web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Donkere Wolken : Wendy Torenvliet

Donkere Wolken

Wendy Torenvliet

 

Er stond een vrouw aan het voeteneind van haar bed.

Laura kon niet verklaren hoe ze wist dat het een vrouw was, want de gedaante was niet meer dan een vage zwarte vorm die op een of andere manier nog donkerder was dan de nachtelijke duisternis van de slaap­kamer. Toch wist ze zeker dat het een vrouw was. Laura was compleet verstijfd en ze baadde in het zweet. Haar handen knepen het laken fijn van angst, haar hart bonsde zo wild dat het uit haar borstkas leek te springen.

De vrouw zei niets. Bewoog niet. Stond daar maar.

Het lukte haar de verlamming te verbreken. Met een ruk kwam Laura overeind en tastte naar het licht­knopje naast haar kant van het bed. Eén eeuwig­durende seconde was ze bang dat ze het niet snel genoeg zou vinden, dat de vrouw die tijd zou benutten om op haar af te springen met die onmoge­lijke snel­heid die je altijd bij monsters in horrorfilms zag, een en al tanden en klauwen en witte, wegge­draaide ogen. Dat de vrouw zou … ja wat eigenlijk?

Ze vond het knopje en meteen baadde de kamer in een zacht licht. De plek waar ze de vrouw had gezien was leeg. Er stond of hing niet eens iets dat in het donker op een menselijke gedaante had kunnen lijken.

Wat gebeurde er zojuist?!

Laura draaide in een reflex om naar Peters kant van het bed. Ze wist niet precies waarom ze het deed, om hem wakker te maken en even te knuffelen, of misschien samen te lachen om haar domme droom … wat het ook was, het verdween uit haar gedachten zodra ze de lege plek zag. Hij was er niet.

Natuurlijk niet.

Met een klap was ze weer terug in het heden. Er daalde een alles ver­stikkende deken van verdriet over haar neer. Tot drie dagen geleden was ze vergeten dat verdriet gewoon fysiek pijn kon doen. Dat het je bij de strot greep, misselijk maakte totdat je het gevoel had dat je gewoon wel kon kotsen.

Ze slikte. Peter was er niet. De plek waar ze de omtrek van zijn lichaam nog kon zien als ze het bed opmaakte, lag er strak en gladgetrokken bij. Want Peter was dood. Ze sloeg haar handen voor haar mond om de schreeuw te smoren die zich naar buiten probeerde te worstelen.

Het is mijn schuld, oh god het is mijn schuld. Als ik het hem niet zo verweten had, dan stond ik hier nu niet.

De deurknop leek onmogelijk ver weg. Ze wilde zich omdraaien, die rottige zwarte pumps in de hoek smijten en wegrennen. Overal naartoe behalve hier.

Laura stak de sleutels in het slot, sloot haar ogen, draaide de sleutelbos om en trok de deur open. Totale stilte galmde haar tegemoet.

Nu is het echt.

In de eerste paar dagen van hectiek, nadat ze Peter gevonden had, was ze alleen maar in regel-modus geweest. Door door door, welke kist, kwamen er bloemen? Oh god, moest ze dit nu opnieuw meemaken? Het was allemaal zo bekend. Wat moest er in vredes­naam in de rouwadvertentie? Frans en Nadine, Peters ouders, die haar constant vuile blikken toe­wierpen, alsof zij Peter ertoe aangezet had …

Dat heb je ook.

Het verdriet dreigde haar te overmannen. Ze deed haar ogen open en liep resoluut over de drempel, de gang in. Sleutels op het gangkastje, zwarte mantel aan de kapstok, tasje achteloos op de vloer. Haar hakken tikten op het parket. Het geluid leek te echoën in de leegte van hun appartement. Wacht, háár apparte­ment. Ze was alleen.

Vanaf vandaag lag Peter onder de grond en was ze alleen.

 

***

 

‘Hoe gaat het met je?’ Miranda’s stem klonk vermoeid en verdrietig aan de andere kant van de lijn.

Laura tekende afwezig kringetjes op het patroon van haar wollen jurkje. Ze had eigenlijk willen douchen, die vreselijk formele kleding uit willen trekken, maar ergens was ze bang verder het appartement in te gaan dan de woonkamer. Dus zat ze nu in elkaar gefrommeld in de luie stoel naast de televisie. De panty zat niet lekker en het jurkje was tot halverwege haar dijen opgeschoven omdat ze haar benen opgetrokken had. De pumps lagen half onder de stoel.

Ze had het koud. Ze wist dat het stom was om hier nu zo te blijven zitten, maar ze zag er zo vreselijk tegenop om al die lege kamers tegen te komen. Waar al zijn spullen nog stonden. Waar ze binnenkort iets aan zou moeten gaan doen. Alleen de gedachte al maakte haar misselijk.

‘Laura? Ben je er nog?’

Ze schrok op. ‘Ja ik ben er. Sorry, ik… ik heb moeite om mijn gedachten goed bij elkaar te houden. Wat vroeg je?’

‘Of het goed met je gaat. Maar eigenlijk hoef ik dat niet te vragen he? Natuurlijk niet.’ Miranda zuchtte. ‘Ik wou dat ik naar je toe kon komen. Je moet nu helemaal niet alleen zijn in dat klotehuis.’

Ze klonk zo bezorgd dat de tranen weer in Laura’s ogen opwelden. ‘Het gaat wel,’ zei ze waterig. ‘Ik moet alleen even moed verzamelen om iets te gaan doen. Uit deze stoel te komen. En jij moet blijven waar je bent, je hebt het al zwaar genoeg en hier kun je toch niks doen, joh.’ Miranda was hoogzwanger van de tweede en had haar handen vol aan de peuter die rondliep en haar eigen bekkeninstabiliteit. ‘Ik vond het fantastisch dat je er vanmorgen was, ik kan je niet zeggen hoeveel dat voor me betekende.’

‘Je voelt je toch niet schuldig, he? Want echt, ik had die ouders van hem wel wat aan kunnen doen, ik bedoel, Jezus, het is een begrafenis en om daar nu een scène te gaan schoppen midden op het kerkhof. Afschuwelijk. Het is níet jouw schuld. Dat weet je toch he?’ Miranda klonk fel.

Laura onderdrukte de neiging om de telefoon neer te leggen en haar handen voor haar gezicht te slaan. ‘Ik moet gaan meis, ik moet een aspirine gaan slikken en even gaan liggen en tot bedaren komen. Ik bel je later, oké? Ik kan nu even niet praten over alles.’

‘Je voelt je dus wel schuldig. Echt, het is zó oneerlijk, ik ben zó boos. Op Peter, op alles. Jullie leven was al zo verkloot en …’

Verderop in het appartement klonk een harde klap.

Laura liet van schrik bijna de telefoon uit haar handen vallen. Miranda viel midden in haar zin stil, ook zij had het door de telefoon heen gehoord. ‘Alles goed? Wat was dat?’

‘Ik weet het niet Mier, ik moet even gaan kijken. Het klonk alsof er iets viel of zo.’ Ze zweeg verward.

‘Je bent toch alleen daar? Toch? Er is toch niemand verder in huis?’

‘Nee joh, er staat vast ergens een raam open en er zal wel wat omgewaaid zijn. Ik spreek je later, oké?’ Laura hing op.

Er stond nergens een raam open. Dat had ze vanmorgen nog gecheckt voor ze wegging. Het was weer stil.

Laura’s hart bonsde wild. Ze had ineens een heel onbehaaglijk gevoel. Kippenvel overal. Waar kwam die sensatie in vredesnaam vandaan?

Oké, stel je niet aan. Er is niks aan de hand.

