web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Horror

Genres

Category Archives: Horror

Vaaltgieren : Tom Thys

Je moet weten dat de jaren negentig niet mild waren voor bepaalde Antwerpse wijken. Wij leefden in een vergeten stukje van de stad, in het middelste van drie flatgebouwen. De Silvertopblokken, zo werden ze genoemd. Drie sombere monolieten die naar de wolken klommen, opge­trokken uit grijze steen waarin ontelbare venstertjes geborduurd waren. Achter die venstertjes loerde doffe ellende. Het was alsof al het uitschot en alle armoezaaiers van Antwerpen er in ballingschap leefden. Ondanks hun pogingen om vooruit te komen in het leven, zonken ze steeds dieper weg in het moeras van hun eigen tristesse. Dat effect hadden de Silvertopblokken nu eenmaal op hun inwoners.

Roy en ik waren twee van de honderden bannelingen. Met z’n vijftien jaar was Roy twee jaar ouder dan ik. Hij was mijn beste vriend. Hij lispelde, maar ik trok zo vaak met hem op dat het mij niet meer opviel. Het grootste deel van onze tijd brachten we door in de afvalruimte, onderaan het flatgebouw waar we beiden woonden. Echt slecht hadden we het niet. Tenminste, we maakten er het beste van en hadden eigenlijk geen flauw benul van de ernst van sommige situaties. Er wordt vaak gezegd dat kinderen heel flexibel zijn, dat ze zich moeiteloos aanpassen aan hun omgeving, hoe naar die soms ook is. Ik geloof dat dit ook voor ons gold.

De gebeurtenis die ik met jullie wil delen speelde zich af op een oktoberdag in 1994. De lucht was één grote, grijze deken die onop­houdend motregen over de mistroostige woontorens bloedde. Het soort weer dat je tussen de vier muren van je veel te kleine flat dwong, gekluisterd aan je veel te kleine televisiescherm, tenzij je een depressie had en je jezelf nog meer wilde kastijden door naar buiten te gaan.

Roy en ik zaten in de afvalruimte, beschut tegen de regen en de gierende wind. We hadden besloten om die dag te spijbelen. Onze moeders zouden er niets van merken. Zoals gewoonlijk was die van mij vroeg uit de veren om tegen een hongerloon te gaan poetsen bij wel­gestelde gezinnen. Die van Roy zat thuis, high van de kalmeer­middelen. Onze moeders hadden geen man die hen het leven wat gemakkelijker maakte, geen man die hen af en toe mee uit eten nam of een nekmassage gaf of erop toekeek dat hun zonen niet op het verkeerde pad geraakten. Ze stonden er helemaal alleen voor. In feite was hun leven om zeep. Het enige wat ze nog wilden, was een toekomst voor hun kinderen.

De afvalruimte was een donker hok dat zich op de beneden­verdieping van het flatgebouw bevond. Het was tamelijk groot. Van de buitenkant leek het op een garagebox voor kleine vrachtwagens. Er was een zware, ijzeren poort en in die poort zat een deurtje. Hoewel het deurtje altijd open was, kwam er bijna nooit iemand. Als je alleen wilde zijn, om welke reden dan ook, dan was de afvalruimte de ideale plaats. Aan de stank raakte je na verloop van tijd wel gewend.

In de ruimte stonden verschil­lende ijzeren containers die uitpuilden van het vuilnis. Vaak werd er ook illegaal afval gestort. Tapijten, beeldbuis­schermen, dat soort dingen. Het kroonjuweel van dat stinkende hol was de stortkoker, die centraal uit het plafond kwam. Vanbinnen smerig en vanbuiten grauw glimmend in de paarse gloed van flikkerende tl-lampen.

Roy zat onderuitgezakt op de tegelvloer met zijn rug tegen een vuilnis­zak die hij naar de iele vorm van zijn lichaam had gekneed. Hij speelde op zijn Game Boy. De aanstekelijke melodie van Tetris galmde tussen mijn oren en ik kon het niet laten om mee te neuriën. ‘Hou daar mee op,’ siste Roy. Hij was verschrikkelijk goed in dat spel en het zou lang duren voor ik aan de beurt kwam. Ik hoopte hem af te leiden, maar zag aan zijn gezicht dat hij erg nukkig was, dus liet ik hem met rust.

Uit verveling deed ik wat ik wel vaker deed: ik ging in de vuilnis­containers op zoek naar verborgen schatten. Negenennegentig procent van wat de flatbewoners in de stortkoker dumpten, was smerig afval: luiers, beschimmelde etensresten, de inhoud van een asbak, condooms en bebloede tampons.

Ik klom op een van de containers en boog over de rand, boven het vuil. Ik was me bewust van de gevaren. Het was een broeinest van bacteriën. Als je wonden in je vingers had, kon je maar beter niet in aanraking komen met die plakkerige troep. Gore ziektes lagen daar voor het oprapen. Wroeten in het afval was gevaarlijk omdat je zomaar in een heroïnenaald kon graaien. Bovendien drong de rottingsgeur je neusgaten binnen zodat je bijna moest braken. Maar soms, heel soms, stootte je op een schat. Een afgedankt G.I. Joe poppetje, een pakje sigaretten dat op het eerste gezicht leeg was, maar waar bij nader inzien nog één sigaret in zat, of pornoblaadjes. Ooit kwam er zelfs een versleten dildo naar beneden gevallen. We probeerden te gissen wie de eigenares was en waren het er al snel over eens dat hij aan Wendy toebehoorde, een hoertje dat op de zesde verdieping woonde.

Ook deze keer was mijn schattenjacht een klein succes. ‘Kijk wat ik gevonden heb!’ riep ik. Trots toonde ik Roy een flesje modelbouwlijm. We wisten allebei wat dat betekende.

Roy zette de Game Boy uit. Onmiddellijk zag ik die hongerige blik in zijn ogen. Hij stond op, haalde een zakdoek uit zijn broekzak en gebaarde me dat ik hem de lijm moest geven. Dat deed ik. Roy hield het flesje tegen het licht en bestudeerde het etiket. Hij mompelde iets. Aan zijn gezicht te zien was hij opgetogen over mijn vondst. ‘Kom,’ zei hij.

Roy hurkte en legde de zakdoek over zijn knie. Hij vouwde hem dubbel en herhaalde die handeling. Daarna opende hij het flesje. Het was niet groot, maar van uitstekende kwaliteit. Ik kende het merk: Revell was de max. Het was niet alleen geschikt voor het lijmen van plastic vliegtuig­onderdeeltjes. Roy keurde het goedje met zijn neus en sloot zijn ogen. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij. Hij liet mij ook ruiken. Ik hield van die typische geur van chemicaliën, scherp en zoet tegelijkertijd. Voor­zichtig goot Roy een deel van het flesje leeg in de zakdoek. Vervolgens drukte hij hem tegen zijn neus en ademde zo lang en diep in, dat zijn ogen wegdraaiden en hij begon te wankelen. Hij ging weer tegen de vuilniszak zitten en begon zachtjes te kreunen.

‘Kom naast me zitten,’ murmelde hij even later.

Ik aarzelde. Meestal was Roy niet zo’n aangenaam gezelschap wanneer zijn roes uitgewerkt was. Hij kon dan heel chagrijnig worden, vijandig zelfs. Maar toen hij me bij mijn pols naar beneden trok, kon ik niet anders. Hij bevochtigde de zakdoek en gaf hem aan mij. Ik gaf me over aan de chemicaliën en zakte nog wat meer onderuit, tussen het vuilnis. Mijn hoofd begon al snel te bonzen en ik kreeg het gevoel alsof ik op een draaimolen zat. Met een troebele blik staarde ik naar de stortkoker, die gaapte als de ontstoken keel van een prehistorisch monster. Af en toe viel er wat rommel uit de schacht.

De high duurde ongeveer een kwartier. Roy was als eerste weer helder. Met mijn ogen nog steeds gesloten hoorde ik hem zachtjes hijgen. Ik luisterde naar het geritsel van de plastic vuilniszakken toen hij zich bewoog, een warm, geruststellend geluid. Er ging een rits open. Roy pakte mijn hand en begeleidde me naar zijn kruis. Zijn pik was hard en Roy kreunde toen mijn koude vingers het beroerden.

‘Verdorie, Roy.’ Ik trok mijn hand weg. ‘Laat me even met rust.’ Op zich had ik er niets op tegen om Roy af te trekken, maar ik wilde nog genieten van dat dromerige gevoel.

‘Ik wil het nu,’ gromde hij. Opnieuw greep hij mijn hand. Zijn nagels haalden mijn vlees open en ik siste van de pijn. Mijn ogen sprongen open. Als wraak trok ik aan zijn schaamhaar. Roy schrok en brulde het uit. ‘Klootzak, waarom doe je dat?’ Zijn stem weergalmde tussen de vieze tegelmuren. Hij gaf me een stomp op mijn neus waardoor ik nog meer onderuitzakte. Onmiddellijk proefde ik bloed in mijn mond. Ik spuugde een fluim op de grond en schreeuwde hem toe dat hij een waardeloze vriend was. Toch gaf ik hem zijn zin, deels uit angst, deels uit medelijden.

Zijn stemmingswisselingen had Roy overgehouden aan de mysterieuze verdwijning van zijn jongere broertje Andy. Dat was ongeveer anderhalf jaar geleden gebeurd. Roy had het zichtbaar moeilijk om het trauma te verwerken, ook al praatte hij er nooit over. Andy was zes toen hij verdween. Met zijn drieën waren we aan het ronddolen in de buurt, zoals we altijd deden. Het was zomervakantie. We slenterden over de speeltuin die eigenlijk geen speeltuin was, maar eerder een kerkhof van vernielde houten skeletten in een niemandsland. Ik herinner me nog hoe de loodzware hitte van die dag oploste in de rukwinden van een nakende storm. Ik hield van die typische geur.

We hadden meerdere schuilplaatsen tegen de regen: de afvalruimte of de ondergrondse parkeergarage waar tieners skateten en drugs gebruik­ten. Maar in die tijd verstopten we ons ook regelmatig in wat wij de tussenverdieping noemden. De woontoren was zodanig gecon­strueerd dat zich boven de benedenverdieping een nis bevond over de hele breedte van het gebouw. Daarop stonden betonnen kolom­men die de rest van de appartementen ondersteunden. De nis was ongeveer één meter twintig hoog, zodat je altijd krom moest lopen. Met al die kolommen was het net een doolhof. Je kon er letterlijk verdwalen. En het stonk er verschrikkelijk naar duivenstront.

Om op de tussenverdieping te komen moest je je lichaam dwars zetten tussen een zijmuur en een pilaar en zo omhoog klauteren, iets waar wij heel behendig in waren. De tussenverdieping was bovendien een paradijs voor vaaltgieren zoals wij. Je kon er alles vinden: tennisballen, aan­stekers, speelgoed, batterijen, muntstukken en medicijnen. Andy had ooit de arm van een etalagepop ontdekt en was luidkeels gaan gillen omdat hij dacht dat het een echte arm was. Daar hebben we hard om gelachen.

Roy was verzot op zijn broertje. In veel opzichten leken ze op elkaar en toch waren ze ook heel verschillend. Maar ze waren onafscheidelijk. Echter, op de dag van het onweer gebeurde het ondenkbare. Andy verdween spoorloos.

Elk waren we onze eigen weg gegaan op de tussenverdieping, op zoek naar schatten. Eerst dachten we dat Andy verstoppertje speelde om ons te jennen. Toen dachten we dat hij naar beneden was gevallen en misschien zijn nek had gebroken. Roy en ik waren in paniek, aangezien zijn moeder erop vertrouwde dat wij Andy nauwlettend in de gaten hielden. Hij kon soms heel onstuimig zijn en een ongeluk was natuurlijk snel gebeurd. Maar we vonden Andy nergens. De hele middag hebben we naar hem gezocht.

Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Roys moeder was ten einde raad. Ik herinner me nog dat ze op haar sokken buiten stond en onop­houdelijk de naam van haar jongste zoon stond te schreeuwen. Er werd een burgerpatrouille ingeschakeld. De buurt werd uitgekamd en overal werden pamfletten met Andy’s foto opgehangen. Zonder resultaat.

Je moet weten dat er in die tijd wel meer jongetjes verdwenen in de regio, jongetjes die nadien nooit meer teruggevonden werden. Dus toen Andy na een week nog steeds niet thuis was, had iedereen de hoop opgegeven. Roy heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die dag zijn broertje uit het oog verloor.

Schokkend kwam hij klaar in mijn hand. Na een zucht van genot volgden er tranen. ‘Het spijt me,’ snikte hij, terwijl hij zijn broek dicht­ritste.

Ik veegde mijn hand af aan zijn zakdoek en omhelsde hem. ‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Het geeft niet.’ We misten Andy allebei, maar bij Roy sneed het verdriet zo diep dat hij er soms bijna krankzinnig van werd. Ik besloot een mop te vertellen om hem op te vrolijken. ‘Wat is het toppunt van zelfvertrouwen?’

Roy haalde zijn schouders op.

‘Een scheet laten als je diarree hebt.’

Ik keek naar Roy in de hoop dat mijn missie geslaagd was. Hij staarde me aan door betraande ogen, zijn lippen stijf op elkaar gedrukt. Ik zag zijn neusvleugels trillen. Hij probeerde zich serieus te houden, wat slechts even lukte. Zijn schouders begonnen te schudden. Plots proestte hij het uit. Opnieuw rolden er tranen over zijn wangen, maar deze keer van het lachen. Zijn buik schudde heftig. Ook ik hield het niet meer. Ik klapte dubbel en zocht steun tegen een container. Ons gelach bulderde in schelle echo’s tussen de muren van de afvalruimte. We schaterden het uit tot we kramp kregen in onze kaken.

Toen we uitgelachen waren, wees Roy naar het flesje, dat nog voor de helft gevuld was. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Roy prepareerde een tweede high. Deze keer mocht ik eerst. Ik snoof de lijm, die gearomatiseerd was met Roys sperma, een geur die me naar extase voerde. Aanvankelijk knipperde ik nog enkele keren met mijn ogen om de stortkoker in de gaten te houden, wachtend op een nieuwe schat, maar ik werd al snel aan de roes overgeleverd. Ik zweefde door een diepblauwe hemel, omringd door pluizige wolken.

De tweede roes was altijd minder lang en minder sterk, maar omdat Roy me deze keer niet lastig viel, was hij aangenamer dan de eerste. Ik was volledig ontspannen en gaf me over aan het extatische gevoel in mijn hoofd. Hier beneden, met behulp van de lijm, kon ik even alles vergeten. Geen gezeur van mama, geen andere shit. De rust was heerlijk. Helaas kon ik er niet lang van genieten.

Ik werd brutaal uit mijn droomtoestand gerukt door scherpe, metalige klanken die op mij neerdaalden. Met opengesperde ogen keken Roy en ik naar de schacht. Dit was niet het geluid van een ordinair stuk vuilnis dat gedumpt werd. Het bonken zwol aan tot een sinistere symfonie en we zagen hoe de koker een zwart voorwerp uitbraakte. Het vuilnis in de container eronder verzekerde een zachte landing. We waren allebei zo benieuwd dat we meteen opstonden. Ik voelde me nog licht in mijn hoofd. Roy ongetwijfeld ook, want hij wankelde en struikelde bijna over zijn eigen voeten. Eenmaal bij de container klommen we over de rand om te zien wat dat zwarte voorwerp was.

Het bleek een transistorradio te zijn. Hij was terechtgekomen in iets wat op bedorven lasagne leek, maar dat deerde ons niet. Roy boog nog wat dieper over de rand zodat hij erbij kon met zijn handen. Hij pakte de transistorradio, gaf hem aan mij en zei me de smurrie weg te vegen met zijn zakdoek.

‘Wie gooit zoiets weg?’ dacht ik hardop. Hij zag er tamelijk nieuw uit. Ik peuterde de restjes lasagne weg tussen de knopjes en de luidspreker.

Roy kwam naast me staan. ‘Zou hij nog werken?’

Toen ik hem helemaal had schoongemaakt, gaf ik hem de transistor­radio terug.

Hij zette hem aan en draaide aan de volumeknop, maar er kwam geen geluid uit. Hij draaide het toestel om. ‘Er zitten geen batterijen in.’

We keken elkaar peinzend aan. Plots kreeg ik een idee. Ik pakte Roys Game Boy en verwijderde het klepje aan de achterkant. Een voor een nam ik ze eruit. ‘Is dit de juiste maat?’ vroeg ik, terwijl ik er een tussen duim en wijsvinger hield.

‘Ik denk het wel,’ zei Roy. Hij griste de batterijen uit mijn hand en stak ze in de transistor. Toen hij hem aanzette en Love & Devotion van Real McCoy door de luidspreker schalde, begonnen we allebei uitbundig te dansen. Het was weken geleden dat we nog zo’n kostbare schat hadden buitgemaakt. We zongen luidkeels mee met het refrein.

 

Love and devotion, baby
I can’t get enough of all that love and devotion in my life.
Love and devotion, baby love and devotion,
You are the sunshine of my life.

 

Daarna imiteerde Roy het rapgedeelte, stoere handgebaren inbegrepen. Het was een van de grootste hits van dat jaar, we kenden het nummer helemaal uit ons hoofd en waren er wild van. Roy had zelfs wat vette dansmoves bedacht, speciaal voor dat nummer. Hij voerde ze uit op de glibberige tegelvloer. Hij leek Michael Jackson wel.

Toen het nummer afgelopen was, nam ik de transistor en zocht naar een andere zender. Ik draaide aan de knop terwijl ik naar de naald op de FM-band keek. De ruimte tussen twee radiostations werd telkens opgevuld met krakende ruis waar soms een stem of een beat doorheen klonk. We vonden niet meteen een kanaal naar ons zin. Bovendien was de ontvangst niet optimaal. Ik rommelde wat aan de antenne. Tevergeefs. Ruis was het enige wat nog uit de transistor kwam.

‘Wacht eens, heb je dat gehoord?’ zei Roy opeens.

‘Wat bedoel je?’

‘Draai eens terug.’ Zijn ogen werden groot en hij schoof dichterbij.

Ik deed wat hij vroeg maar weer kwam er slechts ruis uit de luidsprekers… en flarden van een nummer van Madonna waarvan ik de melodie wel herkende, maar waarvan ik niet op de titel kon komen. ‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ik.

Zonder iets te zeggen griste Roy de radio uit mijn handen. Hij legde zijn oor tegen de luidspreker en draaide heel langzaam aan de knop. De naald verschoof van links naar rechts en weer naar links. Ik wilde iets zeggen, maar Roy gebaarde me dat ik moest zwijgen. Hij sloot zijn ogen. Gedurende een minuut herhaalde hij dezelfde handeling, tot hij de radio bijna uit zijn handen liet vallen. ‘Dit,’ zei hij. ‘Heb je dat gehoord?’ Hij huiverde.

Ik gebaarde van niet. Ik wilde hem niet teleurstellen of hem het gevoel geven dat hij het zich inbeeldde, maar ik hoorde echt niets.

Roy draaide het volume hoger en hield de radio tegen mijn oor. ‘Luister.’

Ik deed wat hij vroeg. Eerst hoorde ik alleen ruis. Ik probeerde me te focussen en door de ruis heen te luisteren en na een tijdje hoorde ik het ook, al was het eerst onduidelijk. Geschreeuw dat uit de verte leek te komen. Niet afkomstig van een liedje of van een presentator. Nee, het klonk als het gillen van een kind dat doodsangsten uitstond. ‘Shit,’ stamelde ik. Ik schudde met mijn hoofd. Tegen beter weten in probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat die afgrijselijke klanken deel uitmaakten van een bizar liedje. Het was alsof iets of iemand mijn keel dichtkneep. Ik vergat te ademen.

Met bevende handen plaatste Roy de radio op de grond. We zetten allebei enkele passen achteruit, als dieren die in het nauw gedreven werden. We wisselden een blik en staarden vervolgens weer naar het toestel. Doordat ik me concentreerde op het geluid, kon ik de ruis wegdenken. Het geschreeuw werd steeds dwingender. De stem in de verte bezorgde me kippenvel. Even later realiseerde ik me dat het niet één stem was, maar meerdere. Stemmen van jongetjes. Doodsbange jongetjes. Geen woorden, alleen maar geschreeuw.

Ik dacht ogenblikkelijk aan Andy.

Op dat moment voelde ik de grond onder mijn voeten wegvallen. Ik weet nog hoe ik naar Roy keek om te zien of hij net als ik stond te daveren op zijn benen. Zijn gezicht was lijkbleek en hij probeerde speeksel weg te slikken. Ik zag zijn adamsappel op en neer wippen. Ik wilde dat vreselijke geluid niet meer horen, maar ik slaagde er niet in te bewegen. Ik was verstijfd. Gelukkig liep Roy na even aarzelen naar de radio om hem af te zetten door met zijn voet op de knop te trappen. Twee seconden langer en ik had het ongetwijfeld in mijn broek gedaan.

De stilte voelde als een warm bad.

Heel even maar, want daarna daalde er een kilte over me neer waar ik rillingen van kreeg. De radio lag daar op de grond. Ik keek naar de frequentie. De naald stond op 102.8 Mhz. Het leek een doodgewoon toestel, maar Roy en ik wisten wel beter. De verdwenen jongetjes hadden ons gevonden. Onmiddellijk spookten verschillende vragen door mijn hoofd.

Wilden ze ons iets vertellen?

Waarschijnlijk wel, maar wat?

Waar bevonden ze zich?

Waren ze dood?

Of leefden ze nog?

Met hoeveel waren ze?

Zouden we Andy ooit nog terugzien?

En de andere jongetjes waar zoveel ouders nog steeds om treurden?

En wie had die duivelse radio in de stortkoker gekieperd?

‘Wat nu?’ vroeg ik aan Roy, alsof hij het antwoord hoorde te weten. Roy haalde zijn schouders op. We wisten allebei dat we dit niet konden negeren, dat we niet konden doen alsof we die transistorradio nooit gevonden hadden. Roy zei wat ik dacht toen hij vroeg wie dat toestel had gedumpt.

Ik dacht ogenblikkelijk aan meneer Uspensky. Meneer Uspensky was een zonderlinge Oekraïense immigrant waarvan niemand wist hoe oud hij eigenlijk was omdat hij er op sommige dagen heel jong uitzag en op andere dagen heel oud. Hij woonde op de negentiende verdieping. Daar leidde hij een teruggetrokken leven. Je zag hem niet vaak, maar wanneer je hem zag was dat altijd op onregelmatige tijdstippen terwijl hij doelloos ronddoolde in de buurt. Hij leek heel gejaagd als je hem met zijn karak­teristieke, mankende tred zag wandelen. Meestal kon je hem tegen zich­zelf wartaal horen mompelen, iets wat de kinderen uit de buurt zowel angst inboezemde als op hun lachspieren werkte.

Meneer Uspensky was een broodmager skelet van twee meter groot met een afschuwelijk litteken onder zijn oog en tanden die als weggezonken grafzerken uit zijn grijze tandvlees staken. Hij droeg kleren die nooit bij het weer pasten. Als het ’s winters vroor, liep hij op sandalen en tijdens een hittegolf in augustus danste er een lange, donkerbruine jas vol gaten om zijn geraamte.

Waarom ik aan meneer Uspensky dacht? Destijds hadden de flat­bewoners hem ervan beschuldigd iets met de verdwijningen te maken te hebben. Waarschijnlijk omdat ze hem zo’n vreemde vogel vonden. Hij maakte zichzelf verdacht met zijn rare gedrag. De politie had hem ver­schillende keren ondervraagd, maar ze hadden nooit bewijzen tegen hem gevonden. Toch werd er steeds gefluisterd dat meneer Uspensky die jongetjes gemolesteerd had en dat hij ze daarna ergens gedumpt had. Soms riepen mensen hem wat na als hij weer eens aan het ronddolen was. Een enkele keer hadden twee mannen uit de buurt geprobeerd om hem een pak rammel te verkopen, maar ze konden niet tegen hem op.

Ik was bang voor hem. Roy ook, al gaf hij dat niet graag toe. Een keer had ik hem uitgedaagd om met de lift naar de negentiende verdieping te gaan. Ik zei dat hij niet door de spleet onder de voordeur van meneer Uspensky’s flat durfde kijken. Roy had de uitdaging aangenomen en was de deur genaderd. Daar ging hij plat op zijn buik liggen. Ik stond ver genoeg om op tijd weg te rennen als die deur plots open zou gaan, maar dichtbij genoeg om dat eigenaardige geluid te horen. Het klonk als de statische ruis van een of ander toestel.

Roy moest zijn wang helemaal tegen de vloer drukken om naar binnen te kunnen loeren. Vijf seconden, langer duurde het niet. Omdat hij gestommel bij de voordeur hoorde, veerde hij overeind en renden we samen weg.

Toen ik op de terugweg aan Roy vroeg of hij iets had kunnen zien, zei hij dat de hal vol radiotoestellen stond. Oude en nieuwe modellen, zowel hele grote als hele kleine die in je jaszak pasten, en ook losse onderdelen en toestellen die zelfgemaakt leken. Het was een immense verzameling, zei Roy. Dat verklaarde waarschijnlijk de statische ruis. En er stonden ook kartonnen dozen op elkaar gestapeld tot aan het plafond. We speculeerden dat meneer Uspensky er de beenderen van de jongetjes in bewaarde. Toen moest Roy overgeven en sindsdien zijn we nooit meer op de negentiende verdieping geweest.

‘Zullen we de radio weer aanzetten en proberen te achterhalen waar dat geschreeuw vandaan komt?’ vroeg Roy. Hij keek bedrukt en in zijn stem klonk pure wanhoop door. Hij moest en zou te weten komen wat er met Andy gebeurd was.

Ik was niet zeker of dat wel zo’n goed idee was. Misschien waren de gruwelen waaraan Andy onderworpen was geweest wel zo erg dat Roy nooit meer zou kunnen slapen. Maar ik begreep hoe belangrijk dit voor hem was en liep, ondanks mijn angst en afkeer voor die spookachtige stemmen, naar het toestel. Ik zette het aan. Roy en ik gingen zitten en sloten onze ogen. Opnieuw duurde het een poos voor we door de ruis heen konden luisteren. Het vergde opperste concentratie en het was net alsof we eerst in een soort trance moesten komen alvorens de stemmen ons bereikten.

Deze keer probeerde ik alle achtergrondgeluiden eruit te filteren. Ik hoopte op die manier iets van de omgeving op te vangen. Al gauw besefte ik dat we naar een speld in een hooiberg zochten. Het was bijna onmogelijk om de ruis van de achtergrondgeluiden te onderscheiden en als we dan toch iets zouden horen, dan nog was het gissen wat het was en waar het vandaan kwam.

Maar misschien zouden de laatste druppels modelbouwlijm mijn roes wel voldoende versterken om de geluiden te ontmantelen als de schillen van een ui. Ik liet het flesje leegdruppelen op mijn T-shirt en duwde het vochtige katoen tegen mijn neus.

De verschuiving in mijn geestestoestand voltrok zich enkele ogen­­blikken later. In plaats van dat de geluiden helder bij me binnen sijpelden, kreeg ik iets wat ik enkel als een visioen kan omschrijven. Een vaag, waterig beeld. Ik wist meteen dat ik het her­kende, al was het zo troebel dat ik twijfelde of het uit een droom, een nachtmerrie of een vage herinnering afkomstig was. Roy moet aan mijn gelaatsuitdrukking gemerkt hebben dat ik iets op het spoor was. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij.

Ik gebaarde dat hij me even met rust moest laten. Hij mocht mijn visioen niet verstoren. Bovendien moest het snel gaan, want met enkele druppels lijm zou de roes hooguit een minuut of twee duren. De kleuren vielen mij als eerste op. Roestbruin met bleke, paarse vlekken. Ik zag ook een lange gang waarvan het einde onzichtbaar was. Plassen op de vloer, schimmel op de muur. Toen de geluiden van ventilatieschachten, tikkende verwarmingsbuizen en sidderende lampen één voor één door het beeld drongen, werd de film compleet.

Ik opende mijn ogen en keek Roy indringend aan.

‘En?’ vroeg hij. Zijn borstkas ging snel op en neer en zijn ogen waren overspannen met ongeboren tranen.

‘De kelder,’ zei ik.

‘Bedoel je…?’

Ik knikte.

‘Waar wachten we dan nog op?’ Roy stond op. Zijn gewrichten knakten van het lange stilzitten. De wanhoop en het verdriet in zijn blik hadden plaatsgemaakt voor verbetenheid. Hij liep naar de deur en duwde ertegen. Die ging krijsend open. Een bundel vaal daglicht stroomde de afvalruimte binnen. Omdat Roy zag dat ik hem niet meteen volgde, keek hij over zijn schouder. ‘Kom je nog?’ Hij probeerde niet eens zijn ergernis te verbergen.

Ik was als de dood voor de kelder onder het flatgebouw. Het was een reusachtig labyrint. Slechts één keer was ik er geweest, op de dag dat we verhuisd waren en mijn moeder me had gevraagd om haar te helpen enkele spullen in de kelder op te bergen. Uit nieuwsgierigheid was ik door de verschillende gangetjes gaan dwalen, langs de kelderboxen van de vele bewoners, tot ik opeens besefte dat ik me de weg terug niet meer herinnerde. De muren leken op me af te komen. Het gaf me een beklem­mend gevoel dat nog het best te vergelijken was met wurging door ijskoude handen. Zeker tien minuten heb ik daar lopen zoeken naar een uitweg uit die stinkende, vochtige en schemerige doolhof. Ik vreesde dat ik er nooit meer uit zou komen, dat ik opgeslorpt zou worden door het gebouw. Nadien heb ik er zelfs nog nare dromen over gehad. Daarom aarzelde ik toen Roy mij wenkte, maar hij was zo vastberaden om te achterhalen wat er met Andy gebeurd was, dat ik hem niet in de steek kon laten.

We liepen het flatgebouw binnen en namen de lift naar de kelder­verdieping. De ijzeren kooi schommelde tijdens de afdaling. Ik luisterde naar mijn hartslag die met elke seconde in snelheid toenam. Ik keek naar Roy. Zijn mondhoeken stonden strak van de spanning en zijn gezicht had een koortsachtige glans. ‘Denk je dat we iets zullen vinden?’ vroeg ik. Maar Roy antwoordde niet. Ik geloof dat hij me niets eens gehoord had, zo gefocust was hij.

Toen de lift tot stilstand kwam, wachtte Roy een ogenblik alvorens hij met ingehouden adem de deur openduwde. Het was onmogelijk om de stank van schimmel te negeren, zelfs als je je neus toekneep. Hij wurmde zich tussen je lippen naar binnen en prikkelde je sinussen en papillen tot je er van moest hoesten. Links en rechts reikte de gang tot in het oneindige, onderbroken door zijgangetjes die elk op zich nog ontelbare aftakkingen hadden. Het was koud in de kelder. Ik rilde en legde mijn armen over elkaar. ‘Welke kant gaan we op?’

Roy keek naar links, naar rechts en weer naar links en zei: ‘Die kant.’

De gang was slecht verlicht. Hier en daar flikkerden tl-lampen. Sommige deden het helemaal niet. Naast de lampen aan het plafond hingen verwarmingsbuizen en waterleidingen, die op verschillende plaatsen lekten. Daardoor waren er plassen ontstaan op de vloer. Roy en ik slalomden erlangs. Het was een hels karwei om hier naar Andy te gaan zoeken. Bovendien had de politie destijds het hele gebouw al uitgekamd en niets gevonden. Ik probeerde me af te sluiten voor de keldergeluiden, in de hoop het geschreeuw te kunnen horen, ergens in de verte. Of eigenlijk hoopte ik eerder niets te horen, want ik zou het in mijn broek doen en ik wilde dapper blijven voor Roy. ‘Is het niet beter als we jouw moeder erbij halen?’ vroeg ik.

‘Ben je gek?’ zei hij. ‘Ze is een wrak, ze zit onder de medicijnen. Ze kan dit niet aan.’

Roy had gelijk. We waren op onszelf aangewezen. Hij gaf de indruk dat hij wist wat hij deed, dus volgde ik hem. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem. Als ik had gekund, zou ik zelfs zijn hand hebben vastgehouden, maar de gang was zo smal dat als je je armen strekte, je beide muren kon aanraken. Onze voetstappen weergalmden in scherpe echo’s. Opnieuw kreeg ik het erg benauwd, net zoals vroeger, toen ik bijna was verdwaald. Ik werd een beetje duizelig en concentreerde me op mijn ademhaling zodat ik niet ging hyperventileren.

‘We moeten de kelder van die gore Uspensky vinden,’ zei Roy vast­besloten.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In het gebouw woonden honderden mensen. Dat betekende talloze met traliedeuren afgesloten hokjes, verdeeld over al die donkere, smerige gangetjes. We sloegen een hoek om. Heel even lette ik niet op waar ik liep. Bijna schoof ik uit in een plas water. Door mijn poging om overeind te bleven, viel mijn oog op een wansmakelijk tafereel. Ik slaakte een kreet en maakte Roy zo aan het schrikken dat hij ook begon te krijsen, al wist hij in eerste instantie niet waarom. Tegen de muur zat een grote rat te knabbelen aan iets wat op een klein kadaver leek. Toen ik beter keek, zag ik dat het ook een rat was. Zijn buik was opengehaald. Zijn ingewanden lagen in een bloederig bundeltje op de vloer, zijn ogen waren al opgepeuzeld. De rat knabbelde onverstoord voort. Roy en ik maakten ons huiverend uit de voeten, dieper het labyrint in.

Bij elke box keken we naar het naamplaatje. Soms was het zo donker dat je de letters amper kon lezen, soms ontbrak het plaatje. Veel van de bewoners kenden we niet eens. El Bartali, Vercammen, Rodriguez, Adriaenssens, Thompson, Kitenge, en zo ging het maar door. We liepen het ene na het andere gangetje in, maar de box van Uspensky kwamen we niet tegen.

Roy en ik gingen methodisch te werk door de kelder van west naar oost uit te kammen. Na de verschillende aftakkingen van de zijgangetjes te hebben onderzocht, kwamen we weer uit op de hoofdgang om van daaruit verder te gaan. Bij sommige boxen bleven we een tijdje staan om wat zich achter de traliedeuren bevond te bestuderen. Het was absurd wat sommige mensen opborgen: een hele collectie VHS-banden van Aziatische vechtfilms, National Geographic magazines uit de jaren zeventig en een grasmaaier die compleet nutteloos was in een flatgebouw. Bij de box van ene Baeyens deinsden Roy en ik een halve meter achteruit. Half gedrenkt in schaduw, half badend in het schijnsel van een tl-lamp, stond een gestalte.

Ik bevroor ter plekke. Ik kreeg geen zuurstof meer in mijn longen gezogen. Mijn hand zocht naar die van Roy, maar vond alleen lucht. Helder denken lukte niet, maar op een onbewust niveau begreep ik dat de traliedeur die ons scheidde ons een kans gaf om weg te rennen. Ik wachtte tot de gestalte uit de schemering zou treden. Roy tikte me aan. Zijn aanraking veroorzaakte een schokgolf in mijn lichaam. Omdat de gestalte niet reageerde om mijn gil, durfde ik het aan om even opzij te kijken. Roy had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

Het bleek zo’n vintage etalagepop te zijn. Met haar glazen ogen staarde de kale vrouw ons aan van achter de tralies.

‘Shit man,’ zei Roy. ‘Wat griezelig. Het lijkt hier wel een spookhuis, vind je niet?’

Ik slaagde er niet in te antwoorden. Ik had zojuist een hartverzakking gehad en snakte naar daglicht en buitenlucht.

Toen we van de schok bekomen waren, stak Roy zijn arm naar binnen. ‘Moet je haar tieten zien.’ Hij legde zijn hand als een kommetje over een van haar borsten. ‘Wil je ook eens voelen?’

Ik schudde met mijn hoofd. ‘Gaan we?’

‘Ja.’ Roys gezicht stond weer doodernstig.

We liepen terug naar de hoofdgang om het laatste stukje van de oostelijke vleugel te verkennen. Van de spanning vergat ik dat ik het koud had. Ik probeerde me voor te stellen wat we zouden aantreffen in de box van meneer Uspensky. Allerlei gruwelijke beelden flitsten door mijn hoofd. In het gedeelte waar we nu terechtgekomen waren, stond de vloer onder water. Onze voetstappen klonken loom en dromerig. Ik waande mij een ontdekkingsreiziger. Aan onze linkerzijde bevond zich het allerlaatste zijgangetje. Als we daar niets vonden, was onze zoektocht helemaal voor niets geweest.

Roy liep het hoekje om en verdween kortstondig uit mijn gezichtsveld, zodat het leek alsof ik helemaal alleen in de kelder was. Die gedachte bezorgde mij onaangename kriebels in mijn buik. Ik weet niet waarom, maar ik keek over mijn schouder en was er zeker van dat ik de dreigende gestalte van meneer Uspensky zou zien. Ik dacht dat ik zijn zware voetstappen hoorde, dat ik zijn scherp afgetekende schaduw op de muur naast mij zag. Ik was er zelfs van overtuigd dat ik hem in mijn nek voelde hijgen, koud en warm tegelijkertijd. Maar er was niemand. De gang achter mij was leeg. Leeg en eindeloos lang.

‘Hebbes!’ hoorde ik Roy opeens zeggen. Zijn stem trok me terug de werkelijkheid in. Ik liep gauw het hoekje om. Roy stond bij de box van meneer Uspensky. Ik ging naast hem staan, schouder tegen schouder, en keek door de traliedeur naar binnen. Het hok was leeg. Er stond niet één doos, er lang geen enkel papiertje op de grond. Die vaststelling was zowel een ontnuchtering als een opluchting.

‘Onmogelijk,’ zei Roy. Hij weigerde te geloven wat hij zag. Of wat hij niet zag. ‘Er moet iets zijn. Iets.’ Zijn stem sloeg over. Gefrustreerd morrelde hij aan het hangslot dat rond de traliedeur zat. Daarna trapte hij ertegen. Het ijzeren geluid zinderde nog enkele seconden na. Hij beet op zijn lip tot er bloed uitkwam.

Ik zag de woede in Roys ogen en probeerde hem tot bedaren te brengen door mijn arm om zijn schouders te leggen. Zijn woede maakte plaats voor verdriet. Tevergeefs deed hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Hij begon te snikken. Ik liet hem begaan. Gedurende enkele minuten keken we naar het lege hok. ‘Kom, Roy,’ zei ik uiteindelijk, ‘dit heeft geen zin.’

Zonder iets te zeggen draaiden we ons om. Op het moment dat we de hoek om wilden gaan, greep een verre, gekwelde gil ons bij het nekvel. Roy en ik bevroren ter plaatse. Ik zweer je dat ik nog nooit in mijn leven zo bang ben geweest als toen. Aanvankelijk probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het de metalige klank van de verwarmingsbuizen was, of een kelderdeur die door een andere bewoner geopend werd, ergens diep in de doolhof. Maar het geluid was overduidelijk afkomstig van een stem, deze keer niet verstoord door de ruis van de radio.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Roy. Zijn stem trilde. In het tl-licht zag hij er lijkbleek uit. Het was een overbodige vraag, meer bedoeld om zijn eigen ongeloof onder woorden te brengen.

Heel langzaam, alsof we enkel nog in slow motion konden bewegen, draaiden we ons weer om. Toen ik aan het eind van de gang de traliedeur als een mond vol rotte tanden zag grijnzen, kreeg ik overal kippenvel. Mijn ingewanden deden pijn, alsof ze door een stel scherpe klauwen uit mijn buik werden gerukt en in een ijsbad werden gedumpt. Ik huiverde ervoor om te gaan kijken waar dat verlammende gegil vandaan kwam, maar we hadden geen keuze. Ondertussen was het water op de vloer doorgedrongen tot in mijn sokken en had ik ijskoude voeten gekregen.

Zij aan zij liepen Roy en ik naar de deur. Toen we dichterbij kwamen, weerklonk het meerstemmige gegil opnieuw. Nog steeds ver weg, maar kraakhelder, bijna tastbaar. En er bestond geen twijfel over: het was afkomstig uit de kelderbox van meneer Uspensky.

Roy morrelde opnieuw aan het slot. Het was oud en verroest en niet erg stevig, net als de traliedeur. ‘We moeten naar binnen,’ zei Roy, terwijl hij een manier zocht om het slot te ontgrendelen. Ik had al snel door dat enkel bruut geweld ons binnen zou krijgen. Roy gaf een ruk aan het slot, ik stampte tegen de deur en dat deden we tientallen keren tot we buiten adem waren en het zweet in onze verbeten frons parelde. Ondertussen konden we nog steeds het geschreeuw horen.

Na een zoveelste poging brak het slot. Rinkelend viel het op de grond en een seconde later zwaaide de traliedeur open. Het moment was zo onverwacht dat we even niet wisten wat te doen.

Roy was de eerste die het hok betrad, omringd door de spookachtige echo’s. Hij zocht naar de lichtschakelaar. Een gloeipeertje dat aan het plafond bengelde sprong aan en wierp een urinekleurige gloed over de omgeving. Roy keek omhoog, omlaag en naar de muren, op zoek naar zijn broertje. Ik herinner me nog dat ik me afvroeg of de stemmen toch van geesten afkomstig waren. Ik kon me niet voorstellen dat al die jongetjes ergens in de muur verborgen zaten zonder dat de speurders hen gevonden hadden. Uitgerekend die dag hadden ze met ons contact gezocht. Ik geloof dat het voorbestemd was.

‘Wat nu?’ vroeg Roy wanhopig.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. We stonden voor een raadsel. Tegelijk legden we ons oor tegen de muur. Het was duidelijk dat de geesten daar achter het beton ronddoolden, gevangen in het gebouw en in een gruwelijke herinnering.

Ergens in de muur ontdekte ik een scheur. Ze viel eerst niet op omdat ze bepleisterd was, maar de lichtinval verried een oneffenheid. ‘Moet je dit zien,’ zei ik tegen Roy. Ik wees naar de plek op de muur waar de scheur dichtgesmeerd was.

Roy aarzelde niet. Hij begon als een bezetene de bepleistering los te peuteren. Ik deed met hem mee. Eerst gebruikten we onze vingernagels en toen dat te traag ging, onze huissleutels. De brokjes kwamen gemakkelijker los dan ik verwacht had. De scheur werd zienderogen groter en voor we het goed en wel beseften, was er een gat ontstaan waar Roys arm precies doorheen kon.

De stemmen klonken nu onwaarschijnlijk dichtbij. Dichtbij, maar anders dan voorheen. Met het openen van het gat in de muur had het geschreeuw en gehuil plaatsgemaakt voor gegiechel en het typische geluid van spelende jongetjes. Op hetzelfde moment waaide er een ijskoude wind uit het gat naar buiten. De wind streek langs mijn gezicht en dat van Roy. Zijn haren wapperden en ik voelde hoe een rilling over mijn ruggengraat liep. Ik klappertandde. Roys mond zakte open van verbijstering. Er bungelde een speekseldraad uit zijn mondhoek.

We waren zo betoverd door wat er gebeurde dat we als aan de grond genageld stonden. Ergens tussen al die stemmen meende ik die van Andy te herkennen. Roy ook, want hij sprak de naam van zijn broertje uit. Er werd nog meer gelachen. Blije geluiden van kinderlijke vreugde. Niet zoveel later ging de ijzige wind liggen en met het verdwijnen van de kou, verstomden ook de stemmen.

Terwijl ik nog moest bekomen van deze akelige en tegelijkertijd wonder­lijke gebeurtenis, gluurde Roy door het gat. Hij zag niets, zei hij. Daarop stak hij zijn arm erdoor.

‘Voel je iets?’ vroeg ik.

Roy schudde zijn hoofd.

Ik kreeg een ingeving. Het plafond van de kelder was tamelijk laag. Als ik op mijn tenen stond, kon ik het peertje aanraken. Het was gloeiend heet, dus deed ik mijn T-shirt uit en wikkelde het rond mijn hand. De elektrische draad liep over het plafond en was vastgemaakt met twee ijzeren klemmetjes. Als ik er hard genoeg aan trok, maar toch voorzichtig zodat de draad niet zou knappen, kon ik het peertje naar beneden brengen om het als zaklamp te gebruiken. De klemmetjes sprongen onmiddellijk open en zo kwam de draad los. Roy nam de lamp van me over en scheen ermee in het gat.

Ik vroeg hem of hij iets zag, maar hij zweeg. Ik probeerde mee te kijken over zijn schouder, wat niet lukte. ‘Wat zie je?’ vroeg ik nogmaals. In plaats van te antwoorden, draaide Roy zich om. Hij stond met zijn rug tegen de muur en liet zich onderuit zakken. Daarna trok hij zijn knieën op en klemde beide armen eromheen.

‘Wat is er?’ Ik wilde weten wat hij gezien had.

Roy staarde verweesd voor zich uit. Zijn mondhoeken trilden. Bijna liet hij de lamp uit zijn handen vallen, maar ik kon hem nog net opvangen, ook al leverde me dat een brandwond op in mijn handpalm. Roy was niet meer in staat om iets te zeggen. Ik nam mijn T-shirt uit zijn handen en wikkelde het opnieuw rond de hals van de lamp zodat ik zelf door het gat kon kijken.

Nog elke dag wens ik dat ik dat nooit gedaan had.

Achter de muur bevond zich een holte, half zo groot als de kelderbox. In de stralenkrans van het gloeipeertje glansden bleke objecten. Ik had even tijd nodig om het beeld tot mij te laten doordringen. Het waren onvol­groeide beenderen en schedels. Ze waren opgezet met draad en metalen pinnen en in verschillende poses gemanoeuvreerd. Twee skeletjes waren verwikkeld in een doodskus, enkele anderen leken een heksensabbat te dansen rond een denkbeeldig vuur. Hun armen en benen hingen in eigenaardige hoeken. Van sommige stonden de kaken open in een macabere grijns. Uspensky had ze uitgestald als marionetten. Ergens daartussen moest Andy staan.

Terwijl Roy nog steeds zwijgzaam en rillend van de schok voor zich uit zat te staren, begon ik te braken. Een zure smaak nestelde zich in mijn keelholte. Mijn slokdarm deed pijn. Ik probeerde het beeld te vergeten, maar kon het niet weerstaan om nogmaals naar binnen te kijken. Deze keer telde ik de skeletten. Het waren er zeven.

Er was iets anders dat me opviel: tientallen reflecties tegen de wand erachter. Het duurde enkele seconden voor ik doorhad dat het foto’s waren. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om te kunnen zien wat er op de foto’s stond. Mijn maag keerde om bij de beelden van Uspensky die met zichzelf speelde in het bijzijn van de dode lichaampjes. Hij had ze in alle stadia van ontbinding gefotografeerd, de ene keer alleen, dan weer in zijn omhelzing, tot het punt waarop ze geraamtes geworden waren. Alsof het poppen waren had hij de lijkjes in suggestieve houdingen gedwongen.

De kwaliteit van de beelden was te slecht om af te leiden waar ze genomen waren.

Mijn slokdarm trok weer samen. Braken lukte niet meer, mijn maag was al leeg. Ik wendde mijn blik van de foto’s af. Nog voor ik me omdraaide, merkte ik in een oogopslag dat alle kinderen hun schoenen nog aanhadden. Met de lamp bescheen ik elk paar voeten, tot ik Andy’s zwart-witte All Stars zag en een brok in mijn keel kreeg.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang we daar gezeten hebben. Het konden twee minuten geweest zijn, maar evengoed twee uur. Uiteindelijk vroeg ik aan Roy wat we moesten doen. ‘Jouw moeder mag dit niet zien,’ zei ik. ‘Maar mijn moeder kunnen we wel inlichten. Of zullen we zelf de politie bellen?’

Roy liet mijn woorden bezinken. Hij ademde diep in en uit. Zijn tranen waren opgedroogd, zijn blik was hard. Hij zag er opeens een stuk ouder uit, alsof hij na het zien van de beenderen op slag volwassen geworden was. Ik geloof dat dat ook echt het geval was. Al die tijd had hij gehoopt dat hij Andy ooit zou terugzien. Die hoop had hem overeind gehouden, maar nu was hij gebroken. ‘Nee,’ zei hij koud, ‘ik heb een beter idee.’

Hij stond op, liep naar de hoofdgang en vervolgens naar de lift. Zijn tred was zo vastberaden dat ik hem met moeite kon bijbenen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde ik weten. Maar hij zweeg. Hij drukte op het knopje van de lift. Toen die er was, stapten we in. Daarna drukte hij op het knopje van de negentiende verdieping. Plots kreeg ik het heel benauwd. De lift klom langzaam omhoog en met elke verdieping voelde ik de spanning in mijn spieren toenemen. Mijn handpalmen werden klam van het zweet. Opnieuw vroeg ik Roy wat zijn bedoeling was, maar hij liet niets los. Ik begreep dat aandringen geen zin meer had.

Op de negentiende verdieping kwam de lift tot stilstand. Het leek een eeuwigheid te duren voor de liftdeur opende. In die tijd stelde ik me voor wat er allemaal kon gebeuren. Mijn gedachten waren één grote chaos, overspoeld door angst en opwinding. Verschillende scenario’s flitsten door mijn hoofd. Toch was ik verrast toen Roy begon te spreken, met een bevende stem die niet als de zijne klonk. ‘Volg me.’ Meer zei hij niet. We liepen naar de trappenhal. Alleen van daaruit kon je naar het dak van het flatgebouw, via een luik in het plafond. Roy gebood me om naar boven te gaan.

‘Waarom?’ vroeg ik. Ik was bang.

‘Geen vragen, doe gewoon wat ik zeg.’

‘Roy, laten we alsjeblieft geen domme dingen doen.’

