De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2018 » Witruimte : Jasper Polane

Witruimte

Jasper Polane

 

Zij was zijn zelfmoordmissie.

De heks zat in kleermakerszit in het midden van haar tent. Haar blote voeten met gekleurde teennagels staken onder haar zwarte abaja uit. Ze keek op toen Dawud binnenkwam en herschikte haar hijab.

Hij was vergeten hoe mooi ze was. Haar ogen zwart als de nacht, poorten naar het duistere heelal, waarin het licht van de olielamp weerspiegelde als dansende sterren. Hartvormige lippen, dezelfde donkere henna als haar nagels. Expressieve smalle wenkbrauwen die de ravenzwarte kleur onthulden van haar onder de hoofddoek verborgen haren.

‘Ik ken u.’ Haar stem klonk diep en zoet. ‘Maar ik herinner me uw naam niet.’

‘Dawud al-Harûn, van de Orde der Leergierigen.’ Hij maakte een buiging. ‘We hebben elkaar al eens eerder ontmoet. Lang geleden, op de Nachtmerriemarkt.’

‘De Nachtmerriemarkt? Dat moet inderdaad lang geleden zijn.’ Ze gebaarde hem tegenover haar plaats te nemen. ‘Welkom in mijn bescheiden tent, administrator. Mijn naam is Zahra. Waar kan ik u mee van dienst zijn?’

‘Mag ik u eerst welkom heten in de vijftiende eeuw. Mijn orde en het Ottomaanse leger zijn vereerd dat u zich bij ons voegt, priesteres van Rastaban.’

Ze glimlachte en zijn hart sloeg een slag over.

‘Is dat het?’ vroeg ze. ‘Het Ottomaanse leger?’

‘Hun sultan is nog steeds de baas. Hij heeft adviseurs en leveranciers uit de Witruimte, maar hij is nog steeds degene die bepaalt hoe alle raad en wapentuig wordt ingezet.’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat het wat uitmaakt. De christenen hebben ook hulp bij hun verdediging. We komen er niet doorheen.’

‘En daarom komt u bij mij?’

‘U weet waarom ik bij u kom.’ Hij haalde een aantekenboekje uit zijn buidel en bladerde erin. Hij kende de naam uit zijn hoofd, maar het was prettig zijn aandacht op iets anders dan haar ogen te vestigen. Hij las voor: ‘De C.A.D., een demon in de eerste cirkel. U kocht hem op de Nachtmerriemarkt, in de periode dat ik daar als assistent-administrator gevestigd was.’

Ze wierp een blik op de mand die schuin achter haar tegen het tentdoek stond. Het rieten deksel was vastgebonden met drie linten: een rood, een zwart en een zilverkleurig, in elkaar gebonden tot een onbreekbaar kwantumslot.

‘Als u weet dat ik de C.A.D. onder mijn toezicht heb, weet u vast ook waarom de sibbe hem aan mij heeft toevertrouwd,’ zei ze. ‘Ik kan hem niet gebruiken.’

‘Vrouwe Zahra, ik hoop dat u van gedachte wilt veranderen. We hebben uw hulp nodig.’

‘Willen is het probleem niet. Ik kán de C.A.D. niet gebruiken, ook al zou ik willen. Ik kan niet aan zijn voorwaarden voldoen. Het spijt me, administrator, u bent voor niets gekomen.’

‘Het spijt mij ook.’ Dawud stond op en maakte een lichte buiging naar de heks. Hij had de tentflap al opzij geschoven toen ze sprak: ‘Ik kan de C.A.D. niet inzetten, maar ik heb meerdere demonen onder mijn hoede: derde en tweede cirkel. Misschien minder machtig dan de C.A.D., echter te gebruiken zonder voorwaarden. Het is niet hetzelfde, maar alle kleine beetjes helpen.’

Hij twijfelde even of hij om zou draaien, besloot van niet en bleef voor zich uit staren terwijl hij zei: ‘Dank u, priesteres. We kunnen elke hulp goed gebruiken.’

 

Buiten de tent, bevrijd van haar ogen, slaakte Dawud nog eens een diepe zucht. Zahra, hier! Daar had hij niet op gerekend! Hij had misschien langer moeten blijven, met haar praten, een connectie leggen, maar zijn gevoelens hadden hem verraden.

Zijn vader had hem meer dan eens gewaarschuwd nooit verliefd te worden op een Rastabanheks, hoe mooi ze ook was. De heksen waren allemaal betoverend, zonder uitzondering. Trap er niet in, zei zijn vader. Hun schoonheid was schijn, een dekmantel voor hun verdorven innerlijk.

Maar zijn vaders raadgeving ten spijt was hij gevallen voor de eerste heks die hij had ontmoet, tientallen jaren geleden op de Nachtmerrie­markt. Als vijftienjarige was hij dat verdorven innerlijk compleet vergeten bij het zien van de inktzwarte ogen, gelegen in de schaduw van die lange wimpers, en het diepe decolleté van die perfecte borsten. Wat nou, innerlijk?

Dat hij haar nog eens zou ontmoeten had hij nooit kunnen denken. Hij was natuurlijk allang geen vijftien meer, maar evengoed had haar glimlach zijn liefde opnieuw aangewakkerd. Ook al had hij er niet op gerekend, het verbaasde hem geenszins dat ze zijn hart nooit verlaten had.

Misschien zou het zijn opdracht makkelijker maken. Zijn missie ging voor alles. De heks zou de C.A.D. gebruiken. Constantinopel zou vallen.

