De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2018 » De minnaar van mevrouw Mellors : Joost Uitdehaag

De minnaar van mevrouw Mellors

Joost Uitdehaag

 

Sinds ik dat boek vond in de bibliotheek van mijn vader, groeit het. Een hunkering die alles overneemt, een onkruid dat al mijn andere wensen overwoekert. Het genot van eten of wandelen is me vergaan. Ik staar en ik dwaal alleen maar, terwijl ik fantaseer over armen die om me heen slaan en me vastpinnen.

Het boek blaast zuurstof in mijn passie, gidst me. Via de rozentuin kom ik bij de garage uit, het voormalige koetshuis. Je staat met ontbloot bovenlijf te werken. Mijn ogen vallen op je kleine, schomme­lende mannenborsten en je blanke huid. Op je baardloze kin en je glanzende lokken. Die vervloekte Pen maakt een eunuch van je. Ik vraag me af of je ooit kunt worden als de jachtopziener.

Als je merkt dat ik er ben, draai je je om. Het zweet loopt over je rug. Je bent ooit begonnen als vaders monteur en nu buig je je over zijn Bugatti, een prachtige auto met alleen maar gebogen lijnen. Ik ben jaloers op het plaatwerk van die machine.

Ik ga in de deurpost hangen. ‘Richard, drink je een kop thee mee in de Orangerie?’

Je kijkt verrast. Toen vader nog leefde mocht dit soort dingen niet.

‘Over tien minuten,’ zeg ik beslist. Nu ben ik de baas hier.

Je glimlacht.

Even later drinken we thee en het zonlicht valt door de hoge ramen. Je staart verwonderd naar mijn helderblauwe plooirok. Zo’n contrast met je eigen werkkleren die vol smeerolie zitten. Ik plaats mijn voet tegen de binnenkant van je been. Je kijkt verschrikt op en schuift naar achter. Ik ga rechtop zitten. Opnieuw de eerbare vrouw. Ben ik zo’n slechte verleidster? Ik bezweer mezelf van niet.

 

Ik voel me verbonden met die vrouw uit het boek, want haar leven is een dwangbuis, net als dat van mij. Waarom willen ze me wijsmaken dat alles nu anders is? Dat ik vrij ben, dat er veel bereikt is voor vrouwen. Mijn lust is even geknecht als die van haar. Maar zij vertelt me dat de Pen of wat dan ook, niet gaat helpen. Ik moet het heft in eigen hand nemen.

De volgende middag zoek ik je weer op. Je bent pauze aan het houden op een bankje voor de garage. In je handen klem je een metalen broodtrommel. Je lijkt op een arbeider in die oude films. Naast je heupen ligt een etui met een groen kruis erop. Ik ga naast je zitten en wijs ernaar.

‘Ga je ermee door nu vader dood is?’

‘Het staat in mijn contract.’

‘Wil je niet stoppen?’

Je haalt je schouders op. Je wijst naar de auto. ‘Het leven is goed zo.’

Dat is niet wat ik voel. Vader is dood. Alles hoeft niet meer te zijn zoals het altijd was. Jij kunt jezelf zijn. Ik kan mezelf zijn. Ik bespreek het niet verder. Je gaat dit niet begrijpen. Er zijn immers wetten van buiten het landgoed. Wetten van fatsoen en schone schijn. Net als in haar tijd.

‘Mag ik het ding eens zien?’

Je pakt het etui op, aarzelend. Het is een object van schaamte. Hoe vaak je ook zegt dat het leven zo goed is. Maar je gehoorzaamt, dat hoort ook bij de Pen.

