De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » De Jagers en het smalle huis – Rob Geukens

De Jagers en het smalle huis – Rob Geukens

 

De dag dat mijn grootvader stierf, zag ik hem door zijn tuin wandelen. Hij zag er jong uit, veel jonger dan ik hem ooit gekend had. Niet zoals het verschrompelde lichaam dat zijn laatste wanhopige ademtochten probeerde vast te houden, maar een lange, pezige man van middelbare leeftijd, met een volle bos donkere haren en een krachtige blik. Het leek me niet eens vreemd dat hij daar stond en me wenkte naar een overwoekerd paadje achterin de tuin, terwijl hij eigenlijk in de slaapkamer op de eerste verdieping lag te sterven.

De ontmoeting was stil: zelfs de wind was gaan liggen en de vogels hielden even hun gekwetter, zoals ze doen wanneer de zwarte schaduw van de maan de zonneschijf bedekt tijdens een zonsverduistering. De wereld hield zijn adem in. De verschijning wees zwijgend naar een steen die verborgen lag achter een hoge berk, en was het volgende ogenblik gewoon niet meer daar. Het licht veranderde, de natuur hernam zijn gewoonlijke drukte en ik wist dat mijn grootvader – de oude man op de eerste verdieping, niet de krachtige verschijning in de tuin – zijn laatste adem had prijsgegeven aan de lange nacht. Ik was zes jaar en de dood was nog iets abstracts voor me. Misschien is hij dat nog steeds. Wat weten we er eigenlijk over? We zien slechts de effecten van zijn langskomen, de vingerafdruk van een dader die nooit zelf voor het voetlicht treedt. Een aanwezigheid in de schaduwen.

Ik herinner me nog twee dingen over de dood van mijn grootvader, naast de verschijning in de overwoekerde tuin vol stenen monumenten achter een lang, smal huis dat alleen maar lange, smalle mensen in zich duldde. Mensen zoals mijn grootvader en mijn moeder, uit dezelfde mal gekomen. Lang, rijzig zelfs, maar mager en strak als een gespannen pianosnaar, die – in het geval van mijn moeder – steeds op het punt van knappen leek te staan. In de spiegel keek eenzelfde smal, ernstig gezicht met een liggend streepje als mond me aan. Die mal had ook mij uitgeworpen. Mijn grootmoeder was enkel een bewogen foto. Zij was gezet en goedlachs, een eigenschap die het haar blijkbaar onmogelijk maakte stil te zitten, al was het maar om te poseren voor die ene foto. Het lange smalle huis had haar niet lang geduld en mijn moeder groeide zonder moeder op, iets wat ze mij leek te verwijten. Mijn bestaan bevestigde haar eigen gebrek aan een moederrol in haar jeugd. Ze had nooit geleerd te doen wat moeders deden en deed dus zelf ook niet moederlijk. Vandaar misschien dat liggend streepje in mijn spiegelbeeld.

Drie dagen na de dood van grootvader moest ik een te groot wit hemd met een te stijve boord aan die mijn hals rood schuurde. Een te grote zwarte strik hield de boord in bedwang. Moeder had de strik zo strak aangetrokken dat ik even vlekken voor mijn ogen zag dansen, zwarte vlekken die als kleine beetjes dood het licht uit mijn blikveld kwamen eten. Vervolgens haalde ze een benige kam door mijn zwarte haren. Ze probeerde ook die in een liggend streepje te krijgen, maar daarvoor waren ze te weerbarstig. De kam schraapte met zijn dode vingers over mijn hoofdhuid. Ze keek me aan via de spiegel, met een lang, smal gezicht dat nog bleker was dan gewoonlijk. Ik keek terug naar haar spiegelbeeld omdat ik te bang was om me om te draaien en haar echte gezicht te zien. Nu kon ik me tenminste inbeelden dat het aan de spiegel lag: de holle ogen, het totale gebrek aan liefde en boven alles: de peilloos diepe angst in haar blik. Vandaag zouden ze mijn grootvader begraven, maar moeder zag eruit alsof zij het was die de grond in zou verdwijnen. Mijn linkerhand voelde in de zak van het jasje en omsloot het kleine popje in rode badstof dat mijn grootvader me voor mijn vijfde verjaardag had gegeven. Ik putte een beetje troost uit het zachte materiaal om het onbuigzame skelet. Het was tijd om te gaan.

Ik verwachtte dat ze mijn grootvader op het gemeentelijke kerkhof zouden begraven. Daar lag al twee jaar mijn vader, een moeilijk man met deuken, uitsteeksels en vertakkingen die in geen enkel soort huis paste. Misschien daarom staken ze hem met kist en al een oven in: om de scherpe kanten eraf te branden. Wat overbleef paste in een zielige, gladde pot die gekozen leek om zo min mogelijk bij mijn vader te passen. Die pot ging in een stenen kastje in een lange, stenen muur. Mijn grootvader vond het op een duiventil lijken. Ik dacht aan de muur aan het postkantoor waar je ook zulke vakjes had. Ik had nachtmerries over doden die zich roerden in de duisternis van hun rechthoekige kastjes, wachtend op een verstrooide postbode die hun deurtje zou openen en hen als duiven zou doen opfladderen.