23 mei 1453 – het beleg van Constantinopel – de Witruimte-herconfiguratie.26B

 

De aanval was in volle gang. Het flikkerende krachtschild dat de Byzantijnen om de stad hadden opgetrokken werd continu geteisterd door de pulsgeweren van de Ottomaanse artillerie en lichtte blauw op waar de lasers insloegen. De schoten verzwakten het genoeg zodat de voetsoldaten er met hun vibrobajonetten doorheen konden snijden en de stadsmuur konden bereiken. De Ottomanen zetten hun zwarte ladders ertegen en begonnen te klimmen, of maakten gebruik van antigrav-schijven om de muur op te komen. De Byzantijnen op de muur vuurden op hun beurt energiewapens naar beneden om de soldaten van de ladders te schieten. Elk kwartier ging het enorme plasmakanon van de Ottomanen af en sloeg gaten in de muur die groot genoeg waren om walvisschepen doorheen te laten.

 

Dawud sloeg de veldslag door zijn verrekijker gade vanaf de heuvel aan de rand van het legerkamp. De muur en de paar honderd meter eronder waren een angstdroom van dood en verderf. Blokken steen regenden op de soldaten neer en stampten hen tot rode pulp. Plasma dat niet door het krachtschild heen kwam spetterde in het rond en vrat met een sissend geluid door alles en iedereen heen die het raakte. De grond was bezaaid met gesneuvelde soldaten en de rivier kleurde rood met het bloed van duizenden slachtoffers. Het gekerm van de gewonden oversteeg zelfs het geknal en gezoem van de wapens.

Het duurde uren voordat de aftocht werd geblazen en de Ottomanen zich terugtrokken, achternagezeten door de laserpulsen van de Byzan­tijnen. Dawud bleef toekijken totdat de laatste Ottomaanse soldaten buiten het bereik van de tegenstander waren.

Met een zucht liet hij de kijker zakken. De aanval had het leven van veel soldaten gekost, maar had het Ottomaanse leger niet dichter bij de overwinning gebracht. Het Byzantijnse krachtschild was intussen weer op volle sterkte en de zelf-reparerende stenen van de stadsmuur waren druk bezig de gaten te dichten.

Dawud had de allereerste versie van dit beleg meegemaakt, jaren geleden in de oorspronkelijke tijdlijn, toen hij werkte als assistent van administrator Assad al-Sunil, wiens baan hij nu had. Destijds bemoeiden de facties van de Witruimte zich nog niet met de strijd, die werd gevochten met authentieke wapens zoals zwaarden, speren en bogen, ook al hadden de Ottomanen toen ook een lijvig kanon gehad, zij het één traditionele die kogels afschoot. Het leger kon de stad ternauwernood innemen, omdat ze het geluk hadden dat een of andere sukkel was vergeten een zijpoort op slot te doen.

Maar dit keer hadden ze dat geluk niet. Groeperingen uit de Witruimte hadden hun oog op deze plaats in ruimtetijd laten vallen en nu werd de hele stad omgeven door een krachtschild. De verdedigers hanteerden wapens die vaak niet te onderscheiden waren van magie en alle natuurwetten leken te schenden. Tot dusver was het de aanvallers nog niet gelukt door de verdediging heen te breken, zelfs niet met hun eigen zo-goed-als-magisch wapentuig.

Dawud had er weinig vertrouwen in dat het de Ottomanen deze keer zou lukken de stad in te nemen. Toch was het van cruciaal belang dat Constantinopel zou vallen. Daarom was hij hier.

 

Toen hij de volgende avond bij haar tent kwam was ze er niet. Na enige tijd zoeken vond hij haar op dezelfde heuvel als hij de vorige avond voor zijn uitzicht gebruikt had, uitkijkend over de stad. Hij beklom de heuvel, met in zijn handen de kartonnen taartdoos.

Ze keek om toen hij haar naderde, haar donkere ogen vol emotie. Hij kon niet bepalen of ze hem afkeurend aankeek of dat ze hem verwelkomde, maar dat maakte hem niets uit. Als ze maar naar hém keek.

‘Goedenavond, administrator,’ zei ze. ‘Ik hoopte al dat u me op zou komen zoeken.’

Zodra ze haar aandacht op hem legde was Dawud zijn ingestudeerde tekst kwijt. In het nauw gedreven doordat hij plotseling moest improviseren stamelde hij: ‘Ja, door mijn werk op de Nachtmerriemarkt ben ik erg geïnteresseerd in de werking van demonen. Ik zou graag observeren hoe u deze gebruikt.’

‘Voel u vrij,’ zei Zahra. ‘Deze demon kan pas om twaalf uur ’s nachts gebruikt worden. Dat is over veertig minuten. Misschien wilt u uw boekje alvast gereedhouden.’

Ze draaide zich met de rug naar hem toe en richtte haar aandacht op het slagveld onder hen, waar de gesneuvelde soldaten van vandaag verzameld werden. Ze zouden vannacht begraven worden en hun programmatuur zou naar de Witruimte gekopieerd worden, zodat ze later ergens anders, in een andere tijd en op een andere plaats, ingezet konden worden in een nieuwe oorlog. De volle maan stond hoog boven de stad en rimpelde wanneer er een stroompiek door het krachtschild trok.

Hij was haar belangstelling kwijt. Hij had meteen moeten toegeven dat hij voor háár kwam.

