De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Fantasy

Genres

Category Archives: Fantasy

De Mummiehaler van Wynxk – Jaap Boekestein

In de oude Hyperboreïsche stad Wynxk – een voormalige havenmetropool voordat de oceaan zich terugtrok en het ijs begon te naderen – verdiende Sharhendsel Farlandhonen de kost met het vinden van gortdroge mummies in de Holle Berg, en het verkopen van de stoffelijke resten als brandstof op de markt van de Treurende Nimfen.

Hij was niet de enige mummiehaler, maar het was een markt met een constante vraag en een gestaag maar beperkt aanbod. Het gilde van mummiehalers was een hechte gemeenschap van zeven families die buitenstaanders gedurende minstens achttien generaties had weten te weren.

Na de dood van zijn vader was Sharhendsel junior de laatste van zijn lijn, maar hij maakte zich niet al te veel zorgen. Hij was nog jong en hoewel mummiehalers in Wynxk niet in hoog aanzien stonden, was het een vaste baan met een gegarandeerd inkomen. Ergens in de toekomst, wanneer hij de laatste van zijn wilde haren in de met rook gevulde drinkgelegenheden van Vijftig Hoofden Staat had verloren, zou hij een echtgenote vinden om de trotse familienaam van Farlandhonen voort te zetten. Hij was breedgeschouderd en met zijn stevige kin, donkerbruine ogen, de vrij prominente Farlandhonenneus en een wilde kuif opstandig rood haar, was hij bij lange na niet lelijk. Een vrouw vinden en een aantal kinderen verwekken zou geen probleem zijn. Zeg over twee, drie jaar. Hij had zeker geen haast.

Het gekruide cacti-bier vloeide gemakkelijk uit de porseleinen mokken en de dansmeisjes waren bereidwillig, twee verrukkingen die hij zichzelf zou moeten ontzeggen als een verantwoordelijke echtgenoot en vader.

Op een heldere ochtend – de verre zee was zichtbaar, evenals de schittering van de ijswanden achter de horizon – ging Sharhendsel Farlandhonen op weg met zijn pikhouweel, klimijzers en touwen.

Volgens de schriftgeleerden was de Holle Berg de begraafplaats van de burgers van Wynxk geweest sinds de begindagen van de stad, wat minstens twintigduizend jaar geleden was geweest. Of het waar was, wist Sharhendsel niet, maar het was een feit dat de steile heuvel die de Holle Berg werd genoemd, bezaaid was met ontelbare graven, catacomben, crypten en mausolea. De stad van de doden was gemakkelijk vijftig, zo niet honderd keer groter dan Wynxk zelf en haar burgers overtroffen de levenden in een onnoembaar veelvoud.

Volgend oeroud gebruik werden de doden van de stad naakt begraven, of hooguit gekleed in een eenvoudige linnen lijkwade. Er werden geen sieraden of geschenken meegegeven voor het hiernamaals.

Koning en pauper kwamen op dezelfde manier terecht in de Holle Berg. Natuurlijk waren de praalgraven van koningen en koninginnen versierd met scènes uit hun leven, terwijl de dode bedelaar genoegen moest nemen met een nauwe spleet of een smalle richel, maar na een paar eeuwen was het resultaat hetzelfde. Door de droge omstandigheden in de berg en de nooit ophoudende tocht die overal in de necropolis voelbaar was, veranderden de lijken in kurkdroge mummies, die uitstekend brandden en ook nog een vage, zoete geur afgaven.

‘Ga je op zoektocht?’ vroeg Vastal Quentintas, een mede-mummiehaler en een levenslange vriend. Vastal keerde net terug naar de stad met een tweewielige kar vol mummies. Nog drie vrachtjes en hij kon zijn gezin weer een week voeden.

‘Natuurlijk,’ antwoordde Sharhendsel Farlandhonen, ‘ik heb het gevoel dat er ergens onontgonnen secties zijn, dichter bij de ingang.

Elk jaar gaan we dieper de berg in omdat we de gemakkelijkste tombes hebben leeggehaald. Zou het niet geweldig zijn als we overblijfselen wat dichterbij vonden? Het zou mijn werk een stuk lichter maken.’

‘Ik zal je in de gaten houden!’ grapte Vastal Quentintas half. ‘En wanneer ik je tien lichamen per dag naar de markt zie brengen, zal ik je zeker volgen naar deze fantastische voorraad van jou.’

‘Je mag het proberen, maar ik moet het eerst vinden.’

Vastal Quentintas knikte. ‘Wees voorzichtig, Sharhendsel! En overvloedige vondsten.’

‘Overvloedige vondsten voor jou!’ Sharhendsel Farlandhonen knikte en liep verder naar de Holle Berg. Volgens de oude verhalen van de halers waren de armen van Wynxk de eersten die de gedroogde overledenen als brandstof gebruikten, toen de kolenmijnen onder het ijs verdwenen en de eens weelderige jungles van Hyperborea slonken tot kale, halfbevroren toendra’s. Binnen een generatie volgden de rijken het gebruik en was het beroep van mummiehaler geboren.

Sharhendsel Farlandhonen kwam de Holle Berg binnen via de Koningspoort, wier reusachtige stenen wachters waren geërodeerd tot niets dan enkele gladde, gezichtsloze, vaag humanoïde sculpturen.

Hij stak een stuk vuurzwam in zijn lantaarn aan en begon aan zijn reis. Hij liep door gangen en overdekte boulevards, ondergrondse straten en lanen, maar de graven langs deze gangen waren generaties geleden al geruimd.

Hij was er zeker van dat er vergeten delen van de metropool waren, niet ver van de ingang. Eens, drie jaar geleden, op de bodem van een kloof, rook hij een zweem mummiestof, aangevoerd door een terloopse luchtstroom. Het was maar een moment geweest, maar Sharhendsel was het nooit vergeten. Als hij wilde sparen voor een zilveren bruidsketting die de keel van zijn nieuwe vrouw ging sieren, zonder het bier en de dansende meisjes op te geven, moest hij zijn fortuin maken met een voorraadje eersteklas kadavers.

Met zijn touwen en ijzers daalde Sharhendsel Farlandhonen af naar de belangrijkste kloof, door de halers ‘De Oude Reet’ genoemd.

Ooit was deze weg geplaveid met driehoekige klinkers, maar grote delen waren inmiddels begraven door het puin van oude lawines.

Talloze donkere monden van zijstraten kwamen op de ondergrondse verkeersader uit, maar hij wist dat ze allemaal al eeuwen mummieloos waren. Hij vervolgde zijn tocht en liep naar het einde van De Oude Reet, waar het resterende metselwerk broos was van ouderdom.

Met uiterste zorg beklom de jonge mummiehaler een van de heuvels van los puin. Lag er misschien een ingang van een grot begraven onder dit alles? Een nutteloze vraag. Het zou duizend man vijf jaar kosten om al het puin te verwijderen. Maar misschien was er een andere manier om…

Helemaal bovenaan de heuvel stopte Sharhendsel. Een vreemd gevoel beving hem, een gewaarwording die hij niet gemakkelijk kon verwoorden. Een soort van trekken aan zijn hersenen en schuren tegen zijn ziel. Een impressie van vertrouwdheid met deze plek.

Alsof hij hier eerder was geweest.

Hij had geen tijd om na te denken over de vreemde emoties die hem teisterden, omdat de helling van rotsscherven plotseling begon te wijken.

Net als water uit een afgesloten bad, draaiden de kiezels en metselwerkfragmenten rond, waardoor een maalstroom ontstond die de ongelukkige mummiehaler naar binnen trok.

Wanhopig probeerde Sharhendsel Farlandhonen zijn houweel te verankeren in iets solide, maar zijn acties waren tevergeefs. Hij ging op en neer, verzwolgen door de kiezelkolk.

Wilde duisternis en stof en duizend scherpe stukjes rots. Sharhendsel hield zijn pikhouweel vast, zijn ogen en mond gesloten. Hij had geen tijd om na te denken of in paniek te raken. Die tijd kreeg hij wel toen de lawine hem plots uitspuugde en hij terechtkwam op een stenen vloer. Verwonderd keek hij rond.

Hij was terecht gekomen in het graf waarvan de ingang was begraven door de lawine. Hoewel hij zijn vuurschimmel had verloren, kon Sharhendsel het graf in zijn volle glorie zien. Door onbekende magische processen, of misschien een raar soort gloeiende zwammen, werd de ruimte overal verlicht. De enorme grot was gevuld met duizenden en duizenden gemummificeerde lijken. Volgens de overlevering werden koninklijke lijnen samen begraven in dergelijke grotten. Het was hem onbekend welke van de talloze Wynxkdynastieën hier hun laatste rustplaats hadden en het deed er niet veel toe. Alle doden verbrandden op dezelfde wijze en hun waarde werd bepaald door hun gewicht in plaats van hun geschiedenis.

In het midden van de grot bevond zich een enkel stenen doodsbed.

Zonder twijfel de rustplaats van de stichter van deze bijzonder grote dynastie.

Toen hij de verheven stenen rechthoek naderde, voelde Sharhendsel het onrustgevoel weer toenemen. Hij kon twee mummies op het doodsbed onderscheiden, een man en een vrouw, hand in hand. Wie waren zij? Waarom voelde hij de behoefte om het te weten?

De jonge mummiehaler was zo druk bezig met het dode paar, dat hij niet zag dat er een metalen ring begraven lag in de vloer. Het was bedekt met de meest krachtige hiërogliefen en occulte symbolen, die alleen werden gebruikt om de allersterkste magie te temmen.

Sharhendsel Farlandhonen stapte op de metalen cirkel en een plotselinge explosie scheurde zijn wereld uit elkaar.

 

#

 

Zelfs met zijn ogen dicht was hij zich bewust van het harde licht en de ongekend warme lucht, maar het geschreeuw van het meisje deed hem zijn ogen openen.

Op de een of andere manier was hij niet meer in het ondergrondse graf. In plaats daarvan bevond hij zich ergens buiten, op een kleine verharde weg die werd begrensd door weelderige groei aan beide kanten. De zon stond hoog aan de hemel en de lucht glinsterde van de hitte van de middag.

Sharhendsel Farlandhonen nam niet de tijd om de bizarre omgeving te waarderen. Op een steenworp afstand van hem werd een worstelend meisje vastgehouden door een man die gekleed ging in een vreemd paars gewaad. Een andere man met soortgelijke kleding stond voorovergebogen, zijn gezicht rood en zijn handen op zijn edele delen. Een derde man, hun leider te zien aan de gouden ambtsketting die hij droeg, keek met minachting naar zijn ondergeschikten.

‘Kh’urks gepeperde ballen! Laat haar niet ontsnappen, anders zullen jullie het bezuren! Hogepriester Tahhunidacg wil dat zijn geneugten ongeschonden zijn voordat hij ze zelf gebruikt en ze in de vuurkuil gooit.’

Zijn woorden spoorden het meisje alleen maar aan in haar vergeefse pogingen om zich te bevrijden.

‘Hallo! Laat haar los!’ riep Sharhendsel. ‘Nu meteen.’ Hij deed een stap naar voren, zijn pikhouweel bungelend aan het koord rond zijn polsen.

De drie mannen en het meisje richtten hun blikken op hem, hun verrassing duidelijk zichtbaar op hun gezichten. Het zwartharige meisje, heel mooi met exotische, amberkleurige ogen en een vosachtig gezicht – zo merkte Sharhendsel – leek een sprankje hoop te krijgen.

De leider, een pompeuze bullebak met een dikke kin, dunne lippen en uitpuilende ogen, brulde tegen de voorovergebogen ondergeschikte: ‘Verjaag dat ongedierte.’

Eén van de ondergeschikten kwam grommend overeind en haalde een lang, gebogen mes uit zijn gewaad tevoorschijn. Met het wapen hooggeheven stormde hij op de onverwachte af.

Instinctief stapte de jonge mummiehaler op het laatste moment opzij en zwaaide met zijn pikhouweel.

De stevige metalen punt, die werd gebruikt om het gesteente van de Holle Berg te doorboren, had geen moeite met louter kleding, huid en vlees. Met een opengereten borstkast en een dodelijke kreet op zijn lippen, viel de aanvaller neer op de stoep.

Nu brandde het dubbelvuur van woede en geweld in Sharhendsel Farlandhonens aderen. Hij wendde zich tot de overgebleven mannen. Al zwaaiend met zijn bebloede pikhouweel, rende hij luid schreeuwend op hen af.

Geconfronteerd met zo’n wildeman, aarzelden beide mannen niet lang. Ze zetten het op een lopen en lieten hun dode makker en het zwartharige meisje achter.

Sharhendsel achtervolgde de vluchtende mannen nog een paar stappen en draaide zich toen om. Het meisje was niet gevlucht. Alhoewel zij duidelijk was aangeslagen, stond zij fier.

‘Ben je ongedeerd, juffrouw?’

Zij keek hem met die prachtige amberkleurige ogen aan alsof hij het raarste ding was dat zij ooit had gezien. ‘Wie ben je? Je komt hier niet van hier. Niemand durft weerstand te bieden aan de priesters van de demon-god Kh’urk.’

Haar melodieuze woorden waren gesproken in een onbekende taal die Sharhendsel op een of andere onnavolgbare wijze toch verstond.

De mummiehaler bekeek het meisje. Haar uiterlijk was exotisch, de stijl van haar mouwloze groene jurk en bronzen sieraden waren hem niet bekend. Waar had de magie uit de dodengrot hem naar toe getransporteerd? En met welk doel?

Sharhendsel opende zijn mond en zie! Hij antwoordde haar in dezelfde taal: ‘Mijn naam is Sharhendsel Farlandhonen, van Wynxk.

Door een of andere fantastische tovenarij ben ik hier terechtgekomen. Waar ‘hier’ ook moge zijn…’ Hij keek haar aan. Zijn hart versnelde, hij kon dagenlang naar dit zwartharige meisje kijken. Hij zou het helemaal niet erg vinden.

‘Je komt niet van Wynxk!’ verklaarde zij stellig. ‘Ik heb mijn hele leven in de stad gewoond en ik heb jouw soort nog nooit gezien.

Ben je misschien naar Wynxk gekomen als handelaar, of ben je een krijger uit een ver land?’

Waren er twee steden genaamd Wynxk? Sharhendsel glimlachte en besloot niet verder op zijn herkomst in te gaan. ‘Wat is je naam?’ vroeg hij.

‘Ah, vergeef mij, Sharhendsel Farlandhonen! Waar zijn mijn manieren? Ik ben Salamey Facannacei, dochter van de overleden patriciër Curlhain Facannacei.’

De namen zeiden de mummiehaler niets, maar ze klonken bijna als muziek.

Het meisje nam Sharhendsel bij de arm. ‘Maar kom, laten wij hier niet blijven staan. Die honden zullen zeker terugkeren met versterkingen. De tempel van Kh’urk is niet ver weg. Ik neem je mee naar huis voor een beloning.’

Wijze woorden. De schurken zouden ongetwijfeld terugkomen om wraak te nemen voor de dood van hun kameraad. Terwijl ze met vlugge pas de weg afliepen, vroeg Sharhendsel: ‘Wie waren die mannen en wat wilden ze met jou?’

Salamey Facannacei keek hem nogmaals aan met haar oranje ogen. ‘Je bent echt niet van hier als je de vuige priesters van de demon-god Kh’urk niet kent. Ze roven knapen en deernen en brengen ze naar hun tempel waar ze worden geofferd aan Kh’urk, soms nadat ze zijn onderworpen aan de wreedheid van hun hogepriester Tahhunidacg. Hij zag mijn gezicht eenmaal vanuit zijn draagstoel, toen ik uit het raam van ons huis keek. Zijn mannen ontvoerden mij vanochtend en… en…’ Salamey Facannacei zweeg, maar haar ogen stonden vol vuur.

‘Is er niemand die die schurken stopt?’ vroeg Sharhendsel. ‘De stadsoudsten, of een koning, of iemand?’

Salamey schudde haar hoofd. ‘Iedereen is bang omdat de hele stadsraad, inclusief mijn vader, in hun slaap werd vergiftigd door mysterieuze, slangachtige dampen. De priesters van Kh’urk lopen door de stad alsof het hun bezit is en niemand durft ze tegen te houden. Ik ben ervan overtuigd dat zij mijn vader en zijn mede-patriciërs hebben vermoord door middel van demonische magie. Sharhendsel wilde antwoorden, maar zijn adem stokte. Na een bocht in de weg was de stad Wynxk was zichtbaar geworden. Het was echter niet het Wynxk dat hij kende.

Sommige specifieke kenmerken verrieden dat dit toch hetzelfde Wynxk was: de Treurklip met zijn oude vuurtoren, de IJzeren Trap der Reuzen, de Zetel van Chatalhus. Andere delen van de stad waren volkomen onherkenbaar: straten, gebouwen, muren en poorten.

Palmbomen sierden de boulevards. Kleurrijke vogels en kleine, bliksemsnelle apen zaten op monumenten en daken. Maar het grootste verschil was niet de stad zelf. Onder de schitterende zon streelde een azuurblauwe oceaan de gouden stranden van de stad. Deze versie van Wynxk was een havenstad, zoals het ooit in de oudheid was geweest.

De mummiehaler begreep dat de magie uit het graf hem niet zo zeer in afstand dan wel tijd had verplaatst. Het Wynxk dat voor hem lag, kende hij uit oude fabels over het mythische verleden. Dit was een Hyperborea lang voordat het ijs kwam.

‘Kom, laten we opschieten,’ spoorde Salamey hem aan.

Niet in staat te spreken, liet Sharhendsel Farlandhonen zich meenemen naar de stad van het verre verleden.

 

#

 

Het huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei had duidelijk betere tijden gekend. De muren waren stevig, maar de verf van de luiken bladderde af en de stevige voordeur vertoonde tekenen van verregaande verwaarlozing.

Salamey’s terugkeer was een vreugdevolle gelegenheid en Sharhendsel ontdekte dat het hele huishouden bestond uit Vrouwe Ygehna, die de moeder van Salamey was, twee jongere zussen en drie oudere bedienden.

Het zwartharige meisje legde uit hoe zij was gered en Vrouwe Ygehna pakte Sharhendsels handen en bedankte hem: ‘Toen mijn man nog leefde, zou hij je hebben beloond met een tas met gouden munten, beste krijger. Ik vrees dat de trieste waarheid is dat ik je niet veel meer kan bieden dan onze dankbaarheid en gastvrijheid, hoewel ik zou begrijpen als je meteen wilt vertrekken. De honden van die demonenheer zullen vanavond of vannacht zeker terugkeren, en hun vergelding zal verschrikkelijk zijn.’

‘Maar wat zal er van u en uw dochters worden?’ wilde Sharhendsel weten.

‘Wij zullen sterven, maar het zal een nobele dood zijn, uit eigen keuze. Wij zullen onze polsen doorsnijden en aan hun wraak ontsnappen.

Onze lichamen zullen begraven worden in de Holle Berg, maar onze zielen zullen vrij zijn om herboren te worden in een ander lichaam, als de Goden het willen.’

‘Dat kan ik niet toestaan, lieve dame,’ zei de mummiehaler. ‘Er zijn toch zeker nog wel echte mannen in deze stad om die priesters te bevechten?’

‘Je bent de eerste in jaren om hun hand tegen hen op te heffen.’

‘Hoeveel priesters zijn er?’

‘Slechts zes of zeven zijn priesters met onbekende magische kennis.

Ze hebben ongeveer twintig handlangers en een aantal slaven.’

Ongeveer dertig tot veertig mannen, waarvan sommige met demonische machten. Sharhendsel Farlandhonen aarzelde. Hoewel hij een volslagen vreemde was in deze stad – nee, in deze tijd – voelde hij zich verantwoordelijk voor deze vrouwen. Het lot had hem hier gebracht, hij kon hen niet in de steek laten.

‘Heeft u familie of vrienden buiten de stad?’ vroeg hij. ‘Ergens veilig onderkomen voor u en uw dochters? Ik zal hier blijven en kijken wat ik kan doen.’

‘Wij hebben een verre oom, op drie dagen reizen in het binnenland,’ antwoordde Vrouwe Ygehna.

‘Dan vraag ik u daar naartoe te vertrekken. Ga binnen het uur, voordat de priesters terugkomen. Vertrek in het geheim en luister aldaar naar het nieuws uit Wynxk.’

Vrouwe Ygehna knikte en bleek een formidabele dame te zijn die gemakkelijk de leiding nam. Binnen het uur hadden alle leden van haar huishouden de nodige spullen gepakt om licht te reizen.

Ze vertrokken door de deur van de bedienden achter in het huis.

Sharhendsel bleef achter in de lege woning en vroeg zich af wat te doen. Een geluid klonk achter zijn rug en razendsnel draaide hij zich om, met zijn pikhouweel in de hand.

Salamey Facannacei stond daar, samen met haar twee zussen. Zij had de kap van haar reismantel teruggeslagen zodat haar volle zwarte haar zichtbaar was. ‘Je dacht toch niet dat wij zouden vluchten?

Moeder is veilig onderweg. Wij zullen samen met jou die honden bevechten.’ Zij had haar slanke hand op een dolk.

De mummiehaler knikte. ‘Ik accepteer graag jullie hulp.’ Hij keek rond. ‘In hoeverre is je familie bereid om die demonen-aanbidders te verslaan?’

 

#

 

Die avond kwam de hogepriester Tahhunidacg zelf met al zijn ondergeschikten naar het huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei. De bende liep door de Brood Straat en een groenachtig spooklicht vergezelde hun progressie. Van achter de luiken keken angstige burgers naar de stoet.

Hogepriester Tahhunidacg was ooit een machtig man geweest, maar jaren van losbandigheid en omgang met demonen hadden zijn lichaam veranderd in een weerzinwekkende massa van stinkend vlees. Zijn gezicht was bedekt met etterende puisten die gestaag pus en bloed lekten. Vanuit zijn palankijn keek hij toe hoe zijn mannen de stevige deur van het Facannacei-huis inbeukten. De deur bood enige tijd weerstand, maar begaf het toen.

‘Sleep ze eruit. Sleep ze allemaal naar buiten,’ beval hij luidkeels.

Twee van de priesters en ongeveer de helft van zijn trawanten gingen het huis binnen.

Een schreeuw van boven, vier kruiken met stroken brandend doek in de hals gepropt, vlogen door de nacht, komende van het dak van het tegenoverliggende huis. Eén landde tegen de muur van de Facannacei-residentie en hulde het huis onmiddellijk in een vuurzee van brandende olie. Een andere kruik explodeerde bij de gebroken voordeur van het huis, met vergelijkbare effecten. De derde kruik spatte tussen de priesters en hun ondergeschikten uiteen. De laatste kruik brak bovenop de palankijn van Tahhunidacg in stukken en zette de constructie van hout en fijne windmottenzijde onmiddellijk lichterlaaie. De slaven lieten de brandende palankijn in de steek, waardoor het gevaarte op straat neerstortte. Hogepriester Tahhunidacg zat klem in de puinhoop en met zijn aanzienlijke massa en geringe fysieke kracht was hij niet in staat zichzelf te bevrijden. Hoog oplaaiende vlammen vergrepen zich aan zijn gewaad en een bovenmenselijk gekrijs steeg op uit de puinhopen.

Vanaf de daken vlogen pijlen – Salamey Facannacei en haar twee jongere zussen die zich hadden bewapend met jachtbogen uit het arsenaal van hun vader – en de door Sharhendsel Farlandhonen gegooide stenen regenden op de kwaadwillige kliek neer.

De overgebleven priesters op straat waren de eersten die vielen, de mummiehaler had de drie zussen de opdracht gegeven om hen als eersten neer te schieten. Vervolgens waren de soldaten van de priesters aan de beurt. De schurken waren bewapend met pieken, zwaarden en bijlen, maar geen van hen had een schild of droeg een helm of pantser. Terwijl de twee jongere zussen hun pijlen richtten op de mannen die het brandende huis probeerden te ontvluchten, bestookten Salamey Facannacei en Sharhendsel stelselmatig de overgebleven mannen in de straat. Vanuit de brandende palankijn schreeuwde nog steeds hogepriester Tahhunidacg in doodsangst, maar noch Salamey noch Sharhendsel verspilde een pijl of stuk steen aan de kronkelende massa van brandend vlees.

Verbrand door de vlammen, vertrapt door anderen, doorboord door pijlen of gedood door gesteente, vulden de lichamen de straat.

Geen van de priesters van de demonische god Kh’urk overleefde de aanval, en slechts zeer weinigen van hun volgelingen. In het brandende huis van de overleden patriciër Curlhain Facannacei schreeuwden mannen en smeekten om genade, maar dat hield op toen het dak eindelijk instortte.

Toen de laatste demon-aanbidders waren gevlucht, verzamelden de inwoners van Wynxk zich in Brood Straat. Ze werden opgewacht door Sharhendsel met zijn pikhouweel en de drie Facannacei-zussen met hun bogen.

‘Goede burgers van het eeuwige Wynxk!’ riep de jonge mummiehaler.

‘Zie hier, de vuige demonenaanbidders die jullie stad hebben geterroriseerd, zijn dood. Maar toch staat de tempel van hun weerzinwekkende god nog overeind. Ik ben Sharhendsel Farlandhonen en ga die onheilige plek voor eens en voor altijd vernietigen. Wie doet er met mij mee?’

De inwoners van Wynxk keken naar de gespierde vreemdeling die er zelfverzekerd genoeg uitzag om Kh’urk helemaal alleen te bevechten.

‘Ik!’ riep een dappere ziel. ‘Ik volg je.’

‘En ik!’

‘Ik!’

‘Leid ons! Sharhendsel Farlandhonen.’

Zwaaiend met zijn pikhouweel leidde de mummiehaler de menigte, met Salamey Facannacei en haar twee zussen aan zijn zijde.

Ze hadden knuppels, bijlen, messen en fakkels. De honderden inwoners marcheerden naar de tempel van de demon-god Kh’urk, bevrijdden de slaven en brandden het gebouw af tot aan op de grond.

De menigte keerde terug naar de stad. Zij droegen Sharhendsel Farlandhonen op zijn schouders en scandeerden zijn naam.

 

#

 

Met al hun oude leiders vermoord, kozen de burgers van Wynxk een nieuwe leider, een dappere en sterke man klaar om de stad te beschermen.

Sharhendsel Farlandhonen werd tot koning gekroond en Salamey Facannacei, dochter van de overleden patriciër Curlhain Facannacei, werd zijn koningin.

Op zijn sterfbed was de koning van Wynxk omringd door zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Ambassadeurs van zestig koninkrijken wachtten in de hal. Duizenden burgers hadden zich buiten verzameld.

‘Ik heb een goed leven geleid,’ zei Sharhendsel Farlandhonen tegen niemand in het bijzonder. Hij had zijn afscheid al genomen.

‘Tijd om mijn lichaam te laten rusten in de Holle Berg.’ Er verscheen een glimlach op zijn gezicht. ‘Ik hoop alleen dat dit allemaal geen droom is geweest…’

Na deze mysterieuze woorden sloot de koning van Wynxk zijn ogen en stierf.

 

#

 

Sharhendsel Farlandhonen werd wakker buiten de metalen cirkel in het verborgen graf.

Hij stond op en keek rond. Zoveel nazaten! Zijn bloed moest Wynxk vele generaties geregeerd hebben.

Als ik het echt was. Hij keek niet naar de mummie. De herinneringen aan zijn vorige leven waren helder als water uit een bergbron.

De mummiehaler kreunde. Hij kon het bijna niet verdragen. Salamey en hij… Het verscheurde bijkans zijn hart. Zij was op haar zeventigste gestorven, mooi als altijd. Hij had haar nog bijna een dozijn jaren overleefd. Als het allemaal waar was… Maar hoe kon het waar zijn? Lijd ik aan breinrot of een hersenschudding? Welnu, er is een manier maar één manier om erachter te komen of ik droomde of niet.

De mogelijke voormalige koning raapte zijn pikhouweel op en om zichzelf respijt te geven, keek hij naar de puinhelling die hem in het graf had laten belanden. Het zou wat tijd kosten, maar hij was ervan overtuigd dat hij zichzelf kon uitgraven.

Na een paar hartslagen keerde Sharhendsel zich om en liep naar het stenen sterfbed met de twee mummies. Deze keer stapte hij voorzichtig over de metalen ring. Het stenen podium was gemaakt tijdens zijn bewind. Langs de zijkanten werden zijn belangrijkste prestaties afgebeeld: zijn overwinning in de grote veldslagen, zijn openbare werken, de zegening van de goden. Aan het voeteneind was een houweel uitgehouwen, het legendarische wapen waarmee hij de boze priesters van de demonengod Kh’urk had gedood. Hetzelfde hulpmiddel dat hij op dit moment in handen had.

Geleid door een herinnering aan de man die hij misschien was geweest, sloeg Sharhendsel met zijn pikhouweel op de stenen beeltenis.

Vier, vijf, zes keer sloeg hij toe en toen brak de steen.

De mummiehaler schoof de brokstukken opzij en een koningsschat werd onthuld: koorden met vierkante gouden munten, juwelen zo groot als eieren, stenen tabletten met oude wijsheid, kleine beeldjes van maansteen en sterrenmetaal, sieraden gedragen door koningen en koninginnen.

Sharhendsel knikte. Dit was genoeg rijkdom om te leven als de meest decadente plezierzoeker voor de rest van zijn dagen. Als hij ervoor koos om dat te doen…

Nee! Een gevoel van daadkracht stroomde door zijn aderen. Hij was Sharhendsel Farlandhonen, de mummiehaler en hij was Sharhendsel Farlandhonen, de koning van Wynxk in een glorieus, vergeten verleden. Hij had rijken onderworpen en tallozen geregeerd.

Om te leven als de vette, gestreepte slak in een pomarus-vrucht?

Nooit! Met deze rijkdom kon hij invloed, mensen en zwaarden kopen.

Sharhendsel Farlandhonen knikte. Ja, over een jaar zou het oude Wynxk ontwaken voor nieuwe gloriedagen, met aan het hoofd een nieuwe heerser.

De mummiehaler en koning pakte zijn houweel op.

 

###

Wartna – Jan J.B. Kuipers

Het voorjaar is al goed op streek, maar hier schijnt de maan nog door de kale takken van een wilgen- of elzenbosje, dat een eindje verderop naargeestig in de hemel klauwt. Ergens tussen het bosje en de twee mannen ligt een donkere hoop in het vochtige gras. Behoedzaam treden de monnik Dubghal en ik naderbij.

De hoop blijkt het uitgestrekte lijk van een gesneefde krijgsman te zijn. Maliën blinken vaag onder de half verrotte schoudermantel, grote zwarte gaten geven de plek aan waar de protserige beugelspeld, waarvan de Friezen zo houden, is afgescheurd. Onder een leren helm gaapt het doodshoofd, waaraan nog vezelige en schouderlange haarpieken plakken. Een edeling zonder twijfel, maar één wiens lot al jaren geleden een fatale wending heeft genomen.

Dubghal slaat een kruis en mompelt zijn christenspreuken. Ik blijf behoedzaam terzijde, klaar om bij het minste onraad te vluchten, terug over de Rijn naar de rijkjes die de Franken uit het Romeinse imperium hebben gekerfd. En jawel, het onraad komt – maar ik blijf staan, als verlamd, geplant in de grond zoals die vervloekte spookbomen verderop.

Het hoofd van de dode krijger richt zich enigszins op, zo lijkt het tenminste in die lichte nacht, en een wittige nevelwalm ontsnapt aan zijn mond, die min of meer een gedaante aanneemt als van een mens. Dubghal valt op zijn knieën, zijn heilige gebed op slag verstomd.

De schim spreekt! Zijn stem klinkt als het ruisen van regen op de rivier. Toch herken ik de hoekige, overrijnse tongval.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm.’

Ik zie hoe de verbijstering ook mijn meester in haar greep heeft.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm!’ gebiedt de schim nogmaals en de regen van zijn stem ruist harder, dringender.

Nu kijken zowel Dubghal als ik, Skannal, man zonder herkomst, om ons heen, alsof we wakker geschrokken zijn. Geen vijand in de wijde omtrek te zien.

‘Vergeef ons. Maar uw vijand moet gevloden zijn, heer,’ zeg ik haastig, terwijl Dubghal stom blijft, hoewel zijn lippen licht bewegen.

Een zwakke beroering lijkt door de schim te trekken. Misschien beseft hij nu pas dat hij niet zijn vijand, maar zijn vijand hém heeft overwonnen in dat grijze verleden.

‘Werp mij dan een heuvel op en begraaf me daarin met mijn zwaard,’ eist hij nu.

Ook een zwaard is in geen velden of wegen te bekennen. Waarschijnlijk heeft de vijand het als trofee meegenomen, of is het gestolen door een naamloze passant in deze drasse en desolate landen. Misschien dezelfde lijkenpikker die ook de beugelspeld heeft gesnaaid? Zwaarden zijn kostbaar, bronzen mantelspelden ook.

‘Uw machtig zwaard is eveneens verdwenen,’ zeg ik.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij,’ aldus de derde en aanzienlijk doffere eis van het spook, dat mogelijk als gevolg van mijn teleurstellende berichten begint te vervagen.

Dit laatste brengt moed terug in de scharminkelige leden van mijn meester. Dubghal rijst waardig op, zichzelf en het lijk bekruisend, waarin de schim zich weer schijnt op te lossen.

‘Geen duivelaanbiddersheuvel voor u, heidense vorst!’ roept hij. ‘De Heer heeft u nogmaals overwonnen en in de hel gebannen!’

Met een grote boog beent nu hij om de gevallene heen en vervolgt zijn pad naar het elzenbosje. ‘Komaan, Skannal, volg mij!’

Ik haast mij achter Dubghal aan. Maar beiden verstarren we voor een tweede keer, als de schim nog één keer roept, nu hol vanuit de halfopen borstkas van de gevallene: ‘Deze plaats van uw eerloosheid is ook de plek van uw dood!’

Het is een maanverlichte en kille nacht. Wij rillen en huiveren, we komen opnieuw in beweging en draven bijna naar de elzen.

 

*

 

Het is waar: ik heb een zekere gehechtheid ontwikkeld aan Dubghal de Hiberniaan. Hij heeft mij immers gered. Ik lag op het strand, wachtend op de vloed en mijn dood. Ik leunde met mijn rug tegen een ruwe paal, die de Kustfriezen van weleer diep in het zand hebben geslagen. Sterker nog: Mijn polsen waren achter de paal gewrongen en daar samengebonden. Ook om mijn middel liep een koord dat mij aan de paal bond. Mijn enkels waren eveneens gebonden. Ik was een offer aan hun zeegodin Rane. Iets met een schaap dat ik zou hebben gestolen, een dochter die ik zou hebben benaderd. Geen dingen om over uit te weiden.

De vloed kwam dus op, omspoelde al de ruïneuze Toren van Kalla, die de plek aangeeft waar in een grijs verleden een krankzinnige keizer van Rome zíjn zeegod kwam beoorlogen, en nadien huiswaarts trok met zegewagens vol buitgemaakte schelpen. Geen wonder dat dit rijk naderhand langzaam is afgebrokkeld.

Ik lag te wachten en liet al bijna mijn pis lopen van angst.

Toen verscheen Dubghal. Hij knielde bij me neer en bood me mijn bevrijding aan.

‘Graag, heer.’

‘Als compensatie vraag ik dat je het zachte juk van Christus op je neemt.’

‘Goed.’

Op zijn gemak haalde hij een veldfles tevoorschijn en sproeide druppels over mijn hoofd, terwijl hij zijn heilige kruisgebaren maakte en prevelde in de taal der Romeinen. De voorposten van de vloed bepotelden al mijn sandalen.

Ik herkende dit wel. In Londinium aan de overkant van de zee was ik ook al eens gedoopt, toen ik diende in de Zaal van koning Vortigern. Maar dat hoefde Dubghal niet te weten. Voor mezelf maakte ik uit dat ik inderdaad een christen moest zijn, nu ik twee keer hun wijdingsrite had ondergaan. Dát was de reden dat ik Dubghal niet doodsloeg toen hij mij net op tijd bevrijdde van de sombere Friezenpaal. Niet omdat hij mijn enkels vastgebonden liet en ook mijn polsen stevig vastbond, vóór hij me meesleepte naar het veilige duinland achter de dodelijk aanrollende branding.

 

*

 

We zijn een eind naar het zuidoosten getrokken en het plan is als volgt: we reizen stroomopwaarts over de Rijn naar Traiectum. Vandaar gaan we weer noordwaarts naar de moerassige landen bezuiden het Aalmeer, waar ergens eindeloos en onder een kwaad gesternte aan de stad Wartna wordt gebouwd door de heidense Friezen. Met behulp van de reliek die Dubghal meesleept en die hij met de tederste zorg omringt, zullen wij het lot doen keren en zo de Friese koning en met hem al zijn onderdanen tot het Ware Geloof brengen. Ik geloof niet dat het hoofddoel van Dubghal zijn eigen canonisatie is als dank voor deze onderneming, maar uitsluiten doet hij deze schitterende toekomst ook bepaald niet. Hij gedraagt zich al min of meer als een uitverkorene, een heilige. Mij ziet hij als zijn bediende en hij heeft mij ongeveer een week na onze ontmoeting al min of meer verkracht. Waarna veel neergeslagen blikken en fanatieke prevelgebeden volgden, toen de ochtend was aangebroken. Wat mij betreft: ik weet welk lot de eenvoudigen beschoren is. In Londinium heb ik wel erger meegemaakt. Ik hou er niettemin rekening mee dat ik, Skannal de vaderloze, me eens zal kunnen wreken op alles en iedereen. Of toch op sommigen.

 

Op een platte aak vol zout trekken we oostwaarts, op de kracht van één vierkant zeil waarbij we midstrooms varen. Als dat niet gaat en de scheepsknechten de bomen moeten hanteren, houden we de wal dichterbij. De schipper-eigenaar is een nurkse kerel. Hij bestiert het roerblad en het zeil, zijn in todden en vodden gehulde mannen hanteren lijdzaam de bomen.

Op een nevelige ochtend, niet ver van Traiectum, schieten ranke bootjes vanachter een hoge donk bij de zuidoever tevoorschijn en enteren onze schuit. Vieze kereltjes, rank als palingen en stinkend als beerputten, zwermen over dek en houwen met knuppels en een enkele bijl in op de knechten. Hun hoofdman, herkenbaar aan een merkwaardig staketsel van twijgen en vissenhuid in de vorm van een bovenmaatse snoekenbek, schreeuwt bevelen vanuit één van de schuitjes op veilige afstand.

Onze schipper grijpt naar zijn boog, maar valt met een kapotgeslagen knie opzij, waarna enkele bijlslagen het werk afmaken. Ziekmakende geluiden, bloed dat over de planken kruipt. Ik val op mijn knieën en begin over te geven, hetgeen grote olijkheid bij de piraten teweegbrengt. Ze hebben de aak al veroverd, de mannetjes lopen geestdriftig roepend rondom de hopen zout in de midscheeps. De leider met de snoekmijter wordt ook aan boord gehesen en loopt met een adjudant langs de gevallenen. Hij wijst op enkele jonge en vlezige exemplaren. Die worden vervolgens door zijn mannen opgenomen en netjes op het achterschip in een rijtje gelegd. De anderen gaan overboord, de schipper achterna. Visvoer of een offer aan hun modderige goden.

Mijn meester Dubghal ontspringt die dans. Zijn uitheemse uiterlijk en pij heeft kennelijk de nieuwsgierigheid opgewekt van deze rivierratten. Op zijn gebaren en overredende kreten word ook ik gespaard. Misschien denken de rovers nog meer pret met ons te kunnen beleven. We worden gebonden en rug aan rug in de boot van hun admiraal met de snoekmijter gezet. Dan verdwijnen we weer achter de donk. De aak komt achter ons aan en de kleine stinkerds die hem voortbomen zingen een schel en vrolijk lied, terwijl een ijzige regen de nevel verdrijft.

 

*

 

De biezen hutjes van het snoeksnuitvolkje zijn nauwelijks te onderscheiden van het hoge riet dat het oeverland bekleedt. Hier en daar steken wilgen en vlieren boven de wildernis uit. Dubghal en ik worden ondergebracht in een grote kooi op een met stammetjes verstevigde donk, een eindje landinwaarts. Aan een afgeknotte boomstam in het centrum hangt een barbaarse gestalte. Een met lappen en kledingfragmenten bekleed takkengeraamte, bekroond door een schedel met aangeplakte rietstengels als kapsel, waarop weer een staketsel rust in de vorm van een steurachtige kop met lange voeldraden en zwarte kiezels als ogen. Aan de voet van de stam ligt een bergje offerbeenderen in diverse fasen van verbleking of verkoling.

‘Dat is Kgestha, hun riviergodin,’ zegt de kerel die bij ons zit opgesloten. Zijn naam is Elbouin en hij is de laatste van een groepje Frankische verkenners dat door de snoeksnuiten op de zuidelijke Rijnoever is overrompeld, maanden geleden. Zijn traditionele, overdreven Frankische snor valt niet meer op in zijn intussen overvloedige, smerige baard.

‘Waar is de rest gebleven,’ vraag ik.

‘Opgegeten,’ zegt Elbouin in zijn nauwelijks te volgen koeterwaals. ‘Sommigen moesten eerst paren met de meisjes van de snoekkoppen. Nageslacht, zie je. Maar ik niet. En nu ben ik aan de beurt, zonder dat…. Tenzij ze eerst jullie…’

Dunghal staakt zijn eeuwige geprevel. Zijn hand glijdt onder zijn pij en omknelt de reliek.

‘Dat zal niet gebeuren, dat mág niet gebeuren,’ mompelt hij doodsbang. Hij schijt zich bijna onder als enkele snoeksnuiten uit de hut van de hoofdman aan de overkant van de plek komen kruipen en vervolgens naar onze kooi lopen.

Elbouin drukt zich panisch tegen de achterwand en Dubghal valt op zijn knieën, het pakje met de relikwie in zijn hooggeheven handen. Hij begint luidkeels te bidden. Maar ik, Skannal, doe een dwaas sprongetje, buig mij dan voorover, maak afschuwelijke braakgeluiden en begin een enkeltrappend dansje dat ik van een potsenmaker heb geleerd, lang geleden in Caer Colun.

De snoeksnuiten staan verbouwereerd stil en slaan zich dan op de knieën van het lachen.

 

Of dát ons gered heeft of het vrome bidden en smeken van Dubghal, of misschien de kracht van de relikwie, ik weet het niet. In elk geval zitten we die avond ongeschonden voor de hut van koning Snoeksnuit, terwijl even verderop een stevige stoofpot pruttelt. Het hoofdingrediënt wordt helaas gevormd door de onfortuinlijke Elbouin, op smaak gebracht met overvloedig zout uit onze aak. Toen ze de Frank keelden en slachtten pal voor onze kooi ben ik opnieuw brakend over de aarde gekropen. Mijn populariteit als dolleman kan niet meer stuk.

De riviermannen smullen van hun vlees en vinden het helemaal niet erg dat wij ons tot enkele moten geroosterde vis beperken. Koning Snoeksnuit blijkt mee te vallen. Hij kent de rivier tot aan de kust. De stam omvat enkele verspreide nederzettingen tot aan het mondingsgebied, elk met een eigen koning. Ook is hij vaak in Traiectum geweest, de half in puin liggende Romeinse nederzetting wat verder naar het oosten. En óf hij Traiectum kent. Zijn dochter is er vorig jaar geroofd door de Traiectanen, die met de Franken onder één hoedje spelen om het aloude riviervolk uit te roeien, het volk dat in de voortijd samen met de rivier uit het land van de ochtendnevel is gekomen.

Het kan Dubghal allemaal niks schelen.

‘En Wartna?’ vraagt hij begerig.

Snoeksnuit en zijn oudermannen doen net of ze hem niet horen en kauwen onverdroten op hun vleesbrokken. Hun tronies spreken boekdelen. Ze willen niet van Wartna weten.

‘Ik heb over de christenen gehoord,’ zegt Snoeksnuit dan met zijn keelachtige accent. ‘Jullie eten je god en daarom zijn jullie net als ons. Je moet ons helpen.’

Dubghal opent zijn mond om dit godslasterlijke misverstand aangaande de heiligste rite van zijn geloof krachtig uit de wereld te helpen. Maar ik ben hem voor, ik wil graag nog even blijven leven.

‘Wij willen graag helpen,’ roep ik bijna. ‘Toon hen uw relikwie, vader Dubghal!’

De monnik kijkt mij woedend en machteloos aan.

‘Vader Dubghal heeft een machtig tovermiddel onder zijn pij. Het kan u grote diensten bewijzen!’

Nu moet hij wel. Met tegenzin haalt Dubghal het pakje tevoorschijn en vouwt het open.

Iedereen staart naar het in een benen lijstje gevatte, doorzichtige harsplaatje met daarin een plukje grijzige, vezelige schubben. Opvallend grote schubben. De wonderbaarlijke Schub van Sint-Fintan.

De snoeksnuiten zuchten van verwondering. ‘Vis! Wij zijn als jou en jij bent als ons,’ zegt hun koning met nog meer overtuiging dan eerst. ‘Watermensen. Hoe kan de toverschub ons helpen?’

Plots ontwaakt de missionaris in Dubghal. ‘Niemand weet hoe de heilige relieken hun kracht tot uiting brengen,’ zegt hij zalvend. ‘Maar de eerste voorwaarde voor de werking is dat ik u moet dopen.’

‘Dopen?’ De riviermannen kijken ons en elkaar verwonderd aan.

De spraakwaterval van Dubghal is niet meer te stuiten.

 

Sint-Fintan vluchtte vóór de Zondvloed uit naar het westen, ik denk wel duizend jaar geleden en hij was in het gezelschap van zijn vrouw, Noachs kleindochter Cessair, vijftig andere vrouwen en een paar kerels. Fintan was zeer wijs en werd een belangrijk raadsheer van diverse koningen in Hibernia. Toen de vloed ook deze landen bereikte, wist hij te overleven door in een zalm te veranderen en gedurende een jaar onder water te leven. Toen dook hij weer op, schoot als havik de lucht in en daalde neer als man. Hij schudde het laatste water en de laatste schubben van zich af en leefde zijn verdere leven als een man in wie alle kennis verzameld was en die tegelijk niet door deze kennis werd aangetast.

‘Als een heilige leefde hij voortaan,’ besluit vader Dubghal en vouwt het doek weer om zijn heilige pakketje, dat hij vervolgens weer onder zijn pij wegsteekt.

‘Morgen zal ik u allen dopen in de rivier,’ kondigt hij plechtig aan. ‘En vervolgens brengen wij de vlam van het geloof naar Traiectum!’

‘En Wartna dan?’ fluister ik hem toe.

Nu doet Dubghal of hij míj niet hoort. De bekering van de snoeksnuiten en van Traiectum legt vermoedelijk evenveel gewicht in zijn hemelse schaal als die van Wartna, de geheimzinnige stad der Friezen.

 

*

 

De doopplechtigheid is een langdradige gebeurtenis; Dubghal dompelt tientallen kandidaten onder in de rivier, bij de oever tussen de rieteilandjes. Mannen, vrouwen, kinderen. Hij raffelt zijn formules af en daar waadt de volgende kandidaat alweer naar hem toe. Ze hebben er wel plezier in, de snoeksnuiten, het is een eenvoudig volkje. Hun barbaarse godin aan de boom vormt even een probleem. Maar opnieuw treft een ingeving mijn meester. Kgestha, dat lijkt enorm op Cessair, Fintans vrouw en daarom besluit Dubghal dat dit geen toeval is. Hij sproeit zijn gewijde water over de beeltenis en maakt zo een christelijke kapel van deze plaats, waar de riviermensen gisteren nog hun duivelin vereerden.

Niets staat een zegetocht naar Traiectum nog in de weg. Wartna lijkt vergeten.

 

*

 

Handbogen van elzenhout, knotsen, priemstokken en speren met gebrande punten, dissels en een enkele geroofde bijl of zwaard vormen de bewapening van ons legertje. Onze bondgenoten, aangevoerd door de koning zelf, hebben goede moed op de afloop. Ze zijn immers ondergedompeld en kunnen nu rekenen op de kracht van de toverschub.

We hebben onze bootjes op de oever getrokken en enkele wachtposten achtergelaten. Traiectum is niet ver meer. In de avondschemer doemt al een houten wachttoren op, met op driekwart van de hoogte een primitieve gaanderij. Een zwaargebouwde wachter zit er comfortabel op zijn achterste en lijkt te suffen. Enkelen van ons kronkelen als alen naar de voet, klauteren omhoog langs de uitstekende balkeinden. De wacht schrikt op en probeert overeind te komen. Een gesmoorde brul, en daar stort het volgevreten lijf als een zak graan naar beneden.

Dat verhoogt de stemming nog; Dubghal heft zijn relikwie hoog boven de verzamelde mannen en we trekken bijna feestelijk verder. Als de puntige palissaden van Traiectum niet veel later donker afsteken tegen de lucht en we de hemelse weerschijn van de vuren in de stad zien, leggen we ons op de naakte aarde te rusten.

 

Bij dageraad vallen we aan. Onze verspieders hebben een eind voorbij de hoofdpoort een door rot en verwaarlozing ontstane gaping in de palissade ontdekt. Twee aan twee dringen we erdoor, de stad in. Maar de wachtpost op de meest nabije toren van de omwalling blijkt een wakkere figuur. Hij schreeuwt en blaast zijn hoorn, en daar worden we al aangevallen door de burgers van Traiectum. Ze stromen van tussen de opeengepakte huizen, getooid met gebrekkige en fragmentarische rustingen, maar betere dan wij hebben. Sommigen werpen zowaar een Frankische werpbijl, de gevreesde francisca, in ons midden, terwijl anderen een spatha, het al even gevreesde langzwaard, rondzwaaien. Het gevecht wordt snel dicht, een bloedige kluwen. De Traiectanen vechten verwoed, ze kennen de onzen vermoedelijk als menseneters en weten natuurlijk niet dat ze sinds een dag of wat het Ware Geloof belijden. De uitslag lijkt beide kanten op te kunnen gaan, maar nu komen ook de vrouwen van de stad krijsend en gillend aanrennen, zwaaiend met brandende toortsen, knotsen en tweetandige hooivorken. Gewonden proberen weg te kruipen, lijken liggen broederlijk over elkaar.

Ik zie hoe koning Snoeksnuit één van de vrouwen herkent, een kleine maar mooie jonge vrouw in een blauw, kennelijk duur gewaad met een geborduurd halsboord. Zij draagt een speer met een echte ijzeren punt, ziet ook hem en verstart. Geen twijfel mogelijk, Snoeksnuit heeft zijn dochter teruggevonden! De koning maait met zijn bloedbevlekte knots alle weerstand uit de weg en draaft brullend van vreugde naar zijn dochter. Helaas! Zijn telg heeft vermoedelijk geen lust om mee terug te gaan naar het modderige leven aan de rivier, ze heeft hier een aantrekkelijker bestemming gevonden. Ze velt haar lans, Snoeksnuit wordt plots in zijn blijde opmars gestuit. Hij staat een moment roerloos, zijn knots bungelend aan zijn arm. Dan zakt hij door de knieën en valt opzij. Hij is tussen de strijders uit het gezicht verdwenen, zelfs zijn hoge snoekmijter is niet meer te zien.

Het is een totaal onverwachte ontwikkeling. Zijn mannen verliezen eensklaps de moed. Ze draaien zich om en rennen terug naar de gaping in de palissade. Een minderheid weet door de opening te ontsnappen. De anderen wordt de weg versperd door de Traiectanen, die hen nu aan alle zijden insluiten om hen af te kunnen slachten.

Natuurlijk behoorden Dubghal en ik tot de achterhoede. Wij zijn immers geen geoefende krijgers en zouden onze bondgenoten alleen maar in de weg lopen. Door deze verstandige positie zijn wij ook als eersten weer buiten de palissade van Traiectum. We rennen en rennen, door rietlanden en zandige opduikingen, begroeid met bleke berken. Geschaafd en geschramd stampen we voort. Het rumoer van het bloedbad is allang verstild, onze kompanen verdwenen. De snoeksnuiten wagen zich immers nooit ver van de rivier, terwijl wij als vanzelf noordwaarts zijn gevlucht, weg van hen, het land van de Friezen in.

 

Met schurende ademhaling en bonkend hart liggen we tenslotte aan een smal beekje, omzoomd met wilgen, brandnetels en fluitenkruid. We drinken gulzig van het zoete water. Uitgeput zijn we, maar we houden goede moed. Heeft de schim ons dagen geleden niet voorzegd dat wij daar, bij hem zouden sterven? Niet ergens anders. Alles wat wij moeten doen is dus uit de buurt van zijn domicilie blijven, dan zal ons niets fataals overkomen.

Zo overleggen we en houden de moed er bij elkaar in.

‘Maar de relikwie heeft ons lelijk in de steek gelaten,’ zeg ik gemelijk.

‘Je denkt nog als een heiden. Het was menselijk falen. Een misvatting van mijn kant,’ beweert Dubghal. ‘Ik had onze troepen moeten aanvoeren daar in Traiectum, ik had voorop moeten stormen met de Schub van Sint-Fintan hooggeheven. Dan was de stad nu van ons geweest.’

‘Ach, natuurlijk,’ hoor ik mezelf zeggen. Het klinkt werktuiglijk, wat kan mij het verder ook schelen. Ik denk na over het feit dat ik tijdens het gevecht niet brakend over de aarde heb gekropen. Vermoedelijk omdat ik mij veilig achter een haag van riviermensen bevond. Ik heb dus alleen een afschuw en onoverwinnelijke angst voor geweld en bloed als ikzelf in gevaar verkeer en anders niet. Mijn walgelijke zwakte is een wapen. Ik ben een zuivere lafaard. En voor lafaards moet je uitkijken.

‘Wat nu?’ Dat is mijn volgende vraag.

‘Wartna,’ zegt Dubghal beslist. ‘De rest was illusie. Wartna is ons doel. Sint-Fintan wil het.’

 

*

 

De omheinde hoeve van Wybo de Smid staat eenzaam maar nobel op een lage heuvel, die de Friezen misschien aan de terpen in het noorden van hun land doet denken. Hoeve zeg ik, maar dit is eerder een buurtschap met al die bijgebouwen en veekralen en spiekers op palen. Heidenen tot in hun merg zijn deze Friezen, maar ze zijn gebonden aan hun eer en het gastrecht, dus hebben we niets te vrezen of te klagen. Eten en drinken genoeg. Maar zodra het woord Wartna is gevallen, verontschuldigt de smid zich en verdwijnt in het centrale woonstalhuis met het dak dat bijna tot de grond reikt.

Wij blijven achter bij het vuur, met de drie oude mannen die hier jaren geleden zijn komen aanwaaien uit het noorden en altijd zijn blijven plakken.

‘Wybo spreekt niet graag van Wartna,’ zegt de eerste. ‘Terwijl hij toch de enige van ons is, die daar is geweest. Wees heel!’ En hij heft zijn drinkhoorn naar de anderen.

‘Niemand neemt immers graag de naam van die stad in zijn mond,’ zegt de derde. ‘Wees heel!

‘Waarom niet?’ vraagt Dubghal.

Nummer één kijkt hem verbaasd aan van tussen de struikbossen van zijn baard, vuilwitte haar en wenkbrauwen als runderhoorns.

‘Waarom niet? Omdat het een stad is, gebouwd voor Wodan. De tijd geldt daar niet, de doden klinken en drinken er zonder eind en we willen er allemaal naartoe, alle krijgers. Maar niet vóór onze tijd gekomen is.’

Wees heel!’ toost nu ook de middelste ouderman.

Friezen houden het liefst hun bek dicht. Maar als ze eenmaal aan het zuipen zijn, krijg je hun klep niet meer dicht, dat weet iedereen van hier tot Aquitanië.

Wartna blijkt gesticht te zijn door de oude Friezenkoning Finn Folcwalding, als dank voor zijn overwinning op zijn schoonvader Hnaef, de koning der Denen.

‘Dat gebeurde bij zijn eigen Finnburg, o, waren we er maar bij geweest! Zelfs Hengist dolf het onderspit!’ roept de eerste ouwe weer.

Dat is vreemd. Ik heb de ruige Hengist vaak dronken zien worden en horen opscheppen bij Vortigern, die hij zo’n beetje in gijzeling hield daar in Londinium. Maar over dit verhaal heb ik de beestachtige Juut nooit horen brallen. Te beschamend voor hem misschien.

‘De brandstapels voor de gevallen Denen vlamden hoog na die bittere slag. Wees heel!

‘Maar voordien klonk het heerlijke rumoer van de strijd in de hal en erbuiten. Zwaarden rinkelden, schilden splinterden onder brave bijlen!’

‘Er werd op de schilden ingehakt ja, schilden in de handen van de helden. Wees heel!

‘Helmen barstten, de vloer van de hal kreunde van het bloedgenot.’

‘Totdat in het gevecht Garulf stierf,‘ zegt de eerste ouderman weer. ‘De eerste van de strijders die op aarde zwierven, de zoon van Guthlaf, met alle goede makkers aan zijn zij.’

‘Zij vielen ter aarde, terwijl de raaf al cirkelde.’

Wees heel!’ fluistert de middelste ouderman somber, en staart met natte ogen in het vuur.

‘De laffe Hengist vermoordde onze koning, hoewel hij bij hem mocht overwinteren na zijn overgave, en hij vluchtte met zijn schepen naar het land van de Britten.’

‘En toch heeft Finn nadien zijn stad gesticht.’

‘De stad van de helden. Luisterrijker en raadselachtiger dan Bordonchar en Nocdac samen.’

‘Hoe kan dat, als hij dood was?’ Dat ben ik. Maar mijn vraag stuit op onbegrip.

‘Finn was soms een dwerg, soms een reus. Dood. Levend. De tijd is anders in Wartna. Wees heel, o koning.’

Dubghal zegt allang niets meer, staart alleen in het vuur, zijn hand op zijn borst waar de relikwie geborgen is.

Ik neem graag nog een kom aan van het Friese bier en zie hoe de oude krijgers langzaam inzakken, en zich mummelend overgeven aan hun sluimer.

 

*

 

Wybo de Smid heeft grommerig afscheid van ons genomen en ruime leeftocht meegegeven. Maar van Wartna wilde hij nog altijd niet weten, hij gebaarde vaag naar het noorden, in de richting van het Aalmeer. In die contreien weet je niet waar precies het land ophoudt en het meer begint. Het gebied bestaat uit een aaneenschakeling van moerassen, broekland, bultige donken, wijde eilanden van riet en vlieren, roerloos wachtende poelen en kreken.

De zon schijnt heet vandaag, vliegen zoemen. Over een paar maanden word je hier doodgestoken door de muggen.

Dubghal marcheert noordwaarts alsof hij precies weet hoe we moeten lopen. In werkelijkheid dicteert de gesteldheid van het land onze richting. En dat is goed: dat is als het lot, dat onze schreden richt naar waar wij niet willen gaan, maar zullen gaan.

Belenos of hoe ze hem hier ook noemen rijdt de zonneschijf alweer naar het westen als we aan de verende rand van een brede plas staan, bestrooid met eilandjes hoog opschietend riet, waaruit hier en daar ruige bosjes en groteske takken als broodmagere armen steken.

‘We moeten eromheen trekken,’ stel ik nogal dwingend voor, beducht voor reuzensteuren en steelse nekkers die je meesleuren in de diepte.

Mijn metgezel loert me misprijzend aan alsof ik deze watervlakte heb neergevlijd, en staart dan weer verlangend naar het noorden. Zijn hand kruipt gewoontegetrouw naar zijn borst, waar de relikwie verblijft. Soms willen mensen die op elkaar zijn aangewezen elkaar het liefst vermoorden en in de grond stampen. Precies zo voel ik me op dit moment.

Ergens snatert een eend.

‘Wartna!’ roept Dubghal ineens vertwijfeld over de natte wildernis. ‘Waar is Wartna?’

Er klinkt geritsel en licht gekraak. De steven van een laag schuitje breekt uit het dichtstbijzijnde rietbosje. Alsof het op ons arriveren heeft gewacht. Het wordt voortgepeddeld door een oudere, kale man in lange bruine mantel. Zijn gezicht is verkreukeld en getaand, aan weerszijden hangen schouderlange, grauwe haarsprieten. De kale bovenkant van zijn kop is bedekt met donkere sproeten als de sterren van een omgekeerde hemel, waar licht duisternis is en duisternis óók duisternis, maar dan nog dieper. Zijn ene oog is melkwit en staart naar niets. Een doorleefd man.

‘Wartna is daar,’ zegt hij en gebaart weids naar het noorden.

‘En u bent de veerman?’ Ik ben ondanks mijn wild galopperende verbeelding toch altijd de meest praktische van ons kleine reisgezelschap.

De man knikt.

‘Wat is de prijs?’

‘Welkom,’ zegt de veerman en noodt ons met eenzelfde breed gebaar aan boord van zijn hulkje.

Begerig en gejaagd als altijd stapt Dubghal als eerste aan boord.

 

*

 

Ik probeer erachter te komen wie onze vriendelijke schipper precies is, hoe zijn naam luidt. Maar Dubghal zit tussen ons in en dat hindert misschien een open communicatie. De ouwe gaat niet op mijn vragen in, maar peddelt ons wel krachtig tussen rieteilanden en zandopduikingen door naar open water.

Dat brengt enige verontrusting in Dubghal teweeg.

‘Hoe komen we zo in Wartna? U voert ons deze eindeloze plas op, dit is al het Aalmeer neem ik aan?’

Ik zie hoe de peddel druppels sproeiend uit het water wordt getild. De veerman schuift nu een boomstok onder onze voeten vandaan en steekt die bijna rechtstandig in het water. Hij stuit plotseling op iets.

‘Harde bodem,’ zegt de schipper. ‘We varen dus precies boven de oude heerbaan van de Romeinen, of de reuzen die vóór hen waren. En aan het eind daarvan bouwt koning Finn eeuwig aan zijn stad Wartna.’

Bedaard schuift hij de stok terug en begint weer te peddelen.

Na weer een ruime periode van zwijgen en wiegen op het meer, staakt hij opnieuw zijn gepeddel en vraagt aan Dubghal: ‘Waarom wil jij de stad van de grote krijgers eigenlijk bezoeken? De tijd is daar anders. Er wordt eindeloos gebouwd en eindeloos gedronken en ze vertellen er eindeloos de oude verhalen.’

Ik begin zo langzamerhand donders goed te begrijpen wat Wartna voor een oord moet zijn. Maar Dubghal heeft de dikke plank van fanatisme en zelfgenoegzaamheid voor zijn kop. Ik zie zijn ellenboog bewegen en dan buigt hij zich wat voorover. Hij heeft het pakketje met de relikwie tevoorschijn gehaald en vouwt het nu open op de doft vóór hem. Ik kom wat overeind in het meteen sterk wiebelende bootje en kijk mee over de schouder van Dubghal.

‘Sint-Fintan,’ mompelt de monnik. ‘Hij kan ook u redden, oude man.’

De kaalkop beduidt dat hij moet zwijgen. Hij grijpt de boom weer en steekt hem overboord. Deze keer blijft de lange staak vastzitten in de blubber. De heerbaan waarover we varen is ten einde.

Kalm en zeker schuift de schipper de boom weer terug en neemt zijn peddel.

‘We zijn er.’

Alsof hij deze handeling al sinds jaren of het begin der tijden heeft voorbereid, haalt hij vervolgens welgericht uit met zijn peddel en treft de zijkant van Dubghals hoofd. De monnik zakt schuin weg.

‘Wil jij ook naar Wartna, jongen?’ roept de veerman nu, zijn witte oog star op mij gericht.

‘Nee, nee!’ schreeuw ik.

‘Help me dan!’

Samen werken we de half bewusteloze Dubghal overboord. Is het de zon, of een vaag schijnsel in de diepte dat oplicht als mijn meester in het Aalmeer zinkt? Een grote luchtblaas verschijnt aan de oppervlakte, barst open en verspreidt een afschuwelijke stank als van driedubbel verrotte eieren.

Dubghal is verdwenen. Bij de Toren van Kalla heeft hij mijn leven gered. Maar hij heeft zich ook op me geworpen als een hengst en mij bevlekt met zijn begeerte. Ik heb mijn wraak, maar het doet me niets. Ik, Skannal de lafaard. De trouweloze.

Ik staar naar de Schub van Sint-Fintan op de doft tussen mij en de veerman. Mijn toekomst, als ik die nog heb, ligt in het geestelijke vlak. Een andere weg is er niet. Ik tast naar het pakketje, vouw het dicht en steek de relikwie zorgvuldig onder mijn haveloze tuniek.

Even denk ik weer aan de naar zijn grafheuvel hunkerende schim. Waarom zou het fantoom van zo’n verslagen krijger meer over de toekomst weten dan een levende ziel? Dat aan te nemen zou niets zijn dan afschuwelijk bijgeloof.

Het is alsof de veerman van Wartna mijn gedachten kan lezen. Ze plezieren hem misschien. We dobberen in ons bootje op het wijde Aalmeer, onder de zon en boven de mystieke wateren van Frisia, en ik weet niet waar de volgende momenten mij zullen voeren.

Wie weet dat wel, uiteindelijk? Ik heb goede hoop. De grijns van de oude moordenaar tegenover me is niet onwelwillend.

Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar : Tais Teng en Jaap Boekestein

1

Nieuw Rotterdam-aan-de-Ganges, 17 juli 2209

 

Jacob was net vijf toen de stem voor het eerst sprak. Daarvoor waren er natuurlijk wel stemmen geweest terwijl er eigenlijk niemand was: zijn teddybeer had een spraakchip, net als de danspoppen van zijn zusje die werkelijk de oren van je kop kletsten. Maar dit was anders: deze stem sloeg zijn oren over en sprak regelrecht in zijn hoofd.

‘Hoor je mij, Jacob?’

Hij keek om zich heen: zijn slaapkamer was donker, met alleen de ogen van zijn opwindwalvis als groene glimplekken.

‘Je kunt mij niet zien. Maar blijkbaar hoor je mij wel.’

‘Ik hoor je, ja.’

‘Weet je wie ik ben?

Jacob snoof. Dacht de stem dat hij een zulthoofd was? Deze stem was glanzend, ja, metallic glanzend als de schubben van de levende dijken. Hij kon er het zoemen van de propellers op de stekeltorens in horen doorklinken. ‘Je bent een dijk. Mijn oom Gulliver, hij zei dat hij de dijken kan horen spreken.’ Hij ging rechtop zitten. ‘Mijn oom, hij is een echte dijkenfluisteraar! De dijken gehoorzamen zijn bevelen. Ze zwemmen waarheen hij maar wil en pompen het land droog.’

De stem grinnikte, een geluid als tinkelen van een kristallen xylofoon. ‘Bevelen is niet het juiste woord. Meer verzoeken.’

‘Ah.’ Jacob knikte. De levende dijken waren fiere zeedraken: natuur­lijk kon je die niet bevelen, alleen berijden en dat enkel met hun instemming.

‘Besef je hoe bijzonder jij bent, Jacob? Hoogstens een op de zestig­duizend mensen kan onze stemmen horen. En luisteren doen we naar nog veel minder lieden. Alleen naar dijkenfluisteraars.’

‘Ik hoor je. Je luistert naar mij. Word ik een dijkenfluisteraar, net als oom Gulliver?’

‘Dat valt nog te bezien.’

Het was niet helemaal een belofte. Meer zoals hij zijn moeder vroeg of Vader Poseidon hem een albatrosvlieger zou brengen op Nieuwjaars­dag. Half ‘Het zou best kunnen’ en half ‘maar wees niet te teleurgesteld als het alleen een marsepeinen pinguin wordt’.

Het duurde elf jaar voor Jacob de stem opnieuw hoorde.

 

 

2

Australian Inland sea, 17 juli 2209

Hindele was als winterkind geboren en ze had vanaf het begin geweten hoe bijzonder ze was. Toen ze haar ogen opende en haar eerste jammerkreetje slaakte, voer de Vloot net door het hart van Antarctica, recht over het absolute zuiden.

Antarctica was het Gezegende Land: een ring van eilanden met stoere sparrenbossen waarboven heel de lange winternacht de aurora’s dansten. Geen boom mocht ooit gekapt worden uit dat heilige reser­vaat, geen stormvogel uit de hemel geschoten.

‘Toen ik je ogen zag,’ zei haar tante Lidwien een keer, ‘zo groen als chlorella algen, wist ik dat Gaia je gekust had. Dat je nog veel zou betekenen voor de Aarde.’

Dat had ze beter niet kunnen doen.

Kort daarna liepen Hindele en de andere kleuters over het strand van de Australische binnenzee, voor de eerste keer zonder juf, om kokkels uit het natte zand te spitten.

‘Ik word later een spinkrabbentemster,’ pochte Hindele tegen haar hartsvriendin Jup. ‘Ze luisteren naar mij! Ze doen alles wat ik zeg!’

Helaas was Jup niet de enige die het hoorde.

‘De spinkrabben luisteren naar je?’ zei Janneck. ‘De spinkrabben gehoorzamen je?’

Janneck was twee koppen groter dan Hindele en min of meer de baas van de klas.

Dat was niet omdat hij aardig was.

Hindele knikte heftig. ‘Dat doen ze!’ Ze hief haar linkerhand op en trok het zigzag teken van de Herboren Aarde. ‘Ik zweer het!’ Stom natuurlijk. Hindele wist dat ze bijzonder was maar of ze zo bijzonder was?

Janneck grijnsde. ‘Ik geloof je.’ Hij zwaaide naar de andere kinderen. ‘Kom hier! Nu meteen!’

De rest van de klas dromde om hen heen en Hindele kreeg een zeldzaam ongemakkelijk gevoel in haar buik. Alsof ze een handvol rotte mosselen had gegeten en bijna moest overgeven.

‘Het is nu eb,’ verklaarde Janneck. ‘We binden Hindele vast aan de vierde strandpaal. Stevig vast. Met verse ijzerkelp.’

Jup fronste. ‘Maar als de vloed opkomt? Het water komt hoger dan de paal. Als Hindele…’

‘Ze zei dat de spinkrabben naar haar luisteren. Dat ze komen als ze hen roept. Die zullen haar ongetwijfeld komen redden.’ Hij keek Hindele aan. ‘Zo is het toch?’

‘Dat klopt.’ Ze had het gezworen, op de Herboren Aarde zelf. Het moest wel zo zijn. ‘Het is in orde, Jup. Ze zullen mij losmaken.’ Toen Jup bleef fronzen, zei ze: ‘Het is een test. Om te zien of ik genoeg in ze geloof.’ Ze geloofde het bijna zelf.

Hindele zag ze kleiner worden, de kinderen. Eerst streepjes halver­wege het strand, toen stipjes. Hindele wriggelde en kronkelde, maar het ijzerkelp gaf geen millimeter mee en als Janneck iets kon, was het wel knopen leggen.

Tijd verstreek. Duisternis smakte met tropische abruptheid uit de hemel omlaag en de maan rolde boven de horizon uit, een reusachtige volle maan en samen met de maan arriveerde de vloed.

Waarom komt de juf mij niet losmaken? Ze moeten me toch gemist hebben bij de avondtelling?

Maar nee, de andere kinderen hadden ongetwijfeld gelogen dat ze al naar huis was gegaan. Dat haar peettante of haar geboortemoeder haar om de een of andere reden opgehaald hadden. Als alle kinderen dat beweerden, zou de juf het vast niet natrekken.

Het water rees, spoelde over haar voeten, haar enkels, klom omhoog naar haar knieën.

Ze wist heel zeker dat het geen zin had om te roepen: geen spinkrab zou naar een leugenaarster luisteren, naar een rare opschepster.

Het water klotste al om haar middel toen ze brak.

‘Help me!’ schreeuwde ze. ‘Ik zal nooit meer opscheppen. Knip alsjeblieft mijn touwen door!’

‘We hoorden je,’ sprak een stem in haar hoofd. Een stem die niets menselijks had, vol gonzende diepzeeduisternis, maar ondanks dat vriendelijk. In ieder geval vriendelijker dan Janneck ooit geklonken had. ‘Je loog niet. We kunnen je al horen sinds je je eerste kreetje slaakte.’

Een schild, afgezet met scherpe pieken, brak door het water­oppervlak. Ogen op steeltjes richtten zich op, gepantserde spinnen­poten. Een tweede spinkrab verscheen, een derde.

‘Red mij!’ schreeuwde Hindele.

‘Dat is onze taak niet,’ antwoordde de stem. ‘We redden de Aarde. Wij herbouwen de koraalriffen. Wij hoeden de alen en sturen de stromen waarin de regenboogkwallen drijven.’

‘Maar ik kan jullie horen! Ik ben een spinkrabbentemster.’

‘Nog niet,’ zei de stem. ‘En nu waarschijnlijk nooit.’

De poten scharnierden omlaag en de schilden zonken eens te meer onder de zwarte, klotsende zee.

Het water kwam tot Hindeles nek toen er een lichtje op het strand aanknipte. Tante Lidwien stapte de zee op met haar waterlaarzen en snelde over de golven naar Hindeles paal. Een haal met haar lange sago-mes dat een palm kon omkappen en de kelpsnoeren braken.

Haar tante trok haar omhoog, legde haar over de schouder en wandelde over de golven terug naar het strand.

‘De krabben vroegen mij of ze het juiste hadden gedaan,’ zei haar tante. Ze zette Hindele op een rots neer, wreef over het kippenvel op haar armen. ‘Ik vertelde ze dat dit het geval was. Een leugenares die de naam van de Herboren Aarde ijdel gebruikt, verdient een watergraf. Dat kreeften het vlees van haar botten knippen, eh?’ Ze schudde haar hoofd. ‘En dat blijft waar. Alleen ben je mijn favoriete nichtje. Tja, behalve krabbentemster is peettante mijn tweede beroep.’

Hindele barstte in snikken uit. ‘Ik kon met hen praten, alleen heb ik alles nu verpest! Ik zal nooit een krabbentemster worden.’

Haar tante tuitte haar lippen. ‘Dat valt nog te bezien.’

 

 

3

Noordzee, 9 augustus 2220

Zevenduizend gasten en dat noemde Jacobs oom een informeel feestje. Oom Gulliver had zo’n beetje de halve wereld plus hun aanhang uitgenodigd. Jacob had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Ambassadeurs, zeeglas moguls, platina vloggers met een miljoen-plus volgelingen en daar stond zelfs een zilveren androïde van het Maan-AI collectief aan een glas Bernadette 2178 te nippen. Ook de helium­baronnen van Jupiter hadden hun uiteraard holografische afgevaar­digden gestuurd.

Een vloot van staatsiepaviljoens was aan elkaar gekoppeld tot één imposant drijvend eiland. Het hing zo’n honderd meter boven de plek waar eens Londen gelegen had.

Natuurlijk was het niet zomaar een feestje voor een favoriete neef. Dit was de gelegenheid bij uitstek om met de know how en technologie van de familie te pronken en zaken te doen. Mars was het nieuwe Beloofde Land van de drieëntwintigste eeuw. De eerste rivieren en zeeën begonnen al uit de permafrost omhoog te borrelen en het hele noordelijke halfrond zou een reusachtige oceaan worden. Behalve levende dijken bezat de familie al die eeuwenoude Hollandse kennis over waterhuishouding. Zoveel vreemde woorden die alleen de dijkenfluisteraars begrepen: afwateringskanalen, vaste dijken, duinen, slikken en schorren, stormvloedkeringen…

‘He, Jacob kijk niet zo benauwd. Mijn knappe neefje wordt maar één keer in zijn leven een dijkenfluisteraar en dat mag best gevierd worden.’

‘Ja, maar wat als…’ Jacob durfde het niet uit te spreken. Niet hardop tenminste.

Wat als de dijken mij niet accepteren? Mij gewoon wegwuiven met hun stalen zwempoten? Dan ga niet alleen ik af, maar de hele familie!

Oom Gulliver legde een hand op Jacobs schouder en kneep. ‘Maak je geen zorgen, neef, alles sal reg kommen. De dag dat ik dijkenfluisteraar werd, scheet ik zeven kleuren groen. En daar had ik meer reden voor dan jij. Bovendien, de dijken waren heus niet helemaal hierheen komen zwemmen als jij zo doof was als een zeekomkommer.’

Jacob keek naar buiten, naar de zonovergoten zee en de strakblauwe hemel. Drieëndertig levende dijken hadden zich bij de familie aan­gesloten, en degenen die konden, waren gekomen: achttien in totaal.

Een dijk in ruststand was absoluut indrukwekkend, maar ook redelijk saai: een massieve muur van geschakelde blazen, tot barstens toe volgezogen met water, in de bodem verankerd en voorzien van windmolens om energie op te wekken en het binnenwater weg te pompen. Naar behoefte kon een dijk zich uitstrekken tot meer dan honderd kilometer, en indien nodig hechtte het zich gewoon aan de staart van een andere dijk.

Maar een actieve dijk… Dat was een heel ander gezicht. Ze leken dan nog het meest op die Aziatische draken uit de antieke manga’s: een skelet van buigzame segmenten, tien, vijftien kilometer lang. In deze vorm waren de windmolens propellers die het immense lijf samen met de roeipoten voortstuwden.

‘Elke dijk is uniek en heeft een eigen persoonlijkheid,’ had oom Gulliver hem verteld toen ze aanlegden. ‘Je zal het straks zien, Jacob. Geen stem is hetzelfde en je kunt iedere dijk bovendien aan zijn manier van zwemmen herkennen.’

Nu laveerden ze als enorme zeeslangen rond het drijvende feesteiland, loom, totaal relaxed.

Jacob kreeg het gevoel dat hij ze al half kon horen, een soort van zoemen, nét onder de gehoorgrens. Niet met zijn oren, maar als een resonans in al zijn botten.

En ineens wist hij dat zijn oom gelijk had. Alles sal reg kommen. Ik word vandaag dijkenfluisteraar. Ik zal met de dijken kletsen als een gelijke, verloren land ontginnen en verzonken steden uit het kille slijk trekken.

In de familie was Jacob de enige dijkenfluisteraar van zijn generatie. Geen van zijn broers en zussen, neven of nichten had ook maar een spoor van talent en als de dijken met hen probeerden te praten, dan was het tegen dovemansoren.

Jacob voelde een grijns aan zijn mondhoeken trekken. ‘Kom maar op!’ riep hij naar de manoeuvrerende leviathans. ‘Ik ben er klaar voor!’

Alle gasten, plus uiteraard ontelbare toeschouwers in virt, keken toe hoe Jacob de voorplecht van de Johanna Maria besteeg. De eeuwenoude sleepboot was volgens de legende het eerste schip van het familiebedrijf en het werd alleen voor speciale gelegenheden uit het droogdok gelicht.

Het zonlicht hamerde op Jacobs gezicht en het dek deinde onder zijn voeten. Bij de Stella Maris, zo voelt het dus om een ware Hollander te zijn! Water, wind en zilt.

Ja, dat zit in mijn botten, diep in mijn genen.

Ze zeiden dat dit het mooiste moment van zijn leven was. Maar het zou nog beter worden! De opwinding deed zijn handen tintelen.

Hij greep de reling vast, rode korsten menie onder zijn vingers, en de grijsblauwe zee strekte zich voor hem uit. Jacob onderdrukte de neiging om dramatisch zijn armen te heffen. In plaats daarvan zette hij zijn ellebogen rustig op de reling en leunde wat naar voren. Dit moest hij helemaal zelf doen: de dijken uitnodigen.

‘Hallo?’

De zee naast de Johanna Maria borrelde ten antwoord. Een metalen vorm rees op en liet watervallen langs haar flanken omlaag dreunen. De kilometers lange ruggengraat was overdekt met iriserende membranen. Kleurig als keverschilden, ging het door Jacob heen.

Dijken bezaten geen kop, technisch gezien zelfs geen voor- of achterkant, maar voor Jacob was het ook helemaal niet nodig.

‘Gegroet, mens Jacob.’ De stem vulde zijn hoofd, massief, groots als een wolkenfront of een aanrollende vloedgolf. Er zat een smaak aan die stem, bitter en zilt als een hap zeewater. Het was een stem die Jacob uit duizenden herkende, ook al had hij hem maar een keer eerder gehoord. ‘Grisaert,’ rommelde de dijk, ‘noem mij Grisaert. Het is mijn geheime naam. Voor alle anderen ben ik Dijk 4598.’

‘Gegroet, dijk Grisaert,’ antwoordde Jacob geluidloos. ‘En gegroet jullie allemaal!’

In zijn hoofd kon hij ze nu zien en horen, alle levende dijken. ‘Bedankt. Zo fijn dat jullie mij accepteren. Ik hoop… ik hoop dat we goed kunnen samenwerken.’

‘Wij ook. Zullen we nu maar met de show beginnen?’

Dijken hadden zeker flair. Misschien zelfs humor?

‘Graag!’

Dit keer hief Jacob zijn armen wel.

Verder op zee, een kilometer of meer van het feesteiland, begon de zee te borrelen. Nee, boeren was een beter woord. Water kolkte en schuim spoot omhoog.

De donkere vorm van een massieve zeedijk dook op: twee aan elkaar gekoppelde dijken.

Eigenlijk waren de twee dijken al een halve dag geleden begonnen zich vol te pompen, maar nu braken ze dramatisch door het zeeoppervlak. Kreten van bewondering en applaus. Geen vuurwerk, zelfs geen scheepstoeters: de wilde zee was spektakel genoeg. Het feesteiland deinde niet eens toen de golven aanrolden. Grisaert die zich aan de onderkant vastklampte, zorgde voor stabiliteit.

‘Onze gift aan jou,’ sprak Grisaert. ‘Noem het je welkomstpremie. Je bent nu een van ons. Een bloedbroeder, een ziltwatermatroos bij wie de zee door de aderen stroomt.’

Grisaert projecteerde een beeld op Jacobs netvlies: de ringdijk. Daarbinnen werd de zee doorzichtig als glas.

In de diepte…

De gebouwen bleven grotendeels intact. Het water was heel geleidelijk gestegen, zo langzaam dat de ruiten hier en daar niet eens gebroken waren.

‘Het hart van het oude London, jongen. Windsor Castle, de Big Ben, noem maar op.’

‘En dat is voor mij?’

‘Beter dan een handvol goudstukken, eh? Allemaal.’

Het Verenigde Koninkrijk bestond uit een handvol armzalige eilanden en kon natuurlijk het lichten van hun historisch erfgoed nooit betalen. Er waren echter genoeg biljonairs die interesse hadden in historische gebouwen, zelfs als het om met kelp begroeide ruïnes ging. Misschien zou Windsor Castle uiteindelijk op Olympus Mons belanden, of het privé jachthuis worden van de Helvetische Keizer?

Ik ben rijk, ging het door Jacob heen. Schatrijk. Supervloggerrijk.

‘Maar daar moet je wel wat voor doen,’ zei Grisaert. ‘Als je ons trouw zweert, is het voor altijd.’

Later die avond, toen Jacob nog net nuchter genoeg was, nam oom Gulliver hem apart.

‘Vier vannacht feest, waarde neef. Kus de dames, gooi met slagroomtaarten en slaap morgen je roes uit. Overmorgen begint je leven als dijkenfluisteraar, in de Residentie.’

‘Overmorgen, ja!’ grijnsde Jacob. Overmorgen begon het leven waarvoor hij geboren was.

 

Het was wennen in de Residentie. Niet dat iemand ook maar een onaardig woord tegen Jacob sprak maar de andere fluisteraars, van alle andere dijkenfamilies, waren zo godvergeten oud. Je kon het zien aan de manier waarop ze liepen. Nee, niet beverig en onzeker zoals je van lieden zou verwachten waarvan er niet eentje jonger was dan honderdvijftig. Nee, eerder het omgekeerde. Ze bewogen zich zo soepel en zeker dat je wist dat struikelen ondenkbaar was. Ervaring telde: als ze in het antieke bruine cafe pijltjes wierpen, was elk schot er eentje in de roos. Snij willekeurig welk onderwerp aan en ze wisten er genoeg over om zelfs een wikipediasiri te verbeteren.

Maar het uitzicht vanaf het balkon was werkelijk magnifiek, dat moest Jacob toegeven: de Residentie lag bovenop de boeg van de Koningsdijk, de enige levende dijk die nooit zou rondkrullen tot een cirkel en in een polder veranderen. De dijk zwom als een zeeslang, kronkel na kronkel die moeiteloos door de golven glipte.

Jacob zoog de zeebries diep in zijn longen, ijskoud maar op de een of andere manier schoner dan op welke kust of polder ook. Dit is mijn thuis, ging het door hem heen, voor de rest van mijn leven. De fluiste­raars bestuurden dijken, stichtten nieuwe polders maar ze zouden de wallenkant nooit meer betreden. Dat was de deal: een lang, ongelooflijk lang en zeldzaam interessant leven in ruil voor de vaste grond onder je voeten.

 

De negende dag wekte zijn oom hem bij het ochtendgloren.

‘Hup, hup, mijn waarde vriend. Dit wil je niet missen!’

Jacob wrikte een oog open. ‘Wat missen?

‘De Vloot! Ze zeilen rakelings langs onze dijk.’

Het balkon keek uit over de grijze uitgestrektheid van de Atlantische oceaan. Zijn oom wees: ‘Daar tussen de cirrus. Zo hoog als wolken maar kunnen komen.’

Nu zag Jacob ze ook: kleurige vonken die de wind van de straalstroom vingen.

Honderden, duizenden vliegers laveerden tussen de uitgesmeerde windveren. Om van zo ver zichtbaar te zijn, moesten ze wijder dan voetbalvelden zijn.

Jacob knipperde de telescooplenzen over zijn oogbollen aan en de vliegers expandeerden tot ze zijn hele gezichtsveld vulden. Vlinders van gebrandschilderd glas en filigrain vlogen daar over, klapwiekende condors, logge manta-roggen.

‘Zo zien ze er niet echt uit,’ doceerde zijn oom. ‘Het zijn maar hologrammen. Elke vlieger is min of meer zeshoekig hoewel zij honderden zijvinnen en hoogteroeren heeft.’

‘Zo mooi,’ fluisterde Jacob. Het leek een visioen, iets uit een hogere wereld of een prachtige droom.

‘Ja,’ zei zijn oom, ‘bijna even mooi als een dijk.’ En meteen voelde Jacob zich terechtgewezen, alsof hij een faux pas had begaan, disloyaal was geweest.

Zijn oom tuitte zijn lippen. ‘Ik drukte mij ietwat onhandig uit. De Vloot en de Dijken, samen zijn ze Nederland. Elk magnifiek op zijn eigen manier en onmisbaar. Als de koningin en haar koning, eh? Als Giselle en Juriaan.’

Ongehaast hesen de mastloze parelmoerschepen zich boven de horizon uit: rompen met twee dozijn verdiepingen en spitse voorstevens, zee-ijzeren armen met wapperende netten om kelp uit de zee te vissen en elders te herplanten. In hun kielzog dartelden reuzendolfijnen en spoten bultruggen. Wolken albatrossen en skua’s zwierden als mistflarden boven de dekken.

‘Elk schip begon als het slakkenhuis van een kinkhoorn,’ doceerde zijn oom.

‘Vierdubbele chromosomen laten het doorgroeien tot het werkelijk gigantisch is. De slak verdikt zich tot een brein in de boeg en dat wordt hun wiki. Honderd procent organisch en uniek.’

De Vloot was reusachtig: het duurde een volle dag voor ze de dijk langsgetrokken waren.

‘Waar gaan ze naartoe?’ vroeg Jacob.

Zijn oom klakte met zijn tong. ‘Naar waar ze nodig zijn. Net als wij.’

Jacob keek het laatste schip na tot de zeenevels het opslokten. Als Giselle en haar Juriaan, had zijn oom gezegd. Op de een of andere manier klonk dat juist. De Vloot was onmiskenbaar vrouwelijk, de tegenpool van Jacobs broeders, de dijken.

Een onbenoembare emotie steeg op, als een brok in de keel die niet weg te slikken viel. Verlangen? Hunkering?

Ik wil met de Vloot meezeilen. De dijken zijn mijn bloedbroeders maar de Vloot is mijn bruid. De vrouw die ik moet veroveren, wil ik ooit compleet worden.

‘Zo’n ambitie,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘Niet dat wij iets tegen een mooi vlootprinsesje hebben. Zolang je je kostelijke genen maar niet weggooit.’

‘Alleen als haar chromosomen kloppen, krijg ik jullie zegen?’

‘Krek zo. Maak een nest nieuwe dijkenfluisteraars en wij geven jullie, eh, Napels als bruidschat?’

 

 

4

Australian Inland sea, 12 september 2220

 

Het strand boog zich links en rechts naar kapen van afgeronde zandsteen.

‘Tante Lidwien,’ zei Hindele. ‘Dit is hetzelfde strand! Waar ze mij aan een paal bonden.’

‘En de krabben voor het eerst tegen je spraken. Mooi symbolisch toch?’ Ze vouwde haar armen over haar formidabele borsten. ‘Het is een vrij eenvoudige test, liefje. Spinkrabben luisteren enkel en alleen naar een temmer.’

‘Ja?’

‘Kijk, ze duiken uit de zee op en stormen het strand op. Met klik­kende scharen, ja.

‘Net als in dat kinderliedje.’

‘“Met klikkende scharen en knarsende mondstukken” bedoel je? “En ze lieten enkel Jolanda’s schedel over”?’

‘Dat liedje. Hun kaken zijn gemodificeerd zodat ze zelfs een kokos­noot kunnen kraken. Zij stuiven het strand dus op en jij spreekt ze aan. Je noemt je Temmer en Koningin. Ze zijn diep matriarchaal en gehoorzamen een leidster onvoorwaardelijk.’

‘Ik snap het. Ik spreek ze aan. Ik noem mij hun koningin en als zij niet toestemmen, verscheuren ze mij?’

‘Zeker. Met gemak, want erg veel schild heb je niet.’

‘Krijg ik geen wapen?’

‘Een temmer heeft geen wapen nodig.’

‘Ik weet niet…’ begon Hindele en toen zag ze de eerste spitse kop uit de blauwe zee opduiken. Ze hief een hand op en liet die meteen weer zakken. Ik kom in vrede is niet de juiste boodschap als je een zwerm mensenetende monsters wilt temmen.

Ze balde haar vuisten, stak haar kin naar voren.

‘Hindele is mijn naam!’ dacht ze zo luid mogelijk. ‘Ik ben jullie godvergeten koningin! Buig voor mij!’

Er volgde een afschuwelijk uitgerekt moment dat zeker drie seconden geduurd moest hebben. Meer dan genoeg tijd om een dozijn duistere gedachten voorbij te laten flitsen. Overwegingen als: Maar een op de duizend zeenomaden kan een spinkrabbenstem horen. Maar een op de twintigduizend heeft genoeg talent om werkelijk een temmer te worden.

De voorste krab hief haar nachtmerrieachtige kop, rolde zich op haar rugschild en trok haar poten krampachtig samen, als een stervende spin.

Niet meteen een buiging, maar het is goed genoeg. Ze liet haar armen zakken. Ik ben dus een temmer. Geen hapje tussendoor. Goed om te weten.

Pas een uur later, toen ze de deur van haar kajuit achter zich had dichtgetrokken, barstte Hindele in snikken uit.

 

 

5

14 april 2223, Nieuwe Saragossa-zee

 

Mijn eerste echte job!

Jacob stond met gesloten ogen op het voorsteven van de Onverschrokken Jutter, het werkschip dat de komende weken zijn thuis zou worden.

Niemand van de bemanning waagde het zijn concentratie te verstoren: hij was per slot van rekening de dijkenfluisteraar, de belangrijkste persoon aan boord. Maar uniek en onvervangbaar of niet, hij sliep in dezelfde stapelbedden als de rest van de bemanning en at gewoon mee in de mess. Tijdens werktijd werd er gewerkt en op een Hollandse schuit was er geen ruimte voor kletskoek als bontgevoerde ligstoelen en gouden borden.

Over Jacobs netvlies trok de bodem onder het schip voorbij: de input van duizenden sensoren in de kiel. Grisaert ordende ze netjes voor Jacob. Hij wees hier het wrak van een antiek vliegtuig aan, daar een kudde potvissen en tekende de zeestromen uit in warm roze en killer blauw. Na zijn verblijf op de statige Koningsdijk begreep Jacob dat Grisaert piepjong moest zijn. De dijk was nog nieuwsgierig, watervlug, en meer dan een tikje eigengereid. De klik die er vanaf het begin was geweest, klonk nog steeds door. Fluisteraar en dijk: kameraden voor het leven.

Hoopte Jacob.

´Niet veel soeps hier,´ merkte Grisaert op. ‘Geen idee waarom Groot Nippon nu net hier een eiland wenst. Er zijn toch zat betere plekken voor hun wandelende steden?

Dichter bij Japan ook. Zeg nu zelf: nergens een mooie verdronken haven, geen velden met mangaanknollen, niks.’

De Japanners hadden het probleem van het stijgende water opgelost door hun steden op gigantische mechs te monteren. Ongehaast banjerden die door de ondiepere stukken van de oceanen, op zoek naar nieuwe grondstoffen.

‘Ze betalen altijd op tijd en wij vangen onze commissie,’ antwoordde Jacob. ‘En tien procent van een stuk met een stalen stad erop, is toch een goede deal? Alleen al de rioolrechten leveren ons een vermogen op.’

‘Met andere woorden, “Niet zeuren, maar pompen”?’

‘En vlot een beetje!’ zei Jacob, gevolgd door een stoot smileys. ‘Heb je tijdens al dat koekeloeren nog ordentelijke ankergrond gevonden? Ik zie daar in het westen een veelbelovende richel gneiss.’

‘Gneiss!’ De dijk snoof. ‘Geef mij maar graniet. Als ik op mijn kont ga zitten, dan graag op wat…’

Een hoog prioriteitssignaal knipperde. Oom Gulliver aan het logo te zien.

‘Momentje, Grisaert. Mijn oom, deze moet ik opnemen.’

‘No problemo.’

‘Oom?’ zei Jacob.

In plaats van zijn oude zeemanstrui en pet had oom Gulliver zich in zijn statieuniform gehesen: een zijden kaftan, afgezet met haardun goudstiksel. In zijn linkeroor droeg hij een knots van een zwarte parel. Officiëler kon amper.

‘Jacob, hallo. Nog bijzonderheden? Hoe verloopt je eerste soloklus?’

‘Alles goed hier,’ antwoordde Jacob. Hij was meteen op zijn hoede. Oom Gulliver zou echt geen hoog prioriteitsignaal versturen als het om prietpraat ging.

Gulliver leek zijn gedachten te lezen. ‘Ik zal ter zake komen. Jacob, ik heb je als ambassadeur nodig. Voor de Vloot. Ze hebben wat bedenkingen tegen de polder die je gaat aanleggen. Nu zit ik tot over mijn oren in die klus op de noordpool. Ik kan met geen mogelijkheid tijd vrij maken, nog geen uur. Maar het moet wel iemand van de familie zijn.’

Vrij vertaald: de zaak is behoorlijk dringend maar niet belangrijk genoeg om zelf af te handelen. Een mooi klusje voor Jacob en dan doet hij meteen wat ervaring op.

‘No problemo,’ echode Jacob zijn dijk. Beter dan no problemo. Sinds de Vloot langsvoer had hij hun schepen dolgraag willen bezoeken.

‘Wat hebben ze precies tegen de nieuwe polder? We pakken het volkomen Gaiavriendelijk aan. Zoals altijd.’

Oom schoof Jacob een bestand toe. ‘Het staat hier allemaal in. Vaar erheen en haal ze van ons dak. Die polder moet er absoluut komen, Jacob. We kunnen Groot Nippon onmogelijk als klant verliezen. Bied die zeenomaden een redelijke vergoeding, of desnoods een idioot gulle. Maar wat er ook gebeurt, die dijk wordt gelegd. Daarover valt niet te onderhandelen.’

‘Dat gaat wel lukken, oom. Ik bekijk de boel en stuur de dijk naar hun locatie.’

‘Ze komen naar jou toe, en hou Grisaert alsjeblieft uit het zicht. Een levende dijk kan te eenvoudig als provocatie gezien worden. Sommige zeenomaden zweren bij biotechnologie en moeten niets weten van onze machines. Bovendien geeft een dijk een signaal dat we dit de hoogste prioriteit geven. Dat versterkt hun onderhandelingspositie. We nemen hun protest uiteraard serieus, maar wel binnen zekere grenzen.’

‘Vanzelfsprekend.’ Verdorie, dat had ik zelf moeten bedenken. Laat ik om te beginnen eens uitzoeken wat de Vloot precies wil. Pas als je in de ziel van een klant kijkt, kan je de diepte van zijn portemonnee peilen.

 

 

De Onverschrokken Jutter bleef natuurlijk een werkschip, maar glans­platen van regenboogmica en fier wapperende vaandels had je binnen een paar uur geprint.

Tegen de tijd dat de Vloot Jacobs schip ontmoette, kon het zich bijna meten met de parelmoeren schepen.

De armada van schepen was van dichtbij nog indrukwekkender dan Jacob had verwacht. De Vloot was bij het passeren een visioen geweest, delicaat bijna. Dit had niets kwetsbaars. Het mocht dan louter bio­technologie zijn, alles gegroeid en niets geconstrueerd, maar er viel niks wrakkigs of ondermaats aan te ontdekken.

Organische zeekastelen kliefden trots en statig door het water. Dolfijnen en bultruggen volgden in hun kielzog. En daar, die enorme fontein, dat moest een blauwe vinvis zijn! Hij voelde een steek van pure opwinding, van fanverering. Jacob was een kenner: hij had alle bekende echoballades van de machtige zeezoogdieren honderden malen beluisterd.

Hij zoomde in op het vlaggenschip: een legpuzzel van kreeften­kweekkkooien en kwallenaquariums doemde op, van tuinen, kranen en droogdokken.

Ieder schip was volledig zelfvoorzienend, wist Jacob. De zeenomaden gaven steevast meer terug aan Gaia dan ze namen. Die biotechnologie was verdomde mooi – en handig – en iedere dijkenfamilie zou er honderd keer zijn jaarwinst voor over hebben om dat in handen te krijgen. De Vloot duldde echter geen pottenkijkers en ze verkochten hun geheimen nooit. En gelijk hadden ze. Hoe wij onze levende dijken printen en er mee werken, vertellen wij ook aan niemand.

 

Toen het vlaggenschip naast de werkboot tot stilstand kwam, riep Jacob de foto en het CV van zijn tegenhangster nog een keer op. Hindele. Oké, best wel jong, maar ze zullen ook geen giechelende bakvis op mij afsturen. Dit is waarschijnlijk de op een na belangrijkste vrouw van hun vloot. Hun Jacob. Een spinnentemster is te vergelijken met een dijkenfluisteraar. Nou ja, een beetje dan. Levende dijken zijn reteslimme machines en die spinkrabben enkel opgevoerde beesten.

De onderhandelingen vonden plaats op het vlaggeschip van de Vloot: een elegante parelmoeren vinvis-romp die bestond uit twaalf gekoppelde kinkhoorns. Het vaartuig was meer dan drie kilometer lang en tachtig meter hoog. Dit was het Heilige der Heiligen: Hier kwamen de admiraals en kapiteins van de Vloot bijeen, werden verdragen gesloten en ambassadeurs van de wallenkant ontvangen.

Louter het feit dat Jacob juist hier was uitgenodigd, bewees hoe hoog de Vloot de aanleg van de nieuwe dijk opnam. Dat hij ook nog eens hun numero uno spinkrabbentemster tegenover zich vond, was als een vergulde kers op een platina taart.

Ik ben benieuwd. Jacob checkte zijn donkerblauwe uniform met gouden knopen voor de laatste keer. Natuurlijk was alles piekfijn in orde. De vouw in zijn broek was nog steeds messcherp, zijn schoenen blonken. Hij trok zijn pet recht en onderdrukte de plotselinge aandrang tot plassen.

Hij grijnsde. Zenuwen waren goed, dat maakte hem enkel alerter.

 

De spinkrabbentemster van de Vloot bleek allesbehalve een giechelende bakvis.

Slim, ontwapenend, grappig? O ja. Ja op alles. Ze pakte spontaan zijn hand vast en keek hem recht aan.

‘Vind je het goed dat ik Jacob zeg? Dan kan je mij gewoon Hindele noemen, ja?

Dat is wel zo prettig, Beter toch dan geëerde dijkenfluisteraar of doorluchtige krabbendame?’

Haar Nederlands was meer dan uitstekend maar had een exotisch tintje. Blond haar, door de zon tot ivoorwit gebleekt. Groene ogen. Een beweeglijk gezicht, beslist niet conventioneel mooi maar eindeloos fascinerend. Alsof ik naar dansende zonnevlekjes in ondiep water kijk. Stop! Ik ben hier om zaken te doen. Niet om te flirten. Hoewel, wat doet zij anders? Hij wendde zijn blik af, tuurde naar zijn schoenpunten. Zaken gaan voor het meisje. En ik ben hier voor zaken. Hij zag oom Gulliver voor zich, zijn gezicht op onweer, zijn vinger bestraffend opgeheven. Je bent geen puber meer, Jacob, je bent een dijken­fluisteraar! Je vertegenwoordigt de familie. Zoiets.

Jacob dwong zichzelf te concentreren op Hindele’s betoog.

‘O, ik snap jullie argumenten best. Groot Nippon denkt volgens het internationale landreclameringsverdrag van 2185 het recht te hebben zich hier te vestigen. Maar wij vechten dat aan bij het Internationale Gerechtshof in Bhutan. Het enige wat wij vragen is dat jullie met die dijk wachten tot er een uitspraak is.’

‘De traagheid van hun rechters is berucht,’ protesteerde Jacob. ‘Allemaal heilige mannen in oranje gewaden. Een uitspraak kan makkelijk tien jaar op zich laten wachten. Sorry, wij kunnen het ons niet veroorloven om tien jaar te wachten, en Groot Nippon al helemaal niet. Sinds ze hun immigratiebeleid versoepelden, zitten ze met de snelst groeiende bevolking op de planeet.’

Hindele keek Jacob aan. ‘Groot Nippon. Een nieuw eiland is een druppel op de gloeiende plaat. Waarom denk je dat ze juist hier, op deze plek, een polder willen hebben?’

Precies wat wij ons ook al afvroegen. ‘Waarom niet? Deze plek is ondiep genoeg en er zitten geen claims op. Niet alle stukken van Groot Nippon hoeven in de buurt van de Japanse archipel te liggen. De Verenigde Nederlanden strekken zich ook uit over de hele wereld, en de Vloot ziet iedere oceaan als haar thuis.’

