De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Jaar » 2021 » De put, de weg en de sterren – Mike Jansen

De put, de weg en de sterren – Mike Jansen

 

Now, I’m not saying it was aliens, but… it was aliens…

 

Voor de zoveelste keer vroeg Hans Hoekstra zich af hoe hij zo gek was geweest in te gaan op de uitnodiging van het SFC, Gliese 876 te bezoeken. Hij legde zijn beduimelde eerste druk van Wilde’s ‘The importance of being Earnest’ naast zich neer en staarde naar het quantumgordijn – een niets zo diep dat het aan je ogen trok – dat het schip omsloot. Daarmee was het schip hermetisch afgesloten van de rest van het universum terwijl de Alcubierre aandrijving de ruimte om hen heen vervormde.

Al met al duurde de reis toch bijna vijf jaar, waarvan hij er zo’n drie in diepslaap zou doorbrengen. Hij telde de dagen al af dat het zijn beurt zou zijn. De scheepsbibliotheek bevatte meer boeken dan hij ooit zou kunnen lezen, maar zijn interesse ging met name uit naar metamaterialen, superkritische plasma’s en exotische kristal­structuren. Daar was niet zoveel van te vinden en de helft had hij zelf geschreven.

De dag dat de heer Smith zijn kantoor instapte, vergezeld door August Renard, de CEO van MetaLes Inc., lag nog vers in zijn geheugen. Het was de dag die zijn leven eerst in een stroom­versnelling wierp en hem vervolgens liet stranden in de Space Force 22 op weg naar Gliese 876.

‘Hans,’ begon August Renard, ‘mag ik je even voorstellen aan meneer Smith, van Space Force Command? Hij heeft een voorstel.’

Hans keek op van zijn elektronenmicroscoop en knipperde even. ‘Voorstel? Iets commercieels?’

Renard schudde zijn grijze hoofd. ‘Iets veel belangrijkers. Hoewel MetaLes er niet slechter van zal worden.’

Hans richtte zich tot zijn bezoeker, een man van middelbare leeftijd met een hoekig gezicht en strak achterovergekamde donkere haren. Een van zijn ogen was duidelijk een implantaat, Hans herkende de Ono Sendai meteen. ‘Mijn nieuwe kristal­structuren kunnen wel even wachten, denk ik. Wat kan ik voor u betekenen, meneer Smith?’

De stem van de bezoeker was glad en gepolijst, iemand die gewend was een menigte toe te spreken. En te beroeren en controleren. Hans voelde een lichte huivering over zijn rug trekken. ‘Ik heb een aantal foto’s voor u om te bestuderen.’

Hans knikte. ‘Goed, zet ze maar even op het bord.’ Hij gebaarde naar het werkscherm dat de wand vulde.

Meneer Smith glimlachte. ‘Voor echt gevoelig materiaal gebruiken we ouderwets papier, meneer Hoekstra.’ Hij haalde een envelop uit zijn binnenzak en overhandigde die.

Hans voelde in de envelop. Er zaten drie of vier vellen in. Hij haalde de eerste eruit en bekeek die. Een frons verscheen op zijn gezicht. Hij pakte de volgende foto en legde die naast de eerste. Daarna trok hij gehaast de andere foto’s uit de envelop.

‘Is dit een grap? Een hoax?’

Smith glimlachte en schudde zacht zijn hoofd. ‘Dit is wat we aantroffen toen de eerste expeditie Gliese 876 aandeed.’

‘Nee, dat klopt niet. Ik herinner me nog de ophef toen Space Force aankondigde dat we een schip naar die ster zouden sturen. Er is daar hoegenaamd niets. Ik vond de uitleg dat het als opstap voor verder gelegen sterren zou moeten dienen ook al slap.’

‘We moesten iets,’ zei meneer Smith. ‘Een paar jaar eerder waren robotverkenners in het stelsel aangekomen. Zij hebben deze foto genomen. En daarom zijn we naar Gliese 876 gereisd.’

Hans voelde weer een huivering over zijn rug. Deze keer een van opwinding bij het zien van de overduidelijk niet menselijke structuur die boven de planeet hing, met de rode zon als hemel­vullende aanwezigheid. Hij vouwde zijn handen in elkaar. ‘U zei iets over een voorstel. Heeft dat hiermee te maken?’

Smith knikte. ‘We denken dat uw kennis op Gliese van pas kan komen.’

Hans lachte. ‘Geen haar op mijn hoofd. Ik heb hier te veel te doen. We hebben acht nieuwe producten op stapel staan dus de komende jaren ben ik volgeboekt…’

‘Ahem,’ onderbrak August Renard het gesprek. ‘Hans, voor de productie-optimalisaties hebben we genoeg mensen. En met Space Force als nieuwste klant voor MetaLes gaan er deuren open. De voorwaarde is wel dat jij meegaat met het eerstvolgende schip richting Gliese.’

Hans keek van Smith naar Renard. ‘Jullie hebben dit al van tevoren besproken, nietwaar? Dit is daadwerkelijk het voorstel.’ Hij snoof en schudde zijn hoofd. ‘Dan wil ik een salarisverdubbeling en tien procent in MetaLes Inc. Anders gaat het feest niet door.’ Hij wist dat hij een onredelijke eis stelde, maar hij voelde er weinig voor ingelijfd te worden door Space Force en op transport naar een wereld vijftien lichtjaar verderop te worden gezet.

‘Goed, afgesproken,’ zei August Renard. ‘De papieren liggen over een uur klaar om te tekenen.’

‘Uitstekend,’ zei meneer Smith. Hij schudde Renard de hand. ‘Prettig zaken met u te doen.’

‘Insgelijks,’ zei August Renard.

Smith knikte naar Hans. ‘Om negen uur morgenochtend, stipt, wordt u thuis opgehaald. Neem zo min mogelijk bagage mee.’ Hij pakte de foto’s en liet ze in de envelop glijden. Hij glimlachte nog even. ‘En mondje dicht. Dit alles is topgeheim.’

De twee mannen verlieten zijn kantoor en lieten Hans volledig confuus achter. Tijd om goed na te denken was er niet en een uur later had hij inderdaad de getekende contracten op zak. Tijd om na te denken kwam er nog voldoende, besefte hij.

 

***

 

Hans rekte zich uit in zijn cocon. Het witte licht om hem heen was rustgevend. Hij dacht dat hij even zijn ogen gesloten had, maar een blik opzij naar het instrumentenpaneel toonde hem dat er drie volle jaren voorbij waren gegaan.

Hij reikte naar de alarmknop en merkte dat zijn spieren onwillig waren. Ondanks regelmatige stimulatie vond er toch een zekere atrofie plaats. Het was een extra bevestiging dat hij inderdaad geslapen had.

Zijn cocon vouwde zich open.

Naast hem stond Ogilvy Mnembe, een van de scheepsdokters. ‘Hoe voel je je? Niet duizelig?’

Hans kwam overeind. ‘Het valt mee. Ik heb honger.’

‘Goed teken,’ zei Ogilvy. Hij hielp Hans verder overeind en bleef wachten tot hij zijn uniform had aangetrokken. ‘Red je het naar de kombuis?’

Hans rekte zich nog een keer uit. ‘Ik denk het wel.’ Voorzichtig schuifelde hij de slaapruimte uit. Gelukkig was de zwaartekracht in het schip laag. De singulariteit in het hart van het schip was niet zwaar genoeg voor aardse g-kracht.

Hij haalde een bord met broodjes, beleg en een kom met een rijkgevulde maaltijdsalade. Eenzaam aan een tafel zat de kapitein van de Space Force 22, Laura Magnussen die een kleine kom tomatensoep voor zich had.

