web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » De lijkenkrabber : Tom Thys

De lijkenkrabber

Tom Thys

 

De irissen van het monster waren zwarter dan de duisternis in de tunnel. Lieven verwijderde zijn mond­masker en keek goedkeurend naar het kunst­­werk. Het tl-licht dat van het platform een beetje verderop in de tunnel sijpelde, voorzag het gedrocht van een onwer­ke­lijke schijn. ‘Je hebt jezelf weer eens over­troffen,’ zei hij.

Zohra schudde met haar spuitbuis alvorens een laatste detail aan te brengen. Ze was een perfectionist, nog meer dan Lieven. ‘Klaar,’ zei ze. De obscene grijns was nu echt volmaakt. Ze zetten allebei een stap achter­uit om de tekening te bewonderen.

‘Enkel de tag ontbreekt nog.’ Zohra wilde haar hand­ekening onder het kunstwerk zetten, maar werd plots verblind door een bundel licht. Ogenblikkelijk werden alle gore details in de tunnel zichtbaar: ratten, zwerf­vuil, een verdwaalde schoen, bloederig maand­erband, uitwerpselen van daklozen en heroïnenaalden. ‘Shit, we zijn erbij.’ Ze deinsde achteruit en struikelde bijna over het tramspoor. De lichtstraal was afkomstig van het platform. Daarachter dansten de contouren van een opzichter. Hij riep iets onverstaanbaars.

Zohra kreeg een déjà-vu. Twaalf maanden geleden was ze opgepakt voor het bekladden van een oude treinwagon. Wat zij als kunst beschouwde, noemde de rechter vandalisme. Ze werd veroordeeld tot een taakstraf en moest ook de kosten voor het reinigen van de treinwagon betalen. Die taakstraf vond ze niet eens zo erg, dan had ze tenminste iets om handen. Het wegwassen van haar creatie daarentegen voelde als een abortus.

De hele stad was bevolkt met haar kinderen, de adem­benemende monsters die zij met haar spuitbus het leven schonk in de betonnen jungle. Het was een manier om zichzelf van haar innerlijke demonen te bevrijden. Zohra had het gevoel dat haar talent mis­kend werd. Ze had gezworen harder dan ooit terug te slaan. Het afschuwelijke monster dat zonet in de tunnel tot leven was gekomen, gold in de eerste plaats als een statement.

Lieven greep haar pols vast. ‘Kom, we moeten hier weg.’ Hij trok haar dieper de tunnel in. Met hun hoofd­lampjes als gids ontweken ze de troep op de grond. Ze moesten snel zijn, want de opzichter was van het platform gekropen en had de achtervolging inge­zet. Zijn lichtbundel schoot alle kanten uit. Zijn zware passen weergalmden tussen de betonnen muren. Hij schreeuwde iets, maar zijn woorden klonken als één langgerekte echo.

Hand in hand renden Zohra en Lieven de ingewanden van Antwerpen in. Als ze zich daarnet in het keelgat bevonden, dan waren ze nu op weg naar de maag, en de darmen. Zohra hijgde. Ondanks de steken in haar zij probeerde ze Lievens tempo te volgen, maar ze wist dat ze het niet lang meer zou volhouden. De kille, vochtige tunnelstank nestelde zich in haar longen. Ze werd misselijk van de inspanning. ‘Lieven, ik kan niet meer.’ Zohra stond stil en nog voor Lieven iets kon zeggen, begon ze te braken. Met een onwezenlijk geluid klet­terde haar maaginhoud op de sporen.

Ze keek over haar schouder, vervolgens naar de inkt­zwarte leegte die zich voor haar uitstrekte, en weer over haar schouder. Opeens werd ze overvallen door een gevoel van beklemmende angst. In flarden van kranten had ze gelezen over de seriemoordenaar. Antwerpen werd al maanden geteisterd door mys­terieuze moorden en verdwijningen. Over­al in de stad had het onzichtbare kwaad toegeslagen. Op sommige plaat­sen werden bloedeloze lichamen teruggevonden, op andere plaatsen waren mensen gewoonweg ver­dwenen.

Heel even dacht Zohra dat de opzichter geen opzich­ter was, maar de moordenaar. En dat hij haar ter plaatse zou afslachten. Nee, ze dacht het niet, ze wist het zeker.

Lieven trok haar overeind. Haar lichaam voelde slap. Haar sprint had haar zoveel energie gekost dat ze wankelde. Lieven duwde haar voor­zichtig tegen de wand. Er zat een scheur in het beton, smal en lang­werpig, net groot genoeg voor een slank meisjes­lichaam om in te verdwijnen. ‘Verstop je daarin,’ zei Lieven. Zohra wilde protesteren, uit angst voor de moordenaar, maar er was geen tijd. Bovendien kon ze slechts happen naar adem. Woorden bleven hangen in haar keel. Als ze niet in de klauwen van de moordenaar terecht wilde komen, zat er niets anders op dan zich te verstoppen. Zohra wurmde zich naar binnen.

‘Ik leid hem af, oké?’

Zohra knikte.

‘Ik zie je straks terug op het platform,’ beloofde Lieven haar. En toen zette hij het opnieuw op een lopen. Zijn voetstappen stierven na enkele seconden weg.

Nog enkele seconden later zwol het gekreun en het gehijg van de man met de zaklamp aan. Ook hij had duidelijk geen al te beste conditie, maar dat maakte hem niet minder gevaarlijk. Zohra gluurde door de scheur naar buiten. Ze bad dat zijn lichtbundel haar niet zou vinden. Terwijl allerlei horrorvisioenen zich in haar hoofd afspeelden, hield ze haar adem in. Haar borstkas deed verschrikkelijk veel pijn. Haar hart klopte zo hart dat ze dacht dat hij het kon horen. Met moeite onderdrukte ze een hoestbui.

Een donkere schim gleed voorbij.

