De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2019

Home » Jaar » 2018 » Een heerlijke dag met een vloedlijn vol krijsende ondoden en een hemel van sidderend noorderlicht : Tais Teng

Een heerlijke dag met een vloedlijn vol krijsende ondoden en een hemel van sidderend noorderlicht

Tais Teng

 

‘Sin ha’dai Ph’nglui mglw’nafh Cthulhu R’lyeh wgah’nagl fhtagn’:

‘In zijn citadel te R’lyeh ligt Cthulhu niet langer verzonken in diepe doodsdromen.’

: provisorische vertaling door de Chinese Lange Mars IV quantum computer

 

Wat had Jonathan toch een bloedhekel aan het keren van het getij, als de ondode mannen droogvielen en begonnen te krijsen!

Eerst wipten hun kruinen uit het grijze water omhoog, hun lange haar en baarden uitwaaierende kragen van slierend zeewier. Ogen ont­braken uiteraard en de kassen waren gevuld met harige eenden­mossels en zeepokken. Ogen vormden domweg een te smakelijk hapje om te negeren en werden als eerste opgepeuzeld door hongerige wol­hand­krabben en glasaaltjes.

De neuzen volgden, de neusgaten wijd opengesperd en panisch bellen blazend, en uiteindelijk de monden. Zodra de grijze lippen de lucht bereikten, begon die teringherrie. Oorverdovend gekrijs, droevig gejammer, hoogst akelig gesnik.

Misschien waren ze al die tijd al aan het gillen en jammeren, ging het door Jonathan, maar onderwater? En dus onhoorbaar op een vaag geborrel na?

‘Als verdoemde zielen in de hel,’ mompelde zijn broer Eli onveran­derlijk zodra het gekrijs begon, en sloeg een kruis, schielijk gevolgd door het teken van de Koning, Gekleed in Rafelend Geel. Het was niet meer of minder dan de banale waarheid: het waren verdoemde zielen en de Hel vond je hier en nu, zestig jaar na de Terugkeer. Neem de gruwelijke zeetuinen, waar de doden met hun voeten omlaag in het zand waren geplant en weer tot leven gewekt. De dodenakkers reikten helemaal tot de horizon en waarschijnlijk daar ver voorbij. De Oude Goden hadden het blauw uit hemel weggerukt en vervangen door wapperend noorderlicht, dat in klikkende en grommende gordijnen overtrok.

De windmolens van het energiepark tegenover Egmond-aan-zee draaiden nog steeds, maar er waren ferme happen uit hun wieken genomen en wezens die niets met meeuwen of gierzwaluwen gemeen hadden, kleefden hun nesten nu aan de pilaren vast.

 

De twee broers struinden langs de vloedlijn, jutters, die hoopten restjes van de antieke, menselijke technologie uit het aangespoelde wier te plukken. In de ogen van de Oude Goden waren ze waarschijnlijk niet veel beter dan de zeemeeuwen die langs de vloedlijn hopsten. Enkel dieren, fauna, amper intelligent en volkomen onmachtig.

Juwelen glommen tussen het nog steeds vochtige blaasjeswier, kettingen met opalen en robijnen, maskers, gekneed uit een goud zo puur dat je het metaal onder je duim indeukte.

De meeste van die voorwerpen waren domweg aas: zet zo’n onaards masker op en het zou je huid en vlees verslinden en zich aan je schedel vastzuigen. Maar één op de tien maskers zou juist je diepste wens vervullen: de kanker genezen die zich in je lever had vastklauwd, je de kracht van een grizzlybeer geven of zoveel charisma dat iedere krijgsheer de poorten van zijn bunker zou openklappen en je ‘meester’ noemen.

‘Die Mei,’ zei Eli, ‘ik zag wel hoe je naar haar gluurde. Je praatte zelfs met haar!’’

‘Het was enkel wat kletsen. Pure beleefdheid. Niets meer.’ Wat jammer genoeg ook min of meer de waarheid was. Ze hadden maar één keer gekust en ze had hem weggeduwd nadat hij haar hoogstens drie hartslagen had mogen omarmen.

Eli schudde zijn hoofd, klakte met zijn tong. ‘Ze is een heks, Jonathan. Een Chinese heks. Dat kan nooit goed aflopen.’

