De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2019

Home » Jaar » 2018 » Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar : Tais Teng en Jaap Boekestein

Het Spinkrabbenmeisje en de Dijkenfluisteraar

Tais Teng en Jaap Boekestein

 

1

Nieuw Rotterdam-aan-de-Ganges, 17 juli 2209

 

Jacob was net vijf toen de stem voor het eerst sprak. Daarvoor waren er natuurlijk wel stemmen geweest terwijl er eigenlijk niemand was: zijn teddybeer had een spraakchip, net als de danspoppen van zijn zusje die werkelijk de oren van je kop kletsten. Maar dit was anders: deze stem sloeg zijn oren over en sprak regelrecht in zijn hoofd.

‘Hoor je mij, Jacob?’

Hij keek om zich heen: zijn slaapkamer was donker, met alleen de ogen van zijn opwindwalvis als groene glimplekken.

‘Je kunt mij niet zien. Maar blijkbaar hoor je mij wel.’

‘Ik hoor je, ja.’

‘Weet je wie ik ben?

Jacob snoof. Dacht de stem dat hij een zulthoofd was? Deze stem was glanzend, ja, metallic glanzend als de schubben van de levende dijken. Hij kon er het zoemen van de propellers op de stekeltorens in horen doorklinken. ‘Je bent een dijk. Mijn oom Gulliver, hij zei dat hij de dijken kan horen spreken.’ Hij ging rechtop zitten. ‘Mijn oom, hij is een echte dijkenfluisteraar! De dijken gehoorzamen zijn bevelen. Ze zwemmen waarheen hij maar wil en pompen het land droog.’

De stem grinnikte, een geluid als tinkelen van een kristallen xylofoon. ‘Bevelen is niet het juiste woord. Meer verzoeken.’

‘Ah.’ Jacob knikte. De levende dijken waren fiere zeedraken: natuur­lijk kon je die niet bevelen, alleen berijden en dat enkel met hun instemming.

‘Besef je hoe bijzonder jij bent, Jacob? Hoogstens een op de zestig­duizend mensen kan onze stemmen horen. En luisteren doen we naar nog veel minder lieden. Alleen naar dijkenfluisteraars.’

‘Ik hoor je. Je luistert naar mij. Word ik een dijkenfluisteraar, net als oom Gulliver?’

‘Dat valt nog te bezien.’

Het was niet helemaal een belofte. Meer zoals hij zijn moeder vroeg of Vader Poseidon hem een albatrosvlieger zou brengen op Nieuwjaars­dag. Half ‘Het zou best kunnen’ en half ‘maar wees niet te teleurgesteld als het alleen een marsepeinen pinguin wordt’.

Het duurde elf jaar voor Jacob de stem opnieuw hoorde.

 

 

2

Australian Inland sea, 17 juli 2209

Hindele was als winterkind geboren en ze had vanaf het begin geweten hoe bijzonder ze was. Toen ze haar ogen opende en haar eerste jammerkreetje slaakte, voer de Vloot net door het hart van Antarctica, recht over het absolute zuiden.

Antarctica was het Gezegende Land: een ring van eilanden met stoere sparrenbossen waarboven heel de lange winternacht de aurora’s dansten. Geen boom mocht ooit gekapt worden uit dat heilige reser­vaat, geen stormvogel uit de hemel geschoten.

‘Toen ik je ogen zag,’ zei haar tante Lidwien een keer, ‘zo groen als chlorella algen, wist ik dat Gaia je gekust had. Dat je nog veel zou betekenen voor de Aarde.’

Dat had ze beter niet kunnen doen.

Kort daarna liepen Hindele en de andere kleuters over het strand van de Australische binnenzee, voor de eerste keer zonder juf, om kokkels uit het natte zand te spitten.

‘Ik word later een spinkrabbentemster,’ pochte Hindele tegen haar hartsvriendin Jup. ‘Ze luisteren naar mij! Ze doen alles wat ik zeg!’

Helaas was Jup niet de enige die het hoorde.

‘De spinkrabben luisteren naar je?’ zei Janneck. ‘De spinkrabben gehoorzamen je?’

Janneck was twee koppen groter dan Hindele en min of meer de baas van de klas.

Dat was niet omdat hij aardig was.

Hindele knikte heftig. ‘Dat doen ze!’ Ze hief haar linkerhand op en trok het zigzag teken van de Herboren Aarde. ‘Ik zweer het!’ Stom natuurlijk. Hindele wist dat ze bijzonder was maar of ze zo bijzonder was?

Janneck grijnsde. ‘Ik geloof je.’ Hij zwaaide naar de andere kinderen. ‘Kom hier! Nu meteen!’

De rest van de klas dromde om hen heen en Hindele kreeg een zeldzaam ongemakkelijk gevoel in haar buik. Alsof ze een handvol rotte mosselen had gegeten en bijna moest overgeven.

‘Het is nu eb,’ verklaarde Janneck. ‘We binden Hindele vast aan de vierde strandpaal. Stevig vast. Met verse ijzerkelp.’

Jup fronste. ‘Maar als de vloed opkomt? Het water komt hoger dan de paal. Als Hindele…’

‘Ze zei dat de spinkrabben naar haar luisteren. Dat ze komen als ze hen roept. Die zullen haar ongetwijfeld komen redden.’ Hij keek Hindele aan. ‘Zo is het toch?’

‘Dat klopt.’ Ze had het gezworen, op de Herboren Aarde zelf. Het moest wel zo zijn. ‘Het is in orde, Jup. Ze zullen mij losmaken.’ Toen Jup bleef fronzen, zei ze: ‘Het is een test. Om te zien of ik genoeg in ze geloof.’ Ze geloofde het bijna zelf.

Hindele zag ze kleiner worden, de kinderen. Eerst streepjes halver­wege het strand, toen stipjes. Hindele wriggelde en kronkelde, maar het ijzerkelp gaf geen millimeter mee en als Janneck iets kon, was het wel knopen leggen.

Tijd verstreek. Duisternis smakte met tropische abruptheid uit de hemel omlaag en de maan rolde boven de horizon uit, een reusachtige volle maan en samen met de maan arriveerde de vloed.

Waarom komt de juf mij niet losmaken? Ze moeten me toch gemist hebben bij de avondtelling?

Maar nee, de andere kinderen hadden ongetwijfeld gelogen dat ze al naar huis was gegaan. Dat haar peettante of haar geboortemoeder haar om de een of andere reden opgehaald hadden. Als alle kinderen dat beweerden, zou de juf het vast niet natrekken.

Het water rees, spoelde over haar voeten, haar enkels, klom omhoog naar haar knieën.

Ze wist heel zeker dat het geen zin had om te roepen: geen spinkrab zou naar een leugenaarster luisteren, naar een rare opschepster.

Het water klotste al om haar middel toen ze brak.

‘Help me!’ schreeuwde ze. ‘Ik zal nooit meer opscheppen. Knip alsjeblieft mijn touwen door!’

‘We hoorden je,’ sprak een stem in haar hoofd. Een stem die niets menselijks had, vol gonzende diepzeeduisternis, maar ondanks dat vriendelijk. In ieder geval vriendelijker dan Janneck ooit geklonken had. ‘Je loog niet. We kunnen je al horen sinds je je eerste kreetje slaakte.’

Een schild, afgezet met scherpe pieken, brak door het water­oppervlak. Ogen op steeltjes richtten zich op, gepantserde spinnen­poten. Een tweede spinkrab verscheen, een derde.

‘Red mij!’ schreeuwde Hindele.

‘Dat is onze taak niet,’ antwoordde de stem. ‘We redden de Aarde. Wij herbouwen de koraalriffen. Wij hoeden de alen en sturen de stromen waarin de regenboogkwallen drijven.’

‘Maar ik kan jullie horen! Ik ben een spinkrabbentemster.’

‘Nog niet,’ zei de stem. ‘En nu waarschijnlijk nooit.’

De poten scharnierden omlaag en de schilden zonken eens te meer onder de zwarte, klotsende zee.

Het water kwam tot Hindeles nek toen er een lichtje op het strand aanknipte. Tante Lidwien stapte de zee op met haar waterlaarzen en snelde over de golven naar Hindeles paal. Een haal met haar lange sago-mes dat een palm kon omkappen en de kelpsnoeren braken.

Haar tante trok haar omhoog, legde haar over de schouder en wandelde over de golven terug naar het strand.

‘De krabben vroegen mij of ze het juiste hadden gedaan,’ zei haar tante. Ze zette Hindele op een rots neer, wreef over het kippenvel op haar armen. ‘Ik vertelde ze dat dit het geval was. Een leugenares die de naam van de Herboren Aarde ijdel gebruikt, verdient een watergraf. Dat kreeften het vlees van haar botten knippen, eh?’ Ze schudde haar hoofd. ‘En dat blijft waar. Alleen ben je mijn favoriete nichtje. Tja, behalve krabbentemster is peettante mijn tweede beroep.’

Hindele barstte in snikken uit. ‘Ik kon met hen praten, alleen heb ik alles nu verpest! Ik zal nooit een krabbentemster worden.’

Haar tante tuitte haar lippen. ‘Dat valt nog te bezien.’

 

 

3

Noordzee, 9 augustus 2220

Zevenduizend gasten en dat noemde Jacobs oom een informeel feestje. Oom Gulliver had zo’n beetje de halve wereld plus hun aanhang uitgenodigd. Jacob had nog nooit zoveel mensen bij elkaar gezien. Ambassadeurs, zeeglas moguls, platina vloggers met een miljoen-plus volgelingen en daar stond zelfs een zilveren androïde van het Maan-AI collectief aan een glas Bernadette 2178 te nippen. Ook de helium­baronnen van Jupiter hadden hun uiteraard holografische afgevaar­digden gestuurd.

Een vloot van staatsiepaviljoens was aan elkaar gekoppeld tot één imposant drijvend eiland. Het hing zo’n honderd meter boven de plek waar eens Londen gelegen had.

Natuurlijk was het niet zomaar een feestje voor een favoriete neef. Dit was de gelegenheid bij uitstek om met de know how en technologie van de familie te pronken en zaken te doen. Mars was het nieuwe Beloofde Land van de drieëntwintigste eeuw. De eerste rivieren en zeeën begonnen al uit de permafrost omhoog te borrelen en het hele noordelijke halfrond zou een reusachtige oceaan worden. Behalve levende dijken bezat de familie al die eeuwenoude Hollandse kennis over waterhuishouding. Zoveel vreemde woorden die alleen de dijkenfluisteraars begrepen: afwateringskanalen, vaste dijken, duinen, slikken en schorren, stormvloedkeringen…

‘He, Jacob kijk niet zo benauwd. Mijn knappe neefje wordt maar één keer in zijn leven een dijkenfluisteraar en dat mag best gevierd worden.’

‘Ja, maar wat als…’ Jacob durfde het niet uit te spreken. Niet hardop tenminste.

Wat als de dijken mij niet accepteren? Mij gewoon wegwuiven met hun stalen zwempoten? Dan ga niet alleen ik af, maar de hele familie!

