web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Jaar » 2017 » De ijzeren vrucht : Johan Klein Haneveld

De ijzeren vrucht

Johan Klein Haneveld

 

Achteraf gezien had ik de kuil natuurlijk veel eerder moeten zien. Maar niemand had die nacht iets vreemds gehoord en ikzelf was in gedachten bezig geweest met het verhaal voor een 3D-voorstelling op het elek­tronische dorpsplein. Bovendien bestuurde de maaimachine zich groten­deels zelf. Mijn aanwezigheid in de cabine was nauwelijks meer dan een formaliteit. Dus schrok ik toen het apparaat steigerde en ik voor­over op het instrumentenpaneel werd geworpen. Van onder mij klonk een serie droge knallen als van brekende takken. En toen stond het apparaat plotse­­ling stil.

Ik knipperde met mijn ogen, duwde mezelf overeind en liet me uit de cabine zakken. Met een plof landde ik op de grond, een deken van plat­liggende halmen, daar waar ik zo-even langs was gekomen. ‘Wat is het probleem?’ vroeg ik.

De computer in mijn contactlens tekende een lijn­patroon over het oranje chassis van de maai­machine, met een rood oplichtende cirkel vooraan, waar het graan werd afgesneden. Ik liep ernaar toe en bukte voorover. De keramieken bladen waren afge­knapt. Midden erin als in een wit vogelnest bevond zich een metalen bol, aan één zijde zwart­gebla­kerd, door­sneden met kaarsrechte littekens. Er hadden antennes aan gezeten, maar daar resteerde er nog slechts één van, geknakt als een strohalm. Ik was nieuwsgierig wat het kon zijn, maar eerst zond ik de beelden door naar de speciale keramiekprinter, met een verzoek om nieuwe messen volgens de specificaties.

‘Je krijgt voorrang, meneer Dalik,’ hoorde ik de stem van een vrouw van voor in de dertig, die mijn com­puter voor mij identificeerde als ene Tessa Wildstrom. ‘Je hebt tot nu toe namelijk een vlekkeloze score op je landbouwtaken.’ Er viel een stilte. Waarschijnlijk liep ze mijn gegevens na. Toen vervolgde ze: ‘Vergeet je niet de oude dadelijk in te leveren?’

Ik rolde met mijn ogen. Ja, ik dacht soms niet aan dat soort praktische dingen, maar voor mijn hoofdtaken hoefde dat ook niet. Van schrijvers verwachtte men dat ze met het hoofd in de wolken liepen. Rechtsboven in mijn gezichtsveld zag ik Tessa’s persoonlijke karak­teristieken en een overzicht van onze interacties. Kennelijk had ze meer dan de helft van mijn voorstellingen meegemaakt en had ze zelfs wat van haar tijd gebruikt om mij van gemeenschapstaken vrij te stellen. ‘Geen probleem,’ antwoordde ik dus. ‘Voor een fan doe ik extra mijn best.’

‘Of wil je dat ik iemand naar je toestuur?’

‘Dat is niet nodig.’ Ik had voorlopig namelijk geen tijd om iets terug te doen. ‘Ik vraag wel een auto­stuurder om de kapotte spullen op te halen.’ De com­puter had meegeluisterd en een verzoek naar de cen­trale stond klaar. Een zelfsturende e-kar zou dade­lijk arriveren aan de rand van het veld. Nog steeds een eind lopen, maar dat was niet erg. De gezondheids­signalen links in beeld knipperden al weken met de mededeling dat mijn vetpercentage wat was gestegen.

Tessa nam afscheid: ‘De nieuwe bladen zijn over twee uur bij je. Ik ben benieuwd naar je volgende show!’

‘Ik ook,’ mompelde ik. Het idee dat zo-even bij me was opgekomen, was met het uitvallen van de machine verdwenen als een schichtige ree. Ik kon alleen maar hopen dat het uit zichzelf weer uit het kreupelhout van mijn onderbewuste tevoorschijn zou komen.

