web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Zielenroerselen : Tom Schoonbaert

Zielenroerselen

Tom Schoonbaert

 

Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.

‘Samuel?’

Hij knipperde met zijn ogen. De graanvelden en het meisje – Machteld! – verdwenen, in hun plaats kwam een oudere man die hem geduldig aankeek. Het gezicht van de man kwam hem bekend voor. Een oudere versie van iemand die hij kende, maar een naam kwam niet.

‘Ik heet Gaetan,’ zei de man. Hij stak zijn hand uit.

Samuel probeerde zich koortsachtig meer te herinneren over de man die voor hem stond. Ze waren vrienden, dat wist hij, voor de rest kwam er niets. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Mijn geest heeft zich nog niet volledig aangepast aan de wedergeboorte.’

‘Dat geeft niets,’ antwoordde Gaetan. ‘Ik leid je wel naar je huis.’

Ze liepen in stilte de hoofdstraat door. Samuel her­kende de gebouwen om zich heen, de meeste mensen die ze passeerden, al bleven namen en gebeur­te­nissen net buiten zijn bereik. De mensen begroetten Gaetan hartelijk. Ze bleven echter afstandelijk tegen­over Samuel. Vriendelijk, dat wel, maar niet meer dan dat. Hij herkende het als een standaard­reactie tegen vreemdelingen, een houding die bijna overal ter hele wereld terug te vinden was. Niet te nieuwsgierig zijn, zeker niet als iemand pas zijn ziel terug had. Dat zorgde alleen maar voor spanningen.

‘Ik zie dat je je toch al dingen herinnert.’ Gaetan grinnikte.

Samuel keek op en zag dat hij zonder na te denken een zijstraat was ingeslagen. Zijn onderbewustzijn stuurde zijn lichaam naar de plek waar hij zo lang gewoond had. De smalle straat was geplaveid met kinder­kopjes en kronkelde voorbij oude arbeiders­huizen. Het was er stil. Zelfs voor een dorp waar nauwelijks auto’s reden, dat zo ver van enige industrie lag, was het er echt stil. De sfeer en rust bevielen Samuel wel. Het was er tijdloos. Bijna zoals toen hij haar voor het eerst ontmoette.

‘Het verbaasde me dat je zo snel al terugkwam,’ zei Gaetan. ‘Je bent nog maar achttien jaar. De meeste mensen wachten tot ze hun herinneringen geheel onder controle hebben voor ze beslissen wat ze gaan doen.’

‘Wachten had weinig zin,’ zei Samuel. ‘Hier moet ik zijn, nergens anders.’ Hij zag dat de oude man wilde antwoorden, maar zijn woorden inslikte.

‘Wat is dit?’ vroeg Samuel. Ze bleven staan bij een witte gevel. In het midden van de gevel had iemand schijnbaar willekeurig kleuren aange­bracht. Het geheel leek Samuel een weergave van een storm te zijn, gezien door de ogen van iemand die high was.

‘Dit heb je natuurlijk nog niet gezien,’ zei Gaetan lachend. ‘Tien jaar geleden heeft een kunstenaar het bestuur overtuigd om iets moderns te doen. Je kunt op tien plaatsen dergelijke meesterwerkjes vinden. Nie­mand is er gelukkig mee, maar het heeft zoveel geld gekost dat het be­stuur er niet overheen durft te schilderen.’ Hij liep dichter naar de gevel. ‘Dit werk is nog een van zijn betere. En natuurlijk heeft de kunste­naar geen van zijn werken een naam gegeven.’ Hij stak zijn borst vooruit, hief zijn hand in een dramatische pose en proclameerde: ‘Het is aan de toe­­schouwer om zelf te bepalen wat hij ziet. Een kunste­naar mag hierin geen beperkingen opleggen.’ Nu lachte hij tot hij tranen in zijn ogen kreeg.

Samuel kon niet anders dan meelachen. Ze waren echt vrienden, dat wist hij nu zeker. En dat had meer kunnen zijn, dat herinnerde hij zich ook. Zijn belofte had altijd een barrière gevormd, had voorkomen dat hij zich voor iemand anders open durfde te stellen. Hij ervoer een vaag gevoel van spijt. Toen ze verder liepen, keek Samuel om naar het kunst­werk. Het irriteerde hem meer dan hij zou durven toegeven. Dit was zijn straat, nu bezoedeld door die troep. De sfeer was niet meer hetzelfde, de rust voor altijd verbroken.

 

‘Het heeft heel wat moeite gekost om dit huis vrij te houden, zelfs na het voorlezen van je testament.’ Gaetan overhandigde Samuel een sleutelbos.

Ze stonden in de gang van een arbeidershuis. Om hen heen waren sporen te zien van zijn vorig leven; por­tretten aan de muur, oude meubelen die ze door de openstaande deuren zagen staan. Het huis gaf Samuel het gevoel dat hij in een vertrouwd paar schoenen stapte, klaar om verder te gaan. De herinneringen aan zijn leven in dit huis stroomden door zijn geest. De lange avonden die hij lezend in de fauteuil bij de open haard had doorgebracht. Het schrijven van brieven aan een persoon die hij al in meer dan tweehonderd jaar niet gezien had, alleen om ze onmiddellijk weer te verscheuren. Altijd alleen. Nee, dat klopte niet. Hij merkte dat het kunstwerk op nog geen honderd meter van zijn huis nog altijd zijn humeur beïnvloedde. Hij had hier vrienden. Mensen die kwamen eten, plezier maakten. Gesprekken over de mooiste plek waar ze ooit geboren werden. Hij was hier gelukkig geweest, dat moest hij onthouden.

Samuel liet de rugzak op de grond vallen en liep de woonkamer binnen. Met zijn hand streelde hij het eikenhout van de tafel. Honderd jaar geleden, twee levens ondertussen, had hij deze zelf gemaakt met hout van een pas gerooid bos uit een naburig dorp. Hij herinnerde zich de uren werk, maar voelde de afstand tot die ervaring die de tijd met zich meebracht.

‘Niet iedereen toonde evenveel begrip,’ zei Gaetan. ‘Ik kon hun bezwaren wel snappen.’

Samuel keek de oude man vragend aan, al wist hij wat er nu ging volgen.

‘Het gebeurt niet veel,’ begon Gaetan, ‘dat iemand zo gedreven is om terug te keren naar een vorig leven.’ Hij kwam dichter bij Samuel staan, legde zijn hand naast de hand van de jonge man. ‘Voor sommigen is het niet de natuurlijke manier van leven.’ Hij stak snel zijn hand op, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor de woorden die hij net zei. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat niet. En uiteindelijk hebben ze toch ook hun toestemming gegeven.’ Met een scheve grijns op zijn gezicht voegde hij eraan toe: ‘Veel keuze heb ik ze nu ook niet gegeven. Als stadsverant­woordelijke kan ik, als het echt moet, op mijn strepen staan.’

Samuel lachte, liep op Gaetan af en omhelsde hem. Hij voelde de spanning bij de oude man langzaam verdwijnen. Toen hij hem losliet, gaf hij hem een kus op zijn wang. ‘Bedankt, oude vriend.’

‘Wie noem je hier oud?’ lachte Gaetan.

Samuel zag de rode wangen van de oude man, wist dat de gespeelde verontwaardiging diende om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Ik heb hier ergens wel een spiegel liggen als je jezelf eens goed wilt bekijken.’

‘Jij bent hier de veertiger,’ zei Gaetan.

Een veertiger? Had hij al zoveel levens gehad? Het was niet gemakkelijk om zich het precieze aantal te herinneren, alles leek samen te vloeien na een tijdje. Hij draaide zich bruusk om en liep naar de keuken. ‘Wil je iets te drinken? Ik weet niet wat er staat, of zelfs of ik iets in huis heb om eerlijk te zijn.’

‘Ik heb de koelkast voor je gevuld,’ zei Gaetan. ‘Het huis hebben we goed onderhouden, dat was het minste dat we konden doen.’

Samuel opende de koelkast en haalde er twee biertjes uit. Niet dat hij zin had in alcohol. Op dit moment wilde hij liever alleen zijn. Het huis opnieuw verkennen, zich meer herinneren.

