web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Eekhoorns komen van Mars : Pen Stewart

Eekhoorns komen van Mars

Pen Stewart

 

Marsjaar 358, sol 668, was weer een van die dagen waarop ik het leven droeg als een bokkenpruik. Ik spuwde in het stoffige zand van inter­kraterstad Euphrat. Bijna greep ik mijn staart om erin te bijten, een nare gewoonte die ik had aangenomen sinds, nou, dat wil je niet weten. Echt. Eerlijk. Er zijn nu eenmaal dingen die je niet wilt weten, snap je? Toch ga ik je op deze pagina’s het een en ander vertellen over mijn leven, of dat je nou bevalt of niet, en goh, alle planeten op een stokje, wat maakt het ook uit? Diep vanbinnen ben ik nog altijd niet meer dan een bionische eekhoorn-mijnbouwdeskundige, op zoek naar een beter leven. En voor Marsdieren die dat doen, een beter leven zoeken, is het leven automatisch een bokkenpruik, een die stinkt en waar je het chagrijn van krijgt, neem dat maar van me aan.

Ik liep op die bokkenpruikdag door de straten van onze interkrater­stad, de ene na de andere kroeg negerend, hier en daar mijn klauwhand opstekend om vaag een collega van de Arabia Terra Mijnbouw­maat­schappij te groeten. Sommige van hen waren bazen, meestal bionisch aangepaste marters, herme­lijnen of haantjes. De meesten waren echter onder­geschikten. Zij waren minder bionisch aange­past, vooral waar het hun hersenen betrof, en ze leidden hun creperende leven in deze tredmolen zoals we dat bijna allemaal deden. Bijna allemaal, vergeet dat vooral niet. Er zijn nu eenmaal uitzonderingen. Leiders. Politiekers. Criminelen of wetenschappers, al waren sommigen het allebei. Niemand die er wakker van lag zolang het de ATM ten goede kwam, en bijgevolg de opdrachtgevers op de bronplaneet. Zo ging dat hier: de ATM bezat de stad, en wij, de niet-uitzonderingen, konden de klere krijgen.

De stank van de mineraalmachines van de mijnen walmde over de stad, en rookwolken stegen op tot tegen de koepel die de hele Euphrates­interkrater overspande. Daar werden de dikke roetwolken afge­zogen en vervolgens de atmosfeer ingeblazen. Die koepel, dat ondertussen nood­zakelijke ding, was een doorn in het oog, een joekel. De oude steden hadden er geen, nooit nodig gehad ook, en waren bijgevolg verlaten. Ach wat, de hele planeet ging naar de zooi, verdomme. Ik keek naar boven, waar de rook zich vermengde met die onleefbaar geworden, te zuurstof­rijke atmosfeer. De wetenschappers zeiden dat we het tij misschien nog konden keren, en Mars weer bewoonbaar maken, maar waarschijnlijk moesten we dan allemaal ophouden met ademhalen of zoiets. Ik voelde er weinig voor, voor die oplossing.

Aan de horizon kon ik nog net de hogere pieken van de rand van de Cassinikrater onderscheiden. Ik spuwde opnieuw in het stof, zette mijn bitterzoete mijme­ringen over het lot van onze planeet van me af en stopte aan een krakkemikkig gebouw. Het probleem was dat het afge­dankte lot van de planeet mijn eigen, persoonlijke situatie frequen­teerde, net zoals het dat met de hele maatschappij an sich deed.

Mijn vrouw was daarboven en ik kwam eraan… Zorani zou er de pest in hebben, voor zover dát nog erger kon worden.

Ik had het fout. Het kon nog een heel stuk erger worden.

 

#

 

Sta me toe te zeggen dat de woede van een bedrogen vrouw het midden houdt tussen moordlust en een zekere, niet te onderschatten mate aan castratie­verlangen. Je weet echter nooit naar welke van die twee ver­langens de balans het eerst zal doorslaan. Ze had me natuurlijk ook eerst kunnen castreren en pas daarna de keel proberen oversnijden. Laat ik het er op houden dat ik erin slaagde aan beide te ontkomen. Daarmee is echter alles gezegd. Sighile Roodstaart, afdelingshoofd van een van de ontginningseenheden van de Arabia Terra Mijnbouwmaatschappij, behield zijn leven en zijn kloten, maar verloor zowat al de rest. Ook zijn job.

Een paar weken later ging ik aan boord van de Casanova-monorail­verbinding. Ik zocht en vond mijn plaats in een tweederangscoupé. Natuurlijk. Sociale orde heeft nood aan evenwicht wat betreft mentale behoeften en materiële realiteit. Maar wat betreft de middenklasse, was dat evenwicht altijd onbevredi­gend. De middenklasse vergat de bescheidenheid van de onderklasse en verlangde ernaar zich de glorie van de topklasse aan te meten. Echter…zonder in staat te zijn die werkelijk te verwezenlijken.

Het was voor mij niet anders.

De zetels waren stoffig en roken naar de konten van duizend reizigers. Ik haalde mijn neus op, mentale behoeften en materiële realiteit zwaar in conflict met elkaar.

Met het weinige dat me restte aan bezittingen in een koffer gepakt, en de herinneringen aan mijn job, mijn vrienden en mijn ex-vrouw zoveel mogelijk weggestopt tussen de plooien van mijn hersenkwabben, plofte ik neer op de bank. Tot mijn eer en glorie kan ik zelfs stellen dat ik niet in mijn staart beet, en me ook niet de haren uit de vacht trok, ook al had ik meer last van mijn Marszandallergie dan ooit te voren. Mijn schouders jeukten als een hel die een regenbui te verduren kreeg. Ik krabde. Een paar groene haren landden op het verschoten paars van de zetels en vloekten er vreselijk mee.

Casanova kondigde met luide stem zijn vertrek aan, de deuren sloten zacht sissend, en de monorail vertrok geluidloos over zijn rail zwevend vanuit station Euphrat Centraal. De half-bionische ménagerie aan boord kwam tot rust. Voorbijglijdende steden die je tot passieve observatie dwingen, hebben dat effect. Levens waar we niet aan kunnen deelnemen of die we niet kunnen beïnvloeden, niet mee in interactie kunnen gaan, zijn onze zaak niet, of wel?

Eens we in de woestijn waren, lag meer dan de helft waarschijnlijk al op apegapen. De woestijn was name­lijk al helemaal onze zaak niet. Niet meer, althans. Niet sinds hij steeds minder woestijn was, en er groenig­heid begon te groeien, zo hier en daar.

Een klein uur later was iedereen van eten voorzien, en zaten de meeste passagiers te lezen, via hun op Casanova ingeplugde Marsnetboeken de laatste nieuw­tjes uit de andere kwadranten binnen te halen in hun brein­uitbreidingen, of hier en daar zacht te conver­seren, of beiden, zoals gewenst.

We gleden door de atmosfeersluis de open Cassini­krater in en lieten interkrater Euphrates en Euphrat­-stad met zijn beschermende koepel, die joekel, achter ons.

De Casanova-monorailverbinding met de Bequerel­krater liep als een somber, grijs lint door de woestijn van Arabia Terra. De monorailtrein schoot er als een tampon overheen, een spoor van stof achter zich mee zuigend door een woestijn die veel weg had van een roodachtig beschimmelde omelet onder een veel te afstandelijke zon. Er was geen echte warmte op Mars. Ik schoof het bord met mijn diner – u krijge ene ticket inclusief ene deliciejeuze dienééé, meneer – van me af.

Het marginale dassenkind aan de balie wist niet waar ze het over had. Ze zou hier eens moeten zitten, op mijn plek, net niet gecastreerd en met een notenpuree -speciejaal menuu voor de eek-oorn, meneer- vermengd met niet genetisch gemanipuleerde stieren­kloten op je bord. Je zou van minder tegenzin krijgen in deliciejeuze-dienééé-meneer. Hoe fraai haar snoetje ook was. Maar goed.

Ik had het bord nog maar net weggeschoven of een vos kwam mijn coupé binnen.

Mijn blik gleed over hem. Die van hem over mij. Wat ik zag beviel me best, wat hij zag beviel hem duidelijk een stuk minder.

Hij leek me een eersteklasreiziger die noodge­dwongen elders een plek moest zoeken omdat zijn klasse volzet was. Zijn mentale behoeften en materiële realiteit waren momenteel waarschijnlijk nog een stuk minder in evenwicht dan bij mij.