‘Ik laat je zien wat er speelt,’ sprak Hindele. Uit haar frons begreep Jacob dat het geen makkelijk besluit was. ‘Heb je wel eens met kunstkieuwen gedoken, Jacob?’ Ze keek hem vragend aan.

Jacob grijnsde terug. ‘Zeg, je hebt het wel tegen een Hollander, hoor! Geen Helvetische jodelaar. Ik zwem al sinds mijn vierde jaar met kieuwen. Van de kokende zee boven IJsland tot en met de maelstrom van Bangkok.’

‘Je bent misschien een beetje laat begonnen,’ zei Hindele met een stalen gezicht.

‘Wij trekken een baby in de vierde maand een kieuw aan en mikken haar in de zee. Vooruit dan maar, we wagen het erop.’ Ze legde haar hand op zijn arm, kneep. Haar glimlach was verblindend.

Ze zit met me te flirten! Nu weet ik het zeker!

 

Tachtig meter was niet bijster diep, en Jacob’s lenzen en de andere opgevoerde zintuigen verschaften hem een prima zicht.

Hindele en hij zwommen boven een kaal plateau: de top van een verdronken berg die waarschijnlijk nooit boven zee had uitgestoken. Hier en daar waren vissen zichtbaar en Jacob wist dat Grisaert ergens in de buurt moest rondhangen. Ver genoeg om niet op de sonar te registreren, maar dichtbij genoeg voor dijkenspraak.

‘Romantisch hoor, duiken met zo’n zeemeermin,’ zei Grisaert..

‘Zeg, zit niet zo te zuigen, jij opgevoerde waterduizendpoot. Dit is puur zakelijk.’

Grisaert snaterde, zeker even honend als een dolfijn.

‘Zei je wat?’ vroeg Hindele. Ze droeg een groen geschubde bodysuit. Haar helm was van gelatine die haar hoofd in een lillende bel omsloot.

Jacob droeg zijn oude, vertrouwde duikpak dat hij jaren geleden had geprint en sindsdien eindeloos had getweakt en verbeterd.

Ai, subvocaliseerde ik dat?

‘Ik zat te mompelen,’ improviseerde Jacob. ‘Ik maakte een aan­tekening. Maar wat wilde je mij laten zien?’

‘Kun je inzoomen? Kijk eens naar het zuidwesten. Op zeven uur.’

Een eindeloze colonne spinkrabben kwam vanuit de smaragdkleurige schemering aangemarcheerd. Een nachtmerrieleger met steltpoten en knijpscharen, getooid met een bos zwiepende ogen op steeltjes.

Ik ben vast de eerste dijker die ze van zo dichtbij ziet. De Vloot barricadeerde ieder gebied waar de krabben werkten. Dit waren de levende machines van de Vloot. Met de opgevoerde spinkrabben plantten de temmers hun kelpwouden, bouwden ze koraalriffen, schoonden ze vervuilde bodems op. Zonder de krabben was de Vloot weinig meer dan een stelletje biotech zwervers. Met de spinkrabben werd Hoeders van de Oceanen een allerminst lege titel.

Ergens net tegen Jacob’s gehoorgrens aan klonk het gegons van duizenden raspende kaken. Heel anders dan het diepe gebrom van de dijken, maar toch op de een of andere manier precies hetzelfde.

Curieus.

‘Dat zijn mijn spinkrabben,’ zei Hindele en er klonk gepaste trots in haar stem door.

‘Ik ben een van de twaalf mensen die hen kan horen en direct met hen kan spreken. Het is een zeer zeldzaam talent. Een beetje als jouw gave om met jullie machines te praten. Alhoewel dat natuurlijk maar technologie is. Natuurlijk wel behoorlijk geavanceerde technologie, ja.’

Jacob moest een glimlach onderdrukken. Jij denkt net zo over jouw krabben als ik over mijn dijken…

De colonne kwam dichterbij, evenals het gezoem in zijn hoofd. Jacob hoorde nu stemmen, voelde tienduizenden onafhankelijke gedachten, begon stromingen, temperaturen, bodemdichtheid en honderden andere gewaarwoordingen te ontvangen.

Het was chaotisch en redelijk bizar gecodeerd, maar na een paar tellen begon hij de informatiestromen toch te ontcijferen.

Ik hoor die spinkrabben. Niet alleen horen, ook begrijpen. Net als de levende dijken. Ik… Hij keek naar Hindele. Ze had duidelijk niets door.

Hij opende zijn mond. Sloot die weer.

‘Hoi, ik kan de gedachten van jullie heilige spinkrabben horen, leuk he?’

Nee, dat zou helemaal niet goed vallen. De politieke gevolgen waren niet te overzien. Hij zou niet alleen Hindele onsterfelijk beledigen, maar de complete Vloot.

Het zou zelfs op oorlog kunnen uitdraaien. De Vloot was een trots slag mensen: zulk gezichtsverlies was onvergeeflijk.

‘Indrukwekkend, niet?’ zei Hindele. Ze gebaarde naar de colonne. ‘En dat is nou precies de reden waarom Groot Nippon hier een eiland wil hebben. De berg is het paringsgebied van onze spinkrabben. Als ze hier een eiland neerplempen, komt er geen nieuwe generatie spinkrabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Daar zijn ze heel rigide in. Geen paringsberg, dan ook geen eieren. Denk aan zalmen: die kun je ook niet vertellen maar een andere rivier in te zwemmen als ze op een stuw stuiten.’

‘De Japanners moeten dit toch weten?’ zei Jacob. Waarom stond dit niet in het dossier van oom Gulliver? Dat is een idiote blunder! Iemand heeft zitten slapen.

Hindele knikte. ‘Zeker, maar de stille visserijoorlog tussen Groot Nippon en de Vloot is al anderhalve eeuw gaande. Ze jagen nog steeds op walvissen. Wij greenpeacen ze daarin zo veel mogelijk. Juridisch, maar ook regelrecht. Zij hopen ons in het hart te treffen door ons de spinkrabben af te nemen.’

‘Dit is dus eigenlijk heilige grond voor jullie?’

Het vlootmeisje keek hem aan met haar indringende groene ogen. ‘Ja en nee. Wij zijn de Vloot, wij claimen geen enkel deel van Gaia. Dat is niet onze rol in het grotere geheel. Maar wij hebben wel enorm veel… respect voor deze plek. Wij… We hebben deze berg even hard nodig als de spinkrabben. Kom, ik ga je iets tonen dat geen buitenstaander ooit mocht zien. Ik wil dat je begrijpt hoe belangrijk dit voor ons is. Kan ik je vertrouwen?’

‘Ja.’

Ze deden allang geen zaken meer op de normale manier, wist Jacob. Dit had niets van doen met winst en contracten of mogelijkheden. Dit was als een lang uitgestelde paringsdans. Een tussen de Vloot en de Dijkers. Dit ging om eer en geloof, om wederzijds vertrouwen.

‘Kom.’ Ze wenkte hem als een mythische zeemeermin, keek om. Volg mij. Volg mij naar de diepte, mijn lief.

Jacob dook achter het zeegroene meisje aan. Honderd meter, honderdvijftig. Al het licht ebde weg en Jacob ging op sonar over.

Een woud van schelpen bedekte de zuidflank van het plateau. Het waren doopvontschelpen vertelde zijn Siri hem: gigantische en genetisch gemodificeerd voor deze diepte. Het waren er duizenden en duizenden.

‘Dit is ons kostbaarste bezit, van mij en van iedereen in de Vloot. Wanneer een kind wordt geboren, zetten we hier een schelp uit die doorweven is met haar persoonlijke DNA. Die schelp symboliseert onze band met het water. Wij zijn er mee verbonden en tijdens bepaalde belangrijke momenten in ons leven, bezoeken wij onze levensschelp. En als we sterven…’ Inmiddels zwommen ze tussen de schelpen door: een doolhof van gestapelde schelpen.

‘Dan wordt die schelp jullie grafsteen,’ begreep Jacob. ‘Jullie geven jezelf weer terug aan Gaia. Ik voel mij enorm vereerd dat je mij dit laat zien, Hindele. Ik zal je vertrouwen niet beschamen. Op mijn woord als dijkenfluisteraar.’

‘Dat weet ik. Ik voel dat ik je kan vertrouwen.’

De intensiteit van de gevoelens deed bijna pijn, maar dit was zo ontzettend mooi. Hindele had hem het grootste geschenk gegeven wat ze kon bedenken. Hij kon niet anders dan haar ter wille zijn. Er zou hier geen eiland komen. Geen dijk zou op dit plateau rusten, en al helemaal geen stinkende robotstad.

In stilte zwommen ze verder totdat Hindele halt hield bij een van de schelpen. Ze legde haar handen op de schelp, op de een of andere manier een heel intiem gebaar. ‘Onze schelpen kunnen we verplaatsen, maar er is geen andere geschikte broedplaats voor de spinkrabben.’

‘Maak je geen zorgen, ik zal…’

De schelp opende zich.

In het hart van de schelp, in een nest van blauw satijn, glom een parel, zeven keer groter dan een voetbal. De globe gloeide, beelden flakkerden op in het binnenste: Hindeles gezicht, mooi en sereen als wuivende kelp, toen trots en uitdagend als een jonge zeegodin. Meer beelden: een kraaiende baby, een kleuter-Hindele die joelend op de rug van een dolfijn reed, een giechelmeisje met pas uitbottende borstjes die een octopus optilde en recht op zijn rimpelhoofd kuste, maar vreemd genoeg dook nu ook zijn eigen gezicht op. Twee keer, drie keer.

De parel is een biocomputer. Een kunstbrein van parelmoer, die al haar mooiste herinneringen bewaart. Jacob keek naar Hindele en het compliment dat op zijn lippen lag, stierf in zijn mond. Het gezicht van de krabbentemster was vertrokken van ontzetting en toen van woede. Ik heb iets gezien dat nooit voor mij bedoeld was.

‘Mijn zielenbeeld. Jij… ik… Je zag mijn zielenbeeld! We vertrekken. Nu.’ Haar stem trilde, maar had een ondertoon van staal. Ze was boos. O, wat was ze boos!

Woedend. Laaiend.

Er was iets gebroken. De band die ze hadden, lag plots in duizend stukken.

‘Ik…’ begon Jacob.

‘We. Gaan. Weg. Nu.’

Terwijl ze zwijgend naar boven zwommen, keek Jacob nog een keer om. Hindele’s schelp had zich inmiddels weer gesloten, met de parel in zijn binnenste. Zielenbeeld.

Het was in ieder geval een toepasselijke naam.

Ze smeet hem nog net niet overboord, maar het scheelde niet veel. Eenmaal terug op het vlaggenschip beende Hindele weg, haar rug zo recht alsof er een bezemsteel door haar ruggengraat gestoken was.

Jacob keerde terug naar de Onverschrokken Jutter.

‘En, wat gaat deze plek ons kosten?’ informeerde Grisaert. ‘Wanneer kan ik beginnen?’

‘We pakken de hele santekraam in. Er komt hier geen eiland.’

De verbazing van de jonge levende dijk was duidelijk te voelen. ‘Niet? Oh, dat zal je oom niet leuk vinden, Jacob.’

‘We hebben geen keus,’ sprak Jacob. Beelden rolden door zijn hoofd: de colonne van spinkrabben, het woud van reuzenschelpen maar vooral Hindele’s gezicht.

‘Als de grote fluisteraar Jacob het zegt. Ik ben immers alleen maar een opgevoerde waterduizendpoot? Toch? Sahib, meester?’

‘Ja ja.’ Een idee kwam bij Jacob boven. ‘Zeg, Grisaert, zie je die spin­krabben over het plateau klimmen?’

‘Hm ja?’ Een sonarbeeld van de colonne verscheen in Jacob’s hoofd.

‘Kan jij ze horen? Net zoals je mij en oom Gulliver hoort, of de andere dijken?’

‘Die beesten? Nee, natuurlijk niet.’ De dijk was er heel stellig in. ‘Waarom?’

‘Ik vroeg mij af of hun spinkrabbentemster op dezelfde manier communiceert met de krabben zoals jij en ik.’

De dijk snoof digitaal. ‘Je hoeft niet beledigend te worden! Die spinkrabben zijn niks anders dan dieren. Een stel bio-drones. Wij dijken zijn van een aanzienlijk hogere orde, hoor.’

‘Ik weet het,’ haastte Jacob zich te zeggen. Aan een nukkige dijk had hij niks. ‘Het was zomaar een gedachte.’

Jacob verbrak de verbinding met Grisaert. De aanwezigheid van de dijk verdween.

De tienduizend raspende stemmen van de spinkrabben bleven echter doormompelen.

 

 

6

De nacht van 14 op 15 april 2223, het vlaggenschip van de Vloot

 

Hindele had eerder vriendjes gehad. Maagd blijven tot je huwelijks­nacht mocht een grote hit zijn op de meer achterlijke stukken van de wallenkant, in de Vloot vonden ze dat belachelijk. Er waren echter andere taboes. Je liet je zielenbeeld enkel zien aan de liefde van je leven, mannelijk of vrouwelijk, en dat pas na een jaar of tien.

Hij zag mij. Hij zag alles wat ik was. Mijn diepste en kostbaarste geheimen. Ze balde haar vuisten, ontspande ze weer. Maar ik heb hem niet tegengehouden.

Het gebeurde te abrupt! Ik had nooit verwacht…

Zoveel stemmen in haar hoofd!

Nee, je liet hem gewoon door. Je toonde hem zelf je geheime schelp. De manier waarop hij naar je keek, ja? Dat beviel je best. Zo’n exotische jongen die naar je staarde alsof je een prinses uit een oud verhaal was.

Die stem stond duidelijk aan de kant van de fluisterjongen.

Hij stuurde zijn dijk weg. Zo maar. Omdat je het vroeg.

Nee, ik overtuigde hem. Hij begreep hoe belangrijk de trektocht van de spinkrabben was.

Hah, jouw mooie groene ogen overtuigden hem!

‘Hindele, ik vroeg je iets.’ De stem van haar tante rukte haar weg uit haar eigen tollende gedachten.

‘Eh, wat?’

Het was alsof de omgeving uit een grijze mist opdoemde. De bamboe­muren, de schriftrollen met de wetten van de Vloot, een rij maskers van mosselparelmoer die door eerdere admiraals gedragen werden.

Ik sta in de rechtszaal, in de Kamer der Waarheid en ik heb alle­machtig veel uit te leggen. O, heilige vader Cousteau, tante draagt zelf een parelmoeren masker! Dit is serieus.

‘Hij stuurde de dijk weg,’ zei haar tante. ‘Wat beloofde je hem als tegenprestatie?’

‘Eh, niets.’

De schouders van haar tante zakten omlaag. ‘En jij liet dat zomaar gebeuren? Je protesteerde niet?’ Ze rukte haar masker af en smeet het op de vloer. ‘Jij absolute idiote! Besef je niet wat je gedaan hebt? Nu kunnen ze letterlijk alles van ons vragen! En wij moeten instemmen. Een blanco cheque.’

‘Maar…’

‘Ga uit mijn ogen. Voor ik je nek omdraai als een kakelende kip!’

 

Het vlaggenschip was groter dan een 21ste eeuwse watertanker maar met haar tante aan boord, voelde het echter even benauwd als een rubberbootje. Ten slotte belandde Hindele als vanzelf in het kapelletje op de achterplecht.

In de wrakhouten deurpost stond de oude spreuk gebeiteld: ‘Volgend jaar in Rotterdam’. Bijna een eeuw lang was dat de hartenwens geweest die de gevluchte Nederlanders op Dijkbrekersdag uitspraken als ze een glas IJsselwijn hieven.

Toen de dijken definitief wegspoelden in de Derde Tsunami, was de helft van de Nederlanders de zee opgevaren in duizenden opgekale­faterde olietankers en vlotten van piepschuim. De anderen waren naar het hogere land gevlucht: eerst naar de Hondsrug en toen het stijgende water ook Amersfoort verzwolg, naar de Ardennen en de verlaten dorpjes van Noord-Frankrijk. Toen ze terugkeerden was het als dijkenfluisteraars.

Hindele mompelde de heilwens en de deur zwaaide automatisch open. Achterin stonden de twee beelden van de enige goden die de Vloot vereerde.

Maryam de Stella Maris en de Troost der Zeevaarders zat hand in hand met haar echtgenoot, sint Cousteau. Maryam droeg een blauwe mantel en gouden zeesterren in haar lokken, terwijl sint Cousteau een antieke koperen duikhelm had opgezet. Het net over zijn schouder had mazen die wijd genoeg waren om ondermaatse visjes te laten ontsnappen.

Hindele knielde, slikte, en fluisterde toen: ‘Moeder Maryam, ik heb iets heel doms gedaan.’

De ogen van het beeld lichtten op. ‘En wat dan wel, mijn dochter?’

‘Spreek vrijuit,’ zei sint Cousteau. ‘Niets kan onze oren doen tuiten. Wij hebben elke menselijk dwaasheid een miljoen keer gehoord.’

‘En een miljoen keer vergeven,’ voegde Maryam toe.

‘Maar dit is echt heel erg,’ zei Hindele en vertelde wat ze gedaan had.

Het bleef even stil.

‘Ai,’ zei Maryam.’

‘Dat was echt zeldzaam stom,’ concludeerde Cousteau.

Tranen prikten in Hindeles ooghoeken. ‘Wat moet ik doen? Over de railing springen?‘ Ze knikte. ‘Ja, dan heeft niemand meer last van mij. Als ik dood ben, kan tante zeggen dat de Vloot er niets mee te maken heeft.’

‘In zee springen en je lijf aan de sardines geven, kan altijd nog,’ zei Maryam. ‘Nee, je tante is een intelligente vrouw.’

‘Beter dan intelligent,’ knikte sint Cousteau. ‘Sluw. Doe precies wat je tante zegt. Dan komt alles goed.’

‘Echt?’

Het licht in de ogen van de beelden was echter gedoofd en Hindele begreep dat ze nu naar andere smekelingen luisterden. Meer raad kreeg ze niet. Doe precies wat je tante zegt.

 

Een klop op de deur van haar kajuit. Hindele trok het kussen over haar hoofd. Het was verdacht vochtig, alsof ze had liggen huilen, wat natuurlijk ondenkbaar was.

‘Ga weg! Ik wil met niemand praten.’

‘Maar ik wel met jou. Doe open, Hindele. Nu meteen!’

Mijn tante. Doe alles wat ze zegt, raadde sint Cousteau mij aan. Nee, niet aanraden, bevelen, en een god spreek je niet tegen.

‘Ik kom al.’ Haar eigen stem schokte haar. Ik klink als een verwende kleuter.

Ze trok de deur open. Haar tante droeg nog steeds haar admiraals­masker en Hindele begreep dat het nog niet voorbij was. Dat ze tot over haar oren in de rotte vissenkoppen zat.

‘Ja?’

‘Ik heb nog eens nagedacht. Met de andere kapiteins gesproken.’

Met de andere kapiteins gesproken. Die knikken alleen maar bij alles wat jij voorstelt.

‘Het gaat om evenwicht. Het enige dat even kostbaar is, kostbaar genoeg om de dijken weg te houden van de paringsgrond, ben jijzelf. Je genetica. Je moet een dijkenfluisteraar trouwen. Jullie kinderen zullen zowel met spinkrabben als met dijken kunnen spreken.’ Ze knikte. ‘Na een beetje genetische manipulatie uiteraard.’

‘Dat is wel erg vlot,’ zei ze. ‘Niet dat ik weiger maar ik heb hem pas één keer ontmoet.’ Maar hij kon zo in mijn geheime schelp kijken en mijn zielenbeeld zien.

Jacob moet de ware zijn.

Haar tante fronste haar wenkbrauwen. ‘Maar één keer ontmoet? Volgens mij heeft hij het vlaggenschip nooit eerder bezocht.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Ah, ik begrijp het. Niet hun jeugdige ambassadeur. Het gaat om de Dijkenschouwer zelf. Hij is honderdvijftig maar dat valt hem absoluut niet aan te zien. Niks mis met zijn sperma.’

Doe alles wat je tante zegt.

‘Goed,’ zei Hindele. ‘Als hij het ook wil. Als alles dan in orde is…’

‘Prima.’ Haar tante zette haar masker af, draaide zich om en beende weg. Wat haar betreft was het nu geregeld.

‘Maar toen zei mijn tante, ze zei, het is hem niet, maar die oude man, de Dijkenschouwer.’ Hindele balde haar vuisten. ‘Ik wed dat hij wel tien vrouwen heeft!’

‘Hij is ongetrouwd,’ zei Maryam. ‘Of nee, twee echtgenoten, geen echtgenotes. Hij vindt mannen duidelijk leuker dan vrouwen.’

‘Ook dat nog!’

Het beeld schudde haar hoofd, ‘Eerst klaagde je dat je niet met zo’n oude geit naar bed wilde en nu is het weer niet goed. Je hoeft alleen maar kinderen te krijgen. Hij heeft vast niets tegen kunstmatige inseminatie.’

‘Ben jij nu een vrouw? Je snapt niets van meisjes!’

‘Vroeger toen ik nog een maagdeke was, liep het anders. Alle huwelijken waren gearrangeerd en daar is niks mis mee. Yussuf was een schatje.’

 

 

7

15 april 2223, de Residentie

 

‘Bij de geschoren ballen van Boeddha, waarom heb je in Maryams naam je dijk weggestuurd? We hebben een contract met Groot Nippon, Jacob! Onwrikbaar en al tot de laatste yen vooruitbetaald. Besef je wel wat je gedaan hebt?’

Jacob had zijn oom nog nooit zo kwaad gezien. De ogen van de oude man spuwden bijkans vuur en klodders pruimtabak vlogen in het rond.

‘We mogen daar geen eiland aanleggen. Juist die plek is de broed­plaats van de spinkrabben. De enige nog ook. De Vloot zal nooit een dijk accepteren en het is zakelijk je reinste zelfmoord om de Vloot in het gezicht te spugen. Zodra wij bekend staan als anti-Gaiaans, als oceaanvervuilers, dan zal negentig procent van de wereld geen zaken meer met ons willen doen. En Mars kunnen we al helemaal vergeten.’

Het waren uitstekende argumenten. Allemaal ongetwijfeld waar. Maar waarom zag hij dan enkel Hindele’s gezicht voor zich? Alsof ze meeluisterde naar elk woord?

Ik ben verliefd, begreep hij. Ongeneeslijk en onomkeerbaar verliefd. Verliefd op een klant was wel het stomste dat een zakenman kon uithalen. Maar het was nog een graadje erger: Hindele was zijn klant niet, maar Groot Nippon wel.

‘Bovendien heb ik haar mijn woord gegeven. Geen dijk. Never nooit. En een dijkenfluisteraar breekt zijn woord niet.’

Het leek er even op dat oom Gulliver ter plekke een hartaanval zou krijgen: zo’n bietenrode kop, zo’n briesende adem, gebalde vuisten die open en dicht gingen als de grijpers van een mech. ‘Jij ongelooflijk achterlijk blaag! Je woord is bindend, nu kunnen we niet meer terug. Hoe ik dit goed kan maken met Groot Nippon…’

‘We betalen gewoon de boeteclausule van het contract, en als het Internationale Gerechtshof de Vloot in het gelijk stelt, dan vorderen we het geld weer terug. Met rente. En Groot Nippon is een belangrijke klant, maar we kunnen zonder ze. We gaan heus niet over de kop als we ze kwijtraken.’

Natuurlijk zou het financieel pijn doen, maar niemand van de familie zou er ooit een boterham minder door eten. Bovendien hadden ze nu goede contacten met de Vloot en die goodwill kon in de toekomst wel eens heel winstgevend uitpakken.

‘Het gaat niet om het geld!’ brulde oom Gulliver. ‘Ik had je dit moeten vertellen, zodat je had begrepen wat er speelde. Waarom denk je dat Groot Nippon nog steeds op walvissen jaagt? Als enige natie van de wereld? Toen het Grote Smelten de Inuits en IJslanders uit hun thuis­landen verjoeg, bleven de Japanners stug doorgaan met hun jacht. Dat was niet uit noodzaak of traditie. Het had zelfs niets met trots of koppigheid te maken.’ Hij sloot zijn ogen een moment en knikte toen. Jacob begreep dat zijn oom een besluit had genomen, een dat hem zeldzaam tegenstond.

‘Wij dijkenfluisteraars worden oud. Allemachtig oud. Dat is niet omdat we met de levende dijken kunnen praten, niks esoterisch. Louter en alleen omdat wij godvergeten rijk zijn. Rijk genoeg om de enige levensverlengende behandeling te kunnen betalen die werkelijk werkt. Het belangrijkste en niet na te maken ingrediënt is het extract van de pijnappelklier van de blauwe vinvis. Daarom jaagt Groot Nippon op walvissen en is het letterlijk van levensbelang ze te vriend te houden.’

Het was alsof er een half doorzichtig vlies van Jacob’s oogbollen werd weggerukt.

Voor hem stond niet meer oom Gulliver maar een gesticulerend geraamte, bekleed met vlees. Iets wat zijn jaren had gestolen van de wonderbaarlijkste en wijste wezens van de oceaan.

Het heeft niets met zaken te maken. Zelfs niet met winst of de familie. Jij en andere fluisteraars willen alleen maar eindeloos doorleven. Al het andere is slechts een dekmantel.

‘Dat is walgelijk,’ zei Jacob.

Gulliver lachte en er klonk zo’n narcistische superioriteit in door dat Jacob onwillekeurig huiverde. ‘De onwetenheid der jongeren! Nu kan je je nog zo’n mooie romantische mening veroorloven, maar wacht maar totdat je je honderdtwintigste verjaardag viert en geen van de serums meer werken. Geen telomeerverlenging, geen injecties met getemde kankers. O, dan wordt elke extra dag eindeloos kostbaar! Geen prijs lijkt dan te hoog.’

‘Je kunt ook te oud worden,’ zei Jacob. ‘Ik weiger een eiland aan te leggen voor Groot Nippon. Het zijn slagers, planeetverkrachters.’

‘Je hoeft ook nooit meer een eiland aan te leggen of een dijk te commanderen. Als directeur en grootste aandeelhouder van het familibedrijf ontsla ik je bij deze.’ Zijn gezicht had uit walrusivoor gesneden kunnen zijn, zo strak en bloedeloos. ‘Je bent geen dijkenfluisteraar meer, Jacob. Ik verban je.’

 

Jacob beende de Koningsdijk over tot de Residentie een grijze streep werd.

Ik verban je. Je bent geen dijkenfluisteraar meer. De zinnen galmden in zijn hoofd, bijna alsof ze door een god uitgesproken waren. Maar zijn oom was absoluut geen god: eerder een demon, een ondode die het leven zoog uit de prachtigste en wijste zangers van de oceaan.

Hij stopte bij het uiteinde, hief zijn hand op. Een hijskraan reageerde. Goed. Zijn oom had hem die privileges nog niet afgenomen: het recht om alle machines die lager dan een dijk waren te commanderen.

‘Takel een skimmer omlaag,’ beval hij.

 

Het vaartuig veerde op zodra hij op het pedaal trapte, het sloeg zijn ski’s uit en al snel schoot Jacob over de golven.

Pas toen de Koningsdijk achter de horizon verdwenen was, zette hij de motor af.

Hij keek om zich heen: een absoluut lege hemel, zonder een enkele wolk of verdwaalde meeuw.

Hij sloot zijn ogen. ‘Grisaert?’

‘Wat is er van je dienst?’

‘Je kunt mij nog horen? Mijn oom zei dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

Grisaert’s lach was als het snateren van een dolfijn. ‘Dat is absoluut niet aan hem om te zeggen. Dat zou een mooie boel zijn als mensen bepaalden met wie we spraken.’

‘Dus ik ben… Ik blijf…’

‘Voor altijd en eeuwig. Wij kiezen onze fluisteraars uit en niet andersom.’ Een bedachtzame pauze. ‘Je wilt een lift?’

‘Eigenlijk wel.’

Een segment rees boven het water uit en vlak daarop schoof een luik open. ‘Kom aan boord. Op mijn rug zitten kan ook maar dan zijn we een week of twee onderweg. Nu is het twee, drie dagen.’

‘Je weet waar ik heen wil?’

‘Mijn lieve jongen, dacht je dat ik brandende liefde niet kon herkennen?’ Prompt schalde er een ongetwijfeld antieke ballade over het water: ‘Je ogen zijn als de zee zo blauw, je lippen bloedkoraal. En als jij langsloopt, draaien alle mannenhoofden tot hun nekwervels kraken’ De elektrische sitar stierf weg. ‘In het Hindi klinkt het beter, maar het is zoiets, toch?’

‘Haar ogen waren groen, maar het klopt wel, ja. Een klik. En ze liet mij haar zielenbeeld zien. Al kreeg ze er meteen spijt van.’

‘Dat is geen kattenpis. Alsof de dochter van de sultan haar sluier oplicht.’

Hij begrijpt het. Het is heerlijk om een vriend te hebben die je begrijpt. Vooral als hij van titanium is en negen kilometer lang.

 

 

8

18 april 2223, het Vlaggenschip van de Vloot

 

‘Eh, Hindele?’ De oceaanstem van de krabben rolde Hindeles hoofd in.

‘Ja. Ik luister.’

‘Hij komt. We hoorden de roeipoten van zijn draak net boven onze colonne passeren.’ Draak? Ah, dijk. De spinkrabben noemen ze draken zolang ze rondzwemmen. Een verankerde dijk vinden ze domweg een stuk kust en totaal oninteressant. ‘Shit! Nu al?’

‘Ik dacht dat je met hem danste. Paring danste?’

‘Met die oude geit? Hah, hij houdt niet eens van vrouwen!’

‘Wij kregen een andere indruk. Toen je hem naar je schelp bracht…’

‘Wacht, wacht! Het is die andere? Jacob?’

‘Jacob zit in de buik van de draak, ja.’

‘Als mijn tante hem ziet, explodeert ze.’

‘Dat was ook onze conclusie. Trek een kieuw aan en duik de zee in. De draak, hij beloofde je op te pikken.’

 

Een metalen zwempoot graaide haar zonder omhaal uit zee en zette haar op een glanzende schub neer. Het was een raar gevoel om op de rug van een dijkdraak te staan. Het mocht dan wel een machine zijn, het bleef een akelig grote en machtige machine.

Hindele trok de kieuwen over haar hoofd en vouwde ze op. ‘En nu?’ vroeg ze aan de lege lucht.

‘Hij is op weg,’ zei een stem in haar hoofd. Deze stem leek in niets op de galmende diepzeeduisternis van de spinkrabben, geen schuren van monddelen en driftig schaargeknip. Deze stem glom en glinsterde en zat bomvol zonlicht. Het was duidelijk dat dijken in de open lucht thuishoorden, in het daglicht.

Een drakenstem… Haar verbazing was niet eens zo heel erg groot. Een dijk! Tante heeft gelijk. Ik kan ook dijken verstaan. Dijken en spin­krabben, het moet dezelfde mutatie zijn, dezelfde delicaat uitge­balanceerde genen.

Een luik schoof open en de jongen klom het dek op.

‘Jacob.’

‘Hindele.’ Ze bleven raar onwennig staan, als marionetten waarvan de touwtjes abrupt doorgeknipt waren en die nu hun eigen weg moesten vinden.

Hij spreidde zijn armen. ‘Ik…’

Niet moeilijk doen. Jongens zijn zulke klungels als het op woorden aankomt. Ze stapte recht in zijn omhelzing en sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem. Gelukkig kuste hij haar meteen terug.

‘Wow, Hindele,’ zei hij na de derde keer. ‘Ik was bang dat je nog boos op mij zou zijn. Omdat ik….’

‘Dat was voorbestemd. Ik was de stommeling. Een schelp snapt zulke zaken blijkbaar beter dan ik.’ Ze keek naar hem op. Gelukkig was hij maar een halve kop groter dan zij en konden ze de neuzen tegen elkaar wrijven. ‘Mijn tante was laaiend. Omdat ik je de dijk liet wegsturen zonder een prijs te vragen. Ze wil…’

‘Ze wil dat…’

‘Ja?’

‘Het is zo helemaal verkeerd! De dijken mogen niet terugkomen en daarom moet ik van haar met die oude dijkenfluisteraar trouwen. Met je oom.’

Jacob verstijfde. Hindele schrok: had ze het verkeerde gezegd? Was hij onvoorwaardelijk trouw aan de dijkenfluisteraars? Of erger, was hij alleen gearriveerd als voorhoede van een golf van verse dijken? Om zijn fout goed te maken?

‘Mijn oom. Als je gelooft dat je tante laaiend was, dan had je mijn oom moeten zien! Stoom uit zijn oren. Hij ontsloeg mij. Brulde dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

‘Maar hoe kun je dan nog op een dijk varen?’

‘Deze dijk is het er in ieder geval niet mee eens,’ sprak de dijk-draak in haar hoofd. ‘Ieder heeft zijn favoriete fluisteraar. Jacob is de mijne.’

‘Het dijkvolk is tegen al te overhaaste huwelijken,’ zei Jacob. ‘Je moet minstens twee weken samen zijn voor iemand iets als “Ja, ik wil” mag zeggen. Samen op een onbewoond eiland bij voorkeur.’

‘Jazeker!’ joelde de dijk in haar hoofd, ‘een palmbomeneiland onder een volle maan.’ Meteen barste hij in een lied uit: ‘Come with me While the moon is on the sea The night is young And so are we, so are we!’

‘Blue Hawaii,’ voegde hij toe. ‘Van de King zelf. En ik weet precies waar ik zo’n eiland kan vinden.’

 

Een waarlijk enorme volle groengevlekte maan wierp de palmbomen in silhouet.

‘Er is verder niemand,’ zei Grisaert. ‘Geen zeenomade en geen dijker.’ Een gniffel. ‘Toen jullie de krabben nog aan het muteren waren, liep het een beetje uit de hand. Ze klommen bij volle maan het eiland op en verslonden alle inwoners.’

‘Heilige goden, dit is Aruba?’ Ze had verhalen gehoord. Als er iets was waarvoor de zeenomaden zich zelfs na zeventig jaar nog schaamden, dan was het dit.

‘Geen krab meer te bekennen,’ zei de dijk, ‘en je hoeft ook niet bang te zijn om over botten en schedels te struikelen. Als een krab iets verslindt dan is het van top tot teen.’

Ze waadden het laatste stuk naar de kust, met de zee niet dieper dan hun enkels. Bij elke stap sprongen er verschrikte visjes uit het water die vonkten in het maanlicht.

‘Ik dacht dat ik eigenlijk nooit meer een voet op het vaste land mocht zetten?’ hoorde ze Jacob tegen de dijk zeggen. ‘Dat het in mijn eed zat?’

‘Och, eden en regels,’ zei Grisaert. ‘Daar doen we alleen maar aan omdat de mensen zich dan wat zekerder voelen. Wij dijken kennen maar twee regels: blijf pompen en zorg dat je niet lekt. Tja, ons leven is aanzienlijk overzichtelijker dan dat van jullie.’

Op een nabije heuvel knipte de lamp van een vuurtoren aan en een zoeklicht zwalkte door de hemel.

‘Jullie torenkamer,’ zei de dijk. ‘Ik heb een stel mechs vooruit­gestuurd en ze zijn druk bezig nieuw glas in de sponningen te printen en een tweepersoonbed te bouwen, dons voor jullie dekbed te verzamelen.’

Handig, van dat soort vrienden. Niet dat een dijk beter was dan de spinkrabben.

 

Ze hadden uiteindelijk geen veertien dagen samen op een onbewoond eiland. Enkel een nacht.

Een laag geloei wekte Jacob in de ochtend en het was een afgrijselijk bekend geluid.

‘Wat?’ zei Hindele en streek een lok uit haar ogen. ‘Is er iets?’ Ze was beeldschoon, met de afdruk van een kussenplooi nog over haar linker­wang en korrels slaap in haar ooghoeken. Haar zweet rook naar zee­water en pas aangespoeld wier, een geur die intens intiem was.

‘Dat was een misthoorn,’ zei Jacob en zijn maag trok samen. ‘De mist­hoorn van een zwemmende dijk.’

Hij beende de kamer door, rukte het damasten gordijn open. De Koningsdijk slingerde zich als een metalen glitterketting over de halve horizon. Minstens vijftien andere dijken moesten zich in zijn staart vastgebeten hebben om zo’n idiote lengte te bereiken.

Dit is puur machtsvertoon, ging het door hem heen. Ze zijn op weg naar de Vloot om de polderring te leggen. De hele bergtop leeg te pompen.

‘Je oom?’ zei Hindele.

‘Ik ben bang van wel. Mijn oom houdt niet van verliezen.’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Maar dit is bizar. Jullie gebied domweg binnenvaren is niet minder dan een oorlogsverklaring.’

‘De oceaan is van iedereen,’ zei Hindele automatisch en meteen daarop: ‘Nee, dat is onzin. Niet als je hier komt om alles kapot te maken.’ Ze boog zich naar voren. ‘O, nee toch?’

En Jacob begreep dat ‘O nee toch?’ meteen. Het raam vormde een 360 graden strook diamant langs de complete verdieping. Rechts, in het laatste kwart van de horizon dat nog vrij was, glom parelmoer. Vliegers dansten tussen de wolken.

‘Dat is de Vloot,’ zei Hindele. ‘Ze komen de dijken tegenhouden, de paringsvelden barricaderen.’ Ze graaide haar kleren bij elkaar en schoot haar laarzen aan. ‘Ik moet weg. Terug naar mijn tante. Ik ben de enige die ze kan stoppen.’

Het was als een nachtmerrieachtige rerun van hun vorige ontmoeting. Jacob hief zijn handen. ‘Hoe wil je naar de Vloot gaan? Zwemmen? Grisaert kan je onmogelijk brengen. Hij mag mijn vriend zijn maar hij kan onmogelijk tegen al die andere dijken op. Mijn oom is en blijft de opperfluisteraar.’

‘Ik heb Grisaert niet nodig,’ zei ze en haar schouders zakten omlaag. ‘Ze komen mij halen.’

’Halen, hoe?’

Een vlieger zakte omlaag, bleef met wapperende stabilisatievinnen naast het balkon hangen.

‘Daar is mijn vervoer al,’ zei Hindele. Een zenuwtick deed haar linker­wang trillen. ‘Mijn tante zit in de cockpit. Dit is niet iets dat ze aan een normale potige matroos kan overlaten. Je moet je eendenmossels zelf van je sloep schrapen, zei ze altijd.’

Ze rukte de schuifdeuren tweehandig open en een ijzige ochtendbries woei door de kamer. ‘Het was…’ zei Hindele. Ze wendde haar blik af. ‘Het spijt me zo!’

Ze nam een aanloop, zwiepte haar benen over de reling. De vlieger schoot naar voren en ving Hindele op, sloeg een veiligheidsgordel om haar middel. Een siddering en de vlieger schoot de hemel in.

Jacob keek haar na tot de vlieger tot een stip was gekrompen. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij.

’Zeg dat wel,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘En wat dacht je eraan te doen, vrind?’

‘Oom Gulliver is de opperfluisteraar. Alle dijken gehoorzamen hem.’ Het voelde alsof elk volgende woord de energie verder uit zijn lijf zoog. David tegen Goliath en ik heb niet eens een slinger.

‘Bijna goed, mon amigo. Alle dijken gehoorzamen hem omdat hij de zielenbroeder van de Koningsdijk is. Net als jij die van mij bent. Zonder de Koningsdijk zou Gulliver een oude man zijn die wat in de bries staat te murmelen.’

‘Wat wil je nu precies zeggen?’

‘Dat ze allebei al allemachtig lang de baas spelen. Misschien wel te lang?’

Ineens leek het Jacob geen enkel probleem om David tegen Goliath te spelen, niet als je een titanium slinger van anderhalve kilometer in je knuisten hield. ‘Ik denk niet dat ze ons op de bruiloft gaan uitnodigen.’

‘Des te beter! Dan verwachten ze ons ook niet. De mensen zijn jouw probleem, de dijken regel ik.’

 

 

Het Vlaggenschip van de Vloot:

 

Gulliver van Nijenbrink, opperfluisteraar en Dijkschouwer, rechtte zijn schouders, tikte zijn rozenkrans van drijfglas aan. Nu komt het er op aan. Puin ruimen en het is helemaal mijn eigen schuld. Een jongen die giert van de hormonen met een sluwe en bloedmooie vlootvrouw laten onderhandelen: waar zat mijn verstand?

De deur van de Vlootvoogdes zwaaide open en hij stond voor het eerst in zijn leven oog in oog met zijn tegenhangster. Dit was de vrouw die al zeker een eeuw beter dan alle anderen met de spinkrabben kon spreken, wiens woord voor de halve oceaan een bevel was. Haar gezicht was meisjesachtig glad en hij zou haar hoogstens twintig geven.

‘Heilige goden, je bent een onsterfelijke! Net als ik!’ Hij flapte het eruit, zo totaal verrast was hij. Ze is even leugenachtig als ik. Toen haar botten begonnen te knersen, waren de blauwe vinvissen opeens niet zo heilig meer.

De langlevenden kunnen gezichten lezen, al die kleine spier­trillinkjes, de stand van je lippen, een iets te snelle oogknippering. Ze klakte met haar tong. ‘Nu besluit je dat ik geen haar beter ben dan jij, ja? Mis. Als ik door de ogen van de spinkrabben kijk, kan ik iedere zeester een oester open zien wrikken, elke sardine tellen. Zodra er een blauwe vinvis sterft en naar de bodem zinkt dan weet ik dat. Lang voor de alen zich zijn hersens in kunnen knagen, heb ik zijn pijnappelklier al geoogst.’ Ze viste een buisje uit haar handtas. Het was zo dik als zijn duim en twee keer zo lang. De vloeistof lichtte smaragd-groen op, met minieme rode vonkjes.

De Japanners verkochten hun serum per milligram: deze ampul moest goed zijn voor zo’n duizend jaar jeugd. Gulliver voelde zijn tong droog van pure begeerte worden. Geen junkie kon ooit half zo gretig naar zijn kristallen gestaard hebben.

‘De helft is voor jullie,’ zei de Vlootvoogdes. ‘Meer dan de fluisteraars ooit op kunnen maken. Voortaan doen jullie geen zaken meer met Groot Nippon, maar met ons.’

Gulliver vouwde zijn handen samen, herhaalde zijn persoonlijke mantra tot hij zijn stem en vooral zijn verstand weer kon vertrouwen.

‘Een aantrekkelijk aanbod. Zonder meer.’

‘Het wordt nog beter. De mutatie die jullie met de dijken laat spreken, is zeldzaam en niet na te bouwen. Deze generatie hadden jullie maar èèn nieuwe fluisteraar. Wij twaalf. Ja, krabspreken en dijkenfluisteren zijn hetzelfde talent. Iets diep in het kwantumgebied, heb ik mij laten vertellen, het resoneren van je microtubuli met die van dijken en krabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Onbelangrijk. Ik bied je mijn nichtje ten huwelijk aan. Jullie kinderen zullen gegarandeerd top­fluisteraars en krabbentemsters worden.’

‘En je nichtje? Wat is haar mening?’

‘Ze is een gehoorzame vlootvrouw. Ze gelooft met heel haar hart in Gaia en zal doen wat juist is.’

‘In dat geval stem ik graag in. Misschien is het verstandig elkaar eerst te ontmoeten voor onze huwelijksdag?’

‘Zo zijn onze gewoonten niet. Je ziet haar gezicht als je haar sluier oplicht. En de bruiloft gaat sowieso door.’

 

 

9

16 juni 2223, Aruba

 

Hindele herkende het eiland zodra het boven de horizon uitpiepte: de eenzame berg die boven het verdronken laagland uittorende, de heuvel met de vuurtoren.

‘Deed je dat expres?’ vroeg ze haar tante. ‘Om het eens goed in te wrijven?’

‘Welnee. Aruba ligt gewoon handig in de buurt en niemand heeft het ooit durven claimen. Neutraal gebied.’ Ze opende haar tasje. ‘Hier, je sluier. Doe hem om voor je aan land stapt.’

‘Die oude geit weet heus wel hoe ik eruitzie. Er is niets geheim aan mijn gezicht.’

Haar tante haalde haar schouders op. ‘Zo is de traditie nu eenmaal.’

 

Palmbomen onder een strakblauwe hemel, rijen danseressen en lieden die handenvol kauries strooiden in het kielzog van de bruid. Halver­wege de praalweg draaide een complete tonijn aan het spit. Dat moest van de dijkers zijn: vlootmensen gaven de voorkeur aan vegetarischer hapjes. Het geroezemoes klonk Hindele hatelijk in de oren en haar sluier maakte alles grijs en wazig. Ze lachen mij uit. Ik ben het rare offerlam, de zondebok. Het zand werkte zich in haar muiltjes en het was alsof ze over levend schuurpapier strompelde. Ten slotte eindigde ze bij het altaar: een vergulde sloep met haar toekomstige echtgenoot aan het roer. Haar tante stond naast hem, bijna alsof zij de bruid was, met de ampul hoog geheven zodat iedereen de zon in het serum kon zien fonkelen.

De hogepriesteres van Gaia, Maryams vertegenwoordigster op Aarde, stapte naar voren en blies driemaal op een kinkhoorn.

‘Maakt er iemand bezwaar tegen dit huwelijk?’ galmde ze vervolgens. ‘Zo niet, laat zij dan eeuwig zwijgen!’

‘En of ik bezwaar maak!’ Jacob stapte uit de rij met kaurischelpen­strooiers. ‘De bruidegom is ouder dan Methusalem en de bruid… Als ze “Ja, ik wil” zegt, is het enkel met het mes op de keel.’

In de verblufte stilte kon Hindele haar tante horen fluisteren. ‘Je hebt hem toch verbannen, Gulliver? Hij is geen fluisteraar meer. Niet een van jullie?’

‘Dat klopt.’

‘Perfect!’ Tante strekte haar arm en kromde een vinger.

Ze roept de spinkrabben om hem te verscheuren. Ze hoorde haar tantes geluidloze gekrijs in haar hoofd, bevelen die enkel voor een spinkrabbentemster hoorbaar waren.

Een golf rolde aan, smeerde zich over het strand uit. Het was geen natuurlijke branding want de zee zelf bleef spiegelglad: een falanks zwoegende monsters stuwde het water voor zich uit. Ze renden het strand op met geheven scharen, rood als baksteen en een en al haak en speerpoot.

Een paar honderd meter verder speelde een ander drama zich af: de Koningsdijk rees als een getergde cobra uit de golven. Een veel kleinere dijk slingerde zich om zijn lijf. Een haal van een machtige ankerpoot en Grisaert tolde door de lucht, smakte in de oceaan. Hij zwom meteen terug en ditmaal was hij niet alleen. Een dozijn andere dijken hadden zich bij hem aangesloten en de Koningsdijk ging kopje onder.

Toen hij weer opdook was hij duidelijk op de vlucht.

Hindele keek terug: de spinkrabben snelden de praalweg over, omsingelden de sloep.

‘Hij daar!’ wees haar tante. ‘Verscheur hem! Ruk zijn ribben uit zijn lijf en laat geen bot ongebroken!’

Voor de eerste keer in haar leven sprak Hindele niet langer met de krabben, ze werd de krabben. Ineens bezat ze dozijnen ogen op steeltjes en liepen haar armen in scharen uit. Ze wierp een cordon om Jacob heen, een klikkende en sissende haag van opgeheven scharen die de andere krabben deed terugdeinzen. Ze sprong over naar een enkele krab en snelde op de sloep af, griste de ampul uit haar tantes handen.

Hindele stapte naar voren, half krab en half mens want ze kon het gewicht van de ampul in haar linkerschaar nog perfect voelen.

‘Je kunt kiezen,’ zei Hindele. ‘Een lang, lang leven, maar dan lijkt het mij verstandiger als jullie een stapje terugdoen. Stel, een mooie vakantie van zo’n vijftig jaar?’ Ze voelde een apengrijns aan de hoeken van haar lippen trekken. ‘Mijn krab kan natuurlijk ook jullie ampul in het zand leeg gieten. Dat is eigenlijk het enige alternatief.’ Ze liep op Jacob af en haakte haar arm in de zijne. ‘En nog iets. Een huwelijk tussen dijk en krab was zo’n slecht idee nog niet. En nu we hier toch zijn…’

Onder de sterrenhemel : Debby Willems

Dode mensen zijn echt oersaai. Op zich kunnen ze er weinig aan doen, ze maken immers niet veel nieuws mee, waardoor ze telkens in dezelfde verhalen vervallen. Helaas ben ik degene die naar dat gejammer moet luisteren.

Het is de avond voor de volle maan; de eerste van drie aaneen­gesloten dodennachten die ik hier op de begraafplaats door dien te brengen. Ik trek mijn mantel dichter om mijn lichaam tegen de kou. Een vlam danst in de lantaarn, waardoor er lange schaduwen over de graven kruipen. De laatste rouwlijster stopt zijn lied ter aankondiging van de nacht, dus spoedig zullen de geesten ontwaken.

Ik ben de zevende zoon van de zevende zoon en ben daarom door de tempelmeesters opgeleid tot boderge, ofwel bood­schapper van de geesten. Mijn zogenaamde ‘roeping’ – het woord doet me al kokhalzen – is zo eerzaam dat de voldoening meer waard is dan al het goud in de wereld. Het voelt voor mij echter eerder als drie jaar dwangarbeid in een gehucht ver van mijn familie vandaan. Nog maar zesendertig dodennachten te gaan, daarna is mijn taak niet langer een verplichting – en laat ik deze dode boel ook direct achter me.

Ik stal mijn spullen uit op de grafsteen die ik altijd als schrijf­tafel gebruik. Niet lang daarna ontwaken de eerste geesten. Uiteraard sprint Hildegarde direct naar me toe. Ze is altijd verdomd snel, iets dat je niet zou verwachten van zo’n mollig omaatje met van die korte beentjes. Net zoals bij alle geesten hangt er een gloed om haar lichaam, zoals de lichtkrans die soms om de maan verschijnt.

‘Ik wens drie brieven,’ eist Hildegarde, ‘een aan ieder van mijn kinderen.’

Een begroeting kan er blijkbaar niet eens meer vanaf. Ik zucht. ‘U weet goed dat ik maar één brief per drie dodennachten schrijf.’

Ze slaat haar armen over elkaar. Haar vernietigende blik probeer ik middels een geforceerde glimlach te negeren. ‘Uw dochter is ditmaal aan de beurt, nietwaar?’

Zonder haar antwoord af te wachten doop ik de ganzenveer in de zwarte inkt, waarna ik met sierlijke letters de aanhef voor Jantien – de naam weet ik helaas voortaan uit mijn hoofd – op het perkament noteer.

‘Vraag haar waar mijn halsketting is gebleven,’ gebiedt Hildegarde. ‘Die met de robijnen hanger, gekregen van mijn lieve Hans.’

Ik werp een blik op de grafsteen naast de hare. Ja, die lieve Hans hield het tegenwoordig voor gezien en bleef lekker onder de grond wanneer zijn vrouw haar klaagzang begon. Ik gaf hem geen ongelijk.

‘Ik droeg dat sieraad iedere dag. Het is dan toch logisch dat ik ermee begraven wilde worden? Maar wat hebben die aasgieren gedaan?’ Gefrustreerd wijst ze naar haar lege hals. ‘Verpand voor een habbe­krats, zeker?’

Ze foetert door, terwijl ik haar vragen in de brief aan haar dochter stiekem wat subtieler verwoord.  Het is maar goed dat Hildegarde niet kan lezen. De hoge mate van analfabetisme in deze regio is sowieso erg gunstig voor mij; zo valt er aan de levenden ten minste nog wat te verdienen met het voorlezen en het terugschrijven van brieven. Vanuit de tempel zal dit vast niet mogen, maar wat niet weet, wat niet deert. Hildegarde heeft nog nooit bericht terug ontvangen, wat haar frustratie slechts vergroot.

Vele brieven later is het eindelijk rustig op de begraafplaats. Enkele overledenen zijn nog met elkaar in gesprek. Soms lijkt het ze te helpen om hun frustraties met elkaar te delen. Leuke verhalen hoor ik zelden; het zijn immers vooral de rusteloze geesten die hun graf verlaten.

Ook zij is er weer. Uiteraard, zij is er altijd. Haar lange haren zijn blond, een zeldzame kleur in deze omgeving, en vanaf haar vaste grafsteen staart de jonge vrouw naar de sterrenhemel. Weer vraag ik me af wat er in haar hoofd omgaat. Mijn nieuwsgierigheid is de afgelopen tijd steeds meer gegroeid, maar het is helaas niet aan mij om haar te benaderen: geesten behoren immers zelf het initiatief te nemen.

Ik slenter over de begraafplaats en wacht tot een windvlaag krachtig genoeg is om de ganzenveer ogenschijnlijk per ongeluk uit mijn hand te blazen, en – o, zo toevallig – komt deze vlak bij de jonge vrouw neer. Nu moet ik haar wel aanspreken.

Ik schraap mijn keel. ‘Excuseer me.’

Ze schrikt op en tuimelt bijna achterover van de steen. Gelukkig weet ze haar balans nog tijdig te hervinden.

‘Ik wilde alleen deze even oprapen.’ Ik ga door mijn knieën, waarna ik haar met een domme grijns de veer presenteer. Met vernauwde ogen neemt ze me van top tot teen in zich op.

‘Ik ben een boderge,’ zeg ik gewichtig.

‘Ik weet wat je bent,’ zegt ze slechts.

‘Ik zie je hier vaker, toch?’ probeer ik.

‘Goh,’ haar wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Mijn lichaam is hier begraven, dus ik heb niet bepaald een andere keuze.’

Ik haal mijn schouders op. De doden zijn gebonden aan hun begraafplaats, dat is inderdaad wat men denkt – en moet blijven denken volgens de tempelmeesters.

‘Gerben,’ zeg ik. Tot mijn genoegen zie ik de verwarring op haar gezicht. Mijn mondhoeken kruipen omhoog. ‘Nu weet je niet alleen wat ik ben, maar ook wie ik ben: Gerben.’

Een voorzichtige glimlach kruipt over haar gezicht. Ze wijst naar de naam op de grafsteen. ‘Hedwig, zoals je ziet.’

‘Zal ik een brief voor je schrijven?’

‘Dat heeft geen nut.’

Gewoonlijk interesseren de brieven me niets. Juist omdat deze vrouw haar verhaal niet wil delen, wil ik echter weten wat er speelt. Het is niet professioneel, dat weet ik, maar toch kan ik het niet laten om aan te dringen.

‘Het heeft altijd nut. Er is toch vast wel iemand, die je iets zou willen vragen? Of iemand, die van je zou willen horen?’

Even lijkt ze te twijfelen. Ze kijkt me aan met haar helder­blauwe ogen, waarin ik nu een zweem van droefheid bespeur. Ze opent haar mond, maar slikt haar woorden in en schudt haar hoofd.

‘Echt niet?’

Ze haalt diep adem en richt haar blik op de grond, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vallen. ‘Ik durf mijn vraag niet te stellen,’ zegt ze, ‘omdat ik betwijfel of ik het antwoord wel wil horen.’

 

De tweede dodennacht, die van de volle maan, staat de bizar snelle Hildegarde uiteraard weer als eerste voor mijn neus.

‘U weet best dat ik de brief pas ná de derde nacht bezorg,’ meld ik haar. Het spiertje bij haar linkeroog trilt uit frustratie, maar na enkele verontwaardigde kreten taait ze gelukkig relatief snel af – uiteraard onder luid gemopper over dat sieraad van haar.

Al voordat ik de eerste brief af heb, zie ik Hedwig weer op haar grafsteen zitten. Geduldig wacht ze tot ik alle brieven af heb, waarna ze naast me opduikt.

‘En?’ vraagt ze.

Ik was op Hedwigs verzoek inderdaad bij de bakkerij geweest. De verkoopster, een vriendelijke brunette, gaf me zo’n warme glimlach dat ik direct meer brood kocht dan ik nodig had.

‘Mag ik Gijsbert spreken?’ had ik vervolgens gevraagd.

Even nam de verkoopster me argwanend in zich op.

‘Gijsbert!’ schreeuwde ze plots, zo hard dat ik me rot schrok. De vrouw draaide zich nu pas om naar de houten deur achter de toonbank. ‘Gijsbert, je hebt bezoek!’

Na wat gestommel en gevloek vanuit het andere vertrek zwaaide de deur open. De warmte van de ovens kwam me al tegemoet voordat ik de vlammen zag. De brede man in de deuropening was minstens twee koppen groter dan ikzelf. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd, en zijn onderkinnen trilden bij iedere stap.

‘Wat moet je?’ Hij keek me aan, of dat dacht ik ten minste, want zijn ogen stonden twee verschillende kanten uit. Een snelle blik achterom leerde me dat hij het wel degelijk tegen mij had.

‘U was de man van Hedwig?’ het kwam er met meer ongeloof uit dan ik het had bedoeld, echt waar, maar ik kon het me moeilijk voorstellen dat zo’n varken…

‘En?’ dringt Hedwig nogmaals aan, waardoor ik uit mijn herinnering word getrokken.

‘Hij is niet hertrouwd,’ meld ik.

‘Dat verbaast me niets. En woont zijn zus er nog?’ Net zoals de avond ervoor bespeur ik een lichte aarzeling voordat Hedwig de naam spreekt. ‘Roselina?’

‘Ja. Zij verkoopt het brood.’

Hedwig bijt op haar lip. Even lijkt ze te twijfelen, vervolgens draait ze zich abrupt om en beent weg.

‘Wacht,’ zeg ik. Wat ongemakkelijk hobbel ik achter haar aan. ‘De brief.’

‘Nee, ik weet genoeg.’

‘Want?’

Ze haalt haar schouders net iets te nonchalant op. ‘Dat kan ik niet zeggen.’

‘Ben je soms vermoord door een van hen?’ ontschiet me.

Hedwig kijkt me aan alsof ik gek ben. ‘Hoe kom je daar nu bij?’

‘Wat moet ik dan denken?’ De frustratie sijpelt onopzettelijk door in mijn stem. ‘Ik wil je alleen maar helpen, hoor.’

Ze neemt me even in zich op. Vervolgens slaakt ze een zucht die zoveel droefheid bevat dat ik me direct schuldig voel om mijn uitbarsting.

‘Sorry,’ mompel ik. Ik leg mijn hand op de hare, iets dat ze gedwee toelaat, en kijk haar bemoedigend aan. ‘Wat het ook is: soms helpt het om erover te praten.’

Er valt een stilte.

‘Ik trouwde hem, voor haar,’ bekent Hedwig zacht. ‘Voor Roselina.’

Ik knipper met mijn ogen. Mijn gedachten flitsen terug naar een van mijn eerste opdrachten: toen een overledene me vroeg een excuus aan zijn familie te schrijven. Een excuusbrief, nota bene aan degenen die hem met een steen om zijn nek in de put verdronken nadat hij had bekend waarom hij nooit zou trouwen – niet met een vrouw, ten minste.

‘Ik begrijp het.’

Er lijkt een last van Hedwigs schouders te vallen. ‘In haar armen verdwenen al mijn zorgen. Samen zouden we de helderste ster volgen naar een plaats waar ook ons geluk gegund zou zijn.’ Ze wijst omhoog, en ik zie welke ster ze bedoelt. Plots valt haar hand slap langs haar lichaam, alsof alle kracht eruit ontsnapt. ‘Maar ik ben wellicht slechts een dwaas. Ik vraag me af of ze haar broer ooit echt achter had kunnen laten.’

‘Je zou het haar kunnen vragen in een brief,’ stel ik voor.

‘Zelfs al schrijft ze me terug wat ik wil horen, dan nog zou ik blijven twijfelen. Ze was immers altijd al te lief; nooit zou zij iets zeggen dat een ander zou kwetsen. Maar haar ogen konden de waarheid niet verhullen – niet voor mij, althans. Aan haar ogen kon ik altijd zien of ze sprak vanuit haar hart.’

‘Maar als ze beloofde met je te vertrekken, waarom dan toch die twijfel?’

Hedwig haalt haar schouders op. ‘Aan haar intenties twijfel ik geen moment. Ik betwijfel echter of ze haar eigen geluk ooit boven dat van haar broer had kunnen stellen. Gekke Gijsbert zal in zijn hoofd altijd deels kind blijven, maar verdomme wel eentje met het lichaam van een volwassen kerel. Ik was zijn vrouw, dus in de nachten…’ Ze slikt. ‘Ik onderging het, voor haar – voor ons. Niet lang daarna bleek dat ik zijn kind droeg.’ Haar handen glijden over haar buik. ‘Óns kind, noemden Rose en ik het, totdat…’

‘Totdat?’ vraag ik met ingehouden adem.

‘Het was te vroeg, en er was te veel bloed. Mijn laatste momenten zijn slechts een waas aan rood.’

Haar stem wordt slechts een fluistering. ‘Je hebt geen idee hoe lang ik heb gezocht, Gerben. Hoe vaak ik de begraafplaats heb uitgekamd op zoek naar die ene steen. Maar alleen degenen die sterven, krijgen een graf. Het doet er dus niet toe dat het al schopte. Al bewoog.’ Ze slikt haar tranen terug. ‘Als een kind niet is geboren, dan is het niets.’

Het lied van een rouwlijster verkondigt de dageraad, waardoor Hedwig verdwijnt.  Ontredderd staar ik naar de lege grafsteen.

 

Vaak is de laatste nacht de rustigste, en gelukkig was ook nu de rij niet al te lang. Ik schreef sneller dan ooit tevoren. Bij sommige brieven noteerde ik zelfs alleen maar wat steekwoorden.

Hedwig zit op haar vaste plek, maar wendt haar gezicht af wanneer ik naast haar kom staan. Het is alsof ze spijt heeft van haar open­hartigheid.

‘Volg me,’ zeg ik slechts. Vastberaden loop ik naar de rand van de begraafplaats. Blijkbaar heb ik haar interesse gewekt, want wanneer ik me omdraai kijkt Hedwig me met een vragende blik aan.

‘Ik wil je helpen, maar je moet me beloven dat je dit voor je houdt.’ Mijn stem trilt nog heviger dan mijn benen. Hedwig knikt instemmend. Ik pak haar handen en doe enkele stappen achteruit, de begraafplaats af. Nooit eerder heb ik een geest door de barrière geleid. Ik hoop maar dat niemand er ooit achter zal komen.

‘Ik wilde dat je haar kan zien,’ licht ik toe.

Hedwig kijkt met grote ogen rond. ‘Ik kan de begraafplaats wél verlaten?’

‘Het kan alleen via een boderge,’ leg ik uit. ‘Je gebruikt een deel van mijn levenskracht. Het is echter ten strengste verboden vanuit de tempel omdat er gigantische risico’s aan kleven.’ Ik laat een dramatische stilte vallen, maar krijg geen reactie.

‘Dit is gevaarlijk,’ benadruk ik nogmaals, ‘we hebben namelijk maar tot het ochtendgloren de tijd.’

Hedwig knikt. ‘Duidelijk. Als ik haast, dan zie ik Rose wanneer ze hout uit de droogschuur haalt. Ik zal proberen om op tijd terug te zijn.’

Hedwig zet direct een sprint in en verdwijnt in het duister. Mijn mond valt open, verder sta ik als bevroren. Waarom vroeg ze niet door naar de gevaren? Ik vloek hardop. Eindelijk weten mijn hersenen mijn benen zover te krijgen om de achtervolging in te zetten.

Had ik verdomme maar meteen gezegd dat haar geest voorgoed zal verdwijnen, wanneer ze niet voor het ochtendgloren terug op de begraafplaats is. Maar nee, ik moest natuurlijk weer eens interessant overkomen. De levenden kunnen haar niet eens zien, dus waarom is ze überhaupt zonder mij gegaan?

Mijn hart klopt alsof deze zich door mijn borstkas naar buiten probeert te rammen, wanneer ik bij de bakkerij aankom. Vanachter een open raam brandt een warm licht. Niet ver daar vandaan vind ik Hedwig; deels verborgen in de schaduw van een grote eik. Zwijgend kijk ik haar aan.

‘Ik zag Rose.’ Hedwig wijst naar de open deur van de droogschuur, een eindje verderop. Mijn adem stokt wanneer ik in haar andere hand een bijl opmerk.

‘Wat moet je daarmee?’ wijs ik.

‘Gijsbert klieft er gewoonlijk hout mee,’ zegt ze, alsof dat een verklaring moet voorstellen.

‘Maar wat moet jíj daarmee?’

Ze ontwijkt mijn blik. ‘Het doet maar even pijn, dacht ik,’ zegt ze zacht. ‘En wat is dan dat beetje pijn, in ruil voor de eeuwigheid samen?’

Mijn handen worden klam. ‘Wat heb je gedaan?’

‘Ik…’ Ze haalt diep adem. ‘Ik kon het niet. Ik zou haar nooit pijn kunnen doen.’

De opluchting verlaat mijn lippen in een zucht. Op dat moment verlaat Roselina de droogschuur, met een mand vol brandhout. Ik verberg me in het donker. De brunette stopt even en staart met een zucht naar de sterren, voordat ze haar pas hervat.

‘Soms vraag ik me af of ze echt met me meegegaan zou zijn,’ bekent Hedwig zacht. ‘Rose is jaren jonger dan haar broer, maar toch was zij degene die voor hem zorgde nadat hun ouders overleden. Zonder haar had hij de bakkerij nooit kunnen overnemen. Altijd stelde ze zijn geluk boven dat van haarzelf.’ Haar handen klemmen zich steviger om de steel van de bijl. ‘Pas zonder hem, kan ze eindelijk zelf gaan leven.’

Met grote passen loopt ze naar het open raam, waar ze als bevroren blijft staan. Ik kom naast haar staan en volg haar blik naar binnen.

De vlammen van de ovens dansen in het donker. Gijsbert zit aan een houten tafel, met op zijn schoot een jongetje, dat met een brede grijns het brooddeeg kneedt. Zachtjes, zo voorzichtig alsof het jongetje van porselein is, aait Gijsbert over de blonde haartjes.

De bijl glijdt uit Hedwigs handen. ‘Maar ik dacht…’ fluistert ze.

Roselina komt het vertrek binnen en slaat direct haar armen over elkaar. ‘Hoor jij niet in bed te liggen, Rohad?’

Gijsbert haalt verontschuldigend zijn schouders op. ‘Hij wilde helpen met het brood.’

Het jongetje kijkt met een brede grijns op. Roselina schudt haar hoofd. ‘Zo kan ik toch niet boos op je worden?’ Ze geeft Rohad een kus op zijn voorhoofd. ‘Je lijkt met de dag meer op je moeder.’

Hedwig glimlacht door haar tranen heen.

 

Het is opnieuw de eerste dodennacht: die voor de volle maan. Uiteraard staat Hildegarde ook nu weer als eerste voor mijn neus. Ditmaal zie ik echter niet op tegen een gesprek met haar. Ik had haar dochter namelijk opgezocht. Met schaamrood op de wangen bekende Jantien dat ze het zich niet kon veroorloven om de brieven van haar moeder te laten voorlezen.

‘En in ruil voor je halsketting?’ wees ik.

‘Nooit.’ Met een melancholische glimlach sloot Jantien haar vingers om de robijnen hanger. ‘Deze was van mijn moeder. Ik draag de ketting iedere dag, zodat het is alsof ze nog een beetje bij me is.’

Hildegarde kijkt me met grote ogen aan wanneer ik haar over de hanger vertel. Er verschijnt warempel een glimlach op het gezicht van dat norse ding wanneer ze terugkeert naar haar graf. Ik denk niet dat ik haar voorlopig nog zal zien.

Misschien, heel misschien, is het werk van een boderge zo vervelend nog niet. Misschien zijn de doden het waard om gehoord te worden. Wellicht blijf ik dit daarom nog wel wat langer doen.

Mijn oog valt op Hedwigs grafsteen. Verrast knipper ik met mijn ogen wanneer ik de blonde vrouw daar weer zie zitten. Enkele geesten protesteren wanneer ik mijn schrijftafel verlaat, maar ik bijt ze toe dat ze maar eens een keer moeten wachten.

‘Ik had niet gedacht jou hier nog te zien,’ beken ik, wanneer ik naast Hedwig kom staan.

Ze haalt slechts haar schouders op.

‘Heb je nog steeds geen rust?’

‘Wat mijn zoon betreft zeker.’ Ze kijkt omhoog, waarna er een glimlach om haar mondhoeken verschijnt. ‘Maar wachten op Rose, onder de sterrenhemel, dat zal ik altijd blijven doen.’

Zwaard en de vrouw van de Vijftiende Keizer : Jaap Boekestein

De Hulcoi-barbaren bedreigden het Hemelse Rijk. Ze vernietigden legers, steden en velden net zo gemakkelijk als wolven een kudde schapen verslonden.

‘We moeten het doen, het is onze enige optie,’ adviseerden de adviseurs de Vijftiende Keizer.

‘Anders zullen die barbaren onze tempels als stallen gebruiken, ze zullen pissen op de graven van onze voorouders en ze zullen onze kinderen afslachten.’

‘Het zal zo zijn,’ beval de Vijftiende Keizer, en zo geschiedde het. Voor het eerst in een halve eeuw werden de deuren van het binnenste heiligdom van de Tempel der Schreeuwende Zielen geopend. De oude priester, vijf acolieten en de eerste minister van de Vijftiende Keizer gingen naar binnen.

Midden in de kale ruimte stond een eenvoudige houten standaard met een groot zwaard. Het staal was zwart, bedekt met vreemde tekens. Zelfs van een afstand leek het faam, bloed en de dood te beloven.

De oude priester gaf een van de acolieten een teken. De jonge, sterke man stapte naar voren en pakte het wapen.

Een kreet van pijn. Zijn lichaam trilde, zijn gezicht vertrokken. Hij leek te groeien en hief het oude zwaard op. De acoliet hanteerde het wapen niet, nee, het staal leek in zijn hand te groeien.

Metaal en vlees versmolten, magie steeg, honderd zielen verslonden er één.

De eerste minister van de Vijftiende Keizer piste van angst onder zijn statige gewaden maar hij vluchtte niet, noch de priester en de over­gebleven volgelingen.

Plots was het stil in de tempel. De stank van verschroeid haar hing in de lucht. Er was geen jongeman meer, geen zwaard. In het binnenste heiligdom van de Tempel der Schreeuwende Zielen stond nu een enorme gespierde man met demonische rode ogen. Zijn rechterarm eindigde in een naakt blad dat hongerig glom in het licht van de kaarsen. Dit was Zwaard, de dood van de keizersvijanden, de gesel van de barbaren, de weduwe-maker. Voor de negende keer in de geschiedenis van het Hemelse Rijk, werd Zwaard gewekt.

De priester en de acolieten vielen op hun knieën en hun hoofd raakte de koude stenen vloer. De eerste minister van de Vijftiende Keizer boog niet, hoewel het al zijn wilskracht vergde. Met een droge keel zei hij: ‘Zwaard, luister. Je keizer heeft je nodig. Barbaren plunderen onze grenzen. Zoek ze op en vernietig ze. Dat is wat uw keizer beveelt. ‘

‘En zo zal het zijn,’ antwoordde Zwaard, zijn stem diep en resonerend. ‘Breng me naar die vijanden.’

 

#

 

Het duurde drie weken om een leger samen te stellen dat de keizer en zijn hof waardig was.

Uiteraard reed de Vijftiende Keizer met zijn soldaten mee om de barbaarse hordes te vernietigen.

Met Zwaard aan zijn zijde zou hij zeker slagen.

Waar de keizer ging, ging zijn hofhouding, zodat het leger werd gevolgd door een trein van karren en rijtuigen met hovelingen, adviseurs, dienaren, waarzeggers, concubines, tovenaars, priesters, voorproevers, koks, zangers, dansers, berenworstelaars, wijnmeesters en al die duizend en één andere lieden nodig voor het goede verloop van het keizerlijke hof.

Natuurlijk reed Zwaard met de Vijftiende Keizer. De krijger sprak zelden, maar zijn ogen brandden en het nachtzwarte staal van zijn armzwaard rustte naakt op zijn schoot.

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed met haar man en bewonderde de bovenmenselijke krijger. Zij flirtte – quasi onschuldig, zoals alle dames aan het hof – met Zwaard. Het was tevergeefs, omdat hij zelden antwoordde, maar dat weerhield haar er niet van om met haar zachte handen schijnbaar per ongeluk de demonische spieren aan te raken, of zijn geharde huid terloops te strelen met haar waaier of de zachte zijde van haar gewaad.

Zwaard reageerde niet op haar geflirt, onschuldig of niet.

De karavaan met alle rijkdommen vormde een onweerstaanbaar doelwit voor de Hulcoi-barbaren.

Het keizerlijke leger? Ha! Ze hadden een dozijn of meer legers verpletterd. En dat wezen Zwaard?

Sprookjes en sluwe leugens om goedgelovige kinderen bang te maken. Nee, ze zouden die zwakke keizer verpletteren, zijn wijn drinken, zijn vrouwen verkrachten en een berg van schedels bouwen.

Dus vielen de barbaren het leger van de keizer aan op een modderig veld in de buurt van de Grote Schildpadrivier.

De strijd … Luister naar de liederen als je meer wilt weten over de strijd. De veldslag was enorm, het was hevig, het was vreselijk. Mannen en paarden stierven, bloed stroomde, zwermen pijlen verduisterden de hemel. Gehuil en geschreeuw, de stank van bloed en stront. In het midden van dit al schreed Zwaard, strijdend, dodend. Hij onthoofdde vijandige ruiters met een enkele klap maar hij was niet zomaar een vechtmachine. Hij was een generaal, een leider, een held. Hij won de strijd, hij doodde honderden vijanden met één hand. Hij was Zwaard, de Oogster van Zielen.

 

#

 

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed over het verlaten slagveld op haar tamme witte merrie. Een verrassingsaanval van barbaarse ruiters had de verdediging van de keizerlijke harem gedecimeerd.

De dames aan het hof waren nooit echt in gevaar geweest, maar de Vijftiende Keizervrouw had van de gelegenheid gebruik gemaakt om te ontsnappen aan de keizerlijke wachten. Een vreemde drang dreef haar tot die roekeloze daad. Zij reed over de de nu stille velden, op het kermen van de gewonden en het lachen van de kraaien na. Verder en verder reed zij. De stervenden geloofden dat ze een van de oorlogs­godinnen was die de dode helden kwamen halen naar een glorieus hiernamaals. Ze kreunden van wanhoop toen zij hen achterliet om de gevreesde vergetelheid tegemoet te treden: het lot voor hen die te licht waren bevonden.

Eindelijk vond ze waar ze naar op zoek was.

Het grote oorlogspaard van Zwaard was onder hem gestorven en de reusachtige man was alleen, omringd door bergen van doden: keizerlijke soldaten, maar voornamelijk barbaren. Zijn helm was verdwenen, zijn wapenrusting lag in stukken, zijn lichaam en zwarte armzwaard waren bedekt met het bloed van andere mannen. De Vijftiende Keizervrouw hield haar paard in, plotseling bang.

Zij was alleen met die man die geen man meer was maar iets veelomvattender. Hij kon haar verpletteren met een enkele slag. Zij was machteloos om hem tegen te houden als hij ervoor koos om dat te doen. Noch haar schoonheid, noch haar rang, noch haar man zouden haar kunnen redden. Nooit was ze dichter bij de dood geweest en het gevaar zorgde ervoor dat haar hart sneller klopte en haar bloed kolkte. De vrouw van de keizer klom van haar paard.

‘Zwaard, herken je mij?’ vroeg zij terwijl ze naar hem toe liep.

‘Natuurlijk. U bent de vrouw van de keizer, vrouwe.’

Zij wachtte op meer, maar Zwaard zweeg. Zijn demonische ogen brandden en bleven haar aankijken.

‘Je hebt dapper gevochten, Zwaard. Ik denk dat je gewonnen hebt.’

De keizersvrouw speelde met haar haar dat op de een of andere manier los was geraakt en zij bleef de stilte vullen: ‘De keizer zal je bedanken, maar…

Ik zou je persoonlijk willen bedanken, Zwaard.

Voor wat je vandaag hebt gedaan. ‘

Weer zei hij niets.

‘Ik … jij bent een soldaat, zwaard. De ultieme soldaat. Ik ben slechts een vrouw. Laat me je bedanken op de enige manier die ik kan.’

Ze opende haar gewaden en onthulde haar zachte geparfumeerde lichaam. De vrouw van de Vijftiende Keizer huiverde, van lust, van angst, van diepe duistere verlangens naar deze meer-dan-man die had gevochten en gedood en gedood.

Zwaard deed een stap, zijn stalen armzwaard sneed met de precisie van een meester-vakman door zijde en doek, maar niet door het hete vlees eronder.

Met zijn andere hand trok hij haar naar zich toe. Hij nam haar op het slagveld, in modder, bloed en vuiligheid.

Zij stond hem toe haar te nemen, ze had er naar verlangd. Met de steelarm van Zwaard scherp tegen haar keel en zijn andere – dat man-ding – zwaard in haar schreeuwde en kreunde ze toen hij haar sloeg met al zijn lust en onmenselijke woede. Ze had zich nooit levender gevoeld.

Naderhand kroop de vrouw van de keizer weg, haar delicate gewaden gescheurd en vies, haar lichaam besmeurd met zweet en bloed, haar buik vol vuur en met een tevreden glimlach op haar gezicht.

Zwaard glimlachte niet, maar met zijn rode duivelse ogen zag hij haar vertrekken.

Die nacht vierden de imperialisten hun overwinning. De keizer toostte op de gezondheid van Zwaard, toespraken werden gemaakt, liederen werden gezongen, gevangenen werden met hun eigen paarden vertrapt.

Stil maar gloeiend zat de vrouw van de Vijftiende Keizer naast haar man. Zij durfde niet te veel naar Zwaard te kijken, maar tegelijkertijd kon ze haar ogen niet van hem afhouden.

Wist de Vijftiende Keizer dat? Wat was gebeurd er tussen Zwaard en zijn vrouw? Natuurlijk wist hij het. Er waren geen geheimen aan het hof, zelfs niet op het slagveld in een onbeduidende provincie. Hij gaf gewoon niet toe dat hij het wist. De barbaren bedreigden zijn rijk, zijn dynastie. Zwaard had één slag gewonnen, maar er waren nog veel meer veldslagen te winnen voordat de barbaren echt verslagen werden. En zijn vrouw? Ze had maar een kleine prijs te betalen. Hij had jaren geleden de belangstelling voor haar verloren, na de derde zoon die hij met haar verwekte. Zwaard kon haar hebben.

Wanneer de oorlog voorbij was, kon hij haar altijd bevelen haar hoofd te scheren en tot een klooster toe te treden waar zij haar dagen in armoede en kuisheid zou doorbrengen.

De vrouw van de Vijftiende Keizer wist niets over de gedachten van haar man. Zij was verliefd.

Of misschien was het geen liefde, maar zeker lust.

Zij durfde de levende moordmachine niet te benaderen, maar elk moment dat ze wakker was, dacht ze aan hem. Haar dromen waren verhit en overspelig, net als haar gedachten.

Zwaard had de strijd gewonnen, maar niet de oorlog. Nog niet in ieder geval. De provincies die verloren waren gegaan, moesten opnieuw veroverd worden, nieuwe grenzen moesten gelegd worden, het rijk moest het land van de barbaren claimen om de dreiging voor eens en voor altijd te beëindigen.

Dus na vijf dagen pakten het leger en het hof de boel in en gingen op weg.

De vrouw van de Vijftiende Keizer reed op haar witte merrie terwijl haar dames van het hof in hun rijtuigen vertoefden.

‘Vertel me eens over Zwaard,’ vroeg ze aan de oude priester van de Tempel der Schreeuwende Zielen. ‘Wat is hij?’

De oude priester gehoorzaamde: ‘Eens, lang geleden, werd het rijk belegerd door barbaren. Lang was de oorlog, verschrikkelijk waren de veldslagen, zovelen stierven dat de grond zelf rood kleurde en de doden rotten in de velden omdat er niemand meer resteerde om hen te begraven. De keizer van die tijd was een wijze man en wist dat er altijd barbaren zouden zijn die verlangend waren naar de rijkdom van het Hemelse Rijk. Hij beval de creatie van een superieur wapen om te gebruiken wanneer dat nodig was. Jarenlang werkten de beste wijzen en tovenaars van het rijk aan dit wapen. Ze namen de honderd machtigste strijders en generaals, allen oorlogshelden, en lieten hen naar de Tempel der Schreeuwende Zielen gaan. Rook reikte naar de hemel, metaal werd gehamerd, goden en demonen werden opgeroepen. Het bloed en de zielen en geesten van de honderd helden werden met staal van de sterren vermengd. Het was vreselijk, zelfs kwaadaardig, maar het moest worden gedaan. Aan het einde was er een wapen, een zwaard, het stalen deel van Zwaard. In slechte tijden hoefde alleen een man het wapen op te nemen en Zwaard zou geboren worden.’

De vrouw van de Vijftiende Keizer luisterde en voelde zich warm en opgewonden. Ze had met zo’n wezen gelegen, voortgekomen uit honderd helden, de redder van het rijk.

‘Kan een man zoals Zwaard worden gedood?’ vroeg de vrouw van de Vijftiende Keizer. Ze reden een nieuwe slag tegemoet en haar ziel werd ziek door de gedachte dat haar geliefde gewond zou kunnen raken of dat hij – de Goden verhoede! – zelfs dood kon gaan.

‘Zwaard zal sterven,’ antwoordde de oude priester en hij vernietigde daarmee al haar hoop.

‘Ofwel door de hand van de vijand of door pure uitputting. Geen sterfelijke mens kan lang Zwaard zijn. Uiteindelijk zal zijn hart het opgeven.’

‘Wat zal er dan gebeuren?’ fluisterde ze, haar keel dichtgeknepen door verdriet en wanhoop.

‘Een nieuwe man zal het wapen opnemen en Zwaard worden. Tijdens het bewind van de Negende Keizer in de oorlog tegen de Shaw Hazeebarbaren stierf Zwaard drie keer voordat de barbaren ten slotte werden vernietigd.’ De oude priester knikte. Hij leek een beetje op een oude gerimpelde spookaap met witte snorharen.

‘Maar … zal het nieuwe zwaard hetzelfde zijn als het oude?’ Zal hij zich mij herinneren?

‘Absoluut, uwe Hoogheid. Het lichaam is slechts een vat voor de ziel van Zwaard. Honderd helden gaven hun leven om tot een nieuw wezen te worden gesmeed. In zekere zin is Zwaard net zo levend als u of ik, beste dame. Zijn echte lichaam is het staal. Het vlees is slechts … een verlengstuk, zoals een marionet aan een touwtje of als het paard van een ruiter.’

De woorden van de oude man troostten de vrouw van de Vijftiende Keizer een beetje. Zelfs als Zwaard doodging, zou hij terugkomen. Tenminste… zo lang als de oorlog woedde.

 

#

 

Meer veldslagen, meer bloed, meer dood, meer gestolen momenten van rauwe seks tussen de vrouw van de Vijftiende Keizer en Zwaard. Zij kon het niet helpen, ze was verslaafd. Elk moment verlangde zij naar het volgende gevecht, de volgende ontmoeting.

En de keizer wist, oh hij wist het, maar hij deed niets. Hij was de keizer, als hij ervoor koos dat er iets niet gebeurde, gebeurde het niet. Trouwens, met zijn afgestompte verlangens vond hij de hele situatie in het geheim zelfs ietwat opwindend. Zijn concubines fluisterden onderling over de nieuwe kracht en lust die de Vijftiende Keizer in de slaapkamer tentoonstelde.

‘Het moet de frisse lucht zijn,’ fluisterde iemand.

‘Of een dag op een paard rijden,’ fluisterde een ander.

‘Nee, het is mijn nieuwe parfum gemaakt van lelieknoppen en geslepen eenhoornhoeven,’ zei een derde. Zij was heel mooi, maar niet al te slim.

Uiteindelijk was het na verschillende campagnes tijd voor de laatste veldslag: de belegering van de hoofdstad van de barbaren.

Achter de muren schuilden hun koning en sjamanen en witharige heksen en de grootste, resterende strijders, bang voor Zwaard en het leger van de Vijftiende Keizer.

In een van de verhalen van weleer, van veraf, duurde het tien jaar om een stad te veroveren, en alleen door een sluw plan slaagden de belegeraars er in de poorten te slechten.

Zwaard en het keizerlijke leger hadden slechts tien dagen nodig om de hoofdstad van de barbaren te veroveren en te vernietigen. Heel de stand brandde, geen man, vrouw, kind of dier werd gespaard, het hart en de ziel van de barbaren werd voor eens en altijd vernietigd.

De Vijftiende Keizer vond zijn vrouw en Zwaard in de nasleep van de strijd. Zij lag bovenop hem, hij lag in haar.

De vrouw van de keizer gilde. Zij kroop weg en bedekte zich met de bevlekte, gescheurde gewaden.

Zwaard stond op, naakt.

‘Ik ben je keizer,’ bulderde de Vijftiende Keizer, ‘is dat niet waar?’

‘Dat is waar, u bent mijn keizer,’ antwoordde Zwaard.

De Vijftiende Keizer wees naar zijn vrouw.

‘Dood deze vrouw,’ zei hij. ‘Ze zal boeten voor haar zonden.’ Verdwenen waren de plannen om haar in een klooster te stoppen. Hij was de Vijftiende Keizer, vernietiger van barbaren. Hij had smaak van bloed geproefd en het beviel hem goed. Hij zou haar zien sterven, haar bloed rood en heet druipend in de vuiligheid. Een passend einde voor een hoer.

‘Je kunt dit niet doen! Ik ben je vrouw!’ riep ze uit.

‘Ik ben de keizer.’ Dat was alles wat de Vijftiende Keizer hoefde te zeggen.

Zwaard greep haar lange zwarte haar, zoals hij al zo vaak had gedaan. Hij hief zijn wapen op, het stalen deze keer.

De tranen liepen over haar gezicht, maar ze schudde haar hoofd, stond rechtop, vol woede. Zij had geleefd, ze had liefgehad en nu zou ze sterven.

Ze stond daar op het slagveld met de waardigheid van een hoog­geboren vrouw, de vrouw van een keizer, iemand die niets meer te verliezen had.

‘Jij bent de barbaar,’ spuugde ze naar haar man. ‘Ineengedoken achter mannen die groter zijn dan jezelf, vernietigend wat waar en echt is.’

De Vijftiende Keizer lachte. ‘Dus ik ben de barbaar? Ik accepteer die titel graag. Zelfs barbaren hebben meer eer dan een modderige kruipende slang zoals jij.’

De vrouw antwoordde niet. In plaats daarvan wendde ze zich tot Zwaard en keek in zijn vlammende demonische ogen. ‘Zwaard, mijn lief. Doe wat je moet doen, ik vergeef je.’

Zwaard knikte. Hij hief zijn wapen. Twee, drie, vier stappen. Zijn zwaardarm schoot uit. Het hoofd van de Vijftiende Keizer, de zelfbenoemde barbaar vloog door de lucht.

Het was doodstil. Niemand durfde te bewegen, niemand durfde te spreken, niemand durfde te ademen.

De moeder van de toekomstige Zestiende Keizer was de eerste: ‘Mijn zoon zal de nieuwe keizer worden wanneer hij de mannelijkheid bereikt. Tot die tijd zal ik op de troon zitten.’

Niemand durfde te protesteren. Niet met Zwaard die daar stond en het nog stuiptrekkende lijk van de laatste keizer dat in de modder lag.

De keizerlijke regentes pakte Zwaard bij de hand, haar ogen vol van lust. ‘Om het rijk te beveiligen, moeten we de volkeren aan onze grenzen onderwerpen. Allemaal. Laten we ten oorlog gaan.’

Voor het eerst glimlachte Zwaard.

Voordat je gaat slapen : Robin Langerak

1

 

Het liep tegen het einde van April toen de Slaap een jongen trof die slechts twee klassen lager zat dan wij. Hij moet een jaar of veertien geweest zijn. Ik kende de jongen niet zo goed, maar Arigato had een aantal keer corveedienst met hem gehad. Hoewel je elkaar niet zo goed leert kennen terwijl je bladeren van het gazon staat te vegen wist Arigato toch verbazingwekkend veel details over hem te vertellen.

De wereld was vol tegenstellingen: de kersenbloesem was in volle bloei, en tegelijkertijd moesten we wennen aan het idee dat we afscheid gingen nemen van één van ons; de grijze lokken in het haar van de jongen herinnerden ons daar dagelijks aan. We waren ons bewust van het naderende afscheid; ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die in Slaap gevallen was en weer natuurlijk wakker werd. Er ging een gerucht dat ze in Amerika een man wakker hadden gemaakt met stimulatie van geïmplanteerde elektrodes. Hoewel hij commando’s kon opvolgen, nam hij zelf geen enkel initiatief; hij leefde net als een zombie. De meesters vonden dat respectloos: volgens hen moesten we ons lot accepteren, ook al leek de willekeur van de Slaap vaak oneerlijk.

Elke dag verdween er meer kleur uit het haar van de jongen. De regels van ons klooster waren dat degenen die gingen Slapen, ondanks het grijzer wordende haar, zo veel mogelijk hun normale leven moesten blijven leiden, in ieder geval tot de afscheidsceremonie. Maar omdat de jongen nog zo jong was kreeg hij verlof om de zeven Heilige Kloosters te bezoeken.

In zijn afwezigheid hadden Arigato en ik het vaak over de Slaap.

‘Natuurlijk is het oneerlijk,’ zou hij zeggen met zijn karakteristieke bedeesde stem. ‘Maar wat zou je dan willen? De natuur moet iets doen om te compenseren dat we steeds maar ouder worden.’ Hij had natuurlijk gelijk, maar dat veranderde niets aan het nare gevoel dat ik er bij had. In Arigato’s volwassen standpunt klonken de lessen van onze meesters door. Ik weet niet of dat een teken van wijsheid was of van kritiekloze volgzaamheid.

 

 

2

 

Ik bracht graag tijd door met Arigato omdat hij de enige was die het niet leek uit te maken dat ik een meisje was. Buiten het klooster was onze samenleving weliswaar bijna volledig geëmancipeerd; binnen de kloostermuren bleef sekse om de een of andere reden een issue. Dat was trouwens ook een voordeel: als ik oud genoeg zou zijn om het klooster te verlaten, zou ik mijn eigen weg mogen gaan, maar Arigato’s leven lag al vast. Vroeg of laat zou hij zijn hoofd kaal scheren en één van de meesters worden, daar of in een ander klooster. Vreemd genoeg leek hij dat te accepteren, alsof hij die keuze zelf ook zo zou maken.

Onze discussies werden zo fel dat we besloten om het dormitorium te bezoeken waar de jongen heen gebracht zou worden als hij in Slaap zou zijn gevallen. Door alle verhalen hadden we een redelijk idee van hoe het er uitzag, ook al waren we er nog nooit geweest.

We moesten een paar uur reizen, want het dormitorium was gebouwd in de verlaten goudmijnen op Sado eiland. De oude tunnels waren omgebouwd tot moderne gangen, met aan beide kanten lange rijen cabines, tot wel twintig verdiepingen hoog. De slachtoffers van de Slaap sliepen zo diep dat ze bijna geen voedsel nodig hadden. Het gerucht ging dat hun harten niet meer dan eens per minuut klopten, maar dat durfden we niet te controleren. Omdat er geen slangetjes en buizen in en uit hun lichamen liepen zagen de Slapers er vredig uit, alsof ze elk moment wakker konden worden.

Een neef van Arigato die in het dormitorium werkte gaf ons een rondleiding. Hij liet zien waar onze overgrootouders lagen en het was een vreemde gewaarwording dat ze er nog net zo uitzagen als toen ze nog wakker waren; de Slaap maakte mensen nauwelijks ouder, afgezien van het grijze haar natuurlijk.

Voordat we weer terug moesten naar ons klooster konden we nog even op eigen houtje door de gangen lopen en ik herinner me als de dag van vandaag het nederige gevoel dat we kregen van de eindeloze gangen vol opgestapelde Slapers.

 

De volgende dag was de afscheidsceremonie. Eerlijk gezegd heeft die weinig indruk op me gemaakt; het waren voornamelijk formaliteiten. De dag daarna, toen de jongen in Slaap was gevallen, kan ik me nog wel tot in detail herinneren, al is het nu bijna twintig jaar geleden. We stonden buiten en zagen hoe zijn bed in de witte auto werd geladen die hem naar het dormitorium zou brengen. Zijn ouders stonden binnen de muren, zodat hun tranen bij zouden dragen aan de heiligheid van het klooster. Ze konden niet zien hoe de auto de heuvel af kronkelde totdat hij uit zicht verdween. Toen iedereen weg was legde Arigato zijn arm om me heen, alsof hij mijn oudere broer was. ‘Niet verdrietig zijn, Nara,’ probeerde hij me te troosten. ‘Het beste dat we kunnen doen is zorgen dat we hem niet vergeten.’

 

De volgende ochtend vond Arigato zelf de eerste grijze plukken in zijn haar.

 

3

 

Ik had het eerst niet door omdat Arigato zijn hoofd had kaalgeschoren. Dat deden jongens normaal pas als ze achttien werden, en daarvoor werd het meestal alleen gedaan door jongens die het geloof erg serieus namen. Arigato was niet zo vroom dus viel ik hem eindeloos lastig met vragen. Hij beweerde eerst dat hij het in een opwelling had gedaan, maar dat geloofde ik niet. Toen ik bleef doorvragen werd hij onge­duldig en zei dat ik moeilijk deed over niets. Op het moment dat hij wilde weglopen, hield ik hem tegen en sloeg mijn armen om hem heen. Eerst stribbelde hij tegen maar al snel gaf hij zijn verzet op. Hij draaide zich naar me toe en zei met een stem vol emotie: ‘Ik ga Slapen, Nara.’

Ik hoorde wat hij zei, maar het drong niet tot me door. ‘Wat bedoel je?’

‘Mijn haar begint grijs te worden.’

Het drong nog steeds niet helemaal tot me door. Ik hield hem stevig vast en voelde tot mijn verbazing een traan op mijn schouder vallen. ‘Dat kan niet! We hebben net…’Van iemand afscheid genomen… Ik durfde het niet hardop te zeggen. ‘Weet je het zeker?’ Ik voelde hem knikken. ‘Wat gaan we nu doen?’ Het was een domme vraag, want we konden niets doen.

‘Niets, Nara. Daarom heb ik mijn hoofd kaal geschoren: ik wil de laatste week die ik bij bewustzijn ben niet met medelijden behandeld worden. Beloof me dat je dit tegen niemand vertelt.’

‘Ik beloof het,’ wist ik met moeite uit te brengen.

‘Dank je wel.’

Ik liet hem los en hij gaf me een zoen op mijn voorhoofd voordat hij weg liep.

 

Het duurde een tijdje voordat ik me realiseerde wat de implicaties waren van wat Arigato tegen me gezegd had. Maar toen begon ik meteen met plannen. Hoewel ik beloofd had dat ik tegen niemand iets zou zeggen, was ik niet van plan om de komende week ongemerkt voorbij te laten gaan.

 

 

4

 

We spijbelden een groot deel van de week. Dat was niets voor Arigato en ik moest een hele middag op hem inpraten voordat ik hem er van overtuigd had dat iedereen het zou begrijpen als ze eenmaal de waarheid wisten.

Het eerste dat we deden was een bezoek brengen aan de ruïnes van Tokyo. We hadden gehoord dat de overblijfselen van die stad nog indrukwekkender waren dan de verlaten dorpen rond Fukushima, alleen al omdat het zo groot is. Ik had een rondleiding geregeld die begon bij het Stedelijk Dormitorium, een gigantische koepel in het midden van de stad. Het was het enige gebouw in de stad dat nog actief gebruikt werd. We gingen niet naar binnen omdat we de week daarvoor ook al een dormitorium bezocht hadden.

De rondleiding ging langs ooit dichtbevolkte wijken en wat vooral opviel was de snelheid waarmee de natuur de stad weer geclaimd had. De Grote Slaap, die heel Tokyo binnen een week in een spookstad had veranderd, was pas vijftien jaar geleden, maar sommige wolken­krabbers waren al helemaal bedekt met klimop.

Na de rondleiding, die twee uur duurde, kregen we nog de gelegen­heid zelf rond te lopen en voordat we het wisten werd het alweer avond. Natuurlijk konden we niet zomaar terug naar het klooster want dan hadden ze ons de hele volgende dag binnen gehouden. Daarom boekten we een bed & breakfast in Yokohama. Ik had al mijn spaargeld opgenomen, maar Arigato stond erop dat hij betaalde. Als argument voerde hij aan dat hij het over een week toch niet meer nodig zou hebben en daar had hij een punt.

 

De dag daarna gingen we naar het Heilige Klooster ten noorden van Kyoto.

‘Nara,’ zei Arigato verontwaardigd, ‘ik waardeer alle moeite die je hebt gedaan, maar dit is juist wat ik probeerde te vermijden door mijn hoofd kaal te scheren.’

‘Lieve Arigato,’ wierp ik tegen met een stem die duidelijk maakte dat ik geen tegenspraak duldde, ‘we gaan niet alleen maar kloosters bezoeken, maar ik vind dat je er minstens één gezien moet hebben. En als je het niets vindt, dan gaan we gewoon weer weg.’

De reis zou twee-en-een-half uur kosten per trein en dan nog veertig minuten met de bus. Natuurlijk vielen we op: twee kinderen die zonder begeleiding zo ver reisden. Een oude vrouw sprak ons aan in de trein en we vertelden haar dat we broer en zus waren, op weg naar familie, en dat we opgehaald zouden worden op het station. Toen we in Kyoto aankwamen liep ze met ons mee om zeker te weten dat we goed terecht kwamen. Uiteindelijk betaalde ze een taxi voor ons. Ze bedoelde het goed, maar het was lastig om van haar af  te komen.

De taxi zette ons af midden in het bos. Gelukkig wezen borden ons in de juiste richting. Het was fijn om onze benen weer te gebruiken na zo lang stil gezeten te hebben en de frisse buitenlucht deed ons goed. Een vraag brandde al twee dagen op mijn lippen en dit leek het moment om hem eindelijk te stellen: ‘Ben je bang om te gaan Slapen?’

Arigato gaf niet meteen antwoord. In mijn herinnering leek het alsof hij daar zelf nog nooit over nagedacht had en bedenktijd nodig had.

‘Ja,’ was uiteindelijk zijn eerlijke antwoord. ‘Maar ik weet niet waarom. Ik ga het zelf toch niet merken. Ik ben niet bang om vergeten te worden, om iets te missen of om pijn te voelen. Maar ik voel wel een bepaalde urgentie.’

‘Wat denk je dat er gebeurt als je in Slaap valt?’

‘Ik denk niet dat er “iets” gebeurt. Ik geloof niet dat mijn ziel opgaat in een collectief bewustzijn of dat ik opnieuw geboren word. Ik geloof niet dat ik voor altijd droom van het paradijs. Ik ga gewoon Slapen.’

Op dat moment kwam het klooster in zicht. Het had een nogal saai ogend hoofdgebouw, maar gelukkig stond dit klooster vooral bekend om de siertuin die om het hoofdgebouw heen lag. Het was mooi weer en zonder dat naar elkaar uit te spreken besloten we ons bezoek tot die tuin te beperken.

Door de tuin slingerde een stenen pad en langs de hele route stonden stenen lantaarns. We schuifelden langs het pad en Arigato zei: ‘Wat jammer dat wel al weg moeten voordat ze die lantaarns aansteken.’ Bijna meteen kreeg ik een idee.

We pauzeerden halverwege en dronken een kop groene thee in één van de theehuizen in de tuin. Ik excuseerde me en deed alsof ik naar het toilet moest, maar terwijl Arigato zijn thee opdronk ging ik naar de receptie van het klooster en smeekte ik de dienstdoende monnik om te mogen blijven tot de lantaarns aan waren. Uiteindelijk wist ik hem te overtuigen, maar ik had een zware dobber aan hem. Zelfs mijn meest overtuigende puppy-ogen hadden niet het gewenste effect. Pas toen ik hem, tegen mijn belofte in, toevertrouwde wat er met Arigato aan de hand was gaf hij ons toestemming om te blijven. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en even was ik bang dat hij ons klooster zou bellen om mijn verhaal te verifiëren. Maar er kwam niemand om ons op te halen.

Toen het tegen onze geplande vertrektijd liep werd Arigato onrustig. Hij had een bijna ziekelijke neiging om overal op tijd te willen zijn en hoewel dat waanzinnig irritant kon zijn, wist ik dat ik in zijn gezelschap nooit te laat was. Alleen door de verrassing te verklappen kon ik hem overtuigen nog even te blijven.

We gingen naar een theehuis dat wat hoger lag en de hele tuin overzag. Terwijl de avond langzaam viel konden we van daaruit zien hoe één voor één de lantaarns werden aangestoken. Toen ze allemaal brandden stonden we op en wandelden we door de zee van kaars­lichtjes. Het was adembenemend mooi en tot op de dag van vandaag roept kaarslicht bij mij de herinnering aan Arigato op.

We hadden onszelf daar de hele avond kunnen vermaken, maar op een gegeven moment kwam de monnik van de receptie ons waar­schuwen dat de laatste bus naar het station zou vertrekken en natuurlijk moesten we die halen. De oude man gaf ons een lift naar de bushalte en toen hij ons afzette kregen we een mand met eten mee. Ik nam me voor om ooit terug te komen en dan veel geld aan het klooster te doneren als bedankje, maar op dat moment had ik al mijn spaargeld nodig om Arigato een leuke week te bezorgen.

We kwamen met de laatste trein in Kobe aan, waar we zouden blijven slapen in het huis van een tante. In de logeerkamer stond slechts één tweepersoonsbed. Hoewel we daar best allebei in hadden kunnen slapen hield Arigato vol dat hij op de vloer ging slapen. ‘Ik heb over een week genoeg tijd om in een echt bed te slapen,’ beargumenteerde hij, en ik hoorde geen spoor van angst of spijt in zijn stem. Ik wist niet zeker of dat een goed of slecht teken was.

