web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » Hoop : Peter Kaptein

Hoop

Peter Kaptein

 

1.

 

Haar laatste kus aan Loheij was een kus van verlangen geweest, van beloftes naar de toekomst. Van: ‘ik mis je nu al’ en: ‘ik kom zo snel mogelijk weer terug’. Haar laatste afscheid van haar moeder was een afscheid vol goede intenties geweest: ‘ik probeer meer bestellingen binnen te krijgen’. Al die intenties. Al die beloftes. Al het verraad. Dat alles kon over een paar momenten tot een einde komen.

Haar handen waren strak tegen het stuur gedrukt. Haar voet stond vol op het acceleratiepedaal. Bij wie ligt je loyaliteit, Meyago Niloo? Haar dubbelleven. Bij wie ligt je loyaliteit? Haar driedubbelleven. Bij wie, Meyago Niloo? Bij haar familie.

‘Dat is de muur,’ zei Assistentie.

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

Kiteh-hoer.

‘De boot ligt klaar,’ zei Assistentie. ‘De wagen is sterker.’

De eerste klap smeet haar tegen de gordels. Het staal van het chassis schreeuwde met een gierende uithaal nadat de voorwielen met de tweede klap in aanraking kwamen met de overgebleven rand van de muur. De wereld werd een buitelende warboel waarin ze als een stuk dood vlees heen en weer werd geslingerd tot de derde klap op het zeewater alles in diepe duisternis dompelde.

Vreemd genoeg voelde ze voornamelijk rust en een­zaamheid toen ze zich losmaakte uit de gordels, toen ze zich na een laatste hap lucht los maakte uit de wagen, toen ze wegzwom van de zuiging waarmee het verwrongen metaal haar naar beneden probeerde te trekken.

Ze dook op, haar gezicht naar de hemel. (Niemand op de rand van de klif.) De beloofde boot lag verborgen in de schaduw van een rots; twee Lleroh-vrouwen op het dek, één wijdbeens met een vierkante reddings­boei in haar hand, klaar om te gooien. Meyago stak haar hand hoog op, wierp een nieuwe, angstige blik omhoog naar het gat in de muur. Zonder twijfel was de blauwe auto al tot stilstand gekomen, waren de twee mannen uitge­stapt. Elk moment nu, elk moment kon iemand z’n hoofd over de rand steken en zien dat ze hier was, hier. Hier in het water! Seconden! Seconden slechts. De enige vraag was waarom het zo lang duurde. Waarom stónden ze daar nog niet?

De worp was bijna perfect. Ze hoefde alleen maar haar arm uit te strekken, de reddingsboei te grijpen.

‘Contact,’ zei ze tegen Assistentie. ‘Ik ben tot nu toe veilig. Er is nog niemand te zien.’

Ze liet zich over kalme golven naar de sloep trekken waar de tanige Lleroh-vrouwen haar aan boord trok­ken, stond daar even druipend, voordat ze zich geluid­loos neer liet zakken.

Er klonk geen geschreeuw van boven. Er was – behalve de bellen die nog steeds van de gezonken wagen omhoog kwamen – geen spoor meer van haar aanwezigheid. Er waren slechts kalme stemmen. Flar­den van een gesprek in het dialect van Ebyon, dat van boven de boot bereikte, tot de stemmen afzwakten en verdwenen.

Dertig minuten verstreken in absolute stilte van haarzelf en de twee vrouwen. De zon zonk langzaam richting de horizon.

‘Meyago?’

‘Ja?’

‘Je achtervolgers zijn weg.’

‘Begrepen,’ zei ze.

De elektromotor kwam tot leven. Meyago keek een laatste keer huive­rend en met een harde blik naar boven. Verkleedde zich toen.

‘Wat gaat je volgende stap worden?’ vroeg de stem in haar hoofd.

‘Ik ga terug,’ prevelde ze achter geheven handen. ‘Terug naar Ebyon. Ik doe wat Eijjon Eijsson me gevraagd heeft. Ik ga terug naar Yin-Beh, terug naar huis. Alsof er niets gebeurd is.’

Ze liet zich achterover zakken, tegen het harde can­vas van het zeil, wierp even een blik omhoog naar Merle: de vierde van de zes kunst­matige manen, arrogant in zijn perfecte schoonheid, onbereikbaar sinds eeuwen.

Ze sloot haar ogen.

Hoop.

De geur van oud zweet en zeewater in de oude jas was onaangenaam sterk, maar duizendmaal beter dan gevangenschap in een cel in Ebyon; beter dan de dood.

Hoop.

Dat was wat haar uiteindelijk dreef, zelfs nu. Zelfs nu alles waarin ze geloofd had uit elkaar leek te vallen. Hoop dat het universum een goede plek zou zijn. Hoop op een betere wereld. Hoop dat de oude tijden van vrede weer terug zouden komen. Hoop dat de Kiteh en de Timbesh in Yin-Beh gestopt zouden worden. Hoop. Niet de wanhoop van de vlucht. Niet de angst voor haar familie. Niet de angst voor de dood of de toekomst. Hoop. Hoop dat haar wereld ooit weer de sterren­poorten zou her­bouwen, nieuwe bruggen naar andere werelden zou slaan, weer op zou klimmen uit dit gat waarin het twaalfhonderd jaar geleden was terug­geworpen.

 

Haar val begon elf dagen eerder, vlak na haar eerste én laatste ont­moeting met Yuun Kuhalin.

 

 

2.

 

Zijn gezicht was gezwollen van de klappen die hij gekregen had. Zijn schedelkap verwijderd en het bot vormde een scherpe, gele rand boven de terug­getrok­ken huid van zijn voorhoofd.

Meyago borg het dossier op in de zoom van haar mouw.

Veertig doden, dacht ze. Wat een opmerkelijk persoon. Had hij aan het eind van zijn vlucht gerekend op een laatste ontsnapping, of een snelle dood?

Ze boog zich voorover om een beter beeld te krijgen van de kom­vormige leegte waarin ooit het vocht had gezeten waarin zijn hersenen hadden gedreven, bestu­deerde aandachtig de schone snede. Vakwerk.

Het begin van zijn hersenstam was een glad en helder blauw. Ze bestudeerde de dikte van de schedel­wand, de wasachtige glans van het vlees in de holte; de bobbels en vloeiende randen van de schedel­basis.

Wat maakt hem anders?

Meyago deed een stap naar achteren.

Haar adem vormde wolkjes in de gekoelde lucht.

Hij was ooit een gezond man geweest. Nu reikte zijn linkerbeen niet verder dan zijn knie. Zijn rechter tot aan de enkel. De laatste decimeters van zijn armen waren tot net boven zijn biceps afgezet. Zijn penis en zijn balzak waren met grove sneden verwijderd. Nauwe­lijks opmerkelijk, dacht ze cynisch. Het verhoor­proces ging nergens over. Hij had volgens de Kiteh-rapporten niets losgelaten. Niets van belang. Niets dat ze niet al wisten uit de eindeloze verslagen van hun eigen Agent-Voyeurs.

‘Hoe zit het met de hersenen? Enige anomalieën?’

‘Geef haar een antwoord, Dame,’ zei Beijjun zacht, ‘als het u belieft.’

‘Het begin van een tumor in de rechter hersenhelft,’ zei de lange vrouw. (Gele lijnen in haar rode huid volgden haar kaaklijn, liepen van haar neusbrug naar haar kruin.) Een Timbesh uit het havengebied. Ze herkende de patronen, plaatste de hoge jukbeenderen en het lange gezicht. Dochter van één van de meer welvarende families.

Meyago ging één voor één door de foto’s heen, elk vel in een flits in haar geheugen gegrift, elk een weergave van een volgende plak. De tumor was duidelijk zichtbaar.

Nergens in de doorsnedes zag ze afwijkingen in de hersenlobben. Ze bekeek de röntgenfoto’s. Geen sporen van implantaten. Ze bekeek de celstructuur van zijn spieren. Wat de Kiteh ook hadden verwacht te vinden, Kuhalin was nee: léék– een normaal mens, van deze wereld.

Beijjun Niam wierp een blik op haar klokje.

‘Dm. Niloo, we moeten gaan.’

Door de lang hal van het mortuarium naar de uitgang. Meyago zette haar zonnebril op, opende haar parasol toen ze buiten stond. Een aankondiging van haar regering bedekte de zijgevel van het gebouw vóór hen. Een peinzende Kiteh die naar de hemel keek. ‘Weest Waakzaam! De Aarde observeert ons!’

‘Hij was zwaarder toegetakeld dan ik verwacht had,’ zei ze.

‘Schaamteloos,’ zei Beijjun Niam zacht. ‘Een grof misbruik van Kiteh-privileges. De Lleroh hebben het recht Yuun Kuhalin aan een eigen verhoor te onder­werpen, vóórdat de Kiteh besluiten hem te doden. Hij had hier nooit terecht mogen komen.’

Meyago keek even achterom toen ze het terrein van de Kiteh-gevangenis verlieten, streek een lok van haar lange haar uit haar gezicht. Het was een bijna onop­vallend gebouw dat wegviel achter hoge bomen en statige steenzwammen.

‘Hij is niet de eerste,’ zei Meyago.

‘Sinds we niet meer in het zelfde bed slapen als de Kiteh en de Timbesh,’ zei Beijjun zuur, ‘valt hier weinig meer tegen in te brengen… Geef de Kiteh nog een paar jaar en onze status is even laag als dat van de Oba en de Gehina.’

Meyago stapte in aan de passagierszijde, klapte haar portier dicht. Beijjun nam plaats achter het stuur, leunde opzij, draaide de contact­sleutel om. ‘Wat zijn je bevindingen?’

‘Geen sporen van wijzigingen. Geen aanwijzingen dat hij van buiten deze wereld komt.’

‘Had je anders verwacht?’ zei Beijjun.

Ze schakelde, reed de wagen achteruit. ‘Yuun Kuhalin is een smokke­laar. Mogelijk een Agent uit Yig-Masuul. Geen buitenwerelds ding.’ Met minachting: ‘En zéker geen spion van Aarde.’

Meyago bekeek zichzelf in haar kleine spiegel, bracht haar haar samen achter haar hoofd, herschikte haar mantel. De volgende bestemming was de Centrale Administratie van de Kiteh.

 

 

 

Het was een paleis voor zielenrovers, lelijk, de gevel zwaar en donker, met drie rijzige torens en naar­geestige betonnen beelden van abstracte menselijke vormen naast smalle hoge ramen van glas in lood.

De glanzende vloer van de enorme hal was een platgeslagen doolhof van zwart en witte stenen. In het centrum stond een blok van grijs steen waarop een magere Kiteh-vrouw zat, deels verborgen achter de lage rand van haar koperbeslagen fort. Haar schedel was kaalgeschoren. Gouden ringen hingen neer uit haar lange oren. Witte lijnen vormden sierlijke krullen over haar diepblauwe handen, haar armen, over haar bijna vierkante gezicht. Ze droeg brede lijnen langs haar neus, fijne spiralen op haar voorhoofd en over de rug van haar handen. Geen make-up maar genetisch- en erfelijk bepaalde pigmentverschillen. Haar nagels waren zorgvuldig bijgeslepen, afgerond.

Hoog van stand.

Aantrekkelijk op een koude wijze.

Ze keek op van haar papieren, woog Beijjun, woog Meyago op hun uiterlijk.

Meyago knikte.

‘Beijjun Niam,’ zei Beijjun Niam en ze maakte een korte buiging. ‘Agent-Exécuteur. We worden ver­wacht.’

‘Mijn naam is Meyago Niloo,’ zei Meyago. Ze boog, plaatste haar pas op de tafel. Toen deed ze een stap naar achteren. ‘Agent-Voyeur.’ Een titel zonder status.

Knoppen werden nuffig ingedrukt, papieren zodanig verschoven alsof het om zaken van groot gewicht ging; het leren portfolio langzaam geopend, Meyago’s identiteitspapieren langdurig bestudeerd en het geheel teruggegeven.

‘Gaat u zitten.’

Meyago keek opzij.

