De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Zwanenzang – Kelly van der Laan

Zwanenzang – Kelly van der Laan

 

Als je Josie Albini vraagt naar het precieze moment dat haar lichaam stierf, dan kan ze het zich niet eens herinneren. Ze haalt haar schouders op. ‘Het gebeurde ergens tijdens het kampioenschap speedbootracen en daar ging op dat moment al mijn aandacht naartoe. Ik was gefocust als een laser.’ 

 

***

 

Josie was in gevecht om de derde plaats en ze kon die plek op het podium bijna proeven. Het smaakte naar triomf en het brakke water van het rivierengebied. Regenboogkleurig water spatte om haar heen, de adrenaline pompte door haar lijf, en haar handen klemden zo stijf om het roer van haar speedboot dat de afdrukken van haar vingers waarschijnlijk in het leer zouden achterblijven tot de volgende patch release.

Al haar zintuigen waren op de wedstrijd gericht, alle afleidingen werden genegeerd, dus het gevoel dat ze iets was… kwijtgeraakt, zorgde er alleen voor dat ze zich vagelijk afvroeg of de zeemanspet die Rinai haar gegeven had niet afgewaaid was. Ze negeerde de aandrang om dat direct na te gaan. Die bronzen plak was alles; het prijzengeld voor een podiumplaats was niet mis. De twee boten die het goud en het zilver zouden binnenslepen waren al buiten haar bereik, gestroom­lijnde goudkleurige strepen in het veelkleurige water. De interface van Josies boot had haar al heel vlot na de start medegedeeld dat ze geen kans meer had om te winnen, maar die derde plaats kon ze nog binnenslepen.

Ze hoorde het geluid van de motoren van de boten en het spetteren van het water achter zich. Een blik op haar interface vertelde haar dat haar oren haar niet bedrogen: de achterlopers kwamen steeds dichterbij.

De rode strepen met de huidige koersen van haarzelf en haar concurrenten gloeiden op haar interface. Ze knipperde het weg, klemde haar kaken op elkaar en gaf haar boordcomputer de opdracht om ervoor te zorgen dat haar concurrent haar niet zou kunnen inhalen.

Rechts onderin haar blikveld gloeiden berichten. Hoe lang staan die daar al? Terwijl ze die fractie van een seconde naar haar berichtje keek (de eerste was van Rinai), kwamen er plotseling meerdere berichten binnen, vooral van haar vrienden. Plop, plop, plop, over elkaar, door elkaar heen. Een moment lang was ze verward, want ze had haar berichtenservice vlak voor het startschot van de race uitgezet. Waarom kwamen deze berichtjes binnen? Waren het állemaal prioriteitsberichten? Of was het een bug in het systeem? Geen tijd voor. Ze knipperde de berichtenberg weg en richtte zich weer op de race.

Drie minuten later schoot ze als derde over de eindstreep. Vuurwerk­fonteinen spoten de avondlucht in, de mensen op de kant juichten haar toe. Brons! Josie straalde. Dit was haar eerste échte race, tegen echte spelers, niet tegen Technium-gestuurde bots. De AI van de bots was heel geavanceerd, maar tegen mensen racen was toch ultiem spannender. En van dat prijzengeld kon ze Rinai meenemen op die cruise in Mellinia.

Ze liet haar bootje uitvaren en leunde achterover in de pluche zitting, genietend van het moment. De lucht kleurde perzik en lavendel en roze terwijl achter haar de zon laag boven het rivierengebied hing. Het licht kleurde de bomen en het riet langs de oever koper. De zon zou voorlopig nog niet zakken; deze omgeving stond ingesteld op ‘late zomeravond bij de regenboogrivier’ en dat zou zo blijven totdat de Technium AI bij een volgende release zou besluiten het een en ander te veranderen.

Achter haar klonk gejuich en muziek en de knallen van meer vuurwerk, wat aangaf dat de anderen inmiddels ook over de streep gekomen waren.

 

[Ingevoegd is een finishfoto van Josies speedboot.
Josie heeft één hand in de lucht alsof ze juicht, en de andere hand op het roer.
Ze glimlacht breed.]

 

Josie draaide aan het roer en voer op haar gemakje terug naar de mensenmenigte. Haar boot deinde op het regenboogwater. Uit haar ooghoek zag ze het riet aan de oever ritselen. Misschien otters, of konijntjes. Misschien komen ze me feliciteren. Ze glimlachte, genietend van het moment.

Plop, plop, hielden de berichten rechts onderin haar blikveld aan.

Er was iets gaande. Dit waren te veel berichten om felicitaties te zijn. Josie zuchtte inwendig, sorteerde de berichten op recentheid en opende de bovenste. Rinais bericht was chaos: een wirwar van ‘oh nee’, ‘Het spijt me zo’, impressies van verdriet en huilen, maar ook van intense liefde.

Haar adem stokte in haar keel. ‘Wat?’ fluisterde ze hardop tegen niemand in het bijzonder. Waarom zou Rinai verdrietig zijn? Was het omdat Josie niet gewonnen had en “maar” derde geworden was?

 

***

 

En dát moment herinnert ze zich: het moment dat ze het tweede berichtje opende. Het belangrijkste bericht. Van de Technium AI. Het moment dat de verwarring wegviel en plaatsmaakte voor afschuw, onwerkelijkheid en een diep ongeloof. 

