web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Verstilde liefde : Anaïd Haen & Django Mathijsen

Verstilde liefde

Anaïd Haen & Django Mathijsen

 

Vader stierf op zijn eenenveertigste, vlak na mijn drieëndertigste verjaar­dag.

Een lullig ongeluk. Hij vloog in de Alpen uit de bocht op zijn Harley-Classic-Ride uit 2340. Die zou ik erven, net zoals hij hem van zijn moeder had geërfd. Drie­honderd jaar in de familie, nu een hoopje schroot.

Ik sloeg mijn arm om moeders dunne schouders. Ze schokten van verdriet.

Klonten aarde bonkten op de kist. We bleven staan tot de graafbots met klapjes van hun scheppen het graf hadden afgevlakt.

‘Hier.’ Ik gaf haar een roos.

Bibberend, beducht voor de stekels, pakte ze de steel aan. Over de witte huid van haar hand lag een netwerk van fijne rimpeltjes, waar­onder blauwe aders opbol­den. Haar trouwring zat ruim om haar ring­vinger, maar ik wist dat ze hem niet meer over haar knokkel heen kon krijgen.

Voorzichtig bukte ze om de roos neer te leggen. Haar haren waren grijs bij de wortels en nooit, nooit, nooit zou vader haar meer plagen met zijn uitgroei-alarm.

Hoe ik ook slikte, de tranen kwamen toch.

 

‘Vivian?’ Moeder stond voor me. Haar onderlip trilde. ‘Moet je weg?’

‘Oh, mama…’ Ik zat op mijn bedrand en keek naar haar op. Mijn laatste kleren verdwenen net in mijn plunjezak. We hadden het de afgelopen weken talloze keren hierover gehad, ze wist dat ik toch zou gaan. ‘Als ik terug ben, gaan we anderhalf jaar op vakantie, goed?’

Ze glimlachte waterig. ‘Dat zei papa ook altijd als hij wegging.’

Ik probeerde terug te lachen, maar de tranen drukten. Ik miste hem zo verschrikkelijk.

Moeder zag mijn verdriet en pakte mijn gezicht vast. Haar duim veegde teder over mijn wang. ‘Ik snap je, lieverd. Het spijt me dat ik alleen aan mijn eigen eenzaamheid denk, terwijl jij je allereerste uit­zetting alleen moet doen.’ Haar betraande ogen keken me begripvol aan. ‘Papa had erbij moeten zijn.’

Ik beet op mijn lip tot hij bloedde, maar voelde hem toch trillen. Hij had erbij moeten zijn. Hij had me moeten inwerken, me moeten helpen en me moeten opvangen als het uitzetten me te veel werd. Al die jaren dat ik werkte en studeerde terwijl hij weg was, was mijn doel geweest om met hem samen mijn eerste reis te maken. Samen weg. Met zijn tweeën vijf weken de ruimte in, voor het eerst zonder dat onze leeftijden zouden verspringen.

‘Als jij terug bent, ben ik te oud voor vakantie.’ Mama liet mijn gezicht los. Ze keek scheel.

Ik schoot in de lach. ‘Dat zei je ook altijd als papa wegging.’

‘Ja. Dan zei hij altijd…’

‘Wat is nou vijf jaar op een mensenleven!’ Tegelijk. Mijn lieve moeder en ik.

 

Een privécapsule van NonVitae GmbH haalde me thuis op en bracht me, laag over de aarde scherend, naar de Makoua Elevator in Congo-Brazzaville. Ik was de afgelopen jaren al vaker met de lift de ruimte in gegaan, toch ging mijn hart sneller kloppen toen ik de machtige kabels zag die als bergen in de aarde verankerd waren en hoog boven mijn hoofd vervaagden. Deze keer was anders. Deze keer was echt.

Ik liep naar het NonVitae-kantoor, de grootste en meest transparante van de talloze prefabkoepels die waren neergezet aan de voet van de kabels. De junglehitte weerhield een stel apen niet van een krijsende achtervolging, die hoog in de toppen van de alsmaar druppende bomen eindigde met elkaar vlooien.

Aan de balie werd ik verwelkomd door een pseudomens. Haar gladde grijze gezicht, met maar een vage aanduiding van ogen, neus en mond, vertoonde geen uitdrukking, maar haar stem klonk warm toen ze me condoleerde. ‘Hij heeft vijf perfecte uitzettingen voor NonVitae uitge­voerd, we hopen dat u zijn goede werk zult voortzetten.’

Ik knikte ongemakkelijk. Niet eerder had ik me gerealiseerd dat het vijf vluchten waren geweest. Vluchten die voor vader steeds vijf weken duurden, terwijl op aarde vijf jaren verstreken. Als kind leefde ik vooral naar de anderhalf jaar verlof ertussen toe.

Om me een houding te geven, autoriseerde ik het uploaden van de vluchtgegevens, vrachtbrieven en paklijsten. Daarna keek ik in de ondiepe holtes die ogen moesten voorstellen. ‘Ik ben van plan meer dan vijf uitzettingen te doen.’

De pseudo knikte kort. ‘Dan hoop ik dat het er veel meer zijn, Vivian Petersdochter. Uw vader is te jong gestorven.’

Was het haar toon of het noemen van vaders naam? De tranen brand­den weer; ik schudde mijn hoofd om te voorkomen dat ik zou huilen. Snel scande ik de paklijsten. ‘Ook een retour?’

De pseudo knikte. ‘Nummer 4560 heeft haar tijd erop zitten.’

Ik bestudeerde paklijst 4560. ‘Hoelang?’

De pseudo schokschouderde. ‘Lang genoeg. Iedereen die ze kende is dood, ze is gestraft.’ Haar warme toon dissoneerde met de kilheid van haar mededeling.

Ik slikte. Al lang geleden had ik me neergelegd bij de wreedheid van ons strafsysteem, waarbij de naasten van een misdadiger net zo hard, zo niet harder, getroffen werden als de misdadiger zelf. Het zou je maar gebeuren dat je zoon of dochter voor minimaal honderd jaar of voor eeuwig werd stilgezet. Het voordeel was natuurlijk dat gerechtelijke dwalingen teruggedraaid konden worden. Sinds de uitzettingen werd niemand meer ter dood veroordeeld. Als bleek dat iemand onschuldig rondjes draaide rondom Nemesis6, werd hij of zij teruggehaald. Als de onschul­dige bofte, leefden zijn of haar geliefden nog. Zo niet: excuses van de staat en een pensioen voor de rest van je leven.

