web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Jaar » 2018 » Het Gelukkige Land : Jack Schlimazlnik

Het Gelukkige Land

Jack Schlimazlnik

 

Mu hield zijn hand boven zijn ogen om die tegen het zonlicht te bescher­men. Hij kneep zijn donkere ogen samen om de toppen van de torens te zien, hoog boven de fonkelingen van het dak van de Eeuwige Tempel. De weervaan op de torenspits kon hij nauwelijks zien in het middaglicht. Toch leek het hem of de wind was gedraaid. Hij dacht ook te voelen dat het hete zand uit de woestijn de stad binnen werd geblazen en zijn huid streelde en speelde met zijn rossige haar. Vanaf het dak van het pand waarin Mu met zijn moeder en zusje woonde, halverwege de helling die boven de stad uitrees, was niet alleen de tempel te zien. Mu draaide zich een kwartslag, zodat hij over de woestijn uitkeek. De wind blies nu het fijne zand in zijn smalle ogen, waardoor hij begon te tranen. Toch kon hij tussen zijn tranen door zien waarop hij had gewacht.

‘Moeder!’ Hij stormde de trap af. ‘Het komt!’

Er kwam leven in het pand. Niet alleen Mu’s familie leek ineens wakker te worden uit de namaalsslaap, ook de andere bewoners ontwaakten. Zakken werden gepakt, knisperend in het halfduister van de geloken luiken die de warmte buiten moesten sluiten. Touw, gevlochten uit restanten van zakken, werd uit kasten gehaald. Hier en daar werd voor­zichtig een luik op een kier gezet om te zien of het waar was. Overal ritselden de kledingstukken die nodig waren om de woestijnwind te weer­staan: pvc, synthetische raffia, polyetheendoek. Ook uit de andere woon­torens klonken nu kreten. ‘Het komt!’

Het ging erom snel te zijn, wist Mu. Sneller dan de wind die over de woestijn waaide. Hij wond de oude katoenen doek die hij uit huis had gehaald om zijn hoofd. Zorgvuldig plaatste hij het stuk plastic voor zijn ogen, voordat hij het dunne doek ook rond zijn gezicht wikkelde. Alleen de nauwe spleet door het groenige, doorzichtige plastic bleef over, genoeg om nog iets te zien in de zandwervelingen en toch zijn ogen te beschermen. Hij sjorde zijn lange riem om zijn middel vast, zodat de wind niet onder kleren zou komen en zijn huid niet door het zand gegeseld zou worden.

Mu was niet de enige die zich tegen het zand beschermde om de woestijn in te trekken. Uit de nauwe stegen tussen de woontorens, uit alle wijken rondom de Eeuwige Tempel, stroomden de bewoners de woestijn in, een golving van gekleurde doeken en geklapper van de plastic zakken die zij in de wind met zich meedroegen. Gegil van de kinderen, die het onverwachte uitje met enthousiasme tegemoet renden.

Maar er moest natuurlijk ook gewerkt worden. Mu, net veertien en volgens zijn vader ‘hoog op de poten’, rende voor de meute uit. Sneller dan de rest. Sneller dan de wind. De wind wervelde om hem heen. Als een stofduivel voelde hij zich thuis in de woestijn. Het was zijn taak snel te zijn, om wat nog restte van het gezin te kunnen voeden, om de ziekte van zijn zusje en de honger te kunnen bestrijden, om van de wind te kunnen leven. Hoewel de oogst nooit genoeg leek te zijn in de verbijsterende eindeloosheid van de woestijn, was zijn snelheid het enige dat hij had om te ontsnappen aan het sobere leven rond de tempel.

De eerste snippers dwarrelden de vallei binnen. Kleurige resten, glin­sterend en glimmend als juwelen, buitelden op de wind. Mu rende eraan voorbij. Achter zich hoorde hij de vrolijke stemmen van kinderen die de snippers verzamelden. Onder zijn hoofddoek glimlachte hij: zo was hij als kind ook geweest. Ook hij had de trots gevoeld bij zijn bonte verzameling snippers. Toen hij ouder werd, had hij zijn snippers aan de voet van de tempel begraven.

Bijna miste hij door zijn mijmeringen de eerste fles. Het was een grote groene die over de zandgolven hobbelde. Af en toe floot de wind in de hals. Mu rende erheen, sprintte. Hij kreeg de fles te pakken, een mooie, gave fles. Hij schudde het zand eruit voordat hij de fles in zijn zak stopte. Na die eerste fles volgden er meer. Flessen, zakken, potten, dozen. Het was enorm veel wat de woestijn uitbraakte. Na een paar klappen van More Isha had Mu niet meer durven vragen waar alle plastic vandaan kwam, dus probeerde hij daar niet aan te denken terwijl hij de spullen inzamelde. Toen zijn eerste zak vol was, bond hij die op zijn rug met een streng gevlochten plastic. Al snel volgde een tweede zak. Hij was langzamer nu, anderen raapten rondom hem de spullen op. Iets verderop ontstond een opstootje over een groot stuk landbouwplastic dat door twee families werd betwist.

Mu ontvluchtte de drukte. Hij liep verder, tegen de wind in, zijn kleding zwaar van het zand dat in de stof waaide; in de vouwen en in de naden, zelfs in de zomen van zijn plastic broek. Iedereen was zo druk met de oogst, de jacht, dat niemand op hem lette. Hij dook achter een duin, zodat hij voor de anderen verborgen was. Op zijn achterste liet hij zich van de helling glijden, tot aan de voet van het duin.

Achter een flinke rots stond een braamstruik, pal in de wind. Het was een oude struik, bladerloos en kromgebogen. Repen plastic waren in de stekels blijven hangen. Het leek alsof ze een heiligdom sierden, een bijna doorzichtige plastic tempel, als een schitterende edelsteen. Bonte kleuren, glitter en glans, ritselden hier in de verder zo dorre en doffe woestijn.

Voorzichtig haalde Mu het kostbare plastic van de braamstruik. Hij vulde er een hele zak mee, die hij naast de andere twee op zijn rug hing. Schichtig keek hij om zich heen om te zien of hij niet gezien was. Hij hield deze rijke oogstplaats liever voor zichzelf en hoopte dat hij daar genoeg plastic kon oogsten om geneesmiddelen voor Lafaya te ontvangen. Hoe lang zou ze nog hebben? vroeg hij zich bezorgd af. Zes manen, twaalf? De droge, hete wind maakte haar het ademen steeds moeilijker, wat hem het ergste deed vrezen. Met zijn last en de gedachten aan zijn zieke zusje zwoegde hij nog een stuk tegen de wind in, rond de voet van het duin. Toen hij omkeek, zag hij hoe zijn voetstappen achter hem verwaaiden.

Zijn hart klopte hem bijna in de keel. Het was niet de inspanning van het sjouwen door het mulle zand. Het was ook niet de spanning van de oogsttijd. Het was de angst voor wat erna kwam, gruwelijker nog dan de dodelijke bahromesh. Een weldenkend mens, zo hoorde Mu in gedachten zijn leraar oreren, oogst als de wind en maakt dat hij wegkomt voordat ze komen. Wie waren ‘ze’, had Mu willen weten. More Isha had hem die blik toegeworpen, die blik die de leerlingen waarschuwde dat zij zich op het terrein van de taboes begaven, het terrein van de zaken waarover niet werd gesproken. Mu had niet verder gevraagd. Hij leerde alleen dat hij sneller dan de wind moest oogsten.