 

***

 

— Aan: Josie Albini

Door een nog onbekende oorzaak ben je overleden. Onze condoleances. Je lichaam zal verwerkt worden zoals je hebt vastgelegd in je testament. We begrijpen dat je nu een belangrijke keuze moet maken over het mogelijke voortzetten van je bestaan binnen het Technium universum. We hebben het optiepakket bijgevoegd bij dit bericht. Lees het zorgvuldig door en maak op basis hiervan je keuze…

 

De rest van de tekst vertroebelde achter een waas van paniekerige tranen. Wat is dit? Ben ik dood? Is mijn lichaam… is mijn lichaam dood? Dit is niet hoe ik verwachtte te gaan, dit is niet…

In Zadano – in de fysieke wereld – werd haar lichaam nu uitgeplugd en uit haar capsule getrokken. Waarschijnlijk voelde ze nog warm aan, maar was-achtig. Als een pop. Als een dood gewicht. Want dat was ze nu. Haar levenloze lichaam was klaar voor verwerking tot proteïne, vezels en water voor de inwoners van Zadano. En haar geest was nog in Technium, in een speedboot op de regenboogrivier.

Ze graaide paniekerig naar het commando om uit te loggen en voor in het eerst in – … wat, weken? – naar haar lichaam terug te keren, maar haar uitvoercommando werd beloond met een null bericht. Null als in leeg. Niets. Niet werkend. Er was geen weg terug. Nooit meer. Belachelijk. Ze was al tijdenlang niet meer boven­gekomen; er was weinig in Zadano wat uitnodigde tot een fysieke aanwezigheid. De lucht was vervuild, het eten was afschuwelijk, en haar lichaam was inmiddels zo verzwakt dat haar capsule verlaten al een opgave was. In Technium had ze alles wat haar hart begeerde: een leven, haar lief, haar vrienden; alles was binnen handbereik in een overweldigend spectrum aan kleuren, geluiden en sensaties. Ze had een lange tijd geleden al een digitaal leven in Technium boven de grauwe realiteit van Zadano verkozen, maar nu de weg naar haar huis en haar lichaam voor eeuwig afgesloten was, raakte ze toch in paniek. Haar lichaam negeren was iets heel anders dan het voor eeuwig kwijt zijn.

Het null bericht in haar blikveld verdween achter een wolk van sterren, alsof ze hyperventileerde. Ze bleef het vergeefs proberen; de uitlog-optie was en bleef onbruikbaar. Ze kon nooit meer terug naar haar lichaam, ze was fysiek verdwenen. Ze was slechts nog een digitale schaduw in het universum van Technium. Wat stond haar nu te wachten? Hoeveel anderen was dit al overkomen?

‘Dood,’ fluisterde ze hardop, gewoon om te kijken hoe het klonk.

Het bleef onwerkelijk. Ze prikte onwillekeurig met haar wijsvinger in haar blote dijbeen, maar haar vlees voelde nog steeds hetzelfde aan; precies zoals ze geprogrammeerd was te voelen. Haar ademhaling gierde in haar keel. Alsof ze nog leefde. Dat doe je niet… Je lichaam is dood, Josie. Je bent niets dan een schaduw, een geest, een overblijfsel in Technium.

‘Josie!!’ klonk er toen een noodkreet vanaf de oever. Rinai.

Zelfs van een afstandje kon Josie overduidelijk zien hoe de tranen over Rinais gezicht stroomden en hoe haar haren aan de oranje huid van haar natte wangen plakten. Ze zwaaide met haar armen om Josies aandacht te trekken, maar die had ze natuurlijk allang al. Op de automatische piloot stuurde Josie haar boot naar de kant en nog voordat ze volledig had aangemeerd, stortte Rinai zich in haar armen. Het gewicht en de warmte van Rinais lichaam voelden als een troost, als een anker. Josie klemde zich aan haar lief vast en voelde hoe haar tranen zich met die van Rinai vermengden.

‘Wat moeten we nu dan?’ snikte Rinai. Ze klemde Josie zo stevig vast dat Josie normaal haar pijnsensatie omlaag zou hebben geschroefd, maar op dat moment was het gevoel zo welkom dat ze het niet deed.

‘Wat gaat er nu gebeuren?’

Josie schudde haar hoofd. ‘Ik heb een optiepakket of zo? Ik heb het nog niet gelezen, ik kan niet…’

‘Snap ik,’ zuchtte Rinai, haar gezicht verborgen in Josies haren. ‘Wil je dat we er zo samen naar kijken?’

Josie knikte woordeloos. Haar gedachten waren zo’n bende dat ze ze nauwelijks in woorden kon uitdrukken en het erge was dat ze niet wist of dit zo hoorde, dat dit een uiting was van de ergste schok die ze in haar leven ooit meegemaakt had, – of dat het misschien kwam omdat de programmatuur van Technium in de war was. Alles was onwerkelijk. Wat wás de werkelijkheid? ‘Rinai,’ snikte ze, ‘wat ben ik? Wat is er van me over?’

Rinai had geen antwoord.

 

***

 

Een tijd later lukte het Josie eindelijk om Rinai uit haar omhelzing te laten gaan. Ze was nog steeds van streek, maar alleen huilen zou niets oplossen. Zelfs als je dood was, bleef de wereld gewoon doordraaien, en ze wilde af van haar plakkerig-natte gezicht en de smaak van snot achterin haar keel. Ze veegde dapper de tranen van haar wangen. ‘Zullen we een kop koffie drinken in Satara en mijn optiepakket doornemen?’

Rinai knikte. Een moment lang was haar oranje huid gevlekt van de tranen, het volgende moment schoot haar oranje huidskleur naar zwart als de nacht. Zwart als rouw. De avatarwijziging verwarmde Josies hart.

Uit automatisme wilde ze mee veranderen, maar de optie was onklikbaar. …Wat? Dat ook nog? Josie veegde door haar menu’s en zag tot haar schrik dat een aantal opties die vroeger vrolijk geel, groen en rood op haar blikveld hadden getoond nu verdwenen waren of grijs toonden, alsof ze ook uitgezet (null) waren. Haar avatar was bevroren in de laatste vorm die ze aangenomen had. Gelukkig ben ik in een menselijke vorm geëindigd. In deze vorm kan ik het wel even volhouden, in ieder geval een paar dagen. Gauw keek ze naar haar andere uitge­schakelde menuopties.

