De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Mirage – Maarten Luikhoven

Mirage – Maarten Luikhoven

 

Het regende, terwijl af en toe een straaltje zon de omgeving verlichtte. Zo begon mijn dag. Ik stond op de veranda van mijn huis en sloot de deur. Ik hoorde lachen van de zijkant van het huis, alsof er een kind giechelde. Nieuwsgierig liep ik erheen. Een jong meisje, nog geen zes, met lang rood haar en een groen jurkje zat op de stronk van de omgezaagde boom. Ze keek me onschuldig aan met heldergroene ogen. Ze glimlachte vriendelijk.

Ik ben niet getrouwd, ik heb geen kinderen, maar dit meisje gaf me, hoe kan ik het verklaren, vaderlijke gevoelens. En die ogen, die deden me denken aan Brenda Rittenbach, de blonde schone van het eindfeest op de middelbare. Ik zat in het football-team, dus ik kon geen afleiding gebruiken. We groeiden uit elkaar en dat brak onze relatie.

Ik liep op haar af en reikte haar mijn hand. ‘Wie ben je, ken ik je?’ Het meisje strekte haar rechterhand uit maar voor ze me raakte verdween ze, opgelost in de lucht, nergens te zien, als een mirage, een fata morgana.

Ik bleef verward achter. Ik keek om me heen of er iemand in de buurt was die hetzelfde gezien had.

‘Verman jezelf, Pete.’ Ik moest maar wat koffie scoren. Ik stapte in mijn afgetrapte, tien jaar oude Buick en begaf me naar het bureau, waar een dozijn zaken op me wachtte. Afleiding genoeg, hoewel het saaie zaken waren. Inbraken, burengerucht, misschien een beroving.

Ik parkeerde achter bureau Zuid-West. Een handvol patrouille­wagens stond op hun parkeerplaatsen, de rest reed rond. Ik miste die tijd nog wel eens. Relletjes, roofovervallen, gijzelingen, maar ook de gebruike­lijke snelheidsovertredingen en gevaarlijke situaties, het was elke dag anders en een stuk spannender dan de bureautaak die ik nu had. Een bevordering noemden ze het, maar ik wist beter.

Twee jaar geleden raakte ik na een achtervolging in een vuurgevecht met een drugshandelaar. Acht kogels om de door­gesnoven Colom­biaan tegen de grond te krijgen, terwijl lood links en rechts op mijn auto insloeg. Mijn negende kogel dwaalde helaas af en raakte een voorbijganger.

Je kunt nog zoveel goeds doen, nog zulke slechteriken bestrijden, een onschuldig mens doden, dat doet iets met je. Ik was daarna niet veel meer waard en de publieke druk me te ontslaan was immens, opge­klopt door sensatiegeile media. Uiteindelijk plaatste het bureau me op een interne functie in een verafgelegen wijk waar weinig gebeurde.

Half in gedachten wilde ik de trap oplopen toen mijn aandacht werd getrokken door een krijttekening van een dinosaurus op de muur. Een licht getint jongetje van een jaar of zes met zwarte kroeskrullen was bezig groene schalen op het beest te tekenen.

Terwijl ik keek draaide hij zijn hoofd naar me toe. De vorm van zijn gezicht, zijn lippen. Een herinnering knaagde aan me. Ik herinnerde me wilde nachten met een mooie negerin, hoe heette ze ook alweer? Sheila. Wat een vrouw was ze. De herinnering rakelde mijn schuld­gevoel weer op.

Na twee weken samenzijn stelde ze me de vraag of we meer waren dan toevallige passanten, of we het meer officieel wilden maken. Sheila wist wel wat ze wilde. Ik alleen nog niet. Ze vatte mijn twijfel slecht op en verliet huilend mijn huis. De volgende dag las ik in de krant dat ze in de buurt van haar huis in een kruisvuur van ruziënde bendes terecht was gekomen. Als ik die avond had toegegeven dat ik met haar verder wilde…

Ik knipperde. Het jongetje was verdwenen. Op de muur naast de dino stond een hart getekend met een pijl erdoor, P+S. Pete en Sheila. Hoofdschuddend liep ik verder de trap op, mijn eerste halte de koffieautomaat. Ik had een dubbele espresso nodig.