‘Waarom…?’

De pseudo hief haar hand. ‘Je voert slechts uit, wetende dat de rechter­lijke macht alles rechtvaardig heeft overwogen.’

‘Die riedel ken ik, hoor. Ik was gewoon nieuwsgierig.’ Ik knipoogde naar de pseudo en keek hoe laat het was. Mijn Elevatorgondel zou bijna vertrekken. Ik voelde fladders in mijn buik. Het ging eindelijk gebeuren: mijn eerste vlucht.

 

Het zonlicht glinsterde op de gladde, witte bowlingbal die voor het sterrenbezaaide nachtzwart hing: ‘Meeuw’, mijn schip. De aarde was nog maar een blauwwitte knikker op de achtergrond.

De pendelpiloot, die zich bij onze afvaart van de satelliet boven aan de Elevator had voorgesteld als Lars Siltmen, was zo vriendelijk een rondje om Meeuw heen te vliegen zodat ik het schip van alle kanten kon bekijken. Afgezien van de drie motoren, die vingeropeningen van de bowlingbal leken, en de cockpit, die er tegenover als een doorzichtige vingerhoed boven op het schip stond, was er geen verschil tussen die kanten: Meeuw was kogelrond om de krachten die Nemesis6 erop zou loslaten te kunnen weerstaan. Met de zon in onze rug was de bolvorm in volle glorie te zien, behalve daar waar de pendel zijn kleine, scherpgetrokken schaduw wierp.

‘Meeuw heeft een autonoom gerobotiseerd systeem, ken je dat?’ Lars manoeuvreerde zijn pendel naar het aansluitpunt. Toen hij de raketten vuurde om af te remmen, werden we even in de cockpitstoelen gedrukt.

Zodra we weer gewichtloos waren, drukte hij een paar knoppen in. De loopbrug, een witte, geringde slang die deed denken aan een Aziatische papieren lamp, kronkelde buiten van de pendel naar Meeuw.

Ik keek blijkbaar dom, want Lars vervolgde en­thousiast: ‘Je kunt hem tot beperkt niveau zelf pro­gram­meren. Je weet wel: een naam geven, comman­dootjes laten uitvoeren zoals koffie zetten of de bladzijden van je boek omslaan. Je kunt niks wijzigen aan zijn hoofdprogramma, maar da’s maar goed ook. Je zou zelf de bonen niet van de kabels willen haken, lijkt me.’

‘Bonen?’

De pendel schokte toen de loopbrug contact maakte met Meeuw. Mijn stoel ontspande. De gordels gleden terug in hun holsters. Meteen voelde ik me kaal, onbeschermd.

‘De vitae-capsules.’ Lars bekeek zijn werk en knikte. ‘Je kunt erdoor.’

Ik duwde me uit de stoel en zette af naar het halletje achter de cockpit. Lars volgde me en controleerde de gegevens op het controlepaneel van de sluis naar de loopbrug voor hij de deuren ervan opende.

‘Behouden vaart,’ zei hij lachend.

Ik keek in zijn vriendelijke ogen en lachte terug. ‘Mijn eerste.’

Hij gaf twee tikjes voor geluk op mijn neus. ‘Komt goed.’

 

Mijn lading werd door een andere pendel afgeleverd. Vier criminelen, gesedeerd tot kalme, gehoorzame zombies, stapten Meeuw binnen en lieten zich gedwee naar hun cel geleiden. Een vijfde, een broodmagere vrouw van minstens honderdtwintig, kwam op een brancard binnen.

Ik bekeek mijn laadbrieven. Alle vijf hadden het vonnis ‘eeuwig’, ook dat vrouwtje. Hoe bestond het?

Het was mijn zaak niet. Ik was uitvoerend getuige, meer niet. Ferm duwde ik de brancard de cel in en sloot de celdeur af.

 

Meeuw was geweldig. In het schip heerste een comfortabele constante zwaartekracht terwijl het naar zijn topsnelheid van bijna de licht­snel­heid accelereerde. Het bleef mogelijk om erin rond te lopen, eten te maken, voor de gevangenen te zorgen en allerlei trut-dingen te doen waar ik op aarde nooit aan was toegekomen. Zoals een cursus wecken volgen.

Vaak zat ik in de cockpit, op het bovendek, alleen maar omhoog te kijken hoe sterren en planetoïden blauwachtig op ons af raasden en naar rood verkleurden terwijl we ze passeerden. Het was een betoverend schouwspel. Naarmate de snelheid toenam, werden de verkleuringen steeds sterker, tot­dat de langsrazende puntjes samen één gepixe­leerde cirkelvormige regenboog vormden.

Ik doopte de autonome robot ‘Lars’ en liet hem doen wat Lars-de-pendelpiloot me had gesuggereerd. Het gaf pret en een beetje gezel­schap, ook al was Lars niet echt een individu, maar meer een uitstulping uit Meeuw. Als ik iets van hem nodig had, kwam er een handje uit de wand dat deed wat er moest gebeuren. Heel handig toen ik de beugel van de weckpot niet dichtgeklapt kreeg omdat ik met twee handen het deksel moest aandrukken en de pot vasthouden.

Ik stuurde moeder iedere dag een berichtje en kreeg er gemiddeld zeven voor terug. Ze hield zich ver­moedelijk in en beperkte haar berichten tot eentje per aardse week. Ze gaf me uren plezier met geroddel over de buren, de capriolen van een gestreept katje dat ze had gekocht en de foto’s van het nieuw behangen huis. ‘Groen, mam? Hoe durf je!’

Op haar berichten adequaat reageren was onmoge­lijk. Ik was vertederd door een foto van het katje, dat met zijn mollige pootjes in zijn bak water was gesprongen, maar toen ik mijn antwoord (‘Aaaaaaaaaaaaah! Schattig!’) verstuurde, ontving ik al een foto van een stevige kater met een kikker in zijn bek. ‘Geschenk van Drommel voor zijn baasje’, luidde moeders bijschrift.

