web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Genre » Fantasy

Genres

Category Archives: Fantasy

Het Ottomaans gambiet : Mike Jansen

Het machtigste wapen van de handelaar is zijn telraam.
Voor wilden die dat niet snappen is er de musket
– oud VOC gezegde

 

Terugkeren naar Veneta, het stond Jacob Hooijmans elke keer  tegen. Toch ging hij elk half jaar stipt op tijd aan boord van de stoomlijner WitteDeWith die hem snel naar die stad vervoerde.

Johanna vond het vreselijk dat hij voor zijn werk naar het buitenland moest. Het betekende dat zijn gezin zonder hem naar de kerk moest. Niet zoals de Heer het bedoeld heeft, zoals zij hem dan voorhield. Maar hij was nu eenmaal aangesteld als controleur voor het Bureau der Externe Voorzieningen. Zijn grote cliënten moest hij verplicht twee maal per jaar bezoeken en controleren. Zoals de Doge van Veneta.

Eigenlijk was hij blij dat hij niet de drukte van thuis om zich heen had. En, zoals hij zijn vrouw voorhield, hij had net zo goed in de verre Oost gestationeerd kunnen zijn. Het leverde hem weinig begrip op.

Het gaf hem wel de mogelijkheid zich te vergapen aan de rijke roomse cultuur van Veneta, van het Zeepaleis van de drie pausen tot de ruim honderd basilieken die de stad rijk was. Jacobs eerste liefde ooit was de Westerbasiliek in Amsterdam die hij bijna dagelijks met zijn ouders bezocht. Ooit wilde hij bisschop worden, kardinaal zelfs, maar hij bleek zijn vaders boekhoudtalent te hebben.

Naarmate zijn bestemming naderde, verdween zijn weerstand. Hij verheugde zich op zijn komende verblijf.

 

***

 

Het schip bereikte de buitenste dijken rond de stad aan het begin van de avond. De ondergaande zon verlichtte de hoge wolkenpartij boven de noordelijke hemel en deed Jacob denken aan vurige ogen in een duister gezicht. Hij kon zich bijna besneeuwde Alpentoppen als puntige tanden voorstellen.

Rondom gingen de lichtjes van gebouwen en forten aan. Zelfs de hoge forten van Novigrad en Umag aan de horizon, die de Croatische kusten beschermden tegen Ottomaanse invallen van zee, waren zichtbaar in de heldere lucht en verlicht met rijen lampjes over de hele lengte van hun honderden voeten hoge Tesla-torens.

Jacobs hutkoffer en zijn aktetas stonden naast zijn tafel voor een van de ramen op het uitzichtdek. Hij haalde zijn uurwerk tevoorschijn uit het zakje op zijn linkerborst. De WitteDeWith voer exact op tijd en dat beviel hem.

‘Veneta komt tot leven wanneer het donker wordt,’ klonk het in uitstekend Hollands achter hem.

Jacob draaide zich om. Het heerschap voor hem droeg een klassiek overhemd met witte ruches, een lange overjas van donkerblauw fluweel met een fleur-de-lis patroon in gouddraad. Een koperen knijpbril met donkerrode glazen op zijn rechte neus leidde de aandacht van zijn ongekamde haar en warrige, bruine baard af.

‘Met wie heb ik het genoegen?’ vroeg hij beleefd. Hij vermoedde een aristocraat tegenover zich, het soort individu dat hij in zijn werk regelmatig tegenkwam. Meestal vond hij de erfgenamen van geroofde fortuinen onsmakelijke parvenu’s. Deze keer reserveerde hij zijn mening. Hij voelde een ongemakkelijke kilte in zijn maag terwijl hij de spreker van top tot teen opnam. De schaduwen rond dit heerschap verhinderden hem een correcte impressie te vormen.

‘Graaf Georg de Hunedoara,’ antwoordde de man en zijn korte buiging was perfect afgestemd op het vermeende niveauverschil tussen hen.

‘Aangenaam, heer,’ zei Jacob. ‘Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC.’

‘Een belangrijke positie,’ zei graaf Georg met een korte glimlach die spierwitte tanden toonde. ‘De VOC financiert immers de Doge en daarmee indirect het voortbestaan van Veneta.’

‘U doet het voorkomen alsof Veneta zelf niet in staat is in haar eigen behoeften en noden te voorzien,’ zei Jacob. Hij kon een lichte afkeuring niet uit zijn stem houden.

De graaf snoof. ‘Mijn voorouders verdedigden het westen tegen de Mongoolse horden en later tegen de Ottomanen. Het bloed van Atilla stroomt door onze aderen.’

‘Toch heeft dat de Ottomanen niet tegengehouden grote delen van het oosten van Europa te veroveren. Tot en met uw voorouderlijke landen toe. En Veneta steunt nog steeds uw forten en legers.’

‘Eens zullen onze landen herenigd worden, maar dan niet op Venetische voorwaarden,’ zei graaf Georg. ‘Ik voorspel dat wij vrienden worden. Onthoud mijn woorden.’

De hemel lichtte op en Jacob keek even om naar het spektakel van de lampen die in het Zeepaleis van de drie Pausen werden ontstoken. Toen hij terugkeek was de graaf verdwenen.

Hij schudde zijn hoofd en ging zitten om de verlichting ter ere van het feest van de Heilige Antonius Aggrippa van Genoa te bewonderen. Het Zeepaleis was in drieën verdeeld, waarbij de verlichting van de zuinige Nicolaas van Straalen, de Hollandse Paus in Veneta, in het niet viel bij de feestelijke verlichting van de Italische – en de Byzantijnse paus, hoewel die al bijna twee eeuwen van Ottomaanse afkomst was. Zijn magere vertoon kon echter wel de goedkeuring van Jacob Hooijmans wegdragen. Hij hield niet van verspilling en buitensporige weelde. In het licht van het Zeepaleis gloeiden de vele dozijnen Hollandse windmolens, die langs de hele lengte van de buitendijk stonden, spookachtig op.

De WitteDeWith voer de buitensluis van het dijkencomplex van Veneta in, een immens bouwwerk van de waterbouwkundige Lely die het destijds als zijn Magnum Opus beschouwde. De bronzen draaideuren schoven langzaam opzij zodat de stoomlijner samen met andere, kleinere schepen plaats kon nemen in de sluis.

Jacobs aandacht werd getrokken door een spierwit jacht voorzien van drie stoompijpen. Het voerde de Ottomaanse vlag, maar ook de pauselijke vlag met het Byzantijnse kruis erop. Aan dek zaten op regelmatige afstanden van elkaar kaalgeschoren moezelmannen met grote zwarte snorren in witte pofbroeken en met zilver ingelegde borstkurassen. Ze waren bewapend met hun kenmerkende kromzwaarden en droegen bandeliers met aan weerszijden een Ottomaanse achtklapper.

‘Janitsaren aan boord,’ mompelde Jacob. ‘Dan is de Ottomaanse paus er ook of ze gaan hem ophalen.’

Voor hij zich verder over hun aanwezigheid kon verwonderen, werd de WitteDeWith in een fel wit licht gebaad, gevolgd door een donderen als van duizend kanonnen en een schokgolf die het schip op het water liet dansen. Met de vlekken nog in zijn ogen zag hij wat er over was van het Zeepaleis in elkaar zakken met achterlating van een immense stofwolk.

Jacob sloeg zonder nadenken een kruis. ‘God in de hemel,’ fluisterde hij.

 

***

 

De kade leek een mierenhoop waarop kokend water was gegoten. Passagiers die ontscheepten botsten tegen mensen die probeerden weg te komen van de paniek die verderop in de stad was ontstaan. Verdwaasd liep Jacob de trap naar het vasteland af, gevolgd door de matroos met zijn hutkoffer.

Voor het eerst in alle jaren dat hij Veneta bezocht had, voelde hij zich ontheemd. Zijn hoofd werkte op volle toeren en hij probeerde de implicaties van wat hij gezien had en het angstige onderbuikgevoel dat die gebeurtenis bij hem opwekte, met elkaar te vereenzelvigen. Het lukte maar matig.

Hij haalde diep adem en keek om zich heen, op zoek naar een rustpunt. Naast een dure galvanische koets die stationair draaide, de Teslaspoel half ingetrokken, vlak bij een verderop gelegen douanepost, ging hij op zijn koffer zitten, hield zijn hoofd tussen zijn knieën en nam regelmatige, diepe teugen lucht.

‘Gaat het wel?’ vroeg een heldere stem achter hem.

Jacob kwam overeind en keek om. De deur van de koets was open en in de schaduwen van de cabine zag hij een vrouwelijk silhouet. Het deel van haar jurk dat zichtbaar was, had een indringende, diepgroene kleur. ‘Vergeef me, vrouwe, dat ik hier even tot mezelf kom. De explosie…’

‘Ach ja, de explosie…’ Ze kwam iets naar voren en Jacobs adem stokte toen haar gezicht in het licht kwam. Haar gezicht was perfect symmetrisch, haar huid was porseleinwit, haar ogen waren smaragdgroen, haar haar was zwart als de nacht en leek met de schaduwen samen te smelten. ‘Aanslagen gebeuren hier vaker, zo dicht bij het centrum van het Ottomaanse rijk. Dit zag er eerder uit als een oorlogsverklaring.’

‘Ah, u bent van hier?’ zei Jacob. Hij rook een kruidig parfum dat het beeld dat hij van haar had vervolmaakte en zijn lichaam reageerde onverwacht heftig. Je bent getrouwd, Hooijmans!

Ze knikte, een afgemeten, perfect gecontroleerde beweging. ‘Contessa Ilona Szilágyi van Zagreb. Ik wacht op mijn… neef, Georg, die met de WitteDeWith zou aankomen. U lijkt mij Hollands?’

Jacob schraapte zijn keel. Hij voelde zijn wangen branden, besefte dat het niet zichtbaar zou zijn in het donker. Kalm, Hooijmans, je lijkt wel een puber. Hij boog kort. ‘Inderdaad, contessa, Jacob Hooijmans is de naam, controleur namens de VOC.’ Hij ging iets rechter staan. ‘Derde echelon. Hoog genoeg om belangrijk te zijn, te laag om daadwerkelijk iets te betekenen,’ zei hij met een glimlach.

De mensenmenigte op de kade werd onrustig, paniekerig bijna en Jacob zag hoe mensen een veilig heenkomen probeerden te zoeken. De oorzaak werd al snel duidelijk. Met het plat van hun kromzwaarden sloegen de Janitsaren iedereen opzij die hen voor de voeten liep. In hun midden wandelde een lange, magere man met diepliggende, donkere ogen en een zwart met grijze druipsnor, gehuld in een witzijden mantel met goudbrokaat en een spierwitte tulband met daarop het Byzantijnse kruis.

Ahmed Ibrahim Iskenderen. Ik had gelijk, de Ottomaanse paus was onderweg, dacht Jacob.

De Janitsaren baanden zich een weg naar dezelfde douanepost waar hij en Ilona Szilágyi stonden. Zodra ze op gelijke hoogte kwamen, draaide de paus zich naar hen. Jacob neeg zijn hoofd lichtjes. Hoewel hij devoot katholiek was, waren de normen en waarden van die rebelse Calvijn toch danig bij hem ingesleten. En hij had de Hollandse paus Nicolaas van Straalen altijd geëerd. Iskenderen deed hem niet zoveel.

Naast hem boog de contessa diep en Jacob keek bewonderend naar haar slanke, spierwitte nek die onder haar zwarte haar tevoorschijn kwam. Om in te bijten. Hij knipperde met zijn ogen.

De paus wandelde langs de douanepost, de straten van Veneta in. Hij keurde hen verder geen blik waardig.

‘Ik merkte uw buiging op, contessa Szilágyi,’ zei Jacob. ‘Ik dacht dat uw familie een diepe vete met de Ottomanen had?’

De contessa glimlachte wrang. ‘Ooit volgden wij de orthodoxie van de oostelijke paus gezeteld in Byzantium. Tot dat veroverd werd door de Ottomanen. Nu volgen we de westelijke paus.’

‘Wie, Jean Baptiste Napoleon in het Vaticaan?’ zei Jacob vol ongeloof.

‘Natuurlijk niet. Iedereen weet dat de nepotistische Napoleonten geen enkel middel hebben geschuwd om de pauselijke troon te bezetten.’ Contessa Szilágyi snoof bijna verontwaardigd. ‘Wij volgen de échte pausen, Aristide Renard, Nicolaas van Straalen en Ahmed Ibrahim Iskanderen, allen gekozen door de Synode. Een evenwichtig triumviraat dat zich inzet voor zendingswerk in de Hispamericaanse Gewesten en de verre Oost.’

‘Dat heb ik vernomen,’ zei Jacob. ‘Dat evenwicht is dan nu danig verstoord.’

Contessa Szilágyi zweeg terwijl ze zijn woorden liet bezinken. ‘U hebt gelijk. Dit is belangwekkend.’ Ze draaide haar stoel, waarbij een houten paneel met bronzen meters en knoppen zichtbaar werd. ‘Kan ik u een ritje aanbieden?’ Ze knikte naar zijn hutkoffer. ‘Ik vermoed dat dragers op dit moment schaars zijn.’

Jacob nam haar aanbod dankbaar aan.

 

***

 

Met haar geur nog in zijn neus, stapte Jacob het bordes van het VOC Handelshuis op, een schitterend barok gebouw gelegen naast het streng aandoende, strakgelijnde en sombergrijze Venetische beursgebouw, waar alle dagen behalve de dag des Heeren de rijkdommen van de Oriënt verhandeld werden.

Hij keek haar galvanische koets na terwijl ze de toeristen en handelaren probeerde te ontwijken die op terrasjes en op de rand van een van de vijftien fonteinen van het Sint Marcusplein hun groene wijn dronken en tzipas -veel kleine gerechtjes uit verschillende streken- nuttigden.

‘Ahem, kan ik u van dienst zijn?’

Jacob Hooijmans draaide zich om en zag in de deuropening van het Handelshuis een gedistingeerd heerschap met halflang, grijs haar. ‘Oh, goedenavond, ik ben Jacob Hooijmans. Ik heb brieven van het hoofdkwartier voor de gouverneur.’

‘Aangenaam, mijn naam is Alex de Oude, beheerder,’ zei de andere man. ‘De gouverneur wordt problematisch. Hij ging vanavond met zijn gevolg naar het Zeepaleis voor de aanvang van het Heilig Antoniusfeest.’

‘Allemaal? Zijn vervanger? Assistenten? Is er nog iemand van niveau gamma twee of hoger?’

De beheerder dacht na. ‘Onze militaire contactpersoon, kapitein Everse. Die is gamma een of twee.’

‘Breng me naar hem toe.’

‘U kunt uw hutkoffer in de vestibule plaatsen.’ De beheerder wachtte niet af of Jacob zijn bagage daar inderdaad deponeerde.

Ze liepen door de verschillende lagen van het pand, langs smalle, steile trappetjes en minuscule kantoortjes waarvan een enkele nog verlicht was en waar werknemers nog driftig op Mill-typografen typten. De hogere verdiepingen waren ruimer van opzet en al snel hield de beheerder halt bij een gang die eindigde in een kunstig bewerkte eikenhouten deur.

‘Dit is zijn kantoor. Ik neem aan dat u het vanaf hier verder zelf kunt. Ik heb nog veel te regelen en uit te zoeken. Het is nog steeds niet bekend wat er in het Zeepaleis heeft plaatsgevonden.’

‘Ik wens u geluk en wijsheid toe,’ zei Jacob. Terwijl de beheerder zich wegspoedde, liep Jacob langzaam naar de deur.

Halverwege de gang hoorde hij voetstappen achter zich. Hij draaide zich snel om. Uit zijn ooghoek zag hij in een flits een donkerblauwe jas met gouden fleur-de-lis borduursel en wild, ongekamd haar de hoek omgaan. Hij liep terug, maar er was niemand. Ik zou toch zweren…

Hij liep naar de deur en klopte. Na drie tellen klopte hij weer. Hij luisterde even en dacht een stem te horen. Voorzichtig opende hij de deur.

Een bureau was in de verste hoek opgesteld. Erachter zat een man in kapiteinsuniform, Everse naar hij vermoedde. ‘Goedenavond?’ zei Jacob.

Terwijl hij wachtte op antwoord viel de man achter het bureau voorover en kwam hard met zijn hoofd op het houten blad terecht.

Snel liep Jacob naar voren, om het bureau heen. Hij pakte de schouder van kapitein Everse vast waardoor zijn hoofd opzij draaide. Dode ogen in een spierwit gezicht staarden hem aan. Jacob trok zijn hand snel terug.

Op het bureau stond een notenhouten kistje met een koperen spreekbuis en een dozijn bronzen knoppen, elk met een andere aanduiding, zoals Secr. en Bhrdr. Jacob drukte de laatste in en zei: ‘Er is een moord gepleegd. Kantoor Everse. Help!’

Enkele tellen later klonk er een krakerige stem uit de kast: ‘Er is hulp onderweg, blijf waar je bent!’

Nerveus wandelde Jacob heen en weer door de kamer. Op enkele tiphs in gelakte houten lijsten stond kapitein Everse afgebeeld, toen nog in leven, veelal met notabelen. Hij herkende onder andere de Ottomaanse paus Iskenderen, Doge Di Pietrello van Veneta en de Kretenzische vorst Nikolakonios.

Een glinstering bij de stoel van Everse trok zijn aandacht. Hij raapte een gouden ring op met het persoonlijke wapen van de Doge. Vreemd, dit lijkt zijn eigen zegelring. Hoe is die hier gekomen? Zonder nadenken stak hij de ring in zijn zak, vlak voor de deur werd opengegooid.

In de deuropening stonden twee soldaten, elk gewapend met een repeteermusket. Achter hen stond Alex de Oude, de beheerder. Jacob hief voorzichtig zijn handen. De soldaten liepen naar voren en duwden hem in een hoek terwijl de beheerder het lichaam van kapitein Everse onderzocht.

‘Laat hem gaan,’ zei de beheerder tenslotte, ‘meneer Hooijmans is niet de dader.’ De soldaten deden een paar stappen terug en zekerden de veiligheidspal van hun wapen.

‘Hoe kunt u daar zeker van zijn?’ vroeg Jacob.

Alex de Oude glimlachte. ‘VOC beheerders zijn van veel markten thuis, van budgetteren tot mechanica en anatomie. Als een kapitein op een schip.’

‘Daar heb ik van gehoord,’ zei Jacob, ‘in het dagelijks leven merk je er alleen weinig van.’

‘Omdat onze zeggenschap tot de deur gaat en niet verder,’ zei Alex de Oude. Hij wees naar het lichaam. ‘Kapitein Everse is koud, hij lijkt leeggebloed. Daarom is hij lijkbleek. Echter, er ligt nergens bloed op de grond. U bent net aangekomen en u heeft niet de tijd gehad dit voor elkaar te krijgen.’

‘De graaf,’ zei Jacob. ‘Tenminste, ik dacht iemand op de gang te zien die leek op een zekere graaf Georg de Hunedoara die ik eerder op de WitteDeWith ontmoet heb.’

Beheerder Alex de Oude keek Jacob onderzoekend aan. ‘Dat zal zeker ‘lijken’ zijn geweest. Graaf Georg is al sinds mensenheugenis niet buiten Kasteel Bran geweest. En het lichaam is al koud.’

‘Dan iemand die op hem lijkt,’ zei Johan.

‘Niets verbaast me vanavond nog. Ik heb via de Marconi van de VOC-admiraliteit instructie gekregen dat u de hoogste in rang bent in Veneta. Er is een vervanger voor u onderweg, die zal binnen een week hier zijn, maar tot die tijd heeft u de leiding, met goedkeuring van de admiraliteit.’

Jacob Hooijmans haalde diep adem. ‘Dat is… onverwacht. Ik zal me zo goed mogelijk van deze belangrijke taak kwijten.’

‘Ongetwijfeld, heer. Ik begreep verder dat u kamers in het Grotius Hotel geboekt hebt. Uw koffers zijn daar al gearriveerd.’

‘Bedankt, Alex, dat stel ik op prijs.’

‘Rust uit, heer Hooijmans. Dat zult u nodig hebben voor uw schema de komende dagen. We beginnen om half zeven morgenochtend, stipt. Uw afspraak met de Doge is om half elf.’

‘Ik zal er zijn,’ zei Jacob. Half verdwaasd verliet hij het Handelshuis en wandelde door de electrofoor-verlichte straten naar zijn hotel dat ongeveer een mijl van het Sint Marcusplein lag.

Die nacht was zijn slaap onrustig en zijn dromen waren zwoel, vervuld van zwarte haren die om hem heen kronkelden, strelende, bleke ledematen en diepgroene ogen die hem aanstaarden vanuit de duisternis. Ze deden hem denken aan een zekere contessa en Jacob liet zich diep in zijn plezierige droom wegzakken.

 

***

 

Om half elf bevond Jacob Hooijmans zich in de ontvangsthal van het paleis van de Doge van Veneta. Als bij zijn eerdere bezoeken in voorgaande jaren, probeerde hij te ontdekken welke verbeteringen de Doge had laten aanbrengen in de barok uitgevoerde hal. Op het eerste gezicht vermoedde hij dat veel van de protserige krullen nu van een laagje goud waren voorzien, maar toen hij rondliep vond hij een nis met daarin een rijkversierde fontein uitgevoerd in marmer, ivoor en zilver die zacht klaterende straaltjes water produceerde. Hij herkende het als Ottomaans handwerk van de Byzantijnse zilversmeden.

Een man in een zwart lakens kostuum met een dubbele rij onderscheidingen op zijn linkerborst kwam naast hem staan. ‘Mijn nieuwste aanwinst. Past goed bij de nieuwe vleugel aan de oostkant. Groot genoeg om de complete Synode te huisvesten. Ik heb er zelfs een complete kapel in laten aanleggen.’

Jacob draaide zich naar de andere man. ‘Doge Di Pietrello, een waar genoegen.’ Hij boog diep. ‘Die kapel zou ik wel eens willen zien.’

De Doge gebaarde dat hij overeind moest komen. ‘We kennen elkaar al te lang, Jacob.’

‘Ik ben enigszins verbaasd dat deze afspraak doorging, heer, gezien de gebeurtenissen van gisteravond.’

De Doge haalde diep adem. ‘Een zeer kwalijke zaak, dat. Twee pausen gedood in de explosie, evenals een groot aantal notabelen. Het Sint Antoniusfeest is gewild.’

Jacob knikte. ‘Het lijkt er zelfs op dat ik de komende week de hoogste VOC functionaris ben.’

De Doge glimlachte weemoedig. ‘Dat spijt me, Jacob. De politiek in Veneta is moordend, dus weet waaraan je begint. Lasciate ogne speranza, voi ch’intrate…

‘Ik ben slechts een eenvoudige controleur, heer, zonder politiek ambitie.’ Hij verbergt iets, fluisterde een stemmetje in Jacobs hoofd. Hij keek om zich heen. Een vleugje bekend parfum dreef zijn neus in.

‘Inderdaad, dit is je zesde jaar geloof ik,’ zei de Doge. ‘Daarmee ben je de langstdienende controleur van de VOC die ik gekend heb.’

‘Nu we het daarover hebben, ik zou graag de boeken controleren.’

De Doge glimlachte. ‘Ze liggen klaar in het kantoor waar je altijd zit.’ Met een handgebaar ging hij Jacob voor en samen liepen ze de hal door naar een van de vele gangen die erop uitkwamen. Langs schilderijen van de illustere voorvaderen van de Doge zelf en zijn familie en balkons met uitzicht op de Adriatische zee, kwamen ze uiteindelijk in de privévertrekken. In een klein kantoor met enkel een groot, notenhouten bureau en een uitzicht op de tuinen van het paleis, bevond zich een drietal dikke ordners. Een antiek telraam lag naast een moderne computantrekenaar met veel knoppen en toetsen.

‘Al eens gebruikt?’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob glimlachte en schudde zachtjes zijn hoofd.

‘Dacht ik wel, maar ik hoopte je wat tijd te besparen.’

‘Dat stel ik op prijs,’ zei Jacob. Vertrouw zijn machines niet!

‘Mooi,’ zei de Doge. ‘Ik heb zelf een stapel verzoeken en brieven door te werken. Als er iets is, zit ik in het kantoor tegenover de bar.’

Jacob bladerde door de bovenste ordner, alerter dan anders.

 

Enkele uren later verliet Jacob het kantoortje. Op een lage tafel voor de bar waren tzipas uitgestald. Er was van gegeten. Doge Di Pietrello zat in een luie stoel. Hij wenkte Jacob dichterbij en wees naar een tweede stoel. Jacob maakte er dankbaar gebruik van en zijn rug kraakte hoorbaar toen hij de zachte kussens raakte.

‘Intensief gewerkt?’ zei de Doge.

‘Nogal. Als ik in de cijfers zit vergeet ik alles om me heen. Ik vergeet soms te bewegen.’

De Doge grijnsde. ‘Zolang je nog ademt zal het wel meevallen.’

‘Gewoon spierpijn. En wat onrustig geslapen.’ Jacob vouwde zijn vingers in elkaar. ‘Ik heb nog wel wat vragen.’

‘Oh?’ zei de Doge. Hij keek Jacob vragend aan. ‘Dat is voor het eerst in al die tijd.’

‘Eens moet de eerste keer zijn. De uitgaven zoals beschreven moeten aan bepaalde regels voldoen. Geld moet gealloceerd worden in bepaalde verhoudingen en hoeveelheden. Die verhoudingen zijn de afgelopen jaren scheefgegroeid, de laatste twee jaren zelfs versneld.’

‘Je praat boekhoudistaans tegen me,’ zei Doge Di Pietrello met een glimlach.

‘Eenvoudig gezegd: geld dat is bestemd voor het in stand houden van de Karpatische bufferzone, is op verkeerde plaatsen ingezet.’

‘Ik dacht dat we aan alle boekhoudregels van de VOC voldeden,’ zei de Doge.

‘Dat doet Veneta ook, hoewel het aantal posten ‘onvoorzien’ en ‘externe kosten’ vrij hoog was. Of zelfs vreemd, zoals die honderdduizend eiken balken. De opdracht echter is het in stand houden van die bufferzone. Besef goed dat de admiraliteit zaken doet met Veneta omdat jullie een handelsnatie zijn, zoals Holland. Wij begrijpen elkaar. De inwoners van de Karpatische landen niet. Jullie zijn hun buren. In ruil voor die relatie kunnen jullie tien procent van de fondsen naar wens inzetten. Het afgelopen jaar is dat bijna de helft geworden.’

‘De boekhouding geeft toch alles goed aan?’ De Doge haalde zijn schouders op. ‘Mijn adviseurs meenden dat het wel toegestaan zou zijn.’

‘Uw adviseurs hadden het mis. Daardoor is een belangrijke bron van fondsen voor de bufferzone weggevallen.’

Doge Di Pietrello stond op en ijsbeerde voor de bar heen en weer. ‘Het is weggegooid geld. Dat niet alleen, ik weet dat sommige elementen van de Hunedoara familie een machtspositie in Veneta hebben opgebouwd.’ Hij gebaarde met beide handen. ‘Totaal onbelangrijk voor hun eigenlijke taak, het buitenhouden van de Ottomanen.’

Excuses en uitvluchten. Vraag naar de ring. Jacob voelde even onwillekeurig aan zijn rechterbroekzak waarin de zegelring van de Doge zat. ‘Mag ik vragen wat uw relatie met kapitein Everse was?’

‘Die ken ik niet,’ zei Doge Di Pietrello.

Jacob legde de zegelring op de tafel voor hem. ‘Herkent u deze?’ Hij observeerde het gezicht van Di Pietrello.

De Doge kwam naast hem staan en bekeek de ring. ‘Dat is mijn zegelring.’

Jacob zag zijn ogen heen en weer schieten en zijn handen nerveus trillen. ‘Ik vond hem vlak na de moord op Everse in zijn kantoor.’

‘Iemand probeert me zwart te maken.’ De Doge lachte, licht geforceerd. ‘Een opvallend amateuristisch en niet bepaald verfijnd staaltje schuldtoewijzing.’

Jacob glimlachte. ‘Dat leek mij ook. Beter dat het tussen ons blijft.’ Hij duwde de ring naar de Doge die hem onder zijn hand liet verdwijnen. ‘Er is immers al genoeg verwarring na de gebeurtenissen van gisteravond.’ Maar je stond wel met Everse op een tiphaigneplaat in zijn kantoor.

‘Inderdaad, een zware schok voor gelovigen over de hele wereld,’ beaamde de Doge.

Jacob tikte zijn lippen aan met zijn gevouwen handen. ‘Ik zag paus Iskenderen gisteren in de sluizen, vlak voor de explosie. Het was wel heel toevallig dat hij juist nu terugkeerde. En dat hij niet in het Zeepaleis was.’

Het gezicht van de Doge vertrok, zijn uitdrukking er een van groot ongenoegen. ‘U impliceert opzet in de dood van de twee andere pausen? Besef goed dat zelfs het gerucht over zoiets ongeloofwaardigs de Roomse wereld in vuur en vlam kan zetten en dan is het maar afwachten wie die vuurstorm zal overleven… God verhoede het dat de mensen zich afkeren van de ware pausen en die afschuwelijke Jean Baptiste Napoleon als enige paus gaan erkennen.’

‘Tot het nieuwe triumviraat is gekozen en geïnstalleerd, is Iskenderen de enige leider van de gelovigen. Zijn woord zal wet zijn,’ zei Jacob. ‘Dat zijn de regels van de Roomse Kerk zoals ik ze geleerd heb.’

‘Ik verwacht niet dat hij misbruik zal maken,’ zei de Doge met een glimlach. ‘Als de boeken verder goed zijn, kun je dan verder met mijn boekhouders overleggen? Ik heb nog een aantal belangrijke afspraken.’ Hij klapte in zijn handen.

‘Maar natuurlijk, Doge.’ Jacob boog kort en liet zich vervolgens door een dienaar meevoeren naar de uitgang.

Bij het verlaten van het paleis weerklonken door de gehele stad kerkklokken die een oproep tot het Angelus beierden. Veneta heeft nooit Angelus gedaan, dacht Jacob. Iskenderen maakt misschien geen misbruik, maar hij gebruikt zijn invloed wel. Devoot vouwde hij zijn handen en prevelde zijn Ave Maria.

 

***

 

De schemering was aardig gevorderd toen Jacob de deur van het handelshuis achter zich dichttrok. Bij het ruiken van de heerlijke geuren die de restaurants rond het Sint Marcusplein verspreidden, begon zijn maag te rommelen.

Hij koos een Hollandse taveerne en nam een tafel met uitzicht op de beurs. Gekleurde lampen op het plein verlichtten de fonteinen en vormden een betoverend tafereel waar Jacob korte tijd gebiologeerd naar staarde.

‘Hebt u er bezwaar tegen als wij aanschuiven?’

Jacob schrok van graaf Georg die voor hem stond, contessa Szilágyi aan zijn linkerzij. Voor hij zich kon bedenken, schoof de graaf de stoel van de contessa aan. Hij nam zelf plaats aan het hoofd van de tafel. ‘Graaf Georg, contessa, een onverwacht genoegen. Ik wilde net bestellen.’

‘Mooi, voor mij wat rode wijn graag, dat kan ik nog net verdragen,’ zei graaf Georg. Hij keek Jacob aan over zijn rode brillenglazen. ‘Hebt u het laatste nieuws al gelezen?’

Jacob schudde zijn hoofd. ‘Mijn werk was uitdagend, vandaag. Ik heb nog geen tijd gehad voor de krant.’ Hij bestelde een schotel zeevis en witte wijn voor zichzelf, rode wijn voor zijn gasten. De ober klikte met zijn hielen en haastte zich weg.

Graaf Georg gooide een Gazetta di Veneta op tafel. De kop schreeuwde: Paus roept op tot vrede!!!

‘Iskenderen laat er geen gras over groeien,’ zei Jacob. ‘Vrede is goed voor de handel.’

De graaf leunde achterover en plaatste zijn duimen in zijn jacquet. ‘Oorlog ook. De vraag is wie er aan het kortste eind trekt.’

‘Zijn er verliezers bij vrede?’ zei Jacob.

‘Initieel misschien niet. De Ottomanen hebben een indrukwekkend groot leger samengebracht in de Karpaten. Honderdduizend zwaarbewapende manschappen. Officieel om te oefenen.’

‘Dat kan, zelfs als het vrede is.’ Jacob keek de graaf vragend aan. ‘Wat wilt u precies zeggen?’

‘Uw opmerking gisteren tegen mijn nicht, de contessa hier, over het verstoorde evenwicht. Die getuigt van een scherp inzicht.’

Jacob keek even opzij. Hij staarde langer dan behoorlijk naar haar intens groene ogen in dat perfecte gezicht. Haar lippen waren donkerrood en er lag een uitnodigende glimlach rond haar mond. Hij slikte en rukte zich met moeite uit de diepe poelen van haar ogen. ‘Dank u, graaf. Ik begreep van de Doge vandaag dat paus Iskenderen geen kwaad in de zin heeft.’

