De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2019

Home » Jaar » 2018 » De Heeren van ’s Gravensande : Anaïd Haen

De Heeren van ’s Gravensande

Anaïd Haen

 

Expositie

‘Gaat het?’

Mariska staat met haar rug naar me toe, haar schouders smal. Ze knikt. ‘Ben wel oké.’

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar tegen mijn borst. ‘Mijn broertje heeft zijn condoleances gestuurd.’

‘Dat is lief van Haijo, bedank hem van me.’

Mijn kin raakt net haar krullende haren. We kijken door het raam van de aula de enige andere bezoeker aan de rouwdienst na als deze zich door een taxidrone laat ophalen. Een verre neef van haar vader of zoiets. Hij zwaait nog voor hij instapt.

‘Papa moet heel eenzaam zijn geweest.’ Ze leunt tegen me aan, een beetje trillend. ‘Zelfs mama is niet gekomen.’

Ik druk een kus op haar kruin. ‘Daar heeft hij zelf voor gekozen, schat.’ Klein was ze altijd al, maar nu ik haar zo vasthoud merk ik dat ze de afgelopen dagen flink afgevallen moet zijn. Breekbaar. Het is ook geen sinecure om je vader voor je deur ineen te zien zakken.

Samen met de begrafenisondernemer (een humobot, zo te zien hoge klasse) lopen we achter de kist aan naar de droogvriezer. Mariska heeft erop gestaan zelf de vijzel te hanteren. ‘Dat is het minste wat ik kan doen.’

Op een seintje van de uitvaarder haalt ze de schakelaar aan de muur om. Achter het raam in de deur verschijnen ijsbloemen. Het gaat razendsnel, vanaf de onderkant van het glas tot aan de bovenkant. Ik wil bijna vragen hoe dat kan, maar ik realiseer me net op tijd dat er vocht in een menselijk lichaam zit en dat het doel van dat droogvriezen juist is om dat eraan te onttrekken,

Mariska heft haar hand en volgt met haar vinger de fragiele lijntjes van de groeiende kristallen. ‘Dit zou hij mooi hebben gevonden,’ verzucht ze.

Het duurt maar een minuutje of drie. Genoeg tijd om mij het gevoel te geven dat het mijn botten zijn die bevriezen. Dat ik verschrompel tot minder dan 6% van mijn massa om dan BAM! door de vijzel tot poeder geslagen te worden.

 

‘Alstublieft.’ De begrafenisondernemer piept een beetje als hij het sigarenkistje aan Mariska overhandigt. Ik vermoed in het pols­schar­nier. Als hij in mijn fabriek zou staan, zou ik hem laten door­smeren, want die gewrichten zijn veel te gevoelig voor vastlopen.

‘Dank u wel.’ Mariska pakt het doosje aan en wrijft erover met haar hand. ‘Ik wist niets beters om hem in te bewaren, hij rookte deze zo graag.’

Verbeeld ik het me nu, of haalt de begrafenisondernemer zijn schouders een beetje op? Ze maken die humobots ook steeds mense­lijker!

‘Roken is illegaal …’ begint het ding na wat geknars de standaard overheidsriedel af te steken. ‘De boetes op …’

‘Dat weten we.’ Ik pak Mariska’s elleboog. ‘Kom, schat. We hebben een afspraak met de notaris.’

 

Intrige

De enige manier om er te komen is varen of wachten op eb en hopen dat het water dan laag genoeg komt om te lopen. Zo dicht aan de kust, met de onverwacht opstekende duinzandhozen, kunnen drones niet komen.

Mariska wacht op eb. Ik dus ook. We zitten op de top van een duin en laten de zachte zeewind over onze gezichten strijken. Het sigarenkistje staat tussen ons in. Voor ons, over de watergeul, ligt wat rest van een bungalowpark. Eens heette het De Heeren van ’s Gravensande, maar vanaf hier is duidelijk te zien dat er nog maar één heer overeind staat.

‘Is dat het vakantiehuisje van je ouders?’ Ik wijs naar het grijze huis met de vierkante toren. Het staat hoger dan de ruïnes eromheen. Onder het dak van de toren zitten ramen rondom. Hiervandaan is te zien dat er een paar gebroken zijn.

‘Ja. Het is al in de familie sinds 2003, mijn betovergrootouders hebben het gekocht. Mijn opa heeft de duin eronder laten ophogen toen het water kwam.’ Ze tekent met haar voeten een hart in het zand. ‘Voor jou.’

Het mijne slaat over. Lief. Ik buig me naar haar toe en kus haar.

 

Als we dichterbij komen, zwoegend door het zachte zand onder onze voeten, is steeds beter te zien dat het huisje in slechte staat verkeert. De oranje pannen op het dak zijn verschoten naar een vaag geel. Er ontbreken er veel. Twee zonnepanelen liggen in stukken voor het huis, een derde bungelt scheef aan de dakgoot. De voorgevel is met een soort kunststof bekleed dat allang verboden is. Ooit moet het een blauw­achtig grijze kleur hebben gehad, maar nu is het verbleekt en krom­getrokken bij de hoeken. Het stucwerk vertoont gaten en aan de zijkant van de toren zit een scheur die zo diep en breed is, dat ik vermoed dat de muur omvalt als ertegenaan wordt geblazen.

