web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Genre » Slipstream

Genres

Category Archives: Slipstream

De aardappelen van Clingemans & Co : Ben Adriaanse

Daar zat ik, in de zolderkamer van het verder verduisterde huis, met in mijn hand een blikje AH Pils. Verveeld liet ik mijn oog over de webpagina glijden.

Account manager buitendienst (m/v).

Senior content manager (32u).

Af en toe klikte ik op een vacature, maar de functiebeschrijvingen deden me soms grommen. Dat was iets nieuws, dat ik zomaar gromde tegen dingen. Crisistijd zorgt nu eenmaal voor mensen die grommen, zich begraven onder hun dekbed en op straat tegen blikjes trappen. Het ene moment ben je een gewaardeerd afdelingshoofd bij een roemruchte drukkerij, het andere ben je voor elke vacature te oud, te beperkt opgeleid, te smal ontwikkeld of te afgelegen wonend, en spoelt met elke afwijzing een stukje van je ooit zo rotsvaste ego door de plee. Een andere kandidaat voldeed meer aan ons profiel, schreven ze, of van uw affiniteit met nieuwe media heeft u ons onvoldoende kunnen overtuigen.

Een jaar geleden stond de directeur voor mijn neus. Tja Edo, natuurlijk zijn we altijd erg tevreden over je geweest, maar je weet hoe dat gaat hè? Ja, dat wist ik. Mijn afdeling werd weggesaneerd en in zo’n geval ga je als kapitein met het schip de kelder in. Je krijgt een oprotpremie in je reet, een karige afscheidsborrel en daarna is het adios en tot nooit meer ziens. Dat ik privé net als een vaatdoek was uitgeknepen, was voor de heren en dames kennelijk een irrelevant detail.

Toen ik begon met solliciteren, vond ik zelden een functie een reactie waard. Tegenwoordig reageerde ik bijna op de helft.

Marketingmanager bij een uitgeverij. Toch weer boeken, even kijken. Affiniteit met de bladenmarkt – check. Stressbestendig – ach ja, check. Teamplayer – in godsnaam, ja. Ruime ervaring in soortgelijke marketingfuncties.

Volgende.

Junior administrateur. ‘Ben jij jong en gretig, sta je aan het begin van een glansrijke carrière in inbound dienstverlening en zoek jij dé functie die jou met grote stappen naar de top brengt?’

Laat maar.

Toen viel mijn oog op een advertentie van een onbekend bedrijf in mijn eigen woonplaats.

 

Bij Clingemans & Co BV is een vacature ontstaan voor een traffic controller die onze goederenverplaatsing naar het buitenland coördineert. Wij zoeken in de eerste plaats een betrouwbare medewerker, die tevens beschikt over een effectieve hands-onmentaliteit. Ervaring met logistiek werk is voor deze functie een pre. De honorering zal bestaan uit een maandelijkse vergoeding vanaf € 4.250,- bruto (1,0 fte) en aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden. Reacties kunt u richten aan Onno Vriens, vriens@clingemans.nl.

 

Een salaris van meer dan vierduizend euro was buitensporig hoog voor zo’n baan. Het zou dus wel sollicitaties regenen. Ik nam een slok bier en staarde uit het zolderraam. De buurman sjokte voorbij en keek verveeld toe hoe zijn teckel een achterpoot optilde. Hij – de buurman, niet de hond, of die eigenlijk ook – stond erbij alsof hij zijn bestaan wel best vond. Alsof het niet hinderde dat hij als afgestudeerd historicus artsen afbelde om ze softwarepakketten te slijten.

Ging het met mij ook die kant op? Kreten als ‘hands-onmentaliteit’ waren een paar maanden geleden voldoende om een vacature te verfrommelen en in de denkbeeldige prullenbak te smijten. Maar ik had na alle tegenslagen door dat ik niet aan de touwtjes trok in het sollicitatiecircus. Ik, Edo Kerstens, was niet één van die godvergeten winnaars die de baan konden kiezen die ze wilden en achteloos door dergelijke procedures fietsten. Nee, ik behoorde tot de kansloze meute die zich van bedrijf naar bedrijf sleepte en in de handen van in afschuwwekkende marketingkreten blatende managers de ene nederlaag na de andere moest incasseren. Het enige wat ik kon doen, was meelullen en roepen dat ik vanuit hands-on-perspectief de ideale man zou zijn, en ook nog de spin in het web als het moest. Proactief? U vraagt, wij draaien.

Om een lang verhaal kort te maken kwam het erop neer dat ik een uurtje later mijn cv en brief opstuurde naar Onno Vriens van Clingemans & Co BV. Drie dagen later werd ik, ietwat tot mijn verbazing, uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Van enig respect voor mijn agenda was geen sprake: het bericht vermeldde slechts dat ik woensdag 14 november om 11.30 uur werd verwacht op het hoofdkantoor.

 

*

 

14 november, 11.20 uur. Op de grijzige kubus stond geen naam of logo, maar het huisnummer was wel degelijk de Reactorweg 17-19 van de uitnodiging. Ik parkeerde mijn fiets in een verder lege stalling.

De lobby was uitgestorven. De receptie was onbemand, de muren kaal. Ik deed mijn jas uit en streek het kostuum glad. Bij een stalen wenteltrap stond een bordje met een pijl omhoog: Clingemans & Co. Een warm welkom, me dunkt. Het holle geklak van mijn schoenen op de treden verbrak op een onprettige manier de stilte. Boven kwam ik op een lange gang met alle muren, plafonds en deuren in dezelfde tint grijs. Dat krijg je bij mensen met een hands-onmentaliteit: die hebben geen boodschap aan kleurcomposities of schilderijen. ‘Hallo?’ vroeg ik. Mijn vraag echode door de gang, waar de geur het midden hield tussen stoffige vloerbedekking en goedkoop poetsmiddel, al lag er helemaal geen vloerbedekking.

‘Komt u maar hoor!’ klonk een olijke stem. Een hoofd en een hand staken uit een deuropening. Gezien zijn lege rechtermouw had de man maar één arm. Daarom stak ik mijn linkerhand uit, die de man gretig aanpakte, waarbij hij zich voorstelde als Onno Vriens.

‘Edo Kerstens,’ zei ik luid en duidelijk. Dat scheen de eerste indruk positief te beïnvloeden.

Aan een vergadertafel zat een tweede man, die een centimeter uit zijn stoel overeind kwam en een slap handje gaf. De man – een jaar of vijftig, diepe rimpels – mompelde iets onverstaanbaars, vermoedelijk zijn achternaam.

‘Onze onderdirecteur,’ verduidelijkte Vriens. ‘Allereerst bedankt voor uw komst, meneer Kerstens. Laat ik eerst over Clingemans & Co vertellen. Wij zijn – laat ik het zo zeggen – een bedrijf dat op de achtergrond opereert. Wij transporteren onze goederen naar heel Europa, en ook naar sommige plekken daarbuiten.’

‘Wat voor goederen?’

‘Daar kom ik zo op,’ zei Vriens, die vervolgens informeerde naar mijn achtergrond. Ik vertelde over de drukkerij, dat ik in de buurt woonde, enzovoort.

‘Ik hoor dat u gewend bent aan buitenlandse klanten. Dat komt mooi uit: die van ons bevinden zich bovengemiddeld in de Scandinavische landen. Ook Oostbloklanden als Armenië, Oekraïne en vooral Polen nemen onze goederen af.’

‘Welke goederen dan?’ probeerde ik nog eens.

‘Van alles,’ zei Vriens onmiddellijk. ‘U kunt het zo gek niet bedenken of wij verzenden het.’

‘Van alles,’ bevestigde de onderdirecteur. Het eerste wat hij zei sinds het brabbelen van zijn naam. Zijn verzonken ogen keken naar een punt schuin achter me, alsof hij op een vertraagd vliegtuig wachtte.

Ik begon nu toch wat moeilijk te kijken. ‘Kijk, ik heb jaren in het boekenvak gezeten. Ik ben iemand die zich hecht aan de spullen waarmee hij werkt. Vandaar dat ik me bij ‘goederen’ dus…’

‘Meneer Kerstens,’ onderbrak de onderdirecteur, ‘u bent van harte welkom om, als u straks thuis bent, de betekenis van het woord ‘goederen’ in het woordenboek op te zoeken.’

Ik werd me ervan bewust dat achter mijn rug een klok tikte. Mijn oog viel op een cactus in een veel te kleine pot. Voor het raam hing een verduisterend gordijn, zodat er nauwelijks daglicht naar binnen viel.

‘Aardappelen,’ zei Vriens ten slotte. ‘Wij verzenden vooral aardappelen. Naar al die landen. Dat maakt ons een groot aardappelexporteur.’

‘Aha,’ zei ik. ‘Welk soort aardappelen vervoeren jullie zoal? Roseval, Opperdoezen, iets kruimig van de Albert Heijn? Of vastkokend?’

Vriens keek schichtig naar de onderdirecteur, maar die gaf niet thuis. Wellicht waren ze niet voorbereid op deze inhoudelijke vraag. ‘Eh, van alles dus. Vooral, wel… Vastkokend.’

‘Vastkokend,’ herhaalde ik.

‘Bij Clingemans werken we op basis van vertrouwen,’ ging Vriens verder. ‘Daar wil ik u op voorbereiden. Het contract zal een clausule bevatten die verder gaat dan een gebruikelijke geheimhoudingsplicht. De hoogte van het salaris hangt daarmee samen. Kunnen wij wat dat betreft op u rekenen?

‘Welja,’ zei ik. Over mijn verleden als bestuurslid bij een vakbond besloot ik maar niet te reppen.

 

*

 

Om klokslag half negen liep ik het pand van Clingemans & Co binnen. Begeleid door Vriens gaf ik een aantal handjes (slappe en stevige) in steriel geordende kamers. Ook kwamen we langs een dossierkamer met archiefkasten. ‘Daar heb je niets te zoeken,’ merkte Vriens terloops op. Een beetje apart was het wel, al die vergrendelde opbergruimte voor een aardappeltransportbedrijf. Uiteindelijk kwamen we bij mijn werkplek. Een kil kantoortje met één bureau, een verduisterend gordijn en in de vensterbank andermaal een cactus.

In de lunchpauze liep Vriens met me naar de C1000. Hij kocht daar altijd een banaan. Soms nam hij een frikandelbroodje, want die waren vaak in de aanbieding.

‘Wat heb je daar eigenlijk?’ Vriens wees naar mijn hand die een broodzakje vasthield. Van mijn duim tot mijn pols liep een roodpaarse lijn, als een uit zijn voegen gebarsten ader.

‘Prikkeldraad. Jong geweest, weet je wel. Ik was nieuwsgierig wat er in die boerenschuur zat bij ons in de buurt. De heenweg over het hek lukte nog, terug ging het mis. Mijn broek bleef haken, ik probeerde me overeind te houden en toen…’ Ik maakte een gebaar van een wegglijdende hand. ‘Dit litteken is een mooi aandenken, nietwaar?’

‘Ach ja,’ zei Vriens droogjes, ‘mijn pols ziet er nog beroerder uit.’ Theatraal keek hij over zijn lege rechterschouder, en we schoten allebei in de lach.

‘Waar zijn die aardappelen nou eigenlijk?’ vroeg ik.

‘Die vertrekken vanuit ons depot aan de Kolenbranderweg in Haaksbergen. Een hermetisch afgesloten pand. Personeel van deze vestiging mag er niet komen.’

‘Hermetisch afgesloten? Om een stel piepers? Dat is toch…’

‘Infectiegevaar,’ onderbrak Vriens, die zijn olijkheid was verloren. ‘Je bent nieuwsgierig aangelegd, merk ik nu al. Blijkbaar ben jij iemand die over prikkeldraad klimt. Vergeet niet wat in je contract staat, Edo.’

Ik knikte.

‘Wat dat betreft ben je net je voorganger.’

‘Voorganger?’

‘Brongers. Ik heb nooit zo’n goede moppentapper meegemaakt. Iedereen noemde hem “de wijnvlek”.’

‘En die is vertrokken?’

‘Ineens. Van de ene dag op de andere. Ik probeerde hem op zijn mobiel te bellen, maar hij nam niet meer op. Raar geval.’

 

Er rolde weer een e-mail binnen. Ik pakte de Excel erbij en noteerde 250 containers voor Azerbeidzjan. Vervolgens vulde ik evenveel containers in op een bestelformulier en dat printte ik uit. Op het papier zette ik een stempel en een handtekening en ik legde het op een stapel. Het begon me te dagen waarom de inspiratie bij collega’s te wensen overliet.

Telefonisch deelde ik Azerbeidzjan mee dat een leverdatum onhaalbaar was. Dat was alles, dus al snel hingen we op. Toen ik me omdraaide, keek ik tegen de broekriem van de onderdirecteur, die twee centimeter van mijn bureaustoel stond.

‘Wij sluiten telefoongesprekken altijd af met “have a nice day”, denk daaraan. Het zijn van die kleine dingen, Kerstens.’

 

Vroeger rook onze voortuin weleens naar wijnsaus, en kieperde Meike binnen van die levende kreeftgevallen in de pan. Als dat vreselijke gepiep klonk, vluchtte ik naar boven. Dieren eten vind ik prima, maar met sommige dingen moet je wachten tot ze dood zijn. Dan mag je ze voor mijn part vierendelen, ontvellen, op gloeiende platen gooien, noem maar op.

Vandaag rook de voortuin niet naar wijnsaus. Het rook helemaal nergens naar, en binnen was het stil. Ik zette een magnetronmaaltijd in de, wel, in de magnetron. Stamppot andijvie voor de tv, hoera. Toen DWDD en het journaal voorbij waren, had ik ineens behoefte om het slaapkamertje op de eerste verdieping door te spitten. Daar waar het allemaal begonnen was, anderhalf jaar geleden.

Het kamertje was bedekt met een egaal laagje stof. Ik pakte wat albums uit een la en ging op het bed met de roze spijlen zitten. Nog steeds hing die rozengeur er, heel subtiel inmiddels. Sommige geuren vervagen net zo langzaam als herinneringen.

Daar stond ze, met die benige kinderschouders en die lange bruine haren. Met mij en Meike in de dierentuin, bij de giraffen, een glanzend truitje aan. Kraaiend van plezier bij de bavianen. Likkend aan een ijsje.

Waarom wilde ik dit zo graag zien, vanavond?

Foto na foto gleed door mijn vingers. Met vriendinnetjes een zandkasteel aan het bouwen. De weeksluiting van groep 4. Roos met boerenkool met worst op haar bord, haar lievelingseten. Als kleuter liep ze bij opa en oma door de moestuin. Kijk, had opa gezegd, daar groeit de boerenkool. Zij erheen, en ze bestudeerde de frommelige groene plantjes. Maar al snel keek ze moeilijk. Wat is er, vroeg opa. En Roos had gevraagd, een beetje beteuterd: waar is de rookworst nou? Opa had minutenlang gelachen, en toen we weggingen gaf hij Roos een dikke zoen op haar wang. Als ze nu naast me had gezeten, had ik hetzelfde gedaan. Ik zou haar vastpakken, omhelzen, fijn drukken, op haar voorhoofd kussen, door haar haren aaien, over haar wangetje kietelen, in haar oor blazen, neusje-neusje doen, babbelen over hoe leuk juf Marjan was en hoe stom meester Rens en waarom een dromedaris één bult heeft en een kameel twee. Maar ze zat niet naast me, dus ging dat allemaal niet door.

Het laatste album. Roos met een feesthoed op, bij een taart met acht kaarsjes. De laatste kaarsjes, wisten wij toen al, zij nog niet; avond aan avond lagen Meike en ik gearmd te snikken in bed. Foto’s in het ziekenhuis. Op de laatste bladzijden was ze kaal. Zo scherp als de foto’s waren, zo wazig werd haar blik.

‘Genoeg.’ Ik veegde de tranen uit mijn ooghoeken. ‘Morgenvroeg wachten de aardappelen weer.’

 

*

 

Netjes op de 24e van de maand werd een nettobedrag van 3.174 euro gestort. Wie weet zou er binnenkort naast de Mercedes van Vriens een Audi komen te staan, een A5 uiteraard, of uiteindelijk een Porsche Carrera als het even meezat. Die had ik al jaren op het oog, zoals je ook een reis naar Hawaï of een villa in ’t Gooi op het oog hebt. Ja, er verschenen nieuwe mogelijkheden op de radar dankzij dat gekke Clingemans & Co.

Altijd had ik eraan gehecht om mooie dingen te maken. Aan een fraai gedrukt boek wil je ruiken, je vingers over het papier laten glijden. Meedenken over de veredeling van een boekomslag, wikken en wegen over de kleurstelling tot de perfecte tint van de persen kwam, zodat de klant trots en tevreden naar buiten wandelde… Daar ging het om: werk doen dat ertoe deed, al ging het in het vakbondsbestuur telkens over geld en vakantiedagen. Nu ik bestellingen van weet-ik-veel-wat naar Timboektoe verstuurde en baantjes trok in geestdodende Excels, moest ik desondanks bekennen dat ik me in tijden niet zo nuttig had gevoeld. Alleen al het feit dat ik ’s ochtends een overhemd aandeed, dat überhaupt iemand zich interesseerde voor hoe ik eruitzag, deed mijn ego groeien. Waardoor ik me afvroeg: doet het soort werk er wel zoveel toe? Of gaat het erom dat je simpelweg bezig bent, voor iemand je bed uit komt, aan een opdracht voldoet?

Ik doe tenminste weer mee, hield ik mezelf voor.

Op een dag voerde ik de landcode van Polen in. Mijn reguliere contactpersoon daar, Ruslan, zat in Lubsko, een industriestadje nabij de Duitse grens. ‘Ed from Holland!’ riep hij, opgewekt als altijd.

We bespraken een afwijkende bestelling voor volgende week en een extra afleverdag vanwege de vorstaanval. Daarna besloot ik eens belangstellend te doen, in de wetenschap dat de onderdirecteur net vertrokken was. ‘En, nog tevreden over de kwaliteit van de aardappelen?’

Ruslan aarzelde; daarna proestte hij het uit. ‘Ah, natuurlijk, de aardappelen!’ riep hij.

‘Ja?’

‘Jullie Hollanders zijn aparte lui, Ed, dat moet gezegd. De aardappelen zien er net zo beroerd uit als anders.’ Weer bulderde hij van het lachen.

‘Wat bedoel je? Vervoeren we niet alleen aardappelen naar jullie?’

‘Gut,’ zei Ruslan. ‘Je bent nog nieuw, hè. Laat het zitten, schenk een glas Zhitomirska in en geniet ervan. Zo simpel is het.’

‘Kun je me toch een hint geven waarom ze er beroerd uitzien?’

‘Een kleine hint? Nee, over mijn lijk!’ De schaterlach van Ruslan knalde westwaarts mijn hoorn binnen, maar ook nu begreep ik niet wat er te lachen viel.

‘Laat maar.’ Met een hoofd vol vraagtekens hing ik op. Eén ding was me wel duidelijk: aardappelen, m’n reet.

 

De volgende dag nam ik vrij en vertrok ik ’s middags in mijn afgetrapte Suzuki – gewapend met pet, zonnebril en verrekijker – oostwaarts. Ik sloeg af bij Haaksbergen en belandde op een boerenlandweg met modderig gras aan weerszijden. Nergens een mens te bekennen, alleen grazende koeien en een blatend schaap. En een grote grijze barak.

De Kolenbranderweg.

Hier was dus dat veelbesproken – of verzwegen – depot. Ik drukte de pet over mijn voorhoofd en parkeerde bij de inrit. Half achter een bosje stond een camera, bij de barak stonden twee vrachtwagens. Eentje droeg prominent het geelzwarte logo van Clingemans, de andere was onbedrukt.

Een uur, twee uur gingen voorbij. Ergens in dat proces van verveeld afwachten moet ik ingedommeld zijn, want ik schrok op van een onbedrukte vrachtwagen die het terrein afreed. Het leek de laatste van de dag, want verder was het verlaten. Ik wachtte tot de wagen bijna uit zicht was en zette de achtervolging in. We belandden op de A1 en volgden die in westelijke richting tot we afbogen naar de A50, naar het noorden. Bij afrit 27 (Epe) ging bij de vrachtwagen de richtingaanwijzer aan.

Wat moest onze blanco Clingemanstruck in godsnaam in of nabij Epe? Of ging die vent gewoon naar zijn vrouw en kinderen? Na wat draaien en keren nam de vrachtwagen een inrit. Bij de inrit stond een bord.

 

Begraafplaats Norelbos

 

Ik zette mijn auto op de parkeerplaats. Het leek erop dat de chauffeur het terrein was opgegaan, want bij de truck was het donker. Even later scheen een zaklamp in mijn gezicht.

‘Goedenavond, meneer. U heeft een bijzondere plek uitgekozen om te pauzeren,’ zei een agent met een snor en een dikke nek.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Ik wilde even nadenken, op een rustige plek.’

Het antwoord leek de agent matig te bevallen. ‘Een rustige plek?’

‘Ja.’

‘Op een begraafplaats, ’s avonds laat?’

‘Ja.’

‘Het lijkt me beter dat u weggaat.’

‘Hij staat er toch ook?’ merkte ik op, en wees naar de vrachtwagen. ‘Mag die ook uitleg geven? Heeft u trouwens een idee wat die figuur daar doet?’

De man zuchtte en wroette in zijn oor. ‘Zoals u ziet heb ik een pet op. Dat betekent, en dat had u misschien al door, dat ik van de politie ben. Dat betekent ook dat ik hier de vragen stel.’

‘En bepaalt wie weg moet en wie lekker mag blijven staan.’

De agent bestudeerde en scande mijn id-kaart. ‘Een goedenavond, meneer Kerstens.’

Toen ik wegreed, keek de man me aandachtig na. En maar krabben aan zijn oor.

 

Uit de ene na de andere merkwaardige droom schrok ik wakker, mijn borst plakte tegen het laken. De hele nacht was ik vrachten aan het uitladen. Van alles zat erin. Speelgoedautootjes. Strooizout. Piepende kuikens. Allemaal even belachelijk, maar niet minder aannemelijk dan dat we in een wolk van mysterie eigenheimers naar Hongarije vervoerden.

‘Ik word er gek van,’ zei ik tegen het plafond, en reikte naast me onder het laken. Maar nergens vond mijn hand de vertrouwde heup van Meike.

De eerste maanden nadat ik mijn baan verloor ging het nog redelijk. Hoopvol ging ik op zoek naar werk en het verlies van Roos kreeg een plek. Maar toen kwamen de slobbertruien. Ik bleef in bed hangen, liet schijt aan de wc zitten. Zin om met mijn maten een biertje te drinken en sterke verhalen te vertellen had ik niet meer. In plaats daarvan sloot ik me op in huis en keek zoveel journaals en praatprogramma’s dat mijn brein week werd als een griesmeelpudding buiten de koelkast. Geen grap kon ik maken of er zat een cynisch randje omheen.

Uiteindelijk gebeurde het onvermijdelijke. In haar jas stond Meike tegenover me, in deze zelfde kamer, vlak nadat ik van ellende had liggen rukken.

‘Ik kan het niet meer,’ zei ze. En ik had alleen maar geknikt.

 

*

 

Op de vergadertafel waren foto’s uitgestald. ‘Deze zijn genomen bij ons depot in Haaksbergen,’ bromde de onderdirecteur.

Het waren wazige plaatjes, waarop soms nauwelijks iets te onderscheiden viel. Maar op de meeste was hetzelfde gezicht duidelijk herkenbaar, de zonnebril ten spijt.

‘Wat deed je daar?’

Hier kon ik geen smoes tegen bedenken. ‘Dat lijkt me duidelijk.’

‘Juist. En dit dan?’

De onderdirecteur liet een velletje met tekst zien. Ik wilde even nadenken, stond er halverwege, ’s avonds laat. Ja. Op een rustige plek.

‘Hoe komt u hieraan?’ vroeg ik verwonderd. Speelde de politie onder een hoedje met Clingemans? Waarom was dat lullige gesprekje op de begraafplaats een transcript waard?

De onderdirecteur veegde de foto’s zorgvuldig bij elkaar en stak ze in een envelop. Daarna ging hij tegenover me zitten. ‘Ik had vertrouwen in je, Kerstens. Onterecht, blijkt nu. Je bent zowat de nieuwsgierigste die we hebben gehad.’ Hij keek door het raam naar buiten, alsof hij daar alle nieuwsgierige lastposten uit zijn carrière voor zich zag. ‘Eigenlijk zou ik je eruit moeten gooien, maar ik hou ons personeelsbestand liever binnen de perken. Daarom ga ik je een voorstel doen dat je misschien verbaast.’

Hier verbaasde niets me meer.

‘Ik geef je een forse salarisverhoging. Duizend per maand erbij, met de aantekening dat ik geen fratsen meer wil zien. Nog één keer gesnuffel op de verkeerde plaatsen en je staat op straat.’

 

Een week na de preek van de onderdirecteur had ik wat overgewerkt; het pand was bijna uitgestorven. Terwijl ik de laatste tabbladen sloot, ging verderop een mobieltje af. Ik liep de gang door om mijn jas te halen en hoorde de officemanager met overslaande stem vloeken en tieren. Met driftige passen beende hij de dossierkamer uit.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘Ruit van mijn auto ingeslagen, godsamme! Navigatie weg, zei Vriens.’ En de man verdween om de hoek, richting de uitgang.

Ik schoot mijn jas aan en keek onwillekeurig de dossierkamer met de vergrendelde ladekasten in. Er viel me iets op. Deze keer was het niet de dossierkamer met de vergrendelde ladekasten. Er was er namelijk eentje niet alleen ontgrendeld, hij stond zelfs open. Ik keek om me heen. Weggerend voor een auto-inbraak of niet, zo’n onachtzaamheid was niets voor Clingemans & Co. Was dit soms een test? Stond de onderdirecteur klaar om me zijn bedrijf uit te schoppen zodra ik die ladekast met één poot aanraakte? Moest ik vanwege mijn nieuwsgierigheid straks van voren af aan beginnen, zonder Audi A5? Ik moest er niet aan denken, maar het was alsof ik de hand niet kon bedwingen die gretig naar de openstaande lade reikte. Het zou wel even duren voordat de officemanager zijn Tesla had geïnspecteerd.

 

De ladekast zat van voor naar achter volgestouwd met papierwerk. Ik schoof een willekeurig papier omhoog. Bovenaan stond ‘Pauwels’, gevolgd door allerlei persoonlijke informatie die me mijn wenkbrauwen deed fronsen. Die arme Pauwels kon kennelijk geen scheet laten of het was hier gedocumenteerd. Ik bladerde een aantal hangmappen terug en kwam langs Vriens en andere bekende en minder bekende achternamen. Tot ik… Ja hoor.

Kerstens.

Ik haalde diep adem. ‘Kerstens (1)’, daarin stond zo’n beetje mijn cv. Binnen ‘Kerstens (2)’ stond informatie over vakanties, mijn omzet op de vrijmarkt, verkeersboetes en andere totaal oninteressante dingen. Foto’s van Meike, en van Roos nota bene. Op de volgende pagina een opsomming die begon met:

 

HP Dual Core +19

DRIVE C [320 GB]

 

Daarna een lijst van meerdere pagina’s. Ik scande de vellen en las soms een paar regels.

 

C:\downloads\random\bonjovigreatesthits.rar [popmuziek] [illegaal]

C:\downloads\XX\Jenna_takes_it_big.wmv [erotiek] [illegaal]

C:\games\WofW3\walkthrough1.txt [onbepaald]

 

Tja. In ‘Kerstens (3)’ waren sommige passages groen gemarkeerd. Dat ik mijn prostitueebezoek in de maanden na Roos geheim wist te houden door valse vergaderingen in mijn agenda te zetten, en zeep in mijn tas deed om de condoomlucht uit mijn onderbroek te krijgen. Dat ik het een jaar volhield om niemand over Roos’ ziekte te vertellen, om meelijwekkende blikken bespaard te blijven. Dat stukje was zelfs donkergroen. Slechts één zinnetje was rood. Het ging over mijn vorige baan. Besprak vertrouwelijke gegevens over aanstaand ontslag Kees V. met Wessel de R.

Eén enkel smetje hadden ze gevonden. Ik kon hoerenlopen wat ik wilde, maar het enige wat ze interesseerde was of ik een geheimpje voor me kon houden. Betrouwbaar genoeg, dus? Hadden ze me daarom aangenomen?

Ik vond een rijk gevulde hangmap genaamd ‘Uit dienst getreden’. Het voorste dossier bevatte een bekende naam: J.C. Brongers. Mijn moppentappende voorganger, wist ik inmiddels. Ernaast stond een pasfoto van een man met een brede nek. Reepjes vettig haar liepen in verkleefde slierten over zijn schedel. Zijn ogen stonden merkwaardig ver uit elkaar. De wijnvlek boven zijn rechterwenkbrauw maakte duidelijk waar hij zijn bijnaam aan dankte. Enfin, een lelijke dikzak. Eronder stond:

 

BSN: 115912518

Datum uit dienst: 16-10-2014

Discretie-honorarium: € 1.250,- p.m.

Coördinator onderzoek: T.M. Gerritsen

 

Lekgeschiedenis:

  • kennis J. van Liempt (BSN 180873992)

Informatie over ontslagprocedure en honorarium

Gevolgen: geen

Consequenties betrokkene: waarschuwing + boete 1x maandelijks honorarium

 

– redactie dagblad de Volkskrant

Informatie over standplaats en bedrijfsfilosofie

Gevolgen: reportage over fabriek Polen, toegang geweigerd o.v.v. reguliere dekmantel; publicatie 17-02-2015, geen opvolging andere media

Consequenties: boete t.b.v. 6x maandelijks honorarium; lijfstraf

 

De tweede map had als label ‘Publiciteitsoverzicht’.

 

Warsaw Post

20-09-2012

Reportage over fabriek, link met begraafplaatsen n.a.v. ooggetuigenverslag

Toepassing dekmantel 3b

 

Conference for People’s Management in the 21st Century

Leipzig, Duitsland

13-02-2013

Toespraak C. Parczyk over loonbeleid Clingemans

Toepassing dekmantel 2a

 

Lubsko Gazeta

31-05-2014*

Reportage over nieuwe fabriek en gebrek aan werkgelegenheid na opening. Gesprekken met teleurgestelde bewoners

Toepassing dekmantel 7f

* N.B. publicatie geannuleerd na vergoeding ad. € 24.000

 

De laatste tab heette ‘Coördinatoren werknemers’. Tijdens het bladeren hoorde ik wat ritselen. Ik roerde onder in de hangmap en haalde een badge tevoorschijn. Er stond een volledig kale heer op een foto, ernaast stond Clingemans & Co BV Netherlands, T.M. Gerritsen, staff supervisor.

Met zijn korte neus en dicht opeenstaande ogen leek die vent wel wat op mij, als je tenminste die bos haar van mij wegdacht. Ik stak de badge in mijn broekzak, liet de lade openstaan zoals ik hem had aangetroffen en ging ervandoor.

 

Onderweg naar huis realiseerde ik me hoe nauwkeurig die idioten van Clingemans de boel natrokken. Detective-surfwerk op mijn studeerkamer was dus geen optie. Wat dan? Het fenomeen internetcafé was even snel uitgestorven als het ooit opkwam. Maar het was koopavond en gelukkig was er nog de bieb.

Met een wifi-code voor een uur (contant betaald, voor de zekerheid) ging ik naar www.volkskrant.nl en typte als zoekwoord ‘Clingemans’. Inderdaad stuitte ik op een reportage van maart 2013.

 

 

‘Transportbedrijf’ houdt werknemers op afstand

Door Geerlof de Mooij

 

Een sfeerloos bedrijfspand op industrieterrein Lageweide te Utrecht herbergt een betrekkelijk onbekende speler in de Nederlandse transportsector, genaamd Clingemans & Co BV. Het bedrijf doet voornamelijk zaken met Oost-Europa en zegt zich te focussen op aardappelvervoer.

[…]

Een transportbedrijf haalt zelden de pagina’s van de Volkskrant, maar de strategie van Clingemans & Co is typerend voor wat de ‘anonimisering van diensten’ wordt genoemd. Hierbij werkt het merendeel van het personeel vanaf een kantoor dat op soms grote afstand van de fabriek of het logistiek centrum is gelegen. Opmerkelijk is dat Clingemans & Co – behalve dat er overwegend aardappelen worden getransporteerd – aan haar medewerkers niets loslaat over de aard van het vervoer, zo vertelde een anonieme ex-werknemer aan deze krant.