 

Jonathan herinnerde zich Mei’s aankomst in hun haventje. Hoe ze over de golven liep en haar hielen het water nauwelijks indeukten. De met runen geborduurde waterlaarzen van Mei waren na een week uitge­werkt, maar ze had de dorpelingen duidelijk gemaakt dat ze geen slacht­­offer was, geen machteloze prooi, maar een van de jagers.

De Chinezen hadden het langst doorgevochten tegen de Terugkeer van de Oude Goden, met wapens die steeds vreemder werden, steeds exotischer. Het immense gelaat van de mythische eerste keizer had zich over de hemel uitgesmeerd en een compleet squadron van Mi-Go opgeslokt. Uit noorderlicht geweven feniksen klauwden tentakel­monsters aan flarden. De Chinezen moesten al die eeuwen een voor­raad praktische magie in reserve hebben gehouden of ze waren domweg allemachtig vlotte leerlingen.

Uiteindelijk had het niet gebaat: China was nu een cirkelzee, een immense krater die in het centrum zo’n zeventig mijl diep was. Een bezwering of de supertechnologie van de Oude Goden had China van het aardoppervlak gepeld als de schil van een sinaasappel en haar over de stoffige mares van de maan gedrapeerd. Telescopen toonden nog steeds de intacte torenflats van Beijing en Chengdu, de meanders van de nu waterloze Gele Rivier. Twee weken lang hadden de lichten van een aantal uitzonderlijk taaie overlevenden signalen naar de aarde gestuurd, maar toen waren de industriële lasers toch één voor één uitgeknipt.

‘Geinig,’ zei Eli en plukte een elegant colaflesje uit een berg ver­steen­de kreeften. ‘Moet je zien: er zit nog steeds wat drank in.’ Hij glim­lachte. ‘Overgrootmoeder vertelde me juichende verhalen over de smaak. Als bruisend zonlicht en twee keer zo zoet als honing.’

‘Die moet intussen wel aardig bedorven zijn,’ zei Jonathan. Shit. Had ik die fles maar als eerste gezien. Dit zou een geweldig cadeau voor Mei zijn geweest.

Het glas vervormde, veranderde in een onaards mooi gezichtje.

‘Drink me!’ drong de fles aan met een zoete alt. ‘Drink me en elke vrouw zal naar je kijken met ogen als cowries en je ‘Mijn grote witte haai’ noemen …’

‘Getver!’ Eli slingerde de fles vol walging weg. ‘Mijn grote witte haai! Dagongebroed moet deze fles met hun smerige vinnen bepoteld hebben.’

Jonathan wachtte tot Eli zich over een nieuwe bank wier en geteerde vissersnetten boog, snelde het zand op en stak de fles weg onder zijn overjas.

‘Je houdt van haar,’ zei de stem in zijn hoofd. Het was nog steeds een heerlijk zomerstem, vol bijengezoem en bloesemgeur. ‘Ja, ja? Je kwijlt en siddert van verlangen als je haar vinnen ziet golven. Je wilt haar eieren likken, toch?’

Hij verplaatste de fles totdat het koude glas zijn blote huid niet langer raakte en de stem stopte abrupt. De fles was duidelijk niet bijster bruikbaar als adviseur voor een hunkerende vrijer maar mana was mana. Mei wist vast wel een manier om de magische energie af te tappen en voor wat nuttigers te gebruiken.

 

In de verte rezen de gedraaide torens van R’lyeh op, zoals boven elke horizon. R’lyeh was een wonder: opgetrokken uit parelmoer en zwierend spooklicht. Zilveren hiëroglyfen wervelden boven haar spit­sen, geen seconde hetzelfde maar altijd onbeschrijflijk mooi en intri­gerend.

Het had geen enkele zin om om een zeil te hijsen en in haar richting te varen, wist Jonathan: de transdimensionale stad zou steels terug­wijken en je verder en verder van de kust weglokken.

Mei had hem verteld dat de Arabieren nu een analoge lokstad hadden: Irem van de Duizend Zuilen die het ruisen van watervallen en fonteinen over het hete zand uitstuurde en het tinkelen van ouds en de stemmen van schuwe maagden als aas gebruikte.

