web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Fantasy » Gila Pradopo : Peter Kaptein

Gila Pradopo

Peter Kaptein

 

[VOORBEELD]

Verhaal: Peter Kaptein.

Illustratie: Desensitized to everything, Angelus Hellion.

Het is 1985 in een alternatieve realiteit en Gila Pradopo staat aan het begin van een carrière als infiltrant voor Sectie 5. 


Dit verhaal doet (niet) mee aan de Edge.Zero Award, een prijs waarin jij, de lezer bepaalt wie wint. Komt dit verhaal volgens jou in aanmerking voor de Edge.Zero Award? Geef dan een like op de Facebook-pagina.

Uiteraard kun je en mag je op meerdere verhalen je stem uitbrengen.


 

Hoofdstuk 1.

 

Ze was zes jaar oud en hing met haar hoofd uit het raam. De maan was gigantisch en de ring van puin duidelijk zichtbaar voor haar blote oog. Ergens daar dreven haar ouders en als ze maar goed genoeg keek kon ze hen zien, dood en stijf bevroren. Het was haar schuld. Haar schuld dat ze daar niet was. Ze was een lastpak en papa en mama waren haar zat en daarom was ze naar oom Basuki en tante Sita gestuurd. En nu waren papa en mama dood en het huis was leeg en Gila klom uit het raam en—

 

—het gillen van de zes koeien in de kooi sneed door het diepste van haar ziel en het bloed doordrenkte haar broek, plakte de stof tegen haar benen en het was een slachting en de tranen stroomden over haar wangen terwijl ze maar door bleef gaan en door bleef gaan in een eindeloze en dodelijke dans waarin ze dook en ontweek en het mes door de zoveelste keel gleed, waarin ze door haar knieën ging en vooruit schoot en het was alsof haar bewegingen vanzelf kwamen.

 

Gila schrok wakker, draaide zich om. De wekker stond op 05:17, drie kwartier voordat de zoemer af zou gaan. De herinnering aan haar ouders het laatste wat van de droom was overgebleven, de diepe eenzaamheid als een steen op haar borst.

Ze sloot haar ogen, draaide zich om. Zelfs als de slaap niet meer zou komen was de rust welkom.

 

Boekelo. Kerken, tractors, koeien, textiel. Zoutmijnen. Hoofdpijn en het hoge gieren van de wind door spleten tussen raam en chassis van de oude bus.

De zure lucht van rottend canvas. De onwillekeurige aanrakingen met vreemden die flarden en fragmenten van persoonlijke levens in Gila’s bewustzijn brachten.

Ze probeerde te zien waar ze was, maar de mist van fijne regendruppels aan de andere kant van het busraam verborg het landschap in een grijze brij waarin bomen en auto’s opdoemden en weer verdwenen.

Ze hief haar tablet. Het nieuws was niet veel beter “Drie jaar wereldvrede, gaan we het vierde halen?” “Meer omzet, maar toch winstwaarschuwing Philips.”

Gila kneep haar ogen samen, trok haar schouders op en probeerde zich dieper in de hoek te nestelen tussen haar stoel en de zijkant van de bus, haar aktetas tegen haar buik geklemd, probeerde het ronken en rammelen van de diesel te negeren. Ze had geprobeerd te slapen, maar alles zat fout vandaag en als haar hoofd tegen het raam zakte, schudde het glas haar hersenen door elkaar. De bus knalde opnieuw ongenadig over een oneffenheid in de weg en Gila fronste, ging verzitten, opende haar tablet.

Ze schreef een korte boodschap. “Hoi Nuri. Gesproken met oom. Boottocht gaat door.”

Een nieuwe halte. Piepende remmen.

Gila herkende de trieste leegte rondom de voorlaatste halte, met kale knotwilgen en een prutsloot tussen de weg en het lege weiland.

Twee jongens stapten uit. Drie vrouwen stapten in, waarvan één mopperde over de storm: het gele regenpak glimmend van water. De deuren gleden weer dicht. De bus trok op.

Ze was er bijna. Na de bocht stond ze op en werkte zich langs de dikke man (Hendrik) die zijn best deed haar zoveel mogelijk ruimte te geven en haar mogelijke blikken te ontwijken. Ze sloot haar vingers rond de metalen buis tussen stoelleuning en dak.

“Goedemorgen,” zei ze beleefd tegen een oudere vrouw die haar nors aan bleef kijken. Een schok ging door de bus en Gila zette zich schrap toen ze hortend en piepend tot volledige stilstand kwamen.

Rabobank Boekelo. Eindstation voor Gila Pradopo.

De busdeuren gleden sissend open.

 

Het was een lelijk gebouw met ramen van getint glas.

Ze kneep haar ogen tot spleetjes toen de wind opnieuw fijne druppels in haar gezicht sloeg en verzette zich.

Twintig jaar geleden. 1965.

De Tweede Wereldoorlog had dit stuk van Nederland nooit geraakt. Geen grote gaten in de grond zoals in Utrecht, Aalsmeer, Eindhoven, Rotterdam en Amsterdam. Geen verticale piek in het aantal weeskinderen dat jaar. Geen bestelbus in het hart van de stad en vervolgens een gapend gat.

Boekelo was te saai. Te klein. Te onbetekenend.

Ze wachtte tot de anderen drie door de grote draaideur waren, sloeg haar jas open toen ze in de grote hal stond en bevroor. Kut. Teunissen.

Ze had gehoopt dat hij vandaag vrij was.

Hij wenkte haar.

“Mevrouw Pradopo?”

Hans Teunissen was bijna een kop langer en vijftig kilo zwaarder dan Gila. Zijn gespierde armen waren bijna even dik als haar bovenbenen.

“Sta ik op de lijst?”

Ze wist het antwoord: nee. Dit was wraak. Net als de vorige twee keer dat hij haar onnodig had opgehouden. Hij gaf geen antwoord, wees naar de deur van de inspectieruimte.

“We weten beiden dat ik niet op de lijst sta,” zei ze. “Dit is de derde en laatste keer.”

“Dat is niet aan u, mevrouw Pradopo.”

“De derde en laatste keer,” zei ze.

Zijn glimlach was leeg. Hij wees opnieuw naar de deur.

Hoewel hij haar nooit aanraakte voelde het alsof zijn handen over haar lichaam gingen toen ze een half uur later in de cabine stond.

Haar telefoon, haar aktetas en haar persoonlijke spullen lagen in een andere ruimte en buiten haar bereik. Niemand van haar team wist waar ze was, waar ze bleef.

Ze keek op. Het lichte zoemen van de ultrasone scanner kwam uit een plek die recht boven haar leek te zitten. Dit waren dezelfde cabines als in gevangenissen werden gebruikt, om bezoekers te scannen. Opnieuw probeerde ze de exacte positie te vinden.

Er klonk een zachte klik. Toen volgden de vragen. Eindeloze vragen in hetzelfde patroon van gisteren en vorige week, de kleine ogen van de camera’s waarmee haar reacties werden opgenomen vier donkere gaten in de wand.

Ze bedekte de derde met haar duim.

“Wilt u uw vinger verwijderen, mevrouw Pradopo?” vroeg hij.

Ze gehoorzaamde, schraapte met haar nagel over de plek waar ze de microfoon vermoedde.

“Wat is uw functie? Waar bestaat uw werk uit? Praat u over uw werk met mensen buiten de organisatie? Waar bestaan die gesprekken dan uit? Wie zijn dat? Heeft u in de afgelopen weken iets verteld over uw werkelijke activiteiten? Aan wie? Waarom?”

Ergernis. Verveling. Meer vragen die ze braaf bleef beantwoorden: “Ja. Nee. Mijn vrienden. Amsterdam.” Flitsen in haar verbeelding waarin ze Hans gebogen achter zijn tafeltje in de andere ruimte zag, zijn rechterhand rond zijn pik, rukkend met de ultrasone scan van haar naakte lichaam op het beeldscherm terwijl hij vragen bleef stellen en het moment waarin ze was opgesloten in deze kleine cabine maar eindeloos bleef doorrekken. Ze stak haar handen in haar zakken.

“Wilt u uw handen naast uw lichaam blijven houden?”

Ze gehoorzaamde, vroeg zich onwillekeurig af of die lichte verandering in zijn stem een indicatie was van een aankomend orgasme.

Verdomme. Je weet wel hoe je dit tot het maximum kunt rekken, Hans.

Vijf minuten verstreken, toen tien. Het zoemen van de ultrasone scanner bleef doorgaan, langer dan de maximaal noodzakelijke periode van drie minuten.

Het werd stil.

Gila leunde met haar rug tegen de wand van de cabine, hield haar vingers in de stroom van frisse lucht die uit een kier in het plafond kwam.

Drie vraagloze minuten werden vier en Gila begon zich af te vragen waar hij zijn tissues zou laten. In de afvalemmer onder het bureau? Ze trommelde een riedeltje op de metalen wand achter haar rug. “Is dit het? Ben je klaar, Hans? Kan ik weg?”

Een pauze, een klik, de stem van Hans. Nieuwe vragen, alsof er niets gebeurd was.

Haar hielen begonnen zeer te doen van het staan.

“Verwijt u de Nederlandse regering de dood van uw ouders? Overweegt u verraad naar uw geboorteland? Bent u met uw werk in de havens van Rotterdam ooit in aanraking gekomen met illegale activiteiten? Kunt u werkelijk loyaal zijn naar Nederland als uw wortels in Indonesië liggen?” en hij ging een heel boekje af met vragen die steeds absurder werden en Gila werd steeds bozer. Dit is een bank, Hans, geen Europese grenspost.

Toen ze begon te denken dat dit nog drie uur langer zou doorgaan klikte de deur weer open.

Hij stond daar met een zelfgenoegzame grijns omdat hij wist dat ze door zijn toedoen weer te laat zou komen en ze daar geen ruk tegen kon doen en haar ogen schoten vuur ze toen ze uit de cabine kwam en even, heel even maar voelde Gila hoe ze de pen van het bureau greep en met haar duim op het drukknopje met een resolute beweging diep in zijn keel stak, daarna zijn beide testikels verpletterde met vijf effectieve stoten van haar linkerknie.

 

Ze pleegde een kort telefoontje met Administratie toen ze door de poortjes was. “Ik ben opnieuw opgehouden door de heer Hans Teunissen… Wat zegt u? Te laat… Ja.” En met de prikkeling van het veld van de scrambler op haar huid viel de posthypnotische blokkade weg, wist Gila weer wie ze werkelijk was.

De portretten boven de ingang, de cijfers op de muur voor haar, de strepen op de vloer, allemaal sleutels.

Gila de systeemanalist was een façade in een driescheiding van haar geest, waarin de blokkade een hulpmiddel was om twee werelden scherp gescheiden te houden, bepaalde herinneringen verborgen te houden voor anderen.

Welkom bij de Centrale Inlichtingendienst, waar niets is wat het lijkt.

Ze keek op haar horloge. Het was inmiddels half tien. Welkom op dag vijfennegentig van je training, dag vijftien in Boekelo— Ze volgde vijf collega’s naar de kelder, stapte in de snellift en voelde haar lichaam gewicht verliezen toen de cabine naar beneden viel.  waarvan de ochtend opnieuw volledig verkloot is. Ze blies in haar dichtgeknepen neus, voelde haar oren open ploppen.

Toen ze in de lange gang naast de fietsenstalling stond, slaakte ze een diepe zucht van frustratie.

Het had geen zin meer om te haasten.

 

Dikke betonnen pilaren in de grote hal droegen de etages boven haar. Verzinkte buizen voor verse lucht, elektriciteit en datakabels liepen over het plafond. Dunne stalen draden hielden eindeloze rijen TL-armaturen in de lucht.

Ze stond ooit in het Ajax-stadion en deze ruimte had een vergelijkbare schaal. Het merendeel van de hal was leeg en ze liep naar het einde, waar dertig mistgrijze sprongpakken in een rij waren neergeknield, buik naar voren. Twee pakken waren geopend voor onderhoud, de verschillende keramische pantserplaten uitgevouwen. Alsof grote vlinders waren neergestreken bij de hoekige gaten waarin de buizen en leidingen zichtbaar waren van de zenders en scanners van Holland Signaal, de sensoren van Tesla-Turing, de zwarte ribben van de sprong-generatoren van Tesla-Neumann-Bohr.

De kap van haar eigen pak was dicht.

Ze bleef even staan, klopte met haar hand op de rechter arm, leunde even bedachtzaam tegen het keramiek en fronste. Kijk eerst of je nog de les binnen komt.

 

Haar tafel was een lege plek in de kleine zaal met de 26 overgebleven cadetten van haar groep. Ze haalde diep adem, plaatste haar hand op de deurkruk en liet haar longen langzaam leeglopen.

Sergeant Hessels negeerde haar een moment, keek op, schudde haar hoofd en maakte een wegwuifgebaar.

 

Majoor Kramer was niet in zijn kantoor. Ze liet een bericht achter bij zijn secretaris, liep de lange gang door naar de kantine.

Het eindeloze wachten van een verloren ochtend.

Ze opende haar tablet en boog zich voorover, schreef in snelle lijnen en simpele kronkels van steno haar zesde rapport over Hans Teunissen.

 

Situatie: nieuwe ondervraging. Lichaamsscanner meer dan drie minuten actief, onnodig opgehouden in de wachtkamer en in de scancabine, twee uur van mijn theorielessen verloren. Geen voorafgaande provocatie door ondergetekende.

Consequentie: bedreiging van mijn persoonlijke voortgang. Persoonlijke indruk: intimidatie, wraakneming en machtsmisbruik door dhr. Teunissen. Ongefundeerd vermoeden: voyeurisme via de beelden van de ultrasoonscanner.

Communicatie: derde en laatste keer.

Vervolgactie: escalatie.

 

Ze las de woorden die automatisch uit haar schrijven waren gedistilleerd, ging kritisch door haar emoties, corrigeerde hier en daar wat woorden en zinnen, verzond het document. Alles wat ze nu kon doen was wachten tot het volgende blok zou beginnen. Wachten en lezen.

 

Een uur ging voorbij. Gila werkte zich door de theorie van de afgelopen weken, maakte aantekeningen, at een boterham uit haar trommeltje.

Ze keek om toen ze een bekende stem hoorde.

Nuri.

Ze greep het tablet, vouwde het dicht, greep haar aktetas. Een tweede stem klonk uit de gang.

Maia.

Ze veerde blij op toen de twee vrouwen de kantine binnenkwamen. Maia en Nuri. Twee klasse-3 telepaten van Sectie Zes.

Maia gaf Gila een korte, geamuseerde glimlach op de warboel van impressies en verlangens die Gila onbeschaamd uit stond te zenden, Gila’s interne wereld open als deze kantine, haar ongefilterde gedachten als projecties op de muren.

“Hoe gaat het met je schild?” vroeg Maia. “Waar ben je nu?”

“Halverwege,” zei Gila. “Denk ik,” en ze plaatste haar handen achter haar rug. “Hoeveel vingers?”

“Je bewustzijn zegt: drie,” zei Nuri.

Gila draaide zich om. Zes. Ze opende nog drie vingers.

“Twee,” zei Nuri. “Duim en wijsvinger. Netjes. Het lijkt erop dat het poppenspeler-aspect al aardig vorm begint te krijgen. Hoe voelt het?”

Gila haalde haar schouders op. “Alsof het niet bestaat.”

Nuri greep Gila’s uitgestoken hand. Waar voor een Klasse-3 focus en nabijheid voldoende waren, had Gila persoonlijk contact nodig.

Heel goed. Straks heb je de blokkade niet meer nodig. “Waarom zit je niet in je les?”

“Hans Teunissen,” zei Gila.

Ze ving een flard van een andere gedachte: … schattig. Het werd weggedrukt door een beeld van het reuzenrad op het Olympiaplein. Suikerspinnen. Ga met me mee vanavond. Het bed van Nuri. Roomsoezen, slagroom, plakjes ananas en aardbeien. Audrey Hepburn en Romi Schneider in de Franse film Je ne regrette rien. Tequila en zout.

Gila keek geamuseerd op.

“Heel verleidelijk, lieverd, maar ik val op lang en blond, niet op kort en donker.”

En dus? Maia heeft geen interesse. Er is niets mis met tweede keus als je weet waar je prioriteiten liggen.

Gila begon te blozen.

Ja, dacht ze. Tweede keus.

—En dus? zei Nuri.

En ik ben niet echt iemand die met haar collega’s neukt.

“Uiteraard, goed punt,” zei Nuri zacht en voegde daar toen in gedachten spottend aan toe: Behalve dan met Zoë, Deirdre en Fraukje en je openlijke gegeil op Maia hier.

Gila voelde het schaamrood nog hoger opstijgen. Trut!

“Je had het over Hans Teunissen,” zei Nuri. En het is tijd voor koffie. We moeten zo weer terug naar de groep. Ben jij nog in staat deze week langs te komen?

Gila schudde haar hoofd.

Ze voerde Gila mee naar de enige koffieautomaat met fatsoenlijke koffie, tegen de verste wand. De datum, in blauw licht achter het donkere glas, stond vandaag meer dan twee jaar verkeerd: “12 april 1983.”

“Hans,” zuchtte Nuri. “Hans Teunissen. Eeuwig puberende, halfbejaarde Hans. Eeuwig hunkerend naar billen, tieten, kutjes en de schaduw van tepels op de stof van een shirt. Je bent niet uniek.”

Gila bleef staan. Waarom wordt er dan niets gedaan?

“Nationale Veiligheid heeft haar eigen regels,” zei Nuri. “En haar eigen management. En haar eigen lobby.”

Ze greep Gila’s pols, maakte opnieuw het contact waardoor haar gedachten onbelemmerd naar Gila konden stromen.

—Teunissen is een uitzondering, geen regel. En het interesseert Nationale Veiligheid niet wat er in het hoofd van hun personeel omgaat, zolang ze maar loyaal zijn naar het nationaal belang. Zolang Hans Teunissen geen werkelijke overtredingen begaat kan niemand hem raken.

—Klinkt alsof je hem verdedigt.

“Niet echt,” zei Maia achter hen.

—Schade en schande, dacht Nuri. En wat Hans betreft— en Gila zag in snelle flitsen een lichaam dat ondersteboven hing, bloederige darmen in zijn gezicht, vleeshaak door zijn enkel geslagen.

Hans.

Nuri gaf Gila een zacht, plagend duwtje in de rug.

“Kom. Je bent sterker dan dit. Hans is een zielige ouwe rukker. Niet waard om je opleiding voor in gevaar te brengen…” ze hield haar hoofd schuin, fronste. “Wacht!”

Ze greep opnieuw Gila’s pols.

Flarden van een mogelijk toekomstig conflict dat Nuri in Gila’s geest had gevonden.

Dus dat is wat je wil… en schudde haar hoofd. Niet verstandig. Zie het als een onderdeel van je training om hem te negeren. Nuri bleef een moment stil, zocht bijna voelbaar dieper binnen de gedachtewereld van Gila —en als je dan toch door wilt gaan met dit idee, voorkom dan de fouten die je normaalgesproken maakt. Nuri activeerde delen van Gila’s geheugen: Gila de beeldenstormer, Gila de onrealistische wereldverbeteraar, Gila’s pogingen om een medelid van de studentenraad ontslagen te krijgen, haar aanvaringen in de periode voor haar dienstplicht.

“Dat verleden is dood,” zei Gila.

“Echt?” vroeg Maia.

“Mooi,” zei Nuri en ze opende haar mond voor meer.

Maia hief haar hand en schudde haar hoofd.

“Nee. Moedig haar niet aan in het doorzetten van een stommiteit,” zei Maia tegen Nuri.

“Ik denk dat je verkeerd bezig bent,” zei Maia tegen Gila.

“Je bent niet de eerste,” zei Gila en ze drukte de toetsen in voor een café latte toen Nuri haar losliet.

“Laat het gaan,” zei Maia zacht. “Doe geen stomme dingen. Stop met dit gedram. Hans Teunissen is geen persoonlijk project om je eigen groei te testen. Stel je prioriteiten. De Tweede Wereldoorlog is nog steeds niet voorbij. Je taak is het voorkomen van nieuwe rampen, niet het provoceren van Nationale Veiligheid. Laat – het – los.”

Nee. Gila draaide zich om naar Maia. “Je weet wat er in Hans omgaat als hij naar je kont kijkt,” zei ze. “Of naar je tieten. Wat gebeurt met je als je zijn masturbatiefantasieën voorbij ziet komen?”

“Weinig. Ik negeer hem,” zei ze. “Hij is niet de enige en niet de ergste.”

“Ik negeer hem niet,” zei Gila.

Maia opende haar mond.

“Nee, Maia,” zei Nuri met een onverwachte felheid in haar stem. Gila keek verrast opzij.

“We zijn niet allemaal zoals jij. Dit is geen vreemdeling in de tram of de bus. Dit is misbruik van macht en expliciete seksuele intimidatie op de plek waar ik werk, met iemand die ik niet kan negeren. Ik rapporteer mensen zoals Hans.”

“Zozo,” zei Maia zacht tegen Nuri. “En wanneer was de laatste keer? Gisteren? Een jaar geleden? Helpt het?”

Nuri haalde haar schouders op. “Soms wel. Vaak niet. Nationale Veiligheid is een mannenbolwerk—”

Maia stak haar hand op, liet deze weer vallen: “Klaar. Ik heb al eens eerder in dit soort zinloze semifeministische echokamers gezeten. En behalve het rondkaatsen van gemeenplaatsen en het blaffen tegen de verkeerde bomen gebeurt er over het algemeen geen reet. Mijn mening? Als je een boom wil vellen, moet je de wortels pakken, niet de bladeren. Hans is een onbeduidende smeerlap en een onbeduidende lul. De wereld is onrechtvaardig en iedereen buiten mijn vriendenkring kan de tyfus krijgen.” Ze keek omhoog. “Ik leef mijn leven grotendeels buiten deze basis, met mannen en vrouwen die wél ontwikkeld zijn. Ik heb geen behoefte om veertigjarige pubers zoals Hansepansjekevertje een opvoeding in manieren te geven. Zelfs als hij me, zoals gisteren, redelijk expliciet en redelijk schaamteloos laat weten dat hij me op een afgelegen plek genadeloos in mijn anus wil verkrachten ‘omdat een lesbo zoals ik dat wel kan gebruiken met mijn arrogante kop’. Ranzige gedachten zijn geen misdaad. Hans kent perfect de grenzen van zijn eigen onaantastbaarheid. Jij, Gila, bestrijd symptomen omdat je te laf bent naar de kern te kijken.” Haar stem daalde een octaaf en de spanning week uit haar lichaam. “Laat het met rust.”

“Nee,” zei Gila omdat het teveel klonk als:

‘Wees voorzíchtig Gila.’

‘Trek geen aandacht.’

‘Laat ze maar begaan, Gila.’

‘Jij bent uiteindelijk de sterkste, Gila.’

“Het is niet aan jou om te bepalen wat goed voor me is.”

“Prima, dan niet,” zei Maia en drukte verveeld een paar nummers in, wachtte op de koffie. “Pak Hans aan op elke manier die je wilt. Maar verwacht niet dat dit zonder consequenties zal zijn.”

Ze draaide zich om.

“Heb jij nog iets te melden, Nuri?”

“Je haar zit weer geweldig, schat,” zei Nuri.

