De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Pake Pollok – Joost Uitdehaag

Pake Pollok – Joost Uitdehaag

 

Het moment dat mijn leven uiteenspatte kwam op een vrijdag­middag in café Hooghoudt. Koffie met slagroom en likeur was een luxe waar Robin en ik de hele week naar uitkeken; speciaal voor dit uitje hadden we ons bij het raam genesteld, zodat we de herfstbladeren konden zien die over de Grote Markt joegen. De andere gasten in het kleine café keken heimelijk naar ons en glimlachten dan, want we waren net een meet-cute uit een romantische komedie: ik de intellectuele student met een tweed jasje uit de Kringloopwinkel, Robin de briljante journaliste met een witte baret, nog van haar oma.

‘Hoe ging je gesprek met human resources?’ vroeg ik.

Water glinsterde in haar ogen. Ze tikte het weg met de punt van haar perfecte nagels, maar ik had het al gezien. Ik schrok ervan. Robin liet zich niet snel gaan.

‘Een gesprek met een chatbot,’ zei ze.

‘Wat had het ding te zeggen?’

‘Het bedrijf was heel tevreden over mijn werk.’ Ze tikte haar vingers af aan haar servet. Haar traan vormde een donkere vlek. Straks zou ik de servet in bezit nemen en koesteren in mijn binnenzak. Robins droom was om een opinieleidster te zijn, een ouderwets onaf­hankelijke vlogger met miljoenen volgers. Maar zo begon je niet. Om een salaris te verdienen had ze zich suf genetwerkt om na haar afstuderen stukjes te mogen schrijven voor het regionale sufferdje.

‘Waarom dan die traan?’

‘Ik moest toch die nieuwe service van Axis inwerken?’ zei ze. ‘Nou die werkt nu. Hij harkt autonoom alle berichten uit de regio bij elkaar, en spuwt in een uur een krant uit. Echt ongelooflijk.’

‘Die teksten kunnen zich vast niet meten met een stuk van jou,’ zei ik.

Ze glimlachte zuur. ‘Niet iedereen leest zoals jij.’

Ik wachtte geduldig.

‘Ze gaan mijn contract niet verlengen,’ zei ze.

Het café veranderde in een donker, zwart hol. We waren zo blij geweest met haar baan, de eerste stap naar een mooie toekomst. Haar contract was het weerwoord geweest voor iedereen die ons verweet dat onze studies journalistiek voorsorteerden op armoede. We hadden gekozen met ons hart, niet vanuit een angst. We waren moedig geweest en het had zich uitbetaald want we zouden onze dromen realiseren. Het gevoel van triomf had zes maanden geduurd.

‘En nu?’

Robin haalde haar schouders op.

‘Voor jezelf beginnen?’ vroeg ik. ‘Als freelancer?’

Ze kon er niet om lachen. ‘Ken je iemand die dat lukt?’

Ik schudde mijn hoofd. De tijd van freelance bloggers, van online winkeltjes, van vrolijke internetanarchie was allang voorbij. Dat soort mensen verscheen gewoon niet meer in de zoekresultaten, als ze al langs de uploadfilters kwamen. De epidemie had de internet­giganten definitief aan de macht gebracht.

Robin moest zich nog slapper voelen als dat horloge op dat schilderij van Dali. Ik wilde haar vastpakken en knuffelen, al had aanraken in het openbaar tegenwoordig iets onfatsoenlijks, alsof je spuugde op het trottoir.

‘Misschien dat mijn ouders ons wat willen lenen,’ mompelde ik. ‘Totdat je weer iets gevonden hebt.’

Ze legde haar servet neer. ‘Maar waarvoor, Nic, waarvoor?’

‘Tot er weer een kans komt.’

Ze sloeg met haar hand op het servet. ‘Ik ben vijfentwintig, in godsnaam. Later is al begonnen! Ik wil niet meer thuiskomen in een kamer die naar frituur stinkt.’

Ik wist niet meer goed wat te zeggen. We hadden deze discussie al zo vaak gehad. Oké, het leven op een studentenafdeling was minder, maar het was eindig. We zouden op onszelf gaan wonen.

Ze knikte. ‘De chatbot vroeg me of ik geen nulurencontract wilde bij Axis.’

‘Dat heb je toch zeker niet …’

‘Ik heb getekend.’

Ik onderdrukte een vloek. Ze had me laten zweren dat als ze ooit zoiets dreigde te doen, ik haar ten koste van alles moest weerhouden. ‘Je had …’

‘Ik weet wat ik gezegd heb,’ zei ze. ‘Praat er maar niet over.’

‘Voor hoe lang?’ vroeg ik.

‘Tien jaar exclusief,’ zei ze. ‘Van de tekenpremie kan ik een auto kopen.’

‘Het is fout,’ mompelde ik.

‘Je moet het begrijpen.’ Ze reikte naar me.

Ik viel stil en keek naar buiten. Dit contract ratelde mijn leven omver als een rij omvallende dominostenen. De premie was goed geld, maar een val. Uiteindelijk verdiende je bij Axis te weinig om zelfstandig te wonen, behalve op de meest ranzige studentenkamer. Dus Robin ging verhuizen. Dus we gingen voorlopig niet samenwonen. Dus we gingen elkaar minder zien. Wat voor toekomst hadden we?

‘En nu?’

‘Papa komt me straks halen. Gelukkig mag ik weer naar huis komen.’

‘Ik wil wel helpen met verhuizen,’ zei ik.

Ze legde haar hand op tafel, raakte mijn vingers even aan. ‘Dat hoeft niet, Nic.’

