web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Genre » Science Fiction

Genres

Category Archives: Science Fiction

Reset : Jorrit de Klerk

En zo eindigt het. Deze nacht en de laatste uren voor de Reset. Zoeklichten schijnen de hemel in, langs de tientallen zeppelins en andere formidabele luchtschepen die tussen de luchtdokken van de vele wolkenkrabbers heen en weer varen. Geroezemoes van vele stemmen stijgt met de lichten mee tot het een broeierige caleidoscopische deken van felle opwinding boven de straten van Nachtstad vormt.

Kortom, het einde van deze cyclus is nabij. Tijd om te vergeten.

Goedenavond.

Zoals te lezen is op het matglas van de deur: Mijn naam is Sam Vrijman, privédetective. Kantoorhoudend in het achtste district van Nachtstad. Niet het fraaiste gedeelte van de stad, geef ik toe. Maar ja, wat niet fraai is, is meestal interessant.

Hoelang ik al in Nachtstad woon weet ik niet. Dat heb ik besloten te vergeten.

Ik veeg over het schermpje van mijn TijdLijn en bepaal of er nog zaken zijn die ik niet wil onthouden. Herinneringen die ik wil wissen.

Nee. Het is afgerond. Ik verlang nog slechts naar een glas bourbon, zittend op de bank van mijn appartement, twee blokken verderop. De Reset wil je niet te nuchter meemaken. Ik pak mijn pistool van de stapel dossiers op het bureau en stop het in mijn schouderholster. Aan het bovenste dossier zit met een verroeste paperclip een morsige foto van een in de verte starende brave huisman geklemd. Een hardwerkende echtgenoot, altijd liefdevol, althans volgens de smekende brief die zijn vrouw stuurde omdat hij op een woensdagmiddag was verdwenen. Richting Nachtstad.

Kunt u hem vinden, mijnheer Vrijman? Ik maak me zo ongerust. Alstublieft, mijnheer Vrijman, het Bedrijf wil me niets vertellen.

Jawel, schatje. Ik vond hem in het achtste district, in een kamer met vier geslachtswisselende prostituees en meer dan dertig kilo spaghetti bolognese con cocaïne. Geloof me, het was geen prettig gezicht. Hij zal blijven, schreef ik terug, want hij is zijn oude ik, en u, al lang vergeten. Hij is nu een bewoner van Nachtstad. Sorry. Bijgevoegd vind u de foto’s en mijn onkostenrekening.

De prostituees zullen vast en zeker besloten hebben deze herinnering te vergeten—het voordeel van hun baan in Nachtstad.

Ik draai mijn pols en kijk op de display van mijn TijdLijn. Nog een paar uur. Dan is het voorbij en kunnen we fris beginnen.

Nachtstad is de stad van belofte, waar alles kan. En wat niet kan, wis je uit je TijdLijn en vergeet je. Eenvoudig. Prijs de Reset.

 

Ik pak mijn jas van de kapstok en knip het licht uit. Er klinkt een harde knal en de hemel achter het raam licht op. Rode, gele en blauwe sterrenregens werpen woest bewegende schaduwen over de wolkenkrabbers. Vuurwerk. Wild gejuich klinkt uit de straat.

In het donkere kantoor slaak ik een diepe zucht. Op één of andere manier ben ik opgelucht vanwege de naderende Reset. Een onbestemd gevoel. Waarom, ik weet het niet. Misschien is het een schaduw van een herinnering, vonken uit het verleden, een laatste restantje uit een vergeten vorig leven. Langzaam loop ik naar de deur.

Achter het glas verschijnt een schaduw. De silhouet van een vrouw doet de in spiegelbeeld staande letters van mijn naam verdwijnen. Ze wil aankloppen maar aarzelt. Mijn hand gaat al automatisch naar de klink tot ik twijfel. Ik wil naar huis, denk ik. Dan overwint nieuwsgierigheid.

De weelderige vormen behoren tot de prachtigste verschijning die ik deze cyclus heb gezien. Mijn ogen gaan—nee, glijden—over haar witte mantelpak naar haar benen die onder de hoge split van haar lange rok uitkomen. Eén been is gehuld in zwarte zijde maar mijn aandacht gaat naar haar andere been: kunstmatig en van blinkend welgevormd chroom. Het metaal vloeit naadloos over in een vlijmscherpe zilveren naaldhak. Haar andere voet zit in een bijpassende chromen pump.

Ze kucht.

Mijn blik gaat, langs de in haar zij geplaatste handen, naar haar gezicht waar twee amandelvormige ogen half verscholen zitten in de schaduw van een grote witte hoed, die op haar blonde haar drijft als een wit schip op een gouden zee. Tranen trekken zwarte golven van doorgelopen mascara richting haar vuurrode lippen.

Pas op, Sam. Een dergelijke dame kan maar één ding betekenen. Problemen.

‘Bent u Sam Vrijman?’ begint ze en de stilte smelt door haar sensueel donkere stem—die klinkt zoals verwacht—terwijl ze met een schuin oog naar de naam op de deur kijkt.

Hele grote problemen. Deur dicht, Sam!

Maar een ander, duister en dierlijk gedeelte, denkt hele andere zaken.

‘Dat klopt,’ zeg ik.

Ze kijkt over mijn schouder het donkere kantoor in.

‘Wat kan ik voor je doen, pop? Ik zou er net vandoor.’

‘Mijn naam is Kitty,’ antwoordt ze. Haar stem doet wederom mijn knieën knikken. ‘Kitty Janssen. En ik kom uw hulp vragen.’

‘Lieve Kitty, kun je terugkomen na de Reset, pop? Vannacht wordt er niet meer gewerkt door ondergetekende.’

‘Maar… Maar het is heel belangrijk dat u mij helpt. Ik moet Nachtstad verlaten. Ik moet naar de Grens. Vannacht.’

Ik schud mijn hoofd. ‘Onmogelijk, pop. Niemand verlaat Nachtstad vlak voor de Reset.’

Haar ogen worden vochtig en de mascara daalt verder naar haar kin. Haar hand grijpt me bij de pols, vlak bij mijn TijdLijn en een trilling gaat door mijn lijf.

‘Alstublieft,’ zegt ze, ‘u bent mijn laatste hoop.’

Woorden vechten om een plaats. Ik denk aan de Reset, aan de tijd, aan glimmend zijde over lange benen en chromen hakken tussen witte lakens.

‘Ik kan u tienduizend betalen, als dat u kan overtuigen,’ zegt ze, niet langer wachtend op een antwoord. Ik lach, staar op mijn TijdLijn, neem een stap terug mijn kantoor in en klik het licht aan. Een moment knipperen haar lange wimpers. Ik wijs naar mijn bureau.

‘Nou, pop, vertel het maar. Je hebt mijn aandacht.’

Haar hakken tikken op het versleten parket. Als ze langs me loopt, word ik zacht gestreeld door haar geur. Een parfum dat te lang geleden is opgedaan, vermengd met de opgewonden geur van de straat: eten, zweet, aangeslagen feromonen, hoop en verdriet. Geuren passend bij haar donkere mascaratranen, denk ik. Viooltjes die strelen en de straat die in mijn kruis schopt. Haar wiegende heupen krijgen mij bij elke stap meer in hun macht.

Verdomme, denk ik, terwijl ze gaat zitten. Ik neem tegenover haar plaats.

‘Wat zeg je ervan dat je vanavond met mij meegaat? Genieten we samen van de optocht. Dansje maken, drankje drinken. Morgen rijd ik je hoogstpersoonlijk voor tienduizend nog met een fiets naar de Grens.’

Kitty kijkt me aan met een blik die water doet verdampen en even denk ik dat ze gaat schelden. Dan valt een zwarte traan op mijn bureau.

‘Hij wil me vermoorden,’ zegt ze.

‘Wie?’ vraag ik.

‘Ik weet het niet, ik weet het niet,’ herhaalt ze en legt haar hoofd in haar handen. Snel grijp ik een tissue—altijd gereed voor dergelijke gevallen. Ze pakt het doekje en dept haar wangen.

‘Ik kan het me niet herinneren,’ zegt ze. ‘Wilt u me alstublieft helpen?’

Ik zou nee moeten zeggen.

 

Mijn handen liggen op het glas van de cabine van de zeppelin. Een raam dat naar voren helt zodat ik het gevoel krijg te vallen. Daar beneden zie ik duizenden mensen krioelen, als trage neurotransmitters door de zenuwbanen van de stad, de ontelbare straten en stegen van Nachtstad, langs de hotels, casino’s. Hoerententen, discotheken, nachtclubs, noem het maar, hun namen in fel neon, groter geschreven dan de werkelijkheid. Vals licht. Beloftes in de nacht. Eenmaal in Nachtstad wil je nooit meer weg. Als je hebt ontdekt dat je de baas kan zijn over je herinneringen. Een oneindig feest met de Reset als hoogtepunt.

Prijs de Reset.

Ik hoor zacht gekraak van leer en draai me om. Kitty is in de zware, rode fauteuil gaan zitten. Met mijn bourbon loop ik naar haar toe terwijl ik de lijn van haar gehoekte benen bewonder, mij afvragend waarom één van chroom is.

Waar ben ik mee bezig?

Ik ga zitten. De leren stoel vormt zich naar de gespannen spieren van mijn onderrug.

‘Was je TijdLijn helemaal opgeschoond?’

Kitty staart naar buiten, waar een andere zeppelin voorbij vaart en we zien dansende naakte mensen achter de ramen. Kitty kijkt me aan. Kort denk ik een rode blos te zien op haar wangen.

‘Zo goed als,’ zegt ze.

‘Enige aanwijzing?’ Ik wijs naar haar glimmende kunstbeen. Ze staart er een moment naar, alsof ze het nu pas opmerkt. Ze streelt kort het metaal.

‘Geboren in Nederland. Waar weet ik niet. En ik kan nog achterhalen dat ik in Rio ben geweest. Heb je gelezen wat sommige vloedvluchtelingen doen? Wellicht ben ik één of andere specifieke seksfantasie die in Brazilië haar nieuwe bestaan heeft verdiend en er genoeg van had.’ Haar knokkels worden wit.

‘Dus je kwam hier om dat te vergeten?’ vraag ik.

‘Misschien,’ zegt ze. ‘Het enige dat ik nog had toen ik ontwaakte na de Reset was mijn TijdLijn en de meest primaire gegevens. Wachtwoorden. Mijn naam. Voor de rest, niets.’

‘En toen?’

Ze buigt zich naar me toe.

‘Ik ontdekte al snel dat ik werd achtervolgd. Ik wilde weg, weg uit Nachtstad. Maar ik wist niet hoe. Dus vroeg ik rond en zocht manieren om Nachtstad uit te komen. En toen hoorde ik jouw naam. Dat jij dingen wist. Routes. Buiten het zicht van het Bedrijf.’

‘Maar wie zit er achter je aan, denk je? Iemand uit Rio? Een pooier? Als je bent gevlucht uit Rio is de kans groot dat iemand zijn investering terug wil.’

Voordat Kitty iets kan zeggen voelen we een schok. Het luchtschip begint af te meren aan één van de luchtdokken van een wolkenkrabber. Een zoeklicht tast door de rokerige cabine met lange levendige vingers van licht.

‘Nog één halte. We zijn er bijna,’ zeg ik. Ik hoor hoe een dek lager de buitendeuren van de zeppelin openen om passagiers in en uit te laten.

‘Wie is de kennis van je, die we gaan bezoeken?’ vraagt ze.

‘Iemand die volgens mijn TijdLijn nog een gunst aan mij tegoed heeft. Mijnheer De Weduwe. Gespecialiseerd in… alternatieve routes.’

‘Mijnheer De Weduwe? Wat is dat voor een naam?’

‘Een naam voor Nachtstad.’

Kitty schudt haar hoofd.

‘Ik ga me even opfrissen,’ zegt ze en staat resoluut op. Ze loopt naar de toiletten. Een man volgt wellustig haar wiegende tred tot hij mijn blik opmerkt. Ik hef mijn bourbon, glimlach en de man richt zich geschrokken tot zijn glas.

Ik staar naar buiten, naar het vuurwerk en de zoeklichten. Wanneer ineens het geroezemoes in de salon wegvalt, draai ik me om. Een man stapt onzeker door de ruimte. Hij lijkt moeite te hebben om zijn evenwicht te bewaren. Hij struikelt, leunt tegen een tafeltje en kan nog net voorkomen dat hij omvalt. Ik zie dat hij geen TijdLijn om zijn pols heeft zitten. Ik slik.

Zijn blik gaat door de salon en blijft een moment op mij rusten. Een onpeilbare leegte in zijn fletse ogen, met irissen als zwarte gaten die het licht van de wereld lijken op te zuigen. Het is een Verdwaasde. Natuurlijk, denk ik. Dat kan er ook nog wel bij: Verdwaasden, mensen zonder TijdLijn, zonder naam, zonder herinnering. Niets. Pure digitale dementie.

De Verdwaasde loopt naar één van de vrije fauteuils en gaat zitten. De kleren die hij aan heeft zijn vreemd. Misschien iets dat hij droeg toen hij zonder TijdLijn kwam te zitten. Een modebeeld dat de rest van Nachtstad besloot te vergeten. Een purser komt de salon binnen en bekijkt de Verdwaasde met walging, alsof hij een stuk rottend vlees heeft ontdekt.

‘Laat hem,’ zeg ik, ‘je kunt ze beter met rust laten.’

‘Hij jaagt de passagiers de stuipen op het lijf.’

‘Laat hem meevaren. Bemoei je maar niet met hem.’

Uit mijn ooghoek zie ik Kitty aankomen. De Verdwaasde merkt haar op en gaat staan. Snel stapt de purser naar voren en probeert zich tussen de Verdwaasde en mij op te stellen. Afwerend houdt hij zijn handen op. Maar de Verdwaasde loopt verder en lijkt de purser niet eens op te merken.

‘Hé,’ zegt de purser en wil de Verdwaasde bij zijn arm grijpen.

‘Raak hem niet aan,’ roep ik. Maar het is te laat.

Kitty slaakt een gil. ‘Dat is hem!’ roept ze.

Voordat ik kan reageren grijpt de Verdwaasde de purser. Tijd bevriest. Plots denk ik de Verdwaasde heel scherp te zien, scherper dan de rest van mijn omgeving. Even lijk ik de persoon te zien die de Verdwaasde ooit was. Bijna een vriendelijk man, denk ik, totdat de lege ogen zich weer op mij richten: gitzwarte knikkers die mijn ziel opzuigen. Mijn maag trekt zich samen in paniek en misselijkheid. Ik spring voor Kitty, net voordat de Verdwaasde in een snelle beweging de purser bij zijn nek pakt. Alsof de man een pop is, duwt de Verdwaasde hem met zijn gezicht naar de tafel. Met een hard, zompig geluid slaat zijn hoofd op het tafelblad. De Verdwaasde rukt de man omhoog, beweegt hem weer naar beneden, recht door een wegrollende fles. De glassplinters en bloedspetters vliegen overal heen. Mensen gillen.

De Verdwaasde kijkt verbaasd naar zijn handen, waar stukjes haar tussen de vingers zitten. Het slappe lichaam van de purser glijdt naar beneden en komt met een doffe plof op de dikke vloerbedekking van de rooksalon. Gerochel klinkt. Dan wordt het stil.

‘Ga rustig achteruit,’ sis ik naar Kitty. Ik houd mijn armen beschermend voor haar. Ik vraag me af wat ik kan uitvoeren tegen de agressieve Verdwaasde, die zich weer bewust wordt van Kitty en mij. Ik heb geen keus, grijp mijn pistool, haal de veiligheidspal over en richt het wapen op de Verdwaasde.

‘Stop,’ zeg ik. ‘Stop!’

Maar de Verdwaasde loopt onverstoorbaar onze kant uit. Als mijn wijsvinger het koude staal van de trekker van het pistool streelt is er twijfel. Ik richt naar beneden, schiet, pal voor de Verdwaasde op de grond.

‘Schiet hem toch neer,’ gilt Kitty achter me.

Maar ik wil dat niet, besef ik. Dus los ik nog een waarschuwingsschot. Het maakt de Verdwaasde alleen maar woester. Hij grijpt de rode leren fauteuil waar ik een minuut geleden zat. Moeiteloos rukt hij de zware stoel van de grond en werpt deze, bijna achteloos, onze kant uit. Net op tijd bukken Kitty en ik. De stoel vliegt over ons heen en breekt door het raam van de zeppelin. IJskoude lucht waait door het gebroken glas naar binnen. Dan zie ik het.

‘Kitty,’ roep ik, ‘we moeten springen!’

‘Springen?’

‘Als ik zeg ren, rennen we. Begrepen?’

‘Wat?’ vraagt ze terwijl ik nog eenmaal vuur voor de voeten van de Verdwaasde. Het weet hem net die ene seconde af te leiden die we nodig hebben.

‘Ren!’

Ik grijp de hand van Kitty en ren zo snel mogelijk naar het gat waar een paar tellen geleden het raam nog zat. De handen van de Verdwaasde komen vlakbij, missen ons op een haar. We springen en de kille nachtlucht giert langs ons. Pijnlijk raak ik het harde beton van het luchtdok bovenop de wolkenkrabber. Kitty belandt op mijn rug. We rollen over het plateau. Meer pijn. Geen tijd om ons daarover te bekommeren.

Ik werk me op handen en voeten en ga staan. Snel trek ik Kitty overeind en staar naar de zeppelin waaruit we zojuist zijn gesprongen. De Verdwaasde staat bij het gebroken raam. Ik zoek het meertouw waarmee het luchtschip vastzit en ruk het los, net op het moment dat de Verdwaasde ook de sprong maakt. De zeppelin verwijdert zich al van de rand. De Verdwaasde heeft te weinig snelheid en vliegt met zijn armen wild maaiend door de lucht. Toch denk ik even dat hij het haalt. Maar hij haalt het niet.

Net niet.

Hij belandt op de rand van het plateau en glijdt naar achteren, naar de afgrond en de verre straat beneden. Even remmen zijn vingers op het beton hem af. Zijn mond gaat open, alsof hij iets wil roepen maar er komen geen woorden. Hij verliest zijn grip en nagels scheuren op het harde beton. Een ijselijke gil. Dierlijk bijna. Hij verdwijnt, over de rand. Ik ren, kijk naar beneden, zie niets. Omhoog, naar de wegvarende zeppelin. Aan het losse meertouw hangt de Verdwaasde. Eén tel kijkt hij me aan en dan verdwijnt hij in de nacht.