‘Jonas Grimpeerd,’ stelde hij zich voor toen hij schuin tegenover me plaatsnam. Ik knipperde even met mijn ogen. Hoe klein kan de wereld zijn…

Jonas Grimpeerd was een bionische vos, liep rechtop zoals de rest van ons, zijn vacht netjes gekamd, strop­das en aktentas, duidelijk een bureaucraat, maar dan wel eentje met een arrogante grijns op zijn gangster­smoel, inclusief de in alcohol verzopen varkensoogjes… En hij was tevens de echtgenoot van mijn minnares.

Dit kon nog wel eens leuk worden.

Ansalaam Grimpeerd-de Boevere was net als ik een half-bionische eekhoorn, want ja, hoe je het ook draait of keert: soort zoekt soort, vroeg of laat. Ze had geen krimp gegeven toen ik aankondigde er even tussenuit te moeten om mijn leven op een rijtje te zetten en te bedenken wat ik nu moest aanvangen, wat enkel mooie woorden waren om te zeggen dat ik naar een nieuwe werkgever op jacht ging. Ansalaam hoorde graag mooie woorden, wat dat betreft was ze een eersteklas­reiziger op de monorail van het Marsiaanse leven, mentale behoeften en materiële realiteit perfect in evenwicht. Ze had geen traan gelaten, had haar staart (prachtig, lang, dik en zacht) voor haar borst gevouwen nadat hij een huivering over mijn rug had gejaagd, en ze had begrijpend geknikt.

Dat was nu eenmaal Ansalaam: liefdevol, nuchter, sterk, goed in bed. En knap. Onwaarschijnlijk mooi. De vrouw naar wie ik zowel letterlijk als figuurlijk opkeek, want ze was een halve kop groter dan ik. Ik vond het best naar haar op te kunnen kijken. Letterlijk en figuurlijk. Er zouden meer grootse vrouwen op de wereld moeten rondlopen.

Jonas had, voor zover ik wist, geen idee van onze verhouding. Zoals ik al zei, dit kon nog wel eens leuk worden.

Ik grijnsde. ‘Sighile Roodstaart, aangenaam kennis met u te maken.’ Een walm donkere mineraalrum kwam me tegemoet en ik stopte met ademen tot de wolk over me heen was gedreven. De lucht van dure, maar daarom niet per se betere of minder schadelijke drank bleef echter om de man heen hangen. Dat was niet zo leuk. Een hele rits passagiers kwam gelukkig ook in ons treinstel zitten, waardoor ik tenminste niet gedwongen was met hem te praten. Hij knikte ter aanvaarding van mijn groet, maar verder dan ver­plichte beleefdheid ging zijn interesse niet.

‘Tot u spreekt uw monorailtransportmiddel van de Arabia Terra Mijn­bouwmaatschappij. Mijn naam is Casanova. Hartelijk welkom op de interkrater­verbin­ding met de Bequerelkrater. Ik zal u met plezier door de vlakten van Arabia Terra naar de nieuwe kraterstad voeren en onderweg aan al uw wensen voldoen.’ Casanova leuterde nog een eind door over zijn perfecte kwaliteiten en luxe, over de virtuele ruimtes aan boord die in alle dromen konden voorzien, zelfs de meest ranzige, en ten slotte over het goede eten dat in zijn inwendige keukens werd gegaard (deliciejeuze-dienééé-meneer), maar ik luisterde niet verder.

Jonas Grimpeerd krabde zich op zijn zij dat het een lieve lust was, en met opgetrokken neus verborg ik mezelf achter een reisbrochure die in elke coupé ter beschikking lag. Prachtige steden hier, geschiedenis van de oude scheppers daar, zicht op de bronplaneet ginder, cliché alhier en cliché aldaar, bla, bla en nog­maals bla. De aandrang om Grimpeerd een vuistslag op zijn snuit te geven, zwol als een zandstorm op in mijn binnenste. Maar de vos zou terugvechten, en hij had grotere tanden dan ik. Ansalaam zou niet zo blij met me zijn als ik mezelf liet bijten door haar bezopen echtgenoot met losse handjes. Ik kon er wat onder verwedden dat hij erin zou slagen eerder dan ik aanspraak te kunnen maken op het derde amendement van de Arabia Terra grondwet: hij zou zeker wel een reden vinden om zich heel gewelddadig te moeten verdedigen tegen mij. Als de nood hoog is, leert zelfs een paard om te vliegen. Ik onderschatte de inventivi­teit van Jonas Grimpeerd voor geen seconde, gezien alles wat Ansalaam me over hem verteld had.

Hij was nu eenmaal een vos. En die hebben streken.

Het idee van die losse handjes van de echtgenoot van mijn mooie geliefde bracht even een waas over mijn gezichtsveld, maar ik slaagde erin me tenslotte te beheersen en mijn vuisten te ontspannen. Het kostte verdomd veel moeite.

Ik ga naar Bequerel, vind een andere job en daarna kom ik terug om met jouw vrouw onze liefde te delen en haar voorgoed van je te bevrijden, zatte smeerlap, dacht ik. Enige voldoening nestelde zich in mijn gedachten bij dat denkbeeld. Een beeld dat betrekking had op Ansalaam, mezelf, een bed en weinig kleren. Tenzij op de grond. Geen geweld, geen slagen, geen drank. Vrede. Ik zat dom voor me uit te grijnzen, tot de man die recht tegenover me zat, een ratachtige met een vuile werk­manjas, me vragend en ook een beetje waarschuwend aankeek. Ik trok snel mijn gezicht in de plooi en staarde door het raam.

Een frettenvrouwtje met een cateringkarretje kwam luid kwetterend door het gangpad, en de passagiers kregen spijs en drank en waren gelukkig. Hun reis­chagrijn smolt als kraterijs op een Marszomerdag en werd vervangen door de vooruitblik op het beloofde plezier en de diversiteit van hun reisbestemming: de nieuwe stad Bequerel, incluis superheldere koepel (een nog grotere joekel) en aangepaste atmosfeer, en niet onbelangrijk: de naar het schijnt groene plantenvelden die sinds enkele honderden jaren daar waren beginnen te groeien, nadat het ijs op de polen smolt. Dat was iets wat we nog steeds niet opgelost hadden: waarom waren die polen gesmolten en was de temperatuur gestegen, en waren er hier en daar planten gaan groeien die we kenden vanuit de databanken van de bronplaneet? Sommigen dachten dat de scheppers met grote spiegels de zon op de polen hadden gericht, en het ijs hadden doen smelten. Maar ik was van mening dat de scheppers zich niet veel van ons aantrokken, zolang we maar ertsen leverden. Tja, hoe en waarom dat allemaal ook gebeurde, Bequerel was anders dan alles wat wij Euphraters kenden. En als het anders is dan gewoonlijk, is het altijd goed. En als het moeilijk is om eraan te komen, en het is nog duur ook, is het altijd het beste dat er te krijgen valt. Ze werkten voor niks anders. Exclusiviteit deed Mars rondjes draaien.

Ansalaam deed mij rondjes draaien en dat was ook exclusief.

Casanova voerde me verder van Ansalaam en alles wat voor míj exclusief was vandaan, en de rest van het gepeupel at zijn eten, dronk zijn dranken, en vermaakte zich.

Behalve eersteklasreiziger Jonas, vos uit de hoge administratie, want hij beklede wel degelijk een hoge functie binnen een ambtenarij die sowieso al verzoop in ‘t chagrijn, een bende vol venijn.

Het liep al tegen het middaguur toen het spel begon.

Ik noem het een spel, vergeef me. Ik noem alles een spel sinds ik mijn functie bij de ATM kwijtraakte omdat er voor een overspelige vent geen plek is in Euphrat. Het is ook een manier om af te rekenen met je leven, of niet soms?

Dus zodoende begon het spel.

Toen de schok kwam, voer die niet vloeiend door de monorail, zoals je soms hoort in rampverhalen. Nee, het begon met trillingen die in hevigheid toenamen, toen een luide knal, gerammel, deuren die openvlogen tussen de coupés in, en vervolgens het monorailstel dat fel naar opzij helde.

Tóén kwam de schok.

Dat was de landing. Op de grond. Dacht ik. Dat moest haast wel, toch? Midden in de woestijn van Arabia Terra. Waarschijnlijk.

Midden in die ondertussen voor ons zo giftige, zuur­stofrijke atmosfeer.

Deze klap werd gevolgd door gasmaskers die van boven onze hoofden uit verborgen vakjes vielen en slingerend ronddansten tot de monorail eindelijk tot stilstand kwam.

