De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Horror

Genres

Category Archives: Horror

Het spook in het homobos – Dirk Bontes

‘Godsallemachtig!’ Ron Opdekast gooide de fles met shampoo tegen de muur van zijn badcel. De groene shampoo spatte eruit. Hij keek ontzet naar zijn erectie, waar een gifgroene kikker tegenaan gekleefd zat. Die zat er al uren. En wilde maar niet loslaten. Hij had gedacht dat het beest wel zou loslaten wanneer hij een douche nam. Hij had gedacht dat het beest wel zou loslaten wanneer hij het bedolf onder een berg shampoo. Maar neen, neen, neen! Het beest liet niet los. Het bleef onwrikbaar aan zijn erectie vastgekleefd zitten – hetgeen de reden was dat hij een erectie had.

“Wil je een lekker wijf? Vermijd super-hiv! Houd anderhalve meter afstand!” had de advertentie met schreeuwende letters opgeroepen. “Masturbeer met een erectiekikker! Dat is hygiënisch en biologisch! Honderd procent natuur! Nooit meer handen met een geurtje! Bevrediging gegarandeerd! In de kleuren geel, groen, blauw en rood. Honderd procent legaal!”

Laat ik ook eens modern zijn, had hij gedacht. Maar wat de advertentie en de gebruiksaanwijzing hem niet hadden verteld, was dat die kikker niet losliet.

Hij raapte de fles shampoo op, deed hem dicht en zette hem neer. Verdomme! Hoe droog je een penis af waar een kikker op zit?

Hij kleedde zich uiteindelijk aan en belde met de hulplijn van het biotechnologische bedrijf – CRISPR-beesten – waar hij de kikker had gekocht. De klantenservice was tenminste goed, want hij werd onmiddellijk door een robot te woord gestaan.

‘Hoe mag ik u helpen, mijnheer?’ vroeg de warme, vrouwelijke stem van de robot.

‘Ja eh, ja hoor eens: Ik heb bij jullie een erectiekikker gekocht en dat beest laat niet los! Hij zit er nu al vier uur! Het is niet te harden. Wanneer laat dat beest los? Ik ben het zat!’

‘U heeft bij ons een erectiekikker gekocht en u heeft nu al vier uur een erectie. Begrijp ik u goed, mijnheer?’ vroeg ze zakelijk.

‘Ja, u begrijpt me goed. Wat gaat u eraan doen? Heb ik garantie?’

‘U heeft een erectie. De erectiekikker functioneert dus goed. U krijgt uw geld niet terug, mijnheer.’

‘Maar wat doe ik eraan?’

‘Voor ons klanttevredenheid onderzoek, mijnheer: heeft u een zaadlozing gehad?’

‘Wel vijf, en ik ben het zat. Ik wil de kikker retourneren.’

‘Dat kan, mijnheer, maar u krijgt uw geld niet terug. U heeft een erectie en u heeft vijf zaadlozingen gehad en dat is voor de wet voldoende.’

‘Maar de kikker.’

‘De kikker laat vanzelf los, mijnheer. Misschien slaapt hij.’

‘Ik denk dat het een zij is.’

‘Natuurlijk, mijnheer. U heeft immers bij uw aankoop aangevinkt dat u geen onnatuurlijke seks wilt. We hebben u dus een vrouwtjeskikker toegestuurd,’ legde de robot uit. ‘Kikkers van andere bedrijven blijven gemiddeld veel langer vastkleven dan de onze, mijnheer. U moet wat geduld met de kikker hebben. Langer dan zes uur duurt het meestal niet. Het helpt als u de kikker niet voert terwijl ze op uw penis zit.’

‘Hoe noemt men eigenlijk een vrouwelijke kikker?’

‘Gewoon vrouwtjeskikker, mijnheer. Heb ik uw vraag naar tevredenheid beantwoord, mijnheer?’

‘Hm, ja. Zes uur, zei u?’

‘Ja mijnheer. Dag mijnheer.’ De robot beëindigde het gesprek.

‘Klotebedrijf!’

Hij pakte zijn boodschappentas. Buiten was het warm weer met een stralend blauwe hemel; er was geen wolkje aan de lucht. Misprijzend keek hij naar zijn broek. De bobbel van zijn erectie was onder de stof duidelijk zichtbaar. Mopperend deed hij zijn lange regenjas aan. ‘Het kan me niet schelen, wat ze daarvan vinden,’ mompelde hij.

Die erectie was kut. Die kikker was kut.

In de supermarkt wierp hij al vloeken prevelend zijn boodschappen in de winkelwagen.

‘Wat zegt u?’ vroeg een vrouw die met haar karretje twee meter verderop stond.

‘Niks.’ Waar bemoeiden mensen zich toch mee? Hij liep nors door en voelde haar afkeurende blik in zijn rug priemen.

Terwijl hij stond af te rekenen, werd hij gebeld door Thaddeus Wijnema, een van zijn collega’s. ‘Hé, Opdekast, we hebben bij het homobos een pinkdealer opgepakt – en weer laten lopen omdat hij er een van de burgemeester bleek te zijn. Maar hij had een machtig vreemd verhaal dat je moet horen, zeg. Waar ben je?’

‘Bij de supermarkt op het Molenplein.’

‘Ben je je boodschappen aan het doen? Ga daar op de hoek staan, ik haal je zo op. Ik ben in de buurt.’

Een paar minuten later hield er inderdaad een patrouillewagen naast hem stil. Ron nam achterin plaats, in het arrestantengedeelte: hij was immers niet in uniform.

‘Is er soms regen voorspeld? Het ziet er niet naar uit dat het gaat regenen.’

‘Meh. Wat was dat vreemde verhaal?’

‘Henkeman Deurdeur de Tweede. Oude adel. Hij had een tas met van die zwaar verslavende en verboden roze erectiekikkers bij zich: pink, vandaar dat we hem aanhielden. Bijna twee dozijn van die illegale smokkelwaar. Hij vertelde dat hij sommige van zijn vaste klanten kwijtraakte: allemaal homo’s. Na enig aandringen vertelden die hem dat ze een spook in het bos hadden gezien en dat ze daarvan zo waren geschrokken dat ze op slag niet langer verslaafd waren. Hij was er zelf heen gegaan om dat te onderzoeken, want hij geloofde dat natuurlijk niet.’

‘Snap ik. Ik geloof het ook niet. En nu?’

‘We zijn er bijna, want ik wil er het fijne van weten. Jij toch ook?’

‘Meh. Misschien. Ik heb een pak ijsjes in mijn tas; die smelten bij dit weer.’

‘Geef ze dan weg. We nemen er ieder twee en de rest kun je wel kwijt aan voorbijgangers. Het is knap warm.’

 

Het homobos was verlaten, op een vrouw na die er rondliep. Ze was tegen de dertig, een zomers geklede blondine met een wit hemd en een wit met rode rok met bloemenpatronen. Vast lesbisch, dacht Ron. Jammer.

‘Zijn we hier officieel, Thad?’

‘Ik wel. Ik ben in uniform. Jij niet.’

‘Dan stel ik voor dat we apart het bos in gaan.’

Hij verloor Thad al snel uit het zicht. Er was in het bos niks te zien, niks bijzonders tenminste. Bomen, struiken, wat zingende vogels – die hij niet zag – en insecten die over de bosgrond scharrelden. Geen homo, geen spook. Geen voorbijganger die de drie andere ijsjes die in de doos die hij vasthield zaten, wilde. Niks, nada.

Maf verhaal. Henkie Henkie, dacht hij. Ik kan wel teruggaan. Hier is niks te zien. Wel een mooi bos, dit homobos.

Toen voltooide hij een kronkel in het pad en zag hij daar een monster tussen twee bomen zweven. Het was een wezen met veel tentakels en paars haar en schubben en een ontzettend grote kin, zag hij in de gauwigheid. Hij werd op hetzelfde moment onpasselijk. De misselijkheid kwam vanuit het niets dik omhooggolven en hij bezweek subiet. ‘Arrrgh! Gakaka!’ riep hij verward uit. Hij was echter niet zomaar onwel geworden, want zo erg gruwelijk zag het monster er nu ook weer niet uit, het was gewoon een soort Cthulhu-tentakelfiguur zoals er vaak stond afgebeeld op de horrorboekjes die hij las, dus hij was dat wel gewend. Neen, het was een soort telepathische verstoring die hij ervoer, een verstoring die hem in zijn wezen aantastte, besefte hij ergens op de grens van waanzin.

Het monster week achteruit en riep ook ‘Arrrgh! Gakaka!’ en verdween.

De lesbienne kwam van een andere kant aanrennen. ‘Oh! Oh! Heeft u Het gezien?’ riep ze. Bij hem aangekomen, bleef ze stilstaan en stak toen behulpzaam haar linkerarm uit om hem overeind te helpen. In haar rechterhand hield ze het apparaatje vast waar ze al vanaf het eerste moment dat hij haar had gezien op had lopen turen. Hij keek haar recht in de blauwe kijkers. Die kutregenjas van hem was aan de onderkant opengevallen en als ze die kant uitkeek, kon het niet anders of ze zou de bobbel in zijn broek zien. En hem natuurlijk uitlachen, of zo. Hij stond in een wip weer overeind en deed of er niets aan de hand was.

‘Het? Het? En of ik Het gezien heb! Het ging die kant uit. Denk ik.’

‘Oh, ik hoop dat u Het niet bang heeft gemaakt. Het is nogal teergevoelig.’

‘O ja? En wat is Het eigenlijk? En wie bent u, als ik vragen mag? En wat heeft u met Het te maken?’

Ze keek weifelend rond in het bos, op zoek naar Het, wat Het ook was. Eerst leek ze zijn vragen te willen negeren en weer het bos in te willen stuiven, maar toen bleef ze toch staan en richtte ze zich tot hem. ‘Goedemiddag. Ik ben Marjon en ik ben van de universiteit. Ik bestudeer er Ectoplasmatische Spiritualiteit in Endomorfen van een andere dimensie. U bent zo fortuinlijk geweest om mijn proefsubject tegen te komen. Het verdwaalde uit mijn laboratorium en zo is Het hier terechtgekomen, in een omgeving en een dimensie die Het wezensvreemd is. Het is echt heel zielig. En als ik Het niet terugvind en red, dan… dan…’

‘Nou, wat dan?’

‘Dan gaat Het dood!’ Ze barstte in tranen uit.

Hij dacht snel na. Dat Het en die lesbienne werkten dus niet voor de concurrerende handel in pink. Niet dat het een zier uitmaakte, want het kostte de gesanctioneerde illegale pinkhandel waarvoor de burgemeester de zetbaas was – je moest wat overhebben voor een politieke functie – linksom of rechtsom hun klanten. Als dat ding, die endomorf, zou doodgaan, dan zou dat iedereen goed uitkomen, behalve die wetenschapster dan. Het had hem flink beroerd, psychisch. Hij voelde zelfs weerzin bij de gedachte aan koffie.

‘Oké, en als je hem vindt, dan kun je hem terugbrengen naar jouw lab en naar zijn eigen dimensie? Dan zal ik je helpen. Kom.’

Ze droogde haar tranen en volgde hem het bos in. Hij zweette. Mooie vrouw. Kutregenjas. Waarom kon die kikker niet loslaten. Dit was zo genant. En dan was ze ook nog lesbisch.

Ze keek op haar apparaat en wees. ‘Die kant uit.’

‘Ik ben niet lesbisch, hoor,’ zei ze opeens, ‘mocht u dat misschien denken. Dit is een homobos. Het lesbos is een eind verderop, aan de andere kant van het kanaal.’

‘Ik dacht helemaal niets,’ loog hij. ‘Uh, ik dacht dat ik daar iets zag bewegen, iets paars, eventjes.’

‘Dat is vast Het! Blijft u hier! Het is bang van vreemden.’ Ze liep snel vooruit. Even later kwam ze opgelucht kijkend teruggelopen. ‘Ik heb Het,’ zei ze, een witte zak met een raster van rode lijntjes omhooghoudend. ‘Het zit hierin.’

‘Mooi! Dan kunnen jullie nu terug naar uw laboratorium en Het naar zijn eigen dimensie.’

Probleem opgelost! De burgemeester mocht hem daarvoor wel met een halve vrije dag belonen, maar dat zou natuurlijk niet gebeuren. Krent.

Toen klonk er echter opeens een luid gekwaak. De kikker in zijn broek! Hij kon wel door de grond zakken! Hij keek beschaamd omlaag naar zijn kruis, maar realiseerde zich toen dat hij geen erectie meer had, al enige tijd niet meer. De kikker had losgelaten, zonder dat hij het had bemerkt. En het was niet zijn kikker geweest die had gekwaakt, besefte hij. Vrouwtjeskikkers kwaken immers niet. Het geluid was ergens anders vandaan gekomen. Hij keek onzeker om zich heen – en toen zag hij de blos op Marjons wangen en haar neergeslagen blik.

‘Wat voor kleur?’ vroeg hij neutraal.

‘Een rode,’ fluisterde ze.

‘Ik heb een groene, van CRISPR-beesten. En jij?’

‘Eentje van Lekker Dier.’

‘Die blijven langer vastkleven; gemiddeld genomen.’

Ze keken elkaar begrijpend aan.

‘Wil je een ijsje?’

Nachtdienst – Kelly van der Laan

Het rinkelen van de telefooncentrale deed me opschrikken. De tl-buizen in het plafond schenen fel in mijn ogen en mijn mond was kurkdroog. Had ik geslapen? Zo voelde het. Ik ging overeind zitten in mijn bureaustoel, drukte op de knop en zette haastig mijn headset weer op mijn hoofd. ‘Meldkamer Glasschade, goedemorgen, u spreekt met Lucie. Wat kan ik voor u doen?’

Dit was het eerste telefoontje sinds ik om elf uur ‘s avonds ingelogd was. De klok vertelde me dat het nu half drie was. Het was weer eens een trage nacht. Op vrijdag- en zaterdagnachten werden er bushokjes en ruiten ingegooid door dronken stappers, maar op zondag was het doorgaans saai. Daar had ik op gerekend, dus mijn studieboeken lagen naast mijn toetsenbord. Ze hadden alleen weinig geholpen om de verveling te verdrijven. Dat was het nadeel van de nachtdienst en de meldkamer voor jezelf hebben; zelfs met het wereldwijde web aan je vingertoppen was de nacht langer dan mijn aandachtsspanne, en als er geen meldingen binnenkwamen, had ik niemand om tegenaan te kletsen. Behalve nu.

Een moment lang kwam er geen reactie, alleen een hijgende, gejaagde ademhaling. ‘Lucie?’ vroeg een onbekende mannenstem toen.

Ik knipperde met mijn ogen. ‘Ja?’

‘Lucie, als er zo aangebeld wordt, niet opendoen.’

Ik wist even niet wat ik daarop moest zeggen. ‘Wie is dit?’

‘Ron. Alsjeblieft, Lucie. Niet opendoen.’

Ron. De nieuwe nachtwaker. Ik kende hem nog niet zo goed; hij was de vervanger van Mo, die vorige maand gestopt was. Mo sloot zijn nachtelijke ronde op het industrieterrein vaak af door bij mij aan te bellen om te kijken of alles oké was, en dan een kop koffie met me te drinken. Die koffie-privileges had ik nog niet overgeheveld naar Ron. Daarvoor moest ik hem eerst vaker gezien hebben, en meer woorden met hem gewisseld hebben dan de standaard ‘Alles goed?’. Ik was nog steeds een jonge vrouw alleen in een gebouw op een verlaten industrieterrein, dus ik liet geen complete vreemden binnen.

‘Eh, oké. Dat doe ik sowieso liever niet. Wat is er aan de hand?’

Meer gehijg, alsof hij net had gerend en wanhopig naar adem snakte. ‘Ook niet als ik het ben,’ zei hij schor.

Ik hield mijn hoofd schuin en fronste. ‘Waarom? Ron, moet ik iemand voor je bellen?’

‘Nee, nee, niemand bellen!’

De paniek in zijn stem was zo intens dat er direct meerdere scenario’s door mijn hoofd schoten, de een nog exotischer dan de ander. Hij was aan de drugs, schizofreen en gewelddadig, daarom mocht ik niet opendoen. Of misschien werd hij achterna gezeten en wilde hij niet de kans lopen dat wat hem dan ook aan het stalken was, bij mij naar binnen zou breken. Of was het gewoon een stom grapje? Nee, dat kon niet, voor zulk soort onzin zou hij ontslagen worden. Misschien was er een of ander gifgas losgelaten op het industrieterrein. Of…

Hij viel een seconde stil. Zelfs zijn hijgende ademhaling stokte. Toen begon hij te schreeuwen, met hoog overslaande stem: ‘Oh. Oh nee. Nee, ga weg! Laat me met rust! Lieve God…’

‘Ron, ik heb hier 112 onder de knop. Ik kan voor je bellen!’ riep ik.

De snikken in zijn stem konden niet gespeeld zijn. Hij klonk snotterig, trillerig en volledig van streek. Helemaal niet als de stoïcijnse man die ik de afgelopen weekenden via de intercom gesproken had. Vorige week was alles prima geweest.

“Alles in orde?” had hij me gevraagd.

Ik had hem op mijn beeldscherm nieuwsgierig bekeken. Hij was een brede man van ergens in de veertig, met een kaal hoofd en een vlassige baard. Strak in uniform, eerder verveeld dan iets anders.

“Alles in orde. Fijne avond en slaap lekker straks,” had ik geantwoord, glimlachend naar mijn scherm alsof hij me kon zien.

“Jij ook.”

Tot veel meer interactie dan dat was het nooit gekomen in de afgelopen weken. En nu dit. Nu leek hij in gevaar te zijn en vroeg hij me om hulp. Grappig genoeg voelde het niet alsof ik zelf in gevaar was; ik zat veilig binnen in de meldkamer. Ik maakte me alleen zorgen om hem.

‘Nee, nee, nee!’ riep hij. Huilde hij bijna.

Ik had de eerste twee cijfers van het alarmnummer al ingetikt toen de buzzer van de intercom afging. De camera werd automatisch ingeschakeld en toonde het beeld van de stoep voor het gebouw op mijn computerscherm. Afgetekend tegen de nat glinsterende straat achter hem, stond een man. Donker uniform, kaal, baardje. Hij hief zijn gezicht naar de camera. Ron.

‘Je staat hier voor de deur, Ron,’ bracht ik uit tegen de paniekerige man aan de andere kant van de lijn.

‘Oh God,’ fluisterde hij in mijn oor. Hij klonk dichtbij, alsof hij naast me stond. ‘Doe niet open.’

Al mijn nekharen kwamen overeind. De buzzer ging nogmaals af, omdat ik niet snel genoeg reageerde. Ron-op-de-stoep keek onderzoekend naar het oog van de camera, bijna… bezorgd?

Ik opende de connectie met de intercom. ‘Goeiemorgen,’ zei ik, verrast over hoe normaal mijn stem klonk.

‘Goeiemorgen. Alles in orde?’

Blijf ademhalen, vertelde ik mezelf. In mijn oor was Ron-aan-de-lijn nog steeds aan het meeluisteren. ‘Ja hoor.’

‘Stomme vraag misschien… Ik ben zeiknat geregend op mijn ronde en Buienalarm zegt dat er nog een flinke piek regen aankomt in het aankomende uur. Ik moet nog het hele eind naar huis fietsen. Zou ik bij jou binnen even kunnen opwarmen en schuilen?’

Het was meer dan hij in de afgelopen weekenden bij elkaar tegen me gezegd had. Zijn hoopvolle blik in de camera was super overtuigend, alsof er niets aan de hand was. Alsof de persoon aan de lijn een geintje met me uithaalde.

Ik moest tijd winnen. ‘Is alles goed met jou?’ vroeg ik voorzichtig.

‘Ja hoor, gewoon koud en nat.’ Hij glimlachte naar me. Een beetje onzeker en zo normaal.

In mijn oor was de andere Ron echter oppervlakkig aan het ademen, alsof hij zich zorgen om me maakte. Hij was zo in paniek. Ik kon dat niet zomaar negeren. Zelfs al haalde hij wél een grapje met me uit en werd het allemaal gefilmd en op YouTube gezet. Misschien zou hij me er later om uitlachen, maar dat interesseerde me weinig.

‘Ik mag je volgens protocol niet binnenlaten,’ zei ik naar waarheid.

Ron op de camera fronste. ‘Mijn voorganger vertelde me dat hij altijd bij jou koffie dronk.’

‘Jij bent je voorganger niet.’ Ik kauwde op de binnenkant van mijn wang en kwam overeind uit mijn bureaustoel. Staand kon ik beter nadenken. Dit was informatie die alleen de echte Ron kon weten. Hij was het dus blijkbaar echt. Maar hoe zat het dan met de Ron-aan-de-lijn, die het beste met me voor leek te hebben? Waren er echt twee van hem?

‘Goed zo,’ fluisterde Ron-aan-de-lijn. Er kroop een glimlach in zijn stem. Het was griezelig hoe gelijk de twee stemmen waren. ‘Hou hem buiten.’

‘Goh, Mohammed had juist verteld dat je zo’n aardige meid was.’

‘Mo had geen creepy tweelingbroer zoals jij,’ flapte ik eruit, en ik wist direct dat ik iets verkeerds gezegd had.

Ron op het scherm knipperde verward met zijn ogen. ‘Ik heb geen broer. Wat is er gaande? Lucie heet je toch? Is alles in orde?’

‘Luister niet naar hem!’ riep de stem in mijn headset. ‘Hij probeert je over te halen! Laat hem buiten staan!’

‘Chill even,’ snauwde ik naar hem, maar ze luisterden allebei mee. ‘Alles is in orde. Ik doe de deur niet open, Ron. Dan ben ik maar een trut. Als je me niet met rust laat en nu weggaat, bel ik je baas. Eens kijken wie ze geloven.’

Hij wierp een blik over zijn schouder, naar de regenspetters op het beton. Toen keek hij weer naar de camera. Hij strekte zijn nek, alsof hij me via de camera dieper in de ogen wilde kijken. ‘Wie praat er tegen je? Welke leugens vertellen ze je?’

‘Ik lieg niet! Jij bent de leugenaar!’ gilde de Ron in mijn oor, alsof degene op het scherm hem zou kunnen horen.

Ik wierp een blik op mijn trillende handen en wist niet meer wat ik moest doen. Dit was als een hele rare nachtmerrie. Twee keer dezelfde man, die beiden beweerden dat ik de ander niet kon vertrouwen. Ik kon niet meer nadenken. Niets klopte, niets leek nog logisch. ‘Heb je een tweelingbroer? Bestaan er twee van jou?’ vroeg ik tenslotte door de intercom.

‘Nee, ik heb een zus, die woont in België. Wat is er aan de hand, Lucie? Moet ik iemand voor jóú bellen?’ Hij klonk zo vol bezorgdheid, zo verdomde normaal, dat ik hem wílde geloven.

Mijn hart hamerde inmiddels in mijn keel. ‘Ga gewoon weg, Ron.’

‘Hé, kan je me niet gewoon helpen?’ Hij ging op zijn tenen staan en bracht zijn gezicht naar de camera, totdat dat mijn hele monitor vulde. Zijn pupillen waren diepe poelen van zwart, behalve op de plek waar het lichtje van de camera in zijn ogen scheen. Dat was…

Ik onderdrukte een kreet en deinsde instinctief achteruit. Bijna viel ik over mijn bureaustoel, die met een klap tegen de kast achter mijn bureau sloeg. Dit was fout, zo fout, dit kon niet!

‘Lucie, wat is er?’ vroeg de Ron op mijn headset. ‘Wat zie je?’

Een halve seconde lang wist ik niet wat ik moest antwoorden, omdat ik nauwelijks in woorden kon uitdrukken wat ik nu daadwerkelijk gezien had. Mijn lichaam had gereageerd voordat mijn geest het uitgevogeld had. Toen daalde het besef neer: omdat de camera bij de deur de nacht in scheen, was alles zwart-wit met een groenige glans. Dat is hoe nachtcamera’s werken. Maar niet het licht in Rons ogen. Dat was felgeel, gifgeel. De kleur van wespen, van gevaar. Van blijf-bij-me-weg. Wat niet kon, want de camera kon zulk soort kleuren helemaal niet waarnemen.

‘Lucie!’ schreeuwde Ron uit mijn beeldscherm, en het gele licht in zijn ogen pulseerde, leek te groeien, mijn beeldscherm te vullen.

Ik kon er niets aan doen, ik begon te janken als een klein meisje. Tranen rolden heet over mijn wangen als bloed en mijn neus vulde zich met snot. ‘Sodeflikker op! Je komt hier niet naar binnen, ik bel de fucking politie!’

‘Ik kom wel binnen,’ beloofde hij. ‘Als er ergens iets open staat, dan kom ik binnen.’

Direct was er een flits van herinnering aan mijn toiletbezoek toen ik eerder vanavond mijn dienst begonnen was. Het raampje in het vrouwentoilet stond open. Ik zag mezelf weer op de pot zitten, luisterend naar de regen buiten. Ik had mezelf gefeliciteerd met het feit dat ik het naar de meldkamer gered had zonder nat te regenen. Het raampje had ik niet gesloten, want ik vond dat het toilet wel wat frisse lucht kon gebruiken.

Ik was al in beweging voor ik het wist. Ik stoof de kamer uit, het keukentje en de gang door. Ik durfde eigenlijk niet te kijken of ik Ron of wat hij dan ook was voor de deur zag staan, maar ik moest wel. Zijn silhouet tekende zich af tegen het draadglas van de voordeur.

Hij stond er nog, en hij zag mij ook in de felverlichte gang. Hij zag me bewegen. ‘Lucie, wat doe je? Is er een raampje open?’ En hij lachte, giechelde, als een klein meisje.

‘Doe het raam dicht. Als hij binnenkomt…’ fluisterde de Ron in mijn oor. Ik had mijn headset nog op − fijn hoor, Bluetooth.

‘Hou je bek,’ grauwde ik, maar tegen welke van de twee Rons ik het had, wist ik eigenlijk niet. Misschien had ik mijn headset gewoon af moeten rukken.

Ik haalde mijn snotterende neus op en met een paar stappen, het leek wel alsof ik vloog, bevond ik me in de toiletten. Ik gooide de deur open en dook naar het klapraam boven het fonteintje. Trok aan de hendel om hem te sluiten.

Een fractie van een seconde later werd het licht in de verduisterde toiletten geel.

Fuck.

Het volgende moment verscheen Rons maniakaal vertrokken gelaat in de kier bij het raam. Zijn vingers krulden om de onderkant van het raamkozijn heen. Tegelijkertijd klemde mijn hand zich steviger om de hendel van het raam en duwde ik hem uit alle macht dicht; recht op Rons vingers. Er klonk een afschuwelijk krakend geluid. Hij gilde het uit, en zijn stem klonk verrassend normaal, menselijk.

‘Rot op!’ krijste ik tegen hem, terwijl hij met zijn vuisten op de ruit bonsde, alsof hij zich er doorheen wilde slaan. Eén afschuwelijk moment dacht ik dat dat zou gebeuren, maar het raam was dicht en bleef dicht. Ik was net op tijd geweest.

‘Zolang je hier binnen blijft, ben je veilig,’ fluisterde telefoon-Ron in mijn oor. ‘Zijn alle ramen dicht?’

Ik wilde door mijn knieën zinken en janken, maar hoewel ik vrij zeker wist dat de ramen dicht waren, wilde ik geen risico’s nemen. Dat is hoe mensen in horrorfilms het loodje leggen. Een sprint door het gebouw vertelde me dat ik gelijk had. Mijn benen voelden als lood toen ik weer in het kantoor aankwam. Ik trok de lamellen ook meteen dicht, zodat ik niet naar buiten kon kijken. Achter het raam hoorde ik gehuil en gesmeek. ‘Laat me erin Lucie, alsjeblieft, alsjeblieft? Mijn hand doet zo’n pijn!’

‘Rot op met je bullshit! Ik geloof je niet!’ Ik plofte neer op mijn bureaustoel. De adrenaline was uitgewerkt en mijn benen voelden als lood.

‘Ik krijg jullie allebei wel!’ gilde het ding achter het glas en de lamellen.

‘Luister niet naar hem,’ zei de Ron in mijn oor. Hij fluisterde nog steeds, maar het klonk alsof hij verder van de microfoon verwijderd was. ‘Negeer hem, dan heeft hij geen macht over je.’

‘ALLEBEI!’

‘Blijf hem negeren…’ Ik verbeeldde het me niet, zijn stem stierf weg.

Ik keek de ruimte rond, dubbelcheckend dat alles afgesloten was. En toen viel mijn blik op de telefooncentrale. De cursor knipperde bij ‘toestel vrij’. Alsof ik niemand aan de lijn had.

‘Ron?’

Geen antwoord. Niet eens een klik, omdat hij opgehangen had. Alsof hij er nooit geweest was. Alsof ik gek was. Of alsof de Ron buiten iets gedaan had. Iets definitiefs.

Op dat moment klonk er een oorverdovende klap en het geluid van rinkelend glas. De lamellen bolden op en een baksteen stortte op het tapijt, nog geen drie meter van me vandaan.

Shit.

Instinctief kwam ik in beweging. Ik stoof de kamer uit en knalde de deur achter me dicht. Het zou even moeten duren voordat hij door het raam geklommen was, redeneerde ik, dus ik had nog een paar seconden.

De opties schoten door mijn koortsachtige brein. De meldkamer verlaten was er eentje; het gebouw was niet veilig meer. Om hulp bellen was een tweede. Ik kon niet meer bij de telefooncentrale komen, maar mijn mobiel zat in de achterzak van mijn spijkerbroek. Kon ik me hier verstoppen? Ik stond in de gang met uitzicht op de voordeur.

Oké.

Achter me, in de kamer die ik zojuist verlaten had, klonk meer gerinkel en gebonk. Kostbare seconden gingen voorbij. Ron was bezig om binnen te komen en had geen zicht op de straat.

Ik gooide de voordeur wijd open, nam een paar stappen terug, en sloot mezelf op in de bezemkast in de gang. Met wat gewurm kreeg ik mezelf achter de schoonmaakkar en probeerde me stil te houden. Mijn hart bonkte zo luid in mijn borstkas dat ik zeker wist dat Ron me zou kunnen horen. En zo niet, dan zou hij vast mijn angstzweet kunnen ruiken. Ik rook het van mezelf.

Mijn hand klemde zich om mijn mobiel terwijl ik 112 indrukte, wanhopig de felheid van mijn scherm probeerde te dimmen en tegelijkertijd het geluid uitzette. Ik had ooit eens gelezen dat ze bij 112 je locatie konden bepalen als je met een mobiele telefoon belde. Ron-aan-de-telefoon had gezegd dat ik niemand mocht bellen, maar hij was verdwenen en ik moest íéts doen.

Gebonk. Voetstappen. Ze hielden voor de deur stil. Geel licht spoelde onder het kleine kiertje onder de deur door.

Ik kneep mijn ogen dicht en hield mijn adem in. Alsjeblieft, alsjeblieft… loop door…

‘Lucie…’ klonk het aan de andere kant van de deur. Zijn stem was emotieloos, alsof hij verzonken was in gedachten.

Tranen ontsnapten aan mijn dichtgeknepen ogen. Loop door! De voordeur staat wagenwijd open! Denk dat ik ontsnapt ben!

‘Je dacht toch niet dat ik daarvoor zou vallen zeker?’

Ik verstijfde. Verkeerde beslissing. Ik ga dood. Of erger.

Negeer hem, dan heeft hij geen macht over je, had telefoon-Ron gezegd. Maar hoe kon ik dit nu negeren? Ik zat verdomme vast in een bezemkast en hij bevond zich op minder dan een meter afstand. Negeren was geen optie. En het was niet alsof het eerder gewerkt had. Alles wat ik nu nog had, was de deur tussen ons in. Goddank was ik degene met de sleutel.

Ik draaide het scherm van mijn telefoon wat bij, zodat ik kon zien of ik nog verbinding had. Dat had ik, 112 was nog aan de lijn. Ik kon ze dankzij mijn weggedraaide geluid niet horen, maar blijkbaar namen ze mijn belletje serieus en hadden ze nog niet opgehangen. Dat was in ieder geval positief.

Er klonk een afschuwelijk schrapend geluid, alsof Ron met een schaar of een mes op de deur kraste. ‘Lucie… kom naar buiten.’

Ik slikte mijn wanhopige snikken in en weigerde te antwoorden. Misschien blufte hij. Misschien wist hij helemaal niet dat ik hier zat. In de duisternis van de bezemkast en mijn gesloten ogen kon ik mezelf van alles wijsmaken.

Schraap, schraap.

‘Ik heb de tijd, hoor. De nacht is nog jong. Ik krijg deze deur wel open. Lucie…’

Ik rustte mijn hoofd tegen de muur achter me en opende mijn ogen. Nu ik ietwat aan de duisternis gewend was geraakt, kon ik vormen ontwaren in de vierkante meter van de bezemkast. Het grootste deel van de ruimte werd ingenomen door de schoonmaakkar, de rest door planken met schoonmaakspullen. Naast mijn voet stond een zak met zout die ze vorige maand toen het gesneeuwd had hadden gebruikt om het gebied rond de voordeur ijsvrij te maken.

Zout. Ik had door de jaren heen genoeg horrorfilms gezien, en ze waren het bijna allemaal eens over de werking van zout bij demonen. Ik wilde niet nadenken over de mogelijkheid dat degene die aan de deur krabde en er met zijn schouder tegenaan sloeg niet menselijk was, maar verdomme, het afgelopen kwartier was een gekkenhuis geweest en ik kon toch nergens heen. Baat het niet…

Ik trok de zak ietwat onhandig open en manoeuvreerde mezelf achter de schoonmaakkar langs om een paar handenvol zout eruit te diepen en ze voor de ingang van de deur te strooien. Eerst nog wat voorzichtig, maar bij mijn vierde hand gaf ik er niet meer om en pleurde ik het gewoon neer.

‘Lucie, wat doe je?’ Hij klonk ongelovig. Geïrriteerd.

Waren de zoutkorrels onder de deuropening uitgerold, of voelde hij wat ik deed?

BONK!

Een klap tegen de deur deed me achteruit deinzen. Een flits van pijn trok door mijn slaap toen ik met mijn hoofd tegen een van de planken sloeg. Ik zag sterretjes en knipperde ze wanhopig weg. Dit was geen moment om flauw te vallen!

BONK!

Meer zout. Handenvol zout, totdat de spleet onder de deur volledig afgesloten was en ik het ziekgele licht vanuit de gang niet meer kon zien. Ik stopte daar niet; ik goot ook zout om mezelf heen, een beschermende cirkel. Een ononderbroken cirkel was moeilijk, omdat ik dankzij de schoonmaakkar weinig bewegingsruimte had, maar ik gaf niet op. Het gaf me wat te doen behalve in mijn broek pissen van angst.

‘Lucie!’ schreeuwde Ron, en nu kon ik iets van razernij horen. ‘Verdomme!’

Weer een knal, nu van iets zwaars. Er klonk versplinterend hout, alsof de deur goed geraakt was. De constructie hield echter stand. Voorlopig.

Tranen rolden over mijn wangen en sterretjes dansten door de randen van mijn blikveld. Ik haalde diep adem, maar het leek alsof ik niet genoeg lucht binnen kreeg. De zak in mijn hand was zo goed als leeg en de bezemkast zat vol zout. Mijn telefoon gloeide nog steeds flauwtjes.

Alsjeblieft, alsjeblieft… Aan wie ik het vroeg, wist ik niet.

Waarom was de lucht zo ijl? Was dit hyperventilatie? Deed Ron iets? Ik wilde dat Ron-in-de-telefoon er nog was. Mijn headset, die inmiddels om mijn nek hing, was echter stil. Ik was alleen, en er probeerde iets de bezemkast in te komen.

Nog een bonk tegen de muur. En nog een. ‘Lucie!’

Niet antwoorden, negeer hem! gilde ik tegen mezelf.

En toen… sirenes. Ik kon ze luid en duidelijk horen. Als een verlossing.

‘Dit is nog niet over, Lucie,’ siste Ron aan de andere kant van de deur. Het zout in de kier van de deur was verkleurd naar smerig geel. ‘Wij zijn nog niet klaar.’

Ik ademde diep uit en verloor prompt het bewustzijn.

 

Het volgende moment zat ik in een bureaustoel met een vrouw in uniform naast me. Een politie-uniform. Ze had een vriendelijk gezicht, grijs-doorschoten donkere haren in een knot en ze keek me bezorgd aan. ‘Ah, je komt weer bij. Ik wilde al bijna de ambulance voor je bellen.’

Mijn hart zat direct in mijn keel. Ik klemde mijn handen om de armleuningen. ‘Is hij weg? Ben jij niet… zoals hij?’

‘Is wie weg? En wat bedoel je?’

‘Ron.’ Ik stond overeind, midden in de ruimte, op benen die trilden als rietjes.

‘Wie is Ron? Er is hier niemand. Maar ik begrijp dat je geschrokken bent, er is een ruit gesprongen.’

‘Er is een steen door de ruit gegooid, bedoel je.’ Ik schudde mijn hoofd, zelfs terwijl ik om me heen keek. Er lag nergens een baksteen. Wel zat er een barst in de ruit, die was duidelijk te zien want iemand had de lamellen opzij geschoven.

Ik stapte naar het raam toe en bekeek de barst. Die zag er inderdaad niet uit alsof er een steen doorheen gekomen was. Laat staan alsof er iemand door het gat heen geklommen was… er was geen gat. Buiten was het nog steeds donker. De politiewagen stond naast de mijne op de parkeerplaats. Er rende een jogger aan de overkant van de straat. Veel normaler kon het niet. Alsof Ron er nooit geweest was, net zoals Ron-aan-de-telefoon.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Er was hier iemand die wilde inbreken. Daarom belde ik 112.’

De agente kwam naast me staan en keek me onderzoekend aan. ‘Mijn collega en ik hebben geen sporen van inbraak gezien. De bewakingscamera’s in het gebouw tonen ook niemand. Het lijkt me loos alarm. Misschien ben je in slaap gevallen en werd je wakker door de springende ruit?’

‘Er was iemand hier. Ron, onze beveiliger,’ hield ik aan. De wereld achter het raam was zo normaal dat ik mijn ogen er niet vanaf kon houden. Het deed het lijken alsof wat er gebeurd was gewoon een nachtmerrie was. En dat was het niet. ‘Ik ben niet gek.’

‘Natuurlijk ben je dat niet,’ suste de agente, maar ik kon zien dat ze me niet geloofde.

 

Die nacht ging ik voor het einde van mijn dienst naar huis. Mijn manager was niet blij met me. Hij liet me weten dat ik me onprofessioneel gedragen had door in slaap te vallen en paniekerig de politie te bellen, en was boos dat hij ‘s nachts naar kantoor moest komen om mijn troep op te ruimen. Toen ik hem vroeg over Ron, zei hij dat Ron die nacht niet eens gewerkt had en dat zijn collega John nog bezig was met zijn ronde en nog ver van ons gebouw verwijderd was toen ik de nooddiensten inschakelde. Ron had zichzelf eerder die week ziekgemeld.

‘En de camera’s dan?’ had ik gevraagd.

Hij knipperde met zijn ogen. ‘Welke camera’s?’

Ik had naar de lens in de rechterbovenhoek van het kantoor gewezen. ‘Díe camera’s.’

Hij keek over zijn schouder. ‘Oh, die. Die daar is alleen voor de show.’

‘Zodat we denken dat we bekeken worden tijdens die lange nachten,’ begreep ik. ‘Dus niemand heeft gezien wat er gebeurd is?’

‘Er is een ruit gesprongen en jij hebt je opgesloten in de bezemkast. De camera’s buiten doen het wel, en er is niemand aan de deur geweest. Het was dus verbeelding. Zit je aan de drugs of zo?’

Mijn handen begonnen te trillen. Dit keer niet van angst, maar van futiele woede. ‘Absoluut niet.’

‘Nee? Wat was dan al dat zout in de bezemkast?’

Ik nam per direct ontslag.

 

Ik heb niemand verteld waarom ik opeens een andere baan moest zoeken, net zoals ik nog steeds niemand heb verteld dat het angstzweet me uitbreekt wanneer ik geel licht en schaduwen zie.

De dag erna probeerde ik de echte Ron op te zoeken, hopend dat hij me antwoorden kon geven, maar hij kwam nooit meer op zijn werk en zijn werkgever weigerde zijn persoonlijke gegevens aan me te verstrekken. Misschien had mijn manager het beveiligingsbedrijf over me gewaarschuwd. Een Google en social media zoekopdracht leverde niets op met een veel voorkomende achternaam als de zijne, en ik durfde eigenlijk ook niet echt verder te zoeken, bang dat ik het te veel aandacht gaf.

Het was echter al te laat.

Die avond hoorde ik, toen ik op de bank zat te Netflixen met een bak chips, plotseling een stem mijn naam zeggen. Even dacht ik dat het een onderdeel was van de TV-serie, maar toen ik het geluid wegdraaide, hoorde ik het weer. En nogmaals, luider. En luider. Mijn bloed veranderde in ijswater. Ik bevroor op de bank en de angst snoerde mijn keel dicht. Zijn stem kwam van achter de ramen, achter mijn deuren. Vanuit de muren. Het was alsof ik hem met mijn gezoek opgeroepen had. Die nacht deed ik geen oog dicht en zat ik te janken van wanhoop, opgekruld op de bank, met zout onder mijn ramen en deuropeningen. Het werd alweer licht tegen de tijd dat hij ophield.

En nu? De afgelopen weken hoor ik zijn stem af en aan. Soms paniekerig en angstig, soms huilend dat hij zijn lichaam terug wil. Dan is hij bang en verdrietig en klinkt hij als de Ron aan de telefoon. En soms… Soms klinkt hij dreigend als geel licht, en dan wil hij hele andere dingen. Afschuwelijke, hatelijke dingen.

Ik ga nooit kijken of hij er echt is. Ik reageer niet op wat hij zegt. Ik verdrink het geluid met muziek, zout, de televisie op een veel te luid volume. Ik slaap met een koptelefoon op, zodat ik hem niet kan horen.

Als je het negeert, heeft het tenslotte geen macht over je.

Hovenier gezocht – Eowen Valk

Lennart voelde zich anders, toen hij voor de vierde dag op rij zijn medicijnen niet had geslikt. Hij wilde wel, maar het potje was leeg. Dat was slecht voor zijn hersens, dat wist hij ook wel. Het kwam er gewoon niet van om nieuwe te halen. De dagen stonden nou eenmaal volgepland met klussen. Opdrachten zoals deze, bij een Wassenaars echtpaar dat een boom in hun tuin wilden laten kappen. Elke euro was broodnodig. Die pillen moesten wachten tot een rustiger moment.

Zijn collega Rob parkeerde het busje voor de villa van echtpaar Spijker. Een hoog hekwerk van zwarte spijlen begrensde de zonovergoten tuin, waarin hortensia’s, rozenstruiken, heesters en coniferen kleurrijke eilanden vormden in een zee van gras.

De vrouw des huizes, gekleed in een donkerblauw mantelpakje, ging hen voor over een kiezelpad met een kop thee in haar handen. Haar grijzende haarbos was opgestoken in een strakke knot. Lennart schatte haar een jaar of zestig. Het pad leidde hen tot achterin de tuin, waar een hoge bladerloze beuk stond. De grillige takken staken als klauwvormige armen alle kanten uit. Op een paar meter afstand van de stam bleef mevrouw Spijker staan. Ze slurpte van haar thee, zonder haar ogen van de boom af te wenden. De brede stam helde iets naar voren met een paar dikke takken dreigend op hen gericht, klaar om hen te grijpen als ze te dichtbij kwamen. Lennart schudde die gedachte weg.

‘Wat een bakbeest,’ mompelde hij. Onder de boom groeide niets. Er bevond zich slechts een kale cirkel van aarde en verbrande plantenresten. Zelfs onderaan de stam zaten schroeivlekken. De eerste grassprieten groeiden op zo’n drie meter afstand van de beuk.

‘Die boom ziet er ongezond uit,’ zei Lennart.

‘Omzagen dat wanschepsel. Zo snel mogelijk.’ De vrouw keek pinnig naar de boom, alsof ze het liefst haar kopje tegen de stam smeet, maar zich speciaal voor hen inhield.

Lennart zette zijn helm op. ‘Komt in orde mevrouw.’

‘Dat hoop ik.’ De vrouw keek hem strak aan, alsof ze niet overtuigd was door zijn woorden. ‘Veel succes, heren.’ Ze draaide zich om en beende van hen weg.

‘Maakt u zich geen zorgen. Wij klaren dat klusje wel,’ zei Rob grijnzend.

 

Even later lag hun gereedschap in de tuin. Rob trok een witte lijn over de stam waar de zaaglijn moest komen. Lennart stapte met de kettingzaag op de boom af, zoals hij vele malen bij andere bomen had gedaan.

‘Weg met dat ding,’ zei een rauwe stem.

Lennart keek om zich heen. Niemand in de buurt, behalve Rob die aandachtig op zijn telefoon keek.

‘Waag het niet om me daarmee aan te raken!’

Lennart keek omhoog. Sprak die boom nu tegen hem? Hij schudde zijn hoofd. Wat een belachelijk idee. Hij zette oorkappen op zijn oren. Een zweetdruppel kriebelde langs zijn voorhoofd. Hij zette de ronkende kettingzaag tegen de stam.

‘Whoaaah!’

Lennart stapte achteruit. Hij trok de oorkappen af. Takken kraakten. In de bast vormden knobbels en groeven samen een kwaad gezicht.

‘Hou daar onmiddellijk mee op! Je doet me pijn!’ riep de boom. Er vormde zich een mondvormig gat in de bast, waaruit zacht gegrom klonk.

Lennart hapte naar adem. Dit kon niet echt zijn. Hij keek om. Rob tikte onverstoord verder op zijn telefoon. ‘Ik hoor de zaag niet, Len. Ga door met je werk.’

Lennart krabde op de achterkant van zijn nek. ‘Hoorde jij dat gegil dan niet?’

Rob keek op. ‘Welk gegil?’

Lennart keek naar de boom. Waarom hoorde Rob niets als dat stemgeluid zelfs door gehoorbescherming drong?

‘Waag dat niet nog eens mannetje, of ik spies je aan mijn takken.’ De mondvormige opening bewoog bij elk woord dat de beuk sprak.

Lennart beet op zijn tong. Ja, het deed pijn. Geen droom dus. De rare ideeën namen met de dag toe. Hij trok zijn handschoen uit en voelde aan zijn voorhoofd. Zijn huid was niet warmer dan normaal. Geen koorts. Zijn hart bonkte tot in zijn keel. Hij tikte met de kettingzaag tegen de bast. Geen reactie van de boom. Hij schopte tegen de stam. De beuk bewoog niet. Lennart zuchtte, tikte met z’n knokkels tegen zijn hoofd. Na werktijd zou hij direct nieuwe pillen halen bij de apotheek.

Lennart trok de handschoen aan en schoof de oorkappen weer op zijn oren. Hij zette de kettingzaag tegen de witte markeerlijn en drukte op de powerknop. Een fontein aan houtvezels spoot uit de bast. De boom schreeuwde het uit. Lennart schrok. Een tak sloeg de helm van zijn hoofd. Lennart deinsde achteruit. In de commotie liet hij de powerknop los, waarna de zaag uitviel. De helm kwam meters verderop tot stilstand. Hijgend veegde Lennart met zijn hand langs de zijkant van zijn hoofd. Bloed aan zijn vingertoppen. Zijn hand trilde. De takken boven zijn hoofd kraakten. Hij keek omhoog. De takken kwamen op hem af. Lennart vluchtte naar zijn collega.

 

‘Doe jij het. Ik heb last van mijn hoofd. Die boom…’ Lennart slikte de rest van de woorden in. Hij wilde niet vertellen wat hij had gezien. Rob zou hem zeker uitlachen. Hij duwde de kettingzaag in de handen van zijn collega. ‘Ik kan het niet. Doe jij het.’

Rob zuchtte. ‘Je hoofd bloedt. Hoe komt dat?’

‘Die verdomde boom sloeg me! Hij probeerde me te grijpen.’

Robs ogen werden groot. ‘Woehahaha!’

‘Hou op! Het is echt waar. Ik zweer het.’ Lennart trilde van de adrenaline. Hij kon de naweeën van de klap nog voelen.

Rob lachte zo hard dat er een boer uit zijn mond ontsnapte. ‘Welnee. Er viel gewoon een tak op je hoofd. Meer niet,’ zei hij, terwijl hij een traan van zijn wang veegde.

‘Zie jij daar een losse tak liggen? Stop die stomme telefoon weg en ga kijken.’

‘Ach zeik niet zo. Ik doe het wel.’

Lennart ging in het gras zitten. Misschien had Rob gelijk en waren de dreigementen hallucinaties. Een andere mogelijkheid was het ontstaan van een nieuwe gave om met bomen te communiceren, net als bij prinses Irene. Nagelbijtend keek hij toe hoe Rob op de boom af stapte.

 

De kettingzaag brulde. Het motorgeluid van de zaag mengde zich met gegil van de boom. Lennart gruwelde. Hij duwde zijn handen tegen zijn oren. Rob leek zich niet bewust van het leed dat hij veroorzaakte. Takken zwiepten naar beneden en wikkelden zich als slangen rond Robs lichaam. Ze trokken hem omhoog en hielden hem als een lappenpop in de lucht. De zaag viel op de grond. Lennart verstijfde.

‘Zijn jullie doof?’ brulde de boom. ‘Jullie moeten van me afblijven!’

Rob zat gevangen in een kluwen van takken die zich steeds strakker om zijn lichaam wond. Hij schreeuwde, gilde, rochelde. De boom kneep hem uit als een citroen. Bloed viel in een dunne straal op de aarde. De takken gleden van Rob af. Zijn lichaam plofte met een misselijkmakend geluid op de grond. Botten kraakten. Lennart kromp ineen en kokhalsde. De beuk herstelde zich weer tot zijn oorspronkelijke houding, waarna het gezicht in de bast verdween.

Het duurde enkele tellen voordat Lennart genoeg moed had verzameld om bij Rob te kijken. Stap voor stap schuifelde hij richting de boom, zonder de takken uit het oog te verliezen. Geen van de takken bewoog, maar op sommige zijtakken glom bloed. Robs ogen waren naar boven gericht. Zijn mond stond wijd open. Lennart trok zijn werkhandschoen uit. Hij knielde naast het gehavende lichaam en voelde met zijn vingers in Robs hals, op zoek naar hartslag. Niets. ‘Waarom luisterde je niet naar mij? Dan had je nog geleefd,’ zei hij zacht. De wind blies een bloedgeur naar zijn gezicht.

Lennart stond op en rende naar het huis. Hij belde aan. Voor zijn gevoel duurde het minutenlang voordat iemand de voordeur opende. De vrouw des huizes keek hem verwachtingsvol aan.

‘Is de boom gekapt?’

‘Nee, dat ding leeft!’

Mevrouw Spijker sloeg haar armen over elkaar. ‘Natuurlijk. Daarom moeten jullie hem kappen. Ik krijg dat ding niet zelf weg.’

Lennart wreef zweet van zijn voorhoofd. ‘Waarom waarschuwde u ons niet?’ Zijn stem trilde meer dan de bedoeling was. ‘De manier waarop u naar de boom keek… U wist dat er iets mis was met dat gedrocht.’

Mevrouw Spijker zuchtte diep. ‘Zou je de opdracht aannemen als ik je eerlijk vertelde om wat voor boom het ging?’

Lennart drong langs haar de hal binnen en duwde de deur achter zich dicht. ‘Nee. Hij vermoordde mijn collega.’

Mevrouw Spijker sloeg haar handen voor haar mond. ‘Mijn hemel. Dat verwachtte ik niet.’ Ze zocht steun tegen de muur. ‘Het spijt me van je collega.’

‘Smoesjes! Ik wacht hier op de politie. Ik wil niets meer met die boom te maken hebben. Huur een ander in om dat monster te kappen. Het leger desnoods.’ Hij pakte zijn telefoon uit zijn broekzak en toetste 112 in.

Als ik ‘s avonds in mijn bed lig – Bart de Wolf

De geluiden als ik ‘s avonds

in mijn bed lig

zijn vertrouwd

het getrippel van de nagels op de gang

het is mijn hondje met zijn bot

waarop hij knabbelt

knaagt

en

kauwt

ik dommel weg als bij een sussend gezang

maar plots word ik door een vreemd gevoel bekropen

want dat botje

ligt begraven

in de tuin

naast

die

hond

en de babykamerdeur staat nog open

Het genesis ei : Mike Jansen

Amsterdam, zomer 1893

 

In de ontvangstkamer van het statige herenhuis aan de Prinsengracht streek de voorzitter van het Bestedingscomité voor Naturalistische Innovaties over zijn weelderige snor.

‘Het spijt ons u te moeten meedelen dat we uw voorstel niet in over­weging zullen nemen.’ Er klonk instemmend gemompel van het viertal heren dat aan weerszijden van de voorzitter aan de lange tafel zat.

De jonge vrouw tegenover hen scheen uit het veld geslagen. Stofjes in de banen licht die door de ramen naar binnen vielen, leken doodstil in de lucht te blijven hangen. Zelfs het tikken van de Friese staartklok naast het raam pauzeerde even. Ze haalde diep adem. ‘Maar, maar… de cijfers. Hoe kunt u dit niet in overweging nemen?’

De voorzitter kuchte. ‘Wij hebben twee redenen. Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens heeft zich in de materie verdiept. Jonkheer?’

‘Inderdaad, meneer de voorzitter,’ sprak de jonkheer, die het dichtst bij het raam zat. ‘De gebruikte wiskunde bevat abstracties en concepten die niet algemeen geaccepteerd worden in de beschaafde, westerse wereld. Er is geen enkele manier om ze te verifiëren.’ Hij stond op en liep voor het raam heen en weer. ‘In uw beschrijving van de procedures geeft u verder aan dat u op basis van computantberekeningen kunt bepalen wat de functie van cellen zal worden en methodieken om deze functies te manipuleren.’

De jonge vrouw wilde overeind komen om antwoord te geven, maar de jonkheer gebaarde dat ze kon blijven zitten. ‘Gecombineerd met de nieuwste Leeuwenhoeck manipulators, computant-gestuurd, wordt dit inderdaad mogelijk,’ legde ze uit.

De jonkheer ging verder alsof hij haar niet gehoord had. ‘Hoewel vergezocht, zou dit nog enige waarde kunnen hebben voor het Innovatiefonds. De toepassingen zoals beschreven zijn echter vrijwel ondenkbaar: vervangen van ledematen, herstel van hersenletsel, het laten aangroeien van zenuwweefsel. Het leest als de fantasieën van Bilderdijk, vermakelijk, doch vergezocht. Derhalve kan ik niet anders dan concluderen dat uw documentatie, gelijk de werken van de heer Bilderdijk, tot het rijk der fabelen behoort en dat u waarschijnlijk meer geluk zult vinden bij een uitgever van dergelijke werkjes.’

Het gezicht van de jonge vrouw was rood aangelopen en een diepe gloed verspreidde zich over de huid van haar nek, onder haar blonde, opgestoken haar en tot aan haar decolleté. ‘U beticht mij van charla­tanerie? U, die een quaternion nog niet van polytoop kunt onder­scheiden?’ Ze richtte zich tot de voorzitter. ‘U sprak van twee redenen. Wat is de andere reden?’

De voorzitter glimlachte minzaam. ‘Mevrouw Tiersma, u denkt misschien zich te kunnen meten met de adepten in dit comité, ik zal hier geen waardeoordeel over vellen. Feit is dat u een vrouw bent.’ Hij vouwde zijn handen op zijn volumineuze leest. ‘Wetenschappers zijn nu eenmaal mannen. Uw plaats is niet in een laboratorium. Bestier een huishouden en zorg voor uw echtgenoot en kinderen, zoals alle vrouwen doen.’

Jeltje Tiersma rechtte haar rug. ‘Zowaar, Ada Lovelace en Mary Somerville zijn dus namen die u niets betekenen? Wat is dan nog de waarde van uw illustere genootschap, welke naturalistische innovatie denkt u te kunnen doen?’

De voorzitter wuifde haar opmerking weg. ‘U refereert aan Engelsen, die, zoals u wel weet, geen rol van betekenis spelen in deze wereld.’ Hij wenkte met zijn hand naar de dubbele deuren van de zaal. ‘De bediende zal u uitgeleide doen.’

Met het geluid van de dichtslaande deur van het herenhuis nog in haar oren besloot Jeltje Tiersma dat ze het bewijs van haar onderzoek zou leveren, ongeacht de kosten. Al was het maar om de uitdrukkingen op de gezichten van de comitéleden te zien wanneer ze haar werk publiceerde in de pagina’s van het gerenommeerde Batavia Mathe­matica.

 

 

Leiden, herfst 1893

 

‘Dit is de ruimte,’ sprak de oude boer. Hij ging Jeltje voor de immense schuur in.

Oud stro knisperde onder haar laarsjes en de geur van de stallen overviel haar, een rijk mengsel van paardenknollen, verschaalde urine en de ongetwijfeld talloze muizen die zich hier verschansten.

‘Hoeveel paarden hield u hier?’

De boer glimlachte. ‘Vóór de galvanische koetsen meer dan honderd. Goeie stevige Friezen, perfect om schuiten te trekken langs de Leidsche Vaart. Hij gebaarde naar het water dat op een steenworp afstand voorbij stroomde. ‘De laatste, Ouwe Tinus, heb ik vorig jaar persoonlijk naar de slager gebracht.’ Hij veegde een grove rechterhand over zijn ogen. ‘Hij was te oud. Ik inmiddels ook.’

Jeltje bekeek de longeerbak, de stallen, de mestkelder, de hooizolder en de berghokken voor de zadels en tuigage. Er was meer dan genoeg ruimte om haar plannen te kunnen uitvoeren. Maar ze moest wel een verbouwing bekostigen en tot nu toe was het haar niet gelukt een geldschieter te vinden die geloofde in haar plannen. ‘Hoeveel bedraagt de huur?’

De boer haalde zijn schouders op. ‘Kom je vaak in de stad?’ Hij knikte naar Leiden dat enkele kilometers zuidelijk van hen begon.

‘Elke week wel,’ zei Jeltje. ‘Ik geef les aan de universiteit. Assistent van de hoogleraren aan de wiskundefaculteit.’

‘Breng me een keer per week pijptabak en een kruik jenever, dan is het goed.’

Jeltje keek hem aan. ‘Dat is genereus.’

De boer knikte. ‘De boerderij sterft met mij. Mijn Fennigje heeft me nooit kinderen geschonken, helaas. Misschien brengt jouw aanwezig­heid wat leven in de brouwerij.’

Jeltje glimlachte. ‘Ik wil de schuur wel verbouwen voor mijn eigen doeleinde.’ Ze rekende in haar hoofd snel uit wat ze met de erfenis van haar vader zou kunnen bereiken. Ze dacht terug aan de dag dat hij stierf, nu twee jaar geleden. Hij had altijd in haar geloofd en dat hield haar op de been.

‘Doe wat je niet laten kunt.’

Ze stak haar hand uit. ‘Afgesproken.’

De boer nam hem aan. Zijn greep was opvallend zacht.

 

#

 

De aannemer die ze inhuurde vroeg bij het opnemen van de klus of hij haar vader of haar echtgenoot kon spreken. Zijn pijnlijke blik bij haar uitleg dat hij het met haar zou moeten doen, irriteerde haar. Toch gunde ze hem uiteindelijk de opdracht. Van het half dozijn lieden die ze had uitgenodigd, waren zijn ideeën het origineelst en zijn blik op haar visie sloot het best aan bij haar wensen.

Vlak voor de Kerst kon ze haar nieuwe woon- en werkruimte betrek­ken. De stallen waren verwijderd, de vloer was geëgaliseerd en voorzien van witte tegels over de gehele oppervlakte. Stevige houten schotten met grote ruiten vormden een aparte kamer met werkbanken, stromend water en een gasinstallatie.

Midden in het gebouw was een lift aangelegd, een gevaarte van staal en glas, aangedreven door een elektrofoormotor in de kelder, gevoed door het nieuwste model Teslaspoel die tot veertig meter boven het dak van de schuur uitstak.

In een van de voormalige tuigagekamers was nu haar kantoor. Gezeten achter haar bureau had ze uitzicht over de weilanden en af en toe een ondergaande zon. Secuur werkte ze haar kasboek bij en streepte ze de onderdelen van haar verbouwingsbudget weg tot haar gereserveerde bedrag op nul kwam. Eigenlijk was ze voorbij haar budget gegaan omdat ze de kelder extra diep had laten uitgraven. De aannemer zeurde natuurlijk, maar Jeltje hield haar poot stijf. Ze maakte een aantekening dat ze nog een kleine ereschuld aan de man had staan.

Voorlopig had ze eerst voorraden nodig. Ook een International Lovelace Mills computant en een Leeuwenhoeck manipulator stonden op haar lijst.

Jeltje zuchtte. Het innovatiecomité zag haar plannen niet zitten, maar de lokale koopmansvereniging had een tweemaandelijkse intro­ductieavond waar jonge uitvinders en ondernemers met geldschieters en investeerders konden spreken om hun ideeën en plannen bekostigd te krijgen.

Haar gedachten werden onderbroken door het galmen van de voordeurbel. Ze stak de vloer over richting de vestibule. Bij het openen van de deur viel haar mond even open van verbazing.

‘U lijkt vandaag meer onder de indruk van mijn verschijning dan van de zomer, mevrouw Tiersma.’

‘Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens, welk een onaangename verras­sing.’ Jeltje snoof zachtjes.

De jonkheer grijnsde. Zijn tanden waren perfect, evenals zijn onbe­rispe­lijk geschoren kin. In zijn donkerbruine ogen fonkelden pret­lichtjes. ‘Het genoegen is dan ook geheel eenzijdig, kan ik u verzeke­ren.’

Jeltje maakte aanstalten de zware deur dicht te gooien.

De jonkheer hief zijn rechterhand. ‘Toch wens ik iets met u te bespreken. Een mogelijk lucratief voorstel?’ Hij glimlachte bij haar aarzeling. ‘Misschien bij een kop thee?’

‘Vooruit maar.’

 

De salon naast de keuken keek uit over weilanden. Slootjes met rietkragen vormden kaarsrechte strepen die peristaltisch bewogen in een zachte bries, slechts hier en daar onderbroken door een treurende wilg. Twee dampende mokken stonden op de eenvoudige tafel en Jeltje en de jonkheer zaten tegenover elkaar.

Jeltje tikte met haar vingers op de tafel. ‘Ter zake.’

‘Even charmant als altijd.’

‘Mijn tijd is kostbaar.’ Jeltje gebaarde naar het laboratorium dat door de deur zichtbaar was.

‘Ach ja, geld, voor uw zoektocht naar de oervorm.’

‘U moet toegeven dat uw naturalistische instelling op zijn minst uw nieuwsgierigheid aanwakkert. Anders zat u niet in het comité.’

De jonkheer pakte zijn mok en blies zachtjes over de hete thee. ‘Wederom moet ik u teleurstellen. Er zijn interessanter onderzoeks­richtingen.’

Jeltje zweeg en keek de jonkheer aan tot hij wegkeek.

‘Ik kan u wel zeggen dat ik over u gesproken heb op de herensociëteit aan De Waag in Amsterdam. Ter vermaak van mijn gelijken, natuurlijk.’

Jeltje begon weer met haar vingers op de tafel te trommelen.

De jonkheer zuchtte. ‘Helaas was mijn jonge vriend Hugo Steenius aanwezig. Hij is snel onder de indruk en hij toonde bovenmatige interesse in uw werk.’

Jeltje ging iets rechter zitten. ‘Wat wilt u nu eigenlijk zeggen, jonk­heer?’

‘Dat mijn jonge vriend mij verzocht heeft u te polsen voor een gesprek. Ik zal hem uw afwijzing natuurlijk overbrengen, dat spreekt voor zich.’ De jonkheer schoof zijn stoel achteruit.

‘Wacht.’ Jeltje hief haar hand. ‘Een gesprek?’

De jonkheer haalde zijn schouders op. ‘Geraaskal van een jongmens die zich al patroon van de kunsten waant voor hij Rembrandt van Vermeer kan onderscheiden. Kom, ik zal uw tijd niet langer verdoen.’

Jeltje dacht snel na. ‘Ik verwacht dat uw dunk van meneer Steenius gegrond is. Mocht hij alsnog een gesprek wensen, dan kan hij op de zevende december de Leidsche Koopmansvereniging bezoeken, alwaar meerdere geïnteresseerden mijn presentatie zullen bijwonen.’

Jonkheer Van Vleuten tot Kerstens nam een slok van zijn thee. ‘Ik zal hem de boodschap geven.’ Hij stond vrij abrupt op. ‘Met uw goed­vinden, mijn chauffeur wacht buiten op me.’

Jeltje liet haar bezoeker uit en zag hem een splinternieuw model galvanische koets instappen. Het gevaarte stak zijn Teslaspoel omhoog en reed even later gezwind haar erf af.

Een merkwaardig bezoek. Een Amsterdamse jonkheer die uren rijdt om een boodschap in Leiden af te geven. Ze schudde haar hoofd. Mijn vader zou nu enthousiast zijn geworden. Waarom heb ik er dan een slecht gevoel over?

 

 

Leiden, 7 december 1893

 

Een dikke laag sneeuw bedekte de binnenplaats van het hofje aan de Ketelboetersteeg waar de Leidsche Koopmansvereniging gevestigd was.

Jeltje hield haar mantel stevig om zich heen geslagen terwijl haar adem in witte wolken naar buiten kwam. In het licht van een eenzame elektrofoorlamp zag ze een tweetal galvanische koetsen voor de ingang die langzaam witter werden door de gestaag vallende vlokken. Ze vroeg zich af of een ervan van Hugo Steenius was.

Met haar portfolio in de hand beklom ze de treden van het bordes. Voor ze de bronzen klopper kon optillen zwaaide de deur voor haar open.

‘Mevrouw Tiersma, komt u toch binnen.’ Voor haar stond de weledelgestrenge heer Paridon, voorzitter van het bestuur van de koopmansvereniging.

Jeltje knikte beleefd en stapte de ontvangsthal in. ‘Uw bediende is afwezig?’

Heer Paridon schudde zijn hoofd. ‘Nee, nee, we hebben hoog bezoek. Harm heeft opdracht niet van zijn zijde te wijken.’

‘Hugo Steenius?’

De voorzitter knikte driftig. ‘Een telg uit het Hoekenes geslacht. Zegt dat voldoende?’

Jeltje slikte even.

 

Het zaaltje waar ze haar presentatie mocht geven was matig verlicht door een zestal elektrofoorlampen aan de muren.

Van de tien geplaatste stoelen waren er vijf bezet. De voorzitter, zijn bediende, Harm, twee lokale ondernemers die ze eerder gezien had en een jongeman met rossig haar en felle, donkerblauwe ogen. Dus dat is Hugo Steenius.

Jeltje plaatste haar tekeningen en formules netjes op volgorde. Zodra ze klaar was kuchte ze beleefd.

De voorzitter stond meteen op, draaide zich naar de aanwezigen en zei: ‘Welkom op deze bijzondere avond. Onze gewaardeerde stads­genote en uitvindster, Jeltje Tiersma, wenst u te informeren over haar bio­naturalistische onderzoek. Dit alles hopend u geïnteresseerd te krijgen in haar plannen en met haar mogelijkheden voor investeringen te beschouwen.’ Hij draaide zich naar Jeltje voor hij weer ging zitten. ‘Mevrouw Tiersma, het is aan u.’

‘Dank u voorzitter,’ zei Jeltje. Ze keek naar Hugo Steenius die kalm terugkeek. ‘Ik heb geprobeerd mijn stellingen op eenvoudige wijze weer te geven. De achterliggende wiskunde kan geducht zijn.’ Ze hing haar eerste tekening op. ‘De eerste vraag die ik wenste te beant­woorden was: wat was er eerder, de kip of het ei? Het antwoord was het ei.’

Haar volgende tekening bevatte een aanduiding van een aantal elementen, een stukje helixcode en een weergave van een microbe. ‘U herkent natuurlijk de symbolen, koolstof, stikstof, zuurstof, waterstof en fosfor. Dankzij Aarnout Vosmaer III weten we inmiddels hoe deze elementen de basis vormen voor het leven zoals we dat kennen.’ Ze wees op de microbe. ‘Van klein tot heel groot, alle flora en fauna die wij kennen is hieruit opgebouwd.’

Hugo Steenius kuchte even. ‘Mag ik u even onderbreken, juffrouw? Ik snap dat ei niet helemaal.’

‘Geduld alstublieft. Meneer Steenius, toch?’ zei Jeltje.

‘Natuurlijk, natuurlijk,’ zei hij, ‘gaat u vooral verder.’

Jeltje hing het volgende papier op. Er stond een ingewikkelde, wis­kundige formule op. ‘De helix volgt deze formule. Herleiden van de helix middels de formule levert op wat ik de “tabula rasa” heb gedoopt. Een onbeschreven blad waarop de onderzoeker kan schrijven. Het produceert een ei, letterlijk, een vrijwel ondoordringbare, transparante wand die enkel osmotische toegang verleent wanneer gestimuleerd door de juiste elektrofore krachtvelden.’

‘U kunt leven scheppen?’ zei Hugo Steenius, zijn stem vol van duide­lijk ongeloof.

‘Mijn onderzoek wijst uit dat leven zichzelf lijkt te kunnen scheppen,’ zei Jeltje. ‘De vraag is onder welke omstandigheden deze oer-eieren zich kunnen vormen. En hoe wezens erin kunnen ontstaan.’

‘Vermoedt u hogere machten?’ zei Hugo Steenius. Hij sloeg onwille­keurig een kruis.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Ik vermoed omstandigheden die perfect waren voor het ontstaan van eieren, hoe klein ook, gestimuleerd door elektrofore prikkeling zoals die ook nu nog ruimschoots op Aarde voorhanden is. Dan is het ontstaan van slechts enkele microben vol­doende om een begin te maken.’

Hugo Steenius haalde een gemonogrammeerde zakdoek tevoorschijn en depte zijn voorhoofd. ‘U wenst dit fenomeen verder te onder­zoeken?’

‘Dat is mijn bedoeling met deze presentatie, inderdaad,’ zei Jeltje.

‘Heeft u al commerciële toepassingen bedacht?’ zei Hugo Steenius.

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nog niet. Hoewel kort nadenken wellicht snel tot interessante denkrichtingen kan voeren. Koeien die extra veel melk geven. Of waarom melk, waarom geen geneesmiddelen? Waarom geen specerijen ontwerpen die in beschaafde klimaten groeien zodat we ze niet meer van verre uit de tropen hoeven te halen?’

‘Wat zou u zeggen van soldaten, onvermoeibaar, onverslaanbaar? Of planten die breinversterkende kwaliteiten bezitten, zoals de coca-plant, maar dan sterker?’

‘Ik merk dat u inziet dat er vrijwel ongelimiteerde mogelijkheden zijn, heer Steenius,’ zei Jeltje. ‘Waak er echter voor dat u te snel handelt. Er is nog veel onderzoek en investering nodig om tot een goed prototype te komen.’

Hugo Steenius stond op. ‘Ik weet genoeg, mevrouw Tiersma. Ik wens uw onderzoek te steunen. Schikt het wanneer ik morgen langskom op uw adres met advocaat en notaris om een en ander te bekrachtigen?’

Jeltje voelde haar wangen heet worden. Even aarzelde ze. Doe het, Jeltje, dit is je kans om ze te laten zien dat je gelijk hebt. Batavia Mathematica, weet je nog?

 

 

Leiden, maart 1894

 

Jeltje wreef zich in haar ogen voor ze weer door de oculairs van de Leeuwenhoeck manipulator tuurde. Ze was zich vaag bewust van geluiden en beweging om haar heen van haar assistenten die materialen af- en aandroegen en opstellingen conform haar ontwerpen opbouwden.

Zelfs met de nieuwste apparatuur die de fondsen van Steenius haar verschaften, bleef het vinden van de juiste combinaties en elektrofoor­spanningen een Sisyfusarbeid zonder weerga.

Haar concentratie werd verstoord door een indringend gefluister. ‘Mevrouw Tiersma!’

Ze keek op. Naast haar stond Hans Janszoon, haar rechterhand. ‘Wat is er, Hans?’

‘Het is bijna zes uur. Einde van de werkdag. En het is vrijdagavond.’

Jeltje knipperde met haar ogen. ‘Ach, natuurlijk, loontijd. Is meneer Nederburgh al gearriveerd?’ Arndt Nederburgh was haar factoor en administrateur die elke vrijdag de loonzakjes kwam afleveren.

‘Hij wacht in uw kantoor.’

Jeltje stak haar handen in de zakken van haar laboratoriumjas en wandelde over de werkvloer naar het directiekantoor. Met genoegen zag ze het glaswerk gevuld met voedingsstoffen. Toen ze voorbij de lift liep, hoorde ze het zachte klikken van de computant die in de kelder zijn berekeningen deed, aangedreven door de elektrofore furiën van de Teslaspoel.

Door het raam van het afgesloten deel zag ze de onaardse lichten die uit de incubator opflitsten, waar mengsels van voedingsstoffen onder invloed van steeds andere elektrofoorstoten doorlopend werden getest.

Bij het kantoor stonden haar assistenten haar al op te wachten. Ze liep naar binnen, waar ze haar factoor achter een stapeltje loonzakjes zag zitten. Ze leunde tegen de sponning. ‘Meneer Nederburgh, ook goeiemiddag.’ Ze gaapte even.

Arndt gromde. ‘Vooruit met de geit. Ik heb niet de hele dag.’

Jeltje ging naast hem staan en ze reikte persoonlijk elk van haar assistenten zijn loonzakje aan. Vanaf het begin had ze hierop gestaan. Ze wilde haar werknemers in de ogen kunnen kijken. Het was een herinnering aan haar vader, die ooit door een werknemer bestolen was, die haar hiertoe motiveerde.

‘Tot volgende week maar weer, Arndt,’ zei Jeltje. ‘Ik ga nog even door.’

Arndt gromde weer, nam de grootboeken in zijn armen en liep de deur uit.

Even later klonk de deur weer.

‘Ben je iets vergeten, Arndt?’

De stem achter haar zei: ‘Nee hoor, ik herinner me dat we drie maanden geleden contracten hebben getekend.’

Jeltje draaide zich om. ‘Hugo. Leuk je hier te zien. Vanwaar de eer?’

‘Net binnen, een kruidige, sterke cognac.’ Hugo hield een fles omhoog. ‘Geweldig bij een Hispericaanse sigaar. Omdat het lente begint te worden.’

‘Je komt je investering bezichtigen, is dat het?’

Hugo Steenius grijnsde. Het maakte zijn gezicht aantrekkelijk en warm. Hij zette de fles en een doos sigaren op het bureau. ‘Waar heb je glazen?’

Jeltje knikte naar het dressoir waar een groot formaat tiphaigne van haar overleden vader stond. De sepia tinten kleurden zijn haar, dat hij toen nog had, een onnatuurlijk paars. Ze miste hem, zijn scherpte, maar nog meer zijn geduld met haar.

Even later stonden er twee glazen cognac te ademen. Twee sigaren lagen ernaast, klaar om aangestoken te worden.

‘Niet alleen mijn investering, madame, ook de briljante uitvindster die ermee bezig is heeft mijn aandacht.’

Hugo ging voor het bureau zitten en liet de directeursstoel aan haar. Jeltje liet zich erin ploffen.

‘Ik heb nog niet veel bereikt,’ begon ze.

Hugo zwaaide met zijn wijsvinger. ‘Wacht.’ Hij reikte haar een van de sigaren en nam de ander in zijn eigen hand. ‘Ruik.’

Jeltje deed wat hij vroeg en de rijke geur van de tabak vulde haar hoofd.

Hugo glimlachte, nam zijn glas en nipte voorzichtig.

Ze volgde zijn voorbeeld. De cognac was sterk, kruidig, smaakvol. Het was de perfecte aanvulling voor de geur van de sigaar die nog in haar neus zweefde.

‘Proef je dat?’ vroeg Hugo. ‘Voel je dat?’

Jeltje knikte. ‘Bijzonder.’ Hugo produceerde een aansteker en stak beide sigaren aan.

‘Nu dan,’ zei hij. ‘Dit is toch beter. Een gesprek tussen gelijken onder het genot van een sigaar en een goed glas cognac.’

‘Het verandert niets aan mijn resultaten. Of het gebrek daaraan.’

‘Vertel me wat er mis gaat,’ zei Hugo.

‘De wiskunde klopt. De chemie klopt. De elektrofore oscillaties lijken perfect. Maar dit is het beste dat ik heb kunnen bereiken.’ Ze haalde onder haar blouse een bronzen hanger vandaan waarin een enkele, waterige bol gevat was. ‘De kleintjes zijn instabiel. Vanaf een duim zijn ze stabiel. We hebben er dozijnen. Tabula rasa. Daar blijft het bij.’ Ze liet de hanger weer vallen waar hij tussen haar borsten bleef liggen.

‘Wat is dan het probleem?’ zei Hugo.

‘Er zit niets in. Ik verwachtte met voedingsstoffen en de Leeuwen­hoeck manipulator leven te kunnen maken. Maar de eieren zijn ondoordringbaar. En leeg. Dood.’ Ze keek even opzij naar de beeltenis van haar vader. Wat mis ik toch?

Hugo knikte. ‘Je bent zo’n drie maanden bezig. De meeste van mijn investeringen doen er een jaar of langer over om resultaat te boeken.’ Hij hief zijn glas. ‘Opdrinken.’ Hij gooide de inhoud van zijn glas in een keer zijn mond in.

Jeltje keek naar de bruine vloeistof. Ze haalde haar schouders op en volgde zijn voorbeeld. God, dat brandt!

Hugo grijnsde ondeugend. ‘Na de tweede brandt het niet meer.’ Hij knipoogde en vulde haar glas bij. ‘Vertel me meer over je werk.’

Terwijl ze vertelde werd het donker buiten en de fles raakte steeds leger.

‘Tijd om te gaan,’ zei Jeltje. Ze stond op, maar de directeurskamer wankelde om haar heen. Hugo stond klaar om haar op te vangen. Ze giechelde terwijl ze tegen hem aan hing. De stof van zijn maatpak voelde prettig aan. Onwillekeurig boog ze haar hoofd iets en rook aan hem. Zijn geur was mannelijk, indringend. Ze voelde een merkwaardige leegte in haar onderbuik, alsof ze iets miste. Ze wreef haar neus tegen zijn nek. Alsof het een signaal was boog Hugo zich naar voren en zijn mond zocht de hare. De leegte in haar onderbuik werd ineens gevuld met een donkere gloed en ze wist dat ze hem wilde.

‘Kom,’ zei Jeltje. Ze wankelde het kantoor uit en trok Hugo achter zich aan in de richting van haar slaapvertrekken.

Giechelend trokken ze elkaar de kleren van het lijf. Op het bed voel­den ze elkaar feilloos aan en in de schemer van de slaapkamer weer­klonk enkel het gegrom en gesnuif van het copulerende stel.

Jeltje voelde haar eigen hoogtepunt naderen, gelijk met het haastige ademen en een versnelling van Hugo’s bewegingen.

Nog halfdronken spoelde het orgasme over haar heen, er danste vuurwerk tussen hen in, alsof er letterlijk licht opflakkerde terwijl hij haar vulde. De stekende pijn die ze vlak na hun orgasme in haar onder­buik ervoer, ebde snel weg in het geweld van de endorfinen die door haar lijf stroomden.

Ze vielen in elkaars armen in slaap.

 

#

 

’s Ochtends dreef de geur van gebakken eieren de slaapkamer in. Jeltje voelde haar maag rommelen en kwam overeind. Een stevige hamer dreunde tegen de binnenkant van haar schedel.

‘Auwauwauw…’ Ze kneep haar ogen dicht en hield haar hoofd in haar handen. Haar haren zaten nog opgebonden op haar hoofd, ongekamd. Ze vloekte zachtjes. Uit haar kledingkast haalde ze een lichtgeel peignoir. Voor de spiegel van haar kaptafel trok ze de spelden los en kamde haar haar. Dat verlichtte de pijn in haar hoofd iets.

Nu, tijd voor de inwendige mens. Ze liep door de gang langs haar woon­kamer naar de keuken. Achter het fornuis zag ze Hugo staan, enkel gekleed in zijn donkergroen zijden boksersbroek, stoeiend met twee braadpannen.

‘Dat ruikt goddelijk,’ zei Jeltje.

Hugo keek om. ‘Ga lekker zitten. Ik heb ook koffie gemaakt.’ Zijn glimlach verdween even en hij keek serieus. ‘Denk ik. Ik snap die appa­raten allemaal niet.’

‘Pannen gaan je goed af,’ zei Jeltje. Ze ging aan de eettafel zitten en even later verscheen er een bord eieren, gebakken spek en bloedworst voor haar.

Ze zwegen terwijl ze de eerste helft van hun borden leegden.

‘Normaal ben ik niet zo,’ zei Jeltje. Ze bloosde.

‘Ik ook niet,’ zei Hugo. ‘Liefde en zaken mengen slecht met elkaar. Ik verwijt het mezelf.’

Jeltje legde een vinger op haar lippen. ‘Ssht. Het is niet gebeurd.’

Hugo keek haar aan. Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, sorry, ik kan vannacht niet vergeten. Ik zal ermee moeten leren leven.’

Jeltje sloeg haar ogen neer en at verder. Nerveus speelde ze met de hanger om haar nek.

‘Wat heb je gedaan?’ zei Hugo ineens.

Ze keek op. ‘Hoe bedoel je?’

Hugo wees op haar hanger. ‘Bewoog daar iets?’

Jeltje maakte de hanger los en hield de waterige bol in het ochtend­licht dat door de ramen kwam. Verdraaid, er is inderdaad iets.

 

 

Leiden, april 1894

 

Met een zwaai gooide Jeltje de voordeur dicht achter haar laatste assistent die ‘s avonds richting huis vertrok. Ze leunde met haar hoofd tegen het koele hout en wreef zacht over haar kloppende slapen.

‘Waar gaat het mis? Denk na, Jeltje Tiersma.’ Ze haalde de hanger voor de honderdste keer die dag tevoorschijn en staarde in de diepte van het ei. Af en toe was het wezentje net een klein foetus, niet groter dan een erwt, maar soms leek het te groeien. Dan vertroebelde het ei, zoals de mistflarden die over de weilanden naar binnen dreven. En zoals nu, alsof er een diepere dimensie in het ei verborgen was, zwom het wezentje door oneindige zeeën, glimmend zwart, met vleugels breder dan zijn lengte, majestueus bijna.

Een klop op de deur verstoorde haar fascinatie. Ze keek op, keek terug naar het minuscule wezentje dat anemisch bewoog in zijn glazen gevangenis.

Door het spionnetje zag ze Hugo. Met een glimlach opende ze de deur. Hugo Steenius, haar investeerder en aandeelhouder, inmiddels ook haar minnaar, stapte naar binnen, nam haar in zijn armen en kuste haar lang en hard.

‘Ik heb je gemist,’ zei hij.

‘Ik jou ook,’ zei Jeltje. Ze duwde de deur dicht met haar voet en klemde zich stevig aan hem vast.

‘Is er iets?’ vroeg Hugo.

Ze maakte zich los en haalde haar schouders op. ‘Ik zoek al een maand tevergeefs naar een oplossing. Ik kan inmiddels tientallen perfecte eieren per dag produceren, de computant regelt het allemaal, de voedingsstoffen, de elektrofore spanning, alles. Maar ze zijn leeg. Stuk voor stuk.’ Ze hield haar hanger op. ‘Behalve deze.’

Hugo knikte. Hij haalde zijn eigen hanger uit zijn zak. ‘En deze.’

Jeltje knipperde met haar ogen. Ze hield haar hand uit. ‘Laat zien.’ Ze liep met zijn hanger het laboratorium in en hield het in brons gevatte ei in het licht. ‘Verdraaid.’ Ze siste zachtjes. ‘Deze doet het ook.’ Ze keek vragend naar Hugo die haar gevolgd was.

‘Ineens, ik weet het ook niet.’

‘Heb je de hanger bij je gedragen de afgelopen week?’

Hugo knikte. ‘Voortdurend.’

‘Dan moet dat het haast wel zijn.’ Jeltje pakte een stift en maakte een aantekening in een van de logboeken. ‘Ik zal mijn assistenten allemaal een hanger meegeven en dan dagelijks controleren.’

‘Alles voor de wetenschap,’ zei Hugo. Hij grijnsde en haalde een fles cognac uit zijn binnenzak. ‘Herinner je je deze nog?’

Jeltje keek zuur. ‘Mijn hoofd vergeet dat niet. Een week hoofdpijn en misselijk.’

‘Ik zei je dat je er nog wat van moest nemen. Je kunt niet in een keer stoppen, je moet geleidelijk afbouwen.’

‘Ik kan ook gewoon niet meer drinken.’

‘Maar dat is lang zo leuk niet,’ hij knipoogde ondeugend.

‘Niet nu, Hugo. Het zit me dwars, deze hele toestand. Mijn bereke­ningen lijken correct, toch werkt het proces niet als ik bedacht had.’

Hugo nam haar hand en trok haar mee naar de salon. Hij wees naar de weilanden en de laagstaande zon in het westen. ‘Ooit is hier leven ontstaan, op deze wereld. En ik denk dat jouw proces eraan ten grond­slag heeft gelegen.’

‘Ik twijfel er steeds meer aan, eerlijk gezegd,’ zei Jeltje zuur. Ze vouwde haar armen over elkaar.

‘Je mist gewoon nog iets,’ zei Hugo. ‘Ontdek dat, vind het uit.’

‘Waar ik over twijfel is dit alles,’ ze spreidde haar armen. ‘Planten, dieren, flora en fauna, het groeit allemaal zonder mijn eieren.’

‘Ooit is het ergens begonnen,’ zei Hugo. ‘Dat heb je me zelf verteld.’

‘Maar als het zo moeilijk is, is het dan met mijn eieren begonnen? Of heeft een andere, eenvoudiger manier het gewonnen? Wat is de ware Genesis geweest?’

‘Je moet je zinnen verzetten, Jeltje,’ zei Hugo. ‘Er is een theater­voorstelling in Leiden. Pyrrhus en Willem VI. Toepasselijk, denk ik.’

Jeltje knikte zachtjes. “Elke stap zal je kosten.”

‘Ware woorden. Wat zeg je ervan?’

Even later vertrokken ze in Hugo’s galvanische koets.

 

#

 

Na het weekeinde kwamen haar assistenten terug in het laboratorium. Met leven.

Jeltje onderzocht elk van de eieren en ondervroeg haar assistenten over alles wat ze in het weekend gedaan hadden. Het was verbazing­wekkend normaal. Eten, drinken, slapen, wandelen, sporten, tuinieren, lezen. Frustrerend. Maar het werkte.

Hugo organiseerde mooie, houten kistjes, van binnen bekleed met paars fluweel, waarin de hangers, in zilver en goud, konden worden opgebor­gen. Het waren extreem dure cadeaus, voor kinderen van regen­ten en gouverneurs die alles al hadden.

‘Ik heb al enkele dozijnen bestellingen binnen,’ zei Hugo. ‘De marge is navenant. Bij vijftig verkochte exemplaren is mijn investering winst­gevend.’

‘Doen we er goed aan?’ zei Jeltje. ‘We weten dat we iets levends hebben, we weten alleen nog steeds niet wat het is.’

Hugo haalde zijn schouders op. ‘Dit is gewoon de volgende stap. Mocht het iets schadelijks zijn, dan kunnen we op enig moment het speelgoed terughalen en vervangen door iets veiligers.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel het enige gevaar schuilt in wat ze met dit speelgoed stuk kunnen maken.’

Jeltje greep onwillekeurig naar haar nek, maar de hanger was daar niet. Ze had haar ei uit de hanger gehaald en in een incubator gelegd, volledig gecontroleerd door de Lovelace computant. In een week tijd was het ding bijna een duim in omvang gegroeid.

Het wezentje was meegegroeid, maar het leek in het geheel niet op welk foetus Jeltje ooit gezien had, zelfs niet in het Leidsch Natuur­historisch Museum dat toch bekend stond om zijn uitgebreide naturalistische collectie op sterk water.

Ze voelde zich misselijk, een onaangename leegte in haar buik bij de gedachte aan het ei in de kelder. Ze nam zich voor eind van de werkdag naar de kelder te gaan, het ei uit de incubator te halen en ermee in de salon te gaan zitten, uitkijken over de weilanden, staren naar het wezentje dat ze al zo lang bij zich droeg. Ze zou het aaien en stevig tegen zich aandrukken. Ze schudde haar hoofd. Doe niet zo raar, Jeltje. Het is een studieobject, een experiment.

 

#

 

Flarden mist trokken over het weiland waar ze stond. Jeltje keek om zich heen. Ze herkende deze plek niet. Een maantje verscheen boven de horizon en baadde de omgeving in een geel licht. Op een hoge heuvel in de verte zag ze de silhouet van torens en kantelen, een soort kasteel. Waar ben ik? Dit is Holland niet. Droom ik?

Ze nam een paar voorzichtige stappen. De grond was bedekt met lang gras, met hier en daar planten met roodomrande bladeren die dauw­druppeltjes aaneenregen tot waterparelsnoeren. De zoom van haar nachtjapon raakte snel doorweekt en sleepte over de grond.

Voor haar week de mist uiteen en ineens keek ze uit over een dal, diep en donker. Als golven in de branding rolden achtereenvolgende mistbanken over het land. Reflectie van de gele maan onthulde stukjes van de omgeving, struiken, vreemdgevormde bomen, kabbelende stroompjes en dreigende schaduwen die leken te bewegen.

Een rode maan verscheen achter het kasteel. Jeltje voelde de sfeer van de omgeving veranderen. De schaduwen werden dieper. Heel in de verte klonk een sonoor, laag brommen waarin Jeltje met enige moeite een ritme ontdekte, alsof een slapend wezen een melodieus geluid voortbracht. Het raakte haar diep in haar buik. Ze betrapte zich erop dat ze met open mond naar de maan staarde en dat ze bijna vergat te ademen.

Het geluid veranderde, werd melodieuzer, alsof het een lied was, een lied met een boodschap die op de rand van haar gehoor, van haar verstand lag. Ze zette een aarzelende stap in de richting van het kasteel en nog een. Ze versnelde haar passen tot ze de heuvel afrende. Struiken sloegen tegen haar benen, met moeite ontweek ze bomen en in de nevel stapte ze af en toe mis en struikelde over keien. Haar voeten deden pijn en het kille water van de stroompjes zoog zich vast aan haar kleed en probeerde haar onder te trekken, maar het lied was sterker en de melodie dreef haar tot het uiterste.

Met een schreeuw kwam ze overeind. Jeltje knipperde met haar ogen. Ze lag in haar eigen bed en ze was ijskoud. Klappertandend stapte ze uit bed om extra dekens te pakken. In het licht dat ze aanknipte zag ze meteen dat haar nachtjapon vol moddervegen zat en dat haar voeten vol blauwe plekken en schrammen zaten.

Verward pakte ze extra dekens. Het duurde lang voor ze warm werd. Daarna viel ze in slaap terwijl ze melodieus neuriede. Ze sliep droom­loos.

 

 

Leiden, juni 1894

 

‘Het spijt me, mevrouw Tiersma, maar de vrouw wil ze niet meer in huis.’ Harmen Rolants, een van haar assistenten, overhandigde de eieren die ze hem de dag ervoor had gegeven. Ze waren leeg.

‘Ik snap het niet zo goed, Harmen,’ zei Jeltje. ‘Voorheen was er geen probleem, wat is er dan nu aan de hand?’

Harmen bloosde. Hij keek naar zijn voeten. ‘Nou, het zit zo.’ Hij keek naar het plafond, zuchtte drie keer. ‘Gesina vindt ze eng. Als we… als we… nou ja, “samen” zijn, dan doet het pijn. Wanneer de eieren er zijn, bedoel ik.’

Jeltje slikte. Ze was zelden zo openhartig met haar assistenten. Ze wist niet goed waar ze moest kijken.

‘En het licht,’ ging Harmen verder. ‘Wanneer we, nou ja, u weet wel… Spookachtig, eng.’

Jeltje lette ineens scherp op. Dat heb ik eerder gezien. Ze herinnerde zich flarden van de dronken vrijpartij met Hugo, het vuurwerk dat ze dacht te hebben gezien. En ze dacht aan de pijn die ze toen voelde. Wat betekent dit?

Ze besloot haar dilemma wetenschappelijk te benaderen. Zonder omhaal liep ze naar Kees Kouwenhoven en vroeg hem op de man af of hij in de weekends dat hij eieren in huis had ook met zijn vrouw lag.

Kees grijnsde. ‘Veel en vaak, mijn vrouw houdt ervan.’ Hij kuchte even, serieus. ‘En we willen graag een kindje, dat helpt natuurlijk ook. Tot nu toe nog niets.’

‘Heeft je vrouw nog wel eens over pijn geklaagd?’

Kees schudde zijn hoofd. ‘Ze klaagt nooit. West Friezin, dat zijn bikkels.’

Jeltje knikte. ‘Dat klopt zeker.’ Ze praatte met elk van haar assisten­ten en aan het eind van de ochtend was ze er vrijwel zeker van: De eieren ontvingen leven in de buurt van vrijende mensen.

De rest van de dag bracht ze door achter haar schoolbord waarop ze met krijt steeds ingewikkelder formules kalkte.

 

#

 

‘Jeltje? Jeltjelief, wat doe je?’

Jeltje keek op. Hugo stond naast haar. De elektrofoorlampen waren aan, het werd al donker buiten. Ze zat op de grond voor het schoolbord. ‘Hugo, je bent er.’ Ze gaapte. ‘Ik denk dat ik even in slaap was gevallen.’

Hugo keek haar vreemd aan. ‘Nee, je sliep niet. Je staarde naar de muur en wiegde zachtjes heen en weer. Je neuriede iets, een liedje?’

Jeltje rekte zich uit en stond op. ‘Ik weet van niets.’ Een moment later zakten haar schouders af. ‘Wacht, ik weet het wel.’ Ze wees naar de krijtvegen op het bord. ‘De wiskunde. Te complex. Ik kan het niet in mijn hoofd krijgen.’

‘Welke wiskunde, Jeltje?’ Hugo keek naar het bord. ‘Ik zie alleen maar rare symbolen en diagrammen. Niets wat ik onder rekenarij versta.’

Jeltje liet haar ogen over de symbolen dwalen. Ze herkende haar handschrift, maar de tekens waren vreemd voor haar. Toch kriebelde er iets in haar achterhoofd, een betekenis die zich aandiende maar nooit volledig haar hersenen betrad om inzicht te verschaffen. ‘Ik kan het niet uitleggen. Ik snap het zelf ook niet.’ Ze twijfelde. ‘Ik begrijp er een beetje van. Maar de hogere dimensies zijn te complex.’

Hugo pakte haar schouders vast. ‘Werk je niet te hard, Jeltje? Je ziet er moe uit.’

‘Ik slaap slecht, Hugo. Dromen, nachtmerries eerder, die me wekken, waarna ik de slaap niet meer kan vatten.’

Hugo zuchtte. ‘Kom, we gaan wat eten. Lekker in bad en daarna stop ik je in bed. Zal ik een doctor laten halen? Je lijkt hysterisch.’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘Nee, vooral niet. Ik ben niet ziek. Moe, dat wel.’

Hugo bood haar zijn arm en samen liepen ze naar de keuken. Terwijl ze langs de salon liepen dacht Jeltje even een grote, rode maan boven de weilanden te zien, een flits, niet meer, daarna zag ze enkel de roodkleurende wolken in de laatste stralen van de ondergaande zon.

Terwijl ze een eenvoudig maal nuttigden, besprak Jeltje met Hugo haar bevindingen en de verhalen van haar assistenten.

‘Het geeft me een slecht gevoel,’ zei ze.

Hugo steunde zijn kin op zijn handen. ‘Ik begrijp je zorgen. We kunnen er op dit moment alleen weinig aan doen. Ik zal wel de orders tijdelijk weren zodat we dit goed kunnen uitzoeken.’ Hij wees vervol­gens naar Jeltje. ‘En jij moet wat meer rusten, mevrouwtje werkteveel.’ Een half uur later lag ze schoon in haar bed en deed Hugo het licht uit. ‘Goed uitrusten, lief, dan ziet de wereld er morgen beter uit.’

