De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Het paradijs gevonden – Johan Klein Haneveld

Het paradijs gevonden – Johan Klein Haneveld

 

‘Het was ook te mooi om waar te zijn.’ De woorden dreunden als keien in een bergrivier. Dolmin leunde voorover, zijn ellebogen op zijn knieën, terwijl hij naar de vlammen staarde. Het schijnsel liet de metalen platen van zijn voorhoofd en zijn borst gloeien en schiep rode vonken in de anders dode lenzen van zijn ogen. Op de plekken waar zijn pantser moest kunnen bewegen, kronkelden buizen en draden. Ik wist niet of er nog wel organische delen in zijn lichaam waren overgebleven. Hij zuchtte, een geluid dat bijna te menselijk leek voor zijn mechanische natuur. ‘De kaart wees inderdaad de weg naar een verborgen dal tussen de bergen. En we vonden er de ruïnes van een tempel. Maar er leefde niemand meer en de grond was dor, net als elders. Geen rijstvelden, geen schatten. Alleen maar botten.’

‘Wij zijn daar ook geweest,’ klonk het van de andere kant van de lichtkring. De centaur Somina lag daar, haar benen onder zich gevouwen, de kunststof bekleding van haar flanken trillend door de erachter verborgen machinerie. Ze had haar armen voor haar borsten over elkaar geslagen. Een van haar mannen, een kaal wezen op ijzeren spinnenpoten met een brede band van sensors en meetapparatuur op het voorhoofd, schuifelde dichterbij. Hij stak haar onderdanig een spies toe.

‘Een rat?’ brieste Somina. ‘Is dat alles?’

Vertwijfeld keek hij over zijn schouder. Achter hem bevonden zich nog drie mannen die er precies hetzelfde uitzagen. Ze wisselden op hoge toon onderling klanken uit en knikten toen naar hun vertegen­woordiger. ‘We hebben overal gekeken,’ zei die tegen zijn meesteres. ‘Maar we zullen weer op zoek gaan.’

‘Dat is je geraden. Anders laat ik jullie hier achter en dan mogen jullie voortaan voor jezelf zorgen.’ Ondanks haar boze woorden pakte de centaur de spies aan. Haar vingers waren lang en dun en ik zag rode vlekken op haar huid. Ze gunde haar man geen blik meer waardig. Een krakend, spetterend geluid klonk toen ze haar tanden in de gebraden rat zette.

Firman staarde haar kant uit. Te zien aan de manier waarop zijn ademsappel op en neer ging, liep het water hem in de mond. Hij was lang, bijna drie meter, en op zijn rug hingen groene vleugels, nu opgevouwen als origami. Ze waren bedoeld om hem van energie te voorzien, maar het was vandaag niet zonnig geweest.

‘Daarna hoorde ik van een grot in Ro’man waar in het duister nog allerlei dieren voorkwamen, in het leven gehouden door zwavel en stikstof.’ Dolmin schudde zijn zware hoofd. De raderen in zijn nek piepten. Hij leek er niet om te geven dat de rest van het gezelschap niet echt naar hem luisterde. Ze hadden zijn verhaal ondertussen natuurlijk al talloze malen meegekregen. ‘Het duurde jaren voor ik er aankwam. En toen hadden anderen zich er al een weg naar binnen gebaand. De opening was uitgebroken, de gassen waren ontsnapt, er was niets meer over.’

‘Ik ben een keer naar Antarctica gevlogen,’ zei Firman zacht. ‘Ik had toen het internet nog bestond, gelezen over oude onderzoekscentra, waar ooit groente en fruit werden gekweekt. Als oefening voor ruimtereizen. Er was niks van over. Het smeltwater had alles wegge­spoeld.’

‘Wij zijn daar ook geweest,’ merkte Somina op en ze spuugde iets hard en wits opzij. Het kwam met een tik op de grond. Een van haar mannen pakte het op en met een vergenoegde uitdrukking op zijn gezicht stak hij het in zijn mond. Ik wist niet of Somina de grot in Ro’man bedoelde, of de kassen op de zuidpool. Misschien wel allebei. ‘Ik had iemand ontmoet die dacht dat er tegen het einde in West-Europa koepelsteden waren gebouwd. En dat daar nog wel groen te vinden moest zijn. Niks van waar. Alleen ondergelopen kraters.’