Roys ogen gloeiden als kooltjes. Hij hoefde niets meer te zeggen, ik gehoorzaamde hem. Samen liepen we het dak op. Hij trok me bij mijn pols naar de dakrand die hoog uittorende boven de grijze snelweg waar honderden auto’s als tetrisblokjes langs elkaar heen schoven. Het waaide. De rand van het dak kwam tot aan mijn middel. Roy en ik keken elkaar aan. Hij gebood me om op de rand te gaan zitten. Ik durfde niet naar beneden te kijken. Ik beet op mijn lip, vocht tegen de tranen. Ik wilde hem smeken om uit te leggen wat hij van plan was, maar wist dat het geen zin had. Toen zei Roy: ‘Blijf hier op me wachten.’ Hij draaide zich om, liep terug naar het luik en verdween.

Ik kon onmogelijk weten wat er daarna zou gebeuren. Die dag was de laatste keer dat ik met Roy sprak. Op het dak, daar heb ik zijn laatste woorden gehoord. Blijf hier op me wachten. Nooit heeft hij me kunnen vertellen wat er precies in zijn hoofd omging op dat moment, maar ik heb voor mijzelf een reconstructie gemaakt en ik ben er bijna zeker van dat het zo is gelopen.

Roy ging terug naar de negentiende verdieping. Daar liep hij naar de flat van meneer Uspensky en belde aan. Toen meneer Uspensky de deur opende, vertelde Roy hem een smoes die hij in de kelder verzonnen moest hebben. Hij gebruikte mij als lokaas en zei dat ik vastzat op het dak, of zoiets, omdat hij wist dat meneer Uspensky de verleiding niet zou kunnen weerstaan om een jongetje in nood te helpen; een heldhaftige daad die om een wederdienst vroeg. Waarschijnlijk vertelde Roy hem dat we nieuwsgierig waren naar hoe het zou zijn tussen de wolken, maar dat ik bij het beklimmen van de dakrand plots zo bang was geworden dat ik er niet meer af durfde, omdat ik vreesde dat ik naar beneden zou donderden. Zoiets moet het geweest zijn.

Meneer Uspensky volgde Roy gretig en kroop met zijn lange, hoekige lichaam door het luik. Toen ik mijn hoofd draaide, zag ik ze allebei staan: Roy in de schaduw van die nare man. Uspensky had een vreemde grijns op zijn gezicht, het soort grimas van iemand die verrast is door de grote opportuniteit die hem plots in de schoot geworpen wordt. Hongerig en vervuld van ongeloof tegelijkertijd. Hij hinkte mijn richting uit, met Roy in zijn kielzog. Uspensky zei niets, hij keek gewoon naar mij. Hij bestudeerde mij van top tot teen zoals een slager het karkas van een varken bekijkt om te zien welk stuk vlees hij eerst zal aansnijden. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Ik wilde weg van de dakrand, maar blok­keerde toen ik in Uspensky’s donkere, glimmende ogen keek.

Voor ik het besefte stond hij naast mij. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Het was een imposante gedaante. Ik klemde mijn handen stevig om de dakrand en maakte aanstalten om op te staan, klaar om weg te rennen. Uspensky opende zijn mond om iets te zeggen. Nog voor de klanken zijn keel verlieten, zag ik in mijn ooghoek hoe Roy kwam aangestormd en Uspensky een stevige duw in de rug gaf. Met moeite kon ik bevatten wat er gebeurde.

Uspensky wankelde. Zijn enorme lichaam helde naar de afgrond. Hij zette zijn ene voet voor de andere, in een poging zijn evenwicht te bewaren, maar wanneer zo’n massief gewicht eenmaal in beweging komt, is het bijna onmogelijk om het te stoppen. Het was net een dronken­mansdans. Pure paniek overtrok Uspensky’s gezicht. Hij klapwiekte met zijn lange armen en perste een oerkreet uit zijn longen. Zijn lichaam helde alsmaar meer over. Toch hervond Uspensky op het laatste moment zijn evenwicht. Hij graaide met zijn armen naar de dakrand en hield zichzelf tegen.

In de tussentijd was Roy – die door de duw zelf achteruit gekatapulteerd was – weer overeind gekomen. Opnieuw stormde hij op Uspensky af en gaf hem een tweede duw. Deze keer ging het vanzelf. Uspensky verloor zijn grip en tuimelde naar beneden met een langgerekte schreeuw. Ik zag hem steeds kleiner worden zonder te beseffen wat er eigenlijk gebeurde. Tot hij de grond raakte. De klap was tot boven te horen. Gevolgd door bloed. Veel bloed. Ik hield mijn hand voor mijn mond, geschrokken en gechoqueerd door de nietigheid van een mensenleven. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar ik weet wel dat ik geen medelijden had met die ouwe viezerik.

Lange tijd bleef ik gapen naar dat lichaam, dat in een onnatuurlijke hoek op de grond lag, met ledematen die als een waaier van vlees in een steeds groter wordende plas bloed lagen. Van bovenaf leek het net een bloem. Een perfect plan van Roy. Iedereen zou geloven dat die perverse ouwe zak zelfmoord had gepleegd.

Ik was zo gefixeerd op zijn lijk dat ik niet had gezien dat Roy naast mij op de rand was komen staan. Ik zag hem pas toen hij in mijn ooghoek als een zwevend object in de lucht hing. Enkele seconden later lag Roy naast Uspensky op de grond. Hij had niet eens gegild.

Ik kon niet geloven dat Roy gesprongen was. Niet hij. Zoiets zou hij nooit doen. Niet de Roy die ik zo goed kende en waar ik zoveel herinneringen mee had gedeeld. Maar zoals ik zei was hij eerder die dag in de kelder gebroken. Misschien was hij daar al wel gestorven. Ik keek over mijn schouder in de hoop dat alles slechts een illusie was en dat hij nog steeds achter me stond, met een steelse glimlach op zijn gezicht. Met zijn typische uitdrukking als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald. Dat gezicht mis ik nog steeds, en hoe harder ik Roy probeer te vergeten, hoe meer ik hem zie lachen.

Dode mannen dromen niet : Marcel Orie

Eerste akte: het boegbeeld

 

Noem me maar Shilpa. U bent nieuw hier? Het straalt van u af.

Misschien heeft u al van me gehoord? Shilpa de moritat-zanger? Luister naar mijn lied en stop een penning in het bakje van Herr Stumm, mijn aapje. Is hij niet schattig? Zie: hij is gekleed als een klein mensje. Ik maak mijn ronde over de zompige pieren van dit stadje. Met mijn draai­orgeltje begeleid ik de moord­ballades die ik zing, terwijl Stumm springt en danst.

De doden lopen hier schouder aan schouder met de levende dromers. Soms is het verschil moeilijk uit te maken, slechts in de details schuilt het echte kwaad.

Dit is een baai waaruit niemand meer vertrekt. Zie hoe de schepen opeen gepakt liggen. Kijk hoe de Baal met zijn boegspriet tegen de achtersteven van het zwarte galjoen Queen of Spades aanschurkt als een hitsig beest.

Her en der steken er nog masten boven het groene water uit, van gezonken en nooit geborgen schepen die als koraal­riffen vlak onder de waterlijn verstoken liggen. De wrak­ken maken de binnenhaven ondiep en verraderlijk.

In geval van storm deinen de schepen op de golven en ze botsen en schuren en klappen tegen elkaar, terwijl de beman­ningsleden als opgeschrikte mieren over het dek zwermen, touwen vastsjorrend, enterhaken gereed houdend, verwen­singen schreeuwend die weggevoerd worden door de wind.

Maar meestal is het water kalm in de vergeten binnen­haven van Wurmwater. De seizoenen zijn hier gelijkmatig. En de bemanning van piraten, moordenaars en plunde­raars, schoften van allerlei allooi houdt zich ook kalm. De bootsmannen zien erop toe dat de schepen onderhouden worden, ook al hebben ze er geen hoop meer op ooit nog uit te varen. En tussendoor wordt er gedobbeld, gedronken, gesnoefd en geslapen. De landerige stemming die zich van de zeebonken meester maakt baart de verstandigste kapiteins zorgen. Uit dit soort doelloos gelummel kunnen plots muiterijen ontkiemen.

 

*

 

Op de achterplecht van de Queen of Spades vindt een overleg plaats tussen drie kapiteins. In de namiddag hebben ze Madeira-wijn zitten drinken in de schaduw van grote ronde parasols. Nu begint de zon onder te gaan en zijn kaarsen bijgezet op ijzeren standaards. Het flakkerende licht vormt het drietal tot wrakhouten boegbeelden, losgebroken van hun schepen en na een lange sluimertijd gedobberd te hebben in zout water, aangespoeld op een vreemde kust. Verweerde koppen, stulpend en wrattig als overdekt met zeepokken. Het schaduwspel verhult niet, maar benadrukt slechts hun inborst.

De kapitein van dit schip luistert naar de naam Edward Teach, maar werd gevreesd als de piraat Black-beard. Hij harkt gedachteloos met zijn vingers door zijn lange, woeste baard, terwijl hij spreekt.

Hij heeft de andere twee kapiteins uitgenodigd. De Marsh­-broers, kapiteins op hetzelfde schip, wat het spreek­woord daar ook van vinden mag: de Baal. Beide mannen hadden bij leven de voorname leeftijd van zestig al bereikt, voordat ze stierven en aan hun tweede leven in Wurmwater begonnen. Ze zijn beide zwaar van lijf. De jongste broer, de stamvader Obed, is corpulent, zelfs vet te noemen. Ahab, de oudere broer, is zwaar op een andere manier, hij heeft nog steeds de bedacht­zame kracht van zijn walvisvaardersbestaan opgesloten in zijn gedaante.

Hun hoofden zijn te groot, bedenkt Edward zich, terwijl hij nog eens inschenkt. Obed heeft een schedel als een os, en bij Ahab is dat prominente voorhoofd ook nog eens getekend met littekens.

Ze spreken over vele dingen. Over hun gevangenschap in deze verstikte baai. Over hun verlangen om het zeegat uit te varen. Ze spreken over hun levens, over de handel, de walvisvaart en de piraterij. Ze lijken het eens. Een man moet zijn weg in het leven vinden. Neem je lot in eigen handen.

Ze dissen elkaar anekdotes op uit hun bewogen levens. Ze keuvelen. Over wijn en likeur. Over vrouwen. Obed Marsh haalde zijn vrouwen in Polynesië, dat is geen geheim, evenmin als wat hij met die vrouwen deed. Ze spreken over de landen die ze bezochten. De mannen die ze bedrogen. De wijn vloeit rijkelijk. De drie oude mannen blijken jongensogen te hebben, de schelmachtige twinkeling verraadt ze.

Maar er is ook achterdocht, als een verraderlijke onderstroming. Met welk doel heeft Edward de andere twee uitgenodigd? Ze zijn reeds jaren elkaars buren in deze haven en uitgerekend vandaag komt hij met een uitnodiging? Het is uiteindelijk Ahab Marsh die de onvermijdelijke vraag verwoordt: ‘Je schenkt goede wijn, Edward, en je conversatie wordt ook gewaardeerd. Maar toch blijf ik me afvragen waarom je ons eigenlijk hebt uitgenodigd.’

Edward knikt, alsof hij op deze vraag heeft zitten wachten. Hij neemt nog een slok en gooit dan de naam op tafel.

‘Kennen jullie de smokkelaar Karagiozis? Hij is een Griek, of sommigen zeggen een Turk. Een ge­bochelde. Hij heeft een tijd lang gewerkt voor de ivoor­handelaar Kurtz, heb ik horen vertellen. Hij werkt nu al jaren voor zichzelf. Hij smokkelt. Voor­werpen, personen. Er wordt gezegd dat hij geheime wegen naar het land der levenden kent.’

‘Een gebochelde Orpheus,’ beaamt Obed Marsh, ‘ik heb over hem gehoord.’

‘Ik ook,’ zegt Ahab, ‘een Griek en een zwendelaar.’

Edward gaat verder. ‘Ik heb horen vertellen dat hij een van jullie bemanningsleden onder zijn hoede heeft genomen.’

Er valt een lange gespannen stilte, waarin de drie mannen elkaar maar aan zitten te kijken.

Na een tijdje haalt Edward zijn schouders op. ‘Van deserteurs hebben we allemaal last. Het is de vraag hoe je het probleem oplost… zodat de rest niet hetzelfde idee krijgt.’

‘Ja,’ zegt Obed, ‘onze verloren zoon moet terug­keren. Goedschiks of kwaadschiks.’

‘Ontbied de Griek. Ondervraag hem,’ suggereert Edward.

Even later vertrekken de broers. Ahab wankelt van de wijn. Zijn rechterbeen is van ivoor, kunstig gesne­den uit walvisbeen. Hij legt een van zijn grote handen op de schouder van zijn broer, voor steun.

Eenmaal alleen neemt Edward Teach weer plaats in zijn zetel en schenkt zichzelf nog eens in.

‘Veel geluk,’ grijnst hij tegen zichzelf.

 

*

 

Daar gaat Mackie Messer, de pooier. Hij heeft betere dagen gekend. Zijn haar wordt dun en hier en daar grijs. De praalhans in zijn ooit dure, maar nu gelapte heren­jas. Verborgen in die jas draagt hij zijn messen, met lemmeten die je pas ziet blikkeren als het te laat is.

Pooier is misschien een onaangename term. Mackie zou zichzelf niet zo omschrijven: hij is een entre­preneur. Hij doet wat hij moet doen om aan zijn duiten te komen, of hij nu zijn vrouw de straat op moet sturen, of zelf zijn handen vuil moet maken. Hij draait zijn hand ook niet om voor afpersing, mis­han­de­ling of brandstichting. Lang geleden, toen ze nog leefden, hebben Polly en hij nog opgetreden met een messen­werper-act, maar daar zijn ze mee gestopt toen de handen van Mackie teveel gingen trillen.

De tragiek van hun bestaan, als een worm die zich door een appel knaagt, is dat ze elkaar in Wurmwater ook weer tegen zijn gekomen. Ze zijn weer samen gaan wonen, in een klein huisje in de binnenstad. Polly werkt in een her­berg als kamermeisje en af en toe pikt ze nog een klant op, maar dat wordt moeilijker nu het haar grijs wordt en haar tanden slecht. Ze heeft nog steeds haar ranke figuur, de hoge billen en puntvormige borsten, en daar is Mackie blij mee.

Zelf pakt hij alles aan om de eindjes aan elkaar te knopen. Souteneur is een term waar hij zich wel onder kan scharen. In het Frans klinkt het toch allemaal net wat eleganter, en hij spreekt de taal niet.

 

*

 

Edward Teach op vrijersvoeten. Hij heeft zijn woeste zwarte baard uitgekamd en in drie punten verdeeld, elk vastgezet met een gestrikt kleurig lint, zodat zijn baard de vorken van een drietand vormt, een symbolische daad die niet alleen zijn aangeboren ijdelheid bevredigt maar ook de goedkeuring van de zeegoden kan wegdragen. Hij bespren­kelt zich rijkelijk met reukwater en wikkelt een sjaal rond de littekens in zijn nek. In de wakende landen hadden zijn tegenstanders hem door­stoken, ze hadden zijn hoofd afgehakt en het aan de haren aan de boeg­spriet van zijn buitgemaakte galjoen geknoopt.

Hij is een dode met een voortdurend verstijfd lid. Wil je weten hoe je obsessie spelt?

Hij klimt de drie treden omhoog en opent met trillende handen het deurtje naar de galerij. Het vergulde krul- en lijstwerk van de spiegel achter hem vormt de barokke achtergrond voor zijn romantische ontmoetingen. De boegspriet van de Baal steekt, zoals reeds vermeld, rake­lings langs de achtersteven van zijn galjoen. De na­bij­­heid van de schepen maakt een bijna besloten ruimte van de galerij. Een besloten hofje voor twee tortel­duiven. De griffioenen die de glas-in-lood raampjes van zijn kajuit flankeren, zijn het enige publiek.

Links is het hokje waar zijn privaat gesitueerd is. Rechts de toegangs­deur tot zijn hut, die hij openlaat om extra beschutting te creëren. De boeg van de Baal ontneemt vrijwel alle zicht op de rest van de baai. Boven zijn hoofd torent het overdreven hoge voorkasteel.

Maar recht voor zich ontvouwt zij zich. Iedere keer is het alsof hij haar voor het eerst ziet. Iedere keer weer, ook al bezoekt hij haar soms wel twee keer per dag, bij voorkeur tijdens de ochtendschemering of na het onder­gaan van de zon. Ze strekt haar ene arm voor zich uit, haar biceps rustend tegen de zachte welving van haar prachtige gezicht, haar reikende open hand is een smeekbede waarmee ze om de toegang tot tot zijn kapiteinshut verzoekt. De souplesse in die pols, de expressie in haar tastende vingertoppen!

Het boegbeeld belichaamt de ziel van het schip, zeggen zij met een romantische inborst. Maar de Baal is een kraak, een hoge beroete kolos en zij is daarvan juist de antithese. Haar fijne ivoren beelte­nis is gesneden uit walvisbot.

Haar vlakke, brede gezicht verwijst naar haar Poly­nesische afkomst. Haar oogleden zijn altijd ge­slo­ten, de krulling van haar wimpers in de juk­been­deren gekerfd. Ze is een prinses van het eiland Kokovoko, heeft ze hem eens toegefluisterd, al bleven haar brede lippen onbeweeglijk gesloten in een uit­druk­king die hem soms pruilend, soms trots voor­komt. Hij moet op zijn tenen staan om haar lippen te kunnen bereiken.

Ze kromt haar bovenlijf alsof ze los wil sidderen van de boeg waaraan ze gekluisterd is. Alsof ze de last die achterop haar komt van zich af wil schud­den. Haar wulps puilende borsten, onder­steund door haar andere arm, zijn besneden met wijd bemeten areola en elk bekroond met een tepel die priemt als een tastende vinger. Door de krom­ming van haar torso zijn de ribben zichtbaar, zo glad en gepolijst en toch met weerhaken verankerd in zijn geheugen. Onder de welving van haar buik, en de holte van haar navel die zo diep is dat zijn wijsvinger er twee kootjes diep in verdwijnt, begint haar vissenstaart. De vissenschubben waaieren uit als de schubben van een dennenappel, schrapen zijn handenpalmen als hij ze er begerig overheen laat glijden. Alleen het onderste gedeelte van de staart kromt zich bij de voorsteven vandaan, een vinger­wijzing naar haar verlangen om vrij te zijn van het schip waaraan ze gekruisigd is. Haar uitlopende staartvin kan hij slechts beroeren wanneer hij gaat liggen op de galerij en hij zijn bovenlijf vervaarlijk over de rand laat bungelen, zijn gespreide benen als contra­gewicht, en dan slechts met een volledige uitge­strekte arm, zich als het ware spiegelend aan haar pose, slechts dan kunnen zijn vingertoppen de gegroefde lijnen in haar staartvin bevoelen.

Soms, ja zelfs regelmatig, culmineren deze gestolen ontmoetingen, als het verlangen ziedend in hem brandt, in een dierlijk schurken, hij maakt woest en onstuimig zijn riem los, trekt zijn kleren opzij en wrijft zijn tumescente onderlijf tegen haar buik, tot hij iets van verlichting heeft bereikt.

Daarop volgt de angst dat iemand hem bespied heeft. Een van zijn onderofficieren over de uitwaaie­rende balustrade van het achter­kasteel; of waar­schijn­lijker, een van de nieuwsgierige vissen­kop­pen die aange­trokken door vreemd rumoer op de boeg­spriet van de Baal zou klimmen. Edward trekt zich dan knarsetandend terug in zijn hut, en slaat zijn geliefde gade door de tralies met gekleurde glaasjes. Hij is een man die bevelen buldert, waarbij zijn man­schap­pen overeind veren om die bevelen ook uit te voeren. Wanneer hij gedwongen wordt om zijn liefdes­ver­klaringen te fluisteren voelt hij zich minder dan die man. Het is alsof hij zichzelf kleineert. Alsof er met die nood­zakelijke heimelijkheid een mate van lafheid achter­blijft dat zich nestelt in het merg van zijn botten.

Hij is ook geen dwaas, geen brulboei die een scheepsslag ontketent omdat hij zijn eigen kleine pleziertjes najaagt. Om tussen die gebroeders Marsh te laveren is om jezelf te positioneren tussen hamer en aambeeld. Maar hij is ook geen lafaard!

 

*

 

Maar wat er na de wittebroodsweken komt? Het beeld van een huwelijk dat al te lang geduurd heeft? Neem bij­voorbeeld Mackie Messer en zijn Polly, ze zitten samen aan de bar van de Lustvolle Zwaardvis.

Verstandige drinkebroers blijven wijselijk op afstand als twee echte­lieden beginnen te kijven.

De stemming van Mackie Messer is grillig: hij wisselt van opgetogen naar humeurig. Als hij larmoyant over zijn glas gebogen zit, zijn kop zo rood aangelopen als de port die hij heel de middag heeft laten weglopen in de bodem­loze put van zijn keel, dan plotseling weer vocaal en roffelend op zijn borst als een mensaap. Kenners weten dat Mackie nu op zijn gevaarlijkst is, maar Polly is zelf te beschonken en door de wol geverfd om er nog om te geven.

‘Je weet toch wie ik ben, is het niet?’

‘Tuurlijk, tuurlijk, jij bent Mackie Messer. Mackie het Mes. Denk je dat ik dat niet weet? Wou dat ik het vergeten kon…’

‘Ik ben toch je vent, of niet? Ben ik je vent of niet?’

Zijn echtgenote trekt aan haar sigaartje en blaast de rook naar hem toe.

‘Ik vraag je wat! Ik vraag je wat! Ben jij mijn wijf of niet?’

‘Ja, dat ben je Mackie! God weet dat ik je wijf ben! Ik draag er de schandvlekken van.’ Ze herschikt de doek om haar schouders, trekt de stof om zich heen alsof ze het plotseling koud heeft.

‘Aaah, wat ben je toch een monster. Geef ik je dan niet genoeg?’

‘Jij geeft me meer dan genoeg, Mackie!’ spuwt ze hem toe. Ze buigt naar hem toe en even lijkt het alsof ze hem met haar lange tanden in zijn neus zal bijten. Haar ene voortand is verkleurd na een stomp in haar aangezicht, bij een echtelijke ruzie enkele jaren eerder.

‘Zeg maar wat je hebben moet! Zeg het me maar!’ Hij slaat met zijn vuist op de bar zodat de glazen rinkelen, maar verder is het stil in de Lustvolle Zwaardvis. De toog is hun niemandsland geworden, waar niemand zich nog op wil houden. De waard poetst glazen, zo ver moge­lijk bij de echtelieden vandaan. Aan de tafeltjes staren de andere klanten in hun glazen.

‘Wil je een gouden ketting om je nek? Wil je er twee? Zeg het maar. Dan ga ik ze halen! Ik haal ze voor je!’

Hij staat op en zijn barkruk gaat met een klap tegen de grond.

‘Ik ben nog steeds Mackie Messer!’

‘Weet ik toch,’ mompelt Polly.

Dat had ze ook nooit mogen zeggen.

 

*

 

Het gerucht dat de Marsh-clan op zoek was naar de Griek Karagiozis verspreidt zich door de stad met de virulentie van de Franse pokken.

Een harpoenier uit Nantucket vertelde het tegen een paar stuwadoors. En even later werd er op de visafslag, waar de kade glibberig was van de inge­wanden, ook al druk gespeculeerd over de ware toe­dracht. Wat waren de motieven van de betrokken partijen? Zelfs de gekluisterde kraankinderen in de tredmolens die de grote hijskraan aandrijven, hoor­den het aanzwellende gerucht aan, al konden ze er niets mee, voort­stappend als muildieren.

De woorden reisden langs de kanalen de stad in. Een papyrussnijder hoorde het van een blinde bede­laar. Hij vertelde het door tegen de fruit­verkoopster met een rieten mand op haar hoofd. Een passerende ratten­vanger vertraagde zijn pas om hen af te luisteren. Hoorde hij dat goed? Tien dukaten? De grijze man droeg een hark over zijn schouder waar­aan hij zijn vangst aan de naakte staarten had opge­knoopt, en die zwierende dode ratten hadden ver­ont­rustend menselijke gezichtjes.

Gerucht en roddel waren het levensbloed van deze stad.

Op het moment dat het het havenvolk de kroegen binnen golfde, bereikte zijn koortsachtig hoogte­punt. Met genoeg drank om de kelen te smeren en de vuren der heldhaftigheid op te stoken, tuimelden de vrijwilligers over elkaar om de gluiperige Griek (of was het toch een Turk) in de kraag te vatten en uit te leveren bij de Marsh-clan. De beloning was nog niet verdiend of ze was al uitgegeven.

De verschillende bevolkingslagen werden geïnfec­teerd met de roddel. De filosofen en dichters die tot diep in de nacht aan de toog hingen om hun onto­logische dorst te lessen, ook zij hoorden van het kop­geld. Met hun verhitte fantasie groeide Kara­giozis uit tot een schurk van formaat, voort­vluchtig en ongrijpbaar. Iedereen kon wel een schanddaad van dit mispunt opdissen. De meesten hadden uit eerste hand onder zijn doortraptheid geleden (ook al hoor­den ze vanavond voor het eerst zijn naam).

De woorden werden herhaald en verhaspeld , ze kwamen terecht bij zovelen die er niets mee konden, maar zo nu en dan ook bij een man die er het zijne van dacht. Een nerveuze man die iedereen Black Dog noemde, vertelde het tegen een van zijn kompanen, terwijl ze zaten te drinken in de Lustige Zwaardvis. Oh voor­zienigheid! Een sluimerende, beschonken Mackie Messer lag te slapen op een houten bank in de nis ernaast. Hij was niet wakker, maar hij was ook niet in slaap. Hij was volkomen droomloos, zoals alle doden in deze stad. De woorden vonden zijn oren, weefden zich door zijn bijna-maar-net-niet bewustzijn.

 

*

 

De Roodjassen hebben een prooi gegrepen. Het trom­geroffel roept de menigte van toeschouwers bijeen. Nieuwsgierig dromt het volk samen rond het schavot, terwijl de Roodjassen hun gevangene vastketenen. Ze laten de ongelukkige knielen, drukken zijn hoofd op een houtblok, kluisteren kettingen om zijn armen en benen die ratelend strak getrokken worden door vier metalen ogen. Zo uitgespreid is het nog slechts wachten op de beul.

De soldaten dragen rode knielange jassen en vilten puntmutsen met gaten voor ogen en mond. Zwijgend en argwanend slaan ze de menigte gade, musketten in de hand, sabels aan de zij. Een omroeper declameert wat onduidelijkheden over ‘misdaden tegen het Gemenebest’. In Wurm­water zijn begrippen als rechtvaardigheid en schuld betekenisloos gewor­den. Er is nog maar één strafmaat en die wordt uitgemeten door de Bloedvuist. Als hij ten tonele verschijnt in zijn slagersschort wijkt de opdringerige menigte uiteen. Een reus van een man, de langsten onder de toeschouwers reiken nog niet tot aan zijn borst. Hij heeft een slepende tred. Hij draagt zijn zware slegge over zijn ontblote schouders. Zijn huid is krijtbleek. Zijn overmaatse kop wordt verhuld door een juten aardappelzak, gedoopt in scharlaken verf, met twee rafelige ooggaten. Er wordt van de Bloedvuist gezegd dat hij sterk genoeg is om bloed uit een steen te knijpen. Hij schept er genoegen in om de hoofden van degenen die hem ter beschikking gesteld worden met één machtige slag plat te slaan. Slechts heel zelden heeft hij twee of meer slagen nodig. Zijn werk gedaan, verdwijnt de beul weer. De andere Roodjassen scheppen de gekliefde overblijfselen in een houten kruiwagen en voeren ze af. Er wordt gezegd dat ze de hoofdloze kadavers verbran­den in ondergrondse ovens die zo heet zijn dat zelfs de botten tot as vergaan.

 

*

 

Het roffelen van de pauken doet Mackie wakker schrikken in de alkoof waarin hij zijn roes ligt uit te slapen. Hij drukt zijn warme gezicht tegen het kleine ronde glas-in-lood raampje en loert door het flessenbodem-glas naar buiten. Hij heeft geen inte­resse in een executie, zo lang het maar niet die van hemzelf betreft. Het lot van zijn medemens laat hem sowieso koud.

Maar hij ziet buiten wel iets dat hem interesseert. Een herinnering aan gefluisterde woorden kriebelt in zijn brein en vertaalt zich tot een glimlach. Het is zoals zijn moeder altijd placht te zeggen: sommigen zijn nu eenmaal voor het geluk geboren. Hij kruipt uit de alkoof, fatsoeneert zijn kleren en haar, zo goed en kwaad als dat gaat, en haast zich naar buiten.

De moritat blijft een opmerkelijke verschijning in haar kleurige goed, kniehoge leren laarzen, een pofbroek en een keurlijfje dat haar kleine borstjes opstuwt. Een brede paarse doek om het hoofd geknoopt, waaruit haar stugge haar getoupeerd oprijst als een toren, omwonden met kralensnoeren en linten. Haar aapje zit op haar schouder, hij is netjes aangekleed en heeft een hoge hoed op zijn kopje. Ze is bezig een roldoek vast te spijkeren aan de achterzijde van een privaat-huisje.

Mackie sist naar de straatzangeres. ‘Shilpa schatje, waarom zing je mijn liedje nooit meer?’

Stil als een schaduw is hij haar beslopen en hij geniet van de schrik in haar ogen.

Ze herstelt zich vlotjes. Arm in haar zij. ‘Heb je er een penning voor over, Mackie?’

‘Andere keer, schatje. Ik zit nu wat krap bij kas.’

Hij is dichterbij haar komen staan. Hij reikt naar haar arm, maar zij stapt snel bij hem vandaan.

Hij glimlacht breed naar haar en schudt zijn hoofd.

‘Van mij heb je niets te vrezen, schatje.’

Ze tikt met twee vingers tegen haar slaap. ‘Ik ben je liedje niet vergeten: de haai heeft tanden en die draagt hij in zijn gezicht.’

‘Ik kan niet begrijpen dat wij nooit zaken hebben kunnen doen, zo’n mooie slimme meid als jij en…’

‘Laten we dat maar niet doen, Mackie.’

Hij zucht. ‘Zoals je wilt. We hebben het er een vol­gende keer wel over.’ Hij wijst op een figuur in de  uiteenvallende menigte. ‘Zeg eens, die grote vent daar, met die bochel als een dromedaris, dat is Karagiozis de Griek, toch? Met die lelijke kale kop en die haakneus.’

Shilpa hoeft nauwelijks te kijken. Ze knikt alleen maar.

‘Dacht ik al,’ glimlacht Mackie. ‘Goed zo. Heel goed. De volgende keer koop ik een liedje van je, Shilpa.’

De moritat-zinger besluit toch een andere plaats te zoeken om haar liederen ten gehore te brengen. Ze haalt haar juist vastgespijkerde doek weer los, rolt hem behendig op, hangt haar kleine draaiorgeltje weer aan de leren band over haar schouder en maakt zich dan uit de voeten, het kwetterende aapje in haar kielzog.

Mackie Messer blijft achteraf staan, leunend tegen het zweterige metselwerk, zijn handen weggestoken in de hoge zakken van zijn jas.

De ter dood veroordeelde wordt alweer afgevoerd in zijn kruiwagen. De beul sjokt er vandoor. De menigte begint uiteen te vallen, te desintegreren. Kleinere kluitjes kiezen weer hun eigen pad. Straat­verkopers en temeiers proberen ze nog te onderscheppen om hun schamele waren te slijten.

 

*

 

Ik zeg niet dat Wurmwater het hiernamaals is. Ik weet niet hoe heet de hel is, of wat de onderscheidende karakteristieken van het vagevuur precies zijn. Deze havenstad lijkt in ieder geval niets op de beschrijvingen die ik wel eens heb horen geven van de hemel of het paradijs. Maar misschien komt deze poel des verderfs een rechtgeaarde zondaar juist wel hemels of paradijselijk voor. Wie zal het zeggen? Ik in ieder geval niet. Ik ben maar een eenvoudige straatzangeres, geen geleerd theo­loog, predikant of moralist.

Laten we het erop houden dat Wurmwater een stad is, ergens, aan de nachtzijde der dingen, met een haven waar ongewoon veel zondaars strandden. Het komt op geen enkele kaart voor, las ik eens ergens, want echte plaatsen vind je nooit op een kaart.

Er zijn hier zoveel doden die een tweede kans hebben gekre­gen. Ze imiteren de levenden: ze vreten en zuipen, neuken en vechten, liegen en bedriegen, alsof er nooit meer een morgen zal komen. Een tweede kans om dezelfde misstappen te maken als de eerste keer. Daarom zing ik nooit een aubade of pastorale. Ik zou verhongeren, want mijn toehoorders zijn zo door de wol geverfd, dat hun aandacht slechts wordt getrokken als ik mijn roldoek vastspijker aan een schutting of paal. Het bloed moet van het doek druipen, anders blijven zij niet staan. Ik moet krassen over moord, brandstichting en verkrachting, anders zoeken zij hun vertier elders.

 

 

Tweede akte: de worst

 

Kent u de vissen die ze piranha noemen? Ze leven in de man­grove ten oosten van de stad. Het water is daar opaak en groen als absint. Heel kalm, ook. Glad als een beslagen spiegel. Ze eten geen vlees, deze vissen, ze voeden zich slechts met de vruchten die overrijp van de bomen in het water vallen.

Maar als er iets in het water valt, is het gedaan met de kalmte. Ogenblikkelijk wordt het water een woelende, kolkende maalstroom van tanden en honger. Even later is de rust weer teruggekeerd. Geen rimpel herinnert nog aan de chaos van zojuist.

Vissen, dus.

U begrijpt wel dat ik het eigenlijk over deze stad heb?

 

*

 

De uitbater van Het Spuigat is een kleine man die Mumbai genoemd wordt, naar de stad waar hij ooit geboren was. Hij doet denken aan een poetsgarnaal met zijn kruiperige, springerige bewegingen. Ook zijn stekelige doorgegroeide bakkebaarden en de sprietige spierwitte wenkbrauwen- herinneren aan de kleinste der kreeftachtigen.

Het Spuigat is zo’n kroeg met kerven op de borrelglazen die een borrel of een dubbele mar­keren. De waard put zich uit in excuses terwijl hij aan het inschenken is. Hij spreekt in een onver­staanbaar binnensmonds pidgin, zodat zijn klanten nooit begrijpen waarvoor hij zich precies veront­schuldigt.

De inferieure kwaliteit van zijn drank? De glazen vol vingerafdrukken? Het feit dat er slechts een enkele olielamp brandde en de zaak donker als een graf was? Misschien omvat de voortmeanderende mea culpa de algehele smoezelige staat van het etablissement of de gastheer?

Het verzakte houten drinklokaal ligt ingeklemd tussen een pandjeshuis en een teerderij. Tegen de vergoeding van enkele koperen penningen opent Mumbai discreet een van de achterdeuren waarlangs een klant toegang krijgt tot een achterplaatsje, een cul-de-sac omsloten door de wrakhouten bouwsels, enerzijds begrensd door een hok met een blind varken en anderzijds afgepaald door een houten schutting. De zaak ontleent zijn bijnaam aan de ronde gaten die in deze schutting geboord zijn, ruwweg op heuphoogte.

Achter de schutting is de plaats waar Mumbai zijn vaten met drank opslaat. Er is een aparte deur voor het personeel.

Wanneer er een behoeftige klant zijn broek had laten zakken en plaats nam voor een van de gaten, was het slechts een kwestie van tijd voordat Mumbai iemand vond om plaats te nemen aan de andere zijde van de schutting om de overeenkomst te bezegelen. Ofwel een van de tippelaars die hier over straat zwalkten, of wanneer hij het met de lichtekooien niet eens kon worden over de vergoeding dan stuurde nog wel eens de doof­stomme keukenhulp, die hij dreigde met slaag.

Van de klanten wordt slechts verlangd dat zij vooraf betalen en dat zij zich verder niet storen aan het rochelachtig geknor van de zwart-witte zeug in haar modderige kot, of aan de zurige geur van de uitgekookte rats die in haar trog ligt te zweten.

Het gerucht gaat dat wanneer Mumbai geen ge­schikte knieler kan vinden, hij zich dan maar ver­ontschuldigt in de kroeg, zijn kunstgebit uit de mond neemt en in een bakje achter de toog verstopt, waar­bij hij zelf naar het achterterrein gaat.

 

*

 

Vanavond is er een vaste klant aangetreden: de Griekse bultenaar Karagiozis. (Van de schaduw die hem al de nodige tijd volgt door de drukke straatjes van Wurm­water heeft hij geen weet.) Hij is gekomen voor zijn pleziertjes. Hij heeft eerst zijn blaas geleegd op het achter­plaatsje en propt nu zijn van anticipatie aanzwel­lende olifantslid door een spuigat dat zich voor hem op praktische hoogte bevindt. Zo wacht hij af, terwijl Mumbai op straat een meisje van de nacht probeert te regelen. Het ongewisse van zo’n uitwisseling is wat Karagiozis zo bevalt.

Hij staart omhoog naar de maan, die als een uitgeslagen wiel kaas aan de hemel schimmelt. Hij laat zijn kale schedel rusten tegen zijn bult alsof hij een kussen meedraagt tussen zijn schouderbladen. Zijn vingers verkennen het ruwe oppervlak van de schutting waar hij tegenaan leunt. Hij probeert een liedje te neuriën dat hij eerder die dag uit een draaiorgel gehoord heeft, maar zijn mond is te droog. Hij likt aan zijn gebarsten lippen.

Een siddering trekt langs zijn ruggengraat als hij de personeelsdeur hoort dichtklappen. Actie!

 

*

 

Mackie sluipt langs de schutting. Hij draagt zeven messen van verschillende formaten verborgen op zijn persoon, maar hij heeft ze nog geen van alle tevoorschijn gehaald. In een opwelling heeft hij een schaar uit zijn laars gehaald. Hij klapt hem open en schuift hem langs de schutting, als een kind dat speelt dat de schaar een haai is.

Snip-snap. De maan blikt op hem neer, knipoogt naar hem.

Dan begint het schreeuwen.

 

*

 

Met lichte tred keert Mackie Messer terug naar het krot dat hij met zijn Polly deelt. Zijn trofee draagt hij mee in een stuk oliedoek. Hij wast zijn kleverige handen bij de geitenkop fontein, het melkwitte water dat uit de rots sijpelt ruikt naar zwavel. Dan daalt hij het steegje af waarin hij zijn huis heeft. Er zijn geen straatlantaarns hier, maar hij kent de weg. Twee treden omlaag, op de tast de sleutel in het slot.

Hij bergt zijn trofee op in zijn geldkistje, zodat de vliegen er niet bij kunnen. Hij ontkleedt zich en gooit zijn kleverige plunje achteloos op de zaagselvloer. Dan kruipt hij bij zijn echtgenote in de bedstee. Nog slapend, kruipt ze bij hem vandaan, instinctief, zo ver als ze kan, voordat de muur haar tegenhoudt. Hij kruipt tegen haar aan, duwt haar klem en begint haar slaapjurk omhoog te hijsen. Niets laat zijn eigen bloed zo stromen, als wanneer hij het bloed van anderen heeft laten stromen. Een probaat afrodisiacum.

 

*

 

De zon is nog maar net op, maar Mackie heeft zich al aan boord van de Baal laten takelen. Het geteerde zwarte hout van deze zeewaardige kraak contras­teert met de bleke ornamenten die overal het schip opluisteren. Scrimshaw, gesneden uit de botten en tanden van walvissen. Het zijn gedetaileerde en verfijnde beeldhouwwerken die octopussen en andere zeemonsters weergeven. Ongekend is het aantal manuren dat hieraan besteed is, krassend met een scherp mes of beitel, in dat harde tand en bot. Maar Mackie krijgt geen tijd om de details in zich op te nemen want de bemanning van vissenkoppen verdringt zich om hem van dichtbij te bekijken, alsof hij de curiositeit is en niet zij. Gedrochten met hun rare smalle hoofden, hun platte neuzen en die uitpuilende starende ogen. Echte vissenogen. Alle verhalen zijn waar, bedenkt Mackie, over het geslacht van stamvader Obed Marsh. Hoe ze hun vrouwen haalden van verre eilanden en ze lieten paren met zeemonsters.

Mackie heeft de oliedoek opengevouwen en toont de gedrochten zijn trofee.

De bootsman heet Barnabas Wade. Hij snuift en kwaakt. Hij heeft kopergroene schubben in zijn hals. Zijn oren zijn verdwenen. Hij heeft kieuwen als rafelige openingen in zijn hals. Er hangen vlezige snorharen langs zijn mond omlaag. Heel zijn onmen­selijke gelaatsuitdrukking ademt afkeer. Zijn ont­blote bovenlijf is overdekt met tatoeages.

‘Dit is Karagiozissss niet! Wij zoeken een man, jij brengt ons dit!’

‘Haal je kapitein maar,’ zegt Mackie, ‘die snapt me vast wel.’

De bootsman brengt zijn gezicht vlakbij dat van de pooier. Zijn kieuwen blazen open als hij snuift en blaast. ‘Ontbied één van onze kapiteins.’

Ondertussen komen de vissenkoppen nog wat dichter om Mackie heen staan. Om hem te inti­mi­deren, maar hij geeft geen krimp. Ze ruiken naar vis, naar de zoute zee, maar die observatie besluit hij maar voor zich te houden.

Wanneer de oudste van de Marsh-broers, kapitein Ahab, eindelijk aan dek verschijnt, steunend op zijn kruk, wijkt de bemanning uiteen om hem vrij door­gang te geven. De oude walvisjager slaat de trofee een ogenblik met een glinsterend oog gade. Hij schudt zijn hoofd, misschien omdat hij zich blijft verbazen over de waanzin en eerloosheid in deze stad.

‘Waarom ons de man zelf niet gebracht?’ vraagt hij dan aan Mackie.

‘Ik vond hem te corpulent om te dragen.’

‘Dus je verkondigt dat je te lui ben om te werken en toch kom je om een beloning bedelen?’

‘Mijn slagerswerk is inspannend genoeg geweest. Ik handelde inventief en doortastend, om de Marsh broers te brengen waar zij om verzochten. Goud voor bloed, want woord is woord bij de Marsh, dat weet iedereen.’

‘Wij vragen om de man, niet om een onderdeel van de man.’

‘En ik vraag slechts om de kopprijs die jullie hebben uitgeloofd.’

‘En toch is degene die wij zoeken niet hoofdelijk aanwezig.’

‘Maar voor dit hier.’ Mackie Messer schudt het lillend vlees dat hij nog steeds als een offerande op zijn uitge­strekte handen ophoudt. ‘Zal de Griek zich vanzelf komen presenteren. Verkondig dat jullie dit onderdeel van hem hebben, en hij zal er voor komen. Hij zal komen bedelen als een hond. Hij zal alles doen wat je vraagt.’

‘En hoe weet ik dat jij als slagersgezel dit onderdeel niet van een varken hebt afgesneden?’

‘Gezegend zou de gedroomde beer zijn. Kijk naar de afmeting, kijk naar de vorm. Gezegend is de Griek, zoals het verteld wordt, want hij heeft niet alleen een bult op zijn rug, maar ook één tussen zijn benen. Hij is kameel in plaats van dromedaris. Of althans dat was hij tot ik hem ontmande.’

Kapitein Ahab richt zich tot zijn bootsman. ‘Neem het lid en betaal heer Messer vijf dukaten.’

De kapitein draait zich al om, als Mackie opmerkt: ‘Maar de uitgeloofde beloning was tien dukaten.’

‘Tien dukaten voor de man. Ik geef je er vijf voor zijn lid. Dat is rechtvaardig.’

Steunend op zijn kruk, keert kapitein Ahab terug naar zijn vertrekken.

 

*

 

Polly schudt de kussens op en het regent veren. Ze had gewoon bij Vrouw Holle moeten blijven werken. Waarom had ze zich ooit laten weglokken door Mackie? Vannacht was het weer raak geweest: eerst een pak slaag en daarna erop. Alle mannen zijn zwijnen, en Mackie Messer de ergste.

Maar wat moet ze dan? Bij hem weglopen? Ha! De vorige keer dat ze dat deed, had hij haar teruggevonden. En het haar laten voelen ook. De fout maakte ze niet meer.

Wie is die idioot die op de binnenplaats staat te schreeuwen?

Een blik uit het open raam vertelt haar dat het haar idioot is.

‘Polly! Polly schatje!’

‘Ik ben aan het werk,’ roept ze terug.

‘De rode haan op het dak van deze herberg!’ schreeuwt hij terug, ‘Kom naar buiten. Je man zorgt voor je! We gaan dansen en drinken!’

Hij danst een onnozele horlepiep op de kasseien. Polly moet er om glimlachen.

 

*

 

Karagiozis heeft zijn escorte naar een oude wacht­toren geleid.

De bootsman Barnabas Wade heeft de leiding over de excursie. Hij heeft vier matrozen bij zich, met pikhouwelen en scheppen in de hand. Aan wal verhullen ze hun onmenselijke trekken met petten en sjaals. Een jonge matroos genaamd Tobias heeft de dubieuze eer om het lid van de Griek te dragen.

De wachttoren is ingestort en alleen de onderste verdieping staat nog overeind. Op die afgebrokkelde muur is een primitief afdak van bladeren aange­bracht. De oude zigeunerin die haar intrek in de toren heeft genomen wordt door de vismensen naar buiten gejaagd. Mokkend, maar machteloos kijkt ze van een afstand toe. Ze maakt het teken van het boze oog en spuwt door haar vingers, maar daar staakt haar verzet. Wat moet ze anders? Geen weldenkend mens durft de aandacht van de grillige Roodjassen te trekken.

De vismensen zijn druk bezig om een gat te graven midden in de hut, op aanwijzingen van de Griek.

‘Hier heb ik hem laten begraven, met alles wat hij bij zich had.’

De Griek zweet overdadig.

‘Als je liegt, dan zal ik nog meer van je afsnijden,’ grijnst Barnabas hem toe.

‘Graaf dieper,’ zegt Karagiozis, ‘want daar ligt jullie wegloper.’

Zo gaat het een tijdje door.

‘Botten!’ roept een van de matrozen schril uit het gedolven gat. ‘We stuiten op botten!’

Barnabas loopt naar de rand van het gat en zakt op zijn knieën op de aarden wal.

Meer en meer botten worden opgegraven en door­ge­geven. Dan een schedel. Een ribbenkast. Een menselijk geraamte wordt bijeengeraapt en gerang­schikt als een puzzel.

Dan stuit een spade op iets hards, dat toch de deksel van een kist moet zijn.

‘Voorzichtig,’ sist Barnabas. ‘Gebruik jullie handen om de kist vrij te maken.’

In de verhitte drukte die ontstaat, is matroos Tobias ook in het gat gesprongen. Gehurkt als honden klauwen en graven de vismensen de kist vrij. De bootsman blijft hen aansporen vanaf de aarden wal. ‘Voorzichtig met de relieken. Voorzichtig.’

De kist wordt uitgegraven en devoot omhoog getild door zoveel handen. Barnabas forceert het slot met zijn dolk. Maar in de kist zitten alleen maar scherven gebroken aardewerk, blauw geglazuurd. De boots­man raapt ze er steeds sneller uit en werpt ze op de grond. ‘Wat is dit voor truc, Griek?’ gromt hij, om zich heenkijkend.

Maar Karagiozis is natuurlijk al nergens meer te bekennen.

‘Waar is de pik van dat Griekse zwijn?’ is de volgende logische vraag van de bootsman.

Waarop matroos Tobias slechts stamelend kan uit­brengen: ‘Ik legde het ding daar… daar op de werk­bank van de heks… naast de opgezette krokodil. Excuses bootsman… ik wilde alleen maar helpen met graven.’

 

*

 

De relatie tussen oorzaak en gevolg is hier niet uit te drukken als een lijn, valt niet als een pijl te symboliseren. Hier is de causaliteit meer als het slappe koord dat sommige potsen­makers bewandelen. En velen vallen er voortijdig af. Of ze vallen naar de kant van de schuld, of naar de onschuld, doet nauwelijks ter zake. Niemand maalt erom. Hier niet.

Kijk naar mijn rolprenten. Luister naar mijn liederen. De bloeddorstigheid ervan zou de daders zelf verstommen. Ze weten niet wat ze doen…. Er is meestal geen band tussen slacht­offer en dader, geen lichtend koord dat ze aan elkaar verbindt. In deze boosaardige stad kunnen het passanten zijn, die om schijnbaar niets verwikkeld raken in een bloedvete. Voorzienig­heid was nooit zo banaal. In deze stad struikelen de schik­godin­nen en raken verward in hun eigen weefsel.

 

*

 

Karagiozis sleept zijn peervormig lijf voort. Hij draagt een strooien hoed om zijn kale schedel tegen de zon te beschermen, maar de druppels glijden al omlaag over de spekrollen die weelderig zijn nek bedekken. De bochel die tussen zijn schouders oprijst wiegt heen en weer als de bult van een dromedaris. Hij heeft gekoelde groene thee zitten drinken op de achterplecht van zijn woonboot, zitten drinken en zitten dommelen, totdat hij weer ontwaakte door het gerommel van zijn maag. Zijn hechtingen jeuken wat en hij heeft een branderig gevoel bij het urineren, maar verder lijkt alles benedendeks in orde. Het heeft hem een aanzienlijk deel van zijn spaar­geld gekost om zijn lid weer vast te laten naaien. Die chirurgijn Johann Faust die praktiseert in de Altstadt heeft verzekerd dat zijn toverfluit binnen enkele dagen weer naar behoren zou moeten functioneren.

