web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2018 » De beste bedoelingen : Wouter van Gorp

De beste bedoelingen

Wouter van Gorp

 

Soms vraag ik me af waarom ik naar de zon staar.

Fascinatie met de vijand. Simpele haat. Dat zal ik in ieder geval antwoorden, als iemand ernaar vraagt. Maar ik voel geen haat wanneer ik mijn bed uit kom omdat de slaap me niet grijpt. Wanneer ik, sluipend, om mijn vrouw niet wakker te maken, naar het balkon ga en op het tuinmeubilair plaatsneem. Ik voel geen vijandschap voor de verzengende bal van vuur, hoog in de hemel.

Ik voel slechts haar warmte, en beeld me in hoe mijn rode huid langzaam begint af te bladderen…

 

Balthamon legt zijn pen neer en geeft de inkt tijd om te drogen op het crèmekleurig papier. Hij onderdrukt een gaap. Vandaag was een slechte dag: vier uur slaap, waarvan twee zeer onrustig. De overige tijd had hij doorgebracht op het balkon.

Een slechte gewoonte. Zeer slecht. Het begon op te vallen dat hij aan het dagbraken was. Niet alleen bij zijn vrouw, of zijn baas, maar ook bij demonen die hij doorgaans nauwelijks sprak.

Het was het idee van zijn vrouw geweest om het nachtboek bij te houden.

De rode demon schudt zijn hoofd, en pakt zijn pen weer op.

 

Het zou me helpen om de zaken in perspectief te krijgen. Dat zei Lucinda.

Natuurlijk heb ik haar idee afgeschoten. Weggehoond. Als ze wist dat ik er daadwerkelijk mee begonnen was, zou ze wachten tot ik naar mijn werk was en dan alles lezen wat ik hier schrijf.

Het was een goed idee, dat moet ik toegeven. Schrijven lijkt me te helpen.

 

Balthamon laat de punt van zijn pen boven het papier hangen.

Even twijfelt hij of hij nog meer zal schrijven, totdat hij in de kamer naast hem Lucinda met een kreun wakker hoort worden.

Balthamon vergewist zich ervan dat de inkt op het papier droog is voordat hij het boek dichtslaat. Het met bleek leer omwonden boek stopt hij weg in een kluis achter een schildering van Bosch – De Dood van een Vrek -, maar met enkele details die op aarde ontbreken.

In de slaapkamer steekt Lucinda haar tirade tegen het laatste licht af, en Balthamon dekt snel de kluis weer af met het bont beschilderde paneel van eikenhout. De demon woonde al in het appartement voordat hij Lucinda leerde kennen en zijn geliefde succubus heeft geen idee van de schatten, verborgen achter de hersenspinsels van Bosch. En dat wil Balthamon graag zo houden.

 

De succubus in kwestie is aan haar avondritueel begonnen in de bad­kamer. ‘Goed geslapen?’ vraagt Balthamon tegen beter weten in, als hij zijn armen vanachter om haar middel slaat.

‘Als een wrak. We moeten echt iets doen aan die gordijnen. De zon brandde bijna door mijn oogleden heen. En op een gegeven moment hoorde ik vogels. Vogels, Balt! Duivelvergeten vogelgefluit!’

‘Er zijn geen vogels in Hel,’ corrigeert hij haar. ‘Vleerhonden, waar­schijnlijk. Of vreesvissen.’ Hij haalt diep adem, met zijn neus in haar ravenzwarte haar. Hij drukt haar dichter tegen hem aan, en zijn rechter­hand vindt haar borst.

‘Poten thuis, klerelijer. Niet voordat ik koffie heb gehad.’

Balthamon maakt een geluid, half snuif, half lach. ‘En dat moet ik geloven?’ Zijn handen glijden over haar met satijn omhulde contouren, en hij laat een kleine kreun van goedkeuring horen.

‘Ik méén het, Balt!’

‘Oké, oké.’ Hij houdt zijn handen in overgave in de lucht. ‘Als die koffie zo belangrijk voor je is…’

‘Ik heb een zware nacht voor de boeg, Balt. De aartsbisschop van Agrigento, weet je nog? Vijfentwintig jaar zitten we al achter die preutse papzak aan. En vannacht is hij de onze! Als er nu nog iets misgaat zullen er koppen rollen. Ik moet op mijn best zijn. En trouwens, jij moet je energie helemaal niet aan mij verspillen! Jij hebt je eigen problemen, nietwaar? Adramelech verwacht die nieuwe angst van je, en wel van­nacht. Geen afleidingen. Voor ons allebei niet.’

Balthamon knikt. Ze heeft gelijk. Hij weet dat ze gelijk heeft. Toch lijken er de laatste tijd steeds vaker pragmatische bezwaren tussen hen en seks te staan…

‘Hé,’ zegt Lucinda. Ze pakt zijn hand en kijkt hem glimlachend aan, alsof ze zijn gedachten gelezen heeft. ‘We zijn er bijna, Balt. De Derde Rij. Lucifer weet dat we er hard genoeg voor hebben moeten zwoegen. Laten we dit nu niet voor onszelf verpesten.’

Hij knikt weer, en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht die nog bijna geloofwaardig is ook.

‘Daar is mijn dappere demon,’ fluistert zijn vrouw, en ze kust hem op de lippen. ‘Naderhand,’ gromt ze in zijn oor, en onmiddellijk voelt hij zijn hele lichaam reageren, ‘dan vieren we het goed.’

‘Daar houd ik je aan,’ fluistert hij.

Met een laatste, verleidelijke glimlach over haar schouder laat Lucinda hem achter in de badkamer.

Balthamon kijkt haar na en zucht. Dan valt zijn blik op zijn spiegel­beeld: als volgeling van Moloch heeft Balthamon de karak­teristieke hoorns als van een sater die uit zijn zwarte haardos omhoog prijken, en de rode huid en hoeven die hem onderscheiden ten opzichte van de mens. Maar zelfs op een meter afstand van de spiegel kan hij zien dat de huid onder zijn ogen donker en sterk dooraderd is. Op een of twee plekken begint die ook te schilferen.

Hij heeft teveel tijd doorgebracht in de zon.

‘Oké,’ zegt hij. ‘Deze jongen moet naar zijn werk. En déze jongen,’ hij kijkt streng omlaag, ‘moet zich nog maar even koest houden.’

 

*

 

De nacht is nog jong, maar de straten van Heksenketel doen hun naam al eer aan. Balthamon is zevenhonderd jaar geleden in de moderne, populaire wijk van Hel komen wonen, en heeft sindsdien nooit spijt gekregen van die beslissing. In de Torens worden de beslissingen genomen, en in de Brandstapels kom je het beste amusement tegen, maar de Heksenketel…. de Heksenketel heeft klasse.

‘Enkele rit naar de Toren van Traan,’ zegt hij tegen de chauffeur – half krekel, half paard – van de opengewerkte koets. ‘En als ik er binnen een kwartier kan zijn, ben ik je dankbaar.’

De mindere demon knikt, en zodra Balthamon op de leren bank heeft plaatsgenomen, komt de koets  in beweging.

Voor de kar wijken de demonen uiteen. Gehoornde padden in over­jassen pauzeren hun verkooppraatjes en sleuren hun kleden met nacht­merries snel van de straat. Een grote, blubberige demon brult over de komende wraak van God. Harpijen en Feeksen fluiten de koets na en hopen tegen beter weten in de inzittende – een duivel van de Vierde Rij, ver boven hun stand – met geneugtes aan zich te binden.

Balthamon let al niet meer op de schepsels. Hij heeft al lang geleden geleerd geen aandacht te besteden aan demonen die zo ver beneden zijn stand zijn. Hij weet dat hij op een gegeven ogenblik – of het nu over vijfhonderd of vijfduizend jaar is – weer deel uit zal maken van de vulgaire kakofonie die het straatbeeld vult. Dat is de aard van demonen: ze worden niet geboren en ze gaan niet dood. Doorgaans. En in de eeuwigheid waarin ze leven, vervullen ze de cyclus van laag naar hoog en weer terug talloze keren.

De mindere schepsels krijsen en joelen, en herinneren Balthamon iedere nacht aan dat feit. Ooit was hij één van hen. Ooit zal hij weer één van hen zijn.

Plots komt de koets tot stilstand voor een T-splitsing. De demon die de koets voorttrekt stampt met zijn paardenpoten en produceert een hoog, tjirpend geluid door zijn vleugels over elkaar heen te strijken. Nerveus zwaait hij zijn kop heen en weer – van de linker straat naar de rechter, en weer terug – voordat hij begint te spreken:

‘Waar….heen?’

De chauffeur kijkt met grote ogen achterom, angstig over zijn lot nu hij een hogere demon heeft teleurgesteld.

Balthamon zucht.

‘Links graag.’

 

*

 

Lucinda had gelijk. Vannacht was een belangrijke nacht.

Vannacht was de nacht waarop Balthamon zijn onderzoek aan zijn baas presenteerde.

Natuurlijk was het niet louter zijn onderzoek. Een heel team van analisten en rekenkundigen had zich om Balthamon, de prognost, geschaard om diens bevindingen verder te toetsen. Hun doel: het vinden, uitvergroten en op aarde terugstorten van de 21e-eeuwse angst.

Tien jaar lang had Balthamon nu door de ether van de menselijke media gezworven. Het voordeel van de vooruitgang: twintig jaar geleden had hij handmatig van ziel naar ziel moeten springen, de harten van de mensen moeten blootleggen en hun woorden, geschreven en gesproken, moeten wegen op hun waarde.