De Kiteh wees naar een stenen bank aan de zijkant van de enorme ruimte.

‘Ik hoop dat je niet bent vergeten je afspraken van deze middag af te zeggen,’ zei Beijjun spottend, toen ze zaten.

Meyago sloot haar handen, wreef zorgvuldig haar palmen over elkaar, zweeg, omdat het niet haar plaats was om te zeggen wat ze dacht: ‘Ik wil weg! Ik wil weg van hier.’

De waarheid als welgeplaatste bommen, had Beijjun eerder gezegd. Maar waar? In de hogere rangen van de Lleroh? Dicht tegen de weinige pijlers van macht die ze nog over hadden?

Een uur verstreek. En nog één.

 

Eindelijk verscheen hij. Een Kiteh-man: zijn middel slank, zijn schouders en heupen breed, de patronen in zijn huid zelfs op deze leeftijd bijna foutloos. Een teken van zijn zuiverheid, van zijn sterke familielijn. Van hoge adel, zoals Beijjun. Hij droeg zijn glimlach als onderstreping van zijn onverschilligheid.

‘Dame. Dame?’ Hij stak zijn beide handen uit, maar met een duidelijke aarzeling. Alsof vooral Meyago te smerig was om aangeraakt te worden.

Beijjun Niam torende hoog boven hem uit.

‘Dit is jullie expert?’ vroeg hij Beijjun.

‘Dit is onze expert.’

‘De dochter van een linnenfabrikant.’

‘Agent-Voyeur, academisch geschoold,’ zei Beijjun.

‘Uiteraard,’ zei hij en het was duidelijk uit de manier waaróp dat Beijjun net zo goed haar mond had kunnen houden.

Zwijgend ging hij hen voor door een fel verlichte gang, met hoge, betonnen bogen, dieper het gebouw in; over een brede trap met hoge ramen, die uitzicht gaven op een enorme volière (waarin prachtige, fel­gekleurde vogels opstegen uit bomen, met gespreide vleugels door de lucht scheerden, weer op lange takken neerstreken) verder naar beneden; langs donker­groene, gesloten deuren waarachter grote hallen lagen waarin enorme kasten stonden, vol schake­lingen, vol elektronen­buizen. Rekken vol trans­formatoren zo groot in aantal dat het zoemen hier hoorbaar was; con­densatoren zo groot dat ze ze nauwelijks in haar handen kon houden. Krachtige computers die meer dan driehonderd jaar oud waren, meer dan vijf jaar geleden uit de Lleroh-universiteit waren gehaald (gestolen!) en drie jaar geleden door de Kiteh hier geplaatst.

Ze keek neer op zijn brede rug.

Yuun Kuhalin stierf in opdracht van deze man. Omdat zijn woorden geen waarde meer hadden, dacht ze. Hij stierf omdat iemand dacht dat zijn autopsie meer zou vertellen dan uit zijn ondervragingen zou komen. Hij stierf zodat zekerheid gevonden kon worden dat spoken van Aarde opnieuw interesse hebben gekregen in de werelden van Epsilon Drie.

Ze passeerden drie Timbesh vrouwen die haar zorg­vuldig opnamen, hun semiautomatische geweren naar de grond gericht. Ze gingen dieper over brede treden, door een lange, grijze gang met zestien metalen deuren op regelmatige afstand van elkaar, elk sterk genoeg om een milde explosie te weerstaan. Diep onder de stad nu, dieper waarschijnlijk dan de lange tunnels van de riolering. De muren en de vloer waren donkergrijs. De enige verlichting bestond uit TL-balken.

Ze sloegen linksaf.

 

Een stapel boeken lag op een stalen tafel, naast een zwart rechthoekig object dat even lang was als haar hand. Meyago bevroor. Het was echt! Kostbaarder dan goud. Hebzucht vlamde op in haar hart, in haar buik. Jaloezie greep haar bij haar keel. Een jaloezie waar­voor ze moorden kon plegen.

‘Zoals verzocht.’

‘Geen fratsen,’ zei Beijjun dreigend, een felle blik naar de Kiteh gericht.

Het intense gevoel van onveiligheid schoof gevaar­lijk dicht naar doodsangst nu ze hier stond, alsof ze gevangen zat in een doodlopende steeg en de vrouw met het mes elk moment haar ingewanden aan stuk­ken kon trekken.

Zestien jaar van studie. Van boeken over verloren tech­no­logieën. Verloren, verboden technologieën die mensen bijna tot goden hadden gemaakt. Vijfhonderd jaar van taboe, voordat de eerste elektronen­buizen werden toegestaan. Zevenhonderd jaar van sabotage en onder­mijning.

Als je ook maar iets hierover loslaat naar anderen, had Beijjun gezegd, is je persoonlijke veiligheid niet langer meer mijn verantwoordelijkheid. En denk niet dat er ook maar iemand aan jouw zijde staat, of dat de Kiteh en de Timbesh ook maar iets zal ontgaan van wat er in Yin-Ghuel gezegd en gesproken wordt nu de paranoia zo hoog is.

Vijf punten, dacht ze en ze raakte ze één voor één aan tot het monster weer in zijn kooi zat, de angst zo goed als verdwenen was.

Ze greep het tablet, draaide het om en om in haar trillende handen, bestudeerde de groeven in het materiaal, op zoek naar herkennings­punten, vond ze. Niet zeker wat ze kon verwachten, niet zeker of dit een vervalsing was, een kopie, dood materiaal, niet zeker of het ook maar iets zou doen drukte ze op het vijfhoekige vlak onder haar duim.

Twaalfhonderd jaar!

Meer dan twaalfhonderd jaar lang had dit soort objec­ten verzonken gelegen in de wereldzeeën. Tot een dief, een smokkelaar, een man van haar eigen ras werd opgepakt door de Kiteh. Yuun Kuhalin.

Het zwarte, glanzende oppervlakte tussen haar vingers werd een verzameling van abstracte vlakken die langzaam van vorm en kleur veranderden.

‘Dit is inderdaad wat het is,’ zei ze en ze had moeite haar stem in bedwang te houden. ‘Een computer uit het Tweede Tijdperk.’

Weet waar je loyaliteit ligt, had Beijjun gezegd, voordat ze de auto het terrein op had gereden. Vertel de Kiteh wat je weet. Laat je niet afleiden door je politieke over­tui­gingen, als je die al hebt. Aan de oppervlakte zijn we allemaal gelijk aan elkaar. Lleroh, Kiteh, Timbesh. Broeders en zusters.

Ze schakelde de projector aan, voelde de schok toen ze met eigen ogen zag hoe stabiel het beeld op de muur bleef staan. De bewegende beelden tussen haar handen werden vervangen door een toetsenbord met zesenvijftig vreemde tekens. Ze schakelde de com­puter in slaapstand, hield het in het licht. Eén stuk materie. Harder dan diamant. Met schakelingen op atomaire schaal. De kristallijne batterijen van dus­danig hoge kwaliteit dat er geen oxidatie optrad, geen slijtage.

Werkte de stappen waarmee ze dit apparaat volledig kon wissen en herstarten? Hoe goed sloten de instruc­ties in de oude documenten aan op de werke­lijkheid van dit wonder?

Het was het bijna waard haar leven te wagen, deze computer mee te nemen, door de lange gangen van deze ondergrondse bunker te rennen, voorbij de gewapende mannen en vrouwen, buiten dit pand. Een belachelijk dom idee. Ze zou niet verder komen dan de deur.

Ze schakelde de computer opnieuw aan, keek met meer aandacht naar het afbeelding op de muur, de subtiele wisselingen in kleur en in de achtergrond. Een venster. Een venster naar een wereld vol ab­strac­ties. De fluisteringen leken deze keer nog dringender. Alsof het contact met haar zocht.

De implantaten.

Uit.

Om en om in haar handen.

Het zwarte materiaal aan de buitenzijde absorbeerde volgens de boeken elke vorm van energie, inclusief het licht dat van het plafond kwam.

Eerbiedig plaatste ze het weer op de tafel, bittere lijnen in haar hoofd. Ze had weinig hoop het ooit terug te zien.

 

 

4.

 

De bakkerij was tot de laatste tafel gevuld met Lleroh, Timbesh en Kiteh. De Oba werden al meer dan tien jaar volledig geweerd, ook in het bedienend personeel.

Muziek overstemde de gesprekken. De geur van vers bakwerk was sterker dan al het andere. De achter­kamers, die in betere tijden de gelegenheid hadden gegeven voor interraciale seks, werden nu gebruikt voor zakelijke ontmoetingen.

Meyago en Beijjun zaten dicht tegen elkaar aan in een kleine nis bij het raam. Als goede vrienden. Meyago rechtop. Beijjun leunde zwaar naar achteren.

Geen fratsen.

Waarom die uitspraak?

Hoe vér reikt de invloed van Beijjun eigenlijk?

Meyago schoof haar ellebogen naar voren, inwendig nog steeds trillend van opwinding, teleurstelling; haar hoofd vol gedachten rondom één punt.

Wat heb je in ruil geboden voor dit bezoek? Wat heb je in ruil teruggekregen?

‘Waarom had Y.K. dat ding bij zich?’ vroeg ze.

‘Dat weten we nog niet.’

Wat gaat mij dit kosten?

Ze dacht aan haar moeder. De neerwaartse spiraal van haar eigen leven sinds haar afdeling was over­genomen door de Timbesh, haar onder­zoeks­­richting geen fondsen meer had gekregen, zijzelf was ontslagen.

‘Zo somber,’ zei Beijjun en ze schoof dichterbij. Een glimlach schoot even over Meyago’s gezicht. Het was niet moeilijk de grens tussen hen beiden verder te laten zakken. Het was niet dat ze een hekel had aan Beijjun Niam. Het was gelukkig niet zo dat de preutsheid van de Kiteh ook haar volk besmette.

‘Zo vol met gedachten,’ zei Beijjun.

‘Wat is de volgende stap? Ga ik voor de Timbesh werken? Is er een kans dat ik voor de Kiteh ga werken, dat ik weer terug kan gaan naar de universiteit, op­nieuw onderzoek kan gaan doen?’

‘Terug? Nee. Sorry meisje. Niet dit jaar. Niet deze eeuw. De Kiteh laten niet los wat ze nu hebben. En ze gaan jou geen toegang geven tot de drie die je zo snel mogelijk in Ebyon gaat keuren.’

Meyago voelde de schok.

Beijjun begon te lachen.

‘Verbaast je dat? Yuun Kuhalin was niet de enige Lleroh met deze technologie. Ik had je hier liever buiten gelaten, maar ik kan niet zonder jouw unieke blik op deze zaken. Je bent één van de weinige mensen die ik ken die beide voeten op de grond heeft staan en hier werkelijk iets zinnigs over kan zeggen. Ik wil de mening van iemand die niet haar tijd verdoet aan die paranoïde samenzwerings-onzin van de Kiteh. Ik wil dat jij gaat uitzoeken waarom Yuun Kuhalin pogingen heeft gedaan om bij de kweekfabriek van Yin-Ghuel te komen.’ Haar wijsvinger raakte even de lippen van Meyago. ‘Uiterst vertrouwelijk uiteraard,’ zei ze zacht. ‘Niet gebonden aan een harde deadline. En niet iets dat je met de Kiteh gaat delen in je dagelijkse rappor­tages. Behandel dit voor de Kiteh vooralsnog als een normale zaak, met de gebruikelijke ingre­diënten. Moord. Landverraad. Diefstal.’

Ze gaf Meyago’s hand een zacht kneepje.

‘Geef me zo snel mogelijk een rapport over wat je zojuist in handen hebt gehad. Waar dit ding vandaan kan zijn gekomen, wat de mogelijk­heden zijn, welke implicaties het gebruik van deze technologie kan hebben, welke literatuur hierover beschikbaar is. Alles dat van belang is voor de Kiteh, voor de Lleroh en voor je Moederland.’