De meesten hadden te maken met connecties naar de bovenwereld. Data doorsturen, contact opnemen in de fysieke wereld, assistentie vragen, rekeningen betalen. Haar adem stokte in haar keel terwijl ze op haar kredietopties klikte. Grijs. Haar account was bevroren. ‘Rinai… ik denk dat jij de koffie moet betalen.’ Ze was trots op hoe rustig ze klonk. Al haar geld – zelfs het geld dat ze zojuist met haar derde plaats in de speed-boot race had gewonnen – was onbereikbaar.

Het werd in Satara nog erger. Josie moest een uitnodiging van Rinai accepteren, want zelf kon ze haar omgeving niet meer verlaten. Technium omgevingen lieten blijkbaar alleen levende avatars toe. Josie kon alleen nog passief volgen en afspraak­uitnodigingen accepteren. Ze beet op de binnenkant van haar wang en vertelde zichzelf dat ze allang al blij was dat ze nog uit deze omgeving weg kon komen. Hoe mooi het hier ook was; voor eeuwig vastzitten in het regenboogmoeras zou een marteling zijn.

 

***

 

Op dit punt van haar verhaal snuift Josie hartgrondig. ‘De locatie van mijn avatar is lang niet mijn grootste probleem,’ zegt ze bitter.

‘Wat is je grootste probleem?’

‘Het overschrijven.’

 

***

 

Tijdens hun kop koffie namen Josie en Rinai het optiepakket door. Tot Josies consternatie bestond haar optiepakket eigenlijk slechts uit twee opties:

 

  1. Directe terminatie van haar persoonlijke avatar, het verwijderen van de overblijfselen van haar digitale afdruk in Technium.
  2. Het achterblijven van haar digitale afdruk in Technium in de huidige staat, met dien verstande dat zij als avatar het eigendom van Technium zou worden.

 

‘Wat betekent dat?’ vroeg Rinai. ‘Het eigendom van Technium klinkt als… alsof je een slaaf bent, of iets dergelijks.’

Josie proefde gal achterin haar keel. ‘Ik denk dat het gewoon een soort voortbestaan is, zoals ik nu besta. Maar zonder dat ik nog rechten heb.’

‘Rechten zoals avatar veranderen en toegang tot servers?’

‘En betalen voor dingen. Ik denk dat ik heel passief zal worden.’

‘Jij mag mij altijd passief volgen,’ zei Rinai gepassioneerd, haar huidskleur terugzettend van diepzwart naar donkerrood als liefde. Ze greep Josies hand op het formica tafelblad en kneep erin. Het voelde als normaal, zoals haar greep altijd gevoeld had. Rinai had warme handen.

‘Oké,’ zei Josie met een waterig glimlachje.

‘Je gaat niet voor de directe terminatie, toch?’

‘Natuurlijk niet. Ik kan jou toch niet achterlaten? Bovendien, zo voortbestaan als nu is best uit te houden, zolang ik bij jou ben.’

‘Ik kan er niet bij dat je dóód bent. Zo stom, ik had er nooit over nagedacht. Misschien dacht ik dat we in Technium gewoon voor eeuwig zouden leven,’ mijmerde Rinai. ‘Hoe lossen andere mensen dit op?’

‘Geen idee hoeveel mensen er al overleden zijn sinds Technium uitgerold is. Onze Technium beleving gaat sneller dan in de bovenwereld, dus het lijkt alsof we hier al langer zijn dan we echt ingeplugd zijn… En de pods in Zadano doen hun uiterste best om ons in leven te houden.’

‘En dan falen ze juist bij jóú. Klootzakken!’

Ze huilden in elkaars armen. Later betaalde Rinai de rekening en liepen ze gearmd over de drukke straten van Satara – door de smalle stegen en langs de marktkramen, de geur van de zee in de lucht, de zomerzon warm op hun huid. Advertenties gloeiden op hun gezichtsveld alsof er niets aan de hand was. Josie kon bijna doen alsof ze gewoon rondslenterden. Zolang ze niets probeerde te kopen, was het bijna oké.

Met Rinais arm om haar schouder kon ze de hele wereld aan.

 

***

 

‘Dat was niet alles, toch?’ vraag ik Josie. ‘Je had het over overschrijven. Wat bedoel je daar mee?’

‘Het begon heel geleidelijk, met kleine dingen. Maar ik was zo gefrustreerd en gestrest over mijn situatie dat ik dacht dat het daardoor kwam.’

‘Wat voor dingen?’

 

***

 

Zes dagen na haar overlijden vergat Josie welke dag het was. Haar hele leven was zíj altijd degene geweest die mensen feliciteerde met hun huwelijksdag, hun verjaardag, of een andere belangrijke datum. Haar moeder had haar een wandelende kalender genoemd, want zij wist altijd wat wanneer gebeurd was.

Tot nu.

Rinai staarde haar aan met grote, ongelovige, tranende ogen. ‘Je bent het vergeten?’

Josie zat op de rand van haar bed in hun tijdelijke appartement in Satara. De zilte zeelucht waaide door het open raam naar binnen. ‘Sorry?’ Ze hield haar hoofd schuin. ‘Wat ben ik vergeten?’ voegde ze eraan toe, ietwat onzekerder. Was er iets vandaag? Ze trok haar interne kalender erbij, maar zag niets bijzonders aan de datum. Over twee dagen, op de zevenentwintigste, waren Rinai en zij drie jaar bij elkaar.

‘Er is niets vandaag. De zevenentwintigste pas.’

‘Het ís de zevenentwintigste,’ verklaarde Rinai. Ze stond middenin de kamer, haar handen op haar heupen geplant.

‘Huh. Sorry, lief, ik denk dat mijn agenda is blijven hangen? Hij zegt dat het de vijfentwintigste is.’