Snel liep hij de laatste paar stappen de heuvel op en ging naast haar staan. Hij opende de taartdoos en bood haar de chocoladebruine cilindervormige gebakjes aan.

Zijn stem kraakte door zijn droge keel. ‘Ik heb iets voor u meege­nomen.’

Zahra keek verwonderd van hem naar de doos en weer terug. Ze nam een gebakje voorzichtig tussen haar vingers en draaide het onderzoekend in haar hand. ‘Wat zijn het?’

‘Ze heten zoenen, of soms chocozoenen. Een wafeltje als bodem, geklopt eischuim en een dun laagje chocola. Uitgevonden in de negentiende eeuw en zeer populair tot het einde van de twintigste, toen de naam veranderd moest worden.’

‘Waarom?’

‘Eerst heetten ze negerzoenen. Dat werd door sommigen racistisch of discriminerend gevonden.’ Dawud haalde zijn schouders op. ‘Iden­titeitspolitiek was toen anders dan nu.’

‘Ze gewoon “zoenen” noemen is wel de meest fantasieloze oplossing die ze konden bedenken,’ zei Zahra met een glimlach. ‘Ik zou ze nachtzoenen genoemd hebben, dan blijft die associatie met donker in de naam.’

‘Nachtzoenen hè? Mooi,’ zei Dawud. ‘Of klapzoenen, tongzoenen, Franse kussen, pakkerds, smakkerds.’

‘Nee, nachtzoenen is het beste.’

‘Daar heeft u gelijk in,’ antwoordde hij. ‘Kom, neem een hap.’

‘Waar begin ik?’

Dawud deed het voor. Hij pakte de nachtzoen bij het wafeltje en nam een grote hap van de bovenkant. Het chocola kraakte en een explosie van zoetigheid vulde zijn mond.

Zahra volgde zijn voorbeeld. Ze nam voorzichtig een klein hapje. ‘O, wat zoet!’ riep ze uit. ‘Wel lekker, hoor, maar zoeter dan honing!’

Ze nam nog een hap, nog een en een tijdje aten ze hun nachtzoen op, in stilte totdat die werd doorbroken door het gekraak van de wafeltjes. Zahra likte haar vingers af voordat ze hem weer aankeek.

‘Ze zijn moeilijk te eten, deze zoenen, maar ze zijn verrukkelijk.’

Ze lachte, vrolijk en verrassend, en tikte met haar vinger op het puntje van haar neus. Met een grijns veegde hij het schuim van zijn neus.

‘Nu heeft u mij een zoen gegeven, maar ik u nog niets. Ik sta bij u in het krijt.’

Plotseling stond ze tegen hem aan. Haar bedwelmende aanwezigheid omstrengelde zijn zintuigen. Haar boezem drukte zacht tegen zijn borstkas aan. Haar zoete geur deed zijn hoofd tollen. Ze keek hem diep in zijn ogen en hij dacht te verdrinken in haar zwarte ogen, maar toen sloot ze ze en hield haar hoofd een beetje schuin.

Hun kus was zacht en zoet, als een nachtzoen. Hij wilde zijn armen om haar heen te slaan, maar durfde niet en zij liet haar armen ook langs haar lichaam hangen. Waar haar lichaam hem aanraakte stuurde ze stroomstootjes het zijne in, die zijn hart aanjaagden en zijn kruis roerden. Het leek een eeuwigheid te duren en tegelijkertijd veel te kort. Toen ze zich uit de kus losmaakte keek ze hem een moment teder aan, kwetsbaar en gevoelig, meer vrouw dan heks, maar toen viel haar eigen mysterieuze aura weer over haar heen.

Hij wist niet wat te zeggen, dus zei hij weer eens het verkeerde: ‘Zahra, het is bijna middernacht…’

Ze deed een stap terug. Haar warmte en zoetheid verliet hem. Ze draaide zich om en keek naar de zilveren maanschijf die boven de stad hing. ‘Juist… de demon.’

Ze maakte een fijn polskettinkje los en ging met haar wijsvinger de zilverkleurige kralen langs totdat ze bij een afwijkende kraal kwam, wit uitgeslagen en een millimeter groter. Die drukte ze fijn tussen duim en wijsvinger. Een klein olijfgroen wormpje sprong uit de kraal tevoorschijn en zweefde omhoog. Terwijl het verder de lucht in vloog werd het snel groter. Het groeide en groeide, totdat het een groene slang bleek te zijn.

‘Dit is de Bakunawa,’ zei Zahra. ‘Hij is…’

‘…de Eter van de Maan,’ vulde Dawud aan. ‘De eclipsdemon.’

De slang bleef groeien, totdat een gigantisch monster, met rode tong en asgrijze vleugels, als een speer op de maan afstevende. Er klonk geschreeuw van soldaten op het veld onder hen en vanaf de kantelen van de stad.

‘Er is een oude profetie die vertelt dat Constantinopel zal vallen wanneer de maan verdwijnt,’ zei Zahra. ‘Bakunawa zal dit bewerk­stelligen.’

Dawud trok een wenkbrauw op. ‘Werkt dat? Is dat alles wat er nodig is? De maan verdwijnt en de profetie komt uit?’

‘Nee, natuurlijk niet,’ grijnsde Zahra. ‘Maar dat weten de Byzantijnen niet. Hoezeer hun adviseurs uit de Witruimte hen ook zullen verzekeren dat er niets aan de hand is, zij zullen ontmoedigd worden door de maansverduistering. De Ottomanen geloven er trouwens ook in, dus zij zullen extra gesterkt worden. Dubbele winst.’