 

 

5

 

De dag daarna deden we het rustig aan. We wandelden wat rond in Kyoto en hoewel we ons daar wel een paar dagen hadden kunnen vermaken, gingen we aan het begin van de middag terug naar Yokohama. Daar gingen we naar dezelfde bed & breakfast die we eerder bezocht hadden, omdat we de eigenaars, een ouder koppel, de eerste keer erg aardig hadden gevonden. Ze waren blij dat we terugkwamen en kondigden aan een lekker diner voor ons te koken. Het zou nog een paar uur duren voordat dat klaar was en in de tussentijd trokken wij nog even de stad in. Mensen bekeken ons alsof ze zich afvroegen waarom we niet op school zaten, maar Arigato’s kale hoofd dwong genoeg respect af om te zorgen dat ze ons niet durfden aan te spreken.

We kwamen precies op tijd terug bij de bed & breakfast voor een uitgebreid diner; onze gastheer en -vrouw hadden zich behoorlijk uitgesloofd. Na een snelle douche schoven we aan. Vrijwel meteen begonnen ze het gesprek met de zin: ‘Jullie zijn geen broer en zus, of wel?’

Arigato en ik keken elkaar aan en besloten zonder een woord te zeggen de waarheid te vertellen. Ze begrepen het, want ze leefden zelf al jaren in de verwachting elk moment te kunnen gaan Slapen. Zonder grijs in hun haar was het moeilijk om hun leeftijd te schatten maar uit hun eerdere verhalen herinnerde ik me dat ze bewust de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hadden, dus ze moeten een jaar of honderdvijftig geweest zijn.

Ze voelden mee met Arigato en drukten hem op het hart dat als ze met hem van plek hadden kunnen ruilen, ze dat zonder aarzeling hadden gedaan. Ze vertelden verhalen over alle plekken die ze hadden bezocht en hoewel dat pijnlijk moet zijn geweest voor Arigato omdat hij die plekken zelf nooit zou zien, moedigde hij hen zelf aan om meer details te vertellen. Het was bijna alsof hij besefte dat de enige manier waarop hij nog iets van de wereld kon zien via hun verhalen was. Ze probeerden ons uit te leggen wat een unieke ervaring het was om kinderen op te voeden, ook al was het moeilijk om die grijs te zien worden en afscheid van hen te moeten nemen. Omdat er in ons klooster zo veel jonge mensen waren hadden we nooit stilgestaan bij de schaduwzijde van ongestoord oud worden.

Het echtpaar deed zijn uiterste best om Arigato op te vrolijken en aan het einde van de avond had ik het gevoel dat van ons tweeën ik het slechtste af was.

 

 

6

 

De volgende ochtend bleek bij ons afscheid dat de mand die we uit het klooster hadden meegekregen plotseling vol zat met dumplings en rollen sushi, zodat we geen honger zouden krijgen op weg naar huis. Nadat we onze gastheer en -vrouw uitgebreid bedankt hadden, namen we afscheid en gingen met de trein noordwaarts, terug naar Niigata. Tijdens de reis zeiden we bijna niets tegen elkaar. We waren ons allebei pijnlijk bewust van wat het betekende om weer terug te gaan naar huis. Arigato keek naar het voorbijtrekkende landschap en ik wilde zijn gedachten niet verstoren.

Toen we terug kwamen bij ons klooster wilde Arigato niet met mij mee gaan. ‘Ik vond het ontzettend fijn om de afgelopen dagen bij jou te zijn, Nara, maar nu wil ik even alleen zijn. Begrijp je dat?’

Ik knikte. Natuurlijk begreep ik dat.

‘Kom morgenmiddag naar de heuvels’, zei hij. Voordat ik kon vragen waar hij dan de nacht door zou brengen draaide hij zich om en liep weg. Ik ging in mijn eentje naar binnen.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik moest de hele nacht aan Arigato denken, die ontzettend eenzaam moest zijn geweest. Het was warm genoeg om in de buitenlucht te overnachten maar er was niemand bij hem die hem kon troosten. Het was de langste nacht van mijn leven en meerdere keren moest ik de neiging onderdrukken om naar hem te gaan zoeken.

 

 

7

 

De volgende ochtend doorliep ik mijn ochtendrituelen zoals gewoon­lijk. Mijn medeleerlingen wilden natuurlijk weten waar Arigato en ik geweest waren. Dat ik ze geen antwoord wilde geven droeg alleen maar bij aan hun nieuwsgierigheid. De meesters hadden me de vorige dag urenlang verhoord en ik had weinig zin om nog meer vragen te beantwoorden. Nou ja, het was niet eens zozeer een verhoor geweest, maar een bombardement van preken over hoe onverantwoordelijk we waren geweest. Ze wilden weten waar Arigato was maar ik weigerde hen dat te vertellen. Ik verzon niet eens een smoes, maar zei gewoon dat Arigato weg was en dat ik niet wist wanneer hij terug zou komen. Dat was nog waar ook.

Toen mijn ochtendrituelen voorbij waren probeerde ik redenen te verzinnen om weg te komen, maar de meesters lieten me niet zo makkelijk uit hun zicht. Het duurde tot de middag voordat ik er ongemerkt tussenuit kon knijpen. Met de smoes dat ik water ging halen wist ik zonder toezicht het terrein van het klooster af te komen. Ik liet mijn emmer achter bij de put en haastte me naar de heuvel waar ik Arigato voor het laatst gezien had. Ik wist niet precies waar ik hem kon vinden, dus ik bleef gewoon rennen naar het hoogste punt van de heuvel, met de gedachte dat ik Arigato van daaraf wel zou kunnen zien. Op mijn tocht naar boven kwam ik langs een hutje dat ik nooit eerder had gezien. Voor het houten gebouw zat Arigato met zijn ogen dicht, genietend van de zon.

Nog hijgend van mijn spurt naar boven ging ik naast Arigato zitten. Het viel me op dat hij zelfs vandaag, wat naar ik aannam zijn laatste dag was, zijn best gedaan had om zijn hoofd te scheren, zodat er niets zichtbaar was van zijn grijze haar.

Lange tijd was hij stil, maar ik wist dat ik daar voornamelijk was om hem gezelschap te houden, niet om hem te troosten. Dus ik wachtte geduldig tot hij wat zei. Het leek eindeloos te duren, maar uiteindelijk vroeg hij:

‘Zal je me bezoeken?’

Zijn woorden deden me terugdenken aan de verlaten hallen van het dormitorium. ‘Natuurlijk!’ antwoordde ik meteen. Het zou moeilijk zijn, maar natuurlijk zou ik hem bezoeken.

‘Niet doen,’ zei hij tot mijn verbazing.

‘Waarom niet?’

‘Omdat je me in het begin nog elke week bezoekt, totdat je het klooster verlaat. Dan krijg je een baan in Osaka en is het dormitorium te ver om er elke week heen te gaan. Toch blijf je trouw elke maand komen. Dan ontmoet je iemand en krijg je kinderen en heb je nog maar eens per jaar tijd om het dormitorium te bezoeken. Uiteindelijk steek je alleen nog maar een kaarsje voor me aan.’

‘Dat zal ik niet doen, dat beloof ik!’ drukte ik hem op het hart, ook al wist ik dat hij gelijk had.

‘Jawel, en dat is helemaal niet erg. Het leven gaat door. Maar als je gewoon vanaf het begin een kaarsje aansteekt dan hoef je je niet schuldig te voelen. En het is nou niet alsof ik ga merken hoe vaak je langskomt.’

Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik hield mijn mond. Na een tijdje stond Arigato op, stak zijn hand naar me uit en zei: ‘Kom, laten we een stukje wandelen.’

Ik volgde hem het pad op naar boven. We wandelden een half uur, tot we op de top van de heuvel aankwamen, van waar je een prachtig uitzicht had op de zee.

Op de top van de heuvel was een plateau waarop aan de rand een bank stond. Arigato ging zitten en ik nam naast hem plaats.

‘Hoe voel je je?’

‘Ik ben een beetje moe,’ antwoordde hij eerlijk. ‘En ik heb het gevoel dat ik iets moet eten, maar ik heb niet echt trek.’

‘Misschien is dat de Slaap?’

‘Misschien.’

Hij ging liggen met zijn hoofd op mijn schoot. ‘Nara, je vroeg me pas of ik bang was.’

Ik legde mijn hand op zijn borst en wachtte tot hij verder ging. Hij pakte mijn hand, gaf er een kus op en zei: ‘Het is niet echt angst, maar het spijt me heel erg dat ik jou niet zal zien opgroeien. Ik zal nooit zien hoe je nog mooier wordt dan je nu al bent, of hoe je iemand vindt die je gelukkig maakt. Ik zal nooit je kinderen ontmoeten.’

Daar moest ik van blozen. ‘Dat… dat spijt mij ook.’

Ik legde mijn andere hand op zijn hoofd in de hoop dat het vertrouwd aan zou voelen.

‘Wil je me iets beloven?’

‘Natuurlijk,’ zei ik meteen.

‘Beloof me dat de herinnering aan mij je nooit tegenhoudt.’

Ik beloofde het hem, me niet realiserend hoe moeilijk dat zou worden. Toen ik hem dat beloofd had deed hij zijn ogen dicht en een tijd lang zei hij niets. Net toen ik me begon af te vragen of hij in Slaap was gevallen opende hij zijn ogen en zei: ‘Nara?’

‘Ja?’

‘Dank je wel.’

‘Waarvoor?’

‘Dat je er voor me bent. Het is het mooiste wat iemand kan doen: er zijn. En ik ben blij dat jij het bent.’

‘Natuurlijk ben ik er,’ zei ik, bijna verontwaardigd.

Hij liet me los en tilde zijn hand op om de zon te blokkeren.

‘Weet je nog, dat oudere stel dat best met me van plek had willen ruilen? Ik denk niet dat ik dat gedaan zou hebben, zelfs als het kon.’

‘Had je het voor mij gedaan?’

Hij liet zijn hand weer zakken en eerst dacht ik dat hij over mijn vraag nadacht. Maar toen hij geen antwoord gaf merkte ik dat zijn ogen gesloten waren en dit keer wist ik meteen dat hij in Slaap was gevallen. Mijn ogen vulden zich met tranen, ook al zou hij niet hebben gewild dat ik om hem huilde. Terwijl mijn verdriet op hem neer regende gaf ik hem een kus op zijn voorhoofd en fluisterde: ‘Ga alsjeblieft niet weg.’

In mijn hoofd hoorde ik hem zeggen Ik ben er nog, maar zijn ogen bleven gesloten. Ik sloeg mijn armen om hem heen, alsof mijn liefde hem wakker kon maken. Zo bleef ik lange tijd zitten. Tegen de tijd dat de zon onder ging waren mijn tranen op en alles wat ik kon doen was hem stevig vasthouden.

 

Toen ze ons eindelijk vonden was Arigato’s haar een fractie van een millimeter uitgegroeid en op zijn hoofd lag een grijze waas.

Witruimte : Jasper Polane

Zij was zijn zelfmoordmissie.

De heks zat in kleermakerszit in het midden van haar tent. Haar blote voeten met gekleurde teennagels staken onder haar zwarte abaja uit. Ze keek op toen Dawud binnenkwam en herschikte haar hijab.

Hij was vergeten hoe mooi ze was. Haar ogen zwart als de nacht, poorten naar het duistere heelal, waarin het licht van de olielamp weerspiegelde als dansende sterren. Hartvormige lippen, dezelfde donkere henna als haar nagels. Expressieve smalle wenkbrauwen die de ravenzwarte kleur onthulden van haar onder de hoofddoek verborgen haren.

‘Ik ken u.’ Haar stem klonk diep en zoet. ‘Maar ik herinner me uw naam niet.’

‘Dawud al-Harûn, van de Orde der Leergierigen.’ Hij maakte een buiging. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet. Lang geleden, op de Nachtmerriemarkt.’

‘De Nachtmerriemarkt? Dat moet inderdaad lang geleden zijn.’ Ze gebaarde hem tegenover haar plaats te nemen. ‘Welkom in mijn bescheiden tent, administrator. Mijn naam is Zahra. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Mag ik u eerst welkom heten in de vijftiende eeuw. Mijn orde en het Ottomaanse leger zijn vereerd dat u zich bij ons voegt, priesteres van Rastaban.’

Ze glimlachte en zijn hart sloeg een slag over.

‘Is dat het?’ vroeg ze. ‘Het Ottomaanse leger?’

‘Hun sultan is nog steeds de baas. Hij heeft adviseurs en leveranciers uit de Witruimte, maar hij is nog steeds degene die bepaalt hoe alle raad en wapentuig wordt ingezet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat het wat uitmaakt. De christenen hebben ook hulp bij hun verdediging. We komen er niet doorheen.’

‘En daarom komt u bij mij?’

‘U weet waarom ik bij u kom.’ Hij haalde een aantekenboekje uit zijn buidel en bladerde erin. Hij kende de naam uit zijn hoofd, maar het was prettig zijn aandacht op iets anders dan haar ogen te vestigen. Hij las voor: ‘De C.A.D., een demon in de eerste cirkel. U kocht hem op de Nachtmerriemarkt, in de periode dat ik daar als assistent-administrator gevestigd was.’

Ze wierp een blik op de mand die schuin achter haar tegen het tentdoek stond. Het rieten deksel was vastgebonden met drie linten: een rood, een zwart en een zilverkleurig, in elkaar gebonden tot een onbreekbaar kwantumslot.

‘Als u weet dat ik de C.A.D. onder mijn toezicht heb, weet u vast ook waarom de sibbe hem aan mij heeft toevertrouwd,’ zei ze. ‘Ik kan hem niet gebruiken.’

‘Vrouwe Zahra, ik hoop dat u van gedachte wilt veranderen. We hebben uw hulp nodig.’

‘Willen is het probleem niet. Ik kán de C.A.D. niet gebruiken, ook al zou ik willen. Ik kan niet aan zijn voorwaarden voldoen. Het spijt me, administrator, u bent voor niets gekomen.’

‘Het spijt mij ook.’ Dawud stond op en maakte een lichte buiging naar de heks. Hij had de tentflap al opzij geschoven toen ze sprak: ‘Ik kan de C.A.D. niet inzetten, maar ik heb meerdere demonen onder mijn hoede: derde en tweede cirkel. Misschien minder machtig dan de C.A.D., echter te gebruiken zonder voorwaarden. Het is niet hetzelfde, maar alle kleine beetjes helpen.’

Hij twijfelde even of hij om zou draaien, besloot van niet en bleef voor zich uit staren terwijl hij zei: ‘Dank u, priesteres. We kunnen elke hulp goed gebruiken.’

 

Buiten de tent, bevrijd van haar ogen, slaakte Dawud nog eens een diepe zucht. Zahra, hier! Daar had hij niet op gerekend! Hij had misschien langer moeten blijven, met haar praten, een connectie leggen, maar zijn gevoelens hadden hem verraden.

Zijn vader had hem meer dan eens gewaarschuwd nooit verliefd te worden op een Rastabanheks, hoe mooi ze ook was. De heksen waren allemaal betoverend, zonder uitzondering. Trap er niet in, zei zijn vader. Hun schoonheid was schijn, een dekmantel voor hun verdorven innerlijk.

Maar zijn vaders raadgeving ten spijt was hij gevallen voor de eerste heks die hij had ontmoet, tientallen jaren geleden op de Nachtmerrie­markt. Als vijftienjarige was hij dat verdorven innerlijk compleet vergeten bij het zien van de inktzwarte ogen, gelegen in de schaduw van die lange wimpers, en het diepe decolleté van die perfecte borsten. Wat nou, innerlijk?

Dat hij haar nog eens zou ontmoeten had hij nooit kunnen denken. Hij was natuurlijk allang geen vijftien meer, maar evengoed had haar glimlach zijn liefde opnieuw aangewakkerd. Ook al had hij er niet op gerekend, het verbaasde hem geenszins dat ze zijn hart nooit verlaten had.

Misschien zou het zijn opdracht makkelijker maken. Zijn missie ging voor alles. De heks zou de C.A.D. gebruiken. Constantinopel zou vallen.

23 mei 1453 – het beleg van Constantinopel – de Witruimte-herconfiguratie.26B

 

De aanval was in volle gang. Het flikkerende krachtschild dat de Byzantijnen om de stad hadden opgetrokken werd continu geteisterd door de pulsgeweren van de Ottomaanse artillerie en lichtte blauw op waar de lasers insloegen. De schoten verzwakten het genoeg zodat de voetsoldaten er met hun vibrobajonetten doorheen konden snijden en de stadsmuur konden bereiken. De Ottomanen zetten hun zwarte ladders ertegen en begonnen te klimmen, of maakten gebruik van antigrav-schijven om de muur op te komen. De Byzantijnen op de muur vuurden op hun beurt energiewapens naar beneden om de soldaten van de ladders te schieten. Elk kwartier ging het enorme plasmakanon van de Ottomanen af en sloeg gaten in de muur die groot genoeg waren om walvisschepen doorheen te laten.

 

Dawud sloeg de veldslag door zijn verrekijker gade vanaf de heuvel aan de rand van het legerkamp. De muur en de paar honderd meter eronder waren een angstdroom van dood en verderf. Blokken steen regenden op de soldaten neer en stampten hen tot rode pulp. Plasma dat niet door het krachtschild heen kwam spetterde in het rond en vrat met een sissend geluid door alles en iedereen heen die het raakte. De grond was bezaaid met gesneuvelde soldaten en de rivier kleurde rood met het bloed van duizenden slachtoffers. Het gekerm van de gewonden oversteeg zelfs het geknal en gezoem van de wapens.

Het duurde uren voordat de aftocht werd geblazen en de Ottomanen zich terugtrokken, achternagezeten door de laserpulsen van de Byzan­tijnen. Dawud bleef toekijken totdat de laatste Ottomaanse soldaten buiten het bereik van de tegenstander waren.

Met een zucht liet hij de kijker zakken. De aanval had het leven van veel soldaten gekost, maar had het Ottomaanse leger niet dichter bij de overwinning gebracht. Het Byzantijnse krachtschild was intussen weer op volle sterkte en de zelf-reparerende stenen van de stadsmuur waren druk bezig de gaten te dichten.

Dawud had de allereerste versie van dit beleg meegemaakt, jaren geleden in de oorspronkelijke tijdlijn, toen hij werkte als assistent van administrator Assad al-Sunil, wiens baan hij nu had. Destijds bemoeiden de facties van de Witruimte zich nog niet met de strijd, die werd gevochten met authentieke wapens zoals zwaarden, speren en bogen, ook al hadden de Ottomanen toen ook een lijvig kanon gehad, zij het één traditionele die kogels afschoot. Het leger kon de stad ternauwernood innemen, omdat ze het geluk hadden dat een of andere sukkel was vergeten een zijpoort op slot te doen.

Maar dit keer hadden ze dat geluk niet. Groeperingen uit de Witruimte hadden hun oog op deze plaats in ruimtetijd laten vallen en nu werd de hele stad omgeven door een krachtschild. De verdedigers hanteerden wapens die vaak niet te onderscheiden waren van magie en alle natuurwetten leken te schenden. Tot dusver was het de aanvallers nog niet gelukt door de verdediging heen te breken, zelfs niet met hun eigen zo-goed-als-magisch wapentuig.

Dawud had er weinig vertrouwen in dat het de Ottomanen deze keer zou lukken de stad in te nemen. Toch was het van cruciaal belang dat Constantinopel zou vallen. Daarom was hij hier.

 

Toen hij de volgende avond bij haar tent kwam was ze er niet. Na enige tijd zoeken vond hij haar op dezelfde heuvel als hij de vorige avond voor zijn uitzicht gebruikt had, uitkijkend over de stad. Hij beklom de heuvel, met in zijn handen de kartonnen taartdoos.

Ze keek om toen hij haar naderde, haar donkere ogen vol emotie. Hij kon niet bepalen of ze hem afkeurend aankeek of dat ze hem verwelkomde, maar dat maakte hem niets uit. Als ze maar naar hém keek.

‘Goedenavond, administrator,’ zei ze. ‘Ik hoopte al dat u me op zou komen zoeken.’

Zodra ze haar aandacht op hem legde was Dawud zijn ingestudeerde tekst kwijt. In het nauw gedreven doordat hij plotseling moest improviseren stamelde hij: ‘Ja, door mijn werk op de Nachtmerriemarkt ben ik erg geïnteresseerd in de werking van demonen. Ik zou graag observeren hoe u deze gebruikt.’

‘Voel u vrij,’ zei Zahra. ‘Deze demon kan pas om twaalf uur ’s nachts gebruikt worden. Dat is over veertig minuten. Misschien wilt u uw boekje alvast gereedhouden.’

Ze draaide zich met de rug naar hem toe en richtte haar aandacht op het slagveld onder hen, waar de gesneuvelde soldaten van vandaag verzameld werden. Ze zouden vannacht begraven worden en hun programmatuur zou naar de Witruimte gekopieerd worden, zodat ze later ergens anders, in een andere tijd en op een andere plaats, ingezet konden worden in een nieuwe oorlog. De volle maan stond hoog boven de stad en rimpelde wanneer er een stroompiek door het krachtschild trok.

Hij was haar belangstelling kwijt. Hij had meteen moeten toegeven dat hij voor háár kwam.

Snel liep hij de laatste paar stappen de heuvel op en ging naast haar staan. Hij opende de taartdoos en bood haar de chocoladebruine cilindervormige gebakjes aan.

Zijn stem kraakte door zijn droge keel. ‘Ik heb iets voor u meege­nomen.’

Zahra keek verwonderd van hem naar de doos en weer terug. Ze nam een gebakje voorzichtig tussen haar vingers en draaide het onderzoekend in haar hand. ‘Wat zijn het?’

‘Ze heten zoenen, of soms chocozoenen. Een wafeltje als bodem, geklopt eischuim en een dun laagje chocola. Uitgevonden in de negentiende eeuw en zeer populair tot het einde van de twintigste, toen de naam veranderd moest worden.’

‘Waarom?’

‘Eerst heetten ze negerzoenen. Dat werd door sommigen racistisch of discriminerend gevonden.’ Dawud haalde zijn schouders op. ‘Iden­titeitspolitiek was toen anders dan nu.’

‘Ze gewoon “zoenen” noemen is wel de meest fantasieloze oplossing die ze konden bedenken,’ zei Zahra met een glimlach. ‘Ik zou ze nachtzoenen genoemd hebben, dan blijft die associatie met donker in de naam.’

‘Nachtzoenen hè? Mooi,’ zei Dawud. ‘Of klapzoenen, tongzoenen, Franse kussen, pakkerds, smakkerds.’

‘Nee, nachtzoenen is het beste.’

‘Daar heeft u gelijk in,’ antwoordde hij. ‘Kom, neem een hap.’

‘Waar begin ik?’

Dawud deed het voor. Hij pakte de nachtzoen bij het wafeltje en nam een grote hap van de bovenkant. Het chocola kraakte en een explosie van zoetigheid vulde zijn mond.

Zahra volgde zijn voorbeeld. Ze nam voorzichtig een klein hapje. ‘O, wat zoet!’ riep ze uit. ‘Wel lekker, hoor, maar zoeter dan honing!’

Ze nam nog een hap, nog een en een tijdje aten ze hun nachtzoen op, in stilte totdat die werd doorbroken door het gekraak van de wafeltjes. Zahra likte haar vingers af voordat ze hem weer aankeek.

‘Ze zijn moeilijk te eten, deze zoenen, maar ze zijn verrukkelijk.’

Ze lachte, vrolijk en verrassend, en tikte met haar vinger op het puntje van haar neus. Met een grijns veegde hij het schuim van zijn neus.

‘Nu heeft u mij een zoen gegeven, maar ik u nog niets. Ik sta bij u in het krijt.’

Plotseling stond ze tegen hem aan. Haar bedwelmende aanwezigheid omstrengelde zijn zintuigen. Haar boezem drukte zacht tegen zijn borstkas aan. Haar zoete geur deed zijn hoofd tollen. Ze keek hem diep in zijn ogen en hij dacht te verdrinken in haar zwarte ogen, maar toen sloot ze ze en hield haar hoofd een beetje schuin.

Hun kus was zacht en zoet, als een nachtzoen. Hij wilde zijn armen om haar heen te slaan, maar durfde niet en zij liet haar armen ook langs haar lichaam hangen. Waar haar lichaam hem aanraakte stuurde ze stroomstootjes het zijne in, die zijn hart aanjaagden en zijn kruis roerden. Het leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd veel te kort. Toen ze zich uit de kus losmaakte keek ze hem een moment teder aan, kwetsbaar en gevoelig, meer vrouw dan heks, maar toen viel haar eigen mysterieuze aura weer over haar heen.

Hij wist niet wat te zeggen, dus zei hij weer eens het verkeerde: ‘Zahra, het is bijna middernacht…’

Ze deed een stap terug. Haar warmte en zoetheid verliet hem. Ze draaide zich om en keek naar de zilveren maanschijf die boven de stad hing. ‘Juist… de demon.’

Ze maakte een fijn polskettinkje los en ging met haar wijsvinger de zilverkleurige kralen langs totdat ze bij een afwijkende kraal kwam, wit uitgeslagen en een millimeter groter. Die drukte ze fijn tussen duim en wijsvinger. Een klein olijfgroen wormpje sprong uit de kraal tevoorschijn en zweefde omhoog. Terwijl het verder de lucht in vloog werd het snel groter. Het groeide en groeide, totdat het een groene slang bleek te zijn.

‘Dit is de Bakunawa,’ zei Zahra. ‘Hij is…’

‘…de Eter van de Maan,’ vulde Dawud aan. ‘De eclipsdemon.’

De slang bleef groeien, totdat een gigantisch monster, met rode tong en asgrijze vleugels, als een speer op de maan afstevende. Er klonk geschreeuw van soldaten op het veld onder hen en vanaf de kantelen van de stad.

‘Er is een oude profetie die vertelt dat Constantinopel zal vallen wanneer de maan verdwijnt,’ zei Zahra. ‘Bakunawa zal dit bewerk­stelligen.’

Dawud trok een wenkbrauw op. ‘Werkt dat? Is dat alles wat er nodig is? De maan verdwijnt en de profetie komt uit?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ grijnsde Zahra. ‘Maar dat weten de Byzantijnen niet. Hoezeer hun adviseurs uit de Witruimte hen ook zullen verzekeren dat er niets aan de hand is, zij zullen ontmoedigd worden door de maansverduistering. De Ottomanen geloven er trouwens ook in, dus zij zullen extra gesterkt worden. Dubbele winst.’

De gigantische slang bereikte de maan en opende zijn enorme muil. Op het moment dat de zilveren schijf in zijn bek verdween loste Bakunawa in het niets op. De lucht boven de stad leeg, de maan verdwenen. Overal vanuit de stad steeg gehuil, gejammer en gebeden op. Vanuit het Ottomaanse legerkamp klonk gejuich.

Met een tevreden glimlachje richtte Zahra haar aandacht weer op haar kettinkje. Ze wreef met haar vingers over de kapotte kraal en toen ze het kettinkje weer om haar pols bond, zat de wit uitgeslagen kraal er weer aan, met de Bakunawa erin.

De profetie zou in vervulling gaan.

 

‘Waarom is het zo belangrijk dat Constantinopel valt?’ vroeg Zahra.

Het was de volgende dag en ze zaten op ‘hun’ heuvel in kleermakers­zit naast elkaar. Zahra had een urn van wit porselein tussen haar voeten geklemd.

Onder hen sloegen nieuwe golven soldaten tegen de stadsmuren. Het plasmakanon en de pulsgeweren vuurden in computergestuurde inter­vallen op het Byzantijnse krachtschild. De Ottomanen haasten zich door de ontstane gaten voordat de fasegenerator het schild weer op kracht kreeg, maar werden bij de stadsmuur opgewacht door de energiewapens en  magnetische railguns van de tegenstander. De lijken stapelden zich op, waardoor de aanvallende soldaten bergen lichamen moesten beklimmen om bij de muur te komen.

‘Waarom bemoeien uw Orde der Leergierigen en andere afdelingen van de Witruimte zich met deze oorlog?’ Ze wees op de stad in de verte. ‘Het is niet meer dan een suf stadje, waarvan de reputatie vele malen groter is dan zijn werkelijke aard. Waarom verspillen jullie zoveel middelen om de Ottomanen te laten winnen?’

Dawud haalde zijn blocnote tevoorschijn en bladerde naar zijn vijftiende-eeuwse tijdlijn en hield die voor haar op. Ze kroop wat dichterbij om beter te kunnen zien. Deze keer wist hij wel wat te zeggen. Hier had hij jaren voor gestudeerd en hij kende de stof door en door. De nabijheid van een zoet ruikende warme dame leidde hem af, maar niet genoeg om zijn opleiding te vergeten.

‘De val van Constantinopel in 1453 markeert het einde van de Middeleeuwen,’ legde hij uit. Hij trok met zijn wijsvinger een denkbeeldige lijn van boven naar beneden op het papier. ‘Links leven de volkeren in angst. Ze zijn bang voor God, of hun leiders, of de monsters die zich in de nacht schuilhouden. Rechts de geboorte van belangrijke nieuwe ontwikkelingen, de neergang van het feodale stelsel, de opkomst van de drukpers en het buskruit. Een tijd waarin de mens zijn omgeving steeds beter leert kennen en gebruiken.’

‘Maar dat is slechts een voortgang van ontwikkelingen die zich al enige jaren voordoen,’ zei Zahra. ‘Ontwikkelingen die in de Middeleeuwen geboren zijn en verder zullen gaan, Constantinopel of geen Constantinopel. De val van de stad is een symbool, een idee.’

‘U bent een priesteres, u moet toch de kracht van symbolisme kennen?’ Hij keek haar aan en zij keek met die donkere poelen terug. Dit keer verdronk hij echter niet. ‘De maansverduistering van Bakunawa was ook een idee. Maar niet “slechts” een idee: een heel krachtig idee. Als de stad niet valt zal de wereld in duisternis gehuld blijven. De wetenschap zal geen nieuwe opmars maken, de technologische revoluties zullen achterwege blijven en uiteindelijk zal de Witruimte nooit bestaan hebben.’

‘Ik heb de filosofische kant van de Leergierigen altijd interessant gevonden.’ Zahra glimlachte. Ze greep naar de urn en haalde het deksel eraf. ‘Ik zal eerst deze demon loslaten. Ik denk dat ik u daarna nog een keer ga zoenen.’

De demon Osiris, de Herrezene, had de uiterlijke vorm van een wervelwind die bestond uit grauwe as. Hij stormde over het slagveld, over de opgestapelde lichamen en regende warm- en koelgrijze stukjes op hen neer. De lijken die door de as ondergesneeuwd raakten begonnen zich te roeren. Een spookachtig gekreun kwam uit hun monden. Houterig en onbehaaglijk stonden ze op. Niet langer dood, niet echt levend, maar ondood, onlevend. Demonische as-zombies uit de Witruimte, bestuurd door de Osiris-software van de heks. De zombies raapten hun pulsgeweren en vibrobajonetten op en begonnen aan een nieuwe bestorming van de muren.

Zahra en Dawud zagen het niet. Zij waren verwikkeld in een innige kus, hartstochtelijk en geweldig. Ze had haar armen om zijn nek gelegd en trok hem naar zich toe. Hij sloeg zijn armen om haar middel en deed hetzelfde, hun lichamen stevig tegen elkaar aan getrokken alsof ze in elkaar versmelten zouden, hun warmte delend. Iedere seconde dat hun lippen elkaar raakten wond hem meer op.

Hij wilde meer. Natuurlijk wilde hij meer. Maar nu nog niet. Dat zou te snel zijn. Vooralsnog was deze kus perfect.

 

Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij lag in zijn tent, eenzaam en alleen, zijn gedachten volledig beheerst door die donkere ogen, die heerlijke volle lippen, die ongelooflijke borsten en die prachtige billen. Haar zoete geur en smaak bleven om hem heen hangen en vervulden zijn verbeelding. Zou hij naar haar toegaan? Wat zou ze doen als hij bij haar de tent inkroop? Zou ze hem met open armen ontvangen? Hij geloofde niet dat ze hem weg zou sturen, maar toch durfde hij niet, ook al was er niets dat hij liever zou doen.

Het zou niet verstandig zijn. Hij zou wachten, totdat hij zeker wist dat ze hetzelfde voor hem voelde. Dus bleef hij liggen, dan weer op zijn rug starend naar de vouwen van zijn tent, dan weer draaiend en woelend, op zoek naar slaap. Haar gezicht bij hem wanneer hij zijn ogen sloot, haar gelach in zijn oren wanneer hij zijn hoofd onder zijn kussen verborg. Toen hij de volgende ochtend uit de tent kroop voelde hij zich ellendig en nauwelijks uitgerust.

Hij had het werkelijk flink te pakken. Ieder moment van de dag dacht hij aan haar. Wanneer hij door het kampement liep bleef hij in het rond kijken, in de hoop dat hij haar tegen zou komen, ook al wist hij dat ze hier nooit kwam. Elke vrouw die hij zag vergeleek hij met haar, maar geen van hen was ook maar half zo mooi.

Hij zwierf door het kamp, op zoek naar niets in het bijzonder. Hij wist dat deze zotheid niet lang kon duren. Hij moest een missie vervullen. Daarom was hij hier. Daarom had hij haar opgezocht. Het was niet de bedoeling geweest dat híj zo hoteldebotel voor haar zou vallen.

Zijn missie. Zijn verdomde zelfmoordmissie… Hij had hem gekregen omdat hij bekend was met de C.A.D., niet omdat hij Zahra kende. Dat hij lang geleden verliefd op haar was geworden deed er niet toe. Toen was hij een tiener, een jongen nog, het was kalverliefde. Liefde op het eerste gezicht was immers niet echt. Het was een bevlieging, meer niet. Niemand had erop gerekend dat liefde op het tweede gezicht vele malen heviger zou zijn.

Dus nu liep hij hier, wetende dat hij de vrouw van wie hij hield moest verraden. Hij wist dat zijn opdracht haar pijn zou doen. Zoveel pijn dat ze er misschien nooit meer overheen zou komen. Was dat het waard?

Haar pijn deed hem meer dan zijn eigen naderende dood. Hij wist dat hij deze missie niet zou overleven – niet kón overleven – en had zich daar bij neergelegd. Hij had zijn bevelen van de Orde der Leergierigen. Zahra’s gevoelens waren nevenschade, collateral damage. jammerlijk, maar niet te vermijden.

Of wel?

Hij keek naar de stad in de verte, de bruingrijze en grijsbruine stenen van de muren, het kleirood en baksteenoranje van de daken. Constan­tinopel moest vallen, anders zou de Witruimte nooit bestaan. Dat had hij aan Zahra verteld, zoals zijn mentor Assad al-Sunil hem had verteld. Maar had hij gelijk?

Of had Zahra gelijk, als ze zei dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren verder zouden gaan, Constantinopel of geen Constantinopel? Dan zou zijn opdracht onnodig zijn.

Hij probeerde zich haar gezicht voor te stellen. Treurend. Zou ze huilen? Tranen in haar ogen, misschien, maar meer dan dat kon hij zich nauwelijks inbeelden. Hij had zich echter haar lach ook niet kunnen inbeelden en haar kussen al helemaal niet. Zahra was een gepassioneerde vrouw en haar emoties witheet als vloeibaar metaal. Ze zou huilen, ze zou schreeuwen, ze zou hem haten en vervloeken. De pijn zou haar nooit verlaten.

Hij kon het niet. Hij hield te veel van haar. Hij kon haar geen pijn doen. Hij zou haar geen pijn doen.

Dawud activeerde zijn interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

 

Hij materialiseerde op het witte strand van de planeet Newton-5. Hij was van plan geweest om een paar dagen hier door te brengen; hangen aan de bar van de strandtent, mijmerend uitkijken over het groene water van de Koperzee, misschien een gedicht of twee schrijven. Maar zijn verliefdheid liet hem niet met rust. Gedachten over lange strandwandelingen en vrijen in de branding drongen zich aan hem op. Een poging een gedicht over Zahra te schrijven resulteerde enkel in een bladzijde in zijn aantekenboekje volgekladderd met hartjes. Dit was duidelijk niet de plaats om haar achter zich te laten.

Dan maar het grove geschut: haar proberen te vergeten met drank, drugs en seks. Hij streek neer op de planeet Hades en bezocht daar de beroemde plezierpaleizen. Hij had keuze uit mensvrouwen en -mannen, hermafrodieten, katmeisjes en duivelsjongens, klonen van bekende vloggers en zelfs een aantal ex-politici. Voor elk wat wils, maar Dawud begreep snel dat zijn smaak er niet bij zat. Hij verlangde slechts naar één vrouw.

Drie dagen bleef hij reizen, steeds verder weg van de Aarde in 1453, weg van de vrouw bij wie hij het liefst wilde zijn. De Orde van Leergierigen had intussen gemerkt dat hij weg was. Hij nam hun oproepen niet aan. Iedere avond wiste hij hun ingesproken berichten, onbeluisterd. Totdat op de derde avond een bericht binnenkwam dat niet van de Leergierigen afkomstig was. Zijn hart sloeg een slag over toen hij de User ID zag: ZaHRa.

Met trillende vingers opende hij de voicemail. Haar zoete stem begon zakelijk: ‘Administrator, dit is Zahra. Ik heb uw aanwezigheid gemist de afgelopen avonden en ik bel om te informeren of alles in orde is. Ik heb nog een demon tot mijn beschikking. Die zal ik morgen activeren.’ Toen werd haar stem zachter, teder bijna: ‘Dawud… Ontloop je me? Heb ik iets gedaan? Heb ik iets gezegd? Als dat zo is dan spijt het me. Zie ik je morgen? Kus.’

Hij zuchtte een keer diep. Hij kon haar niet meer ontlopen. Die kus had zijn lot bezegeld.

 

Die dag was de hemel het gebroken wit van verse room, dat in de middag verschoot naar een dreigend okergrijs. Dawud had besloten zijn drie subjectieve dagen objectief te maken zodat hij de achtentwintigste pas terug was in Byzantium. Zwijgend, met lood in zijn schoenen en in zijn maag, liep hij de heuvel op. Hij kreeg kippenvel toen hij haar zag staan, zo mooi en beangstigend.

Ze keek niet om.

In de verte rolde een dikke mist vanaf zee het land op, als een roofdier dat geluidloos naderbij sloop. De stad lag er grauw en versleten bij, een slapend dier te log om zich uit te voeten te maken wanneer de nevel hem zou grijpen. Ongehinderd door het krachtschild rolde de mist de straten in. Al snel waren de straten van Constantinopel gehuld in een dikke, ondoorzichtige deken.

‘De djinn Ibris.’ Zahra’s stem klonk vlak. ‘Een demon van de tweede cirkel, nuttig om angst te zaaien en het moreel van de tegenstander te ondermijnen.’

‘Een soort nanonevel?’ Dawud keek door zijn verrekijker. ‘Hoe komt het door het krachtschild? Onze nevels ketsen erop af.’

‘Het krachtschild is poreus. Het laat lucht door, anders zouden de inwoners van de stad allang gestikt zijn. Het schild is geprogrammeerd om mechanische nanobots tegen te houden, maar het laat watermoleculen door.’

‘Bedoel je dat het echte watermist is?’

‘Slimme watermist, uitgerust met verschillende aanvalssubroutines.’

‘Geprogrammeerd water? Dat is niet mogelijk.’

‘Daar is het een demon voor. Ibris zal vanavond pas zijn volle effect krijgen.’ Ze ging als een kleermaker op de grond zitten. ‘Nu wachten we.’

Dawud nam plaats naast haar op de grond. Enige tijd zaten ze zwijgend naast elkaar, niet omkijkend, elkaars aanwezigheid amper bevestigend.

‘U hebt niets fout gedaan.’ Dawud schraapte zijn keel. ‘Daarom ging ik niet weg. Ik… Ik ben juist heel graag in uw gezelschap. Maar u bent een priesteres en ik ben een administrator. Het is onmogelijk te bepalen wat onze kansen zijn als we deze plaats en tijd verlaten, ná de val van Constantinopel. Kunnen we samenzijn totdat ieder van ons een nieuwe opdracht krijgt? Kunnen we een relatie in stand houden als we miljoenen ruimtetijdpunten van elkaar verwijderd zijn? Die onzekerheid beangstigt me. Ik wil geen ketenen smeden waar ik niet meer uit kan komen als u weg bent.’

Zahra bleef zwijgend naar de in nevel gehulde stad kijken.

‘Eloquent, administrator,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zeg alsjeblieft “jij” tegen me.’

‘Het spijt me. Ik had op zijn minst afscheid moeten nemen.’

‘Dan was je misschien niet meer teruggekomen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Je had op zijn minst nog een doos nachtzoenen mee kunnen nemen.’

‘Daar heb ik niet aan gedacht. Neem je genoegen met een ander soort zoen?’

‘Eentje maar?’

Ze hadden natuurlijk vaker gekust, maar zo voelde het niet. Nog steeds klopte Dawuds hart in zijn keel, nog steeds sloeg zijn hoofd op hol, nog steeds gaf ze hem kippenvel. Ze maakten zich los uit de kus. Haar zoete adem verliet hem, maar die onpeilbare ogen lieten hem niet los.

‘De afgelopen drie dagen hebben mij ook de kans gegeven na te denken. En je hebt gelijk, het is lang niet zeker of we bij elkaar kunnen blijven. Het is echter zeker dat we nú bij elkaar zijn. Misschien is dat genoeg. Onze toekomst is onzeker, maar nu is niet het moment om ons daar druk over te maken.’ Ze stond op, streek haar abaja glad. Dawud keek haar na terwijl ze de heuvel afliep, totdat ze halverwege bleef staan en vroeg: ‘Kom je?’

Hij wierp een blik op de stad in de verte, nog steeds bedekt in een dikke wolkendeken. ‘Maar… de demon?’

‘Ibris kan zijn werk doen zonder ons. Kom mee.’

 

’s Avonds slonk de mist, als een waterzak die leeggegoten werd, maar de Ibrisnevel liet een cadeautje achter. De demon had kleine aanpassingen gemaakt in de alles omringende omgevingssoftware van de Witruimte. Het programma werd door ontelbare kleine subroutines geleid, die steeds minuscule veranderingen in de stad aanbrachten. De  aanwezige ontwerpers  uit de Witruimte hadden al snel door wat er gebeurde en probeerden de demon te onderscheppen, maar ze waren te laat.

Vlammen overspoelden de koepel van de Hagia Sophia. Glinsterende lichten verhieven zich uit het dak van de kathedraal en vlogen naar het westen, tot ver in het afgelegen platteland achter het kamp van de Ottomanen.

Een gehuil rees op uit de stad. Geschreeuw klonk vanaf de stads­muren. Onheilsprofeten zwierven door de straten en verkon­digden het einde van Constantinopel, nu de Heilige Geest de kathedraal was ontvlucht.

De Ibrisnevel had zijn werk gedaan, maar Dawud en Zahra waren er niet om zijn verrichtingen te aanschouwen. Zij bevonden zich in Zahra’s tent en maakten hun eigen vlammen.

 

Naderhand lagen ze bij elkaar, starend naar het tentdoek boven hen, Dawud een arm om haar heen geslagen. Hij zou zich gelukkig moeten voelen, nu hij niet alleen seks had gehad met zijn droomvrouw, maar er ook een relatie in het verschiet lag. Maar zo voelde hij zich niet. Hij werd koud en alsmaar kouder, want hij wist wat nu ging komen.

‘Ik hou van je,’ zei hij zacht.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ze. Ze lachte van oor tot oor. ‘Het zou niet mogelijk moeten zijn, maar toch is het zo. Ik hou van je, Dawud al-Harûn.’

‘Dat is fijn om te horen.’

Zijn kille toon deed haar opkijken. Ze richtte zich op en bestudeerde zijn gezicht. Plotseling verscheen het besef in haar ogen.

‘O nee!’ Met beide handen duwde ze hem van zich af. ‘Nee nee nee! Jij! Jij klootzak!’

Ze sloeg hem, keer op keer, haar vuisten tegen zijn blote borst. Hij voelde er weinig van, want ze hield zich onwillekeurig in, maar de pijn in Dawuds hart werd bij iedere slag heviger. Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn lief…’

‘Noem me niet zo! Jij… klootzak!’ Ze verzette zich tegen zijn greep en probeerde zich los te trekken. Na enige worsteling liet hij haar gaan. Ze rolde van hem weg en bleef met haar rug naar hem toe liggen.

‘Zahra… Het spijt…’

‘Lieg niet tegen me. Het spijt je niet.’ Ze bleef met haar gezicht naar het tentdoek liggen, maar haar stem trilde genoeg om haar emotie te bepalen. ‘Kwam je alleen naar hier om me te versieren?’

Dawud probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. ‘In het begin wel, ja,’ gaf hij toe.

‘Klootzak. Waarom moet je mijn hart als wapen gebruiken?’

‘En het mijne.’ Hij wreef de tranen uit zijn ogen. ‘Ik hou van je, Zahra. Ik heb altijd van je gehouden, vanaf het moment dat ik je voor het eerst zag. Jij bent de vrouw die mijn leven beheerst.’

Haar onderlip trilde. Haar ademhaling was diep en trilde. ‘Maar dat is niet belangrijk. Het gaat er niet om of je van mij houdt of niet, het gaat erom of ík van jóu houd.’

‘En dat is zo… toch?’

Zahra richtte zich op en ging op haar knieën zitten. Dawuds hart zonk, zwaar als steen, toen hij de uitgelopen strepen kohl op haar gezicht zag. Haar donkere ogen straalden nu enkel nog verdriet uit. Na enige tijd elkaar stilzwijgend te hebben aangekeken reikte zij onder haar kussen en haalde er een dolk vandaan.

‘De C.A.D., de resetdemon.’ Haar stem was nauwelijks meer dan gefluister. ‘Een demon van de eerste cirkel, zo sterk dat hij voor­waarden aan zijn meesteres kan stellen. In dit geval: de dood van een geliefde. Een reset van het hart. Ik heb de demon onder mijn hoede omdat ik geen geliefde heb… of had.’

De nano-dolk zat in een schede van kracht, vergelijkbaar met het schild van de Byzantijnen, omdat het lemmet scherp genoeg was om door elke materie heen te snijden. De dolk kon door diamant heen snijden, dus door een mens zou geen probleem zijn. Dawud zou er waarschijnlijk niets van voelen.

Zahra trok de dolk uit de schede. ‘We hoeven de C.A.D. niet te gebruiken. We kunnen hier weggaan, vluchten, de boel de boel laten. Laat de Ottomanen en de Byzantijnen en alle Witruimte-facties het maar uitvechten. Alsjeblieft, Dawud, ga met me mee…’

Natuurlijk kwam hij in de verleiding. Hij aanschouwde de prachtige naakte vrouw voor hem en kon zich maar al te goed voorstellen hoe het zou zijn de rest van zijn leven met haar door te brengen. Een eeuwigheid naar haar kijken, met haar praten, kussen, neuken… Natuurlijk was het niet zeker of ze bij elkaar zouden blijven, maar in de liefde was het dat nooit. Ze zouden het toch kunnen proberen…

‘Nee, we moeten deze oorlog winnen. Constantinopel moet vallen. De Middeleeuwen moeten eindigen.’

Ze liet een zacht gejammer horen. Haar schouders schokten, slechts één keer. Toen stootte ze haar dolk in zijn hart.

 

Ze nam geen moeite zich aan te kleden. Slechts gekleed in tranen en Dawuds bloed tilde ze de rieten mand de heuvel op. Daar zette ze het op de grond en legde haar hand op het kwantumslot. Dat herkende meteen haar DNA-signatuur en liet een goedkeurende bliep horen. De linten gleden geluidloos op de grond. Ze schoof het deksel van de mand af en bevrijdde de demon.

De heksen van Rastaban waren de hoedsters van demonen uit de Witruimte. Zahra bezat een verzameling broncodes, subroutines en kunstmatige intelligenties, brokken programmatuur van verworpen ontwikkelingspaden uit de post-humanistische superomgeving. De meesten daarvan mocht ze gebruiken wanneer ze dat nodig achtte, zoals ze Bakunawa en Osiris en Ibris had gebruikt om het Ottomaanse leger te helpen.

Sommige demonen waren echter te gevaarlijk, te krachtig. Krank­zinnige zelfbewuste virussen, zo sterk dat het eisen aan zijn gebruiker kon stellen. Ze stelden voorwaarden, zoals de dood van een geliefde.

Een lichtgevende reeks nullen en enen steeg op uit de mand. Hij bleef kort voor haar gezicht hangen en zette toen uit. Het verspreidde zich gelijkmatig over de omgevingssoftware. Fluorescerend blauwe golven zwommen naar de stadsmuur. Een zee van licht verspreidde zich over het Ottomaanse kamp.

De C.A.D., de resetdemon, breidde zich uit. Hij bereikte het kracht­veld dat om Constantinopel lag en begon het uit te wissen. Aan de andere kant van het slagveld wikkelde het zich om het plasmakanon en nam gulzige happen uit de broncode. Pulsgeweren, vibrobajonetten, as-zombies, nano-nevels, integriteitsbrekers, trans-realiteitscapacitors, digitale re­plicanten, biomorfische klonen; de C.A.D. wiste alles wat de facties uit de Witruimte naar deze plaats hadden gebracht.

Zahra voelde de demon door haar programmatuur gaan, maar Dawuds bloed beschermde haar. Net zoals alle heksen had ze een karakteranalyse moeten ondergaan toen ze als jong meisje de sibbe van Rastaban betrad. Afstandelijk, had de A.I. haar genoemd. Een observator, had het gezegd. En vooral: niet in staat om lief te hebben. Het computer­programma was onfeilbaar, maar toch had het geen gelijk gehad. Het had met één variabele geen rekening gehouden: dat iemand van háár zou kunnen houden. Haar verschijning, aura en status als priesteres was meestal genoeg om mannen op een afstand te houden. Dawud was de eerste die dat krachtveld had doorbroken, omdat hij vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag van haar hield. Liefde op het eerste gezicht bestond niet, dat stond vast. Miljoenen applicaties en simulaties hadden het onderzocht en waren het daar over eens. Liefde op het eerste gezicht was een symbool, een idee.

Maar niet ‘slechts’ een idee. Een heel krachtig idee.

Terwijl de C.A.D. de lagen Witruimte van de historische feitelijkheid afstroopte en echt gescheiden werd van niet echt, begon Zahra het te begrijpen. Ze zag het, nu. Ze zag waarom Dawud zijn leven had gegeven.

Ze leefden in een universum waarin alles mogelijk was. Dankzij de onvoorstelbaar geavanceerde technologie van de Witruimte kon iedereen zijn wie ze wilden zijn, eruitzien zoals ze wilden, leven zoals ze wilden. Ze konden elke planeet in het Melkwegstelsel bezoeken zonder zich zorgen te hoeven maken of ze daar konden overleven. Ze konden elk moment in de tijd beleven, verleden en toekomst, zonder zich zorgen te maken of ze de tijdlijn zouden beschadigen. De demonen van de Nachtmerriemarkt brachten zelfs het onmogelijke binnen hand­bereik.

Alles was mogelijk, de Witruimte had onbeperkt potentieel. Het was het blanke canvas wachtende op de schilder, de witte bladzijde in afwachting van de schrijver. Daarom waren ideeën belangrijker dan ooit. Ideeën, dromen, symbolen, ze waren de motoren achter de maakbare superrealiteit. Ze zwengelden het geheel aan.

Je kunt alles maken wat je wilt. Wat ga je maken? Een idee.

Daarom moest Constantinopel vallen. Hij had als symbolische droom veel meer waarde dan als reële stad. Vertellers zouden tot ver in de toekomst verhalen blijven optekenen over zijn legendarische bibliotheek, zijn onneembare muren, zijn omvang en zijn rijkdom. De mythe van Constantinopel zou zich door de tijd uitrekken en tot de verbeelding blijven spreken.

Zonder die mythe was Zahra hier niet geweest. Wij allemaal niet.

 

 

29 mei 1453 – de val van Constantinopel – basisconfiguratie.0

 

De tijdlijn vervaagde.

Zahra activeerde haar interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

Lirander van Windmare een Stervende Aarde verhaal : Tais Teng

Met het doven van de zon verschoof ook het menselijke zicht naar de langere golflengtes. In Ascolais kenden de dichters niet minder dan zeshonderd woorden voor rood, van juichend magenta tot duister alambar, en slechts één woord voor blauw en dat enkel om zeldzame, pas ontbrande, reuzensterren van het Rigel-type te beschrijven.

: Overpeinzingen van Phandaal

 

Lirander, 6 jaar

 

Stel je het uitzicht vanaf de Windmare-toren over de witte stad Kaiin voor. De huizen lagen uitgestrooid als de opgewreven rugwervels van een pronkbeest. De rivier Scaum meanderde door het hart van de stad, tussen oevers met zwarte laurierbomen en haar water gloeide op als vermoeide lava. Meer bruggen overspanden haar breedte dan zelfs een meester­geograaf kon opsommen.

Een zwerm pelgranen zwalkte de ondergaande zon achterna, nu eens in een klassieke zespuntige formatie, dan weer in een wulpse spiraal.

Hun jachtkreten deden het hart van de kleine Lirander sneller kloppen. Hoe graag was hij met hen meegewiekt om vrome priesters van hun gebedstorens te plukken en hun afgekloven botten in de mosvelden te laten ploffen!

‘Vertel me nog eens over mijn vader?’ vroeg Lirander aan prinses Morgenster. Lirander was zes jaar oud en een stoerder kleuter viel er amper in Ascolais te vinden.

Prinses Morgensters blik werd dromerig.

‘Cugel was zijn naam en hij was een schavuit, een vagebond. Twee weken logeerde hij in mijn toren en hij besteeg me drie, vier keer per dag. Geil als een deodand!’ Ze knikte. ‘Hij kon zulke prachtige verhalen vertel­len. Je zou bijna geloven dat het geen leugens waren.’

‘Hij dronk al je wijn op en daarna verliet hij je.’ Lirander trok zijn schoudertjes naar achter. ‘Later, als ik groot ben, zal ik mijn vader opsporen! Zodra ik hem vind, steek ik mijn glazen gifdolk in zijn buik en laat ik zijn ingewanden over de tegels uitrollen!’

Prinses Morgenster keek vertederd op hem neer.

‘Lief van je om dat te zeggen, maar ik denk niet dat hij wist dat ik zwanger was. Ik wist het zelf ook niet toen hij vertrok.’

‘Hij vertrok niet, hij liet zich ’s nachts van je balkon omlaag zakken aan een spinragdraad en nam je ketting van meermintranen mee.’

‘Dat is nu eenmaal zijn aard. Je kunt een deodand ook niet verwijten dat hij mensen verslindt.’

‘Ik zal Cugel vinden,’ bezwoer de kleine Lirander. ‘Al verschuilt hij zich in de diepste graftombes en draagt hij een masker van zwart porselein.’

‘Dan hoef je niet ver te zoeken,’ lachte zijn moeder. ‘Zie je die excen­trieke toren daar, als de versierde penis van een hetman? Dat is de villa van Iucounu de Lachende Magiër. Je vader Cugel versloeg hem en hij noemt zich nu magus. De luchtgeesten buigen voor hem en prins Kandive de Gouden noemt hem ‘Mijn goede vriend’.’

 

In het holst van de nacht, toen de dwaallichtjes over de lagere terrassen zwierden, tuurde Lirander uit zijn raam. De ramen van Cugels villa stonden als schitterende juwelen in de nacht en de wind droeg flarden van muziek aan, gelach.

Lirander bleef kijken tot zijn vingers wel ijspegels leken en hij moest klappertanden. Toen pas kroop terug in zijn bed en trok de deken van vorstkikkerbont over zijn hoofd om het feestgedruis niet langer te hoeven horen.

 

 

Lirander, 12 jaar

 

Als je twaalf bent zijn meisjes een gruwelijk urgent raadsel, een en al zwierende lokken en glinsterende ogen. Ze kijken op je neer alsof je een klodder poep onder hun elegante hakjes bent en wandelen vervolgens weg aan de arm van jongens die wel vijf jaar ouder zijn.

‘Kom mee,’ zei Liranders beste vriend Radeth. ‘Ik zal je iets zien wat je nooit eerder gezien hebt. Je zult je ogen niet geloven.’

‘Dat zal me benieuwen. Ik heb gezien hoe een visser een krijsende meermin op het droge trok en wat hij met haar deed. Is dit weer zoiets?’

‘Lith is eindeloos veel mooier dan zo’n vissenwijf. En zij is een mens, geen dier.’

‘Gaat me dat geld kosten?’

Een zekere achterdocht was altijd op zijn plaats voor je met een project van Radeth instemde. Radeth was lang niet altijd Liranders beste vriend. Soms, en misschien niet zo heel soms, was hij zijn bitterste vijand en wenste Lirander hem in de diepste hel, onder de hoeven van een snuivend duivelspaard.

‘Kijken is gratis. Wat ze doet als ze ons betrapt?’

Radeth schudde zijn hoofd. ‘Dan helpen geen duizend schatkisten. Ze is een heks, weet je.’

Seks en dodelijk gevaar: het was een onweerstaanbaar cocktail.

 

De Thamber Weide was een veeg korrelig groen pastel onder de rode hemel, vol vuistgrote donsbloemen, met het vennetje voor Liths hut een zilveren munt.

Ze lagen onder een struik met glasbessen die bij elke windvlaag tinkelden. De heks stond tot haar knieën in de poel en speerde kikkers en alen die zelfs in de vismand nog bleven jammeren en de vervulling van wensen beloofden.

Lith was inderdaad een stuk interessanter dan de zeemeermin, die niet veel meer dan een vis met borsten geweest was. Over Liths huid lag een zweem van goud, als het glitterstof op een vlindervleugel. Lirander had er dolgraag een vinger doorheengehaald en de smaak geproefd.

Hij pakte de ring die hij uit zijn moeders kistje geleend had en tuurde erdoor. Ineens leek Lith schokkend dichtbij, zo dichtbij dat hij de poriën van haar huid kon zien en elke porie was volmaakt.

Ze glimlachte en Lirander begreep dat hij nooit eerder een glimlach gezien had. Plotseling leek zijn broek hem akelig nauw en hij moest zich op zijn zij draaien, een knoop loswurmen.

‘Ze is veel te oud. Vast wel vijfentwintig.’

‘Als de vos niet bij de rijpe druiven kan, noemt hij ze zuur.’ Radeths vader was filosoof aan het hof van prins Kandive en dat kon je merken. Helaas maakte de ontstentenis van een sneeuwwitte baard Radeth eerder tot een hinderlijke betweter dan een wijze.

 

Een man beende de weide over, een kerel met rood leren laarzen, een mantel van smaragddraad. Zijn ogen waren even goudkleurig als die van de heks.

‘Liane,’ fluisterde Radeth. ‘Alle vrouwen zijn dol op hem!’

‘Hij is een schurk!’ protesteerde Lirander. ‘Net zo’n schavuit als Cugel.’

‘Precies. Daar zijn vrouwen juist dol op.’

‘Vast niet. Daar trapt Lith echt niet in.’ Lirander voelde een steek van pure, beschermende woede. Het was ondenkbaar dat Lith haar prachtige lippen zou laten bezoedelen met een kus of zich het witte jurkje van het lijf zou laten scheuren.

Liane zette zich op de oever, sprak woorden die door de afstand onver­staanbaar waren. Lith stapte heupwiegend op hem af, bukte zich en slingerde hem een handvol modder in het gezicht.

Liane brulde, wankelde achter haar aan. De deur smakte vlak voor hem dicht.

Radeths oren kwamen overeind en de pluimpjes op de punten wuifden. ‘Nu dreigt hij haar hut in brand te steken. Kijk, ze doet de deur open.’

De deur gleed na een korte woordenwisseling achter de twee dicht en Lirander stelde zich duizend zaken voor, allemaal onverdraaglijk. Lith was een tere vlinder, puur als zonlicht en ze zou zich nooit geven aan een wezel als Liane.

De deur bleef dicht en ineens gleed er een fantasie door zijn hoofd. Hijzelf, Lirander, beende op de hut af, in kleren die even elegant waren als die van Liane. En het was een andere Lirander, een die een kop groter was, met spieren die als lome slangen langs zijn botten lagen. Een Lirander om wie de meisjes uit zijn eigen tempelklas nooit zouden gniffelen.

‘Lith,’ zei hij met een stem zwaar en mannelijk, een gewreven-eikenhouten-schatkist stem. ‘Lith, mijn allerliefste.’

De deur zwaaide open en Liane stapte naar buiten. Hij hief zijn hand groetend op en wandelde weg.

‘Hebben ze al….’

‘Nee, te kort,’ zei Radeth. ‘ Dat lukt zelfs een konijn niet. Er komt elke dag wel een geile figuur langs en het rare is dat ze nooit terugkeren. Terwijl ze toch bij hun vertrek steeds verlangend over hun schouder blijven kijken.’

Lith stond nog steeds in de deuropening en wuifde. Naast haar schouders zweefde een dozijn zilveren rapieren, klaar om toe te slaan. Dit was duidelijk een meisje waarbij het riskant was aan te dringen als ze ‘nee’ zei.

Ze knikte, trok de deur achter zich dicht.

‘Hier kwamen we voor?’ vroeg  Lirander.

‘Even geduld. Zodra zo’n man achter de heuvel verdwenen is, gaat ze in het meertje baden. Met al haar kleren uit.’

Lirander herinnerde zich rijkelijk laat hoe riskant het is badende nimfen te bespieden. Je veranderen in een hert zodat je door je eigen jachthonden werd verscheurd, was nog een van hun mildere reacties.

‘Ik heb geen jachthonden,’ mompelde Lirander en bracht de ring voor zijn oog.

‘Wat zei je?’

‘Hij zei: ik heb geen eigen jachthonden.’ De stem was honing, rijp bijengezoem. De ring viel uit zijn vingers. Lith stond voor hem, dichterbij nog dan zonet in de ring. Haar borsten welfden als heuvels en hij wist dat hij die rondingen nooit zou vergeten, de perfectie van haar glimlach.

‘Je bent te jong,’ zei Lith. ‘Kom terug als je meer dan een gretig wormpje tussen je benen hebt bungelen.’

Ze woelde door zijn haar, wierp hem een kushandje toe en de weide was leeg.

‘Zag je…’

‘Wat?’ vroeg Radeth.

‘Laat maar.’ Lirander drukte zich op. ‘Ik ga naar huis. Dit is onzin.’

‘Je durft niet. Bang voor een meisje!’

Hij was nog zo vol van haar glans, van haar zomergeur dat hij Radeth niet eens een stomp gaf.

 

Zodra je oud genoeg bent, had ze gezegd, maar Lith was een paar maanden later verdwenen en haar hut stond leeg. Zelfs haar geur was verdwenen toen Lirander zich op een namiddag naar binnen waagde. In het vennetje kwaakten de kikkers zo uitbundig dat het duidelijk was dat ze niets te duchten hadden.

 

 

Lirander, 16 jaar

 

Hij ontmoette Eilane van de Negen Excellente Uilen op het Oogstfeest. De magus Turjan had voor één nacht de oude, verloren maan in de hemel teruggehangen en alles was koel en zilver en bovenal betoverend. Meisjes en jongens dansten tussen de omgevallen beelden van het Arcadium en niemand droeg die nacht een masker of zelfs maar zijn eigen naam.

‘Je doet me aan iemand denken,’ zei ze.

‘Ik weet wel aan wie,’ antwoordde Lirander bitter want dit was niet de eerste keer dat iemand die opmerking maakte. Zijn neus was spits en beweeglijk, zijn mond breed, net als de gelaatstrekken van iemand die hij beslist niet bij naam wilde noemen.

‘Maar jij bent veel knapper,’ besloot ze. ‘En vast betrouwbaarder.’ Waar­door hij begreep dat ze zijn vader ontmoet moest hebben en ongetwijfeld met hem gevreeën had.

Eilane, als ze inderdaad Eilane heette, had echter ogen die wel uit maan­steen geslepen leken en toen ze haar gezicht ophief voor een kus zag Lirander hele continenten in de dieptes, wonderbaarlijke eilanden die hij dolgraag zou verkennen, het liefst de rest van zijn leven.

 

‘Heb je wel eens met een meisje geslapen?’ vroeg ze later in de nacht, toen de maan al boven de heuvels te aarzelen stond.

‘Natuurlijk! Hoe…’

Ze legde een vinger op zijn lippen. ‘Dat lieg je. Niet erg. Ik leer het je wel.’

Wat kan een jongen van zestien zich nog meer wensen? Zo’n prachtmeid en dan waren die uilen er ook nog… Wie had ooit gedacht dat uilenveren zo heerlijk zacht en deinend konden zijn? Ze vlogen door de hemel op een matras van zwiepende vleugels en de valse maan zeilde met hen mee.

 

Lirander ontwaakte doordat er een spin over zijn voorhoofd rende en, en passant, in zijn oorlel beet. Hij veerde op, staarde wild om zich heen. Hij moest op dat bed van geurige naalden geslapen hebben, op een open plek in een bos dat waarschijnlijk provincies verder groeide: de uilen hadden flink doorgevlogen.

Geen spoor meer van zijn geliefde. Naast het hoofdkussen van sterren­mos wachtte een beschreven eikenblad.

‘Ga vooral zo door!’ spoorden sierlijk gekalligrafeerde letters hem aan. ‘Je bent al bijna even goed als je vader.’

Ellende komt nooit alleen. Vanaf de bosrand klonk een gedempte kuch en een deodand stapte uit de schaduwen. Het monster had de gestalte van een mens, maar met een dof zwarte huid en bloedrode ogen.  Hij spreidde zijn geklauwde handen in gespeelde verbazing en zijn grijns ontblootte een formidabel stel puntige tanden.

‘Is er een mooier begin van de dag denkbaar dan een verse jongeling?’ Zijn stem was een aangename bariton.

‘Raak me niet aan!’ Lirander graaide naar zijn glazen dolk. Getrokken bleek het wapen hoogstens een vijfde van een deodandse slagtandlengte te meten.

‘Hij is giftig!’ riep Lirander vertwijfeld en zwaaide met zijn wapen.

‘Was giftig,’ verbeterde de deodand hem. ‘Zo te zien is het reservoir leeg.’ Hij verstijfde. ‘Die stem. Ik ken je ergens van…’ Zijn ogen verwijdden zich tot de stervormige pupil de halve oogbol besloeg. ‘Jij! Daar trap ik geen tweede keer in.’

Hij maakte een koprol achterwaarts, pardoes een doornstruik in en worstelde zich jammerend dieper het woud in.

 

Het universum streeft evenwicht na. Dat je gloednieuwe vriendin je niet geheel complimenteus met je vader vergeleek, weegt aanzienlijk zwaar­der dan het behouden van je leven omdat een deodand je voor die­zelfde vader hield.

‘Ik vermoord hem,’ mompelde Lirander elke mijl van de lange, lange terugtocht naar Kaiin. ‘Ik maak hem helemaal dood.’

 

Lirander liep de hele bloedkoraalrode dag door, toen onder de sterren en arriveerde pas in het vroegste uur van de ochtend bij de Windmare-toren.

Bij het hoogste balkon bespeurde hij een steelse beweging. Een gestalte liet zich aan een spinragdraad zakken, haastte zich weg.

Lirander probeerde hem niet eens te identificeren. Cugel was niet de eerste van zijn moeders minnaars die de toren op deze wijze verliet en evenmin zou dit de laatste zijn.

 

De schatkisten van de Windmare-toren zijn letterlijk bodemloos: je zult er nooit in grabbelen zonder omhoog te komen met een barnstenen ketting, een zilveren orchidee of een antieke munt die glimlichtjes van begeerte opwekt in de varkensoogjes van een verzamelaar.

‘Dat wordt dan zo’n duizend terces voor de Mantel der Onaanzien­lijkheid,’ zei de magister, ‘met een bijkomende veertig voor mijn zegen.’

‘Je zegen is overbodig, beste man, ’ zei Lirander en trok zijn tuniek open. Ter hoogte van zijn borstbeen bungelde een uitgelezen verzameling amuletten: gedroogde stuifzwammen, de versteende hoektand van een marsupilami, het linkerwijsvingerkootje van de heilige Jaspodel die enkel wijn dronk en in heel zijn leven geen druppel water of melk had aangeraakt.

‘Ik zie het. Toch zou ik je willen aanraden om…’

Lirander luisterde niet langer en trok de deur achter zich dicht. Goede raad werd altijd veel te duur betaald en was zelden van werkelijk nut.

Bovendien was dit de achtste magiër al die hij bezocht. Hij was nu wel goed genoeg uitgerust. Behalve de mantel en de sleutel, roteerden er ook niet minder dan vijf spreuken door zijn brein, klaar om uitgesproken te worden en de ruimte te verwringen.

 

Cugels villa lag doodstil onder een hemel vol sterren waarvan de meeste intussen even rood waren als de stervende zon. Een loodstenen trap voerde omhoog naar de poort.

Lirander glipte langs de dommelende granieten leeuw bij de poort. De ogen sprongen open en keken hem doordringend aan.

‘Ik zie je,’ gromde de leeuw. ‘Je bent….’ De magie van de mantel nam het over. ‘Niet meer dan een schaduw, een loze windvlaag.’ De leeuw sloot zijn ogen.

Lirander stak de Sleutel van Arma-Adret in de mond van de deurklopper. Een klik: de deur schoof opzij waarbij de eikenhouten planken golfden als een damasten gordijn.

Op de drempel stond een man met een opgeheven staf waarvan groene vlammen dropen. Hij droeg het gezicht dat Lirander elke dag in zijn eigen scheerspiegel zag.

‘Vreemd,’ zei Cugel. ‘ik dacht toch dat ik wat hoorde? Een steel geknars.’ Hij knikte. ‘Zekerheid voor alles.’ Hij wapperde met zijn mouw en een dozijn motten fladderden op Liranders mantel af en verslond de stof in een oogwenk.

‘En wie hebben we daar? Naakt en met niet meer dan wat povere draden om zijn lijf?’

‘Ik  ben…’

Cugel hief een hand. ‘Zwijg!’

Liranders lippen zogen zich prompt aan elkaar vast en zijn tong werd inert als een zeekomkommer. Onmogelijk om zelfs de geringste ver­vloeking uit te spreken.

‘Een huurmoordenaar ongetwijfeld. Ik vraag me af wie je gestuurd heeft. Nu ja, dat is te riskant om je te vragen, eh, jongeman? Ik zie dat de spreuken je ogen laten puilen en op het puntje van je tong vonken..’

Hij herkent me niet eens! dacht Lirander. Op de een of andere manier was dat nog het onverdraaglijkst van alles.

‘Volg mij,’ beval Cugel en Liranders voeten zetten zich gehoorzaam in beweging. ‘Laat mij een passende straf bedenken.’

Ze bestegen een dozijn wenteltrappen die in richtingen draaiden die diep onwaarschijnlijk waren en kwamen ten slotte op een balkon uit..

‘Ik weet het!’ kraaide Cugel. ‘De perfecte straf voor een dief.’ Hij trok een foliant uit de lege lucht.  ‘Iucounu riep een span demonen op die mij in een ijzeren kooi naar de andere kant van de wereld transporteerden. Iedereen kent het verhaal hoe ik die spreuk bij mijn terugkeer verkeerd uitsprak en opnieuw verbannen werd. Die Cugel bestaat niet langer!’ Hij drukte een vuist tegen zijn borst. ‘Ik ben een volleerde magister, een vakman. Geen spreuk zal ooit mijn tong nog doen struikelen.’

Hij opende het foliant en de arcane woorden stroomden inderdaad moeiteloos van zijn lippen.

Een draai van de ruimte zelf, een purperen flits: twee demonen daalden uit de nachthemel neer en hun gietijzeren kooi landde met een smak op de mozaïektegels.

‘Neem hem mee!’ wees Cugel. ‘Deze keer weet ik absoluut zeker dat ik mij niet versproken heb.’

‘De bezwering was perfect, baas,’ zei de grootste demon die een rottende hanenkam als kuif had, en de ogen van een dode schelvis. ‘Zeg maar niks: na twee keer weten we echt wel wie we moeten meenemen.’ Hij greep Cugel vast, smeet hem in de kooi.

Een tweede draai en de kooi zwiepte omhoog, kromp tot een stip.

 

 

Lirander, 17 jaar

 

‘Oh,’ zei Lith, ‘je hebt al bezoek en ze heeft nog minder kleren aan dan ik.’

Eilane van de Negen Excellente Uilen glimlachte. ‘Kom er bij. Lirander hier is al bijna even bedreven als zijn vader, maar hij kan nog wel wat onderricht gebruiken. Ik heb niets tegen triootjes.’

 

 

Lirander, 128 jaar

 

Steelse voetstappen, het bijna onhoorbare knarsen van een betoverde sleutel. Lirander leunde zijn staf tegen de muur, liet met een vingerknip een tweede leunstoel uit het marmer groeien. Een draai van zijn duim vulde de wijnglazen.

‘Ik verwachtte niet werkelijk ongemerkt naar binnen te kunnen sluipen,’ zei Cugel toen de deur openzwaaide. Zijn gezicht leek een en al rimpel en zijn schedel was kaal als een stuifzwam. ‘De derde keer kostte het me wat langer om thuis te komen,’ vervolgde hij en zijn stem was die van een vermoeide, oude man. ‘Je hebt het goed voor elkaar. Ik hoorde dat je de Aartsmagister van Ascolais bent en mensen je een tweede Pandelume noemen.’

‘Zet je neer, vader,’ zei Lirander. ‘Wat je zei, klopt allemaal. Maar faam en macht leverden ook vijanden op. Rivalen. Ze zijn talrijker dan de doorns van een reuzencactus.’

Cugel plofte in een leunstoel neer. ‘En je hebt mijn raad nodig, de raad van je oude vader. Omdat ik, ondanks al je wijsheid en je magie, nog steeds een grotere schavuit ben dan jij.’

‘Leer me al je rotstreken, de leugens die beter klinken dan welke spreuk dan ook en ik maak je weer jong, zet een kirrende maagd op elke knie!’

‘Je bent een goede zoon,’ zei Cugel en er welde zowaar een traan op in een van zijn ooghoeken. Hij leunde naar voren: ‘Luister, zoon…’

Tegenpolen : Debby Willems

1.

 

De avond van mijn dood begon als een normale dinsdagavond, die ik doorbracht in mijn appartementje in Den Haag. Het buurtje waar ik woonde bestond grotendeels uit sociale huurwoningen waarvan de bewoners voornamelijk toewijzing hadden gekregen op grond van ‘bijzondere gevallen’. Toen ik er eind jaren ’90 kwam te wonen was het een ‘probleemwijk’, maar enkele jaren later kwam men ineens met de term ‘krachtwijk’ op de proppen. De positieve klank zou onze wijk goed doen.

Ik kan je vertellen: de klank was dan ook het enige positieve aan mijn buurt. Vanwege enkele incidenten spraken we binnen een jaar al gekscherend over een ‘verkrachtwijk’. Ik kon daar de humor wel van inzien, maar begrijp me niet verkeerd; zelf heb ik nog nooit een vrouw kwaad gedaan. Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht.

Ik heb wel een mooie tijd gehad daar. Zelfs vanaf zeven hoog droeg ik op mijn manier ook een steentje bij aan de naam van onze wijk. Zo ook de laatste avond van mijn leven.

Die bewuste dinsdagavond was ik behoorlijk bezopen. Een van mijn buren was op bezoek en had een fles zelfgestookte wodka meegebracht. Gewoonlijk kon ik best tegen drank, maar behalve deze naar spiritus smakende zooi had ik die dag al aardig wat blikken bier tot me genomen, dus het was waarschijnlijk de mix die me deed kokhalzen.

Ik wist dat het niet lang meer zou duren voor er het een en ander retour zou gaan komen, dus strompelde ik naar het balkon in de hoop een argeloze voorbijganger flink onder te kunnen spuwen. Toegegeven, mijn humor was niet bepaald verfijnd, maar mijn maten konden het altijd erg waarderen.

Alles leek te draaien vanwege de drank en ik spuugde al een beetje op mijn balkon. Gelukkig wist ik het grootste deel nog binnen te houden. Strompelend begaf ik me naar de reling. De zurige smaak in mijn mond was geen pretje, maar de moeite waard aangezien ik verderop in de straat mensen zag lopen. De man en de vrouw liepen erg dicht bij elkaar, hand in hand.

Een glimlach viel niet te onderdrukken. Ik verheugde me al op de blikken op hun besmeurde gezichten. Ze liepen redelijk dicht langs de voordeuren af, dus besloot ik alvast wat verder over de reling te gaan hangen in afwachting van het stel. Toen ik daarna nog net een beetje meer naar voren boog, gleed ik helaas uit over mijn eigen overgeef en kieperde zo de reling over.

Vlak voor het kraken van mijn schedel bedacht ik me nog dat dit een lullig einde was.

Ik had het mis. De dood was niet het einde.

Helaas.

 

2.

 

Ik heb mensen wel eens horen spreken over een ‘hal met wit licht’ bij het sterven. In werkelijkheid zit dat toch net ietsje anders, al begrijp ik de verwarring. Ik bevond me in een gewitte wachtkamer die werd verlicht door tl-buizen. Er waren veel andere mensen, waarvan er om de zoveel tijd eentje werd geroepen. De grote klok die in deze ruimte hing leek nog trager te tikken dan normaal. Na uren wachten wist ik het zeker: dit was de hel.

De vrouw die de namen omriep kwam weer binnen en wierp een blik op haar lijst voordat ze sprak. ‘De heer Jannes Uil?’

Bij het horen van mijn naam sprong ik direct op om de vrouw te volgen. In het voorbijgaan keek ik nog eenmaal op de klok. Blijkbaar had ik in totaal bijna twintig uur op mijn beurt gewacht. Daar waren zelfs de wacht­tijden bij de sociale dienst niets bij.

De vrouw leidde me door een lange hal met aan weerskanten om de anderhalve meter een deur, amper van de identiek witte muur te onder­scheiden. Ze opende een van de deuren en wees naar het vertrek. ‘U kunt zich hier omkleden.’

Ik keek naar het zwarte pak dat daar aan een kledinghanger hing. ‘En wat als het niet past?’

De vrouw gaf me een wrange glimlach. ‘Geloof me, meneer Uil, dat pak past.’

Ondanks dat ik nog niet heel overtuigd was, besloot ik niet in discussie te gaan en trok mijn shirt uit.

‘Ik geef u wat privacy,’ zei de vrouw. ‘U wordt zo gehaald.’

Na het omkleden merkte ik een spiegel op. Ik inspecteerde mezelf in mijn nieuwe outfit – die inderdaad als gegoten zat. Ooit heb ik gehoord dat wanneer je sterft, je geest in zijn beste vorm voortleeft. Ik streek mijn donkerbruine haren een beetje naar achter en wreef daarna over de stoppels op mijn wangen. Vervolgens trok ik de stropdas recht over mijn brede bierbuik.

Ik zag er exact hetzelfde uit als toen ik nog leefde. Toegegeven, het was wellicht een erg vrije interpretatie van ‘beste vorm’, maar ik was al lang blij dat er niets meer van mijn noodlottige einde te zien was.

Er werd op de deur geklopt, waarna een jonge vrouw haar hoofd om de hoek stak. Haar uiterlijk beviel me wel; een blondje met lange haren en een goed figuur.

‘Bent u omgekleed, meneer Uil?’

‘Je bent net te laat,’ zei ik, ‘maar voor jou wil ik best wel weer uit de kleren.’

‘Erg origineel, meneer Uil. Die humor zal u hier nog ver brengen,’ zei ze venijnig.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is slechts een van mijn vele talenten.’

‘Heeft u nog een momentje nodig om van uw tijdsverspillingstalent te genieten of zullen we maar met de rondleiding beginnen?’

‘Ach, ik kan wel wat tijd voor je vrijmaken, snoes,’ zei ik met een grijns, in een poging haar mijn beste kant te laten zien. ‘Krijg ik dan wel eerst een kusje van je?’

Haar ogen vernauwden en ze zette een stap dichterbij. Even dacht ik nog dat ze voor mijn charmes viel, maar toen ze me een fractie van een seconde later bij mijn keel tegen de muur omhoog hield besefte ik dat ze mijn toenadering wellicht toch niet had kunnen waarderen.

‘Je bent nieuw, dus ik zal het bij een waarschuwing laten,’ begon ze. Haar stem was zacht, maar de dreiging was duidelijk voelbaar. ‘Ik duld absoluut geen brutaliteit, seksuele toenaderingen of handtastelijkheden, op wat voor manier dan ook. Als je toch nog iets probeert dan ruk ik je luchtpijp eigenhandig uit je keel. Daar is een verbrijzelde schedel niets bij, geloof me. Begrepen?’

Met moeite knikte ik, mezelf oprecht voornemend om op mijn woorden te letten in haar bijzijn. Ze verslapte haar grip zodat ik mijn voeten weer op de grond kon zetten.

‘Mooi. Dan zullen we nu opnieuw beginnen. Mijn naam is Charon. Ik zal je naar de Na-Wereld brengen en je daar inwerken.’

Ik slikte bij het horen van haar woorden. Stamelend herhaalde ik de verschrikking die me zojuist kippenvel had gegeven. ‘Inwerken?’

 

3.

 

Ik had geen dag in mijn leven gewerkt.

Helaas kwam hier in mijn na-leven verandering in. Charon had me rondgeleid in de Na-Wereld – voor de reorganisatie bekend als ‘het Hiernamaals’ – en me zowel mijn taken als het systeem uitgelegd. Toen ik doorkreeg dat het geratel maar bleef doorgaan, raakte ik wat verveeld en ging veel van haar verhaal langs me af. Ik had echter braaf en instem­mend geknikt zodat het leek alsof ik wel oplette.

Deze ‘geïnteresseerde houding’ was een vaardigheid die ik me tijdens mijn leven eigen had gemaakt. Alle nutteloze details kostten me te veel moeite om te onthouden, dus pikte ik slechts af en toe het een en ander op. Zo had ik al meerdere vrouwen aan de haak kunnen slaan; van die types die aan een stuk door bleven praten en erg blij waren met een ‘luisterend oor’.

Ze zijn er uiteindelijk trouwens wel allemaal achter gekomen dat ik niet echt luisterde naar wat ze zeiden. De meesten had ik voor hun ontdekking al in bed gekregen dus deed het er niet meer toe. Een relatie zou me toch teveel energie gekost hebben, zeker wanneer ik daarvoor echt had moeten opletten.

Na Charons lange, saaie verhaal – dat iets met mijn taken en verantwoordelijkheden te maken had – zat ik aan een tafel met mijn eerste opdracht, die ik zogenaamd aandachtig doornam.

‘Laat me raden: nieuweling?’

Ik keek naar de man die me had aangesproken. Zijn pak was identiek aan het mijne, al stond het hem een stuk beter dankzij zijn gespierde lichaam. Wat direct de aandacht trok was zijn gezicht. De ene kant was egaal – best een knappe gast zou je denken – maar de linkerhelft zag eruit alsof hij had gevochten met een tijger. Het ergste was nog wel zijn ontbrekende oog; littekenweefsel vulde het gat gedeeltelijk op. Gelukkig vielen zijn golvende haren deels voor zijn gezicht wat het aanzicht ietsje minder walgelijk maakte.

Hij reikte me zijn hand en het viel me op dat hij enkele vingers miste. ‘Ricky,’ meldde hij, terwijl hij flink in mijn hand kneep.

Ik glimlachte wat wrang terwijl ik hem mijn naam gaf.

‘Dus, Jannes, je bent nieuw?’

Ik knikte. ‘Jij niet, dan?’

‘Nee, ik ben een herinstromer. Heb het hier de eerste keer flink verknald en moest toen jaren aan de zware arbeid. Blij dat ik terug ben. Ik ga het dit keer anders aanpakken.’

‘Zware arbeid?’ herhaalde ik. De haren op mijn armen gingen overeind staan bij het horen van deze woordcombinatie. Arbeid op zich was mij al erg genoeg.

‘Ja, ze hebben je vast wel verteld dat dit een proefperiode is. Je kunt jezelf opwerken: meer verantwoordelijkheden, betere arbeids­omstandig­heden, bla bla …’ Ricky keek met zijn ene oog schichtig om zich heen voordat hij zijn verhaal op fluistertoon vervolgde. ‘Maar wat die rotzakken er niet bij vertellen, is dat je ook kunt  afstromen. Naar het echte rotwerk. Kolen scheppen: bloedheet, loodzwaar … En dat jarenlang. Geen vrije dagen, geen pauzes, geen airco. Kortom, de hel zoals je jezelf de hel zou voorstellen.’

Kort slikte ik bij het horen van zijn woorden.

‘En denk maar niet dat de zware arbeid het ergste is,’ vervolgde Ricky. ‘Als je het daar verknalt ga je direct naar het Eeuwige Vagevuur. Dus gast, advies van mij: doe je werk fatsoenlijk. Het kan erger.’

Beteuterd keek ik naar het formulier in mijn handen. Ik had van Charons verhaal meegekregen wat mijn werk ongeveer zou inhouden, maar ik kon me niet herinneren dat ze me verteld had dat er conse­quenties zouden zijn als ik het niet goed zou doen. Dat zou vast wel zijn blijven hangen. Denk ik, ten minste.

Toen ik opkeek zag ik dat Charon de tafel al naderde. Ricky merkte dit ook op. Hij keek wat ongemakkelijk naar de blonde vrouw en concen­treerde zich vervolgens geheel op zijn eigen formulier.

‘Jannes,’ zei Charon, ‘ben je klaar voor je eerste opdracht?’

Ik knikte wat onzeker. Ze richtte haar blik vervolgens op Ricky. ‘Goh, jou heb ik hier lang niet gezien.’

Hij mompelde iets onverstaanbaars en leek Charon niet aan te durven kijken.

‘Jannes, als je ooit twijfelt over de oprechtheid van mijn beloftes dan moet je eens met deze man praten.’ Ze legde haar hand op zijn schouder en ik zag het formulier trillen in zijn handen. ‘Ik heb hem namelijk beloofd dat ik zijn ogen eruit zou krabben als hij nog een keer verkeerd naar me zou kijken.’

Ze richtte zich vervolgens tot hem. ‘Dus Ricky, ben je niet blij dat ik die dag in een goede bui was? Heb je toch nog een van je mooie ogen overgehouden.’

Hij knikte braaf, maar ik zag aan zijn lichaamshouding dat dankbaar­heid wel het laatste was dat hij voelde. Hij vermeed oogcontact en kromp ineen toen ze zachtjes met haar nagels over zijn egale wang aaide. Zijn angst deed even een valse glimlach op haar gezicht verschijnen, voordat ze zich weer op mij richtte.

‘Dan zullen we maar eens beginnen,’ zei ze, waarna ze zich omdraaide.

Uit angst haar te irriteren stond ik zo snel mogelijk op en volgde haar een hal in. Charon opende een van de vele grijze deuren voor me. Ik keek naar binnen, maar zag niets dan duisternis.

‘Ben je er klaar voor?’

‘Ik weet het niet zeker,’ stamelde ik. Ik durfde niet te bekennen dat ik eigenlijk niet wist wat me te doen stond.

De vrouw gaf me een ijzige blik, waarop ze het opdrachtformulier uit mijn handen griste. ‘Ik heb je toch uitgelegd dat je de eerste keer alleen maar hoeft te observeren?’

‘Klopt,’ zei ik snel, enigszins vrezend voor mijn luchtpijp, ‘maar zo’n eerste keer is toch spannend.’

Haar zucht verraadde dat mijn opmerking haar ergerde. ‘Volg me,’ gebood Charon, voordat ze de deuropening doorging en daar in de duister­nis verdween.

Zwijgend deed ik wat me gevraagd was. Het enige licht was afkomstig uit de hal achter me, maar hieraan kwam een abrupt einde toen de deur met een klap dichtviel.

Alles wat restte was duisternis.

Ik slikte kort. Had ik nu maar opgelet toen Charon me mijn taken uitlegde. Of had ik in ieder geval mijn opdracht maar gelezen …

 

4.

 

Een mierzoete geur kwam me tegemoet. Langzaam wenden mijn ogen aan het nieuwe licht, waardoor ik steeds meer van de omgeving kon onder­scheiden. Ik bevond me blijkbaar in een snoepwinkel. De silhouetten van enkele mensen waren te onderscheiden, al bleven zij er wat vreemd uitzien: hoe erg ik me ook op deze personen concentreerde, het was alsof ze zich op de onscherpe achtergrond van een foto bevonden.

Mijn blik gleed af naar een jongen. Enerzijds omdat hij wel scherp te zien was, anderzijds omdat er een soort gouden gloed om zijn lichaam hing. Het was een jochie van een jaar of vier. Geconcentreerd keek hij naar een bak vol zoetigheid.

Charon was inmiddels naast me komen staan. ‘Dat is je cliënt. Duidelijk zichtbaar, dus niet troebel zoals de niet-cliënten.’

‘Duidelijk,’ zei ik. Eigenlijk wilde ik weten of de gouden gloed er ook iets mee te maken had, maar vreesde dat Charon dat al had uitgelegd. Aangezien ik Ricky’s verminkte gezicht nog levendig voor me zag besloot ik het haar daarom maar niet te vragen.

‘Ik doe het één keer voor,’ zei Charon voordat ze naar de jongen liep. ‘Dus let goed op. En ik waarschuw je: zorg dat je me absoluut niet onderbreekt tijdens de implementatie.’

Ik knikte kort en durfde al niets meer te zeggen voor het geval ze al begonnen was met de ‘implementatie’.

Ze stapte op de jongen af en legde haar hand op zijn schouder. ‘Die snoepjes zien er erg lekker uit,’ fluisterde ze, ‘en er liggen er hier zoveel dat ze er best een paar kunnen missen.’

De jongen keek naar de verkoper achter de toonbank. Charon volgde zijn blik voordat ze weer sprak.

‘Hij kijkt nu toch niet. Bovendien is het toch maar een vervelende man.’

Het jochie richtte nu zijn blik weer op het snoepgoed voor zich, terwijl Charon bleef praten. ‘Een snoepje pakken is geen stelen. Het mag best. Het is geen stelen. Het mag best …’ Ze bleef de twee zinnen herhalen. Door haar monotone fluistertoon klonk het bijna als een gebed.

In een snelle beweging pakte de jongen een snoepslang uit de bak en stak deze direct in zijn mond. Terwijl ze de schouder van het jochie losliet gaf Charon me een triomfantelijke grijns. ‘Zo simpel is het.’

Ondanks dat het jochie langzaam leek te vervagen, zag ik zijn hand nogmaals van de bak naar zijn mond gaan. Hij zag er nu uit zoals de rest van de personen in de winkel: vertroebeld.

‘Ons werk zit erop,’ zei Charon terwijl ze me passeerde.

Voor een laatste maal wierp ik een blik achterom voordat ik haar de grijze deur door volgde. We bevonden ons hierna weer in de hal waar we begonnen waren.

Charon haalde het opdrachtformulier tevoorschijn.

‘Dus dat is mijn werk?’ stamelde ik.

‘Je hebt toch wel opgelet?’ Haar stem was dreigend en haar strakke blik zorgde ervoor dat mijn hartslag versnelde. Ze zette een stap dichterbij en legde haar hand op mijn keel. Mijn adem stokte en in gedachten zag ik haar vingers al om mijn luchtpijp.

Haar mondhoeken krulden verontrustend ver omhoog terwijl ze haar hand omlaag liet glijden en op mijn borstkas liet rusten, waar ze vervol­gens een pen uit mijn binnenzak haalde.

Een zucht ontsnapte me toen ze het schrijfgerei voor mijn gezicht hield. ‘Die mag ik vast wel even lenen,’ zei ze grijnzend. Ze deed nog geen grein­tje moeite om haar leedvermaak te verbergen.

Ik knikte en Charon liet me het formulier zien. ‘Eerst een vinkje bij de juiste afloop. Dan hier de datum, daar een krabbel en voilà: opdracht vol­tooid. Dan aan het einde van de gang deponeren in het postvak van je leidinggevende: in jouw geval is dat Willem Roderik den Eed. Daarna haal je de volgende opdracht op. Deze ligt in je eigen postvak al op je te wachten.’

Afwachtend keek ik Charon aan, maar ze maakte geen aanstalten om in beweging te komen. ‘Wat sta je daar nu nog?’ merkte ze kattig op. ‘Opschieten, aan het werk.’

‘Oh, ik dacht dat je mee zou lopen.’

‘Dat zou ik erg gezellig vinden,’ was haar sarcastische reactie, ‘maar hoe graag ik je ook aan je handje mee zou willen nemen: ik hoefde je alleen maar in te werken. Kortom, ik ben nu van je af en jij moet aan de bak.’

Ik keek de hal in, die zo lang was dat er geen einde aan leek te komen. ‘Bedankt,’ mompelde ik, meer uit beleefdheid – en angst – dan uit dank­baarheid.

‘Succes,’ zei Charon, terwijl haar mondhoeken omhoog krulden. ‘Je zult het nodig hebben.’

 

 

5.

 

‘Willem Roderik den Eed,’ mompelde ik, terwijl ik de postvakjes bekeek. Een zucht ontsnapte me toen ik het systeem eenmaal had ontcijferd – blijkbaar stond alles gewoon op alfabetische volgorde. Ik duwde het for­mulier bij het naamplaatje ‘W.R. Eed, den’ naar binnen en zocht mijn eigen postvak. Er lag inderdaad al een nieuwe opdracht klaar. Mompelend las ik de gegevens op. ‘Gebied: Grijs. Deur: 376, Implementatie door: J. Uil …’

Ik zuchtte toen ik nog meer tekst zag. ‘Gegevens Client: Fase 1, Brandy Johanna Zonneveldt, Vrouw, 26 maart 2011. Doel implementatie: diefstal. Doel behaald, hokje ja, hokje nee … en nog meer tekst.’ Genoeg gelezen, besloot ik zuchtend.

Het kostte me even puzzelen, maar toen ik bij een grijze deur met getal 376 erboven stond verscheen er een grijns op mijn gezicht. Zo moeilijk ging dit niet worden: diefstal was immers al mijn specialiteit toen ik nog leefde.

Ik opende de deur en stapte de duisternis in met het formulier in mijn hand geklemd. Toen alles donker bleef maakte ik me nog even zorgen. Gelukkig begon mijn omgeving op dat moment toch te materialiseren.

Ik bevond me in een klaslokaal vol kleuters, die ik niet goed kon zien omdat zij vertroebeld waren. Al snel merkte ik mijn cliënte op. Haar kon ik wel duidelijk zien en ook zij had een gouden gloed om haar lichaam heen.

Het meisje staarde geconcentreerd naar een roze armbandje dat voor haar op tafel lag. In gedachten liep ik Charons handelingen nogmaals na en besloot deze zo identiek mogelijk te imiteren.

Ik haalde diep adem en stapte op het kind af. Wat onzeker legde ik mijn hand op haar schouder. ‘Dat is een mooie armband,’ zei ik. ‘En die ligt hier gewoon. Klaar om mee te nemen.’

Weifelend keek Brandy rond. Even vreesde ik dat ze me zou opmerken, maar ze leek dwars door me heen te kijken.

‘Niemand die het ziet. Je kunt die armband gewoon pakken.’

Kort hield ik mijn adem in. Toen bleek dat ze niet tot actie overging sprak ik weer. ‘Gewoon pakken, het is niet erg. Gewoon pakken, het is niet erg.’ Ik bleef de woorden herhalen totdat ze de armband van tafel griste en in haar zak stak. Ik liet de schouder los en zag Brandy vertroebelen.

Niet lang daarna trok ik de deur met een tevreden grijns achter me dicht. Een pauze met een lekkere bak koffie was nu zeker wel op zijn plaats. Tot mijn genoegen zag ik dat een man me tegemoet liep. Hij zou me vast wel kunnen helpen.

Ondanks dat de stevige man ook in pak was, had hij een redelijk ruig voorkomen. In zijn nek was een gedeelte van een tatoeage te zien, die verder onder zijn zwarte blouse verdween. Ook hij had een opdracht­formulier in zijn hand.

‘Hoi collega,’ groette ik hem. ‘Kun jij me vertellen waar ik hier de koffie­automaten kan vinden?’

De man trok een wenkbrauw op. ‘Koffie?’ vroeg hij, voordat hij bul­derend begon te lachen. ‘Met een lekker koekie zeker? Dat is een goeie.’

Ik was enigszins verontwaardigd door zijn reactie. Ik besloot daar echter niets van te laten merken. ‘Ik begrijp dat er geen koffie te ver­krijgen is?’

‘Nee. Misschien dat je dit nog niet doorhad, maar je bent nu eenmaal niet in de hemel beland.’

Zijn woorden zetten me aan het denken. ‘Is er dan ook een hemel?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat ik weet. Ik weet alleen dat ik mijn leven mis. Maar er zijn ook voordelen, die dit na-leven heel wat dragelijker maken.’

Er verscheen een grijns op zijn gezicht en uit het niets gaf hij me een stomp in mijn maag.

‘Dat is omdat je mijn tijd hebt verspild,’ zei hij, terwijl ik naar adem hapte. ‘En je kunt ook een gratis tip van me krijgen: zorg dat je niet zo opvalt als nieuweling. Je bent er met een ram in je maag nog goed vanaf gekomen, geloof me.’

 

6.

 

Tegen mijn verwachting in bleek het werk op zich niet zo’n probleem: bij bijna iedere opdracht wist ik een succesvol resultaat te behalen. De doelen van de opdrachten begonnen na een tijdje te variëren: naast dief­stal moest ik mensen – voornamelijk kinderen – ook aanzetten tot liegen en fysiek geweld. Diefstal was echter mijn favoriet aangezien dit het gemakkelijkst te bereiken viel. Daarnaast gaf het me wat meer variatie qua leeftijd van de cliënten.

Het probleem lag eerder bij mijn collega’s. Het was al snel duidelijk dat ik een nieuweling was. Regelmatig werd ik daarom door iemand bespuugd, geslagen of geschopt. Blijkbaar was dit erg normaal hier.

Op weg naar de postvakken zag ik dat iemand me tegemoet liep. Ik vreesde voor wat me nu weer te wachten stond. Ik besloot echter zo standvastig mogelijk door te lopen, in de hoop op die manier minder op te vallen.

Opgelucht zag ik dat het een slechts slungelige jongeman was. Zijn haar zat wat warrig en hij had een rond brilletje. Absoluut geen bedreiging, besloot ik. Zelfverzekerd liep ik verder, maar in het voorbijgaan bespuug­de hij me. Vol walging wreef ik mijn gezicht droog en draaide me vloekend om. Mijn scheldwoorden hadden zijn aandacht getrokken.

‘Wat nou, nieuwe?’ sprak hij provocerend.

‘Ik zal die arrogante grijns eens van je gezicht afslaan,’ dreigde ik, terwijl ik een stap dichterbij zette.

Zijn glimlach werd breder. Hij was absoluut niet onder de indruk. ‘Dan moet je wel heel achterlijk zijn.’

Ik probeerde ad rem te reageren. ‘Je weet nog niet half hoe achterlijk ik ben.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, terwijl ik me realiseerde dat het wellicht niet mijn meest gevatte reactie was geweest. Om dit te compenseren besloot ik direct over te gaan op actie en liet mijn vuist met zoveel mogelijk kracht kennismaken met zijn neus. De klap zorgde ervoor dat hij achterover viel.

Toen hij opklauterde, zag ik dat zijn neus hevig bloedde. ‘Stomme zet,’ mompelde hij.

Nog voordat ik kon reageren hoorde ik een onbekende stem achter me. Toen ik omkeek zag ik een roodharige vrouw staan.

‘U dient mee te komen vanwege geweld tegen een meerdere,’ zei ze.

Ik wierp nogmaals een blik op de man, die inmiddels flink aan het gniffelen was. ‘Is dat een meerdere?!’ vroeg ik vol walging.

De vrouw knikte instemmend, waarop de grijns van de man breder werd. Dit wakkerde mijn woede direct weer aan en als resultaat sloeg ik hem nogmaals tegen de grond. Verontschuldigend keek ik de vrouw aan. ‘Sorry, maar die vuile grijns van hem…’

Nonchalant haalde ze haar schouders op. ‘Problemen heb je toch al. Wat bloed meer of minder doet er nu ook niet meer toe.’

Mijn lippen krulden omhoog. ‘In dat geval,’ zei ik, terwijl ik de lach van zijn arrogante gezicht zag verdwijnen, ‘wil ik hem graag mijn schoen nog even van dichtbij laten zien.’

 

7.

 

Ik keek naar mijn hand; naar de bloederige stomp waar voorheen mijn ring­vinger had gezeten. Het was pijnlijk geweest. Blijkbaar werd geweld tegen een ‘meerdere’ echter altijd op deze manier bestraft. Ik was daarom ook erg blij dat ik die kwal nog extra had toegetakeld, dat maakte het een beetje dragelijker dan wanneer ik voor slechts één klap dezelfde prijs had moeten betalen.

Het was allemaal erg snel gegaan. Ik was de vrouw gevolgd naar een ruimte waar een hakblok stond dat besmeurd was met opgedroogd bloed. Toen ze een grote bijl pakte vreesde ik nog even voor mijn hoofd, maar toen ze me zelf een hand en vinger liet kiezen begon het te dagen.

‘Oh, je bent dus links?’ vroeg ze, vlak voordat de bijl neerkwam. Een schreeuw van pijn ontsnapte me en direct daarna besefte ik dat mijn linkerhand wellicht een betere keuze was geweest, gezien mijn rechts­handigheid. Daar was nu helaas niets meer aan te doen.

De roodharige vrouw leek niet onder de indruk van mijn geschreeuw en gebood me direct terug aan het werk te gaan. Enigszins beledigd – maar verstandig genoeg om niet tegen de vrouw met de grote bijl in te gaan – begaf ik me naar mijn postvak.

Tot mijn verbazing vond ik daar geen nieuwe opdracht, maar een uitnodiging voor een functioneringsgesprek.

Met lood in mijn schoenen begaf ik me naar de op de brief aangegeven deur. Toen ik aanklopte merkte ik pas dat de stomp nog niet helemaal was gestopt met bloeden. Met mijn mouw probeerde ik het bloed van de deur af te vegen, maar ik bleek het hiermee uit te wrijven tot grotere vlekken. De deur ging al open voordat ik dit probleem had opgelost.

In de deuropening bevond zich een man in een grijs pak. Zijn donkere haren waren strak naar achteren gekamd en een bril sierde zijn gezicht. Hij keek wat moeilijk naar de bloedvlekken op de deur en vervolgens richtte hij zijn blik op mij. ‘Meneer Uil, neem ik aan?’

Ik knikte en reikte hem vervolgens beleefd mijn hand.