Maar nu was er het internet.

Balthamon was de cloud ingegaan. Hij had zich middels de facebook­profielen, zoekhistories en tijdlijnen gelaafd aan dromen, wensen en nachtmerries. Had de tweets en blogs en vlogs in ontzag­wekkende hoeveel­heden verslonden. Had feit en fictie en alles daartussen aan zijn ogen voorbij laten gaan… op zoek naar dat éne idee.

Dat was het grote probleem: dat een demon een mens geen angsten kon opleggen. De mens maakte zijn eigen angstbeeld wel. En het was aan Balthamon en andere demonen zoals hij om die angsten te vinden, vervormen en uit te vergroten tot iets ontzagwekkends. Om in Hel te simuleren wat op aarde tot stand moest komen.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

De meest potente parels van de menselijke geest had Balthamon opgedoken. Zijn team had die ideeën als een groep forensisch onder­zoekers onder de loep genomen, ontleed, en geschat op hun potentie.

Nee, Balthamon had het onderzoek niet in zijn eentje uitgevoerd.

Maar het was Balthamon die vannacht voor de chef presenteerde, terwijl de andere leden van het team achterover leunden en luisterden naar het verhaal van de prognost.

‘Ik zie je punt niet.’

De woorden van Adramelech – kanselier van de orde van de vlieg, Achtste van de Aartsdemonen en bovendien Balthamons baas – werden op kalme toon gesproken. Het gezicht dat de woorden sprak was langgerekt, harig, en aan het uiteinde voorzien van een witte muil met grove, vierkante kiezen. De ogen aan het andere einde van de kop stonden droevig en meewarig, een blik die even verraderlijk was als zijn eigenaar.

Zolang dat gezicht, dat ezelgezicht, Balthamon aan bleef staren, wist hij dat zijn baas nog in een hebbelijk humeur was.

Er was namelijk een tweede Adramelech, een tweede gezicht, dat als een vage vlek, een trilling in de lucht, boven de schouder van de chef hing. Balthamon vreesde dat gezicht.

‘Wat is er… onduidelijk, heer Adramelech?’

‘Wat er onduidelijk is, beste Balt, is je hele opzet. Ik heb een uur lang mogen luisteren naar je bevindingen. GMO’s dit en alternatieve feiten dat… Je zinspeelt op angsten die al lang bekend zijn. Je brengt niets nieuws! Wat wil je bereiken, Balthamon?’

Hij gebruikt mijn volledige naam. Geen goed teken.

Balthamon ziet het tweede gezicht vorm aannemen, groter worden. Hij slikt, en begint snel te spreken.

‘Mijnheer, ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen in de afgelopen achttien maanden 36% cynischer zijn geworden tegenover hun politici. 25% minder geneigd om nieuwsberichten voor waar aan te nemen. Dat ze wel 112% banger zijn geworden voor een terroristische aanslag! Dit zijn getallen die we niet kunnen negeren. Het is de mening van mij en het onderzoeksteam-’

‘Laat het onderzoeksteam erbuiten,’ onderbreekt de Kanselier hem bruusk. ‘Jij spreekt voor het team. Verstop je er niet achter.’

‘Goed. Het is mijn mening dat we moeten toeslaan nu het ijzer heet is.’

De chef snuift. ‘En waar kom je mee? Toegenomen conflicten in het Midden-Oosten? Een aanslag op een Westers staatshoofd? Een groot schandaal met een conglomeraat, betrokken bij de systematische onder­drukking van een naar democratie hunkerende bevolking?’

Balthamon schudt zijn hoofd.

‘Het Midden-Oosten laten we buiten schot. We hebben geleerd dat dat alleen maar apathie en cynisme opwekt. We mikken op radicaliserende Westerse jongeren. Westerse steden, getroffen door westerlingen. Iedere metropool in Europa en Amerika moet een wasem van angstzweet boven zich hebben hangen. Vriend tegen vriend. Familie tegen familie.’

Drie tellen lang zegt Adramelech niets. En in die tellen voelt Balthamon de temperatuur in de presentatieruimte kelderen.

Het tweede gezicht is zichtbaar – heel goed zichtbaar – maar nog niet op de plaats van het ezelgelaat verschenen.

‘Laat ons alleen.’ De woorden dreunen als het slaan van hamer op aam­beeld.

Balthamon vertelt zichzelf dat het wel goed komt, terwijl de andere leden van zijn team de ruimte verlaten. Hij vertelt zichzelf dat zijn werk degelijk is, en dat hij geen reden heeft om bang te zijn.

Dat vertelt hij zichzelf, maar overtuigend klinkt hij niet.

‘Kanselier.’

‘Heer Adramelech.’

‘Waarde heer.’

De demonen die naar buiten stappen maken een beleefde knieval voor hun chef. Voor Balthamon hebben de meesten geen groet. De prognost ziet in de ogen van zijn teamleden raderen van koude calculatie en opportunisme draaien. Ze willen weten hoe hun direct leidinggevende hier uitkomt, voordat ze hem ook maar een woord gunnen. Slechts Althareon, de ontluikende prognost onder Balthamons hoede, geeft zijn baas een bemoedigende glimlach.

Ondankbare serpenten, denkt Balthamon verbitterd. En onmiddellijk vraagt hij zich af waar die gedachte vandaan komt. Sinds wanneer veronderstelt hij dat een demon iets anders kan zijn dan volstrekt egoïstisch?

Zijn chef is inmiddels naar het raam toegelopen en trekt de lamellen opzij om het nachtelijk panorama bloot te leggen.

De Zeven Ringen van Hel liggen om de Toren heen: concentrische ringen om het kloppend, haatdragend hart. Balthamon ziet de stromen verkeer, de slotgrachten van roodgloeiend, gesmolten gesteente. Hij hoort de kreten en het krijsen, ruikt de emoties die in de zwoele nacht­lucht hangen: angst, woede, lust.

‘Blijft verbazen, nietwaar?’

Balthamon knikt zijn chef toe. Die staat naar het raam toe en rolt een sigaret tussen zijn grote vingers. Roken, met name op kantoor, wordt actief aangemoedigd.

‘Het is een ontzagwekkende plek,’ geeft Balthamon toe.

‘Dat is het zeker. Hel…’ Adramelech laat de klank voortrollen, alsof hij de smaak ervan wil proeven. ‘Ons enige thuis, voor nu en altijd. Weggaan is uitgesloten, daar ziet de Almachtige op toe… maar hoe zijn we hier gekomen, Balt?’

Het zint Balthamon niets dat hij het gezicht van zijn chef niet kan zien. Alleen dat tweede gezicht is te zien, nog steeds als doorzichtige waas boven de linkerschouder. Balthamon loopt naar het raam toe en gaat op een meter afstand naast zijn chef staan.

‘We zijn hier gekomen,’ antwoordt Balthamon langzaam, want hij voelt dat er veel van zijn antwoord af hangt, ‘omdat we vrijheid wilden.’

Blijkbaar is dat wat de chef wilde horen, want hij knikt en werpt zijn prognost een sluwe blik toe.

‘De Val, noemen we het. Lucifer in het harnas. Onze leider, die namens zijn volgelingen eisen durfde te stellen aan de Almachtige. Zijn visie kwam hem duur te staan. En ons ook. Besef goed, Balthamon, dat deze plek onze straf is. Natuurlijk, de zielen van de moreel tekortschietende stervelingen komen hier terecht. Maar als wij niet in opstand waren gekomen, had God geen reden gehad om Hel te maken.’

Balthamon knikt. Hij weet dat hij zich op glad ijs begeeft, en ieder instinct schreeuwt hem toe om zijn reacties zo beperkt mogelijk te maken.

‘Wil je hier weg, Balt?’

De vraag komt zachtjes, haast speels op hem af, en Balthamon betrapt zich erop onmiddellijk te willen antwoorden. Net op tijd houdt hij zich in.

‘Ik wil dat we hier allemaal weg kunnen komen, ja.’

‘En de weg naar buiten is simpel, nietwaar? God was degene die onze drang naar vrijheid niet kon waarderen. Degene die ons hier plaatste, en ons maakte tot wat we zijn. Wij wilden geen strijd, God heeft die afge­dwongen. En de enige optie die we nu nog hebben, is die strijd winnen.’

Adramelech houdt de gerolde sigaret omhoog, en onderwerpt haar aan inspectie. Tevreden met zijn werk steekt hij het rolletje tabak in zijn mondhoek, en met een knip van zijn vingers vat het uiteinde vlam.

‘Een tiende van alle zielen,’ vervolgt hij zijn verhaal na de eerste teug nicotine, ‘komt hier terecht. Een tiende! Nog eens tachtig procent gaat het vagevuur in, maar dat is niet belangrijk. Zij vullen uiteindelijk alsnog de rangen van de Hemel.

Dit had ons tijdperk moeten zijn; globalisatie, vrije uitwisseling van informatie, het besef van mensenrechten… het heeft allemaal geleid tot meer angst, meer onzekerheid. En God weet dat wij bij angst en onzekerheid baat hebben. We hebben ons best gedaan: wereldoorlogen, kleine oorlogen, koude oorlogen. De angst voor het ultieme wapen. Economische ellende op een globale schaal. Angst voor het vreemde, voor de jeugd, voor verandering, zelfs voor het buitenaardse. Alles leek erop te wijzen dat de twintigste eeuw de onze zou worden. En we faalden.’