‘Bezwaar als ik erbij kom?’

Kapitein Magnussen knikte kort naar de stoel tegenover haar.

Hans zette zijn bord en kom neer en ging zitten. ‘Net wakker, ik kan een paard op. Is er nog nieuws?’

‘Dat is een goed teken, honger. Het enige nieuws dat ik heb is dat onze laatste passagier net wakker is geworden en nu tegenover me zit.’ Kapitein Magnussen glimlachte flauw en nam een hap van haar soep.

‘Ik bedoel, van Aarde, of van Gliese?’

De kapitein haalde haar schouders op. ‘De Alcubierre bubbel verhindert enig contact met het universum. Iets met de wetten op behoud van informatie.’

‘Wacht, daar heb ik iets over gelezen, ja.’ Hans nam een hap van een broodje. Zijn mond deed bijna pijn van de smaken die hij proefde. Hij zuchtte en begon rustig te kauwen. Hij slikte en vroeg: ‘Hoe lang voor we bij de planeet zijn?’

‘Ongeveer twee weken. We kunnen niet te dicht in de buurt van de zon komen en de planeet is nu eenmaal uitermate dicht bij de ster.’

‘Ik begin toch wel nieuwsgierig te worden. Heeft u de binnenste planeet eerder gezien?’

Kapitein Magnussen schudde haar hoofd. ‘Dit is mijn eerste reis naar Gliese 876. Ik heb wel Alpha Centauri en Barnards ster bezocht. Als u het niet erg vindt, ik heb wel een vraag voor u.’

‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Waarom vervoer ik een burger naar Gliese? U bent de eerste. Van mijn collega’s ook nooit iets over passagiers gehoord. Wat maakt u bijzonder?’

Hans dacht even na en herinnerde zich de woorden van meneer Smith in zijn kantoor: dit alles is topgeheim. ‘Ik… heb kennis die Space Force noodzakelijk vond op locatie te hebben.’

‘Werkelijk? Mag ik vragen wat uw achtergrond is? De scheeps­computer heeft bar weinig informatie over u.’ Ze nam nog een hap soep. ‘Dat baart me… zorgen, als u begrijpt wat ik bedoel.’ Ze keek hem indringend aan.

Hans knikte. ‘Begrijpelijk. Ik ben deskundig op het gebied van meta­materialen, exotische kristalstructuren en superkritische plasma’s.’ Hij keek om zich heen. ‘Ik vermoed dat onderdelen van dit schip met mijn uitvindingen gemaakt zijn.’

De kapitein haalde diep adem. ‘Dat vertelt me nog steeds niet veel over de reden om juist u naar Gliese te transporteren.’

Hans boog zijn hoofd. ‘Ik kan u helaas niet meer vertellen.’ Hij keek weer omhoog en zag ineens begrip in haar gezicht.

‘Ik begrijp het, meneer Hoekstra. Dan moet alles maar over twee weken duidelijk worden.’

‘Dat zal het zeker, kapitein, reken er maar op.’

De rest van de maaltijd zwegen ze.

 

***

 

De rode schijf van Gliese 876 vulde het scherm van het observatie­dek. De quantumgordijnen waren een paar dagen eerder uitgeschakeld en het schip bevond zich op dat moment op enkele astronomische eenheden van de binnenplaneten.

Gedurende de volgende dagen passeerden ze een van de gasreuzen, Gliese 876c, en naderden planeet 876d, terwijl de zon steeds meer van het uitzicht in beslag nam.

Hans werkte aan berekeningen van een paar nieuwe kristal­structuren die hij bedacht had. Hij werkte vaak heel intuïtief met verschillende materialen, met bepaalde functies op het oog, die hij dan later valideerde aan de hand van de ingewikkelde formules en wetten die in zijn vakgebied golden. Pas wanneer alles berekend en geverifieerd was, kon hij de daadwerkelijke materialen laten maken, een proces dat ondanks jaren automatisering en verbeteringen nog steeds exorbitant duur was.

Een berichtje van de kapitein op zijn scherm verzocht hem naar de brug te komen.

Het uitzicht op de brug was minder spectaculair dan op het observatie­dek, maar de telemetrie die over het beeld was geplaatst, was des te interessanter.

876d stond geïsoleerd op het scherm, met allerlei tekst eromheen.

Hans ging naast de kapitein staan. ‘Nu weet u het ook.’

Kapitein Magnussen zat met gevouwen handen en staarde naar het scherm. ‘Ik heb wel wat meegemaakt. Dit is uiterst onverwacht.’

Hans snoof even. ‘Ik loop hier al jaren mee rond. Om de een of andere reden denkt Space Force Command dat ik antwoorden op vragen heb.’

‘Dat hoop ik dan maar,’ zei kapitein Magnussen. ‘Het heelal zit vol verrassingen. De meeste daarvan zijn dodelijk. Ik hou niet van verrassingen.’

‘Is er al contact met de basis?’

De kapitein knikte. ‘Gouverneur Assange heeft ons al welkom geheten. Ik verwacht ook nog bericht van generaal Haygrove en administrateur Pulsimore.’

‘Is dat gebruikelijk?’ vroeg Hans.

‘Ongeschreven protocol. Als een van hen geen bericht stuurt, is er een mogelijke vijandige inval geweest, of een andersoortige infiltratie.’

‘Dat… is eigenlijk wel slim,’ zei Hans.

Kapitein Magnussen grinnikte. ‘Het is paranoïde als je nog nooit iemand bent tegengekomen in de oneindige leegte.’ Ze knikte naar het scherm. ‘Dit verandert alles. Dit betekent dat we niet alleen zijn.’

Hans liep naar voren tot vlakbij het scherm. ‘Kan dit nog vergroot worden?’

‘Natuurlijk,’ zei de kapitein. Ze speelde met haar vingers over de console in de armleuning van haar stoel en het beeld sprong naar voren. Ze stond op en kwam naast Hans staan.

‘U heeft hier jaren over kunnen nadenken en dromen, meneer Hoekstra. Wat is uw mening hierover?’

Hans vouwde zijn armen over elkaar. ‘Het is een zonneschild. Maar niet zomaar een schild, meer een filter.’ Hij kwam met zijn hoofd tot nog geen centimeter van het schermoppervlak. ‘Je ziet schaduwen op de zonzijde als je goed kijkt.’

Kapitein Magnussen bracht haar hoofd net zo dichtbij het scherm als Hans. ‘De achterkant zou in eeuwige duisternis gehuld moeten zijn, een ijswoestijn op zijn best. Toch zie ik ook daar schaduwen. En geen ijs.’

‘Kan deze telemetrie ook chlorofyl meten?’ vroeg Hans.

De kapitein knikte langzaam en liep vervolgens terug naar haar stoel. Het beeld op het scherm verkleurde.

Hans floot. ‘Kijk toch eens. Over de hele planeet vindt fotosynthese plaats.’ Hij prikte met zijn vinger op het scherm. ‘Allemaal door dat scherm. En dit…’ hij wees op een spierwitte streep op het scherm die van zonneschild naar de planeet liep. ‘Dit is denk ik waarom ik hierheen ben gehaald.’

‘Wat is dat?’

‘Die informatie heb ik niet. Het straalt licht uit, duidelijk. Maar het is iets anders, iets bijzonders. Het komt van het schild en raakt de planeet, precies op het punt dat loodrecht naar de zon gericht staat. Maar het komt niet uit de planeet aan de andere kant. Dus waar gaat het heen?’

