De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Hildernisse: een documentaire – Mark Groenen

Hildernisse

een documentaire – Mark Groenen

 

Freek de Voorste, voormalig burgemeester van Hildernisse:

Ik had nooit gedacht dat ons dorpje wereldnieuws zou worden. Tot de Roos kwam had niemand ooit van ons dorp gehoord. Dat is ook precies de reden dat het hier zo uit de hand heeft kunnen lopen. In een stad als Amsterdam of zelfs Amersfoort had het nooit kunnen uitgroeien tot de proporties die het hier kreeg.

 

Jessie Greeve, economiestudente:

Ik weet niet of ik de eerste was die de Roos zag, maar ik was wel de eerste die een foto ervan online plaatste. Geloof me, veel hashtags met Hildernisse zijn er niet, dus het is eenvoudig te controleren. Het was toen niets meer dan gewoon een mooi beeld. Ik liep over het marktplein naar de bushalte, om naar school te gaan toen ik haar zag. Ondanks dat ik haast had stopte ik, toen ik de bloem zag, alsof ze me riep.

De Roos was nog maar klein toen. Haar bloembladeren waren diepzwart en zacht als fluweel. De vroege lentezon viel perfect op de dauwdruppels die haar sierden als parels. Kijk hoe het licht breekt: talloze regenboogkleuren. Ik zakte neer op mijn knieën voor de perfecte hoek, nam de foto en sprintte voor mijn bus. Eenmaal in het voertuig zette ik de foto online. Het kreeg een handvol likes, meer niet.

Bob Hoekstra, marktkoopman:

Toen ik mijn kraam wilde opzetten voor de weekmarkt viel de Roos me meteen op. Ze stond precies op de plek van mijn viskraam. Ze was al helemaal volgroeid. Een week eerder was er nog niets, dat weet ik zeker. Ik ben niet zo’n planten of bloemenman, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om deze prachtige roos te verwijderen. Ik plaatste mijn kraam zo, dat ik mijn werk kon doen, maar ook zo dat klanten haar niet konden pletten.

 

Jessie Greeve:

Elke dag op weg naar de bushalte zag ik de Roos weer. Ik maakte niet telkens een nieuwe foto, maar stopte elke keer met lopen om naar de bloem te kijken. Ik kan het niet uitleggen, maar iets aan de Roos riep naar me. In die eerste week miste ik de bus twee keer omdat ik te lang staarde.

 

Eline Boekmeester, ober:

Vanuit het terras – het was een warme lente – had ik een uitstekend zicht op de Roos, wier zwarte bloembladeren niet te missen waren op het verder grijze plein. Steeds meer mensen spraken er over. Niet even, maar soms hun hele bezoek lang. Wanneer ik hen voor het eerst aansprak voor hun bestelling onderbrak ik hun gesprek over de Roos, en wanneer ze tenslotte vroegen om de bon hadden ze het er nog steeds over. Het beperkte zich niet tot de klanten, maar ook onder mijn collega’s werd nergens anders meer over gesproken. Het lijkt nu absurd, eindeloos praten over een bloem, maar toch was het zo.

 

Jessie Greeve:

In het weekend bleef ik thuis en kwam pas voor het eerst weer op het marktplein op maandagochtend. Ik zag meteen dat de Roos veel groter was geworden. Niet alleen dat, maar ook het zwart leek zwarter. Het was alsof de bloembladeren al het licht wegnamen. Ik kan niet uitleggen waarom, maar die dag liep ik voor het eerst niet naar de bus. In plaats daarvan ging ik voor de Roos zitten. Pas toen mijn maag begon te rommelen, rond het middaguur, was ik me ervan bewust dat ik al die tijd naar de bloem had zitten staren.