Zijn blik schoot even naar de besmeurde deur. ‘Ik denk dat we de handdruk achterwege kunnen laten.’ stelde hij droog voor. ‘Mijn naam is Willem Roderik den Eed. Zoals u hopelijk weet ben ik uw leidinggevende,’ zei hij. Hij gebood me om hem mee naar binnen te volgen. Voordat hij achter zijn bureau plaatsnam reikte hij me een doos tissues aan. Dankbaar pakte ik er een aantal uit om het bloeden te stelpen. Den Eed bladerde ondertussen door enkele papieren. ‘Ik heb u uitgenodigd voor een vroegtijdig functioneringsgesprek.’

‘Vroegtijdig?’

Hij knikte. ‘Dat doe ik alleen als daar een bijzondere aanleiding voor is.’

Kort slikte ik en keek nogmaals naar mijn hand, die inmiddels wat minder bloedde. Ik had gedacht dat dit de enige consequentie zou zijn voor mijn gedrag. Ricky’s verhaal over zware arbeid spookte door mijn hoofd.

‘U valt op, meneer Uil. Zeker voor een nieuweling.’

‘Het spijt me,’ mompelde ik.

Mijn leidinggevende knipperde kort met zijn ogen. ‘Spijt, meneer Uil? U begrijpt me verkeerd. U bent me gedurende uw proefperiode juist positief opgevallen.’

Wat verward keek ik hem aan, terwijl hij een vel papier uit zijn stapel haalde.

‘Als voorbeeld wil ik graag de opdracht betreffende mevrouw S.A.J. Belgenbosch erbij nemen. U heeft daarbij goed eigen initiatief getoond. U weet om welke zaak het gaat?’

Ik knikte, terwijl ik kort terugdacht aan de opdracht. Ik had de hoogbejaarde vrouw laten stelen in een drogisterij. Ze wilde een pakje Tena Lady’s kopen, maar schaamde zich te erg voor haar incontinentie om het af te durven rekenen. Ik had haar ervan overtuigd dat één pakje niet genoeg zou zijn en dat ze beter meteen een voorraadje kon mee­nemen. ‘Mochten ze je betrappen, doe dan gewoon alsof je dement bent,’ had ik haar gezegd.

Den Eed gaf me een korte glimlach voordat hij sprak. ‘Die vrouw had nog nooit in haar leven de wet overtreden. U moest haar overtuigen een simpele diefstal te plegen, maar u heeft haar aangezet tot meervoudige diefstal. Als gevolg van uw implementatie vindt zij stelen nu zo gerecht­vaardigd dat ze een ware kleptomaan is geworden. Kijk, dergelijke over­tuigings­kracht valt te waarderen.’

‘Hoe weet u dat?’

Zijn ogen vernauwden. ‘Heeft Charon u niet uitgelegd dat men tijdens de proefperiode wordt geobserveerd?’

Ik durfde niet te melden dat ik dit niet met zekerheid kon zeggen, dus probeerde ik een zo onschuldig mogelijke grijns op mijn gezicht te toveren. ‘Oh, natuurlijk,’ blufte ik. ‘De observaties. Daarom weet u het.’

De man keek me kort aan voordat hij weer sprak. ‘Laten we weer ter zake komen.’ Hij schoof een stapeltje papieren naar me toe. Het zag eruit als een contract. Hij beantwoordde mijn vragende blik met een zoete glimlach.

‘Meneer Uil, wat dacht u van een promotie?’

 

8.

 

Mijn nieuwe functie had voordelen, absoluut. Ik was nu een meerdere, wat inhield dat ik minderen mocht aftuigen. Bovendien had ik eindelijk toegang tot een koffieautomaat – niet dat die aanmaaktroep te zuipen was, maar dat terzijde.

Daar stond wel tegenover dat ik helaas geen simpele formulieren meer voor mijn opdrachten ontving, maar hele dossiers welke ik door diende te nemen alvorens aan mijn implementatie te beginnen. Na de imple­mentatie moest er tevens een verslag geschreven worden: kort en bondig bij succes, uitgebreid na falen.

Ik weet niet of ze gewoon nog niet zo ver waren of dat het een bewuste kwelling was, maar alle dossiers hier waren volledig handgeschreven. Zowel qua voor- als nawerk absoluut niet ideaal.

Maar ja, ik mocht niet klagen – dat stond blijkbaar ook in mijn contract.

Met een bak koffie in mijn hand opende ik de deur naar mijn eerste nieuwe opdracht. Volgens het dossier had de heer in kwestie jarenlang hard gewerkt om zijn bedrijf overeind te houden. Ondanks zijn creatieve boekhouding stond hij toch op het punt om failliet te gaan. Ik diende hem te overtuigen zijn zaak in brand te steken en het verzekeringsgeld op te strijken.

Terwijl ik nog een slok nam van mijn ranzige koffie, zag ik de cliënt voor me materialiseren. Het eerste dat me opviel was dat er geen gouden gloed om hem heen hing: het was eerder een donkere wolk.

Ik wilde naar mijn cliënt toestappen toen ik vanuit mijn ooghoeken een man in een wit pak zag staan. Hij keek me strak aan voordat hij naar de cliënt toestapte en een hand op zijn schouder legde.

‘Dit is niet de uitweg. Ze zullen erachter komen,’ zei hij.

Mijn cliënt keek twijfelachtig naar de jerrycan met benzine in zijn handen. De man sprak nogmaals. ‘Het is het niet waard. Denk aan je vrouw en kinderen. Als je dit doorzet, zal je ze allemaal kwijtraken.’

Terwijl de man in wit bleef doorpraten drong het langzaam tot me door wat er aan de hand was. Ik zette enkele stappen dichterbij, maar het was al te laat: mijn cliënt begon te snikken en liet de jerrycan uit zijn handen vallen, waarop de man zijn schouder losliet.

Ik vloekte toen ik de cliënt vervolgens zag vertroebelen.

De man in het witte pak wierp me een triomfantelijke glimlach toe terwijl hij begon te vervagen. ‘Ik ben wel wat moeilijkere concurrentie gewend,’ grijnsde hij, voordat hij geheel in het niets verdween.

 

9.

 

Vloekend knalde ik de deur achter me dicht en toen ik me mopperend naar de dossierverwerkingsruimte begaf, hoorde ik een bekende stem mijn naam roepen.

Ik draaide me om en zag dat Ricky naar me toe liep.

‘Ha, een bekend gezicht …’ halverwege mijn begroeting realiseerde ik me mijn onhandige woordkeuze. Ik overwoog er de woorden ‘of in ieder geval de helft’ aan toe te voegen, maar gelukkig bleek Ricky niets door te hebben van mijn ongelukkige uitspraak.

‘Hoe gaat het met je?’

‘Ik heb zojuist een opdracht verknald,’ mompelde ik.

Met zijn ene oog keek Ricky me vragend aan. ‘Hoe dat dan?’

‘Ik ben gedwarsboomd door een of andere klootzak in een wit pak.’

‘Tering, man. Maar je hebt dus zo snel al een promotie gehad? Gefeliciteerd, jongen!’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik me hardop af.

‘In de eerste fase heb je nog niet te maken met die lui in wit. Je weet wel, de Tegenpolen.’

‘De Tegenpolen?’

‘Heeft Charon je daar niets over verteld?’

Enigszins nonchalant haalde ik mijn schouders op. ‘Vast wel. Ik heb niet echt opgelet.’

Ricky keek schichtig om zich heen en sprak vervolgens op fluistertoon. ‘De Tegenpolen, oftewel de na-levenden in wit, proberen onze implementaties te verijdelen.’

‘Dat is dan goed gelukt,’ mompelde ik.

‘Je moet ze te slim af zijn. In de dossiers kun je veel informatie vinden over de diepste gevoelens en geheimen van de cliënten en daar moet je op inspelen. Anders win je het niet van een Tegenpool.’

Bij het horen van zijn woorden ging er een rilling door me heen. Ik kon me mijn contract nog goed herinneren. Als ik mijn werk onvoldoende zou uitvoeren, zou dat consequenties gaan hebben. Welke wist ik niet, ik had namelijk niet zo’n zin om alle artikelen grondig door te lezen alvorens mijn krabbel te zetten. Ik nam me voor de zoveelste keer voor om wat aan mijn laksheid te gaan doen.

‘Ik moet weer verder,’ zei Ricky, terwijl hij naar het formulier in zijn hand wees.

We wisselden een korte afscheidsgroet voordat ik mijn weg vervolgde. Ik nam plaats aan een tafel verderop in de gang. Bij het falen van een opdracht werd een uitgebreid rapport verwacht: iets waar ik met absolute tegenzin aan begon.

Na bijna een uur schrijfwerk werd ik uit mijn concentratie gehaald door een bekende vrouwenstem. ‘Neemt u plaats aan die tafel daar en lees uw eerste opdracht vast door. Ik kom zo bij u terug.’

Zonder me een blik waardig te keuren draaide Charon zich om. Een kalende man nam plaats aan de tafel en staarde aandachtig naar het formulier in zijn handen.

‘Nieuweling?’ vroeg ik, ondanks dat dit overduidelijk was.

Hij knikte, waarna ik hem mijn hand reikte en mijn naam gaf.

‘Pieter Hart,’ mompelde hij.

‘Net je rondleiding gehad van Charon?’

‘Nee, ik heb haar wegwijs gemaakt,’ reageerde hij sarcastisch.

Zijn bijdehante toon stond me absoluut niet aan. Het was dat ik blij was met de afleiding, anders had ik hem direct in zijn gezicht gestompt.

‘Was het een beetje interessant?’

Een geërgerde zucht ontsnapte hem. ‘Nee, natuurlijk niet.’

Ik balde mijn vuist, maar zijn volgende woorden weerhielden me ervan om uit te halen.

‘Behalve het uitzicht dan,’ grijnsde hij brutaal. ‘Die Charon mag er wel wezen.’

Ik sprong hier direct op in. ‘Absoluut. En ze is een beest in bed,’ blufte ik.

Pieter keek me met grote ogen aan. ‘Heb jij …’

Grijnzend knikte ik. ‘Kijk, je moet gewoon een beetje weten hoe ze in elkaar zit,’ fluisterde ik. ‘Ze doet graag alsof ze moeilijk te krijgen is, maar daar moet je even doorheen prikken.’

Pieter ging geïnteresseerd voorover hangen en keek even om zich heen voordat hij sprak. ‘Ze dreigde mijn hart eruit te rukken als ik nogmaals toenadering zou zoeken.’

‘Ze test je,’ zei ik. ‘Ze wil weten of je mans genoeg bent.’

De man keek me met vernauwde ogen aan terwijl ik er nog een schepje bovenop deed. ‘De seks alleen al is de moeite waard maar het heeft nog meer voordelen. Charon heeft veel invloed hier, dus als je je omhoog wilt werken …’

Hij leek dit te overdenken terwijl ik Charon weer zag naderen. Kort keek ze me aan voordat ze haar blik op mijn dossier wierp. ‘Promotie gehad?’ wilde ze weten.

Ik knikte. ‘Klopt. Ik heb vooral veel aan jouw rondleiding gehad. Bedankt.’

Vanuit mijn ooghoeken zag ik de mond van Pieter bijna letterlijk openvallen. De blonde vrouw gaf me een argwanende blik voordat ze haar aandacht weer op de man richtte. ‘Meneer Hart. Klaar voor uw eerste opdracht?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Helemaal,’ zei hij met een speelse blik in zijn ogen. ‘Loop jij maar voorop, dan heb ik een mooi uit­zicht,’ grijnsde hij, waarna hij kort tegen haar achterste sloeg.

Charons ogen werden eerst groot van ongeloof, vervolgens vernauwden ze in een angstaanjagende blik. Razendsnel greep ze de man bij zijn keel, tilde hem met één hand op en liet hem met een klap met zijn rug op de tafel neerkomen.

Van schrik sprong ik op, het dossier in mijn armen geklemd.

In één beweging rukte ze zijn pak en blouse open. De angst in Pieters ogen sloeg daardoor om in een andere blik en ook de plotselinge bobbel in zijn broek wees erop dat hij geloofde dat het wellicht een beestachtige manier van voorspel was.

Charon leek dit niet op te merken. Haar stem was rustig, maar vreemd genoeg was dat juist het angstaanjagende daaraan. ‘Meneer Hart, ik heb u duidelijk gewaarschuwd.’

Met haar linkerhand hield ze de man bij zijn keel tegen de tafel gedrukt, terwijl ze haar andere hand met een onmenselijke kracht door zijn borstkas heen ramde. Ik hoorde enkele ribben breken, waarna het geschreeuw van de man begon.

Charon keek hem vol walging aan voordat ze zijn nog kloppende hart uit zijn borstkas trok.

‘Meneer Hart zal zijn naam moeten veranderen,’ merkte ik droog op.

Tot mijn verbazing leek mijn opmerking Charon even te amuseren; er verscheen in ieder geval een fonkeling van leedvermaak in haar ogen. Vervolgens wierp ze me een duivelse blik toe. ‘Denk maar niet dat ik niet doorheb dat jij hem hiertoe hebt aangezet.’

Geschokt keek ik de vrouw aan en vreesde direct voor mijn luchtpijp. Ze richtte haar ogen echter weer op de man. Terwijl hij bleef schreeuwen stroomde er steeds meer bloed uit de gapende wond.

‘Ach man, gedraag je als een vent,’ mompelde ze geërgerd. Haar hand verdween nogmaals in zijn borstkas, waar ze het hart weer achterliet. Ze liet hem los en veegde haar bloederige handen af aan haar kleding. ‘Sta op. We hebben al genoeg tijd verspild.’

‘Ziekenhuis,’ wist Pieter uit te brengen.

‘Voor het geval je het niet doorhad: je bent al dood,’ zei Charon met een zucht. ‘Het geneest vanzelf. Uiteindelijk. In de tussentijd is het alleen maar erg pijnlijk. Maar dat heb je aan jezelf te danken.’

‘En jij …’ De vrouw wierp haar blik op mij en wees vervolgens naar mijn papieren, die ik nog op de tafel had laten liggen. Tot mijn schrik zag ik dat deze doordrenkt waren met bloed. Ik liet het dossier uit mijn handen vallen en greep naar mijn handgeschreven papieren om de schade op te nemen. Ze waren onleesbaar geworden.

Charons lippen krulden omhoog. ‘Veel plezier met je documentatie. Je zult er nog even werk mee hebben.’

 

10.

 

Ik opende het nieuwe dossier. Naast mijn opdracht nam ik nu ook de achter­grondinformatie over de cliënte, V.A.A. Haasch, aandachtig door. Of ja, aandachtig … Het kostte me moeite om me op de handgeschreven onzin te concentreren. Docenten hadden tijdens mijn leven altijd al over mijn spanningsboog geklaagd. Ook over mijn gedrag, trouwens. Ik werd dan ook om het minste of geringste de les uit gestuurd. Volgens mij heb ik serieus het grootste deel van mijn schooltijd op de gang door­gebracht.

De enige waar ik niet mee in de clinch lag, was mijn docente Neder­lands. Ik had haar verteld dat lezen en schrijven nu eenmaal niet mijn ding waren. Ze was erg begripvol en liet me tijdens haar lessen daarom ook gewoon lekker buiten een sigaretje roken.

‘Ik noteer je gewoon als aanwezig,’ zei ze altijd, ‘maar wel onder voor­waarde dat je op tijd bent voor het volgende lesuur.’

Ik hield me altijd braaf aan die afspraak. Tenminste, totdat ik op een dag besloot voortaan helemaal van school weg te blijven.

Lezen was helaas nog steeds niet mijn ding; vooral de achtergrond­informatie van mijn cliënte was erg uitgebreid en te saai voor woorden. De foto’s van haar familieleden waren op zich wel leuk. De demente schoonvader, wiens AOW ze in eigen zak stak terwijl zijn schulden opliepen. Haar man, die al meerdere malen veroordeeld was tot gevangenis­straf en daardoor een makkelijk doelwit om voor haar fraude en diefstallen op te draaien. Terwijl ik naar zijn pasfoto keek, vond ik het bijna zielig voor hem.

Na een tijdje gaf ik het op: ik was voorbereid genoeg.

Eenmaal begonnen aan mijn opdracht wilde ik direct op mijn cliënte afstappen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hem echter al verschijnen: de man in het witte pak.

Hij gaf me een neerbuigende glimlach. ‘We meet again. Hopelijk kunt u me ditmaal een grotere uitdaging bieden.’

Ik kon er nooit tegen wanneer Nederlanders onnodig Engels tegen me spraken. Voornamelijk omdat ik Engels niet verstond, maar dat terzijde.

Ik negeerde hem en legde mijn hand op de schouder van mevrouw Haasch.

‘Niemand zal hem geloven,’ zei ik. ‘Hij is al zo vaak veroordeeld wegens diefstal.’

Mijn Tegenpool stapte nu ook op haar af en legde zijn hand op haar andere schouder. ‘Het is je man. Hij heeft een goede nieuwe start gemaakt. Dit kun je hem én je kinderen niet aandoen.’

Ik gaf de man een valse blik voor ik weer sprak. ‘Hij is altijd al een crimineel geweest. Hij verdient het om weer opgesloten te worden.’

‘Hij heeft altijd alleen maar gestolen om het gezin te onderhouden. Je moet jezelf aangeven, niet hem. Denk aan jullie kinderen. Aan hun toekomst.’

De vrouw keek twijfelend naar de telefoon, waarop ze het nummer van de politie intoetste.

‘Hij was -’ begon ik, maar ik werd grof onderbroken door de Tegenpool. ‘Hij was altijd goed voor jullie.’

De grijns op zijn gezicht stond me niet aan, maar ik probeerde rustig te blijven.

‘Je moet -’ begon ik weer, maar werd nogmaals abrupt onderbroken.

‘Je moet jezelf aangeven. Je hebt het nummer al gedraaid: er is geen weg meer terug. Het is het juiste om te doen,’ sprak hij, terwijl ik de wacht­muziek al aan de andere kant van de lijn hoorde.

Mijn ademhaling nam toe. Ik dreigde te falen bij deze opdracht. In gedachten zag ik de stapels papierwerk al voor me. En erger: de vuile grijns van de Tegenpool wanneer hij weer zou winnen.

‘Je man -’ begon ik, maar vanuit mijn ooghoek zag ik de mond van Tegenpool alweer opengaan. Mijn irritatie sloeg op dat moment om in woede. Even leek alles zich vertraagd af te spelen. Zijn verschrikte blik, vlak voordat mijn vuist zijn kaak raakte. De dreun die klonk toen hij op de grond viel. Mijn volgende uithaal, ditmaal midden in zijn gezicht, waar­door ik zijn neus hoorde kraken.

Terwijl ik door trapte en sloeg bleef het vrolijke deuntje van de wachtmuziek alsmaar doorspelen. Vreemd genoeg klonk dat luider dan de schreeuwen van de man. Pas toen de muziek tot een abrupt einde kwam en de telefoniste vroeg hoe ze kon helpen, werd ik me weer bewust van mijn taak.

Ik legde mijn bebloede hand op de schouder van mijn cliënte. ‘Je wilt je man aangeven voor diefstal en fraude.’

De vrouw knipperde even met haar ogen, maar bleek niet meer overtuiging nodig te hebben. Tevreden haalde ik mijn hand van haar schouder en wierp een blik op de man in wit, die rochelend in zijn eigen bloed op de grond lag.

‘Hopelijk was dit genoeg uitdaging voor je,’ grijnsde ik, voordat ik hem ook nog een fysieke trap na gaf.

 

11.

 

‘Ik ben zeer tevreden,’ zei Den Eed.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken; de zaken waren de afgelopen maanden inderdaad goed gegaan. De Tegenpolen vormden geen probleem voor mij: ze vochten nooit terug. Implementaties waren daardoor erg simpel, zeker omdat de cliënten vaak maar weinig nodig hadden om overstag te gaan.

Vanwege mijn successen was het papierwerk ook minimaal. Ook was het niet langer nodig me in te lezen in de dossiers. De tijd die ik aan voor­bereiding kwijt zou zijn, kon ik nu beter benutten. Pauzes waren niet toegestaan, maar met een bak koffie – zogenaamd – een dossier door­nemen daarentegen …

Den Eed keek me kort aan. ‘Ik denk persoonlijk dat u een goede zou zijn voor fase 3 opdrachten.’

Ik probeerde te verhullen dat ik hem niet helemaal begreep. Gelukkig besloot mijn leidinggevende zijn woorden nader toe te lichten. ‘Fase 3 houdt in dat de redenen van implementatie gecompliceerder zijn. Het betreft meestal zwaardere misdaden.’

Ik knikte afwachtend.

‘Maar,’ vervolgde hij, ‘het kan ook gaan om invloedrijkere mensen: men­sen van het ministerie, bekende Nederlanders, belangrijke zakenlui …’

Toen ik mijn nieuwe contract tekende had ik niet veel verschil verwacht met mijn voorgaande opdrachten. Hierin had ik me echter wel ver­gist; de doelen van de implementaties waren inderdaad heftiger. Het kostte me daardoor soms moeite me te distantiëren van de daden van deze cliënten.

Maar als ik het niet deed dan werd een dergelijke opdracht wel door een collega uitgevoerd, bleef ik mezelf voorhouden. Bovendien zou het op den duur wel wennen.

Bij mijn nieuwste opdracht, waarbij ik een directielid van een grote instantie voor goede doelen moest aanzetten tot het verduisteren van een gigantische som geld, stond ik mijn Tegenpool al op te wachten. Een wit licht verscheen en ik balde mijn vuist: klaar om uit te halen.

Het licht begon vorm aan te nemen, maar het was ditmaal niet een man in een wit pak. Mijn adem stokte bij het zien van de verschijning en ontmoedigd liet ik mijn vuist zakken.

Voor me stond een jonge vrouw. Haar witte jurk stak mooi af tegen haar getinte huid. Ze streek haar lange, donkere haren naar achteren en gaf me een glimlach voordat ze sprak. ‘Had je iemand anders verwacht?’

 

12.

 

Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht. Ik herinner me mijn eerste les nog levendig.

Ik was een jaar of vijf, toen ik die bewuste dag met haar in de super­markt was. Mijn moeder had niet veel te besteden en werd op deze manier door de overheid gedwongen om haar budget aan te vullen door middel van stelen. Omdat ze me graag wat meer zelfstandigheid bij wilde brengen moest ik leren de producten die ik wilde, zelf de winkel uit te smokkelen.

Die dag had ik mijn oog laten vallen op de laatste zak met dropjes, die plots voor mijn neus werd weggegrist. De dader was een meisje met twee lange vlechten. Ze wilde de zak in een overvolle winkelwagen leggen maar ik blokkeerde haar pad en eiste dat ze me het snoepgoed over­handigde. Ze ging hier niet mee akkoord en ruw duwde ze me aan de kant.

Geërgerd greep ik haar bij beide vlechten vast en werkte haar tegen de grond. Toen ze de zak snoep nog steeds niet losliet hief ik mijn vuist.

Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn moeder, die aan het andere uiteinde van het gangpad stond. Op exact hetzelfde moment dat mijn vuist het meisje raakte, zag ik tot mijn schrik zelfs van die afstand het linkerooglid van mijn moeder trillen. Daaraan zag ik altijd direct dat het goed mis was.

Vanaf dat moment leek alles vertraagd plaats te vinden. Een grote zak met aardappelen viel met een bons onder haar rok uit, maar het leek haar niets uit te maken. De aardappelen rolden over de grond terwijl mijn moeder langzaam in beweging kwam. Ik stond aan de grond genageld terwijl ze als een dolle stier door het gangpad stormde, recht op mij af.

‘Je mag vrouwen niet slaan,’ schreeuwde ze, waarna ze me een draai om mijn oren gaf. ‘Vrouwen hoor je met respect te behandelen!’

Opvoeden kon ze wel, mijn moeder. Ik had daarna mijn gehele leven nooit meer een vrouw kwaad gedaan.

 

De vrouw in de witte jurk had haar blik wat afwachtend op me gericht. ‘Dus jij bent degene die mijn collega’s het werk onmogelijk maakt?’

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en haalde daarom mijn schouders maar op.

Een glimlach verscheen op haar gezicht. ‘Ik had een spraakzamer type verwacht.’

‘Ik had ook wel iets anders verwacht. Of iemand anders, in ieder geval,’ mompelde ik.

Ze stak haar hand uit. Enigszins argwanend nam ik deze aan. Haar hand voelde zacht in mijn ruwe vechtersvuist.

‘Angelica,’ zei ze.

Nooit eerder had een Tegenpool zich aan me voorgesteld. Mompelend gaf ik haar mijn naam.

‘Aangenaam kennis te maken, Jannes,’ zei ze. Ze gaf me een korte glim­lach voordat ze mijn hand losliet en naar de cliënt liep.

Ze legde haar hand op zijn schouder. Haar eerste woorden waren al overtuigender dan alles wat ik had kunnen bedenken.

Met moeite wist ik een vloek te onderdrukken. Had ik het dossier nu maar gelezen …

 

13.

 

Ik dacht terug aan de woorden van mijn leidinggevende.

‘Je hebt nog een kans om dit goed te maken,’ had den Eed gezegd. ‘De volgende opdracht is zwaar. Als je jezelf hiermee bewijst, zal je een mooie nieuwe functie krijgen.’

‘Wat voor functie?’

‘Mijn functie, meneer Uil,’ zei hij. ‘Leidinggevende over het gehele Grijze District van Noord- en Zuid Holland.’

‘En u dan?’

‘Voor mij komt er een mooie internationale functie vrij.’

Zijn woorden hadden me aan het denken gezet. ‘Het hele na-leven bestaat uit … werk?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Er komen telkens functies vrij van bovenaf. Dat houdt in dat er toch iets met die mensen gebeurt. Er gaan geruchten over ‘eeuwige rust’.’

‘Ze sterven … weer?’

‘Misschien. Alleen zou dat dan ook binnen de lagere functies voor­komen. Zelf geloof ik daarom dat men uiteindelijk met pensioen mag.’

Eeuwige rust. Dat klonk erg aantrekkelijk. ‘En als ik de opdracht niet haal?’ had ik gemompeld, nog terugdenkend aan mijn falen van voor­heen.

Zijn blik leek wat kil te worden, maar de glimlach was op zijn gezicht gebleven.

‘Dan ben ik niet blij, meneer Uil.’

De deur viel achter me dicht. Langzaam kon ik de slaapkamer van de duisternis onderscheiden. Ik richtte mijn blik op het bed. Het eerste dat me opviel, was de inktzwarte wolk die om de cliënt heen hing.

Het dossier van deze man was het dikste dossier dat ik tot nu toe onder ogen had gekregen. Ik had zowel de opdracht als het grootste deel van de achtergrondinformatie redelijk goed doorgenomen, maar de bijlagen … Die bestonden slechts uit informatie over zijn vele slachtoffers: allemaal vrouwen die hij op brute wijze had vermoord. Ik moet bekennen dat ik mijn maag toen wel een beetje voelde draaien.

Toen ik het witte licht zag hoopte ik vurig dat mijn Tegenpool een man zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik niet verbaasd was toen Angelica me met een brede glimlach begroette.

Qua voorbereiding had ik nu al meer tijd gestoken in dit dossier dan in alle dossiers van de afgelopen maanden – bij elkaar, zelfs – maar ik vreesde direct dat het niet genoeg was geweest.

‘Ik had kunnen weten dat ik jou hier zou aantreffen,’ mompelde ik.

Haar ogen vernauwden kort. ‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt me eerder doen falen. Dus ja, logisch dat ze jou sturen.’

‘Je had eigenlijk een andere Tegenpool vandaag, maar toen ik aanbood zijn cliënt over te nemen vond hij dat absoluut geen probleem,’ zei ze. ‘Wellicht dat het iets met je reputatie te maken heeft.’

‘Ik heb een reputatie?’

‘Nu niet te zelfverzekerd worden, Jannes. Er hangt veel van deze opdracht af.’

‘Meer dan je zou denken,’ mompelde ik, terugdenkend aan de woorden van mijn leidinggevende. Ze keek geïnteresseerd en daarom besloot ik mijn woorden toe te lichten.

Ze beet even op haar lip en leek mijn verhaal te overdenken terwijl ze blik op de cliënt richtte. Langzaam ging ze op de rand van zijn bed zitten. Ze leek zo in gedachten verzonken dat ik mijn ogen even afwendde. Ik keek naar de trage, regelmatige ademhaling van de cliënt.

Angelica sprak zacht. ‘Hij zocht ze bewust op, Jannes. Talloze keren.’ Ze schudde langzaam haar hoofd, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vielen. ‘Hij wachtte geduldig aan het donkere bospad tot er een vrouw langsfietste. Hij trok deze dan van haar fiets, het bos in … Waar hij haar op brute wijze verkrachtte, genietend van haar schreeuwen, van haar smeken, van haar tranen …’

‘En daarna vermoordde hij haar,’ vulde ik aan, mijn stem ook zacht.

Ik slikte kort. Nog nooit eerder had ik zoveel afschuw gevoeld voor een cliënt. Stelen, liegen, fysiek geweld … geen probleem. Maar moord, zeker op deze wijze, dat was toch wel een stap verder.

Angelica streek haar haren naar achteren voordat ze me aankeek. ‘En nu moet jij hem ertoe aanzetten dit weer te doen.’

Ik wist niet wat ik kon zeggen. Peinzend wendde ik mijn blik af. Deze man had al zo vaak misdaden begaan, zonder dat ik daar iets mee te maken had. Maar als ik hem aanzette tot het kwaad doen van een vrouw, was het dan niet indirect mijn schuld?

De stilte werd steeds langer, steeds ondragelijker.

‘Jij wilt hem op het rechte pad brengen?’ vroeg ik uiteindelijk.

Haar ogen waren op de cliënt gericht. ‘Zijn ziel is al te duister,’ zei ze, haar gezicht vertrokken in afschuw.

Haar opmerking verraste me. ‘Maar jij moet hem toch van het goede overtuigen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik heb dit al te vaak gezien. Ik moet hem ervan weerhouden een volgend slachtoffer te maken. Hij komt misschien tot bezinning en besluit vanavond niet naar het bos te gaan. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt. Dan ben ik hier weer, in dezelfde slaapkamer, met dezelfde opdracht.’

Weer een stilte.

Ik overwoog mijn opties en uiteindelijk slaakte ik een diepe zucht. ‘Ik trek me terug,’ mompelde ik.

Angelica richtte haar grote bruine ogen op me. ‘Maar … Je promotie …’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Begin maar, voordat ik me bedenk.’

Ze leek dit even te overdenken.

‘Nee,’ zei ze resoluut.

Verbaasd keek ik haar aan. Een mysterieuze glimlach verscheen op haar gezicht voordat ze weer sprak. ‘Ik heb een beter idee.’

 

14.

 

‘Overplaatsing naar zware arbeid,’ beval ik.

Damion, mijn collega wiens taak het was om mensen daar in te werken, had de man al bij zijn arm vast. ‘Maar,’ begon de man terwijl hij me met grote ogen aankeek, ‘waarom? Ik heb mijn werk goed gedaan.’

‘Je werk in je na-leven, ja. Ik baseer mijn beslissingen echter op het gehele dossier. Daaruit heb ik opgemaakt dat u niet bepaald een schatje was tijdens uw leven, dus zware arbeid lijkt me een geschiktere plek voor iemand zoals u.’

‘Maar tijdens mijn leven vonden er toch ook implementaties plaats? Ik kan daarvoor toch niet verantwoordelijk worden gehouden?’

‘Pas wanneer mensen zelf serieus een zonde overwegen, verschijnen wij aan hun zijde,’ zei ik. ‘Wij fluisteren ze slechts overdenkingen toe. Het zijn de mensen zelf, die de uiteindelijke keuze maken. Dus nee, meneer, de implementaties zijn geen excuus.’

‘Maar …‘ begon de man weer.

Ik onderbrak hem. ‘Veel mensen verliezen hun gouden gloed gedurende hun leven, maar inktzwart, daarvoor moeten vele verkeerde keuzes zijn gemaakt,’ zei ik, terwijl ik hem dreigend aankeek. ‘Dus u mag nog van geluk spreken dat ik u niet direct naar het Eeuwige Vagevuur stuur. En nu uit mijn ogen, voordat ik me bedenk.’

De man keek me verschrikt aan terwijl Damion hem mijn kantoor uitsleepte.

Charon kruiste hun pad. Een sadistische glimlach tekende haar gezicht. ‘Goed bezig, Jannes,’ complimenteerde ze sarcastisch, terwijl ze een stapel dossiers met een plof op mijn bureau liet vallen. ‘Dat is al de zoveelste deze week. En ik dacht dat Willem Roderik hard was voor zijn personeel.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Den Eed viel best mee. Zijn dit de verslagen over de nieuwelingen?’

Ze knikte. ‘Succes ermee. En probeer je dit keer nog wel wat leuks over te laten op deze werkvloer? Ik heb af en toe wel een brutaaltje nodig om mijn werk dragelijk te houden.’

Ik glimlachte kort. ‘Contractueel gezien moet je ze eerst waar­schuwen. Anders krijg je met mij te maken. Of met Ruby’s bijl.’

Terwijl Charon mijn kantoor verliet, stak ze grijnzend haar middelvinger naar me op. ‘Je mag dan een meerdere zijn, maar deze heb ik toch nog wel voor je luchtpijp over.’

‘Dat geloof ik graag,’ grinnikte ik, voordat ik me weer op mijn werk concentreerde.

Kort beet ik op mijn lip toen ik zag dat ik het langverwachte dossier eindelijk voor me had. Met een vinger streek ik over de bekende naam op de kaft, terwijl ik Angelica’s woorden overdacht.

‘Het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt.’

Zwijgend had ik geknikt.

‘Het is de beste oplossing. Voor mij is het eigenlijk verboden, maar als jij je implementatie verandert dan heb jij je promotie én is deze wereld een betere plek.’

‘Ik kan gewoon zeggen dat ik eigen initiatief heb getoond. Maar voor jou … Kom jij dan niet in de problemen?’

Ze had geglimlacht. ‘Je hebt een reputatie. Niemand neemt het mij kwalijk als het me een keer niet is gelukt.’

Mijn bewondering voor haar nam toe. ‘Je bent zo goed. Zo puur,’ wist ik uit te brengen, enigszins beschaamd om mijn plotselinge uitspraak.

Ze had haar hoofd geschud. ‘Vergis je niet, Jannes. Zowel het leven als het na-leven zijn niet zo zwart-wit als men denkt. Mijn ziel had haar gouden gloed al lang verloren, maar mijn dood heeft me een gratis kaartje naar de witte werkvloer opgeleverd.’

‘Je ziel had haar gouden gloed verloren?’

Ze sloeg haar ogen neer. ‘Tijdens mijn leven heb ik dingen gedaan waar ik niet trots op ben. Ik was zelfzuchtig: ik bespeelde mensen, puur om mijn eigen belangen te behartigen.’

‘Zelfzuchtig? Jij?’

‘Niet meer, Jannes.’

‘En hoe bedoel je, een gratis …‘

Voordat ik mijn zin kon afmaken, legde Angelica een vinger tegen mijn lippen. ‘Jij en ik zijn niet zo verschillend, eigenlijk. Wij doen wat wij denken dat het juiste is,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht langzaam dichter bij het mijne bracht.

Mijn hartslag nam toe toen ze me een kus op mijn wang gaf. Haar lippen voelden zacht tegen mijn huid.

‘Ik hoop echt dat je die promotie krijgt,’ fluisterde ze. ‘Ik gun het je, Jannes.’

We waren naast de cliënt gaan staan, ieder een hand op zijn schouder. Onze stemmen hadden als één geklonken.

Doodsoorzaak: Zelfmoord.

De woorden waren verwacht, toch voelde het raar om ze op papier te zien. Ik bladerde door de bijlagen en bekeek de foto’s van de vele slacht­offers die hij had gemaakt. In gedachten zag ik zijn functione­rings­gesprek al voor me.

Ik sloeg een bladzijde om. Mijn adem stokte. Overrompeld staarde ik naar de bijlage, niet in staat mijn ogen van het papier af te wenden. Mijn blik bleef hangen bij de bruine ogen en haar bekende glimlach. Met trillende vingers streek ik over de foto, terwijl ik haar naam fluisterde.

Ik hervatte me. ‘Dit keer zal hij schreeuwen. Dit keer zal hij smeken,’ mompelde ik vastberaden. ‘Ik gun het je, Angelica.’

Het Gelukkige Land : Jack Schlimazlnik

Mu hield zijn hand boven zijn ogen om die tegen het zonlicht te bescher­men. Hij kneep zijn donkere ogen samen om de toppen van de torens te zien, hoog boven de fonkelingen van het dak van de Eeuwige Tempel. De weervaan op de torenspits kon hij nauwelijks zien in het middaglicht. Toch leek het hem of de wind was gedraaid. Hij dacht ook te voelen dat het hete zand uit de woestijn de stad binnen werd geblazen en zijn huid streelde en speelde met zijn rossige haar. Vanaf het dak van het pand waarin Mu met zijn moeder en zusje woonde, halverwege de helling die boven de stad uitrees, was niet alleen de tempel te zien. Mu draaide zich een kwartslag, zodat hij over de woestijn uitkeek. De wind blies nu het fijne zand in zijn smalle ogen, waardoor hij begon te tranen. Toch kon hij tussen zijn tranen door zien waarop hij had gewacht.

‘Moeder!’ Hij stormde de trap af. ‘Het komt!’

Er kwam leven in het pand. Niet alleen Mu’s familie leek ineens wakker te worden uit de namaalsslaap, ook de andere bewoners ontwaakten. Zakken werden gepakt, knisperend in het halfduister van de geloken luiken die de warmte buiten moesten sluiten. Touw, gevlochten uit restanten van zakken, werd uit kasten gehaald. Hier en daar werd voor­zichtig een luik op een kier gezet om te zien of het waar was. Overal ritselden de kledingstukken die nodig waren om de woestijnwind te weer­staan: pvc, synthetische raffia, polyetheendoek. Ook uit de andere woon­torens klonken nu kreten. ‘Het komt!’

Het ging erom snel te zijn, wist Mu. Sneller dan de wind die over de woestijn waaide. Hij wond de oude katoenen doek die hij uit huis had gehaald om zijn hoofd. Zorgvuldig plaatste hij het stuk plastic voor zijn ogen, voordat hij het dunne doek ook rond zijn gezicht wikkelde. Alleen de nauwe spleet door het groenige, doorzichtige plastic bleef over, genoeg om nog iets te zien in de zandwervelingen en toch zijn ogen te beschermen. Hij sjorde zijn lange riem om zijn middel vast, zodat de wind niet onder kleren zou komen en zijn huid niet door het zand gegeseld zou worden.

Mu was niet de enige die zich tegen het zand beschermde om de woestijn in te trekken. Uit de nauwe stegen tussen de woontorens, uit alle wijken rondom de Eeuwige Tempel, stroomden de bewoners de woestijn in, een golving van gekleurde doeken en geklapper van de plastic zakken die zij in de wind met zich meedroegen. Gegil van de kinderen, die het onverwachte uitje met enthousiasme tegemoet renden.

Maar er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Mu, net veertien en volgens zijn vader ‘hoog op de poten’, rende voor de meute uit. Sneller dan de rest. Sneller dan de wind. De wind wervelde om hem heen. Als een stofduivel voelde hij zich thuis in de woestijn. Het was zijn taak snel te zijn, om wat nog restte van het gezin te kunnen voeden, om de ziekte van zijn zusje en de honger te kunnen bestrijden, om van de wind te kunnen leven. Hoewel de oogst nooit genoeg leek te zijn in de verbijsterende eindeloosheid van de woestijn, was zijn snelheid het enige dat hij had om te ontsnappen aan het sobere leven rond de tempel.

De eerste snippers dwarrelden de vallei binnen. Kleurige resten, glin­sterend en glimmend als juwelen, buitelden op de wind. Mu rende eraan voorbij. Achter zich hoorde hij de vrolijke stemmen van kinderen die de snippers verzamelden. Onder zijn hoofddoek glimlachte hij: zo was hij als kind ook geweest. Ook hij had de trots gevoeld bij zijn bonte verzameling snippers. Toen hij ouder werd, had hij zijn snippers aan de voet van de tempel begraven.

Bijna miste hij door zijn mijmeringen de eerste fles. Het was een grote groene die over de zandgolven hobbelde. Af en toe floot de wind in de hals. Mu rende erheen, sprintte. Hij kreeg de fles te pakken, een mooie, gave fles. Hij schudde het zand eruit voordat hij de fles in zijn zak stopte. Na die eerste fles volgden er meer. Flessen, zakken, potten, dozen. Het was enorm veel wat de woestijn uitbraakte. Na een paar klappen van More Isha had Mu niet meer durven vragen waar alle plastic vandaan kwam, dus probeerde hij daar niet aan te denken terwijl hij de spullen inzamelde. Toen zijn eerste zak vol was, bond hij die op zijn rug met een streng gevlochten plastic. Al snel volgde een tweede zak. Hij was langzamer nu, anderen raapten rondom hem de spullen op. Iets verderop ontstond een opstootje over een groot stuk landbouwplastic dat door twee families werd betwist.

Mu ontvluchtte de drukte. Hij liep verder, tegen de wind in, zijn kleding zwaar van het zand dat in de stof waaide; in de vouwen en in de naden, zelfs in de zomen van zijn plastic broek. Iedereen was zo druk met de oogst, de jacht, dat niemand op hem lette. Hij dook achter een duin, zodat hij voor de anderen verborgen was. Op zijn achterste liet hij zich van de helling glijden, tot aan de voet van het duin.

Achter een flinke rots stond een braamstruik, pal in de wind. Het was een oude struik, bladerloos en kromgebogen. Repen plastic waren in de stekels blijven hangen. Het leek alsof ze een heiligdom sierden, een bijna doorzichtige plastic tempel, als een schitterende edelsteen. Bonte kleuren, glitter en glans, ritselden hier in de verder zo dorre en doffe woestijn.

Voorzichtig haalde Mu het kostbare plastic van de braamstruik. Hij vulde er een hele zak mee, die hij naast de andere twee op zijn rug hing. Schichtig keek hij om zich heen om te zien of hij niet gezien was. Hij hield deze rijke oogstplaats liever voor zichzelf en hoopte dat hij daar genoeg plastic kon oogsten om geneesmiddelen voor Lafaya te ontvangen. Hoe lang zou ze nog hebben? vroeg hij zich bezorgd af. Zes manen, twaalf? De droge, hete wind maakte haar het ademen steeds moeilijker, wat hem het ergste deed vrezen. Met zijn last en de gedachten aan zijn zieke zusje zwoegde hij nog een stuk tegen de wind in, rond de voet van het duin. Toen hij omkeek, zag hij hoe zijn voetstappen achter hem verwaaiden.

Zijn hart klopte hem bijna in de keel. Het was niet de inspanning van het sjouwen door het mulle zand. Het was ook niet de spanning van de oogsttijd. Het was de angst voor wat erna kwam, gruwelijker nog dan de dodelijke bahromesh. Een weldenkend mens, zo hoorde Mu in gedachten zijn leraar oreren, oogst als de wind en maakt dat hij wegkomt voordat ze komen. Wie waren ‘ze’, had Mu willen weten. More Isha had hem die blik toegeworpen, die blik die de leerlingen waarschuwde dat zij zich op het terrein van de taboes begaven, het terrein van de zaken waarover niet werd gesproken. Mu had niet verder gevraagd. Hij leerde alleen dat hij sneller dan de wind moest oogsten.

Hij had gedacht dat hij snel was. Sneller dan de wind. Met zijn drie volle zakken kwam hij echter niet vlot de berg op. Hijgend keek hij achterom, de wijde woestenij in. In zijn verbeelding had hij zich een beeld proberen te vormen van ‘ze’. Hij stelde zich voor dat het mensen waren die hun oogst weg zagen waaien, de woestijn in, naar de vallei van de Eeuwige Tempel. In zijn nachtmerries waren het kwaadaardige mensen, die hun oogst kwamen opeisen en de tempel afbraken. Nu zag hij hoe ‘ze’ op hem afkwamen, uit de richting van het Gelukkige Land waar ook de rijkste oogsten vandaan geblazen werden.

Aanvankelijk dacht Mu dat het vogels waren. Grote vleugels deinden in de wind, klapperend, golvend. Pas daarna zag hij de vele poten onder de wezens. De poten bewogen op brede voeten zorgvuldig door het zand, een wankele gang die door de vleugels in evenwicht werd gehouden. De wezens leken geen lichaam te hebben, alleen een skelet. De wind floot door de beenderen.

‘Mu! Blijf niet staan!’

Mu keek op. Zijn vriend Ameth wenkte hem, met ogen groot van angst in zijn grauwe gezicht. Ameth was minder snel dan Mu, hoewel hij langer was. Zijn traagheid was te zien aan de gereten kleding die rond zijn magere lichaam slobberde.

‘Kom, schiet op!’ riep Ameth, terwijl hij Mu zijn hand reikte. ‘Zal ik een van je zakken overnemen?’

De vrienden verdeelden het gewicht van de oogst over hun ruggen. Toen zetten ze het weer op een lopen. Mu keek nog één keer om naar de vreemde wezens met hun merkwaardige fladderloop en hun angstaan­jagende gefluit. Het spoorde hem aan nog sneller te lopen.

Hijgend arriveerden de jongens bij de stad, nauwelijks de tijd nemend hun hoofdbanden af te leggen en hun oogscherm weg te bergen. Mu beklom de steile stegen, die smal en slingerend tegen de berghelling opliepen; Ameth zat hem op zijn hielen, beiden hadden nog de angst voor ‘ze’ in de knieën. De trappen waren daardoor moeilijk begaanbaar, ook door het opgewaaide zand. De meeste huizen hielden de luiken nog gesloten tegen de storm. En misschien ook wel vanwege ‘ze’, dacht Mu. Hij huiverde. Wat waren dat voor wezens?

Hij had niet lang om erover na te denken, want het werd drukker in de stegen naarmate hij en Ameth dichter bij de Eeuwige Tempel kwamen. De meeste verzamelaars waren blijkbaar al op de terugweg. Er was bijna geen doorkomen aan met de grote zakken vol kostbaar plastic. Toch lukte het Mu en Ameth om tijdig bij de tempel te komen en hun zakken aan de priester te overhandigen.

De priester nam de zakken nederig in ontvangst. Hij controleerde de inhoud op kwaliteit en kleur. Hij bepaalde het gewicht. Het was niet zijn taak de popelende jeugd gerust te stellen. Pas na lang wikken en wegen overhandigde hij de beloning: munten voor de gaarkeukens, de bad­huizen en enkele munten ter vrije besteding.

Mu nam met een van honger knorrende maag de munten aan. Het was niet veel, maar het was voldoende om zijn moeders, broers en zusjes te voeden tot de volgende storm uit het zuidwesten kwam. Hij wist dat het niet veel was, maar hij wist ook dat niemand veel ontving. Hij kreeg, dankzij zijn snelheid bij de jacht, iets meer dan Ameth. Het was niet véél meer, en hij wist dat Ameth niet jaloers was. Wat hij meer verdiende, ging toch vooral naar de geneesheren.

Die nacht kon Mu niet in slaap komen. Steeds wanneer zijn ogen dreigden dicht te vallen, zweefden de skeletten door de woestijn van zijn geest, gedreven door de wind van zijn angstige gedachten. Waar kwamen die wezens vandaan? Het leek of ze van plastic waren: was het mogelijk op ‘ze’ te jagen, hen te doden? Hoeveel zou een van die beesten op­brengen? Was er een bron, een nest? Piekerend staarde Mu in het duister van de woestijnnacht. In de kamer naast de zijne hoorde hij het raspende hoesten van Lafaya. Ze had krachtiger en kostbaarder genees­middelen nodig. Mu draaide zich op zijn andere zijde. Iets in de woestijn lag te wachten tot hij het zou vinden. Dan zou hij rijk zijn en die middelen kopen. Hij wist het zeker, op de drempel tussen waken en wanen, tussen slapen en dromen. Pas toen de zon door de luiken kierde, viel Mu eindelijk in slaap.

 

‘Ik wil je wat laten zien.’ Ameth wiebelde op de bal van zijn voet. Hij stond in de deuropening naar Mu’s kamer. Zijn gebronsde gezicht lichtte gespannen op in het schijnsel van de namiddagzon, een contrast met de loomte die in de warme stad heerste en meestal ook zijn lichaam beheerste.

‘Wat?’ Mu gaapte. Loomheid had hem in zijn greep.

‘Een weg.’ Ameth liet zijn stem zakken en ging fluisterend voort. ‘Een weg naar de hima.’

Mu kwam overeind, de loomheid gleed als een deken van hem af. ‘Dat is taboe!’ fluisterde hij. ‘Daar mag je niet komen, dat is voor de priesters!’

Vanuit de aangrenzende kamer kwam een raspend gehoest. Ameth draaide zijn gezicht erheen. Hij fronste. ‘Wat doen de priesters voor je zusje? We kunnen naar de hima gaan en zelf de goden vragen haar te helpen.’ In zijn opwinding vergat hij bijna te fluisteren.

Mu knikte. Zijn geestesoor hoorde zijn leraar, More Isha, waarschuwen voor de hima: ‘Het is de verblijfplaats van de goden. Zij dulden daar niemand, behalve de gewijde priesters en de heilige dieren. Het gebied is afgezet met duidelijke grensstenen. Wie de grens overschrijdt, zal sterven. De hima is taboe voor jullie.’ Mu huiverde. Hij twijfelde eraan of de hima werkelijk taboe was. De goden waren er immers om de mensen te helpen? Daarvoor werd aan hen geofferd: de plastic snippers van de kinderen, de plastic tempel, moeizaam bijeengegaard door de vol­wassenen.

‘Laten we gaan,’ zei Ameth geestdriftig. ‘Nu kan het nog, voor de zon onder is.’

De twee jongens gingen op pad. De ondergaande zon kleurde de woes­tijn goudgeel. De aanwakkerende avondbries deed het plastic van de tempel rimpelen. De meeste luiken in de stad waren nog steeds gesloten tegen de ongenadige middaghitte, zodat de jongens zich geen zorgen maakten dat iemand hen op zou merken terwijl zij om de tempel heen slopen en op de helling daarachter klauterden.

De weg die Ameth wees, leek meer op een pad: een stoffig voetspoor door de wirwar van dorre doornstruiken. De jongens gingen voort, haak­ten met hun kleding aan de doornen, bukten om onder de laaghangende takken van een tamarinde door te sluipen. Rotsen onttrokken het pad aan het oog van de stadsbewoners. De tamarindes deden hetzelfde voor eventuele blikken uit de tempel.

Het pad werd een nauwe kloof. Het was er donker, de zon drong er niet meer door. Vocht vloeide traag de helling af, verdwijnend in het poreuze gesteente. Diep beneden de voetstappen van de jongens vormde het de bron waar de pompen in de stad het schaarse water uit putten.

‘Is het nog ver?’ vroeg Mu. Hij fluisterde als de wind in de tamarindes. De avondbries was verkoelend doch zou snel verkillen. In het duister wilde Mu niet buiten zijn, niet in de hima, maar ook niet buiten de veiligheid van de stad.

‘Ik ben hier ook nooit geweest.’ Ameth wierp een blik over zijn schouder. Hij schatte de tijd in die nog restte voor de duisternis de hemel zou beheersen, zijn arm gestrekt, zijn duim omhoog. ‘Nog een klein stukje verder, daarna zullen we terug moeten als we nog tijdig thuis willen komen.’

De nacht jaagde op de jongens zoals de jongens op het plastic jaagden. Sneller dan de wind. Maar de wind was gaan liggen toen de jongens de grensstenen van de hima bereikten, alsof de wind de grens niet over kon. De grensstenen waren slanke pilaren, reikend naar de hemel, elk bekroond met een ster. Achter de poort die de pilaren vormden, lagen de ceders en cipressen van het heiligdom.

Met de nacht in hun rug bleven de jongens stilstaan. Zwijgend. Uiteindelijk was het Mu die de heilige grens als eerste overschreed. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij de stap nam. Maar, zo redeneerde hij, als mijn hart blijft slaan, ben ik nog in leven; zolang is er nog hoop, voor mij, voor Lafaya.

Ameth volgde. Hij nam spoedig weer het voortouw en nam het pad tussen de ceders door, dieper het heiligdom in.

Mu merkte hoe het pad daalde onder zijn met plastic omzwachtelde voeten. Hij voelde het in zijn kuiten. Hij veegde het zweet van zijn voor­hoofd, en toen hij even bleef staan om uit te rusten, had hij een uitzicht dat hij zijn leven lang niet meer zou vergeten.

Ameth keek om, om te zien waar zijn vriend bleef. Zijn blik werd echter halverwege getroffen door het uitzicht dat zich daar tussen de ceders openbaarde. Daar strekte zich een rijk begroeid keteldal uit. Het laatste daglicht liet er boomgaarden en akkers zien, weiden met dieren ook. Hier en daar stonden gebouwen, zo te zien woonhuizen voor degenen die daar werkten, schuren voor voorraden, stallen voor het vee. Van de hellingen van het keteldal klaterden watervallen die zich tot rivieren vormden, die in een meer uitmondden. Op het meer voeren enkele vissersbootjes. In het midden van het meer lag een eiland, dat echter onbewoond oogde. Vanuit het dal steeg een kruidige lucht op, gezoet door bloesems. Het geheel was licht bedwelmend voor de voorbijgangers die slechts het stof van de woestijn gewend waren.

Dat is vast de hima van de hima, dacht Mu toen hij het eiland zag. Het heilige der heiligen, het grootste taboe. Hij werd vervuld met een groots gevoel. Hij zag voedsel en water in hoeveelheden die hij nooit eerder had gezien. Wat zou hij de goden om genezing vragen? De hima had zo te zien alles wat nodig was om Lafaya te genezen.

Ameth stootte zijn vriend aan. ‘We moeten terug.’ Hij wees op de zon die de rand van de overkant van het keteldal raakte.

Mu knikte, maar liet zijn blik nog even rustten op wat voor hem lag. Hij had het idee dat hij nu de wereld begreep. De goden, de priester, de tempel, de plasticoffers. Een openbaring. Toen hij echter Ameth volgde, het pad op, langs de ceders en de tamarindes, vervluchtigde het idee grotendeels. De wereld waarin hij liep werd te tastbaar. Hij moest zich inspannen om te zien waar hij zijn voeten zette. Hij deed moeite de doornstruiken te vermijden, maar voelde het bloed over zijn huid stromen.

Ze passeerden de grenspilaren van de hima. Daar hielden ze even halt, controleerden door aan elkaars haar te trekken of ze nog leefden, of de toorn der goden hen nog niet had geraakt. Alles leek in orde. Daarom liepen de jongens verder, zo snel als de duisternis toeliet.

Ameth en Mu kwamen terug in de woestijnstad, niemand wachtte hen op, niemand bewaakte de stad die eenzaam in de leegte lag; blijkbaar had niemand hen gezien of gemist.

Een enkel licht deed de Eeuwige Tempel van binnenuit gloeien als een veelkleurig baken in de woestijn. Mu keek op naar het licht. Hoeveel offers waren er nodig geweest om de tempel te bouwen? dacht hij. Hoe­veel flessen, doeken, potten en pijpen waren in het bouwwerk verwerkt? Hoelang verzamelden de priesters hier al plastic in ruil voor het stillen van de ergste honger – en hoelang al hielden ze de weelde van de hima geheim?

Het hield hem bezig toen hij naar huis liep. Hij zag de armoe in de stad, het stof, de dorren planten in de betegelde tuinen, de roestige buizen die getuigden van het water dat ooit rijkelijk had gevloeid. Waarom hadden de priesters de kraan dichtgedraaid? Waarom lieten ze de stedelingen niet vrijelijk van de rijkdommen van de hima profiteren? Mu’s verbazing groeide langzaam naar ongeloof. Toen hij Lafaya hoorde hoesten, bloeide woede op, die woekerde door Mu’s gedachten. Hij liet zich in bed glijden, maar bleef wakker tot zonsopgang: de woede raasde door zijn bloed.

 

Toen hij na een korte slaap wakker werd, het liep al tegen de middag en de zon geselde de dikke leemmuren van de stad, had Mu zijn besluit genomen.

Hij pakte zijn beschermende plastic kleding bij elkaar, extra zakken, en zijn oogbeschermer. Hij keek uit over de stad vanaf het dak van zijn thuis. Majestueus stond de Eeuwige Tempel op de flank van de berg, het plastic ervan was het enige in de wijde omgeving dat glom. Beneden hem lag de doolhof van stegen en trappen, van binnenhoven en daken. Overal sliepen mensen tussen het stof, want op het heetst van de dag werd er niet gewerkt. De ouderen hadden zich binnen teruggetrokken, de luiken van hun duistere kamers waren gesloten.

Dit is de juiste tijd om te gaan, dacht Mu. Hij wierp nog een blik op de tempel. Het was afschuwelijk dat de priesters zoveel macht hadden, dat zij die macht misbruikten en Lafaya niet hielpen, terwijl zij dat met de natuurlijke rijkdom van de hima vermoedelijk wel konden. De tempel was ongenaakbaar, eeuwig. Mu wist dat hij de tempel niet kon bestormen. Hij kon het gevecht met de priesters niet aan. Om Lafaya te redden, had hij een ander plan bedacht.

Hij sloop weg uit het huis. Hij sloop door de ondiepe, doch zeer donkere schaduwen van de middag. Hij bereikte de poort van de stad zonder dat iemand hem tegenhield, vermoedelijk had niemand hem gezien. De stads­poort was gesloten. De poortwachters hadden zich achter luiken terug­getrokken om hun middagmaal te verteren in hun slaap, Mu hoorde hen ronken. De poort en de vergrendeling waren min of meer symbolisch. Behalve de ‘ze’ daarbuiten was er niemand, en ‘ze’ hadden nooit een rechtstreekse aanval op de stad ondernomen. Het kostte Mu daarom geen enkele moeite de grendel op te tillen en de poort te openen. Hij glipte tussen het droge, door zand gegeselde hout door, daarna liet hij de poort voorzichtig dichtvallen.

Hij stond buiten.

Hij rende naar het dichtstbijzijnde duin. Mu liet zich in het zand vallen. Gespannen keek hij over de blanke top naar de stad.

Niets. De stad lag erbij alsof de zon haar in een eeuwige slaap had gebracht.

Mu draaide zich op zijn rug. Hij hijgde. Het zweet stroomde over zijn gezicht. Toen hij weer bij adem kwam, kroop hij uit het zicht van de stad naar de schaarse schaduwen van een door watergebrek kromgetrokken braamstruik. De doorns konden hem beschermen tegen ‘ze’, hoopte hij. Hoewel hij wist dat zijn schuilplaats te dicht bij de stad was gelegen om veel last van ‘ze’ te hebben.

De kille nachtlucht wekte Mu. Hij wiste vocht van zijn gezicht, niet zeker of het zweet of dauw was. Het was donker, maar niet zo duister als Mu had gehoopt. In het licht van de maan zag hij voldoende van de omgeving om zich goed te kunnen oriënteren. Hij zag echter ook de omtrekken van de stad, waarop hij vermoedde dat wie naar de woestijn keek hem zou moeten zien staan in de maneschijn.

De stad leek nog steeds te slapen – of weer. Mu hoorde niets achter de poort, achter de luiken en de deuren. Er was zelfs geen briesje wind om de schaarse bladeren binnen de betegelde tuinen in beweging te brengen.

Mu rechtte zijn rug. Hij moest nu weggaan, voordat hij zich bedacht en omkeerde. Hij bedwong de neiging nog een keer achterom te kijken, naar de stad. Stap voor stap verwijderde hij zich van zijn geboorteplaats. Zijn voetafdrukken werden al snel door wind en zand weggevaagd, zodat er geen weg terug meer was, alleen de eindeloze woestijn.

Waar zijn ‘ze’? Dacht Mu. Hij wist niet of ‘ze’ ‘s nachts ook door de woestijn liepen. Hij spitste zijn oren om elk geluid op te vangen. Hij hoorde het wegschieten van een slang, het sissen van zandduivels, het ratelen van de scaraboa en de zang van een kaladris, het fluisteren van zefiers, zelfs ver, ver in de nacht het loeien van een eenzame karkadan, maar nergens het vreemde fluiten dat ‘ze’ eerder hadden laten horen.

De jongen sjokte door het mulle zand. Het ging niet snel, maar eerder dan hij had gedacht had hij de laatste torens van de stad achter zich gelaten. Hij kwam in het gebied waarvan hij had gehoord dat ‘ze’ er zouden moeten huizen, maar hij zag of hoorde er niet een. Op zijn hoede ging hij verder. Na verloop van tijd merkte hij dat ook de bergen die de hima verborgen achter de horizon waren verdwenen. De zon brandde inmiddels op zijn huid, zweet stroomde tappelings langs zijn lichaam. Met zand verzadigde kleding schuurde tot bloedens toe over zijn ledematen.

Op een vlakte bleef Mu stilstaan bij sporen van iets. Iets groots had met poten door het zand gesloft en daarbij een duidelijk spoor achtergelaten. In de luwte binnen een del, waar het zand nog vochtig was van de dauw, had de wind het spoor niet verwaaid. Mu voelde zijn hart sneller kloppen. Waren dit sporen van ‘ze’? Buiten het del vervaagden de sporen tot ze niet meer te zien waren in het rulle zand. ‘Ze’ waren nergens te zien, toch besloot Mu om zijn weg te vervolgen in de richting waar ‘ze’ vandaan waren gekomen. Hij hoopte dat hij zo minder kans had met ‘ze’ gecon­fronteerd te worden. Hoe verder hij zich van de sporen verwijder­de, des te geruster hij werd.

Hij wist dat hij water nodig had. De plastic flessen met het kostbare water, die hij had meegenomen, waren niet voldoende om door de woes­tenij te wandelen. Hij had al een fles leeggedronken en aan de wind geofferd. De tweede was al voor een derde deel leeg. Hoewel Mu voort­ploeterde, nam hij op de toppen van de duinen de tijd om de horizon af te speuren naar een bron van water en, naarmate de tijd verstreek, een plaats om veilig te slapen.

Een donkere plek in het zand bleek de schaduw van enkele bomen en struiken te zijn die eerder door luchtspiegelingen verborgen waren geweest. Mu sjokte erheen. Hij was sneller gaan lopen toen hij het lommer van de bomen zag. Hij beredeneerde dat waar planten waren, ook water was te vinden. Hijgend liet hij zich in de schaduwen vallen. Het was nog ruim voor zonsondergang, maar hij was uitgeput.

Niet in slaap vallen, dacht Mu, niet nu. Hij knipperde met zijn ogen en nam zijn oogbeschermer af. Zonder het bekraste plastic kon hij veel beter zien waar hij was. Hij zag de vruchten die aan de bomen hingen, de bessen aan de struiken. Tussen het gras zag hij een gemetseld bouwwerk: laag, bemost en oud.

Hij ging op zijn knieën zitten. Het bosje was niet groot genoeg om vijanden te verbergen, het was nauwelijks groot genoeg om aan een eenzame jongen beschutting te bieden. Toch vond hij het bouwwerk angstaanjagend: wie had het gebouwd? Waren ze nog in de buurt? Het waren in geen geval ‘ze’ die dit hadden gebouwd. Maar het was niet te zeggen of de bouwers Mu vijandig zouden zijn.

Hij dacht aan zijn missie. Hij dacht aan Lafaya. Hij stond op. De vruchten die zo uitnodigend voor zijn neus bungelden, plukte hij voorzichtig. Ze zagen er eetbaar uit, glanzend van het vocht op de roze huid. Hij rook eraan: ze waren zoet. Hij brak een van de vruchten met zijn handen open. Het sap gleed over zijn vingers in zijn handpalm, over zijn pols en onderarmen. Het smaakte zoet en zuur tegelijk. Hij at de vrucht die zijn honger stilde en zijn dorst leste terwijl hij zich afvroeg wat hij hiervoor moest offeren.

Daarna liep hij naar het bouwwerk.

Het was een ronde, gemetselde muur. Het metselwerk had een houten afdekking. In het hout zat een luik met metalen scharnieren. Het metaal was verroest tot een dikke klomp, het hout was vermolmd. Mu herkende het bouwwerk van zijn geschiedenislessen: dit was een put zoals zijn voorouders die hadden gebruikt. Lang geleden, toen ze nog door de woestenij hadden getrokken met hun vee, hadden ze dergelijke bronnen gebruikt om water te putten zonder dat er plastic geofferd hoefde te worden.

Mu trok aan het hout. Het versplinterde onder zijn vingers. Hij hoorde een roestklomp in water plonzen. Hij hoorde het water! Zijn hart bonsde als een bezetene. Water! Zo dichtbij, maar nog steeds onbereikbaar. Hij rukte de resten van het hout weg. De geur van fris, vers water walmde naar boven. Een aardewerken kan hing met zijn oor aan een ketting die met een haak aan de bovenrand van de put was bevestigd. Hoewel de ketting roestig was, deed hij zijn werk: moeiteloos putte Mu het frisse water dat in de diepten van de woestijn gekoeld was geweest. Hij leste zijn dorst door uit de kan te drinken.

Twijfel kwam bij hem boven drijven. Ik had die fles niet moeten offeren, dacht hij. Maar hoe had ik dan mijn dankbaarheid moeten tonen? Had ik dankbaarheid moeten tonen nu, achteraf gezien, mijn leven op het spel zou kunnen staan omdat ik slechts twee flessen heb om te vullen in plaats van drie? Hij voelde zich ongemakkelijk, waardoor hij opkeek naar de hemel, waar de zon genadeloos scheen. Wat zijn het eigenlijk voor goden, zo dacht hij grimmig, die Lafaya ziek maken en die de priesters hun hima laten houden terwijl de bevolking snakt naar de vruchten ervan? Hij spuwde het water op de grond. Hij had de goden niet nodig, hij had zijn eigen put, zijn eigen vruchten. Hij was op weg om zijn zuster beter te maken, iets wat de priesters met hun goden niet konden – of niet wilden.

Mu bleef een hele dag bij de put. Er was meer te eten dan hij op kon, er was meer te drinken dan hij nodig had, hij moest meermaals zijn riem verstellen. Hij waste zich meer dan eens en steeds had hij het gevoel dat met het stof ook iets van zijn verleden werd verwijderd, stoffige muize­nissen en muffe herinneringen, maar ook iets dat hij als onbezorgd­heid duidde, waardoor het doel van zijn tocht hem scherper, schoner voor ogen kwam te staan: de rijkdom waarmee hij de geneesmiddelen voor Lafaya zou kopen.

 

Op de ochtend na zijn tweede nacht bij de put ontdekte Mu dat zijn lievelingsvruchten, grote rode ballen met wit vruchtvlees en helder, geel sap, op waren. Er hing niet één vrucht meer aan de boom. Er was in het bosje slechts één boom die die vruchten droeg. Op – en niets geofferd voor het feestmaal dat de goden hem hadden geschonken. Nee, dacht hij, zo moet ik niet denken. Als ik de goden had gevolgd, was ik hier nooit gekomen. En hij besefte dat hij verder moest trekken, verder de woestijn in naar de bron van het plastic, waar het plastic vandaan kwam, waar het groeide en bloeide in hemelse hoeveelheden. Hij had er zoveel van nodig, dat de priesters hem alles moesten geven om Lafaya te genezen.

Laat in de middag ging hij op weg. De zon ging al onder, zodat het snel af zou koelen. De volle maan stond al aan de andere horizon, klaar om in de nacht Mu’s pad te verlichten. De duisternis viel snel in. Het fluweel van de nachthemel trok over de woestijn, maar wist de eenzame jongen niet te verwarmen.

In het prille ochtendlicht, vele fasoekh verder, zag Mu enkele gebouwen staan: hoekig leem met zwarte ogen. Er was echter geen leven te zien, de nederzetting leek verlaten. Mu liep voorzichtig het gehucht binnen. Door de ramen was steeds een lege kamer te zien. Bij veel gebouwen was het platte dak ingestort of geheel verdwenen. Keien vormden de oevers van een stoffig bevloeiingsstelsel, de velden lagen er dor bij. Hier en daar zag hij kralen van leem en stro, maar dieren waren evenmin te vinden als mensen.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Hadden ‘ze’ de bevolking op de vlucht gejaagd, of was er iets ergers gebeurd? Hij bleef plots staan, luisterend, spiedend. Iets ritselde. Hij hoorde het dichterbij komen. Er bewoog iets, hij zag het in zijn ooghoek. Toen hij zijn hoofd ernaar draaide, lachte hij: het was slechts een droog bosje gras dat door de wind gedreven door het dorp tuimelde.

Toen klonk een klap.

Onmiddellijk was Mu weer op zijn hoede. Was hij opnieuw door de wind geschrokken? Er klonk een stem, gevloek. Verderop was iemand. Mu besloot ondanks alles toch kennis te maken. Hij liep een smalle, beschaduwde straat door en over een brug die nutteloos de oevers van een droge rivierbedding verbond, in de richting van het geluid.

Een oude man zat op een stoel voor een lemen huis. De plastic gordijnen die de zwarte ogen blindeerden wapperden in de wind. Even dacht Mu door het geluid van het klapperende gordijn dat het een tempel was, de man in zijn gewaad met gevlochten stroken vinyl een priester, maar niets zag er gezegend uit.

‘Vrede zij met u!’ riep Mu de man toe.

De man keek verschrikt op. Langzaam kwam hij overeind van zijn stoel, zijn gewrichten kraakten net zo hard als het uitgedroogde hout van het zitmeubel. Zijn plastic gewaad knisperde in de droogte. ‘Vrede met u, vreemdeling,’ zei de man met schorre stem.

‘Kan ik hier rusten voordat ik mijn reis voortzet?’

De man aarzelde even. Zijn bloeddoorlopen ogen schoten heen en weer. ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik heb niet veel, maar u kunt rusten op het dak van mijn woning.’ Met een zwierige zwaai nodigde hij Mu uit het huis binnen te gaan.

Mu ging binnen. Een gat in het dak verlichte de woning, die op een haard en een stenen ligbank na, leeg was. Alleen in de voorgevel, aan weerszijden van de deur waren vensters gemaakt. Op de muur er tegen­over was een merkwaardige tekening gemaakt van vrouwen met volle borsten en bolle buiken rond een bloeiende plant, het geheel in donker­bruine vegen en lijnen, ingekleurd met oker. Een ladder leidde door het gat naar het dak. Mu klom omhoog. Hij bleef staan aan de top van de ladder om de omgeving in zich op te nemen. Het gehucht, een dozijn gebouwen, zo te zien boerderijen met stallen en kralen, lag te midden van akkerland. De bevloeiingskanalen waren duidelijk te zien, het was te zien dat het land geploegd was, maar er groeide niets. De akkers waren kaal en stoffig, iemand zou kunnen denken dat de boeren er stenen teelden. Aan de verste horizon lag een bergketen, misschien nog een half dozijn fasoekh verwijderd. Daar schitterden daken van een stad. Mu herkende het landschap uit de boeken van More Isha: dat was het Gelukkige Land. Het klonk hoopvol, wat zijn hart verlichtte. Daar zou beslist genoeg plastic zijn om Lafaya te genezen. Hij dacht zelfs een vlucht kleurig plastic te zien, die over de zandheuvels buitelde. Hij zette zijn hand tegen zijn voorhoofd om zijn smalle ogen van de zon af te schermen. Zijn voorhoofd was klam van het zweet, zodat hij besefte dat hij, nu de zon hoog in het zwerk stond, beter kon rusten om tegen de avond zijn tocht voort te zetten.

Hij ging zitten tegen de muur die het platte dak omgaf. Het gaf hem net voldoende schaduw om onderuit te zakken. De hete wind speelde plagerig met zijn rossige lokken en met zijn knerpende plastic bovenkleed. Hij voelde hoe moe hij was, waarop hij prompt indommelde.

Het was slechts een fluistering die Mu deed ontwaken. De jongen sloeg zijn ogen op, om in het gouden gezicht van een jonge vrouw te kijken. Haar blauwe haren dansten in de wind, haar bruine ogen schitterden als edelstenen achter haar lange wimpers. Haar mond was breed, met lippen gekleurd als tamarindebloesems, haar neus plat en breed. Ze droeg een lang gewaad van lichtblauw plasticfolie. Ze deed Mu denken aan zijn moeder; aan Lafaya ook, die zonder zijn hulp nooit zou opgroeien zoals de vrouw voor hem.

‘Wat is er?’

De jonge vrouw drukte een lange, gouden vinger tegen zijn lippen. ‘Sst.’ Ze keek om naar het gat in het dak, maar daar was niets te zien. ‘Abu Iram verbouwt bahromesh.’

Bahromesh! Het woord alleen al bezorgde Mu de koude rillingen. More Isha, zijn leraar die hij inmiddels wel miste, had er slechts omfloerst over durven spreken. Bahromesh, de beestplant die zich met bloed voedde. In het wild ving de beestplant kleine knaagdieren, verdwaalde geiten en schapen, diverse vogelsoorten, soms een karkadan. Kort dacht Mu aan een boer die de beestplant op zijn akkers had, maar hij huiverde toen hij wist waarom er, behalve de boer, geen sterveling meer in het dorp te vinden was.

‘De akkers zijn dor,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft je nodig voor de volgende oogst. Hij zou mij nemen, als hij wist van mijn bestaan.’

‘Ik moet hier weg,’ zei Mu. Hij keek zenuwachtig om zich heen. Toen maakte hij zijn riem los, een lange strook gevlochten plastic die om zijn middel was gewikkeld. Daarmee kon hij ongezien van het dak komen.

‘Ik ga met je mee,’ zei de jonge vrouw. Ze knoopte de vlecht aan een houten staak die misschien stevig genoeg was om Mu’s gewicht te torsen.

Juist toen Mu over het muurtje klom, hoorde hij slepende voetstappen in de kamer beneden zich. De oude man, dacht hij, de boer die mijn bloed wil hebben om zijn bahromesh te voeden! Hij liet zich snel naar beneden glijden.

Hij hoorde de jonge vrouw gillen. Blijkbaar was Abu Iram de ladder opgeklommen.

‘Dailha! Wat doe jij hier?’ zei de schorre stem van de oude man.

‘Laat me los!’ De jonge vrouw, die blijkbaar Dailha heette, sprak met trillende stem.

‘Je bent vruchtbaar. Ik heb je kinderen nodig om mijn akkers te bevruchten.’

‘Laat me gaan! Je bent gek!’

‘Je bent mijn dochter en ik beveel je ontvankelijk te zijn!’

Mu hoorde plasticfolie kraken en scheuren. Zijn hart klopte hem in de keel. Moest hij naar boven klimmen om Dailha te helpen? Zenuwachtig legde hij zijn handen op het korrelige, droge leem, op zoek naar een weg terug naar boven.

De jonge vrouw krijste. ‘Was het bloed van je zeventien vrouwen en je dertig dochters niet voldoende? Was het bloed van je zeventig zonen niet voldoende? Kijk dan. Kijk dan! De goden hebben je verlaten. De droge zaden van de bahromesh zijn verschrompeld in de hitte, hun bloemen zullen hier nooit meer bloeien, hun muilen nooit meer zuigen!’

Er klonk een klap. Een snik, huilen. Het kreukelen van plasticfolie.

‘Dailha! Spring!’ riep Mu wanhopig naar boven.

Ze sprong. Samen zetten ze het op een rennen, waarbij Mu werd gehin­derd door het ontbreken van zijn riem. Af en toe struikelend over de zoom van zijn gewaad, nu en dan rechtop geholpen door Dailha, legde hij enkele fasoekh af, tot de zinderende zon onderging en de nederzetting achter de heuvels was verdwenen. Mu liep daarna langzamer over de weg naar de verre bergen, Dailha naast hem. Ze had haar gouden lichaam gewikkeld in een laag pas geoogst roze plastic, die om haar heen wapperde in de aanwakkerende avondwind.

‘Zou hij ons achterna komen?’ vroeg Mu toen ze even rustten.

‘Die ouwe? Nee. Abu Iram kwam nooit buiten het dorp. Ook niet toen hij alle inwoners had gevoerd aan de bahromesh.’ Ze nam een slok water uit een van Mu’s flessen. ‘Weet je, hij lijkt zelf een bahromesh, met zijn wortels vastgegroeid in de droge grond van ons dorp. Hij weet dat hij het niet kan overleven, maar hij handelt evenmin om wel in leven te blijven.’ Ze richtte haar bruine ogen op Mu. ‘Ik wil wel blijven leven. Ik wil dat jij blijft leven. Ik zocht hier gezelschap, maar vond slechts de barre velden met hun bloedige wortels. Maar nu ook jou.’ Haar lippen dwarrelden als tamarindebloesems op die van Mu, hun tedere ontmoeting smaakte zoet, zo zoet…

Ze kwamen even later bij een tweetal stenen, die dicht tegen elkaar aan stonden, zoals zij eerder teder en verlegen tegen elkaar hadden gestaan. Er stonden sierlijk slingerende tekens op. Mu las deze oude tekst, die hier en daar door zandstormen was weggevaagd. ‘Het Gelukkige Land,’ las hij hardop. Eronder stond een pijl die in de richting van de bergen wees.

‘Het is niet ver meer,’ zei Dailha.

Mu hield zijn hoofd schuin en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Ik ben hier met mijn moeder geweest, toen we wegvluchtten van Abu Iram. En ik ben hier geweest toen ik terugkeerde om wraak te nemen en gezelschap te zoeken.’

‘Heb je wraak genomen?’

Ze schudde haar hoofd, haar blauwe haar danste in de wind, glansde in de zon. ‘Dat heeft geen zin,’ zei ze zacht. ‘Hij zal in alle eenzaamheid een pijnlijke, langzame hongerdood sterven.’ Ze knielde op het pad. Uit een plooi van haar gewaad haalde ze een dorre knol van een plant die Mu niet herkende. Ze groef een kuiltje tussen de voetstappen die ze hadden achtergelaten op de weg naar het dorp van Abu Iram. Toen pakte ze de waterfles die ze droeg. Voorzichtig liet ze enkele druppels water op de knol vallen. Daarna stapte ze achteruit.

De knol zwol op als gries. De droge, fluweelachtige bladeren zogen zich vol met water en ontvouwden zich naar het licht. De dunne wortelen kronkelden de zanderige bodem in, als bange slangen. Uit het puntje van de knol ontsproot een groene stengel met een scherpe, spitse top, hongerig naar voedselstoffen in de lucht. Mu sloeg het geheel verbaasd gade. More Isha had op school natuurlijk wel gesproken over de landbouwgewassen, maar het was iets heel anders het te ervaren.

‘Achteruit, Mu.’ Dailha trok aan zijn mouw.

Mu deed twee stappen terug, nog steeds starend naar de plant die nu een okergele vacht en zwarte klauwen ontwikkelde. De spitse punt aan de stengel werd een muil met scherpe tanden. Een bahromesh, dacht hij, ze heeft de weg naar haar dorp geblokkeerd met een bahromesh! De snuit draaide zich naar het tweetal, het dichtstbijzijnde bloed dat de beestplant kon ruiken. Mu draaide zich om en rende in een stofwolk weg, gevolgd door Dailha.

 

Ze liepen onder het schijnsel van de maan door, over een pad dat slechts met enkele opgerichte stenen werd aangegeven. De bergen van het Gelukkige Land bleven echter aan de horizon staan, ze kwamen niet dichterbij, zelfs niet toen de zon opkwam en een lint van opgerichte stenen voor het tweetal uit meanderde. Wel was in het zonlicht te zien hoe hier ooit mensen hadden gewoond. Grondvesten van gebouwen, boer­de­rijen, stallen, woonhuizen, hele nederzettingsresten lagen bloot in het zand. De omtrekken van akkers en weiden waren duidelijk te zien. Oude wadi’s hadden een grillig patroon in de bodem uitgesleten, waarlangs de laatste vegetatie was verdord. De wind fluisterde knerpend door het droge riet, een grijze, bladerloze boom kreunde op de bries, het vale gebeente van mens en dier lag nog altijd smachtend langs de oever. Slechts stofduivels dansten over de paden waarvan wervelwinden de loop bepaalden.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Sinds hij Abu Iram had horen tieren, was hij er niet meer zo zeker van. De boer die zijn zeventien vrouwen en zijn volwassen dochters onophoudelijk bezwangerde om zijn eigen zonen te kunnen offeren aan de beestplant, had diens eigen dorp te gronde gericht, vermoedde Mu aan de hand van wat Dailha hem onderweg had verteld. Daar hadden de goden niets mee te maken, ‘ze’ evenmin. Grimmig herinnerde Mu zich de priesters die de hima voor zichzelf hielden en de mensen nooddruftig lieten. Waren ze zoveel beter dan Abu Iram?

Het heetst van de dag was al voorbij toen Mu het doel van zijn lange reis zag. Vruchtbare velden vol plastic lagen voor hem, gedrapeerd over glooiende heuvels. Het had alle kleuren en alle formaten, alles groeide door elkaar. Hij zag flessen, zeilen en zakken, hardplastic dat zelden aan kwam waaien in zijn stadsvallei, hij zag linten, slierten en folies, alles klapperend en wapperend in de warme woestijnwind. Hij had zakken nodig om het mee te voeren, flessen om water in te doen voor de terugtocht. Hij kon nieuwe kleding gebruiken. Hij wist echter niet waar hij moest beginnen in de weelde en rijkdom van het Gelukkige Land.

‘Wat kijk je nou naar die vuilnisbelt?’ Dailha stond al een stukje verder op de weg naar de stad die nu duidelijk op de berghelling te zien was. Zelfs de hangende tuinen met hun wuivende palmen en klaterende watervallen waren te onderscheiden. ‘Kom op, dan zijn we voor zons­onder­gang binnen.’

Mu keek hoe een stuk plastic zich van de akker losmaakte en door de wind werd meegenomen, de woestijn in. Misschien zou het in zijn doorn­struik blijven hangen, misschien zou Ameth het plastic weten te vangen. Vuilnisbelt? dacht hij. Ze weten hier niet wat ze weggooien. Tegelijkertijd besefte hij dat wanneer dit afval was, er verderop veel meer plastic moest zijn.

Ze liepen tussen de velden met plastic door.

‘Ze noemen het de Eeuwige Velden,’ zei Dailha, ‘want het plastic is eeuwig. Het vergaat niet.’

‘Mijn volk heeft er een schitterende tempel van gebouwd, de Eeuwige Tempel.’ Terwijl hij het zei, voelde Mu een verschrikkelijk verlangen naar zijn eigen huis, naar zijn familie en vrienden. Het kostte hem moeite de volgende stap te zetten, weer een stap verder van huis. Juist nu het doel in zicht was, voelden zijn voeten als lood.

Mu hoorde het gefluit het eerst. Hij wist dat hij het eerder had gehoord, maar kon het niet onmiddellijk thuisbrengen. Het klonk als het fluiten van de wind door… door een geraamte. Hij zag het weer voor zich, het skelet van plastic onder de golvende vleugels, de breedvoetige poten die door het zand stapten. ‘Dat zijn ‘ze’,’ riep hij Dailha toe. Angstig keek hij om zich heen: er was geen plaats waar ze zich konden verschuilen tegen ‘ze’. Hij zag wel hoe een van de wezens traag door het veld kwam lopen, het grote, open lichaam wiegend in de wind, de gezichtsloze kop zoekend naar lucht.

‘Ren voor je leven!’ Mu voegde de daad bij het woord. Zijn met plastic omwikkelde voeten lieten een stofwolk achter toen hij naar de stad in de bergen draafde. Hij stopte abrupt toen hij merkte dat Dailha hem niet volgde.

Dailha kuchte. ‘Hij is bang voor uw vee, Melichat,’ riep ze.

Melichat, een oudere vrouw, sjokte achter het windbeest aan, dat een slede gevuld met plastic door het mulle zand trok. ‘Dat zal wel bijtrekken, Dailha-liefje.’ Ze keek naar Mu, waarbij zij haar door wind en zand ge­teken­de gezicht naar hem keerde. Haar ogen waren even bruin en schit­terend als die van Dailha. Haar grijze haren krulden als zijderag onder haar plastic sluier uit.

Mu keek naar de twee vrouwen. Hij zag hun gelijkenis. Melichat moest Dailha’s moeder zijn.

De oudere vrouw nam de jongere liefdevol in haar armen. Ze glimlachte naar Mu. ‘Je hebt mijn dochter geraakt. Ze straalt helemaal, als de zonne­godin, moge zij ons zegenen. Laten we naar mijn huis gaan.’

Het huis was niet veel meer dan enkele staken, bedekt door zwart land­bouwplastic. Doorzichtig plastic vormde de ramen. Van binnen waren de wanden gemaakt van allerlei kleuren plastic, vastgeknoopt aan het staketsel dat het huis overeind hield. De weinige meubelen waren op dezelfde manier gemaakt.

Voor Mu door de deur binnenging, bekeek hij het erf. Overblijfselen van eerdere bebouwing, van leem en baksteen staken hier en daar boven het zand uit. Ook hier is een dorp verwoest, dacht hij. Hij vroeg zich af hoe de stad er binnen de muren uit zou zien, of Melichat en Dailha al eens in de stad waren geweest. Hij wierp een laatste blik op de stad, op zijn tuinen en torens, op de muren en ramen, op de tempels en paleizen, waarvan de daken en torenspitsen volgens More Isha bekleed waren met goud en de muren met kostbare plastic mozaïeken, gemaakt van edelstenen, waren ingelegd.

‘Mijn familie woont hier al sinds mensenheugenis,’ zei Melichat. ‘Toen de opstand tegen de priesters begon, trokken de meesten van ons naar de hima. Daar hebben ze de stad gesticht, het Gelukkige Land. Ik bleef hier, ik leefde van wat de enige overgebleven priester nog uit de hima wist te halen.’

Mu’s mond viel open. ‘De stad is in een hima gebouwd? En de goden dan?’

Melichat haalde haar schouders op. Ze grimaste weemoedig. ‘Binnen tien jaar was er niets meer van de hima over. De bossen waren gekapt, het water verspild en vervuild, de akkers onvruchtbaar. De goden waren eerder al gevlucht, met de priesters mee.’

Net goed, dacht Mu. Als het van die inhalige schrapers waren als de priesters uit de vallei, dan was het terecht dat het volk in opstand was gekomen. De vruchten van de hima voor zichzelf houden, hoe konden ze! Kleine meisjes laten lijden door geneesmiddelen achter te houden! Hij sloeg met zijn vuist op zijn knie. Wanneer hij terug zou keren naar de vallei, een dezer dagen, zou hij het verhaal over de opstand met zich meenemen. Misschien lukte het hem zelf een opstand uit te roepen…

‘Ga wat rusten.’ Melichat stond op. Ze wees Mu en Dailha een rustplaats achter een bont gordijn. Zelf liep ze met een stoel en een vlechtwerk naar buiten, waar ze in de schaduw ging zitten, kennelijk om verder te gaan met haar handarbeid.

 

De dag erna trokken Mu en Dailha weer de woestijn in, worstelend met de wind die de twijfel in Mu’s gedachten fluisterde. Had hij er goed aan gedaan de raad van Melichat op te volgen en de hima van het Gelukkige Land te mijden, of waren de kansen op Lafaya’s genezing daarmee verkeken?

Onderweg hadden ze plastic weten te oogsten, soms na een korte jacht. Dailha hielp hem de kostbaarheden sjouwen. ‘Mijn bruidsschat,’ zei ze.

‘Weet je zeker dat je mee wilt gaan?’

‘Ik wil graag in je stad wonen.’ Haar ogen schitterden als vochtig folie. ‘Moeder is de eenzaamheid gewend. Ik verlang naar gezelschap. Ik wil graag je moeder ontmoeten, je zusje. Je vrienden en de priesters waar je van sprak. Ik wil zien dat er meer is dan de barre akkers van mijn vader en de slome kudde van mijn moeder. Ik wil de wind een ander lied horen zingen.’

Zo naderden ze het bosje waar Mu eerder al gebivakkeerd had. Dailha was nieuwsgierig naar die kleine hima, naar de vruchtbaarheid ervan. Ze rende vooruit, maar stond prompt stil aan de rand van de begroeiing.

‘Wat heb je gedaan?’ Dailha liet haar tranen de vrije loop toen ze de bosjes rond de oude put zag. ‘Geen vruchten meer aan de bomen, de put is verzand… waar moeten we nu van overleven?’ Ze rook de bittere geur van de dood.

‘Het is geen echte hima,’ verdedigde Mu zich. ‘Er staan geen grens­stenen omheen.’

Dailha’s ogen fonkelden vervaarlijk. ‘Daarom heeft ons volk priesters nodig, Mu! Om de landbouw, de veeteelt, de visserij en de jacht te beschermen, om te zorgen dat we niet alles opvreten, doden, kapotmaken en vervuilen wat ons voor de voeten komt! Priesters zorgen dat de hima heilig blijft, zodat onze kinderen ook nog gezegend kunnen leven. Snap dat toch, in plaats van te janken dat ze alles voor zichzelf houden! Kijk wat hier is gebeurd omdat jij alles voor jezelf wilde houden en niet aan de toekomstige bezoekers dacht!’ Ze wendde zich af van Mu en beende naar de rand van het verwoeste bosje, waar de woestijn al knaagde aan de restanten ervan. De tranen stroomden over haar wangen. Aan haar voeten ontvouwden zich fluweelachtige bladeren naar het licht van de zon.

‘Maar met het plastic van het Gelukkige Land moeten de priesters mij wel geven waar ik om vraag, Dailha! Ik zal een rijk man zijn. Ik zal mijn zusje kunnen genezen!

Dailha keerde haar hoofd naar hem. ‘Mu, begrijp je het echt niet? Er is niet voldoende voedsel in de hima om jou alles te geven waar je om vraagt. Als je teveel vraagt, zelfs als je het kunt betalen, is de stad binnen­kort de hongerdood gestorven. Zo is het bij ons gegaan, zo is het hier gegaan, zo zal het bij jullie gaan.’

‘Onzin. Jullie zijn rijk, jullie hebben plastic. Ik zag de plastic palmen wuiven in de hangende tuinen, de koepels van goudkleurig plastic schit­teren in het zonlicht. Welvaart, dat is wat mijn zusje zal kunnen genezen. Niet die stomme offers aan goden die toch niet willen luisteren.’

‘Plastic kun je niet eten, Mu,’ snikte Dailha. Achter haar rees een lange stengel met een spitse punt op. Het zand ritselde alsof er slangen in schuil gingen. ‘De goden hebben genoeg voedsel voor ons allemaal, maar niet als we het verspillen en er veronachtzaamd mee om gaan. Kijk dan hoe je deze plaats hebt bedorven, er zal nooit meer wat groeien. Alleen wat jij ‘ze’ noemt zal hier kunnen leven, omdat ‘ze’ alleen de wind nodig hebben om eeuwig voort te gaan.’

‘Je liegt, er groeit zelfs een nieuwe plant achter je. De woestijn is vruchtbaar voor plastic en- ‘Bahromesh!’ Dailha’s tranen hadden een bahromesh­knol doen ontbotten. Mu snelde naar haar toe, maar het was te laat: de zwarte klauwen trokken de jonge vrouw naar de kleverige vacht, de spitse snuit dolf zijn scherpe tanden in haar hart. Ze trok met haar spieren, een laatste stuiptrekking voor ze lijkbleek en bloedeloos stierf.

‘Dailha!’ jammerde Mu. Hij had de tegenwoordigheid van geest om een paar stappen achteruit te doen, zodat de bahromesh, die door het verse bloed snel groeide, hem niet kon vangen. Het is mijn schuld, dacht Mu, alles wat ik tegenkom maak ik kapot.

Ontgoocheld verliet hij het bosje verdorde bomen met de gevaarlijke beestplant.

 

Mu naderde de stad in de vallei. De woontorens doemden op aan de hori­zon als hoekige klippen tegen het gebergte, daartussen rees de ranke toren van de Eeuwige Tempel op met de hem zo bekende weervaan. Hij was ontroerd zijn geboorteplaats terug te zien, zodat hij zweeg bij de nadering. Het was niet stil in de woestijn, want het zand ritselde en ruiste, de wind floot langs rotsen en stenen. De kreet vanuit de stad was echter duidelijk te horen, hoewel de woorden in de afstand verloren gingen. Hoewel het tegen het middaguur liep en de wacht aan zijn namaalsslaap moest zijn begonnen, leek de stad tot leven te komen. Er klonk meer geluid in de vallei. De stadspoort werd geopend. Hier en daar keek iemand slaperig maar nieuwsgierig uit een raam waarvan het luik in de wind klapperde.

‘Mu is teruggekeerd!’ weergalmde het door de vallei.

Drie personen kwamen vanuit de stadspoort Mu tegemoet. De eerste was aan zijn purperen plastic gewaad te herkennen als een van de priesters van de Eeuwige Tempel. De tweede was een vrouw met een golvend groen gewaad over haar donkere huid. Mu herkende haar onmiddellijk: het was zijn moeder. Hij slikte zwaar. Ze hadden nooit afscheid genomen en hij had gefaald in zijn queeste, hoe zij hem vergeven? De derde persoon was veel kleiner, met een rank lichaam en een bleke huid onder een gebloemde jurk. De groene ogen keken vrolijk de wereld in. Het was een kind, een meisje. Het duurde even, ze waren inmiddels tot op enkele stappen afstand genaderd, toen Mu zijn zusje Lafaya herkende.

Hij vloog op haar af, naam haar in zijn armen, tilde haar op en bedolf haar gezichtje onder kussen. Ze gilde van pret. ‘Je bent beter!’ riep hij, ‘Je bent genezen!’

‘Het heeft de goden behaagd je pelgrimstocht te belonen, Mu,’ sprak de priester. ‘Haar welzijn verslechterde na je vertrek, zoveel verdriet had ze door je afwezigheid. Haar reis naar de hima werd al voorbereid. Maar zie wat de afgelopen etmalen hebben bewerkstelligd: ze is verder van de dood dan ooit tevoren. Alsof de wind uit het Gelukkige Land haar nieuw leven heeft gegeven.’

Mu voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen. Geluk, deemoed, spijt, opluchting: zijn gevoelens vochten om erkenning. Zijn moeder omhelsde hem en haar dochter, die hij nog steeds in zijn armen hield. Uiteindelijk kreeg hij de gelegenheid om zich te uitten: ‘Ik wil priester worden, voor het welzijn van ons volk.’

De wind ging liggen, alsof hij voor Mu’s besluit knielde.

Iets over slapende draken en wekken : Sander de Leeuw

Zodra een dikke rode draak neerstreek op het belastingkantoor in Steilburg, kwam er pardoes een eind aan mijn vrije dag.

Met onmeetbaar veel tegenzin stapte ik de bedrijfswagen uit. Ik balanceerde op mijn hakken en vroeg me voor de zoveelste keer af waarom ik met mijn functie zo kwetsbaar gekleed op een zwaar bepantserd vuurspuwend monster af moest stappen. Zwart mantelpakje en panty.

‘Nylon smelt voordat de vlam er tegenaan komt,’ zei ik op mijn eerste dag tegen de baas. ‘Weet je dat?’

Hij keek me aan met een immense grijns. ‘Schattebout, als een draak vuur naar je spuwt, ben je sowieso al dood voor de vlammen over je heen komen. Wat je ook draagt.’

‘Een brandwerend pak was fijn geweest,’ mompelde ik toen.

‘Dan sterf je net iets langzamer,’ zei hij toen. ‘Geloof me, bepantsering werkt niet tegen draken. Je look is strak en professioneel. Bovendien willen we niet de verkeerde indruk wekken bij de draken. Je weet wat Sylvana Plasmans van de Progressieve Drakenvrede zegt.’

‘Benader ze als vriend en wees open,’ citeerde ik.

Als ik Sylvana Plasmans van de Progressieve Drakenvrede ooit in mijn handen krijg, trek ik al haar haren uit haar kop. Eén voor één. Langzaam.

Het blokvormige belastingkantoor was door de politie al afgezet met hun befaamde zwart-gele linten. Alle parkeerplaatsen om het gebouw heen – en waarschijnlijk ook alle straten in een straal van twintig kilometer – waren leger dan op een zondag.

De draak in kwestie lag opgerold op het dak. Zijn schubben glommen in het zonlicht. Zwarte rook kringelde uit zijn neusgaten. Zijn staart bungelde over de rand van het dak en tikte zo nu en dan tegen de stenen muur of kraste over glazen ramen.

Naast vlammen bezat een draak zat andere manieren om me om zeep te helpen. Hij kon me pletten, opeten, aan zijn staart rijgen, wegblazen met zijn vleugels en doormidden slaan met zijn klauwen. Of een combinatie van het voorgaande. En dan vroegen mensen me altijd waarom ik niet trots was op mijn oh zo super zeldzame gave van drakenspreker.

‘U bent de drakenspreker?’ Aan de andere kant van het lint verscheen een oudere politieagent. Met zijn twee meter torende hij boven me uit en keek op me neer als een havik, maar dan wel één met een dikke harige snor die in deze moderne tijd echt niet meer door de beugel kon.

‘Ja, dat ben ik,’ antwoordde ik op de retorische vraag. Ik droeg immers een goudkleurig insigne van een draak die zich om een toren heen kronkelde. ‘Uw geheel vrijwillige drakenspreker,’ flapte ik er achteraan met een enorme steek sarcasme.

‘Juist,’ zei de agent. ‘Heeft u toevallig uw belastingaangifte al terug voor dit jaar?’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nope. Die is nog in behandeling.’

‘Zorg dan maar gauw dat die draak daar weer verder vliegt,’ zei hij norser dan hij bedoelde. (Althans dat hoop ik.)

Ik keek nogmaals naar de draak. Zijn gesnurk klonk als naderende donder. Mijn darmen kronkelden.

Vroeger verafgoodden mensen de draken waar ze de wereld mee deelden. Ze werden gezien als natuurkrachten, beschermers of zelfs goden en scheppers … en nog vaker als verwoesters.

Tegenwoordig vond men ze voornamelijk irritant. Ze vlogen flat­gebouwen omver, botsten tegen vliegtuigen aan en niesten complete achter­tuinen – soms inclusief hondenhok – de vergetelheid in. Vorige week nog liet een draak zijn ontlasting neerdalen op de auto van de minister president. Niet iedereen gelooft dat dat onbedoeld was.

Zoals met bijna alle problemen, besloten de mensen het met geweld op te lossen. Vlak voor mijn geboorte vond een militaire campagne plaats om alle draken uit te roeien. Duidelijk zonder succes. Toen sprongen er ineens idioten als Sylvana Plasmans op het podium en begonnen dingen te roepen als: ‘draken hebben ook gevoelens!’

Uiteindelijk besloten de wereldleiders maar om alle drakensprekers te ronselen of ze het nou wilden of niet. Het ene moment volgde ik een opleiding pedagogiek en had ik een heel toekomstplan. (Ik had tot in de puntjes uitgestippeld wanneer ik klaar zou zijn met mijn studie, een baan zou vinden, zou trouwen en kinderen krijgen.) Het andere moment moest ik vriendelijk aan draken vragen of ze ergens buiten de stad wilden bivakkeren. Bedankt Sylvana! Geen vent op de wereld die meer dan een nachtje met een drakenspreker door wil brengen.

Ik navigeerde door het lege gebouw. Enkel het getik van mijn hakken op de vloer en het steeds luider wordende geronk van het monster hielden me gezelschap. Links en rechts zag ik bureaus en vergader­kamers waar de papieren op tafel en op de grond lagen. Laptops stonden onbeheerd en ongelockt. Iemand had tijdens zijn vlucht een kop koffie laten vallen.

Toen ik langs de ramen op de derde etage liep, zag ik zijn staart voorbij zwiepen.

Als ik nou gewoon terugging en via het riool vluchtte … Ieuw nee, daar zaten vast ratten.

Ik slikte en haalde nog één keer heel diep adem voordat ik het dak betrad.

De draak lag voor me. Snurkend. Rokend. Het beest was écht immens. En hij viel stil. Draken vielen nooit stil voordat je ze wakker maakte. Dit klopte niet. Kak!

De ogen van het monster schoten open. Ik zag mijn eigen afgrijzen weerspiegeld in zijn goudkleurige, reptielachtige kijkers. De hoeken van zijn muil trokken omhoog en ontblootte rijen aan gele, puntige tanden.

‘Goedemorgen edele draak, mijn naam is Ta …’

De lange nek van de draak kromde omhoog als die van een zwaan. Hij keek op me neer. Ik voelde zijn hete adem op mijn huid neerdalen.

‘Eindelijk. Dat duurde lang. Ik dacht dat je nooit zou komen!’ bulderde de draak.

Zijn klauw flitste op me af.

Ik gilde.

Nee! Ik wilde niet in twee stukken eindigen.

Ik sprong snel opzij.

Niet snel genoeg.

De klauw sloot om mijn middenrif; hij voelde ruw en strak. Voordat ik het wist, kwamen mijn voeten los van de grond. De draak grijnsde naar me – hij gríjnsde. Ik wist niet eens dat draken dat konden. Mijn benen trappelden nutteloos in het rond. Met een oorverdovend kabaal sloeg de draak zijn vleugels uit. Wind geselde het gebouw.

‘Laat me los! Ik ben geen prinses. Verre van,’ riep ik. Met mijn handen probeerde ik zijn klauwen  van me weg te duwen, maar ze waren onver­murw­baar als steen. Ik schaafde mijn handpalmen aan de ruwe schubben.

De draak zette zich af. Mijn haren dansten wild voor mijn gezicht. Ik wist niet zeker of ik nou houvast wilde zoeken of dat ik me van hem los wilde wurmen.

Onder me zag ik mijn schoenen naar beneden vallen. Terug naar Steilburg dat snel kleiner werd.

 

*

 

Een kleine eeuwigheid later liet de draak me vallen op een ondergrond van zand en steen. Mijn haar piekte alle kanten op, mijn make-up was uitgelopen, er zat een enorme ladder in mijn panty en mijn hele lichaam trilde.

Dat ik me daar zorgen over maakte, betekende tenminste dat ik nog leefde.

Zodra ik wat meer tot rust kwam, zag ik dat ik te midden van een immense woestenij stond. Zo ver ik keek, zag ik zwartgeblakerde rotsen en zand zonder enige vegetatie. As sneeuwde vanuit de lucht. In de verte rees het geraamte op van een lang verlaten stad.

Aan mijn rechterkant lag een enorm ravijn. Alsof een draak ter grootte van een berg met zijn klauwen een enorme scheur in de aardkorst had getrokken. Onbeholpen staarde ik in het oneindige zwart. Mijn maag kromp ineen.

Waar zat ik in hemelsnaam?

