web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Fantasy

Genres

Category Archives: Fantasy

Schedel kussen : Jaap Boekestein

De zon gaat onder en wij verschijnen. Wij zien nooit de zon, wij leven in het land van duisternis, mist, padden en verloren zielen. Onze gasten vinden door middel van paden met gekleurde lampions hun weg naar de baishun-yado, of ze worden per boot gebracht door de amanojaku veermannen.

Wie het Rode Wolken Huis bereikt, is een gast, zolang ze kunnen betalen natuurlijk. De ponbiki Hayate verwelkomt hen, buigend en slijmend: ‘Welkom! Welkom! U vereert ons met uw aanwezigheid o-kyaku-sama. Welkom! Welkom! Wij hebben rijstwijn en meisjes, muziek en dobbelstenen.’

Lang voordat de eerste gasten arriveren, zijn we klaar, helemaal opgetut. Iedere nacht heb ik hetzelfde ritueel. Zorgvuldig zoek ik de witste maden uit en plak ze op mijn naakte schedel.

‘Broeders, zusters, gedraag je zoet,’ zing ik en ze gehoorzamen altijd. Het levende vlees vormt een knap gezicht en menige klant heeft mij complimentjes gegeven voor de warmte en zachtheid van mijn wangen. Natuurlijk zijn maden alleen niet genoeg. Mijn robijnrode lippen zijn twee verse kippenhartjes, mijn wimpers zijn hoogst elegante rupsen, harig en zwart. Mijn wenkbrauwen zijn hongerige bloedzuigers en mijn haar bestaat uit honderden van de fijnste spinnenwebben. Enkel mijn ogen zijn van mijzelf, en mijn tanden, maar ik maak die zwart met houtskool. Mijn ogen zijn al perfect: groot, glanzend, als de reflectie van een tweelingmaan in een midder­nachtelijk meer, zei een dichter eens. Ik was beroemd om mijn ogen, lang voordat ik beroemd werd voor mijn verraad.

Er is ongeveer een dozijn van ons, de shofu.

Soms een paar meer, soms een paar minder. Het is moeilijk om ergens zeker van te zijn op deze plek.

Mijn naam?

Noem me Yoru no himegimi, nachtprinses.

Betaal me en je kan mij inbaifu, hoer, noemen als je dat wilt. Behaag mij en ik fluister mijn liefdesnaam in je oor, net voordat je in slaap valt. Het is Jaden Vlinder. Shhs! Slaap!

Daimaō Furui noemt mij bij mijn liefdesnaam.

Vannacht is het druk, een groep samoerai schept op over de grote veldslag waarin ze gevochten hebben. Hoe ze Mongoolse invallers doodden in de bossen rond Hakata Baai. Hoe ze allemaal helden waren die de eilanden hebben gered.

Leugenaars, allemaal, stuk voor stuk. Van mensen weten alleen de verdoemden, de vervloekten, de verraders en lafaards hun weg naar het RodeWolken Huis te vinden. En ze zijn ook nog eens morsdood. Ik vraag mij af wat de misdaad van deze krijgers was, al die eeuwen geleden. Lieten zij hun heer op het slagveld in de steek, verraadden zij hun strijdmakkers aan de buitenlandse duivels, sloegen ze eerloos op de vlucht?

Ik besluit dat het mij niets kan schelen. Oude leugens van oude geesten. Laat ze zingen, laat ze vrolijk zijn, hoor hun lege lach aan en laat ze hun rijstwijn morsen die nooit hun dorst zal lessen en nooit hun herinne­ringen zal verzachten. Dit is het Rode Wolken Huis, en er wordt verteld dat geen enkel mens ooit rust zal vinden in het huis van de duizend geneugten. Oni, tengu en andere yōkai?

Zeker! Natuurlijk. Maar niet degenen die ooit sterfelijk waren, degenen die nu dood zijn.

Ze zeggen veel dingen over het Rode Wolken Huis. Er doen zoveel verhalen over ons de ronde.

Misschien zijn ze allemaal waar, misschien geen enkele. Mijn favoriet is dat de liefde van een sterveling je kan bevrijden uit het Rode Wolken Huis.

Ik droom soms over dat verhaal, wanneer mijn vingers de snaren van de koto beroeren.

Ja, het instrument klinkt een beetje vals, voor eeuwig en eeuwig.

Dat soort gedachten maakt mij melancholiek, wat een slechte eigenschap is voor shofu. Maar ik vermoed dat elk van ons meisjes droevig of melancholiek is achter onze geboetseerde gezichten.

Slechte drank, slecht eten, bedroefde hoeren. Dat is het Rode Wolken Huis.

Het is het enige wat de verdoemden hebben.

Oh, waarom maakt de droom om bevrijd te worden door de liefde van een sterveling, mij droevig? Omdat ik wil dat het gebeurt. Ik wil vrij zijn, om weer een onderdeel van het Grote Wiel te worden, zodat ik her­boren kan worden als een hond, een vis, een slak, wat dan ook!

Er zijn echter geen stervelingen in het Rode Wolken Huis. Demonen, trollen, geesten, de verdoemden… Van alles, behalve stervelingen.

Er zijn zoveel vormen, zoveel soorten wezens, zelfs ik ken ze niet allemaal. Sommige van hen zijn werkelijk afschuwelijk, anderen zijn van grote schoonheid. En wat betreft geliefden… Groot of klein, dood of demon, angstaanjagend of meelij wekkend, ze zijn allemaal verschillend en toch hetzelfde. Wil je een vrouwen­geheim horen?

In bed ben ik de meester van hen al. Zij willen hun genot, hun ene eeuwige Hemelse moment. Zij hebben mij nodig, ik kan ze geven wat zij willen, of het hen ontzeggen door onhandig te zijn, of niet te reageren, door te huilen of te lachen.

Oh, het spijt mij. Het spijt mij heel erg. Maakt u zich geen zorgen, volgende keer, ja?’

Ik ben hun meesteres, ongeacht hoe kort het moment ook is. Boer, priester, krijger, shogun, buig voor mij, vereer mij!

Ach, de dwaze dromen van een dwaze vrouw.

Om deze droom moet ik wel lachen.

Zal daimaō Furui het Rode Wolken Huis bezoeken, vannacht?

Als hij komt, zal hij om mij vragen.

En als ik niet beschikbaar ben, zal hij wachten, drinkend en gokkend, kijkend naar de artiesten, luisterend naar de verhalen en leugens.

Ik ben zeer vereerd dat hij mij verkiest. Hij is een belangrijke Heer en een plezierige minnaar. Hij heeft een witte sik en een rij kleine stekels die uit zijn rug groeit en die alleen ik mag zien en aanraken. Ik wilde dat hij geen demon was.

Ik kan de liefde van een demon niet gebruiken.

Kan het niet gebruiken, maar ik vind het wel prettig. Ik ben zeer vereerd.

Hij is er niet, dus ik zing, ik glimlach, ik vul drink­kommen en probeer mijn lichaam te verkopen.

Streel het zoet rottende vlees onder mijn kimono. Bestijg mij en mijn gele beenderen zullen je mannelijkheid om­armen. Kus mijn bloederige kippenlippen.

Het is een rustige nacht, de mensen en nietmensen zitten en drinken. Ze zingen en maken grappen en gokken. Ze hebben geen zin in vlees en beenderen. Nog niet.

De deur opent en een reus met een rode baard komt binnen. Oef! Wat een lelijke duivel! Zo groot!

Roze huid, overal haar, een gezicht gigantisch en vreemd. Alle is twee keer zo groot als het het zou moeten zijn. En zijn ogen! Die zijn afschuwelijk!

Ze zijn… rond, alsof ze elk moment uit zijn schedel kunnen springen, maar dat is nog niet eens het vreemdste. Ze zijn blauw.

Blauw! Ik lieg niet. Ze zijn echt blauw. Als de lege hemel net na een storm. Dat soort blauw. Heel raar.

Maar op de een of andere manier… ook aantrekke­lijk.

Ik moet mij schamen voor mijn vreemde smaak.

Zelf in het Rode Wolken Huis zijn mijn voorkeuren bizar te noemen.

Een van de veermannen moet hem naar het Rode Wolken Huis hebben gebracht. De reus staat in de deuropening en neemt alles in zich op. Het is zijn eerste keer hier, daar ben ik zeker van. Ik ben hier al een eeuwig­heid. Hij draagt vreemde kleren, grof en lelijk. Waar komt hij vandaan, de bergen?

Van onder de bergen? Wat is hij?

Ik heb geen idee.

Hij gaat in een hoek zitten.

Ik ben de eerste van de meisjes die naar hem toe durft te gaan. Nee, we kunnen niet sterven, maar we kunnen zeker pijn voelen.

Hij kijkt mij aan, met die vreemde blauwe ogen. Ze zijn als gaten in de hemel, bedoeld om je ziel op te zuigen.

‘Sake!’ zegt hij met een afschuwelijk accent.

Hij legt wat munten neer.

Ik wenk een dienjongen dat hij een hele kruik moet brengen.

Deze reus ziet er uit alsof hij een hele kruik sake kan drinken, misschien zelfs meer. Hij stinkt, ik vermoed dat hij smerig is.

‘Je naam?’ vraagt hij.

Wat ongemanierd! Ik ben verbaasd dat het ding kan praten. Het praat! Min of meer.

‘Yoru no himegimi,’ antwoord ik.

‘Yoru.’ Hij glimlacht.

Nee! Ik glimlach terug en schenk een kom voor hem in.

Hij pakt de kruik en giet de sake in zijn keel.

Met zijn handen gebaart hij dat ik van de kom moet drinken.

Dit wezen is even ongemanierd als een beest. Nee! Ik heb honden gezien met betere manieren!

De roodharige reus drinkt nog meer, en bestelt nog een kruik, en nog een. Hij zuipt alles op. Ik heb nauwelijks de sake van mijn kom aangeraakt. Hij leegt nog eens twee kruiken, wat hem de bewondering van de dienjongens oplevert.

En van mij, moet ik toegeven.

‘Yoru, jij neukt?’

Ik weet niet of hij nu dronken is, of dat hij alleen maar een paar woorden kent.

Maar kan ik neuken?

Ja. Dat is mijn lot. Voor eeuwig en eeuwig.

Maar ik heb mij nog nooit zo goedkoop gevoeld.

Dit beest behandelt mij als een stuk vee. Ik vermoed dat hij gewoonlijk varkens neukt in het midden van de nacht, of zoiets. Hij stinkt er genoeg voor.

‘Ik zou vereerd zijn,’ antwoord ik met zorgvuldig verborgen sarcasme. ‘Maar mag ik eerst een bad voorstellen om uw plezier te verhogen, gewaardeerde gast?’

Ik geloof niet dat hij mij begrijpt, want hij kijkt mij aan met die blauwe ogen. ‘Jij neukt, ja?’

Ik neem hem bij de hand en hij komt overeind.

Oh, hij is groot!

Hij is dronken, maar groot. Iedereen gaat opzij.

Glimlachend neem ik hem mee naar achteren, naar het bad.

Het duurt even voordat hij begrijpt wat ik wil dat hij doet. Pas wanneer ik mij uitkleed, mijzelf reinig en plaats neem in het warme water, begrijpt hij het.

Hij trekt zijn stinkende kleren uit.

Oh! Hij is groot! Ja, daar.

Hij maakt zichzelf niet eerst schoon, Nee!

Langzaam laat hij zichzelf in het water zakken.

Met afschuw bekijk ik hoe het bergbeest in bad zit. Hij vindt het lekker, hij zegt iets dat ik niet versta.

Ik glimlach, dat werkt meestal.

Is er een plek waar hij geen haar heeft?

Ongelooflijk! Ik begin hem te wassen.

Hij lacht, hij is voorzichtig en nieuwsgierig, hij laat mij mijn gang gaan.

Ik boen hem zoals ik een met bloed besmeurde kimono in een berg­stroom zou boenen.

Hij begint te fluiten. De haren in mijn nek komen overeind. Vervloekt hij me? Weet hij niet dat je onheil over je afroept door te fluiten?

Blijkbaar geeft hij niet om mijn geluk, of het zijne. Mijn hand pakt zijn mannelijkheid beet, dat zal hem het zwijgen opleggen.

Dat doet het, en het doet ook andere dingen.

Ah, dit is mijn ding, hier ben ik de baas.

Ik glimlach, de lelijke reus kijkt naar mij, zijn mond half open, zijn ogen half gesloten. Nog steeds zijn die doordringende blauwe ogen zichtbaar.

Plaag, plaag, plaag. Wanneer ik er zin in heb en de klant het mij laat doen, kan ik hem uren bezighouden op duizend verschillende manieren.

Met de eeuwigheid tot je beschikking, leer je een paar dingen.

Ditmaal plaag ik niet, niet al te lang in ieder geval. Zorg dat dat ding in de stemming komt, neuk het, glimlach en vertrek.

Ik doe al die dingen.

Ik klim uit het bad.

Het… het was niet zo slecht als het had kunnen zijn. Geen tanden op rare plaatsen. Ja, ik lieg niet, ik heb dat gezien, en engere dingen.

Zonder om te kijken, droog ik mijzelf af. Ik weet dat hij daar nog is, vies beestding, zittend in vies water, glimlachend. Hij is nog steeds dronken.

‘Yoru, bedankt.’

Ik kijk om, volkomen verrast. Bedankte hij mij net?

Hij zwaait loom.

Ik ga snel weg.

In de gelagkamer wacht mijn daimaō op me.

Mijn gezicht bloeit op van vreugde. Mijn demon­minnaar! Verfijnd, smaakvol, beschaafd. Hij gaat gekleed in een nachtzwart gelakt pantser. Ja, met u wil ik graag liggen.

Ik ben blij dat we ons terugtrekken in de beste kamer van de taveerne voordat de roodharige reus terug­keert van het bad. Ik wil niet dat daimaō Furui ziet met wie ik net geweest ben.

We blijven er heel de nacht.

 

De volgende nacht is hij terug.

Nee, niet daimaō Furui.

Ik bedoel de roodharige reus.

Hij staat in de deuropening en ziet mij. ‘Yoru!’ schreeuwt hij.

De andere meisjes giechelen Ze hebben mij uitge­hoord over het gigan­tische wezen en ik heb alles verteld, en wat dingen overdreven, misschien.

Ach, niet alles. Nu zijn de andere meisjes blij dat de reus mij wil in plaats van hen.

Ik heb geen keus, ik ga bij hem zitten. Ik glimlach terwijl hij kruik na kruik achteroverslaat.

Hij zegt niet veel, ik denk dat hij niet weet hoe. ‘Van ver weg,’ komt er uit zijn mond, zijn armen wieken wild. ‘Lang geleden, vrouw, niet gezien.’

Ik vraag mij af of zij net zo groot en harig is als hij.

‘Mis haar. Nam schip en vertrok. Was slechte dag om vertrek. Dag… Dag heer stierf.’

Tenminste, ik geloof dat hij dat zegt. Ik kan hem nauwelijks verstaan en wat het betekent weet ik niet.

‘Jij neuken?’ vraag ik hem in hetzelfde brabbeltaaltje als hij gebruikt. Ik wil dat het zo snel mogelijk over is. Vergeet goede manieren!

‘Ja.’

We slaan het bad over – Hayate was erg boos toen hij hoorde wat de reus had gedaan – en nemen een van de kamers. Dit keer stinkt hij in ieder geval niet zo vreselijk.

We neuken.

Het is niet slecht. Hij is groot, maar erg voorzichtig met mij.

Daarna zegt hij weer: ‘Dank je.’

Ik heb slechtere minnaars gekend.

Die nacht komt daimaō Furui niet.

Ik zit en zing. De meiden vragen of hij mij pijn heeft gedaan en ik vertel hen leugens, die hen laat rillen en met hun ogen laat rollen. Van binnen glimlach ik. Wat zullen ze bang zijn, de volgende keer als de roodharige reus een van hen kiest!

 

‘Yoru, ik vind je leuk.’

Het is de vijfde nacht. Iedere nacht keerde hij terug. Iedere nacht sliepen we met elkaar.

Je kan aan zoiets wennen, je kan er zelfs naar uit gaan kijken.

Ik… Nee, laat maar.

Het is de eerste keer dat hij dit zegt.

Hij heeft zijn arm, massief, groot, zwaar, om mij heen. Ik kan niet ontsnappen. Zijn zweterige, harige lijf ligt tegen het mijne.

Wat vreselijk! Wat walgelijk!

Wat… comfortabel.

Hij is zo groot, zo beschermend. Niets kan mij pijn doen als hij er is.

Misschien ben ik dronken. Heb ik te veel van de sake gedronken? Wat een vreemde gedachten!

Blauwe ogen kijken in de mijne.

‘Ik voel mij goed,’ antwoord ik. ‘Erg goed.’ Ik lieg niet eens.

Soms verbaas ik mijzelf. Ik ben een dwaze vrouw.

‘Yoru, ik ga je missen.’

‘Vertrek je?’ vraag ik. Het is een voor de hand liggende vraag.

‘Ja, met schip. Lange reis terug. Stormen.’

Hij is een onbeschaafde reus, een harige aap.

Hij is niets vergeleken met daimaō Furui. Maar men kan er aan wennen om op plezierige wijze geneukt te worden en achteraf te worden bedankt, om in zijn grote, grote armen te liggen. Plots voel ik droefheid, voor het naderende afscheid. Ik haat afscheid nemen.

Er is ook iets anders. Iets knaagt aan mijn gedachten. Iets wat een gast maanden geleden had verteld. Het was een nieuwe geest, een bediende die zijn eigen leven nam, zijn hart gevuld met haat voor zijn meester. Zei hij niet iets over barbaren die van ver weg kwamen? Met een schip? Chikushō, noemde de geest hen. Ik kan me er niet veel van herinneren. Onze gasten komen van allerlei plaatsen en tijdperken, sommigen van heel lang geleden.

Welke keizer regeert er momenteel in het land der levenden? Welke dingen gebeuren er buiten ons nachtelijke bestaan? Ik weet het niet. Misschien hoor ik die dingen een keer, misschien niet, het doet er allemaal niet toe. De beslommeringen van de sterfe­lijke wereld hebben zeer weinig invloed op ons bestaan. Er zijn altijd oorlogen en geesten, geweld en verdoemde zielen.

‘Ik zal je missen,’ antwoord ik. Dat zal ik zeker, en meer dan ik toe wil geven.

In stilte liggen we op de matten. Yoru en de reus.

Uiteindelijk is het tijd om op te staan.

Omdat het de laatste keer is, voelt alles vreemd aan. Ik kleed mij langzaam aan. Wil ik dat het nog net iets langer duurt?

Dwaze vrouw. Jij hebt de eeuwigheid. Zal je je deze harige aap over een eeuw herinneren? Waarschijnlijk niet. Maar het was vreemd, en ja, zoet. En nu is het over.

‘Kom je terug?’ vraag ik.

Hij grijnst, zijn grote apengrijns. ‘Ik hoop ja. Rijk. Ik koop je, ja?’

Als het zo gemakkelijk was…

‘Ja,’ antwoord ik.

Wij keren terug naar de gelagkamer, waar daimaō Furui op mij wacht.

Hij is blij mij te zien. Hij is niet blij om de roodharige reus te zien. Waarom? Misschien omdat de vreemde reus zijn hand op mijn schouder heeft.

Of misschien omdat hij mij beetgrijpt en in het openbaar omhelst. O vreselijke onbeschaafde aap!

Ik… Ik… In het geheim geniet ik van alle aandacht.

Ik heb een rare smaak. Ik worstel alsof ik het vreselijk vind.

Natte lippen op de mijne. Hij vindt de smaak van mijn mond lekker, zegt hij. De smaak van bloed. Mijn reus kust mij, en iedereen kan het zien!

Het is te veel voor daimaō Furui. Iedereen weet dat ik zijn favoriet ben. Door mij te beledigen, wordt hij beledigd.

Hij schreeuwt en valt aan.

Hij eert de reus niet door hem te doden.

De daimaō’s zwaard legt enkel zijn wang open, een oppervlakkige wond. Het is een waarschuwing en een belediging.

De reus trek mij opzij en stapt voor mij. Om mij te beschermen.

Om mij te beschermen?

Ja echt!

Zijn hand gaat naar zijn wang, en kleurt rood.

Bloedrood.

Het rode bloed van een sterveling.

Een sterveling!

Ik ben niet de enige die het ziet. Iedereen in de taveerne kijkt naar hem, volkomen verrast. Een sterveling, hier? Maar hij ziet er uit als een demon.

Een lelijke demon!

Het doet er niet toe. Daimaō Furui zal hem nu doden. Zijn zwaard is getrokken, zijn woede is groot. Mijn roodharige reus – Hij kan geen sterveling zijn! Waar leven mensen zoals hij? Aan het eind van de wereld? – heeft geen zwaard. Hij draagt een grove dolk, maar daar heeft hij niets aan tegen de katana van een demon. Hij is zo goed als dood.

‘Ik zal je doden als de smerige hond die je bent,’ roept mijn daimaō. Hij beledigt de roodharige reus nog meer door zijn naam en afstamming niet te noemen. Honden zijn dat niet waard. Hij heft zijn zwaard.

Uit zijn gordel trekt de reus een korte, dikke stok. Hij wijst er mee naar de demonenheer en…

Flits! Rook! Een geluid als donder!

Iedereen schreeuwt! Iedereen vlucht voor deze sterke magie. Alle gasten van het Rode Wolken Huis zijn lafaards.

Daimaō Furui is dood, zijn hoofd is gespleten.

Overal zitten spatten hersenen en zwart bloed.

Ik vluchtte niet. Ik bevroor van angst.

Mijn reus draait zich om. Zijn gezicht staat droevig. ‘Ik ga nu.’

Ik weet dat hij mij niet met zich mee kan nemen. Geloof de dwaze verhalen niet. Het zijn allemaal leugens.

Ik kijk naar hem. Ik voel zoveel pijn!

Hoe kan pijn zo zoet zijn?

‘Wat is je naam?’ flap ik er uit. ‘Mijn naam is Jaden Vlinder.’ Ik geef hem mijn liefdesnaam.

Waarom?

Ik…

Neh.

Willem van der Decken,’ antwoordt hij. Ik heb geen idee wat de woorden betekenen.

‘Ik keer terug, op een dag,’ belooft hij.

Hij vertrekt in de duisternis van de nacht.

Ik blijf achter.

 

Vervloekt zijn zij die met geesten hebben gelegen en de wijn van demonen hebben gedronken.

Kapitein Van der Decken is erg ongeduldig op zijn weg terug naar Holland. Wanneer hij de Kaap van Goede Hoop rondt, werkt de wind hem tegen.

Zijn loods vraagt de roodharige kapitein of ze het slechte weer niet in Tafel Baai kunnen uitzitten.

‘Mag ik voor eeuwig vervloekt zijn als ik dat doe, wij blijven hier, al duurt het tot de Dag des Oordeels.’

Vervloekt en dubbel vervloekt.

Hel zal wraak nemen.

Ze zeggen dat de Vliegende Hollander van zijn vloek bevrijd kan worden als hij een vrouw vindt die voor hem uit liefde wil sterven.

Hij heeft niets aan een vrouw die al dood is.

Jammer genoeg.

 

Vergeet ik mijn harige reus?

Nee.

Hij laat het niet gebeuren.

Om de paar jaar ontvang ik een brief, bezorgd door een dode zeeman of een verdronken reiziger.

Ik heb Nederlands leren lezen, je kan een hoop leren gedurende de eeuwen.

Hij schrijft dat hij op een dag zal terugkeren, voor mij.

Ik weet dat hij dat zal doen.

Ik wacht er op.

Dode mannen dromen niet : Marcel Orie

Eerste akte: het boegbeeld

 

Noem me maar Shilpa. U bent nieuw hier? Het straalt van u af.

Misschien heeft u al van me gehoord? Shilpa de moritat-zanger? Luister naar mijn lied en stop een penning in het bakje van Herr Stumm, mijn aapje. Is hij niet schattig? Zie: hij is gekleed als een klein mensje. Ik maak mijn ronde over de zompige pieren van dit stadje. Met mijn draai­orgeltje begeleid ik de moord­ballades die ik zing, terwijl Stumm springt en danst.

De doden lopen hier schouder aan schouder met de levende dromers. Soms is het verschil moeilijk uit te maken, slechts in de details schuilt het echte kwaad.

Dit is een baai waaruit niemand meer vertrekt. Zie hoe de schepen opeen gepakt liggen. Kijk hoe de Baal met zijn boegspriet tegen de achtersteven van het zwarte galjoen Queen of Spades aanschurkt als een hitsig beest.

Her en der steken er nog masten boven het groene water uit, van gezonken en nooit geborgen schepen die als koraal­riffen vlak onder de waterlijn verstoken liggen. De wrak­ken maken de binnenhaven ondiep en verraderlijk.

In geval van storm deinen de schepen op de golven en ze botsen en schuren en klappen tegen elkaar, terwijl de beman­ningsleden als opgeschrikte mieren over het dek zwermen, touwen vastsjorrend, enterhaken gereed houdend, verwen­singen schreeuwend die weggevoerd worden door de wind.

Maar meestal is het water kalm in de vergeten binnen­haven van Wurmwater. De seizoenen zijn hier gelijkmatig. En de bemanning van piraten, moordenaars en plunde­raars, schoften van allerlei allooi houdt zich ook kalm. De bootsmannen zien erop toe dat de schepen onderhouden worden, ook al hebben ze er geen hoop meer op ooit nog uit te varen. En tussendoor wordt er gedobbeld, gedronken, gesnoefd en geslapen. De landerige stemming die zich van de zeebonken meester maakt baart de verstandigste kapiteins zorgen. Uit dit soort doelloos gelummel kunnen plots muiterijen ontkiemen.

 

*

 

Op de achterplecht van de Queen of Spades vindt een overleg plaats tussen drie kapiteins. In de namiddag hebben ze Madeira-wijn zitten drinken in de schaduw van grote ronde parasols. Nu begint de zon onder te gaan en zijn kaarsen bijgezet op ijzeren standaards. Het flakkerende licht vormt het drietal tot wrakhouten boegbeelden, losgebroken van hun schepen en na een lange sluimertijd gedobberd te hebben in zout water, aangespoeld op een vreemde kust. Verweerde koppen, stulpend en wrattig als overdekt met zeepokken. Het schaduwspel verhult niet, maar benadrukt slechts hun inborst.

De kapitein van dit schip luistert naar de naam Edward Teach, maar werd gevreesd als de piraat Black-beard. Hij harkt gedachteloos met zijn vingers door zijn lange, woeste baard, terwijl hij spreekt.

Hij heeft de andere twee kapiteins uitgenodigd. De Marsh­-broers, kapiteins op hetzelfde schip, wat het spreek­woord daar ook van vinden mag: de Baal. Beide mannen hadden bij leven de voorname leeftijd van zestig al bereikt, voordat ze stierven en aan hun tweede leven in Wurmwater begonnen. Ze zijn beide zwaar van lijf. De jongste broer, de stamvader Obed, is corpulent, zelfs vet te noemen. Ahab, de oudere broer, is zwaar op een andere manier, hij heeft nog steeds de bedacht­zame kracht van zijn walvisvaardersbestaan opgesloten in zijn gedaante.

Hun hoofden zijn te groot, bedenkt Edward zich, terwijl hij nog eens inschenkt. Obed heeft een schedel als een os, en bij Ahab is dat prominente voorhoofd ook nog eens getekend met littekens.

Ze spreken over vele dingen. Over hun gevangenschap in deze verstikte baai. Over hun verlangen om het zeegat uit te varen. Ze spreken over hun levens, over de handel, de walvisvaart en de piraterij. Ze lijken het eens. Een man moet zijn weg in het leven vinden. Neem je lot in eigen handen.

Ze dissen elkaar anekdotes op uit hun bewogen levens. Ze keuvelen. Over wijn en likeur. Over vrouwen. Obed Marsh haalde zijn vrouwen in Polynesië, dat is geen geheim, evenmin als wat hij met die vrouwen deed. Ze spreken over de landen die ze bezochten. De mannen die ze bedrogen. De wijn vloeit rijkelijk. De drie oude mannen blijken jongensogen te hebben, de schelmachtige twinkeling verraadt ze.

Maar er is ook achterdocht, als een verraderlijke onderstroming. Met welk doel heeft Edward de andere twee uitgenodigd? Ze zijn reeds jaren elkaars buren in deze haven en uitgerekend vandaag komt hij met een uitnodiging? Het is uiteindelijk Ahab Marsh die de onvermijdelijke vraag verwoordt: ‘Je schenkt goede wijn, Edward, en je conversatie wordt ook gewaardeerd. Maar toch blijf ik me afvragen waarom je ons eigenlijk hebt uitgenodigd.’

Edward knikt, alsof hij op deze vraag heeft zitten wachten. Hij neemt nog een slok en gooit dan de naam op tafel.

‘Kennen jullie de smokkelaar Karagiozis? Hij is een Griek, of sommigen zeggen een Turk. Een ge­bochelde. Hij heeft een tijd lang gewerkt voor de ivoor­handelaar Kurtz, heb ik horen vertellen. Hij werkt nu al jaren voor zichzelf. Hij smokkelt. Voor­werpen, personen. Er wordt gezegd dat hij geheime wegen naar het land der levenden kent.’

‘Een gebochelde Orpheus,’ beaamt Obed Marsh, ‘ik heb over hem gehoord.’

‘Ik ook,’ zegt Ahab, ‘een Griek en een zwendelaar.’

Edward gaat verder. ‘Ik heb horen vertellen dat hij een van jullie bemanningsleden onder zijn hoede heeft genomen.’

Er valt een lange gespannen stilte, waarin de drie mannen elkaar maar aan zitten te kijken.

Na een tijdje haalt Edward zijn schouders op. ‘Van deserteurs hebben we allemaal last. Het is de vraag hoe je het probleem oplost… zodat de rest niet hetzelfde idee krijgt.’

‘Ja,’ zegt Obed, ‘onze verloren zoon moet terug­keren. Goedschiks of kwaadschiks.’

‘Ontbied de Griek. Ondervraag hem,’ suggereert Edward.

Even later vertrekken de broers. Ahab wankelt van de wijn. Zijn rechterbeen is van ivoor, kunstig gesne­den uit walvisbeen. Hij legt een van zijn grote handen op de schouder van zijn broer, voor steun.

Eenmaal alleen neemt Edward Teach weer plaats in zijn zetel en schenkt zichzelf nog eens in.

‘Veel geluk,’ grijnst hij tegen zichzelf.

 

*

 

Daar gaat Mackie Messer, de pooier. Hij heeft betere dagen gekend. Zijn haar wordt dun en hier en daar grijs. De praalhans in zijn ooit dure, maar nu gelapte heren­jas. Verborgen in die jas draagt hij zijn messen, met lemmeten die je pas ziet blikkeren als het te laat is.

Pooier is misschien een onaangename term. Mackie zou zichzelf niet zo omschrijven: hij is een entre­preneur. Hij doet wat hij moet doen om aan zijn duiten te komen, of hij nu zijn vrouw de straat op moet sturen, of zelf zijn handen vuil moet maken. Hij draait zijn hand ook niet om voor afpersing, mis­han­de­ling of brandstichting. Lang geleden, toen ze nog leefden, hebben Polly en hij nog opgetreden met een messen­werper-act, maar daar zijn ze mee gestopt toen de handen van Mackie teveel gingen trillen.

De tragiek van hun bestaan, als een worm die zich door een appel knaagt, is dat ze elkaar in Wurmwater ook weer tegen zijn gekomen. Ze zijn weer samen gaan wonen, in een klein huisje in de binnenstad. Polly werkt in een her­berg als kamermeisje en af en toe pikt ze nog een klant op, maar dat wordt moeilijker nu het haar grijs wordt en haar tanden slecht. Ze heeft nog steeds haar ranke figuur, de hoge billen en puntvormige borsten, en daar is Mackie blij mee.

Zelf pakt hij alles aan om de eindjes aan elkaar te knopen. Souteneur is een term waar hij zich wel onder kan scharen. In het Frans klinkt het toch allemaal net wat eleganter, en hij spreekt de taal niet.

 

*

 

Edward Teach op vrijersvoeten. Hij heeft zijn woeste zwarte baard uitgekamd en in drie punten verdeeld, elk vastgezet met een gestrikt kleurig lint, zodat zijn baard de vorken van een drietand vormt, een symbolische daad die niet alleen zijn aangeboren ijdelheid bevredigt maar ook de goedkeuring van de zeegoden kan wegdragen. Hij bespren­kelt zich rijkelijk met reukwater en wikkelt een sjaal rond de littekens in zijn nek. In de wakende landen hadden zijn tegenstanders hem door­stoken, ze hadden zijn hoofd afgehakt en het aan de haren aan de boeg­spriet van zijn buitgemaakte galjoen geknoopt.

Hij is een dode met een voortdurend verstijfd lid. Wil je weten hoe je obsessie spelt?

Hij klimt de drie treden omhoog en opent met trillende handen het deurtje naar de galerij. Het vergulde krul- en lijstwerk van de spiegel achter hem vormt de barokke achtergrond voor zijn romantische ontmoetingen. De boegspriet van de Baal steekt, zoals reeds vermeld, rake­lings langs de achtersteven van zijn galjoen. De na­bij­­heid van de schepen maakt een bijna besloten ruimte van de galerij. Een besloten hofje voor twee tortel­duiven. De griffioenen die de glas-in-lood raampjes van zijn kajuit flankeren, zijn het enige publiek.

Links is het hokje waar zijn privaat gesitueerd is. Rechts de toegangs­deur tot zijn hut, die hij openlaat om extra beschutting te creëren. De boeg van de Baal ontneemt vrijwel alle zicht op de rest van de baai. Boven zijn hoofd torent het overdreven hoge voorkasteel.

Maar recht voor zich ontvouwt zij zich. Iedere keer is het alsof hij haar voor het eerst ziet. Iedere keer weer, ook al bezoekt hij haar soms wel twee keer per dag, bij voorkeur tijdens de ochtendschemering of na het onder­gaan van de zon. Ze strekt haar ene arm voor zich uit, haar biceps rustend tegen de zachte welving van haar prachtige gezicht, haar reikende open hand is een smeekbede waarmee ze om de toegang tot tot zijn kapiteinshut verzoekt. De souplesse in die pols, de expressie in haar tastende vingertoppen!

Het boegbeeld belichaamt de ziel van het schip, zeggen zij met een romantische inborst. Maar de Baal is een kraak, een hoge beroete kolos en zij is daarvan juist de antithese. Haar fijne ivoren beelte­nis is gesneden uit walvisbot.

Haar vlakke, brede gezicht verwijst naar haar Poly­nesische afkomst. Haar oogleden zijn altijd ge­slo­ten, de krulling van haar wimpers in de juk­been­deren gekerfd. Ze is een prinses van het eiland Kokovoko, heeft ze hem eens toegefluisterd, al bleven haar brede lippen onbeweeglijk gesloten in een uit­druk­king die hem soms pruilend, soms trots voor­komt. Hij moet op zijn tenen staan om haar lippen te kunnen bereiken.

Ze kromt haar bovenlijf alsof ze los wil sidderen van de boeg waaraan ze gekluisterd is. Alsof ze de last die achterop haar komt van zich af wil schud­den. Haar wulps puilende borsten, onder­steund door haar andere arm, zijn besneden met wijd bemeten areola en elk bekroond met een tepel die priemt als een tastende vinger. Door de krom­ming van haar torso zijn de ribben zichtbaar, zo glad en gepolijst en toch met weerhaken verankerd in zijn geheugen. Onder de welving van haar buik, en de holte van haar navel die zo diep is dat zijn wijsvinger er twee kootjes diep in verdwijnt, begint haar vissenstaart. De vissenschubben waaieren uit als de schubben van een dennenappel, schrapen zijn handenpalmen als hij ze er begerig overheen laat glijden. Alleen het onderste gedeelte van de staart kromt zich bij de voorsteven vandaan, een vinger­wijzing naar haar verlangen om vrij te zijn van het schip waaraan ze gekruisigd is. Haar uitlopende staartvin kan hij slechts beroeren wanneer hij gaat liggen op de galerij en hij zijn bovenlijf vervaarlijk over de rand laat bungelen, zijn gespreide benen als contra­gewicht, en dan slechts met een volledige uitge­strekte arm, zich als het ware spiegelend aan haar pose, slechts dan kunnen zijn vingertoppen de gegroefde lijnen in haar staartvin bevoelen.

Soms, ja zelfs regelmatig, culmineren deze gestolen ontmoetingen, als het verlangen ziedend in hem brandt, in een dierlijk schurken, hij maakt woest en onstuimig zijn riem los, trekt zijn kleren opzij en wrijft zijn tumescente onderlijf tegen haar buik, tot hij iets van verlichting heeft bereikt.

Daarop volgt de angst dat iemand hem bespied heeft. Een van zijn onderofficieren over de uitwaaie­rende balustrade van het achter­kasteel; of waar­schijn­lijker, een van de nieuwsgierige vissen­kop­pen die aange­trokken door vreemd rumoer op de boeg­spriet van de Baal zou klimmen. Edward trekt zich dan knarsetandend terug in zijn hut, en slaat zijn geliefde gade door de tralies met gekleurde glaasjes. Hij is een man die bevelen buldert, waarbij zijn man­schap­pen overeind veren om die bevelen ook uit te voeren. Wanneer hij gedwongen wordt om zijn liefdes­ver­klaringen te fluisteren voelt hij zich minder dan die man. Het is alsof hij zichzelf kleineert. Alsof er met die nood­zakelijke heimelijkheid een mate van lafheid achter­blijft dat zich nestelt in het merg van zijn botten.

Hij is ook geen dwaas, geen brulboei die een scheepsslag ontketent omdat hij zijn eigen kleine pleziertjes najaagt. Om tussen die gebroeders Marsh te laveren is om jezelf te positioneren tussen hamer en aambeeld. Maar hij is ook geen lafaard!

 

*

 

Maar wat er na de wittebroodsweken komt? Het beeld van een huwelijk dat al te lang geduurd heeft? Neem bij­voorbeeld Mackie Messer en zijn Polly, ze zitten samen aan de bar van de Lustvolle Zwaardvis.

Verstandige drinkebroers blijven wijselijk op afstand als twee echte­lieden beginnen te kijven.

De stemming van Mackie Messer is grillig: hij wisselt van opgetogen naar humeurig. Als hij larmoyant over zijn glas gebogen zit, zijn kop zo rood aangelopen als de port die hij heel de middag heeft laten weglopen in de bodem­loze put van zijn keel, dan plotseling weer vocaal en roffelend op zijn borst als een mensaap. Kenners weten dat Mackie nu op zijn gevaarlijkst is, maar Polly is zelf te beschonken en door de wol geverfd om er nog om te geven.

‘Je weet toch wie ik ben, is het niet?’

‘Tuurlijk, tuurlijk, jij bent Mackie Messer. Mackie het Mes. Denk je dat ik dat niet weet? Wou dat ik het vergeten kon…’

‘Ik ben toch je vent, of niet? Ben ik je vent of niet?’

Zijn echtgenote trekt aan haar sigaartje en blaast de rook naar hem toe.

‘Ik vraag je wat! Ik vraag je wat! Ben jij mijn wijf of niet?’

‘Ja, dat ben je Mackie! God weet dat ik je wijf ben! Ik draag er de schandvlekken van.’ Ze herschikt de doek om haar schouders, trekt de stof om zich heen alsof ze het plotseling koud heeft.

‘Aaah, wat ben je toch een monster. Geef ik je dan niet genoeg?’

‘Jij geeft me meer dan genoeg, Mackie!’ spuwt ze hem toe. Ze buigt naar hem toe en even lijkt het alsof ze hem met haar lange tanden in zijn neus zal bijten. Haar ene voortand is verkleurd na een stomp in haar aangezicht, bij een echtelijke ruzie enkele jaren eerder.

‘Zeg maar wat je hebben moet! Zeg het me maar!’ Hij slaat met zijn vuist op de bar zodat de glazen rinkelen, maar verder is het stil in de Lustvolle Zwaardvis. De toog is hun niemandsland geworden, waar niemand zich nog op wil houden. De waard poetst glazen, zo ver moge­lijk bij de echtelieden vandaan. Aan de tafeltjes staren de andere klanten in hun glazen.

‘Wil je een gouden ketting om je nek? Wil je er twee? Zeg het maar. Dan ga ik ze halen! Ik haal ze voor je!’

Hij staat op en zijn barkruk gaat met een klap tegen de grond.

‘Ik ben nog steeds Mackie Messer!’

‘Weet ik toch,’ mompelt Polly.

Dat had ze ook nooit mogen zeggen.

 

*

 

Het gerucht dat de Marsh-clan op zoek was naar de Griek Karagiozis verspreidt zich door de stad met de virulentie van de Franse pokken.

Een harpoenier uit Nantucket vertelde het tegen een paar stuwadoors. En even later werd er op de visafslag, waar de kade glibberig was van de inge­wanden, ook al druk gespeculeerd over de ware toe­dracht. Wat waren de motieven van de betrokken partijen? Zelfs de gekluisterde kraankinderen in de tredmolens die de grote hijskraan aandrijven, hoor­den het aanzwellende gerucht aan, al konden ze er niets mee, voort­stappend als muildieren.

De woorden reisden langs de kanalen de stad in. Een papyrussnijder hoorde het van een blinde bede­laar. Hij vertelde het door tegen de fruit­verkoopster met een rieten mand op haar hoofd. Een passerende ratten­vanger vertraagde zijn pas om hen af te luisteren. Hoorde hij dat goed? Tien dukaten? De grijze man droeg een hark over zijn schouder waar­aan hij zijn vangst aan de naakte staarten had opge­knoopt, en die zwierende dode ratten hadden ver­ont­rustend menselijke gezichtjes.

Gerucht en roddel waren het levensbloed van deze stad.

Op het moment dat het het havenvolk de kroegen binnen golfde, bereikte zijn koortsachtig hoogte­punt. Met genoeg drank om de kelen te smeren en de vuren der heldhaftigheid op te stoken, tuimelden de vrijwilligers over elkaar om de gluiperige Griek (of was het toch een Turk) in de kraag te vatten en uit te leveren bij de Marsh-clan. De beloning was nog niet verdiend of ze was al uitgegeven.

De verschillende bevolkingslagen werden geïnfec­teerd met de roddel. De filosofen en dichters die tot diep in de nacht aan de toog hingen om hun onto­logische dorst te lessen, ook zij hoorden van het kop­geld. Met hun verhitte fantasie groeide Kara­giozis uit tot een schurk van formaat, voort­vluchtig en ongrijpbaar. Iedereen kon wel een schanddaad van dit mispunt opdissen. De meesten hadden uit eerste hand onder zijn doortraptheid geleden (ook al hoor­den ze vanavond voor het eerst zijn naam).

De woorden werden herhaald en verhaspeld , ze kwamen terecht bij zovelen die er niets mee konden, maar zo nu en dan ook bij een man die er het zijne van dacht. Een nerveuze man die iedereen Black Dog noemde, vertelde het tegen een van zijn kompanen, terwijl ze zaten te drinken in de Lustige Zwaardvis. Oh voor­zienigheid! Een sluimerende, beschonken Mackie Messer lag te slapen op een houten bank in de nis ernaast. Hij was niet wakker, maar hij was ook niet in slaap. Hij was volkomen droomloos, zoals alle doden in deze stad. De woorden vonden zijn oren, weefden zich door zijn bijna-maar-net-niet bewustzijn.

 

*

 

De Roodjassen hebben een prooi gegrepen. Het trom­geroffel roept de menigte van toeschouwers bijeen. Nieuwsgierig dromt het volk samen rond het schavot, terwijl de Roodjassen hun gevangene vastketenen. Ze laten de ongelukkige knielen, drukken zijn hoofd op een houtblok, kluisteren kettingen om zijn armen en benen die ratelend strak getrokken worden door vier metalen ogen. Zo uitgespreid is het nog slechts wachten op de beul.

De soldaten dragen rode knielange jassen en vilten puntmutsen met gaten voor ogen en mond. Zwijgend en argwanend slaan ze de menigte gade, musketten in de hand, sabels aan de zij. Een omroeper declameert wat onduidelijkheden over ‘misdaden tegen het Gemenebest’. In Wurm­water zijn begrippen als rechtvaardigheid en schuld betekenisloos gewor­den. Er is nog maar één strafmaat en die wordt uitgemeten door de Bloedvuist. Als hij ten tonele verschijnt in zijn slagersschort wijkt de opdringerige menigte uiteen. Een reus van een man, de langsten onder de toeschouwers reiken nog niet tot aan zijn borst. Hij heeft een slepende tred. Hij draagt zijn zware slegge over zijn ontblote schouders. Zijn huid is krijtbleek. Zijn overmaatse kop wordt verhuld door een juten aardappelzak, gedoopt in scharlaken verf, met twee rafelige ooggaten. Er wordt van de Bloedvuist gezegd dat hij sterk genoeg is om bloed uit een steen te knijpen. Hij schept er genoegen in om de hoofden van degenen die hem ter beschikking gesteld worden met één machtige slag plat te slaan. Slechts heel zelden heeft hij twee of meer slagen nodig. Zijn werk gedaan, verdwijnt de beul weer. De andere Roodjassen scheppen de gekliefde overblijfselen in een houten kruiwagen en voeren ze af. Er wordt gezegd dat ze de hoofdloze kadavers verbran­den in ondergrondse ovens die zo heet zijn dat zelfs de botten tot as vergaan.

 

*

 

Het roffelen van de pauken doet Mackie wakker schrikken in de alkoof waarin hij zijn roes ligt uit te slapen. Hij drukt zijn warme gezicht tegen het kleine ronde glas-in-lood raampje en loert door het flessenbodem-glas naar buiten. Hij heeft geen inte­resse in een executie, zo lang het maar niet die van hemzelf betreft. Het lot van zijn medemens laat hem sowieso koud.

Maar hij ziet buiten wel iets dat hem interesseert. Een herinnering aan gefluisterde woorden kriebelt in zijn brein en vertaalt zich tot een glimlach. Het is zoals zijn moeder altijd placht te zeggen: sommigen zijn nu eenmaal voor het geluk geboren. Hij kruipt uit de alkoof, fatsoeneert zijn kleren en haar, zo goed en kwaad als dat gaat, en haast zich naar buiten.

De moritat blijft een opmerkelijke verschijning in haar kleurige goed, kniehoge leren laarzen, een pofbroek en een keurlijfje dat haar kleine borstjes opstuwt. Een brede paarse doek om het hoofd geknoopt, waaruit haar stugge haar getoupeerd oprijst als een toren, omwonden met kralensnoeren en linten. Haar aapje zit op haar schouder, hij is netjes aangekleed en heeft een hoge hoed op zijn kopje. Ze is bezig een roldoek vast te spijkeren aan de achterzijde van een privaat-huisje.

Mackie sist naar de straatzangeres. ‘Shilpa schatje, waarom zing je mijn liedje nooit meer?’

Stil als een schaduw is hij haar beslopen en hij geniet van de schrik in haar ogen.

Ze herstelt zich vlotjes. Arm in haar zij. ‘Heb je er een penning voor over, Mackie?’

‘Andere keer, schatje. Ik zit nu wat krap bij kas.’

Hij is dichterbij haar komen staan. Hij reikt naar haar arm, maar zij stapt snel bij hem vandaan.

Hij glimlacht breed naar haar en schudt zijn hoofd.

‘Van mij heb je niets te vrezen, schatje.’

Ze tikt met twee vingers tegen haar slaap. ‘Ik ben je liedje niet vergeten: de haai heeft tanden en die draagt hij in zijn gezicht.’

‘Ik kan niet begrijpen dat wij nooit zaken hebben kunnen doen, zo’n mooie slimme meid als jij en…’

‘Laten we dat maar niet doen, Mackie.’

Hij zucht. ‘Zoals je wilt. We hebben het er een vol­gende keer wel over.’ Hij wijst op een figuur in de  uiteenvallende menigte. ‘Zeg eens, die grote vent daar, met die bochel als een dromedaris, dat is Karagiozis de Griek, toch? Met die lelijke kale kop en die haakneus.’

Shilpa hoeft nauwelijks te kijken. Ze knikt alleen maar.

‘Dacht ik al,’ glimlacht Mackie. ‘Goed zo. Heel goed. De volgende keer koop ik een liedje van je, Shilpa.’

De moritat-zinger besluit toch een andere plaats te zoeken om haar liederen ten gehore te brengen. Ze haalt haar juist vastgespijkerde doek weer los, rolt hem behendig op, hangt haar kleine draaiorgeltje weer aan de leren band over haar schouder en maakt zich dan uit de voeten, het kwetterende aapje in haar kielzog.

Mackie Messer blijft achteraf staan, leunend tegen het zweterige metselwerk, zijn handen weggestoken in de hoge zakken van zijn jas.

De ter dood veroordeelde wordt alweer afgevoerd in zijn kruiwagen. De beul sjokt er vandoor. De menigte begint uiteen te vallen, te desintegreren. Kleinere kluitjes kiezen weer hun eigen pad. Straat­verkopers en temeiers proberen ze nog te onderscheppen om hun schamele waren te slijten.

 

*

 

Ik zeg niet dat Wurmwater het hiernamaals is. Ik weet niet hoe heet de hel is, of wat de onderscheidende karakteristieken van het vagevuur precies zijn. Deze havenstad lijkt in ieder geval niets op de beschrijvingen die ik wel eens heb horen geven van de hemel of het paradijs. Maar misschien komt deze poel des verderfs een rechtgeaarde zondaar juist wel hemels of paradijselijk voor. Wie zal het zeggen? Ik in ieder geval niet. Ik ben maar een eenvoudige straatzangeres, geen geleerd theo­loog, predikant of moralist.

Laten we het erop houden dat Wurmwater een stad is, ergens, aan de nachtzijde der dingen, met een haven waar ongewoon veel zondaars strandden. Het komt op geen enkele kaart voor, las ik eens ergens, want echte plaatsen vind je nooit op een kaart.

Er zijn hier zoveel doden die een tweede kans hebben gekre­gen. Ze imiteren de levenden: ze vreten en zuipen, neuken en vechten, liegen en bedriegen, alsof er nooit meer een morgen zal komen. Een tweede kans om dezelfde misstappen te maken als de eerste keer. Daarom zing ik nooit een aubade of pastorale. Ik zou verhongeren, want mijn toehoorders zijn zo door de wol geverfd, dat hun aandacht slechts wordt getrokken als ik mijn roldoek vastspijker aan een schutting of paal. Het bloed moet van het doek druipen, anders blijven zij niet staan. Ik moet krassen over moord, brandstichting en verkrachting, anders zoeken zij hun vertier elders.

 

 

Tweede akte: de worst

 

Kent u de vissen die ze piranha noemen? Ze leven in de man­grove ten oosten van de stad. Het water is daar opaak en groen als absint. Heel kalm, ook. Glad als een beslagen spiegel. Ze eten geen vlees, deze vissen, ze voeden zich slechts met de vruchten die overrijp van de bomen in het water vallen.

Maar als er iets in het water valt, is het gedaan met de kalmte. Ogenblikkelijk wordt het water een woelende, kolkende maalstroom van tanden en honger. Even later is de rust weer teruggekeerd. Geen rimpel herinnert nog aan de chaos van zojuist.

Vissen, dus.

U begrijpt wel dat ik het eigenlijk over deze stad heb?

 

*

 

De uitbater van Het Spuigat is een kleine man die Mumbai genoemd wordt, naar de stad waar hij ooit geboren was. Hij doet denken aan een poetsgarnaal met zijn kruiperige, springerige bewegingen. Ook zijn stekelige doorgegroeide bakkebaarden en de sprietige spierwitte wenkbrauwen- herinneren aan de kleinste der kreeftachtigen.

Het Spuigat is zo’n kroeg met kerven op de borrelglazen die een borrel of een dubbele mar­keren. De waard put zich uit in excuses terwijl hij aan het inschenken is. Hij spreekt in een onver­staanbaar binnensmonds pidgin, zodat zijn klanten nooit begrijpen waarvoor hij zich precies veront­schuldigt.

De inferieure kwaliteit van zijn drank? De glazen vol vingerafdrukken? Het feit dat er slechts een enkele olielamp brandde en de zaak donker als een graf was? Misschien omvat de voortmeanderende mea culpa de algehele smoezelige staat van het etablissement of de gastheer?