 

#

 

In het diepst van de nacht schrok ze wakker. Ze voelde weer die merk­waardige leegte in haar buik, alsof iets aan haar trok. In de stilte van de nacht hoorde ze elk geluidje en in de verte, heel zacht, een zacht zoemen, melodieus.

Nieuwsgierig stond ze op. Ze wandelde door de donkere kamers, richting het lab. Midden in het lab klonk het geluid het hardst. Ze keek naar het donkere gevaarte van de lift. Ze opende de deur en met een draai aan de hendel daalde ze af naar de kelder.

Uit de verste hoek van de kelder begroette een spookachtig flikkeren van elektrofoorontladingen in de incubator haar. Het gezoem was hier veel harder en de melodie leek synchroon aan het weerlicht.

Jeltje ging voor de incubator staan. Ze schakelde de elektrofoor­generator uit en opende de saffierglazen deur. In een schaal voedings­stoffen lag haar ei, nu twee vuisten groot. Ze wreef er zachtjes over. Het ei voelde niet meer koud en hard aan, het leek nu zachter en levend, alsof een transformatie bezig was.

Ze keek in de troebele diepten en zag daar de vleugels van het wezentje fier gespreid, terwijl het over een schaduwrijk dal vloog in licht dat aspecten geel en rood in zich leek te verenigen. Het lied nam in kracht toe. In een stroboscopische reeks indrukken zag ze struiken, verwrongen bomen en gras waarin af en toe planten met roodomrande bladeren, totdat het wezen de heuvels bereikte en scherp omhoog manoeuvreerde. Het miste ternauwernood de torens en kantelen van een kasteel dat ineens opdoemde.

Het lied overweldigde Jeltje zodat ze haar handen op haar oren duwde. Toen het aanhield, gooide ze snel de deur van de incubator weer dicht en startte ze de elektrofoorgenerator. Het lied daalde in volume tot een acceptabele melodieuze achtergrondruis.

Verward wankelde ze terug naar haar bed. De volgende ochtend werd ze laat wakker, maar haar slaap had haar geen rust gebracht.

 

 

Leiden, juli 1894,

 

Jeltje staarde afwezig naar de bloemenoverwoekerde weide waar de wilgen langs slootjes als fiergroene bronsgepantserde wachters de toegang leken te regelen voor de horden vliegen, bijen en ander ongedierte. In gedachten plaatste ze er heuvels achter, bergen zelfs, en een half gedroomd kasteel vol kristallen zalen en lange, donkere gangen.

Ze was er vaker geweest, na die eerste keer. Telkens dieper, telkens verder, langs spiralende trappen naar vochtige kelders met roestige kettingen en het gestage drup-drup-druppen van water dat van steun­beren en bogen kwam als begeleiding voor het lied dat nu zelfs in wakende toestand door haar hoofd weerklonk, zoet en verlokkend enerzijds, angstaanjagend door een donkere ondertoon, zwanger van gruwelijke beloften.

Haar onderzoek had te lijden onder haar slaapgebrek. Haar assisten­ten stonden af en toe werkloos bij hun werkbanken. Ze herkende hun blikken, het wantrouwen. Was dit wat haar vader ooit had meegemaakt met zijn eigen assistenten? Ze snoof zacht. Misschien moest ze een voorbeeld stellen. Die Rolants met zijn vrouw die weigerde de eieren in huis te nemen. Ze nam zich voor het met haar factoor op te nemen. Hij kende de regels in dit soort situaties.

De deur van de salon ging open en Hugo stapte naar binnen. ‘Daar ben je.’

Jeltje glimlachte, dankbaar dat hij haar gedachten onderbrak zodat de melodie tijdelijk even naar de achtergrond werd verdrongen.

‘Je ziet er bleek uit, gaat het wel met je?’

Jeltje schudde haar hoofd. ‘De eieren met leven zijn ongevoelig voor welke behandeling dan ook. Enkel bouwstoffen, voeding en elektrofore stimulatie doen iets.’ Ze beet op haar onderlip. ‘En die hoger­dimen­sionale wiskunde… totaal onbegrijpelijk. Maar ik moet hem beheersen om te snappen waarmee ik te maken heb.’

‘Ik weet inmiddels dat ze stuk kunnen,’ zei Hugo. Hij haalde een doosje uit de binnenzak van zijn jacquet. ‘Dit is misschien niet wat je denkt,’ zei hij met een glimlach. Hij opende het doosje. Op zwart fluweel lagen stukjes glazen eierschaal.

‘Wat is er gebeurd?’ zei Jeltje.

‘Volgens de eigenaar niets. Het ding brak spontaan, er was niemand in de buurt. Er bleef enkel een zuur ruikende, zwartgeblakerde plek achter op een dressoir.’ Hugo zuchtte. ‘Ik heb natuurlijk meteen de schade vergoed en een nieuw exemplaar toegezegd. Onze klant was wel gehecht geraakt aan zijn kleinood. Hij drong zelfs stevig aan snel een vervanging te leveren.’

Jeltje stond op en liep voor het raam dat uitkeek over de weilanden heen en weer. ‘Ik heb op geen enkele manier eieren kunnen breken. Wacht hier.’ Ze liep naar het lab en kwam met een stevige naald terug. Ze legde een stukje ei met de bolle kant naar boven op haar salontafel. Met de naald stak ze hard op het glazen oppervlak in. De naald schoot weg en dreef een stukje het hout van de tafel in. Vervolgens draaide ze de scherf om en stak weer met de naald. Dit keer brak de scherf in drie stukken.

‘Verdraaid,’ zei Hugo.

‘Het ei is uitgekomen, vermoed ik,’ zei Jeltje bezorgd.

‘Maar wat…,’ zei Hugo, ‘wat is er uitgekomen?’

Jeltje schudde haar hoofd.

‘Dit kan nog vaker gaan gebeuren. Ik denk dat we de eieren moeten gaan vervangen door iets dat controleerbaar is,’ zei Hugo. ‘Dit kan onze investering danig schaden.’ Hij stond op, nam haar handen in de zijne. ‘Ik moet overleg plegen hierover, vergeef me dat ik je nu alleen laat. Weet dat je in mijn hart bent.’

‘En jij in mijn hart,’ zei Jeltje. Ze sloeg haar ogen neer. Een heel klein stukje toch. De band die ze met het ei in de incubator in de kelder voelde, trok haar onderbuik weer leeg, een bijna fysieke pijn die bleef tot ze naar beneden ging. Het ei was inmiddels bijna zo groot als de ruimte in de incubator toeliet en Jeltje vermoedde dat die al niet meer nodig was.

Hugo liet haar achter met de eierscherven in het doosje. Jeltje keek hem na en liep vervolgens vastberaden naar het laboratorium om daar nieuwe onderzoeksopdrachten uit te delen en haar assistenten goed op te zwepen. Zij zou intussen eindelijk proberen die vermaledijde wiskunde op orde te krijgen.

 

#

 

Als altijd begon de droom op de weide. Ze kende de weg nu en ze kon snel het dal in rennen en het kasteel bereiken. De poort was open, als altijd. Voor het eerst viel het haar op dat het van een afstand het leek alsof er gezichten in de steen van de buitenmuur van het kasteel zaten. Van dichtbij waren het gewoon vlekken en onregelmatigheden.

Ze liep door de ontvangsthal, langs gangen met hoge ramen, langs wenteltrappen naar de vele torens. Elk raam dat ze bekeek bood uit­zicht op een ander tafereel. Een hoogvlakte, een kasteeltuin, een snel­stromende beek, een donker bos, de smalle straatjes tussen middel­eeuwse huizen die tegen het kasteel aangebouwd leken.

Elk bezoek aan het kasteel was als een verkenningstocht door onont­gonnen gebied. Kamers leken zich te verplaatsen, zalen veran­der­den subtiel van kleur of structuur of verdwenen volledig en doken ineens ergens anders op.

De melodie, die alomaanwezige melodie, kwam van overal en ner­gens. Ze was er gewend aan geraakt, het registreerde niet meer in haar geest. Wat deze keer des te meer opviel was het geluid van een huilend kind, ergens in de verte.

Ze keek door een raam over een binnenplaats uit. Aan de overkant, in een schaduwrijke zuilengalerij, zag ze het silhouet van een peuter die daar over donkere tegels leek te kruipen. Voor het eerst dat ik hier mensen zie.

Ze haastte zich de gangen door, sloeg linksaf en nog eens linksaf. Waar ze de zuilengalerij verwachtte was een doodlopende gang. Een klein raam, niet breder dan haar hoofd, gaf uitzicht op een diep ravijn omgeven door pijnbomen, waarvan de bodem in nevelen gehuld was.

Ze hoorde het huilende kind weer. Ze volgde het geluid dat langzaam luider werd. Telkens wanneer ze dacht rond de volgende hoek een klein kind te zien zitten, verplaatste het geluid zich. Iemand speelt een spel met me.

De gedachte was net bij haar opgekomen toen ze een hoek omsloeg en midden in een kristallen zaal op een basalten verhoging een klein, blond jongetje zag zitten, gekleed in een zwart fluwelen broekje en een donkerpaars fluwelen tuniekje met gouden lusjes. Met indringend blauwe ogen keek hij haar aan. Tranen liepen nog van zijn wangetjes.

Aarzelend deed Jeltje een stap naar voren. Er klonk geluid van klapperende vleugels en de kamer verduisterde.

Ze snakte naar adem en schoot overeind in haar eigen bed. ‘Ver­draaid.’ Vanuit haar laboratorium klonk de melodie, zoet, donker, indringend. Ze begroef haar hoofd in de kussens. Je maakt me gek! Stop ermee!

 

 

Leiden, augustus 1894

 

‘Waar is ze?’ vroeg Hugo. ‘Kees Kouwenhoven toch?’ Hij was net aange­komen met zijn galvanische koets, vergezeld door zijn advocaat.

‘Ja, meneer,’ zei de assistent.

‘Nou?’

‘Ze sloot zich vanochtend in de directiekamer op. Ik heb haar sinds­dien nog niet gezien.’

Hugo knikte. ‘Doet ze dat vaker?’

‘Sinds een paar weken.’

Hugo keek opzij naar zijn metgezel. ‘Hoor je dat?’ De ander knikte minzaam. Hugo Steenius liep doelbewust door het laboratorium in de richting van de directiekamer. Hij duwde de klink omlaag en de deur zwaaide open.

‘Leeg,’ zei de advocaat die naast Hugo in de deuropening stond.

Hugo wilde de deur sluiten toen een beweging aan de overzijde van de kamer zijn aandacht trok. Alsof ze uit de schaduwen stapte, kwam Jeltje tevoorschijn. Ze zag hem en glimlachte.

‘Hugo, eindelijk heb ik je gevonden.’

Hugo keek zijn advocaat aan die zijn schouders ophaalde. ‘Ik zag het ook niet,’ zei de ander.

‘Wat is er, Jeltje, waar was je?’

‘Het kasteel, voorbij de vallei. Ik dacht dat ik de troonzaal instapte.’

Hugo knipperde met zijn ogen. ‘Dit klinkt heel raar, Jeltje. Mag ik je overigens voorstellen aan Jean de Lucardy, mijn advocaat?’

‘Volgens mij hebben we elkaar in het begin even gezien om de con­trac­ten door te nemen, nietwaar?’

‘Correct, mevrouw,’ antwoordde Jean de Lucardy.

‘Mag ik de reden van uw bezoek weten?’

‘Jazeker. Meneer Steenius heeft me verzocht mee te komen in ver­band met een aantal defecte hangers.’

‘Er zijn er meer stuk?’ zei Jeltje tegen Hugo.

Hugo knikte. ‘Bij een ervan is iets merkwaardigs gebeurd. Dat is de reden dat Jean is meegekomen.’

‘Vertel,’ zei Jeltje. ‘Kom, we gaan even zitten.’

‘In drie gevallen gebeurde er wat we eerder hebben meegemaakt. Die gevallen heb ik ook meteen in samenspraak met Jean afgehandeld. Eén geval is anders.’

‘Ahem.’ Jean de Lucardy schraapte zijn keel. Hij nam een opgevouwen papier uit zijn binnenzak en vouwde dat open. ‘Het vierde geval betreft een gegoede koopman uit het centrum van Amsterdam. Zijn zoontje van nog geen twee gebruikte de hanger regelmatig als rammelaar. Zo ook tijdens de gebeurtenis waarvan hij en zijn vrouw en een dienst­meisje getuige waren. Namelijk, dat de hanger brak, er vloeistof vrij­kwam die onmiddellijk tot een dichte, grijze nevel, die danig op de kelen van de aanwezigen sloeg, verdampte. Ramen werden geopend, de nevel trok weg, maar het zoontje was ook verdwenen. Zijn signalement, bijna twee jaar oud, blonde krullen, blauwe ogen, op dat moment gekleed in een zwarte broek en een paarse tuniek met gouden lusjes.’

Jeltje zakte onderuit in haar stoel.

‘Wat is er Jeltje,’ zei Hugo. ‘Je ziet extreem bleek. Is het een flauwte?’ Hij boog zich naar Jean de Lucardy. ‘Ze neigt soms naar het hysterische, met alle gevolgen vandien.’

Jean glimlachte minzaam. ‘Een vrouwelijke eigenschap, begrijpelijk.’

Jeltje kreeg al snel weer kleur op haar wangen, niet omdat ze zich beter voelde maar omdat een kille woede opborrelde over de neer­buigende toon van de mannen. Zelfs jij, Hugo. Heb ik me dan zo in je vergist? ‘Wat gebeurt er nu?’ vroeg ze op kille toon.

Jean de Lucardy vouwde het papier weer netjes op. ‘Wij, aandeel­houders en vertegenwoordiging, zijn door de rechtbank te Amsterdam gesommeerd ter zitting te verschijnen op zeven september 1894, om tien uur in de ochtend.’

‘Zijn we aangeklaagd?’ vroeg Jeltje. ‘Willen ze geld?’

Hugo schudde zijn hoofd. ‘Ik ben bang dat het een strafrechtzitting is. Er is een kind verdwenen in bijzijn van ons product, dat op dat moment faalde. Het enige dat ons op dit moment uit de cel houdt, is het feit dat het kind volledig verdwenen is.

‘Ik heb het gezien, een paar weken geleden, in het kasteel. Hij huilde, maar ik kon hem maar niet bereiken.’

Hugo keek naar Jean die betekenisvol terugkeek.

‘Jullie geloven me niet?’

De advocaat vouwde zijn handen samen. ‘Mejuffrouw Tiersma, het is van het uiterste belang dat u tijdens de strafzitting dit soort uitspraken niet doet. Wij zijn ons niet bewust van enige – potentiële – schade door onze producten.’

Jeltje knikte en staarde voor zich uit. Het lied uit de kelder zwol aan en verdronk het gesprek dat de mannen met haar probeerden te voeren, totdat ze uiteindelijk haar hoofd in haar handen legde en fluisterde: ‘Laat het stoppen, alsjeblieft.’

 

#

 

Zachtjes streelde ze met haar handen over het fluweelzachte oppervlak van het ei. Het was de incubator inmiddels ontgroeid en met veel moeite had ze het van de werkbank op de grond gekregen.

Het ei was content, de melodie die het produceerde was vriendelijk, subtiel dwingend en dreigend rustgevend.

Jeltje omhelsde het ei, maar ze kreeg haar armen er al niet meer omheen. ‘Ik hou van je,’ fluisterde ze. Met haar wang wreef ze over het gladde oppervlak. In de diepte van het ei zag ze haar wezentje, haar kindje, haar diepste geheim. Het vloog over heuvels en dalen en cirkelde vele malen rond het immense kasteel dat ze inmiddels grondig had verkend.

‘Wat er ook gebeurt, hoe het over twee weken ook afloopt, ik zorg ervoor dat je veilig blijft, dat niemand je iets aandoet.’ Ze duwde werkbanken opzij tot ze voldoende ruimte had gemaakt voor het ei om ongehinderd verder te kunnen groeien.

 

‘Ik heb wat afspraken in Amsterdam, het kan zijn dat ik wat laat thuiskom, of misschien zelfs overnacht. Kunt u een oogje in het zeil houden?’ zei Jeltje tegen de boer.

De oude man glimlachte vriendelijk. ‘Natuurlijk, jongedame. De nieuwe bedrijvigheid die u heeft gebracht, heeft mijn oude hart goed gedaan. Laat de boel maar aan mij.’

‘Dank u,’ ze nam zijn handen in de hare. Ze waren nog net zo zacht als de eerste keer. Daarna nam ze haar valies en stapte in de richting van de wachtende galvanische koets.

 

Amsterdam, 7 september 1894

 

De rechtbank was een neogotische monstruositeit, gelegen tussen de Westerkerk en het centraal station. De koepel van het gebouw en de granieten zuilen waren zwart uitgeslagen door de eeuwige steenkool- en turfrook. Galvanische koetsen waren alomtegenwoordig in het centrum van Amsterdam, hoofdzetel van de VOC en thuis van de grootste en machtigste handelsbeurs ter wereld.

De belofte van Tesla’s elektrofore energie was zichtbaar in de ochtendzon als een pilaar van schitteringen aan de noordoever van het IJ, waar de nieuwe en spoedig hoogste Teslaspoel van de wereld zou verrijzen. Het betekende het einde van de vervuilende smeerpijpen van de industrieën langs het Noordzeekanaal en in het Westelijk Haven­gebied.

Jeltje voelde een steek van jaloezie bij het succes dat de Venetische weten­schapper boekte in heel West-Europa. Haar eigen vindingen waren minstens net zo revolutionair, als ze maar de tijd kreeg het proces te perfectioneren. Ze voelde ook de afstand tot Leiden, tot haar laboratorium, tot het ei in de kelder, hoewel het lied nog steeds in de verte in haar hoofd speelde.

Op de brede trappen van het bordes zag ze Hugo en Jean staan, beiden gekleed in onberispelijke jacquetten met bijpassende hoge hoeden.

‘Mevrouw Tiersma,’ begroette Jean haar. Hugo knikte alleen maar.

De ingang van de rechtbank bestond uit hoge, dubbele deuren die wijd open stonden. Op een bord bij de ingang waren kaartjes bevestigd met daarop kamernummer en de zaak die behandeld werd. Jean de Lucardy tikte er een aan. ‘Deze is voor ons.’

 

#

 

Zodra alle ontbodenen zaten, deden de magistraten en de rechter hun intrede. Ze begaven zich naar hun machtspositie, ruim verheven boven de eenvoudige banken van de gedaagden. Ter weerszijden van de verhoging stonden twee agenten in uniform.

Jeltje keek opzij naar de tegenpartij. Een gezette man met een jacquet met goudbrokaat, zijn vrouw in stemmig zwart en met een zwarte sluier. Een jongeman in een strak gesneden zwart uniform overlegde met hen.

De deuren sloten. De rechter sloeg zijn hamer op het bureau voor hem. Hij was een gezet man met brede schouders die door zijn zwarte kleed nog benadrukt werden. Zijn hoofd was bedekt met donkerbruin, krullend haar en hij had een lange, donkere baard.

‘Ter zake. De feiten zijn overlegd. Meneer de Lucardy, hoe pleit uw cliënt?’

‘Onschuldig, edelachtbare.’

De rechter knikte. ‘Een aantal zaken is mij nog onduidelijk. Ik heb vragen.’

‘Mijn cliënt is enkel de geldschieter, edelachtbare. De uitvindster is aanwezig.’

‘Mejuffer Tiersma, als ik het wel heb?’ De rechter keek op een van de papieren voor hem.

Jeltje keek opzij naar Jean de Lucardy die met zijn lippen het woord ‘opstaan’ vormde. Ze stond op. ‘Ja, edelachtbare.’

‘Uw onderzoek lijkt nogal wat controverse te kennen.’

‘Daarvan ben ik mij niet bewust.’

‘In deze wat vreemde zaak heb ik mij van informatie laten voorzien door een kenner op het gebied van Naturalistische onderzoeken, jonk­heer Van Vleuten tot Kerstens. Zijn opinie is dat uw onderzoek zeker van waarde is, maar dat uw gesteldheid een zeker risico met zich meedraagt.’

Jeltje was verbaasd. ‘Hoezo is mijn gesteldheid een risico, edel­achtbare?’

De rechter keek haar enkele ogenblikken aan. ‘Zowel de jonkheer als uw advocaat als zijn cliënt, de heer Steenius, hebben aangegeven dat u lijdt aan een vorm van hysterica, een bekende vrouwenkwaal die u zeker niet wordt aangerekend. Zoals in medische kringen welbekend is, brengt dat een zekere ontoerekeningsvatbaarheid met zich mede die in het oordeel van dit hof zal worden meegenomen.’

‘Ik ben niet hysterisch,’ zei Jeltje. Ze verhief haar stem. ‘Het idee alleen al. Ik ben een wetenschapper, wiskundig geschoold, summa cum laude afgestudeerd aan de Universiteit van Leiden.’

‘Als uw gesteldheid geen invloed heeft, dan bent u in staat dit hof uit te leggen wat u met “tabula rasa” bedoelt, nietwaar? En waarom u niet verder komt met uw onderzoek. En waarom u een niet getest, nauwe­lijks onderzocht product in de handen van consumenten hebt gegeven. Dit zijn kwalijke zaken die uiteindelijk geresulteerd hebben in de ver­dwijning van het zoontje van uw aanklagers. Ontkent u aansprake­lijkheid in deze?’

Jeltje slikte. Ze keek opzij. ‘Hugo?’ Hugo keek strak vooruit. Ineens herinnerde Jeltje zich de hanger die hij bij zich droeg, maanden geleden, de hanger waar ineens leven in zat. Hij had met een ander gelegen! Ze wankelde. Al zijn woorden, dat ze in zijn hart was, dat hij van haar hield, dat ze zo speciaal voor hem was, leugens. En nu wilden ze dit debacle op haar afwentelen.

Er knapte iets in haar hoofd en het lied spoelde over haar heen, onhoudbaar, vol van donkere beloften en zoete wraakbeelden. Ze liet het gaan, ze liet zich meevoeren, nauwelijks bewust van de geünifor­meerde agenten die haar meevoerden, de mannen in witte jassen die haar in een wagen plaatsten en op een brits vastketenden en de naald die in haar bovenarm werd gestoken. Alles was het lied, het lied was haar wezen.

 

 

Amsterdamsche Courant van zaterdag, acht september 1894

 

In de zaak Van Spui – Steenius velde de rechter gisteren vonnis. Een niet nader genoemd bedrag is toegekend als smart aan Dhr. Van Spui, terwijl aan de zijde van Steenius grove nalatigheid werd bewezen geacht door de hoofdonder­zoekster, mevrouw J. Tiersma. Gezien haar ontoerekenings­vatbaarheid en aan­toonbaar bewezen geachte hysterica is zij toegekend aan het Westgaards Sanatorium, tot zulks een tijd dat zij weer geschikt wordt bevonden voor terugkeer in de maatschappij. Haar laboratorium en werkplaats zijn tot nader order verzegeld en tot ontoegankelijk gebied verklaard.

 

 

Medisch rapport, Mevr. Jeltje Tiersma, twee oktober 1895

 

Na uitgebreide behandeling met de nieuwste elektrofoortherapie is mevr. Tiersma veel rustiger geworden. Zinnige gesprekken zijn evenwel slechts van korte duur, voor zij verzandt in achtervolgingswaanzin. ‘Het komt, het nadert, het groeit’ zijn dan de enige woorden die uit haar komen. Tijdens de kunst­therapie boekt ze vooruitgang en haar diagrammen en patronen worden door haar medepatiënten ten zeerste gewaardeerd.

 

 

Voetnoot in de Batavia Mathematica van zomer 1896

 

Door: jonkheer Van Vleuten tot Kerstens – een bijzondere mathematica, mevrouw Jeltje Tiersma, moet voor de wiskunde als verloren worden beschouwd. Haar “tabula rasa” theorie deed stof opwaaien, maar is inmiddels volledig ontkracht. Toch zijn enkele van haar hogerdimensionale wiskundige theorieën inmiddels als ‘geniaal’ bestempeld. In de komende jaren zullen zij op hoog wetenschappelijk niveau bestudeerd worden. Mevrouw Tiersma verblijft in het Westgaards Sanatorium op de afdeling langdurige hysterica.

 

Op het eind was er het lied in de diepe kelder van een boerderij aan de rand van Leiden, waar een transparant ei zich steeds dieper in de zachte aarde ingroef. Nog was het niet rijp, nog had het behoefte aan de energie die constant werd aangeleverd door de Teslaspoel die het laboratorium voorzag.

In de diepte van het ei vloog het wezen rond in zijn dimensie, met vleugels die zijn eigen wereld nu bijna omspanden, wachtend om zijn lied kenbaar te maken aan deze nieuwe, maagdelijke wereld.

 

De Kathedraal van Radio Kootwijk : Boukje Balder

De Tempel van Nyarlathotep stak lomp en zwaar af tegen de grijzende middaghemel boven het Kootwijkerzand. Het was november 1921 en het zou vroeg donker worden. We waren komen lopen vanaf station Assel, maar na vijf minuten wachten was ik al volkomen afgekoeld van de stevige wandeling. Ik stampte mijn voeten en zwaaide met mijn armen om warm te worden. De kille wind die over de hei woei, drong dwars door mijn duffelse jas en wollen pullover heen, en we konden pas op weg als het echt donker was. Als alle bouwvakkers en medewerkers van de Administratie der Koninklijke Posterijen en Telegrafie naar hun vrijgezellenhuis waren vertrokken voor de avond, en het bijna vol­tooide radiogebouw (zoals zij het noemden) achter lieten, kon het weer onze tempel worden.

Ver weg in Utrecht wachtten onze kameraden bij het hoofdpost­kan­toor in aanbouw. Ook daar hadden getrouwe aanhangers van de Ctulhu-Cultus beelden geplaatst en zorgvuldige geometrische anoma­lieën die vanavond samengesmeed zouden worden tot één grote oproep aan de Oudste God Azatoth.

Eindelijk verdween het laatste licht uit de westelijke hemel. Mijn leermeester, meneer Akkeringa, had de afgelopen uren bewegingloos achter een kromgewaaide den gezeten, maar nu stond hij op, gedreven door een voor mij onzichtbaar signaal.

‘Het is tijd, Mostaert,’ zei hij.

Hij zag er vastberaden en door en door warm uit in zijn enkellange leren automobieljas. Als ik slaagde voor mijn gezellenproef, en vijf jaar later voor mijn meesterproef, zou ik me ook een automobiel en een leren jas kunnen veroorloven. Die fleurige toekomst trok me meer dan het verkleumde, grijze heden en ik dwong mezelf zonder klapper­tanden antwoord te geven.

‘Ja, meester.’ Ik stond wat rechter op, hoewel de wind dan in de spleet tussen mijn pet en mijn sjaal drong.

Ik tilde zijn zware tas met messen en ontwijde gewaden op. Ik wachtte tot hij me voorging over het smalle paadje dat van onze schuil­plaats naar het dreigende bouwwerk leidde. Door in het ritme van zijn voetstappen te lopen kon ik stil en zeker lopen zonder bang te zijn mijn enkel te verzwikken of mijn goede kistjes nat te maken. Ik zag alleen het witte haar dat onder zijn leren helm uitkwam, en het pulserende schijnsel van zijn elektrische lantaarn.

Na wat een eindeloze tijd leek waarin ik alleen deze twee dingen zag, begonnen er andere lichtplekken op mijn netvlies te verschijnen. Ik wreef in mijn ogen. Ik dacht dat het van het turen kwam, maar toen realiseerde ik me dat al deze bewegende lichtplekjes van links kwamen, van zaklantaarns of gelere stormlampen. Meester-priesters uit het hele land, met achter zich aan een leerling of een gezel, net als ik.

Ik had opgezien tegen het loodzware ritueel, waar je bij zonsopgang uitgeput, misselijk en dodelijk somber uitkwam. Het was niet aan iede­reen gegeven dat jaarlijks te kunnen verdragen en de twee keer die ik het had meegemaakt, deden me ernstig twijfelen aan mijn roeping en toewijding aan de Oudste Goden. Maar ik wilde mijn ouders niet teleur­stellen. Honderd en zesenveertig ononderbroken generaties van aan­bidding en opoffering zei je niet zomaar gedag.

Maar nu het tot me doordrong dat er andere mensen van mijn leef­tijd bij zouden zijn, kreeg ik toch een beetje hoop. Misschien werd het zelfs wel gezellig. Samen roken terwijl de Meesters hun gruwelijke ritu­elen volbrachten. Wie weet had een van ons jenever bij zich.

Ik ging er zowaar sneller van lopen, zodat ik bijna over de Meesters lange mantel struikelde. Mijn hand, uitgestoken om mijn val te breken, gleed over het olieachtige materiaal van de mantel en prompt smakte ik weer terug in mijn staat van misselijkheid en angstige afwachting. Voorbije ceremonieën hadden een residu van intense slechtheid en walging achtergelaten in de stof, en dat voelde ik nu op mijn wollen handschoen plakken. Het liefst had ik die ter plekke uitgerukt en weg­gegooid, maar mijn moeder zou het direct merken als ik haar zelf­ge­breide spulletjes kwijt maakte. Ik zou de handschoen moeten uit­roken en zuiveren in een tijdrovend en pijnlijk ritueel waarin een zekere hoe­veelheid van mijn eigen bloed voorkwam. Een slecht begin van de avond.

De dansende lichtjes vloeiden samen. We formeerden een kring, onze meesters in hun flapperende kraaiengewaden in het midden, wij leer­lingen en gezellen, zo in het duister niet van elkaar te onder­scheiden, achter hen.

Mijn meester begroette een van hen met een serviele buiging, een onopvallende grijze man met een zwarte gleufhoed diep over de ogen gedrukt. ‘Grootmeester Van den Eijnden,’ zei hij, ‘een eer om u te mogen begroeten.’

De grootmeester zelf, de man die het werk van grootmeesters Crouwel en Luthmann verder ontwijdde met zijn onovertroffen zwarte beeldhouwwerken. Zonder hun dreigende uitstraling op kardinale punten zouden de onderaardse machten niet met zoveel kracht kunnen stromen door de spoelen op beide locaties. Wie had ooit gedacht dat de menselijke wetenschap zou bijdragen aan onze oeroude rituelen?

Ook door mijn aderen stroomde het onmenselijke, koude bloed van onze onnoembaar walgelijke voorouders. In onze slaap mompelden wij “R’lyeh Cthulhu ftaghn”. Toch was duizenden generaties oproeping nog niet genoeg gebleken. Grootmeester Hendrick van den Eijnden had in zijn correspondentie met grote denkers in Arkham en Innsmouth nieuwe wegen ontdekt om het oude kwaad te wekken. Hij was na een gruwelijk ritueel in een droomtoestand geraakt en had tijdens die spanne van waanzin, die een volle maanomwenteling had geduurd, de beelden en panelen gekerfd die nu het nieuwe Hoofdpostkantoor op het Neude in Utrecht zouden sieren, en tevens de gruwelijke water­spuwers op de hoeken van Zendgebouw A, oftewel onze Kathedraal.

Rondom het kille beton van het gebouw wervelden winden, nog kouder dan die me op de hei al tot op het bot hadden verkleumd. Om onverklaarbare redenen roken deze gierende luchtstromen naar de oceaan, naar onnoembaar oude wezens die langzaam, en levend, weg­rotten op de bodem van de allerdiepste troggen.

De grootmeester zwiepte zijn mantel langs ons heen en baande zich een weg naar de hoofdingang. Het reusachtige voorportaal doemde dreigend en welhaast mismaakt boven ons uit. Ik merkte voor het eerst in mijn leven dat mijn voeten dienst weigerden. Na drie treden van de trap, die duidelijk niet op menselijke maat was gemaakt, stokte ik en kon niet verder. Ik wilde mijn meester dienen, en mijn voorouders, menselijke en niet-menselijk, tot ere strekken, maar ik kon niet.

‘Mostaert, kom mee of wees voor eeuwig verstoten,’ zei mijn meester met zijn kille kleurloze stem, waarin ook nu geen enkele emotie doorklonk.

Ik leunde naar voren als tegen een stormwind in, om zo mijn voeten te dwingen om te stappen, maar ze bewogen niet.

‘Jansen en de Vries,’ zei de meester.

Twee gezellen braken los uit de kalme rij die naar boven klom en namen me bij de arm. Iemand gilde vreselijk. Ik moet het zijn geweest, want ik had geen greep meer op mijn stembanden.

‘Dood dood dood!’ hoorde ik mezelf krijsen. ‘Ctulhu ftaghn R’Lyeh! De gruwel!’

Iemand propte zijn onwelriekende bouffante in mijn mond. Ik kon alleen nog kreunen en schoppen, wat ik met overgave deed.

Ergens in een hoekje van mijn geest zat de overijverige gezel nog en keek met afgrijzen naar het kabaal dat zijn andere ik trapte. In plaats van kalme overgave, gevolgd door misselijkmakende extase tijdens het ritueel, werd ik nu als een slachtvarken op het altaar vastgebonden.

Twee bleke ovalen bogen zich over me heen. ‘Doet u afstand van uw rechten als meester?’ teemde de gruizige stem van Van den Eijnden.

‘Ik doe afstand,’ antwoordde mijn meester bijna onverstaanbaar.

Het deed me een heel klein beetje goed dat hij aangedaan leek door de afstandneming.

‘Meester Haruspex, als u klaar bent?’ zei Van den Eijnden.

Als op een onzichtbaar signaal begon het scanderen van de offerzang. Ik kon alleen maar naar boven kijken naar de verre zoldering van de grote zaal. Kille vlagen wind drongen door de open raamspleten naar binnen, af en toe vergezeld van een veeg maanlicht.

Kille vingertoppen landden op mijn keel. De haruspex, de lezer der ingewanden, moest achter me staan. Omzichtig knoopte hij mijn das los, toen mijn boordje. Een schaar beet rats door mijn pullover. Dat zou moeder niet prettig vinden. De resterende knopen van mijn overhemd werden losgeknoopt. De schaar gleed kil over mijn buik heen toen mijn borstrok in tweeën ging. Mijn pantalon werd losgeknoopt, mijn onder­broek omlaag getrokken. Dit kon ik thuis nooit uitleggen. Vader en moeder zouden mij de schuld geven dat ik op het altaar terecht was gekomen en mijn kleren had bedorven. En ze hadden gelijk. Als ik mijn kop niet had verloren, had ik in de cirkel staan scanderen en had een ander hier gelegen om gelezen te worden.

Een moment voelde ik een kille punt op mijn borstbeen, toen trok iets een gloeiende streep over mijn navel tot bijna in mijn lies. Eerst schoot kippenvel over mijn hele lichaam, toen kwam de pijn. Net als zonet bokte en schopte mijn lichaam en schreeuwde mijn stem terwijl ik het lijden liever waardig en in stilte had gedragen. Een onbeschrijfe­lijk gevoel trok door mijn buik en iets glibberigs en paars, in rood­besmeurde handen gehouden, kwam omhoog in mijn gezichtsveld.

Ik vertrok.

#

 

Ik knipperde mijn ogen. Het resultaat was niet wat ik had verwacht. Gruwelijke monsters stonden om me heen, nee, zwommen om me heen, en ik had ogen in mijn achterhoofd. Ik zag veel te veel. Mijn oogleden werkten niet meer. Het commando knipperen kwam niet door en ik bleef deze gruwelijke slijmerige tentakeldingen maar om me heen zien. Ik riep om mijn moeder, maar alles dat er gebeurde was dat een roze tentakel omhoog schoot ergens in de buurt van mijn ogen. Sommige van mijn ogen.

Ik leek nog steeds te liggen in de Tempel van Azatoth, ook wel Radio Kootwijk. De onmenselijke afmetingen van de ruimte, de talloze hoge smalle ramen, alles was hetzelfde. Alleen hier gloeiden het zwarte marmer en de oogrollende waterspuwers met een kwaadaardig schijn­sel dat dwars door me heen zinderde. Het stille water omhulde ieder voorwerp met een groenige weerschijn. Het smaakte naar zout en rottend plankton. Het maakte me hongerig.

Ik wilde weg. Ik kronkelde, maar als ik dat deed schoten vreemde sensaties door me heen. Zondige sensaties. Het volgende moment verweet ik mezelf dat ik de zondagsschoolgeboden tot me had laten doordringen. Onze taak was ons onzichtbaar onder de mensheid op te houden, niet hun dwaze godsdienst aan te nemen. Maar ik kon het niet helpen. Ik kreunde van extase iedere keer als dat onbestemde gevoel door me heen sidderde.

Ik wilde zien wat er gebeurde. Ik zag een groot plat oog met een enorme pupil omhoog rijzen op een dun stengeltje. Tegelijkertijd kwam mijn eigen lichaam in mijn blikveld. Hoeveel ogen had ik wel niet? Zoveel dingen tegelijk zien maakte me duizelig. Maar wat ik zag was niet mijn lichaam. Op het onderstel lag een mismaakt wezen, met een bijna menselijk lijf, asymmetrische tentakels en een bol hoofd met clusters ogen en roze tentakels tussen de ogen, als vreemde bloemen in onaards mos. Dat was niet ik, gezel Piet Mostaert, en toch zetelde mijn ik ergens tussen die ogen. Als ik schreeuwde van de pijn sidderden de vleeskleurige tentakelbloemen.

Om mij heen zweefden wezens die veel van mijn nieuwe lichaam weg hadden. Ieder had een eigen aantal tentakels, sommigen hadden ook nog inktvissnavels of enorme zuignapdahlia’s. Ze stonden in net zo’n cirkel als de gezellen, adepten en meesters ergens ver weg in Radio Kootwijk. Dit moest mijn verre familie zijn, die een spiegelceremonie hield van de onze.

Nee, dat was te beperkt geredeneerd. Boven op aarde was de spiegel­ceremonie, hier was de echte. Dit was waar wij vandaan kwamen en waar we allemaal naar terugverlangden. Al was het maar theore­tisch, omdat we dat zo geleerd hadden in de Nyarlathotepschool op dinsdag­avond.

Hoewel ik kronkelde van pijngenot als de tentakels van anderen in mijn ingewanden roerden, kon ik toch rondkijken en de onderaardse tempel goed in me opnemen. De kilte en het groenige licht, de ver­vormde geluiden die door het water op me afraasden, werkten alleen maar ter versterking van de schoonheid van de wereld boven. Nog nooit had ik zo verlangd naar een kopje thee en een koekje bij mijn moeder aan tafel, terwijl zij breide of aardappels schilde. Een wereld waar je over heidevelden kon lopen, of herten kijken bij Het Loo. Een wereld met zondagen als er vlees op tafel kwam en er een pudding na was. Een wereld waar Lies, de dochter van de bakker in rondwandelde.

De gil die ik op het bordes van de aardse tempel had geslaakt was de eerste voorbode geweest van dit gevoel. Ik wilde helemaal geen gezel zijn bij meester Akkeringa. Ik wilde helemaal niet nadenken over onze oude goden en onze pogingen hen terug te laten keren. Ik wilde gewoon Piet Mostaert zijn, een klerk bij de Posterijen die misschien ooit een meisje kon vragen om zijn vrouw te worden. Een simpel, dood­gewoon gelukkig leven.

Jammer dat ik daar op dit moment achter kwam. Er was nog nooit een moment in mijn leven geweest dat ik er slechter had voorgestaan om dit besef ooit werkelijkheid te laten worden, dan hier op het altaar diep in een vergeten onderzeese krocht.

Ondanks het pijngenot keek ik rond en verzamelde zo veel mogelijk gegevens. Mijn tentakels zaten vastgeklonken op pijnlijk brandende tekens die me draaierig maakten als ik er rechtstreeks naar keek.

Een extra gemene ruk met een tentakel deed me het uitkronkelen van de pijn. De tentakel kwam zwart terug uit mijn binnenste, althans het leek zwart in het groenige schemerlicht daarbeneden, en schreef meer misselijkmakende tekens op de rotswand. Een peinzend deel van mezelf dat zich op details richtte om niet in waanzin te vervallen, bedacht dat het in Kootwijk bakstenen met stucwerk of tegels erover­heen moest zijn. Op stuc kon je beter schrijven.

Ach. Daarom kwam die gedachte in me op. Boven waren ze ook bezig mijn oude lichaam uiteen te rijten, op zoek naar de toekomst. Hier beneden schoten ze al flink op. Ik voelde niet zozeer pijn, maar wel het geweld waarmee mijn tentakels een voor een werden afgerukt. En daarna het lege gevoel waar mijn ledemaat niet meer was. Als ik er ondanks die wetenschap mee kronkelde, voelde ik iets dat op pijn­plezier leek. De gedachte aan mijn oude lichaam daarboven zonder rechterarm boeide me meer, al voelde ik niet de emoties die ik daar ooit over zou hebben gehad.

Ik besefte dat zelfs als ik ontsnapte met dit lichaam, ik nog steeds vele mijlen onder het zeeoppervlakte was. Al kon ik naar boven zwemmen, waar zou ik uitkomen? En ook als dat allemaal zou lukken zat ik nog in het lichaam van een mismaakte kruising tussen een kraak en een tyrannosaurus. Daar lag de oplossing niet. Ik moest weer van lichaam ruilen met de stakker die daar in Radio Kootwijk lag te kronke­len. Daar was pijn gewoon pijn, hij of zij moest er slechter aan toe zijn dan ik. En als ik weer in dat lichaam terecht kwam, moest ik daar op voorbereid zijn. Misschien was dat lichaam al wel dood.

Ik werd al beter in het gebruik van mijn ogenclusters. Toen er weer een wezen met een zaagarm op me af kwam stuurde ik er twee ten­takels op af en wrikte de zaagarm naar zijn eigen middenlichaam, waar ik vermoedde dat de hersens zaten. Het hoofd zweefde langzaam van het lichaam weg, als in een droom. Groen bloed maakte de plek waar de kop was geweest ondoorzichtig. Ik kronkelde wat ik kon en dook in die wolk van zaagtandbloed, in de hoop dat ik even niet te zien zou zijn voor de andere wezens. Hun ogen en andere zintuigen draaiden langzaam naar me toe.

Ik was wel van het altaar af, maar nu? Ik moest in mijn eigen lichaam zien terug te keren. Op het altaar zag ik een teken in zwart bloed dat zo dik was dat het water het niet oploste. Zo was ik hier gekomen. Ik had geen idee hoe het werkte en hoe ik het kon veranderen. Ik loste het dus wat eenvoudiger op. Ik schoot met verrassende snelheid uit de groene wolk, eenvoudig door mijn billen samen te knijpen, en greep de dichtst­bijzijnde tentakelaar. Met een zwiep werkte ik hem of haar of het op het altaar, voordat ik zelf, door mijn ontbrekende tentakels uit koers gebracht, een noodkoprol moest maken.

De onderaardse tempel schudde. De tentakelaar verdween in een kolk van toesnellend water. Ik stelde me voor hoe nu ver weg in Radio Kootwijk een zeemonster en een paar kuub zeewater in de tempel verschenen. Eigen schuld.

Voor het geval de andere monsters het nog niet hadden begrepen, schoot ik weer terug en schoof er nog een op het altaar. Die verdween ook weer. Even vroeg ik me af of ik er niet gewoon zelf op moest gaan liggen, omdat de monsters die het teken aanraakten onmiddellijk ver­dwenen. Maar nee, ik wilde helemaal niet in dit onderzeese gruwe­lijke lichaam in Kootwijk aankomen maar in mijn eigen lijf.

Ik greep een wezen als een lillende twaalfvingerige darm en schudde het dreigend boven het altaar heen en weer. Kregen ze het nou einde­lijk door of niet?

Een krakenvormig creatuur met huid zo zwart dat je er bijna werd ingezogen als je ernaar keek, naderde het altaar. Het spoot geelgroene vloeistof over het altaar uit een van zijn orifexen, welke wilde ik niet weten. Daarna draaide het zich om en produceerde met zwart slijm uit een andere opening een nieuw zwart teken. Het pulseerde dreigend, zodat mijn ogen opzwollen en barstten als ze er te lang naar keken. Ik moest snel zijn voordat ik het gezichtsvermogen verloor. Ik wierp mijn gevangene terzijde en lanceerde mezelf naar het altaar. Onderweg had ik nog met een slinkse zaagtand een van mijn teennagelroze tentakels kunnen meenemen, maar ik dacht alleen nog maar aan thuiskomen.

Vlammende pijn schoot door me heen. Echte pijn, niet pijngenot zoals dat daarbeneden in het onnatuurlijke tempeloord in de diepste krochten van de oceaan. Ik voelde de pijn, maar ik kon niet lokaliseren waar. Mijn eigen lichaam, als het dat was, was een onbekende voor me geworden Hoe lang was ik beneden geweest? Mijn ogenclusters wilden niet gehoorzamen, totdat ik me herinnerde dat ik maar twee ogen had.

Er kwam licht. Ik staarde in het gruwelijke aangezicht van iets bleeks, als de cloaca van een tempelgenoot, met twee glanzende blauwe gaten, een groot roze gat, en twee klieren in het midden. Het pulserende achterwerk produceerde een snerpend geluid.

Ik gilde.

Dat bracht me weer helemaal bij mezelf. Meester Van den Eijnden vloekte tegen me. ‘Hou je stil, stom rund. Waar is Akkeringa? Ik heb hem nodig om Mostaert hier in bedwang te houden.’

‘Gevallen,’ zei een bibberende stem, die ik na enige tijd wist te identi­ficeren als een van mijn medegezellen. ‘Geofferd aan onze broeders van beneden.’

Weer die brandende pijn. Hoewel ik nog niet scherp kon zien, her­kende ik toch wat Van den Eijnden in mijn gezichtsveld heen en weer bewoog. Het was een enorme naald met dik zwart draad. Ik draaide mijn hoofd opzij om te zien wat hij aan het hechten was. Was ik gewond geraakt? Ik zag tussen het groene en rode bloed grove zwarte steken over mijn schouder lopen, alsof mijn arm weer werd aange­naaid.

Ik gilde weer, ik kon het niet helpen. Van den Eijnden deinsde achter­uit.

‘Wat is dat godverdomme in zijn mond? Waar is zijn tong?’

Een ander achterwerkgelaat boog zich over me heen. ‘Er is iets mis­gegaan. Een heilige tentakel is achtergebleven.’

Van den Eijnden en de andere meester wisselden blikken uit. ‘Dan heeft het geen zin. Voer hem maar af met de rest van het afval.’

‘Maar Meester – is hij niet juist extra heilig?’

‘Meertens, we kunnen de publiciteit niet gebruiken. Een man met een tentakel in zijn mond? Kom op nou. We kunnen onze goden alleen dienen als we onopgemerkt blijven.’

‘Duurt het echt nog zo lang?’

‘Ingewanden liegen niet. Kom, Meertens, niet meer zeuren nou. Weg met die handel.’

Een zwarte, zoetig ruikende duisternis daalde op me neer.

 

#

 

Toen ik mijn ogen weer opendeed, zag ik helemaal niets. Een akelig geratel dreunde in mijn oren, mijn zere lichaam werd ruw heen en weer geschud tussen koude vochtige voorwerpen. Ik wist een arm te bevrijden, ten kostte van veel pijn. De arm reageerde ook niet echt goed, schokkerig en onwillig, en er schuurde iets van binnen over iets anders dat er niet voor bedoeld was.

Mijn wapperende hand sloeg tegen stof. Ik schokte en duwde net zo lang tot ik het uit de weg had. De bodem waar ik op lag schudde onop­houdelijk. Af en toe veegde er een straal maanlicht over me heen, en in zo’n moment zag ik het stille gezicht van mijn meester. Ik herkende hem aan zijn borstelsnor, ondanks zijn opengereten wangen en ont­brekende tanden. Gevallen, had van den Eijnden gezegd. Door wat? Met tegenzin kwamen er meer herinneringen boven. Ik draaide mijn stroeve nek de andere kant op en wachtte tot het maanlicht het kille vlees aan mijn rechterzijde verlichtte.

Ik staarde recht in het schotelgrote oog van een onderzees wezen. Van schrik sloeg mijn hoofd achteruit, maar ik veerde bijna onmidde­llijk terug en smakte recht in de aangezichtstentakels van het monster. Even proefde ik iets aangenaams op mijn tong, toen draaide ik haastig mijn gezicht af.

Waar was ik? Het geratel en de voorbij zwiepende boomkruinen maakten mij duidelijk dat ik op een voertuig lag, tussen de lijken van mijn meester en een of meer van de monsters. Ik werd afgevoerd, nu begreep ik het. Maar ik leefde tenminste nog. Ik was op mijn eigen aarde, in mijn eigen lichaam. Ik stak mijn tong uit om de lucht te proeven. Het smaakte naar vlak voor zonsopgang. De ambtenaren van de posterijen aten nu hun ochtendpap en maakten zich klaar om zich door de dienstbus naar het radiostation te laten vervoeren.

Ik duwde mezelf met veel pijn en moeite omhoog uit de beklem­mende omhelzing van de klamme lichamen. Ik herkende het dorpje Kootwijk. Was het beter om nu van de kar af te springen of kon ik wachten tot station Assel? Ik voelde me niet goed, en ik zag ertegen op het hele eind van hier tot aan moeders huisje aan de Badhuis­weg te lopen.

Toch moest het maar. Station Assel stond waarschijnlijk vol met huis­waarts kerende meesters en gezellen. Ik kon wel over de heide terug­lopen en door het bos weer in Apeldoorn komen.

Ik wrikte mijn benen los. Een been werkte nog prima, zonder enige pijn, het andere produceerde soortgelijke verschijnselen als mijn armen. Ik zette mijn rechterhand op de zijkant van de kar. Er was iets mis. Pas toen ik mijn linkerhand ernaast plaatste realiseerde ik me dat mijn handen verkeerd om zaten. Mijn duimen zaten aan de buitenkant van mijn hand. Hoe kon dat? Ik boog mijn arm. Mijn ellebogen knikten naar binnen.

Ik dempte mijn kreet van wanhoop in mijn schouder. Na nog een paar keren buigen en draaien werd me duidelijk wat er was gebeurd. Mijn armen waren aan de verkeerde schouder genaaid. Ik wist niet welke toverijen Meester van den Eijnden had gebruikt om dit te laten slagen, maar hij had niet goed opgelet.

Zo goed en kwaad als het ging hees ik me over de zijkant van de kar en kwam hard en akelig neer in de stekelige berm van het klinkerpad. Ik had mijn handen uitgestoken, maar die werkten zo anders nu dat ik de klap niet had kunnen opvangen en nu met neus en tong in het zand beet.

Ik spuugde zand uit. Er flikkerde telkens iets in mijn ooghoeken. Wat was dat toch? Maar hoe ik ook rondkeek, ik zag niemand.

Pas toen ik kwijl op mijn kin voelde en dat weg wilde vegen, ontdekte ik dat er iets uit mijn mond hing dat daar niet hoorde. Het kwam wel tot op mijn borst. Ik keek naar beneden. Ik zag nog steeds niet goed. Het leek wel of mijn linkeroog het niet deed. Maar met mijn omfloerste rechteroog zag ik een roze-paars ding, de kleur van ingewanden, dat uit mijn mond hing.

‘Moeder,’ zei ik. Althans, dat wilde ik zeggen. De tentakel krulde en kronkelde weerzinwekkend heen en weer, maar produceerde geen normaal Nederlands, alleen wat barbaarse klanken.

Ik schaam me om het te zeggen, maar ik zat aan de kant van de weg en huilde als een kind. Dat was er nu van me geworden. Een man met handen die verkeerd om zaten, een mank been, één oog en een verdorven tentakel in zijn mond.

Ik wist dat moeder me met mijn verkeerde handen nog wel op zou nemen, maar dat de tong haar teveel zou zijn. In gedachte nam ik afscheid van mijn gehoopte toekomst met Lies van de bakker en drie bloedjes van kinderen. Het beste waar ik nog op kon hopen was een onopvallend baantje ergens en de zorg van mijn broers en zussen als mijn moeder overleed. Ik kon beter stom zijn dan weerzinwekkend.

Ik pakte mijn zakmes en sneed de tentakel met wortel en al uit.

De opschoner : Anaïd Haen & Django Mathijsen

Met bijna 200 laveer ik tussen het nachtverkeer op de snelweg door.

Een sirene!

Blauwe zwaailichten verschijnen achter de grille van de Volvo die ik inhaal. Ik stuur de vluchtstrook op en trek mijn gildepasje uit mijn leren jack.

 

‘Autopapieren en rijbewijs alstublieft, mevrouw.’ De agent gluurt naar het schot achter de voorstoelen van mijn Audi Avant en probeert door de geblindeerde achterzijruit te kijken.

Ik geef hem mijn pasje.

‘U bent aangehou…’ Hij trekt wit weg. ‘Opschoner?’

Ik gebaar dat hij mijn pasje moet teruggeven.

Hij drukt het in mijn hand. ‘We wisten niet…’

Met een knikje geef ik vol gas.

Als opschoner mag ik alle wetten overtreden. Op één na.

 

Als ik het bordje ‘30’ passeer, vertraag ik. Ik ben nog maar 2 kilometer van mijn doel. Hier mag ik niet opvallen.

Een dure wijk. Vrijstaande villa’s, oprijlanen met Porsches en Jaguars, hekwerken met automatische poorten, camera’s en waarschijnlijk gecompliceerde alarminstallaties.

Voorbij wat tennisbanen en een atletiekbaantje moet ik afslaan.

‘Bestemming bereikt aan de rechterkant.’

De poort van 53 staat open. Slordig, maar dat ben ik gewend van sluiters.

Ik draai de oprijlaan op en stop achter het donkerblauwe Mercedes sportwagentje. Ongetwijfeld van de vrouw des huizes, of beter: de smet.

Aan de witte villa hangt onder een 360-gradencamera een messing bordje: Vrouwe Minoux, medium. Nog drie camera’s en overal buiten­verlichting. Binnen brandt alleen licht achter de voordeur.

Ik grijp latex handschoenen en mijn zwarte pet uit het hand­schoenenvak. De pet trek ik diep over mijn ogen. Daarna pak ik mijn dokterstas. Met gebogen hoofd loop ik naar de voordeur.

Er zoemt iets!

Instinctief leg ik mijn hand op mijn pistool, achter in de riem van mijn zwarte spijkerbroek. Ik kijk even om: de poort gaat langzaam dicht.

Ik beklim de drie treden naar het bordes, maak het holsterriempje los en omklem de pistoolkolf.

De voordeur zwaait open.

Er verschijnt een onberispelijk geklede heer: zwarte spijkerbroek, zwart colbert, zwarte skimuts. Alleen zijn latex handschoenen zijn wit. Ik herken zijn brede postuur.

‘Werner.’ Ik druk het holsterriempje weer vast. ‘Je had me bijna een hartaanval bezorgd.’

Hij stapt opzij. ‘Jesca.’ Zijn ogen verraden een grijns. ‘Je vindt het toch niet erg dat ik het feestje zonder je ben begonnen?’

‘Als je een bloedbad hebt aangericht, dans ik een feestje op je gezicht.’ Ik betreed een brede hal.

‘De keuken.’ Hij sluit de deur achter me. ‘Het was een makkie.’

Keukens hebben meestal vloeren en muren die goed schoon te maken zijn.

Hij opent de keukendeur en wijst omlaag.

De rode krullen van de smet zijn doorspekt met witte. Ondanks haar rimpels heeft ze nog een knap gezicht. Afgezien van het ronde gaatje in haar voorhoofd.

‘Tweeëntwintig?’ vraag ik.

‘Ik maak je graag blij.’ Hij knipoogt.

Het kleine kaliber is netjes in haar hersens blijven steken. Minder goede sluiters gebruiken grotere kalibers in de waan dat een weggeblazen achterhoofd hun gebrekkige schietkunsten compenseert.

Afgezien van een straaltje bloed dat langs haar voorhoofd, oor en haar op de vloertegels is gedrupt, is de omgeving schoon. Haar geelzijden blouse heeft het bloed opgezogen dat uit het gaatje in haar hart is gelopen.

‘Chirurgische precisie.’ Ik glimlach. ‘Grote jongen, ik ben trots op je.’ Ik geloof dat hij een paar jaar ouder is dan ik.

‘Dan mag je me nou weleens op dat etentje trakteren.’ Zijn ogen hebben een guitige glinstering.

‘Pas als je erin slaagt om niets meer te morsen.’

‘Aah, da’s niet eerlijk.’

‘Ik dacht dat je van een uitdaging hield.’

‘Doe je haar hier of neem je haar mee?’

Ik rits mijn tas open, trek de lijkzak eruit en duw hem in zijn handen. ‘Ik draai effe mijn auto om.’

 

Ik gooi mijn achterklep dicht.

‘Nog hulp nodig?’ vraagt Werner naast me.

‘DNA of vingerafdrukken achtergelaten?’

Hij heft zijn handen. ‘Waar zie je me voor aan?’

‘Ga dan maar voordat we aandacht trekken.’

‘Je hebt mijn nummer, hè?’ Hij knipoogt.

Ik schiet in de lach. ‘Weet jij niet van opgeven?’

‘Beroepsdeformatie.’

‘Ik ben niet je type.’

‘Hoe?’

Ik steek mijn hand uit. ‘Sleutel?’

Hij geeft me een sleutel en een papiertje. ‘Vergeet het alarm niet te activeren.’

Op het papiertje staat de alarmcode. Die had ik natuurlijk al, maar ach…

Ik loop terug naar de voordeur.

‘Tot ziens, typetje.’

‘Maak maar dat je wegkomt,’ zeg ik zonder me om te draaien. Ik wil niet dat hij mijn glimlach ziet.

 

Nadat ik de bloedvlek heb weggeboend, herinnert niets meer aan de sluiting. Ik voel die glimlach weer op mijn lippen als ik naar de voordeur loop en in gedachten hoor: ‘Vergeet het alarm niet.’

 

Achteruit draai ik de oprit van mijn eenvoudige twee-onder-één-kap-woning in. Terwijl ik bijrem, druk ik op de garageopener. In mijn spiegel zie ik de garagepoort in de kelder langzaam omhoogklappen.

Onopvallend, geheel onderkelderd, in een rustige buurt vlak bij snelweg en slachthuis, en met kerkhof en crematorium bijna in mijn achtertuin: daarom heb ik voor dit huis gekozen.

Niemand op straat, geen van mijn buren kijkt buiten. Niet dat ze iets geks zouden zien.

Het is weer van een leien dakje gegaan.

Door de deuren achter in mijn garage loop ik naar het halletje waar mijn operatietafel, met een nieuw wegwerpzeiltje erop, klaarstaat. Ik trap de rem eraf en rol de tafel naar mijn auto.

 

Even later ga ik, gehuld in overall, veiligheidsbril, mondkapje, operatie­muts en gehoorbeschermers mijn operatiekamer in.

Tl-licht valt op de glimmend witte tegels, badkuip en wasbak. De luchtverversingsinstallatie zoemt. Hieronder in de kelder zijn geen ramen.

Ik rits de lijkzak op de operatietafel open, pak de kleermakersschaar van het gereedschapstafeltje en knip haar kleren open. Ze heeft een voor haar leeftijd superfit lichaam.

 

Mijn elektrische kettingzaag loopt aan op haar nekwervels. De bloed­spatten op mijn veiligheidsbril hinderen me niet. Met vijftien jaar ervaring kan ik dit op de tast.

Beweging in mijn ooghoek!

Ik laat mijn zaag los. Die blijft halverwege de hals steken. Ik ruk wat doekjes uit het doosje naast me en veeg mijn veiligheidsbril schoon. Wat bewoog er?

Alles ligt hetzelfde op de operatietafel: haar armen al los van de romp, haar benen ook. Een naakte ledenpop die door de poppendokter uiteen wordt gehaald. Alleen bloederiger. En met rafelige uiteindjes.

Weer beweging. In mijn ooghoek.

Ik draai mijn hoofd. Bloed drupt van de hoek van de operatietafel af, regent in dikke klodders op de vloertegels en spat in een plas uiteen.

Er is niks, natuurlijk niet. Ik laat de doekjes vallen en pak de ketting­zaag. Hij bokt als een wilde stier. Al snel loopt hij weer rustig en maakt korte metten met haar halswervel.

Bloed spat tegen mijn bril. Instinctief knijp ik mijn ogen halfdicht.

Beweging!

Haar oogleden zijn open, ze kijkt me aan!

Wat…? Ik hap naar adem.

Ik trek de zaag uit de hals en duw mijn veiligheidsbril op mijn voorhoofd. Als aan de grond genageld staar ik in haar gifgroene ogen.

Met wijs- en ringvinger sluit ik haar ogen weer. Even glijdt mijn blik over haar stukken lichaam… alles nog hetzelfde.

‘Niet gek worden, Jesca.’ Ik zet de zaag weer in haar hals. Monotoon huilen de tandjes als ze aanlopen op haar wervel.

Mijn ogen dwalen af naar haar gezicht. Het is niet de eerste keer dat de oogleden van een smet openvallen. Niks aan de hand.

Dat verbeten trekje op haar lippen was me nog niet opgevallen.

De zaag jankt triomfantelijk op: hij is door de wervel heen. De snede opent zich. Flarden vlees spatten tegen mijn overall.

Als ik het laatste stuk vel doorzaag, rolt het hoofd opzij.

Ik leg de zaag neer op het tafeltje, mijn veiligheidsbril ernaast. Zweetdruppels lopen in mijn ogen. Ik grijp wat doekjes en dep ze weg.

Haar rechterarm is weg!

Ik kijk verschrikt om me heen: op de grond, onder de operatietafel…

Iets grijpt mijn enkel.

Haar hand! Hij omsluit mijn enkel.

Onwillekeurig spring ik achteruit. Ik ruk aan de arm. Hij klemt zich te vast.

Een ijzingwekkend krijsende lach… Haar opzij gerolde hoofd. Ze kijkt me grijnzend aan, bloed druipt uit haar mondhoek.

Dit kan niet!

De hand om mijn enkel klemt als een berenval.

‘Auw!’ Ik trek met twee handen aan de arm. Eindelijk schiet de hand los.

Terwijl de arm in mijn handen spartelt en de vingers krioelen, spreekt de mond: ‘Jij bent vervloekt… jij bent van mij.’ Meteen weer die lach.

Woede laait op in mijn buik. Ik mep met haar arm zo hard ik kan het hoofd van tafel. Het knalt tegen de muur, laat een stervormige bloedvlek achter, stuitert omlaag en blijft in de hoek liggen.

Walgend gooi ik de arm bij me vandaan.

Weer wordt mijn enkel gepakt!

Haar andere arm.

Ik strompel naar de deur en voel de hand zich vaster klemmen.

Uit alle macht ruk ik hem los. Ik smijt hem in de verst mogelijke hoek.

De benen van de smet kruipen naar de tafelrand en laten zich ervan af vallen. Haar romp spartelt al net zo hard.

Ik ruk de deur open, ren erdoorheen en sla hem dicht.

 

Gebeurt dit echt?

Een bonk op de deur, hij schudt in zijn sponning.

Mijn sleutels! Waar zijn ze?

Mijn kleren…

Ik trek mijn handschoenen uit, laat ze vallen en duw de deur van mijn kleedkamer open. Mijn kleren liggen netjes in een stapeltje op het bankje voor de metalen kledingkast met mijn overalls.

Voorzichtig om het niet tegen mijn bloederige overall te laten komen, grijp ik in mijn jack: ja, de sleutels.

Ik ren terug, net op tijd om de klink omlaag te zien gaan.

De deur zwaait open. Ik grijp de klink, ruk de deur weer dicht en steek de sleutel in het slot. Hijgend draai ik hem om.

De klink gaat als een bezetene op en neer. De deur schudt alsof iemand ertegen trapt.

Hoe kan dit toch?

Aarzelend loop ik terug naar mijn kleedkamer, zak neer op het bankje en grijp mijn mobiel uit mijn jack.

 

‘Dat is snel,’ klinkt uit de telefoon. ‘Kon je niet wachten?’

‘Werner,’ zeg ik. ‘Was die smet echt gesloten?’

‘Heb je toch gezien?’ Hij schiet in de lach. ‘Eén in het hart, één in de hersenpan. Daarna worden ze niet meer wakker.’

‘Die .22, was die sterk genoeg om de schedel te doorboren?’

‘Natuurlijk. Waarom?’

‘Heeft hij genoeg penetratie om de hersens te stoppen?’

‘Penetratie? Dumdum! Die kogels zijn in scherven uiteengespat vanbinnen. Instant gehaktmolen.’

Het gebonk wordt luider.

‘Waarom vraag je dit?’

‘Je weet zeker dat jíj haar gesloten hebt?’

‘Natuurlijk. Wat is er?’

Dit kan ik hem niet vertellen. Hij zal denken dat ik gek ben. ‘Ze… beweegt…’ flap ik eruit.

‘Hoe bedoel je? Dat bestaat niet.’

‘Het bestaat niet, maar is wel zo.’

‘Ik kom eraan.’

Ik voel die woede weer. ‘Nee.’ Ik spring op. ‘Fouten van sluiters goed­maken, is míjn werk. Ik los jouw incompetentie wel op.’ Ik druk hem weg, gooi mijn telefoon op mijn kleren, trek het pistool uit de riemholster en laat het in de zak van mijn overall glijden.

Met een andere veiligheidsbril en handschoenen uit de kledingkast trek ik de deur van het magazijn open.

‘Welcome to my nightmare,’ klinkt uit mijn telefoon.

Ik negeer hem, loop langs wat vaten naar de eerste stellage en trek er een hakmes uit. Ik stroop mijn mouw op en laat het lemmet langs mijn onderarm glijden. Het snijdt feilloos de schaarse blonde haartjes af. Ik laat het handvat rondtollen: ja, perfect in balans.

Terug naar de bonkende en rammelende deur. Ik omklem het hakmes en draai de sleutel om.

De deur vliegt open. Op de vloer krabbelt iets. Vingers trippelen op me af, de arm achter zich aan sleurend.

Ik haal uit.

Tsjak!

Vier vingers en het topje van de duim blijven wriemelend liggen.

Ik trap de deur verder open.

Die botst ergens tegenaan. De tweede arm.

Ik spring erop af: mijn hakmes doorklieft de onderarm maar gaat er niet helemaal doorheen.

Ik haal nog eens uit.

De arm ligt in twee stukken.

Een been kruipt om de deur heen.

Ik doorklief het net boven de voet.

Uit mijn ooghoek zie ik het stuk onderarm op me af komen wriemelen.

Met een kreet van inspanning hak ik de vingers eraf.

‘Auw!’ Een trap tegen mijn scheenbeen.

Haar tweede been!

Ik stort me erbovenop en hak in de knieholte.

Het been valt om. Bloed spat op mijn veiligheidsbril.

Ik hak de knie door en blijf hakken tot ook de voet losligt.

Hijgend gooi ik mijn besmeurde veiligheidsbril af en kijk rond. Dit is de eerste keer dat ook mijn halletje vol bloedspatten ligt. Het zal uren duren voordat het hier weer spik en span is. De stukken arm, been, vingers, tenen… alles blijft op mij af spartelen.

Ik slalom eromheen en loop naar het hoofd.

Het ligt nog in de hoek. Met vertwijfelde kin- en oorbewegingen probeert het mijn kant op te rollen.

Ik kniel ernaast.

De bloedbesmeurde kop kijkt me diep in de ogen. Weer die huiveringwekkende lach. ‘Nergens op de wereld kun je je voor mij verbergen. Je bent vervloekt. Je bent van mij.’

Woede kruipt weer op in mijn buik. Ik haal uit zo hard ik kan.

Het mes blijft in de schedel steken. Ik til het op.

De kop blijft eraan hangen. Haar gemene lach klinkt gesmoord.

Ik hef het hakmes met hoofd tot boven mijn hoofd en ram het uit alle macht op de grond.

Het hoofd valt in twee helften uiteen. Ze schommelen als bloederige eierdoppen heen en weer. Rode haren schuren over vloertegels.

Het is doodstil. Het lachen is het kreng eindelijk vergaan.

Het hakmes valt uit mijn handen. Ik ben duizelig. Nu pas voel ik hoe moe ik ben.

De stukken arm en been liggen ook stil. Nergens beweging.

 

Ik gooi mijn handschoenen in de vuilnisbak, knoop mijn overall los en laat hem samen met de muts en het mondkapje in mijn wasmand in het badkamertje vallen. Daar trap ik mijn rubberlaarzen uit en leg mijn pistool op het planchetje. Mijn werk is nog niet klaar, maar deze ellende moet ik van me af spoelen.

Terwijl roodgekleurd douchewater in het putje loopt, voel ik de druppels op mijn hoofd neerregenen. Is dit zoiets als een kip die blijft rondlopen nadat de kop eraf ligt? Of ben ik gek geworden?

Als ik de douche afzet, hoor ik iets.

Mijn hart klopt in mijn keel.

Ik gooi mijn handdoek over mijn schouder, grijp mijn pistool en zwaai de badkamerdeur open.

Alle smetdelen liggen nog op hun plek. Geen beweging.

Ik schiet in mijn crocs en laveer tussen de bloedplassen. Ik kijk de operatiekamer in: de schedelhelften liggen nog waar ze lagen, in een plas bruin vocht.

Gerinkel van boven: de deurbel.

Opgelucht ademhalend laat ik mijn pistool zakken.

Ik loop de trap op en schakel de deurmonitor in.

Ja, hoor: Werner. Geërgerd knoop ik de handdoek om mijn lijf. Dan valt me in dat mijn sleutels nog beneden liggen. Ik druk op de intercom: ‘Wat doe jij hier?’

‘Kijken of met jou alles goed is.’

Ik slaak een diepe zucht. Hij is de laatste die ik kan gebruiken. Toch hoor ik mezelf zeggen: ‘Moment. Ik pak mijn sleutels.’

Dus ren ik de trap weer af.

Bij de onderste trede zie ik iets: de smetdelen… zijn het er minder?

Een zachte bult in plaats van harde vloer onder mijn voet. Hij rolt weg…

Mijn voet schiet onder me vandaan. Mijn pistool valt uit mijn handen. De vloer van het halletje komt met hoge snelheid op me af.

Ales wordt zwart.

 

Geschreeuw in de verte. Alsof ik diep onderwater ben. Te diep. De stem klinkt bekend.

Lucht! Ik spartel. Ik moet naar boven zwemmen. Waar is boven?

Het is mijn naam die geroepen wordt. Ik voel iets in mijn mond. Het mondstuk? Dat moet het zijn: mijn luchtflessen…

‘Jesca!’ Werners stem klinkt dof.

Lucht, geef me lucht.

Ik proef bloed.

Er zit iets in mijn keel. Ik kokhals. Mijn slokdarm schokt. Maagzuur vult mijn keel, maar daar zit iets…

Ik open mijn ogen en zie Werner.

Lucht, ik krijg geen lucht.

Werners vingers zitten in mijn mond.

Ik probeer ze eraf te bijten.

‘Jesca, kom op!’

Ik schud, spartel, duw en sla.

‘Ik probeer je te helpen. Mond open, snel!’

Het gewriemel in mijn keel komt niet van zijn vingers! Terwijl ik kokhals, trek ik mijn mond zo ver mogelijk open.

Hij rukt iets eruit: een bebloede vinger.

Ik kuch en snak naar lucht eindelijk lucht. Het is alsof ik door een rietje adem.

Er schiet iets in mijn keel. Hij zit weer dicht.

Werner peutert nog iets uit mijn keel.

Lucht.

In zijn hand ligt een tweede bebloede vinger. Angst staat in zijn ogen. In al die jaren heb ik hem nooit bang gezien. De haartjes in mijn nek komen overeind.

Ik kokhals, er zit nog iets in mijn keel.

Werners vingers grabbelen in mijn keel. Hij peurt de laatste vinger eruit en smijt hem vol afschuw van zich af.

Kuchend haal ik adem. Niet overgeven, niet overgeven…

Tevergeefs.

Werner rolt me op mijn buik.

Braaksel stort schokkend onder me op de vloertegels. Tussen de golven door snak ik naar lucht. Ik probeer me op te drukken om niet met mijn wang in de kots te liggen, maar ben te slap.

Een oorverdovend galmende knal!

Ik zie niet waarop hij schiet, maar kan het raden.

Hijgend en kuchend pers ik eruit: ‘Vaten…’

‘Wat?’ Hij schiet nog eens.

‘Zuur…’

‘Ik snap je niet.’

‘Magazijn… daar.’ Ik gebaar ernaar.

Smetdelen bij me vandaan trappend, rent hij mijn magazijn in.

Ik hoor hem rommelen met de vaten. Moeizaam krabbel ik overeind en spuw de vieze smaak uit.

De krioelende smetdelen komen op mij af: vingers, tenen, stukken arm en been… De romp spartelt als een vis op het droge.

Mijn handdoek ligt op de grond. Ik ben naakt! Maar die handdoek zit vol kots en bloed. Ik wankel.

‘Hoe doe ik dit?’ galmt uit het magazijn. ‘Ze zijn zwaar.’

‘Deksel eraf,’ hijg ik. Steunend tegen de muur loop ik naar het magazijn. Mijn voorhoofd doet pijn. Alsof er een .22 inzit. Dumdum.

Bekend geluid: een deksel die op de grond valt en ronddraait in kleiner en sneller wordende cirkeltjes. Totdat hij stilligt.

‘Wat nu?’

‘Schuimspaan.’ Ik kuch. ‘Stukken smet voorzichtig erin.’ Ik hang tegen de deurpost.

Hij stormt langs me heen en raapt een voet en een stuk arm op. Even glijdt zijn blik verbluft over mijn lichaam: mijn buikspieren, mijn gespierde armen en benen. Twee uur per dag sportschool: nodig voor dit werk. En o, zo lekker. Ik kan niet zien of het hem opwindt of afstoot. Ik haat kerels die het afstoot en veracht mannetjes die erop kicken. Hij wendt zich af en rent terug het magazijn in.

Ik volg hem.

‘Daar.’ Ik wijs naar het schuimspanenrek aan de muur. ‘Niet spatten… koningswater… gevaarlijk.’

Hij grijpt een schuimspaan, legt de voet erop en houdt hem boven het geopende vat. Aarzelend kijkt hij me aan.

Ik knik terwijl ik tegen de muur leun en me omlaag laat glijden tot ik op de grond zit.

Hij laat de schuimspaan zakken tot vlak boven het vat, deinst terug, knijpt zijn ogen halfdicht en draait de schep om totdat de voet ervan af glijdt.

Een plons. Gesis. Een rookwolk stijgt op.

Knipperend kijkt hij naar mij.

Ik knik. Hij doet het goed.

 

Voor de tweede keer vannacht verlaat ik mijn badkamer, in mijn crocs en met een schone handdoek om. Weer zie ik de bloedvlekken op de vloertegels van mijn kelderhalletje. Ik betrap mezelf erop dat ik mijn armen langs mijn handdoek blijf wrijven. Ondanks dat ik mijn huid rood heb geschrobd, voel ik me niet schoon. In de kleedkamer grijp ik een ochtendjas en laat mijn telefoon en sleutels erin glijden. Met een dreunende koppijn wankel ik de trap op.

 

Ik zwaai mijn keukendeur open.

Werner springt op van zijn stoel. ‘Ook koffie?’ Hij opent de Senseo.

Ik schud mijn hoofd.

Even later zitten we tegenover elkaar. Ik omklem de dampende mok thee met beide handen: kamille, kurkuma, kruidnagel en kaalkopjes: de vier k’s. Het ruikt goed. Toch heeft hij het niet helemaal goed gedaan: ik drink thee altijd uit een Efteling-kopje. Dat kon hij niet weten. Mijn lijf is ijskoud. Toch staat de thermostaat gewoon op 21.

‘Moeten we een geneesheer van het gilde daarnaar laten kijken?’

Ik voel aan mijn pijnlijk kloppende voorhoofd… ja, daar groeit een bult. ‘Hoe ben je binnengekomen?’

Hij houdt een setje lopers in de lucht.

Ik glimlach. ‘Bedankt.’

Hij perst zijn lippen opeen. ‘Je was me nog dat etentje schuldig.’

Ik rol met de ogen.

Even zitten we zwijgend tegenover elkaar.

‘Jesca?’ Hij wijst omlaag. ‘Wat…?’

Ik haal mijn schouders op.

‘Heb je zoiets eerder meegemaakt?’

‘Nee. Je weet zeker dat jíj haar gesloten hebt?’

‘Kom.’ Hij kijkt me verbouwereerd aan. ‘Heb je toch zelf gezien?’

‘Ze zei: ‘Je bent vervloekt’.’

‘Vervloekt?’

‘Wie was dit?’ Ik kijk hem in zijn ogen.

‘Het gebruikelijke.’ Hij haalt zijn wenkbrauwen op. ‘Een gevaar voor de samenleving.’

‘Waarom precies?’

‘Ik heb de USB-stick al vernietigd. Maar daar geven ze nooit details over… Iemand die heeft uitgevonden hoe je blijft leven na je dood, misschien?’

‘Haha, jij leest te veel strips.’

Hij lacht mee. ‘Ik weet hoe belachelijk het klinkt.’

‘Toen ik klein was, vertelde oma altijd dat het gilde was opgericht door heksen. Rond de inquisitie, geloof ik. En dat opschoners bij overtreding van de sluitingswet een vloek over zich zouden afroepen. Ik dacht dat het maar sprookjes waren om kinderen bang te maken, net als de zak van Sinterklaas.’

‘Misschien moeten we je oma om raad vragen.’ Hij grijnst. Toch twijfel ik of het een grap is.

‘In ieder geval is die ‘vloek’ voorbij. Uit koningswater komt niemand terug.’

Gebonk!

Werner heeft zijn SP22 al vast en gaat ruggelings in de hoek naast de achterdeur staan.

Het rolluik buiten de achterdeur rammelt.

Ik stort de suikerpot uit op mijn aanrecht. Klontjes stuiteren naar alle kanten. Een van mijn reservepistolen blijft op het suikerbergje liggen.

‘Heb je licht in je achtertuin?’ vraagt Werner.

‘Gaat automatisch aan.’

‘Ik sluip de voordeur uit en loop om naar achteren.’ Hij rent de gang in. ‘Ik roep als het luik omhoog kan.’

‘Geluidsisolerende ruiten.’

‘Dan app ik.’ Hij trekt de voordeur open en kijkt rond.

‘Maak geen herrie daarbuiten.’

Verbaasd kijkt hij me aan.

‘Als de politie wordt geroepen, kan ik dit niet uit de krant houden. Ik woon hier graag.’

Triomfantelijk haalt hij een geluiddemper tevoorschijn en trekt de voordeur dicht.

Mijn rammelende rolluik herinnert me aan de deur van mijn operatiekamer daarnet. Mijn pistool voelt onnatuurlijk aan. Ik ben meer op mijn gemak met iets om te hakken of snijden, dus trek ik mijn keukenla open en grijp een hakmes. Het pistool laat ik in de zak van mijn ochtendjas glijden. Ik knoop de band van de ochtendjas extra strak en test het mes: ja, het is scherp en ligt goed in de hand.

Uit de houder aan de muur trek ik de afstandsbediening van mijn rolluiken en laat die in mijn andere zak glijden.

Het rolluik stopt met rammelen.

Ik luister ingespannen maar hoor alleen mijn hart bonzen.

Aarzelend gaat mijn hand naar de afstandsbediening. Ik blik naar de voordeur. Blijkbaar heeft hij het nog niet opgelost, anders zou hij terug zijn, of…

Nee, geen appje.

Ik móet weten wat daarbuiten loos is. Dus druk ik op de afstands­bediening en ga ruggelings in de hoek staan, mijn hakmes in de aanslag.

Tergend langzaam gaat het rolluik omhoog.

De stoeptegels van mijn achtertuin worden zichtbaar.

Schaduwen… ze bewegen!

Twee gestaltes liggen boven op elkaar te spartelen. De onderste richt een pistool op de bovenste met geluiddemper.

Koortsachtig steek ik de sleutel in het slot en gooi de deur open.

Die knalt tegen het rolluik.

Shit!

Er klinkt een gedempt schot. De geluiddemper drukt tegen het hoofd van de bovenste gestalte.

Toch blijft die spartelen met zijn handen om de nek van de onderste.

Ik duw nog eens tegen de deur.

Hij botst weer tegen het rolluik. Bijna boven, nog even…

De keukendeur schiet open, schrapend langs het rolluik.

Er klinkt nog een schot. Nog een. Dan een klik. De kogels zijn op.

Ik ren erop af.

De gestalte bovenop draagt geen kleren. De huid hangt in bruine flarden. Een overbekende stank komt me tegemoet: ontbindend lijk.

Ik ram het hakmes in de bovenarm.

Oogkassen vol krioelende maden en wormen kijken me aan.

Een smerige grijns vol bruine tanden. De lippen zijn half wegge­vreten. De handen knijpen Werners hals dicht.

Nog eens ram ik mijn mes erin. De arm valt in tweeën. Maar de hand blijft om Werners hals geklemd.

Ik geef het monster een trap tegen de schouder.

Het rolt opzij. De arm die nog vastzit, schiet los. Werner kucht, grijpt de losse arm en smijt hem van zich af.

Ik stort me op het lijk en hak de andere arm af.

‘Vervloekt,’ spreekt een onmenselijke grom.

Ik hak erop in tot de kop in tweeën ligt, tot armen, benen, vingers, tenen in stukken liggen en blijf hakken…

Een hand op mijn schouder!

Ik kijk om en wil al uithalen…

‘Hooo!’ Werner deinst terug. ‘Genoeg. We moeten die stukken dumpen.’

Dan pas voel ik het steken in mijn schouders.

 

Met drie vuilniszakken vol lijkstukken vullen we het volgende zuurvat, omringd door rook en gesis. Mijn luchtverversingsinstallatie kan het niet meer aan: de indringende, zuurbittere stank slaat op mijn longen, brandt in mijn ogen en doet mijn maag omdraaien. Mijn ochtendjas is doordrenkt met bruine smurrie. Net als Werners colbertje.

We willen net aan de laatste zak beginnen…

Gebonk! We staan als aan de grond genageld en kijken naar het vat dat Werner een uur geleden heeft gevuld met het medium.

Het wankelt.

Er verschijnt een uitstulpsel in de deksel: een deuk. Nog een…

Werner grijpt zijn pistool.

Ik reik naar de stellage achter me, ruk twee hakmessen eruit en leg mijn hand op zijn schouder.

Hij holstert zijn pistool en neemt een mes aan.

Plotseling schiet de rand van de deksel los. Er ontstaat een opening.

Er steekt iets uit: een slijmerige, bruine, met rood-witte strepen doortrokken slang… zonder kop. Het slijm druipt over de rand omlaag als smerige ketchup. Er zitten stukjes bot en pees in de dampende drab.

De klodder druipt op mijn vloertegels. Rook slaat ervan af terwijl het zuur sissend een gat erin vreet.

Moedeloos laat ik mijn hakmes zakken. Hoe bestaat dit? Ze moet dood zijn! Morsdood!

Werner hakt met het grootste gemak de slijmklodder doormidden.

Nu wriemelen er twee slijmerige zuurklodders op hem af.

Ik grijp de schuimspaan, schep de ene klodder op en slinger hem in het nog geopende tweede zuurvat.

Spetters vliegen rond en branden gaten in mijn vloertegels. Terwijl ik de tweede klodder opschep, grijpt Werner een andere schuimspaan.

Hij schept de ene na de andere uit het vat stromende klodder op en laat die in het andere vat vallen.

Ik maak de sluiting van het gehavende vat los, druk de deksel aan en maak de sluiting weer vast. Het vat bokt onder me als een dolle stier.

Werner heeft alle klodders en delen in het andere vat gegooid en is het aan het sluiten. Dat vat bokt al net zo hard.

Ik steun op mijn vat.

Hij steunt op het andere. ‘En nu?’

‘Crematorium!’ Ik duw het vat op zijn zij. Als ik gelovig was, zou ik een schietgebedje opzeggen. Gelukkig: het blijft dicht. Ik rol het naar de garage.

Werner volgt mijn voorbeeld.

 

Tegen de tijd dat alle smet- en lijkdelen zijn verbrand en de as in de vaten is gestopt, begint het al licht te worden.

Terwijl Werner het tweede vat terugrolt naar mijn Audi, sluit ik met de sleutels die ik jaren geleden heb nagemaakt het crematorium af.

De wind blaast onder mijn ochtendjas en regenjas door als ik naar de rookwolk boven het crematorium kijk. Hij is diepzwart. Dat is me nooit eerder opgevallen. Haar griezelig grijnzende tronie lijkt in de wolk te staan.

Kippenvel op mijn onderarmen. Ik wrijf het af. Inbeelding. Ik ben oververmoeid.

‘Ik heb honger,’ zegt Werner achter me. ‘Ergens iets gaan eten nadat we gedoucht hebben?’

Ik schiet in de lach en draai me om. ‘Heb je eindelijk je zin?’

Hij staart met grote ogen over mijn schouder en hapt naar lucht. ‘Dat méén je niet.’

Ik kijk over mijn schouder naar het kerkhof. Achter de smeedijzeren poort loopt een bijna kaalgevreten skelet. Stukken loshangend, verrot weefsel deinen mee met zijn bewegingen.

Achter hem loopt een minder ver ontbonden lijk. Verderop krabbelt een arm onder een deksteen tevoorschijn.

‘Zeg niet dat je dat kerkhof hebt gebruikt om smetten op te ruimen,’ zegt Werner.

‘Wat denk je zelf?’

Het skelet opent de poort van het kerkhof.

Ik voel een hand op mijn schouder.

Instinctief doe ik wat ik honderden keren heb getraind: ik leg mijn hand erop, til mijn elleboog op, draai me om en verdraai zijn arm. Het is Werner! Verschrikt laat ik los.

‘Hooo!’ Hij steekt zijn armen omhoog. ‘Weg hier.’

Ik ren achter hem aan naar mijn auto.

Hij trekt het bestuurdersportier open en steekt zijn hand uit. ‘Sleutel?’

‘Ik rijd.’

 

Mijn regenjasceintuur vaster trekkend, loop ik door de automatische schuifdeuren. Erg bewust van mijn blote onderbenen druk ik op de bel bij het tweede stel deuren.

De verpleger achter de balie kijkt op. De deuren gaan open.

Meteen gaat zijn blik naar mijn rubberlaarzen en onderbenen. Hij lacht schaapachtig.

Met rechte rug en strakke blik loop ik de lift in en druk op 3.

Boven open ik de deur van kamer 312. ‘Oma?’

Ze zit in haar fauteuil tv te kijken: Max Geheugentrainer. Ze glim­lacht. ‘Jesca.’ Ze bekijkt me van top tot teen. ‘Is dat de nieuwe mode?’ Ze fronst. ‘Wat heb je daar?’ Ze wijst mijn voorhoofd.

Ik grijp haar hand. ‘Ik moet iets vragen.’

‘Heb je de vier k’s geprobeerd?’ Ze heft haar vinger. ‘Kamille, kurkuma…’

 

Ik vertel haar alles. Ze klemt haar ogen stijf dicht. Ik heb haar nog nooit zo geschokt gezien. In haar carrière als opschoner moet ze toch alles hebben meegemaakt?

‘Toen zijn we hierheen gekomen. Wat is hier loos?’

Ze pinkt een traantje weg.

Een bons op de deur.

Rillingen lopen over mijn rug. Ik trek mijn pistool. ‘Wie is daar?’

‘Ik ben het.’ Werner.

Met een zucht open ik de deur.

Hij houdt een uitpuilende linnen tas omhoog. ‘Hopelijk de goede maat.’

Met de tas trek ik me terug in oma’s badkamertje. De trainingsbroek is te lang en het T-shirt te wijd. Maar alles beter dan een ochtendjas.

Als ik de badkamer weer uitkom, grijnst Werner. ‘Een heel nieuwe look voor je. Ik had modeadviseur moeten worden.’

Ik onderdruk een glimlach, ga in de andere stoel tegenover oma zeggen en kijk haar vragend aan.

Ze knikt. ‘Wat mijn moeder heeft verteld en wat door haar moeder is verteld… Toen de inquisitie ketters en heksen ging vervolgen, hebben die het gilde opgericht om zich te verdedigen. Heksen konden door hun kennis van magische middeltjes lijken laten verdwijnen, zodat er geen sporen waren als inquisiteurs door ketters werden vermoord. Maar de ketters waren bang. Wat als heksen hun macht ook tegen ketters zouden gebruiken? Dus spraken de heksen in een ritueel een vloek over zichzelf uit: als een heks ooit iemand zou doden, zouden alle door haar opgeruimde lijken weer tot leven komen en haar achtervolgen tot haar dood.’

Ik was die onzin grotendeels vergeten. Of had hem verdrongen. ‘Maar ik heb toch niemand gesloten?’

Ze perst haar lippen opeen. ‘Ben je Meine vergeten?’

Ik frons. Vaag staan me Meines gruwelverhalen bij. En hoe mijn moeder oma altijd tegenhield als ze me daarmee bang probeerde te maken.

‘De ketters eisten bewijs dat de vloek werkte. De hogepriesteres gebruikte dat om haar twee machtigste rivalen uit de weg te ruimen: Ysaud moest Meine vermoorden. Maar Meine wist een spreuk uit te spreken dat zij weer tot leven zou…’

Werner springt op. ‘Dat meen je toch niet.’ Hij loopt naar het raam. ‘Heksen, vloeken, magie…’

‘Tegenwoordig noemen we het wetenschap,’ zegt oma. ‘Maar ons werk is nauwelijks veranderd: koningswater, fosfor en ongebluste kalk waren ooit magie.’

‘En verder?’ vraag ik.

‘Meine kwam weer tot leven en ging achter Ysaud aan. De ketters waren tevreden en hakten Meine in stukken. Maar de stukken kwamen ook weer tot leven en bleven Ysaud achtervolgen. Die vluchtte op een snel paard naar het oosten. Meines lijkdelen gingen op de brandstapel. Een paar dagen later ontdekte men een spoor van as van de brandstapel naar het oosten…’ Oma laat een pauze vallen.

‘En Ysaud?’

‘Die is nooit teruggezien. Men nam aan dat ze een leven lang op de vlucht is geweest en dat de as haar nooit heeft bereikt, maar blijkbaar…’ Ze kijkt me diep in de ogen.

Ik schud mijn hoofd. Langzaam besef ik wat ze zegt. ‘Die vrouw? Is Minoux Meine?’ Ik sla mijn hand voor mijn mond. ‘Dan zou Meine al die eeuwen…’

‘Kom eens kijken,’ zegt Werner.

Oma knikt. ‘Ze overleeft door heksenlichamen over te nemen tot die te oud zijn. Ze moet het gilde op een of andere manier steeds ertoe hebben gebracht om opdracht te geven om haar op te ruimen.’

‘Maar híj heeft haar toch gesloten.’ Ik wijs naar het raam. ‘Dan moet ze toch achter hém aan komen?’

‘Daarna is ze weer tot leven gekomen en door jou vermoord. Zíjn lichaam kan ze niet overnemen, het jouwe wel.’

Het is alsof ik nog een klap op mijn hoofd krijg. ‘W-wat?’

‘Dat is de consequentie van de vloek samen met Meines spreuk. Jíj bent heks.’

Mijn gedachten tollen over elkaar.

‘Serieus, Jesca. Kom kijken!’

Ik spring op, maar oma grijpt mijn hand: ‘Je moet weg.’ De tranen springen in haar ogen. ‘Vluchten, zover mogelijk.’ Haar stem slaat over. ‘Ze mag je nooit te pakken krijgen.’ Ze kust mijn hand.

Ik laat haar los en loop naar het raam.

Werner wijst omlaag. Mijn Audi op de parkeerplaats wipt op en neer alsof er een puberstelletje in ligt.

Mijn mond valt open. ‘De as.’

We grijpen onze jassen.

Ik leg mijn arm om oma heen en geef haar een klapzoen. ‘Ik hou van je.’ Tranen springen in mijn ogen. Nadat de kanker mam al die jaren geleden van mij wegnam, was oma de enige die om me gaf.

Ze streelt mijn wangen. ‘Ga, kindje. Ga!’

 

Een kwartier later stoppen we op een verlaten bospad. De lucht betrekt.

We openen de achterklep en rukken de bokkende vaten eruit.

Ze bolderen op de grond.

De bomen lichten fel op. Bijna tegelijk klinkt een donderslag.

Werner wijst naar de gitzwarte wolk boven ons. ‘We krijgen rotweer.’

Ik sluit de achterklep.

De dreigende wolk kijkt grijnzend op mij neer.

‘Kom.’ Hij springt al in mijn auto.

Ik open het bestuurdersportier. ‘Auw!’ Een felle steek op mijn handrug… alsof iemand een sigaret erop uitdrukt. Op mijn huid borrelt, schuimt en sist een regendruppel. Ik schud hem af.

‘Is er iets?’ roept Werner.

Een tweede regendruppel valt op het dak van de Audi. Sissend brandt hij de lak weg.

Ik ga zitten en geef vol gas.

 

Met bijna 200 laveer ik tussen het verkeer door. In mijn spiegel zie ik de zwarte onweerswolk in de verte verdwijnen.

Ik passeer een bord dat het volgende tankstation aangeeft. ‘Als ik je daar afzet, kom je dan thuis?’

Werner schiet in de lach. ‘Ben je mal? Je bent me nog steeds dat etentje schuldig.’

‘Je snapt het niet. Ik kan nooit meer terug.’

Hij schokschoudert. ‘Samen uit, samen thuis.’

‘Heb je oma niet gehoord? Ik ben de rest van mijn leven op de vlucht.’

Hij grijnst. ‘Ik was toch aan mijn pensioen toe… laat die wereldreis maar komen.’

‘Dit is geen grapje, sukkel!’

Hij kijkt me ernstig aan. ‘Je kunt me uit je auto gooien…’ Hij maakt een lift-gebaar. ‘…als je de rest van je leven alleen daartegen wilt vechten.’ Hij wijst met zijn duim achteruit.

Ik kijk hem aan en passeer de tankstationafrit.

De eindoplossing van het vetusentiteitenprobleem : Django Mathijsen

Samen met Morena, een van mijn promovendi, was ik vergelijkingen aan het narekenen uit een artikel van professor Yáo Liangyong, die een interessante variatie had bedacht op mijn cryptokinetisch causaal seismologische rekenmodel. Hij had daarmee de aardbevingen in het Wenchuan-gebied geanalyseerd en was tot bijzonder nauwkeurige cryptoseismologische voorspellingen kunnen komen van locatie, tijd en grootte van de recente bevingen daar.

Zijn voorspellingen leken geruststellend. Blijkbaar was de vetus­entiteit Diyu Yaomo niet sterk genoeg om door het aardoppervlak te breken. En volgens de kinetische patronen kwam Diyu Yaomo bijna nooit in de buurt van fissuren en zwakke plekken.

Bescherming, laat staan strijd, tegen vetusentiteiten was dus ook daar geen prioriteit voor de politiek. De aardbeving- en tsunami­besten­dige bouwrichtlijnen die de VN bijna overal had afgedwongen, zorgden dat zelfs bevingen tot een magnitude 8 nauwelijks nog verlies van mensen­­levens of infrastructuur opleverden.

Politici sliepen rustig verder: doof, blind en stom met betrekking tot het onzichtbare gevaar onder hun voeten dat zij voor het grote publiek geheimhielden.

De ene groep onwetend, de andere onverschillig. Dat was veront­rustend.

Nadat ik de spanningstensor had opgeschreven, nam ik een paar passen afstand van de digiborden die bijna alle wanden van mijn kan­toor bedekten. Morena was een differentiaalvergelijking aan het oplos­sen. Haar diepbruine krullen hingen als een tapijt over haar rug en raakten de slijtplekken op de leren rok die bijna dezelfde kleur had. Ze was de enige die ik kende die zo’n archaïsch kledingstuk droeg. Het was moeilijk om mijn ogen af te houden van de zacht uitpuilende rondingen waar haar slanke taille overging in haar achterwerk.

‘Denk aan de primitieve van de natuurlijke logaritme,’ prevelde ik, de tinteling in mijn kruis negerend.

‘Natuurlijk.’ Ze keek even om, een twinkeling in haar groene ogen. Als ze me zo aankeek, leek ze een kind en dus verdween mijn tinteling weer. Ze was al lang geen kind meer, maar wel net jong genoeg dat ze de dochter had kunnen zijn die ik nooit had gehad.

Ik glimlachte terug, verlegen hopend dat ik geen rode kleur op mijn wangen had.