Ik zat in een van de achterste coupés. Het geluk van platzak te zijn. De voorste coupés waren samengeperst schroot, Marsiaanse dieren incluis. Eén blik door het raam was genoeg om daar vrij zeker van te zijn. Bij ons viel het, daarmee vergeleken tenminste, nog mee. Het monorailstel hing scheef, de vloer helde helemaal naar rechts, en uiteindelijk hingen we toch nog op de rail, vastgehouden door de andere treinstellen voor en achter ons. Er waren gaslekken, de giftige atmosfeer drong langzaamaan naar binnen, er waren gewonden, er was bloed, er was gejammer en gesnik en wat deed Jonas Grimpeerd? Zijn pak afvegen, een gasmasker opzetten, en hooghartig om zich heen kijken. Het lef van een eerste­klasser die per ongeluk het geluk had in tweede klas te belanden, en daarmee zijn leven gered zag.

Het leven is een rad. Dat zei m’n grootmoeder langs moeders kant altijd. Het zet dingen in beweging. Als je er middenin staat kun je meeliften op het momentum, maar als je erbuiten staat kan het je ook een slag van de molen geven. Jonas Grimpeerd was er ondanks alles goed in om middenin het rad te blijven, om mee te draaien op de raderen van het leven. Hij was daar misschien zelfs beter in dan ik.

En toch was ik vastbesloten het verder te schoppen dan hij.

Ik stond op van mijn plek. Rustig, zelfverzekerd.

Leidinggevend.

De chaos om ons heen was compleet. De rat die voor me had gezeten, zat met zijn been klem onder het verwrongen bankstel. Alarmen aller­hande schreeuw­den het ondertussen uit: oververhitting, atmosfeer­lekken, monorailinstabiliteit en nog wel wat toeters en bellen die er niet meer toe deden. Een hoestbui over­viel me en mijn longen veranderden van zacht gloeiende as in dieproodgloeiende mijnbranden. Ik grab­belde naar mijn masker en plaatste het snel op mijn snuit. Ik drukte op een knop aan de zijkant en het ding zoog zich zo hard rond mijn hoofd vast dat mijn vacht waarschijnlijk door mijn huid gedrukt werd. Met gierende teugen stroomde stikstof mijn longen in. De scheppers zij dank.

Ik was niet de enige die leidinggevend om zich heen keek.

Jonas Grimpeerd stond aan de ingang van onze coupé en stak zijn nek uit. Zijn tanden blikkerden en zijn tong hing lichtjes uit zijn bek. Kwijl droop van de binnen­kant van zijn masker.

Al onze stemmen klonken wat gedempt door de maskers, maar Jonas’ stem sprong als een opwind­mechaniek onder de hardst mogelijk gespannen veer boven de rest uit.

‘Iedereen die niet gewond is, verzamelen bij mij aan de deur! Wie is er op de hoogte van eerste hulp?’ Een paar Marsdieren staken hun hand op. De meesten bionische ratten, een soort die vaak in de ertsverwer­kings­fabrieken werkte. Die hadden vaak contact met gewonden. De ertsruimtecargo’s die het resultaat van ons harde werk naar de scheppers voerden, namen zo nu en dan wel eens een rattenleven mee, of verwond­den anderen ernstig bij de lancering. Het was een vuile industrie.

Ik liep naar voren en stak ook een poot op. Klauw­hand met opponeer­bare duim, in mijn geval. Bionische klauwhand. En dat maakte altijd meer indruk. Eek­hoorns met dergelijke handen stonden het vaakst in leidinggevende posities, zoals mijn functie. Of nou ja, mijn voorbije functie. Ik gebaarde dat de dieren om me heen bij mij moesten komen. Een groot deel van de ratten gehoorzaamde meteen.

Jonas’ grijns vertrok tot een grimas.

‘Jij, jij, en jij, verzamel de lichtgewonden aan deze kant van de coupé,’ zei ik’ Zorg eerst en vooral voor de stikstofmaskers! En jullie vijven, controleer de zwaargewonden, geef hen maskers als ze die nog niet hebben. Snel!’ De vijf ratten knikten ijverig en schoten ervandoor. Pionnen werden altijd graag gestuurd.

Jonas Grimpeerd kwam op me af gestampt. ‘En wat denken we dat we aan het doen zijn?’

Ik keek hem met opgetrokken wenkbrauwen aan. Mijn staart zwiepte heen en weer. ‘De boel organiseren. Wat anders? Heb je er al een idee van hoe we Euphrat kunnen waarschuwen? Jij zat toch bij de admini­stratie, zo te zien? Dan zou ik maar snel proberen of je nog contact kunt leggen met Casanova, niet?’

Zijn tanden schuurden over elkaar toen zijn kaken met een klap op elkaar knalden. De klap was duidelijk te horen, ondanks het masker.

‘Ik verwacht niet veel meer van Casanova… Hoe was je naam ook alweer?’ Hij keek met opgeheven snuit op me neer.

Ik voelde me letterlijk krimpen. Wat waren die ver­dom­de ambtenaren er goed in je te kleineren, je naar hun hand te zetten en te sturen. Ik balde een vuist.

‘Meneer Roodstaart, voor jou,’ zei ik.

‘Goed dan, Roodstaart,’ zei hij. ‘Ik stel voor dat we op expeditie gaan naar de stad. Gewoon de monorail volgen en we komen er vanzelf, nietwaar?’

‘Geen goed idee,’ antwoordde ik hoofdschuddend. ‘Geen goed idee, echt niet, Jonas.’ Ik vertikte het ook om hem met meneer aan te spreken. Hij was gewoon Jonas, niks meer dan dat, de hufter. Ik zuchtte. ‘Dus jij wilt al die Marsdieren te voet op pad sturen? Ze gaan dagen, misschien wel weken moeten stappen om de afstand af te leggen naar Euphrat. Heb je enig idee hoe ver we al van de stad verwijderd zijn? Wat is je functie eigenlijk?’

Ansalaam had het me ooit verteld, maar ik had niet echt geluisterd. Andere zaken hadden toen een stuk interessanter geleken.

Om ons heen schuifelden lichtgewonden bedrukt heen en weer om de zwaarder gewonden te helpen. Het ge­schreeuw van die laatsten was vervaagd tot kermen en snikken. Meestal geen goed teken. Een paar waren dood. Gestikt, of de nekken gebroken door de klap. Een scheur in het plafond kraakte en werd groter. We zouden hier niet kunnen blijven, verdomme. We moes­ten dringend op zoek naar een treinstel dat nog intact was.

Jonas Grimpeerd gromde van diep achter in zijn keel, een grom die echter in een allervriendelijkste glimlach eindigde. ‘Ik ben directeur van de onderzoeksafdeling van de onafhankelijke controledienst op bodem­ont­ginning van het Arabia Terra Kwadrant.’

‘Nou, dat is een mond vol,’ kaatste ik terug, en ik leunde ontspannen tegen een scheefgezakte wand. Vanbinnen kookte ik echter. Om ons heen begon er een beetje structuur in de chaos te komen. De meeste dieren hadden nu een stikstofmasker op, wat wou zeggen dat diegenen die het niet droegen, nu zeker dood waren. De atmosfeer was tegen­woordig zo stikstofarm dat je het zonder masker niet langer dan vijf minuten uithield. Na drie minuten verloor je al het bewustzijn.

‘Luister, notenkraker,’ zei Jonas. Alle minzaamheid was van zijn snuit gevaagd. ‘We maken hier geen schijn van kans. Hoeveel etensvoorraad heeft deze Casanova-kar nog bij zich, denk je? Hoe lang alvorens reddings­werkers ons vinden? Jij weet het misschien niet, vanuit jóúw functie, maar ik ken de werking van de hulp­diensten van Arabia Terra. En nog niet zo’n klein beetje ook. Ik kan je verzekeren dat ze dramatisch slecht georga­niseerd zijn. Binnen de week hebben ze ons nog niet gevonden, ze zullen vanuit Euphrat en Bequerel gaan zoeken langs het spoor zonder een nieuw mono­railstel erover te laten rijden, uit schrik voor nog een crash, dus dat gaat tergend langzaam, en wij zitten ergens in het midden, schat ik zo. Het kan zelfs zijn dat het magneetsysteem naar de haaien is, en er helemaal niets meer kan rijden op die rail. En hun vliegschepen zijn momenteel allemaal bezet, voor mocht je denken dat het leger ons komt halen. Die geven namelijk geen zier om een stel burgers uit een afgelegen, economisch niet erg waardevol Kwadrant. De grondstoffen die jij en je vriendjes uit de grond halen, zijn bijlange na niet zeldzaam genoeg en de overheid heeft een opstand in het noorden neer te slaan! De scheppers van de bron­planeet zelf, bevalen de schepen daarheen. Zie je die dikke kabel daar?’ Hij stak een hand uit naar een bundel dikke kabels die in het opengereten dak lag te vonken. Tegen wil en dank keek ik ernaar, mijn kaken bijna in een pijnlijke grimas vertrokken omdat ik ze zó hard opeen klemde

‘Dat was de verbindingslijn tussen de zendunit en de besturing. We kunnen dus ook geen contact meer opnemen met wie dan ook. En vergeet de satelliet­verbindingen, die zijn er enkel in de steden. Onze marsnetbooks zijn waardeloos zonder Casanova. We zullen de gewonden sneller hulp kunnen geven en zelf hulp vinden als we te voet terugkeren.’