‘Oh, nee,’ zei graaf Georg, ‘geen slecht woord over de paus. Hij is immers een van de drie vertegenwoordigers van God op Aarde.’ De graaf boog zich naar voren. ‘Maar ik vertrouw zijn landgenoten niet.’

‘Wat kan er gebeuren?’ zei Jacob. De ober onderbrak hun gesprek met een dampende schaal en drie kristallen glazen gevuld met witte en rode wijn.

Graaf Georg nipte aan zijn glas en keek Jacob toen indringend aan. ‘Onze familie hangt sterk aan haar roomse overtuiging. U en wij lijken hierin sterk op elkaar. Al van oudsher vecht de Orde van de Draak voor God, volk en vaderland. Indien Iskenderen zijn besluit aan de synode voorlegt en als Motu Proprio kan doen uitgaan, zijn wij gedwongen deze vrede te accepteren en handhaven.’

‘Zoals ik al zei, vrede is goed voor de handel,’ zei Jacob. Hij nam een paar happen terwijl hij wachtte op het antwoord van de graaf.

Ilona Szilágyi liet de wijn in haar glas rondjes draaien. ‘Beseft u wel dat de Karpatische bufferzone op dat moment niet meer bestaat? En dat de Germaanse federatie een wassen neus is wanneer een groot, vastberaden Ottomaans leger over hun grondgebied dendert? Als het leger er toch is, zullen de Pasja’s het gebruiken. Binnen tien dagen staan ze dan aan de Hollandse oostgrens…’  Ze liet de conclusie aan Jacob over.

Hij legde zijn bestek naast zijn bord. ‘Dat klinkt alsof er een samenzwering is. En een megalomaan plan.’ Hij nam zijn hoofd in zijn handen en pijnigde zijn hersenen. ‘Het Sint Antoniusfeest is gewild, dat zei de Doge vanochtend. Veel notabelen waren in het Zeepaleis.’

‘Maar niet de Doge,’ zei contessa Szilágyi.

‘Of kapitein Everse,’ voegde graaf Georg toe. ‘Er zijn er meer.’

‘Jullie twee waren er ook niet. En ik vraag me af waar u zich gisteravond bevond, graaf.’ Jacob dacht terug aan de figuur die hij in het handelshuis gezien had, maar hij kon niet met zekerheid de graaf als dader aanwijzen.

Contessa Szilágyi lachte en Jacob voelde een koude rilling. ‘Onze familie is niet welkom in de huizen van de Roomse Kerk.’

‘Kom nu,’ zei Jacob, ‘de Roomse Kerk is er voor iedereen, zelfs voor die afvalligen van Calvijn.’

‘De contessa heeft gelijk,’ zei graaf Georg serieus. ‘Een goddelijke vloek heeft onze voorouders getroffen. En tot wij onze schuld hebben ingelost, zijn wij gedoemd verre van de huizen van God te blijven.’

‘Dat klinkt serieus, graaf,’ zei Jacob. ‘Wat kan ik… wat kunnen wij doen om deze megalomane machinaties teniet te doen en het evenwicht zoals dat in Veneta heerst te bewaren?’

‘Een aantal zaken,’ zei graaf Georg. ‘Als hoogste vertegenwoordiger van de VOC in Veneta is uw stem van waarde.’

‘Ik betwijfel of de synode een eenvoudige functionaris zoals ik zal willen horen.’

Graaf Georg lachte. ‘Bedenk goed dat de VOC in haar jaren hier bepaalde rechten bedongen heeft, niet alleen van de Doge, maar ook van de Roomse Kerk.’

‘Daar weet ik niets van,’ zei Jacob. ‘Welke rechten zijn dat?’ Hij schrok van een beweging onder de tafel bij zijn linkerbeen en even later voelde hij een voet langs zijn knie en dijbeen omhoog gaan. Hij keek de contessa aan. Haar glimlach was onveranderd. Wat is dit?

Met zijn hoofd op zijn handen staarde graaf Georg over zijn rode brillenglazen naar Jacob. ‘Prima Initiatio, het recht van het voorstellen van een kandidaat paus voor de Hollandse pauselijke zetel. Zonder tussenkomst van de Synode.’

‘Nooit van gehoord. Voor ik boekhouder werd, heb ik de wetten van de kerk uitgebreid bestudeerd. Ik geloof er niet in.’ Jacob probeerde aan zijn vrouw en de Heer te denken, maar hij faalde in beide zodra de voet langs zijn broekzakken gleed.

Graaf Georg stond op en boog kort. ‘Mijn excuses, ik heb wetboeken te lezen en lokale procedures te onderzoeken. Om zeker te zijn.’ Met een zwierig gebaar schoof hij zijn stoel aan, nipte een laatste druppel wijn en haastte zich weg.

Jacob keek hem na en probeerde te vermijden dat hij weer naar de contessa Szilágyi keek, wat niet lukte. Haar ogen waren diepgroene poelen, haar lippen waren bloedrood, opwindend, zozeer dat gedachten aan vrouw, kinderen of de Heer hem geheel verlieten. ‘Ik moet ook maar eens vertrekken,’ zei hij. ‘Ik verblijf in het Grotius. Mag ik u voor een likeur uitnodigen?’ Waar zit je met je hoofd, Hooijmans, ze is adel, ze staat veel te ver boven je. En je bent getrouwd!

De contessa neeg een moment haar hoofd. ‘Kamer zeventien, nietwaar?’

‘Hoe weet u dat?’ zei Jacob.

‘De sleutel in uw broekzak.’ De contessa stond op, knikte naar hem en schreed de taveerne uit.

Jacob keek haar na. Snel rekende hij af en hij haastte zich naar het hotel. De deur van zijn kamer liet hij open. Hij zette een fles graanjenever en twee likeurglazen klaar op het tafeltje van zijn kamer. Vervolgens begaf hij zich naar de badkamer om zich op te frissen. In het gelige electrofoorlicht bekeek hij zichzelf in de spiegel. Slank, lang, conservatief gekleed, dun haar op zijn schedel die vrij hoekig was en grijze ogen in een bleek gezicht. Wat ziet ze in mij?

Hij trok zijn jasje en overhemd uit. Zijn trouwring en de ketting met crucifix deed hij af. Hij hoefde geen geschenken van zijn vrouw te dragen op dit moment, alsof het verwijderen van het symbool van hun verbintenis op de een of andere manier zijn mogelijke vreemdgaan vergoelijkte. De sieraden herinnerden hem enkel aan de goede maar vooral de overvloedige slechte tijden. Er waren legio redenen waarom hij ontvankelijk was voor de avances van de knappe contessa. Kan ik dit nog? Wil ik dit? ‘Rustig aan,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld. ‘Misschien blijft het bij een likeurtje.’

Er klonk een zacht kloppen op zijn deursponning. Jacob haastte zich uit de badkamer. Van onder het zwarte kant van haar groene hoedje keek ze hem aan.

Jacob haalde diep adem en voelde een brok in zijn keel. ‘Contessa,’ kon hij maar net uitbrengen.

‘Mag ik binnenkomen?’

‘Maar natuurlijk. De likeur staat klaar, laat me even wat aantrekken,’ zei Jacob. Hij deed een stap achteruit.

Het volgende moment hing ze in zijn armen en voelde hij haar hete mond op zijn nek en een golf van sensueel genot spoelde over hem heen. Hij viel met haar achterover op het bed en verloor daar zijn bewustzijn.

 

***

 

De grond was een patroon van immense zwarte en witte vlakken. Het strekte zich tot de horizon uit, waar zichtbaar door dichte mist. Jacob knipperde met zijn ogen, zag het zwaard voor zich op de grond en pakte het zonder nadenken op. Aan die horizon, ver boven de mistbanken, dacht hij een figuur in een zwart gewaad met vurige ogen in een donker gezicht in de lucht te zien, maar het volgende moment was het niet meer dan een kolkende, dreigende wolkenmassa.

Hij kreeg een zet als van een onzichtbare hand die hem het volgende vlak op bewoog. Uit de mist kwam een wervelende ridder te paard die hem op zijn lans probeerde te spietsen, maar Jacob stapte opzij en sloeg de lans in stukken met zijn zwaard. ‘Wacht, wat gebeurt hier?’ zei hij met luide stem. De ridder antwoordde niet, maar trok zijn zwaard. Ze wisselden slagen uit tot Jacob een mogelijkheid zag. Hij greep de stijgbeugel aan het zadel van de ridder en duwde hard omhoog waardoor zijn tegenstander op de grond viel. ‘Geef je over,’ zei Jacob. Hij duwde zijn zwaard door de kijkspleet van de helm van de ridder en wachtte op antwoord, maar voor zijn ogen vervaagde en verdween zijn tegenstander. Wat is er aan de hand?

Weer een zet tegen zijn rug, een volgend vlak, een soldaat met een zwaard, die ook vervaagde toen Jacob hem bewusteloos sloeg met een goed geplaatste vuist. Weer de onzichtbare hand in zijn rug, maar toen hij op het volgende vlak kwam was er geen tegenstander.

Op de grond lagen lange, witte gewaden, het zwaard in zijn hand veranderde in een staf. Een witte mijter voorzien van een in goud geborduurd kruis daalde langzaam voor hem neer en bleef op ooghoogte hangen. Ze hadden een onverklaarbare aantrekkingskracht op hem en hij reikte zijn vrije hand uit naar de mijter.

Dit is je bestemming, je lot. De galmende woorden vielen als een loden last op zijn schouders.

‘Ik begrijp het niet,’ zei Jacob, ‘ik ben geen bisschop of paus.’ Maar diep van binnen voelde Jacob een sprankje opportunisme ontstaan, zag hij mogelijkheden te groeien in een richting die hij altijd begeerd had, maar nooit tot werkelijkheid kunnen maken.

Nog niet. Er klonk zelfverzekerde spot in de stem die meer nog dan dreigen of dwingen Jacob overtuigde dat mogelijkheden ook werkelijkheden konden worden.

‘Wie ben jij?’ schreeuwde Jacob tegen de hemel. ‘God of duivel?

Heer en meester.

Een fel licht verscheen boven hem in de lucht en verblindde hem.

 

***

 

De vroege ochtendzon scheen helder door het hotelraam naar binnen, begeleid door de geluiden van het ontwakende Veneta. Jacob werd kreunend wakker. Zijn hoofd bonsde en zijn mond was kurkdroog, alsof hij een stevige kater had. Hij bewoog en voelde zijn spieren kraken. Zijn rug voelde alsof hij in brand stond.

De contessa. Hij keek om zich heen, maar ze was niet in zijn hotelkamer, wat hij haar niet kwalijk kon nemen. Hij had zijn broek aan en hij kon zich behalve de eerste minuut van haar aanwezigheid spijtig genoeg niets herinneren. Wel voelde hij een immense druk op zijn blaas en hij haastte zich naar de badkamer.

Zodra hij klaar was bekeek hij zichzelf in de spiegel. Zijn gezicht was bleek, in zijn nek zaten blauwe plekken. Hij bekeek zijn rug en zag twee rijen diepe, evenwijdige voren over zijn rug alsof iemand er met lange nagels overheen gekrast had. Hij dacht aan Ilona Szilágyi en grijnsde.

Een rode vlek in het spiegelbeeld trok zijn aandacht. Op de tegenoverliggende muur was met iets als rode lippenstift geschreven, blijkbaar in spiegelbeeld. In de spiegel las hij: dragonul te posedă acum. Jacob herkende de taal niet, maar hij vermoedde dat de contessa hem haar draakje noemde.

Hij kleedde zich in een smetteloos grijs lakens pak met hoogsluitend boord dat de plekken in zijn nek verborg. Vervolgens begaf hij zich naar de lobby van het hotel waar hij een stevig ontbijt bestelde: een dubbele portie bloedworst met spek en eieren. Op het gepolitoerde bijzettafeltje lag de ochtendeditie van de Gazetta di Veneta.

Hij schrokte de bloedworst naar binnen. Zodra die op was, sloeg hij de krant open. Zijn blik viel meteen op een bericht over paus Iskenderen die vandaag een decreet aan de direct beschikbare leden van de Synode wilde voorleggen om een Roomse vrede uit te roepen.

Jacob leunde achterover in zijn fauteuil. Het was zoals de graaf en de contessa hem hadden voorgespiegeld. Jacob voelde diep van binnen een hem onbekende woede opborrelen, een verontwaardiging over de politieke machinaties van de vermaledijde Ottomanen die zelfs moord op de vertegenwoordigers van de Heer op Aarde niet schuwden en die zijn werkgever, de VOC en zijn volk, de hardwerkende Hollanders in de rug wilden aanvallen.

Hij haalde diep adem en probeerde zichzelf onder controle te krijgen. Hij viel aan op de rest van het eten om zijn gedachten te kalmeren. Bij de laatste hap ei viel zijn oog op een envelop met rood lakzegel die tegen de slanke witte vaas met de enkele roos was geplaatst. Waar komt die vandaan?

Hij brak het zegel en las het sierlijke handschrift:

 

Bună dimineața,

 

Kunnen wij elkaar treffen in de gouverneurskamer van het Handelshuis? Iskenderen drijft zijn zin door, zonder oppositie. Ottomaanse legers zijn de grens overgestoken en rukken op richting kasteel Bran. Er is veel te bespreken.

 

Georg de Hunedoara

 

Jacob vouwde het briefje dicht en stopte het in zijn aktetas. Tijd om aan het werk te gaan. Zijn gebruikelijke interesse was verminderd. In plaats daarvan dacht hij aan de Roomse Kerk, aan wat hij kon betekenen voor dat instituut op een invloedrijke positie. Zoals Nicolaas van Straalen.

 

***

 

‘We moeten actie ondernemen.’

Jacob keek op van de brieven op zijn bureau, die Alex de Oude daar neergelegd had voor zijn evaluatie, recht in de troebele ogen van graaf Georg. ‘Ongetwijfeld, maar wat kunnen wij betekenen? Een paar wetjes en bedingen van de VOC betekenen nog niet dat Iskenderen en de Synode zich eraan zullen houden.’

‘We moeten ze overvallen. De Synode is nog lang niet compleet, Iskenderen is nog niet helemaal zeker van zijn macht.’

‘Maar we weten niet wat de procedure is!’ Jacob voelde de woede weer opborrelen en kneep in de bureaurand tot zijn knokkels wit werden. Het hout kraakte onheilspellend.

‘Kalmeer.’ Het was slechts een enkel woord, maar de graaf zei het met een overtuiging en kracht die Jacob vrijwel meteen bedaarde. De graaf plaatste een koffertje op de tafel, knipte dat open en vouwde het vervolgens uit tot een stapel in leer gebonden boeken. Hij opende er twee van en sloeg met zijn rechterhand op het perkament. ‘Hier staat het allemaal, artikel viertwaalf en vierdertien.’

‘Wat moeten we doen?’

‘Allereerst moeten we de locatie van de Synode achterhalen. Ik vermoed dat ze in een van de basilieken samenkomen.’

Jacob zuchtte. ‘Veneta heeft er meer dan honderd. Hoe weten we welke?’

‘Mijn dienaren winnen op dit moment informatie in.’

‘Goed,’ zei Jacob, ‘zometeen weten we het. En dan? Wat moet ik doen? Wie moet ik als paus voordragen?’ Moet ik mezelf voordragen? Is dat wat de droom me vertelde?

Graaf Georg keek hem aan over zijn rode bril. ‘Noem mij een Hollander in Veneta, van onberispelijke reputatie, met voldoende kennis van de Roomse Kerk, haar wetten, haar gebruiken, haar invloedrijke leden.’ Hij zweeg om Jacob gelegenheid te geven te antwoorden.

‘Dat zijn er vast enkele,’ zei Jacob, hoewel hij zelfs met diep nadenken niemand kon vinden.

‘Er is maar één keus: Jacob Hooijmans, paus van de Roomse Kerk, primus inter pares paus van Holland en haar koloniën.’

‘Maar ik ben getrouwd, ik heb kinderen.’ Hij dacht altijd dat de hoge functionarissen van de kerk vervuld waren van nederigheid, lichtende voorbeelden voor hun volgers, maar het enige dat hij voelde was een diep verlangen naar de macht en het aanzien van een hoge, zoniet de hoogste post binnen de Roomse Kerk.

De graaf glimlachte. ‘De tweede Borgiapaus had meerdere vrouwen bij wie hij kinderen verwekte. Je bent dus niet uniek.’

‘Hoeveel tijd hebben we?’ zei Jacob nerveus.

‘Gezien de haast van Iskenderen tot nu toe, de Ottomaanse legers die oprukken, denk ik dat we vandaag de keus voor de Hollandse paus moeten aankondigen.’

Jacob zweeg, maar zijn hoofd was een maalstroom van ambitieuze gedachten.

 

‘Hoe weten uw dienaren waar ze u moeten vinden?’ zei Jacob terwijl hij voor de open haard heen en weer liep. Af en toe keek hij naar het schilderij van stadhouder Willem VI, heldhaftig afgebeeld met zijn voet op de borst van een Franse soldaat en een gescheurde Franse driekleur, met in sierlijke letters onder het tafereel ‘Verdediger van het Vaderland’.

Graaf Georg zat met gevouwen handen in een van de grote, leren fauteuils. ‘Dat, mijn waarde, is misschien kennis die je niet wil bezitten.’ Hij keek opzij naar een van de ramen van de kamer waar een kraai misbaar maakte. ‘De basilieken in Santa Croce en Cannaregio zijn het niet.’

Jacob gebaarde met zijn hand. ‘Weet u ook waar de contessa is?’

‘San Michele,’ antwoordde de graaf.

Jacob kwam voor hem staan. ‘Wat doet ze op een kerkhof?’ zei hij wantrouwig.

De graaf kneep even in de brug van zijn neus. ‘Ik bedoel, in haar hotel in de buurt van San Michele. Ik vermoed dat ze bijna hier is.’ Hij zei het met een aan zekerheid grenzende overtuiging.

Van buiten klonk het luide krassen van dozijnen kraaien die op de vensterbank waren geland. Graaf Georg stond op en ging voor het raam staan, zijn hoofd schuin alsof hij aandachtig luisterde naar de kakofonie.

‘Ik was er al bang voor, de overige basilieken in San Polo, Dorsoduro, San Marco en Castello zijn leeg. Nog geen stuk brood te vinden.’

‘Waar kunnen ze dan heen? Het Zeepaleis is vernietigd. Wie anders heeft de ruimte en voorzieningen om de paus, bisschoppen en kardinalen te huisvesten?’ Een licht ging hem op nog voor de vraag goed en wel zijn mond uit was. Hij liet zich in een van de andere fauteuils vallen. ‘De Doge.’

‘Wat heeft die hiermee te maken?’

‘Alles, vermoed ik,’ zei Jacob. ‘Hij heeft een nieuwe vleugel aan het paleis laten bouwen. Groot genoeg voor de complete Synode, met een eigen kapel. Zijn eigen woorden nog wel.’

Graaf Georgs gezicht vertrok in een soort pijnlijke grimas. ‘De voorbereidingen waren al getroffen, dus. Hoeveel meer bewijs voor zijn betrokkenheid hebben we nodig?’

Jacob haalde zijn schouders op. ‘Hij is de Doge. Hij is onaantastbaar.’

‘Maar wat wint hij ermee?’ zei graaf Georg.

‘De Ottomanen zullen wel meer betalen,’ zei Jacob. ‘Geld kan een sterke motivatie zijn voor sommige… voor de meeste personen.’ Anderen zoeken iets verheveners.

De graaf leek diep in te ademen, zijn troebele ogen weerkaatsten het licht dat door het raam viel in vreemde hoeken. ‘Angst ook,’ zei hij, ‘dat zullen ze vandaag leren.’ Hij pakte zijn hoed en liep naar de uitgang. ‘Ga mee.’

Jacob volgde de graaf zonder zijn aktetas of hoed mee te nemen. ‘Het paleis is een uur lopen en een stuk met de gondel. Zijn we wel op tijd?’

‘Als we zouden lopen misschien niet,’ zei graaf Georg. Hij staarde Alex de Oude opzij en gooide de zware deuren van het Handelshuis open. Daar stond de Tesla van contessa Szilágyi al klaar. Over bijna de gehele lengte van het voertuig zaten kraaien. ‘Maar over de Lelybrug zijn we er in tien minuten.’

Ze namen plaats in de galvanische koets en zodra de deur dichtsloeg drukte de contessa de snelheidshendel diep in. De spoelmotor produceerde een hoog gierend geluid en de koets sprong vooruit. Angstige burgers sprongen weg voor het vehikel en hieven kwaad hun vuisten naar de wegstuivende wagen.

Jacob Hooijmans keek nerveus naar de voorbijsnellende gebouwen. Hij prefereerde de gezapige snelheid van schepen of koetsen voortgetrokken door paarden.

‘Herinner je je nog iets van gisteravond, Jacob?’ zei de contessa zonder om te kijken.

Jacob aarzelde. ‘Niet heel veel. Ik werd wel wakker met een kater zoals ik niet eerder heb meegemaakt.’

‘Het is maar beter zo,’ zei graaf Georg. ‘We zullen vandaag genoeg geheimen onthullen, zaken die we liever niet zouden blootgeven.’ De contessa deed er het zwijgen toe.

Ze draaiden de Lelybrug op en de contessa stuurde behendig om langzamer verkeer heen. De eerste afslag na de brug bracht hen op het eiland waar het paleis van de Doge zich bevond.

De contessa stuurde de galvanische koets recht op het gesloten ijzeren hek af, overreed bijna twee wachters en ramde vervolgens de traliedeuren open. De koets ging rechtdoor, richting de hoofdingang, waar ze het voertuig neerzette onderaan de marmeren trappen.

Jacob stapte uit, direct gevolgd door de graaf. De contessa kwam ook naast Jacob staan. Geklapper van vleugels klonk boven hen. Jacob zag honderden kraaien rondzwermen. Ze verduisterden de hemel bijna.

Bij de dubbele deuren van de hoofdingang stonden twee verbaasde Janitsaren. Ze trokken hun zwaarden en stormden de trappen af naar de mensen die zojuist uit de galvanische koets waren gestapt.

Voor ze goed en wel bij hun doelen waren, daalden de kraaien op hen neer. Graaf Georg mengde zich in de chaos en er klonken twee schoten waarna de kraaien uiteenstoven. De graaf stond daar met in elke hand een rokende Ottomaanse achtklapper. De Janitsaren lagen als gebroken poppen op de trappen, bloed stroomde uit hun grotendeels verpletterde slapen.

‘Geen tijd te verliezen,’ zei de contessa naast hem. Ze greep Jacob bij zijn arm en hij kon een kreun van pijn niet onderdrukken. Haar vingers leken van staal en ze sleurde hem half de trappen op. Graaf Georg was hen voor. Hij schopte de eiken deuren uit de sponningen en sloeg twee Janitsaren die hem aanvielen de trappen af. Ze bleven vlakbij de koets doodstil liggen, hun nek en rug in rare bochten geforceerd.

‘De oostvleugel, naar rechts,’ hijgde Jacob. De contessa liet hem los. Geflankeerd door de twee edellieden liep hij door een zuilengalerij met hier en daar een heiligenbeeld. Licht viel naar binnen door hoge dakramen Ze naderden een hal met grote dubbele deuren waarboven ‘Auditorium’ was geschreven. Een groep van minstens twintig Janitsaren bewaakte deze ingang en zodra Jacob, graaf Georg en contessa Szilágyi voor hen verschenen, stelden ze zich in gevechtsorde op en trokken zwaarden en achtklappers.

‘Wacht hier,’ zei graaf Georg. Het volgende moment waren hij en de contessa verdwenen. Een zwerm raven denderde langs Jacob en vulde de hal met hun galmend gekras dat klonk als het laatste oordeel.

Af en toe zag Jacob een Janitsaar door de wirwar aan lijven en vleugels, altijd met paniek in de ogen en op dat moment in doodsnood, alsof hij opzettelijk getuige werd gemaakt van wat hier plaatsvond.

Zo snel als de kraaien naar binnen waren gevlogen, zo snel waren ze ook weer verdwenen. Jacob zag twee mensen staan, de graaf en de contessa, tegenover elkaar. Hun gezichten kon hij alleen maar als beestachtig omschrijven. Beiden hadden bloed op hun gezicht en hun handen en kleren zaten vol bloed en lillende stukjes. Om hen heen lagen de overblijfselen van waarschijnlijk alle Janitsaren.

Jacob voelde de zure golf omhoogkomen en braakte alles wat hij nog in zich had uit. Toen hij overeind kwam stonden de twee naast hem.

‘Uw beurt, heer Hooijmans,’ zei graaf Georg. Jacob durfde hem niet aan te kijken.

‘Ga naar binnen,’ siste Ilona Szilágyi. Hoewel hij zijn lichaam geen opdracht gaf, voelde Jacob zijn voeten bewegen. Hij vermeed het bloed op de vloer en met droge voeten opende hij de deur.

 

***

 

De Synode was bij lange niet compleet. Niet meer dan een tiende van de banken was gevuld en op een podium in het midden stond paus Iskenderen. Jacob luisterde naar wat hij te zeggen had.

‘De vrede die ik voor ogen heb, maakt een eind aan de voortdurende strijd tussen volkeren. Laten wij als Roomse Kerk dan het goede voorbeeld geven en alle partijen die nu in conflict zijn met elkaar opdracht geven de strijd te staken.’ Hij zweeg even en er klonk een beleefd applaus.

Jacob nam zijn kans en liep tussen de banken door in de richting van het podium. Zodra de eerste bisschoppen en kardinalen die aanwezig waren hem zagen, klonk er gedempt geroezemoes.

Paus Iskenderen keek naar Jacob en vervolgens naar de ingang van het auditorium waar twee donkere, in schaduwen gehulde figuren stonden. ‘Waar zijn mijn Janitsaren? Hoe komt u hier binnen?’

Jacob voelde een zure oprisping, maar hij wist die te onderdrukken. ‘Ze zijn weg,’ zei hij met een klein stemmetje. Hij schraapte zijn keel en rechtte zijn rug. ‘Ze zijn weg. Als in niet meer in deze wereld.’

‘En wie bent u dan wel? En wat komt u hier doen?’ Iskenderen stapte naar de rand van het podium en keek op Jacob neer.

‘Ik ben Jacob Hooijmans, controleur namens de VOC. Ik ben hier vanwege artikel viertwaalf en vierdertien.’ Het werd ineens muisstil.

Paus Iskenderen vouwde zijn armen voor zich. ‘Die vereisen een kandidaat en de hoogste VOC functionaris die in Veneta aanwezig is. Ik zie de gouverneur hier niet.’

‘De admiraliteit heeft mij als tijdelijk gouverneur aangesteld.’ Hij rechtte zijn rug en verhief zijn stem. ‘En degene die ik voordraag als paus voor Holland, dat ben ik zelf.’

‘Dit is een schaamteloze vertoning,’ riep een kardinaal van de voorste rij. ‘U meneer, is een leek, u hebt niets te zoeken in deze geheiligde hallen.’

Jacob beklom de treden van het podium. Hij voelde zich alsof hij een complexe boekhoudbeslissing moest verdedigen tegenover een cliënt. ‘In tegendeel. Mijne heren!’ Hij keek naar de leden van de Synode, probeerde zoveel mogelijk van hen met zijn ogen te vangen. ‘Ik ben boekhouder. Nicolaas van Straalen heb ik altijd geëerd. Zijn zuinigheid was een voorbeeld voor me. Hij was altijd de redelijke, de vredestichter, de bewaarder van de status quo. Het voorstel van paus Iskenderen, hoe goed bedoeld ook, zal dwingend zijn voor eenieder die lid is van de heilige Roomse Kerk.’

‘Exact,’ ging paus Iskenderen verder. ‘Vrede zal goed voor ons zijn. En ook voor de VOC en de handel, dat moet u met me eens zijn, meneer Hooijmans.’

Jacob glimlachte. ‘Vrede is inderdaad goed voor de handel, paus Iskenderen. En de volgelingen van de Roomse Kerk zullen inderdaad met elkaar kunnen handelen in plaats van strijden. Mijn vraag is alleen: zullen niet-gelovigen ook uw decreet accepteren?

Paus Iskenderen zweeg. Zijn ogen flitsten nerveus heen en weer.

Jacob wachtte even, maar hij wist dat de theorie van de contessa feit was. Hij zuchtte en likte zijn lippen. Vers bloed, kloppend hart, smaak van ijzer en zout. ‘Ik activeer bij deze artikel viertwaalf en vierdertien. Vanaf heden ben ik paus Jacobus de Eerste en zijn er twee pausen in Veneta.’

‘Onmogelijk,’ blies paus Iskenderen. ‘De Synode moet hierover beslissen. Zodra het op de agenda uitkomt, over enkele weken.’

‘Dat duurt te lang,’ zei Jacob. ‘U riskeert open oorlog met de VOC? En de feestelijke intocht van Calvijnaanhangers in Holland? En de ondermijning van de Roomse Kerk? Het verstoren van delicate evenwichten in de wereld?’ Hij kreeg onverwacht veel bijval van enkele bisschoppen en kardinalen op de voorste rijen.

‘Accepteer het, Iskenderen,’ zei een van de bisschoppen. ‘Die overeenkomst bestaat en paus Jacobus de Eerste heeft hem in werking gezet.’ Hij hief zijn arm en riep: ‘Leve paus Jacobus de Eerste.’ De bijval vanaf de banken van het auditorium was duidelijk genoeg.

Een oude kardinaal die op een van de achterste banken zat, stond op. ‘Als dat dan nu duidelijk is, er is een Motu Proprio gedaan. Is er een meerderheid van pauselijke stemmen?’

‘Ja!’ zei paus Iskenderen hard.

‘Ik stem tegen,’ zei Jacob.

‘Dan is het helder,’ zei de oude kardinaal. ‘Deze Motu Proprio is afgewezen.’

Iskenderen stond met open mond en gebalde vuisten. Hij werd rood, toen bleek. Hij dook op Jacob af en een lange dolk was ineens in zijn hand.

Jacob voelde de voren op zijn rug branden, zag Iskenderen op zich afkomen, vertraagd, als een reeks tiphs op een reliëfscherm. Hij stapte net genoeg opzij om het mes te ontwijken, duwde net genoeg om paus Iskenderen uit evenwicht te brengen en in zijn val plukte hij het mes uit de hand van zijn tegenstander. Hij had zelfs nog tijd om te denken: bijzonder handig.

De Ottomaanse paus viel languit op de grond, maar krabbelde vrijwel meteen overeind. Met een schreeuw en een woedend gebaar rende hij van het podium weg en richting de uitgang. Graaf Georg en contessa Szilágyi lieten hem voorbij rennen, door de resten van zijn Janitsaren. Zijn schreeuw van afschuw weerklonk in het auditorium.

Jacob richtte zich tot de aanwezigen. ‘Als er al vrede met de Ottomanen komt, dan is dat een politieke vrede, gewenst door beide partijen. Geen opgelegde, eenzijdige, religieuze vrede.’

De kardinaal die Jacob eerder voor leek uitmaakte, schraapte zijn keel en stond op. ‘Paus Jacobus, ik groet u en noem u “vredestichter”.’ Hij kreeg eerst aarzelend maar al snel enthousiast bijval van alle aanwezigen op de Synode.

 

***

 

‘Ik voorzie een vruchtbare samenwerking, paus Jacobus,’ zei graaf Georg tegen Jacob.

Jacob knikte. ‘U had zoiets al voorspeld aan boord van de WitteDeWith, bijna alsof u wist wat er zou gebeuren. Maar dat is natuurlijk onzin, alleen de Heer weet wat voor ons is weggelegd.’

Graaf Georg grijnsde en liet zich achterover zakken in een van de fauteuils in de gouverneurskamer van het VOC Handelshuis.

‘Toch heb ik nog wel wat vragen,’ zei Jacob. ‘Er zijn schokkende zaken voorgevallen, waarvoor ik geen verklaring heb.’

‘Wie weet wat de waarheid is? Wie weet wat had kunnen zijn?’ Contessa Szilágyi bestudeerde het schilderij van Willem VI. ‘Laten we zeggen dat de wegen van de Heer soms ondoorgrondelijk zijn, mysterieus zelfs. En wraakzuchtig, vooral als het om Zijn zoon gaat.’

‘U gebruikt de woorden van de Kerk tegen me, hoe oneerlijk,’ zei Jacob. De contessa glimlachte alleen maar. ‘En wat gebeurt er nu met het Ottomaanse leger? Want die zijn waarschijnlijk al onderweg. Moeten we iemand waarschuwen?’

Graaf Georg hief zijn handen. ‘Het is in Gods handen, paus Jacobus. Hij eist offers. Daarvoor zijn rond kasteel Bran inmiddels honderdduizend eiken staken opgesteld…’

Jacob keek op. ‘Dus daar was die post voor.’