Voorzichtig, om mezelf niet te snijden aan de messen, tilde ik de ijzeren bal uit de machine. Hij was zo groot als een meloen, maar veel zwaarder, en voelde een beetje warm aan. Ik bekeek het vreemde voor­werp van alle kanten. Er stonden geen merk­tekens op en er was geen manier om het open te maken. Voor zover ik kon zien, diende het geen enkel nut. Maar ik wist ook niet alles. Een paar gemompelde commando’s volstonden om via mijn lens wat foto’s te maken en die op een techno­logie­netwerk te posten. Vervolgens tilde ik de bol op en legde hem in de cabine. Net toen ik weer naar beneden was geklom­men, lichtte in mijn gezichtsveld een groen symbool op. Iemand uit Wit-Rusland had het ding herkend. Het bleek een communicatie-eenheid te zijn, die in het ruimte­vaarttijdperk was gebruikt om materialen en gegevens uit te wisselen tussen bemande satellieten. Deze was kennelijk uit zijn baan geraakt en neer­gestort.

‘Had hij dan niet helemaal verbrand moeten zijn?’ wilde ik weten. De Russische jongen herinnerde me eraan dat het ruimtetuig een eigen aandrijving had en zichzelf dus had kunnen afremmen. Maar dat deed me weer vragen waarom hij dan ooit zover van zijn baan had kunnen afwijken dat hij hier op ons veld was neergekomen. Op het netwerk ontstond daarover prompt een levendige discussie.

Ik wilde net een uitgebreid commentaar toevoegen, toen ik werd gewaar­­schuwd dat de autostuurder was gearriveerd. Het apparaat kon bovendien maar een kwartier blijven staan. Daarna moest hij een pakket ophalen bij iemand anders in het dorp. Ik gaf de jongen uit Rusland snel een vijf sterren-beoordeling en sloot de discussie. Gehaast trok ik de kapotte bladen uit hun zettingen, wikkelde ze in een stuk plas­tic en rende naar de rand van het veld. Toen ik arri­veerde, begon de onbemande wagen al weer op te trekken. Ik holde er achteraan. Ik kon nog net het pakket in de open achterbak gooien. De pijn in mijn zij over­tuigde me ervan dat de gezondheidssignalen wel eens gelijk konden hebben. Ik wachtte tot ik op adem was gekomen en gaf mijn planner toen de opdracht gezondere maaltijden op mijn schema te zetten. Ver­volgens liep ik terug naar de maaimachine. Niet veel later arriveerde de drone met de nieuwe onderdelen.

 

Het begon te schemeren toen ik uiteindelijk met mijn werk klaar was, bijna twee uur later dan normaal, en de machine had geparkeerd op het centrale oplaad­punt. Mijn volgende landbouwdag stond pas voorover anderhalve week in de planning, en dan was ik nodig in de kassen. Dat lag me altijd beter dan werken op het land. Met de mysterieuze bol in mijn armen liep ik terug naar het dorp. Hij was zwaarder dan ik had gedacht, dus ik moest hem meerdere keren op de grond leggen en mijn voorhoofd afvegen. Ik was echter zo eigenwijs geweest niet op een volgende autostuurder te wachten.

Boven de horizon gloeiden de met zonnepanelen bezette daken als kolen en zwiepten de windmolens door de lucht als brandende zwaar­den. De zonsonder­gang strekte zich zoals altijd hoog uit in de hemel­koepel, aangewakkerd door het koelende stof dat sinds decennia in de atmosfeer werd geblazen.

Vlak voor de eerste huizen van het dorp schoot een tiener op een hoverboard vlak langs me voorbij. ‘Kijk uit waar je loopt, ouwe,’ riep ze, haar stem vervormd. Een vuurwerk van graffitivirussen en spookbeelden flakkerde over mijn gezichtsveld. Haar lachen stierf weg achter me, zonder dat ik had kunnen zien wie het was. Mopperend zette ik de reinigings­programma’s aan het werk. Toen ik jonger was, hadden mensen hun eigen uitzicht niet steeds virtueel schoon hoeven boenen.