Kapitein Magnussen ging weer in haar stoel zitten. ‘We naderen basisstation Zeta. Daar worden we opgewacht door een delegatie van Star Force.’

Een uur later zweefde het schip zachtjes het magnetische dok in.

 

***

 

De ontvangst was magertjes. Op het uitgeschoven landingsplatform stond een slanke, kleine vrouw in een sarong, vergezeld door twee Space Force mariniers, dat was het.

‘Administrateur Pulsimore,’ groette kapitein Magnussen de andere vrouw.

‘Kapitein.’ De administrateur knikte kort en keek toen vol interesse naar Hans. ‘En dit moet haast wel de materiaaldeskundige zijn.’

Hans maakte een korte buiging. ‘Hans Hoekstra, administrateur. Het is me een genoegen.’ Hij had moeite zijn ogen van de omgeving af te houden. Het station was sterk utilitair ingericht, maar op sommige punten waren details zichtbaar die zijn patroon­herken­nend brein interessant vond.

De administrateur volgde zijn ogen. ‘Ziet u iets bijzonders, meneer Hoekstra?’

Hij voelde zich betrapt. ‘Excuses, administrateur. Het viel me op dat de verstevigingsbalken van de spaken op gulden snede afstand zijn bevestigd. In deze configuratie doet het me denken aan een ytterbium-silica-benzoïde kristal. Onverwoestbaar sterk, behalve…’ Hij wees naar twee uiteinden van de structuur. ‘…wanneer je daar en daar tegelijk negatieve kracht uitoefent, kan een deel van de spaken losraken.’ Hij zag dat de administrateur hem met grote ogen aankeek en hij voelde zijn wangen warm worden. ‘Ahem, ik kan er natuurlijk ook helemaal naast zitten.’

‘U bent duidelijk een expert op… zekere gebieden, meneer Hoekstra, dat is onmiskenbaar. Star Force Command heeft me gevraagd u te informeren over uw opdracht wanneer u op 876d geland bent.’ Ze draaide zich om en liep weg, terwijl ze zei: ‘Ik heb een kamer gereserveerd voor ons, volgt u?’

Hans zette een stap naar voren. Hij merkte dat kapitein Magnussen stil bleef staan. ‘Gaat u niet mee?’

De kapitein glimlachte. ‘Ik geloof niet dat ik ben uitgenodigd. Alleen met de administrateur, meneer Hoekstra, wees maar voorzichtig.’ Ze knikte, draaide zich richting het schip en keerde met kordate passen terug.

Hans haalde zijn schouders op en volgde de administrateur.

 

‘Gliese 876d is de grootste puzzel voor de mensheid sinds Alcubierre de informatiebehoudwetten wist te manipuleren.’ Op de wand in de vergaderzaal verscheen een diagram van de planeet met het zonneschild.

‘Het materiaal van het schild is extreem hard en taai, maar we hebben het kunnen onderzoeken. Een kristalmatrix van beryllium en koolstof met daarin gevangen argonmoleculen die onder invloed van zonlicht superkritisch worden. Er lijkt met een soort quantum­excitatie te worden gespeeld die energie langs de kristalstructuren stuurt.’

‘Ik zie het,’ zei Hans. Hij liep de vergelijkingen op de muur langs terwijl hij het resultaat van waarschijnlijk jaren onderzoek op zich in liet werken. ‘Mag ik even?’

Administrateur Pulsimore gaf de wand vrij zodat Hans kon zoeken, tekenen en aantekeningen maken.

Hij bladerde door pagina’s berekeningen, formules en statistieken en maakte intussen zelf aantekeningen op een vrij stuk naast de onderzoeken. Na een paar minuten floot hij zachtjes. ‘Wie dit ding gebouwd heeft, heeft zijn beschaving meteen een heel eind richting fase twee van de Kardashev schaal getild.’

Administrateur Pulsimore knikte. ‘Dat vertelden mijn weten­schappers me ook al, ja.’

Hans draaide zich naar haar toe. Hij hief zijn handen. ‘Waar heeft u mij dan voor nodig?’

‘Dit,’ zei de administrateur. Ze wees naar de muur. Het diagram draaide en details werden ingevuld. ‘We willen weten wat dat is.’ Een gloeiende streep uit het centrum van het zonneschild richting de planeet werd zichtbaar. ‘Mijn soldaten die op 876d gestationeerd zijn noemen de plek waar het licht de planeet in gaat “de put”; ze zijn de afgelopen jaren bezig geweest met van alles door die bundel licht – als het dat is – te schieten of er gewoon in te gooien. Nooit kwam iets erdoorheen, tot we een bal StaCling erin gooiden.’

‘Verpakkingsmateriaal?’ zei Hans. ‘Van MetaLes?’

‘Bijzonder spul,’ zei de administrateur. ‘Eten blijft er jaren goed in. Levende planten, ja zelfs dieren blijven er bijna perfect in bewaard. Duizenden embryo’s van aardse dieren die we hebben meegenomen, bijna allemaal in leven gebleven. Ze bevolken nu de planeet. Dus: waarom?’

Hans ging zitten. ‘Is dat de enige vraag waarvoor ik hier ben? Dat lijkt me onwaarschijnlijk.’

De administrateur schudde haar hoofd. ‘Die energie voedt iets, binnen in de planeet. Maar onze boren komen niet diep genoeg en zodra we opzij gaan en de straal bereiken, desintegreert het alles wat het raakt.’

‘Wat wordt er aan de andere kant gemeten? Lekt er energie door de planeet?’

Pulsimore schudde haar hoofd. ‘Er lekt veel warmte, waar­schijnlijk door interne, tektonische processen. En de zwaartekracht precies op de as is bijzonder. De planeet zelf is vrij groot, maar het merendeel heeft een zwaartekracht van ongeveer aarde normaal. Behalve het punt loodrecht op de zon, aan de zonzijde en aan de nachtzijde. Daar is het het dubbele.’

Hans knikte. ‘Veel puzzelstukjes. Daar houd ik van. Kan ik een lab krijgen, in de buurt van de put?’

‘Alles is al ingericht voor u. Er is echter een maar.’ Administrateur Pulsimore vouwde haar handen en legde ze in haar schoot.

‘En die is?’

‘Generaal Haygrove en gouverneur Assange zijn ongeduldig. Ze willen het schild uitschakelen.’ Ze noemde een paar coördinaten die op het scherm oplichtten en toonden wat er boven het schild hing. Een twintigtal shuttles met extra laadruimte. ‘Over een paar dagen staan alle planeten op een rij, de hondervierentwintigdaagse conjunctie. Dan stuurt het schild extra energieke pulsen naar de planeet. Haygrove en Assange willen dan spiegelfolie ontplooien, duizenden vierkante kilometers van dat spul.’

‘Maar dan stoppen ze de energieproductie.’

‘En blokkeren het zonlicht voor de planeet, die we net aan het vullen zijn met aards leven.’ Pulsimore wreef met beide handen in haar ogen. ‘Geloof me, ik ben net zo nieuwsgierig als die twee, maar dit is onbekend terrein. En dat is gevaarlijk. Er kunnen onverwachte dingen gebeuren.’

Hans herinnerde zich de woorden van kapitein Magnussen. ‘En u houdt niet van verrassingen, want die zijn meestal dodelijk.’

Pulsimore glimlachte. ‘Mooi, ze heeft mijn lessen dus onthouden.’

‘Wanneer kan ik naar 876d?’

‘Mijn privéshuttle staat klaar, meneer Hoekstra. U begrijpt wat er op het spel staat?’

Hans knikte. ‘Uitvinden wat er speelt, wat “de put” is en waarom het gevaarlijk is het zonneschild te doven.’