Ze was ontevreden met het werk van de behanger. ‘Het zit nu twee jaar en laat alweer los.’

Lachend antwoordde ik dat ze het maar opnieuw moest laten doen. ‘Graag beschaafd parelmoer, mam.’

 

Op de zestiende dag begon Meeuw de rem­manoeuvre. Zittend in de cockpitstoel liet ik de zwaarte­kracht­wisselingen over me heen komen en opende het proce­dure­boek. Ik had het niet nodig, kende iedere stap uit mijn hoofd. Eindeloos vaak gesimuleerd, met draden op mijn hoofd en lijf geplakt om te meten of mijn geweten dit wel aankon.

‘Lars?’ Niet dat Lars kon praten, maar stap 1 was aan de autonome robot de aanwezigheid van een menselijke getuige bevestigen.

Lars reageerde door naar me te zwaaien vanuit de vloer.

‘Ik getuig.’

Meteen verdween de hand.

Op het beeldscherm voor me zag ik hoe de gevangenen stuk voor stuk vanuit hun cel naar de loden capsules in het laadruim werden geleid door Lars, die nu een handje uit de vloer was dat zich om hun enkel klemde.

De vrouw op de brancard was de laatste. Ze mom­pelde. Ik verstond het niet en wilde afdalen naar het laadruim om te kijken of alles goed met haar ging, maar besloot het niet te doen. Haar vitale organen functio­neerden. Ze had alles wat ze moest zeggen op aarde kunnen doen.

Buiten kwam Nemesis6 steeds dichterbij. Het zwarte gat zag er hetzelfde uit als bij de simulaties: een kolossale draaikolk van lichtjes om een gitzwarte bol heen waarachter de sterrenhemel uitgewist leek. Meeuw voegde in de draaikolk in.

Deeltjes knalden tegen de romp en gloeiden op als wonderkaarsen. Het klonk als een hagelbui op een tentdak. Meeuw schoof in de draaikolk langzaam op naar binnen, steeds dichter bij dat grote, gapende niets… totdat de zwarte bol alle sterren leek te hebben opgeslokt.

Op het beeldscherm verscheen: ‘Veiligheidsafstand tot waarnemings­orizon bereikt.’

Stap voor stap handelde ik de procedure af en voerde Lars het vonnis uit terwijl ik aanvinkte dat ik getuige was. De capsules werden om beurten ver­zegeld, aangehaakt en naar buiten getild. Lars stulpte uit Meeuw en verlengde zich tot de capsule in de waarnemingshorizon hing. Daar liet hij los.

 

Tot slot pikten we capsule 4560 op en vergezelden de gedrogeerde vrouw naar haar cel. Pas op aarde terug zou ze vrij zijn. Haar jasje had vlindermouwen en open schouders: de mode van honderd jaar geleden. Kenne­lijk vond men dat toen mooi.

De paar uur die we hier gewerkt hadden, zouden op aarde een dik jaar zijn. Ik wist dat de capsules in de waarnemingshorizon bevroren waren in de tijd: de levens erin verstilden zonder op te houden. Ze zouden de eeuwigheid beleven in één moment.

Net zo goed wist ik dat één verkeerde manoeuvre van mij, Meeuw of robot-Lars kon zorgen dat ik ook die eeuwigheid in zou glijden. Maar het enige wat ik voelde was trots.

‘Zie je me, papa? Alleen kan ik het ook.’

Ik gaf Meeuw opdracht zich met volle kracht los te rukken van Nemesis6 en koers op huis te zetten.

 

‘En?’ Lachrimpeltjes rond de ogen van Lars-de-pendel­piloot gaven aan dat er echt vijf jaren waren ver­streken. ‘Hoe deed de robot het?’

Ik draaide met mijn ogen en zuchtte overdreven trillend. ‘Ik heb hem leren masseren op de terugweg…’ Mijn tong gleed over mijn onderlip.

Lars trok zijn wenkbrauw op. Met een zuinig mondje zei hij: ‘Dat kan toch nooit lekkerder zijn dan echt?’

‘Dan echt?’ Ik schokschouderde. ‘Echt is alweer weken geleden, ik zou niet meer weten hoe het voelt.’

Lars begreep de hint, pelde me uit mijn kleren en liet het voelen. Het was inderdaad beter.

 

‘Ga je echt?’ Twee paar ogen keken me aan. In die van mama blonken tranen. Die van Lars kon ik niet goed lezen, maar hij was overduidelijk niet blij.

‘Mam! Lars!’ Sprakeloos keek ik terug. Al maanden verheugde ik me op mijn volgende uitzetting. Ik kon nergens anders over praten dan over Meeuw en andere Lars, over de stilte in de ruimte, de gepixe­leerde regenboog, het zalig-even-alleen-zijn… ze wísten het. ‘Natuurlijk ga ik, wat dachten jullie dan?’

Moeder zuchtte. ‘Ik zei het toch? Precies haar vader.’ Ze draaide zich om en slofte mijn slaapkamer uit. Sinds wanneer was ze krom?

Drommel volgde haar mauwend. Hij drukte zich tegen haar onderbenen en wikkelde zijn staart om haar enkel alsof hij haar steunde.

‘Mam!’

‘Laat haar maar.’ Lars ging naast me op bed zitten. ‘Ze ziet ertegen op, dat begrijp je toch wel?’

Ik legde mijn hoofd op zijn schouder. ‘Het ergste is dat ik het erger vind om jou achter te laten, terwijl ik weet dat zij oude…’

Zijn mond snoerde de mijne. Ik weet niet of hij dat deed om mij het zwijgen op te leggen of om zijn eigen trillende lippen te beheersen. Opeens verheugde ik me niet meer zo op weggaan. Vijf weken zonder hem, zonder zijn kussen, zijn lijf tegen het mijne in bed… ‘Kon je maar mee,’ fluisterde ik.

Lars drukte me tegen zich aan en fluisterde: ‘Meen je dat?’

Ik maakte me los uit zijn armen en greep zijn handen. ‘Als er een manier was, zou ik je meenemen.’

‘Maar je wilt zo graag even alleen zijn. Dat zeg je steeds.’