 

‘Wat was dat voor iemand?’ vraagt Kitty hijgend. Ik leun met mijn hand op het knoppenpaneel van de lift. Het ruikt hier naar zweet en schoonmaakmiddel. Ik staar naar de hoeken, waar kleine hoopjes stof en vuil liggen. Een oude krant met gele vlekken ligt op de vloer en de chromen kunstvoet van Kitty prikt erin. Een ladder loopt over de kous van haar echte been.

‘Het is een Verdwaasde,’ zeg ik.

Ik voel me licht in mijn hoofd.

‘Waarom deed hij dat?’ Kitty schudt haar hoofd.

‘Deze mensen zijn niets meer. Personen zonder TijdLijn. Ongevaarlijk.’ Ik zucht. ‘Normaliter.’ Ik wil dit allemaal vergeten, terug naar mijn appartement en dit wissen uit mijn TijdLijn. Dan Reset, alstublieft. Prijs de Reset.

‘Eens was er een zaak,’ vertel ik. ‘Een moord die gepleegd bleek te zijn door een Verdwaasde. Iemand had de voorgaande cyclus zijn TijdLijn verwijderd en hem opgesloten in een kamer en de naam van het slachtoffer op de muur geschreven met daarachter: ‘Dood hem’. Toen kwam de Reset. En het enige dat die Verdwaasde nog kon doen was dat. Zijn enige doel. Een gecreëerde, perfecte moordenaar.’

Ik sla met mijn vuist op de wand van de lift.

‘Die lui uit Rio hebben een Verdwaasde achter je aan gestuurd!’

Kitty en ik kijken elkaar aan. Haar blonde golvende haar is nu een chaos, een verwaaide gouden storm.

‘Waarom woon je hier in godsnaam?’ vraagt ze. ‘Wie wil hier leven?’

‘Omdat je hier kan vergeten. Dat weet je zelf nu. Wie weet wat jij was?’

Ik kijk naar haar benen.

We zwijgen. Zwijgen tot een schorre gong klinkt en de liftdeur opent. De grote hal van het gebouw wordt verlicht door magistrale kroonluchters die duizenden kleine sterren verspreiden over een roodgeaderde marmeren vloer. Achter ramen zie ik de mensenmassa door de straat bewegen. Hoe dichter ik bij de deur kom, hoe beter ik de geluiden van de straat hoor. Gegil, gelach, muziek, nu nog dof. Bassdrums en Gomorra met het hoog eruit gefilterd. Ik grijp het koperen handvat van de deur en open deze. Een waanzinnige wereld van geluid spoelt over ons heen. Snel trek ik Kitty achter me aan. Ze komt dicht naast me lopen en haakt een arm in de mijne. We werpen ons tegen de stroom van dansende, zwetende en zwoegende mensen in. Met moeite komen we vooruit. Iedereen wil naar het centrum, wij juist de andere kant uit.

‘Hoe ver nog?’ vraagt Kitty.

‘Vlakbij.’

‘En dan?’

‘Bidden.’ Meer weet ik niet te zeggen.

Een paar mensen, gekleed in strak zittende witte pakken met veren op de rug, komen voorbij. Eén zet een feesthoedje op het blonde haar van Kitty. Iemand probeert mij te zoenen en ik duw hem hard opzij.

Wat doe ik hier verdomme op straat?

Ik kijk omhoog, de donkere nacht in. Allemaal zeppelins. Rook, licht, vuurwerk. Lawaai, herrie. Hysterie.

En iedereen zingt, neuriet. Een paar woorden. Als een mantra.

De Reset. De Reset.

Prijs de Reset.

 

Eindelijk, na drie blokken, zie ik de voorkant van de BinnenBuiten, de nachtclub van Mijnheer De Weduwe. Het aanzicht van de BinnenBuiten is een groot vlak van duizenden kleine gloeilampjes, die de symbolen van man en vrouw in rode lichtjes vormen. De pijl van het mannelijke symbool penetreert die van de vrouw, beweegt zelfs. Langzaam.

‘Oh, mijn God,’ zegt Kitty.

Voor de BinnenBuiten staat de uitsmijter, een meer dan twee meter lang wezen, met paarsig haar, overal, als een lilakleurige gorilla. Even vraag ik me af waarom iemand een dergelijk extreme cosmetische ingreep zou willen. Het effect is verwarrend, ontzagwekkend. Wat heeft deze persoon aan herinneringen achtergelaten?

‘Hallo, Bibi,’ begin ik tegen de gorilla. Priemende rode ogen flitsen mijn kant op.

‘Ja?’ kraakt zijn stem.

‘Ik ben het. Sam. Sam Vrijman. Ik wil Mijnheer De Weduwe graag spreken.’

Bibi kijkt me aan en ik word bang dat zijn ogen in lasertjes zullen veranderen en mij doormidden snijden.

‘Sam Vrijman?’

Diepe denkrimpels verschijnen in het gorillagezicht. Ik deins achteruit.

‘Ik heb een gunst van hem tegoed,’ zeg ik snel.

De dikke lippen van Bibi bewegen. ‘Een gunst?’

‘Ja,’ antwoord ik. Bibi denkt nog één tel na, neemt dan een stap opzij en opent de deur van de BinnenBuiten. Ik durf weer adem te halen.

‘Hallo, mop,’ brult hij richting Kitty, ‘leuk hoedje.’ Hij knipoogt zelfs.

We gaan naar binnen.

 

De atmosfeer in de BinnenBuiten bestaat uit een dichte mist van rook en zweet die je met een kapmes doormidden kan snijden. Aan de tafels zitten vele gasten te drinken en te praten. Sommige mensen slapen al, een half gevulde fles drank in de ene hand, de andere veilig op hun TijdLijn.

Voor het grote podium, dat bijna een derde van de BinnenBuiten in beslag neemt, staat een man met gepommadeerd haar, in een korenblauw pak over een geel overhemd met zwarte strepen. Hij staart om zich heen alsof hij de nachtclub bezit. Ik stap naar het grote podium waarvan ik nu zie dat het uit één grote spiegelvloer bestaat, Kitty dicht achter me aan.

Vlak voordat we bij Mijnheer De Weduwe aankomen, begint een band te spelen. Jazz. Harde drums mengen zich in de melodie. Mijnheer De Weduwe begint te klappen, trekt aan een dikke sigaar.

Uit mijn ooghoek zie ik een groep cancandanseressen opkomen, gekleed in doorzichtige gele petticoats met zwarte strepen, met daaronder korenblauwe kousen.

Aha, denk ik.

De band begint nog wilder te spelen en het publiek lijkt wakker geschud. Bezoekers beginnen enthousiast te klappen. Na een paar laatste stappen voel ik de zweterige hand van Mijnheer De Weduwe in de mijne.

‘Mijnheer Vrijman.’

‘Mijnheer De Weduwe.’

‘Wat kan ik voor u doen?’

‘Ik heb nog een gunst van u tegoed,’ zeg ik.

‘Is dat zo?’

‘Volgens mijn TijdLijn heb ik een zekere Mimi Makkinga voor u gevonden op de nacht dat de BinnenBuiten vol zat met een managementdelegatie van het Bedrijf en er niemand anders was om op te treden.’

‘Het zegt me zo niets.’

‘Wellicht moeten we onze TijdLijnen vergelijken.’

‘Wat denk je,’ lacht Mijnheer De Weduwe, ‘dat een gunst niet in mijn TijdLijn staat? Alles gesynchroniseerd.’

De muziek zwelt aan. De cancandanseressen blijken aan lijnen vast te zitten en stijgen de lucht in. Hoog boven het publiek vliegen ze, tonen de binnenkant van hun petticoats en ik hoor bezoekers kreten van verbazing en lust slaken. Mijnheer De Weduwe staart ook omhoog. Een dunne, geniepige glimlach verschijnt op zijn gezicht. Hij grijpt me—hard—bij mijn schouder.

‘Oké, Vrijman, laten we tot zaken komen. Volg me maar.’

Ik duik in elkaar als de hakken van een danseres wel erg dicht in de buurt van mijn gezicht komen. Mijnheer De Weduwe stapt voor ons uit, richting een klein trappetje dat naar een deur onder het podium leidt. Kitty werpt me een korte, ongeruste blik toe. Ik haal mijn schouders op en schud mijn hoofd.

 

Trap af. Deur door. Een kantoor met een overdaad aan luxe. De muren zijn van glanzend hout waaraan dure schilderijen hangen. Kleine spotjes schijnen in kasten gevuld met een verscheidenheid aan voorwerpen. Ik zie door het Bedrijf verboden elektronica. In een andere kast staan wapens op mahoniehouten displays: oude zwaarden, klassieke messen. Revolvers, en zelfs een katana, zo’n vlijmscherp Japans zwaard.

Boven me hoor ik gestommel en tot mijn verbazing zie ik de danseressen vliegen. Het plafond van het kantoor is doorzichtig en ik begrijp dat het oppervlak van het podium één reusachtige eenrichtingsspiegel is. De danseressen dalen, rollen in opwindende poses over het podium. Hun gezichten en lichaamsdelen zijn slecht een meter bij me vandaan. Ik zucht maar weer eens.

‘Mijnheer De Weduwe, ik heb vervoer nodig.’

‘Een taxi?’

‘Waarheen ik vannacht wil, rijden deze niet.’

‘We willen naar de Grens,’ zegt Kitty. Mijnheer de Weduwe bekijkt Kitty van onder naar boven. Zijn blik blijft slechts kort rusten op haar chroom.

‘De Grens? Met de Reset over een uur? Heel onverstandig.’

‘Dat is onze keuze,’ zeg ik.

Mijnheer De Weduwe kijkt ontevreden.

‘Ik word achtervolgd,’ zegt Kitty, ‘iemand wil mij doden.’

‘Er gebeuren wel meer vreselijke dingen vannacht,’ zegt Mijnheer De Weduwe. Hij bladert door zijn TijdLijn en trekt aan zijn sigaar. De rook kringelt richting het doorzichtige plafond en blijft daar zweven als een ongrijpbare blauwige herinnering.

‘Aha. Nou, Vrijman. Ik zie dat het klopt. En ik kom altijd mijn beloftes na. Je kunt mijn privé-luchtballon nemen. En ik zou het zeer op prijs stellen deze in één geheel weer terug te ontvangen.’

Mijnheer De Weduwe toont zijn TijdLijn aan me. De herinnering aan de gunst staat in beeld. Ik zoek mijn herinnering met dezelfde tijdcode. Met onze linkerhanden houden we elkaars polsen vast. Met de rechter drukken we tegelijkertijd op het rode kruisje om de herinnering te wissen. Een piepje klinkt. En daarmee is het afgerond. We geven elkaar een hand, hij draait zich om en loopt naar de drankkast.

‘Sam,’ fluistert Kitty.

Ik doe mijn hand in de lucht om aan Kitty duidelijk te maken dat ze nog even stil moet zijn.

‘Sam,’ herhaalt ze, harder. Ik draai me om. Ze kijkt me angstig aan en wijst naar boven. Ik kijk. Daar staat hij. De Verdwaasde van de zeppelin.

‘Dit is niet het moment om naar de Grens te gaan.’ Mijnheer De Weduwe praat door terwijl hij glazen met goudgeel whisky vult, zich niet bewust van het gevaar boven hem. Ik neem een paar voorzichtige stappen richting Kitty, die ademloos naar het plafond annex vloer staart. Ik hou mijn wijsvinger tegen mijn lippen. Nutteloos, want Mijnheer De Weduwe praat door.

‘Morgen ben ik dit gelukkig vergeten. Zoals ik altijd zeg: Problemen worden vergeten in de cyclus waar ze ontstaan. Prijs de Reset.

Ik grijp de pols van Kitty en zoek een alternatieve uitgang. Mijnheer De Weduwe draait zich om, twee glazen in zijn hand, en merkt onze spanning op. Ik probeer te gebaren dat hij stil moet staan, duidelijk te maken dat hij niets onverwachts moet doen. Maar hij begrijpt het niet. Zijn blik zweeft al naar boven.

Eén van de danseressen belandt, precies op dat moment, hard op de grond. Rode spetters bevlekken de spiegel. We zien andere danseressen gillen maar horen ze niet. Een gele petticoat scheurt kapot, dwarrelt naar het glas. Het wordt donkerder in het kantoor. De Verdwaasde loopt boven ons, snuffelend als een hond. De glazen whisky vallen. De Verdwaasde stopt en lijkt te rillen. We staan doodstil. Heel langzaam beweegt het gezicht van de Verdwaasde naar zijn voeten en onze hoofden. Alsof hij weet dat wij daar staan en niet onzichtbaar zijn onder het glas.

‘Wie?’ begint Mijnheer De Weduwe.

‘Stil,’ zeg ik, ‘dit is degene die ons achtervolgt. Is er hier een andere uitgang?’

Mijnheer De Weduwe wijst naar één van de kasten. Hij stapt erop af, beweegt een voorwerp in de kast. Er klinkt een klik. De kast schuift opzij en ik zie een gang, verlicht door kleine, blauwe noodlampjes.

We rennen, terwijl iets zachts boven ons hard met het glas botst.

 

De geheime gang eindigt bij een ladder. Na tientallen meters klimmen, komen we op het dak van de BinnenBuiten, waar aan een krakkemikkig platform een klein luchtschip is afgemeerd. Stiekem had ik gehoopt op iets moderns maar ik zie een oude, rode heliumballon met kale plekken, boven een dichte gondel vol roestplekken en deuken.

‘Moeten we daarmee?’ vraagt Kitty. Ze stopt.

Ik haal mijn schouders op. ‘Zolang het vliegt, vind ik het best.’ Ik loop verder.

Mijnheer De Weduwe zegt: ‘Dit is een klassieke Skyfloater IX DeLuxe. Een topstuk.’

‘Een topstuk van honderd cycli geleden, zal je bedoelen,’ flap ik eruit.

‘Er zijn grenzen aan mijn incasseringsvermogen.’ Mijnheer De Weduwe ontgrendelt het toegangsluik van de Skyfloater IX DeLuxe. Met zacht gesis gaat het open en hij stapt naar binnen. Ik zie witte leren stoelen, wit hoogpolige tapijt, witte hoogglanzende wanden. Achter me hoor ik Kitty een kreet van verbazing slaken.

‘Een DeLuxe, ik zei het toch!’ zegt Mijnheer De Weduwe en hij gaat op één van de stoelen zitten. Hij drukt op een paar knoppen en de motor start. Twee zilveren propellers beginnen te draaien.

‘Ik kan zelfs de touwen vanaf hier losmaken,’ roept Mijnheer De Weduwe over het luider wordende gebrul van de motor. Ik knik en draai me naar Kitty om te zeggen dat ze de gondel in moet stappen.

Het luik dat de geheime gang afsluit klapt open. De Verdwaasde verschijnt. Begint te rennen.

‘Kitty, achter je!’

Dan zie ik iets vreemds. Het is net of ik, heel kort, een glimlach op haar gezicht zie. De Verdwaasde brult. Ik denk aan mijn pistool en probeer het onder mijn jasje uit te halen. Dan komt Kitty in beweging. Ze duikt in elkaar, haar ene hand gaat naar de grond en ze strekt haar kunstbeen naar achteren. Ze springt de lucht in. Vijf meter hoog.

Wat…

Er moet een soort veer in het been zitten, besef ik.

Na een korte vlucht landt ze, een meter voor de Verdwaasde. Onmiddellijk begint ze in de rondte te draaien, haar landing combinerend met een zwierende karatetrap waarbij haar voet in perfecte synchronisatie contact maakt met het hoofd van de Verdwaasde. Hij vliegt ver door de lucht en belandt hard op het dak.

Mijn mond valt open. Tot mijn verbazing komt de Verdwaasde weer overeind. Dan zie ik dat hij iets in zijn hand heeft. De katana. Ik probeer Kitty te waarschuwen. Maar ze heeft de volgende sprong al gemaakt. Links, rechts. Een harde trap. De Verdwaasde beweegt het vlijmscherpe Japanse zwaard en Kitty gebruikt haar dans en kunstbeen om de slagen af te weren. Staal op chroom. Vonken spetteren door de lucht.

Plots besef ik dat het dak en Kitty bij me vandaan bewegen. Met een ruk draai ik me naar Mijnheer De Weduwe en zie hoe hij aan een mahoniehouten stuur draait. Hij is opgestegen. Zonder te wachten op Kitty.

‘Hé,’ schreeuw ik, ‘ben je gek geworden? Kitty is nog op het dak.’

‘We moeten maken dat we hier wegkomen,’ antwoordt Mijnheer De Weduwe, ‘en zo te zien redt ze zich prima.’

Kitty. De Verdwaasde blijft haar nog steeds aanvallen. Hij doet een onverwachte uitval en ze valt op de grond.

‘Nee,’ gil ik.

De Verdwaasde aarzelt. Draait. Staart me aan. Langzaam stapt hij op Kitty af en heft de katana de lucht in.

Nee, denk ik. Nee.

Metaal tegen mijn vingers. Ik voel de trekker van het pistool.

‘Schiet!’ roept Kitty.

Ik richt. Haal de trekker over. Het eerste schot is mis. Stukken beton spatten op. De Verdwaasde aarzelt. Die blik. Die lege, trieste blik. Het volgende schot is raak, tussen zijn ogen. En dan verdwijnt zelfs de triestheid. Langzaam zakt de Verdwaasde op de grond. De katana rolt weg. Kitty komt overeind en staart naar de vertrekkende zeppelin.

 

Er is een paarse flits en daar zie ik Bibi de gorilla over het dak rennen, richting Kitty. Hij springt over de dode Verdwaasde, grijpt Kitty en rent naar de rand van het dak. Een reusachtige sprong en een paarse klauw grijpt de rand van de gondel.

Ogenblikkelijk hangen we scheef. Heel scheef.

Ik struikel, beland op het hoogpolige tapijt en begin naar de deuropening te glijden. Ik kan me nog net vastgrijpen. We komen nog schever te hangen.

‘Laat los, laat los,’ gilt Mijnheer De Weduwe.

‘Grmph, grmph,’ zegt Bibi.

Kitty klampt zich stevig aan Bibi vast.

‘Grmph, grmph,’ herhaalt de gorilla. Ik probeer te begrijpen wat de aap bedoelt. Dan pakt hij Kitty bij haar arm, trekt haar omhoog. Ze steekt haar hand uit, die ik vastgrijp. Ik probeer haar de gondel in te trekken.

