web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2017 » De Ariadne Singulariteit : Mike Jansen

De Ariadne Singulariteit

Mike Jansen

 

Hij naderde het besneeuwde dorp vanuit het noorden, zoals altijd. Aan die kant was de ingang en de inwoners hielden het bos hier nog op afstand. Aan de andere zijden van het dorp kroop het al bijna tegen de hoge, verroeste hekken op.

Harrald de Groot schudde zijn hoofd. Toen hij nog jong was, een decennium geleden alweer, werd het terrein rondom vrij gehouden om eventuele dreigingen geen kans te geven het dorp te besluipen.

Enkele van de alleroudsten herinnerden zich nog de zwervende bendes die plunderend en moordend door de omgeving trokken. Of de melaat­sen, levend of dood, die al dan niet moedwillig de inwoners van het dorp probeerden te infecteren.

Gemakzucht, dacht hij. Het wordt nog eens onze dood. Maar diep van binnen had hij begrip voor zijn medemensen die er het nut niet meer van inzagen. Een hele generatie was opgegroeid met enkel de verhalen van hun ouders en grootouders en de moralistische boodschappen over het voortbestaan van het menselijk ras. Die oudste generatie was nu bijna verdwenen. Harrald zuchtte. Hij was de laatste tiener in het dorp. Na hem waren er geen kinderen meer geboren. Zoals het er nu uitzag zouden die ook niet meer komen en het inwoneraantal van het dorp was alleen maar geslonken.

De toren van het oude Meru-klooster was een welkome aanblik. Hij miste de gewapende uitkijk die er normaal stond, maar de ijzige kou van de afgelopen weken was misschien wel een betere bewaker dan een oude man of vrouw met een automatisch geweer.

Hij wilde net het bos verlaten en de witte vlakte naar de poort oversteken toen hij zich bedacht. Voorzichtig trok hij zijn voet terug. Het heugelijke nieuws dat hij meedroeg en de implicaties daarvan, maak­ten hem minder voorzichtig. Het dodengat lag hier ergens onder de sneeuw en hoewel er al twintig jaar geen mensen begraven waren, wilde hij niet degene zijn die met zijn lompe, haastige voetstappen de lang slapende lichamen van bandieten of melaatsen wekte.

Uiteindelijk was hij ruim voor zonsondergang bij de poort, die voor hem opende zodra hij nog maar een paar meter verwijderd was.

 

‘Je bent laat,’ zei Maria Martens met een strenge blik in haar helblauwe ogen.

Harrald glimlachte. ‘Ik ben dan ook ver weg geweest, moeder. Hoe wist je dat ik eraan kwam? Ik zag geen wachter.’

‘Moeders weten dat soort dingen,’ zei ze. Ze stapte naar voren en sloeg haar armen om hem heen.

Harrald keek nerveus naar achteren. ‘Kunnen we in ieder geval de poort sluiten?’

Maria liet hem los en haalde haar schouders op. ‘We hebben al bijna twintig jaar niemand gezien, Harrald.’ Ze sloot de poort achter hem. ‘Je vader en ik denken dat er weinig dreigingen meer zijn daarbuiten. Die tijd is geweest.’

‘Daar ben ik nog niet zo zeker van,’ zei Harrald.

‘Ben je iets tegengekomen?’ vroeg zijn moeder.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Niet echt. Maar ik heb momenten gehad dat ik dacht dat iets of iemand naar me staarde.’

Maria zuchtte. ‘Je vader en ik hebben dat gevoel ook af en toe gehad als we in dode dorpen zochten naar bruikbare spulletjes.’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Zolang het bij staren blijft, vind ik het prima. Het heeft me niet tegengehouden verder naar Eindhoven te zoeken.’

‘Je bent twee weken weggeweest, hoe ver ben je eigenlijk gegaan?’

‘Ik ben de Maasvennen en de Peelmoerassen over­gestoken. De oude kaarten zijn echt waardeloos geworden, alles is veranderd. Maar ik ben erdoorheen gekomen en ik heb een aanwijzing gevonden.’ Hij opende zijn rugzak en haalde er een verweerde, beschadigde plaat kunststof uit. De letters “Eindh” stonden er nog op.

‘Eindhoven?’ vroeg Maria.

‘Ja, het legendarische “Eindhoven”.’ Harrald grijnsde breed. ‘Volgens mij heb ik de grens van de stad gevonden.’

‘Goed nieuws,’ beaamde Maria. ‘Zullen we naar binnen gaan? Jacob heeft een voorraadje thee gescoord in een verborgen kelder in Wasberg, twee­honderd jaar oude Darjeeling, vacuümverpakt. En Gerard heeft je gemist.’

‘Lekker, ik kan wel wat warms gebruiken. En ik heb jou en pa ook gemist.’ Ze liepen naar het oude klooster­gebouw waar een paar olie­lampen net waren aangestoken. Vlak voor ze naar binnen gingen pakte hij de elleboog van zijn moeder vast. ‘Volgens mij heb ik ook de zee gezien.’

Maria keek hem aan, verbaasd. ‘Ik denk dat je heel wat te vertellen hebt.’

 

Na een warm maal van gestoofd konijn en een grote beker sterke thee stalde Harrald zijn vondsten uit op de eettafel: de kunststof plaat, een oude glazen bierpul, een paar lichtverroeste steakmessen met kunststof handvaten, een verweerde autospiegel en een stapeltje vergeelde ‘Autoweek’ bladen.

Gerard pakte een van de bladen en opende voorzichtig en één voor één de vellen. De foto’s van automobielen waren flets geworden, maar toon­den nog steeds de wereld zoals die voor de grote crisis was.

‘Mooie vondst, zoon,’ zei hij. ‘Dit is altijd droog en donker gebleven. Ook geen knaagdieren of insecten bijgekomen, zo te zien.’

Harrald glimlachte. Zijn vader was niet zo scheutig met complimenten. ‘Dank je, pa. Ik had niet heel veel tijd, ik was al langer weggebleven dan ik wilde.’

‘We maakten ons wel een beetje zorgen,’ zei Gerard. Maria legde haar hand op die van haar echtgenoot.

‘Dat begrijp ik,’ zei Harrald. ‘Maar ik ben al negen­tien. En ik weet zeker dat onze redding in Eindhoven ligt. Jullie hebben het zelf in de archieven gelezen: de topgeleerden in reproductie- en incubator­technieken werkten daar.’

Gerard en Maria keken elkaar aan. ‘Dat was tien jaar geleden, Harrald,’ zei Gerard. ‘Die archieven vertellen over iets dat tweehonderd jaar geleden actueel was. Het heeft al jaren geduurd om de weg naar Eind­hoven terug te vinden. Hoe lang doe je erover gebouwen te zoeken en binnen te komen?’ Zijn argument was duidelijk: Eindhoven was groot, te groot voor één jongen om helemaal om te spitten.

Harrald sloeg zijn ogen neer. Dit was wat hij zichzelf tijdens de terugtocht door de vennen al voorgehouden had. Maar hij had een oplossing bedacht. ‘Ik denk dat ik het zoeken kan beperken.’

‘Hoe dan?’ vroeg zijn moeder.

‘Door alleen in het Sciencepark te zoeken. De plek waar alle geleerden samenkwamen om uit te vinden en te bedenken. Dat zeggen de boeken tenminste.’

‘Maar waar is het dan?’ vroeg zijn moeder. ‘Ik dacht dat het in de Philipstempel zou liggen?’

Harrald schudde zijn hoofd. ‘Dat denk ik niet, mam. Volgens mij werd die alleen voor ceremoniële spelen gebruikt. Voetbal en andere sporten ter ere van De Philips. Armena dacht dat ook.’ De blik in de ogen van zijn ouders gaf hem een kil gevoel in zijn maag. ‘Is er iets? Met Armena? Of was de stroom weer op?’

‘Er was voldoende stroom. Het radiocontact is ver­broken, vlak na je vertrek. We moeten ervan uitgaan dat er iets gebeurd is. Armena wist de radio altijd binnen enkele uren te repareren, maar het is nu al bijna twee weken stil. We hebben het elke dag een paar keer geprobeerd.’

Harrald voelde zijn ogen branden. Armena woonde met haar ouders en enkele familieleden in een dorpje ergens aan de Italiaans-Zwitserse grens. Die aan­duiding had niet veel zin meer tegenwoordig, nu landen waren verdwenen en de laatste plaatsen waar mensen woonden één voor één ten onder gingen. Ze was ongeveer zijn leeftijd en hij had de ijdele hoop gehad haar ooit te zien. ‘Dan zijn we waarschijnlijk de laatste mensen op Aarde.’

‘Dat weten we niet,’ zei Gerard. ‘De radio heeft een beperkt bereik. Daarbuiten kunnen nog mensen leven.’

‘Je vader is een optimist, Harrald,’ zei Maria. ‘Volgens de verhalen en dagboeken van de afgelopen decennia verloren we elk jaar wel een of meer van de dorpjes. Het bereik van de radio is inderdaad beperkt.’

‘Maar we kunnen er niet van uitgaan,’ zei Harrald. ‘We zijn dus nu echt helemaal op onszelf aangewezen.’ De sfeer in de kamer werd neer­slachtig. Er was stilte tot Maria zei: ‘Vertel ons maar eens wat je gezien hebt. Ik hoorde iets over de zee?’

Harrald haalde diep adem. Er waren meer teleur­stellingen geweest in zijn jonge leven. Er zouden er meer komen. Hij moest zich er maar overheen zetten, zoals hij al vaker had gedaan. ‘Ja, ik kon de zee zien vanaf de hoogste heuvel die ik beklom. Ver weg, maar er waren zeemeeuwen en ik kon het zout ruiken.’

‘Dan zijn de dijken van Holland dus definitief gebroken,’ zei zijn vader.

‘Het lijkt erop. Die heuvel was ook de plek waar ik na wat zoeken een ingang vond. Er stond vroeger waar­schijnlijk een flat, maar hij was verzakt en over­woekerd. Als ik het bord niet had gevonden zou ik niet weten dat ik in Eindhoven was.’

‘Als je noordwestelijk gereisd bent, dan ben je bij de zuidoostkant van de stad terechtgekomen,’ zei Gerard. ‘Ik neem aan dat er heuvels zijn? Heb je die ook gezien?’