Oom Gulliver legde een hand op Jacobs schouder en kneep. ‘Maak je geen zorgen, neef, alles sal reg kommen. De dag dat ik dijkenfluisteraar werd, scheet ik zeven kleuren groen. En daar had ik meer reden voor dan jij. Bovendien, de dijken waren heus niet helemaal hierheen komen zwemmen als jij zo doof was als een zeekomkommer.’

Jacob keek naar buiten, naar de zonovergoten zee en de strakblauwe hemel. Drieëndertig levende dijken hadden zich bij de familie aan­gesloten, en degenen die konden, waren gekomen: achttien in totaal.

Een dijk in ruststand was absoluut indrukwekkend, maar ook redelijk saai: een massieve muur van geschakelde blazen, tot barstens toe volgezogen met water, in de bodem verankerd en voorzien van windmolens om energie op te wekken en het binnenwater weg te pompen. Naar behoefte kon een dijk zich uitstrekken tot meer dan honderd kilometer, en indien nodig hechtte het zich gewoon aan de staart van een andere dijk.

Maar een actieve dijk… Dat was een heel ander gezicht. Ze leken dan nog het meest op die Aziatische draken uit de antieke manga’s: een skelet van buigzame segmenten, tien, vijftien kilometer lang. In deze vorm waren de windmolens propellers die het immense lijf samen met de roeipoten voortstuwden.

‘Elke dijk is uniek en heeft een eigen persoonlijkheid,’ had oom Gulliver hem verteld toen ze aanlegden. ‘Je zal het straks zien, Jacob. Geen stem is hetzelfde en je kunt iedere dijk bovendien aan zijn manier van zwemmen herkennen.’

Nu laveerden ze als enorme zeeslangen rond het drijvende feesteiland, loom, totaal relaxed.

Jacob kreeg het gevoel dat hij ze al half kon horen, een soort van zoemen, nét onder de gehoorgrens. Niet met zijn oren, maar als een resonans in al zijn botten.

En ineens wist hij dat zijn oom gelijk had. Alles sal reg kommen. Ik word vandaag dijkenfluisteraar. Ik zal met de dijken kletsen als een gelijke, verloren land ontginnen en verzonken steden uit het kille slijk trekken.

In de familie was Jacob de enige dijkenfluisteraar van zijn generatie. Geen van zijn broers en zussen, neven of nichten had ook maar een spoor van talent en als de dijken met hen probeerden te praten, dan was het tegen dovemansoren.

Jacob voelde een grijns aan zijn mondhoeken trekken. ‘Kom maar op!’ riep hij naar de manoeuvrerende leviathans. ‘Ik ben er klaar voor!’

Alle gasten, plus uiteraard ontelbare toeschouwers in virt, keken toe hoe Jacob de voorplecht van de Johanna Maria besteeg. De eeuwenoude sleepboot was volgens de legende het eerste schip van het familiebedrijf en het werd alleen voor speciale gelegenheden uit het droogdok gelicht.

Het zonlicht hamerde op Jacobs gezicht en het dek deinde onder zijn voeten. Bij de Stella Maris, zo voelt het dus om een ware Hollander te zijn! Water, wind en zilt.

Ja, dat zit in mijn botten, diep in mijn genen.

Ze zeiden dat dit het mooiste moment van zijn leven was. Maar het zou nog beter worden! De opwinding deed zijn handen tintelen.

Hij greep de reling vast, rode korsten menie onder zijn vingers, en de grijsblauwe zee strekte zich voor hem uit. Jacob onderdrukte de neiging om dramatisch zijn armen te heffen. In plaats daarvan zette hij zijn ellebogen rustig op de reling en leunde wat naar voren. Dit moest hij helemaal zelf doen: de dijken uitnodigen.

‘Hallo?’

De zee naast de Johanna Maria borrelde ten antwoord. Een metalen vorm rees op en liet watervallen langs haar flanken omlaag dreunen. De kilometers lange ruggengraat was overdekt met iriserende membranen. Kleurig als keverschilden, ging het door Jacob heen.

Dijken bezaten geen kop, technisch gezien zelfs geen voor- of achterkant, maar voor Jacob was het ook helemaal niet nodig.

‘Gegroet, mens Jacob.’ De stem vulde zijn hoofd, massief, groots als een wolkenfront of een aanrollende vloedgolf. Er zat een smaak aan die stem, bitter en zilt als een hap zeewater. Het was een stem die Jacob uit duizenden herkende, ook al had hij hem maar een keer eerder gehoord. ‘Grisaert,’ rommelde de dijk, ‘noem mij Grisaert. Het is mijn geheime naam. Voor alle anderen ben ik Dijk 4598.’

‘Gegroet, dijk Grisaert,’ antwoordde Jacob geluidloos. ‘En gegroet jullie allemaal!’

In zijn hoofd kon hij ze nu zien en horen, alle levende dijken. ‘Bedankt. Zo fijn dat jullie mij accepteren. Ik hoop… ik hoop dat we goed kunnen samenwerken.’

‘Wij ook. Zullen we nu maar met de show beginnen?’

Dijken hadden zeker flair. Misschien zelfs humor?

‘Graag!’

Dit keer hief Jacob zijn armen wel.

Verder op zee, een kilometer of meer van het feesteiland, begon de zee te borrelen. Nee, boeren was een beter woord. Water kolkte en schuim spoot omhoog.

De donkere vorm van een massieve zeedijk dook op: twee aan elkaar gekoppelde dijken.

Eigenlijk waren de twee dijken al een halve dag geleden begonnen zich vol te pompen, maar nu braken ze dramatisch door het zeeoppervlak. Kreten van bewondering en applaus. Geen vuurwerk, zelfs geen scheepstoeters: de wilde zee was spektakel genoeg. Het feesteiland deinde niet eens toen de golven aanrolden. Grisaert die zich aan de onderkant vastklampte, zorgde voor stabiliteit.

‘Onze gift aan jou,’ sprak Grisaert. ‘Noem het je welkomstpremie. Je bent nu een van ons. Een bloedbroeder, een ziltwatermatroos bij wie de zee door de aderen stroomt.’

Grisaert projecteerde een beeld op Jacobs netvlies: de ringdijk. Daarbinnen werd de zee doorzichtig als glas.

In de diepte…

De gebouwen bleven grotendeels intact. Het water was heel geleidelijk gestegen, zo langzaam dat de ruiten hier en daar niet eens gebroken waren.

‘Het hart van het oude London, jongen. Windsor Castle, de Big Ben, noem maar op.’

‘En dat is voor mij?’

‘Beter dan een handvol goudstukken, eh? Allemaal.’

Het Verenigde Koninkrijk bestond uit een handvol armzalige eilanden en kon natuurlijk het lichten van hun historisch erfgoed nooit betalen. Er waren echter genoeg biljonairs die interesse hadden in historische gebouwen, zelfs als het om met kelp begroeide ruïnes ging. Misschien zou Windsor Castle uiteindelijk op Olympus Mons belanden, of het privé jachthuis worden van de Helvetische Keizer?

Ik ben rijk, ging het door Jacob heen. Schatrijk. Supervloggerrijk.

‘Maar daar moet je wel wat voor doen,’ zei Grisaert. ‘Als je ons trouw zweert, is het voor altijd.’

Later die avond, toen Jacob nog net nuchter genoeg was, nam oom Gulliver hem apart.

‘Vier vannacht feest, waarde neef. Kus de dames, gooi met slagroomtaarten en slaap morgen je roes uit. Overmorgen begint je leven als dijkenfluisteraar, in de Residentie.’

‘Overmorgen, ja!’ grijnsde Jacob. Overmorgen begon het leven waarvoor hij geboren was.

 

Het was wennen in de Residentie. Niet dat iemand ook maar een onaardig woord tegen Jacob sprak maar de andere fluisteraars, van alle andere dijkenfamilies, waren zo godvergeten oud. Je kon het zien aan de manier waarop ze liepen. Nee, niet beverig en onzeker zoals je van lieden zou verwachten waarvan er niet eentje jonger was dan honderdvijftig. Nee, eerder het omgekeerde. Ze bewogen zich zo soepel en zeker dat je wist dat struikelen ondenkbaar was. Ervaring telde: als ze in het antieke bruine cafe pijltjes wierpen, was elk schot er eentje in de roos. Snij willekeurig welk onderwerp aan en ze wisten er genoeg over om zelfs een wikipediasiri te verbeteren.

Maar het uitzicht vanaf het balkon was werkelijk magnifiek, dat moest Jacob toegeven: de Residentie lag bovenop de boeg van de Koningsdijk, de enige levende dijk die nooit zou rondkrullen tot een cirkel en in een polder veranderen. De dijk zwom als een zeeslang, kronkel na kronkel die moeiteloos door de golven glipte.

Jacob zoog de zeebries diep in zijn longen, ijskoud maar op de een of andere manier schoner dan op welke kust of polder ook. Dit is mijn thuis, ging het door hem heen, voor de rest van mijn leven. De fluiste­raars bestuurden dijken, stichtten nieuwe polders maar ze zouden de wallenkant nooit meer betreden. Dat was de deal: een lang, ongelooflijk lang en zeldzaam interessant leven in ruil voor de vaste grond onder je voeten.

 

De negende dag wekte zijn oom hem bij het ochtendgloren.

‘Hup, hup, mijn waarde vriend. Dit wil je niet missen!’

Jacob wrikte een oog open. ‘Wat missen?

‘De Vloot! Ze zeilen rakelings langs onze dijk.’

Het balkon keek uit over de grijze uitgestrektheid van de Atlantische oceaan. Zijn oom wees: ‘Daar tussen de cirrus. Zo hoog als wolken maar kunnen komen.’

Nu zag Jacob ze ook: kleurige vonken die de wind van de straalstroom vingen.

Honderden, duizenden vliegers laveerden tussen de uitgesmeerde windveren. Om van zo ver zichtbaar te zijn, moesten ze wijder dan voetbalvelden zijn.

Jacob knipperde de telescooplenzen over zijn oogbollen aan en de vliegers expandeerden tot ze zijn hele gezichtsveld vulden. Vlinders van gebrandschilderd glas en filigrain vlogen daar over, klapwiekende condors, logge manta-roggen.

‘Zo zien ze er niet echt uit,’ doceerde zijn oom. ‘Het zijn maar hologrammen. Elke vlieger is min of meer zeshoekig hoewel zij honderden zijvinnen en hoogteroeren heeft.’

‘Zo mooi,’ fluisterde Jacob. Het leek een visioen, iets uit een hogere wereld of een prachtige droom.

‘Ja,’ zei zijn oom, ‘bijna even mooi als een dijk.’ En meteen voelde Jacob zich terechtgewezen, alsof hij een faux pas had begaan, disloyaal was geweest.

Zijn oom tuitte zijn lippen. ‘Ik drukte mij ietwat onhandig uit. De Vloot en de Dijken, samen zijn ze Nederland. Elk magnifiek op zijn eigen manier en onmisbaar. Als de koningin en haar koning, eh? Als Giselle en Juriaan.’

