web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Algorhythm’n’blues : Jack Schlimazlnik

Algorhythm’n’blues

Jack Schlimazlnik

 

Ik heb een dochter. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar maak, doet soms fysiek pijn, daarom denk ik dat, voel ik dat ik een dochter heb. Dan pak ik haar foto, genomen op een zonovergoten strand en kijk ik naar haar. Denk ik, want er is weinig meer over dan enkele vale vlekken tegen een witte achtergrond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond. Maar ik denk dat het mijn dochter is.

 

‘Mam,’ zei ze. ‘Pap. Mag die foto weg?’ Ze was net acht geworden. Met afgrijzen wees ze op een foto van haar­zelf als baby. De foto stond op ons online gezins­profiel. Ik had de foto van onze parel gemaakt toen ze pas was geboren, in de roes van blijdschap over het feit dat ze er was, de wens die vreugde met de wereld te delen en me die dag voor altijd te kunnen her­in­ne­ren.

‘Wat is er mis met die foto?’ vroeg ik.

‘Het is niet leuk,’ zei ze. ‘Niet iedereen hoeft te zien hoe ik vroeger was.’

‘Vind je het beschamend?’

Ze knikte.

Ik haalde de foto weg van het profiel. We hadden altijd nog een back-up, de foto zat in mijn privé-foto­collectie en afgedrukt op fotopapier in mijn porte­feuille. Ik zou mij door die foto nog tot in lengte van dagen kunnen laten herinneren hoe het was, in die tijd vlak na haar geboorte, toen ze kwetsbaar in de couveuse lag en naar mij lachte.

 

‘Pa, ma,’ zei ze. ‘Doe die foto weg. Het is bescha­mend.’ Ze was bijna zestien. De foto was genomen in de kerk, op de bruiloft van haar neef, vier jaar terug. Ze was het bruidsmeisje. Voor ons was ze mooier dan de bruid, maar zij keek met walging naar de foto.

‘Vind je het geen mooie herinnering?’ vroeg ik.

‘We hebben zoveel foto’s van vroeger dat we verge­ten in het nu te leven,’ zei ze nors. ‘Het is tegen­natuurlijk.’

‘Is het pijnlijk?’

‘Dat zal het wel worden.’ Ze haalde een map met aantekeningen tevoor­schijn. Er stond in sierlijke letters ‘spreekbeurt’ op. ‘Weet je hoeveel cloudservers er nodig zijn om de foto’s die onze herinneringen zijn online beschikbaar te houden? Hoeveel energie dat kost? Héél veel! Ook draagt dat erg bij aan de opwarming van de aarde. Jullie generatie met zijn hang naar nostalgie maakt mijn toekomst kapot!’

Ik dacht niet dat het zin zou hebben in discussie te gaan met een opstandige puber, daarom haalde ik de foto van het bruidsmeisje weg. Ik verzweeg dat de afdruk in mijn dagboek was geplakt.

 

Onze dochter nam nooit selfies. Op de diploma-uitreiking van het gymnasium verbood ze ons en anderen foto’s van haar te maken, zich beroepend op het portretrecht.

Ik probeerde de gebeurtenis in mijn geheugen te griffen. Ik had al geprobeerd om uit mijn geheugen gebeurtenissen te tekenen, maar ik ben geen grafisch artiest. Het pijnlijkst was voor mij dat mijn verleden gaten ging vertonen van zaken die ik me niet precies kon herinneren, zoals de blik van mijn dochter toen ze dat diploma kreeg, toen ze een groot compliment kreeg van de rector, toen ze afscheid nam van de school, de docenten en haar klasgenoten. Ik kon me het beeld in detail niet meer voor ogen halen, het werd versluierd door emoties, zodat ik het niet waarheidsgetrouw kon tekenen. Het ging voor altijd verloren.

Kort daarna, voordat ze zou gaan studeren, gingen we voor de laatste keer met het hele gezin op vakantie naar Texel. Daar, op het strand bij de Slufter, nam ik stiekem enkele foto’s van mijn gezin terwijl we naar schelpen zochten en de hond blaffend tegen de golven tekeerging. De mooiste schelp namen we als souvenir mee naar huis.