Ze schreef door en ik vermaande mezelf. Ze was mijn promovendus. Ik mocht haar niet als iets anders zien: niet als kind, niet als vrouw. Haar haren leken op die van Mariska, de vriendin van Bart, mijn grote broer.

 

Hij was anders dan ik: er bestond geen apparaat dat hij niet kon repa­reren, geen machine die hij niet kon maken. Als kind al stond hij met zijn neus erbovenop als pap onze skelters, drones en zweefsteps repa­reerde. Als volwassene bouwde Bart de helft van het machinepark in zijn fabriekje. De andere helft verbeterde hij.

We waren even weetgierig hoe dingen in elkaar zaten. Maar bij hem waren die dingen machines, bij mij de aarde. Ik keek al naar aardrijks­kundige colleges op het omniweb lang voor ik ze kon begrijpen.

Ik maakte lange ontdekkingstochten: hutten bouwen in het bos, grotten verkennen, ruïnes van de voormalige aardgaswinning onder­zoeken. Bijna altijd met Bart in mijn kielzog. Pap had hem op het hart gedrukt op zijn kleine broertje te letten.

Maar het was ook zijn aard. Hij was degene die overal het gevaar kon identificeren… en de redding. Ik denk omdat hij constant zocht naar problemen om te fiksen, defecten om te repareren.

‘Niet doen, Haijtje, die ladder is verroest en je kunt de bodem niet zien.’ Zijn stem galmde door de oude fabriekshal. ‘Wat als je valt en die put geen bodem heeft?’

We staarden in de put die als een zwart gat het schijnsel van mijn helmlamp leek op te slokken.

Demonstratief zuchtend haalde ik mijn voet van de bovenste sport en keek rond. De lichtbundel van mijn helmlamp ging als een zoeklicht over de betonnen vloer en liet olievlekken, stof en spinnenwebben flonkeren. Daar: voor een van de verroeste machines lagen bouten en moeren. Ik raapte ze op en liet ze in de put vallen. ‘Eenentwintig, tweeëntwin…’

Harde knallen galmden op uit het donker.

‘Anderhalve seconde… het kan dus niet dieper zijn dan een meter of tien, vijftien…’

‘Het klonk niet alsof er iets bijzonders op de bodem lag,’ zei hij.

‘Bijzondere mineralen kun je niet horen.’ Ik stapte vastberaden weer op de ladder die in de put hing en begon af te dalen. De derde sport kraakte.

‘Wacht!’ riep Bart.

‘Da’s niks. Die ladder is hartstikke stevig.’ Ik gaf hem een boze blik.

‘Gewoon even wachten.’ Hij gebaarde me tot kalmte en keek koortsachtig om zich heen. ‘Ja.’ Weg rende hij.

Zijn voetstappen galmden door de fabriekshal.

Het kan nog geen tien seconden hebben geduurd of ik hoorde hem alweer terugkomen. Voor het kind dat ik toen was, leek het een eeuwigheid.

Triomfantelijk liet hij de vuile, bruine touwen in zijn handen zien. ‘Kom hier.’

‘Bahart… dit is…’

‘Hierkomen! Als je iets doet, moet je het goed doen.’

Sputterend en stampvoetend kwam ik de put uit.

Hij knoopte een lus, gooide die om mijn middel en maakte een andere lus. ‘Stap hierdoorheen.’

Ik deed wat hij zei.

Hij knoopte en bond: tussen mijn benen door en om mijn schouders heen en voor ik het in de gaten had, had ik een tuigje aan.

‘Nou ben ik net een paard,’ mopperde ik.

‘Bij de padvinders geleerd.’ Grijnzend trok hij de touwen tussen mijn benen strak.

‘Auw! Mijn plasser zit ertussen.’

Lachend legde hij de touwen in mijn kruis goed. ‘Dat krijg je als je overal je neus in wilt steken.’ Hij trok weer strak. ‘Gaat het zo?’

Het deed nog steeds een beetje pijn. Aarzelend knikte ik.

Hij bond een langer stuk touw achter mijn schouders aan het tuigje en hield het grijnzend vast. ‘Nu kun je veilig omlaag.’

Ik rolde met de ogen, maar stapte meteen omlaag… voordat hij zich nog eens bedacht. Het ging lekker. En het was lekker: de spanning kriebelde in mijn buik.

Bij de achtste sport gebeurde het: luid krakend brak het onderste stuk van de ladder af en schoot omlaag. Met een ruk kwam mijn ge­wicht aan mijn armen te hangen.

‘Aah!’ Mijn handen gleden weg. Ik stortte omlaag.

‘Auw!’ Abrupt kwam ik tot stilstand. Het was alsof iemand een mes in mijn kruis stak. Vlak daarna knalde ik ruggelings tegen de wand.

Tranen sprongen in mijn ogen. ‘Help!’

Bungelend aan het touw spartelde en graaide ik naar het bovenstuk van de ladder. In het donker en door mijn tranen heen duurde het eeuwig voordat ik het stevige, koude staal van een sport weer in mijn handen voelde.

‘Ben je in orde, Haijtje?’ galmde Barts stem van boven.

Ik probeerde me op te trekken, maar was niet sterk genoeg. Ik pro­beerde Bart te antwoorden, maar de angst en pijn beroofden me van adem.

‘Niet bang zijn,’ riep Bart. ‘Ik trek je omhoog.’

Een vlijmscherpe ruk aan mijn kruis! Maar ik ging een stukje omhoog.

Langzaam sloot ik me af van de pijn. Rukje voor rukje kwam ik omhoog. Pijnscheut voor pijnscheut. De hele tijd dacht ik dat hij me niet meer zou kunnen houden, dat ik te pletter zou vallen. Er leek geen eind aan te komen.

Die dag redde hij mijn leven.

Maar zelfs hij was niet in staat geweest het gevaar te zien toen hij zo veel jaren later samen met Mariska naar Hoek van Holland ging. Hij had het ook niet kunnen weten. Ik wel: ik was toen al gepromoveerd. Nu was ík degene die het gevaar moest zien. En de redding.

Ik zou willen zeggen dat de schellen meteen van mijn ogen vielen, toen ik zijn laatste berichtje kreeg. Maar toen ik hoorde van de Noordzeetsunami en dat Bart er niet meer was, kon ik het aanvankelijk niet bevatten.

Misschien moest ik meer begrip hebben voor mensen die zich doof, blind en stom hielden voor de verschrikkelijke waarheid onder hun neus. Ook ik had het niet willen weten. Ook ik deed het lang af als complottheorieën. Ik had het moeten weten, het was mijn vakgebied: de seismologie.

 

Ik werd uit mijn overpeinzingen opgeschrikt door een belsignaal. Een rood lichtje flikkerde op een van de digischermen. De schrik liep van mijn buik naar mijn tenen.

‘Ga je in je eigen kantoor verder? Ik kom later wel naar je resultaten kijken.’

Morena knikte. Ze keek me even diep in de ogen en liep naar de deur.

Niet naar haar kont kijken, niet naar haar kont kijken…

De deur schoof opzij, ze verliet mijn kantoor.

‘Deur sluiten,’ zei ik en de deur sloot vlak achter haar heupwiegende kont.

Toch weer gekeken, verdorie.

‘Voor niemand opendoen.’ Met trillende vingers drukte ik op de rode lamp op het scherm. Mijn schaduwmail opende zich. Koortsachtig las ik de tekst. Instinctief maakte ik een vuist.

Yes.

Een uitnodiging voor een spoedconferentie van het Europees Crypto­seismologisch Genootschap. Ik werd om vijf uur, over een klein uur dus, thuis opgehaald door een dronetaxi. Chatham House Rule, kleding­voorschrift blauw. Ik moest een keynote address van een half uur geven. De mail was gemerkt: hoogste urgentie.

Hoogste urgentie, de woorden spookten door mijn hoofd. Hoogste urgentie. Dit moest het zijn: het moment waar ik al die jaren naartoe had gewerkt.

Ik zakte in de stoel achter mijn bureau maar sprong meteen weer op. Zoveel te doen, zo weinig tijd. Haast vloeide als een storm door mijn hoofd. Mijn documenten, mijn pak…

‘Kalm, Haijo.’ Ik ging weer zitten, pakte mijn e-rol uit mijn binnen­zak, rolde hem uit en controleerde of ik alle documenten die ik nodig zou hebben voor een rede over mijn onderzoek in crypto­seismo­logie en cryptoallectatie erin had staan. Een half uur… hoe… wat vertel ik?

Ik bekeek de schema’s van mijn laatste vier conferentiepraatjes. Ja, daar kon ik delen uit halen, details weglaten, me beperken tot de lijn… moest lukken.

Ik had alles. Het praatje zelf plakte ik wel in de dronetax in elkaar.

Met mijn e-rol weer in mijn binnenzak verliet ik mijn kantoor op de universiteit en liet mijn secretabot weten dat ik de rest van de dag en de volgende dag afwezig en voor niemand bereikbaar zou zijn.

 

Met mijn blauwe pak aan zakte ik in de luie fauteuil in mijn woon­kamer. Motortjes zoemden: de stoel nam mijn favoriete ligstand aan. Shit, door het raam zag ik slechts het stukje straat waar mijn eigen drone geparkeerd stond.

‘Omhoog’. De fauteuil ging in overeind-stand. Ik sprong op, liep naar het raam en keek rond.

Geen dronetaxi.

Ik keek omhoog: maar weinig verkeer, geen dronetaxi. Had ik mijn drone voor het huis van de buurman moeten parkeren zodat de drone­tax hier voor de deur had kunnen stoppen?

Ik had dorst, liep naar de keuken en besefte dat ik nu zeker geen dronetax kon zien landen. Mijn botler stond in de hoek: die had ook wel thee voor me kunnen pakken.

‘Thee,’ zei ik tegen mijn koelwarmkast. Het apparaat zoemde, stoom kwam eruit.

‘Extra melk.’

Het luikje boven in de kast schoof open.

Met de beker in de hand liep ik terug naar het raam. ‘Hoe laat is het?’ Ik blies in de thee.

Het scherm rechts van me lichtte op en liet een grote wijzerplaat zien. ‘Eén voor zes.’

Ik volgde de secondewijzer terwijl ik een slok hete thee in mijn mond spoelde. Hij prikte op mijn tong. Nog veertig seconden. Ik slikte door. Dertig. Ik nam gauw een tweede slok.

Masker!

Ik zette mijn theebeker op de vensterbank, rende naar de gang en opende mijn koffer…

Gelukkig, mijn blauwe masker zat erin. Ik hield het voor mijn gezicht. ‘Batterijcheck.’

In de glaasjes die de ooggaten vulden verscheen: negentig.

Negentig procent was ruim voldoende.

Ik propte het masker terug, rende weer naar de woonkamer en wou mijn theebeker grijpen. Op dat moment sprong de secondewijzer recht omhoog.

Er schoof een schaduw voor mijn raam: een dronetaxi landde achter mijn drone.

Ik greep mijn theebeker en goot de laatste slok naar binnen. Hij daalde brandend mijn slokdarm af. ‘Botler, huis afsluiten na mijn vertrek… voor lange afwezigheid.’

‘Tot uw orders, professor.’

 

De vlucht met de dronetax duurde een uur. Ik probeerde bij te houden welke kant hij op vloog: aan de ondergaande zon en opkomende maan te zien, overwegend zuidelijk, misschien een beetje westelijk.

Pas toen de dronetax in het halfduister begon te vertragen en dalen, begreep ik waar ik was, ofschoon ik hier nooit eerder was geweest. Een concentratie van miljoenen lichtjes… een enorme stad met trots erbovenuit: de Eiffeltoren.

Toen we eroverheen vlogen, zag ik onze bestemming. Het gebouw rees als een spiegelende diabolo op en was niet veel lager dan de Eiffeltoren: het parlement. We voegden in de file in naar het dak.

Snel stopte ik mijn e-rol weg, trok het masker uit mijn koffer en zette het op. Ik drukte de ingebouwde oorpluggen nog niet in mijn oren.

‘Test. Een, twee, drie,’ sprak ik.

‘Testo. Unu, du, tri,’ klonk uit de luidspreker van mijn masker in een stem, duidelijk lager en mechanischer dan de mijne.

Ik drukte de oorpluggen in mijn oren en herhaalde: ‘Test. Een, twee, drie.’

De mechanische stem echode in mijn oren het dubbel vertaalde: ‘Test, een, twee, drie.’ De automatische stemvervormer/vertaler werkte correct.

 

Het zenuwengekriebel in mijn buik ging over in misselijkheid. Het parlement. Ja, nu ging het erom.

Een voor een druppelden de dronetaxi’s de lange, donkere tunnel boven op het dak binnen, alsof we werden opgeslokt door een moloch met een wespentaille en een onstilbare honger.

Mijn dronetax vloog de duisternis in. Even voelde ik de heerlijke verschrikking die ik als kind in het spookhuis had gevoeld. Of in die put, voordat de ladder het begaf. Ik keek naar het licht aan het einde van de tunnel, maar herkende pas structuren toen we er vlakbij waren: verlichte vlakken, glinsteringen, de kleurenverscheidenheid van de dronetaxi’s en het felblauw en goudgeel van muren en zuilen.

De hal was groter dan een voetbalveld en helemaal leeg. De drones voor mij verdwenen weer in andere tunnels nadat ze hun passagiers hadden afgezet.

Verspilling van ruimte! Maar toen herkende ik de hal. Hij leek alleen anders dan op de nieuwsbeelden, want dan was hij bij zo’n conferentie­ontvangst altijd afgeladen met journalisten, journobots en journo­drones.

Ik trok mijn koffer alvast op schoot.

Mijn drone stopte bij een door botlers geflankeerde, rode loper die naar het ontvangsthalletje met glazen schuifdeuren leidde. De koepel scharnierde open en ik sprong eruit.

‘Gast nummer 51, ik ben uw persoonlijke botler voor de duur van uw verblijf.’ Een in gelid opgestelde botler kwam op mij af. ‘Kan ik uw bagage aannemen?’

Ik drukte mijn koffer instinctief tegen mijn borst. ‘Ik draag hem zelf wel.’

‘Zo u wilt, burger. Volgt u mij?’ Hij draaide zich om.

Ik volgde hem het halletje in.

‘Wilt u zich opfrissen of heeft u behoefte aan toiletbezoek?’

‘Opfrissen… nee,’ stamelde ik. ‘Toilet graag.’

 

Nadat ik mijn plas had gedaan, ving de botler mij weer op. ‘Gast nummer 1 wil u spreken.’ Hij maakte een weids gebaar. ‘Volgt u mij?’

De botler leidde me door een zaal met hoge, ronde tafeltjes waar mensen in net zulke blauwe pakken en maskers als ik met elkaar stonden te keuvelen. Via de slangetjes in hun maskers zogen ze champagne en sap uit kristallen glazen. Via luikjes in de mondstukken schoven ze hapjes naar binnen die er veel duurder uitzagen dan ik ooit op een conferentie van het Genootschap had gezien. Botlers liepen met dienbladen, glazen en schalen af en aan.

Mijn botler stak zijn vinger op naar een lange, brede man die bij een tafeltje duidelijk het hoogste woord voerde.

De man nam afscheid van zijn toehoorders. De burger links van hem – ik kon niet zien of het een man, vrouw of iets ertussenin was – kreeg een schouderklop.

De brede man drukte zijn platte hand op zijn hart, boog zich en deed een paar passen achteruit. Hij knikte naar mij en wenkte dat ik moest volgen.

Samen met mijn botler liep ik achter hem aan het zaaltje uit en een gang door.

‘Ik neem aan dat uw reis aangenaam was, professor Van Slochteren?’ zei hij.

Onthutst keek ik hem aan. Achter de oogglazen in het masker zaten onpeilbare, zwartbruine ogen.

Hij lachte. ‘Voor mij heeft niemand geheimen.’ Hij legde zijn vlakke hand op een scanner naast de deur aan het einde van de gang. ‘Niet in Eurafrika.’ De deur schoof opzij. ‘En da’s maar goed ook, nietwaar?’

Het licht ging aan en onthulde een werkkamer met pluchetapijt, rijkelijk versierd met beelden en schilderijen. Er stond een pijlvormige, blauwe vergadertafel met gouden stoelen en een antiek notenhouten bureau.

Zoals elke inwoner van Eurafrika kende ik dit kantoor.

Terwijl ik me afvroeg of zijn vraag retorisch was, ging ik naar binnen en bekeek de staatsieportretten van de presidenten. Op school hadden we het rijtje namen vanbuiten moeten leren. Maar die kennis had plaatsgemaakt voor belangrijker zaken. Politiek liet me koud. Ik hield me bezig met machtigere, oudere entiteiten. Dus kwam ik niet meer verder dan Hallstein, Rey, Malfatti, Mansholt… Daarna herkende ik alleen nog Thorn, Juncker en Famiglietti.

‘Sluiten,’ zei hij. De deur schoof achter ons dicht. ‘U weet wie ik ben, neem ik aan?’

Onder geen omstandigheden mochten wij op conferenties van het Genootschap onze identiteit prijsgeven. In geen geval, als we iemand herkenden, mochten we dat toegeven. Ik opende mijn mond en aarzelde schokschouderend.

Lachend liep de president naar het sigarenkistje op zijn bureau en opende het deksel. ‘Kan ik u blij maken met een vape?’

Ik schudde mijn hoofd.

‘Liever een echte?’

‘Ik rook niet.’

‘Verstandig.’ Hij plofte neer in de stoel achter zijn bureau en opende een la. ‘Ga zitten.’

Terwijl ik tegenover hem plaatsnam, haalde hij een sigaar uit zijn la. Een echte. Natuurlijk wist ik van de links tussen de Zuid-Amerikaanse en Nederlandse drugsmaffia, maar van dichtbij had ik zo’n sigaar nog nooit gezien.

‘Smerige gewoonte… maar toch zo bevredigend,’ zei hij. ‘Net als meer dingen in het leven. Dingen die we niet mogen, niet willen… maar moeten. Wij zijn geen gewone mensen, u en ik. Wij gehoorzamen geen regeltjes, maar ons verstand. We moeten dingen doen waar gewone mensen voor terugschrikken, die voor hen verboden zijn, waar ze geen weet van hebben.’ Hij haalde de sigaar uit het plastic, knipte met een tangetje het puntje eraf en stak hem met een gloeilaser aan. ‘Gij zult niet doden, was een leefregel in oude religies. Een regel die wij tegenwoordig nog als wet kennen.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Toch is het de taak van soldaten om precies die regel te schenden. Voor het alge­meen belang.’ Hij blies een rookkringetje uit, het stonk als verrotte peper. Vorsend keek hij me aan. ‘Hoe oud was uw broer ook weer toen hij stierf?’ Het was alsof hij recht door mijn masker keek.

Ik knipperde met de ogen en klemde me aan mijn koffer vast. ‘Uh…’ Natuurlijk wist ik het. Ik kreeg het alleen mijn strot niet uit.

Hij leunde naar voren. ‘U hebt sindsdien belangrijk werk geleverd. In tegenstelling tot wat u misschien denkt, zijn wij ons heel erg bewust van het sluimerende gevaar onder onze grond.’ Hij kruiste zijn armen en steunde die op zijn bureau. ‘Met name dankzij uw rapporten en die van uw vakgenoten.’ Hij trok aan zijn sigaar. ‘Maar wij zien op dit moment geen reële manier om ons ertegen te beschermen. Uw vak­gemeenschap waarschuwt ons. U bent zelfs als enige in staat om de entiteiten beneden ons te… hoe moet ik het zeggen… manipuleren, beheersen? En nu… vanwaar die ongemakkelijke blik?’

‘Beheersen,’ begon ik ‘… is overdreven.’ Ik trok mijn e-rol uit mijn binnenzak.

‘Geen documenten.’ Hij zwaaide vermanend met zijn sigaar. ‘Ik heb uw rapporten gelezen… erudiet, afgewogen, zakelijk, omzichtig. Ik wil uw eigen woorden horen… uw gevoelens, uw intuïtie, niet alleen uw intellect. Als een wilde hond mij bedreigt, kan ik hem opsluiten, afschieten of africhten. U komt het dichtst bij een hondentrainer, een… dompteur van deze entiteiten. Wat is uw advies: opsluiten, afschieten, onderhandelen, africhten?’

‘Opsluiten is wat volgens oude geschriften galactische machten hebben gedaan. Dat was goed en gedegen. Maar als je millennia de tijd hebt om een uitweg te zoeken… de gevangenis onder onze voeten heeft zwakke plekken. Van tijd tot tijd ontsnapt er een vetusentiteit… het is eigenlijk onbegrijpelijk dat er niet meer zijn ontsnapt. Het wezen dat mijn…’ Ik slikte. ‘…mijn broer fataal werd, was relatief zwak. En kijk eens naar de destructieve tsunami die het ontketende. Afschieten hebben mijn broer en zijn vriendin geprobeerd. Ze waren kansloos. En beheersen… ik kan het pad van die ene vetusentiteit onder de grond in Groningen beperkt sturen, hopelijk voldoende om hem bij fissuren weg te houden. Meer niet.’

‘Cryptoallectatie… spreek ik het goed uit?’

Ik knikte.

‘Maar da’s toch een belangrijke doorbraak?’ Hij keek naar het gloeiende einde van zijn sigaar. ‘U hebt dat vakgebied uitgevonden: een ongelooflijke prestatie.’

‘Ach…’ Ik keek verlegen naar mijn schoenen. ‘Misschien zal het ooit leiden tot technologie waarmee we daadwerkelijk vetusentiteiten kunnen beheersen, ‘africhten’ zoals u formuleerde. Maar daarvan zijn we nog decennia verwijderd… als dat al mogelijk is. Dus een vetus­entiteitendompteur… het spijt me, presi…’ Ik schrok van het woord dat ik op het punt stond uit te spreken.

Hij knikte en maakte een geruststellend gebaar. ‘We zijn onder vier ogen… en oren. Ga door.’

‘Een goede verdediging zal veel research kosten. Maar het handjevol wetenschappers dat hier momenteel aan werkt… zoals ik heb geschre­ven zou een investering vergelijkbaar met het Manhattan-project, Apolloprogramma of de Ruimtelift nodig zijn. Ik hoop dat de regering van Eurafrika dit inziet en navenante budgetten vrijmaakt.’

‘Uw broer gebruikte een antiek wapen. Sinds enkele eeuwen hebben we echter wapens die in staat zijn om grote monsters te vernietigen.’

‘Kernwapens?’

Hij knikte.

‘Theoretisch kunnen die bepaalde vetusentiteiten vernietigen,’ gaf ik aarzelend toe.

Hij leunde diep zuchtend terug in zijn stoel. ‘Sinds de Vijfde Oorlog hebben wij gelukkig een Eurafrikaans leger dat zich kan meten met de legers van andere werelddelen. Maar voor kernwapens krijgen we maar geen toestemming van de VN.’ Hij trok nog eens aan zijn sigaar. ‘En ook niet van ons electoraat, maar dat is minder problematisch. Kern­wapens… wat is uw mening?’

‘Erg lompe middelen. Ze leveren onherroepelijk grote bijkomende schade… vooral in mensenlevens.’

‘Niet zoals de Amerikanen, Russen en Chinezen het indertijd schijnen te hebben gedaan.’

‘U bedoelt de analyse van professor Zorro dat de ondergrondse atoomproeven een dekmantel waren om vetusentiteiten te ver­nietigen.’

Hij knikte. ‘Klopt die analyse?’

Ik schokschouderde. ‘Zijn bewijzen zijn overtuigend en door andere cryptohistorici bevestigd. Hoewel een aantal ze in twijfel trekken. Maar misschien kan ik die vraag beter aan u stellen. Wij, crypto­weten­schappers, kunnen de geheime archieven van leger en geheime dienst niet onderzoeken.’

‘Dus wat denkt u: hoe moeten we ons tegen deze entiteiten bescher­men?’

‘De satellietgebaseerde magnoplasmakanonnen die nu in ontwikke­ling zijn, bieden perspectieven voor acties met chirurgische precisie: een vernietigingskracht in de kilotonnen, geconcentreerd op een mini­maal doelbereik.’

Hij knikte. ‘Ik ken doctor Lionhearts rapporten. Hij is ook een van onze sprekers vandaag.’

‘Ik denk dat het de moeite waard is als ook Eurafrika deze wapens ontwikkelt.’ Ik kon geen antwoord in zijn ogen lezen op mijn impliciete vraag.

‘En kernwapens?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Voorlopig nog ons enige wapen dat effectief kan zijn tegen vetusentiteiten.’

Hij fronste. ‘Precies dat is het probleem. In tegenstelling tot de VS, China en Rusland kan de Unie niet over kernwapens beschikken. Wij zijn weerloos.’

‘Dus de Eurafrikaanse Unie hééft geen kernwapens?’ vroeg ik op de man af.

Hij keek opzij. ‘Als wij die zouden hebben, dan zou dat door de VN gezien worden als oorlogsdaad.’ Hij keek me weer aan. ‘Is het in geval van nood met uw methode mogelijk om een entiteit weg te lokken van de bewoonde omgeving zodat die met een kernwapen veilig kan worden uitgeschakeld?’

Ik schoof ongemakkelijk in mijn stoel. ‘Tot nu toe hebben mijn collega’s mijn succes in het sturen van een entiteit niet kunnen reproduceren.’

‘Maar u beweert in uw artikelen dat u de Groningse entiteit ergens heen kunt lokken.’

‘Beweert?’ Er ging een golf woede door me heen. ‘Als u mijn papers hebt gelezen, dan weet u dat ik Yog-Slochthoth met zestig procent zekerheid kan weglokken bij zwakke plekken in onze bodem.’

‘U zou hem dus ook naar een zwakke plek toe kunnen lokken.’

Ik krabde op mijn hoofd. ‘Uiteraard, maar waarom zou ik dat doen? Dan breekt hij toch door de aardkorst?’

‘Klopt het dat er een zwakke plek pal onder Rottumerplaat ligt?’

‘Ja, maar…’ Langzaam begon ik te vermoeden waar hij op aanstuurde.

‘Geen bewoning in een straal van vijf kilometer. Hoe zwaar zou de lading moeten zijn om Yog-Slochthoth te vernietigen?’

‘U refereert naar het strategische plan van professor Eifelmann?’

Hij knikte.

‘Hij heeft berekend dat een tactisch stralingswapen van een half kilo­ton het wezen zou vernietigen.’

‘En we kunnen tot zo’n twee kiloton gaan zonder dat de omgeving van Rottumerplaat substantieel geschaad zou worden. Is dat plan realistisch?’

‘Waarschijnlijk… als laatste optie… als het wezen daadwerkelijk door de aardkorst breekt. Waarom vraagt u mij dit?’

‘Vindt u dat Eurafrika over wapens moet kunnen beschikken die vetusentiteiten kunnen vernietigen?’

‘Ja, natuurlijk!’

‘Vindt u dat het grote publiek op de hoogte zou moeten zijn van het bestaan van deze entiteiten?’

Hij stelde allemaal vragen die ik niet verwachtte. ‘Moeilijk te beant­woorden. De overwegende consensus is dat dat een massapaniek zou kunnen opleveren die kan leiden tot vele gewonden en zelfs ineenstorting van het economische en politieke systeem. Maar alle pogingen om het publiek in te lichten door mensen die het geheimhoudingspact hebben geschonden, zijn tot nu toe opgevat als complottheorieën.’

‘Omdat wij als overheid hun bestaan altijd hebben ontkend. Maar wij hebben een kip-en-ei-probleem. Het publiek snapt de urgentie niet: dat wij een machtige vijand hebben waartegen we weerloos zijn.’

‘U overweegt het publiek in te lichten?’

Hij legde zijn sigaar in zijn asbak en stond op. ‘Mag ik u bedanken?’ Hij stak zijn hand uit. ‘Uw inzichten zijn zeer waardevol.’

Ik stond op en gaf hem een hand.

‘Ik denk dat ik u niet hoef te vertellen dat de keynote die u dadelijk gaat houden de belangrijkste in uw carrière is, de belangrijkste van uw leven. Misschien zelfs in de levens van alle Eurafrikanen.’

Alsof ik al niet zenuwachtig genoeg was.

 

Gelukkig ging het zoals altijd. Van het ene moment op het andere, exact toen ik op het podium, met een paar honderd maskers op mij gericht, mijn e-rol uit mijn zak trok en begon te praten. Praten over mijn vakgebied, mijn “speelgoedje” zoals Bart dat noemde. Op podiums, in collegezalen, alle ogen op je gericht, het centrum van de aandacht… pratend over dat deel van mijn vakgebied waarvan ik meer verstand had dan wie ook… Uitgerekend dat was altijd de plek waar alle zenuwen, twijfels en verlegenheid van me af vielen.

Mijn woorden vloeiden alsof ik operazanger was. Met bewegingen als een balletdanser. De maskers hingen aan mijn lippen, waren verwon­derd en geschokt als ik het wilde, hoopvol en inzichtelijk als ik het wilde, geamuseerd en verdrietig als ik het wilde. Het maakte ook niet uit dat dit een ander publiek was dan normaal: niet alleen weten­schappers, maar ook ambtenaren, politici en meer van dat soort volk.

Als je je vakgebied door en door begrijpt, kun je het ook uitleggen zodat iedereen het begrijpt… of in ieder geval denkt te begrijpen.

Ik beantwoordde na afloop nog een half uur lang hun vragen met dezelfde verve, oogstte hun daverend applaus… en begaf me onder hen… meteen weer een bonk zenuwen, schuifelend tussen de tafeltjes, stamelend vragen beantwoordend en alleen nog genietend als ik vragen kon stellen bij de voordrachten van de andere crypto­wetenschappers.

 

Zoals altijd wanneer ik van een congres of conferentie terugvloog, had ik een intellectueel high. Allemaal nieuwe informatie, inzichten en mogelijkheden schoten door mijn hoofd en probeerden een plaats te vinden in de structuren van mijn kennis. Het is vergelijkbaar met winnen met voetballen als kind. Of als ik een nieuw trucje op de zweefstep beheerste… nee, eerder: als ik van iemand een nieuw trucje leerde en fanatiek aan het werk ging om het te leren beheersen. Langzaam begin je het door te krijgen, maar je dondert op je knie, je staat weer op, het lukt bijna en dan weer helemaal niet. Je probeert het tien, twintig, honderd keer… en dan die ene keer dat het lukt… die ene keer dat je de nieuwe verbanden doorziet, hoe het je denkbeelden verandert… De informatie die ik deze keer had gekregen… het duurde een hele tijd voordat ik die verwerkt had.

Maar mijn intellectuele high ging vergezeld van angst, vooral door de voordracht van professor Eifelmann. Laacher-Nata, de vetusentiteit onder de Eifel, was actiever geworden, de bevingen intenser en frequenter. Het wezen, dat veel sterker was dan “mijn” Yog-Slochthoth, stond op het punt om uit te breken. Volgens Eifelmanns schattingen zou de initiële uitbraak al tienduizenden mensenlevens kosten. En dat was het gunstigste geval: als wij het meteen bij doorbaak door de aardkorst konden vernietigen.

Maar dat konden we niet. Was dat de reden dat de president van Eurafrika me al die vragen had gesteld?

Zou mijn methode geschikt zijn om Laacher-Nata naar een plek te lokken waar hij minder schade zou berokkenen? Zou Eurafrika op tijd over magnoplasmakanonnen of desnoods tactische kernwapens beschikken?

Ik checkte in de literatuur, voor zover aanwezig in mijn e-rol, waar de fissuren zaten onder de Eifel. Ik maakte een notitie dat ik, zodra ik thuis was, via de schaduwmail een bericht naar professor Eifelmann moest sturen om samen te experimenteren of het niet toch mogelijk was om Laacher-Nata bij fissuren weg te lokken.

Ik had gemengde gevoelens. Angst voor als Laacher-Nata zou uit­breken. Hoop dat de politiek eindelijk de omvang van het gevaar begreep. En het intellectuele orgasme van nieuwe kennis.

Kennis is macht volgens een oud gezegde. Ik voelde beide groeien. Dat was het verschil tussen ons, de mensheid, en vetusentiteiten. Zij waren machtiger dan wij, maar onze macht groeide. En bleef dankzij de wetenschap dagelijks groeien. We stonden op het punt om hen te evenaren, misschien zelfs overvleugelen.

Ik dacht terug aan Barts laatste woorden, het berichtje dat hij stuurde vlak voordat hij door de golven verzwolgen werd: ‘Ze bestaan.’

 

Ik was toen nog een normale seismoloog, een gepromoveerd weten­schapper met al een behoorlijke publicatielijst. Maar na dat berichtje kon ik de charade niet meer overeind houden. Mijn twijfels, twijfels die iedereen in mijn vakgebied weleens had geuit, meestal na een glaasje te veel en meestal je op het hart drukkend dat je het niet verder mocht vertellen. Want als bekend werd dat zij erover nadachten, zou het hun reputatie vernielen.

Mijn reputatie was onbelangrijk geworden: de waarheid weten was het enige wat telde.

Dus las ik alle zin en onzin die ik over vetusentiteiten kon vinden: feitjes en halve waarheden, doorspekt met waanzin en complot­theorieën. Op de openbare netwerken en bibliotheken kwam ik regelmatig verwijzingen tegen naar clandestiene netten en geheime documenten. En op een dag legde ik de verbinding met het schaduw­web en vond het: oude geschriften, pagina’s uit grimoires en de Necronomicon. Maar er waren ook wetenschappelijke handboeken, onderzoeken en artikelen door professoren met onbekende – en vaak merkwaardige – namen die niet in de geleerdenzoekmachines terug te vinden waren: cryptoseismologen, cryptohistorici, cryptobiologen…

Op een dag kreeg ik voor het eerst een berichtje via de schaduwmail. Ik weet nog hoe ik achter mijn bureau zat en plotseling het belsignaal en het rode lampje verschenen. Ik sprong op alsof een ijzeren vuist me bij de strot greep.

Ik was betrapt.

De mail was van professor Eifelmann, wiens naam ik al diverse keren op het schaduwweb was tegengekomen. Hij verzocht me vriendelijk doch dringend hem te ontmoeten in een motel bij Duisburg. Een behoorlijk prijzig motel: het had zelfs nog menselijke bediening.

 

‘Wilt u bestellen, meneer?’ De serveerster vroeg het me al voor de tweede keer.

‘Nee, dank u. Ik wacht op iemand. Brengt u mij nog maar een jus.’

Vlak daarna kwam hij het restaurant binnen: professor Hoffmann.

Ik dook weg achter de menukaart.

Lachend banjerde hij recht op mij af.

De moed zonk me in de schoenen: hij mocht niet zien dat ik een clandestiene afspraak had met een cryptowetenschapper.

‘Hallo, Haijo,’ zei hij in het Duits. ‘Hoe kom jij hier verzeild?’

‘Erich!’ Ik stond op en gaf hem een hand. ‘Ik had een afspraak maar ik denk dat ze niet meer komen.’

‘Ach. Nou, dat treft. Ik heb honger. Zullen we bestellen?’

Nee! ‘Ja, uh… ik denk dat ik beter mijn bed op kan zoeken.’ Ik wees omhoog. ‘Het was een lange dag.’

‘Heb je al gegeten dan?’

‘Nee,’ flapte ik eruit en beet op mijn lip. Liegen en geheimen bewaren zijn moeilijk aan te leren vaardigheden als je hele leven maar één doel kende: waarheidsvinding. ‘Dat niet, maar ik heb niet veel honger.’

‘Ik wel. Kom, blijf hier. Dan kunnen we praten over je nieuwste onderzoeken. Ik ben nieuwsgierig wat je allemaal hebt ontdekt.’

‘Nou, de seismische activiteit in het voormalige Groningse aardgas­veld is met veertig procent afgenomen sinds de politici zijn gestopt met dat onzinnige CO2 erin pompen.’

‘Dat onderzoek bedoelde ik niet.’ Hij wenkte de serveerster. ‘Ik bedoelde: op het schaduwweb.’

Het was alsof ik met een voorhamer in mijn gezicht werd geslagen. ‘Wat?’

Hij lachte. ‘Misschien moet ik me voorstellen.’ Hij stak zijn hand nog eens uit. ‘Mijn naam, of beter gezegd schuilnaam, is professor Eifel­mann.’

Zo werd ik ingewijd in het netwerk van cryptowetenschappers en ging verder als cryptoseismoloog. Hij vertelde dat hij al vijf jaar inge­wijd was en leerde me hoe ik anoniem kon blijven bij het verkennen van het schaduwweb. De schaduwbrowser gebruiken was onvoldoende: alleen met de juiste instellingen was je echt anoniem. En die instel­lingen kreeg je alleen als de gemeenschap oordeelde dat je een aan­winst was. Wetenschappers die hun mond niet konden houden, werden aan de autoriteiten verraden of zwartgemaakt als complottheoretici.

 

Ruim een jaar na de conferentie in het Eurafrikaparlement kwam er weer een bericht met hoogste urgentie binnen in mijn schaduwmail. Van professor Eifelmann, van wie ik in al die maanden niets had gehoord.

Hij schreef: Ik haal je om 13.15 uur met een vrachtdrone vanaf je campus af. Zorg dat je klaarstaat met alle apparatuur die je nodig hebt voor cryptoallectatie van vetusentiteiten.

 

‘Is hem dat?’ Morena wees omhoog.

Ik keek in de aangewezen richting en zag in de schijnbaar kriskras door elkaar lopende verkeersstromen van drones een smerig bruin­groene vrachtdrone naderen. ‘Dat is een militaire vrachtdrone. Die is niet voor ons.’

De drone bleef naderen en zette aan voor de landing.

‘Hij lijkt toch hiernaartoe te komen,’ zei ze.

Ik probeerde mijn verbazing niet te laten merken. ‘Dan zal professor Eifelmann een militaire vrachtdrone hebben geregeld.’

Hij landde precies voor onze voeten op de parkeerplaats. De koepel was nauwelijks open, of Erich sprong er al uit, een brede glimlach op zijn gezicht. ‘Haijo, altes Haus.’ Hij stak zijn hand naar me uit. ‘Bist du bereit?’

Er zaten nog twee tot de tanden toe bewapende militairen in de cabine.

‘Ik was er al klaar voor bij mijn geboorte.’ Lachend schudde ik zijn stevige hand.

Hij wees naar Morena. ‘Ingewijd?’

‘Morena weet overal van.’ Vlak na de conferentie in Parijs had ik haar ingewijd.

Erich schudde ook haar hand. ‘Oké, gauw inladen. We moeten voortmaken.’

De twee militairen kwamen op ons af. Hun baarden waren slechts donsplukjes op kin en wangen. Ze leken nog niet oud genoeg voor volwassen holofilms, laat staan voor hun wapens. ‘Is dat alles?’ zei de ene met flaporen en wees naar de twee kasten op wieltjes waar onze meet- en regelapparatuur inzat.

‘En dit.’ Ik wees naar de aluminium koffer die Morena optilde. ‘Daarin zit de actuator.’

‘Komt in orde,’ zei Flapoor. Ze namen de koffer over en rolden de twee kasten naar de vrachtdrone.

‘Zullen we instappen?’ vroeg Erich.

‘Kom.’ Ik keek naar Morena.

‘Sorry.’ Erich maakte een stopgebaar. ‘Ik heb orders alleen jou mee te nemen.’

‘Maar er zijn twee man nodig om de apparatuur te bedienen.’ Het woordje ‘orders’ galmde na in mijn achterhoofd.

‘Kan ik toch doen?’ zei Erich.

‘Weet jij hoe je een cryptoallectatische excitator moet bedienen?’

‘Ooowww.’ Erich vertrok zijn gezicht alsof hij pijn had.

‘Alles is ingeladen, professor,’ riep Flapoor.

De glimlach was terug op Erichs gezicht. ‘Dan zit er niks anders op: je bent van de partij, meisje.’

 

Er was ruim plaats voor zes in de cabine. Toch zaten we voor mijn gevoel opeengepakt als sardientjes. De militairen keuvelden vrolijk met elkaar, lachten, praatten over het wereldkampioenschap robo­worste­len en deelden een vape die stonk naar aardbei.

‘Ook een trekje?’ vroeg Flapoor aan Morena.

‘Nee, dank je.’ Ze lachte ongemakkelijk, sloeg haar benen over elkaar en keek naar buiten. Tot mijn verbazing vloog de drone in noordelijke richting.

‘Misschien vind je de mijne lekkerder.’ De andere militair greep in zijn binnenzak. ‘Daar zit passievrucht in.’

Ze proestten het uit.

Morena keek hen grijnzend aan. ‘Ik kijk liever toe hoe jullie aan elkaars fluitjes zuigen.’

Even was het doodstil in de cabine. Ik was trots op Morena en probeerde mijn lachen in te houden.

De twee keken haar verbluft aan… en begonnen te bulderen van het lachen. We lachten allemaal mee.

Erich wreef in zijn handen. ‘Verheug je je erop?’

‘Het is fijn om eindelijk met jou samen te kunnen werken,’ zei ik. ‘Wat voor experiment gaan we precies doen?’

‘Experiment?’ Zijn lach galmde door de cabine. ‘Niks experiment.’ Hij sloeg me op mijn schouder. ‘Dit is het echte werk.’

Ik keek Morena aan. ‘Nou, ik vind anders dat wij hier in Groningen ook altijd echt werk hebben geleverd.’

Hij keek me verbaasd aan. ‘Maar, Haijo, zo bedoelde ik het toch niet? Ik bedoel: dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. Heeft de president je niet ingelicht?’

Mijn mond viel open. ‘President?’

Onder ons gingen weilanden, huizen en wegen over in strand en golven.

Erich zuchtte diep. ‘Ambtenaren.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Enfin, het gaat nu echt gebeuren. De president heeft gelukkig toestemming van de defensiecommissie en de VN, en de Ami’s hebben een paar kleine kernkopjes ter beschikking gesteld. We gaan hem met één kiloton bestoken.’

De rillingen liepen over mijn rug.

Zeewaterstroken in verschillende schakeringen blauw en groen gleden onder ons door. Vanaf een zandplaat stegen meeuwen op.

‘Kernkopjes? Wat is er aan de hand?’

‘Maar de president heeft je toch ingelicht toen we vorig jaar in het Eurafrikaparlement waren?’

‘Ingelicht… waarover?’

‘Over het plan om ons tegen Yog-Slochthoth en de andere vetus­entiteiten te verdedigen?’

‘Yog-Slochthoth… is hij doorgebroken?’ Ik keek Morena aan.

Zij zette grote ogen op en schudde het hoofd. ‘Voor we vertrokken, was hij nog bij het…’

‘Boschwadkruispunt,’ vulde Erich aan en wees naar de golven onder ons. ‘Voor het eerst sinds drie jaar. Als hij hier de juiste aftwijging neemt, dan…’ Hij wees naar voren.

Door de voorruit zag ik vlak boven de golven een vaalgeel hoefijzer met een groene vlek in het midden opdoemen. ‘Rottumerplaat,’ stamelde ik. Vlak ervoor leek een legergroene walvis in het ondiepe water te drijven.

‘Ja.’ Hij maakte een vuist. ‘Het is zover.’

Mijn gedachten raasden over elkaar heen. Ik keek op en neer van het eiland naar Morena. Die keek al even verbijsterd terug.

‘Dat is toch de juiste plek?’ vroeg Erich.

Aan de zuidoostpunt van het eiland rees op het strand een verzameling legergroene tenten, drones en stellages op. Het was inderdaad precies boven de Rottumerplaatruptuur.

‘Je wilt Yog-Slochthoth naar de zwakke plek lokken?’ stamelde ik.

‘Nee, mijn vriend. Die eer, die taak… die verdienste is aan jou.’ Hij slikte een brok weg. ‘Ik heb het plan slechts bedacht. Jij was het die de lokmethode heeft ontwikkeld. En het was jouw voordracht die de doorslag gaf in Parijs.’ Hij gaf me een schouderklop.

De legergroene walvis bleken er twee naast elkaar te zijn, verbonden door een ladder van draagvlakken: een atmosfregat. In het echt was dat ding nog groter en indrukwekkender dan op de beelden die ik van militaire vliegshows kende.

Onze drone zette de landing in bij de tenten. Twee andere legerdrones stegen op van het strand en vlogen naar het atmosfregat.

Terwijl het zand onder ons opstoof, weerklonken er twee luide knallen.

Ik schrok op.

Twee supersonische jachtdrones scheerden over het eiland.

Flapoor peurde in zijn oren en rolde met zijn ogen. ‘Die gamertjes denken dat ze ook meedoen.’

De andere vulde er lachend aan toe: ‘Zitten een beetje thuis op de basis bij mammie op schoot.’ Hij maakte een slappe vuist en bewoog die boven zijn kruis op en neer.

‘Maar Erich…’ begon ik.

‘Kom,’ viel hij mij in de rede terwijl de dronekoepel openging. ‘Keine Müdigkeit vortauschen.’ Hij sprong eruit en ging naar een groepje militairen die onder een luifel stonden.

‘De spullen daar bij de duin neerzetten?’ vroeg een van de militairen.

Ik keek besluiteloos naar Morena en prevelde: ‘Ja, goed.’

Ze sprongen uit de drone.

‘Heb ik dat goed begrepen, prof?’ vroeg ze. ‘Wij gaan Yog-Slochthoth naar boven lokken zodat zij er een atoombom op kunnen gooien?’

Ik wreef in mijn ogen. Dat was blijkbaar de bedoeling. Beelden van mijn broer flitsten door mijn hoofd: hoe hij me uit dat gat omhoogtrok, hoe hij in die golven moet zijn verdronken. Ik knikte.

‘Ik uh…’ begon ze.

Ik keek haar strak aan. ‘Zeg het maar.’

Ze schokschouderde.

‘Je weet toch,’ spoorde ik haar aan, ‘wetenschap groeit op de mest van scepsis.’

‘Gaan we dat werkelijk doen? Is dat ethisch?’

‘Ik weet het niet,’ flapte ik er naar waarheid uit.

‘U moet professor Van Slochteren zijn,’ sprak een zware stem. Een mouw vol rangtekens werd in de drone gestoken.

Zonder erbij na te denken schudde ik de hand. ‘Dat klopt.’

‘Ik ben kolonel Grobbauer.’ Hij… uh: zij had gemillimeterd haar in diverse grijstinten en een erg stoere kaaklijn, maar geen baardgroei. ‘Ik heb al veel over u gehoord. U bent de grondmonsterdompteur, niet­waar?’

Zei ze nou: grondmonster? ‘Dompteur…’ Ik keek bedenkelijk omlaag. ‘Ik…’

‘De genie heeft in die duin een put van twintig meter diep gemaakt, geheel volgens de specificaties. Ik hoop dat u daar alles aantreft wat u voor uw werk nodig hebt.’

De twee militairen waren onze spullen er al op een rupsband­plat­formpje naartoe aan het brengen.

‘De missie is gepland om te beginnen om veertien uur. U hebt dus nog…’ Haar ogen bewogen heen en weer achter haar stofbril. Daarin zat kennelijk een display. ‘…exact drieëndertig minuten en vijftien secon­den. Gaat u dat redden?’

Ik keek naar Morena. Haar mooie, groene ogen staarden leeg terug. Ze zag er ineens heel volwassen uit.

‘Dat zal wel lukken,’ zei ik.

De kolonel draaide zich om en brulde commando’s.

‘Aan het werk dan maar.’ Ik sprong uit de drone, onzeker of ik dit echt ging doen. Daarover kon ik tijdens het installeren van onze appa­ratuur nog nadenken.

 

Boven op de duin keek ik omlaag in de perfect ronde put. De twintig meter lange buis die de militairen er verticaal in hadden gezet, had harmonica-achtige ribbels. Op elke ribbel was een buisje gemonteerd. Samen vormden de buisjes een ladder omlaag. Op de bodem stonden de actuator en de controlekast met de cryptoallectatische oscillatoren.

De bodem begon te golven zoals het wateroppervlak voorbij het strand. Er ging een siddering door mijn benen, ze voelden aan als gelei. Ik wankelde en greep Morena bij de schouder.

‘Alles goed, prof?’ Ze keek me bezorgd aan en legde haar hand op mijn rug. Even wilde ik haar vastgrijpen, omhelzen, tegen me aan drukken…

Ik hapte naar lucht. ‘Het was altijd maar theorie,’ stamelde ik. ‘Een plan voor de toekomst. Nooit had ik gedacht dat ik dit nog zou meemaken, laat staan dat ik het zelf zou moeten doen.’

‘Ik ga wel omlaag.’ Ze kneep me in mijn schouder. ‘Ik heb geen hoogtevrees.’ Ze zette haar voet al op de bovenste sport.

‘Wacht.’ Ik greep haar hand.

Ze keek me verbaasd aan.

‘Ik moet iets…’ Ik maakte mijn zin niet af

‘Ja, professor?’

‘…vragen.’

Ze glimlachte. ‘Waarover?’

‘Over wat jij daarnet vroeg. Wat we hier doen… sta je daarachter?’

‘Ja, natuurlijk.’

‘Maar daarnet twijfelde je.’

Ze perste haar lippen opeen. ‘Heb erover nagedacht. Dit is waar we al die jaren naartoe hebben gewerkt. U. En ik ook. Mijn hele studie. Ik wilde iets doen om mensen te beschermen tegen het seismische gevaar. En het cryptoseismische.’

Ik knikte.

Ze staarde in de verte. ‘Als dit lukt… de Nobelprijs misschien. Zelfs als we geen succes hebben: we zijn het eerste team dat dit doet. Hierna kan mijn academische carrière niet meer stuk.’

‘Dus je staat hier honderd procent achter?’

‘Zo’n kans laat je toch niet varen?’ Ze keek me vorsend aan.

Het besluit was gevallen. ‘Oké.’ Ik liet haar hand los.

Ze begon de ladder af te dalen. Even voelde ik weer hoe die oude verroeste trap het onder mij begaf. ‘Wacht!’

Ze keek verbaasd omhoog.

‘Wacht nog even.’ Ik keek rond waar de militairen waren gebleven die onze spullen hierheen hadden gesjouwd. ‘Hé!’ Ik wenkte ze.

Ze kwamen de heuvel op gestormd.

‘Hebben jullie een touw of zo?’

Ze keken me verbaasd aan. ‘Een touw?’

Ik wees in de put. ‘Om haar te zekeren.’

‘O, u bedoelt een lijn met een bajonet,’ zei Flapoor.

Ik knikte.

‘Nou, da’s toch niet nodig?’ zei de andere. ‘Die ladder is volkomen veilig.’

De woede kwam mijn oren uit. Er mocht Morena niks overkomen. En bovendien: had ik nou verdomme niks meer te zeggen over mijn eigen experiment? ‘Jullie halen onmiddellijk een harnas en een lijn voor haar. Jullie blijven hier staan met die lijn in jullie handen zolang het experi­ment duurt. Voor het geval. Is dat begrepen?’

 

Het was de eerste keer dat ik Morena niet kon aankijken tijdens een experiment. Het was ook de eerste keer dat ik de trillingen in de grond niet in mijn benen voelde. Het zand was te rul. Uit mijn ooghoek dacht ik vreemde golfpatronen op het zeewater te zien. Misschien beeldde ik me dat maar in. Op de driedimensionale schermen van mijn scanner­kast kon ik Yog-Slochthoths bewegingen onder de grond volgen: een kruisje in een driedimensionaal doolhof.

‘Ja, Morena,’ sprak ik in mijn headset. ‘Hij heeft de juiste afslag genomen en gaat op het laatste kruispunt af. Verschuif het hypo­centrum van ons signaal langzaam in westelijke richting.’

‘Oké, prof,’ klonk in mijn koptelefoon.

‘Verwachte aankomsttijd?’ vroeg de kolonel die naast mij stond.

‘Als hij bij de volgende kruising inderdaad de westelijke gang volgt, kan hij een minuut of tien later hier zijn.’

‘U kunt geen nauwkeuriger verwachting geven?’

Ik keek haar van opzij geërgerd aan. ‘Elf minuten plus of min twee minuten en twintig seconden na de volgende kruising.’

‘Ik dacht dat u geleerde was.’ Ze keek me aan met een zuinig mondje. ‘Mijn mannen kunnen verwachtingen geven tot op de microseconde precies.’

Ik stond al op het punt om haar op dubbele luidsterkte een college over juistheid, precisie en significante cijfers te geven, maar uit mijn ooghoek zag ik Erich zich verkneukelen. Hij hield een bedarend handje omhoog.

Dus richtte ik mijn blik weer op de schermen. ‘Langzamer, Morena. Langzamer het hypocentrum verschuiven. Hij mag geen argwaan krijgen. Vergeet niet dat hij over intelligentie beschikt.’

‘Oké, prof.’

Op mijn scherm zag ik het kruisje plotseling stilstaan.

‘Stop!’ riep ik uit.

‘Wat?’ zei Morena.

‘Even niets veranderen. Hij staat stil.’ Ik hield de adem in en wachtte tot het kruisje weer in beweging kwam.

‘Statusrapport,’ sprak de kolonel. ‘Wat betekent dit?’

Ik beet op mijn lip en gaf Erich een vertwijfelde blik.

‘Het is vaker voorgekomen bij professor Van Slochterens experimen­ten dat Yog-Slochthoth stilstaat,’ sprak Erich geruststellend. ‘Misschien rust hij even, misschien twijfelt hij aan de richting, misschien heeft hij geen zin meer. We weten het niet.’

Het kruisje ging plotseling terug. ‘Shit! Hij keert om.’

‘Bent u hem kwijt?’ vroeg de kolonel.

‘Niets bijzonders,’ suste Erich. ‘Gewoon afwachten.’

‘Professor, ik kan niet genoeg benadrukken hoe gevoelig deze opera­tie ligt,’ zei de kolonel. ‘De Unie heeft hemel en aarde hiervoor bewogen. Als u deze missie laat mislukken, krijgen we niet nog een…’

‘Kop dicht!’ riep ik uit. ‘Ik kan niet horen wat ze zegt.’

‘… naar harmonischeninstelling vijf?’ vroeg Morena.

‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Even niets doen.’

Het kruisje bleef zich terugbewegen. Het naderde alweer het vorige kruispunt en bewoog sneller…

Ik wiste het zweet van mijn voorhoofd. ‘Zet alle oscillatoren af.’

‘Af?’ vroeg ze.

‘Af,’ herhaalde ik.

‘Oké.’

Op mijn schermen zag ik ons signaal verdwijnen. Het kruisje bewoog onverstoorbaar verder.

De kolonel zuchtte in mijn oor. ‘U geeft het op?’

Ik hield mijn vlakke hand voor haar gezicht. Ingespannen tuurde ik op het scherm.

‘Luitenant.’ De kolonel liep weg. ‘Laat vier man terugkomen om het kamp weervast voor de nacht te maken.’

Het kruisje was bijna terug bij het vorige kruispunt. De moed zakte me in de schoenen.

‘En leg verbinding met de presi…’

‘Wacht!’ riep Erich uit.

Ik zag het ook: Yog-Slochthoth stond stil.

‘Annuleer laatste order, luitenant.’ Ze stond alweer naast me.

Yog-Slochthoth stond nog steeds stil.

‘Oké,’ fluisterde ik. ‘Stel het hypocentrum in op extreem noord­west.’ Waarom fluisterde ik? Dat Yog-Slochthoth mij kon horen was even waarschijnlijk als dat ik een regenworm kon horen praten.

‘Gedaan,’ antwoordde Morena.

‘Alle oscillatoren aan… nu!’

Mijn schermen begonnen weer te dansen. Het hypocentrum lag linksboven, buiten het bereik van de schermen.

Yog-Slochthoth reageerde niet.

‘Amplitudes opvoeren naar maximum,’ sprak ik.

De trillingen op het scherm werden sterker.

‘Maximum bereikt,’ meldde Morena.

‘Ja!’ riep Erich.

Hij had gelijk: Yog-Slochthoth bewoog. Langzaam zette het kruisje zich in beweging… recht op ons af.

Opgelucht haalde ik adem. Ik schoot in een zenuwachtige lach en keek even opzij.

De kolonel gaf mij een goedkeurend knikje.

Ik volgde hoe Yog-Slochthoth langzaam naar het laatste kruispunt bewoog. Zou hij de juiste aftakking nemen?

Vlak voor het kruispunt stond hij weer stil.

Ik hield de adem in.

‘Verschuif de resonantiepiek langzaam omhoog,’ fluisterde ik.

‘Resonantiepiek langzaam omhoog,’ bevestigde ze.

De kleuren op mijn scherm veranderden.

Het monster bleef daar maar staan.

‘Resonantie bij afrolpunt,’ zei Morena.

‘Daar houden,’ antwoordde ik.

Plotseling schoot het kruisje voorbij het kruispunt: precies de juiste weg in.

‘Luitenant, klaarmaken voor vertrek naar de Albicilla.’ De kolonel wendde zich tot mij. ‘Tien minuten?’

Het voelde ijskoud en gloeiendheet vanbinnen. Nog nooit had ik Yog-Slochthoth zo snel zien bewegen.

Er klonk gerommel. De grond begon te schudden. Ik keek op: zand schoof de duin af.

‘Meteen naar boven!’ riep ik.

‘Maar we moeten nog…’ wierp ze ertegenin.

‘Morena, naar boven. Nu!’

Een golf beukte op het strand achter ons. De grond schudde zo heftig dat ik omviel.

Ik greep me aan de kast vast, net als Erich en de kolonel.

De twee soldaten boven op de duin bij de put vielen op hun knieën.

‘Trek haar omhoog!’ riep ik boven het dreunende gebulder in de grond uit. ‘Vlug!’

Ze krabbelden overeind, trokken en rukten aan de lijn, vielen achter­over en bleven trekken.

Ik rende de duin op. ‘Trekken!’

Als een duveltje uit een doosje werd ik omhoog en achterover gewor­pen. Ik vloog door de lucht, duinzand om me heen.

Oogverblindend licht en verzengende gloed brandden op mijn gezicht.

Op mijn rug smakte ik in het rulle zand. Ik spartelde en reikte om me heen. Waar was ik, wat was er gebeurd?

Een hand sleurde me aan mijn pols omhoog.

Verschrikt staarde ik in het gezicht van de kolonel.

‘Kom!’ brulde ze.

Ik krabbelde overeind, de grond schoof en schudde onder me. ‘Maar Morena…’

‘Verloren!’

‘Nee!’ De pijn voelde alsof mijn hart eruit werd gerukt. Voor de tweede keer in mijn leven. Ik probeerde de duin op te kruipen.

‘We hebben geen tijd.’ Ze sleurde me naar het strand.

We renden op een drone af die centimeters boven het strand hing. In het opstuivende zand zag ik Erich en de luitenant er al in springen.

We renden als dronkaards: de bodem schoof en wankelde. We struikelden en krabbelden op. Zand prikte in mijn ogen.

Op mijn rug voelde ik de verzengende hitte. Het geraas was oorverdovend.

We renden het opstuivende zand in en sprongen in de drone.

Die schoot zo snel omhoog dat het de lucht uit mijn longen perste.

Ik snakte naar adem en knipperde het zand uit mijn ogen. Het koepeldak ging dicht: de drone vloog op de Albicilla af, de dubbele walvis die al metershoog boven de razende golven hing.

De kolonel brulde alweer bevelen: ‘Verzoek toestemming voor Paasei Nummer Een…’

Ik keek achterom.

Waar de duin en onze apparatuur waren geweest, rees een tientallen meters dikke zuil van vuurrood plasma uit de grond op. Hij eindigde in een punt die hoog boven ons uit torende en als een tentakel rondspartelde: Yog-Slochthoth.

Morena… en die twee jonge militairen… daar ergens in die vuurzee… Ik huilde.

Terwijl onze drone de Albicilla binnenvloog, zag ik door mijn tranen heen het strand openscheuren naast de vuurzuil. Vlak voor de hangar­deur sloot en onze drone landde, krioelde een tweede plasma-tentakel uit de grond omhoog.

Erich en ik sprongen achter de kolonel en de luitenant de drone uit en renden achter hen aan. Ik drukte mijn tranen weg: dat monster moest dood! Hartstikke dood!

Ik veegde over mijn ogen. Mijn gezicht voelde aan alsof het in brand stond.

Na wat gangen en een lift, kwamen we uit in een halfronde ruimte: de wand voor ons vol levensgrote schermen, langs de wand achter ons zaten militairen achter kleinere schermen.

‘Breng ons naar Aanvalspositie Twee!’ Ze ging op een stoel in het midden van de ruimte naast een paar andere militairen zitten en gespte zich in.

Erich en ik ploften in twee vrije stoelen.

Met een ruk kwam de Albicilla in beweging: mijn maag werd keihard in mijn onderbuik en tegen mijn rug werd gedrukt. Hijgend gespte ik me in.

‘Toestemming voor Paasei Nummer Een gegeven,’ sprak een merkwaardig zakelijk klinkende stem achter ons.

‘Richten op epicentrum van de vijand zodra we in positie zijn,’ zei de kolonel.

Na een wild achtbaanritje waarbij mijn maag soms in mijn tenen, soms in mijn hoofd zat, zagen we Rottumerplaat vanaf het Zuiden en hoog in de lucht. Er was nog slechts een stukje strand zichtbaar van het eiland. Zo te zien was Yog-Slochthoth pas half door het aardoppervlak gebroken. Tot honderden meters in de lucht rezen de vurige tentakels op. Ze krioelden over bijna het hele eiland. Ik haatte ze, ik haatte ze zoals ik nog nooit iets gehaat had.

‘Paasei Een gereed en gericht op doel.’

De kolonel stak haar vuist in de lucht. ‘Vuur!’

Ik kneep in mijn vuisten.

Er ging een schok door het toestel heen.

Op de schermen was het projectiel zichtbaar, een wit condensspoor achter zich aan, op weg naar het midden van het vurige tentakel­monster.

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Twee.’

Weer volgde er een wild achtbaanritje. Blijkbaar vlogen we nog hoger en verder weg. Op de schermen trof het projectiel doel.

Een lichtflits. De schermen werden donkerder. Het eiland en het tentakelmonster waren niet meer zichtbaar: donkere, wervelende rook­wolken verspreidden zich en rezen op.

Er ging een schok door de Albicilla heen. Een knal…

Terwijl een zuil van rook en stoom oprees, barstte het gejuich los.

Erich greep me bij de arm. ‘We hebben het voor elkaar.’

Ik keek hem wezenloos aan, maar zag alleen maar Morena’s stralend groene ogen.

Hij fronste. ‘Daar moeten we een hospik naar laten kijken.’

‘Wat?’ stamelde ik.

Terwijl de paddenstoelwolk zich op de schermen opbouwde, wees hij naar mijn gezicht. ‘Ziet er niet erg uit, hoor.’

Ik voelde aan mijn gezicht. ‘Auw!’ Mijn voorhoofd, mijn neus, mijn wangen…

‘Blijf er liever vanaf. Kom dan gaan…’

Een stem brulde door het gejuich heen. ‘Kolonel! Anomale beweging.’

Het werd muisstil: iedereen tuurde naar de schermen. Op een ervan leek een rood kronkelend puntje uit de rookwolken te steken. Het puntje werd langer… een tentakel. Er dook een tweede plasma-tentakel op.

‘Vijand verlaat het epicentrum in zuidelijke richting,’ klonk de stem achter ons.

‘Verbinding leggen met de president, hoogste prioriteit,’ brulde de kolonel. ‘Breng ons naar Aanvalspositie Vijf Zuid. Struisvogelei Een prepareren.’

Terwijl de Albicilla weer een misselijkmakend achtbaanritje maakte, gonsde het woord ‘Struisvogelei’ door mijn hoofd. Op het scherm doken steeds meer van Yog-Slochthoths vurige tentakels uit de rookwolken op. Waar ze de Waddenzee raakten, steeg stoom op. Jarenlang had ik geprobeerd me voor te stellen hoe Yog-Slochthoth eruit zou zien. Stapels artikelen had ik gelezen, gebaseerd op bodemscans en bewe­gings­patronen. Niets had me kunnen voorbereiden op de mon­ster­achtige kluwen plasma-tentakels die als een gigantische, gemu­teerde krab op weg was naar de Groningse noordkust.

Toen de Albicilla weer in positie zweefde, keek ik Erich aan. ‘Struisvogelei?’

Hij zag lijkbleek. ‘Honderd…’ Hij slikte. ‘Honderd kiloton.’

‘Maar dan zou een groot deel van…’ stamelde ik.

‘We hebben het verwond!’ riep de stem achter ons. ‘Er ontbreken drie tentakels. Twee anderen bewegen niet meer mee.’

Een onderkoeld gejuich ging door het controlecentrum heen.

‘President Kudeau hier,’ galmde door het controlecentrum. ‘Status­rapport, kolonel.’

‘Vijand is verwond maar niet uitgeschakeld. Hij beweegt zich op de Noordkust toe. Verzoek toestemming voor gebruik struisvogelei.’

‘Nee!’ Ik probeerde op te springen, maar de gordels hielden me terug. ‘President… professor Van Slochteren hier. Een honderd-kilotonner zou een deel van Groningen wegvagen. Dit kan niet. Hoeveel mensen­levens moet dit nog kosten?’

Het was even stil. Op het scherm krioelde het monster steeds verder. De eerste tentakels waren al bijna op de noordstranden.

‘Als we dit wezen en zijn soortgenoten niet uitschakelen, gaat dit veel meer mensenlevens kosten. Ik moet u en uw collega’s bedanken. Wij, alle Eurafrikanen, staan diep in uw schuld: waarom wij afdoende nucleaire bewapening nodig hebben, is nu duidelijk voor de VN. En dat zal het ook voor het electoraat zijn. Het spijt me dat u op het punt staat uw woning te verliezen, maar ik zal er persoonlijk voor zorgen dat u vervangend onderkomen toegewezen krijgt, hier in Marrakesh of op een andere veilige locatie van uw keuze. Kolonel, toestemming voor struisvogelei gegeven.’

De tranen sprongen me weer in de ogen. ‘Erich.’ Ik keek hem wanhopig aan. ‘Dit is waanzin.’

‘Richten op epicentrum van de vijand,’ brulde de kolonel.

‘Struisvogelei Een gericht op doel.’

‘Vuur!’

Er ging een schok door het toestel. Het projectiel verscheen op de schermen.

Erich kneep in mijn hand. ‘We kunnen niet meer terug.’

‘Terugtrekken naar Observatiepositie Vijf Zuid.’

Nog tijdens het achtbaanritje volgde de lichtflits.

Een schokgolf verspreidde zich half cirkelvormig over landerijen, wegen, rivieren en dorpen.

De donkere, wervelende rookwolken die erachteraan rolden leken zich deze keer in slow motion te verspreiden en op te rijzen. Alsof het een goedkope holofilm was, speelgoed… míjn speelgoed.

Ik weet niet hoelang we de oprijzende paddenstoelwolk volgden.

 

Er heerste een ingehouden spanning in het controlecentrum. De verbinding met de president, die door de explosie was uitgevallen, was alweer hersteld. Hij had drie keer om een statusrapport gevraagd. Al drie keer was het antwoord geweest: ‘Geen beweging gedetecteerd. Maar scanners nog steeds gestoord.’

Erich en ik zaten zwijgend voor ons uit te staren. Mijn gezicht brandde, maar het kon me niet schelen. Hoeveel mensenlevens waren er verloren in Groningen? Mijn buurman… dat oude vrouwtje van tegenover me dat altijd stond te schelden dat ik mijn tuin niet goed onderhield…

‘Vijand gesignaleerd,’ klonk plotseling achter ons. ‘Op vier punt drie kilometer ten zuidoosten van de laatste treffer… bewegend in zuid­zuidoostelijke richting.’

Elk woord voelde als een mokerslag.

‘Hij heeft 64 procent schade, maar dat lijkt zijn bewegingsvrijheid niet… nee, wacht…’

Hoop vulde mijn lichaam.

‘Er is een tweede deel. Twee kilometer verder oostelijk. Kleiner. Circa 17 procent.’

‘Dus we hebben maar 19 procent schade aangericht?’ vroeg de kolonel.

‘Bevestigd.’

‘U hebt het gehoord, president?’

‘Wat adviseert u, kolonel?’

‘Verzoek toestemming inzet Sauruseieren.’

Wat? Nog groter?

‘Nee!’ Erich sprong op, liep naar de kolonel en greep haar pols. ‘Gebruik van tien-megatonners is niet volgens mijn plan. Daarbij kunnen de Eifelfissuren openscheuren. Dan kan Laacher-Nata naar boven komen.’

De twee keken elkaar in de ogen. Je kon een speld horen vallen.

Er galmde een diepe zucht door de commandocentrale heen. ‘We moeten dit afmaken, professor,’ sprak de president. ‘Dit is oorlog. Kolonel, toestemming Sauruseieren gegeven.’

De Heeren van ’s Gravensande : Anaïd Haen

Expositie

‘Gaat het?’

Mariska staat met haar rug naar me toe, haar schouders smal. Ze knikt. ‘Ben wel oké.’

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar tegen mijn borst. ‘Mijn broertje heeft zijn condoleances gestuurd.’

‘Dat is lief van Haijo, bedank hem van me.’

Mijn kin raakt net haar krullende haren. We kijken door het raam van de aula de enige andere bezoeker aan de rouwdienst na als deze zich door een taxidrone laat ophalen. Een verre neef van haar vader of zoiets. Hij zwaait nog voor hij instapt.

‘Papa moet heel eenzaam zijn geweest.’ Ze leunt tegen me aan, een beetje trillend. ‘Zelfs mama is niet gekomen.’

Ik druk een kus op haar kruin. ‘Daar heeft hij zelf voor gekozen, schat.’ Klein was ze altijd al, maar nu ik haar zo vasthoud merk ik dat ze de afgelopen dagen flink afgevallen moet zijn. Breekbaar. Het is ook geen sinecure om je vader voor je deur ineen te zien zakken.

Samen met de begrafenisondernemer (een humobot, zo te zien hoge klasse) lopen we achter de kist aan naar de droogvriezer. Mariska heeft erop gestaan zelf de vijzel te hanteren. ‘Dat is het minste wat ik kan doen.’

Op een seintje van de uitvaarder haalt ze de schakelaar aan de muur om. Achter het raam in de deur verschijnen ijsbloemen. Het gaat razendsnel, vanaf de onderkant van het glas tot aan de bovenkant. Ik wil bijna vragen hoe dat kan, maar ik realiseer me net op tijd dat er vocht in een menselijk lichaam zit en dat het doel van dat droogvriezen juist is om dat eraan te onttrekken,

Mariska heft haar hand en volgt met haar vinger de fragiele lijntjes van de groeiende kristallen. ‘Dit zou hij mooi hebben gevonden,’ verzucht ze.

Het duurt maar een minuutje of drie. Genoeg tijd om mij het gevoel te geven dat het mijn botten zijn die bevriezen. Dat ik verschrompel tot minder dan 6% van mijn massa om dan BAM! door de vijzel tot poeder geslagen te worden.

 

‘Alstublieft.’ De begrafenisondernemer piept een beetje als hij het sigarenkistje aan Mariska overhandigt. Ik vermoed in het pols­schar­nier. Als hij in mijn fabriek zou staan, zou ik hem laten door­smeren, want die gewrichten zijn veel te gevoelig voor vastlopen.

‘Dank u wel.’ Mariska pakt het doosje aan en wrijft erover met haar hand. ‘Ik wist niets beters om hem in te bewaren, hij rookte deze zo graag.’

Verbeeld ik het me nu, of haalt de begrafenisondernemer zijn schouders een beetje op? Ze maken die humobots ook steeds mense­lijker!

‘Roken is illegaal …’ begint het ding na wat geknars de standaard overheidsriedel af te steken. ‘De boetes op …’

‘Dat weten we.’ Ik pak Mariska’s elleboog. ‘Kom, schat. We hebben een afspraak met de notaris.’

 

Intrige

De enige manier om er te komen is varen of wachten op eb en hopen dat het water dan laag genoeg komt om te lopen. Zo dicht aan de kust, met de onverwacht opstekende duinzandhozen, kunnen drones niet komen.

Mariska wacht op eb. Ik dus ook. We zitten op de top van een duin en laten de zachte zeewind over onze gezichten strijken. Het sigarenkistje staat tussen ons in. Voor ons, over de watergeul, ligt wat rest van een bungalowpark. Eens heette het De Heeren van ’s Gravensande, maar vanaf hier is duidelijk te zien dat er nog maar één heer overeind staat.

‘Is dat het vakantiehuisje van je ouders?’ Ik wijs naar het grijze huis met de vierkante toren. Het staat hoger dan de ruïnes eromheen. Onder het dak van de toren zitten ramen rondom. Hiervandaan is te zien dat er een paar gebroken zijn.

‘Ja. Het is al in de familie sinds 2003, mijn betovergrootouders hebben het gekocht. Mijn opa heeft de duin eronder laten ophogen toen het water kwam.’ Ze tekent met haar voeten een hart in het zand. ‘Voor jou.’

Het mijne slaat over. Lief. Ik buig me naar haar toe en kus haar.

 

Als we dichterbij komen, zwoegend door het zachte zand onder onze voeten, is steeds beter te zien dat het huisje in slechte staat verkeert. De oranje pannen op het dak zijn verschoten naar een vaag geel. Er ontbreken er veel. Twee zonnepanelen liggen in stukken voor het huis, een derde bungelt scheef aan de dakgoot. De voorgevel is met een soort kunststof bekleed dat allang verboden is. Ooit moet het een blauw­achtig grijze kleur hebben gehad, maar nu is het verbleekt en krom­getrokken bij de hoeken. Het stucwerk vertoont gaten en aan de zijkant van de toren zit een scheur die zo diep en breed is, dat ik vermoed dat de muur omvalt als ertegenaan wordt geblazen.

‘Het lijkt wel een kind met een wisselgebit.’ Mariska kijkt naar me op. ‘Zo herinner ik het me niet.’

Ik begrijp wat ze bedoelt, hoewel het huis op mij eerder overkomt als een verslaafde bejaarde met rottende tanden.

We lopen het pad naar de voordeur op. Duidelijk te herkennen omdat er links en rechts wallen zand liggen. Er staat een sneeuwschep tegen de gevel. Haar vader moet het zand vaak opzij hebben geschept.

Mariska steekt de sleutel in het slot. Ze legt haar voorhoofd even tegen de deur. ‘Ik had hem hier weg moeten halen, hè?’

‘Zou hij meegegaan zijn?’

Ze schudt haar hoofd en draait de sleutel om.

Binnen zoemt de stroomomvormer. Kennelijk werkt dat zonnepaneel nog. Er is zand onder de deur door gewaaid; een fijne laag bedekt de rood­bruine vloertegels in de vierkante hal. Mariska’s bergschoenen maken er afdrukken in.

Rechts een deur, zo te zien van de wc, recht vooruit eentje met glas erin. Die gaat naar de woonkamer; ik zie een donkerblauw bankje en wat verdroogde kamerplanten. Links de trap. Mariska gaat naar boven, ik volg haar.

Stuifzand bedekt de treden, naarmate we hoger komen, meer. We komen op de overloop. Mariska negeert de deuren waarachter naar ik aanneem slaapkamer, slaapkamer, badkamer liggen en steekt over naar de volgende trap. Aan het eind maakt die een draai naar rechts.

Ze staat stil. Ik ga op de tree achter haar staan en kan dan nog steeds over haar heen kijken. Kleintje. ‘Wat is er?’

Een piepklein kantoor. Rondom ramen, een paar kapot. Zand stuift naar binnen. Ik zie een bureau, een enorme stoel, een telescoop op een statief en een …

‘Is dat een kanon?’ Mijn mond valt open. Een ouderwets, zeven­tiende-eeuws kolossaal kanon op een houten onderstel met ernaast een stapel kogels. ‘Dat die niet door de vloer zakt!’

‘Verstevigd.’ Mariska stapt het kantoortje binnen, legt het sigaren­kistje op het bureau en loopt naar de fauteuil. Ze klopt het zand eraf. Uit de gleuf tussen de leuning en de zitting haalt ze een aansteker tevoorschijn. Ze knipt hem aan. Een vlammetje danst boven haar hand. ‘Hier zat hij altijd, de laatste jaren.’ Ze blaast het vlammetje uit en knikt naar de telescoop. ‘Bijna dag en nacht door dat ding te staren, met zijn hand boven de lont.’

Ik stap achter haar aan en moet bukken om mijn hoofd niet tegen het dak te stoten. In het midden van het kamertje kan ik rechtop staan. De ramen geven rondom uitzicht op vooral zee. In de verte zie ik de pieken van de torenflats van Rotterdam uit het water opsteken, de andere kant op moet Den Haag zijn. Speedbootjes trekken witte sporen door het water als ze van flat naar flat varen. Het eilandje waar we ons op bevinden is nauwelijks groter dan een paar voetbalvelden. Ingestorte huisjes, volgestroomd met zand, vormen nieuwe duinen. Eenzaam. Een tikje verontrust over de vreemdheid van haar vader bekijk ik waar de telescoop op gericht staat. ‘Keek hij naar zee?’

Mariska schuift met de stoel naar de telescoop en legt haar rechter­oog ertegenaan. ‘Altijd naar de zee.’ Ze streelt het kanon. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien zat hij hier. Alle keren ervoor ook.’ Ze fronst. ‘Nu ik erover nadenk: alleen als klein meisje heb ik hem op een andere plek gezien dan hier. Toen leefde zijn vader nog, volgens mij. Dat moet …’ Nadenkend wrijft ze over haar bovenlip. ‘… zeker dertig jaar geleden zijn.’

‘Maar waarom?’ Ik kijk naar het kanon. Ook dat heeft de loop op zee gericht staan. ‘Verwachtte hij de Brittanniërs, soms?’ Alsof die na de Vijfde Engels-Nederlandse Oorlog nog mogelijkheden hadden het Kanaal over te steken.

‘Ik heb geen idee.’ Mariska ploft in de stoel. ‘Mama is niet voor niets bij hem weggegaan, hij wilde alsmaar hier blijven.’ Ze wrijft over de leuningen. ‘Ik heb zo gedacht: als we nu eens zijn poeder hier achter­laten? Hier, in de stoel?’

Ik glimlach. Het idee is gepast, maar hartstikke illegaal gezien de recyclingwet. ‘Je weet dat dat niet m…’

‘Ja, tuurlijk. En roken mag ook niet.’ Ze rolt met haar ogen, zet haar benen wijd uit elkaar, buigt zich voorover en trekt de onderkant van de stoel open. ‘We zijn rijk, schat.’

Tientallen sigarenkistjes.

‘Zijn ze vol?’ Ik hap naar adem. Iets wat je ook schijnt te doen als je veel rookt.

‘Dat neem ik aan. Want de lege stuurde hij me altijd per post op.’ Ze knikt naar het kistje op het bureau. ‘Daarom had ik die.’

 

Het zijn er zevenenvijftig. Zevenenvijftig sigarenkistjes met een straat­waarde van zo’n zestigduizend euro per kistje. Visioenen van inves­teringen in betere robots schieten door mijn hoofd. Misschien kan ik eindelijk die auto-inpakker aanschaffen waar ik al jaren van droom. ‘We zijn niet rijk. We zijn schathemeltergend rijk. Als we ze verkocht krijgen, tenminste.’

‘Doe niet zo somber. Dat lukt ons wel.’ Mijn lief vriendinnetje pakt een kistje uit de stoel en schuift de lade weer dicht. Op mijn vragende blik zegt ze: ‘We zijn met één kistje gekomen, we gaan met één kistje weer weg.’

Bijdehandje.

Ik loop naar het bureau. Er staat een vierkante kast op met een tastbaar scherm ernaast: een computer. Ik herken het apparaat uit mijn jeugd; mijn grootmoeder had er zo eentje. ‘Zou hij het doen? Het ding is antiek.’

‘Oh, die doet het. Hij hield alles in stand.’

Ik houd mijn glimlach in en kijk naar de kapotte ramen. ‘Niet alles even succesvol, lieverd.’

Ze steekt haar tong naar me uit.

 

Bepakt en bezakt met allerlei spulletjes die ze wil meenemen stapt ze het huisje uit. Ik heb net het pad weer vrijgemaakt van zand en zet de sneeuwschep terug op zijn plekje tegen de gevel. Het zweet biggelt me over de rug, zandruimen is zwaar werk. ‘Ben je klaar?’

Ze knikt. ‘Papa heeft een mooi plekje midden op de fauteuil gekregen, telescoop en kanon onder handbereik. Het kantoortje is aangeveegd en opgeruimd, dat was fijn om te doen.’ Ze staat even stil, de sleutel voor het slot. ‘Ik heb de computer niet uitgeprobeerd, hoor; vond het opeens te persoonlijk om in zijn bestanden te snuffelen.’

‘Jij en privacy.’ Glimlachend schud ik mijn hoofd. Beschermer. ‘Wat maakt het nu nog uit voor hem?’

Ze schokschoudert. ‘Ik draai de deur weer op slot, hè? Dan weten we zeker dat niemand erin kan om de siga…’ Ze kijkt omhoog, opeens behoedzaam.

Ik volg haar blik, zie niets wat op een overheidsdrone kan wijzen en haal dan toch ook opgelucht adem. Het is een ding om zevenvijftig kistjes vol sigaren te vinden, het is een ander ding om ze onopgemerkt mee te smokkelen en te verkopen. Beter maar onze monden erover gehouden.

 

Pas als we bij de oversteekplaats komen, beseffen we onze vergissing: het water is terug. Woest kolkt het door de geul die we een paar uur geleden nog lopend konden oversteken. Ik denk dat ik wel lang genoeg ben om erdoorheen te waden, maar Mariska niet.

‘Ik kan op je rug klimmen,’ stelt ze half lachend voor.

‘En dat dan de stroming aan mijn benen trekt en we beiden kopje-onder gaan? Ik ben geen paard.’ Ik steek mijn tong naar haar uit. ‘Kom, we gaan terug. Ik durf te wedden dat je paps genoeg conserven in huis had om het jaren te kunnen overleven. We blijven vannacht hier en gaan morgen terug, zodra het weer eb is.’

‘Kan dat wel, met de fabriek?’ Ze bijt op haar onderlip. ‘Je had toch morgen die installatie?’

Oef, ja. Ik haal mijn hand door mijn haar en voel fijne zandkorreltjes erin. ‘Ik bel wel even dat ik dan later kom. Jolanda is prima in staat het eerste stuk te begeleiden, als ik er maar ben bij de ingebruikneming.’

 

Verrassend genoeg is de slaapkamer de enige plaats in huis waar geen zand ligt, behalve dan hetgeen wij mee naar binnen hebben gelopen. Aan de slaapkamer grenst de badkamer. Er komt geen water meer uit de kranen en de toiletspullen van Mariska’s vader liggen er nog keurig in het gelid op het plankje onder de spiegel, maar afgezien van de onbruik­baarheid is het een onbeschadigde ruimte.

‘Als we ons kwaad zouden maken, zou het dan op te knappen zijn?’ Mariska trekt een schone set lakens uit de kast.

Ik ga aan de andere kant van het bed staan en pak de punten van het hoeslaken aan. ‘Waarom zou je dat willen? Het is al half vervallen, over een poosje heeft de natuur het weer helemaal overgenomen.’ Ik trek het elastiek van het laken over de punt van het matras, eerst het hoofdeinde, daarna het voeteneinde.

‘Ja, ik weet het niet. Ik dacht … Het is toch zonde als het verdwijnt? Het is nu mijn bezit en met de opbrengst van de sigarenkistjes … Wat?’

Mezelf vervloekend omdat ze me te goed kan lezen, schud ik mijn hoofd. ‘Nee, niks.’

‘Schei uit, Bart. Wat is er?’ Ze gooit me het dekbedovertrek toe. ‘Jij bent er handiger in.’

Ik keer het overtrek binnenstebuiten en pak de punten van het dekbed aan. Het lukt me niet haar vorsende blik te weerstaan. Mijn gezicht kleurt als ik toegeef dat ik de winst anders had willen besteden dan aan het opknappen van een vergaan vakantiehuisje dat eerdaags toch bedolven onder zand of door de golven opgeslokt zal worden. ‘Ik dacht alleen dat we het geld zouden kunnen gebruiken voor de fabriek. Dan zou het leven wat makkelijker worden.’

‘Ah.’

Ik heb mijn armen wijd en omhoog en schud het overtrek netjes over het dekbed. Dat ‘Ah’ geeft wel aan wat ze ervan denkt en ik voel me een rotzak. Maar goed dat ik achter het dekbed sta, hoef ik haar even niet aan te kijken. ‘Sorry, schat.’

‘Nee, geefnie.’ Ze schikt samen met mij het dekbed over het bed. ‘Ik doe het nu eenmaal met een industrieel.’ Ze knipoogt. ‘Als er wat over­blijft, goed?’

Ik doe mijn best mijn teleurstelling te verbijten en knik.

 

Climax

Midden in de nacht word ik wakker omdat ze weg is. Ik voel over het laken, het is koud. Ze moet al snel uit bed gekropen zijn gisteravond.

‘Maris?’ Ik ga rechtop zitten. De deur staat op een kier open. ‘Waar ben je?’

Boven mijn hoofd hoor ik gestommel.

Ik schiet in mijn jeans en schoenen. Er zit zand in en op. ‘Had je de deur niet kunnen dichtdoen?’

Al onder aan de trap zie ik een blauwwit licht. ‘Schat?’ Ik loop naar boven.

Ze heeft de fauteuil voor het bureau gedraaid en zit op het puntje ervan. Achter haar staat het sigarenkistje, haar ogen zijn op het scherm gericht. Kennelijk werkte de computer inderdaad nog. Zonder naar mij om te kijken zegt ze: ‘Je kunt maar beter gaan.’

Hoor ik haar nou goed? ‘Gaan? Wat bedoel je, gaan?’ Ik stap de laatste tree op en stoot mijn achterhoofd tegen het schuine dak. ‘Auw!’

Ze reageert niet. En meer dan de andere rare dingen die ze doet, zoals stiekem het bed uitgaan om midden in de nacht naar een antiek computerscherm te staren, baart het uitblijven van haar gebruikelijke ‘kusje d’rop?’ mij zorgen.

Ik ga achter haar staan. Vanaf het scherm staart haar vader me aan, zo te zien midden in een zin. Het beeld is bevroren, wat me onwille­keurig aan de inhoud van het sigarenkistje doet denken. Zijn vinger is opgeheven, zijn mond vormt een O.

‘Wat is er aan de hand?’

Mariska blijft strak vooruitkijken. ‘Ik zei dat je moest gaan, je bent toch niet doof?’ Fel.

Is ze nou helemaal gek geworden? Ik pak de rugleuning van de stoel beet en draai hem 180 graden, zet mijn handen op de armleuningen. ‘Doe eens niet zo lelijk tegen me! Ik stel je een normale vraag.’

Nu ze niet meer oog in oog met het scherm zit, kan ze me wel aan­kijken. Haar ogen zijn rood, alsof ze de hele nacht heeft gehuild.

Mijn zorgen om haar ontploffen in mijn buik. ‘Wat is er toch?’

Haar onderlip trilt. ‘Ik kan het je niet uitleggen,’ zegt ze hakkelend. ‘Maar ik moet hier blijven.’

Een stoot lucht ontsnapt aan mijn longen. ‘Hier?’ Ik ga rechtop staan en gebaar om me heen. ‘Hoelang?’

Een traan glijdt over haar wang. ‘Voor altijd.’

Knettergek. Ik kijk over haar schouder naar het scherm. Net zo gestoord als haar vader. ‘Laat het me zien!’

Ze schudt haar hoofd. ‘Er mag maar één persoon weten wat … anders …’ Angstig kijkt ze door het raam naar de maanbeschenen zee.

‘Schei eens uit!’ Nu word ik boos. Ik ruk de stoel opzij en tik op het scherm van de computer. Er gebeurt niks. Ik tik nog een keer.

‘Het werkt niet zo.’ Haar stem naast me klinkt triomfantelijk en kleintjes tegelijk. ‘Dat tikken deden ze jaren later.’

Ik doe mijn best mijn ergernis te onderdrukken. ‘Hoe werkt het dan?’

Weer staart ze over zee. De golven hebben witte toppen. ‘Dat vertel ik je niet.’ Haar kaken verstrakken, het licht van het computerscherm maakt haar gezicht hoekig. Vastberaden. ‘Het is beter als je niet weet wat er is.’

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze het daarbij zal houden. Of ik nu kwaad, verdrietig, zielig of hoopvol reageer; het zal geen verschil maken.

‘Zoals je wilt.’ Ik loop naar de trap. ‘Zodra het eb is, ben ik hier weg.’ Doe ik toch zielig, verdomme!

 

Met het sigarenkistje onder mijn arm loop ik naar de voordeur. ‘Ik ga!’

Geen sjoege.

Mijn hand rust op de deurknop, mijn oren zijn gespitst op geluid van boven. Maar er komt niets, Mariska zegt niets, niet eens gedag. Ik stap naar buiten.

Het tuinpad is alweer bedekt met een dun laagje zand. Ik onderdruk de neiging om de sneeuwschep te pakken en sluit de deur achter me. Mijn voetstappen maken een knarsend geluid.

Het water is nog niet helemaal weg uit de geul, maar ik heb geen zin om terug te gaan naar het huisje en daar te wachten tot volledig eb. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en rol mijn broekspijpen omhoog. Nog snel werp ik een blik achterom. Hoog in de toren, net boven het kozijn, zie ik een bos krullen. Mariska kijkt niet eens mijn kant op.

Beledigd stekker ik door het water. Het natte zand zuigt aan mijn voeten, houdt me vast. Met moeite worstel ik me door de geul, die dieper is dan ik ingeschat heb. Het water stroomt snel en komt tot mijn knieholten, maakt mijn broek nat. Fraai, moet ik zo door naar de fabriek. Foeterend op mezelf, Mariska, haar vader en dat debiele kanon ploeter ik verder.

Aan de overkant beklim ik de duin waar we gisteren nog samen op hebben gezeten. Het zand is rul onder mijn voeten en glijdt steeds weg, ik moet vooroverbuigen om boven te kunnen komen. Hijgend plof ik neer op de top en duw mijn voeten in het losse zand, in de hoop dat ze daarmee wat drogen.

Vanaf deze hoogte kan ik haar koppie beter zien dan van onderaf. Ze kijkt door de telescoop, onafgebroken. Concentratie.

Een vlaag wind laat de tranen in mijn ogen schieten. Waarom weet ik niet, maar ik moet opeens aan vorige week denken, aan toen haar vader opeens aanbelde.

Hij was graatmager, helemaal niet meer de gevulde en goedlachse man die Mariska me op foto’s had laten zien. Graatmager en geel. Zijn oogwit, zijn huid, zelfs zijn tandvlees. Ik opende de deur en deinsde achteruit, zo griezelig zag hij eruit. Ziek.

Gelukkig konden we de dokter in het ziekenhuis ervan overtuigen dat hij geen ‘uitgezaaide longkanker’ moest diagnosticeren. Anders had Mariska de boete geërfd in plaats van het vakantiehuis met zevenen­vijftig sigarenkistjes. Vol.

Somber staar ik naar het kistje dat ik naast me in het zand heb gelegd. Wat heb ik aan investeringen zonder haar?

Knipperend tegen de tranen, die me ondanks het liggen van de wind toch parten blijven spelen, trek ik mijn sokken uit mijn schoenen. Ik klop ze recht en trek mijn rechtervoet over mijn knie. Sok aan. Linkervoet.

In het zand voor me ligt nog vaag zichtbaar het hart dat ze gister met haar voeten heeft gemaakt.

 

Catastrofe

‘Ik ben terug.’ Ik weet dat ze niet zal reageren, maar dat maakt niet uit. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en recht mijn rug. Het is aan­ge­­naam warm binnen, ook hartje winter. Er zijn maar vier sigaren­kistjes nodig geweest om dit huisje in bijna oude glorie te herstellen. Voor drie andere heb ik een hovercraft gekocht, die me nu al vier maanden over de duinen en door de geul helpt, en met nog eens dertien is het werk in de fabriek zoveel gemakkelijker geworden dat ik het me kan permitteren om iedere dag naar hier te komen om eten te koken en Mariska af te lossen zodat ze kan douchen en dutten. Niet dat ik weet waar ik op moet letten, maar ik hang mijn oog plichtsgetrouw tegen de telescoop en probeer wakker te blijven.

‘Spaghetti vandaag, goed?’ Ik geef haar het bord aan en ga half op het kanon zitten, net als iedere avond. ‘Nog iets gebeurd?’ Ik wijs met mijn vork naar de donkere zee. Morgen de ramen eens zemen, door de stort­bui van gisteravond zijn ze beplakt met druppels zand.

Onwillig richt Mariska haar blik van de telescoop naar haar bord. Haar rechteroog is omrand door een blauwe cirkel, zo hard drukt ze tegen de kijker. ‘Nee.’

Onder het eten vertel ik van de fabriek en geef ik berichten door van haar vriendinnen en collega’s, die haar allemaal missen en denken dat ze van de erfenis spontaan op een wereldreis is gegaan. Eentje die zo haar aandacht opslokt dat ze begrijpen dat ik degene ben die hen sporadisch voorziet van informatie over haar reis.

Ik stel uit wat ik haar echt moet zeggen. Lafaard die ik ben.

Het reisverhaal is door mij verzonnen meteen nadat ik me reali­seerde vooral niet als haar moeder te willen zijn, die haar vader hier alleen liet. Die ochtend op die duin, het sigarenkistje naast me en het hart in het zand voor me, heb ik ons een alternatief leven gegeven waardoor zij hier kon blijven zolang ze dat zou willen. Wat al langer is dan ik ooit gedacht had, gezien haar gebruikelijke wispelturigheid. Gelukkig is ze op een wereldreis met primitieve vervoersmiddelen.

Als ik geen nieuwtjes meer heb, eten we zwijgend tot ik eindelijk genoeg moed heb verzameld.

‘Oh, ik sprak je moeder …’

Ze kijkt me vragend aan. Haar gezicht is bleek, haar wangen inge­vallen. Ik zeg er niks meer over, want alles wordt toch weggewuifd. Eigenwijs. ‘Wat is er met mama?’

‘Het zal wel niks zijn, maar ze zag er slecht uit.’

Haar kaken stoppen met kauwen, het bord zakt op haar bovenbenen. ‘Hoe slecht?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Bleek. En haar handen beefden, ze kon niet meer borduren zei ze.’ Ik zet mijn vork in het bord en draai de slierten roodgespikkelde pasta eromheen. ‘Ach, je kent haar. Ze kraakt en piept en leeft langer dan haar broers en zussen.’

‘Niet meer borduren?’ Haar onderlip trilt. ‘Hoe slecht, Bart?’

Opeens schaam ik me voor de manier waarop ik dit nieuws vertel. Net als zij weet ik dat haar moeder onlosmakelijk verbonden is met hand­werken. En dat niet-meer-borduren gelijk staat aan stervende zijn.

Ik neem haar bord van haar schoot en zet het naast het mijne op het bureau. ‘Ik denk …’ Ik schraap mijn keel en pak haar handen. ‘Ik denk erg slecht, schat.’ Het komt er fluisterend uit. ‘Als je haar nog wilt zien, dan …’

 

Daar gaat ze, beschenen door de maan. Voor het eerst in vier maanden is ze weg van dit eenzame oord. Ze zit als een koningin zo recht op de hovercraft en bestuurt hem alsof ze nooit anders heeft gedaan. Haar haren wapperen vanonder haar muts achter haar aan. Het water in de geul spettert op als ze eroverheen glijdt.

Ik zak in de fauteuil en klop op het kanon naast me. ‘Jij en ik, maatje. De bewakers van de Noordzeekust. De Heeren van ’s Gravensande.’ Grimmig grinnikend trek ik de lade onder mijn voeten uit. ‘De ridders van het duin. De onverschrokken bewakers van de golftoppen, de zandhelden van Hoek van Holland, enzovoorts, enzovoorts.’ Ik pak een kistje. ‘Daar nemen we een sigaartje op, wat jij?’

 

Ik schrik op van een vlaag wind die tegen het huisje beukt. Even weet ik zeker dat de toren hier niet tegen bestand is, ook al hebben we de scheur vakkundig laten herstellen.

De sigaar is uitgegaan. Ik moet hebben gedut. Plichtsgetrouw zet ik mijn oog tegen de kijker en tuur de nu spiegelgladde zee af. Kennelijk waait het alleen hier. Niks veranderd. De maan is wel een stuk verder gekropen en hangt nu op een meter boven de horizon. Een baan helderwit licht beschijnt het water.