Wat verderop hield de man halt. ‘Rotjochies.’ Hij rochelde en spuwde. ‘Die klootzakjes mogen blij zijn dat ik hen niet te pakken heb gekregen.’ Hij scheen met zijn zaklamp in de uitgestrekte duisternis.

Lieven was al lang verdwenen. Hij kende de tunnels als zijn broekzak. Zohra en hij maakten al sinds hun puberteit graffititekeningen. Dat was nog niet veranderd nu ze allebei meerderjarig, uitgespuwd door de maat­schappij en dakloos waren. Straks zou ze hem terugzien. Tenminste, als de moordenaar haar niet zou opensnijden. Haar ledematen trilden van de spanning. De scheur in het beton dwong haar in een ongemakke­lijke positie, waardoor ze langzaam maar zeker kram­pen kreeg in zowat elke spier.

De man draaide zich om. Had hij de strijd opgegeven? Zijn logge lichaam kwam langzaam maar zeker weer in beweging, op weg naar het platform. Zijn schoenen knerpten. Net wanneer Zohra dacht dat ze zijn schim weer voorbij zou zien komen, werd het stil. Ze durfde niet meer te kijken en sloot haar ogen.

Een rauwe schreeuw verscheurde de stilte.

Zohra schrok zo hard dat ze ter plaatse versteende. De schreeuw galmde na. Daarna niets dan stilte. Ze begreep niet wat er gebeurde.

De schreeuw bleek afkomstig van de man. Even later hoorde ze hem stotteren: ‘Wat is dit in hemelsnaam?’ Ze vreesde dat hij haar schuil­plaats had ontdekt. Angstig opende ze één oog tot een spleetje. Hij stond aan de andere kant van de sporen met zijn rug naar haar gekeerd. Nu zag ze zijn opzichtersuniform. Dat stelde haar enigszins gerust. De lichtcirkel van zijn zaklamp onthulde de omtrekken van een lichaam, naakt en bleek. ‘Jezus Christus,’ mompelde hij.

Zohra opende ook haar andere oog en zag het nu duidelijk. De vrouw die daar lag was dood. Ze was geperforeerd met gaten ter hoogte van belangrijke slagaders. Het lichaam was spookachtig wit in de duisternis, alsof het helemaal leeggebloed was.

De opzichter zette een stap opzij. Met zijn ene hand bedekte hij zijn neus, met de andere bediende hij zijn walkietalkie om versterking te roepen. ‘De serie­moordenaar heeft weer toegeslagen,’ zei hij vertwij­feld. Daarna strompelde hij weg van het lijk. Hij bukte zich voorover en braakte, niet ver van de plaats waar Zohra daarnet bijna in elkaar gezakt was.

Dit was haar kans om te ontsnappen. Ze kon gebruik maken van zijn ontsteltenis om weg te sluipen, maar iets dwong haar te blijven kijken, ook al kon ze het zich niet veroorloven om weer gepakt te worden. Zohra was zo in de ban van dat ene beeld, dat ze maar bleef staren. Het verbaasde haar tegelijkertijd dat ze het lijk niet eerder had opgemerkt. Het lag naast de sporen. Even­goed zou ze erover gestruikeld zijn daarnet. Ze vroeg zich af hoe het daar terecht was gekomen. In haar hoofd ontvouwden zich de meest macabere scenario’s.

Een kriebel kronkelde door haar ingewanden. Het deed haar denken aan toen ze als kind met een tak in het opengereten lichaam van een kat had gepord. Enerzijds had ze medelijden met dat beest gehad. Het was overreden en lag ergens langs de kant van de weg. Anderzijds had ze zich niet kunnen bedwingen om met de tak in de organen te prikken, waar de maden en vliegen zich reeds genesteld hadden.

 

#

 

‘Je gelooft nooit wat ik gezien heb,’ zei Zohra. Het was ondertussen al bijna ochtend. Ze had uren onder de grond doorgebracht.

Lieven gaf haar een halve cheeseburger die hij uit een vuilnisbak had gevist. ‘Wat dan?’

Zohra nam een hap uit het koude vlees en vertelde over het lijk. ‘Het was alsof een of ander monster al het bloed eruit gezogen had.’

Lieven luisterde geboeid naar het verhaal, maar uit zijn blik viel af te leiden dat hij niet alles geloofde. ‘Je overdrijft.’

‘Ik zweer het,’ zei Zohra bitsig. ‘En nadat ze het lijk hadden geruimd, ben ik uit de spleet gekropen.’

‘Wel, misschien moeten we de tunnels een tijdje mijden.’

‘Waarom, je gelooft me toch niet?’

‘Ik geloof dat je iets gezien hebt.’

‘Maar?’

‘Niets. Ik denk gewoon dat het veiliger is om een tijdje weg te blijven uit de tunnels. De kans om gepakt te worden is er te groot. Zeker nu een seriemoordenaar de stad onveilig maakt. De flikken zijn alert.’

Zohra at het laatste stukje van de hamburger op. Al kauwend zei ze: ‘Minder aandacht voor graffiti­kunste­naars, met andere woorden.’

‘Misschien, maar toch… ‘ Lieven stak een joint op. ‘Ik weet nog een coole plek. Echt de shit.’ Hij inhaleerde en blies de rook in kringetjes voor zich uit. ‘We kunnen er ook slapen. Zullen we?’

Ze stalen een fiets. Lieven klom op het zadel, Zohra op het bagagerek. Zo reden ze de zwoele, vochtige ochtend in, naar de rand van de stad die ze zo verachtten. Antwerpen ontwaakte langzaam. Haar eerste bewoners begaven zich in de stinkende straten, klaar voor een nieuwe dag van verderf en verruk­kingen. In het oosten klom een pastelgele zomerzon moeizaam boven de grijze skyline. De lucht had de kleur van urine, waterig en vies.

‘Hier is het,’ zei Lieven enige tijd later. Hij was buiten adem van de lange rit.