Met een knal landde de rotdraak vlak naast me. Ik verloor mijn balans en lag meteen weer op mijn achterste.

Ik haalde een borstel uit mijn tas en deed een hopeloze poging mijn haar weer fatsoenlijk te krijgen. Dat lukte niet, maar ik stuitte wel op een zeldzaam sprankeltje vechtlust.

‘Wat bezielt jou in hemelsnaam! Zo behandel je mensen niet. Dit is onfatsoenlijk!’

De draak brieste. Daarbij waaide hete lucht over me heen en schoten er sintels uit zijn neusgaten.

‘Maar zo erg vind ik het nou ook weer niet hoor,’ zeg ik snel. ‘Ik uhm … hou wel van een avontuurtje op zijn tijd.’

‘Bla-bla-bla,’ bulderde de draak. ‘Daar ga je weer. Vroeger brachten sjamanen tenminste nog offers. Tegenwoordig kramen jullie alleen nog maar onzin uit. En jullie dragen belachelijke kleding. Wat is er mis met de gewaden uit die goede ouwe tijd?’

‘Ehm, we noemen onszelf geen sjamanen meer. We zijn nu draken­sprekers en we praten met jullie omdat …’

‘BLA! Je klinkt net als die ene irritante persoon – iets met jullie slangachtige letter – die ene die continu praat over hoe draken behandeld moeten worden maar nooit heeft gevraagd wat wíj nu eigenlijk willen,’ zei de draak.

Vergeleek hij me nou zojuist met Sylvana?

Dit moest wel een nachtmerrie of iets dergelijks zijn. Of ik had weer bedorven appelsap op.

‘Goed, jij bent hier voor een reden,’ zei de draak. ‘Darzuh is honderd jaar te vroeg ontwaakt en heeft een rothumeur.’

Dat klonk bekend. ‘Bedoel je de verwoester van Alíra?’

‘Ja. En de verslinder van de tellipiürs, de Doem van Nemmer, de Schaduw des doods, de terreur van …’

‘Ja, oké. Ik snap het,’ zei ik. Op school en in de bieb stonden er zat boeken over Darzuh. Hij had zelfs een pagina op Wikipedia. Dat ding was millennia oud en als de draak alles op wilde noemen, zaten we hier nog wel even. ‘Was hij niet dood?’

De draak keek me met een vlakke blik aan. ‘Misschien had ik mijn sjamaan beter uit moeten kiezen. Jij weet duidelijk niets. Zo nu en dan vallen oudere draken wel eens in slaap voor duizend jaar. Darzuh heeft nog een eeuw te gaan en jij overtuigt hem om die honderd jaar uit te slapen.’

Ik voelde alle kleur uit mijn lichaam trekken. Verstond ik dat goed? Praten met de dodelijkste draak ooit? Mooi niet.

‘Zoek maar een ander. Of nog beter; doe het zelf. Waarschijnlijk luistert hij beter naar een andere draak,’ zei ik.

Er ging een trilling door de aarde. Een gitzwarte rookpilaar steeg op vanuit het ravijn. Dik. Walmend. Meurend naar zwavel.

De draak lachte; wat klonk als een vulkaan die zijn keel schraapte vlak voor een uitbarsting. De schaterlach bracht dan ook meerdere sintels met zich mee die op de grond uitdoofden. ‘Darzuh kent maar twee soorten wezens; zichzelf en zijn slachtoffers.’

‘Geweldig,’ zei ik

‘Blij dat je zo enthousiast bent. Als je vrijwillig met mij kwam praten, doe je dat ook maar met Darzuh. Als je weigert, eet ik je op, als je faalt, eet Darzuh iedereen op en als je slaagt overleef je het heel misschien. Tijd voor je gewaad. Hij moet je natuurlijk wel herkennen als een sjamaan. Ben je een jongen of meisje?’

Ik zat daar gewoon verstijfd op de grond. Toen de regering mij als drakenspreker rekruteerde, zei iedereen heel hoopvol; je praat zo graag, dus dat gaat je lukken. Dit is niet het soort praten dat ik graag deed. Waarom zat ík hier?

‘Jongen of meisje?’ herhaalde de draak.

Eigenlijk dacht ik iets in de trend van: kun je dat niet zien, rotbeest. Ik antwoordde met trillende stem; ‘meisje.’

‘Zo lastig te zien bij jullie.’ De draak wees met zijn staart richting een met as bedekte kist die ik eerder nog voor een steen aanzag. ‘Die moet je hebben.’

‘Maar …’

‘BLA! Doe gewoon wat je gezegd wordt en doe het nú,’ bulderde de draak.

Met een zucht opende ik de kist en haalde er een flinterdun, wit jurkachtig gewaad uit. Ik wist niet zeker of dit nou daadwerkelijk een sjamanengewaad of een offerjurk was. Onderin de kist lag een hoofdtooi met namaak pauwenveren. Ik kreeg langzaamaan het vermoeden dat het uit een carnavalswinkel kwam.

‘Hup. Omkleden,’ zei de draak. Zijn kop hing vlak achter me en zijn adem prikkelde mijn nek.

‘Als jij dan even de andere kant op kijkt …’ Ik hoorde de irritatie in mijn eigen stem.

‘Waarom? Ik val niet eens op veredelde apen. Goed dan. Maar schiet op. Voordat Darzuh ons allebei op komt eten,’ zei de draak. Hij draaide zijn kop weg.

‘Bla,’ mompelde ik, terwijl ik me langzaam omkleedde.

‘Wat zei je daar?’ De stem van de draak klonk als een naderende donder­storm.

‘Niks.’ Ik worstelde een beetje om de belachelijke tooi vast op mijn hoofd te krijgen.

Het goedkope verkleedkostuum zat voor geen meter. Veel te strak rond de taille, maar te breed bij de schouders. Tot slot eindigde de jurk bij mijn knieën terwijl het authentieke historische gewaad toch echt tot aan de grond kwam. Nog niet te spreken over de tooi die continu scheef stond en de helft van de veren hing slap.

En Darzuh moest me aanzien voor een sjamaan van vroeger? Dat kwam dus écht niet goed.

‘Ik zie er belachelijk uit.’ Ik vouwde mijn armen over elkaar en leunde tegen de steen naast de kist. Misschien vond Darzuh me te grappig om op te eten. Misschien. Hopelijk …

‘Ha. Dan had je jezelf daarnet eens moeten zien. Ga daar naar beneden.’ De draak wees met zijn staart naar een dun, kartelig pad dat langs de klifwanden naar beneden liep. ‘Denk eraan, overtuig Darzuh om weer terug in slaap te gaan. Als hij de 1000 jaar afmaakt, is hij vast minder humeurig.’

‘Hoe overtuig ik hem?’ Nog belangrijker; hoe overtuigde ik mezelf om die helse afgrond in te gaan?

‘Geen idee. Bedenk maar iets. Er ligt ook nog een fakkel in die kist. Die ga je daar beneden nodig hebben,’ zei de draak. ‘Succes. Mogen de vlammen van de Gouden Draak je pad verlichten enzo.’

Ik slikte en daalde af. Op weg naar de diepte.

 

*

 

Met alleen het licht van een fakkel die een oranje gloed op de kartelige, roetzwarte rotswand wierp, daalde ik af naar de bodem van het ravijn. Het looppad was amper een meter breed. Steentjes braken af naast mijn voet en tuimelden de diepte in.

Met elke stap zag ik mijn voeten donkerder en donkerder worden. In al deze oneindige duisternis zag ik nog niets dat maar enigszins op een einde leek. Of een draak. Ik rook hem echter wel; zijn penetrante beest­achtige geur, doorspekt met zwavel.

Op een gegeven moment kwam ik een oude gevechtshelikopter tegen. Het legervoertuig zat voor de helft in de rotswand geperst. Er stond met roodgeverfde letters; ‘de draken zullen branden’ op. Een relikwie van operatie Drakendoder. De draken stonden inderdaad in vuur en vlam. Het deed ze alleen niets.

Ik perste mezelf langs de helikopter en op dat moment hoorde ik het.

Ik stond doodstil.

De diepte ademde lucht in en uit in een stabiel ritme. Zweet parelde op mijn voorhoofd. Ik voelde mijn binnenste al vlammen. God, ik wilde terug!

Maar dat deed ik niet. Ik ging verder.

Het pad bracht me een grot in. Twee stalactieten kromden omlaag als slagtanden.

Iets scherps sneed in mijn voet. Geschrokken deed ik een stap achteruit.

Het was de scherf van een schaal. Aan de binnenkant was het gelig en vlak. De buitenkant had de kleur van oud bot. Er lagen meer van dit soort scherven.

‘Een ei,’ mompelde ik met enige verbazing. Iedereen wist dat draken uit eieren kwamen, toch waren ze extreem zeldzaam. De meeste mensen zagen er nooit een. Verzamelaars betaalden fortuinen voor zelfs de kleinste splinters van een drakenei. Misschien dat ik op de terugweg er wel eentje meepakte.

Als ik nog terugkwam tenminste …

De grotgang liep in een spiraal naar beneden. Ik wrong me tussen stalagmieten en nauwe doorgangen door. Een kleine donkere gedaante schoot piepend langs mijn benen.

Met elke stap klonk de ademhaling van het beest luider. Net de motor van een immense fabrieksmachine.

De gang verbreedde totdat hij uiteindelijk wijd genoeg was om vier olifanten doorheen te loodsen. Mijn voetstappen weergalmden hol. Het licht van de fakkel wierp een oranje schijnsel om me heen. Ik kon de zij­muren niet eens meer zien. Ik zag wel de muur vlak voor me.

Mijn pad liep dood.

Een flink deel van de rotswand gleed omhoog. Ik zag mezelf weer­spiegeld in een immens oog dat leek op gesmolten koper in een glazen bol met een zwarte, glanzende parel in het midden.

Ik vergat te ademen. Enkele secondes lang stond mijn hele lichaam stil, terwijl ik toekeek hoe het oog zich steeds verder van me verwijderde en ik beter zicht kreeg op een levende berg vol met schubben, hoorns, tanden en klauwen.

Darzuh!

De verschrikking der verschrikkingen zat op zijn achterpoten. Zijn lichaam – grotendeels gehuld in duisternis – torende boven me uit. Zijn ogen glommen als edelstenen, terwijl hij op me neerkeek.

‘Wat mot je, jonkie?’ bulderde de immense draak met het stemgeluid van duizend orkanen.

Veel van zijn horens waren gebroken. Op zijn schubbenpantser zaten legio krassen en op zijn zij zat een litteken waar ík op zijn minst drie keer in paste.

‘Uhm, ik …’

Iets gleed langs mijn zij – iets dat van schuurpapier leek te zijn gemaakt. Een nieuwe draak dook plotseling naast me op; het kleinste draakje dat ik ooit had gezien. Misschien net ter grootte van een scooter. Het jong cirkelde om me heen en bekeek me nieuwsgierig. Hij snoof aan mijn benen en maakte een laag piepgeluid. Doordat al mijn aandacht naar Darzuh uitging, had ik niet door dat dit kleintje op me af kwam sluipen.

‘Een kind?’ breng ik vol verbazing uit. Alle draken die in de stad kwamen, waren meestal hun eerste eeuw al gepasseerd. Dus ik zag of sprak nooit draken die jonger waren dan ik zelf. Ik schatte hem hooguit een paar weken oud.

‘Oh, hij …’ begon Darzuh. ‘Dat kan ik uitleggen. Als een mannetjesdraak als ik zich verveelt en wil zien of hij het nog in zich heeft, zoekt hij een vrouwtjesdraak en verdomme, het was gewoon even een keer voordat ik in slaap viel. Dan komt dat kreng me wakker maken om dat jonkie bij me te dumpen en verwacht dat ík hem ga opvoeden!’

Ik ben even met stomheid geslagen.

‘Daarom bent u honderd jaar te vroeg wakker geworden?’

‘Jonkies van tegenwoordig. Traag van begrip. Ik ben wakker gemaakt potverdikke! Vrouwtjes met hun verwachtingen …’ Hij schudde zijn kop. Ik hoorde al zijn nekwervels kraken en dat – dát – was een akelig geluid dat rillingen over mijn ruggengraat joeg. ‘Dus, wat is jouw verhaal jonge sjamaan?’

Wacht – dat carnavalskostuum werkte?

Op dat moment zag ik Darzuh pas écht. Hoe groot hij ook was, hij zag er niet naar uit alsof hij me iets aan wilde doen. Gewoon een uit de kluiten gewassen oude man in monsterverpakking.

‘Een draak ontvoerde me en dwong me met je te gaan praten. Hij wil dat je weer gaat slapen,’ zei ik.

‘Rotjonkie. Elke keer dat ik even een oogje opendoe, staat die nieuwe generatie ‘draken’ – als je ze nog zo kunt noemen – zich bovenaan dat ravijn druk te maken. Geen wonder dat deze hele planeet naar de haaien gaat,’ zei Darzuh. ‘Laat mij oud en humeurig zijn in vrede.’ Hij leunde achterover. Zijn rug kwam tegen de andere kant van het ravijn. Door de botsing rommelden de rotswanden.

Het plafond van de grot scheurde boven me. Een stalactiet viel naar beneden. Ik sprong naar voren. De stenen tand des doods spatte vlak naast me uiteen.

‘Pas op daar, jonkie. Buiten is het veiliger voor je. Geen zorgen, ik bijt niet,’ zei Darzuh.

Ik krabbelde overeind en veegde de namaakveren uit mijn gezicht. ‘Dus u gaat niet alle mensen en draken opeten?’

‘Ha. Wat een verhalen ze vertellen tegenwoordig. Nee joh, alles wat je over mij gehoord hebt, is behoorlijk opgeblazen. Goed ik heb misschien wel een ruig verleden hier en daar, maar als je zo lang leeft als ik ontkom je niet aan de donkere periodes,’ zei Darzuh. ‘Ik word er zo moe van dat de jonkies me continu neerzetten als een of andere boeman en voor mij willen beslissen wanneer ik wel of niet slaap.’

‘Dat snap ik helemaal,’ zei ik meteen. ‘Iedereen zegt me altijd maar wat ik moet doen. Ik mocht mijn studie niet afmaken, omdat ik met draken kon praten. Op mijn vrije dag moest ik op komen draven om een draak te laten vertrekken en dan dwingt die draak mij om u in slaap te brengen. Iedereen verwacht continu van me dat ik mijn leven voor hun weggooi omdat ik toevallig een gave heb.’ Ik balde mijn vuisten en voor mijn gevoel stond ik als een klein kind dat haar zin niet kreeg te krijsen, maar nu het eruit kwam, kwam het er ook echt allemaal uit ook. ‘Ik. Ben. Het. Beu.’

Zo kwam het dat ik daar op de bodem van een ravijn te midden van een desolaat landschap een gesprek voerde met de grootste en oudste draak ter wereld. We zaten een goede twintig minuten te babbelen totdat we aankwamen bij Darzuh’s grootste vergissing ooit.

‘Destijds had ik iets te veel olifanten gegeten en ik kwam klem te zitten in de vulkaan op het eiland Alíra,’ vertelde Darzuh. ‘Ik wurmde me los, maar daarmee kwam de vulkaan potverdorie tot een uitbarsting. Ik probeerde de jonkies op het eiland te helpen, maar ze vonden mij enger dan de lava en ze sprongen … Rare jongens die Alíranen. Mijn broer vond me te soft toen ik hem vertelde dat ik de jonkies probeerde te redden.’

Ik luisterde aandachtig, terwijl Darzuh’s zoon met zijn kop op mijn schoot lag. Ik krabde het drakenkind achter zijn oor, maar kreeg niet het idee dat hij dat voelde door zijn ruwe schubben. ‘Is iedereen een jonkie voor u?’

‘Iedereen jonger dan de dinosaurussen wel, ja. Ik ben oud.’ Hij lachte bitter. Hij bewoog zijn klauw langzaam heen en weer, alsof hij iets weg probeerde te wuiven. Plotseling staarde de draak omhoog in het luchtledige. ‘Zelfs voor een draak. Iedereen die ik kende is al dood. Mijn lichaam voelt ook niet meer aan zoals ooit. Alles om me heen lijkt en ruikt ook anders … verkeerd. Alsof ik hier al niet meer thuishoor.’

‘Met je zoon heb je toch weer iets moois dat je op kunt bouwen?’ vroeg ik hem. Ik wist niet dat draken zo diepzinnig konden zijn. Tot vandaag geloofde ik dat ze weinig meer deden dan eten, slapen en verwoesten.

‘Daar ben ik niet de juiste persoon voor. Ik ben veel dingen geweest in mijn leven. Een goede vader hoort daar niet bij. Bovendien, ik denk niet dat ik no … Waarom zorg jij niet voor hem?’ vroeg Darzuh.

Hij gooide zijn vraag er zo snel en plots uit dat ik even met een mond vol tanden zat.

‘Ik?’

‘Ik geloof niet in toeval. Alle dingen keren in de natuur op de een of de andere manier altijd weer terug. Als een soort algoritme dat alles lijkt te bepalen. Onze ontmoeting hoorde zo te zijn. Wij kunnen elkaar helpen met onze problemen. Als jij ook bereid bent voor jezelf op te komen,’ zei Darzuh. Hij glimlachte al zijn tanden bloot. Een stuk slagtand brak af en kletterde langs zijn geschubde lichaam naar beneden.

Ook ik glimlachte.

‘Laten we dan maar meteen beginnen.’

 

*

 

Als eerste namen we de brutale draak boven aan het ravijn te grazen.

Met een hels gebrul klauwde Darzuh zichzelf – met mij en het jonge draakje op zijn rug – uit het ravijn. De rode draak probeerde zich piepend uit de vleugels te maken, maar Darzuh zette hem goed vast met zijn klauw.

‘Spaar me alstublieft,’ smeekte de draak. Hij krabbelde met zijn klauwen over de grond. Er kwam veel gruis en as omhoog. Hij kwam geen meter vooruit. ‘Ik doe alles wat u zegt.’

‘Doe liever wat ík zeg.’ Ik klauterde langs Darzuh’s arm naar beneden. Ik schaafde mijn benen en onderarmen aan zijn ruwe schubben, maar negeerde dat volledig. ‘Je hebt niet het recht zomaar iemand te ont­voeren. Weet je wat voor doodsangsten ik heb doorstaan door jou?’

‘Ehm, sorry?’ piepte de rode draak. ‘Mijn vrienden en ik zijn gewoon bezorgd over wat er zal gebeuren wanneer Darzuh weer wakker is. Kijk dan hoe groot en eng hij is, hij gaat ons allemaal verslinden.’

‘Ach, wees niet zo’n drama queen,’ zei ik tegen hem.

‘Een wat?’ zeggen de draken tegelijkertijd.

‘Een watje.’

‘Ahh.’

‘Darzuh wil alleen dat jullie hem met rust laten,’ zei ik.

‘En dat jullie voortaan de mensensteden vermijden,’ voegde Darzuh daaraan toe. ‘Er is ruimte zat. Vertel dat aan je vrienden. Nu wegwezen, uk.’ Hij haalde zijn klauw van de rode draak af die het verzoek van Darzuh meteen inwilligde en het hazenpad koos.

Ik keek toe hoe hij noordwaarts vloog en tussen de wolken verdween.

‘Daar zijn we mooi vanaf,’ zei ik opgelucht.

‘Zeg dat wel. Wat een snotspuwer. Totaal geen besef van de wereld om hem heen,’ zei Darzuh. ‘Wat doen we nu?’

‘Een gesprek beginnen met een zekere jongedame,’ zei ik. ‘Sylvana Plasmans. Over een paar uur begint haar toespraak over draken op het marktplein van Steilburg. Laten we even haar aandacht opeisen.’

Darzuh bestudeerde zijn lichaam. ‘Dat gaat wel lukken, denk ik. Klim maar weer omhoog.’

Met een aanloop die de aarde deed trillen en het uitslaan van zijn vleugels, kwam Darzuh los van de rond. Het viel me nu pas op hoe gerafeld zijn vleugels waren.

Onderweg vertelde ik hem over de wereld en over de veranderingen van de laatste 900 jaar – voor zover ik die wist. Ik leerde hem over wolken­krabbers, grote fabrieken en auto’s. Over smartphones en het internet en over moderne winkelstraten.

Hij maakte kennis met vliegtuigen toen hij plots moest uitwijken voor een Boeing.

Darzuh staarde bijna de hele reis gebiologeerd naar beneden.

‘Niet te geloven. Mensen hebben goed geboerd,’ zei hij. ‘Jullie leven als een bliksem, maar slaan mooi in.’

In elke nederzetting waar we overheen vlogen brak paniek uit. Op een gegeven moment vlogen er twee straaljagers naast ons. Ze droegen zware bommen onder hun vleugels. Ik slikte, maar Darzuh draaide zijn nek en wierp de piloten een waarschuwende blik toe. Daarna namen de straal­jagers afstand.

Het duurde lang voordat we eindelijk Steilburg bereikten. We cirkelden om het stadscentrum heen en ik ving een glimp op van het plein waar Sylvana met haar perfecte jurk en haar perfecte haar die haar perfecte lichaam complimenteerde, stond te preken als één of andere geloofs­fanaticus. Nou zag ik haar niet echt, maar ik kende haar stijl.

Darzuh zag een landingsmogelijkheid en dook.

De twee straaljagers cirkelden om hem heen.

Darzuh moest zich tussen de flatgebouwen persen om te kunnen staan zonder mensen te verpulveren. Hij zette me af aan de rand van het marktplein met zijn klauw. Het eerste dat ik zag was de menigte aan mensen en die wijdogige blikken van verbazing, schok en angst. Menig man verloor de controle over zijn blaas.

Er ontstonden leegtes in de menigte toen steeds meer mensen zich uit de groep worstelden. Een tiener nam een foto met zijn telefoon en ging vervolgens helemaal in zijn apparaat op.

Zodra ik een enkele stap zette, weken de mensen uiteen. De zoon van Darzuh volgde me. Hij sproeide wat vonkjes in het rond en paradeerde als een trotse haan.

De enige die nog enigszins actief was in de groep was de nieuwsploeg die gretig stond te filmen.

We liepen in een rechte lijn op het podium af waar Sylvana op ons wachtte met een nerveuze lach op haar gezicht.

‘Ik ben zoals u weet een groot drakenvriend en …’

‘Bla!’ riep ik haar toe. ‘Je zegt van alles over draken en spreekt continu voor hen, maar je hebt geen flauw idee over hoe ze zijn, hoe ze hun leven willen leiden en wat ze nu eigenlijk willen. Het enige waar jíj voor hebt gezorgd met je eindeloze gewauwel is dat jonge mensen verplicht worden om hun leven weg te gooien als drakensprekers.’

‘Ik …’ begon Sylvana.

‘Ja, jij ja.’ Ik liep naar de rand van het podium en keek recht in de camera van de nieuwsploeg. Ik legde mijn hand op het hoofd van de jonge draak. ‘Ook ik was zo een drakenspreker en ík neem ontslag. Van nu af aan verklaar ik dat drakenspreker een vrijwillig beroep wordt en ik ga mijn dromen nastreven. Ik ga voor deze jonge draak hier naast me zorgen, zodat we onze band met draken écht kunnen versterken.’

Ik keek naar Darzuh. Hij knipoogde, maar keek ook … gepijnigd?

‘Dat vind ik een heel goed idee,’ zei Sylvana. Zoals altijd klonk haar stem zoet als honing, maar smaakte naar bitter vergif. Ze sloeg haar handen ineen en liep op haar negen centimeter hoge hakken naar me toe. Met een schuin oog zag ik haar bezorgde blikken naar Darzuh werpen. ‘Dit meisje heeft natuurlijk een heel mooi punt. Vanaf nu zal ik ernaar streven om haar wensen werkelijkheid te laten worden.’

Dus een berg van een draak was alles wat ik nodig had om dat kutwijf te overtuigen? Misschien liep deze dag dan toch nog niet zo slecht af.

Een donderend gekreun vloog over het plein.

Geschokt keek ik naar Darzuh. Hij leunde volledig op twee flatgebouwen en drukte één van zijn klauwen tegen zijn borstkas. Vanuit zijn keel kwam een diep gehijg.

‘Geen zorgen, jonkie. Het gaat wel.’ Darzuh herstelde zich. ‘Gewoon oud zeer. Kijk maar eens hoe fit jij bent over … Verdorie, hoeveel millennia tel ik eigenlijk?’

Iedereen keek me vragend aan.

‘De draak zegt dat hij niemand op gaat eten,’ vertaalde ik voor ze. Ik dacht er nog een mooie ‘voorlopig’ aan toe te voegen, maar liet dat toch maar achterwege.

Er verschenen wat nerveuze glimlachen hier en daar.

‘Ik denk dat jij je wel gaat redden. Het ga je goed kleintje.’ Darzuh toonde iets dat volgens mij voor een glimlach door moest gaan.

Ik sprong van het podium af en rende naar hem toe. ‘Wacht even, ga je nu al? Waar ga je heen?’

‘Ergens waar ik nog niet eerder ben geweest.’

Ik herkende zijn beweging en greep snel een lantaarnpaal vast.

De rest van de mensen was minder bekend met drakengedrag en kreeg de volle laag van de tyfoon die de draak schiep toen hij opsteeg.

Toen Darzuh wegvloog, blokkeerde hij de zon. Ik bleef kijken totdat de zon terugkwam en Darzuh naar de grond stortte.

Rassenhaat in vijf gangen : Tijs de Jong

Voorgerecht: Vlindersla

 

‘Veel mensen maken de fout om te denken dat het in de kookkunst om smaak gaat,’ zegt chef Tunne vanuit de keuken tegen Zeniek die aan het tafeltje bij de haard van Tunnes restaurant zit. ‘Maar dan doe je de eter tekort. Smaak is slechts een van de zintuigen die je bij het nuttigen van een gerecht gebruikt.’

Hij arrangeert de fragiele blaadjes sla op de twee borden in een bloempatroon om de uitgeholde passievrucht heen. De passievrucht zelf is gevuld met de crème dressing waaraan hij bosbes en aalbes extract heeft toegevoegd, waardoor het een prachtige wirwar van kleuren is geworden. Hij buigt voorover en ademt zachtjes door zijn neus in. De typische bitterzoete geur van Helaïstische vlindersla dringt zijn neus­vleugels binnen. Sla die, verpakt in ijs om het vers te houden, in twee weken met paard en wagen door de bergen naar zijn restaurant is vervoerd om hier het perfecte voorgerecht te vormen in zijn restaurant.

‘De meeste mensen snappen wel dat geur minstens net zo belangrijk is. Het verhoogt het smaakgevoel, maakt de ervaring intenser. Zonder geur wordt het palet aan smaken waar een chef mee kan werken sterk belemmerd. Maar ook tast is van belang. Een knapperig brood is lekker­der dan een taai stuk, ook al is de smaak zelf niet anders.’

Tunne kijkt kort naar Zeniek die niet reageert en gaat dan verder met zijn verhaal.

‘Tot slot wil het oog ook wat. Smaak zit voor een groot deel in je hoofd. Het is een ervaring die niet alleen geschapen wordt door het voedsel dat je in je mond stopt, maar ook de verwachtingen die je daarbij hebt. Het is dus de taak van een chef om niet alleen de ingrediënten zo goed mogelijk voor te bereiden, maar ook een beeld te scheppen dat past bij de smaakervaring die je wil opwekken bij je gast.

Deze vlindersla is daar het perfecte voorbeeld van. De blaadjes zijn zo fragiel dat ze bijna transparant zijn. Dun als een vlindervleugel, daar krijgt het zijn naam van. De smaak is uiteraard subliem, anders zou ik het niet in mijn restaurant serveren, en de dressing is precies goed om de bitterzoete smaak te complementeren met een zuur tintje. Er zit trouwens nog een speciaal ingrediënt in dat je misschien niet zou verwachten. Ik ben benieuwd of je het herkent.

Maar goed, bijna onzichtbare blaadjes geven niet de juiste verwachting. Je kan het bijna niet zien, dus zal het ook bijna nergens naar smaken. Dat is de automatische connectie die je in je hoofd legt, toch? En daarom doen we dit.’

Tunne houdt zijn handen theatraal boven de twee borden sla, haalt diep adem. Tijdens zijn eerste les had zijn mentor gezegd dat magie niet meer en niet minder was dan het manipuleren van warmte en beweging met de kracht van je geest. Als je dat eenmaal doorhad, kon je door naar de veel belangrijkere stap. Wat doe je met al die macht? Wil je macht over anderen of zet je het in om mensen te redden? Gebruik je het voor geweld of om iets te bouwen? Tunne vindt de stelling van zijn mentor te simpel en banaal. Magie heeft het potentieel om mensen in vervoering te brengen, mits goed gebruikt. Het is een kunst om het toe te passen en in zijn geval betekent dat de kookkunst.

Hij ziet in zijn geest hoe de dressing naar de nerven in bladen vlindersla trekt en door de kleine vaatjes zich naar elke cel verspreidt. Geen dressing over de sla, maar letterlijk in de sla. Even dreigt de dressing door de vaten te breken, maar met een paar snelle aanpassingen dicht hij het gat in het slablad. Aalbessensap hier, bosbessen daar in duizeling­wekkende patronen, totdat de vlinderbladen hun naam daadwerkelijk eer aandoen. De transparante salade is een klein kunstwerk geworden.

‘Dit is meer dan een salade die je kan proeven,’ zegt hij tevreden. ‘Dit is een ervaring.’

 

***

 

Tunne leidde zijn kersverse leerling door de drukke eetzaal van zijn restaurant naar de nog drukkere keuken, waar een mengelmoes van geuren hen tegemoetkwam. Hij maakte een groots gebaar naar de acht mensen die gehaast in de weer waren met sauzen en groentes en vers gesneden stukken vlees. ‘Dit is waar de magie plaatsvindt.’

‘Letterlijk en figuurlijk,’ zei de jongen die het met grote ogen aankeek.

‘Ik wist wel dat je het zou begrijpen,’ zei Tunne, meer dan een beetje trots op de professionaliteit en populariteit die zijn restaurant in de afgelopen vijf jaar had opgebouwd. Hij gebaarde naar een statige vrouw die met handen vol fruit voorbijliep. ‘Dat is Poudde, mijn rechterhand. Luister goed naar haar, want ze heeft de meest verfijnde neus in deze keuken. Als zij zegt dat een saus iets meer kruiden nodig heeft, dan is dat ook zo.’

De vrouw rolde met haar ogen, maar gaf Tunne daarna een grijns. De blik die ze naar zijn leerling wierp was minder vrolijk. Hij wist wat ze zag, wat volgens haar het probleem was. Ze zag de lichtrode huidskleur van Zeniek, zo anders dan het roestbruin van Tunne en Poudde. Ze zag de amandelvormige ogen in plaats van haar eigen ronde. Ze zag het tengere postuur van een Ursalai dat zo afweek van de imposante, stevige bouw van Likani zoals zij, Tunne en de rest van de mensen in de keuken.

‘Dit is Zeniek, mijn nieuwe leerling,’ zei Tunne en legde een bemoedigende hand op de schouder van de jongen. Elke keer voelde hij de dwang om zijn keus voor een nieuwe leerling te verdedigen. ‘Chef Luvaad uit Henlal heeft hem naar me doorverwezen. Zeniek hier is een natuurtalent en wij gaan ervoor zorgen dat hij een meesterchef wordt die de naam van ons restaurant eer aandoet. Zijn afkomst maakt daarbij niets uit, begrepen?’

Poudde knikte met weinig overtuiging. ‘Ik hoop dat je weet wat je doet, Tunne.’

‘Natuurlijk weet ik wat ik doe. Hij is de meest veelbelovende leerling in het land,’ zei Tunne. ‘Moet ik dat negeren omdat hij er iets anders uitziet?’

Poudde haalde haar schouders op en ging verder met haar werk, terwijl Tunne haar gefrustreerd nastaarde.

‘Meneer Desmahi, weet u zeker dat ik hier welkom ben?’ vroeg Zeniek, zijn wenkbrauwen gefronst. ‘Ik wil geen problemen veroorzaken in uw keuken.’

Tunne greep zijn leerling bij de hand en sleepte hem mee naar zijn kantoorkamertje aan de achterzijde van het houten gebouw. Hij zette Zeniek in de stoel neer en ging zelf op het bureaublad zitten.

‘Luister, Zeniek. Ik weet dat de wereld daarbuiten bepaalde ideeën heeft over Ursalai en Likani en wie wat hoort te doen, maar dat maakt mij niet uit. Ik wil mooie gerechten maken. Ik wil magie en koken samenbrengen tot een kunst die mensen in vervoering brengt. De politiek, de voor­oordelen en alles wat daarbij komt, horen niet in mijn restaurant thuis. Zolang je je best doet in mijn keuken, zolang je je inzet om het beste gerecht aan mijn gasten voor te zetten, ben je welkom. Dat is het enige dat ik van je vraag. Ik weet zeker dat als de rest ziet hoe gedreven je bent, ze je afkomst weldra vergeten zijn.’

De jongen leek nog niet geheel overtuigd, maar de frons was in ieder geval van zijn gezicht verdwenen.

‘Wil je leren koken?’ vroeg Tunne. ‘Niet gewoon wat ingrediënten bij elkaar gooien, maar echt leren wat het betekent om een chef te zijn?’

‘Niets liever, meneer Desmahi. Ik droom er al jaren van om in een prestigieus restaurant als het uwe te werken.’

‘Alsjeblieft, noem me gewoon Tunne. Ik wil dat je ons allemaal als familie beschouwt. We kunnen misschien niet altijd even goed met elkaar omgaan, maar we horen bij elkaar en we staan er voor elkaar als het erop aankomt. Begrepen?’

De jongen knikte, nu met een grote glimlach op zijn gezicht. ‘Absoluut, meneer… Tunne.’

‘Mooi. Wat je afkomst ook moge zijn, daar hebben we het hier gewoon niet over. Wat mij betreft begint bij de drempel van mijn restaurant een politiekvrije zone.’

Hij had de woorden net uitgesproken toen de deur van het kantoor openvloog en zijn zus binnenstormde. ‘Hoor ik het nou goed dat je een Ursalai hebt aangenomen?’ zei de jonge vrouw, opgewonden met haar armen zwaaiend.

‘Goh, Elle. Leuk dat je er bent. Bedankt dat je even klopte voordat je binnenkwam.’

Elle keek hem even aan alsof hij wartaal uitsloeg, maar keerde haar aandacht toen naar Zeniek. ‘Heilige goden, het is waar,’ zei ze en greep Zenieks hand en pompte hem enthousiast op en neer. ‘Zo leuk om je ontmoeten. Ik ben Elle, de zus van Tunne. Ik werk voor de Likani Courant. Hoe vind je het om in Tunnes restaurant te mogen werken?’

‘Eh, het is een hele eer,’ stamelde de jongen, overweldigd door haar voortvarendheid.

‘Elle, genoeg,’ kapte Tunne zijn zus af. ‘De jongen is net aangekomen. Geef hem zijn hand terug.’

‘Oh, excuses,’ zei Elle en liet Zenieks hand gaan die opgelucht zijn vingers strekte. ‘Maar fantastisch dat je dit gedaan hebt, Tunne. Ik wist wel dat je aan de goede kant stond.’

‘De goede kant?’ vroeg Zeniek. ‘Hoe bedoel je?’

‘Aan de kant van de Ursalai uiteraard. Van degenen die vinden dat Ursalai net zo goed en capabel en ontwikkeld zijn als Likani, ook al zien ze er anders uit. Dat Tunne, een vooraanstaand burger van de stad, een Ursalai leerling heeft aangenomen is een prachtig voorbeeld daarvan. Dat laat zien dat we die idioten van de Rode Hand niet laten winnen. Ik zou graag een artikel willen schrijven in de Courant over hoe je hier terecht bent gekomen. Het is een inspiratie voor andere Ursalai.’

‘Zeniek, waarom ga je niet naar je kamer om je spullen uit te pakken. Ik wil graag even alleen met mijn zus spreken,’ zei Tunne, niet geheel in staat om de irritatie uit zijn stem te houden. Zijn leerling stond op en verliet snel de kamer. Tunne draaide zich naar zijn zus. ‘Elle, wat heb ik je gezegd over je werk bij de courant en hoe je je gedraagt als je in mijn restaurant bent?’

‘Kom op, Tunne. Dit is toch een luide verklaring dat je het niet eens bent met hoe Ursalai behandeld worden in onze stad?’

‘Het is een verklaring dat ik denk dat de jongen een goede chef kan worden. Niet meer, niet minder. Ik wil hem niet betrekken in een of andere campagne voor gelijke rechten. En dat ga jij ook niet doen, begrepen?’

‘Tunne. Dit kan zoveel betekenen voor mensen in de stad. Je bent bekend en bovendien een magiër. Die dingen kan je inzetten om iets goeds te doen. Om een verschil te maken.’

‘Mijn goede naam komt voort uit het feit dat ik subliem eten maak. Magie bestaat niet om debatten te winnen of mensen te overtuigen. Je weet dat ik magie alleen gebruik om kunst te maken. Elke andere toepassing van magie is vulgair. Je gebruikt ook geen fluweel om een latrine schoon te maken. Als je dat niet kan accepteren, ben je hier niet welkom, begrepen?’ Tunne sloeg op het bureaublad om zijn woorden kracht bij te zetten. Was het echt zo moeilijk om in te zien dat hij hier geen deel in wilde hebben?

Elle schudde haar hoofd, overduidelijk teleurgesteld. ‘Maak je geen illusies dat je hier niet bij betrokken zal raken. De buitenwereld geeft niet om je mooie restaurantje als het er echt op aankomt. Je hebt een bepaalde macht, vanwege je positie en vanwege je magie. Die macht trekt aandacht.’

Elle liep naar de deur en voor het eerst merkte Tunne de korte degen en musket op die zijn zus in haar riem meedroeg. ‘Wat is dat?’ zei hij stomverbaasd. Hij had zijn zus nog nooit eerder met wapens gezien.

‘Een schrijver voor de courant heeft ook een bepaalde macht. En ik ga een confrontatie niet uit de weg zoals jij.’ Ze trok de deur achter zich dicht.

 

***

Tussengerecht: Gelaagde garnalensoep uit Minaotl

 

‘Het tussengerecht wordt vaak als minderwaardig beschouwd. Onbe­langrijk. Ook dat is een fout, hoewel er misschien een kern van waarheid in zit. Het voorgerecht is de opener, de ouverture, die de aandacht moet trekken. Het tussengerecht is subtieler. Het moet uiteraard ook een op zichzelf staande gastronomische ervaring zijn, maar het staat vooral in dienst van de overgang tussen de ouverture en het hoofdgerecht. Het overweldigt niet als een grote drum, maar begeleidt de eter met een lichte melodie dieper de maaltijd in.’

Tunne roert door de pan en snuift de ziltige geur op. De soep staat al uren te pruttelen en hij kan aan de geur merken dat het tijd is om deze te serveren.

‘Volgens mij is deze soep gereed, Zeniek,’ zegt hij. ‘Gelaagde garnalen­soep is een bekend tussengerecht, ook te maken zonder magie, hoewel magie het wel makkelijker maakt om de vier verschillende lagen gescheiden te houden tijdens het serveren.’

Hij pakt twee diepe glazen en zet ze naast de pan neer. Hij giet de twee glazen elk een kwart vol en pakt dan een van de blauwe garnalen die hij net gegrild heeft. Met gebruik van zijn magie laat hij de blauwe garnaal voorzichtig in de soep zakken totdat deze perfect stil in het midden van de laag soep hangt.

‘Zoals je ziet, is het is precisiewerk,’ zegt Tunne, terwijl hij langzaam een tweede kwart in de glazen schenkt en dit keer een gele garnaal pakt. ‘Overigens wil ik ook hier weer weten of je verschillende kruiden herkent. Ik heb een paar weinig gebruikte specerijen weten te bemachtigen om er mijn eigen draai aan te geven.’

Met het toevoegen van de groene en witte garnalen rondt hij de soep af.

‘Overigens zijn de verschillende kleuren van de garnalen dit keer niet voor het oog, hoewel dat zeker helpt. De garnalensoep gaat om geluid. Mijn melodiemetafoor was niet voor niets. De verschillende garnalen uit Minaotl hebben elk een bepaalde mate van krokantheid en hebben daar­mee elk een apart geluid als je erin bijt. De beste fijnproevers kunnen aan het geluid alleen al horen welke kleur garnaal er gegeten wordt. Vier lagen, vier smaken, vier geluiden. Een gastronomisch akkoord, noem ik het weleens.’

 

***

 

Tunne liet zich uitgeput in een stoel vallen en zuchtte diep. Tegenover hem viel Zeniek met een even diepe zucht in zijn stoel. Het was eindelijk stil in het restaurant. De gasten hadden het pand verlaten, de keuken was schoongemaakt en alles klaargezet voor de volgende dag. Poudde zwaaide kort gedag voordat ze de voordeur achter zich dichttrok. Na het lawaai van het eindejaarsfeest was de stilte in het pand bijna tastbaar.

‘Wat een dag,’ zei Zeniek terwijl hij het zweet van zijn voorhoofd veegde met een schort dat de dag wit was begonnen. ‘Is elk eind van het jaar zo’n gekte?’

‘Eigenlijk wel,’ zei Tunne. ‘Gelukkig hebben we jou erbij dit jaar. Je hebt goed werk geleverd, Zeniek.’

Hij kon de jongen bijna zien opzwellen van blijdschap. Het was een verdiend compliment. Tunne was oprecht trots op zijn toegewijde en hardwerkende leerling. In een paar korte weken had de jonge Ursalai een hoop opgepikt van hoe het er in het restaurant aan toeging. De rest van de keukenstaf had dit gezien en het leek erop dat ze de jongen langzaam­aan begonnen te accepteren. Zelfs Poudde had hem een compliment op zijn portsaus gegeven.

Tunne had nooit de tijd gevonden voor een relatie, laat staan kinderen, maar dat had hij nooit als een gemis ervaren. Nu hij wist hoe bevredigend het voelde om Zeniek te zien opbloeien onder zijn begeleiding, snapte hij de aantrekkingskracht ervan steeds beter.

‘Heb je het nog naar je zin?’ zei Tunne, terwijl hij de fles sinaasappel­likeur die op tafel stond opentrok en twee kleine glaasjes inschonk. Hij schoof een glas naar Zeniek en ze klonken.

‘Absoluut. Ik heb al zoveel geleerd en ik wil nog veel meer leren.’`

‘Geen klachten?’

De jongen twijfelde even voordat hij zijn hoofd schudde. ‘Nee, alles gaat goed.’

‘Wees eerlijk, Zeniek. Als er iets is waar ik je mee kan helpen, wil ik het horen.’

Zeniek zweeg een moment en sprak toen. ‘Ik snap niet helemaal waarom u mij heeft uitgekozen. Ursalai zijn geen magiërs, dus ik ook niet. De helft van de gerechten die u hier op tafel zet zal ik nooit kunnen maken, hoe lang ik ook train.’

‘Ik vroeg me al af wanneer je dat zou vragen,’ zei Tunne. ‘Bekijk het zo: hoeveel magiërs wonen er in de stad?’

‘Geen idee. Dertig?’

‘Bijna goed, zevenentwintig, en zesentwintig daarvan verspillen hun vaardigheden aan onzin en politiek geneuzel. Nu, hoeveel restaurants van echte topkwaliteit?’

‘Maar eentje, natuurlijk,’ zei Zeniek enthousiast en Tunne begon te lachen.

‘Vleier,’ zei hij. ‘Als ik echt eerlijk moet zijn, denk ik vier stuks. Dus zeventwintig magiërs tegenover vier topchefs. Dat betekent dat goede chefs zeldzamer zijn dan magiërs, Zeniek. Dat betekent dat jij zeldzamer bent dan een magiër.’

‘Maar ik ben geen topchef,’ protesteerde Zeniek. ‘Ik kom net kijken.’

‘Dan moeten we daar maar aan gaan werken, niet? Wat ik in jou zie is dezelfde passie die ik heb en dat is belangrijker dan magie. Magie maakt mijn kookkunst beter en dus zal jij harder moeten werken om op hetzelfde niveau te komen, maar dat kun je wel. Dat zie ik in je.’

De jongen viel stil en even vreesde Tunne dat hij te ver was gegaan in zijn enthousiasme. Zijn leerling was nog erg onzeker over zijn positie in het restaurant en zijn afkomst speelde daar geen kleine rol in. Tunne had vanaf het begin geweten dat hij het zelfvertrouwen van de jongen langzaamaan zou moeten opbouwen om hem tot de topchef te maken die Tunne in hem zag. Hij besloot om het over een andere boeg te gooien.

‘Wat is je droommaaltijd?’ vroeg hij.

‘Mijn droommaaltijd?’

‘Kom op, iedereen die hier werkt heeft een droommaaltijd. Het meester­werk dat je jezelf zou voorschotelen als je elk ingrediënt ter wereld ter beschikking zou hebben. Waarna je kan zeggen dat je je werk als chef hebt gedaan in deze wereld. Geld speelt geen rol, tijd speelt geen rol. Wat zou je op tafel zetten?’

‘Oh, op die manier. Als eerste…’ Voordat Zeniek verder kon gaan, klonk er een enorm lawaai achter het gebouw. Brekend glas. Krakend hout. Zeniek stond op zijn benen voordat Tunne kon reageren en schoot de keuken in.

‘Wacht,’ riep Tunne die zijn vermoeide lichaam overeind trok. Hij volgde Zeniek door de keuken en naar de achterdeur. Het glas in de deur was ingeslagen en scherven lagen verspreid over de hardhouten vloer, te midden van een steen ter grootte van zijn vuist. Ergens in de verte hoorde Tunne schaterend gelach en vervagende voetstappen.

‘Waarom?’ stamelde hij. Hij kon het niet bevatten. ‘Wie?’

‘Tunne, kijk,’ zei Zeniek. Zijn leerling had de deur opengedaan en op de buitenkant was een grove rode hand geschilderd in rood glanzende verf. Onder de hand stond de leus die Tunne de laatste tijd maar al te vaak had gehoord, maar nooit in deze buurt van de stad: Puur Likani. Het motto van de Rode Hand die als hoofddoel had om alle Ursalai de stad uit te werken. Hij voelde de drang in zich opkomen om de ruwe letters weg te vegen met zijn magie. Het zou slechts een paar seconden kosten, maar hij hield zich in. Die idioten waren het niet waard om zijn magie aan te spenderen.

‘Volgens mij is het bloed,’ zei Zeniek net toen de wrange geur de neus van Tunne binnendrong. De handen van zijn leerling trilden even hard als zijn stem. ‘Ze hebben bloed gebruikt.’

‘Ruim het op,’ zei Tunne gehaast. ‘We halen het nu weg zodat niemand het hoeft te zien. We geven hen geen aandacht en gaan gewoon verder met ons leven. We laten ons niet intimideren, toch?’

Hij wist niet of hij Zeniek of zichzelf probeerde te overtuigen, maar de jongen deed wat hij hem bevolen had.

‘Je kan bij mij thuis overnachten als je wilt,’ bood Tunne aan. ‘Als je dat veiliger vindt.’

Zeniek keek hem aan en er veranderde iets in hem. Iets in zijn postuur, de rechte schouders, de gebalde vuisten. ‘Nee, ik wil eerst met Elle praten.’

 

***

Hoofdgerecht: Lamsboutpastei uit de oven

 

‘De lamsboutpastei wordt het lastigste gerecht ter wereld genoemd vanwege de uitdaging om het lamsvlees goed te garen terwijl ook de paté en het bladerdeeg tot de juiste graad gebakken worden. Vocht is je grote vijand want als er te veel vocht uit het vlees in de rest van pastei komt, wordt deze zacht en valt uit elkaar. Het luistert allemaal wederom erg nauw.’

Tunne haalt de perfect glanzende pastei uit de steenoven en de geur van knapperig brood verspreidt zich door de keuken.

‘En daarom speel ik een beetje vals,’ zegt hij terwijl hij de pastei op tafel zet en een koksmes tevoorschijn haalt. ‘Met een beetje magie. Gaten in het vlees waardoor vocht kan ontsnappen maak ik dicht met een snelle toepassing van wat kinetische energie en door de juiste krachtvelden aan te leggen tussen de verschillende lagen in de pastei kan ik de temperatuur precies regelen. Er dient zich dan echter één probleem aan.’

Hij zet het mes in de pastei en maakt een snijdende beweging. Het mes glijdt soepel door het bladerdeeg, maar komt dan met een zacht geschraap vast te zitten in een van de krachtvelden.

‘Die krachtvelden verdwijnen niet zomaar nadat ik ze heb aangelegd en met een regulier mes kom je daar niet doorheen. Daarom hebben we dit.’

Hij doet een leren handschoen aan en grijpt een ander mes dat van dof gietijzer gemaakt lijkt te zijn.

‘Dit is heksenstaal, Zeniek, en mensen verklaren me voor gek dat ik als magiër de substantie om magie tegen te gaan in huis heb, maar het is een cruciaal stuk gereedschap in mijn keuken.’

Met het nieuwe mes snijdt hij zonder problemen door het knapperige bladerdeeg, de smeuïge paté en tot slot de zacht gegaarde lamsbout. De geur van rozemarijn en sappig vlees doet Tunne verzuchten terwijl hij zijn leerling een stuk van de pastei voorzet.

‘Het heksenstaal haalt het krachtveld pas op het allerlaatste moment weg, waardoor de smaak op zijn best is als de pastei wordt opgediend.’

 

***

 

Tunne keek hulpeloos naar het artikel op de voorpagina van de Likani Courant met zijn zusters naam eronder.

‘Dit is al het derde artikel dat ze geschreven heeft samen met Zeniek,’ zei Poudde, met haar wijsvinger op de Courant tikkend. ‘Daarom hebben we zo weinig klandizie de laatste tijd. Iedereen weet nu dat er hier een Ursalai werkt.’

‘Maar Zeniek werkte hier al een hele tijd voordat de opkomst daalde,’ protesteerde Tunne.

‘Ja, in de keuken waar niemand hem zag. Dat was geen probleem, maar nu wordt iedereen met zijn neus op de feiten gedrukt dat hij hier is. En daarom blijven ze weg. Daarom is er alweer een rode hand op onze deur gesmeerd. Sorry, Tunne, maar op deze manier kan ik niet verder werken. Ik voel me niet veilig en ik heb een goed aanbod gehad om bij een ander restaurant aan de slag te gaan als chef. Een restaurant waar geen Ursalai komen en ze zeker niet werken.’

‘Je gaat weg?’ zei Tunne. ‘Maar ik heb je hier nodig. Je bent mijn rechterhand. Zonder jou kan ik de boel niet draaiende houden.’

‘Met de hoeveelheid gasten die we tegenwoordig hebben, lukt dat makkelijk. Dus tenzij je Zeniek eruit gooit, ben ik weg.’ Poudde keek hem afwachtend aan en haalde haar schouders op toen Tunne niet ant­woordde. ‘Nee, dat dacht ik al. Het ga je goed, Tunne. Dat hoop ik echt.’

‘Wacht, Poudde. Hoe kijken de anderen hier tegenaan?’

‘Igge wil met mij mee naar het andere restaurant en ik geloof niet dat Haddi echt ziek is. De rest weet ik niet.’

Poudde slingerde haar tas over haar schouder en schudde Tunne de hand, maar zijn gedachten waren ergens anders. Familie. Zo had Tunne altijd over zijn personeel gedacht. Misschien niet altijd de beste vrienden, maar wel mensen die bij elkaar hoorden en voor elkaar opkwamen. En nu lieten ze hem in de steek vanwege een stom artikel van Elle. Woedend verkreukelde hij het papier tot een grote prop en gooide het in de oven waar het onmiddellijk vlam vatte. Hij had zijn zus nog zo verteld dat hij hier niet bij betrokken wilde worden.

Maar dat was niet het enige: uit de tekst was duidelijk op te maken dat Elle de informatie niet zelf had verzameld. Zeniek had meegewerkt aan het artikel en dat voelde als een nog groter verraad dan Poudde en Igge die spontaan vertrokken. Hij was Zeniek steeds meer als een zoon gaan zien dan een leerling. Iemand in wie hij zichzelf herkende, maar ook iemand aan wie hij op den duur zijn restaurant kon overdragen. En Zeniek betaalde hem op deze manier terug?

Alsof zijn woede hen opgeroepen had, klapte de voordeur van het restaurant open en kwamen Zeniek en Elle de eetzaal binnengestrompeld. Nog voordat Tunne in een wilde tirade kon uitbarsten, riep Zeniek naar hem.

‘Tunne, we hebben hulp nodig. Ze is gewond.’

Elle kon nauwelijks op haar benen staan en werd met moeite onder­steund door de jonge Ursalai. Haar hemd en jas waren met bloed door­drenkt dat nu op zijn vloer drupte. Hij vergat onmiddellijk zijn woede en rende naar het tweetal toe. Voorzichtig legde hij zijn zus op de grond. Haar gezicht baadde in het zweet en ze ademde snel en oppervlakkig.

‘Heilige goden, wat is er gebeurd?’

‘Ze is neergestoken,’ zei Zeniek die nerveus zijn handen in elkaar wreef. ‘Ik wist niet wat ik moest doen. Ze bloedt zo erg.’

‘Waarom heb je haar niet naar een chirurgijn gebracht dan?’

Elle stak een trillende hand op. ‘Geen tijd,’ fluisterde ze. ‘Alsjeblieft, Tunne. Het doet pijn.’

Zijn magie. Ze wilde dat hij zijn magie op haar zou gebruiken op een levend persoon. Iets wat hij gezworen had nooit te doen. Hij gebruikte zijn magie om te koken, niets anders. Maar wat moest hij dan doen? Zijn zus hier zien doodbloeden op zijn vloer?

‘Tunne, kom op,’ zei Zeniek, opgewonden aan zijn schouder trekkend. ‘Je moet iets doen.’

Tunne haalde diep adem en sloot zijn ogen. Hij legde zijn hand op de plakkerige buik van Elle en stuurde zijn magie naar binnen. De wond was niet groot, maar wel diep. Opengespatte bloedvaten pompten bloed haar lichaam uit met elke hartslag die sneller en sneller op elkaar volgden. Hij onderdrukte een braakneiging en begon met zijn magie de vaten af te knijpen. Waar mogelijk probeerde hij de gescheurde spieren weer aan elkaar te hechten en de schade zo goed en zo kwaad als het ging te beperken.

Hoe lang het duurde wist hij niet, maar uiteindelijk stopte het bloeden en werd Elles ademhaling kalmer. Hij opende zijn ogen en trok zijn bebloede handen van haar lichaam.

‘Ik denk dat we haar nog even moeten laten liggen,’ zei hij, terwijl hij naar de keuken liep. Hij schrobde verwoed zijn handen in het bassin in een vergeefse poging om alles van zich af te zetten. Hij voelde zich vies, niet alleen fysiek, maar ook mentaal. Plotseling kwamen de braak­neigingen terug en gaf hij vol over in het waterbassin. Er zat bloed in zijn keuken, in zijn kleren, zijn lichaam, zijn geest en vooral in zijn magie. Hij had met zijn magie in het lichaam van een levend mens gezeten en hij wist niet of hij dat smerige gevoel ooit weer kwijt zou raken.

Hij veegde de laatste restjes zuur braaksel van zijn mond voor hij terugliep naar de eetzaal. ‘En nu ga je me vertellen wat er gebeurd is,’ zei hij.

‘We waren bij de protestmars op het Waagplein,’ begon Zeniek. ‘De grote actie om een tegengeluid te geven tegen het geweld van de Rode Hand.’

Tunne had geen idee dat die actie gepland stond, maar het verbaasde hem weinig dat zijn zus aanwezig was geweest. Dat Zeniek er ook was des te meer.

‘Het ging allemaal goed in het begin. De opkomst was goed en de toespraken ook. Maar toen kwam er een groep Rode Handen die hun leuzen begonnen te spuien. Elle en nog wat anderen probeerden hen weg te sturen, maar toen trokken ze opeens allemaal messen en zwaarden. Elle probeerde haar musket te trekken, maar er was een man met een mes. En hij stak en plotseling was er allemaal bloed. Ik weet alleen nog maar dat ik haar beetpakte en wegsleurde. Ik wist niet wat ik moest doen. Alleen maar dat ik weg moest komen.’

‘Wat deed jij daar sowieso, Zeniek? Je weet dat ik dat niet wil.’

‘Ik kwam op voor mijn bestaansrecht. De Rode Hand zegt dat ik hier niet mag werken, dat ik minderwaardig ben. Moet ik dat zo maar laten gaan zonder iets te zeggen?’ Zeniek zwaaide opgewonden met zijn armen, zijn stem luider en luider. Tunne keek verbaasd naar de overtuiging waarmee de jongen sprak. Dit had hij nog niet eerder gezien in de jonge Ursalai.

‘De enige die bepaalt of je hier mag werken ben ik. En ik denk niet dat je minderwaardig bent. Dat weet je.’

‘Maar andere Ursalai in de stad die in een ander restaurant willen werken? Hoe zit het daarmee? Ik moest er gewoon wat van zeggen.’

Alle woede, vergeten door de bloederige crisis, laaide weer in Tunne op. ‘En kijk wat daarvan komt!’ schreeuwde hij naar zijn bebloede zus wijzend. ‘Ik heb de hoop opgegeven dat zij ooit bij zinnen komt, maar jij hebt nog een kans. Hou hier alsjeblieft mee op. Hou jezelf veilig hier.’

‘Veilig met ramen die ingegooid worden? Met bloed dat op de deuren wordt gesmeerd?’

Tunne hield een hand omhoog en Zeniek viel stil. ‘Geen protestmarsen meer. Geen artikelen meer. Ik wil je niet kwijtraken, Zeniek. Alsjeblieft.’

‘En als ik dat wel doe?’ daagde Zeniek hem uit.

‘Ik wil je niet kwijtraken. Je bent me dierbaar,’ herhaalde Tunne en alle kracht leek uit Zeniek weg te vloeien. Er bleef alleen een vermoeide, moedeloze jongen achter.

‘Goed,’ zei hij, terwijl hij wegliep. ‘Jij wint.’

‘Het is voor je eigen bestwil, Zeniek,’ riep Tunne hem na, maar de jongen gaf geen antwoord.

 

***

 

Nagerecht: Chocolat fondant met kokosijs

 

‘Ik geef eerlijk toe dat chocolat fondant een cliché dessert is. Elke half­bakken kok in een tweederangs herberg zet dit weleens op de kaart. Er zit al tientallen jaren geen vernieuwing in. Je hebt er zeker geen magie voor nodig, dus als we het over kookkunst hebben, is dit niet wat er in mij opkomt. Maar als we even teruggaan naar wat ik zei bij het voorgerecht, dan weet je dat eten over meer gaat dan smaak. Het gaat over ervaring en nieuwe ervaringen worden voor een belangrijk deel gevormd door wat je eerder hebt meegemaakt en je verwachtingen van wat er komen gaat.’

Tunne gebaart met een arm door het restaurant, naar de glanzend hardhouten vloer, de fluwelen gordijnen en kristallen kroonluchter midden in de zaal. Naar de artistiek gevormde glazen en het zilveren bestek.

‘Al deze pracht en praal is geen protserigheid. Het is bedoeld om de sfeer op te roepen, om een bepaalde verwachting op te wekken, bepaalde herinneringen op te halen en opnieuw te vormen. Die herinnering maakt chocolat fondant voor mij het ultieme dessert. Toen ik tien jaar oud was namen mijn ouders Elle en mij mee naar een lokaal restaurantje in een stadje in het noorden. Ik weet de naam van het plaatsje niet meer, laat staan de naam van het restaurant dat echt niet boven middelmatige kwaliteit uitkwam. Maar hun chocolat fondant sloeg bij mij in alsof ik door een vleeshamer getroffen was. Omringd door familie op een plek waar ik me veilig voelde, ervoer ik een subliem genot toen ik een lepel smeltende chocolade nam en die samen met een hap kokosijs naar binnen werkte. Puur geluk vormgegeven in een beetje voedsel. Dat was het moment waarop ik besloot om een chef te worden, Zeniek, want dat soort ervaringen wilde ik aan anderen geven.’

Hij zet de twee schaaltjes neer op tafel en pakt een van de zilveren lepeltjes op. ‘Dit is de eerste keer dat ik chocolat fondant heb gemaakt. Ik ben altijd nerveus geweest omdat ik bang was dat de smaak niet hetzelfde zou zijn als toen. Nee, niet de smaak, maar de ervaring. Ik denk echter dat de tijd om het uiteindelijk toch te doen nu is aangebroken.’

Tunne zet de lepel in het donkerbruine taartje en warme chocolade vloeit zachtjes uit de gebroken korst. Snel schept hij er wat van het romige kokosijs bij en neemt een hap.

 

***

 

‘Zeniek, waar ben je?’ riep Tunne door het restaurant, druk bezig het vuur in de oven op te stoken. ‘Waar is iedereen in naam van de heilige goden? We hebben maaltijden voor te bereiden.’

Niet dat het er veel zouden zijn, dacht hij grimmig. De klandizie was verder teruggelopen, precies zoals Poudde voorspeld had. Tunne had zich gedwongen gezien om twee serveersters te ontslaan en iemand van de keukenstaf was zelf vertrokken. De ramen van de eetzaal waren ingegooid en met bloederige rode handen besmeurd. Zijn werk, alles wat hij hier had opgebouwd, stond op instorten als een brood dat hij te lang had laten rijzen. Hij kon er nog steeds niet bij hoe dat zo snel had kunnen gebeuren. Hij had zo geprobeerd zich buiten alle discussies te houden, buiten de onlusten en de politieke oproer. Hij wilde alleen maar koken, maar nu was hij de helft van zijn personeel kwijt en hij draaide elke avond verlies omdat mensen niet meer durfden of wilden komen. Zeniek was er nog, maar zijn verbod om nog deel te nemen aan protestacties stond als een muur tussen hen in. Zijn zus had het verbod ook niet goed opgevat en sprak niet meer met hem.

‘Tunne Desmahi,’ riep een onbekende stem vanuit de zaal. ‘Kunt u misschien even hier komen?’

Tunne verstijfde. Het restaurant was nog niet geopend en hij had de voordeur tegenwoordig stevig op slot zitten. Hij greep naar een van zijn koksmessen en hield het als een wapen voor zich terwijl hij de deur naar de zaal openduwde.

Zes mensen in donkere jassen stonden verspreid door de zaal. Ze hadden allemaal een rode hand op hun schouders genaaid en lange degens aan hun zijde. Een van hen, een stevig gebouwde Likani vrouw met een grote bos haar, draaide met een klik het slot van de voordeur dicht en stopte de sleutel weg.

Aan de tafel midden in de zaal zat Zeniek naast een man die ondanks zijn kleinere postuur duidelijk de leider van het gezelschap was. Zijn schouder had niet alleen een rode hand, maar ook een dubbele ster eronder. Tunne had geen idee wat het betekende, behalve dan dat hij belangrijk was. De man hield een musketpistool in zijn hand dat hij tegen Zenieks slaap drukte. ‘Meneer Desmahi, welkom. Wilt u misschien gaan zitten?’

Zenieks ogen schoten in paniek heen en weer van Tunne naar de leider van de Rode Hand. Zijn gezicht was bezweet en zijn mond trilde. Tunne voelde zijn handen klam worden en met weke benen stapte hij naar voren.

‘U kunt het mes laten liggen,’ zei de leider en knikte naar het koksmes dat Tunne nog steeds in handen had. Hij liet het verschrikt vallen en het bleef trillend in de houten vloer steken. Twee van de mannen grepen naar hun degen, maar de leider gebaarde hen te wachten.

‘Wat wil je?’ Tunne verbaasde zich hoe beheerst zijn stem klonk terwijl zijn hart luidkeels in zijn lichaam bonsde. ‘Alsjeblieft. Ik wil geen problemen.’

‘Ik wil met u praten over de toekomst van deze stad,’ zei de leider, onverstoorbaar beleefd. ‘Over uw rol hierin en over de bezoedeling die er in uw fijne restaurant plaatsvindt.’

‘Ik wil alleen maar met rust gelaten worden,’ zei Tunne. ‘Ik weet niets van politiek of rassendiscussies. Ik wil alleen maar de magie van de kookkunst verspreiden.’

‘Daar staan we bij de Rode Hand volledig achter,’ zei de man enthousiast. ‘Uw restaurant is inderdaad een prachtig exemplaar van de hoogontwikkelde Likani cultuur van deze stad. Daar mogen we trots op zijn. Nee, daar moeten we zelfs trots op zijn. Als we zulk soort dingen niet in de schijnwerpers zetten, verdienen we het niet om ons Likani te noemen.’

Tunne lette maar half op de conversatie. Hij dacht koortsachtig na over wat hij kon doen. Zou de rest van zijn personeel nog komen en de wachters waarschuwen? Nee, anders waren ze er onderhand wel geweest. Hij moest zelf wat doen. Wegrennen was onmogelijk met een kamer vol gespierde zwaardvechters. Telkens kwamen zijn gedachten terug bij het vuurwapen dat tegen het hoofd van Zeniek gedrukt was. Hij kon er niet van wegkijken. Een kleine beweging was alles dat de man hoefde te doen. Een snelle klik en Zenieks korte leven was voorbij. Dat kon hij niet laten gebeuren.

‘Meneer Desmahi, attentie alstublieft,’ zei de man en knipte met zijn vingers. ‘Ik stelde u een vraag.’

‘Pardon?’

‘Ik wil weten waarom u erop blijft staan uw prachtige Likani restaurant te bezoedelen met een Ursalai bediende. We hebben toch genoeg waar­schuwingen gegeven dat u er iets aan moest doen. Uw personeel heeft de boodschap doorgekregen, maar uzelf hebt er kennelijk wat moeite mee. Vandaar dat ik hier nu ben.’

Magie was het enige dat hij kon bedenken. Een krachtveld tussen het pistool en Zeniek om de kogel tegen te houden. Daarna een veld om de man heen zodat hij niet naar zijn degen kon grijpen. De rest stond te ver weg om hem of Zeniek direct aan te vallen. Die kon hij met een simpele duw tegen de wand gooien. Dan konden ze ontsnappen door de achterdeur, die niet op slot zat. Hij begon zich te concentreren.

‘Ik kan uw restaurant redden, meneer Desmahi,’ zei de leider en Tunne raakte zijn concentratie kwijt. ‘De Rode Hand is voornamelijk een beweging van de gewone man, maar we krijgen steeds meer invloed in de hogere lagen van de maatschappij. Wij willen ons imago verbeteren en als wij geregeld in het beste restaurant in de stad gezien worden, zou dat een hoop helpen. Ik kan u genoeg gasten bezorgen dat u elke avond vol zit. Zo veel dat u binnen luttele weken kan nadenken over het openen van een tweede restaurant, een derde. U kunt bergen met geld verdienen als u met ons meewerkt.’

‘En Zeniek?’ vroeg Tunne. De jonge leerling had tranen op zijn wangen en zijn handen trilden van de spanning. ‘Wat gebeurt er met hem?’

‘Daar hoeft u zich geen zorgen over te maken,’ zei de man. ‘Die gaat met ons mee en u zal hem nooit meer zien.’

Tunne keek naar de man, naar zijn volgelingen en tenslotte weer naar Zeniek. ‘Wat moet ik met een tweede restaurant?’ zei hij en gooide het eerste krachtveld op. Het schot ging af.

 

***

 

Afsluiter: Ursalai vuurwhisky

 

Tunne pakt twee glazen en zet ze op tafel. Hij pakt de donkergroene fles erbij die hij net uit de kelder heeft gehaald. Het etiket is vergeeld, de fles stoffig.

‘De afsluiter is volgens de officiële leer van de kookkunst geen gang van het diner, maar ik vind dat het erbij hoort. Iets om de maaltijd rustig tot een einde te brengen terwijl we de ervaring tot ons nemen,’ zegt Tunne terwijl hij het loden zegel van de fles verbreekt. ‘Deze fles vuurwhisky heb ik al bijna twintig jaar in mijn kelder liggen en zelfs toen ik hem kocht was hij al bijna veertig jaar oud. Zoiets bewaar je voor een speciale gelegenheid uiteraard, maar na zo’n lange tijd is niets meer speciaal genoeg. Geen enkele gebeurtenis weegt dan op tegen de historie die aan zo’n fles verbonden zit. Maar als je zo denkt, dan drink je hem nooit op en dat is ook zonde.’

Hij trekt de kurk van de fles en een overweldigende geur van alcohol komt uit de hals naar boven. Zachte tonen van walnoten en karamel zijn net tussen het alcoholisch geweld te ontdekken. Tunne schenkt twee glazen in en zet er een voor Zeniek neer en een voor hemzelf.

Het bloed druipt niet meer uit de hoofdwond, merkt Tunne op. Ergens in de afgelopen uren is al het bloed uit Zenieks lichaam gelopen en nu is er niets meer over. De glazige ogen van zijn jonge leerling staren doods naar beneden, naar de tafel waar een bord verlepte sla naast lauwe soep staat, waar kokosijs en chocolade langzaam tot een bruine brei versmelten.

Heksenstaal om een krachtveld te doorbreken. Tunne had kunnen weten dat de Rode Hand niet onvoorbereid het huis van een magiër zou betreden. Dus had de leider een kogel van heksenstaal meegenomen. Tunne had net zo goed de Likani Courant tussen het wapen en Zeniek kunnen houden. Tunnes tweede krachtveld werkte echter perfect en de leider van de groep zit nog steeds gevangen, levend, maar onbeweeglijk op zijn stoel. De andere vijf liggen met gebroken lichamen op de vloer nadat Tunne ze in zijn woede als poppen tegen de muur heeft gegooid. Een van hen kreunt nog zachtjes, maar de rest is al enige tijd stil.

‘Het punt met Ursalai vuurwhisky — alom beschouwd als de beste whisky ter wereld — is dat het zo veel alcohol bevat dat het de overige smaken geheel overstemt.’

Hij knipt boven zijn glas met zijn vingers. Met een zacht geluid alsof iemand een zijden handschoen uittrekt, flikkert er een blauw vlammetje tot leven boven het drankje.

‘Daarom moet je de whisky even laten branden. De hoeveelheid alcohol neemt dan af en de opwarming van het glas zorgt ervoor dat de andere smaken van de whisky beter tot hun recht komen. Het is overigens wel verstandig om het weer op tijd te doven, anders heeft het de neiging het glas te breken en je tafel in brand te steken.’

Hij telt tot vijftien en legt dan zijn hand met een vlugge beweging op het glas. De vlam dooft en hij pakt het warme glas op. De geuren van noten en karamel zijn nu makkelijk te ontdekken en na een diepe zucht neemt hij een slok, laat het paar keer door zijn mond glijden en slikt het dan door. De drank brandt langs zijn keel en tot diep in zijn slokdarm, verwarmt zijn buik vanbinnen en verbrandt daar het laatste beetje emotie dat hij nog voelt. Hij is alleen nog maar moe.

‘Ik wilde alleen maar mooie ervaringen creëren,’ zegt hij tegen zijn leer­ling. ‘Ik wilde mensen mooie herinneringen geven zoals ik die zelf heb. Het spijt me dat ik je hierheen heb gehaald en deel van mijn leven en van mijn familie heb gemaakt zonder aandacht te besteden aan wat dat zou betekenen. Misschien heeft Elle gelijk dat mijn magie altijd aandacht zou trekken van hen die macht willen hebben. Ik weet het niet. Ik weet alleen maar dat de ervaring bitter is geworden. Dat de herinneringen zijn verzuurd. Dat de magie, niet de echte fysieke magie, maar de wonder­baarlijke, verrassende magie die je in verrukking brengt, verdwenen is.’

Tunne neemt nog een slok van de whisky. ‘Weet je nog dat ik zei dat er een aantal speciale ingrediënten in het eten zat? Dat waren Irdali woestijnkruid, een snufje salpeter en vijlsel van heksenstaal. Samen met rozemarijn en alcohol maakt dat iets dat heksenbrouwsel genoemd wordt. Het drankje dat de magie van een magiër permanent en onom­keerbaar wegneemt. Dat bevindt zich nu allemaal in mijn maag. Als magie dit soort aandacht trekt en me dwingt om dit soort dingen te doen, wil ik geen magiër zijn. Geen magiër en ook geen chef.’

Tunne knipt weer met zijn vingers en steekt het glas whisky voor Zeniek aan. ‘Dat betekent dat al mijn magie weldra verdwijnt. Wat het met die vlindersla gaat doen weet ik niet, maar alle krachtvelden houden binnen­kort op te bestaan. De vraag voor onze Rode Hand hier, is of dat gebeurt voor of nadat het glas vuurwhisky breekt. Het is niet genoeg, maar dat is het enige dat ik je nog kan geven, Zeniek. Vaarwel.’

Tunne kust het voorhoofd van zijn jonge leerling, de zoon die hij nooit had, en verlaat via de keuken het restaurant. Hij doet de deur achter zich op slot.

De beste bedoelingen : Wouter van Gorp

Soms vraag ik me af waarom ik naar de zon staar.

Fascinatie met de vijand. Simpele haat. Dat zal ik in ieder geval antwoorden, als iemand ernaar vraagt. Maar ik voel geen haat wanneer ik mijn bed uit kom omdat de slaap me niet grijpt. Wanneer ik, sluipend, om mijn vrouw niet wakker te maken, naar het balkon ga en op het tuinmeubilair plaatsneem. Ik voel geen vijandschap voor de verzengende bal van vuur, hoog in de hemel.

Ik voel slechts haar warmte, en beeld me in hoe mijn rode huid langzaam begint af te bladderen…

 

Balthamon legt zijn pen neer en geeft de inkt tijd om te drogen op het crèmekleurig papier. Hij onderdrukt een gaap. Vandaag was een slechte dag: vier uur slaap, waarvan twee zeer onrustig. De overige tijd had hij doorgebracht op het balkon.

Een slechte gewoonte. Zeer slecht. Het begon op te vallen dat hij aan het dagbraken was. Niet alleen bij zijn vrouw, of zijn baas, maar ook bij demonen die hij doorgaans nauwelijks sprak.

Het was het idee van zijn vrouw geweest om het nachtboek bij te houden.

De rode demon schudt zijn hoofd, en pakt zijn pen weer op.

 

Het zou me helpen om de zaken in perspectief te krijgen. Dat zei Lucinda.

Natuurlijk heb ik haar idee afgeschoten. Weggehoond. Als ze wist dat ik er daadwerkelijk mee begonnen was, zou ze wachten tot ik naar mijn werk was en dan alles lezen wat ik hier schrijf.

Het was een goed idee, dat moet ik toegeven. Schrijven lijkt me te helpen.

 

Balthamon laat de punt van zijn pen boven het papier hangen.

Even twijfelt hij of hij nog meer zal schrijven, totdat hij in de kamer naast hem Lucinda met een kreun wakker hoort worden.

Balthamon vergewist zich ervan dat de inkt op het papier droog is voordat hij het boek dichtslaat. Het met bleek leer omwonden boek stopt hij weg in een kluis achter een schildering van Bosch – De Dood van een Vrek -, maar met enkele details die op aarde ontbreken.

In de slaapkamer steekt Lucinda haar tirade tegen het laatste licht af, en Balthamon dekt snel de kluis weer af met het bont beschilderde paneel van eikenhout. De demon woonde al in het appartement voordat hij Lucinda leerde kennen en zijn geliefde succubus heeft geen idee van de schatten, verborgen achter de hersenspinsels van Bosch. En dat wil Balthamon graag zo houden.

 

De succubus in kwestie is aan haar avondritueel begonnen in de bad­kamer. ‘Goed geslapen?’ vraagt Balthamon tegen beter weten in, als hij zijn armen vanachter om haar middel slaat.

‘Als een wrak. We moeten echt iets doen aan die gordijnen. De zon brandde bijna door mijn oogleden heen. En op een gegeven moment hoorde ik vogels. Vogels, Balt! Duivelvergeten vogelgefluit!’

‘Er zijn geen vogels in Hel,’ corrigeert hij haar. ‘Vleerhonden, waar­schijnlijk. Of vreesvissen.’ Hij haalt diep adem, met zijn neus in haar ravenzwarte haar. Hij drukt haar dichter tegen hem aan, en zijn rechter­hand vindt haar borst.

‘Poten thuis, klerelijer. Niet voordat ik koffie heb gehad.’

Balthamon maakt een geluid, half snuif, half lach. ‘En dat moet ik geloven?’ Zijn handen glijden over haar met satijn omhulde contouren, en hij laat een kleine kreun van goedkeuring horen.

‘Ik méén het, Balt!’

‘Oké, oké.’ Hij houdt zijn handen in overgave in de lucht. ‘Als die koffie zo belangrijk voor je is…’

‘Ik heb een zware nacht voor de boeg, Balt. De aartsbisschop van Agrigento, weet je nog? Vijfentwintig jaar zitten we al achter die preutse papzak aan. En vannacht is hij de onze! Als er nu nog iets misgaat zullen er koppen rollen. Ik moet op mijn best zijn. En trouwens, jij moet je energie helemaal niet aan mij verspillen! Jij hebt je eigen problemen, nietwaar? Adramelech verwacht die nieuwe angst van je, en wel van­nacht. Geen afleidingen. Voor ons allebei niet.’

Balthamon knikt. Ze heeft gelijk. Hij weet dat ze gelijk heeft. Toch lijken er de laatste tijd steeds vaker pragmatische bezwaren tussen hen en seks te staan…

‘Hé,’ zegt Lucinda. Ze pakt zijn hand en kijkt hem glimlachend aan, alsof ze zijn gedachten gelezen heeft. ‘We zijn er bijna, Balt. De Derde Rij. Lucifer weet dat we er hard genoeg voor hebben moeten zwoegen. Laten we dit nu niet voor onszelf verpesten.’

Hij knikt weer, en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht die nog bijna geloofwaardig is ook.

‘Daar is mijn dappere demon,’ fluistert zijn vrouw, en ze kust hem op de lippen. ‘Naderhand,’ gromt ze in zijn oor, en onmiddellijk voelt hij zijn hele lichaam reageren, ‘dan vieren we het goed.’

‘Daar houd ik je aan,’ fluistert hij.

Met een laatste, verleidelijke glimlach over haar schouder laat Lucinda hem achter in de badkamer.

Balthamon kijkt haar na en zucht. Dan valt zijn blik op zijn spiegel­beeld: als volgeling van Moloch heeft Balthamon de karak­teristieke hoorns als van een sater die uit zijn zwarte haardos omhoog prijken, en de rode huid en hoeven die hem onderscheiden ten opzichte van de mens. Maar zelfs op een meter afstand van de spiegel kan hij zien dat de huid onder zijn ogen donker en sterk dooraderd is. Op een of twee plekken begint die ook te schilferen.

Hij heeft teveel tijd doorgebracht in de zon.

‘Oké,’ zegt hij. ‘Deze jongen moet naar zijn werk. En déze jongen,’ hij kijkt streng omlaag, ‘moet zich nog maar even koest houden.’

 

*

 

De nacht is nog jong, maar de straten van Heksenketel doen hun naam al eer aan. Balthamon is zevenhonderd jaar geleden in de moderne, populaire wijk van Hel komen wonen, en heeft sindsdien nooit spijt gekregen van die beslissing. In de Torens worden de beslissingen genomen, en in de Brandstapels kom je het beste amusement tegen, maar de Heksenketel…. de Heksenketel heeft klasse.

‘Enkele rit naar de Toren van Traan,’ zegt hij tegen de chauffeur – half krekel, half paard – van de opengewerkte koets. ‘En als ik er binnen een kwartier kan zijn, ben ik je dankbaar.’

De mindere demon knikt, en zodra Balthamon op de leren bank heeft plaatsgenomen, komt de koets  in beweging.

Voor de kar wijken de demonen uiteen. Gehoornde padden in over­jassen pauzeren hun verkooppraatjes en sleuren hun kleden met nacht­merries snel van de straat. Een grote, blubberige demon brult over de komende wraak van God. Harpijen en Feeksen fluiten de koets na en hopen tegen beter weten in de inzittende – een duivel van de Vierde Rij, ver boven hun stand – met geneugtes aan zich te binden.

Balthamon let al niet meer op de schepsels. Hij heeft al lang geleden geleerd geen aandacht te besteden aan demonen die zo ver beneden zijn stand zijn. Hij weet dat hij op een gegeven ogenblik – of het nu over vijfhonderd of vijfduizend jaar is – weer deel uit zal maken van de vulgaire kakofonie die het straatbeeld vult. Dat is de aard van demonen: ze worden niet geboren en ze gaan niet dood. Doorgaans. En in de eeuwigheid waarin ze leven, vervullen ze de cyclus van laag naar hoog en weer terug talloze keren.

De mindere schepsels krijsen en joelen, en herinneren Balthamon iedere nacht aan dat feit. Ooit was hij één van hen. Ooit zal hij weer één van hen zijn.

Plots komt de koets tot stilstand voor een T-splitsing. De demon die de koets voorttrekt stampt met zijn paardenpoten en produceert een hoog, tjirpend geluid door zijn vleugels over elkaar heen te strijken. Nerveus zwaait hij zijn kop heen en weer – van de linker straat naar de rechter, en weer terug – voordat hij begint te spreken:

‘Waar….heen?’

De chauffeur kijkt met grote ogen achterom, angstig over zijn lot nu hij een hogere demon heeft teleurgesteld.

Balthamon zucht.

‘Links graag.’

 

*

 

Lucinda had gelijk. Vannacht was een belangrijke nacht.

Vannacht was de nacht waarop Balthamon zijn onderzoek aan zijn baas presenteerde.

Natuurlijk was het niet louter zijn onderzoek. Een heel team van analisten en rekenkundigen had zich om Balthamon, de prognost, geschaard om diens bevindingen verder te toetsen. Hun doel: het vinden, uitvergroten en op aarde terugstorten van de 21e-eeuwse angst.

Tien jaar lang had Balthamon nu door de ether van de menselijke media gezworven. Het voordeel van de vooruitgang: twintig jaar geleden had hij handmatig van ziel naar ziel moeten springen, de harten van de mensen moeten blootleggen en hun woorden, geschreven en gesproken, moeten wegen op hun waarde.

Maar nu was er het internet.

Balthamon was de cloud ingegaan. Hij had zich middels de facebook­profielen, zoekhistories en tijdlijnen gelaafd aan dromen, wensen en nachtmerries. Had de tweets en blogs en vlogs in ontzag­wekkende hoeveel­heden verslonden. Had feit en fictie en alles daartussen aan zijn ogen voorbij laten gaan… op zoek naar dat éne idee.

Dat was het grote probleem: dat een demon een mens geen angsten kon opleggen. De mens maakte zijn eigen angstbeeld wel. En het was aan Balthamon en andere demonen zoals hij om die angsten te vinden, vervormen en uit te vergroten tot iets ontzagwekkends. Om in Hel te simuleren wat op aarde tot stand moest komen.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

De meest potente parels van de menselijke geest had Balthamon opgedoken. Zijn team had die ideeën als een groep forensisch onder­zoekers onder de loep genomen, ontleed, en geschat op hun potentie.

Nee, Balthamon had het onderzoek niet in zijn eentje uitgevoerd.

Maar het was Balthamon die vannacht voor de chef presenteerde, terwijl de andere leden van het team achterover leunden en luisterden naar het verhaal van de prognost.

‘Ik zie je punt niet.’

De woorden van Adramelech – kanselier van de orde van de vlieg, Achtste van de Aartsdemonen en bovendien Balthamons baas – werden op kalme toon gesproken. Het gezicht dat de woorden sprak was langgerekt, harig, en aan het uiteinde voorzien van een witte muil met grove, vierkante kiezen. De ogen aan het andere einde van de kop stonden droevig en meewarig, een blik die even verraderlijk was als zijn eigenaar.

Zolang dat gezicht, dat ezelgezicht, Balthamon aan bleef staren, wist hij dat zijn baas nog in een hebbelijk humeur was.

Er was namelijk een tweede Adramelech, een tweede gezicht, dat als een vage vlek, een trilling in de lucht, boven de schouder van de chef hing. Balthamon vreesde dat gezicht.

‘Wat is er… onduidelijk, heer Adramelech?’

‘Wat er onduidelijk is, beste Balt, is je hele opzet. Ik heb een uur lang mogen luisteren naar je bevindingen. GMO’s dit en alternatieve feiten dat… Je zinspeelt op angsten die al lang bekend zijn. Je brengt niets nieuws! Wat wil je bereiken, Balthamon?’

Hij gebruikt mijn volledige naam. Geen goed teken.

Balthamon ziet het tweede gezicht vorm aannemen, groter worden. Hij slikt, en begint snel te spreken.

‘Mijnheer, ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen in de afgelopen achttien maanden 36% cynischer zijn geworden tegenover hun politici. 25% minder geneigd om nieuwsberichten voor waar aan te nemen. Dat ze wel 112% banger zijn geworden voor een terroristische aanslag! Dit zijn getallen die we niet kunnen negeren. Het is de mening van mij en het onderzoeksteam-’

‘Laat het onderzoeksteam erbuiten,’ onderbreekt de Kanselier hem bruusk. ‘Jij spreekt voor het team. Verstop je er niet achter.’

‘Goed. Het is mijn mening dat we moeten toeslaan nu het ijzer heet is.’

De chef snuift. ‘En waar kom je mee? Toegenomen conflicten in het Midden-Oosten? Een aanslag op een Westers staatshoofd? Een groot schandaal met een conglomeraat, betrokken bij de systematische onder­drukking van een naar democratie hunkerende bevolking?’

Balthamon schudt zijn hoofd.

‘Het Midden-Oosten laten we buiten schot. We hebben geleerd dat dat alleen maar apathie en cynisme opwekt. We mikken op radicaliserende Westerse jongeren. Westerse steden, getroffen door westerlingen. Iedere metropool in Europa en Amerika moet een wasem van angstzweet boven zich hebben hangen. Vriend tegen vriend. Familie tegen familie.’

Drie tellen lang zegt Adramelech niets. En in die tellen voelt Balthamon de temperatuur in de presentatieruimte kelderen.

Het tweede gezicht is zichtbaar – heel goed zichtbaar – maar nog niet op de plaats van het ezelgelaat verschenen.

‘Laat ons alleen.’ De woorden dreunen als het slaan van hamer op aam­beeld.

Balthamon vertelt zichzelf dat het wel goed komt, terwijl de andere leden van zijn team de ruimte verlaten. Hij vertelt zichzelf dat zijn werk degelijk is, en dat hij geen reden heeft om bang te zijn.

Dat vertelt hij zichzelf, maar overtuigend klinkt hij niet.

‘Kanselier.’

‘Heer Adramelech.’

‘Waarde heer.’

De demonen die naar buiten stappen maken een beleefde knieval voor hun chef. Voor Balthamon hebben de meesten geen groet. De prognost ziet in de ogen van zijn teamleden raderen van koude calculatie en opportunisme draaien. Ze willen weten hoe hun direct leidinggevende hier uitkomt, voordat ze hem ook maar een woord gunnen. Slechts Althareon, de ontluikende prognost onder Balthamons hoede, geeft zijn baas een bemoedigende glimlach.

Ondankbare serpenten, denkt Balthamon verbitterd. En onmiddellijk vraagt hij zich af waar die gedachte vandaan komt. Sinds wanneer veronderstelt hij dat een demon iets anders kan zijn dan volstrekt egoïstisch?

Zijn chef is inmiddels naar het raam toegelopen en trekt de lamellen opzij om het nachtelijk panorama bloot te leggen.

De Zeven Ringen van Hel liggen om de Toren heen: concentrische ringen om het kloppend, haatdragend hart. Balthamon ziet de stromen verkeer, de slotgrachten van roodgloeiend, gesmolten gesteente. Hij hoort de kreten en het krijsen, ruikt de emoties die in de zwoele nacht­lucht hangen: angst, woede, lust.

‘Blijft verbazen, nietwaar?’

Balthamon knikt zijn chef toe. Die staat naar het raam toe en rolt een sigaret tussen zijn grote vingers. Roken, met name op kantoor, wordt actief aangemoedigd.

‘Het is een ontzagwekkende plek,’ geeft Balthamon toe.

‘Dat is het zeker. Hel…’ Adramelech laat de klank voortrollen, alsof hij de smaak ervan wil proeven. ‘Ons enige thuis, voor nu en altijd. Weggaan is uitgesloten, daar ziet de Almachtige op toe… maar hoe zijn we hier gekomen, Balt?’

Het zint Balthamon niets dat hij het gezicht van zijn chef niet kan zien. Alleen dat tweede gezicht is te zien, nog steeds als doorzichtige waas boven de linkerschouder. Balthamon loopt naar het raam toe en gaat op een meter afstand naast zijn chef staan.

‘We zijn hier gekomen,’ antwoordt Balthamon langzaam, want hij voelt dat er veel van zijn antwoord af hangt, ‘omdat we vrijheid wilden.’

Blijkbaar is dat wat de chef wilde horen, want hij knikt en werpt zijn prognost een sluwe blik toe.

‘De Val, noemen we het. Lucifer in het harnas. Onze leider, die namens zijn volgelingen eisen durfde te stellen aan de Almachtige. Zijn visie kwam hem duur te staan. En ons ook. Besef goed, Balthamon, dat deze plek onze straf is. Natuurlijk, de zielen van de moreel tekortschietende stervelingen komen hier terecht. Maar als wij niet in opstand waren gekomen, had God geen reden gehad om Hel te maken.’

Balthamon knikt. Hij weet dat hij zich op glad ijs begeeft, en ieder instinct schreeuwt hem toe om zijn reacties zo beperkt mogelijk te maken.

‘Wil je hier weg, Balt?’

De vraag komt zachtjes, haast speels op hem af, en Balthamon betrapt zich erop onmiddellijk te willen antwoorden. Net op tijd houdt hij zich in.

‘Ik wil dat we hier allemaal weg kunnen komen, ja.’

‘En de weg naar buiten is simpel, nietwaar? God was degene die onze drang naar vrijheid niet kon waarderen. Degene die ons hier plaatste, en ons maakte tot wat we zijn. Wij wilden geen strijd, God heeft die afge­dwongen. En de enige optie die we nu nog hebben, is die strijd winnen.’

Adramelech houdt de gerolde sigaret omhoog, en onderwerpt haar aan inspectie. Tevreden met zijn werk steekt hij het rolletje tabak in zijn mondhoek, en met een knip van zijn vingers vat het uiteinde vlam.

‘Een tiende van alle zielen,’ vervolgt hij zijn verhaal na de eerste teug nicotine, ‘komt hier terecht. Een tiende! Nog eens tachtig procent gaat het vagevuur in, maar dat is niet belangrijk. Zij vullen uiteindelijk alsnog de rangen van de Hemel.

Dit had ons tijdperk moeten zijn; globalisatie, vrije uitwisseling van informatie, het besef van mensenrechten… het heeft allemaal geleid tot meer angst, meer onzekerheid. En God weet dat wij bij angst en onzekerheid baat hebben. We hebben ons best gedaan: wereldoorlogen, kleine oorlogen, koude oorlogen. De angst voor het ultieme wapen. Economische ellende op een globale schaal. Angst voor het vreemde, voor de jeugd, voor verandering, zelfs voor het buitenaardse. Alles leek erop te wijzen dat de twintigste eeuw de onze zou worden. En we faalden.’

Rook kringelt uit de neusgaten van Adramelechs ezelgelaat.

‘De eenentwintigste eeuw was al even vol van belofte: terrorisme, migratie­crises, het spelen met informatie en misinformatie tot elke betekenis verloren is gegaan… En wat heeft het ons allemaal opgeleverd, Balthamon?’

‘Apathie.’

Adramelech knikt. ‘Apathie. Een wereld vol mensen die niet meer omkijken als een vliegtuig wordt neergehaald, of als een student om zich heen begint te schieten. Ze hebben het allemaal al eens eerder gehoord. Je kent die uitdrukking? ‘Alles dat nodig is voor de overwinning van het kwaad is dat goede mensen niets doen’? Niets van waar, helaas. Apathie treft ons even hard als Hem, misschien zelfs harder.. De eeuw van informatie had ons wapen moeten worden! In plaats daarvan werkt het internet ons alleen maar tegen!’

‘Ons bereik is nog nooit zo groot geweest,’ brengt Balthamon daar tegenin. ‘We zien de hele wereld, en transporteren de ellende van het ene continent binnen luttele seconden naar het andere. Iedere ramp kan nu worden uitvergroot, opgeblazen.’

‘En een zelfmoordterrorist in een afgeladen theater levert nu minder angst op dan een lege kerk die afbrandt in de middeleeuwen! Mensen kijken vanuit het gat dat ze in hun bank hebben gesleten naar de meest traumatiserende gebeurtenissen, en ze halen hun schouders op! Verontwaardiging willen we! Vrees! Woede! Geen 21e-eeuwse schizo die van alle kanten zo hard geïnformeerd wordt dat hij de waarheid toch niet meer denkt te kunnen weten!’

‘Geef me een maand, heer,’ zegt Balthamon, ‘en ik beloof u dat…’

Verder komt hij niet. Bliksemsnel draait de chef zich om, en klemt zijn linkerhand om de slanke hals van zijn prognost. De kreet die Balthamon wil slaken wordt afgeknepen en hij trekt vruchteloos aan de arm van de chef. Die voert de druk alleen maar verder op. Balthamon voelt zijn adem stokken, voelt het bloed bonzen in zijn hoofd.

Hij zou als demon niet doodgaan aan de verstikking. Dat was misschien nog wel het ergste.

De chef buigt naar voren en zijn adem rolt als de hitte van een oven tegen Balthamon aan.

‘Dit, beste Balthamon,’ en de chef houdt met zijn vrije hand een donkerblauw flesje voor de ogen van de prognost, ‘is Inessens. Weet je wat dat is?’

Balthamon briest. Zijn ogen staan wijd open, en hij probeert achteruit te komen, weg van de inhoud van het glazen flesje

‘De destructieve kracht van God, zorgvuldig opgevangen en gebotteld bij Sodom en Gomorra. Een enkele druppel hiervan laat je de rest van je bestaan als hersenloze demon rondkruipen. Twee druppels en je huid schroeit weg. Wat denk je dat er gebeurt ALS IK DIT VERDOMDE FLESJE IN JE GEZICHT LEEGKIEPER!?’

Het tweede gezicht is nu naar voren gekomen: een lange, dunne nek – veel te dun om uit zulke brede schouders te steken – met een smal, lang­werpig gezicht vol veren. Aan weerszijden van de snavel glimmen zwarte kralen waar een intense haat uit straalt.

Adramelech houdt het flesje boven Balthamons hoofd, gekanteld, met zijn duim tegen de onderkant van de stolp.

‘WAT. VOEL. JE?’

De pijn in Balthamons keel is intens wanneer hij het woord eruit perst:

‘…Angst.’

‘ANGST!’ brult Adramelech, en hij werpt Balthamon achteruit, tegen de gipsplaten muur. ‘Dat is wat ik van jou wil, Balthamon: angst! Angst op een globale schaal! Ik wil een wereldbevolking die niet meer durft te gaan slapen uit angst voor wat ze de volgende dag in hun kranten lezen!’

‘Hoe, mijnheer?’ kreunt Balthamon, die omhoog probeert te krabbelen.

‘Maakt me niet uit hoe! Dat is jouw baan, nietwaar? Haal de angst uit het onbekende, haal het uit hun onderbewustzijn. Haal het, voor mijn part, uit een handvol stof! Maar haal het ergens vandaan, verdomme, en bewijs dat je niet volslagen nutteloos bent!’

 

*

 

‘Oké, Balt. Denk. Je kunt hieruit komen.’

Met zijn rug tegen een stalen celdeur laat Balthamon zich op de betonnen vloer zakken. De lucht om hem heen is koel. Niet ijskoud, maar aangenaam koel – een sensatie die in Hel vrijwel ongekend is.

De IJskast, zo wordt het labyrint aan archiefkasten en cellen in de kelder van de Toren genoemd. Tegen de wanden van de elkaar kruisende gangen en hallen staan massieve archiefkasten opgesteld, waarin al het oude papierwerk – of het nu papyrus, perkament of papier betreft – van de Orde is opgeborgen. Documenten over de Inquisitie, plannen voor de conceptualisatie en gedetailleerde uitvoering van de Kruistochten, analyses van de Zwarte Dood, van testfase tot eindevaluatie; alles wat te belangrijk is om weg te gooien, maar niet meer relevant genoeg om een permanente plek in de hogere kantoren te verdienen.

En om de zoveel meter wordt die reeks kasten onderbroken om plaats te maken voor een stalen kluisdeur. Achter die deuren, die alleen te openen zijn door de hoogstgeplaatste leden van de Orde, zijn wapens en middelen verborgen die de Orde zelf heeft ontwikkeld, of zich door geweld heeft toegeëigend. De virusstrengen van de Zwarte Dood staan in één kluis opgesteld, terwijl de Heilige Graal de cel ernaast in beslag neemt. Balthamon weet van de verhalen van zijn collega’s dat er ook levende wezens in de cellen vastgehouden worden, wachtend op het moment dat ze weer relevant zullen worden voor de Orde.

De IJskast is waar Balthamon komt om rustig te kunnen werken. Om zijn gedachten te ordenen. En na de presentatie van die avond had Balthamon daar dringend behoefte aan

Na zijn meeting met de baas had Balhamon zijn team opgezocht. De verschillende demonen – analisten, researchdeskundigen, prognosten – zaten in het grote kantoor en operationeel hart van het project op hem te wachten.

‘Ik zal niet tegen jullie liegen,’ had Balthamon de verzameling af­wachtende blikken toegesproken. ‘Heer Adramelech is van mening dat we nog veel winst kunnen boeken met de richting van ons huidige onder­zoek. Dat betekent dat we opnieuw naar de tekentafel gaan. Vannacht nog wil ik nieuwe analyses van de verschillende toekomst­beelden die we hebben uitgedacht. De top tien, althans.’

Hij had rondgekeken met een zelfverzekerde blik, de knikjes en het instemmend gemompel van zijn werknemers afgedwongen.

‘Dit is een stap terug,’ had hij toegevoegd, ‘maar wel zodat we weer verder kunnen komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we de kanselier een angst kunnen overhandigen waar hij niet alleen tevreden over, maar ook trots op zal zijn. En nu, aan de slag.’

En na die bemoedigende leugens had hij zijn eigen dossiers van zijn bureau gegrist en zich naar de IJskast begeven, weg van de calculerende blikken van zijn teamleden.

Hij moest zich er onderweg naar het archief steeds maar aan herinneren, er zelfs van overtuigen, dat het geen aftocht was.

‘Focus, Balthamon.’

Hij legt de stapel dossiers naast zich neer, en pakt het bovenste eraf.

Misschien, denkt hij, met de moed der wanhoop, staat ergens hierin het antwoord geschreven. Misschien is er nog een manier om aan alle ellende te ontkomen.

Van binnen weet hij wel beter. Zijn onderzoek heeft al gefaald. Dat zal hij binnen niet al te lange tijd tegenover de kanselier moeten toegeven. En daarmee zal hij niet alleen zijn kans op toetreding tot de Derde Rij verliezen, maar ook flink aan invloed moeten inleveren, en blij mogen zijn als hij niet op de Vijfde Rij of lager terecht zou komen.

Lucinda zal niet meer bij hem willen blijven, zeker niet als zij meer succes boekt in haar huidige operatie. Zoals zovelen van de relaties tussen demonen is ook die van Balthamon en Lucinda op profijt gebaseerd. Samen naar de top, zolang de ander een hulpmiddel en geen belemmering vormt.

Balthamon voelt weinig verdriet bij de gedachte dat Lucinda hem zal verlaten. De seks is altijd geweldig geweest – de beste die hij ooit heeft gehad – maar hij heeft nooit een diepere emotionele connectie met haar gevoeld. Net zo min als met zijn vorige partners.

Wat hem wel pijn doet, is dat hij zichzelf tekort is geschoten. Twee­honderd jaar lang heeft hij zich als prognost onder de Kanselier verdien­stelijk gemaakt voor de Orde. Keer op keer heeft hij zijn feilloos instinct en zijn blik op de toekomst ingezet om angsten van de hoogste kwaliteit te realiseren – eerst als concept in Hel, vervolgens als realiteit op aarde.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

En nu, juist nu hij in de buurt van echte macht en invloed is gekomen, lijkt zijn talent hem in de steek te laten. Hij zal wellicht naar de Vijfde Rij zakken, en of hij zich vanaf daar weer omhoog zal kunnen worstelen betwijfelt hij ten zeerste.

Van val naar terugkeer, weer terug naar val. Ontelbare keren.

Zijn gekloofde hoef tapt nerveus op het beton terwijl hij het eerste dossier leest. Zijn ogen glijden over de nette alinea’s, over de kolommen en analyses, en vinden geen enkel houvast. Hij kijkt naar de titel van het dossier: ‘Paranoia op de Totalitaire Aarde.’ Geen nieuwe gedachte, verre van zelfs, maar wel een die resoneert bij de doelgroep.

Balthamon legt zijn vinger op de titel, sluit zijn ogen, en probeert een beeld bij het plan op te roepen.

De lijnen zijn er nog, en vormen zich voor zijn geestesoog. Balthamon ziet hoe de totalitaire aarde eruit kan zien, welke mogelijkheden zich voordoen, en wat voor effect ze teweeg zullen brengen. Rechts conser­vatisme is de sleutel van dit plan. In de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vrijheden worden onder het mom van nationale veiligheid steeds verder ingeperkt, de mandaten van de overheid worden tot in het extreme opgerekt, totdat een burger geen enkel recht meer heeft op privacy. Leven onder de angst voor het waakzaam oog.

Een krachtig idee. Het brengt angst met zich mee, zeker. En de arrogante eigengerechtigheid waar Balthamon en zijn team altijd naar streven.

Toch zijn er ook dissidente draden door het toekomstbeeld verweven: een vrijheidsbeweging staat op, geleid door een politicus die als nationale held en vrijheidsstrijder weer hoop geeft aan een verslagen volk. Onom­koopbaar, en dus niet te breken. Zelfs als hij sterft zal zijn martelaarschap zoveel hoop, liefde en altruïsme teweegbrengen dat elk effect dat het plan zou kunnen hebben teniet wordt gedaan.

‘Oh, verdomme,’ kreunt Balthamon. Hij opent zijn ogen, en laat het toekomstbeeld opdrogen tot enkele ingedikte vlekken, die langzaam plaats maken voor de realiteit van koud beton en staal.

Een tweede dossier volgt. En een derde.