‘Voor mij niets, dank je,’ zei Gaetan. ‘Ik ga je rustig laten acclima­tiseren. Rust vandaag maar uit, morgen zet ik je weer aan het werk!’

‘Zeker weten?’ Samuel stelde de vraag uit beleefdheid en wist dat Gaetan dit besefte. Het verraste hem dan ook niet dat de man het aanbod nog eens afwees. Ze liepen naar de voordeur waar Samuel een paar woorden van dank mompelde.

Gaetan verliet het huis, begon weg te lopen, maar draaide zich toen om. ‘Ik ben heel blij je weer te zien, Samuel.’ Hij aarzelde en zei: ‘Ben je zeker dat dit goed voor je is? Je wacht al zo lang op haar, wat is de kans dat ze na al die tijd nog komt?’

‘Ik moet het proberen,’ antwoordde Samuel.

 

Door het raam in de keuken zag Samuel de goed onderhouden tuin waar twee appelbomen, gebogen als grijsaards, hun last droegen. Het was het goede seizoen wist hij, dus liep hij de tuin in en plukte een glinsterende groene appel. Gretig beet hij in het harde vlees van de vrucht, bijna even snel spuugde hij de hap weer uit. Met een lach smeet hij de rest van de appel in het gras. De geest herinnerde zich de lekkere smaak, het lichaam had meer moeite met zijn eerste kennismaking. Hij was in dit leven opgegroeid met de zoete smaak van mango’s en bananen, niet echt te vergelijken met de zure smaak van de appel. Dat kwam nog wel, de kans dat hij hier tropische vruchten te pakken kreeg, was klein dus veel keuze had hij niet. Milieu en economische noodzaak waren in een eeuwig gevecht verwikkeld. Op dit moment lag de nadruk op milieu: geen onnodig transport. Als het niet gekweekt kan worden in de plaats waar je woonde, moet je het maar niet eten.

Zijn oog viel op een houten hok achter in de tuin. Hij liep naar het tuinhuis, opende de deur en herkende meteen zijn oude werkplaats.

Op de tafel, omringd door werktuigen, stond een onafgewerkt beeld. Hij wist wat er nog moest gebeuren voor het af was, zag het voor zich. Hij ging zitten, pakte zijn kerfmes en wilde de laatste inkerving die hij gemaakt had verder zetten toen hij twijfelde. Net als bij de appel wist hij wel hoe het moest, maar zijn lichaam moest nog getraind worden. Het zou jammer zijn dat het allerlaatste werk dat hij in zijn vorig leven begon­nen was hierdoor zou beschadigd worden. Wachten, dat was het beste, ervaring opdoen. Hij legde het mes weer neer. Bij het opstaan stootte hij met zijn voet tegen een doos. Nieuwsgierig greep hij ernaar en zette hem op tafel.

Een puzzeldoos. Dat moest het zijn, ongelooflijk gede­tailleerd afge­werkt. Wie had deze gemaakt en waarom kon hij zich niet herinneren dat hij hier stond? Zijn vingers volgden de fijne lijnen, krullen die samen­smolten en weer uiteen gleden in een patroon dat hij vaag herkende. Hij probeerde de doos te openen, maar het lukte niet. Een doos zoals deze kon maar op één bepaalde manier geopend worden, niet eenvoudig om dat zelf uit te zoeken. Hij liet zijn vingers opnieuw over de krullen glijden. Was dat een zon aan de bovenkant?

Samuel voelde zich misselijk worden. In de verte hoorde hij gehuil. Een baby? Zijn hand begon te trillen, hij trok hem terug. Het gehuil zwol aan, maar net voor hij zijn oren wilde bedekken om het geluid te dempen, verdween het.

Nu pas merkte Samuel hoe donker het hier binnen was, hoe muf de lucht rook. Het was hier ook veel te koud naar zijn zin, al was het middag en scheen de zon fel. Hij legde de doos weer onder de tafel en liep naar zijn huis. De rest van de dag bleef hij weg uit de tuin, al waren de krullen van de doos altijd in zijn gedachten. Het was een zon, dat wist hij. Hij kon zich alleen maar niet herinneren hoe hij dat wist. En dat stoorde hem.

 

Zwaai, stap. Negeer de pijn in je rug, de kramp in je benen. Zwaai, stap. Zoek het ritme en stop met zo wild te zwaaien. Samuel hoorde iemand roepen. Hij weigerde op te kijken en bleef geconcentreerd naar het graan voor zich staren dat met elke beweging van zijn zeis op de grond viel. Hoe lang was hij nu al bezig? Dit veld leek eindeloos te zijn. Het zweet stroomde over zijn gezicht, elke spier in zijn lichaam smeekte om een pauze. Pas toen hij zijn naam hoorde, stopte hij. Met trillende handen legde hij de zeis naast zich neer en ging er naast zitten. Gaetan kwam over de lege stroken op het veld op hem af gelopen, een fles in zijn handen. Samuel kon de energie niet opbrengen om te zwaaien. Hij zag de andere mannen, die hun deel van het veld al lang gemaaid hadden, bij de tractor staan wachten. Hij kende een paar van de mannen, de meesten waren nieuwelingen. Net als hij, toch een beetje.

‘Dat valt tegen,’ zei Gaetan.

Samuel gromde een vloek en greep naar het water. Hij dronk de fles halfleeg en goot de rest over zijn hoofd. Met een zucht van opluchting liet hij zich achterover vallen. ‘Ik vind het ritme niet,’ zei hij. Achter hem zag hij een groep kinderen de graan­halmen bijeen rapen en samenbinden. Ze plaatsten de bundels in groepjes op het veld, klaar om ze later te verzamelen.

‘Je hebt het niet zo onaardig gedaan,’ zei Gaetan. Hij stak zijn hand uit en hielp Samuel met het opstaan. ‘Met een beetje meer oefening komt het wel goed.’

Samuel pakte de zeis. Hij kromp ineen door de pijnscheuten in zijn pols.

‘Ik maak het wel af,’ zei Gaetan. ‘Ga jij maar rusten.’

Samuel stak zijn hand op. ‘Hoeft niet,’ zei hij. ‘Ik ben er bijna.’ Hij schatte dat de rest van het graan binnen een half uur wel tegen de grond zou liggen. Nadat de oude man, met zijn vertrouwde grijns op het gezicht, weer weg liep, hief Samuel de zeis op. Een half uur? Misschien gaat het toch wel ietsje langer duren. Nu opgeven kon niet. Daar zou Gaetan hem te lang mee uitlachen. Zwaai en stap. Hij voelde zijn geest tot rust komen, leek nu over het veld te glijden zonder enige inspanning. Toen hij klaar was, stond Gaetan klaar om de zeis over te nemen. Zonder protest liet Samuel het werktuig uit zijn handen glippen.

‘Mooi werk,’ zei Gaetan. ‘Er staat een beloning af te koelen in de vijver.’

Samuel liep langs de mannen naast de tractor. Zijn plan om snel weg te gaan, zonder ze een kans te geven een opmerking te maken, werd verstoord door een spontaan applaus. Hij verstarde, maar zag toen de pret in hun ogen. Begeleid door een sierlijke beweging van zijn armen, boog hij diep. Dat leverde hem hartelijk gelach op. Met een laatste zwaai liep hij van het veld en verder op de zandweg die naar de vijver leidde.

 

Na veel zoeken vond Samuel aan de oever van de vijver een paaltje waar een touw aan hing dat in het water verdween. Hij viste de linnen tas uit het water en haalde er twee flesjes bier uit. De tas liet hij weer in het water zakken om de overige flessen niet warm te laten worden.

‘Je hebt ze gevonden!’

Samuel keek op en zag Gaetan. Hij opende de flesjes en gaf er een aan de oude man. ‘Het heeft even geduurd, maar toen herinnerde ik me weer waar we hier altijd afspraken.’

Ze gingen op de grond zitten. Samuel nam een grote slok om de eerste dorst weg te spoelen. Daarna beperkte hij zich tot slokjes, genietend van de smaak. Beide mannen bleven stil. Niet ongebruikelijk, zeker niet hier. Het rimpelende water, de groene bosjes die de vijver omringden, alles nodigde uit tot genieten in stilte.