 

Ik nam afscheid voordat het een gesprek vol verwijten zou worden; ik wilde dat mijn liefde voor haar puur bleef, ongeschonden. Ik liep de Grote Markt op. Op het plein stonden nu dag en nacht betogers, bijna schattig in hun vertrouwen dat de gemeente alles goed zou maken. Waarom was iedereen zo naïef? De gemeente kende de wurg­contracten van Axis net zo goed als ik. Elk jaar beloofden ze beterschap, elk jaar werd het slechter. Ondertussen presenteerden ze trots de zoveelste uitbreiding van de grote trans-Atlantische internet­kabel in de Eemshaven en het enorme datacentrum dat Axis bouwde. Ondertussen ontvingen ze glunderend met hun dikke koppen de directeuren van Axis, die het geld hadden om te vliegen, als goden van de Olympus. Ondertussen stonden ze toe dat Robin de hele dag op haar oude tienerkamer teksten zou schrijven en redigeren, met geen ander doel dan de software van Axis te trainen. En na tien jaar, of eerder als ze er onderuit kwamen, zou Axis Robin vervangen door een bot, alsof ze een wegwerpproduct was. Het was vreselijk om te denken dat ze zelf ook wel wist dat ze haar hoop op een toekomst had weggetekend.

Ik liep de Herestraat in, langs de dichtgetimmerde winkels. De respec­tabele modehuizen, boekhandels, meubelhandels, waren geleidelijk verdwenen. Nu was de stad nog maar een schaduw van de kleurige plek uit mijn kindertijd, vol etensgeuren en winkelende mensen in dure kleren. De grote online corporaties, de vijf A’s – Alphabet, Ali, Apple, Amazon, Axis – hadden als een sprinkhanen­zwerm alles opgegeten. De winkels weggeconcurreerd en de banen weg geautomatiseerd. Het was moeilijk om je voor te stellen dat er ooit duizenden mensen naar de vervallen kantoren van DUO en KPN waren gereisd om achter een toetsenbord dingen te doen die bots nu deden. Op de faculteit stelde men de vraag waar mensen dan wél goed in waren. Alleen al van dat feit, kreeg ik rillingen.

De McDonald’s was als een van de laatste restaurants nog open, al hing daar nu ook kippengaas voor de ruiten. Ik liep erlangs, ik had geen geld voor hamburgers. Mijn blik viel op de graffiti naast het pand. Twee ineengeschoven P’s waren daar gespoten, de één rechtop, de ander omgedraaid, ineengevlochten als een oude rune met twee bolle armen. Tegen een achtergrond van vale, half weggepoetste, eerdere versies, daagde dit exemplaar uit met zijn felle kleuren. Eén P in bloedrood, de andere in diepzwart. De kleuren van de duivel. PP stond voor Pake Pollok, wist ik, de zoveelste protestbeweging. Alleen was deze radicaler, compromislozer, angstaanjagender.

Naast het symbool stond een groepje jongeren te verkleumen. Niet iedereen had de luxe van een ouderlijk huis als vluchtoord. Een kleine jonge vrouw met rood haar droeg een rode, schuine streep over haar ogen. Make-up om gezichtsdetectie te vermijden was de nieuwste rage. Een lange, magere jongen droeg een oud Occupy masker dat met ducttape gerepareerd was. In hun kleding met grote gaten, laag over laag, leken ze op zombies die wachtten op niets.

Ze staarden naar me terwijl ik met afkeuring naar de rune met de P’s keek. ‘Conformist,’ fluisterde de jongen met het masker. Ik wilde weggaan, want ik wilde geen gedoe, maar hield me in. Misschien was dit precies waarom ik Robin nu kwijt dreigde te raken.

‘Wat doe jij dan?’ vroeg ik. ‘Een beetje staan? Dat helpt.’

‘Wij houden hier de wacht, man,’ zei de jongen. Hij kwam niet eens agressief over, eerder verbaasd dat ik hem serieus nam. Met zijn handen maakte hij de twee P’s. ‘Pake Pollok rules,’ zei hij.

Het verbaasde me dat ze de naam zo openlijk durfden te noemen. Je kreeg wel om minder een aantekening bij de gemeente tegenwoordig. Ik keek achterom; de straat was leeg.

‘Waar ben je bang voor, loser?’ vroeg hij.

Loser. Dat had hij goed gezien. ‘Ik geloof niet in anarchie,’ zei ik.

Hij stapte op me af. Ik bleef staan. Als hij mij iets wilde aandoen, dan had hij ruimschoots de kans. Maar ik vertrouwde hem omdat hij een oprecht gesprek met me voerde, omdat hij een Gronings accent had. Hij boog voorover en bracht zijn mond naar mijn oor. ‘Kom vanavond naar Vera, man, en laat je overtuigen.’

‘Wat is daar?’

‘Wachtwoord suffragette, als het je interesseert,’ zei hij. Hij stapte weer terug, mij verder negerend.

Ik liep door. Loser. Ik voelde me niet eens beledigd, eerder blij dat iemand me serieus nam in mijn ellende.

 

Het oude poppodium Vera was al jaren gesloten. Rondreizende bands werden gewantrouwd, als haarden voor virussen en radicale ideeën. Eigenlijk alles wat niet gecontroleerd kon worden. Tegen de dicht­getimmerde voordeur leunde een jongen. Ik vroeg hem of hier suffragettes optraden. Met de hak van zijn voet duwde hij de deur op een kier, zonder me aan te kijken. Ik kroop onder de planken door en kwam in de hal, nog beplakt met posters uit de tijd dat hier elk weekend bands speelden. De muffe geur sloeg op mijn adem terwijl ik afdaalde naar de grote zaal. Groepjes stonden los van elkaar hun eigen ding te doen. Zwervers, neopunks, voedselbankgangers. Verliezers, net als ik.

