De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » Rouw in 3D – Wendy Torenvliet

Rouw in 3D – Wendy Torenvliet

 

Andrea slaat de passagiersdeur dicht en de autogordel glijdt met een zoemend geluid om haar heen. Op de achterbank heeft Thomas de VR-bril gegrepen en zich ondergedompeld in de wereld van Pixie Pepper­mint, de laatste rage onder zijn leeftijdsgenootjes. Zijn vrolijke gelach schalt door de afgesloten ruimte en onwillekeurig schieten Andrea en ik ook in de lach. Thomas’ geschater heeft nu eenmaal dat effect op ons.

Het is vakantietijd en we zijn net met zijn drieën naar de dierentuin in Rotterdam geweest. De interactieve tentoonstelling over kwallen was prachtig vormgegeven: het leek net alsof je echt door de diepzee liep met overal om je heen de lichtgevende, zich ritmisch voort­stuwende beestjes. Er was zelfs gedacht aan de sensatie van water tegen je huid, doorgegeven door de VR-stickers die bij binnenkomst achter in onze nekken werden geplakt.

Thomas is al een tijdje gefascineerd door kwallen – geen idee waar hij dat nu weer vandaan heeft – en deze tentoonstelling stond boven aan zijn lijst van dingen om tijdens de vakantie te doen. Vooruit dan maar, al heb ik een schurfthekel aan de nieuwe automatische snelwegen en de saaie geluidloze rit naar de havenstad. Nog steeds kan ik er niet aan wennen, hoewel dit nieuwe elektrische systeem al vijf jaar geleden in Nederland is ingevoerd. Ik mis het gevoel van de pook in mijn rechter­hand en de sensatie van zelf de controle hebben. Gelukkig kan ik al een tijdje op de fiets naar mijn werk.

Ik druk op de knop die de auto in beweging brengt en Andrea draait zich nog even om naar Thomas. ‘Doe je je gordel om?’

Thomas stuitert het liefste de hele achterbank rond met dat ding op zijn neus maar gordels dragen is, ondanks de sterk verbeterde infra­structuur, nog altijd een verplichting.

‘Hé, luister je?’ Ze reikt naar achteren en licht de bril van de neus van onze zoon. Thomas grijpt er verontwaardigd naar en ze houdt hem net buiten bereik. ‘Nee, eerst die gordel om en daarna krijg je hem echt wel weer terug.’

‘Ah mahaaaam!’ Thomas rolt theatraal met zijn ogen en ik verbijt een lach.

Het voertuig is langzaam gaan rollen en hoewel ik mijn handen wel aan het stuur houd, is dat eigenlijk een formaliteit. De Ford voegt soepel in op de voor ons bestemde rijstrook. Ik heb vanmorgen de hele rit ingeprogrammeerd. De strijd om de gordels is inmiddels beslecht en mijn zoon ziet er weer uit als een soort gemaskerde Zorro, alleen dan zonder bijbehorende hoed en cape. Het is een prachtige, zonover­goten dag.

 

Er klinkt een langgerekte piep. Het geluid is oorverdovend in de totale stilte van het kamertje, en ik moet me bedwingen om het apparaat geen enorme rotmep te geven. Alles om dat geluid niet te horen.

Het is alsof iedereen de adem inhoudt, nog afgezien van het kleine jochie in het veel te grote bed. Mijn hart bonst in mijn keel. Dit is het moment waarvan we hadden gewild dat het nooit zou komen – hoewel we sinds gisteren dondersgoed wisten dat het onafwendbaar was: het moment dat het moeizame rijzen en dalen van het laken is opge­houden. Het zal niet meer in beweging komen.

Vanaf de andere kant van het bed komt een gesmoorde snik. Andrea is rood aangelopen en bijt op haar vuist. De tranen stromen over haar wangen. Schrammen staan fel afgetekend tegen haar huid en ze houdt haar gespalkte arm strak tegen haar lichaam. Ze heeft duidelijk pijn, maar ik weet dat dat bijzaak is.

Het papierachtige beddengoed knispert onder mijn vingers. Ik zit op de rand van het ziekenhuisbed, mijn hand net niet op die van Thomas. Ik durf hem niet meer aan te raken. Wat als hij koud aanvoelt? Dan wordt dit moment echt en moet ik onder ogen zien dat ik Thomas nooit meer zal horen schateren, dan moet ik uit deze verdoving komen en de afschuwelijke pijn in mijn hart gaan voelen. Mijn vrouw in mijn armen nemen en haar proberen te troosten terwijl er voor een moment als dit simpelweg geen troost is.

De arts die al die tijd in de hoek van de kamer heeft gestaan, komt naar voren en wurmt zich verontschuldigend achter me langs. Zijn crêpe zolen kraken op het linoleum. Hij rommelt wat met het hart­bewakingsapparaat en de snerpende piep stopt abrupt.

‘Sorry,’ zegt hij zacht en buigt zich voor me langs over het bed. Hij pakt Thomas’ slappe hand op en voelt of er een pols is.

Ik staar geobsedeerd naar mijn zoons hand in de lange vingers van de arts. Volmaakte nagels, een handpalm zonder rimpels of beschadi­gingen. Nog niet oud genoeg om het verloop van het leven te kunnen zien in de huid. Dat zal nu ook nooit gebeuren. De wereld tolt om me heen en alle geluiden lijken in watten verpakt. Ik weet dat ik op moet staan, naar Andrea moet gaan, haar vast moet houden. Mijn benen weigeren dienst. Wat doe je, op het moment dat je kind sterft?

 

De kamer is opgeruimd, de ramen staan open en de lucht doet fris aan. Alsof alle leven er uit verdwenen is en in principe is dat ook zo. Thomas ligt er nu netjes bij, van alle slangen en pleisters ontdaan, zijn gezicht vredig. Het is bijna alsof hij slaapt, als je de bleekheid van zijn huid en de afzichtelijk gekleurde blauwe plek ter hoogte van zijn slaap negeert. Deze is in de loop van de dag bijna zwart geworden.

De rest van zijn lichaam is gelukkig onder de lakens verborgen. De truck die achter op ons inreed, heeft de achterbank bijna volledig verkreukeld. Thomas’ gezicht is ongeschonden. De rest van zijn lichaam is zo verwond dat de kans op leven miniem was. Dat wisten we gisteren al, na het gesprek met het artsen-team.

Wij zijn er zelf redelijk van af gekomen. Andrea heeft een gebroken arm, twee gebroken ribben en overal blauwe plekken en schrammen. Ook ik heb gebroken ribben en een spectaculaire kneuzing ter hoogte van mijn borstbeen door de klap tegen het stuur. Omdat we van achter aangereden zijn, traden de airbags niet in werking.

Ademen doet pijn, en dat komt niet alleen van het ongeluk. Het lijkt wel of alle tranen zich ter hoogte van mijn longen hebben opgehoopt. Tranen die niet willen stromen. Dit is te groot, dit is niet te bevatten. Mijn hoofd, dat hard genoeg tegen de voorruit is geslagen om daar een ster in achter te laten, bonst.

Andrea kruipt praktisch in me weg, haar gezicht in mijn hals. Ze trilt van top tot teen, de tranen doorweken mijn shirt. Mijn handen zwerven over haar rug, aaiend, afwezig. Mijn aandacht is bij mijn zoon. Mijn geest probeert te bevatten dat ons vrolijke leven, dat gisteren nog helemaal intact was, in een klap over is. Dat we Thomas hier straks achter gaan laten, dat we straks van alles moeten regelen – wat eigenlijk? Ik heb geen flauw idee – en dat we straks samen dat huis in moeten lopen waar alles getuigt van Thomas’ aanwezigheid. Een zesjarige laat nogal wat troep achter.