‘Hoe gaat dat gedicht van je ook alweer?’ vroeg Samuel uiteindelijk.

‘Welk bedoel je?’

‘Dat weet je goed genoeg,’ zei Samuel. ‘Je hebt het lang geleden hier geschreven.’

Gaetan leegde zijn fles en stond op. Met zijn hoofd lichtjes gebogen en gesloten ogen sprak hij op een zachte, plechtige toon.

 

‘Vurig bloeiende twijgen,

zwijgend wiegend als

wachters

bij de vijver.

De wind rimpelt het water

op de hartslag van

het bestaan.

Zacht roept de

groenling zijn geliefde.

Warme zomerluchten

strelen mijn huid

en wekken in mij wat

nog worden zal.’

 

‘Bedankt,’ zei Samuel. Hij ging terug naar het water en viste twee nieuwe flesjes op.

‘Morgen komen de maaidorsers om de andere velden te bewerken,’ zei Gaetan.

‘Oh ja? We hebben nog maar een veld gedaan. Normaal doen we er toch een stuk of vijf?’

‘Weet ik.’ Gaetan nam een slok, bleef nog even stil en zei toen: ‘De laatste jaren is er minder interesse in de oude manier. Met alle nieuwe technologieën is het niet zo belastend meer voor het milieu. Voor de bestuursleden is het niet praktisch genoeg en steeds meer mensen geven ze gelijk.’ Hij hief zijn fles naar de hemel. ‘We moeten het verleden laten rusten, zeggen ze. Leven in het heden en altijd met onze blik op de toekomst gericht!’ Zijn arm verstijfde en met rode wangen vermeed hij de blik van Samuel.

Samuel zei niets. Wat kon hij zeggen? Het bestuur en de mensen hadden gelijk. Dat besefte hij maar al te goed. En toch … Misschien kwam ze deze keer wel. Misschien klopte er morgen iemand op zijn deur met een glans in de ogen die hij nog maar bij één persoon gezien had.

Dagdromer, daar wacht je al tweehonderd jaar op!

De stem in zijn hoofd klonk rationeel. Het was dezelfde stem die hij net voor het slapen ook hoorde. De stem die hem aanraadde om het op te geven. Hij bedwong de neiging om zijn fles in het water te gooien.

De twee mannen schrokken uit hun stilte op door het gejoel en gelach van een groep kinderen die in de vijver sprongen. Samuel herkende ze als dezelfde die met het maaien meegeholpen hadden. Uitgelaten zwommen ze naar het midden waar twee jongens onder water doken. Twee meisjes gilden toen ze ook onder water getrokken werden.

‘Die heerlijke fase waarin ze de eerste herinneringen al terugkrijgen, maar toch ook nog kind kunnen blijven,’ zei Gaetan mijmerend.

Samuel knikte en zag toen een klein groepje dat zich afzonderde van de rest. ‘Dat zijn de eerstelingen?’

Gaetan volgde de vinger van Samuel. ‘Inderdaad. Hoe meer de anderen zich herinneren, hoe moeilijker zij het hebben om nog een band met hen te voelen. Het gebruikelijke probleem. Jammer, ze waren allemaal behoorlijk hecht, al kunnen ze nog goed met elkaar overweg.’

Samuel keek naar een jongen uit het kleine groepje, die belaagd werd door de twee onderwaterzwemmers. De rest van de groep vond het best grappig, maar de jongen overduidelijk niet. Met een paar goedgerichte schoppen brak hij los uit hun greep en hij snelde naar de oever, de boze blikken en geroep achter zich latend.

‘Ik merk het,’ zei Samuel.

‘Dat is Erwin, je zult hem snel genoeg leren kennen,’ zei Gaetan. ‘Heel de groep zit in je klas. Hij lijkt het moeilijkste te kunnen omgaan met de wedergeboorte van de anderen.’

‘Ik kijk ernaar uit.’ Samuel luisterde niet meer naar wat Gaetan nog zei. In het water zag hij de rimpels, die door de bewegingen van de kinderen veroorzaakt werden, naar hem toekomen. Ze vloeiden samen en dreven weer uiteen. Net als de krullen op de puzzel­doos.

 

‘Waarom moeten we dit eigenlijk nog leren?’ Bij het horen van de instemmende geluiden van zijn mede­leerlingen, kruiste Aaron zijn armen voor zijn borst en leunde hij met een uitdagende glimlach op de werkbank.

‘Ik ken wel een paar redenen,’ antwoordde Samuel. Hij liep naar de werktafel van de jongen en pakte het onafgewerkte houten beeldje op. Hij draaide het om in zijn handen om het te bestuderen en zette het terug op de tafel. ‘Kijk naar de inkervingen die het gezicht gevormd hebben.’ Hij wreef liefdevol over het hout. ‘Je hebt het heel slordig gedaan, gehaast.’

‘Wat maakt dat uit?’ vroeg het meisje dat aan een aangrenzende tafel zat. ‘Er zijn machines genoeg die dit mooier en sneller kunnen.’

Samuel knikte. ‘Natuurlijk, maar dat betekent niet dat we zelf niets meer moeten kunnen.’

‘Dit is tijdverspilling,’ zei de jongen. ‘Binnen een paar jaar herinneren we ons precies hoe het allemaal moet, de meesten onder ons toch.’ Hij keek ostentatief naar een tafel in de hoek van het leslokaal, waar Erwin zich focuste op het beeldje dat voor hem stond. Het leek er niet op dat hij luisterde, toch kon Samuel zien dat de jongen krampachtig slikte en zijn kaken opeenklemde.

‘Jij misschien wel, Aaron,’ zei Samuel, ‘maar degenen die dit nog nooit geleerd hebben? En trouwens, herin­neren is niet hetzelfde als het ook kunnen doen.’

De bel maakte een einde aan de discussie. Het antwoord dat Aaron wilde geven, verdween in het gejoel van zijn klasgenoten die het einde van de week met plezier tegemoet zagen. De kinderen liepen naar buiten, na een haastig afscheid aan hun leraar.

Samuel was blij met de onderbreking. Na drie maanden lesgeven aan de klas wist hij dat hun discus­sies altijd eindigden in ruzie. Hij begon de tafels af te ruimen.

‘Kan ik u helpen?’ Een meisje stond in de deur­opening.

Samuel glimlachte naar haar. ‘Hoeft niet, Ilse. Ga maar naar huis.’

Ze knikte, toch bleef ze staan. Net toen Samuel wilde vragen of er iets was, zei ze snel: ‘Komt u ook naar de ceremonie?’ Haar wangen werden rood en ze wreef door haar haar. ‘Ik denk dat iedereen dat wel leuk zou vinden.’

Het duurde even voor Samuel begreep wat ze vroeg. De ceremonie van de wedergeboorte, natuurlijk. Het was het ritueel van volwassenheid dat plaatsvond in het jaar dat een kind twaalf jaar werd, wanneer de herinne­ringen van hun vorige levens echt terug begonnen te komen. ‘Zeker weten,’ antwoordde hij. ‘Dat wil ik niet missen.’

Ilse knikte opnieuw en liep weg.

Samuel grinnikte toen hij gegiechel in de gang hoorde. Hoofd­schud­dend ruimde hij het klaslokaal verder op. De houten creaties van zijn studenten deed hij zonder erbij na te denken in een doos. Zijn hand verstarde boven een beeldje dat op de tafel in de hoek van de klas stond. De tafel waar Erwin gewerkt had. De jongen was al een tijdje bezig met dit werk en nu leek het af te zijn. Dat was niet zo vreemd, ze waren al zes weken met dit project bezig. Toch was er iets speciaals aan. Hij pakte het voorzichtig op en bestudeerde de groeven die in het hout aangebracht waren. Op het eerste gezicht leek alles chaotisch te zijn, maar er was wel degelijk orde terug te vinden, een patroon dat alles met elkaar verbond. Hij voelde de gladheid van het hout, dat tot in de diepe groeven terug te vinden was. De detaillering en afwerking waren van een hoog niveau. Samuel wist niet zeker of hij dit zo gemakkelijk na zou kunnen doen, niet met de gebrekkige middelen waarmee Erwin dit gemaakt had.