“Dan zie ik je boven. Maak het niet te laat.”

Gila keek haar na met kolkstromen in haar borst en vlinders in haar buik, half gevormde boze protesten in haar hoofd en een domme lach op haar gezicht. Wat een vrouw…

“Hallo? Aarde aan Gila,” zei Nuri met een zachte stomp tegen Gila’s schouder. “Ik moet gaan. Ben je hier vanavond nog?”

Gila schudde haar hoofd.

Ik ga vanavond terug naar Amsterdam. Andere afspraken.

 

Lunchtijd was afgelopen. Ze koos een van de laatste cabines. De kleine ruimte droeg de echo’s van zweet en angst, net waarneembaar onder de geur van leer. Gila liet zich in de stoel zakken, sloot haar nek en polscontacten aan en ging liggen. Boven haar ging het beeldscherm aan. Toen kwam de sensorische feedback van de simulatie.

De sprong van de Odelo gaf een scherpe en tintelende schok door haar lichaam.

Onder haar liepen energielijnen van de grote energiecentrale van Bangalore. Het elektromagnetische veld was voldoende om haar aankomst te maskeren. Rondom haar waren de bomen van het bos dat hier ten einde kwam. Schuin beneden lag de stad, uitgespreid in eindeloze blokken van huizen en flatgebouwen. Sloppenwijken van op elkaar gepakte stenen huizen in staat van verval. Kleine fabrieken. Alleen aan deze zijde van de stad werkten, sliepen, aten en woonden drie miljoen zielen.

Op 15 juni 1973, om zes uur ’s ochtends, verdwenen hier twee grote stukken van de stad in een herhaling van de aanslagen in 1965. De gaten die achterbleven waren vijf kilometer in doorsnede, twee kilometer diep, groter dan ooit tevoren. Het geschatte dodental lag tussen de 800.000 en 1,2 miljoen, ongeveer een kwart tot een derde deel van de totale bevolking van de stad.

Laagjescake.

De lijnen van de verschillende aardlagen deden haar nog het meest denken aan laagjescake. Wit, rood, grijs, zwart, zwavelgeel.

Ze berekende nieuwe coördinaten, dichter bij haar doel, vijftig kilometer verderop, aan de andere kant van de stad.

 

Ze was in de stad. Op haar tong lag de smaak van stof, via het nekcontact overgebracht naar haar hersenen. Op haar huid lag het gevoel van vuil. Haar lichaam stond tegen dat van anderen aangepakt in een trein die haar schokkend, schuddend en wiegend naar het centrum bracht.

Voor haar medereizigers was ze de zoveelste Thaise of Filippijnse kinderjuffrouw van een Indiaas gezin uit de hogere klassen. Een persoon zonder status. Gila droeg er zorg voor dat ze bij de vrouwen bleef die de trein verlieten, tot ze er zeker van was dat de man die eerder tegen haar aan had staan leunen ook inderdaad verdwenen was.

Haar rugzak was nog steeds intact. Haar spullen waren nog binnenin omdat ze al lang niet meer de fout maakte het ding op haar rug te laten. Haar geld en haar sieraden zaten nog steeds in de platte buidel op haar buik omdat ze de grijpende handen van bedelende meisjes en jongens zorgvuldig had afgewimpeld en ontweken. Ze was nog steeds in leven omdat ze zich niet had laten meevoeren door de mannen die haar dwingend ‘hulp’ aanboden, nog steeds in leven omdat Gila de verborgen poppenspeler steeds beter uitgekristalliseerd raakte in haar geest, nog steeds in leven omdat het moordenaarsaspect van haar driedeling steeds subtieler werd, nog steeds in leven omdat Gila de façade minder en minder van Gila’s werkelijke motieven doorliet, nog steeds in leven omdat ze haar materialisatieplekken voor de Odelo steeds beter had weten uit te kiezen: buiten bereik van de sensoren, onder de grens van de ruis van andere energiebronnen. Ze was nog steeds op weg naar haar doel.

Het deed er niet toe hoe getrouw de simulatie de wer­kelijk­heid van Bangalore weergaf. Dit was een oefening. En in deze oefening was de hele stad een dodelijke, wrede valstrik, hypergevoelig voor al haar fouten en altijd anders in haar reacties op Gila’s keuzes. En Gila werd steeds beter in haar herhaalde pogingen om het ultieme gouden pad door het veranderlijke labyrint van een vijandig gebied te vinden.

Ze ontweek het volledige fysieke contact met een bedelend jongetje door hem met een hand op zijn hoofd opzij te duwen, negeerde de pogingen van verkopers om haar aandacht te trekken, trok met haar focus een bijna schoon spoor door de chaos van menselijke lichamen, de vier Indiase vrouwen nog steeds als een schild vóór haar.

Vandaag bereikte ze zonder mankeren de marmeren trappen van het hotel. Vandaag wist ze voorbij de norse, gespannen mannen te komen die voor de ingang stonden, wapens in het holster, de rechte rug van Britse soldaten van de vorige eeuw, uniform perfect, een vreemd contrast als je wist hoe groot de haat van de Indiase bevolking was tegen die zelfde Britten, hoe bloedig de oorlog van 1947 was geweest.

De haat.

India had met vijftien miljoen doden een hoge prijs betaald voor een twijfelachtige vrijheid.

De haat, die als as op de tong van de overlevenden was blijven liggen. Die haat was de perfecte ondergrond geweest voor nieuwe manipulaties van buitenaf. Er werden door de verschillende overheidsinstanties geen vragen gesteld bij de herkomst van de gelekte data en de gestolen technologieën en de technische expertise die door buitenlandse handelaren voor hoge prijzen naar de Indiase staatsbedrijven werd aangeboden. En via strategische moorden, via strategische investeringen in specifieke families en via gemanipuleerde verkiezingscampagnes verloor India na drie jaar haar duurbetaalde vrijheid aan een regering die niets minder dan een totale controlestaat nastreefde.

Systemen van onderdrukking, dacht Gila. De patronen zo diep dat zelfs culturele herstructurering het gevoel niet kan vervangen dat bloed en dwang de meest effectieve methodes zijn om een doel te bereiken, dat we nog steeds gehoorzaam buigen voor de parasieten die zich voorgeven goden en verlossers te zijn. De Franse revolutie. De Tachtigjarige Oorlog. De Russische revolutie. De fluwelen revolutie van 1932. Bruggetjes van het ene despotische systeem naar het andere.

Ze kanaliseerde de woede naar een ander deel van haarzelf, waar het onder de oppervlakte bleef, niet waarneembaar voor de façade van haarzelf waarmee Gila door deze schijnwereld navigeerde.

Ze nam haar mondkapje af, deed haar kleed af en draaide het om, voltooide stap voor stap de transformatie in het dikst van de mensenmassa, die langs de karren met fruit, etenswaar en handelswaar schoof. Toen de massa dunner werd was elk spoor van de kinderjuffrouw verdwenen, kwam een moderne Indonesische vrouw van stand doelbewust in de richting van het hotel gelopen, met goud in haar oren, goud om haar hals, goud en katoen om haar polsen om haar contacten te verbergen.

Gila beklom de witte treden.

 

Een weelde van kopergroen, wit, goud en zeeblauw. Grote, massieve, houten deuren die elk meer dan drieduizend kilo wogen. Gedetailleerd houtsnijwerk in panelen in die deuren.

De delegatie was net aangekomen. Zakenmensen van een groot technologiebedrijf uit New Delhi. De lichamen en gezichten waren zo gedetailleerd en getrouw aan het beeldmateriaal uit de dossiers dat de simulatie weinig verschilde van de werkelijkheid.

Zolang ze zich gedroeg als iemand die als gast in het vijfsterrenhotel thuishoorde gebeurde er niets. En alles draaide om gedrag, uitstraling, het gevoel dat ze daar thuishoorde, dat het normaal was dat een vrouw zoals zij zich in een omgeving als deze bevond.

Drie keer was ze hier stukgelopen. Drie keer was ze in een achterkamer in elkaar geslagen en doodgeschoten. In deze simulatie leidde een vergissing onverbiddelijk tot de dood.

Gila maakte de toenadering. Maakte een fout. Werd bij de pols gegrepen door een van de mannen in pak die naast haar doelwit stond.

Twee minuten later was ze dood.

 

“Poep,” mompelde Gila, zich bewust van de werkelijkheid van de kleine cabine toen de schermen uitgingen.

“Wat ging er mis, mevrouw Pradopo?”

De stem van Marga Hessels.

Ze noemde de drie redenen die direct in haar hoofd waren gekomen toen ze wist dat het fout ging, fracties voordat de man haar gegrepen had.

“En?”

Ze zocht dieper, liet de hele scène aan haar geestesoog voorbijgaan, ging stap voor stap terug in tijd alsof ze een film terugdraaide, vond twee andere fouten eerder in haar gedrag. Iets dat geen verband leek te hebben met dat moment, maar haar stemming negatief beïnvloed had.

“Ik verloor focus,” zei ze. “Ik was al gespannen en met mijn eigen falen bezig voordat ik het hotel betrad.”

“En?”

Ze sloot even haar ogen, ging nogmaals haar stappen na, realiseerde zich dat ze het protocol had gebroken, iets had gedaan en gezegd dat iemand uit die cultuur nooit gedaan zou hebben, een basisreactie die uitgelokt was door de wederpartij.

“Heel goed, mevrouw Pradopo. Zelfbeheersing en een grondig begrip van uw omgeving is…?”

“Essentieel,” zei ze.

En zonder waarschuwing was ze terug in de simulatie, terug in de drukke straat, dertig minuten lopen van het hotel.

Ik ben tenminste niet helemaal terug bij af, dacht ze.

 

Het werd avond en Gila had nog steeds haar missie niet volbracht. Erger nog: ze was terug bij het begin.

“Dit is de laatste oefening, mevrouw Pradopo. Om half acht gaat het licht uit.”

Ze knikte.

Links van haar lagen de gaten. De gaten die door de regering van India in eigen grond waren geslagen. Achthonderdduizend tot meer dan één miljoen doden.

Bij benadering.

Ze opende de kap van de Odelo, stapte uit, liep naar de rand van kalksteen, keek even omhoog.

Hoog boven haar hing in een geostationaire baan het ruimtestation van India. Net als het Duitse ruimtestation officieel een laboratorium en fabriek van speciale materialen waarvoor nul-G nodig was. Volgens haar bronnen een onbekend wapen in de eindeloze wedloop. Een wapen dat elk moment kon worden ingezet tegen de wereld.

Zoals om zes uur ’s ochtends, Nederlandse tijd, op 15 juni 1973. Drie jaar na de voltooiing van het Indiase ruimtestation. Gila was twaalf en iets stierf in haar toen het nieuws en de aantijgingen vanuit India de wereld bereikte, de herinnering van dood en verlies acht jaar daarvoor vers als de dag van gisteren.

Ze haalde adem, liet het moment volledig terugkomen, de angst, de wanhoop.

De woede, háár haat.

23 juli 1973. Alle sporen naar de daders van de dubbele aanslag op Bangalore leidden terug naar India en de verontwaardiging over deze wanstaltige massamoord binnen de eigen bevolking barstte wereldwijd los. De president van India ontkende met emotie en krachtige handgebaren. “Dit is een dubbele daad van agressie tegen het volk van India. Wie verantwoordelijk is voor deze massamoord zal niet ontsnappen aan zijn straf.”

Gila was tegen die tijd vijf kilo kwijt geraakt door de stress en de angst dat ze ook haar tante en haar oom zou gaan verliezen. Op foto’s van die tijd waren haar ogen verzonken in donkere gaten in een scherpomlijnd gezicht.

25 juli 1973: vijf nieuwe aanvallen op de wereld. Kleine schermutselingen. Drie olietankers die plotseling verdwenen en honderden kilometers verder in een woestijn en aan stukken gebroken hun inhoud aan de aarde terug hadden gegeven, twee Chinese en drie Russische passagiersvliegtuigen die niet op hun bestemming aankwamen maar boven Japan dood uit de lucht kwamen vallen. Internationale onderhandelingen. Vergeldingsacties.

De haat. De haat binnenin haar. De haat tegen India. De haat tegen de werkelijke vijand toen haar kennis over de werkelijke gang van zaken groter werd. Haar haat tegen de onzichtbare poppenspelers. Gila greep de rand van de kalkrots, hief zichzelf op, klom over de rand en ging staan.

Geld.

Macht.

Grondbezit.

Hefboomwerking.

India was slechts een marionet in de vele handen van iets dat niet eens een organisatie was. De technologie en de kennis voor de grote teleportatieveldgeneratoren in hun baan rond de maan waren ergens in 1955 of 1956 van buitenaf aan India geleverd.

Ze haalde adem, strekte haar rug en liet de haat verder groeien, als een woordeloos wit licht door haar heen spoelen. De werkelijke schuldigen waren hier.

In Europa.

Oud geld, oude mannen. Oude macht met diepe wortels in de geschiedenis van Europa: onderdrukking, oorlogen, heksenjachten, leugens, manipulatie, demonisatie, misleiding, massamoorden, kruistochten, kolonisatie, slavernij en angst als instrumenten voor meer macht en meer geld.

Haar vingers tintelden, haar handpalmen jeukten. Ze deed een stap naar voren.

Oude macht die na 1932 een nieuwe bron had gezocht voor de onverzadigbare honger naar meer, nu de koloniën niet meer openlijk uitgezogen konden worden.

Het was als slijm waarin haar lichaam ondergedompeld was, dat boven haar keel uitsteeg en haar bijna deed kokhalsen toen ze haar mond opende.

“Mevrouw Pradopo?”

Ze keek op naar het geluid, schakelde. De woede zakte weg. De haat doofde uit.

“U staat al een tijdje op dezelfde plek. Ik heb het gevoel dat u geen nieuwe poging meer gaat wagen.”

Ze knikte. “Dat klopt, mevrouw Hessels. Ik ga loskoppelen.”

Ze ging rechtop zitten, trok haar knie op, koppelde haar polscontacten los, koppelde haar nekcontact los, wreef met haar linkerhand over haar slaap, opende de kap.

Licht van de trainingsruimte viel naar binnen. Gila stapte naar buiten. Zonder waarschuwing verloren haar benen al hun kracht.

Verdomme, dacht ze. Ze draaide haar hoofd, zag Marga Hessels een paar meter van haar vandaan in de deuropening staan, handen in haar zijde en een geamuseerde uitdrukking op haar gezicht.

Ze rolde zich als een rups op haar rug, probeerde haar armen te bewegen, haar handen te verplaatsen.

Net als toen, dacht ze. Net als toen! Een psychosomatische verlamming. Haar kinderbrein niet langer in staat de conflicten op te lossen, niet in staat om te gaan met de haat en de angst en het verdriet dat verbonden was aan haar verlies en aan haar leven in een wereld met een onafgebroken dreiging van een nieuwe wereldoorlog. Het was de knoop van een intern conflict die te complex was om zelfstandig op te lossen. Nee: een knoop in haar hoofd die eenvoudig te ontwarren was omdat ze het al eens eerder had gedaan. En klik, ze had weer controle over haar handen, haar armen, haar benen.

Ze draaide zich op haar buik, bracht haar knie omhoog, stond op, knikte naar Marga Hessels.

“U bent de laatste, mevrouw Pradopo,” zei Hessels met een handbeweging naar de ruimte buiten de deur. “Na u. Dan kan ik de boel afsluiten.”

Bij de uitgang van de basis en het begin van de tunnel bleef Gila een moment staan. De kans was groot dat Nuri nog aanwezig was. Ik zou haar kunnen bellen. Maar toen schudde ze haar hoofd. Je bent geen kind meer, Gila. Je kunt je eigen handje vasthouden.

Met een zwaai van haar been zette Gila zichzelf op het zadel van de fiets. Toen begon ze te fietsen. Terug door de lege, witte tunnel naar Boekelo.

 

2.

 

Het veld van de scrambler was voornamelijk voelbaar als een licht elektrisch trillen op haar huid.

“Ongewenst gegluur door telepaten? Bescherm jezelf! Gegarandeerd resultaat. Kan hoofdpijn en lichaamsklachten veroorzaken bij constant gebruik.”

Ze herlas de eerste zinnen, de aansteker in haar hand, het papier in de ander, alles in haar persoonlijke energieveld verstoord tot betekenisloze ruis.

 

Lieve Gila.

Je bent nu

Nu je onderdeel bent van Sectie Vijf hoef ik dit eindelijk niet meer geheim te houden.

 

We XXXX Ik was lid het internationale team dat in 1934 uitgezonden werd om Stalin om zeep te helpen. De wereld stevende opnieuw naar een grootschalige oorlog en het laatste wat we wilden was een herhaling van 1914-1918. Geen nieuwe wereldoorlog, geen herhaling van de verschrikkingen van de loopgraafoorlogen, van de bacteriële en chemische oorlogsvoering. We hoopten dat we dit konden voorkomen door systematisch en hard in te grijpen. Stalin was ons eerste doelwit.

 

3.

 

Het Gat van Amsterdam vormde een perfecte cirkel dat doorsneden werd door het IJ. De drie gebouwen rondom het Nieuwe Centraal Station stonden op de punten van een perfecte denkbeeldige gelijkbenige driehoek: de nieuwe centrale bibliotheek, het R&D laboratorium van Fokker en het centrale kantoor van Shell Nederland.

Wegen en gebouwen dreven op gigantische betonnen holtes die diep onder het water verankerd waren met kilometerlange kabels van koolstofvezels.

Gila keek naar Nuri die naar haar hand in het water staarde, keek langs de mast naar voren waar Maia als een godin in een kobaltblauwe jurk op het kleine voordek zat, deels van Gila afgewend omdat haar aandacht recht naar voren was gericht. Ze liet de kleine zeilboot overstag gaan, stevende recht op dat centrum aan en Gila’s wereld kwam volledig tot stilstand toen de wind Maia’s rok greep en het merendeel van haar slanke bovenbeen ontblootte. Maia kuiten waren als magneten voor Gila’s aandacht, sleutels tot een wereld van eindeloze verbeelding op een weg die langs Maia’s dijbenen omhoog voerde naar een plek waar het enige gerechtvaardigde geschenk uit eindeloos genot bestond.

Gila keek opzij, het verlangen als een warm hoogtevrees, een licht, maar toch compact gevoel in haar borst, bubbels in haar hele lichaam.

Ze klemde haar vingers strakker om het roer.

Nog langer en ik ga exploderen.

De boot gleed door de schaduw van de betonnen weg die hoog boven hen vanuit Amsterdam Noord naar het hart van het Gat liep, gleed dicht langs een van de dikke pilaren. Donkergroene algen waren een natuurlijke markering van het hoogste punt dat het water van het IJ kon bereiken. De verticale lijnen en nerven van de houten planken van de mal waarin het beton ooit gegoten was, waren duidelijk zichtbaar vanaf de boot.

Nuri strekte haar hand uit naar het grijs. Gila keek op en draaide zich om naar de maan, die bleek boven de stad stond. Haar ouders…

De kilometers dikke ring van stof en brokstukken en water rondom de maan was overdag nauwelijks zichtbaar en ’s nachts een haardun streepje van licht waar het geraakt werd door de zon.

Ze liet haar blik weer zakken.

De dood was hier gebracht in een grijze bus, geparkeerd in het centrum, de sprongveldgenerator verborgen in de buik, de frequentie van het lokale teleportatieveld afgestemd op die van de enorme generator in zijn baan rond de maan. Beelden van het verdwijnende stadsdeel, gevolgd door het ruisen van de lucht en de donderende klap waarmee het vacuüm gevuld werd, vormden een nationale herinnering die gefilmd was door toeristen en nog steeds genadeloos op 17 mei herhaald werden op TV terwijl de natie vier minuten in stilte was gedompeld.

Gila keek even naar Maia en riep een waarschuwing naar de vrouwen van Sectie Zes. Toen liet ze de boot rustig overstag gaan.

 

De boot lag aangemeerd bij het platform dat aan de voet van het Nieuwe Amsterdam Centraal was verbonden.

“Bedankt, Gila,” zei Maia en ze hield de hand van Gila een paar momenten langer vast. “Weet je zeker dat je niet bij Sectie Zes wilt komen?”

Gila schudde haar hoofd, voelde een nieuwe golf van lust door haar heen spoelen en genoot van het gevoel dat overbleef, liet het ongeremd stromen.

Het was zinloos om zichzelf te verzetten, zinloos om het te blokkeren. Heerlijk om te voelen.

“Zeker,” zei ze.

“Er is altijd plaats. Er is altijd de mogelijkheid om je latente talenten verder tot bloei te laten komen.”

“En nu moet je me loslaten,” zei Gila zacht en plotseling hees. “Voordat ik echt begin te druipen.”

Maia begon zacht te lachen en liet Gila gaan.

Gila sloeg haar armen over elkaar, schakelde, kwam terug bij haarzelf. Ze had een vraag. Ze wist wat Maia zou antwoorden, maar ze wist ook dat een meer basaal en primitief deel van haarzelf eeuwig spijt zou hebben als ze het niet zou vragen: “Weet je zeker dat er geen kansen bestaan—?”

“Nee,” zei Maia. “Ik moet iets voelen. Ik moet iets delen met je. Ik vind je lief en grappig en slim en mooi, maar ik kom niet verder dan een academische waardering. We liggen te ver uit elkaar.”

Gila knikte, stak haar handen in haar zakken, liet de teleurstelling en het verdriet komen en gaan, schoof toen met de punt van haar schoen een denkbeeldig steentje weg. Sectie Zes…

Het poppenspeler-aspect van Gila schoof indrukken naar voren die vorm gaven aan de gedachten die ze zonder bescherming alleen in bedekte termen kon uitspreken. “Ik heb het overwogen. Maar ik heb geen zin om dag na dag opgesloten te zitten in een saai kantoor ergens in nergenshuizen. Dit,” ze zocht even naar de juiste woorden, die niet kwamen, en besloot met: “voelt gewoon beter.”

“Ik ga je niet dwingen,” zei Maia. “Zelfs als ik denk dat je totaal fout zit.” Ze zweeg even, zei toen: “Zorg dat je in leven blijft.”

Gila greep handen, nam de zoenen op haar wangen in ontvangst.

“Bedankt.”

“Het was leuk.”

Toen Nuri achterbleef ging bij Gila eindelijk een ander lampje branden. Nuri en haar geflirt. Heks! Stelletje feeksen. “Heb jij een boot? Breng je Nuri even op de hoogte zodra je dingen rond hebt?” Me reet.

Ze aarzelde even, keek Nuri toen recht aan: Was dit een setup? Wat was jouw aandeel hierin? Was dit jouw plan? Dacht je echt dat dit zou werken? Ze maakte even een mentale stap terug en zag de verschuiving in haarzelf. Kak!

Ze streelde haar nek. (Nuri op het gras dicht bij Gila. Nuri die haar broodje met haar deelde. Nuri die een steen in het water had gesmeten en haar naam riep. Gila flirtend met Nuri toen Maia haar vriendelijk maar doelbewust bleef negeren.)

Wat voorheen niet aanwezig was geweest (tijd) was deze middag overvloedig voorbijgegaan.

Gila stak haar handen in haar broekzakken, sloot haar ogen.