Balthamon wordt hoe langer hoe wanhopiger. Zijn hoef tikt steeds indringender, gefrustreerder, op het beton. Hij zucht, en leest, en kijkt. En wat hij ziet vult hem met wanhoop.

Adramelech wil van hem de angst van de eenentwintigste eeuw. Maar het begint er voor Balthamon op te lijken dat de 21e-eeuwse mens, hoeveel ellende je ook op hem afslingert, een cynische schouder zal ophalen en stug door zal gaan met leven.

‘Dit is verdomme onmogelijk.’

‘Als het onmogelijk is, moet je jezelf geen verwijten maken.’

Balthamon verstijft. De stem komt achter hem vandaan. Vanuit de cel. Maar de cellen horen volledig gesloten te zijn. Geïsoleerd en afgesloten voor ieder geluid, en zo potdicht dat er zelfs geen streepje licht onder de celdeur door kan glippen.

Hij draait zich om terwijl hij overeind krabbelt.

‘Wie is daar?’

‘Het spijt me,’ de stem klinkt zacht en enigszins bedroefd. ‘Ik hoorde je in jezelf praten. Ik wilde je niet laten schrikken.’

Balthamon fronst als hij de open schuifklep ziet. ‘Die hoort dicht te zijn.’

‘Dat lijkt me niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben hier de gevangene, jullie de cipiers.’

Door de open klep in de celdeur kan Balthamon vaag een silhouet zien: manshoog, menselijk van vorm.

‘Waarom zit je hier?’ vraagt hij de vorm.

‘Om wat ik ben.’

Balthamon denkt dat dat hier, in Hel, nog niet eens zo vreemd is.

‘Wie ben je?’

‘Slechts iemand die zich stierlijk verveelt. Vergeef me het afluisteren. Als je ermee zit moet je misschien de klep weer dichtdoen.’

Tot op dat moment was dat precies Balthamons plan geweest, en hij had al een hand op de schuifklep geplaatst. Maar nu hij zo dichtbij staat, heeft hij het idee dat hij het silhouet beter kan zien. Alsof een lichtbron in de cel zelf de vormen van het wezen al definieert.

‘Als je moeite hebt met de schuif,’ nu klinkt de stem licht geamuseerd, ‘kun je er altijd iemand van de technische dienst bij halen.’

Balthamon voelt dat zijn vingers licht trillen.

‘Kom naar voren,’ gebiedt hij de vorm, met een stem die schor klinkt.

Even staat het silhouet stil. Dan zet ze zich in beweging, naar voren toe, het licht in. Balthamon deinst achteruit.

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’ vraagt het wezen aan de andere kant.

 

*

 

‘Heer Balthamon?’

Althareon kijkt op van zijn werk, van de tabellen en diagrammen waarmee de papieren voor hem vol geklad zijn, naar de demon die zojuist met een verwarde blik in zijn ogen binnen is komen schuifelen.

‘Ik neem aan,’ mompelt Balthamon, terwijl hij zijn stapel dossiers op zijn bureau neerlegt, ‘dat het nog geen vijf uur ‘s ochtends is?’

Althareon kijkt om zich heen. De kleine, donkerblauwe demon met de schaapsnuit en ramshoorns is als enige van het team nog op het kantoor.

‘Ik heb geprobeerd ze tegen te houden,’ merkt hij op. ‘Gedreigd met hel en verdoemenis. Het had weinig effect.’

Balthamon knikt. Staart wat voor zich uit.

‘Ehm,’ begint Althareon. ‘Ik kan ze oproepen? Zeggen dat u ze hier wilt hebben?’

‘Hm…wat? Nee, laat ze maar.’ Balthamon fronst. ‘Luister, ik heb behoefte aan lunch. De vloeibare variant. Ken je een goede tent in de buurt?’

Althareon glimlacht. ‘Een of twee.’

 

*

 

Het is rond middernacht al druk bij Dante al Dente. Dealers in martel­werktuigen die hun cliënten op lunch trakteren, grote beulen met opgestroopte, bebloede mouwen die burgers onder hun leren kappen door naar binnen stouwen, en natuurlijk de dames van de nacht die aan een trog vol bloedwijn geruchten en roddels uitwisselen.

‘Populaire tent,’ merkt Balthamon op, terwijl hij tegenover zijn jonge prognost zijn vingers over een glas zwavelzuur on the rocks laat glijden.

‘Hmm? Nog nooit eerder hier geweest?’

Balthamon schudt zijn hoofd. ‘Ik ken het niet eens. Vroeger zat hier een openbaar teerhuis.’

Althareon lacht, wat met zijn schaapsnuit en dubbele rij haaientanden een bevreemdend effect oplevert. ‘Dat teerhuis is meer dan dertig jaar geleden. U moet vaker de deur uit, chef. Maar ik vermoed dat u minder tijd heeft dan ik, als lid van de Vierde Rij.’

Ja, maar dat duurt niet lang meer, denkt Balthamon met een grimas, en hij neemt een slok van zijn zwavelzuur.

De serveerster – die haar lichaam naar de nieuwste rage binnenste­buiten draagt – komt langs en zet twee borden dampend rood vlees neer.

‘Steak van de Tragen. Dertig zilver.’

Balthamon reikt al naar zijn buidel, maar Althareon is hem voor. ‘Hier, houd het wisselgeld maar.’ De serveerster knikt dankbaar, waarbij druppels bloed van haar longen op het tafelblad vallen, en gaat verder met haar ronde.

‘Dat had niet gehoeven, Alt.’

De blauwe demon haalt zijn schouders op. ‘Kleine moeite, chef. Ik dacht dat u wel een opsteker kon gebruiken, na die presentatie van vannacht.’

Balthamon knikt.

‘Zeg, chef,’ Althareon schraapt zijn keel en kijkt vanonder zijn wenk­brauwen naar zijn baas. ‘Klopt het, wat ze op het kantoor zeggen? Dat ons onderzoek ten dode is opgeschreven?’

Balthamon ademt diep uit door zijn neus. Hij denkt aan de opdrogende vlekken van gefaalde toekomstbeelden. Aan Adramelech die een fles non-existentie boven zijn hoofd houdt.

Hij denkt aan het licht van een eenzaam wezen in een cel.

‘Chef?’

‘Nee, Alt.’ De woorden lijken van verre, van een vreemde, te komen. Balthamon tovert met moeite een glimlach die bemoedigend moet zijn op zijn gezicht. ‘Maak je geen zorgen, het onderzoek komt wel goed. Ik heb dit soort tegenslagen vaker meegemaakt. De uiteindelijke angst wordt er altijd beter van.’

Althareon knikt, en een opgeluchte grijns splitst zijn gezicht in tweeën. ‘Ik wist het wel, hoor,’ zegt hij. ‘Nou, bon appetit.’

Balthamon kijkt licht geamuseerd toe hoe de blauwe demon grote stukken vlees met zijn rijen vlijmscherpe tanden naar binnen begint te werken.

‘Vertel me eens, Althareon,’ zegt hij terwijl hij het zwavelzuur in het glas laat rondtollen. ‘Wat is jouw doel eigenlijk?’

‘Hmm?’

‘Hier in Hel. Wat wil je bereiken?’

‘Oh, dat.’ De blauwe demon slikt een hap vlees door, wast die weg met vloeibare stikstof. ‘Nou ja, het gebruikelijke, eigenlijk. Hogerop komen. De Vierde Rij bereiken, dan de Derde, enzovoorts, enzovoorts.’

‘En dan? Dan kom je in de Binnenste Cirkel, dan heb je het gemaakt, en dan? Op je hoede zijn voor je concurrenten en onderlingen, totdat je van je troon gestoten wordt? Wat is het einddoel?’

Althareon haalt zijn schouders op. ‘We zijn eindeloze wezens, chef. Er is voor ons per definitie geen einddoel.’

‘Denk je dat ze er aan de andere kant ook zo over denken? Dat Hij en de Zijnen geen einddoel voor ogen zien?’

‘Ah,’ Althareon lacht. ‘Die andere kant. Tja, ik vermoed dat ze daar wel iets van een punt op de horizon zien. De Tweede Komst, het Laatste Oordeel, het ophalen van alle schone zieltjes en gezellig psalmen zingen rond het hemels kampvuur. Zoiets? En moet dat ons meer aantrekken dan waar wij voor strijden? Macht over de hele aarde, de hele mensheid?’

Althareon blijft lachen, en Balthamon glimlacht halfslachtig mee. ‘Ik vermoed dat je gelijk hebt,’ zegt hij.

En toch krijg je dat beeld maar niet uit je hoofd, Balt. Toch blijf je die cel maar voor je zien, en voel je nog steeds het licht dat van de gevangene afstraalt.

‘Maar toch-’ begint Balthamon, en verder komt hij niet, want op dat moment valt er een lange gedaante over hun tafel.

‘Wat moet dat-’ gromt Althareon, en hij staat al op om de gedaante bij zijn kraag te grijpen.

‘Genade, heren!’ de demon – in de vorm van een paffige walrus met kraaienpoten – blubbert zijn excuses. ‘Een- hrmm-glaasje teveel gehad, vrees ik! Alstublieft, een zilverstuk voor een arme demon?’

‘Maak dat je wegkomt!’ gromt Althareon. Balthamon zegt niets, maar kijkt naar de grote vlokken en vellen loslatende huid van de demon, het teken dat hij vele uren in zonlicht heeft doorgebracht. Noodgedwongen, natuurlijk.

‘Valt dit heerschap u lastig, mijne heren?’ Een grote kerel met een enkel oog en slecht zittend pak torent boven de klaploper uit. ‘Eist u genoeg­doening? Zal ik zijn botten voor u breken?’

‘Nee,’ zucht Balthamon, en hij wuift de hulp van de uitsmijter weg. ‘Laat hem maar.’

Balthamon maakt zich los van de bank, legt zijn servet op het tafelblad. Althareon werpt hem een bezorgde blik toe. ‘Alles in orde, chef?’

‘Ik heb nog werk te doen, Alt. Maar dankjewel voor de lunch.’

Zonder achterom te kijken loopt Balthamon naar buiten. Achter zich hoort hij hoe de uitsmijter, onder toejuiching van Althareon, de dronken demon manieren bij begint te brengen.

Balthamon zet zijn kaken op elkaar, en loopt door.

 

*

 

Tik. Tik. Tik.

‘Balt, wil je daar mee ophouden?’

Balthamon rukt zijn blik los van de kom bouillabaisse die voor hem staat en kijkt recht in de ietwat geïrriteerde ogen van zijn vrouw.

‘Je zit al twee minuten lang met je hoef op de vloer te tikken,’ zegt Lucinda. ‘Wat is er met je aan de hand?’

De twee demonen zitten aan de eettafel in hun woonkamer. Normaal kiezen ze ervoor om in de keuken te eten, maar vanochtend heeft Lucinda besloten dat de gelegenheid om wat meer luxe vraagt: een diner van zeven gangen staat tussen de partners uitgestald, in zilveren schalen op een ivoorwit tafelkleed. Lucinda heeft, zoals altijd, veel te veel eten laten bezorgen – koken weigert ze: ze is een vreselijke kok, en Balthamon nog erger.

Zelf heeft ze vijf, zes lepels van haar bouillabaisse genomen, om haar kom vervolgens aan de kant te schuiven en te anticiperen op het volgende gerecht.

Balthamon daarentegen heeft nog geen hap door zijn keel gekregen.

‘Hoe ging het op het werk?’

Lucinda stelt de vraag met een mengeling van zorg, meelevendheid en, tegelijkertijd, afstandelijke calculatie. Balthamon zucht inwendig.

‘Het ging prima, Lucinda.’

‘De nieuwe plannen sloegen aan bij de chef?’

Balthamon knikt en haat zichzelf terwijl hij dat doet.

Waar komt dat gevoel vandaan? Demonen liegen nu eenmaal. Dat is wat we doen.

‘De plannen gaan werken, maar we moeten nog veel onderzoek ver­richten. Adramelech heeft mijn team wel drie-, vierhonderd calcu­latie­stromen gegeven om na te gaan.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik ben niet de beste gesprekspartner vanochtend. Ik heb nog niet eens naar jouw nacht gevraagd. De aartsbisschop van Agrigento… hoe ging het?’

Lucinda grijnst.

‘Als een vlieg in ons web,’ zegt ze, en neemt een aardbei uit de schaal in het midden van de tafel.

Terwijl ze erin bijt en het sap over haar lippen loopt, werpt ze Balthamon een verleidelijke blik toe. En hij voelt, slecht humeur of niet, het lid tussen zijn benen in beweging komen.

 

*

 

De seks was goed, geeft Balthamon toe. Uitzonderlijk zelfs, op een technisch vlak. In de afgelopen tweehonderd jaar heeft hij geleerd wanneer Lucinda op routine draait, en wanneer ze moeite doet. In dat laatste geval zet Balthamon al zijn ellende en zorgen opzij om met haar het bed in te duiken. Zo ook deze keer.

Maar de seks is voorbij. En de zorgen die Balthamon opzij had geschoven stromen weer terug, aangetrokken door de leegte die het weg­ebbende genot achterlaat.

Naast hem ligt Lucinda te slapen, in een houding die haar vast de nodige spierpijn gaat opleveren. Balthamon weet wel beter dan haar daarom wakker te maken. Ze snurkt lichtjes, gromt en rolt weg als haar huid wordt geraakt door het zonlicht dat tussen de lamellen door sijpelt.

Balthamon daarentegen merkt dat zijn ogen steeds weer naar het warme licht toe getrokken worden. Hij denkt aan het licht dat de afgelopen nacht uit de cel straalde, en hem vol in zijn gezicht raakte.

 

*

 

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’

Twee blauwe ogen. Een gezicht dat lijkt te stralen met zilver licht.

Terwijl Balthamon nog stil staat, verbouwereerd, probeert hij te bepalen wat voor geslacht het wezen heeft. Het lukt hem niet. Het smalle, symmetrische gezicht heeft een geslachtloze kwaliteit. Niet androgyn, geslachtloos. Alsof het wezen gemaakt is in een tijd dat sekse nog geen factor was.

‘Je weet wat ik ben, nietwaar?’

Balthamon knikt. Ergens vindt hij zijn stem. ‘Hoe kom je hier?’ vraagt hij.

De engel zucht, en glimlacht droevig. ‘Zijn plan.’

 

*

 

‘Verdomme,’ fluistert Balthamon, nadat hij de lange wijzer op de wekker een hele ronde heeft zien maken.

Voorzichtig haalt hij de satijnen lakens van zijn benen en glipt het bed uit. Hij gooit een badjas over zijn slanke postuur, doet de slaapkamerdeur open, en laat een snurkende succubus achter zich.

Balthamon schuift de pui open en stapt zijn balkon op. Het warme licht van de zon – hoog aan de hemel – verblindt hem. Als de zwarte vlekken zijn blik beginnen te vullen sluit hij zijn ogen en laat hij de zonnestralen op zijn gezicht rusten.

De dag is warm – warmer dan Balthamon had gedacht. Hoewel Hel aan andere regels onderworpen is dan de Aardse werkelijkheid, is er door­gaans wel een weerspiegeling van de seizoenen merkbaar. Op aarde is het nu april, maar de zon brandt als op een warme dag in juli.

Balthamon wendt zijn gezicht ten slotte af, en opent zijn ogen weer. Hij zucht wanneer de vlekken terugtrekken en Hel zich langzaam aan hem openbaart.

De straten zijn nu leeg: geen zichzelf respecterende demon is overdag op straat te vinden. In dit warme, volle licht kleuren de straten van Hel – het gietijzer en grauw gesteente – een vreemde tint geel, en even kan Balthamon geloven dat hij zich niet meer in de gevangenis van de verdoemden bevindt. Zelfs het miasma dat ’s nachts uit de fabrieken en folterhuizen wasemt – de smog, de rook, de ziektes – lijkt nu verdwenen, of ijl genoeg om de suggestie van schone lucht op te wekken.

Balthamon kijkt naar de lege, zonovergoten straten, en denkt aan twee blauwe ogen.

Blauwe ogen, en een warme zon.

‘Verdomme,’ zegt hij weer, voordat hij naar binnen gaat en zijn badjas voor zijn werkkleren verwisselt.

 

*

 

Er is geen portier bij de Toren van Traan. De Toren heeft een eigen entiteit – een spiritus – en herkent zijn werknemers. Balthamon weet dat hij zijn toegang tot het kantoorcomplex op het hoogst van de middag niet voor zijn werkgevers verborgen zal kunnen houden: vroeg of laat – waarschijnlijk vroeg – zal Adramelech ervan horen, en zijn conclusies trekken.

Die gedachte spookt door Balthamons hoofd terwijl hij de met marmer ingelegde ontvangsthal betreedt, en blijft er spoken terwijl hij over de brede, betonnen treden naar beneden loopt, de IJskast in.

Als hij op de stalen deur afloopt, heeft hij even het idee dat de schuif­klep weer gesloten is.

Er is niks aan de hand, vertelt hij zichzelf. Ik kan niet meer met hem praten. Ik vergeet deze hele situatie, en richt me weer op mijn werk. De Derde Rij kan ik wellicht niet halen – nog niet – maar dat betekent niet dat ik uit de Vierde Rij hoef te stappen.

In zijn hoofd heeft Balthamon al een verklaring bedacht voor het feit dat hij hier overdag is: hij had die nacht gemeend te zien dat één van de cellen in de IJskast niet goed vergrendeld was. Hij was er overdag van wakker geschrokken, en was naar de Toren gekomen om zich ervan te verzekeren dat alles in orde was.

Dat klinkt goed, besluit hij. De komende uren zou hij zich op zijn werk kunnen storten, en wie weet… wellicht zou het idee zich aandoen waarmee hij de chef alsnog zou kunnen overtuigen van de waarde van zijn project.

Dan ziet hij dat hij zich vergist heeft: de cel die hij zoekt is twee deuren verder, en de schuifklep staat wel degelijk open. Het licht waar hij eerder die nacht voor terugdeinsde stroomt naar buiten toe.

Alsof ze voelen dat hun baas aarzelt, nemen Balthamons benen de controle over. Voordat hij er iets aan kan doen, staat hij voor de celdeur en kijkt hij door de open klep naar binnen.

‘Ik zie dat je terug bent.’

Balthamon voelt zijn hart kloppen in zijn keel. Toen hij op zijn balkon stond, zijn gezicht verwarmd door de stralen van de zon, leek zijn besluit zo helder. Maar nu hij oog in oog staat met de engel beseft hij dat hij geen flauw idee heeft wat hij wil doen.

‘Wel,’ zegt de engel aan de andere kant droevig. ‘Waarom ben je hier?’

‘Ik…’ Balthamon neemt diep adem. ‘Kunnen we veranderen?’

De engel houdt zijn hoofd schuin, vragend. ‘Of we kunnen veranderen? Wat denk je zelf?’

Balthamon tuit zijn lippen, en denkt. ‘Ooit waren we als jij,’ zegt hij.

De engel knikt. ‘En wat jij wilt weten is, ‘kan ik weer zo zijn’? Dat is het toch?’

‘Ja.’

Lange tijd houdt de engel Balthamon in zijn blik gevangen. ‘Is dat wat je wilt?’ is wat hij ten slotte vraagt.

‘Ik… ik weet het niet. Nee. Ja. De laatste tijd slaap ik slecht. De zon. Ze lijkt feller.’

De engel zegt niets.

‘Ik ben een prognost,’ zucht Balthamon. ‘Ik kijk naar een plan en ik zie de toekomst. De waarschijnlijkheden. Het goede en het kwade. Althans, dat deed ik. De laatste tijd is mijn talent… aan het afzwakken. Sinds ik slecht slaap. Sinds ik in de zon kijk.’

Balthamon haalt diep adem.

‘Is het… Zijn werk?’

De engel kijkt hem aan. Droevig, meewarig.

‘Kom dichterbij,’ zegt hij.

Zijn voeten willen al vooruit schuifelen, maar Balthamon houdt ze tegen. ‘Ik weet niet wat je van plan bent.’ Hij is er nu zeker van: dezelfde warmte die Balthamon onder de stralen van de zon voelde komt hem ook vanuit de cel, vanuit de engel, tegemoet.

‘Balthamon,’ zegt die. ‘Ik weet dat dit moeilijk voor je is. Ik weet dat dit haaks staat op alles wat je de afgelopen drieëndertigduizend jaar geloofd hebt. En ik weet ook dat dit de enige manier voor je is om vrede te voelen.’

Even aarzelt de engel, voordat hij het vraagt.

‘Mag ik je helpen?’

Zijn slanke, zilverwitte hand reikt hij uitnodigend naar buiten. Balthamon staart ernaar alsof het een reddingsboei is, maar wel een die is geladen met springstof.

Hij kijkt voorbij de hand, naar de ogen van de engel. Balthamon recht zijn rug.

‘Vertel me je naam,’ zegt hij.

De engel glimlacht. ‘Zalthear.’

Balthamon grijpt zijn hand.

En een lange, zilverwitte straal licht kruipt over Balthamons arm, tot in zijn borst.

Vier, vijf tellen lang staan de twee wezens – engel en demon – tegenover elkaar, met slechts de celdeur tussen hen in. Beiden hebben hun ogen gesloten, en beiden spreken niet. Balthamons gezicht vertrekt, en een traan rolt over zijn wang. De engel houdt zijn gelaat ontspannen, maar ook bij hem loopt een traan vanuit zijn rechteroog naar beneden.

Dan opent de demon zijn ogen.

‘Ik..’ begint hij, ‘ik hoorde… ik zag…’

De engel knikt.

‘Was dat een herinnering?’

De engel schudt zijn hoofd. ‘Het was een belofte.’

 

*

 

Balthamon had erop gerekend de deur van Adramelechs kantoor te moeten forceren. Maar de deur, die de afgelopen tweehonderd jaar iedere dag met de spreuken van de chef verzegeld werd, staat uitnodigend open. Alarmbellen hadden moeten afgaan in Balthamons geest, maar hij denkt slechts aan zijn doel.

‘Adramelech heeft de loper van de cellen,’ had hij Zalthear verteld. ‘Als ik in zijn kantoor kan komen, kan ik je hieruit halen.’

Zalthear had geknikt. ‘Het dak. Breng me naar het dak en ik kan contact maken met Hem.’

De loper vinden, terug naar de cel, en naar het dak. Een helder plan. Een simpel plan.

Ik ben een klootzak met een ezel- en een pauwengezicht, denkt Balthamon, als hij in het luxueus ingerichte kantoor staat. Ik paf sigaren tot de nicotine uit mijn poriën loopt, en ik geil erop mijn werknemers met totale vernietiging te bedreigen. Waar laat ik mijn sleutels?

Het antwoord dient zich aan als Balthamon voor de tweede keer een slome cirkel maakt.

‘Ah,’ zegt hij, en grist de loper van een haak naast de deur.

De loper voelt zwaar in zijn rode hand: een grote, zilveren vlieg, symbool van de Orde, met daaraan zes sleutels. Balthamon weet dat één ervan, met een kruisvormig uiteinde, gebruikt wordt voor de cellen en archieflades van de IJskast. Twee andere dienen om de Toren van binnenuit te sluiten, in noodsituaties. Eén is voor het kantoor zelf, en een andere is de reservesleutel van Adramelechs wagen – een rode Porsche.

Dan is er nog één sleutel: klein, met een fijn, geribbeld uiteinde.

Balthamon kijkt rond, en ziet een langwerpig stalen kistje op een hoek van het bureau van de chef staan. Met een klein slot.

‘Ach, wat zou het ook…’

Drie dingen vindt Balthamon in het kistje: twee dossiers, en een klein, zwartblauw glazen flesje. Balthamon denkt terug aan hoe de chef, nog geen volle nacht geleden, dat flesje tegen zijn lippen aan drukte. Hij recht zijn rug en stopt het wapen in zijn broekzak.

Die is voor mij, lul.

Dan de dossiers: het ene is getiteld ‘Schone Schijn,’ het andere ‘Privé’. Balthamon legt het eerste dossier weg, en opent het tweede. Het eerste wat hij ziet is een polaroid van een scharlaken vrouw in nachthemd, poserend op een bed. Hij herkent de vrouw.

Meer polaroids volgen: Lucinda met haar armen boven haar hoofd, waardoor haar tepels tegen het doorschijnende hemd aan komen; Lucinda die het nachthemd open knoopt, en de bovenkant van haar borsten blootgeeft; Lucinda op handen en knieën, die over haar schouder suggestief naar de camera kijkt.

‘Gevaarlijk terrein, prognost van me.’

De polaroids vallen uit Balthamons hand.

Hij staart naar het midden van het grote bureau, waar boven een stenen bassin het hoofd van Adramelech – het pauwenhoofd – verrezen is.

‘Ik zie dat je mijn persoonlijke collectie gevonden hebt. Neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Balt. Lucinda was altijd al te goed voor een zwakke demon als jij. Ze had gewoon iemand nodig om haar te laten zien hoe Hel werkt. En die persoon kon ik voor haar zijn. Vertel me eens: wat voel je nu? Haat? Schaamte? Jaloezie?’

Balthamon kijkt zijn chef recht – voor zover dat kan, bij een fantoombeeld – in zijn zwarte, felle ogen. Hij beseft dat hij altijd al een hekel heeft gehad aan die blik, geamuseerd door iets wat alleen voor de chef amusant is.

‘Eigenlijk,’ zegt Balthamon, ‘laat het me koud.’

Het vreemde is dat het nog klopt ook.

‘Balthamon? Je gedraagt je vreemd. Wat doe je in mijn kantoor? Wat is je plan?’

‘Het was een eer om voor je te werken, Adramelech. Je hebt me veel geleerd.’ Balthamon haalt diep adem. ‘Maar laat me voor nu zeggen dat je die stomme pauwenkop van je tussen je eigen benen mag steken, en diep, diep je reet in mag duwen. En niet omdat je Lucinda van me afpakt. Ik wens jullie samen veel geluk. Ik neem ontslag.’

Met een zwaaiende beweging slaat Balthamon het bassin – en daarmee het verbouwereerde hoofd van zijn baas – van de tafel, tegen de muur aan. Daar slaat het stuk en laat een natte vlek achter op het tapijt.

Balthamon grist de dossiers – beide dossiers – van de tafel en steekt ze in de binnenzak van zijn jas. Hij pakt de loper en beent met snelle pas het kantoor uit.

Achter hem, vanuit het gebroken bassin op de vloer, achtervolgt de stem van de chef hem in horten en stoten.

‘Dit gaat nie- … zult hier…. zweer je… wegkomen!’

 

*

 

‘Heb je het gevonden?’ vraagt Zalthear.

Balthamon knikt. Hij neemt de juiste sleutel in zijn hand, en maakt met licht trillende vingers de celdeur open.

‘We moeten haasten. Adramelech – mijn baas – weet dat ik hier ben. Dat ik iets van plan ben.’

De zware celdeur zwaait verbazingwekkend makkelijk open, en Balthamon stapt achteruit om de engel in zijn volle glorie te bewonderen: Zalthear draagt kleren – een simpel grijs sweatshirt en donkerblauwe joggingbroek – maar toch lijkt het zilverwit licht vanuit zijn hele lichaam te stralen, door de stoffen omhulsels heen.

‘We moeten naar het dak,’ zegt Zalthear. ‘Vanaf daar kan ik contact maken.’

De twee wezens – rood en zilver – haasten zich door het trappenhuis omhoog. Heel even blijft Balthamon staan op de begane grond en kijkt door de lengte van de lobby naar de voorzijde van het gebouw. Drie, vier gedaanten lopen buiten rond: rechtop staande, grimmige silhouetten, door het weerlicht van de zakkende zon zichtbaar achter de matglazen ramen.

Hellehonden, denkt Balthamon. Hij had de poorten al van binnenuit vergrendeld met Adramelechs loper, maar hij weet dat het niet lang zal duren voordat de ordebewakers van de onderwereld een weg naar binnen zullen vinden.

‘Kom op,’ spoort hij de engel aan. Die kijkt weg van de silhouetten voor het raam en knikt.

Balthamon wil naar de lift stappen, maar bedenkt zich dan.

‘Als ze binnenkomen, kunnen ze de liften stopzetten. Te riskant. We nemen de trap.’

Op de tiende verdieping begint Balthamon te vertragen. Op de veer­tiende is hij aan het puffen en buiten adem. Op de negentiende moet hij stoppen en de reling vastgrijpen, en probeert hij zijn maaginhoud niet uit te braken. Zalthear lijkt van de inspanning geen enkele hinder te onder­vinden, en kijkt over de reling naar beneden.

‘Hoor je dat?’

Balthamon knippert met zijn ogen. Zalthear kijkt hem aan, en houdt zijn hoofd schuin, gebarend dat hij moet luisteren. Als Balthamon zijn ademhaling onder controle krijgt, hoort hij het ook: het gegrom van de hellehonden.

En dat komt niet van beneden.

‘Nee!’ roept Balthamon, net voordat de deur direct tegenover hem en de engel versplintert en twee hellehonden zich door de opening naar buiten storten. Meer dan manshoog, met een rode pels, grote klauwen en een lange, grijnzende snuit, lijken de in uniform gestoken bewakers meer op weerwolven dan honden.

Balthamon grist naar het flesje in zijn binnenzak.

Met reflexen waarvan Balthamon niet wist dat hij ze had schiet zijn arm naar voren, in een brede boog, en drukt zijn duim de stolp van de donkerblauwe hals af. Druppels van het donkere goedje vliegen uit de fles en treffen de hellehonden op hun snuit, borst, armen en benen. Eén druppel treft de achterste ordebewaker zelfs direct in zijn oog, en Balthamon ziet het oog verschroeien, verschrompelen en wegkwijnen tot een verkoolde kruimel.

De rest van de hellehonden volgt. Het geschreeuw weergalmt door het trappenhuis, en lijkt pas te stoppen als de beide bewakers tot smeulende resten zijn gereduceerd.

‘Effectief.’

Balthamon, nog geschokt door de schade die hij heeft aangericht, kijkt opzij naar Zalthear. Die staart naar de resten van de twee hellehonden te kijken. Vergist Balthamon zich, of is er een kleine glimlach van genoeg­doening zichtbaar op het engelengelaat?

Dan kijkt Zalthear Balthamon aan, en zijn gezicht valt weer terug in zijn natuurlijke, serene staat.

‘Kijk uit,’ zegt hij, en knikt naar Balthamons rechterhand.

Balthamon kijkt omlaag, en ziet dat hij het flesje nog vasthoudt. Een druppel van de donkere vloeistof ligt op de rand van de hals, en dreigt eruit te lopen. Balthamon onderdrukt de impuls om het flesje weg te gooien, en raapt voorzichtig de stolp op. Als hij er van verzekerd is dat het flesje weer veilig afgesloten is, stopt hij de Inessens terug in de binnenzak van zijn jas, tegen de folder aan.

‘Zullen we verder gaan?’ vraagt Zalthear.

Onderaan het trappenhuis klinkt het geblaf van méér hellehonden. Balthamon knikt.

 

*

 

Het dak van de Toren van Traan bestaat uit twee niveaus: een rondgang, bereikbaar vanaf de drieëndertigste verdieping, en het dakterras, met een ijzeren trap te bereiken vanaf de rondgang. De laatste keer dat Balthamon op het dakterras kwam was met de jaarlijkse personeelsbarbecue: een gezellige gelegenheid, waarbij de mixdrankjes rijkelijk vloeien en het minst presterende personeelslid traditiegetrouw op de grill belandt. Wederom: demonen sterven niet. Balthamon had horen zeggen dat het jaarlijks offer er het nodige ongemak aan overhield om – nadat hij in stukken was gesneden, en was opgegeten door zijn collega’s – weer tot een geheel te groeien.

Dat gaat mij overkomen, denkt hij koortsachtig. Gegrild en opgediend met barbecuesaus. Als ze ons grijpen, in ieder geval.

Aan alle kanten komt het hondengeblaf hen tegemoet. Balthamon kijkt met samengeknepen ogen naar de engel, Zalthear, die zich richt tot de zon – nu bijna aan het einde van haar afdaling naar de horizon.

‘Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zegt Zalthear, en zijn stem klinkt krachtig in de stille lucht bovenop het dakterras. ‘Hier staan twee van Uw kinderen: angstig, verloren, en afhankelijk van uw hulp.’

Geschraap op grindkorrels. Balthamon draait om zijn as, en graait al naar de Inessens in de binnenzak van zijn jas. Verderop, op de Toren van Bloed, ziet hij een kleine colonne hellehonden stelling nemen, met tussen hen in een stellage van zwarte, glanzende buizen die langzaam vorm begint te krijgen. Een stuk artilleriegeschut, vermoedt Balthamon.

‘Heer, verlos ons van deze kwade geesten!’ Zalthear is op zijn knieën gevallen en steekt zijn armen uit. ‘Red ons uit de klauwen van zij die Uw Naam verloochenen! Hier staan Uw kinderen; Zalthear, een trouw dienaar, en Balthamon, een banneling met berouw. Reik ons Uw hand, Heer!’

Balthamon is achter de engel komen staan, en legt een hand op diens schouder. Samen kijken ze naar de zon, die fel en heet in hun gezicht schijnt. Samen horen ze het bloeddorstig gegrom van de ordebewakers die aan alle kanten het gebouw beklimmen.

Balthamon kijkt opzij, waar een aantal van de hellehonden – uitgerust met kevlar en lange, doorzichtige schilden – over de rand van het dakterras klimt en een behoedzame schildmuur opstelt. Dan naar de andere kant, waar vanaf het dak van één van de andere Torens – Pus of Pis, een van die twee – een V-formatie gedrochten hun stenen vleugels spreidt.

‘Niet om het een of ander,’ zegt de demon met een kalmte die hij geheel niet voelt, ‘maar gaat dit nog lang duren? We zijn aardig omsingeld aan het raken.’

‘Ik-’ begint Zalthear, ‘ik-’

‘BALTHAMON!’

Precies tegenover de langzaam zakkende zon staat hij: Adramelech, Kanselier van de Orde van de Vlieg. De chef. Met een kogelvrij vest aan en een megafoon tegen zijn ezellippen.

‘BALTHAMON!’ schalt zijn stem door de elektronische trompet. ‘KUNNEN WE PRATEN, VOORDAT JE IETS DOMS DOET?’

‘Hij komt niet…’

Zalthear kijkt over zijn schouder, omhoog, in de ogen van Balthamon. En voor het eerst sinds hij de engel heeft ontmoet ziet Balthamon angst en onzekerheid in het anders zo serene gelaat.

‘Hij komt niet,’ herhaalt Zalthear, en een zilver spoor van tranen loopt over zijn wangen naar beneden.

‘BALTHAMON! LUISTER NAAR ME!’

Balthamon spant zijn kaak, en kijkt weg van de engel, naar zijn voormalige baas.

‘Wat wil je!?’ schreeuwt hij. De woorden komen wild en rauw uit zijn mond.

‘BALTHAMON, IK WIL DAT JE VAN DE ENGEL VANDAAN STAPT. IK WIL DAT JE JE HANDEN IN JE NEK LEGT EN DAT JE OP JE KNIEËN GAAT.’

Om het tweetal heen heeft een hele linie hellehonden stelling genomen – een ononderbroken cirkel van grommende snuiten, verschanst achter hoge schilden. Schaduwen glijden over het dak, over Balthamon. Schaduwen van de waterspuwers die als aasgieren om hem heen cirkelen. Maar niets ondernemen.

Niemand onderneemt iets.

Ze zijn bang, beseft Balthamon. Bang voor mij.

Voorzichtig, langzaam, haalt hij het flesje, de Inessens, uit zijn binnen­zak tevoorschijn, en houdt die omhoog.

‘BALTHAMON!’ brult de chef. ‘DOE NIETS WAAR JE SPIJT VAN KRIJGT!’

Maar wat dan? Balthamon staat op meer dan twintig meter afstand van de chef; te ver om de Inessens over hem heen te gooien. Wellicht kan hij er een paar hellehonden mee vernietigen, maar niet meer dan dat.

Zijn ze bang dat ik het zelf inneem? Dat ik mijn straf ontloop?

Nee. Demonen genieten van andermans pijn, en zijn wraaklustig, maar Balthamon zal zeker niet gemist worden als hij de donkerblauwe drank in zou nemen en zichzelf zou wissen uit het bestaan.

‘Heer…’

Langzaam draait Balthamon zijn hoofd, en kijkt naar het zilverwitte wezen dat nu op handen en knieën – zijn hoofd omlaag, steunend op het grind – op het dakterras zit. De smeekbedes die van Zalthear komen klinken wanhopig, huilerig.

‘Heer! Alstublieft…’

En dan snapt Balthamon het.

‘IS HET JE OM HEM TE DOEN, ADRAMELECH?’ roept hij naar de chef, en wijst achter zich naar de engel.

Adramelech verrekt geen spier. En verraadt daarmee alles.

‘JA DUS! WAT IS ER ZO BELANGRIJK AAN HEM?’

‘IK KOM NAAR JE TOE, BALT.’

‘BLIJF DAAR!’

Twee meter is de chef naar voren gekomen. Als Balthamon zou willen, kan hij de Inessens naar zijn baas gooien. En wellicht zou hij nog raken ook.

Als Adramelech zich van dat gevaar bewust is, laat hij het niet merken. Hij zet de megafoon weer aan zijn lippen en spreekt nu op zachtere toon.

‘Balthamon, je hebt daar het belangrijkste deel van de operatie die de Orde vijfhonderd jaar voorbereiding en ontelbare miljarden heeft gekost. Ik weet dat je momenteel boos en onzeker over je positie bent, maar we kunnen hierover praten! Doe die fles weg!’

‘WIE IS HIJ?’

‘We leggen alles uit, Balthamon, alles! Maar leg eerst-’

‘NEE! VERTEL HET ME NU!’

Om zijn eis kracht bij te zetten stapt Balthamon achteruit en houdt de fles Inessens boven het hoofd van de engel. Zalthear heeft zijn ogen gesloten, en merkt niets.

‘Heer, ik ben U niet waardig,’ prevelt hij zacht. ‘Ik ben Uw dienaar, en accepteer het Plan dat U voor mij heeft.’

Twee van de hellehonden zetten geweren tegen hun schouders en richten op Balthamon. Adramelech haalt de megafoon van zijn mond, vloekt tegen ze, en de geweren gaan weer omlaag.

‘Balthamon!’ zegt de chef, met de megafoon weer tegen zijn lippen. ‘Er zijn hier heel veel demonen die je neer willen schieten. Maar ik vertrouw op je verstand, en geef je een kans om jezelf hieruit te werken. Kijk in je jaszak! Je hebt de dossiers uit mijn bureau gehaald. Degene met de… foto’s, maar ook een andere.’

Balthamon knippert met zijn ogen.

‘Bekijk dat andere dossier!’

‘BLIJF OP AFSTAND!’

Adramelech knikt, en Balthamon vist voorzichtig, met één hand, het dossier uit zijn binnenzak. Hij neemt die aan de onderkant vast, zwaait die open.

En kijkt in het gezicht van Zalthear.

En eronder, in grote zwarte letters, PROJECT SCHONE SCHIJN.

‘WAT IS DIT?’

‘Lees het!’

Zalthear, de ster die lacht. Rechterhand van Uriël. Vertrouweling van de vijand. Heeft zich vaak bewezen in inmenging met menselijke affaires, met name op het gebied van uitvindingen, kunst en literatuur. Gevangen door de helle­honden in 1566, in Venetië. Programma van indoctrinatie ingezet onder leiding van de kanselier. Na driehonderd jaar initiële weerstand is eerste succes geboekt. Patiënt is niet bekeerd, maar wel doordrongen van ideeën die onze zaak zullen bespoedigen. Prognost Althareon voorspelt dat re-integratie in de Hemel zal leiden tot de publicatie van een boek dat de Westerse samenleving over de grens van het rechts-extremisme zal trekken. Gesloten grenzen, invoering van getto’s en, uiteindelijk, een wapenwedloop tegen de oosterse wereld zijn directe gevolgen. Het aantal te winnen zielen wordt geschat op 1.500.000.000 – 4.500.000.000

Balthamon laat het dossier uit zijn trillende hand vallen. Hij voelt koud zweet over zijn lichaam lopen, en rilt.

‘Nee,’ fluistert hij.

‘Begrijp je het nu, Balthamon? We hebben het! Het wapen dat we willen! Een kans om niet alleen terug te vechten, maar te winnen!’

‘Heer!’

Balthamon voelt de zon branden op zijn nek, en draait zich om naar de zon die in intensiteit is toegenomen. Zalthear is weer overeind gekomen, en reikt zijn handen naar het licht.

‘Heer!’

‘Dit moet gebeuren!’ roept de chef. ‘Voor ons allemaal. Voor heel Hel!’

De bal vuur wordt groter en groter, en Zalthear is bijna een zwart silhouet geworden. Een donkere vlek op die bol van puur, warm licht.

‘HEER!’

‘LAAT HET GEBEUREN, BALT.’

Balthamon kijkt nog één keer achterom naar de chef, voordat hij zich richt op de engel.

‘Het spijt me,’ fluistert hij, en kiepert het flesje boven Zalthear om.

Hij wil nog meer zeggen, maar zijn woorden zijn onhoorbaar onder het gekerm en gekrijs van de engel die zijn eigen essentie verliest. Die verschroeit tot niets. Balthamon kan achteraf niet zeggen of de doods­strijd van de engel vijf seconden, vijf uur of vijf jaar heeft geduurd. Er was een pijn zo diep dat die de hele wereld in beslag nam, en toen was er niets meer.

De zon trekt zich terug, krimpend tot haar normale formaat. Als een rode bal hangt ze net boven de horizon van Hel, waar ze zwak en ontzet­tend kwetsbaar oogt.

Het is stil.

Balthamon staart naar de zich terugtrekkende zon. Naar het lege flesje in zijn handen. Naar de smeulende resten van de engel.

Hij vraagt zich af wat hij gedaan heeft.

‘Bravo, Balthamon.’

Het is de chef die zijn arm om de schouder van de stom geslagen demon legt.

‘Complimenten, m’n beste. Je hebt je aan het script gehouden als geen ander. Ik had zo mijn twijfels toen ik dit rapport voor me kreeg, maar ik moet zeggen dat het bijzonder goed heeft uitgepakt. Een engel ver­dwenen, kwijt, van het strijdtoneel. Je deed het allemaal met de beste bedoelingen, natuurlijk. En dat is het hele punt.’

Balthamon staart vol onbegrip naar de grijns op het ezelgelaat.

Later, als hij in zijn cel zit – dezelfde waar Zalthear in zat, nota bene – heeft hij tijd om alles uit te denken. Hoe ze hem hebben bedonderd. Hoe Lucinda zijn neigingen tot het lichte opmerkte, zijn nachtboek vond, haar bedenkingen doorspeelde aan Adramelech. Hoe Althareon het rapport samenstelde, waarin precies stond uitgestippeld aan welke touwtjes ze moesten trekken om Balthamon over de streep te krijgen. Een dreige­ment van de chef; een celdeur die niet goed afgesloten was; een paar rondslingerende dossiers… Angst, twijfel, leugens. Allemaal om Balthamon op het juiste moment op de juiste plek te krijgen.

Met de engel, en het wapen om de engel te vernietigen.

Met het onwrikbaar geloof dat wat hij deed ook het juiste was.

Later komt dit besef. Nu, op het dak van de Toren, snapt Balthamon alleen nog dat hij er in is geluisd. De chef haalt zijn hand van Balthamons schouder, en twee hellehonden stappen naar voren om de prognost in de houdgreep te nemen.

‘Alles wat in Hel gebeurt,’ vertelt de chef hem, ‘vindt op aarde zijn weerslag. Jouw daad – het doden van een engel, met de beste bedoelingen – zal miljoenen inspireren om daden te verrichten die even vreselijk als goedbedoeld zijn. Miljarden zullen sterven, omdat de westerse wereld weer denkt te weten wat het goede is.’

Balthamon hoort de woorden van de chef maar half. Voelt de tranen niet die over zijn wangen lopen. Het enige waar hij van bewust is, als hij wordt meegesleurd door de hellehonden, is de zon die net boven de horizon staat, laag, en klein, en donker.

En ondergaat.

Schedel kussen : Jaap Boekestein

De zon gaat onder en wij verschijnen. Wij zien nooit de zon, wij leven in het land van duisternis, mist, padden en verloren zielen. Onze gasten vinden door middel van paden met gekleurde lampions hun weg naar de baishun-yado, of ze worden per boot gebracht door de amanojaku veermannen.

Wie het Rode Wolken Huis bereikt, is een gast, zolang ze kunnen betalen natuurlijk. De ponbiki Hayate verwelkomt hen, buigend en slijmend: ‘Welkom! Welkom! U vereert ons met uw aanwezigheid o-kyaku-sama. Welkom! Welkom! Wij hebben rijstwijn en meisjes, muziek en dobbelstenen.’

Lang voordat de eerste gasten arriveren, zijn we klaar, helemaal opgetut. Iedere nacht heb ik hetzelfde ritueel. Zorgvuldig zoek ik de witste maden uit en plak ze op mijn naakte schedel.

‘Broeders, zusters, gedraag je zoet,’ zing ik en ze gehoorzamen altijd. Het levende vlees vormt een knap gezicht en menige klant heeft mij complimentjes gegeven voor de warmte en zachtheid van mijn wangen. Natuurlijk zijn maden alleen niet genoeg. Mijn robijnrode lippen zijn twee verse kippenhartjes, mijn wimpers zijn hoogst elegante rupsen, harig en zwart. Mijn wenkbrauwen zijn hongerige bloedzuigers en mijn haar bestaat uit honderden van de fijnste spinnenwebben. Enkel mijn ogen zijn van mijzelf, en mijn tanden, maar ik maak die zwart met houtskool. Mijn ogen zijn al perfect: groot, glanzend, als de reflectie van een tweelingmaan in een midder­nachtelijk meer, zei een dichter eens. Ik was beroemd om mijn ogen, lang voordat ik beroemd werd voor mijn verraad.

Er is ongeveer een dozijn van ons, de shofu.

Soms een paar meer, soms een paar minder. Het is moeilijk om ergens zeker van te zijn op deze plek.

Mijn naam?

Noem me Yoru no himegimi, nachtprinses.

Betaal me en je kan mij inbaifu, hoer, noemen als je dat wilt. Behaag mij en ik fluister mijn liefdesnaam in je oor, net voordat je in slaap valt. Het is Jaden Vlinder. Shhs! Slaap!

Daimaō Furui noemt mij bij mijn liefdesnaam.

Vannacht is het druk, een groep samoerai schept op over de grote veldslag waarin ze gevochten hebben. Hoe ze Mongoolse invallers doodden in de bossen rond Hakata Baai. Hoe ze allemaal helden waren die de eilanden hebben gered.

Leugenaars, allemaal, stuk voor stuk. Van mensen weten alleen de verdoemden, de vervloekten, de verraders en lafaards hun weg naar het RodeWolken Huis te vinden. En ze zijn ook nog eens morsdood. Ik vraag mij af wat de misdaad van deze krijgers was, al die eeuwen geleden. Lieten zij hun heer op het slagveld in de steek, verraadden zij hun strijdmakkers aan de buitenlandse duivels, sloegen ze eerloos op de vlucht?

Ik besluit dat het mij niets kan schelen. Oude leugens van oude geesten. Laat ze zingen, laat ze vrolijk zijn, hoor hun lege lach aan en laat ze hun rijstwijn morsen die nooit hun dorst zal lessen en nooit hun herinne­ringen zal verzachten. Dit is het Rode Wolken Huis, en er wordt verteld dat geen enkel mens ooit rust zal vinden in het huis van de duizend geneugten. Oni, tengu en andere yōkai?

Zeker! Natuurlijk. Maar niet degenen die ooit sterfelijk waren, degenen die nu dood zijn.

Ze zeggen veel dingen over het Rode Wolken Huis. Er doen zoveel verhalen over ons de ronde.

Misschien zijn ze allemaal waar, misschien geen enkele. Mijn favoriet is dat de liefde van een sterveling je kan bevrijden uit het Rode Wolken Huis.

Ik droom soms over dat verhaal, wanneer mijn vingers de snaren van de koto beroeren.

Ja, het instrument klinkt een beetje vals, voor eeuwig en eeuwig.

Dat soort gedachten maakt mij melancholiek, wat een slechte eigenschap is voor shofu. Maar ik vermoed dat elk van ons meisjes droevig of melancholiek is achter onze geboetseerde gezichten.

Slechte drank, slecht eten, bedroefde hoeren. Dat is het Rode Wolken Huis.

Het is het enige wat de verdoemden hebben.

Oh, waarom maakt de droom om bevrijd te worden door de liefde van een sterveling, mij droevig? Omdat ik wil dat het gebeurt. Ik wil vrij zijn, om weer een onderdeel van het Grote Wiel te worden, zodat ik her­boren kan worden als een hond, een vis, een slak, wat dan ook!

Er zijn echter geen stervelingen in het Rode Wolken Huis. Demonen, trollen, geesten, de verdoemden… Van alles, behalve stervelingen.

Er zijn zoveel vormen, zoveel soorten wezens, zelfs ik ken ze niet allemaal. Sommige van hen zijn werkelijk afschuwelijk, anderen zijn van grote schoonheid. En wat betreft geliefden… Groot of klein, dood of demon, angstaanjagend of meelij wekkend, ze zijn allemaal verschillend en toch hetzelfde. Wil je een vrouwen­geheim horen?

In bed ben ik de meester van hen al. Zij willen hun genot, hun ene eeuwige Hemelse moment. Zij hebben mij nodig, ik kan ze geven wat zij willen, of het hen ontzeggen door onhandig te zijn, of niet te reageren, door te huilen of te lachen.

Oh, het spijt mij. Het spijt mij heel erg. Maakt u zich geen zorgen, volgende keer, ja?’

Ik ben hun meesteres, ongeacht hoe kort het moment ook is. Boer, priester, krijger, shogun, buig voor mij, vereer mij!

Ach, de dwaze dromen van een dwaze vrouw.

Om deze droom moet ik wel lachen.

Zal daimaō Furui het Rode Wolken Huis bezoeken, vannacht?

Als hij komt, zal hij om mij vragen.

En als ik niet beschikbaar ben, zal hij wachten, drinkend en gokkend, kijkend naar de artiesten, luisterend naar de verhalen en leugens.

Ik ben zeer vereerd dat hij mij verkiest. Hij is een belangrijke Heer en een plezierige minnaar. Hij heeft een witte sik en een rij kleine stekels die uit zijn rug groeit en die alleen ik mag zien en aanraken. Ik wilde dat hij geen demon was.

Ik kan de liefde van een demon niet gebruiken.

Kan het niet gebruiken, maar ik vind het wel prettig. Ik ben zeer vereerd.

Hij is er niet, dus ik zing, ik glimlach, ik vul drink­kommen en probeer mijn lichaam te verkopen.

Streel het zoet rottende vlees onder mijn kimono. Bestijg mij en mijn gele beenderen zullen je mannelijkheid om­armen. Kus mijn bloederige kippenlippen.

Het is een rustige nacht, de mensen en nietmensen zitten en drinken. Ze zingen en maken grappen en gokken. Ze hebben geen zin in vlees en beenderen. Nog niet.

De deur opent en een reus met een rode baard komt binnen. Oef! Wat een lelijke duivel! Zo groot!

Roze huid, overal haar, een gezicht gigantisch en vreemd. Alle is twee keer zo groot als het het zou moeten zijn. En zijn ogen! Die zijn afschuwelijk!

Ze zijn… rond, alsof ze elk moment uit zijn schedel kunnen springen, maar dat is nog niet eens het vreemdste. Ze zijn blauw.

Blauw! Ik lieg niet. Ze zijn echt blauw. Als de lege hemel net na een storm. Dat soort blauw. Heel raar.

Maar op de een of andere manier… ook aantrekke­lijk.

Ik moet mij schamen voor mijn vreemde smaak.

Zelf in het Rode Wolken Huis zijn mijn voorkeuren bizar te noemen.

Een van de veermannen moet hem naar het Rode Wolken Huis hebben gebracht. De reus staat in de deuropening en neemt alles in zich op. Het is zijn eerste keer hier, daar ben ik zeker van. Ik ben hier al een eeuwig­heid. Hij draagt vreemde kleren, grof en lelijk. Waar komt hij vandaan, de bergen?

Van onder de bergen? Wat is hij?

Ik heb geen idee.

Hij gaat in een hoek zitten.

Ik ben de eerste van de meisjes die naar hem toe durft te gaan. Nee, we kunnen niet sterven, maar we kunnen zeker pijn voelen.

Hij kijkt mij aan, met die vreemde blauwe ogen. Ze zijn als gaten in de hemel, bedoeld om je ziel op te zuigen.

‘Sake!’ zegt hij met een afschuwelijk accent.

Hij legt wat munten neer.

Ik wenk een dienjongen dat hij een hele kruik moet brengen.

Deze reus ziet er uit alsof hij een hele kruik sake kan drinken, misschien zelfs meer. Hij stinkt, ik vermoed dat hij smerig is.

‘Je naam?’ vraagt hij.

Wat ongemanierd! Ik ben verbaasd dat het ding kan praten. Het praat! Min of meer.

‘Yoru no himegimi,’ antwoord ik.

‘Yoru.’ Hij glimlacht.

Nee! Ik glimlach terug en schenk een kom voor hem in.

Hij pakt de kruik en giet de sake in zijn keel.

Met zijn handen gebaart hij dat ik van de kom moet drinken.

Dit wezen is even ongemanierd als een beest. Nee! Ik heb honden gezien met betere manieren!

De roodharige reus drinkt nog meer, en bestelt nog een kruik, en nog een. Hij zuipt alles op. Ik heb nauwelijks de sake van mijn kom aangeraakt. Hij leegt nog eens twee kruiken, wat hem de bewondering van de dienjongens oplevert.

En van mij, moet ik toegeven.

‘Yoru, jij neukt?’

Ik weet niet of hij nu dronken is, of dat hij alleen maar een paar woorden kent.

Maar kan ik neuken?

Ja. Dat is mijn lot. Voor eeuwig en eeuwig.

Maar ik heb mij nog nooit zo goedkoop gevoeld.

Dit beest behandelt mij als een stuk vee. Ik vermoed dat hij gewoonlijk varkens neukt in het midden van de nacht, of zoiets. Hij stinkt er genoeg voor.

‘Ik zou vereerd zijn,’ antwoord ik met zorgvuldig verborgen sarcasme. ‘Maar mag ik eerst een bad voorstellen om uw plezier te verhogen, gewaardeerde gast?’

Ik geloof niet dat hij mij begrijpt, want hij kijkt mij aan met die blauwe ogen. ‘Jij neukt, ja?’

Ik neem hem bij de hand en hij komt overeind.

Oh, hij is groot!

Hij is dronken, maar groot. Iedereen gaat opzij.

Glimlachend neem ik hem mee naar achteren, naar het bad.

Het duurt even voordat hij begrijpt wat ik wil dat hij doet. Pas wanneer ik mij uitkleed, mijzelf reinig en plaats neem in het warme water, begrijpt hij het.

Hij trekt zijn stinkende kleren uit.

Oh! Hij is groot! Ja, daar.

Hij maakt zichzelf niet eerst schoon, Nee!

Langzaam laat hij zichzelf in het water zakken.

Met afschuw bekijk ik hoe het bergbeest in bad zit. Hij vindt het lekker, hij zegt iets dat ik niet versta.

Ik glimlach, dat werkt meestal.

Is er een plek waar hij geen haar heeft?

Ongelooflijk! Ik begin hem te wassen.

Hij lacht, hij is voorzichtig en nieuwsgierig, hij laat mij mijn gang gaan.

Ik boen hem zoals ik een met bloed besmeurde kimono in een berg­stroom zou boenen.

Hij begint te fluiten. De haren in mijn nek komen overeind. Vervloekt hij me? Weet hij niet dat je onheil over je afroept door te fluiten?

Blijkbaar geeft hij niet om mijn geluk, of het zijne. Mijn hand pakt zijn mannelijkheid beet, dat zal hem het zwijgen opleggen.

Dat doet het, en het doet ook andere dingen.

Ah, dit is mijn ding, hier ben ik de baas.

Ik glimlach, de lelijke reus kijkt naar mij, zijn mond half open, zijn ogen half gesloten. Nog steeds zijn die doordringende blauwe ogen zichtbaar.

Plaag, plaag, plaag. Wanneer ik er zin in heb en de klant het mij laat doen, kan ik hem uren bezighouden op duizend verschillende manieren.

Met de eeuwigheid tot je beschikking, leer je een paar dingen.

Ditmaal plaag ik niet, niet al te lang in ieder geval. Zorg dat dat ding in de stemming komt, neuk het, glimlach en vertrek.

Ik doe al die dingen.

Ik klim uit het bad.

Het… het was niet zo slecht als het had kunnen zijn. Geen tanden op rare plaatsen. Ja, ik lieg niet, ik heb dat gezien, en engere dingen.

Zonder om te kijken, droog ik mijzelf af. Ik weet dat hij daar nog is, vies beestding, zittend in vies water, glimlachend. Hij is nog steeds dronken.

‘Yoru, bedankt.’

Ik kijk om, volkomen verrast. Bedankte hij mij net?

Hij zwaait loom.

Ik ga snel weg.

In de gelagkamer wacht mijn daimaō op me.

Mijn gezicht bloeit op van vreugde. Mijn demon­minnaar! Verfijnd, smaakvol, beschaafd. Hij gaat gekleed in een nachtzwart gelakt pantser. Ja, met u wil ik graag liggen.

Ik ben blij dat we ons terugtrekken in de beste kamer van de taveerne voordat de roodharige reus terug­keert van het bad. Ik wil niet dat daimaō Furui ziet met wie ik net geweest ben.

We blijven er heel de nacht.

 

De volgende nacht is hij terug.

Nee, niet daimaō Furui.

Ik bedoel de roodharige reus.

Hij staat in de deuropening en ziet mij. ‘Yoru!’ schreeuwt hij.

De andere meisjes giechelen Ze hebben mij uitge­hoord over het gigan­tische wezen en ik heb alles verteld, en wat dingen overdreven, misschien.

Ach, niet alles. Nu zijn de andere meisjes blij dat de reus mij wil in plaats van hen.

Ik heb geen keus, ik ga bij hem zitten. Ik glimlach terwijl hij kruik na kruik achteroverslaat.

Hij zegt niet veel, ik denk dat hij niet weet hoe. ‘Van ver weg,’ komt er uit zijn mond, zijn armen wieken wild. ‘Lang geleden, vrouw, niet gezien.’

Ik vraag mij af of zij net zo groot en harig is als hij.

‘Mis haar. Nam schip en vertrok. Was slechte dag om vertrek. Dag… Dag heer stierf.’

Tenminste, ik geloof dat hij dat zegt. Ik kan hem nauwelijks verstaan en wat het betekent weet ik niet.

‘Jij neuken?’ vraag ik hem in hetzelfde brabbeltaaltje als hij gebruikt. Ik wil dat het zo snel mogelijk over is. Vergeet goede manieren!

‘Ja.’

We slaan het bad over – Hayate was erg boos toen hij hoorde wat de reus had gedaan – en nemen een van de kamers. Dit keer stinkt hij in ieder geval niet zo vreselijk.

We neuken.

Het is niet slecht. Hij is groot, maar erg voorzichtig met mij.

Daarna zegt hij weer: ‘Dank je.’

Ik heb slechtere minnaars gekend.

Die nacht komt daimaō Furui niet.

Ik zit en zing. De meiden vragen of hij mij pijn heeft gedaan en ik vertel hen leugens, die hen laat rillen en met hun ogen laat rollen. Van binnen glimlach ik. Wat zullen ze bang zijn, de volgende keer als de roodharige reus een van hen kiest!

 

‘Yoru, ik vind je leuk.’

Het is de vijfde nacht. Iedere nacht keerde hij terug. Iedere nacht sliepen we met elkaar.

Je kan aan zoiets wennen, je kan er zelfs naar uit gaan kijken.

Ik… Nee, laat maar.

Het is de eerste keer dat hij dit zegt.

Hij heeft zijn arm, massief, groot, zwaar, om mij heen. Ik kan niet ontsnappen. Zijn zweterige, harige lijf ligt tegen het mijne.

Wat vreselijk! Wat walgelijk!

Wat… comfortabel.

Hij is zo groot, zo beschermend. Niets kan mij pijn doen als hij er is.

Misschien ben ik dronken. Heb ik te veel van de sake gedronken? Wat een vreemde gedachten!

Blauwe ogen kijken in de mijne.

‘Ik voel mij goed,’ antwoord ik. ‘Erg goed.’ Ik lieg niet eens.

Soms verbaas ik mijzelf. Ik ben een dwaze vrouw.

‘Yoru, ik ga je missen.’

‘Vertrek je?’ vraag ik. Het is een voor de hand liggende vraag.

‘Ja, met schip. Lange reis terug. Stormen.’

Hij is een onbeschaafde reus, een harige aap.

Hij is niets vergeleken met daimaō Furui. Maar men kan er aan wennen om op plezierige wijze geneukt te worden en achteraf te worden bedankt, om in zijn grote, grote armen te liggen. Plots voel ik droefheid, voor het naderende afscheid. Ik haat afscheid nemen.

Er is ook iets anders. Iets knaagt aan mijn gedachten. Iets wat een gast maanden geleden had verteld. Het was een nieuwe geest, een bediende die zijn eigen leven nam, zijn hart gevuld met haat voor zijn meester. Zei hij niet iets over barbaren die van ver weg kwamen? Met een schip? Chikushō, noemde de geest hen. Ik kan me er niet veel van herinneren. Onze gasten komen van allerlei plaatsen en tijdperken, sommigen van heel lang geleden.

Welke keizer regeert er momenteel in het land der levenden? Welke dingen gebeuren er buiten ons nachtelijke bestaan? Ik weet het niet. Misschien hoor ik die dingen een keer, misschien niet, het doet er allemaal niet toe. De beslommeringen van de sterfe­lijke wereld hebben zeer weinig invloed op ons bestaan. Er zijn altijd oorlogen en geesten, geweld en verdoemde zielen.

‘Ik zal je missen,’ antwoord ik. Dat zal ik zeker, en meer dan ik toe wil geven.

In stilte liggen we op de matten. Yoru en de reus.

Uiteindelijk is het tijd om op te staan.

Omdat het de laatste keer is, voelt alles vreemd aan. Ik kleed mij langzaam aan. Wil ik dat het nog net iets langer duurt?

Dwaze vrouw. Jij hebt de eeuwigheid. Zal je je deze harige aap over een eeuw herinneren? Waarschijnlijk niet. Maar het was vreemd, en ja, zoet. En nu is het over.

‘Kom je terug?’ vraag ik.

Hij grijnst, zijn grote apengrijns. ‘Ik hoop ja. Rijk. Ik koop je, ja?’

Als het zo gemakkelijk was…

‘Ja,’ antwoord ik.

Wij keren terug naar de gelagkamer, waar daimaō Furui op mij wacht.

Hij is blij mij te zien. Hij is niet blij om de roodharige reus te zien. Waarom? Misschien omdat de vreemde reus zijn hand op mijn schouder heeft.

Of misschien omdat hij mij beetgrijpt en in het openbaar omhelst. O vreselijke onbeschaafde aap!

Ik… Ik… In het geheim geniet ik van alle aandacht.

Ik heb een rare smaak. Ik worstel alsof ik het vreselijk vind.

Natte lippen op de mijne. Hij vindt de smaak van mijn mond lekker, zegt hij. De smaak van bloed. Mijn reus kust mij, en iedereen kan het zien!

Het is te veel voor daimaō Furui. Iedereen weet dat ik zijn favoriet ben. Door mij te beledigen, wordt hij beledigd.

Hij schreeuwt en valt aan.

Hij eert de reus niet door hem te doden.

De daimaō’s zwaard legt enkel zijn wang open, een oppervlakkige wond. Het is een waarschuwing en een belediging.

De reus trek mij opzij en stapt voor mij. Om mij te beschermen.

Om mij te beschermen?

Ja echt!

Zijn hand gaat naar zijn wang, en kleurt rood.

Bloedrood.

Het rode bloed van een sterveling.

Een sterveling!

Ik ben niet de enige die het ziet. Iedereen in de taveerne kijkt naar hem, volkomen verrast. Een sterveling, hier? Maar hij ziet er uit als een demon.

Een lelijke demon!

Het doet er niet toe. Daimaō Furui zal hem nu doden. Zijn zwaard is getrokken, zijn woede is groot. Mijn roodharige reus – Hij kan geen sterveling zijn! Waar leven mensen zoals hij? Aan het eind van de wereld? – heeft geen zwaard. Hij draagt een grove dolk, maar daar heeft hij niets aan tegen de katana van een demon. Hij is zo goed als dood.

‘Ik zal je doden als de smerige hond die je bent,’ roept mijn daimaō. Hij beledigt de roodharige reus nog meer door zijn naam en afstamming niet te noemen. Honden zijn dat niet waard. Hij heft zijn zwaard.

Uit zijn gordel trekt de reus een korte, dikke stok. Hij wijst er mee naar de demonenheer en…

Flits! Rook! Een geluid als donder!

Iedereen schreeuwt! Iedereen vlucht voor deze sterke magie. Alle gasten van het Rode Wolken Huis zijn lafaards.

Daimaō Furui is dood, zijn hoofd is gespleten.

Overal zitten spatten hersenen en zwart bloed.

Ik vluchtte niet. Ik bevroor van angst.

Mijn reus draait zich om. Zijn gezicht staat droevig. ‘Ik ga nu.’

Ik weet dat hij mij niet met zich mee kan nemen. Geloof de dwaze verhalen niet. Het zijn allemaal leugens.

Ik kijk naar hem. Ik voel zoveel pijn!

Hoe kan pijn zo zoet zijn?

‘Wat is je naam?’ flap ik er uit. ‘Mijn naam is Jaden Vlinder.’ Ik geef hem mijn liefdesnaam.

Waarom?

Ik…

Neh.

Willem van der Decken,’ antwoordt hij. Ik heb geen idee wat de woorden betekenen.

‘Ik keer terug, op een dag,’ belooft hij.

Hij vertrekt in de duisternis van de nacht.

Ik blijf achter.

 

Vervloekt zijn zij die met geesten hebben gelegen en de wijn van demonen hebben gedronken.

Kapitein Van der Decken is erg ongeduldig op zijn weg terug naar Holland. Wanneer hij de Kaap van Goede Hoop rondt, werkt de wind hem tegen.

Zijn loods vraagt de roodharige kapitein of ze het slechte weer niet in Tafel Baai kunnen uitzitten.

‘Mag ik voor eeuwig vervloekt zijn als ik dat doe, wij blijven hier, al duurt het tot de Dag des Oordeels.’

Vervloekt en dubbel vervloekt.

Hel zal wraak nemen.

Ze zeggen dat de Vliegende Hollander van zijn vloek bevrijd kan worden als hij een vrouw vindt die voor hem uit liefde wil sterven.

Hij heeft niets aan een vrouw die al dood is.

Jammer genoeg.

 

Vergeet ik mijn harige reus?

Nee.

Hij laat het niet gebeuren.

Om de paar jaar ontvang ik een brief, bezorgd door een dode zeeman of een verdronken reiziger.

Ik heb Nederlands leren lezen, je kan een hoop leren gedurende de eeuwen.

Hij schrijft dat hij op een dag zal terugkeren, voor mij.

Ik weet dat hij dat zal doen.

Ik wacht er op.

Dode mannen dromen niet : Marcel Orie

Eerste akte: het boegbeeld

 

Noem me maar Shilpa. U bent nieuw hier? Het straalt van u af.

Misschien heeft u al van me gehoord? Shilpa de moritat-zanger? Luister naar mijn lied en stop een penning in het bakje van Herr Stumm, mijn aapje. Is hij niet schattig? Zie: hij is gekleed als een klein mensje. Ik maak mijn ronde over de zompige pieren van dit stadje. Met mijn draai­orgeltje begeleid ik de moord­ballades die ik zing, terwijl Stumm springt en danst.

De doden lopen hier schouder aan schouder met de levende dromers. Soms is het verschil moeilijk uit te maken, slechts in de details schuilt het echte kwaad.

Dit is een baai waaruit niemand meer vertrekt. Zie hoe de schepen opeen gepakt liggen. Kijk hoe de Baal met zijn boegspriet tegen de achtersteven van het zwarte galjoen Queen of Spades aanschurkt als een hitsig beest.

Her en der steken er nog masten boven het groene water uit, van gezonken en nooit geborgen schepen die als koraal­riffen vlak onder de waterlijn verstoken liggen. De wrak­ken maken de binnenhaven ondiep en verraderlijk.

In geval van storm deinen de schepen op de golven en ze botsen en schuren en klappen tegen elkaar, terwijl de beman­ningsleden als opgeschrikte mieren over het dek zwermen, touwen vastsjorrend, enterhaken gereed houdend, verwen­singen schreeuwend die weggevoerd worden door de wind.

Maar meestal is het water kalm in de vergeten binnen­haven van Wurmwater. De seizoenen zijn hier gelijkmatig. En de bemanning van piraten, moordenaars en plunde­raars, schoften van allerlei allooi houdt zich ook kalm. De bootsmannen zien erop toe dat de schepen onderhouden worden, ook al hebben ze er geen hoop meer op ooit nog uit te varen. En tussendoor wordt er gedobbeld, gedronken, gesnoefd en geslapen. De landerige stemming die zich van de zeebonken meester maakt baart de verstandigste kapiteins zorgen. Uit dit soort doelloos gelummel kunnen plots muiterijen ontkiemen.

 

*

 

Op de achterplecht van de Queen of Spades vindt een overleg plaats tussen drie kapiteins. In de namiddag hebben ze Madeira-wijn zitten drinken in de schaduw van grote ronde parasols. Nu begint de zon onder te gaan en zijn kaarsen bijgezet op ijzeren standaards. Het flakkerende licht vormt het drietal tot wrakhouten boegbeelden, losgebroken van hun schepen en na een lange sluimertijd gedobberd te hebben in zout water, aangespoeld op een vreemde kust. Verweerde koppen, stulpend en wrattig als overdekt met zeepokken. Het schaduwspel verhult niet, maar benadrukt slechts hun inborst.

De kapitein van dit schip luistert naar de naam Edward Teach, maar werd gevreesd als de piraat Black-beard. Hij harkt gedachteloos met zijn vingers door zijn lange, woeste baard, terwijl hij spreekt.

Hij heeft de andere twee kapiteins uitgenodigd. De Marsh­-broers, kapiteins op hetzelfde schip, wat het spreek­woord daar ook van vinden mag: de Baal. Beide mannen hadden bij leven de voorname leeftijd van zestig al bereikt, voordat ze stierven en aan hun tweede leven in Wurmwater begonnen. Ze zijn beide zwaar van lijf. De jongste broer, de stamvader Obed, is corpulent, zelfs vet te noemen. Ahab, de oudere broer, is zwaar op een andere manier, hij heeft nog steeds de bedacht­zame kracht van zijn walvisvaardersbestaan opgesloten in zijn gedaante.

Hun hoofden zijn te groot, bedenkt Edward zich, terwijl hij nog eens inschenkt. Obed heeft een schedel als een os, en bij Ahab is dat prominente voorhoofd ook nog eens getekend met littekens.

Ze spreken over vele dingen. Over hun gevangenschap in deze verstikte baai. Over hun verlangen om het zeegat uit te varen. Ze spreken over hun levens, over de handel, de walvisvaart en de piraterij. Ze lijken het eens. Een man moet zijn weg in het leven vinden. Neem je lot in eigen handen.

Ze dissen elkaar anekdotes op uit hun bewogen levens. Ze keuvelen. Over wijn en likeur. Over vrouwen. Obed Marsh haalde zijn vrouwen in Polynesië, dat is geen geheim, evenmin als wat hij met die vrouwen deed. Ze spreken over de landen die ze bezochten. De mannen die ze bedrogen. De wijn vloeit rijkelijk. De drie oude mannen blijken jongensogen te hebben, de schelmachtige twinkeling verraadt ze.

Maar er is ook achterdocht, als een verraderlijke onderstroming. Met welk doel heeft Edward de andere twee uitgenodigd? Ze zijn reeds jaren elkaars buren in deze haven en uitgerekend vandaag komt hij met een uitnodiging? Het is uiteindelijk Ahab Marsh die de onvermijdelijke vraag verwoordt: ‘Je schenkt goede wijn, Edward, en je conversatie wordt ook gewaardeerd. Maar toch blijf ik me afvragen waarom je ons eigenlijk hebt uitgenodigd.’

Edward knikt, alsof hij op deze vraag heeft zitten wachten. Hij neemt nog een slok en gooit dan de naam op tafel.

‘Kennen jullie de smokkelaar Karagiozis? Hij is een Griek, of sommigen zeggen een Turk. Een ge­bochelde. Hij heeft een tijd lang gewerkt voor de ivoor­handelaar Kurtz, heb ik horen vertellen. Hij werkt nu al jaren voor zichzelf. Hij smokkelt. Voor­werpen, personen. Er wordt gezegd dat hij geheime wegen naar het land der levenden kent.’

‘Een gebochelde Orpheus,’ beaamt Obed Marsh, ‘ik heb over hem gehoord.’

‘Ik ook,’ zegt Ahab, ‘een Griek en een zwendelaar.’

Edward gaat verder. ‘Ik heb horen vertellen dat hij een van jullie bemanningsleden onder zijn hoede heeft genomen.’

Er valt een lange gespannen stilte, waarin de drie mannen elkaar maar aan zitten te kijken.

Na een tijdje haalt Edward zijn schouders op. ‘Van deserteurs hebben we allemaal last. Het is de vraag hoe je het probleem oplost… zodat de rest niet hetzelfde idee krijgt.’

‘Ja,’ zegt Obed, ‘onze verloren zoon moet terug­keren. Goedschiks of kwaadschiks.’

‘Ontbied de Griek. Ondervraag hem,’ suggereert Edward.

Even later vertrekken de broers. Ahab wankelt van de wijn. Zijn rechterbeen is van ivoor, kunstig gesne­den uit walvisbeen. Hij legt een van zijn grote handen op de schouder van zijn broer, voor steun.

Eenmaal alleen neemt Edward Teach weer plaats in zijn zetel en schenkt zichzelf nog eens in.

‘Veel geluk,’ grijnst hij tegen zichzelf.

 

*

 

Daar gaat Mackie Messer, de pooier. Hij heeft betere dagen gekend. Zijn haar wordt dun en hier en daar grijs. De praalhans in zijn ooit dure, maar nu gelapte heren­jas. Verborgen in die jas draagt hij zijn messen, met lemmeten die je pas ziet blikkeren als het te laat is.

Pooier is misschien een onaangename term. Mackie zou zichzelf niet zo omschrijven: hij is een entre­preneur. Hij doet wat hij moet doen om aan zijn duiten te komen, of hij nu zijn vrouw de straat op moet sturen, of zelf zijn handen vuil moet maken. Hij draait zijn hand ook niet om voor afpersing, mis­han­de­ling of brandstichting. Lang geleden, toen ze nog leefden, hebben Polly en hij nog opgetreden met een messen­werper-act, maar daar zijn ze mee gestopt toen de handen van Mackie teveel gingen trillen.

De tragiek van hun bestaan, als een worm die zich door een appel knaagt, is dat ze elkaar in Wurmwater ook weer tegen zijn gekomen. Ze zijn weer samen gaan wonen, in een klein huisje in de binnenstad. Polly werkt in een her­berg als kamermeisje en af en toe pikt ze nog een klant op, maar dat wordt moeilijker nu het haar grijs wordt en haar tanden slecht. Ze heeft nog steeds haar ranke figuur, de hoge billen en puntvormige borsten, en daar is Mackie blij mee.

Zelf pakt hij alles aan om de eindjes aan elkaar te knopen. Souteneur is een term waar hij zich wel onder kan scharen. In het Frans klinkt het toch allemaal net wat eleganter, en hij spreekt de taal niet.

 

*

 

Edward Teach op vrijersvoeten. Hij heeft zijn woeste zwarte baard uitgekamd en in drie punten verdeeld, elk vastgezet met een gestrikt kleurig lint, zodat zijn baard de vorken van een drietand vormt, een symbolische daad die niet alleen zijn aangeboren ijdelheid bevredigt maar ook de goedkeuring van de zeegoden kan wegdragen. Hij bespren­kelt zich rijkelijk met reukwater en wikkelt een sjaal rond de littekens in zijn nek. In de wakende landen hadden zijn tegenstanders hem door­stoken, ze hadden zijn hoofd afgehakt en het aan de haren aan de boeg­spriet van zijn buitgemaakte galjoen geknoopt.

Hij is een dode met een voortdurend verstijfd lid. Wil je weten hoe je obsessie spelt?

Hij klimt de drie treden omhoog en opent met trillende handen het deurtje naar de galerij. Het vergulde krul- en lijstwerk van de spiegel achter hem vormt de barokke achtergrond voor zijn romantische ontmoetingen. De boegspriet van de Baal steekt, zoals reeds vermeld, rake­lings langs de achtersteven van zijn galjoen. De na­bij­­heid van de schepen maakt een bijna besloten ruimte van de galerij. Een besloten hofje voor twee tortel­duiven. De griffioenen die de glas-in-lood raampjes van zijn kajuit flankeren, zijn het enige publiek.

Links is het hokje waar zijn privaat gesitueerd is. Rechts de toegangs­deur tot zijn hut, die hij openlaat om extra beschutting te creëren. De boeg van de Baal ontneemt vrijwel alle zicht op de rest van de baai. Boven zijn hoofd torent het overdreven hoge voorkasteel.

Maar recht voor zich ontvouwt zij zich. Iedere keer is het alsof hij haar voor het eerst ziet. Iedere keer weer, ook al bezoekt hij haar soms wel twee keer per dag, bij voorkeur tijdens de ochtendschemering of na het onder­gaan van de zon. Ze strekt haar ene arm voor zich uit, haar biceps rustend tegen de zachte welving van haar prachtige gezicht, haar reikende open hand is een smeekbede waarmee ze om de toegang tot tot zijn kapiteinshut verzoekt. De souplesse in die pols, de expressie in haar tastende vingertoppen!

Het boegbeeld belichaamt de ziel van het schip, zeggen zij met een romantische inborst. Maar de Baal is een kraak, een hoge beroete kolos en zij is daarvan juist de antithese. Haar fijne ivoren beelte­nis is gesneden uit walvisbot.

Haar vlakke, brede gezicht verwijst naar haar Poly­nesische afkomst. Haar oogleden zijn altijd ge­slo­ten, de krulling van haar wimpers in de juk­been­deren gekerfd. Ze is een prinses van het eiland Kokovoko, heeft ze hem eens toegefluisterd, al bleven haar brede lippen onbeweeglijk gesloten in een uit­druk­king die hem soms pruilend, soms trots voor­komt. Hij moet op zijn tenen staan om haar lippen te kunnen bereiken.

Ze kromt haar bovenlijf alsof ze los wil sidderen van de boeg waaraan ze gekluisterd is. Alsof ze de last die achterop haar komt van zich af wil schud­den. Haar wulps puilende borsten, onder­steund door haar andere arm, zijn besneden met wijd bemeten areola en elk bekroond met een tepel die priemt als een tastende vinger. Door de krom­ming van haar torso zijn de ribben zichtbaar, zo glad en gepolijst en toch met weerhaken verankerd in zijn geheugen. Onder de welving van haar buik, en de holte van haar navel die zo diep is dat zijn wijsvinger er twee kootjes diep in verdwijnt, begint haar vissenstaart. De vissenschubben waaieren uit als de schubben van een dennenappel, schrapen zijn handenpalmen als hij ze er begerig overheen laat glijden. Alleen het onderste gedeelte van de staart kromt zich bij de voorsteven vandaan, een vinger­wijzing naar haar verlangen om vrij te zijn van het schip waaraan ze gekruisigd is. Haar uitlopende staartvin kan hij slechts beroeren wanneer hij gaat liggen op de galerij en hij zijn bovenlijf vervaarlijk over de rand laat bungelen, zijn gespreide benen als contra­gewicht, en dan slechts met een volledige uitge­strekte arm, zich als het ware spiegelend aan haar pose, slechts dan kunnen zijn vingertoppen de gegroefde lijnen in haar staartvin bevoelen.

Soms, ja zelfs regelmatig, culmineren deze gestolen ontmoetingen, als het verlangen ziedend in hem brandt, in een dierlijk schurken, hij maakt woest en onstuimig zijn riem los, trekt zijn kleren opzij en wrijft zijn tumescente onderlijf tegen haar buik, tot hij iets van verlichting heeft bereikt.

Daarop volgt de angst dat iemand hem bespied heeft. Een van zijn onderofficieren over de uitwaaie­rende balustrade van het achter­kasteel; of waar­schijn­lijker, een van de nieuwsgierige vissen­kop­pen die aange­trokken door vreemd rumoer op de boeg­spriet van de Baal zou klimmen. Edward trekt zich dan knarsetandend terug in zijn hut, en slaat zijn geliefde gade door de tralies met gekleurde glaasjes. Hij is een man die bevelen buldert, waarbij zijn man­schap­pen overeind veren om die bevelen ook uit te voeren. Wanneer hij gedwongen wordt om zijn liefdes­ver­klaringen te fluisteren voelt hij zich minder dan die man. Het is alsof hij zichzelf kleineert. Alsof er met die nood­zakelijke heimelijkheid een mate van lafheid achter­blijft dat zich nestelt in het merg van zijn botten.

Hij is ook geen dwaas, geen brulboei die een scheepsslag ontketent omdat hij zijn eigen kleine pleziertjes najaagt. Om tussen die gebroeders Marsh te laveren is om jezelf te positioneren tussen hamer en aambeeld. Maar hij is ook geen lafaard!

 

*

 

Maar wat er na de wittebroodsweken komt? Het beeld van een huwelijk dat al te lang geduurd heeft? Neem bij­voorbeeld Mackie Messer en zijn Polly, ze zitten samen aan de bar van de Lustvolle Zwaardvis.

Verstandige drinkebroers blijven wijselijk op afstand als twee echte­lieden beginnen te kijven.

De stemming van Mackie Messer is grillig: hij wisselt van opgetogen naar humeurig. Als hij larmoyant over zijn glas gebogen zit, zijn kop zo rood aangelopen als de port die hij heel de middag heeft laten weglopen in de bodem­loze put van zijn keel, dan plotseling weer vocaal en roffelend op zijn borst als een mensaap. Kenners weten dat Mackie nu op zijn gevaarlijkst is, maar Polly is zelf te beschonken en door de wol geverfd om er nog om te geven.

‘Je weet toch wie ik ben, is het niet?’

‘Tuurlijk, tuurlijk, jij bent Mackie Messer. Mackie het Mes. Denk je dat ik dat niet weet? Wou dat ik het vergeten kon…’

‘Ik ben toch je vent, of niet? Ben ik je vent of niet?’

Zijn echtgenote trekt aan haar sigaartje en blaast de rook naar hem toe.

‘Ik vraag je wat! Ik vraag je wat! Ben jij mijn wijf of niet?’

‘Ja, dat ben je Mackie! God weet dat ik je wijf ben! Ik draag er de schandvlekken van.’ Ze herschikt de doek om haar schouders, trekt de stof om zich heen alsof ze het plotseling koud heeft.

‘Aaah, wat ben je toch een monster. Geef ik je dan niet genoeg?’

‘Jij geeft me meer dan genoeg, Mackie!’ spuwt ze hem toe. Ze buigt naar hem toe en even lijkt het alsof ze hem met haar lange tanden in zijn neus zal bijten. Haar ene voortand is verkleurd na een stomp in haar aangezicht, bij een echtelijke ruzie enkele jaren eerder.

‘Zeg maar wat je hebben moet! Zeg het me maar!’ Hij slaat met zijn vuist op de bar zodat de glazen rinkelen, maar verder is het stil in de Lustvolle Zwaardvis. De toog is hun niemandsland geworden, waar niemand zich nog op wil houden. De waard poetst glazen, zo ver moge­lijk bij de echtelieden vandaan. Aan de tafeltjes staren de andere klanten in hun glazen.

‘Wil je een gouden ketting om je nek? Wil je er twee? Zeg het maar. Dan ga ik ze halen! Ik haal ze voor je!’

Hij staat op en zijn barkruk gaat met een klap tegen de grond.

‘Ik ben nog steeds Mackie Messer!’

‘Weet ik toch,’ mompelt Polly.

Dat had ze ook nooit mogen zeggen.

 

*

 

Het gerucht dat de Marsh-clan op zoek was naar de Griek Karagiozis verspreidt zich door de stad met de virulentie van de Franse pokken.

Een harpoenier uit Nantucket vertelde het tegen een paar stuwadoors. En even later werd er op de visafslag, waar de kade glibberig was van de inge­wanden, ook al druk gespeculeerd over de ware toe­dracht. Wat waren de motieven van de betrokken partijen? Zelfs de gekluisterde kraankinderen in de tredmolens die de grote hijskraan aandrijven, hoor­den het aanzwellende gerucht aan, al konden ze er niets mee, voort­stappend als muildieren.

De woorden reisden langs de kanalen de stad in. Een papyrussnijder hoorde het van een blinde bede­laar. Hij vertelde het door tegen de fruit­verkoopster met een rieten mand op haar hoofd. Een passerende ratten­vanger vertraagde zijn pas om hen af te luisteren. Hoorde hij dat goed? Tien dukaten? De grijze man droeg een hark over zijn schouder waar­aan hij zijn vangst aan de naakte staarten had opge­knoopt, en die zwierende dode ratten hadden ver­ont­rustend menselijke gezichtjes.

Gerucht en roddel waren het levensbloed van deze stad.

Op het moment dat het het havenvolk de kroegen binnen golfde, bereikte zijn koortsachtig hoogte­punt. Met genoeg drank om de kelen te smeren en de vuren der heldhaftigheid op te stoken, tuimelden de vrijwilligers over elkaar om de gluiperige Griek (of was het toch een Turk) in de kraag te vatten en uit te leveren bij de Marsh-clan. De beloning was nog niet verdiend of ze was al uitgegeven.

De verschillende bevolkingslagen werden geïnfec­teerd met de roddel. De filosofen en dichters die tot diep in de nacht aan de toog hingen om hun onto­logische dorst te lessen, ook zij hoorden van het kop­geld. Met hun verhitte fantasie groeide Kara­giozis uit tot een schurk van formaat, voort­vluchtig en ongrijpbaar. Iedereen kon wel een schanddaad van dit mispunt opdissen. De meesten hadden uit eerste hand onder zijn doortraptheid geleden (ook al hoor­den ze vanavond voor het eerst zijn naam).

De woorden werden herhaald en verhaspeld , ze kwamen terecht bij zovelen die er niets mee konden, maar zo nu en dan ook bij een man die er het zijne van dacht. Een nerveuze man die iedereen Black Dog noemde, vertelde het tegen een van zijn kompanen, terwijl ze zaten te drinken in de Lustige Zwaardvis. Oh voor­zienigheid! Een sluimerende, beschonken Mackie Messer lag te slapen op een houten bank in de nis ernaast. Hij was niet wakker, maar hij was ook niet in slaap. Hij was volkomen droomloos, zoals alle doden in deze stad. De woorden vonden zijn oren, weefden zich door zijn bijna-maar-net-niet bewustzijn.

 

*

 

De Roodjassen hebben een prooi gegrepen. Het trom­geroffel roept de menigte van toeschouwers bijeen. Nieuwsgierig dromt het volk samen rond het schavot, terwijl de Roodjassen hun gevangene vastketenen. Ze laten de ongelukkige knielen, drukken zijn hoofd op een houtblok, kluisteren kettingen om zijn armen en benen die ratelend strak getrokken worden door vier metalen ogen. Zo uitgespreid is het nog slechts wachten op de beul.

De soldaten dragen rode knielange jassen en vilten puntmutsen met gaten voor ogen en mond. Zwijgend en argwanend slaan ze de menigte gade, musketten in de hand, sabels aan de zij. Een omroeper declameert wat onduidelijkheden over ‘misdaden tegen het Gemenebest’. In Wurm­water zijn begrippen als rechtvaardigheid en schuld betekenisloos gewor­den. Er is nog maar één strafmaat en die wordt uitgemeten door de Bloedvuist. Als hij ten tonele verschijnt in zijn slagersschort wijkt de opdringerige menigte uiteen. Een reus van een man, de langsten onder de toeschouwers reiken nog niet tot aan zijn borst. Hij heeft een slepende tred. Hij draagt zijn zware slegge over zijn ontblote schouders. Zijn huid is krijtbleek. Zijn overmaatse kop wordt verhuld door een juten aardappelzak, gedoopt in scharlaken verf, met twee rafelige ooggaten. Er wordt van de Bloedvuist gezegd dat hij sterk genoeg is om bloed uit een steen te knijpen. Hij schept er genoegen in om de hoofden van degenen die hem ter beschikking gesteld worden met één machtige slag plat te slaan. Slechts heel zelden heeft hij twee of meer slagen nodig. Zijn werk gedaan, verdwijnt de beul weer. De andere Roodjassen scheppen de gekliefde overblijfselen in een houten kruiwagen en voeren ze af. Er wordt gezegd dat ze de hoofdloze kadavers verbran­den in ondergrondse ovens die zo heet zijn dat zelfs de botten tot as vergaan.

 

*

 

Het roffelen van de pauken doet Mackie wakker schrikken in de alkoof waarin hij zijn roes ligt uit te slapen. Hij drukt zijn warme gezicht tegen het kleine ronde glas-in-lood raampje en loert door het flessenbodem-glas naar buiten. Hij heeft geen inte­resse in een executie, zo lang het maar niet die van hemzelf betreft. Het lot van zijn medemens laat hem sowieso koud.

Maar hij ziet buiten wel iets dat hem interesseert. Een herinnering aan gefluisterde woorden kriebelt in zijn brein en vertaalt zich tot een glimlach. Het is zoals zijn moeder altijd placht te zeggen: sommigen zijn nu eenmaal voor het geluk geboren. Hij kruipt uit de alkoof, fatsoeneert zijn kleren en haar, zo goed en kwaad als dat gaat, en haast zich naar buiten.

De moritat blijft een opmerkelijke verschijning in haar kleurige goed, kniehoge leren laarzen, een pofbroek en een keurlijfje dat haar kleine borstjes opstuwt. Een brede paarse doek om het hoofd geknoopt, waaruit haar stugge haar getoupeerd oprijst als een toren, omwonden met kralensnoeren en linten. Haar aapje zit op haar schouder, hij is netjes aangekleed en heeft een hoge hoed op zijn kopje. Ze is bezig een roldoek vast te spijkeren aan de achterzijde van een privaat-huisje.

Mackie sist naar de straatzangeres. ‘Shilpa schatje, waarom zing je mijn liedje nooit meer?’

Stil als een schaduw is hij haar beslopen en hij geniet van de schrik in haar ogen.

Ze herstelt zich vlotjes. Arm in haar zij. ‘Heb je er een penning voor over, Mackie?’

‘Andere keer, schatje. Ik zit nu wat krap bij kas.’

Hij is dichterbij haar komen staan. Hij reikt naar haar arm, maar zij stapt snel bij hem vandaan.

Hij glimlacht breed naar haar en schudt zijn hoofd.

‘Van mij heb je niets te vrezen, schatje.’

Ze tikt met twee vingers tegen haar slaap. ‘Ik ben je liedje niet vergeten: de haai heeft tanden en die draagt hij in zijn gezicht.’

‘Ik kan niet begrijpen dat wij nooit zaken hebben kunnen doen, zo’n mooie slimme meid als jij en…’

‘Laten we dat maar niet doen, Mackie.’

Hij zucht. ‘Zoals je wilt. We hebben het er een vol­gende keer wel over.’ Hij wijst op een figuur in de  uiteenvallende menigte. ‘Zeg eens, die grote vent daar, met die bochel als een dromedaris, dat is Karagiozis de Griek, toch? Met die lelijke kale kop en die haakneus.’

Shilpa hoeft nauwelijks te kijken. Ze knikt alleen maar.

‘Dacht ik al,’ glimlacht Mackie. ‘Goed zo. Heel goed. De volgende keer koop ik een liedje van je, Shilpa.’

De moritat-zinger besluit toch een andere plaats te zoeken om haar liederen ten gehore te brengen. Ze haalt haar juist vastgespijkerde doek weer los, rolt hem behendig op, hangt haar kleine draaiorgeltje weer aan de leren band over haar schouder en maakt zich dan uit de voeten, het kwetterende aapje in haar kielzog.

Mackie Messer blijft achteraf staan, leunend tegen het zweterige metselwerk, zijn handen weggestoken in de hoge zakken van zijn jas.

De ter dood veroordeelde wordt alweer afgevoerd in zijn kruiwagen. De beul sjokt er vandoor. De menigte begint uiteen te vallen, te desintegreren. Kleinere kluitjes kiezen weer hun eigen pad. Straat­verkopers en temeiers proberen ze nog te onderscheppen om hun schamele waren te slijten.

 

*

 

Ik zeg niet dat Wurmwater het hiernamaals is. Ik weet niet hoe heet de hel is, of wat de onderscheidende karakteristieken van het vagevuur precies zijn. Deze havenstad lijkt in ieder geval niets op de beschrijvingen die ik wel eens heb horen geven van de hemel of het paradijs. Maar misschien komt deze poel des verderfs een rechtgeaarde zondaar juist wel hemels of paradijselijk voor. Wie zal het zeggen? Ik in ieder geval niet. Ik ben maar een eenvoudige straatzangeres, geen geleerd theo­loog, predikant of moralist.

Laten we het erop houden dat Wurmwater een stad is, ergens, aan de nachtzijde der dingen, met een haven waar ongewoon veel zondaars strandden. Het komt op geen enkele kaart voor, las ik eens ergens, want echte plaatsen vind je nooit op een kaart.

Er zijn hier zoveel doden die een tweede kans hebben gekre­gen. Ze imiteren de levenden: ze vreten en zuipen, neuken en vechten, liegen en bedriegen, alsof er nooit meer een morgen zal komen. Een tweede kans om dezelfde misstappen te maken als de eerste keer. Daarom zing ik nooit een aubade of pastorale. Ik zou verhongeren, want mijn toehoorders zijn zo door de wol geverfd, dat hun aandacht slechts wordt getrokken als ik mijn roldoek vastspijker aan een schutting of paal. Het bloed moet van het doek druipen, anders blijven zij niet staan. Ik moet krassen over moord, brandstichting en verkrachting, anders zoeken zij hun vertier elders.

 

 

Tweede akte: de worst

 

Kent u de vissen die ze piranha noemen? Ze leven in de man­grove ten oosten van de stad. Het water is daar opaak en groen als absint. Heel kalm, ook. Glad als een beslagen spiegel. Ze eten geen vlees, deze vissen, ze voeden zich slechts met de vruchten die overrijp van de bomen in het water vallen.

Maar als er iets in het water valt, is het gedaan met de kalmte. Ogenblikkelijk wordt het water een woelende, kolkende maalstroom van tanden en honger. Even later is de rust weer teruggekeerd. Geen rimpel herinnert nog aan de chaos van zojuist.

Vissen, dus.

U begrijpt wel dat ik het eigenlijk over deze stad heb?

 

*

 

De uitbater van Het Spuigat is een kleine man die Mumbai genoemd wordt, naar de stad waar hij ooit geboren was. Hij doet denken aan een poetsgarnaal met zijn kruiperige, springerige bewegingen. Ook zijn stekelige doorgegroeide bakkebaarden en de sprietige spierwitte wenkbrauwen- herinneren aan de kleinste der kreeftachtigen.

Het Spuigat is zo’n kroeg met kerven op de borrelglazen die een borrel of een dubbele mar­keren. De waard put zich uit in excuses terwijl hij aan het inschenken is. Hij spreekt in een onver­staanbaar binnensmonds pidgin, zodat zijn klanten nooit begrijpen waarvoor hij zich precies veront­schuldigt.

De inferieure kwaliteit van zijn drank? De glazen vol vingerafdrukken? Het feit dat er slechts een enkele olielamp brandde en de zaak donker als een graf was? Misschien omvat de voortmeanderende mea culpa de algehele smoezelige staat van het etablissement of de gastheer?

Het verzakte houten drinklokaal ligt ingeklemd tussen een pandjeshuis en een teerderij. Tegen de vergoeding van enkele koperen penningen opent Mumbai discreet een van de achterdeuren waarlangs een klant toegang krijgt tot een achterplaatsje, een cul-de-sac omsloten door de wrakhouten bouwsels, enerzijds begrensd door een hok met een blind varken en anderzijds afgepaald door een houten schutting. De zaak ontleent zijn bijnaam aan de ronde gaten die in deze schutting geboord zijn, ruwweg op heuphoogte.

Achter de schutting is de plaats waar Mumbai zijn vaten met drank opslaat. Er is een aparte deur voor het personeel.

Wanneer er een behoeftige klant zijn broek had laten zakken en plaats nam voor een van de gaten, was het slechts een kwestie van tijd voordat Mumbai iemand vond om plaats te nemen aan de andere zijde van de schutting om de overeenkomst te bezegelen. Ofwel een van de tippelaars die hier over straat zwalkten, of wanneer hij het met de lichtekooien niet eens kon worden over de vergoeding dan stuurde nog wel eens de doof­stomme keukenhulp, die hij dreigde met slaag.

Van de klanten wordt slechts verlangd dat zij vooraf betalen en dat zij zich verder niet storen aan het rochelachtig geknor van de zwart-witte zeug in haar modderige kot, of aan de zurige geur van de uitgekookte rats die in haar trog ligt te zweten.

Het gerucht gaat dat wanneer Mumbai geen ge­schikte knieler kan vinden, hij zich dan maar ver­ontschuldigt in de kroeg, zijn kunstgebit uit de mond neemt en in een bakje achter de toog verstopt, waar­bij hij zelf naar het achterterrein gaat.

 

*

 

Vanavond is er een vaste klant aangetreden: de Griekse bultenaar Karagiozis. (Van de schaduw die hem al de nodige tijd volgt door de drukke straatjes van Wurm­water heeft hij geen weet.) Hij is gekomen voor zijn pleziertjes. Hij heeft eerst zijn blaas geleegd op het achter­plaatsje en propt nu zijn van anticipatie aanzwel­lende olifantslid door een spuigat dat zich voor hem op praktische hoogte bevindt. Zo wacht hij af, terwijl Mumbai op straat een meisje van de nacht probeert te regelen. Het ongewisse van zo’n uitwisseling is wat Karagiozis zo bevalt.

Hij staart omhoog naar de maan, die als een uitgeslagen wiel kaas aan de hemel schimmelt. Hij laat zijn kale schedel rusten tegen zijn bult alsof hij een kussen meedraagt tussen zijn schouderbladen. Zijn vingers verkennen het ruwe oppervlak van de schutting waar hij tegenaan leunt. Hij probeert een liedje te neuriën dat hij eerder die dag uit een draaiorgel gehoord heeft, maar zijn mond is te droog. Hij likt aan zijn gebarsten lippen.

Een siddering trekt langs zijn ruggengraat als hij de personeelsdeur hoort dichtklappen. Actie!

 

*

 

Mackie sluipt langs de schutting. Hij draagt zeven messen van verschillende formaten verborgen op zijn persoon, maar hij heeft ze nog geen van alle tevoorschijn gehaald. In een opwelling heeft hij een schaar uit zijn laars gehaald. Hij klapt hem open en schuift hem langs de schutting, als een kind dat speelt dat de schaar een haai is.

Snip-snap. De maan blikt op hem neer, knipoogt naar hem.

Dan begint het schreeuwen.

 

*

 

Met lichte tred keert Mackie Messer terug naar het krot dat hij met zijn Polly deelt. Zijn trofee draagt hij mee in een stuk oliedoek. Hij wast zijn kleverige handen bij de geitenkop fontein, het melkwitte water dat uit de rots sijpelt ruikt naar zwavel. Dan daalt hij het steegje af waarin hij zijn huis heeft. Er zijn geen straatlantaarns hier, maar hij kent de weg. Twee treden omlaag, op de tast de sleutel in het slot.

Hij bergt zijn trofee op in zijn geldkistje, zodat de vliegen er niet bij kunnen. Hij ontkleedt zich en gooit zijn kleverige plunje achteloos op de zaagselvloer. Dan kruipt hij bij zijn echtgenote in de bedstee. Nog slapend, kruipt ze bij hem vandaan, instinctief, zo ver als ze kan, voordat de muur haar tegenhoudt. Hij kruipt tegen haar aan, duwt haar klem en begint haar slaapjurk omhoog te hijsen. Niets laat zijn eigen bloed zo stromen, als wanneer hij het bloed van anderen heeft laten stromen. Een probaat afrodisiacum.

 

*

 

De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.

Mackie heeft de oliedoek opengevouwen en toont de gedrochten zijn trofee.

De bootsman heet Barnabas Wade. Hij snuift en kwaakt. Hij heeft kopergroene schubben in zijn hals. Zijn oren zijn verdwenen. Hij heeft kieuwen als rafelige openingen in zijn hals. Er hangen vlezige snorharen langs zijn mond omlaag. Heel zijn onmen­selijke gelaatsuitdrukking ademt afkeer. Zijn ont­blote bovenlijf is overdekt met tatoeages.

‘Dit is Karagiozissss niet! Wij zoeken een man, jij brengt ons dit!’

‘Haal je kapitein maar,’ zegt Mackie, ‘die snapt me vast wel.’

De bootsman brengt zijn gezicht vlakbij dat van de pooier. Zijn kieuwen blazen open als hij snuift en blaast. ‘Ontbied één van onze kapiteins.’

Ondertussen komen de vissenkoppen nog wat dichter om Mackie heen staan. Om hem te inti­mi­deren, maar hij geeft geen krimp. Ze ruiken naar vis, naar de zoute zee, maar die observatie besluit hij maar voor zich te houden.

Wanneer de oudste van de Marsh-broers, kapitein Ahab, eindelijk aan dek verschijnt, steunend op zijn kruk, wijkt de bemanning uiteen om hem vrij door­gang te geven. De oude walvisjager slaat de trofee een ogenblik met een glinsterend oog gade. Hij schudt zijn hoofd, misschien omdat hij zich blijft verbazen over de waanzin en eerloosheid in deze stad.

‘Waarom ons de man zelf niet gebracht?’ vraagt hij dan aan Mackie.

‘Ik vond hem te corpulent om te dragen.’

‘Dus je verkondigt dat je te lui ben om te werken en toch kom je om een beloning bedelen?’