Maar grootvader wachtte geen brievenbus of duiventil op het gemeentelijke kerkhof. Hij zou begraven worden in een oud kerkhof buiten de stadskern, onder de schaduw van een eeuwenoude taxus­boom waarvan de stam ooit door de bliksem gespleten was. Eerst dacht ik dat er helemaal geen andere graven in de buurt lagen. Maar toen ik mijn moeder volgde naar de langgerekte schaduw die het nog donkerder zwart van het open graf omvatte, merkte ik links en rechts van me oneffenheden in het mossige gras. Op sommige plekken week het mos en stond een stuk verweerde steen bloot aan de elementen. Hier werd slechts zelden iemand begraven. Mijn grootvader zou de eerste in tientallen jaren zijn. Mijn oog dwaalde over de hobbels. Ik vroeg me af wie eronder lag. Ik kreeg het beeld niet uit mijn gedachten dat er eerst gewoon gras was, en dat onze komst iets of iemand had wakker gemaakt dat nu de oude zerken door het oppervlak naar boven begon te duwen. Als een nieuw stel tanden die spoedig doorheen het tandvlees zouden scheuren.

Moeder bleef staan en ik botste tegen haar knokige achterste aan. Haar knokkels waren spierwit. Voorzichtig kwam ik van achter haar rug kijken. De dragers lieten grootvaders kist even op de grond zakken. Naast de kist gaapte het graf. Spoedig zou grootvader opnieuw in een smal huis wonen, smal en diep en veilig beschermd tegen alles wat hem bovengronds zou kunnen bedreigen. Aan het hoofd van het gat stond een man in een lang gewaad. Alleen priesters droegen lange gewaden, dus voor mij was de man een priester, ook al kwamen zijn woorden en gebaren me niet bekend voor. Naast de priester stond een ouder koppel, strenge mensen met verwijtende blikken die volgens mij ook in een smal huis thuishoorden, zij het bovengronds. Moeders blik was op de man gericht toen ik tegen haar aanbotste. Nu kwamen haar voeten langzaam opnieuw in beweging, alsof ze tegen het bevel van haar verstand in gingen. Ze leidden mijn moeder – en mij in haar zog – naar de voet van het graf. De priester keek niemand aan en ging door met zijn geprevel van onverstaanbare woorden.

Het koppel keek moeder strak aan, en moeder keek naar de bodem van het graf. De wind speelde door de stugge takken van de oude taxusboom. Even leek het alsof de schaduw van tussen de twee helften van de gespleten stam naar buiten lekte. Lange, bijna onzichtbare vingers die reikten naar de levenden rond het graf. De streng kijkende vrouw kromp ineen en zette de kraag van haar zwarte jas op. De man bleef mijn moeder aankijken terwijl de dragers opnieuw naar voren kwamen en grootvaders kist in het grafgat lieten zakken. De mannen lieten de touwen als opgerolde slangen bovenop het deksel vallen, grepen een schop en togen zwijgend aan het werk. De eerste ploffen aarde klonken hol, alsof ze op een lege kist vielen. Maar daarbinnen lag wel degelijk het lichaam van mijn dode grootvader, licht en verschrompeld, even ver verwijderd van de man die hij ooit was geweest als een rozijn van een druif. Uiteindelijk werd de zandhoop lager dan de nieuwe heuvel die zonet nog een gat was. Het leek wel alsof de dode, eens afgedaald in het graf en bedekt met eeuwige aarde, spijt had gekregen en zich net zoals de buren in de deze zonovergoten weide weer een weg naar de oppervlakte probeerde te duwen.

De streng kijkende man wendde zijn blik af van mijn moeder. De spanning vloeide uit haar lichaam. Het leek alsof ze al die tijd opgetakeld was geweest en nu weer op de grond werd neergezet. Ze huiverde en begroef haar gezicht snikkend in haar handen, het eerste teken van verdriet en rouw dat ik bij haar bespeurde sinds de dood van haar vader, drie dagen geleden. De schaduw speelde nog steeds tussen de helften van de gespleten boomstam. Heel even zag ik het gezicht van mijn grootvader daar, hetzelfde beeld dat ik in de tuin van het smalle huis had gezien. Hij glimlachte naar me. Misschien verbeeldde ik me dat. Vaak heb ik het me afgevraagd of niet alles verbeelding was geweest, ideeën opgeworpen door een jonge geest die niet begreep wat er om hem heem gebeurde. Ik bid nog steeds dat het gewoon dat was. Maar ik weet intussen beter.

 

De begrafenis was het eerste moment dat me tot vandaag is bijgebleven. Het bezoek aan de notaris was het tweede. Dat gebeurde een week na de begrafenis. Mijn grootvader had ik nergens meer gezien, al probeerde ik regelmatig zijn beeld te vangen door naar de schaduwen te kijken. Niet rechtstreeks, maar zijdelings, vanuit mijn ooghoek. Soms zag ik daar beweging, vormen. Kleuren ook. Dat vertelde ik niet aan mijn moeder. Die zou er niet goed op reageren. Ik vertelde haar ook niet over de zwarte vlek die ik soms zag wanneer ik zo naar haar keek. Een donkere vlek in de ruimte achter haar, ter hoogte van haar nieren. Een vlek die wat dichter tegen haar aankleefde telkens als ik hem weer zag. Mijn grootvader wist dat ik soms dingen zag, maar hij ging er nooit op in.

‘Sommige deuren hou je beter gesloten,’ vertelde hij me ooit, toen de ziekte hem al te pakken had en geen teken gaf hem ooit nog te willen loslaten. De woorden klonken niet als een waarschuwing, eerder als een belofte. Alsof hij zeker wist dat hij gelijk had. Maar waarover dan precies, dat wilde hij niet kwijt.