Tegen de tijd dat ik mijn appartement bereikte, voelde ik mijn armen bijna niet meer. De camera boven de deur herkende me en het grijze vlak schoof automatisch opzij. De lampen in de gang schoten aan. Gewoonlijk controleerde ik altijd hoeveel energie mijn panelen hadden opgewekt en met wie die was gedeeld, maar nu liep ik direct door naar mijn woon­kamer. Ik liet mijn schat onceremonieel op het tapijt vallen. Terwijl ik mijn verkrampte vingers kromde en strekte keek ik om me heen. Ik had niet veel tijd besteed aan het interieur. De meubels waren de meest populaire modellen uit de printer en gemaakt van taupe kunst­stof, zonder enige opsiering of patroon. Een paar groen met blauwe kussens die mijn moeder ooit voor me had meegebracht, waren de enige versiering – samen met een schilderij van een kunstenaar twee dorpen verderop. Op een tafel in de hoek stond een glazen bak met water, met daarin een eenzame kemp­vis, wapperend met zijn rode vinnen. Het keukenblok, met de kleine uitklaptafel, bevond zich tegen de achter­wand. Uit een rij van beschikbare gerechten op het scherm koos ik de pasta. Mijn favoriete roomsaus stond er niet bij, alleen tomatensaus. Met veel groen­ten. Mijn planner liet er duidelijk geen gras over groeien! Terwijl het voedselapparaat zoemde, printte ik alvast borden en bestek.

Met de dampende rode massa voor me, ging ik bij de tafel zitten. Hoewel mijn gedachten bezig werden gehouden door de bol, wilde ik niet van mijn dagelijkse ritme afwijken. Ik liet mijn computer een program­ma voor me samenstellen. Als eerste ver­scheen in mijn gezichts­veld een opsomming van de nieuwste recensies. Ik zuchtte. Ik kon het maar beter achter de rug hebben! Ik zag al waarschuwings­sig­nalen voor mijn hartslag, maar het bleek nergens voor nodig. Alleen maar scores van drie sterren of hoger. Ik bleek zes plaatsen te zijn gestegen op de inter­nationale ranglijst en zelfs mensen uit de gezonken koepels van Neder­land hadden mijn laatste werk gedownload.

Vervolgens schotelde mijn systeem me een selectie van beelden voor. Geen sport of roddels, het kende me gelukkig beter dan dat. Wel een aankondiging van een samenwerking van kunstenaars aan een lang­speelfilm. En opnames van een debat over de zuidelijke oceaan. Extreme milieuactivisten pleitten ervoor geen krill meer te oogsten. Dan zou het systeem zich nog sneller kunnen herstellen. Aan de andere kant bleken er meer bezoekers te mogen komen naar het terug groeiende Groot-Barrièrerif. Een animatiefilmpje van een team uit Japan deed me lachen. Ik gaf ze een paar van mijn minuten. Waarschijnlijk zou ik een keer een klus in een fabriek voor ze moeten doen. Tijdens het eten ontving ik ook nog een uitnodiging. Twee van mijn vrienden en een bezoeker uit een ander dorp gingen naar de kroeg. Met ze meegaan zou mijn sociale score verhogen waardoor ik meer uitnodigingen uit andere dorpen zou krijgen, maar ik had allang geaccepteerd dat ik op dit gebied bij anderen achterliep en liet het bericht onbeantwoord.

Toen ik klaar was, liet ik mijn besmeurde eetgerei in de afvoerbuis vallen, waarna het met een zachte ‘woesj’ verdween. Een opdringerige reclame op het keuken­scherm probeerde me te overtuigen dat ik eens een koffie van echte bonen moest gebruiken. Maar daar had ik niet een heel kwartier voor over. Ik proefde boven­dien nooit het verschil met de gratis synthetische varianten. Ik goot kokend water op een donkerbruine pil en terwijl die bruisend oploste, tilde ik mijn vondst van die middag voor me op tafel: een boodschapper uit de ruimte. Een overblijfsel uit de tijd dat we nog verkwistend met fossiele brandstoffen konden om­springen. Wie wist welke geheimen het bevatte?