Hij had dit eerder gezien, besefte hij opeens. De herinnering bleef net buiten zijn bereik, gaf alleen vage aanwijzingen over wat hij destijds gezien had. Het was lang geleden, in een van zijn eerste levens. Een ten­toonstelling van werk dat toen al oud was. Hetzelfde patroon, of toch bijna. En nu gemaakt door iemand die pas aan zijn eerste leven begonnen was.

Snel verliet Samuel het klaslokaal, het beeldje van Erwin nog in zijn handen. Hij liep naar het raam in de brede gang, dat een uitzicht bood over de speelplaats. Een grote groep kinderen had zich verzameld om op hun ouders te wachten of om snel nog een spel te spelen voor ze naar huis gingen. Hij kon in de kluwen van kinderen de blonde jongen niet meteen terug­vinden.

Zijn blik werd getrokken door een eenzame figuur aan de rand van de speelplaats. Samuel herkende Erwin, al kon hij zijn gezicht niet zien. De jongen stond met gebogen hoofd en leek zich af te sluiten van de wereld van gelach en spelende kinderen om hem heen. Hij straalde een verdriet uit die het hart van Samuel beroerde.

Toen een bal tot voor zijn voeten rolde, keek Erwin op. Zes jongens bleven op een afstandje staan, alsof ze niet dichterbij durfden te komen. Samuel zag dat Aaron uit het groepje jongens stapte en iets riep. Erwin leek eerst niet te reageren, vervolgens pakte hij de bal en smeet deze de straat op. Aaron reageerde zoals een twaalfjarige jongen meestal doet in een dergelijke situatie. Hij liep op Erwin af en gaf hem een duw. Erwin viel op de grond, maar sprong bliksemsnel weer op en vloog op Aaron af. De vijf andere jongens vormden een cirkel om het gevecht heen en schreeuwden iets dat Samuel niet kon verstaan. Ongetwijfeld aan­moedigingen voor Aaron, dacht hij. De roepende jongens werden al snel bijgestaan door andere kinderen. Net toen Samuel naar beneden wilde lopen om het gevecht af te breken, zag hij een leraar die de twee vechtende jongens uiteentrok. Erwin rukte zich los uit de greep van de leraar en liep zonder om te kijken weg.

Samuel staarde naar het beeldje in zijn handen. Er ontging hem iets, dat wist hij, maar wat? Een gevoel van ongerustheid bekroop hem, hetzelfde gevoel dat hij kreeg net voor een zwarte hemel losbarstte in een onweersstorm.

 

Er hing een rare geur in de ruimte, vond Samuel. De woonkamer was netjes onderhouden en de vrouw die voor hem zat en aandachtig naar Gaetan luisterde, leek hem niet een persoon te zijn die rare geurtjes zou verdragen. Net als de woonkamer was ze netjes. Het leek Samuel echter een geforceerd soort van netheid, iets dat zo is omdat het verwacht werd, niets meer. Misschien is het gewoon een speciale geurkaars, dacht hij. Met een glimlach probeerde hij de aandacht van Erwin te trekken. De jongen, die naast zijn moeder aan tafel zat, keek schichtig naar hem en wendde daarna zijn blik weer af. Net als altijd schrok Samuel van de priemende ogen en de uitdrukking van eenzaamheid die ze uitstraalden. Hij nam nog een slok van de waterige koffie.

‘Ik begrijp het niet,’ zei de vrouw. ‘Wat willen jullie nu precies? En wat heeft Erwin ermee te maken?’

Samuel negeerde de rillingen die over zijn rug liepen steeds wanneer de vrouw sprak. De schrille stem deed hem aan iemand denken die hij in zijn vorig leven gekend had, maar een gezicht kon hij op die herinnering niet plakken. Misschien had hij les aan haar gegeven? Haar leeftijd leek wel te kloppen. Hij haalde het beeldje uit de tas die hij naast zich had neergezet en zette het op tafel. De reactie van Erwin verbaasde hem. De jongen werd rood en schuifelde op zijn stoel, alsof hij overwoog om vlug weg te lopen.

‘Dit heeft uw zoon in de les gemaakt,’ zei Samuel. Hij zag dat de vrouw eerst apathisch naar het houten werkje keek en hem dan aanstaarde met een blik waar hij zenuwachtig van werd. ‘Het is een prachtig stuk,’ zei hij snel. ‘Ik ben echt onder de indruk van het talent dat Erwin heeft.’ Nog altijd staarde de vrouw hem zonder iets te zeggen aan. Samuel schoof het beeldje dichter naar de vrouw, onzeker over waarom ze hem zo aankeek.

‘Het leek ons een beetje… onverwacht,’ steunde Gaetan hem, ‘dat Erwin in staat is om dit te maken.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ De vrouw kneep haar ogen samen. Haar handen balden zich tot vuisten op de tafel.

Net een slang die haar prooi bestudeert! Samuel moest zich inhouden om niet zelf van de tafel weg te lopen, het huis uit en zich te verstoppen achter de eerste struik die hij vond.

‘Niets, mevrouw,’ zei Gaetan haastig. Hij probeerde op een sussende toon te spreken, maar leek al even geschrokken als Samuel van de vijan­dige blik van de vrouw. ‘We dachten alleen dat Erwin misschien toch geen eersteling is, dat hij onzeker is over wat hem overkomt. We willen hem gewoon helpen.’

‘Ik probeer mijn zoon goed op te voeden,’ zei ze, haar schrille stem steeg een octaaf terwijl ze sprak. ‘Dat is niet eenvoudig, zeker niet na het overlijden van zijn vader.’

Gaetan knikte bij elk woord dat ze zei in een poging om haar te kalmeren.

‘Erwin is een goeie jongen,’ vervolgde ze. ‘Jullie zouden hem moeten beschermen tegen die rotzakjes die hem iedere dag weer het bloed onder zijn nagels vandaan halen, in plaats van hierheen te komen om hem van liegen te beschuldigen!’

Op dat moment liep Erwin weg. De stoel, die hij in zijn haast omver­duwde, viel met een klap op de grond. Het geluid sneed door de tirade van zijn moeder heen, deed iedereen opschrikken.

‘Erwin? Kom terug!’ Zijn moeder greep naar de wandelstok die naast haar stoel stond en probeerde op te staan.

‘Laat mij maar,’ zei Gaetan. Hij volgde de jongen die de tuin ingelopen was.

Alleen met de moeder probeerde Samuel iets te bedenken om te zeggen. Voor hun vertrek, hadden Gaetan en hij alle mogelijke scenario’s proberen uit te werken. Geen ervan had hem voorbereid op de vrouw die tegenover hem zat. Druppels zweet vormden zich op zijn voorhoofd, hij durfde ze niet weg te vegen. Hij voelde zich gevangen in dit huis van opgelegde net­heid, van afgedwongen angst. ‘Ik ga eens zien of ik Gaetan kan helpen,’ zei hij. Het verbreken van de stilte hielp niet om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen. Toen hij wilde opstaan, greep de vrouw naar zijn hand.

‘Je kent me niet meer, toch?’ siste ze.

Samuel wilde zijn hand lostrekken. Het lukte niet. Ze had zijn hand vast in een ijzeren greep.

‘Maar ik ken jou nog wel!’ Haar ogen flitsten en druppeltjes speeksel hadden zich verzameld rondom haar mondhoeken. ‘Ik herkende je onmiddellijk toen je mijn huis binnenstapte.’

Samuel hoorde hoe ze het woord ‘mijn’ benadrukte, alsof het heel belangrijk was, iets dat hij zeker moest begrijpen.

‘Je mag dan wel herboren zijn, een nieuw lichaam hebben, toch ben je nog altijd die vuile smeerlap van vroeger. De leraar die altijd zo krampachtig probeerde om populair te zijn, zelfs al moest hij daarvoor meehuilen met de wolven. En nu kom je in mijn huis, om mijn zoon te beschuldigen.’

Ze is gestoord, dacht Samuel toen hij in haar ogen keek.

‘Hoe nobel moet je je nu wel voelen,’ vervolgde ze, ‘om mijn zoon te willen helpen met zijn probleem. Maar hem helpen tegen zijn pest­koppen, dat doe je niet. Alweer niet. Vuile hypocriet!’