Rinai kwam naast haar op het bed zitten en legde haar hoofd op Josies schouder. ‘Ik help je wel synchroniseren.’ En dat deed ze. Met een paar commando’s ververste Josies agenda zich. Het was inderdaad de zeventwintigste. ‘Wat een stomme glitch,’ mopperde Rinai.

‘Het spijt me,’ murmelde Josie. Rinai voelde warm aan, een contrast met Josies eigen koele huid. De afgelopen dagen had ze consequent op kamertemperatuur of de omgevingstemperatuur gefunctioneerd. Haar eigen thermostaat kon ze niet meer controleren, want dat was een onderdeel van haar bevroren avatar. Ze sloeg haar armen om Rinai heen en genoot van de lichaams­warmte.

‘Maakt niet uit,’ zei Rinai lief. ‘We hebben de hele dag nog.’

Ze brachten de dag door op het strand van Satara. Ze maakten een lange strandwandeling en genoten van de zon. In een verlaten lagune trok Rinai haar kleding uit en dook het water in, terwijl Josie op een rots op de uitkijk zat. Ze gaf een gilletje toen Rinai haar nat spetterde en nam wraak door een aantal waterplanten in Rinais richting te gooien. Uiteraard kwam ze niet eens in de buurt, de planten raakten op een meter afstand van Rinai het water­oppervlak. ‘Je gooit als een meisje!’ riep Rinai, en Josie moest zo lachen dat ze bijna van haar rots afviel.

 

[Ingevoegd: een ietwat overbelichte selfie van Josie, terwijl ze met haar duim over haar schouder achter zich wijst, waar Rinai in het water ligt en naar de camera zwaait.]

 

Op die frustrerende grijze opties in Josies menu’s na kon ze de situatie negeren en doen alsof het goed was.

Drie dagen later was dat echter niet meer mogelijk, want toen voerde Technium de maandelijkse update uit.

 

***

 

‘Ik herinner me niets van die periodes,’ zegt Josie. Haar stem is vlak, haar blik leeg. ‘Ik bevries tijdens updates. Het voelt alsof ik mezelf helemaal ziek heb gedronken en een gat in mijn geheugen heb. Dus hoewel het eng was, kon ik daar nog wel overheen komen. Voor Rinai was het zwaarder, die kon me na die eerste update niet meer normaal aankijken.’

‘Waarom niet?’ 

Ze haalt haar schouders weer op. ‘Ik denk dat ze zich toen realiseerde dat ik echt dood ben.’ 

 

***

 

Het ene moment zat ze in bad – genietend van het warme water, de enige manier waarop ze de laatste tijd nog echt warm kon worden – en het volgende moment lag ze op de vloer van de badkamer, op de doorweekte badmat, rillend van de kou, en werd ze door Rinai door elkaar geschud.

Rinais ogen waren wijd opengesperd van angst en haar zwarte huid glinsterde van de tranen in het licht van de badkamerlamp. Haar handen klemden als bankschroeven om Josies schouders.

Josie wilde iets zeggen, Rinai geruststellen. Protesteren, misschien. Ze opende haar mond, maar er kwamen geen woorden. Hoe vormde ze die ook alweer? Ze stootte een geluid uit haar keel. Het klonk nauwelijks menselijk.

Rinai reageerde er niet op. ‘Word wakker!’ gilde ze, haar stem op het randje van de hysterie. ‘Josie!’

Op de een of andere manier had ze eerder voor elkaar hoe ze haar hand kon bewegen dan dat ze een woord uit kon brengen. Ze hief haar hand en greep Rinais pols.

Rinai hield op met schudden en gillen en keek haar recht in de ogen aan. ‘Oh,’ zei ze schor. ‘Ben je bij?’

Knikken lukte ook nog.

Het volgende moment bevond Josie zich in een omhelzing en vond ze haar woorden weer. ‘Wa- wat is er gebeurd?’ stamelde ze. Haar tong voelde dik en onhandig aan in haar mond. Ze beet er bijna op.

‘Je bent er nog, ik dacht dat ik je kwijt was.’ Rinais tranen waren nu van geluk. Of anders ontlading, Josie wist het niet zeker.

‘Ik ben er nog,’ antwoordde ze.

Maar waarom voelde ze zich dan alsof er iets kwijt was?

 

***

 

Een warme hand op haar onderarm deed Josie opschrikken. ‘Even een luchtje aan het scheppen?’ vroeg iemand.

Josie keek opzij en vond daar een jonge vrouw met gloeiende vlindervleugels naast haar op het balkon. In de avondlucht lichtte ze op als een neonbord, maar wel op een smaakvolle en fascinerende manier. Josie hield haar hoofd schuin en glimlachte. ‘Hoi. Wat een mooie vleugels heb je.’

‘Dank je wel,’ zei de jonge vrouw met een glimlach. Ze leunde met haar heup tegen de reling van het balkon en gloeide warmer dan de maan en de sterren. De lichtgevende highlights in haar haren dreven op de avondbries.

Opeens wist Josie weer wie ze was, want ze herkende de stem. Selena. Een goede vriendin van Rinai. ‘Wanneer heb je die opgeduikeld?’

Selena fronste en keek haar onderzoekend aan. ‘Twee updates geleden, toen ze beschikbaar werden gesteld. Weet je dat niet meer?’

‘Oh ja,’ loog Josie. Ze kon haar ogen niet van de gloeiende kleuren afhouden. Zo mooi!

‘Heb je wat op?’ vroeg Selena, nog steeds fronsend. ‘Je bent… spacy.’

‘Hmm?’ Josie kon zich niet concentreren op de conversatie terwijl die prachtige gloeiende kleuren zo nabij waren. Ze reikte haar hand uit naar Selena’s vleugels en zuchtte teleurgesteld toen Selena instinctief bijdraaide, zodat Josie haar niet kon aanraken.

‘Ik ga Rinai halen, je bent niet in orde,’ zei Selena resoluut, en beende terug naar binnen, Josie alleen op het balkon achterlatend.