Toch opgelucht dat er tijdens het verzaken van mijn plicht niets is voorgevallen, sta ik op. Hoe laat zou het zijn?

Ik geef een tik tegen het halfronde ding op het bureau, dat Mariska de muis noemt. Inmiddels weet ik dat ze hiermee de computer bedient. Het scherm floept aan. In de rechterbenedenhoek zie ik dat het vijf uur is. De nacht is zowat voorbij.

Ik zet het sigarenkistje met de resten van haar vader op de stoel en klop op het deksel. ‘Jouw beurt even, ouwe jongen, ik moet de benen strekken.’

 

Met een bord vol koude overgebleven spaghetti in mijn handen stommel ik een poosje later de trap weer op. Een blik op de zee vertelt me precies wat ik al dacht: er is niks gebeurd. Ik kijk op mijn com’pad: geen nieuws van Mariska. Hopelijk valt het mee met haar moeder.

Mijn broertje Haijo laat weten op een conferentie te zijn waar het opheffen van de verzakking van Groningen besproken gaat worden. Ik veeg over zijn bericht, het is zoals gebruikelijk te lang om van voor naar achter te lezen. Bovendien gaat het bij hem nooit over concrete zaken, maar over vage dingen als het ontbreken van drijfvermogen en de kracht van bevingen. Dan liever een fabriek.

Met mijn kont leun ik tegen het bureau, langzaam kauwend op het eten. Het scherm floept weer aan achter me. Het lukt me het te negeren tot mijn bord leeg is.

‘Nu tussen jou en mij.’ Vastbesloten zet ik het bord naast het sigarenkistje op de stoel. Ik buig me over het bureau en pak de muis vast.

Het kost me maar een paar minuten om uit te vinden hoe ik hem moet gebruiken. Twee tellen later heb ik het filmpje van haar vader gevonden.

Mijn wijsvinger hangt boven de knop. Nu ik zo dichtbij ben, wankelt mijn vastberadenheid om te weten te komen wat er speelt. Ik hóéf niet te klikken. Ik kan genoegen nemen met wat we nu hebben en de wetenschap dat ik haar hiermee help voldoende vinden. We kunnen nog jaren zo door.

Nog jaren.

‘Yeah, right!’ Mijn vinger drukt op de knop.

‘Lieve Mariska,’ zegt haar vader in de camera. Wat heeft hij een mager gezicht! Zijn oogwit is geel. Zijn blauwe irissen lijken er nog helderder door. ‘Ik moet je iets vertellen wat mijn vader aan mij heeft laten weten. En daarvoor diens moeder aan hem. En zij had het weer van háár moeder. En die van haar va… maar ik heb in een apart bestand de lijst opgenomen, zodat je kunt zien tot hoe ver die teruggaat.’ Hij wuift met zijn hand. ‘Generaties. En geen van ons heeft het bij leven aan de opvolger kunnen vertellen omdat …’ Hij buigt zich naar de camera waardoor ik onwillekeurig van het scherm deins. ‘… maar één persoon tegelijk de kennis mag bezitten.’ Hij heft zijn vinger en meteen herken ik het stilstaande beeld van maanden geleden. ‘Eén, Maris. Echt niet meer dan één persoon. Anders …’ Hij rilt.

Ik klik op de muis. De film stopt.

Ik ben een stiekemerd, verdomme. De man meent overduidelijk wat hij zegt en Mariska is er tot in iedere vezel van haar lichaam van over­tuigd dat hij gelijk heeft. Op zijn minst schend ik haar vertrouwen als ik doorga.

En op zijn hoogst red ik haar van dit leven. Want als ik weet wat zij weet, kan ik haar misschien overhalen deze eenzame missie te staken.

Dat geeft de doorslag.

‘Je bent nu in een vakantiepark dat de Heeren van ’s Gravensande wordt genoemd. Het is vernoemd naar ons, de bewakers van dit stuk Noorzeekust, ook al kent niemand de herkomst van de naam. Wij zijn de Heeren. Al eeuwenlang heeft iemand van onze familie de taak op zich genomen om dit duingebied, dat zich uitstrekt van de monding van de Nieuwe-Waterweg tot voorbij de pier van Scheveningen, die overigens ook niet voor niets is gebouwd, en het land erachter te beschermen tegen het ontwaken van een Oude God.’

Een oude wat? Ik tik weer op de knop. Gelooft Mariska in een god? Wat een nonsens!

Gerustgesteld dat mijn inbreuk op haar privacy geen waarde heeft nu het zogenaamde geheim flauwekul blijkt te zijn, laat ik de film weer doorlopen.

‘In de lade onder mijn stoel zitten niet alleen sigarenkistjes. Als je ze er allemaal uithaalt, zie je een plaat. Het lijkt de bodem van de lade, maar eronder liggen alle brieven en andere boodschappendragers aan de volgende bewaker.’

Dit vraagt om verificatie. Ik zet de film stop, haal het restant van de kistjes uit de lade en kan inderdaad de bodemplaat verwijderen.

Er liggen brieven in. Stapels. Sommige kort, andere lang. Onderop met schitterend bewerkte hoofdletters, als een oude bijbel die ik ooit in mijn handen heb gehad. Ik zie ook foto’s, vergeeld en met kartel­randen, een grammofoonplaat, een videoband, een spoel met een … dat moet een film zijn, een ding dat ik herken als een USB-stick, een schijfje … allemaal boodschappen. Hoeveel zijn het er wel niet? Tientallen.

Heel wat verdwaasde geesten. Een oude god, tjonge, jonge.

Ik krabbel rechtop en klik weer op de muis.

‘We leven niet zo lang, Mariska. En jij hebt geen kinderen. Ik weet niet hoe het na jou moet, misschien kun je iemand inwijden of dit huisje nalaten? Het spijt me dat ik het niet beter heb onderhouden, ik had er het kapitaal wel voor, maar de kracht ontbrak.’ Hij hoest.

Even gaat de film op zwart, dan verschijnt hij weer in beeld. ‘Hij slaapt. Hier, vlak voor de kust, in de zeebodem. Hij heeft zich ingegraven met zijn tentakelarmen. Als hij ontwaakt zal hij een vloedgolf veroorzaken van zo’n dertig meter hoog, iedereen zal ver­drinken. De aarde zal beven als nooit tevoren. Je moet schieten, beloof je dat?’ Hij hoest weer. ‘Ik weet niet of het zal helpen, maar het is het enige wat we kunnen doen als hij omhoogkomt: schieten.’

Ik weet genoeg. Hoewel we ons in de afgelopen eeuwen achtereen­volgens hebben ontworsteld aan het Rooms-Katholicisme, het Calvi­nisme en de Islam, zijn Mariska en haar familie in de ban van de Religie van de Oude Goden. Meer specifiek: van een begraven god met tenta­kel­armen. Goedgelovig.

Ik klik de film weg. Bedtijd. Voor de vorm keer ik de stoel naar het raam met het sigarenkistje midden op de zitting. ‘Doe je werk, malloot!’

 

Tegen de tijd dat ik wakker word, is het volop dag. Ik open mijn ogen. Ze staat aan het voeteneind van het bed.

‘Ha schat, hoe is het met je moeder?’

Haar ogen zijn wijd open. De blauwe kring rond haar rechteroog steekt donker af tegen haar lijkbleke gezicht. ‘Waarom ben je hier? Waarom kijk je niet? Je zou kijken!’ Ze rent de slaapkamer uit en dendert de trap op. Haar voetstappen trillen door het huisje, ik voel het zelfs tot in mijn bed.

‘Maak je niet zo druk.’ Ik sta op en grijp mijn spijkerbroek van het voeteneind. Met mijn linkerbeen in de pijp hompel ik naar de trap. Gek genoeg trilt hij nog steeds.

‘Wat heb je gedaan?’ Mariska gilt. ‘De zee! Wat heb je gedaan?’

‘Niks! Natuurlijk niet!’ Ik ben boven en steek mijn rechterbeen door de pijp. ‘Het is allemaal onzin, lieverd. Goden bestaan niet!’ Onzacht stoot ik mijn hoofd weer eens tegen de dakrand. ‘Ik …’

Het onafgebroken trillen verandert, wordt dieper, resoneert. Het huisje kraakt.

‘Wat … heb … je … gedaan?’ Ze keert zich naar me om. Inwit. Achter haar krakt een ruit. De barst schiet van onder naar boven en vertakt zich in sneltreinvaart. Net als eerder de ijsbloemen op de ruit van de droogvriezer.

De vloer onder me ramt omhoog en valt weer weg. Ik knal op mijn knieën.

Met moeite weet ik het kanon te grijpen en me eraan overeind te trekken.

‘De zee, Bart. De zee!’

Ik zie het ook.

 

 

Peripetie

De zee is verdwenen. Zover we kunnen kijken zien we nat, glad zand.

‘We moeten weg hier! Kom!’ Ik grijp haar hand en wil haar mee­trekken, naar beneden, naar de hovercraft.

‘Nee! Het is mijn taak!’ Ze trekt zich los. ‘De aansteker, waar is de aansteker?’ Paniekerig voelt Mariska tussen de zitting en de leuning van de stoel. Ze stoot erbij tegen het kistje.

Het schuift van de zitting.

Als in een vertraagde film zie ik het met een punt op de grond terechtkomen. Het koperen slotje van het deksel is niet tegen de val bestand; het springt open.

Poeder dwarrelt op. Heel fijn poeder. Het belemmert ons zicht op elkaar en op buiten.

Er was iets met stof en aanstekers.

‘Geen vuur maken!’ Ik stap blind naar voren, stoot mijn beurse knie tegen het kanon en sla met mijn vuist tegen het gebarsten raam.

Glas rinkelt. Meteen vlaagt de wind naar binnen. Mijn hand bloedt.

Het stof verdwijnt.

De zee is terug. Hij bolt op. Ergens recht voor ons uit komt hij omhoog.

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. ‘Een vloedgolf! We moeten hier weg!’

‘Dat is geen vloedgolf!’ Haar handen trillen. ‘Hij komt!’ Ze draait met haar duim aan het wieltje van de aansteker, maar er komt geen vlam­metje. Tweede poging, derde.

Geen tijd om met haar te discussiëren over de onzin waar ze in gelooft. ‘Geef hier.’ Ik pak de aansteker van haar af, maar mijn hand is glibberig.

Met mijn linkerhand lukt het, na drie pogingen. Ik ontsteek de lont. ‘We moeten weg!’

‘Dat heeft geen zin. Houd me vast.’ Mariska staart naar de zee. Haar blik vastgeklonken.

‘We kunnen met de hovercraft …’

‘Wat? Surfen? Daarop?’ Ze wijst naar de immense golf die ontstaat. ‘Hij is hier voor we de trappen af zijn.’

Ze heeft gelijk. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik wil het niet.

Ze wankelt; de grond schudt. Voor het raam langs vallen gloednieuwe dakpannen.

Ik pak haar vast en trek haar tegen me aan.

Mijn com’pad drukt tegen mijn borst. Ik haal hem tussen ons van­daan, de boodschap van Haijo licht op.

Voor ons bolt de zee op. Zo hoog als de torenflats van Rotterdam, zo ver links van ons. Iets schiet onze kant op, een sliert of een … spaghetti?

Maar dan dik. En groen. De punt zwiept langs de toren. Een knal als van een zweepslag teistert mijn trommelvliezen. Wat …?

Ik trek Mariska steviger tegen me aan en druk op de com’pad. De zee dendert op ons af, we moeten ons hoofd al in onze nek leggen om de top van de golf te kunnen zien. Erbovenuit zwiepen tentakels. Ik zie zuignappen. Ze openen en sluiten als hongerige muilen. Ik weet dat dit niet kan, maar toch zie ik het.

‘Ze bestaan,’ fluister ik.

Het kanon dondert.

Je keek naar me… : Maarten Luikhoven

Ik zag Rosalie voor het eerst toen ik acht jaar oud was. Ze stond achter het slaapkamerraam van de tweede verdieping van de oude Morrison villa. Het was een glimp, een momentopname en op dat moment wist ik niet beter dan dat ze daar woonde. Mijn vader lachte schamper toen ik vertelde van het eenzame meisje in de verlaten villa. Ik bleef volhouden tot hij me vertelde wat er zich had afgespeeld in die bouwval, zoals hij het zelf noemde.

‘Luister, Roger, Rosalie Struthers was de jongste dochter van Ken en Amanda Struthers. Een sjieke familie, oude adel. Maar zoals veel oude adel niet helemaal jofel.’

‘Wat was er mis dan,’ vroeg ik, nieuwsgierig en enthousiast tegelijk. Ik merkte de aarzeling bij mijn ouders.

‘Ze… hielden er wat vreemde gewoonten op na. Rosalie was daarvan regelmatig de dupe. Op school was ze stil en teruggetrokken en ze werd veel gepest. Het waren andere tijden. Niemand sprak over blauwe plekken, uitgetrokken haren, schroeivlekken en andere sporen van misbruik.’

‘Maar kindermishandeling is toch strafbaar?’

‘Nu wel. Zeventig jaar geleden niet.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Het meisje dat ik zag was ongeveer mijn leeftijd, dat kan niet.’

Mijn vader legde zijn hand op mijn schouder. ‘Rosalie is vaker gezien. Veelal door kinderen. Vergeet het en blijf uit de buurt van die bouwval. Je heb er niets te zoeken.’

Ik gehoorzaamde en liep voortaan met een boog om de villa heen. Tot de dag voor mijn dertiende verjaardag. Ik had haast die dag en besloot dan maar een korte route te nemen, die weliswaar langs de villa voerde, maar ik verwachtte niets raars.

Terwijl ik over het bemoste grindpad van de oprit liep, trok een beweging in de villa mijn aandacht. Ik keek recht in het gezicht van Rosalie die me aankeek door het raam van de woonkamer, nog geen dertig meter van me af. Ze was geen dag ouder geworden. Wel had ze een grote blauwe plek op haar wang en een dik oog.

Indachtig de woorden van mijn vader wendde ik me af en rende er snel vandoor. Het voelde een beetje als verraad, alsof ik een slachtoffer van een ongeluk achterliet, zonder hulp te bieden. Dat gevoel knaagde aan me en bleef me achtervolgen.

Maanden bleef ik nadenken over het jonge meisje in de villa tot ik op een dag besloot dat ik meer te weten moest komen. Ik wachtte een moment af dat mijn ouders niet in de buurt waren en begaf me toen naar de villa. Er was niets. De volgende dag kwam ik er weer langs. Weer niets. Dat herhaalde ik tot een donkere novemberdag. Toen ik naderde viel me al op dat er een flikkerend lichtje zichtbaar was in de keuken. Voorzichtig naderde ik tot ik door het raam kon kijken. Ik schrok van het tafereel, Rosalie op de keukentafel, haar armen en benen ontbloot en vastgebonden aan de poten van de tafel. Een donkere figuur stond over haar heengebogen en drukte terwijl ik keek een gloeiende pook op de binnenkant van Rosalie’s linker elleboog. Haar schreeuwen deed de ramen rinkelen. Ik knipperde met mijn ogen van schrik en het volgende moment voelde ik mijn hart in mijn keel. Een mannengezicht zweefde voor het raam, donkere ogen in een bleek gelaat waar de beenderstructuur onder zichtbaar leek. Ik struikelde achterover, viel op het bemoste grind en krabbelde zo snel mogelijk weer overeind. Ik zette het op een rennen en was in recordtijd thuis.

‘Ik ben bij de villa geweest,’ vertelde ik mijn vader.

Hij schudde zijn inmiddels wat grijzere hoofd. ‘Ik zei nog dat je daar niet moest komen.’

‘Ik heb Rosalie weer gezien. Ze werd mishandeld.’

Mijn vader knikte langzaam. ‘Dat schijnt inderdaad gebeurd te zijn. Haar ouders en oudere broers en zussen, ze zijn voor de rechter verschenen toen Rosalie op een dag haar verhaal aan het schoolhoofd vertelde. De uitspraak was dat er geen bewijs was. Hun woord tegen het hare. Een week later was Rosalie dood. In stukken gehakt, volgens getuigen, in de kelder waar ze naar eigen zeggen altijd gemarteld werd.’

‘Wat een vreselijk leven heeft ze gehad. Is dat de reden dat ik haar soms zie?’

Mijn vader haalde zijn schouders op. ‘Wie zal het zeggen? Rosalie was acht toen ze stierf. Misschien was het voor haar wel een opluchting dat het eindelijk over was.’

Zijn woorden wekten medelijden bij me op voor het jonge meisje dat nauwelijks tot wasdom gekomen was, geknakt voor ze opbloeide.

Ik zag Rosalie niet meer en zodra ik naar de universiteit ging en nauwelijks meer in de buurt kwam, vergat ik het meisje van acht dat naar me keek en dat ik bekeek, terwijl ze gemarteld werd.

Ik werd pas weer aan haar herinnerd op de begrafenis van mijn vader. Terwijl ik over het kerkhof liep, gearmd met mijn moeder, viel mijn oog op een verweerde grafsteen met daarop de naam Rosalie Struthers, 1931-1939. Hier is ze begraven.

In de eropvolgende dagen bezocht ik het graf van mijn vader regelmatig. Maar ook stond ik elke dag enkele minuten stil bij haar graf, alsof ik me schuldig voelde dat ik het kleine, angstige meisje dat door haar familie – vermoedelijk – vermoord werd, achterliet zonder iets te doen. Ook al waren die zaken in een ver verleden gebeurd.

Op een kille decemberdag besloot ik op onderzoek uit te gaan. Met een zaklamp en een knuppel, dik aangekleed, waagde ik me door ijs en sneeuw en begaf me naar de oude, vervallen villa die nu al zoveel jaren leegstond. Niemand wilde de bouwval kopen, vanwege het slechte onderhoud, werd gezegd, maar ik had verhalen gehoord van mensen die een bezoek aflegden en daarbij ongeveer het huis uit werden gejaagd.

De voordeur was al ontzet door jaren verval en ik kon hem eenvoudig uit het slot duwen. Ik liet mijn lamp over de vloeren en het plafond spelen. Alles zag er nog uit zoals het zeventig jaar geleden was achtergelaten. Spinnenwebben bedekten veel van de ramen en de karpetten waren groen uitgeslagen door schimmel.

‘Hallo! Is er iemand?’ Geen reactie. Dat had ik ook niet verwacht. Ik was immers niet meer de jongen van acht, ik was een volwassen kerel. Ik wandelde langs de woonkamer, de keuken, de trap op naar de slaapvertrekken. Dikke lagen stof, hier en daar muizenkeutels en meer schimmel.

In een slaapkamer vond ik sporen van illegale bewoning, alsof een zwerver tijdelijk van de kamer zijn onderkomen had gemaakt. Er stond een tas met spullen en op een tafel stond een verzameling lege conservenblikjes uit vroeger tijden. Een van de blikjes was geopend maar nooit geleegd en inmiddels uitgedroogd en verrot.

Ik stond op het punt onverrichter zake te vertrekken. Een gil, veraf, gedempt, langgerekt, ergens op de benedenverdieping. Met mijn zaklamp voor me en de knuppel in de aanslag spoedde ik me van de trap af, richting de keuken.

Al snel werd het me duidelijk dat naast de schouw een smalle deur was waar het gillen vandaan leek te komen. Zodra ik de deur aanraakte werd het stil, een stilte als voor een storm, beladen, afwachtend. Ik opende deur en liet mijn zaklamp het donkere gat in schijnen. Traptreden naar beneden.

Voorzichtig stapte ik de trap op en begon af te dalen. Onderaan de trap sloeg de schrik om mijn hart. Ik zag een menselijke schedel liggen naast een stapel beenderen die methodisch leken te zijn gebroken. Er lagen verschillende kledingstukken, vodden meer, tussen de been­deren. Ik vermoedde dat het de zwerver was die hier een tijd woonde.

Ik liet mijn lichtbundel door de kelder spelen. In een hoek stond een klein kot met aan de muur een ijzeren ketting. Ik kon me zomaar voorstellen dat Rosalie daar geketend was en door haar familie werd belaagd. Hoe konden ze zo wreed zijn? Dat arme meisje. Er was verder weinig behalve een stapel werktuigen op een verzakte werkbank.

Ik wilde de trap net weer op gaan toen ze ineens voor me verscheen.

‘Ro…Rosalie?’ stamelde ik. Haar gezicht was sereen, lijkbleek, haar lichaam gehuld in duisternis, zo er al een lichaam was.

Ze opende haar mond en ineens was haar gezicht vertrokken in een kwaadaardige grimas, haar ogen wijd opengesperd met bijna onaardse lichtjes in de diepten. De gil die ik eerder gehoord had was nu een schreeuw die genoeg kracht had om me omver te gooien. Ik belandde tussen de beenderen van de zwerver.

‘Wat… wat is er, wat wil je?’ riep ik tegen de duisternis. Een klap volgde, tegen mijn slaap. Hard genoeg om me groggy te maken. Ik voelde bloed langs mijn hoofd druppelen. Ik pakte de zaklamp en scheen wild om me heen.

Haar stem klonk om me heen, kil als het graf, rationeel. ‘Daar lig je dan. Niemand die je helpt.’

‘Wat heb ik gedaan? Waarom doe je dit?’

‘Je zag me. Je zag wat ze met me deden. En je deed niets. Net als zij.’

‘Dat was zeventig jaar geleden!’

‘Voor mij elke dag. Eerst mijn ouders. Broers en zussen. Ze deden allemaal mee. Jij bent geen haar beter.’

Ik voelde de temperatuur met de seconde dalen en mijn adem kwam in wolkjes. Ik moet hier weg. Ze is gek en moordzuchtig. Gebroken botten kraakten onder me terwijl ik me probeerde op te richten, op zoek naar de traptreden.

Een stekende pijn en mijn rechterenkel werd onder me weggeslagen. Ik viel op mijn knieën en zag nog net een schaduw langs mijn linkerdij gaan. De pijn van het breken van je dijbeen is onbeschrijflijk. Ik lag te kronkelen op de grond aan de voet van de trap.

‘Rosalie,’ kermde ik, ‘laat me alsjeblieft.’ Ik voelde een diepe duisternis zich van me meester maken, het besef dat deze plek mijn einde zou betekenen, alleen, gewond, niemand om me te helpen.

‘Roger, waar ben je?’ Mijn moeder. Ik was nog nooit zo blij geweest haar stem te horen.

‘Ik ben hier, onderaan de keldertrap! Help me!’

Met veel moeite wist ze me de trap op te krijgen, door de keuken en het tuinpad op. ‘De politie is onderweg, Roger. Het spijt me dat je hier slachtoffer van bent geworden.’

‘Je… je weet wat er gebeurd is?’

Ze knikte. ‘Mijn moeder vertelde me over Rosalie. Zo wist je vader er ook van. Rosalie was niet het onschuldige slachtoffer dat jij denkt. Ze was kwaad, verdorven, bezeten.’ Ze boog het hoofd en tranen drupten van haar wangen. ‘Zo veel verdriet. Ze wisten niet hoe ze met haar om moesten gaan. Niemand wist het. En ze was onhandelbaar. Dus ze kreeg slaag, heel gewoon in die tijd. Dat hield haar onder de duim. Het werd alleen telkens erger, tot ze dagelijks mishandeld werd door iedereen in het gezin om haar in het gareel te houden.’

‘Dat is vreselijk,’ kreunde ik met mijn handen om mijn gebroken dij.

Mijn moeder knikte. ‘Het is tijd dat er een einde aan komt.’

‘Waarom doet ze dit? Is het wraak?’

Moeder haalde haar schouders op. ‘Het is niet belangrijk. Wat wel belangrijks is, is dat het eindigt, hier en nu.’ Ze liep het pad af. Haar auto stond daar geparkeerd. Ze haalde twee jerrycans uit de kofferbak en liep langs me, de villa in.

In de verte klonken politiesirenes toen de eerste vlammen uit de keuken opstegen. Al snel lekte er vuur uit de ramen op de beneden­verdieping en even later stond ook de bovenverdieping in brand.

Mijn moeder heb ik nooit meer gezien, ze is omgekomen in het vuur.

De laatste herinnering die ik heb is het beeld van Rosalie achter het slaapkamerraam. Ze keek naar me en haar mond vormde woorden die ik van verre leek te horen: ‘Je keek naar me… en je deed niets… ’

Een heerlijke dag met een vloedlijn vol krijsende ondoden en een hemel van sidderend noorderlicht : Tais Teng

‘Sin ha’dai Ph’nglui mglw’nafh Cthulhu R’lyeh wgah’nagl fhtagn’:

‘In zijn citadel te R’lyeh ligt Cthulhu niet langer verzonken in diepe doodsdromen.’

: provisorische vertaling door de Chinese Lange Mars IV quantum computer

 

Wat had Jonathan toch een bloedhekel aan het keren van het getij, als de ondode mannen droogvielen en begonnen te krijsen!

Eerst wipten hun kruinen uit het grijze water omhoog, hun lange haar en baarden uitwaaierende kragen van slierend zeewier. Ogen ont­braken uiteraard en de kassen waren gevuld met harige eenden­mossels en zeepokken. Ogen vormden domweg een te smakelijk hapje om te negeren en werden als eerste opgepeuzeld door hongerige wol­hand­krabben en glasaaltjes.

De neuzen volgden, de neusgaten wijd opengesperd en panisch bellen blazend, en uiteindelijk de monden. Zodra de grijze lippen de lucht bereikten, begon die teringherrie. Oorverdovend gekrijs, droevig gejammer, hoogst akelig gesnik.

Misschien waren ze al die tijd al aan het gillen en jammeren, ging het door Jonathan, maar onderwater? En dus onhoorbaar op een vaag geborrel na?

‘Als verdoemde zielen in de hel,’ mompelde zijn broer Eli onveran­derlijk zodra het gekrijs begon, en sloeg een kruis, schielijk gevolgd door het teken van de Koning, Gekleed in Rafelend Geel. Het was niet meer of minder dan de banale waarheid: het waren verdoemde zielen en de Hel vond je hier en nu, zestig jaar na de Terugkeer. Neem de gruwelijke zeetuinen, waar de doden met hun voeten omlaag in het zand waren geplant en weer tot leven gewekt. De dodenakkers reikten helemaal tot de horizon en waarschijnlijk daar ver voorbij. De Oude Goden hadden het blauw uit hemel weggerukt en vervangen door wapperend noorderlicht, dat in klikkende en grommende gordijnen overtrok.

De windmolens van het energiepark tegenover Egmond-aan-zee draaiden nog steeds, maar er waren ferme happen uit hun wieken genomen en wezens die niets met meeuwen of gierzwaluwen gemeen hadden, kleefden hun nesten nu aan de pilaren vast.

 

De twee broers struinden langs de vloedlijn, jutters, die hoopten restjes van de antieke, menselijke technologie uit het aangespoelde wier te plukken. In de ogen van de Oude Goden waren ze waarschijnlijk niet veel beter dan de zeemeeuwen die langs de vloedlijn hopsten. Enkel dieren, fauna, amper intelligent en volkomen onmachtig.

Juwelen glommen tussen het nog steeds vochtige blaasjeswier, kettingen met opalen en robijnen, maskers, gekneed uit een goud zo puur dat je het metaal onder je duim indeukte.

De meeste van die voorwerpen waren domweg aas: zet zo’n onaards masker op en het zou je huid en vlees verslinden en zich aan je schedel vastzuigen. Maar één op de tien maskers zou juist je diepste wens vervullen: de kanker genezen die zich in je lever had vastklauwd, je de kracht van een grizzlybeer geven of zoveel charisma dat iedere krijgsheer de poorten van zijn bunker zou openklappen en je ‘meester’ noemen.

‘Die Mei,’ zei Eli, ‘ik zag wel hoe je naar haar gluurde. Je praatte zelfs met haar!’’

‘Het was enkel wat kletsen. Pure beleefdheid. Niets meer.’ Wat jammer genoeg ook min of meer de waarheid was. Ze hadden maar één keer gekust en ze had hem weggeduwd nadat hij haar hoogstens drie hartslagen had mogen omarmen.

Eli schudde zijn hoofd, klakte met zijn tong. ‘Ze is een heks, Jonathan. Een Chinese heks. Dat kan nooit goed aflopen.’

 

Jonathan herinnerde zich Mei’s aankomst in hun haventje. Hoe ze over de golven liep en haar hielen het water nauwelijks indeukten. De met runen geborduurde waterlaarzen van Mei waren na een week uitge­werkt, maar ze had de dorpelingen duidelijk gemaakt dat ze geen slacht­­offer was, geen machteloze prooi, maar een van de jagers.

De Chinezen hadden het langst doorgevochten tegen de Terugkeer van de Oude Goden, met wapens die steeds vreemder werden, steeds exotischer. Het immense gelaat van de mythische eerste keizer had zich over de hemel uitgesmeerd en een compleet squadron van Mi-Go opgeslokt. Uit noorderlicht geweven feniksen klauwden tentakel­monsters aan flarden. De Chinezen moesten al die eeuwen een voor­raad praktische magie in reserve hebben gehouden of ze waren domweg allemachtig vlotte leerlingen.

Uiteindelijk had het niet gebaat: China was nu een cirkelzee, een immense krater die in het centrum zo’n zeventig mijl diep was. Een bezwering of de supertechnologie van de Oude Goden had China van het aardoppervlak gepeld als de schil van een sinaasappel en haar over de stoffige mares van de maan gedrapeerd. Telescopen toonden nog steeds de intacte torenflats van Beijing en Chengdu, de meanders van de nu waterloze Gele Rivier. Twee weken lang hadden de lichten van een aantal uitzonderlijk taaie overlevenden signalen naar de aarde gestuurd, maar toen waren de industriële lasers toch één voor één uitgeknipt.

‘Geinig,’ zei Eli en plukte een elegant colaflesje uit een berg ver­steen­de kreeften. ‘Moet je zien: er zit nog steeds wat drank in.’ Hij glim­lachte. ‘Overgrootmoeder vertelde me juichende verhalen over de smaak. Als bruisend zonlicht en twee keer zo zoet als honing.’

‘Die moet intussen wel aardig bedorven zijn,’ zei Jonathan. Shit. Had ik die fles maar als eerste gezien. Dit zou een geweldig cadeau voor Mei zijn geweest.

Het glas vervormde, veranderde in een onaards mooi gezichtje.

‘Drink me!’ drong de fles aan met een zoete alt. ‘Drink me en elke vrouw zal naar je kijken met ogen als cowries en je ‘Mijn grote witte haai’ noemen …’

‘Getver!’ Eli slingerde de fles vol walging weg. ‘Mijn grote witte haai! Dagongebroed moet deze fles met hun smerige vinnen bepoteld hebben.’

Jonathan wachtte tot Eli zich over een nieuwe bank wier en geteerde vissersnetten boog, snelde het zand op en stak de fles weg onder zijn overjas.

‘Je houdt van haar,’ zei de stem in zijn hoofd. Het was nog steeds een heerlijk zomerstem, vol bijengezoem en bloesemgeur. ‘Ja, ja? Je kwijlt en siddert van verlangen als je haar vinnen ziet golven. Je wilt haar eieren likken, toch?’

Hij verplaatste de fles totdat het koude glas zijn blote huid niet langer raakte en de stem stopte abrupt. De fles was duidelijk niet bijster bruikbaar als adviseur voor een hunkerende vrijer maar mana was mana. Mei wist vast wel een manier om de magische energie af te tappen en voor wat nuttigers te gebruiken.

 

In de verte rezen de gedraaide torens van R’lyeh op, zoals boven elke horizon. R’lyeh was een wonder: opgetrokken uit parelmoer en zwierend spooklicht. Zilveren hiëroglyfen wervelden boven haar spit­sen, geen seconde hetzelfde maar altijd onbeschrijflijk mooi en intri­gerend.

Het had geen enkele zin om om een zeil te hijsen en in haar richting te varen, wist Jonathan: de transdimensionale stad zou steels terug­wijken en je verder en verder van de kust weglokken.

Mei had hem verteld dat de Arabieren nu een analoge lokstad hadden: Irem van de Duizend Zuilen die het ruisen van watervallen en fonteinen over het hete zand uitstuurde en het tinkelen van ouds en de stemmen van schuwe maagden als aas gebruikte.

‘Het zijn niets dan smerige roofspinnen,’ had Mei hem gewaar­schuwd. ‘Blijf ver van hun webben en luister nooit, nooit naar hun beloften.’

Jonathan stopte ​​en plotseling leek R’lyeh verrassend dichtbij. Bijna dichtbij genoeg om de bladeren van haar fonkelend groene tuinen te onderscheiden, de ijsbloemen op haar getrapte piramides… Hij deed een stap naar voren.

Een klinkende klap in zijn gezicht verbrak de betovering en hij knipperde de tranen weg.

‘Idioot!’ snauwde Eli. ‘Staar R’Lyeh aan en ze kruipt je ogen in. Ze zuigt je hersens leeg tot er geen gedachte meer over is en je mij aan­kijkt met irissen zo bleek als kokkels.’

‘Sorry. Ik…’

‘Weet je hoe die dode mannen in de akkers verzeild raakten, dwaze broer van mij? Waarom ze de zee inliepen tot ze verdronken en er wortels uit hun tenen groeiden? ‘

‘Oh.’

‘Precies. Oh.’

Hij voelde de huivering in de knik van zijn nek beginnen tot zijn hele lichaam schudde en zijn tanden klapperden. Al die ondoden zijn ooit vissers of jutters zoals ik geweest en toen staarden ze gewoon net dat beetje te lang naar de vervloekte stad zonder ook maar één keer met hun ogen te knipperen. Ze zetten een stap het water in, strekten hun handen uit en bleven doorlopen. Bleven doorlopen totdat het grauwe water zich boven hun hoofden sloot en de laatste luchtbel uit hun mond ontsnapte.

 

‘Dood mij,’ mompelde een stem. ‘Maak me alsjeblieft af, please, vermoord me, dood me.’ Waarschijnlijk was die stem er al die tijd geweest, maar te zacht om boven het geruis van de zee te komen.

Een dode man was aangespoeld aan de kust en lag daar, happend naar lucht. Zilverachtige wortels strekten zich nog dieper uit in het water en zouden hem terugtrekken zodra de vloed hem weer had opgeëist.

‘Keel me, alsjeblieft, dood me.’

‘Sorry,’ zei Eli. ‘Je bent dood. Ondood, en geen enkel menselijk mes is scherp genoeg om je wortels door te snijden. ‘

‘Dood me, dood me.’ Hij leek Eli niet te horen, maar plotseling klonk zijn stem krachtiger. ‘Er was eens een geweldige stad hier.’ Een hand wapperde naar het oosten. ‘Amsterdam. I love Amsterdam. Letters zo groot, zo rood. Ik was daar een dealer. Ik heb extasy en sweetwiet ver­kocht. Ik klutste hun hersens tot al het blauw uit de hemel trok en de Goden terugkwamen om mij te straffen. Dood mij en alles wordt weer als vroeger.’

 

Zelfs toen een duin de dode verborgen hield, weerklonk zijn stem nog steeds in Jonathan’s hoofd: een vreemd zangerige stem. Er was daar een geweldige stad. Ik heb extasy en sweetwiet verkocht. Het klonk als een spreuk of een gebed. Hij moet een sjamaan zijn geweest, net als Mei. Tot hij zo stom was te lang naar de horizon te turen.

 

Ze vonden drie glazen drijvers, alle drie een prachtig flessengroen, een handvol van die vreemde witte en gele plastic puzzelstukjes die in elkaar klikten, een roestvrijstalen vork en een zo goed als intact net. Een goede vangst, maar uiteindelijk ging het bijna vreselijk mis.

Er kwam geen waarschuwing: de Mi-Go stond plompverloren voor hen. Zijn gezicht was een gruwel: een klomp bleke, glinsterende schimmel met honderd golvende voelsprieten, handen als de getande klauwen van een kreeft. Zijn vleugels reikten omhoog, op de een of andere manier nog tot voorbij het noorderlicht en bogen toen in een richting af die Jonathans ogen weigerden te volgen.

‘Mensen,’ zei het wezen met een stem die schril was als van een krekel, maar veel, veel luider. ‘Mensen. Ik kan je, jullie voor altijd laten leven. Geef je, jullie het eeuwige leven.’ Hij spreidde zijn armen, een gebaar dat duidelijk was gemodelleerd op een menselijke verkoper. ‘Je zult alle wonderen van het universum zien! Bezoek de oogverblindende zon Algol, die klopt als een gigantenhart! Wandel langs de mistige oevers van Hali, met Aldebaran immens en gonzend in de hemel.’

Een pauze en dan een wijds gebaar. ‘Zie je mijn vleugels? Glinsterend in een dozijn kleuren die je ogen nooit eerder konden zien? Ze vangen de wind die tussen de zwarte gaten waait. De tachyon-deeltjes die tien, twintig keer zo snel als licht voortsnellen. Een half uur vliegen tot de rode ijswereld Eris. Twee uur naar Yuggoth met haar lichtende wolken­banden en haar tollende manen.’

‘Het eeuwige leven!’ snoof Eli. ‘Ik weet precies hoe dat gaat. Je schept onze hersens uit onze schedel en propt ze in een cilinder van oreichalkos en neemt die mee op reis. Gewoon een brein dat al snel kierewiet wordt zonder lichaam.’

‘Je zult allerminst blind zijn. We zorgen voor betere ogen, mens, lenzen die honderd tinten meer dan een mens zien. Kleuren waarmee geen kever zich ooit heeft durven tooien. En er is niets mis met gek worden. Dit is een verbazingwekkend mooi en intens wreed universum dat je het beste kunt zien door de ogen van een waanzinnige.’

‘Nee, sorry,’ zei Eli. ‘We zijn niet overtuigd. We zullen onze gebruike­lijke vijftig jaar blijven leven en dan tevreden in ons graf gaan liggen. ‘

‘Tja, ik zal je, jullie hersens dan maar gewoon oogsten. Het leek mij alleen beleefder om het eerst te vragen. ‘

‘Je oogst niemand.’ Eli deed een stap achteruit en graaide in zijn overjas van zeegras.

‘Een pistool?’ Het wezen kon niet lachen, niet echt, maar hij produ­ceerde een verdienstelijke imitatie van een schaterlach. ‘Zelfs een atoombom zal niet één enkel mycelium van mijn lichaam knakken.’

‘Kijk eens beter.’

‘Welke eedbreker verkocht een miezerige mens een klasse VI wapen? Jullie hadden zoiets nooit zelf kunnen bouwen! ‘

‘Laat me je een hint geven: het heeft een hoofd als een zeester en haat Mi-Go.’ Hij hief het pistool op dat uit rood ijs gesneden leek. Er lag een soort stromend water waas overheen, alsof het maar half in deze wereld stak. ‘Hij vertelde me dat dit pistool slechts één kogel afvuurt, maar instanties van die kogel waaieren uit in alle elf dimensies. Het maakt niet uit hoe exotisch je vlees is, je zult vast wel in een van die dimensies kwetsbaar zijn. ‘

‘Goed,’ zei het wezen. ‘Prima. Leef je ellendige, miezerleventjes uit. Je had wonderen kunnen aanschouwen!’ Een trilling van zijn vleugels tilde hem op tot zijn voeten een handbreedte boven het zand zweefden. ‘Zweet en sleur. Ik zal me je geur herinneren en je kinderen mee­graaien als je straks oud en onmachtig bent. ‘

Een machtige zwiep van zijn vleugels en hij sprong omhoog, kromp tot een stip en versmolt met de aurora.

Eli liet zijn pistool zakken en slaakte een lange, sidderende zucht. ‘Nou, dat werkte verbazingwekkend goed. Ik dacht dat we het haasje waren.’

‘Heeft een van de sterrenrassen je dat wapen echt verkocht? Wat was de prijs. in godesnaam?’

‘Natuurlijk niet. Ik heb er een dood gevonden. Het werd verscheurd, zijn vijf breinknopen uit zijn kristallen schedel gewrikt, zijn sporen­zakken leeggemaakt. Het moet een roedel Shubs zijn geweest. Hun poot­afdrukken waren overal op de open plek en hun geitenstank deed mijn ogen wateren. Hun slachtoffer hield dit pistool echter nog steeds in zijn slappe tentakels.

Het weigerde te vuren toen ik de trekker overhaalde. Een of andere ingebouwde veiligheidspal die je een dimensie hoger moet overhalen, schat ik.’ Hij draaide zich naar de zee en gebaarde met zijn wapen. ‘Donder op! De voorstelling is voorbij!’

Drie hoofden dobberden in de lagune. Een hief een geklauwde hand met zwemvliezen op.

‘Schiet ons niet neer, hooggeëerde mens. We begrijpen nu dat je geen prooi bent. ‘

De hoofden zonken onder het oppervlak en Jonathan zag drie V’s koers zetten naar dieper water.

‘Smerige jakhalzen. Altijd klaar om toe te happen als je op de grond ligt. ‘

‘Ze kunnen uit het water komen? Dat wist ik niet. ‘

‘Ze stommelen het land over en ademen lucht net zo makkelijk als water. Maar ze hebben verderfelijker talenten. Het Dagongebroed kan moeiteloos menselijke feromonen imiteren, weet je. Een vleugje en elke vrouw is maar al te bereid om haar benen voor ze te spreiden.’

‘Die kinderen in Scheveningen! De helft van hen heeft een derde oog. Zwemvliezen tussen hun vingers.’ Plots leek dat vissersdorpje niet meer zo idyllisch. Het was aangeraakt door de Oude Goden, besmet, haar inwoners niet langer menselijk.

‘Kuit en hom uit de diepten,’ zei Eli. ‘Dat is waarom we nooit een meisje of een vrouw op een vissersboot toelaten. Ze komen zwanger terug, met zwijmelsterren in hun ogen. Alleen een sjamaan kan hun verliefdheid breken en daarna zijn ze amper bruikbaar als echtgenote. ‘

 

Aan de rand van het dorp verrees een tiental fetish-masten. Mei en de dorpssjamaan hadden ze volgehangen met de gemummificeerde poten van Dagongebroed, een flard vleugelvlies van een Mi-Go, de kristallen schedel van een lid van Sublieme Ras. Een rij uitgekomen eieren van Lagere Cthulhus voltooide de bezwering. Het zou geen van de Oudere goden buitensluiten, maar de masten stopten het gros van hun aanbidders.

‘Zeg, Eli?’

‘Ja?’

‘Hoe wist je van het pistool? Hoe het werkte? De eigenaar was toch al dood toen je hem vond? ‘

‘Het pistool begon tegen mij te kletsen zodra ik het oppakte. Het ramde een hele handleiding in mijn geheugen en vertelde me dat ik alleen maar ongedierte was en dat het never-nooit-niet voor mij zou afgaan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Alle klasse VI tech apparaten haten stervelingen. Ze denken dat ze te goed voor ons zijn.’

 

Ze brachten hun juttersraapsel naar de loods en de oude Henkelmayer stempelde hun kredietkaarten af met vette sepia-inkt. De kaart was nu goed voor acht warme maaltijden in de Grote Hal, zag Jonathan. Nog drie stempels en hij kon ze inwisselen voor nieuwe laarzen.

‘Dat is alles?’ zei Henkelmayer en keek naar Jonathan op met zijn slimme eksteroogjes.

Jonathan werd zich plotseling akelig bewust het gewicht van de fles. De kilte van het glas straalde dwars door zijn shirt en ondergoed.

‘Dat is alles,’ mompelde hij.

‘Och ja, het is het goede recht van iedere burger om zijn eigen graf te graven. Vertel je meisje dat ze het niet allemaal in één keer moet opdrinken. ‘

Henkelmayer was helderziend, zijn pijnappelklier aangetikt door de Oude Goden, en hij kon buitenaardse technologie ruiken, zelfs als het in drie lagen lood gewikkeld, onderin de mestvaalt verstopt zat.

 

Mei opende haar deur voordat Jonathan kon kloppen en ze was even verblindend mooi als altijd. Neem die prachtig schuine ogen nu, met de dikke wimpers en die lome slaapkameropslag. Dat was ongeveer zo ver als je van een bol schelvisoog kon komen. Haar lieve handen waren klein en beweeglijk, Mei’s haar een zwart glanzende helm, veel korter geknipt dan bij de andere meisjes uit het dorp. Mei rook altijd schoon, een helder parfum gedistilleerd uit zonlicht en bloeiende heide. Als de ochtendwind in je gezicht, met de zon net boven de horizon. In Mei’s gezelschap was iedere dag gloednieuw en veelbelovend.

‘Betreed mijn domicilie,’ sprak ze. ‘Ik begrijp dat je iets voor me hebt?’ Ze had zo’n vreemde, hoogdravende manier van praten, alsof ze haar Nederlands geleerd had uit een woordenboek dat een negen­tiende-eeuwse missionaris in Chengdu achtergelaten had. Soms stopte ze midden in een zin en het was of ze dan razendsnel door die hand­leiding bladerde en met haar vinger langs de woordenlijstjes ging.

Jonathan zette de fles op haar eettafel van gelakt wrakhout.

‘Bij de vloedlijn opgepikt. Het is vers van de springvloed gisteren en het praat. Er zit zelfs nog wat cola in.’ Hij tuitte zijn lippen. ‘Denk je dat het nog drinkbaar is?’’

‘Magie uit de mensentijd. Dat rijpt zoals elke uitstekende wijn, liefste. En dit is authentieke Coca Cola! Geen slappe Pepsi of rare Mecca Cola. Een uiterst krachtig elixer.’ Ze deed een stap naar achteren. ‘Maar laat mij je eerst op een vrouwelijke manier belonen voor je attente gave.’ Ze omhelsde hem, hief haar gezicht op voor een kus.

Haar lippen voelden zacht en meegaand en haar geur werd sterker, sijpelde recht zijn hersenen in.

Ze zweet het seksferomoon. Net als Dagongebroed. Maakt mij verliefd. Hij moest die gedachte hardop uitgesproken hebben, want ze liet hem los, keek hem recht in de ogen. ‘Dat is inderdaad het geval. Vind je het hinderlijk?’

Een hikkende giechel wipte over zijn lippen. ‘Nee helemaal niet. Mei! Kus me alsjeblieft nog een keer. Maak mij horendol!’

‘Het verhoogt het plezier enkel. Is alles. Het laat je niets voelen dat je niet al voelt.’

Ik verkocht extasy en sweetwiet in een stad met rode letters. De zin van de ondode sjamaan dook ineens op. Zou een hoofd vol sweetwiet net zo gevoeld hebben?

Ze pakte zijn handen en legde ze op haar borsten. Ze waren tege­lijker­tijd zacht en stevig en hij voelde haar harde tepels door de zijde. Ze is even hitsig als ik. Het feromoon moet beide kanten uit werken.

Een nieuwe kus, hun tongpunten raakten elkaar en toen duwde ze hem terug. ‘Dat is wel genoeg. Ik ben je vrouw nog niet. ‘

‘Nog niet?’

‘Eerst moeten we ervoor zorgen dat onze kinderen voor altijd veilig blijven. De Mi-Go dreigde dat hij ze zou oogsten. Dat zal ik niet toe­staan, maar om hem het beste te weerstaan, heb ik betere wapens nodig. Klasse VI tech.’ Ze sloot haar ogen. ‘Waar is je broer? Ah, weer in de armen van de bakkersvrouw. Denk er nog eens aan, Eli? Je buit van vanochtend? Mooi. Links, weer rechts. Tweede strandtrap omhoog. Bos. Ik heb het.’

‘Je hebt wat?’

‘De plaats waar Eli zijn kadaver vond. Er zal waarschijnlijk veel meer techtuig over zijn dan enkel dat pistool. Bovendien is elk stukje van zo’n lijk nuttig voor een bezwering. De sterrenrassen zijn allemaal halve machines, vol hogere tech.’

‘Zouden de Shubs zijn spullen niet meegeroofd hebben? Ze namen zijn breinstenen, zijn sporen?’

‘De larven van de Zwarte Geit uit de Eindeloze Wouden blijven de eerste duizend jaar niet veel slimmer dan een kat. Het is niet zoals bij de Mi-Go: superintelligent zodra ze uit het eikapsel kruipen.’

 

Net voorbij de duinen rezen de Nederbergen op, drie kilometer hoge kliffen met een top van blinkende kalksteen en een voetstuk van basalt.

Een van de chaos-goden had ze uit de grond omhoog getrokken, dezelfde nacht dat de maan bloedrood kleurde en in de ruimte weg­tolde.

Het pad slingerde als een weggeworpen springtouw tussen het hoge gras, dat in de oude mensentijd geplant was om de duinen te veranke­ren. Een bos van waaibomen volgde. Ze bogen in een richting die niets te maken had met de heersende winden.

De Terugkeer had hen ongetwijfeld bezoedeld, bedacht Jonathan, en nu voelden ze een andere, spookachtiger wind. Misschien dezelfde storm waarop de Mi-Go laveerden?

Hij likte aan een vinger, hief zijn hand op. Ja, geen zuchtje wind, maar de naalden ritselden, de takken kraakten.

‘Weet je dat de Oude Goden net op tijd terugkeerden?’ zei Mei.

‘Wat bedoel je?’

‘We waren erg druk bezig de aarde en onszelf te vermoorden. Alle dieren en bomen. Het koraal. Grondiger moordenaars dan de Shubs of de Mi-Go.’ Ze spreidde haar armen. ‘Stel je die tijd eens voor, mijn geliefde. Superstormen loeiden aan over de zee en knakten de wolken­krabbers van Dubai als droge rietstengels. En de temperatuur bleef maar stijgen. IJsbergen kalfden af van de Groenlandse gletsjers, smeltend als ijsblokjes in hete chai. Nog een eeuw en de zeeën zouden koken.’

‘Ze hebben bijna alle mensen gedood! Mijn grootmoeder zegt dat wij ooit de hele aarde bestuurden. Miljarden van ons en nu zijn er nog maar een paar miljoen over. ‘

‘Niet overdrijven. Nog minstens een half miljard. En de Mi-Go houden zo van de kou dat ze de poolkappen weer terug laten vriezen. De Gevleugelde Poliepen hebben de op hol geslagen orkanen getemd. Het Dagongebroed en de Lagere Cthulhus hebben de oceaan schoon­gemaakt, de overtollige koolstof uit de lucht gehaald om hun diaman­ten eilanden aan te leggen.’

‘Dus we moeten we ze maar aanbidden?’

‘Dat zou te ver gaan. Het blijven monsters, ongelooflijk wreed. Ze hebben de mentaliteit van een Pol Pot of een Bolsonaro, een Timoer Lenk.’ Ze likte over haar onderlip en probeerde duidelijk de juiste conclusie te formuleren. ‘Ze hebben onze wereld gered, maar de guerilla-oorlog gaat door. Wij mensen zijn als de kakkerlakken, mag ik hopen: onmogelijk uit te roeien, welk gif je ook strooit.’

 

De zon tikte de horizon al aan toen ze eindelijk de open plek met het dode monster bereikten. Vreemd genoeg leek R’lyeh hier dichterbij dan vanaf het strand en er gleden hiërogliefen over de zonsonder­gangs­wolken, als van een arcane lichtkrant.

Een roodbruine zonnestraal deed het lijk glinsteren.

‘Voorzitter Xi zij geprezen!’ joelde Mei. ‘Moet je zien! Minstens een dozijn tech VI amuletten. Dat is meer buitenaards spul dan ik ooit bij elkaar gezien heb!’ Haar ogen straalden. Mei was even gelukkig als een klein meisje dat een drijfhouten pop en een set pas gesmede wind­gongen onder de kerstboom vindt.

‘Scheer je weg,’ raspte een stem. ‘Ze zal naar labyrinten van de diepste stad gebracht worden. Haar zaadkameraden zullen haar ver­slinden, haar substantie terugzingen in het Lied. ‘

Een lid van het Sublieme Ras stond naast een pijnboom, zijn armen een kronkelend nest van slangen. Een van zijn manipulators hield een pistool vast, hetzelfde soort pistool waarmee Eli had staan zwaaien.

‘Ik heb deze spreuk altijd al eens willen gebruiken,’ zei Mei. ‘Het was de laatste formule die onze quantum computer uitrekende.’ Ze hief een amulet van gevlochten glasvezels op en sprak een enkel woord.

Een toon zweefde over de open plek, helder als een glazen xylofoon en een draak kronkelde uit de hemel omlaag. De aanblik vervulde Jonathan met zo’n blij ontzag dat hij vergat te ademen. Stel je de zilveren herfstmaan, die de Oude Goden gestolen hadden, voor en schilder de mist boven een meer met haar stralen. Schoonheid uit pure stilte gehouwen, van hemels evenwicht.

De draak tikte de tentakel met het pistool aan en hun vijand veran­derde onmiddellijk in glas.

‘Het was de beste versie van En ik zag de Draak van de Lente uit het Meer Oprijzen, die onze computers konden berekenen,’ zei Mei. ‘Gedestilleerd uit duizenden gedichten en taoïstische spreuken. Helaas kan een sjamaan het maar één keer gebruiken.’

Onze computers. Ze zei dat alsof ze daar zelf bij was geweest. De Terugkeer vond zestig jaar geleden plaats. Hoe oud is Mei wel ? Nee, stop! Vraag een volwassen vrouw nooit hoe oud ze is.

‘Dat is een verstandig besluit,’ zei Mei. ‘Een vrouw is immers zo jong als ze zich voelt? En jij en ik, samen zullen we nog allemachtig lang jong blijven zijn.’

Ze slenterde naar het kristallen kadaver en raakte het aan. Het brak in tinkelende scherven.

‘Geen spoor van tech VI meer. De draak dronk alles op. Jammer. Ik had dat pistool goed kunnen gebruiken. ‘

‘Ik kan het voor je stelen?’ bood Jonathan aan.

‘Nee, nee. Eli is van je eigen bloed en tussen broers moet het zuiver blijven. Geen Kaïn en Abel gedoe. Ik zal hem een ​​goede prijs voor­stellen. Een aanbod dat hij onmogelijk kan weigeren zoals het oude gezegde luidt.’

‘Zoals?’

‘Hij en Marigold zijn nu al vijf jaar man en vrouw en haar buik blijft plat. Dat is niet helemaal haar schuld. ‘

Jonathan fronste. ‘Mijn broer is steriel? Zoals een muilezel? ‘

‘Een kwart van alle mannen is dat sinds de Terugkeer. Zoiets kan eenvoudig worden verholpen.’ Ze tuitte haar lippen. ‘Hij hoeft me het pistool pas te geven nadat zijn eerste kind is gedoopt.’

 

Er zijn angstdromen die je zo vaak hebt doorleefd dat ze alle kracht verloren hebben.

Toen de Mi-Go op hun binnenplaats verscheen, voelde Jonathan niets, zelfs geen spoor van vrees of ontzetting. Zijn vrouw was de machtigste sjamaan van Talinn tot St. Malo en fel als een veelvraat. Laat het aan Mei over.

Het monster keek het erf rond.

‘Wat een prachtige oogst! Niet minder dan drie kinderen, Jonathan, en je jongste dochter leert al lopen.’ Hij zette een mand vol leigrijze cilinders op. ‘Ik heb Eli’s beide zonen al genomen. De tweede dochter van de bakkersvrouw was van hem en dus plukte ik haar hersens ook maar. ‘

‘Jonathan heeft me over je verteld,’ zei Mei. ‘Je bent ooit met je leven weggekomen. We kunnen beter niet twee keer dezelfde fout maken.’ Ze hief Eli’s pistool op.

De Mi-Go grinnikte en hij moet zijn huiswerk gedaan hebben omdat het allemachtig menselijk klonk.

‘Zijn broer overblufte mij ooit. Ik heb pas later geleerd dat geen enkel mens dat wapen kan ontgrendelen.’

‘Ik ben niet bepaald menselijk,’ zei Mei. ‘Al heel lang niet meer.’ Ze haalde de trekker over.

 

Dit is een heerlijke dag, besloot Jonathan. De beste dag eigenlijk van mijn leven. Mijn kinderen spelen in de tuin, onze zoon duwt de schommel met zijn kleine zusjes, die joelen van de pret.

De stervende Mi-Go lekt bloed uit een gat zo groot als mijn vuist en de hemel stroomt met glorieus noorderlicht. Zelfs de ondode mannen die in de verte jammeren, passen op de een of andere manier in het plaatje. Ja, de meest perfecte dag die men zich maar na de Terugkeer kan wensen.

 

De gele veeg : Johan Klein Haneveld

Hoe vaak moet ik het nou nog zeggen? Ik heb mijn vrouw niet vermoord. Ik houd van haar! Ze is alles voor me. Ik zou haar nooit iets kunnen aandoen.

Ik weet wat jullie denken. Het lichaam op de vloer, de keel open­gesneden, het tapijt doordenkt met bloed. En ik zittend tegen de muur, het zakmes in mijn hand, niet aanspreekbaar. Ik snap hoe het eruitzag. En het DNA-onderzoek zal jullie gelijk geven. Maar jullie moeten me geloven: dat was mijn vrouw niet. Het leek alleen maar heel veel op haar. Wie weet wat er was gebeurd als ik niks had gedaan. Jullie mogen me wel dankbaar zijn!

Ja, ik ben er inderdaad trots op. Ik wou alleen dat ik eerder had geweten dat er iets mis was. Het begon die ochtend, toen mijn vrouw op de deur van mijn atelier klopte. Het was herfst. De regen tekende dunne lijnen op het raam en op de wind zwalkten ziekelijk geel gevlekte bladeren voorbij. Ik ging nogal in mijn werk op, moet ik toegeven. Ik had zelfs mijn koffie koud laten worden. Uiteindelijk kwam ze gewoon naar binnen. Ik schrok ervan. Ja, ik zal toen wat onaardigs hebben gezegd. Maar ik bood direct mijn excuses aan en vroeg wat er was.

‘Wie is Pickman?’ wilde ze weten.

Ik herhaalde de naam. Toen ging bij mij een lichtje branden. ‘Een schilder uit het begin van de twintigste eeuw. Niet heel bekend, maar ik heb over hem gelezen in een oud tijdschrift. Hij hield er aparte ideeën op na over inspiratie. Die kwam volgens hem uit het grote onbekende, dat niet door mensen begrepen kon worden. Als zij dat gebied rationeel wilden benaderen, zouden ze gek worden. Alleen sommige kunstenaars konden de werkelijkheid achter de dingen zien en weergeven. Maar het was geen mooie wereld. Pickmans schilderijen hadden een macabere sfeer, herinner ik me.’ Ik hield mijn hoofd scheef. ‘Ik wist niet dat je zoveel belangstelling had voor obscure kunst­schilders?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Het kan me ook weinig schelen. Ik wilde gewoon weten wie dat schilderij had gemaakt dat je gisteren hebt opgehangen.’

Ik schoof mijn stoel naar achteren. Ik had de vorige dag helemaal geen schilderij opgehangen. En al helemaal niet een van Pickman. Ze moest zich vergissen. Ik gebaarde haar dat ze me de weg moest wijzen. Ze liep voor me uit, de gang door, de trap op, naar onze slaapkamer. Aan de muur, in de schaduw, hing inderdaad een schilderij. Het kwam me niet bekend voor. Een donker gelakt frame omgaf een doek van bescheiden afmetingen. Wat erop was afgebeeld was moeilijk te zeggen. Verschil­lende kleuren bruin, met de suggestie van paars. De penseel­streken waren grof, maar bevatten de suggestie van aan het zicht ont­trokken details. Ik zag muren, een raam. Was het een grot? Een cel? Een kamer? Nu ik wat beter keek kon ik een tweepersoons bed onder­scheiden. De verhoudingen leken alleen net niet te kloppen, alsof je een onmogelijke houding moest aannemen om erin te kunnen liggen. In de hoek rechtsonder stond in beverige witte letters de naam van de maker van het werk: Richard Upton Pickman. Het was alsof een elektrische schok over mijn rug liep. De haren op mijn armen kwamen overeind. Het tochtte niet op de kamer, maar ik zou hebben kunnen zweren van wel. Mijn vrouw had niet gelogen. Ik had echter geen idee hoe ik een schilderij van Pickman in mijn bezit had gekregen. Of hoe het aan de muur terecht was gekomen. Het leek alsof het er altijd al had gehangen.

‘Ik heb het nooit eerder gezien’, zei ik.

Mijn vrouw fronste. ‘Je probeert me voor de gek te houden. Ik vind het geen leuke grap.’

‘Ik meen het!’ Ze had zich echter al omgedraaid en stampvoette de kamer uit. Ik bleef naar het schilderij staan kijken, in weerwil van mezelf gefascineerd, alsof het geheimen bevatte die zich zouden openbaren als ik er maar oog voor had. Die dag schilderde ik niet verder aan mijn eigen werk. Ik zette me achter de computer en las alles wat ik over Pickman kon vinden. Het was niet veel meer dan ik mijn vrouw had verteld. Wel vond ik een lijst van zijn bekende werken, met afbeeldingen erbij. Het schilderij dat bij ons in de kamer ging was er niet bij. Er stond bovendien niemand op geportretteerd, wat bij al zijn andere werken wél het geval was. De handtekening was echter wel ontegenzeggelijk van hem.

Die hele nacht lag ik te woelen. Om de paar minuten keek ik van onder de dekens schuin omhoog naar het schilderij, een zwart vlak tegen het iets lichtere grijs van de muur. Ik kon geen details onderscheiden, maar toch gaf het mij een onrustig gevoel. Naast mij lag ook mijn vrouw te rollen en te kreunen, in de greep van een boze droom, maar zonder wakker te worden.

Ik moet na een tijdje toch in slaap zijn gevallen, want ik werd wakker van de wekker. Het eerste wat ik deed nadat ik was opgestaan, was het schilderij nog eens aandachtig bekijken. Ik hapte naar adem en draaide me om naar het bed. Mijn vrouw wreef juist de slaap uit haar ogen. ‘Wat heb je ermee gedaan?’ schreeuwde ik.

Ze werd bleek. ‘Waarmee?’

Ik wees naar het doek. Iemand had er met een kwast een gele veeg op aangebracht. Het contrast met de achtergrond kon niet groter zijn. Het was echter geen vrolijke kleur geel. Er zat iets van groen in, de suggestie van brokjes, van schilfering. ‘Zat dat er niet altijd al op?’ vroeg mijn vrouw. Ze was naast me gaan staan, haar armen om zich heen geslagen alsof ze het koud had. Haar ogen waren groot. ‘Dat ik dat niet eerder gezien heb. Dat is onze kamer.’

‘Praat geen onzin,’ zei ik scherp, nog steeds ervan overtuigd dat zij het werk had beschadigd. Het stemmetje in mij dat zei dat ze de hele nacht niet uit bed was gekomen, en dat ik het anders wel zou hebben gemerkt, drukte ik hardhandig de kop in.

‘Nee, kijk,’ hield ze vol. ‘Dit is ons dekbed. Hetzelfde streeppatroon. En dit is onze kledingkast. Je ziet de plek waar de verf is afgebladderd.’

Ik boog voorover, tot mijn neus het doek bijna raakte. Was het de vorige dag zo donker geweest dat ik de details over het hoofd had gezien? Was ik teveel afgeleid geweest door de handtekening? Het was inderdaad onze kamer die op het schilderij stond afgebeeld, vervormd als in een lachspiegel, niet zo knus en gezellig als hij in werkelijkheid was, maar verder in alle opzichten gelijk. Zelfs de stapel kunstboeken op het nachtkastje aan mijn kant van het bed was weergegeven. Maar Pickman had aan het begin van de vorige eeuw geleefd, aan de andere kant van de oceaan. Hoe kon hij dan onze kamer hebben geschilderd? En dan was er nog de gele veeg, schokkend en verontrustend, maar, dat wist ik plotseling zeker, wel degelijk deel van het oorspronkelijke werk. Ook al had ik het de vorige dag over het hoofd gezien, het hoorde er helemaal bij. ‘Het is wel heel toevallig’, fluisterde mijn vrouw. ‘Maar ik heb een jurk in precies die kleur!’

Ik begreep even niet wat ze bedoelde. Als ze kleding had die er zo rot, zo misselijkmakend uitzag had ik dat wel geweten. Maar ze graaide in haar kast en haalde een boterbloemgele zomerjurk tevoorschijn. Met het kledingstuk tegen haar borst gedrukt liep ze naar me terug. Ik kneep mijn ogen tot spleetjes, tot het beeld begon te verwateren. Toen zag ik het. Het vrolijke, zonnige geel was alleen de buitenkant. Schone schijn. Daarachter doemden diepere lagen op. Groene tinten, bruine. Tekenen van verval, voor de gewone mens verborgen, maar voor de echte kunstenaar overduidelijk. Dat was vast Pickmans boodschap met zijn werk, de werkelijke natuur blootleggen van wat we geneigd zijn als normaal te beschouwen. Mijn vrouw ontbeerde echter dit inzicht, het vermogen de dingen achter de dingen te zien. Ze keek neer op de jurk die over haar arm hing, een denkrimpel op haar voorhoofd. ‘Het is er niet per se het seizoen voor, maar het zou zonnig worden vandaag. Als ik mijn vest er overheen draag kan het best.’ Haar ogen zochten de mijne. ‘Ik heb het nodig me even wat vrolijker te voelen.’

Ik wuifde haar weg. ‘Doe wat je niet laten kunt.’ Mijn blik ging terug naar het schilderij. Toen ik aan het ontbijt zat, zag ik het nog voor me. De muren, de kast, het bed. Ons bed. Maar was het dat echt? Zo ja, waarom stond die veeg er dan over? Mijn vrouw kuste me op mijn wang en ging het huis uit. Ik denk niet dat ik op haar reageerde. Pickmans doek begon een obsessie voor me te worden. Als ik zijn werk wist te doorgronden, zou ik ook de echte wereld begrijpen, daar was ik van overtuigd. Halverwege de dag ging ik weer naar boven. Mijn hart bonkte in mijn keel terwijl ik de deur van de slaapkamer open deed. Welke openbaring had het schilderij nu weer voor mij in petto?

Ik wist niet hoe ik het over het hoofd had kunnen zien. De veeg was duidelijk de gele jurk van mijn vrouw. Hij leek in de ruimte te zweven, de top rechtop gehouden als op een onzichtbare luchtstroom, terwijl onderaan de zomen rimpelden. Onder de dunne stof zag ik de suggestie van vormen. Bulten en kronkels op plekken waar geen ledematen hoorden te zitten. Was dat vocht dat kringen vormde? Ik kon het niet goed zien. Wat ik wel wist, was dat ik mijn vrouw nooit met de gele jurk het huis uit had mogen laten gaan. Het kledingstuk was niet wat het leek. Het kon niets goeds voor haar in petto hebben.

Er kwam die middag natuurlijk niks meer uit mijn handen. Ik zat op het randje van de stoel in de woonkamer en pulkte met het puntje van mijn zakmes de rouwrandjes onder mijn nagels vandaan. Ik stopte er pas mee toen mijn vingers bloedden. Mijn ogen hield ik ondertussen strak gericht op de deur. Voor mijn geestesoog zag ik telkens weer de pervers kronkelende jurk, alsof de afbeelding zich op de binnenkant van mijn oogleden had gekopieerd.

Toen ik de voetstappen van mijn vrouw hoorde op de oprit sprong ik overeind. Ik had de deur geopend voor ze haar sleutel in het slot kon steken. Ze deinsde achteruit, haar gezicht bleek. Iets in mij bracht haar in een defensieve houding. Ik schudde het van mij af als een hond die uit de sloot komt. Ze mocht best bang van me wezen, als ze maar deed wat ik van haar vroeg. Later zou ze me ervoor bedanken. Ze wilde aan me voorbij glippen, maar ik strekte mijn hand uit. Mijn vingers sloten zich om haar bovenarm. Ze kreunde. Met haar andere hand sloeg ze tegen mijn schouder. Het maakte niet uit. Ik trok haar mee de trap op, naar de slaapkamer. ‘Je moet je omkleden,’ zei ik ondertussen. Mijn stem kraakte als een stoffige langspeelplaat. ‘Die jurk moet uit.’

‘Je kon ook gewoon zeggen dat je hem niet mooi vond.’

Ik duwde haar naar binnen. Wees naar het schilderij. Ze slikte. Keek omlaag en richtte haar blik dan opnieuw op het doek. ‘Dat is bijzonder,’ merkte ze vervolgens op, bewonderenswaardig kalm. ‘Maar ik snap je probleem niet. Hij is gewoon erg goed getroffen. Pickman kon het dus wel.’

Nu was het mijn beurt om me te verbazen. Met de jurk op het schilderij was niks aan de hand. Ik keek naar mijn vrouw. Het was de hare die niet langer helder geel was. Die in de plooien en de schaduwen groene aders leek te verbergen. Die huiverde en beefde alsof de stof een eigen leven leidde. Het kledingstuk hoorde duidelijk niet thuis in onze wereld, het straalde pure boosaardigheid uit.

Ik wilde mijn vrouw net opnieuw toeroepen dat ze zich moest omkleden toen ze haar hoofd in de richting van het schilderij bewoog. ‘Wie is dat? Degene die mijn jurk draagt? Ze ziet er niet echt gezond uit, vind je niet?’

Ik had de schildering even uit het oog verloren. Nu viel het me opeens op dat de jurk niet langer los in de ruimte zweefde, maar over de schouders hing van een vrouw. Althans, ik meende dat het dat moest voorstellen. Helemaal menselijk was de figuur namelijk niet te noemen. Ten eerste was ze bleek als was, met ingevallen wangen en grote donkere ogen. Achter haar pupillen krioelden witte wormen. De groene aderen op haar armen pulseerden en haar kapsel was een rottende berg zeewier. Wie weet wat daaronder schuilging. Dat monster te zien in de jurk van mijn vrouw was bijna te veel om te verdragen. Vloeken, waarvan ik onmogelijk kon zeggen waar ik ze had opgepikt, rolden over mijn tong. Pickman was geen genie. Hij was een monster! Er was niks goeds aan de man. Hij had dit allemaal geschapen om mij te kwellen. Ik knarsetandde van woede.

‘Gaat alles goed met je?’ De stem van mijn vrouw leek van ver te komen. ‘Je gedraagt je zo vreemd! Ik snap echt niet wat je zo van streek heeft gemaakt!’

Zag ze het dan echt niet? Het vreselijke gedrocht? Ik dwong mezelf het opnieuw in me op te nemen. Het was alsof ik een emmer koud water over me heen kreeg. Het was nu duidelijk dat de figuur op het schilderij mijn vrouw voorstelde. Pickman had haar precies goed getroffen. Haar slanke figuur, haar elegante ledematen, haar ovale gezicht met de lachende roze lippen en de smalle band sproetjes over de neus. Haar twinkelende ogen en haar golvende bruine haren. Ze was het helemaal. Haar aanwezigheid leek het schilderij te vullen, alsof onze kamer een dansvloer was en ze wachtte op de eerste tonen van de muziek. Ik slikte.

‘Schat,’ klonk het van achter mij. ‘Kom met me mee. Laat me je verwennen. Het zou je goed doen.’

Het was niet langer de stem van mijn vrouw en al voor ik me omdraaide wist ik wat ik zou zien. Een wassen masker met gaten op de plek van de ogen, en daarin bewegende beesten. Ik kon maar één ding doen. Ik pakte mijn mes en stootte het in de keel van mijn vijand.

Nu weten jullie hoe het gegaan is. Ik kan het bewijzen. Het schilderij. Jullie hoeven alleen maar de ouderdom ervan te laten bepalen. Hoe bedoel je: er hangt niets in onze slaapkamer? Er zit zelfs geen spijker in de muur? Ik heb het toch zelf gezien? Je denkt toch niet dat ik zoiets kan verzinnen? Ik ben toch niet gek?

Voor het ongeluk geboren : Wouter van Gorp

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? De strepen? Niet alleen de witte en gele lijnen die de weg volgen in iedere kromming, over iedere heuvel in het dorre landschap, maar ook de stroperige strepen teer die over het wegdek liggen en de illusie wekken dat dit stralend voorbeeld van de Amerikaanse open road onderhouden wordt?

Je waant je zeker veilig op deze weg, gelooft dat het een getemd beest is, een gemak, een hulpmiddel om met je Buicks en Chevy’s overheen te scheren en de mijlen asfalt onder je banden voorbij te zien vliegen.

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

Waarom ik dit weet? Je kunt zeggen dat ik er beroepshalve achter ben gekomen. Ik ken de weg, ik bereis haar, en ik let op. En eens in de zoveel tijd zijn mijn vaardigheden nodig.

Want net als iedere god, is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit, en op bloed.

En dan komen wij in het spel.

 

Nevada, 1978

 

Op de WC achterin de All Day Burger werd Ramscaps vermoeden bevestigd.

‘Shit! Shit, shit, dubbelshit!’

Hij zat op zijn knieën voor het toilet, zijn ellebogen rustend op het kunststof deksel. Om hem heen lagen stukken gereedschap en de onderdelen van de gedemonteerde stortbak. In zijn in latex gehulde handen hield hij de resten van wat ooit zijn prooi was geweest.

‘Shit…’

Het lichaam, dat als een waterig vlies haar oorspronkelijke vorm snel begon te verliezen, leek Ramscap vanuit een uitgelopen gezicht grijnzend aan te staren. Ramscap herkende de gelaatstrekken maar al te goed. Tot dit moment waren het de gelaatstrekken geweest van het wezen – niet de man, hoe verleidelijk het ook was om dat woord te gebruiken – dat hij dwars door de staat opjaagde.

Maar die gelaatstrekken gingen hem niet meer helpen zijn prooi te herkennen.

‘Twee uur,’ mompelde Ramscap, terwijl hij met zijn vingers over de blubberige massa van het gezicht streek en zag hoe de huid in klonters losliet. ‘Twee uur geleden. Het spoor is nog vers.’

‘Wat zeg je allemaal?’ riep de man uit het hokje naast hem. ‘Gaat ‘ie goed daar?’

Ramscap verspilde geen tijd. Snel stak hij de waterige resten terug in de stortbak – die zouden daar geheel oplossen – en schroefde de WC weer in elkaar. Nog geen minuut later liep hij door het familie­restaurant naar buiten. Een jong stel keek toe hoe de grote inheemse Amerikaan met donder in zijn ogen door het restaurant beende en de gele handschoenen van zijn handen pelde. De handschoenen belandden in de prullenbak, maar het stel keek er niet van op.

Dit was de open weg. Hier bemoeide men zich met zijn eigen zaken.

Dat kwam Ramscap goed uit.

‘Ramscap hier,’ sprak hij even later door de portofoon van zijn roestrode pick-up. ‘Ik ben bij de All Day.’

‘Bonafide hier,’ kwam het krakerige antwoord. ‘Doelwit gesignaleerd?’

‘Negatief. Doelwit heeft huls achtergelaten. Twee uur geleden. Huidige vorm onbekend.’

‘Shit… Is ‘ie nog daar?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Negatief.’ Hij keek naar de weg, die oost-west door het verlaten landschap sneed. ‘Wat ligt er in het oosten?’

Over de portofoon klonk het geritsel van kaarten. ‘Een knooppunt, na 70 mijl. Door naar Fort Jumpter in het oosten, Gennaro in het zuiden. Noordwaarts naar…’

‘Niet noordwaarts,’ onderbrak Ramscap zijn partner. ‘De afgelopen dagen hield hij steevast het zuiden aan.’

‘Juist. Oost of zuid, dus. Welke neem jij?’

‘Oost. Neem contact op zodra je hem ziet.’ Ramscap was even stil. ‘Dit wordt een grote, Bona. Ik voel het.’

‘Laten we hopen dat je het mis hebt.’

Inderdaad, dacht Ramscap, terwijl hij zijn pick-up met grommende geluiden weer de weg op loodste. Laten we het hopen, voor alle reizigers van Amerika.

 

*

 

Susan Bravado kreeg weinig medeleven van de oude pompbediende.

‘Luister,’ zei ze met op elkaar geklemde kaken. ‘Ik ben m’n creditcard kwijtgeraakt. En nee, ik weet niet waar dat is gebeurd. Kan goed tweehonderd mijl geleden zijn geweest. En nee, ik kan niet terug om te gaan zoeken, want ik heb geen benzine. En die benzine kan ik niet kopen, ik heb geen creditcard. Maar ik moet naar Gennaro, want… ’

‘Geen betaling, geen benzine,’ onderbrak de pompbediende haar. In zijn gegroefde gelaat was geen greintje emotie te bespeuren. ‘Als we iedere bedelaar met een zielig verhaal benzine moesten geven, hadden we aan het einde van de dag niets over.’

‘Hier!’ Susan sloeg een paar verfrommelde biljetten – het schamel restant van haar financiën – op de toonbank.  Haar horloge volgde. ‘En deze! Bok op met je ‘bedelaar’! Ik moet naar Gennaro, dus als je m’n schoenen ook nog wil hebben, prima, maar geef me die verdomde brandstof!’

De oude man bekeek het horloge kalmpjes. ‘Die kunnen we niet aannemen. Cash of creditcard, staat duidelijk op de deur.’

Hij wees naar de glazen deur, die net op dat moment met een irritant vrolijk geklingel openging. Een tanige vrouw met donker geverfd haar en spijkerjack – Susan schatte haar eind 50 – stapte het tankstation binnen.

‘Middag,’ zei ze. ‘Dat is jouw Buick buiten? Sorry, maar je blokkeert de pomp.’

‘Mevrouw kan niet betalen,’ zei de pompbediende droogjes.

‘Creditcard kwijt,’ mompelde Susan.

‘Hmm… welke kant ga je op?’

‘Gennaro. Hoezo?’

‘Mevrouw gaat helemaal nergens heen, want mevrouw kan de benzine niet…’

‘Ja, dat was me al duidelijk, dank je,’ onderbrak de tanige vrouw de pompbediende. Susan voelde haar waardering voor de vreemde groeien. ‘Oké, luister,’ de vrouw richtte zich nu tot Susan, met een verontschuldigende glimlach. ‘Ik moet ook naar Gennaro, of eigenlijk nog iets daarvoor. Mijn auto vertoont echter wat kuren, en ik riskeer het liever niet om midden op de weg stil te komen staan met pech.’

‘U kunt hier een garage bellen,’ probeerde de pompbediende behulpzaam te zijn, maar de vrouw wuifde zijn suggestie weg.

‘Er is haast bij, zie je. Een bruiloft. Nichtje van me. Wat nou als ik je benzine betaal, en jij mij een lift geeft?’

‘Naar Gennaro?’

‘Red Brook. Klein gehucht, net een paar mijl voor Gennaro. Hoeveel heb je nodig?’

‘Ehmm… 20 dollar moet genoeg zijn, maar ik… oh… wauw…’ Susan knipperde met haar ogen toen de vrouw een paar biljetten op de toonbank legde. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dankjewel.’

‘Breng me naar Red Brook. Dat is hoe je me bedankt.’ De vrouw grijnsde, en stak haar hand uit. Susan nam die gretig aan. ‘Susan Bravado,’ zei ze.

‘Dani,’ antwoordde de vrouw. ‘Dani Ransom.’

 

*

 

Enkele mijlen voorbij het knooppunt hield Ramscap halt bij een uitzichtpunt: een langgerekte vlakte bezaaid met picknicktafels, aan de ene kant begrensd door de doorgaande weg, aan de andere kant door een afgrond.

Waarom hij stopte, kon hij niet goed verklaren. Iedere rationele gedachte in zijn hoofd vertelde hem dat hij dóór moest rijden, haast moest maken, als hij hoopte zijn prooi nog in te halen. Toch bracht zijn instinct hem ertoe te stoppen bij het uitzichtpunt. In de afgelopen decennia had Ramscap geleerd naar zijn instinct te luisteren.

Er was slechts één andere auto, vast van de familie rondom een pick­nicktafel. Ramscap parkeerde zijn pick-up op een afstandje en liep naar een informatiebord. Terwijl hij deed alsof hij zich inlas over de flora en fauna die op de vlaktes beneden hem te zien zouden moeten zijn, zocht hij met geoefende blik de parkeerplaats af. Wat hij zocht? Iets dat kon verklaren waarom zijn instinct zo op hol was geslagen.

Daar: bandensporen. De stank bereikte zijn neusgaten een fractie van een seconde later.

Wat hebben we hier?

Er had overduidelijk een auto gestaan, nog niet zo lang geleden. En die auto was met volle vaart weggescheurd, gezien hoe diep de banden­sporen in de droge aarde stonden. Maar dat was niet wat Ramscap zo interessant vond.

‘Oh, verdomme…’

Voorzichtig daalde de man af aan de andere kant van het uitzichtpunt, waar de parkeerplaats eindigde in een dichtbegroeide helling naar beneden. Anderhalve meter lager lag het: een tweede huls, droger en beter bewaard dan de vorige.

Slechts door jarenlange ervaring en gehardheid wist Ramscap te voorkomen dat hij zijn maag leegde bij het zien van de slaphangende huid, uitgevallen haren en uitgelopen oogballen van de jongen.

Nog geen achttien jaar oud, dacht Ramscap, en hij liet een grom ontsnappen. Een jongen op reis, het Amerikaanse avontuur in. Gereduceerd tot een hol karkas door een wezen dat zijn moordlust niet kan beteugelen.

Nog een meter of tien lager zag Ramscap in het struikgewas een motor liggen. Hij ploeterde er naartoe, zichzelf aan stronken en stenen vasthoudend om niet door de vegetatie het ravijn in te struikelen.

Halverwege moest hij stoppen. Een hoestbui overviel hem, en aan het einde ervan moest hij bloed van zijn lippen vegen.

Niet eens de eerste keer deze week, dacht hij weemoedig. Hoe lang nog? Een jaar? Zes maanden? Minder?

Hij zette de gedachte van zich af. Denken aan sterven kon altijd nog: nu was er werk aan de winkel. Hij hervatte zijn afdaling naar het achtergelaten vervoersmiddel.

De motor leek nog te werken, maar droeg duidelijke sporen van geweld: deuken, krassen, verbogen metaal. In zijn hoofd probeerde Ramscap de tijdlijn te reconstrueren.

Het wezen kwam hier, in de vorm van een jongen op een motor. Hij ontmoette een nieuw slachtoffer en nam diens vorm aan. Een tweede metamorfose in zeer korte tijd… waarom?

‘Omdat hij weet dat we hem opjagen.’

Ja, dat paste. Het wezen kwam uit het westen, en was tot voorbij het knooppunt gereden. Daar had het zich een nieuwe gedaante en een nieuw vervoersmiddel aangemeten. Om terug te gaan naar het knooppunt, en de achtervolging af te schudden. Door naar het zuiden te gaan.

Goed dat we met z’n tweeën zijn.

Ramscap ploeterde weer omhoog. Op de parkeerplaats, half verborgen onder opgespat grind, vond hij het rijbewijs, ongetwijfeld aan het nieuwste slachtoffer ontsnapt tijdens zijn worsteling met het wezen.

‘Yes.’

Dank voor je slordigheid. Nu heb je een naam en een gezicht, kreng. En als je maar lang genoeg in deze gedaante blijft, vinden Bonafide en ik je wel.

Ramscap klom verder omhoog, de parkeerplaats op, en hervatte de jacht. Op ene Dani Ransom.

 

*

 

‘Donker haar, eind vijftig, zo lang?’

Bernard Bonafide hield zijn vlakke hand op schouderhoogte, om de zuur ogende man aan de andere kant van de toonbank een idee te geven van de vrouw die hij zocht. ‘Heb je haar gezien?’

De pompbediende haalde zijn schouders op. ‘Ik zie zoveel klanten. Kan het allemaal niet meer bijhouden.’

Bernard trok een wenkbrauw op en keek veelbetekenend door de winkel. Naast een oud vrouwtje dat door een gangpad schuifelde, hoorbaar op zoek naar melk (‘Melk, melk,’ mompelde ze) en hijzelf waren er geen klanten in het tankstation. Bonafide vermoedde dat dat hier de norm was, ongeacht het tijdstip.

‘Toch zou ik het waarderen als je tenminste probeerde je deze vrouw te herinneren.’ Bonafide glimlachte, en liet een biljet over de toonbank glijden. ‘Ik zou het zeer waarderen.’

De pompbediende knikte, en nam het biljet aan. ‘Een vrouw,’ zei hij. ‘Lang, donker haar? Midden vijftig?’

‘Eind vijftig.’

‘Ja, ik herinner me haar.’

‘En?’

‘En wat?’

‘En wat kun je over haar vertellen?’

‘Waarom zou ik je iets over haar vertellen?’

Bonafide staarde hem aan. ‘Luister vriend, volgens mij weet je niet helemaal hoe onze economie werkt. Ik heb je net een tientje toegeschoven. Vervolgens vertel jij me alles wat je weet.’

‘Nee, jij hebt net een tientje verspild. En ik heb je vraag beantwoord. Anders nog iets?’

Bernard ‘Bonafide’ Jenkins was een grote, aimabele man. Met zijn lange, brede postuur en vriendelijke, open gezicht leek hij op je favoriete oom of sympathieke football coach. Iemand met wie je een paar blikken bier achterover kunt slaan, die alles weet van auto’s en de sportcompetities, die met een vriendelijke lach en een knipoog door het leven gaat. Niet iemand die bijzonder gevaarlijk is.

Bonafide verraste mensen.

Met een vliegensvlugge beweging trok hij de pompbediende over de toonbank naar zich toe. De pompbediende haalde paniekerig uit, maar Bonafide weerde de klap af, sloeg de hand van de pompbediende neer.

‘Oké, luister goed…’

‘Grgh-’

‘Zeer eloquent. Luister! Ik kan nog heel wat meer druk toepassen als ik wil, dus is het aan jou om me te overtuigen dat niet te doen. Ik stelde je wat vragen, en ik verwacht antwoord te krijgen. Normaal gesproken ben ik wat vriendelijker, wat geduldiger in mijn ondervragingen, maar de tijd staat me niet toe mijn joviale zelf te zijn. Er staan levens op het spel, levens die ik probeer te redden, en daar ga jij met je zure kop niet tussenkomen. Comprende?’

De zure kop knikte.

‘Mooi. Dan vraag ik het nog een keer: wat weet je over die vrouw? Wanneer was ze hier? Wat wilde ze? Met wie sprak ze? Waar is ze nu?’

‘Ik ehm… ze kwam hier… twintig – dertig? – dertig minuten geleden. Autopech.’

Bonafide keek over zijn schouder naar de parkeerplaats.

‘Staat haar wagen er nog?’

De pompbediende knikte, voor zover Bonafide dat toestond .’De beige Chrysler.’

‘Wat is er mis mee?’

‘Geen idee. Ze- ze wilde geen garage bellen. Ging mee met een vrouw. Een jongedame, zonder geld voor benzine. Zij schoot voor. Zeg, kun je misschien iets…’

‘Ze ging met haar mee? Kende ze haar?’

De man schudde van niet. ‘Een lift, in ruil voor benzine.’

‘Waarheen?’

‘Ehm…’

Bonafide voerde de druk op.

‘Gennaro! Red Brook!’

‘Gennaro Red Brook?’

‘Red Brook, net voor Gennaro. Ten zuiden van hier.’

‘En de vrouw die haar meenam?’

‘Sarah? Nee, Susan. Geloof ik. Jong, begin twintig. Blond. Arrogante houding van hier tot Tokyo. Lichtblauwe Buick.’

‘Perfect.’ Bonafide liet de man los, wachtte tot die overeind kwam, en klopte vervolgens diens schouders af. ‘Zo, was dat nu zo moeilijk?’

De pompbediende zei niets.

‘Ik ga die auto bekijken,’ deelde Bonafide mee, ‘en jij blijft hier je klanten bedienen. Mocht ik nog meer vragen bedenken, dan kom ik weer even binnenwippen. Wellicht dat een volgende ondervraging wat soepeler kan verlopen?’

Wederom geen reactie.

Bonafide stak glimlachend zijn duim omhoog en beende de winkel uit.

De Chrysler zei hem weinig: een tamelijk nieuw model, maar veel gebruikt en slecht onderhouden, met een kofferbak vol lappendekens, een dennengeur-luchtverfrisser aan de achteruitkijkspiegel en een half-leeggegeten zakje chips in het dashboardkastje. Memorabilia van de arme vrouw die ooit deze auto bestuurd had. Over het wezen dat nu haar lichaam bewoonde vertelden de objecten echter weinig.

Eén blik onder de motorkap en Bonafide wist genoeg. Dat het de auto geheel ontbrak aan enige vorm van autopech. En, bovendien, aan een huls.

‘Verdomme Ramscap, ze is weer gewisseld. Niet van gedaante, maar van vervoer. Over.’

Bonafide zat nu in zijn eigen wagen, een groen-en-witte Lincoln Continental. Vanuit de voorruit hield hij de winkel in de gaten, en dan met name de zuurpruim van een pompbediende. Hij leek Bonafide wel het type om de politie te bellen en te klagen over agressief gedrag van zijn klanten.

‘Wat bedoel je, van vervoer? Over.’

‘Ze heeft haar bak achtergelaten, zogenaamd vanwege pech. Maar met de auto lijkt niets mis. In plaats daarvan rijdt ze nu met een jonge vrouw mee, ene Susan, die haar een lift aanbood in ruil voor benzinegeld. Over.’

‘Een lift? Geen wissel?’

Bonafide knikte. ‘Het lijkt erop dat de twee samen onderweg zijn, zuidwaarts. Plaatsje genaamd Red Brook.’

Aan de andere kant bleef het stil. ‘Ramscap?’

‘Dus hij neemt twee keer, in korte tijd, een nieuwe gedaante aan. Hij weet dat we ‘m op de hielen zitten. En toch wisselt hij niet van richting. Oh, godver…’

‘Wat is er?’

‘Hij wisselt niet van richting, omdat het dáár gaat gebeuren. In Red Brook. En wat hij ook op de planning heeft staan, het zal een heel stuk spectaculairder zijn dan het ombrengen van individuele reizigers.’

‘Oké,’ Bonafide greep naar de sleutel in het contact. ‘Naar Red Brook, wat daar dan ook…’

Tik, tik, tik.

De oude vrouw uit het tankstation. Bonafide wilde al zeggen dat hij geen melk voor haar had, maar iets in haar blik hield hem tegen. ‘Mevrouw? Kan ik u helpen?’

‘Ik hoorde je met die vriendelijke pompbediende praten’ – ze leek niet sarcastisch – ‘en ik hoorde dat je naar iemand op zoek bent? In Red Brook?’

Bonafide knikte. ‘De vrouw naar wie ik vroeg, heeft u haar gezien?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Maar ik weet waar ze heengaan. De enige reden waarom er ooit iemand naar Red Brook gaat.’

Ze boog voorover, en bood Bonafide uitzicht op haar gelige grijns. ‘Ken je Big Cans?’

 

*

 

Big Cans was een van Amerika’s vele roadside attractions. Met zo’n naam trok de plaats nogal eens groepen hormonale jongeren, die er vervol­gens achter kwamen dat de ‘Cans’ eerder letterlijk dan meta­forisch bedoeld waren.

Een kaartje kostte drie dollar vijftig, en bij die prijs zat niet alleen inbegrepen dat je rondom de enorme blikken Blue Ribbon, Kool-Aid en Budweiser mocht lopen, maar ook dat je middels een wenteltrap om de hoogste van de blikken, een vijfendertig meter hoge cilinder met ‘Coca-Cola’ erop, omhoog kon klauteren, om vervolgens via het lipje op het dak af te dalen naar Amerika’s enige – beweerde men bij Big Cans althans – blikkenmuseum.

De meeste bezoekers brachten maar korte tijd door in het museum – een collectie van feiten en foto’s en kilometers stoffige blikjes – en gaven er de voorkeur aan de met parasols beschutte grasmat bovenop het colablik te bezetten voor een picknick met uitzicht over de woestijn.

Big Cans moest het, zoals alle attracties langs de Amerikaanse highways, met name hebben van die doortrekkende gezinnen, veelal onderweg van en naar een vakantiebestemming. Het gros van de jaarlijkse bezoekers was in de afgelopen maanden al langsgekomen, maar op deze zaterdagmiddag in september bleken er nog genoeg nomaden binnen te druppelen. Vanaf het dak van het colablik steeg het rumoer op van vaders en moeders en hun voor een half uur geamuseerde kroost.

Om half vier ‘s middags reed Dani Ransom de oprijlaan van Big Cans op in een blauwe Buick. Haar zonnebril verhulde een blauw oog, maar niet de grijns waarmee ze de kassamedewerker begroette.

‘Kaartje voor één, alstublieft.’

 

*

 

‘Drie dollar vijftig,’ gromde Ramscap, ‘voor deze onzin.’

‘De Amerikaanse spirit, makker,’ zei Bonafide. ‘Houdt de economische motor gesmeerd.’

‘Hé, als Jim en Judy Suburb hun kleine rakkers willen verblijden met een close-up kennismaking met een product dat ze evengoed in de koelkast kunnen vinden, prima, maar ik ben twee nullen verwijderd van faillissement. Ik betaal liever niet meer dan nodig voor het privilege een Budweiserblik te beklimmen.’

Dat was het probleem met het opsporen van nachtmerries die rechtstreeks ontsproten waren uit de genius loci van Amerikaanse wegen: de overgrote meerderheid van de bevolking geloofde er geen snars van. En zelfs degenen die dat wel deden, hadden er zelden een financiële bijdrage voor over.

‘Vader Ignatius heeft misschien geld voor ons,’ opperde Bonafide.

‘Vader Ignatius is belast met vijf parochies, en geen daarvan verkeert in goede financiële staat.’

‘Dan wordt het misschien weer tijd voor wat… creatief lenen?’

Ramscap lachte en klopte zijn kompaan op de schouder. ‘Eens een oplichter, altijd een oplichter, nietwaar? Maar we verspillen onze tijd. We moeten onze prooi zoeken.’

‘Je weet zeker dat ze hier is?’

‘Ze is hier geweest, dat voel ik. En ik voel dat het hier gaat gebeuren. Dit is de plek van het offer.’

‘Maar wie dan?’ Bonafide keek om zich heen naar de aluminium cilinders. ‘En hoe? Een wegmerrie kiest zijn slachtoffers doorgaans op de weg zelf, en offert ze door middel van een ongeluk. Hoe zie je dat hier gebeuren?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Dat weet ik niet. Maar het is geen toeval dat het deze locatie gekozen heeft. Zoveel mensen bij elkaar… de wegmerrie is uit op een massaal offer, dat kan niet anders.’

‘Bovenop de Big Can?’

De indiaan knikte. ‘Een terras, met maar één toegang. Als er ergens iets gaat gebeuren dan is het daar.’

‘Ik denk,’ zei Bonafide, ‘dat we van het uitzicht moeten gaan genieten.’

 

*

 

Zeke Ordnance moest toegeven dat het uitzicht vanaf het grootste colablikje ter wereld niet tegenviel.

Hij doelde daarbij niet op de dorre woestijngrond die aan alle kanten om het afgesloten terrein heen lag. Hij kende mooiere plekken van de woestijn, en mooiere plekken om ze te bekijken.

Nee, het was hem meer te doen om de jonge moeders die op het circulair terras van een dagje uit met hun gezin genoten.

Vijf maanden deze zelfde saaie route dacht hij, en onderweg nauwelijks ergens een scharrel om op te pikken. Als ik nog lang droogsta, word ik gillend gek. Een van de moeders in zijn vizier boog voorover om iets uit een koeltas te pakken, en Zeke zuchtte gefrustreerd toen twee mannen voor zijn blikveld liepen en het zicht op het in spijkerstof gehulde achterwerk blokkeerden.

Een indiaan en een cowboy, dacht hij, terwijl hij de mannen met een frons bekeek. Wat krijgen we nu, de middagshow?

Zijn aandacht voor de twee vreemdelingen werd echter tenietgedaan door het piepen van zijn digitaal horloge. De timer die hij gezet had – een half uurtje, precies genoeg om wat te roken, te pissen en van het uitzicht op de Big Cans te genieten – liet hem weten dat het tijd werd zijn truck weer op te zoeken.

Net zoals de vorige keren dat hij de Cans bezocht, had Zeke zijn truck – een Ford Tank Truck, tot de nok toe gevuld met diesel – even buiten het terrein moeten parkeren. Het wandelingetje heen en weer vond hij echter een prima gelegenheid om zijn benen te strekken.

Met een boer kwam Zeke van zijn bankje, en tikte het alarm van zijn horloge uit. Met een laatste weemoedige blik in de rondte nam hij afscheid van het vrouwelijk schoon. Om zijn ogen tenslotte te laten rusten op de bekende vormen van zijn Ford tankwagen.

Die in volle vaart op de Big Cans afreed.