Zeven dagen na de begrafenis stond ik opnieuw voor de spiegel, met schurend hemdsboord, een liggend streepje onder mijn neus en moeder die met de benige kam over mijn schedeldak schraapte. Ze nam me mee naar wat ze hoopte dat de laatste stap was in het afscheid van mijn grootvader. We gingen een huis binnen, breed en stevig als een hurkend nijlpaard. Mijn grootvader zou hier niet graag binnen gekomen zijn. Zelf voelde ik me duizelig, stuurloos zwalpend door de brede, donkere gangen, me oriënterend op het vraagteken van mijn moeders gebogen rug.

Ze stopte bij een dubbele deur in donker eikenhout, waar een butler met een brede snor en een pafferig gezicht haar staande hield. Hij wees twee lege stoelen aan die tegen de muur naast de dubbele deur stonden opgesteld. Moeder ging zitten en gebood me met een korte ruk van haar hoofd hetzelfde te doen. De stoel voelde ijskoud aan en had een hoge zitting, waardoor mijn voeten boven de kale vloer bungelden. Ook de muren van deze gang waren kaal. Hier hingen geen wandtapijten of schilderijen zoals in de rest van het huis. Een vlieg zoemde door de gang en landde op de muur. Hier had je enkel de binnenkant van je hoofd om naar te kijken, je gedachten, onzekerheden en angsten om je gezelschap te houden. Ik stak mijn hand in mijn zak en aaide het rode popje, alsof het zelf troost nodig had. Het gaf me een beetje kracht, maar niet veel. Moeder wreef langzaam met haar lange witte vingers over haar onderrug. De koude leek hier uit de muur te stralen. Of door de muur, vanuit de kamer achter die zware, dubbele deur.

Wie zich daar bevond, wist ik niet. Maar ik kon stemmen horen, bars, ruw, fel uithalend. In die kamer werd ruzie gemaakt. De spanning sijpelde de gang in langs de kier onder de deur. Ik kon niet horen waarover men ruzie maakte, maar voelde niettemin de angst in mijn botten kruipen. Niemand ging graag een onbekende kamer binnen waar iedereen zich had zitten opwinden. Moeder keek voor zich uit zoals ze een week geleden naar de bodem van het graf had staan staren: alsof ze wilde dat alles achter de rug was. Echt alles. Ze draaide zich langzaam naar mij en strekte haar hand naar me uit. Ik was zo verrast dat ik haar vingers beetnam. Die waren hard en koud, maar loslaten deed ik niet. Er stonden tranen in haar ogen. ‘Alles komt goed,’ fluisterde ze me toe. Net die woorden gaven me de zekerheid dat er iets verschrikkelijks stond te gebeuren. Haar kind troosten was geen natuurlijk gedrag voor mijn moeder. Dat ze toch de behoefte voelde dit te doen, te graven in haar geheugen naar voorbeelden van andere moeders die hun kind gerust stelden, maakte me doodsbang voor wat zich achter die deur bevond. Ze keek weer weg, onzeker over wat moeders vervolgens deden in dit soort situaties.

‘Alles komt goed,’ herhaalde ze tegen de kale muren en de koude vloer. De herhaling maakte het alleen maar erger. Ik voelde de drang haar op mijn beurt iets bemoedigends toe te fluisteren. Had ik mijn mond maar gewoon gehouden.

‘Ik denk dat grootvader gelukkig is, nu,’ zei ik. Moeder keek me aan alsof ik in haar gezicht gespuwd had.

‘Echt. Ik… ik heb hem gezien. Hij was al dood, maar toch. Ik zag hem lopen. Hij zag er tevreden uit. Sterk.’ Er trok een siddering door de afhangende wangen van de butler. Hij verdween haastig door de dubbele deur en sloot deze voor ik een blik in de kamer daarachter had kunnen werpen. Moeder greep mijn schouder beet met haar koude, benige vingers. Ik slaakte een verraste pijnkreet.

‘Waarom zei je dat?’ schreeuwde ze. ‘Wie zegt nu toch zoiets?’ Er klonk paniek in haar stem. Haar ogen schoten naar het eind van de gang, vanwaar we gekomen waren. Ze leek te overwegen het op een lopen te zetten, maar klemde zich vervolgens vast aan het zitvlak van haar stoel. Dikke tranen rolden over haar wangen en pletsten hoorbaar op de kale vloer.

‘Waarom heb je dat gezegd,’ piepte ze met opeengeperste tanden.

De dubbele deur zwaaide open. De butler legde zijn kolenschop van een hand op mijn schouder. Hij zou me met een kneepje kunnen vermorzelen.

‘De jongen wordt binnen verwacht,’ zei hij met een verrassend zachte stem die niet bij zijn postuur paste. ‘Alleen.’

Moeder klapte dubbel alsof iemand haar in de maag had geschopt. Maar er kwam geen woord van protest over haar lippen. Ze was nu eenmaal niet dat soort moeder. Gedwee stond ik recht en liep met de butler mee, de kamer achter de dubbele deur in. Alleen de vlieg kwam met me mee naar binnen.