Het verlies van de gloeiende vleugels deed haar in eerste instantie meer dan het feit dat ze een vriendin de stuipen op het lijf had gejaagd, maar dat realiseerde ze zich niet totdat Rinai haar aan de schouders schudde en ze weer tot zichzelf kwam. Toen pas kwam de realisatie dat er iets mis was.

 

***

 

De volgende morgen werd Josie wakker toen Rinai bij haar op de rand van het bed kwam zitten. Ze had zichzelf in haar donzige dekens gewikkeld en was zo warm en comfortabel dat ze niet bewoog, maar alleen haar ogen opende en naar haar lief glimlachte. ‘Goeiemorgen.’

‘Ik heb vannacht je optiepakket nog een keer doorgelezen, en ik denk dat ik weet wat er gaande is,’ zei Rinai op een vlakke, bijna zakelijke toon. Geen ochtendkus, geen “goedemorgen”. Had ze vannacht wel geslapen?

‘Wat bedoel je?’ mompelde Josie, die direct al geen zin had in deze conversatie.

Rinai maakte een gebaar dat ervoor zorgde dat de informatie op haar interface ook met Josie gedeeld werd. Er gloeiden letters in de lucht, maar Josie richtte zich alleen op haar lief, en de afstandelijke, ietwat gepijnigde blik in haar ogen. ‘Het achterblijven van je digitale afdruk in Technium,’ vatte Rinai samen. ‘Met dien verstande dat je een onderdeel van Technium wordt.’

Josie knikte. ‘Het was dat, of doodgaan zoals mijn fysieke lichaam dood is gegaan in Zadano. Dit wisten we.’

‘Klopt… ik denk dat we gewoon niet wisten wat het inhield,’ zei Rinai, en haar gezicht vertrok alsof ze moest overgeven. Haar schouders schokten. ‘Je bent eigendom van Technium. Daarom had je die spastische aanval op de eerste van de maand. De update. Ik denk dat het iets… met je doet. Met je data. Als een herseninfarct, of iets dergelijks. Voelt dat zo?’

Josie ging overeind in bed zitten, met dekens strak om zich heen getrokken. Ze was nu nog lekker warm, maar zodra ze de warmte kwijtraakte, kreeg ze hem niet meer terug. ‘Weet ik veel hoe zoiets voelt. Wat is een digitaal herseninfarct?’

‘Nou, dit. Denk ik.’

‘Denk je dat dit nog erger wordt?’

‘Ik hoop het niet.’

 

***

 

De Technium update wordt op de eerste van de maand om middernacht uitgevoerd. Dat weet iedereen. Er wordt constant onderhoud aan onze virtuele leefwereld gepleegd, en tijdens de update wordt de oude code geüpdatet naar de nieuwste versie. Tevens wordt er tijdens die vijf minuten onnodige data verwijderd, en slecht opgeslagen data – “gefragmenteerde data” noemen ze dat – wordt geherstructureerd. Foutjes in de code die de afgelopen maand zijn opgetreden, worden gefikst, nieuwe omgevingen worden uitgerold. Al met al gebeurt er best veel tijdens zo’n update. Wij als bewoners van Technium merken er relatief weinig van; we hebben onze levens er omheen opgebouwd. We weten allemaal dat tijdens die update onze transacties even bevriezen en we niet van omgeving kunnen wisselen.

Voor Josie, die data is geworden, is het veel ingrijpender. Tijdens die vijf minuten bevriest niet haar mogelijkheid tot transacties, maar haar hele wezen. En omdat ze bestaat uit data, wordt er in het kader van efficiëntere dataopslag tijdens iedere update iets van haar eigen zelf door het systeem opgepakt, en ergens anders als onderdeel van het geheel ingeplakt.

Stukje bij stukje worden er fragmenten van haar wezen uit haar weggetrokken. 

Ze is zichzelf letterlijk aan het verliezen.

 

***

 

‘Hé. Josie. Hé, hallo.’

‘Hmm?’

‘Je was weer aan het spacen.’

‘Oh, sorry. Waar hadden we het over?’

 

***

 

Een maand later was de volgende update. Omdat ze nu wisten dat Josie waarschijnlijk weer een aanval zou krijgen, waren ze erop voorbereid, en hadden ze gezorgd dat ze comfortabel was. Ze lag in bed, omgeven door kussens en dekens, toen het twaalf uur werd. Dit keer duurde het langer voordat Josie de controle over haar avatar hervond. Ze voelde zich onthecht van Technium, van haar avatar. Het was moeilijker om op woorden te komen, om het gevoel in haar vingertoppen terug te krijgen, en alles wat ze aanraakte leek insubstantieel.

Toen Rinai haar aanraakte, voelde ze het nauwelijks.

Ze stuurden een bericht naar het supportkanaal van Technium en kregen een kort antwoord terug wat neerkwam op: Dit zijn de voorwaarden waar Josie mee akkoord is gegaan, er is niets aan te doen.

Kunnen jullie me niet ontkoppelen van de update? Of zal ik mezelf steeds verder verliezen? stuurde Josie terug. Ze vibreerde bijna van de zenuwen, maar haar avatar toonde het niet. Ze kon de connectie niet meer maken.

Je data is eigendom van Technium, en de update is geautomatiseerd. Overbodige data wordt opgeschoond.

Josie barstte in snikken uit en wenste dat ze haar tranen nog kon voelen… de warmte op haar wangen, het branden van haar ogen. ‘Ze doen niet eens hun best om het netjes te brengen, hè? “Je bent dood, Josie, zeik niet zo.”‘

‘Dit kan toch niet het einde zijn?’ vroeg Rinai. Haar avatar was zwarter dan zwart, alsof ze al het licht van de wereld door de zwaarte van haar verdriet naar zich toetrok en als een zwart gat opslokte.