Uit de luidsprekers klonken rustgevende klanken van een voor mij onbekende synthogroep, die volgens de computer bij mijn stemming moesten aansluiten. Altijd als ik alleen wilde zijn, schreef het systeem me een melancholisch gevoel toe en ik had nog geen manier gevonden die automatische aanname te corrigeren.

Het oppervlak van de bol bevatte geen luikje, of ook maar een schroefje dat ik zou kunnen losdraaien. Ik zag alleen mezelf onduidelijk gereflec­teerd als in een lachspiegel. Ik activeerde het technologie­netwerk waar ik ’s middags de foto had geplaatst. Het gesprek bleek in de tussentijd te zijn ontaard in tegen elkaar schreeuwende aanhangers en tegenstanders van samen­zwerings­theorieën. Er waren verhalen als zouden meer­dere ruimtestations van vroeger nog elek­tro­nische activiteit vertonen, al was het bijna een eeuw geleden dat ze voor het laatst waren bevoorraad, en korre­lige opnames waarop onverklaarbare sporen van raket­aan­drij­vingen zichtbaar moesten zijn. Een afge­zon­derde samenleving in de ruimte. Ik begreep dat ik hier geen antwoorden zou krijgen en sloot de discus­sie af. Ik zuchtte. Met mijn mouw probeerde ik het doffe metaal wat op te poetsen.

‘Ze hebben trouwens gelijk, die vrienden van je.’

 

De stem klonk van vlak achter mij. Ik draaide me om, zo snel dat mijn stoel omviel, en hapte naar adem. Een magere man, iets langer dan ik, keek mij minzaam glimlachend aan. Zijn gezicht was glad, met nauwe­lijks opvallende rimpels rond zijn ogen, maar in zijn haar stonden grijze strepen afgetekend. Hij had het in een strakke scheiding gekamd. In zijn vierkante kin bevond zich een klein kuiltje. Zijn kleding was op maat gemaakt, maar zag er niet uit als wat er uit mijn printers kwam rollen. De stof glansde en er fonkelde goud aan zijn manchetten. Aan zijn pols droeg hij een ouderwetse smartwatch met een bandje van groen slangenleer.

Ik stak mijn arm uit. Hij ging dwars door de man heen. Hij deed een stap achteruit en tilde beide handen op. ‘Dat was nergens voor nodig. Ik kom in vrede.’

Ik vroeg de beveiligingsapparatuur mijn ruimte te scannen. De ca­mera’s namen niks waar. Niet op het zichtbare spectrum, maar ook niet infrarood of ultraviolet. De eeuwige dans van de stofdeeltjes werd alleen door mij verstoord en door niemand anders. Een oproep van het medische centrum verscheen in beeld. Mijn vraag aan de apparatuur duidde op een toestand van verwarring, meende de computerstem. Had ik misschien medicijnen nodig? Of een gesprek? Ik had tenslotte vandaag iets traumatisch meege­maakt. Ik antwoordde ontkennend. ‘Goed,’ besloot het centrum. ‘Maar als u binnen 24 uur nogmaals tekenen ver­toont van irrationeel gedrag, wordt voor u een afspraak gemaakt met een telepsychiater.’

Als ik dat wilde voorkomen, kon ik mijn bezoeker maar beter niet te woord staan. Ik zuchtte diep. Het was niet de eerste keer dat dit me geflikt werd. De vrouw die ik destijds had gesproken, had erom moeten lachen. De computers hadden nog steeds moeite met kunstenaars, was haar verklaring. Die begrepen ze niet. Ik besloot het risico op nog zo’n afspraak maar te nemen. Als ik weer aan dezelfde psychiater werd toe­gewezen, zou dat geen enorme ramp zijn.

Mijn hartslag was ondertussen weer genormaliseerd. Ik keek heen en weer tussen de strak geklede man en de bol. Er verscheen een geamu­seerde twinkeling in zijn ogen. ‘Dat is inderdaad waar ik me bevind. Mijn systeem prikkelt direct je visuele en auditieve centra. En de rest vullen je hersenen voor je in.’