Het bedrijf wilde aanvankelijk niet reageren, maar na enig aandringen ging het bestuur op haar opmerkelijke strategie in. “Vertrouwelijkheid is een groot goed voor ons,” verklaart algemeen directeur Peter van Gendt. “Daar hoort bij dat onze werknemers van zo min mogelijk zaken op de hoogte zijn.”

[…]

Hoogleraar arbeidspsychologie Armand Vereykeren (UvA) zet stevige vraagtekens bij de manier waarop het bedrijf haar werknemers letterlijk én figuurlijk op afstand laat. “Cruciaal voor het arbeidsethos van personeel is enige binding met de bedrijfsvoering en het geleverde product,” legt Vereykeren uit. “Er wordt gesteld dat werknemers van zo min mogelijk zaken op de hoogte zijn, omdat dat niet nodig is. Wel, strikt genomen is een kerstpakket ook niet ‘nodig’, maar het levert een niet te onderschatten bijdrage aan de goodwill en loyaliteit van het personeel. Iedereen die weleens een cadeautje of bonus krijgt, zal dat kunnen beamen.”

Dat Clingemans & Co op een andere manier voor goodwill en loyaliteit wil zorgen, wijst een inspectie van de loonstrookjes uit. De anonieme bron, die naar eigen zeggen een eenvoudige functie in de binnendienst bekleedde, verdiende omstreeks zestigduizend euro bruto per jaar. Vereykeren: “Het roept weinig enthousiasme op als een werkgever met geld smijt om misstanden in de arbeidsomstandigheden te verbloemen. Dergelijke bedrijven kunnen op matige sympathie van de buitenwereld rekenen, en uiteindelijk ook van de werknemers zelf.”

Een financiële compensatie voor overmatig ‘klantgericht’ handelen wordt door de groeiende nadruk op dienstverlening steeds meer gemeengoed. Vereykeren signaleert dat ook multinationals in toenemende frequentie voor deze strategie kiezen.

[…]

 

Wat ik vandaag had gezien, was haast te veel om te bevatten. Het volgen van ex-werknemers en het aanbieden van zwijgpremies? Boetes en lijfstraffen? Een regionaal krantje omkopen dat zich in de goederen had verdiept? Ook de Warsaw Post had de link met de begraafplaatsen gelegd. Blijkbaar was het uitstapje in Epe geen incident. En die anonieme bron, dat was dus Brongers toen hij er nog werkte.

Sowieso had ik nu meer dan niet-onderbouwde verdenkingen. Maar halverwege mijn besluit om de politie te bellen aarzelde ik, terugdenkend aan de begraafplaats in Ede. Wat had ik aan het korps als het blijkbaar onder één hoedje speelde met Clingemans? Met mijn aangifte zou ik alleen maar prijsgeven hoe ver ik gekomen was. Ik besloot alles te laten bezinken en toen ik de straat in fietste, sloeg ik nauwelijks acht op de zwarte Renault die schuin voor mijn huis stond.

 

De volgende dag ging ik gewoon naar kantoor. Hoe normaler ik me gedroeg, hoe beter. Tegen de lunchpauze had ik Ruslan aan de lijn. Hij was terug van vakantie en had de taken teruggepakt van zijn zwijgzame collega Lesiu. Leveringsplanning, uitloop vanwege de feestdagen; nauwelijks de moeite waard om te vermelden, maar het gesprek zelf was dat wel.

‘Alles duidelijk,’ zei Ruslan, die onrustig klonk.

’Ik hoop dat je weer tevreden bent met jeweetwel,’ zei ik in mijn beste Engels.

‘Zeker. Kerel, luister. Ik ken je nu een beetje en begrijp wat je bezighoudt. Geloof me, ik heb hetzelfde als jij, precies hetzelfde. Ik weet iets meer en dat kan nóg meer worden, met jouw hulp. Ik heb het over adresjes voor Zhitomirska, je weet wel hè, je weet wel hè?’

‘Ja.’ Geheimtaal, dat begreep ik. Hij had vast ook zo’n onderdirecteur over de afdeling lopen.

‘Oké, luister goed, hoorn tegen je oor.’ En toen, heel zacht fluisterend: ‘Kom hierheen naar de fabriek zodra je kunt vraag naar mij ik leid je rond hier gebeurt het heb een list geheim jij en ik we ontmaskeren alles.’

Tot dit moment was het een doodsaaie werkdag, maar ineens klopte mijn hart in mijn keel. ‘Gehoord,’ zei ik, ‘de vracht komt zo snel mogelijk. Wordt op jouw naam bezorgd.’

‘Als je komt stuur me dag ervoor e-mail met alleen punt erin ik regel alles.’

‘In orde. Ik heb nu al zin in zo’n glaasje.’

‘Oké.’ En Ruslan hing op.

 

Wederom in de bieb besloot ik een telefoontje te plegen. Liever de media benaderen dan mijn lot in handen van Ruslan leggen; wie weet was dat ook een val. Googelen leverde een telefoonnummer van de Volkskrant-klantenservice op. Ik vertelde dat ik belangrijk nieuws had en dat per direct aan de redactie door wilde geven. De dame wilde wel een boodschap noteren.

‘Doe dat dan maar,’ zei ik. ‘Het is als volgt, ik werk bij de firma Clingem…’

Er klonk een krakkend geluid.

‘Hallo?’

Verbroken. Ik belde het nummer nog eens en kreeg dezelfde dame aan de lijn. Ik vroeg of ze problemen hadden met de verbinding.

‘Ik dacht dat er bij u een storing was,’ zei de dame.

‘Hoe dan ook, schrijf maar meteen mee. Ik heb laatst iets vreemds ontdekt, in een ladek…’

Weer die krak, en weer was de lijn dood.

Peinzend keek ik om me heen. IJverig werkende mensen aan computers, boekenwurmen die met hun neus in langgerekte boekenkasten hun kennis van het alfabet testten. Twee keer op een cruciaal moment de lijn verbroken, dat kon geen toeval zijn. Hadden ze me ook hier in de gaten?

Eenmaal in mijn straat, het werd al donker, was daar andermaal het silhouet van de zwarte Renault. En verrek, toen ik beter keek zag ik iemand achter het stuur zitten. Op een drafje verdween ik mijn huis in.

Op de studeerkamer surfte ik naar Sunweb.nl en Youporn.com. Gewoon, om geen argwaan te wekken. Intussen hoorde ik buiten iemand rennen. Een auto startte en schoot met piepende banden weg. Ik liep naar het raam en zag dat de Renault verdwenen was.

Beneden lag een envelop op de mat. Mijn naam stond erop, maar geen postzegel. Ik stormde terug naar boven en ging hijgend achter mijn bureau zitten. Aandachtig bekeek ik de envelop. Aan de voorzijde stond in bibberig handschrift ‘E. Kerstens’. Op de achterkant stond HEMA, verder niets. Ik ritste de envelop open; er zat een verfrommeld briefje in, met daarop hetzelfde handschrift. Geluidloos prevelde ik wat er stond.

 

 

Ze komen voor je, morgenochtend vroeg. Doe iets. Jij bent onze hoop.

L.F.

 

Een tijdlang staarde ik naar het briefje en naar mijn muismat met Mickey Mouse erop. Hijgend dacht ik na. Wie was in godsnaam L.F.? Waarom wilde hij me helpen? En bovenal: wie kwam mij morgenvroeg halen?

Daarop wachten was uitgesloten. Ik moest snel handelen, anders zou ik vast in het niets verdwijnen, net als Brongers; een gedachte die me deed rillen van angst. Zo vormde zich in mijn hoofd een plan. Ik logde in op mijn werkmail en stuurde Ruslan een e-mail met alleen een punt erin. Uit mijn bureaula pakte ik de badge van T.M. Gerritsen en keek aandachtig naar de pasfoto. Vervolgens liep ik naar de badkamer. Ik legde de badge bij de spiegel en pakte mijn scheermes.

 

*

 

Terwijl mijn ogen steeds verder dichtvielen, reed ik over ruw aanvoelend asfalt en onder groene autobruggen door. De navigatie leidde me voorbij Czarnowice en Starosiedle en een kwartiertje later was ik er. Lubsko. Godzijdank, ik kon geen snelweg meer zien.

Stiekem was ik vanmorgen via de brandpoort naar de auto geslopen, gewapend met liters koffie en boterhammen met pindakaas en grillworst. Al rijdend zocht ik in de binnenspiegel tevergeefs naar de Renault of een andere auto die opvallend lang in mijn buurt bleef. Het enige wat me opviel, was de aanblik van een skinhead op de plaats waar ik moest zijn. Als een nieuw zenuwtrekje aaide ik af en toe over mijn kale schedel. Mijn litteken liep paarser aan dan normaal en jeukte vreselijk; af en toe likte ik erover, dat verdoofde de boel.

Stapvoets naderde ik het hek met huisnummer 8. Daarachter doemde een donkergrijs betonblok op. Aan de voorkant een kantoor, erachter een cilindervormig gevaarte van minstens twee hectare groot. Nergens een bedrijfsnaam, maar de passerende vrachtwagen met het Clingemanslogo vertelde genoeg.

Ruslan, daar ben ik dan.

Ergens had ik verwacht dat het pand hermetisch van de buitenwereld afgesloten zou zijn. Maar het hek was open, Jan en alleman liep naar binnen en buiten, nergens camera’s te zien. Wilden ze opzettelijk nonchalance uitstralen? De drempel om naar binnen te wandelen was niet al te hoog. En ook al bleef ik in de auto, gevaar liep ik toch wel. Aan de andere kant realiseerde ik me dat één voet binnen dit gebouw consequenties zou hebben. In mijn gedachten verscheen het hoofd van Vriens, die zei: misschien ben je al een keer te veel over prikkeldraad geklommen.

 

Zoemend zwaaide de deur open. Op een videoscherm zag ik mezelf naar binnen stappen. De receptioniste droeg een donkere zonnebril en een nauwsluitende jurk tot aan haar hals; verder had ze een lichtbruine muts op. Haar gezicht was opzichtig gepoederd.

‘Good afternoon,’ zei ik.

‘Good day, sir,’ zei de vrouw op vlakke toon, met een streng Slavisch accent. ‘Heeft u een afspraak?’

Daar had ik me op voorbereid. ‘Niet echt. Ik ben T.M. Gerritsen van het kantoor in Nederland. Uw medewerker Ruslan Janko vertelde me dat ik welkom was voor een rondleiding. Ik was in de buurt, dus ik dacht…’

De vrouw keek op een scherm. ‘Janko is ziek,’ zei ze.

Ziek? Dat kon ze godverdomme niet menen. ‘Weet u het zeker? Kunt u nog eens kijken?’

Er werd een telefoon gepakt en gebeld. ‘Sinds gisteren al. Niet op zijn plek.’

Wat een ramp. Hoe kon die eikel uitgerekend vandaag boven de toiletpot hangen? En had hij, nu hij wist dat ik misschien zou komen, niet eens zijn mail gecheckt om te kijken of ik de geheime aankondiging had verstuurd? Hoe dan ook had ik het verknald: bij terugkomst zouden ze weten dat ik hier was geweest. Er zat dus maar één ding op. ‘Zijn collega ken ik ook. Lesiu Abratkiewicz. Kan ik die spreken?’

De vrouw pakte weer de telefoon. En daarna: ‘Abratkiewicz haalt u zo op.’

Mijn relatie met Lesiu was niet al te hecht; hij zat altijd een beetje afstandelijk te brommen aan de telefoon, heel anders dan Ruslan. Wat een pech, zei ik onophoudelijk tegen mezelf. Wat een godvergeten pech.

Een paar minuten later kwam een moddervette kerel op me af. Hij droeg een vaalwitte coltrui en dezelfde lichtbruine muts tot over zijn oren. Eveneens droeg hij een zonnebril. In de mode hier, kennelijk.

‘Lesiu? Ik ben je contactpersoon in Nederland,’ zei ik in het Engels. Terwijl hij me weifelend de hand schudde, merkte ik iets van herkenning.

‘Ben jij niet Edo, de man van de telefoon? Ik hoor het aan je stem.’

Scherp, en ook hierop had ik me voorbereid. ‘Dat klopt. Uit veiligheidsoverwegingen gebruiken we fictieve namen op kantoor. Mijn echte naam is Gerritsen.’

 

Lesiu stapte een kantoortje binnen. ‘Van hieruit voer ik onze telefoongesprekken. Tegenover me zit Ruslan, maar die is ziek. Hij rapporteert elke ochtend om 9.00 uur over de geloste vrachten en voert meestal de gesprekken met het buitenland. Die informatie verwerk ik in mijn Excelbestand, met de data op de verticale as en de frequentie en omvang van de leveringen op de horizontale. Overzichten van meer dan een maand oud verplaats ik naar de archiefmap.’

Om eerlijk te zijn interesseerden Lesiu’s werkplek en zijn routine me geen reet, maar het was van belang wat krediet te verdienen. Ik bestudeerde het bureau van Ruslan, maar noch de pennenbak, noch het vetplantje kon me vertellen wat het plan was waarover hij het had. Lesiu brabbelde al klikkend verder over zijn omzetstatistieken, draaitabellen enzovoort, zodat het tijd werd voor de klassieke vluchtmethode. ‘Sorry dat ik je onderbreek. Waar is het toilet?’

Terwijl een paar donkergele druppels in het urinoir verdwenen, drong het kansloze van de missie tot me door. Zonder Ruslan en zonder plan in een vreemd gebouw. Maar opgeven had al helemaal geen zin. Daarom voegde ik me weer bij Lesiu. ‘Misschien kun je me door de fabriek rondleiden, nu ik er toch ben?’

Lesiu knikte bedachtzaam. ‘Als je wilt.’

Achter het uitzwenkende achterwerk van Lesiu liep ik enkele afdelingen over. Bureaus en mensen achter pc’s met zonnebrillen en mutsen op, dat was het wel zo’n beetje. We passeerden een dikke deur zonder raampje, met ernaast een ingewikkeld beveiligingssysteem. ‘Dit leidt naar de grote zaal,’ zei hij. ‘Daarheen mag ik je niet meenemen. Zelf ben ik ook nooit binnen geweest. Streng verboden.’

De gangen en zalen leken om de cilindervormige hal gebouwd, want we bleven langs de rand van het complex bewegen. In de kille aankomsthal zette een vrachtwagen net zijn motor af en werd een container zonder naden en met een ingewikkeld vergrendelmechanisme gelost. Het leek wel een kluis. In dikke letters stond erop:

 

Clingemans & Co BV

Handle with care

 

‘De containers worden het gebouw in vervoerd,’ zei Lesiu. ‘En uit die fabriekshal komen weer andere containers.’

‘Bespreken jij en Ruslan weleens wat erin zit?’

‘Dat doet niet ter zake.’

Wat Ruslan ook van plan was, Lesiu zat zeker niet in het complot. Wat er feitelijk gebeurde, wisten alleen de mensen die daarbinnen werkten. Maar wie waren dat? In het stadskrantje had gestaan dat de fabriek nauwelijks werkgelegenheid bood.

We liepen terug. Stiekem had ik gehoopt dat Ruslan ineens toch voor onze neus stond, maar die knakker was blijkbaar echt ziek. Zo direct werd ik de deur uitgezet en er kwam geen tweede kans. Hier en daar was aan de rechterzijde zo’n zware deur als in het begin. Intussen begon Lesiu harder te lopen, voor zover zijn lijf hem zo snel kon dragen. Vast weer met zijn hoofd bij zijn draaitabellen. Weer een deur naar de grote hal, een van de laatste.

Daar gebeurde het. Maar wat in godsnaam?

Ik voelde iets vochtigs aan mijn zij en in mijn oksel. Doorweekt. ‘Het is een flink complex, hè?’ zei ik om tijd te winnen.

‘Zeker,’ zei Lesiu, die niet opkeek, stokte of wat dan ook. Hij waggelde alleen maar stug voor me uit. In de verte verscheen de lift die naar de uitgang leidde.

Ik stond op het punt in te zien dat mijn missie mislukt was, tot die zeldzame kans kwam. En als ik iets had geleerd in het jaar dat ik me van vacaturesite naar vacaturesite sleepte, was het dat ik elke kans, hoe klein ook, moest aanpakken alsof het de enige en cruciale was. Daarom was ik onmiddellijk alert toen een van de massieve deuren zoemend openging. Een man in een hoogsluitende witte jas kwam naar buiten. Lesiu zei iets als ‘sjen dobbere’ en de man zei hetzelfde terug.

Het ging te snel om te zeggen dat ik een besluit nam, of dat er enige afweging zat in wat ik deed. Daarachter was de fabriek, daar ging deze deur naartoe, en die deur was nu open. Heel even. Ik schoot naar voren, gaf de man in de witte jas een beuk en wurmde me door de deur. Terwijl de beide mannen schreeuwden, stormde ik een gang in en klonk een doffe dreun. De deur was dichtgevallen.

De gang was een meter of dertig lang, grijs tot aan het einde. Rechtsachter zat weer een deur. Toen ik daar aankwam, hoorde ik gezoem achter me. Onder luide Poolse kreten rende de man in de witte jas op me af, gevolgd door Lesiu. In elke andere situatie had ik in een scheur gelegen om de Excelneuroot die met zijn blubberbuik door de gang denderde, de zonnebril balancerend op zijn neusvleugels, maar nu had ik alleen oog voor deze tweede deur. Die zag er minder stevig uit dan de eerste en bestond deels uit ondoorzichtig glas. Ik pakte de deurknop, maar die kwam natuurlijk niet in beweging. Naast de deur hing weer een kaartlezer.

Ik stampte met mijn voet tegen het glas en er klonk een klap, maar verder geen resultaat. De witte jas was me tot een meter of tien genaderd. Weer stampte ik ertegen en nu ontstond een sterretje in de ruit. Nog eens, de ster breidde zich uit tot een scheur. Ik wierp mijn gewicht tegen het glas en een deel ervan viel rinkelend naar beneden. Voordat ik nog eens mijn schouders kon inzetten en me realiseerde wat voor enorme herrie achter de deur vandaan kwam, stortte de witte gestalte zich met een snoekduik op me. Over elkaar heen buitelden we op de grond, waarbij ik mijn hoofd tegen de zijmuur stootte.

Voordat ik in deze onwerkelijke arena was opgekrabbeld, kreeg ik een harde schop in mijn zij. Ik kreunde en sloeg hard om me heen. Mijn vuist raakte iets en toen ik opkeek, zag ik de witte man ineenzakken. Intussen was ook Lesiu ter plaatse. Voordat hij iets kon ondernemen, stompte ik Lesiu hard in zijn maag, die verrassend stekelig aanvoelde. De dikzak hapte naar adem. Ik verzamelde nog één keer al mijn krachten en stortte me op het half gebroken glas. In een mengeling van gekraak en gerinkel en terwijl glassplinters zich in mijn arm boorden, stootte ik door de ruit en de deur. Ik struikelde, viel bijna, maar keek onmiddellijk de zaal in waarin ik was binnengekomen.

 

*

 

Het eerste wat ik voelde toen ik wakker werd, was een dreunende koppijn en een beurse heup. Ik bevond me in een leeg kamertje en lag op drie uitgespreide handdoeken. Tussen de pijnscheuten door vroeg ik me af of ik merkwaardig had gedroomd. Maar wat deed die buil als een tennisbal dan op mijn achterhoofd? Mijn handen zaten onder de pleisters.

De deur ging open en een onbekend hoofd keek om de hoek. ‘You are awake?’ vroeg de man.

Vermoedelijk een retorische vraag. De man bracht me naar een soortement vergaderzaal en ging tegenover me zitten. ‘Goedemorgen, meneer Gerritsen. Of meneer Kerstens, beter gezegd. Vervelend dat het zo is gelopen. Onze man uit Nederland is onderweg en voegt zich zo bij ons.’

‘Onze man uit Nederland?’ vroeg ik.

‘Voordat we inhoudelijke zaken gaan bespreken het volgende. Kunt u mij vertellen wat het laatste is dat u zich kunt herinneren voordat u helaas het bewustzijn verloor?’

De man probeerde ontspannen te kijken, maar het zakje melkpoeder dat hij tussen zijn vingers fijnkneep vertelde een ander verhaal.

‘Het laatste, nou even denken,’ en ik deed alsof ik in mijn geheugen moest graven. ‘Het allerlaatste. Nou, dat moeten die heren en dames geweest zijn die truien zaten te stikken. Ze zagen wat bleekjes en konden een bezoekje aan de oogarts gebruiken. Misschien ook wat huidziekten hier en daar?’

‘Juist ja.’ De man keek een beetje droevig. ‘Dan weet ik voor nu genoeg. Uw contactpersoon komt zo.’ Hij stond op en verdween.

Even later kwam een amicale gestalte in een smetteloos grijs kostuum om de hoek. ‘Aha! Daar hebben we meneer Kerstens!’ zei hij opgewekt, zijn hand uitstekend. ‘Peter van Gendt, algemeen directeur van Clingemans & Co.’

Dit ging me ineens heel snel. De algemeen directeur was naar Lubsko gescheurd om mij een hand te komen geven?

‘Mijn complimenten voor uw… vasthoudendheid,’ ging Van Gendt verder. ‘Kunt u voor mijn beeldvorming beschrijven wat u gezien hebt, daarbinnen?’

‘De rondleiding duurde maar een paar seconden, helaas.’

‘Genoeg om een en ander te zien.’

Ik knikte en haalde diep adem. ‘Het was een gigantische zaal, ruimschoots de grootte van een voetbalveld, met enorme bouwlampen aan het plafond. De muren waren van beton, met hier en daar donkere vlekken en nergens ramen.’

‘U heeft oog voor detail, meneer Kerstens. Chapeau.’

‘Maar het was niet zozeer de ruimte waar mijn oog op viel. Dat het er zwart zag van de mensen zou een understatement zijn. Overal waren heren en dames in de weer met etenswaren, spijkerbroeken, handdoeken, noem maar op. Ze oogden onverzorgd, slonzig, een beetje… eng. Ze hadden een blauwige zweem over hun huid. Hun gezichten sloegen rood en zwart uit, hun kleren waren vies en besmeurd. Vrijwel iedereen stond voorovergebogen, liep scheef. Hun haar was verkleefd en vet. En toen ik beter keek naar de gezichten die schaapachtig mijn kant op keken…’

‘Ja?’ Van Gendt oogde een beetje ongeduldig. Hij was niet voor niets directeur, die hebben altijd haast.

‘De ogen die me aankeken – waren leeg, doods. Star en bloeddoorlopen. Monden met kleurloze lippen, nekken met donkere zweren. Dat alles in die godsgruwelijke herrie. Getimmer, gepraat, getik, geruis. Een alarm dat was aangegaan. En een allesoverheersende geur van rotting, mijn gft-bak is er niets bij. Dat zag, hoorde en rook ik allemaal in die paar seconden. Toen voelde ik een klap tegen mijn achterhoofd en werd alles zwart.’

‘Boeiend verhaal.’

‘Als u het wilt zien, kunt u ook zelf een kijkje nemen. Het is hier vlakbij.’

Van Gendt grinnikte. Een vervelend strategisch grinnikje. ‘Neemt u van mij aan dat ik uitstekend op de hoogte ben van wat hier gebeurt. U nu ook. Dat maakt de situatie interessant. Want wat gaat u doen als u straks naar buiten loopt?’

Ik tikte met mijn vingers op tafel. ‘Nou, een ritje naar huis, dan de krant lezen. Stukje Nieuwsuur, vaatwasser uitruimen en het bed in. Morgen vroeg op, naar kantoor, en na het werk boodschappen doen.’

‘Precies. Dat gaat u dus niet doen. U gaat naar de pers, heeft een sterk verhaal voor familie en vrienden en binnen de kortste keren staat hier een menigte met camera’s en microfoons voor de deur.’ Van Gendt pakte de koffiekan en schonk zichzelf in. ‘Daarom doe ik u een voorstel. Een eenmalige premie, in ruil voor de vertrouwelijkheid van hetgeen hier…’

‘Zwijggeld.’

‘Dat klinkt wat cru. Maar als u wilt, kunnen we het beestje die naam geven. De propositie is als volgt. U rept de rest van uw leven met geen woord over wat u hier heeft gezien. Niet tegen de pers, niet tegen vrienden, toekomstige collega’s, familie, uw vrouw, zelfs niet tegen uw huisdier. Een van onze coördinatoren zal hierop toezien. U zult ons nooit meer benaderen of zien. Laat ik u eens vragen: is er iets kostbaars dat u al lange tijd wilt kopen? Iets waar u van droomt?’

Na even nadenken zei ik: ‘Een Porsche Carrera.’

‘Uitstekend. Met de premie kunt u vijf Carrera’s kopen. Nieuw, met 20-inch velgen, panoramadak en ledverlichting uiteraard. Verder wil ik u wijzen op de nieuwe Porsche 911 Turboreeks met een vermogen van een slordige 520 pk. Daarmee haalt u mij misschien eens in op de Autobahn. Kunt u er vier van kopen, meen ik.’

Van Gendt nam een slok. Hij slurpte. Dat rijmde niet, dit soort monologen afsteken en dan zitten slurpen aan je koffie.

‘Even concreet: wij geven u toegang tot een bankrekening met een bedrag van een vijf met vijf nullen erachter. Hiervan is per jaar vijftigduizend op te nemen. Mocht u de afspraken breken, dan sluiten wij de toegang af. Alleszins redelijk, nietwaar? Wij vertrouwen erop dat u dit beschouwt als een passende compensatie.’

Met een kalme blik verliet Van Gendt de vergaderzaal. Daar zou hij wel directeur voor zijn. Directeurs moeten vaker functioneringsgesprekken voeren, dit was routine voor die kerel. Intussen bedacht ik me hoe die vijf en vooral die vijf nullen mijn leven een zet gingen geven. Ik zag duizend groene briefjes van vijfhonderd voor me liggen, uitgespreid over de grond. Ik zou erin kunnen zwemmen, net als Dagobert Duck, en handenvol biljetten langs mijn gezicht laten dwarrelen. Maar ik moest weten wat hier gebeurde.

De directeur kwam binnen. ‘En, weet u het al?’

‘Ik twijfel.’

‘Een verdere verhoging van de premie wordt lastig, meneer Kerstens.’

Allemachtig, die fixatie op geld. Zag hij me aan voor een lezer van het Financieele Dagblad? ‘Ik wil zien en weten wat dat was. Pas dan weet ik of ik je zak geld kan aanpakken.’

Van Gendt liet een snerpend lachje horen. ‘Dit hele gesprek is erop gericht u juist te laten vergeten wat er daarnet…’

‘Een keer moet de eerste keer zijn. Anders kun je de pot op met je premie.’

‘Uw onderhandelingspositie is niet bijster sterk, meneer Kerstens. U bent een doorzetter, dat bevalt me wel, maar helaas houdt het hier dan op.’

‘Nee,’ zei ik uitdagend. ‘Je hoopt dat ik akkoord ga.’

Van Gendt keek me vijandig aan. Toen zakte hij terug in zijn stoel.

‘Je zult me wel net zo lastig vinden als Brongers,’ zei ik.

‘Wie?’

‘Brongers. Die kerel die gelekt heeft. De wijnvlek.’

‘O, die. Vervelende zaak. Zelfs daar weet u van. Ontzettend koppige vent, om niet te zeggen moraalridder. Wilde in niets meewerken.’

‘Een man naar mijn hart. Waar is hij eigenlijk?’

‘Overgebracht naar een veilige plek. Ik kan daar verder niets over zeggen, ook in zijn belang. Snapt u dat?’

‘Nee,’ zei ik resoluut. ‘Als je me ervan kunt overtuigen dat dit stinkende zaakje moet blijven bestaan, werk ik mee. Anders kun je opzouten met je half miljoen. Of ben je zo’n gewetenloze klootzak dat je ook mij ineens laat verdwijnen?’

Van Gendt roerde onophoudelijk in zijn koffie, ook al was die allang koud. Toen keek hij me aan en zuchtte.

 

*

 

Van Gendt leidde me door weer zo’n ingewikkeld vergrendelde deur naar een lege zaal en drukte op een rode knop aan de muur.

‘Blijf staan waar u staat,’ zei hij.

Het middenstuk van de vloer schoof dreunend opzij en onthulde een doorzichtige glasplaat.

Voilà,’ zei Van Gendt, die een stuk meer geïnspireerd overkwam dan net, zoals de buurman die je op zijn gerenoveerde zolder rondleidt. Uit een luikje pakte hij twee verrekijkers en gaf er een aan mij. ‘Daar is uw stinkende zaakje. De grote lampen had u gezien. Aan sfeervolle verlichting hebben deze mensen minder boodschap.’

Twee mannen met kruiwagens vol kleding liepen voorbij. Hun vel was blauw, hun blote armen en nek vol zwarte vlekken. Verderop nog meer tweetallen met kruiwagens, allen met dezelfde houterige motoriek. Ze droegen kostuums, overhemden, basketbalshirts, vrijetijdskleding, uniformen.

‘Machines nemen de mens steeds meer werk uit handen. Grasmaaien, bonen doppen, de afwas, post sorteren, noem maar op. Dan zijn er de taken die zo veel inzicht, creativiteit of interpersoonlijk contact vergen dat mensen ze blijven uitvoeren: vormgeving, management, hypotheekgesprekken, hoewel over dat laatste de meningen verschillen. Daartussen zit een schemersegment van taken die eenvoudig en repetitief zijn, maar voor robots of machines niet uitvoerbaar. In dat segment opereren wij. Kijkt u maar.’

Ik stelde scherp op een plek waar honderden arbeiders aan lange tafels in donkere voorwerpen zaten te peuteren.

‘De pijnboom brengt een soort dennenappels voort. Heeft u enig idee hoe daar de pitten uit worden gehaald?’

‘Daar zal wel een machine voor zijn,’ mompelde ik.

‘Die gedachte houden we graag in stand. Er zijn zelfs televisieprogramma’s die tonen hoe het machinaal pellen in zijn werk gaat. Zo strooien we zand in ieders ogen, want geen enkel apparaat kan dat. Waarom de prijs van pijnboompitten toch te overzien is? Het antwoord vindt u hieronder: de goedkoopste arbeidskrachten die er zijn. Als we tenminste niet wekelijks cadeautjes hoeven uit te delen, zoals aan u.’ Van Gendt krabde zelfgenoegzaam aan zijn kin. ‘In dit filiaal ligt de nadruk op textiel en etenswaren. Daarachter ziet u…’

‘In godsnaam,’ onderbrak ik, ‘laten we bij het begin beginnen. Waar sta ik überhaupt naar te kijken? Zombies?’

De directeur schaterde het uit. ‘Zombies! U kijkt te veel horrorfilms. Zombies bestaan niet.’

‘Dit ook niet.’

‘Pardon?’

Ik haalde diep adem. ‘Deze mensen zijn dood.’

‘Wel… Strikt genomen zijn deze mensen – dood, ja. Voor hun toestand is niet echt een benaming, maar ik noem het… sluimeren. Dat dekt de lading wel mooi.’

‘Word godsamme concreet.’

‘U weet dat onze vrachtwagens langs begraafplaatsen rijden, vooral ’s avonds, en vervolgens naar locaties in het Oostblok, waaronder deze. En ze nemen allerlei producten mee terug. Heb ik de nodige linkjes voor u gelegd?’

Ik keek Van Gendt glazig aan.

‘Die producten leveren we netjes in Nederland af. Overwegend bij supermarkten, maar niet bij allemaal. Albert Heijn werkt niet met ons, uitgezonderd de pijnboompitten. De C&A, niet te vergeten. Pyjama’s, ondergoed en dergelijke. De draadjes van Hemaworsten. Maar de Jumbo spant wat afname betreft de kroon. Wij passen goed binnen hun beleid van goede kwaliteit voor een redelijke prijs. Ooit over nagedacht hoe de bananen 99 cent per kilo kunnen zijn? Daarbij zijn ze onze beste klant op het gebied van…’

‘Ho, ho,’ zei ik. ‘Je suggereert dat jullie dooien in vrachtwagens aanvoeren en gaat dan verdomme de Consumentengids lopen uithangen?’

‘Nou, ik…’

‘Jullie graven dus mensen op? En nemen ze mee om hier te werken?’

‘Wel, dat is een beetje boud gesteld, maar inderdaad is het zo dat…’

‘Jezus Christus,’ fluisterde ik. ‘Kun je daar ook een codicil voor invullen?’

‘Pardon?’

‘Laat maar.’ Ik zag voor me hoe gespierde kerels stinkende lichamen uit opengemaakte graven lichtten en in containers gooiden, om ze hier in Lubsko… Tja, wat eigenlijk? ‘Er ontbreekt een schakel. Ik kan zelf best iemand opgraven en er een stukje mee gaan rijden. Maar dan gaat zo’n dooie niet uit zichzelf Hema-pyjama’s stikken.’