Zohra stapte kreunend van de fiets. Haar schoot deed zeer, maar dat was slechts een kleine prijs voor dit geschenk. Vol ontzag keek ze omhoog. De wolken­krabber stond erbij als een verstoten kind, droevig en volledig afgesloten van de rest. Onkruid had het gelijkvloers gedeeltelijk overwoekerd. Het gebouw telde ongeveer twintig verdiepingen, schatte ze. Het was afgetakeld en al lang vergeten. Zelfs krakers en vandalen haalden er tegenwoordig hun neus voor op. Gek genoeg was Zohra nog nooit in dit deel van de stad geweest.

Ze zag meteen de mogelijkheden. Met haar spuitbus zou ze deze som­bere kolom van steen en gebroken glas transformeren tot de ultieme mid­del­vinger naar het establishment. ‘Lieven, dit is geweldig. Echt waar… ik ben sprakeloos. Maar fuck, ik ben zo moe.’ Ze geeuwde. ‘Het is een lange en uitputtende nacht geweest. Mis­schien moeten we eerst wat slapen.’

‘Kom.’ Lieven liep naar het flatgebouw. De ingang was dichtgetimmerd met spaanplaten. Blijkbaar had de overheid maatregelen genomen om ongewenste be­zoekers op een afstand te houden. Het zou geen een­voudige klus zijn om binnen te geraken. Zohra beeldde zich de verlaten inkomhal in. Honderden belletjes voor evenveel piepkleine apparte­menten, ooit volgestouwd met mensen die door het systeem waren uitgebraakt.

‘Ik heb een idee,’ zei Lieven.

Zohra volgde haar hem naar de achterkant van het gebouw. Daarbij keek ze nog een keer omhoog. De piek leek de hemel te doorprikken en over te hellen, alsof hij elk moment kon omvallen. Ze werd er een beetje draaierig van. Om de hoek zat een grote poort in het beton. De deur in het midden van de poort was uiter­aard vergrendeld. Het gereedschap dat Lieven in zijn rugzak bewaarde om fietssloten door te knippen, volstond om het oude, verroeste hangslot te vernielen.

Lieven duwde de deur open, maar het was Zohra die als eerste naar binnen ging. Het was er pikdonker. Ze zette haar hoofdlampje op. Een weeë, rotte stank deed haar longen verschrompelen. De tegelvloer zat vol ranzige vlekken. Dit had evengoed een slachthuis kunnen zijn. ‘Wat moet dit voorstellen?’ vroeg ze.

‘Zie je daar de stortkoker?’ Lieven scheen met zijn hoofdlamp naar een vierkanten schacht die uit het plafond kwam. Onder de schacht stond een grote, ijzeren container. De ruimte bood verder geen recht­streekse toegang tot het flatgebouw. ‘Dit is de plaats waar de bewoners hun afval dumpten.’

‘Aan de stank die hier hangt zou je zeggen dat hier nog steeds mensen wonen.’ Zohra kokhalsde. ‘Of erger nog, dat ze hier gestorven zijn.’

Lieven moest lachen. ‘Dat went wel.’

‘Dat betwijfel ik.’

‘Hierbinnen zitten we voorlopig veilig. Ik heb horen zeggen dat hier af en toe politie patrouilleert, maar niets om je zorgen over te maken.’ Lieven liet de deur op een kier staan voor wat frisse lucht.

‘Dit moet ongeveer de goorste plek zijn waar we ooit geslapen hebben.’ Zohra grinnikte. ‘Weet je nog, al die keren dat we onder de ijzeren brug lagen? Tussen de gebruikte condooms en heroïnenaalden? Of die keer toen we een huis gekraakt hadden in Doel? Gerrit en Savannah hadden er een echte smeerboel van gemaakt. Overal lagen sigarettenpeuken en scherven van bier­flesjes. En net toen je dacht dat het niet erger kon, liep Karstens LSD-trip helemaal fout en begon hij in zijn broek te schijten tot de bruine drab uit zijn broeks­pijpen stroomde.’

Lieven bulderde van het lachen om die wan­smake­lijke herinnering.

‘Wel, dit is erger. En tegelijkertijd zoveel mooier.’ Zohra vond schoon­heid onderschat. In haar ogen was lelijkheid veel waardevoller.

‘Ik wist dat je tevreden zou zijn.’

‘Maar nu moet ik echt slapen, hoe graag ik ook zou schilderen.’

‘Daar weet ik wel iets op,’ zei Lieven. Hij haalde een plastic zakje uit zijn broekzak en liet het heen en weer bengelen.

‘Kristal?’ Zohra’s mond viel open van verlangen. Het was zeker een half jaar geleden dat ze dat spul nog had gebruikt. ‘Waar heb je dat vandaan?’

‘Vannacht gescoord, terwijl jij lijken aan het bewon­de­ren was.’ Lieven ging naast Zohra op de grond zitten. Uit zijn rugzak haalde hij een glazen pijpje. Daarna pakte hij voorzichtig de kristallen uit het zakje en duwde ze in de bol aan het uiteinde van het pijpje. Zijn aansteker hield hij onder de bol. De vlam likte aan de onderkant van het glas. Na een tijdje begon­nen de kristallen te smelten. Lieven inhaleerde de rook die vrij­kwam. Zijn eerste haal duurde ongeveer een halve minuut.

Smachtend keek Zohra toe. Toen Lieven klaar was, griste ze het pijpje uit zijn handen. ‘Nu ik,’ zei ze. Lieven stak de rest van de kristallen in de bol, verwarmde ze en Zohra inhaleerde tot het genot haar longen en elke vezel in haar lichaam binnendrong. Onmiddellijk daarna schakelde haar hart een versnel­ling hoger. Ze kreeg het warm. De vermoeidheid verdween. Ze werd volgepompt met energie en kreeg het gevoel dat ze de wereld aankon. ‘Fuck, wat heb ik dit gemist,’ zuchtte ze voldaan.