Ongehaast hesen de mastloze parelmoerschepen zich boven de horizon uit: rompen met twee dozijn verdiepingen en spitse voorstevens, zee-ijzeren armen met wapperende netten om kelp uit de zee te vissen en elders te herplanten. In hun kielzog dartelden reuzendolfijnen en spoten bultruggen. Wolken albatrossen en skua’s zwierden als mistflarden boven de dekken.

‘Elk schip begon als het slakkenhuis van een kinkhoorn,’ doceerde zijn oom.

‘Vierdubbele chromosomen laten het doorgroeien tot het werkelijk gigantisch is. De slak verdikt zich tot een brein in de boeg en dat wordt hun wiki. Honderd procent organisch en uniek.’

De Vloot was reusachtig: het duurde een volle dag voor ze de dijk langsgetrokken waren.

‘Waar gaan ze naartoe?’ vroeg Jacob.

Zijn oom klakte met zijn tong. ‘Naar waar ze nodig zijn. Net als wij.’

Jacob keek het laatste schip na tot de zeenevels het opslokten. Als Giselle en haar Juriaan, had zijn oom gezegd. Op de een of andere manier klonk dat juist. De Vloot was onmiskenbaar vrouwelijk, de tegenpool van Jacobs broeders, de dijken.

Een onbenoembare emotie steeg op, als een brok in de keel die niet weg te slikken viel. Verlangen? Hunkering?

Ik wil met de Vloot meezeilen. De dijken zijn mijn bloedbroeders maar de Vloot is mijn bruid. De vrouw die ik moet veroveren, wil ik ooit compleet worden.

‘Zo’n ambitie,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘Niet dat wij iets tegen een mooi vlootprinsesje hebben. Zolang je je kostelijke genen maar niet weggooit.’

‘Alleen als haar chromosomen kloppen, krijg ik jullie zegen?’

‘Krek zo. Maak een nest nieuwe dijkenfluisteraars en wij geven jullie, eh, Napels als bruidschat?’

 

 

4

Australian Inland sea, 12 september 2220

 

Het strand boog zich links en rechts naar kapen van afgeronde zandsteen.

‘Tante Lidwien,’ zei Hindele. ‘Dit is hetzelfde strand! Waar ze mij aan een paal bonden.’

‘En de krabben voor het eerst tegen je spraken. Mooi symbolisch toch?’ Ze vouwde haar armen over haar formidabele borsten. ‘Het is een vrij eenvoudige test, liefje. Spinkrabben luisteren enkel en alleen naar een temmer.’

‘Ja?’

‘Kijk, ze duiken uit de zee op en stormen het strand op. Met klik­kende scharen, ja.

‘Net als in dat kinderliedje.’

‘“Met klikkende scharen en knarsende mondstukken” bedoel je? “En ze lieten enkel Jolanda’s schedel over”?’

‘Dat liedje. Hun kaken zijn gemodificeerd zodat ze zelfs een kokos­noot kunnen kraken. Zij stuiven het strand dus op en jij spreekt ze aan. Je noemt je Temmer en Koningin. Ze zijn diep matriarchaal en gehoorzamen een leidster onvoorwaardelijk.’

‘Ik snap het. Ik spreek ze aan. Ik noem mij hun koningin en als zij niet toestemmen, verscheuren ze mij?’

‘Zeker. Met gemak, want erg veel schild heb je niet.’

‘Krijg ik geen wapen?’

‘Een temmer heeft geen wapen nodig.’

‘Ik weet niet…’ begon Hindele en toen zag ze de eerste spitse kop uit de blauwe zee opduiken. Ze hief een hand op en liet die meteen weer zakken. Ik kom in vrede is niet de juiste boodschap als je een zwerm mensenetende monsters wilt temmen.

Ze balde haar vuisten, stak haar kin naar voren.

‘Hindele is mijn naam!’ dacht ze zo luid mogelijk. ‘Ik ben jullie godvergeten koningin! Buig voor mij!’

Er volgde een afschuwelijk uitgerekt moment dat zeker drie seconden geduurd moest hebben. Meer dan genoeg tijd om een dozijn duistere gedachten voorbij te laten flitsen. Overwegingen als: Maar een op de duizend zeenomaden kan een spinkrabbenstem horen. Maar een op de twintigduizend heeft genoeg talent om werkelijk een temmer te worden.

De voorste krab hief haar nachtmerrieachtige kop, rolde zich op haar rugschild en trok haar poten krampachtig samen, als een stervende spin.

Niet meteen een buiging, maar het is goed genoeg. Ze liet haar armen zakken. Ik ben dus een temmer. Geen hapje tussendoor. Goed om te weten.

Pas een uur later, toen ze de deur van haar kajuit achter zich had dichtgetrokken, barstte Hindele in snikken uit.

 

 

5

14 april 2223, Nieuwe Saragossa-zee

 

Mijn eerste echte job!

Jacob stond met gesloten ogen op het voorsteven van de Onverschrokken Jutter, het werkschip dat de komende weken zijn thuis zou worden.

Niemand van de bemanning waagde het zijn concentratie te verstoren: hij was per slot van rekening de dijkenfluisteraar, de belangrijkste persoon aan boord. Maar uniek en onvervangbaar of niet, hij sliep in dezelfde stapelbedden als de rest van de bemanning en at gewoon mee in de mess. Tijdens werktijd werd er gewerkt en op een Hollandse schuit was er geen ruimte voor kletskoek als bontgevoerde ligstoelen en gouden borden.

Over Jacobs netvlies trok de bodem onder het schip voorbij: de input van duizenden sensoren in de kiel. Grisaert ordende ze netjes voor Jacob. Hij wees hier het wrak van een antiek vliegtuig aan, daar een kudde potvissen en tekende de zeestromen uit in warm roze en killer blauw. Na zijn verblijf op de statige Koningsdijk begreep Jacob dat Grisaert piepjong moest zijn. De dijk was nog nieuwsgierig, watervlug, en meer dan een tikje eigengereid. De klik die er vanaf het begin was geweest, klonk nog steeds door. Fluisteraar en dijk: kameraden voor het leven.

Hoopte Jacob.

´Niet veel soeps hier,´ merkte Grisaert op. ‘Geen idee waarom Groot Nippon nu net hier een eiland wenst. Er zijn toch zat betere plekken voor hun wandelende steden?

Dichter bij Japan ook. Zeg nu zelf: nergens een mooie verdronken haven, geen velden met mangaanknollen, niks.’

De Japanners hadden het probleem van het stijgende water opgelost door hun steden op gigantische mechs te monteren. Ongehaast banjerden die door de ondiepere stukken van de oceanen, op zoek naar nieuwe grondstoffen.

‘Ze betalen altijd op tijd en wij vangen onze commissie,’ antwoordde Jacob. ‘En tien procent van een stuk met een stalen stad erop, is toch een goede deal? Alleen al de rioolrechten leveren ons een vermogen op.’

‘Met andere woorden, “Niet zeuren, maar pompen”?’

‘En vlot een beetje!’ zei Jacob, gevolgd door een stoot smileys. ‘Heb je tijdens al dat koekeloeren nog ordentelijke ankergrond gevonden? Ik zie daar in het westen een veelbelovende richel gneiss.’

‘Gneiss!’ De dijk snoof. ‘Geef mij maar graniet. Als ik op mijn kont ga zitten, dan graag op wat…’

Een hoog prioriteitssignaal knipperde. Oom Gulliver aan het logo te zien.

‘Momentje, Grisaert. Mijn oom, deze moet ik opnemen.’

‘No problemo.’

‘Oom?’ zei Jacob.

In plaats van zijn oude zeemanstrui en pet had oom Gulliver zich in zijn statieuniform gehesen: een zijden kaftan, afgezet met haardun goudstiksel. In zijn linkeroor droeg hij een knots van een zwarte parel. Officiëler kon amper.

‘Jacob, hallo. Nog bijzonderheden? Hoe verloopt je eerste soloklus?’

‘Alles goed hier,’ antwoordde Jacob. Hij was meteen op zijn hoede. Oom Gulliver zou echt geen hoog prioriteitsignaal versturen als het om prietpraat ging.

Gulliver leek zijn gedachten te lezen. ‘Ik zal ter zake komen. Jacob, ik heb je als ambassadeur nodig. Voor de Vloot. Ze hebben wat bedenkingen tegen de polder die je gaat aanleggen. Nu zit ik tot over mijn oren in die klus op de noordpool. Ik kan met geen mogelijkheid tijd vrij maken, nog geen uur. Maar het moet wel iemand van de familie zijn.’

Vrij vertaald: de zaak is behoorlijk dringend maar niet belangrijk genoeg om zelf af te handelen. Een mooi klusje voor Jacob en dan doet hij meteen wat ervaring op.

‘No problemo,’ echode Jacob zijn dijk. Beter dan no problemo. Sinds de Vloot langsvoer had hij hun schepen dolgraag willen bezoeken.

‘Wat hebben ze precies tegen de nieuwe polder? We pakken het volkomen Gaiavriendelijk aan. Zoals altijd.’

Oom schoof Jacob een bestand toe. ‘Het staat hier allemaal in. Vaar erheen en haal ze van ons dak. Die polder moet er absoluut komen, Jacob. We kunnen Groot Nippon onmogelijk als klant verliezen. Bied die zeenomaden een redelijke vergoeding, of desnoods een idioot gulle. Maar wat er ook gebeurt, die dijk wordt gelegd. Daarover valt niet te onderhandelen.’

‘Dat gaat wel lukken, oom. Ik bekijk de boel en stuur de dijk naar hun locatie.’

‘Ze komen naar jou toe, en hou Grisaert alsjeblieft uit het zicht. Een levende dijk kan te eenvoudig als provocatie gezien worden. Sommige zeenomaden zweren bij biotechnologie en moeten niets weten van onze machines. Bovendien geeft een dijk een signaal dat we dit de hoogste prioriteit geven. Dat versterkt hun onderhandelingspositie. We nemen hun protest uiteraard serieus, maar wel binnen zekere grenzen.’

‘Vanzelfsprekend.’ Verdorie, dat had ik zelf moeten bedenken. Laat ik om te beginnen eens uitzoeken wat de Vloot precies wil. Pas als je in de ziel van een klant kijkt, kan je de diepte van zijn portemonnee peilen.

 

 

De Onverschrokken Jutter bleef natuurlijk een werkschip, maar glans­platen van regenboogmica en fier wapperende vaandels had je binnen een paar uur geprint.

Tegen de tijd dat de Vloot Jacobs schip ontmoette, kon het zich bijna meten met de parelmoeren schepen.

De armada van schepen was van dichtbij nog indrukwekkender dan Jacob had verwacht. De Vloot was bij het passeren een visioen geweest, delicaat bijna. Dit had niets kwetsbaars. Het mocht dan louter bio­technologie zijn, alles gegroeid en niets geconstrueerd, maar er viel niks wrakkigs of ondermaats aan te ontdekken.