Hij had gedacht dat hij snel was. Sneller dan de wind. Met zijn drie volle zakken kwam hij echter niet vlot de berg op. Hijgend keek hij achterom, de wijde woestenij in. In zijn verbeelding had hij zich een beeld proberen te vormen van ‘ze’. Hij stelde zich voor dat het mensen waren die hun oogst weg zagen waaien, de woestijn in, naar de vallei van de Eeuwige Tempel. In zijn nachtmerries waren het kwaadaardige mensen, die hun oogst kwamen opeisen en de tempel afbraken. Nu zag hij hoe ‘ze’ op hem afkwamen, uit de richting van het Gelukkige Land waar ook de rijkste oogsten vandaan geblazen werden.

Aanvankelijk dacht Mu dat het vogels waren. Grote vleugels deinden in de wind, klapperend, golvend. Pas daarna zag hij de vele poten onder de wezens. De poten bewogen op brede voeten zorgvuldig door het zand, een wankele gang die door de vleugels in evenwicht werd gehouden. De wezens leken geen lichaam te hebben, alleen een skelet. De wind floot door de beenderen.

‘Mu! Blijf niet staan!’

Mu keek op. Zijn vriend Ameth wenkte hem, met ogen groot van angst in zijn grauwe gezicht. Ameth was minder snel dan Mu, hoewel hij langer was. Zijn traagheid was te zien aan de gereten kleding die rond zijn magere lichaam slobberde.

‘Kom, schiet op!’ riep Ameth, terwijl hij Mu zijn hand reikte. ‘Zal ik een van je zakken overnemen?’

De vrienden verdeelden het gewicht van de oogst over hun ruggen. Toen zetten ze het weer op een lopen. Mu keek nog één keer om naar de vreemde wezens met hun merkwaardige fladderloop en hun angstaan­jagende gefluit. Het spoorde hem aan nog sneller te lopen.

Hijgend arriveerden de jongens bij de stad, nauwelijks de tijd nemend hun hoofdbanden af te leggen en hun oogscherm weg te bergen. Mu beklom de steile stegen, die smal en slingerend tegen de berghelling opliepen; Ameth zat hem op zijn hielen, beiden hadden nog de angst voor ‘ze’ in de knieën. De trappen waren daardoor moeilijk begaanbaar, ook door het opgewaaide zand. De meeste huizen hielden de luiken nog gesloten tegen de storm. En misschien ook wel vanwege ‘ze’, dacht Mu. Hij huiverde. Wat waren dat voor wezens?

Hij had niet lang om erover na te denken, want het werd drukker in de stegen naarmate hij en Ameth dichter bij de Eeuwige Tempel kwamen. De meeste verzamelaars waren blijkbaar al op de terugweg. Er was bijna geen doorkomen aan met de grote zakken vol kostbaar plastic. Toch lukte het Mu en Ameth om tijdig bij de tempel te komen en hun zakken aan de priester te overhandigen.

De priester nam de zakken nederig in ontvangst. Hij controleerde de inhoud op kwaliteit en kleur. Hij bepaalde het gewicht. Het was niet zijn taak de popelende jeugd gerust te stellen. Pas na lang wikken en wegen overhandigde hij de beloning: munten voor de gaarkeukens, de bad­huizen en enkele munten ter vrije besteding.

Mu nam met een van honger knorrende maag de munten aan. Het was niet veel, maar het was voldoende om zijn moeders, broers en zusjes te voeden tot de volgende storm uit het zuidwesten kwam. Hij wist dat het niet veel was, maar hij wist ook dat niemand veel ontving. Hij kreeg, dankzij zijn snelheid bij de jacht, iets meer dan Ameth. Het was niet véél meer, en hij wist dat Ameth niet jaloers was. Wat hij meer verdiende, ging toch vooral naar de geneesheren.

Die nacht kon Mu niet in slaap komen. Steeds wanneer zijn ogen dreigden dicht te vallen, zweefden de skeletten door de woestijn van zijn geest, gedreven door de wind van zijn angstige gedachten. Waar kwamen die wezens vandaan? Het leek of ze van plastic waren: was het mogelijk op ‘ze’ te jagen, hen te doden? Hoeveel zou een van die beesten op­brengen? Was er een bron, een nest? Piekerend staarde Mu in het duister van de woestijnnacht. In de kamer naast de zijne hoorde hij het raspende hoesten van Lafaya. Ze had krachtiger en kostbaarder genees­middelen nodig. Mu draaide zich op zijn andere zijde. Iets in de woestijn lag te wachten tot hij het zou vinden. Dan zou hij rijk zijn en die middelen kopen. Hij wist het zeker, op de drempel tussen waken en wanen, tussen slapen en dromen. Pas toen de zon door de luiken kierde, viel Mu eindelijk in slaap.

 

‘Ik wil je wat laten zien.’ Ameth wiebelde op de bal van zijn voet. Hij stond in de deuropening naar Mu’s kamer. Zijn gebronsde gezicht lichtte gespannen op in het schijnsel van de namiddagzon, een contrast met de loomte die in de warme stad heerste en meestal ook zijn lichaam beheerste.

‘Wat?’ Mu gaapte. Loomheid had hem in zijn greep.

‘Een weg.’ Ameth liet zijn stem zakken en ging fluisterend voort. ‘Een weg naar de hima.’

Mu kwam overeind, de loomheid gleed als een deken van hem af. ‘Dat is taboe!’ fluisterde hij. ‘Daar mag je niet komen, dat is voor de priesters!’

Vanuit de aangrenzende kamer kwam een raspend gehoest. Ameth draaide zijn gezicht erheen. Hij fronste. ‘Wat doen de priesters voor je zusje? We kunnen naar de hima gaan en zelf de goden vragen haar te helpen.’ In zijn opwinding vergat hij bijna te fluisteren.

Mu knikte. Zijn geestesoor hoorde zijn leraar, More Isha, waarschuwen voor de hima: ‘Het is de verblijfplaats van de goden. Zij dulden daar niemand, behalve de gewijde priesters en de heilige dieren. Het gebied is afgezet met duidelijke grensstenen. Wie de grens overschrijdt, zal sterven. De hima is taboe voor jullie.’ Mu huiverde. Hij twijfelde eraan of de hima werkelijk taboe was. De goden waren er immers om de mensen te helpen? Daarvoor werd aan hen geofferd: de plastic snippers van de kinderen, de plastic tempel, moeizaam bijeengegaard door de vol­wassenen.

‘Laten we gaan,’ zei Ameth geestdriftig. ‘Nu kan het nog, voor de zon onder is.’

De twee jongens gingen op pad. De ondergaande zon kleurde de woes­tijn goudgeel. De aanwakkerende avondbries deed het plastic van de tempel rimpelen. De meeste luiken in de stad waren nog steeds gesloten tegen de ongenadige middaghitte, zodat de jongens zich geen zorgen maakten dat iemand hen op zou merken terwijl zij om de tempel heen slopen en op de helling daarachter klauterden.

De weg die Ameth wees, leek meer op een pad: een stoffig voetspoor door de wirwar van dorre doornstruiken. De jongens gingen voort, haak­ten met hun kleding aan de doornen, bukten om onder de laaghangende takken van een tamarinde door te sluipen. Rotsen onttrokken het pad aan het oog van de stadsbewoners. De tamarindes deden hetzelfde voor eventuele blikken uit de tempel.

Het pad werd een nauwe kloof. Het was er donker, de zon drong er niet meer door. Vocht vloeide traag de helling af, verdwijnend in het poreuze gesteente. Diep beneden de voetstappen van de jongens vormde het de bron waar de pompen in de stad het schaarse water uit putten.