 

‘Volgens mij gaat het helemaal niet goed met je.’

Het klinkt niet verwijtend, eerder bezorgd. Ik heb weer eens een ochtend met branderige ogen naar mijn screensaver zitten te kijken en heb niet eens gehoord dat Richard naast me is komen staan totdat hij zijn hand op mijn schouder legde. Het kan best zijn dat hij de afgelopen vijf minuten al tegen me aan heeft staan praten, en ik hem niet heb gehoord.

Dat overkomt me tegenwoordig steeds vaker. Het komt denk ik door het slaapgebrek. De gedachten aan dat ene moment op de snelweg blijven me bezighouden, de beelden komen steeds weer terug. Het gevoel overvalt me iedere keer weer dat ik het zou kunnen veranderen als ik voor heel even terug zou kunnen in de tijd. Als ik maar net wat later vertrokken was. Of net die andere route had geprogrammeerd.

De machteloosheid maakt me zo ontzettend kwaad. Want ik kan verdomme niet terug. Natuurlijk niet. En toch wil mijn brein daar niet aan. Het blijft peuteren en mompelen en proberen me ervan te overtuigen dat als ik maar hard genoeg mijn best doe, ik het onmogelijke best waar kan maken. Dan overvalt prompt het schuldgevoel me weer, want ik kan het gewoon niet. En zo schiet ik constant tekort tegenover Andrea en Thomas, en het vreet me van binnen helemaal op.

Als ik dan slaap, dan droom ik erover. Op mijn werk probeer ik gewoon door te gaan. Dat lukt me alleen nauwelijks. Ik heb steeds meer het gevoel dat ik op de automatische piloot leef terwijl Andrea amper haar bed uit kan komen. Ik neem het haar niet kwalijk. Iedereen beleeft verdriet anders. Ik wil het zo graag met Andrea over Thomas hebben, maar zij hult zich in stilzwijgen. Waar ik me stort op mijn werk om afleiding van de situatie te hebben, trekt zij zich steeds verder in zichzelf terug en lijkt ze niet bij machte om haar leven in eigen hand te nemen.

Dus neem ik alle dingen waar ze zich verder zorgen om kan maken weg, in de hoop dat ze een beetje tot zichzelf kan komen. Tegelijker­tijd ben ik ook bang dat ik haar juist de dingen afneem waar ze zich mee zou kunnen afleiden. En ondertussen draai ik zelf ook de vernieling in. Jezus, ik weet gewoon niet meer wat ik moet doen. Ik ben zo ontzettend moe.

Ik realiseer me dat Richard nog steeds naast me staat en schud mijn hoofd. ‘Nee, het gaat niet zo goed. Ik … ‘

Wat kan ik zeggen? Dat ons leven totaal naar de klote is? Dat ik nog steeds rondloop met een groot brok verdriet dat ik niet naar buiten kan laten komen omdat het zo slecht gaat met Andrea? Dat ik zielsveel van haar houd, maar dat ik geen flauw idee heb wat er nog van ons huwelijk over is? Dat ik Thomas zo gruwelijk mis dat het fysiek pijn doet, dat ik nog geen foto van hem kan zien zonder misselijk te worden?

Andrea had er op gestaan dat we zijn hele kamertje inpakten en mee verhuisden naar het nieuwe huis, het huis dat ik nu juist samen met haar heb gekocht om weg te komen van die verschrikkelijke doodse sfeer die er in ons oude huis hing. Ik wilde dat niet, wilde niet met al die spullen geconfronteerd worden, maar toen ik voorzichtig opperde dat dat misschien niet zo’n goed idee was, ging Andrea door het lint.

Ik gebaar hulpeloos en Richard schudt zijn hoofd.

‘Je hoeft niks te zeggen, ik zie het zo ook wel aan je gezicht. En ik heb heel lang getwijfeld of ik je dit moest geven, nou ja, hier.’ Richard duwt me een plastic kaartje in handen. Het ziet er opzichtig uit, van doorzichtig polyester met holografische elementen erin gedrukt. OrgaTec staat er in sierlijke letters. Het onderschrift vertelt me dat het een bedrijf is dat zaken doet in de 3D business.

‘Wat moet ik hiermee?’ vraag ik aan hem.

Hij heeft zijn handen in zijn broekzakken en wipt heen en weer van zijn tenen naar zijn hielen. ‘Zoek het maar op. Ik weet niet of ik je hier een plezier mee doe … kijk er gewoon naar en zie wat je ermee doet. En pas op, ik denk niet dat dit bepaald legaal is. Mocht je er iets mee willen, vul dan BodyCad in bij de extra informatie tijdens het bestellen.’

Ik frons mijn wenkbrauwen. Waar heeft hij me nu mee opge­zadeld? Mijn werkgever DigiLegal is een commerciële organisatie, maar we worden vaak ingeschakeld door de overheid bij de onder­zoeken naar cybercrime. Richard heeft zijn informatie ongetwijfeld uit een van de vele dossiers waar hij mee bezig is.

Natuurlijk hap ik toe. Ik heb toch bitter weinig te doen hier, vanwege mijn “situatie” word ik ontzien en er ligt amper werk op mijn bureau. En dus pak ik mijn tas in, meld ik me voor die dag af en stap op de fiets. Ik ben niet van plan het bedrijf op te zoeken op mijn bedrijfs­computer, zeker niet na wat Richard me verteld heeft. En dus activeer ik thuis voor de veiligheid ook nog een anonieme VPN-verbinding tussen mij en mijn internetaanbieder in, zodat niks meer naar mij terug getraceerd kan worden.

OrgaTec blijkt een bedrijf te zijn dat slimme 3D-printers levert. Het glanzende holografische design komt tot leven op mijn sim-display zodra ik de website openklik. Met een aantal handgebaren blader ik door de hele site. Commerciële kreten schieten me tegemoet. “Geen wachtlijsten meer”, “Geheel afstotingsvrij”, “Drankprobleem? Geen probleem!”

Ik vind opzichtige plaatjes van organen die uit een printer komen rollen. OrgaTec levert geprinte organen aan de vele privéklinieken die Nederland rijk is. Levercirrose is geen probleem meer als je genoeg geld hebt om een nieuw exemplaar te laten printen, compleet op maat gemaakt met jouw DNA en aangepast aan jouw bloedtype.

Ik weet wel dat dit inmiddels een mogelijkheid is, hoewel ik er zelf nog nooit mee te maken heb gehad. In Thomas’ geval was er zoveel beschadigd in zijn lichaam dat dit totaal geen optie was geweest. Ik vraag me wel af waarom Richard me hierheen gestuurd heeft, want wat moet ik met een printer die lichaamsdelen print? Denkt hij soms dat ik hiermee een gebroken hart kan vervangen of zo?

Ik probeer er lacherig over te doen, maar dat lukt niet zo goed. Ik heb weinig om over te lachen op het moment. De enige die mijn situatie kan verbeteren is Thomas. En die is onvervangbaar.

Is dat echt zo?

Een moment lang verstijft mijn lichaam en houd ik mijn adem in, mijn ogen vastgeplakt aan het display. Mijn gedachten maken idiote sprongen. Zover is de technologie nog niet, toch? Een klein stemmetje in mijn achterhoofd blijft stug volhouden.