‘Het lijkt wel een kind met een wisselgebit.’ Mariska kijkt naar me op. ‘Zo herinner ik het me niet.’

Ik begrijp wat ze bedoelt, hoewel het huis op mij eerder overkomt als een verslaafde bejaarde met rottende tanden.

We lopen het pad naar de voordeur op. Duidelijk te herkennen omdat er links en rechts wallen zand liggen. Er staat een sneeuwschep tegen de gevel. Haar vader moet het zand vaak opzij hebben geschept.

Mariska steekt de sleutel in het slot. Ze legt haar voorhoofd even tegen de deur. ‘Ik had hem hier weg moeten halen, hè?’

‘Zou hij meegegaan zijn?’

Ze schudt haar hoofd en draait de sleutel om.

Binnen zoemt de stroomomvormer. Kennelijk werkt dat zonnepaneel nog. Er is zand onder de deur door gewaaid; een fijne laag bedekt de rood­bruine vloertegels in de vierkante hal. Mariska’s bergschoenen maken er afdrukken in.

Rechts een deur, zo te zien van de wc, recht vooruit eentje met glas erin. Die gaat naar de woonkamer; ik zie een donkerblauw bankje en wat verdroogde kamerplanten. Links de trap. Mariska gaat naar boven, ik volg haar.

Stuifzand bedekt de treden, naarmate we hoger komen, meer. We komen op de overloop. Mariska negeert de deuren waarachter naar ik aanneem slaapkamer, slaapkamer, badkamer liggen en steekt over naar de volgende trap. Aan het eind maakt die een draai naar rechts.

Ze staat stil. Ik ga op de tree achter haar staan en kan dan nog steeds over haar heen kijken. Kleintje. ‘Wat is er?’

Een piepklein kantoor. Rondom ramen, een paar kapot. Zand stuift naar binnen. Ik zie een bureau, een enorme stoel, een telescoop op een statief en een …

‘Is dat een kanon?’ Mijn mond valt open. Een ouderwets, zeven­tiende-eeuws kolossaal kanon op een houten onderstel met ernaast een stapel kogels. ‘Dat die niet door de vloer zakt!’

‘Verstevigd.’ Mariska stapt het kantoortje binnen, legt het sigaren­kistje op het bureau en loopt naar de fauteuil. Ze klopt het zand eraf. Uit de gleuf tussen de leuning en de zitting haalt ze een aansteker tevoorschijn. Ze knipt hem aan. Een vlammetje danst boven haar hand. ‘Hier zat hij altijd, de laatste jaren.’ Ze blaast het vlammetje uit en knikt naar de telescoop. ‘Bijna dag en nacht door dat ding te staren, met zijn hand boven de lont.’

Ik stap achter haar aan en moet bukken om mijn hoofd niet tegen het dak te stoten. In het midden van het kamertje kan ik rechtop staan. De ramen geven rondom uitzicht op vooral zee. In de verte zie ik de pieken van de torenflats van Rotterdam uit het water opsteken, de andere kant op moet Den Haag zijn. Speedbootjes trekken witte sporen door het water als ze van flat naar flat varen. Het eilandje waar we ons op bevinden is nauwelijks groter dan een paar voetbalvelden. Ingestorte huisjes, volgestroomd met zand, vormen nieuwe duinen. Eenzaam. Een tikje verontrust over de vreemdheid van haar vader bekijk ik waar de telescoop op gericht staat. ‘Keek hij naar zee?’

Mariska schuift met de stoel naar de telescoop en legt haar rechter­oog ertegenaan. ‘Altijd naar de zee.’ Ze streelt het kanon. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien zat hij hier. Alle keren ervoor ook.’ Ze fronst. ‘Nu ik erover nadenk: alleen als klein meisje heb ik hem op een andere plek gezien dan hier. Toen leefde zijn vader nog, volgens mij. Dat moet …’ Nadenkend wrijft ze over haar bovenlip. ‘… zeker dertig jaar geleden zijn.’

‘Maar waarom?’ Ik kijk naar het kanon. Ook dat heeft de loop op zee gericht staan. ‘Verwachtte hij de Brittanniërs, soms?’ Alsof die na de Vijfde Engels-Nederlandse Oorlog nog mogelijkheden hadden het Kanaal over te steken.

‘Ik heb geen idee.’ Mariska ploft in de stoel. ‘Mama is niet voor niets bij hem weggegaan, hij wilde alsmaar hier blijven.’ Ze wrijft over de leuningen. ‘Ik heb zo gedacht: als we nu eens zijn poeder hier achter­laten? Hier, in de stoel?’

Ik glimlach. Het idee is gepast, maar hartstikke illegaal gezien de recyclingwet. ‘Je weet dat dat niet m…’

‘Ja, tuurlijk. En roken mag ook niet.’ Ze rolt met haar ogen, zet haar benen wijd uit elkaar, buigt zich voorover en trekt de onderkant van de stoel open. ‘We zijn rijk, schat.’

Tientallen sigarenkistjes.