Organische zeekastelen kliefden trots en statig door het water. Dolfijnen en bultruggen volgden in hun kielzog. En daar, die enorme fontein, dat moest een blauwe vinvis zijn! Hij voelde een steek van pure opwinding, van fanverering. Jacob was een kenner: hij had alle bekende echoballades van de machtige zeezoogdieren honderden malen beluisterd.

Hij zoomde in op het vlaggenschip: een legpuzzel van kreeften­kweekkkooien en kwallenaquariums doemde op, van tuinen, kranen en droogdokken.

Ieder schip was volledig zelfvoorzienend, wist Jacob. De zeenomaden gaven steevast meer terug aan Gaia dan ze namen. Die biotechnologie was verdomde mooi – en handig – en iedere dijkenfamilie zou er honderd keer zijn jaarwinst voor over hebben om dat in handen te krijgen. De Vloot duldde echter geen pottenkijkers en ze verkochten hun geheimen nooit. En gelijk hadden ze. Hoe wij onze levende dijken printen en er mee werken, vertellen wij ook aan niemand.

 

Toen het vlaggenschip naast de werkboot tot stilstand kwam, riep Jacob de foto en het CV van zijn tegenhangster nog een keer op. Hindele. Oké, best wel jong, maar ze zullen ook geen giechelende bakvis op mij afsturen. Dit is waarschijnlijk de op een na belangrijkste vrouw van hun vloot. Hun Jacob. Een spinnentemster is te vergelijken met een dijkenfluisteraar. Nou ja, een beetje dan. Levende dijken zijn reteslimme machines en die spinkrabben enkel opgevoerde beesten.

De onderhandelingen vonden plaats op het vlaggeschip van de Vloot: een elegante parelmoeren vinvis-romp die bestond uit twaalf gekoppelde kinkhoorns. Het vaartuig was meer dan drie kilometer lang en tachtig meter hoog. Dit was het Heilige der Heiligen: Hier kwamen de admiraals en kapiteins van de Vloot bijeen, werden verdragen gesloten en ambassadeurs van de wallenkant ontvangen.

Louter het feit dat Jacob juist hier was uitgenodigd, bewees hoe hoog de Vloot de aanleg van de nieuwe dijk opnam. Dat hij ook nog eens hun numero uno spinkrabbentemster tegenover zich vond, was als een vergulde kers op een platina taart.

Ik ben benieuwd. Jacob checkte zijn donkerblauwe uniform met gouden knopen voor de laatste keer. Natuurlijk was alles piekfijn in orde. De vouw in zijn broek was nog steeds messcherp, zijn schoenen blonken. Hij trok zijn pet recht en onderdrukte de plotselinge aandrang tot plassen.

Hij grijnsde. Zenuwen waren goed, dat maakte hem enkel alerter.

 

De spinkrabbentemster van de Vloot bleek allesbehalve een giechelende bakvis.

Slim, ontwapenend, grappig? O ja. Ja op alles. Ze pakte spontaan zijn hand vast en keek hem recht aan.

‘Vind je het goed dat ik Jacob zeg? Dan kan je mij gewoon Hindele noemen, ja?

Dat is wel zo prettig, Beter toch dan geëerde dijkenfluisteraar of doorluchtige krabbendame?’

Haar Nederlands was meer dan uitstekend maar had een exotisch tintje. Blond haar, door de zon tot ivoorwit gebleekt. Groene ogen. Een beweeglijk gezicht, beslist niet conventioneel mooi maar eindeloos fascinerend. Alsof ik naar dansende zonnevlekjes in ondiep water kijk. Stop! Ik ben hier om zaken te doen. Niet om te flirten. Hoewel, wat doet zij anders? Hij wendde zijn blik af, tuurde naar zijn schoenpunten. Zaken gaan voor het meisje. En ik ben hier voor zaken. Hij zag oom Gulliver voor zich, zijn gezicht op onweer, zijn vinger bestraffend opgeheven. Je bent geen puber meer, Jacob, je bent een dijken­fluisteraar! Je vertegenwoordigt de familie. Zoiets.

Jacob dwong zichzelf te concentreren op Hindele’s betoog.

‘O, ik snap jullie argumenten best. Groot Nippon denkt volgens het internationale landreclameringsverdrag van 2185 het recht te hebben zich hier te vestigen. Maar wij vechten dat aan bij het Internationale Gerechtshof in Bhutan. Het enige wat wij vragen is dat jullie met die dijk wachten tot er een uitspraak is.’

‘De traagheid van hun rechters is berucht,’ protesteerde Jacob. ‘Allemaal heilige mannen in oranje gewaden. Een uitspraak kan makkelijk tien jaar op zich laten wachten. Sorry, wij kunnen het ons niet veroorloven om tien jaar te wachten, en Groot Nippon al helemaal niet. Sinds ze hun immigratiebeleid versoepelden, zitten ze met de snelst groeiende bevolking op de planeet.’

Hindele keek Jacob aan. ‘Groot Nippon. Een nieuw eiland is een druppel op de gloeiende plaat. Waarom denk je dat ze juist hier, op deze plek, een polder willen hebben?’

Precies wat wij ons ook al afvroegen. ‘Waarom niet? Deze plek is ondiep genoeg en er zitten geen claims op. Niet alle stukken van Groot Nippon hoeven in de buurt van de Japanse archipel te liggen. De Verenigde Nederlanden strekken zich ook uit over de hele wereld, en de Vloot ziet iedere oceaan als haar thuis.’

‘Ik laat je zien wat er speelt,’ sprak Hindele. Uit haar frons begreep Jacob dat het geen makkelijk besluit was. ‘Heb je wel eens met kunstkieuwen gedoken, Jacob?’ Ze keek hem vragend aan.

Jacob grijnsde terug. ‘Zeg, je hebt het wel tegen een Hollander, hoor! Geen Helvetische jodelaar. Ik zwem al sinds mijn vierde jaar met kieuwen. Van de kokende zee boven IJsland tot en met de maelstrom van Bangkok.’

‘Je bent misschien een beetje laat begonnen,’ zei Hindele met een stalen gezicht.

‘Wij trekken een baby in de vierde maand een kieuw aan en mikken haar in de zee. Vooruit dan maar, we wagen het erop.’ Ze legde haar hand op zijn arm, kneep. Haar glimlach was verblindend.

Ze zit met me te flirten! Nu weet ik het zeker!

 

Tachtig meter was niet bijster diep, en Jacob’s lenzen en de andere opgevoerde zintuigen verschaften hem een prima zicht.

Hindele en hij zwommen boven een kaal plateau: de top van een verdronken berg die waarschijnlijk nooit boven zee had uitgestoken. Hier en daar waren vissen zichtbaar en Jacob wist dat Grisaert ergens in de buurt moest rondhangen. Ver genoeg om niet op de sonar te registreren, maar dichtbij genoeg voor dijkenspraak.

‘Romantisch hoor, duiken met zo’n zeemeermin,’ zei Grisaert..

‘Zeg, zit niet zo te zuigen, jij opgevoerde waterduizendpoot. Dit is puur zakelijk.’

Grisaert snaterde, zeker even honend als een dolfijn.

‘Zei je wat?’ vroeg Hindele. Ze droeg een groen geschubde bodysuit. Haar helm was van gelatine die haar hoofd in een lillende bel omsloot.

Jacob droeg zijn oude, vertrouwde duikpak dat hij jaren geleden had geprint en sindsdien eindeloos had getweakt en verbeterd.

Ai, subvocaliseerde ik dat?

‘Ik zat te mompelen,’ improviseerde Jacob. ‘Ik maakte een aan­tekening. Maar wat wilde je mij laten zien?’

‘Kun je inzoomen? Kijk eens naar het zuidwesten. Op zeven uur.’

Een eindeloze colonne spinkrabben kwam vanuit de smaragdkleurige schemering aangemarcheerd. Een nachtmerrieleger met steltpoten en knijpscharen, getooid met een bos zwiepende ogen op steeltjes.

Ik ben vast de eerste dijker die ze van zo dichtbij ziet. De Vloot barricadeerde ieder gebied waar de krabben werkten. Dit waren de levende machines van de Vloot. Met de opgevoerde spinkrabben plantten de temmers hun kelpwouden, bouwden ze koraalriffen, schoonden ze vervuilde bodems op. Zonder de krabben was de Vloot weinig meer dan een stelletje biotech zwervers. Met de spinkrabben werd Hoeders van de Oceanen een allerminst lege titel.

Ergens net tegen Jacob’s gehoorgrens aan klonk het gegons van duizenden raspende kaken. Heel anders dan het diepe gebrom van de dijken, maar toch op de een of andere manier precies hetzelfde.

Curieus.

‘Dat zijn mijn spinkrabben,’ zei Hindele en er klonk gepaste trots in haar stem door.

‘Ik ben een van de twaalf mensen die hen kan horen en direct met hen kan spreken. Het is een zeer zeldzaam talent. Een beetje als jouw gave om met jullie machines te praten. Alhoewel dat natuurlijk maar technologie is. Natuurlijk wel behoorlijk geavanceerde technologie, ja.’

Jacob moest een glimlach onderdrukken. Jij denkt net zo over jouw krabben als ik over mijn dijken…

De colonne kwam dichterbij, evenals het gezoem in zijn hoofd. Jacob hoorde nu stemmen, voelde tienduizenden onafhankelijke gedachten, begon stromingen, temperaturen, bodemdichtheid en honderden andere gewaarwoordingen te ontvangen.

Het was chaotisch en redelijk bizar gecodeerd, maar na een paar tellen begon hij de informatiestromen toch te ontcijferen.

Ik hoor die spinkrabben. Niet alleen horen, ook begrijpen. Net als de levende dijken. Ik… Hij keek naar Hindele. Ze had duidelijk niets door.

Hij opende zijn mond. Sloot die weer.

‘Hoi, ik kan de gedachten van jullie heilige spinkrabben horen, leuk he?’

Nee, dat zou helemaal niet goed vallen. De politieke gevolgen waren niet te overzien. Hij zou niet alleen Hindele onsterfelijk beledigen, maar de complete Vloot.

Het zou zelfs op oorlog kunnen uitdraaien. De Vloot was een trots slag mensen: zulk gezichtsverlies was onvergeeflijk.

‘Indrukwekkend, niet?’ zei Hindele. Ze gebaarde naar de colonne. ‘En dat is nou precies de reden waarom Groot Nippon hier een eiland wil hebben. De berg is het paringsgebied van onze spinkrabben. Als ze hier een eiland neerplempen, komt er geen nieuwe generatie spinkrabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Daar zijn ze heel rigide in. Geen paringsberg, dan ook geen eieren. Denk aan zalmen: die kun je ook niet vertellen maar een andere rivier in te zwemmen als ze op een stuw stuiten.’

‘De Japanners moeten dit toch weten?’ zei Jacob. Waarom stond dit niet in het dossier van oom Gulliver? Dat is een idiote blunder! Iemand heeft zitten slapen.