De gigantische slang bereikte de maan en opende zijn enorme muil. Op het moment dat de zilveren schijf in zijn bek verdween loste Bakunawa in het niets op. De lucht boven de stad leeg, de maan verdwenen. Overal vanuit de stad steeg gehuil, gejammer en gebeden op. Vanuit het Ottomaanse legerkamp klonk gejuich.

Met een tevreden glimlachje richtte Zahra haar aandacht weer op haar kettinkje. Ze wreef met haar vingers over de kapotte kraal en toen ze het kettinkje weer om haar pols bond, zat de wit uitgeslagen kraal er weer aan, met de Bakunawa erin.

De profetie zou in vervulling gaan.

 

‘Waarom is het zo belangrijk dat Constantinopel valt?’ vroeg Zahra.

Het was de volgende dag en ze zaten op ‘hun’ heuvel in kleermakers­zit naast elkaar. Zahra had een urn van wit porselein tussen haar voeten geklemd.

Onder hen sloegen nieuwe golven soldaten tegen de stadsmuren. Het plasmakanon en de pulsgeweren vuurden in computergestuurde inter­vallen op het Byzantijnse krachtschild. De Ottomanen haasten zich door de ontstane gaten voordat de fasegenerator het schild weer op kracht kreeg, maar werden bij de stadsmuur opgewacht door de energiewapens en  magnetische railguns van de tegenstander. De lijken stapelden zich op, waardoor de aanvallende soldaten bergen lichamen moesten beklimmen om bij de muur te komen.

‘Waarom bemoeien uw Orde der Leergierigen en andere afdelingen van de Witruimte zich met deze oorlog?’ Ze wees op de stad in de verte. ‘Het is niet meer dan een suf stadje, waarvan de reputatie vele malen groter is dan zijn werkelijke aard. Waarom verspillen jullie zoveel middelen om de Ottomanen te laten winnen?’

Dawud haalde zijn blocnote tevoorschijn en bladerde naar zijn vijftiende-eeuwse tijdlijn en hield die voor haar op. Ze kroop wat dichterbij om beter te kunnen zien. Deze keer wist hij wel wat te zeggen. Hier had hij jaren voor gestudeerd en hij kende de stof door en door. De nabijheid van een zoet ruikende warme dame leidde hem af, maar niet genoeg om zijn opleiding te vergeten.

‘De val van Constantinopel in 1453 markeert het einde van de Middeleeuwen,’ legde hij uit. Hij trok met zijn wijsvinger een denkbeeldige lijn van boven naar beneden op het papier. ‘Links leven de volkeren in angst. Ze zijn bang voor God, of hun leiders, of de monsters die zich in de nacht schuilhouden. Rechts de geboorte van belangrijke nieuwe ontwikkelingen, de neergang van het feodale stelsel, de opkomst van de drukpers en het buskruit. Een tijd waarin de mens zijn omgeving steeds beter leert kennen en gebruiken.’

‘Maar dat is slechts een voortgang van ontwikkelingen die zich al enige jaren voordoen,’ zei Zahra. ‘Ontwikkelingen die in de Middeleeuwen geboren zijn en verder zullen gaan, Constantinopel of geen Constantinopel. De val van de stad is een symbool, een idee.’

‘U bent een priesteres, u moet toch de kracht van symbolisme kennen?’ Hij keek haar aan en zij keek met die donkere poelen terug. Dit keer verdronk hij echter niet. ‘De maansverduistering van Bakunawa was ook een idee. Maar niet “slechts” een idee: een heel krachtig idee. Als de stad niet valt zal de wereld in duisternis gehuld blijven. De wetenschap zal geen nieuwe opmars maken, de technologische revoluties zullen achterwege blijven en uiteindelijk zal de Witruimte nooit bestaan hebben.’

‘Ik heb de filosofische kant van de Leergierigen altijd interessant gevonden.’ Zahra glimlachte. Ze greep naar de urn en haalde het deksel eraf. ‘Ik zal eerst deze demon loslaten. Ik denk dat ik u daarna nog een keer ga zoenen.’

De demon Osiris, de Herrezene, had de uiterlijke vorm van een wervelwind die bestond uit grauwe as. Hij stormde over het slagveld, over de opgestapelde lichamen en regende warm- en koelgrijze stukjes op hen neer. De lijken die door de as ondergesneeuwd raakten begonnen zich te roeren. Een spookachtig gekreun kwam uit hun monden. Houterig en onbehaaglijk stonden ze op. Niet langer dood, niet echt levend, maar ondood, onlevend. Demonische as-zombies uit de Witruimte, bestuurd door de Osiris-software van de heks. De zombies raapten hun pulsgeweren en vibrobajonetten op en begonnen aan een nieuwe bestorming van de muren.

Zahra en Dawud zagen het niet. Zij waren verwikkeld in een innige kus, hartstochtelijk en geweldig. Ze had haar armen om zijn nek gelegd en trok hem naar zich toe. Hij sloeg zijn armen om haar middel en deed hetzelfde, hun lichamen stevig tegen elkaar aan getrokken alsof ze in elkaar versmelten zouden, hun warmte delend. Iedere seconde dat hun lippen elkaar raakten wond hem meer op.

Hij wilde meer. Natuurlijk wilde hij meer. Maar nu nog niet. Dat zou te snel zijn. Vooralsnog was deze kus perfect.