‘Is het nog ver?’ vroeg Mu. Hij fluisterde als de wind in de tamarindes. De avondbries was verkoelend doch zou snel verkillen. In het duister wilde Mu niet buiten zijn, niet in de hima, maar ook niet buiten de veiligheid van de stad.

‘Ik ben hier ook nooit geweest.’ Ameth wierp een blik over zijn schouder. Hij schatte de tijd in die nog restte voor de duisternis de hemel zou beheersen, zijn arm gestrekt, zijn duim omhoog. ‘Nog een klein stukje verder, daarna zullen we terug moeten als we nog tijdig thuis willen komen.’

De nacht jaagde op de jongens zoals de jongens op het plastic jaagden. Sneller dan de wind. Maar de wind was gaan liggen toen de jongens de grensstenen van de hima bereikten, alsof de wind de grens niet over kon. De grensstenen waren slanke pilaren, reikend naar de hemel, elk bekroond met een ster. Achter de poort die de pilaren vormden, lagen de ceders en cipressen van het heiligdom.

Met de nacht in hun rug bleven de jongens stilstaan. Zwijgend. Uiteindelijk was het Mu die de heilige grens als eerste overschreed. Zijn hart klopte in zijn keel toen hij de stap nam. Maar, zo redeneerde hij, als mijn hart blijft slaan, ben ik nog in leven; zolang is er nog hoop, voor mij, voor Lafaya.

Ameth volgde. Hij nam spoedig weer het voortouw en nam het pad tussen de ceders door, dieper het heiligdom in.

Mu merkte hoe het pad daalde onder zijn met plastic omzwachtelde voeten. Hij voelde het in zijn kuiten. Hij veegde het zweet van zijn voor­hoofd, en toen hij even bleef staan om uit te rusten, had hij een uitzicht dat hij zijn leven lang niet meer zou vergeten.

Ameth keek om, om te zien waar zijn vriend bleef. Zijn blik werd echter halverwege getroffen door het uitzicht dat zich daar tussen de ceders openbaarde. Daar strekte zich een rijk begroeid keteldal uit. Het laatste daglicht liet er boomgaarden en akkers zien, weiden met dieren ook. Hier en daar stonden gebouwen, zo te zien woonhuizen voor degenen die daar werkten, schuren voor voorraden, stallen voor het vee. Van de hellingen van het keteldal klaterden watervallen die zich tot rivieren vormden, die in een meer uitmondden. Op het meer voeren enkele vissersbootjes. In het midden van het meer lag een eiland, dat echter onbewoond oogde. Vanuit het dal steeg een kruidige lucht op, gezoet door bloesems. Het geheel was licht bedwelmend voor de voorbijgangers die slechts het stof van de woestijn gewend waren.

Dat is vast de hima van de hima, dacht Mu toen hij het eiland zag. Het heilige der heiligen, het grootste taboe. Hij werd vervuld met een groots gevoel. Hij zag voedsel en water in hoeveelheden die hij nooit eerder had gezien. Wat zou hij de goden om genezing vragen? De hima had zo te zien alles wat nodig was om Lafaya te genezen.

Ameth stootte zijn vriend aan. ‘We moeten terug.’ Hij wees op de zon die de rand van de overkant van het keteldal raakte.

Mu knikte, maar liet zijn blik nog even rustten op wat voor hem lag. Hij had het idee dat hij nu de wereld begreep. De goden, de priester, de tempel, de plasticoffers. Een openbaring. Toen hij echter Ameth volgde, het pad op, langs de ceders en de tamarindes, vervluchtigde het idee grotendeels. De wereld waarin hij liep werd te tastbaar. Hij moest zich inspannen om te zien waar hij zijn voeten zette. Hij deed moeite de doornstruiken te vermijden, maar voelde het bloed over zijn huid stromen.

Ze passeerden de grenspilaren van de hima. Daar hielden ze even halt, controleerden door aan elkaars haar te trekken of ze nog leefden, of de toorn der goden hen nog niet had geraakt. Alles leek in orde. Daarom liepen de jongens verder, zo snel als de duisternis toeliet.

Ameth en Mu kwamen terug in de woestijnstad, niemand wachtte hen op, niemand bewaakte de stad die eenzaam in de leegte lag; blijkbaar had niemand hen gezien of gemist.

Een enkel licht deed de Eeuwige Tempel van binnenuit gloeien als een veelkleurig baken in de woestijn. Mu keek op naar het licht. Hoeveel offers waren er nodig geweest om de tempel te bouwen? dacht hij. Hoe­veel flessen, doeken, potten en pijpen waren in het bouwwerk verwerkt? Hoelang verzamelden de priesters hier al plastic in ruil voor het stillen van de ergste honger – en hoelang al hielden ze de weelde van de hima geheim?

Het hield hem bezig toen hij naar huis liep. Hij zag de armoe in de stad, het stof, de dorren planten in de betegelde tuinen, de roestige buizen die getuigden van het water dat ooit rijkelijk had gevloeid. Waarom hadden de priesters de kraan dichtgedraaid? Waarom lieten ze de stedelingen niet vrijelijk van de rijkdommen van de hima profiteren? Mu’s verbazing groeide langzaam naar ongeloof. Toen hij Lafaya hoorde hoesten, bloeide woede op, die woekerde door Mu’s gedachten. Hij liet zich in bed glijden, maar bleef wakker tot zonsopgang: de woede raasde door zijn bloed.

 

Toen hij na een korte slaap wakker werd, het liep al tegen de middag en de zon geselde de dikke leemmuren van de stad, had Mu zijn besluit genomen.

Hij pakte zijn beschermende plastic kleding bij elkaar, extra zakken, en zijn oogbeschermer. Hij keek uit over de stad vanaf het dak van zijn thuis. Majestueus stond de Eeuwige Tempel op de flank van de berg, het plastic ervan was het enige in de wijde omgeving dat glom. Beneden hem lag de doolhof van stegen en trappen, van binnenhoven en daken. Overal sliepen mensen tussen het stof, want op het heetst van de dag werd er niet gewerkt. De ouderen hadden zich binnen teruggetrokken, de luiken van hun duistere kamers waren gesloten.

Dit is de juiste tijd om te gaan, dacht Mu. Hij wierp nog een blik op de tempel. Het was afschuwelijk dat de priesters zoveel macht hadden, dat zij die macht misbruikten en Lafaya niet hielpen, terwijl zij dat met de natuurlijke rijkdom van de hima vermoedelijk wel konden. De tempel was ongenaakbaar, eeuwig. Mu wist dat hij de tempel niet kon bestormen. Hij kon het gevecht met de priesters niet aan. Om Lafaya te redden, had hij een ander plan bedacht.

Hij sloop weg uit het huis. Hij sloop door de ondiepe, doch zeer donkere schaduwen van de middag. Hij bereikte de poort van de stad zonder dat iemand hem tegenhield, vermoedelijk had niemand hem gezien. De stads­poort was gesloten. De poortwachters hadden zich achter luiken terug­getrokken om hun middagmaal te verteren in hun slaap, Mu hoorde hen ronken. De poort en de vergrendeling waren min of meer symbolisch. Behalve de ‘ze’ daarbuiten was er niemand, en ‘ze’ hadden nooit een rechtstreekse aanval op de stad ondernomen. Het kostte Mu daarom geen enkele moeite de grendel op te tillen en de poort te openen. Hij glipte tussen het droge, door zand gegeselde hout door, daarna liet hij de poort voorzichtig dichtvallen.

Hij stond buiten.