Het was niet dat—

Maar—

“Kom op, meid,” zei Nuri. “Zelfs als je je gedachten afschermt is het niet moeilijk om te raden wat er in je omgaat. Je bent geen veertien meer. Tijd om dingen los te laten. Als Maia ook maar enige interesse in je had gehad, had ze al lang in je bed gelegen.”

“Trut,” zei Gila.

Ze greep Nuri’s hand, sloot haar ogen om onder de oppervlaktegedachten en oppervlakte-impressies te komen.

De indrukken van een ander leven stroomden via het contact in Gila’s gewaarwording. Het was meer dan Nuri ooit tevoren had losgelaten

Vertedering, lust, bewondering. Dat eerste moment waarop Nuri Gila zag, dat ze Gila’s gedachten las en een klein vlammetje van liefde werd ontstoken.

Gila fronste, sloot ontroerd haar ogen.

Tweede keus, dacht Nuri en pluisbollen van pret en wit licht dreven in de lucht rondom. En Gila zag de onbereikbare vrouw in Nuri’s huidige leven, iemand die geen vorm had, waar omheen een wolk van verlangen en gemis lag. Ze zag flarden van de compensatieseks met twee andere vriendinnen.

“Luister,” zei Nuri. “Als we niets doen is dit de laatste keer dat we elkaar in lange tijd gaan zien. We kunnen nu afscheid nemen, maar ik kijk liever of er ergens een toekomst is voor jou en mij.”

Gila liet haar handen langs haar lichaam vallen, bleef even zo staan, ging toen bij zichzelf naar binnen, een moment lang niet meer dan het geluid van haar eigen ademhaling in haar hoofd. Wat voel ik? Wat wil ik? Maia was weg. Nuri stond hier. Dit is je nieuwe realiteit.

Gila keek op langs de indrukwekkende hoogte van het Nieuwe Amsterdam Centraal. —Goed dan. “Ben je al eens boven geweest?”

 

Gila plaatste een hand op haar buik. Dat laatste moment op de kade had iets veranderd in de dynamiek tussen haar en Nuri. Het was voelbaar in de energie tussen hen in. Voelbaar in de manier waarop een bepaalde druk op haar borst verdwenen leek te zijn.

Ze plaatste haar duim op nummer 24.

De deuren gleden dicht. De lift kwam in beweging.

Ze haalde adem, voelde een onverwachte nervositeit.

Zijn dat vlinders?

Ze leunde haar rug tegen de wand van de liftcabine, keek naar Nuri die met haar handen tegen de glazen wand van de liftcabine stond, haar gezicht afgewend, verzonken in een diepe rust terwijl ze het verglijdende landschap in zich opzoog.

“Het is prachtig,” zei Nuri. “Dank je wel.”

De mouwen van haar jas waren over haar armen teruggetrokken, het zwarte leer van de randen grijswit versleten. Donkere verkleuringen en witte krassen sierden de huid van haar armen, haar knokkels en haar slanke vingers. Littekens, beschadigingen van haar werk.

De wereld rondom Gila verdween.

Geen ringen, geen sieraden, alleen hetzelfde witte keramiek van de contacten in Nuri’s polsen, een insigne van haar basale sociale status. Arbeider. Nietszeggend en duidend. Net als tatoeages, afwijkende kleding en teveel oorbellen.

Ze herinnerde zich een ander moment, een paar jaar geleden. De vrouw aan de andere kant van de tafel wees met haar tablet naar Gila’s pols. “Waarom laat u ze niet verwijderen, mevrouw Pradopo? Het zou uw kansen op de arbeidsmarkt vergroten.”

“Omdat ik me niet schaam voor mijn eigen verleden.”

Een halve glimlach speelde rond haar lippen en ze sloot haar hand rond haar pols. Hoe zou het zijn om de machines in Nuri’s werkplaats te bedienen?

Ze probeerde zich voor te stellen hoe Nuri als een ultieme poppenspeler aan het werk ging.

“Ik laat het je wel een keer zien,” zei Nuri.

De lift kwam tot stilstand.

Gila deed een stap naar de liftdeur.

 

We wilden iets bijzonders doen, zei Rudolf Das in een interview in 1968. We wilden iets teruggeven aan de mensen van Amsterdam en Rotterdam. Aan de mensen die hun familie hebben verloren in deze gruwelijke kraters. We wilden iets doen dat laat zien dat we zelfs uit de meest verschrikkelijke gebeurtenis in de geschiedenis van de wereld iets moois kunnen creëren.

“Kom, mevrouw Van Tiel,” zei Gila en ze nam Nuri aan de hand mee naar buiten. “Je kunt niet al meer dan een jaar in Amsterdam wonen zonder één keer hier gestaan te hebben.”

 

De daktuin was ongeveer even groot als het Oosterpark. Er was een handvol mensen, het toeristisch seizoen in maart op een dieptepunt. Dit was een kattenpark en een lynx en twee ocelotten met rode en zwarte halsbanden wandelden over het gras, cirkelden om elkaar heen tot de lynx neerzeeg en de palm van haar voorpoot begon te likken, onbezorgd over de mensen en de wereld om haar heen, haar eigenaar niet ver weg.

Nuri keek naar het Fokker-gebouw aan de derde arm van het kunstmatige eiland. “Het heeft me altijd gefascineerd hoeveel lef je moet hebben om je belangrijkste bedrijven in het hart—”

“Of krankzinnigheid. Perversie? Domheid,” zei Gila.

“Stoutmoedigheid,” zei Nuri en ze liet Gila’s hand los. “Doen we een koffie?”

Gila verplaatste haar aandacht naar het gebouwtje tegen de rand van het plein, met het ronde DE-logo, aarzelde. “De koffie hier is klote. En twee keer zo duur als elders.”

“En? Dus? Ik betaal. Dit is onze eerste echte date. Daar hoort te dure Nederlandse kutkoffie bij.” Nuri fronste en keek met haar hand boven haar ogen over het water uit, afgeleid door een andere gedachte. “Gila. Waar woonden je ouders?”

Gila stak haar hand uit. “Kom,” dan laat ik het je zien. Ze leidde Nuri naar de wand van glas die het beste zicht gaf over de zuidoostkant van het Gat van Amsterdam.

Ze wees na een kort moment van oriëntatie naar een plek in het water waar ooit het huis van haar ouders had gestaan.

“Daar. Ongeveer. In een straat die de Foeliedwarsstraat heette.”

“En waar was jij?”

“Bij mijn tante in Dordrecht.”

Nuri zweeg, keek naar de rand van de stad.

Gila deed hetzelfde en begon te glimlachen toen Nuri opnieuw haar hand vastpakte.

—Ga met me mee, Gila, en het diepe verlangen kwam vrijwel ongefilterd via het huid-op-huidcontact binnen.

—Nee. Niet vandaag. Morgen misschien. Of woensdag. De komende dagen ben ik bij een vriendin. Marieke. Voor Maia had ik die plannen graag veranderd. Met jou doe ik het wat rustiger aan.

—Kreng, zei Nuri. Vuil kreng. Vies vuil onsympathiek kreng. Woensdag?

Gila knikte. “Woensdag.”

“Mis je ze?”

Gila haalde haar schouders op.

“Soms.”

“Heb je ooit overwogen om terug te gaan naar Indonesië?”

“Ik weet het niet. Misschien. Nee. Jij?”

“Soms,” zei Nuri en ze plaatste een hand op Gila’s schouder, schakelde de scrambler in. “Privacy.”

Het was alsof Nuri op de rand van het zwembad stond en Gila met haar hoofd onder water. Nuri’s gedachten kwamen nog steeds door via het fysieke contact, maar waren vertroebeld en bijna ongrijpbaar, kostten meer moeite om gehoord te worden.

Gila de façade, de onwetende, onbenullige schil, viel weg.

—Je ouders. Is dat waarom je het doet, waarom je bij Sectie Vijf bent gegaan?

Gila omsloot haar eigen pols, haar polscontact, dacht aan haar tijd in de havens, dacht aan haar opleiding, dacht aan de Odelo.

—Nee. En Gila grijnsde. Het gevoel van macht dat ze kreeg als ze in simulaties met de volle mogelijkheden van de machine kon spelen, als ze aangesloten was op de echte Odelo, haar lichaam niet meer beperkt door haar eigen vlees en bloed, niet meer beperkt door de tijd die nodig was om afstand te overbruggen. Het was onvergelijkbaar.

—Sectie Vijf levert meer geld op.

Nuri giechelde. “De Odelo en het geld. En in het echt?”

“Nee, echt. Dat is absoluut een reden,” zei Gila. “En wat ik Maia vertelde eerder vandaag vertelde. Ik wil niet aan de zijlijn staan.”

“Het doet je niets dat—” —dat je ooit echte, levende mensen kapot zal maken? Dat je direct en in het midden van situaties terecht kan komen waar je niet levend uit zal komen? Je bent geen moordenaar, Gila.

Gila voelde iets verstrakken in zichzelf en binnen de synesthetische werveling van kleuren en ritme en geluid dat het bewustzijn van de poppenspeler was, vormde zich nieuwe gedachten die omgezet werden in woorden.

—Het is oorlog. We wachten nog steeds op de derde aanval…

—Dat is geen antwoord.

—Moord is een noodgreep, zei Gila. Ik word opgeleid voor infiltratie, sabotage, spionage, niet voor moord. Ik word opgeleid om diep in de kern van mogelijke vijandige elementen door te dringen. Als ik door de opleiding kom— Gila aarzelde.

Nuri schudde haar hoofd, sprong in het gat van Gila’s aarzeling. —Moord is een onvermijdelijk onderdeel van je werk. De Odelo heeft dat armkanon niet voor de sier. Je krijgt geen opleiding in het gebruik van wapens omdat dat zo stoer staat op je CV. Je wordt opgeleid om mensen te vermoorden.

Gila keek naar het donkere water van het diepe Gat rondom, keek omhoog naar de maan. 17 mei 1965. Een grijze bus met daarin een veldgenerator. Dat was alles. Alles wat hier nodig was geweest. Iemand om het busje te besturen. Iemand om de kosten te financieren. Iemand met voldoende minachting voor het leven, met voldoende gebrek aan scrupules om de dood van miljoenen als onderhandelingsmiddel te gebruiken in een oorlog die geen oorlog was. En Gila keek naar het water van het gat rondom hen, keek opnieuw omhoog, greep toen resoluut Nuri’s pols.

—Ik wil niet dat dat nog een keer gebeurt. Niet nog eens. Nooit meer.

—Zorg dat je in leven blijft, zei Nuri. Als je over een half jaar het veld in gaat, zorg dat je in leven blijft.

 

4.

 

Dromen over paarden deze keer, iets over Maia, niets over haar ouders. Ze was kort daarna weer in slaap gevallen, Marieke snurkend naast haar.

 

Gila bladerde verveeld door het boek, dat ze nooit eerder had gezien. 1937: de transistor. 1957: photonische circuits.

“Wil je een koekje, kind?”

“Graag oma,” zei Gila.

Ze leunde voorover, plaatse het voorzichtig op de salontafel aan haar voeten, greep het weer, opende het weer op de pagina waarboven stond: “1931: de crisis”.

In een grote groep rondom de al oude Nikola Tesla en de piepjonge Alan Turing, toen al minnaars, stonden talloze medewerkers van de eerste fabriek die Tesla in Westfalen had opgericht.

Ze keek zorgvuldiger naar een gezicht dat haar specifiek was opgevallen, wees ernaar.

“Ben jij dit?”

“Nee,” zei haar oma en ze wees naar de gestalte ernaast, half in de schaduw. “Dit ben ik.”

Een jonge vrouw met donkere haren en schaduwvlekken als gezicht. Ze tikte op de vrouw die Gila had aangewezen.

“Dat is mijn nichtje. Al dood lang voordat jij geboren werd.”

Gila pakte een koekje van de schaal.

“Hoe was Tesla?”

“Een moeilijk man,” zei haar oma. “Een genie. Een heel bewust man. Een vreemde man. Een bijzonder persoon. Hij was een van de weinigen die in staat was om iedereen samen te brengen. Alle theoretici, alle denkers. Om sponsors te vinden, grote stappen te maken, tot concrete dingen te komen. Zonder Tesla… Hij was een van de weinigen die in een breder perspectief begreep wat er in die tijd allemaal in zijn veld gaande was, ook al was hij het niet altijd met iedereen eens.”

“Einstein. Flux. Onuitputtelijke energiebron.”

“Einstein, flux,” knikte haar oma. “Bohr en zijn kornuiten.”

Gila keek op haar horloge, keek naar haar koffie, dronk het laatste beetje, stond op.

Ze had nog genoeg tijd, maar alles was na dertig minuten ongeveer wel gezegd tussen haar en haar oma. Zelfs het fotoboek voegde daar weinig aan toe.

“Ik moet gaan, oma.”

“Goed kindje. Wacht even. Ik wil je iets geven.”

Gila liep naar de voordeur en bleef in de hal staan terwijl haar oma in de slaapkamer verdween. Ze keek naar de blangkon in goud en zwart die van haar opa was geweest en op het tafeltje lag, keek voor het eerst sinds lange tijd naar de foto daarboven, waarop ze in een witte tutu in de vijfde positie van een demi-plié stond, haar armen in een boog boven haar hoofd geheven. Gemaakt op de dag voor haar examen van 1976. Ze had zich net niet gekwalificeerd voor het Nationale Ballet.

God: haar armen! Haar benen! Zo dun!

Daarnaast hing een klein fotolijstje van de Hema met een briefje dat ze ooit naar Sinterklaas had gestuurd toen ze zeven was. “Lieve Sinterklaas, Ik wil graag een ocelot want ik hou van katten. En ik wil graag mijn ouders terug.”

Haar oma kwam terug, keek omhoog, gaf haar een gele enveloppe.

“Je doet me denken aan je vader, Gila,” zei ze zacht. “Hij had die zelfde vastberadenheid. Zelfs als hij niet wist wat hem te wachten stond.”

Gila bleef aarzelend staan. Waar hèb je het over? Maar in het contact dat ze maakte was alleen oppervlakkig innerlijk gebabbel te horen. De oppervlakkige zorgen van een oude vrouw die geen verplichtingen meer had, voornamelijk in afwachting was van de dood. Als er al een aanleiding was geweest voor deze woorden dan waren ze nu weer verdwenen onder de rimpels van haar gedachten.

“Ga nou maar,” zei oma, terwijl ze Gila met sterke handen zachtjes de deur uit duwde. “Lees het maar als je thuis bent.”

 

Gila gaf de deur van haar Amsterdamse appartement een slinger met haar heup, deed de boodschappen in de koelkast en liet zich op haar bank ploffen. Even keek ze met een leeg hoofd naar het plafond. Toen scheurde ze met haar pinknagel de enveloppe open.

Het bovenste deel van de brief was leeg, op een krabbel na, die een spiraal leek te bevatten. Ze knikte, schakelde haar scrambler in.

“Lieve Gila,” begon de brief. Het was met de hand geschreven, in zorgvuldige, kleine, nauwkeurige letters.

“Nu je onderdeel bent van Sectie Vijf—”

 

Pas toen ze in de kleine keuken de laatste verkoolde papiervlokken met haar hand versnipperd had en deze met het kraanwater door de afvoer had weggespoeld kon ze weer enigszins tot rust komen.

Ze schakelde de scrambler uit. En haar gedachten sloten zich weer.

 

5.

 

Ik kwam samen met je opa naar Nederland. Het was de zomer van 1921. Ik had een studiebeurs voor de universiteit van Delft. Zes jaar later werd ik aangenomen in het R&D team van Tesla-Neumann-Bohr Industries.

Ik werkte toen al voor Generale Staf, Sectie Drie: lang voor het psi-corps werd opgericht en lang voor Sectie Drie Sectie Vijf werd. Mijn directe baas was Carel Albert van Woelderen.

Mijn taak was zo dicht mogelijk bij de groep te komen die met een nieuwe vorm van transport bezig was, gebaseerd op directe verplaatsing. Tesla: samen met o.a. Niels Bohr, Oskar Klein, János Neumann.

GS III en XXXXXXXXX

Joseph Stalin was onze eerste zorg. De Duitse Nationaal-Socialist, Adolf Hitler, onze tweede. en Twintig jaar is niets

Wij waren de eersten die de technologie van punt-naar-punt teleportatie toepasten voor oorlogsdoeleinden. Je moet begrijpen dat

XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Je hebt onze foto’s van Stalin’s landhuis waarschijnlijk al een keer gezien. De beelden zijn verschrikkelijk.

 

 

 

 

Gila leunde tegen het raam van de treincoupé, staarde naar buiten naar het landschap dat in het zwakke ochtendlicht aan haar voorbijtrok.

Twee meisjes waren bezig met speelkaarten om te kijken wie er telepathisch was.

“Welke houd ik op?” vroeg de donkerharige.

“Harten,” zei het blonde meisje.

Gila keek opzij. Het was klaveren.

“En nu?”

Het blonde meisje fronste, hield haar vinger tegen de plek tussen haar wenkbrauwen en fronste van concentratie. “Harten.”

Het was ruiten.

De blonde man in pak tegenover haar stonk naar oud zweet en komijn. Deze ochtend geen rare dromen.

Ze leunde met haar hoofd tegen haar arm, keek door het raam aan de andere zijde van de coupé naar buiten, dacht aan haar overstap in Utrecht Centraal, keek naar de bomen aan de andere zijde van de Weesper Trekvaart, naar de schepen die in de brede vaart voeren, naar de koeien in de weide tussen het spoor en het water.

 

Utrecht Centraal.

Water golfde loom onder de perrons van het station en elegante bruggen voerden over de sporen en naar de torens die rondom het gebouw uit het water rezen. Waar Amsterdam had gekozen voor een bijna genadeloos brute bouwstijl in beton, was Utrecht voor sierlijke slanke vormen en een mix van rotsblokken en baksteen gegaan.

Geel, wit, rood en grijs.

Gila liet zich omhoog voeren, liep naar het spoor waar de volgend trein zou aankomen.

Vanaf Enschede? De bus.

Weilanden, koeien, bomen, tractors.

Deze keer geen regen.

Boekelo.

Half acht. Rabobank.

 

En daar was Hans. Als een trouwe hond, wachtend tot ze binnen zou komen. Direct beschikbaar. Helemaal tot haar beschikking.

“Gaat u even mee, mevrouw Pradopo?”

Gila keek op haar horloge, keek weer op.

“Alweer? Dit is nummer vier, mijnheer Teunissen. En dezelfde vraag als vrijdag: sta ik op de lijst?”

Hij wees naar het hok.

“Sorry, mijnheer Teunissen, wellicht ben ik niet duidelijk genoeg geweest. Vorm ik een potentieel veiligheids­pro­bleem?” Ze streelde een moment het roestvrije staal van de poort waar ze voor stond, voelde voornamelijk chagrijn. Het was nog te vroeg voor angst. Ze keek weer op. “Voor zover ik het protocol van Nationale Veiligheid heb gelezen, gebeurt een herhaalde controle alleen bij mensen die een potentieel veiligheidsprobleem vormen. En daar is een lijst van. Ik ben geen terrorist, meneer Teunissen.”

“Gaat u mee?”

Gila kruiste haar armen.

“Sta ik op de lijst?”

Hij negeerde haar vraag voor de derde keer.

“Gaat u mee?”

“Sta ik op de lijst?”

Hij zweeg.

“Sta ik op de lijst, Hans?”

“Ik vraag u nog een keer, mevrouw Pradopo—”

“Nee,” zei Gila.

Zijn gezicht verstrakte. Hans droeg geen wapen en hij deed een stap naar achteren, stak zijn hand omhoog.

Het poppenspeleraspect van Gila liet de façade opzij kijken, zag één van de vrouwen haar pas vertragen. Een bekend gezicht. Ze werkte op de zelfde verdieping als waar Gila haar opleiding kreeg. Floortje, Valerie… “Fleur! Bel Johan Kramer. Vertel hem dat ik in een Code 35 zit,” zei ze. Ze strekte haar armen opzij, had haar lege handpalmen naar Hans gericht. Ze voelde hoe haar hart op hol begon te slaan. Het meer primaire deel van haarzelf begon te begrijpen wat de werkelijke situatie was en Gila voelde hoe die angst haar keel samenkneep.

Gila de poppenspeler was nog steeds Gila Pradopo: een mens van vlees en bloed in een biologisch systeem dat over miljoenen jaren geëvolueerd was tot wat nu rond haar geest zat.

Twee keer eerder dit jaar was er een Code 35 geweest en de tweede keer was er een dode gevallen.

“Mevrouw Pradopo!”

“Wat is je voornaam?” vroeg Fleur, die alles met een vlugge blik in zich had opgenomen en haar telefoon trok.

“Gila.”

Het kwam er moeilijker uit dan ze wilde.

Ze schraapte haar keel, slikte, bracht zichzelf tot rust, keek Hans recht aan, haar hoofd bijna leeg.

Het doet er niet meer toe wat zijn motieven zijn, dacht ze. Je hebt nu een ander probleem om op te lossen, Gila.

Hans liet zijn hand zakken.

Ze keek naar “Kamstra” en “Veerburg”, als ze de naamplaatjes mocht geloven. Hand op hun wapens, afstand van vijf meter tussen hen in, borgriem losgeklikt. Kamstra was de eerste die sprak.

“U bent dat vrouwtje dat vorige week een serie klachten heeft ingediend. Tegen Hans.”

Kamstra was een mannelijke tank, had gladgeschoren kaken, een gladgeschoren hoofd.

“Ja, mijnheer Kamstra,” zei Gila, “Ik ben dat ‘vrouwtje’.”

“Wat is het probleem?”

“Ik heb geen idee,” zei Gila en ze veranderde licht van positie, handen nog steeds geheven, vingers licht trillend van de spanning, terwijl een deel van haar geest tot haar sprak: Ik kan hem hebben, in lichamelijke impressies van het moorde­naars­aspect waar zijn zwakke plekken waren, hoe ze Kamstra als schild—

Haar rechtervoet verschoof een fractie naar achter. Met een waarschuwende blik hief Kamstra zijn wapen, kolf ondersteund door de palm van zijn linkerhand en de situatie veranderde in haar nadeel. Achter haar niemand, niets anders dan een blinde muur. Een schot door haar borst zou geen andere slachtoffers maken.

“Blijf staan, mevrouw Pradopo. U begrijpt dat dit een Code 35 is?”

Ze knikte.

Zonder opzij te kijken vroeg hij: “Hans?”

“Mevrouw Pradopo weigert medewerking met een standaardprocedure.”

“Voor zover ik weet sta ik niet op de lijst,” zei Gila. “En ik heb het gevoel dat dit niet echt over een veiligheidsprobleem gaat.”

“Kunt u zich nader verklaren, mevrouw Pradopo?”

“U heeft de rapporten.”

“Doe alsof ik ze niet gelezen heb.”

Gila de poppenspeler hielp Gila de façade het geheven pistool te negeren, liet de façade voorzichtig haar woorden kiezen. “Ik vind het een beetje opvallend dat ik vier keer achter elkaar door de heer Teunissen uit de rij wordt gehaald. Voor een uitgebreide ondervraging. In een procedure die in vijf minuten kan worden afgerond, maar met de heer Teunissen gemiddeld 45 tot 60 minuten tijd kost.”

Kamstra’s ogen schoten heen en weer tussen Gila en Hans, bleven uiteindelijk weer bij haar steken. Ze wist dat hij wist waarover ze het had.