‘Beter kan ik het zelf niet verwoorden.’

Een kwartier later zat Hans ingesnoerd in de shuttle met een piloot die de hele weg het eeuwenoude thema van Apocalypse Now, Ride of the Valkyries neuriede.

 

***

 

De atmosfeer van Gliese 876d was vrij rustig. Hans had lijnvluchten meegemaakt met meer turbulentie.

In een lange glijvlucht zette het toestel de landing in. In de verte zag Hans de lichten van een landingsbaan naast een indrukwekkende serie barakken en torenflats die in sterk chiaroscuro stonden afgetekend tegen de immense energiebundel die uit de hemel straalde.

Toen hij uitstapte voelde hij de zwaartekracht van de planeet. Hij wist dat het richting “de put” alleen maar zou toenemen tot een volle twee g. Smiths woorden, dat hij licht moest reizen, waren bijzonder voorzienig.

Aan het eind van de landingsbaan werd hij opgewacht door twee soldaten in een jeep.

‘Hans Hoekstra?’ vroeg een van hen, een jongeman van midden twintig met een pluizig baardje en een te grote helm op zijn hoofd.

Hans keek om zich heen. ‘Volgens mij ben ik de enige die uitstapte.’

De jongeman grijnsde. ‘Protocol, meneer. Ik moet u naar de uitkijk brengen. ‘Majoor Milovitz wacht op u.’

‘Milovitz? Die naam komt me bekend voor. Dokter Karl Milovitz?’

De jongeman knikte. ‘Officier in Star Force nu.’

Hans dacht na. Als er één persoon was die hij nu bij zich zou willen hebben dan was het wel Milovitz. Smith. Voorzienigheid. ‘Goed,’ zei hij en nam plaats op de achterbank van de Jeep. ‘Vooruit maar, soldaat.’

De uitkijk was een spierwit gebouw zonder opschriften dat bijna niet zichtbaar was tegen het felle licht van de energiestraal. Er waren geen mensen te zien. De vering van de jeep kraakte onder de verhoogde zwaartekracht.

Met moeite stapte Hans uit. De deur van het gebouw zwaaide voor hem open. De vloer was bedekt met rolbanden, waar Hans dankbaar gebruik van maakte. Een licht op de muur met zijn initialen wees hem een bepaalde richting op die hij volgde.

De band voerde hem twee hellingen op en leverde hem uiteindelijk af bij een kamer waar hij naar binnen stapte. Een muurvullend raam gaf uitzicht op “de put”. Gemakkelijke fauteuils waren in een rij opgesteld zodat ze perfect naar de energiestraal gericht waren. Een van de fauteuils bevatte een geüniformeerde man met grijs haar en bakkebaarden. Hij draaide zich om zodra hij Hans hoorde binnen­komen.

‘Hans Hoekstra!’ riep hij en hij wenkte naar Hans.

Voorzichtig schuifelde Hans in zijn richting tot hij in de stoel naast Milovitz kon gaan zitten. Het zachte schuim van de stoel omvatte zijn lichaam en ontlastte zijn gespannen spieren.

‘Dat is beter,’ zuchtte Hans.

‘Je kunt hier uren naar buiten staren,’ zei Milovitz. ‘Ik dacht dat je dat wel kon waarderen.’

‘Wat doe jij hier, Karl? Jij werkte toch aan de LHC2?’

Karl Milovitz knikte. ‘Ultra hoog energetisch onderzoek. Tot een zekere meneer Smith langskwam en me wat getallen noemde die ik interessant vond.’

‘Die ken ik.’

‘Dat kan ik me voorstellen. Ik heb jouw naam genoemd toen we achter de kristalstructuren van het zonneschild kwamen. Je bent nog snel, vijf jaar maar.’

Hans staarde naar de witte energiestraal die minstens honderd meter in doorsnee was. ‘Als witte ruis. Je ogen zien deeltjes in de straal die er eigenlijk niet zijn.’

‘Dode cellen in je glasachtig lichaam, voor je netvlies. Niets blijft intact in die energie. Behalve dat spul dat jij ontwikkeld heb, dat StaCling.’

‘Ik heb snel berekend dat er op Kardashev schaal energie wordt opgewekt. Ook StaCling zou er volledig in moeten worden verteerd.’

Milovitz glimlachte. ‘Dan hebben we wat te onderzoeken. Als we weten waarom StaCling overleeft, dan kunnen we richting de belang­rijker vragen gaan werken.’

‘Zoals?’

‘Wat zit er beneden? Wat heeft zoveel energie nodig dat de kracht van een zon erop gefocust moet worden?’

‘Heb je een lab voor me?’

‘Natuurlijk. Net buiten de twee g zone.’

‘En ik begrijp dat er haast is geboden.’

Milovitz keek hem aan. ‘Dat is de reden dat ik destijds jouw naam noemde. Ik rapporteer aan Haygrove en toen ik hoorde van zijn plan, wist ik dat het een verkeerde beslissing was. Hij weigert naar rede te luisteren en is vastberaden het schild uit te schakelen.’

‘Ik verbaas me erover dat hij er nog zo lang over gedaan heeft om zijn plan uit te voeren.’ Hans voelde zijn armen steeds zwaarder worden. ‘Kunnen we hier weggaan?’

Karl Milovitz stond heel langzaam op. ‘Kom, honderd meter verderop is het beter. Ja, het lijkt erop dat de militaire procedures van Space Force erg traag kunnen zijn. Vooral als je de juiste ambtenaar overvoert met werk.’

‘Toevallig?’

‘Heel toevallig. Hij raakte er overspannen van. Nu kan hij zelfs nog maar de helft van het werk aan.’

Ze schuifelden naar de rolbanden die ze naar beneden voerden en gaandeweg viel er een last van Hans schouders.

‘De labs zijn in dat gebouw daar gevestigd,’ wees Karl. De gebouwen leken nog het meest op vliegtuighangars, compleet met immense roldeuren.

‘Vooruit dan maar,’ zei Hans. Hij gaapte. ‘Hoewel ik misschien eerst moet slapen.’

‘Je hebt er net drie jaar op zitten. Of liggen eigenlijk.’

Hans haalde zijn schouders op. ‘Moe is moe.’

‘Ik breng je wel even naar de gastenverblijven,’ zei Karl Milovitz. ‘Morgen, acht uur?’

‘Afgesproken.’

 

***

 

De volgende dag, vlak voor de lunch, startten de beide onderzoekers hun eerste simulaties op van de StaCling kristalstructuren die getroffen werden door Kardashev-schaal energiebundels.

Drie dagen later stormde Hans gefrustreerd het lab uit, op de voet gevolgd door Milovitz.

Hans ging op een bankje zitten met zijn hoofd tussen zijn knieën en haalde een paar keer diep adem om rustig te worden. Hij keek Milovitz aan. ‘Het kan niet. Ik weet niet wat jullie gedaan hebben, maar dit werkt niet!’

Milovitz kwam naast hem zitten. ‘Om eerlijk te zijn, ik was er zelf niet bij, maar de soldaten die het hebben gedaan zweren bij hoog en bij laag dat ze afgedankt StaCling door de bundel hebben gegooid.’

‘Je hebt de berekeningen gezien. Het spul desintegreert net zo hard.’

Milovitz knikte, somber. ‘We zien iets over het hoofd, dat kan niet anders. Parameters verkeerd? De hoek waaronder de straal het materiaal raakt? De dikte van het materiaal? Gebeurt er iets exotisch?’

‘We hebben meer dan zevenhonderd experimenten en simulaties gedaan. Is er iets waar we niet aan gedacht hebben?’