De kamer was koud en donker. De grote ramen waren verduisterd met dikke gordijnen die niet alleen het licht, maar ook de zuurstof leken op te slorpen. Midden op een grote ovalen tafel met een zwaar, marmeren blad op dikke poten van donker hout brandde een enkel zielig theelichtje. Het verlichtte het gezicht van de aanwezigen en tekende er diepe schaduwen op. De vlieg danste rond de vlam. In de grootste stoel zat een man die bijna net zo breed en plomp was als het huis waarin we ons bevonden. Hij keek me aan met doffe ogen die diep verzonken lagen in een rood aangelopen gezicht. Dit moest de notaris zijn. Hij zag er uit als een man die nooit iets was tekortgekomen in zijn leven. Beroepshalve dik en duidelijk op zijn ongemak in het huidige gezelschap. Naast hem zat een bleke, smalle man die me bekend voorkwam. Hij durfde me niet aan te kijken en depte met een zakdoekje een donkere druppel weg van zijn mond.

‘Oom Stan?’ fluisterde ik. Mijn woorden klonken alsnog te luid voor de ruimte. In de donkerste hoek roerde zich wat.

‘Oom Stan?’ probeerde ik opnieuw. Maar de broer van mijn moeder sloeg de ogen neer en zakte wat dieper in zijn stoel, waardoor een zwarte schaduw over zijn gezicht kroop. Hij zag er diep ongelukkig uit en leek te schrikken telkens als de man aan zijn linkerkant zich verroerde. Ik herkende hem als de man die samen met zijn echtgenote mijn moeder zo streng had aangekeken tijdens de begrafenis van mijn opa. Nu richtte hij diezelfde blik op mij en ik voelde de koude uit de vloer mijn kuiten intrekken en me aan de grond vastvriezen. Zijn vrouw zat naast hem, en ook zij staarde me indringend aan. Ik kende hun namen niet, maar had er zelf eentje bedacht. Hij paste volledig bij het gevoel dat ze me gaven. De Jagers. In hun aanwezigheid voelde ik me een prooi. Ik voelde dat ik hen moest blijven aankijken om ze op afstand te houden. Dat met de ogen knipperen gelijk zou staan met gevangen worden. Ze zouden telkens iets dichterbij komen als ik de blik afwendde.

Naast mevrouw De Jager zat nog iemand. Een oude vrouw. Zij keek me niet aan en staarde met een lege blik voor zich uit.

‘Zit.’ De Jager sprak alsof hij de meester van dit gezelschap was, en de notaris hem slechts een dienst verleende. Mijn voeten scheurden zich los van de vloer als plasticfolie van een vergeten diepvriezer­biefstuk. Ik ging zitten op de stoel tegenover De Jager. Mijn voeten bungelden weer, en mijn kin kwam amper boven het tafelblad uit. De Jager ving me weer met zijn blik. Ik had de indruk dat ik hem eerder had gezien, deze smalle, strenge man. Eerder nog dan op de begraafplaats. Ik wist alleen niet meer waar of wanneer.

‘Waar is het?’ Ik schrok. De Jager had gesproken, maar ik dacht dat zijn mond niet bewogen had. In deze donkere kamer met bewegende schaduwen kon je je natuurlijk van alles verbeelden.

‘Waar is het?’ klonk het opnieuw. Woorden als grijpende, koude handen die met lange nagels de binnenkant van mijn schedel afschraapten, op zoek naar antwoorden.

‘Ik… ik weet niet waar u het over hebt,’ piepte ik. Mijn kin rustte nu vol op de tafel. Ik moest wel gezakt zijn, of in elkaar gekrompen, al had ik niet gemerkt dat het gebeurde. ‘Vertel het ons, kind. Waar is het?’ Zijn blik werd intenser. Het leek alsof zijn ogen groter werden en opgloeiden in de duisternis. Of hij liet gewoon meer oogwit zien. Ik wist niet wat ik het engste vond. Ik zweeg, bang het verkeerde antwoord te geven. Wat wilden deze mensen van mij?

De Jager knarste met zijn tanden en keek naar de oude vrouw. Die had de hele tijd niet bewogen en staarde nog steeds voor zich uit.

‘Antwoord!’ schreeuwde De Jager plots, terwijl hij rechtstond en op de tafel bonkte. Zijn stoel kletterde achter hem op de vloertegels.

‘Mijnheer, alstublieft. Dit is een deftig huis.’ De notaris sprak voor het eerst. Hij gebruikte de sussende toon van de ambtenaar die weet dat de tijd aan zijn kant staat. De Jager leek even te twijfelen of hij me over de tafel heen zou aanvliegen. Ik hield me klaar om onder de tafel te verdwijnen. Maar de woede van de man zakte en hij draaide zich om en zette zijn stoel weer recht.

‘Goed dan. Als het niet goedschiks kan…’ Hij maakte zijn zin niet af en knikte naar de oude vrouw. Als dit moest doorgaan voor goedschiks… Ik hoopte vurig dat mijn moeder zou binnenkomen om een einde te maken aan deze kwelling. Ik kon haar zachtjes horen jammeren achter de dubbele deur. Ook van oom Stan hoefde ik geen hulp te verwachten. Die staarde lijkbleek naar zijn vingers die gespreid op het tafelblad lagen, als dode zeesterren op het strand. Hij wilde niet opkijken naar wat er nu zou volgen. De notaris deed dat wel. Waarschijnlijk besefte hij niet in wat voor spel hij meespeelde. Hij keek naar de oude vrouw en prevelde zachtjes iets wat op gotsamme! leek. De Jagers keken de vrouw ook aan.