Als je een orgaan kunt printen, kun je dan ook een brein printen? Met een heel lichaam erom?

 

De bel gaat. Ik schiet overeind, ik verwacht dit. Er staat een wit busje voor de deur, zo eentje waarvan je er duizenden op de weg ziet rijden en waarvan je je altijd afvraagt wat ze toch vervoeren. Op weg naar de voordeur kijk ik nog snel even naar boven. Er is geen teken van leven.

Andrea ligt al op bed, ondanks dat het pas zeven uur in de avond is. Dit is tegenwoordig normaal, en meestal maakt ze gebruik van slaap­pillen. Waarschijnlijk zou ze nu nog door een kanonschot heen slapen.

Als ik de deur open doe, staat er een schriel mannetje voor mijn neus met naast zich een steekwagentje met een hele stapel dozen er op. Hij krabbelt aan zijn snor en kijkt beschaamd, alsof het iets smerigs is waarop ik hem betrapt heb.

‘Mijnheer… Brouwer?’ Hij gluurt even op zijn order.

‘Ja, dat ben ik,’ zeg ik snel en stap opzij zodat hij de hal in kan rijden met zijn lading.

‘Er is nog meer hoor, het is een flink pakket,’ zegt het mannetje.

Ik knik. ‘Geen probleem, ik help wel even sjouwen. We moeten naar beneden.’

Ons nieuwe huis heeft naast een ruime bovenverdieping ook een mooi betimmerde kelder waar ik mijn spelcomputer heb staan, mijn vintage platenspeler, een boekenkast en waar ik me even in kan terug­trekken als ik de buitenwereld spuugzat ben. Iets dat tegen­woordig vaak gebeurt. Vanmiddag heb ik een hoek van de ruimte vrij gemaakt zodat ik het pakket daar straks in elkaar kan zetten.

‘Oh, u hoeft niet te sjouwen hoor, en ik ook niet.’ De bezorger drukt op een knop boven op het steekwagentje, en dat komt met een vaag zoemend geluid zo’n vijf centimeter van de grond.

‘Nieuw,’ zegt hij en geeft me een vette knipoog. ‘Iets met een magnetisch veld. Het scheelt een boel in mijn rug.’

Binnen een kwartier staat het hele spul beneden.

De bezorger geeft me een tablet. ‘Handleiding,’ zegt hij, in dezelfde droge korte toon als alles dat hij tot nu toe heeft gezegd. ‘En een contract. Effe je duimafdruk erop, alsjeblieft.’

Ik steek mijn hand uit en druk mijn duim in het daarvoor bestemde vak. Er klinkt een zoemend geluid en de transactie is voltooid. Het mannetje haalt luidruchtig zijn neus op en knikt als afscheid.

‘Succes d’r mee.’

En zo sta ik nu met mijn handen in mijn zakken te kijken naar de berg aan grotere en kleine pakketten die in de hoek opgestapeld staan. Ga ik dit werkelijk doen? Dit is illegaal, natuurlijk is het dat. Mijn hart bonst in mijn keel. Ga ik hier vanavond nog aan beginnen? Mijn eerste impuls is om naar boven te lopen, de deur naar de kelder dicht te slaan en de sleutel om te draaien. Maar ik moet het weten. Kan dit ding wat ik denk dat het kan?

Het duurt een hele tijd voor ik een beetje door heb hoe alle onder­delen van de printer in elkaar passen. Ik ben niet slecht in IT gerelateerde concepten maar hardware in elkaar sleutelen is niet mijn dagelijkse bezigheid. Deze printer was exorbitant duur maar met het geld van de rechtszaak kon ik hem gemakkelijk bekostigen. Net als dit huis kon ik hem cash betalen. Dat krijg je als je kind doodgaat en de oorzaak een fout is in de software van een internationale transport­organisatie.

De rechtszaak heeft slechts een maand of drie geduurd, want er was ook niet heel veel aan te vechten door de tegenpartij. De truck die achter op onze auto inreed, had daar nooit mogen zijn. De software die hem had laten invoegen, deed dat op de verkeerde baan en aangezien trucks tegenwoordig onbemand zijn, was er ook geen chauffeur die de handmatige noodbediening kon activeren.

Het smartengeld dat op onze rekening gestort werd heeft me heel lang niet geïnteresseerd, want wat mij betreft was er geen prijs op Thomas’ leven te plakken. Tot vandaag.

In de hoek van mijn kantoor staat inmiddels een imposante machine. Ernaast staat iets dat op een koelkast lijkt. Ik huiver – ik weet dondersgoed wat erin zit want ik heb er al heel even in gespiekt. Zeven glazen buizen in een gekoeld ophangsysteem.

De materie die in de buizen zit kan alleen maar omschreven worden als vleeskleurig. Het is duidelijk organisch materiaal.

Ik word een beetje onpasselijk bij het idee dat ik hier naar een substantie kijk waaruit straks mijn zoon weer zal worden opgebouwd. Ergens wil mijn geest er nog steeds niet aan. Ik kan me niet voorstellen dat dit daadwerkelijk gaat lukken en durf er tegelijkertijd niet op te hopen.

De handleiding is gelukkig duidelijk. Het is niet alleen een tablet; het produceert ook hologrammen die stap voor stap laten zien hoe ik de printer aan de praat moet krijgen. Er zit ook een programma in waarmee ik kan berekenen hoeveel van de buizen met organisch materiaal ik nodig heb voor het object dat ik wil fabriceren. In Thomas’ geval zijn dat er twee. Ik ril. Ik zou nog meer Thomassen kunnen maken als ik dat wilde. Het idee is zo bevreemdend dat ik het snel uit mijn hoofd zet.

Even aarzel ik, en dan open ik de koelkast resoluut. De damp slaat van de buizen af en bezorgt me kippenvel, ditmaal van de kou. Ik til er twee uit – ze zijn zwaar – en laad ze in de daarvoor bestemde uit­sparingen aan de zijkant van de printer. Dan keer ik terug naar de tablet.

Ik hoef verder niets aan gegevens in te voeren. Waarschijnlijk haalt de printer al zijn informatie over het af te drukken lichaam uit het DNA dat ik er zo in zal laden. Ik trek de bijgeleverde handschoenen aan, vul een petrischaaltje met een laagje vloeistof dat met het koel­systeem meegeleverd is en haal dan eindelijk het doosje dat ik al deze tijd bij me heb gehad uit mijn zak. Ik open het met trillende handen.

Daar, op wit fluweel, ligt het enige tastbare dat ik nog van Thomas heb. Een lok van zijn zachte blonde haren. Normaal gesproken staat het doosje boven in de woonkamer, op het dressoir naast Thomas’ foto en de kaars die Andrea daar dagelijks brandt.

Andrea heeft deze haren nauwgezet verzameld uit allerlei bronnen in het oude huis. Vanaf zijn hoofdkussen, uit de verschillende borstels en kammen in de badkamer. Ik weet nog dat ik het een uiterst slecht idee vond toen ze het deed, maar nu ben ik haar intens dankbaar.

Ik wacht tot mijn handen wat tot rust gekomen zijn en pak vervolgens het pincet dat op tafel naast het petrischaaltje ligt. Voorzichtig trek ik een aantal van Thomas’ fijne blonde haren uit de haarlok, mezelf ervan verzekerend dat ik er een aantal te pakken heb waar het haarzakje nog aan zit.