Het etui is van canvas en voelt ruw aan mijn vingers. Ik vouw het open en pak er een gepolijst titanium staafje uit, met een glazen ampul erin. De Pen van Fernouilli. Sommigen vinden het de belangrijkste uitvinding in de relatie tussen man en vrouw sinds de pil. Alleen bevat de Pen geen hormonen. Crispr-technologie heet het, iets met DNA. Dat heeft Patricia Fernouilli niet bedacht. Maar ze heeft wel uitgevonden hoe je er mannelijke lusten mee uitschakelt. Heel precies. Omkeerbaar. Zonder bijeffecten. Bijna. Toch in ieder geval duizend malen milder dan die hormooninjecties van vroeger, die Alan Turing tot zelfmoord dreven. Zo mild dat geen man er redelijkerwijs bezwaren tegen kan hebben. Een revolutie.

Het is tijd, dat weet ik, daarom lag het ding klaar. Ik log je in op de display, want alles wordt bijgehouden. Je laat het allemaal toe. Ik leg je arm op mijn schoot. Je kijkt verbaasd. Ik zoek een ader, zoals ik dat de laatste jaren ook bij vader deed, voor zijn medicijnen. Het verbaast me nog steeds dat ik zo’n goede verpleegster ben geworden, voor iemand die nooit iets praktisch heeft geleerd. Ik houd het staafje tegen het bloedvat en schiet het erin. Een virus dat je receptoren uitschakelt. In je arm staan twee kleine puntjes, als de beet van een vampier. Ik pak alles weer in en druk het etui in je handen.

Je zegt niets. Je zit daar maar. Schitterend kwetsbaar. Als een kind. Maar ik wil geen kind op het landgoed. Ik wil een man.

 

Ik zoek je de dag erna op tijdens de lunch. Ik heb sandwiches bij me en een witte, mousserende wijn en een restje gehaktbrood. Ik stal ze uit op de motorkap. Je kijkt verlegen en pakt je eigen boterhammen weer in. Voorzichtig mompel je een dankjewel. Ik moet er rekening mee houden dat ik je niet teveel verzorg. Je moet ook trots kunnen zijn.

Als het tijd is voor je injectie, herhaal ik het ritueel van gisteren. Het stukje DNA dat door de Pen wordt weggeknipt is een overblijfsel uit de oertijd. Iets wat overbodig is, zoals de blinde darm. Er wordt volop mee geadverteerd. Waarom wachten tot je in je geilheid je dochter aanrandt? Schakel je driften eenvoudig preventief uit. Neem de Pen. Zo neem je verantwoordelijkheid.

Maar jij neemt de Pen niet écht vrijwillig. Jij en ik zijn allebei slachtoffers. Vader maakte hem verplicht. Hij kruiste elk jaar weer dat hokje aan op je contract. Werkt met seksueel kwetsbaren. Zelfs al ben ik al dertig, nog steeds dacht hij mij te moeten beschermen. Ik heb vaak gedacht dat vader hem eigenlijk zelf moest nemen.

We drinken samen een halve fles wijn leeg. Daarna pak ik je arm weer. Dit keer lach je. Je houdt van de vriendschap en het samenzijn, maar ik wil meer. Er is een trucje dat ik ooit heb geleerd. Door de alcohol durf ik het ook. Ik pak een stukje rubber, leg het op je arm en zet daar de naald in. De display geeft aan dat de injectie correct is verlopen, maar er staan geen puntjes op je huid. Als ik het gedaan heb, kijk ik je aan. Je ogen staan wijd open.

‘Maar ik moet…’ mompel je.

‘Het is goed zo,’ fluister ik. Je knikt volgzaam. Geen agressie, geen dominantie. Tevredenheid met het hier en nu. Zo anders dan mijn vader. De Pen is echt een uitvinding.

 

Die nacht slaap ik niet. Ik denk na over wat ik gedaan heb. Ik ben onrustig. Ik denk iets te horen beneden, maar als ik het bed uitga is er niets. Ik lees op mijn tablet over wat ik heb gedaan en wat ik kan verwachten. Daarna pak ik het boek weer. Ik masturbeer denkend aan wat er gaat gebeuren.