Zohra stond op en nam enkele spuitbussen uit haar rugzak. Ze liep naar buiten en begon een monster op de poort te schilderen. Het was een artistiek ritueel, maar evengoed had het een heilzame werking op haar lichaam en geest. Ze vermoedde dat het een psychisch equivalent was van een bevalling. Op haar manier schonk ze een kind het leven. Het was haar creatie. Lieven bracht enkele accenten aan. Zo werkten ze altijd. Hij voelde en vulde haar perfect aan. En zo, high van de kristallen, gingen ze uren door, onverstoord en uiterst nauwkeurig, tot er een wanstaltig wezen voor hun ogen tot leven kwam.

Bij het vallen van de avond was de muurschildering af. Net zoals het monster was de hemel een explosie van kleuren. De ondergaande zon bloedde in onheil­spellende tinten langs de randen van een onweerswolk. Een sterke wind was komen opzetten. Zohra en Lieven keken beiden naar de lucht. ‘Gelukkig is de verf al droog,’ zei ze. De kristallen waren bijna uitgewerkt. Ze wist dat de klop elk moment kon komen. Dan zou ze zich slap en ziek voelen, maar ze had tenminste een rustige plaats om te slapen.

‘Laten we naar binnen gaan,’ zei Lieven.

Ze gingen op de harde vloer liggen. Hun rugzak ge­bruikten ze als hoofdkussen. Lieven had nog een half flesje cola. Hij gaf het aan Zohra. De drank was lauw en er zaten geen bubbels meer in, maar de zoete smaak was precies wat ze nodig had. Haar maag gromde. Morgen zouden ze wel ergens iets te eten stelen. Nu was ze uitgeput. Te moe zelfs om nog een woord uit te brengen. Ze sloot haar ogen en droomde van haar kinderen.

 

#

 

Rollende donder rukte Zohra brutaal uit een onrustige slaap. Het gerommel klonk eerst ver weg, maar zwol aan tot een hels kabaal. Het kwam van boven, baande zich een weg naar beneden en kwam steeds dichter, alsof het flatgebouw doormidden werd gescheurd door een monumentaal onweer. Het duurde een volle seconde voor Zohra besefte dat er iets niet klopte. Dit was niet hoe onweer klonk. Nog een seconde later werd haar vermoeden bevestigd. Een eigenaardig geluid vulde de afvalkamer, een ware zondvloed van smerige klanken. Het klonk als diarree, maar dan een vlezige, metalige exponent daarvan.

‘Welke klootzak gooit op dit uur afval in de stortkoker?’ wauwelde Lieven. Hij knipte zijn hoofd­lampje aan en stond op, slaapdronken.

Zohra deed hetzelfde. Ze was meteen klaarwakker. Haar ledematen tintelden en ze had overal jeuk, een neveneffect van de drugs. Ze scheen met haar lampje op de container. Lieven keek haar aan. Hij leek even verbaasd als zij zich voelde. Nieuwsgierig als ze was, schuifelde ze naar de container. Met elke meter die ze dichterbij kwam, werd de stank hardnekkiger. Ze kneep haar neus dicht, Lieven hield zijn T-Shirt voor zijn gezicht.

Zonder iets tegen elkaar te zeggen legden ze hun handen over de rand van de container. Die was te hoog om zo in te kunnen kijken, dus moesten ze zich eraan optrekken. ‘Help eens,’ zei Zohra. Ze gebruikte Lievens handen als trapje en klom omhoog.

‘Zie je iets?’

Zohra hing met haar hoofd en borst boven de rand. Haar licht bescheen het afval. Omdat ze zich met beide handen vasthield, kon ze niet anders dan de stank inademen. Het was het vreselijkste wat ze ooit geroken had. Nog erger dan de ingewanden van de dode kat die ze ooit had bestudeerd, nog erger dan de biefstuk die ze bij wijze van experi­ment had laten ontbinden in de zon, tot de maden tussen de vezels van het vlees krioelden. Ze kokhalsde. De enige reden waarom er niets uit haar keel kwam, was omdat ze een hele dag niets had gegeten.

‘Wat is het?’ drong Lieven aan.

Zohra liet zich zakken. Ze stond voorover gebogen. Ze was draaierig. ‘Kijk zelf maar.’ Ze vond geen woorden voor wat ze gezien had.

Niet veel later stond ook Lieven te wankelen op zijn benen, kermend van de pijn in zijn middenrif.

De container was gevuld met lichaamsdelen, inge­wanden, beenderen, spierweefsel, hersenen en ondefi­nieer­bare menselijke resten, zowel rot als vers. Iemand had dit alles in de stortkoker gekieperd. Zohra keek naar Lieven, wiens tranen over zijn wangen biggelden. ‘Zou dit de dump­plaats van de seriemoordenaar zijn?’

Lieven rende naar buiten. Daar inhaleerde hij de frisse nachtlucht. Het regende zachtjes. Van onweer was geen sprake. Hij bibberde over zijn hele lijf en zijn stem was onvast. ‘We moeten hier zo snel mogelijk weg,’ stamelde hij.

Zohra besefte dat ze weleens gelijk kon hebben. Wat als dit de plek was waar hij zijn slachtoffers naartoe bracht, tenminste, diegene die hij niet liet rond­slinge­ren in de ondergrondse en bovengrondse straten van Ant­werpen? Eerder nieuwsgierig dan bang of gechoqueerd zei ze: ‘Wacht.’

Lieven keek haar onbegrijpend aan.

‘Dit is een unieke kans. Hij weet niet dat wij hier zijn.’ Ze wist dat ze haar zielsverwant kon overtuigen hier te blijven, als ze het maar juist aanpakte. Tenslotte zou hij alles doen om haar te beschermen, net zoals met zijn afleidingsmanoeuvre vorige nacht in de tunnel.

Het duurde even voor Lieven antwoordde. ‘Wat bedoel je precies?’

‘Heb jij er dan nooit van gedroomd om een serie­moorde­naar te ontmaskeren?’