 

Ik ordende de stukken op mijn bureau. Als eerste handelde ik de belafspraken af, meer dan de helft. De ochtend was bijna voorbij. De airco begon steeds harder te blazen. Mijn eerste bezoek was een hoekhuis, Oak Drive, waar twee dagen eerder was ingebroken. Ik moest er rapport opmaken zodat de bewoner de verzekering kon inschakelen. Meneer David Jones blijkbaar.

Mijn roestbak was bloedheet. De airco moest vol aan om de tempera­tuur omlaag te krijgen. Onderweg zwaaide ik naar Joey en Henry op hun gebruikelijke post, strategisch opgesteld bij Harriet’s diner. Iets verderop was de speeltuin waar ik zelf vroeger speelde. Er zaten moeders met kinderwagens en tientallen kinderen renden op en over de speeltoestellen.

Ik was nooit aan kinderen toegekomen. Opleidingen, werk, niet de juiste partner op dat moment, het kwam er gewoon niet van. En nu ik bijna dertig was geloofde ik niet meer in het krijgen van kinderen. Ik wist niet eens of ik het zou missen.

Ik draaide Elm Street in en stopte op de hoek met Oak Drive. Het huis was vrijstaand, zoals je dat in de buitenwijken vaker tegenkwam. Een gazon, wat bomen, een band die aan een tak was opgehangen als schommel en een huis dat zo uit een jaren vijftig brochure kon komen. Ik verwachtte bijna een blank stel met twee kinderen, een perfect gezin, die me op de veranda zouden opwachten.

Terwijl ik het pad naar het huis opliep zag ik een jongetje in de band dat met zijn hoofd vlak bij de grond heen en weer zwaaide. Ik dacht aan mijn eigen jeugd; dan zag ik aarde en gras aan me voorbijschieten, heen en weer, en beeldde ik me in dat ik in een raketvliegtuig zat.

Ik staarde naar de zwaaiende band. Het jongetje merkte dat ik naar hem keek en hij keek terug met donkerbruine ogen. Hij deed me aan niemand denken. Ik zette een stap naar hem toe. Toen ik vlak bij hem was, vervaagde hij en verdween.

Verward voelde ik aan mijn hoofd. Niet oververhit. Ik voelde me goed. Waarom zag ik dit? Waarom kinderen die me aan exen deden denken? Nu ja, behalve dit jongetje dan. Waarom losten ze voor mijn ogen op? Ik zuchtte. Ik moest de psycholoog op mijn werk nog maar eens opzoeken. Die kende ik al goed genoeg om zo binnen te kunnen lopen.

Ik liep terug en even later stapte ik de veranda op. Geen jaren vijftig gezin. Wel een oude man met een stok in een rolstoel. Hij droeg een donkere zonnebril.

‘Goedemiddag, meneer Jones? Pete Ames, politie.’ Ik hield mijn ID voor zijn gezicht. ‘Voor de inbraakaangifte.’

De oude man keek recht voor zich uit. Hij zag er ongeschoren uit en droeg enkel een smoezelige korte broek en een wit t-shirt. Zijn stem was schor toen hij antwoordde: ‘Welkom, agent Ames. De schade is achterom. Ik zou met u meegaan, maar ik kan niet zoveel zien. U kunt de schade vast zelf beoordelen.’

Ik knikte. ‘Dat is goed, meneer Jones.’ Ik liep naar achteren waar ik zag dat de achterdeur geforceerd was, waarschijnlijk met een koevoet. Ik noteerde mijn bevindingen op het aangifteformulier en tekende de situatie. Voor de zaak maakte sporenonderzoek verder niet uit, we onderzochten dit soort inbraken niet meer, te weinig mankracht.

Binnen was de keuken overhoop gehaald. De inhoud van de laden lag op de grond. De woonkamer was er net zo aan toe. Ook hier geen sporen.

Ik liep weer naar de voorkant en nam plaats in de stoel tegenover meneer Jones. ‘Kunt u me vertellen hoe u de inbraak ontdekt hebt?’