Rook kringelt uit de neusgaten van Adramelechs ezelgelaat.

‘De eenentwintigste eeuw was al even vol van belofte: terrorisme, migratie­crises, het spelen met informatie en misinformatie tot elke betekenis verloren is gegaan… En wat heeft het ons allemaal opgeleverd, Balthamon?’

‘Apathie.’

Adramelech knikt. ‘Apathie. Een wereld vol mensen die niet meer omkijken als een vliegtuig wordt neergehaald, of als een student om zich heen begint te schieten. Ze hebben het allemaal al eens eerder gehoord. Je kent die uitdrukking? ‘Alles dat nodig is voor de overwinning van het kwaad is dat goede mensen niets doen’? Niets van waar, helaas. Apathie treft ons even hard als Hem, misschien zelfs harder.. De eeuw van informatie had ons wapen moeten worden! In plaats daarvan werkt het internet ons alleen maar tegen!’

‘Ons bereik is nog nooit zo groot geweest,’ brengt Balthamon daar tegenin. ‘We zien de hele wereld, en transporteren de ellende van het ene continent binnen luttele seconden naar het andere. Iedere ramp kan nu worden uitvergroot, opgeblazen.’

‘En een zelfmoordterrorist in een afgeladen theater levert nu minder angst op dan een lege kerk die afbrandt in de middeleeuwen! Mensen kijken vanuit het gat dat ze in hun bank hebben gesleten naar de meest traumatiserende gebeurtenissen, en ze halen hun schouders op! Verontwaardiging willen we! Vrees! Woede! Geen 21e-eeuwse schizo die van alle kanten zo hard geïnformeerd wordt dat hij de waarheid toch niet meer denkt te kunnen weten!’

‘Geef me een maand, heer,’ zegt Balthamon, ‘en ik beloof u dat…’

Verder komt hij niet. Bliksemsnel draait de chef zich om, en klemt zijn linkerhand om de slanke hals van zijn prognost. De kreet die Balthamon wil slaken wordt afgeknepen en hij trekt vruchteloos aan de arm van de chef. Die voert de druk alleen maar verder op. Balthamon voelt zijn adem stokken, voelt het bloed bonzen in zijn hoofd.

Hij zou als demon niet doodgaan aan de verstikking. Dat was misschien nog wel het ergste.

De chef buigt naar voren en zijn adem rolt als de hitte van een oven tegen Balthamon aan.

‘Dit, beste Balthamon,’ en de chef houdt met zijn vrije hand een donkerblauw flesje voor de ogen van de prognost, ‘is Inessens. Weet je wat dat is?’

Balthamon briest. Zijn ogen staan wijd open, en hij probeert achteruit te komen, weg van de inhoud van het glazen flesje

‘De destructieve kracht van God, zorgvuldig opgevangen en gebotteld bij Sodom en Gomorra. Een enkele druppel hiervan laat je de rest van je bestaan als hersenloze demon rondkruipen. Twee druppels en je huid schroeit weg. Wat denk je dat er gebeurt ALS IK DIT VERDOMDE FLESJE IN JE GEZICHT LEEGKIEPER!?’

Het tweede gezicht is nu naar voren gekomen: een lange, dunne nek – veel te dun om uit zulke brede schouders te steken – met een smal, lang­werpig gezicht vol veren. Aan weerszijden van de snavel glimmen zwarte kralen waar een intense haat uit straalt.

Adramelech houdt het flesje boven Balthamons hoofd, gekanteld, met zijn duim tegen de onderkant van de stolp.

‘WAT. VOEL. JE?’

De pijn in Balthamons keel is intens wanneer hij het woord eruit perst:

‘…Angst.’

‘ANGST!’ brult Adramelech, en hij werpt Balthamon achteruit, tegen de gipsplaten muur. ‘Dat is wat ik van jou wil, Balthamon: angst! Angst op een globale schaal! Ik wil een wereldbevolking die niet meer durft te gaan slapen uit angst voor wat ze de volgende dag in hun kranten lezen!’

‘Hoe, mijnheer?’ kreunt Balthamon, die omhoog probeert te krabbelen.

‘Maakt me niet uit hoe! Dat is jouw baan, nietwaar? Haal de angst uit het onbekende, haal het uit hun onderbewustzijn. Haal het, voor mijn part, uit een handvol stof! Maar haal het ergens vandaan, verdomme, en bewijs dat je niet volslagen nutteloos bent!’

 

*

 

‘Oké, Balt. Denk. Je kunt hieruit komen.’

Met zijn rug tegen een stalen celdeur laat Balthamon zich op de betonnen vloer zakken. De lucht om hem heen is koel. Niet ijskoud, maar aangenaam koel – een sensatie die in Hel vrijwel ongekend is.

De IJskast, zo wordt het labyrint aan archiefkasten en cellen in de kelder van de Toren genoemd. Tegen de wanden van de elkaar kruisende gangen en hallen staan massieve archiefkasten opgesteld, waarin al het oude papierwerk – of het nu papyrus, perkament of papier betreft – van de Orde is opgeborgen. Documenten over de Inquisitie, plannen voor de conceptualisatie en gedetailleerde uitvoering van de Kruistochten, analyses van de Zwarte Dood, van testfase tot eindevaluatie; alles wat te belangrijk is om weg te gooien, maar niet meer relevant genoeg om een permanente plek in de hogere kantoren te verdienen.

En om de zoveel meter wordt die reeks kasten onderbroken om plaats te maken voor een stalen kluisdeur. Achter die deuren, die alleen te openen zijn door de hoogstgeplaatste leden van de Orde, zijn wapens en middelen verborgen die de Orde zelf heeft ontwikkeld, of zich door geweld heeft toegeëigend. De virusstrengen van de Zwarte Dood staan in één kluis opgesteld, terwijl de Heilige Graal de cel ernaast in beslag neemt. Balthamon weet van de verhalen van zijn collega’s dat er ook levende wezens in de cellen vastgehouden worden, wachtend op het moment dat ze weer relevant zullen worden voor de Orde.

De IJskast is waar Balthamon komt om rustig te kunnen werken. Om zijn gedachten te ordenen. En na de presentatie van die avond had Balthamon daar dringend behoefte aan

Na zijn meeting met de baas had Balhamon zijn team opgezocht. De verschillende demonen – analisten, researchdeskundigen, prognosten – zaten in het grote kantoor en operationeel hart van het project op hem te wachten.

‘Ik zal niet tegen jullie liegen,’ had Balthamon de verzameling af­wachtende blikken toegesproken. ‘Heer Adramelech is van mening dat we nog veel winst kunnen boeken met de richting van ons huidige onder­zoek. Dat betekent dat we opnieuw naar de tekentafel gaan. Vannacht nog wil ik nieuwe analyses van de verschillende toekomst­beelden die we hebben uitgedacht. De top tien, althans.’

Hij had rondgekeken met een zelfverzekerde blik, de knikjes en het instemmend gemompel van zijn werknemers afgedwongen.

‘Dit is een stap terug,’ had hij toegevoegd, ‘maar wel zodat we weer verder kunnen komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we de kanselier een angst kunnen overhandigen waar hij niet alleen tevreden over, maar ook trots op zal zijn. En nu, aan de slag.’

En na die bemoedigende leugens had hij zijn eigen dossiers van zijn bureau gegrist en zich naar de IJskast begeven, weg van de calculerende blikken van zijn teamleden.

Hij moest zich er onderweg naar het archief steeds maar aan herinneren, er zelfs van overtuigen, dat het geen aftocht was.

‘Focus, Balthamon.’

Hij legt de stapel dossiers naast zich neer, en pakt het bovenste eraf.

Misschien, denkt hij, met de moed der wanhoop, staat ergens hierin het antwoord geschreven. Misschien is er nog een manier om aan alle ellende te ontkomen.

Van binnen weet hij wel beter. Zijn onderzoek heeft al gefaald. Dat zal hij binnen niet al te lange tijd tegenover de kanselier moeten toegeven. En daarmee zal hij niet alleen zijn kans op toetreding tot de Derde Rij verliezen, maar ook flink aan invloed moeten inleveren, en blij mogen zijn als hij niet op de Vijfde Rij of lager terecht zou komen.

Lucinda zal niet meer bij hem willen blijven, zeker niet als zij meer succes boekt in haar huidige operatie. Zoals zovelen van de relaties tussen demonen is ook die van Balthamon en Lucinda op profijt gebaseerd. Samen naar de top, zolang de ander een hulpmiddel en geen belemmering vormt.

Balthamon voelt weinig verdriet bij de gedachte dat Lucinda hem zal verlaten. De seks is altijd geweldig geweest – de beste die hij ooit heeft gehad – maar hij heeft nooit een diepere emotionele connectie met haar gevoeld. Net zo min als met zijn vorige partners.

Wat hem wel pijn doet, is dat hij zichzelf tekort is geschoten. Twee­honderd jaar lang heeft hij zich als prognost onder de Kanselier verdien­stelijk gemaakt voor de Orde. Keer op keer heeft hij zijn feilloos instinct en zijn blik op de toekomst ingezet om angsten van de hoogste kwaliteit te realiseren – eerst als concept in Hel, vervolgens als realiteit op aarde.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

En nu, juist nu hij in de buurt van echte macht en invloed is gekomen, lijkt zijn talent hem in de steek te laten. Hij zal wellicht naar de Vijfde Rij zakken, en of hij zich vanaf daar weer omhoog zal kunnen worstelen betwijfelt hij ten zeerste.