De illusie was volmaakt. Zelfs de schaduw op het mintgroene tapijt klopte.

‘Zo goed is onze techniek niet’, constateerde ik. ‘Dat wil dus zeggen dat je ergens anders vandaan komt.’

Hij knikte. ‘Mijn naam is Robert Minson, directeur van Panacon Farmaceuticals. Misschien ken je me wel?’

Ik haalde mijn schouders op. Ondertussen liet ik mijn computer een zoekopdracht uitvoeren. Het be­drijf bleek ooit een wereldwijd top­concern te zijn geweest, maar was zoals zoveel andere opgeheven tijdens de klimaatoorlogen een eeuw geleden. Ik keek de man afwachtend aan.

‘Het maakt duidelijk geen indruk.’ Robert leek teleurgesteld. ‘Na alles wat ik voor jullie heb gedaan.’

Ik onderbrak hem. ‘Volgens mij ging je me uitleggen waar je vandaan kwam.’

‘Ik zei dat je vrienden gelijk hadden. Ik kom inder­daad uit de ruimte. De zelfstandige satelliet Neo-Eden om precies te zijn. Bevindt zich op Lagrangepunt L2. Hij is vlak voor de oorlog daarheen gebracht middels een geheime lancering van een drijvend plat­form.’

‘Was jij een astronaut?’ Het leek me onwaar­schijn­lijk.

Robert schudde van nee. ‘Luister je niet? Ik was directeur van de grootste farmaceutische onder­neming op de planeet. Ik ben nooit de ruimte in gegaan. Niet fysiek in elk geval.’

‘Sorry,’ zei ik en ik duidde hem aan verder te vertellen.

Hij trok de revers van zijn jasje recht. ‘We hadden de bui al een tijdje zien hangen. De publieke opinie begon zich tegen ons te keren en anti-kapi­ta­listische filoso­fieën begonnen opgeld te doen. Een groep van de rijkste CEO’s en ondernemers ter wereld besloot hun fortuin veilig te stellen. We investeerden niet alleen in de satelliet, maar ook in de nieuwste kwantum- en DNA-computers. Die waren toen al zo ver door­ont­wikkeld dat complete menselijke persoon­lijkheden konden worden gekopieerd. De satelliet zou een virtueel paradijs scheppen, waar we konden leven in oneindige overvloed, zonder ooit te hoeven sterven.’ Hij keek langs zijn eigen lichaam op en neer, met een tevreden uitdrukking op zijn gezicht. ‘Ik ben in honderd jaar geen seconde ouder geworden.’
‘Als het daar zo geweldig is,’ wilde ik weten, ‘waarom ben je dan terug­gekomen?’

Heel even vertrok Roberts gelaat, maar direct keerde zijn glimlach terug. ‘Om jou een aanbod te doen.’ Hij boog zich naar me toe, dichter dan ik comfortabel vond. Al wist ik dat wat ik zag geen werkelijkheid was, toch meende ik zijn adem in mijn gezicht te voelen. ‘Ik kan van jou de rijkste man ter wereld maken.’

Ik was bang dat ik hem niet goed had verstaan. ‘De rijkste …?’ Ik knipperde met mijn ogen. ‘Wat …?’

‘De rijkste man van de wereld,’ bevestigde Robert. ‘Of wil je zeggen dat hier zelfs geen geld meer bestaat?’

‘We betalen met tijd, als we iets willen bezitten dat we niet zo kunnen printen.’ Ik dacht aan mijn koffie. Er kwam ondertussen nauwelijks nog damp van de mok. Ik zette mijn lippen aan de rand en nam een slok. Lauw. Had ik me maar niet moeten laten afleiden. ‘Meestal heb ik dat niet nodig.’

De man hield zijn hoofd schuin. ‘Zou je dan geen mooiere meubels willen hebben?’

‘Ik hou van eenvoud. Ik had er veel meer tiere­lantijntjes op kunnen printen.’