‘Eh, niet echt. En al zeker niet ten koste van mijn eigen leven.’

Zohra wist precies wat Lieven nodig had. ‘Heb je nog kristal?’ vroeg ze.

‘Ja, maar – .’ Hij zuchtte, beet op zijn lip, keek naar de top van het flatgebouw en vervolgens naar de afval­kamer, het menselijk abattoir.

‘Laten we eerst high worden.’

‘Shit, Zohra, ben jij helemaal gek geworden? Ik wist dat je een zieke geest had, maar deze keer ga je echt te ver. Als we niet in die container willen eindigen, moeten we nu vertrekken.’ Ondanks zijn protest pakte hij het zakje kristallen, dat nog halfvol was. Hij ratelde maar door over waarom dit zo’n slecht plan was. Zohra liet hem praten. Ondertussen prepareerde ze een dosis. Niet veel later rookten ze elk de helft van de kristallen. De kick kwam snel en hard. Hun spieren spanden zich op en pure energie vloeide door hun aderen. De roes overwon de angst.

‘En nu?’ vroeg Lieven. Zijn pupillen waren groot en glansden als ruwe olie.

‘Ik hoopte dat jij een manier weet om binnen te geraken.’

Tien minuten later stonden ze in de inkomhal. Daar­voor waren ze nog een keer rond het gebouw gelopen, op zoek naar de ingang die door de serie­moordenaar gebruikt werd, maar ze hadden niets gevonden. Daarom hadden ze een spaanplaat losge­wrikt en waren ze door de spleet naar binnen geglipt. Het schemerde in de inkomhal. De elektriciteit was al lang afgesloten, maar een smalle reep maanlicht viel door een gebroken venster naar binnen. Zohra en Lieven hadden hun hoofd­lampjes voorlopig niet nodig.

De inkomhal was in twee stukken verdeeld. Aan beide kanten was er een grote ruimte waar de brievenbussen zich bevonden. Vandalen hadden ze bespoten met graffiti of van de muur getrokken. In het midden van de inkomhal stond een wand met belletjes. Sommige naam­plaatjes waren nog leesbaar, andere waren ver­dwenen, alsof de eigenaars hier nooit gewoond hadden. De inkomdeur die naar de gang en de liften leidde stond uitnodigend open. In het kozijn staken scherven ter grootte van een machete.

Zohra deed haar trui uit, wikkelde de stof rond haar hand en trok een stuk glas uit de deur. Ze keek naar de vlijmscherpe punt. ‘Komt mis­schien nog van pas.’

Lieven volgde haar naar binnen, maar gleed uit over de plas van scherven bij de deur. Met een doffe klap viel hij op de tegelvloer. Brokjes glas schoten rinkelend en fonkelend alle kanten uit. Door de adrenaline merkte hij de pijn in zijn staartbeentje en bloedende handen nauwelijks. Wel schrok hij van zijn eigen kabaal. ‘Shit,’ fluisterde hij.

Zohra en Lieven stonden als stenen beelden in het territorium van de slachter. Met ingehouden adem keken ze naar elkaar. Gelukkig was het gebouw immens groot en moesten ze al heel veel pech hebben om uitgerekend hier en nu betrapt te worden.

Een beetje later zei Zohra: ‘Het is veilig, denk ik.’ Voorzichtig keek ze om het muurtje en liep daarna de gang in. Ze wenkte Lieven, die haar volgde terwijl hij glassplinters uit zijn handpalmen trok. Het was koel in de gang en het rook er naar schimmel. Overal vielen gekartelde bundels maanlicht door gebroken vensters naar binnen. Instinctief hielden Zohra en Lieven halt bij de eerste lift die ze tegenkwamen.

‘Dit gebouw is een labyrint,’ zei Lieven. ‘Twintig ver­diepingen, honder­den appartementen. Hij kan overal zitten. Dit is onbegonnen werk.’

Hij sprak het niet uit, maar Zohra bespeurde in zijn stem het verlangen om weg te gaan, om te vergeten wat ze gezien hadden. Maar Zohra wilde die container niet vergeten. Ze kon de lichaamsdelen en de stank niet uit haar hoofd zetten. Nee, zij moest weten wat er zich aan de andere kant van de stortkoker bevond. Peinzend keek ze om zich heen. ‘Volg het bloed,’ zei ze opeens, en ze wees naar een spoor van vlekken op de vloer.

De donkere vlekken leidden naar de dienstlift. Daar hielden ze op. Het knopje om de lift op te roepen was besmeurd met dezelfde vlekken. Het schermpje erboven gaf in digitale tekens “20” aan. Daar was de lift tot stilstand gekomen. Lieven huiverde. ‘Wacht eens,’ zei hij. ‘Er is iets wat ik niet begrijp.’

‘Wat?’

‘De elektriciteit in dit gebouw is afgesloten.’

‘Ja.’

‘En toch is de lift in gebruik.’

Zohra dacht na. ‘Een ander circuit misschien?’ gokte ze. Feit was dat het veel eenvoudiger was om een lijk met de lift te verplaatsen dan via de trappen. Blijkbaar had de slachter voor zichzelf een manier gevonden om dat probleem op te lossen.

‘Als we de lift oproepen, dan weet hij dat hij ont­maskerd is,’ opperde Lieven. ‘Zo kunnen we hem in de val lokken.’

Zohra schudde met haar hoofd. ‘Nee, we nemen de trap naar de twintigste verdieping. Ik wil zijn werkplaats zien.’

‘Je spreekt over hem alsof hij een kunstenaar is.’

Misschien had Lieven gelijk. Ergens in haar morbide fascinatie ging een intuïtieve hunker naar verwant­schap schuil. Ze had het gevoel alsof ze in een van haar eigen nachtmerries ronddoolde.