Hij wilde zeggen dat dit net de bedoeling was, dat hij er alles aan wilde doen om Erwin te helpen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. Hij kreeg geen klank over zijn lippen, ook niet om Gaetan om hulp te roepen. Zijn hand begon pijn te doen, nog altijd kon hij zich niet lostrekken. Toen ze haar hoofd naast het zijne hield, rook Samuel die rare geur weer. Het was toch geen geurkaars. Die gedachte deed hem bijna hardop lachen, net op tijd kon hij het tegenhouden. Misschien ver­moordt ze me dan wel.

‘Iedereen was zo overstuur toen je stierf. Ik huilde mee met de andere meisjes uit de klas omdat dat mij het verstandigste leek, maar toen we twee dagen vrij kregen van school en ik thuis zat, lachte ik. Het waren de leukste dagen van dat schooljaar, toen werd ik tenminste niet gepest. En toen ze zeiden dat je verongelukt was, geloofde ik er niets van.’ Haar lippen raakten nu bijna zijn oor, het voelde bijna sensueel aan, alsof ze hem wilde verleiden. ‘Mijn vader werkte bij het bestuur en hij heeft het tegen mijn moeder verteld toen ze dachten dat ik al sliep. Je hebt zelf­moord gepleegd. Dat past wel bij de laffe, vuile smeer­lap die je bent.’

De vrouw fluisterde de laatste twee zinnen. Het leek Samuel echter of ze het met een megafoon in zijn oor riep. Hij merkte niet dat ze zijn hand losgelaten had en weer rechtop zat. De kamer draaide. Haar woorden waren als kometen neergeslagen in zijn hersenen, allesverwoestend.

Gaetan kwam de kamer weer binnen met Erwin. Als hij al merkte hoe Samuel zich voelde, liet hij dat niet blijken.

Toen ze het huis verlieten en afscheid namen, glimlachte de vrouw naar Gaetan. Ze schudde zijn hand en zei: ‘Bedankt dat je mijn zoon wilt helpen!’ Ze negeerde Samuel en smeet de deur dicht.

Helena, zo heet ze, dacht Samuel. De naam paste bij het jonge, blonde meisje dat altijd stilletjes in een hoek in zijn klas zat. Net als haar zoon, besefte hij.

 

‘Die vrouw is gek,’ zei Samuel. Hij en Gaetan liepen door het dorp dat in de vroege avond niet veel activiteit meer vertoonde. De herfst was mild geweest, tot nu toe. De eerste tekenen van de winter dienden zich al aan. De mensen die niet buiten hoefden te zijn, bleven liever in de warmte van hun huis. Samuel begreep hen best. Na opgegroeid te zijn in een tropische omgeving, was Weerzel een schok voor zijn lichaam.

‘Ze heeft het niet gemakkelijk gehad,’ zei Gaetan. ‘Haar man stierf bij een werkongeval toen Erwin pas geboren was. Ze is die klap nooit echt te boven gekomen.’

Samuel dacht terug aan de waanzin die hij in haar ogen gezien had. ‘Dat mag je wel zeggen, ja.’ Hij trok de sjaal dichter om zijn nek en blies in zijn handen. ‘Die wandelstok, heeft ze die overgehouden aan het onge­luk dat haar man gedood heeft?’ Hij huiverde bij het woord ‘ongeluk’.

‘Nee,’ antwoordde Gaetan. ‘Het was toen ze veertien was, als ik me niet vergis. Opeens begon ze last te krijgen aan haar linkerbeen. Geen dokter die iets kon vinden, maar het ging niet voorbij. Uiteindelijk werd besloten dat het psychosomatisch was. Een reactie van haar lichaam op iets dat ze in een vorig leven had meegemaakt. Iets zo traumatisch dat het zelfs na een hergeboorte haar bleef plagen.’

Ja, ze moet wel heel veel hebben doorgemaakt om zo te zijn! Die gedachte was niet eerlijk, dat wist Samuel. En als Helena gelijk had, had hij er ook schuld aan. Niet echt een leuke gedachte, maar wat als? Zover hij zich kon herinneren, waren er nooit problemen geweest, leken alle studenten kort voor zijn dood goed met elkaar overweg te kunnen. Ze was er echter heel overtuigd van. Er moest toch iets van waar zijn. En wat had hij tot nu toe al voor Erwin gedaan? En wat kon je dan al doen? Weer die rationele stem, deze keer zonder veel overtuiging. Hij had met Aaron kunnen spreken, de ouders van alle kinderen samenroepen, iets doen! Hij versnelde zijn stap, maakte zichzelf wijs dat hij dit deed om warmer te worden, maar wist dat hij dit deed om zo snel mogelijk weg te zijn van dat huis en vooral die vrouw. ‘Wat zei Erwin toen jullie buiten stonden?’

‘Niet veel,’ antwoordde Gaetan. ‘Hij heeft wel beloofd om ook aan de ceremonie deel te nemen.’

‘Dus hij gaf in feite toe dat hij wel herinneringen heeft?’ Samuel stopte en draaide zich om naar Gaetan.

‘Ja. Nee. Ik weet het niet. Dit gaat boven ons petje, dat weet ik wel. Morgen bel ik met de gewestelijke psychologe. Ze moet maar eens haar geld verdienen.’ Gaetan balde zijn vuisten. ‘Gedaan met zich te verstop­pen in een ivoren toren. Er zou een specialist in dit dorp zelf moeten wonen, maar daar hebben ze het geld en personeel niet voor. Zeggen ze toch. Dit had veel eerder aangepakt moeten worden. Alsof een kind het niet moeilijk kan hebben met al die herinneringen. We laten ze te vrij, geven ze niets mee behalve rituelen en wijze raad.’ Die laatste woorden sprak hij op een sarcastische toon uit. ‘Je zou denken dat we na al onze levens toch wel zouden weten hoe we dit het beste kunnen aanpakken.’

Ze liepen in stilte verder tot ze bij de voordeur van Samuels huis stonden. Hij was niet van plan iets te zeggen van wat Helena hem verteld had, maar de drang was te sterk. ‘Gaetan, ik moet je iets vragen.’ Samuel dwong de woorden uit zijn mond. ‘Is het waar? Dat mijn dood geen ongeluk was, maar zelfmoord?’

Gaetan reageerde alsof hij een klap in het gezicht had gekregen. Hij kromp ineen, hief zijn hand naar zijn mond.

Samuel legde zijn hand op Gaetans arm. ‘Je moet het me vertellen. Ik wil het weten, ik heb er recht op om het te weten.’

‘Je herinnert je niets van je laatste overlijden?’

Samuel schudde zijn hoofd. Hij had er nog niet eerder bij stilgestaan, dat was ook niet nodig. Niet iedereen herinnerde zich hoe hij of zij stierf. Sommigen herinner­den zich alles tot in het kleinste detail, anderen maar bitter weinig. Het was geen veel­besproken onderwerp, al was het ook niet echt een taboe. Samuel hoorde tot aan zijn laatste overlijden bij de eerste groep. Al was het niet altijd even duidelijk, toch wist hij hoe hij gestorven was, altijd weer. Drie keer in het kraambed, na een ongeluk, ouderdom, geweld, zowat alle variaties had hij al meegemaakt. Maar zelfmoord? Nee, dat zou hij zich toch moeten herinneren?

Gaetan twijfelde nog altijd. Uiteindelijk keek hij weg van Samuel en zei zachtjes:

 

‘Het leven is als:

gegrepen worden door je natuur

gegrepen worden door je obsessies

gegrepen worden door het overrompelende verlangen

om steeds jezelf zijn

steeds een ander

zachte hel in mij’

 

‘Die had ik nog niet gehoord,’ zei Samuel. ‘Wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik heb het geschreven kort nadat je …’ begon Gaetan. Dan schudde hij zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik wil het er niet meer over hebben.’ Hij liep weg, zijn handen diep in zijn vestzakken gepropt. Zonder afscheid te nemen en zonder om te kijken.

Begrijpelijk, vond Samuel. Alles was al gezegd.