Het voelde alsof er iets aan me trok, zoals mijn moeder me soms bij de kin beetnam en mijn hoofd zo draaide dat ik haar wel moest aankijken. Dat gebeurde alleen wanneer ik iets naars te horen ging krijgen. Nu voelde ik diezelfde druk en mijn hoofd draaide tegen mijn wil om in de richting van de oude vrouw. Voor het eerst zag ik haar echt zitten, in plaats van gewoon uit mijn ooghoek. Ze had nog steeds geen vin verroerd. Haar ogen waren dof en uitgeblust en haar mond stond halfopen. Een beetje zoals de mond van mijn grootvader half­open was gezakt toen het leven hem ontglipt was. De vlieg zoemde langs mijn rechteroor en landde dan op de wang van de oude vrouw. Ze gaf geen krimp terwijl het insect over de verrimpelde huid trippelde naar de openstaande mond. De haartjes op mijn armen kwamen recht. De vlieg liep het gapende gat van de mond in en kwam een seconde of twee later weer naar buiten. Aan de punt van haar neus vormde zich nu een druppel die gelig glansde in het flakkerende kaarslicht. Het slijmerige spul droop langzaam als stroop of lopende honing van de koude haakneus op het kostbare marmeren tafelblad van de notaris. Die deed zijn best te doen alsof het natte skwitsch skwitsch hem niet raakte, maar zelfs bij het onzekere kaarslicht kon ik duidelijk een adertje zien wriemelen onder de huid van zijn voorhoofd, als een of andere worm op zoek naar het dichtstbij gelegen gaatje en de buitenlucht.

Ik wist niet in welk soort huis deze oude vrouw woonde. Misschien een huis met een onregelmatige vorm, als een vijver of een moeras, of een haastig gegraven kuil die haar speciaal voor deze bijeenkomst weer had uitgespuwd. Ik kon de gedachte niet uit mijn hoofd krijgen dat er een dode aan tafel zat. Maar waarom had ik dan het gevoel dat ze nu tegelijk achter mij stond en haar benige, koude vingers door mijn oren tot in mijn hersenen duwde? Een withete vlam schoot door mijn hoofd en ik begon te gillen.

‘Je zag je opa,’ klonk de stem van De Jager.

‘Ja,’ antwoordde ik. Het had geen zin te proberen iets te verbergen. De oude vrouw zat in mijn hoofd en zag alles wat daar gebeurde. Ze pelde mijn geest als een ui. Ik zou niets geheim houden voor haar.

‘Je zag hem… na zijn dood,’ zei De Jager.

‘Ja,’ gaf ik toe.

‘Vertel me waar je hem zag. Wat deed hij?’ De stem van De Jager klonk feller, gretiger. Mijn hoofd deed nog meer pijn. Ik voelde de oude vrouw rondwoelen, daarbinnen.

‘Hij… hij toonde me iets in de tuin. Zijn tuin. Hij wees naar een oude steen.’

‘Welke steen? Stonden er tekens op? Waar lag hij?’ De Jager had moeite zijn opwinding te bedwingen.

‘Onder de berk… de enige berk in de tuin. Daaronder in het hoge gras lag een steen. Grijsblauw, bijna rond. Er zat een vlek op. Roodbruin. Bijna als een letter. Ik… ik heb er niet goed naar gekeken.’

Het bleef stil. De druk in mijn hoofd nam toe. Ik had het gevoel dat het helemaal opgeblazen was als een strandbal, niet meer lang en smal, het liggend streepje uitgerekt tot een grimas. Toen kreeg ik het gevoel dat ik leegliep, dat de woelige zee zich eindelijk terugtrok uit mijn schedel. De druk nam af en een smerige stank vulde de kamer. Ik wist dat de oude vrouw niet meer achter mij stond. Ze zat weer gewoon aan de tafel, nog steeds in diezelfde houding.

‘We hebben alles,’ zei De Jager. ‘Het joch weet niks meer.’

Mevrouw De Jager keek me vol walging aan. De notaris had een grote zakdoek bovengehaald en die voor zijn neus en mond geslagen. Hij schudde zachtjes het hoofd. Oom Stan zat met gesloten ogen en betraande wangen op zijn stoel en wiegde zachtjes. De vlam van het theelichtje flakkerde op, en even dacht ik de omtrek te zien van een zesde figuur in de kamer. Iemand die heel de tijd in de schaduw had gezeten en over de schouder van De Jager had geobserveerd. Zijn gezicht kon ik niet zien, maar ik voelde heel sterk aan dat zoiets een zegen was. Als hij echt was, was er vast een goede reden waarom hij niet bij ons aan de tafel zat.

‘Wij zijn klaar hier. We gaan.’ De Jager stond recht en liep zonder iemand te groeten de kamer uit. Zijn vrouw volgde hem als zijn schaduw.

Ik duwde me van de tafel af. De poten van de stoel schraapten luid over de stenen vloer. Ik liet mezelf van het zitvlak op de tegels glijden en landde in een plas. Oom Stan stond eindelijk op en nam me bij de hand. Hij leidde me naar de gang, waar moeder met opgetrokken knieën zat te schommelen. Ze zag er jaren ouder uit, gegroefd door meer tijd dan haar levensjaren konden verklaren.