Hij rende naar het dichtstbijzijnde duin. Mu liet zich in het zand vallen. Gespannen keek hij over de blanke top naar de stad.

Niets. De stad lag erbij alsof de zon haar in een eeuwige slaap had gebracht.

Mu draaide zich op zijn rug. Hij hijgde. Het zweet stroomde over zijn gezicht. Toen hij weer bij adem kwam, kroop hij uit het zicht van de stad naar de schaarse schaduwen van een door watergebrek kromgetrokken braamstruik. De doorns konden hem beschermen tegen ‘ze’, hoopte hij. Hoewel hij wist dat zijn schuilplaats te dicht bij de stad was gelegen om veel last van ‘ze’ te hebben.

De kille nachtlucht wekte Mu. Hij wiste vocht van zijn gezicht, niet zeker of het zweet of dauw was. Het was donker, maar niet zo duister als Mu had gehoopt. In het licht van de maan zag hij voldoende van de omgeving om zich goed te kunnen oriënteren. Hij zag echter ook de omtrekken van de stad, waarop hij vermoedde dat wie naar de woestijn keek hem zou moeten zien staan in de maneschijn.

De stad leek nog steeds te slapen – of weer. Mu hoorde niets achter de poort, achter de luiken en de deuren. Er was zelfs geen briesje wind om de schaarse bladeren binnen de betegelde tuinen in beweging te brengen.

Mu rechtte zijn rug. Hij moest nu weggaan, voordat hij zich bedacht en omkeerde. Hij bedwong de neiging nog een keer achterom te kijken, naar de stad. Stap voor stap verwijderde hij zich van zijn geboorteplaats. Zijn voetafdrukken werden al snel door wind en zand weggevaagd, zodat er geen weg terug meer was, alleen de eindeloze woestijn.

Waar zijn ‘ze’? Dacht Mu. Hij wist niet of ‘ze’ ‘s nachts ook door de woestijn liepen. Hij spitste zijn oren om elk geluid op te vangen. Hij hoorde het wegschieten van een slang, het sissen van zandduivels, het ratelen van de scaraboa en de zang van een kaladris, het fluisteren van zefiers, zelfs ver, ver in de nacht het loeien van een eenzame karkadan, maar nergens het vreemde fluiten dat ‘ze’ eerder hadden laten horen.

De jongen sjokte door het mulle zand. Het ging niet snel, maar eerder dan hij had gedacht had hij de laatste torens van de stad achter zich gelaten. Hij kwam in het gebied waarvan hij had gehoord dat ‘ze’ er zouden moeten huizen, maar hij zag of hoorde er niet een. Op zijn hoede ging hij verder. Na verloop van tijd merkte hij dat ook de bergen die de hima verborgen achter de horizon waren verdwenen. De zon brandde inmiddels op zijn huid, zweet stroomde tappelings langs zijn lichaam. Met zand verzadigde kleding schuurde tot bloedens toe over zijn ledematen.

Op een vlakte bleef Mu stilstaan bij sporen van iets. Iets groots had met poten door het zand gesloft en daarbij een duidelijk spoor achtergelaten. In de luwte binnen een del, waar het zand nog vochtig was van de dauw, had de wind het spoor niet verwaaid. Mu voelde zijn hart sneller kloppen. Waren dit sporen van ‘ze’? Buiten het del vervaagden de sporen tot ze niet meer te zien waren in het rulle zand. ‘Ze’ waren nergens te zien, toch besloot Mu om zijn weg te vervolgen in de richting waar ‘ze’ vandaan waren gekomen. Hij hoopte dat hij zo minder kans had met ‘ze’ gecon­fronteerd te worden. Hoe verder hij zich van de sporen verwijder­de, des te geruster hij werd.

Hij wist dat hij water nodig had. De plastic flessen met het kostbare water, die hij had meegenomen, waren niet voldoende om door de woes­tenij te wandelen. Hij had al een fles leeggedronken en aan de wind geofferd. De tweede was al voor een derde deel leeg. Hoewel Mu voort­ploeterde, nam hij op de toppen van de duinen de tijd om de horizon af te speuren naar een bron van water en, naarmate de tijd verstreek, een plaats om veilig te slapen.

Een donkere plek in het zand bleek de schaduw van enkele bomen en struiken te zijn die eerder door luchtspiegelingen verborgen waren geweest. Mu sjokte erheen. Hij was sneller gaan lopen toen hij het lommer van de bomen zag. Hij beredeneerde dat waar planten waren, ook water was te vinden. Hijgend liet hij zich in de schaduwen vallen. Het was nog ruim voor zonsondergang, maar hij was uitgeput.

Niet in slaap vallen, dacht Mu, niet nu. Hij knipperde met zijn ogen en nam zijn oogbeschermer af. Zonder het bekraste plastic kon hij veel beter zien waar hij was. Hij zag de vruchten die aan de bomen hingen, de bessen aan de struiken. Tussen het gras zag hij een gemetseld bouwwerk: laag, bemost en oud.

Hij ging op zijn knieën zitten. Het bosje was niet groot genoeg om vijanden te verbergen, het was nauwelijks groot genoeg om aan een eenzame jongen beschutting te bieden. Toch vond hij het bouwwerk angstaanjagend: wie had het gebouwd? Waren ze nog in de buurt? Het waren in geen geval ‘ze’ die dit hadden gebouwd. Maar het was niet te zeggen of de bouwers Mu vijandig zouden zijn.

Hij dacht aan zijn missie. Hij dacht aan Lafaya. Hij stond op. De vruchten die zo uitnodigend voor zijn neus bungelden, plukte hij voorzichtig. Ze zagen er eetbaar uit, glanzend van het vocht op de roze huid. Hij rook eraan: ze waren zoet. Hij brak een van de vruchten met zijn handen open. Het sap gleed over zijn vingers in zijn handpalm, over zijn pols en onderarmen. Het smaakte zoet en zuur tegelijk. Hij at de vrucht die zijn honger stilde en zijn dorst leste terwijl hij zich afvroeg wat hij hiervoor moest offeren.

Daarna liep hij naar het bouwwerk.

Het was een ronde, gemetselde muur. Het metselwerk had een houten afdekking. In het hout zat een luik met metalen scharnieren. Het metaal was verroest tot een dikke klomp, het hout was vermolmd. Mu herkende het bouwwerk van zijn geschiedenislessen: dit was een put zoals zijn voorouders die hadden gebruikt. Lang geleden, toen ze nog door de woestenij hadden getrokken met hun vee, hadden ze dergelijke bronnen gebruikt om water te putten zonder dat er plastic geofferd hoefde te worden.

Mu trok aan het hout. Het versplinterde onder zijn vingers. Hij hoorde een roestklomp in water plonzen. Hij hoorde het water! Zijn hart bonsde als een bezetene. Water! Zo dichtbij, maar nog steeds onbereikbaar. Hij rukte de resten van het hout weg. De geur van fris, vers water walmde naar boven. Een aardewerken kan hing met zijn oor aan een ketting die met een haak aan de bovenrand van de put was bevestigd. Hoewel de ketting roestig was, deed hij zijn werk: moeiteloos putte Mu het frisse water dat in de diepten van de woestijn gekoeld was geweest. Hij leste zijn dorst door uit de kan te drinken.