Een golf warmte sloeg door mijn buik. Ik voelde mijn wangen kleuren. ‘Natuurlijk zeg ik dat, het is ook zo. Maar het is ook een manier om me erop te verheugen, snap je?’

Zijn rechter mondhoek trok een beetje omhoog, zijn wenkbrauw ook. ‘Ah. Dus je jokt een beetje?’

Ik glimlachte verontschuldigend.

Lars boog zich naar mijn oor en fluisterde: ‘Die manier, hè? Die is er.’

‘Echt?’

‘Het is een beetje riskant. Onwettig. Maar NonVitae snapt dat gelief­den… Laat ik het zo zeggen: men knijpt een oogje dicht.’

 

Giechelend namen we zogenaamd afscheid in de Elevatorsatelliet. Ik zweefde door de slurf, die uit veiligheidsoverwegingen maar één persoon tegelijk doorliet, naar de deur van de pendelsluis terwijl Lars met gespitste oren wachtte in de satelliet. Zodra ik de pendelsluis binnen zweefde, weerklonk ‘ping’. Lars zette keihard af en lanceerde zichzelf met zijn armen naar voren door de slurf.

‘Recht zo die gaat!’ Ik gierde van het lachen en kwam niet meer bij toen hij de sluis binnen speerde en met zijn hoofd tegen de binnendeur botste. Net op tijd. Vlak achter hem sloot de buitendeur.

Grijnzend zweefde hij naar me terug. ‘Gehaald!’

De binnendeur opende zich. De pendelpiloot, die zich voorstelde als Marco Williams, had pretlichtjes in zijn ogen. ‘Tortelduifjes!’

 

We vreeën, lachten en zaten elkaar nakend na totdat Meeuw begon te versnellen. Lars klapte voorover, kotste de cockpit onder en werd zo ruimteziek dat ik hem, met behulp van heel veel handjes, naar zijn bed moest slepen. Pas toen we in positie boven de waar­nemings­horizon van Nemesis6 gingen, kwam hij er weer uit, om lijkbleek te vertellen dat hetgeen ik deed, vergelijkbaar was met het werk van de beul vroeger.

‘Ik maak niemand dood! Ik ben alleen getuige.’ Snel keek ik opzij. ‘Fijn dat je op bent.’

Lars plofte als een zoutzak in de cockpitstoel naast de mijne en bleef er met zijn hoofd achterover, mond open en ogen dicht, hangen. Hij was magerder gewor­den.

Buiten stulpte robot-Lars uit met de eerste van de vier capsules van deze reis. Hij verlengde zich tot we hem niet meer konden zien.

‘Niemand dood? Getuige? Wat is het verschil?’ Lars wuifde onverschillig.

‘Ga terug naar bed, lieverd.’ Ik boog me over mijn paneel. ‘We moeten er nog drie uitzetten en twee oppikken, dan gaan we naar huis.’

‘Ook zo snel?’ Zijn stem klonk kleintjes.

Ik keek hem aan. Dikke wallen onder zijn rode ogen, zijn gelaat eerder groenig dan wit. Wat was hij ziek!

‘Kom.’ Ik stond op en sloeg zijn arm om mijn schouder. ‘Ik geef je iets om door te slapen tot we weer vertragen.’

De dag voor we op aarde aankwamen, werd ik misselijk.

 

Wisten wij veel. Anticonceptie werkt niet tijdens reizen met bijna de lichtsnelheid. Iets met de bloed­baan: te veel medisch geleuter om mij te boeien. Aanvankelijk was ik kwaad, wilde geen kind. Maar Lars en moeder sprongen een gat in de lucht.

‘Ik ben bang, Lars, dat snap je toch wel?’

We lepelden in bed, zijn sterke armen om me heen.

‘Het is een gezond kindje, ons lieve kleine meisje. Maak je geen zorgen, schat.’ Lars drukte een kus op mijn achterhoofd en trok mij steviger tegen zich aan.

Daar ging mijn angst niet over. Het kind bewoog in me, groeide, ik wist dat het in orde was. Ik wurmde me op mijn andere zij en probeerde in het halfduister zijn ogen te zien. ‘Ik blijf de uitzettingen doen.’

‘Natuurlijk.’ Slaperig zocht hij mijn mond met zijn warme lippen en zoende me traag en innig, net zolang tot mijn protesten gesmoord waren.

 

Ze werd geboren toen we zeven maanden terug waren op aarde. We noemden haar Petronella, naar mijn vader. Al snel werd dat Ella. Ze was de eerste in de ruimte verwekte baby. Vooral Lars was daar heel trots op. Niet dat hij er iets mee kon: zijn reis was illegaal geweest, dus konden we niets claimen. Ook konden we nooit zeker weten of andere stellen ons niet waren voorgegaan.

Terwijl Lars piekerde over Ella’s status, verwonderde ik me over haar kleine handjes, haar oogjes die steeds helderder gingen kijken en haar mondje, dat zo trefzeker mijn tepel wist te vinden en al met vijf weken en twee dagen bewust naar me lachte. Nooit was ik zo verliefd op iemand geweest. Ella zat onder mijn huid, zo voelde het.

Moeder leefde helemaal op. Ze redderde met opruimen en de was, verwende mij met bruin bier en leerde ons hoe we konden vaststellen of Ella huilde om een darmkrampje of uit eenzaamheid. ‘Oppakken, oppak­ken, oppakken,’ was het devies. ‘Een huilend kind laat je nooit liggen.’ Maar hoe snel we er de zeld­zame keren dat Ella huilde ook bij waren, moeder won steevast van ons. Echter niet van Drommel: de kater gedroeg zich als een waakhond en was nooit verder dan drie meter bij de baby vandaan. Hij sliep zelfs in haar wieg als we er niet op beducht waren. Hij was haar trekpop, knuffelbeer en vuileluier-alarm ineen.

 

Ze huilde toen ik wegging. Haar armpjes strekten zich naar me uit, onder haar neusje vormde zich een snottebel die bij iedere uithaal groter en kleiner werd.

We stonden aan de voet van de Elevator: moeder, Lars met de huilende Ella op zijn arm en ik. Een spoed­opdracht van Non-Vitae, eentje die veel geld zou opleveren, of me mijn baan kosten als ik zou weigeren. Ik had niet zo hard geleerd en gewerkt om dat te laten gebeuren ook al betekende dat het hals over kop spenen van mijn zes maanden oude baby en het missen van moeders zesenzeventigste verjaardag volgende week.