 

Die nacht kon hij de slaap niet vatten. Hij lag in zijn tent, eenzaam en alleen, zijn gedachten volledig beheerst door die donkere ogen, die heerlijke volle lippen, die ongelooflijke borsten en die prachtige billen. Haar zoete geur en smaak bleven om hem heen hangen en vervulden zijn verbeelding. Zou hij naar haar toegaan? Wat zou ze doen als hij bij haar de tent inkroop? Zou ze hem met open armen ontvangen? Hij geloofde niet dat ze hem weg zou sturen, maar toch durfde hij niet, ook al was er niets dat hij liever zou doen.

Het zou niet verstandig zijn. Hij zou wachten, totdat hij zeker wist dat ze hetzelfde voor hem voelde. Dus bleef hij liggen, dan weer op zijn rug starend naar de vouwen van zijn tent, dan weer draaiend en woelend, op zoek naar slaap. Haar gezicht bij hem wanneer hij zijn ogen sloot, haar gelach in zijn oren wanneer hij zijn hoofd onder zijn kussen verborg. Toen hij de volgende ochtend uit de tent kroop voelde hij zich ellendig en nauwelijks uitgerust.

Hij had het werkelijk flink te pakken. Ieder moment van de dag dacht hij aan haar. Wanneer hij door het kampement liep bleef hij in het rond kijken, in de hoop dat hij haar tegen zou komen, ook al wist hij dat ze hier nooit kwam. Elke vrouw die hij zag vergeleek hij met haar, maar geen van hen was ook maar half zo mooi.

Hij zwierf door het kamp, op zoek naar niets in het bijzonder. Hij wist dat deze zotheid niet lang kon duren. Hij moest een missie vervullen. Daarom was hij hier. Daarom had hij haar opgezocht. Het was niet de bedoeling geweest dat híj zo hoteldebotel voor haar zou vallen.

Zijn missie. Zijn verdomde zelfmoordmissie… Hij had hem gekregen omdat hij bekend was met de C.A.D., niet omdat hij Zahra kende. Dat hij lang geleden verliefd op haar was geworden deed er niet toe. Toen was hij een tiener, een jongen nog, het was kalverliefde. Liefde op het eerste gezicht was immers niet echt. Het was een bevlieging, meer niet. Niemand had erop gerekend dat liefde op het tweede gezicht vele malen heviger zou zijn.

Dus nu liep hij hier, wetende dat hij de vrouw van wie hij hield moest verraden. Hij wist dat zijn opdracht haar pijn zou doen. Zoveel pijn dat ze er misschien nooit meer overheen zou komen. Was dat het waard?

Haar pijn deed hem meer dan zijn eigen naderende dood. Hij wist dat hij deze missie niet zou overleven – niet kón overleven – en had zich daar bij neergelegd. Hij had zijn bevelen van de Orde der Leergierigen. Zahra’s gevoelens waren nevenschade, collateral damage. jammerlijk, maar niet te vermijden.

Of wel?

Hij keek naar de stad in de verte, de bruingrijze en grijsbruine stenen van de muren, het kleirood en baksteenoranje van de daken. Constan­tinopel moest vallen, anders zou de Witruimte nooit bestaan. Dat had hij aan Zahra verteld, zoals zijn mentor Assad al-Sunil hem had verteld. Maar had hij gelijk?

Of had Zahra gelijk, als ze zei dat de ontwikkelingen van de afgelopen jaren verder zouden gaan, Constantinopel of geen Constantinopel? Dan zou zijn opdracht onnodig zijn.

Hij probeerde zich haar gezicht voor te stellen. Treurend. Zou ze huilen? Tranen in haar ogen, misschien, maar meer dan dat kon hij zich nauwelijks inbeelden. Hij had zich echter haar lach ook niet kunnen inbeelden en haar kussen al helemaal niet. Zahra was een gepassioneerde vrouw en haar emoties witheet als vloeibaar metaal. Ze zou huilen, ze zou schreeuwen, ze zou hem haten en vervloeken. De pijn zou haar nooit verlaten.

Hij kon het niet. Hij hield te veel van haar. Hij kon haar geen pijn doen. Hij zou haar geen pijn doen.

Dawud activeerde zijn interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

 

Hij materialiseerde op het witte strand van de planeet Newton-5. Hij was van plan geweest om een paar dagen hier door te brengen; hangen aan de bar van de strandtent, mijmerend uitkijken over het groene water van de Koperzee, misschien een gedicht of twee schrijven. Maar zijn verliefdheid liet hem niet met rust. Gedachten over lange strandwandelingen en vrijen in de branding drongen zich aan hem op. Een poging een gedicht over Zahra te schrijven resulteerde enkel in een bladzijde in zijn aantekenboekje volgekladderd met hartjes. Dit was duidelijk niet de plaats om haar achter zich te laten.

Dan maar het grove geschut: haar proberen te vergeten met drank, drugs en seks. Hij streek neer op de planeet Hades en bezocht daar de beroemde plezierpaleizen. Hij had keuze uit mensvrouwen en -mannen, hermafrodieten, katmeisjes en duivelsjongens, klonen van bekende vloggers en zelfs een aantal ex-politici. Voor elk wat wils, maar Dawud begreep snel dat zijn smaak er niet bij zat. Hij verlangde slechts naar één vrouw.