Twijfel kwam bij hem boven drijven. Ik had die fles niet moeten offeren, dacht hij. Maar hoe had ik dan mijn dankbaarheid moeten tonen? Had ik dankbaarheid moeten tonen nu, achteraf gezien, mijn leven op het spel zou kunnen staan omdat ik slechts twee flessen heb om te vullen in plaats van drie? Hij voelde zich ongemakkelijk, waardoor hij opkeek naar de hemel, waar de zon genadeloos scheen. Wat zijn het eigenlijk voor goden, zo dacht hij grimmig, die Lafaya ziek maken en die de priesters hun hima laten houden terwijl de bevolking snakt naar de vruchten ervan? Hij spuwde het water op de grond. Hij had de goden niet nodig, hij had zijn eigen put, zijn eigen vruchten. Hij was op weg om zijn zuster beter te maken, iets wat de priesters met hun goden niet konden – of niet wilden.

Mu bleef een hele dag bij de put. Er was meer te eten dan hij op kon, er was meer te drinken dan hij nodig had, hij moest meermaals zijn riem verstellen. Hij waste zich meer dan eens en steeds had hij het gevoel dat met het stof ook iets van zijn verleden werd verwijderd, stoffige muize­nissen en muffe herinneringen, maar ook iets dat hij als onbezorgd­heid duidde, waardoor het doel van zijn tocht hem scherper, schoner voor ogen kwam te staan: de rijkdom waarmee hij de geneesmiddelen voor Lafaya zou kopen.

 

Op de ochtend na zijn tweede nacht bij de put ontdekte Mu dat zijn lievelingsvruchten, grote rode ballen met wit vruchtvlees en helder, geel sap, op waren. Er hing niet één vrucht meer aan de boom. Er was in het bosje slechts één boom die die vruchten droeg. Op – en niets geofferd voor het feestmaal dat de goden hem hadden geschonken. Nee, dacht hij, zo moet ik niet denken. Als ik de goden had gevolgd, was ik hier nooit gekomen. En hij besefte dat hij verder moest trekken, verder de woestijn in naar de bron van het plastic, waar het plastic vandaan kwam, waar het groeide en bloeide in hemelse hoeveelheden. Hij had er zoveel van nodig, dat de priesters hem alles moesten geven om Lafaya te genezen.

Laat in de middag ging hij op weg. De zon ging al onder, zodat het snel af zou koelen. De volle maan stond al aan de andere horizon, klaar om in de nacht Mu’s pad te verlichten. De duisternis viel snel in. Het fluweel van de nachthemel trok over de woestijn, maar wist de eenzame jongen niet te verwarmen.

In het prille ochtendlicht, vele fasoekh verder, zag Mu enkele gebouwen staan: hoekig leem met zwarte ogen. Er was echter geen leven te zien, de nederzetting leek verlaten. Mu liep voorzichtig het gehucht binnen. Door de ramen was steeds een lege kamer te zien. Bij veel gebouwen was het platte dak ingestort of geheel verdwenen. Keien vormden de oevers van een stoffig bevloeiingsstelsel, de velden lagen er dor bij. Hier en daar zag hij kralen van leem en stro, maar dieren waren evenmin te vinden als mensen.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Hadden ‘ze’ de bevolking op de vlucht gejaagd, of was er iets ergers gebeurd? Hij bleef plots staan, luisterend, spiedend. Iets ritselde. Hij hoorde het dichterbij komen. Er bewoog iets, hij zag het in zijn ooghoek. Toen hij zijn hoofd ernaar draaide, lachte hij: het was slechts een droog bosje gras dat door de wind gedreven door het dorp tuimelde.

Toen klonk een klap.

Onmiddellijk was Mu weer op zijn hoede. Was hij opnieuw door de wind geschrokken? Er klonk een stem, gevloek. Verderop was iemand. Mu besloot ondanks alles toch kennis te maken. Hij liep een smalle, beschaduwde straat door en over een brug die nutteloos de oevers van een droge rivierbedding verbond, in de richting van het geluid.

Een oude man zat op een stoel voor een lemen huis. De plastic gordijnen die de zwarte ogen blindeerden wapperden in de wind. Even dacht Mu door het geluid van het klapperende gordijn dat het een tempel was, de man in zijn gewaad met gevlochten stroken vinyl een priester, maar niets zag er gezegend uit.

‘Vrede zij met u!’ riep Mu de man toe.

De man keek verschrikt op. Langzaam kwam hij overeind van zijn stoel, zijn gewrichten kraakten net zo hard als het uitgedroogde hout van het zitmeubel. Zijn plastic gewaad knisperde in de droogte. ‘Vrede met u, vreemdeling,’ zei de man met schorre stem.

‘Kan ik hier rusten voordat ik mijn reis voortzet?’

De man aarzelde even. Zijn bloeddoorlopen ogen schoten heen en weer. ‘Ja. Ja, natuurlijk. Ik heb niet veel, maar u kunt rusten op het dak van mijn woning.’ Met een zwierige zwaai nodigde hij Mu uit het huis binnen te gaan.

Mu ging binnen. Een gat in het dak verlichte de woning, die op een haard en een stenen ligbank na, leeg was. Alleen in de voorgevel, aan weerszijden van de deur waren vensters gemaakt. Op de muur er tegen­over was een merkwaardige tekening gemaakt van vrouwen met volle borsten en bolle buiken rond een bloeiende plant, het geheel in donker­bruine vegen en lijnen, ingekleurd met oker. Een ladder leidde door het gat naar het dak. Mu klom omhoog. Hij bleef staan aan de top van de ladder om de omgeving in zich op te nemen. Het gehucht, een dozijn gebouwen, zo te zien boerderijen met stallen en kralen, lag te midden van akkerland. De bevloeiingskanalen waren duidelijk te zien, het was te zien dat het land geploegd was, maar er groeide niets. De akkers waren kaal en stoffig, iemand zou kunnen denken dat de boeren er stenen teelden. Aan de verste horizon lag een bergketen, misschien nog een half dozijn fasoekh verwijderd. Daar schitterden daken van een stad. Mu herkende het landschap uit de boeken van More Isha: dat was het Gelukkige Land. Het klonk hoopvol, wat zijn hart verlichtte. Daar zou beslist genoeg plastic zijn om Lafaya te genezen. Hij dacht zelfs een vlucht kleurig plastic te zien, die over de zandheuvels buitelde. Hij zette zijn hand tegen zijn voorhoofd om zijn smalle ogen van de zon af te schermen. Zijn voorhoofd was klam van het zweet, zodat hij besefte dat hij, nu de zon hoog in het zwerk stond, beter kon rusten om tegen de avond zijn tocht voort te zetten.

Hij ging zitten tegen de muur die het platte dak omgaf. Het gaf hem net voldoende schaduw om onderuit te zakken. De hete wind speelde plagerig met zijn rossige lokken en met zijn knerpende plastic bovenkleed. Hij voelde hoe moe hij was, waarop hij prompt indommelde.

Het was slechts een fluistering die Mu deed ontwaken. De jongen sloeg zijn ogen op, om in het gouden gezicht van een jonge vrouw te kijken. Haar blauwe haren dansten in de wind, haar bruine ogen schitterden als edelstenen achter haar lange wimpers. Haar mond was breed, met lippen gekleurd als tamarindebloesems, haar neus plat en breed. Ze droeg een lang gewaad van lichtblauw plasticfolie. Ze deed Mu denken aan zijn moeder; aan Lafaya ook, die zonder zijn hulp nooit zou opgroeien zoals de vrouw voor hem.

‘Wat is er?’

De jonge vrouw drukte een lange, gouden vinger tegen zijn lippen. ‘Sst.’ Ze keek om naar het gat in het dak, maar daar was niets te zien. ‘Abu Iram verbouwt bahromesh.’