Josie snoof door haar tranen heen. ‘Blijkbaar. Ik ga niet verbrokkelen en verdwijnen. Ik verdom het. Dat kan ik jou en mij niet aandoen. Rinai… ik moet er zelf een einde aan maken.’

Rinai snotterde. ‘Kun je dat?’

‘Tuurlijk, ik log gewoon uit. Voorgoed.’

Rinai klemde zich aan haar vast en zei niets. Ze knikte slechts, met haar gezicht in Josies nek gedrukt. Josie kon bijna de natte warmte van Rinais tranen op haar huid voelen en ze haatte haar schaduw­bestaan vanuit de grond van haar hart. Het was klaar nu, tijd om te gaan. Ze was al veel te lang blijven hangen, en ze wisten het allebei.

‘Oké, daar ga ik. Ik hou van je, Rinai,’ zei Josie snel, en riep haar menu’s op, voordat ze zich zou bedenken.

Alle opties in haar menu waren grijs.

Ze bevroor. Oh ja. Natuurlijk.

‘…Josie?’

Ze staarde naar de grijze opties. Beschuldigend grijs en doods, dansend in haar blikveld, haar inwrijvend dat ze zoveel eerder de ballen had moeten hebben om uit het leven te stappen, toen haar lichaam dat ook deed.

Zelfs die optie was van haar afgenomen. Ze was volledig onderdeel van Technium geworden. Ze had geen rechten meer. ‘Ik kan niet weg.’

 

***

 

‘Ik wil met je trouwen,’ zei Rinai die nacht tegen haar, toen ze in bed lagen. Ze lagen dicht tegen elkaar aan, en Josie voelde een schaduw van Rinais lichaamswarmte. Het was de afgelopen tijd het beste wat ze kon krijgen.

Josie was een lange tijd stil. Ze hoefde haar menu’s niet op te roepen om te weten dat een officieel huwelijk onmogelijk was, en Rinai moest dat weten. ‘Ik ook met jou. Hoe zou je het willen aanpakken, als trouwen voor de wet niet meer lukt?’

Rinai haalde haar schouders op. ‘Met onze vrienden, met onze herinneringen. Heel veel meer hebben we niet nodig, toch?’

 

***

 

Ze trouwden drie dagen later, aan de oever van een meertje, tijdens zonsondergang, in een met lichtjes en lampionnen behangen pergola. Er dansten vuurvliegjes in de begroeiing, en de avondlucht was zwoel. Rinai had een prachtige locatie geregeld, maar Josie had er weinig oog voor. Rinai was prachtig in haar zilveren trouwjurk. Haar haren en ogen waren een diep rozerood, als robijnen, als de kleur van de liefde.

Hun vrienden zaten op stoeltjes voor de pergola, met hun voeten in het gras. Mensen waarmee ze gefeest hadden, waarmee ze op terrasjes hadden gezeten, die ze ontmoet hadden op bijeenkomsten, bij sportwedstrijden, op markten en in winkels. Zo veel geliefde gezichten, en Josie probeerde te negeren dat ze veel van hen niet meer kon plaatsen, ook niet wanneer ze de avatar ID-informatie over hen opriep. Er was zo veel wat Josie negeerde. De twee speldenprikjes van null data in haar handen, die ze nog niet aan Rinai had laten zien. Het feit dat ze de woorden van haar gelofte van een autocue af moest lezen. Het ergste was het verhaal dat hun vriendin Selena tijdens haar speech vertelde.

‘Drie jaar geleden waren Rinai en ik op een feest in Vindit. Het feest had een vogelthema en de zaal was een explosie van veren en lichten. De effecten waren fantastisch en de stemmingsverbeteraars die we allemaal ingenomen hadden, waren nog beter. Ik weet nog dat ik aan de bar hing en dat ik Rinai zag kijken naar een mooie dame die net als zij een zwanenoutfit droeg. Zij was de witte zwaan, en Rinai de zwarte. Het was zo romantisch! “Ga naar haar toe, dan,” moedigde ik Rinai aan, maar ze durfde niet. “Ze is veel te mooi voor mij, kijk hoe ze danst!” Het kostte me ongeveer anderhalf uur om Rinai zo ver te krijgen om de zwanendame een drankje aan te bieden, en vanaf dat moment waren ze een koppeltje. Als echte zwanen, door dik en dun, altijd samen.’

Josie hoorde de rest van het verhaal niet meer. Ze glimlachte naar Rinai alsof ze zich ieder moment van die avond herinnerde en zich niet wanhopig afvroeg of dit niet gewoon een verhaal was dat Selena had bedacht zodat ze een mooie zwanenmetafoor in haar speech kon gebruiken. Ze glimlachte alsof ze niet koortsachtig door haar logs scrolde of er een datalog van een dergelijk feest was. En zo niet, hoe had ze Rinai dan ontmoet? Ze herinnerde het zich niet meer en vond er niets van terug in haar eigen logs, maar wel in die van Rinai. Rinai, die vanochtend haar logs wagenwijd had open­gegooid, zodat Josie haar herinneringen kon opfrissen. En Josie lachte stralend, alsof de foto’s van het moment dat ze in een zwanenjurk danste haar bekend voorkwamen.

‘Zwanenkoppels laten elkaar nooit in de steek,’ zei Selena plechtig.

En Josie huilde, omdat ze er alles aan gedaan had om zo lang mogelijk bij elkaar te blijven, en ze dat nu ook kwijt zou raken, maar niet op de manier die ze had gewild.

 

***

 

‘Wat hoop je dat dit artikel zal bewerkstelligen?’ vraag ik Josie. We zitten aan de oever van de regenboogrivier voor een foto-op; op de plek waar dit allemaal begon. Het licht van de eeuwige zonsondergang schijnt door de microscopische gaatjes van haar avatar heen. Het effect is ietwat misselijkmakend, als een slecht geïmplementeerd avatareffect. Het feit dat dit écht is, en een daadwerkelijke consequentie van het verliezen van je eigen data, is gruwelijk. En het zal alleen nog erger worden.