 

Jochem Jansen, Rooskerkvolgeling:

Jessie en ik hadden ooit verkering met elkaar. Ik zat toen in de brugklas en zij in de tweede. Het stelde niets voor, maar ik bleef altijd een beetje verliefd op haar. Van honderden meters afstand zou ik haar nog herkennen. Ik zag haar, voordat ik de Roos zag. Ik vond het vreemd dat ze op de grond zat op het plein, en liep op haar af om te vragen wat er aan de hand was. Voor ik het door had, zat ik naast haar.

 

Jeanette Linssen, marktkoopvrouw:

Ik kan me nog herinneren hoe Bob, die altijd naast me staat in Hildernisse, me voor de eerste keer wees op de Roos. Hij had zijn viskraam een klein beetje opzij geplaatst en ik, om hem te helpen, had hetzelfde gedaan met mijn notenkraam.

Een week later begonnen de problemen. Toen ik aankwam op het plein stond Bob schaapachtig te kijken naar een viertal jongeren, elk in de kleer­makerszit voor de Roos. Ze grijnsden van oor tot oor en hadden hun ogen wijd open, maar reageerden nergens op. Ik vermoedde dat ze aan de wiet zaten, en wilde ze weg hebben. Bob, daarentegen, liet ze onder de tafel van zijn kraam zitten.

 

Freek de Vorste:

Het gemeentehuis kijkt uit over het marktplein. Alle ambtenaren zag hoe er steeds meer mensen zich verzamelden voor de Roos. We vonden het vreemd, maar er was niets dat we eraan konden doen. We wisten niet eens zeker of we er wel iets aan wilden doen. In het begin was het allemaal nog best onschuldig. Mensen zaten, staarden naar de bloem, en gingen op het einde van de dag weer naar huis. Niemand maakte lawaai of rotzooi. Sterker nog, het was doodstil op het plein.

 

Eline Boekmeester:

Mijn baas klaagde eindeloos over de Roos. In plaats van op ons terras te zitten om te eten en te drinken, zat iedereen op de harde tegels. Het werd steeds leger bij ons, terwijl het op het plein steeds drukker werd. Hoewel ik het nooit tegen hem zou zeggen, wilde ik diep vanbinnen niets liever dan me bij de massa aansluiten.

 

Iris Haesse, biologe:

In de natuur komt het voor dat planten andere organismen beïnvloeden. De zonnedauw, bijvoorbeeld, maakt een kleverige afscheiding aan die insecten doet denken aan dauwdruppels. Wanneer een insect op de plant landt om zijn dorst te lessen komt deze vast te zitten en wordt uiteindelijk verzwolgen. Het is niet ondenkbaar dat deze “roos” op een bepaalde manier de mensen van Hildernisse beïnvloedde, wellicht door het verspreiden van allelo­chemische stoffen. Denk aan hormonen, maar dan voor andere soorten dan je eigen. Waar ik echter tot op heden nog geen antwoord op heb kunnen vinden, is de motivatie van de plant om dit te doen. Niemand werd opgegeten en niemand droeg zaden.

 

Tim Meeters, slager:

Toen ik aansloot bij de groep was deze al zeker vijftig mensen groot. Tot die tijd had ik me afzijdig gehouden van het hele verhaal. Mijn winkel was aan de andere kant van het centrum, en ik had slechts de verhalen gehoord. De dag dat ik ging kijken was echter ook de dag dat ik er niet meer weg ging.

 

Jessie Greeve:

In de week sinds ik voor het eerst voor de Roos ging zitten, werd zij hoger dan twee meter en haar stam dikker dan mijn arm. Wanneer ik daar zat en mezelf liet verdrinken in de diepzwarte kleur van haar bloem was ik zo intens gelukkig dat het afscheid steeds zwaarder werd. Aan het einde van die week besloot ik dat ik de Roos niet meer zou verlaten.

 

Freek de Vorste:

De groep mensen voor de Roos werd alsmaar groter, net als de bloem zelf trouwens. Vanuit mijn kantoor zag ik het plein net zo zwart kleuren als de beruchte Roos. Het zat me niet lekker, maar ze vielen nog steeds niemand lastig. Wat me nog de meeste zorgen baarde, was dat de mensen niet meer van hun plek kwamen. Toen ik mijn mensen stuurde om het van dichtbij te bekijken, zag ik door mijn ramen hoe ze stopten met lopen, naar de Roos staarden en op de grond neerzakten. Alsof ik een glas water in de zee gooide, gingen ze op in de massa. Vanaf die dag meed ik het plein.