‘Het zijn niets dan smerige roofspinnen,’ had Mei hem gewaar­schuwd. ‘Blijf ver van hun webben en luister nooit, nooit naar hun beloften.’

Jonathan stopte ​​en plotseling leek R’lyeh verrassend dichtbij. Bijna dichtbij genoeg om de bladeren van haar fonkelend groene tuinen te onderscheiden, de ijsbloemen op haar getrapte piramides… Hij deed een stap naar voren.

Een klinkende klap in zijn gezicht verbrak de betovering en hij knipperde de tranen weg.

‘Idioot!’ snauwde Eli. ‘Staar R’Lyeh aan en ze kruipt je ogen in. Ze zuigt je hersens leeg tot er geen gedachte meer over is en je mij aan­kijkt met irissen zo bleek als kokkels.’

‘Sorry. Ik…’

‘Weet je hoe die dode mannen in de akkers verzeild raakten, dwaze broer van mij? Waarom ze de zee inliepen tot ze verdronken en er wortels uit hun tenen groeiden? ‘

‘Oh.’

‘Precies. Oh.’

Hij voelde de huivering in de knik van zijn nek beginnen tot zijn hele lichaam schudde en zijn tanden klapperden. Al die ondoden zijn ooit vissers of jutters zoals ik geweest en toen staarden ze gewoon net dat beetje te lang naar de vervloekte stad zonder ook maar één keer met hun ogen te knipperen. Ze zetten een stap het water in, strekten hun handen uit en bleven doorlopen. Bleven doorlopen totdat het grauwe water zich boven hun hoofden sloot en de laatste luchtbel uit hun mond ontsnapte.

 

‘Dood mij,’ mompelde een stem. ‘Maak me alsjeblieft af, please, vermoord me, dood me.’ Waarschijnlijk was die stem er al die tijd geweest, maar te zacht om boven het geruis van de zee te komen.

Een dode man was aangespoeld aan de kust en lag daar, happend naar lucht. Zilverachtige wortels strekten zich nog dieper uit in het water en zouden hem terugtrekken zodra de vloed hem weer had opgeëist.

‘Keel me, alsjeblieft, dood me.’

‘Sorry,’ zei Eli. ‘Je bent dood. Ondood, en geen enkel menselijk mes is scherp genoeg om je wortels door te snijden. ‘

‘Dood me, dood me.’ Hij leek Eli niet te horen, maar plotseling klonk zijn stem krachtiger. ‘Er was eens een geweldige stad hier.’ Een hand wapperde naar het oosten. ‘Amsterdam. I love Amsterdam. Letters zo groot, zo rood. Ik was daar een dealer. Ik heb extasy en sweetwiet ver­kocht. Ik klutste hun hersens tot al het blauw uit de hemel trok en de Goden terugkwamen om mij te straffen. Dood mij en alles wordt weer als vroeger.’

 

Zelfs toen een duin de dode verborgen hield, weerklonk zijn stem nog steeds in Jonathan’s hoofd: een vreemd zangerige stem. Er was daar een geweldige stad. Ik heb extasy en sweetwiet verkocht. Het klonk als een spreuk of een gebed. Hij moet een sjamaan zijn geweest, net als Mei. Tot hij zo stom was te lang naar de horizon te turen.

 

Ze vonden drie glazen drijvers, alle drie een prachtig flessengroen, een handvol van die vreemde witte en gele plastic puzzelstukjes die in elkaar klikten, een roestvrijstalen vork en een zo goed als intact net. Een goede vangst, maar uiteindelijk ging het bijna vreselijk mis.

Er kwam geen waarschuwing: de Mi-Go stond plompverloren voor hen. Zijn gezicht was een gruwel: een klomp bleke, glinsterende schimmel met honderd golvende voelsprieten, handen als de getande klauwen van een kreeft. Zijn vleugels reikten omhoog, op de een of andere manier nog tot voorbij het noorderlicht en bogen toen in een richting af die Jonathans ogen weigerden te volgen.