We komen nog schever te hangen.

‘Nee, nee, nee,’ gilt Mijnheer De Weduwe, staat op uit zijn kapiteinsstoel, maar valt direct omver en rolt naar de uitgang. Net voordat Mijnheer De Weduwe naar buiten glijdt weet ik, met mijn allerlaatste krachten, Kitty naar binnen te trekken.

‘Grmph, grmph.’

Twee armen zitten om de nek van Bibi. Mijnheer De Weduwe heeft de gorilla weten vast te grijpen. Vanachter de paarse haren kijkt hij me vernietigend aan.

Maar Bibi lijkt te glimlachen—voor zover een paarse gorilla kan glimlachen—en laat de rand los. Ik hoor Mijnheer De Weduwe gillen.

De gondel hangt weer recht. Op handen en voeten kruip ik naar de deuropening. Ver beneden zie ik Bibi, die naast een wild gesticulerende Mijnheer De Weduwe staat, vrolijk naar me zwaaien. Kitty komt naast me kruipen en zwaait terug. Langzaam varen we het duister in, richting de Grens.

 

Ik neem nog een slok van de bourbon die ik in de rijk gevulde drankkast van de Skyfloater IX DeLuxe heb gevonden. Kitty zit op de kapiteinsstoel en draait zachtjes aan het stuurwiel. De gebouwen en het licht van Nachtstad hebben we achter ons gelaten. Enkel de weg is nu te zien; de eenzame weg die vanuit Nachtstad naar de Grens loopt. Lichtmasten naast het asfalt zetten de kale omgeving in een groen spookachtig schijnsel.

‘Waarom kiest iemand voor Nachtstad?’ vraagt ze, terwijl ze vooruit staart.

‘Omdat je hier opnieuw kan beginnen. Alles achter je laten.’

‘Het voelt leeg.’

‘Nee, het is bevrijdend. Al je slechte herinneringen zijn weg. Hier kun je daadwerkelijk zijn wie je wil zijn. Prijs de Reset.’

‘Maar je vergeet degene die je vroeger lief had?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Wat zijn we zonder die herinneringen?’

‘Onze herinneringen zijn niet wat ons maakt. Dat is een vergissing. Het enige dat ons maakt is wat we willen zijn. Wat we op onze TijdLijn vastleggen.’

Een traan loopt over haar wangen.

‘Nog een half uur,’ zeg ik na een blik op mijn TijdLijn.

‘Wil jij niet weg?’ vraagt Kitty.

‘Nooit,’ zeg ik.

Kitty laat het stuurwiel los en staat op.

‘Ga je mij onthouden?’

Ik glimlach.

‘Ik denk dat ik deze avond wat te heftig vond. Blijf. Zo niet, dan vergeet ik je liever.’

Ze staart me lang aan, en ik voel me ongemakkelijk worden.

‘Stuur jij maar even,’ zegt Kitty. ‘Ik denk dat ik nog één drankje nodig heb, als afscheid. Jij ook?’

‘Ach ja,’ zeg ik, ‘nog eentje dan.’

Ik kijk naar de weg en hoor hoe ze de glazen vult.

 

Eindelijk zien we het blauwe schijnsel van de Grens. Ik neem de laatste slok van de bourbon en laat de ballon dalen naar één van de meerpalen. Met een zachte plof bereiken we weer vaste wal. Ik stap uit, langs een droef kijkende Kitty en maak het touw vast. Even verderop zijn de hekken van de Grens die tevens de reikwijdte van de Reset aangeven. Daarachter stopt het effect abrupt, weet ik.

We hebben het gehaald. De wereld van de ware herinneringen.

De weg loopt verder, naar een opening in het hek en een gesloten slagboom. Naast de slagboom zit een oude bewaker op een nog oudere houten stoel. Een pet bedekt zijn ogen. Als we dichterbij komen, wordt hij wakker. Met zijn wijsvinger duwt hij de pet omhoog. Zijn wenkbrauwen gaan omhoog en ik zie verbazing. Hij gaat staan.

‘Goedenavond,’ zegt hij met krasse stem.

Kitty loopt op hem af.

‘Wilt u weg?’ vraagt hij verbaasd.

Kitty pakt iets uit haar handtasje. Er klinkt een zacht plofje en twee draden boren zich in het uniform van de oude man. Blauwe vonken spetteren. De man begint in elkaar te zakken. Kitty vangt hem op en bijna teder laat ze hem weer op de stoel glijden.

‘Sorry,’ fluistert ze.

‘Maar…’ begin ik.

‘Kom met me mee, Sam.’

Ik schrik van de toon in haar stem.

‘Nee,’ roep ik, starend naar de bewusteloze bewaker. ‘Waar ben je mee bezig?’

‘Ik wil dat je meegaat. Met mij. Hier vandaan.’

‘Waarheen? Waar heb je het over? Ik blijf hier. Hier in Nachtstad!’

‘Nee, Sam. Je begrijpt het niet. Wij horen bij elkaar. Je moet met mij mee.’

Er klinkt een dwingende piep vanaf mijn pols. Ik kijk naar mijn TijdLijn. De laatste minuten tikken weg.

‘Maar… Waarom?’

‘Eens,’ begint ze, ‘woonden Sam Vrijman en Kitty Janssen in Nederland, voor het onderliep, in een klein stadje genaamd Groningen. Sam woonde daar met zijn ouders. Hij had een vader die altijd dronk en sloeg. En op een ochtend was je moeder verdwenen.’

Kitty slikt. ‘En die middag kwamen zij erachter dat ze zich voor een trein had gegooid. En de vader vond het allemaal de schuld van Sam. Arme Sam.’

Ik hoor de woorden maar ik wil ze niet horen. Ze doen pijn. Herinneringen doen pijn, had ooit iemand mij verteld, en het blijkt echt waar te zijn.

‘En toen sloeg hij nog harder. Dus zorgden we ervoor dat hij je nooit meer kon slaan. En we gingen weg. Ver bij Nederland vandaan. Naar Rio, waar niemand ons kon vinden, en we waren gelukkig. Gelukkig!’

‘Ik wil dit niet horen,’ roep ik.

‘Maar het werd jou teveel. De herinneringen aan je verleden, de herinneringen aan wat er was gebeurd. Wat je gedaan had. Dus wilde je naar Nachtstad. Om het te vergeten. Zelfs om mij te vergeten. Ik smeekte je te blijven. Maar je zei dat het mijn schuld was. Dat ik het jou had laten doen.’

Haar ogen vullen zich met tranen.

‘Maar je ziet het verkeerd. Ik hou van jou.’

‘Nee!’

Ik schud hard mijn hoofd, draai me om en begin terug te lopen. Terug naar het luchtschip. Terug naar Nachtstad. Terwijl ik loop word ik misselijk en de wereld om mij heen begint te draaien. Ik voel mijn benen zwaar worden. Ik neem nog een stap maar mijn benen lijken wel van lood en ik val op mijn knieën, op het harde asfalt van de weg. Nog net kan ik mezelf overeind duwen maar ik rol om en kom in het zand naast de weg terecht. Ik proef stof.

Ik draai mijn gezicht. Richt me op Kitty, die vlak voor de slagboom staat.

‘Kom met me mee, Sam. Ik smeek het je. Vergeet Nachtstad.’

De bourbon, denk ik. De bourbon die ze voor me inschonk. Ze moet er iets in hebben gedaan.

‘Nooit,’ weet ik over mijn lippen te persen.

‘Sam. Herinner me!’

‘Nee. Ik wil hier blijven. Ik wil je niet herinneren.’

En dan is er stilte. Seconden. Minuten. Totdat er een piep klinkt. De laatste waarschuwing. Eén minuut tot de Reset.

‘Het spijt me,’ zegt ze eindelijk, ‘het spijt me zo. Ik dacht dat het dit keer zou lukken. Dat je nu wel met me wilde meegaan.’

Ze pakt iets uit haar handtasje, een ingewikkeld uitziend apparaatje. Ze loopt naar me toe. Haar hand gaat naar mijn pols.

Nee, denk ik. Nee.

Ze plaatst het apparaatje over mijn TijdLijn en er klinkt een klik, daarna een sissend geluid als van ontsnappend stoom. Ik voel de neurale connectie verbreken. Ze staat op, de TijdLijn in haar hand. Mijn TijdLijn. Mijn herinneringen. Mijn keuzes. Mijn leven.

‘Het spijt me, het spijt me. Nu zal ik het goed doen, de volgende keer ga je wel met me mee. Ik zal je terugkrijgen. Je terugvinden. Ik zal mijn Sam terugvinden.’

Dan besef ik dat ze niet meer tegen mij praat. Ze praat tegen mijn TijdLijn. Ze klampt het vast alsof hij haar dierbaarste bezit is.

En plotseling begrijp ik het. Te laat.

Ik ben mijn TijdLijn.

 

Ze stapt over de Grens, loopt weg en draait zich niet meer om.

Ik kijk naar het zand voor me. Met een laatste inspanning weet ik mijn wijsvinger in het zand te wurmen. Moeizaam krabbel ik letters.

De grond begint te trillen.

De hemel wordt wit. Onvoorstelbaar fel, wit en wissend.

Mijn hersenen worden ondergedompeld in iets dat voelt als ijskoud kwik.

Ik tuur naar mijn woorden in het zand.

Dood Kitty Janssen.

En zo begint het.

 

Reset.

En op de achtste dag… : Jeffrey Dionet

Luttele seconden voordat we ons vastrijden in de verkeerschaos op Fifth Avenue ontdek ik de eenhoorn. Zo’n vijfhonderd kilo aan gejaagde purperen schepping, gevangen tussen twee rijen personenauto’s, dendert halsoverkop op ons af. Met haar flanken schuurt het langs portieren; links en rechts knappen er autospiegels af. Geringe bijkomende schade.

Zach klapt uit voorzorg de zijspiegel aan de bestuurderskant in. Terwijl het gevaarte briesend langs onze auto galoppeert, vraagt hij droogjes: ‘Anatomisch correcte eenhoorn, Kenz?’

‘Leek er anders verdacht veel op,’ zeg ik.

Dezer dagen zijn eenhoorns bepaald geen bijzondere verschijning meer, maar negen van de tien keer beschikken ze over buitenproportioneel grote tekenfilmogen die ze te danken hebben aan de hyperactieve Aziatische tekenfilms die men op de zaterdagmorgen uitzendt. Niet deze eenhoorn.

Voordat hij uit de auto stapt, tikt Zach tegen de rand van de cowboyhoed die hij zichzelf zojuist heeft aangemeten. Ik activeer een beveiligde verbinding met onze uitvalsbasis, hier in Manhattan. ‘Meldkamer, Kaplan hier, Harrison is de eenhoorn achterna. Locatie van de schepper?’

‘Begrepen, Kaplan. Naomi Harper bevindt zich nog altijd voor 767 en Fifth. Geen nieuwe scheppingen gemeld.’

Nadat ik ben uitgestapt en de januarikou over me heen heb laten komen, trek ik een sprintje om Naomi zo snel mogelijk te kunnen bereiken. Eén eenhoorn tijdens de spits is al erg genoeg, maar een op hol geslagen purperen kudde zou rampzalige gevolgen kunnen hebben.

Politie. Twee agenten ontfermen zich over de moeder, de anderen doen aan grensbewaking. Ze zien er nerveus uit, maar ze houden zich aan het opgestelde protocol: ze zijn erin geslaagd om de directe omgeving om de schepper te ontruimen en ze hebben hun dienstwapens nog niet getrokken. Ik ben gedwongen mijn identificatie langs zeker vier ongemakkelijke blikken te halen voordat ik door de diffuse barrière – die foto’s en filmopnames onmogelijk maakt – heen kan stappen en ik door kan stomen naar de moeder. De meeste ouders van scheppers zijn een en al schaamte, ook deze jonge moeder is daarop geen uitzondering. Ik stel mezelf aan haar voor: ‘Mentor Mackenzie Kaplan.’

‘Audrey… Audrey Harper,’ stottert ze.

‘Hallo Audrey. Wat is hier precies aan de hand?’

‘Mijn dochter Naomi? Ze had haar zinnen gezet op een knuffel. Vroeg of ik die voor haar wilde kopen? Ik zei nee. Ze maakte stampij.’ Ongemakkelijke glimlach. ‘Typisch gedrag van een vijfjarige. En toen…’

‘Regenbogen, eenhoorns?’

‘Alleen… alleen de eenhoorn…’

‘Eerste keer?’

Audrey knikt, stopt met haar vingers het traject van een traan af.

Ik leg een hand op haar schouder. ‘Noemen jullie haar Naomi? Kan ik haar zo aanspreken?’

‘We korten het meestal af naar Nomi. Daar luistert ze beter naar.’

‘Maak je geen zorgen, Naomi zal niets overkomen, maar wat er ook gebeurt, Audrey, ik zou graag hebben dat je even uit haar buurt blijft. Oké?’

Zodra Audrey dat heeft beloofd, wend ik me tot hoofdagent Drummond. ‘Prima werk tot dusver. Goed als ik het hier overneem?’

Drummond, zoals altijd niet bereid om zijn minachting voor scheppers te verbergen, antwoordt met een kortaf: ‘Mij best, mentor.’ Hij benadrukt mijn titel, alsof het een scheldwoord betreft, laat zijn hand echter uiterst demonstratief op zijn dienstwapen rusten.

Ik begin aan mijn toenadering. Naomi zit op het trottoir voor de etalage van de speelgoedwinkel, met haar neus naar het uitgestalde speelgoed. Ze heeft zich verstopt onder de capuchon van een schattig dik gevoerd paars winterjasje en heeft haar armen verontwaardigd voor haar borst over elkaar geslagen. De kou maakt haar adem zichtbaar.

‘Hoi!’ fluister ik.

Naomi verroert zich niet, reageert niet op mijn groet.

‘Mag ik naast je komen zitten?’ vraag ik.

Het kleine meisje schokschoudert. Ze weigert me aan te kijken.

‘Nomi, mag ik naast je komen zitten?’

Nog een schouderophalen. Dus ik besluit om naast haar op het trottoir te gaan zitten. Zo volg ik haar blik. In de etalage van de speelgoedwinkel ontdek ik een paarse eenhoorn, zeer waarschijnlijk de knuffel die haar moeder niet voor haar wilde kopen. De eenhoorn tilt gracieus haar hoeven op, welhaast dansend, alsof ze deelneemt aan een dressuurwedstrijd. Onder het pluche gaat moderne androïde technologie verborgen; een poging van speelgoedfabrikanten om zich te meten met schepping. Naast de eenhoorn klautert Spider-Man moeiteloos tegen een wolkenkrabber omhoog. Bijzondere gaven, immense verantwoordelijkheid.

Naomi’s reflectie is zichtbaar in het glas: grote zeegroene ogen, dopneusje, getuite lippen en boos gefronste wenkbrauwen, omlijst door een explosie van ravenzwarte krullen. Ze lijkt op haar moeder. Ik steek een hand op en zwaai naar haar spiegelbeeld, maar Naomi zwaait niet terug. We zitten zo’n dertig seconden muisstil naast elkaar op het trottoir, voordat ze stiekem een blik op me werpt. Ik besluit niet direct oogcontact te maken.

‘Is je haar eraf gevallen?’ vraagt ze.

‘Nee, ik heb het laten afscheren.’

‘Waarom? Je bent toch een meisje? Meisjes hebben lang haar.’

‘Ik hou niet van lang haar. Kriebelt teveel. Vind je het niet mooi?’

‘Nee,’ geeft Naomi toe. Een buitengewoon eerlijk antwoord.

‘Nou, ik vind jouw krullen wel mooi hoor,’ zeg ik. Mijn compliment laat haar blozen. ‘Ik heet Kenzie.’

‘Kenzie?’ herhaalt ze onwennig.

‘Ja.’

‘Dat is een leuke naam,’ besluit ze, voordat ze zich weer focust op de eenhoorn in de etalage. ‘Waar is het paard heen?’

‘Dat is weggelopen,’ zeg ik tegen haar.

‘Komt het nog wel terug?’ vraagt ze.

‘Het komt wel terug.’ Naomi realiseert zich nog niet dat zij degene is die de eenhoorn heeft gecreëerd. Ander onderwerp: ‘Hoe oud ben je?’

Naomi begint hardop te tellen: ‘Een, twee, drie, vier, vijf!’ Ze tilt haar linkerhand op om me te laten zien hoeveel vingers dat precies zijn, maar lijkt te zijn vergeten dat die vingers schuil gaan onder een want. ‘En jij?’

‘Vijfentwintig, zesentwintig, zevenentwintig, achtentwintig, negenentwintig.’

Naomi schiet in de lach. ‘Dat is oud!’

‘Dat is het zeker,’ moet ik toegeven. ‘Toen ik vijf was hadden we niet van dit soort knuffels. Eigenlijk had ik helemaal geen knuffels. Maar toen verscheen Astra.’

‘O.’ Ze knikt. ‘Wie?’

Ik laat Astra boven mijn schouder verschijnen. Een fragiele fee, gedragen door de ragfijne vleugeltjes van een libelle en gestoken in een scherp gesneden jurkje van herfstbladeren. Zodra ze is geland klautert ze als een volleerd acrobate naar het uiteinde van mijn rechterschouder en tuurt met haar felblauwe amandelvormige oogjes nieuwsgierig naar Naomi.

Naomi kan alleen maar ongelovig naar de piepkleine fee staren.

‘Maak maar een kommetje van je wanten,’ zeg ik.

Dat doet ze.

Astra bestudeert het kommetje, kijkt naar mij en dan weer naar Naomi. ‘Toe maar,’ zeg ik. ‘Nomi bijt vast niet.’ En tegen Naomi fluister ik: ‘Astra is een beetje verlegen.’

Naomi knikt, strekt haar armen nog iets verder voor zich uit, waardoor Astra niet langer twijfelt en mijn schouder verruilt voor de wanten. Daar maakt ze het zich gemakkelijk.

‘Wat ben jij?’ vraagt Naomi nieuwsgierig.

Astra zingt een antwoord bestaande uit hoge toontjes.

‘Wat zeg je?’

‘Astra praat niet zoals wij,’ leg ik uit.

‘O. Wat zegt ze dan?’

‘Dat weet ik ook niet,’ moet ik toegeven. ‘Maar ik weet wel dat Astra een fee is. En dat ze begrijpt wat je tegen haar zegt.’