Mineraalrum was slecht voor de hersenen, zeiden ze.

Ik begon te geloven dat wie dat zei, gelijk had.

Onze grondstoffen waren van belang voor onze scheppers. Waarom moesten we anders altijd onze quota voor de bronplaneet halen?

‘We overleven ook wel zonder dat eten,’ snauwde ik. ‘Normaalgezien zouden we aan onze fotosynthese genoeg moeten hebben om alvast niet de eerste maand om te komen.’

Hij haalde laatdunkend zijn schouders op. ‘Misschien, maar dat wil nog niet zeggen dat we geen honger­gevoel krijgen. Al eens een bende hongerige dieren onder de duim gehouden? We willen geen conflicten tussen de overlevenden, toch? Nog een geluk dat er niet al te veel predatoren van oorsprong tussen zitten. Alhoewel… die rattenvrouwen en fretten, dat zijn soorten om voor op te letten,’ eindigde Jonas bedacht­zaam.

Ik gromde en greep hem bij zijn kraag. Met een bevredigende klap sloeg hij tegen een scheefgezakte cateringkar. Voordat ik echter iets kon zeggen, wrong hij als een slang in mijn handen en draaide zich met een grom los, om me vervolgens in een houdgreep klem te zetten.

‘Waag het niet nog een keer me aan te raken, noten­kraker,’ grauwde hij. Ik kon zijn vlijmscherpe tanden stuk voor stuk tellen. Zijn krachtige armen knepen mijn strot dicht. Ik knikte. Wat kon ik anders? Hij was verdorie zelf een predator. En wat voor een!

Een dikke fret kwam achter Jonas staan. ‘Meneer Grimpeerd?’ vroeg hij. Jonas liet me los en draaide zich loom om.

Ik zakte tegen een bank naar beneden, vechtend om adem te halen.

‘Ja?’ vroeg de vos.

‘We verzamelen ons in de sas bij de achteruitgang. Komt u?’

Ik deed mijn bek open om te protesteren, maar iets in Jonas’ blik benam me de moed. Die glimp in zijn ogen die me vertelde dat het merendeel van de reizigers achter hem stond, en als ze dat nog niet deden, ze het gauw zouden doen. Die blik, die duidelijk maakte dat hij niet zou aarzelen me opnieuw af te slaan, aangezien hij sterker was dan ikzelf en dat heel goed wist. Mijn longen leken weer in brand te staan, maar dat stelde ik me enkel voor. Het was haat, pure haat tegenover die wanstaltige vos, dat beest vol list en bedrog met losse poten die niet van Ansalaam konden blijven.

Een zeer dierlijke aandrang die me op gelijke voet met de vos zou stellen, spoelde door me heen. Het kostte me alles wat ik in me had om hem toch niet te lijf te gaan. Zo, simpel, met klauwen en tanden, en we zouden wel zien wie de sterkste was. Maar ik deed het niet.

Ik was verdomme beter dan zo’n roofzuchtige jager.

Er zat momenteel niets anders op dan hem mee te volgen naar buiten.

Een groep Marsdieren had zich om ons heen verzameld. Jonas keek me vragend aan. Een blik die zei: ‘Wat zal het zijn, vriend? Ja, of nee?’

Ik knikte. ‘Vooruit dan maar. Maar we hebben het er nog over, aasvreter.’

Zijn wenkbrauwen schoten omhoog.

‘Leer je biologie, Roodstaart. Vossen eten enkel vérs vlees. Zoals dat van eekhoorns, bijvoorbeeld,’ en met een laatdunkende blik keerde hij me de rug toe. Ik knarsetandde en volgde hem met veel tegenzin. Hoe had ik ooit kunnen denken dat dit leuk kon worden? Het leven is een rad, en ik stond er middenin, maar verdomme, het was trappelen geblazen om bij te benen.

We schuifelden langs de zwaargewonden heen naar de sas en sloten de eerste deur achter ons. Jonas drukte de noodgrendel naar beneden. Met een sissend geluid schoof de buitendeur open. Een tochtvlaag trok langs ons heen en iedereen huiverde. De scheppers hadden ons van nature voorzien op de lage temperaturen van Mars. Niettegenstaande die aan­passingen en de recente opwarming van de planeet, bleef winterkoude dan misschien niet meer onmogelijk koud, maar toch nog gewoon koud.

Ik stak mijn hoofd naar buiten en kneep mijn ogen half dicht tegen de wind en het opstuivende zand. Dat was niet nodig, maar wel een reflex: zandkorrels sloegen gruizig tikkelend tegen mijn masker. Losge­slagen kabels zwiepten sissend in de woestijnwind. Spuwend naar het rond­vliegende stof slingerden ze vonken in het rond. We bevonden ons op een relatief vlak stuk van de Arabia Terra woestijn, in de verte golfden de randen van kraters.

‘Geweldig,’ mompelde ik. Naast me kwam Jonas met een afgerukte kabel aanzetten. Het einde knoopte hij stevig vast aan het hengsel van de deur. Hij gooide de kabel naar buiten.

‘We kunnen klimmen. Vooruit,’ zei hij gemoedelijk, het loeder. De rattendame die het object van zijn gemoedelijkheid was, knipperde haar lange wimpers loom over haar kraalogen, greep de kabel en liet zich sierlijk, blik onafgebroken op Grimpeerd gericht, naar de grond zakken.

En daar stonden we dan, even later.

Een ménagerie van ratten, fretten, vossen en eekhoorns, hier en daar een gazelle. Eén enkele ezel. Hij kwam naast me staan. Natuurlijk.

‘Ik weet het niet, hoor,’ piepte hij, zijn hoge bibber­stem compleet in tegenstelling met zijn tonronde buik. ‘Ik weet het niet, hoor. Deze hele onderneming! Ik wéét het niet! Waar moeten we heen dan?’

Hij stond daar maar in het zand te trappelen, keek me met intelligente blik aan, maar gaf zo weinig blijk van karakter of persoonlijkheid dat ik achteruit deinsde.

Ik zuchtte. ‘Het loopt wel los, maat,’ zei ik. ‘Echt wel.’ En nu te hopen dat ik gelijk had.

‘Hoe noem je?’ vervolgde ik, iets vriendelijker.

‘Ik ben Mark.’ Ondanks zijn hoge, soms zelfs nóg hoger overslaande stem, klonk ook hij gesmoord onder dat gasmasker.

‘Goed om weten, Ezel,’ knikte ik, en ik liet hem staan. Hij riep me nog klagerig na: ‘Gelieve me níét zo te noemen, begrijp je dat, ik ben een van velen van mijn soort! Ik ben een individu!’

Ik wou terugroepen dat hij zich dan misschien als zodanig moest gaan gedragen, maar wist me nog net in te houden. De scheppers zij dank voor afleiding onder de vorm van de echtgenoot van je minnares. Jaloezie, het is vuur voor de verdorde ziel, sluimerend omdat hij zijn geliefde moet missen.

Jonas was druk bezig iedereen in groepjes te verdelen.

‘De beste lopers?!’ schalde zijn stem over de woestijn­vlakte. ‘Jagers?’

Ondertussen werden uit andere, nog op de rail hangende coupés, ook touwen, kabels en van alles en nog wat gesmeten om de afdaling naar de Marsbodem te maken. Ergens werd een lading reserve gasmaskers naar beneden gelaten. Dit alles leverde een stoet aan fretten en ratten op, hier en daar nog een vos, een groep eekhoorns (de scheppers zij dank) en een meute kippen. Die laatste waren nog zo éh, kipachtig, dat ze gewoon naar beneden konden fladderen. Geen van hen verloor gelukkig een ei. Het was er de plek niet voor, om maar zo te zeggen. Ik bedoel maar, kippen hadden amper hersens, zonder hun ei hadden we al helemaal niet veel meer aan ze. Op dat punt had de vos gelijk: een lege maag was niet bevorderlijk voor het humeur.

Om ons heen had een hele bende zich ondertussen verzameld. Waarom is het toch zo dat wanneer je een bende hebt, iedereen de neus richt naar de grootste bek? Die grootste bek stinkt meestal naar corruptie, verraad, of machtsmisbruik en overjaarse houdbaar­heids­data, en toch lijkt de geur van die verdor­ven­heden onweerstaanbaar om te aanbidden, te volgen, te vereren, naar te streven.