‘Mensen,’ zei het wezen met een stem die schril was als van een krekel, maar veel, veel luider. ‘Mensen. Ik kan je, jullie voor altijd laten leven. Geef je, jullie het eeuwige leven.’ Hij spreidde zijn armen, een gebaar dat duidelijk was gemodelleerd op een menselijke verkoper. ‘Je zult alle wonderen van het universum zien! Bezoek de oogverblindende zon Algol, die klopt als een gigantenhart! Wandel langs de mistige oevers van Hali, met Aldebaran immens en gonzend in de hemel.’

Een pauze en dan een wijds gebaar. ‘Zie je mijn vleugels? Glinsterend in een dozijn kleuren die je ogen nooit eerder konden zien? Ze vangen de wind die tussen de zwarte gaten waait. De tachyon-deeltjes die tien, twintig keer zo snel als licht voortsnellen. Een half uur vliegen tot de rode ijswereld Eris. Twee uur naar Yuggoth met haar lichtende wolken­banden en haar tollende manen.’

‘Het eeuwige leven!’ snoof Eli. ‘Ik weet precies hoe dat gaat. Je schept onze hersens uit onze schedel en propt ze in een cilinder van oreichalkos en neemt die mee op reis. Gewoon een brein dat al snel kierewiet wordt zonder lichaam.’

‘Je zult allerminst blind zijn. We zorgen voor betere ogen, mens, lenzen die honderd tinten meer dan een mens zien. Kleuren waarmee geen kever zich ooit heeft durven tooien. En er is niets mis met gek worden. Dit is een verbazingwekkend mooi en intens wreed universum dat je het beste kunt zien door de ogen van een waanzinnige.’

‘Nee, sorry,’ zei Eli. ‘We zijn niet overtuigd. We zullen onze gebruike­lijke vijftig jaar blijven leven en dan tevreden in ons graf gaan liggen. ‘

‘Tja, ik zal je, jullie hersens dan maar gewoon oogsten. Het leek mij alleen beleefder om het eerst te vragen. ‘

‘Je oogst niemand.’ Eli deed een stap achteruit en graaide in zijn overjas van zeegras.

‘Een pistool?’ Het wezen kon niet lachen, niet echt, maar hij produ­ceerde een verdienstelijke imitatie van een schaterlach. ‘Zelfs een atoombom zal niet één enkel mycelium van mijn lichaam knakken.’

‘Kijk eens beter.’

‘Welke eedbreker verkocht een miezerige mens een klasse VI wapen? Jullie hadden zoiets nooit zelf kunnen bouwen! ‘

‘Laat me je een hint geven: het heeft een hoofd als een zeester en haat Mi-Go.’ Hij hief het pistool op dat uit rood ijs gesneden leek. Er lag een soort stromend water waas overheen, alsof het maar half in deze wereld stak. ‘Hij vertelde me dat dit pistool slechts één kogel afvuurt, maar instanties van die kogel waaieren uit in alle elf dimensies. Het maakt niet uit hoe exotisch je vlees is, je zult vast wel in een van die dimensies kwetsbaar zijn. ‘

‘Goed,’ zei het wezen. ‘Prima. Leef je ellendige, miezerleventjes uit. Je had wonderen kunnen aanschouwen!’ Een trilling van zijn vleugels tilde hem op tot zijn voeten een handbreedte boven het zand zweefden. ‘Zweet en sleur. Ik zal me je geur herinneren en je kinderen mee­graaien als je straks oud en onmachtig bent. ‘

Een machtige zwiep van zijn vleugels en hij sprong omhoog, kromp tot een stip en versmolt met de aurora.

Eli liet zijn pistool zakken en slaakte een lange, sidderende zucht. ‘Nou, dat werkte verbazingwekkend goed. Ik dacht dat we het haasje waren.’

‘Heeft een van de sterrenrassen je dat wapen echt verkocht? Wat was de prijs. in godesnaam?’

‘Natuurlijk niet. Ik heb er een dood gevonden. Het werd verscheurd, zijn vijf breinknopen uit zijn kristallen schedel gewrikt, zijn sporen­zakken leeggemaakt. Het moet een roedel Shubs zijn geweest. Hun poot­afdrukken waren overal op de open plek en hun geitenstank deed mijn ogen wateren. Hun slachtoffer hield dit pistool echter nog steeds in zijn slappe tentakels.