‘Ze is wel heel klein.’

‘Feeën zijn niet zo groot.’

‘Heeft Asta het niet koud?’

‘Astra is wel wat gewend.’

‘Ik vind Asta lief.’

Ik kan een glimlach niet onderdrukken, omdat Naomi de naam van de fee op haar schouder schattig verkeerd blijft uitspreken. Astra vliegt op, zoemt voorzichtig voor Naomi’s gezicht heen en weer, klampt zich dan vast aan een van haar krullen en plant een kusje op de wang van het meisje. Daarna slingert ze met behulp van de lok haar naar Naomi’s schouder en zingt er een tevreden deuntje.

‘Ze vindt je ook lief,’ interpreteer ik en ik knik naar de androïde knuffels in de etalage. ‘Wij hebben geen knuffels nodig, Nomi.’

Naomi werpt nog een blik op de eenhoorn en dan knikt ze.

‘Heb je het niet koud?’ vraag ik. ‘Want ik heb het wel een beetje koud gekregen, zo op de stoep.’ Ik sta op en steek mijn handen uit naar Naomi. Ze laat zich overeind helpen. Op haar schouder houdt Astra zich met uitgestoken armen in balans, voordat ze een beschut plekje besluit te zoeken tussen Naomi’s krullen onder de capuchon.

‘Kenzie?’ Naomi’s ogen vinden de mijne.

‘Ja?’

‘Komt mijn paard al terug?’

En daar is de bevestiging dat Naomi nu begrijpt dat zij degene is die de eenhoorn heeft doen verschijnen.

‘Mijn vriend Zach is haar voor je aan het ophalen,’ zeg ik. ‘Zodra hij haar heeft gevonden brengt hij haar hier naartoe.’

Naomi kriebelt aan haar neusje met haar linker want. ‘Ik weet niet waarom ze wegging.’

‘Was je bang van haar toen ze verscheen?’

‘Ze was heel erg groot!’ roept Naomi.

‘Ze was bang van jou, omdat jij bang was van haar. Daarom is ze weggegaan.’

Onze emoties zijn overdraagbaar op onze scheppingen. Naomi begrijpt dat misschien niet, maar dat komt nog wel.

‘Mama was ook bang,’ zegt ze. ‘Ik weet ook niet waar mama is.’

‘We hebben mama gevonden.’ Ik wijs haar op Audrey, die nog altijd op zo’n vijftig meter afstand naast de twee agenten staat. ‘Kijk, daar is ze. Je hoeft je geen zorgen te maken over mama, oké?’

Dan ziet de vijfjarige al die mensen die naar haar staren vanachter het gele lint dat de politie inmiddels gespannen heeft om de gestelde grens iets tastbaarder te maken. ‘Zijn die mensen ook bang voor mijn paard?’ vraagt ze.

Ik kan niet liegen. Naomi moet weten dat er consequenties verbonden zijn aan haar gave. ‘Ja, Nomi. Ze zijn bang.’

‘Waarom?’

‘Omdat jouw paard ze pijn kan doen.’

Ze schudt haar hoofd. ‘Mijn paard is lief. Net als Asta.’

Naomi weet niet dat New York de ravage die Nicholas Malloy zevenenveertig jaar geleden in deze stad aanrichtte nooit zal vergeten. Nadat voorbijgangers waren geschrokken van het draakje op zijn schouder, hield een politieagent de jongen staande. Toen het beestje uitdagend naar de agent begon te klapkaken, trok de man zijn wapen. Daarop galmde er een oorverdovend gebrul tussen de flatgebouwen en de lange nek van een immense onyxzwarte draak krulde zich om de fundering van het Chrysler Building. De draak begroef zijn klauwen in het beton en staal van het Chrysler Building en begon aan zijn destructieve klim naar de top van het monumentale gebouw. Gruis en glas spatten in het rond en er takten zich diepe scheuren af in het beton. Onderweg naar boven legde de draak twaalf verdiepingen in de as. Zevenenvijftig New Yorkers kwamen daarbij om het leven. Toen Nicholas een zwerm van draakjes op de agent afstuurde opende de man het vuur. Een van de kogels trof Nicholas in de borst, een ander doorboorde zijn halsslagader. De jongen bloedde leeg op het trottoir, zijn draken vielen uit de lucht. Dertig verdiepingen boven zijn schepper verloor het grootste exemplaar zijn grip op het art deco en stortte naar beneden, maar raakte de grond niet, spoorloos verdwenen op het moment dat Nicholas’ hart het begaf.

‘Mijn paard is lief,’ houdt Naomi stug vol en dat is precies het rotsvaste geloof dat ik bij haar wilde opwekken. Als dit meisje gelooft dat haar eenhoorn lief is dan zal het dier dat ook zijn.

Hoeven op het trottoir. De menigte splijt zich voor Zach en de eenhoorn die hij berijdt. De grijns op zijn gezicht vertelt me dat hij de verleiding niet kon weerstaan om een ritje te maken. Als kind schiep Zachary Harrison nooit dieren. Toen mentors hem te hulp kwamen in Bayonne, New Jersey waren de negenjarige jongen en zijn ouders ternauwernood ontsnapt aan het vuur dat hun huis in de as had gelegd; het vuur dat Zach in zijn dromen over het plafond van zijn slaapkamer had zien golven. Onder de eerstegraads brandwonden omdat zijn dekbed al vlam had gevat voordat hij wakker schrok, kon hij zijn slaapkamer nog net op tijd ontvluchten. Die nacht verloor hij zijn hamster en de complete bovenverdieping van zijn ouderlijk huis aan zijn gedroomde vlammenzee. Er waren vier jaar aan rigoureuze training voor nodig en mentors die over hem waakten wanneer hij sliep, om het zelfvertrouwen te kunnen kweken dat nodig was om zijn dromen onder controle te krijgen.

Drie van de tien ongetrainde scheppers creëert onderbewust tijdens rem slaap. Ik heb nachtmerries zien rondwaren tijdens mijn waakdiensten op onze slaapzalen; echte monsters onder het bed, daadwerkelijk in staat om schade aan te richten.

Zach stijgt af en leidt de eenhoorn aan de hand onder het politielint door, terug naar haar schepper. Naomi pakt mijn hand, ietwat geïntimideerd door het vooruitzicht haar schepping onder ogen te moeten zien. Het is inderdaad een meer dan behoorlijk sprookjespaard en niet alleen vanuit het oogpunt van een vijfjarige.

Wanneer Zach de eenhoorn vlak voor haar de pas in laat houden, kijkt Naomi vol verwondering omhoog. Ook Astra lijkt onder de indruk. Vanuit haar schuilplaats onder Naomi’s capuchon, spiekt ze nieuwsgierig naar de lila manen van de eenhoorn.

‘Nomi? Hoe heet je paard?’ vraag ik.

Ze kijkt me aan. ‘Ik weet niet hoe ze heet.’

‘Geef haar maar een naam.’

‘Max!’ roept ze enthousiast.

Max briest haar goedkeuring.

‘Dat is een stoere naam voor een dame! Maar Max is nog wel een beetje groot. Vind je ook niet?’

Naomi knikt.

‘Je kunt haar kleiner maken.’

‘Echt?’

Ik fluister: ‘Ik heb Astra zo klein gemaakt, niet doorvertellen hoor, maar jij kunt dat ook met Max doen.’

‘Hoe moet dat dan?’ fluistert ze terug.

‘Doe je ogen maar dicht.’

Naomi sluit haar ogen.

‘Denk aan Max. Kun je haar zien?’

Naomi knikt.

‘Oké. Nu moet je haar in gedachten kleiner maken.’

Naomi fronst haar wenkbrauwen en vrijwel onmiddellijk begint Max de eenhoorn te krimpen. Ons publiek reageert met ontzag, waardoor het kleine meisje van de wijs gebracht wordt en het krimpen van de eenhoorn heel even hapert.

Ik fluister: ‘Je doet het heel goed hoor. Je bent er bijna.’

Naomi knijpt in mijn hand en zet door. Zodra Max even groot is als de androïde waar ze haar bestaan aan te danken heeft, laat ik Naomi haar ogen weer openen. De vijfjarige kijkt Zach aan, die vriendelijk naar haar glimlacht, zijn enige nog resterende wenkbrauw optrekt en Max aanwijst. Naomi hurkt net op tijd om de onstuimige begroeting van de kleine purperen eenhoorn op te kunnen vangen. Max springt in haar armen en ze belanden samen op het trottoir. Max hinnikt, Naomi giechelt en Astra schiet de lucht in en vindt mopperend haar weg terug naar mijn schouder. Een mix van verontrust en vertederd gefluister bereikt mijn oren; ons publiek weet nog altijd niet goed wat het met ons aan moet.

Ik help Naomi overeind en zwaai naar Audrey. Zodra Naomi haar moeder ontdekt, toont ze haar trots de eenhoorn in haar armen. ‘Kijk, mama!’

Audrey omhelst zowel haar dochter als Max.

 

#

 

‘Waar gaan we heen?’ vraagt Naomi.

We hebben de stad achter ons gelaten. Audrey, Naomi en Max zitten op de achterbank.

‘Ergens waar het veilig is, lieverd,’ laat ik weten.

Sinds Nicholas Malloy en zijn draken weet de wereld dat creaties niet kunnen bestaan zonder hun scheppers. Sindsdien zijn er tientallen aanslagen gepleegd op ontdekte scheppers. Er zijn politieke bewegingen die al jaren pleiten voor een hardere aanpak en er wordt gefluisterd dat de farmaceutische industrie werkt aan een oplossing: een paardenmiddel waarmee onze gave kan worden onderdrukt. Gelukkig zijn er de Veilige Havens, afgelegen opvanghuizen over heel de wereld waar we kinderen als Naomi kunnen begeleiden totdat ze zo gedisciplineerd zijn dat hun gaven geen gevaar meer vormen voor de samenleving.

Dat is echter niet het enige waar de Havens voor dienen. Zodra jonge scheppers hun gaven onder controle hebben, wordt ze geleerd dat ze de mensheid ermee kunnen helpen. Scheppers die de elementen beheersen, zoals Zach, worden ingezet om brand te weren, orkanen te laten afzwakken en overstromingen in te dammen. De wereld telt een kleine vijftien chirurgen die met behulp van schepping de extreemste gevallen genezen, patiënten die zonder tussenkomst van schepping geen menswaardig leven meer hadden kunnen leiden. Op vliegvelden over de hele wereld staan scheppers stand-by om vliegtuigongelukken te voorkomen. Iedereen kent de beelden van Boeing 777 vlucht 79 naar Indira Gandhi International Airport, New Delhi, die in de klauwen van de reuzenadelaar van schepper Kaya Kapoor veilig naar de grond werd gevlogen.

Ook Naomi zal uiteindelijk positief kunnen bijdragen, ook al heeft ze nu enkel aandacht voor Max. Ze vraagt niet wanneer ze weer naar huis mag, zoals de meeste kinderen die we net hebben onderschept dat doen. De waarheid is dat je nooit meer naar huis kunt. Het valt nu eenmaal op wanneer een kind van de ene op de andere dag zonder opgaaf van reden uit huis wordt geplaatst. De omgeving zal haar conclusies trekken en die bevestigd zien wanneer het kind in kwestie tijdens de kerstdagen weer opduikt onder begeleiding van een mentor, een hoogst ervaren schepper die in staat is de gaven van de onervaren schepper in bedwang te kunnen houden.

Toen ik op mijn zeventiende bekwaam genoeg werd geacht om in de maatschappij te kunnen terugkeren, had ik geen thuis meer. Mijn moeder had zich met haar nieuwe echtgenoot gevestigd aan de westkust van de Verenigde Staten; een leven waarin ik niet meer paste. Dus besloot ik om in de Haven te blijven wonen en door te studeren voor mentor. Ik leerde er hoe ik de creaties van anderen in bedwang kon houden. Als het nodig was gebleken hadden Zach en ik Max kunnen laten verdwijnen. Vaak voldoet echter al een kleine aanpassing. In de omgang met andermans creaties is voorzichtigheid geboden. Max maakt net zozeer deel uit van Naomi’s psyche als Astra dat van de mijne doet; ze moet hanteerbaar zijn, maar haar bestaan mag haar niet ontzegd worden.

In de achteruitkijkspiegel vang ik een glimp op van mezelf, als zesjarig meisje met roodbruine lokken dat haar vaders hand vasthoudt. Ze leunt tegen zijn arm, haar duim in haar mond. Haar moeder zit aan haar linkerzijde. Verstijfd, alle kleur lijkt uit haar gelaat weggetrokken. Het meisje en haar ouders zijn onderweg naar de Veilige Haven voor scheppers in upstate New York, omdat haar moeder om hulp heeft verzocht.

Op de avond van mijn zesde verjaardag stapte mijn vader mijn slaapkamer in, terwijl mijn moeder mij mijn favoriete verhaal voorlas: een geïllustreerd verhaal over de avonturen van een kleine fee genaamd Astra. ‘Zal ik haar de rest van het verhaaltje voorlezen, Gillian?’ stelde hij voor.

Hij zag er exact hetzelfde uit als op de ingelijste foto die er van hem op mijn nachtkastje stond. Lijkbleek liet mijn moeder het voorleesboek uit haar handen vallen. Ze rende mijn slaapkamer uit en de trap af.

Mijn vader ging zitten, alsof er niets aan de hand was en las me de rest van het verhaaltje voor. Omdat mijn vader al ruim een jaar overleden was, arriveerde er een mentor.

Uiteindelijk kreeg mijn toegewezen mentor me zover dat ik bereid was mijn vader los te laten. Nadat hij me een laatste kus had gegeven, verdween mijn vader voorgoed.

Scheppers nemen één belangrijke regel in acht die nooit mag worden overtreden: we creëren geen mensen, of die nou denkbeeldig, levend of dood zijn. Zo proberen we de wereld ervan te overtuigen dat wij geen goden zijn.

Aan het einde van mijn achtste dag, op mijn nieuwe slaapkamer in de Veilige Haven, verscheen Astra boven de schouder van mijn mentor die me mijn favoriete verhaaltje aan het voorlezen was. Astra is altijd bij me gebleven.

‘Waar is papa?’ vraagt Naomi aan haar moeder.

‘Papa komt eraan lieverd,’ belooft Audrey.

Naomi knikt en knuffelt haar eenhoorn. ‘Mama?’

‘Ja, lieverd?’

‘Denk je dat hij Max ook lief vindt?’

Een moment van twijfel, Naomi zal daar niets van merken, maar Audrey Harper twijfelt voordat ze haar dochter het antwoord kan geven dat ze verwacht. ‘Natuurlijk, Nomi. Natuurlijk vindt hij haar lief.’

Naomi glimlacht. Tevreden. ‘Hoor je dat, Max? Iedereen vindt je lief!’

Het is het onbegrensde optimisme van een kind. En wie weet? Misschien zal Naomi die aanname ooit bevestigd zien. Misschien loopt ons sprookje inderdaad goed af. Ik help het haar hopen.

Bloedrode bloemen op een sneeuwwit slagveld : Killian McNeil

Op een dag verscheen uit het niets een fel, wit licht aan de hemel. Het vloog over ons dal en kruiste de baan van de allerhoogste.

Wij, dun gezaaid en ziekelijk, bleven kijken tot het achter de heuvels verdween. Donder volgde, de grond trilde. We knikkebolden met onze te zware hoofden op te dunne stelen en begrepen niet wat ons werd gezonden. Enkele omwentelingen later kwamen de eerste anderlingen en wisten we dat zij het geschenk uit de hemel waren. Nu zijn we weer talrijk en bloeit ons dal als nooit tevoren.

Twee van hen kijken vanaf de heuvelrug naar ons, die wuiven in de wind. We wachten op hun nadering. Dankbaar voor hun komst buigen we nederig onze bloemhoofden en geven ons zaad mee aan de wind.

 

Samen met haar zoon Jarro van bijna tien staat Tica op een lage heuvel. Haar armen heeft ze beschermend om de blonde jongen heen geslagen. Elk jaar staat ze hier en denkt ze aan haar man, die zich tien jaar geleden in de laatste veldslag heeft doodgevochten.

Tica zuigt de ijle lucht naar binnen en kijkt uit over het dal van de Bloedrivier. Een besneeuwde laagvlakte bezaaid met bloedrode bloemen, zo ver het oog reikt.

Haar voorouders waren overlevenden van de stervende Aarde. Na een lange reis, met een gammel schip, hadden ze een noodlanding moeten maken op deze bizarre, winterse planeet. Het leek een bevroren oase van rust, ongerept en onbezoedeld.

Zij konden ook niet weten, of zelfs maar vermoeden, wat de onomkeerbare en onontkoombare gevolgen zouden zijn van hun komst.

Er loopt Tica een koude rilling over de rug. Ze laat Jarro los, trekt haar omslagdoek strakker om zich heen en luistert naar het zachte, rinkelende ruisen van de halfbevroren bloemen. Ze weet dat iedereen hier is gegijzeld en ten dode opgeschreven, generatie op generatie. Een traan bevochtigt haar wang terwijl ze kijkt naar de bloemenzee op de besneeuwde dodenakker.

De bloemhoofden wiegen in de wind. Ze lijken te kijken naar de einder waar een laagstaande zon wordt versluierd door de roze wolken van de ondergang. Een enkele droge sneeuwvlok dwarrelt neer en hecht zich aan de teer uitziende bloembladeren. De bloedrode bloemen verspreiden een aanlokkelijke, weeë geur en bedwelmen Tica. Ze geeft zich er ongewild aan over en denkt terug aan de zomer waarin ze haar geliefde voor altijd verloor.

De zomer van de laatste veldslag was warm geweest, net als deze zomer. Er was weinig sneeuw en de wegen waren modderig en slecht begaanbaar. Agressieve kruipers waren voor het eerst sinds jaren uit hun warme holen gekropen en zochten naar prooi. De mannen hadden zich er niet door laten tegenhouden. Hun drang om te doden was te groot geweest. Ze hadden geen controle meer over hun handelen en werden gestuurd. Er was geen verweer, geen weg terug.

Tica ziet de silhouetten van de leiders van toen weer voor zich. Zittend op hun fiere paarden keken ze toe hoe de jongens en mannen van die generatie willoos hun dood tegemoet reden.

Jarro trekt aan haar schort en vraagt om aandacht. ‘Waarom huil je nog ieder jaar mamma? Het is allemaal al zo lang geleden.’