Het verzakte houten drinklokaal ligt ingeklemd tussen een pandjeshuis en een teerderij. Tegen de vergoeding van enkele koperen penningen opent Mumbai discreet een van de achterdeuren waarlangs een klant toegang krijgt tot een achterplaatsje, een cul-de-sac omsloten door de wrakhouten bouwsels, enerzijds begrensd door een hok met een blind varken en anderzijds afgepaald door een houten schutting. De zaak ontleent zijn bijnaam aan de ronde gaten die in deze schutting geboord zijn, ruwweg op heuphoogte.

Achter de schutting is de plaats waar Mumbai zijn vaten met drank opslaat. Er is een aparte deur voor het personeel.

Wanneer er een behoeftige klant zijn broek had laten zakken en plaats nam voor een van de gaten, was het slechts een kwestie van tijd voordat Mumbai iemand vond om plaats te nemen aan de andere zijde van de schutting om de overeenkomst te bezegelen. Ofwel een van de tippelaars die hier over straat zwalkten, of wanneer hij het met de lichtekooien niet eens kon worden over de vergoeding dan stuurde nog wel eens de doof­stomme keukenhulp, die hij dreigde met slaag.

Van de klanten wordt slechts verlangd dat zij vooraf betalen en dat zij zich verder niet storen aan het rochelachtig geknor van de zwart-witte zeug in haar modderige kot, of aan de zurige geur van de uitgekookte rats die in haar trog ligt te zweten.

Het gerucht gaat dat wanneer Mumbai geen ge­schikte knieler kan vinden, hij zich dan maar ver­ontschuldigt in de kroeg, zijn kunstgebit uit de mond neemt en in een bakje achter de toog verstopt, waar­bij hij zelf naar het achterterrein gaat.

 

*

 

Vanavond is er een vaste klant aangetreden: de Griekse bultenaar Karagiozis. (Van de schaduw die hem al de nodige tijd volgt door de drukke straatjes van Wurm­water heeft hij geen weet.) Hij is gekomen voor zijn pleziertjes. Hij heeft eerst zijn blaas geleegd op het achter­plaatsje en propt nu zijn van anticipatie aanzwel­lende olifantslid door een spuigat dat zich voor hem op praktische hoogte bevindt. Zo wacht hij af, terwijl Mumbai op straat een meisje van de nacht probeert te regelen. Het ongewisse van zo’n uitwisseling is wat Karagiozis zo bevalt.

Hij staart omhoog naar de maan, die als een uitgeslagen wiel kaas aan de hemel schimmelt. Hij laat zijn kale schedel rusten tegen zijn bult alsof hij een kussen meedraagt tussen zijn schouderbladen. Zijn vingers verkennen het ruwe oppervlak van de schutting waar hij tegenaan leunt. Hij probeert een liedje te neuriën dat hij eerder die dag uit een draaiorgel gehoord heeft, maar zijn mond is te droog. Hij likt aan zijn gebarsten lippen.

Een siddering trekt langs zijn ruggengraat als hij de personeelsdeur hoort dichtklappen. Actie!

 

*

 

Mackie sluipt langs de schutting. Hij draagt zeven messen van verschillende formaten verborgen op zijn persoon, maar hij heeft ze nog geen van alle tevoorschijn gehaald. In een opwelling heeft hij een schaar uit zijn laars gehaald. Hij klapt hem open en schuift hem langs de schutting, als een kind dat speelt dat de schaar een haai is.

Snip-snap. De maan blikt op hem neer, knipoogt naar hem.

Dan begint het schreeuwen.

 

*

 

Met lichte tred keert Mackie Messer terug naar het krot dat hij met zijn Polly deelt. Zijn trofee draagt hij mee in een stuk oliedoek. Hij wast zijn kleverige handen bij de geitenkop fontein, het melkwitte water dat uit de rots sijpelt ruikt naar zwavel. Dan daalt hij het steegje af waarin hij zijn huis heeft. Er zijn geen straatlantaarns hier, maar hij kent de weg. Twee treden omlaag, op de tast de sleutel in het slot.

Hij bergt zijn trofee op in zijn geldkistje, zodat de vliegen er niet bij kunnen. Hij ontkleedt zich en gooit zijn kleverige plunje achteloos op de zaagselvloer. Dan kruipt hij bij zijn echtgenote in de bedstee. Nog slapend, kruipt ze bij hem vandaan, instinctief, zo ver als ze kan, voordat de muur haar tegenhoudt. Hij kruipt tegen haar aan, duwt haar klem en begint haar slaapjurk omhoog te hijsen. Niets laat zijn eigen bloed zo stromen, als wanneer hij het bloed van anderen heeft laten stromen. Een probaat afrodisiacum.

 

*

 

De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.

Mackie heeft de oliedoek opengevouwen en toont de gedrochten zijn trofee.

De bootsman heet Barnabas Wade. Hij snuift en kwaakt. Hij heeft kopergroene schubben in zijn hals. Zijn oren zijn verdwenen. Hij heeft kieuwen als rafelige openingen in zijn hals. Er hangen vlezige snorharen langs zijn mond omlaag. Heel zijn onmen­selijke gelaatsuitdrukking ademt afkeer. Zijn ont­blote bovenlijf is overdekt met tatoeages.

‘Dit is Karagiozissss niet! Wij zoeken een man, jij brengt ons dit!’

‘Haal je kapitein maar,’ zegt Mackie, ‘die snapt me vast wel.’

De bootsman brengt zijn gezicht vlakbij dat van de pooier. Zijn kieuwen blazen open als hij snuift en blaast. ‘Ontbied één van onze kapiteins.’

Ondertussen komen de vissenkoppen nog wat dichter om Mackie heen staan. Om hem te inti­mi­deren, maar hij geeft geen krimp. Ze ruiken naar vis, naar de zoute zee, maar die observatie besluit hij maar voor zich te houden.

Wanneer de oudste van de Marsh-broers, kapitein Ahab, eindelijk aan dek verschijnt, steunend op zijn kruk, wijkt de bemanning uiteen om hem vrij door­gang te geven. De oude walvisjager slaat de trofee een ogenblik met een glinsterend oog gade. Hij schudt zijn hoofd, misschien omdat hij zich blijft verbazen over de waanzin en eerloosheid in deze stad.

‘Waarom ons de man zelf niet gebracht?’ vraagt hij dan aan Mackie.

‘Ik vond hem te corpulent om te dragen.’

‘Dus je verkondigt dat je te lui ben om te werken en toch kom je om een beloning bedelen?’

‘Mijn slagerswerk is inspannend genoeg geweest. Ik handelde inventief en doortastend, om de Marsh broers te brengen waar zij om verzochten. Goud voor bloed, want woord is woord bij de Marsh, dat weet iedereen.’

‘Wij vragen om de man, niet om een onderdeel van de man.’

‘En ik vraag slechts om de kopprijs die jullie hebben uitgeloofd.’

‘En toch is degene die wij zoeken niet hoofdelijk aanwezig.’

‘Maar voor dit hier.’ Mackie Messer schudt het lillend vlees dat hij nog steeds als een offerande op zijn uitge­strekte handen ophoudt. ‘Zal de Griek zich vanzelf komen presenteren. Verkondig dat jullie dit onderdeel van hem hebben, en hij zal er voor komen. Hij zal komen bedelen als een hond. Hij zal alles doen wat je vraagt.’

‘En hoe weet ik dat jij als slagersgezel dit onderdeel niet van een varken hebt afgesneden?’

‘Gezegend zou de gedroomde beer zijn. Kijk naar de afmeting, kijk naar de vorm. Gezegend is de Griek, zoals het verteld wordt, want hij heeft niet alleen een bult op zijn rug, maar ook één tussen zijn benen. Hij is kameel in plaats van dromedaris. Of althans dat was hij tot ik hem ontmande.’

Kapitein Ahab richt zich tot zijn bootsman. ‘Neem het lid en betaal heer Messer vijf dukaten.’

De kapitein draait zich al om, als Mackie opmerkt: ‘Maar de uitgeloofde beloning was tien dukaten.’

‘Tien dukaten voor de man. Ik geef je er vijf voor zijn lid. Dat is rechtvaardig.’

Steunend op zijn kruk, keert kapitein Ahab terug naar zijn vertrekken.

 

*

 

Polly schudt de kussens op en het regent veren. Ze had gewoon bij Vrouw Holle moeten blijven werken. Waarom had ze zich ooit laten weglokken door Mackie? Vannacht was het weer raak geweest: eerst een pak slaag en daarna erop. Alle mannen zijn zwijnen, en Mackie Messer de ergste.

Maar wat moet ze dan? Bij hem weglopen? Ha! De vorige keer dat ze dat deed, had hij haar teruggevonden. En het haar laten voelen ook. De fout maakte ze niet meer.

Wie is die idioot die op de binnenplaats staat te schreeuwen?

Een blik uit het open raam vertelt haar dat het haar idioot is.

‘Polly! Polly schatje!’

‘Ik ben aan het werk,’ roept ze terug.

‘De rode haan op het dak van deze herberg!’ schreeuwt hij terug, ‘Kom naar buiten. Je man zorgt voor je! We gaan dansen en drinken!’

Hij danst een onnozele horlepiep op de kasseien. Polly moet er om glimlachen.

 

*

 

Karagiozis heeft zijn escorte naar een oude wacht­toren geleid.

De bootsman Barnabas Wade heeft de leiding over de excursie. Hij heeft vier matrozen bij zich, met pikhouwelen en scheppen in de hand. Aan wal verhullen ze hun onmenselijke trekken met petten en sjaals. Een jonge matroos genaamd Tobias heeft de dubieuze eer om het lid van de Griek te dragen.

De wachttoren is ingestort en alleen de onderste verdieping staat nog overeind. Op die afgebrokkelde muur is een primitief afdak van bladeren aange­bracht. De oude zigeunerin die haar intrek in de toren heeft genomen wordt door de vismensen naar buiten gejaagd. Mokkend, maar machteloos kijkt ze van een afstand toe. Ze maakt het teken van het boze oog en spuwt door haar vingers, maar daar staakt haar verzet. Wat moet ze anders? Geen weldenkend mens durft de aandacht van de grillige Roodjassen te trekken.

De vismensen zijn druk bezig om een gat te graven midden in de hut, op aanwijzingen van de Griek.

‘Hier heb ik hem laten begraven, met alles wat hij bij zich had.’

De Griek zweet overdadig.

‘Als je liegt, dan zal ik nog meer van je afsnijden,’ grijnst Barnabas hem toe.

‘Graaf dieper,’ zegt Karagiozis, ‘want daar ligt jullie wegloper.’

Zo gaat het een tijdje door.

‘Botten!’ roept een van de matrozen schril uit het gedolven gat. ‘We stuiten op botten!’

Barnabas loopt naar de rand van het gat en zakt op zijn knieën op de aarden wal.

Meer en meer botten worden opgegraven en door­ge­geven. Dan een schedel. Een ribbenkast. Een menselijk geraamte wordt bijeengeraapt en gerang­schikt als een puzzel.

Dan stuit een spade op iets hards, dat toch de deksel van een kist moet zijn.

‘Voorzichtig,’ sist Barnabas. ‘Gebruik jullie handen om de kist vrij te maken.’

In de verhitte drukte die ontstaat, is matroos Tobias ook in het gat gesprongen. Gehurkt als honden klauwen en graven de vismensen de kist vrij. De bootsman blijft hen aansporen vanaf de aarden wal. ‘Voorzichtig met de relieken. Voorzichtig.’

De kist wordt uitgegraven en devoot omhoog getild door zoveel handen. Barnabas forceert het slot met zijn dolk. Maar in de kist zitten alleen maar scherven gebroken aardewerk, blauw geglazuurd. De boots­man raapt ze er steeds sneller uit en werpt ze op de grond. ‘Wat is dit voor truc, Griek?’ gromt hij, om zich heenkijkend.

Maar Karagiozis is natuurlijk al nergens meer te bekennen.

‘Waar is de pik van dat Griekse zwijn?’ is de volgende logische vraag van de bootsman.

Waarop matroos Tobias slechts stamelend kan uit­brengen: ‘Ik legde het ding daar… daar op de werk­bank van de heks… naast de opgezette krokodil. Excuses bootsman… ik wilde alleen maar helpen met graven.’

 

*

 

De relatie tussen oorzaak en gevolg is hier niet uit te drukken als een lijn, valt niet als een pijl te symboliseren. Hier is de causaliteit meer als het slappe koord dat sommige potsen­makers bewandelen. En velen vallen er voortijdig af. Of ze vallen naar de kant van de schuld, of naar de onschuld, doet nauwelijks ter zake. Niemand maalt erom. Hier niet.

Kijk naar mijn rolprenten. Luister naar mijn liederen. De bloeddorstigheid ervan zou de daders zelf verstommen. Ze weten niet wat ze doen…. Er is meestal geen band tussen slacht­offer en dader, geen lichtend koord dat ze aan elkaar verbindt. In deze boosaardige stad kunnen het passanten zijn, die om schijnbaar niets verwikkeld raken in een bloedvete. Voorzienig­heid was nooit zo banaal. In deze stad struikelen de schik­godin­nen en raken verward in hun eigen weefsel.

 

*

 

Karagiozis sleept zijn peervormig lijf voort. Hij draagt een strooien hoed om zijn kale schedel tegen de zon te beschermen, maar de druppels glijden al omlaag over de spekrollen die weelderig zijn nek bedekken. De bochel die tussen zijn schouders oprijst wiegt heen en weer als de bult van een dromedaris. Hij heeft gekoelde groene thee zitten drinken op de achterplecht van zijn woonboot, zitten drinken en zitten dommelen, totdat hij weer ontwaakte door het gerommel van zijn maag. Zijn hechtingen jeuken wat en hij heeft een branderig gevoel bij het urineren, maar verder lijkt alles benedendeks in orde. Het heeft hem een aanzienlijk deel van zijn spaar­geld gekost om zijn lid weer vast te laten naaien. Die chirurgijn Johann Faust die praktiseert in de Altstadt heeft verzekerd dat zijn toverfluit binnen enkele dagen weer naar behoren zou moeten functioneren.

Nu waggelt Karagiozis over de krakende, steunende steigers en plankiers die de waterkant van Wurmwater-aan-zee markeren. Het water loopt hem in de mond als hij denkt aan gestoomde zoete broodjes die Chai Mai vult met het gebraden gehakt dat ze koopt bij Ursala de varkensvrouw. Eerst zal hij eten, nog wat kracht opdoen, en dan zal hij testen of zijn lid inderdaad weer werkt. Hij zal op de terugweg langs het Kale Huis gaan, waar de meisjes hun schaamstreken en oksels scheren om de schaamluis op afstand te houden, waarna ze zich ver­sieren met triangelvormige kunstpruikjes van bever­bont. Ze kennen hem daar, hij is een gulle tipper.

De zon staat op zijn hoogst boven deze gedroomde en verdronken stad, een onverbiddelijk zengend oog van een wraakzuchtige oud-testamentische god. Op dit uur is de heerschappij van de zon volledig en zijn zegetocht is vol pracht en praal. De aangekoekte zoutkorsten op de ducdalfen schitteren alsof ze bepoederd zijn met diamantstof. De schaduwen van de overstekende daken zijn verdrongen, nestelen zich hoog tegen de gevels als sluimerende vleer­muizen dromend over hun nachtelijk bewind.

Ook het ongedierte blijft uit het zicht, ze scharre­len onder de plankiers over de met schaaldieren begroeide palen en dwarsbalken. Als er een voet­ganger passeert, houden ze zich stil, totdat de stam­pende reuzen­voeten zich weer verwijderen. Het gewicht van de Griek is aanzienlijk, zijn puilende buik schudt en wiebelt als hij loopt. De sleutelbos met koperen sleutel rinkelt vanaf zijn brede riem, onder het afdak van zijn pens. Er hangt ook een vuurslag­pistool in een leren holster aan die riem. Hij heeft een sabel in de schede, die hij als wandelstok gebruikt. Hij zal niet toestaan dat die viskoppen hem verder mutileren of bedreigen. Schoften!

Hij herinnert zich de jonge vissenkop nog wel. Zijn naam is hij vergeten, evenals de precieze plek waar hij hem begraven heeft. Over de jaren heeft hij zoveel slachtoffers in de grond gestopt om de wormen te voeren. Ze zien in hem een veerman die ze terug naar het leven kan loodsen, maar hij is hun engel des doods.

Heel de stad is lusteloos en loom. De lucht verdikt tot stroop. Het roepen van de straatverkopers komt met steeds langere tussenpozen. Onder de stad is het maar marginaal koeler. De naakte oesterduikers en vissers hebben hun rieten bootjes vastgebonden aan de palen en stelten waarop de stad gebouwd is. Ze liggen in hun bootjes te slapen, als kadavers die wachten op de wederopstanding.

Maar niet iedereen geeft zich over aan de siesta: er glijden schaduwen door het water, vluchtig als de vormen van mangrote vissen, vreemde lichamen die net onder het troebele olijfgroene water schuil gaan. Nu en dan verschijnt er heel even een snuit boven de waterlijn als van een kaaiman of een snoek. Ogen zonder oogleden volgen de gangen van de sleutel­bewaarder van net onder de waterlijn. Vier, nee vijf, van deze donkere vormen, elk zo groot of groter dan een mens, zwemmen achter hun prooi aan. Ze volgen de Griek al vanaf het kanaal der papyrus, en nu door de steeds smallere grachten en kreken van de achterbuurt die de Duivelsvingers genoemd worden. De steigers zijn hier lager, bevinden zich dichter bij het wateroppervlak. Met een behendigheid die zijn omvangrijke gestalte niet zou doen vermoeden balanceert Karagiozis over een van de doorverende kattenbruggetjes die de vlotten, woon­boten en steigers met elkaar verbinden.

Ongemerkt zijn de jagers dichterbij gezwommen.

Als Karagiozis op het laagste punt is, de plank waarop hij staat tot het uiterste gebogen, de gekrulde tenen van zijn schoenen nog maar een handbreedte boven het water, springt er iets omhoog uit het water als een orka. Een plons als het uit het water omhoog komt, gevolgd door een iets luidere plons. De kattenplank veert nog na. Kara­giozis is uit het zicht verdwenen. Alleen de uit­dijende rim­pelingen in het water verraden waar hij heen gegaan is.

Onder water worden zijn spartelende ledematen gegrepen en gefixeerd door sterke vingers met zwem­vliezen. Zijn sabel ontglipt hem en zinkt weg in de oer­soep. De vismensen hebben hem te pakken. Soepel als dolfijnen dartelen zij om hem heen, klauwend en bijtend trekken ze hem mee omlaag, steeds verder de diepte in. Een worsteling met de allure van een dans. De enige muziek is de waterdruk die trommelt in zijn oren. Zorgvuldig, bijna sensueel wordt zijn broekriem los­gemaakt, alsof de aanvallers benieuwd zijn naar het enorme lid dat de man zich weer heeft laten aannaaien, maar de vingers met zwemvliezen halen slechts de sleutelring en het holster met het pistool los van de riem. De wijde broek glijdt omlaag tot aan de gezwollen enkels om daar te blijven haken. Uiteindelijk binden de vis­mensen hem vast aan een verroest afgeworpen anker dat half begraven in de drek op de bodem ligt.

 

*

 

Veel van wat verloren is, kan nooit meer teruggevonden worden. Wurmwater is weliswaar de stad der tweede kansen, maar hoop gedijt niet goed op deze mestvaalt. Vrijwel iedereen die hier leeft is al eens gestorven, veelal gewelddadig. Daarom hangen ze nu ook zo aan het leven, omdat ze betwijfelen of er nog een wereld is, hierna. Een onderwereld voor de onder­wereld, is dat geen vreemd concept?

De levende dromers die deze streken bezoeken, ja, met hun geestesgesteldheid moet iets goed mis zijn. Om in deze zeepbel van een droom vrijwillig rond te waren, dat kun je niet minder dan waanzin noemen, en dat terwijl de doden hier niets liever willen dan terugkeren naar de wakende wereld.

Wat vraagt u me nu? Nee, over mijn eerste dood zal ik niet vertellen. Ik vrees voor uw nachtrust, gewaardeerde luisteraar.

 

 


Derde akte: de tiara

 

Wat een regen! Nu we hier schuilen heeft u misschien een moment om naar mij te luisteren? Heeft u nog steeds haast, ook al pissen de goden op onze hoofden?

U bent nieuw hier? Onderweg naar de Altstadt? Ik kan een moordballade voor u zingen, maar als u een penning laat vallen in het bakje van Herr Stumm dan kan ik u ook aanwijzingen geven. Uw gids zijn in deze straten, zo u wilt.

 

De echte stad ligt natuurlijk hogerop, daar tegen de rots Krabbenpunt aan. Verder bij de haven vandaan, langs de tijdelijk opgeworpen houten bouwsels, de verzakte paalhutten en armzalige woonsloepen van de vissers, over de doorzadelende houten planken, langs de naar vis stin­kende krotten in het zand, langs al het wrakhout dat lig te wachten op het volgende springtij dat alles weer weg zal spoelen, daar voorbij verschijnen de eerste stenen huizen van Wurmwater, dat door velen Wurmwater-aan-zee genoemd wordt. De huizen die tegen de voet van de grote rots Krabbenpunt aanschurken lopen bij zwaar weer ook onder water. Bij wind uit zee verzamelen de bewoners hun schamele bezit­tingen en wachten af welke rampspoed de storm hen brengen zal.

De smalle straatjes die omhoog slingeren en klimmen naar de woningen van de beter gesitu­eer­den op de top van de rots vormen een stenen laby­rint met overhellende muren. Een wirwar van benauwde kloven die splitsen en kronkelen, ze komen samen en scheiden zich weer af. De huizen hier zijn tegen en soms gedeeltelijk in de karst gebouwd, zodat niet goed meer te duiden valt waar de natuur eindigt en de bouwkunst begint. De huts­pot van bouwstijlen ademt een vergane glorie en antiquiteit uit die de Oude Wereld suggereert.

Het volk schuilt voor de regen onder de gemetselde booggewelven, opkijkend naar de pissende water­spuwers, de bewerkte kraagstenen en korbelen, de gotisch ogende torenspitsen en de kleine raampjes en nissen in de rotswand. Daarboven is de hemel dichtgeschoven met gebeeldhouwde grauwe wolken die even tastbaar lijken als rotsen beneden.

Alles druipt inmiddels van het water. De muren van gestapelde stenen zijn bedekt met mos zo weelderig als een dierenpels. Op de daken groeien varens. Een ingestorte schoorsteen wordt nooit meer gerepa­reerd, de stenen worden weggehaald en gebruikt voor andere tijdelijk bouwsels.

De bewoners zijn slechts dat: nomaden op door­tocht in deze tochtige ruïnes. Als neander­thalers laten ze hun handafdrukken na op de wanden van hun grotten. Ze drijven hun geiten bijeen in kapellen gewijd aan lang vergeten goden. Ze stoken hun vuren op gebarsten tegelvloeren.

De regenval heeft de gebarsten kleigrond in de steile straatjes tot modder getransmuteerd. De voeten van het volk zullen die modder woelen en ploegen tot de drek die men in een varkenskot aantreft. Omberen plassen dampen als kleine vulkanische meertjes. Stroompjes sijpelen langs de glibberige traptreden omlaag.

Zie, het druppelt nog maar een beetje. Schichtige krielkippen beginnen in en uit de gapende deur­openingen te scharrelen. De eerste mensen schuifelen ook tevoorschijn uit hun krochten en schuilplaatsen. Een uitgestoken hand en een schattend oog. Blijft het nu droog? In de verte, achter de gespleten top van de karst die vanuit de juiste positie inderdaad iets wegheeft van een opgestoken krabbenklauw, rolt de donder zachtjes en geduldig. De druppels beginnen alweer te vallen.

 

*

 

Tobias ligt in zijn hangmat en luistert naar het roffelen van de regen. Hij slaapt in het middelste ruim, ter hoogte van de waterlijn. De regenval op het water is een monotone ruis.

Hij probeert zoveel mogelijk op zijn zijde te slapen. De striemen op zijn rug beginnen nu te helen, maar blijven nog steeds pijnlijk. De woede van de bootsman om zijn onzorgvuldigheid was uitbetaald met vijf venijnige zweepslagen.

Heel het ruim, evenals de ruimen erboven en onder, zijn gevuld met hangmatten vol slapende broeders. De Baal is overvol sinds de Sumatra Queen van kapitein Obed Marsh verbrand en gezonken is, de bemanning is meer dan verdubbeld. De oudere broeders, degenen wiens trans­formatie voltooid is, slapen niet meer aan boord van de Baal. Ze leven in het water, dichter bij Vader Dagon, en komen nog slechts zelden aan boord.

Hij moet steeds vaker denken aan degene wiens naam ze niet mogen noemen. De afvallige broeder die zijn lots­bestemming probeerde te ontvluchten. De botten die ze hadden opgegraven waren niet van hem geweest. Het waren slechts de overblijfselen van een andere onge­lukkige die de Griekse smokkelaar had laten begra­ven. Wie weet hoe vaak die moordlustige zwendelaar zijn trucs had uitgevoerd.

Als Tobias de slaap niet vatten kan, zal hij weer een ongemakkelijke nacht doorbrengen, zoekend naar een comfortabele houding in zijn hangmat. Vruchteloos trachtend om het concert van gesnurk, gefluit en gerochel uit te bannen.

Doodmoe zal hij opstaan, als de bronzen bel voor het ochtendgebed geluid zal worden. In een processie trekken de gewekte bemannings­leden naar het voor­onder, waar kapitein Obed de plechtigheid zal leiden. De hybriden kwaken en fluisteren. Hobbelend op kromme benen die beter geschikt zijn om te zwemmen dan te lopen. Ze zullen zich verdringen om te knielen in het vooronder, om te luisteren naar de preek van de kapitein.

Maar dat is pas tegen de ochtend. Nu ligt heel de nacht nog voor hem en is hij alleen met zijn gedachten, verlaten en moederziel alleen tussen al zijn broeders.

 

*

 

In de stortbui ligt de pier er verlaten bij. Het zijn twee dwazen die tegen wil en dank de de elementen trotseren. Voorop gaat de matroos Peters, die aan de tering overleden is. Voorovergebogen, met raspende adem­haling en eeuwig bloed ophoestend. Bij leven heeft hij de dertig niet gehaald, maar hij ziet er uit als een oude man.

Hij wordt op de voet gevolgd door Jack Sweetheart. Het contrast tussen die twee is groot, want Jack is een prachtig lijk, met zijn strakke zongebruinde vel en zijn fonkelende witte intacte gebit. Zijn kastanje­bruine krullen zitten aan zijn schedel geplakt en het regenwater druipt over zijn gezicht. Hij ziet er veel te goed uit om dood te zijn. Er is geen hoer in de stad die hem geen korting geven zal. Voor zijn borst draagt Jack een bolle kruik, hij loopt met kleine be­dachte waggelende stapjes, zijn gespierde armen om de kruik zoals een hoogzwangere vrouw haar buik zou vasthouden.

‘De ouwe man is zongestoofd,’ meent Peters, over zijn schouder. ‘Zijn brein tot moes.’

‘Is het ooit anders geweest,’ vindt Jack, die zich graag op de vlakte houdt. ‘Hij blaft, wij rennen.’

Ze volgden Blackbeard bij leven en nu volgen ze hem in de dood. Iets anders is muiterij.

‘Ooit zat er doelgerichtheid in zijn waanzin. Nu niet meer. Een afleidingsmanoeuvre… hoe haalt ie het in zijn botte kop.’

Jack heeft de kruik neergezet op een krat met kakelende kippen.

‘Laten we de boel aansteken en ons uit de voeten maken.’

‘Eens kijken of ik vuur kan slaan in dit weer.’

 

*

 

De vier piraten zijn stilletjes vanuit de kapiteinshut naar de galerij geklommen. Hun kapitein slaat ze gade door de glas-in-lood raampjes. Ze hebben hun timmergereedschap bij zich.

‘Wat een hondenweer!’ moppert Spanish Joe.

‘Wraaaf-wraaaaff!’ gromt de gestoorde dolleman Scar-face hem toe.

‘Stil!’ sist scheepsmaat Ellis, die vindt dat hij de leiding heeft over deze heimelijke operatie. ‘Let op of we niet in de gaten lopen.’

Scar-face, met zijn ene bruikbare oog, staat op de uitkijk. Hij moet letten op vissenkoppen die op het geluid afkomen. Ellis en Spanish Joe zijn bezig om hun beitels tussen boegbeeld en schip te slaan. De lappen die ze om hun gereedschap gewikkeld hebben om de klappen te dempen zijn nu doorweekt. Joe heeft al twee keer op zijn hand geslagen. De richel waarop ze staan is glibberig en tot overmaat van ramp moeten ze ver voorover hangen om het boegbeeld los te wrikken, ver onder hen kolkt en klotst het water van de baai.

Ze werken met horten en stoten. Steeds pauzerend om te zien of er geen alarm geslagen wordt.

Long Tom staat al die tijd als Atlas gepositioneerd onder de overvloedige boezem van het boegbeeld.

Ze bikken tot er een klein beetje ruimte tussen boeg­beeld en boeg komt.

‘Geef me die koevoet aan! En hou de touwen klaar.’

Ze wrikken de spleet wijder en voeren de touwen erdoorheen, ze omwikkelen het boegbeeld en leggen vlotte knopen. Spanish Joe en Scar-face nemen ieder een touw ter hand. Long Tom klemt zijn kaken opeen voor de last die hij gaat ontvangen. Ellis plaatst de koevoet om de laatste nagels waaraan het beeld nu nog hangt los te wrikken.

‘Op drie,’ fluistert hij, ‘Een, twee…’

 

*

 

De zware koperen bel in de schelpentoren blijft maar luiden. De houten pier staat inmiddels in lichterlaaie. Het vuur brandt met een giftige groene vlam. De kolom van vettige, zwarte wolken die ervan af komt stijgt langzaam en statig hemelwaarts. De zware regenval lijkt de brand niet te willen doven. En de aanlandige wind jakkert de vlammen alleen maar aan.

‘De blaasbalg van de Duivel,’ noemt Spanish Joe die wind. Hij wrijft over het tinnen beeldje dat hij om zijn hals heeft hangen, de visserkoning Jezus doorboord door een vissershaak.

‘Wat een waanzin,’ fluistert Ellis. ‘En waarvoor?’

Enkele tientallen meters verderop, aan boord van de Baal, zwermen de vismensen uit over het dek om naar de brand te kijken. Om aan het gewemel op het dek te ontvluchten is Tobias in het want geklauterd. Hij wordt heen en weer geschud door de wind en heeft geen droge draad meer aan zijn lijf, maar toch kan hij zijn ogen niet van het spektakel afhouden.

Als de pier in het midden doorzakt als de schragende palen afknappen als luciferhoutjes, en de hele boel bran­dend in de baai stort, lijkt dat geluidloos te gebeuren.

 

*

 

Scheepsmaat Ellis valt de twijfelachtige eer ten deel om zijn kapitein te wekken na de huwelijksnacht. De zon had het hoogste punt op haar rondgang langs de hemel al gepasseerd en was alweer aan haar afdaling begonnen. De kapitein had zich heel de dag nog niet laten zien. Hij vermaakte zich waarschijnlijk opperbest in het hemelbed dat hij nu deelde met de albasten reuzin.

Ze hadden het boegbeeld met zijn vieren maar net kunnen torsen. De kapitein had geen hand uitgestoken, had hen slechts aanwijzingen toegesnauwd toen ze de kapiteinshut eenmaal binnen waren. Drijfnat hadden ze het in het bed van de kapitein geschoven. Daarna werd Edward Teach plotseling joviaal. Hij had ieder van de mannen een dukaat en een platte fles rum in de handen gedrukt. ‘Mondjes dicht, brave jongens.’ Zijn gezicht vlak bij dat van hen, met zijn uitwaaierende woeste baard en blikkerende tanden leek hij meer dan ooit op een weerwolf.

Ellis klopt nog eens aan, gevolgd door een schor: ‘Kapitein!’ Ditmaal klinkt er gerommel vanuit de hut.

‘Wat is er? Waarom stoor je me?’

‘De Marsh-broeders verzoeken om palaver!’

De deur van de kapiteinshut wordt ontgrendeld en tot op een kier geopend. Een argwanend oog loert naar buiten.

‘Op dit uur?’

‘De zon is opgekomen en gaat alweer onder, kapitein.’

‘Wiens zaak is het hoe lang deze kapitein uitslaapt!’

‘Niemands zaak, kapitein, maar ze zijn onrustig. Ze hebben ontdekt dat hun boegbeeld weg is.’

Het blijft even stil.

‘Zeg ze dat Blackbeard eraan komt,’ zegt Edward Teach en de deur klapt dicht.

 

*

 

Volledig gekleed en met zijn beste driekantige steek op verschijnt Edward Teach nu aan dek. Hij heeft vier van veertig 18-ponders laten laden en op hun rolpaarden laten verslepen naar het achtersteven. Ze zijn nu opgesteld in de twee hutten voor speciale gasten, direct onder de kapiteinshut. ‘Richt ze op de boeg van de Baal.’ Er zijn hier geen schietgaten, maar als het erop aan komt, moeten de mannen de ramen eruit slaan.

Zijn raadgevers zijn onrustig en darren om hem heen. Ze blijven hem maar wijzen op het numeriek overwicht van de Marsh-clan. Edward wuift hun angsten weg.

‘We hebben wel vaker tegen een overmacht gestaan. En keer op keer gewonnen.’

‘Maar ze zijn fanatiek, die geloofswaanzinnigen. En het zijn er honderden!’ dringt zijn bootsman, ‘alleen al op de Baal. Wie weet hoeveel van die grote gedrochten er onder water schuil gaan?’

‘Hou je bek als je tegen me praat!’ Hij duwt de boots­man hardhandig achteruit.

Hij wacht een moment om zijn kalmte te herwin­nen, en met zijn gezicht in de plooi beklimt hij het achterkasteel. De geur van roet bezwangert de lucht. Vanaf hier is het rep en roer aan boord van de Baal goed zichtbaar. De bemanning met hun schubbige koppen is en masse, de menigte stekelig van de hemelwaarts gerichte harpoenen en musket­lopen.

Hij stapt naar voren en leunt op de reling.

Enkele meters onder hem, staan de twee Marsh-broers te wachten, omgeven door hun manschappen op het voorkasteel.

‘Een hele goede morgen, waarde buren!’

Ze kijken knipperend en vol venijn naar hem op.

‘De ochtend is al lang voorbij!’ zegt Ahab, ‘welke zeeman kan het zich veroorloven om tot na het middaguur te slapen.’

‘Zijn dat jouw zaken, buurman? Zijn het jouw zaken, hoe lang ik uitslaap?’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Obed, met een hand op zijn broeders’ arm. ‘Er is geen reden tot wrevel. We zijn wat aangedaan omdat er een misdaad is gepleegd.’

‘Verklaar je nader.’

‘Vanuit jouw kajuit, Blackbeard,’ neemt Ahab weer het woord, ‘heb je waarschijnlijk een prachtig uitzicht op onze boeg. Is het ontbreken van ons boegbeeld je soms nog niet opgevallen?’

‘Boegbeeld? Zijn jullie je boegbeeld verloren? Zo hard heeft het vannacht toch niet gestormd? Het is de vloek van ons verblijf in deze baai. Schepen zijn bedoeld om te varen, niet om te verrotten in dit akelig klimaat.’

‘Gestolen,’ zegt Obed slechts.

‘Wie steelt er een boegbeeld?’

‘We vragen je alleen maar, waarde buurman,’ zegt Obed, ‘of je misschien iets gehoord of gezien hebt vannacht.’

‘Niets.’

‘Dus je hebt ook de pier niet zien branden? Hij is aangestoken met Grieks vuur, wordt er verteld. De brandende kippen dreven als fakkels op het water.’

Edward is even stil.

‘Grieks vuur, zei je toch?’ Edward laat de woorden door zijn mond rollen alsof hij proeft van zijn geliefde Madeira.

‘Ja, wat weet je ervan?’

‘Niets, behalve dat jullie het aan de stok hebben met een Griek. Of was het toch een Turk. Die Karagiozis…’ Hij leunt over de reling naar de Marsh-broers toe.

‘Met Karagiozis hebben we al afgerekend,’ zegt Obed.

‘Dan misschien één van zijn handlangers?’ suggereert Edward fijntjes. ‘Wie weet. Sommige situaties zijn bekleed met zoveel toevalligheid dat ze geen toeval meer mogen heten…’

‘Waar bazel je over, man?’

‘Griekse bultenaar… Grieks vuur.’ Edward weegt de twee begrippen op zijn uitgestoken handen. ‘Lijkt mij een boodschap als ik er ooit een hoorde.’

‘Heel onze bemanning heeft ernaar staan kijken. Die van jou waarschijnlijk ook,’ zegt Ahab, ‘maar jij bent kalmpjes door het rumoer heen geslapen.’

‘Ik slaap als een zuigeling tegen de warme boezem van zijn moeder,’ zegt Edward, ‘mijn ogen gesloten en mijn oren dicht. Zelfs dromen storen me niet in die inktzwart coma.’

‘Maar er is een belangrijk verschil,’ meent Ahab, ‘tussen de slaap der onschuldigen en de slaap der doden.’

‘Ja,’ grijnsde Edward Teach, ‘niemand hier is onschul­dig.’

 

*

 

Karagiozis wordt weer opgevist. Na enkele dagen op de bodem van de rivier, heeft kapitein Obed Marsh toch besloten dat hij de smokkelaar nog enkele vragen wil stellen. Tegen die tijd hebben ze inmiddels de kleine woonboot van de Griek al gelo­kaliseerd en leegge­plunderd. Alle papieren en waar­de­volle spullen mee naar de Baal genomen. Ze hebben zelfs de Perzische tapijten opgerold en afge­voerd. Maar de ceremoniële sieraden, de bewerkte tiara en de polsbanden die de afvallige zoon gestolen had, waren nog steeds onvindbaar.

‘Vis hem maar weer op,’ snauwde Obed uitein­delijk.

Het kost de kapers die Karagiozis aan het anker bonden een ochtend om hem terug te vinden in het rivierwater dat waarschijnlijk even opaak is als de oersoep waar ooit het eerste leven uit tevoorschijn kroop.

De huid van Karagiozis is verweekt, bleek en gerim­peld. Hier en daar hebben vissen de huid kapot geknabbeld om bij het vlees eronder te komen. De wonden lekken nu als zweren. Het zorgvuldig aange­naaide aanhangsel is voor een tweede maal van het corpus van de Griek gescheiden, ditmaal losgerukt en gestolen door een onbevreesd toeslaande snoek­baars. Waarschijnlijk verslonden, of in ieder geval reddeloos verloren op de bodem van de rivier.

Karagiozis kan er in zijn huidige penibele situatie nog niet echt om treuren. Hij ligt nu vastgespijkerd op een zware tafel in de kajuit van de Baal, de ijzeren nagels zijn tussen de botten van zijn polsen en door zijn voeten geslagen. Bij de ondervraging is zijn rechteroog al uit de kas gehaald met een vishaak. Karagiozis wilde wel antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden, maar zijn longen en maag zaten vol met water en slijk, zodat hij niet anders kon dan overgeven en hoesten. De visman die hem ondervraagt, dezelfde bootsman Barnabas Wade die hij enkele dagen daarvoor te snel af was, lijkt mede­dogen noch geduld te kennen.

Als Karagiozis eindelijk weer, schor en hees, wat uit kan brengen, besluit hij de waarheid te vertellen. Hij smeekt om wat wijn, om zijn keel te zalven, maar hij krijgt slechts meer water. Alsof hij nog niet genoeg water geproefd heeft de afgelopen dagen!

Dan rolt het hele verhaal eruit.

Hoe hij de jonge matroos heeft wijs gemaakt dat hij hem naar de landen der levenden kon smokkelen. Dat de gestolen sieraden zijn overtocht zouden betalen. Hoe hij de jongen heeft laten begraven.

Maar de sieraden, dringt Obed Marsh aan, waar zijn de sieraden? Waar is de tiara, stompzinnige Griek?

Karagiozis jammert het uit. Nu hij toch begonnen is met de waarheid, stroomt deze uit hem. ‘Ik verkocht ze aan een levende dromer. Een grootmeester uit Gent. Het is een ouwe sluwe sjacheraar. Er zijn manieren om voor­werpen mee te smokkelen naar de dagwereld. Het is moeilijk, maar voor iemand met inventiviteit en door­zettingsvermogen is het mogelijk. Ik doe vaker zaken met hem. Ik kan met hem in contact komen. Ik kan hem vragen…’

‘En mijn boegbeeld? Waar heb je dat gelaten?’

‘Een boegbeeld? Ik weet van niets, heer! Ik weet echt niets van een boegbeeld. Ik heb u mijn misdaden opge­biecht. Geef me een kans om het goed te maken. Ik zal de Gentse dromer terug lokken, ik zal uw sieraden terug­halen. Ik breng u de kroon!’

De kapitein denkt even na. ‘Onwaarschijnlijk,’ meent hij, ‘kansloos.’

Hij draait zijn logge gestalte bij de tafel vandaan. De treden naar het dek kraken onder zijn gewicht. Vanaf de trap snauwt hij: ‘Ga door met de ondervraging.’

De bootsman knikt gretig. ‘Breng me een kruik kokend water,’ kwaakt hij tegen een van zijn matrozen.

‘Ik zal je leren wat lijden is,’ fluistert hij de Griek toe. Hij is vlakbij en steekt zijn tong uit om over de enige intacte oogbal van Karagiozis te likken.

‘Genade!’ smeekt Karagiozis nog, maar niemand zal ooit nog naar zijn antwoorden luisteren.

 

*

 

In het holst van de nacht glipt Tobias overboord. Hij neemt niets mee dan de kleren aan zijn lijf. Daarvoor zullen ze hem niet hoeven najagen. Hij wacht tot de wachtposten hem passeren op hun ronde en laat zich dan aan een touw overboord zakken. Bijna geluidloos ont­vangt het water hem.

Hij neemt een grote hap lucht en zwemt omlaag om onder de kiel van het volgende schip door te duiken. Zijn kieuwen moeten nog verschij­nen, maar hij kan zijn adem inhouden als een parelduiker.

Met grote slagen begint hij naar de kade te zwemmen.

Onder de rook van duizend zielen : Nienke Pool & Mike Jansen

Sterre zette haar fiets in de verlaten fietskelder van station Haarlem en liep op haar veel te hoge hakken richting perron drie, waar de laatste trein haar naar het nachtleven van Amsterdam zou brengen. Alle rotzooi van die dag, nee van de afgelopen zeven jaren, drie maanden en twaalf dagen, wilde ze deze nacht van zich afgooien. Mike, de klootzak.

Die ochtend, tijdens het ontbijt, net na zijn eerste kopje koffie en precies voordat ze een slok van haar ontbijtsmoothy had genomen, was hij begonnen over de seven-year-itch en over de nieuwe inzichten die Linda hem daarover had ingefluisterd. De snol. Hij verzocht Sterre met zijn bruine hondenogen om een time-out waarbij ieder zijn eigen zaden kon laten waaien over ‘onontgonnen velden’. Waar zijn zaad naartoe zou waaien, wist ze al.

Wat deze nacht haar zou brengen, was nog een open vraag. Ze wilde zich laten gaan. Vastberaden liep ze door het poortje naar de roltrap, die haar naar het perron bracht. De oude bogen van het gewelfde dak van het station waren gehuld in schaduwen die de felle lantaarns en de schelverlichte reclameposters niet konden verdringen.

Een geur van bier deed een alarmbelletje rinkelen. Ze voelde zijn aan­wezig­heid voor ze hem zag. Hij stonk naar alcohol en zweet, een man van begin veertig, met kort, stekelig haar, grijzend aan de slapen, dure schoenen, modieuze jeans, lekker strak T-shirt maar een ladderzatte kop met bloeddoorlopen ogen. Hij had duidelijk gehuild. Ze voelde mede­lijden, zelfs een aan­drang hem aan te spreken.

Voor hij een slok uit zijn heupflacon nam, liet hij een boer. Het moment was direct voorbij. Hij mompelde in zichzelf en staarde onop­houdelijk naar haar. Hij had een wilde blik in zijn ogen die haar intimi­deerde. Ze voelde angstzweet onder haar oksels. Haar eigen angst stonk heftiger en de penetrante geur drong door tot in het binnenste van haar bewustzijn.

Ze stak een sigaret op. Met een paar trekjes nicotine probeerde ze haar zintuigen tot rust te brengen en met de rook blies ze een beschermend rookgordijn. Al inhalerend keek ze om zich heen. Het perron was verder verlaten. Op het tegenoverliggende perron stond een zoenend stel en wat eenlingen die geobsedeerd in hun mobiel staarden. In de verte zag Sterre de koplampen van de Intercity al. Op het moment dat ze haar trein zag, keek de vent van het zoenende stel op. Hij wierp haar een geile zoen toe. Hij lachte. Kut, dacht ze en keek snel een andere kant op.

Ze gooide haar peuk weg en besloot naar het verste deel van het perron te lopen, dan hoefde ze in Amsterdam die meters niet meer te maken. Daarbij was ze verder verwijderd van de geile vent en die dronkenlap.

Op haar hakken probeerde ze zo snel mogelijk het perron over te lopen. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo opgelucht was dat er een trein het station in denderde. Even overwoog ze om naar huis te gaan. Ze was absoluut niet meer in de stemming tot welke ikvergeet­mijn­ellendeseks dan ook. Haar mobiel lichtte op en hoop borrelde in haar op toen ze zag dat hij het was. Een bericht op Facebook. Zou hij haar willen spreken?

Mike staarde haar aan vanaf een foto van hem en de Linda-snol die alle hoop aan diggelen sloeg. Hij had zijn tong zo ver in haar mond gestoken, het leek alsof hij een inwendig onderzoek aan het verrichten was. De klootzak.

De geur van drank was vlak achter haar en verstoorde niet alleen haar gedachten. Het verstoorde haar evenwicht en ze werd bang. ‘Wat moet je van me? Donder op.’ Ze had gehoopt dat haar stem krachtiger zou klinken.

Hij keek haar niet aan. Zijn ogen waren groot. Met de heupflacon in zijn hand liep hij snel struikelend langs haar. Ze zag hem bij het spoor komen en niet stoppen, zijn handen uitgestrekt voor zich alsof hij naar de overkant wilde duiken. De trein naderde als in slow motion en een diepe kilte verspreidde zich vanuit haar buik. Hij gaat dood!

De machinist probeerde uit alle macht te remmen, vonken sprongen van het spoor in een surrealistisch inferno begeleid door een angstaan­jagend gillen van gemarteld metaal. Sterre zette haar eerste stappen naar het spoor al terwijl de trein in aanraking kwam met de dronken man, die in elkaar vouwde als een lappenpop, waarbij bloed uit zijn hoofd en lichaam spatte door de kracht van de botsing.

Die is dood, schoot door haar heen. Ze kwam bij het spoor, rende langs de wagons tot de locomotief waarvan net de deur werd geopend. Bij de voorkant aangekomen keek ze, draaide direct haar gezicht weg en gaf luidruchtig over op de tegels. Ze voelde zich draaierig, de wereld om haar heen was mistig, kil en ze dacht dat ze flauw viel. Ze zakte op haar knieën en probeerde met haar hoofd omlaag lucht te happen.

 

***

‘Hee!’

Langzaam keek Sterre op, recht in het gezicht van de dronken man die ze net voor de trein had zien springen. Hij was lijkbleek, bijna wit. Nee, dat is het niet. Hij is … kleurloos. Ze schudde haar hoofd. ‘Maar… jij bent dood. Ik zag je springen.’ Ze stond op en week achter­uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik ben. Dood niet, denk ik. Helaas.’ Hij gooide zijn lege heup­flacon op de rails en keek vervolgens om zich heen. ‘Maar ik vraag me af waar we nu zijn. En waar de trein is gebleven.’ Het spoor was inderdaad leeg.

Bij zijn woorden keek Sterre eveneens om zich heen. Ze waren in het station. Correctie, ze waren in een station, gemaakt van bewerkte, houten pilaren en een aantal hoge, aaneengesloten bogen die het dak vorm­den. Een paar kleine gebouwtjes van kale bak­steen met houten kozijnen en glas-in-lood ramen waren het enige dat ze kon zien naast rijen perrons en spoor. Voorbij het perron waren tientallen sporen, meer nog dan ze van Amsterdam Centraal gewend was.

De stilte hier was indringend, alsof de wereld leeg was. Het snerpende geluid van een stoomfluit doorbrak die stilte en deed pijn aan haar oren. ‘Kom op het perron,’ riep ze boven het geluid uit naar de dronken man die nog steeds op het spoor stond. Met moeite trok hij zich omhoog en rolde tot naast haar op het perron. In de verte verschenen twee koplampen die een dreigend rood licht uitstraalden in de inktzwarte buitenste duisternis.

Ze staarde naar dat licht en wist ineens wat er mis is. Het rode licht was de enige kleur die ze om zich heen zag. De dronkenlap en alles om haar heen was kleur­loos. Zelfs zijn bloeddoorlopen ogen waren grauw. Zijn lippen prevelden woorden die als door een mist tot haar kwamen, zelfs als ze haar oren spitste. Overal om haar heen hing een beklem­mende vochtige mist, die alles wit leek te maken. En stil. Doodstil.

De dronkenlap sjorde aan haar mouw en begon tegen haar te schreeuwen. Ze verstond geen woord van wat hij zei, zo werd ze opgeslokt door haar eigen zintuigen. Ze staarde naar zijn grijze arm op haar jasje. Dat was nog steeds mintgroen, alleen leek het alsof de kostbare zijde al honderden keren te heet was gewassen. Maar er was kleur en het voelde als hoop. De mist uit haar hoofd trok langzaam op en geluiden van buitenaf drongen weer tot haar door.

Piepende remmen van de trein die het perron naderde; geschuifel van ijzer dat knarste over de grond en dan – steeds duidelijker – het geschreeuw van de man. Zijn woorden kwamen een fractie van een seconde later binnen dan de bewegingen die zijn lippen maakten. Ze staarde alsof ze hem in een jaren vijftig film bekeek.

‘We moeten weg hier. Kom mee! Snel,’ riep hij.

Sterre keek in de richting die de dronkenlap aanwees. Daar aan de overkant van het perron stond een man die hen strak aankeek. Een moment dacht ze dat het de geilaard van daarnet was, maar de koude rillingen die deze figuur haar bezorgde was vele malen intenser. Nee, hem had ze niet eerder gezien. Een dergelijke blik zou ze zich herin­neren. Met donkere, holle ogen staarde hij hun kant op. Hij leek wel een geest met lange, magere ledematen die uit een gerafelde smoking staken, alsof het kledingstuk veel te klein voor hem was, handen met lange vingers en zwartglanzende nagels gekromd tot klauwen.

Sterre besefte dat ze ook naar hem staarde. Hun blikken kruisten. Hij kwam dichterbij de rand van het perron staan en hield haar blik vast. Ze voelde zich wegglijden in die diepe, donkere poelen die een einde aan alle pijn beloofden. Bijna wilde ze naar voren stappen, maar hij ver­dween uit zicht achter de trein die net langs het perron reed. Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem. Godverdomme, wat was dat?

Een hand op haar arm. De dronkenlap die nu vol­komen nuchter leek. ‘Weg hier. Nu!’ Hij trok haar mee en ze renden in de richting van de gebouwtjes met de glas-in-lood ramen. ‘Daar brandt licht.’

Ze zwikte haar enkels en schopte vloekend haar schoenen uit. Wrij­vend over haar pijnlijke gewrichten keek ze achterom. Haar adem stokte. Ze kon niet anders dan roerloos staren naar het tafereel dat zich voor haar ogen afspeelde al hadden haar hersenen moeite om de indrukken van haar zintuigen te ver­werken. De locomotief was van zwart ijzer, met een gloeiende vuurkist en vlampijpen. Zwarte rook kringel­de als dichte schaduwen om de wagons die erachter stonden. Terwijl ze keek, zag ze dat uit de zwarte rook glinsterend zwarte tentakels tevoorschijn schoten die snel over het perron in hun richting kronkelden.

Een verse scheut angst en adrenaline schoot door haar lichaam, bracht haar bij haar positieven en ze rende haar metgezel voorbij. Ze trok aan zijn arm. ‘Sneller, het haalt ons in. Daar is het licht.’ Ze waren er bijna. Vlak voor de gebouwtjes werd de arm die ze vasthad ineens uit haar handen getrokken. De kracht waarmee dat gebeurde, draaide haar om. De dronken­lap lag enkele meters voor haar op de grond, een ten­takel van ijzer en schaduw om zijn linkerenkel. Een tweede schoot tevoor­schijn en boorde zich in zijn onderrug, een derde klampte een grijpklauw om zijn rechterschouder met het geluid van krakende botten. Er klonk een hoog, wanhopig gekrijs.