‘En krabben,’ zei Dolmin, die de plek zelf kennelijk ook kende. ‘Met teveel ogen.’

‘Lekker,’ reageerde een van Somina’s mannen, die ritselend dichterbij was gekomen. Hij reikte de centaur weer een spies toe, met een nieuwe rat eraan. Er kwamen sliertjes rook vanaf. Firman kon ook nu zijn blik er niet van lostrekken, al was de geur niet bepaald appetijtelijk. Zijn adamsappel ging op en neer. ‘Meer konden we niet vinden,’ fluisterde Somina’s man verontschuldigend.

De centaur gebaarde hem zich terug te trekken. ‘Er zouden meren zijn in Afrika die gezond waren gebleven,’ zei ze tussen twee happen door. ‘Daar konden we nog levensvatbare gemeenschappen tegen­komen.’

‘Zonder de bescherming van de ozonlaag?’ vroeg Firman.

Ze schudde haar hoofd. Vervolgens liet ze de staart van de rat als een spaghettisliert in haar mond zakken. ‘Het waren modderpoelen’, verklaarde ze. ‘Mijn mannen en ik hadden de grootste moeite ons een groep kannibalen van het lijf te houden.’ Haar andere hand ging naar achteren, naar de greep van het enorme energiewapen op haar rug. ‘Onze kudde is toen de helft kleiner geworden.’

‘De regering van Merika zou een stelsel van bunkers hebben aange­legd onder een berg,’ zei de man die schuin achter Dolmin zat. Hij had twee metalen armen extra, met grote klauwen aan het einde, en wat er uitzag als computerapparatuur op zijn slapen. Zijn tanden waren tot punten afgevijld. ‘Er zouden voorraden genoeg zijn voor zes eeuwen. En voor daarna zaden.’

Firman boog zich naar voren en aan de andere kant van de vlammen lichtten de ogen van Somina hebzuchtig op. Ik wilde niet de aandacht op mezelf vestigen, dus reageerde ik niet. Maar ik was al op die plek geweest, samen met tientallen andere schatzoekers, en de gangen waren leeg. Al lang en breed door rovers en aaseters kaalgeplukt. Zelfs de plutoniumstaven uit de kerncentrale op de onderste verdieping waren weggehaald. En zo was het geweest op elke plek die ik in de afgelopen decennia had bezocht. Ik rolde in mijn slaapzak op mijn andere zij, zodat ik met mijn rug naar het gezelschap toe lag en probeerde me af te sluiten voor het onophoudelijke rommelen van hun stemmen. Mijn pulspistool hield ik ondertussen tegen mijn borst aangedrukt, mijn vinger in de buurt van de trekker.

Ik was niet de enige aan de rand van de groep. Er was ook nog een vrouw, slank, met welvingen op de juiste plaatsen, perfect uit de mal gekomen. Maar ze was bekleed met doorschijnend plastic in de plaats van haar huid. Er doorheen waren haar trillende spieren en blubbe­rige organen zichtbaar. In het midden van haar kluwen darmen bevond zich duidelijk herkenbaar een thermische bom. Ze had eerder nog ondanks haar kwetsbare uitstraling met duidelijk zelfvertrouwen om zich heen gekeken, maar had zich afzijdig gehouden van de conversatie. Net als het groepsbewustzijn van zes geslachtsloze mensen, die zich op een hoop hadden opgestapeld om te gaan slapen.

Ik had mijn rustplaats niet te ver bij het gezelschap vandaan gekozen, anders zouden ze nog kunnen denken dat ik bang voor ze was. Nu konden ze nog van alles vermoeden. Bijvoorbeeld dat ik mezelf met zulke technologische hoogstandjes verdedigde dat ze bij mij van buiten niks konden waarnemen. De waarheid was echter dat ik geen andere implantaten had dan enkele vervangende gewrichten en de communi­catiepluggen die voor de ramp standaard waren en nu volslagen nutteloos. Ik had mezelf tot nu toe in leven weten te houden door niet op te vallen en genoegen te nemen met wat ik maar kon vinden. Mijn laatste noodrantsoenen, al lang over de houdbaarheids­datum, had ik opgevouwen en onder mijn riem verborgen. Ik bewaakte ze met mijn leven. Ik had vandaag nog geen gelegenheid gevonden ervan te eten zonder dat de anderen het zagen, dus mijn maag rommelde. Ik was het gewend. De truc was me op andere zaken te concentreren.