‘Mijn slagerswerk is inspannend genoeg geweest. Ik handelde inventief en doortastend, om de Marsh broers te brengen waar zij om verzochten. Goud voor bloed, want woord is woord bij de Marsh, dat weet iedereen.’

‘Wij vragen om de man, niet om een onderdeel van de man.’

‘En ik vraag slechts om de kopprijs die jullie hebben uitgeloofd.’

‘En toch is degene die wij zoeken niet hoofdelijk aanwezig.’

‘Maar voor dit hier.’ Mackie Messer schudt het lillend vlees dat hij nog steeds als een offerande op zijn uitge­strekte handen ophoudt. ‘Zal de Griek zich vanzelf komen presenteren. Verkondig dat jullie dit onderdeel van hem hebben, en hij zal er voor komen. Hij zal komen bedelen als een hond. Hij zal alles doen wat je vraagt.’

‘En hoe weet ik dat jij als slagersgezel dit onderdeel niet van een varken hebt afgesneden?’

‘Gezegend zou de gedroomde beer zijn. Kijk naar de afmeting, kijk naar de vorm. Gezegend is de Griek, zoals het verteld wordt, want hij heeft niet alleen een bult op zijn rug, maar ook één tussen zijn benen. Hij is kameel in plaats van dromedaris. Of althans dat was hij tot ik hem ontmande.’

Kapitein Ahab richt zich tot zijn bootsman. ‘Neem het lid en betaal heer Messer vijf dukaten.’

De kapitein draait zich al om, als Mackie opmerkt: ‘Maar de uitgeloofde beloning was tien dukaten.’

‘Tien dukaten voor de man. Ik geef je er vijf voor zijn lid. Dat is rechtvaardig.’

Steunend op zijn kruk, keert kapitein Ahab terug naar zijn vertrekken.

 

*

 

Polly schudt de kussens op en het regent veren. Ze had gewoon bij Vrouw Holle moeten blijven werken. Waarom had ze zich ooit laten weglokken door Mackie? Vannacht was het weer raak geweest: eerst een pak slaag en daarna erop. Alle mannen zijn zwijnen, en Mackie Messer de ergste.

Maar wat moet ze dan? Bij hem weglopen? Ha! De vorige keer dat ze dat deed, had hij haar teruggevonden. En het haar laten voelen ook. De fout maakte ze niet meer.

Wie is die idioot die op de binnenplaats staat te schreeuwen?

Een blik uit het open raam vertelt haar dat het haar idioot is.

‘Polly! Polly schatje!’

‘Ik ben aan het werk,’ roept ze terug.

‘De rode haan op het dak van deze herberg!’ schreeuwt hij terug, ‘Kom naar buiten. Je man zorgt voor je! We gaan dansen en drinken!’

Hij danst een onnozele horlepiep op de kasseien. Polly moet er om glimlachen.

 

*

 

Karagiozis heeft zijn escorte naar een oude wacht­toren geleid.

De bootsman Barnabas Wade heeft de leiding over de excursie. Hij heeft vier matrozen bij zich, met pikhouwelen en scheppen in de hand. Aan wal verhullen ze hun onmenselijke trekken met petten en sjaals. Een jonge matroos genaamd Tobias heeft de dubieuze eer om het lid van de Griek te dragen.

De wachttoren is ingestort en alleen de onderste verdieping staat nog overeind. Op die afgebrokkelde muur is een primitief afdak van bladeren aange­bracht. De oude zigeunerin die haar intrek in de toren heeft genomen wordt door de vismensen naar buiten gejaagd. Mokkend, maar machteloos kijkt ze van een afstand toe. Ze maakt het teken van het boze oog en spuwt door haar vingers, maar daar staakt haar verzet. Wat moet ze anders? Geen weldenkend mens durft de aandacht van de grillige Roodjassen te trekken.

De vismensen zijn druk bezig om een gat te graven midden in de hut, op aanwijzingen van de Griek.

‘Hier heb ik hem laten begraven, met alles wat hij bij zich had.’

De Griek zweet overdadig.

‘Als je liegt, dan zal ik nog meer van je afsnijden,’ grijnst Barnabas hem toe.

‘Graaf dieper,’ zegt Karagiozis, ‘want daar ligt jullie wegloper.’

Zo gaat het een tijdje door.

‘Botten!’ roept een van de matrozen schril uit het gedolven gat. ‘We stuiten op botten!’

Barnabas loopt naar de rand van het gat en zakt op zijn knieën op de aarden wal.

Meer en meer botten worden opgegraven en door­ge­geven. Dan een schedel. Een ribbenkast. Een menselijk geraamte wordt bijeengeraapt en gerang­schikt als een puzzel.

Dan stuit een spade op iets hards, dat toch de deksel van een kist moet zijn.

‘Voorzichtig,’ sist Barnabas. ‘Gebruik jullie handen om de kist vrij te maken.’

In de verhitte drukte die ontstaat, is matroos Tobias ook in het gat gesprongen. Gehurkt als honden klauwen en graven de vismensen de kist vrij. De bootsman blijft hen aansporen vanaf de aarden wal. ‘Voorzichtig met de relieken. Voorzichtig.’

De kist wordt uitgegraven en devoot omhoog getild door zoveel handen. Barnabas forceert het slot met zijn dolk. Maar in de kist zitten alleen maar scherven gebroken aardewerk, blauw geglazuurd. De boots­man raapt ze er steeds sneller uit en werpt ze op de grond. ‘Wat is dit voor truc, Griek?’ gromt hij, om zich heenkijkend.

Maar Karagiozis is natuurlijk al nergens meer te bekennen.

‘Waar is de pik van dat Griekse zwijn?’ is de volgende logische vraag van de bootsman.

Waarop matroos Tobias slechts stamelend kan uit­brengen: ‘Ik legde het ding daar… daar op de werk­bank van de heks… naast de opgezette krokodil. Excuses bootsman… ik wilde alleen maar helpen met graven.’

 

*

 

De relatie tussen oorzaak en gevolg is hier niet uit te drukken als een lijn, valt niet als een pijl te symboliseren. Hier is de causaliteit meer als het slappe koord dat sommige potsen­makers bewandelen. En velen vallen er voortijdig af. Of ze vallen naar de kant van de schuld, of naar de onschuld, doet nauwelijks ter zake. Niemand maalt erom. Hier niet.

Kijk naar mijn rolprenten. Luister naar mijn liederen. De bloeddorstigheid ervan zou de daders zelf verstommen. Ze weten niet wat ze doen…. Er is meestal geen band tussen slacht­offer en dader, geen lichtend koord dat ze aan elkaar verbindt. In deze boosaardige stad kunnen het passanten zijn, die om schijnbaar niets verwikkeld raken in een bloedvete. Voorzienig­heid was nooit zo banaal. In deze stad struikelen de schik­godin­nen en raken verward in hun eigen weefsel.

 

*

 

Karagiozis sleept zijn peervormig lijf voort. Hij draagt een strooien hoed om zijn kale schedel tegen de zon te beschermen, maar de druppels glijden al omlaag over de spekrollen die weelderig zijn nek bedekken. De bochel die tussen zijn schouders oprijst wiegt heen en weer als de bult van een dromedaris. Hij heeft gekoelde groene thee zitten drinken op de achterplecht van zijn woonboot, zitten drinken en zitten dommelen, totdat hij weer ontwaakte door het gerommel van zijn maag. Zijn hechtingen jeuken wat en hij heeft een branderig gevoel bij het urineren, maar verder lijkt alles benedendeks in orde. Het heeft hem een aanzienlijk deel van zijn spaar­geld gekost om zijn lid weer vast te laten naaien. Die chirurgijn Johann Faust die praktiseert in de Altstadt heeft verzekerd dat zijn toverfluit binnen enkele dagen weer naar behoren zou moeten functioneren.

Nu waggelt Karagiozis over de krakende, steunende steigers en plankiers die de waterkant van Wurmwater-aan-zee markeren. Het water loopt hem in de mond als hij denkt aan gestoomde zoete broodjes die Chai Mai vult met het gebraden gehakt dat ze koopt bij Ursala de varkensvrouw. Eerst zal hij eten, nog wat kracht opdoen, en dan zal hij testen of zijn lid inderdaad weer werkt. Hij zal op de terugweg langs het Kale Huis gaan, waar de meisjes hun schaamstreken en oksels scheren om de schaamluis op afstand te houden, waarna ze zich ver­sieren met triangelvormige kunstpruikjes van bever­bont. Ze kennen hem daar, hij is een gulle tipper.

De zon staat op zijn hoogst boven deze gedroomde en verdronken stad, een onverbiddelijk zengend oog van een wraakzuchtige oud-testamentische god. Op dit uur is de heerschappij van de zon volledig en zijn zegetocht is vol pracht en praal. De aangekoekte zoutkorsten op de ducdalfen schitteren alsof ze bepoederd zijn met diamantstof. De schaduwen van de overstekende daken zijn verdrongen, nestelen zich hoog tegen de gevels als sluimerende vleer­muizen dromend over hun nachtelijk bewind.

Ook het ongedierte blijft uit het zicht, ze scharre­len onder de plankiers over de met schaaldieren begroeide palen en dwarsbalken. Als er een voet­ganger passeert, houden ze zich stil, totdat de stam­pende reuzen­voeten zich weer verwijderen. Het gewicht van de Griek is aanzienlijk, zijn puilende buik schudt en wiebelt als hij loopt. De sleutelbos met koperen sleutel rinkelt vanaf zijn brede riem, onder het afdak van zijn pens. Er hangt ook een vuurslag­pistool in een leren holster aan die riem. Hij heeft een sabel in de schede, die hij als wandelstok gebruikt. Hij zal niet toestaan dat die viskoppen hem verder mutileren of bedreigen. Schoften!

Hij herinnert zich de jonge vissenkop nog wel. Zijn naam is hij vergeten, evenals de precieze plek waar hij hem begraven heeft. Over de jaren heeft hij zoveel slachtoffers in de grond gestopt om de wormen te voeren. Ze zien in hem een veerman die ze terug naar het leven kan loodsen, maar hij is hun engel des doods.

Heel de stad is lusteloos en loom. De lucht verdikt tot stroop. Het roepen van de straatverkopers komt met steeds langere tussenpozen. Onder de stad is het maar marginaal koeler. De naakte oesterduikers en vissers hebben hun rieten bootjes vastgebonden aan de palen en stelten waarop de stad gebouwd is. Ze liggen in hun bootjes te slapen, als kadavers die wachten op de wederopstanding.

Maar niet iedereen geeft zich over aan de siesta: er glijden schaduwen door het water, vluchtig als de vormen van mangrote vissen, vreemde lichamen die net onder het troebele olijfgroene water schuil gaan. Nu en dan verschijnt er heel even een snuit boven de waterlijn als van een kaaiman of een snoek. Ogen zonder oogleden volgen de gangen van de sleutel­bewaarder van net onder de waterlijn. Vier, nee vijf, van deze donkere vormen, elk zo groot of groter dan een mens, zwemmen achter hun prooi aan. Ze volgen de Griek al vanaf het kanaal der papyrus, en nu door de steeds smallere grachten en kreken van de achterbuurt die de Duivelsvingers genoemd worden. De steigers zijn hier lager, bevinden zich dichter bij het wateroppervlak. Met een behendigheid die zijn omvangrijke gestalte niet zou doen vermoeden balanceert Karagiozis over een van de doorverende kattenbruggetjes die de vlotten, woon­boten en steigers met elkaar verbinden.

Ongemerkt zijn de jagers dichterbij gezwommen.

Als Karagiozis op het laagste punt is, de plank waarop hij staat tot het uiterste gebogen, de gekrulde tenen van zijn schoenen nog maar een handbreedte boven het water, springt er iets omhoog uit het water als een orka. Een plons als het uit het water omhoog komt, gevolgd door een iets luidere plons. De kattenplank veert nog na. Kara­giozis is uit het zicht verdwenen. Alleen de uit­dijende rim­pelingen in het water verraden waar hij heen gegaan is.

Onder water worden zijn spartelende ledematen gegrepen en gefixeerd door sterke vingers met zwem­vliezen. Zijn sabel ontglipt hem en zinkt weg in de oer­soep. De vismensen hebben hem te pakken. Soepel als dolfijnen dartelen zij om hem heen, klauwend en bijtend trekken ze hem mee omlaag, steeds verder de diepte in. Een worsteling met de allure van een dans. De enige muziek is de waterdruk die trommelt in zijn oren. Zorgvuldig, bijna sensueel wordt zijn broekriem los­gemaakt, alsof de aanvallers benieuwd zijn naar het enorme lid dat de man zich weer heeft laten aannaaien, maar de vingers met zwemvliezen halen slechts de sleutelring en het holster met het pistool los van de riem. De wijde broek glijdt omlaag tot aan de gezwollen enkels om daar te blijven haken. Uiteindelijk binden de vis­mensen hem vast aan een verroest afgeworpen anker dat half begraven in de drek op de bodem ligt.

 

*

 

Veel van wat verloren is, kan nooit meer teruggevonden worden. Wurmwater is weliswaar de stad der tweede kansen, maar hoop gedijt niet goed op deze mestvaalt. Vrijwel iedereen die hier leeft is al eens gestorven, veelal gewelddadig. Daarom hangen ze nu ook zo aan het leven, omdat ze betwijfelen of er nog een wereld is, hierna. Een onderwereld voor de onder­wereld, is dat geen vreemd concept?

De levende dromers die deze streken bezoeken, ja, met hun geestesgesteldheid moet iets goed mis zijn. Om in deze zeepbel van een droom vrijwillig rond te waren, dat kun je niet minder dan waanzin noemen, en dat terwijl de doden hier niets liever willen dan terugkeren naar de wakende wereld.

Wat vraagt u me nu? Nee, over mijn eerste dood zal ik niet vertellen. Ik vrees voor uw nachtrust, gewaardeerde luisteraar.

 

 


Derde akte: de tiara

 

Wat een regen! Nu we hier schuilen heeft u misschien een moment om naar mij te luisteren? Heeft u nog steeds haast, ook al pissen de goden op onze hoofden?

U bent nieuw hier? Onderweg naar de Altstadt? Ik kan een moordballade voor u zingen, maar als u een penning laat vallen in het bakje van Herr Stumm dan kan ik u ook aanwijzingen geven. Uw gids zijn in deze straten, zo u wilt.

 

De echte stad ligt natuurlijk hogerop, daar tegen de rots Krabbenpunt aan. Verder bij de haven vandaan, langs de tijdelijk opgeworpen houten bouwsels, de verzakte paalhutten en armzalige woonsloepen van de vissers, over de doorzadelende houten planken, langs de naar vis stin­kende krotten in het zand, langs al het wrakhout dat lig te wachten op het volgende springtij dat alles weer weg zal spoelen, daar voorbij verschijnen de eerste stenen huizen van Wurmwater, dat door velen Wurmwater-aan-zee genoemd wordt. De huizen die tegen de voet van de grote rots Krabbenpunt aanschurken lopen bij zwaar weer ook onder water. Bij wind uit zee verzamelen de bewoners hun schamele bezit­tingen en wachten af welke rampspoed de storm hen brengen zal.

De smalle straatjes die omhoog slingeren en klimmen naar de woningen van de beter gesitu­eer­den op de top van de rots vormen een stenen laby­rint met overhellende muren. Een wirwar van benauwde kloven die splitsen en kronkelen, ze komen samen en scheiden zich weer af. De huizen hier zijn tegen en soms gedeeltelijk in de karst gebouwd, zodat niet goed meer te duiden valt waar de natuur eindigt en de bouwkunst begint. De huts­pot van bouwstijlen ademt een vergane glorie en antiquiteit uit die de Oude Wereld suggereert.

Het volk schuilt voor de regen onder de gemetselde booggewelven, opkijkend naar de pissende water­spuwers, de bewerkte kraagstenen en korbelen, de gotisch ogende torenspitsen en de kleine raampjes en nissen in de rotswand. Daarboven is de hemel dichtgeschoven met gebeeldhouwde grauwe wolken die even tastbaar lijken als rotsen beneden.

Alles druipt inmiddels van het water. De muren van gestapelde stenen zijn bedekt met mos zo weelderig als een dierenpels. Op de daken groeien varens. Een ingestorte schoorsteen wordt nooit meer gerepa­reerd, de stenen worden weggehaald en gebruikt voor andere tijdelijk bouwsels.

De bewoners zijn slechts dat: nomaden op door­tocht in deze tochtige ruïnes. Als neander­thalers laten ze hun handafdrukken na op de wanden van hun grotten. Ze drijven hun geiten bijeen in kapellen gewijd aan lang vergeten goden. Ze stoken hun vuren op gebarsten tegelvloeren.

De regenval heeft de gebarsten kleigrond in de steile straatjes tot modder getransmuteerd. De voeten van het volk zullen die modder woelen en ploegen tot de drek die men in een varkenskot aantreft. Omberen plassen dampen als kleine vulkanische meertjes. Stroompjes sijpelen langs de glibberige traptreden omlaag.

Zie, het druppelt nog maar een beetje. Schichtige krielkippen beginnen in en uit de gapende deur­openingen te scharrelen. De eerste mensen schuifelen ook tevoorschijn uit hun krochten en schuilplaatsen. Een uitgestoken hand en een schattend oog. Blijft het nu droog? In de verte, achter de gespleten top van de karst die vanuit de juiste positie inderdaad iets wegheeft van een opgestoken krabbenklauw, rolt de donder zachtjes en geduldig. De druppels beginnen alweer te vallen.

 

*

 

Tobias ligt in zijn hangmat en luistert naar het roffelen van de regen. Hij slaapt in het middelste ruim, ter hoogte van de waterlijn. De regenval op het water is een monotone ruis.

Hij probeert zoveel mogelijk op zijn zijde te slapen. De striemen op zijn rug beginnen nu te helen, maar blijven nog steeds pijnlijk. De woede van de bootsman om zijn onzorgvuldigheid was uitbetaald met vijf venijnige zweepslagen.

Heel het ruim, evenals de ruimen erboven en onder, zijn gevuld met hangmatten vol slapende broeders. De Baal is overvol sinds de Sumatra Queen van kapitein Obed Marsh verbrand en gezonken is, de bemanning is meer dan verdubbeld. De oudere broeders, degenen wiens trans­formatie voltooid is, slapen niet meer aan boord van de Baal. Ze leven in het water, dichter bij Vader Dagon, en komen nog slechts zelden aan boord.

Hij moet steeds vaker denken aan degene wiens naam ze niet mogen noemen. De afvallige broeder die zijn lots­bestemming probeerde te ontvluchten. De botten die ze hadden opgegraven waren niet van hem geweest. Het waren slechts de overblijfselen van een andere onge­lukkige die de Griekse smokkelaar had laten begra­ven. Wie weet hoe vaak die moordlustige zwendelaar zijn trucs had uitgevoerd.

Als Tobias de slaap niet vatten kan, zal hij weer een ongemakkelijke nacht doorbrengen, zoekend naar een comfortabele houding in zijn hangmat. Vruchteloos trachtend om het concert van gesnurk, gefluit en gerochel uit te bannen.

Doodmoe zal hij opstaan, als de bronzen bel voor het ochtendgebed geluid zal worden. In een processie trekken de gewekte bemannings­leden naar het voor­onder, waar kapitein Obed de plechtigheid zal leiden. De hybriden kwaken en fluisteren. Hobbelend op kromme benen die beter geschikt zijn om te zwemmen dan te lopen. Ze zullen zich verdringen om te knielen in het vooronder, om te luisteren naar de preek van de kapitein.

Maar dat is pas tegen de ochtend. Nu ligt heel de nacht nog voor hem en is hij alleen met zijn gedachten, verlaten en moederziel alleen tussen al zijn broeders.

 

*

 

In de stortbui ligt de pier er verlaten bij. Het zijn twee dwazen die tegen wil en dank de de elementen trotseren. Voorop gaat de matroos Peters, die aan de tering overleden is. Voorovergebogen, met raspende adem­haling en eeuwig bloed ophoestend. Bij leven heeft hij de dertig niet gehaald, maar hij ziet er uit als een oude man.

Hij wordt op de voet gevolgd door Jack Sweetheart. Het contrast tussen die twee is groot, want Jack is een prachtig lijk, met zijn strakke zongebruinde vel en zijn fonkelende witte intacte gebit. Zijn kastanje­bruine krullen zitten aan zijn schedel geplakt en het regenwater druipt over zijn gezicht. Hij ziet er veel te goed uit om dood te zijn. Er is geen hoer in de stad die hem geen korting geven zal. Voor zijn borst draagt Jack een bolle kruik, hij loopt met kleine be­dachte waggelende stapjes, zijn gespierde armen om de kruik zoals een hoogzwangere vrouw haar buik zou vasthouden.

‘De ouwe man is zongestoofd,’ meent Peters, over zijn schouder. ‘Zijn brein tot moes.’

‘Is het ooit anders geweest,’ vindt Jack, die zich graag op de vlakte houdt. ‘Hij blaft, wij rennen.’

Ze volgden Blackbeard bij leven en nu volgen ze hem in de dood. Iets anders is muiterij.

‘Ooit zat er doelgerichtheid in zijn waanzin. Nu niet meer. Een afleidingsmanoeuvre… hoe haalt ie het in zijn botte kop.’

Jack heeft de kruik neergezet op een krat met kakelende kippen.

‘Laten we de boel aansteken en ons uit de voeten maken.’

‘Eens kijken of ik vuur kan slaan in dit weer.’

 

*

 

De vier piraten zijn stilletjes vanuit de kapiteinshut naar de galerij geklommen. Hun kapitein slaat ze gade door de glas-in-lood raampjes. Ze hebben hun timmergereedschap bij zich.

‘Wat een hondenweer!’ moppert Spanish Joe.

‘Wraaaf-wraaaaff!’ gromt de gestoorde dolleman Scar-face hem toe.

‘Stil!’ sist scheepsmaat Ellis, die vindt dat hij de leiding heeft over deze heimelijke operatie. ‘Let op of we niet in de gaten lopen.’

Scar-face, met zijn ene bruikbare oog, staat op de uitkijk. Hij moet letten op vissenkoppen die op het geluid afkomen. Ellis en Spanish Joe zijn bezig om hun beitels tussen boegbeeld en schip te slaan. De lappen die ze om hun gereedschap gewikkeld hebben om de klappen te dempen zijn nu doorweekt. Joe heeft al twee keer op zijn hand geslagen. De richel waarop ze staan is glibberig en tot overmaat van ramp moeten ze ver voorover hangen om het boegbeeld los te wrikken, ver onder hen kolkt en klotst het water van de baai.

Ze werken met horten en stoten. Steeds pauzerend om te zien of er geen alarm geslagen wordt.

Long Tom staat al die tijd als Atlas gepositioneerd onder de overvloedige boezem van het boegbeeld.

Ze bikken tot er een klein beetje ruimte tussen boeg­beeld en boeg komt.

‘Geef me die koevoet aan! En hou de touwen klaar.’

Ze wrikken de spleet wijder en voeren de touwen erdoorheen, ze omwikkelen het boegbeeld en leggen vlotte knopen. Spanish Joe en Scar-face nemen ieder een touw ter hand. Long Tom klemt zijn kaken opeen voor de last die hij gaat ontvangen. Ellis plaatst de koevoet om de laatste nagels waaraan het beeld nu nog hangt los te wrikken.

‘Op drie,’ fluistert hij, ‘Een, twee…’

 

*

 

De zware koperen bel in de schelpentoren blijft maar luiden. De houten pier staat inmiddels in lichterlaaie. Het vuur brandt met een giftige groene vlam. De kolom van vettige, zwarte wolken die ervan af komt stijgt langzaam en statig hemelwaarts. De zware regenval lijkt de brand niet te willen doven. En de aanlandige wind jakkert de vlammen alleen maar aan.

‘De blaasbalg van de Duivel,’ noemt Spanish Joe die wind. Hij wrijft over het tinnen beeldje dat hij om zijn hals heeft hangen, de visserkoning Jezus doorboord door een vissershaak.

‘Wat een waanzin,’ fluistert Ellis. ‘En waarvoor?’

Enkele tientallen meters verderop, aan boord van de Baal, zwermen de vismensen uit over het dek om naar de brand te kijken. Om aan het gewemel op het dek te ontvluchten is Tobias in het want geklauterd. Hij wordt heen en weer geschud door de wind en heeft geen droge draad meer aan zijn lijf, maar toch kan hij zijn ogen niet van het spektakel afhouden.

Als de pier in het midden doorzakt als de schragende palen afknappen als luciferhoutjes, en de hele boel bran­dend in de baai stort, lijkt dat geluidloos te gebeuren.

 

*

 

Scheepsmaat Ellis valt de twijfelachtige eer ten deel om zijn kapitein te wekken na de huwelijksnacht. De zon had het hoogste punt op haar rondgang langs de hemel al gepasseerd en was alweer aan haar afdaling begonnen. De kapitein had zich heel de dag nog niet laten zien. Hij vermaakte zich waarschijnlijk opperbest in het hemelbed dat hij nu deelde met de albasten reuzin.

Ze hadden het boegbeeld met zijn vieren maar net kunnen torsen. De kapitein had geen hand uitgestoken, had hen slechts aanwijzingen toegesnauwd toen ze de kapiteinshut eenmaal binnen waren. Drijfnat hadden ze het in het bed van de kapitein geschoven. Daarna werd Edward Teach plotseling joviaal. Hij had ieder van de mannen een dukaat en een platte fles rum in de handen gedrukt. ‘Mondjes dicht, brave jongens.’ Zijn gezicht vlak bij dat van hen, met zijn uitwaaierende woeste baard en blikkerende tanden leek hij meer dan ooit op een weerwolf.

Ellis klopt nog eens aan, gevolgd door een schor: ‘Kapitein!’ Ditmaal klinkt er gerommel vanuit de hut.

‘Wat is er? Waarom stoor je me?’

‘De Marsh-broeders verzoeken om palaver!’

De deur van de kapiteinshut wordt ontgrendeld en tot op een kier geopend. Een argwanend oog loert naar buiten.

‘Op dit uur?’

‘De zon is opgekomen en gaat alweer onder, kapitein.’

‘Wiens zaak is het hoe lang deze kapitein uitslaapt!’

‘Niemands zaak, kapitein, maar ze zijn onrustig. Ze hebben ontdekt dat hun boegbeeld weg is.’

Het blijft even stil.

‘Zeg ze dat Blackbeard eraan komt,’ zegt Edward Teach en de deur klapt dicht.

 

*

 

Volledig gekleed en met zijn beste driekantige steek op verschijnt Edward Teach nu aan dek. Hij heeft vier van veertig 18-ponders laten laden en op hun rolpaarden laten verslepen naar het achtersteven. Ze zijn nu opgesteld in de twee hutten voor speciale gasten, direct onder de kapiteinshut. ‘Richt ze op de boeg van de Baal.’ Er zijn hier geen schietgaten, maar als het erop aan komt, moeten de mannen de ramen eruit slaan.

Zijn raadgevers zijn onrustig en darren om hem heen. Ze blijven hem maar wijzen op het numeriek overwicht van de Marsh-clan. Edward wuift hun angsten weg.

‘We hebben wel vaker tegen een overmacht gestaan. En keer op keer gewonnen.’

‘Maar ze zijn fanatiek, die geloofswaanzinnigen. En het zijn er honderden!’ dringt zijn bootsman, ‘alleen al op de Baal. Wie weet hoeveel van die grote gedrochten er onder water schuil gaan?’

‘Hou je bek als je tegen me praat!’ Hij duwt de boots­man hardhandig achteruit.

Hij wacht een moment om zijn kalmte te herwin­nen, en met zijn gezicht in de plooi beklimt hij het achterkasteel. De geur van roet bezwangert de lucht. Vanaf hier is het rep en roer aan boord van de Baal goed zichtbaar. De bemanning met hun schubbige koppen is en masse, de menigte stekelig van de hemelwaarts gerichte harpoenen en musket­lopen.

Hij stapt naar voren en leunt op de reling.

Enkele meters onder hem, staan de twee Marsh-broers te wachten, omgeven door hun manschappen op het voorkasteel.

‘Een hele goede morgen, waarde buren!’

Ze kijken knipperend en vol venijn naar hem op.

‘De ochtend is al lang voorbij!’ zegt Ahab, ‘welke zeeman kan het zich veroorloven om tot na het middaguur te slapen.’

‘Zijn dat jouw zaken, buurman? Zijn het jouw zaken, hoe lang ik uitslaap?’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Obed, met een hand op zijn broeders’ arm. ‘Er is geen reden tot wrevel. We zijn wat aangedaan omdat er een misdaad is gepleegd.’

‘Verklaar je nader.’

‘Vanuit jouw kajuit, Blackbeard,’ neemt Ahab weer het woord, ‘heb je waarschijnlijk een prachtig uitzicht op onze boeg. Is het ontbreken van ons boegbeeld je soms nog niet opgevallen?’

‘Boegbeeld? Zijn jullie je boegbeeld verloren? Zo hard heeft het vannacht toch niet gestormd? Het is de vloek van ons verblijf in deze baai. Schepen zijn bedoeld om te varen, niet om te verrotten in dit akelig klimaat.’

‘Gestolen,’ zegt Obed slechts.

‘Wie steelt er een boegbeeld?’

‘We vragen je alleen maar, waarde buurman,’ zegt Obed, ‘of je misschien iets gehoord of gezien hebt vannacht.’

‘Niets.’

‘Dus je hebt ook de pier niet zien branden? Hij is aangestoken met Grieks vuur, wordt er verteld. De brandende kippen dreven als fakkels op het water.’

Edward is even stil.

‘Grieks vuur, zei je toch?’ Edward laat de woorden door zijn mond rollen alsof hij proeft van zijn geliefde Madeira.

‘Ja, wat weet je ervan?’

‘Niets, behalve dat jullie het aan de stok hebben met een Griek. Of was het toch een Turk. Die Karagiozis…’ Hij leunt over de reling naar de Marsh-broers toe.

‘Met Karagiozis hebben we al afgerekend,’ zegt Obed.

‘Dan misschien één van zijn handlangers?’ suggereert Edward fijntjes. ‘Wie weet. Sommige situaties zijn bekleed met zoveel toevalligheid dat ze geen toeval meer mogen heten…’

‘Waar bazel je over, man?’

‘Griekse bultenaar… Grieks vuur.’ Edward weegt de twee begrippen op zijn uitgestoken handen. ‘Lijkt mij een boodschap als ik er ooit een hoorde.’

‘Heel onze bemanning heeft ernaar staan kijken. Die van jou waarschijnlijk ook,’ zegt Ahab, ‘maar jij bent kalmpjes door het rumoer heen geslapen.’

‘Ik slaap als een zuigeling tegen de warme boezem van zijn moeder,’ zegt Edward, ‘mijn ogen gesloten en mijn oren dicht. Zelfs dromen storen me niet in die inktzwart coma.’

‘Maar er is een belangrijk verschil,’ meent Ahab, ‘tussen de slaap der onschuldigen en de slaap der doden.’

‘Ja,’ grijnsde Edward Teach, ‘niemand hier is onschul­dig.’

 

*

 

Karagiozis wordt weer opgevist. Na enkele dagen op de bodem van de rivier, heeft kapitein Obed Marsh toch besloten dat hij de smokkelaar nog enkele vragen wil stellen. Tegen die tijd hebben ze inmiddels de kleine woonboot van de Griek al gelo­kaliseerd en leegge­plunderd. Alle papieren en waar­de­volle spullen mee naar de Baal genomen. Ze hebben zelfs de Perzische tapijten opgerold en afge­voerd. Maar de ceremoniële sieraden, de bewerkte tiara en de polsbanden die de afvallige zoon gestolen had, waren nog steeds onvindbaar.

‘Vis hem maar weer op,’ snauwde Obed uitein­delijk.

Het kost de kapers die Karagiozis aan het anker bonden een ochtend om hem terug te vinden in het rivierwater dat waarschijnlijk even opaak is als de oersoep waar ooit het eerste leven uit tevoorschijn kroop.

De huid van Karagiozis is verweekt, bleek en gerim­peld. Hier en daar hebben vissen de huid kapot geknabbeld om bij het vlees eronder te komen. De wonden lekken nu als zweren. Het zorgvuldig aange­naaide aanhangsel is voor een tweede maal van het corpus van de Griek gescheiden, ditmaal losgerukt en gestolen door een onbevreesd toeslaande snoek­baars. Waarschijnlijk verslonden, of in ieder geval reddeloos verloren op de bodem van de rivier.

Karagiozis kan er in zijn huidige penibele situatie nog niet echt om treuren. Hij ligt nu vastgespijkerd op een zware tafel in de kajuit van de Baal, de ijzeren nagels zijn tussen de botten van zijn polsen en door zijn voeten geslagen. Bij de ondervraging is zijn rechteroog al uit de kas gehaald met een vishaak. Karagiozis wilde wel antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden, maar zijn longen en maag zaten vol met water en slijk, zodat hij niet anders kon dan overgeven en hoesten. De visman die hem ondervraagt, dezelfde bootsman Barnabas Wade die hij enkele dagen daarvoor te snel af was, lijkt mede­dogen noch geduld te kennen.

Als Karagiozis eindelijk weer, schor en hees, wat uit kan brengen, besluit hij de waarheid te vertellen. Hij smeekt om wat wijn, om zijn keel te zalven, maar hij krijgt slechts meer water. Alsof hij nog niet genoeg water geproefd heeft de afgelopen dagen!

Dan rolt het hele verhaal eruit.

Hoe hij de jonge matroos heeft wijs gemaakt dat hij hem naar de landen der levenden kon smokkelen. Dat de gestolen sieraden zijn overtocht zouden betalen. Hoe hij de jongen heeft laten begraven.

Maar de sieraden, dringt Obed Marsh aan, waar zijn de sieraden? Waar is de tiara, stompzinnige Griek?

Karagiozis jammert het uit. Nu hij toch begonnen is met de waarheid, stroomt deze uit hem. ‘Ik verkocht ze aan een levende dromer. Een grootmeester uit Gent. Het is een ouwe sluwe sjacheraar. Er zijn manieren om voor­werpen mee te smokkelen naar de dagwereld. Het is moeilijk, maar voor iemand met inventiviteit en door­zettingsvermogen is het mogelijk. Ik doe vaker zaken met hem. Ik kan met hem in contact komen. Ik kan hem vragen…’

‘En mijn boegbeeld? Waar heb je dat gelaten?’

‘Een boegbeeld? Ik weet van niets, heer! Ik weet echt niets van een boegbeeld. Ik heb u mijn misdaden opge­biecht. Geef me een kans om het goed te maken. Ik zal de Gentse dromer terug lokken, ik zal uw sieraden terug­halen. Ik breng u de kroon!’

De kapitein denkt even na. ‘Onwaarschijnlijk,’ meent hij, ‘kansloos.’

Hij draait zijn logge gestalte bij de tafel vandaan. De treden naar het dek kraken onder zijn gewicht. Vanaf de trap snauwt hij: ‘Ga door met de ondervraging.’

De bootsman knikt gretig. ‘Breng me een kruik kokend water,’ kwaakt hij tegen een van zijn matrozen.

‘Ik zal je leren wat lijden is,’ fluistert hij de Griek toe. Hij is vlakbij en steekt zijn tong uit om over de enige intacte oogbal van Karagiozis te likken.

‘Genade!’ smeekt Karagiozis nog, maar niemand zal ooit nog naar zijn antwoorden luisteren.

 

*

 

In het holst van de nacht glipt Tobias overboord. Hij neemt niets mee dan de kleren aan zijn lijf. Daarvoor zullen ze hem niet hoeven najagen. Hij wacht tot de wachtposten hem passeren op hun ronde en laat zich dan aan een touw overboord zakken. Bijna geluidloos ont­vangt het water hem.

Hij neemt een grote hap lucht en zwemt omlaag om onder de kiel van het volgende schip door te duiken. Zijn kieuwen moeten nog verschij­nen, maar hij kan zijn adem inhouden als een parelduiker.

Met grote slagen begint hij naar de kade te zwemmen.

Onder de rook van duizend zielen : Nienke Pool & Mike Jansen

Sterre zette haar fiets in de verlaten fietskelder van station Haarlem en liep op haar veel te hoge hakken richting perron drie, waar de laatste trein haar naar het nachtleven van Amsterdam zou brengen. Alle rotzooi van die dag, nee van de afgelopen zeven jaren, drie maanden en twaalf dagen, wilde ze deze nacht van zich afgooien. Mike, de klootzak.

Die ochtend, tijdens het ontbijt, net na zijn eerste kopje koffie en precies voordat ze een slok van haar ontbijtsmoothy had genomen, was hij begonnen over de seven-year-itch en over de nieuwe inzichten die Linda hem daarover had ingefluisterd. De snol. Hij verzocht Sterre met zijn bruine hondenogen om een time-out waarbij ieder zijn eigen zaden kon laten waaien over ‘onontgonnen velden’. Waar zijn zaad naartoe zou waaien, wist ze al.

Wat deze nacht haar zou brengen, was nog een open vraag. Ze wilde zich laten gaan. Vastberaden liep ze door het poortje naar de roltrap, die haar naar het perron bracht. De oude bogen van het gewelfde dak van het station waren gehuld in schaduwen die de felle lantaarns en de schelverlichte reclameposters niet konden verdringen.

Een geur van bier deed een alarmbelletje rinkelen. Ze voelde zijn aan­wezig­heid voor ze hem zag. Hij stonk naar alcohol en zweet, een man van begin veertig, met kort, stekelig haar, grijzend aan de slapen, dure schoenen, modieuze jeans, lekker strak T-shirt maar een ladderzatte kop met bloeddoorlopen ogen. Hij had duidelijk gehuild. Ze voelde mede­lijden, zelfs een aan­drang hem aan te spreken.

Voor hij een slok uit zijn heupflacon nam, liet hij een boer. Het moment was direct voorbij. Hij mompelde in zichzelf en staarde onop­houdelijk naar haar. Hij had een wilde blik in zijn ogen die haar intimi­deerde. Ze voelde angstzweet onder haar oksels. Haar eigen angst stonk heftiger en de penetrante geur drong door tot in het binnenste van haar bewustzijn.

Ze stak een sigaret op. Met een paar trekjes nicotine probeerde ze haar zintuigen tot rust te brengen en met de rook blies ze een beschermend rookgordijn. Al inhalerend keek ze om zich heen. Het perron was verder verlaten. Op het tegenoverliggende perron stond een zoenend stel en wat eenlingen die geobsedeerd in hun mobiel staarden. In de verte zag Sterre de koplampen van de Intercity al. Op het moment dat ze haar trein zag, keek de vent van het zoenende stel op. Hij wierp haar een geile zoen toe. Hij lachte. Kut, dacht ze en keek snel een andere kant op.

Ze gooide haar peuk weg en besloot naar het verste deel van het perron te lopen, dan hoefde ze in Amsterdam die meters niet meer te maken. Daarbij was ze verder verwijderd van de geile vent en die dronkenlap.

Op haar hakken probeerde ze zo snel mogelijk het perron over te lopen. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo opgelucht was dat er een trein het station in denderde. Even overwoog ze om naar huis te gaan. Ze was absoluut niet meer in de stemming tot welke ikvergeet­mijn­ellendeseks dan ook. Haar mobiel lichtte op en hoop borrelde in haar op toen ze zag dat hij het was. Een bericht op Facebook. Zou hij haar willen spreken?

Mike staarde haar aan vanaf een foto van hem en de Linda-snol die alle hoop aan diggelen sloeg. Hij had zijn tong zo ver in haar mond gestoken, het leek alsof hij een inwendig onderzoek aan het verrichten was. De klootzak.

De geur van drank was vlak achter haar en verstoorde niet alleen haar gedachten. Het verstoorde haar evenwicht en ze werd bang. ‘Wat moet je van me? Donder op.’ Ze had gehoopt dat haar stem krachtiger zou klinken.

Hij keek haar niet aan. Zijn ogen waren groot. Met de heupflacon in zijn hand liep hij snel struikelend langs haar. Ze zag hem bij het spoor komen en niet stoppen, zijn handen uitgestrekt voor zich alsof hij naar de overkant wilde duiken. De trein naderde als in slow motion en een diepe kilte verspreidde zich vanuit haar buik. Hij gaat dood!

De machinist probeerde uit alle macht te remmen, vonken sprongen van het spoor in een surrealistisch inferno begeleid door een angstaan­jagend gillen van gemarteld metaal. Sterre zette haar eerste stappen naar het spoor al terwijl de trein in aanraking kwam met de dronken man, die in elkaar vouwde als een lappenpop, waarbij bloed uit zijn hoofd en lichaam spatte door de kracht van de botsing.

Die is dood, schoot door haar heen. Ze kwam bij het spoor, rende langs de wagons tot de locomotief waarvan net de deur werd geopend. Bij de voorkant aangekomen keek ze, draaide direct haar gezicht weg en gaf luidruchtig over op de tegels. Ze voelde zich draaierig, de wereld om haar heen was mistig, kil en ze dacht dat ze flauw viel. Ze zakte op haar knieën en probeerde met haar hoofd omlaag lucht te happen.

 

***

‘Hee!’

Langzaam keek Sterre op, recht in het gezicht van de dronken man die ze net voor de trein had zien springen. Hij was lijkbleek, bijna wit. Nee, dat is het niet. Hij is … kleurloos. Ze schudde haar hoofd. ‘Maar… jij bent dood. Ik zag je springen.’ Ze stond op en week achter­uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik ben. Dood niet, denk ik. Helaas.’ Hij gooide zijn lege heup­flacon op de rails en keek vervolgens om zich heen. ‘Maar ik vraag me af waar we nu zijn. En waar de trein is gebleven.’ Het spoor was inderdaad leeg.

Bij zijn woorden keek Sterre eveneens om zich heen. Ze waren in het station. Correctie, ze waren in een station, gemaakt van bewerkte, houten pilaren en een aantal hoge, aaneengesloten bogen die het dak vorm­den. Een paar kleine gebouwtjes van kale bak­steen met houten kozijnen en glas-in-lood ramen waren het enige dat ze kon zien naast rijen perrons en spoor. Voorbij het perron waren tientallen sporen, meer nog dan ze van Amsterdam Centraal gewend was.

De stilte hier was indringend, alsof de wereld leeg was. Het snerpende geluid van een stoomfluit doorbrak die stilte en deed pijn aan haar oren. ‘Kom op het perron,’ riep ze boven het geluid uit naar de dronken man die nog steeds op het spoor stond. Met moeite trok hij zich omhoog en rolde tot naast haar op het perron. In de verte verschenen twee koplampen die een dreigend rood licht uitstraalden in de inktzwarte buitenste duisternis.

Ze staarde naar dat licht en wist ineens wat er mis is. Het rode licht was de enige kleur die ze om zich heen zag. De dronkenlap en alles om haar heen was kleur­loos. Zelfs zijn bloeddoorlopen ogen waren grauw. Zijn lippen prevelden woorden die als door een mist tot haar kwamen, zelfs als ze haar oren spitste. Overal om haar heen hing een beklem­mende vochtige mist, die alles wit leek te maken. En stil. Doodstil.

De dronkenlap sjorde aan haar mouw en begon tegen haar te schreeuwen. Ze verstond geen woord van wat hij zei, zo werd ze opgeslokt door haar eigen zintuigen. Ze staarde naar zijn grijze arm op haar jasje. Dat was nog steeds mintgroen, alleen leek het alsof de kostbare zijde al honderden keren te heet was gewassen. Maar er was kleur en het voelde als hoop. De mist uit haar hoofd trok langzaam op en geluiden van buitenaf drongen weer tot haar door.

Piepende remmen van de trein die het perron naderde; geschuifel van ijzer dat knarste over de grond en dan – steeds duidelijker – het geschreeuw van de man. Zijn woorden kwamen een fractie van een seconde later binnen dan de bewegingen die zijn lippen maakten. Ze staarde alsof ze hem in een jaren vijftig film bekeek.

‘We moeten weg hier. Kom mee! Snel,’ riep hij.

Sterre keek in de richting die de dronkenlap aanwees. Daar aan de overkant van het perron stond een man die hen strak aankeek. Een moment dacht ze dat het de geilaard van daarnet was, maar de koude rillingen die deze figuur haar bezorgde was vele malen intenser. Nee, hem had ze niet eerder gezien. Een dergelijke blik zou ze zich herin­neren. Met donkere, holle ogen staarde hij hun kant op. Hij leek wel een geest met lange, magere ledematen die uit een gerafelde smoking staken, alsof het kledingstuk veel te klein voor hem was, handen met lange vingers en zwartglanzende nagels gekromd tot klauwen.

Sterre besefte dat ze ook naar hem staarde. Hun blikken kruisten. Hij kwam dichterbij de rand van het perron staan en hield haar blik vast. Ze voelde zich wegglijden in die diepe, donkere poelen die een einde aan alle pijn beloofden. Bijna wilde ze naar voren stappen, maar hij ver­dween uit zicht achter de trein die net langs het perron reed. Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem. Godverdomme, wat was dat?

Een hand op haar arm. De dronkenlap die nu vol­komen nuchter leek. ‘Weg hier. Nu!’ Hij trok haar mee en ze renden in de richting van de gebouwtjes met de glas-in-lood ramen. ‘Daar brandt licht.’

Ze zwikte haar enkels en schopte vloekend haar schoenen uit. Wrij­vend over haar pijnlijke gewrichten keek ze achterom. Haar adem stokte. Ze kon niet anders dan roerloos staren naar het tafereel dat zich voor haar ogen afspeelde al hadden haar hersenen moeite om de indrukken van haar zintuigen te ver­werken. De locomotief was van zwart ijzer, met een gloeiende vuurkist en vlampijpen. Zwarte rook kringel­de als dichte schaduwen om de wagons die erachter stonden. Terwijl ze keek, zag ze dat uit de zwarte rook glinsterend zwarte tentakels tevoorschijn schoten die snel over het perron in hun richting kronkelden.

Een verse scheut angst en adrenaline schoot door haar lichaam, bracht haar bij haar positieven en ze rende haar metgezel voorbij. Ze trok aan zijn arm. ‘Sneller, het haalt ons in. Daar is het licht.’ Ze waren er bijna. Vlak voor de gebouwtjes werd de arm die ze vasthad ineens uit haar handen getrokken. De kracht waarmee dat gebeurde, draaide haar om. De dronken­lap lag enkele meters voor haar op de grond, een ten­takel van ijzer en schaduw om zijn linkerenkel. Een tweede schoot tevoor­schijn en boorde zich in zijn onderrug, een derde klampte een grijpklauw om zijn rechterschouder met het geluid van krakende botten. Er klonk een hoog, wanhopig gekrijs.

Het duurde even voor ze besefte dat zij degene was die krijste. Het gezicht van de dronkenlap was nu vertrokken van pijn, zijn ogen groot en angstig. Hij wierp iets naar haar toe voor de klauwen hem achteruit trokken. ‘Ga nu! Vlucht! Te laat voor mij!’ Hij gleed nu snel in de richting van de trein.

Sterre staarde naar de locomotief die geduldig wachtte op zijn nieuwste prooi. De tentakels hieven de dronkenlap hoog op en meer ten­takels grepen zijn ledematen en droegen hem naar de gloeiende muil van de vuurkist die zich langzaam opende. Met een onaards brullen ver­dween hij in het vuur en de muil sloot zich. Een zwarte damp steeg op terwijl de rode koplampen opgloeiden.

Ze dook ineen, hapte naar adem en trilde over haar hele lichaam. Ze staarde naar de plek op het perron waar hij even daarvoor nog had ge­legen. Wat ligt daar? Ze zag een vierkante sleutelhanger, zo een waar je een foto in kunt doen, en pakte die. Daarna schuifelde ze snel het ge­bouwtje in en bleef daar hijgend en met snel kloppend hart met haar rug tegen de muur zitten. Wat is dit voor hel waarin ik beland ben? Uit haar tas pakte ze een sigaret die ze bijna niet aankreeg, zo trilden haar handen.

Op het fotootje in de sleutelhanger was het gezicht van een klein jongetje met donkere krulletjes en sprekende ogen. Ze draaide de sleutelhanger om en zag een met de hand geschreven tekst: RIP, mijn liefste jongen. Ze voelde een brok in haar keel en haar ogen brandden. Dus daarom sprong je. Arme vent. Ik wou dat ik je naam wist…

Treingeluiden klonken vanaf het perron en voor­zichtig keek ze door een raam. De wielen van de zwarte locomotief begonnen te draaien en langzaam reed het gevaarte met zijn wagons het station uit. Ze dacht aan de man met de holle ogen. Ook die was verdwenen. Misschien met de trein mee, dacht ze, opgelucht. Haar hartslag werd rustiger en ze bekeek haar nieuwe omgeving.

Het gebouwtje waarin ze zich had verschanst leek op een wachtruimte zoals ze die van verschillende sta­tions kende. Nu ze binnen was reali­seerde ze zich dat het licht weliswaar fel was, maar kleurloos. Wat nu, hoe kom ik hier weg? Haar oog viel op een verweerd stuk bruin papier, het enige stukje kleur, dat hier al lang op de verder lege grond leek te liggen. Ze pakte het op. In grove houtskoolletters stond een boodschap geschre­ven: ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’

Haar mobiel was zo goed als dood. Geen enkel bereik. Ze nam wat foto’s die allemaal op oude zwart-wit plaatjes van vroeger leken. Ze liep over de verschil­lende perrons op zoek naar informatie, een aanwijzing voor waar ze zich nu bevond. De naamplaats ‘Haarlem’ stond in grote, witte letters op een muur geschilderd, maar dat was het dan wel. Het was niet haar eigen vertrouwde Haarlem, zoveel wist ze zeker. Wat het wel was, ze wist het niet en de angst die hierdoor in haar opborrelde, kon ze slechts met moeite verdringen. Concentreer je, zei ze tegen zichzelf. Er was hier helemaal niets in het station om voor te blijven en ze besloot op onderzoek uit te gaan.

Op het perron bleef ze staan. Overal waar ze keek zag ze ontelbaar veel rails. Welke kant moest ze op? Ze had geen idee. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich helemaal alleen. Ze had behoefte aan een mens, aan iemand die antwoorden kon geven op alle bange vragen in haar hoofd. Ze voelde het briefje dat ze in haar zak gestoken had. ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’ Ze zuchtte. Laat Heinrich in gods­naam niet die enge griezel van daarnet zijn. Met haar vingers stevig geklemd om de sleutelhanger liep ze het perron af.

Buiten het station begon een dichte, witte mist die niets van de buiten­wereld toonde en zelfs dag of nacht wist te verhullen. Aan een kant van het station vond ze een watertoren. Ze dacht aan de woorden op het papier. Vertwijfeld keek ze naar de keitjes en de rails en vervolgens naar haar voeten. Als er niet snel gras of aarde naast het spoor komt, houd ik geen voeten meer over. Toch liep ze verder. Ze had weinig keus.

 

***

 

Tweehonderd meter voorbij de watertoren liep het spoor langs een kanaal, waar ook een pad liep dat redelijk begaanbaar was. Het water was donker, levenloos en er dreven olieachtige vlekken op. Aan de overkant van het kanaal draaiden de wieken van rijen ouderwetse windmolens hun rondjes. Maar het waait helemaal niet. Rijen kleurloze figuurtjes, men­sen, marcheerden langzaam de grote deuropeningen van de molens in. Die mensen gaan naar binnen, maar ik zie niemand vertrekken. Sterre zag dat de wieken in plaats van canvas vleermuisvleugels hadden. Ze besloot dat ze beter snel door kon lopen.

Het landschap om haar heen bleef in dichte, witte mist gehuld, klam en kil. Ze raakte alle besef van tijd kwijt. Of het dag of nacht was kon ze niet opmaken, er was geen zon, geen maan en geen daglicht. Toch was het niet donker.

Ze huiverde en sloeg haar armen om haar lijf heen. De zijde van haar jasje voelde vochtig en koud aan en haar voeten deden pijn. Volgens mij heb ik me nooit zo ellendig gevoeld, dacht ze. Het besef dat haar huidige situatie zelfs ellendiger was dan de boodschap van haar overspelige ex-vriend eerder die dag, deed haar grijnzen. En dat allemaal omdat Mike zo nodig zijn zaden moest laten waaien. Als ze hem ooit weer zag, zou ze hem zo’n lel geven dat ie z’n zaden een tijdje nergens kon laten waaien. De minkukel.

De hele tijd had ze het gevoel dat ze werd gevolgd, geobserveerd. Niet door een trein of iets tastbaars, toch was het gevoel er.

Langs de kant van het spoor, in een verdorde rietkraag, stond een paaltje met daarop een houten bordje. In vervaagde houtskoolletters stond het woord Heinrich. Dit zou het moeten zijn. Voorbij het water zag ze tussen de kronkelende flarden mist een aantal verwrongen bomen. Als ze overstak, kon ze bij die bomen komen. In ieder geval weg van dat spoor. Geen idee of er nog zo’n trein rondrijdt. Diep in haar onderbuik fladderde een verlammende angst bij de gedachte aan de gebeurtenissen op het perron. Ze vond een ondiepe plek en kwam relatief droog, maar met verkleumde voeten aan de overkant.

Iets verderop waren de bomen rechter en bezaten ze een bladerdak. Nog steeds verstoken van alle kleur, maar in ieder geval leek het nog ergens op. Ze merkte dat ze bijna onwillekeurig een pad volgde, dat haar bij een open plek bracht. Daar brandde een vuurtje met grijze en witte vlammen. Aan de rand van het vuur stond een pan waaruit een kruidige geur kwam.

‘Is hier iemand?’ zei ze. ‘Heinrich?’ Haar tanden klapperden.

Het antwoord kwam van achter haar. ‘Dat ben ik.’ Ze voelde haar hart in haar keel springen. Ze draaide zich om en schrok weer. De eigenaar van de stem stond vlak achter haar en het eerste dat ze van hem zag waren waterige, dofblauwe ogen. Ze struikelde achteruit tot bij het vuur. De man bleef staan.

Wacht even, hij heeft kleur! Ook al waren zijn kleren oud, gescheurd en versleten, een soort uniform ooit, er zat nog wat kleur in. Zijn haar had een bruin tintje, zijn huid was hier en daar nog huidkleurig, hoewel veel van zijn lichaam dezelfde kleurloze eigenschap had die ze bij de dron­kenlap had gezien. En in de rest van deze rare, verwrongen wereld.

‘Je liet me schrikken!’

‘Entschuldigung, dat spijt me,’ zei de man. ‘Ik vertrouw niemand hier.’

Sterre knikte. ‘Dat kan ik begrijpen. Waar is hier?’

De man wreef zich over zijn voorhoofd. Zijn haar was lang, ongekamd en leek lukraak te zijn afgesneden. ‘Waar het ook is, ik ben hier al veel te lang, Sterre. Wat mij betreft is dit de hel.’

‘Hoe ken je mijn naam.’

‘Je werd aangekondigd. Dacht je werkelijk dat je kleuren hier onop­gemerkt zouden blijven. Je bent vers.’ Met zijn duim wees hij over zijn schouder. ‘Ben je gevolgd?’

‘Het leek er wel op,’ zei Sterre. ‘Gezien heb ik niets.’

‘Ze wachten af, we hebben de tijd.’ Heinrich gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. Hijzelf ging naast de pan zitten en roerde erin. Uit zijn tas haalde hij een paar versleten schoenen en gooide die naast haar in het zand. ‘Vul ze met wat gras, ze zullen wel te groot zijn.’

Dankbaar pakte ze de jongensgympen aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord niet wilt weten. Vertel me liever hoe je hier gekomen bent.’

Er kwam voldoende warmte van het vuur om haar koude lijf te verwar­men en samen met de sigaret voelde ze zich kalmer worden. Hoe bizar haar verhaal ook was, ze was blij dat ze het aan iemand kon vertellen.

‘Selbstmord,’ zei Heinrich toen ze uitgesproken was. Hij leek verdrietig.

‘Ik denk het,’ zei Sterre en liet hem de sleutelhanger zien. ‘Hij hoefde niet meer.’

‘Zo ben ik ook hier gekomen. Ruim zeventig jaar geleden.’

Sterre keek naar hem. ‘Zo oud zie je er niet uit.’

‘Niemand sterft hier,’ zei Heinrich. ‘Hoe kun je anders boete doen in deze hel?’

‘Hoe kan het dat je kleur hebt? Net als ik? Is het iets dat langzaam ver­vaagt?’ Ze huiverde, gooide haar peuk in het vuur en hield haar handen dicht bij de vlammen.

Heinrich schudde zijn hoofd. ‘Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Ik ook niet. Maar we waren in de buurt van een zelfmoord. In de loop der jaren heb ik geleerd dat omstanders soms worden meegezogen, als het ware.’

‘Je noemde deze plek een hel,’ zei Sterre. ‘Zijn de loco­mo­tieven dan duivels die de zielen teisteren?’

‘Was het maar zo eenvoudig,’ zei Heinrich. ‘De dronken­lap werd het slachtoffer van de treinen en onderweg hierheen werd je geschaduwd. Dat waren de engelen. Zij zijn minstens even moordlustig.’ Hij huiverde. ‘En dan is er nog de man met de holle ogen.’

‘Hee,’ zei Sterre, ‘die man met de holle ogen heb ik gezien. Hij was op het perron toen de trein… je weet wel.’ Ze huiverde.

Heinrich keek op van zijn pan en staarde naar haar. ‘Heeft ‘ie jou gezien?’

‘Ik denk het wel.’

Heinrich stond meteen op. ‘Dan moeten we vertrek­ken. Als die je gezien heeft, dan komt hij je halen.’ Hij pakte spullen in zijn plunjezak.

‘Waar moeten we heen? In de vijf kilometer dat ik vanaf het station heb gelopen zag ik enkel mist, oneindig veel rails en een dor landschap. Is er meer dan dat?’

Heinrich zuchtte. ‘Wat je zag is een reflectie van onze werkelijkheid. Veel is gelijk, maar alles hier is dood of stervende. De perfecte plek voor depressieve mensen die zelfmoord op het spoor gepleegd hebben.’ Hij wees naar haar voeten. ‘Kun je staan? Kun je lopen?’

Sterre probeerde het. ‘Ik denk van wel. Alles beter dan blote voeten.’

‘Mooi, eet nog snel wat, ik denk niet dat we daar straks nog veel tijd voor zullen hebben.’ Hij schepte een kom vol met dampende brij en gaf die aan haar. Zelf nam hij af en toe een lepel uit de pan terwijl hij nerveus om zich heen bleef kijken.

‘Heb je nooit een weg terug gezocht?’ vroeg Sterre. ‘Als je hier binnen kunt komen, moet je toch ook weer weg kunnen komen?’

Heinrich haalde diep adem. Hij staarde naar de brij in de pan die hij met zijn lepel omroerde. ‘Ja. Ja, dat kan.’

Van schrik liet ze haar kom vallen. ‘Hoe? Wat moeten we doen?’

Heinrich hief zijn lepel en wees naar haar. ‘Jij moet vooral naar me luisteren en doen wat ik zeg, als je hier ooit weg wilt komen.’

Sterre zweeg even. Zijn woorden deden haar aan Mike denken. ‘Wie denk je wel dat je bent?’

‘Degene die de weg weet. En die ervoor kan zorgen dat je hier niet je honderdste verjaardag hoeft te vieren.’

Sterre zag de emotie in Heinrichs ogen. ‘Hoe ben jij hier eigenlijk geko­men? Zeventig jaar geleden?’

‘Een lang verhaal,’ zei Heinrich. ‘Ik probeerde een zelfmoord te verhin­deren. Maar ik was net te laat om haar te redden. Toen ik mijn ogen opendeed was ik hier beland.’ Met zijn arm veegde hij zijn ogen droog. ‘Een moment later werd ze gegrepen en…’ Hij hield zijn mond, hield zijn hoofd schuin en leek te luisteren. ‘We moeten weg. De engelen zoeken prooi. Zij zullen niet toeslaan als de man met de holle ogen nabij is, dus zij zullen voor hem willen toeslaan. Ik voel hun nabijheid, al zijn ze op hun hoede.’ Hij borg zijn lepel en pan op en gooide zijn plunjezak over zijn schouder.

‘Waar kunnen we schuilen?’ vroeg Sterre.

‘Wrang genoeg enkel op het spoor,’ zei Heinrich. ‘Engelen en locomo­tieven mogen elkaar niet.’

‘Hoe ben je daar ooit achter gekomen?’ vroeg Sterre.

‘Schade en schande,’ zei Heinrich. ‘Naarmate je hoop verdwijnt, ver­vaagt je kleur hier. Zoals je aan mij ziet. Ik had veel kleur in het begin. Toen kwam ik mijn eerste engel tegen. Die kostte me bijna mijn leven. En mijn ziel.’ Hij sprong vol zelfvertrouwen over de stenen in het stroompje, op de voet gevolgd door Sterre.

‘Die kant op ligt Amsterdam.’ Hij wees verder langs het spoor dat Sterre in eerste instantie had gevolgd.

‘Moeten we daar helemaal naar toe?’

Hij knikte. ‘We moeten voortmaken, de engelen worden ongeduldig.’

 

***

 

Na eindeloos gelopen te hebben naderden ze een klein perron. Sterre zag een meisje van een jaar of twaalf op de verhoging naast het spoor staan. Haar paarden­staart zat verwaaid in een felroze strik. Haar grijzige jurk was besmeurd met neonrode vlekken. Ze staarde voor zich uit.

Sterre versnelde haar pas en riep: ‘Meisje, wie ben je? Hoe ben je hier gekomen?’

Heinrich rende achter Sterre aan en probeerde haar tegen te houden om de trap naar het perron te beklimmen. Ze trok zich los en liep verder. Hij keek om zich heen en trok nog harder aan haar, waardoor ze achter­over viel. Het meisje liep van haar weg. Haar ogen staarden naar de rode koplampen die in de verte vanuit Amsterdam aan kwamen denderen.

Het meisje stak haar handen uit naar de naderende trein. Ze draaide haar hoofd naar Sterre en riep met een hoog stemmetje: ‘Ik ga naar het Eindpunt. Mama is daar. Ze wacht op me.’

‘Doe het niet,’ riep Sterre en krabbelde overeind. Ze wilde naar het meisje toe rennen om haar te redden. Bij de dronkenlap had ze gefaald, dat niet weer.

Heinrich pakte haar van achter vast en hield haar in een houdgreep. ‘Het kan niet. Je kunt haar niet redden. Ze is gegrepen door de engelen. Kijk dan, haar kleur. Geloof me, wat je ziet is valse hoop.’

‘Nee, ze is gewoon haar kleur nog niet verloren, net als jij. We kunnen haar redden.’

‘Ik ken het verschil,’ siste Heinrich. ‘Ik ken het verschil tussen hoop en hopeloos. Dit meisje is niet te redden. Zij gaat niet naar het Eindpunt. Waar zij heengaat, daar wil jij niet komen.’

‘Ze is een kind, zie je dat dan niet? We moeten haar helpen.’

‘Het spijt me.’ Met al zijn kracht trok hij Sterre naar het wachtershokje en hield zijn hand voor haar mond om haar gekrijs te smoren.

De trein reed het station binnen in een dichte wolk donkere rook waarin de slangachtige bewegingen van de zwartmetalen tentakels een dreigend halo vormden. Het meisje stond afgetekend als een klein, kwetsbaar poppetje tegen de rode gloed van de vuurkist.

Heinrich tikte op Sterre’s schouder en wees omhoog. ‘Een engel.’ Een diepere schaduw viel over het perron en een slanke gestalte met im­men­se vleugels bedekt met vuilwitte veren daalde neer achter het meisje.

De stoomfluit van de trein blies een schrille uitdaging en uit de rook schoten tentakels naar voren om het meisje te grijpen. De engel strekte lange armen uit en greep twee van de tentakels vast terwijl zijn vleugels de andere tentakels afweerde. Losse veren vlogen in het rond terwijl de engel achteloos de tentakels in een hand nam en vervolgens met de andere hand de schakels lostrok. De losse stukken vielen op de grond. De uiteinden met hun stalen bekken bleven happend kronkelen op de grond tot de engel ze met zijn klauwvoeten kapot trapte. Meer tentakels wikkelden zich om zijn benen en vleugels. Het wezen negeerde ze en bleef tentakels, die het meisje probeerden te bereiken, afweren en ver­nielen. Het meisje bleef onbewogen voor zich uit staren.

Opgelucht haalde Sterre adem en liep op het meisje af. ‘Hij heeft haar gered. De engel heeft het meisje uit de tentakels van de locomotief gered!’

‘Gered is niet het juiste woord.’ Heinrich duwde Sterre voor zich uit, de berm van het spoor in. ‘Doorlopen,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Niet omkijken.’

Sterre trok haar arm los en draaide zich om. Ze was vastbesloten het meisje niet alleen achter te laten. Ze keek naar het perron, maar in het geweld van rook, vleugels en tentakels was het arme kind niet te zien. ‘Waar is ze gebleven?’

‘Heb ik je uitgelegd. Ze was niet meer te redden. Geloof me. We moeten weg hier!’ Hij gaf haar een zet zodat ze verder struikelde, kwam toen naast haar lopen en greep haar elleboog vast. Zo snel als hij kon trok hij Sterre mee. Ze wilde eerst tegenwerken, maar de twijfel die ze eerder voelde kwam terug, versterkt door Heinrichs woorden.

‘Waarom was ze niet te redden?’ vroeg ze. ‘Ik begrijp het niet. Ze was zo klein, zij had toch geen zelfmoord gepleegd?’

‘Hoe ze hier gekomen is, dat weet ik niet. Dat ze verloren was, dat zag ik meteen.’

‘Ze had toch kleur, althans een beetje.’

Heinrich keek regelmatig achterom terwijl ze liepen. Bij haar vraag stond hij even stil. ‘Als dit de Hel is, dan is je ziel hier. Waar is dan je lichaam?’

Sterre keek hem aan. ‘Mijn lichaam is toch hier? Je ziet me toch?’

Heinrich begon weer te lopen. Hij mompelde in zichzelf.

Sterre volgde hem. ‘Waar is mijn lichaam?’

‘Waarschijnlijk nog waar je het gelaten hebt,’ ant­woordde hij.

‘Station Haarlem? Op het perron?’

‘Dat zal dan wel. Bewusteloos. Of onverklaarbaar coma.’

‘Is dat met jou ook gebeurd?’

‘Ik weet het niet zeker. Er kwam een moment dat ik een groot verlies voelde, alsof mijn connectie met de echte wereld ineens verdween. Mijn kleuren werden fletser.’

 

***

 

Het kleine station verdween in de mist en er leek een last van Heinrichs schouders te vallen. Hij ademde een paar keer diep en liep toen met kalme passen verder in de richting van Amsterdam. ‘Het was misschien maar goed ook. Ik was erg goed in mijn werk. Mijn verdwijnen heeft waarschijnlijk veel mensenlevens gered.’

‘Je hebt nooit verteld wat je deed in de oorlog,’ zei Sterre. Ze keek naar de emblemen op zijn uniform. ‘Was je fout?’

‘Achteraf wel. Op dat moment geloofde ik echt … nou ja, je begrijpt het wel. Destijds was ik er trots op dat we zo efficiënt waren.’

‘Wat deed je precies?’

‘Veetransporten per trein organiseren,’ zei Heinrich.

Sterre keek opzij. ‘Wat was daar zo fout aan dan?’

‘De vrouw die ik probeerde te redden…’

‘Je zei zoiets. Wie was ze?’

‘Dat weet ik niet. Ze was Jude en ze had een baby in haar armen.’

‘Dat waren geen veewagens, hè?’

Heinrich schudde zijn hoofd. Zijn kaken bewogen alsof hij met zijn tanden knarste en zijn ogen waren vochtig.

‘Christus.’

Heinrich sloeg een kruis. ‘Je begrijpt dat ik me schuldig voel?’

Sterre knikte. ‘Ja. Zeg me eerlijk: Waarom die inkeer. Er zullen meer moeders met baby’s hebben gestaan. Die heb je wel op transport gezet.’

‘Ik werkte vanuit een kantoor. Schema’s op papier. Ik vertrouwde het niet meer. Het was de eerste keer dat ik daadwerkelijk de trein kwam inspecteren.’ Hij haalde zijn handen door zijn grijze haren en staarde in de mist. ‘Ik was geschokt, verdoofd. Er kwam een trein langsrijden. Ik zag haar springen.’ Hij haalde zijn mouw langs zijn ogen. ‘Ik kwam te laat. Als ik niet geaarzeld had dan was ze misschien…’

‘Dus jij bent hier omdat zij sprong?’

‘Selbstmord, een enkele reis naar de hel. En daar zijn we nu.’

‘Maar jij hebt toch geen zelfmoord gepleegd? Kun jij hier niet weg dan?’

Weer ademde Heinrich diep in. ‘Er is een uitgang. Daar zijn eerder mensen door vertrokken.’

‘Je zegt het alsof je erbij was.’

‘Was ik ook. Ik heb ze daar gebracht.’ Er kwam een pijnlijke uitdruk­king op zijn gezicht.

‘Slechte herinneringen?’

‘De man met de holle ogen is daar. Of één van hen dan, hij is niet alleen. De uitgang wordt altijd bewaakt. En er kan er maar één tegelijk doorheen.’

Sterre zweeg terwijl ze verder liepen. Haar gedachten maalden over de implicaties van zijn woorden.

 

***

 

Amsterdam Centraal was een immense koepel van donkere ijzeren platen met bizarre uitsteeksels, over meerdere verdiepingen waar sporen op verschillende niveaus samenkwamen. Het stroompje naast het spoor was een vaart geworden en aan één kant van Centraal verdween een staalgrijze vlakte van kil water in de dichte mist, alsof de rivier genaamd IJ zich oneindig ver uitstrekte voorbij hun gezichtsveld.

Treinen reden hier af en aan en spuwden hun stinkende rook de lucht in zodat het leek alsof Sterre dikke soep inademde.

‘Gatverdamme.’ Ze hoestte. ‘Moeten we hier echt zijn?’

‘Wat je ruikt is wanhoop, pijn en verdriet,’ zei Heinrich. ‘De treinen verbranden dat en de rook slaat neer als depressie die de mensen weer inademen, een eindeloze cirkel.’

‘Afschuwelijk,’ zei Sterre. Hoe langer ze hier doorbracht, hoe heftiger ze naar huis verlangde.

Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.

‘Ze gebruiken hun prooi ook als lokaas,’ zei Heinrich. ‘Als ze hun hoofd niet met valse hoop vullen.’ Hij wees naar de koepel, naar een klein torentje op de top. ‘Daar bovenin. Daar moeten we heen. Ik ken een veilige weg.’

Hij leidde haar naar een tunnel die ooit was afge­sloten met een stalen hekwerk. De spijlen waren zo verbogen dat hij er met moeite doorheen kon. Sterre kon er met gemak doorheen.

‘Dit is een soort afvoer. Hij komt uit onder het dak en van daar komen we bij een smalle ladder omhoog.’ Heinrich slikte een paar keer.

‘Is er iets dat je me niet vertelt?’ zei Sterre.

‘Herinneringen. Ik moest denken aan mijn tijd met mijn engel. Hij vulde mijn hoofd met leugens en valse hoop. Hij zou me helpen te ontsnappen, als ik maar naar hem luisterde. Al die tijd zoog hij me langzaam leeg als een soort overmaatse teek. En hij gebruikte me om anderen te lokken. Het duurde lang voor ik het doorhad.’

‘Hoe ben je ontsnapt?’

‘Ik kreeg hulp van Mathilde. Ze hielp vaker mensen die hier niet thuishoorden. Al bijna honderd jaar.’

‘Wie hoort hier wel thuis dan?’

‘Zij die vinden dat ze hier horen,’ zei Heinrich somber. ‘Ze maakte me los toen mijn engel weg was en nam me mee naar deze tunnel. Hier hebben we een tijd gezeten. Ze legde me deze hel uit, voor ze me naar de uitgang bracht.’

‘Maar je bent hier.’

Heinrich knikte. ‘Ik was toen al fletser van kleur geworden. De verbinding met mijn lichaam was verbroken. Op een of andere manier wist ik dat er niets was om naar terug te gaan.’

‘Dus je hebt haar vrijgemaakt?’

‘De prijs was… pijnlijk, maar het was het waard. Het was het eerste waarover ik me in heel lange tijd goed voelde.’

‘Ik kan niet zeggen dat ik je pijn begrijp,’ zei Sterre. ‘Ik dacht dat gisteren mijn wereld verging nadat Mike verkondigde dat hij buiten de pot wilde pissen om daarna weer terug te komen om met mij een toe­komst op te bouwen. Nu ben ik hier en ik realiseer me dat levensverdriet echt iets anders is.’

Heinrich glimlachte. ‘Hij klinkt als een waardeloos iemand. Ik denk dat je beter af bent zonder hem.’

‘Ik heb te lang gedacht dat ik niet kon ademen zonder hem, dat hij levensvreugde in me blies. Je weet wel: de ware, de vader van mijn toe­komstige kinderen.’

‘Hij zuigt je leeg, langzaam, als een van de engelen hier,’ zei Heinrich. ‘Wat dat betreft hoef je niet terug.’

Sterre voelde haar ogen beginnen te branden. ‘Valse hoop, is dat waar ik me al die jaren aan heb vastge­klampt?’

‘Als er in mijn tijd meer mensen waren geweest die de moed hadden voor zichzelf te denken, dan was mis­schien alles anders gelopen .’

‘Die vergelijking van jouw leven en het mijne, loopt spaak. Mijn verdriet is geen vergelijk met wat er destijds is gebeurd.’ Sterre knikte voor zich uit. ‘Ik hoor wat je zegt en toch hoop ik dat hij daar staat en op me wacht.’

Heinrich aaide over haar wang. ‘Alleen is ook niet alles, dat weet ik, maar eenzaam kun je alleen zijn als er mensen om je heen zijn die je in de steek laten. Dan pas ben je echt alleen.’

 

***

 

De ladder naar boven leek vrij in de lucht te hangen. Sterre hield de sporten angstvallig stevig vast en dwong zich naar de voeten van Heinrich te kijken die langzaam voor haar uit klom naar het donkere gat in de bodem van het koepeltje dat bij elke stap die ze naar boven deed, leek te groeien.

Vlak onder het gat hield hij halt.

‘Als we naar binnen komen zul je in het midden van de koepel een fel wit licht zien. Daar moet je heen.’

‘En jij dan?’

‘Er kan er maar een tegelijk doorheen.’

‘Kunnen we niet tegelijk?’

‘We kunnen het proberen,’ zei Heinrich, maar zijn gelaatsuitdrukking zei anders. Hij trok zich omhoog het gat in. Even later zag Sterre zijn arm naar beneden strekken. Ze nam zijn hand vast en hij trok haar omhoog.

Het witte licht in het midden van het koepeltje was meteen zichtbaar. De binnenkant van het gebouw leek veel groter dan de buitenkant. Er hing een muffe lucht, dierlijk bijna. Af en toe klonk er zacht gerinkel van metaal op metaal.

‘Daar is het,’ fluisterde Sterre.

Hun ogen wenden aan het duister en nu zagen ze de kooien. Rij na rij hingen ze van het plafond, vier­kante dozen van stalen spijlen aan een dikke ketting die in de duisternis van het dak verdween.

In de schemer zag ze lichamen die in de kooien gepropt waren. Hier en daar stak een stuk been of een stuk arm uit. Sterre voelde haar maag rommelen toen ze zag dat die gestript waren van vlees en dat enkel rafelige huid, botten en pezen over waren.

Het geluid van krassende nagels op ijzer klonk scherp en hol door de ruimte. Sterre keek om zich heen, maar het donker liet zich niet terug­dringen door het licht.

‘Schnell!’ maande Heinrich haar. Hij trok haar over­eind en ze renden over de vlakke vloer naar het licht. Hun voetstappen klonken hard op de ijzerplaten van de vloer. Het geluid werd overstemd door het schrapen van nagels over metaal en een keer zelfs door een diep lachen dat boven hen klonk.

Op een paar meter van het licht voelde Sterre een verscheurende pijn in haar rechterdij. Ze keek en zag een klauw die zich om haar bovenbeen geklemd had, met lange, scherpe, zwarte nagels die dwars door de stof van haar jeans haar vlees in gingen. Ze gilde van pijn en paniek.

Langzaam trok de klauw haar de schaduw in, waar ze nu in de weer­kaatsing van het licht het emotieloze gezicht van de man met de holle ogen zag, zijn oogkassen in het halfdonker grote gaten die eindeloos diep leken. De horizontale streep van zijn mond opende zich en rij na rij naaldscherpe tanden stulpte naar buiten op kaken die uit zijn gezicht naar voren kwamen.

Een ijzeren stang kwam hard neer op de klauw die haar vasthad. Hij liet haar los. Heinrich stapte tussen haar en de man met de holle ogen. ‘Kennst mich noch, ja?’ Hij zei tegen Sterre: ‘Ga, ren, ik hou hem bezig!’

‘Nee, we moeten samen.’

Heinrich sloeg een klauw van zijn lijf weg. ‘Ik heb daar niets, jij wel! Zoek me op als je daar bent. Geef me mijn rust.’ Hij draaide zich om, sprong op haar af en duwde haar hard in de richting van het licht. Terwijl ze een wolk van witte watten inviel zag ze de beide handen van de man met de holle ogen Heinrichs schouders grijpen en hem hulpeloos optillen. Alles werd wit voor ze kon zien wat er met hem gebeurde.

 

***

 

Ze knipperde met haar ogen en zag verschrikte gezichten om haar heen, afgetekend tegen het hoge dak van een treinstation. Ze probeerde over­eind te komen.

‘Rustig maar,’ zei een kalme stem naast haar. Ze keek opzij en zag een jongeman in een groen met gele overall, een ambulancebroeder. Hij heeft kleur! Hij hield haar pols vast en keek tegelijk op zijn horloge. ‘Je bent aardig geschrokken en flauwgevallen. Hoe voel je je nu?’

‘Duizelig. Hoe lang ben ik weggeweest?’

‘Een kleine twintig minuten. We hebben eerst gepro­beerd die man te reanimeren, maar dat haalde niets uit.’

Sterre dacht aan de vuurkist van de locomotief waar hij in gesleurd werd. ‘Ik weet het, hij was echt dood. Waar is hij nu?’

‘We hebben zijn lichaam afgevoerd.’ De ambulance­broeder wees naar het spoor dat helemaal verlaten was. ‘Het meeste tenminste. Kende je hem? Omstan­ders zeiden dat hij al een tijdje rondliep.’

Sterre schudde haar hoofd. ‘Ik heb hooguit een paar woorden met hem gewisseld. Hij was erg verdrietig.’

‘Ik zal het noteren. Nu eerst de laatste trein uit Amster­dam binnen­halen en dan gaan we dicht voor vannacht. Grondige schoonmaak. Snap je nou dat mensen dat doen? Voor een trein springen bedoel ik?’

‘Soms neemt het leven meer dan je missen kunt.’

De ambulancebroeder knikte naar de overkant. ‘Ramp­gluurders. Zie ze kijken daar. Hopen ze op bloed?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Blijf hier, ik over­leg even.’ Hij stond op en liep naar de ambulance.

Sterre stak een sigaret op, staarde naar het bran­dende staafje en gooide het op de rails. Het landde vlak naast de heupflacon van de dronkenlap. Ze pakte haar mobiel. Vijf berichten. Van Mike. Snel opende ze haar berichten. ‘Ik hoorde van een ongeluk en moest aan je denken. Ik kom naar huis.’ Een warm gevoel stroomde door haar lichaam. Ze herkende het als hoop. Voor ze haar mobiel wegstopte keek ze naar de foto’s die ze in het wachthokje had gemaakt. Het gaf haar nare herinne­ringen dus ze besloot ze allemaal te wissen. Op het moment dat ze de laatste foto wilde verwijderen, viel haar telefoon uit. Klotending.

Ze keek naar de laatste passagiers die met de trein waren aangekomen. Haar adem stokte in haar keel. Was dat Mike?

‘Hee, Sterre, alles goed met je?’ schreeuwde hij vanaf het andere perron

Even later stond hij naast haar. Hij knielde bij Sterre neer en pakte haar hand. Met grote ogen keek hij naar de bloedvlekken op haar jeans. ‘Heb je geprobeerd… Was jij voor de trein gesprongen? Lieverd, ik…’

Het duurde even voor Sterre doorhad wat hij bedoelde. Dacht hij nu werkelijk dat ze voor hem een einde aan haar leven zou maken? De eikel.

Ze schudde haar hoofd, probeerde op te staan maar de hamer in haar hoofd en de krassen in haar boven­been deden haar duizelen. Achter Mike verscheen Linda met haar hakken in haar hand.

De jongen kwam terug van de ambulance. ‘Je moet voor de zekerheid een nachtje in het ziekenhuis blijven, voor observatie. Morgen willen ze je grondig onderzoeken. Er is een psycholoog aanwezig mocht je daar behoefte aan hebben.’

Ze wilde de hand van de jonge helper grijpen, maar Mike duwde hem aan de kant en hielp haar op te staan. Haar lichaam reageerde met een dosis hoop, dat niets was veranderd, dat alles bij het oude was. Voor­zichtig stond ze op. Ze leunde zwaarder op hem dan strikt nood­zakelijk en grijnsde naar zijn snol.

Gedachten aan de gebeurtenissen van deze avond spookten door haar hoofd. Ze dacht aan de dronkenlap, het meisje op het perron en vooral aan Heinrich. Ze miste hem, miste zijn rechtschapenheid, zijn opoffe­ring, zijn behulpzaamheid. Hij was een goed mens, voor zover ze dat in hun korte samenzijn kon beoor­delen.

Bij de ambulance scheen één van de broeders een lichtje in haar ogen. ‘Niets ernstigs zo te zien. We hebben met de dienstdoende arts op de EH overlegd. Ze wil je nog vanavond zien. Je man mag achterin plaats nemen.’

De broeder nam haar van Mike over en ze merkte hoe hij een stap achteruit deed. Zijn warmte ebde weg. Ze keek hem aan.

‘Ik zie je morgen,’ zei hij, ‘dan kom ik terug.’ Hij keek met een smerige grijns naar Linda, toen weer naar Sterre. ‘Meer tijd heb ik niet nodig.’

Ze kreeg een rood waas voor haar ogen. De woorden van Heinrich, dat Mike een nietsnut was, galmden in haar oren. Ze besefte ineens dat Mike als de engelen was. Valse hoop. Klootzak. Ze deed een stap terug en greep zijn overhemd vast. Met al haar kracht ramde ze haar knie tussen zijn benen. Mike sloeg dubbel en braakte zijn maaginhoud op het perron.

‘Loos je zaad maar in die snol. Voor een trein springen? Voor jou? Ben je niet goed snik? Ik heb de hel gezien en ben ontsnapt. Dat nooit meer. Je spullen liggen morgen op straat, bij mij kom je er niet meer in!’ Ze hinkte met de ambulancebroeder mee. ‘Auf nie wiedersehen!’

 

***

 

In de schaduwen, vlak bij de uitgang van het perron, stond een man met holle ogen. Hij keek naar de ambulance die net vertrok. Prooi die hij ooit gezien had, kon hij overal volgen. En hij had alle tijd.

En de kwallen glanzend als parels in het maanlicht : Tais Teng

Helga’s tante kweekte sierkwallen en Helga rolde zoals gewoonlijk elke ochtend als eerste uit haar hangmat en stommelde naar het grote aquarium op de voorplecht van hun woonboot. De zon wipte net boven Dijk Europa uit en verschoof in een paar hartenkloppen van bloedrood naar zengend wit.

De kwallen fonkelden in het lage zonlicht, even kleurig en complex als orchideeën en stuk voor stuk dodelijk giftig.

Helga kon iedere soort benoemen: de mercator­kwallen met hun gouden kompasroos, de blauwe virago’s en de regenboogkralen die nooit groter dan je duimnagel werden.

Helga goot de beker met panische garnalen leeg en drukte haar neus tegen het pantserglas. Het was altijd fascinerend om te zien hoe de tentakels hongerig rondslierden. De een na de andere garnaal verstarde en werd de maagholtes ingetrokken.

Zodra de kwallen op kleur waren, vatte tante ze in helder plastic of synthetische barnsteen. De dode­lijke kwallen eindigden als kralen­kettingen en hangers of als bijzonder gewaagde oorbellen. Alleen de toe­risten kochten ze: elke Buitendijker had wel een familielid of vriend stuiptrekkend uit de zee moeten vissen.

Na de kwallen liep Helga naar de achterplecht om de kweeknetten met kelp binnen te halen. De woonboten en piepschuimenvlotten van Buiten­dijks reikten tot voorbij de westelijke horizon: zes miljoen zeezigeuners die letterlijk van de wallenkant geduwd waren door de schatrijke een- procenters.

Helga snoof de geur van smeulende wiervuurtjes en de droogrekken met zwaardvis genietend op: het was diep vertrouwd, geruststellend. Het betekende dat nie­mand honger of kou hoefde te leiden. Dat ze zich prima konden redden zonder die weke Wallen­kanters. ‘Helga?’ riep tante Rimca uit de kajuit. ‘Jij en Ciska nemen de kraam vandaag over. Ik heb een stel verse kwallen te lakken.’

‘Geen probleem!’ riep Helga terug. En het was beter dan geen pro­bleem. Ze was dol op de kleurige drukte van de Goodelieve markt, het jodelen van de nachtmeeuwen op de Admiraal Schuyvertoren, de stank van roosterende zeekomkommers.

 

Toen ze op de markt arriveerde, had Ciska de kraam al opgezet, en de kwallenkettingen uitgestald. Als lokker stond er een miniatuur-aquarium met levende kwallen en een bordje met ‘Niet aanraken! Levensgevaar!’ in zes talen. Het doodskopje met gekruiste beenderen was voor de analfabeten.

 

Ze verkochten een dozijn kettingen en een retort met een levend kwalletje aan twee giechelende Wallen­­kanters­meisjes.

‘Wees er voorzichtig mee,’ zei Ciska. ‘Het is een echte zeewesp. Eén steek en je rolt schuimbekkende over de grond.’

‘Ges!’ zei het kleinste meisje en ze giechelden nog harder.

Ciska mikte de kettingen in een kluisje, trok het titanium gordijn van de kraam dicht.

‘Tijd voor een pauze. Ik weet iets geinigs.’

Ze viste een zijden sarong uit haar tas, twee pumps van geëtst staal­glas.

‘Hoe kom je daar aan?’ riep Helga. Ze voelde een steek van heerlijke angst. ‘Dat zijn Wallekanters­spullen,’ vervolgde ze fluisterend.

‘Eerlijk gestolen. Ik liep de hamam in en trok hun spullen in de kleed­kamer aan. De mijne liet ik achter.’ Ze trok een tweede sarong uit haar tas. ‘Ik heb er ook eentje voor jou.’ Haar glimlach werd een brede grijns. ‘Voor het komende uur zijn we twee Wallenkanters­trutjes.’ Ze trok aan Helga’s arm. ‘We gaan gewoon bij Tantoretti zitten.’ Ze knikte naar de uitkijktoren met het roterende terras.

‘Maar dat kan ik onmogelijk betalen! Een cocktail kost daar meer dan ik in een maand verdien.’

‘Niet als iemand anders het betaalt. Laat dat maar aan mij over.’

 

De portier liet hen zonder probleem door. Dames waren altijd welkom, behalve als ze al te onvast op de benen stonden.

Deze week was het thema Ruimte, zag Helga. Drones in de vorm van SpaceX-landers brachten de drankjes rond en de spiesen met gamba’s. Boven hun hoofd dreven de ruimtesteden langs: Putingrad en Nue Berlin, Goederede met zijn immense zonnezeilen.

Ciska liep regelrecht op een tafeltje met twee jongens af. Ze waren duidelijk ouder dan Helga en Ciska: eerder drieëntwintig dan zestien.

‘Hei garçons,’ zei Ciska ‘We zijn twee arme Buiten­dijkersmeisjes en behoorlijk dorstig.’

De grootste jongeman, die met de neusring en de bio hazard tatoeage op zijn kaalgeschoren kruin, wierp een blik op Ciska’s pumps en grijnsde. ‘Vast wel. En wat willen jullie drinken?’

Het terras lag zo hoog dat Helga Dijk Europa boven de daken en masten zag uitsteken. Boven de Wallenkant kleurde de hemel lichtrood: dat was het hemelweb dat het zengende ultraviolet tegenhield boven de Randstad maar uiteraard niet boven Buitendijks.

 

Helga nipte aan haar tweede cocktail. Het smaakte voornamelijk naar anijs maar er zwom wel een miniatuur duikboot in rond.

‘Vertel mij over jezelf?’ vroeg de andere jongen.

‘Ik?’ Toen ze opkeek, was Ciska verdwenen, samen met de andere jongen. Handig. ‘Eh, jij eerst.’

‘Mijn vader is dijkgraaf,’ begon de jongen. ‘Een van de negen. Dijk Europa is zestig meter hoog, met diamanten stootplaten en een kern van geschuimd titanium maar een vloedgolf… Nu, die komen verdraaid hard aan. Mijn vader heeft twintig duizend cyber­spinnen onder zich die elk gat meteen dicht­weven en meer drones dan er zeemeeuwen boven de visafslag vliegen. Mijn moeder, ze is een Telefunken von Eind­hoven. Oude elektronica adel. En jouw ouders?’

‘O, die zijn dood. De laatste tsunami smeet onze woonboot om. Als ik niet op de jongste van mijn tante aan het oppassen was geweest…’

De jongen gaapte haar aan en grijnsde toen. ‘Och ja, dat was de afspraak: jij bent van hier.’ Hij hief zijn hoofd luisterend op. ‘Mijn compagnon, hij zegt: waarom spelen we geen Kus de Bruid?’

Helga wist dat de meeste Wallenkanters een com­puter in hun hoofd hadden. Een AI niet groter dan een sneeuwvlok die samen met hen opgroeide en gewoon­lijk heel wat slimmer was dan zijn mens.

‘Kus de bruid?’

‘Tja, een meisje van hier kent dat natuurlijk niet. Het is een dating site. Log in en toon twee foto’s. Het programma vertelt dan of we bij elkaar passen.’ Hij tikte zijn oorlel aan. ‘Mijn compagnon zegt dat het program­ma onfeilbaar is. Een Turing zestien AI bestuurt het.’

Ineens hingen er twee foto’s boven het tafeltje, plus een knipperende balk. ‘De balk loopt van een tot tien,’ zei de jongen. ‘Bij alles onder de vijf kun je maar beter meteen gif in zijn of haar beker gieten. Acht is al ‘lang en gelukkig’ maar tien, dat is het Tristam en Isolde niveau. Totaal voor elkaar bedoeld. Trouw zo eeuwig dat de dood zulke gelieven niet eens kan scheiden.’

‘Zijn jullie er klaar voor?’ sprak een diepe stem. Diep en galmend en absoluut wijs. Het soort stem waarmee tante Rimca’s god Krishna waar­schijnlijk zou spreken.

‘Ja,’ zei Helga en ineens voelde haar tong vreemd droog. Dit is menens.

De foto’s schoven in elkaar, vervloeiden.

De vonk begon bij de een en ze hoorde gekijf, het geluid van brekend glaswerk.

‘Later we eens verder inzoomen,’ sprak de goddelijke stem. ‘Dieper integreren.’

De vonk schoot voorbij de vijf en het glasgerinkel maakte plaats voor een opgetogen lach, vogelgezang en het murmelen van beekjes.

De foto’s sidderden en de vonk schoot naar het einde van de balk, gloeide goudgeel op.

‘Dit is bizar,’ sprak de stem en er klonk een diepe verbazing in door. ‘Honderd procent compatibel. Dat heb ik nog nooit meegemaakt: mensen die zo perfect bij elkaar passen.’ Trompetten schalden. ‘Gefeliciteerd! Jullie zijn het soort gelieven dat de kwallen als parels ziet glanzen in het maanlicht. Die jubelen met de futen.’

De jongen schoot overeind, veegde de knipperende balk weg.

‘Dit is een vuile leugen! Je hebt Kus de Bruid gehackt! Mijn compagnon vertelt me dat je echt van hier bent, een kwallendregster en dat je je schoenen en kleren gestolen hebt!’ Hij schudde zijn vuist, een vreemd onmachtig gebaar. ‘Je wilde mij verleiden! Omdat mijn vader de dijkgraaf is!’

Helga keek hem na en alles was perfect: de vorm van zijn oren, de manier waarop hij voorbij de tafeltjes stampte, zelfs zijn gebalde vuisten. Het beeld etste zich in haar brein, onvergetelijk, eindeloos kostbaar. Maar ze bleef staan, rende hem niet achterna. Helga was een Buiten­dijkse en een kwallendregster trouwen met de zoon van een dijkgraaf? Dat was het soort sprookje waarin zelfs kleuters niet konden geloven.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

Het Ottomaans gambiet : Mike Jansen

Het machtigste wapen van de handelaar is zijn telraam.
Voor wilden die dat niet snappen is er de musket
– oud VOC gezegde

 

Terugkeren naar Veneta, het stond Jacob Hooijmans elke keer  tegen. Toch ging hij elk half jaar stipt op tijd aan boord van de stoomlijner WitteDeWith die hem snel naar die stad vervoerde.

Johanna vond het vreselijk dat hij voor zijn werk naar het buitenland moest. Het betekende dat zijn gezin zonder hem naar de kerk moest. Niet zoals de Heer het bedoeld heeft, zoals zij hem dan voorhield. Maar hij was nu eenmaal aangesteld als controleur voor het Bureau der Externe Voorzieningen. Zijn grote cliënten moest hij verplicht twee maal per jaar bezoeken en controleren. Zoals de Doge van Veneta.

Eigenlijk was hij blij dat hij niet de drukte van thuis om zich heen had. En, zoals hij zijn vrouw voorhield, hij had net zo goed in de verre Oost gestationeerd kunnen zijn. Het leverde hem weinig begrip op.

Het gaf hem wel de mogelijkheid zich te vergapen aan de rijke roomse cultuur van Veneta, van het Zeepaleis van de drie pausen tot de ruim honderd basilieken die de stad rijk was. Jacobs eerste liefde ooit was de Westerbasiliek in Amsterdam die hij bijna dagelijks met zijn ouders bezocht. Ooit wilde hij bisschop worden, kardinaal zelfs, maar hij bleek zijn vaders boekhoudtalent te hebben.

Naarmate zijn bestemming naderde, verdween zijn weerstand. Hij verheugde zich op zijn komende verblijf.

 

***

 

Het schip bereikte de buitenste dijken rond de stad aan het begin van de avond. De ondergaande zon verlichtte de hoge wolkenpartij boven de noordelijke hemel en deed Jacob denken aan vurige ogen in een duister gezicht. Hij kon zich bijna besneeuwde Alpentoppen als puntige tanden voorstellen.

Rondom gingen de lichtjes van gebouwen en forten aan. Zelfs de hoge forten van Novigrad en Umag aan de horizon, die de Croatische kusten beschermden tegen Ottomaanse invallen van zee, waren zichtbaar in de heldere lucht en verlicht met rijen lampjes over de hele lengte van hun honderden voeten hoge Tesla-torens.

Jacobs hutkoffer en zijn aktetas stonden naast zijn tafel voor een van de ramen op het uitzichtdek. Hij haalde zijn uurwerk tevoorschijn uit het zakje op zijn linkerborst. De WitteDeWith voer exact op tijd en dat beviel hem.

‘Veneta komt tot leven wanneer het donker wordt,’ klonk het in uitstekend Hollands achter hem.

Jacob draaide zich om. Het heerschap voor hem droeg een klassiek overhemd met witte ruches, een lange overjas van donkerblauw fluweel met een fleur-de-lis patroon in gouddraad. Een koperen knijpbril met donkerrode glazen op zijn rechte neus leidde de aandacht van zijn ongekamde haar en warrige, bruine baard af.

‘Met wie heb ik het genoegen?’ vroeg hij beleefd. Hij vermoedde een aristocraat tegenover zich, het soort individu dat hij in zijn werk regelmatig tegenkwam. Meestal vond hij de erfgenamen van geroofde fortuinen onsmakelijke parvenu’s. Deze keer reserveerde hij zijn mening. Hij voelde een ongemakkelijke kilte in zijn maag terwijl hij de spreker van top tot teen opnam. De schaduwen rond dit heerschap verhinderden hem een correcte impressie te vormen.

‘Graaf Georg de Hunedoara,’ antwoordde de man en zijn korte buiging was perfect afgestemd op het vermeende niveauverschil tussen hen.

‘Aangenaam, heer,’ zei Jacob. ‘Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC.’

‘Een belangrijke positie,’ zei graaf Georg met een korte glimlach die spierwitte tanden toonde. ‘De VOC financiert immers de Doge en daarmee indirect het voortbestaan van Veneta.’

‘U doet het voorkomen alsof Veneta zelf niet in staat is in haar eigen behoeften en noden te voorzien,’ zei Jacob. Hij kon een lichte afkeuring niet uit zijn stem houden.

De graaf snoof. ‘Mijn voorouders verdedigden het westen tegen de Mongoolse horden en later tegen de Ottomanen. Het bloed van Atilla stroomt door onze aderen.’

‘Toch heeft dat de Ottomanen niet tegengehouden grote delen van het oosten van Europa te veroveren. Tot en met uw voorouderlijke landen toe. En Veneta steunt nog steeds uw forten en legers.’

‘Eens zullen onze landen herenigd worden, maar dan niet op Venetische voorwaarden,’ zei graaf Georg. ‘Ik voorspel dat wij vrienden worden. Onthoud mijn woorden.’

De hemel lichtte op en Jacob keek even om naar het spektakel van de lampen die in het Zeepaleis van de drie Pausen werden ontstoken. Toen hij terugkeek was de graaf verdwenen.

Hij schudde zijn hoofd en ging zitten om de verlichting ter ere van het feest van de Heilige Antonius Aggrippa van Genoa te bewonderen. Het Zeepaleis was in drieën verdeeld, waarbij de verlichting van de zuinige Nicolaas van Straalen, de Hollandse Paus in Veneta, in het niet viel bij de feestelijke verlichting van de Italische – en de Byzantijnse paus, hoewel die al bijna twee eeuwen van Ottomaanse afkomst was. Zijn magere vertoon kon echter wel de goedkeuring van Jacob Hooijmans wegdragen. Hij hield niet van verspilling en buitensporige weelde. In het licht van het Zeepaleis gloeiden de vele dozijnen Hollandse windmolens, die langs de hele lengte van de buitendijk stonden, spookachtig op.

De WitteDeWith voer de buitensluis van het dijkencomplex van Veneta in, een immens bouwwerk van de waterbouwkundige Lely die het destijds als zijn Magnum Opus beschouwde. De bronzen draaideuren schoven langzaam opzij zodat de stoomlijner samen met andere, kleinere schepen plaats kon nemen in de sluis.

Jacobs aandacht werd getrokken door een spierwit jacht voorzien van drie stoompijpen. Het voerde de Ottomaanse vlag, maar ook de pauselijke vlag met het Byzantijnse kruis erop. Aan dek zaten op regelmatige afstanden van elkaar kaalgeschoren moezelmannen met grote zwarte snorren in witte pofbroeken en met zilver ingelegde borstkurassen. Ze waren bewapend met hun kenmerkende kromzwaarden en droegen bandeliers met aan weerszijden een Ottomaanse achtklapper.

‘Janitsaren aan boord,’ mompelde Jacob. ‘Dan is de Ottomaanse paus er ook of ze gaan hem ophalen.’

Voor hij zich verder over hun aanwezigheid kon verwonderen, werd de WitteDeWith in een fel wit licht gebaad, gevolgd door een donderen als van duizend kanonnen en een schokgolf die het schip op het water liet dansen. Met de vlekken nog in zijn ogen zag hij wat er over was van het Zeepaleis in elkaar zakken met achterlating van een immense stofwolk.

Jacob sloeg zonder nadenken een kruis. ‘God in de hemel,’ fluisterde hij.

 

***

 

De kade leek een mierenhoop waarop kokend water was gegoten. Passagiers die ontscheepten botsten tegen mensen die probeerden weg te komen van de paniek die verderop in de stad was ontstaan. Verdwaasd liep Jacob de trap naar het vasteland af, gevolgd door de matroos met zijn hutkoffer.

Voor het eerst in alle jaren dat hij Veneta bezocht had, voelde hij zich ontheemd. Zijn hoofd werkte op volle toeren en hij probeerde de implicaties van wat hij gezien had en het angstige onderbuikgevoel dat die gebeurtenis bij hem opwekte, met elkaar te vereenzelvigen. Het lukte maar matig.

Hij haalde diep adem en keek om zich heen, op zoek naar een rustpunt. Naast een dure galvanische koets die stationair draaide, de Teslaspoel half ingetrokken, vlak bij een verderop gelegen douanepost, ging hij op zijn koffer zitten, hield zijn hoofd tussen zijn knieën en nam regelmatige, diepe teugen lucht.

‘Gaat het wel?’ vroeg een heldere stem achter hem.

Jacob kwam overeind en keek om. De deur van de koets was open en in de schaduwen van de cabine zag hij een vrouwelijk silhouet. Het deel van haar jurk dat zichtbaar was, had een indringende, diepgroene kleur. ‘Vergeef me, vrouwe, dat ik hier even tot mezelf kom. De explosie…’

‘Ach ja, de explosie…’ Ze kwam iets naar voren en Jacobs adem stokte toen haar gezicht in het licht kwam. Haar gezicht was perfect symmetrisch, haar huid was porseleinwit, haar ogen waren smaragdgroen, haar haar was zwart als de nacht en leek met de schaduwen samen te smelten. ‘Aanslagen gebeuren hier vaker, zo dicht bij het centrum van het Ottomaanse rijk. Dit zag er eerder uit als een oorlogsverklaring.’

‘Ah, u bent van hier?’ zei Jacob. Hij rook een kruidig parfum dat het beeld dat hij van haar had vervolmaakte en zijn lichaam reageerde onverwacht heftig. Je bent getrouwd, Hooijmans!

Ze knikte, een afgemeten, perfect gecontroleerde beweging. ‘Contessa Ilona Szilágyi van Zagreb. Ik wacht op mijn… neef, Georg, die met de WitteDeWith zou aankomen. U lijkt mij Hollands?’

Jacob schraapte zijn keel. Hij voelde zijn wangen branden, besefte dat het niet zichtbaar zou zijn in het donker. Kalm, Hooijmans, je lijkt wel een puber. Hij boog kort. ‘Inderdaad, contessa, Jacob Hooijmans is de naam, controleur namens de VOC.’ Hij ging iets rechter staan. ‘Derde echelon. Hoog genoeg om belangrijk te zijn, te laag om daadwerkelijk iets te betekenen,’ zei hij met een glimlach.