Beijjun liet haar kin even op Meyago’s schouder rusten, zei toen peinzend: ‘De fabriek is na de Tweede Val nooit afgesloten geweest van buitenaf, Meyago, omdat niemand dacht dat die driehonderd vervloekte kweektanken ooit nog gebruikt konden worden. En nu heeft iemand vier bewakers om het leven gebracht, heeft iemand anders vier nieuwe wakers aangesteld. En iemand probeerde via Yuun Kuhalin toegang krijgen tot deze duivelse machines waarmee mensen en monsters gemaakt kunnen worden… Vertel me, Dame: waarom zou iemand dat doen? In het licht van wat u zojuist heeft gezien, waarom zou iemand deze moeite nemen?’

‘Onsterfelijkheid, de creatie van nieuwe ziektes?’ fluisterde Meyago. ‘Supersoldaten, superslaven, men­selijke computers? Nieuwe incarnaties van Aardse agenten?’

‘Het soort toepassingen waar de Kiteh zo gek op zijn,’ zei Beijjun cynisch. ‘Dan Y.K. Wat is je officiële mening? Mens? Buitenwereldse agent? Supersoldaat van een buitenlandse macht?’

‘Ik weet het niet.’

‘Goed genoeg.’ Ze gaf Meyago twee oorbellen in een klein doosje. ‘Hier heb je alles wat we van hem weten. Lees je in. Breng vandaag je rapport uit naar het Paleis. Laat dit stuk over de kweektanken en de andere machines ergraagbuiten. Het broeit in Yin-Beh en als iemand zich daarboven bedreigd gaat voelen door wat we mogelijk te weten gaan komen kan het allemaal erg vervelend voor ons worden. Om die reden: rappor­teer alles dat buiten je routine valt eerst naar mij. Rapporteer alles wat je leert over Y.K. naar mij en op het moment dat ik zeg dat je moet stoppen met dat andere onderzoek, stop je. Begrepen? Je dagelijkse plichten en je normale leven gaat gewoon door.’

Meyago knikte. ‘Helder. En Ebyon?’

‘Zo snel mogelijk. Ik zorg dat alles zo natuurlijk mo­gelijk verloopt, zodat je familie geen argwaan krijgt.’

‘Begrepen,’ fluisterde ze.

Beijjun liet zich achterover vallen, in de kussens van haar stoel.

‘Wat is de kortste termijn waarop je naar Yig-Masuul kunt gaan?’

‘Vijf dagen,’ zei Meyago. ‘Tenzij er beperkende fac­toren zijn.’

‘Dit wordt de derde keer dit jaar?’

Meyago knikte.

‘Dan gaat dat geen problemen geven. Je hebt geen andere verant­woordelijkheden in Yin-Ghuel?’

‘Geen die ik niet af kan zeggen.’

‘Prima. Verwacht in dat geval morgen een spoed­bestelling van een bekende klant uit Ebyon,’ zei Beijjun en ze schoof weer tegen Meyago aan. ‘Gebruik code mala zeven, drie, vier, als je je reisvisum aanvraagt,’ fluisterde ze. ‘Zodat er geen onnodige vertragingen optreden. Nog iets anders dat van belang is aan jouw zijde?’

‘Nee.’

‘Prima.’

Meyago maakte haar hand los van de warmte van Beijjuns been, rechtte haar rug, wenkte een serveer­der, bestelde een thee voor beiden.

 

 

 

Negenhonderd jaar vóór de Tweede Val, één jaar voordat de eerste mensen van Isomé uit de fabrieken kwamen, kozen zestien Aardse zaad­schepen de meest vruchtbare en meest geschikte plekken op Isomé.

Omdat de Aardse biologie ongeschikt was voor het leven op Isomé, grepen de schepen talloze monsters van lokale levensvormen. Volauto­matisch, zoals ge­pro­gram­meerd.

Vijftien dagen na landing vormden zich de eerste cel­len die menselijke longen zouden gaan vormden, men­se­­lijke hersenen, menselijke spieren, menselijke dar­men, menselijke botten, herkenbare menselijke lijven.

Een jaar later werden de 4800 Eersten van Isomé wakker met herken­bare lichamen en levendige, ge­con­ditioneerde herinneringen van Aarde, Mars, de Maan.

En terwijl de fabrieken van Isomé bleven produceren en de populatie op Isomé groeide naar zestigduizend volwassenen, landden dertig andere zaadschepen op Elija en Nilja: de zevende en achtste planeet van Epsilon Drie.

In minder dan een eeuw hing een totaal van vieren­twintig kunstmatige manen in stabiele banen rond de drie planeten van deze zwakke zon, oogstten robot­schepen essentiële metalen uit de Van Oortwolk, vlogen door mensen gemaakte schepen door het stelsel en via de poorten tot ver daarbuiten en begon­nen de fabrieken levensvatbare fantasielijven te produceren die dromen vervulden en die steeds verder van de mense­lijke standaard af begonnen te wijken.

De Grote Oorlog eindigde vrijwel alles.

De machine-corrupties van de Eerste Val trof veel meer werelden dan alleen Isomé.

Voor het eerst in vijfhonderd jaar werd het stil, dood­stil in de vele duizenden stelsels rondom Al-Jawziyya’s Ster, waar ook Meyago’s zon deel van uitmaakte.

 

Isomé herstelde zich. En viel weer toen grof misbruik leidde tot het Grote Taboe en de Tweede Val.

De fabrieken met de kweektanken vervielen tot niets meer dan beziens­waardigheden.

 

 

6.

 

De ochtend van de volgende dag begon met zware regenval die geen einde leek te hebben. Lijven pakten zich samen onder de hoge zwammen van het Helden­plein: lange Lleroh (optimistisch en blij van hart); korte, donkere Kiteh (alledrie de geslachten aan­wezig, samengedrongen en ernstig); slanke, rode Timbesh (voornamelijk ondoorgrondelijk); een kleine groep bleke Oba (uitgescholden en met minachting en wan­trouwen op afstand gehouden).

Verse nieuwsbrieven aan de muur maakten melding van mislukte pogingen om tot een nieuw handels­verdrag te komen, van de dalende waarde van aan­delen, mislukte herplaatsingstrajecten voor Lleroh-arbeiders, het toenemende probleem van open riolen in een stad ver hier vandaan, onhygiënische prak­tijken in Oba-ziekenhuizen, moord, incest, inbra­ken, diefstal en groeiende onlusten in de veer­tien Oba-wijken van Yin-Ghuel, de noodzaak tot meer waak­zaamheid nu Oba-misdadigers en Lleroh-smokke­laars hun werkterrein opnieuw richting de binnenstad hadden uitgebreid.

Een half uur vestreek. Lleroh en Kiteh spraken rond­om haar over persoonlijke zaken, handel, tegen­slagen. Welkom voer voor Agent-Voyeurs. Sociale veelvraten zonder duidelijke kenmerken, waar vrijwel niemand weet van had.

De middag brak aan. De winkels werden gesloten, de kantoren, de werkplekken liepen leeg. Restaurants openden zich, evenals de huizen van vermaak waar voorstellingen werden gegeven voor Kiteh, Timbesh, Lleroh en Gehina, waar mensen samenkwamen voor orgies, voor muziek, voor de snelle kick en de heer­lijke roes van drugs.

De zon brak door. En de zomerse hitte maakte Meyago’s dikke mantel overbodig.

‘Dag-dag,’ zei ze tegen de vrouwen met wie ze had staan praten. ‘Een fijne middag voor jullie allemaal. En tot later!’

Ze keek naar de hemel, de lucht boven zee waarin geen wolkje meer zichtbaar was.

‘Het wordt een prachtige dag!’

Ze sloeg haar mantel van haar schouders, liet het langs haar armen glijden.

‘U ook,’ zei ze lachend tot de Timbesh die haar een goede dag wenste.

Ze bond haar haar naar achter.

‘Morgen kom ik langs,’ zei ze tegen de Kiteh-vrouw die niet ver hier vandaan een restaurant had.

Ze opende de parasol die ze op haar rug had gedra­gen, voorzichtig, zodat ze niemand zou raken.

‘De bibliotheek,’ zei ze met een blik opzij. ‘Als u zin heeft, kunt u mee lopen.’

Eveyago Des Moheij opende haar eigen parasol.

‘Graag,’ zei ze.

Een vlucht vogels vloog over, schreeuwend naar el­kaar, schreeuwend naar de wereld beneden.

‘Uw moeder? Hoe gaat ze?’

‘Redelijk goed,’ zei Meyago naar waarheid. ‘Ze heeft zich gelukkig niet te diep in de schulden gestoken. Zo lang we nog draaien, verkopen we.’

‘Fantastisch!’ zei Des Moheij van onder haar scha­duw. ‘Ik hoor dat er in mijn kringen ook steeds meer belangstelling komt voor Lleroh-onder­ne­mingen, van investeerders uit welgestelde Timbesh- en Kiteh-kringen. Zeker nu de crisis de industrie in uw wijken zo onder druk zet. Wees niet verbaasd als iemand uw moeder binnenkort een bod gaat doen.’

‘U?’

Dm. des Moheij begon te lachen.

‘Ik zou het graag willen. Maar nee.’

‘We gaan het zien,’ zei Meyago vrolijk. ‘Daar is de wacht.’

Ze liet zich staande houden, hief haar vrije hand. ‘Tot later, Dame.’

‘Tot later!’ zei Dm. des Moheij met geheven parasol. ‘En wellicht wordt het weer eens tijd dat u langs komt!’

Meyago liet de Timbesh-agent haar papieren zien, de stempel met nummers op haar pols. De stempels waren het bewijs van haar eerdere passage richting het hart van de stad. Ze opende haar tas; ze liet de kaarten zien die in de zoom van haar mouw lagen, toonde de namen van haar klanten, toonde de aan­tekeningen voor twee nieuwe bestellingen, haar buidel met geld, spreidde haar armen, liet schijnbaar onaangedaan de handen van één van de mannelijke Timbesh-agenten over haar lichaam gaan. Reageerde niet toen hij haar onbetamelijk in haar kruis betastte.

Omdat ze Lleroh was.

Het had ook háár een gevoel van veiligheid moeten geven, maar dat deed het niet.

 

Drie uur lang groef ze ongestoord door oude boeken en verfriste ze haar herinneringen van technische schakelingen, technische beschrijvingen, praktische beschrij­vingen voor gebruik. Niets dat ook maar een hint bevatte naar de manieren waarop ze een com­puter zoals die van Yuun Kuhalin kon laten samen­werken met de fabriek onder het Paleis. Ze nam twee uur de tijd om door de deprimerende verslagen over de Tweede Val en de daaropvolgende Opruiming te gaan, opnieuw te lezen over de gruwelen die gepro­duceerd waren, in de hoop iets nieuws te vinden.

Het was zeven uur toen ze het laatste boek zorg­vuldig dichtsloeg en haar aantekeningen samen­vouwde.

De zon was nog steeds warm.

Bij de brug werd ze opnieuw staande gehouden. Ze toonde de stempel van witte inkt.

Hoe reëel is de angst van de Kiteh? Is het Aardse Rijk nog steeds een macht om rekening mee te houden?

‘Natuurlijk,’ zei ze en ze spreidde haar armen, liet gelaten toe dat de tweede vrouw haar fouilleerde, terwijl de derde door haar aanteke­ningen en haar papieren ging.

Zouden mensen van buiten Isomé werkelijk op deze manier handelen? Mogelijk. Maar niet waarschijnlijk. Niet als je de macht bezat het universum naar je eigen wil te buigen. Niet als de toekomst teruggebracht kon worden tot permutaties van mogelijkheden. Niet als de technologieën die deze rangschikkingen mogelijk maakten met gemak in haar vuist kon worden gehou­den. Het zal nooit kloppen.

Om acht uur betrad Meyago het communiehuis.

Ze trok een nummertje.

 

De microfoon was groter dan haar vuist, een zwaar ding van staal. Ze trok het naar zich toe, boog naar voren. Deed alsof ze sprak om de afstand tussen het rooster en haar lippen te testen. Toen liet ze haar vingers over de 64 toetsen gaan, koos de negentien karakters die haar met Rapportagebureau 67 van het Paleis in verbinding bracht. (De telefoontoestellen in Yig-Masuul hadden draaischijven, maar om één of andere reden bleef de technologie van Yin-Beh hangen bij deze eeuwenoude oplossing.)