Het duurde even voor ze besefte dat zij degene was die krijste. Het gezicht van de dronkenlap was nu vertrokken van pijn, zijn ogen groot en angstig. Hij wierp iets naar haar toe voor de klauwen hem achteruit trokken. ‘Ga nu! Vlucht! Te laat voor mij!’ Hij gleed nu snel in de richting van de trein.

Sterre staarde naar de locomotief die geduldig wachtte op zijn nieuwste prooi. De tentakels hieven de dronkenlap hoog op en meer ten­takels grepen zijn ledematen en droegen hem naar de gloeiende muil van de vuurkist die zich langzaam opende. Met een onaards brullen ver­dween hij in het vuur en de muil sloot zich. Een zwarte damp steeg op terwijl de rode koplampen opgloeiden.

Ze dook ineen, hapte naar adem en trilde over haar hele lichaam. Ze staarde naar de plek op het perron waar hij even daarvoor nog had ge­legen. Wat ligt daar? Ze zag een vierkante sleutelhanger, zo een waar je een foto in kunt doen, en pakte die. Daarna schuifelde ze snel het ge­bouwtje in en bleef daar hijgend en met snel kloppend hart met haar rug tegen de muur zitten. Wat is dit voor hel waarin ik beland ben? Uit haar tas pakte ze een sigaret die ze bijna niet aankreeg, zo trilden haar handen.

Op het fotootje in de sleutelhanger was het gezicht van een klein jongetje met donkere krulletjes en sprekende ogen. Ze draaide de sleutelhanger om en zag een met de hand geschreven tekst: RIP, mijn liefste jongen. Ze voelde een brok in haar keel en haar ogen brandden. Dus daarom sprong je. Arme vent. Ik wou dat ik je naam wist…

Treingeluiden klonken vanaf het perron en voor­zichtig keek ze door een raam. De wielen van de zwarte locomotief begonnen te draaien en langzaam reed het gevaarte met zijn wagons het station uit. Ze dacht aan de man met de holle ogen. Ook die was verdwenen. Misschien met de trein mee, dacht ze, opgelucht. Haar hartslag werd rustiger en ze bekeek haar nieuwe omgeving.

Het gebouwtje waarin ze zich had verschanst leek op een wachtruimte zoals ze die van verschillende sta­tions kende. Nu ze binnen was reali­seerde ze zich dat het licht weliswaar fel was, maar kleurloos. Wat nu, hoe kom ik hier weg? Haar oog viel op een verweerd stuk bruin papier, het enige stukje kleur, dat hier al lang op de verder lege grond leek te liggen. Ze pakte het op. In grove houtskoolletters stond een boodschap geschre­ven: ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’

Haar mobiel was zo goed als dood. Geen enkel bereik. Ze nam wat foto’s die allemaal op oude zwart-wit plaatjes van vroeger leken. Ze liep over de verschil­lende perrons op zoek naar informatie, een aanwijzing voor waar ze zich nu bevond. De naamplaats ‘Haarlem’ stond in grote, witte letters op een muur geschilderd, maar dat was het dan wel. Het was niet haar eigen vertrouwde Haarlem, zoveel wist ze zeker. Wat het wel was, ze wist het niet en de angst die hierdoor in haar opborrelde, kon ze slechts met moeite verdringen. Concentreer je, zei ze tegen zichzelf. Er was hier helemaal niets in het station om voor te blijven en ze besloot op onderzoek uit te gaan.

Op het perron bleef ze staan. Overal waar ze keek zag ze ontelbaar veel rails. Welke kant moest ze op? Ze had geen idee. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich helemaal alleen. Ze had behoefte aan een mens, aan iemand die antwoorden kon geven op alle bange vragen in haar hoofd. Ze voelde het briefje dat ze in haar zak gestoken had. ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’ Ze zuchtte. Laat Heinrich in gods­naam niet die enge griezel van daarnet zijn. Met haar vingers stevig geklemd om de sleutelhanger liep ze het perron af.

Buiten het station begon een dichte, witte mist die niets van de buiten­wereld toonde en zelfs dag of nacht wist te verhullen. Aan een kant van het station vond ze een watertoren. Ze dacht aan de woorden op het papier. Vertwijfeld keek ze naar de keitjes en de rails en vervolgens naar haar voeten. Als er niet snel gras of aarde naast het spoor komt, houd ik geen voeten meer over. Toch liep ze verder. Ze had weinig keus.

 

***

 

Tweehonderd meter voorbij de watertoren liep het spoor langs een kanaal, waar ook een pad liep dat redelijk begaanbaar was. Het water was donker, levenloos en er dreven olieachtige vlekken op. Aan de overkant van het kanaal draaiden de wieken van rijen ouderwetse windmolens hun rondjes. Maar het waait helemaal niet. Rijen kleurloze figuurtjes, men­sen, marcheerden langzaam de grote deuropeningen van de molens in. Die mensen gaan naar binnen, maar ik zie niemand vertrekken. Sterre zag dat de wieken in plaats van canvas vleermuisvleugels hadden. Ze besloot dat ze beter snel door kon lopen.

Het landschap om haar heen bleef in dichte, witte mist gehuld, klam en kil. Ze raakte alle besef van tijd kwijt. Of het dag of nacht was kon ze niet opmaken, er was geen zon, geen maan en geen daglicht. Toch was het niet donker.

Ze huiverde en sloeg haar armen om haar lijf heen. De zijde van haar jasje voelde vochtig en koud aan en haar voeten deden pijn. Volgens mij heb ik me nooit zo ellendig gevoeld, dacht ze. Het besef dat haar huidige situatie zelfs ellendiger was dan de boodschap van haar overspelige ex-vriend eerder die dag, deed haar grijnzen. En dat allemaal omdat Mike zo nodig zijn zaden moest laten waaien. Als ze hem ooit weer zag, zou ze hem zo’n lel geven dat ie z’n zaden een tijdje nergens kon laten waaien. De minkukel.

De hele tijd had ze het gevoel dat ze werd gevolgd, geobserveerd. Niet door een trein of iets tastbaars, toch was het gevoel er.

Langs de kant van het spoor, in een verdorde rietkraag, stond een paaltje met daarop een houten bordje. In vervaagde houtskoolletters stond het woord Heinrich. Dit zou het moeten zijn. Voorbij het water zag ze tussen de kronkelende flarden mist een aantal verwrongen bomen. Als ze overstak, kon ze bij die bomen komen. In ieder geval weg van dat spoor. Geen idee of er nog zo’n trein rondrijdt. Diep in haar onderbuik fladderde een verlammende angst bij de gedachte aan de gebeurtenissen op het perron. Ze vond een ondiepe plek en kwam relatief droog, maar met verkleumde voeten aan de overkant.

Iets verderop waren de bomen rechter en bezaten ze een bladerdak. Nog steeds verstoken van alle kleur, maar in ieder geval leek het nog ergens op. Ze merkte dat ze bijna onwillekeurig een pad volgde, dat haar bij een open plek bracht. Daar brandde een vuurtje met grijze en witte vlammen. Aan de rand van het vuur stond een pan waaruit een kruidige geur kwam.

‘Is hier iemand?’ zei ze. ‘Heinrich?’ Haar tanden klapperden.

Het antwoord kwam van achter haar. ‘Dat ben ik.’ Ze voelde haar hart in haar keel springen. Ze draaide zich om en schrok weer. De eigenaar van de stem stond vlak achter haar en het eerste dat ze van hem zag waren waterige, dofblauwe ogen. Ze struikelde achteruit tot bij het vuur. De man bleef staan.

Wacht even, hij heeft kleur! Ook al waren zijn kleren oud, gescheurd en versleten, een soort uniform ooit, er zat nog wat kleur in. Zijn haar had een bruin tintje, zijn huid was hier en daar nog huidkleurig, hoewel veel van zijn lichaam dezelfde kleurloze eigenschap had die ze bij de dron­kenlap had gezien. En in de rest van deze rare, verwrongen wereld.

‘Je liet me schrikken!’

‘Entschuldigung, dat spijt me,’ zei de man. ‘Ik vertrouw niemand hier.’

Sterre knikte. ‘Dat kan ik begrijpen. Waar is hier?’

De man wreef zich over zijn voorhoofd. Zijn haar was lang, ongekamd en leek lukraak te zijn afgesneden. ‘Waar het ook is, ik ben hier al veel te lang, Sterre. Wat mij betreft is dit de hel.’

‘Hoe ken je mijn naam.’

‘Je werd aangekondigd. Dacht je werkelijk dat je kleuren hier onop­gemerkt zouden blijven. Je bent vers.’ Met zijn duim wees hij over zijn schouder. ‘Ben je gevolgd?’

‘Het leek er wel op,’ zei Sterre. ‘Gezien heb ik niets.’

‘Ze wachten af, we hebben de tijd.’ Heinrich gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. Hijzelf ging naast de pan zitten en roerde erin. Uit zijn tas haalde hij een paar versleten schoenen en gooide die naast haar in het zand. ‘Vul ze met wat gras, ze zullen wel te groot zijn.’

Dankbaar pakte ze de jongensgympen aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord niet wilt weten. Vertel me liever hoe je hier gekomen bent.’

Er kwam voldoende warmte van het vuur om haar koude lijf te verwar­men en samen met de sigaret voelde ze zich kalmer worden. Hoe bizar haar verhaal ook was, ze was blij dat ze het aan iemand kon vertellen.

‘Selbstmord,’ zei Heinrich toen ze uitgesproken was. Hij leek verdrietig.

‘Ik denk het,’ zei Sterre en liet hem de sleutelhanger zien. ‘Hij hoefde niet meer.’

‘Zo ben ik ook hier gekomen. Ruim zeventig jaar geleden.’

Sterre keek naar hem. ‘Zo oud zie je er niet uit.’

‘Niemand sterft hier,’ zei Heinrich. ‘Hoe kun je anders boete doen in deze hel?’

‘Hoe kan het dat je kleur hebt? Net als ik? Is het iets dat langzaam ver­vaagt?’ Ze huiverde, gooide haar peuk in het vuur en hield haar handen dicht bij de vlammen.

Heinrich schudde zijn hoofd. ‘Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Ik ook niet. Maar we waren in de buurt van een zelfmoord. In de loop der jaren heb ik geleerd dat omstanders soms worden meegezogen, als het ware.’

‘Je noemde deze plek een hel,’ zei Sterre. ‘Zijn de loco­mo­tieven dan duivels die de zielen teisteren?’

‘Was het maar zo eenvoudig,’ zei Heinrich. ‘De dronken­lap werd het slachtoffer van de treinen en onderweg hierheen werd je geschaduwd. Dat waren de engelen. Zij zijn minstens even moordlustig.’ Hij huiverde. ‘En dan is er nog de man met de holle ogen.’

‘Hee,’ zei Sterre, ‘die man met de holle ogen heb ik gezien. Hij was op het perron toen de trein… je weet wel.’ Ze huiverde.

Heinrich keek op van zijn pan en staarde naar haar. ‘Heeft ‘ie jou gezien?’

‘Ik denk het wel.’

Heinrich stond meteen op. ‘Dan moeten we vertrek­ken. Als die je gezien heeft, dan komt hij je halen.’ Hij pakte spullen in zijn plunjezak.

‘Waar moeten we heen? In de vijf kilometer dat ik vanaf het station heb gelopen zag ik enkel mist, oneindig veel rails en een dor landschap. Is er meer dan dat?’

Heinrich zuchtte. ‘Wat je zag is een reflectie van onze werkelijkheid. Veel is gelijk, maar alles hier is dood of stervende. De perfecte plek voor depressieve mensen die zelfmoord op het spoor gepleegd hebben.’ Hij wees naar haar voeten. ‘Kun je staan? Kun je lopen?’

Sterre probeerde het. ‘Ik denk van wel. Alles beter dan blote voeten.’

‘Mooi, eet nog snel wat, ik denk niet dat we daar straks nog veel tijd voor zullen hebben.’ Hij schepte een kom vol met dampende brij en gaf die aan haar. Zelf nam hij af en toe een lepel uit de pan terwijl hij nerveus om zich heen bleef kijken.

‘Heb je nooit een weg terug gezocht?’ vroeg Sterre. ‘Als je hier binnen kunt komen, moet je toch ook weer weg kunnen komen?’

Heinrich haalde diep adem. Hij staarde naar de brij in de pan die hij met zijn lepel omroerde. ‘Ja. Ja, dat kan.’

Van schrik liet ze haar kom vallen. ‘Hoe? Wat moeten we doen?’

Heinrich hief zijn lepel en wees naar haar. ‘Jij moet vooral naar me luisteren en doen wat ik zeg, als je hier ooit weg wilt komen.’

Sterre zweeg even. Zijn woorden deden haar aan Mike denken. ‘Wie denk je wel dat je bent?’

‘Degene die de weg weet. En die ervoor kan zorgen dat je hier niet je honderdste verjaardag hoeft te vieren.’

Sterre zag de emotie in Heinrichs ogen. ‘Hoe ben jij hier eigenlijk geko­men? Zeventig jaar geleden?’

‘Een lang verhaal,’ zei Heinrich. ‘Ik probeerde een zelfmoord te verhin­deren. Maar ik was net te laat om haar te redden. Toen ik mijn ogen opendeed was ik hier beland.’ Met zijn arm veegde hij zijn ogen droog. ‘Een moment later werd ze gegrepen en…’ Hij hield zijn mond, hield zijn hoofd schuin en leek te luisteren. ‘We moeten weg. De engelen zoeken prooi. Zij zullen niet toeslaan als de man met de holle ogen nabij is, dus zij zullen voor hem willen toeslaan. Ik voel hun nabijheid, al zijn ze op hun hoede.’ Hij borg zijn lepel en pan op en gooide zijn plunjezak over zijn schouder.

‘Waar kunnen we schuilen?’ vroeg Sterre.

‘Wrang genoeg enkel op het spoor,’ zei Heinrich. ‘Engelen en locomo­tieven mogen elkaar niet.’

‘Hoe ben je daar ooit achter gekomen?’ vroeg Sterre.

‘Schade en schande,’ zei Heinrich. ‘Naarmate je hoop verdwijnt, ver­vaagt je kleur hier. Zoals je aan mij ziet. Ik had veel kleur in het begin. Toen kwam ik mijn eerste engel tegen. Die kostte me bijna mijn leven. En mijn ziel.’ Hij sprong vol zelfvertrouwen over de stenen in het stroompje, op de voet gevolgd door Sterre.

‘Die kant op ligt Amsterdam.’ Hij wees verder langs het spoor dat Sterre in eerste instantie had gevolgd.

‘Moeten we daar helemaal naar toe?’

Hij knikte. ‘We moeten voortmaken, de engelen worden ongeduldig.’

 

***

 

Na eindeloos gelopen te hebben naderden ze een klein perron. Sterre zag een meisje van een jaar of twaalf op de verhoging naast het spoor staan. Haar paarden­staart zat verwaaid in een felroze strik. Haar grijzige jurk was besmeurd met neonrode vlekken. Ze staarde voor zich uit.

Sterre versnelde haar pas en riep: ‘Meisje, wie ben je? Hoe ben je hier gekomen?’

Heinrich rende achter Sterre aan en probeerde haar tegen te houden om de trap naar het perron te beklimmen. Ze trok zich los en liep verder. Hij keek om zich heen en trok nog harder aan haar, waardoor ze achter­over viel. Het meisje liep van haar weg. Haar ogen staarden naar de rode koplampen die in de verte vanuit Amsterdam aan kwamen denderen.

Het meisje stak haar handen uit naar de naderende trein. Ze draaide haar hoofd naar Sterre en riep met een hoog stemmetje: ‘Ik ga naar het Eindpunt. Mama is daar. Ze wacht op me.’

‘Doe het niet,’ riep Sterre en krabbelde overeind. Ze wilde naar het meisje toe rennen om haar te redden. Bij de dronkenlap had ze gefaald, dat niet weer.

Heinrich pakte haar van achter vast en hield haar in een houdgreep. ‘Het kan niet. Je kunt haar niet redden. Ze is gegrepen door de engelen. Kijk dan, haar kleur. Geloof me, wat je ziet is valse hoop.’

‘Nee, ze is gewoon haar kleur nog niet verloren, net als jij. We kunnen haar redden.’

‘Ik ken het verschil,’ siste Heinrich. ‘Ik ken het verschil tussen hoop en hopeloos. Dit meisje is niet te redden. Zij gaat niet naar het Eindpunt. Waar zij heengaat, daar wil jij niet komen.’

‘Ze is een kind, zie je dat dan niet? We moeten haar helpen.’

‘Het spijt me.’ Met al zijn kracht trok hij Sterre naar het wachtershokje en hield zijn hand voor haar mond om haar gekrijs te smoren.

De trein reed het station binnen in een dichte wolk donkere rook waarin de slangachtige bewegingen van de zwartmetalen tentakels een dreigend halo vormden. Het meisje stond afgetekend als een klein, kwetsbaar poppetje tegen de rode gloed van de vuurkist.

Heinrich tikte op Sterre’s schouder en wees omhoog. ‘Een engel.’ Een diepere schaduw viel over het perron en een slanke gestalte met im­men­se vleugels bedekt met vuilwitte veren daalde neer achter het meisje.

De stoomfluit van de trein blies een schrille uitdaging en uit de rook schoten tentakels naar voren om het meisje te grijpen. De engel strekte lange armen uit en greep twee van de tentakels vast terwijl zijn vleugels de andere tentakels afweerde. Losse veren vlogen in het rond terwijl de engel achteloos de tentakels in een hand nam en vervolgens met de andere hand de schakels lostrok. De losse stukken vielen op de grond. De uiteinden met hun stalen bekken bleven happend kronkelen op de grond tot de engel ze met zijn klauwvoeten kapot trapte. Meer tentakels wikkelden zich om zijn benen en vleugels. Het wezen negeerde ze en bleef tentakels, die het meisje probeerden te bereiken, afweren en ver­nielen. Het meisje bleef onbewogen voor zich uit staren.

Opgelucht haalde Sterre adem en liep op het meisje af. ‘Hij heeft haar gered. De engel heeft het meisje uit de tentakels van de locomotief gered!’

‘Gered is niet het juiste woord.’ Heinrich duwde Sterre voor zich uit, de berm van het spoor in. ‘Doorlopen,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Niet omkijken.’

Sterre trok haar arm los en draaide zich om. Ze was vastbesloten het meisje niet alleen achter te laten. Ze keek naar het perron, maar in het geweld van rook, vleugels en tentakels was het arme kind niet te zien. ‘Waar is ze gebleven?’

‘Heb ik je uitgelegd. Ze was niet meer te redden. Geloof me. We moeten weg hier!’ Hij gaf haar een zet zodat ze verder struikelde, kwam toen naast haar lopen en greep haar elleboog vast. Zo snel als hij kon trok hij Sterre mee. Ze wilde eerst tegenwerken, maar de twijfel die ze eerder voelde kwam terug, versterkt door Heinrichs woorden.

‘Waarom was ze niet te redden?’ vroeg ze. ‘Ik begrijp het niet. Ze was zo klein, zij had toch geen zelfmoord gepleegd?’

‘Hoe ze hier gekomen is, dat weet ik niet. Dat ze verloren was, dat zag ik meteen.’

‘Ze had toch kleur, althans een beetje.’

Heinrich keek regelmatig achterom terwijl ze liepen. Bij haar vraag stond hij even stil. ‘Als dit de Hel is, dan is je ziel hier. Waar is dan je lichaam?’

Sterre keek hem aan. ‘Mijn lichaam is toch hier? Je ziet me toch?’

Heinrich begon weer te lopen. Hij mompelde in zichzelf.

Sterre volgde hem. ‘Waar is mijn lichaam?’

‘Waarschijnlijk nog waar je het gelaten hebt,’ ant­woordde hij.

‘Station Haarlem? Op het perron?’

‘Dat zal dan wel. Bewusteloos. Of onverklaarbaar coma.’

‘Is dat met jou ook gebeurd?’

‘Ik weet het niet zeker. Er kwam een moment dat ik een groot verlies voelde, alsof mijn connectie met de echte wereld ineens verdween. Mijn kleuren werden fletser.’

 

***

 

Het kleine station verdween in de mist en er leek een last van Heinrichs schouders te vallen. Hij ademde een paar keer diep en liep toen met kalme passen verder in de richting van Amsterdam. ‘Het was misschien maar goed ook. Ik was erg goed in mijn werk. Mijn verdwijnen heeft waarschijnlijk veel mensenlevens gered.’

‘Je hebt nooit verteld wat je deed in de oorlog,’ zei Sterre. Ze keek naar de emblemen op zijn uniform. ‘Was je fout?’

‘Achteraf wel. Op dat moment geloofde ik echt … nou ja, je begrijpt het wel. Destijds was ik er trots op dat we zo efficiënt waren.’

‘Wat deed je precies?’

‘Veetransporten per trein organiseren,’ zei Heinrich.

Sterre keek opzij. ‘Wat was daar zo fout aan dan?’

‘De vrouw die ik probeerde te redden…’

‘Je zei zoiets. Wie was ze?’

‘Dat weet ik niet. Ze was Jude en ze had een baby in haar armen.’

‘Dat waren geen veewagens, hè?’

Heinrich schudde zijn hoofd. Zijn kaken bewogen alsof hij met zijn tanden knarste en zijn ogen waren vochtig.

‘Christus.’

Heinrich sloeg een kruis. ‘Je begrijpt dat ik me schuldig voel?’

Sterre knikte. ‘Ja. Zeg me eerlijk: Waarom die inkeer. Er zullen meer moeders met baby’s hebben gestaan. Die heb je wel op transport gezet.’

‘Ik werkte vanuit een kantoor. Schema’s op papier. Ik vertrouwde het niet meer. Het was de eerste keer dat ik daadwerkelijk de trein kwam inspecteren.’ Hij haalde zijn handen door zijn grijze haren en staarde in de mist. ‘Ik was geschokt, verdoofd. Er kwam een trein langsrijden. Ik zag haar springen.’ Hij haalde zijn mouw langs zijn ogen. ‘Ik kwam te laat. Als ik niet geaarzeld had dan was ze misschien…’

‘Dus jij bent hier omdat zij sprong?’

‘Selbstmord, een enkele reis naar de hel. En daar zijn we nu.’

‘Maar jij hebt toch geen zelfmoord gepleegd? Kun jij hier niet weg dan?’

Weer ademde Heinrich diep in. ‘Er is een uitgang. Daar zijn eerder mensen door vertrokken.’

‘Je zegt het alsof je erbij was.’

‘Was ik ook. Ik heb ze daar gebracht.’ Er kwam een pijnlijke uitdruk­king op zijn gezicht.

‘Slechte herinneringen?’

‘De man met de holle ogen is daar. Of één van hen dan, hij is niet alleen. De uitgang wordt altijd bewaakt. En er kan er maar één tegelijk doorheen.’

Sterre zweeg terwijl ze verder liepen. Haar gedachten maalden over de implicaties van zijn woorden.

 

***

 

Amsterdam Centraal was een immense koepel van donkere ijzeren platen met bizarre uitsteeksels, over meerdere verdiepingen waar sporen op verschillende niveaus samenkwamen. Het stroompje naast het spoor was een vaart geworden en aan één kant van Centraal verdween een staalgrijze vlakte van kil water in de dichte mist, alsof de rivier genaamd IJ zich oneindig ver uitstrekte voorbij hun gezichtsveld.

Treinen reden hier af en aan en spuwden hun stinkende rook de lucht in zodat het leek alsof Sterre dikke soep inademde.

‘Gatverdamme.’ Ze hoestte. ‘Moeten we hier echt zijn?’

‘Wat je ruikt is wanhoop, pijn en verdriet,’ zei Heinrich. ‘De treinen verbranden dat en de rook slaat neer als depressie die de mensen weer inademen, een eindeloze cirkel.’

‘Afschuwelijk,’ zei Sterre. Hoe langer ze hier doorbracht, hoe heftiger ze naar huis verlangde.

Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.

‘Ze gebruiken hun prooi ook als lokaas,’ zei Heinrich. ‘Als ze hun hoofd niet met valse hoop vullen.’ Hij wees naar de koepel, naar een klein torentje op de top. ‘Daar bovenin. Daar moeten we heen. Ik ken een veilige weg.’

Hij leidde haar naar een tunnel die ooit was afge­sloten met een stalen hekwerk. De spijlen waren zo verbogen dat hij er met moeite doorheen kon. Sterre kon er met gemak doorheen.

‘Dit is een soort afvoer. Hij komt uit onder het dak en van daar komen we bij een smalle ladder omhoog.’ Heinrich slikte een paar keer.

‘Is er iets dat je me niet vertelt?’ zei Sterre.

‘Herinneringen. Ik moest denken aan mijn tijd met mijn engel. Hij vulde mijn hoofd met leugens en valse hoop. Hij zou me helpen te ontsnappen, als ik maar naar hem luisterde. Al die tijd zoog hij me langzaam leeg als een soort overmaatse teek. En hij gebruikte me om anderen te lokken. Het duurde lang voor ik het doorhad.’

‘Hoe ben je ontsnapt?’

‘Ik kreeg hulp van Mathilde. Ze hielp vaker mensen die hier niet thuishoorden. Al bijna honderd jaar.’

‘Wie hoort hier wel thuis dan?’

‘Zij die vinden dat ze hier horen,’ zei Heinrich somber. ‘Ze maakte me los toen mijn engel weg was en nam me mee naar deze tunnel. Hier hebben we een tijd gezeten. Ze legde me deze hel uit, voor ze me naar de uitgang bracht.’

‘Maar je bent hier.’

Heinrich knikte. ‘Ik was toen al fletser van kleur geworden. De verbinding met mijn lichaam was verbroken. Op een of andere manier wist ik dat er niets was om naar terug te gaan.’

‘Dus je hebt haar vrijgemaakt?’

‘De prijs was… pijnlijk, maar het was het waard. Het was het eerste waarover ik me in heel lange tijd goed voelde.’

‘Ik kan niet zeggen dat ik je pijn begrijp,’ zei Sterre. ‘Ik dacht dat gisteren mijn wereld verging nadat Mike verkondigde dat hij buiten de pot wilde pissen om daarna weer terug te komen om met mij een toe­komst op te bouwen. Nu ben ik hier en ik realiseer me dat levensverdriet echt iets anders is.’

Heinrich glimlachte. ‘Hij klinkt als een waardeloos iemand. Ik denk dat je beter af bent zonder hem.’

‘Ik heb te lang gedacht dat ik niet kon ademen zonder hem, dat hij levensvreugde in me blies. Je weet wel: de ware, de vader van mijn toe­komstige kinderen.’

‘Hij zuigt je leeg, langzaam, als een van de engelen hier,’ zei Heinrich. ‘Wat dat betreft hoef je niet terug.’

Sterre voelde haar ogen beginnen te branden. ‘Valse hoop, is dat waar ik me al die jaren aan heb vastge­klampt?’

‘Als er in mijn tijd meer mensen waren geweest die de moed hadden voor zichzelf te denken, dan was mis­schien alles anders gelopen .’

‘Die vergelijking van jouw leven en het mijne, loopt spaak. Mijn verdriet is geen vergelijk met wat er destijds is gebeurd.’ Sterre knikte voor zich uit. ‘Ik hoor wat je zegt en toch hoop ik dat hij daar staat en op me wacht.’

Heinrich aaide over haar wang. ‘Alleen is ook niet alles, dat weet ik, maar eenzaam kun je alleen zijn als er mensen om je heen zijn die je in de steek laten. Dan pas ben je echt alleen.’

 

***

 

De ladder naar boven leek vrij in de lucht te hangen. Sterre hield de sporten angstvallig stevig vast en dwong zich naar de voeten van Heinrich te kijken die langzaam voor haar uit klom naar het donkere gat in de bodem van het koepeltje dat bij elke stap die ze naar boven deed, leek te groeien.

Vlak onder het gat hield hij halt.

‘Als we naar binnen komen zul je in het midden van de koepel een fel wit licht zien. Daar moet je heen.’

‘En jij dan?’

‘Er kan er maar een tegelijk doorheen.’

‘Kunnen we niet tegelijk?’

‘We kunnen het proberen,’ zei Heinrich, maar zijn gelaatsuitdrukking zei anders. Hij trok zich omhoog het gat in. Even later zag Sterre zijn arm naar beneden strekken. Ze nam zijn hand vast en hij trok haar omhoog.

Het witte licht in het midden van het koepeltje was meteen zichtbaar. De binnenkant van het gebouw leek veel groter dan de buitenkant. Er hing een muffe lucht, dierlijk bijna. Af en toe klonk er zacht gerinkel van metaal op metaal.

‘Daar is het,’ fluisterde Sterre.

Hun ogen wenden aan het duister en nu zagen ze de kooien. Rij na rij hingen ze van het plafond, vier­kante dozen van stalen spijlen aan een dikke ketting die in de duisternis van het dak verdween.

In de schemer zag ze lichamen die in de kooien gepropt waren. Hier en daar stak een stuk been of een stuk arm uit. Sterre voelde haar maag rommelen toen ze zag dat die gestript waren van vlees en dat enkel rafelige huid, botten en pezen over waren.

Het geluid van krassende nagels op ijzer klonk scherp en hol door de ruimte. Sterre keek om zich heen, maar het donker liet zich niet terug­dringen door het licht.

‘Schnell!’ maande Heinrich haar. Hij trok haar over­eind en ze renden over de vlakke vloer naar het licht. Hun voetstappen klonken hard op de ijzerplaten van de vloer. Het geluid werd overstemd door het schrapen van nagels over metaal en een keer zelfs door een diep lachen dat boven hen klonk.

Op een paar meter van het licht voelde Sterre een verscheurende pijn in haar rechterdij. Ze keek en zag een klauw die zich om haar bovenbeen geklemd had, met lange, scherpe, zwarte nagels die dwars door de stof van haar jeans haar vlees in gingen. Ze gilde van pijn en paniek.

Langzaam trok de klauw haar de schaduw in, waar ze nu in de weer­kaatsing van het licht het emotieloze gezicht van de man met de holle ogen zag, zijn oogkassen in het halfdonker grote gaten die eindeloos diep leken. De horizontale streep van zijn mond opende zich en rij na rij naaldscherpe tanden stulpte naar buiten op kaken die uit zijn gezicht naar voren kwamen.

Een ijzeren stang kwam hard neer op de klauw die haar vasthad. Hij liet haar los. Heinrich stapte tussen haar en de man met de holle ogen. ‘Kennst mich noch, ja?’ Hij zei tegen Sterre: ‘Ga, ren, ik hou hem bezig!’

‘Nee, we moeten samen.’

Heinrich sloeg een klauw van zijn lijf weg. ‘Ik heb daar niets, jij wel! Zoek me op als je daar bent. Geef me mijn rust.’ Hij draaide zich om, sprong op haar af en duwde haar hard in de richting van het licht. Terwijl ze een wolk van witte watten inviel zag ze de beide handen van de man met de holle ogen Heinrichs schouders grijpen en hem hulpeloos optillen. Alles werd wit voor ze kon zien wat er met hem gebeurde.

 

***

 

Ze knipperde met haar ogen en zag verschrikte gezichten om haar heen, afgetekend tegen het hoge dak van een treinstation. Ze probeerde over­eind te komen.

‘Rustig maar,’ zei een kalme stem naast haar. Ze keek opzij en zag een jongeman in een groen met gele overall, een ambulancebroeder. Hij heeft kleur! Hij hield haar pols vast en keek tegelijk op zijn horloge. ‘Je bent aardig geschrokken en flauwgevallen. Hoe voel je je nu?’

‘Duizelig. Hoe lang ben ik weggeweest?’

‘Een kleine twintig minuten. We hebben eerst gepro­beerd die man te reanimeren, maar dat haalde niets uit.’

Sterre dacht aan de vuurkist van de locomotief waar hij in gesleurd werd. ‘Ik weet het, hij was echt dood. Waar is hij nu?’

‘We hebben zijn lichaam afgevoerd.’ De ambulance­broeder wees naar het spoor dat helemaal verlaten was. ‘Het meeste tenminste. Kende je hem? Omstan­ders zeiden dat hij al een tijdje rondliep.’

Sterre schudde haar hoofd. ‘Ik heb hooguit een paar woorden met hem gewisseld. Hij was erg verdrietig.’

‘Ik zal het noteren. Nu eerst de laatste trein uit Amster­dam binnen­halen en dan gaan we dicht voor vannacht. Grondige schoonmaak. Snap je nou dat mensen dat doen? Voor een trein springen bedoel ik?’

‘Soms neemt het leven meer dan je missen kunt.’

De ambulancebroeder knikte naar de overkant. ‘Ramp­gluurders. Zie ze kijken daar. Hopen ze op bloed?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Blijf hier, ik over­leg even.’ Hij stond op en liep naar de ambulance.

Sterre stak een sigaret op, staarde naar het bran­dende staafje en gooide het op de rails. Het landde vlak naast de heupflacon van de dronkenlap. Ze pakte haar mobiel. Vijf berichten. Van Mike. Snel opende ze haar berichten. ‘Ik hoorde van een ongeluk en moest aan je denken. Ik kom naar huis.’ Een warm gevoel stroomde door haar lichaam. Ze herkende het als hoop. Voor ze haar mobiel wegstopte keek ze naar de foto’s die ze in het wachthokje had gemaakt. Het gaf haar nare herinne­ringen dus ze besloot ze allemaal te wissen. Op het moment dat ze de laatste foto wilde verwijderen, viel haar telefoon uit. Klotending.

Ze keek naar de laatste passagiers die met de trein waren aangekomen. Haar adem stokte in haar keel. Was dat Mike?

‘Hee, Sterre, alles goed met je?’ schreeuwde hij vanaf het andere perron

Even later stond hij naast haar. Hij knielde bij Sterre neer en pakte haar hand. Met grote ogen keek hij naar de bloedvlekken op haar jeans. ‘Heb je geprobeerd… Was jij voor de trein gesprongen? Lieverd, ik…’

Het duurde even voor Sterre doorhad wat hij bedoelde. Dacht hij nu werkelijk dat ze voor hem een einde aan haar leven zou maken? De eikel.

Ze schudde haar hoofd, probeerde op te staan maar de hamer in haar hoofd en de krassen in haar boven­been deden haar duizelen. Achter Mike verscheen Linda met haar hakken in haar hand.

De jongen kwam terug van de ambulance. ‘Je moet voor de zekerheid een nachtje in het ziekenhuis blijven, voor observatie. Morgen willen ze je grondig onderzoeken. Er is een psycholoog aanwezig mocht je daar behoefte aan hebben.’

Ze wilde de hand van de jonge helper grijpen, maar Mike duwde hem aan de kant en hielp haar op te staan. Haar lichaam reageerde met een dosis hoop, dat niets was veranderd, dat alles bij het oude was. Voor­zichtig stond ze op. Ze leunde zwaarder op hem dan strikt nood­zakelijk en grijnsde naar zijn snol.

Gedachten aan de gebeurtenissen van deze avond spookten door haar hoofd. Ze dacht aan de dronkenlap, het meisje op het perron en vooral aan Heinrich. Ze miste hem, miste zijn rechtschapenheid, zijn opoffe­ring, zijn behulpzaamheid. Hij was een goed mens, voor zover ze dat in hun korte samenzijn kon beoor­delen.

Bij de ambulance scheen één van de broeders een lichtje in haar ogen. ‘Niets ernstigs zo te zien. We hebben met de dienstdoende arts op de EH overlegd. Ze wil je nog vanavond zien. Je man mag achterin plaats nemen.’

De broeder nam haar van Mike over en ze merkte hoe hij een stap achteruit deed. Zijn warmte ebde weg. Ze keek hem aan.

‘Ik zie je morgen,’ zei hij, ‘dan kom ik terug.’ Hij keek met een smerige grijns naar Linda, toen weer naar Sterre. ‘Meer tijd heb ik niet nodig.’

Ze kreeg een rood waas voor haar ogen. De woorden van Heinrich, dat Mike een nietsnut was, galmden in haar oren. Ze besefte ineens dat Mike als de engelen was. Valse hoop. Klootzak. Ze deed een stap terug en greep zijn overhemd vast. Met al haar kracht ramde ze haar knie tussen zijn benen. Mike sloeg dubbel en braakte zijn maaginhoud op het perron.

‘Loos je zaad maar in die snol. Voor een trein springen? Voor jou? Ben je niet goed snik? Ik heb de hel gezien en ben ontsnapt. Dat nooit meer. Je spullen liggen morgen op straat, bij mij kom je er niet meer in!’ Ze hinkte met de ambulancebroeder mee. ‘Auf nie wiedersehen!’

 

***

 

In de schaduwen, vlak bij de uitgang van het perron, stond een man met holle ogen. Hij keek naar de ambulance die net vertrok. Prooi die hij ooit gezien had, kon hij overal volgen. En hij had alle tijd.

En de kwallen glanzend als parels in het maanlicht : Tais Teng

Helga’s tante kweekte sierkwallen en Helga rolde zoals gewoonlijk elke ochtend als eerste uit haar hangmat en stommelde naar het grote aquarium op de voorplecht van hun woonboot. De zon wipte net boven Dijk Europa uit en verschoof in een paar hartenkloppen van bloedrood naar zengend wit.

De kwallen fonkelden in het lage zonlicht, even kleurig en complex als orchideeën en stuk voor stuk dodelijk giftig.

Helga kon iedere soort benoemen: de mercator­kwallen met hun gouden kompasroos, de blauwe virago’s en de regenboogkralen die nooit groter dan je duimnagel werden.

Helga goot de beker met panische garnalen leeg en drukte haar neus tegen het pantserglas. Het was altijd fascinerend om te zien hoe de tentakels hongerig rondslierden. De een na de andere garnaal verstarde en werd de maagholtes ingetrokken.

Zodra de kwallen op kleur waren, vatte tante ze in helder plastic of synthetische barnsteen. De dode­lijke kwallen eindigden als kralen­kettingen en hangers of als bijzonder gewaagde oorbellen. Alleen de toe­risten kochten ze: elke Buitendijker had wel een familielid of vriend stuiptrekkend uit de zee moeten vissen.

Na de kwallen liep Helga naar de achterplecht om de kweeknetten met kelp binnen te halen. De woonboten en piepschuimenvlotten van Buiten­dijks reikten tot voorbij de westelijke horizon: zes miljoen zeezigeuners die letterlijk van de wallenkant geduwd waren door de schatrijke een- procenters.

Helga snoof de geur van smeulende wiervuurtjes en de droogrekken met zwaardvis genietend op: het was diep vertrouwd, geruststellend. Het betekende dat nie­mand honger of kou hoefde te leiden. Dat ze zich prima konden redden zonder die weke Wallen­kanters. ‘Helga?’ riep tante Rimca uit de kajuit. ‘Jij en Ciska nemen de kraam vandaag over. Ik heb een stel verse kwallen te lakken.’

‘Geen probleem!’ riep Helga terug. En het was beter dan geen pro­bleem. Ze was dol op de kleurige drukte van de Goodelieve markt, het jodelen van de nachtmeeuwen op de Admiraal Schuyvertoren, de stank van roosterende zeekomkommers.

 

Toen ze op de markt arriveerde, had Ciska de kraam al opgezet, en de kwallenkettingen uitgestald. Als lokker stond er een miniatuur-aquarium met levende kwallen en een bordje met ‘Niet aanraken! Levensgevaar!’ in zes talen. Het doodskopje met gekruiste beenderen was voor de analfabeten.

 

Ze verkochten een dozijn kettingen en een retort met een levend kwalletje aan twee giechelende Wallen­­kanters­meisjes.

‘Wees er voorzichtig mee,’ zei Ciska. ‘Het is een echte zeewesp. Eén steek en je rolt schuimbekkende over de grond.’

‘Ges!’ zei het kleinste meisje en ze giechelden nog harder.

Ciska mikte de kettingen in een kluisje, trok het titanium gordijn van de kraam dicht.

‘Tijd voor een pauze. Ik weet iets geinigs.’

Ze viste een zijden sarong uit haar tas, twee pumps van geëtst staal­glas.

‘Hoe kom je daar aan?’ riep Helga. Ze voelde een steek van heerlijke angst. ‘Dat zijn Wallekanters­spullen,’ vervolgde ze fluisterend.

‘Eerlijk gestolen. Ik liep de hamam in en trok hun spullen in de kleed­kamer aan. De mijne liet ik achter.’ Ze trok een tweede sarong uit haar tas. ‘Ik heb er ook eentje voor jou.’ Haar glimlach werd een brede grijns. ‘Voor het komende uur zijn we twee Wallenkanters­trutjes.’ Ze trok aan Helga’s arm. ‘We gaan gewoon bij Tantoretti zitten.’ Ze knikte naar de uitkijktoren met het roterende terras.

‘Maar dat kan ik onmogelijk betalen! Een cocktail kost daar meer dan ik in een maand verdien.’

‘Niet als iemand anders het betaalt. Laat dat maar aan mij over.’

 

De portier liet hen zonder probleem door. Dames waren altijd welkom, behalve als ze al te onvast op de benen stonden.

Deze week was het thema Ruimte, zag Helga. Drones in de vorm van SpaceX-landers brachten de drankjes rond en de spiesen met gamba’s. Boven hun hoofd dreven de ruimtesteden langs: Putingrad en Nue Berlin, Goederede met zijn immense zonnezeilen.

Ciska liep regelrecht op een tafeltje met twee jongens af. Ze waren duidelijk ouder dan Helga en Ciska: eerder drieëntwintig dan zestien.

‘Hei garçons,’ zei Ciska ‘We zijn twee arme Buiten­dijkersmeisjes en behoorlijk dorstig.’

De grootste jongeman, die met de neusring en de bio hazard tatoeage op zijn kaalgeschoren kruin, wierp een blik op Ciska’s pumps en grijnsde. ‘Vast wel. En wat willen jullie drinken?’

Het terras lag zo hoog dat Helga Dijk Europa boven de daken en masten zag uitsteken. Boven de Wallenkant kleurde de hemel lichtrood: dat was het hemelweb dat het zengende ultraviolet tegenhield boven de Randstad maar uiteraard niet boven Buitendijks.

 

Helga nipte aan haar tweede cocktail. Het smaakte voornamelijk naar anijs maar er zwom wel een miniatuur duikboot in rond.

‘Vertel mij over jezelf?’ vroeg de andere jongen.

‘Ik?’ Toen ze opkeek, was Ciska verdwenen, samen met de andere jongen. Handig. ‘Eh, jij eerst.’

‘Mijn vader is dijkgraaf,’ begon de jongen. ‘Een van de negen. Dijk Europa is zestig meter hoog, met diamanten stootplaten en een kern van geschuimd titanium maar een vloedgolf… Nu, die komen verdraaid hard aan. Mijn vader heeft twintig duizend cyber­spinnen onder zich die elk gat meteen dicht­weven en meer drones dan er zeemeeuwen boven de visafslag vliegen. Mijn moeder, ze is een Telefunken von Eind­hoven. Oude elektronica adel. En jouw ouders?’

‘O, die zijn dood. De laatste tsunami smeet onze woonboot om. Als ik niet op de jongste van mijn tante aan het oppassen was geweest…’

De jongen gaapte haar aan en grijnsde toen. ‘Och ja, dat was de afspraak: jij bent van hier.’ Hij hief zijn hoofd luisterend op. ‘Mijn compagnon, hij zegt: waarom spelen we geen Kus de Bruid?’

Helga wist dat de meeste Wallenkanters een com­puter in hun hoofd hadden. Een AI niet groter dan een sneeuwvlok die samen met hen opgroeide en gewoon­lijk heel wat slimmer was dan zijn mens.

‘Kus de bruid?’

‘Tja, een meisje van hier kent dat natuurlijk niet. Het is een dating site. Log in en toon twee foto’s. Het programma vertelt dan of we bij elkaar passen.’ Hij tikte zijn oorlel aan. ‘Mijn compagnon zegt dat het program­ma onfeilbaar is. Een Turing zestien AI bestuurt het.’

Ineens hingen er twee foto’s boven het tafeltje, plus een knipperende balk. ‘De balk loopt van een tot tien,’ zei de jongen. ‘Bij alles onder de vijf kun je maar beter meteen gif in zijn of haar beker gieten. Acht is al ‘lang en gelukkig’ maar tien, dat is het Tristam en Isolde niveau. Totaal voor elkaar bedoeld. Trouw zo eeuwig dat de dood zulke gelieven niet eens kan scheiden.’

‘Zijn jullie er klaar voor?’ sprak een diepe stem. Diep en galmend en absoluut wijs. Het soort stem waarmee tante Rimca’s god Krishna waar­schijnlijk zou spreken.

‘Ja,’ zei Helga en ineens voelde haar tong vreemd droog. Dit is menens.

De foto’s schoven in elkaar, vervloeiden.

De vonk begon bij de een en ze hoorde gekijf, het geluid van brekend glaswerk.

‘Later we eens verder inzoomen,’ sprak de goddelijke stem. ‘Dieper integreren.’

De vonk schoot voorbij de vijf en het glasgerinkel maakte plaats voor een opgetogen lach, vogelgezang en het murmelen van beekjes.

De foto’s sidderden en de vonk schoot naar het einde van de balk, gloeide goudgeel op.

‘Dit is bizar,’ sprak de stem en er klonk een diepe verbazing in door. ‘Honderd procent compatibel. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: mensen die zo perfect bij elkaar passen.’ Trompetten schalden. ‘Gefeliciteerd! Jullie zijn het soort gelieven dat de kwallen als parels ziet glanzen in het maanlicht. Die jubelen met de futen.’

De jongen schoot overeind, veegde de knipperende balk weg.

‘Dit is een vuile leugen! Je hebt Kus de Bruid gehackt! Mijn compagnon vertelt me dat je echt van hier bent, een kwallendregster en dat je je schoenen en kleren gestolen hebt!’ Hij schudde zijn vuist, een vreemd onmachtig gebaar. ‘Je wilde mij verleiden! Omdat mijn vader de dijkgraaf is!’

Helga keek hem na en alles was perfect: de vorm van zijn oren, de manier waarop hij voorbij de tafeltjes stampte, zelfs zijn gebalde vuisten. Het beeld etste zich in haar brein, onvergetelijk, eindeloos kostbaar. Maar ze bleef staan, rende hem niet achterna. Helga was een Buiten­dijkse en een kwallendregster trouwen met de zoon van een dijkgraaf? Dat was het soort sprookje waarin zelfs kleuters niet konden geloven.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

Het Ottomaans gambiet : Mike Jansen

Het machtigste wapen van de handelaar is zijn telraam.
Voor wilden die dat niet snappen is er de musket
– oud VOC gezegde

 

Terugkeren naar Veneta, het stond Jacob Hooijmans elke keer  tegen. Toch ging hij elk half jaar stipt op tijd aan boord van de stoomlijner WitteDeWith die hem snel naar die stad vervoerde.

Johanna vond het vreselijk dat hij voor zijn werk naar het buitenland moest. Het betekende dat zijn gezin zonder hem naar de kerk moest. Niet zoals de Heer het bedoeld heeft, zoals zij hem dan voorhield. Maar hij was nu eenmaal aangesteld als controleur voor het Bureau der Externe Voorzieningen. Zijn grote cliënten moest hij verplicht twee maal per jaar bezoeken en controleren. Zoals de Doge van Veneta.

Eigenlijk was hij blij dat hij niet de drukte van thuis om zich heen had. En, zoals hij zijn vrouw voorhield, hij had net zo goed in de verre Oost gestationeerd kunnen zijn. Het leverde hem weinig begrip op.

Het gaf hem wel de mogelijkheid zich te vergapen aan de rijke roomse cultuur van Veneta, van het Zeepaleis van de drie pausen tot de ruim honderd basilieken die de stad rijk was. Jacobs eerste liefde ooit was de Westerbasiliek in Amsterdam die hij bijna dagelijks met zijn ouders bezocht. Ooit wilde hij bisschop worden, kardinaal zelfs, maar hij bleek zijn vaders boekhoudtalent te hebben.

Naarmate zijn bestemming naderde, verdween zijn weerstand. Hij verheugde zich op zijn komende verblijf.

 

***

 

Het schip bereikte de buitenste dijken rond de stad aan het begin van de avond. De ondergaande zon verlichtte de hoge wolkenpartij boven de noordelijke hemel en deed Jacob denken aan vurige ogen in een duister gezicht. Hij kon zich bijna besneeuwde Alpentoppen als puntige tanden voorstellen.

Rondom gingen de lichtjes van gebouwen en forten aan. Zelfs de hoge forten van Novigrad en Umag aan de horizon, die de Croatische kusten beschermden tegen Ottomaanse invallen van zee, waren zichtbaar in de heldere lucht en verlicht met rijen lampjes over de hele lengte van hun honderden voeten hoge Tesla-torens.

Jacobs hutkoffer en zijn aktetas stonden naast zijn tafel voor een van de ramen op het uitzichtdek. Hij haalde zijn uurwerk tevoorschijn uit het zakje op zijn linkerborst. De WitteDeWith voer exact op tijd en dat beviel hem.

‘Veneta komt tot leven wanneer het donker wordt,’ klonk het in uitstekend Hollands achter hem.

Jacob draaide zich om. Het heerschap voor hem droeg een klassiek overhemd met witte ruches, een lange overjas van donkerblauw fluweel met een fleur-de-lis patroon in gouddraad. Een koperen knijpbril met donkerrode glazen op zijn rechte neus leidde de aandacht van zijn ongekamde haar en warrige, bruine baard af.

‘Met wie heb ik het genoegen?’ vroeg hij beleefd. Hij vermoedde een aristocraat tegenover zich, het soort individu dat hij in zijn werk regelmatig tegenkwam. Meestal vond hij de erfgenamen van geroofde fortuinen onsmakelijke parvenu’s. Deze keer reserveerde hij zijn mening. Hij voelde een ongemakkelijke kilte in zijn maag terwijl hij de spreker van top tot teen opnam. De schaduwen rond dit heerschap verhinderden hem een correcte impressie te vormen.

‘Graaf Georg de Hunedoara,’ antwoordde de man en zijn korte buiging was perfect afgestemd op het vermeende niveauverschil tussen hen.

‘Aangenaam, heer,’ zei Jacob. ‘Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC.’

‘Een belangrijke positie,’ zei graaf Georg met een korte glimlach die spierwitte tanden toonde. ‘De VOC financiert immers de Doge en daarmee indirect het voortbestaan van Veneta.’

‘U doet het voorkomen alsof Veneta zelf niet in staat is in haar eigen behoeften en noden te voorzien,’ zei Jacob. Hij kon een lichte afkeuring niet uit zijn stem houden.

De graaf snoof. ‘Mijn voorouders verdedigden het westen tegen de Mongoolse horden en later tegen de Ottomanen. Het bloed van Atilla stroomt door onze aderen.’

‘Toch heeft dat de Ottomanen niet tegengehouden grote delen van het oosten van Europa te veroveren. Tot en met uw voorouderlijke landen toe. En Veneta steunt nog steeds uw forten en legers.’

‘Eens zullen onze landen herenigd worden, maar dan niet op Venetische voorwaarden,’ zei graaf Georg. ‘Ik voorspel dat wij vrienden worden. Onthoud mijn woorden.’

De hemel lichtte op en Jacob keek even om naar het spektakel van de lampen die in het Zeepaleis van de drie Pausen werden ontstoken. Toen hij terugkeek was de graaf verdwenen.

Hij schudde zijn hoofd en ging zitten om de verlichting ter ere van het feest van de Heilige Antonius Aggrippa van Genoa te bewonderen. Het Zeepaleis was in drieën verdeeld, waarbij de verlichting van de zuinige Nicolaas van Straalen, de Hollandse Paus in Veneta, in het niet viel bij de feestelijke verlichting van de Italische – en de Byzantijnse paus, hoewel die al bijna twee eeuwen van Ottomaanse afkomst was. Zijn magere vertoon kon echter wel de goedkeuring van Jacob Hooijmans wegdragen. Hij hield niet van verspilling en buitensporige weelde. In het licht van het Zeepaleis gloeiden de vele dozijnen Hollandse windmolens, die langs de hele lengte van de buitendijk stonden, spookachtig op.

De WitteDeWith voer de buitensluis van het dijkencomplex van Veneta in, een immens bouwwerk van de waterbouwkundige Lely die het destijds als zijn Magnum Opus beschouwde. De bronzen draaideuren schoven langzaam opzij zodat de stoomlijner samen met andere, kleinere schepen plaats kon nemen in de sluis.