Hindele knikte. ‘Zeker, maar de stille visserijoorlog tussen Groot Nippon en de Vloot is al anderhalve eeuw gaande. Ze jagen nog steeds op walvissen. Wij greenpeacen ze daarin zo veel mogelijk. Juridisch, maar ook regelrecht. Zij hopen ons in het hart te treffen door ons de spinkrabben af te nemen.’

‘Dit is dus eigenlijk heilige grond voor jullie?’

Het vlootmeisje keek hem aan met haar indringende groene ogen. ‘Ja en nee. Wij zijn de Vloot, wij claimen geen enkel deel van Gaia. Dat is niet onze rol in het grotere geheel. Maar wij hebben wel enorm veel… respect voor deze plek. Wij… We hebben deze berg even hard nodig als de spinkrabben. Kom, ik ga je iets tonen dat geen buitenstaander ooit mocht zien. Ik wil dat je begrijpt hoe belangrijk dit voor ons is. Kan ik je vertrouwen?’

‘Ja.’

Ze deden allang geen zaken meer op de normale manier, wist Jacob. Dit had niets van doen met winst en contracten of mogelijkheden. Dit was als een lang uitgestelde paringsdans. Een tussen de Vloot en de Dijkers. Dit ging om eer en geloof, om wederzijds vertrouwen.

‘Kom.’ Ze wenkte hem als een mythische zeemeermin, keek om. Volg mij. Volg mij naar de diepte, mijn lief.

Jacob dook achter het zeegroene meisje aan. Honderd meter, honderdvijftig. Al het licht ebde weg en Jacob ging op sonar over.

Een woud van schelpen bedekte de zuidflank van het plateau. Het waren doopvontschelpen vertelde zijn Siri hem: gigantische en genetisch gemodificeerd voor deze diepte. Het waren er duizenden en duizenden.

‘Dit is ons kostbaarste bezit, van mij en van iedereen in de Vloot. Wanneer een kind wordt geboren, zetten we hier een schelp uit die doorweven is met haar persoonlijke DNA. Die schelp symboliseert onze band met het water. Wij zijn er mee verbonden en tijdens bepaalde belangrijke momenten in ons leven, bezoeken wij onze levensschelp. En als we sterven…’ Inmiddels zwommen ze tussen de schelpen door: een doolhof van gestapelde schelpen.

‘Dan wordt die schelp jullie grafsteen,’ begreep Jacob. ‘Jullie geven jezelf weer terug aan Gaia. Ik voel mij enorm vereerd dat je mij dit laat zien, Hindele. Ik zal je vertrouwen niet beschamen. Op mijn woord als dijkenfluisteraar.’

‘Dat weet ik. Ik voel dat ik je kan vertrouwen.’

De intensiteit van de gevoelens deed bijna pijn, maar dit was zo ontzettend mooi. Hindele had hem het grootste geschenk gegeven wat ze kon bedenken. Hij kon niet anders dan haar ter wille zijn. Er zou hier geen eiland komen. Geen dijk zou op dit plateau rusten, en al helemaal geen stinkende robotstad.

In stilte zwommen ze verder totdat Hindele halt hield bij een van de schelpen. Ze legde haar handen op de schelp, op de een of andere manier een heel intiem gebaar. ‘Onze schelpen kunnen we verplaatsen, maar er is geen andere geschikte broedplaats voor de spinkrabben.’

‘Maak je geen zorgen, ik zal…’

De schelp opende zich.

In het hart van de schelp, in een nest van blauw satijn, glom een parel, zeven keer groter dan een voetbal. De globe gloeide, beelden flakkerden op in het binnenste: Hindeles gezicht, mooi en sereen als wuivende kelp, toen trots en uitdagend als een jonge zeegodin. Meer beelden: een kraaiende baby, een kleuter-Hindele die joelend op de rug van een dolfijn reed, een giechelmeisje met pas uitbottende borstjes die een octopus optilde en recht op zijn rimpelhoofd kuste, maar vreemd genoeg dook nu ook zijn eigen gezicht op. Twee keer, drie keer.

De parel is een biocomputer. Een kunstbrein van parelmoer, die al haar mooiste herinneringen bewaart. Jacob keek naar Hindele en het compliment dat op zijn lippen lag, stierf in zijn mond. Het gezicht van de krabbentemster was vertrokken van ontzetting en toen van woede. Ik heb iets gezien dat nooit voor mij bedoeld was.

‘Mijn zielenbeeld. Jij… ik… Je zag mijn zielenbeeld! We vertrekken. Nu.’ Haar stem trilde, maar had een ondertoon van staal. Ze was boos. O, wat was ze boos!

Woedend. Laaiend.

Er was iets gebroken. De band die ze hadden, lag plots in duizend stukken.

‘Ik…’ begon Jacob.

‘We. Gaan. Weg. Nu.’

Terwijl ze zwijgend naar boven zwommen, keek Jacob nog een keer om. Hindele’s schelp had zich inmiddels weer gesloten, met de parel in zijn binnenste. Zielenbeeld.

Het was in ieder geval een toepasselijke naam.

Ze smeet hem nog net niet overboord, maar het scheelde niet veel. Eenmaal terug op het vlaggenschip beende Hindele weg, haar rug zo recht alsof er een bezemsteel door haar ruggengraat gestoken was.

Jacob keerde terug naar de Onverschrokken Jutter.

‘En, wat gaat deze plek ons kosten?’ informeerde Grisaert. ‘Wanneer kan ik beginnen?’

‘We pakken de hele santekraam in. Er komt hier geen eiland.’

De verbazing van de jonge levende dijk was duidelijk te voelen. ‘Niet? Oh, dat zal je oom niet leuk vinden, Jacob.’

‘We hebben geen keus,’ sprak Jacob. Beelden rolden door zijn hoofd: de colonne van spinkrabben, het woud van reuzenschelpen maar vooral Hindele’s gezicht.

‘Als de grote fluisteraar Jacob het zegt. Ik ben immers alleen maar een opgevoerde waterduizendpoot? Toch? Sahib, meester?’

‘Ja ja.’ Een idee kwam bij Jacob boven. ‘Zeg, Grisaert, zie je die spin­krabben over het plateau klimmen?’

‘Hm ja?’ Een sonarbeeld van de colonne verscheen in Jacob’s hoofd.

‘Kan jij ze horen? Net zoals je mij en oom Gulliver hoort, of de andere dijken?’

‘Die beesten? Nee, natuurlijk niet.’ De dijk was er heel stellig in. ‘Waarom?’

‘Ik vroeg mij af of hun spinkrabbentemster op dezelfde manier communiceert met de krabben zoals jij en ik.’

De dijk snoof digitaal. ‘Je hoeft niet beledigend te worden! Die spinkrabben zijn niks anders dan dieren. Een stel bio-drones. Wij dijken zijn van een aanzienlijk hogere orde, hoor.’

‘Ik weet het,’ haastte Jacob zich te zeggen. Aan een nukkige dijk had hij niks. ‘Het was zomaar een gedachte.’

Jacob verbrak de verbinding met Grisaert. De aanwezigheid van de dijk verdween.

De tienduizend raspende stemmen van de spinkrabben bleven echter doormompelen.

 

 

6

De nacht van 14 op 15 april 2223, het vlaggenschip van de Vloot

 

Hindele had eerder vriendjes gehad. Maagd blijven tot je huwelijks­nacht mocht een grote hit zijn op de meer achterlijke stukken van de wallenkant, in de Vloot vonden ze dat belachelijk. Er waren echter andere taboes. Je liet je zielenbeeld enkel zien aan de liefde van je leven, mannelijk of vrouwelijk, en dat pas na een jaar of tien.

Hij zag mij. Hij zag alles wat ik was. Mijn diepste en kostbaarste geheimen. Ze balde haar vuisten, ontspande ze weer. Maar ik heb hem niet tegengehouden.

Het gebeurde te abrupt! Ik had nooit verwacht…

Zoveel stemmen in haar hoofd!

Nee, je liet hem gewoon door. Je toonde hem zelf je geheime schelp. De manier waarop hij naar je keek, ja? Dat beviel je best. Zo’n exotische jongen die naar je staarde alsof je een prinses uit een oud verhaal was.

Die stem stond duidelijk aan de kant van de fluisterjongen.

Hij stuurde zijn dijk weg. Zo maar. Omdat je het vroeg.

Nee, ik overtuigde hem. Hij begreep hoe belangrijk de trektocht van de spinkrabben was.

Hah, jouw mooie groene ogen overtuigden hem!

‘Hindele, ik vroeg je iets.’ De stem van haar tante rukte haar weg uit haar eigen tollende gedachten.

‘Eh, wat?’

Het was alsof de omgeving uit een grijze mist opdoemde. De bamboe­muren, de schriftrollen met de wetten van de Vloot, een rij maskers van mosselparelmoer die door eerdere admiraals gedragen werden.

Ik sta in de rechtszaal, in de Kamer der Waarheid en ik heb alle­machtig veel uit te leggen. O, heilige vader Cousteau, tante draagt zelf een parelmoeren masker! Dit is serieus.

‘Hij stuurde de dijk weg,’ zei haar tante. ‘Wat beloofde je hem als tegenprestatie?’

‘Eh, niets.’

De schouders van haar tante zakten omlaag. ‘En jij liet dat zomaar gebeuren? Je protesteerde niet?’ Ze rukte haar masker af en smeet het op de vloer. ‘Jij absolute idiote! Besef je niet wat je gedaan hebt? Nu kunnen ze letterlijk alles van ons vragen! En wij moeten instemmen. Een blanco cheque.’

‘Maar…’

‘Ga uit mijn ogen. Voor ik je nek omdraai als een kakelende kip!’

 

Het vlaggenschip was groter dan een 21ste eeuwse watertanker maar met haar tante aan boord, voelde het echter even benauwd als een rubberbootje. Ten slotte belandde Hindele als vanzelf in het kapelletje op de achterplecht.

In de wrakhouten deurpost stond de oude spreuk gebeiteld: ‘Volgend jaar in Rotterdam’. Bijna een eeuw lang was dat de hartenwens geweest die de gevluchte Nederlanders op Dijkbrekersdag uitspraken als ze een glas IJsselwijn hieven.

Toen de dijken definitief wegspoelden in de Derde Tsunami, was de helft van de Nederlanders de zee opgevaren in duizenden opgekale­faterde olietankers en vlotten van piepschuim. De anderen waren naar het hogere land gevlucht: eerst naar de Hondsrug en toen het stijgende water ook Amersfoort verzwolg, naar de Ardennen en de verlaten dorpjes van Noord-Frankrijk. Toen ze terugkeerden was het als dijkenfluisteraars.

Hindele mompelde de heilwens en de deur zwaaide automatisch open. Achterin stonden de twee beelden van de enige goden die de Vloot vereerde.