Karl Milovitz stond op. ‘Eigenlijk wel,ja.’

‘Onmogelijk. We hebben alle testen en alle mogelijke scenario’s gedaan. Het is op.’

‘Waarom vragen we het de soldaten die de melding gedaan hebben dan niet?’

‘Wat voegt dat toe?’

‘Als ze het aan ons kunnen demonstreren, dan weten wij hoe we onze scenario’s moeten verbeteren.’

Hans kneep zijn ogen iets samen. ‘Ik heb er een hard hoofd in. Aan de andere kant, ik heb raardere dingen meegemaakt. Roep ze maar op.’

 

Twee uur later stopte een Jeep voor het laboratorium. Twee jonge­mannen stapten uit en meldden zich bij de ingang. De een was kort en mager en droeg een korporaalsinsigne, de ander stak een kop boven iedereen uit, had iets te korte mouwen en broekspijpen en leek een gewoon soldaat te zijn.

Karl en Hans kwamen naar buiten met een dikke rol StaCling en liepen vervolgens met hun gasten naar de energiestraal.

De grond naast de put was geplaveid met donkere, granieten tegels.

‘Luister,’ zei Karl Milovitz tegen de soldaten, ‘Staedler en Arnheim. Jullie hebben gemeld dat je StaCling door de straal hebt gegooid. Is dat correct?’

‘Ja, meneer,’ antwoordde Staedler, de korte, magere, jongeman. Hij leek nerveus. ‘Hebben we iets verkeerds gedaan?’

Hans glimlachte naar hem. ‘Integendeel, jullie hebben waarschijn­lijk iets zodanig goed gedaan dat onze beste simulatoren en testbanken niet in staat zijn het resultaat te repliceren.’

‘Ik heb destijds nog een wens gedaan,’ zei Arnheim ineens. Hij glimlachte een beetje sullig.

Hans keek naar Karl die zijn schouders ophaalde.

‘Wat heb je gewenst, soldaat Arnheim?’ vroeg Hans.

Soldaat Arnheim grijnsde nu. ‘Dat we de aliens die dit alles gebouwd hebben te zien krijgen.’

‘Dat zou wat zijn.’ Hans hief zijn hand op. ‘Een vraag: zouden jullie het nog een keer kunnen laten zien, wat jullie toen gedaan hebben?’

‘Natuurlijk,’ zei Staedtler. Hij nam een flink stuk van de rol, scheurde dat af en begon de StaCling tot een stevig samengepakte bal te kneden. ‘Ga even verderop staan, Arnheim,’ zei de jonge korporaal.

Met een stevige worp gooide hij de bal StaCling de energiemuur in, die vervolgens aan de andere kant weer eruit kwam.

‘Een bal, stevig opgerold,’ zei Hans. Zijn hersenen draaiden op volle toeren. ‘Gooi nog eens,’ stelde hij voor. Dit keer gooide Arnheim naar Staedtler die de bal StaCling weer netjes opving. Ineens daagde het hem. ‘Het zonneschild!’ Hij draaide zich om, vergiste zich bijna in de zwaartekracht en struikelde, maar Milovitz greep zijn hand en trok hem weg van de rand.

‘Rustig aan, Hoekstra, eerst vertellen wat er met dat zonneschild is. Zonnebaden doe je later maar.’

Hans keek om zich heen en gebaarde druk met zijn handen. ‘Ik moet het tekenen. Terug naar het lab.’

In het lab veegde hij de muur met een commando schoon. Hij begon vectoren te ratelen en documenten op te roepen waar hij diagrammen uit plukte. ‘Het zonneschild, beryllium, koolstof en argon.’ Hij zette de 3D versie van de chemische structuur op de muur. ‘StaCling, Silicium, koolstof, krypton. Veel minder hard, maar zelfde valenties, zelfde chemische structuur. Toch een verschillende uitkomst.’

Milovitz grinnikte. ‘Tot ze er een bal van maakten en de lagen samendrukten.’

‘Inderdaad,’ zei Hans. ‘En onder invloed van hoogenergetische deeltjes komt dit te voorschijn.’ Hij manipuleerde de structuren op het scherm tot de StaCling moleculen als aan elkaar geregen 3D piramides werden weergegeven. ‘Het schraapsel van het zonne­schild, een keer los uit de matrix, nam zijn originele vorm aan.’

‘En net als het zonneschild is het dan een geleider die de energie simpelweg doorsluist.’ Milovitz sloeg met zijn vuist in zijn hand. ‘Verdraaid, al jaren bezig een oplossing te vinden en jij vindt hem in een paar dagen.’

Hans snoof. ‘Ook alleen maar door de originele waarneming te reproduceren. Welkom in de wetenschap waar je je op het meest voor de hand liggende blind kunt staren.’

‘En nu?’ vroeg Milovitz.

‘Nu gaan we objecten in StaCling wikkelen, de boel goed aandrukken en dan kijken of dat overleeft in de straal.’

 

***

 

‘Ik begrijp dat u vorderingen heeft gemaakt in uw onderzoek, meneer Hoekstra,’ klonk de stem van generaal Haygrove.

Milovitz knikte naar Hans.

‘Jazeker, generaal. We hebben een zwever geïsoleerd en getest in de straal en we kunnen erdoorheen vliegen en aan de andere kant weer eruit komen.’

‘Indrukwekkend hoor,’ zei generaal Haygrove. Er klonk sarcasme in zijn stem. ‘Jammer dat u voor niets bent gekomen. We zijn bijna klaar om een reflector voor het schild te plaatsen. Dan stopt de straal en kunnen we op het gemak naar beneden.’

‘Ik weet niet of…’ Hans stopte.

‘U weet niet of wat?’ vroeg Haygrove.

‘We weten niet wat er door die energie in stand wordt gehouden. Misschien de planeet zelf wel.’ Hans keek vragend naar Milovitz die zijn handen spreidde ten teken dat hij het ook niet wist.

‘Zodra de straal even weg is, kunnen we dat onderzoeken, nietwaar?’ Generaal Haygrove bleef onverstoorbaar.

‘Wanneer wilde u dit plan uitvoeren?’

‘Over twee dagen vindt de grote hondervierentwintigdaagse conjunctie plaats, dat leek gouverneur Assange en mijzelf een goed moment.’

Hans begon zijn bezwaar te uiten, maar Milovitz onderbrak hem. ‘We begrijpen het, generaal. We zullen uw activiteiten niet in de weg zitten.’

‘Mooi zo. In ieder geval goed werk dat we nu weten wat er in de straal kan overleven, dat vergroot onze kennis en dat is altijd goed. Haygrove uit.’ De verbinding werd verbroken.

‘Hij kan niet zomaar de zon uitzetten.’ Hans stond op en liep opge­wonden heen en weer door de kamer. ‘De planeet heeft warmte nodig, zonlicht. En ik weet niet wat er daar beneden is, misschien explodeert de boel wel.’

‘Luister,’ zei Milovitz, ‘je bent hier net, je kent Haygrove en Assange nog niet. Als die mannen het met elkaar eens zijn en ze werken ergens naartoe, natuurgeweld. Daar wil je niet voor staan.’

‘Maar wat moeten we dan?’

Milovitz grijnsde en haalde zijn schouders op. ‘We hebben twee dagen, toch? We gaan gewoon.’

 

Met een minimum aan eten en drinken gingen Hans en Karl in de zwever zitten. Een StaCling schild was boven het voertuig bevestigd, terwijl vrijwel alle oppervlakken met het verpakkingsmateriaal bedekt waren.

Arnheim en Staedler hielpen hen instappen.