Jones knikte. ‘Mijn buurvrouw die me terugbracht van een bezoek aan de dokter, twee dagen geleden, zag het. Ze komt me zo helpen opruimen.’

Ik noteerde zijn antwoord. ‘Kan een van de kinderen die hier wel eens spelen iets gezien hebben?’

‘Er spelen hier geen kinderen. Bijna niemand hier heeft kinderen, of ze zijn al het huis uit.’

‘Ik zag net nog een jongetje in de band aan de boom zwaaien.’

Meneer Jones kwam iets overeind. Hij nam zijn zonnebril af en ik zag zijn ogen, donkerbruin, met een wit waas eroverheen. ‘U heeft hem gezien? Ik dacht dat ik de enige was.’

Ik was in de war. ‘Wacht, u bent toch blind?’

Meneer Jones knikte. ‘Maar hém zie ik wel. En u ziet hem ook.’ Hij ging zitten en zette zijn bril op. ‘Een jongetje, jaar of zes, zeven, dat heen en weer zwaait in de band, zijn hoofd vlak bij de grond, donker­bruine ogen. Een Star Wars shirt en een kaki korte broek. Correct?’

‘Zo goed heb ik niet gekeken. En hij verdween voor mijn ogen.’

Meneer Jones zuchtte. ‘Hij… hij geeft me vaderlijke gevoelens. Alsof hij mijn kind is. Maar dat kan helemaal niet. Ik heb nooit… Mijn vrouw overleed jong en ik vond nooit een ander.’

‘Wie denkt u dat hij is?’

De ander haalde zijn schouders op en leunde zijn kin op zijn stok. ‘Ik zie hem al tien jaar. Sinds mijn ogen achteruit gingen. Ik heb zo mijn ideeën.’

‘Ik zag vandaag kinderen die me aan vriendinnen van vroeger deden denken. Ik voelde iets voor hen. Voor het eerst vandaag. Mag ik vragen wat u denkt?’

‘U vindt het dwaas gemompel van een dramatische oude man, maar ik denk dat het een soort echo’s zijn, reflecties van potentiëlen, mirages die ons herinneren aan wat had kunnen zijn.’ Hij grinnikte. ‘Voor ik blind werd gaf ik kwantumfysica aan de universiteit. Als je dat snapt kun je hier over nadenken zonder gek te worden.’ Hij keek serieus. ‘Of misschien ook niet. Had u vader willen zijn, agent Ames?’

‘Ik… vroeg het me toevallig af, net in de auto. Ik denk het wel.’

‘Kinderen zijn als echo’s van hun ouders, vervormd, soms ver­wrongen, soms versterkt en verrijkt om wonderschone klanken te produceren. Je leeft voort in je kinderen, dat is het gezegde. Ik vind dat een mooie gedachte.’ Hij kreeg een bittere trek om zijn mond. ‘Mijn bestaan eindigt dus met mij. Ook de herinneringen aan. Mijn Edith, voor altijd weg.’

‘Dat spijt me, meneer Jones.’ Ik legde het formulier op de tafel naast zijn stoel. ‘Als er vragen zijn, u kunt me altijd bellen.’

‘Dank u, agent Ames. Ik stel uw bezoek op prijs.’

‘Tot ziens meneer Jones.’ Ik verliet de oude man en stapte in, op weg naar de volgende zaak.

 

De rest van de middag reed ik rond en praatte ik met slachtoffers van misdrijven, veelal kleinere zaken. Een burenruzie loste ik op met een paar richtlijnen waaraan beide buren zich beweerden te gaan houden.

Mijn laatste zaak bracht me naar een afgelegen wijk. De huizen waren kleiner dan ik eerder bezocht had, de buurt was armer.

Ik parkeerde mijn auto aan de Tallahassee Drive en bekeek het huis van de familie Barak. Mevrouw Barak lag in scheiding en meneer Barak had losse handjes, waardoor hij nu op bevel van de rechter niet binnen honderd yards van haar huis mocht komen. Ik las het verslag. Meneer Barak had mevrouw Barak bedreigd, geslagen en terrori­seerde haar telefonisch en via email. Er gingen stenen door de ruiten. Haar auto was bekrast. Ik moest nu aangifte opnemen van fraude, iemand had cheques op haar naam geïncasseerd.