Drie dagen bleef hij reizen, steeds verder weg van de Aarde in 1453, weg van de vrouw bij wie hij het liefst wilde zijn. De Orde van Leergierigen had intussen gemerkt dat hij weg was. Hij nam hun oproepen niet aan. Iedere avond wiste hij hun ingesproken berichten, onbeluisterd. Totdat op de derde avond een bericht binnenkwam dat niet van de Leergierigen afkomstig was. Zijn hart sloeg een slag over toen hij de User ID zag: ZaHRa.

Met trillende vingers opende hij de voicemail. Haar zoete stem begon zakelijk: ‘Administrator, dit is Zahra. Ik heb uw aanwezigheid gemist de afgelopen avonden en ik bel om te informeren of alles in orde is. Ik heb nog een demon tot mijn beschikking. Die zal ik morgen activeren.’ Toen werd haar stem zachter, teder bijna: ‘Dawud… Ontloop je me? Heb ik iets gedaan? Heb ik iets gezegd? Als dat zo is dan spijt het me. Zie ik je morgen? Kus.’

Hij zuchtte een keer diep. Hij kon haar niet meer ontlopen. Die kus had zijn lot bezegeld.

 

Die dag was de hemel het gebroken wit van verse room, dat in de middag verschoot naar een dreigend okergrijs. Dawud had besloten zijn drie subjectieve dagen objectief te maken zodat hij de achtentwintigste pas terug was in Byzantium. Zwijgend, met lood in zijn schoenen en in zijn maag, liep hij de heuvel op. Hij kreeg kippenvel toen hij haar zag staan, zo mooi en beangstigend.

Ze keek niet om.

In de verte rolde een dikke mist vanaf zee het land op, als een roofdier dat geluidloos naderbij sloop. De stad lag er grauw en versleten bij, een slapend dier te log om zich uit te voeten te maken wanneer de nevel hem zou grijpen. Ongehinderd door het krachtschild rolde de mist de straten in. Al snel waren de straten van Constantinopel gehuld in een dikke, ondoorzichtige deken.

‘De djinn Ibris.’ Zahra’s stem klonk vlak. ‘Een demon van de tweede cirkel, nuttig om angst te zaaien en het moreel van de tegenstander te ondermijnen.’

‘Een soort nanonevel?’ Dawud keek door zijn verrekijker. ‘Hoe komt het door het krachtschild? Onze nevels ketsen erop af.’

‘Het krachtschild is poreus. Het laat lucht door, anders zouden de inwoners van de stad allang gestikt zijn. Het schild is geprogrammeerd om mechanische nanobots tegen te houden, maar het laat watermoleculen door.’

‘Bedoel je dat het echte watermist is?’

‘Slimme watermist, uitgerust met verschillende aanvalssubroutines.’

‘Geprogrammeerd water? Dat is niet mogelijk.’

‘Daar is het een demon voor. Ibris zal vanavond pas zijn volle effect krijgen.’ Ze ging als een kleermaker op de grond zitten. ‘Nu wachten we.’

Dawud nam plaats naast haar op de grond. Enige tijd zaten ze zwijgend naast elkaar, niet omkijkend, elkaars aanwezigheid amper bevestigend.

‘U hebt niets fout gedaan.’ Dawud schraapte zijn keel. ‘Daarom ging ik niet weg. Ik… Ik ben juist heel graag in uw gezelschap. Maar u bent een priesteres en ik ben een administrator. Het is onmogelijk te bepalen wat onze kansen zijn als we deze plaats en tijd verlaten, ná de val van Constantinopel. Kunnen we samenzijn totdat ieder van ons een nieuwe opdracht krijgt? Kunnen we een relatie in stand houden als we miljoenen ruimtetijdpunten van elkaar verwijderd zijn? Die onzekerheid beangstigt me. Ik wil geen ketenen smeden waar ik niet meer uit kan komen als u weg bent.’

Zahra bleef zwijgend naar de in nevel gehulde stad kijken.

‘Eloquent, administrator,’ zei ze uiteindelijk. ‘Zeg alsjeblieft “jij” tegen me.’

‘Het spijt me. Ik had op zijn minst afscheid moeten nemen.’

‘Dan was je misschien niet meer teruggekomen,’ zei ze met een brede glimlach. ‘Je had op zijn minst nog een doos nachtzoenen mee kunnen nemen.’

‘Daar heb ik niet aan gedacht. Neem je genoegen met een ander soort zoen?’

‘Eentje maar?’

Ze hadden natuurlijk vaker gekust, maar zo voelde het niet. Nog steeds klopte Dawuds hart in zijn keel, nog steeds sloeg zijn hoofd op hol, nog steeds gaf ze hem kippenvel. Ze maakten zich los uit de kus. Haar zoete adem verliet hem, maar die onpeilbare ogen lieten hem niet los.

‘De afgelopen drie dagen hebben mij ook de kans gegeven na te denken. En je hebt gelijk, het is lang niet zeker of we bij elkaar kunnen blijven. Het is echter zeker dat we nú bij elkaar zijn. Misschien is dat genoeg. Onze toekomst is onzeker, maar nu is niet het moment om ons daar druk over te maken.’ Ze stond op, streek haar abaja glad. Dawud keek haar na terwijl ze de heuvel afliep, totdat ze halverwege bleef staan en vroeg: ‘Kom je?’

Hij wierp een blik op de stad in de verte, nog steeds bedekt in een dikke wolkendeken. ‘Maar… de demon?’

‘Ibris kan zijn werk doen zonder ons. Kom mee.’