‘Ik denk van wel,’ zei Harrald. ‘Er was een vrij duidelijke afscheiding tussen vlak land met moeras en rijen met heuvels. Er leek regelmaat in te zitten.’

Gerard legde een vergeelde kaart op tafel. ‘Dan moet je langs de zuidkant reizen. Volgens deze kaart ligt het Sciencepark daar.’ Hij liet zijn vinger op de bewuste plek rusten.

Harrald keek zijn vader en moeder aan. De uitdrukkingen op hun gezichten waren somber. ‘Ik moet het proberen,’ zei hij. ‘Als de incubators er nog zijn…’

‘De kans dat ze nog werken na al die jaren…’ Gerard schudde zijn hoofd. ‘Er is waarschijnlijk geen stroom en als er water binnen is gekomen, is alles kapot.’

‘Maar ik moet,’ zei Harrald. ‘Ik wil niet de laatste zijn.’

‘Dat willen wij ook niet, liefje,’ zei Maria, ‘maar de ziekten, de oorlogen en alle gevolgen daarvan, er zijn gewoon te weinig mensen over­gebleven. Eens gaan we toch, allemaal.’

Ongebruikelijk pessimistisch zei Gerard: ‘Misschien is het maar beter zo. De mensheid heeft zich onwaardig betoond.’

Het was lange tijd stil en Harrald dronk zijn beker leeg. ‘Ik vertrek over drie dagen.’

 

Op de ochtend van de derde dag nam Harrald afscheid van Gerard en Maria, maar ook van Lotte. Hij was de afgelopen nachten bij haar geweest. Ze was iets ouder dan zijn ouders, weduwe, met een voorliefde voor jongere minnaars. En Harrald was nu eenmaal in de bloei van zijn leven. Als Lotte vruchtbaar was geweest, had hij met genoegen kinderen bij haar verwekt en met haar opgevoed, ondanks een leeftijdsverschil van ruim twintig jaar.

‘Wees voorzichtig, zoon,’ zei Gerard. ‘Heb je vol­doende gereedschap bij je?’

‘Ik denk het wel, pa. Meer kan ik niet dragen. Weten jullie zeker dat jullie het tablet kunnen missen? Het is de laatste werkende.’

‘We hebben genoeg kennis overgeschreven, jongen,’ zei Maria. ‘Beter als jij de bibliotheek bij je hebt, voor het geval dat.’

Lotte zei niets. Ze omhelsde hem alleen en hij voelde een traan langs zijn nek vallen. Daarna draaide ze zich om en liep zonder om te kijken weer naar binnen.

De sneeuw was op de meeste plekken gesmolten en alleen op de plekken waar de wind het had opgeblazen lagen nog zielige hoopjes ijs. Het betekende ook dat de grond modderig was en dat bemoeilijkte het lopen.

Hij volgde het pad dat hij eerder had genomen, door de bossen en daarna door de moerassen van het verzonken Roermond. ’s Avonds kampeerde hij aan de oever van de Maas, bij de samengebonden boom­stammen die hij vorige keer gebruikt had. Ze lagen nog hoog op de oever waar hij ze naartoe had getrok­ken. De hemel was ongewoon helder en Harrald kon zelfs sterrenhopen en nevels met het blote oog zien.

Eens te meer voelde hij zich nietig en onbetekenend. Hij begreep de woorden van zijn moeder. Eens gaan we allemaal. Mensen, dieren, bomen, de Aarde, de zon, melk­wegstelsels en sterrenhopen. Maar diep van binnen brandde een vuur, een noodzaak om zijn bestaan voort te zetten. Als ik ooit nog kinderen krijg, zullen ze de Aarde met respect leren behandelen.

Hij had de vernieling en chaos gezien op de oude journaalbeelden. Er was genoeg bewaard in het archief, van oorlogen en ziekten van de eenen­twin­tigste eeuw, die de mensheid op de rand van de vernietiging brachten tot het totale ineenstorten van de beschaving. Voor hij ging slapen, spande hij lijnen met belletjes rond zijn tentje om hem voor eventuele indringers te waarschuwen.

De volgende ochtend vroeg stak hij de Maas over, hoewel de scheidslijn tussen rivier en vennen vaag was, zodat hij maar zo ver mogelijk doorpeddelde. Tegen de tijd dat hij vaste grond bereikte waren zijn broek en mouwen kletsnat en koud geworden en zijn handen leken wel ijspegels. Zelfs met zijn dikke wollen wanten duurde het bijna een uur voor hij zijn vingers weer voelde.

Die dag dwaalde hij door de Maasvennen, van zandbank naar zandbank, tot hij na lang zoeken in een ander landschap terechtkwam waar een dikke laag plantengroei op zompige ondergrond een vrijwel uniform landschap van donkergroene en –paarse tinten vormde, afgewisseld door kleine meertjes met hoge, verdorde rietkragen. Hij herkende een aantal punten en wist die dag een flinke afstand door de Peelmoerassen af te leggen. Het was nog te vroeg in het jaar voor steekvliegen en ander ongedierte, dus hij verwachtte dat hij de volgende dag Eindhoven zou bereiken, als het weer gunstig bleef.

Hij kampeerde op een klein heuveltje waar een paar bomen groeiden. Toen hij de haringen de grond in dreef raakte hij iets hards. Hij groef de losse aarde op en vond een klein metalen pannetje. Er waren eerder mensen op deze plek geweest. Hij groef verder en vond verschillende verweerde en verroeste voor­werpen, bijna onherkenbaar, en een versleten, plastic Barbie met lang, blond nephaar. Hij veegde de modder eraf en zette de pop rechtop tegen een van de bomen.

In het flakkerende licht van het kampvuurtje leek het alsof hij gezelschap had. Wat ik er niet voor zou geven dat ze echt was, dacht hij. Hij was de laatste maanden veel buiten geweest om het land te verkennen en vaak fantaseerde hij over iemand van zijn leeftijd, bij voorkeur vrouwelijk, om mee te leven en samen een bestaan op te bouwen. Met kinderen, hopelijk. Armena speelde vaak door zijn hoofd, ook al had hij haar nog nooit gezien. Maar die hoop leek nu vervlogen.

Voor hij ging slapen controleerde hij nog een keer zijn verklikkers en legde hij zijn oor op de grond om te luisteren of er beneden hem gegraven werd. Hij had vaker meegemaakt dat een melaatse gewekt en opgestaan was.

 

De heuvels waaronder Eindhoven lag, strekten zich tot de horizon uit. Vanaf de heuvel die hij vorige keer beklom, kon hij heel in de verte het lijntje van de zee zien, ver weg, maar wel zo dichtbij dat een hoge vloed de stad zou raken. Als er nog iets onder het Sciencepark ligt, dan is dit echt de laatste kans. Van binnen voelde het als een soort lotsbestemming dat hij juist op dit moment op zoek ging naar het kweeklaboratorium van De Philips om uit te vinden of hij de vermoede kostbare apparatuur kon redden. Zijn verstand vertelde hem dat de kans klein was, de mogelijkheid dat niets meer werkte groot, maar zijn hart, dat hoopte op een wonder, sprak harder tegen hem.

Hij vond de snelweg die als een lang, recht en minder begroeid pad langs de heuvels liep. Feitelijk waren het gebouwen, flats, deels ingestort en overwoekerd, bedekt met stuifzand en losse aarde, restanten van een rijk verleden, maar nu teruggenomen door de natuur. Kleine heuveltjes op de weg bevatten de verroeste karkassen van automobielen die hier waren achtergelaten en hier en daar zag hij nog stukjes van ramen en deurstijlen. Een enkele bleke schedel staarde terug uit een donker gat.

De dooi van de afgelopen dagen en de beginnende lente zorgden voor sneeuwklokjes die voorzichtig hun kopjes uitstaken boven het gras en de varens die de grond bedekten. Harrald bereikte aan het eind van de ochtend het terrein van het Sciencepark, een vlakte afgewisseld met monolithisch aandoende heuvels. Een klein meer lag midden op het terrein. Zijn doel, de Philipsgebouwen, lag achter het meer. Hoewel hij niet wist welk gebouw het precies was, wist hij dat van alle plekken die hij kon bezoeken in Eindhoven, dit de meest waarschijnlijke plaats was waar de experimen­tele broedkamers van De Philips waren ingericht.

Hij wandelde om de eerste heuvel heen. Varens, wingerds en stiletto­doorns vormden een dichte haag die het lopen bemoeilijkte en hij kon nu al zien dat de andere heuvels minstens net zo moeilijk begaanbaar waren. Op deze manier kon hij weken, zo niet maanden blijven zoeken naar een ingang en dan moest het maar net de juiste ingang zijn.

Hij werd er bijna moedeloos van tot hij bedacht dat de winter hem kon helpen. Als er iets onder de grond zit aan nog werkende apparatuur, dan moet dat warmte afgeven die weer ergens naar buiten moet komen. Hij klom tegen de grootste heuvel op tot hij bij de top kwam. Roestige staven staken hier uit beton dat net boven de humuslaag uitkwam. Hij speurde de omgeving af op zoek naar een groener, rijker stuk van planten die niet bevroren waren en niet onder sneeuw bedekt waren geweest. Hij liep om de top heen en keek naar alle windstreken en vond uiteindelijk de plek die hij zocht, verborgen tussen een paar boompjes, goed beschut.

Vol goede moed daalde hij de heuvel weer af en ging regelrecht op de plek af die hij van boven gezien had. Met een paar trappen schopte hij graspollen en lagen aarde weg tot hij bij een stalen rooster kwam. De geur van verrotting kwam hem tegemoet, maar ook iets anders, iets metaalachtigs gemengd met machineolie.

Dit moet het zijn, dacht Harrald. Hij kneep een paar keer in zijn knijpkat en scheen vervolgens een lichtbundel door het rooster. Eronder zat een groot gat. Op de bodem lagen modder en resten van planten, over­woekerd door een soort paddenstoelen die azuurblauw leken in het licht van zijn zaklamp. In de noordkant van het gat zat een volgende rooster. Harrald zag sliertjes bleek gras voortdurend bewegen in een constante luchtstroom die er doorheen kwam.