De kiezels die in mijn zij prikten, waren geen geweldig alternatief. Dan maar de borsten van Somina, waar ik zo-even een glimp van had opgevangen. Hangend, blauw geaderd, maar in deze omgeving was er niets dat dichter in de buurt van schoonheid kwam. Na de ontlading, mijn gedachten een ogenblik zalig leeg, zonk ik weg in een droomloze slaap.

 

Toen ik de volgende morgen mijn ogen opende, keek ik uit op oranje oplichtend beton: de schuine wand van de afwatering, waarnaast we ons kamp hadden opgeslagen. Mijn vingers waren nog steeds onwrik­baar om de greep van mijn wapen geklemd. Een voor een liet ik ze ontspannen. Wat ook niet veranderd was, was de honger, als een borrelende afvoer in mijn binnenste. Terwijl ik probeerde te doen alsof ik nog steeds diep in slaap verkeerde, bracht ik mijn hand naar beneden en voelde onder mijn riem. De twee pakketjes zaten nog op hun plek. Niemand had mij in het donker stiekem weten te beroven. Opgelucht liet ik mijn adem ontsnappen. Een paar zandkorreltjes rolden bij mij vandaan. Ze kwamen een paar centimeter verder weer tot stilstand.

Ik duwde mezelf overeind en keek over mijn schouder, mijn pistool nauwgezet buiten zicht houdend. Ik was niet de eerste die wakker was. Helaas, anders had ik nu iets kunnen eten. Somina werd omringd door een paar van haar mannen, waarvan er een haar lange haren borstelde en de ander iets verzette aan haar linker achterbeen. Weer een ander poetste haar energiewapen. Haar staart zwiepte heen en weer, ook al waren er geen vliegen.

Firman stond bovenaan de schuine helling van beton, zijn rug naar de rijzende zon gekeerd en zijn vleugels uitgespreid. Zijn gezicht droeg een gelukzalige glimlach. De zes geslachtlozen waren zonder een spoor achter te laten verdwenen. De anderen sliepen nog. De vrouw met de doorschijnende huid lag opgekruld als een kat en Dolmin snurkte. Het klonk als het ronken van een motor. Ik knikte naar Somina. De centaur keurde mij geen blik waardig. Ik ging verder met het inpakken van mijn slaapzak, opgerold om mijn wapen. Vervolgens hees ik mijn pak op mijn rug.

‘Waar ga jij naartoe?’

Ik keek op. Firman had zijn wenkbrauwen gefronst. Zijn vleugels leken met een smaragdgroene gloed te branden. ‘We hadden besloten samen op te trekken.’

‘We hadden besloten op één plek te slapen,’ antwoordde ik. ‘Omdat we dan maar één vuur hoefden aan te steken.’

‘En het is net zo efficiënt de rest ook samen te doen.’ Hij had iets onrustigs. Zijn ogen volgden het drooggevallen kanaal in de richting van de horizon, waar de silhouetten van de ruïnes al zichtbaar waren als zwarte orgelpijpen.

Ik zuchtte en keerde hem de rug toe. Hij was de enige van ons die geen voedsel hoefde te vinden. Toch wilde juist hij dat we allemaal bij elkaar zouden blijven. Misschien was hij bang omdat zijn vleugels kwetsbaar waren. Ik boog me over Dolmin en schudde hem aan zijn schouder. Het ronken stopte en zijn hoofd draaide, zodat de twee doffe cameralenzen in zijn gezicht mijn kant uit staarden. Ik knikte alleen maar in de richting van de zon, die steeds geler werd. Het was antwoord genoeg. Achter hem kwam de man met de extra armen uit zichzelf al overeind en rekte zich uit als een panter. De doorzichtige vrouw had wat meer overtuiging nodig. Toen ik haar aanraakte, schoot ze geschrokken rechtop. Vervolgens schuifelde ze op haar billen achteruit, haar hand op haar buik, haar gezicht strak als een masker. Ik hief mijn armen op, mijn vingers uitgespreid. ‘Een ontploffing is niet nodig. We wilden je niet in je eentje hier achterlaten, dat is alles.’