‘Exact. Niet uit zichzelf. Elektriciteit, daar zit de clou. Kijkt u eens goed naar de hoofden.’

Op het voorhoofd van elke arbeider prijkten twee ovale schroeivlekken. Eentje links, eentje rechts.

‘Een paar stoten in de juiste breincircuits zijn voldoende om het autonome zenuwstelsel in gang te zetten. Hierdoor worden de orgaanfuncties hersteld en stopt de degradatie van het lichaam. Ook worden de primaire instincten alert gemaakt en vindt een latente activering van het motorische stelsel plaats. Die impulsen volstaan om eenvoudige taken uit te voeren.’

‘En zo wekken jullie mensen tot leven?’

‘Nee. De ziel, of hoe je het maar wilt noemen, is vertrokken. Vandaar dat ik ze sluimerenden noem. We doen deze week trouwens een experiment, kijkt u daar maar eens.’ Van Gendt wees naar een hoek van de zaal, waar een aantal engerds achter beeldschermen gebogen zat. ‘Die arbeiders in de hoek nemen een steeds groter deel van onze logistiek voor hun rekening. Het beheren van traffic, of digitale administratie in het algemeen: miljoenen mensen ter wereld doen dit soort werk, dus de potentie is enorm. Het lopendebandwerk van de eenentwintigste eeuw.’ Hij gaf me een knipoog. ‘De eerste resultaten zijn bevredigend.’

‘Fijn. Daar gaat mijn baan.’

De directeur lachte minzaam. ‘Enfin. Elke dag passen we de stroomstoten opnieuw toe, dienen we een energierijke granenmelange toe – onder ons, veevoer – en zijn onze arbeiders na een sessie met de instructeurs urenlang geconcentreerd bezig, zonder morren. Kom daar maar eens om in deze tijd vol burn-outs en vruchteloze cao-onderhandelingen. Elke dag overlijden alleen al in Europa 12.000 mensen. Daar kunnen uitzendbureaus niet tegenop werven.’

‘Veel respect voor de doden spreekt er niet uit.’

‘Juist wel. Wij houden de lichamen intact en laten ze iets nuttigs doen. Is werken tenslotte niet de essentie van ons bestaan? Je steentje bijdragen aan de mensheid? Het maakt op macroniveau weinig uit of men dat voor of na zijn dood doet. De paradox is dat werken het leven zin geeft, maar in de praktijk willen we het zo weinig mogelijk doen. De mens is van nature lui, een werkloze het toppunt van zinloosheid.’

Zinloos, zo kon je inderdaad omschrijven hoe ik in mijn slobbertrui door het huis sjokte. Ik staarde naar zielloze figuren die nootjes pelden. ‘Toch zouden de politiek correcten van deze wereld dit grafschennis noemen.’

‘Wellicht. Die willen de kisten voor eeuwig onaangeraakt onder de zoden laten liggen. Waar veel van die mensen niet bij stilstaan, is dat de lichamen die zo liefdevol in een kist worden neergelaten, daar vervolgens liggen te verrotten en worden aangevreten door wormen en maden. En het gruwelijkste is dat…’

‘Stop!’ riep ik. Ineens werd ik anderhalf jaar teruggeworpen in de tijd. Die kleine, spierwitte kist verdween onder de grond. Aangegaapt door tweehonderd medelijdende blikken gooide ik, arm in arm met Meike, er een rode roos op; hoe toepasselijk.

‘Luistert u nog, meneer Kerstens? Kijkt u daar eens, daar worden kraaltjes in sieraden geperst. Die krijg je er echt niet machinaal tussen, zoals iedereen denkt. Zo zijn er meer dingen die u misschien niet had…’

Roos,’ fluisterde ik. We gaven haar een laatste kus; het gezichtje trok al in een grimas, haar huid voelde kil. Daarna tilden we de deksel over de kist. Er is niets ergers dan je eigen kind begraven.

‘Pardon?’

‘Haal me hier weg,’ zei ik met onvaste stem. ‘Ik wil iets weten. En wel nu.’

 

*

 

Van Gendt roerde de inhoud van een zakje suiker door zijn koffie. ‘We zijn nu een jaar of vijf bezig. En ja, we graven ook kinderen op. Als u wilt kan ik laten nakijken of…’

‘Onmiddellijk.’

Van Gendt verliet de vergaderzaal en kwam terug met een oude bekende in zijn kielzog. Lesiu liep stoïcijns langs me en legde zijn laptop op tafel. Hij droeg een schone coltrui, wederom eentje die strak om zijn hals sloot, en natuurlijk de muts en zonnebril.

‘Welke begraafplaats was het?’ vroeg Van Gendt.

‘Brandenburg. In Bilthoven.’

‘Zoek die op, Abratkiewicz. En nu je hier toch bent… Laat je coltrui maar zakken, we zijn onder elkaar.’

Lesiu keek op, alsof de opdracht hem ongewoon voorkwam, maar Van Gendt knikte hem toe. Hij rolde zijn kraag naar beneden en legde een nek vol diepzwarte vlekken bloot. Van Gendt tilde de muts van Lesiu’s hoofd. Diepe schroeivlekken kwamen tevoorschijn, zowel links als rechts.

De directeur keek me geamuseerd aan. ‘Een verrassing voor u, wellicht? De een reageert beter op de stroomstoten dan de ander. Deze kan nog betrekkelijk menselijk functioneren.’

Ik hield mijn adem in toen Van Gendt de zonnebril van de neus van zijn werknemer optilde. Lesiu keek naar me op met wimperloze ogen zonder oogwit – oogrood, kon je beter zeggen. Hij keek ontzettend scheel. Snel wendde ik mijn hoofd af.

‘Mei 2014?’ vroeg Lesiu.

‘2 mei de sterfdag. 8 mei begraven.’ Het zal wel niet, dacht ik bij mezelf. Ik kan me niet voorstellen dat… Dus het is niet zo.

Er verscheen een scherm met cryptische tabellen. Vluchtig ingetypte commando’s gooiden de cijfers en kolommen overhoop. Toen knikte Lesiu resoluut, naar een paar rijen met cijfers wijzend.

De directeur keek me angstig aan. ‘Brandenburg ook.’

‘Vanaf wanneer?’

‘2013.’

Het voelde alsof ik in een afgrond viel. Ik werd duizelig en gebruikte de tafel als steun. Maar toen ik Van Gendts hand op mijn schouder voelde, sprong ik overeind en wierp me op de directeur, die met stoel en al achteroverviel.

 

*

 

Een korte vlucht en taxirit hadden ons in Blagoevgrad, Bulgarije gebracht, waar we eenzelfde soort fabriek als in Lubsko waren binnengestapt. Samen met Van Gendt stond ik bij een dikke deur, aan het eind van een lange gang.

‘Ik heb besloten u de wurgpoging te vergeven, meneer Kerstens.’

‘Fijn.’

‘Laat ik het nog één keer benadrukken,’ zei Van Gendt, ‘uw dochter is overleden, en het rottingsproces stopt niet volledig. Dat is geen prettig gezicht. Bovendien zal ze u niet herkennen.’

‘Ik wil haar in de ogen kijken, zien wat ze denkt.’

‘Deze mensen denken niets.’

‘Hebben ze nooit iets van protest laten horen? Lesiu leek zich goed te kunnen uiten.’

Van Gendt aarzelde. ‘Nee.’

‘Wees eerlijk. Vertel me wat je weet.’

‘Nou, toevallig,’ begon de directeur met tegenzin, ‘vandaag was er een gevalletje. Een sluimerende die bij de politie Midden-Nederland werkte als administrateur. Hij probeerde de media te bereiken en alles bekend te maken. Had al een tijdje een dubbele agenda, zo bleek. Heel merkwaardig. Vanmiddag hebben we hem afgevoerd.’

Er begon me iets te dagen. ‘Hoe heette hij?’

‘Falke geloof ik, Laurens Falke, als je het zo nodig wilt weten. Maar nu heb je meer dan genoeg gehoord.’ De directeur opende de deur en we belandden in net zo’n zaal als eerst: een gekrioel van donkergevlekte mensen in Tl-licht, te midden van een walm van rot fruit. Het enige verschil was dat ik hier vooral auto-onderdelen zag. Heel veel auto-onderdelen.

Laurens Falke. Geen twijfel mogelijk: de L.F. van het briefje. Had hij zijn hoop op mij gevestigd? En wie bedoelde hij met ‘ons’? De vakbond der sluimerende pechvogels? Toch waren mijn gedachten vooral bij dat meisje van wie ik zoveel luiers had verschoond, dat ik talloze keren naar school had gebracht en een kus had gegeven voordat ze het plein op huppelde, voor wie ik zo vaak boterhammen met chocopasta had klaargemaakt. Het was niet te geloven, maar ze was hier. ‘Waar is ze?’

‘Geen idee. Zoals u ziet is Blagoevgrad vooral aan auto’s gewijd. U vindt er ook lokale specialiteiten en aan de rechterzijde het textielsegment. Dat is nu eenmaal een core business van ons.’

‘Dat zal wel. Ik ga mijn dochter zoeken.’

‘En daarna is het tijd om een keuze te maken, meneer Kerstens. De vijf en de vijf nullen, weet u wel. We kunnen niet aan de gang blijven.’

Deze zaal was nog groter dan die in Lubsko. Zeker twee voetbalvelden, verlicht als een uit zijn voegen gebarsten snackbar. Ik begon te lopen, rusteloos door de paden en langs de afdelingen zoekend naar die ranke gestalte en het lichtblonde haar, hoe weinig er ook van over mocht zijn. De directeur hield me nauwelijks bij. Er werden banden gewisseld, remmen vervangen. De afdeling voor autobekledingen ging over in de textielafdeling. Daar werden vestjes genaaid van kleurige stof, sjaals geweven, opdrukken geplakt. Ik ging bij een dame staan die beha’s stikte. In de hele zaal stonk het naar rotte uien en kiwi’s, maar de geur van haar necrotische weefsel bezorgde me acute kokhalsneigingen. Hoe konden die beha’s ooit bij de C&A eindigen? Wel droeg op de kledingafdeling iedereen handschoenen.

‘Weet je zeker dat ze hier is?’ vroeg ik.

‘Onze administratie is uitstekend. We hebben nog maar een klein deel gehad.’

In de ontelbare paden keek ik van links naar rechts en terug tot mijn nek zeer deed. Ik passeerde een kreupel wezen dat met bloeddoorlopen ogen een fles olijfolie vulde. Ik bukte om de olijfoliebrigade in de ogen te kijken, maar ze zaten te veel gebogen.

‘Hé,’ zei ik.

Er werd ijverig verder geschonken, niemand keek op.

‘Roos!’ schreeuwde ik door de zaal, maar natuurlijk riep niemand iets terug. Ik snelde langs autolakspuiters, boterkarners en boxershortstikkers. Voorbij de autovelgslijpers, tafelkleedborduursters en soepjurkennaaisters. Vrouwen met zwarte vlekken in hun nek, plakkerig haar, gescheurde kleren, walmend van rotting. Verder, om de hopen afgekeurde ribbroeken en zweetbandjes heen, struikelend over autosturen, slalommend om mannen met kruiwagens. En toen ineens zag ik daar en profil, op de hoek van een tafel, zittend op een houten kruk…

Verdomd.

Daar zat Roos.

Vanaf dat moment leek alles in slow motion te gaan. Alsof ik het lopen verleerd was, strompelde ik naar mijn dochter. Ze zat voorovergebogen, met naald en draad in die kleine kinderhanden. Voor haar op de tafel een berg zwarte jassen. Ze droeg het jurkje van in de kist. Smetteloos rood en wit was het toen, nu een palet van grijze en donkerbruine vlekken, alsof ze er schoorstenen mee had geveegd. Haar haren waren grauw en verkleefd, haar oren een bloederige massa. Daarboven de schroeivlekken. Ik boog voorover om haar gezicht te zien. Ondanks de pikzwarte, weggevreten neus, de knalrode en half gesloten ogen, het gebutste voorhoofd en de blauwige huid vol builen wist ik het nu nog zekerder. Ze was verminkt, vreselijk verminkt. Maar het was alsnog zo, zó onmiskenbaar Roos.

‘Heeft u haar…,’ begon Van Gendt achter me, waarop ik me bruusk omdraaide. De directeur stapte geschrokken naar achteren.

Roos keek niet op. Ik wilde wat zeggen, maar er kwam alleen een gerochel uit mijn keel. Ik hoestte en fluisterde in haar oor. ‘Roos, lieverd. Hoor je me?’

Geconcentreerd reeg ze een haakje aan de jas.

‘Ik weet dat je me hoort. Kijk naar me.’

Onverstoorbaar stak ze door, waarna ze blijkbaar klaar was, want ze gooide de jas met een lompe armbeweging naast zich op tafel. Ik kreeg bijna een elleboogstoot. Direct stak ze de naald in de volgende lap stof. Ik legde mijn handen op haar koude, ingevallen wangen waar ik het bot doorheen kon voelen.

‘Ik ben het,’ zei ik, bijna smekend. ‘Papa.

Roos keek mijn kant op – dat moest ze wel – maar of we oogcontact hadden was onduidelijk. Ik tilde haar van de kruk, ging door mijn knieën en omhelsde haar krachtig, maar haar armen hingen slap langs haar heup.

‘Papa is hier. Toe nou.’ Ik hoorde alleen haar raspende ademhaling. Toen ik Roos losliet, draaide ze zich kalm om, nam plaats op de kruk en pakte naald en draad.

Eindelijk kon ik mijn dochter weer vasthouden. Waarom deed dit dan zo vreselijk veel pijn? Nog nooit in die vreselijke anderhalf jaar na haar dood had ik haar meer gemist dan nu. Tranen rolden over mijn wangen. Ik zakte op de grond en draaide me om naar de notenpellers. IJverig waren ze bezig, in een constante beweging. Pakken, pellen, wegleggen. Pakken, pellen, wegleggen. Het ademde een soort – ritme. Alles in deze zaal had dezelfde cadans. Niet te snel, niet te langzaam, het ging zoals het ging. Hoe langer ik keek, hoe verstikkender het aanvoelde. Een anonieme, zielloze, machinale, nooit aflatende sleur van repetitie, ingegeven door een duivelse hang naar efficiency, naar winstbejag. Het voelde als, als…

De hel. En niemand van deze sluimerenden, bijna niemand, was in staat om te zeggen wat hij voelde. Behalve die ene heldere van geest: briefschrijver L.F., die had gesproken namens al zijn monddode soortgenoten.

Doe iets. Jij bent onze hoop.

Nu wist ik zeker dat ik met alle Porsches of Maserati’s van de wereld dit schouwspel niet kon laten bestaan. Ik zou alles doen om dit te doen stoppen. Met Van Gendt in mijn kielzog spoedde ik me naar de uitgang.

‘Edo, laten we via deze weg teruggaan.’ De directeur wees om een onduidelijke reden een langere route aan. Ik negeerde hem.

‘Edo!’

Hij kon het vergeten dat ik zou meewerken, en ze konden niet anders dan me vrijlaten. Dan was dit circus voorbij. Nog een paar rijen en we waren bij de uitgang. En dan…

Verstijfd keek ik naar de corpulente man die schuin tegenover me aan een auto stond te sleutelen. De man was niet al te zwart uitgeslagen; blijkbaar was hij recent overleden. Hij had een brede nek en ver uit elkaar staande ogen. Op zijn voorhoofd, boven zijn rechterwenkbrauw, prijkte een rode kleur, duidelijk anders dan de lijkvlekken van de andere werkers.

Een wijnvlek.

Ik keek achterom en ontmoette de geschrokken blik van Van Gendt, die van mij naar Brongers en terug keek. Een tijdje bleven we zo staan, terwijl we ongetwijfeld hetzelfde dachten, het lawaai in de fabriekshal onafgebroken voortduurde en de gevallen moppentapper aan het wiel bleef sjorren. Toen verscheen op het gezicht van de directeur een vage grijns.

 

*

 

‘Nogmaals mijn condoleances, meneer Kerstens. Het was een aangrijpende aanblik.’

Van Gendt zat met een inlevende blik tegenover me en schoof een papier mijn kant op. Hijzelf had het al ondertekend. ‘Ik kan me voorstellen dat u uw dochter liever niet zo ziet,’ vervolgde hij. ‘Daarom heb ik het voorstel ietwat aangepast. Als u de premie aanvaardt en zich vertrouwelijk opstelt, zullen wij uw dochter van arbeid ontheffen en herbegraven in Bilthoven. Ook zullen wij u en uw familie vrijwaren van sluimerwerk.’

‘En anders?’ vroeg ik. Mijn ogen waren nog vochtig.

‘Wilt u mijn officiële antwoord horen? Wel… Als u niet akkoord gaat, is alles verloren. Dan moeten we open kaart spelen en met ons werk ophouden. En schiet de koopkracht in de westerse wereld met een procent of vijftien omlaag.’

Ik kneep mijn ogen samen. ‘Dat klinkt bijna overtuigend. Daarom stelde ik het zeer op prijs om kennis te maken met mijn voorganger, zojuist in de grote zaal. Soms is het goed je vooruitzichten onder ogen te zien.’

Van Gendt begon een paar keer aan een zin, maar slikte deze telkens in. Toen zei hij: ’Iedereen plukt de vruchten van wat hier gebeurt, meneer Kerstens. Wat niet weet, wat niet deert. Onze bedrijfsfilosofie is, alles tegen elkaar afgewogen, niet onredelijk.’

Ik kon een lach niet onderdrukken, al was het meer een nerveus hikje. ‘Niet onredelijk, noem je dat. Jarenlang ben ik als vakbondsbestuurder opgekomen voor arbeiders in de grafische branche. Anno 2016 heb je rechten, wordt er naar je belangen geluisterd. Maar er is niemand die je sluimerende vriendjes vertegenwoordigt, en staken zullen ze niet gauw. Dat knaagt een beetje, niet?’

Van Gendt keek me onbeweeglijk aan.

‘Ik vind mezelf te jong voor lopendebandwerk. Maar ik kan niet leven met de gedachte dat dit bestaat, zonder er iets aan te doen. Dus ik teken niet.’

‘U kunt er niet mee leven,’ herhaalde Van Gendt met nadruk.

‘Exact,’ zei ik. Mijn stem bibberde; ik ging all-in met een hand van niets.

De directeur kneep zijn lippen samen en veegde de overeenkomst bij me weg. ‘Goed dan. Hier laten we het bij,’ zei hij, en stond op. Hij keek er een beetje verdrietig bij.

‘Vertel eens,’ begon ik vlug en met overslaande stem. ‘Voel je weleens iets, als je in je sportwagen over de Autobahn scheurt en een Clingemanstruck inhaalt, en denkt aan de vrouwen en kinderen van de mensen die in het laadruim liggen?’

Van Gendt pauzeerde, maar schudde me daarna onbewogen de hand. ‘Ik moet zeggen, meneer Kerstens, in onze gesprekken vandaag… Ik bewonderde uw, wel – geweten.’

‘Je weet dus wat dat is. Als je een greintje menselijkheid in je hebt, zou je alles doen om de hel in deze fabriekshallen draaglijker te maken, in plaats van anderen de nek om te draaien die daarvoor vechten,’ snauwde ik.

Van Gendt keek me nadenkend aan, keerde me toen de rug toe en stapte langzaam naar de deur. Intussen trok hij zijn stropdas recht en streek het jasje van zijn maatkostuum glad. Maar vlak voordat hij de klink beetpakte, en op het moment dat een machteloze uitroep dat ik toch wilde tekenen haast uit mijn mond ontsnapte, aarzelde hij. De directeur draaide zich om en keek me aan, langdurig. Behalve een in de verte optrekkende vrachtwagen hield de wereld zijn adem in.

Zo kwam hij weer tegenover me zitten. Van Gendt pakte, zonder zijn blik van me af te wenden, een potlood dat op tafel lag. Hij liet het door zijn vingers glijden en pakte met elke vuist een uiteinde beet. Zijn vuisten begonnen te trillen en even leek het alsof Van Gendt het doormidden zou knakken – maar de directeur spaarde het potlood en legde het terug op tafel.

‘Ik heb een idee,’ zei hij.

 

Epiloog

 

Rozig van de toertocht in mijn Porsche 911 Turbo besteeg ik de wenteltrap.

‘Ha Piet.’

‘Dag Edo,’ bromde de immer nukkige onderdirecteur die door de gang ijsbeerde. Verderop stond Vriens bij de koffieautomaat.

‘Gozert!’ riep ik.

‘Gefeliciteerd met je benoeming, kerel.’

‘Dank je. Soms moet je je zegeningen tellen.’ Ik gaf Vriens een knipoog. ‘Jij had zo’n aanbod vast ook met beide handen aangepakt.’

‘Lul,’ zei Vriens, en hij zwaaide me met zijn ene hand gedag.

Jammer dat ik Ruslan nooit meer gesproken heb. Na mijn bezoek aan Lubsko was hij niet teruggekeerd op zijn post, wat me vraagtekens had doen zetten bij zijn ‘ziekte’. Ik liet het rusten, iets wat ik tegenwoordig vaker deed. De wereld zit nu eenmaal vol kleine en grote geheimen, maar in elk geval wist ik dat mijn nieuwe baan de wereld niet slechter zou maken. Soms moet je genoegen nemen met iets kleins, als je weet dat de alternatieven doodlopen.

Het zaaltje zat halfvol. Soms kwam een reguliere medewerker binnen, soms iemand met een hoge kraag, pet en zonnebril op. Klokslag twee uur stapte ik naar voren en legde mijn papiertjes op de katheder.

‘Een goedemiddag allen en van harte welkom op deze tweede Kwartaalbijeenkomst. Het is mij een eer u als voorzitter van de Unie der Sluimerenden te mogen toespreken, en de belangen te verdedigen van onze dierbaren die hier zelf niet toe in staat zijn.’

Ik pauzeerde, maar van de twintig aanwezigen kwam geen merkbare respons.

‘In de vorige UdS-bijeenkomst noteerden wij als actiepunt een verbeterde aanblik van de fabriekshallen. Het doet mij plezier dat in Blagoevgrad, Lubsko en Stavanger de eerste stappen zijn gezet naar ledverlichting, watertappunten en kunstwerken aan de muren.’

In de zaal begon iemand – zonder zonnebril – te klappen, maar niemand deed mee, dus stopte hij snel weer.

‘Ook is geïnvesteerd in zachtere stoelkussens en klinkt in de hallen klassieke muziek, afgewisseld met hits uit de jaren tachtig en negentig. Elke ochtend tussen negen en tien wordt bovendien het ‘foute uur’ gedraaid. Verder hebben wij…’

Nu klonk uit de hele zaal applaus. Een deel van de aanwezigen ging staan.

 

Ze zeggen weleens dat je al dromend verkent wat had kunnen zijn. Welnu, elke paar nachten vond ik mezelf terug in een grote zaal die gonsde van getik en geschuif. De geur van rotting was alomtegenwoordig, net als het grauwwitte licht van bouwlampen, de grijze muren, de bedrijvige herrie van de monteurs, de callcenters, de textielwerkers, de olieschenkers.

Daar, aan een lange tafel, zat een oude vrouw te pellen. Door haar handen gleden zwarte dennenappels: de kostbare vruchten van de pijnboom. Naast haar zat een man van middelbare leeftijd. Zijn wonden waren verser en de schroeivlekken op zijn voorhoofd minder donker dan die van anderen. Hij pakte een dennenappel en plukte er routineus de pitten uit. Van zijn vergeelde duim naar zijn pols liep een paarsig litteken.

Ja, dat was ik.

Ik volgde het ritme van de anderen. Pakken, pellen, wegleggen. Pakken, pellen, wegleggen. Ook een gezette heer deed aan de eindeloze stroom handelingen mee. Boven zijn rechterwenkbrauw zat een wijnvlek. Niemand dacht na, niemand sprak. Iedereen gleed mee in de woordeloze cadans, in het eeuwige schijnsel van de bouwlampen dat de nacht tot een dag maakte en de dag een nacht. Het ging maar door. Pakken, pellen, wegleggen, en geen aanwezige vroeg zich af wanneer het zou stoppen, of het ooit zou stoppen, de bewegingen, de zaal, het ritme.

Pakken, pellen, wegleggen.

Pakken, pellen, wegleggen.

Pakken, pellen, wegleggen.

 

###

De poppen van dr. Edelweiss : Marcel Orie

 

We zijn vergeetmachines. Mensen zijn dingen
die een beetje denken en die vooral vergeten.
Henri Barbusse – Het vuur (1916)

 

In de verte rolde de donder als een voorteken.

Hoe je het ook bekeek: het leven was natuurlijk een groot cliché.

Nachtelijk onweer en een spookhuis.

Het witte landhuis was een eindje vanaf de hoofdweg gebouwd. Het had de hele dag al af en aan geregend en de onverharde oprijlaan was gedegradeerd tot een spoor van zuigende enkeldiepe modder. De bayou ademde uit en beloofde nog veel meer regen. De slanke kegelvormige toppen van de moerascipressen wiegden heen en weer in de opstekende wind. Boven de boomtoppen, in het oosten, kleurde de hemel al middernachtzwart.

Zelfs het weer staaft onze alibi, dacht Lee. Hij droeg een loodzware koffer in zijn ene hand, met zijn andere hand leidde hij zijn hoogzwangere vrouw. Enkele honderden meters terug stond hun auto langs de provinciale weg. Niet in staat om nog verder te rijden, omdat Lee vijftien minuten geleden de accu had gesaboteerd.

Hij hield Eva stevig bij haar bovenarm vast, terwijl ze de treden naar de veranda beklom; zij hield met twee handen haar uitpuilende, wiegende buik vast.

Alle ramen behalve één waren afgesloten met luiken, als maatregel tegen de nakende storm. Een subtiele beweging achter de vitrages ontging hem niet.

‘We zijn al opgemerkt,’ zei hij zacht.

De regen begon te vallen op het afdak van de veranda, zachtjes roffelend.

 

-8:42 PM-

‘Ik ben Lee Enfield en dit is mijn vrouw Eva.’

‘We zijn gestrand.’

Hij gebaarde dramatisch naar de donkere bomenhaag achter zich.

‘Onze auto… onze auto is ermee gestopt.’

Er waren geen andere huizen in de buurt.

Het kwam voor Lee niet als een verrassing dat er geen telefoon was, maar dat verborg hij goed.

 

-9:20 PM-

De koffie, heet en zwart, werd in de geblindeerde salon geserveerd door een mulattin huishoudster. De heer des huizes heette Edelweiss en zat in een rolstoel, een strak ingestopte geruite deken bedekte zijn geatrofieerde onderlijf. Hij had veel weg van een knaagdier, zijn oogjes spiedend vanachter zijn brillenglazen. Zijn hoofd was kaal, terugwijkend, gerimpeld in een eeuwige frons.

‘Enige idee wat er mis is met uw auto, Mr. Enfield?’

‘Noemt u me Lee, alstublieft.’ Hij krabde zichzelf achterin zijn nek. Hij deed werkelijk erg goed zijn best om verloren te lijken. Hij speelde het toneelstukje te goed, zoals amateurs dat doen. De mimiek te dik aangezet, de gebaren overdreven. ‘Wel, er zit nog genoeg benzine in. Tenminste het wijzertje geeft aan…’

‘Het wijzertje op de brandstofmeter, bedoelt u?’ vroeg hun gastheer, ‘de brandstofmeter op uw benzinetank?’

‘Ja, al zit de brandstofmeter in het dashboard ingebouwd.’

‘Werkelijk?’ zei Mr. Edelweiss, ‘Je vraagt je af wat ze nog meer gaan verzinnen.’

‘Mijn echtgenoot houdt van techniek,’ zei zijn rijzige eega. Ze was achter haar man opgedoemd en legde een blanke hand op zijn schouder. ‘Hij was horlogemaker voordat hij met pensioen ging.’

‘Mijn echtgenoot weet bijna niets van techniek,’ zei Eva beminnelijk.

‘Ik houd meer van muziek.’ De oudere vrouw wees op de ouderwetse grammofoon. ‘Maar soms kan de techniek daar ook uitkomst bieden. Zal ik een plaat spelen…?’

‘Onze gasten zijn vast moe,’ viel Mr. Edelweiss haar in de rede.

Zijn vrouw knikte. ‘Natuurlijk.’

‘Morgen, als de storm geluwd is zullen we uw auto bekijken,’ vervolgde de heer des huizes goedmoedig. ‘Bij daglicht zullen de problemen er minder onoverkomelijk uitzien, daar ben ik zeker van.’

Lee glimlachte als de onnozele lobbes.

‘Een van de bedienden zal uw bagage naar het gastenvertrek brengen.’

‘Dat zal ik zelf wel doen. De koffer is nogal zwaar.’ Lee was opgestaan en omvatte het handvat van de koffer. ‘Als uw bediende zo goed wil zijn om ons voor te gaan.’

 

-10:39 PM-

De wanden van het trapportaal waren bedekt met lijstjes vol opgespelde vlinders. Ieder glaasje was een venster op een kleurrijke symmetrische werkelijkheid. Als ze allemaal plotseling tot leven kwamen en hun vleugels zouden bewegen, zou het in de hal tot een ritselende kakofonie worden.

De huishoudster ging hen voor. Lee deed zijn best om niet naar haar schuddende achterste te kijken en Eva glimlachte omdat ze hem natuurlijk al lang had zien kijken.

 

-11:02 PM-

‘Ik zag hoe je je koffie dumpte in die pot met de grote varen, toen de heer des huizes je heel even de rug toekeerde.’

‘De smaak stond me niet aan,’ zei Lee.

‘Ben je bang dat ze ons proberen te vergiftigen?’

‘Nee,’ zei Lee, ‘Tenminste, ik denk het niet. Ik dronk de helft van mijn koffie op…’

‘En je liet mij mijn hele beker leegdrinken.’

‘Niets aan de hand. De smaak stond me gewoon niet aan.’

‘Mij ook niet,’ zei Eva nadenkend, ‘er was iets van een nasmaak, nietwaar. Iets chemisch. Ik kon het niet thuisbrengen.’

Hij had zijn jasje uitgetrokken en over een stoel gehangen. Hij ijsbeerde nu heen en weer door de kamer die hen was toegewezen, onrustig als een gekooide tijger in de dierentuin.

‘Waarom doe je dit, Lee?’

‘Wat?’

‘Het is een vreemde manier van doen, vind je zelf niet?’

Hij keek haar vragend aan.

Zij bleef ook stil. Eens te meer bedacht hij zich dat ze heel goed voor een getrouwd stel door konden gaan.

‘Wat?’ vroeg hij nog eens.

‘Je kiest een schuilnaam, vermoedelijk om onze echte identiteiten te verbergen. Ik begrijp waarom we onze echte voornamen gebruiken. Maar leg me toch eens uit waarom je zo’n achternaam zou kiezen.’

Hij haalde zijn schouders op.

‘Ik weet wat een Lee Enfield is, Lee. Deze ravenzwarte lokken zijn misschien niet mijn echte kleur, maar zo blond ben ik nu ook weer niet.’

Zijn antwoord klonk omfloerst. ‘Ik schoot met zo’n geweer. In de oorlog. Ik schoot er erg goed mee.’ Ze zou het kunnen uitleggen als verlegenheid of zelfs schaamte, maar ze wist wel beter.

‘Maar waarom zou je die bijnaam nu gebruiken?’ drong ze aan, ‘Als een aan lager wal geraakte danseres weet wat een Lee Enfield is, dan bestaat de kans dat de bewoners van dit landhuis het misschien ook weten…?

‘Ja,’ zei Lee, ‘dat is een goed punt.’

‘Waarom dan toch, schat? Van alle achternamen die je kon bedenken?’

‘Ik heb niet zoveel fantasie…’

‘Ja,’ zei ze spottend, ‘Dat moet het natuurlijk zijn.’ Eva Black was natuurlijk ook maar een artiestennaam.

De aanzwellende storm rammelde aan de luiken.

‘Is het allemaal een grap voor jou?’

‘Nee, het is mijn werk.’

‘Speurneus.’

‘Uhuh.’

‘Heb je al iets ontdekt, Mr. Enfield?’

‘Ja.’

‘Kom op.’

‘De huishoudster. Ik heb haar foto gezien in de archieven van Legrasse in New Orleans. Vermiste personen. Haar naam is… Rebba Thibidoux.’

Ze floot tussen haar tanden.

‘En wat heeft deze Rebba met het schuddende achterwerk met onze Tommy te maken?’

‘Weet ik niet… nog niet.’