Bahromesh! Het woord alleen al bezorgde Mu de koude rillingen. More Isha, zijn leraar die hij inmiddels wel miste, had er slechts omfloerst over durven spreken. Bahromesh, de beestplant die zich met bloed voedde. In het wild ving de beestplant kleine knaagdieren, verdwaalde geiten en schapen, diverse vogelsoorten, soms een karkadan. Kort dacht Mu aan een boer die de beestplant op zijn akkers had, maar hij huiverde toen hij wist waarom er, behalve de boer, geen sterveling meer in het dorp te vinden was.

‘De akkers zijn dor,’ zei de vrouw. ‘Hij heeft je nodig voor de volgende oogst. Hij zou mij nemen, als hij wist van mijn bestaan.’

‘Ik moet hier weg,’ zei Mu. Hij keek zenuwachtig om zich heen. Toen maakte hij zijn riem los, een lange strook gevlochten plastic die om zijn middel was gewikkeld. Daarmee kon hij ongezien van het dak komen.

‘Ik ga met je mee,’ zei de jonge vrouw. Ze knoopte de vlecht aan een houten staak die misschien stevig genoeg was om Mu’s gewicht te torsen.

Juist toen Mu over het muurtje klom, hoorde hij slepende voetstappen in de kamer beneden zich. De oude man, dacht hij, de boer die mijn bloed wil hebben om zijn bahromesh te voeden! Hij liet zich snel naar beneden glijden.

Hij hoorde de jonge vrouw gillen. Blijkbaar was Abu Iram de ladder opgeklommen.

‘Dailha! Wat doe jij hier?’ zei de schorre stem van de oude man.

‘Laat me los!’ De jonge vrouw, die blijkbaar Dailha heette, sprak met trillende stem.

‘Je bent vruchtbaar. Ik heb je kinderen nodig om mijn akkers te bevruchten.’

‘Laat me gaan! Je bent gek!’

‘Je bent mijn dochter en ik beveel je ontvankelijk te zijn!’

Mu hoorde plasticfolie kraken en scheuren. Zijn hart klopte hem in de keel. Moest hij naar boven klimmen om Dailha te helpen? Zenuwachtig legde hij zijn handen op het korrelige, droge leem, op zoek naar een weg terug naar boven.

De jonge vrouw krijste. ‘Was het bloed van je zeventien vrouwen en je dertig dochters niet voldoende? Was het bloed van je zeventig zonen niet voldoende? Kijk dan. Kijk dan! De goden hebben je verlaten. De droge zaden van de bahromesh zijn verschrompeld in de hitte, hun bloemen zullen hier nooit meer bloeien, hun muilen nooit meer zuigen!’

Er klonk een klap. Een snik, huilen. Het kreukelen van plasticfolie.

‘Dailha! Spring!’ riep Mu wanhopig naar boven.

Ze sprong. Samen zetten ze het op een rennen, waarbij Mu werd gehin­derd door het ontbreken van zijn riem. Af en toe struikelend over de zoom van zijn gewaad, nu en dan rechtop geholpen door Dailha, legde hij enkele fasoekh af, tot de zinderende zon onderging en de nederzetting achter de heuvels was verdwenen. Mu liep daarna langzamer over de weg naar de verre bergen, Dailha naast hem. Ze had haar gouden lichaam gewikkeld in een laag pas geoogst roze plastic, die om haar heen wapperde in de aanwakkerende avondwind.

‘Zou hij ons achterna komen?’ vroeg Mu toen ze even rustten.

‘Die ouwe? Nee. Abu Iram kwam nooit buiten het dorp. Ook niet toen hij alle inwoners had gevoerd aan de bahromesh.’ Ze nam een slok water uit een van Mu’s flessen. ‘Weet je, hij lijkt zelf een bahromesh, met zijn wortels vastgegroeid in de droge grond van ons dorp. Hij weet dat hij het niet kan overleven, maar hij handelt evenmin om wel in leven te blijven.’ Ze richtte haar bruine ogen op Mu. ‘Ik wil wel blijven leven. Ik wil dat jij blijft leven. Ik zocht hier gezelschap, maar vond slechts de barre velden met hun bloedige wortels. Maar nu ook jou.’ Haar lippen dwarrelden als tamarindebloesems op die van Mu, hun tedere ontmoeting smaakte zoet, zo zoet…

Ze kwamen even later bij een tweetal stenen, die dicht tegen elkaar aan stonden, zoals zij eerder teder en verlegen tegen elkaar hadden gestaan. Er stonden sierlijk slingerende tekens op. Mu las deze oude tekst, die hier en daar door zandstormen was weggevaagd. ‘Het Gelukkige Land,’ las hij hardop. Eronder stond een pijl die in de richting van de bergen wees.

‘Het is niet ver meer,’ zei Dailha.

Mu hield zijn hoofd schuin en keek haar met gefronste wenkbrauwen aan.

‘Ik ben hier met mijn moeder geweest, toen we wegvluchtten van Abu Iram. En ik ben hier geweest toen ik terugkeerde om wraak te nemen en gezelschap te zoeken.’

‘Heb je wraak genomen?’

Ze schudde haar hoofd, haar blauwe haar danste in de wind, glansde in de zon. ‘Dat heeft geen zin,’ zei ze zacht. ‘Hij zal in alle eenzaamheid een pijnlijke, langzame hongerdood sterven.’ Ze knielde op het pad. Uit een plooi van haar gewaad haalde ze een dorre knol van een plant die Mu niet herkende. Ze groef een kuiltje tussen de voetstappen die ze hadden achtergelaten op de weg naar het dorp van Abu Iram. Toen pakte ze de waterfles die ze droeg. Voorzichtig liet ze enkele druppels water op de knol vallen. Daarna stapte ze achteruit.

De knol zwol op als gries. De droge, fluweelachtige bladeren zogen zich vol met water en ontvouwden zich naar het licht. De dunne wortelen kronkelden de zanderige bodem in, als bange slangen. Uit het puntje van de knol ontsproot een groene stengel met een scherpe, spitse top, hongerig naar voedselstoffen in de lucht. Mu sloeg het geheel verbaasd gade. More Isha had op school natuurlijk wel gesproken over de landbouwgewassen, maar het was iets heel anders het te ervaren.

‘Achteruit, Mu.’ Dailha trok aan zijn mouw.

Mu deed twee stappen terug, nog steeds starend naar de plant die nu een okergele vacht en zwarte klauwen ontwikkelde. De spitse punt aan de stengel werd een muil met scherpe tanden. Een bahromesh, dacht hij, ze heeft de weg naar haar dorp geblokkeerd met een bahromesh! De snuit draaide zich naar het tweetal, het dichtstbijzijnde bloed dat de beestplant kon ruiken. Mu draaide zich om en rende in een stofwolk weg, gevolgd door Dailha.

 

Ze liepen onder het schijnsel van de maan door, over een pad dat slechts met enkele opgerichte stenen werd aangegeven. De bergen van het Gelukkige Land bleven echter aan de horizon staan, ze kwamen niet dichterbij, zelfs niet toen de zon opkwam en een lint van opgerichte stenen voor het tweetal uit meanderde. Wel was in het zonlicht te zien hoe hier ooit mensen hadden gewoond. Grondvesten van gebouwen, boer­de­rijen, stallen, woonhuizen, hele nederzettingsresten lagen bloot in het zand. De omtrekken van akkers en weiden waren duidelijk te zien. Oude wadi’s hadden een grillig patroon in de bodem uitgesleten, waarlangs de laatste vegetatie was verdord. De wind fluisterde knerpend door het droge riet, een grijze, bladerloze boom kreunde op de bries, het vale gebeente van mens en dier lag nog altijd smachtend langs de oever. Slechts stofduivels dansten over de paden waarvan wervelwinden de loop bepaalden.