Nu waggelt Karagiozis over de krakende, steunende steigers en plankiers die de waterkant van Wurmwater-aan-zee markeren. Het water loopt hem in de mond als hij denkt aan gestoomde zoete broodjes die Chai Mai vult met het gebraden gehakt dat ze koopt bij Ursala de varkensvrouw. Eerst zal hij eten, nog wat kracht opdoen, en dan zal hij testen of zijn lid inderdaad weer werkt. Hij zal op de terugweg langs het Kale Huis gaan, waar de meisjes hun schaamstreken en oksels scheren om de schaamluis op afstand te houden, waarna ze zich ver­sieren met triangelvormige kunstpruikjes van bever­bont. Ze kennen hem daar, hij is een gulle tipper.

De zon staat op zijn hoogst boven deze gedroomde en verdronken stad, een onverbiddelijk zengend oog van een wraakzuchtige oud-testamentische god. Op dit uur is de heerschappij van de zon volledig en zijn zegetocht is vol pracht en praal. De aangekoekte zoutkorsten op de ducdalfen schitteren alsof ze bepoederd zijn met diamantstof. De schaduwen van de overstekende daken zijn verdrongen, nestelen zich hoog tegen de gevels als sluimerende vleer­muizen dromend over hun nachtelijk bewind.

Ook het ongedierte blijft uit het zicht, ze scharre­len onder de plankiers over de met schaaldieren begroeide palen en dwarsbalken. Als er een voet­ganger passeert, houden ze zich stil, totdat de stam­pende reuzen­voeten zich weer verwijderen. Het gewicht van de Griek is aanzienlijk, zijn puilende buik schudt en wiebelt als hij loopt. De sleutelbos met koperen sleutel rinkelt vanaf zijn brede riem, onder het afdak van zijn pens. Er hangt ook een vuurslag­pistool in een leren holster aan die riem. Hij heeft een sabel in de schede, die hij als wandelstok gebruikt. Hij zal niet toestaan dat die viskoppen hem verder mutileren of bedreigen. Schoften!

Hij herinnert zich de jonge vissenkop nog wel. Zijn naam is hij vergeten, evenals de precieze plek waar hij hem begraven heeft. Over de jaren heeft hij zoveel slachtoffers in de grond gestopt om de wormen te voeren. Ze zien in hem een veerman die ze terug naar het leven kan loodsen, maar hij is hun engel des doods.

Heel de stad is lusteloos en loom. De lucht verdikt tot stroop. Het roepen van de straatverkopers komt met steeds langere tussenpozen. Onder de stad is het maar marginaal koeler. De naakte oesterduikers en vissers hebben hun rieten bootjes vastgebonden aan de palen en stelten waarop de stad gebouwd is. Ze liggen in hun bootjes te slapen, als kadavers die wachten op de wederopstanding.

Maar niet iedereen geeft zich over aan de siesta: er glijden schaduwen door het water, vluchtig als de vormen van mangrote vissen, vreemde lichamen die net onder het troebele olijfgroene water schuil gaan. Nu en dan verschijnt er heel even een snuit boven de waterlijn als van een kaaiman of een snoek. Ogen zonder oogleden volgen de gangen van de sleutel­bewaarder van net onder de waterlijn. Vier, nee vijf, van deze donkere vormen, elk zo groot of groter dan een mens, zwemmen achter hun prooi aan. Ze volgen de Griek al vanaf het kanaal der papyrus, en nu door de steeds smallere grachten en kreken van de achterbuurt die de Duivelsvingers genoemd worden. De steigers zijn hier lager, bevinden zich dichter bij het wateroppervlak. Met een behendigheid die zijn omvangrijke gestalte niet zou doen vermoeden balanceert Karagiozis over een van de doorverende kattenbruggetjes die de vlotten, woon­boten en steigers met elkaar verbinden.

Ongemerkt zijn de jagers dichterbij gezwommen.

Als Karagiozis op het laagste punt is, de plank waarop hij staat tot het uiterste gebogen, de gekrulde tenen van zijn schoenen nog maar een handbreedte boven het water, springt er iets omhoog uit het water als een orka. Een plons als het uit het water omhoog komt, gevolgd door een iets luidere plons. De kattenplank veert nog na. Kara­giozis is uit het zicht verdwenen. Alleen de uit­dijende rim­pelingen in het water verraden waar hij heen gegaan is.

Onder water worden zijn spartelende ledematen gegrepen en gefixeerd door sterke vingers met zwem­vliezen. Zijn sabel ontglipt hem en zinkt weg in de oer­soep. De vismensen hebben hem te pakken. Soepel als dolfijnen dartelen zij om hem heen, klauwend en bijtend trekken ze hem mee omlaag, steeds verder de diepte in. Een worsteling met de allure van een dans. De enige muziek is de waterdruk die trommelt in zijn oren. Zorgvuldig, bijna sensueel wordt zijn broekriem los­gemaakt, alsof de aanvallers benieuwd zijn naar het enorme lid dat de man zich weer heeft laten aannaaien, maar de vingers met zwemvliezen halen slechts de sleutelring en het holster met het pistool los van de riem. De wijde broek glijdt omlaag tot aan de gezwollen enkels om daar te blijven haken. Uiteindelijk binden de vis­mensen hem vast aan een verroest afgeworpen anker dat half begraven in de drek op de bodem ligt.

 

*

 

Veel van wat verloren is, kan nooit meer teruggevonden worden. Wurmwater is weliswaar de stad der tweede kansen, maar hoop gedijt niet goed op deze mestvaalt. Vrijwel iedereen die hier leeft is al eens gestorven, veelal gewelddadig. Daarom hangen ze nu ook zo aan het leven, omdat ze betwijfelen of er nog een wereld is, hierna. Een onderwereld voor de onder­wereld, is dat geen vreemd concept?

De levende dromers die deze streken bezoeken, ja, met hun geestesgesteldheid moet iets goed mis zijn. Om in deze zeepbel van een droom vrijwillig rond te waren, dat kun je niet minder dan waanzin noemen, en dat terwijl de doden hier niets liever willen dan terugkeren naar de wakende wereld.

Wat vraagt u me nu? Nee, over mijn eerste dood zal ik niet vertellen. Ik vrees voor uw nachtrust, gewaardeerde luisteraar.

 

 


Derde akte: de tiara

 

Wat een regen! Nu we hier schuilen heeft u misschien een moment om naar mij te luisteren? Heeft u nog steeds haast, ook al pissen de goden op onze hoofden?

U bent nieuw hier? Onderweg naar de Altstadt? Ik kan een moordballade voor u zingen, maar als u een penning laat vallen in het bakje van Herr Stumm dan kan ik u ook aanwijzingen geven. Uw gids zijn in deze straten, zo u wilt.

 

De echte stad ligt natuurlijk hogerop, daar tegen de rots Krabbenpunt aan. Verder bij de haven vandaan, langs de tijdelijk opgeworpen houten bouwsels, de verzakte paalhutten en armzalige woonsloepen van de vissers, over de doorzadelende houten planken, langs de naar vis stin­kende krotten in het zand, langs al het wrakhout dat lig te wachten op het volgende springtij dat alles weer weg zal spoelen, daar voorbij verschijnen de eerste stenen huizen van Wurmwater, dat door velen Wurmwater-aan-zee genoemd wordt. De huizen die tegen de voet van de grote rots Krabbenpunt aanschurken lopen bij zwaar weer ook onder water. Bij wind uit zee verzamelen de bewoners hun schamele bezit­tingen en wachten af welke rampspoed de storm hen brengen zal.

De smalle straatjes die omhoog slingeren en klimmen naar de woningen van de beter gesitu­eer­den op de top van de rots vormen een stenen laby­rint met overhellende muren. Een wirwar van benauwde kloven die splitsen en kronkelen, ze komen samen en scheiden zich weer af. De huizen hier zijn tegen en soms gedeeltelijk in de karst gebouwd, zodat niet goed meer te duiden valt waar de natuur eindigt en de bouwkunst begint. De huts­pot van bouwstijlen ademt een vergane glorie en antiquiteit uit die de Oude Wereld suggereert.

Het volk schuilt voor de regen onder de gemetselde booggewelven, opkijkend naar de pissende water­spuwers, de bewerkte kraagstenen en korbelen, de gotisch ogende torenspitsen en de kleine raampjes en nissen in de rotswand. Daarboven is de hemel dichtgeschoven met gebeeldhouwde grauwe wolken die even tastbaar lijken als rotsen beneden.

Alles druipt inmiddels van het water. De muren van gestapelde stenen zijn bedekt met mos zo weelderig als een dierenpels. Op de daken groeien varens. Een ingestorte schoorsteen wordt nooit meer gerepa­reerd, de stenen worden weggehaald en gebruikt voor andere tijdelijk bouwsels.

De bewoners zijn slechts dat: nomaden op door­tocht in deze tochtige ruïnes. Als neander­thalers laten ze hun handafdrukken na op de wanden van hun grotten. Ze drijven hun geiten bijeen in kapellen gewijd aan lang vergeten goden. Ze stoken hun vuren op gebarsten tegelvloeren.

De regenval heeft de gebarsten kleigrond in de steile straatjes tot modder getransmuteerd. De voeten van het volk zullen die modder woelen en ploegen tot de drek die men in een varkenskot aantreft. Omberen plassen dampen als kleine vulkanische meertjes. Stroompjes sijpelen langs de glibberige traptreden omlaag.

Zie, het druppelt nog maar een beetje. Schichtige krielkippen beginnen in en uit de gapende deur­openingen te scharrelen. De eerste mensen schuifelen ook tevoorschijn uit hun krochten en schuilplaatsen. Een uitgestoken hand en een schattend oog. Blijft het nu droog? In de verte, achter de gespleten top van de karst die vanuit de juiste positie inderdaad iets wegheeft van een opgestoken krabbenklauw, rolt de donder zachtjes en geduldig. De druppels beginnen alweer te vallen.

 

*

 

Tobias ligt in zijn hangmat en luistert naar het roffelen van de regen. Hij slaapt in het middelste ruim, ter hoogte van de waterlijn. De regenval op het water is een monotone ruis.

Hij probeert zoveel mogelijk op zijn zijde te slapen. De striemen op zijn rug beginnen nu te helen, maar blijven nog steeds pijnlijk. De woede van de bootsman om zijn onzorgvuldigheid was uitbetaald met vijf venijnige zweepslagen.

Heel het ruim, evenals de ruimen erboven en onder, zijn gevuld met hangmatten vol slapende broeders. De Baal is overvol sinds de Sumatra Queen van kapitein Obed Marsh verbrand en gezonken is, de bemanning is meer dan verdubbeld. De oudere broeders, degenen wiens trans­formatie voltooid is, slapen niet meer aan boord van de Baal. Ze leven in het water, dichter bij Vader Dagon, en komen nog slechts zelden aan boord.

Hij moet steeds vaker denken aan degene wiens naam ze niet mogen noemen. De afvallige broeder die zijn lots­bestemming probeerde te ontvluchten. De botten die ze hadden opgegraven waren niet van hem geweest. Het waren slechts de overblijfselen van een andere onge­lukkige die de Griekse smokkelaar had laten begra­ven. Wie weet hoe vaak die moordlustige zwendelaar zijn trucs had uitgevoerd.

Als Tobias de slaap niet vatten kan, zal hij weer een ongemakkelijke nacht doorbrengen, zoekend naar een comfortabele houding in zijn hangmat. Vruchteloos trachtend om het concert van gesnurk, gefluit en gerochel uit te bannen.

Doodmoe zal hij opstaan, als de bronzen bel voor het ochtendgebed geluid zal worden. In een processie trekken de gewekte bemannings­leden naar het voor­onder, waar kapitein Obed de plechtigheid zal leiden. De hybriden kwaken en fluisteren. Hobbelend op kromme benen die beter geschikt zijn om te zwemmen dan te lopen. Ze zullen zich verdringen om te knielen in het vooronder, om te luisteren naar de preek van de kapitein.

Maar dat is pas tegen de ochtend. Nu ligt heel de nacht nog voor hem en is hij alleen met zijn gedachten, verlaten en moederziel alleen tussen al zijn broeders.

 

*

 

In de stortbui ligt de pier er verlaten bij. Het zijn twee dwazen die tegen wil en dank de de elementen trotseren. Voorop gaat de matroos Peters, die aan de tering overleden is. Voorovergebogen, met raspende adem­haling en eeuwig bloed ophoestend. Bij leven heeft hij de dertig niet gehaald, maar hij ziet er uit als een oude man.

Hij wordt op de voet gevolgd door Jack Sweetheart. Het contrast tussen die twee is groot, want Jack is een prachtig lijk, met zijn strakke zongebruinde vel en zijn fonkelende witte intacte gebit. Zijn kastanje­bruine krullen zitten aan zijn schedel geplakt en het regenwater druipt over zijn gezicht. Hij ziet er veel te goed uit om dood te zijn. Er is geen hoer in de stad die hem geen korting geven zal. Voor zijn borst draagt Jack een bolle kruik, hij loopt met kleine be­dachte waggelende stapjes, zijn gespierde armen om de kruik zoals een hoogzwangere vrouw haar buik zou vasthouden.

‘De ouwe man is zongestoofd,’ meent Peters, over zijn schouder. ‘Zijn brein tot moes.’

‘Is het ooit anders geweest,’ vindt Jack, die zich graag op de vlakte houdt. ‘Hij blaft, wij rennen.’

Ze volgden Blackbeard bij leven en nu volgen ze hem in de dood. Iets anders is muiterij.

‘Ooit zat er doelgerichtheid in zijn waanzin. Nu niet meer. Een afleidingsmanoeuvre… hoe haalt ie het in zijn botte kop.’

Jack heeft de kruik neergezet op een krat met kakelende kippen.

‘Laten we de boel aansteken en ons uit de voeten maken.’

‘Eens kijken of ik vuur kan slaan in dit weer.’

 

*

 

De vier piraten zijn stilletjes vanuit de kapiteinshut naar de galerij geklommen. Hun kapitein slaat ze gade door de glas-in-lood raampjes. Ze hebben hun timmergereedschap bij zich.

‘Wat een hondenweer!’ moppert Spanish Joe.

‘Wraaaf-wraaaaff!’ gromt de gestoorde dolleman Scar-face hem toe.

‘Stil!’ sist scheepsmaat Ellis, die vindt dat hij de leiding heeft over deze heimelijke operatie. ‘Let op of we niet in de gaten lopen.’

Scar-face, met zijn ene bruikbare oog, staat op de uitkijk. Hij moet letten op vissenkoppen die op het geluid afkomen. Ellis en Spanish Joe zijn bezig om hun beitels tussen boegbeeld en schip te slaan. De lappen die ze om hun gereedschap gewikkeld hebben om de klappen te dempen zijn nu doorweekt. Joe heeft al twee keer op zijn hand geslagen. De richel waarop ze staan is glibberig en tot overmaat van ramp moeten ze ver voorover hangen om het boegbeeld los te wrikken, ver onder hen kolkt en klotst het water van de baai.

Ze werken met horten en stoten. Steeds pauzerend om te zien of er geen alarm geslagen wordt.

Long Tom staat al die tijd als Atlas gepositioneerd onder de overvloedige boezem van het boegbeeld.

Ze bikken tot er een klein beetje ruimte tussen boeg­beeld en boeg komt.

‘Geef me die koevoet aan! En hou de touwen klaar.’

Ze wrikken de spleet wijder en voeren de touwen erdoorheen, ze omwikkelen het boegbeeld en leggen vlotte knopen. Spanish Joe en Scar-face nemen ieder een touw ter hand. Long Tom klemt zijn kaken opeen voor de last die hij gaat ontvangen. Ellis plaatst de koevoet om de laatste nagels waaraan het beeld nu nog hangt los te wrikken.

‘Op drie,’ fluistert hij, ‘Een, twee…’

 

*

 

De zware koperen bel in de schelpentoren blijft maar luiden. De houten pier staat inmiddels in lichterlaaie. Het vuur brandt met een giftige groene vlam. De kolom van vettige, zwarte wolken die ervan af komt stijgt langzaam en statig hemelwaarts. De zware regenval lijkt de brand niet te willen doven. En de aanlandige wind jakkert de vlammen alleen maar aan.

‘De blaasbalg van de Duivel,’ noemt Spanish Joe die wind. Hij wrijft over het tinnen beeldje dat hij om zijn hals heeft hangen, de visserkoning Jezus doorboord door een vissershaak.

‘Wat een waanzin,’ fluistert Ellis. ‘En waarvoor?’

Enkele tientallen meters verderop, aan boord van de Baal, zwermen de vismensen uit over het dek om naar de brand te kijken. Om aan het gewemel op het dek te ontvluchten is Tobias in het want geklauterd. Hij wordt heen en weer geschud door de wind en heeft geen droge draad meer aan zijn lijf, maar toch kan hij zijn ogen niet van het spektakel afhouden.

Als de pier in het midden doorzakt als de schragende palen afknappen als luciferhoutjes, en de hele boel bran­dend in de baai stort, lijkt dat geluidloos te gebeuren.

 

*

 

Scheepsmaat Ellis valt de twijfelachtige eer ten deel om zijn kapitein te wekken na de huwelijksnacht. De zon had het hoogste punt op haar rondgang langs de hemel al gepasseerd en was alweer aan haar afdaling begonnen. De kapitein had zich heel de dag nog niet laten zien. Hij vermaakte zich waarschijnlijk opperbest in het hemelbed dat hij nu deelde met de albasten reuzin.

Ze hadden het boegbeeld met zijn vieren maar net kunnen torsen. De kapitein had geen hand uitgestoken, had hen slechts aanwijzingen toegesnauwd toen ze de kapiteinshut eenmaal binnen waren. Drijfnat hadden ze het in het bed van de kapitein geschoven. Daarna werd Edward Teach plotseling joviaal. Hij had ieder van de mannen een dukaat en een platte fles rum in de handen gedrukt. ‘Mondjes dicht, brave jongens.’ Zijn gezicht vlak bij dat van hen, met zijn uitwaaierende woeste baard en blikkerende tanden leek hij meer dan ooit op een weerwolf.

Ellis klopt nog eens aan, gevolgd door een schor: ‘Kapitein!’ Ditmaal klinkt er gerommel vanuit de hut.

‘Wat is er? Waarom stoor je me?’

‘De Marsh-broeders verzoeken om palaver!’

De deur van de kapiteinshut wordt ontgrendeld en tot op een kier geopend. Een argwanend oog loert naar buiten.

‘Op dit uur?’

‘De zon is opgekomen en gaat alweer onder, kapitein.’

‘Wiens zaak is het hoe lang deze kapitein uitslaapt!’

‘Niemands zaak, kapitein, maar ze zijn onrustig. Ze hebben ontdekt dat hun boegbeeld weg is.’

Het blijft even stil.

‘Zeg ze dat Blackbeard eraan komt,’ zegt Edward Teach en de deur klapt dicht.

 

*

 

Volledig gekleed en met zijn beste driekantige steek op verschijnt Edward Teach nu aan dek. Hij heeft vier van veertig 18-ponders laten laden en op hun rolpaarden laten verslepen naar het achtersteven. Ze zijn nu opgesteld in de twee hutten voor speciale gasten, direct onder de kapiteinshut. ‘Richt ze op de boeg van de Baal.’ Er zijn hier geen schietgaten, maar als het erop aan komt, moeten de mannen de ramen eruit slaan.

Zijn raadgevers zijn onrustig en darren om hem heen. Ze blijven hem maar wijzen op het numeriek overwicht van de Marsh-clan. Edward wuift hun angsten weg.

‘We hebben wel vaker tegen een overmacht gestaan. En keer op keer gewonnen.’

‘Maar ze zijn fanatiek, die geloofswaanzinnigen. En het zijn er honderden!’ dringt zijn bootsman, ‘alleen al op de Baal. Wie weet hoeveel van die grote gedrochten er onder water schuil gaan?’

‘Hou je bek als je tegen me praat!’ Hij duwt de boots­man hardhandig achteruit.

Hij wacht een moment om zijn kalmte te herwin­nen, en met zijn gezicht in de plooi beklimt hij het achterkasteel. De geur van roet bezwangert de lucht. Vanaf hier is het rep en roer aan boord van de Baal goed zichtbaar. De bemanning met hun schubbige koppen is en masse, de menigte stekelig van de hemelwaarts gerichte harpoenen en musket­lopen.

Hij stapt naar voren en leunt op de reling.

Enkele meters onder hem, staan de twee Marsh-broers te wachten, omgeven door hun manschappen op het voorkasteel.

‘Een hele goede morgen, waarde buren!’

Ze kijken knipperend en vol venijn naar hem op.

‘De ochtend is al lang voorbij!’ zegt Ahab, ‘welke zeeman kan het zich veroorloven om tot na het middaguur te slapen.’

‘Zijn dat jouw zaken, buurman? Zijn het jouw zaken, hoe lang ik uitslaap?’

‘Natuurlijk niet,’ zegt Obed, met een hand op zijn broeders’ arm. ‘Er is geen reden tot wrevel. We zijn wat aangedaan omdat er een misdaad is gepleegd.’

‘Verklaar je nader.’

‘Vanuit jouw kajuit, Blackbeard,’ neemt Ahab weer het woord, ‘heb je waarschijnlijk een prachtig uitzicht op onze boeg. Is het ontbreken van ons boegbeeld je soms nog niet opgevallen?’

‘Boegbeeld? Zijn jullie je boegbeeld verloren? Zo hard heeft het vannacht toch niet gestormd? Het is de vloek van ons verblijf in deze baai. Schepen zijn bedoeld om te varen, niet om te verrotten in dit akelig klimaat.’

‘Gestolen,’ zegt Obed slechts.

‘Wie steelt er een boegbeeld?’

‘We vragen je alleen maar, waarde buurman,’ zegt Obed, ‘of je misschien iets gehoord of gezien hebt vannacht.’

‘Niets.’

‘Dus je hebt ook de pier niet zien branden? Hij is aangestoken met Grieks vuur, wordt er verteld. De brandende kippen dreven als fakkels op het water.’

Edward is even stil.

‘Grieks vuur, zei je toch?’ Edward laat de woorden door zijn mond rollen alsof hij proeft van zijn geliefde Madeira.

‘Ja, wat weet je ervan?’

‘Niets, behalve dat jullie het aan de stok hebben met een Griek. Of was het toch een Turk. Die Karagiozis…’ Hij leunt over de reling naar de Marsh-broers toe.

‘Met Karagiozis hebben we al afgerekend,’ zegt Obed.

‘Dan misschien één van zijn handlangers?’ suggereert Edward fijntjes. ‘Wie weet. Sommige situaties zijn bekleed met zoveel toevalligheid dat ze geen toeval meer mogen heten…’

‘Waar bazel je over, man?’

‘Griekse bultenaar… Grieks vuur.’ Edward weegt de twee begrippen op zijn uitgestoken handen. ‘Lijkt mij een boodschap als ik er ooit een hoorde.’

‘Heel onze bemanning heeft ernaar staan kijken. Die van jou waarschijnlijk ook,’ zegt Ahab, ‘maar jij bent kalmpjes door het rumoer heen geslapen.’

‘Ik slaap als een zuigeling tegen de warme boezem van zijn moeder,’ zegt Edward, ‘mijn ogen gesloten en mijn oren dicht. Zelfs dromen storen me niet in die inktzwart coma.’

‘Maar er is een belangrijk verschil,’ meent Ahab, ‘tussen de slaap der onschuldigen en de slaap der doden.’

‘Ja,’ grijnsde Edward Teach, ‘niemand hier is onschul­dig.’

 

*

 

Karagiozis wordt weer opgevist. Na enkele dagen op de bodem van de rivier, heeft kapitein Obed Marsh toch besloten dat hij de smokkelaar nog enkele vragen wil stellen. Tegen die tijd hebben ze inmiddels de kleine woonboot van de Griek al gelo­kaliseerd en leegge­plunderd. Alle papieren en waar­de­volle spullen mee naar de Baal genomen. Ze hebben zelfs de Perzische tapijten opgerold en afge­voerd. Maar de ceremoniële sieraden, de bewerkte tiara en de polsbanden die de afvallige zoon gestolen had, waren nog steeds onvindbaar.

‘Vis hem maar weer op,’ snauwde Obed uitein­delijk.

Het kost de kapers die Karagiozis aan het anker bonden een ochtend om hem terug te vinden in het rivierwater dat waarschijnlijk even opaak is als de oersoep waar ooit het eerste leven uit tevoorschijn kroop.

De huid van Karagiozis is verweekt, bleek en gerim­peld. Hier en daar hebben vissen de huid kapot geknabbeld om bij het vlees eronder te komen. De wonden lekken nu als zweren. Het zorgvuldig aange­naaide aanhangsel is voor een tweede maal van het corpus van de Griek gescheiden, ditmaal losgerukt en gestolen door een onbevreesd toeslaande snoek­baars. Waarschijnlijk verslonden, of in ieder geval reddeloos verloren op de bodem van de rivier.

Karagiozis kan er in zijn huidige penibele situatie nog niet echt om treuren. Hij ligt nu vastgespijkerd op een zware tafel in de kajuit van de Baal, de ijzeren nagels zijn tussen de botten van zijn polsen en door zijn voeten geslagen. Bij de ondervraging is zijn rechteroog al uit de kas gehaald met een vishaak. Karagiozis wilde wel antwoord geven op de vragen die hem gesteld werden, maar zijn longen en maag zaten vol met water en slijk, zodat hij niet anders kon dan overgeven en hoesten. De visman die hem ondervraagt, dezelfde bootsman Barnabas Wade die hij enkele dagen daarvoor te snel af was, lijkt mede­dogen noch geduld te kennen.

Als Karagiozis eindelijk weer, schor en hees, wat uit kan brengen, besluit hij de waarheid te vertellen. Hij smeekt om wat wijn, om zijn keel te zalven, maar hij krijgt slechts meer water. Alsof hij nog niet genoeg water geproefd heeft de afgelopen dagen!

Dan rolt het hele verhaal eruit.

Hoe hij de jonge matroos heeft wijs gemaakt dat hij hem naar de landen der levenden kon smokkelen. Dat de gestolen sieraden zijn overtocht zouden betalen. Hoe hij de jongen heeft laten begraven.

Maar de sieraden, dringt Obed Marsh aan, waar zijn de sieraden? Waar is de tiara, stompzinnige Griek?

Karagiozis jammert het uit. Nu hij toch begonnen is met de waarheid, stroomt deze uit hem. ‘Ik verkocht ze aan een levende dromer. Een grootmeester uit Gent. Het is een ouwe sluwe sjacheraar. Er zijn manieren om voor­werpen mee te smokkelen naar de dagwereld. Het is moeilijk, maar voor iemand met inventiviteit en door­zettingsvermogen is het mogelijk. Ik doe vaker zaken met hem. Ik kan met hem in contact komen. Ik kan hem vragen…’

‘En mijn boegbeeld? Waar heb je dat gelaten?’

‘Een boegbeeld? Ik weet van niets, heer! Ik weet echt niets van een boegbeeld. Ik heb u mijn misdaden opge­biecht. Geef me een kans om het goed te maken. Ik zal de Gentse dromer terug lokken, ik zal uw sieraden terug­halen. Ik breng u de kroon!’

De kapitein denkt even na. ‘Onwaarschijnlijk,’ meent hij, ‘kansloos.’

Hij draait zijn logge gestalte bij de tafel vandaan. De treden naar het dek kraken onder zijn gewicht. Vanaf de trap snauwt hij: ‘Ga door met de ondervraging.’

De bootsman knikt gretig. ‘Breng me een kruik kokend water,’ kwaakt hij tegen een van zijn matrozen.

‘Ik zal je leren wat lijden is,’ fluistert hij de Griek toe. Hij is vlakbij en steekt zijn tong uit om over de enige intacte oogbal van Karagiozis te likken.

‘Genade!’ smeekt Karagiozis nog, maar niemand zal ooit nog naar zijn antwoorden luisteren.

 

*

 

In het holst van de nacht glipt Tobias overboord. Hij neemt niets mee dan de kleren aan zijn lijf. Daarvoor zullen ze hem niet hoeven najagen. Hij wacht tot de wachtposten hem passeren op hun ronde en laat zich dan aan een touw overboord zakken. Bijna geluidloos ont­vangt het water hem.

Hij neemt een grote hap lucht en zwemt omlaag om onder de kiel van het volgende schip door te duiken. Zijn kieuwen moeten nog verschij­nen, maar hij kan zijn adem inhouden als een parelduiker.

Met grote slagen begint hij naar de kade te zwemmen.

De lijkenkrabber : Tom Thys

De irissen van het monster waren zwarter dan de duisternis in de tunnel. Lieven verwijderde zijn mond­masker en keek goedkeurend naar het kunst­­werk. Het tl-licht dat van het platform een beetje verderop in de tunnel sijpelde, voorzag het gedrocht van een onwer­ke­lijke schijn. ‘Je hebt jezelf weer eens over­troffen,’ zei hij.

Zohra schudde met haar spuitbuis alvorens een laatste detail aan te brengen. Ze was een perfectionist, nog meer dan Lieven. ‘Klaar,’ zei ze. De obscene grijns was nu echt volmaakt. Ze zetten allebei een stap achter­uit om de tekening te bewonderen.

‘Enkel de tag ontbreekt nog.’ Zohra wilde haar hand­ekening onder het kunstwerk zetten, maar werd plots verblind door een bundel licht. Ogenblikkelijk werden alle gore details in de tunnel zichtbaar: ratten, zwerf­vuil, een verdwaalde schoen, bloederig maand­erband, uitwerpselen van daklozen en heroïnenaalden. ‘Shit, we zijn erbij.’ Ze deinsde achteruit en struikelde bijna over het tramspoor. De lichtstraal was afkomstig van het platform. Daarachter dansten de contouren van een opzichter. Hij riep iets onverstaanbaars.

Zohra kreeg een déjà-vu. Twaalf maanden geleden was ze opgepakt voor het bekladden van een oude treinwagon. Wat zij als kunst beschouwde, noemde de rechter vandalisme. Ze werd veroordeeld tot een taakstraf en moest ook de kosten voor het reinigen van de treinwagon betalen. Die taakstraf vond ze niet eens zo erg, dan had ze tenminste iets om handen. Het wegwassen van haar creatie daarentegen voelde als een abortus.

De hele stad was bevolkt met haar kinderen, de adem­benemende monsters die zij met haar spuitbus het leven schonk in de betonnen jungle. Het was een manier om zichzelf van haar innerlijke demonen te bevrijden. Zohra had het gevoel dat haar talent mis­kend werd. Ze had gezworen harder dan ooit terug te slaan. Het afschuwelijke monster dat zonet in de tunnel tot leven was gekomen, gold in de eerste plaats als een statement.

Lieven greep haar pols vast. ‘Kom, we moeten hier weg.’ Hij trok haar dieper de tunnel in. Met hun hoofd­lampjes als gids ontweken ze de troep op de grond. Ze moesten snel zijn, want de opzichter was van het platform gekropen en had de achtervolging inge­zet. Zijn lichtbundel schoot alle kanten uit. Zijn zware passen weergalmden tussen de betonnen muren. Hij schreeuwde iets, maar zijn woorden klonken als één langgerekte echo.

Hand in hand renden Zohra en Lieven de ingewanden van Antwerpen in. Als ze zich daarnet in het keelgat bevonden, dan waren ze nu op weg naar de maag, en de darmen. Zohra hijgde. Ondanks de steken in haar zij probeerde ze Lievens tempo te volgen, maar ze wist dat ze het niet lang meer zou volhouden. De kille, vochtige tunnelstank nestelde zich in haar longen. Ze werd misselijk van de inspanning. ‘Lieven, ik kan niet meer.’ Zohra stond stil en nog voor Lieven iets kon zeggen, begon ze te braken. Met een onwezenlijk geluid klet­terde haar maaginhoud op de sporen.

Ze keek over haar schouder, vervolgens naar de inkt­zwarte leegte die zich voor haar uitstrekte, en weer over haar schouder. Opeens werd ze overvallen door een gevoel van beklemmende angst. In flarden van kranten had ze gelezen over de seriemoordenaar. Antwerpen werd al maanden geteisterd door mys­terieuze moorden en verdwijningen. Over­al in de stad had het onzichtbare kwaad toegeslagen. Op sommige plaat­sen werden bloedeloze lichamen teruggevonden, op andere plaatsen waren mensen gewoonweg ver­dwenen.

Heel even dacht Zohra dat de opzichter geen opzich­ter was, maar de moordenaar. En dat hij haar ter plaatse zou afslachten. Nee, ze dacht het niet, ze wist het zeker.

Lieven trok haar overeind. Haar lichaam voelde slap. Haar sprint had haar zoveel energie gekost dat ze wankelde. Lieven duwde haar voor­zichtig tegen de wand. Er zat een scheur in het beton, smal en lang­werpig, net groot genoeg voor een slank meisjes­lichaam om in te verdwijnen. ‘Verstop je daarin,’ zei Lieven. Zohra wilde protesteren, uit angst voor de moordenaar, maar er was geen tijd. Bovendien kon ze slechts happen naar adem. Woorden bleven hangen in haar keel. Als ze niet in de klauwen van de moordenaar terecht wilde komen, zat er niets anders op dan zich te verstoppen. Zohra wurmde zich naar binnen.

‘Ik leid hem af, oké?’

Zohra knikte.

‘Ik zie je straks terug op het platform,’ beloofde Lieven haar. En toen zette hij het opnieuw op een lopen. Zijn voetstappen stierven na enkele seconden weg.

Nog enkele seconden later zwol het gekreun en het gehijg van de man met de zaklamp aan. Ook hij had duidelijk geen al te beste conditie, maar dat maakte hem niet minder gevaarlijk. Zohra gluurde door de scheur naar buiten. Ze bad dat zijn lichtbundel haar niet zou vinden. Terwijl allerlei horrorvisioenen zich in haar hoofd afspeelden, hield ze haar adem in. Haar borstkas deed verschrikkelijk veel pijn. Haar hart klopte zo hart dat ze dacht dat hij het kon horen. Met moeite onderdrukte ze een hoestbui.

Een donkere schim gleed voorbij.

Wat verderop hield de man halt. ‘Rotjochies.’ Hij rochelde en spuwde. ‘Die klootzakjes mogen blij zijn dat ik hen niet te pakken heb gekregen.’ Hij scheen met zijn zaklamp in de uitgestrekte duisternis.

Lieven was al lang verdwenen. Hij kende de tunnels als zijn broekzak. Zohra en hij maakten al sinds hun puberteit graffititekeningen. Dat was nog niet veranderd nu ze allebei meerderjarig, uitgespuwd door de maat­schappij en dakloos waren. Straks zou ze hem terugzien. Tenminste, als de moordenaar haar niet zou opensnijden. Haar ledematen trilden van de spanning. De scheur in het beton dwong haar in een ongemakke­lijke positie, waardoor ze langzaam maar zeker kram­pen kreeg in zowat elke spier.

De man draaide zich om. Had hij de strijd opgegeven? Zijn logge lichaam kwam langzaam maar zeker weer in beweging, op weg naar het platform. Zijn schoenen knerpten. Net wanneer Zohra dacht dat ze zijn schim weer voorbij zou zien komen, werd het stil. Ze durfde niet meer te kijken en sloot haar ogen.

Een rauwe schreeuw verscheurde de stilte.

Zohra schrok zo hard dat ze ter plaatse versteende. De schreeuw galmde na. Daarna niets dan stilte. Ze begreep niet wat er gebeurde.

De schreeuw bleek afkomstig van de man. Even later hoorde ze hem stotteren: ‘Wat is dit in hemelsnaam?’ Ze vreesde dat hij haar schuil­plaats had ontdekt. Angstig opende ze één oog tot een spleetje. Hij stond aan de andere kant van de sporen met zijn rug naar haar gekeerd. Nu zag ze zijn opzichtersuniform. Dat stelde haar enigszins gerust. De lichtcirkel van zijn zaklamp onthulde de omtrekken van een lichaam, naakt en bleek. ‘Jezus Christus,’ mompelde hij.

Zohra opende ook haar andere oog en zag het nu duidelijk. De vrouw die daar lag was dood. Ze was geperforeerd met gaten ter hoogte van belangrijke slagaders. Het lichaam was spookachtig wit in de duisternis, alsof het helemaal leeggebloed was.

De opzichter zette een stap opzij. Met zijn ene hand bedekte hij zijn neus, met de andere bediende hij zijn walkietalkie om versterking te roepen. ‘De serie­moordenaar heeft weer toegeslagen,’ zei hij vertwij­feld. Daarna strompelde hij weg van het lijk. Hij bukte zich voorover en braakte, niet ver van de plaats waar Zohra daarnet bijna in elkaar gezakt was.

Dit was haar kans om te ontsnappen. Ze kon gebruik maken van zijn ontsteltenis om weg te sluipen, maar iets dwong haar te blijven kijken, ook al kon ze het zich niet veroorloven om weer gepakt te worden. Zohra was zo in de ban van dat ene beeld, dat ze maar bleef staren. Het verbaasde haar tegelijkertijd dat ze het lijk niet eerder had opgemerkt. Het lag naast de sporen. Even­goed zou ze erover gestruikeld zijn daarnet. Ze vroeg zich af hoe het daar terecht was gekomen. In haar hoofd ontvouwden zich de meest macabere scenario’s.

Een kriebel kronkelde door haar ingewanden. Het deed haar denken aan toen ze als kind met een tak in het opengereten lichaam van een kat had gepord. Enerzijds had ze medelijden met dat beest gehad. Het was overreden en lag ergens langs de kant van de weg. Anderzijds had ze zich niet kunnen bedwingen om met de tak in de organen te prikken, waar de maden en vliegen zich reeds genesteld hadden.

 

#

 

‘Je gelooft nooit wat ik gezien heb,’ zei Zohra. Het was ondertussen al bijna ochtend. Ze had uren onder de grond doorgebracht.

Lieven gaf haar een halve cheeseburger die hij uit een vuilnisbak had gevist. ‘Wat dan?’

Zohra nam een hap uit het koude vlees en vertelde over het lijk. ‘Het was alsof een of ander monster al het bloed eruit gezogen had.’

Lieven luisterde geboeid naar het verhaal, maar uit zijn blik viel af te leiden dat hij niet alles geloofde. ‘Je overdrijft.’

‘Ik zweer het,’ zei Zohra bitsig. ‘En nadat ze het lijk hadden geruimd, ben ik uit de spleet gekropen.’

‘Wel, misschien moeten we de tunnels een tijdje mijden.’

‘Waarom, je gelooft me toch niet?’

‘Ik geloof dat je iets gezien hebt.’

‘Maar?’

‘Niets. Ik denk gewoon dat het veiliger is om een tijdje weg te blijven uit de tunnels. De kans om gepakt te worden is er te groot. Zeker nu een seriemoordenaar de stad onveilig maakt. De flikken zijn alert.’

Zohra at het laatste stukje van de hamburger op. Al kauwend zei ze: ‘Minder aandacht voor graffiti­kunste­naars, met andere woorden.’

‘Misschien, maar toch… ‘ Lieven stak een joint op. ‘Ik weet nog een coole plek. Echt de shit.’ Hij inhaleerde en blies de rook in kringetjes voor zich uit. ‘We kunnen er ook slapen. Zullen we?’

Ze stalen een fiets. Lieven klom op het zadel, Zohra op het bagagerek. Zo reden ze de zwoele, vochtige ochtend in, naar de rand van de stad die ze zo verachtten. Antwerpen ontwaakte langzaam. Haar eerste bewoners begaven zich in de stinkende straten, klaar voor een nieuwe dag van verderf en verruk­kingen. In het oosten klom een pastelgele zomerzon moeizaam boven de grijze skyline. De lucht had de kleur van urine, waterig en vies.

‘Hier is het,’ zei Lieven enige tijd later. Hij was buiten adem van de lange rit.

Zohra stapte kreunend van de fiets. Haar schoot deed zeer, maar dat was slechts een kleine prijs voor dit geschenk. Vol ontzag keek ze omhoog. De wolken­krabber stond erbij als een verstoten kind, droevig en volledig afgesloten van de rest. Onkruid had het gelijkvloers gedeeltelijk overwoekerd. Het gebouw telde ongeveer twintig verdiepingen, schatte ze. Het was afgetakeld en al lang vergeten. Zelfs krakers en vandalen haalden er tegenwoordig hun neus voor op. Gek genoeg was Zohra nog nooit in dit deel van de stad geweest.

Ze zag meteen de mogelijkheden. Met haar spuitbus zou ze deze som­bere kolom van steen en gebroken glas transformeren tot de ultieme mid­del­vinger naar het establishment. ‘Lieven, dit is geweldig. Echt waar… ik ben sprakeloos. Maar fuck, ik ben zo moe.’ Ze geeuwde. ‘Het is een lange en uitputtende nacht geweest. Mis­schien moeten we eerst wat slapen.’

‘Kom.’ Lieven liep naar het flatgebouw. De ingang was dichtgetimmerd met spaanplaten. Blijkbaar had de overheid maatregelen genomen om ongewenste be­zoekers op een afstand te houden. Het zou geen een­voudige klus zijn om binnen te geraken. Zohra beeldde zich de verlaten inkomhal in. Honderden belletjes voor evenveel piepkleine apparte­menten, ooit volgestouwd met mensen die door het systeem waren uitgebraakt.

‘Ik heb een idee,’ zei Lieven.

Zohra volgde haar hem naar de achterkant van het gebouw. Daarbij keek ze nog een keer omhoog. De piek leek de hemel te doorprikken en over te hellen, alsof hij elk moment kon omvallen. Ze werd er een beetje draaierig van. Om de hoek zat een grote poort in het beton. De deur in het midden van de poort was uiter­aard vergrendeld. Het gereedschap dat Lieven in zijn rugzak bewaarde om fietssloten door te knippen, volstond om het oude, verroeste hangslot te vernielen.

Lieven duwde de deur open, maar het was Zohra die als eerste naar binnen ging. Het was er pikdonker. Ze zette haar hoofdlampje op. Een weeë, rotte stank deed haar longen verschrompelen. De tegelvloer zat vol ranzige vlekken. Dit had evengoed een slachthuis kunnen zijn. ‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg ze.

‘Zie je daar de stortkoker?’ Lieven scheen met zijn hoofdlamp naar een vierkanten schacht die uit het plafond kwam. Onder de schacht stond een grote, ijzeren container. De ruimte bood verder geen recht­streekse toegang tot het flatgebouw. ‘Dit is de plaats waar de bewoners hun afval dumpten.’

‘Aan de stank die hier hangt zou je zeggen dat hier nog steeds mensen wonen.’ Zohra kokhalsde. ‘Of erger nog, dat ze hier gestorven zijn.’

Lieven moest lachen. ‘Dat went wel.’

‘Dat betwijfel ik.’

‘Hierbinnen zitten we voorlopig veilig. Ik heb horen zeggen dat hier af en toe politie patrouilleert, maar niets om je zorgen over te maken.’ Lieven liet de deur op een kier staan voor wat frisse lucht.

‘Dit moet ongeveer de goorste plek zijn waar we ooit geslapen hebben.’ Zohra grinnikte. ‘Weet je nog, al die keren dat we onder de ijzeren brug lagen? Tussen de gebruikte condooms en heroïnenaalden? Of die keer toen we een huis gekraakt hadden in Doel? Gerrit en Savannah hadden er een echte smeerboel van gemaakt. Overal lagen sigarettenpeuken en scherven van bier­flesjes. En net toen je dacht dat het niet erger kon, liep Karstens LSD-trip helemaal fout en begon hij in zijn broek te schijten tot de bruine drab uit zijn broeks­pijpen stroomde.’

Lieven bulderde van het lachen om die wan­smake­lijke herinnering.

‘Wel, dit is erger. En tegelijkertijd zoveel mooier.’ Zohra vond schoon­heid onderschat. In haar ogen was lelijkheid veel waardevoller.

‘Ik wist dat je tevreden zou zijn.’

‘Maar nu moet ik echt slapen, hoe graag ik ook zou schilderen.’

‘Daar weet ik wel iets op,’ zei Lieven. Hij haalde een plastic zakje uit zijn broekzak en liet het heen en weer bengelen.

‘Kristal?’ Zohra’s mond viel open van verlangen. Het was zeker een half jaar geleden dat ze dat spul nog had gebruikt. ‘Waar heb je dat vandaan?’

‘Vannacht gescoord, terwijl jij lijken aan het bewon­de­ren was.’ Lieven ging naast Zohra op de grond zitten. Uit zijn rugzak haalde hij een glazen pijpje. Daarna pakte hij voorzichtig de kristallen uit het zakje en duwde ze in de bol aan het uiteinde van het pijpje. Zijn aansteker hield hij onder de bol. De vlam likte aan de onderkant van het glas. Na een tijdje begon­nen de kristallen te smelten. Lieven inhaleerde de rook die vrij­kwam. Zijn eerste haal duurde ongeveer een halve minuut.

Smachtend keek Zohra toe. Toen Lieven klaar was, griste ze het pijpje uit zijn handen. ‘Nu ik,’ zei ze. Lieven stak de rest van de kristallen in de bol, verwarmde ze en Zohra inhaleerde tot het genot haar longen en elke vezel in haar lichaam binnendrong. Onmiddellijk daarna schakelde haar hart een versnel­ling hoger. Ze kreeg het warm. De vermoeidheid verdween. Ze werd volgepompt met energie en kreeg het gevoel dat ze de wereld aankon. ‘Fuck, wat heb ik dit gemist,’ zuchtte ze voldaan.

Zohra stond op en nam enkele spuitbussen uit haar rugzak. Ze liep naar buiten en begon een monster op de poort te schilderen. Het was een artistiek ritueel, maar evengoed had het een heilzame werking op haar lichaam en geest. Ze vermoedde dat het een psychisch equivalent was van een bevalling. Op haar manier schonk ze een kind het leven. Het was haar creatie. Lieven bracht enkele accenten aan. Zo werkten ze altijd. Hij voelde en vulde haar perfect aan. En zo, high van de kristallen, gingen ze uren door, onverstoord en uiterst nauwkeurig, tot er een wanstaltig wezen voor hun ogen tot leven kwam.

Bij het vallen van de avond was de muurschildering af. Net zoals het monster was de hemel een explosie van kleuren. De ondergaande zon bloedde in onheil­spellende tinten langs de randen van een onweerswolk. Een sterke wind was komen opzetten. Zohra en Lieven keken beiden naar de lucht. ‘Gelukkig is de verf al droog,’ zei ze. De kristallen waren bijna uitgewerkt. Ze wist dat de klop elk moment kon komen. Dan zou ze zich slap en ziek voelen, maar ze had tenminste een rustige plaats om te slapen.

‘Laten we naar binnen gaan,’ zei Lieven.

Ze gingen op de harde vloer liggen. Hun rugzak ge­bruikten ze als hoofdkussen. Lieven had nog een half flesje cola. Hij gaf het aan Zohra. De drank was lauw en er zaten geen bubbels meer in, maar de zoete smaak was precies wat ze nodig had. Haar maag gromde. Morgen zouden ze wel ergens iets te eten stelen. Nu was ze uitgeput. Te moe zelfs om nog een woord uit te brengen. Ze sloot haar ogen en droomde van haar kinderen.

 

#

 

Rollende donder rukte Zohra brutaal uit een onrustige slaap. Het gerommel klonk eerst ver weg, maar zwol aan tot een hels kabaal. Het kwam van boven, baande zich een weg naar beneden en kwam steeds dichter, alsof het flatgebouw doormidden werd gescheurd door een monumentaal onweer. Het duurde een volle seconde voor Zohra besefte dat er iets niet klopte. Dit was niet hoe onweer klonk. Nog een seconde later werd haar vermoeden bevestigd. Een eigenaardig geluid vulde de afvalkamer, een ware zondvloed van smerige klanken. Het klonk als diarree, maar dan een vlezige, metalige exponent daarvan.

‘Welke klootzak gooit op dit uur afval in de stortkoker?’ wauwelde Lieven. Hij knipte zijn hoofd­lampje aan en stond op, slaapdronken.

Zohra deed hetzelfde. Ze was meteen klaarwakker. Haar ledematen tintelden en ze had overal jeuk, een neveneffect van de drugs. Ze scheen met haar lampje op de container. Lieven keek haar aan. Hij leek even verbaasd als zij zich voelde. Nieuwsgierig als ze was, schuifelde ze naar de container. Met elke meter die ze dichterbij kwam, werd de stank hardnekkiger. Ze kneep haar neus dicht, Lieven hield zijn T-Shirt voor zijn gezicht.

Zonder iets tegen elkaar te zeggen legden ze hun handen over de rand van de container. Die was te hoog om zo in te kunnen kijken, dus moesten ze zich eraan optrekken. ‘Help eens,’ zei Zohra. Ze gebruikte Lievens handen als trapje en klom omhoog.

‘Zie je iets?’

Zohra hing met haar hoofd en borst boven de rand. Haar licht bescheen het afval. Omdat ze zich met beide handen vasthield, kon ze niet anders dan de stank inademen. Het was het vreselijkste wat ze ooit geroken had. Nog erger dan de ingewanden van de dode kat die ze ooit had bestudeerd, nog erger dan de biefstuk die ze bij wijze van experi­ment had laten ontbinden in de zon, tot de maden tussen de vezels van het vlees krioelden. Ze kokhalsde. De enige reden waarom er niets uit haar keel kwam, was omdat ze een hele dag niets had gegeten.

‘Wat is het?’ drong Lieven aan.

Zohra liet zich zakken. Ze stond voorover gebogen. Ze was draaierig. ‘Kijk zelf maar.’ Ze vond geen woorden voor wat ze gezien had.