Van val naar terugkeer, weer terug naar val. Ontelbare keren.

Zijn gekloofde hoef tapt nerveus op het beton terwijl hij het eerste dossier leest. Zijn ogen glijden over de nette alinea’s, over de kolommen en analyses, en vinden geen enkel houvast. Hij kijkt naar de titel van het dossier: ‘Paranoia op de Totalitaire Aarde.’ Geen nieuwe gedachte, verre van zelfs, maar wel een die resoneert bij de doelgroep.

Balthamon legt zijn vinger op de titel, sluit zijn ogen, en probeert een beeld bij het plan op te roepen.

De lijnen zijn er nog, en vormen zich voor zijn geestesoog. Balthamon ziet hoe de totalitaire aarde eruit kan zien, welke mogelijkheden zich voordoen, en wat voor effect ze teweeg zullen brengen. Rechts conser­vatisme is de sleutel van dit plan. In de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vrijheden worden onder het mom van nationale veiligheid steeds verder ingeperkt, de mandaten van de overheid worden tot in het extreme opgerekt, totdat een burger geen enkel recht meer heeft op privacy. Leven onder de angst voor het waakzaam oog.

Een krachtig idee. Het brengt angst met zich mee, zeker. En de arrogante eigengerechtigheid waar Balthamon en zijn team altijd naar streven.

Toch zijn er ook dissidente draden door het toekomstbeeld verweven: een vrijheidsbeweging staat op, geleid door een politicus die als nationale held en vrijheidsstrijder weer hoop geeft aan een verslagen volk. Onom­koopbaar, en dus niet te breken. Zelfs als hij sterft zal zijn martelaarschap zoveel hoop, liefde en altruïsme teweegbrengen dat elk effect dat het plan zou kunnen hebben teniet wordt gedaan.

‘Oh, verdomme,’ kreunt Balthamon. Hij opent zijn ogen, en laat het toekomstbeeld opdrogen tot enkele ingedikte vlekken, die langzaam plaats maken voor de realiteit van koud beton en staal.

Een tweede dossier volgt. En een derde.

Balthamon wordt hoe langer hoe wanhopiger. Zijn hoef tikt steeds indringender, gefrustreerder, op het beton. Hij zucht, en leest, en kijkt. En wat hij ziet vult hem met wanhoop.

Adramelech wil van hem de angst van de eenentwintigste eeuw. Maar het begint er voor Balthamon op te lijken dat de 21e-eeuwse mens, hoeveel ellende je ook op hem afslingert, een cynische schouder zal ophalen en stug door zal gaan met leven.

‘Dit is verdomme onmogelijk.’

‘Als het onmogelijk is, moet je jezelf geen verwijten maken.’

Balthamon verstijft. De stem komt achter hem vandaan. Vanuit de cel. Maar de cellen horen volledig gesloten te zijn. Geïsoleerd en afgesloten voor ieder geluid, en zo potdicht dat er zelfs geen streepje licht onder de celdeur door kan glippen.

Hij draait zich om terwijl hij overeind krabbelt.

‘Wie is daar?’

‘Het spijt me,’ de stem klinkt zacht en enigszins bedroefd. ‘Ik hoorde je in jezelf praten. Ik wilde je niet laten schrikken.’

Balthamon fronst als hij de open schuifklep ziet. ‘Die hoort dicht te zijn.’

‘Dat lijkt me niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben hier de gevangene, jullie de cipiers.’

Door de open klep in de celdeur kan Balthamon vaag een silhouet zien: manshoog, menselijk van vorm.

‘Waarom zit je hier?’ vraagt hij de vorm.

‘Om wat ik ben.’

Balthamon denkt dat dat hier, in Hel, nog niet eens zo vreemd is.

‘Wie ben je?’

‘Slechts iemand die zich stierlijk verveelt. Vergeef me het afluisteren. Als je ermee zit moet je misschien de klep weer dichtdoen.’

Tot op dat moment was dat precies Balthamons plan geweest, en hij had al een hand op de schuifklep geplaatst. Maar nu hij zo dichtbij staat, heeft hij het idee dat hij het silhouet beter kan zien. Alsof een lichtbron in de cel zelf de vormen van het wezen al definieert.

‘Als je moeite hebt met de schuif,’ nu klinkt de stem licht geamuseerd, ‘kun je er altijd iemand van de technische dienst bij halen.’

Balthamon voelt dat zijn vingers licht trillen.

‘Kom naar voren,’ gebiedt hij de vorm, met een stem die schor klinkt.

Even staat het silhouet stil. Dan zet ze zich in beweging, naar voren toe, het licht in. Balthamon deinst achteruit.

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’ vraagt het wezen aan de andere kant.

 

*

 

‘Heer Balthamon?’

Althareon kijkt op van zijn werk, van de tabellen en diagrammen waarmee de papieren voor hem vol geklad zijn, naar de demon die zojuist met een verwarde blik in zijn ogen binnen is komen schuifelen.

‘Ik neem aan,’ mompelt Balthamon, terwijl hij zijn stapel dossiers op zijn bureau neerlegt, ‘dat het nog geen vijf uur ‘s ochtends is?’

Althareon kijkt om zich heen. De kleine, donkerblauwe demon met de schaapsnuit en ramshoorns is als enige van het team nog op het kantoor.

‘Ik heb geprobeerd ze tegen te houden,’ merkt hij op. ‘Gedreigd met hel en verdoemenis. Het had weinig effect.’

Balthamon knikt. Staart wat voor zich uit.

‘Ehm,’ begint Althareon. ‘Ik kan ze oproepen? Zeggen dat u ze hier wilt hebben?’

‘Hm…wat? Nee, laat ze maar.’ Balthamon fronst. ‘Luister, ik heb behoefte aan lunch. De vloeibare variant. Ken je een goede tent in de buurt?’

Althareon glimlacht. ‘Een of twee.’

 

*

 

Het is rond middernacht al druk bij Dante al Dente. Dealers in martel­werktuigen die hun cliënten op lunch trakteren, grote beulen met opgestroopte, bebloede mouwen die burgers onder hun leren kappen door naar binnen stouwen, en natuurlijk de dames van de nacht die aan een trog vol bloedwijn geruchten en roddels uitwisselen.

‘Populaire tent,’ merkt Balthamon op, terwijl hij tegenover zijn jonge prognost zijn vingers over een glas zwavelzuur on the rocks laat glijden.

‘Hmm? Nog nooit eerder hier geweest?’

Balthamon schudt zijn hoofd. ‘Ik ken het niet eens. Vroeger zat hier een openbaar teerhuis.’

Althareon lacht, wat met zijn schaapsnuit en dubbele rij haaientanden een bevreemdend effect oplevert. ‘Dat teerhuis is meer dan dertig jaar geleden. U moet vaker de deur uit, chef. Maar ik vermoed dat u minder tijd heeft dan ik, als lid van de Vierde Rij.’

Ja, maar dat duurt niet lang meer, denkt Balthamon met een grimas, en hij neemt een slok van zijn zwavelzuur.

De serveerster – die haar lichaam naar de nieuwste rage binnenste­buiten draagt – komt langs en zet twee borden dampend rood vlees neer.

‘Steak van de Tragen. Dertig zilver.’

Balthamon reikt al naar zijn buidel, maar Althareon is hem voor. ‘Hier, houd het wisselgeld maar.’ De serveerster knikt dankbaar, waarbij druppels bloed van haar longen op het tafelblad vallen, en gaat verder met haar ronde.

‘Dat had niet gehoeven, Alt.’

De blauwe demon haalt zijn schouders op. ‘Kleine moeite, chef. Ik dacht dat u wel een opsteker kon gebruiken, na die presentatie van vannacht.’

Balthamon knikt.

‘Zeg, chef,’ Althareon schraapt zijn keel en kijkt vanonder zijn wenk­brauwen naar zijn baas. ‘Klopt het, wat ze op het kantoor zeggen? Dat ons onderzoek ten dode is opgeschreven?’

Balthamon ademt diep uit door zijn neus. Hij denkt aan de opdrogende vlekken van gefaalde toekomstbeelden. Aan Adramelech die een fles non-existentie boven zijn hoofd houdt.

Hij denkt aan het licht van een eenzaam wezen in een cel.

‘Chef?’

‘Nee, Alt.’ De woorden lijken van verre, van een vreemde, te komen. Balthamon tovert met moeite een glimlach die bemoedigend moet zijn op zijn gezicht. ‘Maak je geen zorgen, het onderzoek komt wel goed. Ik heb dit soort tegenslagen vaker meegemaakt. De uiteindelijke angst wordt er altijd beter van.’

Althareon knikt, en een opgeluchte grijns splitst zijn gezicht in tweeën. ‘Ik wist het wel, hoor,’ zegt hij. ‘Nou, bon appetit.’

Balthamon kijkt licht geamuseerd toe hoe de blauwe demon grote stukken vlees met zijn rijen vlijmscherpe tanden naar binnen begint te werken.

‘Vertel me eens, Althareon,’ zegt hij terwijl hij het zwavelzuur in het glas laat rondtollen. ‘Wat is jouw doel eigenlijk?’

‘Hmm?’

‘Hier in Hel. Wat wil je bereiken?’

‘Oh, dat.’ De blauwe demon slikt een hap vlees door, wast die weg met vloeibare stikstof. ‘Nou ja, het gebruikelijke, eigenlijk. Hogerop komen. De Vierde Rij bereiken, dan de Derde, enzovoorts, enzovoorts.’