Zo ging het ook met Jonas Grimpeerd.

De vrouwenmishandelaar had zo’n charme dat iedereen aan zijn natte, kwijlende lippen hing.

Vooral de kippen zonder al te veel kop. Ik bedoel maar, als zelfs Ansalaam zich had laten vangen… dan waren deze kippen vogels voor de kat.

Ze drentelden om Grimpeerd heen en hij liet zich hun flirterige aan­dacht welgevallen. Een vos in een kippenren, het zou ook eens niet.

Een luide knal weerklonk uit de cockpit van de monorail, en de kippen stoven uiteen. Ze schuilden achter armzalige rotsen, hun kop onder hun vleugels.

Ik schuilde niet.

Ik keek met verstomming geslagen naar de cockpit.

Iets rood, geel, steeg op uit de voorkant van de monorail. Ik kende het. Uit legenden, verhalen over onze bronplaneet. Het was echter nog nooit hier op Mars waargenomen. De atmosfeer erboven trilde, danste, en zwarte rook sloeg in dikke wolken omhoog.

Iedereen stond ernaar te gapen als apen.

‘Is dat…’ mompelde ik.

‘Vlamvuur,’ antwoorde Jonas Grimpeerd. ‘Dat is, de scheppers zij vervloekt, vlamvuur!’

‘Dit kan niet goed zijn,’ zei ik. Het vlamvuur likte als tongen, heet en verzengend.

Vernietigend.

Gretig.

Zich verspreidend.

‘Verdomme! Onze voorraad eten!’ riep ik. De catering met de stock aan leeftocht (of wat er van over was) zat net achter de cockpitrestanten en rookte gretig. Maar wat konden we doen? Vlamvuur was een ongekend fenomeen op Mars. We kenden het enkel van in onze schoolbanken, van de bronplaneetlessen.

‘Naar het schijnt sterft het door er water op te gooien,’ balkte Ezel, de corpulente wijsneus.

‘We zitten hier verdomme niet aan de poolzee,’ mompelde ik.

Jonas keek me aan en er flitste een glimp van triomf door zijn ogen.

‘We moeten nu wel naar de stad terug,’ zei hij met een treurige onder­toon die zo gemaakt was dat ik op zijn smoel kon slaan. Ik zag in mijn verbeelding zijn roze tong geperforeerd worden door al die veel te puntige tanden, zalig was dat.

Jonas Grimpeerd haalde met die laconieke air van hem weer maar eens zijn schouders op en dat was dat.

Op het einde van de brand waren de overgebleven voorraden foetsie weg, en die klote-vos? Die kreeg zijn zin: we sloegen een kamp op voor de avond, en iedereen stemde akkoord om de volgende dag op trektocht te gaan naar Euphrat, die achterlijke stom­koppen.

Het kamp bestond uit twee groepen. De eerste was groot, zeker twee derde van de overlevenden die niet gewond waren. Dat was Jonas’ groep. Ze dansten als kleine wilden rond de smeulende en vlammende resten van de cockpit, schaduwen op de rotsen werpend, joelend als knaapjes op hun eerste avontuur, en net als die knapen overmoedig, onbevreesd en onvermoeibaar. Ondoordacht en jong.

De tweede was mijn groepje: mijn eekhoorns, de kippen en één Ezel. Ezel zat naast me, terwijl de eekhoorns het zich zo goed en zo kwaad als het ging gemakkelijk maakten op de meedogenloze bodem.

Ik staarde verbolgen naar Jonas’ groep.

‘Denkt u dat de vos gelijk heeft?’ vroeg Ezel met zijn overslaande stem.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Denk je dat zo’n geniepige gluiperd als een vos, notabene, de waarheid spreekt? Zegt wat hij écht denkt? Neeneenee, mijn beste Ezel. Die vos daar, dat venijn, sproeit gif in andermans brein!’

‘Denkt u dat, mijnheer?’ blèrde Ezel.

‘Zo zeker als er mieren zijn in Euphrat, mijn beste intellectueel. Vertel eens, wat deed je daar, in de stad? Je ziet er stads uit, geen buitenpotertje of grond­delvertje. Een lesgevertje misschien.’

En hij knikte, die balkende trien.

‘Ahaaaa, dacht ik het niet. En welke stof stampte je in de hersentjes van de Euphratkoters?’

Ezel snoof alleen maar huiverend door zijn masker en schudde zijn kop tot zijn lange oren heen en weer flapten. Hij zag er behoorlijk onnozel uit voor zo’n slim beest, maar dat is van de meeste intellectuelen hun listige leest. Je denkt dat je hen aankunt, tot je te laat ontdekt dat het niet zo is. Ik vroeg me af wat het zou worden tussen de ezel en de vos en ik grijnsde. Wat zouden ze dansen, die twee.

Ze zouden in het rad dansen, ze zouden erbuiten dansen, ze zouden het spel van het leven spelen tot ze erbij neervielen, dacht ik zo.

Meestal denk ik behoorlijk juist. Dus de volgende dag wachtte ik met spanning op wat er zou komen. Ik zou de vos verschalken, ik zou hem bespelen. Ik zou winnen.

En de ezel? Ezels waren goede dansers, die kwamen meestal met alles weg en kregen geen slag van de molen.

Misschien omdat ze die al hadden.

En zo kwam het dat Ezel, ikzelf, het stel kippen met niet al te veel kop en de eekhoorns, de rest van de vossenbende en aanverwanten opwachtten.

En ik had gelijk. Toen wij niet naar hén kwamen, kwamen zij uitein­delijk naar ons toe.

 

#

 

Jonas Grimpeerd banjerde fier door het zand, krabde zich nonchalant over zijn kont en liet zijn meute met opgeheven hand halthouden toen hij in ons kamp arriveerde.

Vanachter zijn rug piepten nieuwsgierige vossen, konkelende fretten en gemene ratten naar ons.

‘En, notenkraker?’ groette Grimpeerd me. ‘Wat zal het zijn? Gaan jullie met ons mee op weg naar Euphrat om ons te helpen waar nodig? Of blijven jullie als laffe puppy’s wachten tot de versterkingstroepen arriveren? Ere wie ere toekomt, knagers.’

Ezel deed een stap naar voren.

En de dans begon.

 

#

 

‘Serieus? vroeg Jonas. ‘De ézel?’

De twee kampen mengden zich en vormden een cirkel om mij, Ezel en Grimpeerd. Het was een cirkel die zinderde van de verwachting. ACTIE, wij willen ACTIE, leken ze zonder woorden te schreeuwen.

En die kregen ze.

‘Noem me niet zo, smerig vossenbeest,’ balkte Ezel. Hij rukte het gasmasker van zijn snuit. Zijn kaken klapten op elkaar en een pluk groen vossenstaarthaar bleef tussen zijn tanden hangen. Hij spuwde het uit en trok snel het masker weer aan.

Grimpeerd gaf een boze, verontwaardigde grauw. Een paar fretten schoten in een giechelbui en Ezel stapte bijna terug in de groep. Ik gaf hem een duw tegen zijn tonronde billen.

‘Vooruit kerel, we volgen de vos!’

‘We volgen de vos we volgen de vos, nee dat doen we niet wij niet,’ kib­belden de kippen, van links naar rechts kijkend en zoekend naar iets wat er niet was en nooit zou zijn en…

Grimpeerd liet een diepe, hongerige grom over zijn weggetrokken lippen rollen, zijn tandvlees blikkerend, tanden dreigend in hun scherpte.

Het duurde even tot de kippen dat door hadden, maar toen de mist in hun kopjes uiteindelijk was opge­trokken dansten ze mee met ons het spel van de vos, fladderend en wel.

Jonas Grimpeerd grimaste naar me. ‘Zie je wel, noten­kraker,’ zei hij. ‘Ik zei toch dat we naar Euphrat zouden gaan? Het is onze beste optie, weet je,’ vervolgde hij toen minzaam, maar net iets te sluw.

‘Wat heb jij er bij te winnen om héél deze bende door de woestijn te sturen?’ blafte ik hem toe.

En hij grijnsde alleen maar.

Deze keer slaagde ik er niet in me te beheersen.

Ik gaf hem een vuistslag in zijn buik. Hij wankelde achteruit, recht in de armen van een knappe gazelle, veerde terug en haalde op de een of andere manier mijn benen onder me vandaan.

Ik viel met een belachelijke plof in het stof.

Ik krabbelde overeind.

Jonas grijnsde, waarna hij even snel weer op me af kwam. Hij bleef op een handbreedte van me staan. ‘Wat wou je doen dan? Huh?’ zei hij.