Niet veel later stond ook Lieven te wankelen op zijn benen, kermend van de pijn in zijn middenrif.

De container was gevuld met lichaamsdelen, inge­wanden, beenderen, spierweefsel, hersenen en ondefi­nieer­bare menselijke resten, zowel rot als vers. Iemand had dit alles in de stortkoker gekieperd. Zohra keek naar Lieven, wiens tranen over zijn wangen biggelden. ‘Zou dit de dump­plaats van de seriemoordenaar zijn?’

Lieven rende naar buiten. Daar inhaleerde hij de frisse nachtlucht. Het regende zachtjes. Van onweer was geen sprake. Hij bibberde over zijn hele lijf en zijn stem was onvast. ‘We moeten hier zo snel mogelijk weg,’ stamelde hij.

Zohra besefte dat ze weleens gelijk kon hebben. Wat als dit de plek was waar hij zijn slachtoffers naartoe bracht, tenminste, diegene die hij niet liet rond­slinge­ren in de ondergrondse en bovengrondse straten van Ant­werpen? Eerder nieuwsgierig dan bang of gechoqueerd zei ze: ‘Wacht.’

Lieven keek haar onbegrijpend aan.

‘Dit is een unieke kans. Hij weet niet dat wij hier zijn.’ Ze wist dat ze haar zielsverwant kon overtuigen hier te blijven, als ze het maar juist aanpakte. Tenslotte zou hij alles doen om haar te beschermen, net zoals met zijn afleidingsmanoeuvre vorige nacht in de tunnel.

Het duurde even voor Lieven antwoordde. ‘Wat bedoel je precies?’

‘Heb jij er dan nooit van gedroomd om een serie­moorde­naar te ontmaskeren?’

‘Eh, niet echt. En al zeker niet ten koste van mijn eigen leven.’

Zohra wist precies wat Lieven nodig had. ‘Heb je nog kristal?’ vroeg ze.

‘Ja, maar – .’ Hij zuchtte, beet op zijn lip, keek naar de top van het flatgebouw en vervolgens naar de afval­kamer, het menselijk abattoir.

‘Laten we eerst high worden.’

‘Shit, Zohra, ben jij helemaal gek geworden? Ik wist dat je een zieke geest had, maar deze keer ga je echt te ver. Als we niet in die container willen eindigen, moeten we nu vertrekken.’ Ondanks zijn protest pakte hij het zakje kristallen, dat nog halfvol was. Hij ratelde maar door over waarom dit zo’n slecht plan was. Zohra liet hem praten. Ondertussen prepareerde ze een dosis. Niet veel later rookten ze elk de helft van de kristallen. De kick kwam snel en hard. Hun spieren spanden zich op en pure energie vloeide door hun aderen. De roes overwon de angst.

‘En nu?’ vroeg Lieven. Zijn pupillen waren groot en glansden als ruwe olie.

‘Ik hoopte dat jij een manier weet om binnen te geraken.’

Tien minuten later stonden ze in de inkomhal. Daar­voor waren ze nog een keer rond het gebouw gelopen, op zoek naar de ingang die door de serie­moordenaar gebruikt werd, maar ze hadden niets gevonden. Daarom hadden ze een spaanplaat losge­wrikt en waren ze door de spleet naar binnen geglipt. Het schemerde in de inkomhal. De elektriciteit was al lang afgesloten, maar een smalle reep maanlicht viel door een gebroken venster naar binnen. Zohra en Lieven hadden hun hoofd­lampjes voorlopig niet nodig.

De inkomhal was in twee stukken verdeeld. Aan beide kanten was er een grote ruimte waar de brievenbussen zich bevonden. Vandalen hadden ze bespoten met graffiti of van de muur getrokken. In het midden van de inkomhal stond een wand met belletjes. Sommige naam­plaatjes waren nog leesbaar, andere waren ver­dwenen, alsof de eigenaars hier nooit gewoond hadden. De inkomdeur die naar de gang en de liften leidde stond uitnodigend open. In het kozijn staken scherven ter grootte van een machete.

Zohra deed haar trui uit, wikkelde de stof rond haar hand en trok een stuk glas uit de deur. Ze keek naar de vlijmscherpe punt. ‘Komt mis­schien nog van pas.’

Lieven volgde haar naar binnen, maar gleed uit over de plas van scherven bij de deur. Met een doffe klap viel hij op de tegelvloer. Brokjes glas schoten rinkelend en fonkelend alle kanten uit. Door de adrenaline merkte hij de pijn in zijn staartbeentje en bloedende handen nauwelijks. Wel schrok hij van zijn eigen kabaal. ‘Shit,’ fluisterde hij.

Zohra en Lieven stonden als stenen beelden in het territorium van de slachter. Met ingehouden adem keken ze naar elkaar. Gelukkig was het gebouw immens groot en moesten ze al heel veel pech hebben om uitgerekend hier en nu betrapt te worden.

Een beetje later zei Zohra: ‘Het is veilig, denk ik.’ Voorzichtig keek ze om het muurtje en liep daarna de gang in. Ze wenkte Lieven, die haar volgde terwijl hij glassplinters uit zijn handpalmen trok. Het was koel in de gang en het rook er naar schimmel. Overal vielen gekartelde bundels maanlicht door gebroken vensters naar binnen. Instinctief hielden Zohra en Lieven halt bij de eerste lift die ze tegenkwamen.

‘Dit gebouw is een labyrint,’ zei Lieven. ‘Twintig ver­diepingen, honder­den appartementen. Hij kan overal zitten. Dit is onbegonnen werk.’

Hij sprak het niet uit, maar Zohra bespeurde in zijn stem het verlangen om weg te gaan, om te vergeten wat ze gezien hadden. Maar Zohra wilde die container niet vergeten. Ze kon de lichaamsdelen en de stank niet uit haar hoofd zetten. Nee, zij moest weten wat er zich aan de andere kant van de stortkoker bevond. Peinzend keek ze om zich heen. ‘Volg het bloed,’ zei ze opeens, en ze wees naar een spoor van vlekken op de vloer.

De donkere vlekken leidden naar de dienstlift. Daar hielden ze op. Het knopje om de lift op te roepen was besmeurd met dezelfde vlekken. Het schermpje erboven gaf in digitale tekens “20” aan. Daar was de lift tot stilstand gekomen. Lieven huiverde. ‘Wacht eens,’ zei hij. ‘Er is iets wat ik niet begrijp.’

‘Wat?’

‘De elektriciteit in dit gebouw is afgesloten.’

‘Ja.’

‘En toch is de lift in gebruik.’

Zohra dacht na. ‘Een ander circuit misschien?’ gokte ze. Feit was dat het veel eenvoudiger was om een lijk met de lift te verplaatsen dan via de trappen. Blijkbaar had de slachter voor zichzelf een manier gevonden om dat probleem op te lossen.

‘Als we de lift oproepen, dan weet hij dat hij ont­maskerd is,’ opperde Lieven. ‘Zo kunnen we hem in de val lokken.’

Zohra schudde met haar hoofd. ‘Nee, we nemen de trap naar de twintigste verdieping. Ik wil zijn werkplaats zien.’

‘Je spreekt over hem alsof hij een kunstenaar is.’

Misschien had Lieven gelijk. Ergens in haar morbide fascinatie ging een intuïtieve hunker naar verwant­schap schuil. Ze had het gevoel alsof ze in een van haar eigen nachtmerries ronddoolde.

Zohra liep naar een deur met het pictogram van een trap. De deur was uit de scharnieren getrokken en hing schuin in het kader. Ze kroop door het driehoek­vormige gat naar binnen. Aangezien de maan zich aan de andere kant van het gebouw bevond, was het hier pikdonker. Ze knipte haar hoofdlamp aan en scheen ermee op de betonnen trappen. Heel even waagde ze het om in het ravijn tussen de trappen naar boven te gluren. De hoogte was duizelingwekkend.

Zohra begon samen met Lieven aan haar tocht naar de top. De hele tijd hield ze de glazen machete voor zich uit. Ze merkte dat haar handen beefden, maar wist niet zeker of het door angst of opwinding kwam. Of allebei. In de trappenhal hing een vochtige hitte, alsof de zomer zich tijdens de afgelopen dagen in elke porie van het gebouw genesteld had.

Met elke verdieping versnelde Zohra’s hartslag. Het duurde niet lang voor het zweet van haar voorhoofd naar het puntje van haar neus stroomde, waar het een parel vormde. Ze was nog stijf van haar sprint in de tunnel. Haar kuiten, hamstrings en quadriceps leden onder de inspan­ning. Hoewel Lieven in betere conditie was, bleef hij veilig achter haar.

‘Ik wil niet sterven,’ zei Lieven opeens. Ze waren bij de tiende verdie­ping aangekomen, precies halverwege. Die psychologische grens had hem kennelijk aan het twijfelen gebracht. ‘Tenminste, niet hier en al zeker niet vandaag.’

‘Je weet dat ik niet terug kan.’ Zohra keek Lieven vast­beraden aan. ‘Ik snap best dat je weg wil gaan, maar ik moet weten wat hier aan de hand is. Ik moet het zien met mijn eigen ogen.’ Ze wiste het zweet van haar neus. ‘Alsjeblieft, Lieven, zeg me dat je dat begrijpt.’

Ze stonden stil op de trappen. Het enige geluid was afkomstig van hun zwoegende longen. Ze hijgden een tijdje zonder iets te zeggen. Uitein­delijk knikte Lieven weifelend. ‘Je weet dat ik jou hier niet kan achter­laten.’

‘Dat weet ik.’ Zohra keek omhoog, naar de resterende tien verdie­pin­gen, en begon opnieuw te klimmen.

De negentiende verdieping was sneller bereikt dan ze had gedacht. Ze spitste haar oren, in de hoop een geluid op te vangen. Eender wat, gekrijs van een slacht­offer of een ronkende kettingzaag die lichamen in stukken sneed. Maar het was onheilspellend stil in de top van de wolkenkrabber.

Zohra knipte haar hoofdlamp uit. Lieven deed het­zelfde. Nu kwam het erop aan om geen fouten te maken. Geen bruuske bewegingen, geen geluid. Samen slopen ze de laatste trappen op. Zohra omklemde haar glazen machete met beide handen. Ze voelde de randen door haar trui in haar handpalm snijden, maar schonk geen aandacht aan de pijn. Onoplettendheid kon dodelijk zijn in deze fase.

Er was geen deur tussen de trappenhal en de twintigste verdieping.

Ondertussen hadden de kristallen Zohra naar het hoogtepunt van haar roes gestuwd. Ze merkte hoe haar hersenen een vloedgolf aan dopamines vrijgaven. De angst was nu volledig verdwenen. Ze was opgewonden. Alsof ze een simultaan orgasme hadden leek ook Lieven zijn climax te beleven. Van de bezorgdheid in zijn blik en de manier waarop hij door besluiteloosheid zijn lippen daarnet nog op elkaar perste, was geen sprake meer. Het was zelfs hij die als eerste de gang in liep.

De twintigste verdieping was afwisselend gehuld in plassen van duisternis en plaatsen waar de bleke maan-gloed zich over de vloer uitstrekte. Aan het plafond hingen tl-lampen. De meesten waren stuk­gegooid en het glas lag versplinterd op de grond. Links en rechts bevonden zich de wooneenheden. Zohra keek beide kanten op. Nergens geluid, nergens beweging. Ze verstevigde de grip op haar wapen. In haar handpalm welde bloed op. Ze voelde zich zo zeker van haar stuk, dat ze geen angst voelde om de confrontatie aan te gaan met de serie­moordenaar. Het maakte niet uit of hij twee meter groot was en honderd kilo woog. Ze zou zijn keel doorsnijden voor hij nog maar besefte dat ze voor zijn neus stond.

‘Welke kant op?’ Lieven deed zijn best om te fluisteren, maar de kristallen hadden hem hyper gemaakt. Zijn stem sloeg over.

Zohra wees met de punt van haar glazen machete naar de vloer. Een fijn spoor van donkere druppeltjes liep naar het midden van de gang. Om tot daar te komen, moesten ze voorbij verschillende woon­eenheden. Allemaal mogelijke schuilplaatsen van de slachter.

Rug aan rug volgden ze het spoor. Lieven hield een spuitbus in de aanslag. Een weinig doeltreffend wapen, besefte hij, maar voldoende om een belager mee te desoriënteren zodat hij kon ontsnappen en niet in de container zou belanden. Zo slopen ze meter voor meter naar hun doel. Bij elk appartement bukten ze zich om buiten het gezichtsveld van de spionnetjes te blijven. De deuren waren gesloten. Zohra beeldde zich telkens in dat achter het kijkgaatje een duister oog hen in de gaten hield. Ze was voorbereid op het moment waarop de psychopaat naar buiten zou stormen. Ze zou het glas recht door zijn hart stoten.

Bij het vierde appartement dat ze passeerden stond de deur open. Zohra aarzelde om naar binnen te kijken. Uit de ruimte dreef een mengeling van geuren. Het waren geen typische geuren van een bewoond huis, eerder een soort walm van dood vlees, zij het niet zo sterk als in de stortplaats. Zohra gebaarde naar Lieven om te wachten. Na een uitwisseling van tekens gingen ze elk aan weerszijden van de deur staan. Toen ze lang genoeg geluisterd hadden om te horen dat het volledig stil was in het appartement, waagden ze het om naar binnen te gaan.

De eerste ruimte die ze betraden was in betere tijden de woonkamer geweest. Nu stonden er slechts enkele meubels: een zitbank waarvan het schuimrubber uit de bekleding lekte als etter uit een puist en een grote tafel met daarop verroeste messen en beenzagen. Het tapijt onder de tafel was doorweekt met een smerige sub­stantie. Overal maakten vliegen abstracte schilde­rijen in de weeë lucht. Zohra besefte meteen dat ze in het atelier van de moordenaar stonden. Ze knipperde enkele keren met haar ogen om zich ervan te verze­keren dat het geen hallucinatie was. Kristallen hadden nu eenmaal de neiging om je zintuigen te bedriegen.

Maar dit was echt.

Aan de muur waren planken bevestigd waarop plastic bussen stonden. Het waren doodgewone bussen bleek­water van vijf liter, behalve dat er geen bleekwater in zat. ‘Zou hij zijn slachtoffers daarom laten leeg­bloeden? Hij snijdt hun keel over en vangt het bloed op in deze flessen.’ Lieven keek over zijn schouder naar de andere kant van de kamer. Daar hing een vleeshaak aan het plafond. Op de grond eronder stond een ijzeren kuip. Naast de kuip lag een trechter. ‘Weet je hoeveel mensen je moet vermoorden voor zoveel bloed?’

In een oogopslag begreep Zohra wat er aan de hand was. De serie­moordenaar was uit op het bloed van zijn slachtoffers. Als hij geen tijd had om het ter plaatse uit hun lichaam te halen, nam hij ze mee en deed hij het hier. Allerlei gedachten schoten door haar hoofd. Haar mond ging open, maar spreken lukte niet. Ze kon het antwoord op Lievens vraag alleen maar denken: veel mensen; heel veel. Ze moest weten waarom.

Ze werden opgeschrikt door kabaal. Gerommel, ergens op de twintigste verdieping, dicht genoeg om te weten dat ze niet alleen waren, maar waarschijnlijk ver genoeg om tijdig uit dit smerige hol te ontsnappen.

Lieven stond als eerste terug bij de voordeur. Voorzichtig keek hij om het muurtje de gang in. ‘Kom,’ fluisterde hij, en geruisloos liep hij naar buiten. Zohra volgde hem. Op hetzelfde moment ging er tegenover hen een deur open.

Allebei verstarden ze toen een gedaante uit het kamertje kwam. Eén seconde, misschien twee, gebeurde er niets. In die tijd deed Zohra verschillende indrukken op. Ze sperde haar ogen wijd open. In het kamertje achter de gedaante bevond zich de stortkoker. De klep van de koker stond open en er bungelde een been uit. De slachter was groot en dik. Zijn ademhaling was een ketting van astmatische reutels. Hij droeg een rubberen schort, besmeurd met viezigheid. Zijn armen hingen naast zijn lichaam en in zijn rechterhand zat een kolossale hamer; het type hamer waarmee je met één slag schedels kon splijten tot de hersenen uit de oren spoten.

Zohra liet haar wapen vallen. Haar benen voelden krachteloos, alsof ze het gewicht van haar tengere lichaam niet meer konden dragen. Ze had geen enkele controle meer over haar ledematen. De kristallen waren van uitstekende kwaliteit geweest, maar helaas geen partij voor de angst die nu door elke vezel van haar lichaam gonsde. Het glas raakte de grond, scherven rinkelden.

De slachter deed een stap naar voor zodat hij omhuld werd door maneschijn. Langzaam gleed Zohra’s blik naar zijn gezicht. Het was geen man. Het was een vrouw: dubbele kin, slecht gebit en sliertjes zwart krulhaar die haar bezweet gezicht craqueleerden.

Dit moment, dat slechts enkele seconden duurde, ein­digde met een bruuske beweging. De hamer rees. Lieven drukte zijn spuitbus in. Een nevel van verf hing tussen hem en de reusachtige vrouw, maar zijn wan­hoops­poging mocht niet baten. De hamer kwam frontaal in zijn gezicht terecht. Zijn huid scheurde open en de botten eronder kraakten. Hete druppels van zijn bloed spatten op Zohra’s wang.

Vol afschuw zag ze hoe haar zielsverwant in elkaar zakte. Zijn gelaat was getransformeerd tot een rode brij. Nog voor ze kon beslissen of ze zou vluchten, zich over hem zou ontfermen of de tegenaanval inzetten, voelde ze een klap op haar hoofd. Plots was de wereld stil en zwart.

 

#

 

Voor het eerst sinds jaren ontwaakte Zohra uit een droom­loze slaap. Onder haar lichaam knerpte een bed van keien. Ze had barstende hoofdpijn, was misselijk en gedesoriënteerd. Haar zicht was wazig. Op haar armen en aangezicht vielen druppels. Ze keek naar de hemel. Het regende zachtjes. De randen van de wolken glansden als een neon­reclame. Ze kon onmogelijk zeggen of het licht van de zon of de maan afkom­stig was. Ze ging rechtop zitten.

Zohra had enkele ogenblikken nodig om te beseffen dat ze zich op het dak van de wolkenkrabber bevond. Toen die kennis doordrong, speelden alle fragmenten van voor de klap zich als een omgekeerde film af in haar hoofd. Haar eerste gedacht was om Lieven te zoeken. Diep vanbinnen wist ze echter dat hij dood was, na te zijn leeggebloed in de kuip. Waarschijnlijk stond een bus met zijn bloed al tussen de andere en was hij als een puzzel van vlees en beenderen in de stortkoker gekieperd. Het was haar een raadsel waarom zij niet naast hem in de container lag.

Zohra deed een poging om op te staan. Ze wankelde. De wond aan de zijkant van haar hoofd pulseerde in een scherp, brandend ritme. Ze legde haar hand erop en voelde dat het bloed gedeeltelijk gestold was. Ze had meer geluk gehad dan Lieven. Het moest een afscham­per geweest zijn, voldoende om haar bewuste­loos te slaan, maar niet hard genoeg om haar te vermoorden. Toen Zohra eenmaal stevig op haar benen stond en haar ogen een beetje aan het schemerduister begonnen te wennen, drong het panorama van de verdorven stad tot haar door. Alles leek heel ver weg.

Zohra herinnerde zich weer waarom ze naar hier was gekomen. Het was een onverklaarbare, niet te negeren aantrekkingskracht geweest. Het feit dat ze nog leefde, sterkte haar in de gedachte dat deze situatie voor­bestemd was. Haar vastberadenheid over­scha­duwde de gevoelens van woede, verdriet en angst die in haar ingewanden tintelden. Ze zou niet weggaan voor ze wist wat die vrouw met Lievens bloed van plan was.

Er stond een zachte bries. Een eigenaardige, niet te definiëren geur dreef Zohra’s kant op. Intuïtief wist ze dat ze die geur moest volgen, ook al walgde ze ervan. Ze probeerde een overzicht te krijgen van het dak. Het was zo groot als een voetbalveld en ingericht als een doolhof met ventilatieschachten, antennemasten, lift­okers en trappenkamers die het zicht belem­erden. Ze strompelde naar de dichtstbijzijnde mast en verschool zich erachter. Het inademen van de buitenlucht deed haar deugd. Langzaam voelde ze het leven weer in haar lichaam sijpelen.

Zohra sloop van het ene obstakel naar het andere. Onderweg begonnen haar zintuigen opnieuw normaal te functioneren. De realiteit was niet langer een onbe­trouwbare fata morgana. Ze zag alles weer helder, ondanks de barstende hoofdpijn. En ze hoorde ook iets: een vreemd, onbestemd geluid.

Tongen die slurpten, tanden die knarsten, obscene huigklanken.

Zohra gluurde door het rooster van een ventilatie­chacht. Aan de rand van het dak ontvouwde zich een macaber schouwspel. Het beeld was gefrag­enteerd als een mozaïek. Heel even hoopte Zohra dat ze nog steeds bewusteloos was en door duistere dromen gekweld werd, maar het had geen zin om de werkelijkheid te ontkennen. Ze kon niet ophouden met staren. Een gevoel van herkenning ontlook in haar binnenste, als een lang vervlogen herinnering aan een speciale ont­moeting.

Met lange tongen likten de wezens het bloed uit een bassin. Ze dronken gulzig terwijl de vrouw een nieuwe bus leeggoot. Het bloed was dik en stroperig.

Zohra bewonderde de contouren van de wezens. Sommigen waren hoekig en puntig, anderen zacht gewelfd als zandduinen. De nevelige lucht wierp een doffe schijn op hun huid. Bleek en ziekelijk glinsterden ze. Hun iele lichaampjes waren bedekt met schubben, gezwellen of afgestorven weefsel. Hun geraamte was misvormd, net als hun gezicht. Monden als vagina’s, ogen van slijm. Allemaal hadden ze unieke trekken, alsof ze afstamden van verschillende voorvaderen.

Slechts twee dingen hadden ze met elkaar gemeen. Ze dronken bloed om te overleven. De vrouw, hun slaaf, hadden ze uitverkoren om hen te voeden. Als een levende dode voerde ze hun telepathische bevelen uit.

Het tweede wat de monsters, ondanks hun verschil­ende uiterlijke ken­merken, met elkaar verbond, was Zohra. Zij had hen het leven geschon­ken in de vergeten hoeken en krochten van de stad. Zij had hen bedacht en een gezicht gegeven, met verf op beton. Zij waren de kunstwerken die zo gehekeld werden door het establishment. De verstotelingen van Antwerpen hadden zich allemaal op het dak van de wolkenkrabber verzameld, ver weg van de bekrompen burgers.

Ze leken niet eens verbaasd toen Zohra tevoorschijn kwam, alsof ze haar komst geduldig hadden afgewacht.

De vrouw schrok wel. Haar ogen sprongen open als had ze een spook gezien. Ze liet de bussen bloed uit haar handen glijden. Even leek ze niet te kunnen vatten wat er gebeurde. Daarna waggelde ze schuimb­ekkend op Zohra af.

Maar Zohra was niet bang. Ze wist dat haar kinderen haar zouden beschermen, net zoals ze ervoor hadden gezorgd dat ze nu niet naast haar zielsverwant in de container lag.

En zo geschiedde.

Nog voor de vrouw Zohra kon bereiken, hadden de monsters haar al te grazen genomen. De vrouw begon woordeloos te krijsen. Haar stem was zwaar en diep, als een vrachtwagen die over kasseien bulderde.

Ze trokken haar neer met hun klauwen. Hun voor­malige voedster grabbelde in het ijle en viel met een smak op de grond. De monsters beten haar keel over en peuzelden het vlees van haar beenderen. Het kolossale lichaam van de vrouw werd alsmaar kleiner, eerst de benen en de armen, daarna haar roze romp. Langer dan enkele minuten duurde het vreetfestijn niet. Zohra’s kinderen speelden met de ingewanden en jong­leerden met de oogbollen.

Het vlees spuwden ze weer uit. Bloed was het enige waar ze op uit waren. Nooit hadden ze genoeg. Ver­honge­ren zouden ze echter niet doen. Vanaf nu was Zohra er immers om hen te voeden. Ze was tot het ergste bereid om hen sterker te maken. Zelfs Lievens bloed mocht niet verspild worden. Het waren tenslotte haar kinderen. Door de monsters zijn bloed te schenken, kon hij in hen een tweede leven leiden. Ze miste hem nu al.

Zohra liep naar de hoek van het dak en ging met haar benen over de rand zitten. Ze keek uit over de stad. Zoveel mensen, zoveel bloed. Nu waren de monsters nog zwak, maar binnenkort zouden ze sterk genoeg zijn om Antwerpen over te nemen.

Onder de rook van duizend zielen : Nienke Pool & Mike Jansen

Sterre zette haar fiets in de verlaten fietskelder van station Haarlem en liep op haar veel te hoge hakken richting perron drie, waar de laatste trein haar naar het nachtleven van Amsterdam zou brengen. Alle rotzooi van die dag, nee van de afgelopen zeven jaren, drie maanden en twaalf dagen, wilde ze deze nacht van zich afgooien. Mike, de klootzak.

Die ochtend, tijdens het ontbijt, net na zijn eerste kopje koffie en precies voordat ze een slok van haar ontbijtsmoothy had genomen, was hij begonnen over de seven-year-itch en over de nieuwe inzichten die Linda hem daarover had ingefluisterd. De snol. Hij verzocht Sterre met zijn bruine hondenogen om een time-out waarbij ieder zijn eigen zaden kon laten waaien over ‘onontgonnen velden’. Waar zijn zaad naartoe zou waaien, wist ze al.

Wat deze nacht haar zou brengen, was nog een open vraag. Ze wilde zich laten gaan. Vastberaden liep ze door het poortje naar de roltrap, die haar naar het perron bracht. De oude bogen van het gewelfde dak van het station waren gehuld in schaduwen die de felle lantaarns en de schelverlichte reclameposters niet konden verdringen.

Een geur van bier deed een alarmbelletje rinkelen. Ze voelde zijn aan­wezig­heid voor ze hem zag. Hij stonk naar alcohol en zweet, een man van begin veertig, met kort, stekelig haar, grijzend aan de slapen, dure schoenen, modieuze jeans, lekker strak T-shirt maar een ladderzatte kop met bloeddoorlopen ogen. Hij had duidelijk gehuild. Ze voelde mede­lijden, zelfs een aan­drang hem aan te spreken.

Voor hij een slok uit zijn heupflacon nam, liet hij een boer. Het moment was direct voorbij. Hij mompelde in zichzelf en staarde onop­houdelijk naar haar. Hij had een wilde blik in zijn ogen die haar intimi­deerde. Ze voelde angstzweet onder haar oksels. Haar eigen angst stonk heftiger en de penetrante geur drong door tot in het binnenste van haar bewustzijn.

Ze stak een sigaret op. Met een paar trekjes nicotine probeerde ze haar zintuigen tot rust te brengen en met de rook blies ze een beschermend rookgordijn. Al inhalerend keek ze om zich heen. Het perron was verder verlaten. Op het tegenoverliggende perron stond een zoenend stel en wat eenlingen die geobsedeerd in hun mobiel staarden. In de verte zag Sterre de koplampen van de Intercity al. Op het moment dat ze haar trein zag, keek de vent van het zoenende stel op. Hij wierp haar een geile zoen toe. Hij lachte. Kut, dacht ze en keek snel een andere kant op.

Ze gooide haar peuk weg en besloot naar het verste deel van het perron te lopen, dan hoefde ze in Amsterdam die meters niet meer te maken. Daarbij was ze verder verwijderd van de geile vent en die dronkenlap.

Op haar hakken probeerde ze zo snel mogelijk het perron over te lopen. Ze kon zich niet herinneren dat ze ooit zo opgelucht was dat er een trein het station in denderde. Even overwoog ze om naar huis te gaan. Ze was absoluut niet meer in de stemming tot welke ikvergeet­mijn­ellendeseks dan ook. Haar mobiel lichtte op en hoop borrelde in haar op toen ze zag dat hij het was. Een bericht op Facebook. Zou hij haar willen spreken?

Mike staarde haar aan vanaf een foto van hem en de Linda-snol die alle hoop aan diggelen sloeg. Hij had zijn tong zo ver in haar mond gestoken, het leek alsof hij een inwendig onderzoek aan het verrichten was. De klootzak.

De geur van drank was vlak achter haar en verstoorde niet alleen haar gedachten. Het verstoorde haar evenwicht en ze werd bang. ‘Wat moet je van me? Donder op.’ Ze had gehoopt dat haar stem krachtiger zou klinken.

Hij keek haar niet aan. Zijn ogen waren groot. Met de heupflacon in zijn hand liep hij snel struikelend langs haar. Ze zag hem bij het spoor komen en niet stoppen, zijn handen uitgestrekt voor zich alsof hij naar de overkant wilde duiken. De trein naderde als in slow motion en een diepe kilte verspreidde zich vanuit haar buik. Hij gaat dood!

De machinist probeerde uit alle macht te remmen, vonken sprongen van het spoor in een surrealistisch inferno begeleid door een angstaan­jagend gillen van gemarteld metaal. Sterre zette haar eerste stappen naar het spoor al terwijl de trein in aanraking kwam met de dronken man, die in elkaar vouwde als een lappenpop, waarbij bloed uit zijn hoofd en lichaam spatte door de kracht van de botsing.

Die is dood, schoot door haar heen. Ze kwam bij het spoor, rende langs de wagons tot de locomotief waarvan net de deur werd geopend. Bij de voorkant aangekomen keek ze, draaide direct haar gezicht weg en gaf luidruchtig over op de tegels. Ze voelde zich draaierig, de wereld om haar heen was mistig, kil en ze dacht dat ze flauw viel. Ze zakte op haar knieën en probeerde met haar hoofd omlaag lucht te happen.

 

***

‘Hee!’

Langzaam keek Sterre op, recht in het gezicht van de dronken man die ze net voor de trein had zien springen. Hij was lijkbleek, bijna wit. Nee, dat is het niet. Hij is … kleurloos. Ze schudde haar hoofd. ‘Maar… jij bent dood. Ik zag je springen.’ Ze stond op en week achter­uit.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik weet niet wat ik ben. Dood niet, denk ik. Helaas.’ Hij gooide zijn lege heup­flacon op de rails en keek vervolgens om zich heen. ‘Maar ik vraag me af waar we nu zijn. En waar de trein is gebleven.’ Het spoor was inderdaad leeg.

Bij zijn woorden keek Sterre eveneens om zich heen. Ze waren in het station. Correctie, ze waren in een station, gemaakt van bewerkte, houten pilaren en een aantal hoge, aaneengesloten bogen die het dak vorm­den. Een paar kleine gebouwtjes van kale bak­steen met houten kozijnen en glas-in-lood ramen waren het enige dat ze kon zien naast rijen perrons en spoor. Voorbij het perron waren tientallen sporen, meer nog dan ze van Amsterdam Centraal gewend was.

De stilte hier was indringend, alsof de wereld leeg was. Het snerpende geluid van een stoomfluit doorbrak die stilte en deed pijn aan haar oren. ‘Kom op het perron,’ riep ze boven het geluid uit naar de dronken man die nog steeds op het spoor stond. Met moeite trok hij zich omhoog en rolde tot naast haar op het perron. In de verte verschenen twee koplampen die een dreigend rood licht uitstraalden in de inktzwarte buitenste duisternis.

Ze staarde naar dat licht en wist ineens wat er mis is. Het rode licht was de enige kleur die ze om zich heen zag. De dronkenlap en alles om haar heen was kleur­loos. Zelfs zijn bloeddoorlopen ogen waren grauw. Zijn lippen prevelden woorden die als door een mist tot haar kwamen, zelfs als ze haar oren spitste. Overal om haar heen hing een beklem­mende vochtige mist, die alles wit leek te maken. En stil. Doodstil.

De dronkenlap sjorde aan haar mouw en begon tegen haar te schreeuwen. Ze verstond geen woord van wat hij zei, zo werd ze opgeslokt door haar eigen zintuigen. Ze staarde naar zijn grijze arm op haar jasje. Dat was nog steeds mintgroen, alleen leek het alsof de kostbare zijde al honderden keren te heet was gewassen. Maar er was kleur en het voelde als hoop. De mist uit haar hoofd trok langzaam op en geluiden van buitenaf drongen weer tot haar door.

Piepende remmen van de trein die het perron naderde; geschuifel van ijzer dat knarste over de grond en dan – steeds duidelijker – het geschreeuw van de man. Zijn woorden kwamen een fractie van een seconde later binnen dan de bewegingen die zijn lippen maakten. Ze staarde alsof ze hem in een jaren vijftig film bekeek.

‘We moeten weg hier. Kom mee! Snel,’ riep hij.

Sterre keek in de richting die de dronkenlap aanwees. Daar aan de overkant van het perron stond een man die hen strak aankeek. Een moment dacht ze dat het de geilaard van daarnet was, maar de koude rillingen die deze figuur haar bezorgde was vele malen intenser. Nee, hem had ze niet eerder gezien. Een dergelijke blik zou ze zich herin­neren. Met donkere, holle ogen staarde hij hun kant op. Hij leek wel een geest met lange, magere ledematen die uit een gerafelde smoking staken, alsof het kledingstuk veel te klein voor hem was, handen met lange vingers en zwartglanzende nagels gekromd tot klauwen.

Sterre besefte dat ze ook naar hem staarde. Hun blikken kruisten. Hij kwam dichterbij de rand van het perron staan en hield haar blik vast. Ze voelde zich wegglijden in die diepe, donkere poelen die een einde aan alle pijn beloofden. Bijna wilde ze naar voren stappen, maar hij ver­dween uit zicht achter de trein die net langs het perron reed. Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem. Godverdomme, wat was dat?

Een hand op haar arm. De dronkenlap die nu vol­komen nuchter leek. ‘Weg hier. Nu!’ Hij trok haar mee en ze renden in de richting van de gebouwtjes met de glas-in-lood ramen. ‘Daar brandt licht.’

Ze zwikte haar enkels en schopte vloekend haar schoenen uit. Wrij­vend over haar pijnlijke gewrichten keek ze achterom. Haar adem stokte. Ze kon niet anders dan roerloos staren naar het tafereel dat zich voor haar ogen afspeelde al hadden haar hersenen moeite om de indrukken van haar zintuigen te ver­werken. De locomotief was van zwart ijzer, met een gloeiende vuurkist en vlampijpen. Zwarte rook kringel­de als dichte schaduwen om de wagons die erachter stonden. Terwijl ze keek, zag ze dat uit de zwarte rook glinsterend zwarte tentakels tevoorschijn schoten die snel over het perron in hun richting kronkelden.

Een verse scheut angst en adrenaline schoot door haar lichaam, bracht haar bij haar positieven en ze rende haar metgezel voorbij. Ze trok aan zijn arm. ‘Sneller, het haalt ons in. Daar is het licht.’ Ze waren er bijna. Vlak voor de gebouwtjes werd de arm die ze vasthad ineens uit haar handen getrokken. De kracht waarmee dat gebeurde, draaide haar om. De dronken­lap lag enkele meters voor haar op de grond, een ten­takel van ijzer en schaduw om zijn linkerenkel. Een tweede schoot tevoor­schijn en boorde zich in zijn onderrug, een derde klampte een grijpklauw om zijn rechterschouder met het geluid van krakende botten. Er klonk een hoog, wanhopig gekrijs.

Het duurde even voor ze besefte dat zij degene was die krijste. Het gezicht van de dronkenlap was nu vertrokken van pijn, zijn ogen groot en angstig. Hij wierp iets naar haar toe voor de klauwen hem achteruit trokken. ‘Ga nu! Vlucht! Te laat voor mij!’ Hij gleed nu snel in de richting van de trein.

Sterre staarde naar de locomotief die geduldig wachtte op zijn nieuwste prooi. De tentakels hieven de dronkenlap hoog op en meer ten­takels grepen zijn ledematen en droegen hem naar de gloeiende muil van de vuurkist die zich langzaam opende. Met een onaards brullen ver­dween hij in het vuur en de muil sloot zich. Een zwarte damp steeg op terwijl de rode koplampen opgloeiden.

Ze dook ineen, hapte naar adem en trilde over haar hele lichaam. Ze staarde naar de plek op het perron waar hij even daarvoor nog had ge­legen. Wat ligt daar? Ze zag een vierkante sleutelhanger, zo een waar je een foto in kunt doen, en pakte die. Daarna schuifelde ze snel het ge­bouwtje in en bleef daar hijgend en met snel kloppend hart met haar rug tegen de muur zitten. Wat is dit voor hel waarin ik beland ben? Uit haar tas pakte ze een sigaret die ze bijna niet aankreeg, zo trilden haar handen.

Op het fotootje in de sleutelhanger was het gezicht van een klein jongetje met donkere krulletjes en sprekende ogen. Ze draaide de sleutelhanger om en zag een met de hand geschreven tekst: RIP, mijn liefste jongen. Ze voelde een brok in haar keel en haar ogen brandden. Dus daarom sprong je. Arme vent. Ik wou dat ik je naam wist…

Treingeluiden klonken vanaf het perron en voor­zichtig keek ze door een raam. De wielen van de zwarte locomotief begonnen te draaien en langzaam reed het gevaarte met zijn wagons het station uit. Ze dacht aan de man met de holle ogen. Ook die was verdwenen. Misschien met de trein mee, dacht ze, opgelucht. Haar hartslag werd rustiger en ze bekeek haar nieuwe omgeving.

Het gebouwtje waarin ze zich had verschanst leek op een wachtruimte zoals ze die van verschillende sta­tions kende. Nu ze binnen was reali­seerde ze zich dat het licht weliswaar fel was, maar kleurloos. Wat nu, hoe kom ik hier weg? Haar oog viel op een verweerd stuk bruin papier, het enige stukje kleur, dat hier al lang op de verder lege grond leek te liggen. Ze pakte het op. In grove houtskoolletters stond een boodschap geschre­ven: ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’

Haar mobiel was zo goed als dood. Geen enkel bereik. Ze nam wat foto’s die allemaal op oude zwart-wit plaatjes van vroeger leken. Ze liep over de verschil­lende perrons op zoek naar informatie, een aanwijzing voor waar ze zich nu bevond. De naamplaats ‘Haarlem’ stond in grote, witte letters op een muur geschilderd, maar dat was het dan wel. Het was niet haar eigen vertrouwde Haarlem, zoveel wist ze zeker. Wat het wel was, ze wist het niet en de angst die hierdoor in haar opborrelde, kon ze slechts met moeite verdringen. Concentreer je, zei ze tegen zichzelf. Er was hier helemaal niets in het station om voor te blijven en ze besloot op onderzoek uit te gaan.

Op het perron bleef ze staan. Overal waar ze keek zag ze ontelbaar veel rails. Welke kant moest ze op? Ze had geen idee. Voor het eerst in haar leven voelde ze zich helemaal alleen. Ze had behoefte aan een mens, aan iemand die antwoorden kon geven op alle bange vragen in haar hoofd. Ze voelde het briefje dat ze in haar zak gestoken had. ‘Vijf kilometer voorbij de watertoren. Zoek Heinrich.’ Ze zuchtte. Laat Heinrich in gods­naam niet die enge griezel van daarnet zijn. Met haar vingers stevig geklemd om de sleutelhanger liep ze het perron af.

Buiten het station begon een dichte, witte mist die niets van de buiten­wereld toonde en zelfs dag of nacht wist te verhullen. Aan een kant van het station vond ze een watertoren. Ze dacht aan de woorden op het papier. Vertwijfeld keek ze naar de keitjes en de rails en vervolgens naar haar voeten. Als er niet snel gras of aarde naast het spoor komt, houd ik geen voeten meer over. Toch liep ze verder. Ze had weinig keus.

 

***

 

Tweehonderd meter voorbij de watertoren liep het spoor langs een kanaal, waar ook een pad liep dat redelijk begaanbaar was. Het water was donker, levenloos en er dreven olieachtige vlekken op. Aan de overkant van het kanaal draaiden de wieken van rijen ouderwetse windmolens hun rondjes. Maar het waait helemaal niet. Rijen kleurloze figuurtjes, men­sen, marcheerden langzaam de grote deuropeningen van de molens in. Die mensen gaan naar binnen, maar ik zie niemand vertrekken. Sterre zag dat de wieken in plaats van canvas vleermuisvleugels hadden. Ze besloot dat ze beter snel door kon lopen.

Het landschap om haar heen bleef in dichte, witte mist gehuld, klam en kil. Ze raakte alle besef van tijd kwijt. Of het dag of nacht was kon ze niet opmaken, er was geen zon, geen maan en geen daglicht. Toch was het niet donker.

Ze huiverde en sloeg haar armen om haar lijf heen. De zijde van haar jasje voelde vochtig en koud aan en haar voeten deden pijn. Volgens mij heb ik me nooit zo ellendig gevoeld, dacht ze. Het besef dat haar huidige situatie zelfs ellendiger was dan de boodschap van haar overspelige ex-vriend eerder die dag, deed haar grijnzen. En dat allemaal omdat Mike zo nodig zijn zaden moest laten waaien. Als ze hem ooit weer zag, zou ze hem zo’n lel geven dat ie z’n zaden een tijdje nergens kon laten waaien. De minkukel.

De hele tijd had ze het gevoel dat ze werd gevolgd, geobserveerd. Niet door een trein of iets tastbaars, toch was het gevoel er.

Langs de kant van het spoor, in een verdorde rietkraag, stond een paaltje met daarop een houten bordje. In vervaagde houtskoolletters stond het woord Heinrich. Dit zou het moeten zijn. Voorbij het water zag ze tussen de kronkelende flarden mist een aantal verwrongen bomen. Als ze overstak, kon ze bij die bomen komen. In ieder geval weg van dat spoor. Geen idee of er nog zo’n trein rondrijdt. Diep in haar onderbuik fladderde een verlammende angst bij de gedachte aan de gebeurtenissen op het perron. Ze vond een ondiepe plek en kwam relatief droog, maar met verkleumde voeten aan de overkant.

Iets verderop waren de bomen rechter en bezaten ze een bladerdak. Nog steeds verstoken van alle kleur, maar in ieder geval leek het nog ergens op. Ze merkte dat ze bijna onwillekeurig een pad volgde, dat haar bij een open plek bracht. Daar brandde een vuurtje met grijze en witte vlammen. Aan de rand van het vuur stond een pan waaruit een kruidige geur kwam.

‘Is hier iemand?’ zei ze. ‘Heinrich?’ Haar tanden klapperden.

Het antwoord kwam van achter haar. ‘Dat ben ik.’ Ze voelde haar hart in haar keel springen. Ze draaide zich om en schrok weer. De eigenaar van de stem stond vlak achter haar en het eerste dat ze van hem zag waren waterige, dofblauwe ogen. Ze struikelde achteruit tot bij het vuur. De man bleef staan.

Wacht even, hij heeft kleur! Ook al waren zijn kleren oud, gescheurd en versleten, een soort uniform ooit, er zat nog wat kleur in. Zijn haar had een bruin tintje, zijn huid was hier en daar nog huidkleurig, hoewel veel van zijn lichaam dezelfde kleurloze eigenschap had die ze bij de dron­kenlap had gezien. En in de rest van deze rare, verwrongen wereld.

‘Je liet me schrikken!’

‘Entschuldigung, dat spijt me,’ zei de man. ‘Ik vertrouw niemand hier.’

Sterre knikte. ‘Dat kan ik begrijpen. Waar is hier?’

De man wreef zich over zijn voorhoofd. Zijn haar was lang, ongekamd en leek lukraak te zijn afgesneden. ‘Waar het ook is, ik ben hier al veel te lang, Sterre. Wat mij betreft is dit de hel.’

‘Hoe ken je mijn naam.’

‘Je werd aangekondigd. Dacht je werkelijk dat je kleuren hier onop­gemerkt zouden blijven. Je bent vers.’ Met zijn duim wees hij over zijn schouder. ‘Ben je gevolgd?’

‘Het leek er wel op,’ zei Sterre. ‘Gezien heb ik niets.’

‘Ze wachten af, we hebben de tijd.’ Heinrich gebaarde dat ze bij het vuur moest gaan zitten. Hijzelf ging naast de pan zitten en roerde erin. Uit zijn tas haalde hij een paar versleten schoenen en gooide die naast haar in het zand. ‘Vul ze met wat gras, ze zullen wel te groot zijn.’

Dankbaar pakte ze de jongensgympen aan. ‘Hoe kom je daaraan?’

‘Geen vragen stellen waarop je het antwoord niet wilt weten. Vertel me liever hoe je hier gekomen bent.’

Er kwam voldoende warmte van het vuur om haar koude lijf te verwar­men en samen met de sigaret voelde ze zich kalmer worden. Hoe bizar haar verhaal ook was, ze was blij dat ze het aan iemand kon vertellen.

‘Selbstmord,’ zei Heinrich toen ze uitgesproken was. Hij leek verdrietig.

‘Ik denk het,’ zei Sterre en liet hem de sleutelhanger zien. ‘Hij hoefde niet meer.’

‘Zo ben ik ook hier gekomen. Ruim zeventig jaar geleden.’

Sterre keek naar hem. ‘Zo oud zie je er niet uit.’

‘Niemand sterft hier,’ zei Heinrich. ‘Hoe kun je anders boete doen in deze hel?’

‘Hoe kan het dat je kleur hebt? Net als ik? Is het iets dat langzaam ver­vaagt?’ Ze huiverde, gooide haar peuk in het vuur en hield haar handen dicht bij de vlammen.

Heinrich schudde zijn hoofd. ‘Jij hebt geen zelfmoord gepleegd. Ik ook niet. Maar we waren in de buurt van een zelfmoord. In de loop der jaren heb ik geleerd dat omstanders soms worden meegezogen, als het ware.’

‘Je noemde deze plek een hel,’ zei Sterre. ‘Zijn de loco­mo­tieven dan duivels die de zielen teisteren?’

‘Was het maar zo eenvoudig,’ zei Heinrich. ‘De dronken­lap werd het slachtoffer van de treinen en onderweg hierheen werd je geschaduwd. Dat waren de engelen. Zij zijn minstens even moordlustig.’ Hij huiverde. ‘En dan is er nog de man met de holle ogen.’

‘Hee,’ zei Sterre, ‘die man met de holle ogen heb ik gezien. Hij was op het perron toen de trein… je weet wel.’ Ze huiverde.

Heinrich keek op van zijn pan en staarde naar haar. ‘Heeft ‘ie jou gezien?’

‘Ik denk het wel.’

Heinrich stond meteen op. ‘Dan moeten we vertrek­ken. Als die je gezien heeft, dan komt hij je halen.’ Hij pakte spullen in zijn plunjezak.

‘Waar moeten we heen? In de vijf kilometer dat ik vanaf het station heb gelopen zag ik enkel mist, oneindig veel rails en een dor landschap. Is er meer dan dat?’

Heinrich zuchtte. ‘Wat je zag is een reflectie van onze werkelijkheid. Veel is gelijk, maar alles hier is dood of stervende. De perfecte plek voor depressieve mensen die zelfmoord op het spoor gepleegd hebben.’ Hij wees naar haar voeten. ‘Kun je staan? Kun je lopen?’

Sterre probeerde het. ‘Ik denk van wel. Alles beter dan blote voeten.’

‘Mooi, eet nog snel wat, ik denk niet dat we daar straks nog veel tijd voor zullen hebben.’ Hij schepte een kom vol met dampende brij en gaf die aan haar. Zelf nam hij af en toe een lepel uit de pan terwijl hij nerveus om zich heen bleef kijken.

‘Heb je nooit een weg terug gezocht?’ vroeg Sterre. ‘Als je hier binnen kunt komen, moet je toch ook weer weg kunnen komen?’

Heinrich haalde diep adem. Hij staarde naar de brij in de pan die hij met zijn lepel omroerde. ‘Ja. Ja, dat kan.’

Van schrik liet ze haar kom vallen. ‘Hoe? Wat moeten we doen?’

Heinrich hief zijn lepel en wees naar haar. ‘Jij moet vooral naar me luisteren en doen wat ik zeg, als je hier ooit weg wilt komen.’

Sterre zweeg even. Zijn woorden deden haar aan Mike denken. ‘Wie denk je wel dat je bent?’

‘Degene die de weg weet. En die ervoor kan zorgen dat je hier niet je honderdste verjaardag hoeft te vieren.’

Sterre zag de emotie in Heinrichs ogen. ‘Hoe ben jij hier eigenlijk geko­men? Zeventig jaar geleden?’

‘Een lang verhaal,’ zei Heinrich. ‘Ik probeerde een zelfmoord te verhin­deren. Maar ik was net te laat om haar te redden. Toen ik mijn ogen opendeed was ik hier beland.’ Met zijn arm veegde hij zijn ogen droog. ‘Een moment later werd ze gegrepen en…’ Hij hield zijn mond, hield zijn hoofd schuin en leek te luisteren. ‘We moeten weg. De engelen zoeken prooi. Zij zullen niet toeslaan als de man met de holle ogen nabij is, dus zij zullen voor hem willen toeslaan. Ik voel hun nabijheid, al zijn ze op hun hoede.’ Hij borg zijn lepel en pan op en gooide zijn plunjezak over zijn schouder.

‘Waar kunnen we schuilen?’ vroeg Sterre.

‘Wrang genoeg enkel op het spoor,’ zei Heinrich. ‘Engelen en locomo­tieven mogen elkaar niet.’

‘Hoe ben je daar ooit achter gekomen?’ vroeg Sterre.