‘En dan? Dan kom je in de Binnenste Cirkel, dan heb je het gemaakt, en dan? Op je hoede zijn voor je concurrenten en onderlingen, totdat je van je troon gestoten wordt? Wat is het einddoel?’

Althareon haalt zijn schouders op. ‘We zijn eindeloze wezens, chef. Er is voor ons per definitie geen einddoel.’

‘Denk je dat ze er aan de andere kant ook zo over denken? Dat Hij en de Zijnen geen einddoel voor ogen zien?’

‘Ah,’ Althareon lacht. ‘Die andere kant. Tja, ik vermoed dat ze daar wel iets van een punt op de horizon zien. De Tweede Komst, het Laatste Oordeel, het ophalen van alle schone zieltjes en gezellig psalmen zingen rond het hemels kampvuur. Zoiets? En moet dat ons meer aantrekken dan waar wij voor strijden? Macht over de hele aarde, de hele mensheid?’

Althareon blijft lachen, en Balthamon glimlacht halfslachtig mee. ‘Ik vermoed dat je gelijk hebt,’ zegt hij.

En toch krijg je dat beeld maar niet uit je hoofd, Balt. Toch blijf je die cel maar voor je zien, en voel je nog steeds het licht dat van de gevangene afstraalt.

‘Maar toch-’ begint Balthamon, en verder komt hij niet, want op dat moment valt er een lange gedaante over hun tafel.

‘Wat moet dat-’ gromt Althareon, en hij staat al op om de gedaante bij zijn kraag te grijpen.

‘Genade, heren!’ de demon – in de vorm van een paffige walrus met kraaienpoten – blubbert zijn excuses. ‘Een- hrmm-glaasje teveel gehad, vrees ik! Alstublieft, een zilverstuk voor een arme demon?’

‘Maak dat je wegkomt!’ gromt Althareon. Balthamon zegt niets, maar kijkt naar de grote vlokken en vellen loslatende huid van de demon, het teken dat hij vele uren in zonlicht heeft doorgebracht. Noodgedwongen, natuurlijk.

‘Valt dit heerschap u lastig, mijne heren?’ Een grote kerel met een enkel oog en slecht zittend pak torent boven de klaploper uit. ‘Eist u genoeg­doening? Zal ik zijn botten voor u breken?’

‘Nee,’ zucht Balthamon, en hij wuift de hulp van de uitsmijter weg. ‘Laat hem maar.’

Balthamon maakt zich los van de bank, legt zijn servet op het tafelblad. Althareon werpt hem een bezorgde blik toe. ‘Alles in orde, chef?’

‘Ik heb nog werk te doen, Alt. Maar dankjewel voor de lunch.’

Zonder achterom te kijken loopt Balthamon naar buiten. Achter zich hoort hij hoe de uitsmijter, onder toejuiching van Althareon, de dronken demon manieren bij begint te brengen.

Balthamon zet zijn kaken op elkaar, en loopt door.

 

*

 

Tik. Tik. Tik.

‘Balt, wil je daar mee ophouden?’

Balthamon rukt zijn blik los van de kom bouillabaisse die voor hem staat en kijkt recht in de ietwat geïrriteerde ogen van zijn vrouw.

‘Je zit al twee minuten lang met je hoef op de vloer te tikken,’ zegt Lucinda. ‘Wat is er met je aan de hand?’

De twee demonen zitten aan de eettafel in hun woonkamer. Normaal kiezen ze ervoor om in de keuken te eten, maar vanochtend heeft Lucinda besloten dat de gelegenheid om wat meer luxe vraagt: een diner van zeven gangen staat tussen de partners uitgestald, in zilveren schalen op een ivoorwit tafelkleed. Lucinda heeft, zoals altijd, veel te veel eten laten bezorgen – koken weigert ze: ze is een vreselijke kok, en Balthamon nog erger.

Zelf heeft ze vijf, zes lepels van haar bouillabaisse genomen, om haar kom vervolgens aan de kant te schuiven en te anticiperen op het volgende gerecht.

Balthamon daarentegen heeft nog geen hap door zijn keel gekregen.

‘Hoe ging het op het werk?’

Lucinda stelt de vraag met een mengeling van zorg, meelevendheid en, tegelijkertijd, afstandelijke calculatie. Balthamon zucht inwendig.

‘Het ging prima, Lucinda.’

‘De nieuwe plannen sloegen aan bij de chef?’

Balthamon knikt en haat zichzelf terwijl hij dat doet.

Waar komt dat gevoel vandaan? Demonen liegen nu eenmaal. Dat is wat we doen.

‘De plannen gaan werken, maar we moeten nog veel onderzoek ver­richten. Adramelech heeft mijn team wel drie-, vierhonderd calcu­latie­stromen gegeven om na te gaan.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik ben niet de beste gesprekspartner vanochtend. Ik heb nog niet eens naar jouw nacht gevraagd. De aartsbisschop van Agrigento… hoe ging het?’

Lucinda grijnst.

‘Als een vlieg in ons web,’ zegt ze, en neemt een aardbei uit de schaal in het midden van de tafel.

Terwijl ze erin bijt en het sap over haar lippen loopt, werpt ze Balthamon een verleidelijke blik toe. En hij voelt, slecht humeur of niet, het lid tussen zijn benen in beweging komen.

 

*

 

De seks was goed, geeft Balthamon toe. Uitzonderlijk zelfs, op een technisch vlak. In de afgelopen tweehonderd jaar heeft hij geleerd wanneer Lucinda op routine draait, en wanneer ze moeite doet. In dat laatste geval zet Balthamon al zijn ellende en zorgen opzij om met haar het bed in te duiken. Zo ook deze keer.

Maar de seks is voorbij. En de zorgen die Balthamon opzij had geschoven stromen weer terug, aangetrokken door de leegte die het weg­ebbende genot achterlaat.

Naast hem ligt Lucinda te slapen, in een houding die haar vast de nodige spierpijn gaat opleveren. Balthamon weet wel beter dan haar daarom wakker te maken. Ze snurkt lichtjes, gromt en rolt weg als haar huid wordt geraakt door het zonlicht dat tussen de lamellen door sijpelt.

Balthamon daarentegen merkt dat zijn ogen steeds weer naar het warme licht toe getrokken worden. Hij denkt aan het licht dat de afgelopen nacht uit de cel straalde, en hem vol in zijn gezicht raakte.

 

*

 

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’

Twee blauwe ogen. Een gezicht dat lijkt te stralen met zilver licht.

Terwijl Balthamon nog stil staat, verbouwereerd, probeert hij te bepalen wat voor geslacht het wezen heeft. Het lukt hem niet. Het smalle, symmetrische gezicht heeft een geslachtloze kwaliteit. Niet androgyn, geslachtloos. Alsof het wezen gemaakt is in een tijd dat sekse nog geen factor was.

‘Je weet wat ik ben, nietwaar?’

Balthamon knikt. Ergens vindt hij zijn stem. ‘Hoe kom je hier?’ vraagt hij.

De engel zucht, en glimlacht droevig. ‘Zijn plan.’

 

*

 

‘Verdomme,’ fluistert Balthamon, nadat hij de lange wijzer op de wekker een hele ronde heeft zien maken.

Voorzichtig haalt hij de satijnen lakens van zijn benen en glipt het bed uit. Hij gooit een badjas over zijn slanke postuur, doet de slaapkamerdeur open, en laat een snurkende succubus achter zich.

Balthamon schuift de pui open en stapt zijn balkon op. Het warme licht van de zon – hoog aan de hemel – verblindt hem. Als de zwarte vlekken zijn blik beginnen te vullen sluit hij zijn ogen en laat hij de zonnestralen op zijn gezicht rusten.

De dag is warm – warmer dan Balthamon had gedacht. Hoewel Hel aan andere regels onderworpen is dan de Aardse werkelijkheid, is er door­gaans wel een weerspiegeling van de seizoenen merkbaar. Op aarde is het nu april, maar de zon brandt als op een warme dag in juli.

Balthamon wendt zijn gezicht ten slotte af, en opent zijn ogen weer. Hij zucht wanneer de vlekken terugtrekken en Hel zich langzaam aan hem openbaart.

De straten zijn nu leeg: geen zichzelf respecterende demon is overdag op straat te vinden. In dit warme, volle licht kleuren de straten van Hel – het gietijzer en grauw gesteente – een vreemde tint geel, en even kan Balthamon geloven dat hij zich niet meer in de gevangenis van de verdoemden bevindt. Zelfs het miasma dat ’s nachts uit de fabrieken en folterhuizen wasemt – de smog, de rook, de ziektes – lijkt nu verdwenen, of ijl genoeg om de suggestie van schone lucht op te wekken.

Balthamon kijkt naar de lege, zonovergoten straten, en denkt aan twee blauwe ogen.

Blauwe ogen, en een warme zon.

‘Verdomme,’ zegt hij weer, voordat hij naar binnen gaat en zijn badjas voor zijn werkkleren verwisselt.

 

*

 

Er is geen portier bij de Toren van Traan. De Toren heeft een eigen entiteit – een spiritus – en herkent zijn werknemers. Balthamon weet dat hij zijn toegang tot het kantoorcomplex op het hoogst van de middag niet voor zijn werkgevers verborgen zal kunnen houden: vroeg of laat – waarschijnlijk vroeg – zal Adramelech ervan horen, en zijn conclusies trekken.