Het weigerde te vuren toen ik de trekker overhaalde. Een of andere ingebouwde veiligheidspal die je een dimensie hoger moet overhalen, schat ik.’ Hij draaide zich naar de zee en gebaarde met zijn wapen. ‘Donder op! De voorstelling is voorbij!’

Drie hoofden dobberden in de lagune. Een hief een geklauwde hand met zwemvliezen op.

‘Schiet ons niet neer, hooggeëerde mens. We begrijpen nu dat je geen prooi bent. ‘

De hoofden zonken onder het oppervlak en Jonathan zag drie V’s koers zetten naar dieper water.

‘Smerige jakhalzen. Altijd klaar om toe te happen als je op de grond ligt. ‘

‘Ze kunnen uit het water komen? Dat wist ik niet. ‘

‘Ze stommelen het land over en ademen lucht net zo makkelijk als water. Maar ze hebben verderfelijker talenten. Het Dagongebroed kan moeiteloos menselijke feromonen imiteren, weet je. Een vleugje en elke vrouw is maar al te bereid om haar benen voor ze te spreiden.’

‘Die kinderen in Scheveningen! De helft van hen heeft een derde oog. Zwemvliezen tussen hun vingers.’ Plots leek dat vissersdorpje niet meer zo idyllisch. Het was aangeraakt door de Oude Goden, besmet, haar inwoners niet langer menselijk.

‘Kuit en hom uit de diepten,’ zei Eli. ‘Dat is waarom we nooit een meisje of een vrouw op een vissersboot toelaten. Ze komen zwanger terug, met zwijmelsterren in hun ogen. Alleen een sjamaan kan hun verliefdheid breken en daarna zijn ze amper bruikbaar als echtgenote. ‘

 

Aan de rand van het dorp verrees een tiental fetish-masten. Mei en de dorpssjamaan hadden ze volgehangen met de gemummificeerde poten van Dagongebroed, een flard vleugelvlies van een Mi-Go, de kristallen schedel van een lid van Sublieme Ras. Een rij uitgekomen eieren van Lagere Cthulhus voltooide de bezwering. Het zou geen van de Oudere goden buitensluiten, maar de masten stopten het gros van hun aanbidders.

‘Zeg, Eli?’

‘Ja?’

‘Hoe wist je van het pistool? Hoe het werkte? De eigenaar was toch al dood toen je hem vond? ‘

‘Het pistool begon tegen mij te kletsen zodra ik het oppakte. Het ramde een hele handleiding in mijn geheugen en vertelde me dat ik alleen maar ongedierte was en dat het never-nooit-niet voor mij zou afgaan.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Alle klasse VI tech apparaten haten stervelingen. Ze denken dat ze te goed voor ons zijn.’

 

Ze brachten hun juttersraapsel naar de loods en de oude Henkelmayer stempelde hun kredietkaarten af met vette sepia-inkt. De kaart was nu goed voor acht warme maaltijden in de Grote Hal, zag Jonathan. Nog drie stempels en hij kon ze inwisselen voor nieuwe laarzen.

‘Dat is alles?’ zei Henkelmayer en keek naar Jonathan op met zijn slimme eksteroogjes.

Jonathan werd zich plotseling akelig bewust het gewicht van de fles. De kilte van het glas straalde dwars door zijn shirt en ondergoed.

‘Dat is alles,’ mompelde hij.

‘Och ja, het is het goede recht van iedere burger om zijn eigen graf te graven. Vertel je meisje dat ze het niet allemaal in één keer moet opdrinken. ‘

Henkelmayer was helderziend, zijn pijnappelklier aangetikt door de Oude Goden, en hij kon buitenaardse technologie ruiken, zelfs als het in drie lagen lood gewikkeld, onderin de mestvaalt verstopt zat.

 

Mei opende haar deur voordat Jonathan kon kloppen en ze was even verblindend mooi als altijd. Neem die prachtig schuine ogen nu, met de dikke wimpers en die lome slaapkameropslag. Dat was ongeveer zo ver als je van een bol schelvisoog kon komen. Haar lieve handen waren klein en beweeglijk, Mei’s haar een zwart glanzende helm, veel korter geknipt dan bij de andere meisjes uit het dorp. Mei rook altijd schoon, een helder parfum gedistilleerd uit zonlicht en bloeiende heide. Als de ochtendwind in je gezicht, met de zon net boven de horizon. In Mei’s gezelschap was iedere dag gloednieuw en veelbelovend.