Blijkbaar was ik precies op tijd want er flikkerde licht. Twee projec­toren op het podium sloegen aan. Een vrouw van kippengaas liep door het licht van schijnwerpers, althans zo leek het, want in werkelijkheid werd voor mijn neus een hologram opgebouwd. Die dingen waren weer helemaal in, en ik begreep gelijk weer waarom. Bij het zien van het beeld rechtte ik mijn rug. Ook de andere aanwezigen draaiden zich allemaal met hun blik naar het podium. De vrouw leek gewoon hier in de zaal te staan, in een negentiende-eeuwse jurk met hoge kraag, haar hand op haar heup, het haar opgestoken. Een chique anarchiste. Ze keek iedereen één voor één aan. Onder het gewicht van haar blik stapte ik achteruit.

‘Jongelui. Jullie vaders en moeders gaven hun kennis gratis aan het web en lieten jullie achter met dichtgespijkerde winkels. Jullie groot­ouders verpestten de atmosfeer, en lieten jullie achter met hitte­golven en virussen.’ Ze liet een stilte vallen en keek de zaal rond. Daarna hief ze haar gehandschoende dameshand en balde hem tot een vuist. ‘En wat doen jullie? Wanneer eisen jullie je recht op een eerlijk bestaan?’ Er verscheen een ruit in beeld, met een grote A erop. Ze pakte een parasol en sloeg hem stuk. Het glas rinkelde rond haar voeten. ‘Het beste argument is dat van gebroken vensterglas!’

Een rilling liep over mijn rug. Ze was een hologram, bezwoer ik mezelf, maar ook een persoon. Iemand die dit echt had gezegd ooit, want dat vensterglas was een citaat. Alleen van wie? Ze was allang dood, maar tegelijkertijd stond ze hier voor me, omdat haar strijd nog steeds relevant was, omdat haar energie een voorbeeld voor ons was. Het schoot door mijn hoofd. Emmeline Pankhurst, de suffragette. Natuurlijk.

Emmeline wenkte. ‘Jullie willen leven als gewone, waardige mensen. Welnu. Ik zal jullie een vensterglas wijzen! Hou je telefoons gereed, maak een opname.’ Mijn medetoeschouwers strekten hun armen uit en richtten hun telefoons. Aan de punt van haar parasol verschenen rode letters, draaiend om een as. Een adres. Ik zocht snel mijn toestel, stoeide met de knoppen om nog net op tijd om een snelle foto te nemen. Het was een link. En een klok, die aftikte. Er stonden nog twaalf uur op de teller.

De projectoren doofden uit en op het podium bleef een leegte achter. De aanwezigen slenterden één voor één naar de uitgang, zonder elkaar aan te kijken. Ik was hier voor mijn gevoel nog niet klaar en liep naar een jonge vrouw die de projectoren inpakte. Rood haar had ze. Ik herkende haar van buiten bij de McDonald’s.

‘Wat vond je ervan?’ vroeg ze.

‘Emmeline had me te pakken.’

‘Wat goed dat je haar herkend hebt,’ ze glimlachte haar zwarte tanden bloot. Slechte gebitten waren weer helemaal terug, sinds de tandarts onbetaalbaar was.

‘Ik studeer geschiedenis,’ zei ik. ‘Dan weet je zoiets.’

‘Hmm. Zeldzame studie.’

‘Wat betekent die link?’

‘Denk liever eens na over wat ze zei.’

 

Ik keerde terug naar mijn studentenhuis, waar mijn schoenen vast­plakten aan het gemorste bier op de vloer, waardoor ik het vooruit­zicht van samenwonen met Robin nog meer miste. Ik probeerde haar kamer, maar ze was er niet. Op mijn bed zocht ik de link op. Ik typte het adres in en mijn scherm werd zwart: er verscheen een naam van een schoonmaakbedrijf, in gouden letters. Ik herkende het van het nieuws; het was de hoofdleverancier van Axis en sinds kort bood het werknemers eten en een slaapplek aan, in plaats van loon. Het deed me denken aan de omstandigheden waaronder de Friese landarbeiders uit mijn scriptie moesten leven. Een pop-up vroeg me of ik opties wilde kopen. Ik aarzelde om af te sluiten. Was het oplichting, of een tip van Emmeline? Ik waagde honderd gulden waarvan ik Robin mee uit eten had willen nemen, om de verlenging van haar contract te vieren. Het deed me goed om dat geld te vergokken. Ik sloot af en ging slapen.

Toen ik wakker werd, kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ik zocht op mijn telefoon en vond nieuws over het bedrijf. Blijkbaar had Axis vannacht een verrassend overnamebod gedaan waardoor de opties waren verdubbeld in waarde. Snel probeerde ik ze te verkopen. Van de zenuwen gleden mijn vingers gleden van de toetsen. Er verscheen daadwerkelijk tweehonderd gulden op mijn rekening; ik kon mijn geluk niet op, al was ik dood­nerveus om betrapt te worden.

Rond de middag kwam er nieuws dat Axis aangifte had gedaan vanwege handel met voorkennis. Werknemers werden gearresteerd. Een vrouw met een vlecht liet een printje zien met de verstrengelde P’s, voordat ze werd afgevoerd in een geblindeerde politieauto. Ik kon niet anders dan sympathie met haar voelen. Een boze politie­commissaris kondigde een onderzoek aan. Ik vroeg me af of ik gepakt kon worden. Of ze mij nu konden verbinden aan Pake Pollok.

 

Naast geld, gaf mijn ontmoeting met Emmeline me nieuwe energie voor mijn scriptie. Het bewees dat geschiedenis wel degelijk relevant was, dat mijn studie de moeite waard was, dat het mensen vandaag de dag kon inspireren. Ik bracht steeds meer dagen in de universiteits­bibliotheek door, waar ik oude proefschriften ontdekte, en zelfs verslagen en foto’s van bijeenkomsten waar hij had gesproken. Ik typte ze over, interpreteerde ze, schreef de parallellen met nu over. Het was een verslaving, moet ik zeggen, om een perfect beeld van mijn onderwerp te krijgen. Hij fascineerde, kroop onder je huid, deze Groningse held.