 

***

 

Een moederhart stopt nooit met bloeden. Lee had al zoveel vermiste kinderen opgespoord en hij wist hoe het werkte.

Als zo’n vermist kind toevallig Thomas Hobson heette en erfgenaam was van een van de rijkste families in New York, een kapitaal verdiend met de Hobs-snoepreep, dan zou het bloeden nooit stelpen. Lee liet zich door de stroom meevoeren.

Hij had een meanderend spoor van poststempels gevolgd naar het zuiden. Raleigh. Charleston. Tallahassee. Mobile. Bogalusa. Daarna weer naar het zuiden, naar de Golf van Mexico: het spoor liep dood in New Orleans.

Tommy schreef brieven naar zijn moeder. In iedere brief smeekte hij haar om zijn onthullingen geheim te houden voor zijn vader, hij drong er zo op aan dat hij wel vurig moest hopen dat zijn moeder alles aan zijn vader zou vertellen.

Na New Orleans volgden er geen brieven meer.

Had de jongen een plekje weten te verwerven aan boord van een vrachtschip? Was hij de overtocht naar Zuid-Amerika begonnen?

In New Orleans bracht Lee twee dagen door met het vermiste personen-archief van Inspecteur Legrasse, speurend naar iets dat de radertjes in zijn hoofd zou laten klikken. Hij vond niets.

De vijftienjarige jongen kon zijn vader niet uitstaan en uit de gesprekken die Lee met de heer Hobson had gevoerd bleek dat gevoel wederzijds. Tommy was geen knip voor de neus waard, maar ja, zijn moeder… ach, u begrijpt me wel Mister Lee.

Tommy was op het spoor gesprongen met de tienduizenden werkzoekenden en daklozen, zwervers en hobo’s van allerlei allooi. Soms sliep en at hij in de talloze Hoovervilles, de krottenwijken en tentsteden die langs heel de oostkust als paddenstoelen uit de grond schoten. Hij schreef dat hij bedelend aan zijn dagelijks brood kwam. Soms mocht hij stoepen schoonvegen voor winkeliers. Er was, volgens de jongen, nog genoeg goedheid in de mens. Hij was zelf geen hobo: hij had plannen voor de toekomst, plannen genoeg, terwijl hij in de rij stond voor de soepkeukens.

Hij schreef met de kinderlijke naïviteit van een jongeman die nooit honger had gehad. Hij refereerde veelvuldig aan de figuren uit het kinderboek Wind in the Willows. Hij zou niet opgroeien tot een Mr. Toad. Verdeel mijn erfenis maar onder de armen, schreef hij, ik zal mijn eigen weg in de wereld vinden. Hij zou bij het circus gaan. Een paar brieven later was het een soort pinkstergemeente die zat te springen om zijn inzichten. Visioenen noemde hij het.

De brieven van de jongen werden steeds vreemder.

 

11:45 PM-

Eva was bezig zich te ontkleden. Ze had plaats genomen achter een kamerscherm met sampans in sepia erop. Ze had haar jurk al uitgetrokken en over een stoel uitgehangen. Haar bottines droeg ze nog, strakke rijglaarsjes met hoge hakken. Ze stroopte nu juist haar dikke buik onder haar onderjurk vandaan en liet hem achteloos op de vloer glijden, daarbij iets in zichzelf mompelend over de hitte in het zuiden.

Alsof ze hem voelde kijken, draaide ze zich naar hem om.

‘Meneer Lee!’ zei ze speels, ‘wat een manier om uw bruidje te besluipen.’

Hun blikken vonden elkaar in de spiegel van de kaptafel. Hij grinnikte wat onbeholpen, stak zijn handen op alsof hij zich overgaf. Hij nam plaats op de rand van het bed, zodat hij met zijn rug naar de actrice zat, en haar ook niet meer in de spiegel kon bekijken.

Hij liet zijn bretels van zijn schouders afglijden en begon zijn overhemd los te knopen.

‘Het is hier inderdaad heet als in de kont van de duivel.’

 

***

 

De opkomst van de cinema bewerkstelligde de ondergang van het vaudeville. De meest gewiekste artiesten omarmden de nieuwe kunstvorm en verpopten tot filmsterren van het kaliber Chaplin of de Marx Brothers. Maar de overgrote meerderheid van de danseressen, muzikanten, goochelaars en komieken wachtte slechts de dalles.

Eva Black, voorheen danseres, pantomime-speelster en actrice, stapte nu rond in een glinsterend en nauwelijks iets aan de verbeelding overlatend kostuumpje. Als goochelaarsassistente liet ze zich door midden zagen en met zwaarden doorsteken door de Grote Johnny Delamere.

Toen Lee haar telegrafeerde met het vooruitzicht van een betaalde rol als zijn echtgenote, aarzelde ze geen moment. Twee dagen later kon hij haar ophalen op het station in New Orleans. Hij zorgde ervoor dat hij nuchter was, met zijn haar glimmend van de brillantine, strak achterover gekamd. Hij had het minst sleetse van zijn twee pakken aan, het bruine. Zijn fedora had hij in de hand.

 

-1:26 AM-

Hij voelde zich bekeken in deze kamer. Er was een overdadigheid in het interieur, die getuigde van een ongezonde verzamelwoede. Ieder stukje van de wand was bedekt met ingelijste foto’s van verschillende  afmetingen en composities; ze vulden de wanden als puzzelstukjes. Waar waren de aanwijzingen in al deze informatie? Waar was het begrip? De waarheid… hij moest om zichzelf lachen.

Hij had plaats genomen aan de kaptafel en staarde in de verweerde ovale spiegel naar zijn verraderlijke reflectie; altijd twintig jaar ouder dan hij verwachtte. In ieder geval ouder dan de 44 verjaardagen die hij min of meer had meegemaakt.

Hij nam een lik haarpommade en smeerde zijn bezwete haar, dat nu al bijna volledig grijs was, maar weer achterover. Zijn ogen waren bloeddoorlopen. De adertjes in zijn brede neus gesprongen. Alle kenmerken van een dronkaard. Als je aanwijzingen begon te missen, moest je stoppen met drinken. Of in ieder geval minder gaan drinken.

 

***

 

Schoorvoetend was Lee Kahura vanuit New Orleans aan de terugtocht begonnen. Speurend naar aanwijzingen die hij gemist kon hebben tijdens zijn reis naar het zuiden. Hij geloofde niet echt dat hij iets zou vinden, het spoor was al maanden koud, maar hij probeerde zijn onderzoek zo lang mogelijk te rekken. De wekelijkse vergoeding van de familie Hobson was wat hem momenteel nog aan het eten hield; zonder een vermogend opdrachtgever wachtte ook een zelfstandig privédetective de eenrichtingsgang naar de soepkeukens.

 

In Bogalusa, de tweede maal, had hij mazzel. Hij vond het spoor terug in een speakeasy in een oude loods, onder de rook van de enorme houtzagerij. Terwijl er in heel het land stemmen opgingen om de drooglegging op te heffen, dook hij nog maar eens in de illegaliteit. Vastgeroest in zijn manieren. Hij zat schouder aan schouder met de fabrieksarbeiders, kerels met koppen als verweerde boomstronken en knoestige handen waaraan bijna zonder uitzondering vingers ontbraken, en hij moest iets van medelijden bij hen geoogst hebben, misschien zelfs sympathie. De zelfstook was koppig en Lee wanhopig, een fatale combinatie; hij dronk meer dan hij kon hebben en hij vertelde meer dan dat hij vroeg, en zo kwam ook de zaak waaraan hij werkte ter sprake. De weggelopen erfgenaam. De visioenen. Een pad die rijdt op een haan, dat soort dingen.

‘Dat beeld ken ik,’ zei een van zijn drinkebroers, die zei Leonard Hushka te heten, een man die al voor de Grote Oorlog uit Litouwen was geëmigreerd. ‘Dat is het wapen van de Edelweiss familie. Een pad rijdend op de rug van een haan ’

Na sluitingstijd, op het onverharde parkeerterrein, nadat Lee zijn ingewanden uitgespuugd had, spraken ze verder. Hushka hield hem op de been, sleepte hem terug naar zijn auto.

‘Als een pad een ei legt op een mestvaalt en een haan broedt het uit, dan komt er een basilisk uit het ei,’ fluisterde Hushka, zijn ogen vochtig. ‘Dat ei heeft geen schaal en het is leerachtig. De basilisk is de koning van alle serpenten. De slangdraak.’

Ze waren in de cabine geklommen, om gebroederlijk hun roes uit te slapen.

‘De basilisk is een kleine hagedis met een witte kam op zijn hoofd, en zijn blik betekent de dood voor plant, dier of mens.’

Hij viel in slaap met de stem van Hushka in zijn dromen.

 

-2:34 AM-

Bah, Lee, een casanova ben je beslist niet! Had hij Eva dan alleen maar meegevraagd om naast haar in bed te kunnen kruipen?

Een betere dekmantel kon hij zich niet voorstellen: wat riep meer sympathie op dan een zorgzame echtgenoot en zijn hoogzwangere vrouw?

Hij betrapte zichzelf er steeds vaker op dat hij nostalgisch werd en navelstaarderig. Als hij aan een zaak werkte, was het vooral alsof hij zichzelf bestudeerde. Alsof hij een broodkruimelspoor volgde door zijn eigen herinneringen. Het was in zijn werk zaak om de motivatie te doorgronden van degenen die hij op probeerde te sporen, maar tegenwoordig dacht hij er steeds meer over na hoe de gebeurtenissen uit de zaak zich tot zijn eigen persoon verhielden.

 

‘Doe de kamerdeur achter me op slot,’ zei hij, ‘en schuif een stoel onder de deurklink. Je weet maar nooit.’

‘Als je denkt dat het gevaarlijk wordt, zou je me dan wel alleen laten?’ vroeg zij, met grote donkere plots vochtige ogen. Hij kon niet vaststellen in hoeverre ze acteerde, of dat haar ongerustheid echt was.

‘Gewoon een voorzorgsmaatregel. Ik kijk wat rond en ben zo weer terug.’

 

***

 

Tijdens de heenreis hadden ze gegeten in een diner genaamd Moe’s, aan een parkeerplaats langs de weg. Hij at een biefstuk, zij probeerde de alligatorworst met uienringen. Ze aten op kosten van Hobson senior.

‘Ben je eigenlijk nog wel eens terug geweest?  Naar Nieuw-Zeeland?’

‘Nee.’

‘Waarom niet.’

‘Geen behoefte aan. Na de oorlog brachten ze me naar een ziekenhuis hier. Ik ben nooit meer weggegaan.’

‘Ben je gewond geraakt?’

‘Nee, ik was alleen de kluts kwijt.’

‘Denk je er nog aan?’

‘Nee, nauwelijks nog,’ loog hij.

‘Heb je nog familie in Nieuw-Zeeland?’

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik ook niet,’ zei ze, ‘mijn ouders zijn ook al lang dood.’

Ze legde haar hand op zijn gespierde onderarm, alsof ze hem wilde beletten om de vork naar zijn mond te brengen. Ze streelde zijn arm en lachte naar hem.

Ze kenden elkaar uit een danshal. Ze was zo lief geweest om met hem te dansen. Hij verraste haar, was lichtvoetiger dan zijn uitsmijtersfysiek deed vermoeden.

 

-2:50 AM-

Hij sloop op kousenvoeten door de gang, maar de oude parketvloer kraakte bij iedere stap. Niemand zou het horen; het hele huis kreunde in de storm. Ergens aan het huis klapperde een luik dat niet vastgezet was en de regen roffelde oorverdovend op de daken. Alsof hij in een blikken trommel was gekropen.

Zijn alibi had hij klaar. Als hij iemand tegen zou komen, zou hij hen vragen waar het toilet was. Argwaan, zo had hij over de jaren geleerd, was het best te bestrijden met onomwonden stompzinnigheid.

Hij luisterde zorgvuldig aan iedere deur die hij passeerde. Als hij niets hoorde, opende hij de deur en bekeek snel of de kamer tekenen van bewoning vertoonde. Zo passeerde hij een drietal gastenkamers, en een kleine bibliotheek.

‘Slechts mijn echtgenoot en ik. En onze huishoudster en Edgar,’ had Mrs. Edelweiss op zijn vraag geantwoord, ‘slechts wij viertjes in dit enorme huis.’ Lee geloofde er niets van. In zijn hoofd bestond nog steeds de theorie van een sekte, die naïeve Tommy naar zich toe had gezogen en omarmd.

 

Hij vond een steile trap naar de zolderetage, maar bovenaan eindigde die in een deur die op slot zat. Met zijn oor tegen de deur hoorde hij een doordringend gezoem dat hij niet kon thuisbrengen. Het was alsof hij zijn oor tegen een koekoeksklok gedrukt hield, alsof hij het geheime uurwerk dat dit landhuis in stand hield kon horen. Wat een vreemde gedachte. Hij bedacht zich dat het was alsof hij droomde, terwijl hij zeker wist dat hij wakker was. Het gegeven van een lucide droom, waarin je wist dat je droomde, was Lee vreemd. In zijn slaap geloofde hij dat wat zijn onderbewuste hem voorschotelde. En als hij genoeg dronk, dan kon hij zich zijn dromen niet eens herinneren.

Wat had er in de koffie gezeten?

Hij daalde de zoldertrap weer af en zocht verder op de eerste etage.

Achter een van de deuren vond hij een soort archief. Hij stapte naar binnen en sloot de deur achter zich, alvorens hij zijn zaklamp aanknipte. Alle wanden waren bedekt met apothekerskasten tot aan het plafond. Op goed geluk schoof hij enkele laatjes open en scheen erin. Brillen, kunstgebitten, oorbellen, toneelsnorren, broches, ringen, zakhorloges, toupettes. Ieder laatje had een label met een naam, achternaam eerst, voornaam erachter. De kaartjes waren niet alfabetisch gerangschikt, hij kon er geen classificatiesysteem in ontdekken. De uitwassen van een krankzinnige geest.

Bijna onmiddellijk trof hij ‘Thibidoux, Rebba’ aan, maar haar laatje was helemaal leeg. Na een tijdje vond hij, op goed geluk tussen die honderden onbekende namen, de naam waarnaar hij zocht. ‘Hobson, Thomas’. Toen hij het laatje leeghaalde trilden zijn handen; een pakje kauwgum, een zakmes, een zilver kettinkje met een St. Christopher-medaillon, en een bril die hij herkende van de foto’s die hij had gezien van de jongen. Onderop lag een beduimelde paperback, Wind in the Willows, de rug stukgelezen. Hij propte de voorwerpen in zijn broekzakken, bewijsmateriaal. De paperback stak hij achterin zijn broeksband.

Terug op de gang, vroeg hij zich af of er ook al een laatje was met zijn naam erop. Maar dat was een gestoorde gedachte. En bovendien was er geen tijd.

 

-3:32 AM-

Zijn handen klemden zich om de balustrade totdat zijn knokkels wit werden. Met stokkende adem tuurde hij in de diepte onder hem. Zijn ogen puilden uit zijn hoofd.

Een bliksemflits door het raam had haar gedaante geopenbaard als een lichte schim op de parketvloer van de hal.

Bewegingloos.

Hij worstelde met een coherente gedachte. In zijn hoofd fladderde en krijste het als in een opgeschrikte volière.

Het was geen opzet geweest, verzekerde hij zichzelf.

Hij had haar alleen opzij willen duwen. Hij had haar arm vastgepakt en haar een slinger gegeven. Misschien ruwer dan nodig was geweest. Hoe kon ze… ze moest met haar heupen tegen het gepolitoerde hek geslagen zijn en door haar momentum erover heen gekieperd. Zo moest het gegaan zijn.

Hij maakte zichzelf los van de balustrade. Trok zijn zaklamp tevoorschijn. Maar de lichtbundel slaagde er nauwelijks in om de duisternis te penetreren, haar lichaam bleef begraven als op de bodem van een put.

Hij begon de halfronde trap af te draven.

Hij had de dienstmeid alleen maar opzij willen zetten. Het was alsof hij de verdediging oefende die hij later zou aanvoeren voor een jury. Zelfs in zijn hoofd klonk het al ongeloofwaardig.

Maar het was de waarheid.

Moest het zijn.

Ze lag op haar rug. Haar rechteronderbeen in een haakse hoek naar buiten. Verkeerd. Haar armen gespreid, alsof ze had proberen te vliegen, alsof ze haar armen had uitgeslagen als waren het vleugels.

Het bleke licht van zijn lantaarn toonde geen bloed, slechts een kleurloze vloeistof die onder het lichaam vandaan vloeide.

Haar huid was bleek als marmer.

Haar gezicht was weg.

Hij grinnikte de spanning van zich af.

Het was natuurlijk een paspop die ze hetzelfde kostuum hadden aangetrokken als de mulattin.

Iemand speelde bizarre spelletjes met hem.

Waar was de meid gebleven? Zat ze in het duister weggedoken, ergens boven op de overloop?

Hij scheen om zich heen, speurend naar verscholen kwelgeesten, maar de hal leek verlaten.

Hij hurkte neer bij de pop, de paperback achterin zijn broeksband herinnerde hem aan Tommy. De bleke huid glom als porselein, maar had de consistentie van rubber toen hij zijn stompe wijsvinger erin drukte.

Het gelaat was glad als een spiegel.

Op nog geen armlengte boven de pop lag een donkere, gekrulde pruik.

Daarnaast lag nog iets anders dat hij niet direct kon thuisbrengen.

Een masker, zag hij toen hij het oppakte.

De holle achterzijde was overdekt met een patroon van lijnen en wervelingen, dat hem aan een sterk uitvergrote weergave van een vingerafdruk deed denken.

En toen hij het masker omdraaide in zijn handen keek hij in het levensechte gelaat van Rebba Thibidoux. Ze hield haar ogen gesloten en haar mond dicht, maar ze was het.

Hij liet het vallen.

‘Kom tevoorschijn,’ zei hij tegen het duister. ‘Ik laat niet meer met me spelen.’ Maar zijn stem klonk schor en iel.

Alleen de donder gaf antwoord als een dier dat gromde.

 

-3:45 AM-

Terug op de kamer. Zwetend, geagiteerd. Zijn polshorloge geeft kwart voor vier aan.

‘Het is hier gevaarlijk,’ zei hij. Hij borg het bewijsmateriaal in de koffer.

‘Wat is dat allemaal? Wat is er gebeurd? Lee? Zegt het me, Lee.’

Hij drukte Eva zijn Remington in de hand. ‘Je wijst ermee, en haalt de trekker over. Eén keer. En dan nog een keer. Twee schoten.’

Ze pakte zijn onderarm vast met haar vrije hand, starend naar het wapen in haar slanke rechterhand.

‘Je gaat die twee kogels niet nodig hebben. Ik blijf in de buurt.’

‘Laten we weg gaan,’ zei ze hees en hij hoorde dat haar paniek nu echt was, ‘terug naar je auto. Weg van hier. Weg van al deze narigheid.’

‘Ik moet kijken of de jongen hier geweest is.’

‘Nee, Lee. Je laat me hier niet alleen.’

‘We doen het zoals daarnet. Je doet de deur op slot. Stoel onder de klink. Dan verstop je je in de kledingkast en houdt de derringer in de aanslag.’

Ze schudde haar hoofd. ‘Dat kan ik niet, Lee.’

‘Jawel, meid, je…’

‘Nee, ik kan het niet. Niet in de kast. Ik kan niet tegen kleine ruimtes… dat is iets uit mijn jeugd.’

‘Maar ik heb je…’

Ze kapte hem af door met haar hoofd te schudden.

‘Zolang mijn hoofd er niet in hoeft, gaat het best. Johnny kan me doorzagen en met zwaarden doorsteken, zo lang mijn hoofd maar buiten de doos blijft. Maar zijn verdwijntruc kan ik niet. Om in die doos te kruipen… het is alsof ik doodga. Alsof ik stik. Mijn maag draait al om wanneer ik eraan denk.’

Hij legde zijn grote, grove hand op haar schouder.

‘Het is goed, Eva. Als je iets aan de deur hoort morrelen, verstop je je achter de gordijnen, met de derringer in de aanslag. Oke?’

Ze bleef hem aankijken met holle ogen.

‘Ik ben binnen tien minuten terug oké?’

‘Oké.’

Hij liet haar de derringer richten, terwijl hij achter haar kwam staan.

‘Armen niet helemaal strekken.’

Zijn eeltige vingertoppen verkenden de zachte huid van haar polsen, de aangespannen muis van haar bovenste hand, het bot van haar duim, en toonden haar hoe ze de haan moest spannen. ‘Dan haal je de trekker over. De bovenste loop wordt afgevuurd. Nog een keer de haan spannen en vuren, dan wordt automatisch de onderste loop afgevuurd.’

Hij vertelde haar niet hoe de kleine .38 in haar handen zou schokken; alsof je een klap met een honkbalknuppel op je handen kreeg.

Hij hielp haar de haan weer ontspannen. Liet haar toen los. Haar zweet rook verrukkelijk. Zelfs een situatie als dit weet je nog te erotiseren, gekke ouwe man, dacht hij bij zichzelf, wat is er mis met jou?

Alleen voelde het niet mis. En hij voelde zich niet oud. Op momenten als dit, volop in actie, zo’n moment dat om kon kantelen in een vuurgevecht, doden of gedood worden, op zulke momenten voelde hij zich beter dan ooit.

 

-3:51 AM-

De flits schroeide zijn oogballen nog. Hij draafde de trap naar de zolder op. Op de bovenste trede stond hij klaar en toen de donder weer aanrolde, trapte hij uit volle macht tegen de deur. De zool van zijn schoen trof de deur als een stormram, vlak onder de deurknop. De metalen lip van het slot brak af, de deur klapte open als door een windvlaag. De deurknop aan de andere zijde had zich begraven in het stucwerk.

Hij schrok van de gedaanten in de kamer, schouder aan schouder, wachtend in het duister. Hij richtte zijn revolver, begreep toen dat het paspoppen waren. Ze hingen met hun oksels aan een soort kapstokken uit het plafond.

Anderen waren gedemonteerd: losse armen en benen staken met bossen tevoorschijn uit kratten. Torso’s, hoofden zonder gezicht en bolvormige buiken lagen her en der over de grond verspreidt, alsof iemand –tevergeefs- geprobeerd had om ze tot bergjes te stapelen.

Hij nam zo’n los hoofd van de grond, keek er naar, alvorens het weer te laten vallen.

 

***

 

Een gedeconstrueerde detective. Een explosieafbeelding waarin alle onderdelen uit elkaar zweefden, zo zag hij zichzelf, lijdend voorwerp in een macabere goocheltruc. Alle onderdelen van elkaar gescheiden, hun bedoelde samenhang slechts schematisch weergegeven. De belofte aan integratie leek vervlogen. Rebba Thibidoux, Tommy Hobson, Eva Black, Edelweiss en zijn vrouw, Hushka en zijn basilisk… wat hadden ze met elkaar van doen? Waren ze meer dan schimmige passanten in deze parade die kaleidoscopisch aan zijn zinnen voorbij trok?

 

-4:02 AM-

‘Ik geloof dat mijn vader hier is,’ zei Eva toen hij terugkeerde van de zolder. Ze zat op de uiterste rand van het bed, haar armen om zichzelf heengeslagen. Ze zag eruit alsof ze in zichzelf had willen verdwijnen.

‘Je hebt me verteld dat je vader gestorven is toen je nog maar een meisje was.’

‘Ja,’ zei ze, ‘dat is zo. Maar ik heb hem horen zingen. Hij neuriede dat liedje als hij de trappen omhoog kwam naar onze voordeur. Ik kon hem horen aankomen en dan probeerde ik me te verstoppen.’

‘Ze spelen spelletjes met ons, Eva. Ze proberen in onze hoofden te kruipen…’

‘Het was Black Girl…dat zong hij altijd. Altijd als hij gedronken had.’

‘Rustig meid. Laat je niet op stang jagen.’

‘Het was zijn stem!’ schreeuwde ze. Hij sloeg zijn hand over haar mond. Ze probeerde te schreeuwen en zich los te wurmen, maar hij hield haar gemakkelijk vast.

‘Stil,’ siste hij haar toe, ‘wees dan toch stil.’

Met haar vochtige ogen groot in haar gezicht staarde ze hem aan, over de knevel van zijn gebruinde hand. Ze knikte. Hij liet haar los.

‘Ik ben stil,’ zei ze schor.

‘Blijf hier,’ zei hij hardvochtiger dan hij wilde, ‘doe de deur achter me op slot. Ik ga die rotzakken overmeesteren. Dan stellen wij de vragen!’

 

-4:20 AM-

Het onweer was een ongeziene toneelknecht die in de coulissen stond te wapperen met een dunne plaat ijzer. Alles leek Lee gesimuleerd. Het huis was een poppenhuis met kartonnen wanden.

Meer dan ooit zocht hij nu de confrontatie. Dwaalde door de vertrekken op de begane grond met zijn revolver in de hand.

Een krakend slissen vulde de salon, als van een serpent dat zich verborgen had onder een van de fauteuils of de koffietafel. Er lag een plaat op de grammofoonspeler. Iemand had hem opgewonden en de naaldarm geplaatst.

Plots sneed er een schelle fluittoon door het vertrek… en Lee zette zijn voet op de onderste trede van de greppelladder.

 

Vlak voor het offensief verloren de manschappen hun verstand. Sommigen zaten geknield op de vuurbank te bidden. Anderen bekeken de foto’s van hun familie en weenden. Er waren er die van de spanning hun urine lieten lopen of moesten braken. Ze hadden allemaal hun dubbele portie rum opgedronken. Er werd gerookt. Sommige soldaten omhelsden elkaar, klampten zich aan elkaar vast. Soms had er iemand gejammerd of geschreeuwd dat hij niet ging, dat hij zich niet de dood in liet jagen, maar die werden door de sergeant met het pistool bedreigd. De sergeant stak een hand op, vijf vingers. Nog vijf minuten. Pijpen werden gedoofd en opgeborgen. Foto’s weggestoken. De gasmaskers gingen op en de bleke verwrongen gezichten verdwenen. Het trommelvuur hield aan. De aarde schudde van de onophoudelijke bombardementen.

Als de fluit ging, werden de greppelladders gezet en klommen de soldaten moeizaam met hun zware bepakking omhoog. Het niemandsland wachtte op hen.

 

Terug in het hier en nu, veegde Lee de grammofoonspeler van het tafeltje. Was dit het helse apparaat waarmee ze Eva gek maakten?  Hij stampte er een paar keer op. Hij was nog moederziel alleen in de salon. Hij voelde zich steeds verder verwijderd van de rest van de mensheid. Een grijsaard afgeduwd op een ijsschots. Steeds verder afdrijvend,  het onpeilbare zwarte niets van het heelal in, waar hij als een eenzame ster aan het firmament zou uitdoven.

 

-4:22 AM-

Eva kon hem weer horen zingen.

Black girl, black girl, don’t lie to me

Ze hoorde de neuzen van zijn afgetrapte werkschoenen langs de traptreden schaven. Haar vader was onvast ter been als hij gedronken had. Hij steunde op beide trapleuningen als een invalide. Sleepte zichzelf omhoog al een beest zonder ruggengraat.

Where did you stay last night?

Hij was een goede echtgenoot en een goede vader, dat had haar moeder bij hoog en laag volgehouden. Maar als hij had gedronken, voer er een duivel in hem. De drank veranderde hem in iets wilds, iets dat niet te temmen of kalmeren viel. Als vader zijn loon kreeg aan het einde van de week, kwam hij pas laat thuis uit de kroeg. Maar tegen die tijd had haar moeder zich al opgesloten in de badkamer. Ze sliep in de badkuip met haar kinderen in haar armen. Soms raasde en tierde haar vader aan de deur, hij rammelde en bonsde en gromde verschrikkelijke dreigementen. Andere keren viel hij voor de deur in slaap en zijn raspende ademhaling was als de klauw van een dier dat zich scherpte langs het hout.

I stayed in the pines where the sun never shines

Toen Eva ouder werd nam haar moeder haar niet langer mee de badkamer in.

And shivered when the cold wind blows.

Toen er geklopt werd legde Eva de derringer op het dressoir, stond op en deed de deur open.

 

***

 

‘Ken je Johnny Delamare eigenlijk?’ vroeg Eva, terwijl ze haar lippen depte met een papieren servet. De alligatorworst had haar gesmaakt.

‘Niet persoonlijk,’ zei Lee. ‘Ik heb over hem gehoord. Bekende figuur in sommige kringen. Rare vogel ook.’

‘Ach, hij is niet kwaad. Een van de betere bazen die ik gehad heb in mijn loopbaan. Het is jammer dat hij zo slecht betaalt, maar verder…’

‘Is het ooit anders?’

‘Vroeger was het ook geen vetpot, maar toen kon een meisje nog een redelijk loon bij elkaar sprokkelen. Nu zijn alle grote theaters dicht en de zaaltjes die overblijven zijn armoedige knijpen.’ Ze draaide haar koffiekopje tussen haar vingertoppen, keek naar het bodempje koffie alsof ze haar toekomst bestudeerde in een kristallen bol. ‘Laat ik het zo zeggen: ik ben een van de weinige meisjes op die tonelen dat haar kostuum aanhoudt.’

Lee gromde instemmend.

‘De shows van de Grote Delamare slaan ook niet erg aan bij dat publiek. Hij ziet zichzelf als de opvolger van het Grand Guignol-theater uit Parijs. Hij heeft een macabere inslag, mijn Johnny. Wanneer hij me doormidden zaagt moet ik plots schreeuwen en dan druppelt er nepbloed uit de kist op het toneel, en hij zorgt dat hij het op zijn handen krijgt en in zijn gezicht smeert en dan speelt hij dat hij in paniek raakt. Zo nu en dan is er iemand in het publiek die schrikt, maar de meeste klanten zitten in hun glas te staren, tijd te doden tot het volgende paar opwippende tepelkwastjes voorbij komt.’

‘Is het waar dat hij zich vermomt?’ vroeg Lee.

‘Ja, hij heeft allerlei vermommingen. Hij heeft er aardigheid in om zich te verkleden en dan iets aan je te komen vragen met een verdraaide stem en hele andere maniertjes. Hij maakt er een sport van, om je dan tweemaal vlak achter elkaar te benaderen, éénmaal als zichzelf en éénmaal als iemand anders. Het doet hem genoegen als hij niet herkend wordt.’

De serveerster kwam om hun koffiekoppen nog eens vol te schenken.

‘Volgens mij verkleedt hij zich ook wel eens als vrouw,’ zei Eva zachtjes, ‘Maar dat mag je tegen niemand vertellen, oke? Beloof je dat?’

Lee beloofde het, hand op zijn hart.

‘Johnny was best al verbolgen dat ik er met jou vandoor ging, wist je dat? Vakantie noemde hij het. Ik geloof dat hij denkt dat wij een verhouding hebben.’

‘Hij is natuurlijk zelf verkikkerd op je…’

‘Nee, dat geloof ik niet. Meestal weet ik dat wel.’

Ze bleef Lee aankijken, tot Lee zijn blik afwendde en uit het raam van de diner staarde alsof er iets te gebeuren stond op de uitgestorven parkeerplaats.

‘Johnny heeft tenminste nooit iets geprobeerd.’

Voorzichtig nam ze een slokje van haar verse, hete koffie.

‘Ik hoop maar dat hij geen nieuwe assistente gevonden heeft als ik terugkom.’

‘Vast niet.’

‘Meisjes genoeg.’

‘Maar geen van hen zo talentvol of mooi als jij, miss Black.’

‘Da’s lief van je Lee. Maar hoeveel talent heeft een meisje nodig om zich door te laten zagen door de Grote Delamare?’

 

-4:50 AM

In de kelder was het vochtig. De storm bovengronds leek hier onbeduidend. Er brandt elektrisch licht. De dokter was aan het werk.

Boven de brancard was een verstelbare standaard met een ijzeren ring zo groot als een etensbord. De ring had tanden: een bijna gesloten diafragma vulde het binnenste van de ring. De snijrand was vlijmscherp en gewassen met bloed.

Edelweiss hield zich staande aan het aanrecht, wankel op benen die mager en krom waren, gevat in ijzeren beugels. Een loep op een verstelbare harmonica-arm vergrootte zijn linkeroog tot wanstaltige proporties. Betrapt.

‘Hallo horlogemaker,’ zei Lee. En toen: ‘Waar is ze?’

Met gehandschoende vingers lichtte Edelweiss het gezicht van Eva Black uit een ondiepe schaal met groene prepareervloeistof. Teder veegde hij haar gelaatstrekken schoon en hield het masker toen naar Lee op.