 

’s Avonds slonk de mist, als een waterzak die leeggegoten werd, maar de Ibrisnevel liet een cadeautje achter. De demon had kleine aanpassingen gemaakt in de alles omringende omgevingssoftware van de Witruimte. Het programma werd door ontelbare kleine subroutines geleid, die steeds minuscule veranderingen in de stad aanbrachten. De  aanwezige ontwerpers  uit de Witruimte hadden al snel door wat er gebeurde en probeerden de demon te onderscheppen, maar ze waren te laat.

Vlammen overspoelden de koepel van de Hagia Sophia. Glinsterende lichten verhieven zich uit het dak van de kathedraal en vlogen naar het westen, tot ver in het afgelegen platteland achter het kamp van de Ottomanen.

Een gehuil rees op uit de stad. Geschreeuw klonk vanaf de stads­muren. Onheilsprofeten zwierven door de straten en verkon­digden het einde van Constantinopel, nu de Heilige Geest de kathedraal was ontvlucht.

De Ibrisnevel had zijn werk gedaan, maar Dawud en Zahra waren er niet om zijn verrichtingen te aanschouwen. Zij bevonden zich in Zahra’s tent en maakten hun eigen vlammen.

 

Naderhand lagen ze bij elkaar, starend naar het tentdoek boven hen, Dawud een arm om haar heen geslagen. Hij zou zich gelukkig moeten voelen, nu hij niet alleen seks had gehad met zijn droomvrouw, maar er ook een relatie in het verschiet lag. Maar zo voelde hij zich niet. Hij werd koud en alsmaar kouder, want hij wist wat nu ging komen.

‘Ik hou van je,’ zei hij zacht.

‘Ik ook van jou,’ antwoordde ze. Ze lachte van oor tot oor. ‘Het zou niet mogelijk moeten zijn, maar toch is het zo. Ik hou van je, Dawud al-Harûn.’

‘Dat is fijn om te horen.’

Zijn kille toon deed haar opkijken. Ze richtte zich op en bestudeerde zijn gezicht. Plotseling verscheen het besef in haar ogen.

‘O nee!’ Met beide handen duwde ze hem van zich af. ‘Nee nee nee! Jij! Jij klootzak!’

Ze sloeg hem, keer op keer, haar vuisten tegen zijn blote borst. Hij voelde er weinig van, want ze hield zich onwillekeurig in, maar de pijn in Dawuds hart werd bij iedere slag heviger. Hij sloeg zijn armen om haar heen en drukte haar tegen zich aan.

‘Mijn lief…’

‘Noem me niet zo! Jij… klootzak!’ Ze verzette zich tegen zijn greep en probeerde zich los te trekken. Na enige worsteling liet hij haar gaan. Ze rolde van hem weg en bleef met haar rug naar hem toe liggen.

‘Zahra… Het spijt…’

‘Lieg niet tegen me. Het spijt je niet.’ Ze bleef met haar gezicht naar het tentdoek liggen, maar haar stem trilde genoeg om haar emotie te bepalen. ‘Kwam je alleen naar hier om me te versieren?’

Dawud probeerde de brok in zijn keel weg te slikken. ‘In het begin wel, ja,’ gaf hij toe.

‘Klootzak. Waarom moet je mijn hart als wapen gebruiken?’

‘En het mijne.’ Hij wreef de tranen uit zijn ogen. ‘Ik hou van je, Zahra. Ik heb altijd van je gehouden, vanaf het moment dat ik je voor het eerst zag. Jij bent de vrouw die mijn leven beheerst.’

Haar onderlip trilde. Haar ademhaling was diep en trilde. ‘Maar dat is niet belangrijk. Het gaat er niet om of je van mij houdt of niet, het gaat erom of ík van jóu houd.’

‘En dat is zo… toch?’

Zahra richtte zich op en ging op haar knieën zitten. Dawuds hart zonk, zwaar als steen, toen hij de uitgelopen strepen kohl op haar gezicht zag. Haar donkere ogen straalden nu enkel nog verdriet uit. Na enige tijd elkaar stilzwijgend te hebben aangekeken reikte zij onder haar kussen en haalde er een dolk vandaan.

‘De C.A.D., de resetdemon.’ Haar stem was nauwelijks meer dan gefluister. ‘Een demon van de eerste cirkel, zo sterk dat hij voor­waarden aan zijn meesteres kan stellen. In dit geval: de dood van een geliefde. Een reset van het hart. Ik heb de demon onder mijn hoede omdat ik geen geliefde heb… of had.’

De nano-dolk zat in een schede van kracht, vergelijkbaar met het schild van de Byzantijnen, omdat het lemmet scherp genoeg was om door elke materie heen te snijden. De dolk kon door diamant heen snijden, dus door een mens zou geen probleem zijn. Dawud zou er waarschijnlijk niets van voelen.

Zahra trok de dolk uit de schede. ‘We hoeven de C.A.D. niet te gebruiken. We kunnen hier weggaan, vluchten, de boel de boel laten. Laat de Ottomanen en de Byzantijnen en alle Witruimte-facties het maar uitvechten. Alsjeblieft, Dawud, ga met me mee…’

Natuurlijk kwam hij in de verleiding. Hij aanschouwde de prachtige naakte vrouw voor hem en kon zich maar al te goed voorstellen hoe het zou zijn de rest van zijn leven met haar door te brengen. Een eeuwigheid naar haar kijken, met haar praten, kussen, neuken… Natuurlijk was het niet zeker of ze bij elkaar zouden blijven, maar in de liefde was het dat nooit. Ze zouden het toch kunnen proberen…

‘Nee, we moeten deze oorlog winnen. Constantinopel moet vallen. De Middeleeuwen moeten eindigen.’