Het geluid was van verder in het appartement gekomen, vanuit de gang met de trap naar boven. Of misschien wel vanaf boven zelfs. Het appartement had een maisonnette-indeling met de woonkamer en keuken beneden. De ouderslaapkamer en extra kamers waren boven. Ze keek op naar het plafond en luisterde gespannen. Niets te horen.

In de gang was niets te zien. Ja, de trap. Die vervloekte klotetrap. Voor de zoveelste keer vroeg ze zich af waarom Peter en zij hier in dit huis waren blijven wonen nadat … nou ja, erna. Natuurlijk waren er duidelijke redenen geweest, voornamelijk financiële, maar wat had ze graag weg gewild. Niet meer iedere dag geconfronteerd met die houten trap naar boven, naar de kinderkamer. Zoveel plekken in dit huis waar ze niet meer wilde komen. Die trap. Het kamertje boven. En nu dus ook de studeerkamer. Het kippenvel kroop haar armen weer op en haar maag knoopte zich samen. Ze snakte naar adem, gezicht vertrokken in verdriet.

‘Nee, ik wíl niet weer huilen, ik ben er zo klaar mee!’ Ze wilde het gillen, maar het was niet meer dan een zacht gefluister.

In het voorbijgaan trok ze rechts de deur naar de logeerkamer open, maar niets leek van zijn plek. In de wc en de badkamer aan de andere kant van de gang zag ook alles er in orde uit. Alsof de aanblik van Peters scheerschuim en douchegel ooit in orde kon zijn, maar dat daargelaten.

De trap leek eindeloos en zoals altijd had ze een gevoel van kilte terwijl ze er tegenop klom. Ze wist dat het een psychisch ding was, de kou en het idee dat er geen einde aan leek te komen, dat had de psycholoog haar ook verteld, maar ze bleef het ervaren. Het was inmiddels al twee en een half jaar geleden dat Fleur hier op deze trap was gestorven, maar het gevoel was nog steeds niet weggeëbd.

Echt, ik moet dit huis verkopen. Het ging al nooit beter worden en nu al helemaal niet.

Eenmaal op de gang boven bleef ze besluiteloos tegenover de twee deuren naast elkaar staan. Iene miene mutte, welke doet het meeste pijn? Het begon als een dwaas kinderrijmpje door haar hoofd rond te zingen. Ze besloot als eerste de deur links te pakken, al was het maar om het gekmakende deuntje te smoren.

Het kleine kamertje rook wat bedompt en stoffig, maar was verder keurig opgeruimd. De muren waren zachtgroen en het meubilair whitewash. Peter en zij hadden geweten dat ze het ooit moesten gaan opruimen, maar ze hadden tot nu toe de moed niet kunnen verzamelen. Het had veel te veel pijn gedaan, hoewel de constante aanblik van het wiegje en de pluche knuffeldieren dat ook deed. Vrolijke houten letters die de naam ‘FLEUR’ spelden hingen nog aan de muur.

Er lag niets om, of op de grond. Laura deed snel de deur weer dicht en leunde er even tegenaan. Ze blies wat haren uit haar gezicht die losgeraakt waren uit de vlecht die ze droeg. Studeerkamer dan?

De kamer er rechts naast. Ze trok de deur open, bang voor wat er komen zou. Er was niets meer te zien van wat er zich vorige week had afgespeeld, maar toch spiegelde haar geest zich Peter weer voor, achterover hangend op de stoel achter zijn bureau, de plastic zak over zijn hoofd en haar potje met slaappillen naast zijn uitgestrekte, levenloze hand. Ze kneep heel snel haar ogen dicht, haar adem inhoudend, wetend dat haar brein haar voor de gek hield. En toch was ze één moment doodsbang dat dezelfde scène zich nu weer afspeelde, voor altijd en altijd in een krankzinnige cirkel waaruit ze nooit meer los zou komen, als een kwaadaardige Groundhog Day.

De stoel was leeg. Geen pillen rondgestrooid op het tapijt. Geen glazige ogen die haar ondersteboven aankeken door de wazige plastic zak die aan de binnenkant beslagen was door zijn laatste adem. Laura’s maag­inhoud kwam omhoog en ze vloog naar de deur links achter in de ruimte die toegang gaf tot een toilet en bad. Ze redde het maar net. Geknield en met een hand op haar maag braakte ze de broodmaaltijd uit die ze na afloop van de begrafenis samen met de familie genuttigd had. Het smaakte zuur, slijmerig en brandde in haar keel en neusgaten.

 

***

 

Een kwartiertje later stond ze nog wat wiebelig midden in de studeer­kamer. Het geluid was verklaard – de stofkap van Peters type­machine lag op onverklaarbare wijze op de grond naast de stoel. Ze had altijd moeten gniffelen om zijn eigenwijsheid wat dat betreft. Alle schrijvers die ze kende maakten gebruik van een laptop of desktop. En ze kende er aardig wat, want ze ging vaak mee naar feestjes en inmiddels had Peter behoorlijk wat vrienden gemaakt in het schrijvers­wereldje. De software die ze gebruik­ten varieerde nogal, van speciaal voor auteurs ont­wikkelde program­ma’s tot gewoon Word of zelfs Notepad. Maar Peter had niets willen weten van computers. Hij schreef zijn verhalen nog gewoon op een typemachine.

‘Het schrijft gewoon lekkerder, Lau,’ zei hij altijd als ze hem weer eens plaagde dat hij zo wel een enorm stereotype stoffige schrijver werd. ‘En zo kan ik tenminste niet meteen gaan twijfelen en alles deleten en weer opnieuw schrijven.’

Ze werd er eigenlijk knettergek van, want de getypte stapels die hij produceerde moesten altijd weer omge­zet worden tot iets digitaals. Daar kwam zij om de hoek kijken – ze zette zijn bergen papier om tot digitale bestanden en fungeerde daardoor meteen als zijn eerste proeflezer. Naast haar dagelijkse kantoorbaan was het veel werk. Hoewel het digita­liseren van het verhaal niet haar grootste hobby was, genoot ze wel van het redigeren. Het voelde als een privilege om de eerste te zijn die een kijkje mocht nemen in zijn zielenroerselen. Net zoals ze het geweldig had gevon­den om mee te gaan op de reizen die hij ondernam. Hij geloofde heilig in het zelf onderzoeken van bronnen – het zelf voelen, ruiken, waar­nemen.

Na zijn dood was zijn kamer in orde gebracht en afgesloten en ze wist zeker dat ze de kap op zijn typemachine had gedaan. Ondanks zijn rommelige karakter was hij daar altijd heel zorgvuldig mee geweest en het had haar pijn gedaan de machine zo open en bloot te zien nadat ze zijn korte afscheids­briefje – ‘Het spijt me zo, Lau’ – uit de schrijfrol had gehaald.

Maar nu lag de kap op de grond en dat was eigenlijk onmogelijk. Hij sloot af met twee klepjes aan iedere kant en die raakten niet zomaar los. En al raakten ze los, dan nog was het onmogelijk dat de kap vervolgens op eigen houtje van de typemachine los zou raken. Het ging in tegen alle wetten van de zwaartekracht.

Er is iemand in huis, dat moet wel, het kan niet anders.

Laura draaide zich met een ruk om, gezicht naar de gesloten deur van het kantoor. Daarbuiten lag de gang, de toegang naar wat de babykamer was geweest. Achter haar de douche en het toilet. Beide had ze net van dichtbij gezien en ze waren leeg geweest. Dan bleef alleen de slaapkamer nog over.

Bevend haalde ze adem. Ze stond op kousenvoeten, haar hakken lagen beneden in de woonkamer. En nu? Zachtjes naar beneden sluipen of de confrontatie aangaan? Ongewapend? Ging ze echt zo stom zijn? Een flard van haar droom kwam terug, het gevoel in een horrorfilm te zijn beland. De heldin die altijd het domste deed, de trap opliep in plaats van het huis de rug toe te keren, ook al was het duidelijk dat er boven geen vluchtwegen waren. Ging ze écht dat cliché zijn?