 

Onder het steriele licht van de gloeilamp in de woon­kamer leek de puzzeldoos een onschuldig speeltje. Samuel had de doos uit zijn werk­plaats gehaald en staarde er nu al bijna een uur naar. Hij had nog altijd geen idee wie het gemaakt had en wat er in zat. Was het een cadeau geweest voor een lang vergeten ver­jaar­dag? Dat kan, maar waarom kon hij er zich dan niets meer over herinneren? Hij pakte de doos op en wreef over het ganse oppervlak. De zon aan de boven­kant, geflankeerd door graan. Aan de onderkant vormden de lijnen een maan die boven een blank land zweefde. Allemaal eenvoudige symboliek. De dag die gevolgd werd door de nacht om dan weer over te gaan tot de dag. Leven en dood, gevolgd door een weder­opstanding. Samuel was geen gelovig persoon, in tegenstelling tot sommigen die de eeuwige cyclus van reïncarnatie als een geschenk van een Schepper beschouwden. Toch sprak de symboliek van de doos hem wel aan. Simpel en toch met betekenis.

Met zijn vingers streek hij over de zijkant van de doos waarop zes andere symbolen aangebracht waren. Opnieuw graan, merkte hij. Daar­naast ook een hond, een bloem, iets wat leek op een wolk, een huis en nog een symbool dat hij niet kon thuisbrengen. Vijf golvende lijnen die boven elkaar lagen. Water, dacht hij opeens. Zijn ademhaling versnelde bij die gedachte. Als de doos wedergeboorte als thema heeft, wat betekenen die zes andere symbolen dan?

Samuel liet zijn duim rusten op het graan aan de zijkant van de doos. Hij duwde zachtjes. Het symbool gaf even mee, in de doos hoorde hij een lichte tik. Machteld… Hij schrok op en smeet de doos op tafel. Nu voelde hij zijn hart kloppen in hetzelfde ritme als zijn ademhaling. Waarom dacht hij nu aan haar? Had de doos iets met Machteld te maken? Had zij het hem gegeven? Het hout zag er niet zo oud uit, nog geen tweehonderd jaar oud. Hij stond op en liep naar de keuken, vulde een glas met water en dronk het in één teug leeg. Je bent tijd aan het rekken! Dat was waar, maar waarom? Wat zat er in die doos en waarom wilde hij het niet weten?

Hij nam een besluit en ging weer aan tafel zitten. Zijn handen trilden toen hij de doos weer oppakte. Het graan was dus het eerste deel van de puzzel, welke nu? Zijn vingers gleden over de vijf overblijvende symbolen. Opnieuw namen zijn handen de beslissing en hij drukte op de bloem. Weer gaf het symbool mee en hoorde hij een tik, luider dan de vorige. Samuel sloot zijn ogen toen de woonkamer gevuld werd met de geur van een bloem. Er was geen twijfel over welke bloem het was, zijn lichaam reageerde duidelijk genoeg. De koren­bloem, dezelfde die Machteld in haar haar droeg toen hij haar voor het eerst zag, voor het eerst kuste, voor het eerst met haar naar bed ging. Tranen gleden over zijn wangen bij de herinneringen die ongevraagd in hem opkwamen.

Samuel herkende het patroon van de puzzel en met dat besef kwamen ook de antwoorden op sommige van de vragen die hij had. De oplossing van de puzzel lag in zijn verleden, met Machteld. Na de bloem kwam de hond. Hij glimlachte toen hij de tik hoorde. Nu leek de bovenkant van de doos los te komen. De hond… Een vondeling die Machteld zo wanhopig probeerde te redden. Zo was ze nu eenmaal. Pragmatisch en toch had ze een groot hart voor alles wat leefde. Toen de hond stierf was ze ontroostbaar. Het bracht hen echt dichter bij elkaar, deed ze besluiten om samen te wonen. Dat leidde tot het volgende deel van de puzzel, het huis. Dit huis. Ze werkten allebei voor lokale boeren, dus was het niet meer dan normaal dat ze ook hier zouden wonen.

Na het huis kwam de wolk. Nee, dat niet. Te laat, zelfs al duwde hij niet op het symbool, de herinneringen bleven komen. Wat deed een jong koppel dat samen een leven wilde opbouwen? Ze hadden genoeg inkomen, een eigen huis en elkaar. De volgende stap was een kind. Machteld straalde toen ze zwanger was, al verliep de zwangerschap niet goed. Hij snikte luid toen hij het beeld van Machteld in een bed zag. Haar ogen gesloten en haar gezicht was even bleek als het laken. Het kind stierf een uur na zijn moeder. Een zoon die nauwelijks de warmte van de borst van zijn moeder gevoeld had. Het had niet mogen zijn, had de dokter gezegd. Samuel was op dat moment te verdoofd om te reageren. Een verdoving die jarenlang zou duren. Hij had tientallen kinderen gehad, zelf gebaard of als man zijn bijdrage geleverd. Meer dan een van zijn kinderen stierven jong, altijd pijnlijk, maar nooit zo pijnlijk als bij dit overlijden.

Het geluid van de tik joeg Samuel uit de herinnering. Hij had toch op het symbool gedrukt en zag dat de doos nu bijna helemaal open was. Hij zag iets, papier? Het bloed suisde in zijn oren, een nevel kwam voor zijn ogen. Alles wat hij gevoeld had terwijl hij de doos opende, verbleekte bij de panische angst die nu op­borrelde. Hij moest de doos onmiddellijk sluiten, ver­stop­pen, misschien zelfs verbranden. In zijn hoofd voelde hij de herinneringen die verbonden waren met het water langzaam opkomen. Nu of nooit …

De klik die de doos maakte toen Samuel het bovenste deel weer vast­duwde, klonk bijna beschuldigend. Niet vandaag, nam Samuel zich voor, maar spoedig. Hij was nog niet klaar voor de geheimen die verbor­gen waren voorbij de symbolen, onder het versierde hout. Je kunt het niet blijven uitstellen, lafaard! Hij huiverde bij die woorden, die gedachte kwam hem heel bekend voor. Het leek de leidraad te zijn van zijn levens in Weerzel. Misschien was het ook zo, maar hij wachtte nu al zo lang. Een paar dagen langer kon toch geen kwaad? Dat dacht je de vorige keer misschien ook. En je weet hoe dat afliep.

 

‘Hoe lang gaan ze het hier nog rekken?’ vroeg een man aan Samuel. ‘’k Heb honger!’

Nu al dronken? De geur van gebraden worst en geroos­terd varkensvlees dreef over de mensen heen, maar daar moesten ze nog op wachten tot na de cere­monie. De drank daarentegen vloeide al rijkelijk. Zelfs in zijn vorige leven wist Samuel al van voorstellen om alcohol niet meer toe te laten, of pas na de ceremonie. Het ging om de kinderen, niet om drank. Tot nu toe werden die voorstellen vlot weggestemd. Prioriteiten moeten duide­lijk zijn, dacht Samuel, als je iedereen wilt lokken, moet je ze ook iets geven natuurlijk. Hij grinnikte toen de zatlap onzeker wegliep naar een van de vele drankkraampjes die rond het plein opgezet waren.

Het was een zonnige dag, al bracht de zon niet veel warmte met zich mee. Het maakte Samuel weinig uit. Hij genoot van de opgewekte sfeer die om het stadshuis te vinden was. Het hielp om de aandringende rationele stem in zijn hoofd het zwijgen op te leggen, al was het maar voor even. De versieringen die het plein en het gebouw fleurig deco­reerden waren cultureel oecume­nisch. Ze waren een samen­bunde­ling van honderden verschillende culturen en gewoontes die door de inwoners zelf, in de loop van hun levens, verzameld waren en tijdens hun verblijf in Weerzel in de lokale cultuur opgenomen werden.

Het stadsgebouw zelf was een allegaartje van vormen en stijlen. Heerlijk lelijk vonden de inwoners het, Samuel inbegrepen. Het had een rechthoek als basis en bijgebouwen die eromheen gesmeten leken. Veel glas zodat het erbinnen altijd helder en vrolijk was. Op de gevel waren stenen ornamenten aangebracht en veel bakstenen hadden een afbeelding ingekerfd gekregen van plaatsen die een indruk nagelaten hadden tijdens een vorig leven van de vele ambachtslieden die aan dit gebouw gewerkt hadden. Het geheel was speels, een effect dat nog versterkt werd door de spitse toren die dertig meter hoog was en zo uit een sprookje leek te komen.