Maryam de Stella Maris en de Troost der Zeevaarders zat hand in hand met haar echtgenoot, sint Cousteau. Maryam droeg een blauwe mantel en gouden zeesterren in haar lokken, terwijl sint Cousteau een antieke koperen duikhelm had opgezet. Het net over zijn schouder had mazen die wijd genoeg waren om ondermaatse visjes te laten ontsnappen.

Hindele knielde, slikte, en fluisterde toen: ‘Moeder Maryam, ik heb iets heel doms gedaan.’

De ogen van het beeld lichtten op. ‘En wat dan wel, mijn dochter?’

‘Spreek vrijuit,’ zei sint Cousteau. ‘Niets kan onze oren doen tuiten. Wij hebben elke menselijk dwaasheid een miljoen keer gehoord.’

‘En een miljoen keer vergeven,’ voegde Maryam toe.

‘Maar dit is echt heel erg,’ zei Hindele en vertelde wat ze gedaan had.

Het bleef even stil.

‘Ai,’ zei Maryam.’

‘Dat was echt zeldzaam stom,’ concludeerde Cousteau.

Tranen prikten in Hindeles ooghoeken. ‘Wat moet ik doen? Over de railing springen?‘ Ze knikte. ‘Ja, dan heeft niemand meer last van mij. Als ik dood ben, kan tante zeggen dat de Vloot er niets mee te maken heeft.’

‘In zee springen en je lijf aan de sardines geven, kan altijd nog,’ zei Maryam. ‘Nee, je tante is een intelligente vrouw.’

‘Beter dan intelligent,’ knikte sint Cousteau. ‘Sluw. Doe precies wat je tante zegt. Dan komt alles goed.’

‘Echt?’

Het licht in de ogen van de beelden was echter gedoofd en Hindele begreep dat ze nu naar andere smekelingen luisterden. Meer raad kreeg ze niet. Doe precies wat je tante zegt.

 

Een klop op de deur van haar kajuit. Hindele trok het kussen over haar hoofd. Het was verdacht vochtig, alsof ze had liggen huilen, wat natuurlijk ondenkbaar was.

‘Ga weg! Ik wil met niemand praten.’

‘Maar ik wel met jou. Doe open, Hindele. Nu meteen!’

Mijn tante. Doe alles wat ze zegt, raadde sint Cousteau mij aan. Nee, niet aanraden, bevelen, en een god spreek je niet tegen.

‘Ik kom al.’ Haar eigen stem schokte haar. Ik klink als een verwende kleuter.

Ze trok de deur open. Haar tante droeg nog steeds haar admiraals­masker en Hindele begreep dat het nog niet voorbij was. Dat ze tot over haar oren in de rotte vissenkoppen zat.

‘Ja?’

‘Ik heb nog eens nagedacht. Met de andere kapiteins gesproken.’

Met de andere kapiteins gesproken. Die knikken alleen maar bij alles wat jij voorstelt.

‘Het gaat om evenwicht. Het enige dat even kostbaar is, kostbaar genoeg om de dijken weg te houden van de paringsgrond, ben jijzelf. Je genetica. Je moet een dijkenfluisteraar trouwen. Jullie kinderen zullen zowel met spinkrabben als met dijken kunnen spreken.’ Ze knikte. ‘Na een beetje genetische manipulatie uiteraard.’

‘Dat is wel erg vlot,’ zei ze. ‘Niet dat ik weiger maar ik heb hem pas één keer ontmoet.’ Maar hij kon zo in mijn geheime schelp kijken en mijn zielenbeeld zien.

Jacob moet de ware zijn.

Haar tante fronste haar wenkbrauwen. ‘Maar één keer ontmoet? Volgens mij heeft hij het vlaggenschip nooit eerder bezocht.’ Ze knipte met haar vingers. ‘Ah, ik begrijp het. Niet hun jeugdige ambassadeur. Het gaat om de Dijkenschouwer zelf. Hij is honderdvijftig maar dat valt hem absoluut niet aan te zien. Niks mis met zijn sperma.’

Doe alles wat je tante zegt.

‘Goed,’ zei Hindele. ‘Als hij het ook wil. Als alles dan in orde is…’

‘Prima.’ Haar tante zette haar masker af, draaide zich om en beende weg. Wat haar betreft was het nu geregeld.

‘Maar toen zei mijn tante, ze zei, het is hem niet, maar die oude man, de Dijkenschouwer.’ Hindele balde haar vuisten. ‘Ik wed dat hij wel tien vrouwen heeft!’

‘Hij is ongetrouwd,’ zei Maryam. ‘Of nee, twee echtgenoten, geen echtgenotes. Hij vindt mannen duidelijk leuker dan vrouwen.’

‘Ook dat nog!’

Het beeld schudde haar hoofd, ‘Eerst klaagde je dat je niet met zo’n oude geit naar bed wilde en nu is het weer niet goed. Je hoeft alleen maar kinderen te krijgen. Hij heeft vast niets tegen kunstmatige inseminatie.’

‘Ben jij nu een vrouw? Je snapt niets van meisjes!’

‘Vroeger toen ik nog een maagdeke was, liep het anders. Alle huwelijken waren gearrangeerd en daar is niks mis mee. Yussuf was een schatje.’

 

 

7

15 april 2223, de Residentie

 

‘Bij de geschoren ballen van Boeddha, waarom heb je in Maryams naam je dijk weggestuurd? We hebben een contract met Groot Nippon, Jacob! Onwrikbaar en al tot de laatste yen vooruitbetaald. Besef je wel wat je gedaan hebt?’

Jacob had zijn oom nog nooit zo kwaad gezien. De ogen van de oude man spuwden bijkans vuur en klodders pruimtabak vlogen in het rond.

‘We mogen daar geen eiland aanleggen. Juist die plek is de broed­plaats van de spinkrabben. De enige nog ook. De Vloot zal nooit een dijk accepteren en het is zakelijk je reinste zelfmoord om de Vloot in het gezicht te spugen. Zodra wij bekend staan als anti-Gaiaans, als oceaanvervuilers, dan zal negentig procent van de wereld geen zaken meer met ons willen doen. En Mars kunnen we al helemaal vergeten.’

Het waren uitstekende argumenten. Allemaal ongetwijfeld waar. Maar waarom zag hij dan enkel Hindele’s gezicht voor zich? Alsof ze meeluisterde naar elk woord?

Ik ben verliefd, begreep hij. Ongeneeslijk en onomkeerbaar verliefd. Verliefd op een klant was wel het stomste dat een zakenman kon uithalen. Maar het was nog een graadje erger: Hindele was zijn klant niet, maar Groot Nippon wel.

‘Bovendien heb ik haar mijn woord gegeven. Geen dijk. Never nooit. En een dijkenfluisteraar breekt zijn woord niet.’

Het leek er even op dat oom Gulliver ter plekke een hartaanval zou krijgen: zo’n bietenrode kop, zo’n briesende adem, gebalde vuisten die open en dicht gingen als de grijpers van een mech. ‘Jij ongelooflijk achterlijk blaag! Je woord is bindend, nu kunnen we niet meer terug. Hoe ik dit goed kan maken met Groot Nippon…’

‘We betalen gewoon de boeteclausule van het contract, en als het Internationale Gerechtshof de Vloot in het gelijk stelt, dan vorderen we het geld weer terug. Met rente. En Groot Nippon is een belangrijke klant, maar we kunnen zonder ze. We gaan heus niet over de kop als we ze kwijtraken.’

Natuurlijk zou het financieel pijn doen, maar niemand van de familie zou er ooit een boterham minder door eten. Bovendien hadden ze nu goede contacten met de Vloot en die goodwill kon in de toekomst wel eens heel winstgevend uitpakken.

‘Het gaat niet om het geld!’ brulde oom Gulliver. ‘Ik had je dit moeten vertellen, zodat je had begrepen wat er speelde. Waarom denk je dat Groot Nippon nog steeds op walvissen jaagt? Als enige natie van de wereld? Toen het Grote Smelten de Inuits en IJslanders uit hun thuis­landen verjoeg, bleven de Japanners stug doorgaan met hun jacht. Dat was niet uit noodzaak of traditie. Het had zelfs niets met trots of koppigheid te maken.’ Hij sloot zijn ogen een moment en knikte toen. Jacob begreep dat zijn oom een besluit had genomen, een dat hem zeldzaam tegenstond.

‘Wij dijkenfluisteraars worden oud. Allemachtig oud. Dat is niet omdat we met de levende dijken kunnen praten, niks esoterisch. Louter en alleen omdat wij godvergeten rijk zijn. Rijk genoeg om de enige levensverlengende behandeling te kunnen betalen die werkelijk werkt. Het belangrijkste en niet na te maken ingrediënt is het extract van de pijnappelklier van de blauwe vinvis. Daarom jaagt Groot Nippon op walvissen en is het letterlijk van levensbelang ze te vriend te houden.’

Het was alsof er een half doorzichtig vlies van Jacob’s oogbollen werd weggerukt.

Voor hem stond niet meer oom Gulliver maar een gesticulerend geraamte, bekleed met vlees. Iets wat zijn jaren had gestolen van de wonderbaarlijkste en wijste wezens van de oceaan.

Het heeft niets met zaken te maken. Zelfs niet met winst of de familie. Jij en andere fluisteraars willen alleen maar eindeloos doorleven. Al het andere is slechts een dekmantel.

‘Dat is walgelijk,’ zei Jacob.

Gulliver lachte en er klonk zo’n narcistische superioriteit in door dat Jacob onwillekeurig huiverde. ‘De onwetenheid der jongeren! Nu kan je je nog zo’n mooie romantische mening veroorloven, maar wacht maar totdat je je honderdtwintigste verjaardag viert en geen van de serums meer werken. Geen telomeerverlenging, geen injecties met getemde kankers. O, dan wordt elke extra dag eindeloos kostbaar! Geen prijs lijkt dan te hoog.’

‘Je kunt ook te oud worden,’ zei Jacob. ‘Ik weiger een eiland aan te leggen voor Groot Nippon. Het zijn slagers, planeetverkrachters.’

‘Je hoeft ook nooit meer een eiland aan te leggen of een dijk te commanderen. Als directeur en grootste aandeelhouder van het familibedrijf ontsla ik je bij deze.’ Zijn gezicht had uit walrusivoor gesneden kunnen zijn, zo strak en bloedeloos. ‘Je bent geen dijkenfluisteraar meer, Jacob. Ik verban je.’

 

Jacob beende de Koningsdijk over tot de Residentie een grijze streep werd.

Ik verban je. Je bent geen dijkenfluisteraar meer. De zinnen galmden in zijn hoofd, bijna alsof ze door een god uitgesproken waren. Maar zijn oom was absoluut geen god: eerder een demon, een ondode die het leven zoog uit de prachtigste en wijste zangers van de oceaan.

Hij stopte bij het uiteinde, hief zijn hand op. Een hijskraan reageerde. Goed. Zijn oom had hem die privileges nog niet afgenomen: het recht om alle machines die lager dan een dijk waren te commanderen.

‘Takel een skimmer omlaag,’ beval hij.

 

Het vaartuig veerde op zodra hij op het pedaal trapte, het sloeg zijn ski’s uit en al snel schoot Jacob over de golven.