Maar dit was geen horrorfilm. En ze was het zat. Zat om bang te zijn, zat om verdrietig te zijn. Er helemaal klaar mee om iedere dag maar weer op te staan met het gevoel of er een steen op haar maag lag en haar hoofd vol watten zat.

Laura trok een van de lades van Peters bureau open, de lade waarvan ze wist dat hij er altijd zijn kantoor­artikelen in veegde. In de wirwar van paperclips, gummetjes, potloden en lege kauwgom­wikkels vond ze wat ze zocht – de briefopener. Deze klemde ze in haar zweterige hand en op trillende benen liep ze naar de deur van het kantoor.

De gang was leeg en nog net zo stil als daarvoor. Laura glipte door de deuropening en hield halverwege de hal stil, tussen de deur van de kinderkamer rechts en de grote ramen die uitzicht boden op het balkon links. De dag was al aan het tanen – het licht begon wat grauw te worden en aan de voorbij dwarrelende bladeren te zien was er een fikse wind opgestoken. De maisonnette was goed geïsoleerd, binnen was het aangenaam en er was niets te horen van de storm buiten. Ze deed haar best om haar ademhaling rustig te houden, maar slaagde daar totaal niet in. De lucht zaagde haar keel in en uit en haar hartslag speelde de horlepiep. Nog zo’n cliché – ‘het was vast te horen buiten haar lichaam om’. Bah, ze had veel te veel van Peters horrorverhalen onthouden.

Met haar adem ingehouden luisterde ze gespannen. Ongewild drong de gedachte aan de droom van vorige nacht zich weer aan haar op. De vrouw aan het einde van haar bed, de zwarte, vage roerloze gestalte. Dat was ook in de slaapkamer geweest. Wat als ze de deur opentrok en oog in oog met dat ding zou staan? Of nog erger, dat het tegen het plafond zat, met lange spin­achtige ledematen, alsof de zwaartekracht niet bestond?

Jezus Laura, hou eens op. Je kunt jezelf ook gek maken.

Het moest maar. Ze stak haar hand uit naar de deur­knop, aarzelde een seconde en rukte toen met kracht de deur open, de briefopener uitdagend in haar andere hand.

Niets.

Een lege slaapkamer. Opgemaakt bed. Peters boek, met de boeken­legger nog op de plek waar hij was gebleven, omgekeerd op zijn nacht­kastje. Geen zwarte gedaanten waar dan ook, ook niet tegen het plafond.

Laura begon oncontroleerbaar te trillen, de brief­opener glipte uit haar hand en kletterde tegen het parket. Ze zakte als een hoopje ellende op de vloer in elkaar en kon de tranen niet meer tegenhouden. Het voelde alsof ze zich compleet verloor in het verdriet, het schuldgevoel, de wetenschap dat het haar onop­houdelijke stille verwijten waren geweest die Peter uiteindelijk tot zijn daad hadden gedreven.

Want hij was het geweest die met Fleur in zijn armen van de trap was gevallen.

Van die verraderlijke, kloterige, spekgladde houten trap waarvan ze al zo vaak tegen elkaar hadden gezegd dat ze die veiliger moesten maken. Wat ze niet hadden gedaan. Wat ze geen van beiden hadden gedaan, en het had net zo goed haar kunnen overkomen in plaats van hem, maar toch bleef ze het hem verwijten. Misschien niet zozeer in woorden, maar zeker wel in daden, met een koude houding en een stilzwijgen en een gepast op afstand houden waar ze maar niet van af had kunnen komen, hoe graag ze het ook had gewild… het verdriet dreigde haar te over­spoelen en ze voelde het, letterlijk, als een koude zwarte wolk boven haar hoofd, een vettige zwarte materie die haar helemaal omhulde, in alle poriën en huidplooien kroop, in haar longen drong met iedere beverige ademteug die ze naar binnen liet gieren, haar verstikte en tegen haar fluisterde …

Jouw schuld, allemaal jouw schuld, lelijk mens, je kon het hem niet vergeven, he? Je moest hem de schuld blijven geven want anders moest je naar jezelf kijken, je eigen nalatigheid, je eigen aandeel in dit alles en dat was even groot, het is allemaal jouw schuld, jouw schuld, jouw schuld, waarom maak je er geen einde aan?

Ze kreunde, de armen om haar lichaam geslagen, wiegde heen en weer in pure wanhoop, ja waarom ook niet, wat deed ze hier nog, waarom was ze hier nog, wie hield er in nu in godsnaam nog van haar?

En van het ene op het andere moment werd ze warm. Het was alsof iemand van achteren de armen om haar heen sloeg, haar tegen zich aan koesterde en haar compleet injecteerde met een weldadige, liefdevolle gloed die door haar hele lichaam trok, van kruin tot voeten. Ze hield abrupt op met huilen.

Oh Laura …

De warme ademtocht blies langs haar oor en een lok van haar haar dreef loom mee naar voren op de lucht­verplaatsing. Verdwaasd keek ze ernaar. Achter haar, in de studeerkamer, klonk het ratelende geluid van de typemachine, maar ze registreerde het amper.

‘Peter?’

Het warme gevoel ebde langzaam weg, maar de wan­hoop was ook verdwenen. Meegenomen op die ene teug adem die niet meer terug­kwam. Ze was niet bijge­lovig en hoewel ze even daarvoor nog helemaal in beslag was genomen door alle stomme plotpunten uit Peters enge verhalen, had ze nooit werkelijk in dat soort dingen geloofd. Geesten, monsters, griezelige kinderen en poppen waren leuk om bang van te worden tijdens het kijken van een enge film, maar dat waren wel fictieve dingen waar ze de dag daarna geen last meer van had. Misschien dat dat kwam doordat ze van dichtbij had meegemaakt hoe Peter de spanning opriep in zijn boeken, er research naar deed en zijn verhalen had geredigeerd. Daardoor werd het voor haar een soort van proces in plaats van een medium waardoor ze zich kon laten verrassen. Ze wist veel te goed hoe alles in elkaar zat.

Had ze gedacht. Toch? ‘Peter? Was jij dat?’

Vanuit de studeerkamer kwam een zachte ping! Het was het geluid van de schrijfrol die het einde van een regel aangaf, wist ze. Het kippenvel stond onmiddellijk weer huizenhoog op haar armen. En aan de andere kant leek het een bevestiging op haar vraag. Struike­lend haastte ze zich naar de kamer aan het einde van de hal.

Er zat nu papier in de schrijfrol. Midden op het witte vel prijkte één enkel woord:

 

J A P A N

 

***

 

‘Wil je dit nog bewaren?’ Miranda hield een van Peters befaamde notitieboekjes omhoog, ditmaal eentje met een bijzonder groezelige kaft.

‘Staat er een jaartal op?’ Laura snuffelde rond in de grote boekenkast waar boeken, losse papieren en multo­mappen lukraak bovenop elkaar gestapeld waren. Je kon van alles van Peter zeggen, maar opge­ruimd was hij niet geweest. Het leek wel of hij nooit echt een systeem had gehad om orde te scheppen in de kamer. Alleen de notitieboekjes waren een vast, terug­kerend item. En de Bic balpennen waar zonder uitzon­dering heftig op geknaagd was. Die twee dingen waren de constanten in Peters leven geweest. Nou ja, op haar, Fleur en zijn typemachine na dan. De rest was bijzaak.

‘Nee, ik geloof het niet.’ Het klonk aarzelend. ‘Er staat ‘Sterrenkijken’ op?’