Het beeldscherm flikkerde aan. Het oog van de Agent-Voyeur ver­scheen boven de trotse griffioen van de Agent-Exécuteur.

‘Gegroet, Agent-Voyeur bela nola 716,’ sprak de neutrale Kiteh, zeh perfecte gezicht uitgesneden in prachtige vlakken licht en schaduw. Generaties van selectieve paring in elitekringen, drie stippen op zeh voorhoofd een markering van zeh status. ‘Rappor­tages, graag.’

Ze ontsloot haar geheugen. Dertig dossiernummers, inclusief dat van haar moeder, Aijin Niloo, en haar zus, Eijolin Niloo. Ze deed een gestructureerd verslag van de roddels, de handelingen, de observaties die ze ver­zameld had, een proces dat meer dan een uur in beslag nam. (Ongetwijfeld deden de Kiteh en de Timbesh het­zelfde, de genadeloze constante obser­vatie van al hun dierbaren, buren, vrienden, zaken­partners. Voor het goed van stad en staat!)

Toen de overdracht was afgelopen drukte Meyago de zwarte resetknop in. Het beeld viel terug naar het wapen van Yin-Beh.

Ze slaakte een diepe zucht, drukte de knoppen van de tweede code in.

‘Ik wil graag een reispermissie aanvragen,’ zei ze. ‘Code? Mala zeven, drie, vier. Bestemming? De stad Ebyon op het eiland Yig-Masuul. Zake­lijk. Spoed. Sorry? Kunt u dat herhalen? Ah! Uiteraard. Duizend­maal dank.’

Want Beijjun was haar belofte nagekomen. Eerder die dag was op het kantoor van de fabriek van haar moeder een telegram bezorgd. Een spoed­bestelling voor zesduizend strekkende meters fijngeweven linnen.

 

 

7.

 

Van kinds af aan had Meyago zich ingezet om niet net als haar andere vier zussen achter het weefgetouw te zitten, dag in dag uit haar oog op de spindel die heen en weer schoot, murw door het klikken en klakken van de kammen die eindeloos omhoog gingen en eindeloos weer omlaag. En dus had ze alles wat ze had ingezet op haar studie, op het halen van de beste cijfers, de hoogte scores, het leggen van contacten binnen de universiteit die haar verder zouden helpen zodra ze naar het volgende niveau zou schuiven. Het was uiteindelijk voor niets gebleken.

Ze stapte de schaduw van de overhang in, sloot haar parasol, stapte de koele lucht van het kantoor van haar moeder binnen.

‘Meyago! Is alles gelukt?’

Ze gaf haar moeder een knuffel, een kus op haar wang.

‘De reispermissie wordt ergens in de loop van morgen of overmorgen bezorgd. Zijn dat de monsters? Waar zijn de contracten?’

‘Daar.’

‘Waar? Oh! Fantastisch. Dank je.’

Boven, in haar eigen kantoor sloot Meyago zorgvuldig de deur. Het schraapte over de vloer net voordat het in het slot viel. Meyago plaatste de contracten op haar bureau, haalde Beijjuns oorbellen uit haar oren, knipte ze open.

Niet veel later zat ze voorovergebogen op haar stoel.

Ergens lag een patroon van overlappende hande­lingen tussen Yuun Kuhalin en de drieëntwintig mensen waarvan ze de dunne strookjes één voor één in een lege sigarenkoker plaatste. Pelegero Izaz, een oude vriend van haar moeder. Neji Lii, Kiteh, denker, weten­schapper, uit­vinder. Aijin Agaron, Kiteh, van hoge afkomst. Ze schoof de derde film onder de lens van de zakmicroscoop, schoot door de samen­vattingen.

Yuun Kuhalin: smokkelaar, handelaar, dandy, moor­denaar, piraat. Mogelijk een Agent-Saboteur.

Meyago ging opnieuw door zijn dossier. Minaars en minnaressen, van de laagste regionen tot de hoogste standen. Gezonken schepen, gezonken ladingen, scha­duw­levens, onderschat vanwege zijn geslacht. Goud, graan, opiaten, slaven, exotische diersoorten, ver­boden literatuur. Een man zonder onderscheid: Oba, Kiteh, Lleroh, Timbesh, Gehina. Ze schoot over de namen van bedpartners, zijn handlangers (veel Oba-vrouwen, vooral voor het smerige werk) leveranciers, afnemers.

Ze nam jaar na jaar na jaar, tot zich patronen begon­nen te vormen. Ze schreef. De avond viel. Ze schreef meer, tot het kraken van de losse plank in de hal haar deed opschrikken en de deur schrapend werd open­geduwd.

Met vier snelle handbewegingen verborg ze de kokers met de micro­films in de open lade aan haar linkerzijde. Met vijf snelle handelingen nam ze de microscoop uit elkaar. Met één schoof ze haar aantekeningen in het vak onder haar tafelblad. Toen draaide ze zich om.

Eijolin duwde de deur verder open.

‘Heb je een moment?’ vroeg ze, de lijst met bestellingen van die dag een doorzichtige leugen om boven te komen. ‘Stoor ik? Is dit een goed moment?’ Er vormde een diepe blos op haar wangen.

Meyago knikte, schoof haar stoel naar achteren, stond op, stak zwijgend haar hand uit.

Later.

Opnieuw alleen sloeg Meyago haar benen over elkaar, boog zich opnieuw over het dossier van Yuun Kuhalin.

Ze plaatste verschillende objecten op haar tafel: een karaf van gegra­veerd kristalglas, een stalen brief­opener, een dobbelsteen, een beker van porselein met delicate schilderingen in het glazuur, een kiezelsteen, elk een representatie van de meest relevante aspec­ten. Kiteh. Timbesh. De recente moord op vier soldaten. Computer. Ze plaatste een vijfde object in de cluster, een godonmot in een blok van kunsthars. De kweek­machine. Een zesde object: een ring met een steen van obsidiaan. De Eerste mensen, de Tweede Generatie. De draden woven patronen over tijd en afstand, plaats en aard van de ontmoetingen.

Ze plaatste haar vinger op de kiezelsteen, de com­puter. Ben je er één van ons? Een speciaal project om de ontwikkeling in Yin-Ghuel te versnellen? Werkte je voor één van de Kiteh? Wat hoopte je te bereiken?

 

Toen middernacht viel, sloot Meyago haar ogen en ze wachtte tot ze contact kreeg met Ontvangst.

‘Ha, Meyago. Spreek.’

Geluidloos vatte ze haar bevindingen rondom Yuun Kuhalin samen.

‘Ik maak vanavond mijn officiële rapport, met betrekking tot de mogelijke vindplekken van deze apparatuur.’

‘Enig vermoeden?’

‘Alleen maar vage aanwijzingen. Er kunnen op Isomé honderden, mis­schien wel duizenden plaatsen zijn waar deze apparatuur is opgeslagen.’

‘Is hij één van ons?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Jammer.’

‘Wat denk je van de vondst in Yig-Masuul?’

‘Dat!’ zei ze opgewonden en ze sloeg haar hand voor haar mond, prevelde: ‘Zijn wij het? Komen deze com­puters bij ons vandaan?’

‘Nee.’

‘Bestaat er een organisatie zoals de onze, maar dan met andere middelen en een andere doelstelling?’

‘Ik kan je daar niets over vertellen, Meyago.’

‘Buitenwereldse invloeden? Misleiding?’

‘Daar kan ik je niets over vertellen.’

Ze aarzelde. ‘Wat zit er in mijn hoofd? Ik weet dat dit een ongepaste vraag is, maar welke technologie gebruiken jullie? Op basis van silicium? Germanium? Organisch? Kristallen? Uit welk tijdperk?’

‘Je stelt vragen die ik niet mag beantwoorden,’ zei Ontvangst.

‘Wie werkt ons tegen?’

‘Je bent niet in de positie om dat soort dingen te weten,’ zei Ontvangst.

‘Begrepen.’

‘Goed. Dank je voor je rapport. En een fijne nacht.’

Meyago wierp een blik op haar klokje, schreef haar laatste aannames op, schreef de laatste regels van haar dagoverzicht, sloot gefrustreerd haar boeken. Genoeg voor vandaag. Het was tijd om naar huis te gaan.

 

 

8.

 

Haar moeder was nog steeds hard aan het werk toen ze voorzichtig de deur achter zich dicht trok. Ze beklom de steile heuvel naar het Eiyron-district.

Wat zou je laten produceren, Yuun Kuhalin?

Ze bleef even staan, haar rug tegen de muur, alsof ze op het punt stond een pijp op te steken.

Welke monsters laten de Kiteh uit de kweekvaten komen, zodra ze weten hoe dat moet?

Een mes? Zou het voldoende zijn haar mantel rond haar arm te slaan? Ze zou niet de eerste zijn. Een paar steken in haar borst, haar buik. Een wurgkoord rond haar nek? Haar lichaam gedumpt in de rivier, of be­graven op een plek waar het niet gevonden zou worden. Niet de eerste Agent-Voyeur die verdween omdat ze nét even teveel had gezien, nét even teveel wist.

Ze stak haar vingers door de ringen van de boks­beugel in haar binnen­zak, maar hield haar hand in haar mantel.

Tegen wie gaan dat ingezet worden?

Tegen ons?

Ze werd gepasseerd door een onbekende Timbesh-vrouw, die even knikte. Een moordenaar? Een nieuwe schaduw?

Even na middennacht beklom ze de trappen naar het appartement, de sleutelbos rinkelend in haar hand. De buitenlamp wierp een vaal geel licht op de deur. De sleutel gleed soepel in het slot.

Er klonk geen geluid, geen geschuivel van voeten, geen vreemde ademhaling toen Meyago de zware deur naar de woonruimte opende. De deur van de werk­ruimte stond open. Het kleine appartement leek leeg. Ze knipte het licht aan.

De blinde wand van de woonkamer werd volledig uit zichg genomen door een enorme boekenkast waarvan elke plank twee rijen diep was volgezet. Ze liet haar vingers over de ruggen glijden. Boeken over de ver­schillende continenten, de verschillende talen, de ver­schillende landen, diersoorten en culturen van de wereld, van Isomé. Boeken van Loheij, van haarzelf, van Ujhalin. Boeken over management, organisatie­vormen en organisatiestructuren, boeken over wis­kundige principes, kunst­matige levensvormen en ana­tomie; boeken over de geschiedenis van Yin-Beh, Yin-Ghuel en de omliggende landen; boeken over de werel­den buiten Isomé en de gekoloniseerde werelden in andere zonne­stelsels.

Een schone pan stond op de metalen stoof. Drie boeken waren door iemand uit de kast gehaald. Twee andere boeken stonden iets schuiner dan ze die ochtend waren achtergelaten. Twee nieuwe boeken lagen naast het grote bed, aan Loheijs zijde.

Meyago opende de deur van het balkon, (onaangetast) stapte naar buiten en opende de deur van het toilet. Niemand.

Yuun Kuhalin werd twee weken geleden gevangen door de Timbesh, stierf drie dagen geleden in een Kiteh-gevangenis.

 

Ze ontdeed zich van haar mantel, van haar hemd, van haar ondergoed, vouwde alles netjes op en plaatste het peinzend in de wasmand.

Loheij had andere sporen achtergelaten. Het water in het reservoir was eerder die dag bijgevuld. De kleine steelpan stond op de rand. Het water in het kleine reservoir was nog warm, een teken dat ze niet zo lang geleden een bad had genomen.

Meyago stapte over de rand in de kuip, greep de steelpan, schepte over haar hoofd en haar schouders, begon zich te wassen.

Duizend jaar later en we zijn nog steeds niet in staat geweest iets vergelijkbaars te produceren als van voor de Tweede Val! Wat hebben we? Technologie die door hand­werkers gemaakt kan worden. Glasblazers, koperwerkers, edelsmeden. Schijt: zelfs de Oorspronkelijke Mensen van Aarde zijn met hun natuurlijke middelen en hun natuurlijk verstand verder gekomen dan dit!