 

Ik heb een dochter, maar je zou het niet denken als je mijn foto’s ziet. Die stiekeme foto’s van wat mij dierbaar was, daar op Texel, zijn de laatste foto’s die ik ooit van mijn dochter heb genomen. Ze zijn overbelicht in de zomerzon die op de kalme zee weerspiegelt. Ik ruik het zout als ik de foto bekijk, ik hoor de branding.

Ik zou beter mijn best hebben gedaan op het beeld als ik wist dat het verleden net zo onzeker werd als de toekomst.

 

Ze ging wiskunde en informatietechnologie studeren. Ze ging op kamers, woonde niet meer bij ons thuis. Elke ochtend dacht ik aan haar, steeds minder kon ik me haar gezicht herinneren, totdat ze langs kwam en ik mijn geheugen kon verversen. Ze veranderde, ze werd van een puber een vrouw, een schokkend proces doordat ik de geleidelijkheid niet zag. Ze genoot van haar vrijheid, ze vertelde ons dat ze zich had aange­sloten bij actiegroepen voor een beter milieu en voor privacybescherming, ze ging op muziekles, ze ont­moette René, een student scheikunde.

‘Wat is dat voor jongen, die René?’ vroeg ik.

Ze glimlachte, een intens verliefde blik die ik liever niet wilde vergeten, maar het moment ging voorbij en de herinnering beklijfde onvoldoende. ‘Hij is oké,’ zei ze.

‘Stuur eens een foto van hem,’ vroeg ik.

‘Dat wil hij niet.’

Ik aarzelde. Wat waren moderne zeden? Kon ik René al thuis uitnodigen of kwam dat pas in een later stadium? Mocht ik vragen in welk stadium hun relatie was? ‘Wat doet hij? Waar komt hij vandaan? Wat doen zijn ouders?’

‘Hij bakt muffins,’ zei ze en overhandigde me een Tupperware-doosje, gevuld met muffins. Ze liet me een muziekstuk horen. ‘Dat heb ik gemaakt, het geeft zijn ziel weer.’ Ik hoorde een soort jodelen, dat ze ‘joiken’ noemde, over aritmische muziek waarin omgevingsgeluiden waren verwerkt. ‘Het is een soundscape,’ verduidelijkte ze. Ik heb het muziekstuk daarna nooit meer gehoord. Toen ik haar ernaar vroeg, vlak voor haar huwelijk, zei ze dat ze het had gewist. Voorgoed.

René kwam na een half jaar op bezoek. Het was een prima kerel, keurig opgevoed. Hij gaf me een doosje muffins, die me goed smaakten. Ik merkte dat hij smoorverliefd was op mijn dochter, ze waren een dubbelster, zo stralend dat ze het duistere heelal om zich heen niet zagen. Ze gingen samenwonen. Soms ontving ik soundscapes van haar, maar als ik ze terugzocht kon ik ze niet vinden. Het was in die tijd dat ik haar naam begon te vergeten en af en toe twijfelde aan het bestaan van mijn dochter. Dan pakte ik de foto van het Texelse strand, die over­belichte foto met de vage contouren waarin ik mijn dochter her­kende. Ze kwam nog maar zelden op bezoek, wij bezochten haar zelden, want ze zei het druk te hebben met haar afstuderen en trok zich daarom terug in haar schulp, beschermd door René.

 

‘Het is niet natuurlijk dat we alles proberen te onthouden’ was in een krant te lezen geweest. Namens een actiegroep hield mijn dochter een interview. ‘De natuur is een levend wezen dat alles beter kan verteren als het langzaam vergaat.’ Ze herhaalde wat ze jaren terug in haar spreek­beurt had verwerkt, over de talloze cloudservers die onze herinneringen moesten bewaren, en de vele back-ups daarvan. ‘Het is beter dat we vergeten.’