Ah. Peters enige poging tot het schrijven van een sci-fi. Aliens, close encounters of the fourth kind, de hele rambam. Ze waren er zelfs voor naar Area 51 geweest – of in ieder geval zo dicht als ze erbij hadden kunnen komen.

Uiteindelijk was dit specifieke boek op niets uitge­lopen. Sci-fi was gewoon niet zo Peters genre en dat had hij heel vlot ingezien. Het kroop toch bijzonder snel weer naar de horror en hij had geen compromis willen sluiten qua genre. Dus het manuscript was onaf­ge­maakt in een doos verdwenen en zou zich onge­twijfeld ergens in deze kamer bevin­den.

‘Bewaar toch maar,’ zei ze, zich omdraaiend naar Miranda. ‘Alleen, … zo raak ik nooit opgeruimd he?’ Ze keken elkaar aan en begonnen tege­lijker­tijd te lachen. Heerlijk. Eindelijk. De lach tuimelde ongedwongen door de ruimte en het was gewoon precies wat ze nodig had gehad.

‘Ik ben zo blij dat je hierheen gekomen bent. Ondanks – dat,’ ze wees naar Miranda’s gewelfde buik, ‘dat je het volhoudt joh.’

‘Ach, zolang jij de onderste planken doet en ik me bezig kan houden met alles wat zich ongeveer ter hoogte van mijn navel bevindt, vind ik het best. Echt, Ik bleef je maar voor me zien, alleen in dit huis met alle rommel. Ik moest naar je toe.’

De tranen sprongen Laura in de ogen. Ze knikte woordeloos en keek naar de grond.

Er waren inmiddels een paar dagen verstreken en ondanks dat Laura het erg moeilijk had gevonden om die eerste nacht de slaap te vatten, leek het gebeuren in de studeerkamer al weer ver weg. Er hadden zich verder geen vreemde dingen meer voorgedaan en op een of andere manier had ze het voor elkaar gekregen om het voorval diep in haar geest op te bergen en er verder geen aandacht meer aan te schenken. Niet aan denken was het beste, hoe onwaarschijnlijk en bizar het ook was geweest.

‘Ik denk dat ik alle notitieboekjes maar bewaar,’ zei ze tegen Miranda. ‘Het is toch het meest tastbare, het meest eigen, dat ik over heb van Peter.’ Ze moest even slikken.

Miranda was meteen bij haar en greep haar hand. Haar bezorgde groene ogen namen Laura vorsend op. ‘Heb je wel wat gegeten vandaag?’

Laura knikte. ‘Ja, daar zorg ik wel voor. Met Fleur…’  Ze brak af. Ze had in de weken na Fleur amper kunnen eten, was kilo’s afgevallen en daar ging ze zich alleen nog maar slechter door voelen. ‘Ik heb ervan geleerd, laten we het daarop houden.’

Miranda ging met wat moeite zitten in de leunstoel voor de boekenkast en kruiste haar enkels over elkaar. ‘Als je er niet over wil praten, moet je het zeggen, maar…’ Ze aarzelde. ‘Ik snap het gewoon niet. Ik had het gevoel dat het zoveel beter met jullie ging. Dat de therapie hielp. Jullie zijn samen nog naar Japan geweest, Peter zat helemaal vol plannen met zijn nieuwe boek. Wat ging er nou mis?’

Laura legde haar hand op de bureaustoel en keek peinzend naar buiten. ‘Ik weet het niet,’ zei ze uitein­delijk. ‘Ik dacht ook dat het beter ging. We hadden hartstikke veel aan de nieuwe therapeute, Peter vond dat ook. Tijdens de vakantie hadden we voor het eerst in tijden weer seks.’ Ze bloosde lichtelijk. ‘Sorry, dat is meer informatie dan waar je behoefte aan hebt waarschijnlijk, maar voor ons was het een door­braak. Ik kon hem heel lang gewoon niet in mijn buurt ver­dra­gen. Afschuwelijk, ik weet het, en ik probeerde er echt wel tegen te vechten, maar dat lukte moeilijk.’ Ze wreef haar handen tegen elkaar, het was ineens koud in de kamer. ‘En die muur had ik eindelijk afgebroken. En toen… dit. Ik weet het niet. Ik begrijp het zelf ook totaal niet.’

Dat dacht je alleen maar. Je hield hem aan het lijntje, dat weet je zelf ook wel. Het was een vluggertje, meer niet en stelde niks voor, dat was toch geen liefde? Dat moet hij ook gevoeld hebben, het is jouw schuld, jij hebt hem ertoe gedreven …

‘Jeetje, wat is het koud hier ineens, is de verwarming uitgevallen of zo?’ Miranda huiverde in haar positie­jurk, kwam overeind uit de stoel. ‘Eh, Lau? Gaat het wel? Je ziet echt lijkbleek. Oh sorry, echt, ik had het er niet over moeten hebben, het is allemaal nog zo vers en ik vraag je er gewoon naar met mijn stomme kop.’

Laura werd uit haar gedachten gehaald toen ze de arm van Miranda om haar schouders voelde. Het voelde aan alsof ze van erg ver moest komen. Ze drukte haar handen tegen haar ogen. Ze was zo verschrik­kelijk moe en deze stemmingswisselingen putten haar helemaal uit.

‘Het geeft niet. Ik heb eigenlijk liever dat mensen er wel naar vragen dan dat ze op hun tenen om me heen gaan lopen. De buren staren me toch al aan alsof ik ze allebei eigenhandig vermoord heb of zo.’ Dat was het nadeel van wonen in deze flat: er was niet heel veel contact tussen de buren onderling dus niemand wist precies van elkaar wat er in hun levens speelde. Daarnaast waren haar buren aan beide zijden van het type gluren-achter-de-vitrage, iets waar ze niet bepaald op zat te wachten. Weer een reden om dit huis zo snel mogelijk van de hand te doen.

‘Het is inderdaad koud, ja. Er staat toch nergens een raam open.’ Laura rammelde aan de sluiting van het raam achter het bureau, maar het zat stevig dicht. Ze draaide aan de knop van de verwarming onder het raam. Het ding begon meteen te tikken. ‘Nou ja, laten we maar verder gaan – het wordt hier zo wel warmer denk ik.’

‘Wat is dit?’ Het klonk wat weifelend. Miranda was inmiddels weer terug­gelopen naar de verzameling dozen die midden in de studeerkamer opgestapeld stonden. Ze hield een stuk papier vast dat zo te zien een haastig geschetste tekening bevatte met veel zwart. Het kwam Laura op het eerste gezicht niet bekend voor.

‘Er staan wat Japanse tekens op gekrabbeld. En ook wat leesbare woorden, al weet ik niet wat ze betekenen. Shinigami? Weet jij wat dat is?’

Laura kwam naar Miranda toe, haar hoofd schuddend. ‘Het is vast onderdeel van de research voor zijn laatste boek. Hij wilde iets doen met Japanse folklore maar ik geloof niet dat er al echt een heel duidelijk idee was. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geen flauw idee heb waar hij precies mee bezig was, ik heb vooral genoten van het land en de cultuur. Hij liet meestal niet zoveel los over nieuwe boeken voordat de puzzelstukjes een beetje op zijn plek vielen. Ik kreeg meestal pas echt inzicht in zijn verhaal als ik begon met de redactie er van. Laat eens zien?’

Maar voor Miranda het papier kon overhandigen greep ze met beide handen haastig naar haar zwangere buik. De tekening zeilde rakelings door de kamer door de beweging en schoof onder de boekenkast. Ze zakte bijna door de knieën, haar elleboog stootte tegen een deurtje van de vitrinekast aan de andere muur. ‘Ohhh,’ kreunde ze. ‘Oh dat doet PIJN!’