Wat is er wérkelijk gebeurd na de Tweede Val? Wie werkt ons tegen? Wie probeert ons klein te houden?

De deur klikte open.

Ze liet bijna de pan uit haar vingers glijden.

‘Ha, Meyago,’ zei Ujhalin. ‘Schrok je? Sorry.’

Ujhalin trok de balkondeur open, verdween even naar buiten, kwam weer terug, zette met een harde klak van de schakelaar de radio aan. Even stond ze daar met haar rug naar Meyago te wachten: kort, zwart haar dat haar hals bloot liet, lange benen in een wijde broek, een kobaltblauwe mantel over haar schouders die het blauwgroen van haar huid extra accent gaf.

Ik ben bang, dacht Meyago. Te bang.

De radiobuizen kwamen op temperatuur. Zachte ruis en zacht gefluister zwol tot heldere muziek. Tien kilo van koperdraad, soldeertin, ijzer, glas en keramiek.

Ujhalin draaide zich om.

‘Is er nog warm water?’ vroeg ze.

Meyago knikte.

Ujhalin smeet haar kleding op de grond, boog zich voorover zodat de huid van haar lange, slanke rug zich spande, het wit van de inktlijnen op haar huid on­bedekt, onverhuld: een menselijke schedel, omringd door narcissen en de bloemen van een andorion. Over haar kuiten liepen dunne lijnen in sierlijke krullen, met bladeren en bloemen.

‘Je lijkt echt gespannen,’ zei Ujhalin toen ze zich oprichtte. ‘Ongewoon voor jouw doen. Alles goed?’

‘Nee.’

‘Iets dat je kunt delen?’

‘Nee.’

Meyago liet haar schouders zakken.

‘Ik werd waarschijnlijk gevolgd.’

Ujhalin plaatste haar handen op haar knieën, slaakte een diepe zucht toen Meyago met stevige bewegingen haar rug begon te schrobben.

‘Lleroh?’

‘Timbesh,’ zei Meyago.

‘Alsof het niet genoeg is dat we alles geven wat we hebben,’ zei Ujhalin. ‘Alsof het niet genoeg is dat we ons helemaal kapot werken.’

‘Lager,’ zei ze.

En: ‘Vandaag, nee, deze hele week was ook voor mij even te veel… Ik wil eindelijk weer eens vrij zijn, dansen. Ik wil eindelijk weer eens goeie, echte seks. Niet dat haastige, gezamenlijke gemasturbeer dat we nu doen. Ik wil slapen tot de zon hoog in de hemel staat.’ Ze greep zacht Meyago’s linkerpols, drukte de spons verder naar beneden, liet Meyago’s middel­vinger en ringvinger even tussen haar dijen glijden.

Het was verleidelijk, maar Meyago schudde haar hoofd.

‘Ik heb geen tijd.’

Ujhalin liet haar hand los, liet een vrolijke lach horen.

‘Ik wil rust,’ zei Meyago en ze zeepte Ujhalins borsten, buik en billen in. ‘Ik wil ongestoord door de stad kunnen lopen. Ik wil mijn oude werk terug. Ik wil kunnen leven zonder bang te zijn. Ik wil geen moorden meer’ en daar viel ze stil.

Het was te gevaarlijk wie dan ook, gevaarlijk om zelfs Ujhalin in ver­trouwen te nemen, te onverstandig haar gedachten te delen, niet wijs te spreken over de dingen die ze gisteren en vandaag gezien had, gehoord had, gelezen had.

‘En wat?’ vroeg Ujhalin, die verstandig genoeg was niet door te vragen. ‘Wat wil je nog meer?’

‘Seks,’ zei Meyago. ‘Een supergeile massage.’

‘Ontvangen of geven?’

‘Ontvangen,’ zei ze. ‘Ik wil eten tot ik neerval. Ik wil vroeg pensioen en een huis bij de zee én een huis in het binnenland. Ik wil mooier kunnen zingen dan, beter kunnen spelen dan’ en ze noemde een naam.

Meyago spoelde water over Ujhalin. Ze greep een handdoek, stapte omzichtig uit de kuip.

‘Ik ben in de werkkamer,’ zei ze. ‘Ik zie je straks.’

 

Dieptekaarten gaven haar de lijnen, die ze zorgvuldig overtrok op dunne vellen papier. Van de negen zeeën gingen er vier dieper dan tien kilo­meter. Ze nam lengte- en breedtegraad over, bleef een tijd naar het papier staren, terwijl ze in gedachten schepen liet uitvaren.

Ujhalin ging voor de tweede keer naar het toilet, masturbeerde in de leefruimte. De muziek veranderde toen het nieuwe uur inging. De kou van de nacht bereikte haar dieptepunt.

Meyago trok een mantel over haar schouders, wreef hard met haar vingers over de diepe denkrimpels tussen haar wenkbrauwen, keek op, snoof.

Yuun Kuhalin was er bijna in geslaagd om tot de broedkamers onder het Paleis door te dringen. Met het doel te falen?

Ze rook de geur van gebakken ei, opgebakken graan en beij-knollen, schreef. Niet veel later gaf Ujhalin drie zachte klopjes op de deur. ‘Eten?’

Ze verzegelde het rapport, stond op, sloot de deur achter zich.

‘Klaar?’ vroeg Ujhalin.

‘Klaar,’ zei Meyago.

Ze liet zich in haar stoel vallen.

Ujhalin stak vuur in haar pijp, bood hem aan Meyago.

‘Je ziet er moe uit, schat.’

Meyago nam een trek, nam een tweede, liet de rook in haar longen hangen. ‘Ujhalin?’

‘Hmm?’

‘Je zei een paar weken geleden dat je soms wel eens hebt gedroomd te stoppen. Als Agent-Voyeur. Wat drijft je voort? Om toch door te gaan?’

‘Hoop,’ zei Ujhalin. ‘Wat anders?’

‘Hoop op wat?’

‘Niet ‘op wat’, lieverd. Hoop. Zonder enige reden of ratio. Zonder ego. Hoop zonder basis. Zodat niets of niemand die hoop weg kan nemen.’

Meyago nam een nieuwe trek.

Hoop zonder noodzaak tot enig resultaat. Hoop die los stond van de vraag of er oorlog komt. Hoop die onverschillig was of ze in de gevange­nis zou belanden, doodgeschoten zou worden. Hoop die zich geen zorgen maakte over de toenemende chaos, de stijgende onvrede of de loyaliteit van Agent-Voyeur Ujhalin, van Agent-Voyeur Loheij richting Kiteh of Lleroh. Hoop die zich niet afvroeg wanneer Loheij nooit meer thuis zou komen, omdat haar lijk in een mortuarium lag.

 

 

9.

 

Ze was zes jaar oud toen ze voor het eerst ‘De verre Aarde’ las.

Ze was negen jaar oud toen haar droom uitkwam en ze net als dat meisje geronseld werd een Agent-Voyeur te worden voor de Staat.

Ze was elf jaar toen de naalden van haar implantaten diep in het bot van haar schedel werden geslagen. Net als decennia daarvoor bij haar tante Lynn was ge­beurd. Twee maanden later werd Lynn in een steeg niet ver van dit huis neergestoken omdat Lleroh vrouwen zoals tante Lynn geen afwijkende meningen hoorden te hebben.

Ze was zeven jaar oud toen ze haar eerste boek las over de gruwelen die tot de Tweede Val leidde, be­schre­ven in het Dikke boek der Monsters. Driehonderd bladzijden vol prachtige en gruwelijke illustraties van mis­baksels uit de kweektanken van landen als Osul Myandal Nyal en Yin-Beh. Sommigen nog steeds te zien in het Stedelijk Museum van Yin-Ghuel, hun skeletten zelfs zonder het vlees materiaal voor nacht­merries. Monsters groter dan een huis, monsters met lange soepele lichamen ontworpen om mensen te jagen, mensen te vermoorden.

Was dat wat Yuun Kuhalin naar de fabrieken onder het Paleis had gebracht?

 

 

10.

 

Vier dagen na haar aanvraag ontving Meyago twee rode reispassen op haar naam. In de nacht van de vijfde dag nam ze vurig afscheid van Loheij en Ujhalin.

 

Met twee staalkoffers vol linnen beklom ze die zesde dag de steile loopplank van de sierlijke, lange Amaruno, daalde ze de brede trap af naar hut 2.25-B.

De heldere tonen van de elektronische gong klonken toen ze haar koffers onder het derde bed schoof. Woorden stroomden als regen neer van de luid­sprekers, in Sanjuan, Ejuan en tot slot in Benjuan.

Meyago verliet haar kamer, klom naar het prome­nade­dek.

Er viel een korte stilte.

‘We verwachten over vijf dagen in Ebyon aan te meren,’ zei de steward in haar taal. ‘Als het weer meezit.’

De geur van de zee, de geur van de haven was sterker nu de wind uit het westen kwam. Zout. Organisch. Lijflijk en intiem bijna. Ze bestelde een lem, wendde zich tot Yin-Ghuel.

Clusters van hoge huizen klommen met hun blauwe, gele en oranje gevels over kilometers brede glooiingen tussen de veelkleurige vegetatie omhoog. Vrolijke stenen op de wijde rokken van het Paleis. Ver ver­heven boven de stad in al haar fascistische lelijk­heid en architectonische beto­vering dat al haar onmen­se­lijke grofheid en hemelbestormende majes­teit bloot­gaf. Heldere, harmonische kleuren, scheve hoeken; hoge, stevige torens die samensmolten met de vele hoeken en nissen van de hoge, betonnen buiten­muur waarmee de wereld effectief werd buiten­gesloten.

Ooit had ook háár volk vertegenwoordigers gehad in dat monster. Maar het idee achter de Zuivering was zo krachtig gebleken dat het zelfs binnen de Vijf tot scheuring had geleid. Jammer voor het welzijn, de rechten en de privileges van de Oba toen Vijf werd gereduceerd tot Vier. Spijtig voor de Gehina toen Vier werd gereduceerd tot Drie. Heláás voor alle rijk­dom­men en verworvenheden van de Lleroh nu Drie riching Twee begon te schuiven. Maar wie zouden uiteindelijk de overwinnaars zijn? De Kiteh? De Timbesh?

Er bestond al geen twijfel meer wie de slaven waren.

Ze sloeg haar ogen neer.

De scheepstoeter liet een lange heldere toon horen. Zware elektro­motoren kwamen tot leven. Een huive­ring ging door de boot toen de schoepen krachtig in het water grepen. De kade dreef van haar weg.

 

De eerste dag was de zee vlak als een snijtafel. De tweede dag wisselde ze van kamer. De derde dag waren de golven hoog als huizen, de lucht donker als opgedroogd bloed. Gedurende de vijfde dag zat ze stil naast de AM-radio in de mess, te luisteren naar de rapportages over de losgebroken rellen in zes Oba-wijken in Yin-Ghuel. Brandbommen. Zelf­ge­maakte geweren. Honderden gewonden werden tweehonderd, drie­honderd, zeshonderd doden onder de Oba. Meyago wist dat de werkelijke cijfers hoger waren.

De zesde dag was de zee kalm als een slapend kind. Ze stond een tijd lang op het dek, keek naar de school van massieve bootsmanvissen die tot laat in de middag met hen meezwommen, hun geribbelde ruggen als verzonken heuvelruggen vol opstaande twijgen.

Op de ochtend van de zevende dag lag Ebyon voor hen: een stad op de gestrekte, gebroken benen van een reus van vulkaangesteente. De huizen waren wit als gebleekte wol, de daken rood als de wolken in het licht van een zonsondergang, blauw als saffier, witgroen als toermalijn.

Vijf sierlijke boogbruggen waren hoog over de diepe baai gespannen zodat Noord en Zuid elkaar via korte lijnen bereiken konden. Ze nam afscheid van haar bedgenote: een Kiteh uit de noordelijke landen van Osul Myandal son Niil.

Meyago plaatste verrukt haar handen op de koperen railing, gegrepen door de schoonheid, de omvang van de menselijke verworvenheden van deze stad.