Jacobs aandacht werd getrokken door een spierwit jacht voorzien van drie stoompijpen. Het voerde de Ottomaanse vlag, maar ook de pauselijke vlag met het Byzantijnse kruis erop. Aan dek zaten op regelmatige afstanden van elkaar kaalgeschoren moezelmannen met grote zwarte snorren in witte pofbroeken en met zilver ingelegde borstkurassen. Ze waren bewapend met hun kenmerkende kromzwaarden en droegen bandeliers met aan weerszijden een Ottomaanse achtklapper.

‘Janitsaren aan boord,’ mompelde Jacob. ‘Dan is de Ottomaanse paus er ook of ze gaan hem ophalen.’

Voor hij zich verder over hun aanwezigheid kon verwonderen, werd de WitteDeWith in een fel wit licht gebaad, gevolgd door een donderen als van duizend kanonnen en een schokgolf die het schip op het water liet dansen. Met de vlekken nog in zijn ogen zag hij wat er over was van het Zeepaleis in elkaar zakken met achterlating van een immense stofwolk.

Jacob sloeg zonder nadenken een kruis. ‘God in de hemel,’ fluisterde hij.

 

***

 

De kade leek een mierenhoop waarop kokend water was gegoten. Passagiers die ontscheepten botsten tegen mensen die probeerden weg te komen van de paniek die verderop in de stad was ontstaan. Verdwaasd liep Jacob de trap naar het vasteland af, gevolgd door de matroos met zijn hutkoffer.

Voor het eerst in alle jaren dat hij Veneta bezocht had, voelde hij zich ontheemd. Zijn hoofd werkte op volle toeren en hij probeerde de implicaties van wat hij gezien had en het angstige onderbuikgevoel dat die gebeurtenis bij hem opwekte, met elkaar te vereenzelvigen. Het lukte maar matig.

Hij haalde diep adem en keek om zich heen, op zoek naar een rustpunt. Naast een dure galvanische koets die stationair draaide, de Teslaspoel half ingetrokken, vlak bij een verderop gelegen douanepost, ging hij op zijn koffer zitten, hield zijn hoofd tussen zijn knieën en nam regelmatige, diepe teugen lucht.

‘Gaat het wel?’ vroeg een heldere stem achter hem.

Jacob kwam overeind en keek om. De deur van de koets was open en in de schaduwen van de cabine zag hij een vrouwelijk silhouet. Het deel van haar jurk dat zichtbaar was, had een indringende, diepgroene kleur. ‘Vergeef me, vrouwe, dat ik hier even tot mezelf kom. De explosie…’

‘Ach ja, de explosie…’ Ze kwam iets naar voren en Jacobs adem stokte toen haar gezicht in het licht kwam. Haar gezicht was perfect symmetrisch, haar huid was porseleinwit, haar ogen waren smaragdgroen, haar haar was zwart als de nacht en leek met de schaduwen samen te smelten. ‘Aanslagen gebeuren hier vaker, zo dicht bij het centrum van het Ottomaanse rijk. Dit zag er eerder uit als een oorlogsverklaring.’

‘Ah, u bent van hier?’ zei Jacob. Hij rook een kruidig parfum dat het beeld dat hij van haar had vervolmaakte en zijn lichaam reageerde onverwacht heftig. Je bent getrouwd, Hooijmans!

Ze knikte, een afgemeten, perfect gecontroleerde beweging. ‘Contessa Ilona Szilágyi van Zagreb. Ik wacht op mijn… neef, Georg, die met de WitteDeWith zou aankomen. U lijkt mij Hollands?’

Jacob schraapte zijn keel. Hij voelde zijn wangen branden, besefte dat het niet zichtbaar zou zijn in het donker. Kalm, Hooijmans, je lijkt wel een puber. Hij boog kort. ‘Inderdaad, contessa, Jacob Hooijmans is de naam, controleur namens de VOC.’ Hij ging iets rechter staan. ‘Derde echelon. Hoog genoeg om belangrijk te zijn, te laag om daadwerkelijk iets te betekenen,’ zei hij met een glimlach.

De mensenmenigte op de kade werd onrustig, paniekerig bijna en Jacob zag hoe mensen een veilig heenkomen probeerden te zoeken. De oorzaak werd al snel duidelijk. Met het plat van hun kromzwaarden sloegen de Janitsaren iedereen opzij die hen voor de voeten liep. In hun midden wandelde een lange, magere man met diepliggende, donkere ogen en een zwart met grijze druipsnor, gehuld in een witzijden mantel met goudbrokaat en een spierwitte tulband met daarop het Byzantijnse kruis.

Ahmed Ibrahim Iskenderen. Ik had gelijk, de Ottomaanse paus was onderweg, dacht Jacob.

De Janitsaren baanden zich een weg naar dezelfde douanepost waar hij en Ilona Szilágyi stonden. Zodra ze op gelijke hoogte kwamen, draaide de paus zich naar hen. Jacob neeg zijn hoofd lichtjes. Hoewel hij devoot katholiek was, waren de normen en waarden van die rebelse Calvijn toch danig bij hem ingesleten. En hij had de Hollandse paus Nicolaas van Straalen altijd geëerd. Iskenderen deed hem niet zoveel.

Naast hem boog de contessa diep en Jacob keek bewonderend naar haar slanke, spierwitte nek die onder haar zwarte haar tevoorschijn kwam. Om in te bijten. Hij knipperde met zijn ogen.

De paus wandelde langs de douanepost, de straten van Veneta in. Hij keurde hen verder geen blik waardig.

‘Ik merkte uw buiging op, contessa Szilágyi,’ zei Jacob. ‘Ik dacht dat uw familie een diepe vete met de Ottomanen had?’

De contessa glimlachte wrang. ‘Ooit volgden wij de orthodoxie van de oostelijke paus gezeteld in Byzantium. Tot dat veroverd werd door de Ottomanen. Nu volgen we de westelijke paus.’

‘Wie, Jean Baptiste Napoleon in het Vaticaan?’ zei Jacob vol ongeloof.

‘Natuurlijk niet. Iedereen weet dat de nepotistische Napoleonten geen enkel middel hebben geschuwd om de pauselijke troon te bezetten.’ Contessa Szilágyi snoof bijna verontwaardigd. ‘Wij volgen de échte pausen, Aristide Renard, Nicolaas van Straalen en Ahmed Ibrahim Iskanderen, allen gekozen door de Synode. Een evenwichtig triumviraat dat zich inzet voor zendingswerk in de Hispamericaanse Gewesten en de verre Oost.’

‘Dat heb ik vernomen,’ zei Jacob. ‘Dat evenwicht is dan nu danig verstoord.’

Contessa Szilágyi zweeg terwijl ze zijn woorden liet bezinken. ‘U hebt gelijk. Dit is belangwekkend.’ Ze draaide haar stoel, waarbij een houten paneel met bronzen meters en knoppen zichtbaar werd. ‘Kan ik u een ritje aanbieden?’ Ze knikte naar zijn hutkoffer. ‘Ik vermoed dat dragers op dit moment schaars zijn.’

Jacob nam haar aanbod dankbaar aan.

 

***

 

Met haar geur nog in zijn neus, stapte Jacob het bordes van het VOC Handelshuis op, een schitterend barok gebouw gelegen naast het streng aandoende, strakgelijnde en sombergrijze Venetische beursgebouw, waar alle dagen behalve de dag des Heeren de rijkdommen van de Oriënt verhandeld werden.

Hij keek haar galvanische koets na terwijl ze de toeristen en handelaren probeerde te ontwijken die op terrasjes en op de rand van een van de vijftien fonteinen van het Sint Marcusplein hun groene wijn dronken en tzipas -veel kleine gerechtjes uit verschillende streken- nuttigden.

‘Ahem, kan ik u van dienst zijn?’

Jacob Hooijmans draaide zich om en zag in de deuropening van het Handelshuis een gedistingeerd heerschap met halflang, grijs haar. ‘Oh, goedenavond, ik ben Jacob Hooijmans. Ik heb brieven van het hoofdkwartier voor de gouverneur.’

‘Aangenaam, mijn naam is Alex de Oude, beheerder,’ zei de andere man. ‘De gouverneur wordt problematisch. Hij ging vanavond met zijn gevolg naar het Zeepaleis voor de aanvang van het Heilig Antoniusfeest.’

‘Allemaal? Zijn vervanger? Assistenten? Is er nog iemand van niveau gamma twee of hoger?’

De beheerder dacht na. ‘Onze militaire contactpersoon, kapitein Everse. Die is gamma een of twee.’

‘Breng me naar hem toe.’

‘U kunt uw hutkoffer in de vestibule plaatsen.’ De beheerder wachtte niet af of Jacob zijn bagage daar inderdaad deponeerde.

Ze liepen door de verschillende lagen van het pand, langs smalle, steile trappetjes en minuscule kantoortjes waarvan een enkele nog verlicht was en waar werknemers nog driftig op Mill-typografen typten. De hogere verdiepingen waren ruimer van opzet en al snel hield de beheerder halt bij een gang die eindigde in een kunstig bewerkte eikenhouten deur.

‘Dit is zijn kantoor. Ik neem aan dat u het vanaf hier verder zelf kunt. Ik heb nog veel te regelen en uit te zoeken. Het is nog steeds niet bekend wat er in het Zeepaleis heeft plaatsgevonden.’

‘Ik wens u geluk en wijsheid toe,’ zei Jacob. Terwijl de beheerder zich wegspoedde, liep Jacob langzaam naar de deur.

Halverwege de gang hoorde hij voetstappen achter zich. Hij draaide zich snel om. Uit zijn ooghoek zag hij in een flits een donkerblauwe jas met gouden fleur-de-lis borduursel en wild, ongekamd haar de hoek omgaan. Hij liep terug, maar er was niemand. Ik zou toch zweren…

Hij liep naar de deur en klopte. Na drie tellen klopte hij weer. Hij luisterde even en dacht een stem te horen. Voorzichtig opende hij de deur.

Een bureau was in de verste hoek opgesteld. Erachter zat een man in kapiteinsuniform, Everse naar hij vermoedde. ‘Goedenavond?’ zei Jacob.

Terwijl hij wachtte op antwoord viel de man achter het bureau voorover en kwam hard met zijn hoofd op het houten blad terecht.

Snel liep Jacob naar voren, om het bureau heen. Hij pakte de schouder van kapitein Everse vast waardoor zijn hoofd opzij draaide. Dode ogen in een spierwit gezicht staarden hem aan. Jacob trok zijn hand snel terug.

Op het bureau stond een notenhouten kistje met een koperen spreekbuis en een dozijn bronzen knoppen, elk met een andere aanduiding, zoals Secr. en Bhrdr. Jacob drukte de laatste in en zei: ‘Er is een moord gepleegd. Kantoor Everse. Help!’

Enkele tellen later klonk er een krakerige stem uit de kast: ‘Er is hulp onderweg, blijf waar je bent!’

Nerveus wandelde Jacob heen en weer door de kamer. Op enkele tiphs in gelakte houten lijsten stond kapitein Everse afgebeeld, toen nog in leven, veelal met notabelen. Hij herkende onder andere de Ottomaanse paus Iskenderen, Doge Di Pietrello van Veneta en de Kretenzische vorst Nikolakonios.

Een glinstering bij de stoel van Everse trok zijn aandacht. Hij raapte een gouden ring op met het persoonlijke wapen van de Doge. Vreemd, dit lijkt zijn eigen zegelring. Hoe is die hier gekomen? Zonder nadenken stak hij de ring in zijn zak, vlak voor de deur werd opengegooid.

In de deuropening stonden twee soldaten, elk gewapend met een repeteermusket. Achter hen stond Alex de Oude, de beheerder. Jacob hief voorzichtig zijn handen. De soldaten liepen naar voren en duwden hem in een hoek terwijl de beheerder het lichaam van kapitein Everse onderzocht.

‘Laat hem gaan,’ zei de beheerder tenslotte, ‘meneer Hooijmans is niet de dader.’ De soldaten deden een paar stappen terug en zekerden de veiligheidspal van hun wapen.

‘Hoe kunt u daar zeker van zijn?’ vroeg Jacob.

Alex de Oude glimlachte. ‘VOC beheerders zijn van veel markten thuis, van budgetteren tot mechanica en anatomie. Als een kapitein op een schip.’

‘Daar heb ik van gehoord,’ zei Jacob, ‘in het dagelijks leven merk je er alleen weinig van.’

‘Omdat onze zeggenschap tot de deur gaat en niet verder,’ zei Alex de Oude. Hij wees naar het lichaam. ‘Kapitein Everse is koud, hij lijkt leeggebloed. Daarom is hij lijkbleek. Echter, er ligt nergens bloed op de grond. U bent net aangekomen en u heeft niet de tijd gehad dit voor elkaar te krijgen.’

‘De graaf,’ zei Jacob. ‘Tenminste, ik dacht iemand op de gang te zien die leek op een zekere graaf Georg de Hunedoara die ik eerder op de WitteDeWith ontmoet heb.’

Beheerder Alex de Oude keek Jacob onderzoekend aan. ‘Dat zal zeker ‘lijken’ zijn geweest. Graaf Georg is al sinds mensenheugenis niet buiten Kasteel Bran geweest. En het lichaam is al koud.’

‘Dan iemand die op hem lijkt,’ zei Johan.

‘Niets verbaast me vanavond nog. Ik heb via de Marconi van de VOC-admiraliteit instructie gekregen dat u de hoogste in rang bent in Veneta. Er is een vervanger voor u onderweg, die zal binnen een week hier zijn, maar tot die tijd heeft u de leiding, met goedkeuring van de admiraliteit.’

Jacob Hooijmans haalde diep adem. ‘Dat is… onverwacht. Ik zal me zo goed mogelijk van deze belangrijke taak kwijten.’

‘Ongetwijfeld, heer. Ik begreep verder dat u kamers in het Grotius Hotel geboekt hebt. Uw koffers zijn daar al gearriveerd.’

‘Bedankt, Alex, dat stel ik op prijs.’

‘Rust uit, heer Hooijmans. Dat zult u nodig hebben voor uw schema de komende dagen. We beginnen om half zeven morgenochtend, stipt. Uw afspraak met de Doge is om half elf.’

‘Ik zal er zijn,’ zei Jacob. Half verdwaasd verliet hij het Handelshuis en wandelde door de electrofoor-verlichte straten naar zijn hotel dat ongeveer een mijl van het Sint Marcusplein lag.

Die nacht was zijn slaap onrustig en zijn dromen waren zwoel, vervuld van zwarte haren die om hem heen kronkelden, strelende, bleke ledematen en diepgroene ogen die hem aanstaarden vanuit de duisternis. Ze deden hem denken aan een zekere contessa en Jacob liet zich diep in zijn plezierige droom wegzakken.

 

***

 

Om half elf bevond Jacob Hooijmans zich in de ontvangsthal van het paleis van de Doge van Veneta. Als bij zijn eerdere bezoeken in voorgaande jaren, probeerde hij te ontdekken welke verbeteringen de Doge had laten aanbrengen in de barok uitgevoerde hal. Op het eerste gezicht vermoedde hij dat veel van de protserige krullen nu van een laagje goud waren voorzien, maar toen hij rondliep vond hij een nis met daarin een rijkversierde fontein uitgevoerd in marmer, ivoor en zilver die zacht klaterende straaltjes water produceerde. Hij herkende het als Ottomaans handwerk van de Byzantijnse zilversmeden.

Een man in een zwart lakens kostuum met een dubbele rij onderscheidingen op zijn linkerborst kwam naast hem staan. ‘Mijn nieuwste aanwinst. Past goed bij de nieuwe vleugel aan de oostkant. Groot genoeg om de complete Synode te huisvesten. Ik heb er zelfs een complete kapel in laten aanleggen.’

Jacob draaide zich naar de andere man. ‘Doge Di Pietrello, een waar genoegen.’ Hij boog diep. ‘Die kapel zou ik wel eens willen zien.’

De Doge gebaarde dat hij overeind moest komen. ‘We kennen elkaar al te lang, Jacob.’

‘Ik ben enigszins verbaasd dat deze afspraak doorging, heer, gezien de gebeurtenissen van gisteravond.’

De Doge haalde diep adem. ‘Een zeer kwalijke zaak, dat. Twee pausen gedood in de explosie, evenals een groot aantal notabelen. Het Sint Antoniusfeest is gewild.’

Jacob knikte. ‘Het lijkt er zelfs op dat ik de komende week de hoogste VOC functionaris ben.’

De Doge glimlachte weemoedig. ‘Dat spijt me, Jacob. De politiek in Veneta is moordend, dus weet waaraan je begint. Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate…

‘Ik ben slechts een eenvoudige controleur, heer, zonder politiek ambitie.’ Hij verbergt iets, fluisterde een stemmetje in Jacobs hoofd. Hij keek om zich heen. Een vleugje bekend parfum dreef zijn neus in.

‘Inderdaad, dit is je zesde jaar geloof ik,’ zei de Doge. ‘Daarmee ben je de langstdienende controleur van de VOC die ik gekend heb.’

‘Nu we het daarover hebben, ik zou graag de boeken controleren.’

De Doge glimlachte. ‘Ze liggen klaar in het kantoor waar je altijd zit.’ Met een handgebaar ging hij Jacob voor en samen liepen ze de hal door naar een van de vele gangen die erop uitkwamen. Langs schilderijen van de illustere voorvaderen van de Doge zelf en zijn familie en balkons met uitzicht op de Adriatische zee, kwamen ze uiteindelijk in de privévertrekken. In een klein kantoor met enkel een groot, notenhouten bureau en een uitzicht op de tuinen van het paleis, bevond zich een drietal dikke ordners. Een antiek telraam lag naast een moderne computantrekenaar met veel knoppen en toetsen.

‘Al eens gebruikt?’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob glimlachte en schudde zachtjes zijn hoofd.

‘Dacht ik wel, maar ik hoopte je wat tijd te besparen.’

‘Dat stel ik op prijs,’ zei Jacob. Vertrouw zijn machines niet!

‘Mooi,’ zei de Doge. ‘Ik heb zelf een stapel verzoeken en brieven door te werken. Als er iets is, zit ik in het kantoor tegenover de bar.’

Jacob bladerde door de bovenste ordner, alerter dan anders.

 

Enkele uren later verliet Jacob het kantoortje. Op een lage tafel voor de bar waren tzipas uitgestald. Er was van gegeten. Doge Di Pietrello zat in een luie stoel. Hij wenkte Jacob dichterbij en wees naar een tweede stoel. Jacob maakte er dankbaar gebruik van en zijn rug kraakte hoorbaar toen hij de zachte kussens raakte.

‘Intensief gewerkt?’ zei de Doge.

‘Nogal. Als ik in de cijfers zit vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet soms te bewegen.’

De Doge grijnsde. ‘Zolang je nog ademt zal het wel meevallen.’

‘Gewoon spierpijn. En wat onrustig geslapen.’ Jacob vouwde zijn vingers in elkaar. ‘Ik heb nog wel wat vragen.’

‘Oh?’ zei de Doge. Hij keek Jacob vragend aan. ‘Dat is voor het eerst in al die tijd.’

‘Eens moet de eerste keer zijn. De uitgaven zoals beschreven moeten aan bepaalde regels voldoen. Geld moet gealloceerd worden in bepaalde verhoudingen en hoeveelheden. Die verhoudingen zijn de afgelopen jaren scheefgegroeid, de laatste twee jaren zelfs versneld.’

‘Je praat boekhoudistaans tegen me,’ zei Doge Di Pietrello met een glimlach.

‘Eenvoudig gezegd: geld dat is bestemd voor het in stand houden van de Karpatische bufferzone, is op verkeerde plaatsen ingezet.’

‘Ik dacht dat we aan alle boekhoudregels van de VOC voldeden,’ zei de Doge.

‘Dat doet Veneta ook, hoewel het aantal posten ‘onvoorzien’ en ‘externe kosten’ vrij hoog was. Of zelfs vreemd, zoals die honderdduizend eiken balken. De opdracht echter is het in stand houden van die bufferzone. Besef goed dat de admiraliteit zaken doet met Veneta omdat jullie een handelsnatie zijn, zoals Holland. Wij begrijpen elkaar. De inwoners van de Karpatische landen niet. Jullie zijn hun buren. In ruil voor die relatie kunnen jullie tien procent van de fondsen naar wens inzetten. Het afgelopen jaar is dat bijna de helft geworden.’

‘De boekhouding geeft toch alles goed aan?’ De Doge haalde zijn schouders op. ‘Mijn adviseurs meenden dat het wel toegestaan zou zijn.’

‘Uw adviseurs hadden het mis. Daardoor is een belangrijke bron van fondsen voor de bufferzone weggevallen.’

Doge Di Pietrello stond op en ijsbeerde voor de bar heen en weer. ‘Het is weggegooid geld. Dat niet alleen, ik weet dat sommige elementen van de Hunedoara familie een machtspositie in Veneta hebben opgebouwd.’ Hij gebaarde met beide handen. ‘Totaal onbelangrijk voor hun eigenlijke taak, het buitenhouden van de Ottomanen.’

Excuses en uitvluchten. Vraag naar de ring. Jacob voelde even onwillekeurig aan zijn rechterbroekzak waarin de zegelring van de Doge zat. ‘Mag ik vragen wat uw relatie met kapitein Everse was?’

‘Die ken ik niet,’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob legde de zegelring op de tafel voor hem. ‘Herkent u deze?’ Hij observeerde het gezicht van Di Pietrello.

De Doge kwam naast hem staan en bekeek de ring. ‘Dat is mijn zegelring.’

Jacob zag zijn ogen heen en weer schieten en zijn handen nerveus trillen. ‘Ik vond hem vlak na de moord op Everse in zijn kantoor.’

‘Iemand probeert me zwart te maken.’ De Doge lachte, licht geforceerd. ‘Een opvallend amateuristisch en niet bepaald verfijnd staaltje schuldtoewijzing.’

Jacob glimlachte. ‘Dat leek mij ook. Beter dat het tussen ons blijft.’ Hij duwde de ring naar de Doge die hem onder zijn hand liet verdwijnen. ‘Er is immers al genoeg verwarring na de gebeurtenissen van gisteravond.’ Maar je stond wel met Everse op een tiphaigneplaat in zijn kantoor.

‘Inderdaad, een zware schok voor gelovigen over de hele wereld,’ beaamde de Doge.

Jacob tikte zijn lippen aan met zijn gevouwen handen. ‘Ik zag paus Iskenderen gisteren in de sluizen, vlak voor de explosie. Het was wel heel toevallig dat hij juist nu terugkeerde. En dat hij niet in het Zeepaleis was.’

Het gezicht van de Doge vertrok, zijn uitdrukking er een van groot ongenoegen. ‘U impliceert opzet in de dood van de twee andere pausen? Besef goed dat zelfs het gerucht over zoiets ongeloofwaardigs de Roomse wereld in vuur en vlam kan zetten en dan is het maar afwachten wie die vuurstorm zal overleven… God verhoede het dat de mensen zich afkeren van de ware pausen en die afschuwelijke Jean Baptiste Napoleon als enige paus gaan erkennen.’

‘Tot het nieuwe triumviraat is gekozen en geïnstalleerd, is Iskenderen de enige leider van de gelovigen. Zijn woord zal wet zijn,’ zei Jacob. ‘Dat zijn de regels van de Roomse Kerk zoals ik ze geleerd heb.’

‘Ik verwacht niet dat hij misbruik zal maken,’ zei de Doge met een glimlach. ‘Als de boeken verder goed zijn, kun je dan verder met mijn boekhouders overleggen? Ik heb nog een aantal belangrijke afspraken.’ Hij klapte in zijn handen.

‘Maar natuurlijk, Doge.’ Jacob boog kort en liet zich vervolgens door een dienaar meevoeren naar de uitgang.

Bij het verlaten van het paleis weerklonken door de gehele stad kerkklokken die een oproep tot het Angelus beierden. Veneta heeft nooit Angelus gedaan, dacht Jacob. Iskenderen maakt misschien geen misbruik, maar hij gebruikt zijn invloed wel. Devoot vouwde hij zijn handen en prevelde zijn Ave Maria.

 

***

 

De schemering was aardig gevorderd toen Jacob de deur van het handelshuis achter zich dichttrok. Bij het ruiken van de heerlijke geuren die de restaurants rond het Sint Marcusplein verspreidden, begon zijn maag te rommelen.

Hij koos een Hollandse taveerne en nam een tafel met uitzicht op de beurs. Gekleurde lampen op het plein verlichtten de fonteinen en vormden een betoverend tafereel waar Jacob korte tijd gebiologeerd naar staarde.

‘Hebt u er bezwaar tegen als wij aanschuiven?’

Jacob schrok van graaf Georg die voor hem stond, contessa Szilágyi aan zijn linkerzij. Voor hij zich kon bedenken, schoof de graaf de stoel van de contessa aan. Hij nam zelf plaats aan het hoofd van de tafel. ‘Graaf Georg, contessa, een onverwacht genoegen. Ik wilde net bestellen.’

‘Mooi, voor mij wat rode wijn graag, dat kan ik nog net verdragen,’ zei graaf Georg. Hij keek Jacob aan over zijn rode brillenglazen. ‘Hebt u het laatste nieuws al gelezen?’

Jacob schudde zijn hoofd. ‘Mijn werk was uitdagend, vandaag. Ik heb nog geen tijd gehad voor de krant.’ Hij bestelde een schotel zeevis en witte wijn voor zichzelf, rode wijn voor zijn gasten. De ober klikte met zijn hielen en haastte zich weg.

Graaf Georg gooide een Gazetta di Veneta op tafel. De kop schreeuwde: Paus roept op tot vrede!!!

‘Iskenderen laat er geen gras over groeien,’ zei Jacob. ‘Vrede is goed voor de handel.’

De graaf leunde achterover en plaatste zijn duimen in zijn jacquet. ‘Oorlog ook. De vraag is wie er aan het kortste eind trekt.’

‘Zijn er verliezers bij vrede?’ zei Jacob.

‘Initieel misschien niet. De Ottomanen hebben een indrukwekkend groot leger samengebracht in de Karpaten. Honderdduizend zwaarbewapende manschappen. Officieel om te oefenen.’

‘Dat kan, zelfs als het vrede is.’ Jacob keek de graaf vragend aan. ‘Wat wilt u precies zeggen?’

‘Uw opmerking gisteren tegen mijn nicht, de contessa hier, over het verstoorde evenwicht. Die getuigt van een scherp inzicht.’

Jacob keek even opzij. Hij staarde langer dan behoorlijk naar haar intens groene ogen in dat perfecte gezicht. Haar lippen waren donkerrood en er lag een uitnodigende glimlach rond haar mond. Hij slikte en rukte zich met moeite uit de diepe poelen van haar ogen. ‘Dank u, graaf. Ik begreep van de Doge vandaag dat paus Iskenderen geen kwaad in de zin heeft.’

‘Oh, nee,’ zei graaf Georg, ‘geen slecht woord over de paus. Hij is immers een van de drie vertegenwoordigers van God op Aarde.’ De graaf boog zich naar voren. ‘Maar ik vertrouw zijn landgenoten niet.’

‘Wat kan er gebeuren?’ zei Jacob. De ober onderbrak hun gesprek met een dampende schaal en drie kristallen glazen gevuld met witte en rode wijn.

Graaf Georg nipte aan zijn glas en keek Jacob toen indringend aan. ‘Onze familie hangt sterk aan haar roomse overtuiging. U en wij lijken hierin sterk op elkaar. Al van oudsher vecht de Orde van de Draak voor God, volk en vaderland. Indien Iskenderen zijn besluit aan de synode voorlegt en als Motu Proprio kan doen uitgaan, zijn wij gedwongen deze vrede te accepteren en handhaven.’

‘Zoals ik al zei, vrede is goed voor de handel,’ zei Jacob. Hij nam een paar happen terwijl hij wachtte op het antwoord van de graaf.

Ilona Szilágyi liet de wijn in haar glas rondjes draaien. ‘Beseft u wel dat de Karpatische bufferzone op dat moment niet meer bestaat? En dat de Germaanse federatie een wassen neus is wanneer een groot, vastberaden Ottomaans leger over hun grondgebied dendert? Als het leger er toch is, zullen de Pasja’s het gebruiken. Binnen tien dagen staan ze dan aan de Hollandse oostgrens…’  Ze liet de conclusie aan Jacob over.

Hij legde zijn bestek naast zijn bord. ‘Dat klinkt alsof er een samenzwering is. En een megalomaan plan.’ Hij nam zijn hoofd in zijn handen en pijnigde zijn hersenen. ‘Het Sint Antoniusfeest is gewild, dat zei de Doge vanochtend. Veel notabelen waren in het Zeepaleis.’

‘Maar niet de Doge,’ zei contessa Szilágyi.

‘Of kapitein Everse,’ voegde graaf Georg toe. ‘Er zijn er meer.’

‘Jullie twee waren er ook niet. En ik vraag me af waar u zich gisteravond bevond, graaf.’ Jacob dacht terug aan de figuur die hij in het handelshuis gezien had, maar hij kon niet met zekerheid de graaf als dader aanwijzen.

Contessa Szilágyi lachte en Jacob voelde een koude rilling. ‘Onze familie is niet welkom in de huizen van de Roomse Kerk.’

‘Kom nu,’ zei Jacob, ‘de Roomse Kerk is er voor iedereen, zelfs voor die afvalligen van Calvijn.’

‘De contessa heeft gelijk,’ zei graaf Georg serieus. ‘Een goddelijke vloek heeft onze voorouders getroffen. En tot wij onze schuld hebben ingelost, zijn wij gedoemd verre van de huizen van God te blijven.’

‘Dat klinkt serieus, graaf,’ zei Jacob. ‘Wat kan ik… wat kunnen wij doen om deze megalomane machinaties teniet te doen en het evenwicht zoals dat in Veneta heerst te bewaren?’

‘Een aantal zaken,’ zei graaf Georg. ‘Als hoogste vertegenwoordiger van de VOC in Veneta is uw stem van waarde.’

‘Ik betwijfel of de synode een eenvoudige functionaris zoals ik zal willen horen.’

Graaf Georg lachte. ‘Bedenk goed dat de VOC in haar jaren hier bepaalde rechten bedongen heeft, niet alleen van de Doge, maar ook van de Roomse Kerk.’

‘Daar weet ik niets van,’ zei Jacob. ‘Welke rechten zijn dat?’ Hij schrok van een beweging onder de tafel bij zijn linkerbeen en even later voelde hij een voet langs zijn knie en dijbeen omhoog gaan. Hij keek de contessa aan. Haar glimlach was onveranderd. Wat is dit?

Met zijn hoofd op zijn handen staarde graaf Georg over zijn rode brillenglazen naar Jacob. ‘Prima Initiatio, het recht van het voorstellen van een kandidaat paus voor de Hollandse pauselijke zetel. Zonder tussenkomst van de Synode.’

‘Nooit van gehoord. Voor ik boekhouder werd, heb ik de wetten van de kerk uitgebreid bestudeerd. Ik geloof er niet in.’ Jacob probeerde aan zijn vrouw en de Heer te denken, maar hij faalde in beide zodra de voet langs zijn broekzakken gleed.

Graaf Georg stond op en boog kort. ‘Mijn excuses, ik heb wetboeken te lezen en lokale procedures te onderzoeken. Om zeker te zijn.’ Met een zwierig gebaar schoof hij zijn stoel aan, nipte een laatste druppel wijn en haastte zich weg.

Jacob keek hem na en probeerde te vermijden dat hij weer naar de contessa Szilágyi keek, wat niet lukte. Haar ogen waren diepgroene poelen, haar lippen waren bloedrood, opwindend, zozeer dat gedachten aan vrouw, kinderen of de Heer hem geheel verlieten. ‘Ik moet ook maar eens vertrekken,’ zei hij. ‘Ik verblijf in het Grotius. Mag ik u voor een likeur uitnodigen?’ Waar zit je met je hoofd, Hooijmans, ze is adel, ze staat veel te ver boven je. En je bent getrouwd!

De contessa neeg een moment haar hoofd. ‘Kamer zeventien, nietwaar?’

‘Hoe weet u dat?’ zei Jacob.

‘De sleutel in uw broekzak.’ De contessa stond op, knikte naar hem en schreed de taveerne uit.

Jacob keek haar na. Snel rekende hij af en hij haastte zich naar het hotel. De deur van zijn kamer liet hij open. Hij zette een fles graanjenever en twee likeurglazen klaar op het tafeltje van zijn kamer. Vervolgens begaf hij zich naar de badkamer om zich op te frissen. In het gelige electrofoorlicht bekeek hij zichzelf in de spiegel. Slank, lang, conservatief gekleed, dun haar op zijn schedel die vrij hoekig was en grijze ogen in een bleek gezicht. Wat ziet ze in mij?

Hij trok zijn jasje en overhemd uit. Zijn trouwring en de ketting met crucifix deed hij af. Hij hoefde geen geschenken van zijn vrouw te dragen op dit moment, alsof het verwijderen van het symbool van hun verbintenis op de een of andere manier zijn mogelijke vreemdgaan vergoelijkte. De sieraden herinnerden hem enkel aan de goede maar vooral de overvloedige slechte tijden. Er waren legio redenen waarom hij ontvankelijk was voor de avances van de knappe contessa. Kan ik dit nog? Wil ik dit? ‘Rustig aan,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Misschien blijft het bij een likeurtje.’

Er klonk een zacht kloppen op zijn deursponning. Jacob haastte zich uit de badkamer. Van onder het zwarte kant van haar groene hoedje keek ze hem aan.

Jacob haalde diep adem en voelde een brok in zijn keel. ‘Contessa,’ kon hij maar net uitbrengen.

‘Mag ik binnenkomen?’

‘Maar natuurlijk. De likeur staat klaar, laat me even wat aantrekken,’ zei Jacob. Hij deed een stap achteruit.

Het volgende moment hing ze in zijn armen en voelde hij haar hete mond op zijn nek en een golf van sensueel genot spoelde over hem heen. Hij viel met haar achterover op het bed en verloor daar zijn bewustzijn.

 

***

 

De grond was een patroon van immense zwarte en witte vlakken. Het strekte zich tot de horizon uit, waar zichtbaar door dichte mist. Jacob knipperde met zijn ogen, zag het zwaard voor zich op de grond en pakte het zonder nadenken op. Aan die horizon, ver boven de mistbanken, dacht hij een figuur in een zwart gewaad met vurige ogen in een donker gezicht in de lucht te zien, maar het volgende moment was het niet meer dan een kolkende, dreigende wolkenmassa.

Hij kreeg een zet als van een onzichtbare hand die hem het volgende vlak op bewoog. Uit de mist kwam een wervelende ridder te paard die hem op zijn lans probeerde te spietsen, maar Jacob stapte opzij en sloeg de lans in stukken met zijn zwaard. ‘Wacht, wat gebeurt hier?’ zei hij met luide stem. De ridder antwoordde niet, maar trok zijn zwaard. Ze wisselden slagen uit tot Jacob een mogelijkheid zag. Hij greep de stijgbeugel aan het zadel van de ridder en duwde hard omhoog waardoor zijn tegenstander op de grond viel. ‘Geef je over,’ zei Jacob. Hij duwde zijn zwaard door de kijkspleet van de helm van de ridder en wachtte op antwoord, maar voor zijn ogen vervaagde en verdween zijn tegenstander. Wat is er aan de hand?

Weer een zet tegen zijn rug, een volgend vlak, een soldaat met een zwaard, die ook vervaagde toen Jacob hem bewusteloos sloeg met een goed geplaatste vuist. Weer de onzichtbare hand in zijn rug, maar toen hij op het volgende vlak kwam was er geen tegenstander.

Op de grond lagen lange, witte gewaden, het zwaard in zijn hand veranderde in een staf. Een witte mijter voorzien van een in goud geborduurd kruis daalde langzaam voor hem neer en bleef op ooghoogte hangen. Ze hadden een onverklaarbare aantrekkingskracht op hem en hij reikte zijn vrije hand uit naar de mijter.

Dit is je bestemming, je lot. De galmende woorden vielen als een loden last op zijn schouders.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jacob, ‘ik ben geen bisschop of paus.’ Maar diep van binnen voelde Jacob een sprankje opportunisme ontstaan, zag hij mogelijkheden te groeien in een richting die hij altijd begeerd had, maar nooit tot werkelijkheid kunnen maken.

Nog niet. Er klonk zelfverzekerde spot in de stem die meer nog dan dreigen of dwingen Jacob overtuigde dat mogelijkheden ook werkelijkheden konden worden.

‘Wie ben jij?’ schreeuwde Jacob tegen de hemel. ‘God of duivel?

Heer en meester.

Een fel licht verscheen boven hem in de lucht en verblindde hem.

 

***

 

De vroege ochtendzon scheen helder door het hotelraam naar binnen, begeleid door de geluiden van het ontwakende Veneta. Jacob werd kreunend wakker. Zijn hoofd bonsde en zijn mond was kurkdroog, alsof hij een stevige kater had. Hij bewoog en voelde zijn spieren kraken. Zijn rug voelde alsof hij in brand stond.

De contessa. Hij keek om zich heen, maar ze was niet in zijn hotelkamer, wat hij haar niet kwalijk kon nemen. Hij had zijn broek aan en hij kon zich behalve de eerste minuut van haar aanwezigheid spijtig genoeg niets herinneren. Wel voelde hij een immense druk op zijn blaas en hij haastte zich naar de badkamer.

Zodra hij klaar was bekeek hij zichzelf in de spiegel. Zijn gezicht was bleek, in zijn nek zaten blauwe plekken. Hij bekeek zijn rug en zag twee rijen diepe, evenwijdige voren over zijn rug alsof iemand er met lange nagels overheen gekrast had. Hij dacht aan Ilona Szilágyi en grijnsde.

Een rode vlek in het spiegelbeeld trok zijn aandacht. Op de tegenoverliggende muur was met iets als rode lippenstift geschreven, blijkbaar in spiegelbeeld. In de spiegel las hij: dragonul te posedă acum. Jacob herkende de taal niet, maar hij vermoedde dat de contessa hem haar draakje noemde.

Hij kleedde zich in een smetteloos grijs lakens pak met hoogsluitend boord dat de plekken in zijn nek verborg. Vervolgens begaf hij zich naar de lobby van het hotel waar hij een stevig ontbijt bestelde: een dubbele portie bloedworst met spek en eieren. Op het gepolitoerde bijzettafeltje lag de ochtendeditie van de Gazetta di Veneta.

Hij schrokte de bloedworst naar binnen. Zodra die op was, sloeg hij de krant open. Zijn blik viel meteen op een bericht over paus Iskenderen die vandaag een decreet aan de direct beschikbare leden van de Synode wilde voorleggen om een Roomse vrede uit te roepen.

Jacob leunde achterover in zijn fauteuil. Het was zoals de graaf en de contessa hem hadden voorgespiegeld. Jacob voelde diep van binnen een hem onbekende woede opborrelen, een verontwaardiging over de politieke machinaties van de vermaledijde Ottomanen die zelfs moord op de vertegenwoordigers van de Heer op Aarde niet schuwden en die zijn werkgever, de VOC en zijn volk, de hardwerkende Hollanders in de rug wilden aanvallen.

Hij haalde diep adem en probeerde zichzelf onder controle te krijgen. Hij viel aan op de rest van het eten om zijn gedachten te kalmeren. Bij de laatste hap ei viel zijn oog op een envelop met rood lakzegel die tegen de slanke witte vaas met de enkele roos was geplaatst. Waar komt die vandaan?

Hij brak het zegel en las het sierlijke handschrift:

 

Bună dimineața,

 

Kunnen wij elkaar treffen in de gouverneurskamer van het Handelshuis? Iskenderen drijft zijn zin door, zonder oppositie. Ottomaanse legers zijn de grens overgestoken en rukken op richting kasteel Bran. Er is veel te bespreken.

 

Georg de Hunedoara

 

Jacob vouwde het briefje dicht en stopte het in zijn aktetas. Tijd om aan het werk te gaan. Zijn gebruikelijke interesse was verminderd. In plaats daarvan dacht hij aan de Roomse Kerk, aan wat hij kon betekenen voor dat instituut op een invloedrijke positie. Zoals Nicolaas van Straalen.

 

***

 

‘We moeten actie ondernemen.’

Jacob keek op van de brieven op zijn bureau, die Alex de Oude daar neergelegd had voor zijn evaluatie, recht in de troebele ogen van graaf Georg. ‘Ongetwijfeld, maar wat kunnen wij betekenen? Een paar wetjes en bedingen van de VOC betekenen nog niet dat Iskenderen en de Synode zich eraan zullen houden.’

‘We moeten ze overvallen. De Synode is nog lang niet compleet, Iskenderen is nog niet helemaal zeker van zijn macht.’

‘Maar we weten niet wat de procedure is!’ Jacob voelde de woede weer opborrelen en kneep in de bureaurand tot zijn knokkels wit werden. Het hout kraakte onheilspellend.

‘Kalmeer.’ Het was slechts een enkel woord, maar de graaf zei het met een overtuiging en kracht die Jacob vrijwel meteen bedaarde. De graaf plaatste een koffertje op de tafel, knipte dat open en vouwde het vervolgens uit tot een stapel in leer gebonden boeken. Hij opende er twee van en sloeg met zijn rechterhand op het perkament. ‘Hier staat het allemaal, artikel viertwaalf en vierdertien.’

‘Wat moeten we doen?’

‘Allereerst moeten we de locatie van de Synode achterhalen. Ik vermoed dat ze in een van de basilieken samenkomen.’

Jacob zuchtte. ‘Veneta heeft er meer dan honderd. Hoe weten we welke?’

‘Mijn dienaren winnen op dit moment informatie in.’

‘Goed,’ zei Jacob, ‘zometeen weten we het. En dan? Wat moet ik doen? Wie moet ik als paus voordragen?’ Moet ik mezelf voordragen? Is dat wat de droom me vertelde?

Graaf Georg keek hem aan over zijn rode bril. ‘Noem mij een Hollander in Veneta, van onberispelijke reputatie, met voldoende kennis van de Roomse Kerk, haar wetten, haar gebruiken, haar invloedrijke leden.’ Hij zweeg om Jacob gelegenheid te geven te antwoorden.

‘Dat zijn er vast enkele,’ zei Jacob, hoewel hij zelfs met diep nadenken niemand kon vinden.

‘Er is maar één keus: Jacob Hooijmans, paus van de Roomse Kerk, primus inter pares paus van Holland en haar koloniën.’

‘Maar ik ben getrouwd, ik heb kinderen.’ Hij dacht altijd dat de hoge functionarissen van de kerk vervuld waren van nederigheid, lichtende voorbeelden voor hun volgers, maar het enige dat hij voelde was een diep verlangen naar de macht en het aanzien van een hoge, zoniet de hoogste post binnen de Roomse Kerk.

De graaf glimlachte. ‘De tweede Borgiapaus had meerdere vrouwen bij wie hij kinderen verwekte. Je bent dus niet uniek.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ zei Jacob nerveus.

‘Gezien de haast van Iskenderen tot nu toe, de Ottomaanse legers die oprukken, denk ik dat we vandaag de keus voor de Hollandse paus moeten aankondigen.’

Jacob zweeg, maar zijn hoofd was een maalstroom van ambitieuze gedachten.

 

‘Hoe weten uw dienaren waar ze u moeten vinden?’ zei Jacob terwijl hij voor de open haard heen en weer liep. Af en toe keek hij naar het schilderij van stadhouder Willem VI, heldhaftig afgebeeld met zijn voet op de borst van een Franse soldaat en een gescheurde Franse driekleur, met in sierlijke letters onder het tafereel ‘Verdediger van het Vaderland’.

Graaf Georg zat met gevouwen handen in een van de grote, leren fauteuils. ‘Dat, mijn waarde, is misschien kennis die je niet wil bezitten.’ Hij keek opzij naar een van de ramen van de kamer waar een kraai misbaar maakte. ‘De basilieken in Santa Croce en Cannaregio zijn het niet.’

Jacob gebaarde met zijn hand. ‘Weet u ook waar de contessa is?’

‘San Michele,’ antwoordde de graaf.

Jacob kwam voor hem staan. ‘Wat doet ze op een kerkhof?’ zei hij wantrouwig.

De graaf kneep even in de brug van zijn neus. ‘Ik bedoel, in haar hotel in de buurt van San Michele. Ik vermoed dat ze bijna hier is.’ Hij zei het met een aan zekerheid grenzende overtuiging.

Van buiten klonk het luide krassen van dozijnen kraaien die op de vensterbank waren geland. Graaf Georg stond op en ging voor het raam staan, zijn hoofd schuin alsof hij aandachtig luisterde naar de kakofonie.

‘Ik was er al bang voor, de overige basilieken in San Polo, Dorsoduro, San Marco en Castello zijn leeg. Nog geen stuk brood te vinden.’

‘Waar kunnen ze dan heen? Het Zeepaleis is vernietigd. Wie anders heeft de ruimte en voorzieningen om de paus, bisschoppen en kardinalen te huisvesten?’ Een licht ging hem op nog voor de vraag goed en wel zijn mond uit was. Hij liet zich in een van de andere fauteuils vallen. ‘De Doge.’

‘Wat heeft die hiermee te maken?’

‘Alles, vermoed ik,’ zei Jacob. ‘Hij heeft een nieuwe vleugel aan het paleis laten bouwen. Groot genoeg voor de complete Synode, met een eigen kapel. Zijn eigen woorden nog wel.’

Graaf Georgs gezicht vertrok in een soort pijnlijke grimas. ‘De voorbereidingen waren al getroffen, dus. Hoeveel meer bewijs voor zijn betrokkenheid hebben we nodig?’

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Hij is de Doge. Hij is onaantastbaar.’

‘Maar wat wint hij ermee?’ zei graaf Georg.

‘De Ottomanen zullen wel meer betalen,’ zei Jacob. ‘Geld kan een sterke motivatie zijn voor sommige… voor de meeste personen.’ Anderen zoeken iets verheveners.

De graaf leek diep in te ademen, zijn troebele ogen weerkaatsten het licht dat door het raam viel in vreemde hoeken. ‘Angst ook,’ zei hij, ‘dat zullen ze vandaag leren.’ Hij pakte zijn hoed en liep naar de uitgang. ‘Ga mee.’

Jacob volgde de graaf zonder zijn aktetas of hoed mee te nemen. ‘Het paleis is een uur lopen en een stuk met de gondel. Zijn we wel op tijd?’

‘Als we zouden lopen misschien niet,’ zei graaf Georg. Hij staarde Alex de Oude opzij en gooide de zware deuren van het Handelshuis open. Daar stond de Tesla van contessa Szilágyi al klaar. Over bijna de gehele lengte van het voertuig zaten kraaien. ‘Maar over de Lelybrug zijn we er in tien minuten.’

Ze namen plaats in de galvanische koets en zodra de deur dichtsloeg drukte de contessa de snelheidshendel diep in. De spoelmotor produceerde een hoog gierend geluid en de koets sprong vooruit. Angstige burgers sprongen weg voor het vehikel en hieven kwaad hun vuisten naar de wegstuivende wagen.

Jacob Hooijmans keek nerveus naar de voorbijsnellende gebouwen. Hij prefereerde de gezapige snelheid van schepen of koetsen voortgetrokken door paarden.

‘Herinner je je nog iets van gisteravond, Jacob?’ zei de contessa zonder om te kijken.

Jacob aarzelde. ‘Niet heel veel. Ik werd wel wakker met een kater zoals ik niet eerder heb meegemaakt.’

‘Het is maar beter zo,’ zei graaf Georg. ‘We zullen vandaag genoeg geheimen onthullen, zaken die we liever niet zouden blootgeven.’ De contessa deed er het zwijgen toe.

Ze draaiden de Lelybrug op en de contessa stuurde behendig om langzamer verkeer heen. De eerste afslag na de brug bracht hen op het eiland waar het paleis van de Doge zich bevond.

De contessa stuurde de galvanische koets recht op het gesloten ijzeren hek af, overreed bijna twee wachters en ramde vervolgens de traliedeuren open. De koets ging rechtdoor, richting de hoofdingang, waar ze het voertuig neerzette onderaan de marmeren trappen.

Jacob stapte uit, direct gevolgd door de graaf. De contessa kwam ook naast Jacob staan. Geklapper van vleugels klonk boven hen. Jacob zag honderden kraaien rondzwermen. Ze verduisterden de hemel bijna.

Bij de dubbele deuren van de hoofdingang stonden twee verbaasde Janitsaren. Ze trokken hun zwaarden en stormden de trappen af naar de mensen die zojuist uit de galvanische koets waren gestapt.

Voor ze goed en wel bij hun doelen waren, daalden de kraaien op hen neer. Graaf Georg mengde zich in de chaos en er klonken twee schoten waarna de kraaien uiteenstoven. De graaf stond daar met in elke hand een rokende Ottomaanse achtklapper. De Janitsaren lagen als gebroken poppen op de trappen, bloed stroomde uit hun grotendeels verpletterde slapen.

‘Geen tijd te verliezen,’ zei de contessa naast hem. Ze greep Jacob bij zijn arm en hij kon een kreun van pijn niet onderdrukken. Haar vingers leken van staal en ze sleurde hem half de trappen op. Graaf Georg was hen voor. Hij schopte de eiken deuren uit de sponningen en sloeg twee Janitsaren die hem aanvielen de trappen af. Ze bleven vlakbij de koets doodstil liggen, hun nek en rug in rare bochten geforceerd.

‘De oostvleugel, naar rechts,’ hijgde Jacob. De contessa liet hem los. Geflankeerd door de twee edellieden liep hij door een zuilengalerij met hier en daar een heiligenbeeld. Licht viel naar binnen door hoge dakramen Ze naderden een hal met grote dubbele deuren waarboven ‘Auditorium’ was geschreven. Een groep van minstens twintig Janitsaren bewaakte deze ingang en zodra Jacob, graaf Georg en contessa Szilágyi voor hen verschenen, stelden ze zich in gevechtsorde op en trokken zwaarden en achtklappers.

‘Wacht hier,’ zei graaf Georg. Het volgende moment waren hij en de contessa verdwenen. Een zwerm raven denderde langs Jacob en vulde de hal met hun galmend gekras dat klonk als het laatste oordeel.

Af en toe zag Jacob een Janitsaar door de wirwar aan lijven en vleugels, altijd met paniek in de ogen en op dat moment in doodsnood, alsof hij opzettelijk getuige werd gemaakt van wat hier plaatsvond.

Zo snel als de kraaien naar binnen waren gevlogen, zo snel waren ze ook weer verdwenen. Jacob zag twee mensen staan, de graaf en de contessa, tegenover elkaar. Hun gezichten kon hij alleen maar als beestachtig omschrijven. Beiden hadden bloed op hun gezicht en hun handen en kleren zaten vol bloed en lillende stukjes. Om hen heen lagen de overblijfselen van waarschijnlijk alle Janitsaren.

Jacob voelde de zure golf omhoogkomen en braakte alles wat hij nog in zich had uit. Toen hij overeind kwam stonden de twee naast hem.

‘Uw beurt, heer Hooijmans,’ zei graaf Georg. Jacob durfde hem niet aan te kijken.

‘Ga naar binnen,’ siste Ilona Szilágyi. Hoewel hij zijn lichaam geen opdracht gaf, voelde Jacob zijn voeten bewegen. Hij vermeed het bloed op de vloer en met droge voeten opende hij de deur.

 

***

 

De Synode was bij lange niet compleet. Niet meer dan een tiende van de banken was gevuld en op een podium in het midden stond paus Iskenderen. Jacob luisterde naar wat hij te zeggen had.

‘De vrede die ik voor ogen heb, maakt een eind aan de voortdurende strijd tussen volkeren. Laten wij als Roomse Kerk dan het goede voorbeeld geven en alle partijen die nu in conflict zijn met elkaar opdracht geven de strijd te staken.’ Hij zweeg even en er klonk een beleefd applaus.

Jacob nam zijn kans en liep tussen de banken door in de richting van het podium. Zodra de eerste bisschoppen en kardinalen die aanwezig waren hem zagen, klonk er gedempt geroezemoes.

Paus Iskenderen keek naar Jacob en vervolgens naar de ingang van het auditorium waar twee donkere, in schaduwen gehulde figuren stonden. ‘Waar zijn mijn Janitsaren? Hoe komt u hier binnen?’

Jacob voelde een zure oprisping, maar hij wist die te onderdrukken. ‘Ze zijn weg,’ zei hij met een klein stemmetje. Hij schraapte zijn keel en rechtte zijn rug. ‘Ze zijn weg. Als in niet meer in deze wereld.’

‘En wie bent u dan wel? En wat komt u hier doen?’ Iskenderen stapte naar de rand van het podium en keek op Jacob neer.