‘Ik huil om het verlies dat nog moet komen,’ zegt Tica. ‘De onredelijkheid ervan.’ Konden we de bloemen maar uitroeien, denkt ze even, maar een hevige hoofdpijn zet haar op andere gedachten.

Jarro knikt, alsof hij haar woorden begrijpt.

De slag was volgens de overlevenden hevig geweest. Het levensvocht van de vele doden had de rivier rood gekleurd. Vanuit het veilige kamp in het achterland had Tica de kanonnen horen bulderden en de blauwwitte rook gezien, die vanaf het bloeddoordrenkte sneeuwveld met een lichte bries werd meegevoerd. In haar slaap hoort ze de mannen nog altijd schreeuwen terwijl er bajonetten in hun lichaam worden rondgedraaid.

Haar vingers verkrampen en knijpen onbewust in de schouders van de jongen.

‘Mamma, au! U doet me pijn!’ roept Jarro. Hij maakt zich los uit haar armen, draait zich om en kijkt in haar betraande gezicht. De jongen omklemt haar handen. ‘Niet huilen, mamma,’ zegt hij terwijl hij haar probeert te troosten.

‘Je bent een lieve jongen,’ zegt ze en streelt zijn haren. Automatisch bukt ze zich voor een Fladder die log overzeilt en insecten uit de ijle lucht zeeft. Het dier verduistert de lichtroze hemel terwijl zijn schaduw over het weelderige, rode bloementapijt strijkt.

Tica houdt Jarro stevig tegen zich aangedrukt en denkt aan de jongens en mannen van toen die onvrijwillig ten strijde trokken.

Ook haar man was tien winters geleden bereid geweest te sterven. Tegen beter weten in had ze zich toen vastgeklampt aan de zinloze gedachte dat hij misschien wel als één van de weinigen terug mocht komen. Angstig had ze gewacht.

‘Het zijn toch je lievelingsbloemen?’ hoort ze Jarro vragen. ‘Zullen we er wat van plukken en meenemen voor in een vaas?’

Tica wil heftig nee schudden, maar knikt alleen maar. Ze denkt hem te kunnen tegenhouden, maar haar handen laten hem los. Hij rent glijdend en hijgend door de natte sneeuw de heuvel af. De bloemen wuiven in de wind. ‘Kom,’ lijken ze te zeggen. ‘Kom bij ons.’

De slag was zoals altijd onbeslist gebleven. Beide partijen hadden zich teruggetrokken, hun wonden likkend en hun doden achterlatend op de roodgekleurde deken van sneeuw.

Tica kijkt naar Jarro, die steeds meer op haar man begint te lijken. Dezelfde loop, dezelfde manier van doen en hetzelfde zachte karakter. Het zal zwaar zijn als de doodsdrang in hem wakker wordt en ik ook hem moet laten gaan, denkt ze. De onmacht vreet aan haar.

‘Kom je, mamma?’ roept de jongen, ‘dan plukken we samen.’

Met bloedend hart kijkt ze naar hem. Een jongen zonder zorgen. Ik wou dat we konden vluchten, denkt ze. Weg van dit veld des doods. Ze veegt met de punt van haar schort de tranen weg en loopt voorzichtig naar beneden.

Een wolk stuifmeel onttrekt Jarro even aan haar zicht. Ze zwaait met haar armen en blaast het van zich af.

Hij lacht en laat haar een bosje bloemen zien. De kelkjes buigen en kijken haar aan. Ze wil de bloemen het liefst uit zijn handen trekken en vertrappen onder haar met bont gevoerde laarzen. Door plotselinge steken in haar hoofd krimpt ze kermend ineen. Rustig haalt ze adem en denkt aan wat anders, waardoor het gevoel langzaam weer wegebt. ‘Daar staat een mooie!’ zegt ze met tranen in de ogen. Ze wijst naar een wat grotere bloem. Voorzichtig, zonder de uit de sneeuw stekende botfragmenten te beroeren, loopt ze er samen met haar zoon naartoe.

Jarro legt het bosje bloemen dat hij vasthoudt neer omdat hij moet niezen. ‘Vervelend hè, mam, al dat stuifmeel,’ zegt hij en proest nog een keer.

Ze geeft hem haar zakdoek.

‘Waar ligt pappa ongeveer?’ vraagt hij onverwacht.

Tica schrikt van die vraag. ‘Het kan hier overal zijn,’ zegt ze nadat ze haar tranen heeft weggeslikt. ‘Ik mocht er niet meer naartoe toen hij was gestorven. Wij vrouwen bleven in het kamp, zoals het hoorde.’

‘Moet ik later ook meevechten?’ vraagt Jarro. Hij kijkt haar aan.

Ze meent de eerste tekenen van de doodsdrang in zijn ogen te zien. ‘Mamma, ik wil helemaal niet vechten!’ zegt hij vervolgens. De woorden luchten haar op.

‘De anderen hebben me nooit iets gedaan, dus waarom zou ik ze willen doden?’

‘Je vader wilde ook niet vechten,’ zegt Tica, ‘maar hij had geen keus.’

Haar zoon knikt. ‘Kijk mamma!’ zegt hij. ‘Nu ben ik een Fladder.’ Hij rent met gespreide armen tussen de wuivende bloemen door.

Laat hem alsjeblieft toch nog even onbezorgd zijn, denkt Tica en geniet van zijn spel. ‘Kom Jarro!,’ roept ze even later. ‘We hebben genoeg bloemen voor op de vaas.’ De jongen komt aansloffen.

Tica gaat gehurkt voor hem zitten, klopt zijn kleding af en trekt hem even tegen zich aan. Hij laat haar begaan en moet weer niezen. ‘Ik voel dat ik verkouden aan het worden ben, mamma,’ zegt hij.

Ze veegt zijn neus af en pakt hem bij de hand. Samen lopen ze over het modderige karrenspoor naar hun dorp, nagekeken door de bloedrode bloemen tot ze achter de heuvel zijn verdwenen.

 

Het zaad van enkelen van ons heeft zich vastgehecht aan het neusslijm van de jonge anderling en zoekt een weg naar zijn brein.

Als de tijd rijp is, sturen we hem naar de rivier om te doden en te sterven. Ons zaad zal ontkiemen, wortelen en zich voeden met zijn ontbindende lichaam. De bloemlichamen zullen groeien, door de gevriesdroogde huid van de dode breken. We zullen bloeien, wiegen in de wind en kijken naar de einder waar de allerhoogste wordt versluierd door de roze wolken van de ondergang.

Dankbaar voor de komst van de anderlingen zullen we dan nederig onze bloemhoofden buigen en ons zaad weer meegeven aan de wind.

Koningin van Mars : Peter Kaptein

De eerste vorm van vergeving

Het is gek, maar vanochtend toen ik wakker werd, vroeg ik me serieus af of ik je ga missen. Misschien kwam het door de regen.
Zes dagen zijn verstreken sinds we de laatste van je geheugenbackups hebben gevonden en kapotgemaakt. Eén daarvan cirkelt in een vrijwel onverwoestbare bal in een baan rond de zon. Vier bevinden zich in de Gordel. Twee liggen op het oppervlak van Jupiter.
Zes dagen waarin geen overlap wil plaatsvinden tussen de door ons gekozen plaatsen en de door jou gekozen tijdstippen. Vijf van je duplicaatlichamen, op vijf verschillende locaties. Drie op Mars, één hier op Aarde en één op de grootste maan van Jupiter: Ganymedes. Maar ik ben geduldig, mijn liefste Yiannis. Ik kijk films. Ik lees korte verhalen. Ik lees romans. Ik weet dat je op het juiste moment weer naar je huis in Praag zal komen. Er zit namelijk een raar terugkerend patroon in je handelingen. Ik weet dat ik je spoedig weer op je balkon ga zien.

De middag begon met een nieuwe regenbui die de straten even blank zette en langs de stoepranden heerlijke kleine rivieren met stroomversnellingen veroorzaakten.
Nu staat de zon hoog en helder aan de hemel. Ik eet roomijs met glinsterende ijskristallen en het soort suiker dat lijkt te ontploffen als het mijn tong raakt. Ik bots bijna tegen wat kennissen aan en zeg hoi en hoe gaat het? en tot later! Ik wandel door een bomenrijke zijstraat van de Olšanská, drink thee in een kleine salon en overweeg een uitnodiging tot seks. Ze is mooi, interessant en adorabel met haar: Ik heb een ding voor een vrouw als jij, maar in deze dagen heb ik geen zin in iemand anders dan jou, Yiannis. Ik ben té opgewonden over wat komen gaat en dus kus ik haar en laat haar daar achter. Alles wijst namelijk op een perfecte overlap, ruim vóór de eerste deadline van zeven weken die we onszelf gesteld hebben. Als dat waar is, gaat de wereld vanaf vandaag drastisch veranderen. In ieder geval op Mars, waar we vandaan komen.
Op het moment dat ik de straat weer betreed, voel ik een milde schok van één van mijn sensoren. Je bent eindelijk aangekomen!
Mijn hele leven stond in jouw teken, Yiannis. Vanaf die dag dat ik in jouw kweektank mijn ogen opende, tot dit moment, op deze mooie dag van vandaag.
Een nieuw uur verstrijkt na die eerste melding. Ik ben zo blij! Alles is perfect samengekomen! Je vijf incarnaties zijn precies waar we ze hebben willen. Ik weet dat ik straal! Waarschijnlijk wordt dít jouw ultieme dag!

Je kent me niet persoonlijk, Yiannis. Mijn naam is Lloyd57. Ik woon in een verlaten appartementencomplex aan de andere kant van deze stad. Ik ben een slapend onderdeel van jouw schaduwleger dat ongeveer vijfhonderd tot zevenhonderd lichamen telt en verspreid is over drie bewoonde werelden en zes bewoonde manen.
Ik ben al bijna zes maanden mezelf niet meer. Ik droom een nieuw soort dromen waarin ik je haat, bewonder, waarin ik zoek naar je totale verwoesting. En ik heb heel veel nagedacht. Onder andere over dit: hoe ga ik je loslaten als je weg bent? En dit: als mijn eerste kogel door je kop slaat, voel ik dan opluchting?

Meer sensors gaan af. Ik kijk op van mijn ijskoffie en reik uit naar mijn geweer.
Het dak van de toren, waar ze nu nog slaapt, is warm in het zonlicht. Het wapen geeft me haar ogen, vertelt me over de wind (die nu uit het noordwesten komt) en ze mijmert over de paar graden bijstelling die ze zal maken om het doelwit te raken.

En daar ben je dan!
Je komt aan bij je appartement.
De perfecte gentleman, charismatisch, edel en uitzonderlijk benaderbaar met je jongensachtige charme. Iedereen kent je als ‘de man die interplanetaire reizen betaalbaar maakte’, ‘de held van Mars’ en als de man die in triomf tot de wereld sprak: “Mars en de rest van het zonnestelsel zijn vanaf vandaag een haalbaar doel voor iedereen!”
Niemand kent de schaduwgebieden van je droom met die verborgen kankergezwellen met daaronder de stinkende, rottende plassen van giftig zwart bloed, waar meer dan een miljard kadavers liggen opgestapeld.
Je neemt de lift. Je gaat je appartement in. Daar! Daar ben je! Daar! Ik zie je! Je bent zo mooi! Je verschuift een stoel en loopt naar het raam, kijkt naar het plat, waar drie metalen stoelen staan en een enorme tafel met een vaas met verse rozen. Ik weet dat je naar buiten wilt gaan. Nog even iets verder, Yiannis!
Ik ga rechtop zitten, plaats mijn glas op haar schoteltje, want de hiel van je linkerschoen raakt het blonde hout. Je stapt verder naar buiten en ik krijg eindelijk het sein van mijn andere aspecten. Nu! Dit is de allerlaatste seconde, mijn lieve Yiannis. Besef je dat?
Word wakker! zeg ik tot mijn geweer en ze komt onmiddellijk tot leven, haar bewegingen soepel en steels, haar ogen op jou gericht.
Vuur!
De eerste kogel schampt je oor en slaat door de glazen deur. Dat is prima, want de tweede kogel doorboort je voorhoofd, verandert alles binnen je schedel met een klap in een bloedige pulp en barst weer naar buiten in een uitbundige sproeiregen van rood en grijs en witte botfragmenten.
Het is een heerlijk gezicht. Het is onderdeel van een perfect ballet van gelijktijdige moorden op vijf verschillende locaties.
De derde kogel doorboort je hart.
De vierde gaat recht door je ruggengraat.
En Yiannis, mijn hartje? Een vraag: weet je dat de computersystemen in je botten besmet zijn met een virus? Nee? Waarschijnlijk niet, want dat spul is totaal onzichtbaar voor al je scanners. We zien graag dat je helemaal niet meer teruggehaald kan worden uit je dood. Daarom hebben we drie maanden gewacht tot al die besmettingen je officiële geheugenbackups hebben overschreven met het soort diepe fractale besmettingen die niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt. Je zult in je nieuwe lichamen en in je nieuwe bewustzijn zelfs je eigen naam niet meer kunnen herinneren als je ook daar keer op keer op keer weer doodgaat.
Maar hoe zit het met je oudere backups, vraag je? Die backups waar maar een paar mensen vanaf weten? Geen probleem. Ook dat hebben we gedekt. Als de weinige technici, die onze volgende reeks van aanslagen overleven, in wanhoop terugvallen naar je geheime databanken, of naar de kopieën van jezelf in de breinen van je schepen, zullen ze ontdekken dat we óók die hebben gevonden. En kapotgemaakt. Ben je niet trots op ons, Yiannis? Het was een heleboel werk om dit voor elkaar te krijgen zonder je aandacht te trekken. Je hebt ons goed gemaakt.

Een etmaal gaat voorbij. En nog een dag. Je bent nog steeds dood. Wat? Wat zeg je? Ja. Je hebt gelijk. Dat is niet het einde van de zuivering.
We moeten je echt bedanken voor dat zwartboek dat je ons gegeven hebt, voor die gevallen dat iemand zich tegen je zou keren. We moeten je echt bedanken voor de macht die je ons gaf, voor je eigen paranoia.
Je honderden zakenpartners? Dood. Je handvol echte vrienden? Dood. De duizenden mensen die je hielpen? Dood. De tienduizenden mensen die je steunden. Dood. Je honderden nabestaanden? Dood. Je drie erfgenamen? Dood. Je onvoorstelbare fortuinen en die zestig bedrijven die je had? Buiten je bereik. Je toekomst? Tenietgedaan. Want dit is hoe ik je vergeven kan, als ik dat ooit zou willen. Dit is hoe wij, de Lloyd, je eigen, trouwe, geheime leger, jouw geval onderhanden wilden nemen. We zien je graag als de man die we volledig hebben uitgewist.
Gaat dat je boos maken, Yiannis? Dit verraad? Vertel me. Vertel me Yiannis. Vertel me wat je gaat doen. Stel dat je over een jaar of over een maand uit één van die geheime cellen komt die we nog niet gevonden hebben. Stel dat een slaper-aspect van jouzelf ontwaakt en ontdekt wat er met jou en je imperium is gebeurd, wat doe je dan? Stel dat je opnieuw boven water komt? Alleen maar om te ontdekken dat je alles kwijt bent geraakt? Alleen maar om te ontdekken dat waar je ook gaat, één van ons op je staat te wachten? Vervuld van een diep verlangen om ook die versie van jou uit deze wereld te verwijderen? Wat dan, baas?

 

De tweede vorm van vergeving

Haar naam is Maya en ze ligt in een ziekenhuisbed op Mars. De chemische brand heeft haar ogen en haar lippen weggevreten. Haar longen zijn gespaard gebleven. Het heeft het vlees van haar benen en de opperhuid van haar heupen en haar dijen weggevreten omdat het schuim te laat naar beneden kwam. Het heeft haar moeder en vrijwel al haar klasgenootjes verteerd. Er zijn achteraf zelfs geen tanden gevonden.
Het was een ‘waarschuwingsbombardement’ om mensen de stad uit te jagen.
Op dit moment is het idee dat ze wraak zal nemen, dat ze de loyaliteit van velen zal perverteren, dat ze degene die verantwoordelijk is uit de weg zal ruimen niet meer dan een irrationele fantasie.
Op dit moment heeft ze andere zorgen.
Op dit moment probeert ze te begrijpen wat er gebeurd is.
Op dit moment probeert ze een plaats te geven aan haar pijn en haar schuldgevoel omdat ze maar een paar levens heeft kunnen redden, omdat – toen ze naar buiten reikte, schreeuwend van de pijn, wanhopig mensen manipulerend om te doen wat ze moest doen – omdat haar eerste zorg was te zorgen dat ze zelf zou overleven. En haar moeder is dood. Haar vrienden zijn dood en in plaats van ook dood te zijn ligt ze, voornamelijk dankzij haar geluk, niet in een nepziekenhuis waarin het lijkt alsof ze behandeld wordt, maar in een echt ziekenhuis waar ze wel behandeld kan worden. Alleen zijzelf. Niet haar buren. Niet haar vrienden. Niet haar familie. Alleen zijzelf.
Maya is veertien.
In slapende vorm lijkt haar talent nog het meest op bovenmatig geluk, maar als Maya ooit door de psi-politie gevonden en gescreend wordt, zal ze geregistreerd worden als een telepaat en een pusher, een manipulator van gedachten die gebruik maakt van illusies, waarna ze waarschijnlijk direct wordt doodgeschoten. Ze wil eigenlijk geen pijn veroorzaken, maar ze weet niet meer hoe lang ze zichzelf tegen kan houden.
Terwijl de dagen zich voortslepen is Maya zich meer en meer bewust aan het worden van de rol van Yiannis Lampros in haar bijna-dood en de vernietiging van haar wereld. Ze begint stap, na stap, na stap en geest, na geest, na geest in te zien hoe hij verantwoordelijk is voor de dood van haar moeder, haar klasgenootjes en de vernietiging van haar woonwijk.
Maya is een monster.
Ze wil soms met al haar macht uithalen om iedereen te raken die haar familie heeft vermoord. Ze wil echter geen pijn veroorzaken.