‘Ik ben aangekomen,’ zei ze onder haar adem. ‘Hope­lijk kom ik deze keer beter door de controles.’

 

 

11.

 

Het binnenwerk van haar koffers was volledig aan stukken gesneden, haar linnen door vreemde handen grof teruggepropt in de koffers. De schade aan haar persoonlijke bezittingen gaf aanzienlijk meer reden voor woede dan de onverschillige aanvallen op haar persoonlijke waardigheid. Maar Meyago hield zich in toen ze naar de zijkamer werd gevoerd om zich tot haar ondergoed uit te kleden; zodat ze betast kon worden door kille handen in rubber handschoenen.

Wat viel er nog voor nieuws te zeggen over deze behandeling, na vijf jaar en meer dan dertig tochten? Niets. Niets nieuws. En geschonden trots herstelde zich snel.

Daarom keek ze zwijgend toe terwijl twee mannen efficiënt haar kleding doorzochten. Daarom zweeg ze toen de vier brieven die ze had meegekregen één voor één geopend werden; gefotografeerd; achteloos in een bak gesmeten. Daarom beantwoordde ze geduldig de zelfde vragen als altijd.

‘U kunt gaan,’ zei de havendouanier uiteindelijk.

‘Dank u,’ zei ze.

Meyago kleedde zich haastig aan, werd door ongeduldige handen richting de laatste deur naar buiten gedirigeerd.

Niet Yig-Masuul was het probleem, maar haar af­komst, haar thuis, haar moederland, Yin-Beh.

Ik ben in ieder geval niet neergehaald, dacht ze bitter-vrolijk gestemd.

Ze hield een hoi aan. De koperbruine huid van de jongen zat vol slordige lijnen, slordige vlekken, alsof hij een dier was.

‘Breng me naar de binnenstad,’ zei ze.

Meyago streek de kreukels in de stof van haar mantel glad terwijl hij zorgvuldig haar koffers onder de bak plaatste. Ze noemde de straat en de naam van haar hotel.

‘Negen penme.’

‘Wat denk je dat ik ben?’ zei ze koud. ‘De koningin van Yig-Masuul? Een bietbak?’ Ze trok haar koffers uit de hoi. ‘Vijf,’ zei ze fel. ‘En anders zoek je maar een andere klant.’

Het werd vijf.

 

De weg gleed onder haar door. Soldaten in koninklijk blauw en helderwit marcheerden langs de rand van de brede weg, in de schaduw van hoge bomen, hun korte zwaarden kruislings op de rug, het heft naar beneden gericht; gedrongen vuurwapens met sierlijk krulwerk vastgeklemd in sterke handen. Hun loodgrijze gezich­ten ontspannen en onverschillig.

Opnieuw meer soldaten, dacht ze. Meer oorlogsschepen. Maar wie vormt de bedreiging?

Ze passeerden weelderige huizen, grote fabrieks­hal­len, kantoren van import- en exportbedrijven, kleine parkjes vol bomen, bloemen en steen­zwammen, rook de weelderige geuren van voedsel waarvan de vreemde specerijen haar diarree zouden geven. (Ze had het een paar keer geprobeerd, ondanks de waar­schu­wingen.)

De hoi week uit naar de stoep van een brede straat, vertraagde toen de jongen pas verminderde. Meyago werkte zich uit de kuip, strekte haar lange lijf en betaalde hem zijn vijf penme.

 

Haar hotelkamer was oppervlakkig schoongemaakt en in milde staat van verval. Het behang rook muf van de schimmel die het papier in de hoeken van de kamer donker kleurde. Ze schoof de koffers met een ruk van haar armen tegen de muur, liet het raam dicht. Dieven klommen ook hier in Ebyon met gemak tegen de muren op.

Twee minuten later stond ze in een kleine cel in de hotellobby, een gesloten, gele parasol in haar linker­hand.

Er klonk een klik toen Loheij de telefoon opnam.

‘Loheij Nam. Wat kan ik voor u betekenen?’

‘Met mij,’ zei Meyago.

‘Meyago! Ik stond net op het punt naar buiten te gaan.’

‘Ik ben blij dat je gewacht hebt.’

‘Ik mis je.’

‘Ik jou ook,’ zei Meyago. ‘Veel.’

‘Ik had gehoopt dat ik je inmiddels beter nieuws zou kunnen geven, Maar Ujhalin is al een paar dagen niet thuisgekomen.’

Vijf hartslagen stilte, waarin een deel van haar stierf. Ze draaide machteloos het koord van haar hoorn rond haar vingers, liet het weer gaan.

‘Heb je’

‘Ja. Ik heb rondgevraagd. Ze is niet dood, zover ik weet. Niet veroor­deeld. Je weet waarschijnlijk hoe het is in de stad. Met de Oba-rellen.’

‘Ja,’ zei Meyago. ‘Ik heb de berichten gehoord.’ Ze balde haar vuist, leunde haar voorhoofd tegen de muur. ‘Schijt.’

‘Het is waarschijnlijk niets. Waarschijnlijk zit ze ergens in een cel te wachten tot ze wordt vrijgelaten.’

‘Ik hoop het. En jij? Hoe ga jij?’

‘Maak je geen zorgen. Ik ga goed,’ zei Loheij en er viel een nieuwe stilte, onderbroken door twee piepjes. Meyago deed drie nieuwe munten in de betaalsleuf. ‘Ik merk zelf bijna niets van de onlusten,’ zei Loheij toen. ‘Behalve de rook. De halve stad staat onder de rook, Meyago. De Oba hebben gisteren verschillende ge­bouwen in de brand gezet. Het is echt vreselijk wat er gebeurt. Bij de beesten af.’

‘Ik weet het,’ zei Meyago. Er klonken twee nieuwe piepjes. ‘Is er nog iets anders?’

‘Ja. Ik hou van je,’ zei Loheij.

‘Ik wou dat ik bij je was.’

‘Ik ook.’

Drie piepjes.

‘Dag lieverd,’ zei Meyago, gehaast.

‘Dag schat. Ik’

Een klik.

‘Mijn’

Drie aanvullende klikken.

Stilte.

Meyago liet de hoorn zakken, keek even naar de kale, donkergrijze muur voor haar, slaakte toen een diepe zucht. (Vijf:) Ze vlakte alle emoties uit haar gedachten. (Vier:) Ze strekte haar armen, dwong haar schouders naar beneden. (Drie:) Ze haalde diep adem. (Twee:) Ze sloot haar ogen en dompelde zich een moment in een witte leegte. (Eén:) Ze controleerde haar hartslag. Kalm. (Nul.)

De draaischijf van de oude telefoon maakte bij elke terugslag opnieuw een gierend geluid toen ze het nummer van het kantoor draaide.

‘Hallo ma, ik ben veilig aangekomen in het hotel… Zoals gewoonlijk. Ja. De stalen zijn wat gekreukt maar Nee. Dat zit goed. Morgen, hoop ik. Ik ga zo bellen. Volledig.’ Ze deed alsof ze moest lachen. ‘Hoe staat het met de Oba-rellen? Niet? Gelukkig! Ja. Het is vreselijk. De doden Ik begreep dat Geen graan en rijst, ja. En water? De branden. Ja. Ik hoorde daarover, van Loheij. Goed. Oké. Ja mam. Dat komt goed. Ik bel zodra ik meer nieuws heb. Ik ga nu wat eten.’ Drie piepjes. ‘Het geld is op. Kus!’

Ze draaide het derde nummer op haar lijst, maakte een afspraak voor de volgende dag, einde dag, hing op.

Met een sprong over de drempel dook ze de hete middag in.

‘Op weg,’ zei ze.

Ze schakelde door naar Informatie. ‘Is er enig nieuws over Ujhalin Koun?’ Ze noemde het burgernummer.

‘Ik heb geen informatie hierover,’ zei Informatie.

‘Is op enige wijze meer uit te vinden?’ zei Meyago. ‘Zijn er rappor­tages? Iets?’

‘Ik kan je niet helpen met informatie die in verband kan worden gelegd met andere agenten,’ zei Informatie.

‘Ik hoef alleen maar te weten of er iets bekend is. Alsjeblieft!’

Het was even stil.

‘We hebben geen informatie over Ujhalin Koun.’

 

Vrolijke winkeltjes leidden haar heuvelopwaarts naar het Lleroh-eethuis. Ze beklom de treden, botste bijna tegen een oudere man aan. Hij stopte een klein stuk papier in haar hand.

‘Pardon, heer.’

Ze borg de instructies weg in de zoom van haar broek.

‘Nogmaals excuses,’ zei ze toen hij mopperend van haar wegliep. Ze trad het eethuis binnen, zat neer bij het raam.

Ze koos bin en soth, heilomot en boras: vis in een pittige gele saus, groenten in een heldere bouillon, zilte vruchten van zeeplanten en het licht-zoete vlees van een broodzwam.

Niet voor de eerste keer vroeg ze zich af hoe het leven in Yin-Beh geweest zou kunnen zijn zonder de Grote Zuivering. Was Ebyon een voorbeeld? De afbeeldingen in de oude boeken?

 

 

 

Ooit waren de straten van Yin-Ghuel verzadigd van kleuren. Kleding vol rijke patronen, gemaakt van weelderige stoffen voor stralende mensen van honder­den verschillende mensensoorten. Gewone mensen woonden in huizen met voorzieningen die nu alleen voor de rijken waren.

De Grote Zuivering duurde minder dan een eeuw en na die Grote Zuivering telde het land van Yin-Beh nog maar vijf rassen: de beeld­schone maar preutse Kiteh, de gedrongen Timbesh met hun ongrijp­bare en vloeiende geest; de blauwgroene, optimistische Lleroh, de vaardige, withuidige Oba en de rechtlijnige, geniale Gehina. De rest was verdwenen in gevangenkampen, in de bloederige oorlogen die geen ander doel leken te dienen dan het voeden van de dood.

Meyago stapte uit de hoi, betaalde drie penme.

Ze beklom volgens haar instructies de treden naar de poort die naar de bazaar leidde. Een plek voor Lleroh en een paar genetische neven en nichten. Haar mantel gleed van haar schouders en toen ze in een drukke hal een zijgang insloeg keerde ze het met een slag van haar arm binnenstebuiten.

De variatie van soorten, van lichaamsvormen, van huidtekeningen en huidskleuren, kledingdracht en kledingkeuzes in Ebyon had haar de eerste keer met stomheid geslagen, evenals het aanzien dat de Lleroh hier nog steeds leken te bezitten; de gemengde wijken waarin verschil­lende rassen naast elkaar leefden; de openbare straffen en openbare executies van mis­dadigers, de prominente rollen die sommige Lleroh-mannen innamen.

Onder de kap van een kraam met noten en taarten liet ze haar haar losvallen en bij een winkel met boeken gleed ze tussen een grote groep Lleroh-studen­ten van haar eigen leeftijd. De Kiteh-schaduw die haar tot daar gevolgd had, was niet meer zichtbaar.

Verder! Haar werkelijke transformatie begin nu pas.

Ze schoof vier ringen aan haar vingers toen ze even bij een diepe winkel met beddenhoed bleef staan, stak een blauwe bloem in haar haar en veranderde haar manier van lopen bij het passeren van drie enorme aquariums (vol felgekleurde vissen ter grootte van haar vuist). Toen ze de bazaar uit de zuidelijke poort verliet was ze voor het oog en het gevoel niet langer meer Meyago Niloo, maar een willekeurige Lleroh-vrouw uit het noordelijke district van Ebyon.

‘Ik ben er bijna,’ fluisterde ze.

‘We blijven bij je.’

 

Eijjon Eijsson stond, zoals beloofd, drie straten verder op haar te wachten, een jonge prins met een blauwe speld in zijn lange haar. Hij had de duim van zijn linker­hand in de parelgrijze band rond zijn middel gestoken. Zijn rok reikte tot aan zijn enkels, zijn jasje stond open tot de vijfde knoop en zijn begroeting was zoals je kon verwachten van vrienden. Is dit Eijjon Eijsson? Hij lijkt zo triviaal, dacht ze. Niet alleen omdat hij een man was, een kop kleiner dan haarzelf. Zijn houding leek kracht te missen.