‘Waar is de rest van haar lichaam?’ gromde Lee.

‘Niet meer nodig. We zullen haar een nieuw lichaam schenken. Een lichaam dat geen ouderdom, ziekte of gebrek kent.’ Hij kneep wat met zijn ogen, achter de brillenglazen.

Schuifelend langs de aanrecht, dan overstekend naar de brancard probeerde hij terug te komen naar waar zijn rolstoel stond.

‘Ze was uitverkoren en ze heeft de roep beantwoord. Ze was een gekwelde ziel, die zocht naar een uitweg. Die heeft ze nu gevonden. We hebben haar gevonden, zoals zij ons vond. Net zoals jij bent gekomen om de brokstukken van je leven te laten lijmen.’

Lee was nu vlakbij, stapte tussen Edelweiss en de rolstoel. Het gezicht van de kreupele oude man was ter hoogte van zijn borstbeen, keek naar hem op.

‘Beste jongen,’ fluisterde de dokter hees, ‘er is een uitweg uit al dit bloederig gedonder…’

 

-5:07 AM-

Toen Lee terugkeerde op zijn kamer, waren de randen van zijn mouwen roze bevlekt. De wildeman die vanuit de spiegel naar hem loerde, keerde hij de rug toe. Met zijn grote handen streek hij zijn haar achterover, smeerde het vast tegen zijn schedel.

Hij probeerde zijn vuist in zijn mond te duwen.

Later hervond hij zijn kalmte.

Hij legde de koffer op het bed en haalde de foedraal met zijn gedemonteerde Lee Enfield geweer tevoorschijn en zette het met efficiënte handelingen in elkaar, laadde er kalm en beheerst tien .303 patronen in.

Hij schroefde de heupbus open die hij al die jaren bewaard had en haalde het Duitse gasmasker eruit. Zette het op. Verstelde kalm en beheerst de gespen, zodat het leren masker als een extra huid over zijn gezicht sloot. Het masker sloot de wereld buiten, het kapselde hem in, sloot hem op met zijn eigen ademhaling en het ruisen van zijn bloed in zijn oren. De rasters voor zijn ooggaten deelden de wereld in segmenten, alsof hij alles bezag door een vergeeld glas-in-lood-raam. Het gewicht van de opschroeffilter aan zijn mondstuk was een vertrouwd bungelend gewicht wanneer hij zijn hoofd draaide, als een mechanisch wezen, herrezen uit de loopgraven.

Daarna pakte hij zijn koffer weer in, de weinige dingen die hij vanavond had uitgepakt. Zijn colbert, zijn overhemd en stropdas. Hij zocht ook de spullen van Eva bijeen, die aanzienlijk meer verstrooid had over hun gastenkamer. Haar toiletartikelen, het zilveren sigarettendoosje op de rand van het nachtkastje. De met veren gevulde kunstbuik. Haar jas en parmantige hoedje. Hij raapte haar bottines op en klemde ze even tegen zijn borst, een ogenblik maar, voordat hij ze ook aan de koffer toevertrouwde.

Alles ging terug in de grote koffer die ze gedeeld hadden als echtpaar Enfield.

Als laatste pakte hij ook haar gezicht in. Hij vouwde het in haar reserve-onderjurk en deed het allemaal in de koffer.

 

Hij sjouwde zijn koffer naar buiten, met het geweer in zijn vrije hand. Hij was klaar voor tegenstand, maar niemand probeerde hem tegen te houden. Buiten spetterde het nog, maar de ergste storm was al voorbij getrokken. Door zijn masker kon hij de frisse lucht niet ruiken. Hij liet de koffer op de veranda staan – en met het geweer in twee handen voor zijn borst, ging hij het huis weer binnen.

 

-5:46 AM-

Lee trof de vrouw des huizes aan in de salon waar ze in de vooravond koffie hadden gedronken. Ze stond te kijken naar de grammofoon die hij had stuk geworpen op de grond, een uitdrukking op haar gelaat alsof ze overweldigd werd door triestheid. Hij sloeg de bejaarde vrouw met de kolf van zijn geweer tegen de grond. Met zijn laars op haar borst, probeerde ze nog iets te zeggen. Maar hij schoot haar door het gezicht voordat deze laatste woorden haar mond verlieten. De knal weerklonk als de donder door de kamer, kaatste tegen de lambrisering en de gepolitoerde meubelen.

De huishoudster Rebba Thibidoux vond hij terug in de keuken. Met haar hoofd iets scheef en een keukenmes in iedere hand kwam ze naar hem toe, maar hij schoot haar door het hoofd voordat ze hem bereikte.

Edgar kwam de trap afgerend, gealarmeerd door de schoten. Of kenden ze elkaars gedachten, als mieren in een mierenhoop waarin hij geroerd had? Lee talmde niet, hij legde aan en schoot voordat Edgar halverwege de afdaling was. De benen van de bediende bezweken en het gedrongen lichaam rolde omlaag en kwam pas op de plavuizen tot stilstand, levenloos aan Lee’s voeten.

Geen van hen was menselijk.

Poppen. Hij verwijderde de kapot geschoten gezichten en wierp ze terzijde. De vloeistof die ze lekten was doorzichtig en stroperig.

 

Achter het huis, in een golfplaten schuurtje vond hij een olietank. Onder het oorverdovende kabaal van de generator vulde hij twee jerrycans. Daarmee ging hij terug naar het huis, zijn geweer aan de band over zijn schouder.

Hij besprenkelde de vloeren van alle ruimtes op de begane grond. Eerst één jerrycan leeg gietend, daarna de tweede. De neergeschoten paspoppen overgoot hij rijkelijk.

Op de veranda stak hij een met olie doordrenkte lap aan, wierp hem door de openstaande deur over de drempel.

 

-6:12 AM-

De regen was opgehouden. De oprijlaan was een lagune. Afgerukte boomtakken staken als de armen van drenkelingen uit de modder en het water omhoog. In de plassen weerspiegelden scherven van de flamingo-roze ochtendhemel. Een koor van opgewonden kikkers verborg zich achter de gehavende cipressen.

Zwaarbeladen begon Lee aan zijn terugtocht naar de auto. Al snel gaf hij zijn pogingen om van eilandje naar modderig eilandje te stappen op. Met soppend schoeisel en doorweekte broekspijpen marcheerde hij voort, door het bijna kniediepe water. Zijn gasmasker op, de Lee Enfield over zijn schouder, het was alsof hij weer terug was aan het front.

Achter hem brandde het huis als een lier. De vlammen sloegen uit de ramen en zwarte wolken rezen op als gebeeldhouwde pilaren om de hemel te stutten.

Vanaf de hoofdweg keek Lee nog een keer om. Daarna zocht hij zijn auto op.

Hart van steen : Rik Raven

Wanneer de zon zijn hoogste punt bereikt, vormen de schaduwen kleine kringen rondom de standbeelden in het gras. Er liggen geen papiertjes of plastic bekers, geen verwaaide bladeren van de bomen achter de spijlen van het hekwerk.

De beelden zijn van steen; ze zijn niet gebeeldhouwd, maar uitgehard, zoals verf of klei. Beelden van jonge mensen die zijn weggerukt uit hun leven al voordat ze een zonde kunnen plegen die groot genoeg is om indruk te maken op volgende generaties. Jongens en meisjes. Maar een paar zijn ouder dan twintig jaar geworden.

De schittering van de zon maakt de tekst op elke messing plaquette een korte tijd onleesbaar, maar hun namen zullen door niemand vergeten worden.

Zelden klinken hier stemmen en is het voornamelijk de stilte die heerst.

Wanneer er geen geneesmiddel wordt gevonden, zal deze gedenkplaats nooit uit de schaduw treden en in een ander licht komen staan. Dan zullen de stemmen wegblijven.

Als een symbool voor medemenselijkheid.

 

De kerkuil spiedt over het land, zijn witte, hartvormige gezicht roerloos. De dalende zon zet zijn glanzende veren in een teer rozerood licht. Als hij opvliegt klinkt zijn snijdende gil en hij verdwijnt uit het zicht.

Vanuit haar slaapkamerraam op één hoog ziet Lara haar broer Fabian al een kwartier geboeid omhoog kijken, hurkend in het lange gras. In gedachten hoort ze hem kreunen van pijn terwijl hij voorzichtig omhoogkomt. Hij zoekt steun bij het tuinhuisje als hij de grote vogel nakijkt. Lara ziet de inspanning op zijn gezicht. Ze zou hem zo graag willen helpen.

Waarschijnlijk is dat een van de redenen dat ze hem in de gaten houdt. Een andere reden is dat ze zijn aandoening wil blijven monitoren, samen met haar ouders. Zijn symptomen zijn atypisch. Hij heeft geen pijn, zegt hij steeds weer. Hij weigert te klagen, want petrificatie komt altijd zonder pijn. Het is een virus, maar niemand kent de oorsprong en niemand heeft een geneesmiddel. Er is zelfs geen vaccin.

Iedere dag loopt hij minstens tweemaal door hun achtertuin, omdat hij zijn vogelobservaties nooit zal opgeven. Door haar raam ziet Lara de pijn die hij voor hen verborgen houdt.

In goede tijden was het tuinhuisje in gebruik als opslagruimte, maar er hoeft niet zo veel meer opgeslagen te worden, op de kapotte grasmaaier na. Fabian en de kerkuil lijken bijna een overeenkomst te hebben gesloten om elkaar daar te treffen.

Haar hart gaat uit naar Fabian omdat ze begrijpt waar zijn liefde voor vogels vandaan komt, want er is een stukje in hem dat als die vogel wil zijn, die wegvliegt,

weg van zijn pijn,

weg van de toekomst.

Ze legt hoofdschuddend haar kin op haar handen, zonder haar broer uit het oog te verliezen.

‘Lara,’ klinkt het gedempt vanaf de overloop. Haar moeder staat in de deuropening met een hand op de klink en in de andere hand haar mobiele telefoon – niet aan haar oor, want ze vindt het niet gepast om tijdens een sociale bezigheid in gesprek te zijn. ‘Wil jij op Fabian letten? Ik ben zojuist opgeroepen en je vader heeft zijn rust hard nodig.’

”Tuurlijk, geen zorgen, mam. Hij zit buiten. Vogels spotten.’

‘O, fijn, maak je je vader wakker als je zelf gaat?’

‘Ik blijf lekker in de buurt, mam. Komt in orde.’ Haar moeder, getrouwd met jonkheer Pieter Cullen van der Berckhout woonachtig in een imposant landhuis aan de rand van de stad, sluit de deur na een korte groet. Lara wist nog hoe haar ouders machteloos moesten toezien hoe alles sneller dan iemand kon verwachten bergafwaarts ging omdat de Wet van Murphy in werking trad. Het gezin kon een opeenstapeling van pechgevallen nauwelijks bolwerken met als gevolg dat vader, failliet geraakt, maar niet te trots, als nachtwaker aan de slag is gegaan in de haven, dat moeder twee baantjes heeft, als verkoopster en helpdeskmedewerkster, en dat ook Lara een sabbatical heeft genomen van haar studie taalwetenschap om bij te kunnen springen door een baantje op een administratiekantoor aan te nemen.

Dit alles om Fabian te sparen, om de vaste lasten van het grote herenhuis aan de Vrijheidsstraat te kunnen blijven betalen, geld opzij te kunnen leggen voor het noodzakelijke onderhoud en te voorzien in hun levensonderhoud. Er is te weinig geld voor een behandeling van Fabians ziekte in het centrale ziekenhuis.

Fabian heeft haar vaak gezegd dat hij niet gespaard wil worden, dat hij zich beledigd voelde. Een aantal maal heeft hij zelfs bijgesprongen om het budget aan te vullen door zich in te laten met Jens de Vrede, die Fabian uiteindelijk heeft kunnen diagnosticeren als petrificatiepatient. Jens is een talentvolle laborant die dit jaar zijn dokterstitel in de biotechnologie heeft behaald. Hij is ervan overtuigd dat hij degene zal zijn die petrificatie kan genezen. Lara had nog een relatie met hem toen hij begon als stagiair in een onderzoeksteam dat al bezig was met het ontwikkelen van een antivirusmiddel en inmiddels is hij de leidinggevende, trekt hij fondsen aan en houdt presentaties. Hij zegt steeds dat hij binnenkort een vaccin op de markt zal brengen.

Aanvankelijk was Lara trots dat ze kon zeggen dat haar ex-vriendje zo vastberaden was in het zoeken naar een medicijn en heel dankbaar dat hij Fabian onder zijn hoede wilde nemen. Echter, toen ze er achter kwam dat hij Fabian gebruikte voor zijn experimenten, was ze woedend en beëindigde ze de relatie. Ze waren dertien maanden samen en achteraf, realiseert ze zich, kon het weleens allemaal om Fabian te doen zijn geweest.

Fabian trekt zich weinig aan van haar bezorgdheid. Hij gaat zijn eigen weg en hij wil er alles aan doen om te genezen. Hij is anders dan andere patiënten, niet alleen vanwege zijn pijn, maar ook omdat hij geen laag intelligentiequotiënt heeft. Integendeel, hij denkt veel te veel na.

Fabian is twee jaar jonger dan zij en net achttien geworden, maar hij weigert haar toe te laten, alsof hij geen medeleven wil. Niemand had verwacht dat hij aan petrificatie zou gaan lijden. Ze had gedacht dat er meer vragen bij zouden worden gesteld, zeker van Jens, maar hij was de eerste die aanbood om Fabian te onderzoeken en behandelen. Blijkbaar worden de symptomen klakkeloos geaccepteerd. Wel lijkt het bij hem trager door te zetten, wat de reden zou kunnen zijn dat hij zo veel pijn lijdt. Hoe hij het laatste experiment heeft kunnen doorstaan, zal zij nooit begrijpen. Zij had geëist dat Jens en zijn team er mee stopten en niemand nam het haar kwalijk, alleen Fabian was boos geweest.

‘Je hebt het recht niet te beslissen of ik pijn lijd, of niet,’ had hij gezegd. ‘Ik draag mijn steentje bij en ik doe dat op mijn manier, Lara. Vroeg of laat verander ik toch in een standbeeld.’ Toen had hij zelfs even gelachen in het besef dat zijn woordgrap erg toepasselijk was.

Lara draait zich weer naar het raam en ziet dat Fabian een aantekening maakt in zijn notitieboekje. Hoe kan ze zich geen zorgen om hem maken? Hij is haar broer, ze lijken op elkaar. Allebei hebben ze donkerbruin haar, hoge jukbeenderen, een sterke neus en blauwe ogen, maar waar zij slank is, is hij mager en waar zij een roomwit gezicht heeft, is hij lijkbleek.

Fabian kijkt op alsof iets buiten zijn vogelwereld zijn aandacht trekt. Lara gaat een stukje over haar bureau hangen naar het raam. Er lijkt iemand achter het bouwvallige tuinhuis te staan, ze ziet een hand op Fabians arm. Fabian zet een stap achteruit, waardoor de onbekende zich bloot moet geven. Jens?

 

Fabian is uit de taxi gestapt en blijft, zoals altijd, nog even staan kijken, omdat het uitstappen energie vreet en hij op adem moet komen. Walter Koevoets is de taxichauffeur die hem stond op te wachten, alleen nu in de straat achter het herenhuis terwijl hij normaal zijn taxi voor het huis stopt. Walter kent alle patiënten die onder behandeling zijn in het ziekenhuis omdat hij de enige is die hen rijdt. Hij praat graag en heeft ook altijd een opbeurend woord klaar, maar tijdens deze rit zweeg hij. Fabian weet dat Walter en Jens elkaar kennen, want ooit heeft Walter hem verteld dat ze samen op school zaten.

Hij steekt zijn hand nog een keer op, maar Walter zit achter zijn stuur en kijkt niet eens, hij lijkt na te denken. Schouderophalend loopt Fabian Jens achterna.

Hij vindt het vreemd dat hij dit gedeelte van het ziekenhuis niet kent. Het zou een noodaanbouw kunnen zijn dat ze binnenstappen, zo’n witte blokkendoos die in elkaar is gezet met kleurloze gipsplaten. Ze lopen door een lange gang.

‘We zijn er bijna. Het komt allemaal goed,’ zegt Jens. Fabian weet nu heel zeker dat Jens niet op zijn gemak is. Er is namelijk altijd een stemmetje geweest aan de binnenkant van zijn oor dat hem waarschuwt als er zaakjes niet pluis zijn. Het vertelt hem als ogen te vaak knipperen, als een neus te rood ziet omdat er dwangmatig langs gewreven wordt, als een mondhoek hoger of lager staat dan eerder. Deze zenuwtrekjes zijn voor het stemmetje als flitsende neonlichten.

Fabian wil juist zeggen dat het hier erg stil is, wanneer er een jonge man in een witte doktersjas hen tegemoetkomt, even knikt en dan doorloopt zonder iets te zeggen. Fabian kijkt nog eens achterom, de man heeft een opvallende bos donkere krullen.

‘Dat is Elroy, een collega-onderzoeker. Dit is een aparte vleugel van het ziekenhuis.’

‘Zoiets als de pathologie?’ vraagt Fabian. Het lijkt een redelijke vraag, alsof hij oprecht geïnteresseerd is, ook al bezorgt zijn stemmetje hem de kriebels. Het zegt dat Jens iets verzwijgt.

Fabian zit al een ongewoon lange tijd in de tweede van de drie fases die je met petrificatie moet doorlopen. Maar het is nogal een verschil of je net in de tweede fase bent aanbeland of dat je fase drie al in je nek voelt hijgen. Fase drie betekent dat je gewrichten aan de verstening zijn begonnen waardoor je bewegingen aanzienlijk belemmerd kunnen worden. Fabian weet nog dat Leon, wiens beeld intussen in de Beeldentuin staat, hem vertelde dat het aan het einde van de tweede fase leek alsof zijn knieën en polsen in snel verhardend cement werden gegoten. Leon was een goede vriend, geestelijk gehandicapt, maar pienter. Ze leerden elkaar kennen toen Fabian tijdens een proefles turnen van een brug viel en onderzocht moest worden in het ziekenhuis. Hij had het heel moeilijk gevonden te zien dat Leon meer en meer problemen kreeg weer in beweging te komen. Iedere keer kostte het hem net dat beetje meer energie. Maar het lukte hem, steeds opnieuw, tot wilskracht alleen niet meer voldoende was en zijn beweging stopte.

Dat is wanneer de smering volledig achterwege blijft.

Dat is wanneer het besef doordringt.

Fabian zit al veel langer dan de gemiddelde patiënt in de tweede fase en hij is zeer geliefd bij de onderzoekers.

Jens glimlacht en staat stil voor een deur, maar hij gaat niet naar binnen. Fabian ziet hem twijfelen. Zelf kijkt hij de gang nog eens door, kil, wit en kaal. Geen bloem, tekening of aquarel om de boel op te fleuren. Er ligt een geweven loper over de vloer die de kanten niet raakt waardoor aan weerszijden de witte ondervloer zichtbaar is. Jens staart nog steeds naar de deur.

‘Wat is er?’ vraagt Fabian. ‘Waarom zijn we niet in het lab?’

‘Ons lab is verhuisd, want wat wij doen is geheim.’

‘Wegbezuinigd? Ik krijg toch wel betaald?’ vraagt hij.

‘Ja, nee, ja natuurlijk. Denk je dat Lara me nog heeft gezien?’ Jens fluistert dit laatste.

Fabian merkt aan alles dat Jens nog stapelverliefd is. Hij mag dan aan petrificatie lijden, hij voelt die dingen. Zelf denkt hij dat zijn val van de brug, waarna hij lang hoofd- en nekpijn had en nog heeft, hem op empathisch vlak sterker heeft gemaakt. Zeker is dat hij daar het stemmetje aan te danken heeft. Het virus heeft dat niet verstomd.

Jens grijnst vals en zegt uiteindelijk beslist. ‘Kom.’ Hij opent de deur, die eerst nog wat klemt, waardoor hij bijna naar binnen valt. Fabian wacht tot Jens zijn evenwicht heeft hervonden en loopt een ruimte binnen in de vorm van een omgekeerde T, al even kaal en wit als de gang. In het lange stuk recht vooruit staan zes bedden, drie aan elke kant. Op het eerste bed rechts ligt een langwerpige ovale vorm. Als hij wat beter kijkt, schrikt hij. Het lijkt wel of daar iemand ingepakt ligt in een strakke witte zak – gebakerd als een baby in vroeger tijden. Hij denkt een hoofd te zien, hij ziet zwarte krulhaartjes, maar als hij ernaartoe wil lopen, doet een krachtige stem, die kriebelt in zijn nek, hem pas op de plaats maken.

‘Jij bent Fabian?’ In de stem klinkt een contrabas, waarvan slechts een enkele snaar wordt beroerd. Achter een bureau in de rechterpoot van de T – in de linkerpoot staat er nog zo één – zit een man. Zijn oogwit wordt geaccentueerd door een diepbruine huid en de botstructuur van het gezicht is grof met strakke lijnen en hoge jukbeenderen, een kin als een strijkijzer en dunne lippen.

Fabian kijkt niet naar Jens, omdat hij vreest spijt te zien op zijn gezicht. Daar heeft hij niets aan. Hij denkt dat Lara de reden is voor Jens’ twijfel, maar er kon weleens meer achter zitten. Het stemmetje zegt het. Hij staat stil en kijkt naar de grond.

‘Ben jij Fabian?’ vraagt de contrabas nogmaals.

‘Ja,’ zegt Fabian. ‘Wie bent u? Wat doet u hier? U bent niet van het team.’ Elk lid van het onderzoeksteam draagt standaard een witte doktersjas met een naamplaatje.

‘Dokter De Vrede, heeft u deze jongeman niet op de hoogte gebracht?’ De man kijkt Fabian onderzoekend aan terwijl hij Jens de vraag stelt.

Jens houdt zijn hoofd scheef en lacht een glimlach die geen glimlach is, maar een gemiste kans. ‘Ik heb Fabian inderdaad niet alles verteld.’

‘Omdat hij het niet zou begrijpen?’ Nu draait de man zich volledig naar Jens.

‘O, vergist u zich niet. Fabian is niet achterlijk, integendeel, hij is zeer intelligent en volgens mij is hij de uitzondering die de regel bevestigt.’

‘O ja?’ vraagt Fabian. ‘En waarom hoor ik dat nu pas?’ Hij weet dat hij traag denkt door zijn hersenletsel, trager dan voorheen, maar hoeveel trager heeft hij nooit geweten. Hij is er altijd van uit gegaan dat zijn trage cognitie zijn intelligentie heeft beïnvloed en dat zijn IQ wel op een laag gemiddelde zou zitten.

‘Ik dacht dat je dat wel wist. Dat is ook de belangrijkste reden dat je ons favoriete studieobject bent, Fabian. Maar we zijn altijd voorzichtig.’

Fabian is nog even sprakeloos en kijkt beide mannen aan, Jens en de imposante, zwarte man. Een man die dermate uit de toon valt in de witte omgeving dat hij alleen daarom al respect verdient.

De grote onbekende moet de onderzoekende blik van Fabian voelen. Even lijkt hij zich te generen, de dunne lippen bewegen in een halve glimlach. Dan staat hij op achter het bureau. ‘Mijn naam is Alexandre Decotoi.’ Hij spreekt de achternaam uit als Deekootwa. ‘Ik wil je laten kennismaken met mijn dochter, Elisa. Ze is nog maar half zo oud als jij en zit al in de tweede fase van petrificatie.’

‘Dat is vroeg,’ bevestigt Fabian. Ergens is hij blij dat het onderwerp verandert, want zijn IQ is niet interessant, laat staan belangrijk. ‘Ik kan haar helpen te genezen?’

‘Je wilt meewerken aan de nieuwe behandeling?’ vraagt Decotoi.

‘Misschien wel, misschien niet.’ Hij kijkt naar Jens. ‘Heb je nog geen vaccin, dan?’

‘Bijna, maar dit keer is het anders, Fabian, en je krijgt het dubbele betaald,’ zegt Jens. ‘Dit zijn geen medicijnen of een therapie die je in ongemakkelijke houdingen boven warm water laten hangen, want we gaan beginnen met een bloedtransfusie.’

‘Dit klinkt heftig,’ zegt Fabian gelaten. ‘Hoe zit het met mijn bloed? Qua bloedgroep.’

‘Jullie bloedgroepen zijn ideaal, voor elkaar gemaakt. Jij hebt 0 resus D-negatief, de universele donor, en Elisa heeft AB resus D-positief, de perfecte ontvanger.’

Fabians aandacht verslapt al bij de eerste resus, hij hoort het stemmetje met de naam Wantrouwen. ‘En als het niet werkt?’ vraagt hij. ‘Waar zit de adder, het venijn?’

Jens kijkt hem niet aan, maar geeft het antwoord dat Fabian niet had willen horen. ‘Als het niet werkt, ga je dood.’ Jens blijft van hem wegkijken.

Jens is een lafaard, denkt Fabian, maar hij zegt: ‘Tja, nou ja, je bent eerlijk. Oké dan, dood ga ik toch. Is het niet nu, dan later.’ Hij denkt na. ‘Je weet waar je het geld naar toe kan sturen.’ Hij kijkt Alexandre Decotoi aan. ‘Naar de familie Cullen van der Berckhout.’ Fabians blik gaat heen en weer tussen Jens de Vrede en Alexandre Decotoi.

‘Je doet het toch niet alleen voor het geld? Je wilt toch ook genezen?’ Jens kijkt hem met een verachtelijke, kunstmatige hoop in zijn ogen aan. ‘Heb jij nu pijn?’

Fabian fronst zijn wenkbrauwen. ‘Waar wil je antwoord op? Ja, ik heb pijn, altijd, houd erover op.’ Hij legt een hand in zijn nek en knijpt zachtjes. ‘Ik begrijp nu waarom je dit in het geheim doet. Het ziekenhuis weet van niets, op een paar schimmige oncologen na, zeker. Dokter Heersma, bijvoorbeeld.’

‘Je hebt gelijk, het is geheim, maar zelfs Heersma weet dit niet. Stel je eens voor dat het gaat werken. Dat jouw bloed Elisa beter maakt en dat jij door de transfusie van je pijn af bent.’

‘Al wat ik me kan voorstellen, is de dood. Dat ik leegbloed, bijvoorbeeld. Misschien versteen ik wel onmiddellijk. Wat stel jij je voor dat er dan gebeurt?’ vraagt Fabian. ‘Denk je dat Lara je dan wel aardig vindt?’

Jens wendt ogenblikkelijk zijn ogen af. 1-0 voor mij, denkt Fabian. Hij schudt zijn hoofd en masseert zijn slapen.

‘Zo moet je dat niet zien, Fabian,’ zegt Decotoi met de stem die laag binnenkomt. Het geluid lijkt nog even na te trillen in Fabians oren. ‘Hier zijn andere redenen voor.’

‘Deze transfusie kan weleens het begin zijn van een heel nieuwe aanpak,’ begint Jens.

Fabian komt tussenbeide. ‘Waarom?’ Hij wijst weer naar de witte zak waar een donker hoofdje bovenuit steekt, dat zich naar hem toe draait als hij zich in die richting beweegt. ‘Ingepakt als een baby. Pure gevangenschap.’ Fabian wappert met zijn handen, want hij wil geen uitleg, hij wil eerst zien wie daar ingepakt ligt. Het voelt helemaal niet goed.

Hij hoort Jens naar hem roepen, maar hij is koppig en steekt zijn middelvinger op. Ze doen maar. Hij komt bij het bed en wordt aangekeken door ogen en een donker hoofdje, omgeven door zwarte krulhaartjes. Een meisje met smalle ogen, in een dubbele plooi gevat, en ze gunnen hem de liefste blik die iemand hem ooit heeft gegeven. Hij is nooit verliefd geweest, maar aan deze ogen heeft hij nu al zijn hart verpand. Hij ziet echter ook dat haar mond wat openstaat, dat ze haar tong een stukje uit steekt en dat ze een hele kleine neus heeft. Ze lacht naar hem. Alleen haar hoofd kan ze enigszins draaien.

‘Hoi, hoe gaat het met jou?’ En direct daarna roept hij: ‘Maak haar los.’ Hij is kwaad, hij is pisnijdig. ‘Zijn jullie helemaal gek geworden? Dit is schandalig.’

‘Maar dat is Elisa,’ zegt Alexandre terwijl hij samen met Jens dichterbij het bed komt.

‘Nee, nee, nee, dit is helemaal verkeerd.’ Fabian kan niet de meteen de woorden vinden waarin hij zijn woede wil uitdrukken, dus hij kijkt Jens en vooral de vader met grote ogen en een indringende blik aan.

‘Nee, hoor,’ probeert vader nog vergoelijkend.

Dit is het moment dat Fabian start met vloeken, en zich pas excuseert als hij adem moet halen. ‘Sorry,’ zegt hij dan hoewel hij het niet meent. ‘Dit is totaal de verkeerde aanpak. Ze moet bewegen, hoe minder beweging, hoe sneller de gewrichten vast komen zitten en de botten verkalken.’ Hij kijkt naar Jens, beschuldigend. ‘Ze moet spelen, klimmen, rennen, zolang ze nog kan.’

‘Nee, Fabian, daarvoor is het te laat, ze kan al lang niet meer lopen. Fabian, kom eens hier.’ Alexandre Decotoi pakt hem bij zijn schouders en neemt hem een stukje mee, weg van Elisa die nog met dezelfde open mond en prachtige spleetogen om zich heen kijkt.

‘Je ziet dat ze het syndroom van Down heeft? Ik had alle hoop verloren tot ik dokter De Vrede ontmoette. Elisa heeft nooit gesproken, maar ik kan met haar communiceren en mijn vrouw ook. Tierry en ik houden van Elisa. Ze is ons enig kind. We willen niet dat ze al vroeg moet sterven, eindigen als een standbeeld in de Beeldentuin.’ Alexander moet ademhalen en Fabian knikt alleen maar. Alexander vervolgt: ‘Recent hoorde ik dat doctor De Vrede al enkele jaren bezig is een medicijn te ontwikkelen en ik heb ook gehoord dat jij hem daarin heel goed assisteert.’

Fabian weet niet wat te zeggen, hij haat het neerbuigende toontje dat direct volgt op de oprechte wanhoop.

‘Wat moet ik deze keer doen?’ vraagt Fabian aan Jens. Fabian is een man van zijn woord en hij krijgt dubbel betaald, maar hij zal moeten doorbijten. ‘Laat het niet weer dat zoutzuurachtige goedje zijn, want dan draai ik je de nek om.’

 

En hier ligt hij dan met een infuus in zijn arm naast het bed waarop een gebakerde Elisa ligt, die haar bevrijde rechterarm naast zich heeft liggen. Het is een heel dun armpje waar een grote naald in steekt en een dunne slang met bloed. De slang loopt naar een apparaat waar een doorzichtig zakje bloed in hangt. Aan de andere kant van de zak steekt een slang die naar zijn arm gaat. Ze heeft haar hoofd naar hem toe gedraaid. Ze lacht en het is wel duidelijk dat ze geen idee heeft waarom ze lacht, maar toch blijven haar ogen de mooiste die hij ooit heeft gezien. Fabian kijkt eens naar de naald die in de binnenkant van zijn elleboog zit. Door de slang stroomt zijn bloed. Naar buiten. Hij voelt zich slap.

Hij is echter allang blij dat hij niet zo’n pijn heeft als drie jaar geleden tijdens een van de eerste experimenten. Alle bedden waren bezet met jonge patiënten, de een nog zieker dan de ander van een of ander medicijn, maar zij waren zonder pijn. Elke patiënt moest zijn gekerm en geschreeuw aanhoren, totdat Jens – dokter De Vrede – het infuus uit zijn arm haalde, en de pijn iets draaglijker werd.

In deze zaal is het stil, op het murmelen van Elisa na. De bedoeling was dat Fabian zich ook vast liet binden, maar dat ging hem veel te ver. Hij weigerde.

‘Ik stel me beschikbaar zodat jij je belangrijke werk kunt doen en jij bent zo dankbaar dat je me nog verder in mijn vrijheid wilt beperken? Ben je helemaal gek?’

‘Het is voor je eigen veiligheid, Fabian.’ Weer die neerbuigendheid. ‘We weten niet hoe je lichaam reageert als er twee liter bloed wordt afgetapt.’ Gelukkig kon Alexander Decotoi Jens tenslotte overhalen om Fabian niet vast te binden, maar alles goed beschouwd is hij toch een soort van gekluisterd door zijn laffe bloed dat hem verlaat en hem eenzaam achterlaat.