Een robot vervangt de gel op haar huid en met haar ogen op Maya’s huidige status gericht denkt haar medisch technicus: Dit kind gaat goed. In haar optiek is Maya één van de kinderen van de middenklasse. Een van die kinderen waarvan de beide ouders nog in leven zijn. Met ouders die geldreserves op de bank hebben staan, die een baan hebben die er toe doet. Eén van die kinderen die op een plek was waar ze nooit had moeten zijn.
Ze hoort voetstappen en het scherpe getrippel van de pootjes van de robots. Ze wil dat de stemmen ophouden.
—Ik snap niet hoe de ziekenhuizen in de rampgebieden hun werk kunnen doen met dat gebrek aan middelen, hoort ze de man in een ander deel van het ziekenhuis zeggen.
Plebs en terroristen, antwoord de vrouw in diezelfde kamer. Waardeloos klapvee.
Ze voelt de levenden terwijl ze zich door haar aura bewegen.
Heb je nog gevraagd naar zijn mening? vraagt een zuster, gevolgd door informatie over een behandeling.
Ze voelt de gestorvenen, voordat het bewustzijn uitdooft. Ben ik dood?
Ze voelt de mensen in de stad: Als ook maar iemand zich laat zien, open dan het vuur.
Ze kan de stroom van gedachten niet meer stoppen nu ze onder medicatie is. Niet tot ze zich weer dieper terugtrekt in zichzelf, in de diepe trance waar alles licht wordt, waar zóveel stemmen zijn dat ze allemaal naar de achtergrond verdwijnen.
Elk leven verdient respect, zei haar moeder altijd. Elk leven is verbonden aan elk ander leven. Misbruik daarom nooit de macht die ik je gegeven heb. Maar als dat zo is, waarom gebeurt dit dan? Als al het leven heilig is, waarom worden we dan doodgemaakt? Waarom kan Yiannis Lampros doen wat hij doet als dit een universele waarheid is?
Ze beweegt even naar links, in deze wereld van licht, in de richting waar hij is, waar ze zijn gedachten kan zien, als weerspiegelingen van beelden op het water. Ze kan die weerspiegelingen scherp krijgen zodat er geen vervorming meer is en zodat Yiannis Lampros nooit zal weten dat ze zijn gedachten heeft gelezen, maar ze doet het niet.
Ze is bang van Yiannis, want net als bij haarzelf hebben DNA-doctors dingen veranderd zodat hij met dat lichaam en die geest de gedachten van anderen kan lezen en haar nabijheid kan voelen, haar kan zien zodra ze hem direct aanraakt met haar gedachten.
En waarom is Yiannis geen monster?
Omdat zijn DNA-doctor erkend is en werkt met toestemming van de regering. Niet zoals Maya’s moeder, die zonder vergunning, met een illegale kit van de zwarte markt en zonder toestemming met haar eigen eicellen werkte, de DNA in de eicellen van andere vrouwen veranderde en veel kinderen voortbracht die allemaal monsters zijn.
Allemaal voor niets.
Maya gaat dieper in haar trance, dieper naar dat licht, dieper naar de bron van alles en haar werkelijke zelf, drijvend langs manifestaties van buitengewone schoonheid en ze voelt de kracht van dat licht en die schoonheid naar binnen stromen.
Geef me wat verlichting, smeekt ze; een oogloos kind waarvan het gezicht is weggevreten. Geef me het diepere nut achter al deze verwoesting, in al dit geweld dat me is aangedaan. Maar ze vindt niets. Niets dan zichzelf. Een kaalgevreten huls.
De stemmen van de anderen in haar hoofd zijn te indringend als ze weer bovenkomt. Ze schreeuwen! Ze schreeuwen te luid! In pijn en wanhoop en angst en haat! Ze ziet de beelden in de geesten van de mensen die handelden. Die veroorzaakten. En des te meer ze beseft hoe smerig die donkere randen van haar wereld zijn, des te dichter ze komt bij dat punt waarin haar zoektocht naar vergeving omslaat naar haat, naar die euforische, glorieuze, koesterende haat die dingen in haar hoofd fluistert, zoals: De mensen rondom je zijn zwak. Je kunt door hun barrières breken alsof het eierschalen zijn. Mamma wist wat ze deed. Ze heeft zich niet ingehouden toen ze jou maakte. Pak dat talent, pak die volledige kracht die je nooit mocht gebruiken en neem ze over!

Soms, in de dagen die verstrijken, raakt haar hart even dat punt waarin vergeving mogelijk is. Alles wordt dan helder en stralend mooi, maar het is als grijpen naar een droom.
Ze huilt in die periodes daartussen vaak zonder tranen, of ze voelt de afkeer en het intense verdriet om alles wat verloren is gegaan en om de gruwelen die nog steeds door blijven gaan.
Als de zoveelste bom valt en het verband van haar nieuwe ogen wordt gehaald, komt het moment van haar omslag.
Dat moment is nu en Maya slaat genadeloos haar klauwen uit en ze neemt geest na geest na geest in kalme, weloverwogen stappen. Voorzichtig. In vol bewustzijn waar ze naartoe aan het werken is.

 

De derde vorm van vergeving

Het is middag. We bidden. We bidden voor de doden die ook vannacht weer gevallen zijn. Terroristen. Verraders. Monsters. Mensen. Kinderen van God. We bidden dat God zich over hen zal ontfermen. We bidden dat deze oorlog snel afgelopen zal zijn. We bidden dat we de levenden goede zorg kunnen bieden, ook al zijn onze middelen beperkt.

Onze zwever hangt boven het brandende deel van deze stadswijk. De mensenteller gaat nog steeds naar beneden, met sprongen van dertig tot honderd doden per seconde. We kunnen niets anders dan wachten. Wachten tot de gewonden uit de vuurzee komen. Wachten terwijl het dodental blijft oplopen.
Er is niet voldoende materieel in deze stad. Er is weinig meer over van de wilde, prachtige droom van Yiannis Lampros. De witte torens zijn gebroken, de glazen bruggen versplinterd, de zwevende huizen zijn op het Marsoppervlakte neergestort.
Dit is Blauw.
De andere vijf stadstaten van Mars heten Rood, Groen, Geel, Paars en Grijs en elke week veranderen we de volgorde waarin we die kleuren toekennen aan de stadstaten, omdat we geen partij mogen kiezen, geen afkeer mogen voelen voor de mensen die we tegenkomen, geen standpunt mogen nemen in deze hele situatie. We zijn hier om te helpen. Niet om te oordelen.
Na anderhalf jaar wil ik ook niets anders meer dan die kleuren. De steden bij hun werkelijke naam noemen is bijna net zo erg geworden als een vloek.

Blauw heeft drie satellietsteden, die nu leeg zijn. Blauw heeft een prachtig centrum dat tot nu toe grotendeels gespaard is gebleven.
De laatste bom! Een nieuwe flits in het midden van een groep huizen. Het sein klinkt. De bodem klapt open en we laten ons vallen. Wij zijn zestien afstand-bestuurde eenheden. Een team. Onze radiobakens identificeren ons als Rode Kruis. Wij zijn van het Rode Kruis, laat ik daar duidelijk over zijn.
Mijn naam is Prijan.
Ik heb te weinig geslapen in de afgelopen zestig uur, omdat de aanvallen onafgebroken door blijven gaan en alles begint zo langzamerhand in mijn hoofd in elkaar over te lopen.

De vlammen zijn hier gedoofd. We scannen de omgeving. Lichamen worden gevonden en gemarkeerd in mijn zichtveld. Journalist! Een van de slachtoffers is een journalist.
We vinden hem onder het puin, zijn arm afgeklemd. Onze avatars zijn sterk genoeg om het puin op te tillen, om bij hem te komen.
‘Wat maakt hem belangrijker dan de anderen?’ roept één van ons.
‘Stil!’ zegt iemand anders.
We schieten een robot-kit onder het puin, om te zorgen dat hij kan blijven ademhalen, om te voorkomen dat hij sterft door rookvergiftiging. Tien seconden later waaieren we verder uit.
‘Wat maakt hem zo belangrijk?’ vraag ik me later af.
Zes mensen van Blauw sterven onnodig door dit tijdverlies, door deze ondoordachte actie.
We redden mensen. We redden nog meer mensen. De soldaten komen. Er worden mensen doodgeschoten op de plekken waar we net zijn geweest. Levensmonitoren gaan van geel naar rood en dan naar zwart. Ik blijf staan, loop terug, begin te rennen.
‘Prijan!’
‘Prijan, stop!’ roept iemand opnieuw in mijn oor en ik zie ze: drie soldaten. Hun uniformen zijn wit, hun gezichten zijn verborgen achter maskers. Twee draaien zich om. Eén van hen heft een moment haar wapen, richt de loop in mijn richting. Haar gebaar is overduidelijk: stop. Haar naam verschijnt op mijn display: Amena von Lichtenstein. Haar foto verschijnt. Ze is beeldschoon. Ze heeft donker haar dat een vosrode glans heeft in het zonlicht.
Ik stop. Dit kunstmatige lichaam is niet het mijne en ik zal niet doodgaan als ze de trekker overhaalt, maar er zijn er niet zoveel meer van over, hier op Mars.
‘Jullie hebben het recht niet deze mensen te doden!’ schreeuw ik kwaad. ‘Ze staan onder bescherming van het Rode Kruis!’
‘Niet meer,’ zegt Von Lichtenstein kalm, haar linkervoet vlak naast de resten van de man. Zijn hoofd is vrijwel geheel verpulverd. Hij heeft een prothetisch been en een prothetische arm. Het ademmasker dat ik hem een paar minuten geleden gegeven heb is door de klap aan stukken gescheurd. Het profiel op zijn identiteitskaart geeft verschillende waarschuwingen. Dit is één van de ‘monsters’, een telepaat.
‘Heb je de nieuwsberichten in de gaten gehouden?’ vraagt ze.
Kalm.
Ik moet kalm blijven. Er was geen enkel excuus om mijn geduld te verliezen.
Verifieer je eigen bronnen. Ik open de lijst met berichten van de afgelopen dag. Ik zie niets. ‘Team?’
‘We zijn op zoek naar meer info. Bied je excuses aan.’
‘Het spijt me,’ zeg ik tegen Amena von Lichtenstein op Mars, trillend van woede en met gebogen hoofd. ‘Ik had me niet zo mogen laten gaan.’
‘Het is je vergeven,’ zegt ze. ‘Je bent waarschijnlijk moe.’ De onverwachte menselijkheid verwarmt mijn hart, verzacht mijn woede. Ik zou verliefd kunnen worden op Amena von Lichtenstein en ik weet wie ik in gedachten zal hebben als ik me vanavond stiekem aftrek en ik háát die reactie.
Ze is van de politie. Ze doet alleen maar haar werk.
Moord.
Het vermoorden van mensen die gewond zijn.
‘Ik zie het bericht!’ zegt een van ons. ‘Het is net binnengekomen. Mijn God! De gewonden in Blauw staan niet langer onder onze bescherming!’ Mijn hartslag is nog steeds te snel. Ik wil een nieuwe stap naar voren doen.
‘Kalmeer, Prijan!’ roept een van ons. Ik kan niet…
Iemand van ons begint een litanie van kalmte. Ik stop mezelf, prevel mee.
‘We zijn hier om te helpen, Prijan. Niet om te vechten.’
Ik doe een stap naar achteren, draai me dan om. Zeventien nieuwe doden. ‘Waar kunnen we de gewonden naartoe brengen?’ vraag ik aan de groep. ‘Deze moordenaars mogen niet nog meer slachtoffers maken.’
‘Let op je woorden Prijan. Dit zijn officieren van Blauw. Geen moordenaars.’

Ik sluit mijn ogen, beweeg mijn hand omhoog om mezelf los te koppelen, af te haken. Het zijn moordenaars. Zelfs als deze mensen hun vijand zijn. Zelfs als dit een bevolking is die in opstand is gekomen tegen haar eigen regering. Zelfs als illegale genetische manipulatie nieuwe monsters heeft gecreëerd. Ik ben zó moe. Ik stop mijn handbeweging. Ik kan niet weglopen van mijn plicht.

Er klinkt een doffe klap. Opnieuw gaat het licht van een levensmonitor op zwart. Als ik me omdraai zie ik Amena bij een nieuw slachtoffer staan. Haar wapen is omlaag gericht.

En het is genoeg! Mijn God, het is genoeg! Ik geef een harde ruk en met een scheurend geluid laat mijn masker los en ik ben helemaal terug in mijn cocon op Aarde en ik kan eindelijk mijn echte handen voor mijn echte gezicht slaan. Voor het eerst in maanden gebruik ik krachttermen die ik tot dan toe heb vermeden. Het is of dat, of toegeven aan de zinloze haat die fel oplaait. Ik had dit nóóit moeten doen. Mijn moeder is eigenaar van de geheugenbanken. Vrijwilligerswerk staat dan wel goed op mijn CV, maar ik heb niemand iets te bewijzen. —Dat is niet waar. Ik heb mezelf iets te bewijzen. Dat ik geen zwakkeling ben, bijvoorbeeld. Dat ik mijn nieuwe geloof serieus neem.
‘Je kunt nu niet weggaan, Prijan,’ klink het in mijn oren. ‘Neem je verantwoordelijkheid,’ zegt iemand anders. Ik weet dat ze de verlaten avatar op Mars bedoelt.
‘We zijn een team, Prijan. Blijf sterk. Samen uit, samen thuis.’ ‘Ik snap je reactie. Ik zou hetzelfde voelen. Denk aan wat je geleerd hebt. Denk aan je ademhaling.’
Ik plaats het masker weer over mijn gezicht, ben terug op Mars over de directe verbinding.

‘Ik vergeef je,’ zeg ik tegen mezelf. ‘Je weet niet wat je doet. Ik vergeef je. Ik vergeef je. Ik zet mijn oordelen opzij.’
‘Ik weet niet wat je tot dit moment heeft gebracht,’ zeg ik naar Amena von Lichtenstein, onhoorbaar omdat ik de uitgaande audio heb uitgeschakeld. ‘Of wie. Ik vergeef je, Amena von Lichtenstein.’
Kalmte daalt neer in mijn hart. In mijn lichaam. De haat is echter nog steeds daar. ‘Ik vergeef je,’ vervolg ik. Ik minacht je. ‘Ik vergeef je.’ Ik haat je. ‘Ik vergeef je.’ Ik hoop dat je dood gaat. ‘Ik vergeef je.’ Ik zet mijn eigen gedachten opzij. ‘Je weet niet wat je doet. Ik weet niet wie je bent, Amena von Lichtenstein. Ik ken je wereld niet goed genoeg om een oordeel te kunnen vellen. Het is mijn plaats niet om te oordelen. Ik vergeef je.’
Het team moedigt me aan, versterkt me. ‘Goed zo, Prijan!’ ‘Zo hoort het!’ Ik voel de kalmte verder neerdalen als ik terugloop naar de anderen.

We bidden voor kracht terwijl onze avatars terugvliegen naar onze zwever. We weten dat God ons op een bepaald moment zal belonen met een plek in de hemel. We weten dat de politieke druk van de Gordel en Aarde op een gegeven moment de onschendbaarheid van de gewonden zal herstellen, maar dat kan gemakkelijk meer dan tachtig uur tijd gaan kosten.
En dan komt de opluchting. O God! Een dag géén veldtrips! Misschien zelfs een paar dagen slaap! En met die opluchting komt schrik: Vergeef me voor deze gedachten! Hoe laag ben ik gezonken? Groen licht overspoelt me als ik mijn ogen sluit. Ik voel koestering in dat licht, woede. Dit is nieuw. Het fluistert beloftes naar me.
Is dit God? Of is dit de duivel?
En wat is het verschil als God vanuit Zijn Eindeloze Genade deze oorlog toestaat? Wat hebben deze mensen gedaan dat ze Zijn wraak hebben verdiend?
De laatste vuren in deze wijk van Blauw doven langzaam uit als we wegvliegen.

 

De vierde vorm van vergeving

Het is bijna avond. Yiannis Lampros staat in het hart van zijn negende huis in het gouden licht van de gereflecteerde en versterkte zon. Dat licht werpt vier schaduwen aan zijn voeten.
Hij is niet bang voor de bommen, niet bang voor een mogelijke dood. Dit is slechts één van zijn lichamen en zijn bewustzijn is onsterfelijk. Elk moment van zijn leven gaat naar vijftien ontvangers op vijftien verschillende locaties in het Zonnestelsel.
Hij is niet bang voor zijn directe vijanden. Al zijn financiële middelen zijn veilig gesteld, buiten bereik van de interplanetaire wettelijke machten.
Hij opent zorgvuldig zijn mentale barrières, strekt zijn geest uit, gebruikt de gave van telekinese die sinds een paar maanden onder zijn controle is. De wonderen van genetische manipulatie, het gemak van vervangbare lichamen. Hij omhult de fles op de tafel die tien passen van hem verwijderd is, neemt de glazen stop, laat de bloedrode wijn in het glas stromen. Hij opent zijn hand terwijl het door de lucht zijn kant op komt. Alles lijkt kneedbaar als klei. Zó makkelijk. Hij opent het voorgeselecteerde nieuws van Mars, drinkt, kijkt en leest terwijl de geselecteerde verhalen voorbijkomen.
Er zijn sinds vandaag drie kampen minder rondom de stad.
Een derde golf van arrestaties vindt plaats vanwege de vermeende smokkel van gestolen medische middelen naar andere ziekenhuizen. De ziekenhuizen zijn noodziekenhuizen van het Rode Kruis.
Verschillende stromen van vluchtelingen komen uit de andere vijf steden, wanhopig op weg naar betere plaatsen. Ze zijn misleid door de sjacheraars in hun oude wijken en financieel uitgekleed door de handelaars en de mensensmokkelaars, die beweren dat ze een gevaarlijke maar haalbare doortocht kunnen bieden.
De gestolen medische middelen zullen nooit aankomen, denkt Yiannis.
De helft van de vluchtelingen zal binnen negen dagen dood zijn. Gestorven in de woestijnen rondom de steden. Verdronken in de zoetwateroceanen tussen de continenten.