“Laten we niet al te hard van stapel lopen, mevrouw Pradopo. En niet meteen wéér beginnen met beschuldigingen. Zou het kunnen dat dit inderdaad gewoon een steekproef is? En dat Hans gewoon ook andere dingen heeft af te handelen?”

Gila zweeg, keek hem strak aan.

Ja. Ik neem je dit kwalijk, Kamstra, dacht de façade. Je bent me niets schuldig, maar je weet net zo goed als ik wat voor een eikel het is.

“Mevrouw Pradopo?”

Gila zweeg nog wat meer, keek naar de portretten van Spinoza, Kropotkin en van Vloten boven de ingang, bijna als beschermheiligen, keek weer naar Kamstra.

“Hans?”

“Gewoon een steekproef,” zei Hans kalm.

“Vier keer achter elkaar?”

“Dat kan voorkomen, mevrouw Pradopo.”

“Minimaal vijfenveertig minuten per keer?”

“Dat kan voorkomen, mevrouw Pradopo.”

“Sta ik op de lijst, mijnheer Kamstra?”

“Een moment,” zei Kamstra en hij mompelde iets achter zijn hand. Veerburg veranderde licht van houding, zijn wapen eveneens op haar gericht.

Hans vouwde zijn armen over elkaar, een ondefinieerbare uitdrukking op zijn gezicht.

Ik hoop dat je je vermaakt, dacht ze. Lul. Het was te absurd. En Gila de façade kon zich niet inhouden: “Zeg, meneer Teunissen? Als we toch staan te wachten, heeft u nog wat grappige opmerking over mijn billen? Of over borsten en kanker? Zodat er wat te lachen valt? U heeft vast inspiratie opgedaan in de laatste dagen.”

“Nee, mevrouw Pradopo, die heb ik niet,” zei hij, en zijn ogen waren hard en koud.

Kamstra liet zijn hand van zijn mond vandaan zakken, keek haar een paar seconden lang met een frons aan.

Overwoog iets.

Sprak toen: “Het is goed dat u dit geval met de lijst en de wachttijden opbrengt. En prima dat u voor uzelf opkomt, maar ik denk dat een open ruimte daar niet de beste plek voor is en dat u een beetje te overgevoelig bent, mevrouw Pradopo. Blijkbaar is er iets in uw gedrag wat Hans aanzet tot een kleine afwijking van het standaard protocol. Niets bijzonders. Een grap wellicht. Of wellicht om naar u duidelijk te maken dat we hier niet zomaar zonder reden staan. Er zijn nog steeds mensen die kwaad in de zin hebben en naar plekken zoals deze komen.”

Gila schudde kwaad haar hoofd.

Zijn wapen schoot een fractie omhoog, was op haar borst gericht. Ik ben een verdomde analist, dacht de façade. Waar is het gevaar?

Ze draaide haar handen met de palmen naar binnen, toonde haar polscontacten.

“Ik heb jarenlang in de havens gewerkt, mijnheer Kamstra. Ik ken het verschil tussen een grap en iets anders.”

En ik weet inmiddels van betrouwbare bron wat voor fantasieën Hans kan voeren als we langs komen.

“Mevrouw Pradopo,” pareerde hij. “Ik werk nu al vijf jaar met Teunissen samen. Prima collega. Die klachten van u doen niemand goed.”

Ze keek naar de loop van het pistool, keek naar Hans.

“Niemand houdt van een Code 35, mevrouw Pradopo,” zei Kamstra. “U niet en wij niet.”

En alles was plotseling weg. Gila liet zich afleiden door de mensen die door de andere poortjes gingen.

“Ik merk dat het u allemaal niet meer zo veel interesseert. Volgt er vandaag weer een nieuwe klacht?”

Ze knikte.

“Helaas wel, mijnheer Kamstra.”

Kamstra hield zijn hoofd schuin, luisterde even naar zijn oortje.

“U schijnt inderdaad niet op de lijst te staan,” zei hij. Hij liet zijn wapen zakken.

Ze knikte.

“Dank u wel, mijnheer Kamstra,” zei ze.

Hij maakte een gebaar naar de poorten. “Gaat u maar.”

 

Ze draaide zich om toen Kamstra zijn keel schraapte: de poortjes inmiddels tussen hen in.

“Mevrouw Pradopo?”

“Ja?”

“Vind u het nu echt nodig om hiervan werk te maken? Wat als u van u kant iets meer uw best zou doen om dit soort dingen op een meer… elegante manier op te lossen?”

Ze haalde rustig adem, ademde rustig uit.

‘Trek geen aandacht, Gila.’

‘Laat ze maar begaan, Gila.’

‘Zwijg. Jij bent uiteindelijk de sterkste, Gila.’

“Ja mijnheer Kamstra, ik denk dat het nodig is om hier werk van te maken.”

“Wellicht kunt u uw gedachten hierover enigszins bijstellen, mevrouw Pradopo.”

“Nee. Dat doe ik niet, mijnheer Kamstra.”

Ze zag hoe iets veranderde in zijn houding.

Hij maakte dreigend een stap in haar richting.

“Mevrouw Pradopo—”

En dat deel van Gila dat als een poppenspeler op de achtergrond leefde gaf een klein rukje aan wat al aanwezig was:

(Zwijg! / Maak jezelf klein / Maak jezelf onzichtbaar)

(Geef op / Sta op)

(Geef anderen de ruimte / jouw plaats)

En Gila de façade voelde de woede en de minachting als vingers van ijs door haar borst stromen, stak haar vinger priemend naar Kamstra alsof dat hem tegen zou houden. “Genoeg! Ik laat me niet intimideren.”

“Kunt u uw toon matigen, mevrouw Pradopo?”

“Nee,” zei ze en haar kilte trok een heldere koude lijn tussen hen in.

“Wie denkt u wel niet dat u bent?”

“Een mens,” zei ze kalm. En ze stopte niet toen hij door bleef praten, overstemde hem met de kracht van haar woede. “Met al de bijbehorende rechten op een fatsoenlijke en professionele behandeling. Een mens zoals ú, mijnheer Kamstra. Hij daar,” ze wees naar Hans, “blijft in het vervolg bij mij vandaan. En ja: dat dossier met zijn naam blijft doorgroeien.”

Sorry, Maia.

Dit was een spel.

Dit was een experiment.

Het risico was duidelijk voor Gila. Maar er was geen bot in haar lichaam die deze situatie zwijgend voorbij kon laten gaan.

De driescheiding in haar hoofd was nog steeds Gila Pradopo.

 

Ze was bijna een uur te vroeg toen ze de dienstfiets aan de andere kant van de lange tunnel parkeerde. Even twijfelde ze, toen sloeg ze linksaf, naar een zijpad dat licht omhoog voerde langs de rand van de volgende etage van beton, naar een alkoof waar honderden beelden tussen wanden en pilaren stonden, uit het steenzout geschraapt met lepels, messen en beitels. Sommigen grof en vrijwel ongevormd, anderen vol detail, gemaakt met gevoel.

Langs engelen en mannen en vrouwen en vogels in witte fresco’s van zout tot ze bij een bankje kwam waar ze neerzat en in toenemende rust, met de hand en in steno haar zesde klacht schreef.

Even pauzeerde ze, toen ze terug ging naar die eerste klacht waar alles mee begonnen was: seksuele intimidatie. Ze las de briljante openingszin waar Hans ongetwijfeld ooit lang over nagedacht had: “Hmmm. Lekker kontje, mevrouw Pradopo. Ik zou wel weten wat ik daar mee moest doen.”

 

Sergeant Hessels trad binnen.

“Iedereen aanwezig?” vroeg ze nadat ze de deur gesloten had.

Ze keek kort de ruimte in, telde met een snelle hand de hoofden, knikte, bleef even bij Gila hangen: “Fijn en hartverwarmend dat u vandaag eindelijk weer eens op tijd bent, mevrouw Pradopo. Het was jammer geweest als u ook deze mooie oefening gemist zou hebben,” en telde verder.

“Mooi! Iemand nog last van vreemde dromen gehad? Problemen met slapen?”

Niemand hief een hand.

“Goed. We gaan het veld in.”

Ze draaide zich naar de muur waarvan het donkere oppervlak in een groot scherm veranderde, met een technische tekening van de Odelo. Ze wees naar de plek onder de stoel in het eivormige lichaam van de Odelo, draaide zich weer om. “Voor diegenen die hebben liggen slapen: dit is uw nulpunt-generator.” Ze wees naar het rugdeel. “Dit zijn uw sprong-generatoren. Vandaag gaat u deze tot het uiterste testen door zo snel mogelijk een zo groot mogelijke afstand af te leggen.”

Gila keek wat afgeleid naar Hessel’s borsten, dacht aan Nuri. Het scherm werd zwart.

“Omdat de helft van deze groep de vorige keer overal, behalve op de juiste plek terecht kwam hebben we het deze keer extra gemakkelijk voor u gemaakt. Uw sprongdoel is de máán. De exacte coördinaten vindt u in de cabine van uw Odelo. Omdat u nog steeds in training bent, hebben we een aantal handige functies in de Turing-Tesla machine uitgeschakeld. U zult in de komende minuten vanzelf uitvinden wat.”

Gila fronste, streek met een nagel over haar tafel. Jannie de Vries op de stoel vóór Gila kreunde van ergernis.

“Problemen, mevrouw De Vries? U mag ook hier blijven, maar dan kunt u automatisch uw spullen pakken en oprotten.”

Hessels keek naar de groep.

“Vragen? Nee?” ze negeerde de opgestoken handen. “Mooi! Jullie tijd gaat nu in.”

Het lokaal stroomde leeg.

Gila de façade stond op.

Gila de poppenspeler woog de kansen. Het maakte niet uit wat ze deed. Rennen. Wandelen. Blijven zitten. Alles zou binnen het kader van de training tot kritiek leiden.

Laat je niet opjutten, Gila.

“Zijn er problemen, mevrouw Pradopo? Mankeert u iets aan uw benen? Voelt u zich met uw 25 jaar soms beter dan de anderen? Beter dan mij?”

“Nee, mevrouw.”

“Zou u dan niet eens haast maken?”

Gila keek door het raam naar de rug en de pompende armen en benen van de laatste jongen.

Sergeant Hessels wees met een fel handgebaar naar de deuropening.

“Ren! Ren mevrouw Pradopo, of ik schop u hoogstpersoonlijk naar uw pak!”

Gila knikte, trok zich met beide handen door de deuropening naar buiten en begon te rennen.

 

In de kleine cabine van haar Odelo nam ze zorgvuldig de huidige stand van zaken door. Op een vel papier dat met plakband op haar dashboard was geplakt, was met ballpoint haar bestemming neer gekrast: de cirkel van puin rondom de maan met een pijl naar wat een puinbrok moest voorstellen en twee stokpoppetjes met kruisjes als ogen dicht daarbij. “Je pappa” en “Je mamma” als bijschrift.

Ze vermeed elk gevoel daarover. Het was niet noodzakelijk zich meer door Marga Hessels te laten bespelen dan al het geval was. Gila pleegde een telefoontje, controleerde haar systemen.

De levitatiemodule gaf geel. De spronggenerator gaf geel. De cabine sloot goed af. De zuurstof-verversingsinstallatie was in orde.

Rondom haar begonnen één voor één de voorovergebogen Odelo’s te verdwijnen.

Gila begon een aantal berekeningen te maken. Haar telefoon trilde, toonde het bericht: “De Wernher von Braun valt inderdaad onder de overeenkomst.”

“Mevrouw Pradopo?”

Marga, sergeant Hessels. Ze schakelde de microfoon aan.

“Ja?”

“U bent alweer de laatste.”

“Met alle respect, Centrale,” zei Gila, haar ogen op haar handmatige berekeningen gericht, “maar niemand heeft gezegd dat het om een noodsprong gaat.” Ze keek naar het vel papier. “En ook mijn instructies—”

“Dan is het vanaf NU een noodsituatie, eigenwijze kut. Spring!”

Gila verbond de connectoren met haar polscontacten, klikte de nekconnector in haar nek, schakelde de koepelprojector aan, zette op het scherm een koers met haar virtuele handen.

“Waar wacht u nog op, mevrouw Pradopo?”

Ze liep vlug haar systemen na.

“Laatste systeemcheck, Centrale.”

Het zou niet de eerste keer zijn dat ‘A’ eigenlijk ‘B’ was en het was niet onmogelijk dat deze test begon en eindigde met deze eerste sprong.

“Mevrouw Pradopo?”

“Vier systeemstoringen in de TTM, Centrale,” zei Gila, haar hart kalm, haar lichaam kalm, haar stem kalm. “Niets van levensbelang. Wapens afwezig. Alle overige systemen geel. Voldoende zuurstof,” ze opende het zijvak en bekeek de rantsoenen, bekeek de einddatum, “en voedsel voor 36 uur. Koers voor de eerste sprong berekend. Ik ga springen.”

De spronggenerator wierp het baken uit naar een plek 150 kilometer hoger. Het baken maakte contact met de spronggenerator en de Odelo sprong

Ze voltooide haar berekeningen, deed een mee uitgebreide systeemtest – Dit kan niet alles zijn. Er moet een adder onder het gras zitten – vergrootte de sprongafstand.

“Eitje,” mompelde ze.

 

30 sprongen van 2000 kilometer elk.

Twee minuten tussen elke sprong.

Twee minuten om te herstellen, nieuwe berekeningen op haar telefoon te maken.

Ze keek op haar horloge, krabbelde de uitkomst van haar voorgaande berekening neer, ging een bladzijde terug waar ze de formules uit haar geheugen had opgeschreven, ging twee bladzijden voorwaarts en slaakte een zucht.

Er was geen documentatie. De documentatie die ze had stond op een andere machine, was staatsgeheim. Zonder matrix waarin ze de formules kon combineren met haar handmatige invoer bleef alleen de simpele calculator op haar telefoon over.

30 springen. 60 minuten.

60.000 kilometer van 384.000 kilometer achter haar.

30 sprongen van 192 achter haar en die 192 sprongen waren alleen voor de heenweg…

 

De Odelo plopte terug in de normaalruimte en Gila kon zich deze keer niet meer inhouden. Het was inmiddels alsof na elke sprong het vlees in repen van haar botten werd gerukt en naalden door haar ogen werden gestoken.

Ze snakte naar adem, vocht tegen de kabels die haar vasthielden, schreeuwde: “God-ver-domme!” en ze sloeg haar vuist tegen de zijwand toen de angst voor de pijn van de volgende sprong in golven over haar heen spoelde en haar bijna de adem benam.

Nee.

Adem. Haal adem.

Ze schreeuwde de angst van zich af, balde haar handen tot vuisten.

“Godverdomme!”

De elektroden in haar nek, de vingerdikke kabel, de veiligheidsriemen verhinderden haar om verder in te krimpen en—

Ze schopte haar hiel tegen de vloerplaat.

“Kut, kut, KUT!”

Ze dwong zichzelf op te richten, dwong zichzelf te ontspannen.

Ze dwong zichzelf geen aandacht te schenken aan de tranen, aan de groeiende onmacht die haar met elke sprong meer en meer in zijn greep kreeg. Het soort onmacht dat— dat ze associeerde met— met opgeven. Met—

“Lieve Gila. Ik was onderdeel van het team dat in 1934 uitgezonden werd om—”

“Je bent mijn type niet”

Met—

Hey. Hey. Hey. Pindaatje. Flapoortje. Waar zijn je ouders? Ben je boos?

Hahahaha— Gila, pila. Pinda, Indo.

Reeemi, reeemo, rijst-scho-teltje.

Dat ze associeerde—

Nee.

                       Kom jij voor de auditie, pinda?

met het scheermes—                   Jouw soort hoort hier niet, lesbo.

Heb je een vriendje?

Nee.                                       Ben je alleen?

in haar handen—               Stop maar.

Je zult met die korte benen nooit een echte danser worden.

                        Je stinkt.

Nee.               Je hebt borstkanker.

toen ze zestien was.            Gestoord wijf.                     Gila! Hoe kun je jezelf verlagen tot—

Teef.                                       

Nee.                           Arrogant kreng.

Ze dwong zichzelf verder te gaan. Verder dan het gevoel van angst, van oud zeer, van de oude wonden, van haarzelf zes jaar oud, twaalf jaar oud, de verlamming die haar handen en benen gevoelloos maakten, haar de kracht ontnamen om te bewegen als een romp zonder armen zonder benen als een worm een rups en de kabels, de kabels, de kabels naar de contacten in haar polsen en in haar nek hielden haar tegen bonden haar aan haar gevangenis

Nee.

Ze— ze sloot haar ogen. Ze—

“Mevrouw Pradopo? Wat is uw probleem?”

 

Ze stond met het mes aan de keel van het kalfje, Suske (“Kies een naam, mevrouw Pradopo,”), in een boerderij ergens in Drenthe.

Suske en Betsie. Dochter en moeder.

Een week daarvoor: haar handen in de kut van Betsie, rond de dunne enkeltjes van het ongeboren kalfje (“Trek, mevrouw Pradopo! Trek, of Betsie gaat een uitzonderlijk pijnlijke bevalling tegemoet!”), de hoeven tegen haar polsen.

De onafgebroken drill op haar kennis van de Nederlandse en Europese geschiedenis en de consequenties van die geschiedenis in de rest van de wereld. Macro-economie. Communicatietheorie. Een krankzinnige mix van dingen. Te weinig slaap. (“Mevrouw Pradopo, slag bij Nieuwpoort! Redenen!” Haar hersenen als bloemkool na een ontmoeting met de blender, de wereld buiten haar tent donker, de kennis desondanks direct paraat.)

“Wat is uw probleem mevrouw Pradopo? U houdt toch ook van een biefstukje? U brengt toch ook van tijd tot tijd een bezoekje aan de slager? Waar denkt u dat al dat vlees vandaan komt?”

“Koeien,” snikte ze.

Ze veegde met de rug van haar meshand haar snot en haar tranen weg. Ze had nog nooit een levend wezen vermoord.

“En, mevrouw Pradopo? Gaat er nog iets gebeuren, of gaat u vandaag nog naar huis en wensen we u een fijne carrière buiten Sectie Vijf toe?”

Gila klemde haar tanden op elkaar en zette met trillende hand het mes tegen de keel van Suske die haar nog steeds leek te vertrouwen, onrustig in haar arm bokte, onrustig en bang van de dingen om haar heen, het gegil van de koeien die overal rondom hen vermoord werden.

“Ik kan het niet,” jankte ze.

Dag mevrouw Pradopo.”

Ze trok het mes van onder naar boven door de keel van— van het— dat twee keer in haar arm omhoog probeerde te springen.

“En nu de moeder, mevrouw Pradopo.”

Ze week opnieuw uit, keek naar het grote zwart/wit gevlekte lijf van Betsie en snikte.

Actie! Het is zij of u, mevrouw Pradopo.”

Dit is een test, Gila.

Ze dook opnieuw omlaag, greep omhoog naar de hals van het zware dier dat haar met 520 kilo in paniek tegen het hek probeerde te duwen. Twee keer stak ze hierdoor niet diep genoeg en de derde keer hoorde ze iets kraken in haar eigen lichaam.

Ze keek hijgend en jankend en met een lijf vol pijn toe hoe het leven uit het grote lichaam week, de stront en de pis uit de dode koe liep, keek naar de zware uier vol van melk, naar het bloed dat tussen haar voeten over het beton stroomde. Toen kotste Gila tot ze niets meer te kotsen had en verliet ze de kleine afgeschermde ruimte waarin ze tot dat moment samen met Suske en Betsie opgesloten was geweest.

“U bent nog niet klaar, mevrouw Pradopo.”

Marga Hessels wees naar de tweehonderd koeien aan de andere zijde van de stal, waar enkele van haar mede-kadetten reeds met een nieuwe slachting bezig waren.

“Jullie zijn gestoord!” zei Gila. “Gestoord!” schreeuwde ze en haar stem klonk schril in haar eigen oren. De haat voor Marga Hessels een moment allesoverheersend.

“U kunt elk moment stoppen. Dan is het wel einde oefening voor u, mevrouw Pradopo.”

Gila keek naar buiten, keek naar de andere stal, bedwong haar emoties, spoog op de vloer. Het begin van de poppenspeler roerde zich binnen Gila, het begin van de driedeling als uitbreiding op de posthypnotische blokkade.

“En de paarden?”

“Wat een goed idee, mevrouw Pradopo! Het is tenslotte vanavond barbecue. Daar kan een lekker paardenbiefstukje inderdaad niet aan ontbreken!”

 

En in haar dromen— in haar dromen kwamen die momenten terug als een eindeloze simulatie waarin haar bewegingen steeds vloeiender werden in variaties op scenario’s tot ze vrijwel geen fouten meer maakte.

 

De blokkade. De driedeling. De blokkade. Zonder een diepere intelligentie achter de blokkade, was de blokkade niet meer dan een simpel en onbetrouwbaar lapmiddel om binnen (haar opleiding) en buiten (haar werk bij ‘de Rabobank’) van elkaar gescheiden te houden. Zonder diepere intelligentie waren een symbool, een sleutelwoord en het gevoel van een scrambler-veld al voldoende om die blokkade op te heffen.

Maar waar bleef zijzelf? Wie was “Gila Pradopo” nadat die nieuwe onderdelen van haarzelf volledig uit haar onderbewustzijn waren gedestilleerd?

Wie ben ik?

Wie ben ik?

Wat blijft er van me over?

 

Nee.

 

Ze moest grip krijgen op haarzelf. Ze kon niet

Nee.

Gila opende haar ogen, veegde haar tranen weg, keek door de wolk van haar ronddrijvende druppels snot en tranen naar het grote scherm rondom haar. Je hebt hier voor gekozen, Gila.

Ze was niet eens op een vijfde van de afstand. De aarde lag als een bal onder haar, de helft van het bewolkte oppervlak in de schaduw van de nacht.

Ze vocht tegen de verkramping in haar lichaam, liet de Odelo even versnellen om de lucht te klaren. Dat verwijderde niet de druppels die waren neergeslagen op de talloze driehoeken van het grote beeldscherm om haar heen.

Laat de tranen stromen, vertelde ze zichzelf. Voel de pijn en het ongemak.

Ze maakte de berekeningen, veegde haar ogen droog.

Dit is een test. Een test, Gila. Een test. Een test. Een test. Waar ligt je breekpunt Gila? Je bent meer dan dit.

Ze liet een minuut verstrijken. Ze controleerde de spronggegevens op haar telefoon, veegde haar wangen droog, berekende opnieuw haar totale reistijd.

“Mevrouw Pradopo?”

Gila dwong het huilen tot stoppen, slikte, opende de microfoon.

“Ja?”

“Waarom hangt u stil? U bent zich ervan bewust dat u slechts 36 uur heeft?”

“Ja.”

“Waarom hangt u stil?”

“Ik denk na,” zei Gila haperend, na een korte pauze, nadat ze haar neus had opgehaald.

“Waarover? Overweegt u terug te keren?”

“Nee,” zei Gila.

“U kunt altijd terugkeren, mevrouw Pradopo.”

“Dat weet ik.”

“Keert u terug?”

“Nee.”

“Mag ik u er verder op wijzen dat we een klacht over u hebben binnengekregen, mevrouw Pradopo?”

Gila zuchtte, schakelde de microfoon weer in.