‘Zijn ze vol?’ Ik hap naar adem. Iets wat je ook schijnt te doen als je veel rookt.

‘Dat neem ik aan. Want de lege stuurde hij me altijd per post op.’ Ze knikt naar het kistje op het bureau. ‘Daarom had ik die.’

 

Het zijn er zevenenvijftig. Zevenenvijftig sigarenkistjes met een straat­waarde van zo’n zestigduizend euro per kistje. Visioenen van inves­teringen in betere robots schieten door mijn hoofd. Misschien kan ik eindelijk die auto-inpakker aanschaffen waar ik al jaren van droom. ‘We zijn niet rijk. We zijn schathemeltergend rijk. Als we ze verkocht krijgen, tenminste.’

‘Doe niet zo somber. Dat lukt ons wel.’ Mijn lief vriendinnetje pakt een kistje uit de stoel en schuift de lade weer dicht. Op mijn vragende blik zegt ze: ‘We zijn met één kistje gekomen, we gaan met één kistje weer weg.’

Bijdehandje.

Ik loop naar het bureau. Er staat een vierkante kast op met een tastbaar scherm ernaast: een computer. Ik herken het apparaat uit mijn jeugd; mijn grootmoeder had er zo eentje. ‘Zou hij het doen? Het ding is antiek.’

‘Oh, die doet het. Hij hield alles in stand.’

Ik houd mijn glimlach in en kijk naar de kapotte ramen. ‘Niet alles even succesvol, lieverd.’

Ze steekt haar tong naar me uit.

 

Bepakt en bezakt met allerlei spulletjes die ze wil meenemen stapt ze het huisje uit. Ik heb net het pad weer vrijgemaakt van zand en zet de sneeuwschep terug op zijn plekje tegen de gevel. Het zweet biggelt me over de rug, zandruimen is zwaar werk. ‘Ben je klaar?’

Ze knikt. ‘Papa heeft een mooi plekje midden op de fauteuil gekregen, telescoop en kanon onder handbereik. Het kantoortje is aangeveegd en opgeruimd, dat was fijn om te doen.’ Ze staat even stil, de sleutel voor het slot. ‘Ik heb de computer niet uitgeprobeerd, hoor; vond het opeens te persoonlijk om in zijn bestanden te snuffelen.’

‘Jij en privacy.’ Glimlachend schud ik mijn hoofd. Beschermer. ‘Wat maakt het nu nog uit voor hem?’

Ze schokschoudert. ‘Ik draai de deur weer op slot, hè? Dan weten we zeker dat niemand erin kan om de siga…’ Ze kijkt omhoog, opeens behoedzaam.

Ik volg haar blik, zie niets wat op een overheidsdrone kan wijzen en haal dan toch ook opgelucht adem. Het is een ding om zevenvijftig kistjes vol sigaren te vinden, het is een ander ding om ze onopgemerkt mee te smokkelen en te verkopen. Beter maar onze monden erover gehouden.

 

Pas als we bij de oversteekplaats komen, beseffen we onze vergissing: het water is terug. Woest kolkt het door de geul die we een paar uur geleden nog lopend konden oversteken. Ik denk dat ik wel lang genoeg ben om erdoorheen te waden, maar Mariska niet.

‘Ik kan op je rug klimmen,’ stelt ze half lachend voor.

‘En dat dan de stroming aan mijn benen trekt en we beiden kopje-onder gaan? Ik ben geen paard.’ Ik steek mijn tong naar haar uit. ‘Kom, we gaan terug. Ik durf te wedden dat je paps genoeg conserven in huis had om het jaren te kunnen overleven. We blijven vannacht hier en gaan morgen terug, zodra het weer eb is.’

‘Kan dat wel, met de fabriek?’ Ze bijt op haar onderlip. ‘Je had toch morgen die installatie?’

Oef, ja. Ik haal mijn hand door mijn haar en voel fijne zandkorreltjes erin. ‘Ik bel wel even dat ik dan later kom. Jolanda is prima in staat het eerste stuk te begeleiden, als ik er maar ben bij de ingebruikneming.’

 

Verrassend genoeg is de slaapkamer de enige plaats in huis waar geen zand ligt, behalve dan hetgeen wij mee naar binnen hebben gelopen. Aan de slaapkamer grenst de badkamer. Er komt geen water meer uit de kranen en de toiletspullen van Mariska’s vader liggen er nog keurig in het gelid op het plankje onder de spiegel, maar afgezien van de onbruik­baarheid is het een onbeschadigde ruimte.

‘Als we ons kwaad zouden maken, zou het dan op te knappen zijn?’ Mariska trekt een schone set lakens uit de kast.

Ik ga aan de andere kant van het bed staan en pak de punten van het hoeslaken aan. ‘Waarom zou je dat willen? Het is al half vervallen, over een poosje heeft de natuur het weer helemaal overgenomen.’ Ik trek het elastiek van het laken over de punt van het matras, eerst het hoofdeinde, daarna het voeteneinde.

‘Ja, ik weet het niet. Ik dacht … Het is toch zonde als het verdwijnt? Het is nu mijn bezit en met de opbrengst van de sigarenkistjes … Wat?’