‘Betreed mijn domicilie,’ sprak ze. ‘Ik begrijp dat je iets voor me hebt?’ Ze had zo’n vreemde, hoogdravende manier van praten, alsof ze haar Nederlands geleerd had uit een woordenboek dat een negen­tiende-eeuwse missionaris in Chengdu achtergelaten had. Soms stopte ze midden in een zin en het was of ze dan razendsnel door die hand­leiding bladerde en met haar vinger langs de woordenlijstjes ging.

Jonathan zette de fles op haar eettafel van gelakt wrakhout.

‘Bij de vloedlijn opgepikt. Het is vers van de springvloed gisteren en het praat. Er zit zelfs nog wat cola in.’ Hij tuitte zijn lippen. ‘Denk je dat het nog drinkbaar is?’’

‘Magie uit de mensentijd. Dat rijpt zoals elke uitstekende wijn, liefste. En dit is authentieke Coca Cola! Geen slappe Pepsi of rare Mecca Cola. Een uiterst krachtig elixer.’ Ze deed een stap naar achteren. ‘Maar laat mij je eerst op een vrouwelijke manier belonen voor je attente gave.’ Ze omhelsde hem, hief haar gezicht op voor een kus.

Haar lippen voelden zacht en meegaand en haar geur werd sterker, sijpelde recht zijn hersenen in.

Ze zweet het seksferomoon. Net als Dagongebroed. Maakt mij verliefd. Hij moest die gedachte hardop uitgesproken hebben, want ze liet hem los, keek hem recht in de ogen. ‘Dat is inderdaad het geval. Vind je het hinderlijk?’

Een hikkende giechel wipte over zijn lippen. ‘Nee helemaal niet. Mei! Kus me alsjeblieft nog een keer. Maak mij horendol!’

‘Het verhoogt het plezier enkel. Is alles. Het laat je niets voelen dat je niet al voelt.’

Ik verkocht extasy en sweetwiet in een stad met rode letters. De zin van de ondode sjamaan dook ineens op. Zou een hoofd vol sweetwiet net zo gevoeld hebben?

Ze pakte zijn handen en legde ze op haar borsten. Ze waren tege­lijker­tijd zacht en stevig en hij voelde haar harde tepels door de zijde. Ze is even hitsig als ik. Het feromoon moet beide kanten uit werken.

Een nieuwe kus, hun tongpunten raakten elkaar en toen duwde ze hem terug. ‘Dat is wel genoeg. Ik ben je vrouw nog niet. ‘

‘Nog niet?’

‘Eerst moeten we ervoor zorgen dat onze kinderen voor altijd veilig blijven. De Mi-Go dreigde dat hij ze zou oogsten. Dat zal ik niet toe­staan, maar om hem het beste te weerstaan, heb ik betere wapens nodig. Klasse VI tech.’ Ze sloot haar ogen. ‘Waar is je broer? Ah, weer in de armen van de bakkersvrouw. Denk er nog eens aan, Eli? Je buit van vanochtend? Mooi. Links, weer rechts. Tweede strandtrap omhoog. Bos. Ik heb het.’

‘Je hebt wat?’

‘De plaats waar Eli zijn kadaver vond. Er zal waarschijnlijk veel meer techtuig over zijn dan enkel dat pistool. Bovendien is elk stukje van zo’n lijk nuttig voor een bezwering. De sterrenrassen zijn allemaal halve machines, vol hogere tech.’

‘Zouden de Shubs zijn spullen niet meegeroofd hebben? Ze namen zijn breinstenen, zijn sporen?’

‘De larven van de Zwarte Geit uit de Eindeloze Wouden blijven de eerste duizend jaar niet veel slimmer dan een kat. Het is niet zoals bij de Mi-Go: superintelligent zodra ze uit het eikapsel kruipen.’

 

Net voorbij de duinen rezen de Nederbergen op, drie kilometer hoge kliffen met een top van blinkende kalksteen en een voetstuk van basalt.