Weer grijnsde graaf Georg en knikte. ‘Soms,’ zei hij, ‘vraag ik me wel eens af: waren het de dertig zilverlingen?’

Bliksem uit het niets doorkliefde de hemel buiten. De donder die volgde deed het Handelshuis op haar grondvesten trillen.

Het bleef lang betekenisvol stil in de gouverneurskamer.

De poppen van dr. Edelweiss : Marcel Orie

 

We zijn vergeetmachines. Mensen zijn dingen
die een beetje denken en die vooral vergeten.
Henri Barbusse – Het vuur (1916)

 

In de verte rolde de donder als een voorteken.

Hoe je het ook bekeek: het leven was natuurlijk een groot cliché.

Nachtelijk onweer en een spookhuis.

Het witte landhuis was een eindje vanaf de hoofdweg gebouwd. Het had de hele dag al af en aan geregend en de onverharde oprijlaan was gedegradeerd tot een spoor van zuigende enkeldiepe modder. De bayou ademde uit en beloofde nog veel meer regen. De slanke kegelvormige toppen van de moerascipressen wiegden heen en weer in de opstekende wind. Boven de boomtoppen, in het oosten, kleurde de hemel al middernachtzwart.

Zelfs het weer staaft onze alibi, dacht Lee. Hij droeg een loodzware koffer in zijn ene hand, met zijn andere hand leidde hij zijn hoogzwangere vrouw. Enkele honderden meters terug stond hun auto langs de provinciale weg. Niet in staat om nog verder te rijden, omdat Lee vijftien minuten geleden de accu had gesaboteerd.

Hij hield Eva stevig bij haar bovenarm vast, terwijl ze de treden naar de veranda beklom; zij hield met twee handen haar uitpuilende, wiegende buik vast.

Alle ramen behalve één waren afgesloten met luiken, als maatregel tegen de nakende storm. Een subtiele beweging achter de vitrages ontging hem niet.

‘We zijn al opgemerkt,’ zei hij zacht.

De regen begon te vallen op het afdak van de veranda, zachtjes roffelend.

 

-8:42 PM-

‘Ik ben Lee Enfield en dit is mijn vrouw Eva.’

‘We zijn gestrand.’

Hij gebaarde dramatisch naar de donkere bomenhaag achter zich.

‘Onze auto… onze auto is ermee gestopt.’

Er waren geen andere huizen in de buurt.

Het kwam voor Lee niet als een verrassing dat er geen telefoon was, maar dat verborg hij goed.

 

-9:20 PM-

De koffie, heet en zwart, werd in de geblindeerde salon geserveerd door een mulattin huishoudster. De heer des huizes heette Edelweiss en zat in een rolstoel, een strak ingestopte geruite deken bedekte zijn geatrofieerde onderlijf. Hij had veel weg van een knaagdier, zijn oogjes spiedend vanachter zijn brillenglazen. Zijn hoofd was kaal, terugwijkend, gerimpeld in een eeuwige frons.

‘Enige idee wat er mis is met uw auto, Mr. Enfield?’

‘Noemt u me Lee, alstublieft.’ Hij krabde zichzelf achterin zijn nek. Hij deed werkelijk erg goed zijn best om verloren te lijken. Hij speelde het toneelstukje te goed, zoals amateurs dat doen. De mimiek te dik aangezet, de gebaren overdreven. ‘Wel, er zit nog genoeg benzine in. Tenminste het wijzertje geeft aan…’

‘Het wijzertje op de brandstofmeter, bedoelt u?’ vroeg hun gastheer, ‘de brandstofmeter op uw benzinetank?’

‘Ja, al zit de brandstofmeter in het dashboard ingebouwd.’

‘Werkelijk?’ zei Mr. Edelweiss, ‘Je vraagt je af wat ze nog meer gaan verzinnen.’

‘Mijn echtgenoot houdt van techniek,’ zei zijn rijzige eega. Ze was achter haar man opgedoemd en legde een blanke hand op zijn schouder. ‘Hij was horlogemaker voordat hij met pensioen ging.’

‘Mijn echtgenoot weet bijna niets van techniek,’ zei Eva beminnelijk.

‘Ik houd meer van muziek.’ De oudere vrouw wees op de ouderwetse grammofoon. ‘Maar soms kan de techniek daar ook uitkomst bieden. Zal ik een plaat spelen…?’

‘Onze gasten zijn vast moe,’ viel Mr. Edelweiss haar in de rede.

Zijn vrouw knikte. ‘Natuurlijk.’

‘Morgen, als de storm geluwd is zullen we uw auto bekijken,’ vervolgde de heer des huizes goedmoedig. ‘Bij daglicht zullen de problemen er minder onoverkomelijk uitzien, daar ben ik zeker van.’

Lee glimlachte als de onnozele lobbes.

‘Een van de bedienden zal uw bagage naar het gastenvertrek brengen.’

‘Dat zal ik zelf wel doen. De koffer is nogal zwaar.’ Lee was opgestaan en omvatte het handvat van de koffer. ‘Als uw bediende zo goed wil zijn om ons voor te gaan.’

 

-10:39 PM-

De wanden van het trapportaal waren bedekt met lijstjes vol opgespelde vlinders. Ieder glaasje was een venster op een kleurrijke symmetrische werkelijkheid. Als ze allemaal plotseling tot leven kwamen en hun vleugels zouden bewegen, zou het in de hal tot een ritselende kakofonie worden.

De huishoudster ging hen voor. Lee deed zijn best om niet naar haar schuddende achterste te kijken en Eva glimlachte omdat ze hem natuurlijk al lang had zien kijken.

 

-11:02 PM-

‘Ik zag hoe je je koffie dumpte in die pot met de grote varen, toen de heer des huizes je heel even de rug toekeerde.’

‘De smaak stond me niet aan,’ zei Lee.

‘Ben je bang dat ze ons proberen te vergiftigen?’

‘Nee,’ zei Lee, ‘Tenminste, ik denk het niet. Ik dronk de helft van mijn koffie op…’

‘En je liet mij mijn hele beker leegdrinken.’

‘Niets aan de hand. De smaak stond me gewoon niet aan.’

‘Mij ook niet,’ zei Eva nadenkend, ‘er was iets van een nasmaak, nietwaar. Iets chemisch. Ik kon het niet thuisbrengen.’

Hij had zijn jasje uitgetrokken en over een stoel gehangen. Hij ijsbeerde nu heen en weer door de kamer die hen was toegewezen, onrustig als een gekooide tijger in de dierentuin.

‘Waarom doe je dit, Lee?’

‘Wat?’

‘Het is een vreemde manier van doen, vind je zelf niet?’

Hij keek haar vragend aan.

Zij bleef ook stil. Eens te meer bedacht hij zich dat ze heel goed voor een getrouwd stel door konden gaan.

‘Wat?’ vroeg hij nog eens.

‘Je kiest een schuilnaam, vermoedelijk om onze echte identiteiten te verbergen. Ik begrijp waarom we onze echte voornamen gebruiken. Maar leg me toch eens uit waarom je zo’n achternaam zou kiezen.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik weet wat een Lee Enfield is, Lee. Deze ravenzwarte lokken zijn misschien niet mijn echte kleur, maar zo blond ben ik nu ook weer niet.’

Zijn antwoord klonk omfloerst. ‘Ik schoot met zo’n geweer. In de oorlog. Ik schoot er erg goed mee.’ Ze zou het kunnen uitleggen als verlegenheid of zelfs schaamte, maar ze wist wel beter.

‘Maar waarom zou je die bijnaam nu gebruiken?’ drong ze aan, ‘Als een aan lager wal geraakte danseres weet wat een Lee Enfield is, dan bestaat de kans dat de bewoners van dit landhuis het misschien ook weten…?

‘Ja,’ zei Lee, ‘dat is een goed punt.’

‘Waarom dan toch, schat? Van alle achternamen die je kon bedenken?’

‘Ik heb niet zoveel fantasie…’

‘Ja,’ zei ze spottend, ‘Dat moet het natuurlijk zijn.’ Eva Black was natuurlijk ook maar een artiestennaam.

De aanzwellende storm rammelde aan de luiken.

‘Is het allemaal een grap voor jou?’

‘Nee, het is mijn werk.’

‘Speurneus.’

‘Uhuh.’

‘Heb je al iets ontdekt, Mr. Enfield?’

‘Ja.’

‘Kom op.’

‘De huishoudster. Ik heb haar foto gezien in de archieven van Legrasse in New Orleans. Vermiste personen. Haar naam is… Rebba Thibidoux.’

Ze floot tussen haar tanden.

‘En wat heeft deze Rebba met het schuddende achterwerk met onze Tommy te maken?’

‘Weet ik niet… nog niet.’

 

***

 

Een moederhart stopt nooit met bloeden. Lee had al zoveel vermiste kinderen opgespoord en hij wist hoe het werkte.

Als zo’n vermist kind toevallig Thomas Hobson heette en erfgenaam was van een van de rijkste families in New York, een kapitaal verdiend met de Hobs-snoepreep, dan zou het bloeden nooit stelpen. Lee liet zich door de stroom meevoeren.

Hij had een meanderend spoor van poststempels gevolgd naar het zuiden. Raleigh. Charleston. Tallahassee. Mobile. Bogalusa. Daarna weer naar het zuiden, naar de Golf van Mexico: het spoor liep dood in New Orleans.

Tommy schreef brieven naar zijn moeder. In iedere brief smeekte hij haar om zijn onthullingen geheim te houden voor zijn vader, hij drong er zo op aan dat hij wel vurig moest hopen dat zijn moeder alles aan zijn vader zou vertellen.

Na New Orleans volgden er geen brieven meer.

Had de jongen een plekje weten te verwerven aan boord van een vrachtschip? Was hij de overtocht naar Zuid-Amerika begonnen?

In New Orleans bracht Lee twee dagen door met het vermiste personen-archief van Inspecteur Legrasse, speurend naar iets dat de radertjes in zijn hoofd zou laten klikken. Hij vond niets.

De vijftienjarige jongen kon zijn vader niet uitstaan en uit de gesprekken die Lee met de heer Hobson had gevoerd bleek dat gevoel wederzijds. Tommy was geen knip voor de neus waard, maar ja, zijn moeder… ach, u begrijpt me wel Mister Lee.

Tommy was op het spoor gesprongen met de tienduizenden werkzoekenden en daklozen, zwervers en hobo’s van allerlei allooi. Soms sliep en at hij in de talloze Hoovervilles, de krottenwijken en tentsteden die langs heel de oostkust als paddenstoelen uit de grond schoten. Hij schreef dat hij bedelend aan zijn dagelijks brood kwam. Soms mocht hij stoepen schoonvegen voor winkeliers. Er was, volgens de jongen, nog genoeg goedheid in de mens. Hij was zelf geen hobo: hij had plannen voor de toekomst, plannen genoeg, terwijl hij in de rij stond voor de soepkeukens.

Hij schreef met de kinderlijke naïviteit van een jongeman die nooit honger had gehad. Hij refereerde veelvuldig aan de figuren uit het kinderboek Wind in the Willows. Hij zou niet opgroeien tot een Mr. Toad. Verdeel mijn erfenis maar onder de armen, schreef hij, ik zal mijn eigen weg in de wereld vinden. Hij zou bij het circus gaan. Een paar brieven later was het een soort pinkstergemeente die zat te springen om zijn inzichten. Visioenen noemde hij het.

De brieven van de jongen werden steeds vreemder.

 

11:45 PM-

Eva was bezig zich te ontkleden. Ze had plaats genomen achter een kamerscherm met sampans in sepia erop. Ze had haar jurk al uitgetrokken en over een stoel uitgehangen. Haar bottines droeg ze nog, strakke rijglaarsjes met hoge hakken. Ze stroopte nu juist haar dikke buik onder haar onderjurk vandaan en liet hem achteloos op de vloer glijden, daarbij iets in zichzelf mompelend over de hitte in het zuiden.

Alsof ze hem voelde kijken, draaide ze zich naar hem om.

‘Meneer Lee!’ zei ze speels, ‘wat een manier om uw bruidje te besluipen.’

Hun blikken vonden elkaar in de spiegel van de kaptafel. Hij grinnikte wat onbeholpen, stak zijn handen op alsof hij zich overgaf. Hij nam plaats op de rand van het bed, zodat hij met zijn rug naar de actrice zat, en haar ook niet meer in de spiegel kon bekijken.

Hij liet zijn bretels van zijn schouders afglijden en begon zijn overhemd los te knopen.

‘Het is hier inderdaad heet als in de kont van de duivel.’

 

***

 

De opkomst van de cinema bewerkstelligde de ondergang van het vaudeville. De meest gewiekste artiesten omarmden de nieuwe kunstvorm en verpopten tot filmsterren van het kaliber Chaplin of de Marx Brothers. Maar de overgrote meerderheid van de danseressen, muzikanten, goochelaars en komieken wachtte slechts de dalles.

Eva Black, voorheen danseres, pantomime-speelster en actrice, stapte nu rond in een glinsterend en nauwelijks iets aan de verbeelding overlatend kostuumpje. Als goochelaarsassistente liet ze zich door midden zagen en met zwaarden doorsteken door de Grote Johnny Delamere.

Toen Lee haar telegrafeerde met het vooruitzicht van een betaalde rol als zijn echtgenote, aarzelde ze geen moment. Twee dagen later kon hij haar ophalen op het station in New Orleans. Hij zorgde ervoor dat hij nuchter was, met zijn haar glimmend van de brillantine, strak achterover gekamd. Hij had het minst sleetse van zijn twee pakken aan, het bruine. Zijn fedora had hij in de hand.

 

-1:26 AM-

Hij voelde zich bekeken in deze kamer. Er was een overdadigheid in het interieur, die getuigde van een ongezonde verzamelwoede. Ieder stukje van de wand was bedekt met ingelijste foto’s van verschillende  afmetingen en composities; ze vulden de wanden als puzzelstukjes. Waar waren de aanwijzingen in al deze informatie? Waar was het begrip? De waarheid… hij moest om zichzelf lachen.

Hij had plaats genomen aan de kaptafel en staarde in de verweerde ovale spiegel naar zijn verraderlijke reflectie; altijd twintig jaar ouder dan hij verwachtte. In ieder geval ouder dan de 44 verjaardagen die hij min of meer had meegemaakt.

Hij nam een lik haarpommade en smeerde zijn bezwete haar, dat nu al bijna volledig grijs was, maar weer achterover. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. De adertjes in zijn brede neus gesprongen. Alle kenmerken van een dronkaard. Als je aanwijzingen begon te missen, moest je stoppen met drinken. Of in ieder geval minder gaan drinken.

 

***

 

Schoorvoetend was Lee Kahura vanuit New Orleans aan de terugtocht begonnen. Speurend naar aanwijzingen die hij gemist kon hebben tijdens zijn reis naar het zuiden. Hij geloofde niet echt dat hij iets zou vinden, het spoor was al maanden koud, maar hij probeerde zijn onderzoek zo lang mogelijk te rekken. De wekelijkse vergoeding van de familie Hobson was wat hem momenteel nog aan het eten hield; zonder een vermogend opdrachtgever wachtte ook een zelfstandig privédetective de eenrichtingsgang naar de soepkeukens.

 

In Bogalusa, de tweede maal, had hij mazzel. Hij vond het spoor terug in een speakeasy in een oude loods, onder de rook van de enorme houtzagerij. Terwijl er in heel het land stemmen opgingen om de drooglegging op te heffen, dook hij nog maar eens in de illegaliteit. Vastgeroest in zijn manieren. Hij zat schouder aan schouder met de fabrieksarbeiders, kerels met koppen als verweerde boomstronken en knoestige handen waaraan bijna zonder uitzondering vingers ontbraken, en hij moest iets van medelijden bij hen geoogst hebben, misschien zelfs sympathie. De zelfstook was koppig en Lee wanhopig, een fatale combinatie; hij dronk meer dan hij kon hebben en hij vertelde meer dan dat hij vroeg, en zo kwam ook de zaak waaraan hij werkte ter sprake. De weggelopen erfgenaam. De visioenen. Een pad die rijdt op een haan, dat soort dingen.

‘Dat beeld ken ik,’ zei een van zijn drinkebroers, die zei Leonard Hushka te heten, een man die al voor de Grote Oorlog uit Litouwen was geëmigreerd. ‘Dat is het wapen van de Edelweiss familie. Een pad rijdend op de rug van een haan ’

Na sluitingstijd, op het onverharde parkeerterrein, nadat Lee zijn ingewanden uitgespuugd had, spraken ze verder. Hushka hield hem op de been, sleepte hem terug naar zijn auto.

‘Als een pad een ei legt op een mestvaalt en een haan broedt het uit, dan komt er een basilisk uit het ei,’ fluisterde Hushka, zijn ogen vochtig. ‘Dat ei heeft geen schaal en het is leerachtig. De basilisk is de koning van alle serpenten. De slangdraak.’

Ze waren in de cabine geklommen, om gebroederlijk hun roes uit te slapen.

‘De basilisk is een kleine hagedis met een witte kam op zijn hoofd, en zijn blik betekent de dood voor plant, dier of mens.’

Hij viel in slaap met de stem van Hushka in zijn dromen.

 

-2:34 AM-

Bah, Lee, een casanova ben je beslist niet! Had hij Eva dan alleen maar meegevraagd om naast haar in bed te kunnen kruipen?

Een betere dekmantel kon hij zich niet voorstellen: wat riep meer sympathie op dan een zorgzame echtgenoot en zijn hoogzwangere vrouw?

Hij betrapte zichzelf er steeds vaker op dat hij nostalgisch werd en navelstaarderig. Als hij aan een zaak werkte, was het vooral alsof hij zichzelf bestudeerde. Alsof hij een broodkruimelspoor volgde door zijn eigen herinneringen. Het was in zijn werk zaak om de motivatie te doorgronden van degenen die hij op probeerde te sporen, maar tegenwoordig dacht hij er steeds meer over na hoe de gebeurtenissen uit de zaak zich tot zijn eigen persoon verhielden.

 

‘Doe de kamerdeur achter me op slot,’ zei hij, ‘en schuif een stoel onder de deurklink. Je weet maar nooit.’

‘Als je denkt dat het gevaarlijk wordt, zou je me dan wel alleen laten?’ vroeg zij, met grote donkere plots vochtige ogen. Hij kon niet vaststellen in hoeverre ze acteerde, of dat haar ongerustheid echt was.

‘Gewoon een voorzorgsmaatregel. Ik kijk wat rond en ben zo weer terug.’

 

***

 

Tijdens de heenreis hadden ze gegeten in een diner genaamd Moe’s, aan een parkeerplaats langs de weg. Hij at een biefstuk, zij probeerde de alligatorworst met uienringen. Ze aten op kosten van Hobson senior.

‘Ben je eigenlijk nog wel eens terug geweest?  Naar Nieuw-Zeeland?’

‘Nee.’

‘Waarom niet.’

‘Geen behoefte aan. Na de oorlog brachten ze me naar een ziekenhuis hier. Ik ben nooit meer weggegaan.’

‘Ben je gewond geraakt?’

‘Nee, ik was alleen de kluts kwijt.’

‘Denk je er nog aan?’

‘Nee, nauwelijks nog,’ loog hij.

‘Heb je nog familie in Nieuw-Zeeland?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik ook niet,’ zei ze, ‘mijn ouders zijn ook al lang dood.’

Ze legde haar hand op zijn gespierde onderarm, alsof ze hem wilde beletten om de vork naar zijn mond te brengen. Ze streelde zijn arm en lachte naar hem.

Ze kenden elkaar uit een danshal. Ze was zo lief geweest om met hem te dansen. Hij verraste haar, was lichtvoetiger dan zijn uitsmijtersfysiek deed vermoeden.

 

-2:50 AM-

Hij sloop op kousenvoeten door de gang, maar de oude parketvloer kraakte bij iedere stap. Niemand zou het horen; het hele huis kreunde in de storm. Ergens aan het huis klapperde een luik dat niet vastgezet was en de regen roffelde oorverdovend op de daken. Alsof hij in een blikken trommel was gekropen.

Zijn alibi had hij klaar. Als hij iemand tegen zou komen, zou hij hen vragen waar het toilet was. Argwaan, zo had hij over de jaren geleerd, was het best te bestrijden met onomwonden stompzinnigheid.

Hij luisterde zorgvuldig aan iedere deur die hij passeerde. Als hij niets hoorde, opende hij de deur en bekeek snel of de kamer tekenen van bewoning vertoonde. Zo passeerde hij een drietal gastenkamers, en een kleine bibliotheek.

‘Slechts mijn echtgenoot en ik. En onze huishoudster en Edgar,’ had Mrs. Edelweiss op zijn vraag geantwoord, ‘slechts wij viertjes in dit enorme huis.’ Lee geloofde er niets van. In zijn hoofd bestond nog steeds de theorie van een sekte, die naïeve Tommy naar zich toe had gezogen en omarmd.

 

Hij vond een steile trap naar de zolderetage, maar bovenaan eindigde die in een deur die op slot zat. Met zijn oor tegen de deur hoorde hij een doordringend gezoem dat hij niet kon thuisbrengen. Het was alsof hij zijn oor tegen een koekoeksklok gedrukt hield, alsof hij het geheime uurwerk dat dit landhuis in stand hield kon horen. Wat een vreemde gedachte. Hij bedacht zich dat het was alsof hij droomde, terwijl hij zeker wist dat hij wakker was. Het gegeven van een lucide droom, waarin je wist dat je droomde, was Lee vreemd. In zijn slaap geloofde hij dat wat zijn onderbewuste hem voorschotelde. En als hij genoeg dronk, dan kon hij zich zijn dromen niet eens herinneren.

Wat had er in de koffie gezeten?

Hij daalde de zoldertrap weer af en zocht verder op de eerste etage.

Achter een van de deuren vond hij een soort archief. Hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich, alvorens hij zijn zaklamp aanknipte. Alle wanden waren bedekt met apothekerskasten tot aan het plafond. Op goed geluk schoof hij enkele laatjes open en scheen erin. Brillen, kunstgebitten, oorbellen, toneelsnorren, broches, ringen, zakhorloges, toupettes. Ieder laatje had een label met een naam, achternaam eerst, voornaam erachter. De kaartjes waren niet alfabetisch gerangschikt, hij kon er geen classificatiesysteem in ontdekken. De uitwassen van een krankzinnige geest.

Bijna onmiddellijk trof hij ‘Thibidoux, Rebba’ aan, maar haar laatje was helemaal leeg. Na een tijdje vond hij, op goed geluk tussen die honderden onbekende namen, de naam waarnaar hij zocht. ‘Hobson, Thomas’. Toen hij het laatje leeghaalde trilden zijn handen; een pakje kauwgum, een zakmes, een zilver kettinkje met een St. Christopher-medaillon, en een bril die hij herkende van de foto’s die hij had gezien van de jongen. Onderop lag een beduimelde paperback, Wind in the Willows, de rug stukgelezen. Hij propte de voorwerpen in zijn broekzakken, bewijsmateriaal. De paperback stak hij achterin zijn broeksband.

Terug op de gang, vroeg hij zich af of er ook al een laatje was met zijn naam erop. Maar dat was een gestoorde gedachte. En bovendien was er geen tijd.

 

-3:32 AM-

Zijn handen klemden zich om de balustrade totdat zijn knokkels wit werden. Met stokkende adem tuurde hij in de diepte onder hem. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd.

Een bliksemflits door het raam had haar gedaante geopenbaard als een lichte schim op de parketvloer van de hal.

Bewegingloos.

Hij worstelde met een coherente gedachte. In zijn hoofd fladderde en krijste het als in een opgeschrikte volière.

Het was geen opzet geweest, verzekerde hij zichzelf.

Hij had haar alleen opzij willen duwen. Hij had haar arm vastgepakt en haar een slinger gegeven. Misschien ruwer dan nodig was geweest. Hoe kon ze… ze moest met haar heupen tegen het gepolitoerde hek geslagen zijn en door haar momentum erover heen gekieperd. Zo moest het gegaan zijn.

Hij maakte zichzelf los van de balustrade. Trok zijn zaklamp tevoorschijn. Maar de lichtbundel slaagde er nauwelijks in om de duisternis te penetreren, haar lichaam bleef begraven als op de bodem van een put.

Hij begon de halfronde trap af te draven.

Hij had de dienstmeid alleen maar opzij willen zetten. Het was alsof hij de verdediging oefende die hij later zou aanvoeren voor een jury. Zelfs in zijn hoofd klonk het al ongeloofwaardig.

Maar het was de waarheid.

Moest het zijn.

Ze lag op haar rug. Haar rechteronderbeen in een haakse hoek naar buiten. Verkeerd. Haar armen gespreid, alsof ze had proberen te vliegen, alsof ze haar armen had uitgeslagen als waren het vleugels.

Het bleke licht van zijn lantaarn toonde geen bloed, slechts een kleurloze vloeistof die onder het lichaam vandaan vloeide.

Haar huid was bleek als marmer.

Haar gezicht was weg.

Hij grinnikte de spanning van zich af.

Het was natuurlijk een paspop die ze hetzelfde kostuum hadden aangetrokken als de mulattin.

Iemand speelde bizarre spelletjes met hem.

Waar was de meid gebleven? Zat ze in het duister weggedoken, ergens boven op de overloop?

Hij scheen om zich heen, speurend naar verscholen kwelgeesten, maar de hal leek verlaten.

Hij hurkte neer bij de pop, de paperback achterin zijn broeksband herinnerde hem aan Tommy. De bleke huid glom als porselein, maar had de consistentie van rubber toen hij zijn stompe wijsvinger erin drukte.

Het gelaat was glad als een spiegel.

Op nog geen armlengte boven de pop lag een donkere, gekrulde pruik.

Daarnaast lag nog iets anders dat hij niet direct kon thuisbrengen.

Een masker, zag hij toen hij het oppakte.

De holle achterzijde was overdekt met een patroon van lijnen en wervelingen, dat hem aan een sterk uitvergrote weergave van een vingerafdruk deed denken.

En toen hij het masker omdraaide in zijn handen keek hij in het levensechte gelaat van Rebba Thibidoux. Ze hield haar ogen gesloten en haar mond dicht, maar ze was het.

Hij liet het vallen.

‘Kom tevoorschijn,’ zei hij tegen het duister. ‘Ik laat niet meer met me spelen.’ Maar zijn stem klonk schor en iel.

Alleen de donder gaf antwoord als een dier dat gromde.

 

-3:45 AM-

Terug op de kamer. Zwetend, geagiteerd. Zijn polshorloge geeft kwart voor vier aan.

‘Het is hier gevaarlijk,’ zei hij. Hij borg het bewijsmateriaal in de koffer.

‘Wat is dat allemaal? Wat is er gebeurd? Lee? Zegt het me, Lee.’

Hij drukte Eva zijn Remington in de hand. ‘Je wijst ermee, en haalt de trekker over. Eén keer. En dan nog een keer. Twee schoten.’

Ze pakte zijn onderarm vast met haar vrije hand, starend naar het wapen in haar slanke rechterhand.

‘Je gaat die twee kogels niet nodig hebben. Ik blijf in de buurt.’

‘Laten we weg gaan,’ zei ze hees en hij hoorde dat haar paniek nu echt was, ‘terug naar je auto. Weg van hier. Weg van al deze narigheid.’

‘Ik moet kijken of de jongen hier geweest is.’

‘Nee, Lee. Je laat me hier niet alleen.’

‘We doen het zoals daarnet. Je doet de deur op slot. Stoel onder de klink. Dan verstop je je in de kledingkast en houdt de derringer in de aanslag.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kan ik niet, Lee.’

‘Jawel, meid, je…’

‘Nee, ik kan het niet. Niet in de kast. Ik kan niet tegen kleine ruimtes… dat is iets uit mijn jeugd.’

‘Maar ik heb je…’

Ze kapte hem af door met haar hoofd te schudden.

‘Zolang mijn hoofd er niet in hoeft, gaat het best. Johnny kan me doorzagen en met zwaarden doorsteken, zo lang mijn hoofd maar buiten de doos blijft. Maar zijn verdwijntruc kan ik niet. Om in die doos te kruipen… het is alsof ik doodga. Alsof ik stik. Mijn maag draait al om wanneer ik eraan denk.’

Hij legde zijn grote, grove hand op haar schouder.

‘Het is goed, Eva. Als je iets aan de deur hoort morrelen, verstop je je achter de gordijnen, met de derringer in de aanslag. Oke?’

Ze bleef hem aankijken met holle ogen.

‘Ik ben binnen tien minuten terug oké?’

‘Oké.’

Hij liet haar de derringer richten, terwijl hij achter haar kwam staan.

‘Armen niet helemaal strekken.’

Zijn eeltige vingertoppen verkenden de zachte huid van haar polsen, de aangespannen muis van haar bovenste hand, het bot van haar duim, en toonden haar hoe ze de haan moest spannen. ‘Dan haal je de trekker over. De bovenste loop wordt afgevuurd. Nog een keer de haan spannen en vuren, dan wordt automatisch de onderste loop afgevuurd.’

Hij vertelde haar niet hoe de kleine .38 in haar handen zou schokken; alsof je een klap met een honkbalknuppel op je handen kreeg.

Hij hielp haar de haan weer ontspannen. Liet haar toen los. Haar zweet rook verrukkelijk. Zelfs een situatie als dit weet je nog te erotiseren, gekke ouwe man, dacht hij bij zichzelf, wat is er mis met jou?

Alleen voelde het niet mis. En hij voelde zich niet oud. Op momenten als dit, volop in actie, zo’n moment dat om kon kantelen in een vuurgevecht, doden of gedood worden, op zulke momenten voelde hij zich beter dan ooit.

 

-3:51 AM-

De flits schroeide zijn oogballen nog. Hij draafde de trap naar de zolder op. Op de bovenste trede stond hij klaar en toen de donder weer aanrolde, trapte hij uit volle macht tegen de deur. De zool van zijn schoen trof de deur als een stormram, vlak onder de deurknop. De metalen lip van het slot brak af, de deur klapte open als door een windvlaag. De deurknop aan de andere zijde had zich begraven in het stucwerk.

Hij schrok van de gedaanten in de kamer, schouder aan schouder, wachtend in het duister. Hij richtte zijn revolver, begreep toen dat het paspoppen waren. Ze hingen met hun oksels aan een soort kapstokken uit het plafond.

Anderen waren gedemonteerd: losse armen en benen staken met bossen tevoorschijn uit kratten. Torso’s, hoofden zonder gezicht en bolvormige buiken lagen her en der over de grond verspreidt, alsof iemand –tevergeefs- geprobeerd had om ze tot bergjes te stapelen.

Hij nam zo’n los hoofd van de grond, keek er naar, alvorens het weer te laten vallen.

 

***

 

Een gedeconstrueerde detective. Een explosieafbeelding waarin alle onderdelen uit elkaar zweefden, zo zag hij zichzelf, lijdend voorwerp in een macabere goocheltruc. Alle onderdelen van elkaar gescheiden, hun bedoelde samenhang slechts schematisch weergegeven. De belofte aan integratie leek vervlogen. Rebba Thibidoux, Tommy Hobson, Eva Black, Edelweiss en zijn vrouw, Hushka en zijn basilisk… wat hadden ze met elkaar van doen? Waren ze meer dan schimmige passanten in deze parade die kaleidoscopisch aan zijn zinnen voorbij trok?

 

-4:02 AM-

‘Ik geloof dat mijn vader hier is,’ zei Eva toen hij terugkeerde van de zolder. Ze zat op de uiterste rand van het bed, haar armen om zichzelf heengeslagen. Ze zag eruit alsof ze in zichzelf had willen verdwijnen.

‘Je hebt me verteld dat je vader gestorven is toen je nog maar een meisje was.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat is zo. Maar ik heb hem horen zingen. Hij neuriede dat liedje als hij de trappen omhoog kwam naar onze voordeur. Ik kon hem horen aankomen en dan probeerde ik me te verstoppen.’

‘Ze spelen spelletjes met ons, Eva. Ze proberen in onze hoofden te kruipen…’

‘Het was Black Girl…dat zong hij altijd. Altijd als hij gedronken had.’

‘Rustig meid. Laat je niet op stang jagen.’

‘Het was zijn stem!’ schreeuwde ze. Hij sloeg zijn hand over haar mond. Ze probeerde te schreeuwen en zich los te wurmen, maar hij hield haar gemakkelijk vast.

‘Stil,’ siste hij haar toe, ‘wees dan toch stil.’

Met haar vochtige ogen groot in haar gezicht staarde ze hem aan, over de knevel van zijn gebruinde hand. Ze knikte. Hij liet haar los.

‘Ik ben stil,’ zei ze schor.

‘Blijf hier,’ zei hij hardvochtiger dan hij wilde, ‘doe de deur achter me op slot. Ik ga die rotzakken overmeesteren. Dan stellen wij de vragen!’

 

-4:20 AM-

Het onweer was een ongeziene toneelknecht die in de coulissen stond te wapperen met een dunne plaat ijzer. Alles leek Lee gesimuleerd. Het huis was een poppenhuis met kartonnen wanden.