Het glazen deurtje draaide langzaam om zijn schar­nieren en een seconde ving het Miranda’s spiegelbeeld. In de weerkaatsing zag Laura de vrouw. Of eerder, de vorm van een vrouw. Er waren niet echt gelaatstrekken te onderscheiden. Het was eerder een vettige, kolkende wolk in de vorm van een vrouw, met ruw, geklit haar dat tot halverwege haar middel viel. Zwarte klauwen met lange nagels strekten zich uit over Miranda’s buik en hielden die in een wurggreep. En knepen. Miranda’s handen lagen er dwars overheen, maar ze scheen dat niet te voelen.

Miranda hapte naar adem. Laura gilde. Het deurtje draaide verder en klapte helemaal open met een muzi­kale tinkel. De klap was hard genoeg om het glas te kunnen breken, maar dat gebeurde niet. Het spiegel­beeld verdween en de echte Miranda stond daar, alleen, in de kamer met haar handen tegen haar buik, haar gezicht vertrokken van de pijn.

Er klonk een kletterend geluid. ‘Mijn vliezen zijn gebroken,’ hijgde Miranda. ‘Oh nee, het is te vroeg!’

Laura staarde wild naar haar vriendin, naar de ruimte, naar het glas in het deurtje. Wat ze zojuist had gezien was verdwenen en ze begon aan haar verstand te twijfelen. De kamer voelde aan als een vrieskelder en ze vroeg zich af of ze haar adem in een klein wolkje voor zich uit zou zien stuiven.

Ze dwong zichzelf in de kamer te blijven in plaats van weg te rennen en greep Miranda bij de schouder. ‘Hoeveel weken ben je nu precies?’

‘Vijfendertig. Dit is niet goed. Je moet Maarten bellen en het zieken­huis.’

 

***

 

Het ouderwetse belletje rinkelde toen Laura de deur openduwde en een zoete, stoffige geur kwam haar tegemoet, zo sterk dat ze er bijna van moest hoesten. Het winkeltje heette Kuzu en ze had het adres uit een van Peters laatste notitieboekjes. Hij was hier blijkbaar eerder geweest, of misschien had hij het plan gehad hierheen te komen. Het stond in ieder geval vermeld onder zijn bronnen. In gedachten ging ze terug naar gisteren, naar de studeerkamer.

Maarten was in alle haast gekomen toen ze hem had gebeld, maar de ambulance was eerder geweest. Laura had niet geweten wat te doen – ze had nog nooit een vroeggeboorte meegemaakt en het leek haar het beste om 112 te bellen. Miranda was vastgesnoerd op een brancard en met gillende sirenes afgevoerd. Laura was bij haar gebleven in de ambulance. Gelukkig had Maarten de tegenwoordigheid van geest gehad om de vluchttas mee te grijpen, al zaten er nog lang niet alle benodigdheden in. Het was voldoende geweest voor deze noodsituatie.

Laura had de rest van de dag pendelend tussen Miranda’s huis en het ziekenhuis doorgebracht. Ze had gezorgd dat er nachtgoed voor Miranda en Maarten aan­wezig was en had toiletspullen en nog extra baby­kleertjes meegenomen. Miranda’s tweede zoontje was binnen vier uur geboren, met de navelstreng om de nek en ze waren erg lang met hem bezig geweest voordat hij zelfstandig begon te ademen. Het jochie lag nu op de NICU en het was niet helemaal duidelijk of hij er iets aan over zou houden. Miranda en Maarten zouden voorlopig nog wel in het ziekenhuis blijven.

Laura was uiteindelijk toch naar huis gegaan, hoewel ze het een afschuwelijke situatie vond. Ze kon verder erg weinig doen en de beide kersverse ouders werden volledig in beslag genomen door het legertje kinder­artsen dat hun jongste zoon in de gaten hield.

Maar wat moest ze verder? Ze zag het niet zitten om alleen in de studeer­kamer rond te hangen, niet met wat zich daar had afgespeeld. Ze vond het ontzettend moeilijk te bepalen of dit nu allemaal in haar hoofd plaatsvond of niet, maar het feit dat Miranda’s pijn en het afschuw­wekkende spiegelbeeld met elkaar samen­vielen, deed haar het ergste vermoeden. En toch wilde een deel van haar geest er niet aan. Dit soort dingen bestond niet, gebeurde niet. De type­machine die uit zichzelf een woord op papier kwakte, het moest een logische verklaring hebben.

En zo stond ze nu hier in het winkeltje. Ze was net lang genoeg in de studeerkamer geweest om het papier met de tekening onder de boekenkast vandaan te vissen en het notitieboekje mee te grissen. Beiden had ze bij zich. Een snel rondje Google had wel wat resul­taten opgeleverd voor het woord ‘Shinigami’ maar ze wilde liever even met iemand praten.

‘Jaja, ik kom, kom er al aan!’

Het was een stem met een zwaar accent en het klonk krakerig en oud. De bijbehorende eigenaresse kwam al snel in zicht en Laura moest een gniffeltje onder­drukken. Als er iemand thuishoorde in dit Japanse snuisterijenwinkeltje, dan was het dit dametje. Ze was zo klein dat ze met de top van haar kruin amper tot Laura’s oksel kwam en ze droeg een kimono die aan de onderkant wat gerafeld was.

De lol verging haar echter snel toen het vrouwtje een priemende vinger tegen Laura’s borst prikte en haar zo’n beetje de winkel uit begon te worstelen. ‘Eruit! Jij weg! Ik wil jou niet hier hebben!’

‘Maar, wacht, ik moet u iets vragen, wacht!’ Laura zette haar voet dwars en haakte haar vingers om de deurpost. Ze keek met verbijstering naar het vrouwtje, of eigenlijk meer naar de zwarte haardos van de vrouw ter hoogte van haar eigen kin. Er liepen behoorlijk wat grijze draden door en ze besefte dat de zoete geur werd veroorzaakt door de haarolie die de vrouw gebruikte.

Het vrouwtje bleef duwen, als een soort koppige mini-stier, maar Laura ging dit niet laten gebeuren. Ze had informatie nodig en ze moest ergens beginnen. En dus duwde ze terug, en het vrouwtje was zo licht dat dat een peulenschil was. Ze draaide de eigenaresse eigenlijk min of meer om haar as en belandde zo binnen in de winkel.

‘Nee! Jij bent niet goed voor mij, jij moet weg!’

‘Maar waarom dan? Ik wil u alleen maar iets vragen, ik bedoel, voor hetzelfde geld was ik een klant!’ Laura begon nu verontwaardigd te worden, ze begreep het niet. Wat was er mis met haar?

Alles. Je hebt nu ook bijna de dood van een kind veroorzaakt. De teller loopt op, doe je goed. Je kind, je man, Miranda’s kind … wat wil je nog meer op je geweten hebben? Je vergiftigt alles en iedereen om je heen, wat doe je hier nou nog? Niemand wil jou.

Ze huiverde. Het gebeurde zo vaak de afgelopen tijd, ze had de neiging om in haar gedachten weg te zakken en de omgeving om haar heen niet meer waar te nemen. Het leek op de depressie die ze had gehad na de dood van Fleur, maar het voelde toch niet helemaal hetzelfde.

Toen ze opkeek, zag ze dat het Japanse vrouwtje om haar heen was gelopen en dieper de schemering van het winkeltje in was gedoken. Alleen haar ogen waren nog duidelijk te zien en ze straalden puur afgrijzen uit. Bij iedere stap die Laura vooruit zette, ging zij er twee achteruit totdat ze zo’n beetje op een holletje het kantoortje aan het einde van het winkeltje inschoot.