Ze greep zijn hand, wist dat zijn slappe handdruk slechts schijn was.

Dit is de slager, dacht ze. Agent-Exécuteur extra­ordi­naire.

Zijn woord was wet. Zijn geest scherp als gebroken glas. Zijn gele ogen koud als ijs, hard als staal. Ze om­helsde hem alsof ze oude vrienden waren, begon te lachten toen hij een opmerking maakte, volgde hem naar de zijstraat waar een elektrische huurwagen stond. Paars met gele stroken, de zonnekap gedragen door krullend houtwerk.

Hij klonk als iemand uit Yin-Ghuel, maar met een rollende ‘r’ en de kleine vergissingen in de ‘g’ en de ‘j’ zoals iemand uit de zuidelijke provincies zou doen.

Ze greep de handle van het portier aan de bestuur­derszijde.

Het was zinloos hem ook maar iets over Ujhalin te vragen.

‘Niet nodig, dame,’ zei hij vriendelijk. ‘Neem de passagierszijde. Als het u belieft.’

Bergopwaarts gingen ze! Naar de afslag die hen op de Oude Wegen bracht.

 

Hij was vaardig met de wagen. Vaardig als een vrouw, als een Kiteh-man, een Oba-man en naarmate ze verder kwamen wist ze haar ongemak naar een zijstraat te dwingen. Hij was een Lleroh-man! Onder­hevig aan onvoorspelbare opwellingen van emotionele verbijstering. Er was natuurlijk altijd een kans dat ze ongeschonden aan zouden komen. Dat hij hen niet tegen de rotsen te pletter zou rijden. Het heeft geen zin meer me daar zorgen over te maken, dacht ze. Sommige Lleroh-mannen zijn stabiel genoeg om de hele rit te kunnen maken. Hopelijk geldt dat ook voor Eijjon Eijsson.

Verder!

Over de sierlijke wegen van de Eerste Mensen, die als wit-betonnen linten hoog boven het landschap liepen, naar het binnenland waar de begroeiing steeds wilder werd.

Het laadstation lag in een klein dorp, boven de enorme zonnecellen die als reusachtige zwammen uit de witte klif beneden het station staken. De dikke koperen kabels lagen verborgen in witte buizen die langs de rotswand omhoog liepen.

Hij draaide de auto het terrein op, passeerde een andere wagen die verlaten aan de voorzijde van het pand stond.

‘Twee van onze agenten,’ zei hij.

Vijftien loodbatterijen stonden buiten opgesteld zodat waterstofgas kon worden meegenomen door de wind. Ze volgde hem de garage in, de trap af naar de kelder.

‘Dame?’ hij maakte een wijds gebaar naar de houten kratten. Vijf in totaal.

Twee waren opengebroken. In de bovenste zag ze tien computers, in twee nette rijen van vijf.

‘Beijjun Niam zei dat het er drie waren.’

‘Beijjun Niam weet niet alles.’

‘Waar komt deze lading vandaan?’

Hij wuifde haar vraag onverschillig opzij. ‘Concen­treert u op het hier en nu, dame,’ zei hij. ‘Laat zien wat u weet, wat u kunt.’

Ze greep de eerste computer, bestudeerde de details op de achterzijde: andere lijnen en groeven dan ze op de machine van Yuun Kuhalin had gezien. Ze drukte de knop in, zag de voorzijde oplichten, scheen op de muur vóór haar. Het reikte uit naar haar, zocht con­tact, stelde zich open voor haar. Karakters van een oud schrift, in een oude taal vroegen om haar iden­titeit. Een hypothese vormde zich.

Vijf punten van rust.

Eén van deze machines moest haar toegang geven, op een manier die geen verdenking op haarzelf zo leggen.

Ze pakte het tweede tablet. De lijnen waren ook hier anders. Het was iets kleiner dan het eerste, enigszins doffer van kleur. Een ander tijdperk? Het ding kwam probleemloos tot leven.

‘U schrijft volgens mijn bron in één van uw rappor­ten dat deze apparaten ten tijde van de Tweede Val in de oceaan tot zinken zijn gebracht,’ zei Eijjon.

‘Ja.’

‘Over welke aantallen praten we?’

‘Miljoenen,’ zei ze. Haar handen trilden.

‘Waarom zou ik dit willen hebben?’

‘Mijn rapport’

‘Er is teveel informatie en te weinig tijd. Wat is het nut?’

‘In de oude tijden, toen de Eerste Mensen nog in leven waren, was dit soort technologie – onder andere – cruciaal voor het bouwen van de zes manen die rond Isomé hangen. Nu zou het de Gehina volledig over­bodig maken voor een Kiteh-administratie. Het kan de Kiteh en de Timbesh helpen om rapportages binnen enkele minuten te verwerken en te koppelen. Op manieren die onmogelijk zijn voor menselijke her­senen. Zelfs als je een hele zaal vol Gehina hebt.’

Hij greep één van de computers. ‘Stel dat u dit Yin-Ghuel binnen­smokkelt. Stel dat u een agent bent van een vijandige mogendheid. Hypothetisch. Stel dat dit werkt. Stel dat u door weet te dringen tot de kweek­machines. Wat zou u kunnen of willen doen met dit ding?’

‘Ik heb mezelf onafgebroken diezelfde vraag gesteld,’ zei ze.

‘En?’

‘Ik kan geen zinnig antwoord vinden. Zolang de kweek­machines onder het Paleis staan is elke poging, die Kuhalin zal doen, nutteloos.’

‘Want?’

‘Het duurt volgens de overgebleven verslagen ver­schillende dagen voordat een lichaam volgroeid is.’

‘En meer dan een paar uur heeft hij niet, tenzij hij zich verborgen weet te houden. Was Yuun Kuhalin een Aardse agent?’

‘Dat weet ik niet, heer.’

‘Kunnen deze computers de Lleroh een strategisch voordeel geven?’

‘Als ik… het slot kan breken, heer,’ zei ze. ‘Elk is afgesloten en zo lang ik geen machine vind die onbeveiligd is, kan ik niets doen.’

Hij deed een poging de computer te activeren, faalde.

Ze nam hem over, trok twee stroken uit de platte buik, drukte het juiste vlak in en zette het op tafel. Het beeld op de muur was haarscherp, een perfect vier­kant, op het oog perfect waterpas, vol van kleur.

‘Welk strategisch voordeel kan de Kiteh verkrijgen met de computer die ze nu in handen hebben?’

‘Dat staat allemaal in mijn’

‘Ja, dame, dat heb ik begrepen. Welk voordeel?’

‘De Kiteh missen overzicht,’ zei ze. ‘De duizenden rapportages die wij dagelijks binnenbrengen zijn weken onderweg om in het systeem te komen, gerang­schikt, geclassificeerd, gekoppeld aan andere gege­vens. Dat kan worden verkort tot seconden.’

‘Beijjun Niam heeft u aanbevolen als één van haar meest intelligente Agenten. Is dit werkelijk het beste wat u heeft kunnen bedenken?’

‘Ik begrijp het niet,’ zei ze.

‘Wat hebben we in godsnaam aan administratieve optimalisatie, dame? We zitten in de loopgraven, om­ringd door een vijand die steeds dichterbij komt. Stel dat dit wapens zijn die op meerder manieren kunnen worden ingezet, wat zouden dan de mogelijkheden zijn?’

Hij greep de computer die ze op tafel had gezet, leek meer tot zichzelf te spreken toen hij zei: ‘Dat is het probleem met academici zoals u. U staat te ver van de harde realiteit. Uw soort logica sluit teveel opties uit. Denk na, dame. Denk. Zie de feiten in een groter kader. Er is een oorlog op komst. Twee maanden geleden smokkelden handlangers van Yuun Kuhalin één van deze machines vanuit Ebyon naar Yin-Beh. Wie heeft Yuun Kuhalin verteld hoe hij hier gebruik van kan maken? Waarom? Waarom was hij op weg naar de kweekmachines? Aanvullend: de Lleroh die deze machines vervoerden waren als monsters, met een onmogelijke kracht. We verloren drie gewapende agenten in de strijd. Wat als iemand of iets een nieuwe oorlog aan het voorbereiden is? Met dit soort appara­tuur tot hun beschikking? Met volledige beschikking over de kweek­tanken van Osul Myandal Nyal, van Yin-Ghuel? Denk.’

Meyago week achteruit, geïntimideerd door de urgentie in zijn stem, de intensiteit van zijn bewegingen.

‘Yin-Beh zou verliezen,’ zei ze.

‘Hmm. Juist.’ De minachting was duidelijk hoorbaar in zijn stem. ‘Wat als Yuun Kuhalin slechts een simpel doel had? Om te zien wat mogelijk was met de kweek­tanken? Wat als hij zelf uit de kweektanken kwam? Van Osul Myandal Nyal bijvoorbeeld? Heeft u aan die mogelijkheden gedacht?’

‘Nee,’ zei ze naar waarheid.

‘U bent de technische historica. U zou hier kennis over moeten bezitten. Zou het mogelijk zijn?’

‘Ja. Technisch gesproken’

‘Bespaar me de theorie. Is – het – praktisch – mogelijk?’

‘Niet’

‘Is het praktisch mogelijk?’

‘Ja. Niet met’

‘Heeft u een andere verklaring?’

‘Nee.’

‘Dus?’

‘Als dit het geval is, zat ik er volledig naast,’ zei ze.

Hij draaide het tablet om in zijn handen. ‘Laten we uw rapport een leuke vingeroefening noemen…’ Hij keek op. ‘Stel dat er sprake is van een derde partij? Iets of iemand die van buitenaf invloed uitoefent op de politieke en technologische ontwikkeling van deze wereld? U heeft de tumor in de hersenen van Yuun Kuhalin gezien? Dezelfde vreemde massa vonden we ook in twee van zijn… collega’s.’

Yuun Kuhalin op de snijttafel, de kanker in zijn hoofd die geen kanker was. Een mens uit de kweek­kamers. Absurd en tegelijkertijd goed mogelijk.

Ze begon nerveus te lachen, ondanks zichzelf, vroeg zich af hoe ze de schedels hadden opengebroken. Met hamers?

‘Absurd, dame?’

‘Onvoorstelbaar,’ zei ze en ze onderdrukte de angst­gedreven impuls de knobbeltjes aan de basis van haar schedel te voelen. ‘Een derde partij? Wie zouden dat moeten zijn? Mensen van de Aarde?’

‘Of iets anders dat al eeuwen hier op Isomé werk­zaam is. Mensen die de Tweede Val hebben overleefd. Mensen van vóór de Eerste Val. Mensen van buiten dit stelsel. Of mensen van de andere twee werelden. Alles is mogelijk, mevrouw Niloo. We hebben keuze uit vijftienduizend gekolo­niseerde werelden en twee buurtplaneten.’

Ze bedekte haar mond. Er was niets grappigs in zijn toon, niets grappigs aan de intensiteit waarmee hij haar bewegingen volgde.

‘Wat hiervan is officieel?’

‘Niets hiervan is officieel, dame.’

‘Wat kan ik hierover rapporteren? Wat wordt er van mij verwacht?’

‘U gaat hiervan niets rapporteren dat niet langs mij gaat. U blijft twee weken hier om ons alles te leren wat u weet. Daarna gaat u weer terug naar Yin-Ghuel tot ik u opnieuw nodig heb. En verder zwijgt u hierover. Zelfs tegen uw meerdere, Beijjun Niam.’

Koude vingers speelden langs haar ruggengraat. Wie diende hij? Waar

‘U vraagt zich af waar mijn loyaliteit ligt, dame?’ zei hij. ‘Daar kan ik zeer kort over zijn. Bij de Lleroh. Heeft u daar een probleem mee? Bent u een verrader van uw eigen ras? Bent u – net als uw meerdere – één van die Lleroh die liever met een Kiteh of Timbesh het bed deelt, in de hoop buiten spel te blijven als de moorden beginnen?’

‘Nee,’ zei ze.

‘U bent een slechte leugenaar en een potentiële verrader, mevrouw Niloo.’