In de handleiding op de tablet staat dat er allerlei DNA-bronnen gebruikt kunnen worden voor in de 3D-printer, waaronder het DNA uit haarzakjes. Het glazen schaaltje gaat in een andere uitsparing in de printer. Een bijna onhoorbaar gezoem is de enige indicatie dat de machine is begonnen met het analyseren van het DNA-monster. Het lijkt bijna te gemakkelijk om waar te zijn. Ik staar naar de robot­achtige uitsteeksels boven het langwerpige stalen plateau, dat groot genoeg is om een liggend mens te bevatten. Aan het plateau zit ook iets dat lijkt op een soort defibrillator. Daarnaast zijn er een aantal standaarden met zakken er aan. Plasma, denk ik. Alles bij elkaar ziet het eruit alsof ik een ziekenhuislab in mijn kelder heb opgebouwd.

Het duurt drie en een half uur voordat de analyse gereed is. Ik heb het gevoel dat ik inmiddels een patroon in de vloerbedekking heb gelopen. Het niveau van de fles Lagavulin die ik altijd in mijn kantoor heb staan, is stevig gezakt. Toch voel ik me niet dronken. Ik voel me eerder enorm helder in mijn hoofd.

Ik sta op een mentale tweesprong. Ik kan nu nog terug. Ik kan ook voorwaarts. Voor mijn ogen verandert de ronddraaiende spinner in een spookachtig groen oplichtende button met het woord “start” er op.

Ik knijp mijn ogen dicht. Mijn vingers raken het saffierglazen oppervlak van de tablet en achter in de kamer klinkt een ping. De printer start op met een zacht zoemend geluid. Ik laat de tablet vallen en vlucht de kamer uit.

 

Het ochtendlicht op mijn gezicht maakt me wakker. Mijn hoofd voelt nu wel aan alsof ik het gisteravond op een zuipen heb gezet en mijn tong plakt aan mijn gehemelte.

Naast me verschuift Andrea in het bed en kruipt tegen me aan. Haar slaperige warmte voelt heerlijk tegen mijn blote huid en een vlaag van begeerte trekt door mijn lichaam ondanks de bonzende hoofdpijn. Een moment lang vergeet ik ons verdriet en wat ik gisteravond in de kelder heb uitgespookt. Dan voel ik hoe ze trilt.

Ik sla mijn armen om haar heen en trek haar hoofd op mijn borst en voel de natte warmte van haar tranen. Ik geloof niet dat er al een ochtend is geweest waarop ze wakker werd zonder acuut in huilen uit te barsten. Ik laat mijn kin op haar verwarde haren rusten en zwijg.

‘Sorry,’ mompelt ze. ‘Sorry dat ik er niet mee om kan gaan, dat het elke ochtend weer hetzelfde is.’ Ze zucht beverig en ik druk haar tegen me aan in een stevige omhelzing en kus haar haren.

‘Het geeft niet,’ zeg ik tegen haar. Tot nu toe heeft ze geen structu­rele hulp gezocht. Vlak na het ongeluk hebben we wel slacht­offerhulp gehad, waarna ze een paar keer een psychiater heeft bezocht die haar uiteindelijk naast slaappillen ook antidepressiva heeft voorge­schreven. Daarna heeft ze het in haar eentje proberen te redden en iedere keer dat ik dat ter sprake breng, klapt ze helemaal dicht.

Ik probeer het nog een keer. ‘Is het een idee dat we een keer samen met iemand gaan praten? Ik weet dat je dat eigenlijk niet wilt maar… het lijkt me verstandig. We zijn nu vijf maanden verder en ik zie je eigenlijk niets anders doen dan slapen. Dat lijkt me niet goed.’

Ik houd mijn hand op als ze wil protesteren. ‘Ik bedoel niet dat je er nu overheen moet zijn of dat je niet verdrietig mag zijn. Alleen … slaappillen slikken en in je pyjama op de bank voor je uitstaren is ook niet goed. Ik maak me zo’n zorgen om je, liefje.’

Ik druk haar nog eens stevig tegen me aan maar ze worstelt zich los, duwt haar krullen uit haar gezicht en draait haar benen uit het bed. Heel even zit ze op de rand van het bed. Ik kan de botten van haar ruggengraat duidelijk in haar huid afgetekend zien. Ze is flink afgevallen. Dan staat ze op, trekt haar badjas om haar lichaam en stommelt naar de badkamer. Ik kan horen hoe ze de waterkraan openzet. Het geluid overstemt veel, maar kan niet helemaal verbergen dat ze moet overgeven.

Ik sluit mijn ogen en zucht. Hoe kan ik haar zover krijgen om hulp te zoeken als ze er niet eens over wil praten? Ik mis haar zo. De vrouw met wie ik alles kon delen. Het is alsof er een glazen muur tussen ons in staat en we zijn beiden niet bij machte hem neer te halen. Ik doe mijn best om de tranen binnen te houden.

Dan besef ik dat er een stilte over het huis is neergedaald.

Ik staar een moment voor me uit, vergeet adem te halen. In een flits komt alles terug wat ik gisteravond in de kelder heb uitgespookt. Ik luister intens, hoor geen enkel geluid vanuit de rest van het huis. Toen ik ging slapen, maakte de printer beneden een gedempt zoemend geluid. Dat is nu gestopt. Mijn hart begint te bonzen. Zou het gelukt zijn?

 

Ik sta in mijn badjas in de kelder en met mijn handen in mijn haren. De kamer stinkt – het is een ondefinieerbare maar onmiskenbaar organische geur.

De printer is stilgevallen. Ik raap de tablet op die met een tik tot leven komt en als status “afgerond” aangeeft in een groen knipperend font.

Op de stalen tafel die bij de printer hoort ligt een slijmerig residu, van een uitgeprint object is echter niets te bekennen. Ik begrijp er niets van. Ik had op zijn minst iets van een lichaam verwacht. Ik draai om mijn eigen as, de gehele kamer in ogenschouw nemend en op het moment dat ik de natte voetafdruk op het tapijt ontdek, begint Andrea boven te gillen.

Oh shit.

Dit was niet de introductie die ik voor ogen had. Ik had het er eerst met haar over willen hebben, het idee rustig laten landen en haar dan mee naar beneden willen nemen. Dat plan is van tafel en ik kan alleen maar redden wat er te redden valt.

Ik pak de trap met drie treden tegelijk, hoor Andrea opnieuw gillen en vervolgens het geluid van brekend aardewerk. Het komt uit de woonkamer.

‘Kom niet dichterbij! Dit kan niet, het kan niet, je bent niet echt, laat me met RUST!

Andrea barst in een hartverscheurend huilen uit op het moment dat ik door de deuropening storm en mijn maag draait zich om. Voor me, met zijn rug naar me toe, staat een kleine blonde jongen. Hij is naakt en zijn huid glanst van het vocht. Op zijn rechterbil zit een ver­vagende aardbeienvlek en daardoor herken ik hem in één klap als mijn zoon.

Thomas. Ik zak haast door mijn knieën vanwege alle emoties die in me losbarsten – verdriet, verwarring, opluchting en boven alles een over­weldigende vreugde. Alleen kan ik nu even geen aandacht aan mijzelf schenken want Andrea probeert aan de overkant van de kamer zo’n beetje in de muur te kruipen.