Er bewoog iets in mijn ooghoek en ik keek op. Een jonge vrouw stond aan tafel. Ze droeg witte anti-gezichtsherkenningsmake-up, met rode lijnen rond haar ogen. Het gaf haar iets triests, zoals een pierrot. Ze vroeg of ik het exemplaar van Kapitaal in de 21e eeuw van Piketty nog nodig had. Ik gaf het aan haar en ze glimlachte. Toen pas herkende ik haar: het meisje met het rode haar uit Vera.

‘Hallo,’ zei ik. ‘Studeer je ook?’

‘Ik heb daar het geld niet voor. Ik kom hier alleen om te lezen.’

‘Dat kan toch gewoon vanuit huis?’

Ze glimlachte. ‘Jij zit hier toch ook?’

‘Dat is alleen maar omdat mijn onderwerp niet zo bekend is.’

Ze lachte cynisch. ‘Er is steeds meer onbekend. Vorig jaar had het lemma van Karl Marx nog tien pagina’s. Als je hem nu opzoekt, krijg je als eerste die nieuwe Marvelheld die naar hem genoemd is. Zelfs de grote Marx wordt vergeten.’

‘Ik geloof niet in zulke complotten.’

Ze lachte weer, dit keer hield ze haar hand voor haar mond, als om haar tanden af te dekken. ‘Het is gewoon kapitalistische evolutie. De A’s huren hele afdelingen met lemmaschrijvers in om hun creaties te promoten. Dan worden de andere lemma’s vanzelf onvindbaar. En dan zeggen de beheerders: niemand klikt op die rare oude dingen, laten we ze verwijderen.’ Ze zuchtte. ‘Zo wordt de geschiedenis uitgewist.’

Ik haalde mijn schouders op. Het leek me allemaal nogal vergezocht.

Ze wees naar mijn scherm. ‘Is dat je onderwerp?’

Ik knikte en las mijn titel op. ‘Ferdinand Domela Nieuwenhuis. 1846-1919, de held van de Groningse en Friese landarbeiders.’

‘Mijn afstudeerscriptie,’ zei ik. ‘Hij was één van de belangrijkste Nederlandse anarchisten. De Friese boeren zagen de Messias in hem. Hij moet een geweldig spreker zijn geweest.’

‘Waarom heb je hem gekozen?’

Ik vond dat een lastige vraag. ‘Hij voelt speciaal. Ik denk omdat hij christendom en socialisme samenbrengt, de twee grote bewegingen van naastenliefde.’

‘Klinkt interessant,’ zei ze. ‘Iets voor mijn verzameling.’ Ze pakte mijn pen en schreef een adres op mijn kladblok, waarna ze het onder een vouw verborg. ‘Kom vanavond eens langs. Laat je telefoon thuis. Ik heet Christine.’

Ze keek me aan, met een flauw glimlachje. Seks met haar, was het eerste dat door me heen schoot. Ik bloosde. Ik miste Robin nu al. Ze raadde mijn gedachten meteen.

‘Puur platonisch,’ zei ze, wat me geruststelde, en een heel klein beetje teleurstelde.

 

Het adres was bij een sluis in het oosten van de stad, drie hoog, op de rand van de Oosterparkwijk. Ik belde aan en Christine opende de deur van de traphal. Nadat ze had vastgesteld dat er niemand op straat meekeek, liet ze me binnen. Ik liep achter haar aan, de trap op, op mijn hoede.

Haar appartement was een chaos. Overal lagen opengeschroefde laptops, routers, kabels. Achter haar bankstel stonden een paar schotels. Ze gaf me een kop thee en zette hem naast een stapel gekoppelde disk drives.

‘Wat doe je voor werk?’ vroeg ik.

‘Technische dingen,’ zei ze. ‘Reparaties en zo.’

Ik keek haar aarzelend aan, en ze vertelde gelijk door.

‘Ik had ooit een foodtruck,’ zei ze. ‘Samen met mijn vriendje. Elk latje, elk laatje hadden we er zelf op gelijmd. Daarmee bezochten we festivals, toen het weer kon na de eerste epidemie. Maar het is nooit rendabel geworden met al die hygiënemaatregelen en pandemie­verzekeringen, niet zoals vroeger. En toen werden festivals helemaal verboden. We moesten de truck verkopen om de huur te betalen. We kregen er ruzie om met zijn familie, want daar hadden we geld van geleend. Om het te sussen heb ik alles terugbetaald. Dus, toen had ik schuld en geen bus. Daarna liep mijn vriend weg. Nu zit hij bij een ander en weigert zijn deel te betalen.’

‘Waarom ga je niet bij één van de A’s werken?’

Ze glimlachte. ‘En me voor tien jaar laten ketenen? Ik wil een rebel zijn, geen slaaf.’

Mijn hart sloeg sneller. Dit keer herkende ik het citaat meteen. ‘Emmeline Pankhurst,’ zei ik.

Ze knikte tevreden. ‘Heel goed.’

‘Ben jij Pake Pollok?’ vroeg ik. Onwillekeurig keek ik naar de deur van de kamer, bang dat ik ergens ingeluisd was.

Christine barstte in lachen uit. Het bracht haar gebit vol in het zicht. Ze zette snel haar thee weg, om te voorkomen dat ze zichzelf brandde. ‘Als dat een serieuze vraag is, ben jij een heel naïef jongetje.’