Ik deed een stap achteruit en besefte dat ik dat niet had moeten doen. Zijn bulderende lach belaagde me en liet waarschijnlijk de helft van mijn groepje naar zijn kant overlopen. Ik hief een vuist, klaar om opnieuw toe te slaan. Bereid om toe te slaan, gelijk wat de gevolgen deze keer waren.

Het was Ezel die me tegenhield en wegtrok.

De scheppers zij dank voor de Ezel.

En de vos? Kwaad leeft soms zonder motivatie of reden en tiert toch welig. Of we dat nu leuk vinden of niet.

En ik? Ik danste met dat kwaad door het levensrad. Wat in de praktijk wil zeggen, dat we gewoon verder gingen. Wat ons restte aan eten, overschotten uit de laatste wagons, nooit opgediende diners en dito drank, rustte samen met de reservegasmaskers op een slede, gemaakt van een wrakstuk. Aan de slee was met mono­railkabels een trekriem bevestigd.

‘Wie voelt zich geroepen onze last te dragen?’ riep Grimpeerd pom­peus.

De kippen giechelden en flapperden met hun vleugels. ‘Hoe kunnen we u van dienst zijn, heer vos?’ zei er eentje, met grote, knipperende ogen en lange wimpers.

‘In een pot en gestoofd, liefje, zo heb ik ze graag,’ antwoordde de vos. En toen de kip geschrokken achteruit deinsde: ‘Uw eieren, natuurlijk, lieve dame!’

De kippen flaneerden als een stel cancandanseressen rond hem en de vos tooide zich in hun veren, alvorens hen met zachte klauwen opzij te zetten.

‘Jij daar, struise kerel,’ riep hij. ‘Jij lijkt me geschikt voor zo’n helden­karwei, wat denk je?’ en hij beende met fiere passen op Ezel af, die achteruitschoof en zich achter mij en de andere eekhoorns probeerde te ver­stoppen. Een hilarische zaak die me enkel met tragiek vervulde, zijn omvang in acht genomen.

‘Hij heeft er geen zin in, vosmans,’ zei ik. ‘Laat hem met rust.’

‘Is de ezel dan niet sterk genoeg?’ vroeg Grimpeerd zich af. ‘Of is zijn ton te zwaar?’

Ezel balkte beledigd. ‘Denkt u, mijnheer, dat ik die slee niet kan trekken?’ Met trots opgeheven hoofd stapte hij op Grimpeerd af en nam de trekriemen van hem over.

Ezel die je bent, dacht ik.

Jammer dat we geen paard hadden om voor de kar te spannen, want de ezel had geen conditie. Zijn constitutie verraadde een levensstijl als bron van een pak kwalen, en die lieten zich niet voor een kar spannen zonder gevolgen.

‘Doe het niet, Ezel,’ zei ik met zachte stem.

‘Heb je er problemen mee dat de ezel zijn grootsheid demonstreert, notenkraker? Zou jij niet beter eens hetzelfde doen?’

Als de vos nog iets irritanter werd dan hij nu was, stond ik niet meer voor mezelf in. Het schoot door me heen dat hij ook zo deed tegen Ansalaam, en die bekende, teerzwarte haat laaide op. Gezien hoe zeld­zaam teer is op Mars, wil dat wel al het een en ander zeggen, niet­waar?

Jonas Grimpeerd keek me strak aan. ‘De. Ton. Trekt. Onze. Vracht,’ zei hij. Hij bleef me aankijken, niet op een ‘wat gaat het zijn, ja of nee’-manier. Maar op een ‘waag het niet me tegen te spreken’-manier. Het was een nieuwe stap in onze relatie, zou je kunnen zeggen. Een nieuw ritme in een eeuwenoude dans.

Ik slikte, en de ezel eindigde blèrend en wel voor de slee met proviand, gasmaskers en ganzenwijn.

Ik verloor iets, daar.

Het eerste van vele stukjes dierlijkheid. Hoeveel was ik er al van kwijt­geraakt door Zorani te bedriegen? Door me door Grimpeerd, die sluwe vos, voor zijn kar te laten spannen terwijl ik hem zou moeten lynchen maar besefte dat ik niet sterk genoeg was? Mijn vrouw, Zorani, was niet slecht. Het was alleen dat Ansalaam… nou ja, onweerstaanbaar was. Mijn soort. En onder Grimpeerds tirannie leefde. Ik krabde verwoed aan mijn jeukende schouders, en vervolgens aan mijn linkerzij. Niet toevallig waar mijn hart zat, toch? Vervloekte Marszandallergie. Vervloekte Mars, tout court.

Naast me begonnen de ratten zich ook overal te krabben, alsof ik hen met een instant-luizenplaag had aangestoken. Het was me wat met al dat zand. Het leidde tot een pak gedans met een zekere cadans. De cadans van ik-wil-niet-stoppen-maar-ik-zou-eigenlijk-wel-moeten.

En geef toe, niemand is goed in dié dans, toch?

Ezel danste ook. Een andere dans weliswaar.

Ezel liet zich voor de kar van Grimpeerd spannen. Hij zeulde en hij heulde, hij danste de vrouwenpassen en besefte het niet. Hij danste bovenal de traditionele vrouwenpassen waar de meeste mannen nog steeds van houden, op de geëmancipeerde na, en hij besefte het niet. Hij was nu eenmaal geen leider, hij was een volger.

Intellect heeft daar niets mee te maken. Opvoed­kundige indoctrinatie alles. En karakter. Karakter tout court.

Waarom zouden er anders zoveel slechte leiders zijn?

We volgden Jonas. Met lede ogen zag ik hoe de plaats van de crash steeds kleiner werd. De gewonden in Casanova’s laatste intacte inge­wanden, die eenzijdige minnaar van alles wat buitenissig en exclusief was, waren er erg aan toe. We moesten haast maken, en haast maken dat deden we. Grimpeerd zette er stevig de pas in, de kippen trippelden, de eekhoorns dartelden en de ratten stoven om ons heen door het zand.

De eerste dagen lukte het nog.

De volgende dagen al wat minder.

En de dagen daarop, werd het een sleur, letterlijk en figuurlijk.

De ezel en ik zaten elke nacht bij elkaar, en ik kwam erachter dat hij een heel intelligente, joviale kerel was, als je zijn gebalk kon negeren. ‘Waarom doe je dit toch?’ vroeg ik hem op de avond van de zevende dag.

Hij had de hele dag lopen zeulen en ook al werd zijn last lichter, ze leek elke dag moeilijker te dragen. ‘Iemand moet het doen, toch?’ kaatste hij terug. ‘En we moeten hulp halen voor de stakkers daar in die monorail. Wij kunnen dit, Sighile! Ik kan dit! Die ranke gazelles niet, en die arme kippen nog minder. Je moet het groter zien dan enkel de idioterie van een vos vol streken!’

Ik had hem er eindelijk van kunnen overtuigen me Sighile te noemen, in plaats van mijnheer. Zelf noemde ik hem echter nog altijd Ezel, maar nu op een aange­name manier. Op een samenzweerderige manier. Op een manier die zei dat ik hem eigenlijk wel mocht, en maar deed alsof dat niet zo was, om anderen voor de gek te houden.

Ezel krabde over zijn borst, onder zijn jasje, en kuchte lelijk.

‘Daar moet je mee opletten man,’ zei ik. ‘Voor je het weet wordt dat een kwalijke kou!’

Hij haalde zijn schouders op zoals hij dat bij alles deed.

Ik schudde mijn hoofd en draaide me op een bol, mijn staart onder mijn hoofd gevouwen. ‘Ik ga slapen, Ezel, strek je ook maar onder de sterren en sluit je ogen.

En Ezel deed het.

 

#

 

De volgende dag veranderde het landschap. De woestijn werd onder­broken door een hoge opgegooide rug van zand en rotsen: de buitenrand van een krater. De eerste die we tegenkwamen, en hij was te groot om er omheen te trekken. De monorail, nog steeds ons kruimelspoor naar huis, helde zachtjes en ging er overheen.

Wij moesten er ook overheen. We zwoegden en we puften, we hijgden en we tuften. Ezel vooral. Ik kon zweren dat zijn ton een tonnetje aan het worden was. Hij zag er eigenlijk niet zo goed uit, maar kweet zich plichtsbewust van zijn taak. Ik denk dat ik dat als enige besefte. De rest was te onzinnig, of wie weet begonnen ze allemaal aan woestijnziekte te lijden. Dat kon, weet je. De woestijnen van Mars zijn vreemd, of liever gezegd, ze hebben een vreemde uitwerking. Ze kunnen waanzin veroor­zaken, en het slechtste in een dier naar boven halen: overlevings­drang. Instinct.