De volgende dag drinken we ‘s ochtends thee in de Orangerie. Je schenkt dit keer zelf je thee bij. Iets wat je niet eerder hebt gedaan. Ik duw mijn pump uit en druk mijn ontblote voet tegen je been. Je schrikt niet. Je kijkt verrast naar beneden, daarna recht in mijn ogen. Je glimlacht heel flauwtjes. Die middag laat ik de injectie weer weglopen in het rubber.

 

Elke dag is er nu een verandering. Je maakt je kwaad omdat er een bout vastzit. Het vet op je borsten en heupen brandt weg; er verschijnen bundels spieren op je schouders en je bovenarmen. Ik zie ze aan­spannen terwijl je druk zet. Je maakt een opgejaagde indruk. Je vloekt als de bout uiteindelijk losschiet. Er hangt een nieuwe geur in de garage. Scherp, pittig. Het hitst me op.

Als ik binnenkom, kijk je alsof ik je territorium heb betreden. Je ogen glijden over mijn lichaam en blijven hangen bij mijn borsten. Het windt me op. Ik knoop mijn blouse los en leg je handen op mijn bustier. Je lacht breeduit. Ik verleid je om in me te komen over de motorkap. Je aarzelt. Ik help je. Het kost je moeite, die eerste keer. Maar voor mij is het zalig.

Na de daad breng ik twee flesjes van vaders bier naar de garage. We proosten samen. De laatste keer dat ik bier dronk was op mijn afstudeerfeest. Dat was ook de laatste keer dat ik seks had. Na afloop huppel ik naar het landhuis. Het is heerlijk. Ik ben bevrijd. Ik zweef. Ik ben een baken van licht.

 

Thuis op de sofa overdenk ik mijn daden. Ik ben er toch trots op, al durf ik het niemand te vertellen. Ik ben bang dat ik scheef aangekeken word; iedereen herinnert zich nog de oude wereld. De Pen heeft vele vrouwen bevrijd van een leven in angst. Maar het is onnatuurlijk, vind ik. Als er zoiets als de Pen nodig is, is het moderne leven dan wel zo goed?

De dagen daarna bespied ik je. Als je door de tuin loopt, als je buiten op het bankje je shagje rolt en oprookt, als je banden over de oprit rolt. Het is alsof ik een zeldzaam natuurfenomeen aanschouw en in zekere zin is dat ook zo. Ik hoorde onlangs dat nu meer dan de helft van de mannen de Pen neemt. Zoals vrouwen ooit de pil. Maakt het me slecht, dat ik me onttrek aan iets dat mij moet helpen? Of juist goed, omdat ik je de kans geef je natuurlijke zelf te zijn?

 

Elke middag ruk je me de kleren van het lijf. Van het eerste gestuntel is niets meer over. Ik moet Maisy steeds vaker vragen om knopen aan te zetten. Je drapeert me over de motorkap alsof ik gewichtloos ben. Je klemt me vast, zodat ik nergens heen kan. Steeds wilder ben je. Het is een heerlijk en een gevaarlijk spel. Mannen die van de Pen afkicken zijn berucht. Daarom zijn er regels nodig. En ritme. Hoe gevaarlijker het spel, hoe duidelijker de regels moeten zijn. Eén daarvan is dat ik bepaal wanneer het gebeurt.

Die ochtend sta je ineens voor me in de keuken. Ik ben net terug van een tocht met Prince en heb mijn rijbroek nog aan. Je zet je handen in je zij als iemand die zich onaantastbaar voelt. Ik glimlach geforceerd. Je verlegenheid is weg. Dat is een goed ding. Het maakt je aantrekkelijker. Maar dat je met zo’n houding binnenkomt, bezorgt me rillingen.

‘Ik wil je,’ zeg je.

‘Vanmiddag,’ antwoord ik.

‘Vanmiddag moet ik weg. Banden ophalen.’

‘Dan lukt het vandaag niet.’

‘Of we doen het nu.’

Je pakt mijn arm. Ik ruk me los. De zenuwen gieren door mijn lijf. Dit is waar ik om gevraagd heb, toen ik met je Pen speelde. Ik stap naar achter en mijn stoel valt om. Je lacht me uit om mijn paniek. Alsof ik een weerloos meisje ben. Ik vermaan me zelf. Ik ga rechtop staan en kijk je dwingend in de ogen.