Die gedachte spookt door Balthamons hoofd terwijl hij de met marmer ingelegde ontvangsthal betreedt, en blijft er spoken terwijl hij over de brede, betonnen treden naar beneden loopt, de IJskast in.

Als hij op de stalen deur afloopt, heeft hij even het idee dat de schuif­klep weer gesloten is.

Er is niks aan de hand, vertelt hij zichzelf. Ik kan niet meer met hem praten. Ik vergeet deze hele situatie, en richt me weer op mijn werk. De Derde Rij kan ik wellicht niet halen – nog niet – maar dat betekent niet dat ik uit de Vierde Rij hoef te stappen.

In zijn hoofd heeft Balthamon al een verklaring bedacht voor het feit dat hij hier overdag is: hij had die nacht gemeend te zien dat één van de cellen in de IJskast niet goed vergrendeld was. Hij was er overdag van wakker geschrokken, en was naar de Toren gekomen om zich ervan te verzekeren dat alles in orde was.

Dat klinkt goed, besluit hij. De komende uren zou hij zich op zijn werk kunnen storten, en wie weet… wellicht zou het idee zich aandoen waarmee hij de chef alsnog zou kunnen overtuigen van de waarde van zijn project.

Dan ziet hij dat hij zich vergist heeft: de cel die hij zoekt is twee deuren verder, en de schuifklep staat wel degelijk open. Het licht waar hij eerder die nacht voor terugdeinsde stroomt naar buiten toe.

Alsof ze voelen dat hun baas aarzelt, nemen Balthamons benen de controle over. Voordat hij er iets aan kan doen, staat hij voor de celdeur en kijkt hij door de open klep naar binnen.

‘Ik zie dat je terug bent.’

Balthamon voelt zijn hart kloppen in zijn keel. Toen hij op zijn balkon stond, zijn gezicht verwarmd door de stralen van de zon, leek zijn besluit zo helder. Maar nu hij oog in oog staat met de engel beseft hij dat hij geen flauw idee heeft wat hij wil doen.

‘Wel,’ zegt de engel aan de andere kant droevig. ‘Waarom ben je hier?’

‘Ik…’ Balthamon neemt diep adem. ‘Kunnen we veranderen?’

De engel houdt zijn hoofd schuin, vragend. ‘Of we kunnen veranderen? Wat denk je zelf?’

Balthamon tuit zijn lippen, en denkt. ‘Ooit waren we als jij,’ zegt hij.

De engel knikt. ‘En wat jij wilt weten is, ‘kan ik weer zo zijn’? Dat is het toch?’

‘Ja.’

Lange tijd houdt de engel Balthamon in zijn blik gevangen. ‘Is dat wat je wilt?’ is wat hij ten slotte vraagt.

‘Ik… ik weet het niet. Nee. Ja. De laatste tijd slaap ik slecht. De zon. Ze lijkt feller.’

De engel zegt niets.

‘Ik ben een prognost,’ zucht Balthamon. ‘Ik kijk naar een plan en ik zie de toekomst. De waarschijnlijkheden. Het goede en het kwade. Althans, dat deed ik. De laatste tijd is mijn talent… aan het afzwakken. Sinds ik slecht slaap. Sinds ik in de zon kijk.’

Balthamon haalt diep adem.

‘Is het… Zijn werk?’

De engel kijkt hem aan. Droevig, meewarig.

‘Kom dichterbij,’ zegt hij.

Zijn voeten willen al vooruit schuifelen, maar Balthamon houdt ze tegen. ‘Ik weet niet wat je van plan bent.’ Hij is er nu zeker van: dezelfde warmte die Balthamon onder de stralen van de zon voelde komt hem ook vanuit de cel, vanuit de engel, tegemoet.

‘Balthamon,’ zegt die. ‘Ik weet dat dit moeilijk voor je is. Ik weet dat dit haaks staat op alles wat je de afgelopen drieëndertigduizend jaar geloofd hebt. En ik weet ook dat dit de enige manier voor je is om vrede te voelen.’

Even aarzelt de engel, voordat hij het vraagt.

‘Mag ik je helpen?’

Zijn slanke, zilverwitte hand reikt hij uitnodigend naar buiten. Balthamon staart ernaar alsof het een reddingsboei is, maar wel een die is geladen met springstof.

Hij kijkt voorbij de hand, naar de ogen van de engel. Balthamon recht zijn rug.

‘Vertel me je naam,’ zegt hij.

De engel glimlacht. ‘Zalthear.’

Balthamon grijpt zijn hand.

En een lange, zilverwitte straal licht kruipt over Balthamons arm, tot in zijn borst.

Vier, vijf tellen lang staan de twee wezens – engel en demon – tegenover elkaar, met slechts de celdeur tussen hen in. Beiden hebben hun ogen gesloten, en beiden spreken niet. Balthamons gezicht vertrekt, en een traan rolt over zijn wang. De engel houdt zijn gelaat ontspannen, maar ook bij hem loopt een traan vanuit zijn rechteroog naar beneden.

Dan opent de demon zijn ogen.

‘Ik..’ begint hij, ‘ik hoorde… ik zag…’

De engel knikt.

‘Was dat een herinnering?’

De engel schudt zijn hoofd. ‘Het was een belofte.’

 

*

 

Balthamon had erop gerekend de deur van Adramelechs kantoor te moeten forceren. Maar de deur, die de afgelopen tweehonderd jaar iedere dag met de spreuken van de chef verzegeld werd, staat uitnodigend open. Alarmbellen hadden moeten afgaan in Balthamons geest, maar hij denkt slechts aan zijn doel.

‘Adramelech heeft de loper van de cellen,’ had hij Zalthear verteld. ‘Als ik in zijn kantoor kan komen, kan ik je hieruit halen.’

Zalthear had geknikt. ‘Het dak. Breng me naar het dak en ik kan contact maken met Hem.’

De loper vinden, terug naar de cel, en naar het dak. Een helder plan. Een simpel plan.

Ik ben een klootzak met een ezel- en een pauwengezicht, denkt Balthamon, als hij in het luxueus ingerichte kantoor staat. Ik paf sigaren tot de nicotine uit mijn poriën loopt, en ik geil erop mijn werknemers met totale vernietiging te bedreigen. Waar laat ik mijn sleutels?

Het antwoord dient zich aan als Balthamon voor de tweede keer een slome cirkel maakt.

‘Ah,’ zegt hij, en grist de loper van een haak naast de deur.

De loper voelt zwaar in zijn rode hand: een grote, zilveren vlieg, symbool van de Orde, met daaraan zes sleutels. Balthamon weet dat één ervan, met een kruisvormig uiteinde, gebruikt wordt voor de cellen en archieflades van de IJskast. Twee andere dienen om de Toren van binnenuit te sluiten, in noodsituaties. Eén is voor het kantoor zelf, en een andere is de reservesleutel van Adramelechs wagen – een rode Porsche.

Dan is er nog één sleutel: klein, met een fijn, geribbeld uiteinde.

Balthamon kijkt rond, en ziet een langwerpig stalen kistje op een hoek van het bureau van de chef staan. Met een klein slot.

‘Ach, wat zou het ook…’

Drie dingen vindt Balthamon in het kistje: twee dossiers, en een klein, zwartblauw glazen flesje. Balthamon denkt terug aan hoe de chef, nog geen volle nacht geleden, dat flesje tegen zijn lippen aan drukte. Hij recht zijn rug en stopt het wapen in zijn broekzak.

Die is voor mij, lul.

Dan de dossiers: het ene is getiteld ‘Schone Schijn,’ het andere ‘Privé’. Balthamon legt het eerste dossier weg, en opent het tweede. Het eerste wat hij ziet is een polaroid van een scharlaken vrouw in nachthemd, poserend op een bed. Hij herkent de vrouw.

Meer polaroids volgen: Lucinda met haar armen boven haar hoofd, waardoor haar tepels tegen het doorschijnende hemd aan komen; Lucinda die het nachthemd open knoopt, en de bovenkant van haar borsten blootgeeft; Lucinda op handen en knieën, die over haar schouder suggestief naar de camera kijkt.

‘Gevaarlijk terrein, prognost van me.’

De polaroids vallen uit Balthamons hand.

Hij staart naar het midden van het grote bureau, waar boven een stenen bassin het hoofd van Adramelech – het pauwenhoofd – verrezen is.

‘Ik zie dat je mijn persoonlijke collectie gevonden hebt. Neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Balt. Lucinda was altijd al te goed voor een zwakke demon als jij. Ze had gewoon iemand nodig om haar te laten zien hoe Hel werkt. En die persoon kon ik voor haar zijn. Vertel me eens: wat voel je nu? Haat? Schaamte? Jaloezie?’

Balthamon kijkt zijn chef recht – voor zover dat kan, bij een fantoombeeld – in zijn zwarte, felle ogen. Hij beseft dat hij altijd al een hekel heeft gehad aan die blik, geamuseerd door iets wat alleen voor de chef amusant is.

‘Eigenlijk,’ zegt Balthamon, ‘laat het me koud.’

Het vreemde is dat het nog klopt ook.

‘Balthamon? Je gedraagt je vreemd. Wat doe je in mijn kantoor? Wat is je plan?’

‘Het was een eer om voor je te werken, Adramelech. Je hebt me veel geleerd.’ Balthamon haalt diep adem. ‘Maar laat me voor nu zeggen dat je die stomme pauwenkop van je tussen je eigen benen mag steken, en diep, diep je reet in mag duwen. En niet omdat je Lucinda van me afpakt. Ik wens jullie samen veel geluk. Ik neem ontslag.’