Hij keek op, recht tegen een heuvel aan. Dat moet hem dan zijn, dacht hij. Met een schep in de aanslag klom hij tegen de helling op, op zoek naar een plek waar hij eenvoudig naar binnen zou kunnen gaan. Hij vond een reeks openingen waar betonnen balkons naar buiten staken en groef zich een weg naar binnen toe. Een stalen deur was zo weggeroest dat hij hem met een paar stevige trappen open kreeg.

Een stinkende walm dreef naar buiten en Harrald kokhalsde. Hij herkende de geur van verrotting en oude lijken en voorzichtig stapte hij naar binnen, een trappenhuis in, knijpkat in de ene hand, zijn schep als wapen in de andere hand. Vocht was in de muren gedrongen en paddenstoelen en schimmels bedekten elk beschikbaar stukje. Hij liet zijn lichtbundel omhoog schijnen, vervolgens omlaag de duisternis in. Het geluid van de dynamo in de knijpkat vermengde zich met de echo’s van het constante druppelen.

Een paar treden omlaag zag hij botten op de trap liggen en verder naar beneden een bleke schedel. Eindhoven was al vroeg in de eenen­twintigste eeuw getroffen door een biowapen en diende als lichtend voorbeeld dat virussen niet gaven om ras, denk­beelden of overtuigingen. Maar toen was het natuur­lijk al te laat en de stad was ten dode opge­schreven. De lege huls die overbleef was daarna ook geen slacht­offer van de meer directe wapens die werden ingezet.

De trappen voerden hem naar de kelders van het gebouw waar een halve meter water stond. Het was vroeger overduidelijk een soort par­keergarage geweest. Hij liet zijn lichtbundel van de trap over het water schijnen. Twee dozijn automobielen roestten hier langzaam weg. Het water was ijskoud aan zijn benen. Harrald zette zijn voeten langzaam en heel voorzichtig neer. Dit was niet de plek om zich aan onderwater verborgen roestig ijzer te verwonden.

Hij liet het licht van de lamp over de verroeste auto’s spelen. Op ver­schillende voorruiten zaten nog stickers verpakt in laminaat waarop hij letters kon onder­scheiden: Philips Medical. Hij kreeg een raar gevoel in zijn onderbuik en hij voelde een vleugje hoop opwellen. Als ze hier hun auto’s parkeerden, dan werkten ze hier misschien ook. Hij keek om zich heen. Waar zou ik de ingang maken?

Midden in de parkeergarage was een afgesloten blok, muren zonder ramen. Hij waadde erheen en toen hij eromheen liep zag hij een plateau dat net boven het water uitstak, een stalen deur en naast de deur een metalen plaat met een enkel rood lichtje boven de lijntekening van een mensenhand. Hij haastte zich de treden op en vervolgens bestudeerde hij nauwgezet de deur en de plaat. ‘Alleen geautoriseerd personeel’ stond er op, onder een feloranje ‘Pas op!’ en een pikzwart biohazard logo. Er waren geen zichtbare sloten of scharnieren.

Harrald legde zijn hand op het metalen paneel. Onder zijn vinger­toppen voelde hij dat het glanzende metaal stroef was, alsof het tegen zijn huid duwde. Een korte zoemtoon klonk en een rood lichtje in de vorm van het biohazard logo knipperde drie keer. Veiligheidssystemen die nog werken na honderden jaren. Hoopvol, dacht hij en voegde daar aan toe: en uitdagend.

Met een mes wrikte hij net zo lang aan de rand van het paneel dat het op een gegeven moment losschoot en de printplaat met bedrading tevoor­schijn kwam. Harrald herkende een aantal van de circuits en chips, maar het merendeel was hem onbekend. Hij pakte het tablet en startte zijn zoekprogramma op.

Dertig mogelijke ontwerpen, zoek de verschillen. Nauw­gezet volgde hij draden en printbanen, telkens afgeleid door het dovende licht van de knijpkat, tot hij nog maar twee keuzes overhad. Een van die keuzes droeg een Philips logo. Harrald grijnsde en identifi­ceerde de draden die het ‘open’ signaal aan de deur gaven. Een minuut later verscheen het groene lichtje en was er een doffe klik.

Met zijn linkervoet duwde Harrald tegen de metalen deur die zacht knarsend openzwaaide. Lichten aan de muren sprongen aan en hij zag een volgende trappen­huis met metalen roostertrappen die naar beneden voerden. De lucht was droog, machinaal met een vleugje oude dood. Hij stapte naar binnen en liep de trappen af. De bodem was tientallen meters beneden hem. Twee trappen naar beneden voelde hij meer dan hij het hoorde een zachte dreun. Toen hij omhoog keek zag hij dat de deur weer gesloten was. Dat zie ik dan zo wel weer, dacht hij. Op dit moment was zijn nieuws­gierigheid te groot.

De deuren beneden openden zich automatisch bij zijn nadering. Er lag twee eeuwen stof op de grond en hij liet een spoor van voetstappen achter in de grijze laag. Hij liep een ruimte in waar een enkel bureau stond. Op een bordje stond ‘receptie’ en het bureaublad was verder leeg. Van de deur aan zijn rechterkant was het slot geforceerd. Hij duwde ertegen. De deur zwaaide geruisloos open en onthulde duisternis en een betonnen plateau met hek. Hij stapte naar binnen en zwengelde zijn knijpkat aan. Zijn lichtbundels verdwenen in het duister, maar hij zag hier en daar reflecties van glazen oppervlakten. Even later viel de lichtbundel op een schakelaar dicht bij de deur. Toen hij die omhaalde schakelden enkele dozijnen lampen aan die een immense hal verlichtten.

Dikke betonnen pijlers ondersteunden een hoog dak en tussen de pijlers waren tientallen kantoortjes aangelegd rond een centrale glazen koepel. Overal waar hij keek zag hij het Philipslogo tevoorschijn komen. Dit moet het zijn, het kan niet anders, dacht Harrald. Opgewonden daalde hij de trappen naar de werkvloer af. Overal waar hij kwam werd het licht helderder en de gloed van de lampen warmer. Harrald vermoedde een automatisch systeem. Veel beter dan de kaarsen en fakkels in het oude klooster.

Angst overviel hem toen hij zijn eerste skelet tegen­kwam. Resten uitgedroogd vlees en huid waren nog strak over de botten gespannen die uitgestrekt op een bank in een kantoor lagen. Het lichaam droeg nog een oude laboratoriumjas over een sterk versleten jeans en een vaalgrijs shirt. Harrald pakte zijn machete en tikte de rechterarm van het skelet een paar keer aan tot hij ervan overtuigd was dat er geen gevaar dreigde. Terwijl hij door de gangen dwaalde langs de glazen wanden van de kantoren stelde hij zich voor dat hier jarenlang mensen gewoond of gewerkt hadden. De twee dozijn auto’s boven deden hem vermoeden dat hij meer lichamen zou gaan vinden. In een verafgelegen zijkamer vond hij mensvormige, zwarte plastic zakken. Er lagen er ruim twintig, netjes op een rij, duidelijk met inhoud. Hij liet ze liggen en ging verder naar zijn eigenlijke doel, de glazen zaal die hij eerder gezien had.

Een glazen buis met een luchtsluis voerde naar het centrale deel. Weer zag hij sloten die geforceerd waren. De centrale ruimte bevatte een verhoogde vloer met bureaus waarboven rijen schermen waren inge­bouwd. Eromheen stonden dozijnen transparante, eivormige con­struc­ties, een soort capsules, die via buizen en slangen aan de vloer gekoppeld waren. Ze deden hem denken aan de incubators zoals hij die op een oude Discovery aflevering gezien had. Zo te zien waren ze alle­maal leeg. Hij liep naar de dichtstbijzijnde. Het deksel stond omhoog en de binnenkant bevatte wat blauwe drab, een lang geleden uitgedroogd residu. Hij wandelde door de ruimte en telde uiteindelijk vijftig van de eivormige capsules. Allemaal leeg. Hij tikte tegen een paar van de kunststof slangen die bij het minste al afbraken. Poreuze rotzooi, niet geschikt voor wat dan ook.

Harrald liep terug naar de bureaus met de schermen en vond daar nog een verhoging achter een batterij schermen waar een grote stoel stond. Hij liep de trap op en duwde tegen de stoel om hem naar zich toe te draaien. Het skelet dat erop zat, zakte in elkaar. Harrald sprong achteruit en trok bij het neerkomen zijn machete tevoorschijn en hield die verdedigend voor zich. Pas toen hij zag dat het skelet verder niet bewoog, haalde hij weer adem. Dat moet een van de laatsten zijn geweest. Gestorven in het harnas. Er lag een stapeltje papier op het bureau, een ouderwetse schrijfpen en een plastic chipkaart waarop ‘Ariadne’ stond. Hij tilde het geraamte uit de stoel en legde het onderaan de trap.

De vellen papier waren dichtbeschreven, maar de inkt was na zoveel jaren verbleekt tot een vaag bruinoranje dat maar nauwelijks leesbaar was. Harrald nam plaats op de stoel en las een verslag van de laatste dagen van ene Arnold Janssens die zijn einde voelde komen en in zijn eenzaamheid zijn gedachten op papier zette. Hij las hoe een groepje onderzoekers en technici waren ingesloten in het onderzoeks­centrum, dat zelfs na enkele tientallen jaren de sensors nog steeds een niveau vier biobedreiging maten in de buitenlucht. Harrald dacht terug aan het biohazard­lampje op de sensorplaat buiten. Hij begreep nu waarom de deur gesloten bleef. Maar hij voelde zich verder goed, dus of de sensor was stuk of hij was immuun voor wat het dan ook was dat daarbuiten dreigde. Blijkbaar was het eng genoeg dat ze vrijwillig opgesloten bleven.

Hij las over het contact met militaire centra die een voor een uit de ether verdwenen en over het koorts­achtige onderzoek dat de leden van het team deden om hun belangrijkste projecten te realiseren. Uitein­delijk waren er nog maar twee over, de incubators en iets dat ‘project Ariadne’ werd genoemd. Arnold Janssens schreef dat hij en zijn collega’s uiteindelijk moesten concluderen dat de incubators nutteloos waren als de niveau 4 dreiging niet geneutra­liseerd werd en dat daarom alle aandacht en alle moeite in ‘project Ariadne’ gestopt werd.

‘Maar wat,’ zei Harrald hardop, ‘is dan ‘project Ariadne’?’