‘Schade en schande,’ zei Heinrich. ‘Naarmate je hoop verdwijnt, ver­vaagt je kleur hier. Zoals je aan mij ziet. Ik had veel kleur in het begin. Toen kwam ik mijn eerste engel tegen. Die kostte me bijna mijn leven. En mijn ziel.’ Hij sprong vol zelfvertrouwen over de stenen in het stroompje, op de voet gevolgd door Sterre.

‘Die kant op ligt Amsterdam.’ Hij wees verder langs het spoor dat Sterre in eerste instantie had gevolgd.

‘Moeten we daar helemaal naar toe?’

Hij knikte. ‘We moeten voortmaken, de engelen worden ongeduldig.’

 

***

 

Na eindeloos gelopen te hebben naderden ze een klein perron. Sterre zag een meisje van een jaar of twaalf op de verhoging naast het spoor staan. Haar paarden­staart zat verwaaid in een felroze strik. Haar grijzige jurk was besmeurd met neonrode vlekken. Ze staarde voor zich uit.

Sterre versnelde haar pas en riep: ‘Meisje, wie ben je? Hoe ben je hier gekomen?’

Heinrich rende achter Sterre aan en probeerde haar tegen te houden om de trap naar het perron te beklimmen. Ze trok zich los en liep verder. Hij keek om zich heen en trok nog harder aan haar, waardoor ze achter­over viel. Het meisje liep van haar weg. Haar ogen staarden naar de rode koplampen die in de verte vanuit Amsterdam aan kwamen denderen.

Het meisje stak haar handen uit naar de naderende trein. Ze draaide haar hoofd naar Sterre en riep met een hoog stemmetje: ‘Ik ga naar het Eindpunt. Mama is daar. Ze wacht op me.’

‘Doe het niet,’ riep Sterre en krabbelde overeind. Ze wilde naar het meisje toe rennen om haar te redden. Bij de dronkenlap had ze gefaald, dat niet weer.

Heinrich pakte haar van achter vast en hield haar in een houdgreep. ‘Het kan niet. Je kunt haar niet redden. Ze is gegrepen door de engelen. Kijk dan, haar kleur. Geloof me, wat je ziet is valse hoop.’

‘Nee, ze is gewoon haar kleur nog niet verloren, net als jij. We kunnen haar redden.’

‘Ik ken het verschil,’ siste Heinrich. ‘Ik ken het verschil tussen hoop en hopeloos. Dit meisje is niet te redden. Zij gaat niet naar het Eindpunt. Waar zij heengaat, daar wil jij niet komen.’

‘Ze is een kind, zie je dat dan niet? We moeten haar helpen.’

‘Het spijt me.’ Met al zijn kracht trok hij Sterre naar het wachtershokje en hield zijn hand voor haar mond om haar gekrijs te smoren.

De trein reed het station binnen in een dichte wolk donkere rook waarin de slangachtige bewegingen van de zwartmetalen tentakels een dreigend halo vormden. Het meisje stond afgetekend als een klein, kwetsbaar poppetje tegen de rode gloed van de vuurkist.

Heinrich tikte op Sterre’s schouder en wees omhoog. ‘Een engel.’ Een diepere schaduw viel over het perron en een slanke gestalte met im­men­se vleugels bedekt met vuilwitte veren daalde neer achter het meisje.

De stoomfluit van de trein blies een schrille uitdaging en uit de rook schoten tentakels naar voren om het meisje te grijpen. De engel strekte lange armen uit en greep twee van de tentakels vast terwijl zijn vleugels de andere tentakels afweerde. Losse veren vlogen in het rond terwijl de engel achteloos de tentakels in een hand nam en vervolgens met de andere hand de schakels lostrok. De losse stukken vielen op de grond. De uiteinden met hun stalen bekken bleven happend kronkelen op de grond tot de engel ze met zijn klauwvoeten kapot trapte. Meer tentakels wikkelden zich om zijn benen en vleugels. Het wezen negeerde ze en bleef tentakels, die het meisje probeerden te bereiken, afweren en ver­nielen. Het meisje bleef onbewogen voor zich uit staren.

Opgelucht haalde Sterre adem en liep op het meisje af. ‘Hij heeft haar gered. De engel heeft het meisje uit de tentakels van de locomotief gered!’

‘Gered is niet het juiste woord.’ Heinrich duwde Sterre voor zich uit, de berm van het spoor in. ‘Doorlopen,’ fluisterde hij in haar oor. ‘Niet omkijken.’

Sterre trok haar arm los en draaide zich om. Ze was vastbesloten het meisje niet alleen achter te laten. Ze keek naar het perron, maar in het geweld van rook, vleugels en tentakels was het arme kind niet te zien. ‘Waar is ze gebleven?’

‘Heb ik je uitgelegd. Ze was niet meer te redden. Geloof me. We moeten weg hier!’ Hij gaf haar een zet zodat ze verder struikelde, kwam toen naast haar lopen en greep haar elleboog vast. Zo snel als hij kon trok hij Sterre mee. Ze wilde eerst tegenwerken, maar de twijfel die ze eerder voelde kwam terug, versterkt door Heinrichs woorden.

‘Waarom was ze niet te redden?’ vroeg ze. ‘Ik begrijp het niet. Ze was zo klein, zij had toch geen zelfmoord gepleegd?’

‘Hoe ze hier gekomen is, dat weet ik niet. Dat ze verloren was, dat zag ik meteen.’

‘Ze had toch kleur, althans een beetje.’

Heinrich keek regelmatig achterom terwijl ze liepen. Bij haar vraag stond hij even stil. ‘Als dit de Hel is, dan is je ziel hier. Waar is dan je lichaam?’

Sterre keek hem aan. ‘Mijn lichaam is toch hier? Je ziet me toch?’

Heinrich begon weer te lopen. Hij mompelde in zichzelf.

Sterre volgde hem. ‘Waar is mijn lichaam?’

‘Waarschijnlijk nog waar je het gelaten hebt,’ ant­woordde hij.

‘Station Haarlem? Op het perron?’

‘Dat zal dan wel. Bewusteloos. Of onverklaarbaar coma.’

‘Is dat met jou ook gebeurd?’

‘Ik weet het niet zeker. Er kwam een moment dat ik een groot verlies voelde, alsof mijn connectie met de echte wereld ineens verdween. Mijn kleuren werden fletser.’

 

***

 

Het kleine station verdween in de mist en er leek een last van Heinrichs schouders te vallen. Hij ademde een paar keer diep en liep toen met kalme passen verder in de richting van Amsterdam. ‘Het was misschien maar goed ook. Ik was erg goed in mijn werk. Mijn verdwijnen heeft waarschijnlijk veel mensenlevens gered.’

‘Je hebt nooit verteld wat je deed in de oorlog,’ zei Sterre. Ze keek naar de emblemen op zijn uniform. ‘Was je fout?’

‘Achteraf wel. Op dat moment geloofde ik echt … nou ja, je begrijpt het wel. Destijds was ik er trots op dat we zo efficiënt waren.’

‘Wat deed je precies?’

‘Veetransporten per trein organiseren,’ zei Heinrich.

Sterre keek opzij. ‘Wat was daar zo fout aan dan?’

‘De vrouw die ik probeerde te redden…’

‘Je zei zoiets. Wie was ze?’

‘Dat weet ik niet. Ze was Jude en ze had een baby in haar armen.’

‘Dat waren geen veewagens, hè?’

Heinrich schudde zijn hoofd. Zijn kaken bewogen alsof hij met zijn tanden knarste en zijn ogen waren vochtig.

‘Christus.’

Heinrich sloeg een kruis. ‘Je begrijpt dat ik me schuldig voel?’

Sterre knikte. ‘Ja. Zeg me eerlijk: Waarom die inkeer. Er zullen meer moeders met baby’s hebben gestaan. Die heb je wel op transport gezet.’

‘Ik werkte vanuit een kantoor. Schema’s op papier. Ik vertrouwde het niet meer. Het was de eerste keer dat ik daadwerkelijk de trein kwam inspecteren.’ Hij haalde zijn handen door zijn grijze haren en staarde in de mist. ‘Ik was geschokt, verdoofd. Er kwam een trein langsrijden. Ik zag haar springen.’ Hij haalde zijn mouw langs zijn ogen. ‘Ik kwam te laat. Als ik niet geaarzeld had dan was ze misschien…’

‘Dus jij bent hier omdat zij sprong?’

‘Selbstmord, een enkele reis naar de hel. En daar zijn we nu.’

‘Maar jij hebt toch geen zelfmoord gepleegd? Kun jij hier niet weg dan?’

Weer ademde Heinrich diep in. ‘Er is een uitgang. Daar zijn eerder mensen door vertrokken.’

‘Je zegt het alsof je erbij was.’

‘Was ik ook. Ik heb ze daar gebracht.’ Er kwam een pijnlijke uitdruk­king op zijn gezicht.

‘Slechte herinneringen?’

‘De man met de holle ogen is daar. Of één van hen dan, hij is niet alleen. De uitgang wordt altijd bewaakt. En er kan er maar één tegelijk doorheen.’

Sterre zweeg terwijl ze verder liepen. Haar gedachten maalden over de implicaties van zijn woorden.

 

***

 

Amsterdam Centraal was een immense koepel van donkere ijzeren platen met bizarre uitsteeksels, over meerdere verdiepingen waar sporen op verschillende niveaus samenkwamen. Het stroompje naast het spoor was een vaart geworden en aan één kant van Centraal verdween een staalgrijze vlakte van kil water in de dichte mist, alsof de rivier genaamd IJ zich oneindig ver uitstrekte voorbij hun gezichtsveld.

Treinen reden hier af en aan en spuwden hun stinkende rook de lucht in zodat het leek alsof Sterre dikke soep inademde.

‘Gatverdamme.’ Ze hoestte. ‘Moeten we hier echt zijn?’

‘Wat je ruikt is wanhoop, pijn en verdriet,’ zei Heinrich. ‘De treinen verbranden dat en de rook slaat neer als depressie die de mensen weer inademen, een eindeloze cirkel.’

‘Afschuwelijk,’ zei Sterre. Hoe langer ze hier doorbracht, hoe heftiger ze naar huis verlangde.

Een schaduw bewoog boven hen door de mist en een engel materiali­seerde. Met onvermoede gratie dook het wezen naar de koepel en landde daar op een dicht kluwen uitsteeksels. Vanaf hun beschutte plek tussen een paar lage gebouwtjes zagen ze hoe de engel een klein figuurtje tussen de uitsteeksels propte en vervolgens vastmaakte.

‘Ze gebruiken hun prooi ook als lokaas,’ zei Heinrich. ‘Als ze hun hoofd niet met valse hoop vullen.’ Hij wees naar de koepel, naar een klein torentje op de top. ‘Daar bovenin. Daar moeten we heen. Ik ken een veilige weg.’

Hij leidde haar naar een tunnel die ooit was afge­sloten met een stalen hekwerk. De spijlen waren zo verbogen dat hij er met moeite doorheen kon. Sterre kon er met gemak doorheen.

‘Dit is een soort afvoer. Hij komt uit onder het dak en van daar komen we bij een smalle ladder omhoog.’ Heinrich slikte een paar keer.

‘Is er iets dat je me niet vertelt?’ zei Sterre.

‘Herinneringen. Ik moest denken aan mijn tijd met mijn engel. Hij vulde mijn hoofd met leugens en valse hoop. Hij zou me helpen te ontsnappen, als ik maar naar hem luisterde. Al die tijd zoog hij me langzaam leeg als een soort overmaatse teek. En hij gebruikte me om anderen te lokken. Het duurde lang voor ik het doorhad.’

‘Hoe ben je ontsnapt?’

‘Ik kreeg hulp van Mathilde. Ze hielp vaker mensen die hier niet thuishoorden. Al bijna honderd jaar.’

‘Wie hoort hier wel thuis dan?’

‘Zij die vinden dat ze hier horen,’ zei Heinrich somber. ‘Ze maakte me los toen mijn engel weg was en nam me mee naar deze tunnel. Hier hebben we een tijd gezeten. Ze legde me deze hel uit, voor ze me naar de uitgang bracht.’

‘Maar je bent hier.’

Heinrich knikte. ‘Ik was toen al fletser van kleur geworden. De verbinding met mijn lichaam was verbroken. Op een of andere manier wist ik dat er niets was om naar terug te gaan.’

‘Dus je hebt haar vrijgemaakt?’

‘De prijs was… pijnlijk, maar het was het waard. Het was het eerste waarover ik me in heel lange tijd goed voelde.’

‘Ik kan niet zeggen dat ik je pijn begrijp,’ zei Sterre. ‘Ik dacht dat gisteren mijn wereld verging nadat Mike verkondigde dat hij buiten de pot wilde pissen om daarna weer terug te komen om met mij een toe­komst op te bouwen. Nu ben ik hier en ik realiseer me dat levensverdriet echt iets anders is.’

Heinrich glimlachte. ‘Hij klinkt als een waardeloos iemand. Ik denk dat je beter af bent zonder hem.’

‘Ik heb te lang gedacht dat ik niet kon ademen zonder hem, dat hij levensvreugde in me blies. Je weet wel: de ware, de vader van mijn toe­komstige kinderen.’

‘Hij zuigt je leeg, langzaam, als een van de engelen hier,’ zei Heinrich. ‘Wat dat betreft hoef je niet terug.’

Sterre voelde haar ogen beginnen te branden. ‘Valse hoop, is dat waar ik me al die jaren aan heb vastge­klampt?’

‘Als er in mijn tijd meer mensen waren geweest die de moed hadden voor zichzelf te denken, dan was mis­schien alles anders gelopen .’

‘Die vergelijking van jouw leven en het mijne, loopt spaak. Mijn verdriet is geen vergelijk met wat er destijds is gebeurd.’ Sterre knikte voor zich uit. ‘Ik hoor wat je zegt en toch hoop ik dat hij daar staat en op me wacht.’

Heinrich aaide over haar wang. ‘Alleen is ook niet alles, dat weet ik, maar eenzaam kun je alleen zijn als er mensen om je heen zijn die je in de steek laten. Dan pas ben je echt alleen.’

 

***

 

De ladder naar boven leek vrij in de lucht te hangen. Sterre hield de sporten angstvallig stevig vast en dwong zich naar de voeten van Heinrich te kijken die langzaam voor haar uit klom naar het donkere gat in de bodem van het koepeltje dat bij elke stap die ze naar boven deed, leek te groeien.

Vlak onder het gat hield hij halt.

‘Als we naar binnen komen zul je in het midden van de koepel een fel wit licht zien. Daar moet je heen.’

‘En jij dan?’

‘Er kan er maar een tegelijk doorheen.’

‘Kunnen we niet tegelijk?’

‘We kunnen het proberen,’ zei Heinrich, maar zijn gelaatsuitdrukking zei anders. Hij trok zich omhoog het gat in. Even later zag Sterre zijn arm naar beneden strekken. Ze nam zijn hand vast en hij trok haar omhoog.

Het witte licht in het midden van het koepeltje was meteen zichtbaar. De binnenkant van het gebouw leek veel groter dan de buitenkant. Er hing een muffe lucht, dierlijk bijna. Af en toe klonk er zacht gerinkel van metaal op metaal.

‘Daar is het,’ fluisterde Sterre.

Hun ogen wenden aan het duister en nu zagen ze de kooien. Rij na rij hingen ze van het plafond, vier­kante dozen van stalen spijlen aan een dikke ketting die in de duisternis van het dak verdween.

In de schemer zag ze lichamen die in de kooien gepropt waren. Hier en daar stak een stuk been of een stuk arm uit. Sterre voelde haar maag rommelen toen ze zag dat die gestript waren van vlees en dat enkel rafelige huid, botten en pezen over waren.

Het geluid van krassende nagels op ijzer klonk scherp en hol door de ruimte. Sterre keek om zich heen, maar het donker liet zich niet terug­dringen door het licht.

‘Schnell!’ maande Heinrich haar. Hij trok haar over­eind en ze renden over de vlakke vloer naar het licht. Hun voetstappen klonken hard op de ijzerplaten van de vloer. Het geluid werd overstemd door het schrapen van nagels over metaal en een keer zelfs door een diep lachen dat boven hen klonk.

Op een paar meter van het licht voelde Sterre een verscheurende pijn in haar rechterdij. Ze keek en zag een klauw die zich om haar bovenbeen geklemd had, met lange, scherpe, zwarte nagels die dwars door de stof van haar jeans haar vlees in gingen. Ze gilde van pijn en paniek.

Langzaam trok de klauw haar de schaduw in, waar ze nu in de weer­kaatsing van het licht het emotieloze gezicht van de man met de holle ogen zag, zijn oogkassen in het halfdonker grote gaten die eindeloos diep leken. De horizontale streep van zijn mond opende zich en rij na rij naaldscherpe tanden stulpte naar buiten op kaken die uit zijn gezicht naar voren kwamen.

Een ijzeren stang kwam hard neer op de klauw die haar vasthad. Hij liet haar los. Heinrich stapte tussen haar en de man met de holle ogen. ‘Kennst mich noch, ja?’ Hij zei tegen Sterre: ‘Ga, ren, ik hou hem bezig!’

‘Nee, we moeten samen.’

Heinrich sloeg een klauw van zijn lijf weg. ‘Ik heb daar niets, jij wel! Zoek me op als je daar bent. Geef me mijn rust.’ Hij draaide zich om, sprong op haar af en duwde haar hard in de richting van het licht. Terwijl ze een wolk van witte watten inviel zag ze de beide handen van de man met de holle ogen Heinrichs schouders grijpen en hem hulpeloos optillen. Alles werd wit voor ze kon zien wat er met hem gebeurde.

 

***

 

Ze knipperde met haar ogen en zag verschrikte gezichten om haar heen, afgetekend tegen het hoge dak van een treinstation. Ze probeerde over­eind te komen.

‘Rustig maar,’ zei een kalme stem naast haar. Ze keek opzij en zag een jongeman in een groen met gele overall, een ambulancebroeder. Hij heeft kleur! Hij hield haar pols vast en keek tegelijk op zijn horloge. ‘Je bent aardig geschrokken en flauwgevallen. Hoe voel je je nu?’

‘Duizelig. Hoe lang ben ik weggeweest?’

‘Een kleine twintig minuten. We hebben eerst gepro­beerd die man te reanimeren, maar dat haalde niets uit.’

Sterre dacht aan de vuurkist van de locomotief waar hij in gesleurd werd. ‘Ik weet het, hij was echt dood. Waar is hij nu?’

‘We hebben zijn lichaam afgevoerd.’ De ambulance­broeder wees naar het spoor dat helemaal verlaten was. ‘Het meeste tenminste. Kende je hem? Omstan­ders zeiden dat hij al een tijdje rondliep.’

Sterre schudde haar hoofd. ‘Ik heb hooguit een paar woorden met hem gewisseld. Hij was erg verdrietig.’

‘Ik zal het noteren. Nu eerst de laatste trein uit Amster­dam binnen­halen en dan gaan we dicht voor vannacht. Grondige schoonmaak. Snap je nou dat mensen dat doen? Voor een trein springen bedoel ik?’

‘Soms neemt het leven meer dan je missen kunt.’

De ambulancebroeder knikte naar de overkant. ‘Ramp­gluurders. Zie ze kijken daar. Hopen ze op bloed?’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Blijf hier, ik over­leg even.’ Hij stond op en liep naar de ambulance.

Sterre stak een sigaret op, staarde naar het bran­dende staafje en gooide het op de rails. Het landde vlak naast de heupflacon van de dronkenlap. Ze pakte haar mobiel. Vijf berichten. Van Mike. Snel opende ze haar berichten. ‘Ik hoorde van een ongeluk en moest aan je denken. Ik kom naar huis.’ Een warm gevoel stroomde door haar lichaam. Ze herkende het als hoop. Voor ze haar mobiel wegstopte keek ze naar de foto’s die ze in het wachthokje had gemaakt. Het gaf haar nare herinne­ringen dus ze besloot ze allemaal te wissen. Op het moment dat ze de laatste foto wilde verwijderen, viel haar telefoon uit. Klotending.

Ze keek naar de laatste passagiers die met de trein waren aangekomen. Haar adem stokte in haar keel. Was dat Mike?

‘Hee, Sterre, alles goed met je?’ schreeuwde hij vanaf het andere perron

Even later stond hij naast haar. Hij knielde bij Sterre neer en pakte haar hand. Met grote ogen keek hij naar de bloedvlekken op haar jeans. ‘Heb je geprobeerd… Was jij voor de trein gesprongen? Lieverd, ik…’

Het duurde even voor Sterre doorhad wat hij bedoelde. Dacht hij nu werkelijk dat ze voor hem een einde aan haar leven zou maken? De eikel.

Ze schudde haar hoofd, probeerde op te staan maar de hamer in haar hoofd en de krassen in haar boven­been deden haar duizelen. Achter Mike verscheen Linda met haar hakken in haar hand.

De jongen kwam terug van de ambulance. ‘Je moet voor de zekerheid een nachtje in het ziekenhuis blijven, voor observatie. Morgen willen ze je grondig onderzoeken. Er is een psycholoog aanwezig mocht je daar behoefte aan hebben.’

Ze wilde de hand van de jonge helper grijpen, maar Mike duwde hem aan de kant en hielp haar op te staan. Haar lichaam reageerde met een dosis hoop, dat niets was veranderd, dat alles bij het oude was. Voor­zichtig stond ze op. Ze leunde zwaarder op hem dan strikt nood­zakelijk en grijnsde naar zijn snol.

Gedachten aan de gebeurtenissen van deze avond spookten door haar hoofd. Ze dacht aan de dronkenlap, het meisje op het perron en vooral aan Heinrich. Ze miste hem, miste zijn rechtschapenheid, zijn opoffe­ring, zijn behulpzaamheid. Hij was een goed mens, voor zover ze dat in hun korte samenzijn kon beoor­delen.

Bij de ambulance scheen één van de broeders een lichtje in haar ogen. ‘Niets ernstigs zo te zien. We hebben met de dienstdoende arts op de EH overlegd. Ze wil je nog vanavond zien. Je man mag achterin plaats nemen.’

De broeder nam haar van Mike over en ze merkte hoe hij een stap achteruit deed. Zijn warmte ebde weg. Ze keek hem aan.

‘Ik zie je morgen,’ zei hij, ‘dan kom ik terug.’ Hij keek met een smerige grijns naar Linda, toen weer naar Sterre. ‘Meer tijd heb ik niet nodig.’

Ze kreeg een rood waas voor haar ogen. De woorden van Heinrich, dat Mike een nietsnut was, galmden in haar oren. Ze besefte ineens dat Mike als de engelen was. Valse hoop. Klootzak. Ze deed een stap terug en greep zijn overhemd vast. Met al haar kracht ramde ze haar knie tussen zijn benen. Mike sloeg dubbel en braakte zijn maaginhoud op het perron.

‘Loos je zaad maar in die snol. Voor een trein springen? Voor jou? Ben je niet goed snik? Ik heb de hel gezien en ben ontsnapt. Dat nooit meer. Je spullen liggen morgen op straat, bij mij kom je er niet meer in!’ Ze hinkte met de ambulancebroeder mee. ‘Auf nie wiedersehen!’

 

***

 

In de schaduwen, vlak bij de uitgang van het perron, stond een man met holle ogen. Hij keek naar de ambulance die net vertrok. Prooi die hij ooit gezien had, kon hij overal volgen. En hij had alle tijd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Donkere Wolken : Wendy Torenvliet

Er stond een vrouw aan het voeteneind van haar bed.

Laura kon niet verklaren hoe ze wist dat het een vrouw was, want de gedaante was niet meer dan een vage zwarte vorm die op een of andere manier nog donkerder was dan de nachtelijke duisternis van de slaap­kamer. Toch wist ze zeker dat het een vrouw was. Laura was compleet verstijfd en ze baadde in het zweet. Haar handen knepen het laken fijn van angst, haar hart bonsde zo wild dat het uit haar borstkas leek te springen.

De vrouw zei niets. Bewoog niet. Stond daar maar.

Het lukte haar de verlamming te verbreken. Met een ruk kwam Laura overeind en tastte naar het licht­knopje naast haar kant van het bed. Eén eeuwig­durende seconde was ze bang dat ze het niet snel genoeg zou vinden, dat de vrouw die tijd zou benutten om op haar af te springen met die onmoge­lijke snel­heid die je altijd bij monsters in horrorfilms zag, een en al tanden en klauwen en witte, wegge­draaide ogen. Dat de vrouw zou … ja wat eigenlijk?

Ze vond het knopje en meteen baadde de kamer in een zacht licht. De plek waar ze de vrouw had gezien was leeg. Er stond of hing niet eens iets dat in het donker op een menselijke gedaante had kunnen lijken.

Wat gebeurde er zojuist?!

Laura draaide in een reflex om naar Peters kant van het bed. Ze wist niet precies waarom ze het deed, om hem wakker te maken en even te knuffelen, of misschien samen te lachen om haar domme droom … wat het ook was, het verdween uit haar gedachten zodra ze de lege plek zag. Hij was er niet.

Natuurlijk niet.

Met een klap was ze weer terug in het heden. Er daalde een alles ver­stikkende deken van verdriet over haar neer. Tot drie dagen geleden was ze vergeten dat verdriet gewoon fysiek pijn kon doen. Dat het je bij de strot greep, misselijk maakte totdat je het gevoel had dat je gewoon wel kon kotsen.

Ze slikte. Peter was er niet. De plek waar ze de omtrek van zijn lichaam nog kon zien als ze het bed opmaakte, lag er strak en gladgetrokken bij. Want Peter was dood. Ze sloeg haar handen voor haar mond om de schreeuw te smoren die zich naar buiten probeerde te worstelen.

Het is mijn schuld, oh god het is mijn schuld. Als ik het hem niet zo verweten had, dan stond ik hier nu niet.

De deurknop leek onmogelijk ver weg. Ze wilde zich omdraaien, die rottige zwarte pumps in de hoek smijten en wegrennen. Overal naartoe behalve hier.

Laura stak de sleutels in het slot, sloot haar ogen, draaide de sleutelbos om en trok de deur open. Totale stilte galmde haar tegemoet.

Nu is het echt.

In de eerste paar dagen van hectiek, nadat ze Peter gevonden had, was ze alleen maar in regel-modus geweest. Door door door, welke kist, kwamen er bloemen? Oh god, moest ze dit nu opnieuw meemaken? Het was allemaal zo bekend. Wat moest er in vredes­naam in de rouwadvertentie? Frans en Nadine, Peters ouders, die haar constant vuile blikken toe­wierpen, alsof zij Peter ertoe aangezet had …

Dat heb je ook.

Het verdriet dreigde haar te overmannen. Ze deed haar ogen open en liep resoluut over de drempel, de gang in. Sleutels op het gangkastje, zwarte mantel aan de kapstok, tasje achteloos op de vloer. Haar hakken tikten op het parket. Het geluid leek te echoën in de leegte van hun appartement. Wacht, háár apparte­ment. Ze was alleen.

Vanaf vandaag lag Peter onder de grond en was ze alleen.

 

***

 

‘Hoe gaat het met je?’ Miranda’s stem klonk vermoeid en verdrietig aan de andere kant van de lijn.

Laura tekende afwezig kringetjes op het patroon van haar wollen jurkje. Ze had eigenlijk willen douchen, die vreselijk formele kleding uit willen trekken, maar ergens was ze bang verder het appartement in te gaan dan de woonkamer. Dus zat ze nu in elkaar gefrommeld in de luie stoel naast de televisie. De panty zat niet lekker en het jurkje was tot halverwege haar dijen opgeschoven omdat ze haar benen opgetrokken had. De pumps lagen half onder de stoel.

Ze had het koud. Ze wist dat het stom was om hier nu zo te blijven zitten, maar ze zag er zo vreselijk tegenop om al die lege kamers tegen te komen. Waar al zijn spullen nog stonden. Waar ze binnenkort iets aan zou moeten gaan doen. Alleen de gedachte al maakte haar misselijk.

‘Laura? Ben je er nog?’

Ze schrok op. ‘Ja ik ben er. Sorry, ik… ik heb moeite om mijn gedachten goed bij elkaar te houden. Wat vroeg je?’

‘Of het goed met je gaat. Maar eigenlijk hoef ik dat niet te vragen he? Natuurlijk niet.’ Miranda zuchtte. ‘Ik wou dat ik naar je toe kon komen. Je moet nu helemaal niet alleen zijn in dat klotehuis.’

Ze klonk zo bezorgd dat de tranen weer in Laura’s ogen opwelden. ‘Het gaat wel,’ zei ze waterig. ‘Ik moet alleen even moed verzamelen om iets te gaan doen. Uit deze stoel te komen. En jij moet blijven waar je bent, je hebt het al zwaar genoeg en hier kun je toch niks doen, joh.’ Miranda was hoogzwanger van de tweede en had haar handen vol aan de peuter die rondliep en haar eigen bekkeninstabiliteit. ‘Ik vond het fantastisch dat je er vanmorgen was, ik kan je niet zeggen hoeveel dat voor me betekende.’

‘Je voelt je toch niet schuldig, he? Want echt, ik had die ouders van hem wel wat aan kunnen doen, ik bedoel, Jezus, het is een begrafenis en om daar nu een scène te gaan schoppen midden op het kerkhof. Afschuwelijk. Het is níet jouw schuld. Dat weet je toch he?’ Miranda klonk fel.

Laura onderdrukte de neiging om de telefoon neer te leggen en haar handen voor haar gezicht te slaan. ‘Ik moet gaan meis, ik moet een aspirine gaan slikken en even gaan liggen en tot bedaren komen. Ik bel je later, oké? Ik kan nu even niet praten over alles.’

‘Je voelt je dus wel schuldig. Echt, het is zó oneerlijk, ik ben zó boos. Op Peter, op alles. Jullie leven was al zo verkloot en …’

Verderop in het appartement klonk een harde klap.

Laura liet van schrik bijna de telefoon uit haar handen vallen. Miranda viel midden in haar zin stil, ook zij had het door de telefoon heen gehoord. ‘Alles goed? Wat was dat?’

‘Ik weet het niet Mier, ik moet even gaan kijken. Het klonk alsof er iets viel of zo.’ Ze zweeg verward.

‘Je bent toch alleen daar? Toch? Er is toch niemand verder in huis?’

‘Nee joh, er staat vast ergens een raam open en er zal wel wat omgewaaid zijn. Ik spreek je later, oké?’ Laura hing op.

Er stond nergens een raam open. Dat had ze vanmorgen nog gecheckt voor ze wegging. Het was weer stil.

Laura’s hart bonsde wild. Ze had ineens een heel onbehaaglijk gevoel. Kippenvel overal. Waar kwam die sensatie in vredesnaam vandaan?

Oké, stel je niet aan. Er is niks aan de hand.

Het geluid was van verder in het appartement gekomen, vanuit de gang met de trap naar boven. Of misschien wel vanaf boven zelfs. Het appartement had een maisonnette-indeling met de woonkamer en keuken beneden. De ouderslaapkamer en extra kamers waren boven. Ze keek op naar het plafond en luisterde gespannen. Niets te horen.

In de gang was niets te zien. Ja, de trap. Die vervloekte klotetrap. Voor de zoveelste keer vroeg ze zich af waarom Peter en zij hier in dit huis waren blijven wonen nadat … nou ja, erna. Natuurlijk waren er duidelijke redenen geweest, voornamelijk financiële, maar wat had ze graag weg gewild. Niet meer iedere dag geconfronteerd met die houten trap naar boven, naar de kinderkamer. Zoveel plekken in dit huis waar ze niet meer wilde komen. Die trap. Het kamertje boven. En nu dus ook de studeerkamer. Het kippenvel kroop haar armen weer op en haar maag knoopte zich samen. Ze snakte naar adem, gezicht vertrokken in verdriet.

‘Nee, ik wíl niet weer huilen, ik ben er zo klaar mee!’ Ze wilde het gillen, maar het was niet meer dan een zacht gefluister.

In het voorbijgaan trok ze rechts de deur naar de logeerkamer open, maar niets leek van zijn plek. In de wc en de badkamer aan de andere kant van de gang zag ook alles er in orde uit. Alsof de aanblik van Peters scheerschuim en douchegel ooit in orde kon zijn, maar dat daargelaten.

De trap leek eindeloos en zoals altijd had ze een gevoel van kilte terwijl ze er tegenop klom. Ze wist dat het een psychisch ding was, de kou en het idee dat er geen einde aan leek te komen, dat had de psycholoog haar ook verteld, maar ze bleef het ervaren. Het was inmiddels al twee en een half jaar geleden dat Fleur hier op deze trap was gestorven, maar het gevoel was nog steeds niet weggeëbd.

Echt, ik moet dit huis verkopen. Het ging al nooit beter worden en nu al helemaal niet.

Eenmaal op de gang boven bleef ze besluiteloos tegenover de twee deuren naast elkaar staan. Iene miene mutte, welke doet het meeste pijn? Het begon als een dwaas kinderrijmpje door haar hoofd rond te zingen. Ze besloot als eerste de deur links te pakken, al was het maar om het gekmakende deuntje te smoren.

Het kleine kamertje rook wat bedompt en stoffig, maar was verder keurig opgeruimd. De muren waren zachtgroen en het meubilair whitewash. Peter en zij hadden geweten dat ze het ooit moesten gaan opruimen, maar ze hadden tot nu toe de moed niet kunnen verzamelen. Het had veel te veel pijn gedaan, hoewel de constante aanblik van het wiegje en de pluche knuffeldieren dat ook deed. Vrolijke houten letters die de naam ‘FLEUR’ spelden hingen nog aan de muur.

Er lag niets om, of op de grond. Laura deed snel de deur weer dicht en leunde er even tegenaan. Ze blies wat haren uit haar gezicht die losgeraakt waren uit de vlecht die ze droeg. Studeerkamer dan?

De kamer er rechts naast. Ze trok de deur open, bang voor wat er komen zou. Er was niets meer te zien van wat er zich vorige week had afgespeeld, maar toch spiegelde haar geest zich Peter weer voor, achterover hangend op de stoel achter zijn bureau, de plastic zak over zijn hoofd en haar potje met slaappillen naast zijn uitgestrekte, levenloze hand. Ze kneep heel snel haar ogen dicht, haar adem inhoudend, wetend dat haar brein haar voor de gek hield. En toch was ze één moment doodsbang dat dezelfde scène zich nu weer afspeelde, voor altijd en altijd in een krankzinnige cirkel waaruit ze nooit meer los zou komen, als een kwaadaardige Groundhog Day.

De stoel was leeg. Geen pillen rondgestrooid op het tapijt. Geen glazige ogen die haar ondersteboven aankeken door de wazige plastic zak die aan de binnenkant beslagen was door zijn laatste adem. Laura’s maag­inhoud kwam omhoog en ze vloog naar de deur links achter in de ruimte die toegang gaf tot een toilet en bad. Ze redde het maar net. Geknield en met een hand op haar maag braakte ze de broodmaaltijd uit die ze na afloop van de begrafenis samen met de familie genuttigd had. Het smaakte zuur, slijmerig en brandde in haar keel en neusgaten.

 

***

 

Een kwartiertje later stond ze nog wat wiebelig midden in de studeer­kamer. Het geluid was verklaard – de stofkap van Peters type­machine lag op onverklaarbare wijze op de grond naast de stoel. Ze had altijd moeten gniffelen om zijn eigenwijsheid wat dat betreft. Alle schrijvers die ze kende maakten gebruik van een laptop of desktop. En ze kende er aardig wat, want ze ging vaak mee naar feestjes en inmiddels had Peter behoorlijk wat vrienden gemaakt in het schrijvers­wereldje. De software die ze gebruik­ten varieerde nogal, van speciaal voor auteurs ont­wikkelde program­ma’s tot gewoon Word of zelfs Notepad. Maar Peter had niets willen weten van computers. Hij schreef zijn verhalen nog gewoon op een typemachine.

‘Het schrijft gewoon lekkerder, Lau,’ zei hij altijd als ze hem weer eens plaagde dat hij zo wel een enorm stereotype stoffige schrijver werd. ‘En zo kan ik tenminste niet meteen gaan twijfelen en alles deleten en weer opnieuw schrijven.’

Ze werd er eigenlijk knettergek van, want de getypte stapels die hij produceerde moesten altijd weer omge­zet worden tot iets digitaals. Daar kwam zij om de hoek kijken – ze zette zijn bergen papier om tot digitale bestanden en fungeerde daardoor meteen als zijn eerste proeflezer. Naast haar dagelijkse kantoorbaan was het veel werk. Hoewel het digita­liseren van het verhaal niet haar grootste hobby was, genoot ze wel van het redigeren. Het voelde als een privilege om de eerste te zijn die een kijkje mocht nemen in zijn zielenroerselen. Net zoals ze het geweldig had gevon­den om mee te gaan op de reizen die hij ondernam. Hij geloofde heilig in het zelf onderzoeken van bronnen – het zelf voelen, ruiken, waar­nemen.

Na zijn dood was zijn kamer in orde gebracht en afgesloten en ze wist zeker dat ze de kap op zijn typemachine had gedaan. Ondanks zijn rommelige karakter was hij daar altijd heel zorgvuldig mee geweest en het had haar pijn gedaan de machine zo open en bloot te zien nadat ze zijn korte afscheids­briefje – ‘Het spijt me zo, Lau’ – uit de schrijfrol had gehaald.

Maar nu lag de kap op de grond en dat was eigenlijk onmogelijk. Hij sloot af met twee klepjes aan iedere kant en die raakten niet zomaar los. En al raakten ze los, dan nog was het onmogelijk dat de kap vervolgens op eigen houtje van de typemachine los zou raken. Het ging in tegen alle wetten van de zwaartekracht.

Er is iemand in huis, dat moet wel, het kan niet anders.

Laura draaide zich met een ruk om, gezicht naar de gesloten deur van het kantoor. Daarbuiten lag de gang, de toegang naar wat de babykamer was geweest. Achter haar de douche en het toilet. Beide had ze net van dichtbij gezien en ze waren leeg geweest. Dan bleef alleen de slaapkamer nog over.

Bevend haalde ze adem. Ze stond op kousenvoeten, haar hakken lagen beneden in de woonkamer. En nu? Zachtjes naar beneden sluipen of de confrontatie aangaan? Ongewapend? Ging ze echt zo stom zijn? Een flard van haar droom kwam terug, het gevoel in een horrorfilm te zijn beland. De heldin die altijd het domste deed, de trap opliep in plaats van het huis de rug toe te keren, ook al was het duidelijk dat er boven geen vluchtwegen waren. Ging ze écht dat cliché zijn?

Maar dit was geen horrorfilm. En ze was het zat. Zat om bang te zijn, zat om verdrietig te zijn. Er helemaal klaar mee om iedere dag maar weer op te staan met het gevoel of er een steen op haar maag lag en haar hoofd vol watten zat.

Laura trok een van de lades van Peters bureau open, de lade waarvan ze wist dat hij er altijd zijn kantoor­artikelen in veegde. In de wirwar van paperclips, gummetjes, potloden en lege kauwgom­wikkels vond ze wat ze zocht – de briefopener. Deze klemde ze in haar zweterige hand en op trillende benen liep ze naar de deur van het kantoor.

De gang was leeg en nog net zo stil als daarvoor. Laura glipte door de deuropening en hield halverwege de hal stil, tussen de deur van de kinderkamer rechts en de grote ramen die uitzicht boden op het balkon links. De dag was al aan het tanen – het licht begon wat grauw te worden en aan de voorbij dwarrelende bladeren te zien was er een fikse wind opgestoken. De maisonnette was goed geïsoleerd, binnen was het aangenaam en er was niets te horen van de storm buiten. Ze deed haar best om haar ademhaling rustig te houden, maar slaagde daar totaal niet in. De lucht zaagde haar keel in en uit en haar hartslag speelde de horlepiep. Nog zo’n cliché – ‘het was vast te horen buiten haar lichaam om’. Bah, ze had veel te veel van Peters horrorverhalen onthouden.

Met haar adem ingehouden luisterde ze gespannen. Ongewild drong de gedachte aan de droom van vorige nacht zich weer aan haar op. De vrouw aan het einde van haar bed, de zwarte, vage roerloze gestalte. Dat was ook in de slaapkamer geweest. Wat als ze de deur opentrok en oog in oog met dat ding zou staan? Of nog erger, dat het tegen het plafond zat, met lange spin­achtige ledematen, alsof de zwaartekracht niet bestond?

Jezus Laura, hou eens op. Je kunt jezelf ook gek maken.

Het moest maar. Ze stak haar hand uit naar de deur­knop, aarzelde een seconde en rukte toen met kracht de deur open, de briefopener uitdagend in haar andere hand.

Niets.

Een lege slaapkamer. Opgemaakt bed. Peters boek, met de boeken­legger nog op de plek waar hij was gebleven, omgekeerd op zijn nacht­kastje. Geen zwarte gedaanten waar dan ook, ook niet tegen het plafond.

Laura begon oncontroleerbaar te trillen, de brief­opener glipte uit haar hand en kletterde tegen het parket. Ze zakte als een hoopje ellende op de vloer in elkaar en kon de tranen niet meer tegenhouden. Het voelde alsof ze zich compleet verloor in het verdriet, het schuldgevoel, de wetenschap dat het haar onop­houdelijke stille verwijten waren geweest die Peter uiteindelijk tot zijn daad hadden gedreven.

Want hij was het geweest die met Fleur in zijn armen van de trap was gevallen.

Van die verraderlijke, kloterige, spekgladde houten trap waarvan ze al zo vaak tegen elkaar hadden gezegd dat ze die veiliger moesten maken. Wat ze niet hadden gedaan. Wat ze geen van beiden hadden gedaan, en het had net zo goed haar kunnen overkomen in plaats van hem, maar toch bleef ze het hem verwijten. Misschien niet zozeer in woorden, maar zeker wel in daden, met een koude houding en een stilzwijgen en een gepast op afstand houden waar ze maar niet van af had kunnen komen, hoe graag ze het ook had gewild… het verdriet dreigde haar te over­spoelen en ze voelde het, letterlijk, als een koude zwarte wolk boven haar hoofd, een vettige zwarte materie die haar helemaal omhulde, in alle poriën en huidplooien kroop, in haar longen drong met iedere beverige ademteug die ze naar binnen liet gieren, haar verstikte en tegen haar fluisterde …

Jouw schuld, allemaal jouw schuld, lelijk mens, je kon het hem niet vergeven, he? Je moest hem de schuld blijven geven want anders moest je naar jezelf kijken, je eigen nalatigheid, je eigen aandeel in dit alles en dat was even groot, het is allemaal jouw schuld, jouw schuld, jouw schuld, waarom maak je er geen einde aan?

Ze kreunde, de armen om haar lichaam geslagen, wiegde heen en weer in pure wanhoop, ja waarom ook niet, wat deed ze hier nog, waarom was ze hier nog, wie hield er in nu in godsnaam nog van haar?

En van het ene op het andere moment werd ze warm. Het was alsof iemand van achteren de armen om haar heen sloeg, haar tegen zich aan koesterde en haar compleet injecteerde met een weldadige, liefdevolle gloed die door haar hele lichaam trok, van kruin tot voeten. Ze hield abrupt op met huilen.

Oh Laura …

De warme ademtocht blies langs haar oor en een lok van haar haar dreef loom mee naar voren op de lucht­verplaatsing. Verdwaasd keek ze ernaar. Achter haar, in de studeerkamer, klonk het ratelende geluid van de typemachine, maar ze registreerde het amper.

‘Peter?’

Het warme gevoel ebde langzaam weg, maar de wan­hoop was ook verdwenen. Meegenomen op die ene teug adem die niet meer terug­kwam. Ze was niet bijge­lovig en hoewel ze even daarvoor nog helemaal in beslag was genomen door alle stomme plotpunten uit Peters enge verhalen, had ze nooit werkelijk in dat soort dingen geloofd. Geesten, monsters, griezelige kinderen en poppen waren leuk om bang van te worden tijdens het kijken van een enge film, maar dat waren wel fictieve dingen waar ze de dag daarna geen last meer van had. Misschien dat dat kwam doordat ze van dichtbij had meegemaakt hoe Peter de spanning opriep in zijn boeken, er research naar deed en zijn verhalen had geredigeerd. Daardoor werd het voor haar een soort van proces in plaats van een medium waardoor ze zich kon laten verrassen. Ze wist veel te goed hoe alles in elkaar zat.

Had ze gedacht. Toch? ‘Peter? Was jij dat?’

Vanuit de studeerkamer kwam een zachte ping! Het was het geluid van de schrijfrol die het einde van een regel aangaf, wist ze. Het kippenvel stond onmiddellijk weer huizenhoog op haar armen. En aan de andere kant leek het een bevestiging op haar vraag. Struike­lend haastte ze zich naar de kamer aan het einde van de hal.

Er zat nu papier in de schrijfrol. Midden op het witte vel prijkte één enkel woord:

 

J A P A N

 

***

 

‘Wil je dit nog bewaren?’ Miranda hield een van Peters befaamde notitieboekjes omhoog, ditmaal eentje met een bijzonder groezelige kaft.

‘Staat er een jaartal op?’ Laura snuffelde rond in de grote boekenkast waar boeken, losse papieren en multo­mappen lukraak bovenop elkaar gestapeld waren. Je kon van alles van Peter zeggen, maar opge­ruimd was hij niet geweest. Het leek wel of hij nooit echt een systeem had gehad om orde te scheppen in de kamer. Alleen de notitieboekjes waren een vast, terug­kerend item. En de Bic balpennen waar zonder uitzon­dering heftig op geknaagd was. Die twee dingen waren de constanten in Peters leven geweest. Nou ja, op haar, Fleur en zijn typemachine na dan. De rest was bijzaak.

‘Nee, ik geloof het niet.’ Het klonk aarzelend. ‘Er staat ‘Sterrenkijken’ op?’

Ah. Peters enige poging tot het schrijven van een sci-fi. Aliens, close encounters of the fourth kind, de hele rambam. Ze waren er zelfs voor naar Area 51 geweest – of in ieder geval zo dicht als ze erbij hadden kunnen komen.

Uiteindelijk was dit specifieke boek op niets uitge­lopen. Sci-fi was gewoon niet zo Peters genre en dat had hij heel vlot ingezien. Het kroop toch bijzonder snel weer naar de horror en hij had geen compromis willen sluiten qua genre. Dus het manuscript was onaf­ge­maakt in een doos verdwenen en zou zich onge­twijfeld ergens in deze kamer bevin­den.

‘Bewaar toch maar,’ zei ze, zich omdraaiend naar Miranda. ‘Alleen, … zo raak ik nooit opgeruimd he?’ Ze keken elkaar aan en begonnen tege­lijker­tijd te lachen. Heerlijk. Eindelijk. De lach tuimelde ongedwongen door de ruimte en het was gewoon precies wat ze nodig had gehad.

‘Ik ben zo blij dat je hierheen gekomen bent. Ondanks – dat,’ ze wees naar Miranda’s gewelfde buik, ‘dat je het volhoudt joh.’

‘Ach, zolang jij de onderste planken doet en ik me bezig kan houden met alles wat zich ongeveer ter hoogte van mijn navel bevindt, vind ik het best. Echt, Ik bleef je maar voor me zien, alleen in dit huis met alle rommel. Ik moest naar je toe.’

De tranen sprongen Laura in de ogen. Ze knikte woordeloos en keek naar de grond.

Er waren inmiddels een paar dagen verstreken en ondanks dat Laura het erg moeilijk had gevonden om die eerste nacht de slaap te vatten, leek het gebeuren in de studeerkamer al weer ver weg. Er hadden zich verder geen vreemde dingen meer voorgedaan en op een of andere manier had ze het voor elkaar gekregen om het voorval diep in haar geest op te bergen en er verder geen aandacht meer aan te schenken. Niet aan denken was het beste, hoe onwaarschijnlijk en bizar het ook was geweest.

‘Ik denk dat ik alle notitieboekjes maar bewaar,’ zei ze tegen Miranda. ‘Het is toch het meest tastbare, het meest eigen, dat ik over heb van Peter.’ Ze moest even slikken.

Miranda was meteen bij haar en greep haar hand. Haar bezorgde groene ogen namen Laura vorsend op. ‘Heb je wel wat gegeten vandaag?’

Laura knikte. ‘Ja, daar zorg ik wel voor. Met Fleur…’  Ze brak af. Ze had in de weken na Fleur amper kunnen eten, was kilo’s afgevallen en daar ging ze zich alleen nog maar slechter door voelen. ‘Ik heb ervan geleerd, laten we het daarop houden.’

Miranda ging met wat moeite zitten in de leunstoel voor de boekenkast en kruiste haar enkels over elkaar. ‘Als je er niet over wil praten, moet je het zeggen, maar…’ Ze aarzelde. ‘Ik snap het gewoon niet. Ik had het gevoel dat het zoveel beter met jullie ging. Dat de therapie hielp. Jullie zijn samen nog naar Japan geweest, Peter zat helemaal vol plannen met zijn nieuwe boek. Wat ging er nou mis?’

Laura legde haar hand op de bureaustoel en keek peinzend naar buiten. ‘Ik weet het niet,’ zei ze uitein­delijk. ‘Ik dacht ook dat het beter ging. We hadden hartstikke veel aan de nieuwe therapeute, Peter vond dat ook. Tijdens de vakantie hadden we voor het eerst in tijden weer seks.’ Ze bloosde lichtelijk. ‘Sorry, dat is meer informatie dan waar je behoefte aan hebt waarschijnlijk, maar voor ons was het een door­braak. Ik kon hem heel lang gewoon niet in mijn buurt ver­dra­gen. Afschuwelijk, ik weet het, en ik probeerde er echt wel tegen te vechten, maar dat lukte moeilijk.’ Ze wreef haar handen tegen elkaar, het was ineens koud in de kamer. ‘En die muur had ik eindelijk afgebroken. En toen… dit. Ik weet het niet. Ik begrijp het zelf ook totaal niet.’