Mezelf vervloekend omdat ze me te goed kan lezen, schud ik mijn hoofd. ‘Nee, niks.’

‘Schei uit, Bart. Wat is er?’ Ze gooit me het dekbedovertrek toe. ‘Jij bent er handiger in.’

Ik keer het overtrek binnenstebuiten en pak de punten van het dekbed aan. Het lukt me niet haar vorsende blik te weerstaan. Mijn gezicht kleurt als ik toegeef dat ik de winst anders had willen besteden dan aan het opknappen van een vergaan vakantiehuisje dat eerdaags toch bedolven onder zand of door de golven opgeslokt zal worden. ‘Ik dacht alleen dat we het geld zouden kunnen gebruiken voor de fabriek. Dan zou het leven wat makkelijker worden.’

‘Ah.’

Ik heb mijn armen wijd en omhoog en schud het overtrek netjes over het dekbed. Dat ‘Ah’ geeft wel aan wat ze ervan denkt en ik voel me een rotzak. Maar goed dat ik achter het dekbed sta, hoef ik haar even niet aan te kijken. ‘Sorry, schat.’

‘Nee, geefnie.’ Ze schikt samen met mij het dekbed over het bed. ‘Ik doe het nu eenmaal met een industrieel.’ Ze knipoogt. ‘Als er wat over­blijft, goed?’

Ik doe mijn best mijn teleurstelling te verbijten en knik.

 

Climax

Midden in de nacht word ik wakker omdat ze weg is. Ik voel over het laken, het is koud. Ze moet al snel uit bed gekropen zijn gisteravond.

‘Maris?’ Ik ga rechtop zitten. De deur staat op een kier open. ‘Waar ben je?’

Boven mijn hoofd hoor ik gestommel.

Ik schiet in mijn jeans en schoenen. Er zit zand in en op. ‘Had je de deur niet kunnen dichtdoen?’

Al onder aan de trap zie ik een blauwwit licht. ‘Schat?’ Ik loop naar boven.

Ze heeft de fauteuil voor het bureau gedraaid en zit op het puntje ervan. Achter haar staat het sigarenkistje, haar ogen zijn op het scherm gericht. Kennelijk werkte de computer inderdaad nog. Zonder naar mij om te kijken zegt ze: ‘Je kunt maar beter gaan.’

Hoor ik haar nou goed? ‘Gaan? Wat bedoel je, gaan?’ Ik stap de laatste tree op en stoot mijn achterhoofd tegen het schuine dak. ‘Auw!’

Ze reageert niet. En meer dan de andere rare dingen die ze doet, zoals stiekem het bed uitgaan om midden in de nacht naar een antiek computerscherm te staren, baart het uitblijven van haar gebruikelijke ‘kusje d’rop?’ mij zorgen.

Ik ga achter haar staan. Vanaf het scherm staart haar vader me aan, zo te zien midden in een zin. Het beeld is bevroren, wat me onwille­keurig aan de inhoud van het sigarenkistje doet denken. Zijn vinger is opgeheven, zijn mond vormt een O.

‘Wat is er aan de hand?’

Mariska blijft strak vooruitkijken. ‘Ik zei dat je moest gaan, je bent toch niet doof?’ Fel.

Is ze nou helemaal gek geworden? Ik pak de rugleuning van de stoel beet en draai hem 180 graden, zet mijn handen op de armleuningen. ‘Doe eens niet zo lelijk tegen me! Ik stel je een normale vraag.’

Nu ze niet meer oog in oog met het scherm zit, kan ze me wel aan­kijken. Haar ogen zijn rood, alsof ze de hele nacht heeft gehuild.

Mijn zorgen om haar ontploffen in mijn buik. ‘Wat is er toch?’

Haar onderlip trilt. ‘Ik kan het je niet uitleggen,’ zegt ze hakkelend. ‘Maar ik moet hier blijven.’

Een stoot lucht ontsnapt aan mijn longen. ‘Hier?’ Ik ga rechtop staan en gebaar om me heen. ‘Hoelang?’

Een traan glijdt over haar wang. ‘Voor altijd.’

Knettergek. Ik kijk over haar schouder naar het scherm. Net zo gestoord als haar vader. ‘Laat het me zien!’

Ze schudt haar hoofd. ‘Er mag maar één persoon weten wat … anders …’ Angstig kijkt ze door het raam naar de maanbeschenen zee.

‘Schei eens uit!’ Nu word ik boos. Ik ruk de stoel opzij en tik op het scherm van de computer. Er gebeurt niks. Ik tik nog een keer.

‘Het werkt niet zo.’ Haar stem naast me klinkt triomfantelijk en kleintjes tegelijk. ‘Dat tikken deden ze jaren later.’

Ik doe mijn best mijn ergernis te onderdrukken. ‘Hoe werkt het dan?’

Weer staart ze over zee. De golven hebben witte toppen. ‘Dat vertel ik je niet.’ Haar kaken verstrakken, het licht van het computerscherm maakt haar gezicht hoekig. Vastberaden. ‘Het is beter als je niet weet wat er is.’

Ik ken haar goed genoeg om te weten dat ze het daarbij zal houden. Of ik nu kwaad, verdrietig, zielig of hoopvol reageer; het zal geen verschil maken.