‘Ik ben Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC. Ik ben hier vanwege artikel viertwaalf en vierdertien.’ Het werd ineens muisstil.

Paus Iskenderen vouwde zijn armen voor zich. ‘Die vereisen een kandidaat en de hoogste VOC functionaris die in Veneta aanwezig is. Ik zie de gouverneur hier niet.’

‘De admiraliteit heeft mij als tijdelijk gouverneur aangesteld.’ Hij rechtte zijn rug en verhief zijn stem. ‘En degene die ik voordraag als paus voor Holland, dat ben ik zelf.’

‘Dit is een schaamteloze vertoning,’ riep een kardinaal van de voorste rij. ‘U meneer, is een leek, u hebt niets te zoeken in deze geheiligde hallen.’

Jacob beklom de treden van het podium. Hij voelde zich alsof hij een complexe boekhoudbeslissing moest verdedigen tegenover een cliënt. ‘In tegendeel. Mijne heren!’ Hij keek naar de leden van de Synode, probeerde zoveel mogelijk van hen met zijn ogen te vangen. ‘Ik ben boekhouder. Nicolaas van Straalen heb ik altijd geëerd. Zijn zuinigheid was een voorbeeld voor me. Hij was altijd de redelijke, de vredestichter, de bewaarder van de status quo. Het voorstel van paus Iskenderen, hoe goed bedoeld ook, zal dwingend zijn voor eenieder die lid is van de heilige Roomse Kerk.’

‘Exact,’ ging paus Iskenderen verder. ‘Vrede zal goed voor ons zijn. En ook voor de VOC en de handel, dat moet u met me eens zijn, meneer Hooijmans.’

Jacob glimlachte. ‘Vrede is inderdaad goed voor de handel, paus Iskenderen. En de volgelingen van de Roomse Kerk zullen inderdaad met elkaar kunnen handelen in plaats van strijden. Mijn vraag is alleen: zullen niet-gelovigen ook uw decreet accepteren?

Paus Iskenderen zweeg. Zijn ogen flitsten nerveus heen en weer.

Jacob wachtte even, maar hij wist dat de theorie van de contessa feit was. Hij zuchtte en likte zijn lippen. Vers bloed, kloppend hart, smaak van ijzer en zout. ‘Ik activeer bij deze artikel viertwaalf en vierdertien. Vanaf heden ben ik paus Jacobus de Eerste en zijn er twee pausen in Veneta.’

‘Onmogelijk,’ blies paus Iskenderen. ‘De Synode moet hierover beslissen. Zodra het op de agenda uitkomt, over enkele weken.’

‘Dat duurt te lang,’ zei Jacob. ‘U riskeert open oorlog met de VOC? En de feestelijke intocht van Calvijnaanhangers in Holland? En de ondermijning van de Roomse Kerk? Het verstoren van delicate evenwichten in de wereld?’ Hij kreeg onverwacht veel bijval van enkele bisschoppen en kardinalen op de voorste rijen.

‘Accepteer het, Iskenderen,’ zei een van de bisschoppen. ‘Die overeenkomst bestaat en paus Jacobus de Eerste heeft hem in werking gezet.’ Hij hief zijn arm en riep: ‘Leve paus Jacobus de Eerste.’ De bijval vanaf de banken van het auditorium was duidelijk genoeg.

Een oude kardinaal die op een van de achterste banken zat, stond op. ‘Als dat dan nu duidelijk is, er is een Motu Proprio gedaan. Is er een meerderheid van pauselijke stemmen?’

‘Ja!’ zei paus Iskenderen hard.

‘Ik stem tegen,’ zei Jacob.

‘Dan is het helder,’ zei de oude kardinaal. ‘Deze Motu Proprio is afgewezen.’

Iskenderen stond met open mond en gebalde vuisten. Hij werd rood, toen bleek. Hij dook op Jacob af en een lange dolk was ineens in zijn hand.

Jacob voelde de voren op zijn rug branden, zag Iskenderen op zich afkomen, vertraagd, als een reeks tiphs op een reliëfscherm. Hij stapte net genoeg opzij om het mes te ontwijken, duwde net genoeg om paus Iskenderen uit evenwicht te brengen en in zijn val plukte hij het mes uit de hand van zijn tegenstander. Hij had zelfs nog tijd om te denken: bijzonder handig.

De Ottomaanse paus viel languit op de grond, maar krabbelde vrijwel meteen overeind. Met een schreeuw en een woedend gebaar rende hij van het podium weg en richting de uitgang. Graaf Georg en contessa Szilágyi lieten hem voorbij rennen, door de resten van zijn Janitsaren. Zijn schreeuw van afschuw weerklonk in het auditorium.

Jacob richtte zich tot de aanwezigen. ‘Als er al vrede met de Ottomanen komt, dan is dat een politieke vrede, gewenst door beide partijen. Geen opgelegde, eenzijdige, religieuze vrede.’

De kardinaal die Jacob eerder voor leek uitmaakte, schraapte zijn keel en stond op. ‘Paus Jacobus, ik groet u en noem u “vredestichter”.’ Hij kreeg eerst aarzelend maar al snel enthousiast bijval van alle aanwezigen op de Synode.

 

***

 

‘Ik voorzie een vruchtbare samenwerking, paus Jacobus,’ zei graaf Georg tegen Jacob.

Jacob knikte. ‘U had zoiets al voorspeld aan boord van de WitteDeWith, bijna alsof u wist wat er zou gebeuren. Maar dat is natuurlijk onzin, alleen de Heer weet wat voor ons is weggelegd.’

Graaf Georg grijnsde en liet zich achterover zakken in een van de fauteuils in de gouverneurskamer van het VOC Handelshuis.

‘Toch heb ik nog wel wat vragen,’ zei Jacob. ‘Er zijn schokkende zaken voorgevallen, waarvoor ik geen verklaring heb.’

‘Wie weet wat de waarheid is? Wie weet wat had kunnen zijn?’ Contessa Szilágyi bestudeerde het schilderij van Willem VI. ‘Laten we zeggen dat de wegen van de Heer soms ondoorgrondelijk zijn, mysterieus zelfs. En wraakzuchtig, vooral als het om Zijn zoon gaat.’

‘U gebruikt de woorden van de Kerk tegen me, hoe oneerlijk,’ zei Jacob. De contessa glimlachte alleen maar. ‘En wat gebeurt er nu met het Ottomaanse leger? Want die zijn waarschijnlijk al onderweg. Moeten we iemand waarschuwen?’

Graaf Georg hief zijn handen. ‘Het is in Gods handen, paus Jacobus. Hij eist offers. Daarvoor zijn rond kasteel Bran inmiddels honderdduizend eiken staken opgesteld…’

Jacob keek op. ‘Dus daar was die post voor.’

Weer grijnsde graaf Georg en knikte. ‘Soms,’ zei hij, ‘vraag ik me wel eens af: waren het de dertig zilverlingen?’

Bliksem uit het niets doorkliefde de hemel buiten. De donder die volgde deed het Handelshuis op haar grondvesten trillen.

Het bleef lang betekenisvol stil in de gouverneurskamer.

De poppen van dr. Edelweiss : Marcel Orie

 

We zijn vergeetmachines. Mensen zijn dingen
die een beetje denken en die vooral vergeten.
Henri Barbusse – Het vuur (1916)

 

In de verte rolde de donder als een voorteken.

Hoe je het ook bekeek: het leven was natuurlijk een groot cliché.

Nachtelijk onweer en een spookhuis.

Het witte landhuis was een eindje vanaf de hoofdweg gebouwd. Het had de hele dag al af en aan geregend en de onverharde oprijlaan was gedegradeerd tot een spoor van zuigende enkeldiepe modder. De bayou ademde uit en beloofde nog veel meer regen. De slanke kegelvormige toppen van de moerascipressen wiegden heen en weer in de opstekende wind. Boven de boomtoppen, in het oosten, kleurde de hemel al middernachtzwart.

Zelfs het weer staaft onze alibi, dacht Lee. Hij droeg een loodzware koffer in zijn ene hand, met zijn andere hand leidde hij zijn hoogzwangere vrouw. Enkele honderden meters terug stond hun auto langs de provinciale weg. Niet in staat om nog verder te rijden, omdat Lee vijftien minuten geleden de accu had gesaboteerd.

Hij hield Eva stevig bij haar bovenarm vast, terwijl ze de treden naar de veranda beklom; zij hield met twee handen haar uitpuilende, wiegende buik vast.

Alle ramen behalve één waren afgesloten met luiken, als maatregel tegen de nakende storm. Een subtiele beweging achter de vitrages ontging hem niet.

‘We zijn al opgemerkt,’ zei hij zacht.

De regen begon te vallen op het afdak van de veranda, zachtjes roffelend.

 

-8:42 PM-

‘Ik ben Lee Enfield en dit is mijn vrouw Eva.’

‘We zijn gestrand.’

Hij gebaarde dramatisch naar de donkere bomenhaag achter zich.

‘Onze auto… onze auto is ermee gestopt.’

Er waren geen andere huizen in de buurt.

Het kwam voor Lee niet als een verrassing dat er geen telefoon was, maar dat verborg hij goed.

 

-9:20 PM-

De koffie, heet en zwart, werd in de geblindeerde salon geserveerd door een mulattin huishoudster. De heer des huizes heette Edelweiss en zat in een rolstoel, een strak ingestopte geruite deken bedekte zijn geatrofieerde onderlijf. Hij had veel weg van een knaagdier, zijn oogjes spiedend vanachter zijn brillenglazen. Zijn hoofd was kaal, terugwijkend, gerimpeld in een eeuwige frons.

‘Enige idee wat er mis is met uw auto, Mr. Enfield?’

‘Noemt u me Lee, alstublieft.’ Hij krabde zichzelf achterin zijn nek. Hij deed werkelijk erg goed zijn best om verloren te lijken. Hij speelde het toneelstukje te goed, zoals amateurs dat doen. De mimiek te dik aangezet, de gebaren overdreven. ‘Wel, er zit nog genoeg benzine in. Tenminste het wijzertje geeft aan…’

‘Het wijzertje op de brandstofmeter, bedoelt u?’ vroeg hun gastheer, ‘de brandstofmeter op uw benzinetank?’

‘Ja, al zit de brandstofmeter in het dashboard ingebouwd.’

‘Werkelijk?’ zei Mr. Edelweiss, ‘Je vraagt je af wat ze nog meer gaan verzinnen.’

‘Mijn echtgenoot houdt van techniek,’ zei zijn rijzige eega. Ze was achter haar man opgedoemd en legde een blanke hand op zijn schouder. ‘Hij was horlogemaker voordat hij met pensioen ging.’

‘Mijn echtgenoot weet bijna niets van techniek,’ zei Eva beminnelijk.

‘Ik houd meer van muziek.’ De oudere vrouw wees op de ouderwetse grammofoon. ‘Maar soms kan de techniek daar ook uitkomst bieden. Zal ik een plaat spelen…?’

‘Onze gasten zijn vast moe,’ viel Mr. Edelweiss haar in de rede.

Zijn vrouw knikte. ‘Natuurlijk.’

‘Morgen, als de storm geluwd is zullen we uw auto bekijken,’ vervolgde de heer des huizes goedmoedig. ‘Bij daglicht zullen de problemen er minder onoverkomelijk uitzien, daar ben ik zeker van.’

Lee glimlachte als de onnozele lobbes.

‘Een van de bedienden zal uw bagage naar het gastenvertrek brengen.’

‘Dat zal ik zelf wel doen. De koffer is nogal zwaar.’ Lee was opgestaan en omvatte het handvat van de koffer. ‘Als uw bediende zo goed wil zijn om ons voor te gaan.’

 

-10:39 PM-

De wanden van het trapportaal waren bedekt met lijstjes vol opgespelde vlinders. Ieder glaasje was een venster op een kleurrijke symmetrische werkelijkheid. Als ze allemaal plotseling tot leven kwamen en hun vleugels zouden bewegen, zou het in de hal tot een ritselende kakofonie worden.

De huishoudster ging hen voor. Lee deed zijn best om niet naar haar schuddende achterste te kijken en Eva glimlachte omdat ze hem natuurlijk al lang had zien kijken.

 

-11:02 PM-

‘Ik zag hoe je je koffie dumpte in die pot met de grote varen, toen de heer des huizes je heel even de rug toekeerde.’

‘De smaak stond me niet aan,’ zei Lee.

‘Ben je bang dat ze ons proberen te vergiftigen?’

‘Nee,’ zei Lee, ‘Tenminste, ik denk het niet. Ik dronk de helft van mijn koffie op…’

‘En je liet mij mijn hele beker leegdrinken.’

‘Niets aan de hand. De smaak stond me gewoon niet aan.’

‘Mij ook niet,’ zei Eva nadenkend, ‘er was iets van een nasmaak, nietwaar. Iets chemisch. Ik kon het niet thuisbrengen.’

Hij had zijn jasje uitgetrokken en over een stoel gehangen. Hij ijsbeerde nu heen en weer door de kamer die hen was toegewezen, onrustig als een gekooide tijger in de dierentuin.

‘Waarom doe je dit, Lee?’

‘Wat?’

‘Het is een vreemde manier van doen, vind je zelf niet?’

Hij keek haar vragend aan.

Zij bleef ook stil. Eens te meer bedacht hij zich dat ze heel goed voor een getrouwd stel door konden gaan.

‘Wat?’ vroeg hij nog eens.

‘Je kiest een schuilnaam, vermoedelijk om onze echte identiteiten te verbergen. Ik begrijp waarom we onze echte voornamen gebruiken. Maar leg me toch eens uit waarom je zo’n achternaam zou kiezen.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik weet wat een Lee Enfield is, Lee. Deze ravenzwarte lokken zijn misschien niet mijn echte kleur, maar zo blond ben ik nu ook weer niet.’

Zijn antwoord klonk omfloerst. ‘Ik schoot met zo’n geweer. In de oorlog. Ik schoot er erg goed mee.’ Ze zou het kunnen uitleggen als verlegenheid of zelfs schaamte, maar ze wist wel beter.

‘Maar waarom zou je die bijnaam nu gebruiken?’ drong ze aan, ‘Als een aan lager wal geraakte danseres weet wat een Lee Enfield is, dan bestaat de kans dat de bewoners van dit landhuis het misschien ook weten…?

‘Ja,’ zei Lee, ‘dat is een goed punt.’

‘Waarom dan toch, schat? Van alle achternamen die je kon bedenken?’

‘Ik heb niet zoveel fantasie…’

‘Ja,’ zei ze spottend, ‘Dat moet het natuurlijk zijn.’ Eva Black was natuurlijk ook maar een artiestennaam.

De aanzwellende storm rammelde aan de luiken.

‘Is het allemaal een grap voor jou?’

‘Nee, het is mijn werk.’

‘Speurneus.’

‘Uhuh.’

‘Heb je al iets ontdekt, Mr. Enfield?’

‘Ja.’

‘Kom op.’

‘De huishoudster. Ik heb haar foto gezien in de archieven van Legrasse in New Orleans. Vermiste personen. Haar naam is… Rebba Thibidoux.’

Ze floot tussen haar tanden.

‘En wat heeft deze Rebba met het schuddende achterwerk met onze Tommy te maken?’

‘Weet ik niet… nog niet.’

 

***

 

Een moederhart stopt nooit met bloeden. Lee had al zoveel vermiste kinderen opgespoord en hij wist hoe het werkte.

Als zo’n vermist kind toevallig Thomas Hobson heette en erfgenaam was van een van de rijkste families in New York, een kapitaal verdiend met de Hobs-snoepreep, dan zou het bloeden nooit stelpen. Lee liet zich door de stroom meevoeren.

Hij had een meanderend spoor van poststempels gevolgd naar het zuiden. Raleigh. Charleston. Tallahassee. Mobile. Bogalusa. Daarna weer naar het zuiden, naar de Golf van Mexico: het spoor liep dood in New Orleans.

Tommy schreef brieven naar zijn moeder. In iedere brief smeekte hij haar om zijn onthullingen geheim te houden voor zijn vader, hij drong er zo op aan dat hij wel vurig moest hopen dat zijn moeder alles aan zijn vader zou vertellen.

Na New Orleans volgden er geen brieven meer.

Had de jongen een plekje weten te verwerven aan boord van een vrachtschip? Was hij de overtocht naar Zuid-Amerika begonnen?

In New Orleans bracht Lee twee dagen door met het vermiste personen-archief van Inspecteur Legrasse, speurend naar iets dat de radertjes in zijn hoofd zou laten klikken. Hij vond niets.

De vijftienjarige jongen kon zijn vader niet uitstaan en uit de gesprekken die Lee met de heer Hobson had gevoerd bleek dat gevoel wederzijds. Tommy was geen knip voor de neus waard, maar ja, zijn moeder… ach, u begrijpt me wel Mister Lee.

Tommy was op het spoor gesprongen met de tienduizenden werkzoekenden en daklozen, zwervers en hobo’s van allerlei allooi. Soms sliep en at hij in de talloze Hoovervilles, de krottenwijken en tentsteden die langs heel de oostkust als paddenstoelen uit de grond schoten. Hij schreef dat hij bedelend aan zijn dagelijks brood kwam. Soms mocht hij stoepen schoonvegen voor winkeliers. Er was, volgens de jongen, nog genoeg goedheid in de mens. Hij was zelf geen hobo: hij had plannen voor de toekomst, plannen genoeg, terwijl hij in de rij stond voor de soepkeukens.

Hij schreef met de kinderlijke naïviteit van een jongeman die nooit honger had gehad. Hij refereerde veelvuldig aan de figuren uit het kinderboek Wind in the Willows. Hij zou niet opgroeien tot een Mr. Toad. Verdeel mijn erfenis maar onder de armen, schreef hij, ik zal mijn eigen weg in de wereld vinden. Hij zou bij het circus gaan. Een paar brieven later was het een soort pinkstergemeente die zat te springen om zijn inzichten. Visioenen noemde hij het.

De brieven van de jongen werden steeds vreemder.

 

11:45 PM-

Eva was bezig zich te ontkleden. Ze had plaats genomen achter een kamerscherm met sampans in sepia erop. Ze had haar jurk al uitgetrokken en over een stoel uitgehangen. Haar bottines droeg ze nog, strakke rijglaarsjes met hoge hakken. Ze stroopte nu juist haar dikke buik onder haar onderjurk vandaan en liet hem achteloos op de vloer glijden, daarbij iets in zichzelf mompelend over de hitte in het zuiden.

Alsof ze hem voelde kijken, draaide ze zich naar hem om.

‘Meneer Lee!’ zei ze speels, ‘wat een manier om uw bruidje te besluipen.’

Hun blikken vonden elkaar in de spiegel van de kaptafel. Hij grinnikte wat onbeholpen, stak zijn handen op alsof hij zich overgaf. Hij nam plaats op de rand van het bed, zodat hij met zijn rug naar de actrice zat, en haar ook niet meer in de spiegel kon bekijken.

Hij liet zijn bretels van zijn schouders afglijden en begon zijn overhemd los te knopen.

‘Het is hier inderdaad heet als in de kont van de duivel.’

 

***

 

De opkomst van de cinema bewerkstelligde de ondergang van het vaudeville. De meest gewiekste artiesten omarmden de nieuwe kunstvorm en verpopten tot filmsterren van het kaliber Chaplin of de Marx Brothers. Maar de overgrote meerderheid van de danseressen, muzikanten, goochelaars en komieken wachtte slechts de dalles.

Eva Black, voorheen danseres, pantomime-speelster en actrice, stapte nu rond in een glinsterend en nauwelijks iets aan de verbeelding overlatend kostuumpje. Als goochelaarsassistente liet ze zich door midden zagen en met zwaarden doorsteken door de Grote Johnny Delamere.

Toen Lee haar telegrafeerde met het vooruitzicht van een betaalde rol als zijn echtgenote, aarzelde ze geen moment. Twee dagen later kon hij haar ophalen op het station in New Orleans. Hij zorgde ervoor dat hij nuchter was, met zijn haar glimmend van de brillantine, strak achterover gekamd. Hij had het minst sleetse van zijn twee pakken aan, het bruine. Zijn fedora had hij in de hand.

 

-1:26 AM-

Hij voelde zich bekeken in deze kamer. Er was een overdadigheid in het interieur, die getuigde van een ongezonde verzamelwoede. Ieder stukje van de wand was bedekt met ingelijste foto’s van verschillende  afmetingen en composities; ze vulden de wanden als puzzelstukjes. Waar waren de aanwijzingen in al deze informatie? Waar was het begrip? De waarheid… hij moest om zichzelf lachen.

Hij had plaats genomen aan de kaptafel en staarde in de verweerde ovale spiegel naar zijn verraderlijke reflectie; altijd twintig jaar ouder dan hij verwachtte. In ieder geval ouder dan de 44 verjaardagen die hij min of meer had meegemaakt.

Hij nam een lik haarpommade en smeerde zijn bezwete haar, dat nu al bijna volledig grijs was, maar weer achterover. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. De adertjes in zijn brede neus gesprongen. Alle kenmerken van een dronkaard. Als je aanwijzingen begon te missen, moest je stoppen met drinken. Of in ieder geval minder gaan drinken.

 

***

 

Schoorvoetend was Lee Kahura vanuit New Orleans aan de terugtocht begonnen. Speurend naar aanwijzingen die hij gemist kon hebben tijdens zijn reis naar het zuiden. Hij geloofde niet echt dat hij iets zou vinden, het spoor was al maanden koud, maar hij probeerde zijn onderzoek zo lang mogelijk te rekken. De wekelijkse vergoeding van de familie Hobson was wat hem momenteel nog aan het eten hield; zonder een vermogend opdrachtgever wachtte ook een zelfstandig privédetective de eenrichtingsgang naar de soepkeukens.

 

In Bogalusa, de tweede maal, had hij mazzel. Hij vond het spoor terug in een speakeasy in een oude loods, onder de rook van de enorme houtzagerij. Terwijl er in heel het land stemmen opgingen om de drooglegging op te heffen, dook hij nog maar eens in de illegaliteit. Vastgeroest in zijn manieren. Hij zat schouder aan schouder met de fabrieksarbeiders, kerels met koppen als verweerde boomstronken en knoestige handen waaraan bijna zonder uitzondering vingers ontbraken, en hij moest iets van medelijden bij hen geoogst hebben, misschien zelfs sympathie. De zelfstook was koppig en Lee wanhopig, een fatale combinatie; hij dronk meer dan hij kon hebben en hij vertelde meer dan dat hij vroeg, en zo kwam ook de zaak waaraan hij werkte ter sprake. De weggelopen erfgenaam. De visioenen. Een pad die rijdt op een haan, dat soort dingen.

‘Dat beeld ken ik,’ zei een van zijn drinkebroers, die zei Leonard Hushka te heten, een man die al voor de Grote Oorlog uit Litouwen was geëmigreerd. ‘Dat is het wapen van de Edelweiss familie. Een pad rijdend op de rug van een haan ’

Na sluitingstijd, op het onverharde parkeerterrein, nadat Lee zijn ingewanden uitgespuugd had, spraken ze verder. Hushka hield hem op de been, sleepte hem terug naar zijn auto.

‘Als een pad een ei legt op een mestvaalt en een haan broedt het uit, dan komt er een basilisk uit het ei,’ fluisterde Hushka, zijn ogen vochtig. ‘Dat ei heeft geen schaal en het is leerachtig. De basilisk is de koning van alle serpenten. De slangdraak.’

Ze waren in de cabine geklommen, om gebroederlijk hun roes uit te slapen.

‘De basilisk is een kleine hagedis met een witte kam op zijn hoofd, en zijn blik betekent de dood voor plant, dier of mens.’

Hij viel in slaap met de stem van Hushka in zijn dromen.

 

-2:34 AM-

Bah, Lee, een casanova ben je beslist niet! Had hij Eva dan alleen maar meegevraagd om naast haar in bed te kunnen kruipen?

Een betere dekmantel kon hij zich niet voorstellen: wat riep meer sympathie op dan een zorgzame echtgenoot en zijn hoogzwangere vrouw?

Hij betrapte zichzelf er steeds vaker op dat hij nostalgisch werd en navelstaarderig. Als hij aan een zaak werkte, was het vooral alsof hij zichzelf bestudeerde. Alsof hij een broodkruimelspoor volgde door zijn eigen herinneringen. Het was in zijn werk zaak om de motivatie te doorgronden van degenen die hij op probeerde te sporen, maar tegenwoordig dacht hij er steeds meer over na hoe de gebeurtenissen uit de zaak zich tot zijn eigen persoon verhielden.

 

‘Doe de kamerdeur achter me op slot,’ zei hij, ‘en schuif een stoel onder de deurklink. Je weet maar nooit.’

‘Als je denkt dat het gevaarlijk wordt, zou je me dan wel alleen laten?’ vroeg zij, met grote donkere plots vochtige ogen. Hij kon niet vaststellen in hoeverre ze acteerde, of dat haar ongerustheid echt was.

‘Gewoon een voorzorgsmaatregel. Ik kijk wat rond en ben zo weer terug.’

 

***

 

Tijdens de heenreis hadden ze gegeten in een diner genaamd Moe’s, aan een parkeerplaats langs de weg. Hij at een biefstuk, zij probeerde de alligatorworst met uienringen. Ze aten op kosten van Hobson senior.

‘Ben je eigenlijk nog wel eens terug geweest?  Naar Nieuw-Zeeland?’

‘Nee.’

‘Waarom niet.’

‘Geen behoefte aan. Na de oorlog brachten ze me naar een ziekenhuis hier. Ik ben nooit meer weggegaan.’

‘Ben je gewond geraakt?’

‘Nee, ik was alleen de kluts kwijt.’

‘Denk je er nog aan?’

‘Nee, nauwelijks nog,’ loog hij.

‘Heb je nog familie in Nieuw-Zeeland?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik ook niet,’ zei ze, ‘mijn ouders zijn ook al lang dood.’

Ze legde haar hand op zijn gespierde onderarm, alsof ze hem wilde beletten om de vork naar zijn mond te brengen. Ze streelde zijn arm en lachte naar hem.

Ze kenden elkaar uit een danshal. Ze was zo lief geweest om met hem te dansen. Hij verraste haar, was lichtvoetiger dan zijn uitsmijtersfysiek deed vermoeden.

 

-2:50 AM-

Hij sloop op kousenvoeten door de gang, maar de oude parketvloer kraakte bij iedere stap. Niemand zou het horen; het hele huis kreunde in de storm. Ergens aan het huis klapperde een luik dat niet vastgezet was en de regen roffelde oorverdovend op de daken. Alsof hij in een blikken trommel was gekropen.

Zijn alibi had hij klaar. Als hij iemand tegen zou komen, zou hij hen vragen waar het toilet was. Argwaan, zo had hij over de jaren geleerd, was het best te bestrijden met onomwonden stompzinnigheid.

Hij luisterde zorgvuldig aan iedere deur die hij passeerde. Als hij niets hoorde, opende hij de deur en bekeek snel of de kamer tekenen van bewoning vertoonde. Zo passeerde hij een drietal gastenkamers, en een kleine bibliotheek.

‘Slechts mijn echtgenoot en ik. En onze huishoudster en Edgar,’ had Mrs. Edelweiss op zijn vraag geantwoord, ‘slechts wij viertjes in dit enorme huis.’ Lee geloofde er niets van. In zijn hoofd bestond nog steeds de theorie van een sekte, die naïeve Tommy naar zich toe had gezogen en omarmd.

 

Hij vond een steile trap naar de zolderetage, maar bovenaan eindigde die in een deur die op slot zat. Met zijn oor tegen de deur hoorde hij een doordringend gezoem dat hij niet kon thuisbrengen. Het was alsof hij zijn oor tegen een koekoeksklok gedrukt hield, alsof hij het geheime uurwerk dat dit landhuis in stand hield kon horen. Wat een vreemde gedachte. Hij bedacht zich dat het was alsof hij droomde, terwijl hij zeker wist dat hij wakker was. Het gegeven van een lucide droom, waarin je wist dat je droomde, was Lee vreemd. In zijn slaap geloofde hij dat wat zijn onderbewuste hem voorschotelde. En als hij genoeg dronk, dan kon hij zich zijn dromen niet eens herinneren.

Wat had er in de koffie gezeten?

Hij daalde de zoldertrap weer af en zocht verder op de eerste etage.

Achter een van de deuren vond hij een soort archief. Hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich, alvorens hij zijn zaklamp aanknipte. Alle wanden waren bedekt met apothekerskasten tot aan het plafond. Op goed geluk schoof hij enkele laatjes open en scheen erin. Brillen, kunstgebitten, oorbellen, toneelsnorren, broches, ringen, zakhorloges, toupettes. Ieder laatje had een label met een naam, achternaam eerst, voornaam erachter. De kaartjes waren niet alfabetisch gerangschikt, hij kon er geen classificatiesysteem in ontdekken. De uitwassen van een krankzinnige geest.

Bijna onmiddellijk trof hij ‘Thibidoux, Rebba’ aan, maar haar laatje was helemaal leeg. Na een tijdje vond hij, op goed geluk tussen die honderden onbekende namen, de naam waarnaar hij zocht. ‘Hobson, Thomas’. Toen hij het laatje leeghaalde trilden zijn handen; een pakje kauwgum, een zakmes, een zilver kettinkje met een St. Christopher-medaillon, en een bril die hij herkende van de foto’s die hij had gezien van de jongen. Onderop lag een beduimelde paperback, Wind in the Willows, de rug stukgelezen. Hij propte de voorwerpen in zijn broekzakken, bewijsmateriaal. De paperback stak hij achterin zijn broeksband.

Terug op de gang, vroeg hij zich af of er ook al een laatje was met zijn naam erop. Maar dat was een gestoorde gedachte. En bovendien was er geen tijd.

 

-3:32 AM-

Zijn handen klemden zich om de balustrade totdat zijn knokkels wit werden. Met stokkende adem tuurde hij in de diepte onder hem. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd.

Een bliksemflits door het raam had haar gedaante geopenbaard als een lichte schim op de parketvloer van de hal.

Bewegingloos.

Hij worstelde met een coherente gedachte. In zijn hoofd fladderde en krijste het als in een opgeschrikte volière.

Het was geen opzet geweest, verzekerde hij zichzelf.

Hij had haar alleen opzij willen duwen. Hij had haar arm vastgepakt en haar een slinger gegeven. Misschien ruwer dan nodig was geweest. Hoe kon ze… ze moest met haar heupen tegen het gepolitoerde hek geslagen zijn en door haar momentum erover heen gekieperd. Zo moest het gegaan zijn.

Hij maakte zichzelf los van de balustrade. Trok zijn zaklamp tevoorschijn. Maar de lichtbundel slaagde er nauwelijks in om de duisternis te penetreren, haar lichaam bleef begraven als op de bodem van een put.

Hij begon de halfronde trap af te draven.

Hij had de dienstmeid alleen maar opzij willen zetten. Het was alsof hij de verdediging oefende die hij later zou aanvoeren voor een jury. Zelfs in zijn hoofd klonk het al ongeloofwaardig.

Maar het was de waarheid.

Moest het zijn.

Ze lag op haar rug. Haar rechteronderbeen in een haakse hoek naar buiten. Verkeerd. Haar armen gespreid, alsof ze had proberen te vliegen, alsof ze haar armen had uitgeslagen als waren het vleugels.

Het bleke licht van zijn lantaarn toonde geen bloed, slechts een kleurloze vloeistof die onder het lichaam vandaan vloeide.

Haar huid was bleek als marmer.

Haar gezicht was weg.

Hij grinnikte de spanning van zich af.

Het was natuurlijk een paspop die ze hetzelfde kostuum hadden aangetrokken als de mulattin.

Iemand speelde bizarre spelletjes met hem.

Waar was de meid gebleven? Zat ze in het duister weggedoken, ergens boven op de overloop?

Hij scheen om zich heen, speurend naar verscholen kwelgeesten, maar de hal leek verlaten.

Hij hurkte neer bij de pop, de paperback achterin zijn broeksband herinnerde hem aan Tommy. De bleke huid glom als porselein, maar had de consistentie van rubber toen hij zijn stompe wijsvinger erin drukte.

Het gelaat was glad als een spiegel.

Op nog geen armlengte boven de pop lag een donkere, gekrulde pruik.

Daarnaast lag nog iets anders dat hij niet direct kon thuisbrengen.

Een masker, zag hij toen hij het oppakte.

De holle achterzijde was overdekt met een patroon van lijnen en wervelingen, dat hem aan een sterk uitvergrote weergave van een vingerafdruk deed denken.

En toen hij het masker omdraaide in zijn handen keek hij in het levensechte gelaat van Rebba Thibidoux. Ze hield haar ogen gesloten en haar mond dicht, maar ze was het.

Hij liet het vallen.

‘Kom tevoorschijn,’ zei hij tegen het duister. ‘Ik laat niet meer met me spelen.’ Maar zijn stem klonk schor en iel.

Alleen de donder gaf antwoord als een dier dat gromde.

 

-3:45 AM-

Terug op de kamer. Zwetend, geagiteerd. Zijn polshorloge geeft kwart voor vier aan.

‘Het is hier gevaarlijk,’ zei hij. Hij borg het bewijsmateriaal in de koffer.

‘Wat is dat allemaal? Wat is er gebeurd? Lee? Zegt het me, Lee.’

Hij drukte Eva zijn Remington in de hand. ‘Je wijst ermee, en haalt de trekker over. Eén keer. En dan nog een keer. Twee schoten.’

Ze pakte zijn onderarm vast met haar vrije hand, starend naar het wapen in haar slanke rechterhand.

‘Je gaat die twee kogels niet nodig hebben. Ik blijf in de buurt.’

‘Laten we weg gaan,’ zei ze hees en hij hoorde dat haar paniek nu echt was, ‘terug naar je auto. Weg van hier. Weg van al deze narigheid.’

‘Ik moet kijken of de jongen hier geweest is.’

‘Nee, Lee. Je laat me hier niet alleen.’

‘We doen het zoals daarnet. Je doet de deur op slot. Stoel onder de klink. Dan verstop je je in de kledingkast en houdt de derringer in de aanslag.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kan ik niet, Lee.’

‘Jawel, meid, je…’

‘Nee, ik kan het niet. Niet in de kast. Ik kan niet tegen kleine ruimtes… dat is iets uit mijn jeugd.’

‘Maar ik heb je…’

Ze kapte hem af door met haar hoofd te schudden.

‘Zolang mijn hoofd er niet in hoeft, gaat het best. Johnny kan me doorzagen en met zwaarden doorsteken, zo lang mijn hoofd maar buiten de doos blijft. Maar zijn verdwijntruc kan ik niet. Om in die doos te kruipen… het is alsof ik doodga. Alsof ik stik. Mijn maag draait al om wanneer ik eraan denk.’

Hij legde zijn grote, grove hand op haar schouder.

‘Het is goed, Eva. Als je iets aan de deur hoort morrelen, verstop je je achter de gordijnen, met de derringer in de aanslag. Oke?’

Ze bleef hem aankijken met holle ogen.

‘Ik ben binnen tien minuten terug oké?’

‘Oké.’

Hij liet haar de derringer richten, terwijl hij achter haar kwam staan.

‘Armen niet helemaal strekken.’

Zijn eeltige vingertoppen verkenden de zachte huid van haar polsen, de aangespannen muis van haar bovenste hand, het bot van haar duim, en toonden haar hoe ze de haan moest spannen. ‘Dan haal je de trekker over. De bovenste loop wordt afgevuurd. Nog een keer de haan spannen en vuren, dan wordt automatisch de onderste loop afgevuurd.’

Hij vertelde haar niet hoe de kleine .38 in haar handen zou schokken; alsof je een klap met een honkbalknuppel op je handen kreeg.

Hij hielp haar de haan weer ontspannen. Liet haar toen los. Haar zweet rook verrukkelijk. Zelfs een situatie als dit weet je nog te erotiseren, gekke ouwe man, dacht hij bij zichzelf, wat is er mis met jou?

Alleen voelde het niet mis. En hij voelde zich niet oud. Op momenten als dit, volop in actie, zo’n moment dat om kon kantelen in een vuurgevecht, doden of gedood worden, op zulke momenten voelde hij zich beter dan ooit.

 

-3:51 AM-

De flits schroeide zijn oogballen nog. Hij draafde de trap naar de zolder op. Op de bovenste trede stond hij klaar en toen de donder weer aanrolde, trapte hij uit volle macht tegen de deur. De zool van zijn schoen trof de deur als een stormram, vlak onder de deurknop. De metalen lip van het slot brak af, de deur klapte open als door een windvlaag. De deurknop aan de andere zijde had zich begraven in het stucwerk.

Hij schrok van de gedaanten in de kamer, schouder aan schouder, wachtend in het duister. Hij richtte zijn revolver, begreep toen dat het paspoppen waren. Ze hingen met hun oksels aan een soort kapstokken uit het plafond.

Anderen waren gedemonteerd: losse armen en benen staken met bossen tevoorschijn uit kratten. Torso’s, hoofden zonder gezicht en bolvormige buiken lagen her en der over de grond verspreidt, alsof iemand –tevergeefs- geprobeerd had om ze tot bergjes te stapelen.

Hij nam zo’n los hoofd van de grond, keek er naar, alvorens het weer te laten vallen.

 

***

 

Een gedeconstrueerde detective. Een explosieafbeelding waarin alle onderdelen uit elkaar zweefden, zo zag hij zichzelf, lijdend voorwerp in een macabere goocheltruc. Alle onderdelen van elkaar gescheiden, hun bedoelde samenhang slechts schematisch weergegeven. De belofte aan integratie leek vervlogen. Rebba Thibidoux, Tommy Hobson, Eva Black, Edelweiss en zijn vrouw, Hushka en zijn basilisk… wat hadden ze met elkaar van doen? Waren ze meer dan schimmige passanten in deze parade die kaleidoscopisch aan zijn zinnen voorbij trok?

 

-4:02 AM-

‘Ik geloof dat mijn vader hier is,’ zei Eva toen hij terugkeerde van de zolder. Ze zat op de uiterste rand van het bed, haar armen om zichzelf heengeslagen. Ze zag eruit alsof ze in zichzelf had willen verdwijnen.

‘Je hebt me verteld dat je vader gestorven is toen je nog maar een meisje was.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat is zo. Maar ik heb hem horen zingen. Hij neuriede dat liedje als hij de trappen omhoog kwam naar onze voordeur. Ik kon hem horen aankomen en dan probeerde ik me te verstoppen.’

‘Ze spelen spelletjes met ons, Eva. Ze proberen in onze hoofden te kruipen…’

‘Het was Black Girl…dat zong hij altijd. Altijd als hij gedronken had.’

‘Rustig meid. Laat je niet op stang jagen.’

‘Het was zijn stem!’ schreeuwde ze. Hij sloeg zijn hand over haar mond. Ze probeerde te schreeuwen en zich los te wurmen, maar hij hield haar gemakkelijk vast.

‘Stil,’ siste hij haar toe, ‘wees dan toch stil.’

Met haar vochtige ogen groot in haar gezicht staarde ze hem aan, over de knevel van zijn gebruinde hand. Ze knikte. Hij liet haar los.

‘Ik ben stil,’ zei ze schor.

‘Blijf hier,’ zei hij hardvochtiger dan hij wilde, ‘doe de deur achter me op slot. Ik ga die rotzakken overmeesteren. Dan stellen wij de vragen!’

 

-4:20 AM-

Het onweer was een ongeziene toneelknecht die in de coulissen stond te wapperen met een dunne plaat ijzer. Alles leek Lee gesimuleerd. Het huis was een poppenhuis met kartonnen wanden.

Meer dan ooit zocht hij nu de confrontatie. Dwaalde door de vertrekken op de begane grond met zijn revolver in de hand.

Een krakend slissen vulde de salon, als van een serpent dat zich verborgen had onder een van de fauteuils of de koffietafel. Er lag een plaat op de grammofoonspeler. Iemand had hem opgewonden en de naaldarm geplaatst.

Plots sneed er een schelle fluittoon door het vertrek… en Lee zette zijn voet op de onderste trede van de greppelladder.

 

Vlak voor het offensief verloren de manschappen hun verstand. Sommigen zaten geknield op de vuurbank te bidden. Anderen bekeken de foto’s van hun familie en weenden. Er waren er die van de spanning hun urine lieten lopen of moesten braken. Ze hadden allemaal hun dubbele portie rum opgedronken. Er werd gerookt. Sommige soldaten omhelsden elkaar, klampten zich aan elkaar vast. Soms had er iemand gejammerd of geschreeuwd dat hij niet ging, dat hij zich niet de dood in liet jagen, maar die werden door de sergeant met het pistool bedreigd. De sergeant stak een hand op, vijf vingers. Nog vijf minuten. Pijpen werden gedoofd en opgeborgen. Foto’s weggestoken. De gasmaskers gingen op en de bleke verwrongen gezichten verdwenen. Het trommelvuur hield aan. De aarde schudde van de onophoudelijke bombardementen.

Als de fluit ging, werden de greppelladders gezet en klommen de soldaten moeizaam met hun zware bepakking omhoog. Het niemandsland wachtte op hen.

 

Terug in het hier en nu, veegde Lee de grammofoonspeler van het tafeltje. Was dit het helse apparaat waarmee ze Eva gek maakten?  Hij stampte er een paar keer op. Hij was nog moederziel alleen in de salon. Hij voelde zich steeds verder verwijderd van de rest van de mensheid. Een grijsaard afgeduwd op een ijsschots. Steeds verder afdrijvend,  het onpeilbare zwarte niets van het heelal in, waar hij als een eenzame ster aan het firmament zou uitdoven.

 

-4:22 AM-

Eva kon hem weer horen zingen.

Black girl, black girl, don’t lie to me

Ze hoorde de neuzen van zijn afgetrapte werkschoenen langs de traptreden schaven. Haar vader was onvast ter been als hij gedronken had. Hij steunde op beide trapleuningen als een invalide. Sleepte zichzelf omhoog al een beest zonder ruggengraat.

Where did you stay last night?

Hij was een goede echtgenoot en een goede vader, dat had haar moeder bij hoog en laag volgehouden. Maar als hij had gedronken, voer er een duivel in hem. De drank veranderde hem in iets wilds, iets dat niet te temmen of kalmeren viel. Als vader zijn loon kreeg aan het einde van de week, kwam hij pas laat thuis uit de kroeg. Maar tegen die tijd had haar moeder zich al opgesloten in de badkamer. Ze sliep in de badkuip met haar kinderen in haar armen. Soms raasde en tierde haar vader aan de deur, hij rammelde en bonsde en gromde verschrikkelijke dreigementen. Andere keren viel hij voor de deur in slaap en zijn raspende ademhaling was als de klauw van een dier dat zich scherpte langs het hout.

I stayed in the pines where the sun never shines

Toen Eva ouder werd nam haar moeder haar niet langer mee de badkamer in.

And shivered when the cold wind blows.

Toen er geklopt werd legde Eva de derringer op het dressoir, stond op en deed de deur open.

 

***

 

‘Ken je Johnny Delamare eigenlijk?’ vroeg Eva, terwijl ze haar lippen depte met een papieren servet. De alligatorworst had haar gesmaakt.

‘Niet persoonlijk,’ zei Lee. ‘Ik heb over hem gehoord. Bekende figuur in sommige kringen. Rare vogel ook.’

‘Ach, hij is niet kwaad. Een van de betere bazen die ik gehad heb in mijn loopbaan. Het is jammer dat hij zo slecht betaalt, maar verder…’

‘Is het ooit anders?’

‘Vroeger was het ook geen vetpot, maar toen kon een meisje nog een redelijk loon bij elkaar sprokkelen. Nu zijn alle grote theaters dicht en de zaaltjes die overblijven zijn armoedige knijpen.’ Ze draaide haar koffiekopje tussen haar vingertoppen, keek naar het bodempje koffie alsof ze haar toekomst bestudeerde in een kristallen bol. ‘Laat ik het zo zeggen: ik ben een van de weinige meisjes op die tonelen dat haar kostuum aanhoudt.’

Lee gromde instemmend.

‘De shows van de Grote Delamare slaan ook niet erg aan bij dat publiek. Hij ziet zichzelf als de opvolger van het Grand Guignol-theater uit Parijs. Hij heeft een macabere inslag, mijn Johnny. Wanneer hij me doormidden zaagt moet ik plots schreeuwen en dan druppelt er nepbloed uit de kist op het toneel, en hij zorgt dat hij het op zijn handen krijgt en in zijn gezicht smeert en dan speelt hij dat hij in paniek raakt. Zo nu en dan is er iemand in het publiek die schrikt, maar de meeste klanten zitten in hun glas te staren, tijd te doden tot het volgende paar opwippende tepelkwastjes voorbij komt.’

‘Is het waar dat hij zich vermomt?’ vroeg Lee.

‘Ja, hij heeft allerlei vermommingen. Hij heeft er aardigheid in om zich te verkleden en dan iets aan je te komen vragen met een verdraaide stem en hele andere maniertjes. Hij maakt er een sport van, om je dan tweemaal vlak achter elkaar te benaderen, éénmaal als zichzelf en éénmaal als iemand anders. Het doet hem genoegen als hij niet herkend wordt.’

De serveerster kwam om hun koffiekoppen nog eens vol te schenken.

‘Volgens mij verkleedt hij zich ook wel eens als vrouw,’ zei Eva zachtjes, ‘Maar dat mag je tegen niemand vertellen, oke? Beloof je dat?’

Lee beloofde het, hand op zijn hart.

‘Johnny was best al verbolgen dat ik er met jou vandoor ging, wist je dat? Vakantie noemde hij het. Ik geloof dat hij denkt dat wij een verhouding hebben.’

‘Hij is natuurlijk zelf verkikkerd op je…’

‘Nee, dat geloof ik niet. Meestal weet ik dat wel.’

Ze bleef Lee aankijken, tot Lee zijn blik afwendde en uit het raam van de diner staarde alsof er iets te gebeuren stond op de uitgestorven parkeerplaats.

‘Johnny heeft tenminste nooit iets geprobeerd.’

Voorzichtig nam ze een slokje van haar verse, hete koffie.

‘Ik hoop maar dat hij geen nieuwe assistente gevonden heeft als ik terugkom.’

‘Vast niet.’

‘Meisjes genoeg.’

‘Maar geen van hen zo talentvol of mooi als jij, miss Black.’

‘Da’s lief van je Lee. Maar hoeveel talent heeft een meisje nodig om zich door te laten zagen door de Grote Delamare?’

 

-4:50 AM

In de kelder was het vochtig. De storm bovengronds leek hier onbeduidend. Er brandt elektrisch licht. De dokter was aan het werk.

Boven de brancard was een verstelbare standaard met een ijzeren ring zo groot als een etensbord. De ring had tanden: een bijna gesloten diafragma vulde het binnenste van de ring. De snijrand was vlijmscherp en gewassen met bloed.

Edelweiss hield zich staande aan het aanrecht, wankel op benen die mager en krom waren, gevat in ijzeren beugels. Een loep op een verstelbare harmonica-arm vergrootte zijn linkeroog tot wanstaltige proporties. Betrapt.

‘Hallo horlogemaker,’ zei Lee. En toen: ‘Waar is ze?’

Met gehandschoende vingers lichtte Edelweiss het gezicht van Eva Black uit een ondiepe schaal met groene prepareervloeistof. Teder veegde hij haar gelaatstrekken schoon en hield het masker toen naar Lee op.

‘Waar is de rest van haar lichaam?’ gromde Lee.

‘Niet meer nodig. We zullen haar een nieuw lichaam schenken. Een lichaam dat geen ouderdom, ziekte of gebrek kent.’ Hij kneep wat met zijn ogen, achter de brillenglazen.

Schuifelend langs de aanrecht, dan overstekend naar de brancard probeerde hij terug te komen naar waar zijn rolstoel stond.

‘Ze was uitverkoren en ze heeft de roep beantwoord. Ze was een gekwelde ziel, die zocht naar een uitweg. Die heeft ze nu gevonden. We hebben haar gevonden, zoals zij ons vond. Net zoals jij bent gekomen om de brokstukken van je leven te laten lijmen.’

Lee was nu vlakbij, stapte tussen Edelweiss en de rolstoel. Het gezicht van de kreupele oude man was ter hoogte van zijn borstbeen, keek naar hem op.

‘Beste jongen,’ fluisterde de dokter hees, ‘er is een uitweg uit al dit bloederig gedonder…’

 

-5:07 AM-

Toen Lee terugkeerde op zijn kamer, waren de randen van zijn mouwen roze bevlekt. De wildeman die vanuit de spiegel naar hem loerde, keerde hij de rug toe. Met zijn grote handen streek hij zijn haar achterover, smeerde het vast tegen zijn schedel.

Hij probeerde zijn vuist in zijn mond te duwen.

Later hervond hij zijn kalmte.

Hij legde de koffer op het bed en haalde de foedraal met zijn gedemonteerde Lee Enfield geweer tevoorschijn en zette het met efficiënte handelingen in elkaar, laadde er kalm en beheerst tien .303 patronen in.

Hij schroefde de heupbus open die hij al die jaren bewaard had en haalde het Duitse gasmasker eruit. Zette het op. Verstelde kalm en beheerst de gespen, zodat het leren masker als een extra huid over zijn gezicht sloot. Het masker sloot de wereld buiten, het kapselde hem in, sloot hem op met zijn eigen ademhaling en het ruisen van zijn bloed in zijn oren. De rasters voor zijn ooggaten deelden de wereld in segmenten, alsof hij alles bezag door een vergeeld glas-in-lood-raam. Het gewicht van de opschroeffilter aan zijn mondstuk was een vertrouwd bungelend gewicht wanneer hij zijn hoofd draaide, als een mechanisch wezen, herrezen uit de loopgraven.

Daarna pakte hij zijn koffer weer in, de weinige dingen die hij vanavond had uitgepakt. Zijn colbert, zijn overhemd en stropdas. Hij zocht ook de spullen van Eva bijeen, die aanzienlijk meer verstrooid had over hun gastenkamer. Haar toiletartikelen, het zilveren sigarettendoosje op de rand van het nachtkastje. De met veren gevulde kunstbuik. Haar jas en parmantige hoedje. Hij raapte haar bottines op en klemde ze even tegen zijn borst, een ogenblik maar, voordat hij ze ook aan de koffer toevertrouwde.

Alles ging terug in de grote koffer die ze gedeeld hadden als echtpaar Enfield.

Als laatste pakte hij ook haar gezicht in. Hij vouwde het in haar reserve-onderjurk en deed het allemaal in de koffer.

 

Hij sjouwde zijn koffer naar buiten, met het geweer in zijn vrije hand. Hij was klaar voor tegenstand, maar niemand probeerde hem tegen te houden. Buiten spetterde het nog, maar de ergste storm was al voorbij getrokken. Door zijn masker kon hij de frisse lucht niet ruiken. Hij liet de koffer op de veranda staan – en met het geweer in twee handen voor zijn borst, ging hij het huis weer binnen.

 

-5:46 AM-

Lee trof de vrouw des huizes aan in de salon waar ze in de vooravond koffie hadden gedronken. Ze stond te kijken naar de grammofoon die hij had stuk geworpen op de grond, een uitdrukking op haar gelaat alsof ze overweldigd werd door triestheid. Hij sloeg de bejaarde vrouw met de kolf van zijn geweer tegen de grond. Met zijn laars op haar borst, probeerde ze nog iets te zeggen. Maar hij schoot haar door het gezicht voordat deze laatste woorden haar mond verlieten. De knal weerklonk als de donder door de kamer, kaatste tegen de lambrisering en de gepolitoerde meubelen.

De huishoudster Rebba Thibidoux vond hij terug in de keuken. Met haar hoofd iets scheef en een keukenmes in iedere hand kwam ze naar hem toe, maar hij schoot haar door het hoofd voordat ze hem bereikte.

Edgar kwam de trap afgerend, gealarmeerd door de schoten. Of kenden ze elkaars gedachten, als mieren in een mierenhoop waarin hij geroerd had? Lee talmde niet, hij legde aan en schoot voordat Edgar halverwege de afdaling was. De benen van de bediende bezweken en het gedrongen lichaam rolde omlaag en kwam pas op de plavuizen tot stilstand, levenloos aan Lee’s voeten.

Geen van hen was menselijk.

Poppen. Hij verwijderde de kapot geschoten gezichten en wierp ze terzijde. De vloeistof die ze lekten was doorzichtig en stroperig.

 

Achter het huis, in een golfplaten schuurtje vond hij een olietank. Onder het oorverdovende kabaal van de generator vulde hij twee jerrycans. Daarmee ging hij terug naar het huis, zijn geweer aan de band over zijn schouder.