Meer dan ooit zocht hij nu de confrontatie. Dwaalde door de vertrekken op de begane grond met zijn revolver in de hand.

Een krakend slissen vulde de salon, als van een serpent dat zich verborgen had onder een van de fauteuils of de koffietafel. Er lag een plaat op de grammofoonspeler. Iemand had hem opgewonden en de naaldarm geplaatst.

Plots sneed er een schelle fluittoon door het vertrek… en Lee zette zijn voet op de onderste trede van de greppelladder.

 

Vlak voor het offensief verloren de manschappen hun verstand. Sommigen zaten geknield op de vuurbank te bidden. Anderen bekeken de foto’s van hun familie en weenden. Er waren er die van de spanning hun urine lieten lopen of moesten braken. Ze hadden allemaal hun dubbele portie rum opgedronken. Er werd gerookt. Sommige soldaten omhelsden elkaar, klampten zich aan elkaar vast. Soms had er iemand gejammerd of geschreeuwd dat hij niet ging, dat hij zich niet de dood in liet jagen, maar die werden door de sergeant met het pistool bedreigd. De sergeant stak een hand op, vijf vingers. Nog vijf minuten. Pijpen werden gedoofd en opgeborgen. Foto’s weggestoken. De gasmaskers gingen op en de bleke verwrongen gezichten verdwenen. Het trommelvuur hield aan. De aarde schudde van de onophoudelijke bombardementen.

Als de fluit ging, werden de greppelladders gezet en klommen de soldaten moeizaam met hun zware bepakking omhoog. Het niemandsland wachtte op hen.

 

Terug in het hier en nu, veegde Lee de grammofoonspeler van het tafeltje. Was dit het helse apparaat waarmee ze Eva gek maakten?  Hij stampte er een paar keer op. Hij was nog moederziel alleen in de salon. Hij voelde zich steeds verder verwijderd van de rest van de mensheid. Een grijsaard afgeduwd op een ijsschots. Steeds verder afdrijvend,  het onpeilbare zwarte niets van het heelal in, waar hij als een eenzame ster aan het firmament zou uitdoven.

 

-4:22 AM-

Eva kon hem weer horen zingen.

Black girl, black girl, don’t lie to me

Ze hoorde de neuzen van zijn afgetrapte werkschoenen langs de traptreden schaven. Haar vader was onvast ter been als hij gedronken had. Hij steunde op beide trapleuningen als een invalide. Sleepte zichzelf omhoog al een beest zonder ruggengraat.

Where did you stay last night?

Hij was een goede echtgenoot en een goede vader, dat had haar moeder bij hoog en laag volgehouden. Maar als hij had gedronken, voer er een duivel in hem. De drank veranderde hem in iets wilds, iets dat niet te temmen of kalmeren viel. Als vader zijn loon kreeg aan het einde van de week, kwam hij pas laat thuis uit de kroeg. Maar tegen die tijd had haar moeder zich al opgesloten in de badkamer. Ze sliep in de badkuip met haar kinderen in haar armen. Soms raasde en tierde haar vader aan de deur, hij rammelde en bonsde en gromde verschrikkelijke dreigementen. Andere keren viel hij voor de deur in slaap en zijn raspende ademhaling was als de klauw van een dier dat zich scherpte langs het hout.

I stayed in the pines where the sun never shines

Toen Eva ouder werd nam haar moeder haar niet langer mee de badkamer in.

And shivered when the cold wind blows.

Toen er geklopt werd legde Eva de derringer op het dressoir, stond op en deed de deur open.

 

***

 

‘Ken je Johnny Delamare eigenlijk?’ vroeg Eva, terwijl ze haar lippen depte met een papieren servet. De alligatorworst had haar gesmaakt.

‘Niet persoonlijk,’ zei Lee. ‘Ik heb over hem gehoord. Bekende figuur in sommige kringen. Rare vogel ook.’

‘Ach, hij is niet kwaad. Een van de betere bazen die ik gehad heb in mijn loopbaan. Het is jammer dat hij zo slecht betaalt, maar verder…’

‘Is het ooit anders?’

‘Vroeger was het ook geen vetpot, maar toen kon een meisje nog een redelijk loon bij elkaar sprokkelen. Nu zijn alle grote theaters dicht en de zaaltjes die overblijven zijn armoedige knijpen.’ Ze draaide haar koffiekopje tussen haar vingertoppen, keek naar het bodempje koffie alsof ze haar toekomst bestudeerde in een kristallen bol. ‘Laat ik het zo zeggen: ik ben een van de weinige meisjes op die tonelen dat haar kostuum aanhoudt.’

Lee gromde instemmend.

‘De shows van de Grote Delamare slaan ook niet erg aan bij dat publiek. Hij ziet zichzelf als de opvolger van het Grand Guignol-theater uit Parijs. Hij heeft een macabere inslag, mijn Johnny. Wanneer hij me doormidden zaagt moet ik plots schreeuwen en dan druppelt er nepbloed uit de kist op het toneel, en hij zorgt dat hij het op zijn handen krijgt en in zijn gezicht smeert en dan speelt hij dat hij in paniek raakt. Zo nu en dan is er iemand in het publiek die schrikt, maar de meeste klanten zitten in hun glas te staren, tijd te doden tot het volgende paar opwippende tepelkwastjes voorbij komt.’

‘Is het waar dat hij zich vermomt?’ vroeg Lee.

‘Ja, hij heeft allerlei vermommingen. Hij heeft er aardigheid in om zich te verkleden en dan iets aan je te komen vragen met een verdraaide stem en hele andere maniertjes. Hij maakt er een sport van, om je dan tweemaal vlak achter elkaar te benaderen, éénmaal als zichzelf en éénmaal als iemand anders. Het doet hem genoegen als hij niet herkend wordt.’

De serveerster kwam om hun koffiekoppen nog eens vol te schenken.

‘Volgens mij verkleedt hij zich ook wel eens als vrouw,’ zei Eva zachtjes, ‘Maar dat mag je tegen niemand vertellen, oke? Beloof je dat?’

Lee beloofde het, hand op zijn hart.

‘Johnny was best al verbolgen dat ik er met jou vandoor ging, wist je dat? Vakantie noemde hij het. Ik geloof dat hij denkt dat wij een verhouding hebben.’

‘Hij is natuurlijk zelf verkikkerd op je…’

‘Nee, dat geloof ik niet. Meestal weet ik dat wel.’

Ze bleef Lee aankijken, tot Lee zijn blik afwendde en uit het raam van de diner staarde alsof er iets te gebeuren stond op de uitgestorven parkeerplaats.

‘Johnny heeft tenminste nooit iets geprobeerd.’

Voorzichtig nam ze een slokje van haar verse, hete koffie.

‘Ik hoop maar dat hij geen nieuwe assistente gevonden heeft als ik terugkom.’

‘Vast niet.’

‘Meisjes genoeg.’

‘Maar geen van hen zo talentvol of mooi als jij, miss Black.’

‘Da’s lief van je Lee. Maar hoeveel talent heeft een meisje nodig om zich door te laten zagen door de Grote Delamare?’

 

-4:50 AM

In de kelder was het vochtig. De storm bovengronds leek hier onbeduidend. Er brandt elektrisch licht. De dokter was aan het werk.

Boven de brancard was een verstelbare standaard met een ijzeren ring zo groot als een etensbord. De ring had tanden: een bijna gesloten diafragma vulde het binnenste van de ring. De snijrand was vlijmscherp en gewassen met bloed.

Edelweiss hield zich staande aan het aanrecht, wankel op benen die mager en krom waren, gevat in ijzeren beugels. Een loep op een verstelbare harmonica-arm vergrootte zijn linkeroog tot wanstaltige proporties. Betrapt.

‘Hallo horlogemaker,’ zei Lee. En toen: ‘Waar is ze?’

Met gehandschoende vingers lichtte Edelweiss het gezicht van Eva Black uit een ondiepe schaal met groene prepareervloeistof. Teder veegde hij haar gelaatstrekken schoon en hield het masker toen naar Lee op.

‘Waar is de rest van haar lichaam?’ gromde Lee.

‘Niet meer nodig. We zullen haar een nieuw lichaam schenken. Een lichaam dat geen ouderdom, ziekte of gebrek kent.’ Hij kneep wat met zijn ogen, achter de brillenglazen.

Schuifelend langs de aanrecht, dan overstekend naar de brancard probeerde hij terug te komen naar waar zijn rolstoel stond.

‘Ze was uitverkoren en ze heeft de roep beantwoord. Ze was een gekwelde ziel, die zocht naar een uitweg. Die heeft ze nu gevonden. We hebben haar gevonden, zoals zij ons vond. Net zoals jij bent gekomen om de brokstukken van je leven te laten lijmen.’

Lee was nu vlakbij, stapte tussen Edelweiss en de rolstoel. Het gezicht van de kreupele oude man was ter hoogte van zijn borstbeen, keek naar hem op.

‘Beste jongen,’ fluisterde de dokter hees, ‘er is een uitweg uit al dit bloederig gedonder…’

 

-5:07 AM-

Toen Lee terugkeerde op zijn kamer, waren de randen van zijn mouwen roze bevlekt. De wildeman die vanuit de spiegel naar hem loerde, keerde hij de rug toe. Met zijn grote handen streek hij zijn haar achterover, smeerde het vast tegen zijn schedel.

Hij probeerde zijn vuist in zijn mond te duwen.

Later hervond hij zijn kalmte.

Hij legde de koffer op het bed en haalde de foedraal met zijn gedemonteerde Lee Enfield geweer tevoorschijn en zette het met efficiënte handelingen in elkaar, laadde er kalm en beheerst tien .303 patronen in.

Hij schroefde de heupbus open die hij al die jaren bewaard had en haalde het Duitse gasmasker eruit. Zette het op. Verstelde kalm en beheerst de gespen, zodat het leren masker als een extra huid over zijn gezicht sloot. Het masker sloot de wereld buiten, het kapselde hem in, sloot hem op met zijn eigen ademhaling en het ruisen van zijn bloed in zijn oren. De rasters voor zijn ooggaten deelden de wereld in segmenten, alsof hij alles bezag door een vergeeld glas-in-lood-raam. Het gewicht van de opschroeffilter aan zijn mondstuk was een vertrouwd bungelend gewicht wanneer hij zijn hoofd draaide, als een mechanisch wezen, herrezen uit de loopgraven.

Daarna pakte hij zijn koffer weer in, de weinige dingen die hij vanavond had uitgepakt. Zijn colbert, zijn overhemd en stropdas. Hij zocht ook de spullen van Eva bijeen, die aanzienlijk meer verstrooid had over hun gastenkamer. Haar toiletartikelen, het zilveren sigarettendoosje op de rand van het nachtkastje. De met veren gevulde kunstbuik. Haar jas en parmantige hoedje. Hij raapte haar bottines op en klemde ze even tegen zijn borst, een ogenblik maar, voordat hij ze ook aan de koffer toevertrouwde.

Alles ging terug in de grote koffer die ze gedeeld hadden als echtpaar Enfield.

Als laatste pakte hij ook haar gezicht in. Hij vouwde het in haar reserve-onderjurk en deed het allemaal in de koffer.

 

Hij sjouwde zijn koffer naar buiten, met het geweer in zijn vrije hand. Hij was klaar voor tegenstand, maar niemand probeerde hem tegen te houden. Buiten spetterde het nog, maar de ergste storm was al voorbij getrokken. Door zijn masker kon hij de frisse lucht niet ruiken. Hij liet de koffer op de veranda staan – en met het geweer in twee handen voor zijn borst, ging hij het huis weer binnen.

 

-5:46 AM-

Lee trof de vrouw des huizes aan in de salon waar ze in de vooravond koffie hadden gedronken. Ze stond te kijken naar de grammofoon die hij had stuk geworpen op de grond, een uitdrukking op haar gelaat alsof ze overweldigd werd door triestheid. Hij sloeg de bejaarde vrouw met de kolf van zijn geweer tegen de grond. Met zijn laars op haar borst, probeerde ze nog iets te zeggen. Maar hij schoot haar door het gezicht voordat deze laatste woorden haar mond verlieten. De knal weerklonk als de donder door de kamer, kaatste tegen de lambrisering en de gepolitoerde meubelen.

De huishoudster Rebba Thibidoux vond hij terug in de keuken. Met haar hoofd iets scheef en een keukenmes in iedere hand kwam ze naar hem toe, maar hij schoot haar door het hoofd voordat ze hem bereikte.

Edgar kwam de trap afgerend, gealarmeerd door de schoten. Of kenden ze elkaars gedachten, als mieren in een mierenhoop waarin hij geroerd had? Lee talmde niet, hij legde aan en schoot voordat Edgar halverwege de afdaling was. De benen van de bediende bezweken en het gedrongen lichaam rolde omlaag en kwam pas op de plavuizen tot stilstand, levenloos aan Lee’s voeten.

Geen van hen was menselijk.

Poppen. Hij verwijderde de kapot geschoten gezichten en wierp ze terzijde. De vloeistof die ze lekten was doorzichtig en stroperig.

 

Achter het huis, in een golfplaten schuurtje vond hij een olietank. Onder het oorverdovende kabaal van de generator vulde hij twee jerrycans. Daarmee ging hij terug naar het huis, zijn geweer aan de band over zijn schouder.

Hij besprenkelde de vloeren van alle ruimtes op de begane grond. Eerst één jerrycan leeg gietend, daarna de tweede. De neergeschoten paspoppen overgoot hij rijkelijk.

Op de veranda stak hij een met olie doordrenkte lap aan, wierp hem door de openstaande deur over de drempel.

 

-6:12 AM-

De regen was opgehouden. De oprijlaan was een lagune. Afgerukte boomtakken staken als de armen van drenkelingen uit de modder en het water omhoog. In de plassen weerspiegelden scherven van de flamingo-roze ochtendhemel. Een koor van opgewonden kikkers verborg zich achter de gehavende cipressen.

Zwaarbeladen begon Lee aan zijn terugtocht naar de auto. Al snel gaf hij zijn pogingen om van eilandje naar modderig eilandje te stappen op. Met soppend schoeisel en doorweekte broekspijpen marcheerde hij voort, door het bijna kniediepe water. Zijn gasmasker op, de Lee Enfield over zijn schouder, het was alsof hij weer terug was aan het front.

Achter hem brandde het huis als een lier. De vlammen sloegen uit de ramen en zwarte wolken rezen op als gebeeldhouwde pilaren om de hemel te stutten.

Vanaf de hoofdweg keek Lee nog een keer om. Daarna zocht hij zijn auto op.

De eer van André Fantone : Jaap Boekestein

Het was dag, maar de lampen waren aangestoken. Regen sloeg onophoudelijk tegen de ruiten en zo nu en dan lichtte de duisternis op door een bliksemflits, gevolgd door zwaar gedonder.

Ik zat roerloos en keek naar het noodweer buiten. Eigenlijk zou ik moeten huiveren, want onweer jaagt mij gewoonlijk grote angst aan. Vandaag gleed het natuurgeweld langs mij heen zonder mij te beroeren. Niets kon mij raken vandaag. De dikke stapel kranten en periodieken niet, de diverse romans die halfgelezen lagen te wachten. Alles was leeg, nutteloos, sleur. Ik zat in mijn stoel en keek uit het raam. Een levend lijk gehuld in zwart.

André had natuurlijk nergens last van. Hij was druk bezig zijn schoenen te poetsen. Als soldaten stonden ze te wachten in gelid. André droeg een schort en had voor zich op tafel diverse potjes staan met een bijbehorende verzameling borstels en doeken. Het was bediendenwerk, maar André had nooit genoeg geld om bedienden te kunnen betalen. En ik ging het niet voor hem doen. Ik was zijn bediende niet. Enkel zijn hoer.

Door de regen heen zag ik op straat het donkere gevaarte van een koets naderen. Het voertuig werd verlicht door twee lampen en de arme koetsier zat helemaal weggedoken in zijn regenmantel. Tot mijn verbazing stopte de koets aan de overkant van de straat. De deur ging open en een regenscherm werd naar buiten gestoken en geopend. Een man met bolle wangen en een fikse knevel stapte uit. Hij keek even om zich heen en stak toen de modderige straat over. Zijn blik op ons huis gericht.

Ondanks dat ik veilig onzichtbaar verscholen zat achter de vitrage, trok ik mij schielijk terug. ‘André, ik geloof dat we bezoek krijgen.’

‘Hu, watte?’ André was zo verdiept in het poetswerk dat hij niet had gehoord wat ik zei.

‘We hebben een bezoeker.’ Mijn woorden werden ondersteund door het geluid van de voordeurbel.

‘O… Ah…’ André sprong op en bekeek zijn schoenen en poetsgerij. Het was niet echt iets waarvan je wilde dat een bezoeker het zag. Ik was ondertussen opgestaan en liep naar de hal, waar de trap naar boven zich bevond. ‘Doe je schort af,’ adviseerde ik André terwijl ik met enig leedvermaak de treden beklom. Het gebeurde niet vaak dat André besluitloos was en ik putte er een geniepig genoegen uit.

Vijf tellen later kwam André, schortloos, de hal in. Hij wachtte totdat hij mijn kamerdeur hoorde sluiten. Ondertussen sloop ik terug over de overloop. Ik had mijn kamerdeur wel dicht gedaan, maar zelf was ik op de gang blijven staan. Ik was veel te nieuwsgierig wie de onaangekondigde bezoeker was. Verborgen in de schaduwen, net om het hoekje van de overloop, kon ik alles zien en horen wat er in de hal gebeurde.

De voordeurbel klingelde opnieuw.

Nonchalant opende André de deur, iets wat ik niet zo maar gedaan zou hebben, maar André was soms ontzettend roekeloos.

De man met de bolle wangen en fikse knevel stond voor de deur. ‘Goedenavond. De heer Fantone?’ Je kon aan de blik van de man zien dat hij al wist dat hij André tegenover zich had. Hoeveel albino dandy’s waren er tenslotte in New Orleans?

‘Goedenavond. Daar spreekt u mee. Wat is er van uw dienst?’ André kon hoffelijk zijn, tegen derden. Jammer dat ik altijd de tweede was. Hij deed een stap naar achteren zodat de bezoeker binnen kon komen, uit de regen.

‘Mijn naam is Richard Portman. Ik treed op namens de heer Barymore als zijn secondant. Hij daagt u uit voor een duel tot de dood.’

Ik zag alleen maar André’s rug. Wat had ik er op dat moment niet voor over gehad om zijn gezicht te kunnen lezen! Was het net als mijn gezicht vertrokken in totale ontzetting toen de woorden inzonken? Een duel tot de dood!

André knikte, alsof hij een vriendelijke invitatie voor een avond naar het theater ontving. ‘Het was onvermijdelijk. Ik accepteer het duel.’ Hij klonk volkomen onaangedaan.

Op de overloop stierf ik een duizend maal. Een duel tot de dood!

Op zijn beurt knikte Richard Portman vromelijk. ‘Wilt u het zwaard of het pistool?’

‘Hm…’ Ik had André op zo’n toon horen twijfelen over de ene of gene cravate. ‘Het zwaard. Maar niet de trihedral épée, maar de sabel. Ik zal een set meebrengen.’

‘Zo ook meneer Barymore. Schikt negen uur morgenochtend u? Wij stellen het oude Spaanse fort voor.’

‘De tijd en plaats zijn adequaat,’ sprak André. ‘Ik zal er zijn.’

De besnorde bezoeker maakte een korte buiging ten teken van afscheid. ‘De heer Barymore verwacht niet anders.’

André boog terug. ‘Goedenavond meneer Portman.’

‘Goedenavond meneer Fantone. O, meneer Barymore verblijft in het Saint Louis, als u zich nog mocht bedenken in de onderliggende kwestie…’

‘Nooit.’ Voor het eerst klonk er emotie in André’s stem door. Het was ijskoude woede. ‘Goedenavond.’

Richard Portman stapte terug in de regen en deed zijn regenscherm open.

André sloot de deur.

Ik snelde naar beneden. ‘André! Wat is er aan de hand? Wie is die man?’ Ik zocht in de herinneringen van Natalie Owen, André’s oude geliefde, maar vond niets. Barymore en Portman waren geen namen die ze kende. Misschien waren de herinneringen vervaagd, maar ik had het gevoel van niet. Dit moest iets uit André’s verleden zijn van de tijd voordat hij Natalie leerde kennen.

‘Ik wil er niet over praten,’ sprak André beslist. ‘Het zijn geen zaken die je aangaan.’ Hij negeerde het feit dat ik maar al te duidelijk op de gang had staan wachten.

‘Geen zaken die mij aangaan!’ Ik werd niet snel boos, maar dit keer was ik het wel. ‘Natuurlijk gaat het mij aan! Wat moet ik doen als jij sterft?’ Ik balde mijn vuisten. Het was vreselijk om afhankelijk te zijn, maar nog vreselijker om dat hardop te moeten zeggen.

‘Ach…’ antwoordde André plotseling slap. Het was duidelijk dat hij nooit had beseft dat ik zonder hem niets was. Hij zag mij als een manier om geld te verdienen, als gezelschap – een huisdier – op zijn best. Hij besefte zijn verantwoordelijkheid niet en had er ook duidelijk geen behoefte aan.

Woedend wendde ik mij van de albino man af. ‘Ga maar naar dat duel! Laat je maar neersteken! Wat kan mij het schelen! Mijn mening doet er toch niet toe!’

Mijn woede voedde André’s woede – een veilige uitweg voor zijn angst en onzekerheid. ‘Ik heb jouw toestemming helemaal niet nodig! Ik heb je uit het graf gehaald! Ik ben je niets verschuldigd! Ik zal doen wat ik moet doen!’ Hij sprong op en beende razend de hal uit.

Ik deed niet voor hem onder en stormde terug de trap op, naar mijn kamer. De klap waarmee ik de deur dichtsmeet, daverde door heel het huis. Hijgend viel ik op het bed. Ik was te verstikt van woede om te huilen. Mijn kaak was verkrampt, de nagels van mijn gebalde vuisten staken in mijn handpalmen en mijn hart ging als een razende te keer. Nog nooit was ik zo woedend geweest!

 

***

 

Toen ik weer beneden kwam was het donker en was het huis verlaten. André was uitgegaan, waarschijnlijk om zich te bezatten, of om een klein vermogen te vergokken, of om in de armen te vallen van een of andere lellebel. Morgen was hij misschien dood en wat deed hij? Hij verspilde zijn laatste uren met drank en ontucht. Ik aarzelde. Tijdens mijn uren dat ik vol verkrampte woede in bed lag, had ik een plan bedacht. Maar nu ik beneden stond, leek het geheel dwaas en zelfs gevaarlijk. Wat heb ik dan te verliezen? vroeg ik mijzelf. Als André dood is, ben ik zelf ook ten dode opgeschreven. Ik heb hem nodig. Ik moet hem redden.

Het was zo gemakkelijk bedacht. Maar de uitvoering… Ik besloot niet langer te aarzelen. Niet nadenken, maar dóen! Als ik te lang stil stond bij de mogelijke consequenties, zou ik nooit verder durven te gaan.

Ik ging terug naar mij kamer en kleedde mij om: de extra lange zwarte handschoenen, de hoed met de zware voile. Onherkenbaar in zwart, naamloos en gezichtsloos. Het enige probleem was nog geld, maar dat was gemakkelijk genoeg opgelost. André was altijd nonchalant met geld. Door het huis heen, in stoelen en op tafeltjes, in laden en jaszakken, was genoeg te vinden. Genoeg voor mijn doel in ieder geval. Buiten begon de avond te naderen. Gelukkig was het inmiddels droog geworden en zelfs de hemel klaarde wat op. De wandeling naar het verhuurbedrijf was niet lang, maar ik zag wel de blikken van de mensen. Het waren echter enkel nieuwsgierige blikken. Geen angst, geen woede, geen geschreeuw en geen geweld… Ik drukte de herinneringen weg aan de nacht als Betty Connogan. Er was niemand die mijn gezicht kon zien, er was niemand die mij kwaad wilde doen…

De wagenverhuurder was een lange Hollander met stroblond haar en fletse blauwe ogen. Een dikke sigaar hing uit zijn mondhoek. Hij haakte zijn duimen in zijn vestzakken terwijl hij boven mij uittorende. Zijn Engels was langzaam en slepend, vol vreemde Germaanse klanken. ‘U wilt een rijtuig met koetsier huren? Nu? Geen enkel probleem, mevrouw.’

Soms waren zelfs heuvels niks meer dan lage duinen. Maar er waren altijd doornstruiken…

‘U bent die vrouw van Fantone verderop, niet?’

Het verbaasde mij dat de baas mij kende. Toen besefte ik dat mijn verschijning onvermijdelijk over de tong was gegaan. André was al opvallend genoeg. En dan ikzelf, gehuld in mysterieus zwart… Genoeg mensen had mij uit het huis zien komen en in de koets zien stappen. Of ik het wilde of niet, ik had een reputatie. Natalie Owen had er ook mee geworsteld – als ongetrouwde vrouw inwonend bij een enigszins scandaleus figuur als André – maar ze had zich er uiteindelijk overheen gezet. Ik… Natalie Owen had haar liefde voor André. Ik had niets en daarom trof het mij onverwacht hard.

Er werd een koetsier opgetrommeld – blijkbaar één van de slungelige neven van de baas, waren al die Hollanders reuzen? – en ik mocht zelfs kiezen welke koetsje ik wilde hebben. Ik koos een coupé in plaats van de landauer die André normaal reed. Ik had behoefte aan beslotenheid. Vooral nu ik wist dat ik onherkenbaar was, maar zeker niet onzichtbaar. De baas hielp mij met instappen.

Toen ik eenmaal zat, keek hij mij aan met zijn blauwe kijkers. ‘Mevrouw, als ik vragen mag, voor wie rouwt u?’

Sommige vragen zijn zo onverwacht dat ze in één klap de kijk op je wereld veranderen. Niemand had mij ooit die vraag gesteld. Nou had ik ook, buiten André, met bijna niemand anders gesproken als mijzelf. En niemand was geïnteresseerd in mij als persoon. Enkel wat ik kon leveren. De vraag van de Hollander was zo alledaags en normaal, maar daardoor tegelijkertijd voor mij zo bijzonder.

‘Ik, eh… Ik ben in rouw voor een geliefde. Mijn zuster.’

De Hollander knikte ernstig. ‘Sterkte mevrouw, u moet erg van haar gehouden hebben.’ Als afscheidsgroet tikte hij met zijn vingers tegen zijn slaap.

De deur van het koetsje ging dicht en na een ‘Huh!’ vanaf de bok, zette het voertuig zich in beweging. De rit voerde door straten die ik grotendeels kende uit de herinneringen van anderen. Zonder verdere noemenswaardigheden kwamen wij aan op de plaats van bestemming. Het Saint Louis was een gloednieuw, luxueus hotel van vier verdiepingen, gebouwd in de stijl van de Oude Wereld. Het was een hotel voor de rijke Creolen die er dineerden en overnachtten als ze naar de stad kwamen om zaken te doen. Frans was er de voertaal. In de nieuwspagina’s had ik al over diverse schandalen gelezen die in en rond het hotel hadden plaatsgevonden. De Creolen beschouwden zichzelf als de aristocratie van de streek en passies konden hoog oplopen over eer, vrouwen of geld, of alle drie tegelijk. Waarom zou die man Barymore André uitdagen voor een duel? Was het één van de drie redenen, of iets anders? André was zelf een Creool, maar zijn maanbleke huid en haar had hem grotendeels apart geplaatst. Hij had echter wel de smaak en passies van zijn volk.

De hal van het hotel was een enorme koepel met spiegels, palmbomen, verguldsel, marmer en kroonluchters. Heren paradeerden er met hun vrouw – of die van iemand anders, de dames droegen kleurrijke japonnen, kleine zwarte dienjongens in rood tenue renden af en aan.

Een kraai in een kooi met kwetterende zangvogels, zo voelde ik me. Ik negeerde de blikken en het gefluister. Het was niet dat de hele hal stilviel en naar mij staarde, maar zo voelde het wel. O wat als ze zien wat ik echt ben! Geen mens onder mensen, maar een monster, een dode die speelt dat ze leeft… Beelden van gegil en paniek speelden door mijn hoofd. Vast en zeker had één van de heren wel een degenstok, of een verborgen pistool of mes. Creolen hadden heet bloed. Zouden ze mij hier afmaken in deze hal die in een paleis niet zou misstaan? Of zouden ze mij de straat op sleuren om mij op te knopen aan de dichtstbijzijnde boom?

Gelukkig kon niemand zien wat er zich onder mijn sluiers schuilhield en ongedeerd bereikte ik de balie.

‘Madame? Hoe kan ik u helpen?’ vroeg een klerk, een stijve man met een smal kaal hoofd en het soort Frans dat afkomstig was van de Oude Wereld.

‘De heer Barymore, is hij aanwezig?’ Het gezicht van de klerk vertrok geen millimeter, alsof het de normaalste zaak ter wereld was dat een zwaar gesluierde weduwe, alleen, ‘s avond informeerde naar de kamer van een heer. Misschien had hij vreemder meegemaakt, misschien was hij geselecteerd op dat onbewogen gezicht. Hij blikte even naar achteren, naar het rek met sleutels en postvakken. ‘De heer Barymore is nog in het hotel. Moet ik een boodschap laten overbrengen, madame?’

‘Nee dank u, ik bezoek hem zelf wel. Wat is zijn kamernummer?’

Discreet, o zo discreet, was de klerk. Hij schreef het nummer op een kaartje en schoof het mij over de marmeren balie toe. Gewapend met het kaartje en mijn sluier, en zenuwachtig als een stal vol paarden tijdens een orkaan, nam ik de lift naar de juiste verdieping. De gangen waren eindeloos, met rode lopers, gaslampen en prenten aan de muur van de landhuizen en het leven langs de rivier. Om de zoveel deuren stond er een mahoniehouten empiretafeltje met daarop een Chinese vaas vol verse bloemen.

Bij de juiste deur klopte ik aan.

‘Ja? Wie is daar?’ klonk het na een handvol tellen. Ik slikte, mijn keel was plotseling heel erg droog.

‘Ik kom voor meneer Barymore.’ Het klonk lang zo daadkrachtig niet als ik had gewild.

De deur ging open, op de ketting. Een man met een grote neus, woeste krullen en verbeten trekken rond zijn ogen en mond staarde mij aan. Hij was duidelijk verbaasd. ‘Ik ben Barymore. Simon Barymore.’

‘Meneer Barymore, ik wil met u spreken. Het betreft meneer Fantone.’

Simon Barymore blikte links en rechts van mij, maar ik was alleen. Hij maakte de ketting open en deed de deur verder open, langzaam, alsof hij er op bedacht was dat André plots als een duveltje uit een doosje tevoorschijn zou springen.

Ik ging naar binnen, bevend als een riet. Als ik maar slaagde! Er hing zoveel van dit gesprek af… Alles, eigenlijk. André’s leven, mijn voortbestaan…

De deur werd weer gesloten en Simon Barymore deed de ketting er weer op. Hij had mij geen moment de rug toegekeerd, maar nu schonk hij mij zijn volledige aandacht. ‘U komt namens André Fantone. Wie bent u, madame?’

Dat was een gerechtvaardigde vraag, maar één die ik niet kon beantwoorden. Ik koos voor de enige uitleg die Simon Barymore kon begrijpen. ‘Ik ben… Ik ben de vrouw van André Fantone.’

Simon Barymore lachte. ‘Een vrouw, maar niet dé vrouw van hem, durf ik te verwedden.’

Hij had gelijk natuurlijk, maar het raakte mij desondanks. Ik werd ingeschat als onbelangrijk, vluchtig. Een vrouw van losse zeden. Een maîtresse.

‘Wij zijn niet getrouwd, maar ik… sta onder de zorg van André.’

De man maakte een gebaar dat het hem weinig uitmaakte. ‘Wat komt u doen? Heeft Fantone u gestuurd om te smeken om zijn leven? Bespaar u dan de moeite, want dit keer komt hij er niet zo gemakkelijk vanaf!’

‘De heer Fantone weet niet dat ik hier ben,’ antwoordde ik koeltjes, wat mijzelf verbaasde. Op de één of andere manier waren plots mijn angst en zenuwen verdwenen. ‘Maar ik kom wel om zijn leven smeken, ja.’

‘Hm,’ was het commentaar van Simon Barymore. Toen schudde hij zijn hoofd. ‘Bespaar u de moeite, madame. Al had André de zorg voor een heel weeshuis en deelde hij zijn mantel met een behoeftige bedelaar, dan nog zie ik niet af van het duel. Wat hij heeft gedaan, kan enkel met bloed worden uitgewist.’

Maar wat heeft André dan gedaan? Ik stelde die vraag.

‘U weet het niet? Ha, vanzelfsprekend niet.’ Simon Barymore snoof. ‘Het is geen zaak waar die kerel mee te koop loopt, dunkt me.’