In het wetenschappelijk tijdschrift dat na haar afstuderen verscheen, liet ze meer los over het afstudeerproject waarvoor ze summa cum laude was geslaagd. ‘Het is een psychologisch proces dat we dat wat van vroeger is beter waarderen dan wat in het heden is. Het gaat over herinneringen, over weemoed en melancholie, nostalgie. ‘Vroeger was alles beter’. Wij vinden dat belangrijk, het benadrukt dat wij sterfelijk zijn en van het heden moeten profiteren door een herinnering na te laten. We kopen vintage voorwerpen met defecten, roest, beschadi­gingen, verwering omdat ze ons de vergankelijkheid laten zien. Onze foto’s bewerken we met een filter om er een ouderwetse glans aan te geven, alsof de foto met een camera obscura is gemaakt, of een polaroid­camera, of zelfs is geschilderd in een of andere prehistorische stijl. We geven onze muziek een extra kraak mee, alsof we luisteren naar een naald in een groef terwijl we slechts naar een digitaal bestand luisteren. Met mijn algoritme krijgen digitale foto’s wel het patina van vroeger met een filter, maar dan langzaam, door de jaren heen. Zo verweren de digitale foto’s op een natuurlijke manier.’ Op internet was korte tijd een time-lapse filmpje te vinden van haar experiment met een foto op een smartphone, die langzaam op het schermpje verging terwijl zij haar doctoraalscriptie schreef. Ze verzekerde dat het proces ook langzamer kon verlopen, afhankelijk van enkele variabelen in het algoritme, zo had ze ook voorzien in een aansluiting met een vochtsensor: bij vochtige omstandigheden verliep de verwering sneller.

‘Er is iets dat nog veel belangrijker is,’ stond in het interview. ‘Door het verleden langzaam te laten ver­gaan, kunnen we ons losmaken van de last van vroeger, we worden dan niet meer geconfronteerd door de schulden die inmiddels afgelost zijn, over­tredingen die al lang zijn bestraft of alles­verterende wraakgevoelens. We hoeven niet meer te zijn wie we vroeger waren. Dat is waarom privacy­beschermers interesse hebben in mijn algoritme. Het kan alle persoonlijke gegevens uit databases ver­wijderen. Je vroegere zelf vervaagt ermee uit de archieven, zodat je uiteindelijk herboren kunt worden. Het is weder­opstanding, verlossing.’ Er volgde een overzicht van de juridische haken en ogen. ‘Er zijn basisgegevens die om administratieve redenen moeten worden bewaard, de rest kan weg.’ Opnieuw herhaalde ze haar statement over de milieu­vervuiling die door cloud­servers werd veroorzaakt. ‘Als je al die infor­matie zoals vroeger in huis op papier zou bewaren, zou je een flinke archiefkelder nodig hebben. Waarom willen we tegenwoordig in dat muffe verleden zwelgen? Is dat omdat we steeds weer het confron­terende heden vergeten als we elk moment van de dag gegevens uit het geheugen van onze digitale back-up halen?’

Ik kan het interview niet meer terugvinden. Soms twijfel ik of ik het werkelijk heb gelezen. Kun je het verleden zomaar wegnemen? Het lijkt er soms op dat de gaten van wat is verweerd worden opgevuld met willekeurige nieuwe herinneringen, valse herinne­ringen. Als de eb het water wegtrekt van het strand, komt daarna de vloed om eindeloos nieuwe schelpen op het zand te werpen alsof de kust herboren moet worden.

 

Mijn dochter. Ik bewonderde haar bevlogenheid, maar haar naïviteit beangstigde me. Het artikel was nauwe­lijks gepubliceerd, of degenen met de meeste belangen wierpen zich op de doorontwikkeling van het algo­ritme, op de implementatie ervan op diverse systemen en het ontrollen ervan op het internet, inclusief de cloudservers. Overheden gebruikten het algoritme gericht om te wissen wat ze volgens de privacy­wet­geving niet langer mochten bewaren. Top­crimi­nelen kregen een brandschoon verleden, evenals oorlogs­misdadigers en politici. Beroemdheden wisten onwel­gevallige episoden uit hun roemruchte verleden, daarna werden de gaten opgevuld met wensbeelden van een fictief verleden.

 

De zaak van Eugène de Tilleul maakte het algoritme wereldwijd bekend. De zaak is zo vaak herhaald en gekopieerd dat deze ondanks het algorit­me nu nog steeds in de cloud is te vinden. De Tilleul werd minister van Defensie. Kort na zijn benoeming beweerden mensen dat zijn verleden niet zo was als hij deed voorkomen, hij werd beschuldigd van spio­nage, wat voor een minister van Defensie fataal is. De Tilleul zei dat het laster was, leugens. Hij beval de lasteraars met concreet bewijs te komen, anders zou hij hen wegens smaad voor de rechter dagen.