‘Hé!’

 

*

 

Hangend aan een koord, vijf meter boven de vloer van de circulaire bioscoop op de begane grond van het Big Cans museum, maakte Susan Bravado inventaris van haar ongeluk.

Eerst krijg ik te horen dat de baan een dag eerder begint, en moet ik vijfhonderd mijl in één dag zien af te leggen. Boven haar maakte het touw een krakend geluid. Natuurlijk vergeet ik mijn portemonnee in het motel, en moet ik bedelen om benzine. Gelukkig is er een vriendelijke mevrouw die wel benzine wil betalen, als ik haar een lift geef. En wat is er op tegen om een aardige mevrouw een lift te geven?

Een steek ging door haar nek en schouder, het resultaat van achtereenvolgens buiten bewustzijn geschopt worden, opgevouwen in een kofferbak liggen, en aan je armen aan een touw aan het plafond opgehangen worden.

Natuurlijk bleek die aardige mevrouw helemaal niet zo aardig, en nu moet ik die inschattingsfout bekopen met, jawel, dood door verveling.

Ze hing er al een halfuur, en haar armen werden gevoelloos door haar eigen gewicht. De  verlammende angst die ze oorspronkelijk had gevoeld toen ze bungelend wakker was geworden, was onder het gebrek aan gebeurtenissen vervaagd tot rationele angst, vervolgens onrust, en had ten slotte geheel plaatsgemaakt voor andere emoties. Frustratie, honger, zelfs slaperigheid.

Aanvankelijk had ze nog hoop gehad dat een verdwaalde bezoeker van het museum haar zou zien hangen. Door de continu herhalende 10-minuten durende film over de historie van blik – jawel, blik – die achter haar op het grote scherm geprojecteerd werd, wist Susan dat het museum open was. Maar toch kwam er niemand. Had de vrouw, die Dani Ransom, de deuren gesloten? En waar was zij eigenlijk? Susan had al meerdere rondes aan het koord gedraaid om de hele bioscoopzaal rond te kijken. Steeds ontbrak ieder spoor van de vrouw die haar gekneveld had.

Er kwam geen hulp, en erom roepen was door de lap stof in haar mond geen optie. Dus kon ze alleen maar wachten tot de vrouw terugkwam, om haar in reepjes te snijden of wat dan ook. Of… ze kon het heft in eigen handen nemen.

Het duurde even, en de zwaaiende bewegingen pijnigden haar polsen, maar uiteindelijk wist ze haar rechtervoet naar haar handen te tillen en een stiletto uit haar laars te vissen. Ik had hem moeten slijpen, dacht ze chagrijnig bij het zien van het uitgeklapte lemmet. Met zorgvuldige bewegingen begon ze het botte mes over het stugge touw te schrapen.

Ze had al een paar taaie vezels door toen de tankwagen met veel bombarie het museum binnenreed.

 

*

 

KRANG!

Een schok ging door het stalen complex heen, en nog voor het gebouw stopte met schudden, stonden de eerste ramptoeristen over de reling naar beneden te turen.

Er klonk een KNAL, een doffe woef, en het geschreeuw begon.

‘Brand! Brand!’

‘Een truck staat in de fik!’

‘Bel de politie!’

‘We moeten hier weg!’

‘Oh, verdomme,’ gromde Ramscap, die naast zijn kameraad over de reling naar beneden staarde en zag hoe de tankwagen zich het colablik in had geboord. En begon te branden. Ramscap wees. ‘Precies door de wenteltrap, zie je? Wordt een knap lastig karwei om daar naar beneden te gaan.’

Bonafide trok een grimas. ‘De wegmerrie… kolere, Ramscap, ze heeft ons in een val gelokt!’

‘Ons en nog vele anderen. Het lijkt erop dat we deel gaan uitmaken van haar massaoffer.’

Ze keken om zich heen. Het nieuws dat het terras bovenop het blik niet bepaald veilig meer was, had inmiddels iedereen bereikt. Een stormloop op de wenteltrap was begonnen.

‘Die dwazen gaan er halverwege achter komen dat de weg omlaag geblokkeerd is,’ kreunde Bonafide, en beende over het terras. Hij keek het trappengat in, naar de toegang tot het museum. Enkele onder­nemende zielen stonden al aan de dubbele deuren te trekken.

‘Die heeft ze ook geblokkeerd.’ De lijvige Texaan schudde zijn hoofd. ‘Maar dat maakt niet uit, want die truck blokkeert beneden ook de nooduitgang. We zitten vast.’

Diezelfde conclusie had ook de mensen bereikt die via de wenteltrap naar beneden waren gestoven. Kreten van paniek stegen langs de snel opwarmende wanden van het blik op.

Ramscap hurkte, en uit zijn rugzak haalde hij een opgerold stuk touw. ‘Ik denk dat we dit wel kunnen gebruiken, wat jij?’

 

*

 

‘Kom op, vorm een rij!’

‘Kinderen eerst, dan vrouwen…’

‘Hé, wat zeggen we net? Achteruit, kerel!’

‘Doorlopen, niet blijven hangen!’

‘Mevrouw, loodst u die kinderen hiervandaan?’

Langzaam begon er orde te komen in een chaotische situatie. Bonafide was als eerste langs het touw omlaag gegleden, zo laag op de wenteltrap als de brandende truck toeliet. Ramscap bleef boven en herinnerde iedereen vriendelijk aan de regels. Eén man had voor willen dringen en keek nu met een bloedneus toe hoe Ramscap samen met enkele ouders de kinderen naar beneden hielp.

‘Naar beneden, laat jezelf losmaken, en loop naar dat blikje Kool-Aid,’ herhaalde Ramscap zijn instructies voor de tiende keer, voordat hij het kind naar beneden liet.

Het voltallige personeel van het Big Cans-museum – een puistige puber en een vrouw van middelbare leeftijd – waren aan komen snellen met een tweede rol touw, en even boven Ramscap waren twee vaders bezig om er een tweede reddingslijn mee te knopen.

Maar toch… de truck brandde door, en er steeg angstwekkend veel rook omhoog uit de wagen en de begane grond van het blikken­museum.

Ramscap dacht er niet graag aan wat er zou gebeuren als de tankwagen ineens tot ontploffing zou komen.

‘Kom op!’ snauwde hij naar beneden. ‘Meer touw!’

 

*

 

‘Verdomme,’ hijgde Bonafide, ‘die kan ik wel weggooien.’

Ramscap keek naar de hoed van zijn kameraad: doordrenkt met zweet en geblakerd door roet. ‘Ga ermee rond langs de overlevenden,’ stelde hij voor. ‘Wellicht zamel je genoeg in voor een nieuw exemplaar.’

‘Grapjas,’ morde Bonafide. Evenwel verscheen er een tevreden glimlach op zijn gezicht bij het zien van de drommen mensen die nu door de medewerkers het terrein af werden geloodst.

‘Het is ons gelukt.’ De woorden ontsnapten aan Ramscaps lippen, ietwat ongelovig. ‘De wegmerrie zit daarbinnen, wij buiten. Geen slachtoffers, en wij kijken toe hoe het zichzelf uitbrandt.’

Bonafide knikte. Drie seconden lang staarden de twee mannen in vriendschappelijke stilte naar het vergaan van Biggest Can.

In die drie seconden maakten hun gezichtsuitdrukkingen exact dezelfde transformaties door: van een tevreden glimlach via een bedachtzame blik naar een verwarde frons en, tenslotte, naar een geschrokken grimas.

Ze keken elkaar aan.

‘De andere vrouw!’

‘Susan!’

Ze keken weer naar het brandende blik, en zeiden, in koor, ‘Verdomme!’

 

*

 

Als ik mijn portemonnee niet kwijt was geraakt, dacht Susan Bravado, bungelend in de bittere rook, was ik nooit in de klauwen van dit wicht terechtgekomen.

Het wicht in kwestie zat nu ergens in de rokerige ruimte. Zodra de truck met geweld door de muur geramd kwam, had Susan gezien hoe de gedaante van Dani Ransom uit de gehavende cabine kroop. Daarna was ze de vrouw even uit het oog verloren, totdat ze zag hoe ze bovenin de lichtinstallaties klauterde, deels verhuld door de rook. Een vreemd, sissend geluid ontsnapte aan de vrouw toen ze oogcontact maakte met Susan, en haar ontblote tanden leken te klein, te puntig om die van een mens te zijn. Susan had gehuiverd en haar ogen afgewend.

Hallucinaties, dacht ze, terwijl ze in de kringelende rook aan het koord deinde. Angst. Je beeldt je dingen in.

Inmiddels likten de vlammen gretig in het rond, en al wat ze raakten stond binnen luttele seconden  in brand. De eerste vlammen liepen al omhoog naar het plafond, en het schijnsel van de film die achter Susans rug nog steeds doordramde over het belang van goed uitgelijnde bliksnijders wierp een vreemde, witgrijze waas over de rokerige vlammenzee.

Susan had gehoopt dat een losgeslagen vlam inmiddels haar koord wel had doorgebrand, maar in dat opzicht liet het vuur haar in de steek. Bovendien zou ze dan nog steeds vijf meter naar beneden vallen, tussen de gloeiende stoelen, om het – slechts gewapend met haar botte mes – tegen de verrassend sterke Dani Ransom op te nemen. Een andere kans op ontsnapping leek er echter niet te zijn.

Wacht tot ze afgeleid is. En dan snijd je de laatste strengen door.

Een snauwend, snerpend geluid klonk vanaf de vloer. Susan keek angstig naar beneden, en verwachtte ieder moment de doorgedraaide liftster op haar af te zien springen.

Maar naar het bleek had Dani Ransom andere zaken aan haar hoofd.

Perfect, dacht Susan, en hervatte het snijwerk.

 

*

 

Door de rook dook Bonafide naar binnen, het blik in, met een juten zak in zijn rechterhand. De rook prikte in zijn ogen en de vlammen zorgden voor een bijna ondraaglijke hitte.

Dit houd ik niet lang vol. Zodra hij voorbij de truck was geschuifeld, cirkelde hij langs de muur aan de rechterkant, waar de vlammen om de een of andere reden minder huis hielden, op zoek naar een plek waar hij enigszins door de rook heen kon kijken.

De vrouw vinden bleek niet zo moeilijk: een blonde vrouw in spijkerjack bungelde aan haar polsen op vier, vijf meter hoogte.

‘SUSAN!’ riep Bonafide, en hij wist dat hij daarmee de aandacht van een geheel ander wezen zou trekken.

‘Leid haar af,’ had Ramscap gezegd, terwijl hij buiten het blik zijn ritueel met geoefende bewegingen opstartte. ‘Leid haar af, maar laat je niet grijpen. Als het te gevaarlijk wordt, kom je naar buiten.’

‘Naar buiten? En de vrouw dan?’

‘Daar bekommer ik me wel om.’

Bonafide schudde zijn hoofd. Als Ramscap geheimzinnig deed, wist je dat hij iets ging uithalen waar je het principieel mee oneens was. Helaas had Bonafide geen tijd om te bedenken wat.

Het sissende geluid kwam van rechts. Bonafide draaide snel, maar niet snel genoeg. De klap trof hem in de borst en hij viel achterover op een van de harde houten bioscoopstoelen.

Ze zat recht voor hem, balancerend op de rand van een stoel, haar knieën opgetrokken als een groteske waterspuwer.

Dani Ransom had weinig menselijks meer: haar haren hingen als donkere gordijnen aan weerszijden van haar verlengde gelaat, en de tanden in haar grijns waren te klein, te vlijmscherp om die van een mens te zijn. Bonafide wist dat ze, als ze sprak, een tweede rij tanden zou onthullen, nog kleiner, nog scherper dan de eerste.

Haar ogen waren echter het ergst. Putten in haar gelaat, met daarachter donkere vlekken waar een constante beweging in zat. Asfalt dat onder je wielen voorbij raast.

Die groteske parodieën op ogen keken Bonafide aan. ‘Wel, wel,’ gromde het wezen. ‘Bemoeial nummer één.’

‘Ik kom een vriendin van me ophalen’, zei Bonafide kalm, terwijl zijn vingers de rand van zijn juten zak vonden. ‘Jong, blond, bungelt aan een touw?’

De wegmerrie grijnsde, en een straal amberkleurige vloeistof liep over haar kin naar beneden. ‘Een vriendin? Mijn offer, zul je bedoelen. Dus je doorzag m’n list? Slim, maar nu heb je er alleen voor gezorgd dat ik een medicijnman aan mijn prijs mag toevoegen.’

Ze denkt dat ik Ramscap ben, besefte Bonafide. Perfect.

Het wezen boog zich over hem heen, en Bonafide kon de teer in haar adem ruiken. ‘Een kans om me van de bemoeizuchtige medicijnman te ontdoen… en me ervan te verzekeren dat mijn soortgenoten voortaan ongestoord hun gang kunnen gaan…’

Bonafide hield de zak voor zich uit, één hand erin gestoken.

De wegmerrie trok haar wenkbrauw op. ‘Wat dacht je daarmee te doen? Een gebed uitspreken? Me met een zandtekening uitbannen?’

‘Ik dacht aan iets efficiënters,’ zei Bonafide.

BLAM!

De metalen hagel reet de juten zak uiteen, en een wolk hagel onttrok de achterover gevallen wegmerrie aan het zicht. Bonafide stond op en klauterde over de stoelen voor hem, terwijl hij de shotgun met afgezaagde loop uit de doorzeefde zak trok.

Waar is ze?

Het wezen sprong van links, krijsend, maaiend met haar armen. Bonafide richtte zich grommend tot het monster.

Ramscap, waar blijf je met je ritueel?

 

*

 

Ze was te laat. Dat besefte Susan, hangend in de rook, toen ze de hoestbuien niet meer tegen kon houden. Haar lichaam leek op automatische reacties over te gaan, en haar gedachten werden traag en verward. Onder haar was een gevecht bezig. Geschreeuw. Schoten. Iets over een offer. Het leek allemaal onbelangrijk.

Adem de rook in, leek een deel van haar geest te suggereren. Laat het toe.

‘Bok op,’ gromde ze. Of wilde ze grommen. Het kwam eruit als een astmatisch gerochel.

Nee? Nog geen zin om op te geven? Mooi zo.

Vreemd. Dát was niet haar stem.

Inderdaad. De mannenstem lachte, warm en diep. Ik ben op bezoek. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.

‘Ik ijl,’ mompelde Susan door de lap stof. ‘Misschien ben ik al dood.’

Nog niet. Maar lang zal het niet meer duren.

Van boven kwam een krakend, kreunend geluid. Het plafond, besefte ze.

Tenzij, zei de warme stem, je precies doet wat ik zeg.

 

*

 

Bonafide verloor bloed uit drie afzonderlijke wonden. Eén ervan zou zijn dood worden, als hij er niet snel iets aan deed. Hij voelde er weinig van.

Jezus, ze is sterk!

De wegmerrie haalde opnieuw uit, een backhand met rechts, en Bonafide kon niet op tijd uitwijken. ‘Oef!’

Zijn schouder voelde verdoofd, en hij kreeg het wapen nauwelijks opgetild. Steeds verder dreef de wegmerrie hem achteruit, richting de brandende truck, en Bonafide kon weinig meer doen dan de zwiepende klauwen proberen te ontwijken.

Als die verdomde Ramscap niet heel snel…

‘Bonafide! Nu, terug!’

Perfect. Hij manoeuvreerde de shotgun tussen zichzelf en de naderende wegmerrie, wachtte tot haar groteske gedaante dichtbij genoeg was, en vuurde zijn laatste patroon.

BLAM!

Met een klap werd de wegmerrie teruggedreven, en Bonafide zag goedkeurend toe hoe haar borstkas in repen huid en vlees naar beneden hing. Het wezen zou er niet aan doodgaan, maar het voelde goed om het tenminste zoveel mogelijk te pijnigen voor wat ze wilde doen.

‘Daarvoor,’ siste de wegmerrie, terwijl ze overeind krabbelde, ‘ga ik je je eigen testikels voeren, medicijnman.’

‘Sorry,’ hijgde hij. ‘Ik probeer te lijnen. Doktersadvies’

Hij graaide in zijn binnenzak en gooide een stungranaat de vlammen in die achter de wegmerrie dansten.

Toen de flits afnam en de wegmerrie zich met suizende oren begon te oriënteren, was er van Bonafide geen spoor meer te bekennen.

Ze snauwde, en richtte zich op de uitgang.

 

*

 

Nu, Susan Bravado!

Ze opende haar ogen in kleermakerszit, op een kleed in – dit was het verbazingwekkendst – de schone buitenlucht. De man had haar verteld wat er zou gebeuren. Toch bleek ze er slecht op voorbereid.

Vanuit het enorme blik voor haar, waar de brandende truck door­heen was geramd, klonk een ijzingwekkende schreeuw.

Dani Ransom, dacht Susan verbeten, en ze kwam in beweging. Ze greep de twee potten voor haar, aarde en zout, en zag de tekening die de man in het zand gemaakt had: een weergave van het blik, met cirkels eromheen om het kwaad in te sluiten. Er ontbrak slechts nog een handvol korrels in beide cirkels. Precies de ruimte die de medicijnman nodig had gehad om Susan naar buiten te halen.

Susan nam een greep zout in haar linkerhand, aarde in haar rechter. En sloot de cirkels.

‘Daar, teef.’

 

*

 

Bonafide strompelde naar buiten, gebukt om onder de vlammen door te komen die vanuit de truck omhoog sloegen. Zijn rechterbeen werkte niet mee, en tot tweemaal toe viel hij voorover in het zand.

Overeind, Bernard. Die wegmerrie wacht niet!

Achter zich haar hij haar gegil, woedend, moordlustig. Waarom had ze hem nog niet gegrepen?

Een gedaante dook voor hem op uit de rook. Ramscap?

‘Ze… komt… eraan,’ hijgde hij, voordat hij ineen stortte.

De gedaante boog zich over hem heen, en hij voelde hoe twee slanke armen hem overeind hielpen.

‘Nee,’ zei de jonge vrouw. ‘Ze komt er helemaal niet aan.’

En Bonafide wist wat Ramscap gedaan had. ‘Godverdomme,’ gromde hij, en vocht tegen de tranen.

 

*

 

De wegmerrie beukte tegen de ijle lucht, keer op keer, maar de onzichtbare barrière hield het monster tegen.

De medicijnman heeft de cirkel gesloten, besefte het wezen. Hij heeft zichzelf gered, en de vrouw aan haar lot overgelaten!

Het diepe gelach achter haar klonk gemeen, bijtend.

De wegmerrie nam drie stappen terug, en sprong. Ze klampte zich vast aan de gedaante die bungelde in het vuur, in de rook. De gedaante die twee koppen groter en vele kilo’s zwaarder was geworden.

‘Dwaas!’ siste de wegmerrie de man toe. ‘Dacht je mij te dwarsbomen, door met haar van plaats te wisselen? Denk je dat het mij uitmaakt wie ik in mijn web heb?’

Ramscaps grijns was verbeten van de pijn en de hitte, maar het was een grijns.

‘Ik denk dat dat wel degelijk uitmaakt. Je zit hier, gevangen in je eigen val. En je wordt afgesloten van de donkere geest die je op onze aarde liet verschijnen.’

‘Idioot, je kunt me niet tegenhouden! Ik ben Tijd, ik ben Vooruitgang! Ik ben de Zwarte Vlam die de Zon zal Verschroeien!’

‘Nee, jij bent degene die zonder offer zal sterven.’

Haar ogen verwijdden zich. ‘Dan gebruik ik jou als offer!’

‘Zo werkt het niet.’ Zijn stem klonk zacht. ‘Een offer, vrijwillig gegeven, is altijd krachtiger dan een offer dat simpelweg wordt genomen. Maar dat is iets wat jij nooit zult begrijpen.’ Ramscap glimlachte en sloot zijn ogen. ‘Mijn ziel zal zich naar de Grote Geest verheffen. Maar jou, jou staat het Niets te wachten.’

De wegmerrie gilde, een ijzingwekkende schreeuw waarin al haar woede, frustratie, machteloosheid en angst verweven waren.

En toen kwam het dak naar beneden.

 

*

 

Bonafide moest het Susan Bravado nageven: ze pikte de terminologie snel op.

‘En iedere keer als zo’n… wegmerrie… zich manifesteert, houden jullie het tegen?’

‘Niet iedere keer.’ Bonafide zuchtte. ‘Meestal is een wegmerrie maar enkele uren in onze wereld. Dan klampt ze zich vast aan een mens, of een machine, en veroorzaakt ze een ongeluk. Grofweg tien procent van alle dodelijke ongelukken op de weg,’ voegde Bonafide er na een slok whisky aan toe. Het verband om zijn schouder trok en hij grimaste van de pijn. Hij was er slecht aan toe, maar hij zou het overleven. Dankzij Susan.

De vrouw had hem overeind getrokken nadat hij half buiten bewustzijn door het bloedverlies het blik uit was gestrompeld. Ze had hem in haar auto geholpen, en was met hem naar het dichtstbijzijnde motel gereden. Daar had ze hem geholpen zijn wonden schoon te maken en te verbinden.

Ze waren niet blijven wachten bij het brandende blik, om van de brandweer te horen te krijgen dat er in de smeulende resten het stoffelijk overschot van een Indiaanse man was aangetroffen.

Bonafide wist zo ook wel dat zijn vriend er niet meer was.

‘Maar als een wegmerrie meer dan een dag of twee in fysieke gedaante in onze wereld blijft,’ ging Bonafide verder, met schorre stem, ‘dan weten we dat het iets groots van plan is. Een massaal ongeluk. Een brand. Iets waar veel slachtoffers bij vallen. En dan kunnen we, als we geluk hebben, ingrijpen.’

Susan keek naar het glas in haar ingezwachtelde handen. Ze schonk zichzelf bij.

‘Een wegmerrie,’ zei ze. ‘Een monster dat opduikt, op bloed belust. En dat kan overal gebeuren…’

‘Overal waar wegen zijn,’ zei Bonafide zachtjes.

Ze keek hem aan. ‘Waarom? Hoe kan dit gebeuren?’

‘Waarom?’ de grote man snoof. ‘Omdat we het ernaar gemaakt hebben. Dat zei Ramscap altijd. We temden een land vol geesten, en verwisselden de tipi’s voor steen en staal. We maakten een netwerk van teer en asfalt en drukten de geest van het land weg. We verafgoodden de kooi die we van het land gemaakt hadden: billboards, motels, auto’s… alles in dienst van de Highway. Symbool van Amerikaanse vrijheid, van mogelijkheden.’

‘Ramscap…’ Susan haalde diep adem. ‘Je partner… offerde zich op. Voor mij. Als ik niet…’

‘Mijn vriend,’ onderbrak Bonafide haar, ‘maakte zijn eigen keuze. Een keuze die hij niet anders had kunnen maken, simpelweg door wie hij was. En jij en ik hoeven ons daar allebei niet schuldig om te voelen, mevrouw Bravado. Dat zou een belediging zijn aan zijn nagedachtenis. Denk je niet?’

Susan keek weg. De tranen brandden in haar ooghoeken. Ze knikte.

‘Goed,’ Bonafide klonk nu vriendelijker. ‘Hij wilde dat je bleef leven, dus leef. Dat is de beste manier om hem te bedanken.’ Hij zuchtte. ‘Maar ik zal hem missen. Godverdomme, wat zal ik hem missen.’

‘Wat… wat ga je nu doen?’

‘Eerst naar Mexico. Er is daar een pater die ons… die mij weer op m’n benen kan krijgen. Wat rust, wat geld, en dan opnieuw op pad. Op monsterjacht.’

Susan viel stil. Ze dacht aan de vrouw met de levendige ogen, die haar zo gemakkelijk bedrogen had. Aan hoe ze in een kofferbak was gesmeten, hoe ze was opgehangen als een stuk vlees.

Miljoenen kilometers wegen in Amerika. Vol Susans. Vol mannen, vrouwen, kinderen, nietsvermoedend op weg.

Met niemand om ze te beschermen.

‘Naar Mexico, uitrusten, dan op jacht… Klinkt goed,’ zei ze. Ze keek Bonafide in de ogen.

‘Oh nee,’ zei hij. ‘Nee, nee, nee.’

‘Ramscap offerde zich op, zodat ik kon leven, nietwaar?’

‘Dat is niet wat ik…’

‘En de beste manier om hem te bedanken is door dat leven volop te leven, zoals ik dat wil?’

‘Ja, maar…

‘Dus zat ik zo te denken,’ zei Susan, met bliksem in haar ogen. ‘Dat ik het niemand gun dat die klootzakken hen van de weg plukken voor hun zieke spelletjes, zoals ze dat met mij deden. En je kunt me proberen tegen te houden, of je kunt me leren wat Ramscap jou leerde. Wat denk je dat hij gewild zou hebben?’

Bonafide hield haar blik lange tijd vast.

‘Ik denk,’ zei hij, en eindelijk brak een glimlach door, ‘dat jij het in je hebt om net zo’n rotzak te worden als hij.’

Hij overhandigde haar de fles whisky. Ze nam hem grijnzend aan. ‘Dus,’ vroeg ze, ‘wanneer beginnen we?’

 

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? Waan je jezelf er veilig?

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

En net als iedere god en iedere demon is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit.

En dan komen wij in het spel.

Vaaltgieren : Tom Thys

Je moet weten dat de jaren negentig niet mild waren voor bepaalde Antwerpse wijken. Wij leefden in een vergeten stukje van de stad, in het middelste van drie flatgebouwen. De Silvertopblokken, zo werden ze genoemd. Drie sombere monolieten die naar de wolken klommen, opge­trokken uit grijze steen waarin ontelbare venstertjes geborduurd waren. Achter die venstertjes loerde doffe ellende. Het was alsof al het uitschot en alle armoezaaiers van Antwerpen er in ballingschap leefden. Ondanks hun pogingen om vooruit te komen in het leven, zonken ze steeds dieper weg in het moeras van hun eigen tristesse. Dat effect hadden de Silvertopblokken nu eenmaal op hun inwoners.

Roy en ik waren twee van de honderden bannelingen. Met z’n vijftien jaar was Roy twee jaar ouder dan ik. Hij was mijn beste vriend. Hij lispelde, maar ik trok zo vaak met hem op dat het mij niet meer opviel. Het grootste deel van onze tijd brachten we door in de afvalruimte, onderaan het flatgebouw waar we beiden woonden. Echt slecht hadden we het niet. Tenminste, we maakten er het beste van en hadden eigenlijk geen flauw benul van de ernst van sommige situaties. Er wordt vaak gezegd dat kinderen heel flexibel zijn, dat ze zich moeiteloos aanpassen aan hun omgeving, hoe naar die soms ook is. Ik geloof dat dit ook voor ons gold.

De gebeurtenis die ik met jullie wil delen speelde zich af op een oktoberdag in 1994. De lucht was één grote, grijze deken die onop­houdend motregen over de mistroostige woontorens bloedde. Het soort weer dat je tussen de vier muren van je veel te kleine flat dwong, gekluisterd aan je veel te kleine televisiescherm, tenzij je een depressie had en je jezelf nog meer wilde kastijden door naar buiten te gaan.

Roy en ik zaten in de afvalruimte, beschut tegen de regen en de gierende wind. We hadden besloten om die dag te spijbelen. Onze moeders zouden er niets van merken. Zoals gewoonlijk was die van mij vroeg uit de veren om tegen een hongerloon te gaan poetsen bij wel­gestelde gezinnen. Die van Roy zat thuis, high van de kalmeer­middelen. Onze moeders hadden geen man die hen het leven wat gemakkelijker maakte, geen man die hen af en toe mee uit eten nam of een nekmassage gaf of erop toekeek dat hun zonen niet op het verkeerde pad geraakten. Ze stonden er helemaal alleen voor. In feite was hun leven om zeep. Het enige wat ze nog wilden, was een toekomst voor hun kinderen.

De afvalruimte was een donker hok dat zich op de beneden­verdieping van het flatgebouw bevond. Het was tamelijk groot. Van de buitenkant leek het op een garagebox voor kleine vrachtwagens. Er was een zware, ijzeren poort en in die poort zat een deurtje. Hoewel het deurtje altijd open was, kwam er bijna nooit iemand. Als je alleen wilde zijn, om welke reden dan ook, dan was de afvalruimte de ideale plaats. Aan de stank raakte je na verloop van tijd wel gewend.

In de ruimte stonden verschil­lende ijzeren containers die uitpuilden van het vuilnis. Vaak werd er ook illegaal afval gestort. Tapijten, beeldbuis­schermen, dat soort dingen. Het kroonjuweel van dat stinkende hol was de stortkoker, die centraal uit het plafond kwam. Vanbinnen smerig en vanbuiten grauw glimmend in de paarse gloed van flikkerende tl-lampen.

Roy zat onderuitgezakt op de tegelvloer met zijn rug tegen een vuilnis­zak die hij naar de iele vorm van zijn lichaam had gekneed. Hij speelde op zijn Game Boy. De aanstekelijke melodie van Tetris galmde tussen mijn oren en ik kon het niet laten om mee te neuriën. ‘Hou daar mee op,’ siste Roy. Hij was verschrikkelijk goed in dat spel en het zou lang duren voor ik aan de beurt kwam. Ik hoopte hem af te leiden, maar zag aan zijn gezicht dat hij erg nukkig was, dus liet ik hem met rust.

Uit verveling deed ik wat ik wel vaker deed: ik ging in de vuilnis­containers op zoek naar verborgen schatten. Negenennegentig procent van wat de flatbewoners in de stortkoker dumpten, was smerig afval: luiers, beschimmelde etensresten, de inhoud van een asbak, condooms en bebloede tampons.

Ik klom op een van de containers en boog over de rand, boven het vuil. Ik was me bewust van de gevaren. Het was een broeinest van bacteriën. Als je wonden in je vingers had, kon je maar beter niet in aanraking komen met die plakkerige troep. Gore ziektes lagen daar voor het oprapen. Wroeten in het afval was gevaarlijk omdat je zomaar in een heroïnenaald kon graaien. Bovendien drong de rottingsgeur je neusgaten binnen zodat je bijna moest braken. Maar soms, heel soms, stootte je op een schat. Een afgedankt G.I. Joe poppetje, een pakje sigaretten dat op het eerste gezicht leeg was, maar waar bij nader inzien nog één sigaret in zat, of pornoblaadjes. Ooit kwam er zelfs een versleten dildo naar beneden gevallen. We probeerden te gissen wie de eigenares was en waren het er al snel over eens dat hij aan Wendy toebehoorde, een hoertje dat op de zesde verdieping woonde.

Ook deze keer was mijn schattenjacht een klein succes. ‘Kijk wat ik gevonden heb!’ riep ik. Trots toonde ik Roy een flesje modelbouwlijm. We wisten allebei wat dat betekende.

Roy zette de Game Boy uit. Onmiddellijk zag ik die hongerige blik in zijn ogen. Hij stond op, haalde een zakdoek uit zijn broekzak en gebaarde me dat ik hem de lijm moest geven. Dat deed ik. Roy hield het flesje tegen het licht en bestudeerde het etiket. Hij mompelde iets. Aan zijn gezicht te zien was hij opgetogen over mijn vondst. ‘Kom,’ zei hij.

Roy hurkte en legde de zakdoek over zijn knie. Hij vouwde hem dubbel en herhaalde die handeling. Daarna opende hij het flesje. Het was niet groot, maar van uitstekende kwaliteit. Ik kende het merk: Revell was de max. Het was niet alleen geschikt voor het lijmen van plastic vliegtuig­onderdeeltjes. Roy keurde het goedje met zijn neus en sloot zijn ogen. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij. Hij liet mij ook ruiken. Ik hield van die typische geur van chemicaliën, scherp en zoet tegelijkertijd. Voor­zichtig goot Roy een deel van het flesje leeg in de zakdoek. Vervolgens drukte hij hem tegen zijn neus en ademde zo lang en diep in, dat zijn ogen wegdraaiden en hij begon te wankelen. Hij ging weer tegen de vuilniszak zitten en begon zachtjes te kreunen.

‘Kom naast me zitten,’ murmelde hij even later.

Ik aarzelde. Meestal was Roy niet zo’n aangenaam gezelschap wanneer zijn roes uitgewerkt was. Hij kon dan heel chagrijnig worden, vijandig zelfs. Maar toen hij me bij mijn pols naar beneden trok, kon ik niet anders. Hij bevochtigde de zakdoek en gaf hem aan mij. Ik gaf me over aan de chemicaliën en zakte nog wat meer onderuit, tussen het vuilnis. Mijn hoofd begon al snel te bonzen en ik kreeg het gevoel alsof ik op een draaimolen zat. Met een troebele blik staarde ik naar de stortkoker, die gaapte als de ontstoken keel van een prehistorisch monster. Af en toe viel er wat rommel uit de schacht.

De high duurde ongeveer een kwartier. Roy was als eerste weer helder. Met mijn ogen nog steeds gesloten hoorde ik hem zachtjes hijgen. Ik luisterde naar het geritsel van de plastic vuilniszakken toen hij zich bewoog, een warm, geruststellend geluid. Er ging een rits open. Roy pakte mijn hand en begeleidde me naar zijn kruis. Zijn pik was hard en Roy kreunde toen mijn koude vingers het beroerden.

‘Verdorie, Roy.’ Ik trok mijn hand weg. ‘Laat me even met rust.’ Op zich had ik er niets op tegen om Roy af te trekken, maar ik wilde nog genieten van dat dromerige gevoel.

‘Ik wil het nu,’ gromde hij. Opnieuw greep hij mijn hand. Zijn nagels haalden mijn vlees open en ik siste van de pijn. Mijn ogen sprongen open. Als wraak trok ik aan zijn schaamhaar. Roy schrok en brulde het uit. ‘Klootzak, waarom doe je dat?’ Zijn stem weergalmde tussen de vieze tegelmuren. Hij gaf me een stomp op mijn neus waardoor ik nog meer onderuitzakte. Onmiddellijk proefde ik bloed in mijn mond. Ik spuugde een fluim op de grond en schreeuwde hem toe dat hij een waardeloze vriend was. Toch gaf ik hem zijn zin, deels uit angst, deels uit medelijden.

Zijn stemmingswisselingen had Roy overgehouden aan de mysterieuze verdwijning van zijn jongere broertje Andy. Dat was ongeveer anderhalf jaar geleden gebeurd. Roy had het zichtbaar moeilijk om het trauma te verwerken, ook al praatte hij er nooit over. Andy was zes toen hij verdween. Met zijn drieën waren we aan het ronddolen in de buurt, zoals we altijd deden. Het was zomervakantie. We slenterden over de speeltuin die eigenlijk geen speeltuin was, maar eerder een kerkhof van vernielde houten skeletten in een niemandsland. Ik herinner me nog hoe de loodzware hitte van die dag oploste in de rukwinden van een nakende storm. Ik hield van die typische geur.

We hadden meerdere schuilplaatsen tegen de regen: de afvalruimte of de ondergrondse parkeergarage waar tieners skateten en drugs gebruik­ten. Maar in die tijd verstopten we ons ook regelmatig in wat wij de tussenverdieping noemden. De woontoren was zodanig gecon­strueerd dat zich boven de benedenverdieping een nis bevond over de hele breedte van het gebouw. Daarop stonden betonnen kolom­men die de rest van de appartementen ondersteunden. De nis was ongeveer één meter twintig hoog, zodat je altijd krom moest lopen. Met al die kolommen was het net een doolhof. Je kon er letterlijk verdwalen. En het stonk er verschrikkelijk naar duivenstront.

Om op de tussenverdieping te komen moest je je lichaam dwars zetten tussen een zijmuur en een pilaar en zo omhoog klauteren, iets waar wij heel behendig in waren. De tussenverdieping was bovendien een paradijs voor vaaltgieren zoals wij. Je kon er alles vinden: tennisballen, aan­stekers, speelgoed, batterijen, muntstukken en medicijnen. Andy had ooit de arm van een etalagepop ontdekt en was luidkeels gaan gillen omdat hij dacht dat het een echte arm was. Daar hebben we hard om gelachen.

Roy was verzot op zijn broertje. In veel opzichten leken ze op elkaar en toch waren ze ook heel verschillend. Maar ze waren onafscheidelijk. Echter, op de dag van het onweer gebeurde het ondenkbare. Andy verdween spoorloos.

Elk waren we onze eigen weg gegaan op de tussenverdieping, op zoek naar schatten. Eerst dachten we dat Andy verstoppertje speelde om ons te jennen. Toen dachten we dat hij naar beneden was gevallen en misschien zijn nek had gebroken. Roy en ik waren in paniek, aangezien zijn moeder erop vertrouwde dat wij Andy nauwlettend in de gaten hielden. Hij kon soms heel onstuimig zijn en een ongeluk was natuurlijk snel gebeurd. Maar we vonden Andy nergens. De hele middag hebben we naar hem gezocht.

Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Roys moeder was ten einde raad. Ik herinner me nog dat ze op haar sokken buiten stond en onop­houdelijk de naam van haar jongste zoon stond te schreeuwen. Er werd een burgerpatrouille ingeschakeld. De buurt werd uitgekamd en overal werden pamfletten met Andy’s foto opgehangen. Zonder resultaat.

Je moet weten dat er in die tijd wel meer jongetjes verdwenen in de regio, jongetjes die nadien nooit meer teruggevonden werden. Dus toen Andy na een week nog steeds niet thuis was, had iedereen de hoop opgegeven. Roy heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die dag zijn broertje uit het oog verloor.

Schokkend kwam hij klaar in mijn hand. Na een zucht van genot volgden er tranen. ‘Het spijt me,’ snikte hij, terwijl hij zijn broek dicht­ritste.

Ik veegde mijn hand af aan zijn zakdoek en omhelsde hem. ‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Het geeft niet.’ We misten Andy allebei, maar bij Roy sneed het verdriet zo diep dat hij er soms bijna krankzinnig van werd. Ik besloot een mop te vertellen om hem op te vrolijken. ‘Wat is het toppunt van zelfvertrouwen?’

Roy haalde zijn schouders op.

‘Een scheet laten als je diarree hebt.’

Ik keek naar Roy in de hoop dat mijn missie geslaagd was. Hij staarde me aan door betraande ogen, zijn lippen stijf op elkaar gedrukt. Ik zag zijn neusvleugels trillen. Hij probeerde zich serieus te houden, wat slechts even lukte. Zijn schouders begonnen te schudden. Plots proestte hij het uit. Opnieuw rolden er tranen over zijn wangen, maar deze keer van het lachen. Zijn buik schudde heftig. Ook ik hield het niet meer. Ik klapte dubbel en zocht steun tegen een container. Ons gelach bulderde in schelle echo’s tussen de muren van de afvalruimte. We schaterden het uit tot we kramp kregen in onze kaken.

Toen we uitgelachen waren, wees Roy naar het flesje, dat nog voor de helft gevuld was. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Roy prepareerde een tweede high. Deze keer mocht ik eerst. Ik snoof de lijm, die gearomatiseerd was met Roys sperma, een geur die me naar extase voerde. Aanvankelijk knipperde ik nog enkele keren met mijn ogen om de stortkoker in de gaten te houden, wachtend op een nieuwe schat, maar ik werd al snel aan de roes overgeleverd. Ik zweefde door een diepblauwe hemel, omringd door pluizige wolken.

De tweede roes was altijd minder lang en minder sterk, maar omdat Roy me deze keer niet lastig viel, was hij aangenamer dan de eerste. Ik was volledig ontspannen en gaf me over aan het extatische gevoel in mijn hoofd. Hier beneden, met behulp van de lijm, kon ik even alles vergeten. Geen gezeur van mama, geen andere shit. De rust was heerlijk. Helaas kon ik er niet lang van genieten.

Ik werd brutaal uit mijn droomtoestand gerukt door scherpe, metalige klanken die op mij neerdaalden. Met opengesperde ogen keken Roy en ik naar de schacht. Dit was niet het geluid van een ordinair stuk vuilnis dat gedumpt werd. Het bonken zwol aan tot een sinistere symfonie en we zagen hoe de koker een zwart voorwerp uitbraakte. Het vuilnis in de container eronder verzekerde een zachte landing. We waren allebei zo benieuwd dat we meteen opstonden. Ik voelde me nog licht in mijn hoofd. Roy ongetwijfeld ook, want hij wankelde en struikelde bijna over zijn eigen voeten. Eenmaal bij de container klommen we over de rand om te zien wat dat zwarte voorwerp was.

Het bleek een transistorradio te zijn. Hij was terechtgekomen in iets wat op bedorven lasagne leek, maar dat deerde ons niet. Roy boog nog wat dieper over de rand zodat hij erbij kon met zijn handen. Hij pakte de transistorradio, gaf hem aan mij en zei me de smurrie weg te vegen met zijn zakdoek.

‘Wie gooit zoiets weg?’ dacht ik hardop. Hij zag er tamelijk nieuw uit. Ik peuterde de restjes lasagne weg tussen de knopjes en de luidspreker.

Roy kwam naast me staan. ‘Zou hij nog werken?’

Toen ik hem helemaal had schoongemaakt, gaf ik hem de transistor­radio terug.

Hij zette hem aan en draaide aan de volumeknop, maar er kwam geen geluid uit. Hij draaide het toestel om. ‘Er zitten geen batterijen in.’

We keken elkaar peinzend aan. Plots kreeg ik een idee. Ik pakte Roys Game Boy en verwijderde het klepje aan de achterkant. Een voor een nam ik ze eruit. ‘Is dit de juiste maat?’ vroeg ik, terwijl ik er een tussen duim en wijsvinger hield.

‘Ik denk het wel,’ zei Roy. Hij griste de batterijen uit mijn hand en stak ze in de transistor. Toen hij hem aanzette en Love & Devotion van Real McCoy door de luidspreker schalde, begonnen we allebei uitbundig te dansen. Het was weken geleden dat we nog zo’n kostbare schat hadden buitgemaakt. We zongen luidkeels mee met het refrein.

 

Love and devotion, baby
I can’t get enough of all that love and devotion in my life.
Love and devotion, baby love and devotion,
You are the sunshine of my life.

 

Daarna imiteerde Roy het rapgedeelte, stoere handgebaren inbegrepen. Het was een van de grootste hits van dat jaar, we kenden het nummer helemaal uit ons hoofd en waren er wild van. Roy had zelfs wat vette dansmoves bedacht, speciaal voor dat nummer. Hij voerde ze uit op de glibberige tegelvloer. Hij leek Michael Jackson wel.

Toen het nummer afgelopen was, nam ik de transistor en zocht naar een andere zender. Ik draaide aan de knop terwijl ik naar de naald op de FM-band keek. De ruimte tussen twee radiostations werd telkens opgevuld met krakende ruis waar soms een stem of een beat doorheen klonk. We vonden niet meteen een kanaal naar ons zin. Bovendien was de ontvangst niet optimaal. Ik rommelde wat aan de antenne. Tevergeefs. Ruis was het enige wat nog uit de transistor kwam.

‘Wacht eens, heb je dat gehoord?’ zei Roy opeens.

‘Wat bedoel je?’

‘Draai eens terug.’ Zijn ogen werden groot en hij schoof dichterbij.

Ik deed wat hij vroeg maar weer kwam er slechts ruis uit de luidsprekers… en flarden van een nummer van Madonna waarvan ik de melodie wel herkende, maar waarvan ik niet op de titel kon komen. ‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ik.

Zonder iets te zeggen griste Roy de radio uit mijn handen. Hij legde zijn oor tegen de luidspreker en draaide heel langzaam aan de knop. De naald verschoof van links naar rechts en weer naar links. Ik wilde iets zeggen, maar Roy gebaarde me dat ik moest zwijgen. Hij sloot zijn ogen. Gedurende een minuut herhaalde hij dezelfde handeling, tot hij de radio bijna uit zijn handen liet vallen. ‘Dit,’ zei hij. ‘Heb je dat gehoord?’ Hij huiverde.

Ik gebaarde van niet. Ik wilde hem niet teleurstellen of hem het gevoel geven dat hij het zich inbeeldde, maar ik hoorde echt niets.

Roy draaide het volume hoger en hield de radio tegen mijn oor. ‘Luister.’

Ik deed wat hij vroeg. Eerst hoorde ik alleen ruis. Ik probeerde me te focussen en door de ruis heen te luisteren en na een tijdje hoorde ik het ook, al was het eerst onduidelijk. Geschreeuw dat uit de verte leek te komen. Niet afkomstig van een liedje of van een presentator. Nee, het klonk als het gillen van een kind dat doodsangsten uitstond. ‘Shit,’ stamelde ik. Ik schudde met mijn hoofd. Tegen beter weten in probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat die afgrijselijke klanken deel uitmaakten van een bizar liedje. Het was alsof iets of iemand mijn keel dichtkneep. Ik vergat te ademen.

Met bevende handen plaatste Roy de radio op de grond. We zetten allebei enkele passen achteruit, als dieren die in het nauw gedreven werden. We wisselden een blik en staarden vervolgens weer naar het toestel. Doordat ik me concentreerde op het geluid, kon ik de ruis wegdenken. Het geschreeuw werd steeds dwingender. De stem in de verte bezorgde me kippenvel. Even later realiseerde ik me dat het niet één stem was, maar meerdere. Stemmen van jongetjes. Doodsbange jongetjes. Geen woorden, alleen maar geschreeuw.

Ik dacht ogenblikkelijk aan Andy.

Op dat moment voelde ik de grond onder mijn voeten wegvallen. Ik weet nog hoe ik naar Roy keek om te zien of hij net als ik stond te daveren op zijn benen. Zijn gezicht was lijkbleek en hij probeerde speeksel weg te slikken. Ik zag zijn adamsappel op en neer wippen. Ik wilde dat vreselijke geluid niet meer horen, maar ik slaagde er niet in te bewegen. Ik was verstijfd. Gelukkig liep Roy na even aarzelen naar de radio om hem af te zetten door met zijn voet op de knop te trappen. Twee seconden langer en ik had het ongetwijfeld in mijn broek gedaan.

De stilte voelde als een warm bad.

Heel even maar, want daarna daalde er een kilte over me neer waar ik rillingen van kreeg. De radio lag daar op de grond. Ik keek naar de frequentie. De naald stond op 102.8 Mhz. Het leek een doodgewoon toestel, maar Roy en ik wisten wel beter. De verdwenen jongetjes hadden ons gevonden. Onmiddellijk spookten verschillende vragen door mijn hoofd.

Wilden ze ons iets vertellen?

Waarschijnlijk wel, maar wat?

Waar bevonden ze zich?

Waren ze dood?

Of leefden ze nog?

Met hoeveel waren ze?

Zouden we Andy ooit nog terugzien?

En de andere jongetjes waar zoveel ouders nog steeds om treurden?

En wie had die duivelse radio in de stortkoker gekieperd?

‘Wat nu?’ vroeg ik aan Roy, alsof hij het antwoord hoorde te weten. Roy haalde zijn schouders op. We wisten allebei dat we dit niet konden negeren, dat we niet konden doen alsof we die transistorradio nooit gevonden hadden. Roy zei wat ik dacht toen hij vroeg wie dat toestel had gedumpt.

Ik dacht ogenblikkelijk aan meneer Uspensky. Meneer Uspensky was een zonderlinge Oekraïense immigrant waarvan niemand wist hoe oud hij eigenlijk was omdat hij er op sommige dagen heel jong uitzag en op andere dagen heel oud. Hij woonde op de negentiende verdieping. Daar leidde hij een teruggetrokken leven. Je zag hem niet vaak, maar wanneer je hem zag was dat altijd op onregelmatige tijdstippen terwijl hij doelloos ronddoolde in de buurt. Hij leek heel gejaagd als je hem met zijn karak­teristieke, mankende tred zag wandelen. Meestal kon je hem tegen zich­zelf wartaal horen mompelen, iets wat de kinderen uit de buurt zowel angst inboezemde als op hun lachspieren werkte.

Meneer Uspensky was een broodmager skelet van twee meter groot met een afschuwelijk litteken onder zijn oog en tanden die als weggezonken grafzerken uit zijn grijze tandvlees staken. Hij droeg kleren die nooit bij het weer pasten. Als het ’s winters vroor, liep hij op sandalen en tijdens een hittegolf in augustus danste er een lange, donkerbruine jas vol gaten om zijn geraamte.

Waarom ik aan meneer Uspensky dacht? Destijds hadden de flat­bewoners hem ervan beschuldigd iets met de verdwijningen te maken te hebben. Waarschijnlijk omdat ze hem zo’n vreemde vogel vonden. Hij maakte zichzelf verdacht met zijn rare gedrag. De politie had hem ver­schillende keren ondervraagd, maar ze hadden nooit bewijzen tegen hem gevonden. Toch werd er steeds gefluisterd dat meneer Uspensky die jongetjes gemolesteerd had en dat hij ze daarna ergens gedumpt had. Soms riepen mensen hem wat na als hij weer eens aan het ronddolen was. Een enkele keer hadden twee mannen uit de buurt geprobeerd om hem een pak rammel te verkopen, maar ze konden niet tegen hem op.

Ik was bang voor hem. Roy ook, al gaf hij dat niet graag toe. Een keer had ik hem uitgedaagd om met de lift naar de negentiende verdieping te gaan. Ik zei dat hij niet door de spleet onder de voordeur van meneer Uspensky’s flat durfde kijken. Roy had de uitdaging aangenomen en was de deur genaderd. Daar ging hij plat op zijn buik liggen. Ik stond ver genoeg om op tijd weg te rennen als die deur plots open zou gaan, maar dichtbij genoeg om dat eigenaardige geluid te horen. Het klonk als de statische ruis van een of ander toestel.

Roy moest zijn wang helemaal tegen de vloer drukken om naar binnen te kunnen loeren. Vijf seconden, langer duurde het niet. Omdat hij gestommel bij de voordeur hoorde, veerde hij overeind en renden we samen weg.

Toen ik op de terugweg aan Roy vroeg of hij iets had kunnen zien, zei hij dat de hal vol radiotoestellen stond. Oude en nieuwe modellen, zowel hele grote als hele kleine die in je jaszak pasten, en ook losse onderdelen en toestellen die zelfgemaakt leken. Het was een immense verzameling, zei Roy. Dat verklaarde waarschijnlijk de statische ruis. En er stonden ook kartonnen dozen op elkaar gestapeld tot aan het plafond. We speculeerden dat meneer Uspensky er de beenderen van de jongetjes in bewaarde. Toen moest Roy overgeven en sindsdien zijn we nooit meer op de negentiende verdieping geweest.

‘Zullen we de radio weer aanzetten en proberen te achterhalen waar dat geschreeuw vandaan komt?’ vroeg Roy. Hij keek bedrukt en in zijn stem klonk pure wanhoop door. Hij moest en zou te weten komen wat er met Andy gebeurd was.

Ik was niet zeker of dat wel zo’n goed idee was. Misschien waren de gruwelen waaraan Andy onderworpen was geweest wel zo erg dat Roy nooit meer zou kunnen slapen. Maar ik begreep hoe belangrijk dit voor hem was en liep, ondanks mijn angst en afkeer voor die spookachtige stemmen, naar het toestel. Ik zette het aan. Roy en ik gingen zitten en sloten onze ogen. Opnieuw duurde het een poos voor we door de ruis heen konden luisteren. Het vergde opperste concentratie en het was net alsof we eerst in een soort trance moesten komen alvorens de stemmen ons bereikten.

Deze keer probeerde ik alle achtergrondgeluiden eruit te filteren. Ik hoopte op die manier iets van de omgeving op te vangen. Al gauw besefte ik dat we naar een speld in een hooiberg zochten. Het was bijna onmogelijk om de ruis van de achtergrondgeluiden te onderscheiden en als we dan toch iets zouden horen, dan nog was het gissen wat het was en waar het vandaan kwam.

Maar misschien zouden de laatste druppels modelbouwlijm mijn roes wel voldoende versterken om de geluiden te ontmantelen als de schillen van een ui. Ik liet het flesje leegdruppelen op mijn T-shirt en duwde het vochtige katoen tegen mijn neus.

De verschuiving in mijn geestestoestand voltrok zich enkele ogen­­blikken later. In plaats van dat de geluiden helder bij me binnen sijpelden, kreeg ik iets wat ik enkel als een visioen kan omschrijven. Een vaag, waterig beeld. Ik wist meteen dat ik het her­kende, al was het zo troebel dat ik twijfelde of het uit een droom, een nachtmerrie of een vage herinnering afkomstig was. Roy moet aan mijn gelaatsuitdrukking gemerkt hebben dat ik iets op het spoor was. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij.

Ik gebaarde dat hij me even met rust moest laten. Hij mocht mijn visioen niet verstoren. Bovendien moest het snel gaan, want met enkele druppels lijm zou de roes hooguit een minuut of twee duren. De kleuren vielen mij als eerste op. Roestbruin met bleke, paarse vlekken. Ik zag ook een lange gang waarvan het einde onzichtbaar was. Plassen op de vloer, schimmel op de muur. Toen de geluiden van ventilatieschachten, tikkende verwarmingsbuizen en sidderende lampen één voor één door het beeld drongen, werd de film compleet.

Ik opende mijn ogen en keek Roy indringend aan.

‘En?’ vroeg hij. Zijn borstkas ging snel op en neer en zijn ogen waren overspannen met ongeboren tranen.

‘De kelder,’ zei ik.

‘Bedoel je…?’

Ik knikte.

‘Waar wachten we dan nog op?’ Roy stond op. Zijn gewrichten knakten van het lange stilzitten. De wanhoop en het verdriet in zijn blik hadden plaatsgemaakt voor verbetenheid. Hij liep naar de deur en duwde ertegen. Die ging krijsend open. Een bundel vaal daglicht stroomde de afvalruimte binnen. Omdat Roy zag dat ik hem niet meteen volgde, keek hij over zijn schouder. ‘Kom je nog?’ Hij probeerde niet eens zijn ergernis te verbergen.

Ik was als de dood voor de kelder onder het flatgebouw. Het was een reusachtig labyrint. Slechts één keer was ik er geweest, op de dag dat we verhuisd waren en mijn moeder me had gevraagd om haar te helpen enkele spullen in de kelder op te bergen. Uit nieuwsgierigheid was ik door de verschillende gangetjes gaan dwalen, langs de kelderboxen van de vele bewoners, tot ik opeens besefte dat ik me de weg terug niet meer herinnerde. De muren leken op me af te komen. Het gaf me een beklem­mend gevoel dat nog het best te vergelijken was met wurging door ijskoude handen. Zeker tien minuten heb ik daar lopen zoeken naar een uitweg uit die stinkende, vochtige en schemerige doolhof. Ik vreesde dat ik er nooit meer uit zou komen, dat ik opgeslorpt zou worden door het gebouw. Nadien heb ik er zelfs nog nare dromen over gehad. Daarom aarzelde ik toen Roy mij wenkte, maar hij was zo vastberaden om te achterhalen wat er met Andy gebeurd was, dat ik hem niet in de steek kon laten.

We liepen het flatgebouw binnen en namen de lift naar de kelder­verdieping. De ijzeren kooi schommelde tijdens de afdaling. Ik luisterde naar mijn hartslag die met elke seconde in snelheid toenam. Ik keek naar Roy. Zijn mondhoeken stonden strak van de spanning en zijn gezicht had een koortsachtige glans. ‘Denk je dat we iets zullen vinden?’ vroeg ik. Maar Roy antwoordde niet. Ik geloof dat hij me niets eens gehoord had, zo gefocust was hij.

Toen de lift tot stilstand kwam, wachtte Roy een ogenblik alvorens hij met ingehouden adem de deur openduwde. Het was onmogelijk om de stank van schimmel te negeren, zelfs als je je neus toekneep. Hij wurmde zich tussen je lippen naar binnen en prikkelde je sinussen en papillen tot je er van moest hoesten. Links en rechts reikte de gang tot in het oneindige, onderbroken door zijgangetjes die elk op zich nog ontelbare aftakkingen hadden. Het was koud in de kelder. Ik rilde en legde mijn armen over elkaar. ‘Welke kant gaan we op?’

Roy keek naar links, naar rechts en weer naar links en zei: ‘Die kant.’

De gang was slecht verlicht. Hier en daar flikkerden tl-lampen. Sommige deden het helemaal niet. Naast de lampen aan het plafond hingen verwarmingsbuizen en waterleidingen, die op verschillende plaatsen lekten. Daardoor waren er plassen ontstaan op de vloer. Roy en ik slalomden erlangs. Het was een hels karwei om hier naar Andy te gaan zoeken. Bovendien had de politie destijds het hele gebouw al uitgekamd en niets gevonden. Ik probeerde me af te sluiten voor de keldergeluiden, in de hoop het geschreeuw te kunnen horen, ergens in de verte. Of eigenlijk hoopte ik eerder niets te horen, want ik zou het in mijn broek doen en ik wilde dapper blijven voor Roy. ‘Is het niet beter als we jouw moeder erbij halen?’ vroeg ik.

‘Ben je gek?’ zei hij. ‘Ze is een wrak, ze zit onder de medicijnen. Ze kan dit niet aan.’

Roy had gelijk. We waren op onszelf aangewezen. Hij gaf de indruk dat hij wist wat hij deed, dus volgde ik hem. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem. Als ik had gekund, zou ik zelfs zijn hand hebben vastgehouden, maar de gang was zo smal dat als je je armen strekte, je beide muren kon aanraken. Onze voetstappen weergalmden in scherpe echo’s. Opnieuw kreeg ik het erg benauwd, net zoals vroeger, toen ik bijna was verdwaald. Ik werd een beetje duizelig en concentreerde me op mijn ademhaling zodat ik niet ging hyperventileren.

‘We moeten de kelder van die gore Uspensky vinden,’ zei Roy vast­besloten.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In het gebouw woonden honderden mensen. Dat betekende talloze met traliedeuren afgesloten hokjes, verdeeld over al die donkere, smerige gangetjes. We sloegen een hoek om. Heel even lette ik niet op waar ik liep. Bijna schoof ik uit in een plas water. Door mijn poging om overeind te bleven, viel mijn oog op een wansmakelijk tafereel. Ik slaakte een kreet en maakte Roy zo aan het schrikken dat hij ook begon te krijsen, al wist hij in eerste instantie niet waarom. Tegen de muur zat een grote rat te knabbelen aan iets wat op een klein kadaver leek. Toen ik beter keek, zag ik dat het ook een rat was. Zijn buik was opengehaald. Zijn ingewanden lagen in een bloederig bundeltje op de vloer, zijn ogen waren al opgepeuzeld. De rat knabbelde onverstoord voort. Roy en ik maakten ons huiverend uit de voeten, dieper het labyrint in.

Bij elke box keken we naar het naamplaatje. Soms was het zo donker dat je de letters amper kon lezen, soms ontbrak het plaatje. Veel van de bewoners kenden we niet eens. El Bartali, Vercammen, Rodriguez, Adriaenssens, Thompson, Kitenge, en zo ging het maar door. We liepen het ene na het andere gangetje in, maar de box van Uspensky kwamen we niet tegen.

Roy en ik gingen methodisch te werk door de kelder van west naar oost uit te kammen. Na de verschillende aftakkingen van de zijgangetjes te hebben onderzocht, kwamen we weer uit op de hoofdgang om van daaruit verder te gaan. Bij sommige boxen bleven we een tijdje staan om wat zich achter de traliedeuren bevond te bestuderen. Het was absurd wat sommige mensen opborgen: een hele collectie VHS-banden van Aziatische vechtfilms, National Geographic magazines uit de jaren zeventig en een grasmaaier die compleet nutteloos was in een flatgebouw. Bij de box van ene Baeyens deinsden Roy en ik een halve meter achteruit. Half gedrenkt in schaduw, half badend in het schijnsel van een tl-lamp, stond een gestalte.

Ik bevroor ter plekke. Ik kreeg geen zuurstof meer in mijn longen gezogen. Mijn hand zocht naar die van Roy, maar vond alleen lucht. Helder denken lukte niet, maar op een onbewust niveau begreep ik dat de traliedeur die ons scheidde ons een kans gaf om weg te rennen. Ik wachtte tot de gestalte uit de schemering zou treden. Roy tikte me aan. Zijn aanraking veroorzaakte een schokgolf in mijn lichaam. Omdat de gestalte niet reageerde om mijn gil, durfde ik het aan om even opzij te kijken. Roy had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

Het bleek zo’n vintage etalagepop te zijn. Met haar glazen ogen staarde de kale vrouw ons aan van achter de tralies.

‘Shit man,’ zei Roy. ‘Wat griezelig. Het lijkt hier wel een spookhuis, vind je niet?’

Ik slaagde er niet in te antwoorden. Ik had zojuist een hartverzakking gehad en snakte naar daglicht en buitenlucht.

Toen we van de schok bekomen waren, stak Roy zijn arm naar binnen. ‘Moet je haar tieten zien.’ Hij legde zijn hand als een kommetje over een van haar borsten. ‘Wil je ook eens voelen?’

Ik schudde met mijn hoofd. ‘Gaan we?’

‘Ja.’ Roys gezicht stond weer doodernstig.

We liepen terug naar de hoofdgang om het laatste stukje van de oostelijke vleugel te verkennen. Van de spanning vergat ik dat ik het koud had. Ik probeerde me voor te stellen wat we zouden aantreffen in de box van meneer Uspensky. Allerlei gruwelijke beelden flitsten door mijn hoofd. In het gedeelte waar we nu terechtgekomen waren, stond de vloer onder water. Onze voetstappen klonken loom en dromerig. Ik waande mij een ontdekkingsreiziger. Aan onze linkerzijde bevond zich het allerlaatste zijgangetje. Als we daar niets vonden, was onze zoektocht helemaal voor niets geweest.

Roy liep het hoekje om en verdween kortstondig uit mijn gezichtsveld, zodat het leek alsof ik helemaal alleen in de kelder was. Die gedachte bezorgde mij onaangename kriebels in mijn buik. Ik weet niet waarom, maar ik keek over mijn schouder en was er zeker van dat ik de dreigende gestalte van meneer Uspensky zou zien. Ik dacht dat ik zijn zware voetstappen hoorde, dat ik zijn scherp afgetekende schaduw op de muur naast mij zag. Ik was er zelfs van overtuigd dat ik hem in mijn nek voelde hijgen, koud en warm tegelijkertijd. Maar er was niemand. De gang achter mij was leeg. Leeg en eindeloos lang.

‘Hebbes!’ hoorde ik Roy opeens zeggen. Zijn stem trok me terug de werkelijkheid in. Ik liep gauw het hoekje om. Roy stond bij de box van meneer Uspensky. Ik ging naast hem staan, schouder tegen schouder, en keek door de traliedeur naar binnen. Het hok was leeg. Er stond niet één doos, er lang geen enkel papiertje op de grond. Die vaststelling was zowel een ontnuchtering als een opluchting.

‘Onmogelijk,’ zei Roy. Hij weigerde te geloven wat hij zag. Of wat hij niet zag. ‘Er moet iets zijn. Iets.’ Zijn stem sloeg over. Gefrustreerd morrelde hij aan het hangslot dat rond de traliedeur zat. Daarna trapte hij ertegen. Het ijzeren geluid zinderde nog enkele seconden na. Hij beet op zijn lip tot er bloed uitkwam.

Ik zag de woede in Roys ogen en probeerde hem tot bedaren te brengen door mijn arm om zijn schouders te leggen. Zijn woede maakte plaats voor verdriet. Tevergeefs deed hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Hij begon te snikken. Ik liet hem begaan. Gedurende enkele minuten keken we naar het lege hok. ‘Kom, Roy,’ zei ik uiteindelijk, ‘dit heeft geen zin.’

Zonder iets te zeggen draaiden we ons om. Op het moment dat we de hoek om wilden gaan, greep een verre, gekwelde gil ons bij het nekvel. Roy en ik bevroren ter plaatse. Ik zweer je dat ik nog nooit in mijn leven zo bang ben geweest als toen. Aanvankelijk probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het de metalige klank van de verwarmingsbuizen was, of een kelderdeur die door een andere bewoner geopend werd, ergens diep in de doolhof. Maar het geluid was overduidelijk afkomstig van een stem, deze keer niet verstoord door de ruis van de radio.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Roy. Zijn stem trilde. In het tl-licht zag hij er lijkbleek uit. Het was een overbodige vraag, meer bedoeld om zijn eigen ongeloof onder woorden te brengen.

Heel langzaam, alsof we enkel nog in slow motion konden bewegen, draaiden we ons weer om. Toen ik aan het eind van de gang de traliedeur als een mond vol rotte tanden zag grijnzen, kreeg ik overal kippenvel. Mijn ingewanden deden pijn, alsof ze door een stel scherpe klauwen uit mijn buik werden gerukt en in een ijsbad werden gedumpt. Ik huiverde ervoor om te gaan kijken waar dat verlammende gegil vandaan kwam, maar we hadden geen keuze. Ondertussen was het water op de vloer doorgedrongen tot in mijn sokken en had ik ijskoude voeten gekregen.

Zij aan zij liepen Roy en ik naar de deur. Toen we dichterbij kwamen, weerklonk het meerstemmige gegil opnieuw. Nog steeds ver weg, maar kraakhelder, bijna tastbaar. En er bestond geen twijfel over: het was afkomstig uit de kelderbox van meneer Uspensky.

Roy morrelde opnieuw aan het slot. Het was oud en verroest en niet erg stevig, net als de traliedeur. ‘We moeten naar binnen,’ zei Roy, terwijl hij een manier zocht om het slot te ontgrendelen. Ik had al snel door dat enkel bruut geweld ons binnen zou krijgen. Roy gaf een ruk aan het slot, ik stampte tegen de deur en dat deden we tientallen keren tot we buiten adem waren en het zweet in onze verbeten frons parelde. Ondertussen konden we nog steeds het geschreeuw horen.

Na een zoveelste poging brak het slot. Rinkelend viel het op de grond en een seconde later zwaaide de traliedeur open. Het moment was zo onverwacht dat we even niet wisten wat te doen.

Roy was de eerste die het hok betrad, omringd door de spookachtige echo’s. Hij zocht naar de lichtschakelaar. Een gloeipeertje dat aan het plafond bengelde sprong aan en wierp een urinekleurige gloed over de omgeving. Roy keek omhoog, omlaag en naar de muren, op zoek naar zijn broertje. Ik herinner me nog dat ik me afvroeg of de stemmen toch van geesten afkomstig waren. Ik kon me niet voorstellen dat al die jongetjes ergens in de muur verborgen zaten zonder dat de speurders hen gevonden hadden. Uitgerekend die dag hadden ze met ons contact gezocht. Ik geloof dat het voorbestemd was.

‘Wat nu?’ vroeg Roy wanhopig.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. We stonden voor een raadsel. Tegelijk legden we ons oor tegen de muur. Het was duidelijk dat de geesten daar achter het beton ronddoolden, gevangen in het gebouw en in een gruwelijke herinnering.

Ergens in de muur ontdekte ik een scheur. Ze viel eerst niet op omdat ze bepleisterd was, maar de lichtinval verried een oneffenheid. ‘Moet je dit zien,’ zei ik tegen Roy. Ik wees naar de plek op de muur waar de scheur dichtgesmeerd was.

Roy aarzelde niet. Hij begon als een bezetene de bepleistering los te peuteren. Ik deed met hem mee. Eerst gebruikten we onze vingernagels en toen dat te traag ging, onze huissleutels. De brokjes kwamen gemakkelijker los dan ik verwacht had. De scheur werd zienderogen groter en voor we het goed en wel beseften, was er een gat ontstaan waar Roys arm precies doorheen kon.

De stemmen klonken nu onwaarschijnlijk dichtbij. Dichtbij, maar anders dan voorheen. Met het openen van het gat in de muur had het geschreeuw en gehuil plaatsgemaakt voor gegiechel en het typische geluid van spelende jongetjes. Op hetzelfde moment waaide er een ijskoude wind uit het gat naar buiten. De wind streek langs mijn gezicht en dat van Roy. Zijn haren wapperden en ik voelde hoe een rilling over mijn ruggengraat liep. Ik klappertandde. Roys mond zakte open van verbijstering. Er bungelde een speekseldraad uit zijn mondhoek.

We waren zo betoverd door wat er gebeurde dat we als aan de grond genageld stonden. Ergens tussen al die stemmen meende ik die van Andy te herkennen. Roy ook, want hij sprak de naam van zijn broertje uit. Er werd nog meer gelachen. Blije geluiden van kinderlijke vreugde. Niet zoveel later ging de ijzige wind liggen en met het verdwijnen van de kou, verstomden ook de stemmen.

Terwijl ik nog moest bekomen van deze akelige en tegelijkertijd wonder­lijke gebeurtenis, gluurde Roy door het gat. Hij zag niets, zei hij. Daarop stak hij zijn arm erdoor.

‘Voel je iets?’ vroeg ik.

Roy schudde zijn hoofd.

Ik kreeg een ingeving. Het plafond van de kelder was tamelijk laag. Als ik op mijn tenen stond, kon ik het peertje aanraken. Het was gloeiend heet, dus deed ik mijn T-shirt uit en wikkelde het rond mijn hand. De elektrische draad liep over het plafond en was vastgemaakt met twee ijzeren klemmetjes. Als ik er hard genoeg aan trok, maar toch voorzichtig zodat de draad niet zou knappen, kon ik het peertje naar beneden brengen om het als zaklamp te gebruiken. De klemmetjes sprongen onmiddellijk open en zo kwam de draad los. Roy nam de lamp van me over en scheen ermee in het gat.

Ik vroeg hem of hij iets zag, maar hij zweeg. Ik probeerde mee te kijken over zijn schouder, wat niet lukte. ‘Wat zie je?’ vroeg ik nogmaals. In plaats van te antwoorden, draaide Roy zich om. Hij stond met zijn rug tegen de muur en liet zich onderuit zakken. Daarna trok hij zijn knieën op en klemde beide armen eromheen.

‘Wat is er?’ Ik wilde weten wat hij gezien had.

Roy staarde verweesd voor zich uit. Zijn mondhoeken trilden. Bijna liet hij de lamp uit zijn handen vallen, maar ik kon hem nog net opvangen, ook al leverde me dat een brandwond op in mijn handpalm. Roy was niet meer in staat om iets te zeggen. Ik nam mijn T-shirt uit zijn handen en wikkelde het opnieuw rond de hals van de lamp zodat ik zelf door het gat kon kijken.

Nog elke dag wens ik dat ik dat nooit gedaan had.

Achter de muur bevond zich een holte, half zo groot als de kelderbox. In de stralenkrans van het gloeipeertje glansden bleke objecten. Ik had even tijd nodig om het beeld tot mij te laten doordringen. Het waren onvol­groeide beenderen en schedels. Ze waren opgezet met draad en metalen pinnen en in verschillende poses gemanoeuvreerd. Twee skeletjes waren verwikkeld in een doodskus, enkele anderen leken een heksensabbat te dansen rond een denkbeeldig vuur. Hun armen en benen hingen in eigenaardige hoeken. Van sommige stonden de kaken open in een macabere grijns. Uspensky had ze uitgestald als marionetten. Ergens daartussen moest Andy staan.

Terwijl Roy nog steeds zwijgzaam en rillend van de schok voor zich uit zat te staren, begon ik te braken. Een zure smaak nestelde zich in mijn keelholte. Mijn slokdarm deed pijn. Ik probeerde het beeld te vergeten, maar kon het niet weerstaan om nogmaals naar binnen te kijken. Deze keer telde ik de skeletten. Het waren er zeven.

Er was iets anders dat me opviel: tientallen reflecties tegen de wand erachter. Het duurde enkele seconden voor ik doorhad dat het foto’s waren. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om te kunnen zien wat er op de foto’s stond. Mijn maag keerde om bij de beelden van Uspensky die met zichzelf speelde in het bijzijn van de dode lichaampjes. Hij had ze in alle stadia van ontbinding gefotografeerd, de ene keer alleen, dan weer in zijn omhelzing, tot het punt waarop ze geraamtes geworden waren. Alsof het poppen waren had hij de lijkjes in suggestieve houdingen gedwongen.

De kwaliteit van de beelden was te slecht om af te leiden waar ze genomen waren.

Mijn slokdarm trok weer samen. Braken lukte niet meer, mijn maag was al leeg. Ik wendde mijn blik van de foto’s af. Nog voor ik me omdraaide, merkte ik in een oogopslag dat alle kinderen hun schoenen nog aanhadden. Met de lamp bescheen ik elk paar voeten, tot ik Andy’s zwart-witte All Stars zag en een brok in mijn keel kreeg.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang we daar gezeten hebben. Het konden twee minuten geweest zijn, maar evengoed twee uur. Uiteindelijk vroeg ik aan Roy wat we moesten doen. ‘Jouw moeder mag dit niet zien,’ zei ik. ‘Maar mijn moeder kunnen we wel inlichten. Of zullen we zelf de politie bellen?’

Roy liet mijn woorden bezinken. Hij ademde diep in en uit. Zijn tranen waren opgedroogd, zijn blik was hard. Hij zag er opeens een stuk ouder uit, alsof hij na het zien van de beenderen op slag volwassen geworden was. Ik geloof dat dat ook echt het geval was. Al die tijd had hij gehoopt dat hij Andy ooit zou terugzien. Die hoop had hem overeind gehouden, maar nu was hij gebroken. ‘Nee,’ zei hij koud, ‘ik heb een beter idee.’

Hij stond op, liep naar de hoofdgang en vervolgens naar de lift. Zijn tred was zo vastberaden dat ik hem met moeite kon bijbenen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde ik weten. Maar hij zweeg. Hij drukte op het knopje van de lift. Toen die er was, stapten we in. Daarna drukte hij op het knopje van de negentiende verdieping. Plots kreeg ik het heel benauwd. De lift klom langzaam omhoog en met elke verdieping voelde ik de spanning in mijn spieren toenemen. Mijn handpalmen werden klam van het zweet. Opnieuw vroeg ik Roy wat zijn bedoeling was, maar hij liet niets los. Ik begreep dat aandringen geen zin meer had.

Op de negentiende verdieping kwam de lift tot stilstand. Het leek een eeuwigheid te duren voor de liftdeur opende. In die tijd stelde ik me voor wat er allemaal kon gebeuren. Mijn gedachten waren één grote chaos, overspoeld door angst en opwinding. Verschillende scenario’s flitsten door mijn hoofd. Toch was ik verrast toen Roy begon te spreken, met een bevende stem die niet als de zijne klonk. ‘Volg me.’ Meer zei hij niet. We liepen naar de trappenhal. Alleen van daaruit kon je naar het dak van het flatgebouw, via een luik in het plafond. Roy gebood me om naar boven te gaan.

‘Waarom?’ vroeg ik. Ik was bang.

‘Geen vragen, doe gewoon wat ik zeg.’

‘Roy, laten we alsjeblieft geen domme dingen doen.’

Roys ogen gloeiden als kooltjes. Hij hoefde niets meer te zeggen, ik gehoorzaamde hem. Samen liepen we het dak op. Hij trok me bij mijn pols naar de dakrand die hoog uittorende boven de grijze snelweg waar honderden auto’s als tetrisblokjes langs elkaar heen schoven. Het waaide. De rand van het dak kwam tot aan mijn middel. Roy en ik keken elkaar aan. Hij gebood me om op de rand te gaan zitten. Ik durfde niet naar beneden te kijken. Ik beet op mijn lip, vocht tegen de tranen. Ik wilde hem smeken om uit te leggen wat hij van plan was, maar wist dat het geen zin had. Toen zei Roy: ‘Blijf hier op me wachten.’ Hij draaide zich om, liep terug naar het luik en verdween.

Ik kon onmogelijk weten wat er daarna zou gebeuren. Die dag was de laatste keer dat ik met Roy sprak. Op het dak, daar heb ik zijn laatste woorden gehoord. Blijf hier op me wachten. Nooit heeft hij me kunnen vertellen wat er precies in zijn hoofd omging op dat moment, maar ik heb voor mijzelf een reconstructie gemaakt en ik ben er bijna zeker van dat het zo is gelopen.

Roy ging terug naar de negentiende verdieping. Daar liep hij naar de flat van meneer Uspensky en belde aan. Toen meneer Uspensky de deur opende, vertelde Roy hem een smoes die hij in de kelder verzonnen moest hebben. Hij gebruikte mij als lokaas en zei dat ik vastzat op het dak, of zoiets, omdat hij wist dat meneer Uspensky de verleiding niet zou kunnen weerstaan om een jongetje in nood te helpen; een heldhaftige daad die om een wederdienst vroeg. Waarschijnlijk vertelde Roy hem dat we nieuwsgierig waren naar hoe het zou zijn tussen de wolken, maar dat ik bij het beklimmen van de dakrand plots zo bang was geworden dat ik er niet meer af durfde, omdat ik vreesde dat ik naar beneden zou donderden. Zoiets moet het geweest zijn.

Meneer Uspensky volgde Roy gretig en kroop met zijn lange, hoekige lichaam door het luik. Toen ik mijn hoofd draaide, zag ik ze allebei staan: Roy in de schaduw van die nare man. Uspensky had een vreemde grijns op zijn gezicht, het soort grimas van iemand die verrast is door de grote opportuniteit die hem plots in de schoot geworpen wordt. Hongerig en vervuld van ongeloof tegelijkertijd. Hij hinkte mijn richting uit, met Roy in zijn kielzog. Uspensky zei niets, hij keek gewoon naar mij. Hij bestudeerde mij van top tot teen zoals een slager het karkas van een varken bekijkt om te zien welk stuk vlees hij eerst zal aansnijden. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Ik wilde weg van de dakrand, maar blok­keerde toen ik in Uspensky’s donkere, glimmende ogen keek.

Voor ik het besefte stond hij naast mij. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Het was een imposante gedaante. Ik klemde mijn handen stevig om de dakrand en maakte aanstalten om op te staan, klaar om weg te rennen. Uspensky opende zijn mond om iets te zeggen. Nog voor de klanken zijn keel verlieten, zag ik in mijn ooghoek hoe Roy kwam aangestormd en Uspensky een stevige duw in de rug gaf. Met moeite kon ik bevatten wat er gebeurde.

Uspensky wankelde. Zijn enorme lichaam helde naar de afgrond. Hij zette zijn ene voet voor de andere, in een poging zijn evenwicht te bewaren, maar wanneer zo’n massief gewicht eenmaal in beweging komt, is het bijna onmogelijk om het te stoppen. Het was net een dronken­mansdans. Pure paniek overtrok Uspensky’s gezicht. Hij klapwiekte met zijn lange armen en perste een oerkreet uit zijn longen. Zijn lichaam helde alsmaar meer over. Toch hervond Uspensky op het laatste moment zijn evenwicht. Hij graaide met zijn armen naar de dakrand en hield zichzelf tegen.

In de tussentijd was Roy – die door de duw zelf achteruit gekatapulteerd was – weer overeind gekomen. Opnieuw stormde hij op Uspensky af en gaf hem een tweede duw. Deze keer ging het vanzelf. Uspensky verloor zijn grip en tuimelde naar beneden met een langgerekte schreeuw. Ik zag hem steeds kleiner worden zonder te beseffen wat er eigenlijk gebeurde. Tot hij de grond raakte. De klap was tot boven te horen. Gevolgd door bloed. Veel bloed. Ik hield mijn hand voor mijn mond, geschrokken en gechoqueerd door de nietigheid van een mensenleven. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar ik weet wel dat ik geen medelijden had met die ouwe viezerik.

Lange tijd bleef ik gapen naar dat lichaam, dat in een onnatuurlijke hoek op de grond lag, met ledematen die als een waaier van vlees in een steeds groter wordende plas bloed lagen. Van bovenaf leek het net een bloem. Een perfect plan van Roy. Iedereen zou geloven dat die perverse ouwe zak zelfmoord had gepleegd.

Ik was zo gefixeerd op zijn lijk dat ik niet had gezien dat Roy naast mij op de rand was komen staan. Ik zag hem pas toen hij in mijn ooghoek als een zwevend object in de lucht hing. Enkele seconden later lag Roy naast Uspensky op de grond. Hij had niet eens gegild.

Ik kon niet geloven dat Roy gesprongen was. Niet hij. Zoiets zou hij nooit doen. Niet de Roy die ik zo goed kende en waar ik zoveel herinneringen mee had gedeeld. Maar zoals ik zei was hij eerder die dag in de kelder gebroken. Misschien was hij daar al wel gestorven. Ik keek over mijn schouder in de hoop dat alles slechts een illusie was en dat hij nog steeds achter me stond, met een steelse glimlach op zijn gezicht. Met zijn typische uitdrukking als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald. Dat gezicht mis ik nog steeds, en hoe harder ik Roy probeer te vergeten, hoe meer ik hem zie lachen.

Dode mannen dromen niet : Marcel Orie

Eerste akte: het boegbeeld

 

Noem me maar Shilpa. U bent nieuw hier? Het straalt van u af.

Misschien heeft u al van me gehoord? Shilpa de moritat-zanger? Luister naar mijn lied en stop een penning in het bakje van Herr Stumm, mijn aapje. Is hij niet schattig? Zie: hij is gekleed als een klein mensje. Ik maak mijn ronde over de zompige pieren van dit stadje. Met mijn draai­orgeltje begeleid ik de moord­ballades die ik zing, terwijl Stumm springt en danst.

De doden lopen hier schouder aan schouder met de levende dromers. Soms is het verschil moeilijk uit te maken, slechts in de details schuilt het echte kwaad.

Dit is een baai waaruit niemand meer vertrekt. Zie hoe de schepen opeen gepakt liggen. Kijk hoe de Baal met zijn boegspriet tegen de achtersteven van het zwarte galjoen Queen of Spades aanschurkt als een hitsig beest.

Her en der steken er nog masten boven het groene water uit, van gezonken en nooit geborgen schepen die als koraal­riffen vlak onder de waterlijn verstoken liggen. De wrak­ken maken de binnenhaven ondiep en verraderlijk.

In geval van storm deinen de schepen op de golven en ze botsen en schuren en klappen tegen elkaar, terwijl de beman­ningsleden als opgeschrikte mieren over het dek zwermen, touwen vastsjorrend, enterhaken gereed houdend, verwen­singen schreeuwend die weggevoerd worden door de wind.

Maar meestal is het water kalm in de vergeten binnen­haven van Wurmwater. De seizoenen zijn hier gelijkmatig. En de bemanning van piraten, moordenaars en plunde­raars, schoften van allerlei allooi houdt zich ook kalm. De bootsmannen zien erop toe dat de schepen onderhouden worden, ook al hebben ze er geen hoop meer op ooit nog uit te varen. En tussendoor wordt er gedobbeld, gedronken, gesnoefd en geslapen. De landerige stemming die zich van de zeebonken meester maakt baart de verstandigste kapiteins zorgen. Uit dit soort doelloos gelummel kunnen plots muiterijen ontkiemen.

 

*

 

Op de achterplecht van de Queen of Spades vindt een overleg plaats tussen drie kapiteins. In de namiddag hebben ze Madeira-wijn zitten drinken in de schaduw van grote ronde parasols. Nu begint de zon onder te gaan en zijn kaarsen bijgezet op ijzeren standaards. Het flakkerende licht vormt het drietal tot wrakhouten boegbeelden, losgebroken van hun schepen en na een lange sluimertijd gedobberd te hebben in zout water, aangespoeld op een vreemde kust. Verweerde koppen, stulpend en wrattig als overdekt met zeepokken. Het schaduwspel verhult niet, maar benadrukt slechts hun inborst.

De kapitein van dit schip luistert naar de naam Edward Teach, maar werd gevreesd als de piraat Black-beard. Hij harkt gedachteloos met zijn vingers door zijn lange, woeste baard, terwijl hij spreekt.

Hij heeft de andere twee kapiteins uitgenodigd. De Marsh­-broers, kapiteins op hetzelfde schip, wat het spreek­woord daar ook van vinden mag: de Baal. Beide mannen hadden bij leven de voorname leeftijd van zestig al bereikt, voordat ze stierven en aan hun tweede leven in Wurmwater begonnen. Ze zijn beide zwaar van lijf. De jongste broer, de stamvader Obed, is corpulent, zelfs vet te noemen. Ahab, de oudere broer, is zwaar op een andere manier, hij heeft nog steeds de bedacht­zame kracht van zijn walvisvaardersbestaan opgesloten in zijn gedaante.

Hun hoofden zijn te groot, bedenkt Edward zich, terwijl hij nog eens inschenkt. Obed heeft een schedel als een os, en bij Ahab is dat prominente voorhoofd ook nog eens getekend met littekens.

Ze spreken over vele dingen. Over hun gevangenschap in deze verstikte baai. Over hun verlangen om het zeegat uit te varen. Ze spreken over hun levens, over de handel, de walvisvaart en de piraterij. Ze lijken het eens. Een man moet zijn weg in het leven vinden. Neem je lot in eigen handen.

Ze dissen elkaar anekdotes op uit hun bewogen levens. Ze keuvelen. Over wijn en likeur. Over vrouwen. Obed Marsh haalde zijn vrouwen in Polynesië, dat is geen geheim, evenmin als wat hij met die vrouwen deed. Ze spreken over de landen die ze bezochten. De mannen die ze bedrogen. De wijn vloeit rijkelijk. De drie oude mannen blijken jongensogen te hebben, de schelmachtige twinkeling verraadt ze.

Maar er is ook achterdocht, als een verraderlijke onderstroming. Met welk doel heeft Edward de andere twee uitgenodigd? Ze zijn reeds jaren elkaars buren in deze haven en uitgerekend vandaag komt hij met een uitnodiging? Het is uiteindelijk Ahab Marsh die de onvermijdelijke vraag verwoordt: ‘Je schenkt goede wijn, Edward, en je conversatie wordt ook gewaardeerd. Maar toch blijf ik me afvragen waarom je ons eigenlijk hebt uitgenodigd.’

Edward knikt, alsof hij op deze vraag heeft zitten wachten. Hij neemt nog een slok en gooit dan de naam op tafel.

‘Kennen jullie de smokkelaar Karagiozis? Hij is een Griek, of sommigen zeggen een Turk. Een ge­bochelde. Hij heeft een tijd lang gewerkt voor de ivoor­handelaar Kurtz, heb ik horen vertellen. Hij werkt nu al jaren voor zichzelf. Hij smokkelt. Voor­werpen, personen. Er wordt gezegd dat hij geheime wegen naar het land der levenden kent.’

‘Een gebochelde Orpheus,’ beaamt Obed Marsh, ‘ik heb over hem gehoord.’

‘Ik ook,’ zegt Ahab, ‘een Griek en een zwendelaar.’

Edward gaat verder. ‘Ik heb horen vertellen dat hij een van jullie bemanningsleden onder zijn hoede heeft genomen.’

Er valt een lange gespannen stilte, waarin de drie mannen elkaar maar aan zitten te kijken.

Na een tijdje haalt Edward zijn schouders op. ‘Van deserteurs hebben we allemaal last. Het is de vraag hoe je het probleem oplost… zodat de rest niet hetzelfde idee krijgt.’

‘Ja,’ zegt Obed, ‘onze verloren zoon moet terug­keren. Goedschiks of kwaadschiks.’

‘Ontbied de Griek. Ondervraag hem,’ suggereert Edward.

Even later vertrekken de broers. Ahab wankelt van de wijn. Zijn rechterbeen is van ivoor, kunstig gesne­den uit walvisbeen. Hij legt een van zijn grote handen op de schouder van zijn broer, voor steun.

Eenmaal alleen neemt Edward Teach weer plaats in zijn zetel en schenkt zichzelf nog eens in.

‘Veel geluk,’ grijnst hij tegen zichzelf.

 

*

 

Daar gaat Mackie Messer, de pooier. Hij heeft betere dagen gekend. Zijn haar wordt dun en hier en daar grijs. De praalhans in zijn ooit dure, maar nu gelapte heren­jas. Verborgen in die jas draagt hij zijn messen, met lemmeten die je pas ziet blikkeren als het te laat is.

Pooier is misschien een onaangename term. Mackie zou zichzelf niet zo omschrijven: hij is een entre­preneur. Hij doet wat hij moet doen om aan zijn duiten te komen, of hij nu zijn vrouw de straat op moet sturen, of zelf zijn handen vuil moet maken. Hij draait zijn hand ook niet om voor afpersing, mis­han­de­ling of brandstichting. Lang geleden, toen ze nog leefden, hebben Polly en hij nog opgetreden met een messen­werper-act, maar daar zijn ze mee gestopt toen de handen van Mackie teveel gingen trillen.

De tragiek van hun bestaan, als een worm die zich door een appel knaagt, is dat ze elkaar in Wurmwater ook weer tegen zijn gekomen. Ze zijn weer samen gaan wonen, in een klein huisje in de binnenstad. Polly werkt in een her­berg als kamermeisje en af en toe pikt ze nog een klant op, maar dat wordt moeilijker nu het haar grijs wordt en haar tanden slecht. Ze heeft nog steeds haar ranke figuur, de hoge billen en puntvormige borsten, en daar is Mackie blij mee.

Zelf pakt hij alles aan om de eindjes aan elkaar te knopen. Souteneur is een term waar hij zich wel onder kan scharen. In het Frans klinkt het toch allemaal net wat eleganter, en hij spreekt de taal niet.

 

*

 

Edward Teach op vrijersvoeten. Hij heeft zijn woeste zwarte baard uitgekamd en in drie punten verdeeld, elk vastgezet met een gestrikt kleurig lint, zodat zijn baard de vorken van een drietand vormt, een symbolische daad die niet alleen zijn aangeboren ijdelheid bevredigt maar ook de goedkeuring van de zeegoden kan wegdragen. Hij bespren­kelt zich rijkelijk met reukwater en wikkelt een sjaal rond de littekens in zijn nek. In de wakende landen hadden zijn tegenstanders hem door­stoken, ze hadden zijn hoofd afgehakt en het aan de haren aan de boeg­spriet van zijn buitgemaakte galjoen geknoopt.

Hij is een dode met een voortdurend verstijfd lid. Wil je weten hoe je obsessie spelt?

Hij klimt de drie treden omhoog en opent met trillende handen het deurtje naar de galerij. Het vergulde krul- en lijstwerk van de spiegel achter hem vormt de barokke achtergrond voor zijn romantische ontmoetingen. De boegspriet van de Baal steekt, zoals reeds vermeld, rake­lings langs de achtersteven van zijn galjoen. De na­bij­­heid van de schepen maakt een bijna besloten ruimte van de galerij. Een besloten hofje voor twee tortel­duiven. De griffioenen die de glas-in-lood raampjes van zijn kajuit flankeren, zijn het enige publiek.

Links is het hokje waar zijn privaat gesitueerd is. Rechts de toegangs­deur tot zijn hut, die hij openlaat om extra beschutting te creëren. De boeg van de Baal ontneemt vrijwel alle zicht op de rest van de baai. Boven zijn hoofd torent het overdreven hoge voorkasteel.

Maar recht voor zich ontvouwt zij zich. Iedere keer is het alsof hij haar voor het eerst ziet. Iedere keer weer, ook al bezoekt hij haar soms wel twee keer per dag, bij voorkeur tijdens de ochtendschemering of na het onder­gaan van de zon. Ze strekt haar ene arm voor zich uit, haar biceps rustend tegen de zachte welving van haar prachtige gezicht, haar reikende open hand is een smeekbede waarmee ze om de toegang tot tot zijn kapiteinshut verzoekt. De souplesse in die pols, de expressie in haar tastende vingertoppen!

Het boegbeeld belichaamt de ziel van het schip, zeggen zij met een romantische inborst. Maar de Baal is een kraak, een hoge beroete kolos en zij is daarvan juist de antithese. Haar fijne ivoren beelte­nis is gesneden uit walvisbot.

Haar vlakke, brede gezicht verwijst naar haar Poly­nesische afkomst. Haar oogleden zijn altijd ge­slo­ten, de krulling van haar wimpers in de juk­been­deren gekerfd. Ze is een prinses van het eiland Kokovoko, heeft ze hem eens toegefluisterd, al bleven haar brede lippen onbeweeglijk gesloten in een uit­druk­king die hem soms pruilend, soms trots voor­komt. Hij moet op zijn tenen staan om haar lippen te kunnen bereiken.

Ze kromt haar bovenlijf alsof ze los wil sidderen van de boeg waaraan ze gekluisterd is. Alsof ze de last die achterop haar komt van zich af wil schud­den. Haar wulps puilende borsten, onder­steund door haar andere arm, zijn besneden met wijd bemeten areola en elk bekroond met een tepel die priemt als een tastende vinger. Door de krom­ming van haar torso zijn de ribben zichtbaar, zo glad en gepolijst en toch met weerhaken verankerd in zijn geheugen. Onder de welving van haar buik, en de holte van haar navel die zo diep is dat zijn wijsvinger er twee kootjes diep in verdwijnt, begint haar vissenstaart. De vissenschubben waaieren uit als de schubben van een dennenappel, schrapen zijn handenpalmen als hij ze er begerig overheen laat glijden. Alleen het onderste gedeelte van de staart kromt zich bij de voorsteven vandaan, een vinger­wijzing naar haar verlangen om vrij te zijn van het schip waaraan ze gekruisigd is. Haar uitlopende staartvin kan hij slechts beroeren wanneer hij gaat liggen op de galerij en hij zijn bovenlijf vervaarlijk over de rand laat bungelen, zijn gespreide benen als contra­gewicht, en dan slechts met een volledige uitge­strekte arm, zich als het ware spiegelend aan haar pose, slechts dan kunnen zijn vingertoppen de gegroefde lijnen in haar staartvin bevoelen.

Soms, ja zelfs regelmatig, culmineren deze gestolen ontmoetingen, als het verlangen ziedend in hem brandt, in een dierlijk schurken, hij maakt woest en onstuimig zijn riem los, trekt zijn kleren opzij en wrijft zijn tumescente onderlijf tegen haar buik, tot hij iets van verlichting heeft bereikt.

Daarop volgt de angst dat iemand hem bespied heeft. Een van zijn onderofficieren over de uitwaaie­rende balustrade van het achter­kasteel; of waar­schijn­lijker, een van de nieuwsgierige vissen­kop­pen die aange­trokken door vreemd rumoer op de boeg­spriet van de Baal zou klimmen. Edward trekt zich dan knarsetandend terug in zijn hut, en slaat zijn geliefde gade door de tralies met gekleurde glaasjes. Hij is een man die bevelen buldert, waarbij zijn man­schap­pen overeind veren om die bevelen ook uit te voeren. Wanneer hij gedwongen wordt om zijn liefdes­ver­klaringen te fluisteren voelt hij zich minder dan die man. Het is alsof hij zichzelf kleineert. Alsof er met die nood­zakelijke heimelijkheid een mate van lafheid achter­blijft dat zich nestelt in het merg van zijn botten.

Hij is ook geen dwaas, geen brulboei die een scheepsslag ontketent omdat hij zijn eigen kleine pleziertjes najaagt. Om tussen die gebroeders Marsh te laveren is om jezelf te positioneren tussen hamer en aambeeld. Maar hij is ook geen lafaard!

 

*

 

Maar wat er na de wittebroodsweken komt? Het beeld van een huwelijk dat al te lang geduurd heeft? Neem bij­voorbeeld Mackie Messer en zijn Polly, ze zitten samen aan de bar van de Lustvolle Zwaardvis.

Verstandige drinkebroers blijven wijselijk op afstand als twee echte­lieden beginnen te kijven.

De stemming van Mackie Messer is grillig: hij wisselt van opgetogen naar humeurig. Als hij larmoyant over zijn glas gebogen zit, zijn kop zo rood aangelopen als de port die hij heel de middag heeft laten weglopen in de bodem­loze put van zijn keel, dan plotseling weer vocaal en roffelend op zijn borst als een mensaap. Kenners weten dat Mackie nu op zijn gevaarlijkst is, maar Polly is zelf te beschonken en door de wol geverfd om er nog om te geven.

‘Je weet toch wie ik ben, is het niet?’

‘Tuurlijk, tuurlijk, jij bent Mackie Messer. Mackie het Mes. Denk je dat ik dat niet weet? Wou dat ik het vergeten kon…’

‘Ik ben toch je vent, of niet? Ben ik je vent of niet?’

Zijn echtgenote trekt aan haar sigaartje en blaast de rook naar hem toe.

‘Ik vraag je wat! Ik vraag je wat! Ben jij mijn wijf of niet?’

‘Ja, dat ben je Mackie! God weet dat ik je wijf ben! Ik draag er de schandvlekken van.’ Ze herschikt de doek om haar schouders, trekt de stof om zich heen alsof ze het plotseling koud heeft.

‘Aaah, wat ben je toch een monster. Geef ik je dan niet genoeg?’