De laatste zinnen van de brief waren direct aan hem gericht, aan ‘degene die deze brieven vindt.’ …Ariadne is volmaakt. Zodra ze volgroeid is, zal ze de perfecte moeder voor een transhumaan ras zijn. Ze bevat de laatste ontwikkelingen op AI gebied die defensie ons gestuurd heeft en sluit volmaakt aan bij de 2045 agenda. Daarnaast heeft ze een selectie van de beste ei- en zaadcellen meegekregen uit de DNA banken van het instituut zodat onze gehavende planeet van nieuw, menselijk leven kan worden voorzien, zelfs als de laatste mens is gestorven. Harrald las de laatste zin nog eens en dacht: Dat betekent dat ik niet de laatste hoef te zijn. Hij voelde vlinders in zijn buik.

‘Je maakt me nieuwsgierig, Arnold Janssens.’ Hij keek omlaag naar de grijnzende schedel van de oude onder­zoeker. ‘Wat ik hier niet lees is hoe lang Ariadne moest volgroeien. En heel belangrijk: waar is ze?’ Even twijfelde hij. Wat nu als Ariadne inmiddels oud geworden was, misschien zelfs gestorven? Maar het was van korte duur. Ariadne was duidelijk niet mense­lijk, dus hij kon niet zomaar menselijke waarden aan haar toekennen. Hij pakte de chipkaart en bekeek die. Er zaten gebruiks­sporen op, dus hij was gebruikt. ‘Waar, oh, waar?’

Hij liep langs de rijen monitoren, de nette, georgani­seerde bureaus en dozijnen toetsenborden. Tussen de bureaus door zag hij de incubators en de kabels die van daar uit de grond inliepen. Harrald dacht diep na. Waar komt de stroom vandaan? Een generator? Een die eeuwen meegaat? Dat kan alleen maar nucleair zijn. Dus er moet een centrale zijn. Hij keek naar de grond onder zijn voeten. En die levert stroom via de kabels in de grond, dus hieronder zit de centrale, of een verdeler die stroom van de centrale krijgt.

Hij stapte van de verhoging af en wandelde erom­heen, op zoek naar een oneffenheid, iets dat uit de toon viel. Uiteindelijk vond hij een gleuf aan de zijkant van de treden die het platform op gingen. Hij pakte de kaart en draaide hem een paar keer om en om in zijn handen. Is dit het antwoord? vroeg hij zich af. Als ze kan helpen kinderen op de wereld te zetten, dan is er een kans voor de mensheid. Resoluut stak hij de kaart in de gleuf. Het kan niet zomaar eindigen. Een nieuw begin, met normen en waarden die de mensheid verenigen.

Een deel van het platform schoof in elkaar en een brede spiraaltrap werd zichtbaar. Hij liep naar beneden en waar hij kwam scheen diffuus, warm licht uit panelen in de muren. De ruimte waar hij uitkwam bevatte een laboratorium en een constructie met buizen en ventielen die een derde van de ruimte vulde. Op de constructie stond het felgele logo dat nucleaire energie aanduidde. Een reactor, dacht Harrald. Daarom brandt het licht nog, daarom wordt de lucht gezuiverd. Een paneel met groene lampjes gaf aan dat het apparaat waarschijnlijk binnen normale grenzen opereerde. Wat als de zee hier binnenkomt? vroeg hij zich af, tot hij de term ‘thoriumpercentage’ tegenkwam en hij slaakte een zucht van verlichting. Een thoriumreactor, dus mini­maal gevaar. Dozijnen kabels verlieten de constructie en liepen via het plafond naar de verschil­lende afdelingen en de incubators. Een dikke bundel liep het labora­torium in en hij volgde die.

Een metalen tank besloeg het midden van de ruimte. Talloze slangen aan een kant van het gevaarte waren verbonden met onbekende machinerie die er geïm­proviseerd uitzag en Harrald herinnerde zich de woorden van Arnold Janssens. Een bundel glasvezel­kabels liep naar een donkere kast in de hoek waarin twee dozijn computers in hoog tempo ledjes lieten oplichten. Harrald vroeg zich af waar de computers het zo druk mee konden hebben.

Hij liep naar de tank en opende een klep bovenop. De bundel licht die naar binnen viel raakte een paar lichtblauwe ogen waarvan de pupillen snel tot puntjes krompen. Harrald haalde scherp adem en boog zich verder voorover. Haar hoofd lag grotendeels onder­gedompeld in een melkachtige vloeistof en slangen en kabels bedekten haar lijf, voor zover hij dat kon zien door het kleine kijkvenster. ‘Ariadne,’ zei hij eerbiedig.

Naast de tank vond hij een lijst instructies, ook danig vergeeld, maar leesbaar. De stappen waren eenvoudig en tien minuten later startte hij het opstandingproces voor ‘project Ariadne.’ Harrald maakte het zich gemakkelijk en hij at wat oud, hard brood en droge worst die zijn ouders hem hadden meegegeven. Hij las het document verder door en op de laatste bladzij las hij de kledingvoorschriften en de plek waar hij haar kleding kon vinden. Buiten het laboratorium haalde hij die uit de kast en legde alvast een dikke broek en tuniek voor haar klaar. Terwijl hij wachtte, doorzocht hij de verschillende ruimten. Spullen die hij nog bruikbaar achtte stopte hij in zijn rugzak.

Na een uur begonnen de sloten van de tank te draaien en Harrald telde twaalf doffe klikken op rij terwijl de sloten en zegels zich openden. Hij stond op en ging met een handdoek naast de tank staan. Het deksel splitste zich en een deel schoof naar boven, het andere deel naar beneden. De vloeistof waarin Ariadne gelegen had, was afgevoerd en haar lichaam leek schoon­gespoeld. De slangen vielen een voor een van haar lijf, haar huid sloot zich meteen. Zodra de laatste was losgekoppeld ging ze langzaam overeind zitten. Haar blauwe ogen knipperden, alsof ze voor het eerst haar omgeving kon zien.

Harrald staarde naar de naakte vrouw in de tank voor hem. Voor zover hij kon zien was ze compleet, waren er geen elektrische of elektronische compo­nenten zichtbaar en kon ze volledig doorgaan voor een echt mens. Het leek even alsof hij moeite had met ademen en hij bedacht zich dat hij Ariadne een bijzonder mooie vrouw vond. Ze was ook de enige vrouw van zijn leeftijd die hij kende, vrijwel alle andere waren de veertig gepasseerd, meestal flink.

Ariadne bracht haar handen omhoog en bekeek ze. Daarna reikte ze omhoog en wrong haar lange, blonde haar uit. Ze keek hem onder­zoekend aan.

Harrald keek vol bewondering hoe haar borsten omhoog getrokken werden door die beweging. Hij voelde lust en tegelijkertijd schaamte. Hij strekte een hand naar haar uit terwijl hij in de andere hand de handdoek omhooghield, zodat ze wist wat hij bedoelde. Zou ze eigenlijk wel kunnen praten, bedacht hij zich. ‘Hoi, ik ben Harrald,’ zei hij. Kan het nog stommer? ‘Eh, ik bedoel, ik neem aan dat je wel een handdoek kunt gebruiken?’

Ariadne pakte zijn hand en stond in een vloeiende beweging op. Haar grip voelde krachtig aan. Harrald slikte. Voorzichtig stapte ze over de rand en nam de handdoek van hem aan. Ze droogde zich af met lang­zame bewegingen, alsof ze haar lijf ook zelf eerst wilde onderzoeken. Ze kleedde zich in de spullen die hij haar aanreikte. Broek en tuniek pasten alsof ze voor haar gemaakt waren. En dat zal ook wel zo zijn, dacht Harrald. Verdraaid, ze ziet er goed uit.

Haar stem bleek melodieus met een mechanische ondertoon, alsof wat ze wilde zeggen en wat er uit haar keel kwam, niet helemaal op elkaar aansloten. ‘Harrald, waar zijn de anderen?’

‘Eh, hoe bedoel je? Mensen van mijn dorp of de onderzoekers hier?’

Ariadne dacht even na. ‘De onderzoekers, denk ik.’

‘Die zijn allemaal dood. Al tweehonderd jaar.’ Hij zag hoe ze naar een punt achter hem staarde, alsof ze heel in de verte iets waarnam dat hij nooit zelfs maar kon vermoeden, tot ze knipperde en hem weer aankeek.

‘Die informatie had ik nog niet. Hoe is de situatie buiten?’

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Het sneeuwde een paar dagen geleden, maar het lijkt erop dat de lente nu echt is aangebroken.’

‘Stralingsniveau, biodreiging, mutatiegraad, veilige plekken, klimaat­verandering, migratiepatronen, geologische verschui­vingen, geboorte- en sterfte­cijfers?’ vroeg Ariadne. Haar gezicht bleef onbewogen tijdens de opsomming.

Harrald knikte en glimlachte. ‘Oh, bedoelde je dat. Ik heb niet overal antwoord op, maar ik kan je vertellen dat er oorlogen zijn geweest en bioterrorisme.’ Zijn glimlach verdween. ‘De mensheid is grotendeels uitge­storven. Ik woon met mijn familie in een dorp op een paar dagen hiervandaan. Ik denk dat we de laatste mensen op Aarde zijn.’

‘Leg uit, laatste mensen.’

Harrald haalde diep adem en wreef over zijn voorhoofd. ‘Er zijn nog zo’n tweehonderd mensen in het dorp. We verbouwen ons eigen voedsel en zoeken de rest in verlaten gebouwen in de omgeving. Vooral zaden en gedroogde, vacuümverpakte waren zijn voor ons interessant.’

‘Demografische verdeling?’ vroeg Ariadne.

Ze lijkt wel een robot, dacht Harrald. Maar dat is ze ook. Geavanceerd, gebouwd met een doel en op zoek naar informatie. AI, stond in de brief, kunstmatige intelligentie. ‘Ik ben de jongste in het dorp. Meer dan de helft is de vijftig gepasseerd.’

‘Waar zijn de kinderen?’ vroeg Ariadne.

‘Die werden niet meer geboren,’ zei Harrald. ‘Jonge, vruchtbare vrouwen verongelukten. Of werden ziek en onvruchtbaar, of stierven bij de geboorte van hun eerste kind.’