‘Je… je bent helemaal nat,’ stamelde ze. Ik keek naar de broek van mijn nette pak en besefte nu pas waar die stank en die plas vandaan waren gekomen. Moeder schoot struikelend recht en greep me bij de hand. Ze rukte bijna mijn schouder uit de kom toen ze me door de gangen van dit ruime huis naar buiten sleurde.

Oom Stan zat ons op de hielen. Bij de deur haalde hij ons in. Hij haalde een bos sleutels boven.

‘Kom mee,’ zei hij met onvaste stem. ‘Ik kon er niet bij zijn toen hij begraven werd. Ik kon ze daarbinnen niet tegenhouden. Maar ik kan jullie wel meenemen, weg van hier.’

Moeder keek haar broer met bittere minachting aan, maar zei niets. Ze volgde hem naar een oude gifgroene Subaru en deed het achterportier voor me open. Het was duidelijk dat ik geen keuze had, volgeplaste broek of niet. Ik kroop op de achterbank. Terwijl de auto wegstoof viel de herinnering aan De Jager me weer te binnen en waar ik hem eerder gezien had. Hij was een kennis van mijn grootvader geweest. Iemand die soms langskwam wanneer ik ook in het smalle huis op bezoek was. Hij was vriendelijker toen, minder streng. Maar af en toe leek het of hij en mijn grootvader ruzie hadden. Ruzie over een of ander boek. Was dat waar deze bijeenkomst om draaide? Een verloren boek? Welk soort boek kon zo belangrijk zijn? De vragen zouden me blijven achtervolgen tijdens mijn jeugd en mijn eerste volwassen jaren. Het zou meer dan vijftien jaar duren voor ik het dorp van mijn jeugd weer zou zien.

 

Mijn moeder stierf vijf jaar later, ingehaald door de zwarte vlek die ik haar soms achter haar rug zag besluipen. Op het einde was ze mager en bros als een dorre tak, en al even verwrongen. Pas toen het leven uit haar weggleed, vervaagde de diepe rimpel tussen haar wenk­brauwen. De grimas om haar mond verdween en voor het eerst kon ik zien dat zij ooit een mooie vrouw geweest was. Haar leven was een kwelling geweest. Het had haar jaren lang tegen haar wil bij zich gehouden en toen de dood eindelijk won kwam dat als een opluchting. Ik bleef bij mijn oom Stan, die een zwervend bestaan leidde als vertegenwoordiger van een brandstoffenfirma. Hij reisde het hele land door en nam me met zich mee van motel naar bungalow naar flat naar kraakpand. Soms vertrokken we zo plots en halsoverkop dat ik om me heen keek en verwachtte een glimp van De Jagers op te vangen, of van hun duistere gezel die zich in de schaduwen van die donkere kamer had opgehouden. Ik zag ze nooit echt, maar in mijn nacht­merries waren ze steeds aanwezig. Prikkend en keurend en zoekend naar een geheim dat ik niet begreep en dus ook niet kon verklappen om eindelijk van deze beproeving verlost te zijn.

Oom Stan was net zomin een vaderfiguur als mijn moeder een moederfiguur was geweest. Hij had nochtans wel een goed rolmodel gehad. Maar de leermeester is maar zo goed als de leerling open staat voor de lessen. Stan had zich steeds afgekeerd van mijn grootvader en alles waar die voor stond. Pas veel later, jaren nadat oom Stan niet teruggekeerd was van een afspraak en een week later opgeknoopt in een kraakpand werd aangetroffen, zou ik begrijpen waar hij zich precies tegen had verzet. Of eerder: waarvoor hij altijd op de vlucht was geweest.

Met het laatste kind van mijn grootvader in het graf werd ik de eigenaar van het smalle huis en de verwilderde rotstuin die ik in geen vijftien jaar meer had gezien. Dat, en het versleten rode popje dat ik nog steeds bij me droeg, was mijn laatste verbinding met een verleden dat ik het liefst zou vergeten. Als ik ooit onder de schaduw van die jaren wilde uitkomen, moest ik een laatste keer terug gaan. Maar niet meteen.

Ik wachtte op iets. Ik wist niet goed wat. Een teken, een gevoel? De nachtmerries kwamen terug, krachtiger en helderder. Ze waren gedrenkt in wanhoop, en ik begreep dat het niet mijn eigen wanhoop was die ik voelde. De Jagers zochten nog steeds naar mijn geheim dat ik niet kende. Gretig, angstig ook. Verbeten. Tot op een nacht de droom niet terugkwam. Niemand klauwde in mijn hersenen op zoek naar antwoorden. Geen benige, koude vingers over mijn schedeldak. Geen medium dat mijn diepste gedachten ontleedde. Perfect zwart, tijdloos, een voorproef op de eeuwige stilte. Ik werd de volgende ochtend wakker met het gevoel dat de lente was aangebroken.

Was dit het teken waarop ik had gewacht? Ik wilde zekerheid. De volgende dag kwam die eindelijk. Ik kocht de krant en bladerde door het streeknieuws. Op de eerste bladzijde van het lokaal katern staarden de smalle, strenge gezichten van De Jagers me aan.

“Weldoeners in horrorcrash.” De Jagers heetten blijkbaar Marc en Juliette Blancpain, een aristocratisch koppel dat jaarlijks een prestigieuze beurs uitreikte aan kansarme jongeren. Ze waren twee dagen geleden met hun Morgan uit de bocht gevlogen toen ze over het platteland zoefden op weg naar een fondsenwerver. Juliette Blancpain was op slag dood, Marc lag zwaar gewond in het ziekenhuis. De Jagers hadden de jacht noodgedwongen gestaakt. Het was tijd om naar huis te gaan.