Hij besprenkelde de vloeren van alle ruimtes op de begane grond. Eerst één jerrycan leeg gietend, daarna de tweede. De neergeschoten paspoppen overgoot hij rijkelijk.

Op de veranda stak hij een met olie doordrenkte lap aan, wierp hem door de openstaande deur over de drempel.

 

-6:12 AM-

De regen was opgehouden. De oprijlaan was een lagune. Afgerukte boomtakken staken als de armen van drenkelingen uit de modder en het water omhoog. In de plassen weerspiegelden scherven van de flamingo-roze ochtendhemel. Een koor van opgewonden kikkers verborg zich achter de gehavende cipressen.

Zwaarbeladen begon Lee aan zijn terugtocht naar de auto. Al snel gaf hij zijn pogingen om van eilandje naar modderig eilandje te stappen op. Met soppend schoeisel en doorweekte broekspijpen marcheerde hij voort, door het bijna kniediepe water. Zijn gasmasker op, de Lee Enfield over zijn schouder, het was alsof hij weer terug was aan het front.

Achter hem brandde het huis als een lier. De vlammen sloegen uit de ramen en zwarte wolken rezen op als gebeeldhouwde pilaren om de hemel te stutten.

Vanaf de hoofdweg keek Lee nog een keer om. Daarna zocht hij zijn auto op.

De eer van André Fantone : Jaap Boekestein

Het was dag, maar de lampen waren aangestoken. Regen sloeg onophoudelijk tegen de ruiten en zo nu en dan lichtte de duisternis op door een bliksemflits, gevolgd door zwaar gedonder.

Ik zat roerloos en keek naar het noodweer buiten. Eigenlijk zou ik moeten huiveren, want onweer jaagt mij gewoonlijk grote angst aan. Vandaag gleed het natuurgeweld langs mij heen zonder mij te beroeren. Niets kon mij raken vandaag. De dikke stapel kranten en periodieken niet, de diverse romans die halfgelezen lagen te wachten. Alles was leeg, nutteloos, sleur. Ik zat in mijn stoel en keek uit het raam. Een levend lijk gehuld in zwart.

André had natuurlijk nergens last van. Hij was druk bezig zijn schoenen te poetsen. Als soldaten stonden ze te wachten in gelid. André droeg een schort en had voor zich op tafel diverse potjes staan met een bijbehorende verzameling borstels en doeken. Het was bediendenwerk, maar André had nooit genoeg geld om bedienden te kunnen betalen. En ik ging het niet voor hem doen. Ik was zijn bediende niet. Enkel zijn hoer.

Door de regen heen zag ik op straat het donkere gevaarte van een koets naderen. Het voertuig werd verlicht door twee lampen en de arme koetsier zat helemaal weggedoken in zijn regenmantel. Tot mijn verbazing stopte de koets aan de overkant van de straat. De deur ging open en een regenscherm werd naar buiten gestoken en geopend. Een man met bolle wangen en een fikse knevel stapte uit. Hij keek even om zich heen en stak toen de modderige straat over. Zijn blik op ons huis gericht.

Ondanks dat ik veilig onzichtbaar verscholen zat achter de vitrage, trok ik mij schielijk terug. ‘André, ik geloof dat we bezoek krijgen.’

‘Hu, watte?’ André was zo verdiept in het poetswerk dat hij niet had gehoord wat ik zei.

‘We hebben een bezoeker.’ Mijn woorden werden ondersteund door het geluid van de voordeurbel.

‘O… Ah…’ André sprong op en bekeek zijn schoenen en poetsgerij. Het was niet echt iets waarvan je wilde dat een bezoeker het zag. Ik was ondertussen opgestaan en liep naar de hal, waar de trap naar boven zich bevond. ‘Doe je schort af,’ adviseerde ik André terwijl ik met enig leedvermaak de treden beklom. Het gebeurde niet vaak dat André besluitloos was en ik putte er een geniepig genoegen uit.

Vijf tellen later kwam André, schortloos, de hal in. Hij wachtte totdat hij mijn kamerdeur hoorde sluiten. Ondertussen sloop ik terug over de overloop. Ik had mijn kamerdeur wel dicht gedaan, maar zelf was ik op de gang blijven staan. Ik was veel te nieuwsgierig wie de onaangekondigde bezoeker was. Verborgen in de schaduwen, net om het hoekje van de overloop, kon ik alles zien en horen wat er in de hal gebeurde.

De voordeurbel klingelde opnieuw.

Nonchalant opende André de deur, iets wat ik niet zo maar gedaan zou hebben, maar André was soms ontzettend roekeloos.

De man met de bolle wangen en fikse knevel stond voor de deur. ‘Goedenavond. De heer Fantone?’ Je kon aan de blik van de man zien dat hij al wist dat hij André tegenover zich had. Hoeveel albino dandy’s waren er tenslotte in New Orleans?

‘Goedenavond. Daar spreekt u mee. Wat is er van uw dienst?’ André kon hoffelijk zijn, tegen derden. Jammer dat ik altijd de tweede was. Hij deed een stap naar achteren zodat de bezoeker binnen kon komen, uit de regen.

‘Mijn naam is Richard Portman. Ik treed op namens de heer Barymore als zijn secondant. Hij daagt u uit voor een duel tot de dood.’

Ik zag alleen maar André’s rug. Wat had ik er op dat moment niet voor over gehad om zijn gezicht te kunnen lezen! Was het net als mijn gezicht vertrokken in totale ontzetting toen de woorden inzonken? Een duel tot de dood!

André knikte, alsof hij een vriendelijke invitatie voor een avond naar het theater ontving. ‘Het was onvermijdelijk. Ik accepteer het duel.’ Hij klonk volkomen onaangedaan.

Op de overloop stierf ik een duizend maal. Een duel tot de dood!

Op zijn beurt knikte Richard Portman vromelijk. ‘Wilt u het zwaard of het pistool?’

‘Hm…’ Ik had André op zo’n toon horen twijfelen over de ene of gene cravate. ‘Het zwaard. Maar niet de trihedral épée, maar de sabel. Ik zal een set meebrengen.’

‘Zo ook meneer Barymore. Schikt negen uur morgenochtend u? Wij stellen het oude Spaanse fort voor.’

‘De tijd en plaats zijn adequaat,’ sprak André. ‘Ik zal er zijn.’

De besnorde bezoeker maakte een korte buiging ten teken van afscheid. ‘De heer Barymore verwacht niet anders.’

André boog terug. ‘Goedenavond meneer Portman.’

‘Goedenavond meneer Fantone. O, meneer Barymore verblijft in het Saint Louis, als u zich nog mocht bedenken in de onderliggende kwestie…’

‘Nooit.’ Voor het eerst klonk er emotie in André’s stem door. Het was ijskoude woede. ‘Goedenavond.’

Richard Portman stapte terug in de regen en deed zijn regenscherm open.

André sloot de deur.

Ik snelde naar beneden. ‘André! Wat is er aan de hand? Wie is die man?’ Ik zocht in de herinneringen van Natalie Owen, André’s oude geliefde, maar vond niets. Barymore en Portman waren geen namen die ze kende. Misschien waren de herinneringen vervaagd, maar ik had het gevoel van niet. Dit moest iets uit André’s verleden zijn van de tijd voordat hij Natalie leerde kennen.

‘Ik wil er niet over praten,’ sprak André beslist. ‘Het zijn geen zaken die je aangaan.’ Hij negeerde het feit dat ik maar al te duidelijk op de gang had staan wachten.

‘Geen zaken die mij aangaan!’ Ik werd niet snel boos, maar dit keer was ik het wel. ‘Natuurlijk gaat het mij aan! Wat moet ik doen als jij sterft?’ Ik balde mijn vuisten. Het was vreselijk om afhankelijk te zijn, maar nog vreselijker om dat hardop te moeten zeggen.

‘Ach…’ antwoordde André plotseling slap. Het was duidelijk dat hij nooit had beseft dat ik zonder hem niets was. Hij zag mij als een manier om geld te verdienen, als gezelschap – een huisdier – op zijn best. Hij besefte zijn verantwoordelijkheid niet en had er ook duidelijk geen behoefte aan.

Woedend wendde ik mij van de albino man af. ‘Ga maar naar dat duel! Laat je maar neersteken! Wat kan mij het schelen! Mijn mening doet er toch niet toe!’

Mijn woede voedde André’s woede – een veilige uitweg voor zijn angst en onzekerheid. ‘Ik heb jouw toestemming helemaal niet nodig! Ik heb je uit het graf gehaald! Ik ben je niets verschuldigd! Ik zal doen wat ik moet doen!’ Hij sprong op en beende razend de hal uit.

Ik deed niet voor hem onder en stormde terug de trap op, naar mijn kamer. De klap waarmee ik de deur dichtsmeet, daverde door heel het huis. Hijgend viel ik op het bed. Ik was te verstikt van woede om te huilen. Mijn kaak was verkrampt, de nagels van mijn gebalde vuisten staken in mijn handpalmen en mijn hart ging als een razende te keer. Nog nooit was ik zo woedend geweest!

 

***

 

Toen ik weer beneden kwam was het donker en was het huis verlaten. André was uitgegaan, waarschijnlijk om zich te bezatten, of om een klein vermogen te vergokken, of om in de armen te vallen van een of andere lellebel. Morgen was hij misschien dood en wat deed hij? Hij verspilde zijn laatste uren met drank en ontucht. Ik aarzelde. Tijdens mijn uren dat ik vol verkrampte woede in bed lag, had ik een plan bedacht. Maar nu ik beneden stond, leek het geheel dwaas en zelfs gevaarlijk. Wat heb ik dan te verliezen? vroeg ik mijzelf. Als André dood is, ben ik zelf ook ten dode opgeschreven. Ik heb hem nodig. Ik moet hem redden.

Het was zo gemakkelijk bedacht. Maar de uitvoering… Ik besloot niet langer te aarzelen. Niet nadenken, maar dóen! Als ik te lang stil stond bij de mogelijke consequenties, zou ik nooit verder durven te gaan.

Ik ging terug naar mij kamer en kleedde mij om: de extra lange zwarte handschoenen, de hoed met de zware voile. Onherkenbaar in zwart, naamloos en gezichtsloos. Het enige probleem was nog geld, maar dat was gemakkelijk genoeg opgelost. André was altijd nonchalant met geld. Door het huis heen, in stoelen en op tafeltjes, in laden en jaszakken, was genoeg te vinden. Genoeg voor mijn doel in ieder geval. Buiten begon de avond te naderen. Gelukkig was het inmiddels droog geworden en zelfs de hemel klaarde wat op. De wandeling naar het verhuurbedrijf was niet lang, maar ik zag wel de blikken van de mensen. Het waren echter enkel nieuwsgierige blikken. Geen angst, geen woede, geen geschreeuw en geen geweld… Ik drukte de herinneringen weg aan de nacht als Betty Connogan. Er was niemand die mijn gezicht kon zien, er was niemand die mij kwaad wilde doen…

De wagenverhuurder was een lange Hollander met stroblond haar en fletse blauwe ogen. Een dikke sigaar hing uit zijn mondhoek. Hij haakte zijn duimen in zijn vestzakken terwijl hij boven mij uittorende. Zijn Engels was langzaam en slepend, vol vreemde Germaanse klanken. ‘U wilt een rijtuig met koetsier huren? Nu? Geen enkel probleem, mevrouw.’

Soms waren zelfs heuvels niks meer dan lage duinen. Maar er waren altijd doornstruiken…

‘U bent die vrouw van Fantone verderop, niet?’

Het verbaasde mij dat de baas mij kende. Toen besefte ik dat mijn verschijning onvermijdelijk over de tong was gegaan. André was al opvallend genoeg. En dan ikzelf, gehuld in mysterieus zwart… Genoeg mensen had mij uit het huis zien komen en in de koets zien stappen. Of ik het wilde of niet, ik had een reputatie. Natalie Owen had er ook mee geworsteld – als ongetrouwde vrouw inwonend bij een enigszins scandaleus figuur als André – maar ze had zich er uiteindelijk overheen gezet. Ik… Natalie Owen had haar liefde voor André. Ik had niets en daarom trof het mij onverwacht hard.

Er werd een koetsier opgetrommeld – blijkbaar één van de slungelige neven van de baas, waren al die Hollanders reuzen? – en ik mocht zelfs kiezen welke koetsje ik wilde hebben. Ik koos een coupé in plaats van de landauer die André normaal reed. Ik had behoefte aan beslotenheid. Vooral nu ik wist dat ik onherkenbaar was, maar zeker niet onzichtbaar. De baas hielp mij met instappen.

Toen ik eenmaal zat, keek hij mij aan met zijn blauwe kijkers. ‘Mevrouw, als ik vragen mag, voor wie rouwt u?’

Sommige vragen zijn zo onverwacht dat ze in één klap de kijk op je wereld veranderen. Niemand had mij ooit die vraag gesteld. Nou had ik ook, buiten André, met bijna niemand anders gesproken als mijzelf. En niemand was geïnteresseerd in mij als persoon. Enkel wat ik kon leveren. De vraag van de Hollander was zo alledaags en normaal, maar daardoor tegelijkertijd voor mij zo bijzonder.

‘Ik, eh… Ik ben in rouw voor een geliefde. Mijn zuster.’

De Hollander knikte ernstig. ‘Sterkte mevrouw, u moet erg van haar gehouden hebben.’ Als afscheidsgroet tikte hij met zijn vingers tegen zijn slaap.

De deur van het koetsje ging dicht en na een ‘Huh!’ vanaf de bok, zette het voertuig zich in beweging. De rit voerde door straten die ik grotendeels kende uit de herinneringen van anderen. Zonder verdere noemenswaardigheden kwamen wij aan op de plaats van bestemming. Het Saint Louis was een gloednieuw, luxueus hotel van vier verdiepingen, gebouwd in de stijl van de Oude Wereld. Het was een hotel voor de rijke Creolen die er dineerden en overnachtten als ze naar de stad kwamen om zaken te doen. Frans was er de voertaal. In de nieuwspagina’s had ik al over diverse schandalen gelezen die in en rond het hotel hadden plaatsgevonden. De Creolen beschouwden zichzelf als de aristocratie van de streek en passies konden hoog oplopen over eer, vrouwen of geld, of alle drie tegelijk. Waarom zou die man Barymore André uitdagen voor een duel? Was het één van de drie redenen, of iets anders? André was zelf een Creool, maar zijn maanbleke huid en haar had hem grotendeels apart geplaatst. Hij had echter wel de smaak en passies van zijn volk.

De hal van het hotel was een enorme koepel met spiegels, palmbomen, verguldsel, marmer en kroonluchters. Heren paradeerden er met hun vrouw – of die van iemand anders, de dames droegen kleurrijke japonnen, kleine zwarte dienjongens in rood tenue renden af en aan.

Een kraai in een kooi met kwetterende zangvogels, zo voelde ik me. Ik negeerde de blikken en het gefluister. Het was niet dat de hele hal stilviel en naar mij staarde, maar zo voelde het wel. O wat als ze zien wat ik echt ben! Geen mens onder mensen, maar een monster, een dode die speelt dat ze leeft… Beelden van gegil en paniek speelden door mijn hoofd. Vast en zeker had één van de heren wel een degenstok, of een verborgen pistool of mes. Creolen hadden heet bloed. Zouden ze mij hier afmaken in deze hal die in een paleis niet zou misstaan? Of zouden ze mij de straat op sleuren om mij op te knopen aan de dichtstbijzijnde boom?

Gelukkig kon niemand zien wat er zich onder mijn sluiers schuilhield en ongedeerd bereikte ik de balie.

‘Madame? Hoe kan ik u helpen?’ vroeg een klerk, een stijve man met een smal kaal hoofd en het soort Frans dat afkomstig was van de Oude Wereld.

‘De heer Barymore, is hij aanwezig?’ Het gezicht van de klerk vertrok geen millimeter, alsof het de normaalste zaak ter wereld was dat een zwaar gesluierde weduwe, alleen, ‘s avond informeerde naar de kamer van een heer. Misschien had hij vreemder meegemaakt, misschien was hij geselecteerd op dat onbewogen gezicht. Hij blikte even naar achteren, naar het rek met sleutels en postvakken. ‘De heer Barymore is nog in het hotel. Moet ik een boodschap laten overbrengen, madame?’

‘Nee dank u, ik bezoek hem zelf wel. Wat is zijn kamernummer?’

Discreet, o zo discreet, was de klerk. Hij schreef het nummer op een kaartje en schoof het mij over de marmeren balie toe. Gewapend met het kaartje en mijn sluier, en zenuwachtig als een stal vol paarden tijdens een orkaan, nam ik de lift naar de juiste verdieping. De gangen waren eindeloos, met rode lopers, gaslampen en prenten aan de muur van de landhuizen en het leven langs de rivier. Om de zoveel deuren stond er een mahoniehouten empiretafeltje met daarop een Chinese vaas vol verse bloemen.

Bij de juiste deur klopte ik aan.

‘Ja? Wie is daar?’ klonk het na een handvol tellen. Ik slikte, mijn keel was plotseling heel erg droog.

‘Ik kom voor meneer Barymore.’ Het klonk lang zo daadkrachtig niet als ik had gewild.

De deur ging open, op de ketting. Een man met een grote neus, woeste krullen en verbeten trekken rond zijn ogen en mond staarde mij aan. Hij was duidelijk verbaasd. ‘Ik ben Barymore. Simon Barymore.’

‘Meneer Barymore, ik wil met u spreken. Het betreft meneer Fantone.’

Simon Barymore blikte links en rechts van mij, maar ik was alleen. Hij maakte de ketting open en deed de deur verder open, langzaam, alsof hij er op bedacht was dat André plots als een duveltje uit een doosje tevoorschijn zou springen.

Ik ging naar binnen, bevend als een riet. Als ik maar slaagde! Er hing zoveel van dit gesprek af… Alles, eigenlijk. André’s leven, mijn voortbestaan…

De deur werd weer gesloten en Simon Barymore deed de ketting er weer op. Hij had mij geen moment de rug toegekeerd, maar nu schonk hij mij zijn volledige aandacht. ‘U komt namens André Fantone. Wie bent u, madame?’

Dat was een gerechtvaardigde vraag, maar één die ik niet kon beantwoorden. Ik koos voor de enige uitleg die Simon Barymore kon begrijpen. ‘Ik ben… Ik ben de vrouw van André Fantone.’

Simon Barymore lachte. ‘Een vrouw, maar niet dé vrouw van hem, durf ik te verwedden.’

Hij had gelijk natuurlijk, maar het raakte mij desondanks. Ik werd ingeschat als onbelangrijk, vluchtig. Een vrouw van losse zeden. Een maîtresse.

‘Wij zijn niet getrouwd, maar ik… sta onder de zorg van André.’

De man maakte een gebaar dat het hem weinig uitmaakte. ‘Wat komt u doen? Heeft Fantone u gestuurd om te smeken om zijn leven? Bespaar u dan de moeite, want dit keer komt hij er niet zo gemakkelijk vanaf!’

‘De heer Fantone weet niet dat ik hier ben,’ antwoordde ik koeltjes, wat mijzelf verbaasde. Op de één of andere manier waren plots mijn angst en zenuwen verdwenen. ‘Maar ik kom wel om zijn leven smeken, ja.’

‘Hm,’ was het commentaar van Simon Barymore. Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Bespaar u de moeite, madame. Al had André de zorg voor een heel weeshuis en deelde hij zijn mantel met een behoeftige bedelaar, dan nog zie ik niet af van het duel. Wat hij heeft gedaan, kan enkel met bloed worden uitgewist.’

Maar wat heeft André dan gedaan? Ik stelde die vraag.

‘U weet het niet? Ha, vanzelfsprekend niet.’ Simon Barymore snoof. ‘Het is geen zaak waar die kerel mee te koop loopt, dunkt me.’

‘Ik weet alleen dat de kwestie al jaren speelt,’ polste ik. Wat het ook was, welk conflict André Fantone en Simon Barymore ook met elkaar hadden, het moest hebben plaatsgevonden voordat André Natalie had leren kennen. Nergens in haar herinneringen was er iets te vinden over Simon Barymore of een duel.

‘De kwestie speelt inderdaad al jaren,’ gaf Simon Barymore toe, ‘maar ik ben niet degene die u er over gaat inlichten, madame. Als hij morgen met een rein geweten wil sterven, kan hij wandaad vannacht nog bekennen aan de ene of gene. Fantones eer en zaligheid zijn zijn zaak, alhoewel ik betwijfel of hij van beide veel bezit.’

Het was vreemd, maar ik voelde toch de behoefte om André te verdedigen. Mijn stem was ijskoud. ‘Hij heeft genoeg eer om morgenochtend een duel met u aan te gaan, meneer Barymore.’

‘Alleen omdat hij weet dat er dit keer geen ontsnappen mogelijk is. Fantone weet dat ik hem na zal zitten tot het eind van de wereld als dat nodig is. Ik zal niet rusten voordat hij dood is.’

Een rilling trok over mijn rug. Simon Barymore zei het met zoveel overtuiging dat ik hem ook geloofde. Hij zou André doden en mijn weduwezwart zou dan opeens echt weduwezwart zijn… En zonder André’s bescherming zou ik hulpeloos zijn. Ik moest alles op alles zetten om dat te voorkomen.

‘Meneer Barymore… Simon. Ik smeek u, zie af van het duel! Ik… Ik heb er alles voor over om het niet door te laten gaan! Ik… Hebt u ooit een geliefde verloren?’

Simon Barymore lachte, luid en akelig. Hij lachte mij uit en reduceerde mij daarmee tot een geslagen hond, of nog minder zelfs.

‘Madame! Wat u voorstelt is zo laag dat ik enkel met grofheid kan beantwoorden. Als ik een hoer nodig heb, dan zoek ik wel gezelschap in één van de vele plezierhuizen die deze stad rijk is. Die dames zijn professioneel en niet een afdanker van de man die heb gezworen te doden. André kan mij niet afkopen met zijn… vrouw.’

Mijn wangen gloeiden. Ik voelde mij oneindig klein. Ik had niet bedoeld dat… Maar het was precies wat ik wél bedoelde. ‘Bent u dan nooit een vrouw verloren, een geliefde? Iemand waarvoor u de wereld zou geven om haar terug te zien?’ fluisterde ik.

‘Nee. Dus uw praatjes hebben geen zin. Ik heb geen interesse in u en u hoeft mij ook niet op mijn gemoed te werken. Morgen zal Fantone sterven.’

Simon Barymore sprak de waarheid. Tenminste, de waarheid die hij kende. Ik hoorde het aan zijn stem. Er was geen wreed weggerukte liefde, geen verlangen naar een dode vrouw. Ik leefde van de mannen waar dat wel het geval was, maar ik was vergeten dat lang niet iedere man in die situatie verkeerde. Ik had Simon Barymore niets te bieden.

‘Madame, het is beter als u nu vertrekt. Doe met Fantone wat u belieft, maar doe het wel vannacht. Morgen zal hij sterven.’ En met die woorden zette Simon Barymore mij buiten de deur.

Terug in de koets vroeg mijn koetsier: ‘Madame? Waarheen nu?’

‘Eh…’ Wat moest ik doen? Terug naar huis gaan? Of moest ik André zoeken om hem te bewegen met Simon Barymore te gaan praten, of wellicht om op de vlucht te slaan (Ik had misschien wel eer, maar niet genoeg om voor te sterven). Ik wilde André spreken, maar ik had geen idee waar ik hem moest zoeken. New Orleans was vol drank- en gokhuizen, en erger nog. Geen van de vrouwen die ik was geweest had ooit gelegenheden bezocht met zo’n slechte reputatie. En ik kon onmogelijk als vrouw – en vooral in mijn huidige verschijning – op de bonnefooi gaan zoeken. En wellicht was André al thuis… Uiteindelijk was er maar één besluit mogelijk: terug naar huis.

Teruggekomen wist ik al dat André er niet was. Het huis was donker. Ik ontsloot de deur en riep in de hal: ‘André?’ Er was geen antwoord. Zenuwachtig ging ik in de salon op hem zitten wachten.

 

***

 

Ik moest in slaap zijn gesukkeld en had heel de nacht in de stoel gelegen. Toen André eindelijk thuis kwam, was de zon nog niet op, maar het scheelde niet veel. Stijf en stram kwam ik overeind uit de stoel. De kamer stonk naar een olielamp die te lang niet was geknipt. Ik hoorde André in de hal de buitendeur vergrendelen. Daarna kwam hij de salon in.

André was verbaasd mij te zien. Hij zag er uit alsof hij de hele nacht had doorgebrast, iets wat hij ongetwijfeld ook had gedaan. Zijn ogen stonden vermoeid, zijn schouders hingen en zijn kledij zat vol kreuken en vlekken. De ontzettende ezel! Binnen een paar uur had hij een duel op leven en dood te vechten, en hij zag er nu al uit als halverwege het graf! Dit kon niet, dit mócht niet!

‘André, je moet stoppen met dit duel! Je kunt het risico niet nemen! Wat als je sterft? Ik smeek je!’

Het was de tweede keer die nacht dat ik een man smeekte. En met evenveel resultaat. Het moet gezegd worden dat André dit keer niet tegen mij uitviel. Hij zei enkel: ‘Ik moet dit doen. Er is geen weg terug. Het heeft al te lang geduurd.’

Wat heeft te lang geduurd? Laat het nog eeuwen duren! Zo lang hij maar blijft leven! Ik zweeg, ik kon niets meer zeggen wat al niet gezegd was. André zou naar het oude Spaanse fort gaan en daar duelleren met Simon Barymore. En er was niets wat ik daaraan kon doen.

‘Ik ga naar boven, mij opknappen. De sabels bekijk ik straks wel.’ Vermoeid als een oude man keerde André zich om en verliet de kamer. Voelde hij dezelfde doem die ik voelde? Zelfs als dat het geval was, dan maakte het nog niet uit, wist ik.

Een paar uur later kwam hij weer beneden. Hij zag er iets beter uit. In ieder geval weer als de verzorgde dandy die hij normaal was. Zijn witte haar was met olie strak in model gekamd en hij had schone kleding aangetrokken: een lichtblauw hemd, zwart vest en zijn bordeauxrode pak. Het geheel werd afgewerkt met een zwarte cravate met wit werkje, een gouden dasspeld in de vorm van een eikenblad, zijn beste gouden horloge en zijn favoriete manchetknopen met diamanten. Blijkbaar was dat de kleding waarin hij wilde sterven. Hij knikte mij toe – ik was niet naar bed gegaan, wat voor zin had dat nog? – en liep naar zijn studeerkamer. Hij kwam terug met een set sabels die volledig gelijk in lengte en afwerking waren. Hij deed zijn handschoenen aan. ‘Ik vertrek. Ik weet niet… Ik weet niet of ik terugkeer.’

‘Ik ga mee,’ besloot ik. ‘Ik wil er bij zijn. Als je sterft dan…’ Mijn keel zat dicht en hoe hard ik ook tegen de tranen vocht, toch vulden ze mijn ogen en liepen langs mijn gezicht naar beneden. ‘Ik moet er bij zijn!’ Alsjeblieft!

André knikte. ‘Kom mee dan.’ Mijn hoed, mijn handschoenen. Ik was binnen enkele ogenblikken klaar. André stond al bij de deur te wachten, de twee sabels met hun schedes onder zijn arm. ‘Wacht hier, dan haal ik de wagen.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee André, laat mij dit keer aan je zijde lopen. Het is misschien de… de…’ Opnieuw rolden de tranen over mijn wangen. Verborgen als ze waren onder mijn sluier, zag André ze niet, maar ik voelde dat hij wist dat ze er waren. Hij bood mij zijn arm aan en ik accepteerde. In het ochtendlicht liepen we arm in arm, heer en dame, dezelfde weg die ik de avond daarvoor alleen had afgelegd.

De lange Hollander was al weer op, maar er hing geen sigaar in zijn mond.

‘Monsieur Fantone, madame…’ Even laaide mijn angst op. Als de wagenverhuurder zijn mond maar hield! André wist niet dat ik met Simon Barymore had gepraat en hij hoefde het ook niet te weten. Dat zou op dit moment alleen maar voor afleiding zorgen die André niet kon gebruiken. Ik maakte mij echter voor niets zorgen. Ik had geen idee of er veel dames – of wat dat betreft heren – waren die in het geniep zich naar een hotel lieten vervoeren. Maar de Hollander was in ieder geval discreet. Hij verraadde niets van wat hij wist. ‘… uw gebruikelijke wagen?’ vroeg de Hollander lijzig.

‘Gaarne beste man.’ Tien minuten later was de landauer klaar en vertrokken we naar het Spaanse Fort. Tijdens de rit werd er niet gesproken. Wat viel er verder nog te zeggen? Er waren momenten dat het leven was teruggebracht tot de simpelste keuzes: leven of dood, ja of nee. Op dat soort ogenblikken was praten nutteloos.

 

***

 

Het Spaanse Fort was verlaten, op Richard Portman en Simon Barymore na. Het was vroeg maar al zonnig, wat mij ongerijmd voorkwam. In mijn gedachten hoorde een duel gevochten te worden op een nevelig veld, met het gras en de bladeren nat van de dauw, en het schorre gekras van kraaien. In plaats daarvan zongen de vogels vrolijk in de bomen. André hielp mij uitstappen en daarna pakte hij zijn sabels. Samen liepen we naar de mannen toe.

‘Monsieur Fantone, madame, goedemorgen,’ sprak Richard Portman.

Simon Barymore zweeg enkel. Hij zag er niet zenuwachtig uit, maar was het ongetwijfeld wel, net als André.

‘Goedemorgen,’ antwoordde André kort. Hij richtte het tot Richard Portman, niet tot Simon Barymore. De beide duellisten negeerden elkaar intens.

‘U hebt geen secondant?’

André schudde zijn hoofd. ‘Geen témoins. Laten we voortmaken.’

Richard Portman knikte. ‘U hebt een set sabels? De heer Barymore ook. Als u de wapens wilt inspecteren en een keuze wilt maken?’

Ik had begrepen dat er diverse regels waren wat betreft duelleren, maar dat weinigen het over die regels eens waren. Ik had ooit gehoord dat de rol van de témoins niet alleen bedoeld was om de duellist bijstand te verlenen. In vroeger dagen – en nog wel eens – gebeurde het dat één van de duellisten opdaagde met een groep handlangers om zijn vijand te overweldigen en te doden. De témoins waren bedoeld om dit soort praktijken tegen te gaan. Blijkbaar vertrouwde André er op dat Simon Barymore niet zulk bedrog zou plegen, of misschien had André niemand die voor hem als témoin wilde optreden.

De twee duellisten controleerden de wapens en kozen elk een sabel. Elk hield het op een van zijn eigen exemplaren. Beide mannen deden hun jas en vest uit, zodat ze genoeg bewegingsvrijheid hadden. Het had de formaliteit van een eeuwenoud ritueel.

‘Heren,’ begon Richard Portman. De man met de knevel en bolle wangen was duidelijk zichtbaar. ‘Ik vraag u nog eenmaal, bent u bereid dit conflict op vreedzame wijze op te lossen?’

‘Nee!’ Het kwam gelijktijdigs uit André’s en Simons mond, iets wat hen beide niet zinde. Ze wierpen elkaar duistere blikken toe.

Richard Portman haalde zijn schouders op. Het was duidelijk dat hij niet anders had verwacht.

Misschien was dat het moment geweest dat ik had moeten spreken. Ik had beide mannen tevergeefs gesmeekt, maar zou een laatste poging niet slagen? Ik hield echter mijn mond. Het was vreemd, maar ergens in een diep en duister deel van mijn hart wílde ik nu dat het duel zou plaatsvinden. Het was dezelfde soort gewaarwording die mensen beving wanneer ze op een hoge plek stonden en plots de bijna onbedwingbare lust hadden te springen. Of tijdens een beschaafd gesprek opzettelijk een grove pas comme il faut te maken.

‘U beiden wilt een gevecht tot de dood. Dat betekent dat om kwartier gevraagd kan worden, maar dat het niet gegeven hoeft te worden. Begrijpt u dit, heren?’

‘Ja.’

‘Ja! Maar ik wil eerst iets zeker weten!’ André rukte zijn hemd open. Zijn krijtwitte borstkas stak fel af tegen de lichtblauwe stof van zijn hemd. Zoals ik wist – uit de herinneringen van Natalie Owen! – waren zelfs zijn borstharen volledig wit. ‘Zie hier, mijn vlees. Ik ben bereid te sterven voor mijn eer. Is Barymore daar ook toe bereid?’

Simon Barymore snoof woedend maar verwaardigde zich geen antwoord.

‘U bedoelt…?’ informeerde Richard Portman.

André legde de hand op zijn naakte borst. ‘Ik draag geen enkele bescherming. Ik wil zeker weten dat mijn tegenstander even eervol is!’

‘Eervol? Je weet niet wat eer is al zou je er over struikelen Fantone!’

‘Heren!’ sprak Richard Portman sussend. ‘Ik ben er zeker van dat dit onnodig is…’

André schudde beslist zijn hoofd. ‘U vraagt aan mij de man te vertrouwen die gezworen heeft mij te doden? Ik heb aangetoond dat ik te goeder trouw ben. Maar als Barymore weigert dan kan ik niet anders concluderen dat er bedrog in het spel is. En daar werk ik niet aan mee.’

Mijn hoop laaide op. Zou het…? O, als dit een uitweg was! Als Simon Barymore zou weigeren dan hoefde André niet te-

‘Al goed, al goed!’ Met die woorden vernietigde Simon Barymore mijn laatste hoop. Ik wilde het duel wel en ik wilde het duel niet. Ik wilde in ieder geval niet dat André zou sterven of zwaar gewond zou raken. Ondertussen trok Simon Barymore woest aan de knopen van zijn hemd. Een bleke borstkas – maar niet krijtwit zoals die van André – kwam te voorschijn. Simon Barymore droeg geen geheime bescherming.

‘U bent tevreden gesteld, meneer Fantone?’ vroeg Richard Portman droog.

Een knik was het enige antwoord.

‘Heren, dan is aan alle regels voldaan. Doe elk drie passen naar achteren.’

Spelers in een toneelstuk, schoot er door mijn hoofd. Zo ongerijmd was alles. André stond klaar, evenals Simon Barymore. De sabels glinsterden. De wereld leek stil te staan.

‘Madame, u kunt beter enige afstand nemen.’ Richard Portman voerde mij mee aan mijn arm. Ik kon er geen hoogte van krijgen wat zijn rol in dit geheel was. Zijn accent verraadde zijn noordelijke herkomst en zijn kledij en gedrag bestempelden hem als een heer. Hij trad op voor Simon Barymore maar leek geen hechte vriend van de man te zijn. Het leek meer op een zakenrelatie of een ingehuurde advocaat of zoiets. Het was een klein mysterie wat bovenop de vraag kwam welk verleden André Fantone en Simon Barymore samen hadden gehad. Wat het ook geweest was, het had diepe haat gezaaid.

Het gevecht begon. De twee mannen stormden niet op elkaar af onder het uiten van vreselijke bedreigingen. Zoiets was voor de sensatieromannetjes. Ze kwamen langzaam op elkaar af, elkaar aftastend, peilend wat de bekwaamheid van de tegenstander was. Ze wisselden een paar slagen en draaiden om elkaar heen. Er werd geen woord gesproken. Heel de wereld hield zijn adem in, zelfs de zangvogels waren stil. André deed een uitval, Barymore pareerde en viel op zijn beurt aan. André verdedigde zich en stapte opzij. Ik smoorde een piep van opwinding in mijn keel. Ik wilde geen geluid maken, geen zucht zelfs. Het was mijn grootste angst dat ik André zou afleiden, al was het maar voor een seconde, en dat André doorboord zou worden. Verkrampt hing ik aan Richard Portmans arm. Het gevecht ging door. Er waren aanvallen en tegenaanvallen. Voor iedere beweging bestond vast en zeker een technische term, maar ik was een vrouw. Ik kon nog geen revers de dessous van een coup de point onderscheiden. Het viel voor mij onmogelijk te bepalen wie de betere zwaardvechter was. André en Simon Barymore leken aan elkaar gewaagd te zijn. Het zwaardgevecht was een deel van de opvoeding van iedere echte heer. Zweet gutste van hun hoofd en veroorzaakte grote vlekken in hun hemd. Zweet tot nu toe, geen bloed.

‘Laat ze ophouden. God laat ze ophouden,’ prevelde ik. Het enige antwoord van Richard Portman was dat hij mij steun bood. Hij sprak zich niet voor of tegen het duel uit.

Vochten ze een uur? Of was het slechts een dozijn minuten? Ik verloor ieder besef van tijd. De wereld bestond uit het geluid van staal tegen staal, onderstreept met vermoeid gesnuif en gehap naar adem. En toen…

André deed een uitval, de punt van zijn sabel recht op de borst van Simon Barymore gericht. Maar daarmee gaf hij zichzelf bloot. Simon Barymore had zich moeten terugtrekken, een simpele stap opzij was genoeg geweest. Maar de haat die in zijn hart nestelde was diep. Hij stapte niet opzij, hij sloeg eveneens toe. Bij sommige duels brachten de tegenstanders elkaar tegelijkertijd de doodssteek toe. Die duels eindigden met twee doden. Eén oneindig lang moment vreesde ik dat ik dat voor mijn ogen zag gebeuren. De punt van André’s sabel boorde zich diep in Simon Barymores borstkas en Simon Barymores wapen deed hetzelfde… Nee, léék hetzelfde te doen. Maar op het laatste moment – was het door een minimale draai van André, was het puur geluk of goddelijke ingrijpen? – schampte Barymores wapen langs André’s borst. De punt begroef zich in de bovenarm van mijn albino beschermer. Beide mannen gingen neer. Beide gewond. Eén stervend.

‘André!’ Ik rende op hem toe. Een obsceen grote bloedvlek die maar bleef groeien en groeien, kleurde de mouw van zijn hemd donker. ‘André!’

‘Ik ben in orde,’ kreeg André er uit tussen zijn opeengeklemde kaken. De pijn moest intens zijn. ‘Stelp het bloeden!’

Ik trok het hemd omhoog en drukte de wond dicht. André’s cravate diende als verband. Ik mocht dan een vrouw zijn en niets weten van vechten, ik wist genoeg van wonden. Ik had in mij de herinneringen van allerlei vrouwen, wonend in landhuizen ver van iedere arts verwijderd. Ik had ruime ervaring in het verbinden van wonden.

‘Mijn cravate!’ klaagde André. ‘Hij is geruïneerd!’

‘Hsss!’ Ik trok het verband extra strak aan wat aan hem een kreet van pijn ontlokte. Hij was bijna dood geweest, en wat deed die dwaas? Hij klaagde over een kledingstuk! André!

Het was onmogelijk voor André bleker te worden dan hij al was, maar vers zweet parelde over zijn voorhoofd.

‘Barymore? Is hij…?’

De schaduw van Richard Portman viel over ons. ‘De heer Barymore is dood. Ik stel voor dat u deze plek verlaat. Ik zal zorg dragen voor het lichaam.’ De man met de bolle wangen en de grote snor legde André’s schoongeveegde sabel in diens schoot. ‘Het is afgelopen, de zaak is gesloten. U kunt op mijn discretie rekenen.’

Richard Portman hielp André overeind maar André weigerde verder zijn steun in de wandeling naar de koets. ‘Ik ben in orde!’

Natuurlijk was hij dat helemaal niet en tijdens de tien, vijftien stappen bleef ik aan zijn zijde om hem op te vangen – nou ja om zijn val te verzachten – wanneer zijn krachten het zouden begeven. Wonder boven wonder haalde hij ongedeerd de koets. Dit keer klom hij op bank en ik op de koets.

‘Monsieur, madame.’ Richard Portman nam als groet zijn hoed af. De set sabels legde hij naast André op de bank.

Ik vroeg mij af wat hij met de wapens van Simon Barymore zou doen. Overhandigen aan zijn weduwe, als hij die had? Ik bleef echter niet te lang aarzelen. Ik spoorde het paard aan en de wagen zette zich in beweging.

 

***

 

De wond was weer gaan bloeden toen we thuis kwamen, maar niet heel erg hard. André wist de sofa in de salon te halen en zakte daar ineen.

‘Ik ga een dokter halen, de wond moet dichtgenaaid worden.’ En de koets moet nog terug worden gebracht, en is er genoeg te eten in huis? Als ik een moment stil had gestaan, was ik verbaasd geweest over mijn eigen besluitvaardigheid. In tijden van nood leert men zichzelf kennen.

‘Ja, maar help mij eerst hieruit.’

Ik dacht dat André zijn hemd bedoelde. Het was ook zijn hemd, maar nog meer. Onder zijn hemd ontdekte ik een borstplaat. Het stalen ding was strak op André’s borstkas gebonden. Het had de vorm van een normale mannelijke borstkas en was dezelfde kleur geverfd als André´s huid. Er waren zelfs kleine borsthaartjes opgeplakt en twee tepels die bij nadere beschouwing gemaakt waren van geverfde puntjes klei. Het pantser viel nauwelijks van echt te onderscheiden. Van het hart naar de zijkant, de kant van André’s gewonde arm, liep een kras. Alsof de punt van een sabel er langs was geschuurd…

‘Wat is dit?’ vroeg ik verbaasd. Het pantser leek zo… zo onecht, onmogelijk. Maar toch voelde ik het metaal massief in mijn handen.

‘Dat heb ik afgelopen nacht laten maken. Het heeft een klein fortuin gekost, maar het was het waard.’

‘Maar…’ Ik zweeg. André leefde nog, Simon Barymore was dood. Zonder deze bedriegerij had ik misschien nu alleen hier gezeten. André leefde nu nog… Eer? Malo mori quam foedari… Niet echt dus. Maar woorden waren enkel woorden. André leefde en dat was wat telde. De eer mochten ze houden.

Uit mijn herinneringen van mijn vorige levens putte ik de naam van een goede arts. Ik borg het pantser op en met een laatste blik op André ging ik een dokter halen.

***

 

André aan de rand van mijn bed. Hoe vaak had ik dat al niet meegemaakt? Dit keer waren de rollen omgekeerd. Ik zat op de rand van zijn bed toen hij wakker werd.

‘Hallo,’ zei hij slaperig.

‘Hallo. Hoe voel je je? Heb je dorst? Heb je koorts? Wil je wat eten?’

‘Hmpf. Gaat wel. Moe.’

Ik voelde zijn voorhoofd. Het was niet bijzonder heet, god zij dank. Wondkoorts kon even dodelijk zijn als een zwaard door een vitaal orgaan. ‘Je had behoorlijk wat bloed verloren, zie de dokter. Maar hij heeft enkel het vlees en je spieren geraakt. Je arm blijft een tijdje verbonden en je zal een draagdoek hebben.’

‘Hmpf, geen gezicht zo’n draagdoek. Verpest mijn verschijning.’

Het was gek, maar ik lachte. Voor het eerst deed André mij hardop lachen en dat nog wel aan zijn ziekenbed. De woorden van de modieuze albino fat waren zo ongerijmd dat ik er niet boos om kon worden. Ik kon er enkel om lachen.

André glimlachte mee. Blijkbaar besefte hij hoe belachelijk hij klonk. ‘Misschien nog een mooi litteken dan.’

‘Misschien wel.’ Ik bette zijn gezicht en voerde hem wat bouillon. Het bleef een uiterst gek gevoel dat de rollen nu zo waren omgedraaid. Nadat ik hem had gevoerd – André weigerde door mij verschoond te worden – bleef ik nog even aan zijn bed zitten. ‘André… Waarom heb je dat pantser laten maken? Ik dacht dat je de dood zocht. Een leven zonder Natalie…’ Ik liet mijn woorden wegsterven. Het was alles behalve slim om nu weer over André’s dode geliefde te beginnen. Maar ik moest het weten.

Mijn albino beschermer was een tijdje stil. Hij was niet gewend om zijn gevoelens of beweegredenen onder woorden te brengen. André leefde in een eenzame wereld waarin alleen hij belangrijk was.

‘Ik wil leven,’ sprak hij uiteindelijk. ‘Zelfs zonder Natalie. Ik zal altijd van haar blijven houden, maar ik wil léven. Jezelf doden… Het is laf. Leven is moeilijker, meer eervol.’

Vreemde woorden van een man die net via oneervolle bedriegerij zijn huid had gered, maar ik begreep het. En waar lag uiteindelijk de eer als je jezelf liet doden door een ander? Je leefde om te leven, niet om te sterven. Dat kon altijd nog wel. Ik streek door André’s haren. Vaak was hij een volkomen onmogelijke man en soms haatte ik hem. Maar soms, heel soms, kwamen de gevoelens van Natalie Owen boven en zag ik wat zij had gezien. Maar het waren en bleven zeldzame momenten. Nu André zo spraakzaam was, besloot ik een ander onderwerp aan te snijden wat mij de afgelopen dagen niet los had gelaten. ‘André… Waarom hebben jullie gevochten? Wat is er ooit gebeurd tussen jou en Simon Barymore?’

André maakte een afwerend gebaar. ‘Dat verhaal is nu met Simon Barymore gestorven. Ik wil daar niet over spreken.’

Niet over spreken? Ik had het verdiend te weten wat er aan hand was! Een man was gestorven en André was gewond en ik zou niet weten waarom? Dat was onverdraagbaar! ‘Maar–’ begon ik.

‘Basta!’ kapte André mij af. ‘Barymore is dood, ik leef. Dat is het enige wat telt! Ik heb het er niet meer over.’

Nu niet, dacht ik, maar ik krijg het wel een keer uit je. Ooit.

Maar ik kwam het nooit te weten.

Kitesj : Jan J.B. Kuipers

Ik, de vrouw van Kitesj,

ben naar huis ontboden.

Anna Akhmatova

 

 

Hoe Fevronja haar broertje…

 

In andere versies is er soms sprake van jammerend hoorngeloei op de achtergrond, van obsceen bekkengekletter. De zon schijnt genadeloos; de vlakten zijn dor, in de verte hurken afgeknotte, okeren bergtoppen.

In werkelijkheid was het maar een miezerige affaire, die daad van Fevronja, een onopvallende voltrekking ergens in een afgelegen woud. Het was doodgewone broedermoord. Maar sommigen menen dat de aanleiding toereikend was, en dat deze vuige daad gerechtvaardigd was omdat er veel was te winnen.

 

Hier, waar het berkenbos zich verdicht had tot een groot en bijna ondoordringbaar woud, schaars bestrooid met open plekken als deze, woonde het meisje Fevronja met haar broertje Absyrt in een blokhut die hun vader ooit had gebouwd. Lang geleden was dat, toen hij nog niet aan de rand van de open plek rustte in de groeve, herkenbaar aan de stenen die Fevronja en Absyrt erop hadden gestapeld en aan het achtarmige houten kruis dat ze erop hadden geplant. De geslepen punt van dat kruis stak door vaders borst, zodat hij nooit terug kon komen naar het land van de levenden.

Acht maanden per jaar was het nat of bitter koud en dan zaten Fevronja en Absyrt in de hut tegenover elkaar, staarden over de vetlamp in elkaars bleek oplichtende gezicht, dachten hun eigen gedachten en vertelden verhalen om die gedachten te verbergen.

Een van die verhalen ging zo en het was Fevronja die het vertelde.

‘Vorst Joeri was helemaal over de Kaspische Zee gevaren op een krijgstocht en toen hij terugkwam had hij de zeer mooie prinses van India bij zich, die hij in het Oosten had geroofd. Ze was bruin en glanzend als een pas gevallen kastanje. Joeri’s vrouw, de fiere en heilige koningin Tamar, was natuurlijk dodelijk jaloers en zinde op wraak. Ze slachtte een ram en sneed die in stukken. Die stukken gooide ze in een ketel kokend water en -’

‘Ik heb honger,’ klaagde Absyrt, knagend op een stukje rapenschil.

Fevronja keek hem op een bepaalde manier aan, Absyrt sloeg zijn ogen neer.

‘Ze gooide die stukken in een kokende ketel,’ herhaalde Fevronja, ‘en ze deed er kruiden bij die ze ooit had meegenomen uit haar verre keizerrijk Trebizonde. Tartaarse kruiden denk ik, niet te vertrouwen. En ook zout. En toen de boel goed had gekookt sprong er ineens een lammetje uit de ketel. ‘Ik wil ook jong worden!’ riep vorst Joeri toen hij dat zag, zodat hij zijn donkere prinses de hele nacht zou kunnen beminnen. ‘Maak mij ook jong in die toverketel, Tamar!’ ‘Spring er maar in,’ zei de koningin. Dat deed hij, en snel schoof koningin Tamar toen het zware deksel op de ketel. En dat was het einde van vorst Joeri.’

‘En wat gebeurde er met de prinses van India?’ vroeg Absyrt gretig.

‘Die is opgehaald door de Ridder met het Pantervel, maar dat vertel ik misschien een andere keer.’

‘Ik wil het nu horen en anders zal ik het nooit meer horen!’ riep Absyrt.

‘Doe niet zo raar,’ zei Fevronja korzelig, met een ijskoude, onzichtbare hand op haar hart.

 

Toen de lente weer was aangebroken klonk er op een middag gekraak aan de rand van de open plek, en de stammen zwiepten. Een jongeman wurmde zich van tussen de dichte, bleke berken. Hij droeg een gewatteerd borstharnas over zijn rode tuniek en een lederen helm met een bontkraagje, en zijn gladde gezicht tussen zijn engelenhaar vertoonde een paar bloedige schrammen.

Een edelman, verdwaald tijdens de jacht natuurlijk!

De jongeman staarde gefascineerd naar Fevronja.

Absyrt stormde uit de blokhut op hem af met het zwaard van vader. Maar Fevronja greep haar langsstormende broertje in zijn kraag en kletste hem om zijn oren.

‘Dit is een gast,’ zei ze, ‘schaam je je niet?’

‘Er kan niets goeds van komen,’ kermde de jongen, die niet meer gewend was aan andere mensen.

‘Schitterend meisje,’ zei de jongeman, ‘Mijn naam is prins Oljeni Joerjevitsj, zoon van de vorst van Kitesj.’

‘Verdwaald tijdens de jacht zeker?’

De prins knikte afwezig. ‘En – hoe is uw naam?’

Absyrt rukte zich los en vluchtte het schemerige bos in, waar hij zich tussen de stammen verborg en naar de nu zonbeschenen open plek begon te gluren, als een mot in de kaarsvlam.

‘Fevronja,’ zei Fevronja, en likte haar lippen.

 

Het was onvermijdelijk, er zijn niet zoveel mogelijke patronen in de wereld: Fevronja en Oljeni werden verliefd en hij vroeg haar subiet ten huwelijk.

‘Dan gaan we in Kitesj wonen zeker, in een mooi paleis met gladde houten zuilen en zware kleden aan de wand en torentjes met spinnewielen?’ vroeg Fevronja.

‘Ja.’

‘Zullen we gaan dan.’ Ze riep al om haar broer, en Absyrt kwam opgewonden als een hondje van tussen de stammen gerend.

‘Het aantal patronen is beperkt,’ zei Oljeni ineens op vlakke toon, alsof hij iets nazei wat hij helemaal niet wilde zeggen maar wel móest zeggen, ‘je krijgt wat en dat kost wat. Het kost het meest kostbare dat je bezit.’

Fevronja’s hart verkilde.

‘Ik begrijp het al,’ zei ze terwijl ze haar broertje weer in zijn kraag greep.

Hoe kwam ze plots aan vaders zwaard, hetzelfde zwaard dat in haar hand had gelegen toen vader op die ene fatale nacht bij haar in bed was gekropen, enkele winters geleden?

Hoe dan ook: ze zwaaide het en gebruikte het volleerd. Absyrts bloed kleurde het sappige meigras en in een wanhopige razernij sloeg ze toen zo woest op hem in dat stukken van de jongen door de lucht vlogen en overal op de open plek neerkwamen.

‘Zo,’ zei Fevronja tenslotte hijgend. ‘Nu heb ik gedaan wat ik moest doen om jou te winnen. Het offer is gebracht en ons huwelijk is al besmeurd en besmet voordat het is voltrokken. Want zo is de wereld en hoe ik ook door wroeging word verteerd, ik zou het wéér doen, elke mei opnieuw.’

Oljeni, die een zachte prins was, had zijn handen voor zijn gezicht geslagen. Hij zei iets.

‘Wat?’ zei Fevronja dodelijk vermoeid. ‘Doe je handen weg, ik versta je niet.’

‘Waarom deed je dat?’ vroeg de prins nog vermoeider en bleker dan haar.

‘Je zei dat het iets kostte om je te krijgen. Het kostbaarste dat ik bezat.’

‘Dat klopt,’ zei prins Oljeni. ‘Maar het kost iets anders. Iets anders dan dit.