Ariadne knipperde met haar ogen. ‘Jullie zijn voorbij het kantelpunt gegaan,’ zei ze. ‘Daarna was er geen weg terug.’

‘Dertig jaar geleden was er nog contact met een paar dozijn families in heel Europa. Onze radio reikt tot aan wat vroeger Zuid Spanje was.’ Armena. ‘Het laatste contact was twee weken geleden, sindsdien is het stil.’

‘Ben ik daarom gewekt?’

Harrald knikte. ‘Ik had artikelen gelezen over de experi­menten met incubators en kunstmatige zwanger­schappen en ik hoopte dat het een oplossing voor ons kinderprobleem kon zijn. Ik zocht al een paar jaar naar deze plek.’

‘Je hebt hem gevonden.’ Ariadne ging staan en strekte haar armen uit. ‘Ik ben in staat vier tot acht kinderen per jaar te produceren. Daarvoor moet de omgeving veilig zijn. Daarom vroeg ik naar de toestand buiten.’

Harrald knikte begrijpend. ‘Ja, dat snap ik, ja. Je kunt hier in ieder geval niet blijven, de zeespiegel is gestegen en de zee nadert de buitenwijken van Eind­hoven. En ik denk niet dat deze kelder lang waterdicht blijft als er zeewater in de ventilatie terecht­komt.’

Ariadne liep naar de computer in de hoek van het laboratorium en hield haar hand op een van de apparaten. ‘Straling acceptabel. Biodreiging van niveau vier. De buitenlucht bevat schadelijke virus­sen.’ Ze keek hem aan. ‘Jij lijkt er geen last van te hebben. Waarom niet?’

‘De steden in de wereld zijn dood, er zijn bijna geen mensen meer. Onze voorouders waren blijkbaar immuun.’ Harrald glimlachte wrang. ‘Helaas zijn we met te weinig.’

Ariadne zweeg een paar seconden en haar ogen leken leeg, alsof ze afwezig was. Toen het leven er weer in terugkeerde, zei ze: ‘Het lijkt erop dat we elkaar voorlopig nodig hebben, Harrald. Zullen we gaan?’

‘Hebben we niets nodig van hier?’ vroeg hij.

‘Ik heb niets nodig,’ zei Ariadne.

Harrald liet haar voor gaan de trap op. Haar eerste stappen waren houterig, maar werden heel snel vloeiend en krachtig. Terwijl hij achter haar liep dacht hij: Ik heb jou gevonden, dat is alles wat ík nodig heb.

 

Ze liepen door de heuvels van Eindhoven toen de zon onderging. Harrald zocht een droge, beschutte plek en zette daar zijn tent op. Bij het licht van een klein vuur at hij nog wat van zijn rantsoenen. Hij bood Ariadne een stuk brood, maar ze weigerde.

‘Eet je niet omdat je niet kunt eten?’ vroeg Harrald nieuwsgierig. ‘Of heb je een soort eigen, interne reactor?’

Ze schudde langzaam haar hoofd. ‘Ik heb gewoon geen honger. Dat zal wel komen. Dit lichaam is erg zuinig met energie.’

‘Slaap je ook?’ vroeg Harrald. ‘Met een beetje goede wil kunnen we samen in de tent liggen.’

‘Ik kan lang zonder slaap, maar er is een herstel­functie die mijn lichaam een paar uur uit­schakelt en alle energie aan reparaties besteedt. Je zou het een soort slaap kunnen noemen.’ Weer schudde ze haar hoofd. ‘Dus nee, ik hoef niet samen in een tent te liggen.’

‘Ik begrijp het,’ zei Harrald. ‘Als je het niet erg vindt, wil ik wel een paar uur slapen. Wij mensen hebben dat nog steeds nodig.’

‘Nog wel, ja,’ zei Ariadne.

Hij keek haar aan, maar ze vertelde niet verder, dus spande hij zijn draden rond het kamp en hing daar de verklikkers aan.

‘Verwacht je roofdieren?’ vroeg Ariadne.

‘Nee, melaatsen. Ze zijn zeldzaam tegenwoordig, maar een hele enkele keer wordt er nog een wakker door rondstampende mensen. Als ik op een plek ben waar duidelijk mensen hebben gewoond, dan luister ik ook nog wel eens aan de grond. Je hoort ze graven.’ Ze boog zich naar de grond en drukte haar oor tegen de aarde.

‘Niets. Zijn we dan veilig?’

‘Waarschijnlijk. Daar zijn ook de verklikkers voor.’ Hij kroop de tent in. ‘Ik ga slapen. Roep me als er iets is.’

 

‘Wakker worden.’ De woorden werden gevolgd door een paar indringende zoemtonen. Harrald was meteen klaarwakker, hoewel nog gedesoriënteerd. Hij greep als eerste zijn machete en rolde de tent uit. Het vuur was een hoopje gloeiende as en in het rode licht zag hij Ariadne gehurkt vlak naast zijn tent zitten.

‘Wat is er,’ fluisterde hij.

Ariadne wees.

Harrald zag een bleke figuur die wankelend dichterbij kwam. In de lichtcirkel van het vuur zag hij lange, donkere haren rond een uitgeteerd gezicht. Het was ooit vrouwelijk, nu zonder ogen, gaten waar­doorheen tanden zichtbaar waren, kleren onher­kenbare rafels. Resten aarde vielen bij elke stap van het lichaam van de melaatse. ‘Pas op,’ zei hij en hij ging voor Ariadne staan met de machete. De melaatse veranderde meteen van richting bij het horen van zijn stem. Zodra ze hem naderde stapte hij langs haar grijpende armen en liet de machete met een zieke dreun in haar hoofd landen, hard genoeg om de ruggengraat te breken. Ze zonk geluidloos in elkaar.

Hij draaide zich om naar Ariadne. ‘Heeft ze je geraakt, gekrabd, gebeten?’

Ariadne schudde van nee. ‘Ik onderzocht het wrak van een auto, ver­derop. Zij lag onder een hoop aarde op de achterbank en begon ineens te bewegen.’

Harrald leunde op de machete en voelde zich ineens heel erg moe. Zijn slaap was onderbroken en hij had nog te weinig rust gehad. ‘Ze kunnen jaren ergens liggen rotten en je denkt dat ze echt dood zijn. En dan, ineens, komen ze overeind. Of ze graven zich uit hun graf.’

‘Hoe is dat mogelijk?’ vroeg Ariadne.

Harrald haalde zijn schouders op. ‘Geen idee. Het lijkt op een soort infectie, maar het is nooit heel duidelijk geweest wat het veroorzaakte. En sommige mensen waren er ontvankelijk voor, andere niet.’ Hij liep rond de tent en stelde de verklikkers weer in, daarna gooide hij nog wat hout op het vuur.

‘Laat je haar gewoon liggen?’ vroeg Ariadne.

Hij knikte. ‘Die gaat nergens meer heen. Als je de hersenen vernielt, vallen ze neer.’

Ariadne liep om het vuur heen en ging naast het lichaam op de grond zitten.

Voor Harrald iets kon doen, stak ze haar rechter­wijsvinger in de wond die hij zojuist gemaakt had. In een vloeiende beweging likte ze vervolgens het puntje van haar vinger af. ‘Wat doe je nu?’ vroeg hij geschokt. ‘Van melaatsen moet je afblijven, voor je ’t weet ben je besmet!’

‘Dat geldt voor mensen,’ zei Ariadne. ‘Dat ben ik niet. Laat me nu even dit monster analyseren.’

‘Doe wat je niet laten kunt, maar wees voorzichtig. Ik ga slapen.’ Hij ging weer in zijn tent liggen. Heb ik er goed aan gedaan haar… het te wekken? Ze is wel heel erg anders. Zijn ogen dwaalden naar haar gezicht en hij betrapte zich erop dat hij met aandacht naar haar borsten staarde. Ze is ook wel erg mooi. Hoe zou ze voelen? Met die gedachte sliep hij weer in.

 

Een schraal zonnetje kwam net boven de horizon uit en verlichtte de uitgestrekte moerassen van de Peel. Harrald werd wakker en bekeek vanuit zijn tent hoe het oranje licht speelde over begroeide heuveltjes. Boompjes wierpen oneindig lange schaduwen over poelen vol kroos en riet.

Hij lag op zijn zij en voelde haar lichaam. Zijn hand rustte op haar zij, ze lagen lepeltje-lepeltje. Haar blonde haar was een pluizige bos voor zijn gezicht en onwillekeurig voelde hij zich hard worden en raakte hij door zijn broek heen haar billen. Heel voorzichtig werkte hij zich op zijn linkerelleboog omhoog zodat hij haar goed kon bekijken. Blijkbaar was ze ’s nachts bij hem komen liggen. Hij schraapte zijn keel.

Ariadne draaide zich op haar buik en keek hem aan. ‘Het werd toch wel koud. En ik moet wennen aan dit vlees.’

‘Je hebt toch wel eerder rondgelopen?’ vroeg Harrald. ‘Ik bedoel, je lijkt goed in balans.’

Ze schudde haar hoofd in een heel menselijk gebaar. ‘Ik heb in virtuele werelden geleefd, tot jij me wekte. Mijn enige oefening was de spier­stimulatie van de tank om me op kracht te houden.’

‘Dit is je eerste keer buiten de tank dus,’ zei Harrald. ‘Maar, twee­honderd jaar?’

‘Zoiets ja. Maar voorbij in een oogwenk. De echte wereld is gewoon ‘echter’ en dus moet ik eraan wennen.’ Ze ritste de tent open en kroop naar buiten.

Harrald keek haar bewonderend na en volgde. Ze stond kaarsrecht, gezicht naar de horizon, een zacht briesje speelde met haar blonde haar.

‘Ik heb zonsopgangen in mijn virtuele wereld gezien. Ze verbleken hierbij,’ zei Ariadne.

‘En jij verbaast me,’ zei Harrald.

‘Hoezo?’ vroeg Ariadne.

‘Gisteren sprak je nog, hoe zal ik het zeggen, mechanisch. Nu hoor ik vloeiende zinnen en proef ik emotie in wat je zegt.’ Hij legde zijn handen op haar schouders, voelde de ingehouden kracht. ‘Wie ben je, Ariadne? En wat ben je?’