Laura twijfelde even wat ze moest doen, maar beende toen veront­waardigd het gangpad door. De vloer trilde onder haar hakken en hier en daar sprongen porse­leinen snuisterijtjes met een zacht getinkel op. Het winkeltje stond stampvol met Japanse prullaria die op het eerste gezicht waardeloos leken. De deur naar het kantoor was groezelig en stond vol handafdrukken. Ze duwde hem open en stond oog in oog met het vrouwtje.

‘Alstublieft,’ zei ze zacht. ‘Ik weet niet waar ik naartoe moet en ik heb hulp nodig. Wilt u niet even naar me luisteren? Ik heet Laura.’

Het vrouwtje aarzelde, liep wat achteruit maar gaf tenslotte toch toe. Met een vermoeid gebaar wees ze op een van de stoelen die om een aftands bureau gegroe­peerd stonden. ‘Zit. Natsuko.’ Haar naam. Ze gaf Laura een kort knikje.

Laura zuchtte en ging voorzichtig zitten. De zitting kraakte onder haar gewicht. Natsuko bekeek haar argwanend en dus stak ze maar van wal.

‘Is mijn man hier geweest? Peter de Graaf? Hij was bezig een boek te schrijven over Japanse folklore en ik heb het adres van uw winkeltje gevonden in een van zijn notitieboeken.’

Natsuko schudde beslist haar hoofd. ‘Nee. Nooit van gehoord, niet hier geweest. Wij nu klaar?’

‘Eh, nee, sorry. Ik ben op zoek naar informatie over – nou ja, kijkt u zelf maar.’ Ze diepte de tekening met de Japanse tekens op uit haar tasje en schoof hem over het bureau naar de vrouw. Die schoot achteruit alsof ze door een horzel gestoken was. Een stroom buitenlandse woorden kaatste door de ruimte – ongetwijfeld verwensingen die ze natuurlijk niet kon verstaan.

‘Shinigami?’ probeerde ze nogmaals. ‘Kent u het? Kunt u me meer vertellen?’

Natsuko klapte haar mond dicht en sloeg haar armen over elkaar. Ze snoof. Het bureau stond tussen hen in en ze leek vastbesloten het zo te houden.

‘Ja,’ zei ze tenslotte. Ze keek nors en ook een beetje bedroefd. Met haar hoofd schuin leek ze net een vogeltje. ‘Jij hebt … jij hebt Shinigami om je heen. Gaat met je mee. Je bent besmet. Het is lelijk en zwart en het wordt steeds groter als jij niet stopt met zielig doen.’

Laura fronste. ‘Zielig doen? Mijn man heeft verdomme net zelfmoord gepleegd! Moet ik dan vrolijk door het leven verder dansen? U weet niet waar u het over heeft.’ Ze stond op en wilde zich omdraaien om de winkel uit te lopen, maar de stem van Natsuko hield haar tegen.

‘Hij heeft zelfmoord gepleegd? Je man? Was plotse­ling?’

Laura hield in. ‘Ja. Hoe weet u dat? Het ging heel goed met ons en toen, ineens… ik begrijp het niet.’ Ze moest moeite doen om niet weer in huilen uit te barsten.

Het kleine vrouwtje sloeg er geen acht op en tikte met haar lange nagels op de tekening die nog steeds tussen hen in op het bureau lag. ‘Hier. Shinigami. Dat is de oorzaak. Hij heeft – hoe zeg je dat? – zijn neus ergens ingestoken, niet slim. In Japan geweest?’

Laura knikte woordeloos. Het gesprek ging een kant op waar ze hele­maal niet naartoe wilde.

‘Hij heeft meegenomen en het heeft hem gegrepen. Nu is het jouw beurt. Zit aan je vast, jij moet vechten!’

Laura wilde om het bureau heen lopen maar Natsuko bewoog met haar mee, het meubelstuk tussen hen in houdend. ‘Nee,’ zei de Japanse vrouw resoluut. ‘Niet dichter in de buurt. Ik heb al genoeg aangeraakt van jou, ik wil niet ook besmet worden. Te veel dingen waar ik schuldig over voel. Shinigami neemt het, pakt het, laat het groeien. En dan jij zo ongelukkig dat jij niet meer wilt leven.’ Ze schudde haar hoofd en schoof nog een stukje opzij.

Laura’s lip was gaan trillen. Ze graaide de tekening van het houten blad en propte het terug in haar tasje. Als dit waar was, dan wist ze niet hoe ze hier ooit uit ging komen. Je niet schuldig voelen? Er was zo ontzettend veel waar ze zich schuldig over voelde en terecht! Ze wreef de tranen driftig uit haar ogen en maakte aanstalten om het kantoor te verlaten.

‘Bedankt.’ Haar stem was schor van de tranen. ‘Ik red me wel.’

Natsuko keek haar meewarig na.

 

***

 

Alles was warrig. Het laatste dat ze zich echt heel helder kon herinneren was dat ze thuisgekomen was van Natsuko’s winkeltje, ontzettend over­stuur, bang om naar huis te gaan maar tegelijkertijd wetend dat het niet uitmaakte waar ze heen ging. Natsuko had heel duidelijk gezegd dat de Shinigami aan haar vast zat, niet aan het huis. Laura had zelfs het gevoel dat het Japanse vrouwtje het verschijnsel had kunnen zien – want wat was anders de reden geweest dat ze haar zonder uitleg de winkel uit had willen zetten?

Ze had ertegen willen vechten. De gordijnen open willen gooien, licht binnenlaten, kaarsen aan willen steken, warme muziek op willen zetten. Het schuldgevoel achter zich laten, wel verdriet hebben, maar er niet aan ten onder gaan. Ze kon zich vaag iets herinneren van proberen naar Miranda te bellen, maar het nummer van het ziekenhuis bleef maar uit haar gedachten glippen en uiteindelijk had ze de telefoon weggelegd met het idee om het later nog eens te proberen.

De eerste kaars die ze probeerde aan te steken, brak. Haar handen verstijfden steeds verder van de kou, hoewel de verwarming aan stond en het best behaag­lijk was in huis. Daardoor brak ze niet alleen de kaars, maar ook iedere keer de lucifers die ze probeerde af te strijken tegen het luciferdoosje. Ze had het opgegeven en vanaf dat moment had ze zichzelf niet meer in de hand gehad.

Het was schemerig in de slaapkamer. Haar handen waren nog steeds ijskoud. Sterker nog, het hele huis voelde koud. Laura staarde voor zich uit, armen slap langs haar zijden. Ze stond midden in de slaapkamer met haar gezicht naar de deur die op de gang uit kwam. Ze wist niet hoe ze hier gekomen was. Het leek of haar lichaam los stond van haar geest, dat haar persoon – alles wat ze was – hulpeloos tegen de tralies van haar schedel bonkte.

Oh Peter, was je maar hier.

Ergens op de achtergrond klonk het geluid van stromend water. Laura had geen idee wat het was, of wie de kraan opengezet had.

Bewegingsloos sloeg ze de slaapkamerdeur gade die langzamerhand open kierde. Het voelde of de tempé­ratuur in de kamer nog enkele graden kelderde, en een donkere, kolkende gedaante vulde de deur­opening. Iets was niet hetzelfde – inmiddels was het geen gezichts­loze gestalte meer. Laura’s eigen gelaats­trekken staarden naar haar terug vanuit die vluchtige, dreigende massa. Rudimentaire lippen trokken zich terug in een vreugdeloze lach.

Laura wilde gillen, krijsen. Het raam openrukken en desnoods van de drie verdiepingen naar beneden springen om maar te ontkomen aan dit ding dat het op haar gemunt had. Maar haar lichaam beantwoordde niet meer aan haar geest. Het was geen angst die haar aan de vloer genageld hield, het was onvermogen. Ze was de controle over haar lijf compleet kwijt.