Zonder te wachten of dat haar geruststelde, draaide ik me om. Somina had zich ondertussen opgericht. Ze schudde met haar hoofd zodat haar haren golfden. Haar kleine kudde stond achter haar en keek naar haar omhoog, devotie in de ogen. Dolmin had zijn spullen bijeengeraapt. De reus klopte met zijn hand op het handkanon dat op zijn bovenbeen zat vastgeklikt en keek met een betekenisvolle blik de groep rond. Firman had zijn vleugels opgevouwen en kwam met elegante stappen de helling af. Zijn ogen zochten af en toe het oosten, alsof hij nog niet helemaal voldaan was. Ik keek naar de centaur. Ze grijnsde, blij de leiding te kunnen nemen. ‘Volg mij maar. Als jullie je best doen, laat ik jullie van de nieuwe wereld meegenieten.’

Somina begon te draven en haar kudde haastte zich achter haar aan. Dolmin volgde haar, voorovergebogen, terwijl zijn benen mechanisch op en neer bewogen. De vrouw met de plastic huid had hem bij zijn arm vastgegrepen, maar hij leek niet te merken dat hij haar met zich meetrok. De lange Firman maakte grote passen, alsof het tempo hem niet kon schelen. De vierarm deed zijn best hen bij te houden. Ik zag zijn blik heen en weer gaan tussen hun achterhoofden, terwijl de vingers van zijn tweede rechterhand zich steeds weer samentrokken, zich ontspanden en opnieuw een vuist maakten.

Ik liet ze allemaal voor me uitgaan. Het kanaal ging toch strak recht­uit en hun tred maakte zoveel lawaai dat ik ze niet kon kwijtraken, zelfs niet als ik dat zou willen. Geen van hen keek naar me om. Ook Firman niet, terwijl hij er zo-even nog op had gestaan samen op te trekken. Zo had ik het echter het liefst. Toen de anderen in de verte waren geslonken tot het formaat van dominostenen, trillend in de hete lucht, haalde ik een van mijn rantsoenen achter mijn riem vandaan en trok de sluiting open. Ik goot de inhoud zo in mijn mond. Het poeder was muf, smakeloos, en ik kon mijn neiging te kokhalzen slechts met moeite onderdrukken. Er zaten echter wel calorieën in. Mijn veldfles bevatte nog een bodempje water en ik likte aan het eind mijn lippen af om ook de laatste druppel niet te missen.

 

Tegen het midden van de dag haalde ik de anderen in, in de schaduw van de eerste wolkenkrabbers. Ze hingen over ons heen, alsof ze elk moment konden omvallen en ik was niet de enige die af en toe schichtig opkeek. Dolmin was daarentegen onverstoorbaar. De man had zijn armen over elkaar geslagen en staarde naar Firman, die juist wel een onrustige indruk maakte. Een paar van Somina’s mannen kwetterden naar elkaar en bewogen druk met hun vingers. De centaur zelf glimlachte, maar haar hand bevond zich dicht bij de greep van haar wapen. ‘Tot nu toe volgen we de juiste route,’ zei ze. ‘Maar ik heb nog niks gezien waaruit zou blijken dat deze stad anders is dan alle andere.’

Dolmin knikte. ‘Voor afbrokkelende torens had ik niet zover hoeven reizen. Die had ik overal kunnen vinden.’

De vierarmige man bleef stil, maar zijn zwijgen leek hun woorden te bevestigen. Firman sloeg zijn vleugels uit, schudde ze en klapte ze weer in. Hij had hen niet gevraagd met hem mee te gaan, de meesten uit het gezelschap waren uit eigen beweging al naar deze bestemming onderweg geweest, maar toch voelde hij zich verplicht te antwoorden. Hij gebaarde met zijn hand richting het oosten. ‘Het radiosignaal kwam hier vandaan. Ik weet het zeker. De precieze plek is slechts twee kilometer verderop. We hoeven nog maar even te lopen.’