Ze heeft haar handen voor haar gezicht geslagen en zit in een bal opgekruld in een hoek van de kamer, achter een bijzettafeltje. De plant die er op stond is door haar bewegingen van de tafel gevallen en de pot ligt aan stukken op de grond. Overal zit aarde, zelfs in Andrea’s haren. Ze snikt, trilt, en probeert zich zo klein mogelijk te maken.

Wanneer ik naast haar neerkniel en probeer haar in mijn armen te nemen, begint ze wild om zich heen te slaan, haar ogen dicht­geknepen.

‘Nee, nee raak me niet aan, je bent niet echt, GA WEG!

‘Liefje, liefje, ik ben het, rustig, het is goed, alles is goed, je verbeeldt het je niet.’ Ik weet niet of ik tot haar doordring.

Ze herkent mijn stem, want ze houdt op met om zich heen slaan en klampt zich in plaats daarvan aan me vast. Haar ogen zijn nog steeds stijf dichtgeknepen en ze snikt en snottert. Ze mompelt iets dat ik pas goed kan verstaan als ik mijn hoofd heel dicht bij het hare breng.

‘Ik word gek ik word gek oh ik word gek …’

Ik grijp haar bij de schouders en dwing haar overeind. ‘Andrea. Andrea! Doe je ogen open. Je wordt niet gek.’

Voor het eerst kijk ik achterom. Naar mijn zoon. Denk ik.

Thomas staat nog op dezelfde plek. Er heeft zich inmiddels een plasje rond zijn voeten verzameld. Er druipt nog steeds vocht van zijn huid. Ik zak met een plof op mijn kont. De volle omvang van deze ervaring dringt zich aan me op. Mijn zoon is opgestaan uit de dood. Of zoiets.

‘Thomas?’

Andrea’s stem is schor en ik kijk opzij. Ze heeft haar ogen geopend en kijkt met angstig opgetrokken schouders naar ons kind. ‘Ik snap het niet. Hoe kan dit? Wat heb je gedaan?’

Dat laatste is aan mij gericht en ik druk haar tegen me aan. Ze duwt me echter van zich af en kijkt me recht in het gezicht. Ik kan haar emoties moeilijk peilen. Verwarring, angst. Boosheid?

‘Dit liep niet helemaal zoals ik het gepland had,’ zeg ik zacht. ‘Ik vertel je zo alles maar eerst… ‘

Ik breek mijn zin af, krabbel overeind en loop naar Thomas, die nog steeds zwijgend in dezelfde positie naar ons staat te kijken. Er is inmiddels overal kippenvel op zijn huid losgebarsten. Ik kijk er met grote ogen naar. Het heeft gewerkt. Voor me staat mijn levende, ademende, het-koud-hebbende zoon. Alles doet het naar behoren. Toch?

Ik zak op mijn hurken voor hem neer en pak een van zijn naar beneden hangende handen. Ze zijn warm en klam. Ik voel zijn zoete adem op mijn gezicht en ineens beginnen de tranen over mijn wangen te stromen. Ik snak naar adem en trek mijn jongen naar me toe in een stevige omhelzing. Hij is nog steeds stil, maar hij ademt, hij voelt warm en oh god hij voelt zo vertrouwd!

 

‘Ho, nee wacht, hé Tom, dat …’ Ik strek mijn handen uit naar het jochie dat aan tafel zit met een hete kop thee in zijn handen. Ik ben te laat.

Tom probeert de mok onhandig terug te schuiven op tafel maar het is alsof zijn dieptezicht ontbreekt – hij mist, en de mok tuimelt van tafel, thee alle kanten op sproeiend. Het hete vocht raakt zijn gezicht en handen, dringt door zijn pyjamabroek en spreidt zich uit op zijn rechterdij. Hij zet het op een krijsen, met lange gierende uithalen, gebalde vuisten naast zijn hoofd, de ogen dichtgeknepen. Dikke tranen persen zich tussen zijn gesloten oogleden door.

Andrea stuift op ons af met een natte theedoek en begint zijn gezicht te deppen. Hij negeert haar, begint wild om zich heen te slaan terwijl ik hem probeer te sussen. Ik hoor Andrea’s stokkende ademhaling naast mijn oor en sluit mijn ogen een moment.

Samen pellen we hem uit zijn pyjamabroek en ook daar spreken de vuurrode vlekken boekdelen. Na een flinke koude douche – Tom is inmiddels tot bedaren gekomen maar worstelt om onder het koude water uit te komen – zitten we nu met zijn drieën terug aan de keukentafel, Tom in een zachte trui en joggingbroek, wij nog in ons ochtendkloffie. De stilte is beladen. Af en toe klinkt er nog een waterige hik. Tom kijkt ons niet aan.

We weten niet goed hoe we het jongetje dat bij ons aan tafel zit moeten noemen. Dat was iets waar ik totaal niet bij stil had gestaan toen ik aan dit onzalige plan begon. “Thomas” voelt verkeerd, maar iets compleet anders ook. Voor nu zijn we op een ongemakkelijke “Tom” geland. Niet dat het veel uitmaakt, want Tom lijkt niet te reageren op wat dan ook.

‘Ik heb hem vanmorgen weer weg moeten halen bij Thomas’ urn.’

Ik kijk op. Andrea’s gezicht is bleek. Ze kijkt niet naar mij. Ze kijkt naar het jongetje dat zo op onze overleden zoon lijkt. Dat zit stil op zijn stoel, zijn handen in zijn schoot. Hij staart naar de nerven in het houten tafelblad. Zijn handen beginnen zo langzamerhand weer aan hun vertrouwde friemeltocht. Tom heeft de neiging om zijn kleding zo snel mogelijk weer uit te trekken. Alleen de zachtere stoffen kan hij wat langer verdragen. We weten niet waarom hij het doet, en omdat hij niet spreekt, kan hij ook geen antwoord geven op onze vragen.

Andrea begint met bruuske bewegingen de borden van tafel te ruimen. Het glaswerk rinkelt als ze het in de afwasmachine propt.

‘Ik wil dat hij daar weg blijft. Het is het enige dat ik nog van Thomas heb en ik ben bang dat hij hem nog eens omgooit of zo. Ik snap dat je wil dat ik hem als onze zoon zie en dat die urn er niet meer toe zou moeten doen, maar…’ Haar stem breekt en ze legt de vorken die ze in haar handen had op het aanrecht. Haar rug is nog steeds naar me toegekeerd. ‘Ik kan het niet, Mark. Hij is niet Thomas, ik weet niet eens wat hij is. Ik snap dat je alles beter wilde maken maar je dacht toch niet echt dat je met dat apparaat beneden Thomas –’ ze zoekt zichtbaar naar woorden – ‘opnieuw zou kunnen maken? Alsof hij een ding was dat je kunt mássaproduceren?’

Haar stem is langzamerhand gestegen en eindigt zowat in een schreeuw.

Ik slik en kijk nog eens naar Tom. Die kijkt nog steeds even onver­stoorbaar voor zich uit. Hij lijkt een levende, ademende wassen pop.

Dat is hij ook, besef ik ineens. Heb ik werkelijk gedacht dat het zo simpel zou zijn? Een beetje DNA, een beetje geavanceerde technologie, en bam, daar heb je een nieuw, denkend, intelligent mens? En dan ook nog een exacte kopie van mijn overleden zoon? Dat is toch niet hoe het werkt?