‘Morgen,’ zeg ik, op stevige, maar normale toon. ‘Je kunt nu gaan.’ Ik probeer te klinken zoals vader.

Ik zet me schrap voor een mep, maar die komt niet. Je aarzelt.

‘Je kunt gaan,’ zeg ik, iets fermer.

Je haalt je schouders op en loopt weg.

Ik zucht diep. Van de ontlading schieten er tranen in mijn ogen. Toch ben ik blij. Vader zat fout, die Pen was overbodig. Ik kan mijn eigen leven best inrichten.

Vreemd genoeg voel ik me veiliger na dit akkefietje. Ik ben blij dat je dit landgoed als je domein ziet. Voor het eerst sinds vader is gestorven, droom ik ‘s nachts niet meer over inbrekers.

 

Alles verandert, steeds weer. Je glimlach wordt rustiger. Als we tegen­over elkaar zitten, zeg je dat je blij bent dat je van de Pen af bent en dat je me wil bedanken voor het vertrouwen. Je vertelt dat je je veel fitter en scherper voelt. Zo zie je er ook uit. Ik bedank je met een zoen op je nu bebaarde wang. Je laat het daarbij, je probeert niet nog meer te halen. Het is mooi dat je jezelf zo in de hand hebt. Dan haal je een pakje van de werkbank en drukt het in mijn handen.

Ik open het. In een oud fluwelen doosje ligt een zakhorloge dat ik herken. Vader had het op de grond laten vallen. Eerst vond je het te moeilijk om te repareren, maar nu leeft het, tikt het. Een van mijn vroegste herinneringen is dat we samen ontbijten – moeder, vader, mijn zus en ik –  en dat vader dit horloge uit zijn vestzak haalt.

Ik bijt op mijn lip. ‘Bedankt,’ mompel ik.

‘Ik zag gisteren dat het veertje verbogen was.’

Ik vraag me af of je ook minder precies was door de Pen. ‘Het is prachtig.’

‘Het spijt me van vorige week.’

Ik voel me ontzettend schuldig dat ik alleen aan mezelf denk. Je krijgt nog een zoen van me. Je bloost. Voor het eerst drinken we zomaar wat. We kijken samen naar de tijd die wegtikt op het horloge. Zou er iets meer inzitten tussen ons? Ik durf er niet eens over na te denken. Vader zou het nooit goed gevonden hebben. Zijn dochter met een dood­gewone automonteur. Maar hij was een man uit een andere wereld.

 

Maar ook dit verandert. Die middag staat mijn zus Sophie op de oprijlaan. Elke zomervakantie komt ze logeren met de kinderen omdat ze hoopt dat ze iets zullen oppikken van de trots van de landadel; daar zullen ze veel aan hebben later. Ik sta bij de deur om haar te verwel­komen. Het is de eerste vakantie met mij als vrouw des huizes. Ik ben benieuwd hoe het zal gaan. Soms walst Sophie nogal over me heen. Dan claimt ze dat alles in de stad veel beter is.

Terwijl ik samen met Sophie mijn toilet maak, zie ik weer hoe knap ze kan zijn. Ze draagt een mintgroene mousselinen jurk die haar borsten benadrukt. Haar krullen vallen uit haar opgestoken haar. Als je in de stad woont, kun je er mooier uitzien.

Het liefst zou ik je helemaal bij mijn zus weghouden, maar dat kan niet. Het is de gewoonte dat je helpt met bedienen bij het diner, want anders kan Maisy het niet aan. Ze overtreft zichzelf met haar crêpes Suzette. De ogen van de kinderen worden gegrepen door het oplaaiende vuur. Maar Sophie ziet het niet, ze is te druk met jou. En jij met haar. Je maakt haar aan het lachen en complimenteert haar vrijmoedig met haar parfum. Je drinkt haar schoonheid als nectar. Mij kijk je niet eenmaal aan. Ik ben jaloers. Ik weet niet aan wie het ligt: aan jou of aan Sophie of aan mezelf. Wat voor recht kan ik op je laten gelden? Ik moet af van het idee dat je een huisdier bent. Maar toch, als het diner voorbij is, ben ik blij dat je teruggaat naar de garage.