 

[Ingevoegd: een foto van Josie Albini op de oever van de regenboogrivier.

Haar lichaam is zit vol met null spikkels.]

 

‘Degenen die de AI van Technium gebouwd hebben, moeten een plan hebben verzonnen voor mensen in mijn situatie,’ zegt Josie. ‘Ze moeten zich gerealiseerd hebben dat er mensen fysiek zouden overlijden terwijl ze inge­plugd zaten. Daarom heb ik dat optiepakket gekregen. Ik denk alleen dat nog weinig mensen beseffen wat de precieze consequenties zijn wanneer je besluit om te blijven.’

Uit data blijkt dat er inmiddels zo’n honderd mensen gestorven zijn terwijl hun avatars net zoals Josie Albini ingeplugd waren. Er moeten nog een paar inwoners van Technium zijn die dezelfde optie hebben gekozen en hun digitale leven nog niet wilden loslaten, maar ik heb ze niet te spreken kunnen krijgen. Het komt blijkbaar niet veel voor. Nog niet.

Wanneer Josie haar hoofd draait, word ik nogmaals getrakteerd op de speldenprikjes van null, waar het licht dwars door haar heen valt. Het aanzicht is afschuwelijk. ‘Je klinkt nu nog best helder,’ zeg ik, in een poging om haar op haar gemak te stellen. 

Ze glimlacht flauwtjes, alsof ze weet welk effect ze op me heeft. ‘Ik heb deze conversatie zo veel mogelijk gescript, want de laatste paar weken ben ik niet zo bij de tijd. Daarom geef ik soms niet precies de juiste antwoorden op je vragen.’

‘Zoals wat ik je vroeg: wat kan ik voor je doen? Wat hoop je dat dit artikel zal bewerkstelligen?’

Ze is een tijdje stil en staart naar het perzik-achtige zonlicht, dat reflecteert op het water. ‘Vertel mijn verhaal, alsjeblieft. Laat iedereen zien wat er gaande is, de gruwelijke realiteit van de keuzes die we hier maken. Ik hoop dat mensen zich bewust worden van de consequenties, als je kiest voor de optie om te blijven en data te worden. Ik hoop dat niemand hoeft te doorstaan wat ik nu doorsta.’ Ze zucht. ‘En als er iemand is die me kan helpen… alsjeblieft. Laat me hier uitstappen. Overschrijf me, maar doe het in één keer. Dit is een martelgang.’ 

 

[Ingevoegd is Josie Albini’s contactinformatie en haar avatar ID.]

 

***

 

 

[epiloog]

 

Uitpluggen is een langdurig en pijnlijk proces. De doorligwonden op mijn heupen en stuitje gillen het uit zodra ik me voor het eerst in weken in mijn pod omdraai. Ik heb nauwelijks ruimte om me op mijn zij te draaien; meer dan ooit voelt mijn pod aan als een doodskist. Het kost me minuten om de kracht te vinden om op de eject knop te drukken, en ik kokhals als de voedingssonde losklikt, zodat ik die uit mijn keel kan trekken. Voorzichtig, voorzichtig. De katheter volgt erna, en dat is nóg onprettiger. De Techniumpods zijn ontworpen om zo gemakkelijk mogelijk verlaten te kunnen worden, maar ergens houdt dat op. De bewoners van Zadano blijven maanden, jarenlang in hun pod liggen. Ontkoppelen wordt steeds moeilijker.

Ik laat me uit mijn pod glijden en ben blij dat de mijne zich op grondniveau bevindt, en ik niet langs de ladder moet afdalen. Ik neem een moment om op de rand van mijn pod te zitten en om me heen te kijken naar de duizenden rijen van pods. Ze vullen de muren, reiken verdiepingen hoog, als een honingraat. Duizenden mensen, dromend van Technium. Hoeveel van hen zijn al zo lang niet wakker geweest? Hoeveel van hen zal hetzelfde overkomen als Josie gebeurd is?

Ik vraag me af of er getallen zijn van de hoeveelheid huidige wakende inwoners van Zadano. De meesten liggen aan Technium gekoppeld en kijken niet om. Er wordt gezegd dat er nog mensen in de stad leven, veelal onderhouds­medewerkers die de stad en de pods draaiende houden. Sommigen willen uit principe Technium niet betreden. Anderen worden eens in de zoveel tijd wakker uit hun Technium-droom, maar zoals Josie in mijn artikel al zei: waarom zou je? Het leven onder de koepel is zweterig, het eten is afschuwelijk (een mengsel van algen en insecten voor iedere maaltijd wordt al gauw heel saai), en de stank van schimmel en zure lichaamssappen is al jaren geleden in de vloeren, muren en gebouwen getrokken. 

De tegels zijn koel en vochtig tegen eerst mijn tenen en dan mijn hielen. De voegen steken zwart af tegen de witte tegels. Hopelijk komt het niet door de schimmel. Ik zak verder op de grond en houd me vast aan de rand van mijn pod wanneer ik bijna door mijn knieën zak. Ze voelen aan als pudding. De wereld draait om me heen. Uit automatisme wil ik een status update oproepen, maar dat is een Technium feature. In de echte wereld moet ik gokken wat er gaande is. Waarschijnlijk heb ik gewoon last van een lage bloeddruk en ben ik te snel opgestaan. Ik laat me volledig op de grond zakken totdat ik zit. In een compartiment onder mijn pod zit een lade met mijn persoonlijke eigendommen. Ik open de lade en vind kleding, een eerstehulp-kit en een zakcomputer.

Langzaam maar zeker behandel ik mijn wonden en kleed ik me aan. Ik heb dorst, ondanks het feit dat ik net van de sondevoeding afkom. Mijn mond is droog en mijn keel voelt rauw aan. Ik heb echter een missie, en het is tijd om op te staan.