Toen Samuel het geluid van het klokkenspel hoorde, begaf hij zich naar de ingang van het gebouw. De ceremonie stond op het punt te beginnen. Halverwege de toren was er een balkon met twee glazen deuren die naar binnen leidden. De deuren werden geopend en het werd stil op het plein. Samuel vond een geschikte plek net naast de groep ouders wiens kinderen zo dadelijk naar buiten gingen komen om zich formeel voor te stellen aan de dorpelingen. Hij knikte naar de ouders van Aaron en ontweek met dezelfde beweging ook de blik van Helena die, leunend op haar stok, hem koud aanstaarde.

De mensen applaudisseerden toen een meisje op het balkon stapte. Samuel herkende Ilse meteen. Net als alle kinderen die aan de ceremonie deelnamen, droeg ze zelfgemaakte kleding en versieringen, gebaseerd op haar vorige leven, of wat ze er zich op dit moment al van kon herinne­ren.

Het meisje stapte met opgeheven hoofd naar de microfoon. Nu pas leek ze voor het eerst de menigte op te merken. Ze wreef snel door haar haar, erop lettend dat ze de veren en kralen niet aanraakte, schraapte haar keel en zei: ‘We willen u hartelijk danken voor uw aanwezigheid van­daag. We hopen dat u zich allemaal goed amuseert.’ Ze boog diep en wachtte tot het applaus uitstierf. ‘Mijn naam is Ilse,’ zei ze plechtig. ‘Ik heb grote delen van de wereld gezien, ben al vader en moeder geweest, jong en oud, geliefd en verliefd.’ Na die woorden hief Ilse haar hand naar haar mond, alsof ze zich moest tegenhouden om niet in lachen uit te barsten. Ze herpakte zich en zei met overslaande stem: ‘Maar nu ben ik hier, in Weerzel, en ik beloof jullie dat ik hier alles zal doen om gelukkig te zijn en om anderen gelukkig te maken.’ Ilse beëindigde haar eed door te zwaaien naar haar ouders en snel terug naar binnen te lopen.

De eed was aangepast, merkte Samuel. Minder formeel, zo vond hij het wel leuker. De oudere versie voelde militair aan, alsof de kinderen gere­kru­teerd werden. Hij zag dat de eerstelingen uit hetzelfde jaar als Ilse in een groepje bij elkaar stonden. Ze leken onder de indruk te zijn, een beetje verloren in het ritueel dat al zo lang gehouden werd en dat ze nu voor het eerst meemaakten. Erwin stond er niet bij, die stond bij de andere kinderen binnen te wachten op zijn beurt. Samuel had hem deze morgen gezien. Het gesprek met Gaetan had Erwin overduidelijk goed gedaan, hij glimlachte zelfs. En zijn ogen straalden niet langer die ondraaglijke eenzaamheid uit. De anderen van de groep, zelfs Aaron, hadden hem snel weer aanvaard, daar was Samuel blij om. Hij applaudisseerde mee toen een jongen op het balkon kwam en hakkelend de eed voordroeg.

‘Aaron is de volgende.’

Samuel glimlachte naar de moeder van de jongen en keek in blijde verwachting terug naar het balkon. Er kwam niemand. Geroezemoes vulde het plein toen de menigte zich begon te roeren. De ouders van Aaron keken vragend om zich heen, de moeder fluisterde iets in het oor van haar man die zijn schouders ophaalde.

‘Is dit normaal?’ vroeg ze uiteindelijk aan Samuel.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, hij zal zo wel komen.’ Nog altijd bleef het balkon leeg. Sommige ouders schuifel­den dichter naar de ingang van het stadsgebouw, onzeker of ze beter nog even konden wachten of naar binnen konden gaan om te kijken wat er aan de hand was. Samuel had hetzelfde probleem. Gaetan was bij de groep om ze te begeleiden, die had alles wel onder controle, dus bleef hij staan.

Toen er gegil door de open glazen deuren weerklonk, werd het muisstil op het plein. Heel even leek Samuel verlamd te zijn door het geluid. Pas bij de tweede gil stormde hij het gebouw binnen, gevolgd door drie andere leraren. Hij liep door de inkomsthal naar de smalle wenteltrap die naar de ruimtes in de toren leidde. ‘Gaetan!’ riep hij; het enige antwoord was opnieuw gegil. Halverwege hoorde hij gestommel en een mannenstem. ‘Gaetan!’ Met hernieuwde energie liep hij de trap op.

Samuel viel bijna toen iemand tegen hem opbotste en zich toen panisch aan hem vastklampte. Hij kneep even bemoedigend in het warme lichaam dat schokte van het huilen. Hij herkende de veren in het haar, veren die nu bezoedeld waren door iets nats, iets roods. Ondertussen waren er nog kinderen die de trap probeerden af te komen, opgejaagd door het geroep en gegil dat nog altijd voortraasde. Samuel trok het meisje van hem los. ‘Ilse,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd? Waar is Gaetan?’ Een blik in de betraande ogen van het meisje maakte hem duidelijk dat hij geen antwoord moest verwachten. Hij gaf het meisje door aan de man die achter hem stond te wachten en gebaarde naar de kinderen dat ze snel verder moesten lopen. Zelf liep hij verder de trap op. Bloed, verdomme, wat is er gebeurd?

 

‘Blijf uit mijn buurt!’

Samuel stond hijgend net buiten de kamer die naar het balkon leidde. Hij probeerde om het hoekje te kijken, te zien wat er aan de hand was, hij zag niets. De eigenaar van de stem die hij net hoorde stond blijkbaar in de andere hoek van de kamer, net buiten zicht. Hij verstarde toen hij een streep bloed op de grond zag. Het gesnik van de kinderen beangstigde hem. Hij moest zich dwingen om niet de kamer binnen te stormen, dat zou niet verstandig zijn. Niet tot hij wist wat er aan de hand was.

‘Ik waarschuw jullie!’

Samuel probeerde zich te herinneren hoeveel kinderen hem gepas­seerd hadden op de trap, hoeveel er dus nog in deze kamer bevonden. Minstens vijftien, samen met Gaetan. Die stem, wie is dat? Hij stak een vinger op als waarschuwing voor de twee mannen die net boven gekomen waren en waagde het om half in de deuropening te gaan staan. Zijn ogen volgden de rode streep op de grond, bleven toen gefixeerd op een jongen die dreigend voor de overblijvende kinderen stond. Een mes, was zijn eerste gedachte. Gaetan, zijn tweede. Zijn vriend lag zwaar hijgend op de grond, bloed stroomde tussen zijn vingers door. De kinderen zaten ineengedoken achter Gaetan. Zelfs gewond probeert hij ze nog te beschermen, dacht Samuel. Hij focuste zich helemaal op de jongen met het mes.

‘Erwin,’ zei Samuel.

De jongen draaide zich met een ruk om, het mes als een barrière tussen hem en de rest van de wereld. ‘Wat doe jij hier?’ riep hij.

Samuel stapte uit de deuropening en liep toen stap voor stap in een cirkel om Erwin heen, weg van de kinderen en Gaetan. Hij zag dat zijn vriend langzaam wegzakte, nauwelijks nog zijn handen op de wond kon houden. Concentreer je! Hij stak zijn armen op en toonde Erwin zijn open handen. ‘Blijf rustig, Erwin. Alles komt wel in orde.’

De jongen haalde naar Samuel uit en trok zich weer terug. ‘Jullie hebben het allemaal op mij gemunt.’

‘We kunnen je helpen, Erwin,’ zei Samuel op een rustige toon. Hij stond nu met zijn rug naar het balkon gericht. Hij registreerde het geroep dat van het plein de kamer binnenkwam, liet het over hem heen glijden. ‘Geef gewoon je mes af, dan kunnen we allemaal naar beneden gaan en alles rustig bespreken.’ Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de andere mannen nu ook in de deuropening stonden, klaar om in te grijpen. Hij zwaaide met zijn rechterhand en hoopte dat ze het teken zouden begrijpen.

Erwin scheen de andere volwassenen niet gezien te hebben. Samuel keek recht in de ogen van de jongen en wist niet zeker of Erwin hem zelfs maar zag.