Sophie en ik drinken Cointreau in de rookkamer. Het voelt nu heerlijk om in vaders stoel te zitten. Sophie vraagt aan mij of je de Pen nog neemt, want ze heeft je baard gezien. Het heeft geen zin om te proberen het geheim te houden. Ik vertel alles over onze verhouding. Ze bijt op haar lip. Ik vermoed dat ze jaloers is.

Op mijn beurt vraag ik naar haar man, mijn zwager Mark. Dat is een beetje gemeen, omdat ik weet dat hij de Pen neemt. Dat vonden ze allebei beter, in verband met de kinderen. Sophie zegt dat het goed gaat. Er zijn tegenwoordig veel mannen die hem nemen, legt ze uit. Het is gewoon veiliger. Later als de kinderen groot zijn, stopt Mark misschien. Maar misschien ook niet, want het bevalt hem goed. Het geeft zoveel rust. Het is haast onmogelijk om tegenwoordig nog een natuurlijke man te zijn, zoals vader was, zonder hulp. De tijd is gewoon veranderd. Ze legt teveel uit. Ze schuift met haar benen over elkaar. Ik vraag of ze een minnaar heeft. Ze bloost. Ik trek het uit haar. Het is gewoon de hunkering, legt ze uit. Die vreselijke hunkering die alles overneemt. Ze schaamt zich. Ik veroordeel haar niet. Ik heb hetzelfde gevoeld.

 

Ik stel voor dat we gaan slapen. Ze stemt zo snel in, dat ik achter­dochtig word. Als ik alleen in mijn kamer ben, ga ik voor het raam staan, met de lichten uit. Mijn vermoeden komt uit, want Sophie sluipt naar de garage met een volle fles champagne in haar hand.

Ik trek mijn laarzen aan; ik kan het niet laten om haar te volgen. Door een spleet in het houtwerk zie ik jullie twee. Je zit rechtop in het lamplicht, Richard. Sophie heeft je gestoord bij je glas whisky, dat je ’s avonds drinkt om tot rust te komen. Ze eist alle aandacht, zoals gewoonlijk. Ze zet de champagne op de motorkap van de auto. Iets te hard. Je fronst, bang voor beschadigingen. Sophie giechelt. Ze is helemaal geil. Het doet me pijn om haar zo te zien.

Ze pakt je glas af en drinkt het leeg. Daarna opent ze de fles. Ze giet je glas tot de rand vol. Zelf zet ze de fles aan haar mond. Mijn zus heeft altijd weinig maat gekend als het om drank gaat. Soms kan ze na een diner niet meer rechtop staan. Ik maak me zorgen om haar. Ik leg mijn oor te luisteren.

‘Ik weet dat je iets met Charlotte hebt,’ zegt ze.

‘Jonkvrouw Sophie, wilt u weggaan, alstublieft.’

‘Ik wil jou ook.’ Ze strekt haar been uit over de motorkap. ‘Eén keertje maar.’

Je ogen glijden over haar mooie lichaam. Ik neem me voor dat ik mijn ogen sluit en wegga, als je jezelf laat verleiden. Eigenlijk zou het beter zijn als ik nu al vertrok, maar het lukt me niet. Ik hou mijn adem in.

‘Ik denk niet dat mevrouw dat wil.’

Ik ben zo blij om wat je zegt. Er zijn mannen die nooit de Pen gebruikt hebben, die minder standvastig zijn. Ik laat mijn longen opgelucht gaan.

‘Charlotte en ik hebben altijd onze vriendjes gedeeld. Ik weet zeker dat ze het goed vindt.’