Eén miljard mensen op Mars. Dat was honderd jaar geleden de stand, in 2191 AD. Vandaag staat de teller op negentig miljoen. Vooral de laatste tien jaar is het hard gegaan met de dodentallen.
Hij draait zich om, kijkt naar het reliëf op de grote blinde muur. Het weerspiegelt zijn volledige visie, vanaf de lanceringen van de eerste schepen in 2095 tot de bouw van deze laatste stad in 2213. Yiannis Lampros, charmeur, zakenman, investeerder, erfgenaam van miljoenen, een multi-billionair geboren op Aarde. Leider van de nieuwe Mars-beweging die werd mogelijk gemaakt door crowdfunding: ‘Eerst brengen we de zaaischepen. Dan de robots. Dan meer zwaartekracht. Dan het water. Pas als de steden staan en de lucht adembaar is: de mensen.’
Een simpele droom. Een perfecte slogan. In de dertig jaar dat Mars groen werd bleef het geld binnenstromen, tot hij de schepen kon laten bouwen die iedereen naar zouden Mars brengen, tot hij de steden kon bouwen waarin één miljard kolonisten zouden komen te wonen.
Hij reikt uit naar de journalist, die in de andere kamer op zijn uitnodiging wacht. Marialis Kun. Haar geest is slechts gedeeltelijk afgeschermd en hij kan haar opwinding en angst voelen. De bommen kunnen zelfs hier neervallen. Ze is uitgeput, net als duizenden anderen in het gebied rondom hem. Ze vraagt zich af of de blokkade van de ruimtehavens aan het einde van deze maand opgeheven zal zijn. Hij geeft het sein. Ze ontvangt via haar armband zijn uitnodiging om verder te komen.

Yiannis Lampros schudt haar hand, beantwoordt de krachtige druk, buigt beleeft en heft zijn glas. ‘Kan ik je iets te drinken aanbieden?’
Ze schudt haar hoofd en loopt vrijwel direct naar het reliëf op zijn muur, bestudeert even de afbeeldingen. Haar gedachten zijn afstandelijk, niet echt verbonden met de wereld om haar heen. Ze is nog nooit in de oorlogsgebieden geweest. Ze heeft de doden slechts gezien via de rapportages van haar collega’s.
Ze denkt dat ze alles weet, de situatie begrepen heeft. Voor haar is Mars een mislukt experiment van een charmante zakenman uit een vorig tijdperk, een bittere tentoonstelling van menselijk falen.
Yiannis Lampros is, zover als zij het ziet, de man die op groteske wijze heeft geprofiteerd van de Mars-kolonisatie, zonder ooit iets terug te geven, later, toen het fout ging. Geprofiteerd met zijn enorme vloot van schepen die geheel zijn gefinancierd met het geld van zijn kolonisten. Hij had levens kunnen redden.
Ze ziet hem als haar prooi.
Marialis draait zich om, tikt even met haar wijsvinger tegen haar lippen, stelt dan haar eerste vraag. ‘Had je ooit verwacht dat je droom zou eindigen in deze nachtmerrie?’
Hij schudt zijn hoofd.
‘Nee. Ik had niet verwacht dat Mars zo lang in oorlog zou zijn.’ Hij laat een korte pauze vallen. ‘Maar eindigen? Nee. Dit is niet het einde.’
‘Ben je een optimist?’
‘Optimistisch,’ zegt hij. ‘Er komt een moment waarop ook deze wereld een stabiel punt bereikt. En vanaf dat punt is er zo veel nieuws mogelijk.’
‘In 2163 werd je verkozen als president van Mars. Heb je na die regeringsperiode ooit opnieuw het verlangen gehad om in te grijpen?’
‘Nee. Ik was dom bezig, toen.’
‘Dat zijn harde woorden naar jezelf.’
‘Ik ben nooit weggelopen van de realiteit, Marialis. Politiek is niet mijn ding. Mensen dachten dat— nee ik dacht dat ik een nieuwe oorlog kon voorkomen. Ik had het mis.’
‘Vijf aanslagen op je leven.’
Hij knikt. ‘Waarvan drie succesvol.’
‘Er wordt gesuggereerd dat je een persoonlijk belang hebt in deze honderdjarige oorlog.’
Hij lacht kort en bitter. ‘Welk belang zou dat zijn?’
‘Opschoning van de bevolking.’
Hij knikt. ‘Er wordt wel meer beweerd. Ik ben niet aan dit avontuur begonnen om een honderdjarige massamoord te plegen. Ik heb geen enkel belang in deze gruwel. Wat mij voor ogen stond was een bevolking van wetenschappers, met een goede staat van welvaart, zoals dat heet.’
‘Waar ging het mis? De “menselijke factor”?’ In gedachten smaalt ze om zijn reactie. Haar gevoel van superioriteit zou hem ooit tegen de borst hebben gestuit, maar meer dan twee eeuwen van leven heeft hem vrijwel ongevoelig gemaakt voor dit soort oppervlakkig snobisme. Hij zet zijn glas op tafel.
‘Ja. Wat anders? Wat is er anders dan dat? Alles wat we doen, alles wat we verzinnen, elke impuls die we voelen is geworteld in ons evolutionaire verleden als zoogdieren van Aarde. Wat is er méér dan dat? Wat is er meer voor ons dan die menselijke factor?’
‘Het goddelijke?’ zegt ze.
‘Je hebt gezien wat daarmee is gebeurd. Hoe vreemd en onmenselijk en ondienstbaar dat uiteindelijk was.’
Ze lopen naar de noordelijke vleugel van zijn huis. Grote ramen kijken uit over de zee van groen, met de eilanden van huizen. Een zee die steeds zwarter wordt naarmate de afstand toeneemt. Zwarte rook stijgt uit verschillende delen van de stad. Wat ooit hoge torens waren, zijn nu gebroken zuilen. ‘Wat is mijn winst, Marialis?’
Hij neemt haar mee door de poort naar het andere huis, op een ander deel van Mars. Het landschap is veranderd. Het beeld hetzelfde. Rook. Stadswijken die in puin liggen. ‘Deze massamoord is het gevolg van cultuur, het gevolg van de zelfgemaakte keuzes van de bevolking.’
Ze is daadwerkelijk geschokt door zijn botheid. Het is een weinig populaire mening. Niemand op Aarde heeft dit sinds 2203 meer openlijk durven beweren. ‘Wat wil je daarmee zeggen? Dat dit de schuld van de bevolking is? Dat dit hun eigen schuld is?’
‘Je kent de stelling. ‘Elke crisis is het gevolg van menselijke hebzucht en menselijke domheid in een omgeving die dat stimuleerde en toestond.’ Het is de schuld van de media. Van journalisten. Van analisten. Van gebrekkig onderwijs en een gebrek aan politieke betrokkenheid van de bevolking. Van wetgevingen die in het belang waren van een bepaalde groep en tegen de belangen van anderen. Van de regeringen die kwamen en weer gingen. Van de Aarde. Van de Gordel. Van verkeerde prioriteiten en verkeerde investeringen. Van onzinregelingen en manipulatie van de bevolking.’
‘En de schuld van jou?’
‘Ja. Ook van mij.’
‘Hoe voelt dat?’
Hij steekt zijn handen in zijn zakken, zwijgt even.
‘Klote.’
De jongensachtige houding is verdwenen, net als alle emotie van zijn gezicht. Ze wacht op meer, observeert zijn houding, zijn gezicht. Hij heeft niets meer te zeggen.
‘Waarom ben je hier gebleven?’ vraagt ze uiteindelijk. ‘Vier van je lichamen zijn nog hier, als ik de officiële bronnen mag geloven.’
‘Dat kun je. Dat klopt.’
‘Waarom ben je niet naar Aarde gegaan? Of naar één van de manen van Jupiter?’
‘Wat zou jij doen? Als je huis in brand staat? Je kinderen levend verbranden, je droom verwoest wordt? Wat doe je? Loop je weg? Ik blijf hier. Tot het voorbij is.’
‘Waarom grijp je niet in, Yiannis Lampros? Je hebt miljarden. Je hebt duizenden schepen waarmee je de bevolking zou kunnen steunen.’
‘De kernvraag,’ zegt hij.
Hij opent drie schermen op de muur, toont haar de projecties van mogelijke toekomstige versies van Mars na zijn ingrijpen.
‘Oorlog. Meer oorlog. Nog meer oorlog.’
‘Waarom doe je niets? Ik sta hier in het midden van het werkelijke imperium van Mars, met de man die in de tweeëntwintigste eeuw zeven procent van de Aardse wereldbevolking over heeft gehaald om naar Mars te komen. Zeven procent! Je zou niet de eerste zijn die dwang en media gebruikt voor heropvoeding van een bevolking. Je hebt de mogelijkheid om de redder van Mars te worden. Om dit alles te eindigen. Om niet als een monster en niet als een medeplichtige de geschiedenis in te gaan…’
‘Een monster?’ sneert hij. Dan wijst hij naar het heldere licht van de planeet vlak boven de horizon. ‘De Aarde kijkt al een eeuw lang toe. Als we dan toch over monsters spreken— Politiek is niet mijn verantwoordelijkheid.’
Hij haalt diep adem.
Hij toont haar projecties van donaties. ‘Elke actie die ik doe, elke donatie die ik maak, leidt tot de steun van de organisaties van misdadigers en terroristen. Zelfs mijn steun aan instanties als het Rode Kruis leidt uiteindelijk tot meer doden. Mijn geld was een deel van de brandstof van de machines die deze massamoorden mogelijk maakten…’
‘Je hoopt door niet investeren en niet te handelen uiteindelijk deze oorlog te verkorten?’
‘Ja.’
‘Een dictatuur zou beter zijn geweest,’ zegt ze zacht.
‘Nee. Mars is voor de mensen.’
‘Zelfs als dat tot dit leidt?’ ze wijst naar buiten.
‘Politiek is niet mijn verantwoordelijkheid.’
‘Je blijft dat herhalen,’ zegt ze.
‘Omdat teveel mensen blijven hopen op mijn interventie. “Waarom doe je dit niet, Yiannis, waarom doe je dat niet?” Ik blijf dit herhalen omdat teveel mensen blijven weglopen van hun verantwoordelijkheden.’
‘Zoals jijzelf?’
Hij geeft haar de namen van Aardse politici, Aardse beleidmakers, Aardse belanggroepen. Hij geeft haar de namen van politici uit de Asteroïdengordel en de manen van Jupiter. ‘Elk van hen had in kunnen grijpen, het tij kunnen keren. Kijk naar het resultaat hier. Elk van hen is verantwoordelijk voor dit bloedbad. Elk van hen is een moordenaar.’
‘Toch wordt jij de laatste maanden steeds vaker aangewezen als het monster dat geen stappen ondernam,’ zegt ze.
Hij haalt zijn schouders op. ‘En dus? Het kost weinig inspanning de schuld naar een ander te verplaatsen. Wat hype is voldoende. Het verandert echter niets aan de werkelijkheid… Als de volksmedia er voor kiest om mij tot monster te verheffen, is het wel zo netjes om ook hun eigen rol in deze genocide te erkennen.’
‘En jij bent onschuldig?’
‘Ik ben net zo schuldig.’
Voor het eerst in het gesprek klinkt hij ongefilterd fel, vol pijn en verontwaardiging.

‘Het spijt me,’ zegt ze, als ze aan het einde van het interview zijn hand grijpt. ‘Ik hoop dat je vergeving voor jezelf zal vinden.’ Haar medelijden is een leugen. Het idee dat hij in deze positie zit doet haar goed. Háár handen zijn schoon. Het geeft haar een gevoel van superioriteit over hem.
Mars is een diep, zwart, monsterlijk gat dat niet meer te redden is.
Ze keren terug naar het gebouw waar het interview begonnen is. Ze neemt afscheid. Hij keert terug om een moment stil te staan bij het bas-reliëf dat zijn droom weergeeft. Bijna afwezig betast hij de schepen in de leegte tussen Aarde en Mars.
Maak van waarheid een leugen, en van de leugen een waarheid, denkt hij. De beste manier om weg te komen met misdaden op wereldschaal. Dan loopt hij naar buiten. Het zal niet lang meer duren voordat de bezemacties zijn afgerond.
Dit is zijn planeet. Er is geen democratische regering. Er is nooit een democratische regering geweest. De oorlog is slechts een moordend theaterspel voor de andere werelden. Over vijf jaar is Mars zo goed als leeg. En op dat moment is Mars zoals hij het hebben wil, alle grondstoffen nog steeds intact in de bodem onder zijn voeten.

 

De vijfde vorm van vergeving

Amena von Lichtenstein staat op van haar kant van het bed en slaat het dek terug over het matras. Haar andere lichaam is al weg.

Er zijn niet genoeg sociopaten in de wereld om al de moorden te kunnen plegen die nodig zijn voor het behoud van deze vrede. Daarom laat ze zich al jaren injecteren door een kleine biofabriek in haar linkerschouder.
Twee dagen geleden is ze haar linkeroog kwijtgeraakt. Haar nachtmerries zijn toen begonnen: een ongewenst neveneffect van haar werk op Mars, in het stadsgebied dat Cheimos Vier wordt genoemd.
Even staat ze zwijgend in het midden van hun kamer, een witte ruimte met een wit bed. Er is iets anders aanwezig. Iets dat net onder de grens van haar bewustzijn hangt en vol van een soort haat zit die glad en rond aanvoelt.
‘Hmm,’ zegt ze en haar geest gaat door de verschillende mogelijkheden, komt tot twee conclusies. Eén: de medicinale cocktail van hormonen en chemicaliën uit de kleine biofabriek werkt niet meer zoals vroeger. Twee: er is een nieuw monster achter de grenzen van deze wereld, achter de poorten van de slaap, dat door de barrières van haar geest is gebroken. Dit monster is anders. De vraag is aan welke kant het staat. De hare?
Ze voelt geen behoefte om een melding te maken.
De balkondeur van haar kamer glijdt open als ze haar hand heft en haar pols draait. Een frisse bries komt naar binnen. Even blijft ze staan, dan loopt ze naar buiten. Mensenhanden zijn nodig om de trekkers over te halen, zodat de oorlog door kan blijven gaan. En haar handen zijn daar twee van.
Zover ze weet was haar aanmelding bij het politiekorps vrijwillig. Zover ze weet waren de bombardementen gerechtvaardigd. Ook al was dit tegen de eigen bevolking.
Net zoals veel andere kleine dingen begint ze ook dat te betwijfelen.
Ze kijkt afwezig uit over het landschap beneden haar, ziet niets dat haar plezier doet. Tussen de frisse vlakken van malsgroen gras lopen de paden van de rode aarde van Mars. Aan de hemel is de rand van één van de spiegels zichtbaar die het licht van de Zon weerkaatst zodat de dagen warmer zijn. Verder beneden deze heuvel ligt Cheimos Drie, een stad die volledig tot puin is gebombardeerd in een oorlog die niet bestaat. Een oorlog die voornamelijk de onderlaag van de bevolking raakt.
Ze stapt naar voren toe, leunt zwaar met haar handen op de balustrade en opnieuw komen de beelden terug van haar eigen werk.
—Een peuter op de stenen vloer, het merendeel van zijn hoofd weggeblazen door de energieklap uit haar pistool. Brandende mensen op het plein, hun huid zwartgeblakerd onder de woeste vlammen, het lichaamsvet nieuw brandstof onder de opkrullende huid. ‘Terroristen’. Huilende kinderen, weggedoken in het puin van een verwoeste school, duidelijk zichtbaar voor haar camera’s. ‘Mutanten’. Als ze klaar is met haar werk, is iedereen dood. De fragmenten van botten en vlees zijn niet voldoende om die levens te herstellen.
Het voelt niet langer meer juist.
Ze kijkt op. Aan de gouden horizon stijgt een vrachtschip naar het koude, harde vacuüm van de ruimte.

Als de oproep binnen komt, gaat ze weer terug naar binnen. Een arrestatie. Amena kleedt zich met tegenzin in haar uniform, pakt haar badge, stelt haar poort af op een andere poort, honderd kilometer verderop, loopt door het alles-absorberende zwarte vlak dat afstandloos is en komt uit in een garage. Vijf minuten later landt haar zwever op een landingsplek van het volkshospitaal.
Deze plek is anders dan haar eigen ziekenhuis. Er is minder staf, er is geen geld voor onderhoud. Er is meer verval. De robots zijn goedkope constructies uit goedkope printers. Stafleden rennen door de gangen.

Haar naam is Amena von Lichtenstein. Ooit was ze een zwakkeling, maar dat is lang geleden. Haar wapen rust licht en vertrouwd in haar handen. Ze is haar eigen, eeuwige erfgenaam.
Haar eindeloze rijkdom en de rijkdom van haar familie komt van de stervenden en de doden. Haar sociale status is bijna gelijk aan die van Yiannis Lampros en die status maakt dat – ook zonder haar badge – elke deur voor haar opengaat.
Niemand stelt vragen als ze met dit specifieke lichaam door de gangen van het hospitaal loopt, een witte lap over haar nieuwe linkeroog.
Ook dít hospitaal heeft nut. Mars kan haar eigen bewoners niet zomaar dood laten gaan. Niet zonder repercussies van de regeringen van Aarde, van de Gordel, van de manen van Neptunus en de nederzettingen op Venus.
De eerste zaal telt twintig bedden. Ze ziet mannen en vrouwen zonder armen en benen. Ze ziet mensen van wie de huid is weggevreten door chemisch vuur, rode skeletten zonder ogen, met beschadigde longen en een kloppend hart. Diegenen die hier zijn, hebben geluk. Dit grondgebied is neutraal. Het ziekenhuis staat nog niet op de lijst van doelwitten van de vijand. De mensen hier krijgen in ieder geval een behandeling.
Amena weet beter dan dat: de hulp van Aarde, de hulp van de Gordel zijn welkome bijdragen in de laatste fase van dit dodelijke toneelspel waarin afzijdigheid gelijk staat aan medeplichtigheid.
Dit ziekenhuis heeft een slechts één politiek doel: het opwekken van medelijden en opluchting voor de levenden, zodat de miljoenen doden sneller vergeten kunnen worden. We deden tenminste iets, kunnen de mensen op Aarde en uit de Gordel zeggen. We zaten niet werkeloos aan de zijlijn. Zelfs niet als we vluchtelingen weigerden. De regeringen hier op Mars saboteren elke effectieve vorm van humanitaire hulp. En wat wel doorkomt wordt gekaapt, verwoest of besmet middels terroristische aanslagen.
De arrestatie die straks plaats gaat vinden sluit perfect aan op die structurele sabotage: het leidt tot de verdere verzwakking van het personeel zodat de zorg per patiënt nog slechter wordt.