Een van de chaos-goden had ze uit de grond omhoog getrokken, dezelfde nacht dat de maan bloedrood kleurde en in de ruimte weg­tolde.

Het pad slingerde als een weggeworpen springtouw tussen het hoge gras, dat in de oude mensentijd geplant was om de duinen te veranke­ren. Een bos van waaibomen volgde. Ze bogen in een richting die niets te maken had met de heersende winden.

De Terugkeer had hen ongetwijfeld bezoedeld, bedacht Jonathan, en nu voelden ze een andere, spookachtiger wind. Misschien dezelfde storm waarop de Mi-Go laveerden?

Hij likte aan een vinger, hief zijn hand op. Ja, geen zuchtje wind, maar de naalden ritselden, de takken kraakten.

‘Weet je dat de Oude Goden net op tijd terugkeerden?’ zei Mei.

‘Wat bedoel je?’

‘We waren erg druk bezig de aarde en onszelf te vermoorden. Alle dieren en bomen. Het koraal. Grondiger moordenaars dan de Shubs of de Mi-Go.’ Ze spreidde haar armen. ‘Stel je die tijd eens voor, mijn geliefde. Superstormen loeiden aan over de zee en knakten de wolken­krabbers van Dubai als droge rietstengels. En de temperatuur bleef maar stijgen. IJsbergen kalfden af van de Groenlandse gletsjers, smeltend als ijsblokjes in hete chai. Nog een eeuw en de zeeën zouden koken.’

‘Ze hebben bijna alle mensen gedood! Mijn grootmoeder zegt dat wij ooit de hele aarde bestuurden. Miljarden van ons en nu zijn er nog maar een paar miljoen over. ‘

‘Niet overdrijven. Nog minstens een half miljard. En de Mi-Go houden zo van de kou dat ze de poolkappen weer terug laten vriezen. De Gevleugelde Poliepen hebben de op hol geslagen orkanen getemd. Het Dagongebroed en de Lagere Cthulhus hebben de oceaan schoon­gemaakt, de overtollige koolstof uit de lucht gehaald om hun diaman­ten eilanden aan te leggen.’

‘Dus we moeten we ze maar aanbidden?’

‘Dat zou te ver gaan. Het blijven monsters, ongelooflijk wreed. Ze hebben de mentaliteit van een Pol Pot of een Bolsonaro, een Timoer Lenk.’ Ze likte over haar onderlip en probeerde duidelijk de juiste conclusie te formuleren. ‘Ze hebben onze wereld gered, maar de guerilla-oorlog gaat door. Wij mensen zijn als de kakkerlakken, mag ik hopen: onmogelijk uit te roeien, welk gif je ook strooit.’

 

De zon tikte de horizon al aan toen ze eindelijk de open plek met het dode monster bereikten. Vreemd genoeg leek R’lyeh hier dichterbij dan vanaf het strand en er gleden hiërogliefen over de zonsonder­gangs­wolken, als van een arcane lichtkrant.

Een roodbruine zonnestraal deed het lijk glinsteren.

‘Voorzitter Xi zij geprezen!’ joelde Mei. ‘Moet je zien! Minstens een dozijn tech VI amuletten. Dat is meer buitenaards spul dan ik ooit bij elkaar gezien heb!’ Haar ogen straalden. Mei was even gelukkig als een klein meisje dat een drijfhouten pop en een set pas gesmede wind­gongen onder de kerstboom vindt.

‘Scheer je weg,’ raspte een stem. ‘Ze zal naar labyrinten van de diepste stad gebracht worden. Haar zaadkameraden zullen haar ver­slinden, haar substantie terugzingen in het Lied. ‘

Een lid van het Sublieme Ras stond naast een pijnboom, zijn armen een kronkelend nest van slangen. Een van zijn manipulators hield een pistool vast, hetzelfde soort pistool waarmee Eli had staan zwaaien.

‘Ik heb deze spreuk altijd al eens willen gebruiken,’ zei Mei. ‘Het was de laatste formule die onze quantum computer uitrekende.’ Ze hief een amulet van gevlochten glasvezels op en sprak een enkel woord.