‘Is het signaal er nog steeds?’ vroeg Somina, haar hoofd schuin. Haar mannen kwamen aandachtig dichterbij.

De vierarmige man schraapte zijn keel en tikte op de implantaten op zijn slaap. ‘Ik vang niks op.’ Zijn stem klonk schor, ongebruikt. Hij keek de kring rond. ‘Misschien iemand anders?’

Er kwam geen reactie. Ook ik schudde mijn hoofd.

‘We kunnen er minstens gaan kijken,’ stelde Firman voor.

Somina richtte zich op. ‘Dat is goed. Maar als blijkt dat ook hier niks te vinden valt …’

Ze hoefde haar zin niet af te maken. Firman was al bleek wegge­trokken. Hij liep met grote passen tegen de wand van het kanaal op. De centaur volgde hem en net zo haar mannen op hun kromme, metalen poten. Ook Dolmin zette zich in beweging. Hij keek om of de vrouw met de doorschijnende huid hem volgde. Ze knikte hem dankbaar toe. Ikzelf zorgde opnieuw dat ik achteraan bleef. De helling was voor mij bijna te steil om te beklimmen. Gelukkig hadden Dolmins voetstappen diepe indrukken in het beton achtergelaten die ik als treden kon gebruiken. Toen ik boven aankwam, zag ik dat de groep niet op mij gewacht had. Ik zag nog net hun ruggen voor ze tussen de dichtstbijzijnde ruïnes verdwenen. Ik begon sneller te lopen. Ondertussen liet ik mijn bepakking van mijn rechterschouder glijden en trok ik de veter los.

Onder mijn schoenen knerpten glasscherven en roestvlokken. De weg was bezaaid met roodbruine autowrakken. In sommige bevonden zich nog geel verkleurde botten of resten van de bekleding. De meeste waren echter totaal leeggeroofd. We liepen het ene moment door diepe schaduw en dan opeens door fel zonlicht, met uitzicht op bergen in de verte. Een paar van de hoge gebouwen waren ingestort. Zwarte strepen tooiden degene die nog overeind stonden en soms waren er gaten waardoor de vloeren van verdiepingen zichtbaar waren. De lucht leek stroperig, meestal stil, maar dan opeens opgejaagd tot stofduivels, die ons op onze voeten deden wankelen en naar onze prikkende ogen deden grijpen. Ik deed mijn best niet al te veel te kuchen. Dat deden de anderen ook niet.

Onder een kruispunt van verhoogde wegen bleef de groep uiteindelijk staan. Er groeide donker mos op de pilaren en daar omheen stonden plukjes geelgroen gras. Ik bleef een beetje op afstand, uit het zicht achter een van de betonnen zuilen. Aan hun gebaren te zien, waren mijn reisgenoten niet tevreden met wat ze hadden aangetroffen. Firman hief afwerend zijn handen op. ‘Hier kwam het radiosignaal vandaan. Ik weet het zeker.’

Somina stapte op hem af. Ook al was de man drie meter lang, onder haar blik leek hij tot een insect ineen te krimpen. ‘Ik zie hier anders geen tekenen van beschaving. Geen vruchtbare grond of industrie. Geen oase waar mijn kudde en ik ons kunnen vestigen. Geen overvloed van vroegere tijden.’

‘Je doet alsof het mijn schuld is,’ zei Firman verongelijkt.

Somina knikte. ‘Jij wist toch altijd zo goed wat we moesten doen? Op welke plekken we moesten overnachten? Hoe we ons water moesten samenvoegen?’

Dolmin stapte naar voren. Zijn stem echode onheilspellend tussen de gebouwen. ‘Deze hele reis was voor niets? Je had kunnen weten dat Natasja dat niet kon redden!’ Zijn metgezellin knikte overdreven, zonder zijn gepantserde arm los te laten.

‘Ho nou.’ Firman deed een stap achteruit. Hij had zijn vleugels ingeklapt. ‘Ik heb jullie nergens toe gedwongen!’

‘Maar je hebt wel veel van ons gevraagd,’ antwoordde Somina, breed grijnzend. ‘Mijn kudde en ik willen daarvoor ook iets terugkrijgen.’

Firman keek ontsteld. ‘Maar ik heb jullie niks te geven!’