Sophie wil je glas nog verder volgieten, maar je hebt er nog niets uit gedronken. Ze neemt weer een hijs van de fles. Jij blijft onbewogen zitten. Ik aarzel om in te grijpen, maar weet nog niet precies met welk excuus. Ik heb geen enkel recht op jou. Je moet zelf kiezen.

‘Ik wil seks,’ zegt ze.

‘Ik ben geen dekhengst, jonkvrouw Sophie.’

‘Als het uitlekt dat je zomaar gestopt bent met de Pen, kom je nooit meer ergens aan werk.’

Je fronst van ergernis. Je staat op en wil weglopen. Sophie gaat voor je staan. Wat bezielt haar? Ze pakt je hand. Je laat het gebeuren. Ze streelt haar borsten met jouw vingers. Net als ik de eerste keer. Ze laat je voelen tussen haar benen en giechelt.

‘Jonkvrouw Sophie. Als ik u was, ging ik gewoon naar huis.’

Mijn zus wordt chagrijnig omdat ze haar zin niet krijgt. Ze legt haar hand in je kruis. Ze knijpt je. Je grijpt van schrik haar pols vast. Ze slaakt een kreet.

‘Je doet me pijn, Richard.’

‘Ik zei nee, Sophie.’ Je noemt haar geen jonkvrouw meer. Ik ben alert.

Je laat haar los. Ze schudt haar pols.

‘Hier ga je meer van horen,’ dreigt ze.

Je ogen worden nauwe spleetjes. Ik wil roepen maar er komt geen geluid uit mijn keel. Je haalt uit. Met je open hand raak je haar hard en ongelukkig. Sophie valt op de motorkap en glijdt omlaag op de vloer. Even ligt ze stil. Dan grijpt ze naar haar oog en begint ze te gillen.

Ik ruk de deur open. Je buigt over mijn zus om haar nog een klap te verkopen. Je draait om en kijkt me aan: betrapt, verward. Er is zoveel afstand tussen ons. Dan verandert je blik; je ogen spuwen vuur. Je vindt dat ik moet wegwezen zodat je Sophie kunt afranselen tot ze niet meer gilt. Ik wurm mezelf langs je naar mijn zus. Ik heb geen idee wat je gaat doen. Mijn hart raast. Mijn lichaam zet zich schrap terwijl ik haar meetrek.

 

We gaan op een bankje zitten. Er zit overal bloed.

‘Hoe waagt ‘ie het!’ schreeuwt Sophie. ‘Ik geef hem aan! Hij komt nooit meer aan het werk!’

‘Waarom ging je daar heen?’

‘Het is onverantwoordelijk om iemand van de Pen af te halen!’

‘Alles ging goed tot jij kwam en hem begon uit te dagen.’ Ik ben boos en spreek haar streng toe. ‘Wat bezielt je om hem zo op te naaien?’

Sophie valt stil. Ik omhels haar en ze begint te snikken. Grote, schokkende snikken. Ze schaamt zich. Ze kan de kinderen zo niet onder ogen komen. En Mark al helemaal niet. Hoe moet ze straks haar oog verbergen, dat zeker blauw wordt? En het bloed op haar kleren? Straks wordt Mark nog beschuldigd. Dat gebeurt soms, zelfs al nemen mannen de Pen. Dan zou ze hem ook kwijt zijn. Ik heb medelijden met haar. De wereld waar ze vandaan komt, voelt benauwd, er is geen ruimte om mens te zijn. Ik zeg dat ze dit met Mark moet bespreken. Hij moet met de Pen stoppen. Anders werkt het niet. Wat ze daar ook zeggen in de stad. Ze knikt een vage belofte. We lopen samen naar huis en ik geef haar een ice pack voor haar oog. Daarna stop ik haar onder de dekens.