‘Ik weet alleen dat de kwestie al jaren speelt,’ polste ik. Wat het ook was, welk conflict André Fantone en Simon Barymore ook met elkaar hadden, het moest hebben plaatsgevonden voordat André Natalie had leren kennen. Nergens in haar herinneringen was er iets te vinden over Simon Barymore of een duel.

‘De kwestie speelt inderdaad al jaren,’ gaf Simon Barymore toe, ‘maar ik ben niet degene die u er over gaat inlichten, madame. Als hij morgen met een rein geweten wil sterven, kan hij wandaad vannacht nog bekennen aan de ene of gene. Fantones eer en zaligheid zijn zijn zaak, alhoewel ik betwijfel of hij van beide veel bezit.’

Het was vreemd, maar ik voelde toch de behoefte om André te verdedigen. Mijn stem was ijskoud. ‘Hij heeft genoeg eer om morgenochtend een duel met u aan te gaan, meneer Barymore.’

‘Alleen omdat hij weet dat er dit keer geen ontsnappen mogelijk is. Fantone weet dat ik hem na zal zitten tot het eind van de wereld als dat nodig is. Ik zal niet rusten voordat hij dood is.’

Een rilling trok over mijn rug. Simon Barymore zei het met zoveel overtuiging dat ik hem ook geloofde. Hij zou André doden en mijn weduwezwart zou dan opeens echt weduwezwart zijn… En zonder André’s bescherming zou ik hulpeloos zijn. Ik moest alles op alles zetten om dat te voorkomen.

‘Meneer Barymore… Simon. Ik smeek u, zie af van het duel! Ik… Ik heb er alles voor over om het niet door te laten gaan! Ik… Hebt u ooit een geliefde verloren?’

Simon Barymore lachte, luid en akelig. Hij lachte mij uit en reduceerde mij daarmee tot een geslagen hond, of nog minder zelfs.

‘Madame! Wat u voorstelt is zo laag dat ik enkel met grofheid kan beantwoorden. Als ik een hoer nodig heb, dan zoek ik wel gezelschap in één van de vele plezierhuizen die deze stad rijk is. Die dames zijn professioneel en niet een afdanker van de man die heb gezworen te doden. André kan mij niet afkopen met zijn… vrouw.’

Mijn wangen gloeiden. Ik voelde mij oneindig klein. Ik had niet bedoeld dat… Maar het was precies wat ik wél bedoelde. ‘Bent u dan nooit een vrouw verloren, een geliefde? Iemand waarvoor u de wereld zou geven om haar terug te zien?’ fluisterde ik.

‘Nee. Dus uw praatjes hebben geen zin. Ik heb geen interesse in u en u hoeft mij ook niet op mijn gemoed te werken. Morgen zal Fantone sterven.’

Simon Barymore sprak de waarheid. Tenminste, de waarheid die hij kende. Ik hoorde het aan zijn stem. Er was geen wreed weggerukte liefde, geen verlangen naar een dode vrouw. Ik leefde van de mannen waar dat wel het geval was, maar ik was vergeten dat lang niet iedere man in die situatie verkeerde. Ik had Simon Barymore niets te bieden.

‘Madame, het is beter als u nu vertrekt. Doe met Fantone wat u belieft, maar doe het wel vannacht. Morgen zal hij sterven.’ En met die woorden zette Simon Barymore mij buiten de deur.

Terug in de koets vroeg mijn koetsier: ‘Madame? Waarheen nu?’

‘Eh…’ Wat moest ik doen? Terug naar huis gaan? Of moest ik André zoeken om hem te bewegen met Simon Barymore te gaan praten, of wellicht om op de vlucht te slaan (Ik had misschien wel eer, maar niet genoeg om voor te sterven). Ik wilde André spreken, maar ik had geen idee waar ik hem moest zoeken. New Orleans was vol drank- en gokhuizen, en erger nog. Geen van de vrouwen die ik was geweest had ooit gelegenheden bezocht met zo’n slechte reputatie. En ik kon onmogelijk als vrouw – en vooral in mijn huidige verschijning – op de bonnefooi gaan zoeken. En wellicht was André al thuis… Uiteindelijk was er maar één besluit mogelijk: terug naar huis.

Teruggekomen wist ik al dat André er niet was. Het huis was donker. Ik ontsloot de deur en riep in de hal: ‘André?’ Er was geen antwoord. Zenuwachtig ging ik in de salon op hem zitten wachten.

 

***

 

Ik moest in slaap zijn gesukkeld en had heel de nacht in de stoel gelegen. Toen André eindelijk thuis kwam, was de zon nog niet op, maar het scheelde niet veel. Stijf en stram kwam ik overeind uit de stoel. De kamer stonk naar een olielamp die te lang niet was geknipt. Ik hoorde André in de hal de buitendeur vergrendelen. Daarna kwam hij de salon in.

André was verbaasd mij te zien. Hij zag er uit alsof hij de hele nacht had doorgebrast, iets wat hij ongetwijfeld ook had gedaan. Zijn ogen stonden vermoeid, zijn schouders hingen en zijn kledij zat vol kreuken en vlekken. De ontzettende ezel! Binnen een paar uur had hij een duel op leven en dood te vechten, en hij zag er nu al uit als halverwege het graf! Dit kon niet, dit mócht niet!

‘André, je moet stoppen met dit duel! Je kunt het risico niet nemen! Wat als je sterft? Ik smeek je!’

Het was de tweede keer die nacht dat ik een man smeekte. En met evenveel resultaat. Het moet gezegd worden dat André dit keer niet tegen mij uitviel. Hij zei enkel: ‘Ik moet dit doen. Er is geen weg terug. Het heeft al te lang geduurd.’

Wat heeft te lang geduurd? Laat het nog eeuwen duren! Zo lang hij maar blijft leven! Ik zweeg, ik kon niets meer zeggen wat al niet gezegd was. André zou naar het oude Spaanse fort gaan en daar duelleren met Simon Barymore. En er was niets wat ik daaraan kon doen.

‘Ik ga naar boven, mij opknappen. De sabels bekijk ik straks wel.’ Vermoeid als een oude man keerde André zich om en verliet de kamer. Voelde hij dezelfde doem die ik voelde? Zelfs als dat het geval was, dan maakte het nog niet uit, wist ik.

Een paar uur later kwam hij weer beneden. Hij zag er iets beter uit. In ieder geval weer als de verzorgde dandy die hij normaal was. Zijn witte haar was met olie strak in model gekamd en hij had schone kleding aangetrokken: een lichtblauw hemd, zwart vest en zijn bordeauxrode pak. Het geheel werd afgewerkt met een zwarte cravate met wit werkje, een gouden dasspeld in de vorm van een eikenblad, zijn beste gouden horloge en zijn favoriete manchetknopen met diamanten. Blijkbaar was dat de kleding waarin hij wilde sterven. Hij knikte mij toe – ik was niet naar bed gegaan, wat voor zin had dat nog? – en liep naar zijn studeerkamer. Hij kwam terug met een set sabels die volledig gelijk in lengte en afwerking waren. Hij deed zijn handschoenen aan. ‘Ik vertrek. Ik weet niet… Ik weet niet of ik terugkeer.’

‘Ik ga mee,’ besloot ik. ‘Ik wil er bij zijn. Als je sterft dan…’ Mijn keel zat dicht en hoe hard ik ook tegen de tranen vocht, toch vulden ze mijn ogen en liepen langs mijn gezicht naar beneden. ‘Ik moet er bij zijn!’ Alsjeblieft!

André knikte. ‘Kom mee dan.’ Mijn hoed, mijn handschoenen. Ik was binnen enkele ogenblikken klaar. André stond al bij de deur te wachten, de twee sabels met hun schedes onder zijn arm. ‘Wacht hier, dan haal ik de wagen.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee André, laat mij dit keer aan je zijde lopen. Het is misschien de… de…’ Opnieuw rolden de tranen over mijn wangen. Verborgen als ze waren onder mijn sluier, zag André ze niet, maar ik voelde dat hij wist dat ze er waren. Hij bood mij zijn arm aan en ik accepteerde. In het ochtendlicht liepen we arm in arm, heer en dame, dezelfde weg die ik de avond daarvoor alleen had afgelegd.

De lange Hollander was al weer op, maar er hing geen sigaar in zijn mond.

‘Monsieur Fantone, madame…’ Even laaide mijn angst op. Als de wagenverhuurder zijn mond maar hield! André wist niet dat ik met Simon Barymore had gepraat en hij hoefde het ook niet te weten. Dat zou op dit moment alleen maar voor afleiding zorgen die André niet kon gebruiken. Ik maakte mij echter voor niets zorgen. Ik had geen idee of er veel dames – of wat dat betreft heren – waren die in het geniep zich naar een hotel lieten vervoeren. Maar de Hollander was in ieder geval discreet. Hij verraadde niets van wat hij wist. ‘… uw gebruikelijke wagen?’ vroeg de Hollander lijzig.

‘Gaarne beste man.’ Tien minuten later was de landauer klaar en vertrokken we naar het Spaanse Fort. Tijdens de rit werd er niet gesproken. Wat viel er verder nog te zeggen? Er waren momenten dat het leven was teruggebracht tot de simpelste keuzes: leven of dood, ja of nee. Op dat soort ogenblikken was praten nutteloos.

 

***

 

Het Spaanse Fort was verlaten, op Richard Portman en Simon Barymore na. Het was vroeg maar al zonnig, wat mij ongerijmd voorkwam. In mijn gedachten hoorde een duel gevochten te worden op een nevelig veld, met het gras en de bladeren nat van de dauw, en het schorre gekras van kraaien. In plaats daarvan zongen de vogels vrolijk in de bomen. André hielp mij uitstappen en daarna pakte hij zijn sabels. Samen liepen we naar de mannen toe.

‘Monsieur Fantone, madame, goedemorgen,’ sprak Richard Portman.

Simon Barymore zweeg enkel. Hij zag er niet zenuwachtig uit, maar was het ongetwijfeld wel, net als André.

‘Goedemorgen,’ antwoordde André kort. Hij richtte het tot Richard Portman, niet tot Simon Barymore. De beide duellisten negeerden elkaar intens.

‘U hebt geen secondant?’

André schudde zijn hoofd. ‘Geen témoins. Laten we voortmaken.’

Richard Portman knikte. ‘U hebt een set sabels? De heer Barymore ook. Als u de wapens wilt inspecteren en een keuze wilt maken?’

Ik had begrepen dat er diverse regels waren wat betreft duelleren, maar dat weinigen het over die regels eens waren. Ik had ooit gehoord dat de rol van de témoins niet alleen bedoeld was om de duellist bijstand te verlenen. In vroeger dagen – en nog wel eens – gebeurde het dat één van de duellisten opdaagde met een groep handlangers om zijn vijand te overweldigen en te doden. De témoins waren bedoeld om dit soort praktijken tegen te gaan. Blijkbaar vertrouwde André er op dat Simon Barymore niet zulk bedrog zou plegen, of misschien had André niemand die voor hem als témoin wilde optreden.

De twee duellisten controleerden de wapens en kozen elk een sabel. Elk hield het op een van zijn eigen exemplaren. Beide mannen deden hun jas en vest uit, zodat ze genoeg bewegingsvrijheid hadden. Het had de formaliteit van een eeuwenoud ritueel.

‘Heren,’ begon Richard Portman. De man met de knevel en bolle wangen was duidelijk zichtbaar. ‘Ik vraag u nog eenmaal, bent u bereid dit conflict op vreedzame wijze op te lossen?’

‘Nee!’ Het kwam gelijktijdigs uit André’s en Simons mond, iets wat hen beide niet zinde. Ze wierpen elkaar duistere blikken toe.

Richard Portman haalde zijn schouders op. Het was duidelijk dat hij niet anders had verwacht.

Misschien was dat het moment geweest dat ik had moeten spreken. Ik had beide mannen tevergeefs gesmeekt, maar zou een laatste poging niet slagen? Ik hield echter mijn mond. Het was vreemd, maar ergens in een diep en duister deel van mijn hart wílde ik nu dat het duel zou plaatsvinden. Het was dezelfde soort gewaarwording die mensen beving wanneer ze op een hoge plek stonden en plots de bijna onbedwingbare lust hadden te springen. Of tijdens een beschaafd gesprek opzettelijk een grove pas comme il faut te maken.

‘U beiden wilt een gevecht tot de dood. Dat betekent dat om kwartier gevraagd kan worden, maar dat het niet gegeven hoeft te worden. Begrijpt u dit, heren?’

‘Ja.’

‘Ja! Maar ik wil eerst iets zeker weten!’ André rukte zijn hemd open. Zijn krijtwitte borstkas stak fel af tegen de lichtblauwe stof van zijn hemd. Zoals ik wist – uit de herinneringen van Natalie Owen! – waren zelfs zijn borstharen volledig wit. ‘Zie hier, mijn vlees. Ik ben bereid te sterven voor mijn eer. Is Barymore daar ook toe bereid?’

Simon Barymore snoof woedend maar verwaardigde zich geen antwoord.

‘U bedoelt…?’ informeerde Richard Portman.

André legde de hand op zijn naakte borst. ‘Ik draag geen enkele bescherming. Ik wil zeker weten dat mijn tegenstander even eervol is!’

‘Eervol? Je weet niet wat eer is al zou je er over struikelen Fantone!’

‘Heren!’ sprak Richard Portman sussend. ‘Ik ben er zeker van dat dit onnodig is…’

André schudde beslist zijn hoofd. ‘U vraagt aan mij de man te vertrouwen die gezworen heeft mij te doden? Ik heb aangetoond dat ik te goeder trouw ben. Maar als Barymore weigert dan kan ik niet anders concluderen dat er bedrog in het spel is. En daar werk ik niet aan mee.’

Mijn hoop laaide op. Zou het…? O, als dit een uitweg was! Als Simon Barymore zou weigeren dan hoefde André niet te-

‘Al goed, al goed!’ Met die woorden vernietigde Simon Barymore mijn laatste hoop. Ik wilde het duel wel en ik wilde het duel niet. Ik wilde in ieder geval niet dat André zou sterven of zwaar gewond zou raken. Ondertussen trok Simon Barymore woest aan de knopen van zijn hemd. Een bleke borstkas – maar niet krijtwit zoals die van André – kwam te voorschijn. Simon Barymore droeg geen geheime bescherming.

‘U bent tevreden gesteld, meneer Fantone?’ vroeg Richard Portman droog.

Een knik was het enige antwoord.

‘Heren, dan is aan alle regels voldaan. Doe elk drie passen naar achteren.’

Spelers in een toneelstuk, schoot er door mijn hoofd. Zo ongerijmd was alles. André stond klaar, evenals Simon Barymore. De sabels glinsterden. De wereld leek stil te staan.

‘Madame, u kunt beter enige afstand nemen.’ Richard Portman voerde mij mee aan mijn arm. Ik kon er geen hoogte van krijgen wat zijn rol in dit geheel was. Zijn accent verraadde zijn noordelijke herkomst en zijn kledij en gedrag bestempelden hem als een heer. Hij trad op voor Simon Barymore maar leek geen hechte vriend van de man te zijn. Het leek meer op een zakenrelatie of een ingehuurde advocaat of zoiets. Het was een klein mysterie wat bovenop de vraag kwam welk verleden André Fantone en Simon Barymore samen hadden gehad. Wat het ook geweest was, het had diepe haat gezaaid.

Het gevecht begon. De twee mannen stormden niet op elkaar af onder het uiten van vreselijke bedreigingen. Zoiets was voor de sensatieromannetjes. Ze kwamen langzaam op elkaar af, elkaar aftastend, peilend wat de bekwaamheid van de tegenstander was. Ze wisselden een paar slagen en draaiden om elkaar heen. Er werd geen woord gesproken. Heel de wereld hield zijn adem in, zelfs de zangvogels waren stil. André deed een uitval, Barymore pareerde en viel op zijn beurt aan. André verdedigde zich en stapte opzij. Ik smoorde een piep van opwinding in mijn keel. Ik wilde geen geluid maken, geen zucht zelfs. Het was mijn grootste angst dat ik André zou afleiden, al was het maar voor een seconde, en dat André doorboord zou worden. Verkrampt hing ik aan Richard Portmans arm. Het gevecht ging door. Er waren aanvallen en tegenaanvallen. Voor iedere beweging bestond vast en zeker een technische term, maar ik was een vrouw. Ik kon nog geen revers de dessous van een coup de point onderscheiden. Het viel voor mij onmogelijk te bepalen wie de betere zwaardvechter was. André en Simon Barymore leken aan elkaar gewaagd te zijn. Het zwaardgevecht was een deel van de opvoeding van iedere echte heer. Zweet gutste van hun hoofd en veroorzaakte grote vlekken in hun hemd. Zweet tot nu toe, geen bloed.

‘Laat ze ophouden. God laat ze ophouden,’ prevelde ik. Het enige antwoord van Richard Portman was dat hij mij steun bood. Hij sprak zich niet voor of tegen het duel uit.

Vochten ze een uur? Of was het slechts een dozijn minuten? Ik verloor ieder besef van tijd. De wereld bestond uit het geluid van staal tegen staal, onderstreept met vermoeid gesnuif en gehap naar adem. En toen…

André deed een uitval, de punt van zijn sabel recht op de borst van Simon Barymore gericht. Maar daarmee gaf hij zichzelf bloot. Simon Barymore had zich moeten terugtrekken, een simpele stap opzij was genoeg geweest. Maar de haat die in zijn hart nestelde was diep. Hij stapte niet opzij, hij sloeg eveneens toe. Bij sommige duels brachten de tegenstanders elkaar tegelijkertijd de doodssteek toe. Die duels eindigden met twee doden. Eén oneindig lang moment vreesde ik dat ik dat voor mijn ogen zag gebeuren. De punt van André’s sabel boorde zich diep in Simon Barymores borstkas en Simon Barymores wapen deed hetzelfde… Nee, léék hetzelfde te doen. Maar op het laatste moment – was het door een minimale draai van André, was het puur geluk of goddelijke ingrijpen? – schampte Barymores wapen langs André’s borst. De punt begroef zich in de bovenarm van mijn albino beschermer. Beide mannen gingen neer. Beide gewond. Eén stervend.

‘André!’ Ik rende op hem toe. Een obsceen grote bloedvlek die maar bleef groeien en groeien, kleurde de mouw van zijn hemd donker. ‘André!’

‘Ik ben in orde,’ kreeg André er uit tussen zijn opeengeklemde kaken. De pijn moest intens zijn. ‘Stelp het bloeden!’

Ik trok het hemd omhoog en drukte de wond dicht. André’s cravate diende als verband. Ik mocht dan een vrouw zijn en niets weten van vechten, ik wist genoeg van wonden. Ik had in mij de herinneringen van allerlei vrouwen, wonend in landhuizen ver van iedere arts verwijderd. Ik had ruime ervaring in het verbinden van wonden.

‘Mijn cravate!’ klaagde André. ‘Hij is geruïneerd!’

‘Hsss!’ Ik trok het verband extra strak aan wat aan hem een kreet van pijn ontlokte. Hij was bijna dood geweest, en wat deed die dwaas? Hij klaagde over een kledingstuk! André!

Het was onmogelijk voor André bleker te worden dan hij al was, maar vers zweet parelde over zijn voorhoofd.

‘Barymore? Is hij…?’

De schaduw van Richard Portman viel over ons. ‘De heer Barymore is dood. Ik stel voor dat u deze plek verlaat. Ik zal zorg dragen voor het lichaam.’ De man met de bolle wangen en de grote snor legde André’s schoongeveegde sabel in diens schoot. ‘Het is afgelopen, de zaak is gesloten. U kunt op mijn discretie rekenen.’

Richard Portman hielp André overeind maar André weigerde verder zijn steun in de wandeling naar de koets. ‘Ik ben in orde!’

Natuurlijk was hij dat helemaal niet en tijdens de tien, vijftien stappen bleef ik aan zijn zijde om hem op te vangen – nou ja om zijn val te verzachten – wanneer zijn krachten het zouden begeven. Wonder boven wonder haalde hij ongedeerd de koets. Dit keer klom hij op bank en ik op de koets.

‘Monsieur, madame.’ Richard Portman nam als groet zijn hoed af. De set sabels legde hij naast André op de bank.

Ik vroeg mij af wat hij met de wapens van Simon Barymore zou doen. Overhandigen aan zijn weduwe, als hij die had? Ik bleef echter niet te lang aarzelen. Ik spoorde het paard aan en de wagen zette zich in beweging.

 

***

 

De wond was weer gaan bloeden toen we thuis kwamen, maar niet heel erg hard. André wist de sofa in de salon te halen en zakte daar ineen.

‘Ik ga een dokter halen, de wond moet dichtgenaaid worden.’ En de koets moet nog terug worden gebracht, en is er genoeg te eten in huis? Als ik een moment stil had gestaan, was ik verbaasd geweest over mijn eigen besluitvaardigheid. In tijden van nood leert men zichzelf kennen.

‘Ja, maar help mij eerst hieruit.’

Ik dacht dat André zijn hemd bedoelde. Het was ook zijn hemd, maar nog meer. Onder zijn hemd ontdekte ik een borstplaat. Het stalen ding was strak op André’s borstkas gebonden. Het had de vorm van een normale mannelijke borstkas en was dezelfde kleur geverfd als André´s huid. Er waren zelfs kleine borsthaartjes opgeplakt en twee tepels die bij nadere beschouwing gemaakt waren van geverfde puntjes klei. Het pantser viel nauwelijks van echt te onderscheiden. Van het hart naar de zijkant, de kant van André’s gewonde arm, liep een kras. Alsof de punt van een sabel er langs was geschuurd…

‘Wat is dit?’ vroeg ik verbaasd. Het pantser leek zo… zo onecht, onmogelijk. Maar toch voelde ik het metaal massief in mijn handen.

‘Dat heb ik afgelopen nacht laten maken. Het heeft een klein fortuin gekost, maar het was het waard.’

‘Maar…’ Ik zweeg. André leefde nog, Simon Barymore was dood. Zonder deze bedriegerij had ik misschien nu alleen hier gezeten. André leefde nu nog… Eer? Malo mori quam foedari… Niet echt dus. Maar woorden waren enkel woorden. André leefde en dat was wat telde. De eer mochten ze houden.

Uit mijn herinneringen van mijn vorige levens putte ik de naam van een goede arts. Ik borg het pantser op en met een laatste blik op André ging ik een dokter halen.

***

 

André aan de rand van mijn bed. Hoe vaak had ik dat al niet meegemaakt? Dit keer waren de rollen omgekeerd. Ik zat op de rand van zijn bed toen hij wakker werd.

‘Hallo,’ zei hij slaperig.

‘Hallo. Hoe voel je je? Heb je dorst? Heb je koorts? Wil je wat eten?’

‘Hmpf. Gaat wel. Moe.’

Ik voelde zijn voorhoofd. Het was niet bijzonder heet, god zij dank. Wondkoorts kon even dodelijk zijn als een zwaard door een vitaal orgaan. ‘Je had behoorlijk wat bloed verloren, zie de dokter. Maar hij heeft enkel het vlees en je spieren geraakt. Je arm blijft een tijdje verbonden en je zal een draagdoek hebben.’

‘Hmpf, geen gezicht zo’n draagdoek. Verpest mijn verschijning.’

Het was gek, maar ik lachte. Voor het eerst deed André mij hardop lachen en dat nog wel aan zijn ziekenbed. De woorden van de modieuze albino fat waren zo ongerijmd dat ik er niet boos om kon worden. Ik kon er enkel om lachen.

André glimlachte mee. Blijkbaar besefte hij hoe belachelijk hij klonk. ‘Misschien nog een mooi litteken dan.’

‘Misschien wel.’ Ik bette zijn gezicht en voerde hem wat bouillon. Het bleef een uiterst gek gevoel dat de rollen nu zo waren omgedraaid. Nadat ik hem had gevoerd – André weigerde door mij verschoond te worden – bleef ik nog even aan zijn bed zitten. ‘André… Waarom heb je dat pantser laten maken? Ik dacht dat je de dood zocht. Een leven zonder Natalie…’ Ik liet mijn woorden wegsterven. Het was alles behalve slim om nu weer over André’s dode geliefde te beginnen. Maar ik moest het weten.

Mijn albino beschermer was een tijdje stil. Hij was niet gewend om zijn gevoelens of beweegredenen onder woorden te brengen. André leefde in een eenzame wereld waarin alleen hij belangrijk was.

‘Ik wil leven,’ sprak hij uiteindelijk. ‘Zelfs zonder Natalie. Ik zal altijd van haar blijven houden, maar ik wil léven. Jezelf doden… Het is laf. Leven is moeilijker, meer eervol.’

Vreemde woorden van een man die net via oneervolle bedriegerij zijn huid had gered, maar ik begreep het. En waar lag uiteindelijk de eer als je jezelf liet doden door een ander? Je leefde om te leven, niet om te sterven. Dat kon altijd nog wel. Ik streek door André’s haren. Vaak was hij een volkomen onmogelijke man en soms haatte ik hem. Maar soms, heel soms, kwamen de gevoelens van Natalie Owen boven en zag ik wat zij had gezien. Maar het waren en bleven zeldzame momenten. Nu André zo spraakzaam was, besloot ik een ander onderwerp aan te snijden wat mij de afgelopen dagen niet los had gelaten. ‘André… Waarom hebben jullie gevochten? Wat is er ooit gebeurd tussen jou en Simon Barymore?’

André maakte een afwerend gebaar. ‘Dat verhaal is nu met Simon Barymore gestorven. Ik wil daar niet over spreken.’

Niet over spreken? Ik had het verdiend te weten wat er aan hand was! Een man was gestorven en André was gewond en ik zou niet weten waarom? Dat was onverdraagbaar! ‘Maar–’ begon ik.

‘Basta!’ kapte André mij af. ‘Barymore is dood, ik leef. Dat is het enige wat telt! Ik heb het er niet meer over.’

Nu niet, dacht ik, maar ik krijg het wel een keer uit je. Ooit.

Maar ik kwam het nooit te weten.

Kitesj : Jan J.B. Kuipers

Ik, de vrouw van Kitesj,

ben naar huis ontboden.

Anna Akhmatova

 

 

Hoe Fevronja haar broertje…

 

In andere versies is er soms sprake van jammerend hoorngeloei op de achtergrond, van obsceen bekkengekletter. De zon schijnt genadeloos; de vlakten zijn dor, in de verte hurken afgeknotte, okeren bergtoppen.

In werkelijkheid was het maar een miezerige affaire, die daad van Fevronja, een onopvallende voltrekking ergens in een afgelegen woud. Het was doodgewone broedermoord. Maar sommigen menen dat de aanleiding toereikend was, en dat deze vuige daad gerechtvaardigd was omdat er veel was te winnen.

 

Hier, waar het berkenbos zich verdicht had tot een groot en bijna ondoordringbaar woud, schaars bestrooid met open plekken als deze, woonde het meisje Fevronja met haar broertje Absyrt in een blokhut die hun vader ooit had gebouwd. Lang geleden was dat, toen hij nog niet aan de rand van de open plek rustte in de groeve, herkenbaar aan de stenen die Fevronja en Absyrt erop hadden gestapeld en aan het achtarmige houten kruis dat ze erop hadden geplant. De geslepen punt van dat kruis stak door vaders borst, zodat hij nooit terug kon komen naar het land van de levenden.

Acht maanden per jaar was het nat of bitter koud en dan zaten Fevronja en Absyrt in de hut tegenover elkaar, staarden over de vetlamp in elkaars bleek oplichtende gezicht, dachten hun eigen gedachten en vertelden verhalen om die gedachten te verbergen.

Een van die verhalen ging zo en het was Fevronja die het vertelde.

‘Vorst Joeri was helemaal over de Kaspische Zee gevaren op een krijgstocht en toen hij terugkwam had hij de zeer mooie prinses van India bij zich, die hij in het Oosten had geroofd. Ze was bruin en glanzend als een pas gevallen kastanje. Joeri’s vrouw, de fiere en heilige koningin Tamar, was natuurlijk dodelijk jaloers en zinde op wraak. Ze slachtte een ram en sneed die in stukken. Die stukken gooide ze in een ketel kokend water en -’

‘Ik heb honger,’ klaagde Absyrt, knagend op een stukje rapenschil.

Fevronja keek hem op een bepaalde manier aan, Absyrt sloeg zijn ogen neer.

‘Ze gooide die stukken in een kokende ketel,’ herhaalde Fevronja, ‘en ze deed er kruiden bij die ze ooit had meegenomen uit haar verre keizerrijk Trebizonde. Tartaarse kruiden denk ik, niet te vertrouwen. En ook zout. En toen de boel goed had gekookt sprong er ineens een lammetje uit de ketel. ‘Ik wil ook jong worden!’ riep vorst Joeri toen hij dat zag, zodat hij zijn donkere prinses de hele nacht zou kunnen beminnen. ‘Maak mij ook jong in die toverketel, Tamar!’ ‘Spring er maar in,’ zei de koningin. Dat deed hij, en snel schoof koningin Tamar toen het zware deksel op de ketel. En dat was het einde van vorst Joeri.’

‘En wat gebeurde er met de prinses van India?’ vroeg Absyrt gretig.

‘Die is opgehaald door de Ridder met het Pantervel, maar dat vertel ik misschien een andere keer.’

‘Ik wil het nu horen en anders zal ik het nooit meer horen!’ riep Absyrt.

‘Doe niet zo raar,’ zei Fevronja korzelig, met een ijskoude, onzichtbare hand op haar hart.

 

Toen de lente weer was aangebroken klonk er op een middag gekraak aan de rand van de open plek, en de stammen zwiepten. Een jongeman wurmde zich van tussen de dichte, bleke berken. Hij droeg een gewatteerd borstharnas over zijn rode tuniek en een lederen helm met een bontkraagje, en zijn gladde gezicht tussen zijn engelenhaar vertoonde een paar bloedige schrammen.

Een edelman, verdwaald tijdens de jacht natuurlijk!

De jongeman staarde gefascineerd naar Fevronja.

Absyrt stormde uit de blokhut op hem af met het zwaard van vader. Maar Fevronja greep haar langsstormende broertje in zijn kraag en kletste hem om zijn oren.

‘Dit is een gast,’ zei ze, ‘schaam je je niet?’

‘Er kan niets goeds van komen,’ kermde de jongen, die niet meer gewend was aan andere mensen.

‘Schitterend meisje,’ zei de jongeman, ‘Mijn naam is prins Oljeni Joerjevitsj, zoon van de vorst van Kitesj.’

‘Verdwaald tijdens de jacht zeker?’

De prins knikte afwezig. ‘En – hoe is uw naam?’

Absyrt rukte zich los en vluchtte het schemerige bos in, waar hij zich tussen de stammen verborg en naar de nu zonbeschenen open plek begon te gluren, als een mot in de kaarsvlam.

‘Fevronja,’ zei Fevronja, en likte haar lippen.

 

Het was onvermijdelijk, er zijn niet zoveel mogelijke patronen in de wereld: Fevronja en Oljeni werden verliefd en hij vroeg haar subiet ten huwelijk.

‘Dan gaan we in Kitesj wonen zeker, in een mooi paleis met gladde houten zuilen en zware kleden aan de wand en torentjes met spinnewielen?’ vroeg Fevronja.

‘Ja.’

‘Zullen we gaan dan.’ Ze riep al om haar broer, en Absyrt kwam opgewonden als een hondje van tussen de stammen gerend.

‘Het aantal patronen is beperkt,’ zei Oljeni ineens op vlakke toon, alsof hij iets nazei wat hij helemaal niet wilde zeggen maar wel móest zeggen, ‘je krijgt wat en dat kost wat. Het kost het meest kostbare dat je bezit.’

Fevronja’s hart verkilde.

‘Ik begrijp het al,’ zei ze terwijl ze haar broertje weer in zijn kraag greep.

Hoe kwam ze plots aan vaders zwaard, hetzelfde zwaard dat in haar hand had gelegen toen vader op die ene fatale nacht bij haar in bed was gekropen, enkele winters geleden?

Hoe dan ook: ze zwaaide het en gebruikte het volleerd. Absyrts bloed kleurde het sappige meigras en in een wanhopige razernij sloeg ze toen zo woest op hem in dat stukken van de jongen door de lucht vlogen en overal op de open plek neerkwamen.

‘Zo,’ zei Fevronja tenslotte hijgend. ‘Nu heb ik gedaan wat ik moest doen om jou te winnen. Het offer is gebracht en ons huwelijk is al besmeurd en besmet voordat het is voltrokken. Want zo is de wereld en hoe ik ook door wroeging word verteerd, ik zou het wéér doen, elke mei opnieuw.’

Oljeni, die een zachte prins was, had zijn handen voor zijn gezicht geslagen. Hij zei iets.

‘Wat?’ zei Fevronja dodelijk vermoeid. ‘Doe je handen weg, ik versta je niet.’

‘Waarom deed je dat?’ vroeg de prins nog vermoeider en bleker dan haar.