Hij mist zijn vogels, hij mist de buitenlucht. Hij mist de kerkuil die altijd even komt kijken als hij bij het tuinhuisje zit. Soms hebben ze hele gesprekken, soms genieten ze alleen van elkaars aanwezigheid. En zo nu en dan mag hij mee.

Dan vliegt hij.

Dan hoort hij het ruisen van de wind, proeft hij regendruppels op zijn lippen.

Dan is hij vrij, is er geen pijn. Alleen wind, licht en vrijheid.

Nu hoort hij stemmen. Lara? Hij wil rechtop tegen het kussen gaan zitten als Lara binnenkomt, maar hij voelt zich als een natte krant en blijft in het dikke kussen liggen. Achter haar, met zijn arm uitgestoken omdat hij haar probeert tegen te houden, loopt Jens en daarachter komt Alexander Decotoi, de vader van Elisa, die de koelheid zelf is. Lara heeft haar armen gespreid als ze naar Fabian loopt.

‘Fabian, wat doe je nu toch weer? Je moet niet overal in meegaan. Wat is dit?’ vraagt ze aan Jens.

‘Een bloedtransfusie.’

‘Dat werkt niet, is al lang onderzocht. Waarom krijgt hij geen extra bloed?’

‘Fabian is speciaal. Straks.’

Lara schudt haar hoofd vanwege het nietszeggende antwoord en gaat naast Elisa’s bed staan. ‘Is dit je andere proefkonijn?’

‘Iemand voor wie Fabian de laatste hoop kan zijn, Lara.’

‘Wat kun je toch dramatisch doen, Jens. Waarom is ze zo ingepakt? Kan ook niet gezond zijn.’

‘Lara,’ fluistert Fabian. ‘Laat nou maar, ik krijg dubbel betaald en als Jens nog iets voor elkaar krijgt, is het niet voor niets geweest.’

Lara tilt haar handen op in pure wanhoop. ‘Er zijn tal van protocollen die je moet volgen bij een bloedtransfusie, en op deze manier lijkt het me sowieso niet toegestaan.’

‘In de oorlog tegen petrificatie is alles toegestaan. Meneer Decotoi kent de risico’s, Fabian stemde ermee in.’

‘Fabian wil alleen maar geld, omdat hij zich schuldig voelt.’ Ze kijkt naar Decotoi die naast zijn dochter gaat staan en op haar neerkijkt.

‘Ze is wakker,’ zegt Decotoi, ongelovig en verbaasd. Jens loopt onmiddellijk naar de andere kant van het bed en pakt haar pols.

‘Stabiel,’ zegt hij nadat zijn lippen ophouden met murmelend tellen. ‘Laten we nog even afwachten.’ Hij kijkt naar Fabian. ‘Hoe gaat het met jou, kerel?’

Fabian voelt zich duizelig, kan maar met moeite zijn ogen openhouden en eigenlijk wil hij slapen.

‘Ik wil vliegen,’ komt een heldere, hoewel wat slepende meisjesstem van Elisa vandaan, een stem die nooit heeft gesproken, alleen geluiden en onverstaanbare kreetjes heeft uitgekraamd.

Fabian is wakker en rolt zijn hoofd opzij. Ze kijken elkaar in de ogen. Hij let niet op de consternatie die volgt omdat vader Alexander zijn dochter voor de eerste keer hoort spreken, evenmin merkt hij de hand op zijn arm op waarmee Lara zijn aandacht wil trekken.

Al wat Fabian ziet, al wat hij kan lezen en begrijpen in die prachtige, bruine ogen is hetzelfde als wat hij voelt. Ook zij wil vliegen.

Vliegen, weg uit dit leven.

Vliegen naar een nieuwe lucht, een open lucht, zuiver.

Vliegen naar nieuw leven.

En wat hij dan doet, is achterin de tuin tegen het tuinhuisje gaan zitten en met de kerkuil praten.

‘Koppel ons af,’ zegt hij hardop.

Niemand zegt iets, dus Fabian zegt opnieuw: ‘Koppel ons af.’

‘Het is nog niet voltooid, Fabian,’ zegt Jens.

‘Doe het, Jens, anders zal ik niet meer in staat zijn om Elisa te helpen.’ Hij vermoedt dat er meer bloed is afgetapt dan twee liter. Hij had het kunnen weten.

‘Wat? Je helpt haar toch?’

‘Nu?’ roept Fabian door de grote zaal en krijgt bijna een flauwte van de inspanning.

 

‘Je had toch extra bloed kunnen pakken? Dan voelde je je nu niet zo slap, hoor,’ zegt Elisa en kijkt naar de hand die de hare vast heeft als ze onderaan de trap van het ziekenhuis staan. Het is avond, de duisternis is een feit.

‘Geen tijd,’ hijgt Fabian. Hij kijkt naar de grote draaideur die maar blijft draaien omdat er constant mensen het ziekenhuis in en uit gaan. ‘Volgt ze ons nog?’ Hij ziet Lara nog niet en hoopt dat zijn zus hem en Elisa kwijt is vanwege een plotse opeenhoping van mensen bij een geldautomaat. Hij zou willen dat hij het zijn zus had kunnen vertellen, maar hij kan en wil er niemand bij betrekken.

Hij wacht niet op Elisa’s antwoord en trekt haar opnieuw mee. Hij is dankbaar dat ze intussen een lange broek en een trui draagt die ooit zijn achtergelaten door patiënten. Ze kan hem goed bijhouden, hoewel ze op slippers loopt, met dikke sokken tegen de kou. Nu moet worden gezegd dat hij er zelf nog minder florissant bijloopt, hij hijgt als een dolle hond, zweet als een otter en ziet rood als een kreeft, de hele dierentuin. Elisa steelt de show met een paarsrode blos op haar donkere wangen en de korte krulhaartjes op haar mooie hoofd. Ze kijkt hem steeds aan met haar hoofd een beetje schuin en een glimlach op haar lippen, alsof zij hem ieder moment zal gaan vertellen wat hij moet doen.

‘Wacht,’ zegt Fabian. Op papieren benen stopt hij bij een boom, in de schaduw en buiten de lichtkring van een lantaarn. Met zijn hand tegen de ruwe bast en zijn hoofd gebogen spuugt hij in het zand, hij dwingt zichzelf niet te huilen van de pijn. Hij moet het echt kalmer aan doen. Het is niet alleen het bloedverlies, maar ook de pijn in zijn rug, zijn knieën en enkels. Hij bijt op zijn tanden. Eerst bijkomen, uit het zicht blijven. Hij ademt zwaar, maar glimlacht, denkend aan haar woordkeuze “extra bloed pakken”, want het lijkt zo makkelijk. Het is waar, Jens heeft aangeboden om hem bloed bij te geven, zodat hij wat meer energie zou hebben, na eerst te veel te hebben afgetapt. Hij is een smiecht. Fabian zegt het bijna hardop.

Jens, Lara en zelfs Decotoi waren het erover eens dat Elisa onderzocht zou gaan worden en dat ze dan met haar vader zou meegaan zodat hij kon beginnen met de registratie van de mate waarin haar genezing zou doorzetten.

Maar Fabian weet wat Elisa werkelijk wil. En niemand kan zeggen hoe lang ze heeft. Hij legt zijn hand op haar schouder, een smalle schouder. Hij doet dat omdat ze een band hebben met elkaar, maar ook omdat hij de steun nu erg goed kan gebruiken. Alle steun is welkom; geestelijk en fysiek. Want hij twijfelt.

Is het wel mogelijk wat hij wil doen? Los daarvan: hij is nog maar achttien. Mag hij zo’n beslissing wel nemen? Het zal Elisa’s leven bepalen of beëindigen. Wil hij die verantwoordelijkheid nemen? Hij ademt diep in, de pijn zakt wat, zijn adem normaliseert en hij kijkt rond op zoek naar een taxi, op zoek naar Walter. Zijn benen voelen nog slap, maar de duizeligheid is minder. Vlakbij hen, dichtbij de ingang, is de kleine parkeerplaats voor kortparkeerders. Er staan enkele mannen op het trottoir bij hun wagens te praten. Dat moeten chauffeurs zijn, blijkens hun kostuum en stropdas. Hij zoekt naar een lange vent met zwart piekhaar en felblauwe ogen, maar Walter is er niet.

‘Heb jij geld?’ vraagt Fabian aan Elisa. Hij weet het antwoord voordat hij is uitgesproken. Nee, natuurlijk heeft ze geen geld, voor vandaag kon ze niet eens praten. Hij pakt weer haar hand en loopt naar de chauffeurs toe. Voor hen staat hij stil. De drie mannen stoppen hun gesprek als hij vraagt: ‘Wie van jullie wil ons naar de Vrijheidsstraat brengen? Ik heb nu geen geld.’

Ze kijken elkaar aan en twee schudden hun hoofd als willen ze zeggen: daar begin ik niet aan. De derde chauffeur wijst over Fabians schouder en zegt: ‘Ik denk dat je hem moet hebben.’

‘Wachten jullie eens even,’ zegt Walter die net aan komt lopen met een papieren beker in zijn hand.

‘Walter,’ zegt Fabian. Hij voelt hoe de moeizaam opgebouwde energie in een oogwenk zijn benen verlaat. ‘Kun jij ons naar huis brengen?’

Walter heeft maar een moment nodig om te zien dat hier meer aan de hand is. Tenslotte heeft hij Fabian samen met Jens naar de onderzoeksunit gebracht. ‘Ik breng je naar huis. Ongelooflijk dat De Vrede dit zomaar kan blijven doen. Waar is je begeleiding? Je zus is er toch altijd bij?’

‘Nee, nee, ze is er niet. We moeten snel naar huis. Ik leg het wel uit in de taxi.’ Fabian klemt zich vast aan een auto en Walter pakt hem bij de arm en houdt hem omhoog. Fabian zoekt Elisa en zij knikt hem geruststellend toe.

‘Jij blijft hier gewoon even heel rustig staan,’ zegt Walter en ondersteunt Fabian. ‘Is hij jouw vriendje?’ vraagt hij vervolgens aan Elisa. ‘Jij moet toch wel iets beters kunnen krijgen?’ Hij lacht breeduit.

Elisa wendt haar blik af en krijgt een paarsrode blos op haar donkere, glanzende wangen. Ze is een meisje van net geen tien jaar oud dat een compliment krijgt waar ze niet mee uit de voeten kan. Fabian kan amper geloven dat ze nog maar enkele uren eerder gebakerd op het bed naast hem lag, en dat ze vanwege de toediening van zijn bloed hier kan staan, als een prachtig meisje.

‘Fabian,’ zegt Elisa en buigt zich wat naar Fabian. ‘Ik wil vliegen, hoor.’

‘Ze wil wat?’ vraagt Walter.

Maar Fabian glimlacht en Elisa en hij wisselen een blik van verstandhouding, zo’n blik die hij vaker heeft gezien als er iets verzwegen moet worden dat pijnlijk kan zijn voor de betreffende aanwezige.

‘Stap in,’ zegt Walter en zwaait naar zijn collega’s. ‘Heren, maak ruimte voor de familie,’ hij pauzeert nadrukkelijk en kijkt naar Fabian, die aanvult: ‘Cullen van der Berckhout.’

‘Klopt ja. Van de Vrijheidsstraat,’ maakt Walter het af. Hij leidt Fabian en Elisa naar een wagen aan het begin van de rij.

Ze stappen in en eenmaal in de wagen, als Walter de motor heeft gestart, vraagt Fabian: ‘Denk je dat je getuigen nodig hebt, voor als wij niet betalen?’

‘Je bent slim.’ Hij kijkt hem via de achteruitkijkspiegel aan, maar gaat er niet verder op in. ‘Dat wordt de tweede keer vandaag.’

‘Ja.’

‘Dat grote huis kan wel een likje verf gebruiken.’

‘Jij bent eerlijk, maar dat gaat gebeuren.’ Fabian ziet Walters blauwe ogen in de spiegel, ze kijken naar Elisa en één ervan knipoogt.

‘Heeft zij ook met Jens te maken? Wacht, zij heeft toch geen …?’ Walter stopt midden in zijn zin.

‘Waarom zeg je het niet? Petrificatie.’ Fabian kijkt achter zich naar de ingang van het ziekenhuis. Hij ziet geen Lara, geen Jens of meneer Decotoi buiten staan.

Walter start zijn wagen, en volgt gelijktijdig Fabians blik naar de ingang van het ziekenhuis. ‘Mijn zusje Wanda staat in de Beeldentuin.’

Fabian is even verrast, maar duikt weg als hij Lara uit de grote draaideur ziet komen. Ze spiedt om zich heen.

Walter rijdt meteen weg van de parkeerplaats. Het blijft een hele tijd stil op het zoemen van de motor na totdat Elisa zegt: ‘Dat vind ik erg, meneer, van uw zus, maar ik word misschien wel heel oud. Fabian heeft me zijn bloed gegeven, want hij heeft het ook en nu ben ik ineens veel beter.’

Fabian wil haar zeggen haar mond te houden omdat er nog niets zeker is en omdat niet alles wat Jens doet even legaal is, laat staan ethisch geaccepteerd.

‘Jouw bloed?’ vraagt Walter en kijkt Fabian aan via zijn spiegel. ‘Dit is toch niet oké? Ik zou weleens willen weten wat dokter Jens de Vrede daar allemaal uitspookt.’

‘Ik weet niet of dat zo’n goed idee is,’ zegt Fabian. ‘Ja, door hem voel ik me nu als een dweil, maar deze behandeling zit nog in de experimentele fase.’

‘Waarom jouw bloed?’

‘Omdat ik ook petrificatie heb.’

‘Dat zeg je en ik heb je al vaker gebracht, met en zonder dokter De Vrede, maar jij kunt geen petrificatie hebben. Ik heb nog nooit iemand met petrificatie ontmoet die zulke volzinnen spreekt als jij doet.’

‘Daarom willen ze mijn bloed. Ik ben de uitzondering die de regel bevestigt. Ooit ben ik op mijn kop gevallen en daardoor kon het virus binnendringen.’

Het blijft even stil voorin de wagen, waarschijnlijk omdat Walter de snelweg opstuurt. ‘Ik geloof het niet. In welke fase zou je moeten zitten dan?’

‘In de tweede.’

‘Ach, kom op. Dan zou je er veel erger aan toe moeten zijn. Je loopt goed, beweegt normaal. Hebben ze je onderzocht op reuma? Heb je pijn?’

Fabian kent al deze vragen. ‘Ja.’

‘Wat ja?’ vraagt Walter ongeduldig. ‘Heb je pijn?’

‘Ja.’

‘Wanda had geen pijn en de meeste petrificatiepatiënten hebben dat niet. Hebben ze je ooit getest op reuma?’

Fabian wil niet laten merken dat hij deze vragen al duizend keer heeft beantwoord en zegt: ‘Waarschijnlijk wel, dit komt niet uit de lucht vallen. De Vrede heeft me grondig onderzocht, iedere keer weer.’ Maar hij denkt ook aan Jens die zich een specialist op het gebied van petrificatie noemt en hem toch vraagt of hij pijn heeft, waar hij vervolgens niets mee doet.

Walter kijkt hem nog een keer aan vanuit zijn binnenspiegel en schudt zijn hoofd.

‘Goed joh, ik vraag niets meer,’ zegt hij en draait zich even snel om naar Elisa. ‘Mijn naam is Walter Koevoets en ik heb de eigenschap dat ik overal binnenkom.’ Hij lacht zijn tanden bloot. ‘En wie ben jij?’

‘Zij is Elisa Decotoi,’ zegt Fabian.

‘Hallo,’ zegt Elisa.

Walter geeft een ruime knipoog in zijn spiegel en zijn voet duwt het gaspedaal diep naar beneden. De motor gromt luid.

 

Fabian vraagt Walter Koevoets of hij hen wil afzetten op dezelfde plek waar hij eerder vandaag stond te wachten. De poort is de enige manier om thuis te komen, omdat Fabian alleen een sleutel van de achterdeur bij zich heeft.

‘Veel geluk,’ zegt Walter als Fabian en Elisa zijn uitgestapt. ‘Ik weet niet wat je van plan bent, Fabian, maar doe je voorzichtig met haar? Het is al laat en erg donker, houd je er rekening mee?’

‘Natuurlijk meneer, bedankt,’ zegt de ietwat beduusde Fabian en stapt uit.

Walter geeft gas en rijdt de straat uit. De banden piepen bij de volgende bocht. Opeens beseft Fabian dat Walter in zijn spiegel had gezien dat Fabian op de parkeerplaats bij het ziekenhuis in elkaar dook. Het was zo klaar als een klontje dat hij niet gezien wilde worden door iemand die voor het ziekenhuis stond.

‘Wat is er? Moeten we hier zijn?’ vraagt Elisa.

‘Ja,’ zegt Fabian, ‘Ik woon hier. Ik wil je iets laten zien.’

‘Wat leuk. Spannend,’ zegt ze nieuwsgierig, maar Fabian merkt dat haar stem lager klinkt en haar woorden trager worden uitgesproken.

Niet veel later zitten ze samen in het gras bij het tuinhuisje, maar later dan hij had gewild omdat Elisa’s bewegingen stroever worden. Gelukkig brandt er geen licht in het huis en Fabian vermoedt dat zijn vader al naar zijn werk is. Zijn moeder is ook niet thuis en wat Lara gaat doen, dat weet hij niet. Hij hoopt dat hem nog wat tijd is gegund met Elisa.

‘Gaat het een beetje?’ vraagt hij aan haar. Het stemmetje dat hem altijd waarschuwt, is ontspannen, voor het eerst in zijn leven is dat stemmetje helemaal zen. Alsof het goed is, alsof hij de enige is die weet wat te doen in deze situatie.

Elisa kijkt hem aan, spreekt niet en helt haar hoofd slechts langzaam in zijn richting. Hij hoopt dat hij op tijd is, hij hoopt dat de maan tevoorschijn komt, maar vooral hoopt hij dat hij haar mee kan nemen, de lucht in. Vliegen.

‘Als je kunt, dan moet je blijven kijken naar die onderste tak, een dikke tak die is afgebroken en waar geen bladeren aan zitten.’ Zijn vinger wijst en hij kijkt langs haar heen om zeker te weten dat haar blik is gericht op die ene goede tak.

Het geluk is met hen en slechts enkele minuten later landt de kerkuil met het witte hartvormige gezicht op zijn tak. Hij veert amper door, het is een stevige tak, zijn tak. Het beest draait zich rechtstreeks naar Elisa, zijn grote ogen roerloos, starend. Fabian weet bijna zeker dat de uil alles weet en dat hij wist wanneer te komen. Ze hoeven niet te praten. De witte hartvorm draait in hun richting en de uil knikt. Fabian twijfelt niet meer.

Elisa legt haar hand heel langzaam op zijn arm en hij legt er de zijne overheen, hij voelt hoe de warmte uit haar huid trekt. ‘Kijk, lieve Elisa, ga met hem mee. Ga vliegen. Vlieg! Je vrijheid tegemoet.’

Haar gezicht draait traag omhoog.

 

Walter rijdt zijn wagen het voetgangersgebied op, stopt voor de trap naar de ingang van het ziekenhuis, gooit het portier open en roept: ‘Als je Fabian en Elisa zoekt, moet je nu instappen.’

Lara staat er inderdaad nog steeds. Natuurlijk is ze al een keer terug naar binnen gegaan, maar direct voelde ze zich schuldig en liep terug naar buiten. Ze heeft de auto eerder wel met zijn lichten zien knipperen, maar besteedde er geen aandacht aan. Pas als ze geroepen wordt en ze Fabians naam hoort, springt ze op en rent naar de taxi toe.

‘Waar zijn ze? Weet u dat?’

‘Stap in,’ is alles wat hij zegt en hij wacht niet eens tot ze naast hem zit en haar gordel heeft vastgeklikt. ‘Ik ben Walter Koevoets.’ Hij laat zijn standaard grapje voor wat het is en scheurt van het ziekenhuis weg.

‘Luister naar me,’ zegt Walter. ‘Ik heb Fabian en Elisa, het mooiste meisje dat ik ooit heb gezien, naar de Vrijheidsstraat gereden. Ik ken Fabian omdat ik hem vaker in de taxi heb gehad, en jou ook, trouwens. Ik ben Walter Koevoets.’ Ze kijkt hem gespannen aan en knikt kort. Ze herinnert zich hem als de taxichauffeur met die blauwe ogen die vooral petrificatiepatiënten rijdt. ‘Elisa wil gaan vliegen,’ vervolgt Walter, ‘ze heeft petrificatie en ik zag haar voor mijn ogen verslechteren. Fabian had dit heel goed door en daarom wilde hij haar meenemen. Hij heeft een plan, ik weet niet wat, maar hij zal zich door niemand laten tegenhouden. Ook niet door jou.’

‘Nee, ik wilde hem helpen. Alles is de schuld van Jens. Ik bespaar je het verhaal.’

Walter moest zich even concentreren op zijn scheurkunst om geen ongelukken te veroorzaken, maar zegt toch: ‘Jens de Vrede. Ik ken hem.’

‘Ja, jij hebt toch bij hem op school gezeten?’

‘In dezelfde klas, hij was een uitslover,’ grinnikt Walter. ‘O ja, Lara? Die broer van je heeft helemaal geen petrificatie.’

Eigenlijk wil Lara haar schouders ophalen omdat Walter al de zoveelste is die dit zegt, maar ze doet het niet. Omdat ze steeds slechts één man op zijn woord heeft geloofd.

Wie zegt dat al die anderen ongelijk hebben?

Wie noemt iedere andere mening ongefundeerd en van enige medische kennis gespeend?

Jens.

Wie zegt dat een second opinion tijdverspilling zal zijn?

Jens.

Wie spint er garen bij Fabians vermeende petrificatie?

Jens.

‘Walter?’ zegt Lara. ‘Gas erop.’

Walters moment van verrassing is kort en hij glimlacht verbeten als hij rechts de vluchtstrook oprijdt en twee trage auto’s inhaalt, die beide stroken nodig hebben.

‘Je hebt me een spiegel voorgehouden, Walter. Maar ik zag wel wat Fabians bloed heeft kunnen bewerkstelligen bij Elisa.’

‘Wat ga je doen?’

‘Misschien petrificatie genezen?’

‘Ambitieus, jonge dame, maar ik sta achter je.’

‘Jij gaat met me mee naar binnen. Ik weet waar ze zijn,’ zegt Lara als hij de taxi op het trottoir van de Vrijheidsstraat zet en ze beiden uitstappen. ‘Kom op.’

Walter rent achter haar aan met grote stappen en vangt nog net de voordeur op voordat deze in het slot valt. Door een lange gang met deuren aan beide zijden waarvan sommigen op een kier staan en waardoor hij meest kale ruimtes ziet met veel lichtinval. Hij ziet haar nog net door een grote woonkeuken rennen, die in tegenstelling tot de andere ruimten zeer knus is ingericht met veel planten, schilderijtjes aan de muren en keukenkastjes met diverse geschilderde afbeeldingen, als goed gelijkende reproducties van Van Goghs zonnebloemen of de Aardappeleters van Rembrandt.

Weer vangt hij de deur op voordat hij dichtvalt en hij staat ineens stil. Buiten. In het donker.

De maan werpt een vaalblauw licht op een grote tuin, op lange grashalmen en grote borders struikgewas. Langs het grasveld loopt een smal zandpad, dat grotendeels is overwoekerd door struiken.

Hij loopt naar een kleine blokhut, waar hij nog net de omtrekken van Lara ziet in de duisternis. Met grote stappen, en zijn lange benen zijn nu een voordeel, beent hij naar het tuinhuis, maar hij schudt zijn hoofd al. Ze zijn te laat.

‘Nee,’ fluistert hij.

Fabian zit in het gras tegen de houten hut en huilt zacht, zijn gezicht in zijn handen.

Naast hem zit een beeld. Een beeld van een jong meisje.

Haar gezicht is in opperste vervoering als ze omhoogkijkt alsof ze het grootste wonder van het bestaan aanschouwt.

Ze is blij, ze is verrukt en wil alleen maar vliegen.

Ze vliegt!

Diabolik – Tom Thys

‘Dit was het voor vandaag, liefste luisteraars. Naar goede gewoonte verwelkomen we de nacht met een klassieker. Tot volgende week.’ Amber legde Wicked World van Black Sabbath op. Dat nummer weerspiegelde haar humeur vanavond, eenzaam en wantrouwig. Vaak was ze jaloers op het leven dat rocksterren leidden. Het rauwe, onbewerkte leven zoals zij dat noemde, het tegenovergestelde van het keurslijf waarin zij gevangen zat. Ze snakte ernaar, maar besefte dat het niet voor haar was weggelegd. Hun plaatjes draaien kwam het dichtst in de buurt, al was het niet meer dan een placebo zonder het gewenste effect.

Terwijl de rauwe uithalen van Ozzy door de luidsprekers van haar luisteraars schalden, bekeek ze nogmaals de cassette die vandaag per post was aangekomen. Het was een demo door een haar onbekende band die zichzelf Diabolik noemde. Het gebeurde wel vaker dat beginnende groepjes hun demo opstuurden in de hoop dat Amber het op de radio speelde. Soms deed ze dat, maar meestal niet. Ze was kieskeurig. Haar luisteraars verwachtten immers kwaliteit van haar, en als ze eerlijk was, moest ze vaststellen dat veel debutanten gewoonweg niet aan haar standaard voldeden. Weinig origineel, technisch niet genoeg onderlegd, slappe teksten, geen bezieling, het was altijd wel wat. Maar af en toe had je die uitzondering …

Amber werkte al twee jaar voor Radio Metaal, een klein radiostation dat slechts enkele uren per dag in de ether was en opereerde vanuit een in onbruik geraakte watertoren nabij de Schelde. De toren stond op de linkeroever, een eenzaam silhouet in een niemandsland van grijze velden en vergeten herinneringen. Haar studio keek uit op de rivier en de jungle van verloederde fabrieken aan de overkant. Op een of andere manier was Amber verknocht geraakt aan al die lelijkheid; ze was erin verankerd. Nadat Ozzy uitgezongen was en ze uit de ether ging, stak ze de demo van Diabolik in de speler. Dit was altijd een bijzonder moment, een nakende ontdekking, een intieme ontmoeting waarbij haar de grootste geheimen werden toevertrouwd, en ze koesterde elke seconde tussen het indrukken van de play-knop en de geboorte van de allereerste noot. Vanavond was geen uitzondering. Eerst hoorde ze geknisper, daarna een gitaar die de hele wereld doormidden leek te scheuren.

Het nummer duurde precies zes minuten en zesenzestig seconden en was een miasma van klanken waar geen richting in zat, het was één grote chaos. De zanger bereikte de laagste en de hoogste tonen die Amber ooit in één stem had gehoord. Muzikaal viel het met niets te vergelijken wat ze kende, ook al werd er gespeeld met eenvoudige gitaren en een drum. De combinatie van dit alles ademde een etherische sfeer, iets ontastbaars dat zich desondanks in haar ziel wortelde. Amber had geen idee wat ze zonet eigenlijk gehoord had. Ze fronste haar wenkbrauwen en spoelde de cassette terug zodat ze het opnieuw kon beluisteren. Eenzelfde gevoel als toen ze The Velvet Underground ontdekt had, overspoelde haar. De muziek was bezwerend op een bepaalde manier, maar ze kon onmogelijk zeggen dat ze het goed vond. Nog niet. Daarvoor was het te … anders. Sommige platen moesten nu eenmaal groeien.

Het was al na middernacht toen Amber de lichten in haar studio doofde en de watertoren verliet. Terwijl ze met haar wagen langs de onrustige rivier reed, zette ze nogmaals het nummer op. Het heette Voices from Beyond en zo klonk het ook, alsof stemmen uit een andere wereld haar bereikten, haar aandacht opeisten, dwingend en onderhuids. Om een onverklaarbare reden kreeg Amber er kippenvel van. De muziek had iets onbehaaglijks. Om zich van dat plakkerige gevoel te verlossen besloot ze de radio op te zetten. Normaal had ze een hekel aan de hitparade en doordeweekse popmuziek. Het gebeurde dan ook zelden dat ze de radio opzette in haar wagen, maar nu brachten de voorspelbare melodieën de rust en harmonie die ze nodig had. De rit naar huis duurde ongeveer een kwartiertje. Eenmaal thuis warmde Amber naar vaste gewoonte nog een magnetronmaaltijd op en zette zich in de zetel voor de finale van een onbelangrijk snookertoernooi. Het scherm werd gedomineerd door groen en spuwde zalvende geluiden van ballen die tegen elkaar tikten en haar langzaam in slaap wiegden.

Enige tijd later schrok Amber wakker. De koude lasagne stond nog op haar schoot en de televisie gaf alleen maar sneeuw. Ze merkte dat haar hart in haar keel bonsde, alsof ze net een marathon gelopen had. In een opwelling van angst klikte ze het leeslampje aan. Het plotse licht prikkelde haar ogen. Ze zuchtte opgelucht bij het veilige gevoel dat dit haar bezorgde, want ze had net een nachtmerrie gehad. De finale was al lang beslecht. Ze zapte naar een andere zender waarop een nieuwsanker presenteerde, zodat ze zich niet alleen hoefde te voelen. Het was nog geen maand geleden dat ze Simon had gedumpt, maar Amber had de breuk al verwerkt. Ze had eigenlijk nooit echt van hem gehouden, dus dat maakte het gemakkelijk. In feite had ze de relatie al veel eerder willen beëindigen, maar ze had de breuk uitgesteld omdat ze er niet tegen kon om alleen te zijn. Momenten als deze waren de enige waarop ze naar zijn gespierde armen rond haar lichaam hunkerde. Amber had het warm. Zweet parelde op haar voorhoofd. Ze had eng gedroomd en wist niet over wat. Krampachtig probeerde ze zich te herinneren wat haar zo brutaal uit haar slaap gerukt had, maar ze zag alleen maar felle witte figuren tegen een zwarte achtergrond, zoals wanneer je een staarwedstrijd met de zon verliest. De vormen die ze zag bewogen … ze leken te leven. Het waren gedaanten die in haar geest waren binnengedrongen.

Omdat ze wist dat ze de slaap toch niet meer zou kunnen vatten, besloot Amber iets te gaan drinken. Ze woonde boven een café dat nooit zijn deuren sloot en waar eeuwige dronkaards met schele ogen van hun bierglazen dronken. Ze kwam er zelden, maar toch vond ze het een geruststellende gedachte dat ze er altijd terecht kon. Amber bestelde een biertje en ging aan een tafeltje naast een flipperkast zitten van waaruit ze de aanwezige klanten perfect kon observeren. Er werd gelald over politiek en dikke wijven en tussendoor werd er een schunnige mop verteld. Als ze niet zo geprikkeld was omwille van die onbehaaglijke nachtmerrie, zou ze wellicht gelachen hebben om die flauwekul. Nu drong het nauwelijks tot haar door.

Na twee biertjes moest Amber hoognodig. De toiletten waren achterin en stonken naar een mengeling van verschaalde urine, braaksel en goedkope wc-blokjes. Er was maar één vrouwentoilet en het leek of het al een jaar niet meer gepoetst was. Stront hing tot op de bril en op de tegelvloer had zich een plas gevormd. De leidingen lekten. Amber mompelde een vloek en ze wilde terug naar buiten gaan, maar toen zag ze op de deur – die waarschijnlijk niet op slot kon, want er zat niet eens een deurknop op – een affiche hangen. De naam van de band die haar de demo had opgestuurd, sprong onmiddellijk in het oog. De rode letters dropen van de zwarte affiche. Ze staarde ernaar en fluisterde de naam van de band en opnieuw voelde ze kippenvel, opnieuw moest ze aan die nachtmerrie denken. De schimmen, de lange schaduwen en die ongrijpbare stem die tussen haar oren bleef galmen. Diabolik trad volgend weekend op in de stad, niet ver hiervandaan. Ze memoriseerde de datum en het uur, maar twijfelde of ze wel zou gaan.

Twijfelen deed ze de ganse week, maar ze kreeg dat nummer niet uit haar hoofd. Tevergeefs googelde ze de band, het enige wat ze vond was een obscure Italiaanse horrorfilm en een stripfiguur met dezelfde naam. Toeval, waarschijnlijk. Als ze meer te weten wilde komen, moest ze wel naar dat optreden gaan. In afwachting daarvan beluisterde ze de demo niet meer. Ze wilde de live-ervaring onbevangen tegemoet treden. Bovendien was haar geest niet klaar om dat nummer nog een keer te horen. Muziek deed dat wel vaker met haar. Sommige nummers speelde je alleen in bepaalde omstandigheden. Zoiets voelde je aan. Zelfs haar favoriete albums zette ze maar enkele keren per jaar op, om de magie te conserveren, alsof het een colafles was die na elke keer openen meer koolzuur verloor tot de drank helemaal plat was. Dat was een van de redenen waarom ze zo’n hekel had aan de hitparade. Muziek werd er kapot gespeeld.