 

Iris Haesse:

Ik was niet de eerste bioloog die benaderd werd. Twee anderen waren voor mij gestuurd, maar zij kwamen niet meer terug. Ik wilde het fenomeen bekijken, maar alleen wanneer ik een beschermend pak kreeg.

Zelf kom ik niet uit Hildernisse. Ik had zelfs nog nooit van het dorp gehoord. Toen ik het binnenreed met mijn team was het alsof ik een spookstad betrad. De straten waren leeg, net als de huizen. Er reed niet een auto en elk geluid van menselijke activiteit ontbrak. De burgemeester wachtte op mij aan de rand van het centrum. Hij had zijn gezin het dorp uitgestuurd, vertelde hij mij.

Met mijn hazmat-pak liep ik het plein op. Iedere inwoner van het dorp leek hier te zijn, zittend op de grijze stenen. Freek vertelde me dat sommige van hen hier al twee weken zaten zonder eten of drinken. Dat was onmogelijk, maar bij nadere inspectie van de mensen (die me niet eens leken te zien) zag ik kleine uitstulpingen onder hun huid, alsof ze vol zaten met puisten. Bij de voorste rij van de roosaanbidders zag ik wat er met hen aan de hand was: er groeiden doorns uit hun huid.

 

Jessie Greeve:

Ze vertelden me dat de doorns moeilijk te verwijderen waren, maar eerlijk gezegd weet ik er niets meer van. Ik draag de littekens nog wel, zie je? Over mijn hele armen. Misschien trekken ze nog weg, misschien niet. Het maakt me niet zoveel uit, eigenlijk. Het is het enige aandenken dat ik nog heb aan die tijd.

 

Jochem Jansen:

De doorns waren giften van de Roos. Het bracht ons dichter tot haar. Ik voel ze nog steeds prikken onderhuids, alsof ze elk moment terug kunnen komen. Dat zullen ze ook doen, ik weet het zeker. Tot dan loopt er een rechtszaak tussen onze kerk en de artsen, die ons van deze zegening hebben beroofd.

 

Freek de Vorste:

Vanaf het moment dat mevrouw Haesse terugkwam met de foto’s van de vergroeiingen op de mensen wist ik dat er meer aan de hand was dan alleen maar een vreemd fascinatie voor de bloem. De gezondheid van de mensen werd aangetast, en het was mijn taak als burgemeester om hen hiervoor te beschermen.

 

Iris Haesse:

De Roos groeide ondertussen bijna boven de gebouwen uit en zette de mensen in een inktzwarte schaduw. Zelfs in mijn beschermende pak voelde ik hoe koud het was in die duisternis, maar de mensen leken zich er niets van aan te trekken. Mijn aanvankelijke hypothese was dat ze, met hun toe­nemende planteigenschappen, zich voedden door een soort fotosynthese, maar nu zonlicht ontbrak werd dit ontkracht.

De burgemeester wilde met harde hand ingrijpen, maar ik waarschuwde hem dat brute kracht nadelige effecten kon hebben op een parasitaire relatie als deze. Denk aan het onvoorzichtig verwijderen van een teek; je kan het beestje met je blote vingers wegkrabben, maar als de hypostoom – de steeksnuit – blijft zitten loopt de gastheer kans op de ziekte van Lyme.

 

Raoul Peters, gepensioneerde:

Ik ben niet heel actief op het internet, maar het nieuws over de vreemde Roos bereikte uiteindelijk ook de dorpen om Hildernisse heen. Samen met mijn vrouw ging ik kijken. Veel meer herinner ik me er niet van, eerlijk gezegd. Behalve dat ze prachtig was.