Met een zwaaiende beweging slaat Balthamon het bassin – en daarmee het verbouwereerde hoofd van zijn baas – van de tafel, tegen de muur aan. Daar slaat het stuk en laat een natte vlek achter op het tapijt.

Balthamon grist de dossiers – beide dossiers – van de tafel en steekt ze in de binnenzak van zijn jas. Hij pakt de loper en beent met snelle pas het kantoor uit.

Achter hem, vanuit het gebroken bassin op de vloer, achtervolgt de stem van de chef hem in horten en stoten.

‘Dit gaat nie- … zult hier…. zweer je… wegkomen!’

 

*

 

‘Heb je het gevonden?’ vraagt Zalthear.

Balthamon knikt. Hij neemt de juiste sleutel in zijn hand, en maakt met licht trillende vingers de celdeur open.

‘We moeten haasten. Adramelech – mijn baas – weet dat ik hier ben. Dat ik iets van plan ben.’

De zware celdeur zwaait verbazingwekkend makkelijk open, en Balthamon stapt achteruit om de engel in zijn volle glorie te bewonderen: Zalthear draagt kleren – een simpel grijs sweatshirt en donkerblauwe joggingbroek – maar toch lijkt het zilverwit licht vanuit zijn hele lichaam te stralen, door de stoffen omhulsels heen.

‘We moeten naar het dak,’ zegt Zalthear. ‘Vanaf daar kan ik contact maken.’

De twee wezens – rood en zilver – haasten zich door het trappenhuis omhoog. Heel even blijft Balthamon staan op de begane grond en kijkt door de lengte van de lobby naar de voorzijde van het gebouw. Drie, vier gedaanten lopen buiten rond: rechtop staande, grimmige silhouetten, door het weerlicht van de zakkende zon zichtbaar achter de matglazen ramen.

Hellehonden, denkt Balthamon. Hij had de poorten al van binnenuit vergrendeld met Adramelechs loper, maar hij weet dat het niet lang zal duren voordat de ordebewakers van de onderwereld een weg naar binnen zullen vinden.

‘Kom op,’ spoort hij de engel aan. Die kijkt weg van de silhouetten voor het raam en knikt.

Balthamon wil naar de lift stappen, maar bedenkt zich dan.

‘Als ze binnenkomen, kunnen ze de liften stopzetten. Te riskant. We nemen de trap.’

Op de tiende verdieping begint Balthamon te vertragen. Op de veer­tiende is hij aan het puffen en buiten adem. Op de negentiende moet hij stoppen en de reling vastgrijpen, en probeert hij zijn maaginhoud niet uit te braken. Zalthear lijkt van de inspanning geen enkele hinder te onder­vinden, en kijkt over de reling naar beneden.

‘Hoor je dat?’

Balthamon knippert met zijn ogen. Zalthear kijkt hem aan, en houdt zijn hoofd schuin, gebarend dat hij moet luisteren. Als Balthamon zijn ademhaling onder controle krijgt, hoort hij het ook: het gegrom van de hellehonden.

En dat komt niet van beneden.

‘Nee!’ roept Balthamon, net voordat de deur direct tegenover hem en de engel versplintert en twee hellehonden zich door de opening naar buiten storten. Meer dan manshoog, met een rode pels, grote klauwen en een lange, grijnzende snuit, lijken de in uniform gestoken bewakers meer op weerwolven dan honden.

Balthamon grist naar het flesje in zijn binnenzak.

Met reflexen waarvan Balthamon niet wist dat hij ze had schiet zijn arm naar voren, in een brede boog, en drukt zijn duim de stolp van de donkerblauwe hals af. Druppels van het donkere goedje vliegen uit de fles en treffen de hellehonden op hun snuit, borst, armen en benen. Eén druppel treft de achterste ordebewaker zelfs direct in zijn oog, en Balthamon ziet het oog verschroeien, verschrompelen en wegkwijnen tot een verkoolde kruimel.

De rest van de hellehonden volgt. Het geschreeuw weergalmt door het trappenhuis, en lijkt pas te stoppen als de beide bewakers tot smeulende resten zijn gereduceerd.

‘Effectief.’

Balthamon, nog geschokt door de schade die hij heeft aangericht, kijkt opzij naar Zalthear. Die staart naar de resten van de twee hellehonden te kijken. Vergist Balthamon zich, of is er een kleine glimlach van genoeg­doening zichtbaar op het engelengelaat?

Dan kijkt Zalthear Balthamon aan, en zijn gezicht valt weer terug in zijn natuurlijke, serene staat.

‘Kijk uit,’ zegt hij, en knikt naar Balthamons rechterhand.

Balthamon kijkt omlaag, en ziet dat hij het flesje nog vasthoudt. Een druppel van de donkere vloeistof ligt op de rand van de hals, en dreigt eruit te lopen. Balthamon onderdrukt de impuls om het flesje weg te gooien, en raapt voorzichtig de stolp op. Als hij er van verzekerd is dat het flesje weer veilig afgesloten is, stopt hij de Inessens terug in de binnenzak van zijn jas, tegen de folder aan.

‘Zullen we verder gaan?’ vraagt Zalthear.

Onderaan het trappenhuis klinkt het geblaf van méér hellehonden. Balthamon knikt.

 

*

 

Het dak van de Toren van Traan bestaat uit twee niveaus: een rondgang, bereikbaar vanaf de drieëndertigste verdieping, en het dakterras, met een ijzeren trap te bereiken vanaf de rondgang. De laatste keer dat Balthamon op het dakterras kwam was met de jaarlijkse personeelsbarbecue: een gezellige gelegenheid, waarbij de mixdrankjes rijkelijk vloeien en het minst presterende personeelslid traditiegetrouw op de grill belandt. Wederom: demonen sterven niet. Balthamon had horen zeggen dat het jaarlijks offer er het nodige ongemak aan overhield om – nadat hij in stukken was gesneden, en was opgegeten door zijn collega’s – weer tot een geheel te groeien.

Dat gaat mij overkomen, denkt hij koortsachtig. Gegrild en opgediend met barbecuesaus. Als ze ons grijpen, in ieder geval.

Aan alle kanten komt het hondengeblaf hen tegemoet. Balthamon kijkt met samengeknepen ogen naar de engel, Zalthear, die zich richt tot de zon – nu bijna aan het einde van haar afdaling naar de horizon.

‘Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zegt Zalthear, en zijn stem klinkt krachtig in de stille lucht bovenop het dakterras. ‘Hier staan twee van Uw kinderen: angstig, verloren, en afhankelijk van uw hulp.’

Geschraap op grindkorrels. Balthamon draait om zijn as, en graait al naar de Inessens in de binnenzak van zijn jas. Verderop, op de Toren van Bloed, ziet hij een kleine colonne hellehonden stelling nemen, met tussen hen in een stellage van zwarte, glanzende buizen die langzaam vorm begint te krijgen. Een stuk artilleriegeschut, vermoedt Balthamon.

‘Heer, verlos ons van deze kwade geesten!’ Zalthear is op zijn knieën gevallen en steekt zijn armen uit. ‘Red ons uit de klauwen van zij die Uw Naam verloochenen! Hier staan Uw kinderen; Zalthear, een trouw dienaar, en Balthamon, een banneling met berouw. Reik ons Uw hand, Heer!’

Balthamon is achter de engel komen staan, en legt een hand op diens schouder. Samen kijken ze naar de zon, die fel en heet in hun gezicht schijnt. Samen horen ze het bloeddorstig gegrom van de ordebewakers die aan alle kanten het gebouw beklimmen.

Balthamon kijkt opzij, waar een aantal van de hellehonden – uitgerust met kevlar en lange, doorzichtige schilden – over de rand van het dakterras klimt en een behoedzame schildmuur opstelt. Dan naar de andere kant, waar vanaf het dak van één van de andere Torens – Pus of Pis, een van die twee – een V-formatie gedrochten hun stenen vleugels spreidt.

‘Niet om het een of ander,’ zegt de demon met een kalmte die hij geheel niet voelt, ‘maar gaat dit nog lang duren? We zijn aardig omsingeld aan het raken.’

‘Ik-’ begint Zalthear, ‘ik-’

‘BALTHAMON!’

Precies tegenover de langzaam zakkende zon staat hij: Adramelech, Kanselier van de Orde van de Vlieg. De chef. Met een kogelvrij vest aan en een megafoon tegen zijn ezellippen.

‘BALTHAMON!’ schalt zijn stem door de elektronische trompet. ‘KUNNEN WE PRATEN, VOORDAT JE IETS DOMS DOET?’

‘Hij komt niet…’

Zalthear kijkt over zijn schouder, omhoog, in de ogen van Balthamon. En voor het eerst sinds hij de engel heeft ontmoet ziet Balthamon angst en onzekerheid in het anders zo serene gelaat.

‘Hij komt niet,’ herhaalt Zalthear, en een zilver spoor van tranen loopt over zijn wangen naar beneden.

‘BALTHAMON! LUISTER NAAR ME!’

Balthamon spant zijn kaak, en kijkt weg van de engel, naar zijn voormalige baas.

‘Wat wil je!?’ schreeuwt hij. De woorden komen wild en rauw uit zijn mond.