Zohra liep naar een deur met het pictogram van een trap. De deur was uit de scharnieren getrokken en hing schuin in het kader. Ze kroop door het driehoek­vormige gat naar binnen. Aangezien de maan zich aan de andere kant van het gebouw bevond, was het hier pikdonker. Ze knipte haar hoofdlamp aan en scheen ermee op de betonnen trappen. Heel even waagde ze het om in het ravijn tussen de trappen naar boven te gluren. De hoogte was duizelingwekkend.

Zohra begon samen met Lieven aan haar tocht naar de top. De hele tijd hield ze de glazen machete voor zich uit. Ze merkte dat haar handen beefden, maar wist niet zeker of het door angst of opwinding kwam. Of allebei. In de trappenhal hing een vochtige hitte, alsof de zomer zich tijdens de afgelopen dagen in elke porie van het gebouw genesteld had.

Met elke verdieping versnelde Zohra’s hartslag. Het duurde niet lang voor het zweet van haar voorhoofd naar het puntje van haar neus stroomde, waar het een parel vormde. Ze was nog stijf van haar sprint in de tunnel. Haar kuiten, hamstrings en quadriceps leden onder de inspan­ning. Hoewel Lieven in betere conditie was, bleef hij veilig achter haar.

‘Ik wil niet sterven,’ zei Lieven opeens. Ze waren bij de tiende verdie­ping aangekomen, precies halverwege. Die psychologische grens had hem kennelijk aan het twijfelen gebracht. ‘Tenminste, niet hier en al zeker niet vandaag.’

‘Je weet dat ik niet terug kan.’ Zohra keek Lieven vast­beraden aan. ‘Ik snap best dat je weg wil gaan, maar ik moet weten wat hier aan de hand is. Ik moet het zien met mijn eigen ogen.’ Ze wiste het zweet van haar neus. ‘Alsjeblieft, Lieven, zeg me dat je dat begrijpt.’

Ze stonden stil op de trappen. Het enige geluid was afkomstig van hun zwoegende longen. Ze hijgden een tijdje zonder iets te zeggen. Uitein­delijk knikte Lieven weifelend. ‘Je weet dat ik jou hier niet kan achter­laten.’

‘Dat weet ik.’ Zohra keek omhoog, naar de resterende tien verdie­pin­gen, en begon opnieuw te klimmen.

De negentiende verdieping was sneller bereikt dan ze had gedacht. Ze spitste haar oren, in de hoop een geluid op te vangen. Eender wat, gekrijs van een slacht­offer of een ronkende kettingzaag die lichamen in stukken sneed. Maar het was onheilspellend stil in de top van de wolkenkrabber.

Zohra knipte haar hoofdlamp uit. Lieven deed het­zelfde. Nu kwam het erop aan om geen fouten te maken. Geen bruuske bewegingen, geen geluid. Samen slopen ze de laatste trappen op. Zohra omklemde haar glazen machete met beide handen. Ze voelde de randen door haar trui in haar handpalm snijden, maar schonk geen aandacht aan de pijn. Onoplettendheid kon dodelijk zijn in deze fase.

Er was geen deur tussen de trappenhal en de twintigste verdieping.

Ondertussen hadden de kristallen Zohra naar het hoogtepunt van haar roes gestuwd. Ze merkte hoe haar hersenen een vloedgolf aan dopamines vrijgaven. De angst was nu volledig verdwenen. Ze was opgewonden. Alsof ze een simultaan orgasme hadden leek ook Lieven zijn climax te beleven. Van de bezorgdheid in zijn blik en de manier waarop hij door besluiteloosheid zijn lippen daarnet nog op elkaar perste, was geen sprake meer. Het was zelfs hij die als eerste de gang in liep.

De twintigste verdieping was afwisselend gehuld in plassen van duisternis en plaatsen waar de bleke maan-gloed zich over de vloer uitstrekte. Aan het plafond hingen tl-lampen. De meesten waren stuk­gegooid en het glas lag versplinterd op de grond. Links en rechts bevonden zich de wooneenheden. Zohra keek beide kanten op. Nergens geluid, nergens beweging. Ze verstevigde de grip op haar wapen. In haar handpalm welde bloed op. Ze voelde zich zo zeker van haar stuk, dat ze geen angst voelde om de confrontatie aan te gaan met de serie­moordenaar. Het maakte niet uit of hij twee meter groot was en honderd kilo woog. Ze zou zijn keel doorsnijden voor hij nog maar besefte dat ze voor zijn neus stond.

‘Welke kant op?’ Lieven deed zijn best om te fluisteren, maar de kristallen hadden hem hyper gemaakt. Zijn stem sloeg over.

Zohra wees met de punt van haar glazen machete naar de vloer. Een fijn spoor van donkere druppeltjes liep naar het midden van de gang. Om tot daar te komen, moesten ze voorbij verschillende woon­eenheden. Allemaal mogelijke schuilplaatsen van de slachter.

Rug aan rug volgden ze het spoor. Lieven hield een spuitbus in de aanslag. Een weinig doeltreffend wapen, besefte hij, maar voldoende om een belager mee te desoriënteren zodat hij kon ontsnappen en niet in de container zou belanden. Zo slopen ze meter voor meter naar hun doel. Bij elk appartement bukten ze zich om buiten het gezichtsveld van de spionnetjes te blijven. De deuren waren gesloten. Zohra beeldde zich telkens in dat achter het kijkgaatje een duister oog hen in de gaten hield. Ze was voorbereid op het moment waarop de psychopaat naar buiten zou stormen. Ze zou het glas recht door zijn hart stoten.

Bij het vierde appartement dat ze passeerden stond de deur open. Zohra aarzelde om naar binnen te kijken. Uit de ruimte dreef een mengeling van geuren. Het waren geen typische geuren van een bewoond huis, eerder een soort walm van dood vlees, zij het niet zo sterk als in de stortplaats. Zohra gebaarde naar Lieven om te wachten. Na een uitwisseling van tekens gingen ze elk aan weerszijden van de deur staan. Toen ze lang genoeg geluisterd hadden om te horen dat het volledig stil was in het appartement, waagden ze het om naar binnen te gaan.