‘Meyago! Dit is Assistentie.’

Ze kromp ineen.

‘Je moet nu weg! De plek waar je bent is gecompro­mitteerd.’

Gecompromitteerd. Iemand had hen verraden. Iets had hen verraden. Hoeveel? Hoeveel wagens? Hoeveel agen­ten van dit eiland, van Yig-Masuul, van Osul Myandal Nyal? Wat had hen prijsgegeven? Hoe veel tijd nog?

Ze vond vijf punten van rust, knikte, ging door één knie, boog haar hoofd, gaf hem zo wat hij verwachtte. Ze was niet langer meer in staat haar stem onder controle te houden.

‘Ik ben volledig in uw handen. Wat verwacht u van me, heer?’

Agent-Exécuteur Eijjon Eijsson plaatste zijn hand op haar kruin, een daad van onverwachte intimiteit. Ze kromp inwendig nog dieper ineen.

‘Bij wie ligt jouw loyaliteit, Meyago Niloo?’ vroeg hij en hij boog voor­over, drukte haar hoofd naar achteren zodat hij haar in haar ogen kon kijken. ‘Ben je werke­lijk een Kiteh-hoer, zoals de rapportages doen gelo­ven?’

Tranen vulden haar ogen. Ze moest hier weg, maar opstaan was gelijk aan een doodsvonnis. De dood door zijn hand, de dood van haar familie door zijn agenten. Blijven betekende de rest van haar leven in een cel in Yig-Masuul. De macht lag bij hem.

‘Nee,’ zei ze en deze keer bleef ze hem in zijn kille ogen kijken. Iets in haar brak los, bewoog opnieuw mee met de stroom van gebeurtenissen rondom haar. ‘Ik ben een Agent-Voyeur. Een Lleroh uit Yin-Ghuel. Niet alleen van afkomst, maar in hart en ziel. Met wie ik slaap verandert daar niets aan, heer Eijsson.’

‘Heer!’ riep één van zijn mannen.

Hij keek op.

‘We moeten weg. Deze plek is niet meer veilig.’

Hij keek haar fel aan. ‘Maakt u zich geen zorgen, Dm. Niloo. Als ik merk dat u ook maar één misstap maakt, dan zijn er consequenties.’

Hij stond op. ‘Hoeveel wagens zijn er?’

‘Drie.’

‘Dame Niloo, u kunt rijden, mag ik aannemen?’

Ze knikte. Hij drukte haar een contactsleutel in handen.

‘De wagen waarmee we zijn aangekomen. Zorg dat u niet gepakt wordt. Agenten van dit land gaan niet zachtzinnig om met Agent-Voyeurs van de vijand, van Yin-Beh.’

Hij greep in zijn andere zak, drukte haar een capsule in handen.

‘Slik dit als u geen andere uitweg meer heeft. In het belang van uw moederland! Ga! En overleef. We zijn nog niet klaar met elkaar.’

 

13.

 

Meyago wachtte niet tot hij was uitgesproken, dook in de richting van de deur. Drie treden per stap de trap op. Ze kwam hijgend in het harde licht van Epsilon Drie.

‘Ga naar het noorden, Meyago,’ zei Assistentie.

De paarse wagen stond waar Eijjon Eijsson hem had neergezet. Ze trok de deur open, dook de cabine in. Ze werd diep met haar rug in de stoel gedrukt toen ze het acceleratiepedaal tot de bodem intrapte. Felle pijn schoot door haar schouder toen ze de wagen met een wilde slinger op de hoofdweg bracht.

In de spiegel zag ze drie mannen het pand uit komen, waarvan er één de kist met computers droeg. Eijsson.

‘Ik ben op weg,’ zei ze, haar stem laag, schor van de spanning.

Ze was zo goed als dood.

‘Ik kan dit niet,’ zei ze. ‘Ik ben hier niet voor ge­traind.’

‘Je hebt helaas geen keuze meer.’

Het laatste huis van het kleine dorp schoot links aan haar voorbij. De open zee lag blauw en flonkerend naast haar. Haar handen waren als klauwen aan het stuur, vingers zo strak rond het wiel geklemd dat haar knokkels scherp en bleek afstaken. Ze keek in haar spiegels.

‘Welke wagen is het, Assistentie? Welke wagen?

Ze maakte één hand los, streek de tranen uit haar ogen, trok de zwarte bloem uit haar haar, smeet het tegen het gesloten raam aan de passagierszijde.

‘Je bent nog niet in zicht.’

‘Waar ga ik heen? Wat ligt er voor me?’

Ze haalde een wagen in.

Het bleef tien, twintig ademtochten stil.

‘Rij door naar Unanoma, het eerstvolgende dorp. Daar wacht een kleine boot onder de klif. Neem in Unanoma de hoofdweg. Rij de wagen door de muur over de rand aan het eind van de hoofdweg. Helder?’

Ze fronste. Een boot. Hoeveel mensen werkten voor deze organisatie?

‘En dan?’

‘Als je de klap overleeft en uit de auto weet te komen ben je veilig.’

‘Helder,’ zei ze.

Meyago schakelde naar een andere lijn.

‘Ontvangst. Meyago Niloo.’

‘Ik wil rapport uitbrengen.’

‘Ga je gang.’

‘Mijn organisatie heeft tien computers in hun bezit.’

‘Tien! Heb je ze gezien?’

‘Ja. Ik heb er twee in handen gehad. Beide werken.’

‘Je bent op de vlucht?’

‘Ja.’ Ze schetste kort de situatie, moest opnieuw haar tranen wegduwen, zweeg.

‘Heb je nog iets vreemds gemerkt toen je de com­puters aandeed?’

‘Ja.’ En ze beschreef de momenten van contact.

‘Ik ben bang,’ zei ze.

‘Je hebt het goed gedaan.’

‘Ik heb een vraag,’ zei ze een paar minuten later.

‘Ga je gang.’

Zijn de implantaten in mijn hoofd uit dezelfde periode? Uit de tijd voor de Tweede Val?

‘Zijn de computers onderdeel van het Plan?’

‘Nee.’

Waarom probeerden drie computers contact met me te maken? Wisten jullie hiervan?

‘Was ik onderdeel van een plan? Mijn opleiding?’

‘Nee.’

‘Wie is hier dan verantwoordelijk voor?’

‘Dat weten we nog niet.’

‘Buitenplaneets? Binnenplaneets?’

‘Dat weten we nog niet, Meyago.’

Een half uur verstreek. Ze passeerde een aantal wagens, inmiddels op maximale snelheid. De zon gleed langzaam richting zee. Enorme steen­zwammen staken als okergele schijven uit de zwarte rots boven haar. Elektrische auto’s stoven voorbij op de andere weg­helft, geschei­den van haar door een stenen rand. Meyago schoot door een kleine stad, kwam ongedeerd aan de andere zijde weer naar buiten, zag een blauwe wagen in haar spiegel.

‘Een blauwe wagen,’ zei ze.

‘Beschrijving.’

Ze beschreef.

‘Zorg dat je ze voor blijft.’

‘Mijn accu heeft iets minder dan twintig procent.’

‘Maak je geen zorgen. Je bent dichtbij. Zit je gordel vast?’

‘Ja.’

Meyago keek opnieuw in haar achteruitkijkspiegel, schakelde over op de andere lijn.

‘Als het ons doel is te zorgen dat Isomé een kans heeft,’ zei Meyago. ‘Als ons doel is te zorgen dat we niet opnieuw terugglijden in een tijd van duisternis, waarom doen we dan niet meer aan de situatie in Yin-Beh? Waarom zie ik niets ten goede veranderen? Waarom laten jullie toe dat de Lleroh de Oba en de Gehina achterna gaan?’ Is het een straf? Om de rol die we hebben gespeeld in de zuiveringen? ‘Zijn we te irrele­vant?’

‘Ik kan hier niet op ingaan, Meyago. Hoe graag je ook de antwoorden wil hebben.’

Ze volgde de wijde bocht, hoorde de banden protes­teren onder de zijwaartse druk. Unanoma kwam in zicht. Haar achtervolger zat dicht achter haar.

Ze schakelde naar Assistentie

‘Ik ben er bijna.’

en schakelde terug naar Informatie.

‘Werd Isomé gesaboteerd ten tijde van de Tweede Val?’

‘Ja.’

‘En in de eeuwen daarna?’

‘Ja.’

‘Door wie?’

‘Dat weten we niet.’

‘De Aarde?’

‘Mogelijk, maar onmogelijk te zeggen, Meyago. Er zijn zoveel bewoonde werelden rondom ons.’

‘Gaat die sabotage nog steeds door?’

‘Ja.’

‘Waarom doen jullie daar niets aan?’

‘We observeren. We grijpen in. Maar het plan dat we volgen is niet iets dat we met een agent in het veld kunnen delen.’

Ben ik door jullie misbruikt, bedrogen, Informatie?

‘Heeft mijn bijdrage ooit een verschil gemaakt?’ vroeg Meyago. ‘Doen jullie werkelijk wat aan de situatie op Isomé?’

‘Ik kan je geen antwoorden geven, Meyago.’

Ze week uit naar de rechter rijbaan en verminderde vaart, liet de eerste huizen aan haar voorbijgaan, liet een zwarte wolk achter zich toen ze vol op de rem stapte en met gierende banden de bocht nam; vloekte toen ze de wereld onder zich door voelde glijden.

Ik ben zó naakt, zo naakt.

Eijjon Eijsson had gelijk gehad. Ze was een verrader. Van haar eigen deugdelijkheid. Van haar eigen moeder, van haar eigen zus, van haar eigen mensen. Ik heb actief meegewerkt aan de veroordeling en dood van tientallen Lleroh. De andersdenkenden, de subver­sieven. De mogelijke samen­zweerders tegen de Kiteh, tegen de Timbesh.

Ze herinnerde zich de bittere woorden die Ujhalin, lang geleden gesproken had: Het belang van mijn lei­ding­gevenden is niet het belang van mijn volk. Gevaarlijke gedachten die haar mogelijk in handen hadden ge­speeld van de Timbesh. Woorden die ze gerappor­teerd had naar de Kiteh omdat ze bang was voor het alter­natief, bang was voor de straf voor on­ge­hoor­zaam­heid. Een mes tussen haar ribben, sterven in gevangen­schap.

Wát ze ook als excuses had gehad voor haar eigen daden, was in de storm van de laatste uren – na die snijdende woorden van Eijjon Eijsson – laag voor laag van haar weggerukt. Genadeloos.

Kiteh-hoer.

Alsof ze keuzes had gehad.

De blauwe achtervolger maakte een slinger, remde te laat af, schoot door.

‘Ben je van Isomé?’ vroeg ze. ‘Laat me dat in ieder geval weten. Kom je van deze wereld?’

Het bleef stil.

Hoeveel?

Hoeveel Lleroh waren door haar woorden, door haar verslagen in de problemen gekomen? Hoeveel had ze, met haar afgedwongen loyaliteit, bijgedragen aan de langzame status-val van haar eigen volk in haar eigen moederland?

Ze schakelde over naar de andere lijn.

‘Assistentie alles goed, Meyago?’

‘De muur ligt recht voor me.’ De vijfde maan, Iiego, hing bleek en kalm boven de rand. Het acceleratie­pedaal leek haar voet omhoog te duwen. ‘Vijfhonderd meter. Misschien meer. Grote stenen en grof cement­werk. Grote blauwe stenen en grof, wit cementwerk, toch? Nog maar een paar seconden en ik’

Maar er was geen uitweg meer.

De wolkeloze hemel recht vóór haar bood een valse belofte van totale leegte.

‘Dat is de muur, Meyago.’

Ze dwong haar voet opnieuw neer.

‘Zeg me dat dit niet mijn dood wordt!’ schreeuwde ze. ‘Help me om dit door te zetten!’

In de spiegel zag ze de blauwe wagen achteruit de straat in rijden.

‘De boot ligt klaar. De wagen is sterker dan de muur.’

Ze zette zich schrap.

Laat dit niet het einde zijn, dacht ze.

Toen kwam de klap.

Categories