‘Beter eten dan?’

‘Ik heb nog niet eens alle opties van het apparaat uitgeprobeerd.’ Ik nam nog een slok van de koffie, maar dat had ik beter niet kunnen doen. Ik huiverde en zette de mok weer neer. ‘Maar waarom zou ik dat aan jou moeten uitleggen?’

Robert keek sluw. ‘Ik kan ook vragen waarom je zo de behoefte voelt je te verdedigen. Er moet iets zijn dat je graag wilt hebben.’

Mijn ogen bewogen onwillekeurig opzij, naar het aquarium in de hoek van mijn kamer. De kempvis bevond zich rechts onderin en hapte naar een algendraadje.

Mijn spookachtige bezoeker had mijn blik gevolgd en knikte nadenkend. ‘Zo’n grote bak voor maar één visje.’

‘Ik mag blij zijn dat ik toestemming kreeg voor deze,’ mompelde ik. ‘De meeste mensen vinden het niet oké meer om dieren te houden voor voedsel of voor plezier. Ik moest een uitgebreid betoog indienen dat een vis me zou helpen geïnspireerd te blijven.’

‘En jij onderwerpt je aan de meerderheid?’

‘Ik heb zelf ook mijn stem mogen uitbrengen op het web. Dus houd ik me aan de uitkomst.’ Ik zuchtte dramatisch. ‘Ook als ik het er niet mee eens ben.’

‘Als je eenmaal rijk genoeg bent, kun je doen en laten wat je wilt.’ Een brede grijns vervormde Roberts gezicht. Het leek op een masker uit een Grieks theater, dat er vrolijk uitzag, maar waarachter iets heel anders schuilging. ‘Zonder je om je score druk te maken. Regels zijn er om te omzeilen. Mensen zijn bereid dingen door de vingers te zien, waar ze anders enorme ophef om maken, zolang je ze maar genoeg betaalt. Je zou alle vissen kunnen houden die je wilt.’

Bijna in weerwil van mezelf raakte ik geïnteresseerd. ‘En wat zou ik daarvoor moeten doen? Om zo rijk te worden?’

‘Niet veel,’ zei Robert Minson, zijn gelaat weer gladgestreken. ‘Dat is juist het mooie. We hoeven alleen maar te zorgen dat we de mensen laten betalen voor iets waar ze niet zonder kunnen. Of denken niet zonder te kunnen. Dat maakt natuurlijk geen verschil.’

‘Je zult wel gelijk hebben. Maar vertel nu eens eerlijk,’ – dit keer was het mijn beurt om me tot dicht bij hem voorover te buigen – ‘waarom ben je terug­gekomen? Niet om mij een gunst te verlenen. Wat is er hier op Aarde dat je niet kunt vinden in dat Neo-Eden van je?’

De animatie was zo gedetailleerd dat er een zweempje zweet op het voorhoofd van de man ver­scheen. Zijn ogen flitsten heen en weer alsof hij een uitweg zocht. Ik legde mijn hand op zijn bol. De bood­schap van dat gebaar was duidelijk. Robert stak een vinger achter zijn kraag alsof hij benauwd was.

‘Alles,’ antwoordde hij uiteindelijk. Ik reageerde niet, maar wachtte tot hij uit zichzelf verder zou praten.