Amber maakte één uitzondering tijdens haar radioshow. Gouge Away van de Pixies doofde langzaam uit en ze begon in de microfoon te spreken. ‘Liefste luisteraars, ik heb vanavond nog een verrassing voor jullie in petto. Net zoals jullie houd ik ervan om nieuwe muziek te ontdekken en af en toe draai ik een plaatje van een onbekende band. Ik zou het wel vaker willen doen, maar jullie, liefste luisteraars, verdienen enkel het beste. En laten we eerlijk zijn, er wordt gewoon veel troep gemaakt tegenwoordig. Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik eerder deze week een demo toegestuurd kreeg van Diabolik. Hebben jullie al van deze band gehoord? Ik niet. Normaal verwelkomen we de nacht met een klassieker, maar deze keer doen we het met Voices from Beyond.’ Amber sprak de woorden op onheilspellende toon uit. ‘Ik wist niet wat me overkwam toen ik de demo voor het eerst opzette. De geluidskwaliteit van de opname is niet optimaal, maar de muziek is … enfin, oordeel zelf maar.’ Amber zette het cassetje op. ‘En oh, voor ik het vergeet, Diabolik treedt dit weekend op in metalcafé De Kerker.’

Met gesloten ogen en de hoofdtelefoon stevig tegen haar oren gedrukt, luisterde Amber mee. Koude rillingen kropen opnieuw vanaf haar staartbeentje over haar ruggenwervel naar haar schouderbladen. Die stem … ze sneed door merg en been. Het was beangstigend en tegelijk ontroerend hoe een mens zo bij je kon binnendringen. Een inbreker in je ziel.

Onderweg naar huis bleven de klanken en de melodieën aan de binnenkant van haar schedel kleven. Het voelde alsof ze bezeten was. Amber scheurde langs de Schelde door de duisternis, toen ze opeens schimmen in het licht van haar koplampen zag opdoemen. Ze dansten als in een zoötroop die te traag werd rondgedraaid, schokkerig en slechts ten dele zichtbaar. Amber gilde en trapte op de rem. Haar wagen kwam met gierende banden tot stilstand. Op haar achterbank ratelden lege colablikjes en enkele oude cd’s schoven van de bank op de grond. Amber zette de radio zachter en liet de situatie gedurende enkele seconden tot zich doordringen. Ze had niets geraakt, dat wist ze zeker. Het enige wat ze zag, waren de witte lijnen op het asfalt en wat verderop het skelet van een boom. Ze drukte haar neus tegen het venster en speurde in het licht van de koplampen naar iets, al wist ze niet wat. Toen daagde het haar dat ze de schimmen al eerder had gezien, in haar nachtmerrie. Het was als een aaneenschakeling wazige, overbelichte foto’s die in een flits voor haar geestesoog verschenen waren. En dan niets meer. Een hallucinatie?

Amber verzamelde al haar moed en opende het portier. Haar handen trilden en ze merkte dat haar adem, die in wolkjes voor haar uitdreef, haperend uit haar longen kwam. Ze wilde zekerheid dat haar zintuigen haar niet bedrogen. Daarom daagde ze zichzelf uit om één keer rond de wagen te lopen en zichzelf ervan te overtuigen dat ze het allemaal had ingebeeld. De confrontatie met de angst. Dat voornemen bleek moeilijker dan ze had gevreesd. Schichtig stapte ze weg van de veilige open deur en ondertussen raakte ze met haar vingertoppen het metaal van de wagen aan, zonder één keer te lossen, als ware het haar laatste houvast met de realiteit. Ondertussen hoorde ze de radio spelen. Stemmen van vergane popsterren ontsnapten in de ether. Na tien tellen was Amber terug bij de motorkap, stond ze in de lichtdriehoek en was ze trots op zichzelf omdat ze dit had aangedurfd, ook al betekende het niets. Daarna liep ze snel weer naar het portier en stapte in haar wagen, die nog steeds stond te draaien. Ze duwde het gaspedaal in en reed weg. Iets in haar deed haar naar het cassettebandje van Diabolik op de passagiersstoel lonken en ze kreeg prompt een onbehaaglijk gevoel vanbinnen.

 

De week in aanloop naar het concert had Amber in een waas geleefd. Diabolik had iets met haar gedaan, alleen begreep ze niet hoe zoiets kon. De band had vat op haar gekregen op een manier die ze met geen enkele andere band ooit had meegemaakt, zelfs niet met Black Sabbath of The Velvet Underground waar ze als puber zo mee dweepte. In haar dromen werd ze achtervolgd door de stem van de zanger en de onheilspellende melodieën hielden haar voortdurend in de klem. Ze kon aan niets anders meer denken, ook al had ze de demo niet meer gespeeld sinds ze hem tijdens haar radioshow gelanceerd had. Het eigenaardige was dat het enthousiasme waarmee ze aanvankelijk vervuld was, nu gedomineerd werd door onrust en wantrouwen. En zo kwam het dat ze op vrijdagavond in De Kerker onwennig in een hoekje van de naar opgedroogd bier en nicotine ruikende zaal stond te schuifelen tot Diabolik het podium opkwam. In afwachting telde ze de sigarettenpeuken op de vloer. Ze bekeek de andere aanwezigen. Meisjes met donkere mascara, zilveren juwelen en gescheurde nylons en bleke jongens met lang vettig haar en zwarte T-shirts. Het normale volk dat hier elk weekend kwam. Ze slurpten onwetend van flessen rode wijn die ze aan elkaar doorgaven en rookten kruidnagelsigaretten. Amber keek al die tijd naar het nog lege podium waar slechts enkele stroomkabels overheen liepen. In haar hoofd maakte ze zich een voorstelling van hoe de zanger eruit zou zien en of hij live even mysterieus zou klinken als op cassette.

Na een tijdje kwamen de leden van Diabolik op. Amber nipte vol verwachting van haar biertje. Ze waren slechts met drie, drie schimmen, deels gehuld in de schaduwen van de coulissen en deels overbelicht door de blauwe spots. Hun gezichten waren nauwelijks te herkennen. Even leken ze op de schimmen uit haar nachtmerrie. Ergens in die speling van licht en donker ontwaarde Amber de contouren van de bassist en de vrouwelijke drummer. Ze posteerden zich op het podium, begonnen hun instrumenten te stemmen.

Amber verwonderde zich op dat moment nogmaals over hoe ze met zulke elementaire doch eenvoudige instrumenten dergelijke bezwerende muziek konden produceren. Opeens stapte de zanger als een Messias uit het licht. Het was een donkerharige man wiens lokken als draperieën voor zijn gezicht hingen, hij magnetiseerde haar blik. Hij was niet mooi, maar bezat toch een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Hij definieerde het woord charisma. De spots waren nu zo gericht dat het podium goed verlicht was. De bandleden zagen er vrij normaal uit, teleurstellend normaal bijna. Wat had ze dan verwacht? Vleesgeworden demonen? Aan hun muziek te horen was die verklaring alleszins aannemelijk geweest, want al bij de eerste noot viel er een soort duisternis over het publiek, een kille greep die iedereen in de ban hield, die iedereen ontwrichtte.

Diabolik zou in totaal een uur spelen. Na vijf nummers, met lange gitaarpartijen, poëtische teksten en een stem die meerdere tonen tegelijk kon halen en rauwe grunts schijnbaar moeiteloos afwisselde met sacrale uithalen vanuit het diepst van de keel, waren enkelingen al van hun stoel opgestaan en gaan headbangen voor het podium. Amber niet. Zij zat als bevroren te luisteren. Tijdens sommige stukken kreeg ze werkelijk kippenvel van angst en andere stukken ontroerden haar tot tranen toe. En dan moest dat ene bewuste nummer nog komen.

Haar bloed leek wel in ijswater te veranderen toen Diabolik de apotheose inzette. Live had het nog zoveel meer effect. Een ijzige kilte sloop door haar ledematen en balde samen in haar onderbuik. De roes waarin ze gevangen zat, slingerde heen en weer tussen euforie en angst. Ze keek om zich heen, speurend naar de reacties van de anderen, om te zien of zij hetzelfde ervoeren, maar zij scheen de enige te zijn, alsof alleen zij vatbaar was voor de magie van Diabolik. Het voelde als een voorrecht. Zij was uitverkoren.

Na het optreden zocht Amber de bandleden op. Ze moest zich haasten, want ze waren zonder hun afscheid aan te kondigen langs een achterdeurtje naar buiten geslopen. Ze beende naar de andere kant van de keet, opende de deur en zag hoe ze een beetje verderop hun instrumenten in een oude bestelwagen laadden. Ze hoorde hoe de zijdeur dichtschoof. ‘Wacht,’ riep ze, en ze rende naar hen toe. De gitarist zat al achter het stuur, de zanger was net aan het instappen, maar de drumster bleef staan en keek over haar schouder. Amber stelde zichzelf voor. ‘Ik weet het,’ onderbrak de drumster haar, ‘jij bent die meid van de radio.’

‘Juist.’

‘Ik ben Rozemarijn, bedankt dat je ons demo draaide.’

‘Hé, dat is volledig jullie verdienste. De muziek was … hoe zal ik het zeggen … bezwerend. Net zoals jullie optreden trouwens.’

Rozemarijn glimlachte. Ze leunde even nonchalant als elegant tegen de motorkap, haar duimen verstopt in de zakken van haar lederen broek. Het zilveren ringetje in haar neusgat fonkelde in de nakende nacht. Met haar hoofd knikte ze opzij naar de andere twee bandleden. ‘Dat zijn Sebastian en Molokai,’ zei ze.

Amber keek door het stoffige vensterglas. Molokai, de zanger, had iets raadselachtigs over zich, zelfs wanneer hij daar doodgewoon op de passagiersstoel zat te wachten tot de auto vertrok. Vluchtig keek hij naar Amber, zonder woord of gebaar.

‘Hij kan niet praten, hij kan alleen zingen, zoals een nachtegaal,’ verontschuldigde Rozemarijn zich in zijn plaats. Op dat moment had Sebastian de motor al aangezet. Hij opende het portier en vroeg wat er aan de hand was. ‘Dit is die meid van de radio.’ De basgitarist mompelde iets onverstaanbaars en maakte enkele vreemde mondbewegingen, als een hyperactief kind met een tic. Daarna stapte hij uit en zei: ‘Radio Metaal.’ Het was geen vraag, gewoon een vaststelling. Zijn rechteroog knipperde enkele keren als een kapotte lamp en weer ging die mond schijnbaar ongecontroleerd open en toe. Amber bedacht zich dat ze zoiets al vaker had gezien bij drugsverslaafden. Het kon kloppen: hij had ingevallen wangen en slechte tanden. Bovendien waren zijn pupillen groter dan normaal. De jongen – hij leek de jongste van de band – had het soort gezicht dat als je het slechts eenmaal zag, je het je tien jaar later nog met sprekend gemak zou herinneren. Molokai bleef al die tijd zitten, stoïcijns als een Griekse filosoof. Hij leek niet geïnteresseerd in het gesprek, noch ergerde hij zich aan het oponthoud.

Amber realiseerde zich nu dat ze eigenlijk zonder aanleiding naar de bandleden van Diabolik gerend was. Het was gebeurd in de roes waarin ze tijdens het optreden had verkeerd. Wat was in feite haar bedoeling? Ze had natuurlijke alle recht om hen te begroeten, ze had namelijk hun demo gedraaid, haar nek voor hen uitgestoken. Gelukkig hoefde ze geen verantwoording af te leggen, want Rozemarijn vroeg: ‘Kunnen we je misschien een lift geven?’

Amber moest even nadenken. Ze keek naar Molokai en dan naar Sebastian die een psychopathische grijns veinsde, alsof het het meest idiote idee zou zijn om van hem een lift te aanvaarden.

‘Let maar niet op hem,’ zei Rozemarijn en ze gaf hem een por. ‘Waar moet je zijn?’

Het was een heel eenvoudige vraag met een heel eenvoudig antwoord, maar diep van binnen hoopte Amber dat het lot die nacht voor haar een totaal andere bestemming voorzien had dan haar beklemmende appartementje. Vaak had ze gemijmerd over vage wensen en onvervulde verlangens, over de duistere kant in de mens en de scherpe randjes aan zichzelf. Allemaal zaken waarvan ze op haar eenendertigste dacht dat ze niet (meer) voor haar weggelegd waren en waarvan ze niet wist dat ze zodanig met elkaar verweven waren, dat ze in feite functioneerden als een gestalt. En op een gelijkaardige manier hoopte zij die nacht het ontbrekende element te kunnen zijn dat Diabolik zou verheffen tot zoveel meer dan een aanstormende, talentvolle band. Een gestalt.

‘Nergens,’ zei ze uiteindelijk.

Amber nam plaats op een lederen stoel waarvan de bekleding gescheurd was en het gele schuim zich als etter uit een puist naar buiten wurmde. Het busje stonk naar een mengeling van slechte adem, bier en seks die hier niet zolang geleden had plaatsgevonden. Ze inhaleerde het aroma en moest lachen in zichzelf, omdat dit precies was zoals ze zich had ingebeeld hoe de tourbus van Nirvana destijds geroken moet hebben. Ze zag er de charme wel van in. De geur ebde weg toen Rozemarijn – ‘zeg maar Roos’ – een sigaret opstak en Amber er ook een aanbood. Amber rookte niet, maar nam de sigaret toch aan, als ware het een symbool voor haar nieuwe ik die zich onbewust in haar manifesteerde. Die andere kant, die iedereen wel heeft, ergens. Ze kuchte bij de eerste trek en Roos grinnikte. ‘Je mocht gerust nee zeggen, hoor.’ Ze had een steelse glinstering in haar ogen en Amber voelde meteen een vonk. Ze mocht haar.

Ze waren al een vijftal minuten aan het rijden en Amber lette niet meer op de weg. Ze was met Roos aan het discussiëren over wat eigenlijk de beste vampierfilm was. Hoe ze op dat gespreksonderwerp gekomen waren, wist ze al niet meer. ‘Dan ga ik toch voor Nosferatu,’ zei Roos resoluut.

‘Welke bedoel je dan precies? Die uit ‘22 of die uit ‘79?’

‘Meen je dat serieus? Die uit ’22 natuurlijk. Weet je dat ik die ooit in zo’n arthouse-bioscoop heb gezien met live pianomuziek erbij? Die sfeer alleen al … niet te evenaren.’

‘Ik begrijp de keuze,’ zei Amber. ‘Maar ik vind hem overschat.’

‘Oh?’ Roos trok haar wenkbrauwen op. Ze rolde gespeeld met haar ogen. ‘Welke verkies jij dan? Wacht niets zeggen. Laat me even denken.’ Ze deed een laatste trek van haar sigaret en gooide de peuk door het raam naar buiten. ‘Eh … Dracula? Of nee, Interview with the Vampire? Ja, natuurlijk, die met Brad Pitt moet het zijn.’

Amber schudde haar hoofd. ‘The Lost Boys,’ zei ze alsof er geen concurrentie was. Via de achteruitkijkspiegel kon ze zien hoe Molokai haar keuze zegende met een korte, maar onmiskenbaar bevestigende knik. Roos bekende dat ze die film nog nooit gezien had, waarop Sebastian haar ietwat pedant inlichtte: ‘Dat is die film met een jonge Kiefer Sutherland en zijn geblondeerde nektapijt. En met dat prachtige nummer Cry Little Sister waarvan iedereen verkeerdelijk denkt dat het door The Sisters of Mercy uitgevoerd werd, maar verdomme, ik vergeet altijd die echte gast zijn naam.’ Hij keek een seconde naar Molokai, in de ijdele hoop dat die hem zou aanvullen, hetzelfde ogenblik waarop Amber door het raam naar buiten tuurde en besefte dat ze deze weg niet kende. Ze had echter geen tijd om zich daar vragen bij te stellen, want in de lichtdriehoek van de koplampen verscheen plots een gedaante en net wanneer Sebastian zijn ogen terug op de weg richtte, weerklonk er een doffe klap.

Roos was de eerste die uitstapte. Amber bleef verstijfd op de achterbank zitten en probeerde in de stralenkrans het object te ontwaren dat de klap had veroorzaakt. Omdat ze niets zag en omdat ze niets kon afleiden uit de bijna apathische reactie van zowel Sebastian als Molokai, stapte ze ook uit. Gereutel was het eerste wat ze hoorde.

‘Help me even, wil je,’ zei Roos.

Amber zette enkele stappen dichterbij tot ze een flinterdun riviertje van donker bloed tussen haar voeten zag kronkelen. Tenminste, ze ging ervan uit dat het bloed was. Haar blik gleed stroomopwaarts en eindigde bij een harig wezen. De nerveuze toestand waarin ze verkeerde en de scherpe schaduw waarin het lichaam gekleed was, maakte dat ze pas na enkele seconden doorhad dat het een hond was.

‘Kom op, help me even,’ zei Roos nogmaals. Ze stond gehurkt over de hond. Hij leefde nog, maar was er slecht aan toe. Tussen het gereutel klonk af en toe gejank, het soort gejank dat je niet wilde horen op een verlaten weg als deze, midden in de nacht. Amber staarde naar het ene oog dat naar een willekeurige plaats gaapte. Het was niet te zien waar, maar het dier had meerdere beenderen in zijn lichaam gebroken en kon niet meer opstaan. Het lag daar gewoon te lijden, en te bloeden uit een wond op de plaats waar zijn achterpoten met zijn rug verbonden waren.

‘Wat moet ik doen?’ vroeg Amber. Waarom bleven Molokai en Sebastian in het busje zitten trouwens?

‘Op de achterbank ligt een juten zak.’

Zonder erover na te denken liep Amber het bloedspoor ontwijkend weer naar de wagen. Ze grabbelde de zak van de achterbank en hield hem open, zodat Roos het dier erin kon stoppen. Pas achteraf, toen ze weer aan het rijden waren met de stuiptrekkende hond achterin het busje, vroeg ze zich af waarom ze hem niet gewoon de genadeslag hadden toegediend en in de berm hadden begraven. Sebastian had een lijn coke gesnoven en duwde het gaspedaal in. Molokai staarde dromerig voor zich uit. Roos stak een sigaret op zonder te roken en aaide af en toe zorgzaam over de bewegende bulten in de juten zak. Misschien had ze tranen in haar ogen, misschien ook niet. En Amber, die moest de hele tijd denken aan films waarin mensen spontaan begonnen te braken na een choquerende gebeurtenis. De geur van het warme bloed verspreidde zich in de wagen. Ze voelde zich misselijk. Toch liet ze zich meevoeren door Diabolik.

Helder denken lukte niet meer en daarom had ze de eerste keer niet verstaan wat Roos zei. ‘Wat?’ stamelde Amber.

‘Of je het ziet zitten om ons gedurende een week te volgen en een reportage over ons wil maken.’

Amber keek eerst naar de vochtige juten zak en vervolgens via de achteruitkijkspiegel in de peilloze, donkere ogen van Molokai. Ze probeerde zijn gedachten te ontwaren, maar zag slechts oubliëtten waar ze het tegelijkertijd koud en warm van kreeg. Hij was een enigma.

‘We hebben een camera waarmee je de docu kan schieten.’ Roos zei het alsof alles op voorhand gepland was, alsof deze avond in scène was gezet. ‘Je weet toch hoe zo’n ding werkt?’

Amber knikte afwezig. Enerzijds leefde de herinnering aan haar tijd op de kunstacademie weer op, waar ze aan verschillende filmprojecten had gewerkt, anderzijds verbaasde ze zich over het gemak waarmee ze zich in deze surrealistische droom liet meevoeren. Het was eenvoudig. Ze kon weigeren, naar haar appartementje gaan en de volgende dag gewoon weer gaan werken en enkele dagen per week plaatjes draaien op Radio Metaal. Anderzijds was dit een unieke kans om aan haar banale bestaan te ontsnappen en de verhalen te beleven die gevangen zaten in het vinyl dat ze al sinds haar jeugd koesterde. ‘Ja,’ antwoordde een stem die niet de hare was, ‘ik weet hoe zo’n ding werkt.’

‘Goed,’ zei Sebastian. Hij mengde zich vol enthousiasme in het gesprek. ‘Je kunt bij ons blijven crashen. Plaats genoeg.’

‘Wat Seb zegt.’ Roos glimlachte innemend.

Amber ging ervan uit dat ze bepaalde instructies zou krijgen over hoe de docu tot stand moest komen, maar toen Roos haar beloofde dat ze artistieke vrijheid kreeg, begon ze al in haar hoofd over een aanpak, een invalshoek te brainstormen. In gedachten zag ze haar film gedraaid worden op het witte doek, het begin van een nieuwe toekomst.

In de bestelwagen, zo ver en toch zo dichtbij, klonk een nummer van Siouxsie & The Banshees en voor ze het besefte, was de bestelwagen tot stilstand gekomen bij een traliepoort. Amber sloeg haar blik neer en keek bezorgd naar de hond, die nog steeds stuipen had en jankte in de zak. Vervolgens wendde ze vol weerzin haar blik weer af. Ze drukte haar gezicht tegen het vensterglas om te zien waar ze terechtgekomen was. Sebastian stapte uit, opende de poort en reed de wagen het spookachtige terrein op. Verlaten gebouwen. Loodsen die op instorten stonden. Oude industrie. Fabrieken waar de band al decennia geleden gestopt was met rollen. Amber was terechtgekomen aan de overkant van de Schelde, waarop ze vanuit haar radiostudio uitkeek op dromerige avonden. Een stuk van de stad dat ze kende van in de verte, maar waar ze nooit eerder vertoefd had. Amber vond het best wel spannend om de deur te openen en de zware lucht die hier hing in te ademen. Een rare plaats als thuishaven voor een metalband … of misschien net niet.

 

‘Kom je?’ vroeg Roos. Ze stonden nu aan wat de ingang van wat hun verblijfplaats leek te zijn. Een ijzeren deur die op een kier stond en zacht piepte. De andere bandleden hadden hun instrumenten al uitgeladen.

Amber keek weifelend naar de nachtelijke nevel en de sterren en vervolgens naar de deur. ‘Is dit wel een goed idee?’ Ze dacht hardop. Waren het haar eigen twijfels bij dit avontuur? Of het feit dat Roos de enige was die haar opnam in de groep, terwijl de andere twee zich niet om haar aanwezigheid schenen te bekommeren, wat op zich niet onlogisch was, want ze kenden haar tenslotte niet. ‘Wat ik me al de hele rit afvraag … was het jouw idee om de demo naar me op te sturen?’

Roos schudde van niet. ‘Nee, het was Molokais idee.’

Dat volstond voor Amber om Roos tot aan de deur te volgen. Eenmaal binnen nam ze verrast het interieur op. Het was er snikheet. Lang geleden had het gebouw dienstgedaan als slachthuis. Dat was te zien aan de witte tegels die met opgedroogde bloedspetters besmeurd waren, de vale betonvloer en de kettingen met vleeshaken die aan het plafond hingen. De ruimte was niet groot. In haar gedachten rook ze de weeïge geur van moord en hoorde ze het gekrijs van de runderen die hier tot gehakt vermalen werden. Ze moest weer aan de hond denken.

‘Ik weet het,’ verontschuldigde Roos zich, ‘niet het meest gezellige onderkomen, maar we kraken dit pand al enkele maanden en er is niemand die er een fuck om geeft.’

Amber knikte alleen maar. Ze was te zeer bevangen door het aroma van het verleden om iets te kunnen zeggen. Het felle licht van de tl-lampen die in rijen aan het plafond hingen, verblindde haar. Uiteindelijk vond ze haar stem terug: ‘Dus dit is waar jullie leven en waar jullie muziek maken?’

Roos grijnsde. ‘Yep. En jij bent uitverkoren om daar een week lang deel van uit te maken.’

En zo ervoer Amber het ook. Ze voelde zich vereerd, ondanks de sluier van onbehagen waarin ze gevangen zat. Flitsen van het ‘seks & drugs & rock & roll leven’ dat dergelijke artiesten leidden, flikkerden achterin haar hoofd. Dat was de kant die ze op wilde, de insteek van de documentaire die ze wilde maken, al was het maar omdat ze daar als puber zelf zo door gefascineerd was geraakt. Daardoor was ze van muziek gaan houden. Terug naar de roots. Obscure magazines met korrelige foto’s van straalbezopen muzikanten, uitgeteld op het asfalt, televisiebeelden van wazige interviews met een gitarist die net een shot in zijn aderen had gezet, het geweld in de coulissen, halfnaakte groupies met uitstekende heupbeenderen en kleine tieten, de afgunst, de uitputting, het zweet, de stank van het lange onderweg zijn met tabak als enige maaltijd. Die eerlijkheid wilde Amber registreren. Nu ze hier in deze schimmige omgeving stond, met al even schimmige figuren die haar hiernaartoe hadden gebracht, wist ze meer dan ooit dat dit de juiste aanpak was. Rauw en ongecensureerd.

‘Maar waarom ik?’

‘Omdat jij ons groot zal maken, Amber.’ Een onbewuste trek van haar mondhoeken en de lichtinval maakten dat Roos kortstondig op een cherubijn uit Rafaëls Sixtijnse Madonna leek. ‘Zal ik je rondleiden?’ vroeg ze. Zonder op een reactie te wachten beende ze al naar de belendende ruimte die zich zo’n vijftig meter verderop bevond, afgeschermd van de herinneringen aan gekrijs en uitgebeende karkassen.

Amber op haar beurt keek naar de ijzeren deur waarlangs ze binnen was gekomen en vroeg: ‘En de hond dan?’

‘Straks.’

Ze kwamen in een kamer die tamelijk groot was, maar door de overvloed aan rommel veel kleiner oogde. Amber nam de omgeving op en stelde vast dat een gedeelte gereserveerd was voor het maken en opnemen van muziek. Er stonden enkele instrumenten, mengpanelen en opnameapparatuur. Ongetwijfeld duur materiaal. In een andere hoek stond iets wat voor een keuken moest doorgaan. Eigenlijk stond er gewoon een fornuis waarop vlekken aangekoekt vuil zich rond de gaspitjes verspreidden als een uitbreidend virus. Ernaast stond een waterkoker op de grond, wat verderop een koelkast. De vloer was vuil. Alles was hier vuil, maar dat was niet wat Amber het eerste opviel.

Het was de geur van crack. Het was een subtiel aroma, nauwelijks te herkennen, maar in een ver verleden had ze een gast gekend die, ergens op een feestje waarvan ze al niet meer wist waar het had plaatsgevonden, dat spul had uitgeprobeerd. Inmiddels was hij overleden aan een overdosis van een of andere drug, maar die specifieke geur van crack is haar altijd bijgebleven, een beetje als brandend plastic. Ze keek naar Molokai en Sebastian die achteroverlagen in een ribfluwelen zetel met een gelukzalige glimlach op hun gezicht. Er stonden nog enkele zetels, sommige leeg, andere verscholen onder stapels boeken en gebruikte kledingstukken.

‘Let niet op hen,’ zei Roos. ‘Wil je iets te eten?’

Amber walgde van de gedachte dat er op dat vieze fornuis voor haar gekookt zou worden. Toch knikte ze, al was het maar omdat ze zich volledig in het leven van Diabolik wilde onderdompelen. Ze nam zich voor de komende week gewoon te ondergaan. Roos zette een pan op het vuur en gooide er een rood stuk vlees in dat meteen begon te sissen. Amber durfde er niet van dichtbij naar kijken, uit angst dat ze maden tussen de vezels zou ontdekken. Terwijl Roos het vlees omdraaide, wees ze naar de camera die in dezelfde hoek als de instrumenten lag. ‘Daar. Je kan alvast beginnen, als je wil.’

Het was een Super8. Amber nam het ding met beide handen van de grond en inspecteerde het. Het ding was in goede staat, ongebruikt zo leek het, hoewel het al enige ouderdom bezat. Roos riep haar toe dat er genoeg filmrollen waren, dus dat ze zoveel kon filmen als ze wilde. Amber zag het als een aanmoediging om het toestel aan te zetten en meteen een portret te schieten van de omgeving. Ze beeldde zich het ratelende geluid in van het draaien van de band op spoelen, wanneer de docu klaar was. Door de lens zag de kamer er nog groezeliger uit. Het was alsof ze zelf naar een film keek. Het soort film dat je leven voorgoed veranderde.

De biefstuk smaakte beter dan verwacht. Ze dronk er enkele biertjes bij. Amber keek op haar uurwerk en stelde vast dat ze zich in de afgrond tussen avond en ochtend bevond. Het moment waarop grootse dingen gebeurden. Molokai was ondertussen uit zijn roes ontwaakt en zat te jammen op zijn gitaar. Hoewel hij geen afgelijnde melodieën speelde, of misschien net daarom, hadden de klanken iets hypnotiserends. In de chaos zat een bepaalde structuur, het muzikale equivalent van een fractaal. Zingen deed hij niet. Amber luisterde met gesloten ogen, dommelde langzaam in met de camera nog steeds draaiend, tot ze opeens de vlijmscherpe stem van Roos hoorde. ‘De hond!’ Het was duidelijk dat zij degene was die hier de touwtjes in handen had, organisatorisch gesproken dan, want Molokai was overduidelijk het creatieve brein als het op muziek aankwam. ‘Snel,’ maande ze de andere bandleden aan, ‘voor hij dood is.’

Amber wist niet wat Roos precies bedoelde. Ze wist niet eens of ze de woorden wel juist verstaan had, maar in plaats van zich daarover te bekommeren, filmde ze Molokai en Sebastian die opstonden en Roos door het abattoir naar de bestelwagen volgden. Even later kwam Sebastian terug binnen met in zijn rechterhand de juten zak. Hij had een triomfantelijke grijns op zijn gezicht, dat er in het overvloedige tl-licht kwaadaardig maar vooral ongezond uitzag. Zijn jukbeenderen waren scherp als kliffen en zijn slapen ingevallen. Amber staarde naar de vormloze hoop in de zak. Ze dacht iets te zien bewegen, maar het kon evengoed een stofdeeltje op de lens geweest zijn dat deze illusie had aangewakkerd.

Ze brandde van verlangen om te weten wat er te gebeuren stond, met de hond en met het drietal. Allerlei scenario’s speelden door haar hoofd. De vraag wat ze met dat beest gingen doen brandde op haar tong, maar toch slaagde ze er niet in deze te stellen. Amber beet op haar lippen. Wellicht, dacht ze, was het als buitenstaander beter om in haar rol te blijven, dat wilde zeggen dat ze uitsluitend mocht registreren. Deelnemen was niet voor haar bestemd. Nog niet. Iets in haar zei bovendien dat het beter was om de camera uit te zetten, maar ze wilde geen censuur. Zelf had ze een hekel aan films of docu’s waarbij de camera op cruciale momenten wegdraaide. Zij wilde niet dat soort regisseur zijn. Ze wilde de waarheid op pellicule, ook al was die voor sommigen te choquerend.

Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Amber keek heel even naast de camera om met haar eigen ogen te kunnen zien of wat zich in het abattoir afspeelde werkelijkheid was en geen kronkel in haar verbeelding. Sebastian had de nog levende hond aan een vleeshaak gehangen. De ledematen van het dier schokten, het probeerde te huilen, maar kon niet en bengelde zachtjes heen en weer, enkele centimeters naar links, enkele centimeters naar rechts. Amber bleef filmen, maar sloot haar ogen. Toen ze ze weer opende, zag ze nog net hoe Molokai met een roodgekleurde sikkel in zijn hand naar het stromende bloed stond te staren. De uitdrukking op zijn gezicht was er een om het steenkoud van te krijgen.

Het bloed gutste in een rechthoekige kuip die gehouwen was uit witte, stenen tegels, met onderaan een afvoerbuis die in de grond verdween. Amber probeerde niet naar het gespetter te luisteren. Ze verbaasde zich erover hoeveel bloed er uit het dode lichaam van de tamelijk kleine hond vloeide. Het feit dat ze roerloos stond toe te kijken bezorgde haar een schuldgevoel, maar ze kon het niet helpen. Na een tijdje regenden er enkel nog dikke, stroperige druppels bloed op de bodem van de kuip. Een donkerrode spiegel waarin gezichten vervormd werden, dat was het enige verschil tussen leven en dood.