‘Je zei dat het iets kostte om je te krijgen. Het kostbaarste dat ik bezat.’

‘Dat klopt,’ zei prins Oljeni. ‘Maar het kost iets anders. Iets anders dan dit.

Bekkengeschal! Boosaardig loeien van archaïsche, heidense hoorns! En allemaal in Fevronja’s radeloze hoofd. Ze stond te tollen op de open plek, het was alsof de hemel zwaarder en massiever was dan de aarde onder haar voeten.

 

 

Waarom de voorspelde toekomst onzekerder is dan de niet voorspelde
De nederzetting aan het immense meer valt nogal tegen. Zij bestaat uit hooguit tien haveloze houten huizen en schuren, waarvan enkele op palen in het water staan. Sommige huizen zijn afgebrand, zwarte staketsels steken krom en pervers in de lucht. Op het meer is het bij het gehucht een warboel te zien van fuiken, drijvers en wankele bouwsels van stammetjes waaraan kruisnetten hangen, druipend van alg. Een paar sloepen en roeiboten zijn op de oever getrokken.

Het is hier doodstil.

Tegen de laatste boom vóór het dorp zit een armoedige man. Hij lacht naar Fevronja en Oljeni, met schaarse zwartige tanden. Een afgebrand gehucht, ook in zijn mond.

‘Welkom in Kitesj,’ zegt hij. ‘Ik ben Grisjka, de gebruikelijke dronkenlap.’

‘Waar is het paleis met de torentjes?’ vraagt Fevronja. Ze keert zich om naar haar prins. ‘Als ik niet zo moe was van al dat dolen en lopen en nog verder lopen ging ik terug. O, arme Absyrt, ben je dáárvoor gestorven! En, Oljeni, waar is de menigte om ons op te wachten en ons toe te juichen, waar zijn de witte paarden en de bloemen die op me neer moeten regenen, waar zijn de dienaressen met de bruidsjurk over hun armen gedrapeerd, waar is vorst Joeri?’

‘Dit is niet Kitesj,’ zegt Oljeni vlak. ‘Dit is Klein-Kitesj. Kitesj of Groot-Kitesj, de gouden stad met het paleis, ligt nog verder.’ Vaag gebaart hij naar het meer.

‘Dan moet ik eerst rusten,’ zegt Fevronja.

Haar blik zoekt Oljeni. Maar de prins is al weg. Zeker om kwartier te zoeken, passend voor een bruidspaar van deze hoge rang. Dat zal nog niet meevallen in deze negorij.

Fevronja ploft neer naast de dronkenlap en krijgt een teug wodka.

‘Ik vind dit heel beleefd,’ zegt ze.

‘Als ik een bard was zou ik je ook nog een mooie toekomst voorzingen,’ zegt Grisjka. ‘Maar ik ben hier nu eenmaal de zuiplap en ik kan dus alleen de spot drijven, en dat is óók goed.’

‘Waarom is dat goed,’ vraagt Fevronja.

‘Omdat de voorspelde toekomst veel onzekerder is dan de niet voorspelde,’ antwoordt de dronkenlap.

‘Waarom dan?’

‘De niet voorspelde toekomst omvat alles wat kan en wat zal gebeuren, terwijl de voorspelde toekomst de hele santenkraam inperkt tot maar een paar dingen.’

‘Maar er zijn ook niet veel dingen, de wereld kent nu eenmaal niet veel patronen,’ werpt Fevronja tegen.

‘Dat is waar,’ zegt Grisjka. ‘Er zijn maar een paar patronen en nog minder zekerheden. Eigenlijk maar twee: de mens moet lijden en dan sterven. En tóch is de wereld vol schittering en heerlijkheid. Een eindeloze wereld is het: elke voorspelling is uiteindelijk even waar of onwaar.

Dat ziet Fevronja pas een beetje in, of denkt dat in te zien, na nog een paar slokken wodka.

‘Eigen stook,’ zegt Grisjka. ‘Niet van mij natuurlijk. Ik werk niet en ik stook niet. Ik ben een stinkende lelie des velds.’

‘Waarom is het hier eigenlijk zo stil,’ vraagt Fevronja.

‘Bijna iedereen is dood,’ zegt Grisjka.

‘Waarom – de pest?’

‘Nee,’ zegt Grisjka. ‘De Duitsers.’

 

 

Het verhaal van Grisjka

 

Het is niet de eerste keer dat hier een bruidspaar arriveert. De vorige Fevronja, zal ik maar zeggen, arriveerde hier ook met haar Oljeni. Het onthaal was feestelijk. Net toen ze met bloemen waren bestrooid en op de oever wachtten op de statieboot van vorst Joeri, werd het dorp overvallen door de Huurlingen. Duitsers waren dat en andere buitenlanders, Polakken, Bulgaren, in dienst van tsarina Jekaterina Velikaja natuurlijk, die duivelse manneneetster. Hun leider was een man met een steek en een pruik en kruislingse bandelieren over zijn borst. Zijn lange jas met de knopenrijen, zijn overmaatse manchetten vol vlekken… De ogen altijd zwervend, als zoekend naar iets wat achter de dingen zit. Geen wonder dat hij naar Kitesj was gekomen. Maar de mensen van Klein-Kitesj stroomden al uit hun hutten en vielen aan. De Huurlingen hieuwen op hen in met hun sabels, schoten hen neer met hun ingelegde pistolen, plunderden hun huizen, verkrachtten hun dochters en bonden hun zonen vast om die later op te kunnen eten. Want zo zijn ze, het zijn buitenlanders! Ook staken ze de boel in de fik. En al die tijd dat het tumult aan de gang was stond de commandant met zijn knopenjas en zijn laarzen en zijn manchetten op de oever over het meer te staren. Zijn handen op de rug. De staart van zijn pruikje stokstijf. En maar staren en turen. Alsof de slachting achter zijn rug hem niets aanging.

Toen het allemaal voorbij was en de onzen dood of gevlucht, werd ik voor hem geleid. Ik was niet dood of gewond. Ik werk niet en ik stook niet en ik vecht immers niet. Ik ben Grisjka, de dronkenlap en ik bezing de schittering van het leven.

‘Ze zeggen dat jij de weg naar Groot-Kitesj kent,’ sprak de commandant toen ik voor hem stond.

‘Nee!’ zei ik.

‘Goed,’ zei hij. ‘Breng me erheen.’

O, waar Oljeni gebleven was? Oljeni was weer eens verdwaald, faliekant het slagveld af, en waarschijnlijk ontsnapt naar huis.

 

In Groot-Kitesj gaat vorst Joeri zijn volk voor in gebed. Hij benoemt de druipnatte, pas weergekeerde Oljeni tot bevelhebber van de strijdkrachten. Terwijl de soldaten wegmarcheren, daalt een gouden mist neer over Groot-Kitesj en de kerkklokken beginnen te luiden.

(‘En waar was ik gebleven dan?’ vraagt Fevronja in verwarring. Grisjka lacht haar toe met zijn zwarte tanden. ‘Jij? Jij bent immers hier.’)

 

Als ik de Huurlingen naar een vooruitstekende plaats aan de oever heb gebracht, vanwaar Groot-Kitesj zichtbaar moet zijn, zien ze op het meer alleen een bleekgouden mist hangen, en roepen dat ze me zullen doden. De bezeten commandant loopt opgewonden heen en weer, en dreigt bijna het meer in te lopen, zo groot is zijn verlangen naar Kitesj.

Dan doemt het leger van Kitesj op uit de mist, een bezeten strijd op de oever begint. De mannen van Groot-Kitesj brullen hun aanvalskreet en blazen hun hoorns, de Huurlingen vloeken en tieren, terwijl ze naar hun pistolen en musketten en hun sabels grijpen. Gekletter van staal op staal als van gescheurde bekkens! Hier boort een archaïsche pijl zich in een oog, daar vliegt een arm door de lucht; gewonden liggen kermend in het riet en worden door paardenhoeven nog verder in de modder getrapt, schoten knetteren, de stank van bloed en ingewanden en buskruit, het demonisch krijsen van bajonet op kling. Het oevergras kleurt rood, het water bruin, stille lichamen drijven wiegend weg. De Huurlingen richten opnieuw een grote slachtpartij aan, maar moeten toch het onderspit delven omdat het meer onophoudelijk troepen baart. Ze vallen één voor een, die buitenlanders; sommigen, zoals hun eerloze commandant, weten te ontkomen in het hoge riet, ze verdwijnen als opgeslokt door onze moeder de Aarde. Tenslotte is er stilte, ook het leger van Kitesj lijkt opgelost als waterdamp. Maar de oever van het meer is over grote afstand getekend met het geheimschrift van wasbleke en roodgeverfde lijken van vriend en vijand. Onder hen was Oljeni, mooier dan ooit in zijn gewatteerde kuras en rode tuniek met gouden bies, alsof hij het sneuvelen had geoefend voor een spiegel.

‘En zijn laatste gedachte, het laatste beeld voor zijn ogen gold jou, Fevronja, dat weet ik zeker,’ besluit Grisjka.

‘Het is een prachtig verhaal,’ mompelt Fevronja, die nu behoorlijk dronken is. ‘Maar waar is Oljeni nu eigenlijk, mijn Oljeni bedoel ik, de echte?’

‘Dat vroegen we ons toen ook af,’ zegt Grisjka. ‘Toen we opnieuw keken konden we het lijk van die zachte prins nergens meer vinden.’

 

 

Intussen op de open plek

 

s Nachts zit er een beetje beweging in het achtarmige kruis op de groeve met de gestapelde stenen. Een klein beetje beweging, maar steeds een beetje meer. Naast de groeve ligt een andere, kleine groeve, haastig gegraven en niet gemerkt met stenen of een kruis. Boven deze groeve zweeft in het holst van de nacht nu en dan een dwaallichtje, als u het met alle geweld nóg mooier wilt maken.

 

 

De tweesprong

 

Terwijl Fevronja en Grisjka liggen te slapen, met tussen hen in de lege kruik, lijkt het bos een magische transformatie te ondergaan. De overlevering met haar onverbrekelijke patronen en motieven dringt zich verder en verder in het verhaal. Twee vitale clichés doemen op. De gekroonde, gelukbrengende vogel Alkonost met haar vrouwengezicht buigt zich over Fevronja en voorspelt dat ze zal sterven vóór Kitesj haar te pakken krijgt; de gekroonde vogel Sirin met dat andere vrouwengezicht, dat verdriet en treurnis brengt, buigt zich ook over haar en voorspelt dat ze omwille van Kitesj heel lang en misschien wel eeuwig moet leven.

 

 

Hier moet het ergens zijn!

 

Wiegend in een grote roeiboot op het uitgestrekte meer, met om je heen de ijle nevel, waar hier en daar het goud van de zon bleek doorheen breekt.

Het is de eerste keer dat Fevronja zich op zo’n grote watervlakte bevindt; ze durft zich nauwelijks in de boot te bewegen.

‘Hier moet het ergens zijn,’ mompelt Grisjka. Hij laat de riemen rusten en gebaart over het kalme water met de plechtig trage, theatrale beweging van de donkenlap.

‘Hier? Hier is alleen water,’ zegt Fevronja, die zich angstvallig met beide handen aan het boord vasthoudt.

‘Je moet naar beneden kijken,’ zegt Grisjka weer. ‘In het meer moet je kijken. Weet je werkelijk niet dat Kitesj een verzonken stad is? Waar ben je al die tijd eigenlijk geweest?’

‘Op de open plek met de blokhut, en in het stuk bos daaromheen,’ antwoordt Fevronja. ‘Vader sprak nooit over zulke dingen. Alles wat ik wist had ik min of meer zelf verzonnen. Dus Kitesj is een verzonken stad! Als ik dat geweten had, was ik nooit met Oljeni meegegaan. Wat heb ik aan een paleis met gladde zuilen en zware kleden als het onder water staat? Absyrt, o arme Absyrt, je bent voor niets gestorven!’

Grisjka lijkt verlegen met de situatie en kijkt maar weer in de diepten van het meer; hij buigt zich ver over het dolboord.

‘Ik geloof – ik geloof dat ik de klokken hoor luiden!’ roept hij dan, die zuiplap.

Nu buigt ook Fevronja zich bruusk over het water. De boot helt scherp, de wankele Grisjka stort voorover, hup overboord! Hoofd en schouders vooruit ploempt hij in het water en zinkt onmiddelijk weg; even is er een breed uitwaaierende rimpeling, dan alleen het grijsblauwe, haast spiegelgladde oppervlak.

Fevronja slaakt benarde kreetjes en staart radeloos in de diepte, haar knokkels wit van het kneden van de dolboorden. Van Grisjka geen spoor. Maar in de diepte meent ze nu een vage weerschijn te zien; een zweem van vergulde koepels, de donkere vormen van brede houten daken en gepolitoerde zuilen…

‘Kitesj, Kitesj,’ mompelt Fevronja met een brandend gevoel van verlies. ‘Grisjka… Oljeni!’

De hemel is een koepel van mist en melkachtige walmen en een gouden waas, maar het meer is peillozer. Fevronja rilt en strekt zich geluidloos huilend uit op de natte, vieze bodem van de wiegende, wiegende boot. Het zoete water ruikt zwaar, een beetje naar relikwieënbloed en halfvergane herinnering.

 

 

Bruiloft in Kitesj

 

In de verzonken stad wordt Fevronja monter begroet door vorst Joeri.

‘Welkom, lieve kind,’ zegt hij en laat haar het enorme, maar bijna lege paleis zien. Achter honderd vensters loert het eindeloze meer.

‘Kijk,’ zegt Joeri, ‘dit hier is de ketel waarin ik, of mijn vroegere ik, ooit vertwijfelde rondjes zwom.’

Hij wijst op een enorm vat met een deksel erop.

‘Ik wil Oljeni zien,’ dramt Fevronja.

‘Al goed, kind, laat die oude vorst Joeri je maar ter bruiloft voeren, het is een voorrecht…’

Maar ineens schrikt Fevronja op. Die ketel! Ze beseft dat ze in de geschiedenis is beland waarin ze zelf vorst Joeri tot de dood in de kokende ketel heeft veroordeeld. Neemt ouwe Joeri nu wraak? Of is het de wrekende geest van Absyrt die haar kwelt?

‘Ik wil weg! Laat me los!’ gilt Fevronja, maar aan de ijzeren greep van de onheuglijke Joeri valt niet te ontsnappen.

‘Laat me je ter bruiloft voeren, kind,’ mompelt Joeri weer. Ze steken een binnenplaats over en ver boven zich, in een uitspansel van water, ziet Fevronja de duistere bodem van de roeiboot, als de buik van de grote vis die ooit Jonas verzwolg en weer uitspuwde. Dan gaan ze door een dubbele houten deur en betreden een enorme, naar schimmel riekende zaal. Hier is in geen eeuwen gelucht, de ontelbare houten zuilen zijn bekleed met groenzilveren webben van alg en rag. Ergens op de zachte, mossige vloer slingert een oud pantervel.

In het midden van de zaal staat een baar waarop een stille gedaante ligt, bedekt met dikke lagen stof. Door de vuiligheid heen ziet Fevronja enkele strengen engelenhaar, en het gedempte rood van een tuniek met gouden bies.

‘Oljeni!’

‘Kom kind, laat me je ter bruiloft voeren,’ lispelt opnieuw de vorst van Kitesj, wiens ene hand de arm van Fevronja knelt en in wiens andere nu een zwaard ligt, dat verdomd veel op het zwaard van vader lijkt.

‘Dit is wat het kost om te krijgen wat je wilt,’ giechelt vorst Joeri in zijn witte baard. ‘Het kostbaarste dat je bezit…’

De baar met het lijk van de duizendmaal gesneuvelde prins Oljeni nadert, en daarmee natuurlijk het laatste moment van Fevronja, die niet wil sterven, ongeacht de wijsheden die de zuiplap Grisjna over het lot van de mensen heeft verkondigd.

‘Waarom is Kitesj eigenlijk verzonken en wat heb ik daarmee te maken!’ gilt Fevronja in wanhopig protest – en alles staat dezelfde seconde stil in afschuw en verbijstering.

Waarom?

Ontnuchtering, onttovering! Ze rukt zich met één woeste beweging los; de vorst valt zielloos voorover als een levensgrote pop van lappen, het zwaard boort zich in de soppige bodem.

Zonder nog naar Oljeni te kijken keert Fevronja zich op haar schreden om, Joeri’s losgeraakte arm wappert aan haar arm als een hoerige sjaal, tot de dode vingers zich ontspannen en de arm langzaam naar de bodem zeilt.

 

 

Intussen op de open plek

 

Er zit geen enkele beweging meer in het achtarmige kruis op de groeve met de gestapelde stenen. De kleine groeve ernaast is al overwoekerd door gras en sleutelbloemen, alsof die er nooit is geweest.

 

 

Slotscène zonder toneelaanwijzing

 

In het bos, dichtbij het meer, klinkt een droog pistoolschot, gevolgd door een woest gefladder als van een enorme vogel. Of misschien twee, of één die op twee lijkt. Er klinkt ook een grove, bijna wanhopige vloek.

Scheisse! Verfehlt!

Fevronja zweeft snel naar de oppervlakte van het meer, blijft nog even hangen onder die wiegende, zilverachtige scheiding die tegelijk aantrekt en afstoot. Maar dan slaat ze resoluut haar ogen op, bespeurt haar droge mond, de stekende hoofdpijn. Ze heeft voor het eerst van haar leven een verschrikkelijke kater, de wodka van Klein-Kitesj eist zijn tol.

Over haar heen buigt zich een gestalte. Het is die buitenlandse commandant met zijn pruik en vlekkenjas, die altijd maar aan de oever en de bosrand zwerft; zijn hand zweeft al aarzelend ergens boven haar buik, als een meeuw op de wind.

Hun blikken stoten op elkaar als botsende kometen, de dreun trilt na tot in hun bekken.

Ze zwijgen, draaien hun blik weg, loeren weer naar elkaar.

Ver weg op het meer klinkt een flard van een dronkemanslied.

‘Grisjka!’ zeggen ze allebei tegelijk, en lachen.

Even is het weer stil.

‘Ik ben Fevronja,’ zegt Fevronja dan.

‘Ik ben Philostratos Buguraz,’ zegt de Huurling, ‘aangenaam kennis te maken.’

De krankzinnige namen van die buitenlanders! Maar je kunt altijd een betere naam verzinnen, één die je al kent. Van de vorige keer bijvoorbeeld. De duizend vorige keren die achter deze keer staan – het aantal patronen in de wereld is nu eenmaal beperkt.

‘Ik weet de weg naar Kitesj, geloof ik,’ zegt Fevronja in een opwelling.

Er trekt een pijnlijke floers over het gezicht van de onuitsprekelijke vreemdeling. Hij maakt een wegwuivend gebaar. ‘Ach, Kitesj…,’ zegt hij. Het klinkt berustend.

Dan daalt zijn hand langzaam op haar buik.

Hart van steen : Rik Raven

Wanneer de zon zijn hoogste punt bereikt, vormen de schaduwen kleine kringen rondom de standbeelden in het gras. Er liggen geen papiertjes of plastic bekers, geen verwaaide bladeren van de bomen achter de spijlen van het hekwerk.

De beelden zijn van steen; ze zijn niet gebeeldhouwd, maar uitgehard, zoals verf of klei. Beelden van jonge mensen die zijn weggerukt uit hun leven al voordat ze een zonde kunnen plegen die groot genoeg is om indruk te maken op volgende generaties. Jongens en meisjes. Maar een paar zijn ouder dan twintig jaar geworden.

De schittering van de zon maakt de tekst op elke messing plaquette een korte tijd onleesbaar, maar hun namen zullen door niemand vergeten worden.

Zelden klinken hier stemmen en is het voornamelijk de stilte die heerst.

Wanneer er geen geneesmiddel wordt gevonden, zal deze gedenkplaats nooit uit de schaduw treden en in een ander licht komen staan. Dan zullen de stemmen wegblijven.

Als een symbool voor medemenselijkheid.

 

De kerkuil spiedt over het land, zijn witte, hartvormige gezicht roerloos. De dalende zon zet zijn glanzende veren in een teer rozerood licht. Als hij opvliegt klinkt zijn snijdende gil en hij verdwijnt uit het zicht.

Vanuit haar slaapkamerraam op één hoog ziet Lara haar broer Fabian al een kwartier geboeid omhoog kijken, hurkend in het lange gras. In gedachten hoort ze hem kreunen van pijn terwijl hij voorzichtig omhoogkomt. Hij zoekt steun bij het tuinhuisje als hij de grote vogel nakijkt. Lara ziet de inspanning op zijn gezicht. Ze zou hem zo graag willen helpen.

Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat ze hem in de gaten houdt. Een andere reden is dat ze zijn aandoening wil blijven monitoren, samen met haar ouders. Zijn symptomen zijn atypisch. Hij heeft geen pijn, zegt hij steeds weer. Hij weigert te klagen, want petrificatie komt altijd zonder pijn. Het is een virus, maar niemand kent de oorsprong en niemand heeft een geneesmiddel. Er is zelfs geen vaccin.

Iedere dag loopt hij minstens tweemaal door hun achtertuin, omdat hij zijn vogelobservaties nooit zal opgeven. Door haar raam ziet Lara de pijn die hij voor hen verborgen houdt.

In goede tijden was het tuinhuisje in gebruik als opslagruimte, maar er hoeft niet zo veel meer opgeslagen te worden, op de kapotte grasmaaier na. Fabian en de kerkuil lijken bijna een overeenkomst te hebben gesloten om elkaar daar te treffen.

Haar hart gaat uit naar Fabian omdat ze begrijpt waar zijn liefde voor vogels vandaan komt, want er is een stukje in hem dat als die vogel wil zijn, die wegvliegt,

weg van zijn pijn,

weg van de toekomst.

Ze legt hoofdschuddend haar kin op haar handen, zonder haar broer uit het oog te verliezen.

‘Lara,’ klinkt het gedempt vanaf de overloop. Haar moeder staat in de deuropening met een hand op de klink en in de andere hand haar mobiele telefoon – niet aan haar oor, want ze vindt het niet gepast om tijdens een sociale bezigheid in gesprek te zijn. ‘Wil jij op Fabian letten? Ik ben zojuist opgeroepen en je vader heeft zijn rust hard nodig.’

”Tuurlijk, geen zorgen, mam. Hij zit buiten. Vogels spotten.’

‘O, fijn, maak je je vader wakker als je zelf gaat?’

‘Ik blijf lekker in de buurt, mam. Komt in orde.’ Haar moeder, getrouwd met jonkheer Pieter Cullen van der Berckhout woonachtig in een imposant landhuis aan de rand van de stad, sluit de deur na een korte groet. Lara wist nog hoe haar ouders machteloos moesten toezien hoe alles sneller dan iemand kon verwachten bergafwaarts ging omdat de Wet van Murphy in werking trad. Het gezin kon een opeenstapeling van pechgevallen nauwelijks bolwerken met als gevolg dat vader, failliet geraakt, maar niet te trots, als nachtwaker aan de slag is gegaan in de haven, dat moeder twee baantjes heeft, als verkoopster en helpdeskmedewerkster, en dat ook Lara een sabbatical heeft genomen van haar studie taalwetenschap om bij te kunnen springen door een baantje op een administratiekantoor aan te nemen.

Dit alles om Fabian te sparen, om de vaste lasten van het grote herenhuis aan de Vrijheidsstraat te kunnen blijven betalen, geld opzij te kunnen leggen voor het noodzakelijke onderhoud en te voorzien in hun levensonderhoud. Er is te weinig geld voor een behandeling van Fabians ziekte in het centrale ziekenhuis.

Fabian heeft haar vaak gezegd dat hij niet gespaard wil worden, dat hij zich beledigd voelde. Een aantal maal heeft hij zelfs bijgesprongen om het budget aan te vullen door zich in te laten met Jens de Vrede, die Fabian uiteindelijk heeft kunnen diagnosticeren als petrificatiepatient. Jens is een talentvolle laborant die dit jaar zijn dokterstitel in de biotechnologie heeft behaald. Hij is ervan overtuigd dat hij degene zal zijn die petrificatie kan genezen. Lara had nog een relatie met hem toen hij begon als stagiair in een onderzoeksteam dat al bezig was met het ontwikkelen van een antivirusmiddel en inmiddels is hij de leidinggevende, trekt hij fondsen aan en houdt presentaties. Hij zegt steeds dat hij binnenkort een vaccin op de markt zal brengen.

Aanvankelijk was Lara trots dat ze kon zeggen dat haar ex-vriendje zo vastberaden was in het zoeken naar een medicijn en heel dankbaar dat hij Fabian onder zijn hoede wilde nemen. Echter, toen ze er achter kwam dat hij Fabian gebruikte voor zijn experimenten, was ze woedend en beëindigde ze de relatie. Ze waren dertien maanden samen en achteraf, realiseert ze zich, kon het weleens allemaal om Fabian te doen zijn geweest.

Fabian trekt zich weinig aan van haar bezorgdheid. Hij gaat zijn eigen weg en hij wil er alles aan doen om te genezen. Hij is anders dan andere patiënten, niet alleen vanwege zijn pijn, maar ook omdat hij geen laag intelligentiequotiënt heeft. Integendeel, hij denkt veel te veel na.

Fabian is twee jaar jonger dan zij en net achttien geworden, maar hij weigert haar toe te laten, alsof hij geen medeleven wil. Niemand had verwacht dat hij aan petrificatie zou gaan lijden. Ze had gedacht dat er meer vragen bij zouden worden gesteld, zeker van Jens, maar hij was de eerste die aanbood om Fabian te onderzoeken en behandelen. Blijkbaar worden de symptomen klakkeloos geaccepteerd. Wel lijkt het bij hem trager door te zetten, wat de reden zou kunnen zijn dat hij zo veel pijn lijdt. Hoe hij het laatste experiment heeft kunnen doorstaan, zal zij nooit begrijpen. Zij had geëist dat Jens en zijn team er mee stopten en niemand nam het haar kwalijk, alleen Fabian was boos geweest.

‘Je hebt het recht niet te beslissen of ik pijn lijd, of niet,’ had hij gezegd. ‘Ik draag mijn steentje bij en ik doe dat op mijn manier, Lara. Vroeg of laat verander ik toch in een standbeeld.’ Toen had hij zelfs even gelachen in het besef dat zijn woordgrap erg toepasselijk was.

Lara draait zich weer naar het raam en ziet dat Fabian een aantekening maakt in zijn notitieboekje. Hoe kan ze zich geen zorgen om hem maken? Hij is haar broer, ze lijken op elkaar. Allebei hebben ze donkerbruin haar, hoge jukbeenderen, een sterke neus en blauwe ogen, maar waar zij slank is, is hij mager en waar zij een roomwit gezicht heeft, is hij lijkbleek.

Fabian kijkt op alsof iets buiten zijn vogelwereld zijn aandacht trekt. Lara gaat een stukje over haar bureau hangen naar het raam. Er lijkt iemand achter het bouwvallige tuinhuis te staan, ze ziet een hand op Fabians arm. Fabian zet een stap achteruit, waardoor de onbekende zich bloot moet geven. Jens?

 

Fabian is uit de taxi gestapt en blijft, zoals altijd, nog even staan kijken, omdat het uitstappen energie vreet en hij op adem moet komen. Walter Koevoets is de taxichauffeur die hem stond op te wachten, alleen nu in de straat achter het herenhuis terwijl hij normaal zijn taxi voor het huis stopt. Walter kent alle patiënten die onder behandeling zijn in het ziekenhuis omdat hij de enige is die hen rijdt. Hij praat graag en heeft ook altijd een opbeurend woord klaar, maar tijdens deze rit zweeg hij. Fabian weet dat Walter en Jens elkaar kennen, want ooit heeft Walter hem verteld dat ze samen op school zaten.

Hij steekt zijn hand nog een keer op, maar Walter zit achter zijn stuur en kijkt niet eens, hij lijkt na te denken. Schouderophalend loopt Fabian Jens achterna.

Hij vindt het vreemd dat hij dit gedeelte van het ziekenhuis niet kent. Het zou een noodaanbouw kunnen zijn dat ze binnenstappen, zo’n witte blokkendoos die in elkaar is gezet met kleurloze gipsplaten. Ze lopen door een lange gang.

‘We zijn er bijna. Het komt allemaal goed,’ zegt Jens. Fabian weet nu heel zeker dat Jens niet op zijn gemak is. Er is namelijk altijd een stemmetje geweest aan de binnenkant van zijn oor dat hem waarschuwt als er zaakjes niet pluis zijn. Het vertelt hem als ogen te vaak knipperen, als een neus te rood ziet omdat er dwangmatig langs gewreven wordt, als een mondhoek hoger of lager staat dan eerder. Deze zenuwtrekjes zijn voor het stemmetje als flitsende neonlichten.

Fabian wil juist zeggen dat het hier erg stil is, wanneer er een jonge man in een witte doktersjas hen tegemoetkomt, even knikt en dan doorloopt zonder iets te zeggen. Fabian kijkt nog eens achterom, de man heeft een opvallende bos donkere krullen.

‘Dat is Elroy, een collega-onderzoeker. Dit is een aparte vleugel van het ziekenhuis.’

‘Zoiets als de pathologie?’ vraagt Fabian. Het lijkt een redelijke vraag, alsof hij oprecht geïnteresseerd is, ook al bezorgt zijn stemmetje hem de kriebels. Het zegt dat Jens iets verzwijgt.

Fabian zit al een ongewoon lange tijd in de tweede van de drie fases die je met petrificatie moet doorlopen. Maar het is nogal een verschil of je net in de tweede fase bent aanbeland of dat je fase drie al in je nek voelt hijgen. Fase drie betekent dat je gewrichten aan de verstening zijn begonnen waardoor je bewegingen aanzienlijk belemmerd kunnen worden. Fabian weet nog dat Leon, wiens beeld intussen in de Beeldentuin staat, hem vertelde dat het aan het einde van de tweede fase leek alsof zijn knieën en polsen in snel verhardend cement werden gegoten. Leon was een goede vriend, geestelijk gehandicapt, maar pienter. Ze leerden elkaar kennen toen Fabian tijdens een proefles turnen van een brug viel en onderzocht moest worden in het ziekenhuis. Hij had het heel moeilijk gevonden te zien dat Leon meer en meer problemen kreeg weer in beweging te komen. Iedere keer kostte het hem net dat beetje meer energie. Maar het lukte hem, steeds opnieuw, tot wilskracht alleen niet meer voldoende was en zijn beweging stopte.

Dat is wanneer de smering volledig achterwege blijft.

Dat is wanneer het besef doordringt.

Fabian zit al veel langer dan de gemiddelde patiënt in de tweede fase en hij is zeer geliefd bij de onderzoekers.

Jens glimlacht en staat stil voor een deur, maar hij gaat niet naar binnen. Fabian ziet hem twijfelen. Zelf kijkt hij de gang nog eens door, kil, wit en kaal. Geen bloem, tekening of aquarel om de boel op te fleuren. Er ligt een geweven loper over de vloer die de kanten niet raakt waardoor aan weerszijden de witte ondervloer zichtbaar is. Jens staart nog steeds naar de deur.

‘Wat is er?’ vraagt Fabian. ‘Waarom zijn we niet in het lab?’

‘Ons lab is verhuisd, want wat wij doen is geheim.’

‘Wegbezuinigd? Ik krijg toch wel betaald?’ vraagt hij.

‘Ja, nee, ja natuurlijk. Denk je dat Lara me nog heeft gezien?’ Jens fluistert dit laatste.

Fabian merkt aan alles dat Jens nog stapelverliefd is. Hij mag dan aan petrificatie lijden, hij voelt die dingen. Zelf denkt hij dat zijn val van de brug, waarna hij lang hoofd- en nekpijn had en nog heeft, hem op empathisch vlak sterker heeft gemaakt. Zeker is dat hij daar het stemmetje aan te danken heeft. Het virus heeft dat niet verstomd.

Jens grijnst vals en zegt uiteindelijk beslist. ‘Kom.’ Hij opent de deur, die eerst nog wat klemt, waardoor hij bijna naar binnen valt. Fabian wacht tot Jens zijn evenwicht heeft hervonden en loopt een ruimte binnen in de vorm van een omgekeerde T, al even kaal en wit als de gang. In het lange stuk recht vooruit staan zes bedden, drie aan elke kant. Op het eerste bed rechts ligt een langwerpige ovale vorm. Als hij wat beter kijkt, schrikt hij. Het lijkt wel of daar iemand ingepakt ligt in een strakke witte zak – gebakerd als een baby in vroeger tijden. Hij denkt een hoofd te zien, hij ziet zwarte krulhaartjes, maar als hij ernaartoe wil lopen, doet een krachtige stem, die kriebelt in zijn nek, hem pas op de plaats maken.