Ik zou graag vertellen hoe ik naar het ziekenhuis ging en de kamer van De Jager binnendrong om hem zijn laatste ademtochten te zien nemen. Hoe ik een enkele traan uit zijn ooghoek zag loskomen en een grillig pad zag trekken over zijn gelaat, alvorens op het droge witte hoofdkussen te ploffen en in het stoffen oppervlak opgezogen te worden. Hoe hij even verkrampte toen hij me zag, maar dan machteloos terugzakte en uiteindelijk de geest liet zonder ooit mijn geheim te hebben achterhaald. Maar dat zou niet de waarheid zijn. Zelfs stervend en aan een beademingstoestel gekluisterd boezemde De Jager me doodsangst in. Ik wilde hem nooit nog zien, zelfs niet om me er met eigen ogen van te vergewissen dat hij dood was. Het wegblijven van de dromen was voldoende voor mij.

Het huis van mijn grootvader stond leeg sinds de dag van zijn dood. Mijn moeder had nooit de moeite genomen het te verhuren of te verkopen, en oom Stan was er al sinds zijn zeventiende niet meer geweest. Het was nu volledig van mij.

In de tuin groeide een klein bos van struiken en zaailingen die intussen dikker waren dan mijn bovenbeen. De rotsen waren overwoekerd en van het tuinpad was geen spoor meer. De takken van de berk kwamen hoger dan ik me herinnerde. Aan de voet van de boom trapte ik op een laag bladeren en mos die onverwacht meegaf en een diep gat blootlegde. Ik slaagde er maar net in niet naar beneden te glijden. Naast de put, half bedolven onder een hoop zand die met de vele jaren uitgehard was tot een bijna rotsachtige, mossige koepel, vond ik de grijze steen met het vreemde teken. Iemand had hier lang geleden vergeefs gezocht naar iets. Maar wat? Het geheim dat De Jagers vijftien jaar eerder aan mijn geterroriseerde geest hadden onttrokken. Een beeld dat naar hier leidde, een vals spoor gelegd door een spook. Waar beter dan in de geest van een onschuldig kind?

Ik kon de woede van De Jagers bijna voelen, alsof die een afdruk had achtergelaten op deze plek, een onbehaaglijke kilte die vanuit de grond in je lijf kroop. Ik greep naar het popje in rode badstof dat ik nog steeds met me meedroeg als troost. De zachte stof was vervaagd tot een oudroze en tot op de draad versleten, meer skelet dan omhulsel. Ik bekeek het popje nog een laatste keer, klaar om afscheid te nemen en het in de put te gooien. Toen voelde ik het. Een verandering van atmosfeer. De kilte trok weg en een straal zon scheen door een gat in het bladerdek van de berk. Het was hetzelfde gevoel dat ik had toen ik mijn dode grootvader door de tuin zag lopen, vijftien jaar eerder. Nu zag ik niks, maar het gevoel werd sterker naarmate ik me verplaatste. Het leidde me door het onkruid en het jonge bos, naar een gedeelte van de tuin waar de bomen ouder en knoestiger waren. Ze zagen eruit als oude bewakers die vergeten waren waarom ze op wacht stonden. Het gevoel werd nog intenser, tot ik mijn teen tegen een steen aanstootte en voor de afgesloten trap van een oude crypte stond.

Ik maakte de trap vrij van de klimop en een laag humus en bladeren die eeuwenoud leek, maar waarschijnlijk slechts van de afgelopen vijftien jaar was. De deur van de crypte was massief hout en afgesloten met een zwaar hangslot. Het rode popje woog zwaar in mijn hand, nu. Ik bekeek het met een nieuwe blik. Een flard stof over een metalen skelet… Mijn vingers betastten het ding dat mij sinds mijn vijfde verjaardag troost had geboden. Een geschenk van mijn grootvader, toen hij vermoedelijk al wist dat zijn dagen geteld waren. De bezoeken van De Jager en de gespannen woorden­wisselingen met mijn groot­vader. Het kwam me weer allemaal levendig voor de geest. De Jager wilde iets, mijn grootvader was niet bereid dat iets te overhandigen.

Ik scheurde het rafelige popje open en haalde er de sleutel uit die daar al zo lang sluimerde zonder dat ik er erg in had. Hij paste in het slot. De cryptedeur zwaaide zachtjes piepend open. Wat zich vlak voor je neus bevindt, zie je soms het moeilijkst. Mijn grootvader was geen gewone man. Hij had geen gewone vrienden. Hij hield zich bezig met dingen die je enkel in crypten deed. Dingen die zijn zoon het huis uit hadden gejaagd toen hij zeventien was. Dingen die zijn dochter hadden opgezadeld met een schurende, ziekmakende angst. Dingen die zelfs na zijn eigen dood hun schaduw wierpen over zijn kinderen en kleinkind.

Ik daalde de treden verder af. De tijd had geen vat gehad op het interieur van de crypte. Het rook er vaag naar bosgrond en bracht een ijzersmaak in mijn mond. Op de arduinen vloerstenen was een cirkel zichtbaar, met daaromheen tekens die me deden denken aan de roestbruine vlek op de steen in de tuin. Er stonden lange kaarsen die al jarenlang naar een nieuwe vlam hunkerden.