“Van wie?”

Ze luisterde.

De mannen van Nationale Veiligheid.

“…regels waar ook u aan moet voldoen …wellicht uw laatste oefening als u zich niet… kunt houden …vanuit dit perspectief wellicht zinloos om door te gaan. Kom terug.”

Eikels.

Gila zuchtte opnieuw, maar deze keer vergat ze de microfoon uit te schakelen.

“Pardon? Problemen, mevrouw Pradopo?”

“Geen problemen, Centrale,” en Gila wreef snot weg van onder haar neus. “Centrale? Was dat een bevel?”

“Wat, mevrouw Pradopo?”

“Om terug te komen.”

“Nee, mevrouw Paradopo, een bevel klinkt anders, dit was een advies.”

Gila knikte. “Boodschap begrepen. Alles pi-co-bello in orde. Ik ga door, Centrale. Pradopo uit.”

Ze wierp het baken, wachtte tot het contact maakte, strekte met gierende angst haar rug en gaf de opdracht tot de volgende sprong.

 

80 sprongen.

120 sprongen.

175 sprongen—

180 sprongen.

Het was iets meer dan 16 uur later. Ze had zes keer overgegeven, misselijk van de angst en de pijn en het ontbreken van zwaartekracht. Twee keer in de afsluitbare braakzakken, één keer in de stof van haar hemd, één keer in haar T-shirt en twee keer in haar trui.

Gekleurde vlekken dreven door alles wat ze zag. Ze dronk wat water. Ze at wat van haar rantsoenen om te zorgen dat ze scherp bleef. Niet teveel zodat ze niet opnieuw zou braken. Ze richtte het baken 2000 kilometer in de ruimte tussen haar en de maan. De maan die nu als een gigantische, pokdalige bal voor haar dreef.

Nog 10 sprongen te gaan.

Ze ademde diep in. Ze haalde diep adem en had bijna geen erg meer in de verschaalde lucht van haar pis, van verbruikte zuurstof, van haar ruften, van haar zweet, van haar braaksel in deze kleine ruimte.

Ze gaapte, strekte zichzelf, strekte het lichaam van de Odelo dat haar volgde in al haar bewegingen .

“Mevrouw Pradopo?”

“Ja?”

Er volgde drie seconden van stilte.

“Is alles goed?”

“Ja.”

Drie seconden stilte.

“Gaat u het halen?”

“Ja.”

“Weet u het zeker? U heeft nog maar 16 uur.

Ze kneep haar ogen samen, masseerde haar neusbrug.

“Ik ga het halen, Centrale. Stop met vragen.”

Nog 10 sprongen.

Ze boog voorwaarts en maakte de bewegingen die de volgende sprong zou initiëren. Ze sprong.

 

Nog 2 sprongen.

Haar handen streelden in eindeloze herhalingen zacht het leer van de armleuningen van haar zetel, een bijna dwangmatige uiting van haar angst dat dertig sprongen geleden begonnen was. De puinring lag nu recht voor haar op het bespikkelde scherm.

Flitsen van vroegere ervaringen gingen door haar heen waarin ze elders was, niet meer in de Odelo zat, maar in een containerwagen in de haven van Rotterdam, in een auto, in een vuilcontainer omdat ze verstoppertje aan het spelen was, terug in de haven: haar contacten verbonden met de Turing-Tesla machine, een immense constructie van wielen en grijpers waarmee ze containers van de ene plek naar de andere reed.

“Gila? Je wordt nu 22. Wellicht is het… verstandig als je je studie weer oppakt, in plaats van… door te gaan in dit soort… werk.”

Ze—

Gila strekte haar lichaam in de beperkte ruimte van haar gevangenis, streek met haar handen over haar gezicht, dacht aan Nuri en ze wist al precies hoe haar tante zou reageren.

“Een meubelmaakster, Gila. Een vrouw—”

Kindertjes…

“Kijk eens hoe schattig—” haar tante, een foto op haar telefoon van een zuigeling, oogjes gesloten en Gila kon alleen maar denken aan hoe lelijk het kind was.

Plicht.

“De baarmoeder in MIJN buik is niet JOUW bezit.”

 

“Gila! Hoe DURF je zo tegen mij te spreken.”

Mijn baarmoeder. Geen instrument. Geen plicht. Geen plicht. Geen mijlpaal in mijn leven.

 

“Op een gegeven moment draai je wel weer bij Gila, geen enkele vrouw kan uiteindelijk zonder man.”

 

“Mevrouw Pradopo?”

“Ja?”

“U bent voorbij het punt bent waarop u levend terug kan keren.”

“Jullie hebben vast een oplossing, Centrale,” mompelde Gila afwezig, pen in haar linkerhand, telefoon in haar rechter, wetenschappelijke rekenmachine open op het kleine scherm, haar duim bijna automatisch van cijfer naar cijfer springend, symbolen toevoegend, correcties aanbrengend. Haar hoofd tussen de herinneringen en hallucinaties door voornamelijk bezig met de volgende sprong.

“Ik ben bang van niet. Als u op fatsoenlijke wijze afscheid wilt nemen van uw vriendinnen en uw familie dan is het nu de tijd om daar over na te gaan denken.”

Ze knipperde met haar ogen, haalde diep adem toen die laatste woorden vol tot haar doordrongen.

Afscheid.

“Centrale?”

“Ja mevrouw Pradopo?”

“Lulkoek.”

“Pardon?”

Ze telde met haar vinger de felgele vlekjes op haar radarscherm, prevelde de getallen tussen haar tanden door.

“Ik zie hier zes Odelo’s die net als ik te ver zijn om nog terug te komen. Dat is ruim zestig miljoen gulden.”

“Wat wilt u daarmee zeggen, mevrouw Pradopo?”

“Dat er een failsafe is. Jullie sturen ons niet in dure machines hier naartoe zonder een failsafe. Ik kom zelfstandig terug, Centrale. Er is nog voldoende tijd.”

“Denkt u slim te zijn mevrouw Pradopo? Probeert u mij te imponeren?”

“Nee, Centrale,” zei ze.

“Denkt u nu echt dat—”

“Nee, Centrale. Het zal me volledig m’n reet roesten wat de intentie is of hoe jullie het doen. En Centrale? Was dit een bevel om terug te keren?”

“Nee, mevrouw Pradopo, dit was geen bevel.”

“Heeft u specifieke instructies, Centrale?”

“Nee, mevrouw Pradopo.”

“Dan zijn we klaar met dit gesprek. Ik ben bijna bij mijn bestemming. Pradopo uit.”

Ze maakte de volgende sprong.

En had een nieuwe blackout.

 

“Dertig minuten, Centrale. Geef me dertig minuten.”

“Akkoord, mevrouw Pradopo.”

Gila gebruikte de levitatiemodule om dieper in de puinring te drijven. Van miljoenen kubieke meters aan rotzooi verwachtte ze niet echt iets specifieks te vinden en zeker niet haar ouders of het huis waarin ze geboren was.

Schepen. De restanten van een haven. Eindeloze hoeveelheden bevroren bollen van water tegen het zwart van de ruimte. Gebouwen van een fabriekscomplex op een grote cirkel van drie kilometer doorsnede: de maximum transportatiezone voor de ontvanger die hier ooit ergens rondgedreven had.

Haar horloge gaf drie signalen. Tijd om terug te keren.

Ze verminderde vaart, draaide de Odelo in de richting van de Aarde en dat was het moment waarop ze de autobus boven de perfect geconserveerde spookstad zag.

De bus dreef over de bovenzijde van de halve bol van rots en kalksteen: gevuld met dertig dode kinderen en een chauffeur. Ze zoomde in. Drie ruiten waren gebarsten door de plotselinge decompressie na materialisatie. De kinderlijken dreven verstild binnenin als vlokken vuil in een fles vol met water. De analytische logica van haar Turing-Tesla machine volgde feilloos de gezichten met rode stippen en telde de totalen: 16 meisjes, 14 jongens.

Gila slikte, dronk van het reservoir met gerecycled water om haar mond te bevochtigen, slikte nog een keer en voelde de tranen opwellen toen een nieuwe wolk van auto’s van achter de stad zichtbaar werd. De wolk van de bevroren lijken van de mensen die zich buiten hadden bevonden op het moment van verplaatsing: tongen zwart uit opengesperde mondopeningen. Ze controleerde haar systemen, controleerde of dit werd opgenomen. Ze nam een laatste slok van haar water, drukte haar emoties weg en stelde de afstand af: 3000 kilometer thuiswaarts, controleerde het beeld van de langeafstandsradar.

Plan B, Gila. Plan B.

“Centrale? Ik vraag permissie om naar de Wernher von Braun te springen.”

 

Drie sprongen later en nog steeds geen antwoord.

Gila controleerde nogmaals het tekstbericht dat ze vlak voor vertrek gekregen had.

“Centrale? Volgens mijn bron—”

“Toegestaan.”

Ze teleporteerde het baken voor zich uit, liet zich door het baken naar de nieuwe positie trekken, rustte, teleporteerde, rustte, teleporteerde, begon steeds onrustiger op haar zetel heen en weer te schuiven en nam contact op met— (“Centrale…?” “Uw probleem, mevrouw Pradopo, los het op”), poepte in haar broek, dronk water, sprong, kwam bij uit een nieuwe blackout—

 

“Mevrouw Pradopo?”

De dikke naaf met het slanke wiel van het Von Braun ruimtestation lag met blinkende lichtjes recht voor haar, in vredige en constante rotatie om zijn eigen as. Haar spronggenerator, haar Gulliver-F0173 op wit, dicht tegen het punt waarop het zichzelf opnieuw voor een uur zou uitschakelen.

Gila stak haar hand uit en alles versmolt. Haar geest sloeg opnieuw los van de banden van haar bewustzijn ging robijnrood en supernova in haar vlucht van de pijn en de werkelijkheid van—

De stank was onverdraaglijk.

Niets dat ze niet al eerder had meegemaakt.

Gila begon te lachen, dwong zichzelf tot helderheid, liet haar telefoon vallen en keek naar haar schokkende handen.

Na meer dan 280 sprongen en 29 uur zonder slaap in de Odelo had ze de grenzen van haar eigen lichaam bereikt.

“Mevrouw Pradopo?”

Haar lichaam begon steeds heftiger te schudden.

“Ik ben kapot,” zei ze en iets brak in haar. Het Duitse ruimtestation was zo dichtbij en—

“Ik haal het niet meer,” huilde ze.

—het was nog maar twee sprongen tot ze binnen bereik was van een Duits reddingsteam. Twee sprongen maar naar veiligheid, maar ze kon haar armen en haar benen niet meer voelen, wist niet meer waar haar Odelo was.

“We halen u terug, mevrouw Pradopo.”

 

In haar hallucinaties hadden de dode lichamen de gezichten van haar ouders en haar ooms en tantes. Allemaal Javaanse mensen. Bloed stroomde over haar benen en dreef rondom haar in het bekrompen en gesloten universum van de Odelo. Zelfs haar oma was daar, een scheermes in één hand, een pistool in de andere. Ze strekte een klauwhand uit, versmolt met Gila.

En haar opleiding bij Sectie Vijf eindigde in een mislukking. Zoals haar opleiding (ondanks haar diploma) een mislukking was geweest. En haar hele leven—

En Gila kreunde. En verzette zich.

 

 

 

 

 

7.

 

We lazen anarchisten als Bakoenin en Kropotkin. We lazen de werken van Baruch Spinoza, Allard Pierson, Johannes van Vloten. We lazen Anton Korzybski, Wilhelm Reich. We keken naar het verleden. De bijna anderhalve eeuw van koloniaal terreurbeleid dat begon onder de hand van koning Willem I. We hadden talloze vergaderingen binnen onze eigen diensten en sloten verschillende verbonden met onze buitenlandse collega’s.

 

Rond 1928, met nieuwe spanningen, de herinneringen aan de zinloze Europese massamoorden in 1914 en 1915 en de dreiging van een nieuwe crisis, rees het groeiende besef binnen met name de Duitse en Nederlandse diensten dat er in een beschaafde wereld geen plaats meer was voor klassenverschillen, koningshuizen en dictators.

Het was een stille revolutie, een fluwelen revolutie, Gila. En opnieuw

Ik deelde toen Ik had er geen moeite mee toen dhr. Van Woelderen van Sectie III me vanaf 1930 inzette voor opruimacties die we toen voor het gemak maar ‘interne amputaties’ noemde.

 

8.

 

De heldere klingeltonen van haar alarm braken door een intense en diepe slaap. Gila opende haar ogen, draaide zich om en ging rechtop zitten. Ze wreef met haar handen over haar gezicht, opende opnieuw haar ogen, realiseerde zich waar ze was.

En met die realisatie kwamen de herinneringen terug, in haar lichaam, in haar geest. Ze schudde haar hoofd. Nee…

Haar dekbed lag voor een deel op de grond. Ze rook aan haar arm, rook de geur van desinfecterende zeep, plaatste haar hand op haar kruis, controleerde haar armen en benen voor verse blauwe plekken, ging met haar aandacht naar binnen. Er was niets dat anders was dan voorheen. Niets dat vreemd aanvoelde.

Iemand had haar uitgekleed, gewassen, weer aangekleed in nieuw ondergoed.

Ze fronste, stond op, klemde haar kaken opeen. Haar handen en haar vingers trilden toen ze haar kast opende.

Haar kleding lag netjes opgevouwen op de tweede plank. Haar sokken lagen eronder. Haar schoenen stonden naast elkaar op de bodem.

Ze kleedde zich, pakte haar telefoon, stabiliseerde haar hand, haar ogen.

Drie gemiste oproepen. Eentje van Nuri. Zes tekstberichten. Twee van Nuri, beiden meer dan twee dagen oud.

“Ik heb net begrepen dat je in een oefening zit. Ook gehoord van je botsing met NatV vandaag. Geweldig!

Je bent mijn heldin.

♥~ (˘ x ˘) ( | ) (^ – ^) ~♥

Bel me als je weer terug bent.”

Ze beantwoordde de telefoon toen deze overging.

“Mevrouw Pradopo?”

Centrale.

“Ja?”

“Kunt u naar gebouw 17H komen? Unit 3-E.”

“Ik ben net w—”

Nu. Twee minuten.”

“Kut,” zei Gila toen ze de verbinding had verbroken.

 

“Mevrouw Pradopo,” zei majoor Johan Kramer toen ze binnenkwam. Hij was in uniform, zijn dunne blonde haar netjes in een scheiding gekamd. Donkere polscontacten glansden in het kunstlicht toen hij zijn handen bewoog.

“Allereerst: welkom en gefeliciteerd met uw terugkeer. Uw—”

Hij keek naar haar borst, een moment bevroren.

“Uw bovenste twee knoopjes zijn verkeerd geknoopt. Kunt u dat alstublieft corrigeren?”

Ze keek naar beneden, zag dat ze inderdaad een fout had gemaakt, knoopte met trillende vingers de bovenste knoopjes van haar blouse los, knoopte ze met trillende vingers correct vast, nog steeds licht hijgend van het rennen.

“Beter… Ik heb een probleem, mevrouw Pradopo.”

Hij zweeg even, keek haar aan en zette zorgvuldig de situatie met Nationale Veiligheid uiteen.

“U en ik kennen een andere versie van dit verhaal. Waarin het minder duidelijk is wie waaraan schuldig is.”

Gila knikte, probeerde haar onbedaarlijk stuiterende voeten stil te houden. Verdomme!

Een deel van haar geest was nog steeds in de Odelo, in de ruimte tussen de maan en de Aarde, gevangen en overspannen.

“Een Code 35 is en blijft echter vrij ernstig, mevrouw Pradopo.”

Gila knikte kort, haar ogen op de zijne gericht, had opeens geen moeite meer om bij het moment te blijven, kreeg daarmee iets meer grip op haar eigen lichaam.

“Ik heb daarom van mijn eigen meerdere gisteren de opdracht gekregen om u een reprimande te geven, mevrouw Pradopo en om bijpassende maatregelen te nemen.” Kramer slaakte een zucht, schudde twee keer met zijn vinger. “Foei! Niet meer doen, mevrouw Pradopo. Tot mijn verrassing ontving ik van dat zelfde Nationale Veiligheid een mooi en verzorgd dossier met daarin gegevens over uw familie en uw familielijnen. Verwijzingen naar het feit dat u geen oorspronkelijk Nederlandse bent. Uw activiteiten binnen ‘verschillende groeperingen van radicale feministen’. Enzovoorts, enzovoorts, ad nauseam.”

Hij plaatste de dikke map op tafel. Ze keek naar de sticker op de zachte bruine kaft: het blauwe logo van NV links boven, haar naam in schreefloze letters in het exacte centrum van het witte vlak.

Hij plaatste zijn hand er op.

“Begrijpt u wat dit is, mevrouw Pradopo?”

Ze schudde haar hoofd.

“Dit hele rapport is een verkapt verzoek tot uw ontslag uit Sectie Vijf, mevrouw Pradopo.”

Gila friemelde met haar handen, voelde hoe spiertjes in haar oogleden zonder enige reden met de rest van haar lichaam begonnen mee te trillen en samen te trekken. Ben ik te ver gegaan?

Ze was niet zeker hoe ze moest reageren. Ze was niet meer dezelfde persoon van vier dagen geleden, haar lichaam nog steeds uitgeput, haar ziel kaalgeslagen, geschaafd en beurs van de uitputtingstocht.

Ze keek opnieuw naar het rapport, keek naar de zorgvuldig gemanicuurde handen van majoor Kramer, knipperde toen alles even zwart werd. Ze voelde haar hart, voelde het koude zweet langs haar armen lopen. Voelde de woede en het verdriet als een koud vuur rondom haar oplaaien, liet het naar boven komen.

“Ik begrijp niet—”

Hij hief zijn hand.

In haar hoofd klonken de woorden al voordat hij ze uitsprak.

Mevrouw Pradopo—

“Mevrouw Pradopo—”

—u kunt uw spullen pakken.

Ze kon het niet voorkomen. Het was—

“—dit is wat ik met dergelijke kinderachtige nonsens doe.”

Hij pakte het op en liet het met een luide smak naast zich op de grond vallen.

“Sectie Vijf is in 1939 door mensen als uw grootmoeder van de grond af opgebouwd ter bescherming van de vrijheid van mensen. Mensen in Nederland. In Europa. In de wereld. Deze vrijheid gaat niet over slaafsheid of Nederland als middelpunt van de wereld en wordt niet bereikt door braaf de regeltjes van anderen na te volgen. Deze vrijheid wordt niet verkregen door de verering van bepaalde personen of bepaalde instituten. Deze vrijheid wordt niet beschermd door onze medemensen te kleineren en de mond te snoeren. Deze vrijheid wordt niet bereikt door intimidatie of misbruik van macht. Dit rapport van NatV is…”

Ze sloot even haar ogen. Teveel woorden.

Hij pauzeerde, een moment maar, en nagelde haar vast met zijn blik.

“Ik weet dat u geen enkele loyaliteit heeft naar dit land waarin u bent opgegroeid. Ik weet van uw problemen met uw pleegouders, van het gebruik van bepaalde substanties in het verleden, uw overtuigingen, uw afwijkende levensstijl en de weloverwogen manier waarop u bent omgegaan met uw—”

Hij maakte een vage beweging naar haar borst, “kanker. Ik weet dat u van eigenwijsheid aan elkaar hangt. Ik weet dat uw loyaliteit even vloeibaar is als water.”

Hij haalde diep adem, zuchtte diep, greep in zijn tas, plaatste een nieuw rapport op tafel met een andere kaft, zonder logo, zonder opschrift en niet meer dan een paar vellen dik, schoof het in haar richting.

“U bent in al uw fratsen en onzekerheden niet uniek, mevrouw Pradopo. En het kan me eigenlijk niet zoveel schelen waar u wel in gelooft.”

Hij ging zwijgend rechtop zitten, streek met een zorgvuldig gebaar zijn vingertoppen door zijn haar, vouwde zijn handen ineen en liet zijn armen op de tafel rusten.

“U mag dan soms een ongeleid, exploderend projectiel zijn, maar ik zie ook een uitzonderlijk slimme en doortastende vrouw. Ik wil u heel graag houden, mevrouw Pradopo, maar mijn invloed is beperkt. Heel beperkt. Zet een punt achter dit onzinnige gedoe met NatV. Toon dat u een professional bent. Laat zien dat u Sectie Vijf werkelijk waardig bent. Loop geen lessen en oefeningen meer mis.” Kramer hief zijn linkerhand, toonde een afstand van een halve centimeter tussen zijn duim en wijsvinger. “Het scheelt maar zoveel dat u niet uit uw opleiding wordt gegooid. Voorkom dat deze maand ook daadwerkelijk uw laatste maand wordt.”

Hij boog opzij, strekte zijn lange arm en greep het Nationale Veiligheid dossier van de grond. “Dit is nu van u. U mag er mee doen wat u belieft. Stop het in een lijstje, lees het, verbrandt het, maak er wat mij betreft papieren bootjes van.”

Kramer stond op, streek zijn uniform glad.

Bij de deuropening draaide hij zich weer om. “Mevrouw Pradopo?”

“Majoor Kramer?”

“U heeft de rest van deze dag en tot en met het weekend verlof. Rust lekker uit. Geniet van uw vrije dagen.”

Hij trok zacht de deur achter zich dicht.

 

Niets. Ze glimlachte. Helemaal niets. Kramer had haar helemaal niets geboden. Geen steun. Geen uitweg. Niets behalve lege woorden.

En helderheid.

Gila plaatste haar vingertoppen op het tweede rapport, schoof het naar zich toe, sloeg met trillende hand de vaalgele kaft open, niet wetend wat ze kon verwachten.

Haar scores van de afgelopen twee weken stonden op de eerste pagina. De simulaties. De oefeningen in het veld. De oefeningen met de Odelo. Daaronder stond in het krullende handschrift van Marga Hessels slechts één woord met een dubbele streep eronder. Ze plaatste twee vingers onder dat woord, boog verder naar voren omdat ze niet kon geloven wat ze las. Niet van Marga Hessels.

“Uitmuntend.”

Gila ging zitten toen de tranen opkwamen, het schudden in haar lichaam onhoudbaar werd, toen het opnieuw even zwart werd voor haar ogen. Ze wreef met haar handen over haar gezicht en maakte toen een zacht geluid dat een mengeling was van opluchting, woede, verdriet en triomf.

 

9.

 

Na Stalin volgde Hitler en zijn staf. We teleporteerden een bom in hun midden met de tweede generatie Tesla/Bohr/Neumann materiezenders. Na Hitler: maanden onderzoek, overleg, voorbereiding, internationale samenwerkingen, besluitvorming. Franco en Mussolini.

Vanuit de chaos die ontstond namen we een paar stappen terug.

Deze stilte duurde tot 1938, toen Japan grote delen van China, Korea en Indonesië binnenviel. Het was We braken de macht van Hirohito op dezelfde manier als we voorheen met Hitler en Stalin hadden gedaan. Met een bom in de vergaderkamer.

 

Ik Wat XXXXXXXXXX Gila, wat je niet in mijn dossier zal vinden is het volgende: tot 1916 was ik deel van een verzetsgroep in Jakarta. De slachting in Kuta Reh. De moorden in Atjeh. Het seksuele en lichamelijke misbruik, de onmenselijke behandeling van de lagere klassen in Jakarta. Alles behalve dingen die door nette mensen worden gedaan. Zelfs na de conventie van Den Haag van 1899 bleven de moorden en verkrachtingen en vernederingen door de Nederlanders in Indonesië schaamteloos doorgaan.