‘Jij geeft me meer dan genoeg, Mackie!’ spuwt ze hem toe. Ze buigt naar hem toe en even lijkt het alsof ze hem met haar lange tanden in zijn neus zal bijten. Haar ene voortand is verkleurd na een stomp in haar aangezicht, bij een echtelijke ruzie enkele jaren eerder.

‘Zeg maar wat je hebben moet! Zeg het me maar!’ Hij slaat met zijn vuist op de bar zodat de glazen rinkelen, maar verder is het stil in de Lustvolle Zwaardvis. De toog is hun niemandsland geworden, waar niemand zich nog op wil houden. De waard poetst glazen, zo ver moge­lijk bij de echtelieden vandaan. Aan de tafeltjes staren de andere klanten in hun glazen.

‘Wil je een gouden ketting om je nek? Wil je er twee? Zeg het maar. Dan ga ik ze halen! Ik haal ze voor je!’

Hij staat op en zijn barkruk gaat met een klap tegen de grond.

‘Ik ben nog steeds Mackie Messer!’

‘Weet ik toch,’ mompelt Polly.

Dat had ze ook nooit mogen zeggen.

 

*

 

Het gerucht dat de Marsh-clan op zoek was naar de Griek Karagiozis verspreidt zich door de stad met de virulentie van de Franse pokken.

Een harpoenier uit Nantucket vertelde het tegen een paar stuwadoors. En even later werd er op de visafslag, waar de kade glibberig was van de inge­wanden, ook al druk gespeculeerd over de ware toe­dracht. Wat waren de motieven van de betrokken partijen? Zelfs de gekluisterde kraankinderen in de tredmolens die de grote hijskraan aandrijven, hoor­den het aanzwellende gerucht aan, al konden ze er niets mee, voort­stappend als muildieren.

De woorden reisden langs de kanalen de stad in. Een papyrussnijder hoorde het van een blinde bede­laar. Hij vertelde het door tegen de fruit­verkoopster met een rieten mand op haar hoofd. Een passerende ratten­vanger vertraagde zijn pas om hen af te luisteren. Hoorde hij dat goed? Tien dukaten? De grijze man droeg een hark over zijn schouder waar­aan hij zijn vangst aan de naakte staarten had opge­knoopt, en die zwierende dode ratten hadden ver­ont­rustend menselijke gezichtjes.

Gerucht en roddel waren het levensbloed van deze stad.

Op het moment dat het het havenvolk de kroegen binnen golfde, bereikte zijn koortsachtig hoogte­punt. Met genoeg drank om de kelen te smeren en de vuren der heldhaftigheid op te stoken, tuimelden de vrijwilligers over elkaar om de gluiperige Griek (of was het toch een Turk) in de kraag te vatten en uit te leveren bij de Marsh-clan. De beloning was nog niet verdiend of ze was al uitgegeven.

De verschillende bevolkingslagen werden geïnfec­teerd met de roddel. De filosofen en dichters die tot diep in de nacht aan de toog hingen om hun onto­logische dorst te lessen, ook zij hoorden van het kop­geld. Met hun verhitte fantasie groeide Kara­giozis uit tot een schurk van formaat, voort­vluchtig en ongrijpbaar. Iedereen kon wel een schanddaad van dit mispunt opdissen. De meesten hadden uit eerste hand onder zijn doortraptheid geleden (ook al hoor­den ze vanavond voor het eerst zijn naam).

De woorden werden herhaald en verhaspeld , ze kwamen terecht bij zovelen die er niets mee konden, maar zo nu en dan ook bij een man die er het zijne van dacht. Een nerveuze man die iedereen Black Dog noemde, vertelde het tegen een van zijn kompanen, terwijl ze zaten te drinken in de Lustige Zwaardvis. Oh voor­zienigheid! Een sluimerende, beschonken Mackie Messer lag te slapen op een houten bank in de nis ernaast. Hij was niet wakker, maar hij was ook niet in slaap. Hij was volkomen droomloos, zoals alle doden in deze stad. De woorden vonden zijn oren, weefden zich door zijn bijna-maar-net-niet bewustzijn.

 

*

 

De Roodjassen hebben een prooi gegrepen. Het trom­geroffel roept de menigte van toeschouwers bijeen. Nieuwsgierig dromt het volk samen rond het schavot, terwijl de Roodjassen hun gevangene vastketenen. Ze laten de ongelukkige knielen, drukken zijn hoofd op een houtblok, kluisteren kettingen om zijn armen en benen die ratelend strak getrokken worden door vier metalen ogen. Zo uitgespreid is het nog slechts wachten op de beul.

De soldaten dragen rode knielange jassen en vilten puntmutsen met gaten voor ogen en mond. Zwijgend en argwanend slaan ze de menigte gade, musketten in de hand, sabels aan de zij. Een omroeper declameert wat onduidelijkheden over ‘misdaden tegen het Gemenebest’. In Wurm­water zijn begrippen als rechtvaardigheid en schuld betekenisloos gewor­den. Er is nog maar één strafmaat en die wordt uitgemeten door de Bloedvuist. Als hij ten tonele verschijnt in zijn slagersschort wijkt de opdringerige menigte uiteen. Een reus van een man, de langsten onder de toeschouwers reiken nog niet tot aan zijn borst. Hij heeft een slepende tred. Hij draagt zijn zware slegge over zijn ontblote schouders. Zijn huid is krijtbleek. Zijn overmaatse kop wordt verhuld door een juten aardappelzak, gedoopt in scharlaken verf, met twee rafelige ooggaten. Er wordt van de Bloedvuist gezegd dat hij sterk genoeg is om bloed uit een steen te knijpen. Hij schept er genoegen in om de hoofden van degenen die hem ter beschikking gesteld worden met één machtige slag plat te slaan. Slechts heel zelden heeft hij twee of meer slagen nodig. Zijn werk gedaan, verdwijnt de beul weer. De andere Roodjassen scheppen de gekliefde overblijfselen in een houten kruiwagen en voeren ze af. Er wordt gezegd dat ze de hoofdloze kadavers verbran­den in ondergrondse ovens die zo heet zijn dat zelfs de botten tot as vergaan.

 

*

 

Het roffelen van de pauken doet Mackie wakker schrikken in de alkoof waarin hij zijn roes ligt uit te slapen. Hij drukt zijn warme gezicht tegen het kleine ronde glas-in-lood raampje en loert door het flessenbodem-glas naar buiten. Hij heeft geen inte­resse in een executie, zo lang het maar niet die van hemzelf betreft. Het lot van zijn medemens laat hem sowieso koud.

Maar hij ziet buiten wel iets dat hem interesseert. Een herinnering aan gefluisterde woorden kriebelt in zijn brein en vertaalt zich tot een glimlach. Het is zoals zijn moeder altijd placht te zeggen: sommigen zijn nu eenmaal voor het geluk geboren. Hij kruipt uit de alkoof, fatsoeneert zijn kleren en haar, zo goed en kwaad als dat gaat, en haast zich naar buiten.

De moritat blijft een opmerkelijke verschijning in haar kleurige goed, kniehoge leren laarzen, een pofbroek en een keurlijfje dat haar kleine borstjes opstuwt. Een brede paarse doek om het hoofd geknoopt, waaruit haar stugge haar getoupeerd oprijst als een toren, omwonden met kralensnoeren en linten. Haar aapje zit op haar schouder, hij is netjes aangekleed en heeft een hoge hoed op zijn kopje. Ze is bezig een roldoek vast te spijkeren aan de achterzijde van een privaat-huisje.

Mackie sist naar de straatzangeres. ‘Shilpa schatje, waarom zing je mijn liedje nooit meer?’

Stil als een schaduw is hij haar beslopen en hij geniet van de schrik in haar ogen.

Ze herstelt zich vlotjes. Arm in haar zij. ‘Heb je er een penning voor over, Mackie?’

‘Andere keer, schatje. Ik zit nu wat krap bij kas.’

Hij is dichterbij haar komen staan. Hij reikt naar haar arm, maar zij stapt snel bij hem vandaan.

Hij glimlacht breed naar haar en schudt zijn hoofd.

‘Van mij heb je niets te vrezen, schatje.’

Ze tikt met twee vingers tegen haar slaap. ‘Ik ben je liedje niet vergeten: de haai heeft tanden en die draagt hij in zijn gezicht.’

‘Ik kan niet begrijpen dat wij nooit zaken hebben kunnen doen, zo’n mooie slimme meid als jij en…’

‘Laten we dat maar niet doen, Mackie.’

Hij zucht. ‘Zoals je wilt. We hebben het er een vol­gende keer wel over.’ Hij wijst op een figuur in de  uiteenvallende menigte. ‘Zeg eens, die grote vent daar, met die bochel als een dromedaris, dat is Karagiozis de Griek, toch? Met die lelijke kale kop en die haakneus.’

Shilpa hoeft nauwelijks te kijken. Ze knikt alleen maar.

‘Dacht ik al,’ glimlacht Mackie. ‘Goed zo. Heel goed. De volgende keer koop ik een liedje van je, Shilpa.’

De moritat-zinger besluit toch een andere plaats te zoeken om haar liederen ten gehore te brengen. Ze haalt haar juist vastgespijkerde doek weer los, rolt hem behendig op, hangt haar kleine draaiorgeltje weer aan de leren band over haar schouder en maakt zich dan uit de voeten, het kwetterende aapje in haar kielzog.

Mackie Messer blijft achteraf staan, leunend tegen het zweterige metselwerk, zijn handen weggestoken in de hoge zakken van zijn jas.

De ter dood veroordeelde wordt alweer afgevoerd in zijn kruiwagen. De beul sjokt er vandoor. De menigte begint uiteen te vallen, te desintegreren. Kleinere kluitjes kiezen weer hun eigen pad. Straat­verkopers en temeiers proberen ze nog te onderscheppen om hun schamele waren te slijten.

 

*

 

Ik zeg niet dat Wurmwater het hiernamaals is. Ik weet niet hoe heet de hel is, of wat de onderscheidende karakteristieken van het vagevuur precies zijn. Deze havenstad lijkt in ieder geval niets op de beschrijvingen die ik wel eens heb horen geven van de hemel of het paradijs. Maar misschien komt deze poel des verderfs een rechtgeaarde zondaar juist wel hemels of paradijselijk voor. Wie zal het zeggen? Ik in ieder geval niet. Ik ben maar een eenvoudige straatzangeres, geen geleerd theo­loog, predikant of moralist.

Laten we het erop houden dat Wurmwater een stad is, ergens, aan de nachtzijde der dingen, met een haven waar ongewoon veel zondaars strandden. Het komt op geen enkele kaart voor, las ik eens ergens, want echte plaatsen vind je nooit op een kaart.

Er zijn hier zoveel doden die een tweede kans hebben gekre­gen. Ze imiteren de levenden: ze vreten en zuipen, neuken en vechten, liegen en bedriegen, alsof er nooit meer een morgen zal komen. Een tweede kans om dezelfde misstappen te maken als de eerste keer. Daarom zing ik nooit een aubade of pastorale. Ik zou verhongeren, want mijn toehoorders zijn zo door de wol geverfd, dat hun aandacht slechts wordt getrokken als ik mijn roldoek vastspijker aan een schutting of paal. Het bloed moet van het doek druipen, anders blijven zij niet staan. Ik moet krassen over moord, brandstichting en verkrachting, anders zoeken zij hun vertier elders.

 

 

Tweede akte: de worst

 

Kent u de vissen die ze piranha noemen? Ze leven in de man­grove ten oosten van de stad. Het water is daar opaak en groen als absint. Heel kalm, ook. Glad als een beslagen spiegel. Ze eten geen vlees, deze vissen, ze voeden zich slechts met de vruchten die overrijp van de bomen in het water vallen.

Maar als er iets in het water valt, is het gedaan met de kalmte. Ogenblikkelijk wordt het water een woelende, kolkende maalstroom van tanden en honger. Even later is de rust weer teruggekeerd. Geen rimpel herinnert nog aan de chaos van zojuist.

Vissen, dus.

U begrijpt wel dat ik het eigenlijk over deze stad heb?

 

*

 

De uitbater van Het Spuigat is een kleine man die Mumbai genoemd wordt, naar de stad waar hij ooit geboren was. Hij doet denken aan een poetsgarnaal met zijn kruiperige, springerige bewegingen. Ook zijn stekelige doorgegroeide bakkebaarden en de sprietige spierwitte wenkbrauwen- herinneren aan de kleinste der kreeftachtigen.

Het Spuigat is zo’n kroeg met kerven op de borrelglazen die een borrel of een dubbele mar­keren. De waard put zich uit in excuses terwijl hij aan het inschenken is. Hij spreekt in een onver­staanbaar binnensmonds pidgin, zodat zijn klanten nooit begrijpen waarvoor hij zich precies veront­schuldigt.

De inferieure kwaliteit van zijn drank? De glazen vol vingerafdrukken? Het feit dat er slechts een enkele olielamp brandde en de zaak donker als een graf was? Misschien omvat de voortmeanderende mea culpa de algehele smoezelige staat van het etablissement of de gastheer?

Het verzakte houten drinklokaal ligt ingeklemd tussen een pandjeshuis en een teerderij. Tegen de vergoeding van enkele koperen penningen opent Mumbai discreet een van de achterdeuren waarlangs een klant toegang krijgt tot een achterplaatsje, een cul-de-sac omsloten door de wrakhouten bouwsels, enerzijds begrensd door een hok met een blind varken en anderzijds afgepaald door een houten schutting. De zaak ontleent zijn bijnaam aan de ronde gaten die in deze schutting geboord zijn, ruwweg op heuphoogte.

Achter de schutting is de plaats waar Mumbai zijn vaten met drank opslaat. Er is een aparte deur voor het personeel.

Wanneer er een behoeftige klant zijn broek had laten zakken en plaats nam voor een van de gaten, was het slechts een kwestie van tijd voordat Mumbai iemand vond om plaats te nemen aan de andere zijde van de schutting om de overeenkomst te bezegelen. Ofwel een van de tippelaars die hier over straat zwalkten, of wanneer hij het met de lichtekooien niet eens kon worden over de vergoeding dan stuurde nog wel eens de doof­stomme keukenhulp, die hij dreigde met slaag.

Van de klanten wordt slechts verlangd dat zij vooraf betalen en dat zij zich verder niet storen aan het rochelachtig geknor van de zwart-witte zeug in haar modderige kot, of aan de zurige geur van de uitgekookte rats die in haar trog ligt te zweten.

Het gerucht gaat dat wanneer Mumbai geen ge­schikte knieler kan vinden, hij zich dan maar ver­ontschuldigt in de kroeg, zijn kunstgebit uit de mond neemt en in een bakje achter de toog verstopt, waar­bij hij zelf naar het achterterrein gaat.

 

*

 

Vanavond is er een vaste klant aangetreden: de Griekse bultenaar Karagiozis. (Van de schaduw die hem al de nodige tijd volgt door de drukke straatjes van Wurm­water heeft hij geen weet.) Hij is gekomen voor zijn pleziertjes. Hij heeft eerst zijn blaas geleegd op het achter­plaatsje en propt nu zijn van anticipatie aanzwel­lende olifantslid door een spuigat dat zich voor hem op praktische hoogte bevindt. Zo wacht hij af, terwijl Mumbai op straat een meisje van de nacht probeert te regelen. Het ongewisse van zo’n uitwisseling is wat Karagiozis zo bevalt.

Hij staart omhoog naar de maan, die als een uitgeslagen wiel kaas aan de hemel schimmelt. Hij laat zijn kale schedel rusten tegen zijn bult alsof hij een kussen meedraagt tussen zijn schouderbladen. Zijn vingers verkennen het ruwe oppervlak van de schutting waar hij tegenaan leunt. Hij probeert een liedje te neuriën dat hij eerder die dag uit een draaiorgel gehoord heeft, maar zijn mond is te droog. Hij likt aan zijn gebarsten lippen.

Een siddering trekt langs zijn ruggengraat als hij de personeelsdeur hoort dichtklappen. Actie!

 

*

 

Mackie sluipt langs de schutting. Hij draagt zeven messen van verschillende formaten verborgen op zijn persoon, maar hij heeft ze nog geen van alle tevoorschijn gehaald. In een opwelling heeft hij een schaar uit zijn laars gehaald. Hij klapt hem open en schuift hem langs de schutting, als een kind dat speelt dat de schaar een haai is.

Snip-snap. De maan blikt op hem neer, knipoogt naar hem.

Dan begint het schreeuwen.

 

*

 

Met lichte tred keert Mackie Messer terug naar het krot dat hij met zijn Polly deelt. Zijn trofee draagt hij mee in een stuk oliedoek. Hij wast zijn kleverige handen bij de geitenkop fontein, het melkwitte water dat uit de rots sijpelt ruikt naar zwavel. Dan daalt hij het steegje af waarin hij zijn huis heeft. Er zijn geen straatlantaarns hier, maar hij kent de weg. Twee treden omlaag, op de tast de sleutel in het slot.

Hij bergt zijn trofee op in zijn geldkistje, zodat de vliegen er niet bij kunnen. Hij ontkleedt zich en gooit zijn kleverige plunje achteloos op de zaagselvloer. Dan kruipt hij bij zijn echtgenote in de bedstee. Nog slapend, kruipt ze bij hem vandaan, instinctief, zo ver als ze kan, voordat de muur haar tegenhoudt. Hij kruipt tegen haar aan, duwt haar klem en begint haar slaapjurk omhoog te hijsen. Niets laat zijn eigen bloed zo stromen, als wanneer hij het bloed van anderen heeft laten stromen. Een probaat afrodisiacum.

 

*

 

De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.

Mackie heeft de oliedoek opengevouwen en toont de gedrochten zijn trofee.

De bootsman heet Barnabas Wade. Hij snuift en kwaakt. Hij heeft kopergroene schubben in zijn hals. Zijn oren zijn verdwenen. Hij heeft kieuwen als rafelige openingen in zijn hals. Er hangen vlezige snorharen langs zijn mond omlaag. Heel zijn onmen­selijke gelaatsuitdrukking ademt afkeer. Zijn ont­blote bovenlijf is overdekt met tatoeages.

‘Dit is Karagiozissss niet! Wij zoeken een man, jij brengt ons dit!’

‘Haal je kapitein maar,’ zegt Mackie, ‘die snapt me vast wel.’

De bootsman brengt zijn gezicht vlakbij dat van de pooier. Zijn kieuwen blazen open als hij snuift en blaast. ‘Ontbied één van onze kapiteins.’

Ondertussen komen de vissenkoppen nog wat dichter om Mackie heen staan. Om hem te inti­mi­deren, maar hij geeft geen krimp. Ze ruiken naar vis, naar de zoute zee, maar die observatie besluit hij maar voor zich te houden.

Wanneer de oudste van de Marsh-broers, kapitein Ahab, eindelijk aan dek verschijnt, steunend op zijn kruk, wijkt de bemanning uiteen om hem vrij door­gang te geven. De oude walvisjager slaat de trofee een ogenblik met een glinsterend oog gade. Hij schudt zijn hoofd, misschien omdat hij zich blijft verbazen over de waanzin en eerloosheid in deze stad.

‘Waarom ons de man zelf niet gebracht?’ vraagt hij dan aan Mackie.

‘Ik vond hem te corpulent om te dragen.’

‘Dus je verkondigt dat je te lui ben om te werken en toch kom je om een beloning bedelen?’

‘Mijn slagerswerk is inspannend genoeg geweest. Ik handelde inventief en doortastend, om de Marsh broers te brengen waar zij om verzochten. Goud voor bloed, want woord is woord bij de Marsh, dat weet iedereen.’

‘Wij vragen om de man, niet om een onderdeel van de man.’

‘En ik vraag slechts om de kopprijs die jullie hebben uitgeloofd.’

‘En toch is degene die wij zoeken niet hoofdelijk aanwezig.’

‘Maar voor dit hier.’ Mackie Messer schudt het lillend vlees dat hij nog steeds als een offerande op zijn uitge­strekte handen ophoudt. ‘Zal de Griek zich vanzelf komen presenteren. Verkondig dat jullie dit onderdeel van hem hebben, en hij zal er voor komen. Hij zal komen bedelen als een hond. Hij zal alles doen wat je vraagt.’

‘En hoe weet ik dat jij als slagersgezel dit onderdeel niet van een varken hebt afgesneden?’

‘Gezegend zou de gedroomde beer zijn. Kijk naar de afmeting, kijk naar de vorm. Gezegend is de Griek, zoals het verteld wordt, want hij heeft niet alleen een bult op zijn rug, maar ook één tussen zijn benen. Hij is kameel in plaats van dromedaris. Of althans dat was hij tot ik hem ontmande.’

Kapitein Ahab richt zich tot zijn bootsman. ‘Neem het lid en betaal heer Messer vijf dukaten.’

De kapitein draait zich al om, als Mackie opmerkt: ‘Maar de uitgeloofde beloning was tien dukaten.’

‘Tien dukaten voor de man. Ik geef je er vijf voor zijn lid. Dat is rechtvaardig.’

Steunend op zijn kruk, keert kapitein Ahab terug naar zijn vertrekken.

 

*

 

Polly schudt de kussens op en het regent veren. Ze had gewoon bij Vrouw Holle moeten blijven werken. Waarom had ze zich ooit laten weglokken door Mackie? Vannacht was het weer raak geweest: eerst een pak slaag en daarna erop. Alle mannen zijn zwijnen, en Mackie Messer de ergste.

Maar wat moet ze dan? Bij hem weglopen? Ha! De vorige keer dat ze dat deed, had hij haar teruggevonden. En het haar laten voelen ook. De fout maakte ze niet meer.

Wie is die idioot die op de binnenplaats staat te schreeuwen?

Een blik uit het open raam vertelt haar dat het haar idioot is.

‘Polly! Polly schatje!’

‘Ik ben aan het werk,’ roept ze terug.

‘De rode haan op het dak van deze herberg!’ schreeuwt hij terug, ‘Kom naar buiten. Je man zorgt voor je! We gaan dansen en drinken!’

Hij danst een onnozele horlepiep op de kasseien. Polly moet er om glimlachen.

 

*

 

Karagiozis heeft zijn escorte naar een oude wacht­toren geleid.

De bootsman Barnabas Wade heeft de leiding over de excursie. Hij heeft vier matrozen bij zich, met pikhouwelen en scheppen in de hand. Aan wal verhullen ze hun onmenselijke trekken met petten en sjaals. Een jonge matroos genaamd Tobias heeft de dubieuze eer om het lid van de Griek te dragen.

De wachttoren is ingestort en alleen de onderste verdieping staat nog overeind. Op die afgebrokkelde muur is een primitief afdak van bladeren aange­bracht. De oude zigeunerin die haar intrek in de toren heeft genomen wordt door de vismensen naar buiten gejaagd. Mokkend, maar machteloos kijkt ze van een afstand toe. Ze maakt het teken van het boze oog en spuwt door haar vingers, maar daar staakt haar verzet. Wat moet ze anders? Geen weldenkend mens durft de aandacht van de grillige Roodjassen te trekken.

De vismensen zijn druk bezig om een gat te graven midden in de hut, op aanwijzingen van de Griek.

‘Hier heb ik hem laten begraven, met alles wat hij bij zich had.’

De Griek zweet overdadig.

‘Als je liegt, dan zal ik nog meer van je afsnijden,’ grijnst Barnabas hem toe.

‘Graaf dieper,’ zegt Karagiozis, ‘want daar ligt jullie wegloper.’

Zo gaat het een tijdje door.

‘Botten!’ roept een van de matrozen schril uit het gedolven gat. ‘We stuiten op botten!’

Barnabas loopt naar de rand van het gat en zakt op zijn knieën op de aarden wal.

Meer en meer botten worden opgegraven en door­ge­geven. Dan een schedel. Een ribbenkast. Een menselijk geraamte wordt bijeengeraapt en gerang­schikt als een puzzel.

Dan stuit een spade op iets hards, dat toch de deksel van een kist moet zijn.

‘Voorzichtig,’ sist Barnabas. ‘Gebruik jullie handen om de kist vrij te maken.’

In de verhitte drukte die ontstaat, is matroos Tobias ook in het gat gesprongen. Gehurkt als honden klauwen en graven de vismensen de kist vrij. De bootsman blijft hen aansporen vanaf de aarden wal. ‘Voorzichtig met de relieken. Voorzichtig.’

De kist wordt uitgegraven en devoot omhoog getild door zoveel handen. Barnabas forceert het slot met zijn dolk. Maar in de kist zitten alleen maar scherven gebroken aardewerk, blauw geglazuurd. De boots­man raapt ze er steeds sneller uit en werpt ze op de grond. ‘Wat is dit voor truc, Griek?’ gromt hij, om zich heenkijkend.

Maar Karagiozis is natuurlijk al nergens meer te bekennen.

‘Waar is de pik van dat Griekse zwijn?’ is de volgende logische vraag van de bootsman.

Waarop matroos Tobias slechts stamelend kan uit­brengen: ‘Ik legde het ding daar… daar op de werk­bank van de heks… naast de opgezette krokodil. Excuses bootsman… ik wilde alleen maar helpen met graven.’

 

*

 

De relatie tussen oorzaak en gevolg is hier niet uit te drukken als een lijn, valt niet als een pijl te symboliseren. Hier is de causaliteit meer als het slappe koord dat sommige potsen­makers bewandelen. En velen vallen er voortijdig af. Of ze vallen naar de kant van de schuld, of naar de onschuld, doet nauwelijks ter zake. Niemand maalt erom. Hier niet.

Kijk naar mijn rolprenten. Luister naar mijn liederen. De bloeddorstigheid ervan zou de daders zelf verstommen. Ze weten niet wat ze doen…. Er is meestal geen band tussen slacht­offer en dader, geen lichtend koord dat ze aan elkaar verbindt. In deze boosaardige stad kunnen het passanten zijn, die om schijnbaar niets verwikkeld raken in een bloedvete. Voorzienig­heid was nooit zo banaal. In deze stad struikelen de schik­godin­nen en raken verward in hun eigen weefsel.

 

*

 

Karagiozis sleept zijn peervormig lijf voort. Hij draagt een strooien hoed om zijn kale schedel tegen de zon te beschermen, maar de druppels glijden al omlaag over de spekrollen die weelderig zijn nek bedekken. De bochel die tussen zijn schouders oprijst wiegt heen en weer als de bult van een dromedaris. Hij heeft gekoelde groene thee zitten drinken op de achterplecht van zijn woonboot, zitten drinken en zitten dommelen, totdat hij weer ontwaakte door het gerommel van zijn maag. Zijn hechtingen jeuken wat en hij heeft een branderig gevoel bij het urineren, maar verder lijkt alles benedendeks in orde. Het heeft hem een aanzienlijk deel van zijn spaar­geld gekost om zijn lid weer vast te laten naaien. Die chirurgijn Johann Faust die praktiseert in de Altstadt heeft verzekerd dat zijn toverfluit binnen enkele dagen weer naar behoren zou moeten functioneren.

Nu waggelt Karagiozis over de krakende, steunende steigers en plankiers die de waterkant van Wurmwater-aan-zee markeren. Het water loopt hem in de mond als hij denkt aan gestoomde zoete broodjes die Chai Mai vult met het gebraden gehakt dat ze koopt bij Ursala de varkensvrouw. Eerst zal hij eten, nog wat kracht opdoen, en dan zal hij testen of zijn lid inderdaad weer werkt. Hij zal op de terugweg langs het Kale Huis gaan, waar de meisjes hun schaamstreken en oksels scheren om de schaamluis op afstand te houden, waarna ze zich ver­sieren met triangelvormige kunstpruikjes van bever­bont. Ze kennen hem daar, hij is een gulle tipper.

De zon staat op zijn hoogst boven deze gedroomde en verdronken stad, een onverbiddelijk zengend oog van een wraakzuchtige oud-testamentische god. Op dit uur is de heerschappij van de zon volledig en zijn zegetocht is vol pracht en praal. De aangekoekte zoutkorsten op de ducdalfen schitteren alsof ze bepoederd zijn met diamantstof. De schaduwen van de overstekende daken zijn verdrongen, nestelen zich hoog tegen de gevels als sluimerende vleer­muizen dromend over hun nachtelijk bewind.

Ook het ongedierte blijft uit het zicht, ze scharre­len onder de plankiers over de met schaaldieren begroeide palen en dwarsbalken. Als er een voet­ganger passeert, houden ze zich stil, totdat de stam­pende reuzen­voeten zich weer verwijderen. Het gewicht van de Griek is aanzienlijk, zijn puilende buik schudt en wiebelt als hij loopt. De sleutelbos met koperen sleutel rinkelt vanaf zijn brede riem, onder het afdak van zijn pens. Er hangt ook een vuurslag­pistool in een leren holster aan die riem. Hij heeft een sabel in de schede, die hij als wandelstok gebruikt. Hij zal niet toestaan dat die viskoppen hem verder mutileren of bedreigen. Schoften!

Hij herinnert zich de jonge vissenkop nog wel. Zijn naam is hij vergeten, evenals de precieze plek waar hij hem begraven heeft. Over de jaren heeft hij zoveel slachtoffers in de grond gestopt om de wormen te voeren. Ze zien in hem een veerman die ze terug naar het leven kan loodsen, maar hij is hun engel des doods.

Heel de stad is lusteloos en loom. De lucht verdikt tot stroop. Het roepen van de straatverkopers komt met steeds langere tussenpozen. Onder de stad is het maar marginaal koeler. De naakte oesterduikers en vissers hebben hun rieten bootjes vastgebonden aan de palen en stelten waarop de stad gebouwd is. Ze liggen in hun bootjes te slapen, als kadavers die wachten op de wederopstanding.

Maar niet iedereen geeft zich over aan de siesta: er glijden schaduwen door het water, vluchtig als de vormen van mangrote vissen, vreemde lichamen die net onder het troebele olijfgroene water schuil gaan. Nu en dan verschijnt er heel even een snuit boven de waterlijn als van een kaaiman of een snoek. Ogen zonder oogleden volgen de gangen van de sleutel­bewaarder van net onder de waterlijn. Vier, nee vijf, van deze donkere vormen, elk zo groot of groter dan een mens, zwemmen achter hun prooi aan. Ze volgen de Griek al vanaf het kanaal der papyrus, en nu door de steeds smallere grachten en kreken van de achterbuurt die de Duivelsvingers genoemd worden. De steigers zijn hier lager, bevinden zich dichter bij het wateroppervlak. Met een behendigheid die zijn omvangrijke gestalte niet zou doen vermoeden balanceert Karagiozis over een van de doorverende kattenbruggetjes die de vlotten, woon­boten en steigers met elkaar verbinden.

Ongemerkt zijn de jagers dichterbij gezwommen.

Als Karagiozis op het laagste punt is, de plank waarop hij staat tot het uiterste gebogen, de gekrulde tenen van zijn schoenen nog maar een handbreedte boven het water, springt er iets omhoog uit het water als een orka. Een plons als het uit het water omhoog komt, gevolgd door een iets luidere plons. De kattenplank veert nog na. Kara­giozis is uit het zicht verdwenen. Alleen de uit­dijende rim­pelingen in het water verraden waar hij heen gegaan is.

Onder water worden zijn spartelende ledematen gegrepen en gefixeerd door sterke vingers met zwem­vliezen. Zijn sabel ontglipt hem en zinkt weg in de oer­soep. De vismensen hebben hem te pakken. Soepel als dolfijnen dartelen zij om hem heen, klauwend en bijtend trekken ze hem mee omlaag, steeds verder de diepte in. Een worsteling met de allure van een dans. De enige muziek is de waterdruk die trommelt in zijn oren. Zorgvuldig, bijna sensueel wordt zijn broekriem los­gemaakt, alsof de aanvallers benieuwd zijn naar het enorme lid dat de man zich weer heeft laten aannaaien, maar de vingers met zwemvliezen halen slechts de sleutelring en het holster met het pistool los van de riem. De wijde broek glijdt omlaag tot aan de gezwollen enkels om daar te blijven haken. Uiteindelijk binden de vis­mensen hem vast aan een verroest afgeworpen anker dat half begraven in de drek op de bodem ligt.

 

*

 

Veel van wat verloren is, kan nooit meer teruggevonden worden. Wurmwater is weliswaar de stad der tweede kansen, maar hoop gedijt niet goed op deze mestvaalt. Vrijwel iedereen die hier leeft is al eens gestorven, veelal gewelddadig. Daarom hangen ze nu ook zo aan het leven, omdat ze betwijfelen of er nog een wereld is, hierna. Een onderwereld voor de onder­wereld, is dat geen vreemd concept?

De levende dromers die deze streken bezoeken, ja, met hun geestesgesteldheid moet iets goed mis zijn. Om in deze zeepbel van een droom vrijwillig rond te waren, dat kun je niet minder dan waanzin noemen, en dat terwijl de doden hier niets liever willen dan terugkeren naar de wakende wereld.

Wat vraagt u me nu? Nee, over mijn eerste dood zal ik niet vertellen. Ik vrees voor uw nachtrust, gewaardeerde luisteraar.

 

 


Derde akte: de tiara

 

Wat een regen! Nu we hier schuilen heeft u misschien een moment om naar mij te luisteren? Heeft u nog steeds haast, ook al pissen de goden op onze hoofden?

U bent nieuw hier? Onderweg naar de Altstadt? Ik kan een moordballade voor u zingen, maar als u een penning laat vallen in het bakje van Herr Stumm dan kan ik u ook aanwijzingen geven. Uw gids zijn in deze straten, zo u wilt.

 

De echte stad ligt natuurlijk hogerop, daar tegen de rots Krabbenpunt aan. Verder bij de haven vandaan, langs de tijdelijk opgeworpen houten bouwsels, de verzakte paalhutten en armzalige woonsloepen van de vissers, over de doorzadelende houten planken, langs de naar vis stin­kende krotten in het zand, langs al het wrakhout dat lig te wachten op het volgende springtij dat alles weer weg zal spoelen, daar voorbij verschijnen de eerste stenen huizen van Wurmwater, dat door velen Wurmwater-aan-zee genoemd wordt. De huizen die tegen de voet van de grote rots Krabbenpunt aanschurken lopen bij zwaar weer ook onder water. Bij wind uit zee verzamelen de bewoners hun schamele bezit­tingen en wachten af welke rampspoed de storm hen brengen zal.

De smalle straatjes die omhoog slingeren en klimmen naar de woningen van de beter gesitu­eer­den op de top van de rots vormen een stenen laby­rint met overhellende muren. Een wirwar van benauwde kloven die splitsen en kronkelen, ze komen samen en scheiden zich weer af. De huizen hier zijn tegen en soms gedeeltelijk in de karst gebouwd, zodat niet goed meer te duiden valt waar de natuur eindigt en de bouwkunst begint. De huts­pot van bouwstijlen ademt een vergane glorie en antiquiteit uit die de Oude Wereld suggereert.

Het volk schuilt voor de regen onder de gemetselde booggewelven, opkijkend naar de pissende water­spuwers, de bewerkte kraagstenen en korbelen, de gotisch ogende torenspitsen en de kleine raampjes en nissen in de rotswand. Daarboven is de hemel dichtgeschoven met gebeeldhouwde grauwe wolken die even tastbaar lijken als rotsen beneden.

Alles druipt inmiddels van het water. De muren van gestapelde stenen zijn bedekt met mos zo weelderig als een dierenpels. Op de daken groeien varens. Een ingestorte schoorsteen wordt nooit meer gerepa­reerd, de stenen worden weggehaald en gebruikt voor andere tijdelijk bouwsels.

De bewoners zijn slechts dat: nomaden op door­tocht in deze tochtige ruïnes. Als neander­thalers laten ze hun handafdrukken na op de wanden van hun grotten. Ze drijven hun geiten bijeen in kapellen gewijd aan lang vergeten goden. Ze stoken hun vuren op gebarsten tegelvloeren.

De regenval heeft de gebarsten kleigrond in de steile straatjes tot modder getransmuteerd. De voeten van het volk zullen die modder woelen en ploegen tot de drek die men in een varkenskot aantreft. Omberen plassen dampen als kleine vulkanische meertjes. Stroompjes sijpelen langs de glibberige traptreden omlaag.

Zie, het druppelt nog maar een beetje. Schichtige krielkippen beginnen in en uit de gapende deur­openingen te scharrelen. De eerste mensen schuifelen ook tevoorschijn uit hun krochten en schuilplaatsen. Een uitgestoken hand en een schattend oog. Blijft het nu droog? In de verte, achter de gespleten top van de karst die vanuit de juiste positie inderdaad iets wegheeft van een opgestoken krabbenklauw, rolt de donder zachtjes en geduldig. De druppels beginnen alweer te vallen.

 

*

 

Tobias ligt in zijn hangmat en luistert naar het roffelen van de regen. Hij slaapt in het middelste ruim, ter hoogte van de waterlijn. De regenval op het water is een monotone ruis.

Hij probeert zoveel mogelijk op zijn zijde te slapen. De striemen op zijn rug beginnen nu te helen, maar blijven nog steeds pijnlijk. De woede van de bootsman om zijn onzorgvuldigheid was uitbetaald met vijf venijnige zweepslagen.

Heel het ruim, evenals de ruimen erboven en onder, zijn gevuld met hangmatten vol slapende broeders. De Baal is overvol sinds de Sumatra Queen van kapitein Obed Marsh verbrand en gezonken is, de bemanning is meer dan verdubbeld. De oudere broeders, degenen wiens trans­formatie voltooid is, slapen niet meer aan boord van de Baal. Ze leven in het water, dichter bij Vader Dagon, en komen nog slechts zelden aan boord.

Hij moet steeds vaker denken aan degene wiens naam ze niet mogen noemen. De afvallige broeder die zijn lots­bestemming probeerde te ontvluchten. De botten die ze hadden opgegraven waren niet van hem geweest. Het waren slechts de overblijfselen van een andere onge­lukkige die de Griekse smokkelaar had laten begra­ven. Wie weet hoe vaak die moordlustige zwendelaar zijn trucs had uitgevoerd.

Als Tobias de slaap niet vatten kan, zal hij weer een ongemakkelijke nacht doorbrengen, zoekend naar een comfortabele houding in zijn hangmat. Vruchteloos trachtend om het concert van gesnurk, gefluit en gerochel uit te bannen.

Doodmoe zal hij opstaan, als de bronzen bel voor het ochtendgebed geluid zal worden. In een processie trekken de gewekte bemannings­leden naar het voor­onder, waar kapitein Obed de plechtigheid zal leiden. De hybriden kwaken en fluisteren. Hobbelend op kromme benen die beter geschikt zijn om te zwemmen dan te lopen. Ze zullen zich verdringen om te knielen in het vooronder, om te luisteren naar de preek van de kapitein.

Maar dat is pas tegen de ochtend. Nu ligt heel de nacht nog voor hem en is hij alleen met zijn gedachten, verlaten en moederziel alleen tussen al zijn broeders.

 

*

 

In de stortbui ligt de pier er verlaten bij. Het zijn twee dwazen die tegen wil en dank de de elementen trotseren. Voorop gaat de matroos Peters, die aan de tering overleden is. Voorovergebogen, met raspende adem­haling en eeuwig bloed ophoestend. Bij leven heeft hij de dertig niet gehaald, maar hij ziet er uit als een oude man.

Hij wordt op de voet gevolgd door Jack Sweetheart. Het contrast tussen die twee is groot, want Jack is een prachtig lijk, met zijn strakke zongebruinde vel en zijn fonkelende witte intacte gebit. Zijn kastanje­bruine krullen zitten aan zijn schedel geplakt en het regenwater druipt over zijn gezicht. Hij ziet er veel te goed uit om dood te zijn. Er is geen hoer in de stad die hem geen korting geven zal. Voor zijn borst draagt Jack een bolle kruik, hij loopt met kleine be­dachte waggelende stapjes, zijn gespierde armen om de kruik zoals een hoogzwangere vrouw haar buik zou vasthouden.

‘De ouwe man is zongestoofd,’ meent Peters, over zijn schouder. ‘Zijn brein tot moes.’

‘Is het ooit anders geweest,’ vindt Jack, die zich graag op de vlakte houdt. ‘Hij blaft, wij rennen.’

Ze volgden Blackbeard bij leven en nu volgen ze hem in de dood. Iets anders is muiterij.

‘Ooit zat er doelgerichtheid in zijn waanzin. Nu niet meer. Een afleidingsmanoeuvre… hoe haalt ie het in zijn botte kop.’

Jack heeft de kruik neergezet op een krat met kakelende kippen.

‘Laten we de boel aansteken en ons uit de voeten maken.’

‘Eens kijken of ik vuur kan slaan in dit weer.’

 

*

 

De vier piraten zijn stilletjes vanuit de kapiteinshut naar de galerij geklommen. Hun kapitein slaat ze gade door de glas-in-lood raampjes. Ze hebben hun timmergereedschap bij zich.

‘Wat een hondenweer!’ moppert Spanish Joe.

‘Wraaaf-wraaaaff!’ gromt de gestoorde dolleman Scar-face hem toe.

‘Stil!’ sist scheepsmaat Ellis, die vindt dat hij de leiding heeft over deze heimelijke operatie. ‘Let op of we niet in de gaten lopen.’

Scar-face, met zijn ene bruikbare oog, staat op de uitkijk. Hij moet letten op vissenkoppen die op het geluid afkomen. Ellis en Spanish Joe zijn bezig om hun beitels tussen boegbeeld en schip te slaan. De lappen die ze om hun gereedschap gewikkeld hebben om de klappen te dempen zijn nu doorweekt. Joe heeft al twee keer op zijn hand geslagen. De richel waarop ze staan is glibberig en tot overmaat van ramp moeten ze ver voorover hangen om het boegbeeld los te wrikken, ver onder hen kolkt en klotst het water van de baai.

Ze werken met horten en stoten. Steeds pauzerend om te zien of er geen alarm geslagen wordt.

Long Tom staat al die tijd als Atlas gepositioneerd onder de overvloedige boezem van het boegbeeld.

Ze bikken tot er een klein beetje ruimte tussen boeg­beeld en boeg komt.

‘Geef me die koevoet aan! En hou de touwen klaar.’

Ze wrikken de spleet wijder en voeren de touwen erdoorheen, ze omwikkelen het boegbeeld en leggen vlotte knopen. Spanish Joe en Scar-face nemen ieder een touw ter hand. Long Tom klemt zijn kaken opeen voor de last die hij gaat ontvangen. Ellis plaatst de koevoet om de laatste nagels waaraan het beeld nu nog hangt los te wrikken.

‘Op drie,’ fluistert hij, ‘Een, twee…’

 

*

 

De zware koperen bel in de schelpentoren blijft maar luiden. De houten pier staat inmiddels in lichterlaaie. Het vuur brandt met een giftige groene vlam. De kolom van vettige, zwarte wolken die ervan af komt stijgt langzaam en statig hemelwaarts. De zware regenval lijkt de brand niet te willen doven. En de aanlandige wind jakkert de vlammen alleen maar aan.

‘De blaasbalg van de Duivel,’ noemt Spanish Joe die wind. Hij wrijft over het tinnen beeldje dat hij om zijn hals heeft hangen, de visserkoning Jezus doorboord door een vissershaak.

‘Wat een waanzin,’ fluistert Ellis. ‘En waarvoor?’

Enkele tientallen meters verderop, aan boord van de Baal, zwermen de vismensen uit over het dek om naar de brand te kijken. Om aan het gewemel op het dek te ontvluchten is Tobias in het want geklauterd. Hij wordt heen en weer geschud door de wind en heeft geen droge draad meer aan zijn lijf, maar toch kan hij zijn ogen niet van het spektakel afhouden.

Als de pier in het midden doorzakt als de schragende palen afknappen als luciferhoutjes, en de hele boel bran­dend in de baai stort, lijkt dat geluidloos te gebeuren.

 

*

 

Scheepsmaat Ellis valt de twijfelachtige eer ten deel om zijn kapitein te wekken na de huwelijksnacht. De zon had het hoogste punt op haar rondgang langs de hemel al gepasseerd en was alweer aan haar afdaling begonnen. De kapitein had zich heel de dag nog niet laten zien. Hij vermaakte zich waarschijnlijk opperbest in het hemelbed dat hij nu deelde met de albasten reuzin.

Ze hadden het boegbeeld met zijn vieren maar net kunnen torsen. De kapitein had geen hand uitgestoken, had hen slechts aanwijzingen toegesnauwd toen ze de kapiteinshut eenmaal binnen waren. Drijfnat hadden ze het in het bed van de kapitein geschoven. Daarna werd Edward Teach plotseling joviaal. Hij had ieder van de mannen een dukaat en een platte fles rum in de handen gedrukt. ‘Mondjes dicht, brave jongens.’ Zijn gezicht vlak bij dat van hen, met zijn uitwaaierende woeste baard en blikkerende tanden leek hij meer dan ooit op een weerwolf.

Ellis klopt nog eens aan, gevolgd door een schor: ‘Kapitein!’ Ditmaal klinkt er gerommel vanuit de hut.

‘Wat is er? Waarom stoor je me?’

‘De Marsh-broeders verzoeken om palaver!’

De deur van de kapiteinshut wordt ontgrendeld en tot op een kier geopend. Een argwanend oog loert naar buiten.

‘Op dit uur?’

‘De zon is opgekomen en gaat alweer onder, kapitein.’

‘Wiens zaak is het hoe lang deze kapitein uitslaapt!’

‘Niemands zaak, kapitein, maar ze zijn onrustig. Ze hebben ontdekt dat hun boegbeeld weg is.’

Het blijft even stil.

‘Zeg ze dat Blackbeard eraan komt,’ zegt Edward Teach en de deur klapt dicht.

 

*

 

Volledig gekleed en met zijn beste driekantige steek op verschijnt Edward Teach nu aan dek. Hij heeft vier van veertig 18-ponders laten laden en op hun rolpaarden laten verslepen naar het achtersteven. Ze zijn nu opgesteld in de twee hutten voor speciale gasten, direct onder de kapiteinshut. ‘Richt ze op de boeg van de Baal.’ Er zijn hier geen schietgaten, maar als het erop aan komt, moeten de mannen de ramen eruit slaan.

Zijn raadgevers zijn onrustig en darren om hem heen. Ze blijven hem maar wijzen op het numeriek overwicht van de Marsh-clan. Edward wuift hun angsten weg.

‘We hebben wel vaker tegen een overmacht gestaan. En keer op keer gewonnen.’

‘Maar ze zijn fanatiek, die geloofswaanzinnigen. En het zijn er honderden!’ dringt zijn bootsman, ‘alleen al op de Baal. Wie weet hoeveel van die grote gedrochten er onder water schuil gaan?’

‘Hou je bek als je tegen me praat!’ Hij duwt de boots­man hardhandig achteruit.

Hij wacht een moment om zijn kalmte te herwin­nen, en met zijn gezicht in de plooi beklimt hij het achterkasteel. De geur van roet bezwangert de lucht. Vanaf hier is het rep en roer aan boord van de Baal goed zichtbaar. De bemanning met hun schubbige koppen is en masse, de menigte stekelig van de hemelwaarts gerichte harpoenen en musket­lopen.

Hij stapt naar voren en leunt op de reling.

Enkele meters onder hem, staan de twee Marsh-broers te wachten, omgeven door hun manschappen op het voorkasteel.

‘Een hele goede morgen, waarde buren!’

Ze kijken knipperend en vol venijn naar hem op.

‘De ochtend is al lang voorbij!’ zegt Ahab, ‘welke zeeman kan het zich veroorloven om tot na het middaguur te slapen.’

‘Zijn dat jouw zaken, buurman? Zijn het jouw zaken, hoe lang ik uitslaap?’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Obed, met een hand op zijn broeders’ arm. ‘Er is geen reden tot wrevel. We zijn wat aangedaan omdat er een misdaad is gepleegd.’

‘Verklaar je nader.’

‘Vanuit jouw kajuit, Blackbeard,’ neemt Ahab weer het woord, ‘heb je waarschijnlijk een prachtig uitzicht op onze boeg. Is het ontbreken van ons boegbeeld je soms nog niet opgevallen?’

‘Boegbeeld? Zijn jullie je boegbeeld verloren? Zo hard heeft het vannacht toch niet gestormd? Het is de vloek van ons verblijf in deze baai. Schepen zijn bedoeld om te varen, niet om te verrotten in dit akelig klimaat.’

‘Gestolen,’ zegt Obed slechts.

‘Wie steelt er een boegbeeld?’

‘We vragen je alleen maar, waarde buurman,’ zegt Obed, ‘of je misschien iets gehoord of gezien hebt vannacht.’

‘Niets.’

‘Dus je hebt ook de pier niet zien branden? Hij is aangestoken met Grieks vuur, wordt er verteld. De brandende kippen dreven als fakkels op het water.’

Edward is even stil.

‘Grieks vuur, zei je toch?’ Edward laat de woorden door zijn mond rollen alsof hij proeft van zijn geliefde Madeira.

‘Ja, wat weet je ervan?’

‘Niets, behalve dat jullie het aan de stok hebben met een Griek. Of was het toch een Turk. Die Karagiozis…’ Hij leunt over de reling naar de Marsh-broers toe.

‘Met Karagiozis hebben we al afgerekend,’ zegt Obed.

‘Dan misschien één van zijn handlangers?’ suggereert Edward fijntjes. ‘Wie weet. Sommige situaties zijn bekleed met zoveel toevalligheid dat ze geen toeval meer mogen heten…’

‘Waar bazel je over, man?’

‘Griekse bultenaar… Grieks vuur.’ Edward weegt de twee begrippen op zijn uitgestoken handen. ‘Lijkt mij een boodschap als ik er ooit een hoorde.’

‘Heel onze bemanning heeft ernaar staan kijken. Die van jou waarschijnlijk ook,’ zegt Ahab, ‘maar jij bent kalmpjes door het rumoer heen geslapen.’

‘Ik slaap als een zuigeling tegen de warme boezem van zijn moeder,’ zegt Edward, ‘mijn ogen gesloten en mijn oren dicht. Zelfs dromen storen me niet in die inktzwart coma.’

‘Maar er is een belangrijk verschil,’ meent Ahab, ‘tussen de slaap der onschuldigen en de slaap der doden.’

‘Ja,’ grijnsde Edward Teach, ‘niemand hier is onschul­dig.’

 

*

 

Karagiozis wordt weer opgevist. Na enkele dagen op de bodem van de rivier, heeft kapitein Obed Marsh toch besloten dat hij de smokkelaar nog enkele vragen wil stellen. Tegen die tijd hebben ze inmiddels de kleine woonboot van de Griek al gelo­kaliseerd en leegge­plunderd. Alle papieren en waar­de­volle spullen mee naar de Baal genomen. Ze hebben zelfs de Perzische tapijten opgerold en afge­voerd. Maar de ceremoniële sieraden, de bewerkte tiara en de polsbanden die de afvallige zoon gestolen had, waren nog steeds onvindbaar.

‘Vis hem maar weer op,’ snauwde Obed uitein­delijk.

Het kost de kapers die Karagiozis aan het anker bonden een ochtend om hem terug te vinden in het rivierwater dat waarschijnlijk even opaak is als de oersoep waar ooit het eerste leven uit tevoorschijn kroop.

De huid van Karagiozis is verweekt, bleek en gerim­peld. Hier en daar hebben vissen de huid kapot geknabbeld om bij het vlees eronder te komen. De wonden lekken nu als zweren. Het zorgvuldig aange­naaide aanhangsel is voor een tweede maal van het corpus van de Griek gescheiden, ditmaal losgerukt en gestolen door een onbevreesd toeslaande snoek­baars. Waarschijnlijk verslonden, of in ieder geval reddeloos verloren op de bodem van de rivier.

Karagiozis kan er in zijn huidige penibele situatie nog niet echt om treuren. Hij ligt nu vastgespijkerd op een zware tafel in de kajuit van de Baal, de ijzeren nagels zijn tussen de botten van zijn polsen en door zijn voeten geslagen. Bij de ondervraging is zijn rechteroog al uit de kas gehaald met een vishaak. Karagiozis wilde wel antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden, maar zijn longen en maag zaten vol met water en slijk, zodat hij niet anders kon dan overgeven en hoesten. De visman die hem ondervraagt, dezelfde bootsman Barnabas Wade die hij enkele dagen daarvoor te snel af was, lijkt mede­dogen noch geduld te kennen.

Als Karagiozis eindelijk weer, schor en hees, wat uit kan brengen, besluit hij de waarheid te vertellen. Hij smeekt om wat wijn, om zijn keel te zalven, maar hij krijgt slechts meer water. Alsof hij nog niet genoeg water geproefd heeft de afgelopen dagen!

Dan rolt het hele verhaal eruit.

Hoe hij de jonge matroos heeft wijs gemaakt dat hij hem naar de landen der levenden kon smokkelen. Dat de gestolen sieraden zijn overtocht zouden betalen. Hoe hij de jongen heeft laten begraven.

Maar de sieraden, dringt Obed Marsh aan, waar zijn de sieraden? Waar is de tiara, stompzinnige Griek?

Karagiozis jammert het uit. Nu hij toch begonnen is met de waarheid, stroomt deze uit hem. ‘Ik verkocht ze aan een levende dromer. Een grootmeester uit Gent. Het is een ouwe sluwe sjacheraar. Er zijn manieren om voor­werpen mee te smokkelen naar de dagwereld. Het is moeilijk, maar voor iemand met inventiviteit en door­zettingsvermogen is het mogelijk. Ik doe vaker zaken met hem. Ik kan met hem in contact komen. Ik kan hem vragen…’

‘En mijn boegbeeld? Waar heb je dat gelaten?’

‘Een boegbeeld? Ik weet van niets, heer! Ik weet echt niets van een boegbeeld. Ik heb u mijn misdaden opge­biecht. Geef me een kans om het goed te maken. Ik zal de Gentse dromer terug lokken, ik zal uw sieraden terug­halen. Ik breng u de kroon!’

De kapitein denkt even na. ‘Onwaarschijnlijk,’ meent hij, ‘kansloos.’

Hij draait zijn logge gestalte bij de tafel vandaan. De treden naar het dek kraken onder zijn gewicht. Vanaf de trap snauwt hij: ‘Ga door met de ondervraging.’

De bootsman knikt gretig. ‘Breng me een kruik kokend water,’ kwaakt hij tegen een van zijn matrozen.

‘Ik zal je leren wat lijden is,’ fluistert hij de Griek toe. Hij is vlakbij en steekt zijn tong uit om over de enige intacte oogbal van Karagiozis te likken.

‘Genade!’ smeekt Karagiozis nog, maar niemand zal ooit nog naar zijn antwoorden luisteren.

 

*

 

In het holst van de nacht glipt Tobias overboord. Hij neemt niets mee dan de kleren aan zijn lijf. Daarvoor zullen ze hem niet hoeven najagen. Hij wacht tot de wachtposten hem passeren op hun ronde en laat zich dan aan een touw overboord zakken. Bijna geluidloos ont­vangt het water hem.

Hij neemt een grote hap lucht en zwemt omlaag om onder de kiel van het volgende schip door te duiken. Zijn kieuwen moeten nog verschij­nen, maar hij kan zijn adem inhouden als een parelduiker.

Met grote slagen begint hij naar de kade te zwemmen.

De lijkenkrabber : Tom Thys

De irissen van het monster waren zwarter dan de duisternis in de tunnel. Lieven verwijderde zijn mond­masker en keek goedkeurend naar het kunst­­werk. Het tl-licht dat van het platform een beetje verderop in de tunnel sijpelde, voorzag het gedrocht van een onwer­ke­lijke schijn. ‘Je hebt jezelf weer eens over­troffen,’ zei hij.

Zohra schudde met haar spuitbuis alvorens een laatste detail aan te brengen. Ze was een perfectionist, nog meer dan Lieven. ‘Klaar,’ zei ze. De obscene grijns was nu echt volmaakt. Ze zetten allebei een stap achter­uit om de tekening te bewonderen.

‘Enkel de tag ontbreekt nog.’ Zohra wilde haar hand­ekening onder het kunstwerk zetten, maar werd plots verblind door een bundel licht. Ogenblikkelijk werden alle gore details in de tunnel zichtbaar: ratten, zwerf­vuil, een verdwaalde schoen, bloederig maand­erband, uitwerpselen van daklozen en heroïnenaalden. ‘Shit, we zijn erbij.’ Ze deinsde achteruit en struikelde bijna over het tramspoor. De lichtstraal was afkomstig van het platform. Daarachter dansten de contouren van een opzichter. Hij riep iets onverstaanbaars.

Zohra kreeg een déjà-vu. Twaalf maanden geleden was ze opgepakt voor het bekladden van een oude treinwagon. Wat zij als kunst beschouwde, noemde de rechter vandalisme. Ze werd veroordeeld tot een taakstraf en moest ook de kosten voor het reinigen van de treinwagon betalen. Die taakstraf vond ze niet eens zo erg, dan had ze tenminste iets om handen. Het wegwassen van haar creatie daarentegen voelde als een abortus.

De hele stad was bevolkt met haar kinderen, de adem­benemende monsters die zij met haar spuitbus het leven schonk in de betonnen jungle. Het was een manier om zichzelf van haar innerlijke demonen te bevrijden. Zohra had het gevoel dat haar talent mis­kend werd. Ze had gezworen harder dan ooit terug te slaan. Het afschuwelijke monster dat zonet in de tunnel tot leven was gekomen, gold in de eerste plaats als een statement.

Lieven greep haar pols vast. ‘Kom, we moeten hier weg.’ Hij trok haar dieper de tunnel in. Met hun hoofd­lampjes als gids ontweken ze de troep op de grond. Ze moesten snel zijn, want de opzichter was van het platform gekropen en had de achtervolging inge­zet. Zijn lichtbundel schoot alle kanten uit. Zijn zware passen weergalmden tussen de betonnen muren. Hij schreeuwde iets, maar zijn woorden klonken als één langgerekte echo.

Hand in hand renden Zohra en Lieven de ingewanden van Antwerpen in. Als ze zich daarnet in het keelgat bevonden, dan waren ze nu op weg naar de maag, en de darmen. Zohra hijgde. Ondanks de steken in haar zij probeerde ze Lievens tempo te volgen, maar ze wist dat ze het niet lang meer zou volhouden. De kille, vochtige tunnelstank nestelde zich in haar longen. Ze werd misselijk van de inspanning. ‘Lieven, ik kan niet meer.’ Zohra stond stil en nog voor Lieven iets kon zeggen, begon ze te braken. Met een onwezenlijk geluid klet­terde haar maaginhoud op de sporen.

Ze keek over haar schouder, vervolgens naar de inkt­zwarte leegte die zich voor haar uitstrekte, en weer over haar schouder. Opeens werd ze overvallen door een gevoel van beklemmende angst. In flarden van kranten had ze gelezen over de seriemoordenaar. Antwerpen werd al maanden geteisterd door mys­terieuze moorden en verdwijningen. Over­al in de stad had het onzichtbare kwaad toegeslagen. Op sommige plaat­sen werden bloedeloze lichamen teruggevonden, op andere plaatsen waren mensen gewoonweg ver­dwenen.

Heel even dacht Zohra dat de opzichter geen opzich­ter was, maar de moordenaar. En dat hij haar ter plaatse zou afslachten. Nee, ze dacht het niet, ze wist het zeker.

Lieven trok haar overeind. Haar lichaam voelde slap. Haar sprint had haar zoveel energie gekost dat ze wankelde. Lieven duwde haar voor­zichtig tegen de wand. Er zat een scheur in het beton, smal en lang­werpig, net groot genoeg voor een slank meisjes­lichaam om in te verdwijnen. ‘Verstop je daarin,’ zei Lieven. Zohra wilde protesteren, uit angst voor de moordenaar, maar er was geen tijd. Bovendien kon ze slechts happen naar adem. Woorden bleven hangen in haar keel. Als ze niet in de klauwen van de moordenaar terecht wilde komen, zat er niets anders op dan zich te verstoppen. Zohra wurmde zich naar binnen.

‘Ik leid hem af, oké?’

Zohra knikte.

‘Ik zie je straks terug op het platform,’ beloofde Lieven haar. En toen zette hij het opnieuw op een lopen. Zijn voetstappen stierven na enkele seconden weg.

Nog enkele seconden later zwol het gekreun en het gehijg van de man met de zaklamp aan. Ook hij had duidelijk geen al te beste conditie, maar dat maakte hem niet minder gevaarlijk. Zohra gluurde door de scheur naar buiten. Ze bad dat zijn lichtbundel haar niet zou vinden. Terwijl allerlei horrorvisioenen zich in haar hoofd afspeelden, hield ze haar adem in. Haar borstkas deed verschrikkelijk veel pijn. Haar hart klopte zo hart dat ze dacht dat hij het kon horen. Met moeite onderdrukte ze een hoestbui.

Een donkere schim gleed voorbij.

Wat verderop hield de man halt. ‘Rotjochies.’ Hij rochelde en spuwde. ‘Die klootzakjes mogen blij zijn dat ik hen niet te pakken heb gekregen.’ Hij scheen met zijn zaklamp in de uitgestrekte duisternis.

Lieven was al lang verdwenen. Hij kende de tunnels als zijn broekzak. Zohra en hij maakten al sinds hun puberteit graffititekeningen. Dat was nog niet veranderd nu ze allebei meerderjarig, uitgespuwd door de maat­schappij en dakloos waren. Straks zou ze hem terugzien. Tenminste, als de moordenaar haar niet zou opensnijden. Haar ledematen trilden van de spanning. De scheur in het beton dwong haar in een ongemakke­lijke positie, waardoor ze langzaam maar zeker kram­pen kreeg in zowat elke spier.

De man draaide zich om. Had hij de strijd opgegeven? Zijn logge lichaam kwam langzaam maar zeker weer in beweging, op weg naar het platform. Zijn schoenen knerpten. Net wanneer Zohra dacht dat ze zijn schim weer voorbij zou zien komen, werd het stil. Ze durfde niet meer te kijken en sloot haar ogen.

Een rauwe schreeuw verscheurde de stilte.

Zohra schrok zo hard dat ze ter plaatse versteende. De schreeuw galmde na. Daarna niets dan stilte. Ze begreep niet wat er gebeurde.

De schreeuw bleek afkomstig van de man. Even later hoorde ze hem stotteren: ‘Wat is dit in hemelsnaam?’ Ze vreesde dat hij haar schuil­plaats had ontdekt. Angstig opende ze één oog tot een spleetje. Hij stond aan de andere kant van de sporen met zijn rug naar haar gekeerd. Nu zag ze zijn opzichtersuniform. Dat stelde haar enigszins gerust. De lichtcirkel van zijn zaklamp onthulde de omtrekken van een lichaam, naakt en bleek. ‘Jezus Christus,’ mompelde hij.

Zohra opende ook haar andere oog en zag het nu duidelijk. De vrouw die daar lag was dood. Ze was geperforeerd met gaten ter hoogte van belangrijke slagaders. Het lichaam was spookachtig wit in de duisternis, alsof het helemaal leeggebloed was.

De opzichter zette een stap opzij. Met zijn ene hand bedekte hij zijn neus, met de andere bediende hij zijn walkietalkie om versterking te roepen. ‘De serie­moordenaar heeft weer toegeslagen,’ zei hij vertwij­feld. Daarna strompelde hij weg van het lijk. Hij bukte zich voorover en braakte, niet ver van de plaats waar Zohra daarnet bijna in elkaar gezakt was.

Dit was haar kans om te ontsnappen. Ze kon gebruik maken van zijn ontsteltenis om weg te sluipen, maar iets dwong haar te blijven kijken, ook al kon ze het zich niet veroorloven om weer gepakt te worden. Zohra was zo in de ban van dat ene beeld, dat ze maar bleef staren. Het verbaasde haar tegelijkertijd dat ze het lijk niet eerder had opgemerkt. Het lag naast de sporen. Even­goed zou ze erover gestruikeld zijn daarnet. Ze vroeg zich af hoe het daar terecht was gekomen. In haar hoofd ontvouwden zich de meest macabere scenario’s.

Een kriebel kronkelde door haar ingewanden. Het deed haar denken aan toen ze als kind met een tak in het opengereten lichaam van een kat had gepord. Enerzijds had ze medelijden met dat beest gehad. Het was overreden en lag ergens langs de kant van de weg. Anderzijds had ze zich niet kunnen bedwingen om met de tak in de organen te prikken, waar de maden en vliegen zich reeds genesteld hadden.

 

#

 

‘Je gelooft nooit wat ik gezien heb,’ zei Zohra. Het was ondertussen al bijna ochtend. Ze had uren onder de grond doorgebracht.

Lieven gaf haar een halve cheeseburger die hij uit een vuilnisbak had gevist. ‘Wat dan?’

Zohra nam een hap uit het koude vlees en vertelde over het lijk. ‘Het was alsof een of ander monster al het bloed eruit gezogen had.’

Lieven luisterde geboeid naar het verhaal, maar uit zijn blik viel af te leiden dat hij niet alles geloofde. ‘Je overdrijft.’

‘Ik zweer het,’ zei Zohra bitsig. ‘En nadat ze het lijk hadden geruimd, ben ik uit de spleet gekropen.’

‘Wel, misschien moeten we de tunnels een tijdje mijden.’

‘Waarom, je gelooft me toch niet?’

‘Ik geloof dat je iets gezien hebt.’

‘Maar?’

‘Niets. Ik denk gewoon dat het veiliger is om een tijdje weg te blijven uit de tunnels. De kans om gepakt te worden is er te groot. Zeker nu een seriemoordenaar de stad onveilig maakt. De flikken zijn alert.’

Zohra at het laatste stukje van de hamburger op. Al kauwend zei ze: ‘Minder aandacht voor graffiti­kunste­naars, met andere woorden.’

‘Misschien, maar toch… ‘ Lieven stak een joint op. ‘Ik weet nog een coole plek. Echt de shit.’ Hij inhaleerde en blies de rook in kringetjes voor zich uit. ‘We kunnen er ook slapen. Zullen we?’

Ze stalen een fiets. Lieven klom op het zadel, Zohra op het bagagerek. Zo reden ze de zwoele, vochtige ochtend in, naar de rand van de stad die ze zo verachtten. Antwerpen ontwaakte langzaam. Haar eerste bewoners begaven zich in de stinkende straten, klaar voor een nieuwe dag van verderf en verruk­kingen. In het oosten klom een pastelgele zomerzon moeizaam boven de grijze skyline. De lucht had de kleur van urine, waterig en vies.

‘Hier is het,’ zei Lieven enige tijd later. Hij was buiten adem van de lange rit.

Zohra stapte kreunend van de fiets. Haar schoot deed zeer, maar dat was slechts een kleine prijs voor dit geschenk. Vol ontzag keek ze omhoog. De wolken­krabber stond erbij als een verstoten kind, droevig en volledig afgesloten van de rest. Onkruid had het gelijkvloers gedeeltelijk overwoekerd. Het gebouw telde ongeveer twintig verdiepingen, schatte ze. Het was afgetakeld en al lang vergeten. Zelfs krakers en vandalen haalden er tegenwoordig hun neus voor op. Gek genoeg was Zohra nog nooit in dit deel van de stad geweest.

Ze zag meteen de mogelijkheden. Met haar spuitbus zou ze deze som­bere kolom van steen en gebroken glas transformeren tot de ultieme mid­del­vinger naar het establishment. ‘Lieven, dit is geweldig. Echt waar… ik ben sprakeloos. Maar fuck, ik ben zo moe.’ Ze geeuwde. ‘Het is een lange en uitputtende nacht geweest. Mis­schien moeten we eerst wat slapen.’

‘Kom.’ Lieven liep naar het flatgebouw. De ingang was dichtgetimmerd met spaanplaten. Blijkbaar had de overheid maatregelen genomen om ongewenste be­zoekers op een afstand te houden. Het zou geen een­voudige klus zijn om binnen te geraken. Zohra beeldde zich de verlaten inkomhal in. Honderden belletjes voor evenveel piepkleine apparte­menten, ooit volgestouwd met mensen die door het systeem waren uitgebraakt.

‘Ik heb een idee,’ zei Lieven.

Zohra volgde haar hem naar de achterkant van het gebouw. Daarbij keek ze nog een keer omhoog. De piek leek de hemel te doorprikken en over te hellen, alsof hij elk moment kon omvallen. Ze werd er een beetje draaierig van. Om de hoek zat een grote poort in het beton. De deur in het midden van de poort was uiter­aard vergrendeld. Het gereedschap dat Lieven in zijn rugzak bewaarde om fietssloten door te knippen, volstond om het oude, verroeste hangslot te vernielen.

Lieven duwde de deur open, maar het was Zohra die als eerste naar binnen ging. Het was er pikdonker. Ze zette haar hoofdlampje op. Een weeë, rotte stank deed haar longen verschrompelen. De tegelvloer zat vol ranzige vlekken. Dit had evengoed een slachthuis kunnen zijn. ‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg ze.

‘Zie je daar de stortkoker?’ Lieven scheen met zijn hoofdlamp naar een vierkanten schacht die uit het plafond kwam. Onder de schacht stond een grote, ijzeren container. De ruimte bood verder geen recht­streekse toegang tot het flatgebouw. ‘Dit is de plaats waar de bewoners hun afval dumpten.’

‘Aan de stank die hier hangt zou je zeggen dat hier nog steeds mensen wonen.’ Zohra kokhalsde. ‘Of erger nog, dat ze hier gestorven zijn.’

Lieven moest lachen. ‘Dat went wel.’

‘Dat betwijfel ik.’

‘Hierbinnen zitten we voorlopig veilig. Ik heb horen zeggen dat hier af en toe politie patrouilleert, maar niets om je zorgen over te maken.’ Lieven liet de deur op een kier staan voor wat frisse lucht.

‘Dit moet ongeveer de goorste plek zijn waar we ooit geslapen hebben.’ Zohra grinnikte. ‘Weet je nog, al die keren dat we onder de ijzeren brug lagen? Tussen de gebruikte condooms en heroïnenaalden? Of die keer toen we een huis gekraakt hadden in Doel? Gerrit en Savannah hadden er een echte smeerboel van gemaakt. Overal lagen sigarettenpeuken en scherven van bier­flesjes. En net toen je dacht dat het niet erger kon, liep Karstens LSD-trip helemaal fout en begon hij in zijn broek te schijten tot de bruine drab uit zijn broeks­pijpen stroomde.’

Lieven bulderde van het lachen om die wan­smake­lijke herinnering.

‘Wel, dit is erger. En tegelijkertijd zoveel mooier.’ Zohra vond schoon­heid onderschat. In haar ogen was lelijkheid veel waardevoller.

‘Ik wist dat je tevreden zou zijn.’

‘Maar nu moet ik echt slapen, hoe graag ik ook zou schilderen.’

‘Daar weet ik wel iets op,’ zei Lieven. Hij haalde een plastic zakje uit zijn broekzak en liet het heen en weer bengelen.

‘Kristal?’ Zohra’s mond viel open van verlangen. Het was zeker een half jaar geleden dat ze dat spul nog had gebruikt. ‘Waar heb je dat vandaan?’

‘Vannacht gescoord, terwijl jij lijken aan het bewon­de­ren was.’ Lieven ging naast Zohra op de grond zitten. Uit zijn rugzak haalde hij een glazen pijpje. Daarna pakte hij voorzichtig de kristallen uit het zakje en duwde ze in de bol aan het uiteinde van het pijpje. Zijn aansteker hield hij onder de bol. De vlam likte aan de onderkant van het glas. Na een tijdje begon­nen de kristallen te smelten. Lieven inhaleerde de rook die vrij­kwam. Zijn eerste haal duurde ongeveer een halve minuut.

Smachtend keek Zohra toe. Toen Lieven klaar was, griste ze het pijpje uit zijn handen. ‘Nu ik,’ zei ze. Lieven stak de rest van de kristallen in de bol, verwarmde ze en Zohra inhaleerde tot het genot haar longen en elke vezel in haar lichaam binnendrong. Onmiddellijk daarna schakelde haar hart een versnel­ling hoger. Ze kreeg het warm. De vermoeidheid verdween. Ze werd volgepompt met energie en kreeg het gevoel dat ze de wereld aankon. ‘Fuck, wat heb ik dit gemist,’ zuchtte ze voldaan.

Zohra stond op en nam enkele spuitbussen uit haar rugzak. Ze liep naar buiten en begon een monster op de poort te schilderen. Het was een artistiek ritueel, maar evengoed had het een heilzame werking op haar lichaam en geest. Ze vermoedde dat het een psychisch equivalent was van een bevalling. Op haar manier schonk ze een kind het leven. Het was haar creatie. Lieven bracht enkele accenten aan. Zo werkten ze altijd. Hij voelde en vulde haar perfect aan. En zo, high van de kristallen, gingen ze uren door, onverstoord en uiterst nauwkeurig, tot er een wanstaltig wezen voor hun ogen tot leven kwam.

Bij het vallen van de avond was de muurschildering af. Net zoals het monster was de hemel een explosie van kleuren. De ondergaande zon bloedde in onheil­spellende tinten langs de randen van een onweerswolk. Een sterke wind was komen opzetten. Zohra en Lieven keken beiden naar de lucht. ‘Gelukkig is de verf al droog,’ zei ze. De kristallen waren bijna uitgewerkt. Ze wist dat de klop elk moment kon komen. Dan zou ze zich slap en ziek voelen, maar ze had tenminste een rustige plaats om te slapen.

‘Laten we naar binnen gaan,’ zei Lieven.

Ze gingen op de harde vloer liggen. Hun rugzak ge­bruikten ze als hoofdkussen. Lieven had nog een half flesje cola. Hij gaf het aan Zohra. De drank was lauw en er zaten geen bubbels meer in, maar de zoete smaak was precies wat ze nodig had. Haar maag gromde. Morgen zouden ze wel ergens iets te eten stelen. Nu was ze uitgeput. Te moe zelfs om nog een woord uit te brengen. Ze sloot haar ogen en droomde van haar kinderen.

 

#

 

Rollende donder rukte Zohra brutaal uit een onrustige slaap. Het gerommel klonk eerst ver weg, maar zwol aan tot een hels kabaal. Het kwam van boven, baande zich een weg naar beneden en kwam steeds dichter, alsof het flatgebouw doormidden werd gescheurd door een monumentaal onweer. Het duurde een volle seconde voor Zohra besefte dat er iets niet klopte. Dit was niet hoe onweer klonk. Nog een seconde later werd haar vermoeden bevestigd. Een eigenaardig geluid vulde de afvalkamer, een ware zondvloed van smerige klanken. Het klonk als diarree, maar dan een vlezige, metalige exponent daarvan.

‘Welke klootzak gooit op dit uur afval in de stortkoker?’ wauwelde Lieven. Hij knipte zijn hoofd­lampje aan en stond op, slaapdronken.

Zohra deed hetzelfde. Ze was meteen klaarwakker. Haar ledematen tintelden en ze had overal jeuk, een neveneffect van de drugs. Ze scheen met haar lampje op de container. Lieven keek haar aan. Hij leek even verbaasd als zij zich voelde. Nieuwsgierig als ze was, schuifelde ze naar de container. Met elke meter die ze dichterbij kwam, werd de stank hardnekkiger. Ze kneep haar neus dicht, Lieven hield zijn T-Shirt voor zijn gezicht.

Zonder iets tegen elkaar te zeggen legden ze hun handen over de rand van de container. Die was te hoog om zo in te kunnen kijken, dus moesten ze zich eraan optrekken. ‘Help eens,’ zei Zohra. Ze gebruikte Lievens handen als trapje en klom omhoog.

‘Zie je iets?’

Zohra hing met haar hoofd en borst boven de rand. Haar licht bescheen het afval. Omdat ze zich met beide handen vasthield, kon ze niet anders dan de stank inademen. Het was het vreselijkste wat ze ooit geroken had. Nog erger dan de ingewanden van de dode kat die ze ooit had bestudeerd, nog erger dan de biefstuk die ze bij wijze van experi­ment had laten ontbinden in de zon, tot de maden tussen de vezels van het vlees krioelden. Ze kokhalsde. De enige reden waarom er niets uit haar keel kwam, was omdat ze een hele dag niets had gegeten.

‘Wat is het?’ drong Lieven aan.

Zohra liet zich zakken. Ze stond voorover gebogen. Ze was draaierig. ‘Kijk zelf maar.’ Ze vond geen woorden voor wat ze gezien had.

Niet veel later stond ook Lieven te wankelen op zijn benen, kermend van de pijn in zijn middenrif.

De container was gevuld met lichaamsdelen, inge­wanden, beenderen, spierweefsel, hersenen en ondefi­nieer­bare menselijke resten, zowel rot als vers. Iemand had dit alles in de stortkoker gekieperd. Zohra keek naar Lieven, wiens tranen over zijn wangen biggelden. ‘Zou dit de dump­plaats van de seriemoordenaar zijn?’

Lieven rende naar buiten. Daar inhaleerde hij de frisse nachtlucht. Het regende zachtjes. Van onweer was geen sprake. Hij bibberde over zijn hele lijf en zijn stem was onvast. ‘We moeten hier zo snel mogelijk weg,’ stamelde hij.

Zohra besefte dat ze weleens gelijk kon hebben. Wat als dit de plek was waar hij zijn slachtoffers naartoe bracht, tenminste, diegene die hij niet liet rond­slinge­ren in de ondergrondse en bovengrondse straten van Ant­werpen? Eerder nieuwsgierig dan bang of gechoqueerd zei ze: ‘Wacht.’

Lieven keek haar onbegrijpend aan.

‘Dit is een unieke kans. Hij weet niet dat wij hier zijn.’ Ze wist dat ze haar zielsverwant kon overtuigen hier te blijven, als ze het maar juist aanpakte. Tenslotte zou hij alles doen om haar te beschermen, net zoals met zijn afleidingsmanoeuvre vorige nacht in de tunnel.

Het duurde even voor Lieven antwoordde. ‘Wat bedoel je precies?’

‘Heb jij er dan nooit van gedroomd om een serie­moorde­naar te ontmaskeren?’

‘Eh, niet echt. En al zeker niet ten koste van mijn eigen leven.’

Zohra wist precies wat Lieven nodig had. ‘Heb je nog kristal?’ vroeg ze.

‘Ja, maar – .’ Hij zuchtte, beet op zijn lip, keek naar de top van het flatgebouw en vervolgens naar de afval­kamer, het menselijk abattoir.

‘Laten we eerst high worden.’

‘Shit, Zohra, ben jij helemaal gek geworden? Ik wist dat je een zieke geest had, maar deze keer ga je echt te ver. Als we niet in die container willen eindigen, moeten we nu vertrekken.’ Ondanks zijn protest pakte hij het zakje kristallen, dat nog halfvol was. Hij ratelde maar door over waarom dit zo’n slecht plan was. Zohra liet hem praten. Ondertussen prepareerde ze een dosis. Niet veel later rookten ze elk de helft van de kristallen. De kick kwam snel en hard. Hun spieren spanden zich op en pure energie vloeide door hun aderen. De roes overwon de angst.

‘En nu?’ vroeg Lieven. Zijn pupillen waren groot en glansden als ruwe olie.

‘Ik hoopte dat jij een manier weet om binnen te geraken.’

Tien minuten later stonden ze in de inkomhal. Daar­voor waren ze nog een keer rond het gebouw gelopen, op zoek naar de ingang die door de serie­moordenaar gebruikt werd, maar ze hadden niets gevonden. Daarom hadden ze een spaanplaat losge­wrikt en waren ze door de spleet naar binnen geglipt. Het schemerde in de inkomhal. De elektriciteit was al lang afgesloten, maar een smalle reep maanlicht viel door een gebroken venster naar binnen. Zohra en Lieven hadden hun hoofd­lampjes voorlopig niet nodig.

De inkomhal was in twee stukken verdeeld. Aan beide kanten was er een grote ruimte waar de brievenbussen zich bevonden. Vandalen hadden ze bespoten met graffiti of van de muur getrokken. In het midden van de inkomhal stond een wand met belletjes. Sommige naam­plaatjes waren nog leesbaar, andere waren ver­dwenen, alsof de eigenaars hier nooit gewoond hadden. De inkomdeur die naar de gang en de liften leidde stond uitnodigend open. In het kozijn staken scherven ter grootte van een machete.

Zohra deed haar trui uit, wikkelde de stof rond haar hand en trok een stuk glas uit de deur. Ze keek naar de vlijmscherpe punt. ‘Komt mis­schien nog van pas.’

Lieven volgde haar naar binnen, maar gleed uit over de plas van scherven bij de deur. Met een doffe klap viel hij op de tegelvloer. Brokjes glas schoten rinkelend en fonkelend alle kanten uit. Door de adrenaline merkte hij de pijn in zijn staartbeentje en bloedende handen nauwelijks. Wel schrok hij van zijn eigen kabaal. ‘Shit,’ fluisterde hij.

Zohra en Lieven stonden als stenen beelden in het territorium van de slachter. Met ingehouden adem keken ze naar elkaar. Gelukkig was het gebouw immens groot en moesten ze al heel veel pech hebben om uitgerekend hier en nu betrapt te worden.

Een beetje later zei Zohra: ‘Het is veilig, denk ik.’ Voorzichtig keek ze om het muurtje en liep daarna de gang in. Ze wenkte Lieven, die haar volgde terwijl hij glassplinters uit zijn handpalmen trok. Het was koel in de gang en het rook er naar schimmel. Overal vielen gekartelde bundels maanlicht door gebroken vensters naar binnen. Instinctief hielden Zohra en Lieven halt bij de eerste lift die ze tegenkwamen.

‘Dit gebouw is een labyrint,’ zei Lieven. ‘Twintig ver­diepingen, honder­den appartementen. Hij kan overal zitten. Dit is onbegonnen werk.’

Hij sprak het niet uit, maar Zohra bespeurde in zijn stem het verlangen om weg te gaan, om te vergeten wat ze gezien hadden. Maar Zohra wilde die container niet vergeten. Ze kon de lichaamsdelen en de stank niet uit haar hoofd zetten. Nee, zij moest weten wat er zich aan de andere kant van de stortkoker bevond. Peinzend keek ze om zich heen. ‘Volg het bloed,’ zei ze opeens, en ze wees naar een spoor van vlekken op de vloer.

De donkere vlekken leidden naar de dienstlift. Daar hielden ze op. Het knopje om de lift op te roepen was besmeurd met dezelfde vlekken. Het schermpje erboven gaf in digitale tekens “20” aan. Daar was de lift tot stilstand gekomen. Lieven huiverde. ‘Wacht eens,’ zei hij. ‘Er is iets wat ik niet begrijp.’

‘Wat?’

‘De elektriciteit in dit gebouw is afgesloten.’

‘Ja.’

‘En toch is de lift in gebruik.’

Zohra dacht na. ‘Een ander circuit misschien?’ gokte ze. Feit was dat het veel eenvoudiger was om een lijk met de lift te verplaatsen dan via de trappen. Blijkbaar had de slachter voor zichzelf een manier gevonden om dat probleem op te lossen.

‘Als we de lift oproepen, dan weet hij dat hij ont­maskerd is,’ opperde Lieven. ‘Zo kunnen we hem in de val lokken.’

Zohra schudde met haar hoofd. ‘Nee, we nemen de trap naar de twintigste verdieping. Ik wil zijn werkplaats zien.’

‘Je spreekt over hem alsof hij een kunstenaar is.’

Misschien had Lieven gelijk. Ergens in haar morbide fascinatie ging een intuïtieve hunker naar verwant­schap schuil. Ze had het gevoel alsof ze in een van haar eigen nachtmerries ronddoolde.

Zohra liep naar een deur met het pictogram van een trap. De deur was uit de scharnieren getrokken en hing schuin in het kader. Ze kroop door het driehoek­vormige gat naar binnen. Aangezien de maan zich aan de andere kant van het gebouw bevond, was het hier pikdonker. Ze knipte haar hoofdlamp aan en scheen ermee op de betonnen trappen. Heel even waagde ze het om in het ravijn tussen de trappen naar boven te gluren. De hoogte was duizelingwekkend.

Zohra begon samen met Lieven aan haar tocht naar de top. De hele tijd hield ze de glazen machete voor zich uit. Ze merkte dat haar handen beefden, maar wist niet zeker of het door angst of opwinding kwam. Of allebei. In de trappenhal hing een vochtige hitte, alsof de zomer zich tijdens de afgelopen dagen in elke porie van het gebouw genesteld had.

Met elke verdieping versnelde Zohra’s hartslag. Het duurde niet lang voor het zweet van haar voorhoofd naar het puntje van haar neus stroomde, waar het een parel vormde. Ze was nog stijf van haar sprint in de tunnel. Haar kuiten, hamstrings en quadriceps leden onder de inspan­ning. Hoewel Lieven in betere conditie was, bleef hij veilig achter haar.

‘Ik wil niet sterven,’ zei Lieven opeens. Ze waren bij de tiende verdie­ping aangekomen, precies halverwege. Die psychologische grens had hem kennelijk aan het twijfelen gebracht. ‘Tenminste, niet hier en al zeker niet vandaag.’

‘Je weet dat ik niet terug kan.’ Zohra keek Lieven vast­beraden aan. ‘Ik snap best dat je weg wil gaan, maar ik moet weten wat hier aan de hand is. Ik moet het zien met mijn eigen ogen.’ Ze wiste het zweet van haar neus. ‘Alsjeblieft, Lieven, zeg me dat je dat begrijpt.’

Ze stonden stil op de trappen. Het enige geluid was afkomstig van hun zwoegende longen. Ze hijgden een tijdje zonder iets te zeggen. Uitein­delijk knikte Lieven weifelend. ‘Je weet dat ik jou hier niet kan achter­laten.’

‘Dat weet ik.’ Zohra keek omhoog, naar de resterende tien verdie­pin­gen, en begon opnieuw te klimmen.

De negentiende verdieping was sneller bereikt dan ze had gedacht. Ze spitste haar oren, in de hoop een geluid op te vangen. Eender wat, gekrijs van een slacht­offer of een ronkende kettingzaag die lichamen in stukken sneed. Maar het was onheilspellend stil in de top van de wolkenkrabber.

Zohra knipte haar hoofdlamp uit. Lieven deed het­zelfde. Nu kwam het erop aan om geen fouten te maken. Geen bruuske bewegingen, geen geluid. Samen slopen ze de laatste trappen op. Zohra omklemde haar glazen machete met beide handen. Ze voelde de randen door haar trui in haar handpalm snijden, maar schonk geen aandacht aan de pijn. Onoplettendheid kon dodelijk zijn in deze fase.

Er was geen deur tussen de trappenhal en de twintigste verdieping.

Ondertussen hadden de kristallen Zohra naar het hoogtepunt van haar roes gestuwd. Ze merkte hoe haar hersenen een vloedgolf aan dopamines vrijgaven. De angst was nu volledig verdwenen. Ze was opgewonden. Alsof ze een simultaan orgasme hadden leek ook Lieven zijn climax te beleven. Van de bezorgdheid in zijn blik en de manier waarop hij door besluiteloosheid zijn lippen daarnet nog op elkaar perste, was geen sprake meer. Het was zelfs hij die als eerste de gang in liep.

De twintigste verdieping was afwisselend gehuld in plassen van duisternis en plaatsen waar de bleke maan-gloed zich over de vloer uitstrekte. Aan het plafond hingen tl-lampen. De meesten waren stuk­gegooid en het glas lag versplinterd op de grond. Links en rechts bevonden zich de wooneenheden. Zohra keek beide kanten op. Nergens geluid, nergens beweging. Ze verstevigde de grip op haar wapen. In haar handpalm welde bloed op. Ze voelde zich zo zeker van haar stuk, dat ze geen angst voelde om de confrontatie aan te gaan met de serie­moordenaar. Het maakte niet uit of hij twee meter groot was en honderd kilo woog. Ze zou zijn keel doorsnijden voor hij nog maar besefte dat ze voor zijn neus stond.

‘Welke kant op?’ Lieven deed zijn best om te fluisteren, maar de kristallen hadden hem hyper gemaakt. Zijn stem sloeg over.

Zohra wees met de punt van haar glazen machete naar de vloer. Een fijn spoor van donkere druppeltjes liep naar het midden van de gang. Om tot daar te komen, moesten ze voorbij verschillende woon­eenheden. Allemaal mogelijke schuilplaatsen van de slachter.

Rug aan rug volgden ze het spoor. Lieven hield een spuitbus in de aanslag. Een weinig doeltreffend wapen, besefte hij, maar voldoende om een belager mee te desoriënteren zodat hij kon ontsnappen en niet in de container zou belanden. Zo slopen ze meter voor meter naar hun doel. Bij elk appartement bukten ze zich om buiten het gezichtsveld van de spionnetjes te blijven. De deuren waren gesloten. Zohra beeldde zich telkens in dat achter het kijkgaatje een duister oog hen in de gaten hield. Ze was voorbereid op het moment waarop de psychopaat naar buiten zou stormen. Ze zou het glas recht door zijn hart stoten.

Bij het vierde appartement dat ze passeerden stond de deur open. Zohra aarzelde om naar binnen te kijken. Uit de ruimte dreef een mengeling van geuren. Het waren geen typische geuren van een bewoond huis, eerder een soort walm van dood vlees, zij het niet zo sterk als in de stortplaats. Zohra gebaarde naar Lieven om te wachten. Na een uitwisseling van tekens gingen ze elk aan weerszijden van de deur staan. Toen ze lang genoeg geluisterd hadden om te horen dat het volledig stil was in het appartement, waagden ze het om naar binnen te gaan.

De eerste ruimte die ze betraden was in betere tijden de woonkamer geweest. Nu stonden er slechts enkele meubels: een zitbank waarvan het schuimrubber uit de bekleding lekte als etter uit een puist en een grote tafel met daarop verroeste messen en beenzagen. Het tapijt onder de tafel was doorweekt met een smerige sub­stantie. Overal maakten vliegen abstracte schilde­rijen in de weeë lucht. Zohra besefte meteen dat ze in het atelier van de moordenaar stonden. Ze knipperde enkele keren met haar ogen om zich ervan te verze­keren dat het geen hallucinatie was. Kristallen hadden nu eenmaal de neiging om je zintuigen te bedriegen.

Maar dit was echt.

Aan de muur waren planken bevestigd waarop plastic bussen stonden. Het waren doodgewone bussen bleek­water van vijf liter, behalve dat er geen bleekwater in zat. ‘Zou hij zijn slachtoffers daarom laten leeg­bloeden? Hij snijdt hun keel over en vangt het bloed op in deze flessen.’ Lieven keek over zijn schouder naar de andere kant van de kamer. Daar hing een vleeshaak aan het plafond. Op de grond eronder stond een ijzeren kuip. Naast de kuip lag een trechter. ‘Weet je hoeveel mensen je moet vermoorden voor zoveel bloed?’

In een oogopslag begreep Zohra wat er aan de hand was. De serie­moordenaar was uit op het bloed van zijn slachtoffers. Als hij geen tijd had om het ter plaatse uit hun lichaam te halen, nam hij ze mee en deed hij het hier. Allerlei gedachten schoten door haar hoofd. Haar mond ging open, maar spreken lukte niet. Ze kon het antwoord op Lievens vraag alleen maar denken: veel mensen; heel veel. Ze moest weten waarom.

Ze werden opgeschrikt door kabaal. Gerommel, ergens op de twintigste verdieping, dicht genoeg om te weten dat ze niet alleen waren, maar waarschijnlijk ver genoeg om tijdig uit dit smerige hol te ontsnappen.

Lieven stond als eerste terug bij de voordeur. Voorzichtig keek hij om het muurtje de gang in. ‘Kom,’ fluisterde hij, en geruisloos liep hij naar buiten. Zohra volgde hem. Op hetzelfde moment ging er tegenover hen een deur open.

Allebei verstarden ze toen een gedaante uit het kamertje kwam. Eén seconde, misschien twee, gebeurde er niets. In die tijd deed Zohra verschillende indrukken op. Ze sperde haar ogen wijd open. In het kamertje achter de gedaante bevond zich de stortkoker. De klep van de koker stond open en er bungelde een been uit. De slachter was groot en dik. Zijn ademhaling was een ketting van astmatische reutels. Hij droeg een rubberen schort, besmeurd met viezigheid. Zijn armen hingen naast zijn lichaam en in zijn rechterhand zat een kolossale hamer; het type hamer waarmee je met één slag schedels kon splijten tot de hersenen uit de oren spoten.

Zohra liet haar wapen vallen. Haar benen voelden krachteloos, alsof ze het gewicht van haar tengere lichaam niet meer konden dragen. Ze had geen enkele controle meer over haar ledematen. De kristallen waren van uitstekende kwaliteit geweest, maar helaas geen partij voor de angst die nu door elke vezel van haar lichaam gonsde. Het glas raakte de grond, scherven rinkelden.

De slachter deed een stap naar voor zodat hij omhuld werd door maneschijn. Langzaam gleed Zohra’s blik naar zijn gezicht. Het was geen man. Het was een vrouw: dubbele kin, slecht gebit en sliertjes zwart krulhaar die haar bezweet gezicht craqueleerden.

Dit moment, dat slechts enkele seconden duurde, ein­digde met een bruuske beweging. De hamer rees. Lieven drukte zijn spuitbus in. Een nevel van verf hing tussen hem en de reusachtige vrouw, maar zijn wan­hoops­poging mocht niet baten. De hamer kwam frontaal in zijn gezicht terecht. Zijn huid scheurde open en de botten eronder kraakten. Hete druppels van zijn bloed spatten op Zohra’s wang.

Vol afschuw zag ze hoe haar zielsverwant in elkaar zakte. Zijn gelaat was getransformeerd tot een rode brij. Nog voor ze kon beslissen of ze zou vluchten, zich over hem zou ontfermen of de tegenaanval inzetten, voelde ze een klap op haar hoofd. Plots was de wereld stil en zwart.

 

#

 

Voor het eerst sinds jaren ontwaakte Zohra uit een droom­loze slaap. Onder haar lichaam knerpte een bed van keien. Ze had barstende hoofdpijn, was misselijk en gedesoriënteerd. Haar zicht was wazig. Op haar armen en aangezicht vielen druppels. Ze keek naar de hemel. Het regende zachtjes. De randen van de wolken glansden als een neon­reclame. Ze kon onmogelijk zeggen of het licht van de zon of de maan afkom­stig was. Ze ging rechtop zitten.

Zohra had enkele ogenblikken nodig om te beseffen dat ze zich op het dak van de wolkenkrabber bevond. Toen die kennis doordrong, speelden alle fragmenten van voor de klap zich als een omgekeerde film af in haar hoofd. Haar eerste gedacht was om Lieven te zoeken. Diep vanbinnen wist ze echter dat hij dood was, na te zijn leeggebloed in de kuip. Waarschijnlijk stond een bus met zijn bloed al tussen de andere en was hij als een puzzel van vlees en beenderen in de stortkoker gekieperd. Het was haar een raadsel waarom zij niet naast hem in de container lag.

Zohra deed een poging om op te staan. Ze wankelde. De wond aan de zijkant van haar hoofd pulseerde in een scherp, brandend ritme. Ze legde haar hand erop en voelde dat het bloed gedeeltelijk gestold was. Ze had meer geluk gehad dan Lieven. Het moest een afscham­per geweest zijn, voldoende om haar bewuste­loos te slaan, maar niet hard genoeg om haar te vermoorden. Toen Zohra eenmaal stevig op haar benen stond en haar ogen een beetje aan het schemerduister begonnen te wennen, drong het panorama van de verdorven stad tot haar door. Alles leek heel ver weg.

Zohra herinnerde zich weer waarom ze naar hier was gekomen. Het was een onverklaarbare, niet te negeren aantrekkingskracht geweest. Het feit dat ze nog leefde, sterkte haar in de gedachte dat deze situatie voor­bestemd was. Haar vastberadenheid over­scha­duwde de gevoelens van woede, verdriet en angst die in haar ingewanden tintelden. Ze zou niet weggaan voor ze wist wat die vrouw met Lievens bloed van plan was.

Er stond een zachte bries. Een eigenaardige, niet te definiëren geur dreef Zohra’s kant op. Intuïtief wist ze dat ze die geur moest volgen, ook al walgde ze ervan. Ze probeerde een overzicht te krijgen van het dak. Het was zo groot als een voetbalveld en ingericht als een doolhof met ventilatieschachten, antennemasten, lift­okers en trappenkamers die het zicht belem­erden. Ze strompelde naar de dichtstbijzijnde mast en verschool zich erachter. Het inademen van de buitenlucht deed haar deugd. Langzaam voelde ze het leven weer in haar lichaam sijpelen.