De centaur reageerde niet, maar kwam nog verder naar voren, gevolgd door haar mannen. Ze vormden een halve kring om de man met de vleugels heen. De sfeer was dreigend geworden. Ik drukte mezelf strakker tegen de pilaar. Zonder mijn ogen van de anderen af te wenden, stak ik mijn hand in mijn pak en tastte in de wendingen van mijn slaapzak. Mijn vingers sloten zich om de kolf van mijn pistool. Ik hield mijn adem in.

 

Verderop uit de stad klonk een luide knal, gevolgd door gerommel. Toen dat eindelijk was weggestorven, bleef er een diepe stilte achter. Somina hield Firman vast bij zijn bovenarm en gebaarde met haar andere hand naar haar kudde. De mannen reageerden direct en renden als een enkel wezen van de open plek vandaan. Slechts één bleef er achter bij de centaur. Maar zijn ogen volgden de anderen en hij wiegde heen en weer op zijn dunne poten.

Dolmin liet ondertussen zijn schouders rollen. Natasja zei zacht iets tegen hem en hij bromde een onverstaanbaar antwoord. Ze leek niet gerustgesteld. De vrouw met de bom in haar buik wees in de richting van Firman. Dolmin knikte. ‘Ik zorg dat je niks tekort zult komen.’

Firman trok bij die woorden bleek weg en probeerde zich los te trekken. De greep van Somina was echter te sterk. Bij elke beweging die hij maakte, begon zij harder te knijpen. De gevleugelde man keek omlaag naar zijn hand, waarvan de vingers zichtbaar begonnen op te zwellen.

Ik bleef ondertussen waar ik was. Ik had nog niet gemerkt dat iemand mij miste en zo wilde ik het graag laten. Ik wilde echter ook niet vluchten, zelfs al zou ik daartoe op dit moment makkelijk in staat zijn geweest. Ik had destijds immers zelf ook het signaal opgevangen. Ik was uit eigen beweging naar deze plek gekomen. En dus moest ik weten hoe alles zou aflopen.

Somina’s ene achtergebleven man leek opeens op te schrikken. Zowel zijn meesteres als de metalen kolos bogen zich naar hem toe. Hij tikte met zijn vinger tegen de apparatuur op zijn voorhoofd. Zijn ogen glommen. ‘Het is dat groepsbewustzijn dat ons vanochtend verlaten had.’

Een blik van afkeer trok over het gezicht van de centaur. ‘Die weer! Wat is er met ze?’

‘Het heeft een schuilkelder gevonden van voor de ramptijd. Nog helemaal intact. Het heeft de deur ervan zojuist geopend.’ Hij fronste, alsof hij geconcentreerd ergens naar luisterde. Toen sprak hij verder. ‘De kudde rapporteert een lichte rottingslucht, maar verder is de inhoud niet aangetast.’

‘Zie je nou wel,’ riep Firman, terwijl hij opnieuw aan zijn arm trok. ‘Het signaal moet daar vandaan zijn gekomen. Dat is de schat die hier te vinden was! Ik had gelijk!’

‘Het groepsbewustzijn heeft er kennelijk ook wapens gevonden,’ rapporteerde de man van de centaur. ‘Er zijn al twee van de kudde gedood. Ze hebben hulp nodig, en snel!’

Nog voor hij was uitgesproken, had Somina de gevleugelde man losgelaten en het enorme energiegeweer van haar rug getild. Met het wapen in haar beide handen galoppeerde ze haar kudde achterna. Haar haren wapperden in de wind en haar hoeven wierpen wolken stof op, dat oranje gloeide in het licht van de dalende zon. De laatste man volgde haar, zonder nog naar ons om te kijken.

Dolmin had toen de centaur wegstoof, een stap achteruit gedaan. Nu keek hij haar na, zijn stalen gezicht uitdrukkingsloos. Natasja sprong op haar plek op en neer. ‘Waar wacht je op! Dadelijk pikt zij alles in.’

‘Je hebt gelijk,’ donderde haar beschermer. Hij strekte zijn arm naar haar uit. ‘Houd je goed aan me vast.’