 

Freek de Vorste:

We hadden het lang klein kunnen houden. Zoals ik eerder al zei: Hildernisse staat amper op de kaart. Toch was het onvermijdelijk dat de informatie buiten ons dorp terecht kwam. Iemand van de onderzoekers of handhavers moet het hebben gelekt, want iedereen die bij de Roos kwam, ging niet meer weg. Met het groeien van de Roos groeide ook haar invloed. Toen het nog een kleine bloem was waren het alleen de mensen die er dichtbij kwamen, maar uiteindelijk viel het hele plein onder haar domein. Ik kon niet meer naar mijn eigen kantoor.

 

Iris Haesse:

Door alle geruchten duurde het niet lang voordat het provinciebestuur en de media zich ermee gingen bemoeien. Freek werd steeds ongeduldiger en eiste snel resultaten. Hij stuurde me het veld in om een monster te bemachtigen.

 

Eline Boekmeester:

Van mijn aanval op mevrouw Haesse kan ik me niets herinneren, maar het moment staat me wel bij. Het was alsof ik al weken in een kristalheldere zee lag, starend naar een prachtige zomerzon. Alle andere mensen op het plein waren bij me in de buurt, dobberend zoals ik. Ik zag ze niet, maar ik voelde ze wel. We deelden deze harmonie, ondanks dat niemand een woord met elkaar sprak. Ze noemen het de Rooshemel.

Ineens kleurde de zee bloedrood, voordat hij begon te rimpelen en tenslotte sissend verdampte. Op de droge en gebroken aarde zochten we naar dader.

 

Iris Haesse:

Het was doodeng. Net als altijd negeerde iedereen me op het plein. Ze hadden hun ogen open, maar staarden in extatische adoratie naar de Roos. Niemand leek door te hebben dat ik er was. Maar toen ik mijn scalpel in de stam zette, stond iedereen op, met een blik vol haat in hun ogen. Ik wist meteen dat ik in de problemen zat. Ik liet al mijn spullen vallen en rende voor mijn leven. Ze sloegen naar me met hun gedoornde armen en handen. Binnen enkele meters was mijn pak weinig meer dan rafels.

 

Freek de Vorste:

Het was moeilijk te zien door onze verrekijkers, maar het was duidelijk dat de scheuren in het pak haar vatbaar maakten voor de invloed van de Roos. We waren Iris, onze onderzoeksleider, kwijt.

 

Karel König, kolonel:

De Roos was al een poosje landelijk nieuws toen ik werd ingeschakeld. Na het verliezen van mevrouw Haesse, werden de wetenschappers opzij gezet. Niemand wist hoe groot de Roos zou worden en wat voor schade ze zou kunnen aanrichten.

 

Freek de Vorste:

De tijd van praten was voorbij, er moest worden ingegrepen.

 

Tim Horst, Host Hoveniers:

Meneer König zocht contact met ons. Hij was vastbesloten de plant uit te schakelen, maar wist niet hoe. Het was te druk op het plein om de Roos te bombarderen of te verbranden. Een aantal soldaten met bijlen zou het eenvoudig neer kunnen halen, maar ook hier waren de inwoners een risico. Aan ons de vraag om een middel te maken dat de Roos kon uitschakelen zonder de mensen in gevaar te brengen.

 

Karel König:

Het was onconventioneel, maar uiteindelijk heel eenvoudig. Meneer Horst maakte een gif waar geen enkele plant tegen bestendig zou zijn. Wij maakten een viertal enorme injectienaalden om het direct in de plant toe te dienen. Met behulp van helikopters spoten we alles in de stam.

 

Jessie Greeve:

Toen ze in het inspoten was het aanvankelijk net als die keer dat mevrouw Haesse een monster wilde afnemen. Onze euforie verdween en we werden boos en rusteloos, maar in tegenstelling tot die andere keer konden we de dader niet vinden. Terwijl het gif zijn werk deed in de Roos, werden wij ook ziek.