De kamer werd donker. Waar een vrouwelijke gedaante had gestaan, was nu een zwarte wolk gevormd die steeds groter werd. Wat vluchtige rook had geleken, werd een grijzige substantie die aan de muren kleefde, groeide, met lange tentakel-achtige vingers om zich heen greep. Het bedekte de muren, de ramen, sloot haar in. De stank was groen, vochtig, beschimmeld. Het gezicht kwam naar voren tot het vlak voor Laura’s gezicht in de lucht hing.

Laura’s hart bonsde hard in haar keel op een tempo dat dodelijk leek. Haar geest klauwde in pure paniek aan de gevangenis waar ze in zat, maar ze kreeg geen vat op haar lichaam. Er rolde een traan tussen haar trillende wimpers vandaan. Was dit ook met Peter gebeurd? Had hij ook zulke doodsangsten uitgestaan? De adrenaline raasde door haar lijf maar ze kon er niets mee, behalve naar adem snakken.

Het gezicht kwam nog verder naar voren, totdat hun neuzen elkaar bijna raakten. De substantie van het wezen veranderde subtiel en vervluchtigde als een zwart gas. Met iedere hijgende ademteug zoog Laura de materie naar binnen. Met iedere ademhaling nam het gevoel van onbehagen toe. Het leek of er mieren op de paden van haar brein rondliepen, haar gedachten ver­vaagden en haar eigen ego werd steeds verder naar de achterkant van haar bewustzijn gedrukt. Ze wilde hoesten, het smerige spul naar buiten werken maar de Shinigami stond het niet toe. In een mum van tijd was de volledige entiteit door Laura’s longen opgenomen. Het raasde rond in haar bloed, deed haar hartslag nog verder toenemen en liet haar zowat pulseren op haar voeten. Zoveel opgekropte woede!

Als in een droom draaide Laura’s lichaam zich lang­zaam om. De armen die nog steeds langs haar zijden hingen, bungelden slap. Ze voelde hoe ze een paar slepende stappen naar de badkamer zette en was machte­loos om er iets tegen te doen. Het geluid van stromend water werd luider en Laura besefte dat de kraan boven de badkuip open stond. Ze kon zich totaal niet herinneren dat ze dat gedaan had. Afgrijzen bekroop haar.

Nee! Nee nee nee nee! Laat me los! Jij ongelofelijk kreng, wat heb ik je ooit misdaan, je kent me niet eens, sodemieter op, laat me gaan!

Het hielp helemaal niets. Ze schopte uit alle macht tegen de denk­beeldige muren die haar in bedwang hielden, klauwde met haar nagels langs fictieve wan­den, proberend een weg naar buiten te graven, een uit­weg te vinden uit deze benauwende stilte in het meest diepe van haar geest. De knoppen te vinden waarmee ze zelf de controle weer terug kon krijgen en haar lichaam de baas zou worden. Het haalde niets uit. Ze moest willoos toezien hoe haar eigen handen de klink van de badkamer­deur naar beneden duwden.

De badkamer stond vol stoom. De lucht voelde warm, maar op een of andere manier ook weer niet. De warmte leek van haar ijskoude huid af te glijden, voor haar te wijken en achter haar weer samen te komen. Ze deed niet eens moeite om zich uit te kleden, maar stapte zo, met sokken, ondergoed, spijkerbroek en al in het bad.

Het water was verstikkend warm, nog net niet heet genoeg om haar te branden maar wel zo heet dat het haar de adem benam. Toen de stoom wat optrok zag ze twee scheermesjes op de rand van het bad liggen. De scheermesjes van Peter, die zich graag nat had mogen scheren en die krengen overal liet slingeren zodat zij ze weer in de vuilnisbak kon gooien en nog mocht oppassen ook dat ze zich er niet aan sneed. Waarom herinnerde ze zich dat alles op dit moment? Het deed er totaal niet toe, maar het was een poging van haar geest om zich af te sluiten van hetgeen op het punt stond te gebeuren. De scherpe kanten van de mesjes glansden in het lamplicht en de stoom had minuscule druppeltjes gevormd op het metaal.

‘Hmmmm! Hnnn! Nnnnnh!’

In pure paniek probeerde ze zich schrap te zetten, naar achter te krabbelen over de spekgladde onderkant van het bad, maar ze leek wel verlamd. De spieren stonden als kabels in haar nek, maar er was geen beweging in haar lichaam te krijgen. Er kwam wel geluid over haar lippen, maar het kwam er vervormd en zwak uit. Ze kon niet gillen of zelfs maar woorden vormen. Niemand zou haar hier ooit horen.

Haar hand bewoog zich naar de scheermesjes en greep er een. De bewegingen waren wat traag en onge­coör­dineerd, waardoor ze in de scherpe kant greep en er onmiddellijk bloeddruppels opwelden uit de sneden die nu dwars over haar vingertoppen liepen. Ze vielen in het water en vielen daar uiteen in wolkende roze draden.

‘Uhhhn! Hnnnn! Nnnnnnnn!’

Ze hijgde, snakte naar adem. De stoom sloeg op haar keel en ze begon ongecontroleerd te hoesten. De hand met daarin het scheermesje kwam onverbiddelijk dichterbij, ging richting haar andere arm en pols die op de tegenoverliggende rand van het bad lagen. Ze volgde de beweging met haar ogen, het ging tergend traag.

Het lemmet schraapte over de huid van haar pols, niet hard genoeg om bloed naar boven te brengen, maar wel hard genoeg om pijn te doen. Opnieuw. Een kras. Opnieuw. Een ondiepe snee, die venijnig stak. Het bloed begon langs haar pols naar beneden te druipen en liep van daar over het witte porselein zo naar beneden de badkuip in. Ze kon het ruiken, een zware metaalachtige geur die haar misselijk maakte.

Het lemmet kwam opnieuw naar beneden. Voor het laatst. En stopte halverwege de beweging.

Een nieuwe warmte vulde de badkamer. En ditmaal kon ze hem wel voelen. De stoom balde zich samen tot een nieuw silhouet, met ondui­delijke omtrekken, alsof het al heel veel moeite kostte om deze vorm vast te houden. Er klonk een oorverdovend gezoem in haar oren, alsof er zich duizenden bijen tegelijkertijd in haar hoofd ophielden. Het klonk woedend, maar ergens ook verbijsterd.

Laura’s mond opende zich en ze krijste in een stem die totaal niet de hare was, maar lager en ruwer en op een of andere manier afschuwelijk smerig smakend. ‘Nee! Jij kunt hier niet zijn!’

Oh Laura …

Ze voelde hem in haar hoofd, een weldadige rust­gevende warmte die haar in één klap kalmeerde.

De vage gestalte in de stoom werd tastbaarder. De omtrekken werden duidelijker, er kwam zelfs wat kleur in de vorm en Peters gezicht kwam naar voren uit de stoom. Hij had overduidelijk geen lichaam van vlees en bloed, maar hij was daar. Reëel. Ze twijfelde er geen seconde aan.

Die zekerheid maakte dat ze iets van de angst en het verdriet kon wegduwen. Haar armen voelden als lood, maar ze hief ze op en strekte ze uit naar haar over­leden man. Hij greep een van haar handen, met een warme, tastbare grip. Samen maakten ze een vuist, en duwden de kwalijke entiteit resoluut uit Laura’s lichaam.

 

***

 

Laura kwam met een enorme klap terug in het heden en in haar lichaam. Het water verschroeide haar en haar pols deed afschuwelijk pijn, maar wat was het goed om haar lichaam weer te voelen. Ze moest zich schrap zetten om niet onmiddellijk onderuit te zakken in het water. Boven haar hoofd woedde een krank­zinnige strijd.