Ze passeert de volgende deur.
Een warme traan biggelt over haar wang. Ze strijkt het vocht verbaasd weg, dwingt zichzelf door de opening te stappen, om stil te staan en te kijken.
Ze dwingt zichzelf de gezichten te zien die bedekt worden door een goedkope en nauwelijks effectieve gelei, de gelei die slechts helpt om de ontstekingen tegen te gaan in het bloedrode weefsel van de enorme open wonden op de huid van de vrouwen en kinderen om haar heen. De vrouw die haar aandacht trekt is niet ouder dan veertig en ze heeft geen ogen, geen haar, geen lippen. Een machine houdt haar in leven. Ze lijkt vredig in slaap.
Amena opent haar mond, alsof ze iets wil zeggen. Het verdriet dat ze de afgelopen dagen steeds vaker voelt, lijkt zich een weg door haar keel en haar hart te willen bijten. Bijna geeft ze toe. Bijna schreeuwt ze de woorden die in haar hoofd galmen: Vergeef me, vergeef me! maar de koude, mentale hand van haar andere ik stopt de woorden.
Ze weet verdomd goed dat die schreeuw om vergeving voornamelijk een schreeuw van een slappeling is, een schreeuw uit eigenbelang, een schreeuw om een leugen van haar slachtoffers. Een leugen die die andere Amena zal helpen om korte tijd haar eigen pijn te vergeten, die haar andere ik kort zal helpen om de schuldgevoelens rondom haar eigen daden weg te wassen en uit te wissen totdat Amena opnieuw naar buiten gaat om diezelfde daden te herhalen. Vergeef me!
Haar gezicht verstrakt. Dé Amena von Lichtenstein heeft geen behoefte aan een armzalige stoplap voor de bloederige, rottende en geïnfecteerde gaten in haar eigen ziel.
Als ze later, na de hardhandige arrestatie van één van de artsen, weer in de gang staat, voelt ze die prachtige, zachte haat nog dieper in de kern van haar wezen doordringen. Ze doet niets om dit monster tegen te houden. Het is duidelijk wat haar te doen staat. Haar nieuwe doelwit is Yiannis Lampros.

 

De zesde vorm van vergeving

Er woedt een nieuwe storm. Op de achtergrond, in de werkelijkheid voorbij deze realiteit, woedt een nieuwe storm, van iemand die ik nog nooit eerder in mijn leven gevoeld heb. Haar haat resoneert met de pijn van deze planeet. Ze heeft talenten als de mijne, maar ze is oneindig sterker.
De kleur van haar haat verandert regelmatig, ook nu: naar geel, naar goudgroen. De geur is die van appels en limoenen. Haar naam? Haar identiteit? Het is maar goed dat ik die niet ken.

Een jongen, niet ouder dan dertig, kijkt op als ik even naast het enorme noodhuis van schuimplastic blijf staan. Hij is een van de oorlogsverslaggevers die al een eeuw als vliegen over het stervende vlees van de steden kruipen. Zijn blik gaat naar de goedkope prothetische arm en mijn goedkopere prothetische been, de vormen duidelijk zichtbaar onder de stof van mijn overall.
Hij aarzelt even, klapt dan een stoel open.
‘Meneer?’
Ik weet dat hij niets kan opnemen, dat mijn verhaal alleen in zijn hoofd zal blijven voortbestaan. Hij weet dat hij gevaar loopt te verdwijnen.
Er is geen privacy hier. Dit is een gebied vol vijandige troepen. Infiltranten, terroristen, mutanten. Genetisch gemodificeerden, spionnen, slapers, moordenaars.
‘Ik heb niets voor je,’ zeg ik.
Je wilt weten wat er speelt? zeg ik in zijn hoofd en ik onderdruk zijn eerste reactie. De oorlog is geen oorlog tussen de verschillende facties van Mars, maar een oorlog tégen de bevolking die hier leeft. We worden sinds het moment dat we aankwamen, stelselmatig vermoord. Wat je hier zit is het eindstadium van een honderdjarige genocide.
Ik onderdruk zijn tweede reactie.
Alles wat je weet is half waar en half gelogen.
Wie is hier dan verantwoordelijk voor? vraagt hij.
Onze eigen regering, zeg ik.
Ik voel zijn gedachten werken, vorm nemen. Hij is snel, zijn gedachten als kwikzilver.
Nodig me opnieuw uit tot zitten.
‘Ga zitten,’ zegt hij. ‘Alsjeblieft. Ik heb maar een paar vragen.’
Ik blijf staan.
Wat is de reden? vraagt hij.
De zes regeringen van Mars zijn nooit van plan geweest om ons in leven te laten. Waar heb je immers een bevolking voor nodig als energiewinning en de productie grondstoffen en van goederen niet meer gebonden zijn aan menselijke arbeid? Deze wereld is een vernietigingskamp. Deze honderdjarige oorlog is politiek beter te verkopen dan het dumpen van een miljard kolonisten, voordat ze aankwamen op deze wereld.
Hoe weet je dit zo zeker?
Wat denk je zelf?
Welke rol speelt Yiannis Lampros hierin?
Wat denk je zelf?
Hij zwijgt even. Alles.
Waarom? vraagt hij dan.
Je kent het antwoord al. Yiannis Lampros is een parasiet. Wie financierden de schepen waarmee we hier kwamen? Waar kwam het geld vandaan voor deze terraforming? Wie maakten de werkelijke schulden voor de faciliteiten van deze nieuwe wereld?
Jullie voorouders.
Ja. Ze hebben nooit een kans gekregen. De armoede bond hen aan de stadssteden. Die steden zijn dodelijk gebleken. —Nodig me uit om te gaan zitten.
‘Alstublieft, meneer, ga zitten,’ zegt hij. ‘Ik heb maar een paar vragen.’
Stel dat dit waar is: haat je Yiannis Lampros? vraagt hij.
Nee. Ik heb hem decennia lang geleden al vergeven. Yiannis en zijn medeplichtigen zijn een slachtoffer van hun eigen situatie.
Vergeven? Slachtoffers?! Ik vind dat moeilijk te begrijpen, zegt hij en ik onderdruk zijn woede. Hoe kun je je eigen— moordenaars vergeven?
Wat zijn de andere opties, Joffry? Haat naar die ander? Medelijden met mezelf? Wat verandert dat aan mijn eigen lot? Ik heb gevochten en gefaald. Ik heb elk stadium gezien en beleefd. Deze planeet is een wereldomspannend, dodelijk pretpark. Elke stap langs elke moordzuchtige attractie is zorgvuldig uitgewerkt. En er is geen uitgang.
‘Zit, alsjeblieft,’ zegt hij voor de laatste keer.
Ik strompel weg door de hoofdstraat.
Er woedt een nieuwe storm en ik weet niet of ik blij moet zijn, of verdrietig. Wie het ook is, is te laat. Wat het ook gaat brengen, is net zo smerig als het werk van Yiannis Lampros.
Elk leven verdient respect. Moord is niet de enige manier om structurele intermenselijke problemen op te lossen. Maar misschien gaat dat idee al lang niet meer op, hier.

 

Het ontwaken van Lloyd57

Hoi, Yiannis…
Ik weet niet waar ik moet beginnen. Hoe doe je dit soort dingen, als je weet dat je eigen wereld onder je eigen voeten vandaan is gevallen?
Ik ben Lloyd57. Ik kom uit jouw kweekvaten. Ik ben de vrouwelijke variant en ik ben onderdeel van jouw geheime politiemacht. Mijn lichaam is een instrument van jouw wensen. Mijn morele kompas is nooit aangebracht. Mijn gezicht en mijn identiteit kunnen elke dag veranderen. Mijn instructies en mijn geld en mijn wapens komen van bronnen die moeilijk te achterhalen zijn.
Meestal doe ik strategische moord, net als veel van mijn broers en zussen. We vermoeden al een hele lange tijd dat je ons voornamelijk gebruikt omdat je vaak te lui en te ongeduldig en te egoïstisch bent om een deel van je shit met normale diplomatie op te lossen.
Ben ik trouw aan je, Yiannis Lampros?
Ja en nee. Niet meer.

Ik kijk omhoog naar de stenen boog van de Arc de Triomphe, met een raar gevoel of zo, weet je wel? Het is alsof ik wakker ben geworden uit een psychotische droom en tot de ontdekking kom dat de werkelijkheid nog erger is dan ik al dacht. Alsof de medicatie die ik ontvang niet meer werkt zoals het moet.
Nee. Dat is niet waar. Alsof ze anders werken. Iets is anders vandaag. Ik had zojuist hallucinaties van dingen die echt zijn en ik zie glimpen van andere plekken, van Mars! Het is fijn om weer een stukje van thuis te zien. Zelfs als dat thuis bedekt is door een deken van rook en veel van mijn favoriete plekken verwoest zijn en een aantal van mijn favoriete mensen dood.
Het voelt alsof een nieuwe opperheer uit de lucht is komen vallen. Blam! ‘HIER BEN IK. JE NIEUWE KONINGIN! JE BENT VANAF NU DE MIJNE!’
Ik kan het wroeten voelen waarmee ze de stroom van mijn gedachten verandert.
Hoi lieve pusher, denk ik. Hoe is het?
Maar wacht! Had dit niet het eindresultaat moeten zijn van een glorieus gevecht? ‘Lloyd tegen de monsterlijke krachten van de anti-Lamprosiaanse duisternis!’
Wie is dit?
Was het niet de bedoeling dat ik hier niets van zou weten? ‘Parapsychische infiltratie van de vijand moet ongemerkt plaatsvinden,’ en meer van dat soort onzin. Het is alsof ik gekoesterd word, alsof ik alleen maar mijn ogen hoefde te openen voor de waarheid: dat je onze moeder hebt vermoord en onze klasgenootjes, dat je ons misbruikt hebt voor de bouw van je imperium. En wat een heerlijke vorm van haat! Ik weet wat er gebeurd is en toch voel ik geen behoefte mezelf te verzetten. Wat een kracht! Beter dan de zon en de maan en de sterren! Fantastisch!

Ik ken je, Yiannis Lampros. Je was mijn heer en meester en voormalig eigenaar van dit gekloonde lichaam. Je bent onsterfelijk, oppermachtig, genadeloos, charmant. Je bent de God-keizer van Mars en van je eigen transportimperium. Je hebt vrijwel geen zwakke plekken, behalve de drie, vijf en zeven die nu duidelijk beginnen te worden via mijn nieuwe god. En wat ik nu niet weet, zal later helder worden.
Maak je geen zorgen, Yiannis, mijn leven staat nog steeds helemaal in het teken van jou. En van je dood.
Ben je er klaar voor?

 

Prijan en zijn zilveren munt

Het huis van mijn moeder staat op een heuvel in Ankara, waar alles groen en mooi is. In mijn broekzak zit een kleine, ongeregistreerde biochemische fabriek die niet groter is dan de nagel van mijn pink en die ik op een zilveren munt heb geplakt.
Ze verwelkomt me hartelijk en ik groet familieleden die in de tuin staan en het bruidskwintet dat stralend op het podium staat. Het feest is nog niet begonnen.
Mijn tante vraagt me hoe mijn werk voor het Rode Kruis gaat, hoe de situatie op Mars is en ik geef een ontwijkend antwoord. Ik geef mijn moeder de zilveren munt en druk haar hand dicht. Er is geen uitleg nodig. We weten beiden voor wie dit is. Niet voor Yiannis Lampros, maar voor al zijn partners die bij haar zijn aangesloten. Naast de geheugenbanken beheert mijn moeder ook de genenbanken voor hun kloonlichamen.
Er is een briljant Aards moordspel dat gebaseerd is op infectie en sluimerende defecten die elk gewenst moment geactiveerd kunnen worden. Ik kijk naar mijn vader, in de tuin. Ik weet nog niet wat ik voor hem ga doen als hij dood neervalt.

 

In de diepzee van Jupiter

Daar!
De druk is zo hoog dat gassen vloeibaar worden. De robots van Yiannis Lampros zijn als krabben. Ze dalen moeiteloos af in de diepte.
Dit onderhoud is echter geen onderhoud. De geheugenbank, verbonden met Yiannis, wordt stelselmatig verwoest.
Omdat dit binnen de veiligheidsparameters valt, gaat er geen alarm af en lijkt alles nog te werken.

 

De hand van Amena von Lichtenstein

Haar sociale status is bijna gelijk aan die van hem en niemand stelt vragen als ze het huis van Lampros binnenstapt en de lift omhoog neemt, hem in zijn salon ontmoet.
Op het moment dat ze zijn arm grijpt en zijn hand schudt, begint de besmetting van zijn innerlijke systemen, want zelfs Yiannis Lampros is niet van alles op de hoogte en zelfs de Aarde heeft een schaduwzijde waarin dingen worden ontwikkeld die beter niet losgelaten kunnen worden.
Haar enige werkelijke doel is de dood van deze man. Haar vrije wil is niets meer dan een illusie, net als haar leven en haar lichaam.
Uiteindelijk zal ze haar eigen leven nemen.

 

De Asteroïdengordel

Wat een planeet had kunnen zijn, is een ring van puin tussen Mars en Jupiter. De mensen die hier leven zijn nomaden in een uitgestrekte samenleving met een ongeëvenaard sterke sociale cohesie.
De vijf databanken van Yiannis Lampros hebben geen enkele meetbare aanwezigheid. De enige manier waarop ze gevonden kunnen worden is via complexe berekeningen die relatief zijn aan de laatst gemeten positie. Eén voor één worden ze gevonden en uitgeschakeld.

 

Koningin van Mars

Maya staat in de kern die het leven is, de eeuwigheid, de bron en haar werkelijke zelf. Negen maanden zijn verstreken sinds haar moeder stierf en Yiannis Lampros is nu acht dagen dood. Mars heeft geen regering meer. Mars heeft nauwelijks nog een bevolking, maar de hemel is nog steeds blauw, de wolken wit en het ochtendgloren van puur goud.
Ze is inmiddels vijftien Aardse jaren oud en haar handen zitten vol bloed. Ze is een monster dat nooit vrij had mogen komen van haar innerlijke beperkingen.
Yiannis Lampros is dood! Eindelijk dood!
Ook al is dat waarschijnlijk van korte duur.
Ze wil lachen. Ze wil huilen.
Het is nog niet voorbij.
Zelfs met de ondermijning van al zijn bronnen, de moorden op al zijn handlangers is dit niet voorbij. Yiannis maakte plannen voor de eeuwigheid.
Ze komt uit de trance, stapt uit de wagen. Bedienden hebben haar gezond gehouden, gevoed en verzorgd in de tijd waarin ze vrijwel in constante trance was, opgeslokt door de complexiteit van de taak die ze zichzelf ooit gegeven heeft. De lijken aan de voet van de heuvel, waarop het gebouw staat, zijn verwijderd door de Lloyds. Tot zes dagen geleden zat daar nog een regering. Maya heeft ze allemaal naar buiten gedreven. Recht in de armen van vier van haar Lloyds. Ze klimt omhoog over het harde pad van grof zandcement dat naar een zij-ingang leidt.
Het is zó vredig!
Een gedachte valt haar in: Werkelijk niets weerhoudt me om de nieuwe heerser van Mars te worden. Ik ben sterk genoeg om deze hele wereld aan mijn voeten te werpen. Ze slaakt een trieste, diepe zucht.
Het is genoeg geweest. Ik wil rúst.
Ze kijkt één maal omhoog. Het marmer van de bogen is zeldzaam groen en wit. Struiken in grote potten vormen een rij langs de rand van de grote trappen naar beneden. Slechts een deel van het gebouw ligt in puin. Binnen staan de portalen, die naar verschillende punten op Mars leiden. Ze is van plan om één daarvan te nemen naar een besloten plek die aan de andere kant van deze kleine planeet ligt.
Een Lloyd groet haar. Zijn gedachten springen speels rond, als een puppy. Hij knikt even vriendelijk, loopt dan door, onbewust wie ze is. Zijn idool, zijn godin heeft geen gezicht, geen stem.
Ze is een massamoordenaar en een lafaard. Ze heeft nooit geprobeerd om de oorlog tot staan te brengen, uit angst om gevonden te worden, uit angst dat ze daarmee teveel uitwegen zou creëren voor Yiannis Lampros. Ze is een profiteur en een egoïst van het ergste soort. Miljoenen hadden dezelfde behandelingen kunnen krijgen als zijzelf. Maar Maya deed niets, zodat ze in vrede kon herstellen. Die miljoenen zijn nu dood.
Haar voetstappen klinken eindeloos en hol op de stenen vloer van de lege zalen. Dan is ze in de transportzaal.
Yiannis Lampros was een parasiet.
Wie financierden de schepen waarmee we hier kwamen?
Waar kwam het geld vandaan voor deze terraforming?
Wie maakten de werkelijke schulden voor de faciliteiten van deze nieuwe wereld?
Yiannis Lampros was een parasiet.

De AI van de zaal zoekt contact met de computers in haar lichaam en vindt niets, omdat haar soort dat niet nodig heeft volgens de mensen die ze beneden de dood in heeft gedreven.
Ze draait zich om, steekt haar hand op naar de vrouw die de zaal binnenkomt.
‘Waar wil je naar toe?’ vraagt ze.
‘Lustoord zes,’ zegt Maya. Het spiegelende vlak van één van de poorten wordt dofzwart, dan diepzwart. Maya doet vier stappen naar voren, overbrugt met één stap meer dan achtduizend kilometer en loopt dan naar buiten.
Er is een boom waar ze nu al maanden van droomt met een hotel vlakbij dat nog steeds draait, zelfs nadat de leiding zichzelf een paar dagen geleden collectief verdronken heeft.

De derde dag begint met een prachtige zonsopgang. Een stevige, frisse wind ruist door de hartvormige bladeren en streelt haar wangen. Maya zakt weg in een diepe trance.
Geen angst meer. Kom tot jezelf.
Ergens binnenin haar sluimert het zaad van een gemeende vorm van vergeving. Een vorm van vergeving, die niet gevoed hoeft te worden door medelijden of zelfbedrog of valse liefde of voorgewende compassie, dat slechts vraagt om een diep en eerlijk en allesdoorbrekend en liefdevol begrip van zichzelf en de wereld rondom haar.
Ze is een monster.
Ze voedde zich negen maanden lang met haat.
Die tijd is nu voorbij.

De koperen oase : Mike Jansen

[VOORBEELD]

Verhaal: Mike Jansen.

Illustratie: 130509, Pastarnak

Een ruimtevaarder strandt op een planeet in een verre uithoek van het heelal. Hij wordt gered door een cowboy genaamd Mick. Maar de bewoonde wereld is niet wat hij op het eerste gezicht leek en ook Mick heeft misschien andere motieven dan verwacht.

 

(more…)