Maar weten we dan wel hoe het ontstaan van intelligent leven precies werkt? Hoe anders is dit dan een kind dat op een natuurlijke wijze verwekt wordt en in de baarmoeder groeit tot het klaar is om geboren te worden? Waar komen de intelligentie en het bewustzijn vandaan? Dat Tom herinneringen mist, begrijp ik. Verder is alles in zijn lichaam hetzelfde. Dan zou hij toch ook dezelfde persoon moeten zijn? Is het dan misschien een kwestie van geduld? Gaat Tom lang­zamer­hand taal oppikken, gaat hij praten, en alles inhalen als we hem gewoon genoeg stimuleren?

‘Ik was ten einde raad, Andrea. Ik miste Thomas zo ontzettend en met jou ging het elke dag slechter, en toen was er iemand die me hierop wees en ik hoopte, ik wilde gewoon de tijd terugdraaien.’

Ze schudt haar hoofd, haar wenkbrauwen gefronst. ‘Dat kán toch niet, dat snap je toch zelf ook?’

Ze grijpt een mand met speelgoed die in de hoek staat. Hij is gevuld met Thomas’ lievelingsspullen, dat weet ik, want ik heb haar de afgelopen dagen meermaals zien proberen Tom over te halen ermee te spelen. Tevergeefs. Ze grijpt nietsziend in de mand en diept er een beduimeld sprookjesboek uit op. Het boek waaruit we Thomas altijd voorlazen voordat een van ons hem in bed stopte. Het is oud, heel oud, en in niets te vergelijken met de interactieve digiboeken die er tegenwoordig voor jonge kinderen zijn. Maar Thomas was gechar­meerd geweest van het papier, en van het idee dat zijn moeder hier vroeger zelf nog in gelezen had.

Andrea duwt het boek ruw tegen Toms handen. Hij pakt het niet aan. Het botst tegen zijn slappe handen en glijdt vervolgens in zijn schoot. De jongen kijkt er met een lege blik naar.

Andrea’s gezicht vertrekt van verdriet maar ze gaat door. De houten speelgoedtrein waar hij zo dol op was, ook al was hij er eigenlijk net iets te oud voor. Zijn Pixie Peppermint knuffel, behoorlijk afgeragd en één arm missend. Als we die ergens vergaten, was het huis te klein en konden we rechtsomkeert, want anders zou Thomas niet slapen die nacht. En wij dus ook niet.

Andrea drukt de knuffel zowat in Tom zijn gezicht. Die vertrekt geen spier, en het figuurtje glijdt langzaam in zijn schoot bij de andere speelgoedartikelen.

De tranen lopen inmiddels over haar wangen en ze heft haar arm, op het punt om met het volgende item – een simpele spelcomputer – te gaan smijten. Een moment lang denk ik dat ze het echt zal gaan doen en ik schuif mijn stoel gehaast naar achteren, maar ze stopt zichzelf en laat de computer met een vertwijfelde blik uit haar hand vallen. Het ding knalt aan haar voeten in scherven, de elektronica springt alle kanten op. Met een gesmoorde kreet draait ze zich om en rent de keuken uit. Ik hoor haar voetstappen de trap oproffelen en de slaapkamerdeur hard dichtslaan.

Ik ren achter haar aan, Tom in zijn eentje aan de keukentafel achter­latend. Ze heeft de slaapkamerdeur op slot gedraaid. Ik hoor haar snikken. Vertwijfeld zak ik tegen de muur naar beneden tot ik op de grond zit. Ik sla mijn handen voor mijn gezicht en voel de hitte in mijn wangen, de tranen in mijn ogen. Wat heb ik er een puinhoop van gemaakt.

 

Het is nog vroeg als ik op mijn fiets naar het werk stap. Vandaag is de eerste dag na een verlofperiode van drie weken dat ik weer naar mijn werk ga. Toen ik vanmorgen wegging, was dat met een knoop in mijn maag, maar Andrea schoof me zo ongeveer de deur uit.

De situatie tussen haar en mij is in de afgelopen weken niet bepaald verbeterd.

Haar woorden blijven in mijn hoofd nagalmen. ‘Je hebt alles alleen maar erger gemaakt. Ik moet nu niet alleen mijn verdriet om Thomas nog verwerken, je hebt me ook opgezadeld met zijn evenbeeld. Een ding waar ik de hele dag tegen aan moet kijken, voor moet zorgen. Ik kan niet eens voor mezelf zorgen!’

We hebben Tom angstvallig buiten zicht van de buren gehouden – want hoe verklaar je een kind dat plotseling uit de lucht is komen vallen? Daarnaast griezelt Andrea van het kind. Ik weet niet precies waarom, want Tom is net een grote levende ademende homp klei. Die zou nog geen vlieg kwaad doen. Sterker nog, hij weet nog niet eens wat een vlieg is. Hij praat niet, hij eet niet uit zichzelf, en we moeten hem constant verschonen, want het concept van een toilet krijgen we hem ook niet aangeleerd. Hij gedraagt zich als een baby in het lichaam van een zesjarige – en dat is hij natuurlijk ook. Ik hoop nog steeds dat hij met genoeg stimulatie gewoon weer dezelfde Thomas – Tom? – wordt als eerst. Daarvoor moeten we wel geduld hebben. En ik weet niet of Andrea dat aankan.

Ze gedraagt zich of ik haar heb opgezadeld met een mislukt weten­schappelijk experiment. Eentje dat ademt en leeft maar waar geen ziel in zit. Ik weet gewoon niet meer wat ik moet doen. Toen ik die printer aan het werk zette, had ik een van twee uitkomsten verwacht: ofwel het hele gebeuren zou compleet mislukken, ofwel het zou totaal slagen. Ik had totaal geen rekening gehouden met dit halfbakken product, en hoe ontzettend pijnlijk dat resultaat zou zijn. Hier zijn we dan en we zitten met Tom opgescheept. We kunnen hem moeilijk ergens midden in een bos achterlaten en vergeten.

Hij schuifelt de hele dag achter Andrea aan, tot in de nacht aan toe. Ze heeft me al meerdere malen gillend wakker gemaakt omdat hij naast haar bed stond, haar aanstarend in de duisternis. We weten niet goed wat zijn fascinatie met specifiek haar is, want hij kan het ons ook niet vertellen.

Ik zie het als een onschuldige obsessie van een nu nog gehandicapt kind. Andrea krijgt er de rillingen van.

Daarnaast is hij niet weg te slaan bij Thomas’ gedenkhoekje. Andrea heeft hem al een aantal keer betrapt met de urn in zijn handen en hem er hardhandig bij weggehaald. Tot nu toe heeft ze echter geweigerd het plekje op te ruimen.

En toch wilde ze dat ik vanmorgen weer ging werken. Ik heb het gevoel dat ze mijn nabijheid op dit moment slecht kan verdragen. Iedere keer als ik er aan denk, branden de tranen in mijn keel. Ik weet niet hoe ik dit ooit nog goed kan maken.

Er valt een hand op mijn schouder en ik schiet zichtbaar omhoog in mijn stoel. ‘Wow man, chill! Wat is er aan de hand, joh?’

Richard kijkt zichtbaar bezorgd naar me. ‘Als je er nog niet klaar voor was, had je beter niet terug kunnen komen. Je weet dat je de ruimte krijgt om alles op een rijtje te zetten, toch?’

Ik sta op en trek hem mee naar de pantry waar op dit moment niemand is. Daar begin ik op en neer te ijsberen in de kleine ruimte die het keukentje biedt.

Richard staat met zijn rug tegen het aanrecht geleund en zegt niets.