Bekkengeschal! Boosaardig loeien van archaïsche, heidense hoorns! En allemaal in Fevronja’s radeloze hoofd. Ze stond te tollen op de open plek, het was alsof de hemel zwaarder en massiever was dan de aarde onder haar voeten.

 

 

Waarom de voorspelde toekomst onzekerder is dan de niet voorspelde
De nederzetting aan het immense meer valt nogal tegen. Zij bestaat uit hooguit tien haveloze houten huizen en schuren, waarvan enkele op palen in het water staan. Sommige huizen zijn afgebrand, zwarte staketsels steken krom en pervers in de lucht. Op het meer is het bij het gehucht een warboel te zien van fuiken, drijvers en wankele bouwsels van stammetjes waaraan kruisnetten hangen, druipend van alg. Een paar sloepen en roeiboten zijn op de oever getrokken.

Het is hier doodstil.

Tegen de laatste boom vóór het dorp zit een armoedige man. Hij lacht naar Fevronja en Oljeni, met schaarse zwartige tanden. Een afgebrand gehucht, ook in zijn mond.

‘Welkom in Kitesj,’ zegt hij. ‘Ik ben Grisjka, de gebruikelijke dronkenlap.’

‘Waar is het paleis met de torentjes?’ vraagt Fevronja. Ze keert zich om naar haar prins. ‘Als ik niet zo moe was van al dat dolen en lopen en nog verder lopen ging ik terug. O, arme Absyrt, ben je dáárvoor gestorven! En, Oljeni, waar is de menigte om ons op te wachten en ons toe te juichen, waar zijn de witte paarden en de bloemen die op me neer moeten regenen, waar zijn de dienaressen met de bruidsjurk over hun armen gedrapeerd, waar is vorst Joeri?’

‘Dit is niet Kitesj,’ zegt Oljeni vlak. ‘Dit is Klein-Kitesj. Kitesj of Groot-Kitesj, de gouden stad met het paleis, ligt nog verder.’ Vaag gebaart hij naar het meer.

‘Dan moet ik eerst rusten,’ zegt Fevronja.

Haar blik zoekt Oljeni. Maar de prins is al weg. Zeker om kwartier te zoeken, passend voor een bruidspaar van deze hoge rang. Dat zal nog niet meevallen in deze negorij.

Fevronja ploft neer naast de dronkenlap en krijgt een teug wodka.

‘Ik vind dit heel beleefd,’ zegt ze.

‘Als ik een bard was zou ik je ook nog een mooie toekomst voorzingen,’ zegt Grisjka. ‘Maar ik ben hier nu eenmaal de zuiplap en ik kan dus alleen de spot drijven, en dat is óók goed.’

‘Waarom is dat goed,’ vraagt Fevronja.

‘Omdat de voorspelde toekomst veel onzekerder is dan de niet voorspelde,’ antwoordt de dronkenlap.

‘Waarom dan?’

‘De niet voorspelde toekomst omvat alles wat kan en wat zal gebeuren, terwijl de voorspelde toekomst de hele santenkraam inperkt tot maar een paar dingen.’

‘Maar er zijn ook niet veel dingen, de wereld kent nu eenmaal niet veel patronen,’ werpt Fevronja tegen.

‘Dat is waar,’ zegt Grisjka. ‘Er zijn maar een paar patronen en nog minder zekerheden. Eigenlijk maar twee: de mens moet lijden en dan sterven. En tóch is de wereld vol schittering en heerlijkheid. Een eindeloze wereld is het: elke voorspelling is uiteindelijk even waar of onwaar.

Dat ziet Fevronja pas een beetje in, of denkt dat in te zien, na nog een paar slokken wodka.

‘Eigen stook,’ zegt Grisjka. ‘Niet van mij natuurlijk. Ik werk niet en ik stook niet. Ik ben een stinkende lelie des velds.’

‘Waarom is het hier eigenlijk zo stil,’ vraagt Fevronja.

‘Bijna iedereen is dood,’ zegt Grisjka.

‘Waarom – de pest?’

‘Nee,’ zegt Grisjka. ‘De Duitsers.’

 

 

Het verhaal van Grisjka

 

Het is niet de eerste keer dat hier een bruidspaar arriveert. De vorige Fevronja, zal ik maar zeggen, arriveerde hier ook met haar Oljeni. Het onthaal was feestelijk. Net toen ze met bloemen waren bestrooid en op de oever wachtten op de statieboot van vorst Joeri, werd het dorp overvallen door de Huurlingen. Duitsers waren dat en andere buitenlanders, Polakken, Bulgaren, in dienst van tsarina Jekaterina Velikaja natuurlijk, die duivelse manneneetster. Hun leider was een man met een steek en een pruik en kruislingse bandelieren over zijn borst. Zijn lange jas met de knopenrijen, zijn overmaatse manchetten vol vlekken… De ogen altijd zwervend, als zoekend naar iets wat achter de dingen zit. Geen wonder dat hij naar Kitesj was gekomen. Maar de mensen van Klein-Kitesj stroomden al uit hun hutten en vielen aan. De Huurlingen hieuwen op hen in met hun sabels, schoten hen neer met hun ingelegde pistolen, plunderden hun huizen, verkrachtten hun dochters en bonden hun zonen vast om die later op te kunnen eten. Want zo zijn ze, het zijn buitenlanders! Ook staken ze de boel in de fik. En al die tijd dat het tumult aan de gang was stond de commandant met zijn knopenjas en zijn laarzen en zijn manchetten op de oever over het meer te staren. Zijn handen op de rug. De staart van zijn pruikje stokstijf. En maar staren en turen. Alsof de slachting achter zijn rug hem niets aanging.

Toen het allemaal voorbij was en de onzen dood of gevlucht, werd ik voor hem geleid. Ik was niet dood of gewond. Ik werk niet en ik stook niet en ik vecht immers niet. Ik ben Grisjka, de dronkenlap en ik bezing de schittering van het leven.

‘Ze zeggen dat jij de weg naar Groot-Kitesj kent,’ sprak de commandant toen ik voor hem stond.

‘Nee!’ zei ik.

‘Goed,’ zei hij. ‘Breng me erheen.’

O, waar Oljeni gebleven was? Oljeni was weer eens verdwaald, faliekant het slagveld af, en waarschijnlijk ontsnapt naar huis.

 

In Groot-Kitesj gaat vorst Joeri zijn volk voor in gebed. Hij benoemt de druipnatte, pas weergekeerde Oljeni tot bevelhebber van de strijdkrachten. Terwijl de soldaten wegmarcheren, daalt een gouden mist neer over Groot-Kitesj en de kerkklokken beginnen te luiden.

(‘En waar was ik gebleven dan?’ vraagt Fevronja in verwarring. Grisjka lacht haar toe met zijn zwarte tanden. ‘Jij? Jij bent immers hier.’)

 

Als ik de Huurlingen naar een vooruitstekende plaats aan de oever heb gebracht, vanwaar Groot-Kitesj zichtbaar moet zijn, zien ze op het meer alleen een bleekgouden mist hangen, en roepen dat ze me zullen doden. De bezeten commandant loopt opgewonden heen en weer, en dreigt bijna het meer in te lopen, zo groot is zijn verlangen naar Kitesj.

Dan doemt het leger van Kitesj op uit de mist, een bezeten strijd op de oever begint. De mannen van Groot-Kitesj brullen hun aanvalskreet en blazen hun hoorns, de Huurlingen vloeken en tieren, terwijl ze naar hun pistolen en musketten en hun sabels grijpen. Gekletter van staal op staal als van gescheurde bekkens! Hier boort een archaïsche pijl zich in een oog, daar vliegt een arm door de lucht; gewonden liggen kermend in het riet en worden door paardenhoeven nog verder in de modder getrapt, schoten knetteren, de stank van bloed en ingewanden en buskruit, het demonisch krijsen van bajonet op kling. Het oevergras kleurt rood, het water bruin, stille lichamen drijven wiegend weg. De Huurlingen richten opnieuw een grote slachtpartij aan, maar moeten toch het onderspit delven omdat het meer onophoudelijk troepen baart. Ze vallen één voor een, die buitenlanders; sommigen, zoals hun eerloze commandant, weten te ontkomen in het hoge riet, ze verdwijnen als opgeslokt door onze moeder de Aarde. Tenslotte is er stilte, ook het leger van Kitesj lijkt opgelost als waterdamp. Maar de oever van het meer is over grote afstand getekend met het geheimschrift van wasbleke en roodgeverfde lijken van vriend en vijand. Onder hen was Oljeni, mooier dan ooit in zijn gewatteerde kuras en rode tuniek met gouden bies, alsof hij het sneuvelen had geoefend voor een spiegel.

‘En zijn laatste gedachte, het laatste beeld voor zijn ogen gold jou, Fevronja, dat weet ik zeker,’ besluit Grisjka.

‘Het is een prachtig verhaal,’ mompelt Fevronja, die nu behoorlijk dronken is. ‘Maar waar is Oljeni nu eigenlijk, mijn Oljeni bedoel ik, de echte?’

‘Dat vroegen we ons toen ook af,’ zegt Grisjka. ‘Toen we opnieuw keken konden we het lijk van die zachte prins nergens meer vinden.’

 

 

Intussen op de open plek

 

s Nachts zit er een beetje beweging in het achtarmige kruis op de groeve met de gestapelde stenen. Een klein beetje beweging, maar steeds een beetje meer. Naast de groeve ligt een andere, kleine groeve, haastig gegraven en niet gemerkt met stenen of een kruis. Boven deze groeve zweeft in het holst van de nacht nu en dan een dwaallichtje, als u het met alle geweld nóg mooier wilt maken.

 

 

De tweesprong

 

Terwijl Fevronja en Grisjka liggen te slapen, met tussen hen in de lege kruik, lijkt het bos een magische transformatie te ondergaan. De overlevering met haar onverbrekelijke patronen en motieven dringt zich verder en verder in het verhaal. Twee vitale clichés doemen op. De gekroonde, gelukbrengende vogel Alkonost met haar vrouwengezicht buigt zich over Fevronja en voorspelt dat ze zal sterven vóór Kitesj haar te pakken krijgt; de gekroonde vogel Sirin met dat andere vrouwengezicht, dat verdriet en treurnis brengt, buigt zich ook over haar en voorspelt dat ze omwille van Kitesj heel lang en misschien wel eeuwig moet leven.

 

 

Hier moet het ergens zijn!

 

Wiegend in een grote roeiboot op het uitgestrekte meer, met om je heen de ijle nevel, waar hier en daar het goud van de zon bleek doorheen breekt.

Het is de eerste keer dat Fevronja zich op zo’n grote watervlakte bevindt; ze durft zich nauwelijks in de boot te bewegen.

‘Hier moet het ergens zijn,’ mompelt Grisjka. Hij laat de riemen rusten en gebaart over het kalme water met de plechtig trage, theatrale beweging van de donkenlap.

‘Hier? Hier is alleen water,’ zegt Fevronja, die zich angstvallig met beide handen aan het boord vasthoudt.

‘Je moet naar beneden kijken,’ zegt Grisjka weer. ‘In het meer moet je kijken. Weet je werkelijk niet dat Kitesj een verzonken stad is? Waar ben je al die tijd eigenlijk geweest?’

‘Op de open plek met de blokhut, en in het stuk bos daaromheen,’ antwoordt Fevronja. ‘Vader sprak nooit over zulke dingen. Alles wat ik wist had ik min of meer zelf verzonnen. Dus Kitesj is een verzonken stad! Als ik dat geweten had, was ik nooit met Oljeni meegegaan. Wat heb ik aan een paleis met gladde zuilen en zware kleden als het onder water staat? Absyrt, o arme Absyrt, je bent voor niets gestorven!’

Grisjka lijkt verlegen met de situatie en kijkt maar weer in de diepten van het meer; hij buigt zich ver over het dolboord.

‘Ik geloof – ik geloof dat ik de klokken hoor luiden!’ roept hij dan, die zuiplap.

Nu buigt ook Fevronja zich bruusk over het water. De boot helt scherp, de wankele Grisjka stort voorover, hup overboord! Hoofd en schouders vooruit ploempt hij in het water en zinkt onmiddelijk weg; even is er een breed uitwaaierende rimpeling, dan alleen het grijsblauwe, haast spiegelgladde oppervlak.

Fevronja slaakt benarde kreetjes en staart radeloos in de diepte, haar knokkels wit van het kneden van de dolboorden. Van Grisjka geen spoor. Maar in de diepte meent ze nu een vage weerschijn te zien; een zweem van vergulde koepels, de donkere vormen van brede houten daken en gepolitoerde zuilen…

‘Kitesj, Kitesj,’ mompelt Fevronja met een brandend gevoel van verlies. ‘Grisjka… Oljeni!’

De hemel is een koepel van mist en melkachtige walmen en een gouden waas, maar het meer is peillozer. Fevronja rilt en strekt zich geluidloos huilend uit op de natte, vieze bodem van de wiegende, wiegende boot. Het zoete water ruikt zwaar, een beetje naar relikwieënbloed en halfvergane herinnering.

 

 

Bruiloft in Kitesj

 

In de verzonken stad wordt Fevronja monter begroet door vorst Joeri.

‘Welkom, lieve kind,’ zegt hij en laat haar het enorme, maar bijna lege paleis zien. Achter honderd vensters loert het eindeloze meer.

‘Kijk,’ zegt Joeri, ‘dit hier is de ketel waarin ik, of mijn vroegere ik, ooit vertwijfelde rondjes zwom.’

Hij wijst op een enorm vat met een deksel erop.

‘Ik wil Oljeni zien,’ dramt Fevronja.

‘Al goed, kind, laat die oude vorst Joeri je maar ter bruiloft voeren, het is een voorrecht…’

Maar ineens schrikt Fevronja op. Die ketel! Ze beseft dat ze in de geschiedenis is beland waarin ze zelf vorst Joeri tot de dood in de kokende ketel heeft veroordeeld. Neemt ouwe Joeri nu wraak? Of is het de wrekende geest van Absyrt die haar kwelt?

‘Ik wil weg! Laat me los!’ gilt Fevronja, maar aan de ijzeren greep van de onheuglijke Joeri valt niet te ontsnappen.

‘Laat me je ter bruiloft voeren, kind,’ mompelt Joeri weer. Ze steken een binnenplaats over en ver boven zich, in een uitspansel van water, ziet Fevronja de duistere bodem van de roeiboot, als de buik van de grote vis die ooit Jonas verzwolg en weer uitspuwde. Dan gaan ze door een dubbele houten deur en betreden een enorme, naar schimmel riekende zaal. Hier is in geen eeuwen gelucht, de ontelbare houten zuilen zijn bekleed met groenzilveren webben van alg en rag. Ergens op de zachte, mossige vloer slingert een oud pantervel.

In het midden van de zaal staat een baar waarop een stille gedaante ligt, bedekt met dikke lagen stof. Door de vuiligheid heen ziet Fevronja enkele strengen engelenhaar, en het gedempte rood van een tuniek met gouden bies.

‘Oljeni!’

‘Kom kind, laat me je ter bruiloft voeren,’ lispelt opnieuw de vorst van Kitesj, wiens ene hand de arm van Fevronja knelt en in wiens andere nu een zwaard ligt, dat verdomd veel op het zwaard van vader lijkt.

‘Dit is wat het kost om te krijgen wat je wilt,’ giechelt vorst Joeri in zijn witte baard. ‘Het kostbaarste dat je bezit…’

De baar met het lijk van de duizendmaal gesneuvelde prins Oljeni nadert, en daarmee natuurlijk het laatste moment van Fevronja, die niet wil sterven, ongeacht de wijsheden die de zuiplap Grisjna over het lot van de mensen heeft verkondigd.

‘Waarom is Kitesj eigenlijk verzonken en wat heb ik daarmee te maken!’ gilt Fevronja in wanhopig protest – en alles staat dezelfde seconde stil in afschuw en verbijstering.

Waarom?

Ontnuchtering, onttovering! Ze rukt zich met één woeste beweging los; de vorst valt zielloos voorover als een levensgrote pop van lappen, het zwaard boort zich in de soppige bodem.

Zonder nog naar Oljeni te kijken keert Fevronja zich op haar schreden om, Joeri’s losgeraakte arm wappert aan haar arm als een hoerige sjaal, tot de dode vingers zich ontspannen en de arm langzaam naar de bodem zeilt.

 

 

Intussen op de open plek

 

Er zit geen enkele beweging meer in het achtarmige kruis op de groeve met de gestapelde stenen. De kleine groeve ernaast is al overwoekerd door gras en sleutelbloemen, alsof die er nooit is geweest.

 

 

Slotscène zonder toneelaanwijzing

 

In het bos, dichtbij het meer, klinkt een droog pistoolschot, gevolgd door een woest gefladder als van een enorme vogel. Of misschien twee, of één die op twee lijkt. Er klinkt ook een grove, bijna wanhopige vloek.

Scheisse! Verfehlt!

Fevronja zweeft snel naar de oppervlakte van het meer, blijft nog even hangen onder die wiegende, zilverachtige scheiding die tegelijk aantrekt en afstoot. Maar dan slaat ze resoluut haar ogen op, bespeurt haar droge mond, de stekende hoofdpijn. Ze heeft voor het eerst van haar leven een verschrikkelijke kater, de wodka van Klein-Kitesj eist zijn tol.

Over haar heen buigt zich een gestalte. Het is die buitenlandse commandant met zijn pruik en vlekkenjas, die altijd maar aan de oever en de bosrand zwerft; zijn hand zweeft al aarzelend ergens boven haar buik, als een meeuw op de wind.

Hun blikken stoten op elkaar als botsende kometen, de dreun trilt na tot in hun bekken.

Ze zwijgen, draaien hun blik weg, loeren weer naar elkaar.

Ver weg op het meer klinkt een flard van een dronkemanslied.

‘Grisjka!’ zeggen ze allebei tegelijk, en lachen.

Even is het weer stil.

‘Ik ben Fevronja,’ zegt Fevronja dan.

‘Ik ben Philostratos Buguraz,’ zegt de Huurling, ‘aangenaam kennis te maken.’

De krankzinnige namen van die buitenlanders! Maar je kunt altijd een betere naam verzinnen, één die je al kent. Van de vorige keer bijvoorbeeld. De duizend vorige keren die achter deze keer staan – het aantal patronen in de wereld is nu eenmaal beperkt.

‘Ik weet de weg naar Kitesj, geloof ik,’ zegt Fevronja in een opwelling.

Er trekt een pijnlijke floers over het gezicht van de onuitsprekelijke vreemdeling. Hij maakt een wegwuivend gebaar. ‘Ach, Kitesj…,’ zegt hij. Het klinkt berustend.

Dan daalt zijn hand langzaam op haar buik.

Hart van steen : Rik Raven

Wanneer de zon zijn hoogste punt bereikt, vormen de schaduwen kleine kringen rondom de standbeelden in het gras. Er liggen geen papiertjes of plastic bekers, geen verwaaide bladeren van de bomen achter de spijlen van het hekwerk.

De beelden zijn van steen; ze zijn niet gebeeldhouwd, maar uitgehard, zoals verf of klei. Beelden van jonge mensen die zijn weggerukt uit hun leven al voordat ze een zonde kunnen plegen die groot genoeg is om indruk te maken op volgende generaties. Jongens en meisjes. Maar een paar zijn ouder dan twintig jaar geworden.

De schittering van de zon maakt de tekst op elke messing plaquette een korte tijd onleesbaar, maar hun namen zullen door niemand vergeten worden.

Zelden klinken hier stemmen en is het voornamelijk de stilte die heerst.

Wanneer er geen geneesmiddel wordt gevonden, zal deze gedenkplaats nooit uit de schaduw treden en in een ander licht komen staan. Dan zullen de stemmen wegblijven.

Als een symbool voor medemenselijkheid.

 

De kerkuil spiedt over het land, zijn witte, hartvormige gezicht roerloos. De dalende zon zet zijn glanzende veren in een teer rozerood licht. Als hij opvliegt klinkt zijn snijdende gil en hij verdwijnt uit het zicht.

Vanuit haar slaapkamerraam op één hoog ziet Lara haar broer Fabian al een kwartier geboeid omhoog kijken, hurkend in het lange gras. In gedachten hoort ze hem kreunen van pijn terwijl hij voorzichtig omhoogkomt. Hij zoekt steun bij het tuinhuisje als hij de grote vogel nakijkt. Lara ziet de inspanning op zijn gezicht. Ze zou hem zo graag willen helpen.

Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat ze hem in de gaten houdt. Een andere reden is dat ze zijn aandoening wil blijven monitoren, samen met haar ouders. Zijn symptomen zijn atypisch. Hij heeft geen pijn, zegt hij steeds weer. Hij weigert te klagen, want petrificatie komt altijd zonder pijn. Het is een virus, maar niemand kent de oorsprong en niemand heeft een geneesmiddel. Er is zelfs geen vaccin.

Iedere dag loopt hij minstens tweemaal door hun achtertuin, omdat hij zijn vogelobservaties nooit zal opgeven. Door haar raam ziet Lara de pijn die hij voor hen verborgen houdt.

In goede tijden was het tuinhuisje in gebruik als opslagruimte, maar er hoeft niet zo veel meer opgeslagen te worden, op de kapotte grasmaaier na. Fabian en de kerkuil lijken bijna een overeenkomst te hebben gesloten om elkaar daar te treffen.

Haar hart gaat uit naar Fabian omdat ze begrijpt waar zijn liefde voor vogels vandaan komt, want er is een stukje in hem dat als die vogel wil zijn, die wegvliegt,

weg van zijn pijn,

weg van de toekomst.

Ze legt hoofdschuddend haar kin op haar handen, zonder haar broer uit het oog te verliezen.

‘Lara,’ klinkt het gedempt vanaf de overloop. Haar moeder staat in de deuropening met een hand op de klink en in de andere hand haar mobiele telefoon – niet aan haar oor, want ze vindt het niet gepast om tijdens een sociale bezigheid in gesprek te zijn. ‘Wil jij op Fabian letten? Ik ben zojuist opgeroepen en je vader heeft zijn rust hard nodig.’

”Tuurlijk, geen zorgen, mam. Hij zit buiten. Vogels spotten.’

‘O, fijn, maak je je vader wakker als je zelf gaat?’

‘Ik blijf lekker in de buurt, mam. Komt in orde.’ Haar moeder, getrouwd met jonkheer Pieter Cullen van der Berckhout woonachtig in een imposant landhuis aan de rand van de stad, sluit de deur na een korte groet. Lara wist nog hoe haar ouders machteloos moesten toezien hoe alles sneller dan iemand kon verwachten bergafwaarts ging omdat de Wet van Murphy in werking trad. Het gezin kon een opeenstapeling van pechgevallen nauwelijks bolwerken met als gevolg dat vader, failliet geraakt, maar niet te trots, als nachtwaker aan de slag is gegaan in de haven, dat moeder twee baantjes heeft, als verkoopster en helpdeskmedewerkster, en dat ook Lara een sabbatical heeft genomen van haar studie taalwetenschap om bij te kunnen springen door een baantje op een administratiekantoor aan te nemen.

Dit alles om Fabian te sparen, om de vaste lasten van het grote herenhuis aan de Vrijheidsstraat te kunnen blijven betalen, geld opzij te kunnen leggen voor het noodzakelijke onderhoud en te voorzien in hun levensonderhoud. Er is te weinig geld voor een behandeling van Fabians ziekte in het centrale ziekenhuis.

Fabian heeft haar vaak gezegd dat hij niet gespaard wil worden, dat hij zich beledigd voelde. Een aantal maal heeft hij zelfs bijgesprongen om het budget aan te vullen door zich in te laten met Jens de Vrede, die Fabian uiteindelijk heeft kunnen diagnosticeren als petrificatiepatient. Jens is een talentvolle laborant die dit jaar zijn dokterstitel in de biotechnologie heeft behaald. Hij is ervan overtuigd dat hij degene zal zijn die petrificatie kan genezen. Lara had nog een relatie met hem toen hij begon als stagiair in een onderzoeksteam dat al bezig was met het ontwikkelen van een antivirusmiddel en inmiddels is hij de leidinggevende, trekt hij fondsen aan en houdt presentaties. Hij zegt steeds dat hij binnenkort een vaccin op de markt zal brengen.

Aanvankelijk was Lara trots dat ze kon zeggen dat haar ex-vriendje zo vastberaden was in het zoeken naar een medicijn en heel dankbaar dat hij Fabian onder zijn hoede wilde nemen. Echter, toen ze er achter kwam dat hij Fabian gebruikte voor zijn experimenten, was ze woedend en beëindigde ze de relatie. Ze waren dertien maanden samen en achteraf, realiseert ze zich, kon het weleens allemaal om Fabian te doen zijn geweest.

Fabian trekt zich weinig aan van haar bezorgdheid. Hij gaat zijn eigen weg en hij wil er alles aan doen om te genezen. Hij is anders dan andere patiënten, niet alleen vanwege zijn pijn, maar ook omdat hij geen laag intelligentiequotiënt heeft. Integendeel, hij denkt veel te veel na.

Fabian is twee jaar jonger dan zij en net achttien geworden, maar hij weigert haar toe te laten, alsof hij geen medeleven wil. Niemand had verwacht dat hij aan petrificatie zou gaan lijden. Ze had gedacht dat er meer vragen bij zouden worden gesteld, zeker van Jens, maar hij was de eerste die aanbood om Fabian te onderzoeken en behandelen. Blijkbaar worden de symptomen klakkeloos geaccepteerd. Wel lijkt het bij hem trager door te zetten, wat de reden zou kunnen zijn dat hij zo veel pijn lijdt. Hoe hij het laatste experiment heeft kunnen doorstaan, zal zij nooit begrijpen. Zij had geëist dat Jens en zijn team er mee stopten en niemand nam het haar kwalijk, alleen Fabian was boos geweest.

‘Je hebt het recht niet te beslissen of ik pijn lijd, of niet,’ had hij gezegd. ‘Ik draag mijn steentje bij en ik doe dat op mijn manier, Lara. Vroeg of laat verander ik toch in een standbeeld.’ Toen had hij zelfs even gelachen in het besef dat zijn woordgrap erg toepasselijk was.

Lara draait zich weer naar het raam en ziet dat Fabian een aantekening maakt in zijn notitieboekje. Hoe kan ze zich geen zorgen om hem maken? Hij is haar broer, ze lijken op elkaar. Allebei hebben ze donkerbruin haar, hoge jukbeenderen, een sterke neus en blauwe ogen, maar waar zij slank is, is hij mager en waar zij een roomwit gezicht heeft, is hij lijkbleek.

Fabian kijkt op alsof iets buiten zijn vogelwereld zijn aandacht trekt. Lara gaat een stukje over haar bureau hangen naar het raam. Er lijkt iemand achter het bouwvallige tuinhuis te staan, ze ziet een hand op Fabians arm. Fabian zet een stap achteruit, waardoor de onbekende zich bloot moet geven. Jens?

 

Fabian is uit de taxi gestapt en blijft, zoals altijd, nog even staan kijken, omdat het uitstappen energie vreet en hij op adem moet komen. Walter Koevoets is de taxichauffeur die hem stond op te wachten, alleen nu in de straat achter het herenhuis terwijl hij normaal zijn taxi voor het huis stopt. Walter kent alle patiënten die onder behandeling zijn in het ziekenhuis omdat hij de enige is die hen rijdt. Hij praat graag en heeft ook altijd een opbeurend woord klaar, maar tijdens deze rit zweeg hij. Fabian weet dat Walter en Jens elkaar kennen, want ooit heeft Walter hem verteld dat ze samen op school zaten.

Hij steekt zijn hand nog een keer op, maar Walter zit achter zijn stuur en kijkt niet eens, hij lijkt na te denken. Schouderophalend loopt Fabian Jens achterna.

Hij vindt het vreemd dat hij dit gedeelte van het ziekenhuis niet kent. Het zou een noodaanbouw kunnen zijn dat ze binnenstappen, zo’n witte blokkendoos die in elkaar is gezet met kleurloze gipsplaten. Ze lopen door een lange gang.

‘We zijn er bijna. Het komt allemaal goed,’ zegt Jens. Fabian weet nu heel zeker dat Jens niet op zijn gemak is. Er is namelijk altijd een stemmetje geweest aan de binnenkant van zijn oor dat hem waarschuwt als er zaakjes niet pluis zijn. Het vertelt hem als ogen te vaak knipperen, als een neus te rood ziet omdat er dwangmatig langs gewreven wordt, als een mondhoek hoger of lager staat dan eerder. Deze zenuwtrekjes zijn voor het stemmetje als flitsende neonlichten.

Fabian wil juist zeggen dat het hier erg stil is, wanneer er een jonge man in een witte doktersjas hen tegemoetkomt, even knikt en dan doorloopt zonder iets te zeggen. Fabian kijkt nog eens achterom, de man heeft een opvallende bos donkere krullen.

‘Dat is Elroy, een collega-onderzoeker. Dit is een aparte vleugel van het ziekenhuis.’

‘Zoiets als de pathologie?’ vraagt Fabian. Het lijkt een redelijke vraag, alsof hij oprecht geïnteresseerd is, ook al bezorgt zijn stemmetje hem de kriebels. Het zegt dat Jens iets verzwijgt.

Fabian zit al een ongewoon lange tijd in de tweede van de drie fases die je met petrificatie moet doorlopen. Maar het is nogal een verschil of je net in de tweede fase bent aanbeland of dat je fase drie al in je nek voelt hijgen. Fase drie betekent dat je gewrichten aan de verstening zijn begonnen waardoor je bewegingen aanzienlijk belemmerd kunnen worden. Fabian weet nog dat Leon, wiens beeld intussen in de Beeldentuin staat, hem vertelde dat het aan het einde van de tweede fase leek alsof zijn knieën en polsen in snel verhardend cement werden gegoten. Leon was een goede vriend, geestelijk gehandicapt, maar pienter. Ze leerden elkaar kennen toen Fabian tijdens een proefles turnen van een brug viel en onderzocht moest worden in het ziekenhuis. Hij had het heel moeilijk gevonden te zien dat Leon meer en meer problemen kreeg weer in beweging te komen. Iedere keer kostte het hem net dat beetje meer energie. Maar het lukte hem, steeds opnieuw, tot wilskracht alleen niet meer voldoende was en zijn beweging stopte.

Dat is wanneer de smering volledig achterwege blijft.

Dat is wanneer het besef doordringt.

Fabian zit al veel langer dan de gemiddelde patiënt in de tweede fase en hij is zeer geliefd bij de onderzoekers.

Jens glimlacht en staat stil voor een deur, maar hij gaat niet naar binnen. Fabian ziet hem twijfelen. Zelf kijkt hij de gang nog eens door, kil, wit en kaal. Geen bloem, tekening of aquarel om de boel op te fleuren. Er ligt een geweven loper over de vloer die de kanten niet raakt waardoor aan weerszijden de witte ondervloer zichtbaar is. Jens staart nog steeds naar de deur.

‘Wat is er?’ vraagt Fabian. ‘Waarom zijn we niet in het lab?’

‘Ons lab is verhuisd, want wat wij doen is geheim.’

‘Wegbezuinigd? Ik krijg toch wel betaald?’ vraagt hij.

‘Ja, nee, ja natuurlijk. Denk je dat Lara me nog heeft gezien?’ Jens fluistert dit laatste.

Fabian merkt aan alles dat Jens nog stapelverliefd is. Hij mag dan aan petrificatie lijden, hij voelt die dingen. Zelf denkt hij dat zijn val van de brug, waarna hij lang hoofd- en nekpijn had en nog heeft, hem op empathisch vlak sterker heeft gemaakt. Zeker is dat hij daar het stemmetje aan te danken heeft. Het virus heeft dat niet verstomd.

Jens grijnst vals en zegt uiteindelijk beslist. ‘Kom.’ Hij opent de deur, die eerst nog wat klemt, waardoor hij bijna naar binnen valt. Fabian wacht tot Jens zijn evenwicht heeft hervonden en loopt een ruimte binnen in de vorm van een omgekeerde T, al even kaal en wit als de gang. In het lange stuk recht vooruit staan zes bedden, drie aan elke kant. Op het eerste bed rechts ligt een langwerpige ovale vorm. Als hij wat beter kijkt, schrikt hij. Het lijkt wel of daar iemand ingepakt ligt in een strakke witte zak – gebakerd als een baby in vroeger tijden. Hij denkt een hoofd te zien, hij ziet zwarte krulhaartjes, maar als hij ernaartoe wil lopen, doet een krachtige stem, die kriebelt in zijn nek, hem pas op de plaats maken.

‘Jij bent Fabian?’ In de stem klinkt een contrabas, waarvan slechts een enkele snaar wordt beroerd. Achter een bureau in de rechterpoot van de T – in de linkerpoot staat er nog zo één – zit een man. Zijn oogwit wordt geaccentueerd door een diepbruine huid en de botstructuur van het gezicht is grof met strakke lijnen en hoge jukbeenderen, een kin als een strijkijzer en dunne lippen.

Fabian kijkt niet naar Jens, omdat hij vreest spijt te zien op zijn gezicht. Daar heeft hij niets aan. Hij denkt dat Lara de reden is voor Jens’ twijfel, maar er kon weleens meer achter zitten. Het stemmetje zegt het. Hij staat stil en kijkt naar de grond.

‘Ben jij Fabian?’ vraagt de contrabas nogmaals.

‘Ja,’ zegt Fabian. ‘Wie bent u? Wat doet u hier? U bent niet van het team.’ Elk lid van het onderzoeksteam draagt standaard een witte doktersjas met een naamplaatje.

‘Dokter De Vrede, heeft u deze jongeman niet op de hoogte gebracht?’ De man kijkt Fabian onderzoekend aan terwijl hij Jens de vraag stelt.

Jens houdt zijn hoofd scheef en lacht een glimlach die geen glimlach is, maar een gemiste kans. ‘Ik heb Fabian inderdaad niet alles verteld.’

‘Omdat hij het niet zou begrijpen?’ Nu draait de man zich volledig naar Jens.

‘O, vergist u zich niet. Fabian is niet achterlijk, integendeel, hij is zeer intelligent en volgens mij is hij de uitzondering die de regel bevestigt.’

‘O ja?’ vraagt Fabian. ‘En waarom hoor ik dat nu pas?’ Hij weet dat hij traag denkt door zijn hersenletsel, trager dan voorheen, maar hoeveel trager heeft hij nooit geweten. Hij is er altijd van uit gegaan dat zijn trage cognitie zijn intelligentie heeft beïnvloed en dat zijn IQ wel op een laag gemiddelde zou zitten.

‘Ik dacht dat je dat wel wist. Dat is ook de belangrijkste reden dat je ons favoriete studieobject bent, Fabian. Maar we zijn altijd voorzichtig.’

Fabian is nog even sprakeloos en kijkt beide mannen aan, Jens en de imposante, zwarte man. Een man die dermate uit de toon valt in de witte omgeving dat hij alleen daarom al respect verdient.

De grote onbekende moet de onderzoekende blik van Fabian voelen. Even lijkt hij zich te generen, de dunne lippen bewegen in een halve glimlach. Dan staat hij op achter het bureau. ‘Mijn naam is Alexandre Decotoi.’ Hij spreekt de achternaam uit als Deekootwa. ‘Ik wil je laten kennismaken met mijn dochter, Elisa. Ze is nog maar half zo oud als jij en zit al in de tweede fase van petrificatie.’

‘Dat is vroeg,’ bevestigt Fabian. Ergens is hij blij dat het onderwerp verandert, want zijn IQ is niet interessant, laat staan belangrijk. ‘Ik kan haar helpen te genezen?’

‘Je wilt meewerken aan de nieuwe behandeling?’ vraagt Decotoi.

‘Misschien wel, misschien niet.’ Hij kijkt naar Jens. ‘Heb je nog geen vaccin, dan?’

‘Bijna, maar dit keer is het anders, Fabian, en je krijgt het dubbele betaald,’ zegt Jens. ‘Dit zijn geen medicijnen of een therapie die je in ongemakkelijke houdingen boven warm water laten hangen, want we gaan beginnen met een bloedtransfusie.’

‘Dit klinkt heftig,’ zegt Fabian gelaten. ‘Hoe zit het met mijn bloed? Qua bloedgroep.’

‘Jullie bloedgroepen zijn ideaal, voor elkaar gemaakt. Jij hebt 0 resus D-negatief, de universele donor, en Elisa heeft AB resus D-positief, de perfecte ontvanger.’

Fabians aandacht verslapt al bij de eerste resus, hij hoort het stemmetje met de naam Wantrouwen. ‘En als het niet werkt?’ vraagt hij. ‘Waar zit de adder, het venijn?’

Jens kijkt hem niet aan, maar geeft het antwoord dat Fabian niet had willen horen. ‘Als het niet werkt, ga je dood.’ Jens blijft van hem wegkijken.

Jens is een lafaard, denkt Fabian, maar hij zegt: ‘Tja, nou ja, je bent eerlijk. Oké dan, dood ga ik toch. Is het niet nu, dan later.’ Hij denkt na. ‘Je weet waar je het geld naar toe kan sturen.’ Hij kijkt Alexandre Decotoi aan. ‘Naar de familie Cullen van der Berckhout.’ Fabians blik gaat heen en weer tussen Jens de Vrede en Alexandre Decotoi.

‘Je doet het toch niet alleen voor het geld? Je wilt toch ook genezen?’ Jens kijkt hem met een verachtelijke, kunstmatige hoop in zijn ogen aan. ‘Heb jij nu pijn?’

Fabian fronst zijn wenkbrauwen. ‘Waar wil je antwoord op? Ja, ik heb pijn, altijd, houd erover op.’ Hij legt een hand in zijn nek en knijpt zachtjes. ‘Ik begrijp nu waarom je dit in het geheim doet. Het ziekenhuis weet van niets, op een paar schimmige oncologen na, zeker. Dokter Heersma, bijvoorbeeld.’

‘Je hebt gelijk, het is geheim, maar zelfs Heersma weet dit niet. Stel je eens voor dat het gaat werken. Dat jouw bloed Elisa beter maakt en dat jij door de transfusie van je pijn af bent.’

‘Al wat ik me kan voorstellen, is de dood. Dat ik leegbloed, bijvoorbeeld. Misschien versteen ik wel onmiddellijk. Wat stel jij je voor dat er dan gebeurt?’ vraagt Fabian. ‘Denk je dat Lara je dan wel aardig vindt?’

Jens wendt ogenblikkelijk zijn ogen af. 1-0 voor mij, denkt Fabian. Hij schudt zijn hoofd en masseert zijn slapen.

‘Zo moet je dat niet zien, Fabian,’ zegt Decotoi met de stem die laag binnenkomt. Het geluid lijkt nog even na te trillen in Fabians oren. ‘Hier zijn andere redenen voor.’

‘Deze transfusie kan weleens het begin zijn van een heel nieuwe aanpak,’ begint Jens.

Fabian komt tussenbeide. ‘Waarom?’ Hij wijst weer naar de witte zak waar een donker hoofdje bovenuit steekt, dat zich naar hem toe draait als hij zich in die richting beweegt. ‘Ingepakt als een baby. Pure gevangenschap.’ Fabian wappert met zijn handen, want hij wil geen uitleg, hij wil eerst zien wie daar ingepakt ligt. Het voelt helemaal niet goed.

Hij hoort Jens naar hem roepen, maar hij is koppig en steekt zijn middelvinger op. Ze doen maar. Hij komt bij het bed en wordt aangekeken door ogen en een donker hoofdje, omgeven door zwarte krulhaartjes. Een meisje met smalle ogen, in een dubbele plooi gevat, en ze gunnen hem de liefste blik die iemand hem ooit heeft gegeven. Hij is nooit verliefd geweest, maar aan deze ogen heeft hij nu al zijn hart verpand. Hij ziet echter ook dat haar mond wat openstaat, dat ze haar tong een stukje uit steekt en dat ze een hele kleine neus heeft. Ze lacht naar hem. Alleen haar hoofd kan ze enigszins draaien.

‘Hoi, hoe gaat het met jou?’ En direct daarna roept hij: ‘Maak haar los.’ Hij is kwaad, hij is pisnijdig. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden? Dit is schandalig.’

‘Maar dat is Elisa,’ zegt Alexandre terwijl hij samen met Jens dichterbij het bed komt.

‘Nee, nee, nee, dit is helemaal verkeerd.’ Fabian kan niet de meteen de woorden vinden waarin hij zijn woede wil uitdrukken, dus hij kijkt Jens en vooral de vader met grote ogen en een indringende blik aan.

‘Nee, hoor,’ probeert vader nog vergoelijkend.

Dit is het moment dat Fabian start met vloeken, en zich pas excuseert als hij adem moet halen. ‘Sorry,’ zegt hij dan hoewel hij het niet meent. ‘Dit is totaal de verkeerde aanpak. Ze moet bewegen, hoe minder beweging, hoe sneller de gewrichten vast komen zitten en de botten verkalken.’ Hij kijkt naar Jens, beschuldigend. ‘Ze moet spelen, klimmen, rennen, zolang ze nog kan.’

‘Nee, Fabian, daarvoor is het te laat, ze kan al lang niet meer lopen. Fabian, kom eens hier.’ Alexandre Decotoi pakt hem bij zijn schouders en neemt hem een stukje mee, weg van Elisa die nog met dezelfde open mond en prachtige spleetogen om zich heen kijkt.

‘Je ziet dat ze het syndroom van Down heeft? Ik had alle hoop verloren tot ik dokter De Vrede ontmoette. Elisa heeft nooit gesproken, maar ik kan met haar communiceren en mijn vrouw ook. Tierry en ik houden van Elisa. Ze is ons enig kind. We willen niet dat ze al vroeg moet sterven, eindigen als een standbeeld in de Beeldentuin.’ Alexander moet ademhalen en Fabian knikt alleen maar. Alexander vervolgt: ‘Recent hoorde ik dat doctor De Vrede al enkele jaren bezig is een medicijn te ontwikkelen en ik heb ook gehoord dat jij hem daarin heel goed assisteert.’

Fabian weet niet wat te zeggen, hij haat het neerbuigende toontje dat direct volgt op de oprechte wanhoop.

‘Wat moet ik deze keer doen?’ vraagt Fabian aan Jens. Fabian is een man van zijn woord en hij krijgt dubbel betaald, maar hij zal moeten doorbijten. ‘Laat het niet weer dat zoutzuurachtige goedje zijn, want dan draai ik je de nek om.’

 

En hier ligt hij dan met een infuus in zijn arm naast het bed waarop een gebakerde Elisa ligt, die haar bevrijde rechterarm naast zich heeft liggen. Het is een heel dun armpje waar een grote naald in steekt en een dunne slang met bloed. De slang loopt naar een apparaat waar een doorzichtig zakje bloed in hangt. Aan de andere kant van de zak steekt een slang die naar zijn arm gaat. Ze heeft haar hoofd naar hem toe gedraaid. Ze lacht en het is wel duidelijk dat ze geen idee heeft waarom ze lacht, maar toch blijven haar ogen de mooiste die hij ooit heeft gezien. Fabian kijkt eens naar de naald die in de binnenkant van zijn elleboog zit. Door de slang stroomt zijn bloed. Naar buiten. Hij voelt zich slap.

Hij is echter allang blij dat hij niet zo’n pijn heeft als drie jaar geleden tijdens een van de eerste experimenten. Alle bedden waren bezet met jonge patiënten, de een nog zieker dan de ander van een of ander medicijn, maar zij waren zonder pijn. Elke patiënt moest zijn gekerm en geschreeuw aanhoren, totdat Jens – dokter De Vrede – het infuus uit zijn arm haalde, en de pijn iets draaglijker werd.

In deze zaal is het stil, op het murmelen van Elisa na. De bedoeling was dat Fabian zich ook vast liet binden, maar dat ging hem veel te ver. Hij weigerde.

‘Ik stel me beschikbaar zodat jij je belangrijke werk kunt doen en jij bent zo dankbaar dat je me nog verder in mijn vrijheid wilt beperken? Ben je helemaal gek?’

‘Het is voor je eigen veiligheid, Fabian.’ Weer die neerbuigendheid. ‘We weten niet hoe je lichaam reageert als er twee liter bloed wordt afgetapt.’ Gelukkig kon Alexander Decotoi Jens tenslotte overhalen om Fabian niet vast te binden, maar alles goed beschouwd is hij toch een soort van gekluisterd door zijn laffe bloed dat hem verlaat en hem eenzaam achterlaat.

Hij mist zijn vogels, hij mist de buitenlucht. Hij mist de kerkuil die altijd even komt kijken als hij bij het tuinhuisje zit. Soms hebben ze hele gesprekken, soms genieten ze alleen van elkaars aanwezigheid. En zo nu en dan mag hij mee.

Dan vliegt hij.

Dan hoort hij het ruisen van de wind, proeft hij regendruppels op zijn lippen.

Dan is hij vrij, is er geen pijn. Alleen wind, licht en vrijheid.

Nu hoort hij stemmen. Lara? Hij wil rechtop tegen het kussen gaan zitten als Lara binnenkomt, maar hij voelt zich als een natte krant en blijft in het dikke kussen liggen. Achter haar, met zijn arm uitgestoken omdat hij haar probeert tegen te houden, loopt Jens en daarachter komt Alexander Decotoi, de vader van Elisa, die de koelheid zelf is. Lara heeft haar armen gespreid als ze naar Fabian loopt.

‘Fabian, wat doe je nu toch weer? Je moet niet overal in meegaan. Wat is dit?’ vraagt ze aan Jens.

‘Een bloedtransfusie.’

‘Dat werkt niet, is al lang onderzocht. Waarom krijgt hij geen extra bloed?’

‘Fabian is speciaal. Straks.’

Lara schudt haar hoofd vanwege het nietszeggende antwoord en gaat naast Elisa’s bed staan. ‘Is dit je andere proefkonijn?’

‘Iemand voor wie Fabian de laatste hoop kan zijn, Lara.’

‘Wat kun je toch dramatisch doen, Jens. Waarom is ze zo ingepakt? Kan ook niet gezond zijn.’

‘Lara,’ fluistert Fabian. ‘Laat nou maar, ik krijg dubbel betaald en als Jens nog iets voor elkaar krijgt, is het niet voor niets geweest.’

Lara tilt haar handen op in pure wanhoop. ‘Er zijn tal van protocollen die je moet volgen bij een bloedtransfusie, en op deze manier lijkt het me sowieso niet toegestaan.’

‘In de oorlog tegen petrificatie is alles toegestaan. Meneer Decotoi kent de risico’s, Fabian stemde ermee in.’

‘Fabian wil alleen maar geld, omdat hij zich schuldig voelt.’ Ze kijkt naar Decotoi die naast zijn dochter gaat staan en op haar neerkijkt.

‘Ze is wakker,’ zegt Decotoi, ongelovig en verbaasd. Jens loopt onmiddellijk naar de andere kant van het bed en pakt haar pols.

‘Stabiel,’ zegt hij nadat zijn lippen ophouden met murmelend tellen. ‘Laten we nog even afwachten.’ Hij kijkt naar Fabian. ‘Hoe gaat het met jou, kerel?’

Fabian voelt zich duizelig, kan maar met moeite zijn ogen openhouden en eigenlijk wil hij slapen.

‘Ik wil vliegen,’ komt een heldere, hoewel wat slepende meisjesstem van Elisa vandaan, een stem die nooit heeft gesproken, alleen geluiden en onverstaanbare kreetjes heeft uitgekraamd.

Fabian is wakker en rolt zijn hoofd opzij. Ze kijken elkaar in de ogen. Hij let niet op de consternatie die volgt omdat vader Alexander zijn dochter voor de eerste keer hoort spreken, evenmin merkt hij de hand op zijn arm op waarmee Lara zijn aandacht wil trekken.

Al wat Fabian ziet, al wat hij kan lezen en begrijpen in die prachtige, bruine ogen is hetzelfde als wat hij voelt. Ook zij wil vliegen.

Vliegen, weg uit dit leven.

Vliegen naar een nieuwe lucht, een open lucht, zuiver.

Vliegen naar nieuw leven.

En wat hij dan doet, is achterin de tuin tegen het tuinhuisje gaan zitten en met de kerkuil praten.

‘Koppel ons af,’ zegt hij hardop.

Niemand zegt iets, dus Fabian zegt opnieuw: ‘Koppel ons af.’

‘Het is nog niet voltooid, Fabian,’ zegt Jens.

‘Doe het, Jens, anders zal ik niet meer in staat zijn om Elisa te helpen.’ Hij vermoedt dat er meer bloed is afgetapt dan twee liter. Hij had het kunnen weten.

‘Wat? Je helpt haar toch?’

‘Nu?’ roept Fabian door de grote zaal en krijgt bijna een flauwte van de inspanning.

 

‘Je had toch extra bloed kunnen pakken? Dan voelde je je nu niet zo slap, hoor,’ zegt Elisa en kijkt naar de hand die de hare vast heeft als ze onderaan de trap van het ziekenhuis staan. Het is avond, de duisternis is een feit.

‘Geen tijd,’ hijgt Fabian. Hij kijkt naar de grote draaideur die maar blijft draaien omdat er constant mensen het ziekenhuis in en uit gaan. ‘Volgt ze ons nog?’ Hij ziet Lara nog niet en hoopt dat zijn zus hem en Elisa kwijt is vanwege een plotse opeenhoping van mensen bij een geldautomaat. Hij zou willen dat hij het zijn zus had kunnen vertellen, maar hij kan en wil er niemand bij betrekken.

Hij wacht niet op Elisa’s antwoord en trekt haar opnieuw mee. Hij is dankbaar dat ze intussen een lange broek en een trui draagt die ooit zijn achtergelaten door patiënten. Ze kan hem goed bijhouden, hoewel ze op slippers loopt, met dikke sokken tegen de kou. Nu moet worden gezegd dat hij er zelf nog minder florissant bijloopt, hij hijgt als een dolle hond, zweet als een otter en ziet rood als een kreeft, de hele dierentuin. Elisa steelt de show met een paarsrode blos op haar donkere wangen en de korte krulhaartjes op haar mooie hoofd. Ze kijkt hem steeds aan met haar hoofd een beetje schuin en een glimlach op haar lippen, alsof zij hem ieder moment zal gaan vertellen wat hij moet doen.

‘Wacht,’ zegt Fabian. Op papieren benen stopt hij bij een boom, in de schaduw en buiten de lichtkring van een lantaarn. Met zijn hand tegen de ruwe bast en zijn hoofd gebogen spuugt hij in het zand, hij dwingt zichzelf niet te huilen van de pijn. Hij moet het echt kalmer aan doen. Het is niet alleen het bloedverlies, maar ook de pijn in zijn rug, zijn knieën en enkels. Hij bijt op zijn tanden. Eerst bijkomen, uit het zicht blijven. Hij ademt zwaar, maar glimlacht, denkend aan haar woordkeuze “extra bloed pakken”, want het lijkt zo makkelijk. Het is waar, Jens heeft aangeboden om hem bloed bij te geven, zodat hij wat meer energie zou hebben, na eerst te veel te hebben afgetapt. Hij is een smiecht. Fabian zegt het bijna hardop.

Jens, Lara en zelfs Decotoi waren het erover eens dat Elisa onderzocht zou gaan worden en dat ze dan met haar vader zou meegaan zodat hij kon beginnen met de registratie van de mate waarin haar genezing zou doorzetten.

Maar Fabian weet wat Elisa werkelijk wil. En niemand kan zeggen hoe lang ze heeft. Hij legt zijn hand op haar schouder, een smalle schouder. Hij doet dat omdat ze een band hebben met elkaar, maar ook omdat hij de steun nu erg goed kan gebruiken. Alle steun is welkom; geestelijk en fysiek. Want hij twijfelt.

Is het wel mogelijk wat hij wil doen? Los daarvan: hij is nog maar achttien. Mag hij zo’n beslissing wel nemen? Het zal Elisa’s leven bepalen of beëindigen. Wil hij die verantwoordelijkheid nemen? Hij ademt diep in, de pijn zakt wat, zijn adem normaliseert en hij kijkt rond op zoek naar een taxi, op zoek naar Walter. Zijn benen voelen nog slap, maar de duizeligheid is minder. Vlakbij hen, dichtbij de ingang, is de kleine parkeerplaats voor kortparkeerders. Er staan enkele mannen op het trottoir bij hun wagens te praten. Dat moeten chauffeurs zijn, blijkens hun kostuum en stropdas. Hij zoekt naar een lange vent met zwart piekhaar en felblauwe ogen, maar Walter is er niet.