‘Stil maar, lieverd. Papa en oma blijven bij je.’ Ik knip­perde mijn tranen weg en negeerde het gespan­nen gevoel in mijn borsten terwijl ik over haar verhitte hoofdje streelde.

Ze keerde zich van me af en begroef haar kletsnatte gezichtje in Lars’ hals.

Ik keek in zijn ogen. ‘Kon ik jullie maar meenemen.’

Lars trok Ella dichter tegen zich aan en draaide grappend met zijn ogen. ‘Ben jij gek? Straks heeft ze mijn ruimteziekte.’

Ik probeerde niet te lachen en niet te huilen.

Lars’ blik verzachtte. Hij kuste me vol op mijn mond. ‘We zorgen goed voor haar.’ Hij wees omhoog. ‘Ga jij die boeven maar hun straf geven.’

 

Ik weet nog goed hoe ik vroeger op moeders schoot zat te kijken naar de opnamen die papa ons door­stuurde. Iedere zaterdag, stipt om half zes. Pyjamaatje aan, haartjes nog nat van de douche. Ik leefde van bericht naar bericht en voelde dat hij dichtbij was, ook al was hij dat niet.

Toen ik ontdekte dat moeder de opnamen weleens liet herhalen, zeker in de periode dat vader boven Nemesis6 hing, was ik oud genoeg om het zonder zijn wekelijkse berichtjes te stellen. Ik wist dat hij altijd terug zou komen.

Datzelfde wilde ik Ella geven: de wetenschap dat ik in de buurt was en de zekerheid dat ik terug zou keren. Ik wilde niet dat ze mij zou missen.

Waar ik niet aan had gedacht, was dat ik haar zou missen. Niet alleen in mijn hoofd, maar ook fysiek. Mijn armen verlangden naar haar kleine lijfje, mijn oren hunkerden naar wakker worden door haar gebrabbel en mijn borsten snakten naar haar mondje. Ik was voortdurend naar haar op zoek en moest mezelf oppeppen om vrolijk in de camera te kijken die robot-Lars behulpzaam omhooghield. Ik sleepte me door de dagen en holde bij iedere ‘pling’ naar het controlepaneel om mijn lieve meisje te zien, dat op iedere foto groter werd en in een mum van tijd haar baby- en peuterfase achter zich liet.

Ik putte me uit om opgewekt te blijven, tenminste voor de camera. Iedere vrije minuut maakte ik opnamen van Meeuw, robot-Lars en mijn werk. Ik legde haar alles uit, trok malle gezichten en prikte mijn handen tot bloedens toe tijdens het naaien van een knuffel-Meeuw.

Toen ik terugkwam, was ze vijfenhalf.

 

‘Ik wil hem niet.’ Ella smeet knuffel-Meeuw van zich af. Haar haren hingen voor haar boze ogen. ‘Ik ben al groot!’

Ik keek naar Lars en moeder, blijkbaar zo hulpeloos dat moeder me tegen zich aan trok en zei: ‘Geef haar even tijd. Ze lijkt op jou.’

‘Oh, ja? Ik was altijd blij als papa thuiskwam.’ Ik legde mokkend mijn kin op moeders witte haar. De kleur was veranderd, maar ze rook nog naar moeder.

‘Da’s niet helemaal waar, schatje.’ Moeder liet me los en knipoogde naar Lars. ‘Toen papa de eerste keer terugkwam, was jij net zo oud als Ella nu. Je was woest op hem.’ Ze kneep me zachtjes in mijn hand. ‘Het duurde drie uur, toen zat je bij hem op schoot en kletste honderduit.’

Ella deed er vier uur over. Toen kon ik mijn meiske weer vastpakken en knuffelen.

 

Het was lastig een ritme te vinden. Wie deed wat wanneer met Ella? Bracht ik haar naar school omdat ik verlof had, of Lars omdat hij het altijd deed? Kookte ik eten omdat ik dat zo leuk vond, of moeder omdat ze het altijd deed? Ging ik met haar naar de dokter omdat ik weer weg zou gaan, of Lars omdat hij het altijd deed?

Gelukkig vonden we snel een manier die iedereen prettig vond: Lars en moeder de dagelijkse dingen, ik de bijzondere. Lars school, ik zwaaien met schoolreis. Moeder koken, ik taarten bakken met mijn kleine meisje. Lars de dokter, ik klaar zitten met open armen.

 

‘Je kunt ook thuisblijven.’

Lars en ik zaten in de tuin. Het was een warme avond. In het schemerlicht zag ik zijn grijzende slapen niet. Ella’s slaapkamerraam stond open. Een briesje speelde met de gordijnen, zoog ze naar buiten, liet ze wapperen, duwde ze weer naar binnen.

Ik beet op mijn tong. De laatste maanden hadden we regelmatig ruzie gehad over mijn werk, ik wilde me niet weer in de verdediging laten drukken.

‘Ik heb erover gedacht,’ zei ik zachtjes. ‘Maar ik moet gaan.’

Lars kneep zijn lippen samen en keek omhoog, naar de sterren. ‘Omdat ze je wenken? Zoals een zeeman naar zee wordt getrokken?’

Ik keek ook omhoog. ‘Misschien is het dat.’ Ik twijfelde. ‘Ja, dat ook. Ik verlang ernaar.’

‘En wij? Ella, ik? Je moeder? Ze is tweeëntachtig, Vivian. Over vijf jaar zal ze zo fit niet meer zijn.’

Ik sloot mijn ogen. ‘En wat als ik niet ga? Heb je daar­over nagedacht?’ Ik ging rechtop zitten en wees naar ons huis, tuin, zwembad, de garages. ‘Dit opgeven? Of kunnen jij en ik iets op aarde vinden wat zo goed betaalt?’ Ik zuchtte diep. ‘Jij hebt niet eens werk.’

Lars blies zijn wangen op. Ik zag dat hij kalm pro­beerde te blijven. Hij schokschouderde. ‘Geld maakt niet gelukkig.’

