, glimlachte. ‘Ik denk dat het niet lang meer duurt.’

Ik moest hoesten en ze ging iets naar achteren. Voelend aan het verband om mijn pols vroeg ik: ‘Waar is mijn horloge?’

‘Stukgeschoten, vrees ik.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Als je het niet om had gehad had je nu waarschijnlijk geen hand meer. Het horloge heeft de kogel afgeketst.’ Ze lachte. ‘Wel een heel sterk horloge. Je mag het wel dankbaar zijn.’

Ik staarde weer. Naar de wijze waarop haar lange donkere haar over haar schouders viel, de ogen waar rust en intelligentie uit straalde.

‘Wat is je naam,’ vroeg ik, maar ook dit antwoord wist ik al.

‘Marie,’ zei ze, terwijl ze glimlachend de doek weer in de bak legde.

Het werd weer donker.

 

‘Twee.’ zegt Eén. ‘Grappig, niet? Het enige even priemgetal is twee.’

‘Waarom is dat grappig?’

‘Priemgetallen, tijd, jij, de Machine. Dat ik denk dat alles in de getallen is te vinden. Weet je dat ik zei dat ik het bijna opgelost had? Het raadsel van de knooppunten?’

‘Ik…’

Hij schudt zijn hoofd.

‘Werkelijk geluk,’ zegt hij. ‘Wat betekent dat voor de tijd? Al die kinderen, die kleinkinderen en al het nageslacht er na? De wortels van echte liefde, een liefde die uitgroeit totdat de takken verder reiken dan we voor mogelijk kunnen houden. De knooppunten zijn die wortels, die wortels in het verleden.’

‘Eén,’ zeg ik, ‘maar wat…’

‘De knooppunten. Werkelijk geluk, werkelijke liefde. Begrijp je het nog niet, Twee?’

Bijna begrijp ik het. Het ligt op het puntje van mijn tong.

 

Terwijl we nog steeds schoten hoorden, vertelde ze dat ze die week op bezoek was gegaan bij haar oom en tante. Haar familie had altijd in deze streken gewoond en na het overlijden van haar ouders was ze naar Parijs vertrokken om geschiedenis te studeren. Toen ze vertelde over haar studie leken we beide de oorlog te vergeten, en op een gegeven moment betrapte ik mezelf dat ik staarde naar het dansen van haar lippen. Ze vertelde over haar dromen en dat ze alles wilde leren. Over hoe DaVinci zijn Mona Lisa had gemaakt, over veldslagen en kunstwerken en eeuwenoude kastelen, over al die dingen waarvan ik alles wist, sommige zelf had gezien.

Ik vertelde haar over één van de Lodewijken en hoe ze hadden feestgevierd, en al die dingen die op dat moment nog niet in de geschiedenisboeken stonden en ik wist dat dit tegen alle regels indruiste. En ze luisterde ademloos. Vanuit de geschiedenis belandden we weer in het nu en we hadden niet eens door dat de knallen uit het dorp stopten. We keken elkaar een tijd in stilte aan.

Het was een oude uitdrukking.

Op het eerste gezicht.

Ik had het nooit geloofd. Hier. In het verleden.

Die ene.

‘Kan ik hier blijven?’ vroeg ik.

Ze trok haar wenkbrauwen omhoog, bekeek me onderzoekend.

‘Waarom?’ vroeg ze. Toch was er niet enkel verbazing in haar stem. ‘Ben je een deserteur?’

Ik zuchtte.

‘Nee,’ zei ik. ‘Of misschien wel.’

 

Ieder ander had misschien gedacht dat ik krankzinnig was. Maar misschien kwam het omdat ik dingen wist die niemand weten kon. Ik vertelde haar over de toekomst, over wat we geworden waren. Ik vertelde over Eén. Toen ze mijn onmacht zag greep Marie mijn hand.

‘Hij wist wat hem gelukkig kon maken. Wees niet kwaad op zijn keuze. Hij vond wat hij zocht. Daar had hij alles voor over.’ Ze streelde mijn wang.

De volgende ochtend werd ik wakker en zat ze naast me met de restanten van het horloge in haar hand.

‘Hallo, reiziger,’ zei ze.

 

En zo bleef ze me noemen, al die jaren lang. De reiziger. Soms noemde ze me de vluchteling en die zeldzame keren dat ze boos was de deserteur, want ze wist dat dat me pijn deed. Ik dacht nog vaak aan de dagen in de zomer van 1944, hoe ze mijn wonden verzorgde daar op die kamer, op die boerderij, tussen wat er nog van de gele korenvelden overeind stond, terwijl de Canadezen en de Engelsen oprukten, het land in, richting nog maanden strijd tot ze eindelijk zouden winnen, ver weg, bij Berlijn.

Ze vertelde dat ze mijn naamplaatje naar binnen had gegooid, bij een huis waar zowel Duitsers als Canadezen gesneuveld waren en daarna in de brand vloog. Daar zouden ze mijn naam vinden.

En ik dacht aan de stenen op het grafveld.

Voor de toekomst enkel nog vergeten getallen in een ver verleden.