Ze draaide zich om en glimlachte. ‘Mijn taak is het de mensheid te redden. Mijn bouwers hadden daar heldere ideeën over. En ze hebben me heel veel mee­gegeven om die taak uit te voeren.’

‘Zoals materiaal uit de DNA banken?’ vroeg Harrald. ‘Dat stond in de brief van Arnold Janssens.’

Ariadne knikte langzaam. ‘Ik heb genoeg bij me om meer dan honderd perfecte kinderen te produceren.’

‘Jammer dat ze in deze wereld niet zullen overleven,’ zei Harrald.

‘Die conclusie lijkt correct,’ zei Ariadne. ‘Teveel gevaarlijke virussen in de lucht.’

‘We hebben nog een paar dagen te gaan voor we bij mijn dorp zijn,’ zei Harrald. ‘Genoeg tijd om over oplossingen na te denken.’

Toen Harrald zijn verklikkers en draden opruimde, zag hij het lichaam van de vrouw die hij gisteravond neergeslagen had. Het lijf was in dozijnen stukjes uit elkaar getrokken en onderdelen waren netjes op een rij gelegd en opengemaakt. Hij keek naar Ariadne en riep: ‘Heb jij dit gedaan?’

Ze kwam bij hem staan. ‘Ik kon geen virussen of bacteriën vinden die iets verklaarden. Wel parasieten. De nagels en tanden zitten vol met eitjes en waar­schijnlijk helpen muggen bij verspreiding.’

Harrald huiverde. ‘Hoe staan ze dan weer op?’ Ariadne haalde haar schouders op. Weer zo’n menselijk gebaar, dacht hij.

‘Dat weet ik nog niet,’ zei ze. ‘Zullen we gaan?’

Harrald pakte zijn spullen verder in en met de zon nu ruim boven de horizon zocht hij zijn weg terug langs de poelen en veenmatten van de Peel. Hij vertelde over de rietsoorten, planten en dieren die hier voor­kwamen en ze luisterde aandachtig.

‘Weet je wat bijzonder is?’ zei Harrald toen ze zijn vorige kampeerplek naderden.

‘Bijzonder? Is iets bijzonder of vind jij het bijzonder?’ vroeg Ariadne.

‘Excuseer me, ik moet duidelijker zijn,’ zei Harrald. Hij wees naar het heuveltje. ‘Ik vond daar gisternacht een oude barbiepop en toen ik jou voor het eerst zag moest ik daaraan denken.’

‘Ik zie het verband niet,’ zei Ariadne koel.

Harrald grijnsde schaapachtig. ‘Ik hoopte eigenlijk dat ik een vrouw zoals die barbiepop zou vinden.’

‘En ik lijk op die pop. Dus jij ziet in mij de vrouw die je zocht.’

Harrald voelde zijn wangen branden. ‘Eh, als je het zo zegt klinkt het…’

Ariadne legde haar hand op zijn arm. ‘Het geeft niet. Dit is een normale fysiologische reactie.’ Ze kneep haar ogen samen. ‘Ik denk dat ik me “gevleid” voel.’

De kilometers die volgden, zweeg Harrald. Zijn hoofd was druk. Hij verbaasde zich over de opmerkzaamheid van Ariadne. Tegelijk proefde hij in haar doen en laten een mechanische kwaliteit die hem voorzichtig deed twijfelen aan haar menselijkheid. Dan keek hij weer naar haar soepele bewegingen en bewonderde hij haar lichaam. Dat was voldoende om de verschillen te bagatelliseren en excuses te bedenken. Ze heeft alleen in virtuele werelden geleefd, zonder echte mensen, zonder contact. Alsof ze door wolven is opgevoed.

Zijn boomstammen lagen nog op de plek waar hij ze had achtergelaten. Twee mensen bleek teveel. Ariadne loste het op door achter het vlot te gaan lopen en het voort te duwen, waarbij ze regelmatig tot haar nek in het water liep.

‘Dit is toch veel te koud voor je?’ vroeg Harrald.

‘Nee hoor,’ zei Ariadne. ‘Mijn metabolisme past zich snel aan.’

‘Het is te zwaar!’ zei Harrald.

Demonstratief tilde Ariadne de boomstammen, met hem erop, een halve meter uit het water.

‘Goed, goed, ik geloof je!’

‘Mooi, ik wil je dorp graag zien, want daarna kunnen we plannen gaan maken.’

‘Plannen?’ vroeg Harrald.

‘Ja. Plannen. Mijn doel is de mensheid redden, weet je nog?’ zei Ariadne. ‘Ik wil weten of je dorp veilig is voor kinderen. Veel kinderen. En of er voldoende voor­zieningen zijn. Vers water, elektra, voedsel…’

Ze staken de Maas over en overnachtten hoog op de oever. Deze keer kwam Ariadne wel meteen bij hem in de tent liggen. Ze voelde ijskoud en hij trok haar tegen zich aan en wikkelde zijn slaapzak om hen beiden heen.

‘Kun jij eigenlijk ziek worden?’ vroeg Harrald in het donker.

‘Mijn vlees en binnenste zijn synthetisch. Ze hebben wel een organische basis,’ antwoordde Ariadne. ‘Waar­schijn­lijk dus niet, hoewel er altijd een kans is.’

‘Dit deel van de wereld is er nog relatief goed afge­komen,’ vertelde Harrald. ‘De grootmachten uit die tijd hebben ook nucleair vuur gebruikt. Via de radio heb ik gehoord over bizarre mutaties in de Russische bossen, soms gruwelijk, maar soms ook handig. Uit Amerika hebben we niets meer gehoord.’

‘Dan wordt dit het nieuwe Eden,’ zei Ariadne.

Harrald moest even nadenken over de referentie. Toen hij wilde vragen wat dan zijn rol was, hoorde hij een zacht snurken. Met een glimlach stopte hij de slaapzak wat dichter om haar lijf.

 

Ze kwamen via de noordkant bij het dorp. Het open veld stond in bloei, krokussen, narcissen en felblauw paaldansgras dat sensueel kronkelde in het minste briesje. Het dodengat was nog bijna kaal. Zoals elk jaar wilde er bijna niets op groeien behalve wat hard­nekkige distels.

‘Het oude klooster,’ zei Harrald.

Ariadne knikte goedkeurend. ‘En stevige hekken om het hele complex. Hoeveel mensen wonen er nu?’

‘Ruim tweehonderd, maar vrijwel allemaal boven de vijftig en meer dan de helft zou vroeger als bejaard gelden.’

‘Hoe is het met de voorraden gesteld? Apparatuur?’ vroeg Ariadne.

‘We verbouwen ons eigen eten, we hebben koeien, kippen en schapen en er is genoeg wild in de omgeving. Herten, zwijnen, konijnen en soms zelfs een beer.’

‘Dus de virussen en parasieten vallen alleen mensen aan? Dieren hebben geen of minder last?’

Harrald dacht even na. ‘Nu je het zo zegt, daar lijkt het wel op, ja.’

‘Ik neem aan dat jullie ook wapens hebben om dat wild te schieten?’ vroeg Ariadne.

‘Natuurlijk. Compound jachtbogen, maar ook jacht­geweren, pistolen en volautomatische wapens.’ Hij dacht aan de zorg waarmee de wapens nog steeds onder­houden werden. Dat de begroeiing dichterbij mocht komen was een acceptabel risico, wapens die niet werkten of weigerden, waren dat niet.

Ariadne keek omhoog en leek even te luisteren. ‘Goed, laten we naar binnen gaan. Morgen heb ik een boodschappenlijstje voor je.’

Harrald keek haar verbaasd aan. ‘Hoe bedoel je?’

Ariadne glimlachte. ‘Ga je me nog aan je ouders voorstellen?’

Harrald voelde zijn wangen heet worden en hij kuchte. ‘Ja, ja natuur­lijk.’

Zoals een paar dagen geleden stond zijn moeder hem weer op te wachten. Harrald herkende de emoties die op haar gezicht verschenen toen hij Ariadne aan haar voorstelde, een mengsel van opluchting, blijdschap en nieuwsgierigheid.

‘Kom maar snel binnen, kinders, het is nog koud buiten en de zon gaat zo onder.’ Maria duwde Harrald en Ariadne naar binnen en sloot de poort achter zich. ‘Gerard zal zo blij zijn jullie te zien.’

Harrald dacht niet dat hij ooit tranen in de ogen van zijn vader zou zien, maar bij deze gelegenheid vloeiden ze rijkelijk en hij kreeg meer omhelzingen dan hij in lange tijd had gehad. Hij keek opzij naar Ariadne die geamuseerd leek, hoewel hij haar uitdrukkingen, voor zover ze die had, nog niet zo goed kon lezen als hij zou willen.

‘Nou, ga zitten,’ zei Gerard. Hij wees naar de stoelen rond de tafel, vervolgens opende hij een van de kasten en pakte daaruit glazen, een fles wijn, brood, kaas en droge worst. ‘Wat zijn jullie plannen, kinderen?’

Harrald kreeg het weer warm. ‘Ik geloof dat Ariadne daar wat ideeën over heeft.’

Ariadne glimlachte. ‘Ik heb als opdracht meege­kregen het menselijk ras te redden. Daarvoor heb ik alle benodigdheden.’

Gerard lachte en pakte een hand van Maria in de zijne. ‘Goed nieuws, denk ik.’ Hij keek opzij. ‘Wat jij, lief?’

‘Ik denk dat ze een mooi stel zijn samen,’ zei Maria. Haar ogen glommen vol trots, telkens wanneer ze naar haar zoon keek.

Ariadne was onverstoorbaar. ‘Voor die opdracht zal het noodzakelijk zijn dat ik zo’n acht kinderen per jaar produceer.’ Na die woorden werd het stil.

‘Hoe bedoel je?’ vroeg Maria.

Harrald hief zijn hand. ‘Ho, wacht, laat mij het even uitleggen. Ik ging op zoek naar de incubators in Eindhoven, zoals we besproken hadden. Maar die incubators waren niet operationeel en konden dat ook niet worden. Ik vond daar aanwijzingen voor een ander project van De Philips, genaamd Ariadne.’ Hij knikte opzij naar de vrouw die naast hem zat. ‘Dit is Ariadne. De grootste medische geleerden van toen hebben haar ontworpen en geconstrueerd. Ariadne is niet menselijk.’

Gerard snoof. ‘Ze ziet er anders echt genoeg uit.’