‘BALTHAMON, IK WIL DAT JE VAN DE ENGEL VANDAAN STAPT. IK WIL DAT JE JE HANDEN IN JE NEK LEGT EN DAT JE OP JE KNIEËN GAAT.’

Om het tweetal heen heeft een hele linie hellehonden stelling genomen – een ononderbroken cirkel van grommende snuiten, verschanst achter hoge schilden. Schaduwen glijden over het dak, over Balthamon. Schaduwen van de waterspuwers die als aasgieren om hem heen cirkelen. Maar niets ondernemen.

Niemand onderneemt iets.

Ze zijn bang, beseft Balthamon. Bang voor mij.

Voorzichtig, langzaam, haalt hij het flesje, de Inessens, uit zijn binnen­zak tevoorschijn, en houdt die omhoog.

‘BALTHAMON!’ brult de chef. ‘DOE NIETS WAAR JE SPIJT VAN KRIJGT!’

Maar wat dan? Balthamon staat op meer dan twintig meter afstand van de chef; te ver om de Inessens over hem heen te gooien. Wellicht kan hij er een paar hellehonden mee vernietigen, maar niet meer dan dat.

Zijn ze bang dat ik het zelf inneem? Dat ik mijn straf ontloop?

Nee. Demonen genieten van andermans pijn, en zijn wraaklustig, maar Balthamon zal zeker niet gemist worden als hij de donkerblauwe drank in zou nemen en zichzelf zou wissen uit het bestaan.

‘Heer…’

Langzaam draait Balthamon zijn hoofd, en kijkt naar het zilverwitte wezen dat nu op handen en knieën – zijn hoofd omlaag, steunend op het grind – op het dakterras zit. De smeekbedes die van Zalthear komen klinken wanhopig, huilerig.

‘Heer! Alstublieft…’

En dan snapt Balthamon het.

‘IS HET JE OM HEM TE DOEN, ADRAMELECH?’ roept hij naar de chef, en wijst achter zich naar de engel.

Adramelech verrekt geen spier. En verraadt daarmee alles.

‘JA DUS! WAT IS ER ZO BELANGRIJK AAN HEM?’

‘IK KOM NAAR JE TOE, BALT.’

‘BLIJF DAAR!’

Twee meter is de chef naar voren gekomen. Als Balthamon zou willen, kan hij de Inessens naar zijn baas gooien. En wellicht zou hij nog raken ook.

Als Adramelech zich van dat gevaar bewust is, laat hij het niet merken. Hij zet de megafoon weer aan zijn lippen en spreekt nu op zachtere toon.

‘Balthamon, je hebt daar het belangrijkste deel van de operatie die de Orde vijfhonderd jaar voorbereiding en ontelbare miljarden heeft gekost. Ik weet dat je momenteel boos en onzeker over je positie bent, maar we kunnen hierover praten! Doe die fles weg!’

‘WIE IS HIJ?’

‘We leggen alles uit, Balthamon, alles! Maar leg eerst-’

‘NEE! VERTEL HET ME NU!’

Om zijn eis kracht bij te zetten stapt Balthamon achteruit en houdt de fles Inessens boven het hoofd van de engel. Zalthear heeft zijn ogen gesloten, en merkt niets.

‘Heer, ik ben U niet waardig,’ prevelt hij zacht. ‘Ik ben Uw dienaar, en accepteer het Plan dat U voor mij heeft.’

Twee van de hellehonden zetten geweren tegen hun schouders en richten op Balthamon. Adramelech haalt de megafoon van zijn mond, vloekt tegen ze, en de geweren gaan weer omlaag.

‘Balthamon!’ zegt de chef, met de megafoon weer tegen zijn lippen. ‘Er zijn hier heel veel demonen die je neer willen schieten. Maar ik vertrouw op je verstand, en geef je een kans om jezelf hieruit te werken. Kijk in je jaszak! Je hebt de dossiers uit mijn bureau gehaald. Degene met de… foto’s, maar ook een andere.’

Balthamon knippert met zijn ogen.

‘Bekijk dat andere dossier!’

‘BLIJF OP AFSTAND!’

Adramelech knikt, en Balthamon vist voorzichtig, met één hand, het dossier uit zijn binnenzak. Hij neemt die aan de onderkant vast, zwaait die open.

En kijkt in het gezicht van Zalthear.

En eronder, in grote zwarte letters, PROJECT SCHONE SCHIJN.

‘WAT IS DIT?’

‘Lees het!’

Zalthear, de ster die lacht. Rechterhand van Uriël. Vertrouweling van de vijand. Heeft zich vaak bewezen in inmenging met menselijke affaires, met name op het gebied van uitvindingen, kunst en literatuur. Gevangen door de helle­honden in 1566, in Venetië. Programma van indoctrinatie ingezet onder leiding van de kanselier. Na driehonderd jaar initiële weerstand is eerste succes geboekt. Patiënt is niet bekeerd, maar wel doordrongen van ideeën die onze zaak zullen bespoedigen. Prognost Althareon voorspelt dat re-integratie in de Hemel zal leiden tot de publicatie van een boek dat de Westerse samenleving over de grens van het rechts-extremisme zal trekken. Gesloten grenzen, invoering van getto’s en, uiteindelijk, een wapenwedloop tegen de oosterse wereld zijn directe gevolgen. Het aantal te winnen zielen wordt geschat op 1.500.000.000 – 4.500.000.000

Balthamon laat het dossier uit zijn trillende hand vallen. Hij voelt koud zweet over zijn lichaam lopen, en rilt.

‘Nee,’ fluistert hij.

‘Begrijp je het nu, Balthamon? We hebben het! Het wapen dat we willen! Een kans om niet alleen terug te vechten, maar te winnen!’

‘Heer!’

Balthamon voelt de zon branden op zijn nek, en draait zich om naar de zon die in intensiteit is toegenomen. Zalthear is weer overeind gekomen, en reikt zijn handen naar het licht.

‘Heer!’

‘Dit moet gebeuren!’ roept de chef. ‘Voor ons allemaal. Voor heel Hel!’

De bal vuur wordt groter en groter, en Zalthear is bijna een zwart silhouet geworden. Een donkere vlek op die bol van puur, warm licht.

‘HEER!’

‘LAAT HET GEBEUREN, BALT.’

Balthamon kijkt nog één keer achterom naar de chef, voordat hij zich richt op de engel.

‘Het spijt me,’ fluistert hij, en kiepert het flesje boven Zalthear om.

Hij wil nog meer zeggen, maar zijn woorden zijn onhoorbaar onder het gekerm en gekrijs van de engel die zijn eigen essentie verliest. Die verschroeit tot niets. Balthamon kan achteraf niet zeggen of de doods­strijd van de engel vijf seconden, vijf uur of vijf jaar heeft geduurd. Er was een pijn zo diep dat die de hele wereld in beslag nam, en toen was er niets meer.

De zon trekt zich terug, krimpend tot haar normale formaat. Als een rode bal hangt ze net boven de horizon van Hel, waar ze zwak en ontzet­tend kwetsbaar oogt.

Het is stil.

Balthamon staart naar de zich terugtrekkende zon. Naar het lege flesje in zijn handen. Naar de smeulende resten van de engel.

Hij vraagt zich af wat hij gedaan heeft.

‘Bravo, Balthamon.’

Het is de chef die zijn arm om de schouder van de stom geslagen demon legt.

‘Complimenten, m’n beste. Je hebt je aan het script gehouden als geen ander. Ik had zo mijn twijfels toen ik dit rapport voor me kreeg, maar ik moet zeggen dat het bijzonder goed heeft uitgepakt. Een engel ver­dwenen, kwijt, van het strijdtoneel. Je deed het allemaal met de beste bedoelingen, natuurlijk. En dat is het hele punt.’

Balthamon staart vol onbegrip naar de grijns op het ezelgelaat.

Later, als hij in zijn cel zit – dezelfde waar Zalthear in zat, nota bene – heeft hij tijd om alles uit te denken. Hoe ze hem hebben bedonderd. Hoe Lucinda zijn neigingen tot het lichte opmerkte, zijn nachtboek vond, haar bedenkingen doorspeelde aan Adramelech. Hoe Althareon het rapport samenstelde, waarin precies stond uitgestippeld aan welke touwtjes ze moesten trekken om Balthamon over de streep te krijgen. Een dreige­ment van de chef; een celdeur die niet goed afgesloten was; een paar rondslingerende dossiers… Angst, twijfel, leugens. Allemaal om Balthamon op het juiste moment op de juiste plek te krijgen.

Met de engel, en het wapen om de engel te vernietigen.

Met het onwrikbaar geloof dat wat hij deed ook het juiste was.

Later komt dit besef. Nu, op het dak van de Toren, snapt Balthamon alleen nog dat hij er in is geluisd. De chef haalt zijn hand van Balthamons schouder, en twee hellehonden stappen naar voren om de prognost in de houdgreep te nemen.

‘Alles wat in Hel gebeurt,’ vertelt de chef hem, ‘vindt op aarde zijn weerslag. Jouw daad – het doden van een engel, met de beste bedoelingen – zal miljoenen inspireren om daden te verrichten die even vreselijk als goedbedoeld zijn. Miljarden zullen sterven, omdat de westerse wereld weer denkt te weten wat het goede is.’

Balthamon hoort de woorden van de chef maar half. Voelt de tranen niet die over zijn wangen lopen. Het enige waar hij van bewust is, als hij wordt meegesleurd door de hellehonden, is de zon die net boven de horizon staat, laag, en klein, en donker.

En ondergaat.

Categories