Eerst dacht ik nog vaak aan Eén. Het begon met de herinneringen, daarna de gevoelens van schuld, daarna de twijfel, tot het weer enkel de losse puzzelstukjes van emoties, verbazing en vervagende gedachten werden. In de jaren die volgden, als ik nog aan Eén dacht, dan was het nog aan dat moment in het grijze Amsterdam. Was dat het moment waar het allemaal om draaide? Niet de sprong naar 2015, niet naar 1944. Maar daar, in Amsterdam.

 

Het was 1952. Marie was zwanger van onze tweede zoon. Ik was naar het stadje geweest om iets te kopen en liep terug over het veld toen ik ter hoogte van de tractor de trilling voelde. Een trilling die ik al zolang had gevreesd, maar nu had ik er al maanden niet aan gedacht. Wat had ik verkeerd gedaan? Ik draaide me om. Er was dat ogenblik van zoeken naar herkenning en toen zag ik tot mijn grote verbazing dat het Eén was.

Verwarring nam me. Hoop en angst.

‘Hoe…’ stamelde ik.

Hij hield zijn hoofd iets schuin.

‘Twee?’ zei hij. ‘Waarom ben jij hier?’

‘Maar,’ begon ik. ‘Maar… Hoe kan je nog… Jij bent…’

Eén zweeg, alsof hij wachtte tot ik nog iets zou zeggen. Toen vervolgde hij: ‘We vonden een foto, van deze datum. 22 augustus 1952, Saint-Aubin-sur-Mer. De historische dienst herkende jou. Wegduikend achter een marktkraam alsof je niet op die foto wilde. En toen begrepen we dat er iets heel vreemds aan de hand was. Waarom, Twee? Wat heb je gedaan? Hoe kom je hier terecht?’

Ik zocht naar woorden.

‘Eén,’ zei ik uiteindelijk. ‘Weet je nog? Die hotelkamer in Amsterdam?’

Hij zweeg.

Marie kwam de hoek van de boerderij om, een grote mand vast­houdend. Toen ze ons zag stond ze stokstijf stil. Ze staarde naar mij, naar Eén, weer terug naar mij. Haar lippen bewogen, en ik hield mijn hand op in een afwerend gebaar. Marie schudde haar hoofd en ik zag hoe haar mond het woord ‘nee’ al vormde. Ik draaide me naar Eén. Hij staarde naar Marie.

Er was een moment dat oneindig leek te duren en even had ik het idee dat de hele wereld de adem inhield. Enkel een zachte vibratie was voelbaar, heel ver weg, zo ongelofelijk ver weg. En ik wist dat het de Machine was, die door alle ruimte en tijd naar me reikte. Eén opende zijn mond, sloot deze weer, en ik zag ook bij hem een traan zacht over zijn gezicht rollen.

‘Waarom?’ zei hij.

‘Omdat…’

‘Nee.’ Eén viel me in de rede. ‘Ben je gelukkig?’

Stilte.

‘Ja,’ zei ik uiteindelijk. De waarheid.

Weer een pauze. Eén staarde naar me en een glimlach verscheen op zijn gezicht. Het leek zo vreemd, die glimlach daar, en ik wilde het liefst naar hem toe rennen, maar ook weer niet, omdat ik wist dat dat niet eerlijk was.

‘Maar jij zei het me in Amsterdam,’ riep ik. Tranen liepen over mijn gezicht. ‘Jij had de oplossing. Ik ging jou achterna naar D-day. Jij stierf…’

En ik begreep het pas toen ik het zei. De puzzel die ik zo lang niet had kunnen of willen oplossen schoof definitief in elkaar. Wat hij had gezocht. De missende variabele. Priemgetallen, tijd, de Machine, mogelijkheden en onmogelijkheden, kwantumonzekerheden.

Ik was de variabele.

Ik was het knooppunt.

Mijn geluk berekend door iemand die daar alles voor over had.

Kun je zoveel voor iemand overhebben?

En ik dacht aan Marie op het moment dat Eén zijn hand al naar zijn pols ging. Ik opende mijn mond maar hij schudde zijn hoofd.

‘Jij bent nog daar,’ zei Eén, ‘in de toekomst. Volgende week gaan we pas naar Amsterdam. Vind die fotograaf.’ Hij draaide aan zijn horloge. Lachte, zei nog: ‘Dank je.’

En sprong.

Ik voelde de trilling van de Machine en ik zag hoe Marie het ook voelde. Eén verdween, alsof de wereld samentrok in een minuscuul punt en voor één heel kort moment, voor de allereerste keer, was er harmonie in die trilling.

En toen was hij verdwenen.

Marie kwam naast me staan, legde een hand op mijn schouder, haar hoofd tegen mijn bovenarm. Haar lange haar viel als kriebelend zijde zacht over mijn blote huid. Ik staarde over het goudgele koren, langzaam wiegend in de wind, waarvoor Eén zojuist nog had gestaan. Marie’s hand sloot zich om mijn pols. En ik hield van haar, van mijn kinderen, mijn kleinkinderen. En van jou, mijn lieve Anne, want dit verhaal is dus voor jou.

 

En zo staar ik de verte in. Naar de velden en daarachter de nog lage bomen op de heuvel waar ik de Canadese vlag zie die boven het grafveld wappert.

Waar een graf van hem is.

En één van mij.