Een toon zweefde over de open plek, helder als een glazen xylofoon en een draak kronkelde uit de hemel omlaag. De aanblik vervulde Jonathan met zo’n blij ontzag dat hij vergat te ademen. Stel je de zilveren herfstmaan, die de Oude Goden gestolen hadden, voor en schilder de mist boven een meer met haar stralen. Schoonheid uit pure stilte gehouwen, van hemels evenwicht.

De draak tikte de tentakel met het pistool aan en hun vijand veran­derde onmiddellijk in glas.

‘Het was de beste versie van En ik zag de Draak van de Lente uit het Meer Oprijzen, die onze computers konden berekenen,’ zei Mei. ‘Gedestilleerd uit duizenden gedichten en taoïstische spreuken. Helaas kan een sjamaan het maar één keer gebruiken.’

Onze computers. Ze zei dat alsof ze daar zelf bij was geweest. De Terugkeer vond zestig jaar geleden plaats. Hoe oud is Mei wel ? Nee, stop! Vraag een volwassen vrouw nooit hoe oud ze is.

‘Dat is een verstandig besluit,’ zei Mei. ‘Een vrouw is immers zo jong als ze zich voelt? En jij en ik, samen zullen we nog allemachtig lang jong blijven zijn.’

Ze slenterde naar het kristallen kadaver en raakte het aan. Het brak in tinkelende scherven.

‘Geen spoor van tech VI meer. De draak dronk alles op. Jammer. Ik had dat pistool goed kunnen gebruiken. ‘

‘Ik kan het voor je stelen?’ bood Jonathan aan.

‘Nee, nee. Eli is van je eigen bloed en tussen broers moet het zuiver blijven. Geen Kaïn en Abel gedoe. Ik zal hem een ​​goede prijs voor­stellen. Een aanbod dat hij onmogelijk kan weigeren zoals het oude gezegde luidt.’

‘Zoals?’

‘Hij en Marigold zijn nu al vijf jaar man en vrouw en haar buik blijft plat. Dat is niet helemaal haar schuld. ‘

Jonathan fronste. ‘Mijn broer is steriel? Zoals een muilezel? ‘

‘Een kwart van alle mannen is dat sinds de Terugkeer. Zoiets kan eenvoudig worden verholpen.’ Ze tuitte haar lippen. ‘Hij hoeft me het pistool pas te geven nadat zijn eerste kind is gedoopt.’

 

Er zijn angstdromen die je zo vaak hebt doorleefd dat ze alle kracht verloren hebben.

Toen de Mi-Go op hun binnenplaats verscheen, voelde Jonathan niets, zelfs geen spoor van vrees of ontzetting. Zijn vrouw was de machtigste sjamaan van Talinn tot St. Malo en fel als een veelvraat. Laat het aan Mei over.

Het monster keek het erf rond.

‘Wat een prachtige oogst! Niet minder dan drie kinderen, Jonathan, en je jongste dochter leert al lopen.’ Hij zette een mand vol leigrijze cilinders op. ‘Ik heb Eli’s beide zonen al genomen. De tweede dochter van de bakkersvrouw was van hem en dus plukte ik haar hersens ook maar. ‘

‘Jonathan heeft me over je verteld,’ zei Mei. ‘Je bent ooit met je leven weggekomen. We kunnen beter niet twee keer dezelfde fout maken.’ Ze hief Eli’s pistool op.

De Mi-Go grinnikte en hij moet zijn huiswerk gedaan hebben omdat het allemachtig menselijk klonk.

‘Zijn broer overblufte mij ooit. Ik heb pas later geleerd dat geen enkel mens dat wapen kan ontgrendelen.’

‘Ik ben niet bepaald menselijk,’ zei Mei. ‘Al heel lang niet meer.’ Ze haalde de trekker over.

 

Dit is een heerlijke dag, besloot Jonathan. De beste dag eigenlijk van mijn leven. Mijn kinderen spelen in de tuin, onze zoon duwt de schommel met zijn kleine zusjes, die joelen van de pret.

De stervende Mi-Go lekt bloed uit een gat zo groot als mijn vuist en de hemel stroomt met glorieus noorderlicht. Zelfs de ondode mannen die in de verte jammeren, passen op de een of andere manier in het plaatje. Ja, de meest perfecte dag die men zich maar na de Terugkeer kan wensen.

 

Share Buttons

Categories