‘Zoals je wilt.’ Ik loop naar de trap. ‘Zodra het eb is, ben ik hier weg.’ Doe ik toch zielig, verdomme!

 

Met het sigarenkistje onder mijn arm loop ik naar de voordeur. ‘Ik ga!’

Geen sjoege.

Mijn hand rust op de deurknop, mijn oren zijn gespitst op geluid van boven. Maar er komt niets, Mariska zegt niets, niet eens gedag. Ik stap naar buiten.

Het tuinpad is alweer bedekt met een dun laagje zand. Ik onderdruk de neiging om de sneeuwschep te pakken en sluit de deur achter me. Mijn voetstappen maken een knarsend geluid.

Het water is nog niet helemaal weg uit de geul, maar ik heb geen zin om terug te gaan naar het huisje en daar te wachten tot volledig eb. Ik trek mijn schoenen en sokken uit en rol mijn broekspijpen omhoog. Nog snel werp ik een blik achterom. Hoog in de toren, net boven het kozijn, zie ik een bos krullen. Mariska kijkt niet eens mijn kant op.

Beledigd stekker ik door het water. Het natte zand zuigt aan mijn voeten, houdt me vast. Met moeite worstel ik me door de geul, die dieper is dan ik ingeschat heb. Het water stroomt snel en komt tot mijn knieholten, maakt mijn broek nat. Fraai, moet ik zo door naar de fabriek. Foeterend op mezelf, Mariska, haar vader en dat debiele kanon ploeter ik verder.

Aan de overkant beklim ik de duin waar we gisteren nog samen op hebben gezeten. Het zand is rul onder mijn voeten en glijdt steeds weg, ik moet vooroverbuigen om boven te kunnen komen. Hijgend plof ik neer op de top en duw mijn voeten in het losse zand, in de hoop dat ze daarmee wat drogen.

Vanaf deze hoogte kan ik haar koppie beter zien dan van onderaf. Ze kijkt door de telescoop, onafgebroken. Concentratie.

Een vlaag wind laat de tranen in mijn ogen schieten. Waarom weet ik niet, maar ik moet opeens aan vorige week denken, aan toen haar vader opeens aanbelde.

Hij was graatmager, helemaal niet meer de gevulde en goedlachse man die Mariska me op foto’s had laten zien. Graatmager en geel. Zijn oogwit, zijn huid, zelfs zijn tandvlees. Ik opende de deur en deinsde achteruit, zo griezelig zag hij eruit. Ziek.

Gelukkig konden we de dokter in het ziekenhuis ervan overtuigen dat hij geen ‘uitgezaaide longkanker’ moest diagnosticeren. Anders had Mariska de boete geërfd in plaats van het vakantiehuis met zevenen­vijftig sigarenkistjes. Vol.

Somber staar ik naar het kistje dat ik naast me in het zand heb gelegd. Wat heb ik aan investeringen zonder haar?

Knipperend tegen de tranen, die me ondanks het liggen van de wind toch parten blijven spelen, trek ik mijn sokken uit mijn schoenen. Ik klop ze recht en trek mijn rechtervoet over mijn knie. Sok aan. Linkervoet.

In het zand voor me ligt nog vaag zichtbaar het hart dat ze gister met haar voeten heeft gemaakt.

 

Catastrofe

‘Ik ben terug.’ Ik weet dat ze niet zal reageren, maar dat maakt niet uit. Ik zet de boodschappen op het aanrecht en recht mijn rug. Het is aan­ge­­naam warm binnen, ook hartje winter. Er zijn maar vier sigaren­kistjes nodig geweest om dit huisje in bijna oude glorie te herstellen. Voor drie andere heb ik een hovercraft gekocht, die me nu al vier maanden over de duinen en door de geul helpt, en met nog eens dertien is het werk in de fabriek zoveel gemakkelijker geworden dat ik het me kan permitteren om iedere dag naar hier te komen om eten te koken en Mariska af te lossen zodat ze kan douchen en dutten. Niet dat ik weet waar ik op moet letten, maar ik hang mijn oog plichtsgetrouw tegen de telescoop en probeer wakker te blijven.

‘Spaghetti vandaag, goed?’ Ik geef haar het bord aan en ga half op het kanon zitten, net als iedere avond. ‘Nog iets gebeurd?’ Ik wijs met mijn vork naar de donkere zee. Morgen de ramen eens zemen, door de stort­bui van gisteravond zijn ze beplakt met druppels zand.

Onwillig richt Mariska haar blik van de telescoop naar haar bord. Haar rechteroog is omrand door een blauwe cirkel, zo hard drukt ze tegen de kijker. ‘Nee.’

Onder het eten vertel ik van de fabriek en geef ik berichten door van haar vriendinnen en collega’s, die haar allemaal missen en denken dat ze van de erfenis spontaan op een wereldreis is gegaan. Eentje die zo haar aandacht opslokt dat ze begrijpen dat ik degene ben die hen sporadisch voorziet van informatie over haar reis.

Ik stel uit wat ik haar echt moet zeggen. Lafaard die ik ben.