Natuurlijk was er van zijn verleden in de gedigi­tali­seerde archieven niets meer te vinden dat op spionage wees. Het algoritme werkte immers perfect.

Ik zat tijdens de live-verslaglegging van de rechts­zaak op het puntje van mijn stoel. Ik wist dat er veel op het spel stond, hoewel ik niet precies wist wat. De Tilleul kwam over als een onsympathieke, manipu­lerende man, iemand met te veel ego, iemand die over lijken kon gaan, dus voor hem vreesde ik niet. Het ging dieper dan dat. Soms dacht ik, in een vlaag van helderheid uit een reeds lang verweerd en muf verleden, dat ik een dochter had. De rechtszaak was voor háár belangrijk, besefte ik.

‘U heeft niets in de archieven kunnen vinden,’ zei Mr. de Tilleul, die zichzelf verdedigde, want wat wèl onomstotelijk van hem bekend was, was dat hij meester in de rechten was.

‘We hebben afdrukken,’ zei de aanklager. Ze over­handigde enkele mappen met documenten.

‘Vervalsingen,’ snoefde de Meester toen hij er een blik op wierp. ‘Gefotoshopt, iedere idioot kan het. U kunt me niets maken. Het enige dat u wilt, is mij zwart maken. U zou beter excuses aanbieden voor de manier waarop u mij hiermee krenkt.’

De aanklager riep getuigen op. Stuk voor stuk vertelden deze mensen hoe ze De Tilleul kenden uit het verleden. Bedrijfsspionage. Belangen­verstrenge­lingen. Contacten met mensen van buitenlandse, vijandige veiligheidsdiensten. Gezocht door de AIVD, de Securité, de CIA, de Mossad.

De Tilleul bleef onaangedaan. ‘Ze liegen, of hun geheugen speelt hen parten.’

De rechter schortte de zitting op. Ik bleef verbijsterd op het puntje van mijn stoel zitten. Wat zou de rechter zwaarder laten wegen? Archieven of het menselijk geheugen? Een team van deskundigen reflecteerde de zaak in de televisiestudio. Een jonge vrouw gaf een toelichting bij het algoritme, hoe de variabelen werkten en hoe het gericht een deel van het verleden kon verwijderen.

De rechtszaak werd voortgezet. In wat volgde legde een door de verde­diging opgeroepen psycholoog uit hoe het menselijk brein werkte. Het brein was tame­lijk vaak het slachtoffer van verkeerde inter­pre­taties, illusies, hallucinaties, verkeerde conclusies en foute aannames die de moeder van elke fuck-up zijn. Kortom, het menselijk brein was niet fool-proof. Aan het geheugen kon geen waarde worden gehecht. Integendeel, het werd vaak aangevuld om het beter te laten passen in de situatie van het heden, wat cogni­tieve dissonantie werd genoemd of als selectieve amnesia werd beschimpt.

De Tilleul grijnsde in de televisiecamera’s na het relaas van de psycholoog.

De zaal explodeerde in een spreekkoor. ‘Leugenaar! Bedrieger! Fantast!’ Op de achtergrond scandeerde het koor ‘De doodstraf! De doodstraf voor hoogverraad!’

‘Stilte!’ hamerde de rechter.

De uitspraak liet niet lang op zich wachten. Bij gebrek aan ander bewijs moest de rechter afgaan op de gedetailleerde en coherente verhalen van de getuigen.

De jonge vrouw in de studio verbleekte. Toen een traan over haar wang rolde, voelde ik de pijn, ik proefde het zout. Ik herkende mijn dochter die hoorde hoe haar algoritme niet voldoende van het verleden kon wissen om het helemaal te vergeten.

 

Ze stuurde mij een van haar soundscapes. De toon­zetting was mineur, doordesemd met een wee­moedige ondertoon. De blues. Het geluid kabbelde eerst, werd later ruiger, een waterval van klanken, tot het een alles verscheurende kreet in de crescendo werd.