We gebruikten voornamelijk scheermessen, soms een pistool als dat de zelfmoord geloofwaardiger maakte, en we werkten alleen ‘s nachts.

 

Ik heb veel Nederlands bloed aan mijn handen, sayang Gila, en elke verkrachter en elke moordenaar verdiende zijn dood. Het maakte mijn werk in Nederland, vijftien jaar later, iets makkelijker.

 

10.

 

Drie dagen waren verstreken sinds haar terugkeer van de maan en het was nu zaterdag. Drie dagen die ze voornamelijk in het bed en de huizen van drie vriendinnen had doorgebracht: bijkomen, herstellen, verwend worden.

Gila trok haar telefoon uit haar zak en in een opwelling koos ze een opname van Jineman Mari kangen. Ze maakte haar sloten los, stapte op haar fiets en trapte het rammelende ding de weg op.

Ze remde af toen een DAF 55 haar afsneed, keek het ding even kwaad na, vervolgde toen vals fluitend haar weg.

 

Gila parkeerde haar fiets in de zijstraat naast het huis waar Nuri woonde. Ze wikkelde de ketting om de lantaarnpaal, liep terug naar de ingang aan de Beethovenstraat en drukte met haar duim op het tweede knopje van onderen: “N. van Tiel”.

Tien seconden verstreken. “Kom boven,” zei de stem van Nuri. De deur klikte open.

Met bonzend hart klom Gila over een steile trap met kale houten treden met koper beslag, langs bladderende mintgroene verf (een sticker met “Kom naar Jebels berg” op de muur) langs twee etages naar de openstaande deur van Nuri’s appartement. Ze had nog steeds geen idee waar ze stond ten aanzien van Nuri. Mogelijke minnaars? Vriendinnen? Niets?

Dit was Nuri’s initiatief, Nuri’s toenadering.

 

De meubels waren sober zwart en chroom in een minimalistische stijl: allemaal door Nuri zelf ontworpen en gebouwd. Een cello stond in de hoek van de woonkamer waar ooit een gashaard had gestaan. Op de lage kast bij de deur lag een kopie van “De graaf van Monte Cristo,” de kaft rond het gezicht bekrast met ballpoint. Vier verhuisdozen stonden op elkaar gestapeld naast de ingang.

Gila de poppenspeler herkende het symbool boven de slaapkamerdeur, een dubbele spiraal, voelde het trillen van de scrambler die de muren, de vloer en het plafond van het huis tot een veilige kooi maakte.

Haar lichaamshouding veranderde.

Haar gezichtsuitdrukking werd strakker, haar ogen iets harder door de dingen die ze zich weer kon herinneren. Ze aarzelde even.

“Kan ik verder komen?”

“Natuurlijk, schatje.”

De grote witte kat op het bed keek op en volgde Gila met gele ogen toen ze de slaapkamer binnenkwam.

“Hoi poes,” zei Gila.

Ze liet haar arm om Nuri’s middel vallen, beantwoordde de drie kussen op haar wangen, de kus op haar mond. Gila begon te lachen toen Nuri begon te lachen.

“Je bent lief, Gila.”

Even gaf ze zich over, met ogen gesloten en ze genoot van de sterke arm om haar middel, van de vingers die door haar haar gingen, van het moment van stilte dat volgde. En Gila opende haar mond, trok Nuri strakker tegen zich aan, straalde van plezier toen ze zich weer losmaakte. De uitnodiging die Nuri onuitgesproken had gelaten dreef even tussen hen in, viel toen zacht neer.

—Ik weet het nog niet, Nuri. En ik ben te leeg om nu over dat soort complexe dingen na te denken.

“Prima,” zei Nuri. “Over een uurtje gaan we uit. Ik ben nog aan het uitzoeken wat ik ga dragen. Je kunt op het bed zitten als je wilt.”

 

Een moment lang zat ze. Toen liet Gila zich op het zachte dek achterover vallen. Flitsen van de afgelopen dagen schoten door haar gedachten en ze draaide haar hoofd naar de serval. Haar komende confrontatie met Nationale Veiligheid… Maandag was dinsdag geworden omdat de helft van haar groep zich ziek had gemeld. Ze haalde haar schouders op. Dinsdag. Dinsdag zou ze langs gaan.

Gila streelde afwezig de stugge vacht van de grote kat, hield toen haar hand op om naar de rug van haar hand te kijken, haar afgekloven vingernagels. De serval hief haar kop, rook, rook aan haar kleding, sloeg haar grote poot over Gila’s bovenbeen en schurkte zich toen met haar schoft over Gila’s buik.

Flarden van een kattenleven kwamen binnen met het contact.

“Het lijkt erop dat Lila je aardig vind,” zei Nuri zacht.

“Lila?”

Nuri trok haar shirt uit, stak een gespierde arm door de mouw van een witte blouse. Een tatoeage liep van schouder naar schouder over haar rug.

“Gila en Lila,” mompelde Gila met een vage glimlach. Ze streelde opnieuw Lila’s rug, streek haar vingers tegen de richting door de vacht.

Haar gedachten dwaalden opnieuw af. Ze trok haar benen op, streek met haar andere hand over het bed, keek naar Nuri. Flitsen van denkbeeldige momenten van seks met Nuri op deze lakens? Ze waren droog en vluchtig, zonder inspiratie.

“Mevrouw Pradopo?” zei Nuri in een imitatie die het midden had van Kramer en Hessels. “U bent hier vandaag niet voor de seks. En ik respecteer graag uw eerdere uitspraak. ‘Niet binnen mijn professionele kringen,’ ook al lijkt u zich daar zelf niet al te strak aan te houden.”

“Ja. Nee.”

Lila strekte zich, rolde zich op haar zijde.

“Waarom meld je jezelf niet opnieuw aan bij Sectie Zes?” vroeg Nuri.

—Werkelijk? Ik dacht dat dat helder was, zei Gila. Ze begon te grijnzen, ging terug naar de momenten waarin ze versmolten met de Odelo over vlaktes rende, laag over de grond scheerde, het gevoel van macht en euforie dat daarmee gepaard ging. Jullie hebben geen Odelo’s.

“Oké,” zei Nuri lachend. Ze draaide zich om.

De blouse had lange mouwen, manchetten die over haar handen vielen. De ruches langs de knoopjes en de hals waren te overdadig, pasten niet bij iemand als Nuri. “En?”

—Nee, mevrouw Van Tiel. Zou ik niet doen.

Nuri haakte een jasje los om iets anders te pakken: zwart, rood en goud met randen van witgrijs bont.

Gila wees vanaf het bed: “Ja. Dat.”

Nuri schudde haar hoofd. “Ik heb hiervoor minder tiet nodig.”

Ze hield het even vast, bood het aan Gila.

Gila duwde de kat van zich af, stond op.

De mouwen waren twee centimeter te kort, de zoom van het jasje kwam net tot onder haar navel, maar ze kon de voorkant gemakkelijk sluiten. Gila opende het jasje weer, keek naar het label aan de binnenkant en sperde haar ogen open. Dit was een origineel designerjasje van Max Heymans, geen imitatie.

“Nuri? Waarom heb je een jasje zoals dit in je kast als je het niet kan dragen?”

“Sentiment,” zei Nuri zacht. “Van een ex. Ik zou het eigenlijk weg moeten doen.”

Ze trok haar overhemd uit.

Gila volgde zwijgend haar bewegingen.

Er was iets moois in de manier waarop Nuri haar schouders ontblootte, haar gezicht afwendde en met haar intentie haar hand volgde waarmee ze haar linker arm vrijmaakte, achter haar rug haar linkerhand uit de mouw trok, in het proces bijna leek te vergeten dat Gila er ook nog was.

Iets dat voorbijging aan alles dat Gila tot dan toe bij elkaar had gefantaseerd.

—Je bent prachtig, Nuri.

Nuri bevroor een moment, de slanke vingers van haar linkerhand aan de manchet van de rechtermouw, keek op, keek blij naar Gila.

“Stop niet met uitkleden,” zei Gila met samengeknepen keel, haar hart heftig bonzend. —Ga door.

“Door?” vroeg Nuri en haar stem klonk plagend toen ze teruggreep op een eerder gesprek. “Je was toch al voorzien?”

Ze trok haar witte onderhemd uit, maakte haar BH los, maakte haar broek los, trok alles van haar kont naar beneden en Gila zag twee lange grijs/rood gestreepte sokken over Nuri’s kuiten, zag de twee donkere plekken op haar blote knieen waar Nuri ooit flink haar huid had open geschaafd.

—Houd je sokken aan.

Gila ontdeed zich van het jasje en haar shirt, schopte haar broek uit.

“Ik dacht dat je gewoon plat was,” zei Nuri zacht toen Gila zich weer oprichtte.

“Ha!” zei Gila luid en stortte zich op Nuri: die zich op het bed liet vallen.

“Dan had je mijn dossier maar moeten lezen,” fluisterde ze in Nuri’s oor, wang tegen wang gedrukt.

“Je staat niet op mijn lijst van verdachte subjecten,” fluisterde Nuri terug, terwijl met ze haar linkerhand Gila’s heupen naar voren drukte en haar bovenbeen tussen Gila’s dijen omhoog schoof.

 

“Laten we een band oprichten,” zei Nuri later, haar arm en been loom met die van Gila verstrengeld.

Gila streelde Nuri’s arm, drukte een kus op de rug van haar hand. “Met wat voor muziek?”

—Duitse schlagers.

Gila draaide zich loom om, verplaatste haar hand, trok Nuri’s knie verder omhoog, glimlachte toen Nuri een beeld vormde, met haarzelf en een elektrische gitaar, Gila met lege handen.

Ik speel alleen maar neusfluit.

Perfect! En Nuri begin te grijnzen. Toots Tielemans zonder mondharmonica—

 

[afbeelding van Gila en Nuri en het woord LYL op de achtergrond.

 

Lyl? vroeg Gila.

—Lul, zei Nuri.

Gila beantwoordde haar glimlach.

Wie zingt er?

Ik, zei Nuri.

Nuri draaide haar pols en keek even op haar horloge.

—We zijn te laat.

Gila haalde haar schouders op, dacht aan Nuri’s vingers en tong en mond op bepaalde plekken en… mijn god

—Het was het waard.

Nuri giechelde, draaide zich op haar zijde, steunde haar hoofd op haar hand.

Je hebt prachtige ogen, dacht Nuri. “Wat was je droom?” zei ze. “Je diepste wens toen je jonger was?”

“Dansen bij het Nationaal Ballet, zoals mijn moeder. Werken in de havens, zoals mijn oom.”

“Waarom ben je gestopt?”

Gila raakte met een glimlach het contact op haar linkerpols aan.

—Ben ik dat? Gestopt? Nee. De havens ‘verdienden niet genoeg’ – “en als danser had ik niet het juiste lichaamstype.” Mijn tante…

“Je hebt al vrij vroeg je banden met haar verbroken, toch? Ik herinner me dat je me daar iets over verteld hebt.”

“Ja,” zei Gila. “Maar conditionering is hardnekkig. Ze heeft bijna achttien jaar mijn leven bepaald. Zelfs toen ik uit huis was.” Gila keek naar haar handen. “En hoe erg ik haar ook nooit meer wil zien, ik weet nog steeds exact wat er in haar hoofd speelt. Hoe haar liefde en haar plichtsgevoel met elkaar in strijd zijn.”

Gila fronste toen een oude herinnering terug kwam, de tik met de rug van twee gestrekte vingers in Gila’s gezicht, de tik met een knokkel op Gila’s kruin.

“Ze sloeg je?” vroeg Nuri.

“Ze verafschuwde me, mijn ‘grofheid’, mijn onwil om mezelf aan te passen. Ze wist dat ik haar gedachten kon lezen. En stond het niet toe.” Ze keek opnieuw naar haar handen, glimlachte. “Ik deed Systematische Semantiek en Analyse van Informatiesystemen voornamelijk voor haar. Om van haar af te zijn, om haar te ontlasten. En het werkte. Zij hoefde niet langer bang te zijn dat ik als een drugsverslaafde hoer in de goot terecht zou komen.”

“Echt waar?”

Gila knikte. “Ik kon doen wat ik wilde met iets dat ook werkelijk concrete uitdagingen had. Zij had het gevoel dat ik mijn best deed om iets van mijn leven te maken.”

“Afgemaakt?”

“Heb je mijn dossier echt niet gelezen?”

“Nee. Teveel gedoe. En ik wil het van jou horen. Afgemaakt?”

“Ja.”

“En Sectie Vijf?” Is het wat je verwachtte? Hoe ben je daar terecht gekomen?

—Iemand schoof een interne oproep naar me door toen ik mijn dienstplicht deed, een jaar geleden.

—Net als ik. Saai. Nuri giechelde. Ik had gehoopt dat jouw verhaal spannender was. Waar?

—Boxtel.

Nuri begon te proesten. “Boxtel! De sufste plek op aarde! Welk onderdeel?”

“Genie.”

“Als wat?”

Gila liet de beelden zien, haar werk met de constructiekranen, ingeplugd terwijl de vier armen van haar machine palen overeind zette, tijdelijke bruggen en kampementen bouwde. Iets dat niet haar oorspronkelijke aanstelling was geweest, maar ze zich keihard had toegeëigend tijdens haar trainingsperiode.

—Tof! Is Sectie Vijf wat je verwachtte?

—Nee. Nee. Nee. Absoluut niet, dacht Gila en ze fronste. “Ik had altijd een bepaald… beeld van de Centrale Inlichtingendienst, maar…” dat is helemaal anders nu. Het beeld naar buiten… Hoe er werd neergekeken op de blunders die er gemaakt werden door de Centrale Inlichtingendienst. Busjes met rookglazen ramen die te nadrukkelijk en te lang op de hoek van een straat bleven staan. Afluisterapparatuur die in de hotelkamer van een Indiase ambassadeur werd gevonden.

—Een stel incapabele prutsers? Diepgaande Hollandse knulligheid?

“Ja!” zei Gila luid. “Dat.”

Nuri begon te lachen. “En nu?”

Gila sloot haar ogen, fronste, fronste opnieuw, masseerde haar neusbrug.

—Omgekeerde wereld. Sectie Vijf is een zorgvuldig ontworpen machine. Sectie Zes— en Gila maakte haar gedachte niet af.

Het gillen van de stervende koeien, de stervende paarden— Het plakkerige gevoel van het bloed aan haar handen, op haar lichaam, in haar kleding. Het eindeloos vertakkende spel van ‘ik weet dat jij weet dat ik weet dat jij weet’ waarin haar geest in drie stukken was gebroken en ze soms niet meer wist wie wat deed, wie werkelijk “Gila Pradopo” was en wie slechts een pop aan de touwtjes van iets anders.

De intense triestheid van oma en haar mislukte utopie, oma’s ongelofelijke, bijna arrogante overschatting van de maakbaarheid van haar idealen.

De intense wreedheid van de wereld die ze wilde beschermen. Een wreedheid die steeds dieper ging naarmate Gila laag na laag van de werkelijke gebeurtenissen doorgrondde. Het spel met de schijnbare wreedheid van Marga Hessels, de onmogelijke opdrachten, de schijnbare onverschilligheid van majoor Kramer jammerlijk onvoldoende om haar te wapenen tegen de genadeloze duisternis die de wereld al eeuwen in zijn greep hield.

Miljoenen mensen. Als slachtlammeren.

Zijzelf. Een slachtlam.

Ze opende haar ogen, keek naar het plafond, keek naar Nuri.

“En ik—” ze zocht naar de woorden. “Ik begin bang te worden.”

“De wereld had een betere plaats moeten worden, Gila.”

Gila keek naar haar geheven handen, die opnieuw begonnen te trillen, voelde hetzelfde in de spieren van haar kin gebeuren. Het bloed— Ze draaide zich weg toen de tranen over haar wangen begonnen te stromen en ze begon onbedaarlijk te snikken toen Nuri haar hand zacht op haar schouder legde.

De 30 kinderen— in— in— de wolk van—

—Ik— ik wilde niet— niet hier huilen— Nuri, niet—

“Het is oké,” fluisterde Nuri, met tranen op haar eigen wangen.

Ze gaf kleine kusjes in Gila’s nek. “Het is oké, liefje. Laat het maar gaan.”

Ze sloeg haar armen om Gila heen toen Gila zich schokkend en huilend tot een bal opkrulde.

We gaan allemaal op een gegeven moment door dit proces. Laat het maar gaan.

 

11.

 

De wereld had een betere plaats moeten worden, Gila. Deze huidige tijd had een tijd van vrijheid en blijdschap moeten zijn. Een tijd waarin al mijn kinderen nog in leven waren. Niet een tijd van paranoia en een smerige oorlog die na twintig jaar nog steeds niet ten einde is gekomen.

XXXXXXX

Na de grote chaos en de herzieningen in de educatieve instellingen in de jaren ’30 en ’40 volgde een tijd van grote veranderingen. In Europa, maar ook in Azië en Afrika. De opkomst van het humanisme. De jaren ’50. Kunst, film, muziek, literatuur, wetenschap. Ik heb nog nooit zo’n bloei gezien als toen.

 

Koningin Wilhelmina trad vrijwillig af in 1943. De Flevolandpolder werd voortijdig voltooid. We hadden de eerste mens in de ruimte in 1944, de eerste mensen op de maan in 1951. Er was acht jaar van wereldvrede.

 

Onze grootste nationale bedreiging bestond in mijn optiek niet uit de landen om ons heen, maar kwam van binnenuit: de blanke mensen met oud geld. De mensen De mensen met oude belangen. De kerken.

XXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX

Alles begint in het hoofd, Gila: liefde, haat, zelfvertrouwen, angst, vrede, strijd. XXXXXXXXX Ik ben bevooroordeeld vanuit mijn eigen verleden. En het is daarom beter als je hierover zelf een zo gevarieerd mogelijk beeld vormt als je je werk doet.

 

Je bent Je bent alles wat ik in een kleindochter had willen zien. Sterk. Uitgesproken. Dapper. Recht door zee. En ik ben bedroefd maar ook blij dat je uiteindelijk gekozen hebt om in mijn voetsporen te treden, ook al heb je nooit echt geweten wat je tua andung nu eigenlijk werkelijk deed.

 

12.

 

Twee dagen later werd ze vroeg in de ochtend wakker van Lila, die met beide poten op de rand van het matras stond, gezicht bij het hare, de ranzige geur van nat voer op haar warme adem in Gila’s gezicht.

Nuri naast haar kreunde, draaide zich half om, snurkte even, viel toen weer in een diepe slaap.

Het was dinsdagochtend. Gila ging rechtop zitten, wreef met haar handen over haar gezicht, schoof naar Nuri en gaf haar een zachte zoen op haar wang, op haar schouder, op haar mond toen Nuri zich kreunend omdraaide, haar ogen half opende en haar hand in Gila’s nek plaatste.

Meer, zei ze in Gila’s gedachten, herinneringen aan de voorgaande nacht in flarden om onduidelijkheden te voorkomen, en schoof het dekbed opzij.

 

Wekker.

Broek, jasje en blouse over de rug van de stoel.

Lederen aktetas.

Het dossier.

Gila trok haar jas aan, plukte een lange blonde haar van de kraag van Nuri’s jas.

Buiten was het fris en mistig.

Ze opende haar sloten, keerde haar fiets, trapte het rammelende ding tien minuten later over de Roelof Hartstraat richting de Amstel, tas op haar rug, lichaam gehuld in mantelpak. Geen rare dromen die ochtend.

 

Fietsenstalling.

Trein.

Overstap.

Bus.

En twee uur later klopte Gila op de deurpost van het kantoor van Nationale Veiligheid.

“Goedemorgen.” Opgewekt. “Ik zou graag met de heer Kamstra willen—”

“Ah, mevrouw Pradopo! Kom binnen.”

Ze zag Kamstra achter zijn bureau, koffie vlak bij de plek waar zijn rechterhand lag

Ze liep naar binnen. Het rook er naar sigaren, aftershave en de zware, zoetige lichaamsgeur van gewassen mannen.

“Gaat u zitten,” zei hij, wijzend op de stoel aan haar zijde van het bureau.

Ze opende haar tas, plaatste het dikke dossier op tafel en stak even een hand op naar Veerburg , die haar scherp in de gaten hield.

“Aha,” zei Kamstra vrolijk. “Ik zie dat ons hoofdkantoor druk is geweest.”

“Zeker,” zei Gila.

Ze leunde voorover, plaatste haar armen op tafel. “Ik heb geen zin in een gevecht. Maar ik heb ook geen zin in een dagelijkse confrontatie met de heer Teunissen.”

“En dus?”

“Dus ben ik hier om te praten.”

Hij knikte. “Dat kan. Dat mag.” Hij leunde naar achter, hield zijn hoofd scheef, keek haar schattend aan. “Uw… chef weet dat u hier bent?”

Ze knikte, keek naar het tijdschrift dat open lag op de hoek van de tafel. Kamstra had een kortingsbon van Douwe Egberts uitgeknipt. Het bedekte een deel van de uitleg bij Versiertip 5: “Isoleer haar van haar vriendinnen”.

“Goed. Wat is eigenlijk uw werkelijke probleem, mevrouw Pradopo?”

Ze streelde de rand van zijn bureau, kreeg even een ondeugende blik in haar ogen, keek op. “Dat is iets tussen mij en mijn therapeut.”

Hij knikte, glimlachte kort en elke uitdrukking verdween van Gila’s gezicht. “Hou Hans uit mijn buurt,” zei ze. “Laat iemand anders de controles uitvoeren als dat nodig is.” Ze draaide zich om, keek naar Veerburg. “Hem, bijvoorbeeld.”

Kamstra schudde nee. “We gaan voor u geen uitzondering maken,” zei hij.

“Maar dat doet u al,” zei Gila.

Ze trok met twee vingers op de kaft het dossier naar zich toe, ellebogen nog steeds op de tafel.

“Met dit bijvoorbeeld.”

Ze sloeg een pagina open met de woorden van een ex-collega die blijkbaar door NavV benaderd was: “Haar achtergrond en seksuele geaardheid worden schreeuwend door haar op de voorgrond gesteld.” (en Nuri was in een schaterbui uitgebarsten bij wat volgde) “Ze loopt zo’n beetje met een uithangbord met knipperlichten boven haar hoofd: ‘Kijk ik ben feministe! Kijk ik ben Indonesisch! Kijk, ik ben lesbisch!’’’

Kamstra slaakte een zucht. “U veroorzaakte een Code 35. Dit dossier? Humm, hmmm, is slechts een formaliteit.”

“Uiteraard. Waar duidelijk behoorlijk wat moeite in is gestoken. U weet dat dit tot mijn ontslag kan leiden?”

“Van wat? U bent, zover ik weet, nog steeds in uw opleidingsperiode.”

“Iets dat me extra kwetsbaar maakt,” zei Gila zacht. Ze liet een korte stilte vallen. “Zolang ik in mijn opleidingsperiode zit, ziet mijn chef dit voornamelijk als mijn probleem.”

Kamstra vouwde zijn handen samen.