Het reisverhaal is door mij verzonnen meteen nadat ik me reali­seerde vooral niet als haar moeder te willen zijn, die haar vader hier alleen liet. Die ochtend op die duin, het sigarenkistje naast me en het hart in het zand voor me, heb ik ons een alternatief leven gegeven waardoor zij hier kon blijven zolang ze dat zou willen. Wat al langer is dan ik ooit gedacht had, gezien haar gebruikelijke wispelturigheid. Gelukkig is ze op een wereldreis met primitieve vervoersmiddelen.

Als ik geen nieuwtjes meer heb, eten we zwijgend tot ik eindelijk genoeg moed heb verzameld.

‘Oh, ik sprak je moeder …’

Ze kijkt me vragend aan. Haar gezicht is bleek, haar wangen inge­vallen. Ik zeg er niks meer over, want alles wordt toch weggewuifd. Eigenwijs. ‘Wat is er met mama?’

‘Het zal wel niks zijn, maar ze zag er slecht uit.’

Haar kaken stoppen met kauwen, het bord zakt op haar bovenbenen. ‘Hoe slecht?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Bleek. En haar handen beefden, ze kon niet meer borduren zei ze.’ Ik zet mijn vork in het bord en draai de slierten roodgespikkelde pasta eromheen. ‘Ach, je kent haar. Ze kraakt en piept en leeft langer dan haar broers en zussen.’

‘Niet meer borduren?’ Haar onderlip trilt. ‘Hoe slecht, Bart?’

Opeens schaam ik me voor de manier waarop ik dit nieuws vertel. Net als zij weet ik dat haar moeder onlosmakelijk verbonden is met hand­werken. En dat niet-meer-borduren gelijk staat aan stervende zijn.

Ik neem haar bord van haar schoot en zet het naast het mijne op het bureau. ‘Ik denk …’ Ik schraap mijn keel en pak haar handen. ‘Ik denk erg slecht, schat.’ Het komt er fluisterend uit. ‘Als je haar nog wilt zien, dan …’

 

Daar gaat ze, beschenen door de maan. Voor het eerst in vier maanden is ze weg van dit eenzame oord. Ze zit als een koningin zo recht op de hovercraft en bestuurt hem alsof ze nooit anders heeft gedaan. Haar haren wapperen vanonder haar muts achter haar aan. Het water in de geul spettert op als ze eroverheen glijdt.

Ik zak in de fauteuil en klop op het kanon naast me. ‘Jij en ik, maatje. De bewakers van de Noordzeekust. De Heeren van ’s Gravensande.’ Grimmig grinnikend trek ik de lade onder mijn voeten uit. ‘De ridders van het duin. De onverschrokken bewakers van de golftoppen, de zandhelden van Hoek van Holland, enzovoorts, enzovoorts.’ Ik pak een kistje. ‘Daar nemen we een sigaartje op, wat jij?’

 

Ik schrik op van een vlaag wind die tegen het huisje beukt. Even weet ik zeker dat de toren hier niet tegen bestand is, ook al hebben we de scheur vakkundig laten herstellen.

De sigaar is uitgegaan. Ik moet hebben gedut. Plichtsgetrouw zet ik mijn oog tegen de kijker en tuur de nu spiegelgladde zee af. Kennelijk waait het alleen hier. Niks veranderd. De maan is wel een stuk verder gekropen en hangt nu op een meter boven de horizon. Een baan helderwit licht beschijnt het water.

Toch opgelucht dat er tijdens het verzaken van mijn plicht niets is voorgevallen, sta ik op. Hoe laat zou het zijn?

Ik geef een tik tegen het halfronde ding op het bureau, dat Mariska de muis noemt. Inmiddels weet ik dat ze hiermee de computer bedient. Het scherm floept aan. In de rechterbenedenhoek zie ik dat het vijf uur is. De nacht is zowat voorbij.

Ik zet het sigarenkistje met de resten van haar vader op de stoel en klop op het deksel. ‘Jouw beurt even, ouwe jongen, ik moet de benen strekken.’

 

Met een bord vol koude overgebleven spaghetti in mijn handen stommel ik een poosje later de trap weer op. Een blik op de zee vertelt me precies wat ik al dacht: er is niks gebeurd. Ik kijk op mijn com’pad: geen nieuws van Mariska. Hopelijk valt het mee met haar moeder.

Mijn broertje Haijo laat weten op een conferentie te zijn waar het opheffen van de verzakking van Groningen besproken gaat worden. Ik veeg over zijn bericht, het is zoals gebruikelijk te lang om van voor naar achter te lezen. Bovendien gaat het bij hem nooit over concrete zaken, maar over vage dingen als het ontbreken van drijfvermogen en de kracht van bevingen. Dan liever een fabriek.

Met mijn kont leun ik tegen het bureau, langzaam kauwend op het eten. Het scherm floept weer aan achter me. Het lukt me het te negeren tot mijn bord leeg is.

‘Nu tussen jou en mij.’ Vastbesloten zet ik het bord naast het sigarenkistje op de stoel. Ik buig me over het bureau en pak de muis vast.

Het kost me maar een paar minuten om uit te vinden hoe ik hem moet gebruiken. Twee tellen later heb ik het filmpje van haar vader gevonden.