Ik zag het als een schreeuw om hulp en ging naar haar toe. Ze verze­kerde dat alles weer in orde was. Natuurlijk was ze aangeslagen en teleurgesteld over de manier waarop de wereld met haar algoritme omging, maar, zo verzekerde ze mij, dat zou ze snel vergeten zijn. Ze vertrouwde me toe dat ze samen met René aan een nieuw project was begonnen, nog veel groter, nog veel avontuurlijker. Ik zag de passie in hun beider ogen, passie voor elkaar en voor hun project.

De tweede keer dat ik naar die soundscape luisterde, klonk die veel doffer. Ik besefte dat het algoritme het geluidsbestand al had aangetast. Na enkele dagen hoorde ik slechts ruis als de branding die zich op het strand krult.

 

Ik swipete door mijn privé-fotocollectie. Verbleekte foto’s schoven aan mij voorbij. Soms herkende ik een vage omtrek, zoals de schaduwen van een verder lege couveuse, of de spitsbogen van een kerk. Ik weet niet hoe het algoritme zich verspreidde, maar hier en daar las ik dat het viral was gegaan. Het verspreide zich als een ziekte, mensen die werden getroffen door de nadelige effecten noemden het pixelpest. De pixelpest had ook mijn back-ups bereikt. Ergens wist ik dat het algoritme dat op de digitale bestanden was losgelaten misschien teruggerekend kon worden, zodat de gevol­gen ongedaan konden worden, maar veel hoop had ik niet. Toch bewaarde ik de bestanden, die uit een schrikbarend laag aantal bytes bestonden. Het werden er dagelijks minder.

Natuurlijk had ik ook mijn dagboek met afdrukken. Het was al oud, het had een muffe geur, natuurlijk verval had zijn werk gedaan. Verbleekt door licht, aangetast door zilvervisjes en vocht, doorgelopen inkt en om zich heen vretende lijm, papier dat van nature organisch was en dus tot stof verging, het was allemaal niet voor de eeuwigheid.

Ik keek naar buiten. Daar veranderde de wereld ook steeds. Niets was voor de eeuwigheid, ondanks de talloze cloudservers waarop we poogden onze herinneringen te bewaren. Ik keek naar de blauwe lucht van die zomerdag die me met weemoed aan Texel deed herinneren. Wolken zeilden over dat blauw. Vliegtuigen doorkruisten die azuren hemel. Ze lieten lange, witte sporen achter die vervaagden alsof ook daar de pixelpest zijn werk deed.

 

‘Het is uit,’ zei ze. ‘Ik ga weg bij René. Ik herken in hem niet meer de man met wie ik ooit ben getrouwd.’ Ik voelde haar verdriet.

De scheiding liet niet lang op zich wachten. Ze wierp zich op haar werk. Ze werkte aan een carrière als muzikant. Het resultaat was nu en dan te horen op de radio, vluchtig en gehaast, het een om het algoritme voor te zijn, het ander om zo snel mogelijk weer vergeten te worden. Deze kunst werd goed ontvangen als kunstzinnige interpretatie van het consumen­tisme waarin duurzaamheid het moest afleggen tegen de kapitalistische drang om te blijven produceren en verkopen; wat niet vergaat hoeft niet vervangen te worden en hoeft dus niet opnieuw geproduceerd te worden, het levert daarom geen winst op.

Hoe zouden zij die zondigden vergiffenis kunnen vragen als wij ons hun daden niet meer herinneren? Die vraag zong rond in de tonen van mijn dochter. Hoe kun je schuld voelen als niemand zich jouw misdaden kan herinneren? Maar ook die vraag vervaagde in het verleden.

Ik keek naar de schelp die we hadden gevonden op Texel. Tot dusver was die nog niet aangetast door pixelpest. Ik dacht aan de miljoenen jaren oude fos­sielen van schelpen die waren gevonden: hoelang zou deze schelp nog een herinnering zijn? Misschien was het belangrijker hoe lang ik me nog kon herinneren waarvan de schelp een souvenir was.

 

‘Moeder?’ vroeg ze. ‘Vader?’ De jonge vrouw die voor onze deur stond keek ons wat verwilderd aan. Ik kende haar niet.

‘Ik denk dat je verkeerd bent,’ zei ik.