‘Schei uit! Geld is makkelijk. We kunnen Ella goed onderwijs erdoor geven. Als moeder gebrekkiger wordt, kunnen we zorg inkopen en…’

‘Maar jij maakt het niet mee. Snap je het dan niet?’ Lars stond op, liep naar me toe en zakte op zijn knie. ‘We hebben jou niet hier.’

‘Maar ik kom terug!’ Ik pakte zijn hoofd in mijn handen. ‘Ik krijg verslagen van jullie, zie foto’s, stuur malle berichten… Geloof me: die vijf jaar vliegen voorbij.’

‘Voor jou, ja. Wat zijn nou vijf weken?’ Lars’ stem klonk grimmig. In het halfduister zag ik zijn oogwit glimmen. ‘Begrijp je niet dat we je nodig hebben?’

‘Ach, welnee. Jullie doen het prima met elkaar.’ Ik voelde mijn stem killer worden. Onze gesprekken verliepen volgens hetzelfde patroon. Vroeg of laat werden we boos. ‘Jullie hebben mij niet nodig.’

Lars rukte zijn hoofd uit mijn handen en stond op. ‘Dat is niet waar en dat weet je. Wij hebben jou wel nodig. Het is andersom: jij kunt zonder ons. Dát is het.’

Happend naar adem vloog ik op, mijn vuisten gebald. ‘Hoe dúrf je!’

‘Ik durf! Sterker nog, ik durf meer. Je verheugt je erop om weg te gaan, om ons een tijdje niet te zien. Je kunt niet alleen zónder ons, je wilt ons uit je buurt hebben.’

‘Dat is niet waar!’ Ik stampte met mijn voet. ‘Ik houd van jullie!’

‘Ach, welnee.’ Lars liep naar het huis. ‘Je moeder is oud, daar kun je de zorg wel voor uitbesteden, ik ben een waardeloze werkloze en Ella heb je nooit gewild.’

Hij had me net zo goed kunnen stompen.

 

Ella was twaalf. Een stil meisje dat haar best deed op school, lief was voor moeder en de hele dag met Drommel liep te sjouwen. Het arme dier was twee keer zo oud als zijn pupil, maar wilde niet van haar zijde wijken. Zijn klaaglijke gemiauw als ze naar school was, ging door merg en been.

Ik zwaaide mijn dochter, die groot genoeg was om zelf naar school te gaan, uit en opperde bijna een spuitje tegen moeder, die lekker in een leunstoel voor het raam van het zonnetje zat te genieten, maar bedacht me halverwege en wist het nog om te buigen naar dat de kat vroeger zo’n spuitje elf was geweest.

Moeder lachte stralend. ‘Ja, hè?’ Ze activeerde holobeelden van Drommel als kitten, Drommel als kater, Drommel als vader…

‘Oh, heeft hij gepaard?’ Ik keek verrast naar het krioelende nestje. Minstens twee van de kittens hadden net zo’n gestreept lijfje als Drommel. ‘Wanneer? Dat heb ik gemist.’

‘Dat heb je. En meer.’ Lars zette koffie voor me neer. ‘We moeten het over Ella hebben.’

‘Want? Ze is erg lief.’

Moeder en Lars wisselden veelbetekenende blikken. De schrik sloeg me om het hart en bleef daar een poosje koud hangen.

‘Wat is er met Ella?’ Ik zakte op de bank. ‘Ze was blij me te zien, ze…’

Lars haalde diep adem. ‘Ze is gesnapt bij het pikken van Booster.’

‘Van wat? Dat drankje?’ Ik schudde mijn hoofd. ‘Wat moet ze nou daarmee? Was het voor haarzelf?’

Lars knikte.

‘Maar is dat niet dat spul dat adrenaline bevat? En alcohol? En…’ Mijn ademhaling versnelde toen ik me de reclamefoto’s ervan voor de geest haalde. Pure energie. ‘Maar da’s hartstikke gevaarlijk!’ Ik keek van Lars naar moeder. ‘Ze is pas twaalf!’

Drommel hoestte. Het klonk als een varken met keelontsteking.

‘Lars!’ Moeder schrok overeind.

Lars was al bij de kat. Hij greep hem van de grond en nam hem mee de keuken in.

‘Wat doe je?’ Ik rende hem na. Mijn zorg om Ella vloeide over in die voor Drommel, háár Drommel.

Lars pakte een injectiespuit uit de koelkast, trok met zijn tanden het hoesje van de naald, legde de kat op de aanrecht en prikte het dier in zijn kont.

Binnen een paar tellen stopte het hoesten. Drommel lag uitgeteld op de aanrecht. Moeder scharrelde de keuken in, boog zich over het arme beest en aaide over zijn koppie. ‘Gaat het weer?’

Drommel drukte zijn kop in haar hand. Ik blies mijn adem uit van opluchting, wat mal was: nog geen kwartier geleden had ik hem dood gewenst.

We spraken niet meer over Ella en de Booster.

 

Drommel stierf tijdens mijn volgende uitzetting. Ik condoleerde moeder, Lars en Ella. Mijn dochter ant­woordde fijntjes dat mijn condoleance ‘maar een maandje of twee’ te laat was. Volgens Lars moest ik het me maar niet aantrekken, Ella puberde. Toch ver­dween het rotgevoel in mijn maag pas toen ze me onder aan de Elevator stond op te wachten.

Ze had net haar vliegbrevet gehaald en stuurde de capsule door het verkeer alsof ze het al jaren deed. Ik keek opzij, naar haar mooie gezicht, en zei niets van haar haardracht of make-up. Kennelijk was van oor tot oor een baan weggeschoren de mode, net als gele rouge. Ook probeerde ik opgewekt de neontatoeages in haar nek te negeren en niet te staren naar de implantaten boven haar linkerwenkbrauw, die aan­gaven of ze wilde dat ik sprak (groen) of zweeg (rood). Ze was volwassen, ik moest haar wensen respecteren. Dus hield ik mijn mond.

We vierden Lars’ drieënzestigste en mijn negenen­dertigste verjaardag tegelijkertijd. Kort daarop werd moeder vijfennegentig en kon ik weer de ruimte in. Ik geloof dat ik niet eerder zo blij was om te kunnen vertrekken. Anderhalf jaar had mijn dochter rood geflikkerd en niets tegen me gezegd dan het hoogst noodzakelijke, tenzij ze op haar stok­paardje zat: hoe verderfelijk het stilzetten van misdadigers wel niet was. Dan discussieerde ze net zolang tot haar stem oversloeg en ik er het zwijgen toe deed, zelfs bij groen.