 

Raoul Peters:

Mijn vrouw en ik wisten niet waar we waren, of waarom we daar waren. Het was alsof onze zalige droom ineens een woeste nachtmerrie werd van dood en verderf.

 

Iris Haesse:

Toen ik weer bij bewustzijn kwam lag ik in een plas van mijn eigen braaksel. Het leek echter niet op normaal braaksel, maar had een harsachtige structuur.

 

Jessie Greeve:

Nog steeds ben ik er boos over. Wie waren zij om ons weg halen uit die wereld? Het is nu drie jaar later en nog steeds heb ik heimwee. Ik weet niet of ik ooit nog gelukkig kan worden. In ieder geval niet zo gelukkig als toen.

 

Jochem Jansen:

Jezus stierf voor zijn volgelingen. Ik weet zeker dat de Roos voor ons is gestorven, en net als Christus zal ze terugkeren.

 

Iris Haesse:

Mijn tijd onder invloed van de Roos was een van de kortste, maar ook ik merk dat ik moeite heb met het normale leven. Er is zeker sprake van collectieve PTSS onder alle mensen op het plein.

 

Eline Boekmeester:

Niet alleen mis ik mijn tijd bij de Roos, maar ik mis Hildernisse net zo erg.

 

Tim Horst:

De Roos reageerde op het gif zoals we hadden verwacht. Ze verschrompelde, werd bruin en toen zwart. De bloembladeren vielen uit. Waar we niet op hadden gerekend was de bodemvergiftiging. Elke bloem, elke plant en elke boom in de gemeente volgde hetzelfde lot. Drie jaar later wil er nog steeds geen grasspriet groeien.

 

Karel König:

Ik heb geen spijt van mijn handelen. Ik ben nog steeds ervan overtuigd dat de bevolking in gevaar was en moest worden beschermd.

 

Freek de Vorste:

Alles moest worden ontruimd. Het is een spookdorp nu. Het is hermetisch afgesloten en niemand mag er komen. Een klein-Tsjernobyl. Op papier ben ik nog steeds burgemeester, maar het dorp is dood.

 

Bob Hoekstra en Jeanette Linssen:

We kwamen slechts een keer per week in Hildernisse, dus voor ons was het verlies niet zo groot. We hebben onze dag elders kunnen opvullen.

 

Tim Meeters:

Mijn nieuwe slagerij doet het goed, maar de Roos houdt me nog steeds bezig. Ik denk dat het een experiment van de Roden was. China, Rusland of Noord-Korea.

 

Jessie Greeve:

Ik heb ontzettende studievertraging. Ik kan me niet meer concentreren. Studeren lijkt onmogelijk. Voortdurend denk ik aan de Roos. Volgens mij was ze buitenaards.

 

Jochem Jansen:

Bidden, tuinieren, rozen kweken. Ons kerkgenootschap doet er alles aan weer terug in de Rooshemel te komen.

 

Iris Haesse:

Het enige dat we hebben van de Roos zijn haar overblijfselen, maar die monsters zijn zwaar verontreinigd met het gif van meneer Horst. Daarnaast hebben we dozen vol doorns die van de mensen werden verwijderd. De mijne draag ik nog steeds. Ik heb ze niet laten weghalen.

De Roos kwam net zo snel als ze verdween. Er was vrede en de mensen waren gelukkig. Niemand leed. Er was geen honger, geen stress en geen ziekte in de schaduw van de bloem. Hoe kon het kwaadaardig zijn? Mijn aanvankelijke vergelijking met een teek is wellicht onjuist. Wat als het niet parasitair van aard was, maar symbiotisch? Het samenleving van meerdere organismen van verschillende soorten waarbij beiden profiteren? Ik ben de Roos blijven onderzoeken en heb nog steeds geen aantoonbaar nadeel kunnen vinden.

Mijn doel voor de toekomst? Ik ben driftig op zoek naar een manier om de Roos terug te krijgen of een nieuwe te vinden.

Share Buttons

Categories