De vrouw zette haar voet op zijn brede hand en zette zich af, zodat ze op zijn nek kwam te zitten. Hij wachtte niet, maar rende achter Somina aan. Zijn dreunende voetstappen bleven nog seconden nagalmen tussen de wolkenkrabbers.

Firman was achterover gevallen. Terwijl de man over zijn pijnlijke bovenarm wreef, vochten opluchting en hebzucht op zijn gezicht om de overhand. Hij achtte zichzelf kennelijk nog steeds in staat een deel van de buit te verkrijgen. Hij leek een beslissing te bereiken, want hij schudde zijn hoofd alsof hij iets van zich af wierp en duwde zich dan overeind. Hij sloeg zijn half doorschijnende vleugels uit. Zijn rug kromde, hij zette een voet naar voren, klaar om een aanloop te nemen.

‘Niet zo snel,’ klonk het opeens van achter hem. Een metalen klauw klapte dicht om zijn linker pols. Een krakend geluid volgde en Firman gilde. Zijn rechtervleugel werd vastgepakt door een tweede klauw. Zijn benen begaven het onder hem. Hij bleef schreeuwen, onsamen­hangende klanken. Hij schudde zijn bovenlichaam heen en weer, maar de greep van zijn belager was onverbiddelijk. De vierarmige man sloot zijn eigen twee handen nu om de keel van zijn prooi. Het gegil stopte. De ogen van Firman begonnen uit te puilen. Wanhopig probeerde hij met zijn overgebleven arm achter zich te graaien, maar hij kreeg niets te pakken. Ondertussen werd zijn gezicht steeds donkerder. Zijn aanvaller zette alleen maar meer kracht. De man glimlachte er zelfs bij en likte langs zijn lippen. Ik ving een glimp op van messcherpe punten. Firmans voeten trappelden nog. Ik trok me terug achter de pilaar en keek de andere kant uit. De worsteling duurde niet lang. Ik registreerde de doffe plof van een lichaam dat op de grond viel. Er volgde iets dat leek op het scheuren van vlees. Een luid, ongegeneerd slurpen. Bijtend zuur kwam in mijn slokdarm naar boven en ik voelde me even alsof ik in vrije val was.

Ik kwam echter snel weer tot mezelf. In een angstaanjagend ogenblik realiseerde ik me namelijk dat ik niets meer hoorde. Geen rukken of trekken, geen kauwen. Een bijna fysieke schok trok door mijn ledematen. Voorzichtig stak ik mijn hoofd opzij en keek naar de open plek. De man was al bijna bij mij. Zijn twee kunstmatige armen hield hij naar me uitgestoken, de klauwen wijd open. Toen hij mij zag, begon hij te rennen.

Ik deinsde naar achteren. Mijn hak raakte een brok asfalt en ik struikelde. Mijn achterhoofd bonsde op de grond. Het volgende moment bevond de vierarmige man zich boven op me, zijn lippen opgetrokken in een boosaardige grijns. Een van zijn ijzeren klauwen kwam naar beneden. Ik draaide instinctief mijn hoofd opzij en hij sloeg een gat in het asfalt. Ik haalde met links naar hem uit. Zijn tweede klauw veegde mijn hand uit de weg. ‘Nog een schat voor mij,’ zei hij tevreden, terwijl hij zijn handen naar mijn keel bracht. Zijn twee duimen duwden in mijn luchtpijp. Rode pijn zwol aan en werd al snel ondraaglijk.

Ik haalde de trekker van mijn pulspistool over. De energie brandde dwars door mijn tas heen en sneed zijn tweede rechterarm af bij de elleboog. De druk om mijn nek verdween. Ik maakte er echter nog geen gebruik van om in te ademen, maar trok mijn wapen nu helemaal tevoorschijn. De ogen van de man waren spleetjes geworden. Hij ontblootte zijn gepunte tanden en hapte vervolgens toe. Ik was echter sneller. Het pulspistool brandde een groot gat in zijn torso en een daarbij horende, nog grotere opening in zijn rug. Mijn belager viel op me neer. Dood.