Hebben ‘ze’ dit gedaan? vroeg Mu zich af. Sinds hij Abu Iram had horen tieren, was hij er niet meer zo zeker van. De boer die zijn zeventien vrouwen en zijn volwassen dochters onophoudelijk bezwangerde om zijn eigen zonen te kunnen offeren aan de beestplant, had diens eigen dorp te gronde gericht, vermoedde Mu aan de hand van wat Dailha hem onderweg had verteld. Daar hadden de goden niets mee te maken, ‘ze’ evenmin. Grimmig herinnerde Mu zich de priesters die de hima voor zichzelf hielden en de mensen nooddruftig lieten. Waren ze zoveel beter dan Abu Iram?

Het heetst van de dag was al voorbij toen Mu het doel van zijn lange reis zag. Vruchtbare velden vol plastic lagen voor hem, gedrapeerd over glooiende heuvels. Het had alle kleuren en alle formaten, alles groeide door elkaar. Hij zag flessen, zeilen en zakken, hardplastic dat zelden aan kwam waaien in zijn stadsvallei, hij zag linten, slierten en folies, alles klapperend en wapperend in de warme woestijnwind. Hij had zakken nodig om het mee te voeren, flessen om water in te doen voor de terugtocht. Hij kon nieuwe kleding gebruiken. Hij wist echter niet waar hij moest beginnen in de weelde en rijkdom van het Gelukkige Land.

‘Wat kijk je nou naar die vuilnisbelt?’ Dailha stond al een stukje verder op de weg naar de stad die nu duidelijk op de berghelling te zien was. Zelfs de hangende tuinen met hun wuivende palmen en klaterende watervallen waren te onderscheiden. ‘Kom op, dan zijn we voor zons­onder­gang binnen.’

Mu keek hoe een stuk plastic zich van de akker losmaakte en door de wind werd meegenomen, de woestijn in. Misschien zou het in zijn doorn­struik blijven hangen, misschien zou Ameth het plastic weten te vangen. Vuilnisbelt? dacht hij. Ze weten hier niet wat ze weggooien. Tegelijkertijd besefte hij dat wanneer dit afval was, er verderop veel meer plastic moest zijn.

Ze liepen tussen de velden met plastic door.

‘Ze noemen het de Eeuwige Velden,’ zei Dailha, ‘want het plastic is eeuwig. Het vergaat niet.’

‘Mijn volk heeft er een schitterende tempel van gebouwd, de Eeuwige Tempel.’ Terwijl hij het zei, voelde Mu een verschrikkelijk verlangen naar zijn eigen huis, naar zijn familie en vrienden. Het kostte hem moeite de volgende stap te zetten, weer een stap verder van huis. Juist nu het doel in zicht was, voelden zijn voeten als lood.

Mu hoorde het gefluit het eerst. Hij wist dat hij het eerder had gehoord, maar kon het niet onmiddellijk thuisbrengen. Het klonk als het fluiten van de wind door… door een geraamte. Hij zag het weer voor zich, het skelet van plastic onder de golvende vleugels, de breedvoetige poten die door het zand stapten. ‘Dat zijn ‘ze’,’ riep hij Dailha toe. Angstig keek hij om zich heen: er was geen plaats waar ze zich konden verschuilen tegen ‘ze’. Hij zag wel hoe een van de wezens traag door het veld kwam lopen, het grote, open lichaam wiegend in de wind, de gezichtsloze kop zoekend naar lucht.

‘Ren voor je leven!’ Mu voegde de daad bij het woord. Zijn met plastic omwikkelde voeten lieten een stofwolk achter toen hij naar de stad in de bergen draafde. Hij stopte abrupt toen hij merkte dat Dailha hem niet volgde.

Dailha kuchte. ‘Hij is bang voor uw vee, Melichat,’ riep ze.

Melichat, een oudere vrouw, sjokte achter het windbeest aan, dat een slede gevuld met plastic door het mulle zand trok. ‘Dat zal wel bijtrekken, Dailha-liefje.’ Ze keek naar Mu, waarbij zij haar door wind en zand ge­teken­de gezicht naar hem keerde. Haar ogen waren even bruin en schit­terend als die van Dailha. Haar grijze haren krulden als zijderag onder haar plastic sluier uit.

Mu keek naar de twee vrouwen. Hij zag hun gelijkenis. Melichat moest Dailha’s moeder zijn.

De oudere vrouw nam de jongere liefdevol in haar armen. Ze glimlachte naar Mu. ‘Je hebt mijn dochter geraakt. Ze straalt helemaal, als de zonne­godin, moge zij ons zegenen. Laten we naar mijn huis gaan.’

Het huis was niet veel meer dan enkele staken, bedekt door zwart land­bouwplastic. Doorzichtig plastic vormde de ramen. Van binnen waren de wanden gemaakt van allerlei kleuren plastic, vastgeknoopt aan het staketsel dat het huis overeind hield. De weinige meubelen waren op dezelfde manier gemaakt.

Voor Mu door de deur binnenging, bekeek hij het erf. Overblijfselen van eerdere bebouwing, van leem en baksteen staken hier en daar boven het zand uit. Ook hier is een dorp verwoest, dacht hij. Hij vroeg zich af hoe de stad er binnen de muren uit zou zien, of Melichat en Dailha al eens in de stad waren geweest. Hij wierp een laatste blik op de stad, op zijn tuinen en torens, op de muren en ramen, op de tempels en paleizen, waarvan de daken en torenspitsen volgens More Isha bekleed waren met goud en de muren met kostbare plastic mozaïeken, gemaakt van edelstenen, waren ingelegd.

‘Mijn familie woont hier al sinds mensenheugenis,’ zei Melichat. ‘Toen de opstand tegen de priesters begon, trokken de meesten van ons naar de hima. Daar hebben ze de stad gesticht, het Gelukkige Land. Ik bleef hier, ik leefde van wat de enige overgebleven priester nog uit de hima wist te halen.’

Mu’s mond viel open. ‘De stad is in een hima gebouwd? En de goden dan?’

Melichat haalde haar schouders op. Ze grimaste weemoedig. ‘Binnen tien jaar was er niets meer van de hima over. De bossen waren gekapt, het water verspild en vervuild, de akkers onvruchtbaar. De goden waren eerder al gevlucht, met de priesters mee.’

Net goed, dacht Mu. Als het van die inhalige schrapers waren als de priesters uit de vallei, dan was het terecht dat het volk in opstand was gekomen. De vruchten van de hima voor zichzelf houden, hoe konden ze! Kleine meisjes laten lijden door geneesmiddelen achter te houden! Hij sloeg met zijn vuist op zijn knie. Wanneer hij terug zou keren naar de vallei, een dezer dagen, zou hij het verhaal over de opstand met zich meenemen. Misschien lukte het hem zelf een opstand uit te roepen…

‘Ga wat rusten.’ Melichat stond op. Ze wees Mu en Dailha een rustplaats achter een bont gordijn. Zelf liep ze met een stoel en een vlechtwerk naar buiten, waar ze in de schaduw ging zitten, kennelijk om verder te gaan met haar handarbeid.

 

De dag erna trokken Mu en Dailha weer de woestijn in, worstelend met de wind die de twijfel in Mu’s gedachten fluisterde. Had hij er goed aan gedaan de raad van Melichat op te volgen en de hima van het Gelukkige Land te mijden, of waren de kansen op Lafaya’s genezing daarmee verkeken?