“Dan moet u zich serieus afvragen of u voor een dergelijke partij wilt werken. Binnen Nationale Veiligheid zou u nooit op deze manier aan uw lot worden overgelaten.”

“Vanzelfsprekend,” zei ze. “En laten we aannemen dat ik ooit heb overwogen om voor Nationale Veiligheid te werken. Afgelopen weekend, toen ik door dit dossier ging, plaatste ik me opnieuw in die ‘wat als?’ positie. En ik werk liever voor mijn huidige baas dan voor een organisatie waarin een dergelijke dubbele standaard wordt gevoerd als in dit rapport zichtbaar is. Dit dossier bevat alleen maar aantijgingen. Nergens wordt een gebalanceerde afweging gemaakt van de werkelijke situatie. Nergens worden feiten van fictie gescheiden. Nergens wordt afstand genomen van die situatie.”

“Wat impliceert u, mevrouw Pradopo?”

“Dat dit document met een zeer specifiek doel is samengesteld en opgesteld, mijnheer Kamstra: om mijn reputatie te schaden, om me onderuit te halen, om te zorgen dat ik ontslagen wordt. Als ik al niet volledig open was geweest over mijn eigen verleden was dat waarschijnlijk ook gebeurt. En wat uw insinuaties over mijn werkgever betreft: wat als regel en uitzondering voor de samenstelling van dit rapport geldt, geldt vaak ook als regel en uitzondering voor interne beoordelingen.”

Ze bladerde naar de vijfde pagina, waar de naam en handtekening van Kamstra stond, vroeg zich af wat er zou gebeuren als ze het nog dichter op zijn huid zou brengen.

“U wist wat u ondertekende met dit document.”

“Ik bescherm mijn mensen,” zei Kamstra onaangedaan.

“Tegen wat?”

“Tegen intimidatie,” zei hij.

Gila boog mee met deze verandering in de richting van het gesprek, ging langzaam overeind zitten. “Werkelijk?”

Ze liet haar handen zien, balde ze toen spottend tot vuisten, liet ze weer zakken. Begon te glimlachen.

“Werkelijk? Van een relatief zwak en breekbaar ‘vrouwtje’ als ik?”

“Kom ter zake, mevrouw Pradopo. Ik stond u te woord met het idee dat we een fatsoenlijk gesprek zouden hebben, maar uw buitensporige hersenspinsels, uw aantijgingen, uw kinderachtige provocaties en uw tegeltjeswijsheden beginnen me te vervelen. U maakt hiermee geen goede indruk, noch wint u hiermee mijn sympathie of medewerking. En ik zal eerlijk tegen u zijn. Als u ontslagen zou worden, zou… de bank daar in mijn optiek geen schade van leiden.”

“Dank u,” zei ze smalend en met enige pijn op haar gezicht. “Ik ben blij dat u eindelijk open kaart speelt. En ik ben blij dat mijn werkgever daar anders over denkt.” Ze sloeg haar ogen neer, zei toen zonder enige venijn in haar stem: “En ik werk liever voor een werkgever die geen poot uitsteekt dan een organisatie die me elk moment in mijn rug kan steken.”

Ze rechtte haar rug, bestudeerde zijn gezicht, polste zijn uitdrukking, zakte een moment terug in zichzelf, voelde een mogelijkheid die ze nog niet echt kon duiden.

“We zijn klaar, mevrouw Pradopo.”

Ze keek naar de klok aan de wand achter Kamstra, spreidde haar vingers, sloot ze weer.

Een gunst—

“Een gunst, mijnheer Kamstra. Wat zou daar voor nodig zijn?” vroeg ze.

Hij sloeg zijn armen over elkaar, zuchtte opnieuw, plotseling vermoeid.

“Laten we dit afspreken, mevrouw Pradopo: u gedraagt zich de komende weken, ik zorg ervoor dat Hans uit uw buurt blijft. U meldt zich elke ochtend bij de heer Veerburg. Er komen geen nieuwe meldingen meer van uw kant.”

Ze stak haar hand uit, leunde naar voren toe.

“Dat lijkt me prima.”

Hij stak de zijne uit, schudde de hare. Behalve ruis, van de scrambler onder zijn huid, was er niets. Geen indrukken. Geen gedachten.

 

13.

 

De eerste week van april had besloten voornamelijk zon te geven, met een temperatuur die bijna hoog genoeg was om haar jas thuis te laten als de temperatuur in de schaduw niet zo verdomd koud was geweest.

De ketting in haar kettingkast rammelde toen ze het voorwiel optrok en de stoep opreed.

“Gilaaaaa,” riep iemand en Gila herkende de stem van Zoë.

Ze zwaaide, steeg af en tilde haar fiets in het rek, maakte de twee sloten vast en wandelde naar de tafel waar de vijf meiden zaten.

Achter haar was het Sarphatipark. Houten tafels stonden buiten het café op de stoep. Het rook naar gebakken spek, gebakken ei en vers brood.

Zoë klom van haar bank en greep Gila in een sterke omhelzing, kuste haar op de wangen, nam haar toen mee aan de hand naar de tafel.

“Hoe gaat het?” vroeg Marieke en sloeg haar handen rond die van Gila. Ze zoenden.

“Goed, goed,” zei Gila toen ze ging zitten. “Moe.”

Ze greep meer handen, zoende, greep een tijdschrift van de tafel. Op de voorkant stond een foto van Sonia Gaskell. De kop daarboven: “Vijf dansen ter herdenking van Sonia.”

“Hebben jullie al gegeten?” vroeg ze aan de meiden.

“Ik nog niet.”

“Ik ook niet.”

“Nee. We wachtten op jou. En je nieuwe vriendinnetje.”

Gila ging zitten.

Marieke sloeg de pagina van de kunstbijlage om, wees naar het portret van een zestiger. “Hebben jullie de nieuwe collectie van Jan Montyn al gezien?”

Gila schudde haar hoofd. “Geen interesse.”

“Ik denk dat Montyn—”

“Ander onderwerp.”

“Je portretten!”

Gila rolde met haar ogen.

“Ander onderwerp.”

“Je portretten. Ze zijn prachtig,” zei Zoë.

Drie waren er nu af. In olieverf, in een hyperrealistische stijl die elke spier, elke lijn, elke verkleuring, elke groeistreep, elk litteken op haar huid genadeloos blootgaf. In elk schilderij was haar gezicht afgewend of in schaduwen gehuld, maar haar lichaam volledig opengesteld, naakt, in compromisloos licht, in compromisloze seksuele poses: een opgeheven middelvinger naar onderworpen verleidelijkheid.

Het was een serie van tien, gemaakt door een vriendin.

Twee waren er al verkocht.

“Ja. Ze zijn prachtig,” zei Gila. “Ik vind ze fantastisch. Ik ben blij met het resultaat. Maar vandaag even niets over mij. Ander onderwerp graag,” zei Gila.

“Je nieuwe vriendin!”

“Ja,” zei Zoë. “Jezus, Gila. Ik moet van iemand anders horen,” Zoë keek naar Marieke, “dat je al bijna twee weken een nieuwe scharrel hebt. Wat is er gebeurt met ‘eeuwige vriendschap’?”

“Prioriteiten,” zei Gila bot en ze begon te grijnzen.

“Trut,” zei Zoë.

“Kut,” kaatste Gila terug. “Twee maanden. Ik laat me twéé maanden niet aan je zien en ik krijg dit soort jaloers drama.” Ze boog zich voorover, liet haar stem zakken tot een samenzweerderige toon. “Zó blij dat we niets meer met elkaar hebben, vals kreng.”

“Wederzijds.”

Ze trok haar telefoon.

“Moet ik Nuri afbellen, Zoë?”

“Nee, nee! Waag het niet, Gila!”

 

“We moeten gaan,” zei Gila twee uur later zacht tegen Nuri, een blik op haar horloge.

 

Gila friemelde met haar handen, hield even Nuri’s pols vast. Oma opende de deur, greep Gila’s pols, greep die van Nuri, liet los.

“Kom binnen,” zei ze.

 

“Ik ga,” zei Nuri toen ze haar theekopje neerzette. De pot was bijna leeg. Ze stond op. “Ik hoef hier verder niet bij te zijn, toch?”

Gila’s oma schudde nee.

“Kom je later bij mij?”

Gila knikte.

Het was stil in huis nu alleen zij en oma overgebleven waren.

Gila greep haar oma’s hand.

Oma sprak een woord, sloot haar ogen.

Ik mag haar wel, dacht oma, terwijl ze iets deed waardoor de stilte nog dieper werd. Gila keek op.

Wat deed je daar?

Maar oma negeerde haar vraag. —Je bent nog steeds kwaad op me.

“Dat gaat niet zo makkelijk weg, oma,” zei Gila.

En zonder verdere woorden gleden ze samen terug in herinneringen die niet altijd een scherp waren.

“Opa’s overlijden,” zei Gila en daar stonden ze naast zijn uitgemergelde lichaam in het bed met het grijze metalen frame. Een intense droefheid deel van haarzelf. Meer dan dertig jaar samen, van de eeuwige zomer in Java naar de eeuwige herfst en winter in Nederland. De drie weken per boot een zijdelingse herinnering. De moorden korte flitsen waarin hij soms aanwezig was.

Hij wist dat je die moorden pleegde.

Ja.

Gila’s moeder.

Mama.

Bij het sterfbed van haar vader. Onafgebroken aanwezig. Zwijgend. Hand aan het infuus, andere hand aan de arm waarin de naald verdween. De blik van opa terwijl ze hem omdraaide om hem te wassen.

“Hoe lang had je hier nog mee willen wachten, voordat je het me vertelde?” vroeg Gila. “Tot je dood was?”

Gila voelde schaamte en spijt in het beperkte telepathische contact.

“Te laat, oma. En laten we dingen alsjeblieft niet blijven herhalen.”

Een flits.

Amsterdam. Mensen die in verbijstering op straat stonden, een dag na de verdwijning. Mensen die ongelovig naar de rand stonden te staren, over het water uitkeken dat nog steeds in het gat aan het stromen was. Vol verbijstering want de echte Tweede Wereldoorlog had volgens de kranten en de TV, volgens de schrijvers en experts uit kernexplosies moeten bestaan. Verzengend licht dat voorafging aan de storm die de daken van de huizen zou blazen, met de radioactieve straling van de Indiase fusiebommen die kanker zou veroorzaken zoals het geval was met de ratten die dagenlang aan de straling van uranium waren blootgesteld.

Verzengend licht. Niet deze stille verdwijning.

En— spijt. Gila voelde een intense verscheurende spijt die als naalden door haar ziel gingen, haar bijna voorover deed buigen in een instinctieve behoefte aan zelfbescherming. Spijt bij dat moment waar ze samen met zes anderen de toen nog experimentele teleportatiemachine lieten afgaan, de elektromechanische klap van de spoelen sterk genoeg om haar tanden te doen trillen.

Gila ervoer de stille tocht van haar oma en de mensen in haar team naar het centrum van de opzettelijk mislukte teleportatiesprong, Russische springstof in zware tassen op haar rug en haar heupen.

Stalin en zestien anderen in een ruimte waar de tafel deels in de grond was verzonken en drie mannen half versmolten waren met de tafel. De aanraking, de gruwelijk verwrongen gedachten vanuit een nog levend en grotendeels functionerend brein.

“Hij was nog in leven?”

“Ja,” zei oma zacht.

“En dat was echt Stalin?”

“Ja. Met zijn top-staf.”

En vijf tanks en zestig bewapende soldaten in een onbetekenend dorpje ergens buiten de grote steden. Waar nu iedereen dood was.

Ze zag de drie zware sprong-generatoren achterop de drie wagens de straat in gereden worden. De straat met huizen die van was leken te zijn gemaakt: half gesmolten in het kille zonlicht. En Gila ervoer de explosie en de wind die de bomen omver drukte en haar bijna uit haar schuilplaats trok en even sloeg oma dicht, de mentale barrière een ondoordringbare grens tussen Gila en de herinneringen.

Gila voelde haar eigen ademhaling, snel en diep, alsof ze had hardgelopen.

Toen week de barrière weer.

En Gila was weer terug.

Ze maakten een sprong, verder terug, een antwoord op een vraag die half in Gila’s gedachten was opgekomen. Verder terug naar een tijd in Indonesië die niet meer bestond. Een feest waar de adel van Jakarta aanwezig was, de Nederlandse handelaren, grondbezitters, militairen.

Een oudere man. In uniform. Zijn snor opgekruld en verstevigd met was. Blond haar dat in een scheiding opzij was gekamd. Het moment van contact. Het moment van realisatie en schok toen hij vertelde wie hij was, wat hij deed, wat hij wist. Al haar geheimen blootgesteld. Al die tijd!

Ik ben hier niet om u te arresteren, sprak hij in haar gedachten. —Kom naar Nederland. We zijn bezig met een revolutie. We hebben mensen zoals u nodig, mevrouw Diponegoro. Mensen die geen moeite hebben om radicale stappen te nemen.

Gila liet los, verbrak de band, greep oma’s hand weer, laat me dieper gaan, oma, liep tegen een muur van verdriet.

Nee, Gila.

“Waarom die spijt, oma? Waarom?”

Omdat er een grens is aan hoeveel doden een mens kan verwerken, zei oma zacht in haar gedachten, haar hand op die van Gila.

Bijna trok Gila zich terug, woede als een vlam binnenin haar.

Het spijt me, Gila.

Het was als een langspeelplaat met een diepe kras: de spijt, het schuldgevoel, de spijt, het schuldgevoel.

Nee.

Gila trok bijna haar hand los toen de beelden binnen bleven stromen: Gila op zesjarige leeftijd, uitgemergeld en donkere kringen rond haar ogen. Gila op zevenjarige leeftijd, ernstig gezicht, lichaam afgewend van haar tante die in een mantelpakje op oma’s bank zat. Witte dameshandschoenen die Gila zich pijnlijk helder herinnerde.

Een nieuwe sprong, langs een traject waar vrijwel geen sturing meer was. Ze zag zichzelf op tienjarige leeftijd, in de zaal met andere kinderen, gekleed in haar balletjurkje, tante aan de zijlijn naast oma. Tante gaf haar neerbuigende mening over de andere ouders en andere kinderen, haar hoofd vol van de toekomst die ze voor Gila had uitgezet.

Een nieuwe sprong. Tante woest en wanhopig op de bank bij oma, in een monoloog over het falen van haar dode zuster, woest over het falen van Gila als ‘fatsoenlijk kind’ op vrijwel alle denkbare vlakken. Oma stil en geduldig, knikkend en luisterend, volledig bewust van de dingen die Gila doorleefde en—

Nee.

Ze greep oma’s handen weer, schudde de impressies van een overbekend verleden van zich af.

—Je probeert me op een zijspoor te zetten. Hoeveel doden?

Honderden. Duizenden. Tientallen onder oma’s handen in Jakarta, in dorpjes elders waar Nederlandse militairen wreed huishielden, soms bewust van de wanstaltigheid van hun daden, vaak onder in ontkenning, onder ‘de noodzaak om rust en orde in de Nederlandse koloniën te behouden’. Ze voelde de klap waarmee het pistool afging in haar handen, de metalen slag van de pin op de kogel een fractie voor dat moment— En Gila zag in oma’s herinneringen het bloed en de pulp van hersenen dat tegen het plafond spatte. De lichte walging en de overheersende haat, een blik naar haar medeplichtigen in de vochtige avondhitte—

En dingen sloegen om, verschoven naar Nederland.

De agenten van Sectie Drie in Nederland. Amputaties… Selectie op basis van overtuigingen, confirmatie door de drie telepaten die Sectie Drie toen rijk was. De geënsceneerde ongelukken… de dodelijke fouten door verkeerde inschattingen door gif dat nauwelijks traceerbaar was…

De eindeloze spiraal van zelfbevestiging: Het was nodig. Het was nodig. Het was nodig.

Opa—

Het was als een rampenfilm met dorpen die werden weggespoeld door het kolkende water. Iets waar Gila zich het liefst aan had ontrukt.

En daar was het. Daar was het moment en Gila voelde hoe het ego van oma, op dat moment, dat moment in het verleden plotseling brak. Als dun glas.

Toen opa stierf.

Toen zijn ogen op die laatste ochtend een lang moment op haar waren gericht: de laatste sprankjes overlevingsdrang volledig uitgedoofd, zijn levenskracht wegvloeiend alsof hij de stop uit het bad had getrokken, klaar om te sterven.

Ze had bij hem moeten zitten op dat laatste moment. Maar ze stond buiten in de tuin, wachtend tot het eindelijk voorbij zou zijn, het moment van zijn exacte dood voelbaar als korte rukjes in haar ruggengraat, korte rukjes door de verbindingen die ze gedurende haar leven met hem had opgebouwd. Elk brak als de draden van een spinnenweb waar langzaam een hand door werd getrokken.

Emotioneel niet in staat om bij hem te zijn.

En toen…

Toen Gila weer in staat was te zien, terug was in haar eigen lichaam, haar voeten op de tegels van de binnentuin, besefte ze waar ze stond, wat ze had herbeleefd. Hier. In dit zelfde huis.

Ze draaide zich om, keek door het raam naar binnen, zag hoe oma door de kleine keuken naar buiten kwam.

Waar ligt mijn eigen breekpunt?  vroeg ze, toen oma haar handen weer vast had. —Zal de dood van Marieke of Nuri iets dergelijks veroorzaken?

Mogelijk, zei oma. Of een miskraam. Of een ongeluk. Of een vergissing. Of een breuk. De volgende stadia in je training zijn er op gericht om je beter te wapenen tegen deze dingen dan ik was. Maar er is altijd een moment waarop je kunt breken.

Gila probeerde halfslachtig haar handen los te trekken, gaf zich toen over.

Dat weet ik, en Gila deelde het moment in de Odelo, nog zo dicht bij Aarde.

Oma boog even voorover, begon te lachen.

—Dat is nog maar een begin. En mijn god. Die periode vanaf je zestiende. Je tante dacht dat het aan haar lag toen je in therapie ging. Hoe oud was je? Negentien? Weet je nog wat ze zei?

“Ze hebben je gehersenspoeld!” zei Gila hardop.

Oma begon te lachen. —Pure projectie.

En—

 

—pijn

Niets. Een moment van leegte, van besef.

De Odelo.

De Odelo viel neer en niets werkte. Gila schudde haar hoofd en de wereld tolde langzaam rond. Iets had haar voorhoofd geraakt. Haar hoofd… Ze duwde de mist en de herinneringen weg die haar bewustzijn verstoorde. Strekte zich uit, maakte opnieuw contact met de Odelo, faalde, trachtte opnieuw contact te maken met haar lichaam.

Haar gedachten leken helder, maar waren verward. Poppenspeler, façade en iets dat haar oudere persoonlijkheid moest zijn flitsten aan en uit, waren verbonden en verloren elkaar weer, façade in gezegende onwetendheid, poppenspeler gefrustreerd.

Ze knipperde met haar ogen, realiseerde wat haar zo dwars zat: haar lichaam. Haar lichaam werd alle kanten opgeduwd en getrokken. Wat? En wat? Wat nog meer? Het enige dat haar vasthield waren de riemen waarmee ze tegen de stoel zat gegespt.

Centrifugale krachten.

De Odelo voel en iets met het gewicht en het geluid van een baksteen bonkte scherp rond in de cabine. Bonkte van wand naar wand.

Ze verzette zich opnieuw tegen de braakneigingen.

Ze dook weg met haar hoofd toen ze het ding op haar af zag komen.

Iets… Bloed sijpelde over haar voorhoofd en spatte overal op de wanden. Een zware hoofdpijn—

“Centrale, wat is er gaande?”

Drugs.

“Mevrouw Pradopo, uw Odelo is defect en u bent bezig om in zee te vallen.”

“Welke drug hebben jullie gebruikt?”

Het was stil.

Ze strekte haar armen en benen uit. Stabiliseerde de vallende Odelo.

Godverdomme, centrale. Welke drug?”

“Een variant op Lysergeenzuurdi-e-thy-lamide.”

LSD.

Ze fronste, omdat het nu niet strookte met haar eerdere ervaringen. LSD vervorming mijn perceptie. Waar zijn de kleuren in mijn hoofd?

“En waarom?”

“Onderdeel van de training.”

Ze knipperde met haar ogen, fronste, voelde dat het moment van helderheid dreigde te verdwijnen. Wat wist ze van— Er was geen manier om van een Lysergeenzuur-trip af te komen. Niet zonder specifieke chemicaliën.

“Wat geeft Sectie Vijf het recht om me—” Toestemming. Ze had toestemming gegeven. “Drugs. Verdomme! Centrale!”

Ze sloeg haar vuist tegen de zijkant van de cabine, voelde hoe de pijn door haar hand schoot. Voelde de adrenaline pieken. Ze schopte met de neus van haar schoen tegen het schot voor haar.

Dit was geen simulatie.

Haar gedachten werden weer een beetje helderder.

“Wat bent u aan het doen, mevrouw Pradopo?”

“Ik zorg dat er wat meer adrenaline in mijn bloed komt, dat mijn bloed sneller gaat stromen,” zei Gila.

“U weet dat dingen kapot kunnen?”

“Ja.”

“Denkt u nu echt dat dat helpt?”

“Geen idee,” zei Gila. “Maar het is tenminste snel. Welke variant, centrale?”

Ze hoorde de naam, herkende het niet.

“Wat is het effect?”

Het was alsof ze weggleed in een droom.

“Verstoring van uw tijdwaarneming en zelfperceptie,” zei Centrale. “Blackouts,” en zei daarmee weinig nieuws en—

 

—de deuren wogen elk meer dan drieduizend kilo en gedetailleerd houtsnijwerk lag verzonken in de panelen.

Ze had eerder haar kleed afgedaan en omgedraaid, en de kinderjuffrouw met een mondkapje werd opnieuw een moderne Indonesische vrouw van stand met goud in haar oren, goud om haar hals, goud en katoen om haar polsen.

Ze liep door de grote hal waar luie stoelen met goudbrokaat in de hoeken waren neergezet met kleine tafels met glazen bladen en krullend ijzerwerk tussen de stoelen, waarop ze deze keer haar wijn had neergezet.

De delegatie kwam binnen en Gila maakte even oogcontact terwijl ze de groene doek om haar schouders sloeg, zich glimlachend voorover boog om haar sigaretten te pakken.

Ze zocht in haar tasje, vond geen aansteker, stond op een keek naar de uitgang alsof ze iemand zocht.

De afstand tussen hen en haar was slechts een paar meter. En een gentlemen van zijn komaf kon een dergelijke situatie niet negeren.

Hij bood haar vuur. Zij inhaleerde en blies rook in de lucht. Hij maakte een opmerking. Zij liet een bescheiden lachje horen, net niet uitbundig genoeg om onbeschoft en onbeschaamd over te komen, net niet bescheiden genoeg om zijn interesse te verliezen.

Het had haar zeventien pogingen gekost: opgepakt, afgevoerd, neergeschoten in een achterkamer. Elke keer pijnlijk alsof ze er werkelijk was en de klappen werkelijk haar vlees kneusden en haar kaak braken.

Elke keer beter in het beheersen van haar façade, haar uiterlijke reacties, elke keer beter in het compartimentaliseren van haar werkelijke emoties. Alsof er drie versies van haarzelf waren: Gila de perfecte marionet, Gila de perfecte poppenspeler en Gila met de onbeheerste emoties die ergens diep in een kelder stond te razen, te tieren, te janken en in elkaar te krimpen als de angst te groot werd.