Dat dacht je alleen maar. Je hield hem aan het lijntje, dat weet je zelf ook wel. Het was een vluggertje, meer niet en stelde niks voor, dat was toch geen liefde? Dat moet hij ook gevoeld hebben, het is jouw schuld, jij hebt hem ertoe gedreven …

‘Jeetje, wat is het koud hier ineens, is de verwarming uitgevallen of zo?’ Miranda huiverde in haar positie­jurk, kwam overeind uit de stoel. ‘Eh, Lau? Gaat het wel? Je ziet echt lijkbleek. Oh sorry, echt, ik had het er niet over moeten hebben, het is allemaal nog zo vers en ik vraag je er gewoon naar met mijn stomme kop.’

Laura werd uit haar gedachten gehaald toen ze de arm van Miranda om haar schouders voelde. Het voelde aan alsof ze van erg ver moest komen. Ze drukte haar handen tegen haar ogen. Ze was zo verschrik­kelijk moe en deze stemmingswisselingen putten haar helemaal uit.

‘Het geeft niet. Ik heb eigenlijk liever dat mensen er wel naar vragen dan dat ze op hun tenen om me heen gaan lopen. De buren staren me toch al aan alsof ik ze allebei eigenhandig vermoord heb of zo.’ Dat was het nadeel van wonen in deze flat: er was niet heel veel contact tussen de buren onderling dus niemand wist precies van elkaar wat er in hun levens speelde. Daarnaast waren haar buren aan beide zijden van het type gluren-achter-de-vitrage, iets waar ze niet bepaald op zat te wachten. Weer een reden om dit huis zo snel mogelijk van de hand te doen.

‘Het is inderdaad koud, ja. Er staat toch nergens een raam open.’ Laura rammelde aan de sluiting van het raam achter het bureau, maar het zat stevig dicht. Ze draaide aan de knop van de verwarming onder het raam. Het ding begon meteen te tikken. ‘Nou ja, laten we maar verder gaan – het wordt hier zo wel warmer denk ik.’

‘Wat is dit?’ Het klonk wat weifelend. Miranda was inmiddels weer terug­gelopen naar de verzameling dozen die midden in de studeerkamer opgestapeld stonden. Ze hield een stuk papier vast dat zo te zien een haastig geschetste tekening bevatte met veel zwart. Het kwam Laura op het eerste gezicht niet bekend voor.

‘Er staan wat Japanse tekens op gekrabbeld. En ook wat leesbare woorden, al weet ik niet wat ze betekenen. Shinigami? Weet jij wat dat is?’

Laura kwam naar Miranda toe, haar hoofd schuddend. ‘Het is vast onderdeel van de research voor zijn laatste boek. Hij wilde iets doen met Japanse folklore maar ik geloof niet dat er al echt een heel duidelijk idee was. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen flauw idee heb waar hij precies mee bezig was, ik heb vooral genoten van het land en de cultuur. Hij liet meestal niet zoveel los over nieuwe boeken voordat de puzzelstukjes een beetje op zijn plek vielen. Ik kreeg meestal pas echt inzicht in zijn verhaal als ik begon met de redactie er van. Laat eens zien?’

Maar voor Miranda het papier kon overhandigen greep ze met beide handen haastig naar haar zwangere buik. De tekening zeilde rakelings door de kamer door de beweging en schoof onder de boekenkast. Ze zakte bijna door de knieën, haar elleboog stootte tegen een deurtje van de vitrinekast aan de andere muur. ‘Ohhh,’ kreunde ze. ‘Oh dat doet PIJN!’

Het glazen deurtje draaide langzaam om zijn schar­nieren en een seconde ving het Miranda’s spiegelbeeld. In de weerkaatsing zag Laura de vrouw. Of eerder, de vorm van een vrouw. Er waren niet echt gelaatstrekken te onderscheiden. Het was eerder een vettige, kolkende wolk in de vorm van een vrouw, met ruw, geklit haar dat tot halverwege haar middel viel. Zwarte klauwen met lange nagels strekten zich uit over Miranda’s buik en hielden die in een wurggreep. En knepen. Miranda’s handen lagen er dwars overheen, maar ze scheen dat niet te voelen.

Miranda hapte naar adem. Laura gilde. Het deurtje draaide verder en klapte helemaal open met een muzi­kale tinkel. De klap was hard genoeg om het glas te kunnen breken, maar dat gebeurde niet. Het spiegel­beeld verdween en de echte Miranda stond daar, alleen, in de kamer met haar handen tegen haar buik, haar gezicht vertrokken van de pijn.

Er klonk een kletterend geluid. ‘Mijn vliezen zijn gebroken,’ hijgde Miranda. ‘Oh nee, het is te vroeg!’

Laura staarde wild naar haar vriendin, naar de ruimte, naar het glas in het deurtje. Wat ze zojuist had gezien was verdwenen en ze begon aan haar verstand te twijfelen. De kamer voelde aan als een vrieskelder en ze vroeg zich af of ze haar adem in een klein wolkje voor zich uit zou zien stuiven.

Ze dwong zichzelf in de kamer te blijven in plaats van weg te rennen en greep Miranda bij de schouder. ‘Hoeveel weken ben je nu precies?’

‘Vijfendertig. Dit is niet goed. Je moet Maarten bellen en het zieken­huis.’

 

***

 

Het ouderwetse belletje rinkelde toen Laura de deur openduwde en een zoete, stoffige geur kwam haar tegemoet, zo sterk dat ze er bijna van moest hoesten. Het winkeltje heette Kuzu en ze had het adres uit een van Peters laatste notitieboekjes. Hij was hier blijkbaar eerder geweest, of misschien had hij het plan gehad hierheen te komen. Het stond in ieder geval vermeld onder zijn bronnen. In gedachten ging ze terug naar gisteren, naar de studeerkamer.

Maarten was in alle haast gekomen toen ze hem had gebeld, maar de ambulance was eerder geweest. Laura had niet geweten wat te doen – ze had nog nooit een vroeggeboorte meegemaakt en het leek haar het beste om 112 te bellen. Miranda was vastgesnoerd op een brancard en met gillende sirenes afgevoerd. Laura was bij haar gebleven in de ambulance. Gelukkig had Maarten de tegenwoordigheid van geest gehad om de vluchttas mee te grijpen, al zaten er nog lang niet alle benodigdheden in. Het was voldoende geweest voor deze noodsituatie.

Laura had de rest van de dag pendelend tussen Miranda’s huis en het ziekenhuis doorgebracht. Ze had gezorgd dat er nachtgoed voor Miranda en Maarten aan­wezig was en had toiletspullen en nog extra baby­kleertjes meegenomen. Miranda’s tweede zoontje was binnen vier uur geboren, met de navelstreng om de nek en ze waren erg lang met hem bezig geweest voordat hij zelfstandig begon te ademen. Het jochie lag nu op de NICU en het was niet helemaal duidelijk of hij er iets aan over zou houden. Miranda en Maarten zouden voorlopig nog wel in het ziekenhuis blijven.

Laura was uiteindelijk toch naar huis gegaan, hoewel ze het een afschuwelijke situatie vond. Ze kon verder erg weinig doen en de beide kersverse ouders werden volledig in beslag genomen door het legertje kinder­artsen dat hun jongste zoon in de gaten hield.

Maar wat moest ze verder? Ze zag het niet zitten om alleen in de studeer­kamer rond te hangen, niet met wat zich daar had afgespeeld. Ze vond het ontzettend moeilijk te bepalen of dit nu allemaal in haar hoofd plaatsvond of niet, maar het feit dat Miranda’s pijn en het afschuw­wekkende spiegelbeeld met elkaar samen­vielen, deed haar het ergste vermoeden. En toch wilde een deel van haar geest er niet aan. Dit soort dingen bestond niet, gebeurde niet. De type­machine die uit zichzelf een woord op papier kwakte, het moest een logische verklaring hebben.

En zo stond ze nu hier in het winkeltje. Ze was net lang genoeg in de studeerkamer geweest om het papier met de tekening onder de boekenkast vandaan te vissen en het notitieboekje mee te grissen. Beiden had ze bij zich. Een snel rondje Google had wel wat resul­taten opgeleverd voor het woord ‘Shinigami’ maar ze wilde liever even met iemand praten.

‘Jaja, ik kom, kom er al aan!’

Het was een stem met een zwaar accent en het klonk krakerig en oud. De bijbehorende eigenaresse kwam al snel in zicht en Laura moest een gniffeltje onder­drukken. Als er iemand thuishoorde in dit Japanse snuisterijenwinkeltje, dan was het dit dametje. Ze was zo klein dat ze met de top van haar kruin amper tot Laura’s oksel kwam en ze droeg een kimono die aan de onderkant wat gerafeld was.

De lol verging haar echter snel toen het vrouwtje een priemende vinger tegen Laura’s borst prikte en haar zo’n beetje de winkel uit begon te worstelen. ‘Eruit! Jij weg! Ik wil jou niet hier hebben!’

‘Maar, wacht, ik moet u iets vragen, wacht!’ Laura zette haar voet dwars en haakte haar vingers om de deurpost. Ze keek met verbijstering naar het vrouwtje, of eigenlijk meer naar de zwarte haardos van de vrouw ter hoogte van haar eigen kin. Er liepen behoorlijk wat grijze draden door en ze besefte dat de zoete geur werd veroorzaakt door de haarolie die de vrouw gebruikte.

Het vrouwtje bleef duwen, als een soort koppige mini-stier, maar Laura ging dit niet laten gebeuren. Ze had informatie nodig en ze moest ergens beginnen. En dus duwde ze terug, en het vrouwtje was zo licht dat dat een peulenschil was. Ze draaide de eigenaresse eigenlijk min of meer om haar as en belandde zo binnen in de winkel.

‘Nee! Jij bent niet goed voor mij, jij moet weg!’

‘Maar waarom dan? Ik wil u alleen maar iets vragen, ik bedoel, voor hetzelfde geld was ik een klant!’ Laura begon nu verontwaardigd te worden, ze begreep het niet. Wat was er mis met haar?

Alles. Je hebt nu ook bijna de dood van een kind veroorzaakt. De teller loopt op, doe je goed. Je kind, je man, Miranda’s kind … wat wil je nog meer op je geweten hebben? Je vergiftigt alles en iedereen om je heen, wat doe je hier nou nog? Niemand wil jou.

Ze huiverde. Het gebeurde zo vaak de afgelopen tijd, ze had de neiging om in haar gedachten weg te zakken en de omgeving om haar heen niet meer waar te nemen. Het leek op de depressie die ze had gehad na de dood van Fleur, maar het voelde toch niet helemaal hetzelfde.

Toen ze opkeek, zag ze dat het Japanse vrouwtje om haar heen was gelopen en dieper de schemering van het winkeltje in was gedoken. Alleen haar ogen waren nog duidelijk te zien en ze straalden puur afgrijzen uit. Bij iedere stap die Laura vooruit zette, ging zij er twee achteruit totdat ze zo’n beetje op een holletje het kantoortje aan het einde van het winkeltje inschoot.

Laura twijfelde even wat ze moest doen, maar beende toen veront­waardigd het gangpad door. De vloer trilde onder haar hakken en hier en daar sprongen porse­leinen snuisterijtjes met een zacht getinkel op. Het winkeltje stond stampvol met Japanse prullaria die op het eerste gezicht waardeloos leken. De deur naar het kantoor was groezelig en stond vol handafdrukken. Ze duwde hem open en stond oog in oog met het vrouwtje.

‘Alstublieft,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet waar ik naartoe moet en ik heb hulp nodig. Wilt u niet even naar me luisteren? Ik heet Laura.’

Het vrouwtje aarzelde, liep wat achteruit maar gaf tenslotte toch toe. Met een vermoeid gebaar wees ze op een van de stoelen die om een aftands bureau gegroe­peerd stonden. ‘Zit. Natsuko.’ Haar naam. Ze gaf Laura een kort knikje.

Laura zuchtte en ging voorzichtig zitten. De zitting kraakte onder haar gewicht. Natsuko bekeek haar argwanend en dus stak ze maar van wal.

‘Is mijn man hier geweest? Peter de Graaf? Hij was bezig een boek te schrijven over Japanse folklore en ik heb het adres van uw winkeltje gevonden in een van zijn notitieboeken.’

Natsuko schudde beslist haar hoofd. ‘Nee. Nooit van gehoord, niet hier geweest. Wij nu klaar?’

‘Eh, nee, sorry. Ik ben op zoek naar informatie over – nou ja, kijkt u zelf maar.’ Ze diepte de tekening met de Japanse tekens op uit haar tasje en schoof hem over het bureau naar de vrouw. Die schoot achteruit alsof ze door een horzel gestoken was. Een stroom buitenlandse woorden kaatste door de ruimte – ongetwijfeld verwensingen die ze natuurlijk niet kon verstaan.

‘Shinigami?’ probeerde ze nogmaals. ‘Kent u het? Kunt u me meer vertellen?’

Natsuko klapte haar mond dicht en sloeg haar armen over elkaar. Ze snoof. Het bureau stond tussen hen in en ze leek vastbesloten het zo te houden.

‘Ja,’ zei ze tenslotte. Ze keek nors en ook een beetje bedroefd. Met haar hoofd schuin leek ze net een vogeltje. ‘Jij hebt … jij hebt Shinigami om je heen. Gaat met je mee. Je bent besmet. Het is lelijk en zwart en het wordt steeds groter als jij niet stopt met zielig doen.’

Laura fronste. ‘Zielig doen? Mijn man heeft verdomme net zelfmoord gepleegd! Moet ik dan vrolijk door het leven verder dansen? U weet niet waar u het over heeft.’ Ze stond op en wilde zich omdraaien om de winkel uit te lopen, maar de stem van Natsuko hield haar tegen.

‘Hij heeft zelfmoord gepleegd? Je man? Was plotse­ling?’

Laura hield in. ‘Ja. Hoe weet u dat? Het ging heel goed met ons en toen, ineens… ik begrijp het niet.’ Ze moest moeite doen om niet weer in huilen uit te barsten.

Het kleine vrouwtje sloeg er geen acht op en tikte met haar lange nagels op de tekening die nog steeds tussen hen in op het bureau lag. ‘Hier. Shinigami. Dat is de oorzaak. Hij heeft – hoe zeg je dat? – zijn neus ergens ingestoken, niet slim. In Japan geweest?’

Laura knikte woordeloos. Het gesprek ging een kant op waar ze hele­maal niet naartoe wilde.

‘Hij heeft meegenomen en het heeft hem gegrepen. Nu is het jouw beurt. Zit aan je vast, jij moet vechten!’

Laura wilde om het bureau heen lopen maar Natsuko bewoog met haar mee, het meubelstuk tussen hen in houdend. ‘Nee,’ zei de Japanse vrouw resoluut. ‘Niet dichter in de buurt. Ik heb al genoeg aangeraakt van jou, ik wil niet ook besmet worden. Te veel dingen waar ik schuldig over voel. Shinigami neemt het, pakt het, laat het groeien. En dan jij zo ongelukkig dat jij niet meer wilt leven.’ Ze schudde haar hoofd en schoof nog een stukje opzij.

Laura’s lip was gaan trillen. Ze graaide de tekening van het houten blad en propte het terug in haar tasje. Als dit waar was, dan wist ze niet hoe ze hier ooit uit ging komen. Je niet schuldig voelen? Er was zo ontzettend veel waar ze zich schuldig over voelde en terecht! Ze wreef de tranen driftig uit haar ogen en maakte aanstalten om het kantoor te verlaten.

‘Bedankt.’ Haar stem was schor van de tranen. ‘Ik red me wel.’

Natsuko keek haar meewarig na.

 

***

 

Alles was warrig. Het laatste dat ze zich echt heel helder kon herinneren was dat ze thuisgekomen was van Natsuko’s winkeltje, ontzettend over­stuur, bang om naar huis te gaan maar tegelijkertijd wetend dat het niet uitmaakte waar ze heen ging. Natsuko had heel duidelijk gezegd dat de Shinigami aan haar vast zat, niet aan het huis. Laura had zelfs het gevoel dat het Japanse vrouwtje het verschijnsel had kunnen zien – want wat was anders de reden geweest dat ze haar zonder uitleg de winkel uit had willen zetten?

Ze had ertegen willen vechten. De gordijnen open willen gooien, licht binnenlaten, kaarsen aan willen steken, warme muziek op willen zetten. Het schuldgevoel achter zich laten, wel verdriet hebben, maar er niet aan ten onder gaan. Ze kon zich vaag iets herinneren van proberen naar Miranda te bellen, maar het nummer van het ziekenhuis bleef maar uit haar gedachten glippen en uiteindelijk had ze de telefoon weggelegd met het idee om het later nog eens te proberen.

De eerste kaars die ze probeerde aan te steken, brak. Haar handen verstijfden steeds verder van de kou, hoewel de verwarming aan stond en het best behaag­lijk was in huis. Daardoor brak ze niet alleen de kaars, maar ook iedere keer de lucifers die ze probeerde af te strijken tegen het luciferdoosje. Ze had het opgegeven en vanaf dat moment had ze zichzelf niet meer in de hand gehad.

Het was schemerig in de slaapkamer. Haar handen waren nog steeds ijskoud. Sterker nog, het hele huis voelde koud. Laura staarde voor zich uit, armen slap langs haar zijden. Ze stond midden in de slaapkamer met haar gezicht naar de deur die op de gang uit kwam. Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Het leek of haar lichaam los stond van haar geest, dat haar persoon – alles wat ze was – hulpeloos tegen de tralies van haar schedel bonkte.

Oh Peter, was je maar hier.

Ergens op de achtergrond klonk het geluid van stromend water. Laura had geen idee wat het was, of wie de kraan opengezet had.

Bewegingsloos sloeg ze de slaapkamerdeur gade die langzamerhand open kierde. Het voelde of de tempé­ratuur in de kamer nog enkele graden kelderde, en een donkere, kolkende gedaante vulde de deur­opening. Iets was niet hetzelfde – inmiddels was het geen gezichts­loze gestalte meer. Laura’s eigen gelaats­trekken staarden naar haar terug vanuit die vluchtige, dreigende massa. Rudimentaire lippen trokken zich terug in een vreugdeloze lach.

Laura wilde gillen, krijsen. Het raam openrukken en desnoods van de drie verdiepingen naar beneden springen om maar te ontkomen aan dit ding dat het op haar gemunt had. Maar haar lichaam beantwoordde niet meer aan haar geest. Het was geen angst die haar aan de vloer genageld hield, het was onvermogen. Ze was de controle over haar lijf compleet kwijt.

De kamer werd donker. Waar een vrouwelijke gedaante had gestaan, was nu een zwarte wolk gevormd die steeds groter werd. Wat vluchtige rook had geleken, werd een grijzige substantie die aan de muren kleefde, groeide, met lange tentakel-achtige vingers om zich heen greep. Het bedekte de muren, de ramen, sloot haar in. De stank was groen, vochtig, beschimmeld. Het gezicht kwam naar voren tot het vlak voor Laura’s gezicht in de lucht hing.

Laura’s hart bonsde hard in haar keel op een tempo dat dodelijk leek. Haar geest klauwde in pure paniek aan de gevangenis waar ze in zat, maar ze kreeg geen vat op haar lichaam. Er rolde een traan tussen haar trillende wimpers vandaan. Was dit ook met Peter gebeurd? Had hij ook zulke doodsangsten uitgestaan? De adrenaline raasde door haar lijf maar ze kon er niets mee, behalve naar adem snakken.

Het gezicht kwam nog verder naar voren, totdat hun neuzen elkaar bijna raakten. De substantie van het wezen veranderde subtiel en vervluchtigde als een zwart gas. Met iedere hijgende ademteug zoog Laura de materie naar binnen. Met iedere ademhaling nam het gevoel van onbehagen toe. Het leek of er mieren op de paden van haar brein rondliepen, haar gedachten ver­vaagden en haar eigen ego werd steeds verder naar de achterkant van haar bewustzijn gedrukt. Ze wilde hoesten, het smerige spul naar buiten werken maar de Shinigami stond het niet toe. In een mum van tijd was de volledige entiteit door Laura’s longen opgenomen. Het raasde rond in haar bloed, deed haar hartslag nog verder toenemen en liet haar zowat pulseren op haar voeten. Zoveel opgekropte woede!

Als in een droom draaide Laura’s lichaam zich lang­zaam om. De armen die nog steeds langs haar zijden hingen, bungelden slap. Ze voelde hoe ze een paar slepende stappen naar de badkamer zette en was machte­loos om er iets tegen te doen. Het geluid van stromend water werd luider en Laura besefte dat de kraan boven de badkuip open stond. Ze kon zich totaal niet herinneren dat ze dat gedaan had. Afgrijzen bekroop haar.

Nee! Nee nee nee nee! Laat me los! Jij ongelofelijk kreng, wat heb ik je ooit misdaan, je kent me niet eens, sodemieter op, laat me gaan!

Het hielp helemaal niets. Ze schopte uit alle macht tegen de denk­beeldige muren die haar in bedwang hielden, klauwde met haar nagels langs fictieve wan­den, proberend een weg naar buiten te graven, een uit­weg te vinden uit deze benauwende stilte in het meest diepe van haar geest. De knoppen te vinden waarmee ze zelf de controle weer terug kon krijgen en haar lichaam de baas zou worden. Het haalde niets uit. Ze moest willoos toezien hoe haar eigen handen de klink van de badkamer­deur naar beneden duwden.

De badkamer stond vol stoom. De lucht voelde warm, maar op een of andere manier ook weer niet. De warmte leek van haar ijskoude huid af te glijden, voor haar te wijken en achter haar weer samen te komen. Ze deed niet eens moeite om zich uit te kleden, maar stapte zo, met sokken, ondergoed, spijkerbroek en al in het bad.

Het water was verstikkend warm, nog net niet heet genoeg om haar te branden maar wel zo heet dat het haar de adem benam. Toen de stoom wat optrok zag ze twee scheermesjes op de rand van het bad liggen. De scheermesjes van Peter, die zich graag nat had mogen scheren en die krengen overal liet slingeren zodat zij ze weer in de vuilnisbak kon gooien en nog mocht oppassen ook dat ze zich er niet aan sneed. Waarom herinnerde ze zich dat alles op dit moment? Het deed er totaal niet toe, maar het was een poging van haar geest om zich af te sluiten van hetgeen op het punt stond te gebeuren. De scherpe kanten van de mesjes glansden in het lamplicht en de stoom had minuscule druppeltjes gevormd op het metaal.

‘Hmmmm! Hnnn! Nnnnnh!’

In pure paniek probeerde ze zich schrap te zetten, naar achter te krabbelen over de spekgladde onderkant van het bad, maar ze leek wel verlamd. De spieren stonden als kabels in haar nek, maar er was geen beweging in haar lichaam te krijgen. Er kwam wel geluid over haar lippen, maar het kwam er vervormd en zwak uit. Ze kon niet gillen of zelfs maar woorden vormen. Niemand zou haar hier ooit horen.

Haar hand bewoog zich naar de scheermesjes en greep er een. De bewegingen waren wat traag en onge­coör­dineerd, waardoor ze in de scherpe kant greep en er onmiddellijk bloeddruppels opwelden uit de sneden die nu dwars over haar vingertoppen liepen. Ze vielen in het water en vielen daar uiteen in wolkende roze draden.

‘Uhhhn! Hnnnn! Nnnnnnnn!’

Ze hijgde, snakte naar adem. De stoom sloeg op haar keel en ze begon ongecontroleerd te hoesten. De hand met daarin het scheermesje kwam onverbiddelijk dichterbij, ging richting haar andere arm en pols die op de tegenoverliggende rand van het bad lagen. Ze volgde de beweging met haar ogen, het ging tergend traag.

Het lemmet schraapte over de huid van haar pols, niet hard genoeg om bloed naar boven te brengen, maar wel hard genoeg om pijn te doen. Opnieuw. Een kras. Opnieuw. Een ondiepe snee, die venijnig stak. Het bloed begon langs haar pols naar beneden te druipen en liep van daar over het witte porselein zo naar beneden de badkuip in. Ze kon het ruiken, een zware metaalachtige geur die haar misselijk maakte.

Het lemmet kwam opnieuw naar beneden. Voor het laatst. En stopte halverwege de beweging.

Een nieuwe warmte vulde de badkamer. En ditmaal kon ze hem wel voelen. De stoom balde zich samen tot een nieuw silhouet, met ondui­delijke omtrekken, alsof het al heel veel moeite kostte om deze vorm vast te houden. Er klonk een oorverdovend gezoem in haar oren, alsof er zich duizenden bijen tegelijkertijd in haar hoofd ophielden. Het klonk woedend, maar ergens ook verbijsterd.

Laura’s mond opende zich en ze krijste in een stem die totaal niet de hare was, maar lager en ruwer en op een of andere manier afschuwelijk smerig smakend. ‘Nee! Jij kunt hier niet zijn!’

Oh Laura …

Ze voelde hem in haar hoofd, een weldadige rust­gevende warmte die haar in één klap kalmeerde.

De vage gestalte in de stoom werd tastbaarder. De omtrekken werden duidelijker, er kwam zelfs wat kleur in de vorm en Peters gezicht kwam naar voren uit de stoom. Hij had overduidelijk geen lichaam van vlees en bloed, maar hij was daar. Reëel. Ze twijfelde er geen seconde aan.

Die zekerheid maakte dat ze iets van de angst en het verdriet kon wegduwen. Haar armen voelden als lood, maar ze hief ze op en strekte ze uit naar haar over­leden man. Hij greep een van haar handen, met een warme, tastbare grip. Samen maakten ze een vuist, en duwden de kwalijke entiteit resoluut uit Laura’s lichaam.

 

***

 

Laura kwam met een enorme klap terug in het heden en in haar lichaam. Het water verschroeide haar en haar pols deed afschuwelijk pijn, maar wat was het goed om haar lichaam weer te voelen. Ze moest zich schrap zetten om niet onmiddellijk onderuit te zakken in het water. Boven haar hoofd woedde een krank­zinnige strijd.

De badkamer kolkte. Flarden stoom en zwarte rook vochten om ruimte in een krankzinnige derwisj die voort en voort tolde. Onhoorbare verwensingen wer­velden om haar heen als windvlagen, dan weer warm, dan weer koud. De spiegel brak in een regen van glassplinters en ze sloeg haar armen wild voor haar gezicht. De flintertjes kwamen met zo’n kracht tegen haar aangesprongen dat sommigen ervan zich in haar huid boorden en daar bleven hangen. Nieuwe stroom­pjes bloed vermengden zich met de oude. Ze moest hier zo snel mogelijk weg.

De mengeling van zwart en wit knalde tegen het badkamerkastje aan en deed dat op zijn poten wanke­len. Laura zag haar kans schoon en klauterde zo snel ze kon uit de badkuip, haar pijnlijke pols negerend. De bloeddruppels vlogen in het rond en ze gleed bijna uit door haar natte sokken op de badkamervloer. Half kruipend, half glijdend bereikte ze de deur aan de andere kant, die naar de studeerkamer. Die duwde ze open en met moeite hees ze zich over de drempel, verder de studeerkamer in. Toen ze het gevoel had dat ze ver genoeg van de badkamer verwijderd was, draaide ze zich om.

Donker-licht-donker-licht – ze hoorde half gesmoorde kreten en het leek of beide entiteiten groeiden in kracht door het furieuze gevecht waarin ze verwikkeld waren.

Peter schreeuwde, en ze hoorde duidelijk angst en pijn in zijn stem.

‘Nee! Mij moet je hebben! Laat hem met rust!’ Een verschrikkelijke woede kwam naar boven, een gevoel dat ze allang niet meer had gehad. Alles was ver­drongen geweest door verdriet en pijn. ‘Hey! Bitch! Hierzo!’ De tekening van de Shinigami lag op Peters bureau en ze pakte het ding op en wapperde er mee. ‘Weet je wat ik van je denk? DIT!’ Ze scheurde de tekening woest doormidden, verkreukte het papier en maakte er snippers van die ze de lucht in smeet.

De zwarte entiteit maakte zich met een grauw los van Peters gedaante en kwam met een afschrik­wekkende snelheid op Laura af. Precies zoals ze het zich al eerder in haar gedachten verbeeld had. Ze gilde, wierp zich op de vloer in een poging om te ontkomen aan de zwarte klauwen die naar haar uitgestrekt werden. Haar rug werd ijskoud en ze wist dat het monster zich vlak boven haar bevond.

Peter mengde zich opnieuw in het gevecht en nu was het de studeer­kamer die het moest ontgelden. De dozen papier in het midden van de kamer, die daar nog stonden om uitgezocht te worden, ontploften in een wirwar van papier. Het leek wel of er een confetti-kanon werd afge­schoten. Lijsten met foto’s van plaatsen waar ze samen waren geweest vlogen van de muren en sloegen in een chaos van glas en hout tegen de vloer. De typemachine begon als een razende te typen, vrat het papier op dat nog op de rol zat, draaide om zijn as en spuugde tenslotte de schrijfrol uit als een rotte kies die was losgeraakt. Het ding knalde met een laatste harde ping! tegen de muur en bleef daar halverwege een gipsplaat hangen.

Boven haar ging de draaikolk onverminderd voort. Laura maakte zich zo klein mogelijk op het tapijt dat voor het bureau lag en sloeg haar armen over haar hoofd. Om haar heen regende het glas en houtsnippers. Het bureau kwam van zijn poten af en schoot achteruit tot het met een knal tegen de verwarming onder het raam tot stilstand kwam. Het meubelstuk zakte met een zucht ineen, alles op het blad met zich mee­nemend.

De lucht leek te knetteren van de energie en toen Laura een blik omhoog wierp, zag ze de vonken daad­werkelijk van de beide entiteiten afspringen. Ze sloot haar ogen, voelde in gedachten naar Peter en vond hem onmiddellijk. Hij was de warmtebron in de kamer waar de Shinigami de vrieskou was. Tot nu toe leken ze gebalanceerd, maar ze voelde de wanhoop. Zijn stem drong tot haar door, kalm in het centrum van de storm.

Ze is zo oud, Lau! En er zit zoveel kracht en venijn en woede in haar. Ik weet niet of ik dit alleen kan …

Hij reikte naar haar, zoals hij eerder had gedaan toen de Shinigami haar overweldigd had in de badkamer. De warmte stroomde in haar lichaam. Ze verwelkomde hem, liet alle liefde die ze voor hem had naar boven komen, in hem stromen, alles wat ze achter die muur van schuld en blaam had weggestopt. Het was een eruptie van gevoel. De schuld­gevoelens werden weg­gevaagd, samen met haar angst en verdriet. Al wat over bleef was liefde. En het maakte hem zoveel sterker.

Met de seconde werd ze zich meer bewust van de staat van haar eigen lichaam. Ze was druipend nat, koud, vermoeid, en de wond op haar pols bleef maar bloeden. Laura voelde zich licht in haar hoofd, maar ze wist dat ze nu niet op kon geven. Als ze Peter nu niet hielp, dan overleefde ze het waarschijnlijk niet. En wat er met Peter zou gebeuren, wilde ze al helemaal niet weten. Dus zette ze zich schrap en hield vol.

De duisternis in de kamer nam wat af. Laura gluurde nogmaals omhoog en zag dat de waanzinnige turbu­lentie wat tot rust kwam – het zwart werd minder diep.

Peters wezen breidde zich uit, strekte zich uit over de duisternis en ging deze tegen. Hij was van stoom overgegaan in witte rook en leek een totale tegenpool van de Shinigami.

Het wezen krijste van woede maar het klonk een stuk minder krachtig en zeker dan daarvoor.

Kom op ouwe tang, je hebt er nu wel genoeg van toch? Ga lekker terug naar waar je vandaan kwam en laat mijn vrouw met rust!

Ondanks zijn woedende woorden ging er zoveel rust van Peter uit. De verdrietige depressieve echtgenoot die treurde om zijn gestorven dochter was verdwenen. In plaats daarvan kwam een sterke, zelf­verze­kerde man terug. Langzamerhand nam Peter de Shinigami compleet over. Hij groeide in omvang terwijl de Japanse geest afnam, totdat er nog maar een klein rookpluimpje over was. Dat spatte uiteen in zwarte stofdeeltjes die flakkerden en doofden.

In de plotselinge stilte richtte Laura zich op en zag dat Peter tegenover haar zat. Hij leek van glas, niet helemaal geënt in deze realiteit. Ze kon de vitrinekast door hem heen zien. Langzaam stak ze een hand naar hem uit, raakte zijn gezicht aan. Hij was wel tastbaar, maar dan ook maar net. Hij voelde warm. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde hij.

‘Ik mis je zo,’ fluisterde Laura.

Hij omhelsde haar en opnieuw stroomde die zalig­makende warmte door haar heen. De tranen liepen over haar wangen. ‘We konden er niets aan doen lief, het overkwam ons. Het was niet jouw schuld en ook niet de mijne,’ snikte ze. Ze voelde hem knikken, zijn wang tegen de hare.

‘Ik kan dit niet lang volhouden, het kost enorm veel energie. Ik wil niet weg, Lau, maar ik moet.’

In een reflex kneep ze haar armen nog vaster om hem heen, maar het was alsof hij als zand door haar handen glipte. Zijn gestalte vervaagde, de warmte vervaagde, maar de liefde bleef.

 

Ik houd van je.

Ik ook van jou.

Blijf je bij me?

Altijd.

 

Er stond een gedaante aan het voeteneind van haar bed. Laura glim­lachte en draaide zich weer om.

Diabolik – Tom Thys

‘Dit was het voor vandaag, liefste luisteraars. Naar goede gewoonte verwelkomen we de nacht met een klassieker. Tot volgende week.’ Amber legde Wicked World van Black Sabbath op. Dat nummer weerspiegelde haar humeur vanavond, eenzaam en wantrouwig. Vaak was ze jaloers op het leven dat rocksterren leidden. Het rauwe, onbewerkte leven zoals zij dat noemde, het tegenovergestelde van het keurslijf waarin zij gevangen zat. Ze snakte ernaar, maar besefte dat het niet voor haar was weggelegd. Hun plaatjes draaien kwam het dichtst in de buurt, al was het niet meer dan een placebo zonder het gewenste effect.

Terwijl de rauwe uithalen van Ozzy door de luidsprekers van haar luisteraars schalden, bekeek ze nogmaals de cassette die vandaag per post was aangekomen. Het was een demo door een haar onbekende band die zichzelf Diabolik noemde. Het gebeurde wel vaker dat beginnende groepjes hun demo opstuurden in de hoop dat Amber het op de radio speelde. Soms deed ze dat, maar meestal niet. Ze was kieskeurig. Haar luisteraars verwachtten immers kwaliteit van haar, en als ze eerlijk was, moest ze vaststellen dat veel debutanten gewoonweg niet aan haar standaard voldeden. Weinig origineel, technisch niet genoeg onderlegd, slappe teksten, geen bezieling, het was altijd wel wat. Maar af en toe had je die uitzondering …

Amber werkte al twee jaar voor Radio Metaal, een klein radiostation dat slechts enkele uren per dag in de ether was en opereerde vanuit een in onbruik geraakte watertoren nabij de Schelde. De toren stond op de linkeroever, een eenzaam silhouet in een niemandsland van grijze velden en vergeten herinneringen. Haar studio keek uit op de rivier en de jungle van verloederde fabrieken aan de overkant. Op een of andere manier was Amber verknocht geraakt aan al die lelijkheid; ze was erin verankerd. Nadat Ozzy uitgezongen was en ze uit de ether ging, stak ze de demo van Diabolik in de speler. Dit was altijd een bijzonder moment, een nakende ontdekking, een intieme ontmoeting waarbij haar de grootste geheimen werden toevertrouwd, en ze koesterde elke seconde tussen het indrukken van de play-knop en de geboorte van de allereerste noot. Vanavond was geen uitzondering. Eerst hoorde ze geknisper, daarna een gitaar die de hele wereld doormidden leek te scheuren.

Het nummer duurde precies zes minuten en zesenzestig seconden en was een miasma van klanken waar geen richting in zat, het was één grote chaos. De zanger bereikte de laagste en de hoogste tonen die Amber ooit in één stem had gehoord. Muzikaal viel het met niets te vergelijken wat ze kende, ook al werd er gespeeld met eenvoudige gitaren en een drum. De combinatie van dit alles ademde een etherische sfeer, iets ontastbaars dat zich desondanks in haar ziel wortelde. Amber had geen idee wat ze zonet eigenlijk gehoord had. Ze fronste haar wenkbrauwen en spoelde de cassette terug zodat ze het opnieuw kon beluisteren. Eenzelfde gevoel als toen ze The Velvet Underground ontdekt had, overspoelde haar. De muziek was bezwerend op een bepaalde manier, maar ze kon onmogelijk zeggen dat ze het goed vond. Nog niet. Daarvoor was het te … anders. Sommige platen moesten nu eenmaal groeien.

Het was al na middernacht toen Amber de lichten in haar studio doofde en de watertoren verliet. Terwijl ze met haar wagen langs de onrustige rivier reed, zette ze nogmaals het nummer op. Het heette Voices from Beyond en zo klonk het ook, alsof stemmen uit een andere wereld haar bereikten, haar aandacht opeisten, dwingend en onderhuids. Om een onverklaarbare reden kreeg Amber er kippenvel van. De muziek had iets onbehaaglijks. Om zich van dat plakkerige gevoel te verlossen besloot ze de radio op te zetten. Normaal had ze een hekel aan de hitparade en doordeweekse popmuziek. Het gebeurde dan ook zelden dat ze de radio opzette in haar wagen, maar nu brachten de voorspelbare melodieën de rust en harmonie die ze nodig had. De rit naar huis duurde ongeveer een kwartiertje. Eenmaal thuis warmde Amber naar vaste gewoonte nog een magnetronmaaltijd op en zette zich in de zetel voor de finale van een onbelangrijk snookertoernooi. Het scherm werd gedomineerd door groen en spuwde zalvende geluiden van ballen die tegen elkaar tikten en haar langzaam in slaap wiegden.

Enige tijd later schrok Amber wakker. De koude lasagne stond nog op haar schoot en de televisie gaf alleen maar sneeuw. Ze merkte dat haar hart in haar keel bonsde, alsof ze net een marathon gelopen had. In een opwelling van angst klikte ze het leeslampje aan. Het plotse licht prikkelde haar ogen. Ze zuchtte opgelucht bij het veilige gevoel dat dit haar bezorgde, want ze had net een nachtmerrie gehad. De finale was al lang beslecht. Ze zapte naar een andere zender waarop een nieuwsanker presenteerde, zodat ze zich niet alleen hoefde te voelen. Het was nog geen maand geleden dat ze Simon had gedumpt, maar Amber had de breuk al verwerkt. Ze had eigenlijk nooit echt van hem gehouden, dus dat maakte het gemakkelijk. In feite had ze de relatie al veel eerder willen beëindigen, maar ze had de breuk uitgesteld omdat ze er niet tegen kon om alleen te zijn. Momenten als deze waren de enige waarop ze naar zijn gespierde armen rond haar lichaam hunkerde. Amber had het warm. Zweet parelde op haar voorhoofd. Ze had eng gedroomd en wist niet over wat. Krampachtig probeerde ze zich te herinneren wat haar zo brutaal uit haar slaap gerukt had, maar ze zag alleen maar felle witte figuren tegen een zwarte achtergrond, zoals wanneer je een staarwedstrijd met de zon verliest. De vormen die ze zag bewogen … ze leken te leven. Het waren gedaanten die in haar geest waren binnengedrongen.

Omdat ze wist dat ze de slaap toch niet meer zou kunnen vatten, besloot Amber iets te gaan drinken. Ze woonde boven een café dat nooit zijn deuren sloot en waar eeuwige dronkaards met schele ogen van hun bierglazen dronken. Ze kwam er zelden, maar toch vond ze het een geruststellende gedachte dat ze er altijd terecht kon. Amber bestelde een biertje en ging aan een tafeltje naast een flipperkast zitten van waaruit ze de aanwezige klanten perfect kon observeren. Er werd gelald over politiek en dikke wijven en tussendoor werd er een schunnige mop verteld. Als ze niet zo geprikkeld was omwille van die onbehaaglijke nachtmerrie, zou ze wellicht gelachen hebben om die flauwekul. Nu drong het nauwelijks tot haar door.

Na twee biertjes moest Amber hoognodig. De toiletten waren achterin en stonken naar een mengeling van verschaalde urine, braaksel en goedkope wc-blokjes. Er was maar één vrouwentoilet en het leek of het al een jaar niet meer gepoetst was. Stront hing tot op de bril en op de tegelvloer had zich een plas gevormd. De leidingen lekten. Amber mompelde een vloek en ze wilde terug naar buiten gaan, maar toen zag ze op de deur – die waarschijnlijk niet op slot kon, want er zat niet eens een deurknop op – een affiche hangen. De naam van de band die haar de demo had opgestuurd, sprong onmiddellijk in het oog. De rode letters dropen van de zwarte affiche. Ze staarde ernaar en fluisterde de naam van de band en opnieuw voelde ze kippenvel, opnieuw moest ze aan die nachtmerrie denken. De schimmen, de lange schaduwen en die ongrijpbare stem die tussen haar oren bleef galmen. Diabolik trad volgend weekend op in de stad, niet ver hiervandaan. Ze memoriseerde de datum en het uur, maar twijfelde of ze wel zou gaan.

Twijfelen deed ze de ganse week, maar ze kreeg dat nummer niet uit haar hoofd. Tevergeefs googelde ze de band, het enige wat ze vond was een obscure Italiaanse horrorfilm en een stripfiguur met dezelfde naam. Toeval, waarschijnlijk. Als ze meer te weten wilde komen, moest ze wel naar dat optreden gaan. In afwachting daarvan beluisterde ze de demo niet meer. Ze wilde de live-ervaring onbevangen tegemoet treden. Bovendien was haar geest niet klaar om dat nummer nog een keer te horen. Muziek deed dat wel vaker met haar. Sommige nummers speelde je alleen in bepaalde omstandigheden. Zoiets voelde je aan. Zelfs haar favoriete albums zette ze maar enkele keren per jaar op, om de magie te conserveren, alsof het een colafles was die na elke keer openen meer koolzuur verloor tot de drank helemaal plat was. Dat was een van de redenen waarom ze zo’n hekel had aan de hitparade. Muziek werd er kapot gespeeld.

Amber maakte één uitzondering tijdens haar radioshow. Gouge Away van de Pixies doofde langzaam uit en ze begon in de microfoon te spreken. ‘Liefste luisteraars, ik heb vanavond nog een verrassing voor jullie in petto. Net zoals jullie houd ik ervan om nieuwe muziek te ontdekken en af en toe draai ik een plaatje van een onbekende band. Ik zou het wel vaker willen doen, maar jullie, liefste luisteraars, verdienen enkel het beste. En laten we eerlijk zijn, er wordt gewoon veel troep gemaakt tegenwoordig. Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik eerder deze week een demo toegestuurd kreeg van Diabolik. Hebben jullie al van deze band gehoord? Ik niet. Normaal verwelkomen we de nacht met een klassieker, maar deze keer doen we het met Voices from Beyond.’ Amber sprak de woorden op onheilspellende toon uit. ‘Ik wist niet wat me overkwam toen ik de demo voor het eerst opzette. De geluidskwaliteit van de opname is niet optimaal, maar de muziek is … enfin, oordeel zelf maar.’ Amber zette het cassetje op. ‘En oh, voor ik het vergeet, Diabolik treedt dit weekend op in metalcafé De Kerker.’

Met gesloten ogen en de hoofdtelefoon stevig tegen haar oren gedrukt, luisterde Amber mee. Koude rillingen kropen opnieuw vanaf haar staartbeentje over haar ruggenwervel naar haar schouderbladen. Die stem … ze sneed door merg en been. Het was beangstigend en tegelijk ontroerend hoe een mens zo bij je kon binnendringen. Een inbreker in je ziel.

Onderweg naar huis bleven de klanken en de melodieën aan de binnenkant van haar schedel kleven. Het voelde alsof ze bezeten was. Amber scheurde langs de Schelde door de duisternis, toen ze opeens schimmen in het licht van haar koplampen zag opdoemen. Ze dansten als in een zoötroop die te traag werd rondgedraaid, schokkerig en slechts ten dele zichtbaar. Amber gilde en trapte op de rem. Haar wagen kwam met gierende banden tot stilstand. Op haar achterbank ratelden lege colablikjes en enkele oude cd’s schoven van de bank op de grond. Amber zette de radio zachter en liet de situatie gedurende enkele seconden tot zich doordringen. Ze had niets geraakt, dat wist ze zeker. Het enige wat ze zag, waren de witte lijnen op het asfalt en wat verderop het skelet van een boom. Ze drukte haar neus tegen het venster en speurde in het licht van de koplampen naar iets, al wist ze niet wat. Toen daagde het haar dat ze de schimmen al eerder had gezien, in haar nachtmerrie. Het was als een aaneenschakeling wazige, overbelichte foto’s die in een flits voor haar geestesoog verschenen waren. En dan niets meer. Een hallucinatie?

Amber verzamelde al haar moed en opende het portier. Haar handen trilden en ze merkte dat haar adem, die in wolkjes voor haar uitdreef, haperend uit haar longen kwam. Ze wilde zekerheid dat haar zintuigen haar niet bedrogen. Daarom daagde ze zichzelf uit om één keer rond de wagen te lopen en zichzelf ervan te overtuigen dat ze het allemaal had ingebeeld. De confrontatie met de angst. Dat voornemen bleek moeilijker dan ze had gevreesd. Schichtig stapte ze weg van de veilige open deur en ondertussen raakte ze met haar vingertoppen het metaal van de wagen aan, zonder één keer te lossen, als ware het haar laatste houvast met de realiteit. Ondertussen hoorde ze de radio spelen. Stemmen van vergane popsterren ontsnapten in de ether. Na tien tellen was Amber terug bij de motorkap, stond ze in de lichtdriehoek en was ze trots op zichzelf omdat ze dit had aangedurfd, ook al betekende het niets. Daarna liep ze snel weer naar het portier en stapte in haar wagen, die nog steeds stond te draaien. Ze duwde het gaspedaal in en reed weg. Iets in haar deed haar naar het cassettebandje van Diabolik op de passagiersstoel lonken en ze kreeg prompt een onbehaaglijk gevoel vanbinnen.

 

De week in aanloop naar het concert had Amber in een waas geleefd. Diabolik had iets met haar gedaan, alleen begreep ze niet hoe zoiets kon. De band had vat op haar gekregen op een manier die ze met geen enkele andere band ooit had meegemaakt, zelfs niet met Black Sabbath of The Velvet Underground waar ze als puber zo mee dweepte. In haar dromen werd ze achtervolgd door de stem van de zanger en de onheilspellende melodieën hielden haar voortdurend in de klem. Ze kon aan niets anders meer denken, ook al had ze de demo niet meer gespeeld sinds ze hem tijdens haar radioshow gelanceerd had. Het eigenaardige was dat het enthousiasme waarmee ze aanvankelijk vervuld was, nu gedomineerd werd door onrust en wantrouwen. En zo kwam het dat ze op vrijdagavond in De Kerker onwennig in een hoekje van de naar opgedroogd bier en nicotine ruikende zaal stond te schuifelen tot Diabolik het podium opkwam. In afwachting telde ze de sigarettenpeuken op de vloer. Ze bekeek de andere aanwezigen. Meisjes met donkere mascara, zilveren juwelen en gescheurde nylons en bleke jongens met lang vettig haar en zwarte T-shirts. Het normale volk dat hier elk weekend kwam. Ze slurpten onwetend van flessen rode wijn die ze aan elkaar doorgaven en rookten kruidnagelsigaretten. Amber keek al die tijd naar het nog lege podium waar slechts enkele stroomkabels overheen liepen. In haar hoofd maakte ze zich een voorstelling van hoe de zanger eruit zou zien en of hij live even mysterieus zou klinken als op cassette.

Na een tijdje kwamen de leden van Diabolik op. Amber nipte vol verwachting van haar biertje. Ze waren slechts met drie, drie schimmen, deels gehuld in de schaduwen van de coulissen en deels overbelicht door de blauwe spots. Hun gezichten waren nauwelijks te herkennen. Even leken ze op de schimmen uit haar nachtmerrie. Ergens in die speling van licht en donker ontwaarde Amber de contouren van de bassist en de vrouwelijke drummer. Ze posteerden zich op het podium, begonnen hun instrumenten te stemmen.

Amber verwonderde zich op dat moment nogmaals over hoe ze met zulke elementaire doch eenvoudige instrumenten dergelijke bezwerende muziek konden produceren. Opeens stapte de zanger als een Messias uit het licht. Het was een donkerharige man wiens lokken als draperieën voor zijn gezicht hingen, hij magnetiseerde haar blik. Hij was niet mooi, maar bezat toch een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Hij definieerde het woord charisma. De spots waren nu zo gericht dat het podium goed verlicht was. De bandleden zagen er vrij normaal uit, teleurstellend normaal bijna. Wat had ze dan verwacht? Vleesgeworden demonen? Aan hun muziek te horen was die verklaring alleszins aannemelijk geweest, want al bij de eerste noot viel er een soort duisternis over het publiek, een kille greep die iedereen in de ban hield, die iedereen ontwrichtte.

Diabolik zou in totaal een uur spelen. Na vijf nummers, met lange gitaarpartijen, poëtische teksten en een stem die meerdere tonen tegelijk kon halen en rauwe grunts schijnbaar moeiteloos afwisselde met sacrale uithalen vanuit het diepst van de keel, waren enkelingen al van hun stoel opgestaan en gaan headbangen voor het podium. Amber niet. Zij zat als bevroren te luisteren. Tijdens sommige stukken kreeg ze werkelijk kippenvel van angst en andere stukken ontroerden haar tot tranen toe. En dan moest dat ene bewuste nummer nog komen.