De eerste ruimte die ze betraden was in betere tijden de woonkamer geweest. Nu stonden er slechts enkele meubels: een zitbank waarvan het schuimrubber uit de bekleding lekte als etter uit een puist en een grote tafel met daarop verroeste messen en beenzagen. Het tapijt onder de tafel was doorweekt met een smerige sub­stantie. Overal maakten vliegen abstracte schilde­rijen in de weeë lucht. Zohra besefte meteen dat ze in het atelier van de moordenaar stonden. Ze knipperde enkele keren met haar ogen om zich ervan te verze­keren dat het geen hallucinatie was. Kristallen hadden nu eenmaal de neiging om je zintuigen te bedriegen.

Maar dit was echt.

Aan de muur waren planken bevestigd waarop plastic bussen stonden. Het waren doodgewone bussen bleek­water van vijf liter, behalve dat er geen bleekwater in zat. ‘Zou hij zijn slachtoffers daarom laten leeg­bloeden? Hij snijdt hun keel over en vangt het bloed op in deze flessen.’ Lieven keek over zijn schouder naar de andere kant van de kamer. Daar hing een vleeshaak aan het plafond. Op de grond eronder stond een ijzeren kuip. Naast de kuip lag een trechter. ‘Weet je hoeveel mensen je moet vermoorden voor zoveel bloed?’

In een oogopslag begreep Zohra wat er aan de hand was. De serie­moordenaar was uit op het bloed van zijn slachtoffers. Als hij geen tijd had om het ter plaatse uit hun lichaam te halen, nam hij ze mee en deed hij het hier. Allerlei gedachten schoten door haar hoofd. Haar mond ging open, maar spreken lukte niet. Ze kon het antwoord op Lievens vraag alleen maar denken: veel mensen; heel veel. Ze moest weten waarom.

Ze werden opgeschrikt door kabaal. Gerommel, ergens op de twintigste verdieping, dicht genoeg om te weten dat ze niet alleen waren, maar waarschijnlijk ver genoeg om tijdig uit dit smerige hol te ontsnappen.

Lieven stond als eerste terug bij de voordeur. Voorzichtig keek hij om het muurtje de gang in. ‘Kom,’ fluisterde hij, en geruisloos liep hij naar buiten. Zohra volgde hem. Op hetzelfde moment ging er tegenover hen een deur open.

Allebei verstarden ze toen een gedaante uit het kamertje kwam. Eén seconde, misschien twee, gebeurde er niets. In die tijd deed Zohra verschillende indrukken op. Ze sperde haar ogen wijd open. In het kamertje achter de gedaante bevond zich de stortkoker. De klep van de koker stond open en er bungelde een been uit. De slachter was groot en dik. Zijn ademhaling was een ketting van astmatische reutels. Hij droeg een rubberen schort, besmeurd met viezigheid. Zijn armen hingen naast zijn lichaam en in zijn rechterhand zat een kolossale hamer; het type hamer waarmee je met één slag schedels kon splijten tot de hersenen uit de oren spoten.

Zohra liet haar wapen vallen. Haar benen voelden krachteloos, alsof ze het gewicht van haar tengere lichaam niet meer konden dragen. Ze had geen enkele controle meer over haar ledematen. De kristallen waren van uitstekende kwaliteit geweest, maar helaas geen partij voor de angst die nu door elke vezel van haar lichaam gonsde. Het glas raakte de grond, scherven rinkelden.

De slachter deed een stap naar voor zodat hij omhuld werd door maneschijn. Langzaam gleed Zohra’s blik naar zijn gezicht. Het was geen man. Het was een vrouw: dubbele kin, slecht gebit en sliertjes zwart krulhaar die haar bezweet gezicht craqueleerden.

Dit moment, dat slechts enkele seconden duurde, ein­digde met een bruuske beweging. De hamer rees. Lieven drukte zijn spuitbus in. Een nevel van verf hing tussen hem en de reusachtige vrouw, maar zijn wan­hoops­poging mocht niet baten. De hamer kwam frontaal in zijn gezicht terecht. Zijn huid scheurde open en de botten eronder kraakten. Hete druppels van zijn bloed spatten op Zohra’s wang.

Vol afschuw zag ze hoe haar zielsverwant in elkaar zakte. Zijn gelaat was getransformeerd tot een rode brij. Nog voor ze kon beslissen of ze zou vluchten, zich over hem zou ontfermen of de tegenaanval inzetten, voelde ze een klap op haar hoofd. Plots was de wereld stil en zwart.

 

#

 

Voor het eerst sinds jaren ontwaakte Zohra uit een droom­loze slaap. Onder haar lichaam knerpte een bed van keien. Ze had barstende hoofdpijn, was misselijk en gedesoriënteerd. Haar zicht was wazig. Op haar armen en aangezicht vielen druppels. Ze keek naar de hemel. Het regende zachtjes. De randen van de wolken glansden als een neon­reclame. Ze kon onmogelijk zeggen of het licht van de zon of de maan afkom­stig was. Ze ging rechtop zitten.

Zohra had enkele ogenblikken nodig om te beseffen dat ze zich op het dak van de wolkenkrabber bevond. Toen die kennis doordrong, speelden alle fragmenten van voor de klap zich als een omgekeerde film af in haar hoofd. Haar eerste gedacht was om Lieven te zoeken. Diep vanbinnen wist ze echter dat hij dood was, na te zijn leeggebloed in de kuip. Waarschijnlijk stond een bus met zijn bloed al tussen de andere en was hij als een puzzel van vlees en beenderen in de stortkoker gekieperd. Het was haar een raadsel waarom zij niet naast hem in de container lag.