Ik besluit het hoge woord er uit te gooien. ‘Ik ben op die website gaan kijken. Je weet wel, van dat kaartje dat je me gaf. En nou ja, ehm … ik ben erop ingegaan.’

‘Holy fuck, echt? Wat gebeurde er?’

Na enige aarzeling vertel ik hem het hele verhaal. We zijn er inmiddels bij gaan zitten op de metalen stoeltjes die aan de muur vastgeklonken zitten. Ik probeer Richard uit te leggen hoe ik denk dat Tom in principe niets anders is dan een pasgeboren baby, en dat we met geduld en stimulatie een heel eind gaan komen. En dat Andrea daar niets van wil horen.

Ik schud mijn hoofd. ‘Ik begrijp het niet. Ik dacht dat ik haar Thomas terug zou geven. Dat ze daar blij mee zou zijn. Ik had me niet gerealiseerd dat het nieuwe kind alles helemaal opnieuw zou moeten leren maar dan nog, ik heb haar ons kind teruggegeven.’

Richard kijkt me aan of ik gek geworden ben. ‘Toen ik je dat kaartje gaf, dacht ik dat je op zijn minst met je vrouw zou overleggen. Dat heb je dus helemaal niet gedaan?’

Ik sla mijn ogen neer. Het tafelblad tussen ons in is van hetzelfde metaal als de stoeltjes en ik teken er afwezig met mijn wijsvinger figuurtjes op. ‘Nee,’ zeg ik zacht. ‘Ze zat zo in de put dat ik niet meer wist hoe ik het er met haar over moest hebben. We kunnen er niet meer over praten met elkaar. Ik wil het over Thomas hebben en het enige dat zij kan doen is weglopen en kotsen op de wc, dus ik heb het op eigen houtje gedaan. Ik dacht toch niet dat het zou lukken en zo zou ik haar ook een enorme teleurstelling besparen. Het is helemaal fout gelopen.’

Richard heft zijn handen op in consternatie. ‘Jezus Mark, snap je het dan niet? Het is net of je haar ongevraagd zwanger hebt gemaakt en dat ze nu met een nieuwe baby zit ter vervanging van je dode kind. Een baby die ze helemaal niet wil. Shit man, als ik dit had geweten had ik je dat kaartje nooit gegeven.’

Ik krimp ineen bij de gedachte. Het zou niet bij me opgekomen zijn om het in dit stadium al te hebben met Andrea over een eventuele nieuwe zwangerschap. Dat zou veel te pijnlijk zijn. Maar eigenlijk is dat precies wat ik gedaan heb, zij het op een totaal andere manier. Ik sla mijn hand voor mijn mond.

‘En ze is nu thuis?’ vraagt Richard. ‘Met het nieuwe kind?’

‘Ja,’ mompel ik. ‘Ik wilde er eigenlijk nog een week vakantie aan plakken maar ze stond erop dat ik weer ging werken. Ze zou vandaag proberen om Tom voor het eerst mee naar buiten te nemen. Naar Blijdorp. Kwallen kijken. Daar was ie zo dol op, daar waren we voordat… je weet wel.’ Mijn stem breekt. Ik moet moeite doen de tranen binnen te houden. Ik ben zo ontzettend moe.

‘Was dat nou wel zo’n goed idee? Het klinkt allemaal niet alsof ze heel erg lang alleen moet zijn met dat joch. Ik vind echt dat je weer naar huis moet gaan. Meld jezelf anders ziek of zo. Wij redden het hier echt wel en anders bel ik Mikel wel op, die zit toch tussen opdrachten op het moment.’

Richard trekt me met zachte dwang overeind. Ik denk wel dat hij gelijk heeft, dus ik knik lamlendig en trek mijn jas aan. Mijn bureau is nog steeds keurig opgeruimd. Het is niet alsof ze me hier gaan missen.

 

Tijdens mijn fietstocht naar huis probeer ik Andrea te bereiken op haar telefoon, maar ze neemt niet op. Ik weet niet of ik me daar zorgen om moet maken – misschien loopt ze op de tentoonstelling en hoort ze het geluid niet. Toch zet ik nog een beetje aan op de fiets­snelweg die me naar huis brengt. Richards woorden spoken door mijn hoofd. Hoe heb ik zo onnadenkend kunnen handelen?

Als ik de straat in draai en in de verte de auto op de oprit zie staan, begint mijn hart in mijn keel te bonken. Het is heel rustig op straat, de wind jaagt de herfstbladeren op en strooit ze uit over de grond. Dit is zoals mijn ouders vroeger “een nette buurt” plachten te noemen, met ver uit elkaar liggende huizen, keurig bijgehouden voortuinen, netjes geharkte opritten en forse carports. Overdag kun je er een speld horen vallen.

Ik zet mijn fiets met een zwaai tegen de zijmuur van ons huis en laat vervolgens mijn hand over de motorkap van de auto glijden. Koud. Andrea is niet weggeweest, of in ieder geval niet recent. Het feit dat ze haar telefoon niet beantwoordde, wordt ineens een heel stuk onheil­spellender. Ik probeer dat gevoel te onderdrukken. Misschien slaapt ze? Maar wie let er dan op Tom?

Er hangt een onbehaaglijke stilte rond het huis. De rond­dwarrelende bladeren van de rode beuk in onze voortuin zijn tegen de mat en de voordeur geblazen. Natuurlijk zegt dat niks, dat gebeurt elke dag in de herfst, maar ik lees er ineens een heel naar voorteken in. Het huis voelt verlaten en koud, doods. Het doet me rillen. Ik houd mijn smartwatch tegen de deur en die klikt open.

‘Andrea?’

Niets. Zijn ze met het openbaar vervoer? Er is een trans-city verbinding naar Rotterdam. Ik kan me alleen niet voorstellen dat ze Tom heeft willen blootstellen aan zoveel mensen in een kleine ruimte. De tentoonstelling, daar kan ze nog weg zodra ze dat wil, maar een trein?

Ik hang mijn jas op in de voorhal, waarbij me opvalt dat zowel Andrea’s jas als het jasje van Thomas dat we uit zijn kast hebben gehaald niet aan de kapstok hangen. Oké. Ze zijn dus toch weg. Ik sluit mijn ogen en laat mijn adem ontsnappen. Ik had niet eens in de gaten dat ik die ingehouden had. Mijn hartslag neemt ook weer een enigszins normale snelheid aan. Tot ik de deur naar de woonkamer openduw.

Ik registreer twee dingen tegelijk: Thomas’ gedenkhoekje ligt in puin, en er hangt een zware, benauwde geur in de kamer die ik maar al te goed ken. Organisch, metalig. De geur roept onmiddellijk beelden bij me op die ik al deze tijd zo hard heb geprobeerd te onderdrukken. De auto op zijn kant, Andrea boven me, gevangen in de gordels, haar ogen gesloten. Een bubbelend geluid vanaf wat ooit de achterbank van de auto was. Het is Thomas die vergeefs probeert adem te halen maar verdrinkt in zijn eigen bloed. Rode spatten aan de binnenkant van de auto. Een andere automobilist die is uitgestapt zodra het hele systeem stilviel, en wanhopig op de voorruit bonkt. Flarden van indrukken komen weer voorbij, net zoals ze dat ‘s nachts doen als ik probeer in slaap te vallen. En als ik dan eindelijk slaap, dan gaan de beelden net zo hard door in mijn dromen.

Bloed. Dat ruik ik. Bloed. Ik zal die geur mijn hele leven lang uit duizenden herkennen.