Het duurde niet lang. Hij liet verslagen zijn hoofd hangen. ‘Ik was failliet geraakt.’ Zijn stem was nauwe­lijks te horen. ‘Er was in principe vanaf het begin genoeg energie voor al onze programma’s, als we die maar nooit hadden willen uitbreiden. Maar we begonnen ons te verve­len. Al snel waren er met inge­wikkelder simulaties. Maar als anderen die zagen, wilden zij die ook voor zichzelf. En daar was elek­triciteit voor nodig. Drie van de oorspronkelijke persoonlijkheden wisten controle te krijgen over de zonnepanelen, en sneden de rest van de energie­toe­voer af. We kregen vervolgens de stroom niet meer gratis maar moesten ervoor betalen, met het enige dat we daarvoor hadden: onze reken­kracht. Ze zorgden bovendien dat er altijd net iets te weinig energie onze kant opkwam, zodat we tegen elkaar begonnen op te bieden. Het duurde niet lang of bijna iedereen was slaaf van een van de drie machten, gedwongen zich het grootste deel van de tijd in te zetten voor simulaties die niet van henzelf waren, lusthoven waar ze zelf geen tijd konden doorbrengen. Anderen pro­beerden energie te roven, maar leefden ver­volgens voortdurend in angst voor represailles. En de rest was uitein­delijk gedwongen zichzelf uit te schakelen. Dat zou ook mijn lot zijn geweest, als ik me niet had bedacht dat er op Aarde nog onbeperkte energie aan­wezig was en grondstoffen in overvloed. Dat is waarom ik hierheen ben gekomen.’ Hij hief zijn ogen op: smekende gaten in zijn gezicht. ‘Samen kunnen we onze overleving voor eeuwig zeker stellen.’

Ik moet eerlijk zeggen dat het me duizelde. Kunst­matige omgevingen, mensen die waren veranderd in computerprogramma’s en moordende concurrentie om zoiets simpels als energie, het was bijna niet te bevatten. Zelfs mijn eigen 3D-voorstellingen waren niet zo fantasievol. En ik twijfelde er geen moment aan dat de man zijn belofte kon waarmaken. Als ik me bij hem aansloot, zou ik al snel alles kunnen doen wat ik wilde. Ik zou nooit meer van niemand afhankelijk hoeven zijn.

Een oproep verscheen in mijn gezichtsveld. Of ik morgen met de tele-psychiater wilde spreken. Ik slaakte een diepe zucht en keerde me naar Robert toe. Die keek me afwachtend aan.

‘Ik heb mijn beslissing genomen.’

 

Er brandde nog licht in de centrale printerij. Voor de deur bleef ik staan wachten tot het systeem me had geïdentificeerd.

‘Kom verder,’ klonk een opgewekte stem. Tessa Wildstrom. Ik merkte dat ik moest glimlachen, terwijl ik de duisternis verliet en de hoge ruimte binnen­stapte.

Ze droeg een blauwe overall, de mouwen opgerold, en er stonden vegen van olie op haar handen en haar voorhoofd. Een band van oranje plastic hield haar piekerige haar op zijn plek. Ze grijnsde naar me. ‘Een van de apparaten moest worden hersteld. En het was vandaag toch mijn dienst. Ik moet de film later maar afkijken.’

Ik tilde mijn armen op. Haar ogen werden groot, toen ze zag wat ik vasthield.

‘Is de smelterij nog actief?’

‘Ik zal hem direct voor je aanzetten.’ Ze knikte naar de bol. ‘Ik vroeg me al af wat je ermee had gedaan. Wilde je hem niet houden?’

Ik vertrok mijn gezicht. ‘Er zit een worm in.’

‘Tegen de achterwand. Het rechtse luik.’

Bij mijn nadering klapte het open. Ik strekte mijn handen uit. ‘Je kunt je nog bedenken!’ zei Robert Minson, vlak achter mijn schouder. ‘Het hoeft niet extreem te zijn. We kunnen gewoon klein beginnen. Ik …’

‘Ik leef al in het paradijs’, zei ik. Ik liet los. Een galmend geluid en uit de diepte van de koker een rood schijnsel. Het luik ging dicht en het beeld van de glad­gestreken man verdween. Een gevoel van opluchting trok door me heen. Ik keerde me om naar Tessa, die nieuwsgierig had staan toekijken. ‘Wat voor film was je eigenlijk aan het kijken?’

Plotseling wendde ze haar gezicht af, haar wangen rood. Ik moest mijn best doen om haar te verstaan. ‘Een opname van jouw laatste show.’

Ik deed een stap naar voren en legde mijn hand op haar arm. ‘Vind je het erg als ik die met je meekijk? Ik heb het vanavond nodig eens flink om mezelf te lachen!’

Share Buttons

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Categories