‘Heb jij geld?’ vraagt Fabian aan Elisa. Hij weet het antwoord voordat hij is uitgesproken. Nee, natuurlijk heeft ze geen geld, voor vandaag kon ze niet eens praten. Hij pakt weer haar hand en loopt naar de chauffeurs toe. Voor hen staat hij stil. De drie mannen stoppen hun gesprek als hij vraagt: ‘Wie van jullie wil ons naar de Vrijheidsstraat brengen? Ik heb nu geen geld.’

Ze kijken elkaar aan en twee schudden hun hoofd als willen ze zeggen: daar begin ik niet aan. De derde chauffeur wijst over Fabians schouder en zegt: ‘Ik denk dat je hem moet hebben.’

‘Wachten jullie eens even,’ zegt Walter die net aan komt lopen met een papieren beker in zijn hand.

‘Walter,’ zegt Fabian. Hij voelt hoe de moeizaam opgebouwde energie in een oogwenk zijn benen verlaat. ‘Kun jij ons naar huis brengen?’

Walter heeft maar een moment nodig om te zien dat hier meer aan de hand is. Tenslotte heeft hij Fabian samen met Jens naar de onderzoeksunit gebracht. ‘Ik breng je naar huis. Ongelooflijk dat De Vrede dit zomaar kan blijven doen. Waar is je begeleiding? Je zus is er toch altijd bij?’

‘Nee, nee, ze is er niet. We moeten snel naar huis. Ik leg het wel uit in de taxi.’ Fabian klemt zich vast aan een auto en Walter pakt hem bij de arm en houdt hem omhoog. Fabian zoekt Elisa en zij knikt hem geruststellend toe.

‘Jij blijft hier gewoon even heel rustig staan,’ zegt Walter en ondersteunt Fabian. ‘Is hij jouw vriendje?’ vraagt hij vervolgens aan Elisa. ‘Jij moet toch wel iets beters kunnen krijgen?’ Hij lacht breeduit.

Elisa wendt haar blik af en krijgt een paarsrode blos op haar donkere, glanzende wangen. Ze is een meisje van net geen tien jaar oud dat een compliment krijgt waar ze niet mee uit de voeten kan. Fabian kan amper geloven dat ze nog maar enkele uren eerder gebakerd op het bed naast hem lag, en dat ze vanwege de toediening van zijn bloed hier kan staan, als een prachtig meisje.

‘Fabian,’ zegt Elisa en buigt zich wat naar Fabian. ‘Ik wil vliegen, hoor.’

‘Ze wil wat?’ vraagt Walter.

Maar Fabian glimlacht en Elisa en hij wisselen een blik van verstandhouding, zo’n blik die hij vaker heeft gezien als er iets verzwegen moet worden dat pijnlijk kan zijn voor de betreffende aanwezige.

‘Stap in,’ zegt Walter en zwaait naar zijn collega’s. ‘Heren, maak ruimte voor de familie,’ hij pauzeert nadrukkelijk en kijkt naar Fabian, die aanvult: ‘Cullen van der Berckhout.’

‘Klopt ja. Van de Vrijheidsstraat,’ maakt Walter het af. Hij leidt Fabian en Elisa naar een wagen aan het begin van de rij.

Ze stappen in en eenmaal in de wagen, als Walter de motor heeft gestart, vraagt Fabian: ‘Denk je dat je getuigen nodig hebt, voor als wij niet betalen?’

‘Je bent slim.’ Hij kijkt hem via de achteruitkijkspiegel aan, maar gaat er niet verder op in. ‘Dat wordt de tweede keer vandaag.’

‘Ja.’

‘Dat grote huis kan wel een likje verf gebruiken.’

‘Jij bent eerlijk, maar dat gaat gebeuren.’ Fabian ziet Walters blauwe ogen in de spiegel, ze kijken naar Elisa en één ervan knipoogt.

‘Heeft zij ook met Jens te maken? Wacht, zij heeft toch geen …?’ Walter stopt midden in zijn zin.

‘Waarom zeg je het niet? Petrificatie.’ Fabian kijkt achter zich naar de ingang van het ziekenhuis. Hij ziet geen Lara, geen Jens of meneer Decotoi buiten staan.

Walter start zijn wagen, en volgt gelijktijdig Fabians blik naar de ingang van het ziekenhuis. ‘Mijn zusje Wanda staat in de Beeldentuin.’

Fabian is even verrast, maar duikt weg als hij Lara uit de grote draaideur ziet komen. Ze spiedt om zich heen.

Walter rijdt meteen weg van de parkeerplaats. Het blijft een hele tijd stil op het zoemen van de motor na totdat Elisa zegt: ‘Dat vind ik erg, meneer, van uw zus, maar ik word misschien wel heel oud. Fabian heeft me zijn bloed gegeven, want hij heeft het ook en nu ben ik ineens veel beter.’

Fabian wil haar zeggen haar mond te houden omdat er nog niets zeker is en omdat niet alles wat Jens doet even legaal is, laat staan ethisch geaccepteerd.

‘Jouw bloed?’ vraagt Walter en kijkt Fabian aan via zijn spiegel. ‘Dit is toch niet oké? Ik zou weleens willen weten wat dokter Jens de Vrede daar allemaal uitspookt.’

‘Ik weet niet of dat zo’n goed idee is,’ zegt Fabian. ‘Ja, door hem voel ik me nu als een dweil, maar deze behandeling zit nog in de experimentele fase.’

‘Waarom jouw bloed?’

‘Omdat ik ook petrificatie heb.’

‘Dat zeg je en ik heb je al vaker gebracht, met en zonder dokter De Vrede, maar jij kunt geen petrificatie hebben. Ik heb nog nooit iemand met petrificatie ontmoet die zulke volzinnen spreekt als jij doet.’

‘Daarom willen ze mijn bloed. Ik ben de uitzondering die de regel bevestigt. Ooit ben ik op mijn kop gevallen en daardoor kon het virus binnendringen.’

Het blijft even stil voorin de wagen, waarschijnlijk omdat Walter de snelweg opstuurt. ‘Ik geloof het niet. In welke fase zou je moeten zitten dan?’

‘In de tweede.’

‘Ach, kom op. Dan zou je er veel erger aan toe moeten zijn. Je loopt goed, beweegt normaal. Hebben ze je onderzocht op reuma? Heb je pijn?’

Fabian kent al deze vragen. ‘Ja.’

‘Wat ja?’ vraagt Walter ongeduldig. ‘Heb je pijn?’

‘Ja.’

‘Wanda had geen pijn en de meeste petrificatiepatiënten hebben dat niet. Hebben ze je ooit getest op reuma?’

Fabian wil niet laten merken dat hij deze vragen al duizend keer heeft beantwoord en zegt: ‘Waarschijnlijk wel, dit komt niet uit de lucht vallen. De Vrede heeft me grondig onderzocht, iedere keer weer.’ Maar hij denkt ook aan Jens die zich een specialist op het gebied van petrificatie noemt en hem toch vraagt of hij pijn heeft, waar hij vervolgens niets mee doet.

Walter kijkt hem nog een keer aan vanuit zijn binnenspiegel en schudt zijn hoofd.

‘Goed joh, ik vraag niets meer,’ zegt hij en draait zich even snel om naar Elisa. ‘Mijn naam is Walter Koevoets en ik heb de eigenschap dat ik overal binnenkom.’ Hij lacht zijn tanden bloot. ‘En wie ben jij?’

‘Zij is Elisa Decotoi,’ zegt Fabian.

‘Hallo,’ zegt Elisa.

Walter geeft een ruime knipoog in zijn spiegel en zijn voet duwt het gaspedaal diep naar beneden. De motor gromt luid.

 

Fabian vraagt Walter Koevoets of hij hen wil afzetten op dezelfde plek waar hij eerder vandaag stond te wachten. De poort is de enige manier om thuis te komen, omdat Fabian alleen een sleutel van de achterdeur bij zich heeft.

‘Veel geluk,’ zegt Walter als Fabian en Elisa zijn uitgestapt. ‘Ik weet niet wat je van plan bent, Fabian, maar doe je voorzichtig met haar? Het is al laat en erg donker, houd je er rekening mee?’

‘Natuurlijk meneer, bedankt,’ zegt de ietwat beduusde Fabian en stapt uit.

Walter geeft gas en rijdt de straat uit. De banden piepen bij de volgende bocht. Opeens beseft Fabian dat Walter in zijn spiegel had gezien dat Fabian op de parkeerplaats bij het ziekenhuis in elkaar dook. Het was zo klaar als een klontje dat hij niet gezien wilde worden door iemand die voor het ziekenhuis stond.

‘Wat is er? Moeten we hier zijn?’ vraagt Elisa.

‘Ja,’ zegt Fabian, ‘Ik woon hier. Ik wil je iets laten zien.’

‘Wat leuk. Spannend,’ zegt ze nieuwsgierig, maar Fabian merkt dat haar stem lager klinkt en haar woorden trager worden uitgesproken.

Niet veel later zitten ze samen in het gras bij het tuinhuisje, maar later dan hij had gewild omdat Elisa’s bewegingen stroever worden. Gelukkig brandt er geen licht in het huis en Fabian vermoedt dat zijn vader al naar zijn werk is. Zijn moeder is ook niet thuis en wat Lara gaat doen, dat weet hij niet. Hij hoopt dat hem nog wat tijd is gegund met Elisa.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij aan haar. Het stemmetje dat hem altijd waarschuwt, is ontspannen, voor het eerst in zijn leven is dat stemmetje helemaal zen. Alsof het goed is, alsof hij de enige is die weet wat te doen in deze situatie.

Elisa kijkt hem aan, spreekt niet en helt haar hoofd slechts langzaam in zijn richting. Hij hoopt dat hij op tijd is, hij hoopt dat de maan tevoorschijn komt, maar vooral hoopt hij dat hij haar mee kan nemen, de lucht in. Vliegen.

‘Als je kunt, dan moet je blijven kijken naar die onderste tak, een dikke tak die is afgebroken en waar geen bladeren aan zitten.’ Zijn vinger wijst en hij kijkt langs haar heen om zeker te weten dat haar blik is gericht op die ene goede tak.

Het geluk is met hen en slechts enkele minuten later landt de kerkuil met het witte hartvormige gezicht op zijn tak. Hij veert amper door, het is een stevige tak, zijn tak. Het beest draait zich rechtstreeks naar Elisa, zijn grote ogen roerloos, starend. Fabian weet bijna zeker dat de uil alles weet en dat hij wist wanneer te komen. Ze hoeven niet te praten. De witte hartvorm draait in hun richting en de uil knikt. Fabian twijfelt niet meer.

Elisa legt haar hand heel langzaam op zijn arm en hij legt er de zijne overheen, hij voelt hoe de warmte uit haar huid trekt. ‘Kijk, lieve Elisa, ga met hem mee. Ga vliegen. Vlieg! Je vrijheid tegemoet.’

Haar gezicht draait traag omhoog.

 

Walter rijdt zijn wagen het voetgangersgebied op, stopt voor de trap naar de ingang van het ziekenhuis, gooit het portier open en roept: ‘Als je Fabian en Elisa zoekt, moet je nu instappen.’

Lara staat er inderdaad nog steeds. Natuurlijk is ze al een keer terug naar binnen gegaan, maar direct voelde ze zich schuldig en liep terug naar buiten. Ze heeft de auto eerder wel met zijn lichten zien knipperen, maar besteedde er geen aandacht aan. Pas als ze geroepen wordt en ze Fabians naam hoort, springt ze op en rent naar de taxi toe.

‘Waar zijn ze? Weet u dat?’

‘Stap in,’ is alles wat hij zegt en hij wacht niet eens tot ze naast hem zit en haar gordel heeft vastgeklikt. ‘Ik ben Walter Koevoets.’ Hij laat zijn standaard grapje voor wat het is en scheurt van het ziekenhuis weg.

‘Luister naar me,’ zegt Walter. ‘Ik heb Fabian en Elisa, het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien, naar de Vrijheidsstraat gereden. Ik ken Fabian omdat ik hem vaker in de taxi heb gehad, en jou ook, trouwens. Ik ben Walter Koevoets.’ Ze kijkt hem gespannen aan en knikt kort. Ze herinnert zich hem als de taxichauffeur met die blauwe ogen die vooral petrificatiepatiënten rijdt. ‘Elisa wil gaan vliegen,’ vervolgt Walter, ‘ze heeft petrificatie en ik zag haar voor mijn ogen verslechteren. Fabian had dit heel goed door en daarom wilde hij haar meenemen. Hij heeft een plan, ik weet niet wat, maar hij zal zich door niemand laten tegenhouden. Ook niet door jou.’

‘Nee, ik wilde hem helpen. Alles is de schuld van Jens. Ik bespaar je het verhaal.’

Walter moest zich even concentreren op zijn scheurkunst om geen ongelukken te veroorzaken, maar zegt toch: ‘Jens de Vrede. Ik ken hem.’

‘Ja, jij hebt toch bij hem op school gezeten?’

‘In dezelfde klas, hij was een uitslover,’ grinnikt Walter. ‘O ja, Lara? Die broer van je heeft helemaal geen petrificatie.’

Eigenlijk wil Lara haar schouders ophalen omdat Walter al de zoveelste is die dit zegt, maar ze doet het niet. Omdat ze steeds slechts één man op zijn woord heeft geloofd.

Wie zegt dat al die anderen ongelijk hebben?

Wie noemt iedere andere mening ongefundeerd en van enige medische kennis gespeend?

Jens.

Wie zegt dat een second opinion tijdverspilling zal zijn?

Jens.

Wie spint er garen bij Fabians vermeende petrificatie?

Jens.

‘Walter?’ zegt Lara. ‘Gas erop.’

Walters moment van verrassing is kort en hij glimlacht verbeten als hij rechts de vluchtstrook oprijdt en twee trage auto’s inhaalt, die beide stroken nodig hebben.

‘Je hebt me een spiegel voorgehouden, Walter. Maar ik zag wel wat Fabians bloed heeft kunnen bewerkstelligen bij Elisa.’

‘Wat ga je doen?’

‘Misschien petrificatie genezen?’

‘Ambitieus, jonge dame, maar ik sta achter je.’

‘Jij gaat met me mee naar binnen. Ik weet waar ze zijn,’ zegt Lara als hij de taxi op het trottoir van de Vrijheidsstraat zet en ze beiden uitstappen. ‘Kom op.’

Walter rent achter haar aan met grote stappen en vangt nog net de voordeur op voordat deze in het slot valt. Door een lange gang met deuren aan beide zijden waarvan sommigen op een kier staan en waardoor hij meest kale ruimtes ziet met veel lichtinval. Hij ziet haar nog net door een grote woonkeuken rennen, die in tegenstelling tot de andere ruimten zeer knus is ingericht met veel planten, schilderijtjes aan de muren en keukenkastjes met diverse geschilderde afbeeldingen, als goed gelijkende reproducties van Van Goghs zonnebloemen of de Aardappeleters van Rembrandt.

Weer vangt hij de deur op voordat hij dichtvalt en hij staat ineens stil. Buiten. In het donker.

De maan werpt een vaalblauw licht op een grote tuin, op lange grashalmen en grote borders struikgewas. Langs het grasveld loopt een smal zandpad, dat grotendeels is overwoekerd door struiken.

Hij loopt naar een kleine blokhut, waar hij nog net de omtrekken van Lara ziet in de duisternis. Met grote stappen, en zijn lange benen zijn nu een voordeel, beent hij naar het tuinhuis, maar hij schudt zijn hoofd al. Ze zijn te laat.

‘Nee,’ fluistert hij.

Fabian zit in het gras tegen de houten hut en huilt zacht, zijn gezicht in zijn handen.

Naast hem zit een beeld. Een beeld van een jong meisje.

Haar gezicht is in opperste vervoering als ze omhoogkijkt alsof ze het grootste wonder van het bestaan aanschouwt.

Ze is blij, ze is verrukt en wil alleen maar vliegen.

Ze vliegt!

De knipoog van de meermin : Jack Schlimazlnik

De Dari Mana was aangemeerd in Pulau Tamera, een kleine haven op een eiland waarvan de vulkaan grotendeels in tropisch groen verloren ging. De moessonregens kletterden op het dek alsof de zondvloed was ingezet. Het water van de kleine baai leek te zieden onder het natuurgeweld. Ontdaan van haar ballonnen, met ingevouwen vleugels en gereefde zonnezeilen, leek het schip net zo klein en kwetsbaar als de vissersbootjes van de plaatselijke bevolking.

Aan de bamboe droogrekken op de kade hingen voornamelijk inktvissen die dropen van de regen en een uur in de tropische wind stonken. Hooploper Roger Nelson was mede daarom, net als het overgrote deel van de bemanning, van boord gegaan. In Pulau Tamera verwachtte hij geen stad met een uitgebreid havenkwartier voor het nodige vertier, maar zoals de meeste nederzettingen waren de eerste levensbehoeften er te vinden: drank en hoeren. Zelfs in de stromende regen werd die nering gedaan.

Aan de kade stond een eenzame, jonge vrouw te wachten. Ze hield een paraplu vast, waardoor ze steeds in het water dreigde te waaien. Zonder veel omhaal bracht ze de zeelui van de Dari Mana naar het enige bordeel van Pulau Tamera. De dames die er op de rood verlichte veranda wachtten, sprongen enthousiast op toen ze hun klanten zagen. Ze trokken hun kleding naar beneden, waardoor prachtige tatoeages te zien waren. Ze dansten, de vrouwen, hun tatoeages leken in de rosse gloed op hun huid mee te dansen als in een oeroud ritueel.

Het bordeel kende slechts enkele kamers en was daarom snel vol met degenen die het meeste geld boden voor een paar uur vergetelheid. Nelson slenterde door, op zoek naar een kroeg; hij ging uiteindelijk liever zijn eigen weg. De wegen van Pulau Tamera waren drasland geworden in de onophoudelijke stroom regen. Hij hoorde dikke druppels ratelen op de bananenboombladeren die als een dak boven de nederzetting hingen, hetzelfde ritme tikte op de daken van zink en palmbladeren. Hij kwam onderweg langs een tatoeagetoko. De plaatjes in de etalage waren een mengeling van rituele motieven en de gebruikelijke souvenirs voor zeelieden. Het bleek niet alleen de populairste, maar ook de enige kunstvorm van het eiland te zijn. Waar de inkt vandaan kwam, liet zich raden: ook hier hingen inktvissen aan droogrekken, zorgvuldig ontdaan van hun inktreservoir.

‘Wanna tattoo?’ vroeg de tatoeëerder vanuit zijn toko.

Nelson, die onder het afdak voor de toko schuilde voor de regen, schudde zijn hoofd. De lekkende inktvissen gaven hem een gevoel van onveiligheid. De primitieve instrumenten van de tatoeëerder, voornamelijk vervaardigd uit bamboe en vulkaanglas, deden de rest. Hij had kerels gekend die nachten hadden liggen kermen door een onzorgvuldig uitgevoerde tatoeage die, tegen de tijd dat ze weer aan boord waren, een drab van bloed en etter was geworden.

Snel liep Nelson verder. Even verderop zag hij een soort terras aan de haven. Het terras was, onder de niet aflatende regenbui, uiteraard leeg. De bijbehorende havenkroeg was wel geopend. Deze had uitzicht op de baai, voor zover dat uitzicht niet door de regen werd belemmerd. Van de Dari Mana zag Nelson slechts de grijze omtrekken, alsof het schip als een spook opdook uit de nevel.

De kroeg was gebouwd van ruwe lavasteen. Het dak was een bamboe constructie met daarop zinken platen. Een normaal gesprek zou door het klateren van de regen niet te verstaan zijn; de stamgasten keken daarom zwijgend voor zich uit. Nelson voelde zich onmiddellijk thuis: niemand die hem iets wilde aanpraten, zijn gedachten wilde vormen of zijn tijd zou verdoen. Rottende palmbladeren moesten de kille, natte windvlagen buitenhouden, maar Nelson merkte dat het weinig effectief was. Hij had spijt dat hij zijn scheepstrui aan boord had gelaten. Het bevreemde hem dat de stamgasten, blijkbaar plaatselijke vissers, in slechts een katoenen hemd bij de deur zaten.

Hij ging naar de bar. ‘Bier!’ riep hij. Hij gebaarde naar het vat waaruit hij even daarvoor het goudgele vocht getapt had zien worden. Tegelijkertijd legde hij een paar stuivers op de toog.

In de schaduwen achter de toog bewoog wat. Het was de waard: hij strompelde moeizaam op een bamboepootconstructie tussen toog en vaten. Het was er duister, want de walm van het flakkerende olielampje was dikker dan het licht. Toen de waard aan de toog verscheen, zag Nelson dat de man bijna zwart zag van het vulkaanstof. Daaronder glansde dof een koffiebruine huid met ondefinieerbare tatoeages. De man had goudgele ogen en een vriendelijke glimlach waardoorheen een gouden tand glinsterde. Hij overhandigde Nelson een kroes vol schuimend palmbier.

Nelson trok zich met zijn bier terug in een hoekje van de kroeg. Hij zag hoe de waard achter de toog redderde. Er kwamen heerlijke geuren van gekruide rijst en geroosterde vis uit die richting.

Plotseling waaide de kille wind naar binnen. Nelson keek verschrikt op. Het vuur van de oven en de vlam van het olielampje flakkerden op, waardoor de tatoeages op de huid van de waard in het licht leken te dansen. In de deuropening was een zeebonk komen te staan, wiens gestalte de gehele kroeg verduisterde. Toen hij een pas naar voren deed, drong het grijzige daglicht weer binnen, waardoor Nelson de nieuwaangekomene goed kon bekijken.

De man had een postuur als een gorilla. Hij droeg een oude zeemanspet op zijn kalende hoofd. Wat hem aan haar op zijn hoofd ontbrak, werd meer dan goedgemaakt door de weelderige grijze krullen van zijn baard. Een oud hemd omspande zijn borstkas. Het was mouwloos, zodat de uitbundige tatoeages op zijn bovenarmen goed te zien waren. Hij droeg een oude broek, bijeengehouden door een zware leren riem, waartussen een fikse dolk was gestoken. Zijn voeten waren in stevige laarzen gehuld. De man maakte een gebaar naar de waard, die boog en blijkbaar een bestelling voorbereidde.

‘Jij komt van de Dari Mana?’ vroeg de man aan Nelson. Zijn stem was even imposant als zijn gestalte.

Nelson knikte. Hij vermoedde dat iedereen in Pulau Tamera moeiteloos kon aanwijzen wie de pas gearriveerde vreemdelingen waren. De grote man was echter geen inboorling, daarvoor waren zijn ogen te blauw en was zijn grauwe huid te blank.

‘Ik ben vijf jaar geleden hier gestrand en gebleven. Harold Taylor, Brits onderdaan, geboren en getogen in Southampton,’ stelde de grote man zich voor. Toen draaide hij zich naar de toog, waarop een enorme kroes palmbier was verschenen. Hij greep de kroes, zijn biceps bolde. De zeemeermin die erop was getatoeëerd, leek naar Nelson te knipogen.

De knipoog deed Nelson denken aan zijn grootvader. Ook die had diverse tatoeages gehad. Hij had zijn kleinkinderen ermee vermaakt door met bepaalde spierbewegingen de tatoeages tot leven te laten komen: een jongedame met opwippende blote borstjes, een deinend schip, een draak met een kronkelende staart, een tekening rond een huidplooi die op een manier bewoog waarover de oudere jongens hadden moeten lachen, waardoor Nelson had begrepen dat het iets schunnigs was.

Zelf had hij ook tatoeages, maar geen bijzondere. Op zijn linker bovenarm had hij een rafelig hart met daaronder het woord ‘moddur’. Na dat fiasco, een souvenir uit Amsterdam, had hij op zijn rechterbovenarm een astrolabium en een anker laten zetten. Het had hem een fortuin gekost in Bombay. Ten slotte had hij in Tobago nog een kruis op zijn linkerborst laten zetten. Nu hij Taylor bekeek, kriebelde het weer: zou hij niet nog een meermin op zijn schouderblad laten zetten?

Opnieuw knipoogde de zeemeermin. Nelson zag het, maar Taylor leek het niet te merken. Was het een geheim teken? vroeg Nelson zich af. Een flirt? Hij had natuurlijk de nodige verhalen gehoord over de zeden in de havensteden, voor zover hij zelf niet het een en ander had meegemaakt. Met zijn twintig jaar en zijn bescheiden achtergrond kon hij niet kieskeurig zijn terwijl de bordelen van de meeste havens onbetaalbaar waren met zijn inkomen. Hij besloot te doen alsof hij het niet had gezien.

De waard richtte zich tot Nelson. ‘Malak nasi goreng, koemikoemi rendang?’ Hij hield een stomend bord omhoog. De sterke geur van kruiden kriebelde in Nelsons neus. Hij merkte dat hij trek had. Hij nam het bord aan in ruil voor een handvol stuivers. De rijst was gebakken met groenten, fruit en ei, daar bovenop lag het vlees in een donkere, stomende saus.

‘Inktvis,’ zei Taylor. ‘Een delicatesse in deze contreien. Gewoonlijk eet men hier alleen oedang: garnalen.’

Even twijfelde Nelson. Inktvis? Hij vermande zich, zijn maag was evenmin als zijn lendenen kieskeurig en hij had wel vaker vreemd voedsel gegeten. Soms had het zelfs geen naam gehad, soms was het nog een beetje in leven. De inktvis was tenminste dood en goed doorbakken. Het smaakte uitstekend, stelde Nelson even later vast. Hij genoot van elke hap.

‘Denk je dat ik kan aanmonsteren op de Dari Mana?’ vroeg Taylor tussen twee slokken bier door.

Nelson at zijn mond leeg. ‘Ik durf het niet te zeggen. Onze bemanning is in principe compleet.’ Hij monsterde de oude zeebonk. ‘Bovendien moeten we op het gewicht letten, nu we onze lading nog moeten afleveren in Batavia.’

Taylor sloeg zichzelf lachend op de buik. ‘Deze toko is te goed voor me geweest, de afgelopen vijf jaar! En nu is ze mijn noodlot geworden!’ De meermin op zijn biceps liet een glimlach zien.

In het duister achter de toog glom een gouden tand: ook de waard lachte mee.

 

De regen viel nog steeds met bakken uit de hemel toen Nelson en Taylor de kroeg verlieten. Bij een logement in een zijstraat van de markt haalden ze de persoonlijke bezittingen van Taylor op. Ondanks de regen leek er toch leven in de havenplaats te zitten, want er klonken luide kreten uit de buurt van het bordeel, noordelijk van de markt – genot en pijn, zo wist Nelson, konden dicht bij elkaar liggen. Hij haastte zich, na enige aarzeling zijnerzijds, met Taylor door de regen, over de modderige kaden van het eiland, naar de glibberige steiger waar de Dari Mana lag aangemeerd.

De kapitein stond in de deuropening van zijn hut. Hij keek somber vanonder zijn zuidwester. Toen hij Nelson en de zeebonk in de gaten kreeg, probeerde hij wat opgewekter te kijken. ‘Ahoy, Nelson!’ riep hij door de regen.

‘Ahoy, kapitein. Dit is Harold Taylor. Hij wil graag aanmonsteren.’

‘Goddank,’ verzuchtte de kapitein. ‘Kom binnen.’ Eenmaal in de kapiteinshut wisselde hij zijn zuidwester voor zijn kapiteinspet. Hij ging achter zijn balsahouten bureau zitten. Hij vouwde zijn handen, rustte zijn kin erop en leek een kort gebed te zeggen. Toen draaide hij zijn zeegrijze ogen naar Nelson. ‘Twee van onze mannen zijn onwel geworden in het bordeel. Ik kan ze niet meenemen. Als ze ooit weer opstijgen, zal dat tot God zijn.’

‘Dat spijt me,’ zei Nelson.

Ook Taylor betuigde zijn medeleven.

‘Met andere woorden, ik kan wel wat handen gebruiken als we onze reis voortzetten,’ zei de kapitein. Daarna wikkelde hij het formele gedeelte snel af. Hij wees Taylor een kooi toe in dezelfde hut als Nelson.

Nelson begreep dat hij zijn vorige hutgenoot, Arthur Swift, nooit meer zou zien. Hij vroeg zich af, wat er in het bordeel kon zijn gebeurd. Arthur was een stevige, gezonde kerel. Tegenover de dames was hij altijd vriendelijk geweest. Hij kreeg een behoorlijke wedde, waarmee hij niet te koop liep, ook had hij nooit schulden gemaakt. Hij gaf zich niet over aan overmatig drankgebruik, opium of gokken. Wat had hem noodlottig kunnen worden? Nelson ging in zijn eigen kooi liggen, piekerend over Arthur. Hij hoorde dat Taylor zijn spullen in de kast plaatste, waarna hij zich naar de oudere man omdraaide.

Taylor trok zojuist zijn hemd uit, zodat de enorme getatoeëerde draak op zijn rug zichtbaar werd. De staart verdween tussen de broeksband, de kop ging schuil achter de weelderige baard van de Brit. De ruggenwervels van de zeebonk waren tevens de wervels van de draak. Een kort moment leek de draak te leven in het grauwe avondlicht.

Nelson draaide zich met zijn rug naar Taylor. Hij voelde zich na de uitbundige maaltijd erg moe en voldaan. Het was een drukke dag geweest, waarbij hij door de furie van de tropische storm alle zeilen had moeten bijzetten om een voorspoedige landing af te dwingen. Hij had duizend angsten uitgestaan toen onder hen de muil van de vulkaan gloeide en zwavelgassen rookte. Ze hadden het er goed vanaf gebracht. Hij sloot zijn ogen.

Jeuk trok over de huid van Nelsons armen. Hij weerstond de neiging te krabben. Wantsen, vlooien, kakkerlakken, hij had meer beesten in zijn bed gehad dan vrouwen en hij wist wat het effect ervan was. Even later voelde hij een steek in zijn maag. Hij onderdrukte het gevoel te moeten braken door diep adem te halen. De lucht was warm en klam, werkelijk tropisch. Hij zweette, wat de jeuk verergerde.

Het is niet de eerste keer dat ik in de tropen ben, dacht Nelson. Ik ben er nooit ziek van geworden. Hij woelde onder het dunne linnen. Wat was er in het bordeel gebeurd? vroeg hij zich af. Had Arthur zich ook zo miserabel gevoeld toen hij onwel werd? Zou er iets op het eiland kunnen heersen, een ziekte, een besmettelijke, dodelijke ziekte? Hij hijgde om voldoende zuurstof uit de dikke lucht binnen te krijgen. Zo viel hij in een onrustige slaap.

 

De volgende ochtend lagen de wolken op de horizon, doch boven het eiland scheen de zon. Nelson stond op het dek en rekte zich uit. Hij had slecht geslapen, waardoor hij zich miserabel voelde. Hij keek omhoog. De top van de vulkaan was nu goed zichtbaar, ook door de rookpluim die geheel verticaal oprees. Het felgroene oerwoud op de hellingen dampte. De plakkerige warmte van de nacht werd een verzengend hete en vochtige dag, er was geen briesje te bekennen.

Nelson trok zijn kiel uit, putte water uit de haven en waste zich daarmee. Het was tamelijk zinloos, want waar hij zijn zweet wegwaste, droogde de onbarmhartige zon zijn huid om hem daar opnieuw te doen zweten en jeuken. Het water uit de haven, waar het water ondiep en daarom lauw was, bezorgde nauwelijks enige verkoeling.

Taylor kwam naast hem staan. Ook hij putte water waarmee hij zijn indrukwekkende lichaam waste.

Verlegen wendde Nelson zijn ogen af. Schielijk bekeek hij zijn eigen tatoeages: het anker, het astrolabium, Jezus, en, met spijt, het gerafelde hart. Hoewel, nu hij wat beter keek, dat hart er beter uitzag dan hij in herinnering had. Hij greep zijn kiel, wat een spierbeweging veroorzaakte die het hart deed kloppen. Omdat hij dacht dat het te kinderachtig was om mee te spelen, trok Nelson zijn kiel weer aan om zijn plaatjes te bedekken. Hij wierp een blik op Taylor.

De meermin knipoogde naar de jonge hooploper.

 

De kapitein was samen met de stuurman in de weer met de sextograaf. De stuurman draaide aan de hendel, het interieur klikte en tikte terwijl het rekende, de kapitein las de gegevens af van de vele wijzerplaten en het mechanische astrolabium. Steeds wierp hij een blik opzij, naar de meteometers.

‘We moeten binnen een uur vertrekken,’ riep de kapitein naar zijn manschappen. ‘Dan hebben we nog een gerede kans de volgende storm vóór te zijn.’

‘Aye, aye, kap’tein!’ riep de bemanning. Elk ging heen en kweet zich van zijn taak. De pompen werden bediend om de ballonnen op te blazen, de zeilen werden gehesen. Het luchtroer werd gecontroleerd. Met oliekannen werd de roest van de raderen geweerd. Vanuit de nederzetting werd het laatste proviand aangevoerd, waaronder veel fruit, net als enkele vaten vers water en bier.

De scheepsfluit klonk luid over de haven. Enkele ogenblikken later werd de loopplank binnengehaald. Vanuit de stegen en straten van Pulau Tamera kwamen nieuwsgierige kinderen om te zien hoe het luchtschip zou vertrekken, want dat was in deze streken blijkbaar geen alledaags verschijnsel. Door de donkere rookwolken en de sissende waterdamp durfden ze niet dichterbij te komen, misschien was het ook de stank van de gedroogde inktvissen die hen van de steiger hield. De raderen aan weerszijden van het schip kwamen in beweging. De schoepen maalden krachtig door het water, dat al snel over de kade spoelde. Het schip leek te kreunen door de krachten die op haar inwerkten. Toen sprongen de trossen los, waardoor het schip vooruit werd gekatapulteerd. De wind kolkte onder de vleugels, die nu hun brede schaduw over de haven wierpen. Ze bewogen op en neer, aangedreven door de raderen. De zeilen stonden bol door de tropische zonnestraling. Diep in het schip bromden de aethercylinders en zoemden de deteronische frombozters.

Nelson had zich stevig vastgehouden aan de reling, zodat hij tijdens de start goed uitzicht had op het eiland. Nogmaals zag hij in de diepte onder zich de vulkaankrater, een helse keuken met dito dampen, alsof het in de tropen niet heet genoeg was. Spoedig daarna bestond het uitzicht alleen uit zee, Pulau Tamera slechts een puntje op de horizon van de herinnering. De kim was gevuld met wolken die rap naderbij kwamen. Een rilling trok over Nelsons rug. De jeuk werd heviger.

Taylor stond ineens naast hem, een dekzwabber nog in zijn hand. ‘Zolang we hoog boven het water zeilen, hoeven we niet bang te zijn.’ Hij spuwde over de reling. ‘De tentakels van de kraken en hun duivels gebroed reiken niet tot hier. Een luchtschip, eindelijk.’

‘Je hebt op in Pulau Tamera op een luchtschip gewacht?’ vroeg Nelson verbaasd.

Taylor knikte. ‘Ik ga toch niet vijf jaar op een eiland zitten als ik met een gewoon schip elke maand had kunnen vertrekken?’ Hij maakte aanstalten nogmaals te spuwen, doch bedacht zich. Hij zou albatrossen of garoeda’s kunnen treffen, wat ongeluk aantrok. Hij keerde zich af van Nelson en zwabberde verder terwijl hij een oud zeemanslied door zijn tanden floot: De wolkenkoppen sloegen kapot op de voorplecht…

De kapitein was nog steeds bezig met de sextograaf, waarbij hij bezorgde blikken in het luchtruim wierp. De Dari Mana was wel een stootje gewend, maar de lading was kostbaar. Daarom twijfelde Nelson of hij de kapitein zou storen. Hij besloot het niet te doen. In plaats daarvan sprak hij de bootsman aan. ‘Ik voel me niet lekker,’ zei hij.

‘Is het besmettelijk?’ vroeg de bootsman.

Nelson schudde zijn hoofd. ‘Ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.’ Hij dacht aan de rijst van de vorige dag, met de heerlijke gebakken inktvis. Of was het dat palmbier geweest dat hem onwel maakte?

De bootsman knikte dat hij naar zijn kooi in het vooronder mocht gaan.

Eenmaal in zijn hut trok Nelson zijn kiel weer uit. Het textiel maakte het jeuken alleen maar erger. Hij krabde de huid op zijn armen. Het leek niet te helpen, het was alsof de jeuk onder zijn huid zat. Maar nu hij eenmaal was begonnen met krabben, viel het hem moeilijk ermee te stoppen. Voor hij het wist, had het gerafelde hart een rode kleur. Hij zag hoe het bloed langs zijn arm vloeide, waarop hij vloekte.

Het anker en het astrolabium op zijn andere arm schrijnden onder zijn huid. Met het bloed nog onder zijn vingers en tegen beter weten in begon Nelson ook daar te krabben. Hij stopte even, om de ruwe huid te zien. Hij knipperde met zijn ogen: had het astrolabium bewogen? Het moest een speling van het licht zijn. Het was immers schemerig in de hut waar slechts een kleine patrijspoort daglicht binnenliet. Nelson stak de olielamp aan om zijn huid beter te kunnen bekijken.

Daar, het bewoog weer! Hij wist nu zeker dat hij zich niet had vergist. Zijn spieren moesten op een vreemde manier spastisch zijn om het astrolabium te kunnen laten draaien, God wist dat hij de spieren van zijn arm niet had gebruikt. Hij hijgde. Door de spanning leek de lucht in de hut te snijden. De stank van de bezwete kooien maakte het er niet beter op. Hij hield zich vast aan de rand van zijn kooi om niet onderuit te gaan.

Terwijl hij daar hijgend stond, hoorde hij hoe iemand de trap af liep naar het vooronder. Hij merkte dat zijn hartslag sneller werd en het zweet hem meer uitbrak dan eerder. Het zout prikte in de verse wonden. De Jezus op zijn borst kronkelde wanhopig aan het kruis. Ik heb vast koorts, dacht Nelson. Moeraskoorts misschien, de gele koorts, builenpest, scheurbuik of een ziekte met een nog engere naam die hem heftig deed ijlen. De tropen zaten er vol mee, dat wist hij wel. Vers fruit kon niet alle kwalen voorkomen.

‘Nelson!’

Het was de stem van Taylor die hij hoorde. De zeebonk kwam achter hem staan in de benauwde hut. Hij voelde de ruwe knuisten van de man op zijn schouders rustten.

‘Het is sterker dan de mens.’ Taylor klonk murw. Hij verplaatste zijn handen naar de bovenarmen van Nelson. Zijn eeltige vingers streelden de tatoeages.

Het gaf Nelson een vreemde sensatie. Niet dat een oudere man hem streelde, want dat was hij inmiddels wel gewend van de wilde vaart. Het was de reactie van zijn huid. Er trok en wrong daar iets wat hem de stuipen bezorgde.

Taylor draaide de jonge man om, zodat ze elkaar aankeken. Niet dat er veel te zien was, want de indrukwekkende gedaante van Taylor verduisterde de patrijspoort. De olielamp had hij op een laag pitje gezet.

‘Het zit in je,’ fluisterde Taylor. ‘Je kunt er niets tegen doen.’ Hij trok zijn kiel uit, daarna zijn onderhemd. De tatoeages op zijn torso werden daardoor zichtbaar, voor zover ze niet door zijn baard werden bedekt. Zijn huid was vrijwel geheel bedekt met plaatjes: alle wezens -tijgers, olifanten, herten, wolven, adelaars en albatrossen- keken met hun inktogen naar Nelson.

Het verbaasde Nelson niet, want hij was veel te bang om verbaasd te kunnen zijn. Hij voelde nu hoe hij rilde, niet alleen zijn huid, maar zijn hele lichaam.

Taylor trok zijn broek uit. Ook daaronder had hij de nodige tatoeages: zeemonsters en bloemmotieven. Op zijn penis prijkte een slang, die gulzig omhoog oogde vanuit het schaamhaar. ‘Je hoeft niet bang te zijn,’ mompelde Taylor terwijl hij Nelson uit zijn broek hielp.

Nelson liet het gelaten over zich heenkomen: het hele zware lichaam, de strelingen van de gelooide handen over zijn gloeiende huid. Hij lag achterover in de klamme lappen van zijn kooi, wanneer hij zijn ogen open deed, zag hij de meermin knipogen vanaf Taylors huid. Het serpent vond een hol, het hart bloedde.

‘Het is,’ kreunde Taylor, ‘sterker dan mezelf.’ Hij keek over zijn schouder naar de patrijspoort. Daarbij ontblootte hij de schouder waarop de kop van de draak rustte.

De draak knipoogde naar Nelson, zoals de meermin eerder had gedaan, doch minder schalks. Daarna sprong het monster van de huid om zich in de jonge man vast te bijten. Het hele drakenlichaam kwam tot leven, het wrong zich uit de poriën van de zeebonk. Daarbij nam de draak de ruggenwervels van Taylor mee, die ongewerveld naar adem snakte.

Met de zware man op zich, kon Nelson geen adem halen. Zijn kreten werden erdoor gedempt. Hij voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen, door het zweet heen. Zijn huid leek te scheuren, pijnlijk als kloven, vanaf het punt waar de draak hem had gebeten.

‘Je bent geen slechte jongen,’ fluisterde Taylor. De blik in zijn ogen was troebel. ‘Vergeef me.’ Hij slikte hoorbaar. ‘Het zijn de parasieten van de inktvis…’

‘Taylor!’ riep Nelson en hoewel hij er kracht achter zette, was hij nauwelijks te horen. Hij hijgde. De zeebonk lag zwaar op hem. De man ademde niet meer. Met al zijn kracht lukte het Nelson zich vrij te worstelen. Zwetend en nahijgend liet hij zich op de vloer zakken. Hij probeerde alles op een rijtje te zetten, maar slaagde er nauwelijks in.

Hij moest van het lijk af. Daarom kleedde Nelson zich aan, ging het dek op en riep de bootsman. ‘Taylor heeft een aanval gehad. Ik ben bang dat hij dood is.’

‘Het is toch niet besmettelijk?’ vroeg de bootsman.

Nelson schudde zijn hoofd. ‘We kunnen hem zijn zeemansgraf geven. Zo snel mogelijk.’ Hij liep met de bootsman in zijn kielzog terug naar zijn hut in het vooronder. Onderweg merkte hij dat zijn huid niet langer jeukte. Het was inmiddels een tintelend gevoel geworden.

De bootsman tilde Taylor op en legde hem in de kooi. ‘Haal de kapitein,’ zei hij tegen Nelson.

Nelson deed wat hem opgedragen werd. Even later keerde hij terug met de kapitein. Die deed zijn pet af, fluisterde een paar stichtelijke woorden en sloeg een kruis.

De bootsman had de Brit ontkleed, op diens onderbroek na. Hij had de ogen van de overledene gesloten en diens armen gekruist op de borst. Het viel Nelson op dat de Brit een erg blanke huid had voor iemand die zeker vijf jaar in de tropen had doorgebracht. En hij dacht dat Taylor veel meer tatoeages had gehad, hoewel hij daarover twijfelde omdat hij zijn hutmaat slechts eenmaal met ontbloot bovenlichaam in het zonlicht had gezien.

‘Het wordt zwaar, maat,’ zei de kapitein tegen Nelson. ‘Hij is immers niet de eerste die ons is ontvallen op deze reis.’ Hij knikte naar de matrozenpet van Arthur Swift, die nog altijd aan een haakje in de hut hing. Vaderlijk legde hij een hand op Nelsons schouder.

Ze hielden enige ogenblikken stilte. Toen pakten de bootsman en Nelson zwijgend het laken en tilden Taylors lichaam daarmee op. Het was even moeilijk het vooronder te verlaten met deze bepakking. Aan dek gekomen, werden ze begroet door de rest van de bemanning voor zover die even tijd vrij kon maken. Ieder stond daar zwijgend, de petten en mutsen plechtig in de hand.

Nelson voelde zich verplicht Taylor persoonlijk in zijn zeemansgraf te helpen. Hij had immers zelf de Brit mee aan boord genomen. Hij zweette in de zon terwijl hij de ballast op het laken legde. Hij deed zijn hemd uit, legde het terzijde. De zeilmaker naaide de geïmproviseerde lijkwade dicht. De bootsman had de plank klaargelegd. Met vereende krachten tilden ze de forse Brit op de plank. Nelson liet de plank kiepen, waarna het lichaam naar beneden tuimelde. Honderden vadems lager raakte het lichaam het wateroppervlak en werd het verslonden door de gretige golven.

Nelson keek tot er beneden de Dari Mana niets meer was te zien dan vlakke zee. Hij riep de herinnering op aan de laatste uren van de zeebonk en schudde zijn hoofd. Het was een vreselijke manier van sterven geweest. Hij herinnerde zich de pijn in Taylors ogen, voordat die dof waren geworden. En de spierkrampen in dat forse lichaam! Het was alsof Taylor zichzelf niet meer was geweest, zoals hij had gehuild en gerild. Nelson rilde bij de gedachte: alsof de draak de wil van Taylor had overgenomen, zodat die niet meer zelfstandig kon denken of handelen.

Als een laatste afscheidsgroet luidde de scheepsbel langzaam en met lage tonen. Nelson keek om. De manschappen verlieten het dek om hun werk weer op te pakken.

Toen zag Nelson de tatoeage van een zeemeermin op zijn schouder. Ze knipoogde naar hem en hield een drakenei vast, waarin al enkele breuken te zien waren.

Nelson krijste. Hij sprong over de reling, de vrijheid van geest en een wisse dood tegemoet.

Een paard met een gierenkop, op een veld van zilveren manen : Tais Teng

Thuata de Brendaan:

 

Alle vertellers zullen het beamen: er bestaan maar twee juiste aanzetten voor een goed verhaal: vurige liefde en vunzig verraad. Alle andere zaken zijn slechts aankleding: de zoektocht naar een fabuleuze schat of een verdwenen vader, de reis naar een eiland drie horizonten verder, extatisch inzicht als je recht in de stralende ogen van je god kijkt.

Begin met vurige liefde en vuns verraad, waarbij natuurlijk gruwelijke wraak hoort. Dan kan het domweg niet meer mis gaan.

Sar Sionnach van de negen Strijdwagens vluchtte op het enige overgebleven paard van zijn renstal. Achter hem brandde zijn fort en het was Elaine, zijn eigen vrouw, die de poorten voor de vijand had geopend. Al zijn trouwe vazallen afgeslacht en zijn schatkamer geplunderd, dat viel nog te overzien. Onverdraaglijk was dat hij nog steeds van vrouwe Elaine hield. Hij zou er alles voor geven om het gewicht van haar borsten in zijn handen te voelen, haar beet in zijn oorlelletje.

Wat was er misgegaan? Was heer Hermelijn zijn fort binnengeslopen om in de oren van sar Sionnachs vrouwe te fluisteren? Bracht een witte uil haar te middernacht een brief waarop een enkele dwingende rune gepenseeld stond? Een rune die zich in haar hoofd nestelde en haar tot de willoze marionet van een boself maakte?

Ik heb talloze vijanden, overwoog sar Sionnach, zoals het een ware leider betaamd. Zachte heelmeesters en stinkende wonden: hij wist er alles van.

Hij keek om. De rook was opgetrokken en aan de hoogste toren wapperde een banier die hij absoluut niet kon thuisbrengen. Een paard met de kop van een aasgier? Op een veld van zilveren manen?

Kies je vijanden met zorg had zijn vader hem aangeraden. Het doet er wel degelijk toe wie jou uiteindelijk met een strop om de nek de hoogste eik in hijst. Hij schudde zijn hoofd. Dit was beslist geen vijand die hij uitgekozen had.

 

‘Waarom een paard met een gierenkop?’ vroeg Elaine aan haar ware liefde. ‘En al die manen? Ik telde er achtenveertig.’

‘Zo’n paard is symbolisch pure kletskoek en daar kunnen aristocraten als sar Sionnach behoorlijk zenuwachtig van worden. En die manen? Een voor elke maand dat ik mijn lippen niet op de jouwe kon drukken.’

‘Dat moeten we in zien te halen.’ Ze streelde zijn wang, kuste hem opnieuw. ‘Hij stak een zwaard in je buik toen hij mij schaakte. Ik zag je ingewanden naar buiten puilen en nu hink je niet eens.’ Ze tuitte haar lippen. ‘Ben je eigenlijk dood? Niet dat het mij iets uitmaakt. Je voelt warm genoeg.’

‘Nee hoor, het was volkomen legitiem. Een heks streek neer in de vorm van een aasgier.

‘Je bent aan je gereutel te horen, dood aan het gaan. Was dat je bedoeling?’

‘Nee,’ kreunde ik. ‘Red mij, schone vrouwe!’

Ze goot water uit de bron van de heilige Alfrieda in de wond, duwde mijn ingewanden terug en naaide mij dicht.’

‘En dat deed ze gratis en voor niks?’

‘Ik moest haar vier jaar dienen. Slijm zevend op zoek naar versteende demonenogen. In een land vol ijskoude mist en geweeklaag. Alle kikkers hadden naaldtanden en het enige voedsel bestond uit sponzige boleten en bittere waterkers. Daarom kon ik nu pas naar je op zoek gaan.’

‘Je noemde haar “schone dame”,’ zei Elaine. ‘Was ze erg mooi?’ Ze reikte naar een kan en schonk hem een glas port in.

Hij lachte. ‘Voor een heks wel. Prachtige kromme neus, overal wratten en haar als gebroken stro. Vrees niet, dames als zij halen hun neus op voor sterfelijke mannen die maar één penis hebben. Die bovendien niet half zo lang als een winterwortel is.’

Elaine streelde het voorwerp in kwestie en goot met haar andere hand de port terug in de kan. ‘Hij komt er niettemin aardig in de buurt. Ontspan je toch.’

‘Het zit mij niet helemaal lekker,’ bekende haar ware geliefde. ‘Sar Sionnach ontkwam op het snelste renpaard. Amper een dag verder woont zijn broer.’

Elaine giechelde. ‘Hij heeft geen dag. Voor ik de poort opende, schonk ik hem een glas port in. Het gif doet er een uur of drie over voor het zijn lever tot een bloederige brei oplost.’ Ze knikte. ‘Ik heb het uitgeprobeerd op zijn favoriete jachthond.’

‘Garm, dat beest dat hij op mij afstuurde en mijn been zowat doorknaagde voor hij zijn zwaard gebruikte? Oh, jij vrouw van mijn hart!’

En zo lagen ze lachend en keuvelend in elkaars armen tot de ochtend aanbrak. Als je elkaar vier jaar niet gezien hebt, valt er een boel te vertellen.

 

Vlak nadat de derde maan onderging, voelde sar Sionnach een steek van pijn. Hij trok aan de teugels, stapte af en gaf over. In het maanlicht leek het braaksel zwart als gal maar hij wist dat het waarschijnlijk bloedrood was. Zijn knieën knikten en ineens lag hij ruggelings in de heide.

Een witte aasgier streek neer, veranderde in een wanstaltige heks.

‘Je ligt hier te steunen en te rochelen. Volgens mij ga je dood. Was dat de bedoeling?’

‘Nee, smerige feeks! Red mij of snij in ieder geval mijn keel door. Deze pijn is onverdraaglijk!’

De heks streek over haar spitse kin. ‘Die ander wist beter hoe het hoorde. Hij noemde mij ‘schone vrouwe’. Daarom zul je mij negen jaar moeten dienen in plaats van vier.’

‘En dan red je mij? Genees je mij?’

‘Ja. Luister, er is een land vol ijskoude mist. Daar zul je negen jaar slijm moeten zeven op zoek naar versteende demonenogen. Alle kikkers hebben naaldtanden en het enige voedsel is sponzige boleten en bittere waterkers.’

‘Die negen jaar zullen als negen dagen zijn! Mijn vurige liefde voor Elaine zal mij verwarmen. Dat en mijn hoop op gruwelijke wraak!’

‘Drink dit,’ zei de heks en ze zette een fles aan zijn lippen.

‘Uch. wat vreselijk bitter! Nu ja, dat zijn medicijnen altijd.’

Ze bleef toekijken terwijl hij voor de tweede keer braakte en een hand ophief. Zijn adem stokte en de hand viel terug.

Ze nam een aanloop, klom de hemel in met twee, drie krachtige vleugelslagen.

Hij had mij geen ‘smerige feeks’ moeten noemen, dacht ze en huiverde, Stel je voor, negen jaar in zijn gezelschap…

Gila Pradopo : Peter Kaptein

[VOORBEELD]

Verhaal: Peter Kaptein.

Illustratie: Desensitized to everything, Angelus Hellion.

Het is 1985 in een alternatieve realiteit en Gila Pradopo staat aan het begin van een carrière als infiltrant voor Sectie 5. 

(more…)