 

Bij mijn volgende verlof was ze het huis uit. Ze zou pas terugkomen als ik wegging, had ze tegen moeder gezegd. Nou viel die stoere praat samen met haar eindstage Rechten, dus volgens Lars had het niks met mij te maken.

‘Ze haalt goede cijfers.’ Moeders stem klonk net zo breekbaar als haar handen eruitzagen. Het verbaasde me dat ze er nog iets mee kon oppakken, laat staan een kopje naar haar mond brengen.

‘Ze is rustiger geworden. Je kunt trots op haar zijn.’ Lars kwam achter me staan in Ella’s kamer. Hij sloeg zijn armen om me heen en trok mijn rug tegen zijn borst.

Zijn handen waren bruinverband en leken nog net zo sterk als toen ik hem ontmoette. Toch waren ze anders.

Voorzichtig, om zijn greep niet te verstoren want het voelde zo lekker, draaide ik me om. ‘Dat komt door jou en mama.’ Ik kuste hem.

Hij maakte zijn lippen los van de mijne en glim­lachte. ‘Merk jij het ook?’

Ik dacht dat ik wist wat hij bedoelde, dus gleed mijn hand over zijn buik naar zijn broek.

‘Nee, dat niet. Hoewel ik best zin in je heb.’ Lars kuste me weer.

‘Wat dan?’

‘Ik krimp.’

Verrek, toen merkte ik het opeens ook. Ik stond tijdens het kussen met mijn voeten plat op de grond in plaats van op mijn tenen.

‘Sinds wanneer is dat?’ vroeg ik verbaasd.

‘Maakt het uit?’ Lars pakte mijn hand en trok me Ella’s kamer uit, de onze in.

Natuurlijk maakte het niks uit.

 

Moeder was honderdzestien toen ze stierf. Ik was drieënveertig en halverwege een uitzetting toen het nieuws me bereikte. Mijn dochter nam de moeite een bericht te sturen. Haar roodomrande ogen staarden in de camera. Ik wilde naar haar toe en haar troosten en samen huilen, maar bevroor toen ik werd getroffen door de kilte in haar stem.

‘En nee, je hoeft er niet snel voor naar huis te komen. Ze is al lang begraven als je dit hoort. Papa zegt dat hij weet dat je erg verdrietig zult zijn en hij liegt niet tegen me, dus dat zal wel. Misschien kun je robot-Lars om een troostmassage vragen.’ Ella was even stil. Toen boog ze zich naar de camera over. ‘Voor mijn part blijf je in de ruimte hangen. Maar mocht je toch thuis willen komen, weet dan dat ik voor papa zorg. Sinds zijn TIA…’

De rest hoorde ik niet meer. Lars? Een beroerte?

 

De Elevatorgondel had nog nooit eerder zo lang erover gedaan om naar de aarde te vallen. Ik kon het ding wel omlaag stampvoeten, zo erg wilde ik naar Lars.

Net als mijn medepassagiers zat ik ingegord. Ze keuvelden en genoten van het uitzicht: de zon die het wolkendek veranderde in oplichtende watten. Door gaten erin waren al stukken groen en bruin zichtbaar. In de verte scheidde de gekromde horizon het zeeblauw van het ruimtezwart.

Dat zwart om ons heen ging over in stralend blauw. Ze riepen ‘Oh’ en ‘Ah’ en stootten me aan om met me praten. Maar ik was te rusteloos.

Nooit meer ging ik de ruimte in. Nooit meer. Het was tijd voor mijn pensioen. Ik ging voor hem zorgen, hij had me nodig. En met Ella zou ik alles goedmaken. Waar het precies was misgegaan, wist ik niet, maar we waren ongeveer even oud, we konden vriendinnen worden.

Ik dacht met al mijn kracht de gondel omlaag.

De kracht kaatste naar me terug.

De gondelvloer bolde onder mijn voeten op. Hij duwde mijn benen omhoog tot ik met mijn knieën in mijn nek zat.

Er klonk gegil.

De gondel schudde. Er kraakte iets zo hard dat mijn oren piepten.

We schoten los. Ik wipte ondanks de strakgetrokken gordels omhoog in mijn stoel en voelde mijn maag zweven.

De gondel klapte opzij. Ik hing opeens voorover in mijn stoel. Nog een klap. Ik hing op mijn kop.

Mensen krijsten.

Ondersteboven denderden we door het wolkendek heen.

 

De actiegroep ‘Non-Vitae Morte’ eiste de aanslag op. ‘Noodzakelijk om ons onmenselijke strafsysteem, waar alleen Non-Vitae van profiteert, een halt toe te roepen.’ De stem vanachter de gezichtsplaat van een pseudo­mens, was van een vrouw.

Ik staarde met Lars naar de holobeelden op het nieuws. Daar ging de gondel, met mij erin. Ik moet ook gegild hebben, maar kon het me niet herinneren.

De gondel werd keurig opgevangen door het tussen vier drones gespannen, vliegende noodnet. De vrouwen­stem bleef haar boodschap herhalen.

Onze handen grepen elkaar vast.

We knepen elkaar, Lars en ik.

We konden het niet geloven…

 

We moesten het geloven, want voor we het wisten stonden we in de rechtszaal en hoorden het vonnis aan.

‘Honderd jaar.’ De pseudomens die rechter was, klapte met zijn houten hamer op de plank.

Ella sprong op, haar implantaten flikkerden. ‘Maak me dan liever dood!’ Haar lange haar hing tot over haar kont en moest nodig gekamd worden.

Met zijn hamer wees de rechter naar haar. Zijn gelaat vertoonde geen enkele uitdrukking. ‘Als er doden waren gevallen, had u levenslang gekregen. U boft.’

 

‘Ik wil dood! Een spuitje!’ Ella ijsbeerde in haar glazen cel en zwaaide woest met haar armen.

Lars en ik, hij steunend op een kruk en zijn andere arm door de mijne gestoken, ik wippend van mijn tenen naar mijn hielen, keken naar onze dochter en probeerden haar te sussen.