Buiten de cirkel, op een eenvoudige houten lezenaar, lag een boek. Zodra ik het zag, wist ik het: dit was het geheim dat De Jagers hadden willen achterhalen. Ik stapte voorzichtig dichterbij. Het boek was stokoud. De bladzijden bestonden niet uit papier, maar uit naar ik hoopte zacht kalfsvellum. Het was gebonden in twee dikke donker­bruine houten planken die overtrokken waren met gebarsten leder. Het boek lag open.

Ik nam plaats achter de lezenaar om de inhoud te bekijken. Zodra ik daar stond voelde ik de atmosfeer opnieuw veranderen. Vanuit de hoek van mijn linkeroog zag ik beweging in de schaduw. Ik keek opzij, en de illusie verdween. Maar toen ik me weer naar het boek keerde was hij daar weer: de figuur in de schaduw die ik als kind al had opgemerkt in de duistere hoek van de vergaderzaal bij de notaris. De aanwezigheid die zich niet kenbaar wilde – of kon – maken.

Hij – het? – was nu hier, achter mijn rug, naast mijn linkeroor, en fluisterde onhoorbare dingen. Mijn vingers bewogen zich tegen mijn wil, raakten de bladzijden aan. Geen kalfsvellum, maar iets ergers. Een deel van mijn geest wilde de kaarsen aansteken. Dat deel nam snel in omvang toe. Het bewoog mijn lippen, nu nog klankloos, vormde ze rond de woorden uit het boek. Een taal die ik niet begreep, maar die me bekend voorkwam. De taal van de priester op mijn grootvaders begrafenis. De aanwezigheid in de schaduw moedigde me aan.

Lees. Steek de kaarsen aan. Leid mij naar hier. Ik ben er bijna.

Dit was dus het geheim van mijn grootvader. En van De Jagers. Duistere rituelen. Een dans met een onnoemelijk iets. Een dans die mijn grootvader niet wilde vervolledigen, in tegenstelling tot De Jager. Mijn grootvader had op het laatste moment afgezien van een afschuwelijk ritueel. Welke beloftes had de schaduw hem ingefluis­terd? Wat had hij De Jagers beloofd? Macht? Rijkdom? Een langer leven? Mijn grootvader had niets van dat alles gekregen. Zijn straf voor desertie misschien.

Maar De Jagers hadden wel oor naar de boodschap van de schaduw. Ze zochten het boek om het ritueel te voleindigen. Het boek dat mijn grootvader uit hun handen wilde houden. Al moest hij er een vals spoor voor planten in mijn geest en me met een jeugd vol afgrijzen en angst opzadelen. Een hoge prijs die hij bereid was te betalen.

Neem wraak. Op je grootvader. Pak hem terug voor wat hij deed. De schaduw vleide en verleidde, zijn woorden ontwolkten binnen in mijn hoofd.

Neem eindelijk de controle. Een einde aan de angst. Steek de kaarsen aan en spreek. Ik kwam weer bij zinnen door een onverwacht geluid: het aanstrijken van een lucifer.

Jaaa. Jaaa! moedigde de schaduw me aan. De lucifer wierp dansende schaduwen over het boek. Mijn kans om de controle te krijgen. Voor het eerst in mijn leven.

Steek aan. Ik tastte in mijn zak naar de flarden badstof van mijn popje, gerafeld en kurkdroog. De offers die mijn grootvader had gebracht. Op het einde had hij geprobeerd zijn fouten recht te zetten. Ik stak de repen badstof in brand en gooide ze op de bladzijde met het ritueel.

Nee! De stem ontplofte in mijn hoofd. Ik zocht de crypte af naar brandbaar materiaal, maar vond niets. Het badstof was al bijna verteerd.

Sukkel, spotte de stem. Zwak. Alleen. Angstig. Ik rende de crypte uit en keerde terug met handenvol droge bladeren van de trap.

Nee! Opnieuw een ontploffing in mijn hoofd, maar ik hield vol. De bladeren vatten gemakkelijk vlam. Ik liep opnieuw naar buiten. De schaduw leek me terug te sleuren, bombardeerde me met beelden van mijn ergste angsten. De meeste daarvan waren vijftien jaar oud en hadden de dode vrouw bij de notaris als onderwerp. Het voelde alsof ik weer zes jaar was en me in haar greep bevond. Opnieuw rook ik die stank, en ik besefte dat ik weer in mijn broek had geplast. Ik haalde nog bladeren, en nog een keer. Het boek brandde intussen als een fakkel, en de woorden in mijn hoofd waren niet langer in een verstaanbare taal. Het waren de klanken uit het boek, de klanken die een priester had geuit tijdens een heidens begrafenis­ritueel op een oude dodenakker buiten de stad.

En toen hield de stem eindelijk op. Ik stond in het deurgat en wachtte tot de laatste sintels doofden. Wat zich ook in de schaduw had bevonden, vandaag was niet de dag waarop het in het licht zou treden. Ik sloot de deur van de crypte, legde alles op slot en verstopte de ingang met takken, bladeren en rotsen. De sleutel hield ik bij me. Een herinnering aan het moment waarop ik eindelijk de angst van me had afgelegd.

Ik verkocht het smalle huis van mijn grootvader en verliet het dorp van mijn jeugd om er nooit weer te keren. Mijn jeugd was van mijn dode grootvader geweest. De rest van mijn jaren zou voor mij zijn.

Share Buttons

Categories