‘Jij bent Fabian?’ In de stem klinkt een contrabas, waarvan slechts een enkele snaar wordt beroerd. Achter een bureau in de rechterpoot van de T – in de linkerpoot staat er nog zo één – zit een man. Zijn oogwit wordt geaccentueerd door een diepbruine huid en de botstructuur van het gezicht is grof met strakke lijnen en hoge jukbeenderen, een kin als een strijkijzer en dunne lippen.

Fabian kijkt niet naar Jens, omdat hij vreest spijt te zien op zijn gezicht. Daar heeft hij niets aan. Hij denkt dat Lara de reden is voor Jens’ twijfel, maar er kon weleens meer achter zitten. Het stemmetje zegt het. Hij staat stil en kijkt naar de grond.

‘Ben jij Fabian?’ vraagt de contrabas nogmaals.

‘Ja,’ zegt Fabian. ‘Wie bent u? Wat doet u hier? U bent niet van het team.’ Elk lid van het onderzoeksteam draagt standaard een witte doktersjas met een naamplaatje.

‘Dokter De Vrede, heeft u deze jongeman niet op de hoogte gebracht?’ De man kijkt Fabian onderzoekend aan terwijl hij Jens de vraag stelt.

Jens houdt zijn hoofd scheef en lacht een glimlach die geen glimlach is, maar een gemiste kans. ‘Ik heb Fabian inderdaad niet alles verteld.’

‘Omdat hij het niet zou begrijpen?’ Nu draait de man zich volledig naar Jens.

‘O, vergist u zich niet. Fabian is niet achterlijk, integendeel, hij is zeer intelligent en volgens mij is hij de uitzondering die de regel bevestigt.’

‘O ja?’ vraagt Fabian. ‘En waarom hoor ik dat nu pas?’ Hij weet dat hij traag denkt door zijn hersenletsel, trager dan voorheen, maar hoeveel trager heeft hij nooit geweten. Hij is er altijd van uit gegaan dat zijn trage cognitie zijn intelligentie heeft beïnvloed en dat zijn IQ wel op een laag gemiddelde zou zitten.

‘Ik dacht dat je dat wel wist. Dat is ook de belangrijkste reden dat je ons favoriete studieobject bent, Fabian. Maar we zijn altijd voorzichtig.’

Fabian is nog even sprakeloos en kijkt beide mannen aan, Jens en de imposante, zwarte man. Een man die dermate uit de toon valt in de witte omgeving dat hij alleen daarom al respect verdient.

De grote onbekende moet de onderzoekende blik van Fabian voelen. Even lijkt hij zich te generen, de dunne lippen bewegen in een halve glimlach. Dan staat hij op achter het bureau. ‘Mijn naam is Alexandre Decotoi.’ Hij spreekt de achternaam uit als Deekootwa. ‘Ik wil je laten kennismaken met mijn dochter, Elisa. Ze is nog maar half zo oud als jij en zit al in de tweede fase van petrificatie.’

‘Dat is vroeg,’ bevestigt Fabian. Ergens is hij blij dat het onderwerp verandert, want zijn IQ is niet interessant, laat staan belangrijk. ‘Ik kan haar helpen te genezen?’

‘Je wilt meewerken aan de nieuwe behandeling?’ vraagt Decotoi.

‘Misschien wel, misschien niet.’ Hij kijkt naar Jens. ‘Heb je nog geen vaccin, dan?’

‘Bijna, maar dit keer is het anders, Fabian, en je krijgt het dubbele betaald,’ zegt Jens. ‘Dit zijn geen medicijnen of een therapie die je in ongemakkelijke houdingen boven warm water laten hangen, want we gaan beginnen met een bloedtransfusie.’

‘Dit klinkt heftig,’ zegt Fabian gelaten. ‘Hoe zit het met mijn bloed? Qua bloedgroep.’

‘Jullie bloedgroepen zijn ideaal, voor elkaar gemaakt. Jij hebt 0 resus D-negatief, de universele donor, en Elisa heeft AB resus D-positief, de perfecte ontvanger.’

Fabians aandacht verslapt al bij de eerste resus, hij hoort het stemmetje met de naam Wantrouwen. ‘En als het niet werkt?’ vraagt hij. ‘Waar zit de adder, het venijn?’

Jens kijkt hem niet aan, maar geeft het antwoord dat Fabian niet had willen horen. ‘Als het niet werkt, ga je dood.’ Jens blijft van hem wegkijken.

Jens is een lafaard, denkt Fabian, maar hij zegt: ‘Tja, nou ja, je bent eerlijk. Oké dan, dood ga ik toch. Is het niet nu, dan later.’ Hij denkt na. ‘Je weet waar je het geld naar toe kan sturen.’ Hij kijkt Alexandre Decotoi aan. ‘Naar de familie Cullen van der Berckhout.’ Fabians blik gaat heen en weer tussen Jens de Vrede en Alexandre Decotoi.

‘Je doet het toch niet alleen voor het geld? Je wilt toch ook genezen?’ Jens kijkt hem met een verachtelijke, kunstmatige hoop in zijn ogen aan. ‘Heb jij nu pijn?’

Fabian fronst zijn wenkbrauwen. ‘Waar wil je antwoord op? Ja, ik heb pijn, altijd, houd erover op.’ Hij legt een hand in zijn nek en knijpt zachtjes. ‘Ik begrijp nu waarom je dit in het geheim doet. Het ziekenhuis weet van niets, op een paar schimmige oncologen na, zeker. Dokter Heersma, bijvoorbeeld.’

‘Je hebt gelijk, het is geheim, maar zelfs Heersma weet dit niet. Stel je eens voor dat het gaat werken. Dat jouw bloed Elisa beter maakt en dat jij door de transfusie van je pijn af bent.’

‘Al wat ik me kan voorstellen, is de dood. Dat ik leegbloed, bijvoorbeeld. Misschien versteen ik wel onmiddellijk. Wat stel jij je voor dat er dan gebeurt?’ vraagt Fabian. ‘Denk je dat Lara je dan wel aardig vindt?’

Jens wendt ogenblikkelijk zijn ogen af. 1-0 voor mij, denkt Fabian. Hij schudt zijn hoofd en masseert zijn slapen.

‘Zo moet je dat niet zien, Fabian,’ zegt Decotoi met de stem die laag binnenkomt. Het geluid lijkt nog even na te trillen in Fabians oren. ‘Hier zijn andere redenen voor.’

‘Deze transfusie kan weleens het begin zijn van een heel nieuwe aanpak,’ begint Jens.

Fabian komt tussenbeide. ‘Waarom?’ Hij wijst weer naar de witte zak waar een donker hoofdje bovenuit steekt, dat zich naar hem toe draait als hij zich in die richting beweegt. ‘Ingepakt als een baby. Pure gevangenschap.’ Fabian wappert met zijn handen, want hij wil geen uitleg, hij wil eerst zien wie daar ingepakt ligt. Het voelt helemaal niet goed.

Hij hoort Jens naar hem roepen, maar hij is koppig en steekt zijn middelvinger op. Ze doen maar. Hij komt bij het bed en wordt aangekeken door ogen en een donker hoofdje, omgeven door zwarte krulhaartjes. Een meisje met smalle ogen, in een dubbele plooi gevat, en ze gunnen hem de liefste blik die iemand hem ooit heeft gegeven. Hij is nooit verliefd geweest, maar aan deze ogen heeft hij nu al zijn hart verpand. Hij ziet echter ook dat haar mond wat openstaat, dat ze haar tong een stukje uit steekt en dat ze een hele kleine neus heeft. Ze lacht naar hem. Alleen haar hoofd kan ze enigszins draaien.

‘Hoi, hoe gaat het met jou?’ En direct daarna roept hij: ‘Maak haar los.’ Hij is kwaad, hij is pisnijdig. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden? Dit is schandalig.’

‘Maar dat is Elisa,’ zegt Alexandre terwijl hij samen met Jens dichterbij het bed komt.

‘Nee, nee, nee, dit is helemaal verkeerd.’ Fabian kan niet de meteen de woorden vinden waarin hij zijn woede wil uitdrukken, dus hij kijkt Jens en vooral de vader met grote ogen en een indringende blik aan.

‘Nee, hoor,’ probeert vader nog vergoelijkend.

Dit is het moment dat Fabian start met vloeken, en zich pas excuseert als hij adem moet halen. ‘Sorry,’ zegt hij dan hoewel hij het niet meent. ‘Dit is totaal de verkeerde aanpak. Ze moet bewegen, hoe minder beweging, hoe sneller de gewrichten vast komen zitten en de botten verkalken.’ Hij kijkt naar Jens, beschuldigend. ‘Ze moet spelen, klimmen, rennen, zolang ze nog kan.’

‘Nee, Fabian, daarvoor is het te laat, ze kan al lang niet meer lopen. Fabian, kom eens hier.’ Alexandre Decotoi pakt hem bij zijn schouders en neemt hem een stukje mee, weg van Elisa die nog met dezelfde open mond en prachtige spleetogen om zich heen kijkt.

‘Je ziet dat ze het syndroom van Down heeft? Ik had alle hoop verloren tot ik dokter De Vrede ontmoette. Elisa heeft nooit gesproken, maar ik kan met haar communiceren en mijn vrouw ook. Tierry en ik houden van Elisa. Ze is ons enig kind. We willen niet dat ze al vroeg moet sterven, eindigen als een standbeeld in de Beeldentuin.’ Alexander moet ademhalen en Fabian knikt alleen maar. Alexander vervolgt: ‘Recent hoorde ik dat doctor De Vrede al enkele jaren bezig is een medicijn te ontwikkelen en ik heb ook gehoord dat jij hem daarin heel goed assisteert.’

Fabian weet niet wat te zeggen, hij haat het neerbuigende toontje dat direct volgt op de oprechte wanhoop.

‘Wat moet ik deze keer doen?’ vraagt Fabian aan Jens. Fabian is een man van zijn woord en hij krijgt dubbel betaald, maar hij zal moeten doorbijten. ‘Laat het niet weer dat zoutzuurachtige goedje zijn, want dan draai ik je de nek om.’

 

En hier ligt hij dan met een infuus in zijn arm naast het bed waarop een gebakerde Elisa ligt, die haar bevrijde rechterarm naast zich heeft liggen. Het is een heel dun armpje waar een grote naald in steekt en een dunne slang met bloed. De slang loopt naar een apparaat waar een doorzichtig zakje bloed in hangt. Aan de andere kant van de zak steekt een slang die naar zijn arm gaat. Ze heeft haar hoofd naar hem toe gedraaid. Ze lacht en het is wel duidelijk dat ze geen idee heeft waarom ze lacht, maar toch blijven haar ogen de mooiste die hij ooit heeft gezien. Fabian kijkt eens naar de naald die in de binnenkant van zijn elleboog zit. Door de slang stroomt zijn bloed. Naar buiten. Hij voelt zich slap.

Hij is echter allang blij dat hij niet zo’n pijn heeft als drie jaar geleden tijdens een van de eerste experimenten. Alle bedden waren bezet met jonge patiënten, de een nog zieker dan de ander van een of ander medicijn, maar zij waren zonder pijn. Elke patiënt moest zijn gekerm en geschreeuw aanhoren, totdat Jens – dokter De Vrede – het infuus uit zijn arm haalde, en de pijn iets draaglijker werd.

In deze zaal is het stil, op het murmelen van Elisa na. De bedoeling was dat Fabian zich ook vast liet binden, maar dat ging hem veel te ver. Hij weigerde.

‘Ik stel me beschikbaar zodat jij je belangrijke werk kunt doen en jij bent zo dankbaar dat je me nog verder in mijn vrijheid wilt beperken? Ben je helemaal gek?’

‘Het is voor je eigen veiligheid, Fabian.’ Weer die neerbuigendheid. ‘We weten niet hoe je lichaam reageert als er twee liter bloed wordt afgetapt.’ Gelukkig kon Alexander Decotoi Jens tenslotte overhalen om Fabian niet vast te binden, maar alles goed beschouwd is hij toch een soort van gekluisterd door zijn laffe bloed dat hem verlaat en hem eenzaam achterlaat.

Hij mist zijn vogels, hij mist de buitenlucht. Hij mist de kerkuil die altijd even komt kijken als hij bij het tuinhuisje zit. Soms hebben ze hele gesprekken, soms genieten ze alleen van elkaars aanwezigheid. En zo nu en dan mag hij mee.

Dan vliegt hij.

Dan hoort hij het ruisen van de wind, proeft hij regendruppels op zijn lippen.

Dan is hij vrij, is er geen pijn. Alleen wind, licht en vrijheid.

Nu hoort hij stemmen. Lara? Hij wil rechtop tegen het kussen gaan zitten als Lara binnenkomt, maar hij voelt zich als een natte krant en blijft in het dikke kussen liggen. Achter haar, met zijn arm uitgestoken omdat hij haar probeert tegen te houden, loopt Jens en daarachter komt Alexander Decotoi, de vader van Elisa, die de koelheid zelf is. Lara heeft haar armen gespreid als ze naar Fabian loopt.

‘Fabian, wat doe je nu toch weer? Je moet niet overal in meegaan. Wat is dit?’ vraagt ze aan Jens.

‘Een bloedtransfusie.’

‘Dat werkt niet, is al lang onderzocht. Waarom krijgt hij geen extra bloed?’

‘Fabian is speciaal. Straks.’

Lara schudt haar hoofd vanwege het nietszeggende antwoord en gaat naast Elisa’s bed staan. ‘Is dit je andere proefkonijn?’

‘Iemand voor wie Fabian de laatste hoop kan zijn, Lara.’

‘Wat kun je toch dramatisch doen, Jens. Waarom is ze zo ingepakt? Kan ook niet gezond zijn.’

‘Lara,’ fluistert Fabian. ‘Laat nou maar, ik krijg dubbel betaald en als Jens nog iets voor elkaar krijgt, is het niet voor niets geweest.’

Lara tilt haar handen op in pure wanhoop. ‘Er zijn tal van protocollen die je moet volgen bij een bloedtransfusie, en op deze manier lijkt het me sowieso niet toegestaan.’

‘In de oorlog tegen petrificatie is alles toegestaan. Meneer Decotoi kent de risico’s, Fabian stemde ermee in.’

‘Fabian wil alleen maar geld, omdat hij zich schuldig voelt.’ Ze kijkt naar Decotoi die naast zijn dochter gaat staan en op haar neerkijkt.

‘Ze is wakker,’ zegt Decotoi, ongelovig en verbaasd. Jens loopt onmiddellijk naar de andere kant van het bed en pakt haar pols.

‘Stabiel,’ zegt hij nadat zijn lippen ophouden met murmelend tellen. ‘Laten we nog even afwachten.’ Hij kijkt naar Fabian. ‘Hoe gaat het met jou, kerel?’

Fabian voelt zich duizelig, kan maar met moeite zijn ogen openhouden en eigenlijk wil hij slapen.

‘Ik wil vliegen,’ komt een heldere, hoewel wat slepende meisjesstem van Elisa vandaan, een stem die nooit heeft gesproken, alleen geluiden en onverstaanbare kreetjes heeft uitgekraamd.

Fabian is wakker en rolt zijn hoofd opzij. Ze kijken elkaar in de ogen. Hij let niet op de consternatie die volgt omdat vader Alexander zijn dochter voor de eerste keer hoort spreken, evenmin merkt hij de hand op zijn arm op waarmee Lara zijn aandacht wil trekken.

Al wat Fabian ziet, al wat hij kan lezen en begrijpen in die prachtige, bruine ogen is hetzelfde als wat hij voelt. Ook zij wil vliegen.

Vliegen, weg uit dit leven.

Vliegen naar een nieuwe lucht, een open lucht, zuiver.

Vliegen naar nieuw leven.

En wat hij dan doet, is achterin de tuin tegen het tuinhuisje gaan zitten en met de kerkuil praten.

‘Koppel ons af,’ zegt hij hardop.

Niemand zegt iets, dus Fabian zegt opnieuw: ‘Koppel ons af.’

‘Het is nog niet voltooid, Fabian,’ zegt Jens.

‘Doe het, Jens, anders zal ik niet meer in staat zijn om Elisa te helpen.’ Hij vermoedt dat er meer bloed is afgetapt dan twee liter. Hij had het kunnen weten.

‘Wat? Je helpt haar toch?’

‘Nu?’ roept Fabian door de grote zaal en krijgt bijna een flauwte van de inspanning.

 

‘Je had toch extra bloed kunnen pakken? Dan voelde je je nu niet zo slap, hoor,’ zegt Elisa en kijkt naar de hand die de hare vast heeft als ze onderaan de trap van het ziekenhuis staan. Het is avond, de duisternis is een feit.

‘Geen tijd,’ hijgt Fabian. Hij kijkt naar de grote draaideur die maar blijft draaien omdat er constant mensen het ziekenhuis in en uit gaan. ‘Volgt ze ons nog?’ Hij ziet Lara nog niet en hoopt dat zijn zus hem en Elisa kwijt is vanwege een plotse opeenhoping van mensen bij een geldautomaat. Hij zou willen dat hij het zijn zus had kunnen vertellen, maar hij kan en wil er niemand bij betrekken.

Hij wacht niet op Elisa’s antwoord en trekt haar opnieuw mee. Hij is dankbaar dat ze intussen een lange broek en een trui draagt die ooit zijn achtergelaten door patiënten. Ze kan hem goed bijhouden, hoewel ze op slippers loopt, met dikke sokken tegen de kou. Nu moet worden gezegd dat hij er zelf nog minder florissant bijloopt, hij hijgt als een dolle hond, zweet als een otter en ziet rood als een kreeft, de hele dierentuin. Elisa steelt de show met een paarsrode blos op haar donkere wangen en de korte krulhaartjes op haar mooie hoofd. Ze kijkt hem steeds aan met haar hoofd een beetje schuin en een glimlach op haar lippen, alsof zij hem ieder moment zal gaan vertellen wat hij moet doen.

‘Wacht,’ zegt Fabian. Op papieren benen stopt hij bij een boom, in de schaduw en buiten de lichtkring van een lantaarn. Met zijn hand tegen de ruwe bast en zijn hoofd gebogen spuugt hij in het zand, hij dwingt zichzelf niet te huilen van de pijn. Hij moet het echt kalmer aan doen. Het is niet alleen het bloedverlies, maar ook de pijn in zijn rug, zijn knieën en enkels. Hij bijt op zijn tanden. Eerst bijkomen, uit het zicht blijven. Hij ademt zwaar, maar glimlacht, denkend aan haar woordkeuze “extra bloed pakken”, want het lijkt zo makkelijk. Het is waar, Jens heeft aangeboden om hem bloed bij te geven, zodat hij wat meer energie zou hebben, na eerst te veel te hebben afgetapt. Hij is een smiecht. Fabian zegt het bijna hardop.

Jens, Lara en zelfs Decotoi waren het erover eens dat Elisa onderzocht zou gaan worden en dat ze dan met haar vader zou meegaan zodat hij kon beginnen met de registratie van de mate waarin haar genezing zou doorzetten.

Maar Fabian weet wat Elisa werkelijk wil. En niemand kan zeggen hoe lang ze heeft. Hij legt zijn hand op haar schouder, een smalle schouder. Hij doet dat omdat ze een band hebben met elkaar, maar ook omdat hij de steun nu erg goed kan gebruiken. Alle steun is welkom; geestelijk en fysiek. Want hij twijfelt.

Is het wel mogelijk wat hij wil doen? Los daarvan: hij is nog maar achttien. Mag hij zo’n beslissing wel nemen? Het zal Elisa’s leven bepalen of beëindigen. Wil hij die verantwoordelijkheid nemen? Hij ademt diep in, de pijn zakt wat, zijn adem normaliseert en hij kijkt rond op zoek naar een taxi, op zoek naar Walter. Zijn benen voelen nog slap, maar de duizeligheid is minder. Vlakbij hen, dichtbij de ingang, is de kleine parkeerplaats voor kortparkeerders. Er staan enkele mannen op het trottoir bij hun wagens te praten. Dat moeten chauffeurs zijn, blijkens hun kostuum en stropdas. Hij zoekt naar een lange vent met zwart piekhaar en felblauwe ogen, maar Walter is er niet.

‘Heb jij geld?’ vraagt Fabian aan Elisa. Hij weet het antwoord voordat hij is uitgesproken. Nee, natuurlijk heeft ze geen geld, voor vandaag kon ze niet eens praten. Hij pakt weer haar hand en loopt naar de chauffeurs toe. Voor hen staat hij stil. De drie mannen stoppen hun gesprek als hij vraagt: ‘Wie van jullie wil ons naar de Vrijheidsstraat brengen? Ik heb nu geen geld.’

Ze kijken elkaar aan en twee schudden hun hoofd als willen ze zeggen: daar begin ik niet aan. De derde chauffeur wijst over Fabians schouder en zegt: ‘Ik denk dat je hem moet hebben.’

‘Wachten jullie eens even,’ zegt Walter die net aan komt lopen met een papieren beker in zijn hand.

‘Walter,’ zegt Fabian. Hij voelt hoe de moeizaam opgebouwde energie in een oogwenk zijn benen verlaat. ‘Kun jij ons naar huis brengen?’

Walter heeft maar een moment nodig om te zien dat hier meer aan de hand is. Tenslotte heeft hij Fabian samen met Jens naar de onderzoeksunit gebracht. ‘Ik breng je naar huis. Ongelooflijk dat De Vrede dit zomaar kan blijven doen. Waar is je begeleiding? Je zus is er toch altijd bij?’

‘Nee, nee, ze is er niet. We moeten snel naar huis. Ik leg het wel uit in de taxi.’ Fabian klemt zich vast aan een auto en Walter pakt hem bij de arm en houdt hem omhoog. Fabian zoekt Elisa en zij knikt hem geruststellend toe.

‘Jij blijft hier gewoon even heel rustig staan,’ zegt Walter en ondersteunt Fabian. ‘Is hij jouw vriendje?’ vraagt hij vervolgens aan Elisa. ‘Jij moet toch wel iets beters kunnen krijgen?’ Hij lacht breeduit.

Elisa wendt haar blik af en krijgt een paarsrode blos op haar donkere, glanzende wangen. Ze is een meisje van net geen tien jaar oud dat een compliment krijgt waar ze niet mee uit de voeten kan. Fabian kan amper geloven dat ze nog maar enkele uren eerder gebakerd op het bed naast hem lag, en dat ze vanwege de toediening van zijn bloed hier kan staan, als een prachtig meisje.

‘Fabian,’ zegt Elisa en buigt zich wat naar Fabian. ‘Ik wil vliegen, hoor.’

‘Ze wil wat?’ vraagt Walter.

Maar Fabian glimlacht en Elisa en hij wisselen een blik van verstandhouding, zo’n blik die hij vaker heeft gezien als er iets verzwegen moet worden dat pijnlijk kan zijn voor de betreffende aanwezige.

‘Stap in,’ zegt Walter en zwaait naar zijn collega’s. ‘Heren, maak ruimte voor de familie,’ hij pauzeert nadrukkelijk en kijkt naar Fabian, die aanvult: ‘Cullen van der Berckhout.’

‘Klopt ja. Van de Vrijheidsstraat,’ maakt Walter het af. Hij leidt Fabian en Elisa naar een wagen aan het begin van de rij.

Ze stappen in en eenmaal in de wagen, als Walter de motor heeft gestart, vraagt Fabian: ‘Denk je dat je getuigen nodig hebt, voor als wij niet betalen?’

‘Je bent slim.’ Hij kijkt hem via de achteruitkijkspiegel aan, maar gaat er niet verder op in. ‘Dat wordt de tweede keer vandaag.’

‘Ja.’

‘Dat grote huis kan wel een likje verf gebruiken.’

‘Jij bent eerlijk, maar dat gaat gebeuren.’ Fabian ziet Walters blauwe ogen in de spiegel, ze kijken naar Elisa en één ervan knipoogt.

‘Heeft zij ook met Jens te maken? Wacht, zij heeft toch geen …?’ Walter stopt midden in zijn zin.

‘Waarom zeg je het niet? Petrificatie.’ Fabian kijkt achter zich naar de ingang van het ziekenhuis. Hij ziet geen Lara, geen Jens of meneer Decotoi buiten staan.

Walter start zijn wagen, en volgt gelijktijdig Fabians blik naar de ingang van het ziekenhuis. ‘Mijn zusje Wanda staat in de Beeldentuin.’

Fabian is even verrast, maar duikt weg als hij Lara uit de grote draaideur ziet komen. Ze spiedt om zich heen.

Walter rijdt meteen weg van de parkeerplaats. Het blijft een hele tijd stil op het zoemen van de motor na totdat Elisa zegt: ‘Dat vind ik erg, meneer, van uw zus, maar ik word misschien wel heel oud. Fabian heeft me zijn bloed gegeven, want hij heeft het ook en nu ben ik ineens veel beter.’

Fabian wil haar zeggen haar mond te houden omdat er nog niets zeker is en omdat niet alles wat Jens doet even legaal is, laat staan ethisch geaccepteerd.

‘Jouw bloed?’ vraagt Walter en kijkt Fabian aan via zijn spiegel. ‘Dit is toch niet oké? Ik zou weleens willen weten wat dokter Jens de Vrede daar allemaal uitspookt.’

‘Ik weet niet of dat zo’n goed idee is,’ zegt Fabian. ‘Ja, door hem voel ik me nu als een dweil, maar deze behandeling zit nog in de experimentele fase.’

‘Waarom jouw bloed?’

‘Omdat ik ook petrificatie heb.’

‘Dat zeg je en ik heb je al vaker gebracht, met en zonder dokter De Vrede, maar jij kunt geen petrificatie hebben. Ik heb nog nooit iemand met petrificatie ontmoet die zulke volzinnen spreekt als jij doet.’

‘Daarom willen ze mijn bloed. Ik ben de uitzondering die de regel bevestigt. Ooit ben ik op mijn kop gevallen en daardoor kon het virus binnendringen.’

Het blijft even stil voorin de wagen, waarschijnlijk omdat Walter de snelweg opstuurt. ‘Ik geloof het niet. In welke fase zou je moeten zitten dan?’

‘In de tweede.’

‘Ach, kom op. Dan zou je er veel erger aan toe moeten zijn. Je loopt goed, beweegt normaal. Hebben ze je onderzocht op reuma? Heb je pijn?’

Fabian kent al deze vragen. ‘Ja.’

‘Wat ja?’ vraagt Walter ongeduldig. ‘Heb je pijn?’

‘Ja.’

‘Wanda had geen pijn en de meeste petrificatiepatiënten hebben dat niet. Hebben ze je ooit getest op reuma?’

Fabian wil niet laten merken dat hij deze vragen al duizend keer heeft beantwoord en zegt: ‘Waarschijnlijk wel, dit komt niet uit de lucht vallen. De Vrede heeft me grondig onderzocht, iedere keer weer.’ Maar hij denkt ook aan Jens die zich een specialist op het gebied van petrificatie noemt en hem toch vraagt of hij pijn heeft, waar hij vervolgens niets mee doet.

Walter kijkt hem nog een keer aan vanuit zijn binnenspiegel en schudt zijn hoofd.

‘Goed joh, ik vraag niets meer,’ zegt hij en draait zich even snel om naar Elisa. ‘Mijn naam is Walter Koevoets en ik heb de eigenschap dat ik overal binnenkom.’ Hij lacht zijn tanden bloot. ‘En wie ben jij?’

‘Zij is Elisa Decotoi,’ zegt Fabian.

‘Hallo,’ zegt Elisa.

Walter geeft een ruime knipoog in zijn spiegel en zijn voet duwt het gaspedaal diep naar beneden. De motor gromt luid.

 

Fabian vraagt Walter Koevoets of hij hen wil afzetten op dezelfde plek waar hij eerder vandaag stond te wachten. De poort is de enige manier om thuis te komen, omdat Fabian alleen een sleutel van de achterdeur bij zich heeft.

‘Veel geluk,’ zegt Walter als Fabian en Elisa zijn uitgestapt. ‘Ik weet niet wat je van plan bent, Fabian, maar doe je voorzichtig met haar? Het is al laat en erg donker, houd je er rekening mee?’

‘Natuurlijk meneer, bedankt,’ zegt de ietwat beduusde Fabian en stapt uit.

Walter geeft gas en rijdt de straat uit. De banden piepen bij de volgende bocht. Opeens beseft Fabian dat Walter in zijn spiegel had gezien dat Fabian op de parkeerplaats bij het ziekenhuis in elkaar dook. Het was zo klaar als een klontje dat hij niet gezien wilde worden door iemand die voor het ziekenhuis stond.

‘Wat is er? Moeten we hier zijn?’ vraagt Elisa.

‘Ja,’ zegt Fabian, ‘Ik woon hier. Ik wil je iets laten zien.’

‘Wat leuk. Spannend,’ zegt ze nieuwsgierig, maar Fabian merkt dat haar stem lager klinkt en haar woorden trager worden uitgesproken.

Niet veel later zitten ze samen in het gras bij het tuinhuisje, maar later dan hij had gewild omdat Elisa’s bewegingen stroever worden. Gelukkig brandt er geen licht in het huis en Fabian vermoedt dat zijn vader al naar zijn werk is. Zijn moeder is ook niet thuis en wat Lara gaat doen, dat weet hij niet. Hij hoopt dat hem nog wat tijd is gegund met Elisa.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij aan haar. Het stemmetje dat hem altijd waarschuwt, is ontspannen, voor het eerst in zijn leven is dat stemmetje helemaal zen. Alsof het goed is, alsof hij de enige is die weet wat te doen in deze situatie.

Elisa kijkt hem aan, spreekt niet en helt haar hoofd slechts langzaam in zijn richting. Hij hoopt dat hij op tijd is, hij hoopt dat de maan tevoorschijn komt, maar vooral hoopt hij dat hij haar mee kan nemen, de lucht in. Vliegen.

‘Als je kunt, dan moet je blijven kijken naar die onderste tak, een dikke tak die is afgebroken en waar geen bladeren aan zitten.’ Zijn vinger wijst en hij kijkt langs haar heen om zeker te weten dat haar blik is gericht op die ene goede tak.

Het geluk is met hen en slechts enkele minuten later landt de kerkuil met het witte hartvormige gezicht op zijn tak. Hij veert amper door, het is een stevige tak, zijn tak. Het beest draait zich rechtstreeks naar Elisa, zijn grote ogen roerloos, starend. Fabian weet bijna zeker dat de uil alles weet en dat hij wist wanneer te komen. Ze hoeven niet te praten. De witte hartvorm draait in hun richting en de uil knikt. Fabian twijfelt niet meer.

Elisa legt haar hand heel langzaam op zijn arm en hij legt er de zijne overheen, hij voelt hoe de warmte uit haar huid trekt. ‘Kijk, lieve Elisa, ga met hem mee. Ga vliegen. Vlieg! Je vrijheid tegemoet.’

Haar gezicht draait traag omhoog.

 

Walter rijdt zijn wagen het voetgangersgebied op, stopt voor de trap naar de ingang van het ziekenhuis, gooit het portier open en roept: ‘Als je Fabian en Elisa zoekt, moet je nu instappen.’

Lara staat er inderdaad nog steeds. Natuurlijk is ze al een keer terug naar binnen gegaan, maar direct voelde ze zich schuldig en liep terug naar buiten. Ze heeft de auto eerder wel met zijn lichten zien knipperen, maar besteedde er geen aandacht aan. Pas als ze geroepen wordt en ze Fabians naam hoort, springt ze op en rent naar de taxi toe.

‘Waar zijn ze? Weet u dat?’

‘Stap in,’ is alles wat hij zegt en hij wacht niet eens tot ze naast hem zit en haar gordel heeft vastgeklikt. ‘Ik ben Walter Koevoets.’ Hij laat zijn standaard grapje voor wat het is en scheurt van het ziekenhuis weg.

‘Luister naar me,’ zegt Walter. ‘Ik heb Fabian en Elisa, het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien, naar de Vrijheidsstraat gereden. Ik ken Fabian omdat ik hem vaker in de taxi heb gehad, en jou ook, trouwens. Ik ben Walter Koevoets.’ Ze kijkt hem gespannen aan en knikt kort. Ze herinnert zich hem als de taxichauffeur met die blauwe ogen die vooral petrificatiepatiënten rijdt. ‘Elisa wil gaan vliegen,’ vervolgt Walter, ‘ze heeft petrificatie en ik zag haar voor mijn ogen verslechteren. Fabian had dit heel goed door en daarom wilde hij haar meenemen. Hij heeft een plan, ik weet niet wat, maar hij zal zich door niemand laten tegenhouden. Ook niet door jou.’

‘Nee, ik wilde hem helpen. Alles is de schuld van Jens. Ik bespaar je het verhaal.’

Walter moest zich even concentreren op zijn scheurkunst om geen ongelukken te veroorzaken, maar zegt toch: ‘Jens de Vrede. Ik ken hem.’

‘Ja, jij hebt toch bij hem op school gezeten?’

‘In dezelfde klas, hij was een uitslover,’ grinnikt Walter. ‘O ja, Lara? Die broer van je heeft helemaal geen petrificatie.’