Mijn wijsvinger hangt boven de knop. Nu ik zo dichtbij ben, wankelt mijn vastberadenheid om te weten te komen wat er speelt. Ik hóéf niet te klikken. Ik kan genoegen nemen met wat we nu hebben en de wetenschap dat ik haar hiermee help voldoende vinden. We kunnen nog jaren zo door.

Nog jaren.

‘Yeah, right!’ Mijn vinger drukt op de knop.

‘Lieve Mariska,’ zegt haar vader in de camera. Wat heeft hij een mager gezicht! Zijn oogwit is geel. Zijn blauwe irissen lijken er nog helderder door. ‘Ik moet je iets vertellen wat mijn vader aan mij heeft laten weten. En daarvoor diens moeder aan hem. En zij had het weer van háár moeder. En die van haar va… maar ik heb in een apart bestand de lijst opgenomen, zodat je kunt zien tot hoe ver die teruggaat.’ Hij wuift met zijn hand. ‘Generaties. En geen van ons heeft het bij leven aan de opvolger kunnen vertellen omdat …’ Hij buigt zich naar de camera waardoor ik onwillekeurig van het scherm deins. ‘… maar één persoon tegelijk de kennis mag bezitten.’ Hij heft zijn vinger en meteen herken ik het stilstaande beeld van maanden geleden. ‘Eén, Maris. Echt niet meer dan één persoon. Anders …’ Hij rilt.

Ik klik op de muis. De film stopt.

Ik ben een stiekemerd, verdomme. De man meent overduidelijk wat hij zegt en Mariska is er tot in iedere vezel van haar lichaam van over­tuigd dat hij gelijk heeft. Op zijn minst schend ik haar vertrouwen als ik doorga.

En op zijn hoogst red ik haar van dit leven. Want als ik weet wat zij weet, kan ik haar misschien overhalen deze eenzame missie te staken.

Dat geeft de doorslag.

‘Je bent nu in een vakantiepark dat de Heeren van ’s Gravensande wordt genoemd. Het is vernoemd naar ons, de bewakers van dit stuk Noorzeekust, ook al kent niemand de herkomst van de naam. Wij zijn de Heeren. Al eeuwenlang heeft iemand van onze familie de taak op zich genomen om dit duingebied, dat zich uitstrekt van de monding van de Nieuwe-Waterweg tot voorbij de pier van Scheveningen, die overigens ook niet voor niets is gebouwd, en het land erachter te beschermen tegen het ontwaken van een Oude God.’

Een oude wat? Ik tik weer op de knop. Gelooft Mariska in een god? Wat een nonsens!

Gerustgesteld dat mijn inbreuk op haar privacy geen waarde heeft nu het zogenaamde geheim flauwekul blijkt te zijn, laat ik de film weer doorlopen.

‘In de lade onder mijn stoel zitten niet alleen sigarenkistjes. Als je ze er allemaal uithaalt, zie je een plaat. Het lijkt de bodem van de lade, maar eronder liggen alle brieven en andere boodschappendragers aan de volgende bewaker.’

Dit vraagt om verificatie. Ik zet de film stop, haal het restant van de kistjes uit de lade en kan inderdaad de bodemplaat verwijderen.

Er liggen brieven in. Stapels. Sommige kort, andere lang. Onderop met schitterend bewerkte hoofdletters, als een oude bijbel die ik ooit in mijn handen heb gehad. Ik zie ook foto’s, vergeeld en met kartel­randen, een grammofoonplaat, een videoband, een spoel met een … dat moet een film zijn, een ding dat ik herken als een USB-stick, een schijfje … allemaal boodschappen. Hoeveel zijn het er wel niet? Tientallen.

Heel wat verdwaasde geesten. Een oude god, tjonge, jonge.

Ik krabbel rechtop en klik weer op de muis.

‘We leven niet zo lang, Mariska. En jij hebt geen kinderen. Ik weet niet hoe het na jou moet, misschien kun je iemand inwijden of dit huisje nalaten? Het spijt me dat ik het niet beter heb onderhouden, ik had er het kapitaal wel voor, maar de kracht ontbrak.’ Hij hoest.

Even gaat de film op zwart, dan verschijnt hij weer in beeld. ‘Hij slaapt. Hier, vlak voor de kust, in de zeebodem. Hij heeft zich ingegraven met zijn tentakelarmen. Als hij ontwaakt zal hij een vloedgolf veroorzaken van zo’n dertig meter hoog, iedereen zal ver­drinken. De aarde zal beven als nooit tevoren. Je moet schieten, beloof je dat?’ Hij hoest weer. ‘Ik weet niet of het zal helpen, maar het is het enige wat we kunnen doen als hij omhoogkomt: schieten.’

Ik weet genoeg. Hoewel we ons in de afgelopen eeuwen achtereen­volgens hebben ontworsteld aan het Rooms-Katholicisme, het Calvi­nisme en de Islam, zijn Mariska en haar familie in de ban van de Religie van de Oude Goden. Meer specifiek: van een begraven god met tenta­kel­armen. Goedgelovig.

Ik klik de film weg. Bedtijd. Voor de vorm keer ik de stoel naar het raam met het sigarenkistje midden op de zitting. ‘Doe je werk, malloot!’