Misschien kunnen die woestijnen ook nog een andere waanzin veroor­zaken: heldendrang. In dat geval kreeg het Ezel danig in zijn macht.

Hij werd er zelfs een beetje idioot door. Ik bedoel maar, welke ezel gaat er nou achter een ranke gazelle aan met de allure van een fotomodel? Diversiteit is een zegen, maar eveneens een uitdaging. Ik kon ervan meespreken. Voor we het weten willen we te hoog mikken. Of te buitenissig.

We hielden die middag halt aan de voet van de eerste hogere uitlopers van de kraterrand. Grote rotsblokken waren als door een reuzenhand in het rond gegooid. De impact van de asteroïde die de krater had veroorzaakt, moet enorm geweest zijn.

Grimpeerd schouwde zijn uitgeputte troepen.

Die bestonden ondertussen ook uit mijn eekhoorns en Ezel. Ik was solitair geworden, enkel nog solidair met Ezel. Verdomme, wat wil je anders, mijn eigen soort had me verraden en was met die halve bontjas gaan heulen toen bleek dat zijn klep groter was dan de mijne.

En dan die kippen met niet al te veel kop. Tja, daar kon je niet veel meer van verwachten dan dat weinig verstand op weinig verstand valt.

Ze konden het goed vinden met het gazelle-fotomodel.

Of wat had je anders gedacht?

We waren één hoop clichés op elkaar en dat was eigenlijk best walgelijk.

‘De ezel heeft meer rust nodig, Grimpeerd,’ zei ik, toen hij aanstalten maakte verder te gaan.

‘Waarom dan?’ zei de vos. ‘Er is niemand die hem vervangen kan, niemand zo groot en zo sterk. Kijk die spieren eens! Die van mij zijn nog niet half zo sterk. Die van jou?’

Ik bekeek mijn eigen, pover gespierde ledematen en die van de overige leden van mijn schriele soort. Zelfs met zijn allen samen zouden we de slee nog geen halve dag kunnen trekken. Er zat nog steeds leeftocht op.

Maar niet veel meer, en weer moest ik Grimpeerd gelijk geven. Willen of niet.

Grimpeerd gaf aan dat we de bergring over moesten. Zijn klep was ondertussen zodanig groot dat iedereen meteen akkoord ging. We volgden nog steeds de monorail, en gelukkig liep er een soort pad langs, een restant van de aanleg van het hele ding.

De eekhoorns volgden me. De kippen liepen voor me achter de gazelle aan, die op haar beurt achter Ezel aan sjokte. Ezel was doodop. Zijn blik was verdoft, zijn haren verstoft.

Het pad werd steeds maar smaller. De kloof ernaast steeds dieper. De stenen waren scherp en de rotsen staken gemeen uit, zo hier en daar. De gazelle liep een schram op.

En je zou denken, wat dan nog, maar denken levert niet steeds wat op.

Een rots en een schram daarentegen? Nou, de rots schoof weg. En een groter blok kwam naar beneden, en nou denk je, ai! Ze worden geplet. Maar nee. Het blok reduceerde onze leeftocht tot smos, en de slee was de klos.

Ze draaide, naar buiten, half van het pad af, en trok de ezel mee omdat hij de gazelle opzij had geduwd toen het rotsblok viel. Hij balkte en danste in de lucht toen hij over de rand werd getrokken aan de riemen die om zijn bovenlijf zaten, maar dat wou niet baten. Daar hing hij dan, wel honderd meter hoog en vooral droog aan de haak: de riemen bleven aan een rotspunt hangen, gleden naar zijn keel, geraakten er omheen gedraaid, knepen zijn strot fijn als een rietje… en wij stonden allen op een kluitje.

Om kort te gaan: we konden niets meer doen.

We trokken hem omhoog, maar hij was een dode pier voordat hij boven was. We droegen hem mee, op mijn koppige bevel.

We droegen hem mee en ’s avonds baarden we hem op in ons kamp, op een uitstulping langs het pad die vlak genoeg was om te kamperen zonder in de dieperik te vallen.

Een bedje voor de eeuwigdurende nacht.

 

#

 

De vos at zijn vlees graag vers en rauw en wat was hij gelukkig.

 

#

 

De ezel was dood en iedereen vierde feest.

Ook ik. Het was nacht en ik schaamde me. Ik was een vriend kwijt­geraakt en ik kletste met mijn soort­genoten, die me opeens weer zagen staan. Ik kletste en we sliepen, en de volgende ochtend voelden we ons leeg en somber, kil als die omelet-woestijn en die afstandelijke zon.

Het was toch alleen maar zielig dat de ezel dood was.

Hij danste niet meer. Hij lag daar als een zielig hoopje. Zand begon zich al in zijn vacht te nestelen, daar waar hij niet als een buffet was aange­sneden en aangevreten en het zand zich donker in half-geronnen bloed baadde. Zijn nette jasje, ondertussen gescheurd en vuil van al het sleur­werk dat hij had gedaan, zat als een groteske tent om hem heen gevouwen, flapperend in de wind. Hij was namelijk een groot deel van zijn tonrondte kwijtgeraakt onderweg, en zeker gisteren­avond.

Ik liep op hem af en kon de neiging niet onder­drukken zijn jasje te openen, zijn teloorgegane lijf te aanschouwen.

Maar zijn aanblik, daaronder, onder die lompen, deed me de wenk­brauwen fronsen.

Het leven is een rad en meestal weet ik waar ik sta, maar nu wist ik het niet.

Zijn buik was kaal, waar de predatoren hem met rust hadden gelaten. Niet zomaar een beetje haaruitval, maar helemaal, compleet kaal. Als een pasgeboren welp. Rozig en kwetsbaar. Ingevallen en plat, niet zoals een tonronde ezel zou moeten zijn. Het stikstofmasker was van zijn snuit gegleden en zijn muil hing open. De zware kiezen, malers, werden al dof.

Een blafferige lach trok mijn aandacht. De vos, dat slinkse beest, die nachtridder, die dienaar van sluw­heid, spelletjes en listen. Zijn ogen glansden, spiegel­den de ziel van een ander zonder de zijne prijs te geven.

‘Hij is dood. Ezel is dood. Nee, verdomme, Márk is dood, jij, jij, klótevos!’ zei ik.

Het antwoord was weer zo’n blafferige lach.

En waarom trok ik me dat zo aan? De ezel was een intellectuele idioot geweest met een slechte conditie en een levensstijl die zijn natuurlijke staat nog aanwak­kerde. Hij was nooit oud geworden.

Maar hij had het goed bedoeld. Er had geen greintje kwaad in hem gezeten. En ik wist opeens waarom ik zijn dood zo erg vond. Het was niet omdat hij een vriend was geworden. Nee.

Zijn goedheid, zijn bezorgdheid om anderen, hij deed me aan Ansalaam denken.

Aan Ansalaam. Aan Ansalaam met eenzelfde zorg­zaamheid in haar karakter, aan Ansalaam die onder dezelfde vossenstreken geleden had als waardoor deze arme Ezel het leven had gelaten. Neen. Márk. Soms kennen we dieren pas echt als ze dood zijn. Als ze hun laatste slag van de molen hebben gekregen.

Soms kennen we onszelf pas als we uit het rad stappen en wachten op die laatste slag, de huppelde­pup dansend om de raderen te ontwijken en zo te ontdekken dat het leven búíten dat rad, eigenlijk veel interessanter is dan erín, ondanks het risico.

Er glansde iets in Marks binnenzak. Mijn hand gleed ernaartoe nog voor ik bewust doorhad dat het een Mag.3 was, met geladen magazijn, alles erop en eraan. Waarom liep een ezel daarmee rond? Omdat hij nou eenmaal een ezel was?

Ik stormde tegelijk met de vos naar voren, duwde een stel kakelkippen opzij die hun neus snoten in hun vleugelveren, kegelde fretten omver, sloeg ratten opzij… en richtte Marks vuurwapen. Eindelijk. Gerechtig­heid. Misschien was ik toch niet zoveel beter dan zo’n roofzuchtige jager. Of de jager haalde me neer tot op zijn niveau, dat kan ook.

Met een droge klik trok ik de veiligheidspal achter­over.

Tegelijk klonk een tweede klik.

Grimpeerd grauwde en klauwde zijn bionische hand om een tweede wapen. Identiek aan het mijne. Versiering en al. Een paar. De ezel, ik zou hem wat.

‘Ik dénk dat ze dit een patstelling noemen, noten­kraker,’ blafte Grim­peerd. ‘We kunnen elkaar natuur­lijk naar de verdoemenis knallen, maar wat schieten we daarmee op, huh?’