‘Ik ben gemodelleerd naar duizenden aantrekkelijke vrouwen uit die tijd.’ Ariadne plukte aan haar haar. ‘Blond om verhoogde vruchtbaarheid te duiden, brede heupen en een zandloperfiguur met volle borsten om aan te geven dat ik voldoende melk zal produceren. De ideale vrouw om kinderen mee te krijgen.’

‘Als je niet menselijk bent, wat ben je dan wel?’ vroeg Maria met een klein stemmetje.

‘Androïde is denk ik het woord dat jullie zouden gebruiken. Hybride kan eventueel ook.’

Gerard kuchte even. ‘Je bent dus een soort robot?’

‘Dat is correct,’ zei Ariadne monotoon.

‘Maar je kunt wel kinderen krijgen?’ ging hij verder.

Ariadne knikte. ‘Acht per jaar, misschien meer, als er meerlingen komen.’

‘Maar zijn die dan nog gewoon menselijk?’ vroeg Maria. ‘Hoe kun je ze voeden?’

‘Ik ben een incubator, ik gebruik menselijk DNA om een kind te laten groeien, maar ik ben ook een voeder. Met de juiste hormoonpreparaten zijn de kinderen binnen anderhalve maand rijp voor geboorte en ik kan eten dat ik binnenkrijg direct in melk omzetten.’ Als om haar woorden kracht bij te zetten brak ze een stuk brood af en knabbelde er wat hapjes vanaf.

‘Aan alles is gedacht, dus,’ stelde Gerard vast.

‘Het team dat aan mij werkte, stuk voor stuk topspecialisten, deed daar ruim vijfentwintig jaar over en toen moest ik nog vijftig jaar in de tank tot ik volgroeid was.’

‘Dat klinkt als een aanzienlijke tijd om een robot te maken,’ zei Gerard.

Ariadne grijnsde witte tanden bloot. ‘Ik ben veel meer dan een gewone robot, Gerard. Vrijwel alles in mij is organisch en zelfreparerend.’

Maria schraapte haar keel. ‘Je bent dus meer dan menselijk. Wat let je om meer van jouw soort te produceren?’

‘Mam, dat vraag je toch niet?’ Harrald vouwde zijn armen over elkaar. ‘Ariadne komt ons juist helpen.’

Maria hief haar hand op. ‘Begrijp me niet verkeerd, alsjeblieft. Het is gewoon een vraag die bij me opkwam.’ Ze keek haar zoon in zijn bruine ogen. ‘Je bent mijn enige kind, mag ik een beetje bezorgd zijn?’

‘Ik kan je zorgen wegnemen, Maria,’ zei Ariadne. ‘Ik ben gebouwd en geprogrammeerd om mensen op de wereld te zetten en deels op te voeden. Voor zover ik weet ben ik en blijf ik uniek.’

‘Je zei iets over een boodschappenlijstje.’ Harrald voelde een vijandig­heid bij zijn ouders die hij rationeel wel kon bevatten, maar hij was ervan overtuigd dat Ariadne de oplossing van hun probleem was.

Ariadne bleef naar zijn ouders kijken met haar licht­blauwe ogen terwijl ze zijn vraag beantwoordde. ‘Een paar kilometer verderop, noordelijk, ligt een oude RAF luchtmachtbasis. Ik geef je de coördinaten van een opslag met medische voorzieningen die ik nodig zal hebben het komende jaar.’

‘Klopt dat?’ vroeg Harrald. ‘Ik ben daar vaker geweest, maar heb alleen maar bos gezien.’

Gerard knikte. ‘Het was ten tijde van de eerste oorlogen al verlaten. Tenzij je weet wat je zoekt, zul je er niets vinden.’

‘En wat zoek ik dan?’ Harrald keek weer naar Ariadne.

‘Steriele naalden, verband, zoutoplossingen, medi­cijnen, antibiotica en nog veel meer. Neem een paar flinke rugzakken mee. Het is niet zwaar, maar wel veel.’ Ariadne glimlachte naar hem en Harrald voelde zijn wangen weer heet worden. ‘Dan kan ik intussen de gebouwen inspec­teren en de beste plek uitzoeken,’ ging ze verder.

‘Dat red ik in een dag. Als ik morgenochtend vroeg vertrek, ben ik ’s avonds alweer terug.’

Ze spraken bijna een uur over inrichting van kraam­zalen, medische voorzieningen en het inzetten van de mensen van het dorp bij de opvoeding van de kinderen.

Toen Harrald gaapte, legde Ariadne haar hand op de zijne. ‘Misschien moet je bijtijds gaan slapen. Ik kan zelf ook wel wat rust gebruiken. Is er een gebouw waar ik kan overnachten?’

‘Ja, natuurlijk,’ zei Gerard. ‘En je hebt helemaal gelijk. Jullie moeten allebei uitgerust zijn voor wat jullie van plan zijn.’

‘Ik breng je wel even,’ zei Harrald. Hij trok Ariadne omhoog en nam haar mee naar een van de kleine huisjes op het terrein. Nu de bevolking gekrompen was, waren veel van de huisjes meestal leeg, maar ze werden goed onderhouden voor noodgevallen. Harrald liet haar zien waar de voorzieningen waren en maakte haar bed op.

‘Als er iets is,’ zei hij vanuit de deuropening, ‘kom dan naar de grote hal. Daar is altijd wel iemand wakker.’

Ariadne kwam vlak voor hem staan en sloeg haar linkerarm om zijn nek. Ze trok hem zachtjes tegen zich aan en hij voelde haar zachte borsten en het draaien van haar heupen tegen zijn middel. Haar rechter­arm gleed omhoog langs zijn dij en ze liet haar hand tussen zijn benen glijden en kneep zachtjes. Ze fluisterde in zijn oor: ‘Als je morgenavond terugkomt, moeten we maar eens aan dat DNA van jou werken.’

Harrald legde zijn rechterhand op haar rug, boog zich iets voorover en drukte zijn lippen op de hare. Ze reageerde en speelde met zijn lippen en tong. Onwille­keurig vergeleek hij haar met Lotte, zijn enige referen­tie en hij was aangenaam verrast.

Ariadne legde haar hand nu op zijn borst en duwde hem van zich af. Ze glimlachte ondeugend. ‘Morgen­avond, Harrald.’

Hij grijnsde. ‘Ik zal er zijn, Ariadne. Welterusten.’

‘Jij ook, Harrald.’ Ze sloot de deur.

Harrald zocht zacht zingend zijn eigen bed op, maar hij kon niet in slaap komen. In het donker van zijn kamer besefte hij dat hij met een robot, een kunst­matige mens, gekust had. Wat hem het meest aan zichzelf deed twijfelen was dat hij er plezier aan beleefd had. Haar lichaam tegen het zijne wond hem meer op dan Lotte ooit gedaan had en zijn interesse voor de andere vrouw was geheel verdwenen.

 

De hemel kleurde roze en oranje toen Harrald de poort uitstapte en die achter zich in het slot trok. Het was fris. Rijp lag als een witglinsterende deken over het veld en lage flarden mist lichtten op als mysterieuze sluiers in het eerste zonlicht. Hij snoof de ochtendlucht van het bos diep in en begon te lopen. De instructies van Ariadne waren duidelijk. Hij maakte zich hooguit zorgen over de eventuele aarde die hij moest weg­schep­pen om bij de bunker te komen die ze beschreven had.

Onderweg was hij in zijn hoofd bezig met de belofte van Ariadne, niet zozeer wat ze had gezegd met hem te willen doen die avond, maar wel de mogelijkheid dat er over niet al te lange tijd een kind of zelfs kinderen zouden komen. En dan nog wel acht of meer per jaar. Hij zag zich al met een stel hummeltjes achter een bal aan over een veldje rennen. Hij kende die beelden alleen uit de archieven, maar ze waren hem altijd bijgebleven.

In gedachten verzonken liep hij bijna met zijn hoofd een cluster galspinnen in. Pas op het laatste moment merkte hij de felgroene stippen op hun dikke achterlijven op. Heel voorzichtig stapte hij achteruit, bedacht op struikeldraden en gaten in de grond. Galspinnen vormden grote nesten. Ze joegen collectief en vingen vaak prooi die een enkele spin nooit zou kunnen vasthouden. Harrald had wel eens een jonge ree gevonden, dood en stijf en helemaal bedekt met galspinnen. Hij zocht een nieuwe weg op respectvolle afstand van het nest.

Rond het middaguur vond hij de resten van het oude clubhuis van de golfbaan die ooit op het terrein was gevestigd en van daaruit kon Harrald zich oriënteren. Doelgericht liep hij over heuveltjes en door greppels, zich goed ervan bewust dat onder hem een oude landingsbaan moest liggen met gebouwen en bunkers. Alles was overwoekerd en onder een dikke rottende humuslaag verdwenen, maar zoals hij in Eindhoven had gezien, de resten van gebouwen en constructies bleven zichtbaar als regelmatige vormen in het landschap.

Hij verspilde ruim twee uur aan het lokaliseren van de juiste plek om te gaan graven. Telkens op een ruime halve meter diepte raakte hij beton met zijn schep en het was niet duidelijk waar de deur zich bevond. Daarom groef hij op regelmatig afstanden smalle voren in de aarde om te zien of hij bij een rand van de bunker was gekomen.

Toen hij uiteindelijk de uitsparing vond die hij zocht, stond de zon hoog aan de hemel. Harrald zweette van de inspanning. Hij dronk lauw water uit zijn veldfles en een paar honingkoeken die zijn moeder voor hem had ingepakt.

Met zijn schep groef hij net genoeg aarde weg om te zien dat de deur die hij zocht inderdaad hier in de grond zat, waarna hij in een monotoon ritme aarde en zand begon weg te scheppen. Drie uur later had hij een paar kubieke meter grond verplaatst en was de deur vrij. Er zaten roestplekken op en het rubber rondom was poreus, maar de verzegeling van de ruimte was intact. Zijn koevoet maakte korte metten met het slot.

Binnen vond hij een grote kelder gevuld met stellages die, in het licht dat van buiten naar binnen viel, duide­lijk gevuld waren met in plastic verpakte voorraden, het merendeel voorzien van een rood kruis of een rode halve maan.