Ik liep haar erf op, langs de brievenbus die omver geschopt was en belde aan. Ik hoorde even het bekende piepen van een schommel, verderop, maar mijn aandacht werd teruggetrokken naar de deur die werd geopend. Een slanke vrouw met rood haar stond in de deur­opening. Ze had kringen onder haar groene ogen en had pas gehuild.

‘Mevrouw Barak?’ vroeg ik. ‘Ik ben agent Ames. Pete Ames.’ Ik keek haar aan. ‘Vergeef me, maar kennen wij elkaar?’

De vrouw knikte. ‘Franklin High School. Ben ik zo veranderd, Pete? We zijn samen naar het eindfeest geweest.’

Ik stond met open mond. ‘Brenda? Brenda Rittenbach?’

‘Barak-Rittenbach. Nog wel.’ Ze klonk bitter. ‘Kom binnen, alsjeblieft.’

Ik volgde haar het huis in, door de keuken en de woonkamer in. We gingen aan haar eettafel zitten. Ik legde het dossier tussen ons in. ‘Lang geleden, Brenda. Het is goed je weer te zien.’

Ze lachte, een breekbaar glimlachje dat haar natuurlijke schoonheid accentueerde. ‘Jij ook, Pete, je ziet er goed uit.’

‘Dank je. Niet helemaal de omstandigheden die we zouden willen, denk ik?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Ik weet niet waar ik moet beginnen.’

‘Begin gewoon. Praat. Ik maak aantekeningen.’

‘Robert… mijn man.’ Ze zuchtte. ‘Hij was niet altijd zo. Toen we trouwden was hij lief en zorgzaam. Ik wilde weg bij mijn ouders, een lieve man, huis, baan, kindjes. Hij veranderde. Werd steeds veel­eisender, dronk. Hij heeft een kwade dronk.’

‘Het spijt me, Brenda.’

‘Een half jaar geleden was ik er klaar mee. Ik wilde scheiden. Hij sloeg me, voor het eerst. Hij was dronken en boos. Maar het sterkte me in mijn beslissing.’

‘Een goede beslissing.’

‘Hij liet het er niet bij zitten. Ik ben het afgelopen half jaar geslagen, beroofd, gekleineerd, mijn huis en spullen zijn vernield, hij terrori­seert me, elke dag weer.’

‘En de scheiding?’

‘Bijna rond. Hij weigert te tekenen, dus alles moest via de rechter.’

‘En dat kost tijd. En nu, ik lees hier fraude?’

Brenda knikte. ‘Er zijn valse cheques geïnd van mijn rekening. Robert is de enige die ze zou kunnen hebben en die mijn hand­tekening enigs­zins kent. Hij is ook herkend op de beveiligings­beelden van de camera’s in het bankfiliaal.’

Ik noteerde de gegevens en rondde het formulier af. ‘Als je hier nog even tekent, kunnen we de aangifte gaan afhandelen. Binnen enkele dagen wordt hij opgepakt en voorgeleid. Dan heb je even rust en met wat geluk stoppen ze hem een tijdje weg.’

Brenda zuchtte. ‘Maar hij komt er ook weer uit. En dan?’

‘Daar heb ik helaas geen antwoord op. Je kunt in ieder geval even nadenken over je toekomst.’ Ze tekende het formulier. ‘Ik breng dit nog even langs het bureau, dan kan het vanavond nog verwerkt worden, des te eerder is hij van de straat.’

‘Dank je, Pete.’ Ze sloeg haar ogen neer en leek even te aarzelen. ‘Tot ziens dan maar.’

‘Tot ziens, Brenda.’ Waarom zeg je niets? Ik wilde wel, maar ik twijfelde. Te lang. Het moment was voorbij. Ik pakte mijn spullen en liep naar de voordeur.

Toen ik voorbij de omgevallen brievenbus liep, hoorde ik in de verte het piepen van een schommel. Ik liep richting mijn auto en in de volgende tuin zag ik hem. Er zat een jong meisje op met rood haar. Ze keek op. Hetzelfde gezicht als vanochtend, dezelfde felgroene ogen.