De mensenmenigte op de kade werd onrustig, paniekerig bijna en Jacob zag hoe mensen een veilig heenkomen probeerden te zoeken. De oorzaak werd al snel duidelijk. Met het plat van hun kromzwaarden sloegen de Janitsaren iedereen opzij die hen voor de voeten liep. In hun midden wandelde een lange, magere man met diepliggende, donkere ogen en een zwart met grijze druipsnor, gehuld in een witzijden mantel met goudbrokaat en een spierwitte tulband met daarop het Byzantijnse kruis.

Ahmed Ibrahim Iskenderen. Ik had gelijk, de Ottomaanse paus was onderweg, dacht Jacob.

De Janitsaren baanden zich een weg naar dezelfde douanepost waar hij en Ilona Szilágyi stonden. Zodra ze op gelijke hoogte kwamen, draaide de paus zich naar hen. Jacob neeg zijn hoofd lichtjes. Hoewel hij devoot katholiek was, waren de normen en waarden van die rebelse Calvijn toch danig bij hem ingesleten. En hij had de Hollandse paus Nicolaas van Straalen altijd geëerd. Iskenderen deed hem niet zoveel.

Naast hem boog de contessa diep en Jacob keek bewonderend naar haar slanke, spierwitte nek die onder haar zwarte haar tevoorschijn kwam. Om in te bijten. Hij knipperde met zijn ogen.

De paus wandelde langs de douanepost, de straten van Veneta in. Hij keurde hen verder geen blik waardig.

‘Ik merkte uw buiging op, contessa Szilágyi,’ zei Jacob. ‘Ik dacht dat uw familie een diepe vete met de Ottomanen had?’

De contessa glimlachte wrang. ‘Ooit volgden wij de orthodoxie van de oostelijke paus gezeteld in Byzantium. Tot dat veroverd werd door de Ottomanen. Nu volgen we de westelijke paus.’

‘Wie, Jean Baptiste Napoleon in het Vaticaan?’ zei Jacob vol ongeloof.

‘Natuurlijk niet. Iedereen weet dat de nepotistische Napoleonten geen enkel middel hebben geschuwd om de pauselijke troon te bezetten.’ Contessa Szilágyi snoof bijna verontwaardigd. ‘Wij volgen de échte pausen, Aristide Renard, Nicolaas van Straalen en Ahmed Ibrahim Iskanderen, allen gekozen door de Synode. Een evenwichtig triumviraat dat zich inzet voor zendingswerk in de Hispamericaanse Gewesten en de verre Oost.’

‘Dat heb ik vernomen,’ zei Jacob. ‘Dat evenwicht is dan nu danig verstoord.’

Contessa Szilágyi zweeg terwijl ze zijn woorden liet bezinken. ‘U hebt gelijk. Dit is belangwekkend.’ Ze draaide haar stoel, waarbij een houten paneel met bronzen meters en knoppen zichtbaar werd. ‘Kan ik u een ritje aanbieden?’ Ze knikte naar zijn hutkoffer. ‘Ik vermoed dat dragers op dit moment schaars zijn.’

Jacob nam haar aanbod dankbaar aan.

 

***

 

Met haar geur nog in zijn neus, stapte Jacob het bordes van het VOC Handelshuis op, een schitterend barok gebouw gelegen naast het streng aandoende, strakgelijnde en sombergrijze Venetische beursgebouw, waar alle dagen behalve de dag des Heeren de rijkdommen van de Oriënt verhandeld werden.

Hij keek haar galvanische koets na terwijl ze de toeristen en handelaren probeerde te ontwijken die op terrasjes en op de rand van een van de vijftien fonteinen van het Sint Marcusplein hun groene wijn dronken en tzipas -veel kleine gerechtjes uit verschillende streken- nuttigden.

‘Ahem, kan ik u van dienst zijn?’

Jacob Hooijmans draaide zich om en zag in de deuropening van het Handelshuis een gedistingeerd heerschap met halflang, grijs haar. ‘Oh, goedenavond, ik ben Jacob Hooijmans. Ik heb brieven van het hoofdkwartier voor de gouverneur.’

‘Aangenaam, mijn naam is Alex de Oude, beheerder,’ zei de andere man. ‘De gouverneur wordt problematisch. Hij ging vanavond met zijn gevolg naar het Zeepaleis voor de aanvang van het Heilig Antoniusfeest.’

‘Allemaal? Zijn vervanger? Assistenten? Is er nog iemand van niveau gamma twee of hoger?’

De beheerder dacht na. ‘Onze militaire contactpersoon, kapitein Everse. Die is gamma een of twee.’

‘Breng me naar hem toe.’

‘U kunt uw hutkoffer in de vestibule plaatsen.’ De beheerder wachtte niet af of Jacob zijn bagage daar inderdaad deponeerde.

Ze liepen door de verschillende lagen van het pand, langs smalle, steile trappetjes en minuscule kantoortjes waarvan een enkele nog verlicht was en waar werknemers nog driftig op Mill-typografen typten. De hogere verdiepingen waren ruimer van opzet en al snel hield de beheerder halt bij een gang die eindigde in een kunstig bewerkte eikenhouten deur.

‘Dit is zijn kantoor. Ik neem aan dat u het vanaf hier verder zelf kunt. Ik heb nog veel te regelen en uit te zoeken. Het is nog steeds niet bekend wat er in het Zeepaleis heeft plaatsgevonden.’

‘Ik wens u geluk en wijsheid toe,’ zei Jacob. Terwijl de beheerder zich wegspoedde, liep Jacob langzaam naar de deur.

Halverwege de gang hoorde hij voetstappen achter zich. Hij draaide zich snel om. Uit zijn ooghoek zag hij in een flits een donkerblauwe jas met gouden fleur-de-lis borduursel en wild, ongekamd haar de hoek omgaan. Hij liep terug, maar er was niemand. Ik zou toch zweren…

Hij liep naar de deur en klopte. Na drie tellen klopte hij weer. Hij luisterde even en dacht een stem te horen. Voorzichtig opende hij de deur.

Een bureau was in de verste hoek opgesteld. Erachter zat een man in kapiteinsuniform, Everse naar hij vermoedde. ‘Goedenavond?’ zei Jacob.

Terwijl hij wachtte op antwoord viel de man achter het bureau voorover en kwam hard met zijn hoofd op het houten blad terecht.

Snel liep Jacob naar voren, om het bureau heen. Hij pakte de schouder van kapitein Everse vast waardoor zijn hoofd opzij draaide. Dode ogen in een spierwit gezicht staarden hem aan. Jacob trok zijn hand snel terug.

Op het bureau stond een notenhouten kistje met een koperen spreekbuis en een dozijn bronzen knoppen, elk met een andere aanduiding, zoals Secr. en Bhrdr. Jacob drukte de laatste in en zei: ‘Er is een moord gepleegd. Kantoor Everse. Help!’

Enkele tellen later klonk er een krakerige stem uit de kast: ‘Er is hulp onderweg, blijf waar je bent!’

Nerveus wandelde Jacob heen en weer door de kamer. Op enkele tiphs in gelakte houten lijsten stond kapitein Everse afgebeeld, toen nog in leven, veelal met notabelen. Hij herkende onder andere de Ottomaanse paus Iskenderen, Doge Di Pietrello van Veneta en de Kretenzische vorst Nikolakonios.

Een glinstering bij de stoel van Everse trok zijn aandacht. Hij raapte een gouden ring op met het persoonlijke wapen van de Doge. Vreemd, dit lijkt zijn eigen zegelring. Hoe is die hier gekomen? Zonder nadenken stak hij de ring in zijn zak, vlak voor de deur werd opengegooid.

In de deuropening stonden twee soldaten, elk gewapend met een repeteermusket. Achter hen stond Alex de Oude, de beheerder. Jacob hief voorzichtig zijn handen. De soldaten liepen naar voren en duwden hem in een hoek terwijl de beheerder het lichaam van kapitein Everse onderzocht.

‘Laat hem gaan,’ zei de beheerder tenslotte, ‘meneer Hooijmans is niet de dader.’ De soldaten deden een paar stappen terug en zekerden de veiligheidspal van hun wapen.

‘Hoe kunt u daar zeker van zijn?’ vroeg Jacob.

Alex de Oude glimlachte. ‘VOC beheerders zijn van veel markten thuis, van budgetteren tot mechanica en anatomie. Als een kapitein op een schip.’

‘Daar heb ik van gehoord,’ zei Jacob, ‘in het dagelijks leven merk je er alleen weinig van.’

‘Omdat onze zeggenschap tot de deur gaat en niet verder,’ zei Alex de Oude. Hij wees naar het lichaam. ‘Kapitein Everse is koud, hij lijkt leeggebloed. Daarom is hij lijkbleek. Echter, er ligt nergens bloed op de grond. U bent net aangekomen en u heeft niet de tijd gehad dit voor elkaar te krijgen.’

‘De graaf,’ zei Jacob. ‘Tenminste, ik dacht iemand op de gang te zien die leek op een zekere graaf Georg de Hunedoara die ik eerder op de WitteDeWith ontmoet heb.’

Beheerder Alex de Oude keek Jacob onderzoekend aan. ‘Dat zal zeker ‘lijken’ zijn geweest. Graaf Georg is al sinds mensenheugenis niet buiten Kasteel Bran geweest. En het lichaam is al koud.’

‘Dan iemand die op hem lijkt,’ zei Johan.

‘Niets verbaast me vanavond nog. Ik heb via de Marconi van de VOC-admiraliteit instructie gekregen dat u de hoogste in rang bent in Veneta. Er is een vervanger voor u onderweg, die zal binnen een week hier zijn, maar tot die tijd heeft u de leiding, met goedkeuring van de admiraliteit.’

Jacob Hooijmans haalde diep adem. ‘Dat is… onverwacht. Ik zal me zo goed mogelijk van deze belangrijke taak kwijten.’

‘Ongetwijfeld, heer. Ik begreep verder dat u kamers in het Grotius Hotel geboekt hebt. Uw koffers zijn daar al gearriveerd.’

‘Bedankt, Alex, dat stel ik op prijs.’

‘Rust uit, heer Hooijmans. Dat zult u nodig hebben voor uw schema de komende dagen. We beginnen om half zeven morgenochtend, stipt. Uw afspraak met de Doge is om half elf.’

‘Ik zal er zijn,’ zei Jacob. Half verdwaasd verliet hij het Handelshuis en wandelde door de electrofoor-verlichte straten naar zijn hotel dat ongeveer een mijl van het Sint Marcusplein lag.

Die nacht was zijn slaap onrustig en zijn dromen waren zwoel, vervuld van zwarte haren die om hem heen kronkelden, strelende, bleke ledematen en diepgroene ogen die hem aanstaarden vanuit de duisternis. Ze deden hem denken aan een zekere contessa en Jacob liet zich diep in zijn plezierige droom wegzakken.

 

***

 

Om half elf bevond Jacob Hooijmans zich in de ontvangsthal van het paleis van de Doge van Veneta. Als bij zijn eerdere bezoeken in voorgaande jaren, probeerde hij te ontdekken welke verbeteringen de Doge had laten aanbrengen in de barok uitgevoerde hal. Op het eerste gezicht vermoedde hij dat veel van de protserige krullen nu van een laagje goud waren voorzien, maar toen hij rondliep vond hij een nis met daarin een rijkversierde fontein uitgevoerd in marmer, ivoor en zilver die zacht klaterende straaltjes water produceerde. Hij herkende het als Ottomaans handwerk van de Byzantijnse zilversmeden.

Een man in een zwart lakens kostuum met een dubbele rij onderscheidingen op zijn linkerborst kwam naast hem staan. ‘Mijn nieuwste aanwinst. Past goed bij de nieuwe vleugel aan de oostkant. Groot genoeg om de complete Synode te huisvesten. Ik heb er zelfs een complete kapel in laten aanleggen.’

Jacob draaide zich naar de andere man. ‘Doge Di Pietrello, een waar genoegen.’ Hij boog diep. ‘Die kapel zou ik wel eens willen zien.’

De Doge gebaarde dat hij overeind moest komen. ‘We kennen elkaar al te lang, Jacob.’

‘Ik ben enigszins verbaasd dat deze afspraak doorging, heer, gezien de gebeurtenissen van gisteravond.’

De Doge haalde diep adem. ‘Een zeer kwalijke zaak, dat. Twee pausen gedood in de explosie, evenals een groot aantal notabelen. Het Sint Antoniusfeest is gewild.’

Jacob knikte. ‘Het lijkt er zelfs op dat ik de komende week de hoogste VOC functionaris ben.’

De Doge glimlachte weemoedig. ‘Dat spijt me, Jacob. De politiek in Veneta is moordend, dus weet waaraan je begint. Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate…

‘Ik ben slechts een eenvoudige controleur, heer, zonder politiek ambitie.’ Hij verbergt iets, fluisterde een stemmetje in Jacobs hoofd. Hij keek om zich heen. Een vleugje bekend parfum dreef zijn neus in.

‘Inderdaad, dit is je zesde jaar geloof ik,’ zei de Doge. ‘Daarmee ben je de langstdienende controleur van de VOC die ik gekend heb.’

‘Nu we het daarover hebben, ik zou graag de boeken controleren.’

De Doge glimlachte. ‘Ze liggen klaar in het kantoor waar je altijd zit.’ Met een handgebaar ging hij Jacob voor en samen liepen ze de hal door naar een van de vele gangen die erop uitkwamen. Langs schilderijen van de illustere voorvaderen van de Doge zelf en zijn familie en balkons met uitzicht op de Adriatische zee, kwamen ze uiteindelijk in de privévertrekken. In een klein kantoor met enkel een groot, notenhouten bureau en een uitzicht op de tuinen van het paleis, bevond zich een drietal dikke ordners. Een antiek telraam lag naast een moderne computantrekenaar met veel knoppen en toetsen.

‘Al eens gebruikt?’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob glimlachte en schudde zachtjes zijn hoofd.

‘Dacht ik wel, maar ik hoopte je wat tijd te besparen.’

‘Dat stel ik op prijs,’ zei Jacob. Vertrouw zijn machines niet!

‘Mooi,’ zei de Doge. ‘Ik heb zelf een stapel verzoeken en brieven door te werken. Als er iets is, zit ik in het kantoor tegenover de bar.’

Jacob bladerde door de bovenste ordner, alerter dan anders.

 

Enkele uren later verliet Jacob het kantoortje. Op een lage tafel voor de bar waren tzipas uitgestald. Er was van gegeten. Doge Di Pietrello zat in een luie stoel. Hij wenkte Jacob dichterbij en wees naar een tweede stoel. Jacob maakte er dankbaar gebruik van en zijn rug kraakte hoorbaar toen hij de zachte kussens raakte.

‘Intensief gewerkt?’ zei de Doge.

‘Nogal. Als ik in de cijfers zit vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet soms te bewegen.’

De Doge grijnsde. ‘Zolang je nog ademt zal het wel meevallen.’

‘Gewoon spierpijn. En wat onrustig geslapen.’ Jacob vouwde zijn vingers in elkaar. ‘Ik heb nog wel wat vragen.’

‘Oh?’ zei de Doge. Hij keek Jacob vragend aan. ‘Dat is voor het eerst in al die tijd.’

‘Eens moet de eerste keer zijn. De uitgaven zoals beschreven moeten aan bepaalde regels voldoen. Geld moet gealloceerd worden in bepaalde verhoudingen en hoeveelheden. Die verhoudingen zijn de afgelopen jaren scheefgegroeid, de laatste twee jaren zelfs versneld.’

‘Je praat boekhoudistaans tegen me,’ zei Doge Di Pietrello met een glimlach.

‘Eenvoudig gezegd: geld dat is bestemd voor het in stand houden van de Karpatische bufferzone, is op verkeerde plaatsen ingezet.’

‘Ik dacht dat we aan alle boekhoudregels van de VOC voldeden,’ zei de Doge.

‘Dat doet Veneta ook, hoewel het aantal posten ‘onvoorzien’ en ‘externe kosten’ vrij hoog was. Of zelfs vreemd, zoals die honderdduizend eiken balken. De opdracht echter is het in stand houden van die bufferzone. Besef goed dat de admiraliteit zaken doet met Veneta omdat jullie een handelsnatie zijn, zoals Holland. Wij begrijpen elkaar. De inwoners van de Karpatische landen niet. Jullie zijn hun buren. In ruil voor die relatie kunnen jullie tien procent van de fondsen naar wens inzetten. Het afgelopen jaar is dat bijna de helft geworden.’

‘De boekhouding geeft toch alles goed aan?’ De Doge haalde zijn schouders op. ‘Mijn adviseurs meenden dat het wel toegestaan zou zijn.’

‘Uw adviseurs hadden het mis. Daardoor is een belangrijke bron van fondsen voor de bufferzone weggevallen.’

Doge Di Pietrello stond op en ijsbeerde voor de bar heen en weer. ‘Het is weggegooid geld. Dat niet alleen, ik weet dat sommige elementen van de Hunedoara familie een machtspositie in Veneta hebben opgebouwd.’ Hij gebaarde met beide handen. ‘Totaal onbelangrijk voor hun eigenlijke taak, het buitenhouden van de Ottomanen.’

Excuses en uitvluchten. Vraag naar de ring. Jacob voelde even onwillekeurig aan zijn rechterbroekzak waarin de zegelring van de Doge zat. ‘Mag ik vragen wat uw relatie met kapitein Everse was?’

‘Die ken ik niet,’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob legde de zegelring op de tafel voor hem. ‘Herkent u deze?’ Hij observeerde het gezicht van Di Pietrello.

De Doge kwam naast hem staan en bekeek de ring. ‘Dat is mijn zegelring.’

Jacob zag zijn ogen heen en weer schieten en zijn handen nerveus trillen. ‘Ik vond hem vlak na de moord op Everse in zijn kantoor.’

‘Iemand probeert me zwart te maken.’ De Doge lachte, licht geforceerd. ‘Een opvallend amateuristisch en niet bepaald verfijnd staaltje schuldtoewijzing.’

Jacob glimlachte. ‘Dat leek mij ook. Beter dat het tussen ons blijft.’ Hij duwde de ring naar de Doge die hem onder zijn hand liet verdwijnen. ‘Er is immers al genoeg verwarring na de gebeurtenissen van gisteravond.’ Maar je stond wel met Everse op een tiphaigneplaat in zijn kantoor.

‘Inderdaad, een zware schok voor gelovigen over de hele wereld,’ beaamde de Doge.

Jacob tikte zijn lippen aan met zijn gevouwen handen. ‘Ik zag paus Iskenderen gisteren in de sluizen, vlak voor de explosie. Het was wel heel toevallig dat hij juist nu terugkeerde. En dat hij niet in het Zeepaleis was.’

Het gezicht van de Doge vertrok, zijn uitdrukking er een van groot ongenoegen. ‘U impliceert opzet in de dood van de twee andere pausen? Besef goed dat zelfs het gerucht over zoiets ongeloofwaardigs de Roomse wereld in vuur en vlam kan zetten en dan is het maar afwachten wie die vuurstorm zal overleven… God verhoede het dat de mensen zich afkeren van de ware pausen en die afschuwelijke Jean Baptiste Napoleon als enige paus gaan erkennen.’

‘Tot het nieuwe triumviraat is gekozen en geïnstalleerd, is Iskenderen de enige leider van de gelovigen. Zijn woord zal wet zijn,’ zei Jacob. ‘Dat zijn de regels van de Roomse Kerk zoals ik ze geleerd heb.’

‘Ik verwacht niet dat hij misbruik zal maken,’ zei de Doge met een glimlach. ‘Als de boeken verder goed zijn, kun je dan verder met mijn boekhouders overleggen? Ik heb nog een aantal belangrijke afspraken.’ Hij klapte in zijn handen.

‘Maar natuurlijk, Doge.’ Jacob boog kort en liet zich vervolgens door een dienaar meevoeren naar de uitgang.

Bij het verlaten van het paleis weerklonken door de gehele stad kerkklokken die een oproep tot het Angelus beierden. Veneta heeft nooit Angelus gedaan, dacht Jacob. Iskenderen maakt misschien geen misbruik, maar hij gebruikt zijn invloed wel. Devoot vouwde hij zijn handen en prevelde zijn Ave Maria.

 

***

 

De schemering was aardig gevorderd toen Jacob de deur van het handelshuis achter zich dichttrok. Bij het ruiken van de heerlijke geuren die de restaurants rond het Sint Marcusplein verspreidden, begon zijn maag te rommelen.

Hij koos een Hollandse taveerne en nam een tafel met uitzicht op de beurs. Gekleurde lampen op het plein verlichtten de fonteinen en vormden een betoverend tafereel waar Jacob korte tijd gebiologeerd naar staarde.

‘Hebt u er bezwaar tegen als wij aanschuiven?’

Jacob schrok van graaf Georg die voor hem stond, contessa Szilágyi aan zijn linkerzij. Voor hij zich kon bedenken, schoof de graaf de stoel van de contessa aan. Hij nam zelf plaats aan het hoofd van de tafel. ‘Graaf Georg, contessa, een onverwacht genoegen. Ik wilde net bestellen.’

‘Mooi, voor mij wat rode wijn graag, dat kan ik nog net verdragen,’ zei graaf Georg. Hij keek Jacob aan over zijn rode brillenglazen. ‘Hebt u het laatste nieuws al gelezen?’

Jacob schudde zijn hoofd. ‘Mijn werk was uitdagend, vandaag. Ik heb nog geen tijd gehad voor de krant.’ Hij bestelde een schotel zeevis en witte wijn voor zichzelf, rode wijn voor zijn gasten. De ober klikte met zijn hielen en haastte zich weg.

Graaf Georg gooide een Gazetta di Veneta op tafel. De kop schreeuwde: Paus roept op tot vrede!!!

‘Iskenderen laat er geen gras over groeien,’ zei Jacob. ‘Vrede is goed voor de handel.’

De graaf leunde achterover en plaatste zijn duimen in zijn jacquet. ‘Oorlog ook. De vraag is wie er aan het kortste eind trekt.’

‘Zijn er verliezers bij vrede?’ zei Jacob.

‘Initieel misschien niet. De Ottomanen hebben een indrukwekkend groot leger samengebracht in de Karpaten. Honderdduizend zwaarbewapende manschappen. Officieel om te oefenen.’

‘Dat kan, zelfs als het vrede is.’ Jacob keek de graaf vragend aan. ‘Wat wilt u precies zeggen?’

‘Uw opmerking gisteren tegen mijn nicht, de contessa hier, over het verstoorde evenwicht. Die getuigt van een scherp inzicht.’

Jacob keek even opzij. Hij staarde langer dan behoorlijk naar haar intens groene ogen in dat perfecte gezicht. Haar lippen waren donkerrood en er lag een uitnodigende glimlach rond haar mond. Hij slikte en rukte zich met moeite uit de diepe poelen van haar ogen. ‘Dank u, graaf. Ik begreep van de Doge vandaag dat paus Iskenderen geen kwaad in de zin heeft.’

‘Oh, nee,’ zei graaf Georg, ‘geen slecht woord over de paus. Hij is immers een van de drie vertegenwoordigers van God op Aarde.’ De graaf boog zich naar voren. ‘Maar ik vertrouw zijn landgenoten niet.’

‘Wat kan er gebeuren?’ zei Jacob. De ober onderbrak hun gesprek met een dampende schaal en drie kristallen glazen gevuld met witte en rode wijn.

Graaf Georg nipte aan zijn glas en keek Jacob toen indringend aan. ‘Onze familie hangt sterk aan haar roomse overtuiging. U en wij lijken hierin sterk op elkaar. Al van oudsher vecht de Orde van de Draak voor God, volk en vaderland. Indien Iskenderen zijn besluit aan de synode voorlegt en als Motu Proprio kan doen uitgaan, zijn wij gedwongen deze vrede te accepteren en handhaven.’

‘Zoals ik al zei, vrede is goed voor de handel,’ zei Jacob. Hij nam een paar happen terwijl hij wachtte op het antwoord van de graaf.

Ilona Szilágyi liet de wijn in haar glas rondjes draaien. ‘Beseft u wel dat de Karpatische bufferzone op dat moment niet meer bestaat? En dat de Germaanse federatie een wassen neus is wanneer een groot, vastberaden Ottomaans leger over hun grondgebied dendert? Als het leger er toch is, zullen de Pasja’s het gebruiken. Binnen tien dagen staan ze dan aan de Hollandse oostgrens…’  Ze liet de conclusie aan Jacob over.

Hij legde zijn bestek naast zijn bord. ‘Dat klinkt alsof er een samenzwering is. En een megalomaan plan.’ Hij nam zijn hoofd in zijn handen en pijnigde zijn hersenen. ‘Het Sint Antoniusfeest is gewild, dat zei de Doge vanochtend. Veel notabelen waren in het Zeepaleis.’

‘Maar niet de Doge,’ zei contessa Szilágyi.

‘Of kapitein Everse,’ voegde graaf Georg toe. ‘Er zijn er meer.’

‘Jullie twee waren er ook niet. En ik vraag me af waar u zich gisteravond bevond, graaf.’ Jacob dacht terug aan de figuur die hij in het handelshuis gezien had, maar hij kon niet met zekerheid de graaf als dader aanwijzen.

Contessa Szilágyi lachte en Jacob voelde een koude rilling. ‘Onze familie is niet welkom in de huizen van de Roomse Kerk.’

‘Kom nu,’ zei Jacob, ‘de Roomse Kerk is er voor iedereen, zelfs voor die afvalligen van Calvijn.’

‘De contessa heeft gelijk,’ zei graaf Georg serieus. ‘Een goddelijke vloek heeft onze voorouders getroffen. En tot wij onze schuld hebben ingelost, zijn wij gedoemd verre van de huizen van God te blijven.’

‘Dat klinkt serieus, graaf,’ zei Jacob. ‘Wat kan ik… wat kunnen wij doen om deze megalomane machinaties teniet te doen en het evenwicht zoals dat in Veneta heerst te bewaren?’

‘Een aantal zaken,’ zei graaf Georg. ‘Als hoogste vertegenwoordiger van de VOC in Veneta is uw stem van waarde.’

‘Ik betwijfel of de synode een eenvoudige functionaris zoals ik zal willen horen.’

Graaf Georg lachte. ‘Bedenk goed dat de VOC in haar jaren hier bepaalde rechten bedongen heeft, niet alleen van de Doge, maar ook van de Roomse Kerk.’

‘Daar weet ik niets van,’ zei Jacob. ‘Welke rechten zijn dat?’ Hij schrok van een beweging onder de tafel bij zijn linkerbeen en even later voelde hij een voet langs zijn knie en dijbeen omhoog gaan. Hij keek de contessa aan. Haar glimlach was onveranderd. Wat is dit?

Met zijn hoofd op zijn handen staarde graaf Georg over zijn rode brillenglazen naar Jacob. ‘Prima Initiatio, het recht van het voorstellen van een kandidaat paus voor de Hollandse pauselijke zetel. Zonder tussenkomst van de Synode.’

‘Nooit van gehoord. Voor ik boekhouder werd, heb ik de wetten van de kerk uitgebreid bestudeerd. Ik geloof er niet in.’ Jacob probeerde aan zijn vrouw en de Heer te denken, maar hij faalde in beide zodra de voet langs zijn broekzakken gleed.

Graaf Georg stond op en boog kort. ‘Mijn excuses, ik heb wetboeken te lezen en lokale procedures te onderzoeken. Om zeker te zijn.’ Met een zwierig gebaar schoof hij zijn stoel aan, nipte een laatste druppel wijn en haastte zich weg.

Jacob keek hem na en probeerde te vermijden dat hij weer naar de contessa Szilágyi keek, wat niet lukte. Haar ogen waren diepgroene poelen, haar lippen waren bloedrood, opwindend, zozeer dat gedachten aan vrouw, kinderen of de Heer hem geheel verlieten. ‘Ik moet ook maar eens vertrekken,’ zei hij. ‘Ik verblijf in het Grotius. Mag ik u voor een likeur uitnodigen?’ Waar zit je met je hoofd, Hooijmans, ze is adel, ze staat veel te ver boven je. En je bent getrouwd!

De contessa neeg een moment haar hoofd. ‘Kamer zeventien, nietwaar?’

‘Hoe weet u dat?’ zei Jacob.

‘De sleutel in uw broekzak.’ De contessa stond op, knikte naar hem en schreed de taveerne uit.

Jacob keek haar na. Snel rekende hij af en hij haastte zich naar het hotel. De deur van zijn kamer liet hij open. Hij zette een fles graanjenever en twee likeurglazen klaar op het tafeltje van zijn kamer. Vervolgens begaf hij zich naar de badkamer om zich op te frissen. In het gelige electrofoorlicht bekeek hij zichzelf in de spiegel. Slank, lang, conservatief gekleed, dun haar op zijn schedel die vrij hoekig was en grijze ogen in een bleek gezicht. Wat ziet ze in mij?

Hij trok zijn jasje en overhemd uit. Zijn trouwring en de ketting met crucifix deed hij af. Hij hoefde geen geschenken van zijn vrouw te dragen op dit moment, alsof het verwijderen van het symbool van hun verbintenis op de een of andere manier zijn mogelijke vreemdgaan vergoelijkte. De sieraden herinnerden hem enkel aan de goede maar vooral de overvloedige slechte tijden. Er waren legio redenen waarom hij ontvankelijk was voor de avances van de knappe contessa. Kan ik dit nog? Wil ik dit? ‘Rustig aan,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Misschien blijft het bij een likeurtje.’

Er klonk een zacht kloppen op zijn deursponning. Jacob haastte zich uit de badkamer. Van onder het zwarte kant van haar groene hoedje keek ze hem aan.

Jacob haalde diep adem en voelde een brok in zijn keel. ‘Contessa,’ kon hij maar net uitbrengen.

‘Mag ik binnenkomen?’

‘Maar natuurlijk. De likeur staat klaar, laat me even wat aantrekken,’ zei Jacob. Hij deed een stap achteruit.

Het volgende moment hing ze in zijn armen en voelde hij haar hete mond op zijn nek en een golf van sensueel genot spoelde over hem heen. Hij viel met haar achterover op het bed en verloor daar zijn bewustzijn.

 

***

 

De grond was een patroon van immense zwarte en witte vlakken. Het strekte zich tot de horizon uit, waar zichtbaar door dichte mist. Jacob knipperde met zijn ogen, zag het zwaard voor zich op de grond en pakte het zonder nadenken op. Aan die horizon, ver boven de mistbanken, dacht hij een figuur in een zwart gewaad met vurige ogen in een donker gezicht in de lucht te zien, maar het volgende moment was het niet meer dan een kolkende, dreigende wolkenmassa.

Hij kreeg een zet als van een onzichtbare hand die hem het volgende vlak op bewoog. Uit de mist kwam een wervelende ridder te paard die hem op zijn lans probeerde te spietsen, maar Jacob stapte opzij en sloeg de lans in stukken met zijn zwaard. ‘Wacht, wat gebeurt hier?’ zei hij met luide stem. De ridder antwoordde niet, maar trok zijn zwaard. Ze wisselden slagen uit tot Jacob een mogelijkheid zag. Hij greep de stijgbeugel aan het zadel van de ridder en duwde hard omhoog waardoor zijn tegenstander op de grond viel. ‘Geef je over,’ zei Jacob. Hij duwde zijn zwaard door de kijkspleet van de helm van de ridder en wachtte op antwoord, maar voor zijn ogen vervaagde en verdween zijn tegenstander. Wat is er aan de hand?

Weer een zet tegen zijn rug, een volgend vlak, een soldaat met een zwaard, die ook vervaagde toen Jacob hem bewusteloos sloeg met een goed geplaatste vuist. Weer de onzichtbare hand in zijn rug, maar toen hij op het volgende vlak kwam was er geen tegenstander.

Op de grond lagen lange, witte gewaden, het zwaard in zijn hand veranderde in een staf. Een witte mijter voorzien van een in goud geborduurd kruis daalde langzaam voor hem neer en bleef op ooghoogte hangen. Ze hadden een onverklaarbare aantrekkingskracht op hem en hij reikte zijn vrije hand uit naar de mijter.

Dit is je bestemming, je lot. De galmende woorden vielen als een loden last op zijn schouders.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jacob, ‘ik ben geen bisschop of paus.’ Maar diep van binnen voelde Jacob een sprankje opportunisme ontstaan, zag hij mogelijkheden te groeien in een richting die hij altijd begeerd had, maar nooit tot werkelijkheid kunnen maken.

Nog niet. Er klonk zelfverzekerde spot in de stem die meer nog dan dreigen of dwingen Jacob overtuigde dat mogelijkheden ook werkelijkheden konden worden.

‘Wie ben jij?’ schreeuwde Jacob tegen de hemel. ‘God of duivel?

Heer en meester.

Een fel licht verscheen boven hem in de lucht en verblindde hem.

 

***

 

De vroege ochtendzon scheen helder door het hotelraam naar binnen, begeleid door de geluiden van het ontwakende Veneta. Jacob werd kreunend wakker. Zijn hoofd bonsde en zijn mond was kurkdroog, alsof hij een stevige kater had. Hij bewoog en voelde zijn spieren kraken. Zijn rug voelde alsof hij in brand stond.

De contessa. Hij keek om zich heen, maar ze was niet in zijn hotelkamer, wat hij haar niet kwalijk kon nemen. Hij had zijn broek aan en hij kon zich behalve de eerste minuut van haar aanwezigheid spijtig genoeg niets herinneren. Wel voelde hij een immense druk op zijn blaas en hij haastte zich naar de badkamer.

Zodra hij klaar was bekeek hij zichzelf in de spiegel. Zijn gezicht was bleek, in zijn nek zaten blauwe plekken. Hij bekeek zijn rug en zag twee rijen diepe, evenwijdige voren over zijn rug alsof iemand er met lange nagels overheen gekrast had. Hij dacht aan Ilona Szilágyi en grijnsde.

Een rode vlek in het spiegelbeeld trok zijn aandacht. Op de tegenoverliggende muur was met iets als rode lippenstift geschreven, blijkbaar in spiegelbeeld. In de spiegel las hij: dragonul te posedă acum. Jacob herkende de taal niet, maar hij vermoedde dat de contessa hem haar draakje noemde.

Hij kleedde zich in een smetteloos grijs lakens pak met hoogsluitend boord dat de plekken in zijn nek verborg. Vervolgens begaf hij zich naar de lobby van het hotel waar hij een stevig ontbijt bestelde: een dubbele portie bloedworst met spek en eieren. Op het gepolitoerde bijzettafeltje lag de ochtendeditie van de Gazetta di Veneta.

Hij schrokte de bloedworst naar binnen. Zodra die op was, sloeg hij de krant open. Zijn blik viel meteen op een bericht over paus Iskenderen die vandaag een decreet aan de direct beschikbare leden van de Synode wilde voorleggen om een Roomse vrede uit te roepen.

Jacob leunde achterover in zijn fauteuil. Het was zoals de graaf en de contessa hem hadden voorgespiegeld. Jacob voelde diep van binnen een hem onbekende woede opborrelen, een verontwaardiging over de politieke machinaties van de vermaledijde Ottomanen die zelfs moord op de vertegenwoordigers van de Heer op Aarde niet schuwden en die zijn werkgever, de VOC en zijn volk, de hardwerkende Hollanders in de rug wilden aanvallen.

Hij haalde diep adem en probeerde zichzelf onder controle te krijgen. Hij viel aan op de rest van het eten om zijn gedachten te kalmeren. Bij de laatste hap ei viel zijn oog op een envelop met rood lakzegel die tegen de slanke witte vaas met de enkele roos was geplaatst. Waar komt die vandaan?

Hij brak het zegel en las het sierlijke handschrift:

 

Bună dimineața,

 

Kunnen wij elkaar treffen in de gouverneurskamer van het Handelshuis? Iskenderen drijft zijn zin door, zonder oppositie. Ottomaanse legers zijn de grens overgestoken en rukken op richting kasteel Bran. Er is veel te bespreken.

 

Georg de Hunedoara

 

Jacob vouwde het briefje dicht en stopte het in zijn aktetas. Tijd om aan het werk te gaan. Zijn gebruikelijke interesse was verminderd. In plaats daarvan dacht hij aan de Roomse Kerk, aan wat hij kon betekenen voor dat instituut op een invloedrijke positie. Zoals Nicolaas van Straalen.

 

***

 

‘We moeten actie ondernemen.’

Jacob keek op van de brieven op zijn bureau, die Alex de Oude daar neergelegd had voor zijn evaluatie, recht in de troebele ogen van graaf Georg. ‘Ongetwijfeld, maar wat kunnen wij betekenen? Een paar wetjes en bedingen van de VOC betekenen nog niet dat Iskenderen en de Synode zich eraan zullen houden.’

‘We moeten ze overvallen. De Synode is nog lang niet compleet, Iskenderen is nog niet helemaal zeker van zijn macht.’

‘Maar we weten niet wat de procedure is!’ Jacob voelde de woede weer opborrelen en kneep in de bureaurand tot zijn knokkels wit werden. Het hout kraakte onheilspellend.

‘Kalmeer.’ Het was slechts een enkel woord, maar de graaf zei het met een overtuiging en kracht die Jacob vrijwel meteen bedaarde. De graaf plaatste een koffertje op de tafel, knipte dat open en vouwde het vervolgens uit tot een stapel in leer gebonden boeken. Hij opende er twee van en sloeg met zijn rechterhand op het perkament. ‘Hier staat het allemaal, artikel viertwaalf en vierdertien.’

‘Wat moeten we doen?’

‘Allereerst moeten we de locatie van de Synode achterhalen. Ik vermoed dat ze in een van de basilieken samenkomen.’

Jacob zuchtte. ‘Veneta heeft er meer dan honderd. Hoe weten we welke?’

‘Mijn dienaren winnen op dit moment informatie in.’

‘Goed,’ zei Jacob, ‘zometeen weten we het. En dan? Wat moet ik doen? Wie moet ik als paus voordragen?’ Moet ik mezelf voordragen? Is dat wat de droom me vertelde?

Graaf Georg keek hem aan over zijn rode bril. ‘Noem mij een Hollander in Veneta, van onberispelijke reputatie, met voldoende kennis van de Roomse Kerk, haar wetten, haar gebruiken, haar invloedrijke leden.’ Hij zweeg om Jacob gelegenheid te geven te antwoorden.

‘Dat zijn er vast enkele,’ zei Jacob, hoewel hij zelfs met diep nadenken niemand kon vinden.

‘Er is maar één keus: Jacob Hooijmans, paus van de Roomse Kerk, primus inter pares paus van Holland en haar koloniën.’

‘Maar ik ben getrouwd, ik heb kinderen.’ Hij dacht altijd dat de hoge functionarissen van de kerk vervuld waren van nederigheid, lichtende voorbeelden voor hun volgers, maar het enige dat hij voelde was een diep verlangen naar de macht en het aanzien van een hoge, zoniet de hoogste post binnen de Roomse Kerk.

De graaf glimlachte. ‘De tweede Borgiapaus had meerdere vrouwen bij wie hij kinderen verwekte. Je bent dus niet uniek.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ zei Jacob nerveus.

‘Gezien de haast van Iskenderen tot nu toe, de Ottomaanse legers die oprukken, denk ik dat we vandaag de keus voor de Hollandse paus moeten aankondigen.’

Jacob zweeg, maar zijn hoofd was een maalstroom van ambitieuze gedachten.

 

‘Hoe weten uw dienaren waar ze u moeten vinden?’ zei Jacob terwijl hij voor de open haard heen en weer liep. Af en toe keek hij naar het schilderij van stadhouder Willem VI, heldhaftig afgebeeld met zijn voet op de borst van een Franse soldaat en een gescheurde Franse driekleur, met in sierlijke letters onder het tafereel ‘Verdediger van het Vaderland’.

Graaf Georg zat met gevouwen handen in een van de grote, leren fauteuils. ‘Dat, mijn waarde, is misschien kennis die je niet wil bezitten.’ Hij keek opzij naar een van de ramen van de kamer waar een kraai misbaar maakte. ‘De basilieken in Santa Croce en Cannaregio zijn het niet.’

Jacob gebaarde met zijn hand. ‘Weet u ook waar de contessa is?’

‘San Michele,’ antwoordde de graaf.

Jacob kwam voor hem staan. ‘Wat doet ze op een kerkhof?’ zei hij wantrouwig.

De graaf kneep even in de brug van zijn neus. ‘Ik bedoel, in haar hotel in de buurt van San Michele. Ik vermoed dat ze bijna hier is.’ Hij zei het met een aan zekerheid grenzende overtuiging.

Van buiten klonk het luide krassen van dozijnen kraaien die op de vensterbank waren geland. Graaf Georg stond op en ging voor het raam staan, zijn hoofd schuin alsof hij aandachtig luisterde naar de kakofonie.

‘Ik was er al bang voor, de overige basilieken in San Polo, Dorsoduro, San Marco en Castello zijn leeg. Nog geen stuk brood te vinden.’

‘Waar kunnen ze dan heen? Het Zeepaleis is vernietigd. Wie anders heeft de ruimte en voorzieningen om de paus, bisschoppen en kardinalen te huisvesten?’ Een licht ging hem op nog voor de vraag goed en wel zijn mond uit was. Hij liet zich in een van de andere fauteuils vallen. ‘De Doge.’

‘Wat heeft die hiermee te maken?’

‘Alles, vermoed ik,’ zei Jacob. ‘Hij heeft een nieuwe vleugel aan het paleis laten bouwen. Groot genoeg voor de complete Synode, met een eigen kapel. Zijn eigen woorden nog wel.’

Graaf Georgs gezicht vertrok in een soort pijnlijke grimas. ‘De voorbereidingen waren al getroffen, dus. Hoeveel meer bewijs voor zijn betrokkenheid hebben we nodig?’

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Hij is de Doge. Hij is onaantastbaar.’

‘Maar wat wint hij ermee?’ zei graaf Georg.

‘De Ottomanen zullen wel meer betalen,’ zei Jacob. ‘Geld kan een sterke motivatie zijn voor sommige… voor de meeste personen.’ Anderen zoeken iets verheveners.

De graaf leek diep in te ademen, zijn troebele ogen weerkaatsten het licht dat door het raam viel in vreemde hoeken. ‘Angst ook,’ zei hij, ‘dat zullen ze vandaag leren.’ Hij pakte zijn hoed en liep naar de uitgang. ‘Ga mee.’

Jacob volgde de graaf zonder zijn aktetas of hoed mee te nemen. ‘Het paleis is een uur lopen en een stuk met de gondel. Zijn we wel op tijd?’

‘Als we zouden lopen misschien niet,’ zei graaf Georg. Hij staarde Alex de Oude opzij en gooide de zware deuren van het Handelshuis open. Daar stond de Tesla van contessa Szilágyi al klaar. Over bijna de gehele lengte van het voertuig zaten kraaien. ‘Maar over de Lelybrug zijn we er in tien minuten.’

Ze namen plaats in de galvanische koets en zodra de deur dichtsloeg drukte de contessa de snelheidshendel diep in. De spoelmotor produceerde een hoog gierend geluid en de koets sprong vooruit. Angstige burgers sprongen weg voor het vehikel en hieven kwaad hun vuisten naar de wegstuivende wagen.

Jacob Hooijmans keek nerveus naar de voorbijsnellende gebouwen. Hij prefereerde de gezapige snelheid van schepen of koetsen voortgetrokken door paarden.

‘Herinner je je nog iets van gisteravond, Jacob?’ zei de contessa zonder om te kijken.

Jacob aarzelde. ‘Niet heel veel. Ik werd wel wakker met een kater zoals ik niet eerder heb meegemaakt.’

‘Het is maar beter zo,’ zei graaf Georg. ‘We zullen vandaag genoeg geheimen onthullen, zaken die we liever niet zouden blootgeven.’ De contessa deed er het zwijgen toe.

Ze draaiden de Lelybrug op en de contessa stuurde behendig om langzamer verkeer heen. De eerste afslag na de brug bracht hen op het eiland waar het paleis van de Doge zich bevond.

De contessa stuurde de galvanische koets recht op het gesloten ijzeren hek af, overreed bijna twee wachters en ramde vervolgens de traliedeuren open. De koets ging rechtdoor, richting de hoofdingang, waar ze het voertuig neerzette onderaan de marmeren trappen.

Jacob stapte uit, direct gevolgd door de graaf. De contessa kwam ook naast Jacob staan. Geklapper van vleugels klonk boven hen. Jacob zag honderden kraaien rondzwermen. Ze verduisterden de hemel bijna.

Bij de dubbele deuren van de hoofdingang stonden twee verbaasde Janitsaren. Ze trokken hun zwaarden en stormden de trappen af naar de mensen die zojuist uit de galvanische koets waren gestapt.

Voor ze goed en wel bij hun doelen waren, daalden de kraaien op hen neer. Graaf Georg mengde zich in de chaos en er klonken twee schoten waarna de kraaien uiteenstoven. De graaf stond daar met in elke hand een rokende Ottomaanse achtklapper. De Janitsaren lagen als gebroken poppen op de trappen, bloed stroomde uit hun grotendeels verpletterde slapen.

‘Geen tijd te verliezen,’ zei de contessa naast hem. Ze greep Jacob bij zijn arm en hij kon een kreun van pijn niet onderdrukken. Haar vingers leken van staal en ze sleurde hem half de trappen op. Graaf Georg was hen voor. Hij schopte de eiken deuren uit de sponningen en sloeg twee Janitsaren die hem aanvielen de trappen af. Ze bleven vlakbij de koets doodstil liggen, hun nek en rug in rare bochten geforceerd.

‘De oostvleugel, naar rechts,’ hijgde Jacob. De contessa liet hem los. Geflankeerd door de twee edellieden liep hij door een zuilengalerij met hier en daar een heiligenbeeld. Licht viel naar binnen door hoge dakramen Ze naderden een hal met grote dubbele deuren waarboven ‘Auditorium’ was geschreven. Een groep van minstens twintig Janitsaren bewaakte deze ingang en zodra Jacob, graaf Georg en contessa Szilágyi voor hen verschenen, stelden ze zich in gevechtsorde op en trokken zwaarden en achtklappers.

‘Wacht hier,’ zei graaf Georg. Het volgende moment waren hij en de contessa verdwenen. Een zwerm raven denderde langs Jacob en vulde de hal met hun galmend gekras dat klonk als het laatste oordeel.

Af en toe zag Jacob een Janitsaar door de wirwar aan lijven en vleugels, altijd met paniek in de ogen en op dat moment in doodsnood, alsof hij opzettelijk getuige werd gemaakt van wat hier plaatsvond.

Zo snel als de kraaien naar binnen waren gevlogen, zo snel waren ze ook weer verdwenen. Jacob zag twee mensen staan, de graaf en de contessa, tegenover elkaar. Hun gezichten kon hij alleen maar als beestachtig omschrijven. Beiden hadden bloed op hun gezicht en hun handen en kleren zaten vol bloed en lillende stukjes. Om hen heen lagen de overblijfselen van waarschijnlijk alle Janitsaren.

Jacob voelde de zure golf omhoogkomen en braakte alles wat hij nog in zich had uit. Toen hij overeind kwam stonden de twee naast hem.

‘Uw beurt, heer Hooijmans,’ zei graaf Georg. Jacob durfde hem niet aan te kijken.

‘Ga naar binnen,’ siste Ilona Szilágyi. Hoewel hij zijn lichaam geen opdracht gaf, voelde Jacob zijn voeten bewegen. Hij vermeed het bloed op de vloer en met droge voeten opende hij de deur.

 

***

 

De Synode was bij lange niet compleet. Niet meer dan een tiende van de banken was gevuld en op een podium in het midden stond paus Iskenderen. Jacob luisterde naar wat hij te zeggen had.

‘De vrede die ik voor ogen heb, maakt een eind aan de voortdurende strijd tussen volkeren. Laten wij als Roomse Kerk dan het goede voorbeeld geven en alle partijen die nu in conflict zijn met elkaar opdracht geven de strijd te staken.’ Hij zweeg even en er klonk een beleefd applaus.

Jacob nam zijn kans en liep tussen de banken door in de richting van het podium. Zodra de eerste bisschoppen en kardinalen die aanwezig waren hem zagen, klonk er gedempt geroezemoes.

Paus Iskenderen keek naar Jacob en vervolgens naar de ingang van het auditorium waar twee donkere, in schaduwen gehulde figuren stonden. ‘Waar zijn mijn Janitsaren? Hoe komt u hier binnen?’

Jacob voelde een zure oprisping, maar hij wist die te onderdrukken. ‘Ze zijn weg,’ zei hij met een klein stemmetje. Hij schraapte zijn keel en rechtte zijn rug. ‘Ze zijn weg. Als in niet meer in deze wereld.’

‘En wie bent u dan wel? En wat komt u hier doen?’ Iskenderen stapte naar de rand van het podium en keek op Jacob neer.

‘Ik ben Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC. Ik ben hier vanwege artikel viertwaalf en vierdertien.’ Het werd ineens muisstil.

Paus Iskenderen vouwde zijn armen voor zich. ‘Die vereisen een kandidaat en de hoogste VOC functionaris die in Veneta aanwezig is. Ik zie de gouverneur hier niet.’

‘De admiraliteit heeft mij als tijdelijk gouverneur aangesteld.’ Hij rechtte zijn rug en verhief zijn stem. ‘En degene die ik voordraag als paus voor Holland, dat ben ik zelf.’

‘Dit is een schaamteloze vertoning,’ riep een kardinaal van de voorste rij. ‘U meneer, is een leek, u hebt niets te zoeken in deze geheiligde hallen.’

Jacob beklom de treden van het podium. Hij voelde zich alsof hij een complexe boekhoudbeslissing moest verdedigen tegenover een cliënt. ‘In tegendeel. Mijne heren!’ Hij keek naar de leden van de Synode, probeerde zoveel mogelijk van hen met zijn ogen te vangen. ‘Ik ben boekhouder. Nicolaas van Straalen heb ik altijd geëerd. Zijn zuinigheid was een voorbeeld voor me. Hij was altijd de redelijke, de vredestichter, de bewaarder van de status quo. Het voorstel van paus Iskenderen, hoe goed bedoeld ook, zal dwingend zijn voor eenieder die lid is van de heilige Roomse Kerk.’

‘Exact,’ ging paus Iskenderen verder. ‘Vrede zal goed voor ons zijn. En ook voor de VOC en de handel, dat moet u met me eens zijn, meneer Hooijmans.’

Jacob glimlachte. ‘Vrede is inderdaad goed voor de handel, paus Iskenderen. En de volgelingen van de Roomse Kerk zullen inderdaad met elkaar kunnen handelen in plaats van strijden. Mijn vraag is alleen: zullen niet-gelovigen ook uw decreet accepteren?

Paus Iskenderen zweeg. Zijn ogen flitsten nerveus heen en weer.

Jacob wachtte even, maar hij wist dat de theorie van de contessa feit was. Hij zuchtte en likte zijn lippen. Vers bloed, kloppend hart, smaak van ijzer en zout. ‘Ik activeer bij deze artikel viertwaalf en vierdertien. Vanaf heden ben ik paus Jacobus de Eerste en zijn er twee pausen in Veneta.’

‘Onmogelijk,’ blies paus Iskenderen. ‘De Synode moet hierover beslissen. Zodra het op de agenda uitkomt, over enkele weken.’

‘Dat duurt te lang,’ zei Jacob. ‘U riskeert open oorlog met de VOC? En de feestelijke intocht van Calvijnaanhangers in Holland? En de ondermijning van de Roomse Kerk? Het verstoren van delicate evenwichten in de wereld?’ Hij kreeg onverwacht veel bijval van enkele bisschoppen en kardinalen op de voorste rijen.

‘Accepteer het, Iskenderen,’ zei een van de bisschoppen. ‘Die overeenkomst bestaat en paus Jacobus de Eerste heeft hem in werking gezet.’ Hij hief zijn arm en riep: ‘Leve paus Jacobus de Eerste.’ De bijval vanaf de banken van het auditorium was duidelijk genoeg.

Een oude kardinaal die op een van de achterste banken zat, stond op. ‘Als dat dan nu duidelijk is, er is een Motu Proprio gedaan. Is er een meerderheid van pauselijke stemmen?’

‘Ja!’ zei paus Iskenderen hard.

‘Ik stem tegen,’ zei Jacob.

‘Dan is het helder,’ zei de oude kardinaal. ‘Deze Motu Proprio is afgewezen.’

Iskenderen stond met open mond en gebalde vuisten. Hij werd rood, toen bleek. Hij dook op Jacob af en een lange dolk was ineens in zijn hand.

Jacob voelde de voren op zijn rug branden, zag Iskenderen op zich afkomen, vertraagd, als een reeks tiphs op een reliëfscherm. Hij stapte net genoeg opzij om het mes te ontwijken, duwde net genoeg om paus Iskenderen uit evenwicht te brengen en in zijn val plukte hij het mes uit de hand van zijn tegenstander. Hij had zelfs nog tijd om te denken: bijzonder handig.

De Ottomaanse paus viel languit op de grond, maar krabbelde vrijwel meteen overeind. Met een schreeuw en een woedend gebaar rende hij van het podium weg en richting de uitgang. Graaf Georg en contessa Szilágyi lieten hem voorbij rennen, door de resten van zijn Janitsaren. Zijn schreeuw van afschuw weerklonk in het auditorium.

Jacob richtte zich tot de aanwezigen. ‘Als er al vrede met de Ottomanen komt, dan is dat een politieke vrede, gewenst door beide partijen. Geen opgelegde, eenzijdige, religieuze vrede.’

De kardinaal die Jacob eerder voor leek uitmaakte, schraapte zijn keel en stond op. ‘Paus Jacobus, ik groet u en noem u “vredestichter”.’ Hij kreeg eerst aarzelend maar al snel enthousiast bijval van alle aanwezigen op de Synode.

 

***

 

‘Ik voorzie een vruchtbare samenwerking, paus Jacobus,’ zei graaf Georg tegen Jacob.

Jacob knikte. ‘U had zoiets al voorspeld aan boord van de WitteDeWith, bijna alsof u wist wat er zou gebeuren. Maar dat is natuurlijk onzin, alleen de Heer weet wat voor ons is weggelegd.’

Graaf Georg grijnsde en liet zich achterover zakken in een van de fauteuils in de gouverneurskamer van het VOC Handelshuis.

‘Toch heb ik nog wel wat vragen,’ zei Jacob. ‘Er zijn schokkende zaken voorgevallen, waarvoor ik geen verklaring heb.’

‘Wie weet wat de waarheid is? Wie weet wat had kunnen zijn?’ Contessa Szilágyi bestudeerde het schilderij van Willem VI. ‘Laten we zeggen dat de wegen van de Heer soms ondoorgrondelijk zijn, mysterieus zelfs. En wraakzuchtig, vooral als het om Zijn zoon gaat.’

‘U gebruikt de woorden van de Kerk tegen me, hoe oneerlijk,’ zei Jacob. De contessa glimlachte alleen maar. ‘En wat gebeurt er nu met het Ottomaanse leger? Want die zijn waarschijnlijk al onderweg. Moeten we iemand waarschuwen?’

Graaf Georg hief zijn handen. ‘Het is in Gods handen, paus Jacobus. Hij eist offers. Daarvoor zijn rond kasteel Bran inmiddels honderdduizend eiken staken opgesteld…’

Jacob keek op. ‘Dus daar was die post voor.’

Weer grijnsde graaf Georg en knikte. ‘Soms,’ zei hij, ‘vraag ik me wel eens af: waren het de dertig zilverlingen?’

Bliksem uit het niets doorkliefde de hemel buiten. De donder die volgde deed het Handelshuis op haar grondvesten trillen.

Het bleef lang betekenisvol stil in de gouverneurskamer.

De poppen van dr. Edelweiss : Marcel Orie

 

We zijn vergeetmachines. Mensen zijn dingen
die een beetje denken en die vooral vergeten.
Henri Barbusse – Het vuur (1916)

 

In de verte rolde de donder als een voorteken.

Hoe je het ook bekeek: het leven was natuurlijk een groot cliché.

Nachtelijk onweer en een spookhuis.

Het witte landhuis was een eindje vanaf de hoofdweg gebouwd. Het had de hele dag al af en aan geregend en de onverharde oprijlaan was gedegradeerd tot een spoor van zuigende enkeldiepe modder. De bayou ademde uit en beloofde nog veel meer regen. De slanke kegelvormige toppen van de moerascipressen wiegden heen en weer in de opstekende wind. Boven de boomtoppen, in het oosten, kleurde de hemel al middernachtzwart.

Zelfs het weer staaft onze alibi, dacht Lee. Hij droeg een loodzware koffer in zijn ene hand, met zijn andere hand leidde hij zijn hoogzwangere vrouw. Enkele honderden meters terug stond hun auto langs de provinciale weg. Niet in staat om nog verder te rijden, omdat Lee vijftien minuten geleden de accu had gesaboteerd.

Hij hield Eva stevig bij haar bovenarm vast, terwijl ze de treden naar de veranda beklom; zij hield met twee handen haar uitpuilende, wiegende buik vast.

Alle ramen behalve één waren afgesloten met luiken, als maatregel tegen de nakende storm. Een subtiele beweging achter de vitrages ontging hem niet.

‘We zijn al opgemerkt,’ zei hij zacht.

De regen begon te vallen op het afdak van de veranda, zachtjes roffelend.

 

-8:42 PM-

‘Ik ben Lee Enfield en dit is mijn vrouw Eva.’

‘We zijn gestrand.’

Hij gebaarde dramatisch naar de donkere bomenhaag achter zich.

‘Onze auto… onze auto is ermee gestopt.’

Er waren geen andere huizen in de buurt.

Het kwam voor Lee niet als een verrassing dat er geen telefoon was, maar dat verborg hij goed.

 

-9:20 PM-

De koffie, heet en zwart, werd in de geblindeerde salon geserveerd door een mulattin huishoudster. De heer des huizes heette Edelweiss en zat in een rolstoel, een strak ingestopte geruite deken bedekte zijn geatrofieerde onderlijf. Hij had veel weg van een knaagdier, zijn oogjes spiedend vanachter zijn brillenglazen. Zijn hoofd was kaal, terugwijkend, gerimpeld in een eeuwige frons.

‘Enige idee wat er mis is met uw auto, Mr. Enfield?’

‘Noemt u me Lee, alstublieft.’ Hij krabde zichzelf achterin zijn nek. Hij deed werkelijk erg goed zijn best om verloren te lijken. Hij speelde het toneelstukje te goed, zoals amateurs dat doen. De mimiek te dik aangezet, de gebaren overdreven. ‘Wel, er zit nog genoeg benzine in. Tenminste het wijzertje geeft aan…’

‘Het wijzertje op de brandstofmeter, bedoelt u?’ vroeg hun gastheer, ‘de brandstofmeter op uw benzinetank?’

‘Ja, al zit de brandstofmeter in het dashboard ingebouwd.’

‘Werkelijk?’ zei Mr. Edelweiss, ‘Je vraagt je af wat ze nog meer gaan verzinnen.’

‘Mijn echtgenoot houdt van techniek,’ zei zijn rijzige eega. Ze was achter haar man opgedoemd en legde een blanke hand op zijn schouder. ‘Hij was horlogemaker voordat hij met pensioen ging.’

‘Mijn echtgenoot weet bijna niets van techniek,’ zei Eva beminnelijk.

‘Ik houd meer van muziek.’ De oudere vrouw wees op de ouderwetse grammofoon. ‘Maar soms kan de techniek daar ook uitkomst bieden. Zal ik een plaat spelen…?’

‘Onze gasten zijn vast moe,’ viel Mr. Edelweiss haar in de rede.

Zijn vrouw knikte. ‘Natuurlijk.’

‘Morgen, als de storm geluwd is zullen we uw auto bekijken,’ vervolgde de heer des huizes goedmoedig. ‘Bij daglicht zullen de problemen er minder onoverkomelijk uitzien, daar ben ik zeker van.’

Lee glimlachte als de onnozele lobbes.

‘Een van de bedienden zal uw bagage naar het gastenvertrek brengen.’

‘Dat zal ik zelf wel doen. De koffer is nogal zwaar.’ Lee was opgestaan en omvatte het handvat van de koffer. ‘Als uw bediende zo goed wil zijn om ons voor te gaan.’

 

-10:39 PM-

De wanden van het trapportaal waren bedekt met lijstjes vol opgespelde vlinders. Ieder glaasje was een venster op een kleurrijke symmetrische werkelijkheid. Als ze allemaal plotseling tot leven kwamen en hun vleugels zouden bewegen, zou het in de hal tot een ritselende kakofonie worden.

De huishoudster ging hen voor. Lee deed zijn best om niet naar haar schuddende achterste te kijken en Eva glimlachte omdat ze hem natuurlijk al lang had zien kijken.

 

-11:02 PM-

‘Ik zag hoe je je koffie dumpte in die pot met de grote varen, toen de heer des huizes je heel even de rug toekeerde.’

‘De smaak stond me niet aan,’ zei Lee.

‘Ben je bang dat ze ons proberen te vergiftigen?’

‘Nee,’ zei Lee, ‘Tenminste, ik denk het niet. Ik dronk de helft van mijn koffie op…’

‘En je liet mij mijn hele beker leegdrinken.’

‘Niets aan de hand. De smaak stond me gewoon niet aan.’

‘Mij ook niet,’ zei Eva nadenkend, ‘er was iets van een nasmaak, nietwaar. Iets chemisch. Ik kon het niet thuisbrengen.’

Hij had zijn jasje uitgetrokken en over een stoel gehangen. Hij ijsbeerde nu heen en weer door de kamer die hen was toegewezen, onrustig als een gekooide tijger in de dierentuin.

‘Waarom doe je dit, Lee?’

‘Wat?’

‘Het is een vreemde manier van doen, vind je zelf niet?’

Hij keek haar vragend aan.

Zij bleef ook stil. Eens te meer bedacht hij zich dat ze heel goed voor een getrouwd stel door konden gaan.

‘Wat?’ vroeg hij nog eens.

‘Je kiest een schuilnaam, vermoedelijk om onze echte identiteiten te verbergen. Ik begrijp waarom we onze echte voornamen gebruiken. Maar leg me toch eens uit waarom je zo’n achternaam zou kiezen.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik weet wat een Lee Enfield is, Lee. Deze ravenzwarte lokken zijn misschien niet mijn echte kleur, maar zo blond ben ik nu ook weer niet.’

Zijn antwoord klonk omfloerst. ‘Ik schoot met zo’n geweer. In de oorlog. Ik schoot er erg goed mee.’ Ze zou het kunnen uitleggen als verlegenheid of zelfs schaamte, maar ze wist wel beter.

‘Maar waarom zou je die bijnaam nu gebruiken?’ drong ze aan, ‘Als een aan lager wal geraakte danseres weet wat een Lee Enfield is, dan bestaat de kans dat de bewoners van dit landhuis het misschien ook weten…?

‘Ja,’ zei Lee, ‘dat is een goed punt.’

‘Waarom dan toch, schat? Van alle achternamen die je kon bedenken?’

‘Ik heb niet zoveel fantasie…’

‘Ja,’ zei ze spottend, ‘Dat moet het natuurlijk zijn.’ Eva Black was natuurlijk ook maar een artiestennaam.

De aanzwellende storm rammelde aan de luiken.

‘Is het allemaal een grap voor jou?’

‘Nee, het is mijn werk.’

‘Speurneus.’

‘Uhuh.’

‘Heb je al iets ontdekt, Mr. Enfield?’

‘Ja.’

‘Kom op.’

‘De huishoudster. Ik heb haar foto gezien in de archieven van Legrasse in New Orleans. Vermiste personen. Haar naam is… Rebba Thibidoux.’

Ze floot tussen haar tanden.

‘En wat heeft deze Rebba met het schuddende achterwerk met onze Tommy te maken?’

‘Weet ik niet… nog niet.’

 

***

 

Een moederhart stopt nooit met bloeden. Lee had al zoveel vermiste kinderen opgespoord en hij wist hoe het werkte.

Als zo’n vermist kind toevallig Thomas Hobson heette en erfgenaam was van een van de rijkste families in New York, een kapitaal verdiend met de Hobs-snoepreep, dan zou het bloeden nooit stelpen. Lee liet zich door de stroom meevoeren.

Hij had een meanderend spoor van poststempels gevolgd naar het zuiden. Raleigh. Charleston. Tallahassee. Mobile. Bogalusa. Daarna weer naar het zuiden, naar de Golf van Mexico: het spoor liep dood in New Orleans.

Tommy schreef brieven naar zijn moeder. In iedere brief smeekte hij haar om zijn onthullingen geheim te houden voor zijn vader, hij drong er zo op aan dat hij wel vurig moest hopen dat zijn moeder alles aan zijn vader zou vertellen.

Na New Orleans volgden er geen brieven meer.

Had de jongen een plekje weten te verwerven aan boord van een vrachtschip? Was hij de overtocht naar Zuid-Amerika begonnen?

In New Orleans bracht Lee twee dagen door met het vermiste personen-archief van Inspecteur Legrasse, speurend naar iets dat de radertjes in zijn hoofd zou laten klikken. Hij vond niets.

De vijftienjarige jongen kon zijn vader niet uitstaan en uit de gesprekken die Lee met de heer Hobson had gevoerd bleek dat gevoel wederzijds. Tommy was geen knip voor de neus waard, maar ja, zijn moeder… ach, u begrijpt me wel Mister Lee.

Tommy was op het spoor gesprongen met de tienduizenden werkzoekenden en daklozen, zwervers en hobo’s van allerlei allooi. Soms sliep en at hij in de talloze Hoovervilles, de krottenwijken en tentsteden die langs heel de oostkust als paddenstoelen uit de grond schoten. Hij schreef dat hij bedelend aan zijn dagelijks brood kwam. Soms mocht hij stoepen schoonvegen voor winkeliers. Er was, volgens de jongen, nog genoeg goedheid in de mens. Hij was zelf geen hobo: hij had plannen voor de toekomst, plannen genoeg, terwijl hij in de rij stond voor de soepkeukens.

Hij schreef met de kinderlijke naïviteit van een jongeman die nooit honger had gehad. Hij refereerde veelvuldig aan de figuren uit het kinderboek Wind in the Willows. Hij zou niet opgroeien tot een Mr. Toad. Verdeel mijn erfenis maar onder de armen, schreef hij, ik zal mijn eigen weg in de wereld vinden. Hij zou bij het circus gaan. Een paar brieven later was het een soort pinkstergemeente die zat te springen om zijn inzichten. Visioenen noemde hij het.

De brieven van de jongen werden steeds vreemder.

 

11:45 PM-

Eva was bezig zich te ontkleden. Ze had plaats genomen achter een kamerscherm met sampans in sepia erop. Ze had haar jurk al uitgetrokken en over een stoel uitgehangen. Haar bottines droeg ze nog, strakke rijglaarsjes met hoge hakken. Ze stroopte nu juist haar dikke buik onder haar onderjurk vandaan en liet hem achteloos op de vloer glijden, daarbij iets in zichzelf mompelend over de hitte in het zuiden.

Alsof ze hem voelde kijken, draaide ze zich naar hem om.

‘Meneer Lee!’ zei ze speels, ‘wat een manier om uw bruidje te besluipen.’

Hun blikken vonden elkaar in de spiegel van de kaptafel. Hij grinnikte wat onbeholpen, stak zijn handen op alsof hij zich overgaf. Hij nam plaats op de rand van het bed, zodat hij met zijn rug naar de actrice zat, en haar ook niet meer in de spiegel kon bekijken.

Hij liet zijn bretels van zijn schouders afglijden en begon zijn overhemd los te knopen.

‘Het is hier inderdaad heet als in de kont van de duivel.’

 

***

 

De opkomst van de cinema bewerkstelligde de ondergang van het vaudeville. De meest gewiekste artiesten omarmden de nieuwe kunstvorm en verpopten tot filmsterren van het kaliber Chaplin of de Marx Brothers. Maar de overgrote meerderheid van de danseressen, muzikanten, goochelaars en komieken wachtte slechts de dalles.

Eva Black, voorheen danseres, pantomime-speelster en actrice, stapte nu rond in een glinsterend en nauwelijks iets aan de verbeelding overlatend kostuumpje. Als goochelaarsassistente liet ze zich door midden zagen en met zwaarden doorsteken door de Grote Johnny Delamere.

Toen Lee haar telegrafeerde met het vooruitzicht van een betaalde rol als zijn echtgenote, aarzelde ze geen moment. Twee dagen later kon hij haar ophalen op het station in New Orleans. Hij zorgde ervoor dat hij nuchter was, met zijn haar glimmend van de brillantine, strak achterover gekamd. Hij had het minst sleetse van zijn twee pakken aan, het bruine. Zijn fedora had hij in de hand.

 

-1:26 AM-

Hij voelde zich bekeken in deze kamer. Er was een overdadigheid in het interieur, die getuigde van een ongezonde verzamelwoede. Ieder stukje van de wand was bedekt met ingelijste foto’s van verschillende  afmetingen en composities; ze vulden de wanden als puzzelstukjes. Waar waren de aanwijzingen in al deze informatie? Waar was het begrip? De waarheid… hij moest om zichzelf lachen.

Hij had plaats genomen aan de kaptafel en staarde in de verweerde ovale spiegel naar zijn verraderlijke reflectie; altijd twintig jaar ouder dan hij verwachtte. In ieder geval ouder dan de 44 verjaardagen die hij min of meer had meegemaakt.

Hij nam een lik haarpommade en smeerde zijn bezwete haar, dat nu al bijna volledig grijs was, maar weer achterover. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. De adertjes in zijn brede neus gesprongen. Alle kenmerken van een dronkaard. Als je aanwijzingen begon te missen, moest je stoppen met drinken. Of in ieder geval minder gaan drinken.

 

***

 

Schoorvoetend was Lee Kahura vanuit New Orleans aan de terugtocht begonnen. Speurend naar aanwijzingen die hij gemist kon hebben tijdens zijn reis naar het zuiden. Hij geloofde niet echt dat hij iets zou vinden, het spoor was al maanden koud, maar hij probeerde zijn onderzoek zo lang mogelijk te rekken. De wekelijkse vergoeding van de familie Hobson was wat hem momenteel nog aan het eten hield; zonder een vermogend opdrachtgever wachtte ook een zelfstandig privédetective de eenrichtingsgang naar de soepkeukens.

 

In Bogalusa, de tweede maal, had hij mazzel. Hij vond het spoor terug in een speakeasy in een oude loods, onder de rook van de enorme houtzagerij. Terwijl er in heel het land stemmen opgingen om de drooglegging op te heffen, dook hij nog maar eens in de illegaliteit. Vastgeroest in zijn manieren. Hij zat schouder aan schouder met de fabrieksarbeiders, kerels met koppen als verweerde boomstronken en knoestige handen waaraan bijna zonder uitzondering vingers ontbraken, en hij moest iets van medelijden bij hen geoogst hebben, misschien zelfs sympathie. De zelfstook was koppig en Lee wanhopig, een fatale combinatie; hij dronk meer dan hij kon hebben en hij vertelde meer dan dat hij vroeg, en zo kwam ook de zaak waaraan hij werkte ter sprake. De weggelopen erfgenaam. De visioenen. Een pad die rijdt op een haan, dat soort dingen.

‘Dat beeld ken ik,’ zei een van zijn drinkebroers, die zei Leonard Hushka te heten, een man die al voor de Grote Oorlog uit Litouwen was geëmigreerd. ‘Dat is het wapen van de Edelweiss familie. Een pad rijdend op de rug van een haan ’

Na sluitingstijd, op het onverharde parkeerterrein, nadat Lee zijn ingewanden uitgespuugd had, spraken ze verder. Hushka hield hem op de been, sleepte hem terug naar zijn auto.

‘Als een pad een ei legt op een mestvaalt en een haan broedt het uit, dan komt er een basilisk uit het ei,’ fluisterde Hushka, zijn ogen vochtig. ‘Dat ei heeft geen schaal en het is leerachtig. De basilisk is de koning van alle serpenten. De slangdraak.’

Ze waren in de cabine geklommen, om gebroederlijk hun roes uit te slapen.

‘De basilisk is een kleine hagedis met een witte kam op zijn hoofd, en zijn blik betekent de dood voor plant, dier of mens.’

Hij viel in slaap met de stem van Hushka in zijn dromen.

 

-2:34 AM-

Bah, Lee, een casanova ben je beslist niet! Had hij Eva dan alleen maar meegevraagd om naast haar in bed te kunnen kruipen?

Een betere dekmantel kon hij zich niet voorstellen: wat riep meer sympathie op dan een zorgzame echtgenoot en zijn hoogzwangere vrouw?

Hij betrapte zichzelf er steeds vaker op dat hij nostalgisch werd en navelstaarderig. Als hij aan een zaak werkte, was het vooral alsof hij zichzelf bestudeerde. Alsof hij een broodkruimelspoor volgde door zijn eigen herinneringen. Het was in zijn werk zaak om de motivatie te doorgronden van degenen die hij op probeerde te sporen, maar tegenwoordig dacht hij er steeds meer over na hoe de gebeurtenissen uit de zaak zich tot zijn eigen persoon verhielden.

 

‘Doe de kamerdeur achter me op slot,’ zei hij, ‘en schuif een stoel onder de deurklink. Je weet maar nooit.’

‘Als je denkt dat het gevaarlijk wordt, zou je me dan wel alleen laten?’ vroeg zij, met grote donkere plots vochtige ogen. Hij kon niet vaststellen in hoeverre ze acteerde, of dat haar ongerustheid echt was.

‘Gewoon een voorzorgsmaatregel. Ik kijk wat rond en ben zo weer terug.’

 

***

 

Tijdens de heenreis hadden ze gegeten in een diner genaamd Moe’s, aan een parkeerplaats langs de weg. Hij at een biefstuk, zij probeerde de alligatorworst met uienringen. Ze aten op kosten van Hobson senior.

‘Ben je eigenlijk nog wel eens terug geweest?  Naar Nieuw-Zeeland?’

‘Nee.’

‘Waarom niet.’

‘Geen behoefte aan. Na de oorlog brachten ze me naar een ziekenhuis hier. Ik ben nooit meer weggegaan.’

‘Ben je gewond geraakt?’

‘Nee, ik was alleen de kluts kwijt.’

‘Denk je er nog aan?’

‘Nee, nauwelijks nog,’ loog hij.

‘Heb je nog familie in Nieuw-Zeeland?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik ook niet,’ zei ze, ‘mijn ouders zijn ook al lang dood.’

Ze legde haar hand op zijn gespierde onderarm, alsof ze hem wilde beletten om de vork naar zijn mond te brengen. Ze streelde zijn arm en lachte naar hem.

Ze kenden elkaar uit een danshal. Ze was zo lief geweest om met hem te dansen. Hij verraste haar, was lichtvoetiger dan zijn uitsmijtersfysiek deed vermoeden.

 

-2:50 AM-

Hij sloop op kousenvoeten door de gang, maar de oude parketvloer kraakte bij iedere stap. Niemand zou het horen; het hele huis kreunde in de storm. Ergens aan het huis klapperde een luik dat niet vastgezet was en de regen roffelde oorverdovend op de daken. Alsof hij in een blikken trommel was gekropen.

Zijn alibi had hij klaar. Als hij iemand tegen zou komen, zou hij hen vragen waar het toilet was. Argwaan, zo had hij over de jaren geleerd, was het best te bestrijden met onomwonden stompzinnigheid.

Hij luisterde zorgvuldig aan iedere deur die hij passeerde. Als hij niets hoorde, opende hij de deur en bekeek snel of de kamer tekenen van bewoning vertoonde. Zo passeerde hij een drietal gastenkamers, en een kleine bibliotheek.

‘Slechts mijn echtgenoot en ik. En onze huishoudster en Edgar,’ had Mrs. Edelweiss op zijn vraag geantwoord, ‘slechts wij viertjes in dit enorme huis.’ Lee geloofde er niets van. In zijn hoofd bestond nog steeds de theorie van een sekte, die naïeve Tommy naar zich toe had gezogen en omarmd.

 

Hij vond een steile trap naar de zolderetage, maar bovenaan eindigde die in een deur die op slot zat. Met zijn oor tegen de deur hoorde hij een doordringend gezoem dat hij niet kon thuisbrengen. Het was alsof hij zijn oor tegen een koekoeksklok gedrukt hield, alsof hij het geheime uurwerk dat dit landhuis in stand hield kon horen. Wat een vreemde gedachte. Hij bedacht zich dat het was alsof hij droomde, terwijl hij zeker wist dat hij wakker was. Het gegeven van een lucide droom, waarin je wist dat je droomde, was Lee vreemd. In zijn slaap geloofde hij dat wat zijn onderbewuste hem voorschotelde. En als hij genoeg dronk, dan kon hij zich zijn dromen niet eens herinneren.

Wat had er in de koffie gezeten?

Hij daalde de zoldertrap weer af en zocht verder op de eerste etage.

Achter een van de deuren vond hij een soort archief. Hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich, alvorens hij zijn zaklamp aanknipte. Alle wanden waren bedekt met apothekerskasten tot aan het plafond. Op goed geluk schoof hij enkele laatjes open en scheen erin. Brillen, kunstgebitten, oorbellen, toneelsnorren, broches, ringen, zakhorloges, toupettes. Ieder laatje had een label met een naam, achternaam eerst, voornaam erachter. De kaartjes waren niet alfabetisch gerangschikt, hij kon er geen classificatiesysteem in ontdekken. De uitwassen van een krankzinnige geest.

Bijna onmiddellijk trof hij ‘Thibidoux, Rebba’ aan, maar haar laatje was helemaal leeg. Na een tijdje vond hij, op goed geluk tussen die honderden onbekende namen, de naam waarnaar hij zocht. ‘Hobson, Thomas’. Toen hij het laatje leeghaalde trilden zijn handen; een pakje kauwgum, een zakmes, een zilver kettinkje met een St. Christopher-medaillon, en een bril die hij herkende van de foto’s die hij had gezien van de jongen. Onderop lag een beduimelde paperback, Wind in the Willows, de rug stukgelezen. Hij propte de voorwerpen in zijn broekzakken, bewijsmateriaal. De paperback stak hij achterin zijn broeksband.

Terug op de gang, vroeg hij zich af of er ook al een laatje was met zijn naam erop. Maar dat was een gestoorde gedachte. En bovendien was er geen tijd.

 

-3:32 AM-

Zijn handen klemden zich om de balustrade totdat zijn knokkels wit werden. Met stokkende adem tuurde hij in de diepte onder hem. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd.

Een bliksemflits door het raam had haar gedaante geopenbaard als een lichte schim op de parketvloer van de hal.

Bewegingloos.

Hij worstelde met een coherente gedachte. In zijn hoofd fladderde en krijste het als in een opgeschrikte volière.

Het was geen opzet geweest, verzekerde hij zichzelf.

Hij had haar alleen opzij willen duwen. Hij had haar arm vastgepakt en haar een slinger gegeven. Misschien ruwer dan nodig was geweest. Hoe kon ze… ze moest met haar heupen tegen het gepolitoerde hek geslagen zijn en door haar momentum erover heen gekieperd. Zo moest het gegaan zijn.

Hij maakte zichzelf los van de balustrade. Trok zijn zaklamp tevoorschijn. Maar de lichtbundel slaagde er nauwelijks in om de duisternis te penetreren, haar lichaam bleef begraven als op de bodem van een put.

Hij begon de halfronde trap af te draven.

Hij had de dienstmeid alleen maar opzij willen zetten. Het was alsof hij de verdediging oefende die hij later zou aanvoeren voor een jury. Zelfs in zijn hoofd klonk het al ongeloofwaardig.

Maar het was de waarheid.

Moest het zijn.

Ze lag op haar rug. Haar rechteronderbeen in een haakse hoek naar buiten. Verkeerd. Haar armen gespreid, alsof ze had proberen te vliegen, alsof ze haar armen had uitgeslagen als waren het vleugels.

Het bleke licht van zijn lantaarn toonde geen bloed, slechts een kleurloze vloeistof die onder het lichaam vandaan vloeide.

Haar huid was bleek als marmer.

Haar gezicht was weg.

Hij grinnikte de spanning van zich af.

Het was natuurlijk een paspop die ze hetzelfde kostuum hadden aangetrokken als de mulattin.

Iemand speelde bizarre spelletjes met hem.

Waar was de meid gebleven? Zat ze in het duister weggedoken, ergens boven op de overloop?

Hij scheen om zich heen, speurend naar verscholen kwelgeesten, maar de hal leek verlaten.

Hij hurkte neer bij de pop, de paperback achterin zijn broeksband herinnerde hem aan Tommy. De bleke huid glom als porselein, maar had de consistentie van rubber toen hij zijn stompe wijsvinger erin drukte.

Het gelaat was glad als een spiegel.

Op nog geen armlengte boven de pop lag een donkere, gekrulde pruik.

Daarnaast lag nog iets anders dat hij niet direct kon thuisbrengen.

Een masker, zag hij toen hij het oppakte.

De holle achterzijde was overdekt met een patroon van lijnen en wervelingen, dat hem aan een sterk uitvergrote weergave van een vingerafdruk deed denken.

En toen hij het masker omdraaide in zijn handen keek hij in het levensechte gelaat van Rebba Thibidoux. Ze hield haar ogen gesloten en haar mond dicht, maar ze was het.

Hij liet het vallen.

‘Kom tevoorschijn,’ zei hij tegen het duister. ‘Ik laat niet meer met me spelen.’ Maar zijn stem klonk schor en iel.

Alleen de donder gaf antwoord als een dier dat gromde.

 

-3:45 AM-

Terug op de kamer. Zwetend, geagiteerd. Zijn polshorloge geeft kwart voor vier aan.

‘Het is hier gevaarlijk,’ zei hij. Hij borg het bewijsmateriaal in de koffer.

‘Wat is dat allemaal? Wat is er gebeurd? Lee? Zegt het me, Lee.’

Hij drukte Eva zijn Remington in de hand. ‘Je wijst ermee, en haalt de trekker over. Eén keer. En dan nog een keer. Twee schoten.’

Ze pakte zijn onderarm vast met haar vrije hand, starend naar het wapen in haar slanke rechterhand.

‘Je gaat die twee kogels niet nodig hebben. Ik blijf in de buurt.’

‘Laten we weg gaan,’ zei ze hees en hij hoorde dat haar paniek nu echt was, ‘terug naar je auto. Weg van hier. Weg van al deze narigheid.’

‘Ik moet kijken of de jongen hier geweest is.’

‘Nee, Lee. Je laat me hier niet alleen.’

‘We doen het zoals daarnet. Je doet de deur op slot. Stoel onder de klink. Dan verstop je je in de kledingkast en houdt de derringer in de aanslag.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kan ik niet, Lee.’

‘Jawel, meid, je…’

‘Nee, ik kan het niet. Niet in de kast. Ik kan niet tegen kleine ruimtes… dat is iets uit mijn jeugd.’

‘Maar ik heb je…’

Ze kapte hem af door met haar hoofd te schudden.

‘Zolang mijn hoofd er niet in hoeft, gaat het best. Johnny kan me doorzagen en met zwaarden doorsteken, zo lang mijn hoofd maar buiten de doos blijft. Maar zijn verdwijntruc kan ik niet. Om in die doos te kruipen… het is alsof ik doodga. Alsof ik stik. Mijn maag draait al om wanneer ik eraan denk.’

Hij legde zijn grote, grove hand op haar schouder.

‘Het is goed, Eva. Als je iets aan de deur hoort morrelen, verstop je je achter de gordijnen, met de derringer in de aanslag. Oke?’

Ze bleef hem aankijken met holle ogen.

‘Ik ben binnen tien minuten terug oké?’

‘Oké.’

Hij liet haar de derringer richten, terwijl hij achter haar kwam staan.

‘Armen niet helemaal strekken.’

Zijn eeltige vingertoppen verkenden de zachte huid van haar polsen, de aangespannen muis van haar bovenste hand, het bot van haar duim, en toonden haar hoe ze de haan moest spannen. ‘Dan haal je de trekker over. De bovenste loop wordt afgevuurd. Nog een keer de haan spannen en vuren, dan wordt automatisch de onderste loop afgevuurd.’

Hij vertelde haar niet hoe de kleine .38 in haar handen zou schokken; alsof je een klap met een honkbalknuppel op je handen kreeg.

Hij hielp haar de haan weer ontspannen. Liet haar toen los. Haar zweet rook verrukkelijk. Zelfs een situatie als dit weet je nog te erotiseren, gekke ouwe man, dacht hij bij zichzelf, wat is er mis met jou?

Alleen voelde het niet mis. En hij voelde zich niet oud. Op momenten als dit, volop in actie, zo’n moment dat om kon kantelen in een vuurgevecht, doden of gedood worden, op zulke momenten voelde hij zich beter dan ooit.

 

-3:51 AM-

De flits schroeide zijn oogballen nog. Hij draafde de trap naar de zolder op. Op de bovenste trede stond hij klaar en toen de donder weer aanrolde, trapte hij uit volle macht tegen de deur. De zool van zijn schoen trof de deur als een stormram, vlak onder de deurknop. De metalen lip van het slot brak af, de deur klapte open als door een windvlaag. De deurknop aan de andere zijde had zich begraven in het stucwerk.

Hij schrok van de gedaanten in de kamer, schouder aan schouder, wachtend in het duister. Hij richtte zijn revolver, begreep toen dat het paspoppen waren. Ze hingen met hun oksels aan een soort kapstokken uit het plafond.

Anderen waren gedemonteerd: losse armen en benen staken met bossen tevoorschijn uit kratten. Torso’s, hoofden zonder gezicht en bolvormige buiken lagen her en der over de grond verspreidt, alsof iemand –tevergeefs- geprobeerd had om ze tot bergjes te stapelen.

Hij nam zo’n los hoofd van de grond, keek er naar, alvorens het weer te laten vallen.

 

***

 

Een gedeconstrueerde detective. Een explosieafbeelding waarin alle onderdelen uit elkaar zweefden, zo zag hij zichzelf, lijdend voorwerp in een macabere goocheltruc. Alle onderdelen van elkaar gescheiden, hun bedoelde samenhang slechts schematisch weergegeven. De belofte aan integratie leek vervlogen. Rebba Thibidoux, Tommy Hobson, Eva Black, Edelweiss en zijn vrouw, Hushka en zijn basilisk… wat hadden ze met elkaar van doen? Waren ze meer dan schimmige passanten in deze parade die kaleidoscopisch aan zijn zinnen voorbij trok?

 

-4:02 AM-

‘Ik geloof dat mijn vader hier is,’ zei Eva toen hij terugkeerde van de zolder. Ze zat op de uiterste rand van het bed, haar armen om zichzelf heengeslagen. Ze zag eruit alsof ze in zichzelf had willen verdwijnen.

‘Je hebt me verteld dat je vader gestorven is toen je nog maar een meisje was.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat is zo. Maar ik heb hem horen zingen. Hij neuriede dat liedje als hij de trappen omhoog kwam naar onze voordeur. Ik kon hem horen aankomen en dan probeerde ik me te verstoppen.’

‘Ze spelen spelletjes met ons, Eva. Ze proberen in onze hoofden te kruipen…’

‘Het was Black Girl…dat zong hij altijd. Altijd als hij gedronken had.’

‘Rustig meid. Laat je niet op stang jagen.’

‘Het was zijn stem!’ schreeuwde ze. Hij sloeg zijn hand over haar mond. Ze probeerde te schreeuwen en zich los te wurmen, maar hij hield haar gemakkelijk vast.

‘Stil,’ siste hij haar toe, ‘wees dan toch stil.’

Met haar vochtige ogen groot in haar gezicht staarde ze hem aan, over de knevel van zijn gebruinde hand. Ze knikte. Hij liet haar los.

‘Ik ben stil,’ zei ze schor.

‘Blijf hier,’ zei hij hardvochtiger dan hij wilde, ‘doe de deur achter me op slot. Ik ga die rotzakken overmeesteren. Dan stellen wij de vragen!’

 

-4:20 AM-

Het onweer was een ongeziene toneelknecht die in de coulissen stond te wapperen met een dunne plaat ijzer. Alles leek Lee gesimuleerd. Het huis was een poppenhuis met kartonnen wanden.

Meer dan ooit zocht hij nu de confrontatie. Dwaalde door de vertrekken op de begane grond met zijn revolver in de hand.

Een krakend slissen vulde de salon, als van een serpent dat zich verborgen had onder een van de fauteuils of de koffietafel. Er lag een plaat op de grammofoonspeler. Iemand had hem opgewonden en de naaldarm geplaatst.

Plots sneed er een schelle fluittoon door het vertrek… en Lee zette zijn voet op de onderste trede van de greppelladder.

 

Vlak voor het offensief verloren de manschappen hun verstand. Sommigen zaten geknield op de vuurbank te bidden. Anderen bekeken de foto’s van hun familie en weenden. Er waren er die van de spanning hun urine lieten lopen of moesten braken. Ze hadden allemaal hun dubbele portie rum opgedronken. Er werd gerookt. Sommige soldaten omhelsden elkaar, klampten zich aan elkaar vast. Soms had er iemand gejammerd of geschreeuwd dat hij niet ging, dat hij zich niet de dood in liet jagen, maar die werden door de sergeant met het pistool bedreigd. De sergeant stak een hand op, vijf vingers. Nog vijf minuten. Pijpen werden gedoofd en opgeborgen. Foto’s weggestoken. De gasmaskers gingen op en de bleke verwrongen gezichten verdwenen. Het trommelvuur hield aan. De aarde schudde van de onophoudelijke bombardementen.

Als de fluit ging, werden de greppelladders gezet en klommen de soldaten moeizaam met hun zware bepakking omhoog. Het niemandsland wachtte op hen.

 

Terug in het hier en nu, veegde Lee de grammofoonspeler van het tafeltje. Was dit het helse apparaat waarmee ze Eva gek maakten?  Hij stampte er een paar keer op. Hij was nog moederziel alleen in de salon. Hij voelde zich steeds verder verwijderd van de rest van de mensheid. Een grijsaard afgeduwd op een ijsschots. Steeds verder afdrijvend,  het onpeilbare zwarte niets van het heelal in, waar hij als een eenzame ster aan het firmament zou uitdoven.

 

-4:22 AM-

Eva kon hem weer horen zingen.

Black girl, black girl, don’t lie to me

Ze hoorde de neuzen van zijn afgetrapte werkschoenen langs de traptreden schaven. Haar vader was onvast ter been als hij gedronken had. Hij steunde op beide trapleuningen als een invalide. Sleepte zichzelf omhoog al een beest zonder ruggengraat.

Where did you stay last night?

Hij was een goede echtgenoot en een goede vader, dat had haar moeder bij hoog en laag volgehouden. Maar als hij had gedronken, voer er een duivel in hem. De drank veranderde hem in iets wilds, iets dat niet te temmen of kalmeren viel. Als vader zijn loon kreeg aan het einde van de week, kwam hij pas laat thuis uit de kroeg. Maar tegen die tijd had haar moeder zich al opgesloten in de badkamer. Ze sliep in de badkuip met haar kinderen in haar armen. Soms raasde en tierde haar vader aan de deur, hij rammelde en bonsde en gromde verschrikkelijke dreigementen. Andere keren viel hij voor de deur in slaap en zijn raspende ademhaling was als de klauw van een dier dat zich scherpte langs het hout.

I stayed in the pines where the sun never shines

Toen Eva ouder werd nam haar moeder haar niet langer mee de badkamer in.

And shivered when the cold wind blows.

Toen er geklopt werd legde Eva de derringer op het dressoir, stond op en deed de deur open.

 

***

 

‘Ken je Johnny Delamare eigenlijk?’ vroeg Eva, terwijl ze haar lippen depte met een papieren servet. De alligatorworst had haar gesmaakt.

‘Niet persoonlijk,’ zei Lee. ‘Ik heb over hem gehoord. Bekende figuur in sommige kringen. Rare vogel ook.’

‘Ach, hij is niet kwaad. Een van de betere bazen die ik gehad heb in mijn loopbaan. Het is jammer dat hij zo slecht betaalt, maar verder…’

‘Is het ooit anders?’

‘Vroeger was het ook geen vetpot, maar toen kon een meisje nog een redelijk loon bij elkaar sprokkelen. Nu zijn alle grote theaters dicht en de zaaltjes die overblijven zijn armoedige knijpen.’ Ze draaide haar koffiekopje tussen haar vingertoppen, keek naar het bodempje koffie alsof ze haar toekomst bestudeerde in een kristallen bol. ‘Laat ik het zo zeggen: ik ben een van de weinige meisjes op die tonelen dat haar kostuum aanhoudt.’

Lee gromde instemmend.

‘De shows van de Grote Delamare slaan ook niet erg aan bij dat publiek. Hij ziet zichzelf als de opvolger van het Grand Guignol-theater uit Parijs. Hij heeft een macabere inslag, mijn Johnny. Wanneer hij me doormidden zaagt moet ik plots schreeuwen en dan druppelt er nepbloed uit de kist op het toneel, en hij zorgt dat hij het op zijn handen krijgt en in zijn gezicht smeert en dan speelt hij dat hij in paniek raakt. Zo nu en dan is er iemand in het publiek die schrikt, maar de meeste klanten zitten in hun glas te staren, tijd te doden tot het volgende paar opwippende tepelkwastjes voorbij komt.’

‘Is het waar dat hij zich vermomt?’ vroeg Lee.

‘Ja, hij heeft allerlei vermommingen. Hij heeft er aardigheid in om zich te verkleden en dan iets aan je te komen vragen met een verdraaide stem en hele andere maniertjes. Hij maakt er een sport van, om je dan tweemaal vlak achter elkaar te benaderen, éénmaal als zichzelf en éénmaal als iemand anders. Het doet hem genoegen als hij niet herkend wordt.’

De serveerster kwam om hun koffiekoppen nog eens vol te schenken.

‘Volgens mij verkleedt hij zich ook wel eens als vrouw,’ zei Eva zachtjes, ‘Maar dat mag je tegen niemand vertellen, oke? Beloof je dat?’

Lee beloofde het, hand op zijn hart.

‘Johnny was best al verbolgen dat ik er met jou vandoor ging, wist je dat? Vakantie noemde hij het. Ik geloof dat hij denkt dat wij een verhouding hebben.’

‘Hij is natuurlijk zelf verkikkerd op je…’

‘Nee, dat geloof ik niet. Meestal weet ik dat wel.’

Ze bleef Lee aankijken, tot Lee zijn blik afwendde en uit het raam van de diner staarde alsof er iets te gebeuren stond op de uitgestorven parkeerplaats.

‘Johnny heeft tenminste nooit iets geprobeerd.’

Voorzichtig nam ze een slokje van haar verse, hete koffie.

‘Ik hoop maar dat hij geen nieuwe assistente gevonden heeft als ik terugkom.’

‘Vast niet.’

‘Meisjes genoeg.’

‘Maar geen van hen zo talentvol of mooi als jij, miss Black.’

‘Da’s lief van je Lee. Maar hoeveel talent heeft een meisje nodig om zich door te laten zagen door de Grote Delamare?’

 

-4:50 AM

In de kelder was het vochtig. De storm bovengronds leek hier onbeduidend. Er brandt elektrisch licht. De dokter was aan het werk.

Boven de brancard was een verstelbare standaard met een ijzeren ring zo groot als een etensbord. De ring had tanden: een bijna gesloten diafragma vulde het binnenste van de ring. De snijrand was vlijmscherp en gewassen met bloed.

Edelweiss hield zich staande aan het aanrecht, wankel op benen die mager en krom waren, gevat in ijzeren beugels. Een loep op een verstelbare harmonica-arm vergrootte zijn linkeroog tot wanstaltige proporties. Betrapt.

‘Hallo horlogemaker,’ zei Lee. En toen: ‘Waar is ze?’

Met gehandschoende vingers lichtte Edelweiss het gezicht van Eva Black uit een ondiepe schaal met groene prepareervloeistof. Teder veegde hij haar gelaatstrekken schoon en hield het masker toen naar Lee op.

‘Waar is de rest van haar lichaam?’ gromde Lee.

‘Niet meer nodig. We zullen haar een nieuw lichaam schenken. Een lichaam dat geen ouderdom, ziekte of gebrek kent.’ Hij kneep wat met zijn ogen, achter de brillenglazen.

Schuifelend langs de aanrecht, dan overstekend naar de brancard probeerde hij terug te komen naar waar zijn rolstoel stond.

‘Ze was uitverkoren en ze heeft de roep beantwoord. Ze was een gekwelde ziel, die zocht naar een uitweg. Die heeft ze nu gevonden. We hebben haar gevonden, zoals zij ons vond. Net zoals jij bent gekomen om de brokstukken van je leven te laten lijmen.’

Lee was nu vlakbij, stapte tussen Edelweiss en de rolstoel. Het gezicht van de kreupele oude man was ter hoogte van zijn borstbeen, keek naar hem op.

‘Beste jongen,’ fluisterde de dokter hees, ‘er is een uitweg uit al dit bloederig gedonder…’

 

-5:07 AM-

Toen Lee terugkeerde op zijn kamer, waren de randen van zijn mouwen roze bevlekt. De wildeman die vanuit de spiegel naar hem loerde, keerde hij de rug toe. Met zijn grote handen streek hij zijn haar achterover, smeerde het vast tegen zijn schedel.

Hij probeerde zijn vuist in zijn mond te duwen.

Later hervond hij zijn kalmte.

Hij legde de koffer op het bed en haalde de foedraal met zijn gedemonteerde Lee Enfield geweer tevoorschijn en zette het met efficiënte handelingen in elkaar, laadde er kalm en beheerst tien .303 patronen in.

Hij schroefde de heupbus open die hij al die jaren bewaard had en haalde het Duitse gasmasker eruit. Zette het op. Verstelde kalm en beheerst de gespen, zodat het leren masker als een extra huid over zijn gezicht sloot. Het masker sloot de wereld buiten, het kapselde hem in, sloot hem op met zijn eigen ademhaling en het ruisen van zijn bloed in zijn oren. De rasters voor zijn ooggaten deelden de wereld in segmenten, alsof hij alles bezag door een vergeeld glas-in-lood-raam. Het gewicht van de opschroeffilter aan zijn mondstuk was een vertrouwd bungelend gewicht wanneer hij zijn hoofd draaide, als een mechanisch wezen, herrezen uit de loopgraven.

Daarna pakte hij zijn koffer weer in, de weinige dingen die hij vanavond had uitgepakt. Zijn colbert, zijn overhemd en stropdas. Hij zocht ook de spullen van Eva bijeen, die aanzienlijk meer verstrooid had over hun gastenkamer. Haar toiletartikelen, het zilveren sigarettendoosje op de rand van het nachtkastje. De met veren gevulde kunstbuik. Haar jas en parmantige hoedje. Hij raapte haar bottines op en klemde ze even tegen zijn borst, een ogenblik maar, voordat hij ze ook aan de koffer toevertrouwde.

Alles ging terug in de grote koffer die ze gedeeld hadden als echtpaar Enfield.

Als laatste pakte hij ook haar gezicht in. Hij vouwde het in haar reserve-onderjurk en deed het allemaal in de koffer.

 

Hij sjouwde zijn koffer naar buiten, met het geweer in zijn vrije hand. Hij was klaar voor tegenstand, maar niemand probeerde hem tegen te houden. Buiten spetterde het nog, maar de ergste storm was al voorbij getrokken. Door zijn masker kon hij de frisse lucht niet ruiken. Hij liet de koffer op de veranda staan – en met het geweer in twee handen voor zijn borst, ging hij het huis weer binnen.

 

-5:46 AM-

Lee trof de vrouw des huizes aan in de salon waar ze in de vooravond koffie hadden gedronken. Ze stond te kijken naar de grammofoon die hij had stuk geworpen op de grond, een uitdrukking op haar gelaat alsof ze overweldigd werd door triestheid. Hij sloeg de bejaarde vrouw met de kolf van zijn geweer tegen de grond. Met zijn laars op haar borst, probeerde ze nog iets te zeggen. Maar hij schoot haar door het gezicht voordat deze laatste woorden haar mond verlieten. De knal weerklonk als de donder door de kamer, kaatste tegen de lambrisering en de gepolitoerde meubelen.

De huishoudster Rebba Thibidoux vond hij terug in de keuken. Met haar hoofd iets scheef en een keukenmes in iedere hand kwam ze naar hem toe, maar hij schoot haar door het hoofd voordat ze hem bereikte.

Edgar kwam de trap afgerend, gealarmeerd door de schoten. Of kenden ze elkaars gedachten, als mieren in een mierenhoop waarin hij geroerd had? Lee talmde niet, hij legde aan en schoot voordat Edgar halverwege de afdaling was. De benen van de bediende bezweken en het gedrongen lichaam rolde omlaag en kwam pas op de plavuizen tot stilstand, levenloos aan Lee’s voeten.

Geen van hen was menselijk.

Poppen. Hij verwijderde de kapot geschoten gezichten en wierp ze terzijde. De vloeistof die ze lekten was doorzichtig en stroperig.

 

Achter het huis, in een golfplaten schuurtje vond hij een olietank. Onder het oorverdovende kabaal van de generator vulde hij twee jerrycans. Daarmee ging hij terug naar het huis, zijn geweer aan de band over zijn schouder.

Hij besprenkelde de vloeren van alle ruimtes op de begane grond. Eerst één jerrycan leeg gietend, daarna de tweede. De neergeschoten paspoppen overgoot hij rijkelijk.

Op de veranda stak hij een met olie doordrenkte lap aan, wierp hem door de openstaande deur over de drempel.

 

-6:12 AM-

De regen was opgehouden. De oprijlaan was een lagune. Afgerukte boomtakken staken als de armen van drenkelingen uit de modder en het water omhoog. In de plassen weerspiegelden scherven van de flamingo-roze ochtendhemel. Een koor van opgewonden kikkers verborg zich achter de gehavende cipressen.

Zwaarbeladen begon Lee aan zijn terugtocht naar de auto. Al snel gaf hij zijn pogingen om van eilandje naar modderig eilandje te stappen op. Met soppend schoeisel en doorweekte broekspijpen marcheerde hij voort, door het bijna kniediepe water. Zijn gasmasker op, de Lee Enfield over zijn schouder, het was alsof hij weer terug was aan het front.

Achter hem brandde het huis als een lier. De vlammen sloegen uit de ramen en zwarte wolken rezen op als gebeeldhouwde pilaren om de hemel te stutten.

Vanaf de hoofdweg keek Lee nog een keer om. Daarna zocht hij zijn auto op.