Ze nam haar laptop op schoot. ‘Ik kan je wel wat laten zien.’ Ze klikte en een bekend programma om hologrammen te maken, opende. Daar verscheen ze, in dezelfde Victoriaanse jurk, met haar vuisten op haar heup.

‘Heb jij haar gemaakt?’

Ze knikte. ‘Ik heb haar herschapen, zoals dat heet. Opnieuw in herinnering gebracht. Pake bracht me in contact met een kraakster in Londen die alles over haar weet. Zij leverde de data aan, ik de techniek. Pake gebruikt deze cast nu over de hele wereld.’

Zo van dichtbij was het beeld nog beter dan in de zaal. Elke parel op haar kraag elke haarlok leek echt.

‘Echt gaaf,’ was het enige dat ik kon zeggen.

Christine liet me meer projecties zien. Che Guevara. Dolores Gómez, ook wel bekend als la Pasionaria uit de Spaanse burgeroorlog. Helden die van het internet waren verdwenen, bijna vergeten waren. Er zat ongelooflijk veel liefde en aandacht in die creaties. Ze konden wed­ijveren met de professionele casts van Marvel.

‘Waarom lachte je daarnet?’ vroeg ik.

‘Omdat je het nog niet uitgevogeld hebt.’’

‘Wat?’

‘Pake is geen persoon. Hij bestaat alleen maar uit regels code op het donkere web. Als een digitale facilitator van het anarchisme, draait hij op servers bij mensen thuis, op gehackte netwerken. Van daaruit groeit hij, gevoed door zijn aanhangers. Hij is een bot.’

‘En wat is zijn doel?’

‘De Revolutie natuurlijk.’ Het kwam er vloeiend uit, alsof het iets doodgewoons was.

Ik dronk een slok thee, maar reageerde niet. Al dat vernietigen maakte me bang. Wat zou er voor in de plaats komen? Bovendien was ik niet heel enthousiast om mijn afstudeerproject in een illegaal netwerk te laden. Zulke dingen kwamen altijd uit, en als eenmaal de naam Pake Pollok aan je kleefde, was je voor altijd besmet.

‘Waarom noemt iedereen hem zo?’ vroeg ik. ‘Het is een rare naam, toch?’

Ze glimlachte. ‘Echt zoiets wat een bot bedenkt.’

‘Ik wil het niet,’ zei ik.

We kletsten nog wat, over politiek en technologie. Toen ik vertrok, begeleidde Christine me naar de voordeur.

‘Draag eens iets bij,’ zei ze, terwijl ze de deur sloot. ‘Misschien verandert er dan wat.’

 

Ik liep de trap omlaag, terug naar het centrum. Onderweg belde Robin om te vragen hoe het met me ging. Haar vader had haar vandaag opge­haald. Ik vertelde over mijn studie. Het was goed om haar stem te horen.

‘Hoe is het om weer thuis te wonen?’ vroeg ik.

‘De wc is schoon in ieder geval,’ zei ze.

‘Je klinkt moe.’

‘Gisteren uit geweest met wat middelbare schoolvrienden. Teveel gedronken, ben ik bang.’

Ik had haar nog nooit dronken gezien. ‘Luister Robin,’ zei ik. ‘Ik heb een mazzeltje gehad. Zullen we samen een keer uit eten gaan?’

Ze aarzelde even. ‘Je hebt geld geleend.’

‘Nee.’

‘Als je eerlijk zegt waar het vandaan komt, dan ga ik mee.’

‘Ik heb het niet geleend.’

‘Je moet niet tegen me liegen, Nic. We weten toch allebei dat je geen geld hebt?’

Ze klonk zo koud, dat ik meteen ophing.

 

In de weken erna rondde ik mijn scriptie af. Niet dat ik klaar was met het onderwerp, maar omdat het moest, want ik had mijn officiële studietijd opgebruikt en het commerciële studietarief was niet te betalen. Dankzij mijn fanatieke werk de laatste tijd, was mijn verslag een lijvig stuk geworden, vol citaten en foto’s van bijeenkomsten. Een compleet beeld van hoe de man de uitgebuite landarbeiders had geïnspireerd, hen een politieke stem had gegeven, uiteindelijk een anarchist was geworden.

Ik laadde het document in bij de universiteit, maar na tien minuten naar een draaiend cirkeltje gestaard te hebben, kreeg ik een bericht dat het mislukt was. Ik probeerde het nog een keer, maar opnieuw weigerde het laden. Het zweet brak me uit. De deadline was vandaag. Het uploaden had me een trivialiteit geleken.

Ik vinkte aan dat ik hem hard copy wilde inleveren – een mogelijkheid die gelukkig nog door een handvol mediëvisten in stand werd gehouden. Daarna fietste ik als een dolle door de stad. Uiteindelijk vond ik een shop in het vervallen winkelcentrum Paddepoel, gerund door een daklozencollectief, waar ik twee exemplaren liet afdrukken. Ik haastte me naar het universiteitskantoor, en legde mijn verslag in de voorgeschreven antimicrobiële plastic zak op de balie. De dame erachter keek me fronsend aan.

‘Geschiedenis, zei ze. ‘Dat hoor je niet veel meer.’

‘Enig idee waarom hij niet wilde opladen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Het kan zoveel zijn. Tegenwoordig zijn we ook gehouden aan de eisen van de A’s.’

Ze trok handschoenen aan en haalde daarna mijn verslag uit de verpakking. Ze tikte mijn naam en mijn studentnummer in een systeem, daarna ingeleverd.

 

Drie dagen later werd ik gebeld, keurig binnen de nakijktermijn. Dat was in ieder geval wel sneller dan met menselijke docenten. De stem klonk net iets te aangenaam, als zo’n ouderwetse omroepster van de fileberichten. Het bevestigde dat ik door een bot gebeld werd.