Wie ben jij toch? Wat doe je hier?

Het meisje keek opzij en ik volgde haar blik. Net op tijd om een forse man langs Brenda’s omgevallen brievenbus te zien lopen. Van deze afstand zag ik dat hij een soort stok bij zich droeg. Ik keek weer naar het meisje dat nu met haar handen voor haar ogen zat, alsof ze bang was om te kijken.

Ik legde mijn spullen op straat en snelde terug. Onderweg maakte ik mijn holster los en trok mijn Glock 22 tevoorschijn. Toen ik het erf opkwam zag ik dat de deur van Brenda’s huis openstond en van binnen klonk een hoog gegil gevolgd door een boze schreeuw, duidelijk van een man.

Ik stormde naar binnen en trof in de woonkamer Brenda aan, rug tegen de muur. Voor haar stond de man die ik eerder gezien had, een honkbalknuppel hoog boven zijn hoofd, klaar om toe te slaan. Brenda hield haar armen beschermend boven haar hoofd. ‘Robert, nee,’ kermde ze.

‘Politie, halt!’ schreeuwde ik. Dat had het beoogde effect. De man schrok, draaide zich om en zag me staan. Hij zag er verhit uit en zijn pupillen waren bijna volledig zwart. Drugs, hij is helemaal doorgesnoven.

Met een schreeuw sprong de man op me af, ik zag de knuppel op mijn hoofd afkomen. Mijn training nam het over en mijn schot trof zijn borst op minder dan twee yards afstand. Hij werd achteruit geworpen door de klap en sloeg daverend tegen de grond.

Ik volgde hem en trapte de knuppel uit zijn hand. Robert Barak lag heel stil, maar ademde en kermde nog wel. ‘Bel een ambulance, daarna de politie.’

Na de telefoontjes nam ik Brenda mee naar buiten en zette haar op het bankje voor haar raam. ‘Blijf hier zitten terwijl ik alles afhandel, ok?’ Ze knikte.

De ambulance arriveerde bijna tegelijk met de patrouillewagen.

Terwijl de broeders met een brancard naar binnen renden, stapten Joey en Henry uit. ‘Wat heb je nu weer gedaan, Ames?’ zei Joey.

‘Mevrouw Rittenbach werd zojuist door haar ex aangevallen. Hij leek me dronken en doorgesnoven. Ik was toevallig in de buurt vanwege een aangifte. Toen hij me aanviel moest ik schieten.’

Joey sloeg me op mijn schouder. ‘Eens een agent altijd een agent, Ames. Goed dat je het nog in je hebt.’

Een uur later waren de ambulance en mijn collega’s vertrokken en zelfs de buren waren hun nieuwsgierigheid voorbij. Ik bleef alleen met Brenda achter. We zaten samen op de bank buiten voor haar raam. Ze had een kop koffie gezet en reikte mij er ook een aan. Haar hand trilde.

‘Dank je.’

‘Je hebt het verdiend. Jij ook bedankt. Ik weet niet of Robert me had laten leven.’

‘Hij was inderdaad helemaal gek geworden. Drugs en alcohol, vermoed ik.’

‘En nu? Wat nu?’

Ik zuchtte. ‘Tijd om te helen. En om rapporten te schrijven. Je vuur­wapen gebruiken geeft een hoop administratie. Dus ik moet echt even naar het bureau.’ Ik stond op.

‘En als je daar klaar bent?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Naar huis. Wat eten maken. En dan naar bed.’

‘Als ik eten maak, kom je dan langs zometeen? Ik weet niet of ik alleen wil zijn vanavond.’

‘Dat… dat lijkt me gezellig.’

Brenda glimlachte. Ze was nog steeds een mooie vrouw. ‘Dan zie ik je zo dadelijk weer.’

‘Reken er maar op.’

Ik liep terug naar mijn auto. Onderweg zag ik de schommel. Het meisje stond ernaast en ze keek naar me met een brede grijns. Haar mond leek woorden te vormen en ik zou zweren dat ze “tot ziens, papa” tegen me zei.

Share Buttons

Categories