‘We verwachten dat er geen radio mogelijk is binnen de straal,’ zei Milovitz tegen de soldaten. ‘Probeer de wacht te houden, voor wanneer we terugkeren. Hou intussen iedereen bij de put vandaan.’

‘Jawel meneer,’ antwoordde Staedler vrijwel meteen. Hij salueerde. Arnheim volgde aarzelend zijn voorbeeld.

De deuren sloten, Milovitz activeerde de motoren en met enig protesteren steeg het voertuig een paar centimeter op. ‘Even compenseren voor de extra zwaartekracht hier.’ Het voertuig steeg een paar decimeter. Seconden later bewoog het richting de rand van de put, ging eroverheen en begon te dalen.

Hans veegde straaltjes zweet van zijn hoofd. ‘Ook al weet je dat het gaat lukken, er blijft toch die angst dat je iets over het hoofd hebt gezien.’

Milovitz knikte kort. Zijn aandacht werd volledig opgeëist door het instrumentenpaneel dat dozijnen oplichtende knopjes had, die alle­maal om aandacht schreeuwden.

‘Wat betekent dit allemaal?’ vroeg Hans.

‘De sensoren zijn blind hier. Ze meten niets buiten. Ik moet alles op zicht doen.’

Hans staarde naar het scherm dat de ruimte onder hen weergaf. Het was een zee van verblindend wit licht. ‘Wat zie je dan?’

‘Dat is nu juist het probleem,’ zei Milovitz. ‘Als ik te hard ga en we komen iets tegen, vliegen we te pletter. Gaan we te langzaam, dan zijn we dagen bezig om diep genoeg te komen.’

‘Elk probleem kan worden opgelost met nadenken en rekenen,’ zei Hans. Hij pakte zijn tablet en begon formules op te schrijven en liet die los op een bouwtekening van de zwever. Vijf minuten later zei hij: ‘de zwever kan een klap op het landingsgestel ondergaan, met ons aan boord, bij gelijke zwaartekracht, tot een snelheid van honderd­zesen­zeventig kilometer per uur.’

‘We zullen wel moeten,’ zei Milovitz. ‘Als de straal tot de kern gaat, dan is dat duizenden kilometers, dus zijn we langer onderweg dan het moment dat de reflector wordt uitgerold door Haygrove.’

‘We kunnen het risico nemen de eerste duizend kilometer op volle snelheid te gaan.’

‘Dat is nogal een gok,’ zei Milovitz.

‘Er is tot dertig kilometer geboord. Geen verandering. Als je iets dat hoogenergetische straling nodig heeft goed wil beschermen, hoe diep begraaf je het dan in je planeet?’

‘Ik denk dat je uitgaat van je eigen capaciteiten. Maar da’s een menselijk perspectief. We weten niet hoe de bewoners van 876d dachten.’

Hans dacht na. ‘Wij misschien niet, maar de natuur is de natuur. Ook hoogenergetische straling heeft een vervalpunt, een soort halfwaarde­tijd, waar lagere energieniveaus optreden. En dat is te berekenen.’

‘We weten niet hoe hoogenergetisch de straling is.’

Hans knikte. ‘Maar we kennen wel de eigenschappen van StaCling en het maximum dat de chemische structuur aan zou kunnen. We leven nog, dus de straling is minder dan dat maximum.’

‘Het duizelt me,’ zei Milovitz. ‘Ik moet dit ding besturen en tegelijk rekensommetjes maken is dan niet mijn sterkste punt.’

‘Wacht even.’ Hans voerde weer gegevens in op zijn tablet. ‘Ergens tussen vijftienhonderd en vierentwintighonderd kilometer vindt verval plaats, de energie verliest een stuk intensiteit. Dat is de plek waar je de deeltjes zou willen opvangen om optimaal de gestuurde energie te kunnen benutten.’

‘Volle kracht naar vijftienhonderd en dan honderdzesenzeventig per uur?’

Hans haalde diep adem en sloot zijn ogen. ‘Vooruit maar.’

Het leek alsof ze in vrije val waren. Hans maag draaide zich om. ‘Hoe snel nu?’

‘Elfhonderd per uur. We ondervinden wrijving van lucht­moleculen. Ik probeer de geluidsbarrière te vermijden.’

‘Daar had ik niet eens aan gedacht,’ zei Hans. Hij keek door zijn raampje. ‘Ik hoop dat de StaCling dat houdt.

‘We zijn er een dozijn keer overheen geweest,’ zei Karl Milovitz. Ook bij hem liepen er straaltjes zweet van zijn voorhoofd.

Hand keek op de thermometer. Het was bijna dertig graden in de cockpit. ‘Warm hier. Doen wij dat?’

‘Op deze diepte is de lucht gewoon warmer. Dat plus de wrijving plus onze eigen verhoogde hartslag produceren meer warmte dan de zwever kan afvoeren.’

‘Hoe lang nog?’

‘Een kwartier tot we vertragen.’

Ze telden de seconden af tot dat moment aantrad. De motoren remden de vrije val van de zwever tot ze de maximale snelheid hadden die ze in geval van een botsing zouden kunnen overleven. De lucht­verversing kon het nu beter bijhouden en begon koele lucht naar binnen te blazen.

 

Vier uur lang viel het toestel verder. In de monotonie van het gebeuren dommelde Hans regelmatig weg terwijl Karl Milovitz vocht tegen de slaap.

De klap die volgde kwam daardoor onverwacht en was hard.

‘Wat, wat?’ Hans schrok wakker.

‘We hebben de bodem bereikt. Denk ik. We kunnen in ieder geval niet verder hier.’

‘De zwever heeft het gehouden?’

‘Anders hadden we dit gesprek nu niet gehad, nietwaar?’ Milovitz grijnsde. Hij stuurde de zwever naar links en naar rechts tot ze de rand bereikten. Vlak voor de loodrechte wal liet hij de zwever stoppen.

Onder hen leek een iridiserende zwarte leegte te bestaan, maar verder naar beneden ging niet.

‘Stuur langs de wand,’ zei Hans. ‘Voorzichtig. Ik heb een idee.’

Ze zweefden langzaam verder tot de muur ineens terugweek. Net buiten de lichtbundel was een constructie die zich naar de leegte onder hen uitstrekte.

‘Dat dus,’ zei Hans tevreden. ‘De energie valt op een soort fresnel-lens. Die bundelt het – kijk maar – en stuurt het… naar beneden ergens. En ik denk dat we er langs kunnen.’ Hij wees voorbij de constructie.

Milovitz stuurde die kant op en de wand week nog verder terug tot er een ruimte zichtbaar werd waar wel honderd zwevers tegelijk langs het obstakel konden vliegen. ‘Zullen we dan maar?’

Hans knikte. ‘Onbekend terrein. Ik kan niet ontkennen dat ik gespannen ben.’

Milovitz lachte. ‘Zo voelden de eerste ontdekkingsreigers zich toen ze nieuwe gebieden ontdekten.’

 

***

 

De zwever omzeilde de fresnel-lens en de twee mannen volgden de stralenbundel naar beneden.

‘Kun je je voorstellen wat de energie in het brandpunt zal zijn?’ zei Hans tegen Karl Milovitz.

Karl schudde zijn hoofd. ‘Ik zou het niet weten. Maar ik ben wel benieuwd waar het voor dient, wat het ook is.’

Ze kregen hun antwoord een uur later. De bundel verdween in een – letterlijk – zwart gat dat zich midden in een soort zaal of platform bevond. Rond het gat stonden machines opgesteld, vreemd, onwerke­lijk bijna.