‘Honderd jaar! Ik kan toch beter dood zijn?’

‘Lieverd, nee.’ Ik duwde mijn vrije hand tegen het glas.

‘Jawel! Over honderd jaar is er niemand meer!’

Ik keek naar Lars. Hij was me zo lief. Maar Ella had gelijk: over honderd jaar kon hij er niet meer zijn. ‘Het spijt me,’ fluisterde ik.

Hij begreep me meteen. ‘Dan kopen we voor mij wel zorg in,’ fluisterde hij terug. ‘Zeg het haar maar.’ Hij trok zijn arm uit de mijne en tikte twee keer op mijn neus. ‘Komt goed.’

‘Ella?’ Ik legde mijn voorhoofd tegen het glas. ‘Luister. Als ik blijf uitzetten en korter verlof opneem, ben ik rond de achtenzestig als jij terugkeert. Jong genoeg om nog jaren bij je te blijven.’

Ella ging langzamer lopen.

Ik ging sneller praten. ‘Begrijp je, lieverd? Je zult niet alleen zijn. Ík ben er dan voor je.’

Ze keerde zich naar me toe en zette haar handen tegen het glas. Haar voorhoofd bonkte tegen de plaats waar het mijne tegenaan leunde. De implantaten doofden. Haar mond vertrok in een schampere grijns. ‘Jij?’

Ik schrok van de haat in haar ogen. Langzaam trok ik mijn hoofd naar achteren. ‘Ja, ik. Het kan niet anders.’

‘Jij denkt dat alles om jou draait, hè?’ Ella wees naar Lars. ‘Het gaat me om hém, om papa! Jij bent niks voor me.’

‘Maar Ella! Ik houd van je.’

‘Vuile leugenaar! Je hebt me nooit gewild! Nooit! Dat heb ik papa horen zeggen en jij ontkende het niet.’

 

Het duurde uren voor ik kon stoppen met snikken. Lars wreef met zijn goede arm over mijn rug en fluisterde lieve woordjes. Mijn rots in de branding, wat was ik zonder hem?

‘Zal ik dan maar toch op aarde blijven?’ Ik snoot mijn neus. ‘En voor jou zorgen?’

Lars schudde zijn hoofd. ‘Ik wil dat je er bent als ze terugkeert. Ik overleef nog wel een paar uitzettingen, wij hebben samen nog zeker drie heerlijke verloven voor de boeg.’ Hij maakte een spierbal. ‘Wij worden oud.’

Ik lachte waterig. ‘Kon het maar anders…’

Opeens wist ik het.

 

Bij Non-Vitae begrepen ze dat ik zelf getuige wilde zijn van het stilzetten van mijn dochter. Het was allemaal al erg genoeg, zei de pseudo die mij de paparassen overhandigde.

Lars vloog door de slurf alsof hij weer jong was. Gewichtloosheid kent geen leeftijd. Gierend van het lachen botste hij vlak voor het sluiten van de buiten­sluisdeur tegen de binnendeur van de pendel.

De binnendeur ging open. De piloot keek ons verbaasd aan.

‘Tortelduifjes,’ zeiden we in koor.

 

Om ruimteziekte te voorkomen, sedeerde ik Lars zodra we op Meeuw waren. Ik bleef bij hem tot hij sliep, beseffend dat de volgende keer dat ik hem zou spreken, de wereld er anders uit zou zien.

 

Robot-Lars bracht Ella naar haar loden boon. Ik liep achter het handje en mijn dochter aan, de slapende Lars in een rolstoel voortduwend.

Mijn keel zwol op toen ik robot-Lars bevel gaf zich terug te trekken. ‘Ik wil Ella gedag zeggen.’

Het handje verdween.

Ik omhelsde mijn versufte dochter. Voor het eerst in jaren. Ik kuste haar mooie gezicht en vertelde haar dat alles goed zou komen. Echt.

‘Papa gaat met je mee.’

Haar hoofd kwam traag omhoog. Ze keek me lodderig, maar bewust aan. ‘Mee?’

Ik knikte. ‘Over honderd jaar is hij er nog voor je.’

‘Maar jij? Dan moet jij hem missen.’ Ella’s ogen vul­den zich met tranen. ‘Ik dacht…’ Ze zuchtte heel diep. ‘Dus je houdt wel van me?’

Mal kind. Mal, dwaas, lief kind. ‘Ja.’

Boven de boon kwam robot-Lars als haak aange­sneld.

Ik duwde de rolstoel in de boon en zette Ella lekker op Lars’ schoot. ‘Knuffel elkaar tot ik jullie kom ophalen,’ zei ik verstikt.

Ik keek de boon na tot ik niet verder kon kijken. Nemesis6 was groter dan ooit.

 

‘Vivian Petersdochter?’

Onder aan de Elevator stond de pseudomens me op te wachten. Het flitste door me heen hoe attent dat was, nu er niemand van mijn familie meer over was.

‘Ja?’

‘We begrijpen waarom u het heeft gedaan. Maar het mag niet.’

Mijn benen werden zo slap als overgare asperges. Hoe wisten ze het? Ik had alles zo goed gepland! De pendelpiloot die me had opgehaald, was een andere dan die me had weggebracht. Ik had Lars buiten het zicht van Meeuws camera’s gehouden. ‘Hoe…?’ stamelde ik alleen maar.

‘De autonome robot.’

Robot-Lars? Míjn robot-Lars?

‘Hij rapporteerde dat u twee mensen liet stilzetten in één boon. We konden door het tijdsverschil niet meteen ingrijpen, dat snapt u.’

Ik knikte. Mijn maag brandde. ‘Wat gebeurt er met Ella en Lars?’

‘Niets. Uw dochter zit haar straf uit en wordt weer retourgenomen. Uw man komt dan vanzelf mee.’

Hijgend zakte ik op de grond. Gelukkig, gelukkig, het was gelukt.

‘Non-Vitae moet u wel vervroegd pensioneren.’

Ik keek omhoog. Zonlicht kaatste op haar gladde gezicht zonder ogen. Haar stem klonk warm, maar wat ze zei was ijskoud.

‘Met onmiddellijke ingang.’

Categories