‘Hoi Nic,’ zei ze. ‘Ik hoop dat alles goed met je gaat. Heb je even om te bellen over het verslag dat je hebt ingeleverd?’

‘Zeker. Heeft u een cijfer?’ Bots waren uitermate gevoelig voor beleefdheden, dat wist iedereen, al stelden ze nooit je cijfer bij omdat ze je mochten. Daarnaast waren ze gevoelig voor precieze formu­leringen. Gelukkig kon ik goed overweg met bots.

‘Ik heb je verslag gelezen en beoordeeld. Het ziet er prima uit. Het plagiaatpercentage is uitzonderlijk laag en de spelling zeer correct. Ik heb helaas een punt van zorg. Ik heb 80 % van de aangehaalde litera­tuur uit de voetnoten niet kunnen vinden in de weten­schappe­lijke literatuur.’

‘Alles is in de universiteitsbibliotheek te vinden.’

‘De digitale?’

‘Het papieren archief.’

‘Gelieve alleen referenties te gebruiken die ook in de digitale biblio­theek of op het internet te vinden zijn. Alleen dan kan ik het nazoeken.’

‘U kunt de bibliothecaris vragen om het materiaal in te scannen.’

‘Die service is per 1 januari afgeschaft. Er werd teveel mee gefraudeerd. Het spijt me, maar ik kan niet controleren of het onder­werp van uw scriptie echt bestaan heeft.’

‘Iedereen wéét toch dat Ferdinand Domela Nieuwenhuis echt bestaan heeft?’

‘Dat is een onwetenschappelijk argument.’

‘Wat is hij dan? Een Marvelkarakter?’

‘Ik ontken zijn bestaan niet. Ik kan het alleen niet controleren. In de wetenschap is controle van de bronnen belangrijk.’

‘Moet ik dan wachten tot de hele…’

Met bots kon je niet argumenteren. Ze excelleerden in logica. Het lijkt wel Kafka, dacht ik. Maar ik zei het niet. Kafka naar een bot werpen, was een grote belediging.

‘Dit verslag is helaas onvoldoende om af te studeren. Het spijt me, Nic. Ik kan je aanraden om te zorgen dat je referentie digitaal gevali­deerd kunnen worden. Of een ander onderwerp te kiezen.’

‘Krijg ik daarvoor uitstel dan?’ probeerde ik.

‘Dat kan ik niet toestaan onder artikel 4.3.72 van de studie­overeenkomst.’

Ik sloot af. Digitaal valideren? Een ander onderwerp? Het zou me weer een half jaar kosten. Als ik door moest voor het commerciële tarief was dat een ramp. Dat konden ik of mijn ouders zeker niet betalen.

 

Die avond stond Christine voor mijn deur. Ik wilde haar eigenlijk wegsturen, omdat ik baalde van mijn cijfer en geen zin had in gezelschap, maar ze keek zo schichtig om zich heen, dat ik haar toch binnenliet.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘De politie is mijn huis binnengevallen.’ Ze praatte snel. ‘Ze hebben al mijn apparatuur meegenomen.’

‘En jij?’

‘Ze zoeken me.’ Ze keek me aan, lachte, maakte haar ogen groot. ‘Mag ik een nachtje bij jou slapen?’

Ik gaf toe. Christine gaf me een omhelzing. Haar aanraking deed me enorm goed, al voelde ik me schuldig tegenover Robin. Ik gaf haar een stoel en een kop thee terwijl ik me afvroeg hoe ik haar zou moeten verbergen. ‘Hoe zijn ze erachter gekomen?’

‘Geen idee. Er is altijd wel iemand die twintig gulden wil verdienen.’ Haar ogen trokken naar het exemplaar van mijn scriptie, alsof de inval haar al verveelde. Ik vertelde het verhaal van mijn cijfer.

‘Rotzakken,’ zei ze.

‘Hoe kunnen ze nu beweren dat hij niet bestaan heeft!’

‘Dat heb je met bots, die erkennen alleen wat erin gestopt is. Jouw held valt van het randje af. Als de Groningse bibliotheek zijn fysieke boeken wegdoet, is hij voorgoed verloren.’

‘Dat lijkt me eeuwig zonde.’

Ze grijnsde. ‘Dan laten we hem leven.’

Ik keek haar aan. Ze wenkte. Ik gaf mijn laptop aan haar.

Christine haalde haar softwaretools terug uit de krochten van het internet en we besteedden de rest van de dag aan het inladen van mijn collectie foto’s van hem, van zoveel mogelijk gezichtspunten. We vulden details in. Zijn oogkleur, het krullen van zijn baard, de knopen op zijn vest, maar vooral zijn felle, bezeten ogen. De eerste keer dat hij me aankeek, voelde ik het in mijn tenen. De dagen erna werkten we aan zijn spraak. Ik las oude toespraken voor, op de manier waarop ooggetuigen vertelden dat hij had geklonken. Na een week, waarin we leefden op chips en water en de deur niet uitgingen, slopen we naar het podium in Vera, waar Christine de projectoren opstelde. Het licht flikkerde en hij verscheen. Een reus in zwarte kleren met woeste, donkere haren.

Hij keek me aan, ik rilde.

‘Het geeft niet dat ik verslijt, word geslagen of word besmeurd,’ zei hij met een allesdoordringende, donkere basstem, ‘Als ik maar van nút ben.’

Ik had kippenvel. Hij boezemde angst in en vertrouwen gelijk. Geen wonder dat de arbeiders hadden geloofd dat hij hen zou bevrijden. Ik stak mijn hand uit. Hij gaf de zijne, onze vingers raakten bijna.

‘Wauw,’ riep Christine achter me. ‘Dit kan Pake wel waarderen.’

‘Laten we hem uploaden.’