Pas toen de Koningsdijk achter de horizon verdwenen was, zette hij de motor af.

Hij keek om zich heen: een absoluut lege hemel, zonder een enkele wolk of verdwaalde meeuw.

Hij sloot zijn ogen. ‘Grisaert?’

‘Wat is er van je dienst?’

‘Je kunt mij nog horen? Mijn oom zei dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

Grisaert’s lach was als het snateren van een dolfijn. ‘Dat is absoluut niet aan hem om te zeggen. Dat zou een mooie boel zijn als mensen bepaalden met wie we spraken.’

‘Dus ik ben… Ik blijf…’

‘Voor altijd en eeuwig. Wij kiezen onze fluisteraars uit en niet andersom.’ Een bedachtzame pauze. ‘Je wilt een lift?’

‘Eigenlijk wel.’

Een segment rees boven het water uit en vlak daarop schoof een luik open. ‘Kom aan boord. Op mijn rug zitten kan ook maar dan zijn we een week of twee onderweg. Nu is het twee, drie dagen.’

‘Je weet waar ik heen wil?’

‘Mijn lieve jongen, dacht je dat ik brandende liefde niet kon herkennen?’ Prompt schalde er een ongetwijfeld antieke ballade over het water: ‘Je ogen zijn als de zee zo blauw, je lippen bloedkoraal. En als jij langsloopt, draaien alle mannenhoofden tot hun nekwervels kraken’ De elektrische sitar stierf weg. ‘In het Hindi klinkt het beter, maar het is zoiets, toch?’

‘Haar ogen waren groen, maar het klopt wel, ja. Een klik. En ze liet mij haar zielenbeeld zien. Al kreeg ze er meteen spijt van.’

‘Dat is geen kattenpis. Alsof de dochter van de sultan haar sluier oplicht.’

Hij begrijpt het. Het is heerlijk om een vriend te hebben die je begrijpt. Vooral als hij van titanium is en negen kilometer lang.

 

 

8

18 april 2223, het Vlaggenschip van de Vloot

 

‘Eh, Hindele?’ De oceaanstem van de krabben rolde Hindeles hoofd in.

‘Ja. Ik luister.’

‘Hij komt. We hoorden de roeipoten van zijn draak net boven onze colonne passeren.’ Draak? Ah, dijk. De spinkrabben noemen ze draken zolang ze rondzwemmen. Een verankerde dijk vinden ze domweg een stuk kust en totaal oninteressant. ‘Shit! Nu al?’

‘Ik dacht dat je met hem danste. Paring danste?’

‘Met die oude geit? Hah, hij houdt niet eens van vrouwen!’

‘Wij kregen een andere indruk. Toen je hem naar je schelp bracht…’

‘Wacht, wacht! Het is die andere? Jacob?’

‘Jacob zit in de buik van de draak, ja.’

‘Als mijn tante hem ziet, explodeert ze.’

‘Dat was ook onze conclusie. Trek een kieuw aan en duik de zee in. De draak, hij beloofde je op te pikken.’

 

Een metalen zwempoot graaide haar zonder omhaal uit zee en zette haar op een glanzende schub neer. Het was een raar gevoel om op de rug van een dijkdraak te staan. Het mocht dan wel een machine zijn, het bleef een akelig grote en machtige machine.

Hindele trok de kieuwen over haar hoofd en vouwde ze op. ‘En nu?’ vroeg ze aan de lege lucht.

‘Hij is op weg,’ zei een stem in haar hoofd. Deze stem leek in niets op de galmende diepzeeduisternis van de spinkrabben, geen schuren van monddelen en driftig schaargeknip. Deze stem glom en glinsterde en zat bomvol zonlicht. Het was duidelijk dat dijken in de open lucht thuishoorden, in het daglicht.

Een drakenstem… Haar verbazing was niet eens zo heel erg groot. Een dijk! Tante heeft gelijk. Ik kan ook dijken verstaan. Dijken en spin­krabben, het moet dezelfde mutatie zijn, dezelfde delicaat uitge­balanceerde genen.

Een luik schoof open en de jongen klom het dek op.

‘Jacob.’

‘Hindele.’ Ze bleven raar onwennig staan, als marionetten waarvan de touwtjes abrupt doorgeknipt waren en die nu hun eigen weg moesten vinden.

Hij spreidde zijn armen. ‘Ik…’

Niet moeilijk doen. Jongens zijn zulke klungels als het op woorden aankomt. Ze stapte recht in zijn omhelzing en sloeg haar armen om zijn hals, kuste hem. Gelukkig kuste hij haar meteen terug.

‘Wow, Hindele,’ zei hij na de derde keer. ‘Ik was bang dat je nog boos op mij zou zijn. Omdat ik….’

‘Dat was voorbestemd. Ik was de stommeling. Een schelp snapt zulke zaken blijkbaar beter dan ik.’ Ze keek naar hem op. Gelukkig was hij maar een halve kop groter dan zij en konden ze de neuzen tegen elkaar wrijven. ‘Mijn tante was laaiend. Omdat ik je de dijk liet wegsturen zonder een prijs te vragen. Ze wil…’

‘Ze wil dat…’

‘Ja?’

‘Het is zo helemaal verkeerd! De dijken mogen niet terugkomen en daarom moet ik van haar met die oude dijkenfluisteraar trouwen. Met je oom.’

Jacob verstijfde. Hindele schrok: had ze het verkeerde gezegd? Was hij onvoorwaardelijk trouw aan de dijkenfluisteraars? Of erger, was hij alleen gearriveerd als voorhoede van een golf van verse dijken? Om zijn fout goed te maken?

‘Mijn oom. Als je gelooft dat je tante laaiend was, dan had je mijn oom moeten zien! Stoom uit zijn oren. Hij ontsloeg mij. Brulde dat ik geen dijkenfluisteraar meer was.’

‘Maar hoe kun je dan nog op een dijk varen?’

‘Deze dijk is het er in ieder geval niet mee eens,’ sprak de dijk-draak in haar hoofd. ‘Ieder heeft zijn favoriete fluisteraar. Jacob is de mijne.’

‘Het dijkvolk is tegen al te overhaaste huwelijken,’ zei Jacob. ‘Je moet minstens twee weken samen zijn voor iemand iets als “Ja, ik wil” mag zeggen. Samen op een onbewoond eiland bij voorkeur.’

‘Jazeker!’ joelde de dijk in haar hoofd, ‘een palmbomeneiland onder een volle maan.’ Meteen barste hij in een lied uit: ‘Come with me While the moon is on the sea The night is young And so are we, so are we!’

‘Blue Hawaii,’ voegde hij toe. ‘Van de King zelf. En ik weet precies waar ik zo’n eiland kan vinden.’

 

Een waarlijk enorme volle groengevlekte maan wierp de palmbomen in silhouet.

‘Er is verder niemand,’ zei Grisaert. ‘Geen zeenomade en geen dijker.’ Een gniffel. ‘Toen jullie de krabben nog aan het muteren waren, liep het een beetje uit de hand. Ze klommen bij volle maan het eiland op en verslonden alle inwoners.’

‘Heilige goden, dit is Aruba?’ Ze had verhalen gehoord. Als er iets was waarvoor de zeenomaden zich zelfs na zeventig jaar nog schaamden, dan was het dit.

‘Geen krab meer te bekennen,’ zei de dijk, ‘en je hoeft ook niet bang te zijn om over botten en schedels te struikelen. Als een krab iets verslindt dan is het van top tot teen.’

Ze waadden het laatste stuk naar de kust, met de zee niet dieper dan hun enkels. Bij elke stap sprongen er verschrikte visjes uit het water die vonkten in het maanlicht.

‘Ik dacht dat ik eigenlijk nooit meer een voet op het vaste land mocht zetten?’ hoorde ze Jacob tegen de dijk zeggen. ‘Dat het in mijn eed zat?’

‘Och, eden en regels,’ zei Grisaert. ‘Daar doen we alleen maar aan omdat de mensen zich dan wat zekerder voelen. Wij dijken kennen maar twee regels: blijf pompen en zorg dat je niet lekt. Tja, ons leven is aanzienlijk overzichtelijker dan dat van jullie.’

Op een nabije heuvel knipte de lamp van een vuurtoren aan en een zoeklicht zwalkte door de hemel.

‘Jullie torenkamer,’ zei de dijk. ‘Ik heb een stel mechs vooruit­gestuurd en ze zijn druk bezig nieuw glas in de sponningen te printen en een tweepersoonbed te bouwen, dons voor jullie dekbed te verzamelen.’

Handig, van dat soort vrienden. Niet dat een dijk beter was dan de spinkrabben.

 

Ze hadden uiteindelijk geen veertien dagen samen op een onbewoond eiland. Enkel een nacht.

Een laag geloei wekte Jacob in de ochtend en het was een afgrijselijk bekend geluid.

‘Wat?’ zei Hindele en streek een lok uit haar ogen. ‘Is er iets?’ Ze was beeldschoon, met de afdruk van een kussenplooi nog over haar linker­wang en korrels slaap in haar ooghoeken. Haar zweet rook naar zee­water en pas aangespoeld wier, een geur die intens intiem was.

‘Dat was een misthoorn,’ zei Jacob en zijn maag trok samen. ‘De mist­hoorn van een zwemmende dijk.’

Hij beende de kamer door, rukte het damasten gordijn open. De Koningsdijk slingerde zich als een metalen glitterketting over de halve horizon. Minstens vijftien andere dijken moesten zich in zijn staart vastgebeten hebben om zo’n idiote lengte te bereiken.

Dit is puur machtsvertoon, ging het door hem heen. Ze zijn op weg naar de Vloot om de polderring te leggen. De hele bergtop leeg te pompen.

‘Je oom?’ zei Hindele.

‘Ik ben bang van wel. Mijn oom houdt niet van verliezen.’ Hij schudde zijn hoofd.

‘Maar dit is bizar. Jullie gebied domweg binnenvaren is niet minder dan een oorlogsverklaring.’

‘De oceaan is van iedereen,’ zei Hindele automatisch en meteen daarop: ‘Nee, dat is onzin. Niet als je hier komt om alles kapot te maken.’ Ze boog zich naar voren. ‘O, nee toch?’

En Jacob begreep dat ‘O nee toch?’ meteen. Het raam vormde een 360 graden strook diamant langs de complete verdieping. Rechts, in het laatste kwart van de horizon dat nog vrij was, glom parelmoer. Vliegers dansten tussen de wolken.

‘Dat is de Vloot,’ zei Hindele. ‘Ze komen de dijken tegenhouden, de paringsvelden barricaderen.’ Ze graaide haar kleren bij elkaar en schoot haar laarzen aan. ‘Ik moet weg. Terug naar mijn tante. Ik ben de enige die ze kan stoppen.’