Ze liet een zacht gejammer horen. Haar schouders schokten, slechts één keer. Toen stootte ze haar dolk in zijn hart.

 

Ze nam geen moeite zich aan te kleden. Slechts gekleed in tranen en Dawuds bloed tilde ze de rieten mand de heuvel op. Daar zette ze het op de grond en legde haar hand op het kwantumslot. Dat herkende meteen haar DNA-signatuur en liet een goedkeurende bliep horen. De linten gleden geluidloos op de grond. Ze schoof het deksel van de mand af en bevrijdde de demon.

De heksen van Rastaban waren de hoedsters van demonen uit de Witruimte. Zahra bezat een verzameling broncodes, subroutines en kunstmatige intelligenties, brokken programmatuur van verworpen ontwikkelingspaden uit de post-humanistische superomgeving. De meesten daarvan mocht ze gebruiken wanneer ze dat nodig achtte, zoals ze Bakunawa en Osiris en Ibris had gebruikt om het Ottomaanse leger te helpen.

Sommige demonen waren echter te gevaarlijk, te krachtig. Krank­zinnige zelfbewuste virussen, zo sterk dat het eisen aan zijn gebruiker kon stellen. Ze stelden voorwaarden, zoals de dood van een geliefde.

Een lichtgevende reeks nullen en enen steeg op uit de mand. Hij bleef kort voor haar gezicht hangen en zette toen uit. Het verspreidde zich gelijkmatig over de omgevingssoftware. Fluorescerend blauwe golven zwommen naar de stadsmuur. Een zee van licht verspreidde zich over het Ottomaanse kamp.

De C.A.D., de resetdemon, breidde zich uit. Hij bereikte het kracht­veld dat om Constantinopel lag en begon het uit te wissen. Aan de andere kant van het slagveld wikkelde het zich om het plasmakanon en nam gulzige happen uit de broncode. Pulsgeweren, vibrobajonetten, as-zombies, nano-nevels, integriteitsbrekers, trans-realiteitscapacitors, digitale re­plicanten, biomorfische klonen; de C.A.D. wiste alles wat de facties uit de Witruimte naar deze plaats hadden gebracht.

Zahra voelde de demon door haar programmatuur gaan, maar Dawuds bloed beschermde haar. Net zoals alle heksen had ze een karakteranalyse moeten ondergaan toen ze als jong meisje de sibbe van Rastaban betrad. Afstandelijk, had de A.I. haar genoemd. Een observator, had het gezegd. En vooral: niet in staat om lief te hebben. Het computer­programma was onfeilbaar, maar toch had het geen gelijk gehad. Het had met één variabele geen rekening gehouden: dat iemand van háár zou kunnen houden. Haar verschijning, aura en status als priesteres was meestal genoeg om mannen op een afstand te houden. Dawud was de eerste die dat krachtveld had doorbroken, omdat hij vanaf het moment dat hij haar voor het eerst zag van haar hield. Liefde op het eerste gezicht bestond niet, dat stond vast. Miljoenen applicaties en simulaties hadden het onderzocht en waren het daar over eens. Liefde op het eerste gezicht was een symbool, een idee.

Maar niet ‘slechts’ een idee. Een heel krachtig idee.

Terwijl de C.A.D. de lagen Witruimte van de historische feitelijkheid afstroopte en echt gescheiden werd van niet echt, begon Zahra het te begrijpen. Ze zag het, nu. Ze zag waarom Dawud zijn leven had gegeven.

Ze leefden in een universum waarin alles mogelijk was. Dankzij de onvoorstelbaar geavanceerde technologie van de Witruimte kon iedereen zijn wie ze wilden zijn, eruitzien zoals ze wilden, leven zoals ze wilden. Ze konden elke planeet in het Melkwegstelsel bezoeken zonder zich zorgen te hoeven maken of ze daar konden overleven. Ze konden elk moment in de tijd beleven, verleden en toekomst, zonder zich zorgen te maken of ze de tijdlijn zouden beschadigen. De demonen van de Nachtmerriemarkt brachten zelfs het onmogelijke binnen hand­bereik.

Alles was mogelijk, de Witruimte had onbeperkt potentieel. Het was het blanke canvas wachtende op de schilder, de witte bladzijde in afwachting van de schrijver. Daarom waren ideeën belangrijker dan ooit. Ideeën, dromen, symbolen, ze waren de motoren achter de maakbare superrealiteit. Ze zwengelden het geheel aan.

Je kunt alles maken wat je wilt. Wat ga je maken? Een idee.

Daarom moest Constantinopel vallen. Hij had als symbolische droom veel meer waarde dan als reële stad. Vertellers zouden tot ver in de toekomst verhalen blijven optekenen over zijn legendarische bibliotheek, zijn onneembare muren, zijn omvang en zijn rijkdom. De mythe van Constantinopel zou zich door de tijd uitrekken en tot de verbeelding blijven spreken.

Zonder die mythe was Zahra hier niet geweest. Wij allemaal niet.

 

 

29 mei 1453 – de val van Constantinopel – basisconfiguratie.0

 

De tijdlijn vervaagde.

Zahra activeerde haar interface en trok zich terug, weg van Constantinopel en het legerkamp, dieper de Witruimte in.

Categories