‘Dat is dan een pijnlijke vergissing.’ Ze keek langs mij heen de gang in, nieuwsgierig, keek nog eens in mijn ogen. Verbaasd keek ze naar het huis, de tuin, de straat, alsof ze daar voor de eerste keer was, maar enkele details toch leek te herkennen. Ze liep het tuinpad uit en aarzelde terwijl ze naar de blauwe hemel met de condensstrepen keek. Ze keek om, wierp nog een verwarde blik op mij, koos toen zorgeloos voor de weg naar het centrum. Ze bleef een vreemde voor me, gesloten als een oester, hoewel ze me ergens bekend voorkwam.

 

Ze stuurde mij de laatste van haar soundscapes. Het bestand had de naam Fade Out. Het begon met een oerschreeuw en uptempo muziek, om langzaam over te gaan in een lang muziekstuk met een bluestoon­ladder, het gejank van een gitaar en joiken als een klaagzang. De laatste kreten waren met een sampler bewerkt, de herhaling ervan verwekte een ver­vreemding die eender was aan die van bepaalde drugs. Daarna kwam de daadwerkelijke fade-out, het geluid van het ene instrument na het andere doofde uit, tot alleen ruis overbleef met hier en daar het kraken van een naald of de tik van een onregelmatigheid, veroor­zaakt door het stof van de vergankelijkheid.

Hoe vaker ik het stuk hoorde, des te eerder de ruis was te horen. Na verloop van tijd verdween het hele stuk in aanzwellende ruis, kraken en tikken. Ik wist dat sommige mensen, ondanks het ontbreken van het visuele aspect, het pixelpest noemden, anderen zeiden bitrot. Zelf noem ik het liever een pijnlijk verlies als kunst voor eeuwig verloren gaat, hoewel ik in dit geval zeker wist dat de kunstenaar dit met opzet had gedaan.

Ik knipperde mijn tranen weg en keek door het raam naar de blauwe hemel die werd doorsneden door lange, witte stroken. Het kielzog van vliegtuigen. Condens. Chemtrails, hoorde ik René zeggen. De pixelpest daalde op mij neer.

 

Ik had een zoon. Denk ik. Zijn naam was René. Hij wilde zijn verleden vergeten, de pijn, de schaamte, zodat hij scheikunde ging studeren, wat hem in staat stelde met drugs te experimenteren. Hij kende een meisje dat hem van haar passie vertelde: het door haar bedachte algoritme dat alle digitale bestanden kon laten verweren, liet vervallen, rotten, af­breken, tot er niets meer van over was. Samen met haar werkte hij aan een chemische formule die hetzelfde deed. Het product dat daaruit voortkwam noemde hij letheïde. Aanvankelijk verwerkte hij het in muffins die hij aan ons aanbood. Letheïde bleek zich later op een bijzon­dere manier te kunnen verbinden met kerosine.

Terwijl hij bezig was met het implementeren van chemtrails die de mensheid het verleden zouden doen vergeten, vocht zij tegen haar nederlaag in de zaak Eugène de Tilleul. Het algoritme verwerkte ze in haar muziekstukken. Subliminale brainwaves, gedragen door tonen die het gevoel openden voor de niets­ver­moedende toehoorders, zodat de muziek met zijn trojan volop viral kon gaan. De avant-garde smulde van deze soundscapes, empathofoniën vol bluestoon­ladders, hoewel ook zij zich achteraf slechts ruis konden herinneren en niemand kon zeggen of het ooit meer dan dat was geweest.

 

Ik heb een dochter gehad. Denk ik. Hoe ik mij zorgen om haar heb gemaakt, heeft soms fysiek pijn gedaan, daarom denk ik dat. Dan pak ik de foto, genomen tijdens een sinds lang vergeten vakantie, op een zon­over­goten strand. Ik kijk naar haar. Denk ik, want er is weinig meer van de foto over dan enkele vale vlekken tegen een bleekblauw achter­grond. Misschien ben ik het zelf op die foto, misschien is het de hond geweest.

Maar ik vermoed dat het de oude zoutvlekken van mijn tranen zijn. Ik hoor de branding slechts als ik de Texelse schelp, die iemand op eBay aan mij verkocht, tegen mijn oor druk en naar het blauw van de hemel kijk.

Categories