Zohra deed een poging om op te staan. Ze wankelde. De wond aan de zijkant van haar hoofd pulseerde in een scherp, brandend ritme. Ze legde haar hand erop en voelde dat het bloed gedeeltelijk gestold was. Ze had meer geluk gehad dan Lieven. Het moest een afscham­per geweest zijn, voldoende om haar bewuste­loos te slaan, maar niet hard genoeg om haar te vermoorden. Toen Zohra eenmaal stevig op haar benen stond en haar ogen een beetje aan het schemerduister begonnen te wennen, drong het panorama van de verdorven stad tot haar door. Alles leek heel ver weg.

Zohra herinnerde zich weer waarom ze naar hier was gekomen. Het was een onverklaarbare, niet te negeren aantrekkingskracht geweest. Het feit dat ze nog leefde, sterkte haar in de gedachte dat deze situatie voor­bestemd was. Haar vastberadenheid over­scha­duwde de gevoelens van woede, verdriet en angst die in haar ingewanden tintelden. Ze zou niet weggaan voor ze wist wat die vrouw met Lievens bloed van plan was.

Er stond een zachte bries. Een eigenaardige, niet te definiëren geur dreef Zohra’s kant op. Intuïtief wist ze dat ze die geur moest volgen, ook al walgde ze ervan. Ze probeerde een overzicht te krijgen van het dak. Het was zo groot als een voetbalveld en ingericht als een doolhof met ventilatieschachten, antennemasten, lift­okers en trappenkamers die het zicht belem­erden. Ze strompelde naar de dichtstbijzijnde mast en verschool zich erachter. Het inademen van de buitenlucht deed haar deugd. Langzaam voelde ze het leven weer in haar lichaam sijpelen.

Zohra sloop van het ene obstakel naar het andere. Onderweg begonnen haar zintuigen opnieuw normaal te functioneren. De realiteit was niet langer een onbe­trouwbare fata morgana. Ze zag alles weer helder, ondanks de barstende hoofdpijn. En ze hoorde ook iets: een vreemd, onbestemd geluid.

Tongen die slurpten, tanden die knarsten, obscene huigklanken.

Zohra gluurde door het rooster van een ventilatie­chacht. Aan de rand van het dak ontvouwde zich een macaber schouwspel. Het beeld was gefrag­enteerd als een mozaïek. Heel even hoopte Zohra dat ze nog steeds bewusteloos was en door duistere dromen gekweld werd, maar het had geen zin om de werkelijkheid te ontkennen. Ze kon niet ophouden met staren. Een gevoel van herkenning ontlook in haar binnenste, als een lang vervlogen herinnering aan een speciale ont­moeting.

Met lange tongen likten de wezens het bloed uit een bassin. Ze dronken gulzig terwijl de vrouw een nieuwe bus leeggoot. Het bloed was dik en stroperig.

Zohra bewonderde de contouren van de wezens. Sommigen waren hoekig en puntig, anderen zacht gewelfd als zandduinen. De nevelige lucht wierp een doffe schijn op hun huid. Bleek en ziekelijk glinsterden ze. Hun iele lichaampjes waren bedekt met schubben, gezwellen of afgestorven weefsel. Hun geraamte was misvormd, net als hun gezicht. Monden als vagina’s, ogen van slijm. Allemaal hadden ze unieke trekken, alsof ze afstamden van verschillende voorvaderen.

Slechts twee dingen hadden ze met elkaar gemeen. Ze dronken bloed om te overleven. De vrouw, hun slaaf, hadden ze uitverkoren om hen te voeden. Als een levende dode voerde ze hun telepathische bevelen uit.

Het tweede wat de monsters, ondanks hun verschil­ende uiterlijke ken­merken, met elkaar verbond, was Zohra. Zij had hen het leven geschon­ken in de vergeten hoeken en krochten van de stad. Zij had hen bedacht en een gezicht gegeven, met verf op beton. Zij waren de kunstwerken die zo gehekeld werden door het establishment. De verstotelingen van Antwerpen hadden zich allemaal op het dak van de wolkenkrabber verzameld, ver weg van de bekrompen burgers.

Ze leken niet eens verbaasd toen Zohra tevoorschijn kwam, alsof ze haar komst geduldig hadden afgewacht.

De vrouw schrok wel. Haar ogen sprongen open als had ze een spook gezien. Ze liet de bussen bloed uit haar handen glijden. Even leek ze niet te kunnen vatten wat er gebeurde. Daarna waggelde ze schuimb­ekkend op Zohra af.

Maar Zohra was niet bang. Ze wist dat haar kinderen haar zouden beschermen, net zoals ze ervoor hadden gezorgd dat ze nu niet naast haar zielsverwant in de container lag.

En zo geschiedde.

Nog voor de vrouw Zohra kon bereiken, hadden de monsters haar al te grazen genomen. De vrouw begon woordeloos te krijsen. Haar stem was zwaar en diep, als een vrachtwagen die over kasseien bulderde.

Ze trokken haar neer met hun klauwen. Hun voor­malige voedster grabbelde in het ijle en viel met een smak op de grond. De monsters beten haar keel over en peuzelden het vlees van haar beenderen. Het kolossale lichaam van de vrouw werd alsmaar kleiner, eerst de benen en de armen, daarna haar roze romp. Langer dan enkele minuten duurde het vreetfestijn niet. Zohra’s kinderen speelden met de ingewanden en jong­leerden met de oogbollen.

Het vlees spuwden ze weer uit. Bloed was het enige waar ze op uit waren. Nooit hadden ze genoeg. Ver­honge­ren zouden ze echter niet doen. Vanaf nu was Zohra er immers om hen te voeden. Ze was tot het ergste bereid om hen sterker te maken. Zelfs Lievens bloed mocht niet verspild worden. Het waren tenslotte haar kinderen. Door de monsters zijn bloed te schenken, kon hij in hen een tweede leven leiden. Ze miste hem nu al.

Zohra liep naar de hoek van het dak en ging met haar benen over de rand zitten. Ze keek uit over de stad. Zoveel mensen, zoveel bloed. Nu waren de monsters nog zwak, maar binnenkort zouden ze sterk genoeg zijn om Antwerpen over te nemen.

Categories