Zohra sloop van het ene obstakel naar het andere. Onderweg begonnen haar zintuigen opnieuw normaal te functioneren. De realiteit was niet langer een onbe­trouwbare fata morgana. Ze zag alles weer helder, ondanks de barstende hoofdpijn. En ze hoorde ook iets: een vreemd, onbestemd geluid.

Tongen die slurpten, tanden die knarsten, obscene huigklanken.

Zohra gluurde door het rooster van een ventilatie­chacht. Aan de rand van het dak ontvouwde zich een macaber schouwspel. Het beeld was gefrag­enteerd als een mozaïek. Heel even hoopte Zohra dat ze nog steeds bewusteloos was en door duistere dromen gekweld werd, maar het had geen zin om de werkelijkheid te ontkennen. Ze kon niet ophouden met staren. Een gevoel van herkenning ontlook in haar binnenste, als een lang vervlogen herinnering aan een speciale ont­moeting.

Met lange tongen likten de wezens het bloed uit een bassin. Ze dronken gulzig terwijl de vrouw een nieuwe bus leeggoot. Het bloed was dik en stroperig.

Zohra bewonderde de contouren van de wezens. Sommigen waren hoekig en puntig, anderen zacht gewelfd als zandduinen. De nevelige lucht wierp een doffe schijn op hun huid. Bleek en ziekelijk glinsterden ze. Hun iele lichaampjes waren bedekt met schubben, gezwellen of afgestorven weefsel. Hun geraamte was misvormd, net als hun gezicht. Monden als vagina’s, ogen van slijm. Allemaal hadden ze unieke trekken, alsof ze afstamden van verschillende voorvaderen.

Slechts twee dingen hadden ze met elkaar gemeen. Ze dronken bloed om te overleven. De vrouw, hun slaaf, hadden ze uitverkoren om hen te voeden. Als een levende dode voerde ze hun telepathische bevelen uit.

Het tweede wat de monsters, ondanks hun verschil­ende uiterlijke ken­merken, met elkaar verbond, was Zohra. Zij had hen het leven geschon­ken in de vergeten hoeken en krochten van de stad. Zij had hen bedacht en een gezicht gegeven, met verf op beton. Zij waren de kunstwerken die zo gehekeld werden door het establishment. De verstotelingen van Antwerpen hadden zich allemaal op het dak van de wolkenkrabber verzameld, ver weg van de bekrompen burgers.

Ze leken niet eens verbaasd toen Zohra tevoorschijn kwam, alsof ze haar komst geduldig hadden afgewacht.

De vrouw schrok wel. Haar ogen sprongen open als had ze een spook gezien. Ze liet de bussen bloed uit haar handen glijden. Even leek ze niet te kunnen vatten wat er gebeurde. Daarna waggelde ze schuimb­ekkend op Zohra af.

Maar Zohra was niet bang. Ze wist dat haar kinderen haar zouden beschermen, net zoals ze ervoor hadden gezorgd dat ze nu niet naast haar zielsverwant in de container lag.

En zo geschiedde.

Nog voor de vrouw Zohra kon bereiken, hadden de monsters haar al te grazen genomen. De vrouw begon woordeloos te krijsen. Haar stem was zwaar en diep, als een vrachtwagen die over kasseien bulderde.

Ze trokken haar neer met hun klauwen. Hun voor­malige voedster grabbelde in het ijle en viel met een smak op de grond. De monsters beten haar keel over en peuzelden het vlees van haar beenderen. Het kolossale lichaam van de vrouw werd alsmaar kleiner, eerst de benen en de armen, daarna haar roze romp. Langer dan enkele minuten duurde het vreetfestijn niet. Zohra’s kinderen speelden met de ingewanden en jong­leerden met de oogbollen.

Het vlees spuwden ze weer uit. Bloed was het enige waar ze op uit waren. Nooit hadden ze genoeg. Ver­honge­ren zouden ze echter niet doen. Vanaf nu was Zohra er immers om hen te voeden. Ze was tot het ergste bereid om hen sterker te maken. Zelfs Lievens bloed mocht niet verspild worden. Het waren tenslotte haar kinderen. Door de monsters zijn bloed te schenken, kon hij in hen een tweede leven leiden. Ze miste hem nu al.

Zohra liep naar de hoek van het dak en ging met haar benen over de rand zitten. Ze keek uit over de stad. Zoveel mensen, zoveel bloed. Nu waren de monsters nog zwak, maar binnenkort zouden ze sterk genoeg zijn om Antwerpen over te nemen.

Onder de rook van duizend zielen : Nienke Pool & Mike Jansen

Sterre zette haar fiets in de verlaten fietskelder van station Haarlem en liep op haar veel te hoge hakken richting perron drie, waar de laatste trein haar naar het nachtleven van Amsterdam zou brengen. Alle rotzooi van die dag, nee van de afgelopen zeven jaren, drie maanden en twaalf dagen, wilde ze deze nacht van zich afgooien. Mike, de klootzak.

Die ochtend, tijdens het ontbijt, net na zijn eerste kopje koffie en precies voordat ze een slok van haar ontbijtsmoothy had genomen, was hij begonnen over de seven-year-itch en over de nieuwe inzichten die Linda hem daarover had ingefluisterd. De snol. Hij verzocht Sterre met zijn bruine hondenogen om een time-out waarbij ieder zijn eigen zaden kon laten waaien over ‘onontgonnen velden’. Waar zijn zaad naartoe zou waaien, wist ze al.

Wat deze nacht haar zou brengen, was nog een open vraag. Ze wilde zich laten gaan. Vastberaden liep ze door het poortje naar de roltrap, die haar naar het perron bracht. De oude bogen van het gewelfde dak van het station waren gehuld in schaduwen die de felle lantaarns en de schelverlichte reclameposters niet konden verdringen.

Een geur van bier deed een alarmbelletje rinkelen. Ze voelde zijn aan­wezig­heid voor ze hem zag. Hij stonk naar alcohol en zweet, een man van begin veertig, met kort, stekelig haar, grijzend aan de slapen, dure schoenen, modieuze jeans, lekker strak T-shirt maar een ladderzatte kop met bloeddoorlopen ogen. Hij had duidelijk gehuild. Ze voelde mede­lijden, zelfs een aan­drang hem aan te spreken.

Voor hij een slok uit zijn heupflacon nam, liet hij een boer. Het moment was direct voorbij. Hij mompelde in zichzelf en staarde onop­houdelijk naar haar. Hij had een wilde blik in zijn ogen die haar intimi­deerde. Ze voelde angstzweet onder haar oksels. Haar eigen angst stonk heftiger en de penetrante geur drong door tot in het binnenste van haar bewustzijn.

Ze stak een sigaret op. Met een paar trekjes nicotine probeerde ze haar zintuigen tot rust te brengen en met de rook blies ze een beschermend rookgordijn. Al inhalerend keek ze om zich heen. Het perron was verder verlaten. Op het tegenoverliggende perron stond een zoenend stel en wat eenlingen die geobsedeerd in hun mobiel staarden. In de verte zag Sterre de koplampen van de Intercity al. Op het moment dat ze haar trein zag, keek de vent van het zoenende stel op. Hij wierp haar een geile zoen toe. Hij lachte. Kut, dacht ze en keek snel een andere kant op.

Ze gooide haar peuk weg en besloot naar het verste deel van het perron te lopen, dan hoefde ze in Amsterdam die meters niet meer te maken. Daarbij was ze verder verwijderd van de geile vent en die dronkenlap.

Op haar hakken probeerde ze zo snel mogelijk het perron over te lopen. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo opgelucht was dat er een trein het station in denderde. Even overwoog ze om naar huis te gaan. Ze was absoluut niet meer in de stemming tot welke ikvergeet­mijn­ellendeseks dan ook. Haar mobiel lichtte op en hoop borrelde in haar op toen ze zag dat hij het was. Een bericht op Facebook. Zou hij haar willen spreken?

Mike staarde haar aan vanaf een foto van hem en de Linda-snol die alle hoop aan diggelen sloeg. Hij had zijn tong zo ver in haar mond gestoken, het leek alsof hij een inwendig onderzoek aan het verrichten was. De klootzak.

De geur van drank was vlak achter haar en verstoorde niet alleen haar gedachten. Het verstoorde haar evenwicht en ze werd bang. ‘Wat moet je van me? Donder op.’ Ze had gehoopt dat haar stem krachtiger zou klinken.

Hij keek haar niet aan. Zijn ogen waren groot. Met de heupflacon in zijn hand liep hij snel struikelend langs haar. Ze zag hem bij het spoor komen en niet stoppen, zijn handen uitgestrekt voor zich alsof hij naar de overkant wilde duiken. De trein naderde als in slow motion en een diepe kilte verspreidde zich vanuit haar buik. Hij gaat dood!

De machinist probeerde uit alle macht te remmen, vonken sprongen van het spoor in een surrealistisch inferno begeleid door een angstaan­jagend gillen van gemarteld metaal. Sterre zette haar eerste stappen naar het spoor al terwijl de trein in aanraking kwam met de dronken man, die in elkaar vouwde als een lappenpop, waarbij bloed uit zijn hoofd en lichaam spatte door de kracht van de botsing.

Die is dood, schoot door haar heen. Ze kwam bij het spoor, rende langs de wagons tot de locomotief waarvan net de deur werd geopend. Bij de voorkant aangekomen keek ze, draaide direct haar gezicht weg en gaf luidruchtig over op de tegels. Ze voelde zich draaierig, de wereld om haar heen was mistig, kil en ze dacht dat ze flauw viel. Ze zakte op haar knieën en probeerde met haar hoofd omlaag lucht te happen.

 

***

‘Hee!’

Langzaam keek Sterre op, recht in het gezicht van de dronken man die ze net voor de trein had zien springen. Hij was lijkbleek, bijna wit. Nee, dat is het niet. Hij is … kleurloos. Ze schudde haar hoofd. ‘Maar… jij bent dood. Ik zag je springen.’ Ze stond op en week achter­uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik ben. Dood niet, denk ik. Helaas.’ Hij gooide zijn lege heup­flacon op de rails en keek vervolgens om zich heen. ‘Maar ik vraag me af waar we nu zijn. En waar de trein is gebleven.’ Het spoor was inderdaad leeg.

Bij zijn woorden keek Sterre eveneens om zich heen. Ze waren in het station. Correctie, ze waren in een station, gemaakt van bewerkte, houten pilaren en een aantal hoge, aaneengesloten bogen die het dak vorm­den. Een paar kleine gebouwtjes van kale bak­steen met houten kozijnen en glas-in-lood ramen waren het enige dat ze kon zien naast rijen perrons en spoor. Voorbij het perron waren tientallen sporen, meer nog dan ze van Amsterdam Centraal gewend was.

De stilte hier was indringend, alsof de wereld leeg was. Het snerpende geluid van een stoomfluit doorbrak die stilte en deed pijn aan haar oren. ‘Kom op het perron,’ riep ze boven het geluid uit naar de dronken man die nog steeds op het spoor stond. Met moeite trok hij zich omhoog en rolde tot naast haar op het perron. In de verte verschenen twee koplampen die een dreigend rood licht uitstraalden in de inktzwarte buitenste duisternis.

Ze staarde naar dat licht en wist ineens wat er mis is. Het rode licht was de enige kleur die ze om zich heen zag. De dronkenlap en alles om haar heen was kleur­loos. Zelfs zijn bloeddoorlopen ogen waren grauw. Zijn lippen prevelden woorden die als door een mist tot haar kwamen, zelfs als ze haar oren spitste. Overal om haar heen hing een beklem­mende vochtige mist, die alles wit leek te maken. En stil. Doodstil.

De dronkenlap sjorde aan haar mouw en begon tegen haar te schreeuwen. Ze verstond geen woord van wat hij zei, zo werd ze opgeslokt door haar eigen zintuigen. Ze staarde naar zijn grijze arm op haar jasje. Dat was nog steeds mintgroen, alleen leek het alsof de kostbare zijde al honderden keren te heet was gewassen. Maar er was kleur en het voelde als hoop. De mist uit haar hoofd trok langzaam op en geluiden van buitenaf drongen weer tot haar door.

Piepende remmen van de trein die het perron naderde; geschuifel van ijzer dat knarste over de grond en dan – steeds duidelijker – het geschreeuw van de man. Zijn woorden kwamen een fractie van een seconde later binnen dan de bewegingen die zijn lippen maakten. Ze staarde alsof ze hem in een jaren vijftig film bekeek.

‘We moeten weg hier. Kom mee! Snel,’ riep hij.

Sterre keek in de richting die de dronkenlap aanwees. Daar aan de overkant van het perron stond een man die hen strak aankeek. Een moment dacht ze dat het de geilaard van daarnet was, maar de koude rillingen die deze figuur haar bezorgde was vele malen intenser. Nee, hem had ze niet eerder gezien. Een dergelijke blik zou ze zich herin­neren. Met donkere, holle ogen staarde hij hun kant op. Hij leek wel een geest met lange, magere ledematen die uit een gerafelde smoking staken, alsof het kledingstuk veel te klein voor hem was, handen met lange vingers en zwartglanzende nagels gekromd tot klauwen.

Sterre besefte dat ze ook naar hem staarde. Hun blikken kruisten. Hij kwam dichterbij de rand van het perron staan en hield haar blik vast. Ze voelde zich wegglijden in die diepe, donkere poelen die een einde aan alle pijn beloofden. Bijna wilde ze naar voren stappen, maar hij ver­dween uit zicht achter de trein die net langs het perron reed. Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem. Godverdomme, wat was dat?

Een hand op haar arm. De dronkenlap die nu vol­komen nuchter leek. ‘Weg hier. Nu!’ Hij trok haar mee en ze renden in de richting van de gebouwtjes met de glas-in-lood ramen. ‘Daar brandt licht.’

Ze zwikte haar enkels en schopte vloekend haar schoenen uit. Wrij­vend over haar pijnlijke gewrichten keek ze achterom. Haar adem stokte. Ze kon niet anders dan roerloos staren naar het tafereel dat zich voor haar ogen afspeelde al hadden haar hersenen moeite om de indrukken van haar zintuigen te ver­werken. De locomotief was van zwart ijzer, met een gloeiende vuurkist en vlampijpen. Zwarte rook kringel­de als dichte schaduwen om de wagons die erachter stonden. Terwijl ze keek, zag ze dat uit de zwarte rook glinsterend zwarte tentakels tevoorschijn schoten die snel over het perron in hun richting kronkelden.

Een verse scheut angst en adrenaline schoot door haar lichaam, bracht haar bij haar positieven en ze rende haar metgezel voorbij. Ze trok aan zijn arm. ‘Sneller, het haalt ons in. Daar is het licht.’ Ze waren er bijna. Vlak voor de gebouwtjes werd de arm die ze vasthad ineens uit haar handen getrokken. De kracht waarmee dat gebeurde, draaide haar om. De dronken­lap lag enkele meters voor haar op de grond, een ten­takel van ijzer en schaduw om zijn linkerenkel. Een tweede schoot tevoor­schijn en boorde zich in zijn onderrug, een derde klampte een grijpklauw om zijn rechterschouder met het geluid van krakende botten. Er klonk een hoog, wanhopig gekrijs.

Het duurde even voor ze besefte dat zij degene was die krijste. Het gezicht van de dronkenlap was nu vertrokken van pijn, zijn ogen groot en angstig. Hij wierp iets naar haar toe voor de klauwen hem achteruit trokken. ‘Ga nu! Vlucht! Te laat voor mij!’ Hij gleed nu snel in de richting van de trein.

Sterre staarde naar de locomotief die geduldig wachtte op zijn nieuwste prooi. De tentakels hieven de dronkenlap hoog op en meer ten­takels grepen zijn ledematen en droegen hem naar de gloeiende muil van de vuurkist die zich langzaam opende. Met een onaards brullen ver­dween hij in het vuur en de muil sloot zich. Een zwarte damp steeg op terwijl de rode koplampen opgloeiden.

Ze dook ineen, hapte naar adem en trilde over haar hele lichaam. Ze staarde naar de plek op het perron waar hij even daarvoor nog had ge­legen. Wat ligt daar? Ze zag een vierkante sleutelhanger, zo een waar je een foto in kunt doen, en pakte die. Daarna schuifelde ze snel het ge­bouwtje in en bleef daar hijgend en met snel kloppend hart met haar rug tegen de muur zitten. Wat is dit voor hel waarin ik beland ben? Uit haar tas pakte ze een sigaret die ze bijna niet aankreeg, zo trilden haar handen.

Op het fotootje in de sleutelhanger was het gezicht van een klein jongetje met donkere krulletjes en sprekende ogen. Ze draaide de sleutelhanger om en zag een met de hand geschreven tekst: RIP, mijn liefste jongen. Ze voelde een brok in haar keel en haar ogen brandden. Dus daarom sprong je. Arme vent. Ik wou dat ik je naam wist…

Treingeluiden klonken vanaf het perron en voor­zichtig keek ze door een raam. De wielen van de zwarte locomotief begonnen te draaien en langzaam reed het gevaarte met zijn wagons het station uit. Ze dacht aan de man met de holle ogen. Ook die was verdwenen. Misschien met de trein mee, dacht ze, opgelucht. Haar hartslag werd rustiger en ze bekeek haar nieuwe omgeving.

Het gebouwtje waarin ze zich had verschanst leek op een wachtruimte zoals ze die van verschillende sta­tions kende. Nu ze binnen was reali­seerde ze zich dat het licht weliswaar fel was, maar kleurloos. Wat nu, hoe kom ik hier weg? Haar oog viel op een verweerd stuk bruin papier, het enige stukje kleur, dat hier al lang op de verder lege grond leek te liggen. Ze pakte het op. In grove houtskoolletters stond een boodschap geschre­ven: ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’

Haar mobiel was zo goed als dood. Geen enkel bereik. Ze nam wat foto’s die allemaal op oude zwart-wit plaatjes van vroeger leken. Ze liep over de verschil­lende perrons op zoek naar informatie, een aanwijzing voor waar ze zich nu bevond. De naamplaats ‘Haarlem’ stond in grote, witte letters op een muur geschilderd, maar dat was het dan wel. Het was niet haar eigen vertrouwde Haarlem, zoveel wist ze zeker. Wat het wel was, ze wist het niet en de angst die hierdoor in haar opborrelde, kon ze slechts met moeite verdringen. Concentreer je, zei ze tegen zichzelf. Er was hier helemaal niets in het station om voor te blijven en ze besloot op onderzoek uit te gaan.

Op het perron bleef ze staan. Overal waar ze keek zag ze ontelbaar veel rails. Welke kant moest ze op? Ze had geen idee. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich helemaal alleen. Ze had behoefte aan een mens, aan iemand die antwoorden kon geven op alle bange vragen in haar hoofd. Ze voelde het briefje dat ze in haar zak gestoken had. ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’ Ze zuchtte. Laat Heinrich in gods­naam niet die enge griezel van daarnet zijn. Met haar vingers stevig geklemd om de sleutelhanger liep ze het perron af.

Buiten het station begon een dichte, witte mist die niets van de buiten­wereld toonde en zelfs dag of nacht wist te verhullen. Aan een kant van het station vond ze een watertoren. Ze dacht aan de woorden op het papier. Vertwijfeld keek ze naar de keitjes en de rails en vervolgens naar haar voeten. Als er niet snel gras of aarde naast het spoor komt, houd ik geen voeten meer over. Toch liep ze verder. Ze had weinig keus.

 

***

 

Tweehonderd meter voorbij de watertoren liep het spoor langs een kanaal, waar ook een pad liep dat redelijk begaanbaar was. Het water was donker, levenloos en er dreven olieachtige vlekken op. Aan de overkant van het kanaal draaiden de wieken van rijen ouderwetse windmolens hun rondjes. Maar het waait helemaal niet. Rijen kleurloze figuurtjes, men­sen, marcheerden langzaam de grote deuropeningen van de molens in. Die mensen gaan naar binnen, maar ik zie niemand vertrekken. Sterre zag dat de wieken in plaats van canvas vleermuisvleugels hadden. Ze besloot dat ze beter snel door kon lopen.

Het landschap om haar heen bleef in dichte, witte mist gehuld, klam en kil. Ze raakte alle besef van tijd kwijt. Of het dag of nacht was kon ze niet opmaken, er was geen zon, geen maan en geen daglicht. Toch was het niet donker.

Ze huiverde en sloeg haar armen om haar lijf heen. De zijde van haar jasje voelde vochtig en koud aan en haar voeten deden pijn. Volgens mij heb ik me nooit zo ellendig gevoeld, dacht ze. Het besef dat haar huidige situatie zelfs ellendiger was dan de boodschap van haar overspelige ex-vriend eerder die dag, deed haar grijnzen. En dat allemaal omdat Mike zo nodig zijn zaden moest laten waaien. Als ze hem ooit weer zag, zou ze hem zo’n lel geven dat ie z’n zaden een tijdje nergens kon laten waaien. De minkukel.

De hele tijd had ze het gevoel dat ze werd gevolgd, geobserveerd. Niet door een trein of iets tastbaars, toch was het gevoel er.

Langs de kant van het spoor, in een verdorde rietkraag, stond een paaltje met daarop een houten bordje. In vervaagde houtskoolletters stond het woord Heinrich. Dit zou het moeten zijn. Voorbij het water zag ze tussen de kronkelende flarden mist een aantal verwrongen bomen. Als ze overstak, kon ze bij die bomen komen. In ieder geval weg van dat spoor. Geen idee of er nog zo’n trein rondrijdt. Diep in haar onderbuik fladderde een verlammende angst bij de gedachte aan de gebeurtenissen op het perron. Ze vond een ondiepe plek en kwam relatief droog, maar met verkleumde voeten aan de overkant.

Iets verderop waren de bomen rechter en bezaten ze een bladerdak. Nog steeds verstoken van alle kleur, maar in ieder geval leek het nog ergens op. Ze merkte dat ze bijna onwillekeurig een pad volgde, dat haar bij een open plek bracht. Daar brandde een vuurtje met grijze en witte vlammen. Aan de rand van het vuur stond een pan waaruit een kruidige geur kwam.

‘Is hier iemand?’ zei ze. ‘Heinrich?’ Haar tanden klapperden.

Het antwoord kwam van achter haar. ‘Dat ben ik.’ Ze voelde haar hart in haar keel springen. Ze draaide zich om en schrok weer. De eigenaar van de stem stond vlak achter haar en het eerste dat ze van hem zag waren waterige, dofblauwe ogen. Ze struikelde achteruit tot bij het vuur. De man bleef staan.

Wacht even, hij heeft kleur! Ook al waren zijn kleren oud, gescheurd en versleten, een soort uniform ooit, er zat nog wat kleur in. Zijn haar had een bruin tintje, zijn huid was hier en daar nog huidkleurig, hoewel veel van zijn lichaam dezelfde kleurloze eigenschap had die ze bij de dron­kenlap had gezien. En in de rest van deze rare, verwrongen wereld.

‘Je liet me schrikken!’

‘Entschuldigung, dat spijt me,’ zei de man. ‘Ik vertrouw niemand hier.’

Sterre knikte. ‘Dat kan ik begrijpen. Waar is hier?’

De man wreef zich over zijn voorhoofd. Zijn haar was lang, ongekamd en leek lukraak te zijn afgesneden. ‘Waar het ook is, ik ben hier al veel te lang, Sterre. Wat mij betreft is dit de hel.’

‘Hoe ken je mijn naam.’

‘Je werd aangekondigd. Dacht je werkelijk dat je kleuren hier onop­gemerkt zouden blijven. Je bent vers.’ Met zijn duim wees hij over zijn schouder. ‘Ben je gevolgd?’

‘Het leek er wel op,’ zei Sterre. ‘Gezien heb ik niets.’

‘Ze wachten af, we hebben de tijd.’ Heinrich gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. Hijzelf ging naast de pan zitten en roerde erin. Uit zijn tas haalde hij een paar versleten schoenen en gooide die naast haar in het zand. ‘Vul ze met wat gras, ze zullen wel te groot zijn.’

Dankbaar pakte ze de jongensgympen aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord niet wilt weten. Vertel me liever hoe je hier gekomen bent.’

Er kwam voldoende warmte van het vuur om haar koude lijf te verwar­men en samen met de sigaret voelde ze zich kalmer worden. Hoe bizar haar verhaal ook was, ze was blij dat ze het aan iemand kon vertellen.

‘Selbstmord,’ zei Heinrich toen ze uitgesproken was. Hij leek verdrietig.

‘Ik denk het,’ zei Sterre en liet hem de sleutelhanger zien. ‘Hij hoefde niet meer.’

‘Zo ben ik ook hier gekomen. Ruim zeventig jaar geleden.’

Sterre keek naar hem. ‘Zo oud zie je er niet uit.’

‘Niemand sterft hier,’ zei Heinrich. ‘Hoe kun je anders boete doen in deze hel?’

‘Hoe kan het dat je kleur hebt? Net als ik? Is het iets dat langzaam ver­vaagt?’ Ze huiverde, gooide haar peuk in het vuur en hield haar handen dicht bij de vlammen.

Heinrich schudde zijn hoofd. ‘Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Ik ook niet. Maar we waren in de buurt van een zelfmoord. In de loop der jaren heb ik geleerd dat omstanders soms worden meegezogen, als het ware.’

‘Je noemde deze plek een hel,’ zei Sterre. ‘Zijn de loco­mo­tieven dan duivels die de zielen teisteren?’

‘Was het maar zo eenvoudig,’ zei Heinrich. ‘De dronken­lap werd het slachtoffer van de treinen en onderweg hierheen werd je geschaduwd. Dat waren de engelen. Zij zijn minstens even moordlustig.’ Hij huiverde. ‘En dan is er nog de man met de holle ogen.’

‘Hee,’ zei Sterre, ‘die man met de holle ogen heb ik gezien. Hij was op het perron toen de trein… je weet wel.’ Ze huiverde.

Heinrich keek op van zijn pan en staarde naar haar. ‘Heeft ‘ie jou gezien?’

‘Ik denk het wel.’

Heinrich stond meteen op. ‘Dan moeten we vertrek­ken. Als die je gezien heeft, dan komt hij je halen.’ Hij pakte spullen in zijn plunjezak.

‘Waar moeten we heen? In de vijf kilometer dat ik vanaf het station heb gelopen zag ik enkel mist, oneindig veel rails en een dor landschap. Is er meer dan dat?’

Heinrich zuchtte. ‘Wat je zag is een reflectie van onze werkelijkheid. Veel is gelijk, maar alles hier is dood of stervende. De perfecte plek voor depressieve mensen die zelfmoord op het spoor gepleegd hebben.’ Hij wees naar haar voeten. ‘Kun je staan? Kun je lopen?’

Sterre probeerde het. ‘Ik denk van wel. Alles beter dan blote voeten.’

‘Mooi, eet nog snel wat, ik denk niet dat we daar straks nog veel tijd voor zullen hebben.’ Hij schepte een kom vol met dampende brij en gaf die aan haar. Zelf nam hij af en toe een lepel uit de pan terwijl hij nerveus om zich heen bleef kijken.

‘Heb je nooit een weg terug gezocht?’ vroeg Sterre. ‘Als je hier binnen kunt komen, moet je toch ook weer weg kunnen komen?’

Heinrich haalde diep adem. Hij staarde naar de brij in de pan die hij met zijn lepel omroerde. ‘Ja. Ja, dat kan.’

Van schrik liet ze haar kom vallen. ‘Hoe? Wat moeten we doen?’

Heinrich hief zijn lepel en wees naar haar. ‘Jij moet vooral naar me luisteren en doen wat ik zeg, als je hier ooit weg wilt komen.’

Sterre zweeg even. Zijn woorden deden haar aan Mike denken. ‘Wie denk je wel dat je bent?’

‘Degene die de weg weet. En die ervoor kan zorgen dat je hier niet je honderdste verjaardag hoeft te vieren.’

Sterre zag de emotie in Heinrichs ogen. ‘Hoe ben jij hier eigenlijk geko­men? Zeventig jaar geleden?’

‘Een lang verhaal,’ zei Heinrich. ‘Ik probeerde een zelfmoord te verhin­deren. Maar ik was net te laat om haar te redden. Toen ik mijn ogen opendeed was ik hier beland.’ Met zijn arm veegde hij zijn ogen droog. ‘Een moment later werd ze gegrepen en…’ Hij hield zijn mond, hield zijn hoofd schuin en leek te luisteren. ‘We moeten weg. De engelen zoeken prooi. Zij zullen niet toeslaan als de man met de holle ogen nabij is, dus zij zullen voor hem willen toeslaan. Ik voel hun nabijheid, al zijn ze op hun hoede.’ Hij borg zijn lepel en pan op en gooide zijn plunjezak over zijn schouder.

‘Waar kunnen we schuilen?’ vroeg Sterre.

‘Wrang genoeg enkel op het spoor,’ zei Heinrich. ‘Engelen en locomo­tieven mogen elkaar niet.’

‘Hoe ben je daar ooit achter gekomen?’ vroeg Sterre.

‘Schade en schande,’ zei Heinrich. ‘Naarmate je hoop verdwijnt, ver­vaagt je kleur hier. Zoals je aan mij ziet. Ik had veel kleur in het begin. Toen kwam ik mijn eerste engel tegen. Die kostte me bijna mijn leven. En mijn ziel.’ Hij sprong vol zelfvertrouwen over de stenen in het stroompje, op de voet gevolgd door Sterre.

‘Die kant op ligt Amsterdam.’ Hij wees verder langs het spoor dat Sterre in eerste instantie had gevolgd.

‘Moeten we daar helemaal naar toe?’

Hij knikte. ‘We moeten voortmaken, de engelen worden ongeduldig.’

 

***

 

Na eindeloos gelopen te hebben naderden ze een klein perron. Sterre zag een meisje van een jaar of twaalf op de verhoging naast het spoor staan. Haar paarden­staart zat verwaaid in een felroze strik. Haar grijzige jurk was besmeurd met neonrode vlekken. Ze staarde voor zich uit.

Sterre versnelde haar pas en riep: ‘Meisje, wie ben je? Hoe ben je hier gekomen?’

Heinrich rende achter Sterre aan en probeerde haar tegen te houden om de trap naar het perron te beklimmen. Ze trok zich los en liep verder. Hij keek om zich heen en trok nog harder aan haar, waardoor ze achter­over viel. Het meisje liep van haar weg. Haar ogen staarden naar de rode koplampen die in de verte vanuit Amsterdam aan kwamen denderen.

Het meisje stak haar handen uit naar de naderende trein. Ze draaide haar hoofd naar Sterre en riep met een hoog stemmetje: ‘Ik ga naar het Eindpunt. Mama is daar. Ze wacht op me.’

‘Doe het niet,’ riep Sterre en krabbelde overeind. Ze wilde naar het meisje toe rennen om haar te redden. Bij de dronkenlap had ze gefaald, dat niet weer.

Heinrich pakte haar van achter vast en hield haar in een houdgreep. ‘Het kan niet. Je kunt haar niet redden. Ze is gegrepen door de engelen. Kijk dan, haar kleur. Geloof me, wat je ziet is valse hoop.’

‘Nee, ze is gewoon haar kleur nog niet verloren, net als jij. We kunnen haar redden.’

‘Ik ken het verschil,’ siste Heinrich. ‘Ik ken het verschil tussen hoop en hopeloos. Dit meisje is niet te redden. Zij gaat niet naar het Eindpunt. Waar zij heengaat, daar wil jij niet komen.’

‘Ze is een kind, zie je dat dan niet? We moeten haar helpen.’

‘Het spijt me.’ Met al zijn kracht trok hij Sterre naar het wachtershokje en hield zijn hand voor haar mond om haar gekrijs te smoren.

De trein reed het station binnen in een dichte wolk donkere rook waarin de slangachtige bewegingen van de zwartmetalen tentakels een dreigend halo vormden. Het meisje stond afgetekend als een klein, kwetsbaar poppetje tegen de rode gloed van de vuurkist.

Heinrich tikte op Sterre’s schouder en wees omhoog. ‘Een engel.’ Een diepere schaduw viel over het perron en een slanke gestalte met im­men­se vleugels bedekt met vuilwitte veren daalde neer achter het meisje.

De stoomfluit van de trein blies een schrille uitdaging en uit de rook schoten tentakels naar voren om het meisje te grijpen. De engel strekte lange armen uit en greep twee van de tentakels vast terwijl zijn vleugels de andere tentakels afweerde. Losse veren vlogen in het rond terwijl de engel achteloos de tentakels in een hand nam en vervolgens met de andere hand de schakels lostrok. De losse stukken vielen op de grond. De uiteinden met hun stalen bekken bleven happend kronkelen op de grond tot de engel ze met zijn klauwvoeten kapot trapte. Meer tentakels wikkelden zich om zijn benen en vleugels. Het wezen negeerde ze en bleef tentakels, die het meisje probeerden te bereiken, afweren en ver­nielen. Het meisje bleef onbewogen voor zich uit staren.

Opgelucht haalde Sterre adem en liep op het meisje af. ‘Hij heeft haar gered. De engel heeft het meisje uit de tentakels van de locomotief gered!’

‘Gered is niet het juiste woord.’ Heinrich duwde Sterre voor zich uit, de berm van het spoor in. ‘Doorlopen,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Niet omkijken.’

Sterre trok haar arm los en draaide zich om. Ze was vastbesloten het meisje niet alleen achter te laten. Ze keek naar het perron, maar in het geweld van rook, vleugels en tentakels was het arme kind niet te zien. ‘Waar is ze gebleven?’

‘Heb ik je uitgelegd. Ze was niet meer te redden. Geloof me. We moeten weg hier!’ Hij gaf haar een zet zodat ze verder struikelde, kwam toen naast haar lopen en greep haar elleboog vast. Zo snel als hij kon trok hij Sterre mee. Ze wilde eerst tegenwerken, maar de twijfel die ze eerder voelde kwam terug, versterkt door Heinrichs woorden.

‘Waarom was ze niet te redden?’ vroeg ze. ‘Ik begrijp het niet. Ze was zo klein, zij had toch geen zelfmoord gepleegd?’

‘Hoe ze hier gekomen is, dat weet ik niet. Dat ze verloren was, dat zag ik meteen.’

‘Ze had toch kleur, althans een beetje.’

Heinrich keek regelmatig achterom terwijl ze liepen. Bij haar vraag stond hij even stil. ‘Als dit de Hel is, dan is je ziel hier. Waar is dan je lichaam?’

Sterre keek hem aan. ‘Mijn lichaam is toch hier? Je ziet me toch?’

Heinrich begon weer te lopen. Hij mompelde in zichzelf.

Sterre volgde hem. ‘Waar is mijn lichaam?’

‘Waarschijnlijk nog waar je het gelaten hebt,’ ant­woordde hij.

‘Station Haarlem? Op het perron?’

‘Dat zal dan wel. Bewusteloos. Of onverklaarbaar coma.’

‘Is dat met jou ook gebeurd?’

‘Ik weet het niet zeker. Er kwam een moment dat ik een groot verlies voelde, alsof mijn connectie met de echte wereld ineens verdween. Mijn kleuren werden fletser.’

 

***

 

Het kleine station verdween in de mist en er leek een last van Heinrichs schouders te vallen. Hij ademde een paar keer diep en liep toen met kalme passen verder in de richting van Amsterdam. ‘Het was misschien maar goed ook. Ik was erg goed in mijn werk. Mijn verdwijnen heeft waarschijnlijk veel mensenlevens gered.’

‘Je hebt nooit verteld wat je deed in de oorlog,’ zei Sterre. Ze keek naar de emblemen op zijn uniform. ‘Was je fout?’

‘Achteraf wel. Op dat moment geloofde ik echt … nou ja, je begrijpt het wel. Destijds was ik er trots op dat we zo efficiënt waren.’

‘Wat deed je precies?’

‘Veetransporten per trein organiseren,’ zei Heinrich.

Sterre keek opzij. ‘Wat was daar zo fout aan dan?’

‘De vrouw die ik probeerde te redden…’

‘Je zei zoiets. Wie was ze?’

‘Dat weet ik niet. Ze was Jude en ze had een baby in haar armen.’

‘Dat waren geen veewagens, hè?’

Heinrich schudde zijn hoofd. Zijn kaken bewogen alsof hij met zijn tanden knarste en zijn ogen waren vochtig.

‘Christus.’

Heinrich sloeg een kruis. ‘Je begrijpt dat ik me schuldig voel?’

Sterre knikte. ‘Ja. Zeg me eerlijk: Waarom die inkeer. Er zullen meer moeders met baby’s hebben gestaan. Die heb je wel op transport gezet.’

‘Ik werkte vanuit een kantoor. Schema’s op papier. Ik vertrouwde het niet meer. Het was de eerste keer dat ik daadwerkelijk de trein kwam inspecteren.’ Hij haalde zijn handen door zijn grijze haren en staarde in de mist. ‘Ik was geschokt, verdoofd. Er kwam een trein langsrijden. Ik zag haar springen.’ Hij haalde zijn mouw langs zijn ogen. ‘Ik kwam te laat. Als ik niet geaarzeld had dan was ze misschien…’

‘Dus jij bent hier omdat zij sprong?’

‘Selbstmord, een enkele reis naar de hel. En daar zijn we nu.’

‘Maar jij hebt toch geen zelfmoord gepleegd? Kun jij hier niet weg dan?’

Weer ademde Heinrich diep in. ‘Er is een uitgang. Daar zijn eerder mensen door vertrokken.’

‘Je zegt het alsof je erbij was.’

‘Was ik ook. Ik heb ze daar gebracht.’ Er kwam een pijnlijke uitdruk­king op zijn gezicht.

‘Slechte herinneringen?’

‘De man met de holle ogen is daar. Of één van hen dan, hij is niet alleen. De uitgang wordt altijd bewaakt. En er kan er maar één tegelijk doorheen.’

Sterre zweeg terwijl ze verder liepen. Haar gedachten maalden over de implicaties van zijn woorden.

 

***

 

Amsterdam Centraal was een immense koepel van donkere ijzeren platen met bizarre uitsteeksels, over meerdere verdiepingen waar sporen op verschillende niveaus samenkwamen. Het stroompje naast het spoor was een vaart geworden en aan één kant van Centraal verdween een staalgrijze vlakte van kil water in de dichte mist, alsof de rivier genaamd IJ zich oneindig ver uitstrekte voorbij hun gezichtsveld.

Treinen reden hier af en aan en spuwden hun stinkende rook de lucht in zodat het leek alsof Sterre dikke soep inademde.

‘Gatverdamme.’ Ze hoestte. ‘Moeten we hier echt zijn?’

‘Wat je ruikt is wanhoop, pijn en verdriet,’ zei Heinrich. ‘De treinen verbranden dat en de rook slaat neer als depressie die de mensen weer inademen, een eindeloze cirkel.’

‘Afschuwelijk,’ zei Sterre. Hoe langer ze hier doorbracht, hoe heftiger ze naar huis verlangde.

Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.

‘Ze gebruiken hun prooi ook als lokaas,’ zei Heinrich. ‘Als ze hun hoofd niet met valse hoop vullen.’ Hij wees naar de koepel, naar een klein torentje op de top. ‘Daar bovenin. Daar moeten we heen. Ik ken een veilige weg.’

Hij leidde haar naar een tunnel die ooit was afge­sloten met een stalen hekwerk. De spijlen waren zo verbogen dat hij er met moeite doorheen kon. Sterre kon er met gemak doorheen.

‘Dit is een soort afvoer. Hij komt uit onder het dak en van daar komen we bij een smalle ladder omhoog.’ Heinrich slikte een paar keer.

‘Is er iets dat je me niet vertelt?’ zei Sterre.

‘Herinneringen. Ik moest denken aan mijn tijd met mijn engel. Hij vulde mijn hoofd met leugens en valse hoop. Hij zou me helpen te ontsnappen, als ik maar naar hem luisterde. Al die tijd zoog hij me langzaam leeg als een soort overmaatse teek. En hij gebruikte me om anderen te lokken. Het duurde lang voor ik het doorhad.’

‘Hoe ben je ontsnapt?’

‘Ik kreeg hulp van Mathilde. Ze hielp vaker mensen die hier niet thuishoorden. Al bijna honderd jaar.’

‘Wie hoort hier wel thuis dan?’

‘Zij die vinden dat ze hier horen,’ zei Heinrich somber. ‘Ze maakte me los toen mijn engel weg was en nam me mee naar deze tunnel. Hier hebben we een tijd gezeten. Ze legde me deze hel uit, voor ze me naar de uitgang bracht.’

‘Maar je bent hier.’

Heinrich knikte. ‘Ik was toen al fletser van kleur geworden. De verbinding met mijn lichaam was verbroken. Op een of andere manier wist ik dat er niets was om naar terug te gaan.’

‘Dus je hebt haar vrijgemaakt?’

‘De prijs was… pijnlijk, maar het was het waard. Het was het eerste waarover ik me in heel lange tijd goed voelde.’

‘Ik kan niet zeggen dat ik je pijn begrijp,’ zei Sterre. ‘Ik dacht dat gisteren mijn wereld verging nadat Mike verkondigde dat hij buiten de pot wilde pissen om daarna weer terug te komen om met mij een toe­komst op te bouwen. Nu ben ik hier en ik realiseer me dat levensverdriet echt iets anders is.’

Heinrich glimlachte. ‘Hij klinkt als een waardeloos iemand. Ik denk dat je beter af bent zonder hem.’

‘Ik heb te lang gedacht dat ik niet kon ademen zonder hem, dat hij levensvreugde in me blies. Je weet wel: de ware, de vader van mijn toe­komstige kinderen.’

‘Hij zuigt je leeg, langzaam, als een van de engelen hier,’ zei Heinrich. ‘Wat dat betreft hoef je niet terug.’

Sterre voelde haar ogen beginnen te branden. ‘Valse hoop, is dat waar ik me al die jaren aan heb vastge­klampt?’

‘Als er in mijn tijd meer mensen waren geweest die de moed hadden voor zichzelf te denken, dan was mis­schien alles anders gelopen .’

‘Die vergelijking van jouw leven en het mijne, loopt spaak. Mijn verdriet is geen vergelijk met wat er destijds is gebeurd.’ Sterre knikte voor zich uit. ‘Ik hoor wat je zegt en toch hoop ik dat hij daar staat en op me wacht.’

Heinrich aaide over haar wang. ‘Alleen is ook niet alles, dat weet ik, maar eenzaam kun je alleen zijn als er mensen om je heen zijn die je in de steek laten. Dan pas ben je echt alleen.’

 

***

 

De ladder naar boven leek vrij in de lucht te hangen. Sterre hield de sporten angstvallig stevig vast en dwong zich naar de voeten van Heinrich te kijken die langzaam voor haar uit klom naar het donkere gat in de bodem van het koepeltje dat bij elke stap die ze naar boven deed, leek te groeien.

Vlak onder het gat hield hij halt.

‘Als we naar binnen komen zul je in het midden van de koepel een fel wit licht zien. Daar moet je heen.’

‘En jij dan?’

‘Er kan er maar een tegelijk doorheen.’

‘Kunnen we niet tegelijk?’

‘We kunnen het proberen,’ zei Heinrich, maar zijn gelaatsuitdrukking zei anders. Hij trok zich omhoog het gat in. Even later zag Sterre zijn arm naar beneden strekken. Ze nam zijn hand vast en hij trok haar omhoog.

Het witte licht in het midden van het koepeltje was meteen zichtbaar. De binnenkant van het gebouw leek veel groter dan de buitenkant. Er hing een muffe lucht, dierlijk bijna. Af en toe klonk er zacht gerinkel van metaal op metaal.

‘Daar is het,’ fluisterde Sterre.

Hun ogen wenden aan het duister en nu zagen ze de kooien. Rij na rij hingen ze van het plafond, vier­kante dozen van stalen spijlen aan een dikke ketting die in de duisternis van het dak verdween.

In de schemer zag ze lichamen die in de kooien gepropt waren. Hier en daar stak een stuk been of een stuk arm uit. Sterre voelde haar maag rommelen toen ze zag dat die gestript waren van vlees en dat enkel rafelige huid, botten en pezen over waren.

Het geluid van krassende nagels op ijzer klonk scherp en hol door de ruimte. Sterre keek om zich heen, maar het donker liet zich niet terug­dringen door het licht.

‘Schnell!’ maande Heinrich haar. Hij trok haar over­eind en ze renden over de vlakke vloer naar het licht. Hun voetstappen klonken hard op de ijzerplaten van de vloer. Het geluid werd overstemd door het schrapen van nagels over metaal en een keer zelfs door een diep lachen dat boven hen klonk.

Op een paar meter van het licht voelde Sterre een verscheurende pijn in haar rechterdij. Ze keek en zag een klauw die zich om haar bovenbeen geklemd had, met lange, scherpe, zwarte nagels die dwars door de stof van haar jeans haar vlees in gingen. Ze gilde van pijn en paniek.

Langzaam trok de klauw haar de schaduw in, waar ze nu in de weer­kaatsing van het licht het emotieloze gezicht van de man met de holle ogen zag, zijn oogkassen in het halfdonker grote gaten die eindeloos diep leken. De horizontale streep van zijn mond opende zich en rij na rij naaldscherpe tanden stulpte naar buiten op kaken die uit zijn gezicht naar voren kwamen.

Een ijzeren stang kwam hard neer op de klauw die haar vasthad. Hij liet haar los. Heinrich stapte tussen haar en de man met de holle ogen. ‘Kennst mich noch, ja?’ Hij zei tegen Sterre: ‘Ga, ren, ik hou hem bezig!’

‘Nee, we moeten samen.’

Heinrich sloeg een klauw van zijn lijf weg. ‘Ik heb daar niets, jij wel! Zoek me op als je daar bent. Geef me mijn rust.’ Hij draaide zich om, sprong op haar af en duwde haar hard in de richting van het licht. Terwijl ze een wolk van witte watten inviel zag ze de beide handen van de man met de holle ogen Heinrichs schouders grijpen en hem hulpeloos optillen. Alles werd wit voor ze kon zien wat er met hem gebeurde.

 

***

 

Ze knipperde met haar ogen en zag verschrikte gezichten om haar heen, afgetekend tegen het hoge dak van een treinstation. Ze probeerde over­eind te komen.

‘Rustig maar,’ zei een kalme stem naast haar. Ze keek opzij en zag een jongeman in een groen met gele overall, een ambulancebroeder. Hij heeft kleur! Hij hield haar pols vast en keek tegelijk op zijn horloge. ‘Je bent aardig geschrokken en flauwgevallen. Hoe voel je je nu?’

‘Duizelig. Hoe lang ben ik weggeweest?’

‘Een kleine twintig minuten. We hebben eerst gepro­beerd die man te reanimeren, maar dat haalde niets uit.’

Sterre dacht aan de vuurkist van de locomotief waar hij in gesleurd werd. ‘Ik weet het, hij was echt dood. Waar is hij nu?’

‘We hebben zijn lichaam afgevoerd.’ De ambulance­broeder wees naar het spoor dat helemaal verlaten was. ‘Het meeste tenminste. Kende je hem? Omstan­ders zeiden dat hij al een tijdje rondliep.’

Sterre schudde haar hoofd. ‘Ik heb hooguit een paar woorden met hem gewisseld. Hij was erg verdrietig.’

‘Ik zal het noteren. Nu eerst de laatste trein uit Amster­dam binnen­halen en dan gaan we dicht voor vannacht. Grondige schoonmaak. Snap je nou dat mensen dat doen? Voor een trein springen bedoel ik?’

‘Soms neemt het leven meer dan je missen kunt.’

De ambulancebroeder knikte naar de overkant. ‘Ramp­gluurders. Zie ze kijken daar. Hopen ze op bloed?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Blijf hier, ik over­leg even.’ Hij stond op en liep naar de ambulance.

Sterre stak een sigaret op, staarde naar het bran­dende staafje en gooide het op de rails. Het landde vlak naast de heupflacon van de dronkenlap. Ze pakte haar mobiel. Vijf berichten. Van Mike. Snel opende ze haar berichten. ‘Ik hoorde van een ongeluk en moest aan je denken. Ik kom naar huis.’ Een warm gevoel stroomde door haar lichaam. Ze herkende het als hoop. Voor ze haar mobiel wegstopte keek ze naar de foto’s die ze in het wachthokje had gemaakt. Het gaf haar nare herinne­ringen dus ze besloot ze allemaal te wissen. Op het moment dat ze de laatste foto wilde verwijderen, viel haar telefoon uit. Klotending.

Ze keek naar de laatste passagiers die met de trein waren aangekomen. Haar adem stokte in haar keel. Was dat Mike?

‘Hee, Sterre, alles goed met je?’ schreeuwde hij vanaf het andere perron

Even later stond hij naast haar. Hij knielde bij Sterre neer en pakte haar hand. Met grote ogen keek hij naar de bloedvlekken op haar jeans. ‘Heb je geprobeerd… Was jij voor de trein gesprongen? Lieverd, ik…’

Het duurde even voor Sterre doorhad wat hij bedoelde. Dacht hij nu werkelijk dat ze voor hem een einde aan haar leven zou maken? De eikel.

Ze schudde haar hoofd, probeerde op te staan maar de hamer in haar hoofd en de krassen in haar boven­been deden haar duizelen. Achter Mike verscheen Linda met haar hakken in haar hand.

De jongen kwam terug van de ambulance. ‘Je moet voor de zekerheid een nachtje in het ziekenhuis blijven, voor observatie. Morgen willen ze je grondig onderzoeken. Er is een psycholoog aanwezig mocht je daar behoefte aan hebben.’

Ze wilde de hand van de jonge helper grijpen, maar Mike duwde hem aan de kant en hielp haar op te staan. Haar lichaam reageerde met een dosis hoop, dat niets was veranderd, dat alles bij het oude was. Voor­zichtig stond ze op. Ze leunde zwaarder op hem dan strikt nood­zakelijk en grijnsde naar zijn snol.

Gedachten aan de gebeurtenissen van deze avond spookten door haar hoofd. Ze dacht aan de dronkenlap, het meisje op het perron en vooral aan Heinrich. Ze miste hem, miste zijn rechtschapenheid, zijn opoffe­ring, zijn behulpzaamheid. Hij was een goed mens, voor zover ze dat in hun korte samenzijn kon beoor­delen.

Bij de ambulance scheen één van de broeders een lichtje in haar ogen. ‘Niets ernstigs zo te zien. We hebben met de dienstdoende arts op de EH overlegd. Ze wil je nog vanavond zien. Je man mag achterin plaats nemen.’

De broeder nam haar van Mike over en ze merkte hoe hij een stap achteruit deed. Zijn warmte ebde weg. Ze keek hem aan.

‘Ik zie je morgen,’ zei hij, ‘dan kom ik terug.’ Hij keek met een smerige grijns naar Linda, toen weer naar Sterre. ‘Meer tijd heb ik niet nodig.’

Ze kreeg een rood waas voor haar ogen. De woorden van Heinrich, dat Mike een nietsnut was, galmden in haar oren. Ze besefte ineens dat Mike als de engelen was. Valse hoop. Klootzak. Ze deed een stap terug en greep zijn overhemd vast. Met al haar kracht ramde ze haar knie tussen zijn benen. Mike sloeg dubbel en braakte zijn maaginhoud op het perron.

‘Loos je zaad maar in die snol. Voor een trein springen? Voor jou? Ben je niet goed snik? Ik heb de hel gezien en ben ontsnapt. Dat nooit meer. Je spullen liggen morgen op straat, bij mij kom je er niet meer in!’ Ze hinkte met de ambulancebroeder mee. ‘Auf nie wiedersehen!’

 

***

 

In de schaduwen, vlak bij de uitgang van het perron, stond een man met holle ogen. Hij keek naar de ambulance die net vertrok. Prooi die hij ooit gezien had, kon hij overal volgen. En hij had alle tijd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Donkere Wolken : Wendy Torenvliet

Er stond een vrouw aan het voeteneind van haar bed.

Laura kon niet verklaren hoe ze wist dat het een vrouw was, want de gedaante was niet meer dan een vage zwarte vorm die op een of andere manier nog donkerder was dan de nachtelijke duisternis van de slaap­kamer. Toch wist ze zeker dat het een vrouw was. Laura was compleet verstijfd en ze baadde in het zweet. Haar handen knepen het laken fijn van angst, haar hart bonsde zo wild dat het uit haar borstkas leek te springen.

De vrouw zei niets. Bewoog niet. Stond daar maar.

Het lukte haar de verlamming te verbreken. Met een ruk kwam Laura overeind en tastte naar het licht­knopje naast haar kant van het bed. Eén eeuwig­durende seconde was ze bang dat ze het niet snel genoeg zou vinden, dat de vrouw die tijd zou benutten om op haar af te springen met die onmoge­lijke snel­heid die je altijd bij monsters in horrorfilms zag, een en al tanden en klauwen en witte, wegge­draaide ogen. Dat de vrouw zou … ja wat eigenlijk?

Ze vond het knopje en meteen baadde de kamer in een zacht licht. De plek waar ze de vrouw had gezien was leeg. Er stond of hing niet eens iets dat in het donker op een menselijke gedaante had kunnen lijken.

Wat gebeurde er zojuist?!

Laura draaide in een reflex om naar Peters kant van het bed. Ze wist niet precies waarom ze het deed, om hem wakker te maken en even te knuffelen, of misschien samen te lachen om haar domme droom … wat het ook was, het verdween uit haar gedachten zodra ze de lege plek zag. Hij was er niet.

Natuurlijk niet.

Met een klap was ze weer terug in het heden. Er daalde een alles ver­stikkende deken van verdriet over haar neer. Tot drie dagen geleden was ze vergeten dat verdriet gewoon fysiek pijn kon doen. Dat het je bij de strot greep, misselijk maakte totdat je het gevoel had dat je gewoon wel kon kotsen.

Ze slikte. Peter was er niet. De plek waar ze de omtrek van zijn lichaam nog kon zien als ze het bed opmaakte, lag er strak en gladgetrokken bij. Want Peter was dood. Ze sloeg haar handen voor haar mond om de schreeuw te smoren die zich naar buiten probeerde te worstelen.

Het is mijn schuld, oh god het is mijn schuld. Als ik het hem niet zo verweten had, dan stond ik hier nu niet.

De deurknop leek onmogelijk ver weg. Ze wilde zich omdraaien, die rottige zwarte pumps in de hoek smijten en wegrennen. Overal naartoe behalve hier.

Laura stak de sleutels in het slot, sloot haar ogen, draaide de sleutelbos om en trok de deur open. Totale stilte galmde haar tegemoet.

Nu is het echt.

In de eerste paar dagen van hectiek, nadat ze Peter gevonden had, was ze alleen maar in regel-modus geweest. Door door door, welke kist, kwamen er bloemen? Oh god, moest ze dit nu opnieuw meemaken? Het was allemaal zo bekend. Wat moest er in vredes­naam in de rouwadvertentie? Frans en Nadine, Peters ouders, die haar constant vuile blikken toe­wierpen, alsof zij Peter ertoe aangezet had …

Dat heb je ook.

Het verdriet dreigde haar te overmannen. Ze deed haar ogen open en liep resoluut over de drempel, de gang in. Sleutels op het gangkastje, zwarte mantel aan de kapstok, tasje achteloos op de vloer. Haar hakken tikten op het parket. Het geluid leek te echoën in de leegte van hun appartement. Wacht, háár apparte­ment. Ze was alleen.

Vanaf vandaag lag Peter onder de grond en was ze alleen.

 

***

 

‘Hoe gaat het met je?’ Miranda’s stem klonk vermoeid en verdrietig aan de andere kant van de lijn.

Laura tekende afwezig kringetjes op het patroon van haar wollen jurkje. Ze had eigenlijk willen douchen, die vreselijk formele kleding uit willen trekken, maar ergens was ze bang verder het appartement in te gaan dan de woonkamer. Dus zat ze nu in elkaar gefrommeld in de luie stoel naast de televisie. De panty zat niet lekker en het jurkje was tot halverwege haar dijen opgeschoven omdat ze haar benen opgetrokken had. De pumps lagen half onder de stoel.

Ze had het koud. Ze wist dat het stom was om hier nu zo te blijven zitten, maar ze zag er zo vreselijk tegenop om al die lege kamers tegen te komen. Waar al zijn spullen nog stonden. Waar ze binnenkort iets aan zou moeten gaan doen. Alleen de gedachte al maakte haar misselijk.

‘Laura? Ben je er nog?’

Ze schrok op. ‘Ja ik ben er. Sorry, ik… ik heb moeite om mijn gedachten goed bij elkaar te houden. Wat vroeg je?’

‘Of het goed met je gaat. Maar eigenlijk hoef ik dat niet te vragen he? Natuurlijk niet.’ Miranda zuchtte. ‘Ik wou dat ik naar je toe kon komen. Je moet nu helemaal niet alleen zijn in dat klotehuis.’

Ze klonk zo bezorgd dat de tranen weer in Laura’s ogen opwelden. ‘Het gaat wel,’ zei ze waterig. ‘Ik moet alleen even moed verzamelen om iets te gaan doen. Uit deze stoel te komen. En jij moet blijven waar je bent, je hebt het al zwaar genoeg en hier kun je toch niks doen, joh.’ Miranda was hoogzwanger van de tweede en had haar handen vol aan de peuter die rondliep en haar eigen bekkeninstabiliteit. ‘Ik vond het fantastisch dat je er vanmorgen was, ik kan je niet zeggen hoeveel dat voor me betekende.’

‘Je voelt je toch niet schuldig, he? Want echt, ik had die ouders van hem wel wat aan kunnen doen, ik bedoel, Jezus, het is een begrafenis en om daar nu een scène te gaan schoppen midden op het kerkhof. Afschuwelijk. Het is níet jouw schuld. Dat weet je toch he?’ Miranda klonk fel.

Laura onderdrukte de neiging om de telefoon neer te leggen en haar handen voor haar gezicht te slaan. ‘Ik moet gaan meis, ik moet een aspirine gaan slikken en even gaan liggen en tot bedaren komen. Ik bel je later, oké? Ik kan nu even niet praten over alles.’

‘Je voelt je dus wel schuldig. Echt, het is zó oneerlijk, ik ben zó boos. Op Peter, op alles. Jullie leven was al zo verkloot en …’

Verderop in het appartement klonk een harde klap.

Laura liet van schrik bijna de telefoon uit haar handen vallen. Miranda viel midden in haar zin stil, ook zij had het door de telefoon heen gehoord. ‘Alles goed? Wat was dat?’

‘Ik weet het niet Mier, ik moet even gaan kijken. Het klonk alsof er iets viel of zo.’ Ze zweeg verward.

‘Je bent toch alleen daar? Toch? Er is toch niemand verder in huis?’

‘Nee joh, er staat vast ergens een raam open en er zal wel wat omgewaaid zijn. Ik spreek je later, oké?’ Laura hing op.

Er stond nergens een raam open. Dat had ze vanmorgen nog gecheckt voor ze wegging. Het was weer stil.

Laura’s hart bonsde wild. Ze had ineens een heel onbehaaglijk gevoel. Kippenvel overal. Waar kwam die sensatie in vredesnaam vandaan?

Oké, stel je niet aan. Er is niks aan de hand.

Het geluid was van verder in het appartement gekomen, vanuit de gang met de trap naar boven. Of misschien wel vanaf boven zelfs. Het appartement had een maisonnette-indeling met de woonkamer en keuken beneden. De ouderslaapkamer en extra kamers waren boven. Ze keek op naar het plafond en luisterde gespannen. Niets te horen.

In de gang was niets te zien. Ja, de trap. Die vervloekte klotetrap. Voor de zoveelste keer vroeg ze zich af waarom Peter en zij hier in dit huis waren blijven wonen nadat … nou ja, erna. Natuurlijk waren er duidelijke redenen geweest, voornamelijk financiële, maar wat had ze graag weg gewild. Niet meer iedere dag geconfronteerd met die houten trap naar boven, naar de kinderkamer. Zoveel plekken in dit huis waar ze niet meer wilde komen. Die trap. Het kamertje boven. En nu dus ook de studeerkamer. Het kippenvel kroop haar armen weer op en haar maag knoopte zich samen. Ze snakte naar adem, gezicht vertrokken in verdriet.

‘Nee, ik wíl niet weer huilen, ik ben er zo klaar mee!’ Ze wilde het gillen, maar het was niet meer dan een zacht gefluister.

In het voorbijgaan trok ze rechts de deur naar de logeerkamer open, maar niets leek van zijn plek. In de wc en de badkamer aan de andere kant van de gang zag ook alles er in orde uit. Alsof de aanblik van Peters scheerschuim en douchegel ooit in orde kon zijn, maar dat daargelaten.

De trap leek eindeloos en zoals altijd had ze een gevoel van kilte terwijl ze er tegenop klom. Ze wist dat het een psychisch ding was, de kou en het idee dat er geen einde aan leek te komen, dat had de psycholoog haar ook verteld, maar ze bleef het ervaren. Het was inmiddels al twee en een half jaar geleden dat Fleur hier op deze trap was gestorven, maar het gevoel was nog steeds niet weggeëbd.

Echt, ik moet dit huis verkopen. Het ging al nooit beter worden en nu al helemaal niet.

Eenmaal op de gang boven bleef ze besluiteloos tegenover de twee deuren naast elkaar staan. Iene miene mutte, welke doet het meeste pijn? Het begon als een dwaas kinderrijmpje door haar hoofd rond te zingen. Ze besloot als eerste de deur links te pakken, al was het maar om het gekmakende deuntje te smoren.

Het kleine kamertje rook wat bedompt en stoffig, maar was verder keurig opgeruimd. De muren waren zachtgroen en het meubilair whitewash. Peter en zij hadden geweten dat ze het ooit moesten gaan opruimen, maar ze hadden tot nu toe de moed niet kunnen verzamelen. Het had veel te veel pijn gedaan, hoewel de constante aanblik van het wiegje en de pluche knuffeldieren dat ook deed. Vrolijke houten letters die de naam ‘FLEUR’ spelden hingen nog aan de muur.

Er lag niets om, of op de grond. Laura deed snel de deur weer dicht en leunde er even tegenaan. Ze blies wat haren uit haar gezicht die losgeraakt waren uit de vlecht die ze droeg. Studeerkamer dan?

De kamer er rechts naast. Ze trok de deur open, bang voor wat er komen zou. Er was niets meer te zien van wat er zich vorige week had afgespeeld, maar toch spiegelde haar geest zich Peter weer voor, achterover hangend op de stoel achter zijn bureau, de plastic zak over zijn hoofd en haar potje met slaappillen naast zijn uitgestrekte, levenloze hand. Ze kneep heel snel haar ogen dicht, haar adem inhoudend, wetend dat haar brein haar voor de gek hield. En toch was ze één moment doodsbang dat dezelfde scène zich nu weer afspeelde, voor altijd en altijd in een krankzinnige cirkel waaruit ze nooit meer los zou komen, als een kwaadaardige Groundhog Day.

De stoel was leeg. Geen pillen rondgestrooid op het tapijt. Geen glazige ogen die haar ondersteboven aankeken door de wazige plastic zak die aan de binnenkant beslagen was door zijn laatste adem. Laura’s maag­inhoud kwam omhoog en ze vloog naar de deur links achter in de ruimte die toegang gaf tot een toilet en bad. Ze redde het maar net. Geknield en met een hand op haar maag braakte ze de broodmaaltijd uit die ze na afloop van de begrafenis samen met de familie genuttigd had. Het smaakte zuur, slijmerig en brandde in haar keel en neusgaten.

 

***

 

Een kwartiertje later stond ze nog wat wiebelig midden in de studeer­kamer. Het geluid was verklaard – de stofkap van Peters type­machine lag op onverklaarbare wijze op de grond naast de stoel. Ze had altijd moeten gniffelen om zijn eigenwijsheid wat dat betreft. Alle schrijvers die ze kende maakten gebruik van een laptop of desktop. En ze kende er aardig wat, want ze ging vaak mee naar feestjes en inmiddels had Peter behoorlijk wat vrienden gemaakt in het schrijvers­wereldje. De software die ze gebruik­ten varieerde nogal, van speciaal voor auteurs ont­wikkelde program­ma’s tot gewoon Word of zelfs Notepad. Maar Peter had niets willen weten van computers. Hij schreef zijn verhalen nog gewoon op een typemachine.

‘Het schrijft gewoon lekkerder, Lau,’ zei hij altijd als ze hem weer eens plaagde dat hij zo wel een enorm stereotype stoffige schrijver werd. ‘En zo kan ik tenminste niet meteen gaan twijfelen en alles deleten en weer opnieuw schrijven.’

Ze werd er eigenlijk knettergek van, want de getypte stapels die hij produceerde moesten altijd weer omge­zet worden tot iets digitaals. Daar kwam zij om de hoek kijken – ze zette zijn bergen papier om tot digitale bestanden en fungeerde daardoor meteen als zijn eerste proeflezer. Naast haar dagelijkse kantoorbaan was het veel werk. Hoewel het digita­liseren van het verhaal niet haar grootste hobby was, genoot ze wel van het redigeren. Het voelde als een privilege om de eerste te zijn die een kijkje mocht nemen in zijn zielenroerselen. Net zoals ze het geweldig had gevon­den om mee te gaan op de reizen die hij ondernam. Hij geloofde heilig in het zelf onderzoeken van bronnen – het zelf voelen, ruiken, waar­nemen.

Na zijn dood was zijn kamer in orde gebracht en afgesloten en ze wist zeker dat ze de kap op zijn typemachine had gedaan. Ondanks zijn rommelige karakter was hij daar altijd heel zorgvuldig mee geweest en het had haar pijn gedaan de machine zo open en bloot te zien nadat ze zijn korte afscheids­briefje – ‘Het spijt me zo, Lau’ – uit de schrijfrol had gehaald.

Maar nu lag de kap op de grond en dat was eigenlijk onmogelijk. Hij sloot af met twee klepjes aan iedere kant en die raakten niet zomaar los. En al raakten ze los, dan nog was het onmogelijk dat de kap vervolgens op eigen houtje van de typemachine los zou raken. Het ging in tegen alle wetten van de zwaartekracht.

Er is iemand in huis, dat moet wel, het kan niet anders.

Laura draaide zich met een ruk om, gezicht naar de gesloten deur van het kantoor. Daarbuiten lag de gang, de toegang naar wat de babykamer was geweest. Achter haar de douche en het toilet. Beide had ze net van dichtbij gezien en ze waren leeg geweest. Dan bleef alleen de slaapkamer nog over.

Bevend haalde ze adem. Ze stond op kousenvoeten, haar hakken lagen beneden in de woonkamer. En nu? Zachtjes naar beneden sluipen of de confrontatie aangaan? Ongewapend? Ging ze echt zo stom zijn? Een flard van haar droom kwam terug, het gevoel in een horrorfilm te zijn beland. De heldin die altijd het domste deed, de trap opliep in plaats van het huis de rug toe te keren, ook al was het duidelijk dat er boven geen vluchtwegen waren. Ging ze écht dat cliché zijn?

Maar dit was geen horrorfilm. En ze was het zat. Zat om bang te zijn, zat om verdrietig te zijn. Er helemaal klaar mee om iedere dag maar weer op te staan met het gevoel of er een steen op haar maag lag en haar hoofd vol watten zat.

Laura trok een van de lades van Peters bureau open, de lade waarvan ze wist dat hij er altijd zijn kantoor­artikelen in veegde. In de wirwar van paperclips, gummetjes, potloden en lege kauwgom­wikkels vond ze wat ze zocht – de briefopener. Deze klemde ze in haar zweterige hand en op trillende benen liep ze naar de deur van het kantoor.

De gang was leeg en nog net zo stil als daarvoor. Laura glipte door de deuropening en hield halverwege de hal stil, tussen de deur van de kinderkamer rechts en de grote ramen die uitzicht boden op het balkon links. De dag was al aan het tanen – het licht begon wat grauw te worden en aan de voorbij dwarrelende bladeren te zien was er een fikse wind opgestoken. De maisonnette was goed geïsoleerd, binnen was het aangenaam en er was niets te horen van de storm buiten. Ze deed haar best om haar ademhaling rustig te houden, maar slaagde daar totaal niet in. De lucht zaagde haar keel in en uit en haar hartslag speelde de horlepiep. Nog zo’n cliché – ‘het was vast te horen buiten haar lichaam om’. Bah, ze had veel te veel van Peters horrorverhalen onthouden.

Met haar adem ingehouden luisterde ze gespannen. Ongewild drong de gedachte aan de droom van vorige nacht zich weer aan haar op. De vrouw aan het einde van haar bed, de zwarte, vage roerloze gestalte. Dat was ook in de slaapkamer geweest. Wat als ze de deur opentrok en oog in oog met dat ding zou staan? Of nog erger, dat het tegen het plafond zat, met lange spin­achtige ledematen, alsof de zwaartekracht niet bestond?

Jezus Laura, hou eens op. Je kunt jezelf ook gek maken.

Het moest maar. Ze stak haar hand uit naar de deur­knop, aarzelde een seconde en rukte toen met kracht de deur open, de briefopener uitdagend in haar andere hand.

Niets.

Een lege slaapkamer. Opgemaakt bed. Peters boek, met de boeken­legger nog op de plek waar hij was gebleven, omgekeerd op zijn nacht­kastje. Geen zwarte gedaanten waar dan ook, ook niet tegen het plafond.

Laura begon oncontroleerbaar te trillen, de brief­opener glipte uit haar hand en kletterde tegen het parket. Ze zakte als een hoopje ellende op de vloer in elkaar en kon de tranen niet meer tegenhouden. Het voelde alsof ze zich compleet verloor in het verdriet, het schuldgevoel, de wetenschap dat het haar onop­houdelijke stille verwijten waren geweest die Peter uiteindelijk tot zijn daad hadden gedreven.

Want hij was het geweest die met Fleur in zijn armen van de trap was gevallen.

Van die verraderlijke, kloterige, spekgladde houten trap waarvan ze al zo vaak tegen elkaar hadden gezegd dat ze die veiliger moesten maken. Wat ze niet hadden gedaan. Wat ze geen van beiden hadden gedaan, en het had net zo goed haar kunnen overkomen in plaats van hem, maar toch bleef ze het hem verwijten. Misschien niet zozeer in woorden, maar zeker wel in daden, met een koude houding en een stilzwijgen en een gepast op afstand houden waar ze maar niet van af had kunnen komen, hoe graag ze het ook had gewild… het verdriet dreigde haar te over­spoelen en ze voelde het, letterlijk, als een koude zwarte wolk boven haar hoofd, een vettige zwarte materie die haar helemaal omhulde, in alle poriën en huidplooien kroop, in haar longen drong met iedere beverige ademteug die ze naar binnen liet gieren, haar verstikte en tegen haar fluisterde …

Jouw schuld, allemaal jouw schuld, lelijk mens, je kon het hem niet vergeven, he? Je moest hem de schuld blijven geven want anders moest je naar jezelf kijken, je eigen nalatigheid, je eigen aandeel in dit alles en dat was even groot, het is allemaal jouw schuld, jouw schuld, jouw schuld, waarom maak je er geen einde aan?

Ze kreunde, de armen om haar lichaam geslagen, wiegde heen en weer in pure wanhoop, ja waarom ook niet, wat deed ze hier nog, waarom was ze hier nog, wie hield er in nu in godsnaam nog van haar?

En van het ene op het andere moment werd ze warm. Het was alsof iemand van achteren de armen om haar heen sloeg, haar tegen zich aan koesterde en haar compleet injecteerde met een weldadige, liefdevolle gloed die door haar hele lichaam trok, van kruin tot voeten. Ze hield abrupt op met huilen.

Oh Laura …

De warme ademtocht blies langs haar oor en een lok van haar haar dreef loom mee naar voren op de lucht­verplaatsing. Verdwaasd keek ze ernaar. Achter haar, in de studeerkamer, klonk het ratelende geluid van de typemachine, maar ze registreerde het amper.

‘Peter?’

Het warme gevoel ebde langzaam weg, maar de wan­hoop was ook verdwenen. Meegenomen op die ene teug adem die niet meer terug­kwam. Ze was niet bijge­lovig en hoewel ze even daarvoor nog helemaal in beslag was genomen door alle stomme plotpunten uit Peters enge verhalen, had ze nooit werkelijk in dat soort dingen geloofd. Geesten, monsters, griezelige kinderen en poppen waren leuk om bang van te worden tijdens het kijken van een enge film, maar dat waren wel fictieve dingen waar ze de dag daarna geen last meer van had. Misschien dat dat kwam doordat ze van dichtbij had meegemaakt hoe Peter de spanning opriep in zijn boeken, er research naar deed en zijn verhalen had geredigeerd. Daardoor werd het voor haar een soort van proces in plaats van een medium waardoor ze zich kon laten verrassen. Ze wist veel te goed hoe alles in elkaar zat.

Had ze gedacht. Toch? ‘Peter? Was jij dat?’

Vanuit de studeerkamer kwam een zachte ping! Het was het geluid van de schrijfrol die het einde van een regel aangaf, wist ze. Het kippenvel stond onmiddellijk weer huizenhoog op haar armen. En aan de andere kant leek het een bevestiging op haar vraag. Struike­lend haastte ze zich naar de kamer aan het einde van de hal.

Er zat nu papier in de schrijfrol. Midden op het witte vel prijkte één enkel woord:

 

J A P A N

 

***

 

‘Wil je dit nog bewaren?’ Miranda hield een van Peters befaamde notitieboekjes omhoog, ditmaal eentje met een bijzonder groezelige kaft.

‘Staat er een jaartal op?’ Laura snuffelde rond in de grote boekenkast waar boeken, losse papieren en multo­mappen lukraak bovenop elkaar gestapeld waren. Je kon van alles van Peter zeggen, maar opge­ruimd was hij niet geweest. Het leek wel of hij nooit echt een systeem had gehad om orde te scheppen in de kamer. Alleen de notitieboekjes waren een vast, terug­kerend item. En de Bic balpennen waar zonder uitzon­dering heftig op geknaagd was. Die twee dingen waren de constanten in Peters leven geweest. Nou ja, op haar, Fleur en zijn typemachine na dan. De rest was bijzaak.

‘Nee, ik geloof het niet.’ Het klonk aarzelend. ‘Er staat ‘Sterrenkijken’ op?’

Ah. Peters enige poging tot het schrijven van een sci-fi. Aliens, close encounters of the fourth kind, de hele rambam. Ze waren er zelfs voor naar Area 51 geweest – of in ieder geval zo dicht als ze erbij hadden kunnen komen.

Uiteindelijk was dit specifieke boek op niets uitge­lopen. Sci-fi was gewoon niet zo Peters genre en dat had hij heel vlot ingezien. Het kroop toch bijzonder snel weer naar de horror en hij had geen compromis willen sluiten qua genre. Dus het manuscript was onaf­ge­maakt in een doos verdwenen en zou zich onge­twijfeld ergens in deze kamer bevin­den.

‘Bewaar toch maar,’ zei ze, zich omdraaiend naar Miranda. ‘Alleen, … zo raak ik nooit opgeruimd he?’ Ze keken elkaar aan en begonnen tege­lijker­tijd te lachen. Heerlijk. Eindelijk. De lach tuimelde ongedwongen door de ruimte en het was gewoon precies wat ze nodig had gehad.

‘Ik ben zo blij dat je hierheen gekomen bent. Ondanks – dat,’ ze wees naar Miranda’s gewelfde buik, ‘dat je het volhoudt joh.’

‘Ach, zolang jij de onderste planken doet en ik me bezig kan houden met alles wat zich ongeveer ter hoogte van mijn navel bevindt, vind ik het best. Echt, Ik bleef je maar voor me zien, alleen in dit huis met alle rommel. Ik moest naar je toe.’

De tranen sprongen Laura in de ogen. Ze knikte woordeloos en keek naar de grond.

Er waren inmiddels een paar dagen verstreken en ondanks dat Laura het erg moeilijk had gevonden om die eerste nacht de slaap te vatten, leek het gebeuren in de studeerkamer al weer ver weg. Er hadden zich verder geen vreemde dingen meer voorgedaan en op een of andere manier had ze het voor elkaar gekregen om het voorval diep in haar geest op te bergen en er verder geen aandacht meer aan te schenken. Niet aan denken was het beste, hoe onwaarschijnlijk en bizar het ook was geweest.

‘Ik denk dat ik alle notitieboekjes maar bewaar,’ zei ze tegen Miranda. ‘Het is toch het meest tastbare, het meest eigen, dat ik over heb van Peter.’ Ze moest even slikken.

Miranda was meteen bij haar en greep haar hand. Haar bezorgde groene ogen namen Laura vorsend op. ‘Heb je wel wat gegeten vandaag?’

Laura knikte. ‘Ja, daar zorg ik wel voor. Met Fleur…’  Ze brak af. Ze had in de weken na Fleur amper kunnen eten, was kilo’s afgevallen en daar ging ze zich alleen nog maar slechter door voelen. ‘Ik heb ervan geleerd, laten we het daarop houden.’

Miranda ging met wat moeite zitten in de leunstoel voor de boekenkast en kruiste haar enkels over elkaar. ‘Als je er niet over wil praten, moet je het zeggen, maar…’ Ze aarzelde. ‘Ik snap het gewoon niet. Ik had het gevoel dat het zoveel beter met jullie ging. Dat de therapie hielp. Jullie zijn samen nog naar Japan geweest, Peter zat helemaal vol plannen met zijn nieuwe boek. Wat ging er nou mis?’

Laura legde haar hand op de bureaustoel en keek peinzend naar buiten. ‘Ik weet het niet,’ zei ze uitein­delijk. ‘Ik dacht ook dat het beter ging. We hadden hartstikke veel aan de nieuwe therapeute, Peter vond dat ook. Tijdens de vakantie hadden we voor het eerst in tijden weer seks.’ Ze bloosde lichtelijk. ‘Sorry, dat is meer informatie dan waar je behoefte aan hebt waarschijnlijk, maar voor ons was het een door­braak. Ik kon hem heel lang gewoon niet in mijn buurt ver­dra­gen. Afschuwelijk, ik weet het, en ik probeerde er echt wel tegen te vechten, maar dat lukte moeilijk.’ Ze wreef haar handen tegen elkaar, het was ineens koud in de kamer. ‘En die muur had ik eindelijk afgebroken. En toen… dit. Ik weet het niet. Ik begrijp het zelf ook totaal niet.’

Dat dacht je alleen maar. Je hield hem aan het lijntje, dat weet je zelf ook wel. Het was een vluggertje, meer niet en stelde niks voor, dat was toch geen liefde? Dat moet hij ook gevoeld hebben, het is jouw schuld, jij hebt hem ertoe gedreven …

‘Jeetje, wat is het koud hier ineens, is de verwarming uitgevallen of zo?’ Miranda huiverde in haar positie­jurk, kwam overeind uit de stoel. ‘Eh, Lau? Gaat het wel? Je ziet echt lijkbleek. Oh sorry, echt, ik had het er niet over moeten hebben, het is allemaal nog zo vers en ik vraag je er gewoon naar met mijn stomme kop.’

Laura werd uit haar gedachten gehaald toen ze de arm van Miranda om haar schouders voelde. Het voelde aan alsof ze van erg ver moest komen. Ze drukte haar handen tegen haar ogen. Ze was zo verschrik­kelijk moe en deze stemmingswisselingen putten haar helemaal uit.

‘Het geeft niet. Ik heb eigenlijk liever dat mensen er wel naar vragen dan dat ze op hun tenen om me heen gaan lopen. De buren staren me toch al aan alsof ik ze allebei eigenhandig vermoord heb of zo.’ Dat was het nadeel van wonen in deze flat: er was niet heel veel contact tussen de buren onderling dus niemand wist precies van elkaar wat er in hun levens speelde. Daarnaast waren haar buren aan beide zijden van het type gluren-achter-de-vitrage, iets waar ze niet bepaald op zat te wachten. Weer een reden om dit huis zo snel mogelijk van de hand te doen.

‘Het is inderdaad koud, ja. Er staat toch nergens een raam open.’ Laura rammelde aan de sluiting van het raam achter het bureau, maar het zat stevig dicht. Ze draaide aan de knop van de verwarming onder het raam. Het ding begon meteen te tikken. ‘Nou ja, laten we maar verder gaan – het wordt hier zo wel warmer denk ik.’

‘Wat is dit?’ Het klonk wat weifelend. Miranda was inmiddels weer terug­gelopen naar de verzameling dozen die midden in de studeerkamer opgestapeld stonden. Ze hield een stuk papier vast dat zo te zien een haastig geschetste tekening bevatte met veel zwart. Het kwam Laura op het eerste gezicht niet bekend voor.

‘Er staan wat Japanse tekens op gekrabbeld. En ook wat leesbare woorden, al weet ik niet wat ze betekenen. Shinigami? Weet jij wat dat is?’

Laura kwam naar Miranda toe, haar hoofd schuddend. ‘Het is vast onderdeel van de research voor zijn laatste boek. Hij wilde iets doen met Japanse folklore maar ik geloof niet dat er al echt een heel duidelijk idee was. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen flauw idee heb waar hij precies mee bezig was, ik heb vooral genoten van het land en de cultuur. Hij liet meestal niet zoveel los over nieuwe boeken voordat de puzzelstukjes een beetje op zijn plek vielen. Ik kreeg meestal pas echt inzicht in zijn verhaal als ik begon met de redactie er van. Laat eens zien?’

Maar voor Miranda het papier kon overhandigen greep ze met beide handen haastig naar haar zwangere buik. De tekening zeilde rakelings door de kamer door de beweging en schoof onder de boekenkast. Ze zakte bijna door de knieën, haar elleboog stootte tegen een deurtje van de vitrinekast aan de andere muur. ‘Ohhh,’ kreunde ze. ‘Oh dat doet PIJN!’

Het glazen deurtje draaide langzaam om zijn schar­nieren en een seconde ving het Miranda’s spiegelbeeld. In de weerkaatsing zag Laura de vrouw. Of eerder, de vorm van een vrouw. Er waren niet echt gelaatstrekken te onderscheiden. Het was eerder een vettige, kolkende wolk in de vorm van een vrouw, met ruw, geklit haar dat tot halverwege haar middel viel. Zwarte klauwen met lange nagels strekten zich uit over Miranda’s buik en hielden die in een wurggreep. En knepen. Miranda’s handen lagen er dwars overheen, maar ze scheen dat niet te voelen.

Miranda hapte naar adem. Laura gilde. Het deurtje draaide verder en klapte helemaal open met een muzi­kale tinkel. De klap was hard genoeg om het glas te kunnen breken, maar dat gebeurde niet. Het spiegel­beeld verdween en de echte Miranda stond daar, alleen, in de kamer met haar handen tegen haar buik, haar gezicht vertrokken van de pijn.

Er klonk een kletterend geluid. ‘Mijn vliezen zijn gebroken,’ hijgde Miranda. ‘Oh nee, het is te vroeg!’

Laura staarde wild naar haar vriendin, naar de ruimte, naar het glas in het deurtje. Wat ze zojuist had gezien was verdwenen en ze begon aan haar verstand te twijfelen. De kamer voelde aan als een vrieskelder en ze vroeg zich af of ze haar adem in een klein wolkje voor zich uit zou zien stuiven.

Ze dwong zichzelf in de kamer te blijven in plaats van weg te rennen en greep Miranda bij de schouder. ‘Hoeveel weken ben je nu precies?’

‘Vijfendertig. Dit is niet goed. Je moet Maarten bellen en het zieken­huis.’

 

***

 

Het ouderwetse belletje rinkelde toen Laura de deur openduwde en een zoete, stoffige geur kwam haar tegemoet, zo sterk dat ze er bijna van moest hoesten. Het winkeltje heette Kuzu en ze had het adres uit een van Peters laatste notitieboekjes. Hij was hier blijkbaar eerder geweest, of misschien had hij het plan gehad hierheen te komen. Het stond in ieder geval vermeld onder zijn bronnen. In gedachten ging ze terug naar gisteren, naar de studeerkamer.

Maarten was in alle haast gekomen toen ze hem had gebeld, maar de ambulance was eerder geweest. Laura had niet geweten wat te doen – ze had nog nooit een vroeggeboorte meegemaakt en het leek haar het beste om 112 te bellen. Miranda was vastgesnoerd op een brancard en met gillende sirenes afgevoerd. Laura was bij haar gebleven in de ambulance. Gelukkig had Maarten de tegenwoordigheid van geest gehad om de vluchttas mee te grijpen, al zaten er nog lang niet alle benodigdheden in. Het was voldoende geweest voor deze noodsituatie.

Laura had de rest van de dag pendelend tussen Miranda’s huis en het ziekenhuis doorgebracht. Ze had gezorgd dat er nachtgoed voor Miranda en Maarten aan­wezig was en had toiletspullen en nog extra baby­kleertjes meegenomen. Miranda’s tweede zoontje was binnen vier uur geboren, met de navelstreng om de nek en ze waren erg lang met hem bezig geweest voordat hij zelfstandig begon te ademen. Het jochie lag nu op de NICU en het was niet helemaal duidelijk of hij er iets aan over zou houden. Miranda en Maarten zouden voorlopig nog wel in het ziekenhuis blijven.

Laura was uiteindelijk toch naar huis gegaan, hoewel ze het een afschuwelijke situatie vond. Ze kon verder erg weinig doen en de beide kersverse ouders werden volledig in beslag genomen door het legertje kinder­artsen dat hun jongste zoon in de gaten hield.

Maar wat moest ze verder? Ze zag het niet zitten om alleen in de studeer­kamer rond te hangen, niet met wat zich daar had afgespeeld. Ze vond het ontzettend moeilijk te bepalen of dit nu allemaal in haar hoofd plaatsvond of niet, maar het feit dat Miranda’s pijn en het afschuw­wekkende spiegelbeeld met elkaar samen­vielen, deed haar het ergste vermoeden. En toch wilde een deel van haar geest er niet aan. Dit soort dingen bestond niet, gebeurde niet. De type­machine die uit zichzelf een woord op papier kwakte, het moest een logische verklaring hebben.

En zo stond ze nu hier in het winkeltje. Ze was net lang genoeg in de studeerkamer geweest om het papier met de tekening onder de boekenkast vandaan te vissen en het notitieboekje mee te grissen. Beiden had ze bij zich. Een snel rondje Google had wel wat resul­taten opgeleverd voor het woord ‘Shinigami’ maar ze wilde liever even met iemand praten.

‘Jaja, ik kom, kom er al aan!’

Het was een stem met een zwaar accent en het klonk krakerig en oud. De bijbehorende eigenaresse kwam al snel in zicht en Laura moest een gniffeltje onder­drukken. Als er iemand thuishoorde in dit Japanse snuisterijenwinkeltje, dan was het dit dametje. Ze was zo klein dat ze met de top van haar kruin amper tot Laura’s oksel kwam en ze droeg een kimono die aan de onderkant wat gerafeld was.

De lol verging haar echter snel toen het vrouwtje een priemende vinger tegen Laura’s borst prikte en haar zo’n beetje de winkel uit begon te worstelen. ‘Eruit! Jij weg! Ik wil jou niet hier hebben!’

‘Maar, wacht, ik moet u iets vragen, wacht!’ Laura zette haar voet dwars en haakte haar vingers om de deurpost. Ze keek met verbijstering naar het vrouwtje, of eigenlijk meer naar de zwarte haardos van de vrouw ter hoogte van haar eigen kin. Er liepen behoorlijk wat grijze draden door en ze besefte dat de zoete geur werd veroorzaakt door de haarolie die de vrouw gebruikte.

Het vrouwtje bleef duwen, als een soort koppige mini-stier, maar Laura ging dit niet laten gebeuren. Ze had informatie nodig en ze moest ergens beginnen. En dus duwde ze terug, en het vrouwtje was zo licht dat dat een peulenschil was. Ze draaide de eigenaresse eigenlijk min of meer om haar as en belandde zo binnen in de winkel.

‘Nee! Jij bent niet goed voor mij, jij moet weg!’

‘Maar waarom dan? Ik wil u alleen maar iets vragen, ik bedoel, voor hetzelfde geld was ik een klant!’ Laura begon nu verontwaardigd te worden, ze begreep het niet. Wat was er mis met haar?

Alles. Je hebt nu ook bijna de dood van een kind veroorzaakt. De teller loopt op, doe je goed. Je kind, je man, Miranda’s kind … wat wil je nog meer op je geweten hebben? Je vergiftigt alles en iedereen om je heen, wat doe je hier nou nog? Niemand wil jou.

Ze huiverde. Het gebeurde zo vaak de afgelopen tijd, ze had de neiging om in haar gedachten weg te zakken en de omgeving om haar heen niet meer waar te nemen. Het leek op de depressie die ze had gehad na de dood van Fleur, maar het voelde toch niet helemaal hetzelfde.

Toen ze opkeek, zag ze dat het Japanse vrouwtje om haar heen was gelopen en dieper de schemering van het winkeltje in was gedoken. Alleen haar ogen waren nog duidelijk te zien en ze straalden puur afgrijzen uit. Bij iedere stap die Laura vooruit zette, ging zij er twee achteruit totdat ze zo’n beetje op een holletje het kantoortje aan het einde van het winkeltje inschoot.

Laura twijfelde even wat ze moest doen, maar beende toen veront­waardigd het gangpad door. De vloer trilde onder haar hakken en hier en daar sprongen porse­leinen snuisterijtjes met een zacht getinkel op. Het winkeltje stond stampvol met Japanse prullaria die op het eerste gezicht waardeloos leken. De deur naar het kantoor was groezelig en stond vol handafdrukken. Ze duwde hem open en stond oog in oog met het vrouwtje.

‘Alstublieft,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet waar ik naartoe moet en ik heb hulp nodig. Wilt u niet even naar me luisteren? Ik heet Laura.’

Het vrouwtje aarzelde, liep wat achteruit maar gaf tenslotte toch toe. Met een vermoeid gebaar wees ze op een van de stoelen die om een aftands bureau gegroe­peerd stonden. ‘Zit. Natsuko.’ Haar naam. Ze gaf Laura een kort knikje.

Laura zuchtte en ging voorzichtig zitten. De zitting kraakte onder haar gewicht. Natsuko bekeek haar argwanend en dus stak ze maar van wal.

‘Is mijn man hier geweest? Peter de Graaf? Hij was bezig een boek te schrijven over Japanse folklore en ik heb het adres van uw winkeltje gevonden in een van zijn notitieboeken.’

Natsuko schudde beslist haar hoofd. ‘Nee. Nooit van gehoord, niet hier geweest. Wij nu klaar?’

‘Eh, nee, sorry. Ik ben op zoek naar informatie over – nou ja, kijkt u zelf maar.’ Ze diepte de tekening met de Japanse tekens op uit haar tasje en schoof hem over het bureau naar de vrouw. Die schoot achteruit alsof ze door een horzel gestoken was. Een stroom buitenlandse woorden kaatste door de ruimte – ongetwijfeld verwensingen die ze natuurlijk niet kon verstaan.

‘Shinigami?’ probeerde ze nogmaals. ‘Kent u het? Kunt u me meer vertellen?’

Natsuko klapte haar mond dicht en sloeg haar armen over elkaar. Ze snoof. Het bureau stond tussen hen in en ze leek vastbesloten het zo te houden.

‘Ja,’ zei ze tenslotte. Ze keek nors en ook een beetje bedroefd. Met haar hoofd schuin leek ze net een vogeltje. ‘Jij hebt … jij hebt Shinigami om je heen. Gaat met je mee. Je bent besmet. Het is lelijk en zwart en het wordt steeds groter als jij niet stopt met zielig doen.’

Laura fronste. ‘Zielig doen? Mijn man heeft verdomme net zelfmoord gepleegd! Moet ik dan vrolijk door het leven verder dansen? U weet niet waar u het over heeft.’ Ze stond op en wilde zich omdraaien om de winkel uit te lopen, maar de stem van Natsuko hield haar tegen.

‘Hij heeft zelfmoord gepleegd? Je man? Was plotse­ling?’

Laura hield in. ‘Ja. Hoe weet u dat? Het ging heel goed met ons en toen, ineens… ik begrijp het niet.’ Ze moest moeite doen om niet weer in huilen uit te barsten.

Het kleine vrouwtje sloeg er geen acht op en tikte met haar lange nagels op de tekening die nog steeds tussen hen in op het bureau lag. ‘Hier. Shinigami. Dat is de oorzaak. Hij heeft – hoe zeg je dat? – zijn neus ergens ingestoken, niet slim. In Japan geweest?’

Laura knikte woordeloos. Het gesprek ging een kant op waar ze hele­maal niet naartoe wilde.

‘Hij heeft meegenomen en het heeft hem gegrepen. Nu is het jouw beurt. Zit aan je vast, jij moet vechten!’

Laura wilde om het bureau heen lopen maar Natsuko bewoog met haar mee, het meubelstuk tussen hen in houdend. ‘Nee,’ zei de Japanse vrouw resoluut. ‘Niet dichter in de buurt. Ik heb al genoeg aangeraakt van jou, ik wil niet ook besmet worden. Te veel dingen waar ik schuldig over voel. Shinigami neemt het, pakt het, laat het groeien. En dan jij zo ongelukkig dat jij niet meer wilt leven.’ Ze schudde haar hoofd en schoof nog een stukje opzij.

Laura’s lip was gaan trillen. Ze graaide de tekening van het houten blad en propte het terug in haar tasje. Als dit waar was, dan wist ze niet hoe ze hier ooit uit ging komen. Je niet schuldig voelen? Er was zo ontzettend veel waar ze zich schuldig over voelde en terecht! Ze wreef de tranen driftig uit haar ogen en maakte aanstalten om het kantoor te verlaten.

‘Bedankt.’ Haar stem was schor van de tranen. ‘Ik red me wel.’

Natsuko keek haar meewarig na.

 

***

 

Alles was warrig. Het laatste dat ze zich echt heel helder kon herinneren was dat ze thuisgekomen was van Natsuko’s winkeltje, ontzettend over­stuur, bang om naar huis te gaan maar tegelijkertijd wetend dat het niet uitmaakte waar ze heen ging. Natsuko had heel duidelijk gezegd dat de Shinigami aan haar vast zat, niet aan het huis. Laura had zelfs het gevoel dat het Japanse vrouwtje het verschijnsel had kunnen zien – want wat was anders de reden geweest dat ze haar zonder uitleg de winkel uit had willen zetten?

Ze had ertegen willen vechten. De gordijnen open willen gooien, licht binnenlaten, kaarsen aan willen steken, warme muziek op willen zetten. Het schuldgevoel achter zich laten, wel verdriet hebben, maar er niet aan ten onder gaan. Ze kon zich vaag iets herinneren van proberen naar Miranda te bellen, maar het nummer van het ziekenhuis bleef maar uit haar gedachten glippen en uiteindelijk had ze de telefoon weggelegd met het idee om het later nog eens te proberen.

De eerste kaars die ze probeerde aan te steken, brak. Haar handen verstijfden steeds verder van de kou, hoewel de verwarming aan stond en het best behaag­lijk was in huis. Daardoor brak ze niet alleen de kaars, maar ook iedere keer de lucifers die ze probeerde af te strijken tegen het luciferdoosje. Ze had het opgegeven en vanaf dat moment had ze zichzelf niet meer in de hand gehad.

Het was schemerig in de slaapkamer. Haar handen waren nog steeds ijskoud. Sterker nog, het hele huis voelde koud. Laura staarde voor zich uit, armen slap langs haar zijden. Ze stond midden in de slaapkamer met haar gezicht naar de deur die op de gang uit kwam. Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Het leek of haar lichaam los stond van haar geest, dat haar persoon – alles wat ze was – hulpeloos tegen de tralies van haar schedel bonkte.

Oh Peter, was je maar hier.

Ergens op de achtergrond klonk het geluid van stromend water. Laura had geen idee wat het was, of wie de kraan opengezet had.

Bewegingsloos sloeg ze de slaapkamerdeur gade die langzamerhand open kierde. Het voelde of de tempé­ratuur in de kamer nog enkele graden kelderde, en een donkere, kolkende gedaante vulde de deur­opening. Iets was niet hetzelfde – inmiddels was het geen gezichts­loze gestalte meer. Laura’s eigen gelaats­trekken staarden naar haar terug vanuit die vluchtige, dreigende massa. Rudimentaire lippen trokken zich terug in een vreugdeloze lach.

Laura wilde gillen, krijsen. Het raam openrukken en desnoods van de drie verdiepingen naar beneden springen om maar te ontkomen aan dit ding dat het op haar gemunt had. Maar haar lichaam beantwoordde niet meer aan haar geest. Het was geen angst die haar aan de vloer genageld hield, het was onvermogen. Ze was de controle over haar lijf compleet kwijt.