Haar bloed leek wel in ijswater te veranderen toen Diabolik de apotheose inzette. Live had het nog zoveel meer effect. Een ijzige kilte sloop door haar ledematen en balde samen in haar onderbuik. De roes waarin ze gevangen zat, slingerde heen en weer tussen euforie en angst. Ze keek om zich heen, speurend naar de reacties van de anderen, om te zien of zij hetzelfde ervoeren, maar zij scheen de enige te zijn, alsof alleen zij vatbaar was voor de magie van Diabolik. Het voelde als een voorrecht. Zij was uitverkoren.

Na het optreden zocht Amber de bandleden op. Ze moest zich haasten, want ze waren zonder hun afscheid aan te kondigen langs een achterdeurtje naar buiten geslopen. Ze beende naar de andere kant van de keet, opende de deur en zag hoe ze een beetje verderop hun instrumenten in een oude bestelwagen laadden. Ze hoorde hoe de zijdeur dichtschoof. ‘Wacht,’ riep ze, en ze rende naar hen toe. De gitarist zat al achter het stuur, de zanger was net aan het instappen, maar de drumster bleef staan en keek over haar schouder. Amber stelde zichzelf voor. ‘Ik weet het,’ onderbrak de drumster haar, ‘jij bent die meid van de radio.’

‘Juist.’

‘Ik ben Rozemarijn, bedankt dat je ons demo draaide.’

‘Hé, dat is volledig jullie verdienste. De muziek was … hoe zal ik het zeggen … bezwerend. Net zoals jullie optreden trouwens.’

Rozemarijn glimlachte. Ze leunde even nonchalant als elegant tegen de motorkap, haar duimen verstopt in de zakken van haar lederen broek. Het zilveren ringetje in haar neusgat fonkelde in de nakende nacht. Met haar hoofd knikte ze opzij naar de andere twee bandleden. ‘Dat zijn Sebastian en Molokai,’ zei ze.

Amber keek door het stoffige vensterglas. Molokai, de zanger, had iets raadselachtigs over zich, zelfs wanneer hij daar doodgewoon op de passagiersstoel zat te wachten tot de auto vertrok. Vluchtig keek hij naar Amber, zonder woord of gebaar.

‘Hij kan niet praten, hij kan alleen zingen, zoals een nachtegaal,’ verontschuldigde Rozemarijn zich in zijn plaats. Op dat moment had Sebastian de motor al aangezet. Hij opende het portier en vroeg wat er aan de hand was. ‘Dit is die meid van de radio.’ De basgitarist mompelde iets onverstaanbaars en maakte enkele vreemde mondbewegingen, als een hyperactief kind met een tic. Daarna stapte hij uit en zei: ‘Radio Metaal.’ Het was geen vraag, gewoon een vaststelling. Zijn rechteroog knipperde enkele keren als een kapotte lamp en weer ging die mond schijnbaar ongecontroleerd open en toe. Amber bedacht zich dat ze zoiets al vaker had gezien bij drugsverslaafden. Het kon kloppen: hij had ingevallen wangen en slechte tanden. Bovendien waren zijn pupillen groter dan normaal. De jongen – hij leek de jongste van de band – had het soort gezicht dat als je het slechts eenmaal zag, je het je tien jaar later nog met sprekend gemak zou herinneren. Molokai bleef al die tijd zitten, stoïcijns als een Griekse filosoof. Hij leek niet geïnteresseerd in het gesprek, noch ergerde hij zich aan het oponthoud.

Amber realiseerde zich nu dat ze eigenlijk zonder aanleiding naar de bandleden van Diabolik gerend was. Het was gebeurd in de roes waarin ze tijdens het optreden had verkeerd. Wat was in feite haar bedoeling? Ze had natuurlijke alle recht om hen te begroeten, ze had namelijk hun demo gedraaid, haar nek voor hen uitgestoken. Gelukkig hoefde ze geen verantwoording af te leggen, want Rozemarijn vroeg: ‘Kunnen we je misschien een lift geven?’

Amber moest even nadenken. Ze keek naar Molokai en dan naar Sebastian die een psychopathische grijns veinsde, alsof het het meest idiote idee zou zijn om van hem een lift te aanvaarden.

‘Let maar niet op hem,’ zei Rozemarijn en ze gaf hem een por. ‘Waar moet je zijn?’

Het was een heel eenvoudige vraag met een heel eenvoudig antwoord, maar diep van binnen hoopte Amber dat het lot die nacht voor haar een totaal andere bestemming voorzien had dan haar beklemmende appartementje. Vaak had ze gemijmerd over vage wensen en onvervulde verlangens, over de duistere kant in de mens en de scherpe randjes aan zichzelf. Allemaal zaken waarvan ze op haar eenendertigste dacht dat ze niet (meer) voor haar weggelegd waren en waarvan ze niet wist dat ze zodanig met elkaar verweven waren, dat ze in feite functioneerden als een gestalt. En op een gelijkaardige manier hoopte zij die nacht het ontbrekende element te kunnen zijn dat Diabolik zou verheffen tot zoveel meer dan een aanstormende, talentvolle band. Een gestalt.

‘Nergens,’ zei ze uiteindelijk.

Amber nam plaats op een lederen stoel waarvan de bekleding gescheurd was en het gele schuim zich als etter uit een puist naar buiten wurmde. Het busje stonk naar een mengeling van slechte adem, bier en seks die hier niet zolang geleden had plaatsgevonden. Ze inhaleerde het aroma en moest lachen in zichzelf, omdat dit precies was zoals ze zich had ingebeeld hoe de tourbus van Nirvana destijds geroken moet hebben. Ze zag er de charme wel van in. De geur ebde weg toen Rozemarijn – ‘zeg maar Roos’ – een sigaret opstak en Amber er ook een aanbood. Amber rookte niet, maar nam de sigaret toch aan, als ware het een symbool voor haar nieuwe ik die zich onbewust in haar manifesteerde. Die andere kant, die iedereen wel heeft, ergens. Ze kuchte bij de eerste trek en Roos grinnikte. ‘Je mocht gerust nee zeggen, hoor.’ Ze had een steelse glinstering in haar ogen en Amber voelde meteen een vonk. Ze mocht haar.

Ze waren al een vijftal minuten aan het rijden en Amber lette niet meer op de weg. Ze was met Roos aan het discussiëren over wat eigenlijk de beste vampierfilm was. Hoe ze op dat gespreksonderwerp gekomen waren, wist ze al niet meer. ‘Dan ga ik toch voor Nosferatu,’ zei Roos resoluut.

‘Welke bedoel je dan precies? Die uit ‘22 of die uit ‘79?’

‘Meen je dat serieus? Die uit ’22 natuurlijk. Weet je dat ik die ooit in zo’n arthouse-bioscoop heb gezien met live pianomuziek erbij? Die sfeer alleen al … niet te evenaren.’

‘Ik begrijp de keuze,’ zei Amber. ‘Maar ik vind hem overschat.’

‘Oh?’ Roos trok haar wenkbrauwen op. Ze rolde gespeeld met haar ogen. ‘Welke verkies jij dan? Wacht niets zeggen. Laat me even denken.’ Ze deed een laatste trek van haar sigaret en gooide de peuk door het raam naar buiten. ‘Eh … Dracula? Of nee, Interview with the Vampire? Ja, natuurlijk, die met Brad Pitt moet het zijn.’

Amber schudde haar hoofd. ‘The Lost Boys,’ zei ze alsof er geen concurrentie was. Via de achteruitkijkspiegel kon ze zien hoe Molokai haar keuze zegende met een korte, maar onmiskenbaar bevestigende knik. Roos bekende dat ze die film nog nooit gezien had, waarop Sebastian haar ietwat pedant inlichtte: ‘Dat is die film met een jonge Kiefer Sutherland en zijn geblondeerde nektapijt. En met dat prachtige nummer Cry Little Sister waarvan iedereen verkeerdelijk denkt dat het door The Sisters of Mercy uitgevoerd werd, maar verdomme, ik vergeet altijd die echte gast zijn naam.’ Hij keek een seconde naar Molokai, in de ijdele hoop dat die hem zou aanvullen, hetzelfde ogenblik waarop Amber door het raam naar buiten tuurde en besefte dat ze deze weg niet kende. Ze had echter geen tijd om zich daar vragen bij te stellen, want in de lichtdriehoek van de koplampen verscheen plots een gedaante en net wanneer Sebastian zijn ogen terug op de weg richtte, weerklonk er een doffe klap.

Roos was de eerste die uitstapte. Amber bleef verstijfd op de achterbank zitten en probeerde in de stralenkrans het object te ontwaren dat de klap had veroorzaakt. Omdat ze niets zag en omdat ze niets kon afleiden uit de bijna apathische reactie van zowel Sebastian als Molokai, stapte ze ook uit. Gereutel was het eerste wat ze hoorde.

‘Help me even, wil je,’ zei Roos.

Amber zette enkele stappen dichterbij tot ze een flinterdun riviertje van donker bloed tussen haar voeten zag kronkelen. Tenminste, ze ging ervan uit dat het bloed was. Haar blik gleed stroomopwaarts en eindigde bij een harig wezen. De nerveuze toestand waarin ze verkeerde en de scherpe schaduw waarin het lichaam gekleed was, maakte dat ze pas na enkele seconden doorhad dat het een hond was.

‘Kom op, help me even,’ zei Roos nogmaals. Ze stond gehurkt over de hond. Hij leefde nog, maar was er slecht aan toe. Tussen het gereutel klonk af en toe gejank, het soort gejank dat je niet wilde horen op een verlaten weg als deze, midden in de nacht. Amber staarde naar het ene oog dat naar een willekeurige plaats gaapte. Het was niet te zien waar, maar het dier had meerdere beenderen in zijn lichaam gebroken en kon niet meer opstaan. Het lag daar gewoon te lijden, en te bloeden uit een wond op de plaats waar zijn achterpoten met zijn rug verbonden waren.

‘Wat moet ik doen?’ vroeg Amber. Waarom bleven Molokai en Sebastian in het busje zitten trouwens?

‘Op de achterbank ligt een juten zak.’

Zonder erover na te denken liep Amber het bloedspoor ontwijkend weer naar de wagen. Ze grabbelde de zak van de achterbank en hield hem open, zodat Roos het dier erin kon stoppen. Pas achteraf, toen ze weer aan het rijden waren met de stuiptrekkende hond achterin het busje, vroeg ze zich af waarom ze hem niet gewoon de genadeslag hadden toegediend en in de berm hadden begraven. Sebastian had een lijn coke gesnoven en duwde het gaspedaal in. Molokai staarde dromerig voor zich uit. Roos stak een sigaret op zonder te roken en aaide af en toe zorgzaam over de bewegende bulten in de juten zak. Misschien had ze tranen in haar ogen, misschien ook niet. En Amber, die moest de hele tijd denken aan films waarin mensen spontaan begonnen te braken na een choquerende gebeurtenis. De geur van het warme bloed verspreidde zich in de wagen. Ze voelde zich misselijk. Toch liet ze zich meevoeren door Diabolik.

Helder denken lukte niet meer en daarom had ze de eerste keer niet verstaan wat Roos zei. ‘Wat?’ stamelde Amber.

‘Of je het ziet zitten om ons gedurende een week te volgen en een reportage over ons wil maken.’

Amber keek eerst naar de vochtige juten zak en vervolgens via de achteruitkijkspiegel in de peilloze, donkere ogen van Molokai. Ze probeerde zijn gedachten te ontwaren, maar zag slechts oubliëtten waar ze het tegelijkertijd koud en warm van kreeg. Hij was een enigma.

‘We hebben een camera waarmee je de docu kan schieten.’ Roos zei het alsof alles op voorhand gepland was, alsof deze avond in scène was gezet. ‘Je weet toch hoe zo’n ding werkt?’

Amber knikte afwezig. Enerzijds leefde de herinnering aan haar tijd op de kunstacademie weer op, waar ze aan verschillende filmprojecten had gewerkt, anderzijds verbaasde ze zich over het gemak waarmee ze zich in deze surrealistische droom liet meevoeren. Het was eenvoudig. Ze kon weigeren, naar haar appartementje gaan en de volgende dag gewoon weer gaan werken en enkele dagen per week plaatjes draaien op Radio Metaal. Anderzijds was dit een unieke kans om aan haar banale bestaan te ontsnappen en de verhalen te beleven die gevangen zaten in het vinyl dat ze al sinds haar jeugd koesterde. ‘Ja,’ antwoordde een stem die niet de hare was, ‘ik weet hoe zo’n ding werkt.’

‘Goed,’ zei Sebastian. Hij mengde zich vol enthousiasme in het gesprek. ‘Je kunt bij ons blijven crashen. Plaats genoeg.’

‘Wat Seb zegt.’ Roos glimlachte innemend.

Amber ging ervan uit dat ze bepaalde instructies zou krijgen over hoe de docu tot stand moest komen, maar toen Roos haar beloofde dat ze artistieke vrijheid kreeg, begon ze al in haar hoofd over een aanpak, een invalshoek te brainstormen. In gedachten zag ze haar film gedraaid worden op het witte doek, het begin van een nieuwe toekomst.

In de bestelwagen, zo ver en toch zo dichtbij, klonk een nummer van Siouxsie & The Banshees en voor ze het besefte, was de bestelwagen tot stilstand gekomen bij een traliepoort. Amber sloeg haar blik neer en keek bezorgd naar de hond, die nog steeds stuipen had en jankte in de zak. Vervolgens wendde ze vol weerzin haar blik weer af. Ze drukte haar gezicht tegen het vensterglas om te zien waar ze terechtgekomen was. Sebastian stapte uit, opende de poort en reed de wagen het spookachtige terrein op. Verlaten gebouwen. Loodsen die op instorten stonden. Oude industrie. Fabrieken waar de band al decennia geleden gestopt was met rollen. Amber was terechtgekomen aan de overkant van de Schelde, waarop ze vanuit haar radiostudio uitkeek op dromerige avonden. Een stuk van de stad dat ze kende van in de verte, maar waar ze nooit eerder vertoefd had. Amber vond het best wel spannend om de deur te openen en de zware lucht die hier hing in te ademen. Een rare plaats als thuishaven voor een metalband … of misschien net niet.

 

‘Kom je?’ vroeg Roos. Ze stonden nu aan wat de ingang van wat hun verblijfplaats leek te zijn. Een ijzeren deur die op een kier stond en zacht piepte. De andere bandleden hadden hun instrumenten al uitgeladen.

Amber keek weifelend naar de nachtelijke nevel en de sterren en vervolgens naar de deur. ‘Is dit wel een goed idee?’ Ze dacht hardop. Waren het haar eigen twijfels bij dit avontuur? Of het feit dat Roos de enige was die haar opnam in de groep, terwijl de andere twee zich niet om haar aanwezigheid schenen te bekommeren, wat op zich niet onlogisch was, want ze kenden haar tenslotte niet. ‘Wat ik me al de hele rit afvraag … was het jouw idee om de demo naar me op te sturen?’

Roos schudde van niet. ‘Nee, het was Molokais idee.’

Dat volstond voor Amber om Roos tot aan de deur te volgen. Eenmaal binnen nam ze verrast het interieur op. Het was er snikheet. Lang geleden had het gebouw dienstgedaan als slachthuis. Dat was te zien aan de witte tegels die met opgedroogde bloedspetters besmeurd waren, de vale betonvloer en de kettingen met vleeshaken die aan het plafond hingen. De ruimte was niet groot. In haar gedachten rook ze de weeïge geur van moord en hoorde ze het gekrijs van de runderen die hier tot gehakt vermalen werden. Ze moest weer aan de hond denken.

‘Ik weet het,’ verontschuldigde Roos zich, ‘niet het meest gezellige onderkomen, maar we kraken dit pand al enkele maanden en er is niemand die er een fuck om geeft.’

Amber knikte alleen maar. Ze was te zeer bevangen door het aroma van het verleden om iets te kunnen zeggen. Het felle licht van de tl-lampen die in rijen aan het plafond hingen, verblindde haar. Uiteindelijk vond ze haar stem terug: ‘Dus dit is waar jullie leven en waar jullie muziek maken?’

Roos grijnsde. ‘Yep. En jij bent uitverkoren om daar een week lang deel van uit te maken.’

En zo ervoer Amber het ook. Ze voelde zich vereerd, ondanks de sluier van onbehagen waarin ze gevangen zat. Flitsen van het ‘seks & drugs & rock & roll leven’ dat dergelijke artiesten leidden, flikkerden achterin haar hoofd. Dat was de kant die ze op wilde, de insteek van de documentaire die ze wilde maken, al was het maar omdat ze daar als puber zelf zo door gefascineerd was geraakt. Daardoor was ze van muziek gaan houden. Terug naar de roots. Obscure magazines met korrelige foto’s van straalbezopen muzikanten, uitgeteld op het asfalt, televisiebeelden van wazige interviews met een gitarist die net een shot in zijn aderen had gezet, het geweld in de coulissen, halfnaakte groupies met uitstekende heupbeenderen en kleine tieten, de afgunst, de uitputting, het zweet, de stank van het lange onderweg zijn met tabak als enige maaltijd. Die eerlijkheid wilde Amber registreren. Nu ze hier in deze schimmige omgeving stond, met al even schimmige figuren die haar hiernaartoe hadden gebracht, wist ze meer dan ooit dat dit de juiste aanpak was. Rauw en ongecensureerd.

‘Maar waarom ik?’

‘Omdat jij ons groot zal maken, Amber.’ Een onbewuste trek van haar mondhoeken en de lichtinval maakten dat Roos kortstondig op een cherubijn uit Rafaëls Sixtijnse Madonna leek. ‘Zal ik je rondleiden?’ vroeg ze. Zonder op een reactie te wachten beende ze al naar de belendende ruimte die zich zo’n vijftig meter verderop bevond, afgeschermd van de herinneringen aan gekrijs en uitgebeende karkassen.

Amber op haar beurt keek naar de ijzeren deur waarlangs ze binnen was gekomen en vroeg: ‘En de hond dan?’

‘Straks.’

Ze kwamen in een kamer die tamelijk groot was, maar door de overvloed aan rommel veel kleiner oogde. Amber nam de omgeving op en stelde vast dat een gedeelte gereserveerd was voor het maken en opnemen van muziek. Er stonden enkele instrumenten, mengpanelen en opnameapparatuur. Ongetwijfeld duur materiaal. In een andere hoek stond iets wat voor een keuken moest doorgaan. Eigenlijk stond er gewoon een fornuis waarop vlekken aangekoekt vuil zich rond de gaspitjes verspreidden als een uitbreidend virus. Ernaast stond een waterkoker op de grond, wat verderop een koelkast. De vloer was vuil. Alles was hier vuil, maar dat was niet wat Amber het eerste opviel.

Het was de geur van crack. Het was een subtiel aroma, nauwelijks te herkennen, maar in een ver verleden had ze een gast gekend die, ergens op een feestje waarvan ze al niet meer wist waar het had plaatsgevonden, dat spul had uitgeprobeerd. Inmiddels was hij overleden aan een overdosis van een of andere drug, maar die specifieke geur van crack is haar altijd bijgebleven, een beetje als brandend plastic. Ze keek naar Molokai en Sebastian die achteroverlagen in een ribfluwelen zetel met een gelukzalige glimlach op hun gezicht. Er stonden nog enkele zetels, sommige leeg, andere verscholen onder stapels boeken en gebruikte kledingstukken.

‘Let niet op hen,’ zei Roos. ‘Wil je iets te eten?’

Amber walgde van de gedachte dat er op dat vieze fornuis voor haar gekookt zou worden. Toch knikte ze, al was het maar omdat ze zich volledig in het leven van Diabolik wilde onderdompelen. Ze nam zich voor de komende week gewoon te ondergaan. Roos zette een pan op het vuur en gooide er een rood stuk vlees in dat meteen begon te sissen. Amber durfde er niet van dichtbij naar kijken, uit angst dat ze maden tussen de vezels zou ontdekken. Terwijl Roos het vlees omdraaide, wees ze naar de camera die in dezelfde hoek als de instrumenten lag. ‘Daar. Je kan alvast beginnen, als je wil.’

Het was een Super8. Amber nam het ding met beide handen van de grond en inspecteerde het. Het ding was in goede staat, ongebruikt zo leek het, hoewel het al enige ouderdom bezat. Roos riep haar toe dat er genoeg filmrollen waren, dus dat ze zoveel kon filmen als ze wilde. Amber zag het als een aanmoediging om het toestel aan te zetten en meteen een portret te schieten van de omgeving. Ze beeldde zich het ratelende geluid in van het draaien van de band op spoelen, wanneer de docu klaar was. Door de lens zag de kamer er nog groezeliger uit. Het was alsof ze zelf naar een film keek. Het soort film dat je leven voorgoed veranderde.

De biefstuk smaakte beter dan verwacht. Ze dronk er enkele biertjes bij. Amber keek op haar uurwerk en stelde vast dat ze zich in de afgrond tussen avond en ochtend bevond. Het moment waarop grootse dingen gebeurden. Molokai was ondertussen uit zijn roes ontwaakt en zat te jammen op zijn gitaar. Hoewel hij geen afgelijnde melodieën speelde, of misschien net daarom, hadden de klanken iets hypnotiserends. In de chaos zat een bepaalde structuur, het muzikale equivalent van een fractaal. Zingen deed hij niet. Amber luisterde met gesloten ogen, dommelde langzaam in met de camera nog steeds draaiend, tot ze opeens de vlijmscherpe stem van Roos hoorde. ‘De hond!’ Het was duidelijk dat zij degene was die hier de touwtjes in handen had, organisatorisch gesproken dan, want Molokai was overduidelijk het creatieve brein als het op muziek aankwam. ‘Snel,’ maande ze de andere bandleden aan, ‘voor hij dood is.’

Amber wist niet wat Roos precies bedoelde. Ze wist niet eens of ze de woorden wel juist verstaan had, maar in plaats van zich daarover te bekommeren, filmde ze Molokai en Sebastian die opstonden en Roos door het abattoir naar de bestelwagen volgden. Even later kwam Sebastian terug binnen met in zijn rechterhand de juten zak. Hij had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, dat er in het overvloedige tl-licht kwaadaardig maar vooral ongezond uitzag. Zijn jukbeenderen waren scherp als kliffen en zijn slapen ingevallen. Amber staarde naar de vormloze hoop in de zak. Ze dacht iets te zien bewegen, maar het kon evengoed een stofdeeltje op de lens geweest zijn dat deze illusie had aangewakkerd.

Ze brandde van verlangen om te weten wat er te gebeuren stond, met de hond en met het drietal. Allerlei scenario’s speelden door haar hoofd. De vraag wat ze met dat beest gingen doen brandde op haar tong, maar toch slaagde ze er niet in deze te stellen. Amber beet op haar lippen. Wellicht, dacht ze, was het als buitenstaander beter om in haar rol te blijven, dat wilde zeggen dat ze uitsluitend mocht registreren. Deelnemen was niet voor haar bestemd. Nog niet. Iets in haar zei bovendien dat het beter was om de camera uit te zetten, maar ze wilde geen censuur. Zelf had ze een hekel aan films of docu’s waarbij de camera op cruciale momenten wegdraaide. Zij wilde niet dat soort regisseur zijn. Ze wilde de waarheid op pellicule, ook al was die voor sommigen te choquerend.

Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Amber keek heel even naast de camera om met haar eigen ogen te kunnen zien of wat zich in het abattoir afspeelde werkelijkheid was en geen kronkel in haar verbeelding. Sebastian had de nog levende hond aan een vleeshaak gehangen. De ledematen van het dier schokten, het probeerde te huilen, maar kon niet en bengelde zachtjes heen en weer, enkele centimeters naar links, enkele centimeters naar rechts. Amber bleef filmen, maar sloot haar ogen. Toen ze ze weer opende, zag ze nog net hoe Molokai met een roodgekleurde sikkel in zijn hand naar het stromende bloed stond te staren. De uitdrukking op zijn gezicht was er een om het steenkoud van te krijgen.

Het bloed gutste in een rechthoekige kuip die gehouwen was uit witte, stenen tegels, met onderaan een afvoerbuis die in de grond verdween. Amber probeerde niet naar het gespetter te luisteren. Ze verbaasde zich erover hoeveel bloed er uit het dode lichaam van de tamelijk kleine hond vloeide. Het feit dat ze roerloos stond toe te kijken bezorgde haar een schuldgevoel, maar ze kon het niet helpen. Na een tijdje regenden er enkel nog dikke, stroperige druppels bloed op de bodem van de kuip. Een donkerrode spiegel waarin gezichten vervormd werden, dat was het enige verschil tussen leven en dood.

Roos vroeg of Amber alles onder controle had. ‘Je beeft,’ zei ze. Dat was ook zo. Amber kon de camera amper stilhouden. Rillingen sidderden van haar vingertoppen tot in haar ellebogen en weer terug. Vreemd genoeg was dat haar enige lichamelijke reactie op deze choquerende ervaring. Ze was niet misselijk, had geen braakneigingen, had ook niet het gevoel flauw te gaan vallen. Wel voelde ze weerzin, maar veeleer was ze verwonderd, omdat ze begreep dat er meer achter deze handeling zat. ‘Het is een ritueel, nietwaar?’ vroeg ze. Er was niemand die op haar vraag antwoordde, maar Molokai keek naar haar door de lens. Die blik, die gitzwarte glinstering in zijn ogen zei genoeg. Hij was de leider die het ritueel voltrokken had. Het was een kwestie van tijd alvorens Amber het ‘waarom’ ervan zou ontdekken.

 

Die nacht droomde ze over het ritueel. Ze lag op een oud matras ergens in de leefruimte onder een laken dat al maanden niet meer gewassen was. Net voor het slapengaan had ze een joint gedeeld met Roos, maar desondanks was ze onrustig in haar slaap. Beelden van het rondspattende bloed, de sneeuwwitte kuip en de zwarte glans in de ogen van Molokai teisterden haar dromen. Tegelijkertijd hoorde ze zijn stem ergens in de verte. Hij zong. Amber besefte dat ze hem nog nooit had horen spreken, alsof de enige bestaansreden van zijn stem het strelen was van hamer, aambeeld en stijgbeugel. Af en toe werd ze wakker, beefde ze ondanks de hitte in de kamer, staarde enkele minuten naar het plafond en luisterde naar de ademhaling van de andere drie, om vervolgens weer in een ondiepe slaap te vallen. De ochtend leek verder weg dan ooit.

 

Amber werd gewekt door de geur van gebakken vlees. Gebakken hond, vermoedde ze, ook al was die geur niet te onderscheiden van een ander stuk vlees. Ze zette de camera weer aan en bedacht zich op hetzelfde moment dat ze zichzelf rook, een mengeling van zuur zweet en vettige hoofdhuid, een idee dat ze anders nooit kon verdragen maar waar ze nu weinig belang aan hechtte. Sebastian zat op een kruk naast haar matras en bood haar een blikje bier aan. ‘Goed geslapen?’ vroeg hij. Hij lachte zijn okerkleurige tanden bloot: zwart omrande puzzelstukjes die al een eeuwigheid niet meer in elkaar pasten, de nachtmerrie van ieder kind.

Amber knikte, maar weigerde het bier. ‘Een glas water zou me beter smaken.’ Ze kreeg waar ze om vroeg, samen met een portie hond en een klodder mayonaise, al maakte ze zichzelf wijs dat het biefstuk was. Molokai lag wat verderop in de zetel met zijn ogen gesloten. Het viel moeilijk uit te maken of hij sliep of niet. Hij kon evengoed dood geweest zijn, maar dat was hij natuurlijk niet. ‘Ik heb een voorstel,’ zei Amber tussen twee happen door, ‘ik zou jullie graag filmen tijdens een repetitie.’

Roos vond het een goed idee, maar Sebastian reageerde lauwtjes. Molokai reageerde helemaal niet. Misschien was het nog te vroeg voor zoveel enthousiasme, bedacht Amber zich. Het enige kleine venstertje in de kamer liet een streep grauw daglicht binnen, waaruit onmogelijk te bepalen viel hoe laat het ongeveer was. Het deed er ook niet toe. Later op de dag zou ze het nog weleens ter sprake brengen. Ondertussen at ze rustig verder. Eigenlijk smaakte het wel, zolang ze haar gedachten maar kon afwenden van dat bloedende karkas. Ooit had ze overwogen om vegetariër te worden. Het idee erachter steunde ze volledig, maar de wilskracht om vol te houden bezat ze niet. Na het ontbijt besloot ze met haar camera in en rond het abattoir te trekken en datgene wat ze registreerde te voorzien van opmerkingen die spontaan in haar opkwamen. Op die manier kon ze acclimatiseren en konden de bandleden van Diabolik ongestoord ontwaken. ‘Trouwens, waar is het toilet?’

Blijkbaar hadden de bandleden een porseleinen toiletpot boven een afvoerput in het slachthuis geïnstalleerd. Het deed haar aan de scoutskampen denken waar ze vroeger zo’n hartsgrondige hekel aan had. De pot was vergeeld en er lag nog ontlasting in van de vorige gebruiker. Een systeem om door te spoelen ontbrak, tenzij de emmer water die ernaast stond, maar die was leeg. Amber had een vaag vermoeden dat het nooit anders geweest was, los van de ‘goede’ intentie tot enige vorm van hygiëne. Ze hurkte zich boven de pot. Gaan zitten deed ze niet, om twee redenen: de bruine spetters op de rand en het feit dat het toilet bij een verkeerde beweging kon kantelen. Ze verschoonde zich met een zakdoek die ze nog ergens in haar broekzak vond, want papier was er niet. Niet dat het haar verraste.

Eenmaal buiten begaf Amber zich door steegjes van fabrieken en loodsen die al jaren in verval waren. Vaal beton, amateuristische graffiti, verroest ijzer en aan diggelen gegooide ramen waren het hoofdonderwerp van haar lens, die ochtend. De ondergang van de wereld leek hier als eerste te zijn ingezet. Wat ze ook merkte, was dat de omgeving volledig geurloos leek en dat belette haar bepaalde associaties te maken die voor een groot stuk haar nostalgie domineerden. Ze beeldde zich toxische dampen in en het geluid van machines waarvan de echo’s al lang uitgestorven waren.

Na enkele uurtjes keerde ze terug. Niet omdat het begonnen was met regenen, wel omdat haar filmrolletje op was. Het duurde even voor ze het slachthuis terugvond, al was het niet onlogisch dat je in deze betonnen jungle even gemakkelijk kon verdwalen als in een bos. Amber hoorde een onbekende maar aanstekelijke gitaarrif toen ze het gebouw betrad. Diabolik was bezig met een jamsessie. Zo snel als ze kon, verwisselde ze het filmrolletje. Sebastian bespeelde de basgitaar met veel gevoel, Roos zat als een bezetene achter de drums en Molokai beroerde zijn gitaar op een ingetogen manier, alsof het instrument een verlengstuk van zijn ziel was. Toen hij zijn keel openzette, kreeg Amber prompt tranen in de ogen. Weer begonnen haar handen te trillen, net zoals toen met de hond, maar deze keer van ontroering. Ze kon alleen maar hopen dat de opname geslaagd was.

De rest van de dag werd gevuld met lachwekkende conversaties over mongolen en Italiaanse kannibalenfilms uit de jaren tachtig, maar ook serieuze zaken, zoals de boeken van Poppy Z. Brite, de taboes rond SM, welke de efficiëntste slaappillen waren en of het nummer Wait and Bleed van Slipknot al dan niet geniaal of commerciële rommel was. Molokai luisterde, maar mengde zich uiteraard niet in de geanimeerde discussies, al meende Amber soms uit zijn gelaatsuitdrukking te kunnen opmaken of hij het al dan niet met iets eens was. Het bleef haar echter een raadsel wat zijn jeugdtrauma’s waren, al had ze geen idee waarom die vraag haar precies bezighield. Ze kon zich niet voorstellen dat het iets banaals als spinnen of een donkere, vochtige kelder zou zijn. In haar verbeelding eigende ze hem een mysterieus verleden toe, één met littekens, ontembaar verdriet en donkere gedachten waar die van psychopaten bij verbleekten.

‘Weet je wat we kunnen doen?’ vroeg Sebastian opeens. Hij had net een lijn coke gesnoven en was ontzettend enthousiast over zijn voorstel: ‘De elektriciteitsmast!’ Zijn ogen fonkelden. Amber keek met gefronste wenkbrauwen naar Roos om wier lippen een smalend lachje danste. Ze schudde zachtjes haar hoofd heen en weer, maar op een manier die verried dat ze het eigenlijk wel een goed voorstel vond.

‘Wat is de elektriciteitsmast?’ wilde Amber weten.

‘Pure adrenaline.’ Sebastian snoof nogmaals. ‘Vergeet zeker je camera niet.’

Amber had de elektriciteitsmast inderdaad opgemerkt tijdens haar ochtendwandeling. Het ding was net zoals het hele terrein in onbruik geraakt. Zelfs de stroomkabels hoog in de lucht waren doorgeknipt, alleen de mast stond nog overeind, een kolos ergens in een heuvelachtig veldje waar het onkruid eerder grijs dan groen was. Men had niet eens de moeite gedaan het ding neer te halen. Sebastian stond als eerste op. Hij boog enkele keren door zijn knieën, als een sprinter die zich voorbereidde op de honderd meter. Zijn gewrichten knakten. Amber had nog steeds geen idee wat haar te wachten stond, maar ze voelde hoe de opwinding van Sebastian en Roos op haar geprojecteerd werd. In haar buik danste een vlinder, zoals bij een kind dat zich tijdens verstoppertje verschanst.

Molokais gelaatsuitdrukking was eerder apathisch – wellicht omdat hij even daarvoor vijf Valiums naar binnen had gewerkt – maar uit het feit dat ook hij opstond en zijn lederen jekker aantrok, bleek dat hij uitkeek naar de adrenalinerush. Amber zette de camera aan en volgde hen naar buiten. De hemel had de kleur van een etterende wonde en stonk naar ozon. Amber snoof de lucht op, hoestte enkele keren en spuugde een fluim op een spoorweg waar ooit goederentreinen hadden gereden. Ze keek over de gebouwen, op zoek naar de mast. Ergens ten westen van het terrein zag ze zijn silhouet boven de loodsen opdoemen. Het was ongeveer vijftien minuten stappen.

Nu ze er vlak onder stond, was het gevaarte hoger dan Amber aanvankelijk dacht. In zekere zin was het intimiderend. Voor ze het doorhad, was Sebastian al enkele meters hoog geklommen. Ze filmde hem. Daarna gleed haar lens naar Molokai, die klaar stond aan de voet van de mast en Sebastian volgde. Met sprekend gemak klommen ze hoger en hoger, zonder enige vorm van beveiliging. ‘Het ziet er roekelozer uit dan het is,’ suste Roos, die nog steeds aan Ambers zijde stond. ‘Je hoeft niet mee te komen als je niet wil, maar –‘

‘Maar?’

‘Het verandert je leven.’ Molokai en Sebastian waren ondertussen halverwege. Met handen en voeten bestegen ze de metalen staven. ‘Ik snap dat het eng lijkt. Zeker als het je eerste keer is, maar het is zoals een ladder: als je een beetje oplet kan er niets gebeuren.’

Amber liet de camera zakken en keek omhoog. Ze haalde enkele keren diep in en uit.

‘Het uitzicht is prachtig,’ beloofde Roos, ‘en als je wil, blijf ik bij jou terwijl we naar boven gaan.’ Ze strekte haar hand uit om de camera aan te nemen.

‘Ik weet het niet,’ zei Amber. Ze keek nogmaals naar boven en hoorde hoe Sebastian een kreet van triomf slaakte. Het leek misschien wel gevaarlijker dan het was, maar je hoefde maar één keer mis te stappen en het was gedaan … Ze ritste haar jasje dicht, een handeling om zichzelf een houding te geven terwijl ze nog steeds twijfelde over wat ze zou doen. Zonder iets te zeggen ging ze naar de voet van de mast en klom enkele meters omhoog, bij wijze van test, om te zien of ze het aankon. Daar bleef ze even zitten. Er stond een zachte wind. Ze voelde haar haren langs haar wangen wapperen. Die sensatie en het feit dat ze twee meter boven de grond zat bezorgde haar een gevoel van vrijheid. Het was spannend en geruststellend tegelijkertijd. Als ze van hieruit naar beneden donderde, kon ze hoogstens haar enkel verstuiken, tenzij ze verkeerd zou vallen en haar nek zou knappen als een twijgje.

Roos was ondertussen naast haar komen zitten. ‘Wat denk je?’ vroeg ze.

‘Ik denk dat ik het leuk vind.’

‘Ga je mee?’

Amber volgde in het spoor van Roos die traag en voorzichtig naar boven klom. Hoelang het precies duurde voor ze in de top zaten, viel moeilijk in te schatten. Hoewel ze geen hoogtevrees had, nam ze zich voor om niet naar beneden te kijken, wat natuurlijk niet lukte omdat de verleiding te groot was. Gevaar had nu eenmaal meer aantrekkingskracht dan gezond verstand. Nu ze boven zat, voelde het als een bevrijding. En het uitzicht was inderdaad adembenemend, letterlijk zelfs. De wereld onder haar was doods, afgezien van de zilveren glinsteringen die de maan over het gestorven landschap uitstrooide. Amber zette zich schrap door haar benen en rug stevig tegen het ijzeren geraamte van de mast te drukken. Ze speurde naar de watertoren aan de overkant van de Schelde, waar haar radiostation gevestigd was, maar omdat er geen licht brandde, kon ze hem niet vinden.

‘Wel, wat vind je ervan?’

‘Je hebt niet gelogen, het uitzicht is prachtig.’

‘Geen spijt?’ Roos overhandigde ondertussen de camera weer aan Amber zodat ze deze gebeurtenis kon vereeuwigen.

‘Nee.’

‘Ik wist het wel,’ giechelde Sebastian.

‘Doen jullie dit vaak?’

‘Telkens wanneer we nood hebben aan adrenaline,’ zei Sebastian zonder haar aan te kijken. Hij was op de bovenste punt van de mast gaan staan en balanceerde met uitgestrekte handen als een koorddanser.

Amber voelde haar hart in haar keel hameren terwijl ze door de lens keek en zijn waaghalzerij registreerde. Schichtig keek ze in Roos’ richting, maar die stelde haar gerust met een sussende gelaatsuitdrukking. Molokai schonk weinig aandacht aan de acrobatieën van zijn maat. Hij stak een sigaret op. De rook dreef langs zijn gezicht op de wind naar het westen, waar de avondzon verdween in een abstract schilderij van perzik- en vanillekleurige vegen, zoals altijd op avonden die onvervulde wensen deden uitkomen. Hij reikte Roos en Amber het pakje aan, die elk op hun beurt ook een sigaret namen. Op het moment dat Amber haar eerste trek nam en met een half oog door de lens naar Sebastian keek, zag ze hem manisch zijn rotte tanden blootgrijnzen. Ze probeerde hem in close-up te vangen, maar opeens verdween hij uit beeld. Sebastian tuimelde naar beneden, gevolgd door een schreeuw. Amber schrok zo hard dat ze gilde en ze de brandende sigaret uit haar hand liet vallen. De camera kon ze nog net vasthouden aan het lint. Meteen daarop volgde een oorverdovend geschater dat haar tegelijkertijd geruststelde en met ontzetting vervulde. Sebastian was niet dood. Integendeel, hij was springlevend. Hij had zichzelf in de diepte gestort en slingerde helemaal onderaan als een gibbon aan de laatste ijzeren staaf, rond en rond en rond. Amber geloofde niet wat ze zojuist had aanschouwd. Ze zat gevangen in een vlaag van zinsverbijstering, als een kind dat tijdens een goocheltruc zonet de schaars geklede assistente doormidden had zien zagen. Terwijl ze deze illusie voor zichzelf probeerde te verklaren, legde ze zijn acrobatieën op pellicule vast.

Sebastian had beslist niet gelogen. Dit was pure adrenaline. Amber kon zich nauwelijks inbeelden hoe het voor hem moest zijn, zo slingeren boven een gapende duisternis die je na één misstap onverbiddelijk opslokte. Ze wilde het zich niet eens voorstellen. Het enige wat ze wilde, was zo snel mogelijk weer vaste grond onder haar voeten voelen. Toch zinderde ergens diep van binnen de wens om dit ooit nog een keer te doen nog, opnieuw die duizelingwekkende hoogte te bedwingen. Dat was het verraderlijke aan gevaar. Het werkte verslavend, net als een drug. ‘We blijven niet lang. Nog enkele minuutjes, dan gaan we terug naar beneden.’ Roos beantwoordde daarmee de vraag die Amber had willen stellen, maar niet durfde. Ze moest waarschijnlijk de angst in haar ogen bespeurd hebben. Het ongemak, de overweldiging.

Eenmaal terug op de grond golfde de adrenaline nog steeds door Ambers aderen. Ze keek nog een keer omhoog en kon maar niet geloven dat ze daarnet in de top van de mast had gezeten. Het was zo onwezenlijk. ‘Gaaf, hè,’ zei Sebastian, die als laatste van het ijzeren geraamte sprong en met knakkende gewrichten op de grond landde. Amber kon dat niet ontkennen, maar ze slaagde er niet in om hetgeen ze dacht onder woorden te brengen. Dus zei ze niets en knikte. Er flitste te veel door haar hoofd. Toen keek ze nogmaals naar de top van de mast en betrapte ze zichzelf erop dat haar mond een brede glimlach vormde. De sensatie die ze zonet had ervaren viel moeilijk te beschrijven. ‘Dank je wel,’ zei ze opeens stomweg, en ze meende het. Ze was Diabolik dankbaar voor alles wat ze tot nu toe had gezien, meegemaakt.

Zonder iets te zeggen legde Roos haar arm over Ambers schouders. Hun blikken kruisten elkaar kortstondig en ze grinnikten. Amber keek nog een laatste keer achterom naar de elektriciteitsmast voor ze weer in de steegjes tussen de oude fabrieken verdwenen. De nacht was ondertussen zwart als inkt en de bries zacht als fluweel. Amber voelde zich aanvaard door Diabolik. Ze had zich aan hen bewezen en was nu een van hen geworden, zo voelde het althans.

 

Die avond consumeerden ze een feestmaal bedorven etensresten uit de koelkast, laafden zich aan bier en verder deed ieder zijn eigen ding. Terwijl ze willekeurig door de biografie van Iggy Pop bladerde, volgde Roos met dronken blik de route van een opaalkleurige vlinder die hier duidelijk verdwaald was. Molokai jamde hypnotiserend op zijn akoestische gitaar, op zoek naar nieuwe melodieën, en Sebastian tekende een abstract schilderij van bloed op de muur door veelvuldig met een heroïnenaald in zijn aders te prikken. Amber zoomde afwisselend in op de vlinder en het lijnenspel op de muur, waar in combinatie met de schimmelplekken een macabere versie van Picasso’s Guernica ontstond.

Hier, in dit hol, werden alle drugs door elkaar gebruikt. Het hoorde erbij. Amber was niet zo naïef om te geloven dat ze in een theekransje terecht zou komen toen ze het aanbod had aanvaard om Diabolik een week te volgen. Molokai zat momenteel nog gevangen in de restanten van een lsd-trip. Hij was afgesloten van de rest, leefde in zijn eigen wereld. Amber had in haar jeugd hoogstens enkele keren een jointje gerookt. En ze was ook een tijdje aan de morfine geweest na een zware operatie. Het verdovende effect beviel haar wel, maar het was niet iets dat deel uitmaakte van haar dagelijkse routine, of iets waar ze naar hunkerde. Maar nu de gelegenheid zich aandiende – Roos bereidde twee doses heroïne voor – was ze te nieuwsgierig om het te weigeren. Amber observeerde Roos en imiteerde haar door het poeder op aluminiumfolie te verwarmen en het door een glazen buisje te inhaleren. Ondertussen liet ze de camera draaien.

Ze had al gehoord over de zogenaamde ‘flash’, maar had nooit durven vermoeden dat die zo intens zou zijn. Lichaam en geest werden overspoeld door euforie. Daarna volgde een aanhoudende staat van innerlijk geluk, van verrukking, genot en passiviteit. Denken was schier onmogelijk. Het was een kwestie van ondergaan. En op een bepaald moment tijdens die roes, zag ze hoe Molokai uit pure frustratie zijn gitaar stuk sloeg en afwisselend naar Sebastian en Roos keek. Amber was te suf om te reageren. In haar achterhoofd tintelde een gevoel van opluchting dat haar camera dit alles vastlegde, want zelf was ze niet meer bij machte om het toestel te bedienen. Roos stond op en richtte zich tot Molokai. ‘Meer bloed?’ vroeg ze. Hij knikte. Amber begreep niet waarover ze het hadden – de woorden klonken alsof ze onder water werden uitgesproken – maar ze moest meteen aan die hond denken. De hond, de kuip en het gutsende bloed.

Later die nacht, toen iedereen min of meer uit zijn trip ontwaakt was, stonden de bandleden op na een voor Amber onzichtbaar signaal. Ze deden hun jassen aan en na wat aarzelen deed Amber hetzelfde, al begreep ze nog niet waarom. Daar zou ze later wel achter komen. Ze stak een nieuw filmrolletje in de camera en volgde hen met lome benen. Ze zocht nog even vergeefs naar die prachtige vlinder, treurde dat hij misschien slechts een illusie was, en verliet de kamer. De kleurrijke wezens van Guernica wuifden haar uit. Amber zwaaide terug.

Het kon ook het geluid van de wind geweest zijn, maar Amber dacht dat ze Roos hoorde spreken: ‘Is ze hier wel klaar voor?’ Er kwam geen antwoord. Molokai, Roos en Sebastian hielden halt, draaiden zich om en keken naar elkaar en dan naar Amber. Ze voelde hoe hun blikken zich in haar ziel haakten. ‘Waarvoor?’ vroeg ze, vervuld van opwinding, onrust en het laatste restje onschuld dat weldra zou sterven. Roos zuchtte. Amber kon moeilijk inschatten wat die zucht betekende. Was ze bang om te vertellen wat er vannacht ging gebeuren? Was het zo verschrikkelijk dan? Was het een manier om zich over haar te ontfermen?

‘Ze heeft de elektriciteitsmast toch overleefd,’ zei Sebastian.

Stilte.

Niemand leek te weten welke waarde die stelling precies had, Amber nog het minst, omdat ze niet kon voorspellen wat haar te wachten stond.

‘Ik bedoel maar … ze kan wel wat hebben, nietwaar? Elk ander wijf zou het in haar broek gedaan hebben. Letterlijk, bedoel ik dan.’

Amber negeerde het compliment. ‘Waar hebben jullie het over?’ wilde ze weten. Ze stonden buiten. Het was lichtjes gaan regenen. Een aangename nazomerbui, meer niet.

‘Misschien moet je gewoon meekomen. Dan kan je voor jezelf uitmaken of je het aankan of niet.’ Roos leek overtuigd van haar voorstel. ‘Tenslotte, wie zijn wij om dat in jouw plaats te bepalen?’

‘En niemand zal het je kwalijk nemen als je afhaakt,’ voegde Sebastian eraan toe.

Amber fronste haar wenkbrauwen en pulkte enigszins geërgerd aan een puist op haar kin. ‘Maar ik weet niet eens waar jullie het over hebben?’ Haar woorden gingen verloren in de maanloze nacht. Ze zag hoe drie schimmen voor haar uit liepen en besloot hen te volgen, als een hond die nooit anders geleerd had dan zijn baasje gedwee achterna te huppelen. De elektriciteitsmast was slechts een test geweest. Nu kwam het echte werk. Twijfel sloop in haar ledematen; het kon ook het laatste restje heroïne geweest zijn. De onwetendheid over haar bestemming maakte haar onzeker. Sebastian deed een vreugdesprong zoals Gene Kelly in zijn beste jaren. Natuurlijk deed hij dat, want er zou bloed vloeien vannacht …

Onderweg naar de ondergrondse metro aan de stadsrand verzonnen ze om de beurt, Molokai uitgezonderd, betekenisloze palindromen die hen aan het lachen brachten. Het was verbazend hoe komisch sommige klanken waren. Het onnozelste ‘woord’ luidde: trapimopolopomipart. Roos struikelde meermaals over haar tong bij het uitspreken hiervan, tot groot jolijt van Amber, die blij was dat er weer even over banale dingen gepraat kon worden. Zelf had ze zeven pogingen nodig om de onzin te herhalen. Toen de bende uitgelachen was, doemde in de verte de gapende mond van de metrotunnel op. Het gat was donkerder dan de nacht en ademde uit een walm van oud vocht en wanhoop.

‘Let there be light,’ fluisterde Sebastian, en hij knipperde een zaklamp aan. Het was zo’n oud model waarin een handvol alkalinebatterijen met plakband op hun plaats werden gedrukt. De lichtcirkel was eerst zwak, maar toen Sebastian enkele keren tegen de zaklamp tikte, lichtten de sporen van de metro op. In de verte bogen ze af naar links. De schacht was smal. Naast de sporen was niet veel ruimte. Ambers jas schuurde meermaals tegen de vieze muur. Ze vroeg: ‘Is dit niet gevaarlijk? Wat als er zo een metro aankomt?’

‘Geen nood, op dit uur rijden er geen meer. De eerste komt pas over een halfuur. Tegen die tijd zijn we alweer weg.’