Hans floot zachtjes. ‘De droom van elke wetenschapper: volledig onbekende machinerie gebaseerd op onbekende natuurkunde van een onbekend ras uit een onbekende beschaving. En alles lijkt intact.’

Karl had moeite het voertuig recht te houden.

‘We worden naar dat gat getrokken. Niet heel sterk, maar merkbaar.’

‘Snel landen dan. Als dat is wat ik denk dat het is…’

Ze daalden verder af tot ze op het platform landden, op veilige afstand van het centrum.

‘Warm buiten,’ zei Karl. ‘Drukkend.’

‘Diepte-effect waarschijnlijk.’

‘Je zei dat je een vermoeden had over dat… ding daar.’ Karl wees uit het raam door het wazige StaCling.

Hans knikte. ‘Ik vermoed dat het een micro-singulariteit is. Gevoed met voldoende energie kun je van alles met materie en ruimte uithalen. Vergelijk onze Alcubierre velden, die worden ook door een singulariteit aangedreven.’ Hij keek opzij, maar Karl reageerde niet. Hij staarde recht voor zich uit, ogen wijd open.

Hans keek die kant op en ook hij sperde zijn ogen open. Vervolgens ontgrendelde hij zijn deur en stapte uit om het beter te bekijken.

Voor hem was een gang. Niet zomaar een gang. Honderden meters hoog en breed. Hij leek oneindig lang. De muren zelf straalden een zacht licht uit, vergelijkbaar met het licht aan de oppervlakte van 876d en in dat licht zagen ze de deuren. Tientallen deuren, elk titanisch groot.

‘Kan onze radar iets meten?’ vroeg Hans aan Karl. Zijn collega toetste wat knoppen op de console in. Het duurde lang voor er iets terugkwam.

‘Tientallen kilometers. Misschien wel honderden.’ Karl tikte op zijn scherm. ‘Ik blijf radarecho’s terugkrijgen.’

Hans ging weer in zijn stoel zitten. ‘En deuren of poorten. Tientallen. Misschien honderden. Maar naar wat? Of waar?’

Karl grijnsde. ‘Vooruit, we vliegen naar de eerste, kijken wat daar is.’

Hans gaapte. ‘Nee, we moeten eerst uitrusten. Dit is een prima plek.’

‘Hmm, vooruit maar.’

Ze zochten een comfortabele plek en sliepen alsof ze uitgeput waren.

 

Een dozijn uren later werd Karl wakker. Hij stootte Hans aan, die zich uitrekte en nog een paar keer flink gaapte.

Karl stapte meteen weer in de zwever. ‘We gaan!’

‘Rustig, rustig, laat me even wakker worden,’ zei Hans terwijl hij naast Karl ging zitten.

Even later spoot de zwever op volle snelheid de gang in. Halver­wege de afstand tot de eerste deur was er even een moment van schijnbare gewichtloosheid, alsof ze een soort grens overstaken. De zwever schoot een paar meter omhoog voor Karl compenseerde.

‘Wat was dat?’ zei Karl. Hij keek achterom, maar er was niets.

‘Voel maar,’ zei Hans. ‘We zijn lichter. Minder zwaartekracht.’

‘Onmogelijk. Buiten de anomalieën rond de put is Gliese 876d een ruime één g.’ Karl tikte wat knoppen in. ‘Maar de sensoren geven iets meer dan een half g aan.’

‘Dan zijn we dus niet op Gliese 876d,’ concludeerde Hans.

Het was even stil in de cockpit.

‘Besef je wel wat je daar zegt, Hans Hoekstra?’ vroeg Karl Milovitz.

Hans kon alleen maar knikken.

Ze vlogen in stilte verder tot ze de eerste deur bereikten. Het materiaal waarvan de deur vervaardigd was, was effen grijs. In een metaalachtig groen waren tekens op de deur gegraveerd.

Karl keek op de klok. ‘We zijn al erg lang onderweg. Als we op tijd terug willen zijn om Haygrove te stoppen, dan moeten we over een uur vertrekken.’

‘Ik wil weten wat hierachter zit,’ zei Hans vastberaden. ‘Maar hoe krijgen we dit ding open?’

Voor de beide mannen hun hoofd konden breken over dit dilemma, verscheen er een kier precies in het midden, die snel wijder werd.

Zodra de kier breed genoeg was, stuurde Karl de zwever erdoor­heen. Ze kwamen in een enorme, halfronde zaal met vele vensters. Karl vloog naar een van de vensters en samen keken ze naar een woest landschap met groen, paars, planten, hier en daar buitenissige wezens.

‘Bewijst dat genoeg, denk je, Karl?’

Karl wilde iets zeggen. Gebaarde met zijn rechterhand. Wilde weer iets zeggen. Hij wreef in zijn ogen. ‘Het kan niet. Dit is onmogelijk.’

‘Wedden dat die andere poorten op andere werelden uitkomen?’

‘Ik ga die weddenschap niet aan. Alles wijst erop.’

Hans lachte kort. ‘En daarmee gaat Fermi’s paradox meteen op de schop. Waarom zou je de ruimte doorkruisen om planeten te bevol­ken, als je er bijna naartoe kunt lopen? En waarom zou je dan logge radio­signalen gebruiken, als je de tunnel kunt gebruiken om te communi­ceren?’

Karl keek ineens ongemakkelijk. ‘Communiceren? Denk je dat ze ook hun oorsprong in de gaten houden?’

‘Wat zou jij doen? Ik durf te wedden dat ze op gezette punten versterkers hebben opgezet. Of misschien waren ze zo overtuigd van hun kunnen dat ze dit voor de eeuwigheid hebben gebouwd.’

‘Zonder te beseffen dat er wel eens een ruimtevarend ras voorbij zou kunnen komen dat uit pure nieuwsgierigheid een dodelijke energie­bundel invliegt,’ zei Karl sarcastisch. ‘Of andere idioterie. Zonne­schilden en zo.’

‘Het zonneschild blokkeren kan dus nog wel eens een grote fout zijn,’ zei Hans. Hij kreeg het ineens koud. ‘Als de singulariteit niet meer gevoed wordt, wat gebeurt er dan?’

‘Dan kan de tunnel een stuk korter worden,’ zei Karl.

Hans tikte met zijn vingers tegen het metaal van het frame van de zwever. ‘Als jij een alarm krijgt dat er iemand in je huis heeft ingebroken, wat doe jij dan?’

‘Ik bel de politie en zorg dat ik zo snel mogelijk thuis kom.’ Hij zweeg even. ‘Wat is een politiemacht van een beschaving die tegen Kardashev niveau twee aanzit?’

Hans slikte een paar keer. ‘We moeten Haygrove waarschuwen. En wel snel. We hebben maar één kans voor een eerste, goede indruk.’

‘We hebben niet veel tijd,’ zei Karl. ‘Dit had ik niet verwacht.’

‘Ik ook niet. Terug naar de singulariteit, topsnelheid.’

De zwever vloog terug door de deur. Karl richtte zijn neus op de plek waar ze vandaan kwamen en vloog zo snel als hij kon.

‘Zie je de lichten?’ vroeg Hans. De verlichting die was ingebouwd in alle muren en vloeren pulseerde en op grote afstand leek het alsof de tunnel een peristaltische beweging maakte. ‘Ze komen eraan. Sneller, Karl.’

Op topsnelheid vlogen ze door het overgangspunt en niet veel later naderden ze de zaal met de singulariteit en de machinerie.

‘Hoe snel kun je als je alleen vliegt?’ vroeg Hans.

‘Schaaft bijna een uur van de vlucht af, vermoed ik.’