De badkamer kolkte. Flarden stoom en zwarte rook vochten om ruimte in een krankzinnige derwisj die voort en voort tolde. Onhoorbare verwensingen wer­velden om haar heen als windvlagen, dan weer warm, dan weer koud. De spiegel brak in een regen van glassplinters en ze sloeg haar armen wild voor haar gezicht. De flintertjes kwamen met zo’n kracht tegen haar aangesprongen dat sommigen ervan zich in haar huid boorden en daar bleven hangen. Nieuwe stroom­pjes bloed vermengden zich met de oude. Ze moest hier zo snel mogelijk weg.

De mengeling van zwart en wit knalde tegen het badkamerkastje aan en deed dat op zijn poten wanke­len. Laura zag haar kans schoon en klauterde zo snel ze kon uit de badkuip, haar pijnlijke pols negerend. De bloeddruppels vlogen in het rond en ze gleed bijna uit door haar natte sokken op de badkamervloer. Half kruipend, half glijdend bereikte ze de deur aan de andere kant, die naar de studeerkamer. Die duwde ze open en met moeite hees ze zich over de drempel, verder de studeerkamer in. Toen ze het gevoel had dat ze ver genoeg van de badkamer verwijderd was, draaide ze zich om.

Donker-licht-donker-licht – ze hoorde half gesmoorde kreten en het leek of beide entiteiten groeiden in kracht door het furieuze gevecht waarin ze verwikkeld waren.

Peter schreeuwde, en ze hoorde duidelijk angst en pijn in zijn stem.

‘Nee! Mij moet je hebben! Laat hem met rust!’ Een verschrikkelijke woede kwam naar boven, een gevoel dat ze allang niet meer had gehad. Alles was ver­drongen geweest door verdriet en pijn. ‘Hey! Bitch! Hierzo!’ De tekening van de Shinigami lag op Peters bureau en ze pakte het ding op en wapperde er mee. ‘Weet je wat ik van je denk? DIT!’ Ze scheurde de tekening woest doormidden, verkreukte het papier en maakte er snippers van die ze de lucht in smeet.

De zwarte entiteit maakte zich met een grauw los van Peters gedaante en kwam met een afschrik­wekkende snelheid op Laura af. Precies zoals ze het zich al eerder in haar gedachten verbeeld had. Ze gilde, wierp zich op de vloer in een poging om te ontkomen aan de zwarte klauwen die naar haar uitgestrekt werden. Haar rug werd ijskoud en ze wist dat het monster zich vlak boven haar bevond.

Peter mengde zich opnieuw in het gevecht en nu was het de studeer­kamer die het moest ontgelden. De dozen papier in het midden van de kamer, die daar nog stonden om uitgezocht te worden, ontploften in een wirwar van papier. Het leek wel of er een confetti-kanon werd afge­schoten. Lijsten met foto’s van plaatsen waar ze samen waren geweest vlogen van de muren en sloegen in een chaos van glas en hout tegen de vloer. De typemachine begon als een razende te typen, vrat het papier op dat nog op de rol zat, draaide om zijn as en spuugde tenslotte de schrijfrol uit als een rotte kies die was losgeraakt. Het ding knalde met een laatste harde ping! tegen de muur en bleef daar halverwege een gipsplaat hangen.

Boven haar ging de draaikolk onverminderd voort. Laura maakte zich zo klein mogelijk op het tapijt dat voor het bureau lag en sloeg haar armen over haar hoofd. Om haar heen regende het glas en houtsnippers. Het bureau kwam van zijn poten af en schoot achteruit tot het met een knal tegen de verwarming onder het raam tot stilstand kwam. Het meubelstuk zakte met een zucht ineen, alles op het blad met zich mee­nemend.

De lucht leek te knetteren van de energie en toen Laura een blik omhoog wierp, zag ze de vonken daad­werkelijk van de beide entiteiten afspringen. Ze sloot haar ogen, voelde in gedachten naar Peter en vond hem onmiddellijk. Hij was de warmtebron in de kamer waar de Shinigami de vrieskou was. Tot nu toe leken ze gebalanceerd, maar ze voelde de wanhoop. Zijn stem drong tot haar door, kalm in het centrum van de storm.

Ze is zo oud, Lau! En er zit zoveel kracht en venijn en woede in haar. Ik weet niet of ik dit alleen kan …

Hij reikte naar haar, zoals hij eerder had gedaan toen de Shinigami haar overweldigd had in de badkamer. De warmte stroomde in haar lichaam. Ze verwelkomde hem, liet alle liefde die ze voor hem had naar boven komen, in hem stromen, alles wat ze achter die muur van schuld en blaam had weggestopt. Het was een eruptie van gevoel. De schuld­gevoelens werden weg­gevaagd, samen met haar angst en verdriet. Al wat over bleef was liefde. En het maakte hem zoveel sterker.

Met de seconde werd ze zich meer bewust van de staat van haar eigen lichaam. Ze was druipend nat, koud, vermoeid, en de wond op haar pols bleef maar bloeden. Laura voelde zich licht in haar hoofd, maar ze wist dat ze nu niet op kon geven. Als ze Peter nu niet hielp, dan overleefde ze het waarschijnlijk niet. En wat er met Peter zou gebeuren, wilde ze al helemaal niet weten. Dus zette ze zich schrap en hield vol.

De duisternis in de kamer nam wat af. Laura gluurde nogmaals omhoog en zag dat de waanzinnige turbu­lentie wat tot rust kwam – het zwart werd minder diep.

Peters wezen breidde zich uit, strekte zich uit over de duisternis en ging deze tegen. Hij was van stoom overgegaan in witte rook en leek een totale tegenpool van de Shinigami.

Het wezen krijste van woede maar het klonk een stuk minder krachtig en zeker dan daarvoor.

Kom op ouwe tang, je hebt er nu wel genoeg van toch? Ga lekker terug naar waar je vandaan kwam en laat mijn vrouw met rust!

Ondanks zijn woedende woorden ging er zoveel rust van Peter uit. De verdrietige depressieve echtgenoot die treurde om zijn gestorven dochter was verdwenen. In plaats daarvan kwam een sterke, zelf­verze­kerde man terug. Langzamerhand nam Peter de Shinigami compleet over. Hij groeide in omvang terwijl de Japanse geest afnam, totdat er nog maar een klein rookpluimpje over was. Dat spatte uiteen in zwarte stofdeeltjes die flakkerden en doofden.

In de plotselinge stilte richtte Laura zich op en zag dat Peter tegenover haar zat. Hij leek van glas, niet helemaal geënt in deze realiteit. Ze kon de vitrinekast door hem heen zien. Langzaam stak ze een hand naar hem uit, raakte zijn gezicht aan. Hij was wel tastbaar, maar dan ook maar net. Hij voelde warm. ‘Het spijt me zo,’ fluisterde hij.

‘Ik mis je zo,’ fluisterde Laura.

Hij omhelsde haar en opnieuw stroomde die zalig­makende warmte door haar heen. De tranen liepen over haar wangen. ‘We konden er niets aan doen lief, het overkwam ons. Het was niet jouw schuld en ook niet de mijne,’ snikte ze. Ze voelde hem knikken, zijn wang tegen de hare.

‘Ik kan dit niet lang volhouden, het kost enorm veel energie. Ik wil niet weg, Lau, maar ik moet.’

In een reflex kneep ze haar armen nog vaster om hem heen, maar het was alsof hij als zand door haar handen glipte. Zijn gestalte vervaagde, de warmte vervaagde, maar de liefde bleef.

 

Ik houd van je.

Ik ook van jou.

Blijf je bij me?

Altijd.

 

Er stond een gedaante aan het voeteneind van haar bed. Laura glim­lachte en draaide zich weer om.

Categories