Amber keek op haar uurwerk, niet in staat om de grote wijzer van de kleine te onderscheiden. De heroïneroes had haar opvatting van tijd volledig vervormd. Over een uur zou de zon al opkomen. Haar benen voelden nog altijd loom. Haar tenen tintelden. ‘Oké,’ zei ze. Ze volgde de lichtstraal die als een gids voor hen uit liep en koos haar pad tussen de sporen in, gerustgesteld door het feit dat er geen metrostel voorbij kon vlammen. Af en toe schopte ze tegen een kei. Onbewust begon ze een nummer van The Stooges te neuriën en voor ze besefte welk lied het eigenlijk was, zongen Roos en Sebastian met haar mee. Hun stemmen weerkaatsten tussen het beton en vormden buitenissige echo’s die in de verte nieuwe liederen baarden.

‘Eigenlijk, als je er goed over nadenkt, is een banaan toch een ingenieuze vrucht, nietwaar?’ Sebastian stelde de vraag aan niemand in het bijzonder. ‘Ik bedoel, kent iemand een stuk fruit dat zich makkelijker laat ontmantelen dan een banaan? Je trekt aan de steel, de pel naar beneden, herhaalt dit nog twee keer en klaar: je kunt er zo van eten. Een geschenk van de natuur.’

Amber moest spontaan aan de albumcover van The Velvet Underground & Nico denken. Ze probeerde een handigere vrucht te bedenken, maar vond er geen. Natuurlijk bestond er ook fruit dat je niet eens hoefde te schillen, maar dan had je weer al die pesticiden op je tong. ‘Doe mij toch maar een kiwi,’ zei ze. ‘Ik houd wel van dat harige jasje en dat felle, bijna fluorescerende groen vanbinnen. Geen enkele kleur is zo mooi als kiwi-groen.’

‘Behalve het rood van vers bloed,’ zei Roos met een kwinkslag.

Onbewust keek Amber in Molokais richting, alsof hij nu zou zeggen wat zijn favoriete vrucht was. Blauwe druiven pasten wel bij hem, vond ze. Elegant en chic en op een bepaalde manier ook mysterieus.

‘Zie je daar dat licht?’ Roos wees naar een paarse gloed in de verte. Amber had hem eerst nog niet opgemerkt. Ze knikte. ‘Dat is een platform. De eerste halte van deze lijn.’ Amber pikte die opmerking op als een aansporing om de camera scherp te stellen op het licht. Het was afkomstig van tl-buizen die, naarmate ze het platform naderden, zo fel bleken dat ze in de ogen prikten.

‘Sst!’ siste Roos. ‘Stil wezen nu.’

‘We wachten op de eerste reiziger van de nieuwe dag,’ fluisterde Sebastian. Zijn ogen blonken van opwinding. Hij deed de zaklamp weer uit.

‘En wat dan?’ vroeg Amber.

Roos weer: ‘Sst.’

Amber merkte dat ze nerveus was. Dat hoorde ze aan haar stem en de onrustige pasjes waarmee ze over de keien schuifelde. Met vier slopen ze naar het platform. Amber wist nog steeds niet wat haar te wachten stond, al had ze een naar voorgevoel. Ze liet de camera draaien voor het geval er een onverwachte gebeurtenis zou plaatsvinden. Zo kon ze alvast anticiperen op de mogelijke shock die haar zou overvallen. Die gedachte deed haar hart een versnelling hoger slaan. In haar hoofd maalde de rauwe gitaarchaos van The Stooges maar door en door. Het was koud, zo diep in de tunnel, en ze rilde. Ze ritste haar jasje dicht.

Roos maakte een handgebaar waarmee ze de anderen maande om te wachten. Als een volleerd agente keek ze om de hoek naar het platform. ‘Er is nog niemand,’ zei ze. Molokai en Sebastian gingen zitten. Ze leunden met hun rug tegen de muur en wachtten. Amber bleef staan, net als Roos, die op de uitkijk stond. De kille lucht in de tunnel was bezwangerd met een onheilspellende dreiging. Ze bevonden zich net buiten de bleke gloed van de tl-verlichting en het gezichtsveld van mogelijke passagiers.

Amber spitste haar oren. Ze hoorde hoe in de verte een roltrap in werking trad. Een doffe, maar duidelijk hoorbare plof werd gevolgd door aanhoudend gezoem. Opeens hield het gezoem op, gevolgd door het tikken van naaldhakken op stenen tegels. Amber telde de voetstappen. Het waren er exact tien. Roos keek nog één keer schichtig om de hoek met het risico betrapt te worden, maar dat werd ze niet; ze had schijnbaar genoeg ervaring. Ze keek naar Sebastian, fluisterde hem iets toe. Amber was niet zeker of ze alle woorden verstaan had, maar het klonk als: ‘Geen bloed verspillen deze keer!’

Sebastian knikte en stond op. Zijn knie knakte en heel even schrok Amber van het plotse geluid. Niets aan de hand, suste hij met zijn blik. Terwijl hij over de sporen naar het midden van de halte kroop, zette Roos zich schrap. Molokai bleef onverstoord onder een graffitikunstwerk tegen de muur zitten en staarde voor zich uit. Wat was zijn rol in deze actie? Hield hij slechts toezicht, klaar om in te grijpen als het fout liep? Amber had geen tijd om er langer bij stil te staan. Ze stelde de lens nogmaals scherp, had moeite met het vinden van de juiste lichtinval, maar toen het beeld toch zichtbaar genoeg was, richtte ze naar Sebastian die op het platform kroop en naar de wachtende vrouw rende.

De vrouw, wier minirok en rode laklaarzen weinig misverstanden over haar beroep lieten bestaan, keek verbijsterd naar wat zich voor haar ogen voltrok. Ze was te geschrokken om weg te lopen en pas in tweede instantie in staat om voor haar leven te krijsen. Maar het was te laat. Sebastian had haar één rake vuistslag verkocht en was haar meteen daarna naar de keel gevlogen. Amber wenste dat ze dit niet gezien had. Zij sloot haar ogen, maar de camera was getuige van de doodstrijd die daarop volgde. Amber hoorde hoe de vrouw gewurgd werd, hoe ze naar adem snakte, hoe haar strottenhoofd verbrijzeld werd en hoe ze af en toe gilde, reutelde en uiteindelijk de doodstrijd verloor.

Dat was het moment waarop Roos zich op het platform hees en Amber weer haar ogen opende. Niet om naar de dode vrouw te kijken, maar om te vermijden dat ze op haar eigen schoenen braakte. Speeksel en bittere gal spetterden op de keien. Ze werd helemaal licht in haar hoofd, voelde hoe ze langzaam het bewustzijn verloor, maar Molokai ondersteunde haar net op tijd zodat ze niet viel. Uitgerekend hij. Wat daarna gebeurde, bestond enkel in vage herinneringen en enge dromen. Ze hoorde zichzelf hardop denken: ‘Is dit werkelijk gebeurd?’ En ze zag flarden van hoe Molokai, Sebastian en Roos het lijk naar het abattoir sleepten, met af en toe een rustpauze om de spieren in hun armen los te schudden en op adem te komen. De zon was al wakker en had de fabrieksruïnes in een bloedovergoten dageraad ondergedompeld, maar in dit niemandsland was geen levende ziel om het viertal te betrappen.

Zonder het zelf te begrijpen volgde Amber hen. Ze filmde en tilde af en toe zelfs een slappe arm van de vrouw, al kon dat ook in haar verbeelding geweest zijn. Ze voelde zich eenzaam, maar iets weerhield haar ervan om weg te gaan. Was het omdat iets in haar erop aandrong de documentaire die ze was begonnen af te maken? Misschien was ze bang dat als ze hen nu de rug zou toekeren, hier en nu een einde aan alles zou komen. Of was ze zo begeesterd door Diabolik dat ze voorbij het point of no return was gekomen en een van hen wilde worden? De gedachten waren te veel, te verwarrend om te verwerken. Het enige wat nu ze wilde, was slapen, maar daarvoor had ze twee valiumtabletten nodig en een temesta om de tremors te onderdrukken. Die kreeg ze van Roos. Ze wilde vergeten wat ze zonet had meegemaakt, in de veronderstelling dat als ze straks weer wakker werd, de realiteit haar geest met een mokerslag zou verpulveren.

 

Amber werd gewekt door het zachte geknisper van papieren zakken. Moeizaam opende ze haar ogen. De kamer baadde in een vurige gloed, afkomstig van tientallen waxinelichtjes die willekeurig verspreid waren. Ze rechtte haar rug, keek in de richting van het geluid en zag Roos, achterover gezakt in een zetel, links en rechts van haar een bruine papieren zak, etend van een vreemde vrucht. Amber snoof. De doerian had de volledige ruimte bedwelmd met een weeë geur.

‘Heb je honger?’ vroeg Roos.

Amber ging rechtop zitten. Sebastian en Molokai sliepen. Sebastian snurkte lichtjes. ‘Hoe laat is het?’ Ze deed niet de moeite om op haar uurwerk te kijken.

‘Je hebt de hele dag geslapen’, zei Roos. ‘Ik heb ook kiwi’s meegebracht, speciaal voor jou. Wil je er een?’

Amber knikte. Haar lippen en tong waren kurkdroog en ze had nood aan iets fris. Ze probeerde op te staan, wat haar enige moeite kostte, aangezien haar spieren nog verdoofd waren. Ze nam plaats naast Roos, die voor haar een kiwi uit de zak had opgediept en hem in twee gelijke stukken had gesneden, het soort symmetrie dat houvast biedt in moeilijke tijden. ‘Ik zoek nog even een lepeltje,’ zei ze, en ze graaide een lepeltje van een tafeltje waarin eerder die dag een heroïneshot geprepareerd was. Ze veegde het schoon met haar mouw en gaf het aan Amber. De kiwi was net rijp genoeg, de ideale balans tussen zoet en zuur, en zo sappig dat het voor even haar dorst leste. Maar ze wilde meer, keek in de zak en vond een bakje aardbeien. Ze at er zo lustig van dat ze eerst niet in de gaten had dat Roos Super8 hanteerde.

‘Wat doe je?’ Amber draaide verlegen haar hoofd weg. Ze was het niet gewoon het onderwerp te zijn. Tegelijkertijd was dit moment veelbetekenend voor haar verhouding tot Diabolik. Of dat hoopte ze toch. Misschien was het een teken van aanvaarding, waardoor het natuurlijk nog moeilijker werd, zo niet onmogelijk, om afstand te nemen. Anderzijds, wilde ze dat nog wel? Ze had het hier naar haar zin, ondanks wat zich tijdens het ochtendgloren had afgespeeld.

Roos zette de camera op de leuning van de zetel, verplaatste een van de zakken en schoof dichter naar Amber toe. ‘Je bent erg mooi, wist je dat?’

‘Ben je dronken?’

‘Een beetje.’

Amber moest lachen. ‘Dank je,’ zei ze, en dan: ‘Jij ook.’ Ze meende het. Roos had lange koperkleurige krullen die als vlammen rond haar hoofd dansten en ogen als gletsjers. Vuur en ijs in één gezicht. Ze keken elkaar een tijdje aan zonder iets te zeggen. In haar ooghoeken trilde de gloed van de vele kaarsvlammetjes. Amber vroeg zich af of zij hetzelfde dacht als Roos. Het antwoord volgde enkele seconden later. Na een kleine aarzeling vonden hun lippen elkaar, gevolgd door hun tongen. Ze proefde de alcohol nog in Roos’ mond, met een wrange nasmaak van iemand die al enkele dagen haar tanden niet had gepoetst.

Voor ze het goed en wel besefte was Amber naakt. Op haar sokken na. Ze keek een beetje bedeesd naar haar eigen lichaam dat in de nevelige kaarslucht de kleur had van boter. Een nog blekere hand bedekte haar linkerborst. De hand was aangenaam koel. De camera draaide nog steeds, miste niets, maar dat deerde haar niet. Ze liet Roos toe. Haar lichaam ontspande zich, geholpen door de Valium. Een tinteling zinderde door haar lendenen. Ze sloot haar ogen en legde heel zachtjes een hand op Roos’ hoofd, dat zich tussen haar dijen bevond. De krullen kietelden haar naakte huid. Ze vond het fijn. Zo fijn dat ze voelde hoe haar mond tot een vredige glimlach krulde. Het was gek, ze viel niet eens op vrouwen, Roos ook niet, en toch voelde het ontzettend juist aan. Alsof dit het enige was wat steekhield, nu, op dit moment. Ze vreeën.

De medicatie was duidelijk nog niet uitgewerkt, want na haar hoogtepunt viel Amber meteen weer in slaap. Toen ze voor de tweede keer die nacht ontwaakte, waren de meeste kaarsjes vanzelf uitgegaan. Hier en daar flakkerde nog een vlammetje, een lichtpuntje in een waas van duisternis. Ergens in de verte snurkte Sebastian nog steeds. ‘Roos?’ fluisterde ze. Roos lag met haar hoofd op haar buik, maar sliep als een blok. Amber gleed onder haar vandaan. Ze moest dringend plassen. Haar blaas drukte zodanig tegen haar ingewanden dat het pijn deed. In slaapdronken toestand begaf ze zich naar het abattoir, nam zelfs niet de tijd om haar kleren aan te doen. Toen ze op het toilet ging zitten en haar blaas liet leeglopen, ontwaarde ze een silhouet in het schemerduister. Het duurde even voor haar hersenen registreerden wat ze zag, en even dacht ze zelfs dat ze droomde, ook al had ze meestal geen dergelijk gruwelijke nachtmerries.

De schim bengelde aan een vleeshaak die aan het plafond hing, het hoofd naar beneden, boven de kuip waarin die arme hond geslacht was. Amber stond op. Ze wankelde een beetje. Terwijl er nog enkele druppeltjes warme urine langs haar dijen naar beneden sijpelden, strompelde ze in de richting van de kuip. Ze herkende het profiel van Molokai. Hij lag in de kuip, het hoofd naar achter en de mond wijd open. Opeens was Amber klaarwakker en besefte ze wat er gaande was. En dat ze iets vergeten was. De camera. Nog geen twintig tellen later stond ze terug op dezelfde plaats. De camera draaide. De vrouw bloedde leeg in Molokais keel. Hij dronk en dronk en dronk. Amber hoorde hem slikken, hoorde hem het stroperige bloed tot zich nemen. Met haar ene oog dichtgeknepen en het andere geopend, tuurde ze door de lens, zonder ook maar één keer te knipperen. De schokkerige schaduwen in het donker, de bevreemdende geluiden … Amber was doodsbang.

De ware betekenis van het ritueel drong langzaam tot haar door. Molokai praatte nooit. Hij zong slechts. Al dat bloed … had hij daaraan zijn engelenstem te danken? Amber had het met haar eigen ogen gezien. Ze vond het weerzinwekkend en toch voelde ze zich in zekere zin ook vereerd dit te mogen aanschouwen. Geen weg meer terug. Die gedachte greep haar als een ijskoude hand naar de keel. Ze kreeg geen zuurstof meer. Amber wankelde naar de poort, glipte naar buiten en snoof de broeierige nachtlucht op. Ze wilde niet naar huis, maar moest even weg van het slachthuis, dus slenterde ze langs de loodsen, braakte tegen een oude elektriciteitskast, ging zitten, keek naar de sterren en deed een poging om ze te tellen.

In de verte hoorde ze Molokais stem die plots de nacht brak. Etherische klanken zwierven tussen en over het grauwe beton en Amber plukte ze met haar oren uit de stinkende lucht. Het was zo mooi, zo betoverend. Ze kreeg er tranen van in haar ogen. Eén traan bleef hangen als een vlies voor haar rechteroog, waardoor ze troebel zag, de andere zigzagde in een warme lijn over haar wang. Ze was een gevangene van zijn stem en al die tijd hield ze haar adem in. Waarom zou ze ooit nog weggaan? Het enige wat ze nodig had, bevond zich hier. Ze leefde ervoor om Molokai elke dag opnieuw te kunnen horen. Ze zou er zelfs voor moorden. Ze grinnikte erom, maar wist dat ze het meende. Volgende keer misschien. Ze sloot haar ogen, concentreerde zich op de stem en fluisterde: ‘Ik zou absoluut voor jou willen moorden.’

Brieven aan Randolph Carter : Mark J. Ruyffelaert

Eerste brief

 

Ik heb je raad gevolgd, dode vriend, en ben bewust en creatief gaan dromen. Telkens als ik inslaap aan de onveilige dagzijde, muteert mijn kolossaal hemelbed tot een zwarte drakar die mij langs verticale grotten neerwaarts zuigt naar eindeloze droomgebieden. Zo heb ik mijn eigen inwendige nachtstad bijeen gedroomd, en zo ontstond het wetteloze Bubastis, mijn hemel èn mijn hel.

 

O, laat mij vertellen van het liederlijke, zinnenstrelende Bubastis, van het zondig oord dat ik betreed door je twee baardige monniken in hun onderaardse vlammentempel te overtuigen. Zo verschalk ik beide bewakers van de dalende trap met duizend treden.

Het is vroeg in de morgen. De metropool ontwaakt bij het geluid van Cthulhu-aanroepingen. Bubastis, waar een hoge vulkaan naar de Melkweg wijst, en bij het kratermeer een massief klooster parasiteert op gans de stad. De lucht hangt vol wierook, grafbloemengeur en kamelenmest. Stuur een blinde naar hier, en zodra hij in de buurt komt zal hij door de veelheid van balsemgeuren, de typische stank en de peperrijke lucht weten dat hij in Bubastis aangekomen is. Overal wapperen enorme vlaggen aan lange zijden linten, en bij de minste bries weerklinken waardevolle klokken in kristallen harmonie.

Schoonheid moet bizar zijn.

 

Hier teert een ongezond bedevaartoord op ziekelijke gebeden van vreemdsoortige allochtonen. Zij bevolken honderden tempels, maar zijn ook gewaardeerde klanten in de meest gewaagde plaatselijke bordelen.

Besef, Randolph, dat de stad ouder is dan de mensheid, gesticht door wezens die van elders komen, en hier hun doodsdromen geprojecteerd hebben. Hier is de sluier tussen bovenwereld en dodenwereld het dunst…

 

Lopen door Bubastis is hallucinant. Langs paleizen, kerken en bordelen doorkruis ik de eindeloze, mistige stad vol beroete monumenten, gedurfde minaretten en liederlijke standbeelden. Mijn tocht begint steeds langs lugubere plaatsen die ik mij herinner uit vorige dromen, dwars door theatrale ruimten, de gevangenissen van Piranesi waardig. Victoriaanse steegjes dalen af naar de mistige baai en het inktzwarte water van de dokken. In de onbetrouwbare havenbuurt hokken dode helers samen met jonge dieven. Graag volg ik hier de grote kroegentocht. Bewuste dromers willen genieten van hun totale straffeloosheid, en de toog is een interessante hogeschool. Ja, Randolph, ik wens het gezelschap van allochtonen. Die hebben veel gereisd, en zijn nuttige tolken in omliggende mysterieuze streken. (Waar zij durven gaan, ga ik ook.) Multiculturele bandieten zijn nuttiger dan heiligen, en stellig niet zo gevaarlijk als je ontmoetingen in New York.

Dit hier lijkt mij een geschikt rovershol, en binnen vind ik een bende gekleurde zuiplappen. Wat jij eerst voor kopergroen zou houden, is hun ware huid. De meest gruwelijke dragen porseleinen maskers. In zulke kroegen, waar zelfs de meest gezochte illegalen zich veilig voelen, recruteer ik perfecte monsters als bodyguards. Ook ik voel mij graag veilig.

Bewust mijd ik plaatsen die ik reeds lang ken, zoals de wijk der veel te grote kerken, boven en in elkaar gebouwd. Oude kerken, waar nog steeds stil mis gelezen wordt door priesters die Latijn prevelen, met de rug naar hun gelovigen. Ook mijd ik dié rosse buurt vol jongens met meisjesallures, en zelfs het Colosseum waar leeuwen voor de Christenen gegooid worden. Liever plunder ik de rijke wondergraven van dode verzamelaars die versteend liggen in hun sarcofaag, omringd door al hun schatten. Ik ben archeoloog, Randolph, al noemen sommigen mij een lijkenrover…

 

Dwars door Bubastis loopt een ondiepe, slijkerige stroom naar de zwarte lagune. De inwoners schijnen het wormstekelige water van hun trage rivier bijzonder te vrezen, en nog meer de onduidelijke vormen die samen met het slib meegevoerd worden. Dat verklaart misschien het waanzinnig aantal bruggen. Het idee die stroom te bevaren zou bij niemand opkomen. Is het moeras een maag, dan is de Dymfna een darm.

 

Nu sta ik op het glibberige punt waar de Dymfna rottend water braakt in de oliezwarte zee. Hier komen slechts zwarte schepen voorbij, met in het ruim de zielen van doden. Men fluistert dat de zeilen der boten reusachtige vleugels van vleermuizen zijn, en dat hun ruim bestaat uit vochtig leer om hun vracht te verteren.

De rol van de zwarte schepen blijft geheimzinnig. Over hun afvaart wordt slechts fluisterend gesproken. Jij, Randolph, hebt ze beschreven, Druillet heeft ze afgebeeld, en biddend worden zij bezongen in afgelegen tempels tussen Tibet en Bali.

Een goed afgebakend deel van de oude haven is hun gebied. Grote aantallen vermoeide doden begeven zich aan boord van die wachtende, duistere vloot. Een onheilspellende aanwezigheid, zonder metastasen naar andere wijken.

 

In Bubastis een eigen huis bezitten is voor de creatieve dromer een dwingende voorwaarde om aanvaard te worden. Zelf ben ik verre van onbemiddeld, want mijn plantages bevinden zich aan de zonzijde van de droomwereld, en al mijn slaven hebben dezelfde hobby: katoen plukken.

Drie opeenvolgende dromen hebben volstaan om een ruim nachtverblijf te bouwen. Met vrucht bezocht ik rijke musea als de bewakers sliepen. Gewoon opladen en wegwezen. Ik had maar te kiezen. Ik heb mijn huis dan ook volgestouwd met antieke meubelen en waardevolle incunabelen, naar eclectische Victoriaanse geest. Van bibliotheek en keuken hou ik het meest. Hoeveel ruimten ik precies overlaad is zonder belang. (Een huis waarvan ik exact het aantal kamers ken is mij het bewonen niet waard.)

En verder: personeel zat! Mijn eenzaamheid heb ik wel bijzonder fraai bemeubeld. En goedkoop…

 

De grote, centrale nachtbibliotheek fascineert mij. Daar staan alle boeken, ook de werken die nog moeten geschreven worden. Is het ongewoon dat eerder luie schrijvers in hun droom deze rekken afzoeken tot zij hun eigen naam vinden? Ik herken opvallend veel fantasten. Hier raadplegen zij vrij je ‘Necronomicon’, Randolph. Of het half-mythische boek ‘Tegrath’, gebonden in vrouwenleer, en geschreven op vrouwenperkament. Een praktische gids voor omgang met doden. Erg nuttig in dit menggebied, omdat het soms moeilijk is doden te onderscheiden van droomfiguren of mededromers.

– Ik lees: “Zo gij, binnentredend in uw woonkamer, een pas begraven familielid vindt zitten in uw beste zetel, blijf dan hoffelijk. Wees barmhartig. Schik bloemen, ontsteek de open haard, brand reukwerk en breng gepaste muziek ten gehore. Hij zal u dankbaar toelachen, en verdwijnen.”

– Maar: “Wanneer gij, binnentredend in uw plaats een onbekende dode vindt zitten in uw beste zetel, handel dan kordaat. Toon u verbolgen door zo’n gebrek aan savoir-mourir. De ander, wellicht een beetje nonchalant van natuur, zal oplossen.”

– Of: “Zo een kind u stoort, dood het niet. Wandel er mee naar stromend water, waar een brug is. Blijf staan midden op de brug. Een vreemdeling, gekleed in het zwart, zal de hoede komen overnemen. Het kind zal u nooit meer storen.”

– Er staat ook: “Als gij slapen gaat en merkt dat er een lijk in uw bed ligt, plechtig en als opgebaard, haal dan een spiegel en verplicht de dode er in te kijken. Vervang de lakens.”

– En zelfs: “Zo uw vrouw u langzaam vergiftigt, lok ze dan mee naar een plaats waar het water diep is en snel stroomt. Dat volstaat. Werp geen witte bloemen in het water, haar achterna. Die zouden meteen bloedrood kleuren.”

En er staat nog zoveel meer…

 

Kom deze nacht nog, Randolph, de cyclopische muren bewonderen van een gigantische Potala, gebouwd bij het kratermeer binnen een hoge, deels ingestorte vulkaan. Langs steile binnenwanden hangen meerdere kloosters: een voor elke hoofdzonde. Een verkillend oord, afstotelijk èn verslavend. Langs verschillende neergelaten kantelpoorten en vele hangbruggen bereikt de uitgeputte pelgrim het kolossale benedenklooster der Gezalfde Grootheren van Droom en Dood. Niemand kwam er ooit weer buiten.

Onder het spaarzame licht van een zwarte zon worden in occulte kapellen Andere Goden aangeroepen. (In deze heilloze tempels werd ooit de eeuwigheid bedacht door Grote Ouden zonder ziel.)

Ver uittorenend boven deze reusachtige etterbuil tekent zich hoog tegen de immer vale nachthemel het silhouet af van het gigantische bovenklooster, waar nooit licht brandt omdat de Opperste Goden die er thuis horen voortdurend afwezig zijn. Daar staat, in een rijke bibliotheek, je verzameld werk, Randolph. Want de Goden lezen je niet te overtreffen verhalen!

 

O kom nog deze nacht, mijn vriend: ik nodig je uit! Laten we afspreken in de grote nachtbibliotheek, om dan samen lekkere glazen wijnbloed te gaan drinken in bruine taveernen waar schaarsgeklede jongeren de klanten entertainen. Stoor je vooral niet aan de doden. Die praten wat langzamer, dat is alles. Ik zal je door Bubastis gidsen. Zo’n belevenis vergeet je nooit.

 

Tot schrijvens, beste.

M.J.R.

 

(Deze brief laat ik bezorgen door een Shantak. Zo komt die zeker op z’n bestemming.)

 

 

Tweede brief

 

Beste Randolph, vriend boven vriend,

 

Je hulp, raad en bijstand heb ik nodig, o mijn bijna-broeder, want ik word opgejaagd door Grote en Andere Goden.

Het lichaam dat ik nu bewoon wordt oud en is aan vervanging toe. Zo ben ik verplicht mijn eigen dood te organiseren, want de dagwereld is mij veel te gevaarlijk geworden. Dat wordt reïncarneren of mij blijvend vestigen in Bubastis.

Er zijn twee tegenstrijdige mogelijkheden, plan A of plan B.

 

‘A’ lijkt aantrekkelijk, maar is vol gevaren. Ik nam contact op met het CBR, (Centraal Bureau voor Reïncarnatie), en daar kon geen enkele priester mij garanderen dat ik na overglijden mijn IQ en privéherinneringen kan bewaren. Opnieuw het pamperstadium moeten overdoen is buiten kwestie.

Herboren worden als puber is uitzonderlijk wel mogelijk, maar dat kost geld. (Daarom zijn kloosters zo rijk.) Wel moet mijn geest die van de ‘andere’ verdringen. Kwestie van assimilatie. De bovenwereld beseft niet aan welke gevaren een slaper blootstaat… Zo maar een ander lichaam mogen uitkiezen is natuurlijk hoogst opwindend. (Nu eens een vrijgevochten vrouwtje worden? Een prikkelpop?)

 

Maar het kan mis gaan. Een erg beroerde reïncarnatie is die van ene Hitler tot vrome Jood. Het toeval heeft zin voor humor.

Reïncarnatie als vluchtweg wordt de laatste tijd fel aangemoedigd. Zoveel zielen zijn er nu ook niet en er gaan veel te veel mensen geboren worden die nog langer gaan leven ook. Men voorziet mensen zonder ziel, levende doden die zich gaan voeden met lijken van hun slachtoffers. Zombies, nu in Amerika reeds een rage.

 

Blinde reïncarnatie staat voor de eeuwige wederkeer. Dan zou ik dit eigen moment reeds miljoenen malen beleefd hebben, en bestaat mijn toekomst uit oneindig veel jaren van hetzelfde. De mens is dan vastgebonden op het rad van het Noodlot, en de goden zijn dan ordinaire sadisten! ‘Der Ring der Ringe, der Ring der Wiederkunft’, zoals Nietzsche mij onlangs verzekerde. Dan is de tijd een lege zandloper.

Hoe zie jij dat, Randolph? Bubastis dan maar?

 

Plan ‘B’ betekent, na mijn dood, mij definitief vestigen in het mij nu reeds zo vertrouwde Bubastis, stad van doden, dromers en droomfiguren. Daar loeren eveneens gevaren. Er is de nachtpolitie, die onvoorzichtige doden meteen naar de Zwarte Schepen brengt. Het schijnt dat hun ruimen reusachtige magen zijn, die hun inhoud langzaam verteren. Maupassant noemt ze ‘la chose qui tue les morts’ – het ding dat doden doodt.

De dood kan mooier zijn dan het leven, Randolph. De dood die een dromer de ogen opent. Eigenlijk verkies ik de wrede schoonheid van Bubastis boven de trein der traagheid, richting mijn verleden. Slechts als ik mij een mooi domein koop aan de zonnekant van die heerlijk perverse stad, kan ik eindelijk genieten van de kunstschatten die ik bij leven in dezelfde droomwereld gestolen heb. Ja, Randolph, ik ben archeoloog, al noemt men mij een grafrover…

Ik bezocht het klooster aan de rand van het kratermeer, en besprak met de doodshoofdpater de termen van mijn eventuele overgangsriten. Mijn begrafenis zou ik hier beneden vieren, want dan kan ik die bijwonen. Ik wens een dodenmis volgens de strenge tridentijnse ritus. (Ik was nooit godsdienstig, maar wel zeer religieus.) Wierook, stervende bloemen, orgelgebrul, liturgische kleuren en dodelijke, gregoriaanse muziek zijn mij als zoveel handen, uitgestoken naar een God die ik nooit begrepen heb. Nu reeds bezit ik in dat gebied van droom en dood weelderige katoenplantages waar, zoals ik reeds meldde, al mijn zwarte slaven dezelfde hobby hebben: katoen plukken. Ik zie mij reeds, moe maar tevreden na een lange werkdag, aan mijn tafeltje genieten van een frisse rhum, nachtelijk, vlak bij de slavenbarakken. Die olieachtige lichamen dansen dan naakt bij grote vuren. Negers zijn esthetisch de mooiste wezens die bestaan, Randolph, alhoewel ik je persoonlijk standpunt ter zake ken en eerbiedig.)

Dan zou ik vooral hoogranke Tutsi kopen, die rijzige meesters van ritme en dans. Hun zangen zijn polyfonisch, en hun jonge lichamen zijn die van puberale goden in de dansende gloed van hun laaiende lansen. Een lust voor oog en oor. Natuurlijk ligt dan op dat tafeltje, binnen handbereik, een geladen geweer. Men weet maar nooit…

Esthetiek is mijn enige moraal. Principes staan geluk toch maar in de weg.

 

De tijd dringt, Randolph, want terwijl ik dit met de ganzenveer schrijf, leest iemand mee over mijn schouder. Daar staat mijn persoonlijke Engel van de Dood voorover geleund, naakt tussen zwarte vleugels. Hij zit vol puberaal vuur, maar zijn ogen zijn die van een uitgeputte, oude man. Mijn zandloper is bijna leeg, want de kleine voetjes achter mijn wanden lopen reeds ongeduldig heen en weer. Rondom mij hoor ik dingen fluisteren die ik niet begrijp. Zo nadert de Zwarte Grot op fluweel.

Mijn verstand zegt ‘A’. Mijn gevoel wenst ‘B’. Oordeel, Randolph, en schrijf mij snel. Er is haast bij, want als ik langer talm, mis ik mijn trein, en je kent de straf: eeuwig werken in de steengroeven van de Tijd!

 

M.J.R.

 

 

Derde brief

 

Goede vriend,

 

Meteen met de deur in huis: ik heb een zeer merkwaardig boek gestolen uit de kloosterbibliotheek, afdeling vervloekte manuscripten: het mysterieus geïllustreerde handschrift ‘VOYNICH’. Een occult document bewoond door hogere krachten. Ik vermoed een parallel met het ‘Boek Tegrath’ waarmee ik vroeger experimenteerde. (Verder overbodig, daar doden oproepen hier in Bubastis overbodig is. Die omringen mij gewoon.)

Volgens mij bevat dat perkament een cipher, een boodschap die tevens een reisgids is, net zoals de ‘Unaussprechlichen Kulten’ waarvan het laatste nog bestaande exemplaar in je eigen bibliotheek staat, Randolph.

 

Een rottende pater is mij verschenen, met kalend, brandwit geschilderd hoofd. Hij stelt zich voor als pater bibliothecaris, en komt erg ontevreden zijn bezit terugeisen. Het lèf van die man! De aanstellerij!!

 

Het boek zindert en komt op mijn schoot zitten. Als een occult boek zich een meester kiest, is dat voor eeuwig en altijd. Die rotpater durft aan te dringen, en stelt dat het waardevolle document ontdekt werd door ene Pater Voynich, een notoire doch geniale gek die als enige mens teruggekeerd is uit het boek. Hij maakte die gevaarlijke reis heen en terug. Vandaar zijn volslagen krankzinnigheid.

Hij leeft verder binnen het klooster in de uitgedoofde vulkaan, vastgekluisterd in zijn cel. Pater Voynich is te gevaarlijk, zelfs voor zijn lotgenoten. Van hem rest een brallende zombie, meer niet.

De bibliothecaris blijft doordazen. Ik voel in mij de lava stijgen en mijn razernij kleurt donkerrood. Dat vervelende mannetje krijgt van mij ‘volledige bescherming’ (nazi-term voor ogenblikkelijke euthanasie).

Met Bijbelse wreedheid laat mijn parabellum zijn witte kop ontploffen. Dat wordt herbehangen.

 

Pas nu kan ik ongestoord genieten van mijn jongste aanwinst, opgesteld in de tekentaal der alchimisten. Een elegant mysterie vol naakte vrouwen, elk met een groene ster in de hand. Uitklapbladen, zes pagina’s groot, vormen een soort plattegrond met negen eilanden als cirkelvormige diagrammen, verbonden door verhoogde wegen en met een klooster binnenin een uitgedoofde vulkaan. Die eilanden zijn wijken van een grote stad.

De stijl van de eerder schaarse kledij dateert uit de periode tussen 1450 en 1520. Zonnebloemen verwijzen in die ontdekkingsperiode naar Zuid-Amerika, wat mijn datering bevestigt.

Met veel bravoure uitgebeelde purperen planten die naar beneden uitlopen naar eerder onfris groen vormen schijnbaar een astrologisch geladen herbarium. Het is veel meer. Het ‘Boek Voynich’ toont een hemels land waar goden leven. Melk en honing stromen hen door de aderen en een koor van nachtegalen parfumeert de lucht.

Mij fascineert een onregelmatig diepgroen object met vele armen (tentakels?) verwijzend naar een onbekend melkwegstelsel.

Sommige taferelen zijn cellen, gezien door een ouderwetse microscoop, die verbanden leggen met algoritmen of instructies naar een verborgen doel.

Dit is het meest raadselachtige handschrift ooit. De tekst duiden is overbodig, daar slechts de afbeeldingen tellen. De ongewone letters zijn slechts een afleidingmanoeuvre. Die tekst betekent gewoon niets.

 

Het boek werkt in als de Lorelei, Randolph, want na lang staren naar een van de eilanden (dat met de blote vrouwen) komen flitsen vrij. Het landschap treedt uit zijn eigen mist, en er ontstaat beweging. Planten verplaatsen zich naar het water toe. Op dat eiland staan steencirkels in volle natuur, groene steen, bedekt met slijmerig mos. Er lopen mensachtigen rond die mij schijnen op te wachten.

Het ‘Boek Voynich’ is de bijbel van een reusachtige, toekomstige God, stil als een berg, stromend als een rivier, met grote ogen en armen als lianen (tentakels?) die een uitdaging vormen voor mijn evangelische betweterij. Die God heeft bewogen onder mijn ogen. Wanneer komt Hij? Moeilijk te voorspellen, want godsdiensten tellen met eeuwen.

 

Ik wens af te reizen, Randolph, maar alleen Pater Voynich zelf kan mij daarbij helpen. Hem opzoeken in zijn cel kan niet, en geesten van levenden verschijnen minder gemakkelijk dan die van doden.

 

Vanavond haal ik mijn ‘Boek Tegrath’ (rechten- en plichtenleer tussen levenden en doden) onder het stof vandaan.

 

Er staat: ‘Als de raad van een levende u noodzakelijk is, beveel dan zijn geest te verschijnen. Ga naakt voor de spiegel staan, zodat uw spiegelbeeld volledig weerkaatst wordt. Raak met uitgestoken wijsvingers die aan van uw alter ego. Open uw geest voor alles wat u weet over de andere. Spreek zes maal mijn naam uit: – “Tegrath” – ik, de boekenduivel die als laatste op aarde bleef. Zo wordt uw spiegelbeeld de afzender, gij de ontvanger. Want razend van witgloeiende woede zal hij voor u staan. Trek de vingers terug. Stel vragen, hij moet antwoorden.’

 

Het monster Voynisch staat recht voor mij. Gelukkig is hij niet naakt.

‘De sleutel tot je boek,’ eis ik.

‘ph’nglui mglw’nafh Cthulhu R’lyeh wgah’nagl fhtagn,’ brult hij mij toe.

Ik vraag hem te herhalen om exact te kunnen noteren.

Nu weet ik genoeg, en steek met twee vingers zijn ogen uit. Zwart bloed vloeit, terwijl hij uitzinnig weer naar zijn cel verdwijnt.

 

Een aangename gifpijl doorboort mijn hart, en mij overvalt het gevoel een Ulysses te zijn die op een mooie reis vertrekt. Ik zal terugkomen als vermorzelde pad of als jonge god, want Iemand wacht op mij in zijn bronzen gevangenis vol mist en sterren.

 

Ik ga je verlaten, goede vriend Randolph, want ik hoor incantaties en treed het boek binnen.

Bid voor mij.

 

M.J.R.

 

 

Vierde brief

 

Dag Randolph, wiens eigen droomwereld de mijne overheerst. Tentakels uit de ruimte houden mijn hersenen blijvend omzwachteld. De beeldjes in maansteen die jij me geschonken hebt, zijn uitgegroeid tot mijn intieme Lares-goden, die vanaf hun altaartje bij de ingang al mijn bezittingen beschermen.

 

Ik ben verliefd, Randolph!

Een schattig, poedelnaakt smeerlapje schoot mij een van zijn pijlen recht het hart binnen.

O Randolph … Francesca is de zon, ik de schaduw. Zij is de oase, ik de woestijn. Zij is Venus, ik ben overjarig en onaantrekkelijk. In mijn Bubastisch-Venetiaans Palazzo heb ik de goddelijke Francesca luxueus genesteld. Zij schijnt gelukkig.

Ik niet, want ‘hij’, mijn spiegelbeeld, is weer gaan rebelleren. Van een spiegelbeeld wordt gehoorzaamheid verwacht, maar net zoals tijdens mijn romantische jeugd tart hij mij opnieuw bij de griezelig glazen grens.

 

Dat het carnaval in Bubastis ronduit wreedaardig en gevaarlijk is, heb jij, Randolph, ooit aan den lijve ondervonden. Maar haar iets verbieden kan niet in mijn situatie. En als zij, zoals een nieuwe rage het hier opdringt, absoluut naar een naaktbal wil, kan ik slechts toegeven. (Als ik zelf maar bedekt kan blijven.) Ik ga dus voor de klassieke zwarte cape tot aan de grond, het stijve, spierwitte dodenmasker met uitdagende mond en op de kruin een sepulchrale driesteek.

Zoals steeds bij dit vervloekte zottenfestival hebben Grote en Andere Goden de stad tijdelijk verlaten, zodat ik op Hun steun nu niet kan rekenen.

Ik voelde mij veilig. Tot gisteren…

 

De reusachtige spiegelzaal is verlicht a giorno. Het meestal jonge publiek is de decadentie voorbij. Velen, vooral de vrouwtjes, zijn naakt, op hun alles tartend, feeëriek masker na. Mijn grote liefde draagt een vernuftig kleedje dat haar, met een druk op een knop, zelf toelaat de doorzichtigheid van haar enige omhulsel te doseren. Ik zie in de zaal niets lelijks, maar ben hier niet om te bewonderen. Wèl om mijn liefdesnestje Francesca te entertainen met een zwier die zij van een oude man stellig niet verwacht. Op aanvraag van het gezelschap zet het orkest de fantastische wals van Berlioz in. De zaalbrede spiegel, zijwand van gans het verderfelijk oord, weerkaatst een wereld van pornografie. Ik dans mijn nu poedelnaakte liefde recht op de overgrote spiegel af, gewoon om mijn spiegelbeeld te tergen. Maar de spiegel liegt, want mijn spiegelbeeld staat onbeweeglijk voor ons, en kijkt mij spottend aan. Natuurlijk is hij identiek uitgedost. Er is geen verschil. De wals is beeldverslindend. Geen zedige hoepelrokken, maar een wervelwind van naakte esthetiek, walgelijk mooi. Ik zie Francesca in de spiegel. Maar zij walst… met mijn spiegelbeeld!!? De schurk heeft haar de spiegel binnengetrokken, en zij, simpele duif, heeft zich van persoon vergist. Zij denkt voorwaar dat zij met MIJ danst! Zonder gène ontbloot zij haar smalle heupen en kleine, ronde derrière. Mijn alter ego werpt mij vuile blikken toe, maar beweegt met elegantie,- ik wist niet dat ik zo goed kan dansen. De spiegel is vol. Wanhopig loop ik naast de spiegelwand, in de krankzinnige hoop die te kunnen binnendringen. Ik wuif verwoed in haar richting. Ik schreeuw met een stem die bomen velt en sla met volle vuist tegen de glinsterende grens die niet bestaat. Zij merkt mij niet op, en valt ‘hem’ onzedig in de armen.

 

Ik neem dit niet langer, en grijp een enorm zware fles champagne. Met de bovenmenselijke kracht van wanhoop en onmetelijk verdriet keil ik de magnum tegen die verdoemde feestvierende wand.

De spiegel ontploft in duizenden stukken. En de zaal is… leeg.

 

Ik heb mij nog nooit zo rot gevoeld, Randolph.

 

M.J.R.

Ganda, 28-3-’13.

 

 

Vijfde brief

 

Mijn meest schimmige Vriend onder mijn vrienden,

 

Help mij, Randolph, want het groene, tentaculaire noodlot achtervolgt mij halsstarrig, en drijft mij richting Dood.

 

Het begon nochtans veelbelovend, toen mijn vrouw besloot in onze grote diepvriezer te gaan wonen. Wroeging ken ik niet, maar toch gaf ik haar een coole GSM mee. Gevolg: zij belt mij nooit. Koppig mens!

 

Tot daar het goede nieuws, want er opent zich een akelig oog, en ik voel mij niet zo vrij als ik gepland had. Ja, Randolph – elke slaap is mij voortaan ontzegd. Een akelige, spierwitte oogbal met een gemene, lichtgevende pupil kijkt mij star de ogen binnen.

Angstig ineengedoken in mijn bed, in foetushouding, onderga ik de blik van een hogere intelligentie zonder enig medeleven. O, Carter – een groene god observeert mij onder zijn reuzenmicroscoop.

 

Duidelijk zit ik te dicht bij die verdoemde diepvriezer, stel ik. Vluchten moet ik dus, ver de duistere nacht in. En stellig zonder omkijken. Misschien de kille rust opzoekend van een begripvol kerkhof.

Aarzelend steek ik de gestrekte hand uit naar de ijzeren ring die de zware, gietijzeren kerkhofpoort afsluit. Maar tevergeefs, want net achter de ring ontvang ik de diepvriesblik van een groot, fluorescerend oog.

 

Als een mens zich alle wegen verspert ziet, dan begint hij te bidden, Randolph. “Verberg mij” brul ik de goden toe. “Verberg mij op een plek, aller-akeligst als het moet, waar dat glazen kunstoog van een hebberige groene reus mij niet kan vinden. Wees voorzichtig, o mijn goden, want net achter dat Octopusoog vermoed ik lange vangarmen die thuishoren in diepe duisternis. Hoed u, dagdagelijkse goden, voor de berg die Chtulhu heet!

 

Ja, Randolph Carter, in je persoonlijk exemplaar van ons aller ‘Necronomicon’ dat je mij zo gul uitleende, heb ik veel (te veel) gevonden om het grote groene niets te kunnen lokaliseren. Van mijn vertrouwde, eigen goden hoor ik slechts hoongelach en bittere spot. Ik vlucht een kathedraal binnen. Bij het hoofdaltaar brandt een rode lamp. Ik nader, recht op eender welke god af. Maar als ik het gouden tabernakel open, glanst middenin de enorme ciborie het onverbiddelijk oog als een afstotelijke stralende bol. Moge dit bouwwerk meteen instorten…

 

Ik bouw een burcht, een citadel. Allen die voorbijkomen, laat ik de ogen uitsteken. De bouwstenen van mijn ultieme grens zijn granieten blokken, onderling vastgeklonken door gegoten ijzeren klauwen. Eindelijk zal ik rust vinden, en boven de poort laat ik de zin uitbeitelen: “Verboden toegang voor god”.

 

Ik ga schuilen in mijn gravenburcht, en wel in de diepste abyssen waar niets of niemand mij kan zien, en ikzelf niets meer zie. De poorten van mijn graftombe laat ik dichtmetselen.

Maar liggend in mijn ruwhouten kist bemerk ik het oog IN mijn graf, en dat staart mij sarrend aan…

 

 

 

 

Zesde brief

 

Hoera, O Carter, die in mijn hart woont! Driewerf hoera, want deze nacht heb ik bij het pokeren een huis gewonnen. Uniek, want ik speel zeer slecht. Welk soort huis het is, weet ik niet, maar bouwgrond plus bakstenen betekenen toch snel verdiend geld.

Mijn verslagen tegenstander leek niet treurig om zijn verlies – zelfs een beetje opgelucht. Ik verdenk hem er zelfs van mij met opzet te hebben laten winnen.

 

En nu, Carter, rond middernacht, gaat deze nieuwe eigenaar zijn aanwinst keuren.

 

Het gebouw is hoogst oninteressant, zowel qua gevel als van binneninrichting. Antiek schenkt niet noodzakelijk meerwaarde.

– Er meteen vier appartementen van maken, denkt mijn financieel bewuste geest. Voor het ogenblik intrigeert mij de torenhoge zolder, net onder de dakpannen. Ik klim, alleen, de gevaarlijke trap op en vind, gans bovenaan, een massieve toegangsdeur die op paniekerige wijze gebarricadeerd lijkt door het genie dat slechts schijtbroeken kennen.

Is er leven achter die overdreven barricade? Loert daar de Hond van de Baskervilles? Hangen daar vampier-vleermuizen? Een aapmens? Een mensaap? Niet het minste idee.

 

Ik ontplooi het groezelig papiertje dat de vroegere eigenaar mij toegestopt heeft. Hij schrijft: “Achter die gepantserde deur leeft (?) mijn broer. Hij is een dier.” Dierlijk denken is niet te onderschatten, maar mijn eigen bovennatuurlijke kennis van de zeven zwarte kunsten nog veel minder.

(Carter, ik ben terecht gekomen in een van je griezeligste verhalen…)

 

De groene goden dankend, laat ik de heerlijke Necronomicon openvallen op een willekeurige bladzijde, net zoals jij het mij leerde. Ik prevel de gepaste formule, en vijf Neanderthalers verschijnen uit het ijs der tijden, bedoeld als bewaking voor die ontaarde broer. Ambiance verzekerd. Want ‘s nachts jagen zij schaars geklede jonge deernen achterna die uit een verdachte dancing opduiken en in de bosjes wellust zoeken. De schedels en dijbeenderen van die lekkere slachtoffers worden de zieke broer toegeworpen zodat die, langs de muren van zijn gevangenis tot tegen het plafond, een orgie van de puurste menselijke vormen kan aanbrengen.

 

Het resultaat oogt zeer fraai, en ik moet toegeven dat kunstzin hem niet vreemd is. Dieren hebben nu eenmaal gevoel voor moderne kunst.

 

Het gaat grondig mis, Carter. Het monster krijgt lederachtige vleugels aangegroeid, en eet nog slechts meelwormen. Ik heb er mijn huisdokter op  aangesproken, maar de wetenschap is niet geïnteresseerd.

 

Nee, Carter, ons genre is het hunne niet. Artis toont belangstelling, maar ik moet dan wel betalen voor kost en inwoning.

 

Geloof mij, Randolph, voor geen goud wens ik die tegennatuurlijke plaats nog langer te bezitten. Vanavond ga ik pokeren voor grof geld. En ik zet meteen dat huis in!

 

Dapertuto is mijn tegenstander. Als pokergrootmeester ging hij er ooit prat op mij (bij de allereerste les die hij mij gaf) overwonnen te hebben. Omhooggevallen stuk onbenul, slechts terend op het fortuin van zijn vrouw! Ik haat die mooiprater diep. Tenslotte is mijn oude familieleuze: “Nemo me impune lacessit”! (Niemand beledigt mij ongestraft.)

 

Ik hoef niet eens vals te spelen, Randolph, want mijn goede vriend Dapertuto zal toch winnen. En zo wordt hij de nieuwe eigenaar van het vervloekte pand. Met gitzwarte gevoelens schenk ik hem de toegangssleutel.

 

Deze nacht nog gaat hij triomfantelijk poolshoogte nemen. Grote Goden, wat verkneukel ik mij… Want ik heb gans bovenaan de volledige barricade weggenomen. De Neanderthalers hebben hun vrije dag, en de brandkastdeur is niet eens op slot.

 

Laat het kwade het kwade uitroeien.

 

M.J.R. fecit.