Eigenlijk wil Lara haar schouders ophalen omdat Walter al de zoveelste is die dit zegt, maar ze doet het niet. Omdat ze steeds slechts één man op zijn woord heeft geloofd.

Wie zegt dat al die anderen ongelijk hebben?

Wie noemt iedere andere mening ongefundeerd en van enige medische kennis gespeend?

Jens.

Wie zegt dat een second opinion tijdverspilling zal zijn?

Jens.

Wie spint er garen bij Fabians vermeende petrificatie?

Jens.

‘Walter?’ zegt Lara. ‘Gas erop.’

Walters moment van verrassing is kort en hij glimlacht verbeten als hij rechts de vluchtstrook oprijdt en twee trage auto’s inhaalt, die beide stroken nodig hebben.

‘Je hebt me een spiegel voorgehouden, Walter. Maar ik zag wel wat Fabians bloed heeft kunnen bewerkstelligen bij Elisa.’

‘Wat ga je doen?’

‘Misschien petrificatie genezen?’

‘Ambitieus, jonge dame, maar ik sta achter je.’

‘Jij gaat met me mee naar binnen. Ik weet waar ze zijn,’ zegt Lara als hij de taxi op het trottoir van de Vrijheidsstraat zet en ze beiden uitstappen. ‘Kom op.’

Walter rent achter haar aan met grote stappen en vangt nog net de voordeur op voordat deze in het slot valt. Door een lange gang met deuren aan beide zijden waarvan sommigen op een kier staan en waardoor hij meest kale ruimtes ziet met veel lichtinval. Hij ziet haar nog net door een grote woonkeuken rennen, die in tegenstelling tot de andere ruimten zeer knus is ingericht met veel planten, schilderijtjes aan de muren en keukenkastjes met diverse geschilderde afbeeldingen, als goed gelijkende reproducties van Van Goghs zonnebloemen of de Aardappeleters van Rembrandt.

Weer vangt hij de deur op voordat hij dichtvalt en hij staat ineens stil. Buiten. In het donker.

De maan werpt een vaalblauw licht op een grote tuin, op lange grashalmen en grote borders struikgewas. Langs het grasveld loopt een smal zandpad, dat grotendeels is overwoekerd door struiken.

Hij loopt naar een kleine blokhut, waar hij nog net de omtrekken van Lara ziet in de duisternis. Met grote stappen, en zijn lange benen zijn nu een voordeel, beent hij naar het tuinhuis, maar hij schudt zijn hoofd al. Ze zijn te laat.

‘Nee,’ fluistert hij.

Fabian zit in het gras tegen de houten hut en huilt zacht, zijn gezicht in zijn handen.

Naast hem zit een beeld. Een beeld van een jong meisje.

Haar gezicht is in opperste vervoering als ze omhoogkijkt alsof ze het grootste wonder van het bestaan aanschouwt.

Ze is blij, ze is verrukt en wil alleen maar vliegen.

Ze vliegt!

De knipoog van de meermin : Jack Schlimazlnik

De Dari Mana was aangemeerd in Pulau Tamera, een kleine haven op een eiland waarvan de vulkaan grotendeels in tropisch groen verloren ging. De moessonregens kletterden op het dek alsof de zondvloed was ingezet. Het water van de kleine baai leek te zieden onder het natuurgeweld. Ontdaan van haar ballonnen, met ingevouwen vleugels en gereefde zonnezeilen, leek het schip net zo klein en kwetsbaar als de vissersbootjes van de plaatselijke bevolking.

Aan de bamboe droogrekken op de kade hingen voornamelijk inktvissen die dropen van de regen en een uur in de tropische wind stonken. Hooploper Roger Nelson was mede daarom, net als het overgrote deel van de bemanning, van boord gegaan. In Pulau Tamera verwachtte hij geen stad met een uitgebreid havenkwartier voor het nodige vertier, maar zoals de meeste nederzettingen waren de eerste levensbehoeften er te vinden: drank en hoeren. Zelfs in de stromende regen werd die nering gedaan.

Aan de kade stond een eenzame, jonge vrouw te wachten. Ze hield een paraplu vast, waardoor ze steeds in het water dreigde te waaien. Zonder veel omhaal bracht ze de zeelui van de Dari Mana naar het enige bordeel van Pulau Tamera. De dames die er op de rood verlichte veranda wachtten, sprongen enthousiast op toen ze hun klanten zagen. Ze trokken hun kleding naar beneden, waardoor prachtige tatoeages te zien waren. Ze dansten, de vrouwen, hun tatoeages leken in de rosse gloed op hun huid mee te dansen als in een oeroud ritueel.

Het bordeel kende slechts enkele kamers en was daarom snel vol met degenen die het meeste geld boden voor een paar uur vergetelheid. Nelson slenterde door, op zoek naar een kroeg; hij ging uiteindelijk liever zijn eigen weg. De wegen van Pulau Tamera waren drasland geworden in de onophoudelijke stroom regen. Hij hoorde dikke druppels ratelen op de bananenboombladeren die als een dak boven de nederzetting hingen, hetzelfde ritme tikte op de daken van zink en palmbladeren. Hij kwam onderweg langs een tatoeagetoko. De plaatjes in de etalage waren een mengeling van rituele motieven en de gebruikelijke souvenirs voor zeelieden. Het bleek niet alleen de populairste, maar ook de enige kunstvorm van het eiland te zijn. Waar de inkt vandaan kwam, liet zich raden: ook hier hingen inktvissen aan droogrekken, zorgvuldig ontdaan van hun inktreservoir.

‘Wanna tattoo?’ vroeg de tatoeëerder vanuit zijn toko.

Nelson, die onder het afdak voor de toko schuilde voor de regen, schudde zijn hoofd. De lekkende inktvissen gaven hem een gevoel van onveiligheid. De primitieve instrumenten van de tatoeëerder, voornamelijk vervaardigd uit bamboe en vulkaanglas, deden de rest. Hij had kerels gekend die nachten hadden liggen kermen door een onzorgvuldig uitgevoerde tatoeage die, tegen de tijd dat ze weer aan boord waren, een drab van bloed en etter was geworden.

Snel liep Nelson verder. Even verderop zag hij een soort terras aan de haven. Het terras was, onder de niet aflatende regenbui, uiteraard leeg. De bijbehorende havenkroeg was wel geopend. Deze had uitzicht op de baai, voor zover dat uitzicht niet door de regen werd belemmerd. Van de Dari Mana zag Nelson slechts de grijze omtrekken, alsof het schip als een spook opdook uit de nevel.

De kroeg was gebouwd van ruwe lavasteen. Het dak was een bamboe constructie met daarop zinken platen. Een normaal gesprek zou door het klateren van de regen niet te verstaan zijn; de stamgasten keken daarom zwijgend voor zich uit. Nelson voelde zich onmiddellijk thuis: niemand die hem iets wilde aanpraten, zijn gedachten wilde vormen of zijn tijd zou verdoen. Rottende palmbladeren moesten de kille, natte windvlagen buitenhouden, maar Nelson merkte dat het weinig effectief was. Hij had spijt dat hij zijn scheepstrui aan boord had gelaten. Het bevreemde hem dat de stamgasten, blijkbaar plaatselijke vissers, in slechts een katoenen hemd bij de deur zaten.

Hij ging naar de bar. ‘Bier!’ riep hij. Hij gebaarde naar het vat waaruit hij even daarvoor het goudgele vocht getapt had zien worden. Tegelijkertijd legde hij een paar stuivers op de toog.

In de schaduwen achter de toog bewoog wat. Het was de waard: hij strompelde moeizaam op een bamboepootconstructie tussen toog en vaten. Het was er duister, want de walm van het flakkerende olielampje was dikker dan het licht. Toen de waard aan de toog verscheen, zag Nelson dat de man bijna zwart zag van het vulkaanstof. Daaronder glansde dof een koffiebruine huid met ondefinieerbare tatoeages. De man had goudgele ogen en een vriendelijke glimlach waardoorheen een gouden tand glinsterde. Hij overhandigde Nelson een kroes vol schuimend palmbier.

Nelson trok zich met zijn bier terug in een hoekje van de kroeg. Hij zag hoe de waard achter de toog redderde. Er kwamen heerlijke geuren van gekruide rijst en geroosterde vis uit die richting.

Plotseling waaide de kille wind naar binnen. Nelson keek verschrikt op. Het vuur van de oven en de vlam van het olielampje flakkerden op, waardoor de tatoeages op de huid van de waard in het licht leken te dansen. In de deuropening was een zeebonk komen te staan, wiens gestalte de gehele kroeg verduisterde. Toen hij een pas naar voren deed, drong het grijzige daglicht weer binnen, waardoor Nelson de nieuwaangekomene goed kon bekijken.

De man had een postuur als een gorilla. Hij droeg een oude zeemanspet op zijn kalende hoofd. Wat hem aan haar op zijn hoofd ontbrak, werd meer dan goedgemaakt door de weelderige grijze krullen van zijn baard. Een oud hemd omspande zijn borstkas. Het was mouwloos, zodat de uitbundige tatoeages op zijn bovenarmen goed te zien waren. Hij droeg een oude broek, bijeengehouden door een zware leren riem, waartussen een fikse dolk was gestoken. Zijn voeten waren in stevige laarzen gehuld. De man maakte een gebaar naar de waard, die boog en blijkbaar een bestelling voorbereidde.

‘Jij komt van de Dari Mana?’ vroeg de man aan Nelson. Zijn stem was even imposant als zijn gestalte.

Nelson knikte. Hij vermoedde dat iedereen in Pulau Tamera moeiteloos kon aanwijzen wie de pas gearriveerde vreemdelingen waren. De grote man was echter geen inboorling, daarvoor waren zijn ogen te blauw en was zijn grauwe huid te blank.

‘Ik ben vijf jaar geleden hier gestrand en gebleven. Harold Taylor, Brits onderdaan, geboren en getogen in Southampton,’ stelde de grote man zich voor. Toen draaide hij zich naar de toog, waarop een enorme kroes palmbier was verschenen. Hij greep de kroes, zijn biceps bolde. De zeemeermin die erop was getatoeëerd, leek naar Nelson te knipogen.

De knipoog deed Nelson denken aan zijn grootvader. Ook die had diverse tatoeages gehad. Hij had zijn kleinkinderen ermee vermaakt door met bepaalde spierbewegingen de tatoeages tot leven te laten komen: een jongedame met opwippende blote borstjes, een deinend schip, een draak met een kronkelende staart, een tekening rond een huidplooi die op een manier bewoog waarover de oudere jongens hadden moeten lachen, waardoor Nelson had begrepen dat het iets schunnigs was.

Zelf had hij ook tatoeages, maar geen bijzondere. Op zijn linker bovenarm had hij een rafelig hart met daaronder het woord ‘moddur’. Na dat fiasco, een souvenir uit Amsterdam, had hij op zijn rechterbovenarm een astrolabium en een anker laten zetten. Het had hem een fortuin gekost in Bombay. Ten slotte had hij in Tobago nog een kruis op zijn linkerborst laten zetten. Nu hij Taylor bekeek, kriebelde het weer: zou hij niet nog een meermin op zijn schouderblad laten zetten?

Opnieuw knipoogde de zeemeermin. Nelson zag het, maar Taylor leek het niet te merken. Was het een geheim teken? vroeg Nelson zich af. Een flirt? Hij had natuurlijk de nodige verhalen gehoord over de zeden in de havensteden, voor zover hij zelf niet het een en ander had meegemaakt. Met zijn twintig jaar en zijn bescheiden achtergrond kon hij niet kieskeurig zijn terwijl de bordelen van de meeste havens onbetaalbaar waren met zijn inkomen. Hij besloot te doen alsof hij het niet had gezien.

De waard richtte zich tot Nelson. ‘Malak nasi goreng, koemikoemi rendang?’ Hij hield een stomend bord omhoog. De sterke geur van kruiden kriebelde in Nelsons neus. Hij merkte dat hij trek had. Hij nam het bord aan in ruil voor een handvol stuivers. De rijst was gebakken met groenten, fruit en ei, daar bovenop lag het vlees in een donkere, stomende saus.

‘Inktvis,’ zei Taylor. ‘Een delicatesse in deze contreien. Gewoonlijk eet men hier alleen oedang: garnalen.’

Even twijfelde Nelson. Inktvis? Hij vermande zich, zijn maag was evenmin als zijn lendenen kieskeurig en hij had wel vaker vreemd voedsel gegeten. Soms had het zelfs geen naam gehad, soms was het nog een beetje in leven. De inktvis was tenminste dood en goed doorbakken. Het smaakte uitstekend, stelde Nelson even later vast. Hij genoot van elke hap.

‘Denk je dat ik kan aanmonsteren op de Dari Mana?’ vroeg Taylor tussen twee slokken bier door.

Nelson at zijn mond leeg. ‘Ik durf het niet te zeggen. Onze bemanning is in principe compleet.’ Hij monsterde de oude zeebonk. ‘Bovendien moeten we op het gewicht letten, nu we onze lading nog moeten afleveren in Batavia.’

Taylor sloeg zichzelf lachend op de buik. ‘Deze toko is te goed voor me geweest, de afgelopen vijf jaar! En nu is ze mijn noodlot geworden!’ De meermin op zijn biceps liet een glimlach zien.

In het duister achter de toog glom een gouden tand: ook de waard lachte mee.

 

De regen viel nog steeds met bakken uit de hemel toen Nelson en Taylor de kroeg verlieten. Bij een logement in een zijstraat van de markt haalden ze de persoonlijke bezittingen van Taylor op. Ondanks de regen leek er toch leven in de havenplaats te zitten, want er klonken luide kreten uit de buurt van het bordeel, noordelijk van de markt – genot en pijn, zo wist Nelson, konden dicht bij elkaar liggen. Hij haastte zich, na enige aarzeling zijnerzijds, met Taylor door de regen, over de modderige kaden van het eiland, naar de glibberige steiger waar de Dari Mana lag aangemeerd.

De kapitein stond in de deuropening van zijn hut. Hij keek somber vanonder zijn zuidwester. Toen hij Nelson en de zeebonk in de gaten kreeg, probeerde hij wat opgewekter te kijken. ‘Ahoy, Nelson!’ riep hij door de regen.

‘Ahoy, kapitein. Dit is Harold Taylor. Hij wil graag aanmonsteren.’

‘Goddank,’ verzuchtte de kapitein. ‘Kom binnen.’ Eenmaal in de kapiteinshut wisselde hij zijn zuidwester voor zijn kapiteinspet. Hij ging achter zijn balsahouten bureau zitten. Hij vouwde zijn handen, rustte zijn kin erop en leek een kort gebed te zeggen. Toen draaide hij zijn zeegrijze ogen naar Nelson. ‘Twee van onze mannen zijn onwel geworden in het bordeel. Ik kan ze niet meenemen. Als ze ooit weer opstijgen, zal dat tot God zijn.’

‘Dat spijt me,’ zei Nelson.

Ook Taylor betuigde zijn medeleven.

‘Met andere woorden, ik kan wel wat handen gebruiken als we onze reis voortzetten,’ zei de kapitein. Daarna wikkelde hij het formele gedeelte snel af. Hij wees Taylor een kooi toe in dezelfde hut als Nelson.

Nelson begreep dat hij zijn vorige hutgenoot, Arthur Swift, nooit meer zou zien. Hij vroeg zich af, wat er in het bordeel kon zijn gebeurd. Arthur was een stevige, gezonde kerel. Tegenover de dames was hij altijd vriendelijk geweest. Hij kreeg een behoorlijke wedde, waarmee hij niet te koop liep, ook had hij nooit schulden gemaakt. Hij gaf zich niet over aan overmatig drankgebruik, opium of gokken. Wat had hem noodlottig kunnen worden? Nelson ging in zijn eigen kooi liggen, piekerend over Arthur. Hij hoorde dat Taylor zijn spullen in de kast plaatste, waarna hij zich naar de oudere man omdraaide.

Taylor trok zojuist zijn hemd uit, zodat de enorme getatoeëerde draak op zijn rug zichtbaar werd. De staart verdween tussen de broeksband, de kop ging schuil achter de weelderige baard van de Brit. De ruggenwervels van de zeebonk waren tevens de wervels van de draak. Een kort moment leek de draak te leven in het grauwe avondlicht.

Nelson draaide zich met zijn rug naar Taylor. Hij voelde zich na de uitbundige maaltijd erg moe en voldaan. Het was een drukke dag geweest, waarbij hij door de furie van de tropische storm alle zeilen had moeten bijzetten om een voorspoedige landing af te dwingen. Hij had duizend angsten uitgestaan toen onder hen de muil van de vulkaan gloeide en zwavelgassen rookte. Ze hadden het er goed vanaf gebracht. Hij sloot zijn ogen.

Jeuk trok over de huid van Nelsons armen. Hij weerstond de neiging te krabben. Wantsen, vlooien, kakkerlakken, hij had meer beesten in zijn bed gehad dan vrouwen en hij wist wat het effect ervan was. Even later voelde hij een steek in zijn maag. Hij onderdrukte het gevoel te moeten braken door diep adem te halen. De lucht was warm en klam, werkelijk tropisch. Hij zweette, wat de jeuk verergerde.

Het is niet de eerste keer dat ik in de tropen ben, dacht Nelson. Ik ben er nooit ziek van geworden. Hij woelde onder het dunne linnen. Wat was er in het bordeel gebeurd? vroeg hij zich af. Had Arthur zich ook zo miserabel gevoeld toen hij onwel werd? Zou er iets op het eiland kunnen heersen, een ziekte, een besmettelijke, dodelijke ziekte? Hij hijgde om voldoende zuurstof uit de dikke lucht binnen te krijgen. Zo viel hij in een onrustige slaap.

 

De volgende ochtend lagen de wolken op de horizon, doch boven het eiland scheen de zon. Nelson stond op het dek en rekte zich uit. Hij had slecht geslapen, waardoor hij zich miserabel voelde. Hij keek omhoog. De top van de vulkaan was nu goed zichtbaar, ook door de rookpluim die geheel verticaal oprees. Het felgroene oerwoud op de hellingen dampte. De plakkerige warmte van de nacht werd een verzengend hete en vochtige dag, er was geen briesje te bekennen.

Nelson trok zijn kiel uit, putte water uit de haven en waste zich daarmee. Het was tamelijk zinloos, want waar hij zijn zweet wegwaste, droogde de onbarmhartige zon zijn huid om hem daar opnieuw te doen zweten en jeuken. Het water uit de haven, waar het water ondiep en daarom lauw was, bezorgde nauwelijks enige verkoeling.

Taylor kwam naast hem staan. Ook hij putte water waarmee hij zijn indrukwekkende lichaam waste.

Verlegen wendde Nelson zijn ogen af. Schielijk bekeek hij zijn eigen tatoeages: het anker, het astrolabium, Jezus, en, met spijt, het gerafelde hart. Hoewel, nu hij wat beter keek, dat hart er beter uitzag dan hij in herinnering had. Hij greep zijn kiel, wat een spierbeweging veroorzaakte die het hart deed kloppen. Omdat hij dacht dat het te kinderachtig was om mee te spelen, trok Nelson zijn kiel weer aan om zijn plaatjes te bedekken. Hij wierp een blik op Taylor.

De meermin knipoogde naar de jonge hooploper.

 

De kapitein was samen met de stuurman in de weer met de sextograaf. De stuurman draaide aan de hendel, het interieur klikte en tikte terwijl het rekende, de kapitein las de gegevens af van de vele wijzerplaten en het mechanische astrolabium. Steeds wierp hij een blik opzij, naar de meteometers.

‘We moeten binnen een uur vertrekken,’ riep de kapitein naar zijn manschappen. ‘Dan hebben we nog een gerede kans de volgende storm vóór te zijn.’

‘Aye, aye, kap’tein!’ riep de bemanning. Elk ging heen en kweet zich van zijn taak. De pompen werden bediend om de ballonnen op te blazen, de zeilen werden gehesen. Het luchtroer werd gecontroleerd. Met oliekannen werd de roest van de raderen geweerd. Vanuit de nederzetting werd het laatste proviand aangevoerd, waaronder veel fruit, net als enkele vaten vers water en bier.

De scheepsfluit klonk luid over de haven. Enkele ogenblikken later werd de loopplank binnengehaald. Vanuit de stegen en straten van Pulau Tamera kwamen nieuwsgierige kinderen om te zien hoe het luchtschip zou vertrekken, want dat was in deze streken blijkbaar geen alledaags verschijnsel. Door de donkere rookwolken en de sissende waterdamp durfden ze niet dichterbij te komen, misschien was het ook de stank van de gedroogde inktvissen die hen van de steiger hield. De raderen aan weerszijden van het schip kwamen in beweging. De schoepen maalden krachtig door het water, dat al snel over de kade spoelde. Het schip leek te kreunen door de krachten die op haar inwerkten. Toen sprongen de trossen los, waardoor het schip vooruit werd gekatapulteerd. De wind kolkte onder de vleugels, die nu hun brede schaduw over de haven wierpen. Ze bewogen op en neer, aangedreven door de raderen. De zeilen stonden bol door de tropische zonnestraling. Diep in het schip bromden de aethercylinders en zoemden de deteronische frombozters.

Nelson had zich stevig vastgehouden aan de reling, zodat hij tijdens de start goed uitzicht had op het eiland. Nogmaals zag hij in de diepte onder zich de vulkaankrater, een helse keuken met dito dampen, alsof het in de tropen niet heet genoeg was. Spoedig daarna bestond het uitzicht alleen uit zee, Pulau Tamera slechts een puntje op de horizon van de herinnering. De kim was gevuld met wolken die rap naderbij kwamen. Een rilling trok over Nelsons rug. De jeuk werd heviger.

Taylor stond ineens naast hem, een dekzwabber nog in zijn hand. ‘Zolang we hoog boven het water zeilen, hoeven we niet bang te zijn.’ Hij spuwde over de reling. ‘De tentakels van de kraken en hun duivels gebroed reiken niet tot hier. Een luchtschip, eindelijk.’

‘Je hebt op in Pulau Tamera op een luchtschip gewacht?’ vroeg Nelson verbaasd.

Taylor knikte. ‘Ik ga toch niet vijf jaar op een eiland zitten als ik met een gewoon schip elke maand had kunnen vertrekken?’ Hij maakte aanstalten nogmaals te spuwen, doch bedacht zich. Hij zou albatrossen of garoeda’s kunnen treffen, wat ongeluk aantrok. Hij keerde zich af van Nelson en zwabberde verder terwijl hij een oud zeemanslied door zijn tanden floot: De wolkenkoppen sloegen kapot op de voorplecht…

De kapitein was nog steeds bezig met de sextograaf, waarbij hij bezorgde blikken in het luchtruim wierp. De Dari Mana was wel een stootje gewend, maar de lading was kostbaar. Daarom twijfelde Nelson of hij de kapitein zou storen. Hij besloot het niet te doen. In plaats daarvan sprak hij de bootsman aan. ‘Ik voel me niet lekker,’ zei hij.

‘Is het besmettelijk?’ vroeg de bootsman.

Nelson schudde zijn hoofd. ‘Ik denk dat ik iets verkeerds heb gegeten.’ Hij dacht aan de rijst van de vorige dag, met de heerlijke gebakken inktvis. Of was het dat palmbier geweest dat hem onwel maakte?

De bootsman knikte dat hij naar zijn kooi in het vooronder mocht gaan.

Eenmaal in zijn hut trok Nelson zijn kiel weer uit. Het textiel maakte het jeuken alleen maar erger. Hij krabde de huid op zijn armen. Het leek niet te helpen, het was alsof de jeuk onder zijn huid zat. Maar nu hij eenmaal was begonnen met krabben, viel het hem moeilijk ermee te stoppen. Voor hij het wist, had het gerafelde hart een rode kleur. Hij zag hoe het bloed langs zijn arm vloeide, waarop hij vloekte.

Het anker en het astrolabium op zijn andere arm schrijnden onder zijn huid. Met het bloed nog onder zijn vingers en tegen beter weten in begon Nelson ook daar te krabben. Hij stopte even, om de ruwe huid te zien. Hij knipperde met zijn ogen: had het astrolabium bewogen? Het moest een speling van het licht zijn. Het was immers schemerig in de hut waar slechts een kleine patrijspoort daglicht binnenliet. Nelson stak de olielamp aan om zijn huid beter te kunnen bekijken.

Daar, het bewoog weer! Hij wist nu zeker dat hij zich niet had vergist. Zijn spieren moesten op een vreemde manier spastisch zijn om het astrolabium te kunnen laten draaien, God wist dat hij de spieren van zijn arm niet had gebruikt. Hij hijgde. Door de spanning leek de lucht in de hut te snijden. De stank van de bezwete kooien maakte het er niet beter op. Hij hield zich vast aan de rand van zijn kooi om niet onderuit te gaan.

Terwijl hij daar hijgend stond, hoorde hij hoe iemand de trap af liep naar het vooronder. Hij merkte dat zijn hartslag sneller werd en het zweet hem meer uitbrak dan eerder. Het zout prikte in de verse wonden. De Jezus op zijn borst kronkelde wanhopig aan het kruis. Ik heb vast koorts, dacht Nelson. Moeraskoorts misschien, de gele koorts, builenpest, scheurbuik of een ziekte met een nog engere naam die hem heftig deed ijlen. De tropen zaten er vol mee, dat wist hij wel. Vers fruit kon niet alle kwalen voorkomen.

‘Nelson!’

Het was de stem van Taylor die hij hoorde. De zeebonk kwam achter hem staan in de benauwde hut. Hij voelde de ruwe knuisten van de man op zijn schouders rustten.

‘Het is sterker dan de mens.’ Taylor klonk murw. Hij verplaatste zijn handen naar de bovenarmen van Nelson. Zijn eeltige vingers streelden de tatoeages.

Het gaf Nelson een vreemde sensatie. Niet dat een oudere man hem streelde, want dat was hij inmiddels wel gewend van de wilde vaart. Het was de reactie van zijn huid. Er trok en wrong daar iets wat hem de stuipen bezorgde.

Taylor draaide de jonge man om, zodat ze elkaar aankeken. Niet dat er veel te zien was, want de indrukwekkende gedaante van Taylor verduisterde de patrijspoort. De olielamp had hij op een laag pitje gezet.

‘Het zit in je,’ fluisterde Taylor. ‘Je kunt er niets tegen doen.’ Hij trok zijn kiel uit, daarna zijn onderhemd. De tatoeages op zijn torso werden daardoor zichtbaar, voor zover ze niet door zijn baard werden bedekt. Zijn huid was vrijwel geheel bedekt met plaatjes: alle wezens -tijgers, olifanten, herten, wolven, adelaars en albatrossen- keken met hun inktogen naar Nelson.

Het verbaasde Nelson niet, want hij was veel te bang om verbaasd te kunnen zijn. Hij voelde nu hoe hij rilde, niet alleen zijn huid, maar zijn hele lichaam.

Taylor trok zijn broek uit. Ook daaronder had hij de nodige tatoeages: zeemonsters en bloemmotieven. Op zijn penis prijkte een slang, die gulzig omhoog oogde vanuit het schaamhaar. ‘Je hoeft niet bang te zijn,’ mompelde Taylor terwijl hij Nelson uit zijn broek hielp.

Nelson liet het gelaten over zich heenkomen: het hele zware lichaam, de strelingen van de gelooide handen over zijn gloeiende huid. Hij lag achterover in de klamme lappen van zijn kooi, wanneer hij zijn ogen open deed, zag hij de meermin knipogen vanaf Taylors huid. Het serpent vond een hol, het hart bloedde.

‘Het is,’ kreunde Taylor, ‘sterker dan mezelf.’ Hij keek over zijn schouder naar de patrijspoort. Daarbij ontblootte hij de schouder waarop de kop van de draak rustte.

De draak knipoogde naar Nelson, zoals de meermin eerder had gedaan, doch minder schalks. Daarna sprong het monster van de huid om zich in de jonge man vast te bijten. Het hele drakenlichaam kwam tot leven, het wrong zich uit de poriën van de zeebonk. Daarbij nam de draak de ruggenwervels van Taylor mee, die ongewerveld naar adem snakte.

Met de zware man op zich, kon Nelson geen adem halen. Zijn kreten werden erdoor gedempt. Hij voelde hoe de tranen over zijn wangen liepen, door het zweet heen. Zijn huid leek te scheuren, pijnlijk als kloven, vanaf het punt waar de draak hem had gebeten.

‘Je bent geen slechte jongen,’ fluisterde Taylor. De blik in zijn ogen was troebel. ‘Vergeef me.’ Hij slikte hoorbaar. ‘Het zijn de parasieten van de inktvis…’

‘Taylor!’ riep Nelson en hoewel hij er kracht achter zette, was hij nauwelijks te horen. Hij hijgde. De zeebonk lag zwaar op hem. De man ademde niet meer. Met al zijn kracht lukte het Nelson zich vrij te worstelen. Zwetend en nahijgend liet hij zich op de vloer zakken. Hij probeerde alles op een rijtje te zetten, maar slaagde er nauwelijks in.

Hij moest van het lijk af. Daarom kleedde Nelson zich aan, ging het dek op en riep de bootsman. ‘Taylor heeft een aanval gehad. Ik ben bang dat hij dood is.’

‘Het is toch niet besmettelijk?’ vroeg de bootsman.

Nelson schudde zijn hoofd. ‘We kunnen hem zijn zeemansgraf geven. Zo snel mogelijk.’ Hij liep met de bootsman in zijn kielzog terug naar zijn hut in het vooronder. Onderweg merkte hij dat zijn huid niet langer jeukte. Het was inmiddels een tintelend gevoel geworden.

De bootsman tilde Taylor op en legde hem in de kooi. ‘Haal de kapitein,’ zei hij tegen Nelson.

Nelson deed wat hem opgedragen werd. Even later keerde hij terug met de kapitein. Die deed zijn pet af, fluisterde een paar stichtelijke woorden en sloeg een kruis.

De bootsman had de Brit ontkleed, op diens onderbroek na. Hij had de ogen van de overledene gesloten en diens armen gekruist op de borst. Het viel Nelson op dat de Brit een erg blanke huid had voor iemand die zeker vijf jaar in de tropen had doorgebracht. En hij dacht dat Taylor veel meer tatoeages had gehad, hoewel hij daarover twijfelde omdat hij zijn hutmaat slechts eenmaal met ontbloot bovenlichaam in het zonlicht had gezien.

‘Het wordt zwaar, maat,’ zei de kapitein tegen Nelson. ‘Hij is immers niet de eerste die ons is ontvallen op deze reis.’ Hij knikte naar de matrozenpet van Arthur Swift, die nog altijd aan een haakje in de hut hing. Vaderlijk legde hij een hand op Nelsons schouder.

Ze hielden enige ogenblikken stilte. Toen pakten de bootsman en Nelson zwijgend het laken en tilden Taylors lichaam daarmee op. Het was even moeilijk het vooronder te verlaten met deze bepakking. Aan dek gekomen, werden ze begroet door de rest van de bemanning voor zover die even tijd vrij kon maken. Ieder stond daar zwijgend, de petten en mutsen plechtig in de hand.

Nelson voelde zich verplicht Taylor persoonlijk in zijn zeemansgraf te helpen. Hij had immers zelf de Brit mee aan boord genomen. Hij zweette in de zon terwijl hij de ballast op het laken legde. Hij deed zijn hemd uit, legde het terzijde. De zeilmaker naaide de geïmproviseerde lijkwade dicht. De bootsman had de plank klaargelegd. Met vereende krachten tilden ze de forse Brit op de plank. Nelson liet de plank kiepen, waarna het lichaam naar beneden tuimelde. Honderden vadems lager raakte het lichaam het wateroppervlak en werd het verslonden door de gretige golven.

Nelson keek tot er beneden de Dari Mana niets meer was te zien dan vlakke zee. Hij riep de herinnering op aan de laatste uren van de zeebonk en schudde zijn hoofd. Het was een vreselijke manier van sterven geweest. Hij herinnerde zich de pijn in Taylors ogen, voordat die dof waren geworden. En de spierkrampen in dat forse lichaam! Het was alsof Taylor zichzelf niet meer was geweest, zoals hij had gehuild en gerild. Nelson rilde bij de gedachte: alsof de draak de wil van Taylor had overgenomen, zodat die niet meer zelfstandig kon denken of handelen.

Als een laatste afscheidsgroet luidde de scheepsbel langzaam en met lage tonen. Nelson keek om. De manschappen verlieten het dek om hun werk weer op te pakken.

Toen zag Nelson de tatoeage van een zeemeermin op zijn schouder. Ze knipoogde naar hem en hield een drakenei vast, waarin al enkele breuken te zien waren.

Nelson krijste. Hij sprong over de reling, de vrijheid van geest en een wisse dood tegemoet.

Gila Pradopo : Peter Kaptein

[VOORBEELD]

Verhaal: Peter Kaptein.

Illustratie: Desensitized to everything, Angelus Hellion.

Het is 1985 in een alternatieve realiteit en Gila Pradopo staat aan het begin van een carrière als infiltrant voor Sectie 5. 

(more…)