Míjn lichaam doet het nog, in tegenstelling tot dat van Josie. Mijn artikel alleen zal niet genoeg zijn om Josie op korte termijn te kunnen helpen. Op lange termijn zal het mensen leren wat de situatie precies is; ik heb mijn best gedaan om het artikel op de meest strategisch actieve tijd te publiceren en heb goed geld uitgegeven om ervoor te zorgen dat het in ieders berichten­overzicht terecht komt. De lange termijn heb ik zo voorzien, de korte termijn is wat moeilijker. 

Daarvoor heb ik de beslissers nodig, degenen die de wetten maken en de Technium AI die laten uitvoeren. Op onzekere puddingbenen verlaat ik de pod-omgeving en loop ik door verlaten gangen, vergezeld door een drukkende stilte die alleen verbroken wordt door het druppelen van water. Ik pak mijn zakcomputer erbij en zie tot mijn schrik dat meer dan negentig procent van de stad inmiddels verlaten is. De enige omgevingen die leven bevatten, zijn de pod-ruimtes. En daar is iedereen aan het dromen.

Ik hoor het bloed in mijn oren suizen. Hoe lang is dit al gaande? Hoe lang is Zadano al een spookstad? En is dat erg? Ik strompel het gebouw uit en bevind me dan opeens op straat. Een verschil in temperatuur of in luchtvochtigheid is er nauwelijks. Onder de koepel is het leven klam, windstil, en rozerood.

Mijn zakcomputer wijst me de weg naar het zenuwcentrum van de stad, waar zowel de overheid als de Technium AI zich bevinden. Ik pak de rolband, want lopen wordt met de minuut zwaarder, alsof de zwaartekracht hier hoger is. Ik leun op de rand van de rolband en laat me brengen.

Ik denk aan Josie terwijl ik door de stad glijd. Wat Josie overkomt, had mij ook kunnen overkomen. Zal mij misschien overkomen, als ik niet uitkijk. Zal iedereen overkomen. Helpt het, als we actief ons fysieke lichaam in leven houden en als we soms uitpluggen? Ik heb de antwoorden niet, het overheidsorgaan onge­twijfeld wel. 

Een half uur later ben ik uitgeput, maar bevind ik me voor het stadhuis: een hoge toren waar geen licht achter de ramen schijnt. Ik ben nog steeds niemand tegengekomen, in de hele stad niet. Ik ben alleen met de drukkende stilte. Het is een doordeweekse dag in december, iedereen zou er gewoon moeten zijn, toch? Er wordt toch nog wel gewerkt? De laatste keer dat ik op was – was dat een half jaar geleden? – waren er nog mensen op straat. Nu niet. Zadano is een spook­stad. 

Mijn hart klopt in mijn keel als ik het gebouw betreed en een lege receptie vind. De liften werken nog, dus ik ga zelf naar de veertiende verdieping, waar volgens mijn zakcomputer de burgemeester van Zadano zich zou moeten bevinden. 

De liftdeuren openen zich en er is nog steeds niemand. Lege gangen, lege kantoren. 

‘Hallo,’ zegt een stem dan, van naast me.

Ik kan een geschrokken schreeuw niet onderdrukken en draai me vliegensvlug om naar de spreker.

Het is nog steeds geen mens; het is een hologram dat lichtblauw opgloeit. Een oudere vrouw met een plezierige, ietwat lege glimlach. ‘Hoe kan ik u helpen?’

Ik moet mijn keel een aantal keer schrapen voordat ik woorden kan uitbrengen. ‘Ik ben op zoek naar burgemeester Limanis, of een andere beslisser die me kan helpen bij een civiele rechtszaak tegen de Technium AI.’

Het hologram staart me aan met lege, blauwgloeiende ogen. ‘Op het moment is er niemand aanwezig. Burgemeester Limanis is drie maanden geleden afge­treden en heeft zijn taken overgedragen aan Technium.’

‘Wie is er dan verantwoordelijk voor civiele zaken?’

‘De Technium AI.’

‘Waar… waar kan ik die aanspreken?’

De hologram knippert niet met haar ogen. Natuurlijk doet ze dat niet, ze is een hologram. Het maakt haar nog steeds griezelig. ‘Wanneer je weer in Technium inplugt, kun je contact opnemen met…’ en ze ratelt vervolgens alle contact­manieren op die Josie (en ik) naar aanleiding van haar artikel allang afgegaan zijn. 

‘En wat als die je nergens mee kunnen helpen? Is er hier in Zadano niemand die Josie Albini met haar civiele zaak kan helpen?’

‘Om civiele zaken op te lossen, kun je in Technium contact opnemen met…’ 

‘Je hebt geen andere opties dus,’ onderbreek ik haar ongeduldig. ‘Civiele zaken moeten in Technium opgelost worden?’

‘Dat klopt.’

‘Is er nog iets wat ik hier in Zadano kan betekenen?’ vraag ik. Mijn stem klinkt schor en half wanhopig. Ik wil gaan zitten, mijn pod in kruipen, warm en veilig zijn in een wereld die voor mij geschapen is. Een droom waaruit ik niet wakker kan worden. Niet wakker wíl worden. Wat doe ik hier eigenlijk? Mijn lichaam schrijnt van de spierpijn en mijn doorligplekken zijn opengesprongen. Ik ben kapot. Ik wil slapen. Dromen. Weg van deze kloteplek.

‘Helaas niet.’

‘Verdomme,’ fluister ik. De wereld draait weer en ik zoek steun bij de muur. ‘Alles is in de handen van de Technium AI, dus.’

‘En dat zal het blijven. Technium zal voor je zorgen,’ echoot ze de oude slogan. ‘Tot in de eeuwigheid.’

Ik draai me om en begin de lange weg terug naar mijn pod.

Share Buttons

Categories