 

Tegen de tijd dat ik wakker word, is het volop dag. Ik open mijn ogen. Ze staat aan het voeteneind van het bed.

‘Ha schat, hoe is het met je moeder?’

Haar ogen zijn wijd open. De blauwe kring rond haar rechteroog steekt donker af tegen haar lijkbleke gezicht. ‘Waarom ben je hier? Waarom kijk je niet? Je zou kijken!’ Ze rent de slaapkamer uit en dendert de trap op. Haar voetstappen trillen door het huisje, ik voel het zelfs tot in mijn bed.

‘Maak je niet zo druk.’ Ik sta op en grijp mijn spijkerbroek van het voeteneind. Met mijn linkerbeen in de pijp hompel ik naar de trap. Gek genoeg trilt hij nog steeds.

‘Wat heb je gedaan?’ Mariska gilt. ‘De zee! Wat heb je gedaan?’

‘Niks! Natuurlijk niet!’ Ik ben boven en steek mijn rechterbeen door de pijp. ‘Het is allemaal onzin, lieverd. Goden bestaan niet!’ Onzacht stoot ik mijn hoofd weer eens tegen de dakrand. ‘Ik …’

Het onafgebroken trillen verandert, wordt dieper, resoneert. Het huisje kraakt.

‘Wat … heb … je … gedaan?’ Ze keert zich naar me om. Inwit. Achter haar krakt een ruit. De barst schiet van onder naar boven en vertakt zich in sneltreinvaart. Net als eerder de ijsbloemen op de ruit van de droogvriezer.

De vloer onder me ramt omhoog en valt weer weg. Ik knal op mijn knieën.

Met moeite weet ik het kanon te grijpen en me eraan overeind te trekken.

‘De zee, Bart. De zee!’

Ik zie het ook.

 

 

Peripetie

De zee is verdwenen. Zover we kunnen kijken zien we nat, glad zand.

‘We moeten weg hier! Kom!’ Ik grijp haar hand en wil haar mee­trekken, naar beneden, naar de hovercraft.

‘Nee! Het is mijn taak!’ Ze trekt zich los. ‘De aansteker, waar is de aansteker?’ Paniekerig voelt Mariska tussen de zitting en de leuning van de stoel. Ze stoot erbij tegen het kistje.

Het schuift van de zitting.

Als in een vertraagde film zie ik het met een punt op de grond terechtkomen. Het koperen slotje van het deksel is niet tegen de val bestand; het springt open.

Poeder dwarrelt op. Heel fijn poeder. Het belemmert ons zicht op elkaar en op buiten.

Er was iets met stof en aanstekers.

‘Geen vuur maken!’ Ik stap blind naar voren, stoot mijn beurse knie tegen het kanon en sla met mijn vuist tegen het gebarsten raam.

Glas rinkelt. Meteen vlaagt de wind naar binnen. Mijn hand bloedt.

Het stof verdwijnt.

De zee is terug. Hij bolt op. Ergens recht voor ons uit komt hij omhoog.

Ik kijk de liefde van mijn leven aan. ‘Een vloedgolf! We moeten hier weg!’

‘Dat is geen vloedgolf!’ Haar handen trillen. ‘Hij komt!’ Ze draait met haar duim aan het wieltje van de aansteker, maar er komt geen vlam­metje. Tweede poging, derde.

Geen tijd om met haar te discussiëren over de onzin waar ze in gelooft. ‘Geef hier.’ Ik pak de aansteker van haar af, maar mijn hand is glibberig.

Met mijn linkerhand lukt het, na drie pogingen. Ik ontsteek de lont. ‘We moeten weg!’

‘Dat heeft geen zin. Houd me vast.’ Mariska staart naar de zee. Haar blik vastgeklonken.

‘We kunnen met de hovercraft …’

‘Wat? Surfen? Daarop?’ Ze wijst naar de immense golf die ontstaat. ‘Hij is hier voor we de trappen af zijn.’

Ze heeft gelijk. Ik weet dat ze gelijk heeft, maar ik wil het niet.

Ze wankelt; de grond schudt. Voor het raam langs vallen gloednieuwe dakpannen.

Ik pak haar vast en trek haar tegen me aan.

Mijn com’pad drukt tegen mijn borst. Ik haal hem tussen ons van­daan, de boodschap van Haijo licht op.

Voor ons bolt de zee op. Zo hoog als de torenflats van Rotterdam, zo ver links van ons. Iets schiet onze kant op, een sliert of een … spaghetti?

Maar dan dik. En groen. De punt zwiept langs de toren. Een knal als van een zweepslag teistert mijn trommelvliezen. Wat …?

Ik trek Mariska steviger tegen me aan en druk op de com’pad. De zee dendert op ons af, we moeten ons hoofd al in onze nek leggen om de top van de golf te kunnen zien. Erbovenuit zwiepen tentakels. Ik zie zuignappen. Ze openen en sluiten als hongerige muilen. Ik weet dat dit niet kan, maar toch zie ik het.

‘Ze bestaan,’ fluister ik.

Het kanon dondert.

Share Buttons

Categories