De kamer werd donker. Waar een vrouwelijke gedaante had gestaan, was nu een zwarte wolk gevormd die steeds groter werd. Wat vluchtige rook had geleken, werd een grijzige substantie die aan de muren kleefde, groeide, met lange tentakel-achtige vingers om zich heen greep. Het bedekte de muren, de ramen, sloot haar in. De stank was groen, vochtig, beschimmeld. Het gezicht kwam naar voren tot het vlak voor Laura’s gezicht in de lucht hing.

Laura’s hart bonsde hard in haar keel op een tempo dat dodelijk leek. Haar geest klauwde in pure paniek aan de gevangenis waar ze in zat, maar ze kreeg geen vat op haar lichaam. Er rolde een traan tussen haar trillende wimpers vandaan. Was dit ook met Peter gebeurd? Had hij ook zulke doodsangsten uitgestaan? De adrenaline raasde door haar lijf maar ze kon er niets mee, behalve naar adem snakken.

Het gezicht kwam nog verder naar voren, totdat hun neuzen elkaar bijna raakten. De substantie van het wezen veranderde subtiel en vervluchtigde als een zwart gas. Met iedere hijgende ademteug zoog Laura de materie naar binnen. Met iedere ademhaling nam het gevoel van onbehagen toe. Het leek of er mieren op de paden van haar brein rondliepen, haar gedachten ver­vaagden en haar eigen ego werd steeds verder naar de achterkant van haar bewustzijn gedrukt. Ze wilde hoesten, het smerige spul naar buiten werken maar de Shinigami stond het niet toe. In een mum van tijd was de volledige entiteit door Laura’s longen opgenomen. Het raasde rond in haar bloed, deed haar hartslag nog verder toenemen en liet haar zowat pulseren op haar voeten. Zoveel opgekropte woede!

Als in een droom draaide Laura’s lichaam zich lang­zaam om. De armen die nog steeds langs haar zijden hingen, bungelden slap. Ze voelde hoe ze een paar slepende stappen naar de badkamer zette en was machte­loos om er iets tegen te doen. Het geluid van stromend water werd luider en Laura besefte dat de kraan boven de badkuip open stond. Ze kon zich totaal niet herinneren dat ze dat gedaan had. Afgrijzen bekroop haar.

Nee! Nee nee nee nee! Laat me los! Jij ongelofelijk kreng, wat heb ik je ooit misdaan, je kent me niet eens, sodemieter op, laat me gaan!

Het hielp helemaal niets. Ze schopte uit alle macht tegen de denk­beeldige muren die haar in bedwang hielden, klauwde met haar nagels langs fictieve wan­den, proberend een weg naar buiten te graven, een uit­weg te vinden uit deze benauwende stilte in het meest diepe van haar geest. De knoppen te vinden waarmee ze zelf de controle weer terug kon krijgen en haar lichaam de baas zou worden. Het haalde niets uit. Ze moest willoos toezien hoe haar eigen handen de klink van de badkamer­deur naar beneden duwden.

De badkamer stond vol stoom. De lucht voelde warm, maar op een of andere manier ook weer niet. De warmte leek van haar ijskoude huid af te glijden, voor haar te wijken en achter haar weer samen te komen. Ze deed niet eens moeite om zich uit te kleden, maar stapte zo, met sokken, ondergoed, spijkerbroek en al in het bad.

Het water was verstikkend warm, nog net niet heet genoeg om haar te branden maar wel zo heet dat het haar de adem benam. Toen de stoom wat optrok zag ze twee scheermesjes op de rand van het bad liggen. De scheermesjes van Peter, die zich graag nat had mogen scheren en die krengen overal liet slingeren zodat zij ze weer in de vuilnisbak kon gooien en nog mocht oppassen ook dat ze zich er niet aan sneed. Waarom herinnerde ze zich dat alles op dit moment? Het deed er totaal niet toe, maar het was een poging van haar geest om zich af te sluiten van hetgeen op het punt stond te gebeuren. De scherpe kanten van de mesjes glansden in het lamplicht en de stoom had minuscule druppeltjes gevormd op het metaal.

‘Hmmmm! Hnnn! Nnnnnh!’

In pure paniek probeerde ze zich schrap te zetten, naar achter te krabbelen over de spekgladde onderkant van het bad, maar ze leek wel verlamd. De spieren stonden als kabels in haar nek, maar er was geen beweging in haar lichaam te krijgen. Er kwam wel geluid over haar lippen, maar het kwam er vervormd en zwak uit. Ze kon niet gillen of zelfs maar woorden vormen. Niemand zou haar hier ooit horen.

Haar hand bewoog zich naar de scheermesjes en greep er een. De bewegingen waren wat traag en onge­coör­dineerd, waardoor ze in de scherpe kant greep en er onmiddellijk bloeddruppels opwelden uit de sneden die nu dwars over haar vingertoppen liepen. Ze vielen in het water en vielen daar uiteen in wolkende roze draden.

‘Uhhhn! Hnnnn! Nnnnnnnn!’

Ze hijgde, snakte naar adem. De stoom sloeg op haar keel en ze begon ongecontroleerd te hoesten. De hand met daarin het scheermesje kwam onverbiddelijk dichterbij, ging richting haar andere arm en pols die op de tegenoverliggende rand van het bad lagen. Ze volgde de beweging met haar ogen, het ging tergend traag.

Het lemmet schraapte over de huid van haar pols, niet hard genoeg om bloed naar boven te brengen, maar wel hard genoeg om pijn te doen. Opnieuw. Een kras. Opnieuw. Een ondiepe snee, die venijnig stak. Het bloed begon langs haar pols naar beneden te druipen en liep van daar over het witte porselein zo naar beneden de badkuip in. Ze kon het ruiken, een zware metaalachtige geur die haar misselijk maakte.

Het lemmet kwam opnieuw naar beneden. Voor het laatst. En stopte halverwege de beweging.

Een nieuwe warmte vulde de badkamer. En ditmaal kon ze hem wel voelen. De stoom balde zich samen tot een nieuw silhouet, met ondui­delijke omtrekken, alsof het al heel veel moeite kostte om deze vorm vast te houden. Er klonk een oorverdovend gezoem in haar oren, alsof er zich duizenden bijen tegelijkertijd in haar hoofd ophielden. Het klonk woedend, maar ergens ook verbijsterd.

Laura’s mond opende zich en ze krijste in een stem die totaal niet de hare was, maar lager en ruwer en op een of andere manier afschuwelijk smerig smakend. ‘Nee! Jij kunt hier niet zijn!’

Oh Laura …

Ze voelde hem in haar hoofd, een weldadige rust­gevende warmte die haar in één klap kalmeerde.

De vage gestalte in de stoom werd tastbaarder. De omtrekken werden duidelijker, er kwam zelfs wat kleur in de vorm en Peters gezicht kwam naar voren uit de stoom. Hij had overduidelijk geen lichaam van vlees en bloed, maar hij was daar. Reëel. Ze twijfelde er geen seconde aan.

Die zekerheid maakte dat ze iets van de angst en het verdriet kon wegduwen. Haar armen voelden als lood, maar ze hief ze op en strekte ze uit naar haar over­leden man. Hij greep een van haar handen, met een warme, tastbare grip. Samen maakten ze een vuist, en duwden de kwalijke entiteit resoluut uit Laura’s lichaam.

 

***

 

Laura kwam met een enorme klap terug in het heden en in haar lichaam. Het water verschroeide haar en haar pols deed afschuwelijk pijn, maar wat was het goed om haar lichaam weer te voelen. Ze moest zich schrap zetten om niet onmiddellijk onderuit te zakken in het water. Boven haar hoofd woedde een krank­zinnige strijd.

De badkamer kolkte. Flarden stoom en zwarte rook vochten om ruimte in een krankzinnige derwisj die voort en voort tolde. Onhoorbare verwensingen wer­velden om haar heen als windvlagen, dan weer warm, dan weer koud. De spiegel brak in een regen van glassplinters en ze sloeg haar armen wild voor haar gezicht. De flintertjes kwamen met zo’n kracht tegen haar aangesprongen dat sommigen ervan zich in haar huid boorden en daar bleven hangen. Nieuwe stroom­pjes bloed vermengden zich met de oude. Ze moest hier zo snel mogelijk weg.

De mengeling van zwart en wit knalde tegen het badkamerkastje aan en deed dat op zijn poten wanke­len. Laura zag haar kans schoon en klauterde zo snel ze kon uit de badkuip, haar pijnlijke pols negerend. De bloeddruppels vlogen in het rond en ze gleed bijna uit door haar natte sokken op de badkamervloer. Half kruipend, half glijdend bereikte ze de deur aan de andere kant, die naar de studeerkamer. Die duwde ze open en met moeite hees ze zich over de drempel, verder de studeerkamer in. Toen ze het gevoel had dat ze ver genoeg van de badkamer verwijderd was, draaide ze zich om.

Donker-licht-donker-licht – ze hoorde half gesmoorde kreten en het leek of beide entiteiten groeiden in kracht door het furieuze gevecht waarin ze verwikkeld waren.

Peter schreeuwde, en ze hoorde duidelijk angst en pijn in zijn stem.

‘Nee! Mij moet je hebben! Laat hem met rust!’ Een verschrikkelijke woede kwam naar boven, een gevoel dat ze allang niet meer had gehad. Alles was ver­drongen geweest door verdriet en pijn. ‘Hey! Bitch! Hierzo!’ De tekening van de Shinigami lag op Peters bureau en ze pakte het ding op en wapperde er mee. ‘Weet je wat ik van je denk? DIT!’ Ze scheurde de tekening woest doormidden, verkreukte het papier en maakte er snippers van die ze de lucht in smeet.

De zwarte entiteit maakte zich met een grauw los van Peters gedaante en kwam met een afschrik­wekkende snelheid op Laura af. Precies zoals ze het zich al eerder in haar gedachten verbeeld had. Ze gilde, wierp zich op de vloer in een poging om te ontkomen aan de zwarte klauwen die naar haar uitgestrekt werden. Haar rug werd ijskoud en ze wist dat het monster zich vlak boven haar bevond.

Peter mengde zich opnieuw in het gevecht en nu was het de studeer­kamer die het moest ontgelden. De dozen papier in het midden van de kamer, die daar nog stonden om uitgezocht te worden, ontploften in een wirwar van papier. Het leek wel of er een confetti-kanon werd afge­schoten. Lijsten met foto’s van plaatsen waar ze samen waren geweest vlogen van de muren en sloegen in een chaos van glas en hout tegen de vloer. De typemachine begon als een razende te typen, vrat het papier op dat nog op de rol zat, draaide om zijn as en spuugde tenslotte de schrijfrol uit als een rotte kies die was losgeraakt. Het ding knalde met een laatste harde ping! tegen de muur en bleef daar halverwege een gipsplaat hangen.

Boven haar ging de draaikolk onverminderd voort. Laura maakte zich zo klein mogelijk op het tapijt dat voor het bureau lag en sloeg haar armen over haar hoofd. Om haar heen regende het glas en houtsnippers. Het bureau kwam van zijn poten af en schoot achteruit tot het met een knal tegen de verwarming onder het raam tot stilstand kwam. Het meubelstuk zakte met een zucht ineen, alles op het blad met zich mee­nemend.

De lucht leek te knetteren van de energie en toen Laura een blik omhoog wierp, zag ze de vonken daad­werkelijk van de beide entiteiten afspringen. Ze sloot haar ogen, voelde in gedachten naar Peter en vond hem onmiddellijk. Hij was de warmtebron in de kamer waar de Shinigami de vrieskou was. Tot nu toe leken ze gebalanceerd, maar ze voelde de wanhoop. Zijn stem drong tot haar door, kalm in het centrum van de storm.

Ze is zo oud, Lau! En er zit zoveel kracht en venijn en woede in haar. Ik weet niet of ik dit alleen kan …

Hij reikte naar haar, zoals hij eerder had gedaan toen de Shinigami haar overweldigd had in de badkamer. De warmte stroomde in haar lichaam. Ze verwelkomde hem, liet alle liefde die ze voor hem had naar boven komen, in hem stromen, alles wat ze achter die muur van schuld en blaam had weggestopt. Het was een eruptie van gevoel. De schuld­gevoelens werden weg­gevaagd, samen met haar angst en verdriet. Al wat over bleef was liefde. En het maakte hem zoveel sterker.

Met de seconde werd ze zich meer bewust van de staat van haar eigen lichaam. Ze was druipend nat, koud, vermoeid, en de wond op haar pols bleef maar bloeden. Laura voelde zich licht in haar hoofd, maar ze wist dat ze nu niet op kon geven. Als ze Peter nu niet hielp, dan overleefde ze het waarschijnlijk niet. En wat er met Peter zou gebeuren, wilde ze al helemaal niet weten. Dus zette ze zich schrap en hield vol.

De duisternis in de kamer nam wat af. Laura gluurde nogmaals omhoog en zag dat de waanzinnige turbu­lentie wat tot rust kwam – het zwart werd minder diep.

Peters wezen breidde zich uit, strekte zich uit over de duisternis en ging deze tegen. Hij was van stoom overgegaan in witte rook en leek een totale tegenpool van de Shinigami.

Het wezen krijste van woede maar het klonk een stuk minder krachtig en zeker dan daarvoor.

Kom op ouwe tang, je hebt er nu wel genoeg van toch? Ga lekker terug naar waar je vandaan kwam en laat mijn vrouw met rust!

Ondanks zijn woedende woorden ging er zoveel rust van Peter uit. De verdrietige depressieve echtgenoot die treurde om zijn gestorven dochter was verdwenen. In plaats daarvan kwam een sterke, zelf­verze­kerde man terug. Langzamerhand nam Peter de Shinigami compleet over. Hij groeide in omvang terwijl de Japanse geest afnam, totdat er nog maar een klein rookpluimpje over was. Dat spatte uiteen in zwarte stofdeeltjes die flakkerden en doofden.

In de plotselinge stilte richtte Laura zich op en zag dat Peter tegenover haar zat. Hij leek van glas, niet helemaal geënt in deze realiteit. Ze kon de vitrinekast door hem heen zien. Langzaam stak ze een hand naar hem uit, raakte zijn gezicht aan. Hij was wel tastbaar, maar dan ook maar net. Hij voelde warm. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde hij.

‘Ik mis je zo,’ fluisterde Laura.

Hij omhelsde haar en opnieuw stroomde die zalig­makende warmte door haar heen. De tranen liepen over haar wangen. ‘We konden er niets aan doen lief, het overkwam ons. Het was niet jouw schuld en ook niet de mijne,’ snikte ze. Ze voelde hem knikken, zijn wang tegen de hare.

‘Ik kan dit niet lang volhouden, het kost enorm veel energie. Ik wil niet weg, Lau, maar ik moet.’

In een reflex kneep ze haar armen nog vaster om hem heen, maar het was alsof hij als zand door haar handen glipte. Zijn gestalte vervaagde, de warmte vervaagde, maar de liefde bleef.

 

Ik houd van je.

Ik ook van jou.

Blijf je bij me?

Altijd.

 

Er stond een gedaante aan het voeteneind van haar bed. Laura glim­lachte en draaide zich weer om.

Diabolik – Tom Thys

‘Dit was het voor vandaag, liefste luisteraars. Naar goede gewoonte verwelkomen we de nacht met een klassieker. Tot volgende week.’ Amber legde Wicked World van Black Sabbath op. Dat nummer weerspiegelde haar humeur vanavond, eenzaam en wantrouwig. Vaak was ze jaloers op het leven dat rocksterren leidden. Het rauwe, onbewerkte leven zoals zij dat noemde, het tegenovergestelde van het keurslijf waarin zij gevangen zat. Ze snakte ernaar, maar besefte dat het niet voor haar was weggelegd. Hun plaatjes draaien kwam het dichtst in de buurt, al was het niet meer dan een placebo zonder het gewenste effect.

Terwijl de rauwe uithalen van Ozzy door de luidsprekers van haar luisteraars schalden, bekeek ze nogmaals de cassette die vandaag per post was aangekomen. Het was een demo door een haar onbekende band die zichzelf Diabolik noemde. Het gebeurde wel vaker dat beginnende groepjes hun demo opstuurden in de hoop dat Amber het op de radio speelde. Soms deed ze dat, maar meestal niet. Ze was kieskeurig. Haar luisteraars verwachtten immers kwaliteit van haar, en als ze eerlijk was, moest ze vaststellen dat veel debutanten gewoonweg niet aan haar standaard voldeden. Weinig origineel, technisch niet genoeg onderlegd, slappe teksten, geen bezieling, het was altijd wel wat. Maar af en toe had je die uitzondering …

Amber werkte al twee jaar voor Radio Metaal, een klein radiostation dat slechts enkele uren per dag in de ether was en opereerde vanuit een in onbruik geraakte watertoren nabij de Schelde. De toren stond op de linkeroever, een eenzaam silhouet in een niemandsland van grijze velden en vergeten herinneringen. Haar studio keek uit op de rivier en de jungle van verloederde fabrieken aan de overkant. Op een of andere manier was Amber verknocht geraakt aan al die lelijkheid; ze was erin verankerd. Nadat Ozzy uitgezongen was en ze uit de ether ging, stak ze de demo van Diabolik in de speler. Dit was altijd een bijzonder moment, een nakende ontdekking, een intieme ontmoeting waarbij haar de grootste geheimen werden toevertrouwd, en ze koesterde elke seconde tussen het indrukken van de play-knop en de geboorte van de allereerste noot. Vanavond was geen uitzondering. Eerst hoorde ze geknisper, daarna een gitaar die de hele wereld doormidden leek te scheuren.

Het nummer duurde precies zes minuten en zesenzestig seconden en was een miasma van klanken waar geen richting in zat, het was één grote chaos. De zanger bereikte de laagste en de hoogste tonen die Amber ooit in één stem had gehoord. Muzikaal viel het met niets te vergelijken wat ze kende, ook al werd er gespeeld met eenvoudige gitaren en een drum. De combinatie van dit alles ademde een etherische sfeer, iets ontastbaars dat zich desondanks in haar ziel wortelde. Amber had geen idee wat ze zonet eigenlijk gehoord had. Ze fronste haar wenkbrauwen en spoelde de cassette terug zodat ze het opnieuw kon beluisteren. Eenzelfde gevoel als toen ze The Velvet Underground ontdekt had, overspoelde haar. De muziek was bezwerend op een bepaalde manier, maar ze kon onmogelijk zeggen dat ze het goed vond. Nog niet. Daarvoor was het te … anders. Sommige platen moesten nu eenmaal groeien.

Het was al na middernacht toen Amber de lichten in haar studio doofde en de watertoren verliet. Terwijl ze met haar wagen langs de onrustige rivier reed, zette ze nogmaals het nummer op. Het heette Voices from Beyond en zo klonk het ook, alsof stemmen uit een andere wereld haar bereikten, haar aandacht opeisten, dwingend en onderhuids. Om een onverklaarbare reden kreeg Amber er kippenvel van. De muziek had iets onbehaaglijks. Om zich van dat plakkerige gevoel te verlossen besloot ze de radio op te zetten. Normaal had ze een hekel aan de hitparade en doordeweekse popmuziek. Het gebeurde dan ook zelden dat ze de radio opzette in haar wagen, maar nu brachten de voorspelbare melodieën de rust en harmonie die ze nodig had. De rit naar huis duurde ongeveer een kwartiertje. Eenmaal thuis warmde Amber naar vaste gewoonte nog een magnetronmaaltijd op en zette zich in de zetel voor de finale van een onbelangrijk snookertoernooi. Het scherm werd gedomineerd door groen en spuwde zalvende geluiden van ballen die tegen elkaar tikten en haar langzaam in slaap wiegden.

Enige tijd later schrok Amber wakker. De koude lasagne stond nog op haar schoot en de televisie gaf alleen maar sneeuw. Ze merkte dat haar hart in haar keel bonsde, alsof ze net een marathon gelopen had. In een opwelling van angst klikte ze het leeslampje aan. Het plotse licht prikkelde haar ogen. Ze zuchtte opgelucht bij het veilige gevoel dat dit haar bezorgde, want ze had net een nachtmerrie gehad. De finale was al lang beslecht. Ze zapte naar een andere zender waarop een nieuwsanker presenteerde, zodat ze zich niet alleen hoefde te voelen. Het was nog geen maand geleden dat ze Simon had gedumpt, maar Amber had de breuk al verwerkt. Ze had eigenlijk nooit echt van hem gehouden, dus dat maakte het gemakkelijk. In feite had ze de relatie al veel eerder willen beëindigen, maar ze had de breuk uitgesteld omdat ze er niet tegen kon om alleen te zijn. Momenten als deze waren de enige waarop ze naar zijn gespierde armen rond haar lichaam hunkerde. Amber had het warm. Zweet parelde op haar voorhoofd. Ze had eng gedroomd en wist niet over wat. Krampachtig probeerde ze zich te herinneren wat haar zo brutaal uit haar slaap gerukt had, maar ze zag alleen maar felle witte figuren tegen een zwarte achtergrond, zoals wanneer je een staarwedstrijd met de zon verliest. De vormen die ze zag bewogen … ze leken te leven. Het waren gedaanten die in haar geest waren binnengedrongen.

Omdat ze wist dat ze de slaap toch niet meer zou kunnen vatten, besloot Amber iets te gaan drinken. Ze woonde boven een café dat nooit zijn deuren sloot en waar eeuwige dronkaards met schele ogen van hun bierglazen dronken. Ze kwam er zelden, maar toch vond ze het een geruststellende gedachte dat ze er altijd terecht kon. Amber bestelde een biertje en ging aan een tafeltje naast een flipperkast zitten van waaruit ze de aanwezige klanten perfect kon observeren. Er werd gelald over politiek en dikke wijven en tussendoor werd er een schunnige mop verteld. Als ze niet zo geprikkeld was omwille van die onbehaaglijke nachtmerrie, zou ze wellicht gelachen hebben om die flauwekul. Nu drong het nauwelijks tot haar door.

Na twee biertjes moest Amber hoognodig. De toiletten waren achterin en stonken naar een mengeling van verschaalde urine, braaksel en goedkope wc-blokjes. Er was maar één vrouwentoilet en het leek of het al een jaar niet meer gepoetst was. Stront hing tot op de bril en op de tegelvloer had zich een plas gevormd. De leidingen lekten. Amber mompelde een vloek en ze wilde terug naar buiten gaan, maar toen zag ze op de deur – die waarschijnlijk niet op slot kon, want er zat niet eens een deurknop op – een affiche hangen. De naam van de band die haar de demo had opgestuurd, sprong onmiddellijk in het oog. De rode letters dropen van de zwarte affiche. Ze staarde ernaar en fluisterde de naam van de band en opnieuw voelde ze kippenvel, opnieuw moest ze aan die nachtmerrie denken. De schimmen, de lange schaduwen en die ongrijpbare stem die tussen haar oren bleef galmen. Diabolik trad volgend weekend op in de stad, niet ver hiervandaan. Ze memoriseerde de datum en het uur, maar twijfelde of ze wel zou gaan.

Twijfelen deed ze de ganse week, maar ze kreeg dat nummer niet uit haar hoofd. Tevergeefs googelde ze de band, het enige wat ze vond was een obscure Italiaanse horrorfilm en een stripfiguur met dezelfde naam. Toeval, waarschijnlijk. Als ze meer te weten wilde komen, moest ze wel naar dat optreden gaan. In afwachting daarvan beluisterde ze de demo niet meer. Ze wilde de live-ervaring onbevangen tegemoet treden. Bovendien was haar geest niet klaar om dat nummer nog een keer te horen. Muziek deed dat wel vaker met haar. Sommige nummers speelde je alleen in bepaalde omstandigheden. Zoiets voelde je aan. Zelfs haar favoriete albums zette ze maar enkele keren per jaar op, om de magie te conserveren, alsof het een colafles was die na elke keer openen meer koolzuur verloor tot de drank helemaal plat was. Dat was een van de redenen waarom ze zo’n hekel had aan de hitparade. Muziek werd er kapot gespeeld.

Amber maakte één uitzondering tijdens haar radioshow. Gouge Away van de Pixies doofde langzaam uit en ze begon in de microfoon te spreken. ‘Liefste luisteraars, ik heb vanavond nog een verrassing voor jullie in petto. Net zoals jullie houd ik ervan om nieuwe muziek te ontdekken en af en toe draai ik een plaatje van een onbekende band. Ik zou het wel vaker willen doen, maar jullie, liefste luisteraars, verdienen enkel het beste. En laten we eerlijk zijn, er wordt gewoon veel troep gemaakt tegenwoordig. Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik eerder deze week een demo toegestuurd kreeg van Diabolik. Hebben jullie al van deze band gehoord? Ik niet. Normaal verwelkomen we de nacht met een klassieker, maar deze keer doen we het met Voices from Beyond.’ Amber sprak de woorden op onheilspellende toon uit. ‘Ik wist niet wat me overkwam toen ik de demo voor het eerst opzette. De geluidskwaliteit van de opname is niet optimaal, maar de muziek is … enfin, oordeel zelf maar.’ Amber zette het cassetje op. ‘En oh, voor ik het vergeet, Diabolik treedt dit weekend op in metalcafé De Kerker.’

Met gesloten ogen en de hoofdtelefoon stevig tegen haar oren gedrukt, luisterde Amber mee. Koude rillingen kropen opnieuw vanaf haar staartbeentje over haar ruggenwervel naar haar schouderbladen. Die stem … ze sneed door merg en been. Het was beangstigend en tegelijk ontroerend hoe een mens zo bij je kon binnendringen. Een inbreker in je ziel.

Onderweg naar huis bleven de klanken en de melodieën aan de binnenkant van haar schedel kleven. Het voelde alsof ze bezeten was. Amber scheurde langs de Schelde door de duisternis, toen ze opeens schimmen in het licht van haar koplampen zag opdoemen. Ze dansten als in een zoötroop die te traag werd rondgedraaid, schokkerig en slechts ten dele zichtbaar. Amber gilde en trapte op de rem. Haar wagen kwam met gierende banden tot stilstand. Op haar achterbank ratelden lege colablikjes en enkele oude cd’s schoven van de bank op de grond. Amber zette de radio zachter en liet de situatie gedurende enkele seconden tot zich doordringen. Ze had niets geraakt, dat wist ze zeker. Het enige wat ze zag, waren de witte lijnen op het asfalt en wat verderop het skelet van een boom. Ze drukte haar neus tegen het venster en speurde in het licht van de koplampen naar iets, al wist ze niet wat. Toen daagde het haar dat ze de schimmen al eerder had gezien, in haar nachtmerrie. Het was als een aaneenschakeling wazige, overbelichte foto’s die in een flits voor haar geestesoog verschenen waren. En dan niets meer. Een hallucinatie?

Amber verzamelde al haar moed en opende het portier. Haar handen trilden en ze merkte dat haar adem, die in wolkjes voor haar uitdreef, haperend uit haar longen kwam. Ze wilde zekerheid dat haar zintuigen haar niet bedrogen. Daarom daagde ze zichzelf uit om één keer rond de wagen te lopen en zichzelf ervan te overtuigen dat ze het allemaal had ingebeeld. De confrontatie met de angst. Dat voornemen bleek moeilijker dan ze had gevreesd. Schichtig stapte ze weg van de veilige open deur en ondertussen raakte ze met haar vingertoppen het metaal van de wagen aan, zonder één keer te lossen, als ware het haar laatste houvast met de realiteit. Ondertussen hoorde ze de radio spelen. Stemmen van vergane popsterren ontsnapten in de ether. Na tien tellen was Amber terug bij de motorkap, stond ze in de lichtdriehoek en was ze trots op zichzelf omdat ze dit had aangedurfd, ook al betekende het niets. Daarna liep ze snel weer naar het portier en stapte in haar wagen, die nog steeds stond te draaien. Ze duwde het gaspedaal in en reed weg. Iets in haar deed haar naar het cassettebandje van Diabolik op de passagiersstoel lonken en ze kreeg prompt een onbehaaglijk gevoel vanbinnen.

 

De week in aanloop naar het concert had Amber in een waas geleefd. Diabolik had iets met haar gedaan, alleen begreep ze niet hoe zoiets kon. De band had vat op haar gekregen op een manier die ze met geen enkele andere band ooit had meegemaakt, zelfs niet met Black Sabbath of The Velvet Underground waar ze als puber zo mee dweepte. In haar dromen werd ze achtervolgd door de stem van de zanger en de onheilspellende melodieën hielden haar voortdurend in de klem. Ze kon aan niets anders meer denken, ook al had ze de demo niet meer gespeeld sinds ze hem tijdens haar radioshow gelanceerd had. Het eigenaardige was dat het enthousiasme waarmee ze aanvankelijk vervuld was, nu gedomineerd werd door onrust en wantrouwen. En zo kwam het dat ze op vrijdagavond in De Kerker onwennig in een hoekje van de naar opgedroogd bier en nicotine ruikende zaal stond te schuifelen tot Diabolik het podium opkwam. In afwachting telde ze de sigarettenpeuken op de vloer. Ze bekeek de andere aanwezigen. Meisjes met donkere mascara, zilveren juwelen en gescheurde nylons en bleke jongens met lang vettig haar en zwarte T-shirts. Het normale volk dat hier elk weekend kwam. Ze slurpten onwetend van flessen rode wijn die ze aan elkaar doorgaven en rookten kruidnagelsigaretten. Amber keek al die tijd naar het nog lege podium waar slechts enkele stroomkabels overheen liepen. In haar hoofd maakte ze zich een voorstelling van hoe de zanger eruit zou zien en of hij live even mysterieus zou klinken als op cassette.

Na een tijdje kwamen de leden van Diabolik op. Amber nipte vol verwachting van haar biertje. Ze waren slechts met drie, drie schimmen, deels gehuld in de schaduwen van de coulissen en deels overbelicht door de blauwe spots. Hun gezichten waren nauwelijks te herkennen. Even leken ze op de schimmen uit haar nachtmerrie. Ergens in die speling van licht en donker ontwaarde Amber de contouren van de bassist en de vrouwelijke drummer. Ze posteerden zich op het podium, begonnen hun instrumenten te stemmen.

Amber verwonderde zich op dat moment nogmaals over hoe ze met zulke elementaire doch eenvoudige instrumenten dergelijke bezwerende muziek konden produceren. Opeens stapte de zanger als een Messias uit het licht. Het was een donkerharige man wiens lokken als draperieën voor zijn gezicht hingen, hij magnetiseerde haar blik. Hij was niet mooi, maar bezat toch een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Hij definieerde het woord charisma. De spots waren nu zo gericht dat het podium goed verlicht was. De bandleden zagen er vrij normaal uit, teleurstellend normaal bijna. Wat had ze dan verwacht? Vleesgeworden demonen? Aan hun muziek te horen was die verklaring alleszins aannemelijk geweest, want al bij de eerste noot viel er een soort duisternis over het publiek, een kille greep die iedereen in de ban hield, die iedereen ontwrichtte.

Diabolik zou in totaal een uur spelen. Na vijf nummers, met lange gitaarpartijen, poëtische teksten en een stem die meerdere tonen tegelijk kon halen en rauwe grunts schijnbaar moeiteloos afwisselde met sacrale uithalen vanuit het diepst van de keel, waren enkelingen al van hun stoel opgestaan en gaan headbangen voor het podium. Amber niet. Zij zat als bevroren te luisteren. Tijdens sommige stukken kreeg ze werkelijk kippenvel van angst en andere stukken ontroerden haar tot tranen toe. En dan moest dat ene bewuste nummer nog komen.

Haar bloed leek wel in ijswater te veranderen toen Diabolik de apotheose inzette. Live had het nog zoveel meer effect. Een ijzige kilte sloop door haar ledematen en balde samen in haar onderbuik. De roes waarin ze gevangen zat, slingerde heen en weer tussen euforie en angst. Ze keek om zich heen, speurend naar de reacties van de anderen, om te zien of zij hetzelfde ervoeren, maar zij scheen de enige te zijn, alsof alleen zij vatbaar was voor de magie van Diabolik. Het voelde als een voorrecht. Zij was uitverkoren.

Na het optreden zocht Amber de bandleden op. Ze moest zich haasten, want ze waren zonder hun afscheid aan te kondigen langs een achterdeurtje naar buiten geslopen. Ze beende naar de andere kant van de keet, opende de deur en zag hoe ze een beetje verderop hun instrumenten in een oude bestelwagen laadden. Ze hoorde hoe de zijdeur dichtschoof. ‘Wacht,’ riep ze, en ze rende naar hen toe. De gitarist zat al achter het stuur, de zanger was net aan het instappen, maar de drumster bleef staan en keek over haar schouder. Amber stelde zichzelf voor. ‘Ik weet het,’ onderbrak de drumster haar, ‘jij bent die meid van de radio.’

‘Juist.’

‘Ik ben Rozemarijn, bedankt dat je ons demo draaide.’

‘Hé, dat is volledig jullie verdienste. De muziek was … hoe zal ik het zeggen … bezwerend. Net zoals jullie optreden trouwens.’

Rozemarijn glimlachte. Ze leunde even nonchalant als elegant tegen de motorkap, haar duimen verstopt in de zakken van haar lederen broek. Het zilveren ringetje in haar neusgat fonkelde in de nakende nacht. Met haar hoofd knikte ze opzij naar de andere twee bandleden. ‘Dat zijn Sebastian en Molokai,’ zei ze.

Amber keek door het stoffige vensterglas. Molokai, de zanger, had iets raadselachtigs over zich, zelfs wanneer hij daar doodgewoon op de passagiersstoel zat te wachten tot de auto vertrok. Vluchtig keek hij naar Amber, zonder woord of gebaar.

‘Hij kan niet praten, hij kan alleen zingen, zoals een nachtegaal,’ verontschuldigde Rozemarijn zich in zijn plaats. Op dat moment had Sebastian de motor al aangezet. Hij opende het portier en vroeg wat er aan de hand was. ‘Dit is die meid van de radio.’ De basgitarist mompelde iets onverstaanbaars en maakte enkele vreemde mondbewegingen, als een hyperactief kind met een tic. Daarna stapte hij uit en zei: ‘Radio Metaal.’ Het was geen vraag, gewoon een vaststelling. Zijn rechteroog knipperde enkele keren als een kapotte lamp en weer ging die mond schijnbaar ongecontroleerd open en toe. Amber bedacht zich dat ze zoiets al vaker had gezien bij drugsverslaafden. Het kon kloppen: hij had ingevallen wangen en slechte tanden. Bovendien waren zijn pupillen groter dan normaal. De jongen – hij leek de jongste van de band – had het soort gezicht dat als je het slechts eenmaal zag, je het je tien jaar later nog met sprekend gemak zou herinneren. Molokai bleef al die tijd zitten, stoïcijns als een Griekse filosoof. Hij leek niet geïnteresseerd in het gesprek, noch ergerde hij zich aan het oponthoud.

Amber realiseerde zich nu dat ze eigenlijk zonder aanleiding naar de bandleden van Diabolik gerend was. Het was gebeurd in de roes waarin ze tijdens het optreden had verkeerd. Wat was in feite haar bedoeling? Ze had natuurlijke alle recht om hen te begroeten, ze had namelijk hun demo gedraaid, haar nek voor hen uitgestoken. Gelukkig hoefde ze geen verantwoording af te leggen, want Rozemarijn vroeg: ‘Kunnen we je misschien een lift geven?’

Amber moest even nadenken. Ze keek naar Molokai en dan naar Sebastian die een psychopathische grijns veinsde, alsof het het meest idiote idee zou zijn om van hem een lift te aanvaarden.

‘Let maar niet op hem,’ zei Rozemarijn en ze gaf hem een por. ‘Waar moet je zijn?’

Het was een heel eenvoudige vraag met een heel eenvoudig antwoord, maar diep van binnen hoopte Amber dat het lot die nacht voor haar een totaal andere bestemming voorzien had dan haar beklemmende appartementje. Vaak had ze gemijmerd over vage wensen en onvervulde verlangens, over de duistere kant in de mens en de scherpe randjes aan zichzelf. Allemaal zaken waarvan ze op haar eenendertigste dacht dat ze niet (meer) voor haar weggelegd waren en waarvan ze niet wist dat ze zodanig met elkaar verweven waren, dat ze in feite functioneerden als een gestalt. En op een gelijkaardige manier hoopte zij die nacht het ontbrekende element te kunnen zijn dat Diabolik zou verheffen tot zoveel meer dan een aanstormende, talentvolle band. Een gestalt.

‘Nergens,’ zei ze uiteindelijk.

Amber nam plaats op een lederen stoel waarvan de bekleding gescheurd was en het gele schuim zich als etter uit een puist naar buiten wurmde. Het busje stonk naar een mengeling van slechte adem, bier en seks die hier niet zolang geleden had plaatsgevonden. Ze inhaleerde het aroma en moest lachen in zichzelf, omdat dit precies was zoals ze zich had ingebeeld hoe de tourbus van Nirvana destijds geroken moet hebben. Ze zag er de charme wel van in. De geur ebde weg toen Rozemarijn – ‘zeg maar Roos’ – een sigaret opstak en Amber er ook een aanbood. Amber rookte niet, maar nam de sigaret toch aan, als ware het een symbool voor haar nieuwe ik die zich onbewust in haar manifesteerde. Die andere kant, die iedereen wel heeft, ergens. Ze kuchte bij de eerste trek en Roos grinnikte. ‘Je mocht gerust nee zeggen, hoor.’ Ze had een steelse glinstering in haar ogen en Amber voelde meteen een vonk. Ze mocht haar.

Ze waren al een vijftal minuten aan het rijden en Amber lette niet meer op de weg. Ze was met Roos aan het discussiëren over wat eigenlijk de beste vampierfilm was. Hoe ze op dat gespreksonderwerp gekomen waren, wist ze al niet meer. ‘Dan ga ik toch voor Nosferatu,’ zei Roos resoluut.

‘Welke bedoel je dan precies? Die uit ‘22 of die uit ‘79?’

‘Meen je dat serieus? Die uit ’22 natuurlijk. Weet je dat ik die ooit in zo’n arthouse-bioscoop heb gezien met live pianomuziek erbij? Die sfeer alleen al … niet te evenaren.’

‘Ik begrijp de keuze,’ zei Amber. ‘Maar ik vind hem overschat.’

‘Oh?’ Roos trok haar wenkbrauwen op. Ze rolde gespeeld met haar ogen. ‘Welke verkies jij dan? Wacht niets zeggen. Laat me even denken.’ Ze deed een laatste trek van haar sigaret en gooide de peuk door het raam naar buiten. ‘Eh … Dracula? Of nee, Interview with the Vampire? Ja, natuurlijk, die met Brad Pitt moet het zijn.’

Amber schudde haar hoofd. ‘The Lost Boys,’ zei ze alsof er geen concurrentie was. Via de achteruitkijkspiegel kon ze zien hoe Molokai haar keuze zegende met een korte, maar onmiskenbaar bevestigende knik. Roos bekende dat ze die film nog nooit gezien had, waarop Sebastian haar ietwat pedant inlichtte: ‘Dat is die film met een jonge Kiefer Sutherland en zijn geblondeerde nektapijt. En met dat prachtige nummer Cry Little Sister waarvan iedereen verkeerdelijk denkt dat het door The Sisters of Mercy uitgevoerd werd, maar verdomme, ik vergeet altijd die echte gast zijn naam.’ Hij keek een seconde naar Molokai, in de ijdele hoop dat die hem zou aanvullen, hetzelfde ogenblik waarop Amber door het raam naar buiten tuurde en besefte dat ze deze weg niet kende. Ze had echter geen tijd om zich daar vragen bij te stellen, want in de lichtdriehoek van de koplampen verscheen plots een gedaante en net wanneer Sebastian zijn ogen terug op de weg richtte, weerklonk er een doffe klap.

Roos was de eerste die uitstapte. Amber bleef verstijfd op de achterbank zitten en probeerde in de stralenkrans het object te ontwaren dat de klap had veroorzaakt. Omdat ze niets zag en omdat ze niets kon afleiden uit de bijna apathische reactie van zowel Sebastian als Molokai, stapte ze ook uit. Gereutel was het eerste wat ze hoorde.

‘Help me even, wil je,’ zei Roos.

Amber zette enkele stappen dichterbij tot ze een flinterdun riviertje van donker bloed tussen haar voeten zag kronkelen. Tenminste, ze ging ervan uit dat het bloed was. Haar blik gleed stroomopwaarts en eindigde bij een harig wezen. De nerveuze toestand waarin ze verkeerde en de scherpe schaduw waarin het lichaam gekleed was, maakte dat ze pas na enkele seconden doorhad dat het een hond was.

‘Kom op, help me even,’ zei Roos nogmaals. Ze stond gehurkt over de hond. Hij leefde nog, maar was er slecht aan toe. Tussen het gereutel klonk af en toe gejank, het soort gejank dat je niet wilde horen op een verlaten weg als deze, midden in de nacht. Amber staarde naar het ene oog dat naar een willekeurige plaats gaapte. Het was niet te zien waar, maar het dier had meerdere beenderen in zijn lichaam gebroken en kon niet meer opstaan. Het lag daar gewoon te lijden, en te bloeden uit een wond op de plaats waar zijn achterpoten met zijn rug verbonden waren.

‘Wat moet ik doen?’ vroeg Amber. Waarom bleven Molokai en Sebastian in het busje zitten trouwens?

‘Op de achterbank ligt een juten zak.’

Zonder erover na te denken liep Amber het bloedspoor ontwijkend weer naar de wagen. Ze grabbelde de zak van de achterbank en hield hem open, zodat Roos het dier erin kon stoppen. Pas achteraf, toen ze weer aan het rijden waren met de stuiptrekkende hond achterin het busje, vroeg ze zich af waarom ze hem niet gewoon de genadeslag hadden toegediend en in de berm hadden begraven. Sebastian had een lijn coke gesnoven en duwde het gaspedaal in. Molokai staarde dromerig voor zich uit. Roos stak een sigaret op zonder te roken en aaide af en toe zorgzaam over de bewegende bulten in de juten zak. Misschien had ze tranen in haar ogen, misschien ook niet. En Amber, die moest de hele tijd denken aan films waarin mensen spontaan begonnen te braken na een choquerende gebeurtenis. De geur van het warme bloed verspreidde zich in de wagen. Ze voelde zich misselijk. Toch liet ze zich meevoeren door Diabolik.

Helder denken lukte niet meer en daarom had ze de eerste keer niet verstaan wat Roos zei. ‘Wat?’ stamelde Amber.

‘Of je het ziet zitten om ons gedurende een week te volgen en een reportage over ons wil maken.’

Amber keek eerst naar de vochtige juten zak en vervolgens via de achteruitkijkspiegel in de peilloze, donkere ogen van Molokai. Ze probeerde zijn gedachten te ontwaren, maar zag slechts oubliëtten waar ze het tegelijkertijd koud en warm van kreeg. Hij was een enigma.

‘We hebben een camera waarmee je de docu kan schieten.’ Roos zei het alsof alles op voorhand gepland was, alsof deze avond in scène was gezet. ‘Je weet toch hoe zo’n ding werkt?’

Amber knikte afwezig. Enerzijds leefde de herinnering aan haar tijd op de kunstacademie weer op, waar ze aan verschillende filmprojecten had gewerkt, anderzijds verbaasde ze zich over het gemak waarmee ze zich in deze surrealistische droom liet meevoeren. Het was eenvoudig. Ze kon weigeren, naar haar appartementje gaan en de volgende dag gewoon weer gaan werken en enkele dagen per week plaatjes draaien op Radio Metaal. Anderzijds was dit een unieke kans om aan haar banale bestaan te ontsnappen en de verhalen te beleven die gevangen zaten in het vinyl dat ze al sinds haar jeugd koesterde. ‘Ja,’ antwoordde een stem die niet de hare was, ‘ik weet hoe zo’n ding werkt.’

‘Goed,’ zei Sebastian. Hij mengde zich vol enthousiasme in het gesprek. ‘Je kunt bij ons blijven crashen. Plaats genoeg.’

‘Wat Seb zegt.’ Roos glimlachte innemend.

Amber ging ervan uit dat ze bepaalde instructies zou krijgen over hoe de docu tot stand moest komen, maar toen Roos haar beloofde dat ze artistieke vrijheid kreeg, begon ze al in haar hoofd over een aanpak, een invalshoek te brainstormen. In gedachten zag ze haar film gedraaid worden op het witte doek, het begin van een nieuwe toekomst.

In de bestelwagen, zo ver en toch zo dichtbij, klonk een nummer van Siouxsie & The Banshees en voor ze het besefte, was de bestelwagen tot stilstand gekomen bij een traliepoort. Amber sloeg haar blik neer en keek bezorgd naar de hond, die nog steeds stuipen had en jankte in de zak. Vervolgens wendde ze vol weerzin haar blik weer af. Ze drukte haar gezicht tegen het vensterglas om te zien waar ze terechtgekomen was. Sebastian stapte uit, opende de poort en reed de wagen het spookachtige terrein op. Verlaten gebouwen. Loodsen die op instorten stonden. Oude industrie. Fabrieken waar de band al decennia geleden gestopt was met rollen. Amber was terechtgekomen aan de overkant van de Schelde, waarop ze vanuit haar radiostudio uitkeek op dromerige avonden. Een stuk van de stad dat ze kende van in de verte, maar waar ze nooit eerder vertoefd had. Amber vond het best wel spannend om de deur te openen en de zware lucht die hier hing in te ademen. Een rare plaats als thuishaven voor een metalband … of misschien net niet.

 

‘Kom je?’ vroeg Roos. Ze stonden nu aan wat de ingang van wat hun verblijfplaats leek te zijn. Een ijzeren deur die op een kier stond en zacht piepte. De andere bandleden hadden hun instrumenten al uitgeladen.

Amber keek weifelend naar de nachtelijke nevel en de sterren en vervolgens naar de deur. ‘Is dit wel een goed idee?’ Ze dacht hardop. Waren het haar eigen twijfels bij dit avontuur? Of het feit dat Roos de enige was die haar opnam in de groep, terwijl de andere twee zich niet om haar aanwezigheid schenen te bekommeren, wat op zich niet onlogisch was, want ze kenden haar tenslotte niet. ‘Wat ik me al de hele rit afvraag … was het jouw idee om de demo naar me op te sturen?’

Roos schudde van niet. ‘Nee, het was Molokais idee.’

Dat volstond voor Amber om Roos tot aan de deur te volgen. Eenmaal binnen nam ze verrast het interieur op. Het was er snikheet. Lang geleden had het gebouw dienstgedaan als slachthuis. Dat was te zien aan de witte tegels die met opgedroogde bloedspetters besmeurd waren, de vale betonvloer en de kettingen met vleeshaken die aan het plafond hingen. De ruimte was niet groot. In haar gedachten rook ze de weeïge geur van moord en hoorde ze het gekrijs van de runderen die hier tot gehakt vermalen werden. Ze moest weer aan de hond denken.

‘Ik weet het,’ verontschuldigde Roos zich, ‘niet het meest gezellige onderkomen, maar we kraken dit pand al enkele maanden en er is niemand die er een fuck om geeft.’

Amber knikte alleen maar. Ze was te zeer bevangen door het aroma van het verleden om iets te kunnen zeggen. Het felle licht van de tl-lampen die in rijen aan het plafond hingen, verblindde haar. Uiteindelijk vond ze haar stem terug: ‘Dus dit is waar jullie leven en waar jullie muziek maken?’

Roos grijnsde. ‘Yep. En jij bent uitverkoren om daar een week lang deel van uit te maken.’

En zo ervoer Amber het ook. Ze voelde zich vereerd, ondanks de sluier van onbehagen waarin ze gevangen zat. Flitsen van het ‘seks & drugs & rock & roll leven’ dat dergelijke artiesten leidden, flikkerden achterin haar hoofd. Dat was de kant die ze op wilde, de insteek van de documentaire die ze wilde maken, al was het maar omdat ze daar als puber zelf zo door gefascineerd was geraakt. Daardoor was ze van muziek gaan houden. Terug naar de roots. Obscure magazines met korrelige foto’s van straalbezopen muzikanten, uitgeteld op het asfalt, televisiebeelden van wazige interviews met een gitarist die net een shot in zijn aderen had gezet, het geweld in de coulissen, halfnaakte groupies met uitstekende heupbeenderen en kleine tieten, de afgunst, de uitputting, het zweet, de stank van het lange onderweg zijn met tabak als enige maaltijd. Die eerlijkheid wilde Amber registreren. Nu ze hier in deze schimmige omgeving stond, met al even schimmige figuren die haar hiernaartoe hadden gebracht, wist ze meer dan ooit dat dit de juiste aanpak was. Rauw en ongecensureerd.

‘Maar waarom ik?’

‘Omdat jij ons groot zal maken, Amber.’ Een onbewuste trek van haar mondhoeken en de lichtinval maakten dat Roos kortstondig op een cherubijn uit Rafaëls Sixtijnse Madonna leek. ‘Zal ik je rondleiden?’ vroeg ze. Zonder op een reactie te wachten beende ze al naar de belendende ruimte die zich zo’n vijftig meter verderop bevond, afgeschermd van de herinneringen aan gekrijs en uitgebeende karkassen.

Amber op haar beurt keek naar de ijzeren deur waarlangs ze binnen was gekomen en vroeg: ‘En de hond dan?’

‘Straks.’

Ze kwamen in een kamer die tamelijk groot was, maar door de overvloed aan rommel veel kleiner oogde. Amber nam de omgeving op en stelde vast dat een gedeelte gereserveerd was voor het maken en opnemen van muziek. Er stonden enkele instrumenten, mengpanelen en opnameapparatuur. Ongetwijfeld duur materiaal. In een andere hoek stond iets wat voor een keuken moest doorgaan. Eigenlijk stond er gewoon een fornuis waarop vlekken aangekoekt vuil zich rond de gaspitjes verspreidden als een uitbreidend virus. Ernaast stond een waterkoker op de grond, wat verderop een koelkast. De vloer was vuil. Alles was hier vuil, maar dat was niet wat Amber het eerste opviel.

Het was de geur van crack. Het was een subtiel aroma, nauwelijks te herkennen, maar in een ver verleden had ze een gast gekend die, ergens op een feestje waarvan ze al niet meer wist waar het had plaatsgevonden, dat spul had uitgeprobeerd. Inmiddels was hij overleden aan een overdosis van een of andere drug, maar die specifieke geur van crack is haar altijd bijgebleven, een beetje als brandend plastic. Ze keek naar Molokai en Sebastian die achteroverlagen in een ribfluwelen zetel met een gelukzalige glimlach op hun gezicht. Er stonden nog enkele zetels, sommige leeg, andere verscholen onder stapels boeken en gebruikte kledingstukken.

‘Let niet op hen,’ zei Roos. ‘Wil je iets te eten?’

Amber walgde van de gedachte dat er op dat vieze fornuis voor haar gekookt zou worden. Toch knikte ze, al was het maar omdat ze zich volledig in het leven van Diabolik wilde onderdompelen. Ze nam zich voor de komende week gewoon te ondergaan. Roos zette een pan op het vuur en gooide er een rood stuk vlees in dat meteen begon te sissen. Amber durfde er niet van dichtbij naar kijken, uit angst dat ze maden tussen de vezels zou ontdekken. Terwijl Roos het vlees omdraaide, wees ze naar de camera die in dezelfde hoek als de instrumenten lag. ‘Daar. Je kan alvast beginnen, als je wil.’

Het was een Super8. Amber nam het ding met beide handen van de grond en inspecteerde het. Het ding was in goede staat, ongebruikt zo leek het, hoewel het al enige ouderdom bezat. Roos riep haar toe dat er genoeg filmrollen waren, dus dat ze zoveel kon filmen als ze wilde. Amber zag het als een aanmoediging om het toestel aan te zetten en meteen een portret te schieten van de omgeving. Ze beeldde zich het ratelende geluid in van het draaien van de band op spoelen, wanneer de docu klaar was. Door de lens zag de kamer er nog groezeliger uit. Het was alsof ze zelf naar een film keek. Het soort film dat je leven voorgoed veranderde.

De biefstuk smaakte beter dan verwacht. Ze dronk er enkele biertjes bij. Amber keek op haar uurwerk en stelde vast dat ze zich in de afgrond tussen avond en ochtend bevond. Het moment waarop grootse dingen gebeurden. Molokai was ondertussen uit zijn roes ontwaakt en zat te jammen op zijn gitaar. Hoewel hij geen afgelijnde melodieën speelde, of misschien net daarom, hadden de klanken iets hypnotiserends. In de chaos zat een bepaalde structuur, het muzikale equivalent van een fractaal. Zingen deed hij niet. Amber luisterde met gesloten ogen, dommelde langzaam in met de camera nog steeds draaiend, tot ze opeens de vlijmscherpe stem van Roos hoorde. ‘De hond!’ Het was duidelijk dat zij degene was die hier de touwtjes in handen had, organisatorisch gesproken dan, want Molokai was overduidelijk het creatieve brein als het op muziek aankwam. ‘Snel,’ maande ze de andere bandleden aan, ‘voor hij dood is.’

Amber wist niet wat Roos precies bedoelde. Ze wist niet eens of ze de woorden wel juist verstaan had, maar in plaats van zich daarover te bekommeren, filmde ze Molokai en Sebastian die opstonden en Roos door het abattoir naar de bestelwagen volgden. Even later kwam Sebastian terug binnen met in zijn rechterhand de juten zak. Hij had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, dat er in het overvloedige tl-licht kwaadaardig maar vooral ongezond uitzag. Zijn jukbeenderen waren scherp als kliffen en zijn slapen ingevallen. Amber staarde naar de vormloze hoop in de zak. Ze dacht iets te zien bewegen, maar het kon evengoed een stofdeeltje op de lens geweest zijn dat deze illusie had aangewakkerd.

Ze brandde van verlangen om te weten wat er te gebeuren stond, met de hond en met het drietal. Allerlei scenario’s speelden door haar hoofd. De vraag wat ze met dat beest gingen doen brandde op haar tong, maar toch slaagde ze er niet in deze te stellen. Amber beet op haar lippen. Wellicht, dacht ze, was het als buitenstaander beter om in haar rol te blijven, dat wilde zeggen dat ze uitsluitend mocht registreren. Deelnemen was niet voor haar bestemd. Nog niet. Iets in haar zei bovendien dat het beter was om de camera uit te zetten, maar ze wilde geen censuur. Zelf had ze een hekel aan films of docu’s waarbij de camera op cruciale momenten wegdraaide. Zij wilde niet dat soort regisseur zijn. Ze wilde de waarheid op pellicule, ook al was die voor sommigen te choquerend.

Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Amber keek heel even naast de camera om met haar eigen ogen te kunnen zien of wat zich in het abattoir afspeelde werkelijkheid was en geen kronkel in haar verbeelding. Sebastian had de nog levende hond aan een vleeshaak gehangen. De ledematen van het dier schokten, het probeerde te huilen, maar kon niet en bengelde zachtjes heen en weer, enkele centimeters naar links, enkele centimeters naar rechts. Amber bleef filmen, maar sloot haar ogen. Toen ze ze weer opende, zag ze nog net hoe Molokai met een roodgekleurde sikkel in zijn hand naar het stromende bloed stond te staren. De uitdrukking op zijn gezicht was er een om het steenkoud van te krijgen.

Het bloed gutste in een rechthoekige kuip die gehouwen was uit witte, stenen tegels, met onderaan een afvoerbuis die in de grond verdween. Amber probeerde niet naar het gespetter te luisteren. Ze verbaasde zich erover hoeveel bloed er uit het dode lichaam van de tamelijk kleine hond vloeide. Het feit dat ze roerloos stond toe te kijken bezorgde haar een schuldgevoel, maar ze kon het niet helpen. Na een tijdje regenden er enkel nog dikke, stroperige druppels bloed op de bodem van de kuip. Een donkerrode spiegel waarin gezichten vervormd werden, dat was het enige verschil tussen leven en dood.

Roos vroeg of Amber alles onder controle had. ‘Je beeft,’ zei ze. Dat was ook zo. Amber kon de camera amper stilhouden. Rillingen sidderden van haar vingertoppen tot in haar ellebogen en weer terug. Vreemd genoeg was dat haar enige lichamelijke reactie op deze choquerende ervaring. Ze was niet misselijk, had geen braakneigingen, had ook niet het gevoel flauw te gaan vallen. Wel voelde ze weerzin, maar veeleer was ze verwonderd, omdat ze begreep dat er meer achter deze handeling zat. ‘Het is een ritueel, nietwaar?’ vroeg ze. Er was niemand die op haar vraag antwoordde, maar Molokai keek naar haar door de lens. Die blik, die gitzwarte glinstering in zijn ogen zei genoeg. Hij was de leider die het ritueel voltrokken had. Het was een kwestie van tijd alvorens Amber het ‘waarom’ ervan zou ontdekken.

 

Die nacht droomde ze over het ritueel. Ze lag op een oud matras ergens in de leefruimte onder een laken dat al maanden niet meer gewassen was. Net voor het slapengaan had ze een joint gedeeld met Roos, maar desondanks was ze onrustig in haar slaap. Beelden van het rondspattende bloed, de sneeuwwitte kuip en de zwarte glans in de ogen van Molokai teisterden haar dromen. Tegelijkertijd hoorde ze zijn stem ergens in de verte. Hij zong. Amber besefte dat ze hem nog nooit had horen spreken, alsof de enige bestaansreden van zijn stem het strelen was van hamer, aambeeld en stijgbeugel. Af en toe werd ze wakker, beefde ze ondanks de hitte in de kamer, staarde enkele minuten naar het plafond en luisterde naar de ademhaling van de andere drie, om vervolgens weer in een ondiepe slaap te vallen. De ochtend leek verder weg dan ooit.

 

Amber werd gewekt door de geur van gebakken vlees. Gebakken hond, vermoedde ze, ook al was die geur niet te onderscheiden van een ander stuk vlees. Ze zette de camera weer aan en bedacht zich op hetzelfde moment dat ze zichzelf rook, een mengeling van zuur zweet en vettige hoofdhuid, een idee dat ze anders nooit kon verdragen maar waar ze nu weinig belang aan hechtte. Sebastian zat op een kruk naast haar matras en bood haar een blikje bier aan. ‘Goed geslapen?’ vroeg hij. Hij lachte zijn okerkleurige tanden bloot: zwart omrande puzzelstukjes die al een eeuwigheid niet meer in elkaar pasten, de nachtmerrie van ieder kind.

Amber knikte, maar weigerde het bier. ‘Een glas water zou me beter smaken.’ Ze kreeg waar ze om vroeg, samen met een portie hond en een klodder mayonaise, al maakte ze zichzelf wijs dat het biefstuk was. Molokai lag wat verderop in de zetel met zijn ogen gesloten. Het viel moeilijk uit te maken of hij sliep of niet. Hij kon evengoed dood geweest zijn, maar dat was hij natuurlijk niet. ‘Ik heb een voorstel,’ zei Amber tussen twee happen door, ‘ik zou jullie graag filmen tijdens een repetitie.’

Roos vond het een goed idee, maar Sebastian reageerde lauwtjes. Molokai reageerde helemaal niet. Misschien was het nog te vroeg voor zoveel enthousiasme, bedacht Amber zich. Het enige kleine venstertje in de kamer liet een streep grauw daglicht binnen, waaruit onmogelijk te bepalen viel hoe laat het ongeveer was. Het deed er ook niet toe. Later op de dag zou ze het nog weleens ter sprake brengen. Ondertussen at ze rustig verder. Eigenlijk smaakte het wel, zolang ze haar gedachten maar kon afwenden van dat bloedende karkas. Ooit had ze overwogen om vegetariër te worden. Het idee erachter steunde ze volledig, maar de wilskracht om vol te houden bezat ze niet. Na het ontbijt besloot ze met haar camera in en rond het abattoir te trekken en datgene wat ze registreerde te voorzien van opmerkingen die spontaan in haar opkwamen. Op die manier kon ze acclimatiseren en konden de bandleden van Diabolik ongestoord ontwaken. ‘Trouwens, waar is het toilet?’

Blijkbaar hadden de bandleden een porseleinen toiletpot boven een afvoerput in het slachthuis geïnstalleerd. Het deed haar aan de scoutskampen denken waar ze vroeger zo’n hartsgrondige hekel aan had. De pot was vergeeld en er lag nog ontlasting in van de vorige gebruiker. Een systeem om door te spoelen ontbrak, tenzij de emmer water die ernaast stond, maar die was leeg. Amber had een vaag vermoeden dat het nooit anders geweest was, los van de ‘goede’ intentie tot enige vorm van hygiëne. Ze hurkte zich boven de pot. Gaan zitten deed ze niet, om twee redenen: de bruine spetters op de rand en het feit dat het toilet bij een verkeerde beweging kon kantelen. Ze verschoonde zich met een zakdoek die ze nog ergens in haar broekzak vond, want papier was er niet. Niet dat het haar verraste.

Eenmaal buiten begaf Amber zich door steegjes van fabrieken en loodsen die al jaren in verval waren. Vaal beton, amateuristische graffiti, verroest ijzer en aan diggelen gegooide ramen waren het hoofdonderwerp van haar lens, die ochtend. De ondergang van de wereld leek hier als eerste te zijn ingezet. Wat ze ook merkte, was dat de omgeving volledig geurloos leek en dat belette haar bepaalde associaties te maken die voor een groot stuk haar nostalgie domineerden. Ze beeldde zich toxische dampen in en het geluid van machines waarvan de echo’s al lang uitgestorven waren.

Na enkele uurtjes keerde ze terug. Niet omdat het begonnen was met regenen, wel omdat haar filmrolletje op was. Het duurde even voor ze het slachthuis terugvond, al was het niet onlogisch dat je in deze betonnen jungle even gemakkelijk kon verdwalen als in een bos. Amber hoorde een onbekende maar aanstekelijke gitaarrif toen ze het gebouw betrad. Diabolik was bezig met een jamsessie. Zo snel als ze kon, verwisselde ze het filmrolletje. Sebastian bespeelde de basgitaar met veel gevoel, Roos zat als een bezetene achter de drums en Molokai beroerde zijn gitaar op een ingetogen manier, alsof het instrument een verlengstuk van zijn ziel was. Toen hij zijn keel openzette, kreeg Amber prompt tranen in de ogen. Weer begonnen haar handen te trillen, net zoals toen met de hond, maar deze keer van ontroering. Ze kon alleen maar hopen dat de opname geslaagd was.

De rest van de dag werd gevuld met lachwekkende conversaties over mongolen en Italiaanse kannibalenfilms uit de jaren tachtig, maar ook serieuze zaken, zoals de boeken van Poppy Z. Brite, de taboes rond SM, welke de efficiëntste slaappillen waren en of het nummer Wait and Bleed van Slipknot al dan niet geniaal of commerciële rommel was. Molokai luisterde, maar mengde zich uiteraard niet in de geanimeerde discussies, al meende Amber soms uit zijn gelaatsuitdrukking te kunnen opmaken of hij het al dan niet met iets eens was. Het bleef haar echter een raadsel wat zijn jeugdtrauma’s waren, al had ze geen idee waarom die vraag haar precies bezighield. Ze kon zich niet voorstellen dat het iets banaals als spinnen of een donkere, vochtige kelder zou zijn. In haar verbeelding eigende ze hem een mysterieus verleden toe, één met littekens, ontembaar verdriet en donkere gedachten waar die van psychopaten bij verbleekten.

‘Weet je wat we kunnen doen?’ vroeg Sebastian opeens. Hij had net een lijn coke gesnoven en was ontzettend enthousiast over zijn voorstel: ‘De elektriciteitsmast!’ Zijn ogen fonkelden. Amber keek met gefronste wenkbrauwen naar Roos om wier lippen een smalend lachje danste. Ze schudde zachtjes haar hoofd heen en weer, maar op een manier die verried dat ze het eigenlijk wel een goed voorstel vond.

‘Wat is de elektriciteitsmast?’ wilde Amber weten.

‘Pure adrenaline.’ Sebastian snoof nogmaals. ‘Vergeet zeker je camera niet.’

Amber had de elektriciteitsmast inderdaad opgemerkt tijdens haar ochtendwandeling. Het ding was net zoals het hele terrein in onbruik geraakt. Zelfs de stroomkabels hoog in de lucht waren doorgeknipt, alleen de mast stond nog overeind, een kolos ergens in een heuvelachtig veldje waar het onkruid eerder grijs dan groen was. Men had niet eens de moeite gedaan het ding neer te halen. Sebastian stond als eerste op. Hij boog enkele keren door zijn knieën, als een sprinter die zich voorbereidde op de honderd meter. Zijn gewrichten knakten. Amber had nog steeds geen idee wat haar te wachten stond, maar ze voelde hoe de opwinding van Sebastian en Roos op haar geprojecteerd werd. In haar buik danste een vlinder, zoals bij een kind dat zich tijdens verstoppertje verschanst.

Molokais gelaatsuitdrukking was eerder apathisch – wellicht omdat hij even daarvoor vijf Valiums naar binnen had gewerkt – maar uit het feit dat ook hij opstond en zijn lederen jekker aantrok, bleek dat hij uitkeek naar de adrenalinerush. Amber zette de camera aan en volgde hen naar buiten. De hemel had de kleur van een etterende wonde en stonk naar ozon. Amber snoof de lucht op, hoestte enkele keren en spuugde een fluim op een spoorweg waar ooit goederentreinen hadden gereden. Ze keek over de gebouwen, op zoek naar de mast. Ergens ten westen van het terrein zag ze zijn silhouet boven de loodsen opdoemen. Het was ongeveer vijftien minuten stappen.

Nu ze er vlak onder stond, was het gevaarte hoger dan Amber aanvankelijk dacht. In zekere zin was het intimiderend. Voor ze het doorhad, was Sebastian al enkele meters hoog geklommen. Ze filmde hem. Daarna gleed haar lens naar Molokai, die klaar stond aan de voet van de mast en Sebastian volgde. Met sprekend gemak klommen ze hoger en hoger, zonder enige vorm van beveiliging. ‘Het ziet er roekelozer uit dan het is,’ suste Roos, die nog steeds aan Ambers zijde stond. ‘Je hoeft niet mee te komen als je niet wil, maar –‘

‘Maar?’

‘Het verandert je leven.’ Molokai en Sebastian waren ondertussen halverwege. Met handen en voeten bestegen ze de metalen staven. ‘Ik snap dat het eng lijkt. Zeker als het je eerste keer is, maar het is zoals een ladder: als je een beetje oplet kan er niets gebeuren.’

Amber liet de camera zakken en keek omhoog. Ze haalde enkele keren diep in en uit.

‘Het uitzicht is prachtig,’ beloofde Roos, ‘en als je wil, blijf ik bij jou terwijl we naar boven gaan.’ Ze strekte haar hand uit om de camera aan te nemen.

‘Ik weet het niet,’ zei Amber. Ze keek nogmaals naar boven en hoorde hoe Sebastian een kreet van triomf slaakte. Het leek misschien wel gevaarlijker dan het was, maar je hoefde maar één keer mis te stappen en het was gedaan … Ze ritste haar jasje dicht, een handeling om zichzelf een houding te geven terwijl ze nog steeds twijfelde over wat ze zou doen. Zonder iets te zeggen ging ze naar de voet van de mast en klom enkele meters omhoog, bij wijze van test, om te zien of ze het aankon. Daar bleef ze even zitten. Er stond een zachte wind. Ze voelde haar haren langs haar wangen wapperen. Die sensatie en het feit dat ze twee meter boven de grond zat bezorgde haar een gevoel van vrijheid. Het was spannend en geruststellend tegelijkertijd. Als ze van hieruit naar beneden donderde, kon ze hoogstens haar enkel verstuiken, tenzij ze verkeerd zou vallen en haar nek zou knappen als een twijgje.

Roos was ondertussen naast haar komen zitten. ‘Wat denk je?’ vroeg ze.

‘Ik denk dat ik het leuk vind.’

‘Ga je mee?’

Amber volgde in het spoor van Roos die traag en voorzichtig naar boven klom. Hoelang het precies duurde voor ze in de top zaten, viel moeilijk in te schatten. Hoewel ze geen hoogtevrees had, nam ze zich voor om niet naar beneden te kijken, wat natuurlijk niet lukte omdat de verleiding te groot was. Gevaar had nu eenmaal meer aantrekkingskracht dan gezond verstand. Nu ze boven zat, voelde het als een bevrijding. En het uitzicht was inderdaad adembenemend, letterlijk zelfs. De wereld onder haar was doods, afgezien van de zilveren glinsteringen die de maan over het gestorven landschap uitstrooide. Amber zette zich schrap door haar benen en rug stevig tegen het ijzeren geraamte van de mast te drukken. Ze speurde naar de watertoren aan de overkant van de Schelde, waar haar radiostation gevestigd was, maar omdat er geen licht brandde, kon ze hem niet vinden.

‘Wel, wat vind je ervan?’

‘Je hebt niet gelogen, het uitzicht is prachtig.’

‘Geen spijt?’ Roos overhandigde ondertussen de camera weer aan Amber zodat ze deze gebeurtenis kon vereeuwigen.

‘Nee.’

‘Ik wist het wel,’ giechelde Sebastian.

‘Doen jullie dit vaak?’

‘Telkens wanneer we nood hebben aan adrenaline,’ zei Sebastian zonder haar aan te kijken. Hij was op de bovenste punt van de mast gaan staan en balanceerde met uitgestrekte handen als een koorddanser.

Amber voelde haar hart in haar keel hameren terwijl ze door de lens keek en zijn waaghalzerij registreerde. Schichtig keek ze in Roos’ richting, maar die stelde haar gerust met een sussende gelaatsuitdrukking. Molokai schonk weinig aandacht aan de acrobatieën van zijn maat. Hij stak een sigaret op. De rook dreef langs zijn gezicht op de wind naar het westen, waar de avondzon verdween in een abstract schilderij van perzik- en vanillekleurige vegen, zoals altijd op avonden die onvervulde wensen deden uitkomen. Hij reikte Roos en Amber het pakje aan, die elk op hun beurt ook een sigaret namen. Op het moment dat Amber haar eerste trek nam en met een half oog door de lens naar Sebastian keek, zag ze hem manisch zijn rotte tanden blootgrijnzen. Ze probeerde hem in close-up te vangen, maar opeens verdween hij uit beeld. Sebastian tuimelde naar beneden, gevolgd door een schreeuw. Amber schrok zo hard dat ze gilde en ze de brandende sigaret uit haar hand liet vallen. De camera kon ze nog net vasthouden aan het lint. Meteen daarop volgde een oorverdovend geschater dat haar tegelijkertijd geruststelde en met ontzetting vervulde. Sebastian was niet dood. Integendeel, hij was springlevend. Hij had zichzelf in de diepte gestort en slingerde helemaal onderaan als een gibbon aan de laatste ijzeren staaf, rond en rond en rond. Amber geloofde niet wat ze zojuist had aanschouwd. Ze zat gevangen in een vlaag van zinsverbijstering, als een kind dat tijdens een goocheltruc zonet de schaars geklede assistente doormidden had zien zagen. Terwijl ze deze illusie voor zichzelf probeerde te verklaren, legde ze zijn acrobatieën op pellicule vast.

Sebastian had beslist niet gelogen. Dit was pure adrenaline. Amber kon zich nauwelijks inbeelden hoe het voor hem moest zijn, zo slingeren boven een gapende duisternis die je na één misstap onverbiddelijk opslokte. Ze wilde het zich niet eens voorstellen. Het enige wat ze wilde, was zo snel mogelijk weer vaste grond onder haar voeten voelen. Toch zinderde ergens diep van binnen de wens om dit ooit nog een keer te doen nog, opnieuw die duizelingwekkende hoogte te bedwingen. Dat was het verraderlijke aan gevaar. Het werkte verslavend, net als een drug. ‘We blijven niet lang. Nog enkele minuutjes, dan gaan we terug naar beneden.’ Roos beantwoordde daarmee de vraag die Amber had willen stellen, maar niet durfde. Ze moest waarschijnlijk de angst in haar ogen bespeurd hebben. Het ongemak, de overweldiging.

Eenmaal terug op de grond golfde de adrenaline nog steeds door Ambers aderen. Ze keek nog een keer omhoog en kon maar niet geloven dat ze daarnet in de top van de mast had gezeten. Het was zo onwezenlijk. ‘Gaaf, hè,’ zei Sebastian, die als laatste van het ijzeren geraamte sprong en met knakkende gewrichten op de grond landde. Amber kon dat niet ontkennen, maar ze slaagde er niet in om hetgeen ze dacht onder woorden te brengen. Dus zei ze niets en knikte. Er flitste te veel door haar hoofd. Toen keek ze nogmaals naar de top van de mast en betrapte ze zichzelf erop dat haar mond een brede glimlach vormde. De sensatie die ze zonet had ervaren viel moeilijk te beschrijven. ‘Dank je wel,’ zei ze opeens stomweg, en ze meende het. Ze was Diabolik dankbaar voor alles wat ze tot nu toe had gezien, meegemaakt.

Zonder iets te zeggen legde Roos haar arm over Ambers schouders. Hun blikken kruisten elkaar kortstondig en ze grinnikten. Amber keek nog een laatste keer achterom naar de elektriciteitsmast voor ze weer in de steegjes tussen de oude fabrieken verdwenen. De nacht was ondertussen zwart als inkt en de bries zacht als fluweel. Amber voelde zich aanvaard door Diabolik. Ze had zich aan hen bewezen en was nu een van hen geworden, zo voelde het althans.

 

Die avond consumeerden ze een feestmaal bedorven etensresten uit de koelkast, laafden zich aan bier en verder deed ieder zijn eigen ding. Terwijl ze willekeurig door de biografie van Iggy Pop bladerde, volgde Roos met dronken blik de route van een opaalkleurige vlinder die hier duidelijk verdwaald was. Molokai jamde hypnotiserend op zijn akoestische gitaar, op zoek naar nieuwe melodieën, en Sebastian tekende een abstract schilderij van bloed op de muur door veelvuldig met een heroïnenaald in zijn aders te prikken. Amber zoomde afwisselend in op de vlinder en het lijnenspel op de muur, waar in combinatie met de schimmelplekken een macabere versie van Picasso’s Guernica ontstond.

Hier, in dit hol, werden alle drugs door elkaar gebruikt. Het hoorde erbij. Amber was niet zo naïef om te geloven dat ze in een theekransje terecht zou komen toen ze het aanbod had aanvaard om Diabolik een week te volgen. Molokai zat momenteel nog gevangen in de restanten van een lsd-trip. Hij was afgesloten van de rest, leefde in zijn eigen wereld. Amber had in haar jeugd hoogstens enkele keren een jointje gerookt. En ze was ook een tijdje aan de morfine geweest na een zware operatie. Het verdovende effect beviel haar wel, maar het was niet iets dat deel uitmaakte van haar dagelijkse routine, of iets waar ze naar hunkerde. Maar nu de gelegenheid zich aandiende – Roos bereidde twee doses heroïne voor – was ze te nieuwsgierig om het te weigeren. Amber observeerde Roos en imiteerde haar door het poeder op aluminiumfolie te verwarmen en het door een glazen buisje te inhaleren. Ondertussen liet ze de camera draaien.

Ze had al gehoord over de zogenaamde ‘flash’, maar had nooit durven vermoeden dat die zo intens zou zijn. Lichaam en geest werden overspoeld door euforie. Daarna volgde een aanhoudende staat van innerlijk geluk, van verrukking, genot en passiviteit. Denken was schier onmogelijk. Het was een kwestie van ondergaan. En op een bepaald moment tijdens die roes, zag ze hoe Molokai uit pure frustratie zijn gitaar stuk sloeg en afwisselend naar Sebastian en Roos keek. Amber was te suf om te reageren. In haar achterhoofd tintelde een gevoel van opluchting dat haar camera dit alles vastlegde, want zelf was ze niet meer bij machte om het toestel te bedienen. Roos stond op en richtte zich tot Molokai. ‘Meer bloed?’ vroeg ze. Hij knikte. Amber begreep niet waarover ze het hadden – de woorden klonken alsof ze onder water werden uitgesproken – maar ze moest meteen aan die hond denken. De hond, de kuip en het gutsende bloed.

Later die nacht, toen iedereen min of meer uit zijn trip ontwaakt was, stonden de bandleden op na een voor Amber onzichtbaar signaal. Ze deden hun jassen aan en na wat aarzelen deed Amber hetzelfde, al begreep ze nog niet waarom. Daar zou ze later wel achter komen. Ze stak een nieuw filmrolletje in de camera en volgde hen met lome benen. Ze zocht nog even vergeefs naar die prachtige vlinder, treurde dat hij misschien slechts een illusie was, en verliet de kamer. De kleurrijke wezens van Guernica wuifden haar uit. Amber zwaaide terug.

Het kon ook het geluid van de wind geweest zijn, maar Amber dacht dat ze Roos hoorde spreken: ‘Is ze hier wel klaar voor?’ Er kwam geen antwoord. Molokai, Roos en Sebastian hielden halt, draaiden zich om en keken naar elkaar en dan naar Amber. Ze voelde hoe hun blikken zich in haar ziel haakten. ‘Waarvoor?’ vroeg ze, vervuld van opwinding, onrust en het laatste restje onschuld dat weldra zou sterven. Roos zuchtte. Amber kon moeilijk inschatten wat die zucht betekende. Was ze bang om te vertellen wat er vannacht ging gebeuren? Was het zo verschrikkelijk dan? Was het een manier om zich over haar te ontfermen?

‘Ze heeft de elektriciteitsmast toch overleefd,’ zei Sebastian.

Stilte.

Niemand leek te weten welke waarde die stelling precies had, Amber nog het minst, omdat ze niet kon voorspellen wat haar te wachten stond.

‘Ik bedoel maar … ze kan wel wat hebben, nietwaar? Elk ander wijf zou het in haar broek gedaan hebben. Letterlijk, bedoel ik dan.’

Amber negeerde het compliment. ‘Waar hebben jullie het over?’ wilde ze weten. Ze stonden buiten. Het was lichtjes gaan regenen. Een aangename nazomerbui, meer niet.

‘Misschien moet je gewoon meekomen. Dan kan je voor jezelf uitmaken of je het aankan of niet.’ Roos leek overtuigd van haar voorstel. ‘Tenslotte, wie zijn wij om dat in jouw plaats te bepalen?’

‘En niemand zal het je kwalijk nemen als je afhaakt,’ voegde Sebastian eraan toe.

Amber fronste haar wenkbrauwen en pulkte enigszins geërgerd aan een puist op haar kin. ‘Maar ik weet niet eens waar jullie het over hebben?’ Haar woorden gingen verloren in de maanloze nacht. Ze zag hoe drie schimmen voor haar uit liepen en besloot hen te volgen, als een hond die nooit anders geleerd had dan zijn baasje gedwee achterna te huppelen. De elektriciteitsmast was slechts een test geweest. Nu kwam het echte werk. Twijfel sloop in haar ledematen; het kon ook het laatste restje heroïne geweest zijn. De onwetendheid over haar bestemming maakte haar onzeker. Sebastian deed een vreugdesprong zoals Gene Kelly in zijn beste jaren. Natuurlijk deed hij dat, want er zou bloed vloeien vannacht …

Onderweg naar de ondergrondse metro aan de stadsrand verzonnen ze om de beurt, Molokai uitgezonderd, betekenisloze palindromen die hen aan het lachen brachten. Het was verbazend hoe komisch sommige klanken waren. Het onnozelste ‘woord’ luidde: trapimopolopomipart. Roos struikelde meermaals over haar tong bij het uitspreken hiervan, tot groot jolijt van Amber, die blij was dat er weer even over banale dingen gepraat kon worden. Zelf had ze zeven pogingen nodig om de onzin te herhalen. Toen de bende uitgelachen was, doemde in de verte de gapende mond van de metrotunnel op. Het gat was donkerder dan de nacht en ademde uit een walm van oud vocht en wanhoop.

‘Let there be light,’ fluisterde Sebastian, en hij knipperde een zaklamp aan. Het was zo’n oud model waarin een handvol alkalinebatterijen met plakband op hun plaats werden gedrukt. De lichtcirkel was eerst zwak, maar toen Sebastian enkele keren tegen de zaklamp tikte, lichtten de sporen van de metro op. In de verte bogen ze af naar links. De schacht was smal. Naast de sporen was niet veel ruimte. Ambers jas schuurde meermaals tegen de vieze muur. Ze vroeg: ‘Is dit niet gevaarlijk? Wat als er zo een metro aankomt?’

‘Geen nood, op dit uur rijden er geen meer. De eerste komt pas over een halfuur. Tegen die tijd zijn we alweer weg.’

Amber keek op haar uurwerk, niet in staat om de grote wijzer van de kleine te onderscheiden. De heroïneroes had haar opvatting van tijd volledig vervormd. Over een uur zou de zon al opkomen. Haar benen voelden nog altijd loom. Haar tenen tintelden. ‘Oké,’ zei ze. Ze volgde de lichtstraal die als een gids voor hen uit liep en koos haar pad tussen de sporen in, gerustgesteld door het feit dat er geen metrostel voorbij kon vlammen. Af en toe schopte ze tegen een kei. Onbewust begon ze een nummer van The Stooges te neuriën en voor ze besefte welk lied het eigenlijk was, zongen Roos en Sebastian met haar mee. Hun stemmen weerkaatsten tussen het beton en vormden buitenissige echo’s die in de verte nieuwe liederen baarden.

‘Eigenlijk, als je er goed over nadenkt, is een banaan toch een ingenieuze vrucht, nietwaar?’ Sebastian stelde de vraag aan niemand in het bijzonder. ‘Ik bedoel, kent iemand een stuk fruit dat zich makkelijker laat ontmantelen dan een banaan? Je trekt aan de steel, de pel naar beneden, herhaalt dit nog twee keer en klaar: je kunt er zo van eten. Een geschenk van de natuur.’

Amber moest spontaan aan de albumcover van The Velvet Underground & Nico denken. Ze probeerde een handigere vrucht te bedenken, maar vond er geen. Natuurlijk bestond er ook fruit dat je niet eens hoefde te schillen, maar dan had je weer al die pesticiden op je tong. ‘Doe mij toch maar een kiwi,’ zei ze. ‘Ik houd wel van dat harige jasje en dat felle, bijna fluorescerende groen vanbinnen. Geen enkele kleur is zo mooi als kiwi-groen.’

‘Behalve het rood van vers bloed,’ zei Roos met een kwinkslag.

Onbewust keek Amber in Molokais richting, alsof hij nu zou zeggen wat zijn favoriete vrucht was. Blauwe druiven pasten wel bij hem, vond ze. Elegant en chic en op een bepaalde manier ook mysterieus.

‘Zie je daar dat licht?’ Roos wees naar een paarse gloed in de verte. Amber had hem eerst nog niet opgemerkt. Ze knikte. ‘Dat is een platform. De eerste halte van deze lijn.’ Amber pikte die opmerking op als een aansporing om de camera scherp te stellen op het licht. Het was afkomstig van tl-buizen die, naarmate ze het platform naderden, zo fel bleken dat ze in de ogen prikten.

‘Sst!’ siste Roos. ‘Stil wezen nu.’

‘We wachten op de eerste reiziger van de nieuwe dag,’ fluisterde Sebastian. Zijn ogen blonken van opwinding. Hij deed de zaklamp weer uit.

‘En wat dan?’ vroeg Amber.

Roos weer: ‘Sst.’

Amber merkte dat ze nerveus was. Dat hoorde ze aan haar stem en de onrustige pasjes waarmee ze over de keien schuifelde. Met vier slopen ze naar het platform. Amber wist nog steeds niet wat haar te wachten stond, al had ze een naar voorgevoel. Ze liet de camera draaien voor het geval er een onverwachte gebeurtenis zou plaatsvinden. Zo kon ze alvast anticiperen op de mogelijke shock die haar zou overvallen. Die gedachte deed haar hart een versnelling hoger slaan. In haar hoofd maalde de rauwe gitaarchaos van The Stooges maar door en door. Het was koud, zo diep in de tunnel, en ze rilde. Ze ritste haar jasje dicht.

Roos maakte een handgebaar waarmee ze de anderen maande om te wachten. Als een volleerd agente keek ze om de hoek naar het platform. ‘Er is nog niemand,’ zei ze. Molokai en Sebastian gingen zitten. Ze leunden met hun rug tegen de muur en wachtten. Amber bleef staan, net als Roos, die op de uitkijk stond. De kille lucht in de tunnel was bezwangerd met een onheilspellende dreiging. Ze bevonden zich net buiten de bleke gloed van de tl-verlichting en het gezichtsveld van mogelijke passagiers.

Amber spitste haar oren. Ze hoorde hoe in de verte een roltrap in werking trad. Een doffe, maar duidelijk hoorbare plof werd gevolgd door aanhoudend gezoem. Opeens hield het gezoem op, gevolgd door het tikken van naaldhakken op stenen tegels. Amber telde de voetstappen. Het waren er exact tien. Roos keek nog één keer schichtig om de hoek met het risico betrapt te worden, maar dat werd ze niet; ze had schijnbaar genoeg ervaring. Ze keek naar Sebastian, fluisterde hem iets toe. Amber was niet zeker of ze alle woorden verstaan had, maar het klonk als: ‘Geen bloed verspillen deze keer!’

Sebastian knikte en stond op. Zijn knie knakte en heel even schrok Amber van het plotse geluid. Niets aan de hand, suste hij met zijn blik. Terwijl hij over de sporen naar het midden van de halte kroop, zette Roos zich schrap. Molokai bleef onverstoord onder een graffitikunstwerk tegen de muur zitten en staarde voor zich uit. Wat was zijn rol in deze actie? Hield hij slechts toezicht, klaar om in te grijpen als het fout liep? Amber had geen tijd om er langer bij stil te staan. Ze stelde de lens nogmaals scherp, had moeite met het vinden van de juiste lichtinval, maar toen het beeld toch zichtbaar genoeg was, richtte ze naar Sebastian die op het platform kroop en naar de wachtende vrouw rende.

De vrouw, wier minirok en rode laklaarzen weinig misverstanden over haar beroep lieten bestaan, keek verbijsterd naar wat zich voor haar ogen voltrok. Ze was te geschrokken om weg te lopen en pas in tweede instantie in staat om voor haar leven te krijsen. Maar het was te laat. Sebastian had haar één rake vuistslag verkocht en was haar meteen daarna naar de keel gevlogen. Amber wenste dat ze dit niet gezien had. Zij sloot haar ogen, maar de camera was getuige van de doodstrijd die daarop volgde. Amber hoorde hoe de vrouw gewurgd werd, hoe ze naar adem snakte, hoe haar strottenhoofd verbrijzeld werd en hoe ze af en toe gilde, reutelde en uiteindelijk de doodstrijd verloor.

Dat was het moment waarop Roos zich op het platform hees en Amber weer haar ogen opende. Niet om naar de dode vrouw te kijken, maar om te vermijden dat ze op haar eigen schoenen braakte. Speeksel en bittere gal spetterden op de keien. Ze werd helemaal licht in haar hoofd, voelde hoe ze langzaam het bewustzijn verloor, maar Molokai ondersteunde haar net op tijd zodat ze niet viel. Uitgerekend hij. Wat daarna gebeurde, bestond enkel in vage herinneringen en enge dromen. Ze hoorde zichzelf hardop denken: ‘Is dit werkelijk gebeurd?’ En ze zag flarden van hoe Molokai, Sebastian en Roos het lijk naar het abattoir sleepten, met af en toe een rustpauze om de spieren in hun armen los te schudden en op adem te komen. De zon was al wakker en had de fabrieksruïnes in een bloedovergoten dageraad ondergedompeld, maar in dit niemandsland was geen levende ziel om het viertal te betrappen.

Zonder het zelf te begrijpen volgde Amber hen. Ze filmde en tilde af en toe zelfs een slappe arm van de vrouw, al kon dat ook in haar verbeelding geweest zijn. Ze voelde zich eenzaam, maar iets weerhield haar ervan om weg te gaan. Was het omdat iets in haar erop aandrong de documentaire die ze was begonnen af te maken? Misschien was ze bang dat als ze hen nu de rug zou toekeren, hier en nu een einde aan alles zou komen. Of was ze zo begeesterd door Diabolik dat ze voorbij het point of no return was gekomen en een van hen wilde worden? De gedachten waren te veel, te verwarrend om te verwerken. Het enige wat nu ze wilde, was slapen, maar daarvoor had ze twee valiumtabletten nodig en een temesta om de tremors te onderdrukken. Die kreeg ze van Roos. Ze wilde vergeten wat ze zonet had meegemaakt, in de veronderstelling dat als ze straks weer wakker werd, de realiteit haar geest met een mokerslag zou verpulveren.

 

Amber werd gewekt door het zachte geknisper van papieren zakken. Moeizaam opende ze haar ogen. De kamer baadde in een vurige gloed, afkomstig van tientallen waxinelichtjes die willekeurig verspreid waren. Ze rechtte haar rug, keek in de richting van het geluid en zag Roos, achterover gezakt in een zetel, links en rechts van haar een bruine papieren zak, etend van een vreemde vrucht. Amber snoof. De doerian had de volledige ruimte bedwelmd met een weeë geur.

‘Heb je honger?’ vroeg Roos.

Amber ging rechtop zitten. Sebastian en Molokai sliepen. Sebastian snurkte lichtjes. ‘Hoe laat is het?’ Ze deed niet de moeite om op haar uurwerk te kijken.

‘Je hebt de hele dag geslapen’, zei Roos. ‘Ik heb ook kiwi’s meegebracht, speciaal voor jou. Wil je er een?’

Amber knikte. Haar lippen en tong waren kurkdroog en ze had nood aan iets fris. Ze probeerde op te staan, wat haar enige moeite kostte, aangezien haar spieren nog verdoofd waren. Ze nam plaats naast Roos, die voor haar een kiwi uit de zak had opgediept en hem in twee gelijke stukken had gesneden, het soort symmetrie dat houvast biedt in moeilijke tijden. ‘Ik zoek nog even een lepeltje,’ zei ze, en ze graaide een lepeltje van een tafeltje waarin eerder die dag een heroïneshot geprepareerd was. Ze veegde het schoon met haar mouw en gaf het aan Amber. De kiwi was net rijp genoeg, de ideale balans tussen zoet en zuur, en zo sappig dat het voor even haar dorst leste. Maar ze wilde meer, keek in de zak en vond een bakje aardbeien. Ze at er zo lustig van dat ze eerst niet in de gaten had dat Roos Super8 hanteerde.

‘Wat doe je?’ Amber draaide verlegen haar hoofd weg. Ze was het niet gewoon het onderwerp te zijn. Tegelijkertijd was dit moment veelbetekenend voor haar verhouding tot Diabolik. Of dat hoopte ze toch. Misschien was het een teken van aanvaarding, waardoor het natuurlijk nog moeilijker werd, zo niet onmogelijk, om afstand te nemen. Anderzijds, wilde ze dat nog wel? Ze had het hier naar haar zin, ondanks wat zich tijdens het ochtendgloren had afgespeeld.

Roos zette de camera op de leuning van de zetel, verplaatste een van de zakken en schoof dichter naar Amber toe. ‘Je bent erg mooi, wist je dat?’

‘Ben je dronken?’

‘Een beetje.’

Amber moest lachen. ‘Dank je,’ zei ze, en dan: ‘Jij ook.’ Ze meende het. Roos had lange koperkleurige krullen die als vlammen rond haar hoofd dansten en ogen als gletsjers. Vuur en ijs in één gezicht. Ze keken elkaar een tijdje aan zonder iets te zeggen. In haar ooghoeken trilde de gloed van de vele kaarsvlammetjes. Amber vroeg zich af of zij hetzelfde dacht als Roos. Het antwoord volgde enkele seconden later. Na een kleine aarzeling vonden hun lippen elkaar, gevolgd door hun tongen. Ze proefde de alcohol nog in Roos’ mond, met een wrange nasmaak van iemand die al enkele dagen haar tanden niet had gepoetst.

Voor ze het goed en wel besefte was Amber naakt. Op haar sokken na. Ze keek een beetje bedeesd naar haar eigen lichaam dat in de nevelige kaarslucht de kleur had van boter. Een nog blekere hand bedekte haar linkerborst. De hand was aangenaam koel. De camera draaide nog steeds, miste niets, maar dat deerde haar niet. Ze liet Roos toe. Haar lichaam ontspande zich, geholpen door de Valium. Een tinteling zinderde door haar lendenen. Ze sloot haar ogen en legde heel zachtjes een hand op Roos’ hoofd, dat zich tussen haar dijen bevond. De krullen kietelden haar naakte huid. Ze vond het fijn. Zo fijn dat ze voelde hoe haar mond tot een vredige glimlach krulde. Het was gek, ze viel niet eens op vrouwen, Roos ook niet, en toch voelde het ontzettend juist aan. Alsof dit het enige was wat steekhield, nu, op dit moment. Ze vreeën.

De medicatie was duidelijk nog niet uitgewerkt, want na haar hoogtepunt viel Amber meteen weer in slaap. Toen ze voor de tweede keer die nacht ontwaakte, waren de meeste kaarsjes vanzelf uitgegaan. Hier en daar flakkerde nog een vlammetje, een lichtpuntje in een waas van duisternis. Ergens in de verte snurkte Sebastian nog steeds. ‘Roos?’ fluisterde ze. Roos lag met haar hoofd op haar buik, maar sliep als een blok. Amber gleed onder haar vandaan. Ze moest dringend plassen. Haar blaas drukte zodanig tegen haar ingewanden dat het pijn deed. In slaapdronken toestand begaf ze zich naar het abattoir, nam zelfs niet de tijd om haar kleren aan te doen. Toen ze op het toilet ging zitten en haar blaas liet leeglopen, ontwaarde ze een silhouet in het schemerduister. Het duurde even voor haar hersenen registreerden wat ze zag, en even dacht ze zelfs dat ze droomde, ook al had ze meestal geen dergelijk gruwelijke nachtmerries.

De schim bengelde aan een vleeshaak die aan het plafond hing, het hoofd naar beneden, boven de kuip waarin die arme hond geslacht was. Amber stond op. Ze wankelde een beetje. Terwijl er nog enkele druppeltjes warme urine langs haar dijen naar beneden sijpelden, strompelde ze in de richting van de kuip. Ze herkende het profiel van Molokai. Hij lag in de kuip, het hoofd naar achter en de mond wijd open. Opeens was Amber klaarwakker en besefte ze wat er gaande was. En dat ze iets vergeten was. De camera. Nog geen twintig tellen later stond ze terug op dezelfde plaats. De camera draaide. De vrouw bloedde leeg in Molokais keel. Hij dronk en dronk en dronk. Amber hoorde hem slikken, hoorde hem het stroperige bloed tot zich nemen. Met haar ene oog dichtgeknepen en het andere geopend, tuurde ze door de lens, zonder ook maar één keer te knipperen. De schokkerige schaduwen in het donker, de bevreemdende geluiden … Amber was doodsbang.

De ware betekenis van het ritueel drong langzaam tot haar door. Molokai praatte nooit. Hij zong slechts. Al dat bloed … had hij daaraan zijn engelenstem te danken? Amber had het met haar eigen ogen gezien. Ze vond het weerzinwekkend en toch voelde ze zich in zekere zin ook vereerd dit te mogen aanschouwen. Geen weg meer terug. Die gedachte greep haar als een ijskoude hand naar de keel. Ze kreeg geen zuurstof meer. Amber wankelde naar de poort, glipte naar buiten en snoof de broeierige nachtlucht op. Ze wilde niet naar huis, maar moest even weg van het slachthuis, dus slenterde ze langs de loodsen, braakte tegen een oude elektriciteitskast, ging zitten, keek naar de sterren en deed een poging om ze te tellen.

In de verte hoorde ze Molokais stem die plots de nacht brak. Etherische klanken zwierven tussen en over het grauwe beton en Amber plukte ze met haar oren uit de stinkende lucht. Het was zo mooi, zo betoverend. Ze kreeg er tranen van in haar ogen. Eén traan bleef hangen als een vlies voor haar rechteroog, waardoor ze troebel zag, de andere zigzagde in een warme lijn over haar wang. Ze was een gevangene van zijn stem en al die tijd hield ze haar adem in. Waarom zou ze ooit nog weggaan? Het enige wat ze nodig had, bevond zich hier. Ze leefde ervoor om Molokai elke dag opnieuw te kunnen horen. Ze zou er zelfs voor moorden. Ze grinnikte erom, maar wist dat ze het meende. Volgende keer misschien. Ze sloot haar ogen, concentreerde zich op de stem en fluisterde: ‘Ik zou absoluut voor jou willen moorden.’