‘O, we zouden er veel mee opschieten, geloof me maar, halsbontje!’ zei ik. Even knipperde hij verbaasd met zijn ogen. Nee, hij wist het niet, van Ansalaam en mij, anders had hij nu allang de trekker overgehaald.

In plaats daarvan rukte hij het masker van mijn hoofd.

Mijn strot werd dichtgeknepen en ik zakte naar mijn keel klauwend op mijn knieën. Het vuurwapen plofte in het zand. Nutteloos. Ik had tenminste nog de tegen­woordigheid van geest om vervolgens naar het masker in Jonas’ klauwen te grijpen. Hij danste opzij, met grijnzende tanden en een hongerige, wraakzuchtige blik.

Jonas Grimpeerd was toch niet per toeval in mijn coupé belandt. Hij had de ezel niet zomaar gekozen om te sterven. Hij wilde van in het begin al met mij afrekenen.

Hij at zijn vlees het liefste rauw en vers.

Grimpeerd stond op het punt toe te slaan, maar iets weerhield hem. Ik vocht om te kunnen ademen, maar elke ademteug gaf me maar heel weinig stikstof.

Ik ademde steeds sneller in en uit.

Mijn hart racete naar de eindmeet.

Azuurblauw.

De pyroklastische wolk die op ons af kwam, was azuurblauw. Ik hief een beverige arm en wees achter Grimpeerd. Hij draaide zich om en de grijns werd van zijn smoelwerk geveegd.

Donkere, vage vormen dreven boven de wolk.

‘Luchtschepen van de bronplaneet!’ riep iemand van achter ons.

Gegil brak uit en sommigen stoven blindelings de woestijn in.

Ik lag naar adem happend op de grond, azuurblauw gas drong naar binnen, mijn blikveld werd wazig, en trok vervolgens weer een beetje op. Ik ademde minder snel in en uit en zelfs mijn hart leek wat rustiger te slaan.

Daar zal je het hebben, het einde, dacht ik. Dat beteke­nis­loze slot. Die laatste slag van de molen.

Het spijt me zo, Ansalaam. We hadden het zo goed kunnen hebben.

De ruimteschepen spuwden hun lading van azuur­blauw gekleurd gas uit. Zo ver als ik kon kijken.

De woestijn kreeg een paarsachtige tint, het geel werd groenig. Straks ging het hier op de bronplaneet van de scheppers lijken. Dat vond ik maar niks. Waren er ooit van die clichématige voorspellingen geweest over de scheppers die terug naar onze planeet zouden afdalen? Nee. Niet dat ik wist althans, maar ik weet verre van alles. Anders lag ik hier nu niet. Anders zou ik echt wel weten waarom die gaswolk over onze planeet werd verspreid.

Het gas kwam verder over ons, werd een mist waar we als verloren schapen in ronddoolden. Ik kon weer ademen, kon weer opstaan, en strompelde met de rest mee. Rondjes, waarschijnlijk.

Ik krabde me, want mijn Marszandallergie speelde onvoorstelbaar op. Ik rukte zelfs plukken van mijn dikke, groene haar uit mijn lijf. Tot de andere dieren dit ook deden. Ik stopte met krabben.

Mijn medereizigers rukten zich de haren uit hun vacht. Ze werden steeds kaler. Wat ze er niet uit­trokken, viel eruit. Was dit de oplossing van de natuur tegen die veel te zuurstofrijke atmosfeer? Onze foto­synthese stopzetten? Nou, dan zouden we al snel voedsel te kort hebben… Het was een vreemd rationele gedachte in de soep van de wanorde die heerste.

Ik zakte weer op mijn knieën toen een pijnscheut door mijn voeten trok, en mijn bionische handen opeens onaangenaam strak kwamen te zitten. Het klem­mende gevoel ging over in snijdende pijn­schok­ken. Ik rukte de bionische onderdelen af.

Ik keek naar mijn kale huid, naar de afgestoten bionische onderdelen die mijn lichaam niet meer leek nodig te hebben.

Grimpeerd dook opeens op uit het stof en de azuren nevel.

Eenmaal naast me zakte hij ontzet op zijn knieën. Hij had zijn wapen nog steeds vastgeklemd, en het zelfs weer op mij gericht toen hij me herkende, maar nu viel het met een nutteloze plof in het zand, samen met zijn bionische handen. Om ons heen rukte de gaswolk verder op over de overlevenden. Ook Jonas was onder­tussen al zijn haar kwijt. Hij vouwde zijn armstompen voor zijn geslachtsdelen. Alleen waren de uiteinden geen stompen meer. Vijf kleinere stompjes, zachtroze en kwetsbaar als een baby, ontsproten daar waar de bionische hand had vastgezeten. Het geheel gebeurde niet zonder slag of stoot: hij bloedde, rood en nat drupte het op de Marsbodem, waar het direct in het dorstige zand drong.

‘We waren idioten,’ bazelde hij, alvorens hij het bewustzijn verloor.

Ik vroeg me af of we dat werkelijk waren. Kun je een idioot zijn als je onmogelijk kunt weten wat er achter de hemel schuilt en het je dan opeens onaangenaam verrast? Terwijl ik dat dacht vervaagde zijn snuit voor mijn ogen, trok zich terug in zijn hoofd, werd plat en kaal, met tanden die voor mijn ogen van vorm veranderden. Ze werden breder, vlakker, stomper. Zijn stikstofmasker viel af, paste niet meer op zijn platte kop, maar vreemd genoeg leek hij daar juist beter door te kunnen ademen, in plaats van te stikken.

Net als ik.

De ratten, fretten, vossen en eekhoorns om me heen waren op de zandbodem neergezegen. Vunzig en ranzig kronkelden ze uit hun kleren, uit hun vachten. Ze kronkelden over elkaar heen, naakt als pasgeboren jongen, strelend, grabbelend, hebberig naar elkaar in hun nood, in hun vastklampen aan leven, vrouwen en mannen door elkaar heen over elkaar heen in elkaar en uit elkaar vulgair en geliefd.

En weet je wat? In al hun haarloze naaktheid, in al hun steeds maar toenemende uniformiteit in vorm en bouw, leken ze niet enkel op elkaar, ze leken ook op die roodachtige woestijn, met een kleur variërend van geronnen bloed tot die van die rozerood beschimmelde omelet onder die veel te kille, onver­schil­lige zon, alsof het niemand iets kon schelen wat we deden, wij, als vagebonden schurkend in het zand. Anders en toch allemaal hetzelfde.

En het leven ging door.

Een luide krak trok door mijn schedel. Ik klemde kreunend mijn handen om mijn hoofd. Mijn armen waren ondertussen ook al kaal.

Ik ga op hem lijken. We gaan gewoon allemaal op elkaar gelijken, dacht ik ontzet, en dan gaan we dood. De verschillen tussen Jonas Grimpeerd en mezelf, die me nog geen uren geleden met weerzin vervuld hadden, leken me nu een welkome gelegenheid om te kijken wat we ermee konden doen. Te laat, Sighile, veel te laat. Je staat buiten het rad te dansen in een wanhopige poging geen slag van de molen des levens te krijgen, idioot die je bent, hoe mooi dat leven ook is.

En toen zakte ook ik op mijn knieën, huiverend, stuiptrekkend, en vervolgens naar adem happend en ik besefte wat er met ons gebeurde.

Elk conflict wordt geboren uit onze triviale menings­verschillen.

Hoe ontzettend de waarheid ook was. Hoe ongelofe­lijk.

Alles wat we doen is uiteindelijk betekenis­loos.

En dus dacht ik in die laatste ogenblikken als Mars­dier eigenlijk enkel aan Ansalaam. Dat strekt me tot eer, of niet soms? Mijn geliefde was bij me, daar in die koude, van elke vorm van mededogen verstoken woestijn. We hadden geleefd, Ansalaam en ik. Geleefd zoals zo velen van ons, in zonde, in het geheim, we hadden gelachen, we hadden gedanst. We hadden geneukt en de liefde bedreven, en nee, dat is niet helemaal hetzelfde.

Ook al stelt al die individualiteit allemaal niets voor in het oog van de kosmos of op de schaallat van het universum.

Wat hebben we gedanst en gevreeën, Ansalaam, dacht ik. En het was goed. Het leven was goed zoals het geweest was.

Ik sloot mijn ogen en gaf me over aan de onver­mijde­lijke humaan­wording die ons boven ons dier-zijn zou verheffen. We zouden het evenbeeld worden van onze scheppers! Bestond er een hoger goed, een hogere gave? Het was misschien goed zoals het geweest was, maar alles zou beter worden nu.

Geloof je me?

Categories