Harrald nam zijn eerste rugzak en wandelde langs de stellages. De labels op de planken waren verdroogd en hier en daar verkruimeld. Gestaag vulde hij elk van zijn drie rugzakken tot hij die maar net kon dragen. Hij wist vrij zeker dat hij regelmatig zou moeten uitrusten, maar dat maakte niet uit, hij kon altijd nog een keer terugkomen om voorraden bij te vullen.

Buiten was de lucht grijs geworden en hij voelde een frisse westenwind die regen beloofde. Hij dacht aan Ariadne, grijnsde en begon aan de lange tocht terug naar het dorp. Onderweg neuriede hij liedjes uit een ver verleden die iets met liefde te maken hadden. Bij het vervallen clubhuis rustte hij de eerste keer uit. Terwijl hij om zich heen keek naar de resten van muren en veelal vergane stof en hout van bekleding en meubels, vroeg hij zich af hoe het zou zijn te leven in een wereld waar mensen zorgeloos konden rondlopen en waar ook vooral veel meer mensen bestonden.

Met nieuwe energie trok hij de rugzakken weer omhoog en begon aan het volgende deel van de tocht terug, met een ruime boog om het nest galspinnen heen. Zijn vermoeidheid maakte dat hij af en toe struikelde op de ongelijke bosgrond. Na de derde keer besloot hij rustiger aan te doen, want hij herkende zijn eigen haast die werd ingegeven door zijn verlangen naar de vrouw die thuis op hem wachtte. De avond is nog jong, Harrald, beter wat later en in één stuk dan vroeg met een gebroken been. Of erger.

De zon was al ruim onder de horizon gedoken en het laatste licht viel op de onderkant van de donkere wolken die hun water naar beneden lieten druppelen en dat steeds fanatieker deden.

Harrald was blij toen hij het lichtje bij de poort van het klooster voor zich zag. De regen had hem door­weekt. Hij prees zich gelukkig dat hij waterdichte rugzakken had meegenomen. Zodra hij bij de poort kwam zwaaide die open. Hij verwachtte zijn moeder, maar het was Ariadne. Ze was gekleed in een strakke, zwarte jurk die haar figuur accentueerde en verder niet veel aan de verbeelding overliet. Hij vermoedde dat het een erfstuk was uit de tijd dat mensen veel waarde hechtten aan uiterlijk vertoon.

‘Harrald. Je bent mooi op tijd,’ zei ze.

Hij grijnsde. ‘Ik had iets om naar uit te kijken.’ Hij keek langs haar heen en vroeg: ‘Waar zijn Maria en Gerard? Normaal wachten ze me op.’

‘Ze zijn even bezig. Ik zag je aankomen en ik wilde ze niet storen.’ Ze nam twee van de rugtassen van hem over. ‘Kom je mee?’ Ze liep in de richting van het huisje waar hij haar gisteravond had achtergelaten.

Harrald haalde diep adem en volgde haar, mateloos gefascineerd door het zachte wiegen van haar heupen. Voor hem opende ze de deur en stapte naar binnen. Ze ging in de deuropening staan, lachte naar hem en wenkte hem dichterbij met een gekromde wijsvinger.

‘Wat ben je van plan,’ vroeg Harrald, hoewel hij een grijns niet kon onderdrukken.

Ariadne hief een bevallige wenkbrauw. ‘Moet je dat nog vragen?’

Zodra hij voor haar stond haakte ze haar vinger achter zijn riem en trok hem achter haar het huisje in. Hij legde de rugzak bij de anderen en ving haar vervolgens in zijn armen. Hij kuste haar, eerst zacht, maar al snel begerig. Zijn handen gleden over haar rug en billen en hij kneedde haar zachte vlees. Alle gedachten aan ‘kunstmatig’ en ‘robot’ waren ver­dwenen en Harrald liet zich meevoeren in het moment.

Ariadne trok zijn trui over zijn hoofd, daarna zijn hemd. Ze streelde zijn borst en buik en hij kreeg kippenvel van haar vingers en de frisse lucht. Ze staarde in zijn ogen terwijl ze zijn riem losmaakte en de knoop van zijn broek lostrok. Harrald liet zijn handen langs haar nek glijden, naar beneden en over haar volle borsten, die zijn handpalmen aange­naam vulden.

Ze liepen kussend en strelend naar de andere kamer, waar het bed stond. Harrald trok haar jurk over haar hoofd en bekeek haar naakte lichaam. Zijn eigen lichaam reageerde meteen en hij slaakte een zucht van verlichting toen Ariadne zijn broek en onderbroek naar beneden trok en hem bevrijdde.

Ze lagen naast elkaar en Harrald streelde met zijn linkerhand over haar schouder, langs haar borsten en daarna verder naar beneden naar haar heupen. Ariadne drukte zich dicht tegen hem aan en sloeg een been om zijn middel terwijl ze hem diep kuste en zijn hand tussen haar benen leidde. Een minuut of een eeuwigheid later liet ze zich achterover vallen en trok ze Harrald bovenop zich. Hij gleed makkelijk bij haar naar binnen en stootte eerst in een rustig ritme, maar al gauw sneller en harder. Ariadne sloeg haar benen om hem heen en spoorde hem aan, trok hem verder naar binnen met haar handen.

‘Oh, God,’ kreunde hij en kwam hard in haar klaar. Tegelijk voelde hij haar nagels diepe voren in zijn onderrug krassen wat hem een extra orgasme bezorgde. Uitgeput lag hij op haar na te hijgen, zijn armen om haar hoofd en zijn wang tegen de hare. ‘Dat was geweldig,’ fluisterde hij hees.

Ariadne duwde hem zacht van zich af. ‘Dat was een ruime donatie, Harrald. Daarmee kan ik jaren vooruit.’

Harrald grinnikte en rolde op zijn zij. ‘Daar ben ik blij om. Maar ik hoop toch dat het niet bij één keer blijft.’

Ariadne stapte uit bed en trok haar jurk aan. ‘Misschien.’ Ze pakte zijn kleren op en gooide die naar hem toe. ‘Kom.’

‘Hebben we haast?’ vroeg hij. Toen hij overeind kwam voelde hij een steek in zijn onderrug. Zijn hand kwam met een rode veeg bloed terug. ‘Jij hebt gemene nagels, dame.’ Hij grijnsde. ‘Lekker hoor.’ Ineens voelde hij zich koud worden en hij trok snel zijn kleren aan.

Hij volgde Ariadne het huisje uit en samen liepen ze over het pad dat naar het klooster voerde. Vlak voor de ingang voelde hij zijn benen zwak worden en als Ariadne hem niet had opgevangen, was hij gevallen.

‘Dank je, ik weet niet wat ik heb, mijn benen werken niet goed meer.’

Terwijl Ariadne de deur openduwde en hem naar binnen hielp, zei ze: ‘Dat is het gif.’

Harrald greep de hand die hem ondersteunde en keek haar aan. ‘Wat bedoel je?’

Een flauwe glimlach speelde rond Ariadne’s lippen terwijl ze haar vrije hand ophief en tot een klauw kromde. ‘Het gif in mijn nagels, dat ik in je rug heb geïnjecteerd toen je ejaculeerde. Dat gif.’

Met lippen die als verdoofd voelden zei Harrald: ‘Ik snap het niet.’

Ariadne opende de deuren van de grote zaal en Harrald verstijfde toen hij de slachting zag die daar was aangericht. De geur van bloed, braaksel, stront en bovenal angst hing zwaar in de lucht. Hij zag dichtbij, op een tafel, de lichamen van zijn ouders, in nette stukken opgedeeld met een vlijmscherp mes, hun hoofden naast elkaar met een uitdrukking van afgrijzen. Onwille­keurig spuugde hij zijn maag leeg. Overal waar hij keek waren lichamen, de meesten met een rare knik in hun nek, maar ook een aantal met ingeslagen hoofden, opengetrokken borstkassen en op de grote leestafel lag een berg naakte vrouwen bij wie de buik was opengesneden zodat ingewanden naar buiten stulpten.

‘Wat is hier gebeurd?’

‘De voorbereidingen voor de productie van de eerste serie, natuurlijk,’ zei Ariadne.

‘Maar, ze zijn dood. Waarom?’ Harralds stem werd hees en hij moest kracht zetten om nog iets uit zijn longen te krijgen. Ademen werd moeilijker.

‘De ouderen verspilden enkel kostbare voorraden energie en voedsel. Onacceptabel. De jongere mannen waren gevaarlijk, want niet alleen sterk maar ook gevormd naar patriarchale standaar­den. Dat strookt met de zienswijze van mijn bouwers voor de opvoeding van de kinderen, dus moest ik ze opruimen. Van de vrouwen had ik eieren nodig met jullie specifieke genetische weerstand tegen de virussen die in de lucht zweven. Het oogstproces in deze omstandigheden is niet optimaal, ze hebben het niet overleefd, maar ik heb gelukkig voldoende eieren geoogst.’ Ariadne glim­lachte naar hem. ‘Het zaad dat ik op het oog had, dat heb jij me gegeven. Dus ben je niet nuttig meer, gewoon het laatste obstakel. Maar niet lang meer.’ Ze drukte een korte kus op zijn voor­hoofd en liet daarna zijn slappe lichaam op de grond glijden.

 

 

EPILOOG

Ariadne liep door de verlaten gangen van het klooster naar de kraamkamers die ze had ingericht. Ze had alle bewoners van het dorp naar de grote hal gebracht en daar omgebracht. In de komende dagen zou ze de lichamen begraven. Nu inventariseerde ze wat ze nodig had en hoe ze de eerste kinderen zou opvoeden en trainen, conform de richtlijnen die haar waren meegegeven. Een nieuwe start voor de mensheid, vol wetenschap, nuttige tijdsbesteding, perfectionisme en intelligentie, een vredig samenzijn van gelijk­ge­stemden.

Toen ze langs de radiokamer liep hoorde ze de radio kraken. ‘Hallo, Harrald? Hallo? Hier Armena.’ Ariadne liep de kamer in. ‘De radio was stuk,’ ging de stem die zich als ‘Armena’ identificeerde verder, ‘maar ik heb hem kunnen repareren. Hoe is het bij jullie? Hier is het nu echt lente.’

Ariadne zweeg en overwoog. Ze zette de radio uit en dacht Misschien hebben we ook wat soldaten nodig…

Categories