Ze schakelde de projector uit. ‘ We moeten voorzichtig zijn,’ zei ze.

Buiten verschenen de kleuren van een zwaailicht. Er werd op de buitenbel gedrukt. Mij hart begon te bonzen. Christine haastte zich om de projector in de koffer te doen.

‘Snel,’ zei ik.

‘Ga jij maar,’ zei ze. ‘Dit apparaat kost een vermogen.’

‘Ik help je.’

‘Zorg jij maar voor je project.’ Ze wierp me de stick met het hologram toe. ‘Naar de kelder.’

Ze wuifde me weg met zoveel autoriteit dat ik het niet kon negeren. Boven kraakte de deur open. Ik vluchtte achter de bar en klom het gat in naar de bierkelder, zoals we gekomen waren. Ik hoorde boven dat Christine de koffer dichtklikte, terwijl er tegelijkertijd voetstappen de trap afkwamen. Ik wachtte tussen de fusten, in de hoop dat ze het gat nog zou bereiken. Een lichtflits. Een schreeuw. ‘Halt! Politie! Op de grond!’

Ik liet het luik dichtzakken, terwijl ik mijn weg zocht door de bier­kelder en de middeleeuwse gewelven, langs een oude doorgang die Pake’s mensen hadden heropend. Via de slijmerige muren zocht ik tastend een weg in donker. Af en toe stond ik stil om te luisteren, maar het enige dat ik hoorde waren mannenstemmen, geen Christine die achter me aankwam. Na een tijdje verschenen er lichtbundels, hoorde ik mannenstemmen roepen. Net op tijd bereikte ik het hek bij de Oosterhaven. Ik gooide het open en vluchtte naar één van de kraakpanden in buurt van het museum. Daar werden verder geen vragen gesteld.

Die avond las ik op mijn telefoon dat een belangrijk anarchistisch netwerk was opgerold. Christine was zelfs in beeld. Met haar vingers maakte ze het symbool met de P’s. Ze keek strak in de camera. Ik voelde het geheugenkaartje met het beeld van Nieuwenhuis in mijn broekzak duwen. Ik voelde me er verantwoordelijk voor, maar contact leggen met Pake was niet simpel. Ik was maar een simpele geschiede­nis­student, geen tovenaar met technologie, zoals Christine.

 

Die avond belde Robin. Ze vertelde dat ze graag alsnog uit eten wilde. Ik denk dat er iets scheelde, ruzie met haar ouders of zo, waar ik niet tussen wilde zitten. Eigenlijk wilde ik afzeggen, omdat ik gezocht werd, omdat ik elke cent die ik nog had, goed kon gebruiken. Maar natuurlijk kon ik geen nee tegen haar zeggen.

Ze zag er moe uit, met diepliggende ogen en vettig haar. Haar witte baret leek groter dan zijzelf geworden. We liepen een rondje langs het museum, dat al jaren failliet was. De grootste toren was nu een kraakpand, dichtgetimmerd, bespoten met verstrengelde P’s. Daarna nam ik haar mee naar de McDonald’s.

‘Hoe is het nu?’ vroeg ik, terwijl ze haar hamburger naar binnen schranste.

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik geef de helft van mijn salaris aan mijn ouders. In ruil daarvoor bemoeien ze zich niet met mij.’

‘Had je ruzie dan?’

Ze negeerde mijn vraag en reikte naar de frietsaus. Er lag een bloed­uitstorting in haar elleboog. Toen ze zag dat ik ernaar keek, trok ze haar arm snel terug. Het bevestigde mijn angst.

‘Dat is iets meer dan dronken worden met je oude vrienden,’ zei ik.

‘Het was maar één keer,’ zei ze.

‘Dat spul is nooit voor één keer.’

‘Goed om je weer eens te zien,’ zei ze. Haar glimlach had nog steeds charme.

Wat moest ik? Haar weer naar Groningen trekken? Haar bestraffend toespreken? Ik stond verbaasd om de snelheid waarmee ze haar klein hadden gekregen.

‘Je kunt me van alles verwijten Nic,’ zei ze. ‘Maar je weet niet hoe het is. Het is zó geestdodend. Zo vernederend. Zo zonder enig uitzicht.’

Ze liet haar telefoon zien, met daarop een foto van het nieuwste datacentrum van Axis in de Eemshaven, waar de trans-Atlantische internetkabel uit zee aan land kwam. ‘Daar moet ik elke week mijn werk uploaden. Het enige moment dat ik nog het huis uit ga. Zelfs in de stad kom ik niet meer, anders kom ik niet aan mijn werkuren.’

De foto maakte me klaarwakker, alsof ik een paar blikjes energy had gedronken. Een blik in het hart van de A’s was zeldzaam.

‘Waarom wilde je afspreken?’ vroeg ik.

Ze knikte, langzaam. ‘Ik wil vragen of ik wat geld kan lenen.’ Ze keek me strak aan. ‘Ik betaal het terug als ik weer salaris krijg.’

We hadden te lang iets gehad; ze kon niet tegen me liegen.

‘Het is niet wat je denkt,’ zei ze.

‘Waarom ga je niet weer schrijven? Ik kan je een primeur geven. Over Pake Pollok.’

Haar ogen verwijdden zich. ‘Komt daar je geld …’

‘Het zou een nieuw begin zijn.’

Ze glimlachte kort. ‘Ik mag niets onafhankelijk publiceren van Axis,’ zei ze. ‘Dat staat in mijn contract. Heb je niet gewoon wat cash?’

‘Zodat je naar de klote kan gaan?’

‘Doe niet zo moeilijk, Nic. Je zei zelf dat je een mazzeltje had gehad.’