Hij nam haar mee naar de helikopter, slechts drie mensen in zijn ensemble en die nacht stierf ze nog eens vijftien keer en zag ze meer nachtclubs dan haar Amsterdam rijk was. In variatie dertig maakte hij geen enkele keer een zinspeling op seks of een poging om haar in zijn bed te krijgen—

 

—en was terug in de Odelo alsof er niets gebeurd was.

“Is dat alles, Centrale?”

“Ja.”

“Wat neutraliseert de werking? En waarom loopt mijn geheugen door elkaar?”

Ze schopte nogmaals tegen het schot. Schoppen leek inderdaad te helpen. Ze schopte nogmaals met de punt van haar schoen tegen het plastic.

“Pannenkoeken.”

Het was stil.

Gila bewoog haar tenen in haar schoen.

“Kut.”

Ze was terug in het kantoor met Kamstra.

“Gefeliciteerd, mevrouw Pradopo.”

Gila bewoog haar tenen in haar schoen.

Het leek alsof er een naald diep in haar vlees werd gestoken.

“Waarschijnlijk heb ik een bot gebroken met die laatste schop, Centrale.”

Stilte.

Ze keek rond, ging terug in haar lichaam en naar de sensorische feedback van de Odelo, keek wat ze uit de gebrekkige informatie van de machine kon krijgen. Slechts twee schermen werkten: die van de backup-machines die aan gingen als de hoofd-Turing-Tesla computing machine, de TTM, uitviel.

Oké, dacht ze en—

 

—Hessels kwam het lokaal binnen. “Vijftig procent van jullie valt in de eerste drie weken af. Vijftig procent van diegenen die overblijven vallen in de drie maanden die daarop volgen af. En dat is alleen nog maar jullie training.”

Kort van stuk, jonger dan Gila. Maar geil op een bepaalde manier. Sergeant Hessels had iets over zich dat ontzettend geil was.

“Pradopo! Bij de les blijven!”

Ze spreidde opnieuw de armen en benen van de Odelo om haar val te stabiliseren.

De camera’s gaven haar nauwelijks informatie. Beneden haar was de zee. Beneden haar waren wolken. Dunne wolken. Het beeld werd kalm.

Ze controleerde de sprong-generator van de Odelo.

Uitgeschakeld.

Ze keek rond in de cabine en trok een denkbeeldige streep met haar vinger over haar bureaublad.

“Herinner je je iets van wat je tot dat moment hier binnen gedaan hebt?”

De Vries in de stoel voor haar zei: “Nee.”

“Iets over de dingen die besproken zijn?”

“Nee.”

“Waar werk je, als je straks klaar bent met deze training? Wat is je baan?”

“Ik ben systeemanalist. Ik werk voor de Rabobank.”

“Heel goed, De Vries. Elk van jullie heeft een post-hypnotische blokkade waarmee dit leven gescheiden wordt van dat leven. Waar je niet aan denkt, bestaat niet. Wat je niet weet kun je ook niet verraden. Later ga je daar actief gebruik van maken. Woorden zijn niet de enige manier om bewuste gedachten te vormen.”

 

Recht onder haar, recht onder haar buik lag de TTM. De gouden connectoren van de plug waarmee het in de console hoorde te zitten zichtbaar aan de zijkant.

“Centrale, ik zie mijn TTM. Op de vloer.”

Ze kuchte, slikte om haar keel weer nat te maken. “Bedankt. Voor het laten rondslingeren.”

Het bleef stil.

Zonder Turing Tesla Machine kon ze geen sprongen maken. De TTM was het hart van de Odelo.

Denk, Gila, DENK!

Zodra…

Zodra ze zich…

Zodra ze zich loskoppelde verloor ze de controle over de Odelo.

Zodra…

Zodra ze…

Zodra ze controle verloor zou de Odelo weer beginnen te tollen. Zodra de Odelo begon te tollen, zou Gila opnieuw in haar riemen rond gesmakt worden, zoals de Turing-Tesla—

 

“We willen allemaal graag perfect zijn,” zei Maia, haar lichaam gestrekt op de bank in Nuri’s appartement. “Voor pappa, voor mamma, voor meester, voor juf, voor die aai over onze bol, voor die kus op ons voorhoofd, voor die vier woorden die we soms nooit zullen horen en soms niet meer willen horen: ‘ik vind je lief’. Geen versprekingen maken, geen stomme dingen doen, geen hoorbare scheten laten in de lift, altijd netjes, altijd beheerst. Bang voor het oordeel en de veroordeling. Bang voor die dingen die door anderen als perversies worden gezien. Bang om voor hoer of slet of boerin of minder aangezien te worden. Maar perfectie is een gevangenis. Perfectie is de droom van een kinderlijke en onderontwikkelde ziel, een ontkenning van de realiteit, een onverzadigbare en uiteindelijk altijd teleurstellende zoektocht naar de liefde van anderen.” Ze stak een hand op, maakte kappende bewegingen bij elk sleutelwoord dat volgde: “Handel. Maak fouten. Erken je beperkingen en je rare kronkels. Leef ze schaamteloos. En stotter. Haper. Faal. Val. Erken de pijn. Heb jezelf  lief. Sta weer op. Ga verder. Dat is alles.”

 

Gila schopte zacht tegen de wand, voelde de pijn van haar gebroken teen door haar been naar haar lies schieten, vloekte zacht.

Het leek een onontwarbare knoop. Om de machine te pakken zou ze zichzelf los moeten maken, tenzij—

Tenzij…

Ze bewoog de armen, de Odelo begon te draaien, de TTM begon te rollen.

“Wat bent u aan het doen, mevrouw Pradopo?”

“Ik laat de Odelo kantelen,” zei ze.

“U kunt uzelf niet redden, mevrouw Pradopo. U bent al bijna beneden. Laat dingen maar gewoon gebeuren zoals ze gaan. Uw pak biedt voldoende bescherming om de klap van de val in zee te overleven. Er zijn voldoende veiligheidsmaatregelen in de Odelo om de val te overleven.”

Krijg de tyfus maar, Centrale, want—

Want

“dat is niet het doel van deze oefening,” zei Gila hardop. “Of wel soms, Centrale?”

Stilte.

“IN SECTIE VIJF,” schreeuwde ze, “BEN IK DE ENIGE FACTOR DIE MIJN EIGEN REDDING EN WELZIJN KAN WAARBORGEN.” Ze pauzeerde even. “Kanker, Centrale,” voegde ze toen op meer beschaafde toon aan het voorgaande toe. “Cholera, streptokokken en chlamydia.”

De module bonkte op haar schouder. De module bonkte op haar arm. De module bonkte tegen haar slaap en alles werd even zwart met gele sterren. De module bonkte op haar pols. De module viel in haar uitgestoken hand. Ze sloot haar vingers, zette zich schrap toen de Odelo begon te tollen, de pijn ver weggestopt, stabiliseerde het pak weer met haar lichaam.

Ze had net genoeg reikwijdte om de console te bereiken, maar niet genoeg tijd om de module weer in te pluggen zonder dat de machine opnieuw begon te tollen. Tenzij— tenzij ze met de kop van de Odelo naar beneden ging.

Ze veranderde de positie van de Odelo, plaatse armen en benen zodanig langs het lichaam dat ze stabiel bleef, werd een vrouw in de buik van een projectiel, koppelde haar pols los, boog voorover, probeerde de TTM in het gat te proppen…

Maar ze had niet genoeg kracht door haar ongelukkige positie.

| __                   . . . |

|

—  |

 

En de fragmenten werden korter.

 

Haar mond op de kut van—

 

Haar tong—

 

De geur—

 

“Godverdomme,” zei Gila.

Ze stabiliseerde het pak, koppelde haar andere pols los. Het tollen nam weer toe. Gila boog voorover. Drukte met beide handen en met volle kracht de module in de sleuf.

De schermen rondom haar floepten aan.

Bloedspetters van haar hoofdwond zaten overal tegen het glas: vormden grillige donkere vlekken tegen het heldere licht.

Ze plugde haar polsen, haar nekcontact weer in, stabiliseerde de Odelo.

“Mijn snelheid,” mompelde ze en ze keek op naar de cijfers links boven haar.

De teleportatiesprong naar beneden zou de snelheid niet reduceren. En ze had geen zin om uit te testen hoe goed die ‘automatische veiligheidsmaatregelen’ waren—

 

—en ze drukte vol door en Tiska keek haar verbaasd, toen bang aan. “Stomme trut,” siste Gila, een hand vol met haar van het meisje dat nu onder haar knie op de grond lag. En Tiska jankte: “Auw. Auwauwauwaaahaaaa-aaaaa” en dikke tranen stroomden over haar wangen en Gila liet niet los omdat ze in de afgelopen week genoeg was rondgeduwd door die stomme trut met haar oppervlakkige gedachten en ze moest ergens een voorbeeld moest stellen en Gila liet nog steeds niet los toen de juf haar lostrok en Gila liet pas los toen jufhaar pols greep en met een volwassen greep haar tienjarige hand opendrukte—

 

—waardoor ze losliet en achteruit struikelde.

“Blijf van haar af,” snauwde Gila. “en blijf bij haar vandaan.”

“Waar ging dat over?” vroeg Marieke later.

“Slechte ervaringen,” zei Gila. “Met haar. Met mensen die ik niet mag. Gaat het?” zei Gila tegen het meisje dat bedremmeld op de barkruk zat. “Sommige mensen,” zei ze tegen Marieke, “leven in een waanwereld waarin iemand, omdat ze glimlacht, automatisch ‘ja’ zegt tegen opdringerig gedrag. Een waanwereld waarin ‘ja’ tegen een etentje of een lift of een dienst automatisch leidt tot een schuld die alleen met seks of seksuele diensten kan worden afbetaald. Een waanwereld waarin dat etentje, die dienst, geweld of geld automatisch het recht geeft op seks met het lichaam van die andere persoon..  Een waanwereld waarin ongewenste intimiteiten aan een ander kunnen worden opgedrongen als je maar lang genoeg door blijft drammen.”

Het was 1981. Gila verliet de bar, zag het meisje dat ze eerder een duw had gegeven op de stoep staan. “Ben je daar nog steeds?”

Gila wist zich slechts half af te wenden toen de ander Gila’s haar greep en haar naar de grond trok.

“Blijf uit mijn buurt, vuile kut,” schreeuwde het meisje en ze greep Gila’s haar en terwijl ze samen naar de grond vielen dacht Gila: dit is de laatste keer dat ik het lang laat groeien en het nieuwe moordenaarsaspect van haar herspeelde het moment in zeven verschillende variaties waarin ze elke keer bovenop kwam, in plaats van de lichte hersenschudding die ze opliep toen haar hoofd de stoeptegels raakte.

Gila

 

—kantelde de Odelo, zodat de borst naar beneden wees. Coördinaten. Recht omhoog, in tegengestelde richting van haar val. Ze wierp het baken uit, sprong.

Haar Odelo verloor vaart. Alsof je een steen in de lucht werpt. Ze draaide het pak om zette de nieuwe bestemming uit.

Tijd genoeg.

Op het dode punt waarin ze even bewegingloos in de lucht hing, maakte ze de laatste sprong.

De Odelo gaf een kus tegen een rimpel in de vlakke Noordzee, herinnerde zich zwaartekracht en ging onder, kwam weer bovendrijven.

“Mijn Odelo is geland, Centrale. Wat is de volgende bestemming?”

—                    |

__  .. ..

—  —

|

|

“—Pradopo?”                         |         ?

 

14.

Het werd zomer.

 

Op het grote grasveld aan de overkant van de Van Baerlestraat lagen mensen op kleedjes, werden picknicks gehouden, liepen jongens en meiden rond met flesjes bier en frisdranken, vrij van werk en genietend van de zon die tot vroeg in de avond heet zou blijven.

Gila de façade keek even naar de gespierde billen en benen van een jonge vrouw die haar passeerde en omkeek, drukte toen de glazen deur van het atelier open, trad binnen, schijnbaar aangetrokken door het eerste stuk van Piet Mondriaan: “Grijze boom”.

“Hoe voel je je, Gila?” vroeg Centrale aan de poppenspeler en de façade hoorde alleen maar ondertonen en boventonen van een melodie, bijna hoorbaar en niet geregistreerd.

“Ontspannen,” liet Gila de poppenspeler weten en Gila de façade begon te glimlachen.

Twee grote katten lagen lui op de donkere stenen vloer achter het raam van het atelier.

Gila deed een stap in hun richting, bleef langer hangen bij Mondriaans “Bloeiende appelboom” en “Compositie No 6”. Twee werken waarin zijn abstracties nog steeds speels waren.

De man in de groep aan de andere kant van de ruimte keek op toen ze kort zijn kant op keek en ze maakte even oogcontact, knikte, glimlachte.

“Centrale. Doelwit in zicht, contact gemaakt,” tikte Gila de poppenspeler.

“Contact. Begrepen. Succes.”

De façade was niet langer meer waar Gila zichzelf mee identificeerde. Het was een masker, een masker van vlees en bloed dat alles deed wat Gila de poppenspeler wilde en dacht, een pop die de verklaringen voor haar acties opsloeg in het publieke geheugen, de werkelijke gedachten en motieven van de poppenspeler diep weggestopt in de onbegrijpelijke wereld van kleuren, beelden, ritme en geluid waar geen enkele telepaat koffie van kon maken.

De perfecte vermomming.

Gila liep naar “Model van een privé-huis” van Theo van Doesberg, de collage: “Verwoesting 2” en het schilderij: “Compositie 1” met boompjes en driehoeken en: “Compositie IX”.

Ze bleef een tijdlang naar Compositie IX kijken.

 

Casper van Boetzelaer was een knappe, zelfverzekerde jongeman met zwart haar dat hij zijdelings met de hand had weggekamd in een soort verzorgd-nonchalante scheiding. Een jager. Een womanizer.

“Het eerste wat bij me opkwam, was een bovenaanzicht van een trappenhuis,” zei Gila de façade toen hij naast haar stond.

Hij lachte, keek aandachtig naar het schilderij en knikte.

“Geen vreemde gedachte.”

Hij wees naar enkele plekken in het schilderij, gaf uitleg, leek zich toen te realiseren wat hij aan het doen was en met wie.

“Ben je een kunstkenner? Journaliste? Uitgenodigd?”

Gila schudde haar hoofd, bestudeerde hem, bestudeerde zijn houding, de manier waarop hij zijn schouders opgetrokken hield, de spanningen in zijn lichaam, de rechter schouder iets hoger dan de linker.

“Nee. Ik kwam hier toevallig binnen.”

Hij wenkte een jongen met een schaal met drankjes, boog opzij, keek langs haar heen naar de ingang.

“Dit is alleen op uitnodiging.”

“Dat wist ik niet,” zei Gila de façade. Ze gaf hem een stralende glimlach. “Iemand is waarschijnlijk vergeten de deur te sluiten.”

“Waarschijnlijk,” zei Casper.

Ze keek rond en de poppenspeler vroeg zich af hoeveel anderen hier net als zij undercover waren.

“Hou je bij je missie. Ogen op de bal houden,” klonk het ritme en de melodie van de telepaat in haar oor.

Casper bood haar zijn hand aan.

“Casper van Boetzelaer.”

“Gila Pradopo,” zei Gila.

Indrukken gleden door haar heen toen ze in zijn hand kneep, herinneringen uit zijn verleden en Gila de poppenspeler hield het contact even aan om dieper te voelen.

“Waar kom je vandaan, Gila?”

“Amsterdam,” zei Gila de façade.

“Oorspronkelijk?”

“Amsterdam,” zei ze half geamuseerd om dit spel waarin hij voornamelijk zijn onbenul toonde.

Hij pakte haar emotie over, lachte kort, zacht, beleefd.

“Ik bedoel je ouders,” zei hij.

“Rotterdam,” zei ze.

“Je grootouders?”

“Hoever wil je teruggaan in mijn familieverleden, Casper?” zei ze en ze boog even, rekte de ‘r’. “Maarrr: Jakarta, Casper. Mijn grootouders kwamen uit Jakarta.”

Ze nam een glas champagne van het blad, aarzelde even, hief het.

“Proost.”

“Waar werk je?”

“Bank,” zei ze. “Dodelijk saai.”

“Ooit iets anders geambieerd?”

Ze knikte.

“Maar mijn familie vond het een beter idee als ik iets fatsoenlijks deed. Iets met meer aanzien en zekerheid. Als het maar niet ‘in de havens’ was.”

“Ja,” deed Casper en zijn ogen dwaalden keurend af naar haar blote schouders, haar borststreek, naar haar rok, de split die een deel van haar knie en haar onderbeen liet zien.

“Casper?” Ze wees met twee vingers van haar rechterhand naar haar ogen.

“Even je aandacht erbij houden.”

Hij keek op, zijn ogen twinkelend van plezier en wees met zijn glas naar het contact onder haar linkerhand.

“Je had het over de havens. Heb je daarom…?”

“Deze zijn nep,” zei ze. “Ik probeerde indruk op je te maken. Eigenlijk ben ik een heel schuchter meisje dat van kunst en borduren houdt.”

Hij begon te lachen.

“Ik mag jou wel, Gila,” zei hij. “Wat zijn je plannen later deze avond? Zou je mee willen gaan naar het diner? Het is een prima gelegenheid om nieuwe mensen te ontmoeten en voor mij een goed excuus om eens niet met de same-old, same-old de gebruikelijke saaie oppervlakkigheden uit te hoeven wisselen.”

“Misschien.”

“Relatie?”

“Ja. Vriendin.”

Casper’s ogen lichtten op.

“Wat doet ze?”

“Meubelmaakster.”

“Neem haar mee,” zei hij.

Ze schudde haar hoofd en streek een lok van haar haar achter haar oor.

“Ze wil vanavond haar belastingaangifte doen. Als ik meega, ga ik mee onder twee condities. Ik haak om elf uur af. En jij betaalt. Ik ben platzak.”

“Uiteraard, uiteraard,” zei Casper. “Geen probleem.”

“Waar? Wat? Hoe laat?”

Hij keek op zijn horloge.

“Over een uurtje.”

“Prima, Gila.”

 

Toen ze samen met Casper het restaurant betrad, ging de oude Hendrikus de Geer net zitten: nestor in een familie van wapenhandelaars. Toen ze zijn hand schudde gingen er verschillende indrukken door haar heen die de haren op haar nek recht overeind deden staan. Tesla-Neuman-Bohr, verschillende reizen naar Indonesië en India in 1949, 1950, 1957, 1958, 1962. Haar profiel deed hem denken aan de vrouwen die hij op Bali en in Java ontmoet had.

Ik ken je, Gila Pradopo, sprak hij direct tot haar en ze voelde hem rondwroeten in haar gedachten. Ik kende je grootmoeder.

Ze knikte. Gila de façade glimlachte en zag een gesprek in een boardroom in India in 1958 waar de hypothetische mogelijkheid van een wereldwijde aanval werd besproken, met miljoenen mensen als inzet, met de eigen Indiase bevolking als onderhandelingsmiddel: “De wereld zal niet toelaten dat India haar eigen bevolking uitmoordt en dat is de perfecte troefkaart als de balans de verkeerde kant op dreigt te slaan.”

Ze verstrakte.

Je haat is verfrissend, Gila, zei hij.

Ze liet zijn hand los. De klootzak was een telepaat en een sociopaat en een moordenaar en voelde als ijs en sneeuwvlokken bevroren in de tijd in de lucht en een deel van haarzelf strekte uit, tastte in paniek naar uitwegen, vluchtwegen, onder het oppervlakte dat kalm bleef.

“Rustig, Gila,” zong en neurieden de tonen in haar oortelefoontje tegen haar poppenspeler-zelf. “Hij probeert je te provoceren. Hij zoekt je zwakke plek. Hij vertelt je niets dat we niet al weten. De Geer is niet relevant en niet jouw doelwit.”

Ze glimlachte, zette zich voorbij haar twijfels en de maalstroom van emoties, keek om naar twee mensen die zich bij hen voegde, schudde meer handen, ging toen zitten.

“Prima. Stap voor stap. Blijf je concentreren op je primaire taken. Let op je barrières. Laat eerst maar eens zien wat je kunt.”

“Jullie wisten dat dit kon gebeuren,” tikte ze.

“Ja, Gila. Zo werkt dit spel al twintig jaar lang. Wij laten een stuk van onze kant zijn, zij een stuk van de hunne. We dreigen hier en daar wat als iedereen aanwezig is, verscheuren wat kippen in hun kippenhok als ze even niet opletten, bijten wat schapen dood als iedereen in hun kamp in slaap is gevallen en van hun kant gebeurt hetzelfde, terwijl onze wapens op hen zijn gericht en de hunne op ons en we met een simpele instructie een hele stad kunnen wegvagen. Om te laten zien dat we allemaal nog steeds midden in het spel zitten.”

Casper moest ergens om lachen. Een vrouw aan de andere kant van de tafel wierp haar een nieuwsgierige blik toe, maakte even oogcontact en hief toen haar glas. Gila knikte, deed hetzelfde.

Het was zomer.

 

15.

 

De moord op Stalin door teleportatie was een vergissing, maar niet onze grootste. We zagen te laat hoe oude belangen op nieuwe manieren werden verwezenlijkt na het wegvallen van de koloniën. We hebben de omvang van het ‘old boys network’ van oude families volledig onderschat. XXXXXXXXX

 

Je kent inmiddels de versie van de Centrale Inlichtingendienst van de situatie van de afgelopen dertig jaar, waarin geld en macht en manipulatie van de beurs en verstoring van de wereldeconomie als de werkelijke motieven voor die oorlog worden gezien. India is daarin slechts een instrument.

Maar zelfs die realiteit is te simplistisch. Niets is wat het lijkt. Vorm je eigen waarheid.

 

Macht is een vreemd ding, Gila. Het beweegt zich voornamelijk ondergronds. Wat bovenkomt, wat zichtbaar is, is slechts een klein aspect van het totale organisme.

Diep in de wortels leeft nog steeds de overtuiging dat de vorige eeuw een gouden periode was, dat ‘we’ er fout aan hebben gedaan om dat allemaal op te geven. Dat de oorlogen, de moorden en de uitbuiting, de exclusiviteit van bepaalde privileges, de kinderarbeid en de onderdrukking hun nut hadden, uiteindelijk wel meevielen, dat alles draait om het recht van de sterkste.

Dat was het niet. Dat deed het niet. Dat doet het niet. Dit is slechts een gruwelijk en barbaars wereldbeeld.

XXXXXX

We zijn in 1930 radicaal van koers veranderd om die reden, hebben Sectie Vijf en Zes in 1942 opgezet om dieper door te graven en de wortels zelf los te wroeten.

 

Op dit moment zie ik alleen maar mislukking. Problemen worden niet opgelost. Machtsvertoon en de dood van duizenden in elke nieuw schermutseling is onderdeel geworden van een toneelspel om de algemene consensus te manipuleren.

 

Dit moet ergens stoppen. De wereld behoort aan iedereen, Gila.

 

P.S.

Verbrand Herlees deze brief a.u.b. en verbrand hem na herlezing. Vernietig zorgvuldig de restanten.

 

En blijf in leven.

 

Je oma.

Categories