Ik raak in paniek. Kijk wild om me heen. Zie van alles in een flits en niets van wat me opvalt is goed. Andrea’s jas en Thomas’ jasje op de leuning van de bank. Een half ingepakte tas eronder op de grond, omgevallen. Ik zie een kam, Andrea’s portefeuille, een kapotgetrapt spiegeltje. Thomas’ urn ligt in stukken op de vloer, de grijze as in een uitgespreid hoopje rondom en op de scherven. Er staat een blote voetafdruk in. Ik word misselijk bij de aanblik van de resten van mijn zoon. Thomas. Thomas?

Tom! Waar is Tom? Waar komt die afschuwelijke geur vandaan?

In de keuken, die aan de woonkamer grenst, vind ik niemand. Een zak met boterhammen ligt nog op het aanrecht, de pot met pindakaas er naast. Een potje babyvoeding waar mijn hart van omdraait. Een appel in twee helften, de ene helft al in kleine stukjes gesneden. De resten van een ontbijtbordje knerpen onder mijn schoenzolen. Geen bloed. Niemand te zien. Waar zijn ze?

‘Andrea! Tom!’ Het is geen vraag meer, het is een schreeuw.

Stilte.

Ik haast me terug door de keuken naar de woonkamer, pak de andere deur die naar de hal en de trap naar boven leidt. En blijf als aan de grond genageld staan.

Tom ligt als een verfrommelde lappenpop op de eerste treden van de trap naar boven. De muur, de treden, de leuning, alles kleeft van het bloed. Het zit tegen de muur gespoten en is in dikke druppels naar beneden gedropen. Handafdrukken, grote en kleine, zijn uitgesmeerd over de trap en het gips op de muur.

Ik zak door mijn knieën. Ze zijn op dit moment niet meer in staat me te dragen. Het enige dat ik kan doen, is focussen op mijn ademhaling en zorgen dat ik niet ter plekke tegen de vlakte ga. Ik hoor een laag gekreun en een moment denk ik dat het Tom is, tot ik besef dat het uit mijn eigen mond komt.

Op mijn knieën kruip ik tot aan het begin van de trap en grijp Toms uitgestrekte hand. Hij is koud en overduidelijk dood. Hij is in zijn hals gestoken, ligt half scheefgezakt tegen de muur, zijn blonde haren besmeurd met bloed, zijn ogen – god zij dank – gesloten. Ik begin een vermoeden te krijgen van wat er is gebeurd. De urn, de resten lunchpakket in de keuken. Het appeltje in stukjes, maar geen mes te zien.

‘Andrea!’ schreeuw ik. Eigenlijk weet ik al dat ik geen antwoord zal krijgen. Ik trek het kleine lijfje van het kind tegen me aan en jank van ellende.

Het duurt een hele tijd voor ik een beetje bij mijn positieven kom. Ik heb Tom nog steeds tegen me aangedrukt. Voorzichtig sta ik op en loop met hem in mijn armen naar de woonkamer, waar ik hem op de bank neerleg. Ik probeer niet te kijken naar de afschuwelijke verwon­dingen in zijn hals, en trek zijn armen en benen recht zodat hij er in ieder geval een beetje netjes bij ligt. Dat voelt belangrijk op dit moment.

Dan loop ik naar boven. Mijn schoenen blijven plakken aan het kleverige oppervlak van de trap. De worsteling die hier heeft plaats­gevonden heeft zijn sporen achtergelaten.

De urn. Tom wist er maar niet van af te blijven en vanmorgen is dan eindelijk gebeurd waar Andrea al die tijd zo bang voor was – hij heeft hem van het tafeltje afgestoten. En Andrea… Oh Andrea…

Ik wil niet naar boven. Ik denk dat ik weet wat ik ga vinden en mijn geest heeft de neiging om er voor weg te vluchten, de deur open te trekken, de fiets te pakken en voorgoed uit deze straat weg te fietsen. Maakt niet uit waarheen.

Maar mijn lichaam loopt door, alsof het aan onzichtbare touwtjes zit die me onontkoombaar naar boven trekken. De deur naar de badkamer staat open, en er zitten versmeerde handafdrukken naast de klink en de lade van de badkamerkast is nog half open. Ook hier roestbruine vingerafdrukken en spetters. Ik begraaf mijn handen in mijn haar. Mijn ademhaling gaat moeilijk. Ik wil dit niet. Wil dit niet. Maar ik moet.

Ik vind haar precies waar ik haar had verwacht. Op het bed, net opgemaakt met schoon spierwit beddengoed dat nog heerlijk naar wasverzachter ruikt. Het is een enorm contrast met de geur beneden in het huis en de aanblik van haar lichaam dat half op haar buik ligt. Ik kan een deel van haar gezicht zien. Haar ogen zijn halfopen en staren in het niets. Haar wang is bespetterd met bloeddruppels. Niet haar bloed. Haar mond zit vol braaksel waar ze ongetwijfeld in gestikt is.

Het keukenmes ligt naast het bed. Ernaast ligt een verfrommeld briefje. Overal over de vloer liggen pillen verspreid. De slaappillen die ze zo nodig had, en de antidepressiva. Een lege fles whisky. Mijn Lagavulin.

Ik laat me onderuit zakken tegen de muur onder het raam, naast het bed. Mijn hoofd tolt. Ik probeer genoeg adem binnen te krijgen en hoor hoe de lucht in en uit mijn keel zaagt. Een hele rits aan herinneringen komt voorbij, Andrea in het kraambed met de pas­geboren Thomas op haar borst, wij samen op de fiets op Texel tijdens een zomervakantie, wakker worden op zondagochtend met de zon op ons gezicht, Thomas rennend door de heidevelden op een zaterdag­ochtend niet eens zo lang geleden, samen boodschappen doen waarbij ik een schaterende Thomas op mijn heup zwaai en Andrea naar ons beiden grijnst.

Ze zeggen dat dit gebeurt als je verdrinkt, dat je hele leven aan je voorbijflitst. Ik voel me ook alsof ik verdrink, alsof ik naar adem lig te happen op het droge maar langzaam stik.

Op het briefje staan een paar beverige woorden. “Ik wilde dit niet. Het spijt me.”

 

De tuin is heel donker. Het regent, en de bewolking onttrekt de sterren en maan aan het zicht. Het moet ergens in de buurt van volle maan zijn. Er is niets van te zien.

Ik staar door de ramen van de keukendeur naar de bomen achter aan het perceel. Ik zie niets, maar ik weet dat daar de pas omgewoelde aarde nog zichtbaar is. Deze wijk is zo rustig en de huizen liggen zo van elkaar verspreid dat ik niet denk dat iemand mijn graafwerk­zaamheden heeft opgemerkt. Morgen leg ik de graszoden terug. Op dit moment kan ik niets anders doen dan staren.

Ik voel me verdoofd. Het huis is weer schoon en alles ruikt vaag naar bleekmiddel. Boven staat een was te draaien met het bevuilde beddengoed en mijn besmeurde kleding erin. Mijn hele lijf doet pijn van alle zware werkzaamheden die ik vandaag heb moeten verrichten, maar ik denk dat ik nu wel zo’n beetje klaar ben. Ik heb zelfs net mijn ontslagbrief verzonden.

Het is tijd om naar beneden te gaan.

 

De twee doosjes liggen klaar. Het restant haar van Thomas. Een lok bruine krullen van Andrea. De printer zoemt. Ik druk op de knop.

Share Buttons

Categories