Het gewicht op mijn borst maakte het nog moeilijker mijn longen met zuurstof te vullen. Wild duwde ik zijn tweede klauw opzij en trappend met mijn benen worstelde ik me onder zijn lichaam vandaan. Rode sappen drupten van mijn kleren en misselijkheid dreigde me te overmeesteren. Mijn maag bevatte echter niets om uit te spugen. Hijgend duwde ik mezelf overeind. Ik wreef over mijn keel. Die voelde beurs aan, maar waarschijnlijk was er geen blijvende schade. Wankelend alsof er zware emmers gruis aan mijn schouders hingen, liep ik de open plek op. Vlak naast de uit elkaar getrokken over­blijfselen van de gevleugelde man ging ik zitten, mijn ellebogen op mijn knieën. Ik liet mijn hoofd op mijn handen rusten en wachtte.

 

Er was een tweede explosie. Deze was nog veel luider dan de eerste. Zo luid zelfs dat ik naar mijn oren greep, ook al had ik op de ontploffing gerekend. Ik keek op en zag achter de lege skeletten van de gebouwen een vuurrood schijnsel. Direct daarna spoelde een schroeiend hete wind om me heen en blies zand en roestdeeltjes in mijn ogen. De bries ging echter net zo snel weer liggen als hij was komen opzetten. Een zwarte rookkolom rees op in de open hemel, tot hij zich ver boven me openvouwde als een angstaanjagende paraplu. Het geraas van instortende gebouwen weerklonk en er was nog meer stof. Ik moest ervan kuchen.

Nadat ook de laatste echo was gaan liggen, duwde ik mezelf overeind. Ik keek om me heen, terwijl ik zo veel mogelijk de pulp van vuil en bloed van me af probeerde te vegen. Heel schoon werd ik helaas niet meer. Ik haalde mijn schouders er over op en zette mijn handen aan mijn mond. ‘Het is voorbij,’ riep ik uit volle borst. ‘Je kunt tevoorschijn komen!’

Ik hoefde niet lang te wachten. In de deuropening van een van de wolkenkrabbers verscheen een vrouw van middelbare leeftijd. Ze droeg een wollen poncho, die bijna tot op de grond hing, en haar ogen gingen schuil in de schaduw van een strooien hoed. Haar handen waren leeg. Ik tilde de mijne op. Mijn pistool lag waar ik het had achtergelaten, onder het lichaam van de vierarmige man. Tevredengesteld kwam ze dichterbij. Ze hield haar hoofd schuin, terwijl ze me onderzoekend aankeek. ‘Wat kom je hier doen?’

‘Ik hoorde uw oproep,’ antwoordde ik rustig, ‘waarin u vroeg om iemand die samen met u de tuin wilde bewerken.’

‘Jouw reisgenoten’- ze knikte in de richting van de nog steeds groeiende paddenstoelwolk- ‘waren het erover eens dat op deze plek niets van waarde meer te vinden was.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘We trokken dan wel samen op, maar we waren niet op dezelfde reis. En ze hebben eenvoudigweg niet aandachtig genoeg gekeken.’ Ik draaide me om en liet me door mijn hurken zakken. Ik wees naar de plukken gras, half verdord, aan mijn voeten. ‘Dit is de tuin. Waar ik ook zocht, nergens heb ik de laatste jaren nog levend gras gezien. Of mos. Behalve hier. En zelfs een oorwurm!’ Het insect verdween tussen de sprieten. Ik keek over mijn schouder naar de vrouw omhoog. ‘Elk type gras staat bij zijn eigen soort, en op elke pilaar groeit een andere mos-variant, zorgvuldig vochtig gehouden. Als dat geen tuin is, weet ik het ook niet.’

Ze duwde haar hoed naar achteren en krabde in haar grijze haar. ‘Je bent in al die jaren de eerste die het heeft opgemerkt. Ik had de hoop nog iemand te zullen vinden eigenlijk al verloren.’ Haar gezicht betrok. ‘Maar ik moet je waarschuwen. Het is geen makkelijk bestaan. Vooral niet nu een van mijn voorraadkelders is vernietigd.’

Ik kwam overeind. Van onder mijn riem pakte ik mijn laatste overgebleven noodrantsoen. ‘Laten we onze middelen delen en dan kijken hoe ver we komen.’

‘Goed dan.’ De vrouw glimlachte. ‘Welkom in het paradijs.’

Share Buttons

Categories