 

Terug in de hal zie ik het boek weer, dat ik daar gelegd had toen Sophie kwam. Ik pak het beige bandje met de adelaar op en druk het tegen me aan. De muffe geur zegt me dat het terug hoort in de bibliotheek. Een eerste editie, één van maar duizend kopieën, weet ik. Vader was er trots op, al mocht ik het nooit lezen. Ik streel de kaft en lees de rug. D.H. Lawrence staat er. En Lady Chatterley’s lover. Een tekst uit een andere tijd, die toch hetzelfde is. Het einde is gruwelijk in mijn ogen. Er komt een schandaal en ze gaat wonen bij haar zus. Waarom wordt ze bestraft voor haar hunkering, die zo natuurlijk is? Mijn tranen wellen op. De mensen in de stad weten er niets van: ze zullen me veroordelen, met dezelfde woorden als Sophie gebruikte, als ze tegen Connie Chatterley opvoerden. Ze zullen me gevaarlijk vinden, gek, instabiel, onaangepast, me het landgoed van mijn vader willen afnemen. Maar ik laat me niet wegschuiven. Het boek waarschuwt me.

 

Als Sophie al ligt te slapen, loop ik naar de garage. Als ik binnenkom, hef je de grote sloophamer boven je hoofd. Je laat hem neerkomen op de Bugatti. Ik leg mijn handen op mijn oren. De lak versplintert, de motorkap kreukelt als papier. Er zijn geen mooie lijnen meer, alleen maar hoeken. Je heft de hamer opnieuw en slaat nog een keer. De voorruit springt kapot. De tranen schieten me in de ogen. Hoe kun je zo kwaad zijn dat je je eigen werk vernietigt?

Je kijkt me strak aan.

‘Ik hoop dat Sophie wegrot in de stad,’ grom je.

‘Waarom ging je niet op haar avances in?’

‘Ik wil geen complicaties. Ik wil gewoon een rustig leven hier. Met u.’

‘Je had haar niet moeten slaan.’

Je kijkt fel. Je weet heel goed wat wel en niet mag. Je zet de hamer op de grond. Je spieren trillen. Ik heb medelijden met je. Ik stap op je af en omhels je gespannen lichaam, dat helemaal nat is van het zweet. Ik begeleid je naar een stoel en ga zitten, met je torso in mijn schoot. Even voel ik me een piëta.

‘Ze was heel boos,’ mompel ik.

‘Sophie verpest altijd al alles, heel uw leven al. Weet u nog dat ze met uw nieuwe fiets over de stoppels van het maisveld ging crossen?’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Laten we samen wegvluchten,’ zeg je.

Ik voel me schuldig voor je angst. Wat voor vrouw des huizes ben ik? Ik had er niet vanuit moeten gaan dat je het zelf wel zou regelen. Ik had je moeten beschermen voor de buitenwereld en Sophie in het bijzonder.

 

Er wordt op het raam geklopt. Ik wurm je los, doe open en loop naar buiten. Maisy staat er, met twee agenten achter haar in de schaduw. Eindelijk. Ik weersta hun beschuldigende woorden. ‘U moet nooit iemand van de Pen halen zonder professionele begeleiding. U heeft geluk gehad dat u het er zo van heeft afgebracht.’

Ik leid de agenten de garage binnen. Als je ze ziet, schiet je omhoog. Alles wat we samen hebben, verdampt op dat moment. Je wil me het liefst raken met die hamer, maar hij staat te ver weg. De agenten slaan je in de boeien. Je buigt het hoofd, berustend, beschuldigend. Ik heb medelijden met je.

‘Wat is dit voor flauwekul Charlotte?’ vraag je.

‘Je had haar niet moeten slaan,’ zeg ik.

‘U weet hoe het zit.’

‘Het gaat erom wat de wereld vindt.’

Ik kijk hoe je in de auto wordt weggereden. Ze zullen je wel weer snel terug aan de Pen zetten en misschien kunnen we dan schrijven. Mijn hunkering speelt al weer op. Ik vraag me af hoe lang het had kunnen duren tussen ons als Sophie niet was langsgekomen. Alles wat natuurlijk is, gaat kapot. Dat zei het boek al.

Categories