Het gezicht van de jongen was lijkbleek, zweet stroomde over zijn wangen en zijn mond was verwrongen in een brede grijns. Hij kneep zijn ogen dicht en richtte het punt van zijn mes op het hoofd van Samuel. ‘Ik weet wie jij bent! Het is tijd om te boeten.’ Hij stond op het punt naar Samuel te lopen, toen een paar kinderen naar buiten probeerden te lopen. Erwin draaide zich bliksemsnel om, de kinderen drukten zich gillend tegen de muur.

‘Erwin!’ Samuel bereidde zich voor om zich op de jongen te werpen als hij nog een stap dichter bij de kinderen kwam. Tot zijn verbazing draaide de jongen zich weer om. ‘Je moet mij toch hebben?’ zei Samuel. ‘Laat de anderen gaan, ik blijf hier.’

De jongen lachte. ‘Daar heb je gelijk in, jij gaat nergens meer heen.’

Samuel huiverde bij het horen van die woorden. Opnieuw kreeg hij het gevoel alsof Erwin hier niet echt was, alsof hij een traumatische herinne­ring herbe­leefde die de jongen niet meer kon bedwingen. Hij stapte achteruit toen het mes flitsend op zijn keel afkwam. Bij elke zwaai van het mes stapte Samuel naar achteren, tot ze allebei op het balkon stonden. Toen Samuel de reling op zijn rug voelde, wist hij dat hij iets moest doen. Een blik in de kamer wees uit dat de kinderen weg waren, de twee mannen stonden nu bij Gaetan die geen teken van leven meer gaf.

‘Erwin!’ Een vrouwenstem brak door het geschokte gegil van de mensen op het plein.

De jongen knipperde met zijn ogen, staarde verbaasd naar het mes in zijn handen, het bloed op het lemmet. Zijn lippen begonnen te trillen. ‘Mama?’ Hij knipperde met zijn ogen, bracht zijn hand naar zijn mond.

‘Erwin?’ zei Samuel zachtjes. Met zijn linkerhand greep hij voorzichtig naar het mes. ‘Geef het aan mij, jongen, alles komt wel goed.’

‘Nee. Je hebt me voor de laatste keer belazerd! Deze keer snij ik je strot door.’ De ogen van de jongen vertroebelden, zijn kaken klemden zich op elkaar.

Samuel pakte het mes bij het lemmet vast. Erwin probeerde het los te rukken, maar Samuel gaf niet toe aan de pijn en trok de jongen naar zich toe. Hij klemde Erwin tegen zijn borst, maar kon hem nauwelijks onder controle houden. De jongen beet in zijn arm, schopte wild en klauwde naar de ogen van Samuel. Na een schop tegen zijn knie, verloor Samuel zijn greep. De jongen viel op de grond, sprong snel weer op en liep naar binnen.

In een laatste poging grabbelde Samuel naar de loshangende kleding van de jongen. Hij voelde de stof scheuren, zag dat Erwin naar links gesmeten werd door de kracht van de ruk, struikelde en door de relingen van het balkon naar beneden viel. De gil van Helena sneed door het geroep van de andere mensen heen.

 

Samuel zat in het bureau van de gewestelijke psychologe. De vrouw was het gesprek begonnen met dezelfde woorden die hij de hele week al gehoord had. Zo jammer wat er gebeurd was, maar het was niet zijn schuld. Het was een ongeluk. Zelf was Samuel daar niet zo zeker van. Die ogen… Hij had sneller moeten reageren, Erwin meteen overmeesteren. Voor Gaetan had dat niet meer uitgemaakt, maar misschien leefde de jongen dan nog wel.

‘Uw beslissing heeft ons verrast,’ zei de psychologe.

Samuel glimlachte, negeerde de stekende pijn in zijn hand en zei: ‘In Weerzel blijven lijkt me geen optie meer.’

‘Natuurlijk wel, u bent een ervaren leraar. Ik hoop dat u zich niet teveel laat leiden door wat er gebeurd is. Erwin was een jongen die geplaagd werd door proble­men. Het bestuur houdt u voor niets verantwoordelijk, ook niet voor de pesterijen die misschien wel tot deze tragedie geleid hebben.’

En daar ben ik niet zo zeker van! De vraag wat Erwin precies tot zijn wan­hoopsdaad gedreven had, was het gespreksonderwerp van de week in het dorp. Helena had de vinger gewezen naar de andere kinderen in zijn klas. Pesterijen die te lang ongestraft bleven. En mis­schien had ze gelijk. Die ogen, dacht Samuel opnieuw, daar zat meer in dan een gekwetste jongen die te laat en te weinig hulp kreeg. Veel meer. Hij schudde zijn hoofd.

‘We hopen dat u zich toch nog bedenkt,’ zei de vrouw. ‘Het is nooit een goede zaak als een drama u naar overhaaste beslissingen voert.’

Erwin had niet geschreeuwd toen hij naar beneden viel, dat wist Samuel zeker. Dat had hij niemand verteld, niemand zou hem trouwens geloofd hebben. Hoe kon hij dat weten? In de verwarring van het moment, het geroep van iedereen op het plein was dat niet te bepalen. En toch wist hij het zeker. Erwin scheen hem opgelucht te zijn, alsof hij wist dat hij bevrijd zou zijn van wat hem ook kwelde. Tenminste, tot de volgende wedergeboorte. Heel even twijfelde Samuel om alles aan de psychologe te vertellen, zijn hart te luchten. De puzzeldoos, Machteld, alles. Misschien had dat Erwin wel kunnen redden, iemand hebben waar hij alles aan kwijt kon. Zodat hij zijn verleden los kon laten, zodat het hem niet meer zo kon belagen. ‘Wees gerust,’ zei hij. ‘Ik heb tijd genoeg gehad om erover na te denken.’ Meer dan tweehonderd jaar, dacht hij.

‘U moet beseffen dat dit geen lichtzinnige beslissing is. U gaat alles achterlaten, zonder enige garantie dat u ooit kunt terugkeren.’ De vrouw pakte haar glas op en nam een slok water.

Water… Na de crematie werd de as van Gaetan over de vijver verspreid, een geliefkoosde plek hiervoor. Machteld had dezelfde laatste wens gehad. Het zesde symbool op de puzzeldoos was dus logischerwijze water. De herinnering aan Machteld beet nog altijd hard in zijn ziel, maar dat leek na het nemen van zijn beslissing toch al minder te zijn. Na de uitstrooiing had Samuel de doos zonder te openen in zijn tuin begra­ven. De brieven die Machteld hem geschreven had in haar volgende leven hoefde hij niet nog eens te lezen. De herinnering hield zich schuil tussen de tienduizenden anderen. Alle brieven kwamen op hetzelfde neer: ‘Ik kom niet, ik kan het niet. Het spijt me.’ Was het zelf­bescherming of mezelf gewoon iets wijsmaken? Daar had hij nog geen antwoord op. Het maakte hem niets uit. De belofte die hem zo lang aan dit dorp gebonden had, was een droom geweest, gebaseerd op herinneringen van een lang vervlogen tijd. Het was tijd om die belofte achter hem te laten. En mis­schien had hij zo tijd genoeg om te voorkomen dat zijn herinne­ringen een nachtmerrie werden, zoals bij Erwin het geval was. Hij stond op, legde zijn hand op zijn borst en zei:

 

‘Je dood omvat me

je afschijnsel in mij

is gestorven

voorbij het eeuwig wederkeren

als ik je terug zal zien

zal jij het dan die wel zijn

die mijn verdriet stilt?’

 

De psychologe staarde hem aan alsof ze naar een krankzinnige keek. Samuel glimlachte nog eens naar haar en zei: ‘Een gedicht dat ik geschre­ven heb voor een goede vriend van me. Hij heeft me jarenlang wijs­gemaakt dat poëzie louterend kan zijn. Geen idee of het zo is, maar ik ben nog maar net begonnen natuurlijk.’ Hij hief zijn tas op zijn rug en verliet de kamer. De tas, gevuld met kleding en foto’s, die zwaar op zijn rug woog toen hij in Weerzel kwam, leek nu vederlicht.

Categories