‘Zet me af bij de machines,’ zei Hans. ‘Ik probeer ze gunstig te stemmen, probeer jij Haygrove te overtuigen dat hij zijn plan niet moet uitvoeren. Met deze informatie moet hij wel heroverwegen.’

Karl knikte. ‘Vooruit maar. Sterkte. Voor jou en voor de mensheid.’ Hij zette de zwever aan de grond en Hans stapte uit.

‘Ga,’ zei Hans.

De zwever steeg op en spoot weg, richting de fresnel-lens en terug de duizenden kilometers langs die ze eerder waren afgedaald. Hans hoopte dat Karl Milovitz snel genoeg terug zou komen om de generaal te waarschuwen zijn plannen niet ten uitvoer te brengen.

Heel in de verte zag Hans lichtjes tevoorschijn komen. Extreem ver weg nog, maar ze leken de afstand snel te overbruggen. Over een paar uur zouden ze er zijn. Hij haalde een paar keer diep adem en maakte het zich gemakkelijk.

 

***

 

Karl Milovitz vloog om de fresnel lens heen, terug de energiebundel in. De topsnelheid van de zwever was niet bijster hoog, zeker niet voor rechtstandig opstijgen. Zijn klok toonde hem dat de uitrol van het scherm om het zonneschild te bedekken over enkele uren zou plaatsvinden.

Hij probeerde de snelheidsmeter van de zwever vooruit te kijken, maar het ding bleef steken op bijna tweehonderd kilometer per uur.

Ik vraag me af of Hans inmiddels de oorspronkelijke bewoners heeft ontmoet. Misschien zijn het wel hun opvolgers. Of vijanden die de tunnels en de aangesloten werelden hebben overgenomen. Het waren zorgen en tegelijkertijd scenario’s die door Karls hoofd schoten.

Hij bleef op enkele centimeters van de wand vliegen. Die was in het licht van de felle energiebundel toch een lichtgrijze waas en zodra die weg was, wist hij dat hij in de buitenlucht zou zijn en dat hij kon afzwaaien uit de energiebundel.

Hij probeerde te concentreren, maar zijn gedachten schoten alle kanten op. Zozeer zelfs dat hij te laat merkte dat de grijze waas weg was. Hij zat al een kilometer boven het planeetoppervlak.

Hij stuurde de zwever de energiebundel uit en slaakte een zucht van verlichting toen hij de bekende contouren van de basis onder zich zag.

Hij veegde zweet van zijn voorhoofd. ‘Dat moet ik niet te vaak meer doen.’ Zijn alarm gaf aan dat de conjunctie over een half uur zou beginnen. ‘Haygrove, waar zit je?’ Hij gaf de boordcomputer opdracht contact te leggen met de generaal, hoogste urgentie, maar de verbinding kwam maar niet tot stand.

Na bijna twintig minuten begon Karl hartsgrondig te vloeken tot een bekende stem in de cockpit klonk.

‘Waar heb ik dat aan te danken, Milovitz?’

‘Generaal? Generaal Haygrove? Eindelijk heb ik u te pakken!’

‘Ik ken je niet als paniekzaaier, dus als jij een hoogste urgentie stuurt, dan neem ik contact op. Zelfs als ik midden in een belangrijke countdown zit.’

‘Daarvoor wilde ik u spreken, generaal. Hans Hoekstra en ik, we zijn beneden geweest. Duizenden kilometers diep. U kunt zich niet voor­stellen hoe het daar is.’

‘Nou, gefeliciteerd, Milovitz. We kunnen het erover hebben als het reflectiescherm is uitgerold.’

‘Nee, wacht, u moet het niet uitrollen.’

‘Geef me één goede reden, Milovitz. Je stelt mijn geduld op de proef.’

‘Er is een weg, daar beneden. Die naar andere werelden voert. En de bouwers, die zijn er waarschijnlijk ook nog.’

‘Stop, Milovitz, je raaskalt.’

‘Ik heb weinig tijd, generaal. Geloof me of niet, de bouwers zijn er nog. En ze zijn onderweg. En als wij hun energiebron doven en hun weg in gevaar brengen, dan weet ik niet hoe gunstig ze ons – de mensheid – gezind zullen zijn.’

‘Besef je wel hoeveel tijd en planning er in dit project zijn gaan zitten, Milovitz? Dat kunnen we niet zomaar weggooien.’

‘Stel het uit. Over honderdvierentwintig dagen is de volgende conjunctie.’

‘Serieus, Milovitz. Aliens. Rare tunnels.’ De generaal zuchtte. ‘Neem een paar dagen vrij, dan voel je je beter, Karl.’

‘Wacht, wacht,’ riep Karl. ‘Er is een singulariteit die gevoed wordt door de energiestraal. Als die niet meer gevoed wordt, dan weet ik niet wat er gaat gebeuren. Maar een onstabiel zwart gat, dat kunt u zich niet veroorloven.’

Het bleef lange tijd stil terwijl Karl de wegtikkende seconden met zijn ogen probeerde tegen te houden.

‘Goed, Karl, op jouw voorspraak is de countdown stopgezet. Je hebt wel wat uit te leggen.’

Karl slaakte een zucht van opluchting. ‘Met genoegen, generaal, met het grootste genoegen.’

Er klonk een knal en de zwever werd opzij geworpen. Karl wist ternauwernood het voertuig richting de grond te krijgen, voor hij alle controle kwijt was. Veel harder dan normaal raakte het landings­gestel met een zijdelingse beweging de asfaltweg en de metalen poten scheurden af. Het voertuig gleed op zijn buik nog een kleine honderd meter verder.

Karl opende de deur van de cockpit en keek vol verwondering naar de energiebundel. Bliksem vorkte links en rechts in verblindende flitsen.

‘Generaal, generaal, ziet u dat? Er komt iets aan! Ze komen!’

Na die woorden struikelde hij in de richting van de put.

 

***

 

Het ruimteschip was duidelijk buitenaards. Vreemde lijnen, onbe­grijpelijke uitsteeksels en een algemene bevreemdende indruk. Het vloog dwars door de energiebundel, zwenkte af en landde uiteindelijk met een zacht zoemend geluid naast de put.

Arnheim en Staedtler staarden vol ontzag naar het metalen gevaarte.

Een luik in de bodem ging open en in een lichtbundel verscheen een menselijke silhouet.

Karl Milovitz kwam hijgend aanrennen en bleef vlak naast Arnheim en Staedtler stil staan.

‘Kijk toch,’ zei Staedtler. ‘Aliens.’

‘Da’s… geen… alien…’ hijgde Karl Milovitz. Hij strompelde naar voren en nam Hans Hoekstra in een berenomhelzing.

‘Het is je gelukt,’ zei Hans.

‘Jou ook, zo te zien.’ Karl liet Hans los en wees op het ruimteschip.

‘De Gliesianen zijn best vriendelijk. Ze waren inderdaad erg verbaasd over ons plotselinge verschijnen op hun thuisplaneet.’ Achter hem verschenen meer lichten en de silhouetten waren duidelijk onmense­lijk, groot, met teveel poten en beweeglijker ledematen.

‘Goed dat ik op tijd was om de generaal over te halen niets te doen.’

‘Dan was dit een heel ander gesprek geweest,’ zei Hans. De figuren die zojuist gematerialiseerd waren, bewogen zich vloeiend en efficiënt langs Hans en bekeken Milovitz van top tot teen.

‘Zie je wel dat het een wensput is,’ zei Arnheim tegen Staedtler. ‘Dat zijn m’n aliens.’

Staedtler kon alleen maar met open mond knikken.

Share Buttons

Categories