Ik aarzelde. Ik wilde geen gebruik van haar maken. Maar als ze kapot wilde gaan, dan kon ze net zo goed nuttig zijn. ‘Ik wil ook iets van jou.’

‘Wat dan?’

Ik stond op en fluisterde het in haar oor. Daarna schoof ik honderd gulden onder dienblad dat voor haar lag, mijn laatste centen.

Ze checkte haar telefoon en schreef iets op een servet. Daarna harkte ze snel het geld binnen. Ik gruwde ervan dat ik mijn lieve Robin zo moest zien.

 

 

Die nacht fietste ik naar de grote hal, waar de kabels lagen. Ik deed geen moeite om mezelf voor de camera’s te verbergen. Ik werd toch al gezocht. Te midden van het klotsende water en de schreeuwende meeuwen zette ik mijn fiets tegen de afrastering en keek rond me, maar zag niemand, zelfs geen portier. Op hoop van zegen, dacht ik.

Met hulp van een foto van Robin had ik mijzelf zo geschminkt, dat al haar deuren voor mij open zouden moeten gaan. Als het goed was. Ik ging voor de camera staan en lachte. De poort zoemde open. Ik haalde diep adem en liep het grasveld over naar de volgende deur, die ook opende, en die toegang gaf tot de grote hal. Daar steeg een zwarte kabel op uit de zee, die daarna werd opgesplitst in tientallen kleinere tentakels, op hun beurt aangesloten op verdeelstations. Dit was de trans-Atlantische datakabel van Axis, de trots van de provincie. Een hypermoderne datasnelweg. In de hoek stond de terminal die ik op Robins foto had gezien, waar ze haar werk moest inleveren. Ook daar opende het scherm zich voor de strepen kohl onder mijn jukbenen.. Ik glimlachte. Tot nu toe ging het soepel. Axis was blijkbaar zo overtuigd van de macht van automatisering dat ze de boel helemaal verlaten lieten.

Terwijl ik neerzat op dat kruispunt van datastromen, begon ik. Christine had verteld dat contact zoeken met Pake zoiets was als met spionnen afspreken in de Koude Oorlog. Je moest hem in het openbaar benaderen, op een plek waar hij snel in de massa kon verdwijnen, waar IP-adressen geen info gaven, waar hij nieuwe data vliegensvlug kon verspreiden, voordat de corporaties netwerken konden afgren­delen. Deze parkeerplaats langs de internetsnelweg was de ideale plek.

Ik toetste het IP-adres in dat Christine me had laten zien. Een zwart venster verscheen, met een prompt, en stelde vragen die alleen Christine en ik wisten. Zoals de kleur van het schip dat vorige week door de sluis bij haar appartement was gevaren, en haar make-up van drie avonden geleden. Gelukkig kon ik me het allemaal nog herinneren. Langzaam vormden zich twee P’s op het scherm. Mijn vingers verstijfden. Yes! Ik was binnen. Op audiëntie bij de beruchte Pake Pollok.

Ik keek om. Ik was nog steeds alleen. Ik schreef over wat er met Christine was gebeurd, over ons laatste project en haar idee erbij. Ik laadde het geheugenkaartje op, inclusief het hologram en alle achter­grond­informatie, al mijn scriptiewerk. Daarna een afscheids­groet. Het chatscherm verdween en er gebeurde niets.

Ik sloot af en keerde terug naar het kraakpand. Het nieuws stond aan en mijn huisgenoten wezen me erop dat ik gezocht werd. Het zou een kwestie van tijd zijn, voordat ze me zouden verraden, vermoedde ik. Ik vroeg me af wat Pake ging doen, maar kon niets bedenken. Bots waren onvoorspelbaar, omdat ze niet dachten zoals mensen, zoals de autoriteiten. Daarom waren ze zo bang voor hem.

 

Een paar dagen later klonk er beneden uit de kamer een enthousiaste schreeuw. Ik liep de trap af. Iemand riep dat ik op een zoekmachine moest kijken. Ik pakte mijn telefoon en tikte hem aan, de meest bezochte plaats op het internet, het forum van de mensheid.

Ik schrok, controleerde meteen of ik het adres wel goed had. In plaats van het witte vlak dat iedereen kende, met de letters erboven, kwam er een man in beeld, met een donkere baard en verward haar, strak in het pak, met een compromisloze blik.

Pake had hem gebruikt, de creatie van Christine en mij. Ferdinand Domela Nieuwenhuis was niet langer vergeten, maar herboren als Pake Pollok. Rond hem duizelde het filmpjes van hongerige werknemers in India, opstanden in getto’s, branden in voorsteden. Ik kon mijn blik er niet van afhouden. Als iemand ons hiervan kan verlossen is hij het, dacht ik.

Hij begon te spreken, zoals eerder in Vera. ‘Verschoppelingen, onterfden van de maatschappij, mensen bij wie niets te halen is.’ Hij wees naar zijn publiek. ‘De tijd is gekomen. Zoek alle apparaten die je kent, alle computers, van de kleinste chip tot het grootste netwerk. Installeer mijn wereld, gebruik mijn wereld, negeer al het andere. De tijd is gekomen om de A’s de deur te wijzen en onze vrijheid terug te pakken. Want tirannen kweken geen slaven. Slaven kweken tirannen.’

Er verscheen een link onder de verstrengelde P’s. Ik klikte erop. Het scherm werd zwart, rood. Twee P’s verschenen. Mijn apparaat her­startte en er verscheen een wereld vol nieuwe apps. Een nieuwe zoek­machine, FreeMosaic, een nieuwe softwarewinkel, vol apps van kleine, onafhankelijke bedrijfjes, van fatsoenlijke netwerken. Rechts onderin in vette letters een saldo. Ik schaterlachte. Sirenes klonken op de achtergrond. De revolutie was begonnen.

Share Buttons

Categories