Het was als een nachtmerrieachtige rerun van hun vorige ontmoeting. Jacob hief zijn handen. ‘Hoe wil je naar de Vloot gaan? Zwemmen? Grisaert kan je onmogelijk brengen. Hij mag mijn vriend zijn maar hij kan onmogelijk tegen al die andere dijken op. Mijn oom is en blijft de opperfluisteraar.’

‘Ik heb Grisaert niet nodig,’ zei ze en haar schouders zakten omlaag. ‘Ze komen mij halen.’

’Halen, hoe?’

Een vlieger zakte omlaag, bleef met wapperende stabilisatievinnen naast het balkon hangen.

‘Daar is mijn vervoer al,’ zei Hindele. Een zenuwtick deed haar linker­wang trillen. ‘Mijn tante zit in de cockpit. Dit is niet iets dat ze aan een normale potige matroos kan overlaten. Je moet je eendenmossels zelf van je sloep schrapen, zei ze altijd.’

Ze rukte de schuifdeuren tweehandig open en een ijzige ochtendbries woei door de kamer. ‘Het was…’ zei Hindele. Ze wendde haar blik af. ‘Het spijt me zo!’

Ze nam een aanloop, zwiepte haar benen over de reling. De vlieger schoot naar voren en ving Hindele op, sloeg een veiligheidsgordel om haar middel. Een siddering en de vlieger schoot de hemel in.

Jacob keek haar na tot de vlieger tot een stip was gekrompen. ‘Godallemachtig,’ fluisterde hij.

’Zeg dat wel,’ zei Grisaert in zijn hoofd. ‘En wat dacht je eraan te doen, vrind?’

‘Oom Gulliver is de opperfluisteraar. Alle dijken gehoorzamen hem.’ Het voelde alsof elk volgende woord de energie verder uit zijn lijf zoog. David tegen Goliath en ik heb niet eens een slinger.

‘Bijna goed, mon amigo. Alle dijken gehoorzamen hem omdat hij de zielenbroeder van de Koningsdijk is. Net als jij die van mij bent. Zonder de Koningsdijk zou Gulliver een oude man zijn die wat in de bries staat te murmelen.’

‘Wat wil je nu precies zeggen?’

‘Dat ze allebei al allemachtig lang de baas spelen. Misschien wel te lang?’

Ineens leek het Jacob geen enkel probleem om David tegen Goliath te spelen, niet als je een titanium slinger van anderhalve kilometer in je knuisten hield. ‘Ik denk niet dat ze ons op de bruiloft gaan uitnodigen.’

‘Des te beter! Dan verwachten ze ons ook niet. De mensen zijn jouw probleem, de dijken regel ik.’

 

 

Het Vlaggenschip van de Vloot:

 

Gulliver van Nijenbrink, opperfluisteraar en Dijkschouwer, rechtte zijn schouders, tikte zijn rozenkrans van drijfglas aan. Nu komt het er op aan. Puin ruimen en het is helemaal mijn eigen schuld. Een jongen die giert van de hormonen met een sluwe en bloedmooie vlootvrouw laten onderhandelen: waar zat mijn verstand?

De deur van de Vlootvoogdes zwaaide open en hij stond voor het eerst in zijn leven oog in oog met zijn tegenhangster. Dit was de vrouw die al zeker een eeuw beter dan alle anderen met de spinkrabben kon spreken, wiens woord voor de halve oceaan een bevel was. Haar gezicht was meisjesachtig glad en hij zou haar hoogstens twintig geven.

‘Heilige goden, je bent een onsterfelijke! Net als ik!’ Hij flapte het eruit, zo totaal verrast was hij. Ze is even leugenachtig als ik. Toen haar botten begonnen te knersen, waren de blauwe vinvissen opeens niet zo heilig meer.

De langlevenden kunnen gezichten lezen, al die kleine spier­trillinkjes, de stand van je lippen, een iets te snelle oogknippering. Ze klakte met haar tong. ‘Nu besluit je dat ik geen haar beter ben dan jij, ja? Mis. Als ik door de ogen van de spinkrabben kijk, kan ik iedere zeester een oester open zien wrikken, elke sardine tellen. Zodra er een blauwe vinvis sterft en naar de bodem zinkt dan weet ik dat. Lang voor de alen zich zijn hersens in kunnen knagen, heb ik zijn pijnappelklier al geoogst.’ Ze viste een buisje uit haar handtas. Het was zo dik als zijn duim en twee keer zo lang. De vloeistof lichtte smaragd-groen op, met minieme rode vonkjes.

De Japanners verkochten hun serum per milligram: deze ampul moest goed zijn voor zo’n duizend jaar jeugd. Gulliver voelde zijn tong droog van pure begeerte worden. Geen junkie kon ooit half zo gretig naar zijn kristallen gestaard hebben.

‘De helft is voor jullie,’ zei de Vlootvoogdes. ‘Meer dan de fluisteraars ooit op kunnen maken. Voortaan doen jullie geen zaken meer met Groot Nippon, maar met ons.’

Gulliver vouwde zijn handen samen, herhaalde zijn persoonlijke mantra tot hij zijn stem en vooral zijn verstand weer kon vertrouwen.

‘Een aantrekkelijk aanbod. Zonder meer.’

‘Het wordt nog beter. De mutatie die jullie met de dijken laat spreken, is zeldzaam en niet na te bouwen. Deze generatie hadden jullie maar èèn nieuwe fluisteraar. Wij twaalf. Ja, krabspreken en dijkenfluisteren zijn hetzelfde talent. Iets diep in het kwantumgebied, heb ik mij laten vertellen, het resoneren van je microtubuli met die van dijken en krabben.’ Ze spreidde haar handen. ‘Onbelangrijk. Ik bied je mijn nichtje ten huwelijk aan. Jullie kinderen zullen gegarandeerd top­fluisteraars en krabbentemsters worden.’

‘En je nichtje? Wat is haar mening?’

‘Ze is een gehoorzame vlootvrouw. Ze gelooft met heel haar hart in Gaia en zal doen wat juist is.’

‘In dat geval stem ik graag in. Misschien is het verstandig elkaar eerst te ontmoeten voor onze huwelijksdag?’

‘Zo zijn onze gewoonten niet. Je ziet haar gezicht als je haar sluier oplicht. En de bruiloft gaat sowieso door.’

 

 

9

16 juni 2223, Aruba

 

Hindele herkende het eiland zodra het boven de horizon uitpiepte: de eenzame berg die boven het verdronken laagland uittorende, de heuvel met de vuurtoren.

‘Deed je dat expres?’ vroeg ze haar tante. ‘Om het eens goed in te wrijven?’

‘Welnee. Aruba ligt gewoon handig in de buurt en niemand heeft het ooit durven claimen. Neutraal gebied.’ Ze opende haar tasje. ‘Hier, je sluier. Doe hem om voor je aan land stapt.’

‘Die oude geit weet heus wel hoe ik eruitzie. Er is niets geheim aan mijn gezicht.’

Haar tante haalde haar schouders op. ‘Zo is de traditie nu eenmaal.’

 

Palmbomen onder een strakblauwe hemel, rijen danseressen en lieden die handenvol kauries strooiden in het kielzog van de bruid. Halver­wege de praalweg draaide een complete tonijn aan het spit. Dat moest van de dijkers zijn: vlootmensen gaven de voorkeur aan vegetarischer hapjes. Het geroezemoes klonk Hindele hatelijk in de oren en haar sluier maakte alles grijs en wazig. Ze lachen mij uit. Ik ben het rare offerlam, de zondebok. Het zand werkte zich in haar muiltjes en het was alsof ze over levend schuurpapier strompelde. Ten slotte eindigde ze bij het altaar: een vergulde sloep met haar toekomstige echtgenoot aan het roer. Haar tante stond naast hem, bijna alsof zij de bruid was, met de ampul hoog geheven zodat iedereen de zon in het serum kon zien fonkelen.

De hogepriesteres van Gaia, Maryams vertegenwoordigster op Aarde, stapte naar voren en blies driemaal op een kinkhoorn.

‘Maakt er iemand bezwaar tegen dit huwelijk?’ galmde ze vervolgens. ‘Zo niet, laat zij dan eeuwig zwijgen!’

‘En of ik bezwaar maak!’ Jacob stapte uit de rij met kaurischelpen­strooiers. ‘De bruidegom is ouder dan Methusalem en de bruid… Als ze “Ja, ik wil” zegt, is het enkel met het mes op de keel.’

In de verblufte stilte kon Hindele haar tante horen fluisteren. ‘Je hebt hem toch verbannen, Gulliver? Hij is geen fluisteraar meer. Niet een van jullie?’

‘Dat klopt.’

‘Perfect!’ Tante strekte haar arm en kromde een vinger.

Ze roept de spinkrabben om hem te verscheuren. Ze hoorde haar tantes geluidloze gekrijs in haar hoofd, bevelen die enkel voor een spinkrabbentemster hoorbaar waren.

Een golf rolde aan, smeerde zich over het strand uit. Het was geen natuurlijke branding want de zee zelf bleef spiegelglad: een falanks zwoegende monsters stuwde het water voor zich uit. Ze renden het strand op met geheven scharen, rood als baksteen en een en al haak en speerpoot.

Een paar honderd meter verder speelde een ander drama zich af: de Koningsdijk rees als een getergde cobra uit de golven. Een veel kleinere dijk slingerde zich om zijn lijf. Een haal van een machtige ankerpoot en Grisaert tolde door de lucht, smakte in de oceaan. Hij zwom meteen terug en ditmaal was hij niet alleen. Een dozijn andere dijken hadden zich bij hem aangesloten en de Koningsdijk ging kopje onder.

Toen hij weer opdook was hij duidelijk op de vlucht.

Hindele keek terug: de spinkrabben snelden de praalweg over, omsingelden de sloep.

‘Hij daar!’ wees haar tante. ‘Verscheur hem! Ruk zijn ribben uit zijn lijf en laat geen bot ongebroken!’

Voor de eerste keer in haar leven sprak Hindele niet langer met de krabben, ze werd de krabben. Ineens bezat ze dozijnen ogen op steeltjes en liepen haar armen in scharen uit. Ze wierp een cordon om Jacob heen, een klikkende en sissende haag van opgeheven scharen die de andere krabben deed terugdeinzen. Ze sprong over naar een enkele krab en snelde op de sloep af, griste de ampul uit haar tantes handen.

Hindele stapte naar voren, half krab en half mens want ze kon het gewicht van de ampul in haar linkerschaar nog perfect voelen.

‘Je kunt kiezen,’ zei Hindele. ‘Een lang, lang leven, maar dan lijkt het mij verstandiger als jullie een stapje terugdoen. Stel, een mooie vakantie van zo’n vijftig jaar?’ Ze voelde een apengrijns aan de hoeken van haar lippen trekken. ‘Mijn krab kan natuurlijk ook jullie ampul in het zand leeg gieten. Dat is eigenlijk het enige alternatief.’ Ze liep op Jacob af en haakte haar arm in de zijne. ‘En nog iets. Een huwelijk tussen dijk en krab was zo’n slecht idee nog niet. En nu we hier toch zijn…’

Share Buttons

Categories