Onderweg hadden ze plastic weten te oogsten, soms na een korte jacht. Dailha hielp hem de kostbaarheden sjouwen. ‘Mijn bruidsschat,’ zei ze.

‘Weet je zeker dat je mee wilt gaan?’

‘Ik wil graag in je stad wonen.’ Haar ogen schitterden als vochtig folie. ‘Moeder is de eenzaamheid gewend. Ik verlang naar gezelschap. Ik wil graag je moeder ontmoeten, je zusje. Je vrienden en de priesters waar je van sprak. Ik wil zien dat er meer is dan de barre akkers van mijn vader en de slome kudde van mijn moeder. Ik wil de wind een ander lied horen zingen.’

Zo naderden ze het bosje waar Mu eerder al gebivakkeerd had. Dailha was nieuwsgierig naar die kleine hima, naar de vruchtbaarheid ervan. Ze rende vooruit, maar stond prompt stil aan de rand van de begroeiing.

‘Wat heb je gedaan?’ Dailha liet haar tranen de vrije loop toen ze de bosjes rond de oude put zag. ‘Geen vruchten meer aan de bomen, de put is verzand… waar moeten we nu van overleven?’ Ze rook de bittere geur van de dood.

‘Het is geen echte hima,’ verdedigde Mu zich. ‘Er staan geen grens­stenen omheen.’

Dailha’s ogen fonkelden vervaarlijk. ‘Daarom heeft ons volk priesters nodig, Mu! Om de landbouw, de veeteelt, de visserij en de jacht te beschermen, om te zorgen dat we niet alles opvreten, doden, kapotmaken en vervuilen wat ons voor de voeten komt! Priesters zorgen dat de hima heilig blijft, zodat onze kinderen ook nog gezegend kunnen leven. Snap dat toch, in plaats van te janken dat ze alles voor zichzelf houden! Kijk wat hier is gebeurd omdat jij alles voor jezelf wilde houden en niet aan de toekomstige bezoekers dacht!’ Ze wendde zich af van Mu en beende naar de rand van het verwoeste bosje, waar de woestijn al knaagde aan de restanten ervan. De tranen stroomden over haar wangen. Aan haar voeten ontvouwden zich fluweelachtige bladeren naar het licht van de zon.

‘Maar met het plastic van het Gelukkige Land moeten de priesters mij wel geven waar ik om vraag, Dailha! Ik zal een rijk man zijn. Ik zal mijn zusje kunnen genezen!

Dailha keerde haar hoofd naar hem. ‘Mu, begrijp je het echt niet? Er is niet voldoende voedsel in de hima om jou alles te geven waar je om vraagt. Als je teveel vraagt, zelfs als je het kunt betalen, is de stad binnen­kort de hongerdood gestorven. Zo is het bij ons gegaan, zo is het hier gegaan, zo zal het bij jullie gaan.’

‘Onzin. Jullie zijn rijk, jullie hebben plastic. Ik zag de plastic palmen wuiven in de hangende tuinen, de koepels van goudkleurig plastic schit­teren in het zonlicht. Welvaart, dat is wat mijn zusje zal kunnen genezen. Niet die stomme offers aan goden die toch niet willen luisteren.’

‘Plastic kun je niet eten, Mu,’ snikte Dailha. Achter haar rees een lange stengel met een spitse punt op. Het zand ritselde alsof er slangen in schuil gingen. ‘De goden hebben genoeg voedsel voor ons allemaal, maar niet als we het verspillen en er veronachtzaamd mee om gaan. Kijk dan hoe je deze plaats hebt bedorven, er zal nooit meer wat groeien. Alleen wat jij ‘ze’ noemt zal hier kunnen leven, omdat ‘ze’ alleen de wind nodig hebben om eeuwig voort te gaan.’

‘Je liegt, er groeit zelfs een nieuwe plant achter je. De woestijn is vruchtbaar voor plastic en- ‘Bahromesh!’ Dailha’s tranen hadden een bahromesh­knol doen ontbotten. Mu snelde naar haar toe, maar het was te laat: de zwarte klauwen trokken de jonge vrouw naar de kleverige vacht, de spitse snuit dolf zijn scherpe tanden in haar hart. Ze trok met haar spieren, een laatste stuiptrekking voor ze lijkbleek en bloedeloos stierf.

‘Dailha!’ jammerde Mu. Hij had de tegenwoordigheid van geest om een paar stappen achteruit te doen, zodat de bahromesh, die door het verse bloed snel groeide, hem niet kon vangen. Het is mijn schuld, dacht Mu, alles wat ik tegenkom maak ik kapot.

Ontgoocheld verliet hij het bosje verdorde bomen met de gevaarlijke beestplant.

 

Mu naderde de stad in de vallei. De woontorens doemden op aan de hori­zon als hoekige klippen tegen het gebergte, daartussen rees de ranke toren van de Eeuwige Tempel op met de hem zo bekende weervaan. Hij was ontroerd zijn geboorteplaats terug te zien, zodat hij zweeg bij de nadering. Het was niet stil in de woestijn, want het zand ritselde en ruiste, de wind floot langs rotsen en stenen. De kreet vanuit de stad was echter duidelijk te horen, hoewel de woorden in de afstand verloren gingen. Hoewel het tegen het middaguur liep en de wacht aan zijn namaalsslaap moest zijn begonnen, leek de stad tot leven te komen. Er klonk meer geluid in de vallei. De stadspoort werd geopend. Hier en daar keek iemand slaperig maar nieuwsgierig uit een raam waarvan het luik in de wind klapperde.

‘Mu is teruggekeerd!’ weergalmde het door de vallei.

Drie personen kwamen vanuit de stadspoort Mu tegemoet. De eerste was aan zijn purperen plastic gewaad te herkennen als een van de priesters van de Eeuwige Tempel. De tweede was een vrouw met een golvend groen gewaad over haar donkere huid. Mu herkende haar onmiddellijk: het was zijn moeder. Hij slikte zwaar. Ze hadden nooit afscheid genomen en hij had gefaald in zijn queeste, hoe zij hem vergeven? De derde persoon was veel kleiner, met een rank lichaam en een bleke huid onder een gebloemde jurk. De groene ogen keken vrolijk de wereld in. Het was een kind, een meisje. Het duurde even, ze waren inmiddels tot op enkele stappen afstand genaderd, toen Mu zijn zusje Lafaya herkende.

Hij vloog op haar af, naam haar in zijn armen, tilde haar op en bedolf haar gezichtje onder kussen. Ze gilde van pret. ‘Je bent beter!’ riep hij, ‘Je bent genezen!’

‘Het heeft de goden behaagd je pelgrimstocht te belonen, Mu,’ sprak de priester. ‘Haar welzijn verslechterde na je vertrek, zoveel verdriet had ze door je afwezigheid. Haar reis naar de hima werd al voorbereid. Maar zie wat de afgelopen etmalen hebben bewerkstelligd: ze is verder van de dood dan ooit tevoren. Alsof de wind uit het Gelukkige Land haar nieuw leven heeft gegeven.’

Mu voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen. Geluk, deemoed, spijt, opluchting: zijn gevoelens vochten om erkenning. Zijn moeder omhelsde hem en haar dochter, die hij nog steeds in zijn armen hield. Uiteindelijk kreeg hij de gelegenheid om zich te uitten: ‘Ik wil priester worden, voor het welzijn van ons volk.’

De wind ging liggen, alsof hij voor Mu’s besluit knielde.

Categories