Roos vroeg of Amber alles onder controle had. ‘Je beeft,’ zei ze. Dat was ook zo. Amber kon de camera amper stilhouden. Rillingen sidderden van haar vingertoppen tot in haar ellebogen en weer terug. Vreemd genoeg was dat haar enige lichamelijke reactie op deze choquerende ervaring. Ze was niet misselijk, had geen braakneigingen, had ook niet het gevoel flauw te gaan vallen. Wel voelde ze weerzin, maar veeleer was ze verwonderd, omdat ze begreep dat er meer achter deze handeling zat. ‘Het is een ritueel, nietwaar?’ vroeg ze. Er was niemand die op haar vraag antwoordde, maar Molokai keek naar haar door de lens. Die blik, die gitzwarte glinstering in zijn ogen zei genoeg. Hij was de leider die het ritueel voltrokken had. Het was een kwestie van tijd alvorens Amber het ‘waarom’ ervan zou ontdekken.

 

Die nacht droomde ze over het ritueel. Ze lag op een oud matras ergens in de leefruimte onder een laken dat al maanden niet meer gewassen was. Net voor het slapengaan had ze een joint gedeeld met Roos, maar desondanks was ze onrustig in haar slaap. Beelden van het rondspattende bloed, de sneeuwwitte kuip en de zwarte glans in de ogen van Molokai teisterden haar dromen. Tegelijkertijd hoorde ze zijn stem ergens in de verte. Hij zong. Amber besefte dat ze hem nog nooit had horen spreken, alsof de enige bestaansreden van zijn stem het strelen was van hamer, aambeeld en stijgbeugel. Af en toe werd ze wakker, beefde ze ondanks de hitte in de kamer, staarde enkele minuten naar het plafond en luisterde naar de ademhaling van de andere drie, om vervolgens weer in een ondiepe slaap te vallen. De ochtend leek verder weg dan ooit.

 

Amber werd gewekt door de geur van gebakken vlees. Gebakken hond, vermoedde ze, ook al was die geur niet te onderscheiden van een ander stuk vlees. Ze zette de camera weer aan en bedacht zich op hetzelfde moment dat ze zichzelf rook, een mengeling van zuur zweet en vettige hoofdhuid, een idee dat ze anders nooit kon verdragen maar waar ze nu weinig belang aan hechtte. Sebastian zat op een kruk naast haar matras en bood haar een blikje bier aan. ‘Goed geslapen?’ vroeg hij. Hij lachte zijn okerkleurige tanden bloot: zwart omrande puzzelstukjes die al een eeuwigheid niet meer in elkaar pasten, de nachtmerrie van ieder kind.

Amber knikte, maar weigerde het bier. ‘Een glas water zou me beter smaken.’ Ze kreeg waar ze om vroeg, samen met een portie hond en een klodder mayonaise, al maakte ze zichzelf wijs dat het biefstuk was. Molokai lag wat verderop in de zetel met zijn ogen gesloten. Het viel moeilijk uit te maken of hij sliep of niet. Hij kon evengoed dood geweest zijn, maar dat was hij natuurlijk niet. ‘Ik heb een voorstel,’ zei Amber tussen twee happen door, ‘ik zou jullie graag filmen tijdens een repetitie.’

Roos vond het een goed idee, maar Sebastian reageerde lauwtjes. Molokai reageerde helemaal niet. Misschien was het nog te vroeg voor zoveel enthousiasme, bedacht Amber zich. Het enige kleine venstertje in de kamer liet een streep grauw daglicht binnen, waaruit onmogelijk te bepalen viel hoe laat het ongeveer was. Het deed er ook niet toe. Later op de dag zou ze het nog weleens ter sprake brengen. Ondertussen at ze rustig verder. Eigenlijk smaakte het wel, zolang ze haar gedachten maar kon afwenden van dat bloedende karkas. Ooit had ze overwogen om vegetariër te worden. Het idee erachter steunde ze volledig, maar de wilskracht om vol te houden bezat ze niet. Na het ontbijt besloot ze met haar camera in en rond het abattoir te trekken en datgene wat ze registreerde te voorzien van opmerkingen die spontaan in haar opkwamen. Op die manier kon ze acclimatiseren en konden de bandleden van Diabolik ongestoord ontwaken. ‘Trouwens, waar is het toilet?’

Blijkbaar hadden de bandleden een porseleinen toiletpot boven een afvoerput in het slachthuis geïnstalleerd. Het deed haar aan de scoutskampen denken waar ze vroeger zo’n hartsgrondige hekel aan had. De pot was vergeeld en er lag nog ontlasting in van de vorige gebruiker. Een systeem om door te spoelen ontbrak, tenzij de emmer water die ernaast stond, maar die was leeg. Amber had een vaag vermoeden dat het nooit anders geweest was, los van de ‘goede’ intentie tot enige vorm van hygiëne. Ze hurkte zich boven de pot. Gaan zitten deed ze niet, om twee redenen: de bruine spetters op de rand en het feit dat het toilet bij een verkeerde beweging kon kantelen. Ze verschoonde zich met een zakdoek die ze nog ergens in haar broekzak vond, want papier was er niet. Niet dat het haar verraste.

Eenmaal buiten begaf Amber zich door steegjes van fabrieken en loodsen die al jaren in verval waren. Vaal beton, amateuristische graffiti, verroest ijzer en aan diggelen gegooide ramen waren het hoofdonderwerp van haar lens, die ochtend. De ondergang van de wereld leek hier als eerste te zijn ingezet. Wat ze ook merkte, was dat de omgeving volledig geurloos leek en dat belette haar bepaalde associaties te maken die voor een groot stuk haar nostalgie domineerden. Ze beeldde zich toxische dampen in en het geluid van machines waarvan de echo’s al lang uitgestorven waren.

Na enkele uurtjes keerde ze terug. Niet omdat het begonnen was met regenen, wel omdat haar filmrolletje op was. Het duurde even voor ze het slachthuis terugvond, al was het niet onlogisch dat je in deze betonnen jungle even gemakkelijk kon verdwalen als in een bos. Amber hoorde een onbekende maar aanstekelijke gitaarrif toen ze het gebouw betrad. Diabolik was bezig met een jamsessie. Zo snel als ze kon, verwisselde ze het filmrolletje. Sebastian bespeelde de basgitaar met veel gevoel, Roos zat als een bezetene achter de drums en Molokai beroerde zijn gitaar op een ingetogen manier, alsof het instrument een verlengstuk van zijn ziel was. Toen hij zijn keel openzette, kreeg Amber prompt tranen in de ogen. Weer begonnen haar handen te trillen, net zoals toen met de hond, maar deze keer van ontroering. Ze kon alleen maar hopen dat de opname geslaagd was.

De rest van de dag werd gevuld met lachwekkende conversaties over mongolen en Italiaanse kannibalenfilms uit de jaren tachtig, maar ook serieuze zaken, zoals de boeken van Poppy Z. Brite, de taboes rond SM, welke de efficiëntste slaappillen waren en of het nummer Wait and Bleed van Slipknot al dan niet geniaal of commerciële rommel was. Molokai luisterde, maar mengde zich uiteraard niet in de geanimeerde discussies, al meende Amber soms uit zijn gelaatsuitdrukking te kunnen opmaken of hij het al dan niet met iets eens was. Het bleef haar echter een raadsel wat zijn jeugdtrauma’s waren, al had ze geen idee waarom die vraag haar precies bezighield. Ze kon zich niet voorstellen dat het iets banaals als spinnen of een donkere, vochtige kelder zou zijn. In haar verbeelding eigende ze hem een mysterieus verleden toe, één met littekens, ontembaar verdriet en donkere gedachten waar die van psychopaten bij verbleekten.

‘Weet je wat we kunnen doen?’ vroeg Sebastian opeens. Hij had net een lijn coke gesnoven en was ontzettend enthousiast over zijn voorstel: ‘De elektriciteitsmast!’ Zijn ogen fonkelden. Amber keek met gefronste wenkbrauwen naar Roos om wier lippen een smalend lachje danste. Ze schudde zachtjes haar hoofd heen en weer, maar op een manier die verried dat ze het eigenlijk wel een goed voorstel vond.

‘Wat is de elektriciteitsmast?’ wilde Amber weten.

‘Pure adrenaline.’ Sebastian snoof nogmaals. ‘Vergeet zeker je camera niet.’

Amber had de elektriciteitsmast inderdaad opgemerkt tijdens haar ochtendwandeling. Het ding was net zoals het hele terrein in onbruik geraakt. Zelfs de stroomkabels hoog in de lucht waren doorgeknipt, alleen de mast stond nog overeind, een kolos ergens in een heuvelachtig veldje waar het onkruid eerder grijs dan groen was. Men had niet eens de moeite gedaan het ding neer te halen. Sebastian stond als eerste op. Hij boog enkele keren door zijn knieën, als een sprinter die zich voorbereidde op de honderd meter. Zijn gewrichten knakten. Amber had nog steeds geen idee wat haar te wachten stond, maar ze voelde hoe de opwinding van Sebastian en Roos op haar geprojecteerd werd. In haar buik danste een vlinder, zoals bij een kind dat zich tijdens verstoppertje verschanst.

Molokais gelaatsuitdrukking was eerder apathisch – wellicht omdat hij even daarvoor vijf Valiums naar binnen had gewerkt – maar uit het feit dat ook hij opstond en zijn lederen jekker aantrok, bleek dat hij uitkeek naar de adrenalinerush. Amber zette de camera aan en volgde hen naar buiten. De hemel had de kleur van een etterende wonde en stonk naar ozon. Amber snoof de lucht op, hoestte enkele keren en spuugde een fluim op een spoorweg waar ooit goederentreinen hadden gereden. Ze keek over de gebouwen, op zoek naar de mast. Ergens ten westen van het terrein zag ze zijn silhouet boven de loodsen opdoemen. Het was ongeveer vijftien minuten stappen.

Nu ze er vlak onder stond, was het gevaarte hoger dan Amber aanvankelijk dacht. In zekere zin was het intimiderend. Voor ze het doorhad, was Sebastian al enkele meters hoog geklommen. Ze filmde hem. Daarna gleed haar lens naar Molokai, die klaar stond aan de voet van de mast en Sebastian volgde. Met sprekend gemak klommen ze hoger en hoger, zonder enige vorm van beveiliging. ‘Het ziet er roekelozer uit dan het is,’ suste Roos, die nog steeds aan Ambers zijde stond. ‘Je hoeft niet mee te komen als je niet wil, maar –‘

‘Maar?’

‘Het verandert je leven.’ Molokai en Sebastian waren ondertussen halverwege. Met handen en voeten bestegen ze de metalen staven. ‘Ik snap dat het eng lijkt. Zeker als het je eerste keer is, maar het is zoals een ladder: als je een beetje oplet kan er niets gebeuren.’

Amber liet de camera zakken en keek omhoog. Ze haalde enkele keren diep in en uit.

‘Het uitzicht is prachtig,’ beloofde Roos, ‘en als je wil, blijf ik bij jou terwijl we naar boven gaan.’ Ze strekte haar hand uit om de camera aan te nemen.

‘Ik weet het niet,’ zei Amber. Ze keek nogmaals naar boven en hoorde hoe Sebastian een kreet van triomf slaakte. Het leek misschien wel gevaarlijker dan het was, maar je hoefde maar één keer mis te stappen en het was gedaan … Ze ritste haar jasje dicht, een handeling om zichzelf een houding te geven terwijl ze nog steeds twijfelde over wat ze zou doen. Zonder iets te zeggen ging ze naar de voet van de mast en klom enkele meters omhoog, bij wijze van test, om te zien of ze het aankon. Daar bleef ze even zitten. Er stond een zachte wind. Ze voelde haar haren langs haar wangen wapperen. Die sensatie en het feit dat ze twee meter boven de grond zat bezorgde haar een gevoel van vrijheid. Het was spannend en geruststellend tegelijkertijd. Als ze van hieruit naar beneden donderde, kon ze hoogstens haar enkel verstuiken, tenzij ze verkeerd zou vallen en haar nek zou knappen als een twijgje.

Roos was ondertussen naast haar komen zitten. ‘Wat denk je?’ vroeg ze.

‘Ik denk dat ik het leuk vind.’

‘Ga je mee?’

Amber volgde in het spoor van Roos die traag en voorzichtig naar boven klom. Hoelang het precies duurde voor ze in de top zaten, viel moeilijk in te schatten. Hoewel ze geen hoogtevrees had, nam ze zich voor om niet naar beneden te kijken, wat natuurlijk niet lukte omdat de verleiding te groot was. Gevaar had nu eenmaal meer aantrekkingskracht dan gezond verstand. Nu ze boven zat, voelde het als een bevrijding. En het uitzicht was inderdaad adembenemend, letterlijk zelfs. De wereld onder haar was doods, afgezien van de zilveren glinsteringen die de maan over het gestorven landschap uitstrooide. Amber zette zich schrap door haar benen en rug stevig tegen het ijzeren geraamte van de mast te drukken. Ze speurde naar de watertoren aan de overkant van de Schelde, waar haar radiostation gevestigd was, maar omdat er geen licht brandde, kon ze hem niet vinden.

‘Wel, wat vind je ervan?’

‘Je hebt niet gelogen, het uitzicht is prachtig.’

‘Geen spijt?’ Roos overhandigde ondertussen de camera weer aan Amber zodat ze deze gebeurtenis kon vereeuwigen.

‘Nee.’

‘Ik wist het wel,’ giechelde Sebastian.

‘Doen jullie dit vaak?’

‘Telkens wanneer we nood hebben aan adrenaline,’ zei Sebastian zonder haar aan te kijken. Hij was op de bovenste punt van de mast gaan staan en balanceerde met uitgestrekte handen als een koorddanser.

Amber voelde haar hart in haar keel hameren terwijl ze door de lens keek en zijn waaghalzerij registreerde. Schichtig keek ze in Roos’ richting, maar die stelde haar gerust met een sussende gelaatsuitdrukking. Molokai schonk weinig aandacht aan de acrobatieën van zijn maat. Hij stak een sigaret op. De rook dreef langs zijn gezicht op de wind naar het westen, waar de avondzon verdween in een abstract schilderij van perzik- en vanillekleurige vegen, zoals altijd op avonden die onvervulde wensen deden uitkomen. Hij reikte Roos en Amber het pakje aan, die elk op hun beurt ook een sigaret namen. Op het moment dat Amber haar eerste trek nam en met een half oog door de lens naar Sebastian keek, zag ze hem manisch zijn rotte tanden blootgrijnzen. Ze probeerde hem in close-up te vangen, maar opeens verdween hij uit beeld. Sebastian tuimelde naar beneden, gevolgd door een schreeuw. Amber schrok zo hard dat ze gilde en ze de brandende sigaret uit haar hand liet vallen. De camera kon ze nog net vasthouden aan het lint. Meteen daarop volgde een oorverdovend geschater dat haar tegelijkertijd geruststelde en met ontzetting vervulde. Sebastian was niet dood. Integendeel, hij was springlevend. Hij had zichzelf in de diepte gestort en slingerde helemaal onderaan als een gibbon aan de laatste ijzeren staaf, rond en rond en rond. Amber geloofde niet wat ze zojuist had aanschouwd. Ze zat gevangen in een vlaag van zinsverbijstering, als een kind dat tijdens een goocheltruc zonet de schaars geklede assistente doormidden had zien zagen. Terwijl ze deze illusie voor zichzelf probeerde te verklaren, legde ze zijn acrobatieën op pellicule vast.

Sebastian had beslist niet gelogen. Dit was pure adrenaline. Amber kon zich nauwelijks inbeelden hoe het voor hem moest zijn, zo slingeren boven een gapende duisternis die je na één misstap onverbiddelijk opslokte. Ze wilde het zich niet eens voorstellen. Het enige wat ze wilde, was zo snel mogelijk weer vaste grond onder haar voeten voelen. Toch zinderde ergens diep van binnen de wens om dit ooit nog een keer te doen nog, opnieuw die duizelingwekkende hoogte te bedwingen. Dat was het verraderlijke aan gevaar. Het werkte verslavend, net als een drug. ‘We blijven niet lang. Nog enkele minuutjes, dan gaan we terug naar beneden.’ Roos beantwoordde daarmee de vraag die Amber had willen stellen, maar niet durfde. Ze moest waarschijnlijk de angst in haar ogen bespeurd hebben. Het ongemak, de overweldiging.

Eenmaal terug op de grond golfde de adrenaline nog steeds door Ambers aderen. Ze keek nog een keer omhoog en kon maar niet geloven dat ze daarnet in de top van de mast had gezeten. Het was zo onwezenlijk. ‘Gaaf, hè,’ zei Sebastian, die als laatste van het ijzeren geraamte sprong en met knakkende gewrichten op de grond landde. Amber kon dat niet ontkennen, maar ze slaagde er niet in om hetgeen ze dacht onder woorden te brengen. Dus zei ze niets en knikte. Er flitste te veel door haar hoofd. Toen keek ze nogmaals naar de top van de mast en betrapte ze zichzelf erop dat haar mond een brede glimlach vormde. De sensatie die ze zonet had ervaren viel moeilijk te beschrijven. ‘Dank je wel,’ zei ze opeens stomweg, en ze meende het. Ze was Diabolik dankbaar voor alles wat ze tot nu toe had gezien, meegemaakt.

Zonder iets te zeggen legde Roos haar arm over Ambers schouders. Hun blikken kruisten elkaar kortstondig en ze grinnikten. Amber keek nog een laatste keer achterom naar de elektriciteitsmast voor ze weer in de steegjes tussen de oude fabrieken verdwenen. De nacht was ondertussen zwart als inkt en de bries zacht als fluweel. Amber voelde zich aanvaard door Diabolik. Ze had zich aan hen bewezen en was nu een van hen geworden, zo voelde het althans.

 

Die avond consumeerden ze een feestmaal bedorven etensresten uit de koelkast, laafden zich aan bier en verder deed ieder zijn eigen ding. Terwijl ze willekeurig door de biografie van Iggy Pop bladerde, volgde Roos met dronken blik de route van een opaalkleurige vlinder die hier duidelijk verdwaald was. Molokai jamde hypnotiserend op zijn akoestische gitaar, op zoek naar nieuwe melodieën, en Sebastian tekende een abstract schilderij van bloed op de muur door veelvuldig met een heroïnenaald in zijn aders te prikken. Amber zoomde afwisselend in op de vlinder en het lijnenspel op de muur, waar in combinatie met de schimmelplekken een macabere versie van Picasso’s Guernica ontstond.

Hier, in dit hol, werden alle drugs door elkaar gebruikt. Het hoorde erbij. Amber was niet zo naïef om te geloven dat ze in een theekransje terecht zou komen toen ze het aanbod had aanvaard om Diabolik een week te volgen. Molokai zat momenteel nog gevangen in de restanten van een lsd-trip. Hij was afgesloten van de rest, leefde in zijn eigen wereld. Amber had in haar jeugd hoogstens enkele keren een jointje gerookt. En ze was ook een tijdje aan de morfine geweest na een zware operatie. Het verdovende effect beviel haar wel, maar het was niet iets dat deel uitmaakte van haar dagelijkse routine, of iets waar ze naar hunkerde. Maar nu de gelegenheid zich aandiende – Roos bereidde twee doses heroïne voor – was ze te nieuwsgierig om het te weigeren. Amber observeerde Roos en imiteerde haar door het poeder op aluminiumfolie te verwarmen en het door een glazen buisje te inhaleren. Ondertussen liet ze de camera draaien.

Ze had al gehoord over de zogenaamde ‘flash’, maar had nooit durven vermoeden dat die zo intens zou zijn. Lichaam en geest werden overspoeld door euforie. Daarna volgde een aanhoudende staat van innerlijk geluk, van verrukking, genot en passiviteit. Denken was schier onmogelijk. Het was een kwestie van ondergaan. En op een bepaald moment tijdens die roes, zag ze hoe Molokai uit pure frustratie zijn gitaar stuk sloeg en afwisselend naar Sebastian en Roos keek. Amber was te suf om te reageren. In haar achterhoofd tintelde een gevoel van opluchting dat haar camera dit alles vastlegde, want zelf was ze niet meer bij machte om het toestel te bedienen. Roos stond op en richtte zich tot Molokai. ‘Meer bloed?’ vroeg ze. Hij knikte. Amber begreep niet waarover ze het hadden – de woorden klonken alsof ze onder water werden uitgesproken – maar ze moest meteen aan die hond denken. De hond, de kuip en het gutsende bloed.

Later die nacht, toen iedereen min of meer uit zijn trip ontwaakt was, stonden de bandleden op na een voor Amber onzichtbaar signaal. Ze deden hun jassen aan en na wat aarzelen deed Amber hetzelfde, al begreep ze nog niet waarom. Daar zou ze later wel achter komen. Ze stak een nieuw filmrolletje in de camera en volgde hen met lome benen. Ze zocht nog even vergeefs naar die prachtige vlinder, treurde dat hij misschien slechts een illusie was, en verliet de kamer. De kleurrijke wezens van Guernica wuifden haar uit. Amber zwaaide terug.

Het kon ook het geluid van de wind geweest zijn, maar Amber dacht dat ze Roos hoorde spreken: ‘Is ze hier wel klaar voor?’ Er kwam geen antwoord. Molokai, Roos en Sebastian hielden halt, draaiden zich om en keken naar elkaar en dan naar Amber. Ze voelde hoe hun blikken zich in haar ziel haakten. ‘Waarvoor?’ vroeg ze, vervuld van opwinding, onrust en het laatste restje onschuld dat weldra zou sterven. Roos zuchtte. Amber kon moeilijk inschatten wat die zucht betekende. Was ze bang om te vertellen wat er vannacht ging gebeuren? Was het zo verschrikkelijk dan? Was het een manier om zich over haar te ontfermen?

‘Ze heeft de elektriciteitsmast toch overleefd,’ zei Sebastian.

Stilte.

Niemand leek te weten welke waarde die stelling precies had, Amber nog het minst, omdat ze niet kon voorspellen wat haar te wachten stond.

‘Ik bedoel maar … ze kan wel wat hebben, nietwaar? Elk ander wijf zou het in haar broek gedaan hebben. Letterlijk, bedoel ik dan.’

Amber negeerde het compliment. ‘Waar hebben jullie het over?’ wilde ze weten. Ze stonden buiten. Het was lichtjes gaan regenen. Een aangename nazomerbui, meer niet.

‘Misschien moet je gewoon meekomen. Dan kan je voor jezelf uitmaken of je het aankan of niet.’ Roos leek overtuigd van haar voorstel. ‘Tenslotte, wie zijn wij om dat in jouw plaats te bepalen?’

‘En niemand zal het je kwalijk nemen als je afhaakt,’ voegde Sebastian eraan toe.

Amber fronste haar wenkbrauwen en pulkte enigszins geërgerd aan een puist op haar kin. ‘Maar ik weet niet eens waar jullie het over hebben?’ Haar woorden gingen verloren in de maanloze nacht. Ze zag hoe drie schimmen voor haar uit liepen en besloot hen te volgen, als een hond die nooit anders geleerd had dan zijn baasje gedwee achterna te huppelen. De elektriciteitsmast was slechts een test geweest. Nu kwam het echte werk. Twijfel sloop in haar ledematen; het kon ook het laatste restje heroïne geweest zijn. De onwetendheid over haar bestemming maakte haar onzeker. Sebastian deed een vreugdesprong zoals Gene Kelly in zijn beste jaren. Natuurlijk deed hij dat, want er zou bloed vloeien vannacht …

Onderweg naar de ondergrondse metro aan de stadsrand verzonnen ze om de beurt, Molokai uitgezonderd, betekenisloze palindromen die hen aan het lachen brachten. Het was verbazend hoe komisch sommige klanken waren. Het onnozelste ‘woord’ luidde: trapimopolopomipart. Roos struikelde meermaals over haar tong bij het uitspreken hiervan, tot groot jolijt van Amber, die blij was dat er weer even over banale dingen gepraat kon worden. Zelf had ze zeven pogingen nodig om de onzin te herhalen. Toen de bende uitgelachen was, doemde in de verte de gapende mond van de metrotunnel op. Het gat was donkerder dan de nacht en ademde uit een walm van oud vocht en wanhoop.

‘Let there be light,’ fluisterde Sebastian, en hij knipperde een zaklamp aan. Het was zo’n oud model waarin een handvol alkalinebatterijen met plakband op hun plaats werden gedrukt. De lichtcirkel was eerst zwak, maar toen Sebastian enkele keren tegen de zaklamp tikte, lichtten de sporen van de metro op. In de verte bogen ze af naar links. De schacht was smal. Naast de sporen was niet veel ruimte. Ambers jas schuurde meermaals tegen de vieze muur. Ze vroeg: ‘Is dit niet gevaarlijk? Wat als er zo een metro aankomt?’

‘Geen nood, op dit uur rijden er geen meer. De eerste komt pas over een halfuur. Tegen die tijd zijn we alweer weg.’

Amber keek op haar uurwerk, niet in staat om de grote wijzer van de kleine te onderscheiden. De heroïneroes had haar opvatting van tijd volledig vervormd. Over een uur zou de zon al opkomen. Haar benen voelden nog altijd loom. Haar tenen tintelden. ‘Oké,’ zei ze. Ze volgde de lichtstraal die als een gids voor hen uit liep en koos haar pad tussen de sporen in, gerustgesteld door het feit dat er geen metrostel voorbij kon vlammen. Af en toe schopte ze tegen een kei. Onbewust begon ze een nummer van The Stooges te neuriën en voor ze besefte welk lied het eigenlijk was, zongen Roos en Sebastian met haar mee. Hun stemmen weerkaatsten tussen het beton en vormden buitenissige echo’s die in de verte nieuwe liederen baarden.

‘Eigenlijk, als je er goed over nadenkt, is een banaan toch een ingenieuze vrucht, nietwaar?’ Sebastian stelde de vraag aan niemand in het bijzonder. ‘Ik bedoel, kent iemand een stuk fruit dat zich makkelijker laat ontmantelen dan een banaan? Je trekt aan de steel, de pel naar beneden, herhaalt dit nog twee keer en klaar: je kunt er zo van eten. Een geschenk van de natuur.’

Amber moest spontaan aan de albumcover van The Velvet Underground & Nico denken. Ze probeerde een handigere vrucht te bedenken, maar vond er geen. Natuurlijk bestond er ook fruit dat je niet eens hoefde te schillen, maar dan had je weer al die pesticiden op je tong. ‘Doe mij toch maar een kiwi,’ zei ze. ‘Ik houd wel van dat harige jasje en dat felle, bijna fluorescerende groen vanbinnen. Geen enkele kleur is zo mooi als kiwi-groen.’

‘Behalve het rood van vers bloed,’ zei Roos met een kwinkslag.

Onbewust keek Amber in Molokais richting, alsof hij nu zou zeggen wat zijn favoriete vrucht was. Blauwe druiven pasten wel bij hem, vond ze. Elegant en chic en op een bepaalde manier ook mysterieus.

‘Zie je daar dat licht?’ Roos wees naar een paarse gloed in de verte. Amber had hem eerst nog niet opgemerkt. Ze knikte. ‘Dat is een platform. De eerste halte van deze lijn.’ Amber pikte die opmerking op als een aansporing om de camera scherp te stellen op het licht. Het was afkomstig van tl-buizen die, naarmate ze het platform naderden, zo fel bleken dat ze in de ogen prikten.

‘Sst!’ siste Roos. ‘Stil wezen nu.’

‘We wachten op de eerste reiziger van de nieuwe dag,’ fluisterde Sebastian. Zijn ogen blonken van opwinding. Hij deed de zaklamp weer uit.

‘En wat dan?’ vroeg Amber.

Roos weer: ‘Sst.’

Amber merkte dat ze nerveus was. Dat hoorde ze aan haar stem en de onrustige pasjes waarmee ze over de keien schuifelde. Met vier slopen ze naar het platform. Amber wist nog steeds niet wat haar te wachten stond, al had ze een naar voorgevoel. Ze liet de camera draaien voor het geval er een onverwachte gebeurtenis zou plaatsvinden. Zo kon ze alvast anticiperen op de mogelijke shock die haar zou overvallen. Die gedachte deed haar hart een versnelling hoger slaan. In haar hoofd maalde de rauwe gitaarchaos van The Stooges maar door en door. Het was koud, zo diep in de tunnel, en ze rilde. Ze ritste haar jasje dicht.

Roos maakte een handgebaar waarmee ze de anderen maande om te wachten. Als een volleerd agente keek ze om de hoek naar het platform. ‘Er is nog niemand,’ zei ze. Molokai en Sebastian gingen zitten. Ze leunden met hun rug tegen de muur en wachtten. Amber bleef staan, net als Roos, die op de uitkijk stond. De kille lucht in de tunnel was bezwangerd met een onheilspellende dreiging. Ze bevonden zich net buiten de bleke gloed van de tl-verlichting en het gezichtsveld van mogelijke passagiers.

Amber spitste haar oren. Ze hoorde hoe in de verte een roltrap in werking trad. Een doffe, maar duidelijk hoorbare plof werd gevolgd door aanhoudend gezoem. Opeens hield het gezoem op, gevolgd door het tikken van naaldhakken op stenen tegels. Amber telde de voetstappen. Het waren er exact tien. Roos keek nog één keer schichtig om de hoek met het risico betrapt te worden, maar dat werd ze niet; ze had schijnbaar genoeg ervaring. Ze keek naar Sebastian, fluisterde hem iets toe. Amber was niet zeker of ze alle woorden verstaan had, maar het klonk als: ‘Geen bloed verspillen deze keer!’

Sebastian knikte en stond op. Zijn knie knakte en heel even schrok Amber van het plotse geluid. Niets aan de hand, suste hij met zijn blik. Terwijl hij over de sporen naar het midden van de halte kroop, zette Roos zich schrap. Molokai bleef onverstoord onder een graffitikunstwerk tegen de muur zitten en staarde voor zich uit. Wat was zijn rol in deze actie? Hield hij slechts toezicht, klaar om in te grijpen als het fout liep? Amber had geen tijd om er langer bij stil te staan. Ze stelde de lens nogmaals scherp, had moeite met het vinden van de juiste lichtinval, maar toen het beeld toch zichtbaar genoeg was, richtte ze naar Sebastian die op het platform kroop en naar de wachtende vrouw rende.

De vrouw, wier minirok en rode laklaarzen weinig misverstanden over haar beroep lieten bestaan, keek verbijsterd naar wat zich voor haar ogen voltrok. Ze was te geschrokken om weg te lopen en pas in tweede instantie in staat om voor haar leven te krijsen. Maar het was te laat. Sebastian had haar één rake vuistslag verkocht en was haar meteen daarna naar de keel gevlogen. Amber wenste dat ze dit niet gezien had. Zij sloot haar ogen, maar de camera was getuige van de doodstrijd die daarop volgde. Amber hoorde hoe de vrouw gewurgd werd, hoe ze naar adem snakte, hoe haar strottenhoofd verbrijzeld werd en hoe ze af en toe gilde, reutelde en uiteindelijk de doodstrijd verloor.

Dat was het moment waarop Roos zich op het platform hees en Amber weer haar ogen opende. Niet om naar de dode vrouw te kijken, maar om te vermijden dat ze op haar eigen schoenen braakte. Speeksel en bittere gal spetterden op de keien. Ze werd helemaal licht in haar hoofd, voelde hoe ze langzaam het bewustzijn verloor, maar Molokai ondersteunde haar net op tijd zodat ze niet viel. Uitgerekend hij. Wat daarna gebeurde, bestond enkel in vage herinneringen en enge dromen. Ze hoorde zichzelf hardop denken: ‘Is dit werkelijk gebeurd?’ En ze zag flarden van hoe Molokai, Sebastian en Roos het lijk naar het abattoir sleepten, met af en toe een rustpauze om de spieren in hun armen los te schudden en op adem te komen. De zon was al wakker en had de fabrieksruïnes in een bloedovergoten dageraad ondergedompeld, maar in dit niemandsland was geen levende ziel om het viertal te betrappen.

Zonder het zelf te begrijpen volgde Amber hen. Ze filmde en tilde af en toe zelfs een slappe arm van de vrouw, al kon dat ook in haar verbeelding geweest zijn. Ze voelde zich eenzaam, maar iets weerhield haar ervan om weg te gaan. Was het omdat iets in haar erop aandrong de documentaire die ze was begonnen af te maken? Misschien was ze bang dat als ze hen nu de rug zou toekeren, hier en nu een einde aan alles zou komen. Of was ze zo begeesterd door Diabolik dat ze voorbij het point of no return was gekomen en een van hen wilde worden? De gedachten waren te veel, te verwarrend om te verwerken. Het enige wat nu ze wilde, was slapen, maar daarvoor had ze twee valiumtabletten nodig en een temesta om de tremors te onderdrukken. Die kreeg ze van Roos. Ze wilde vergeten wat ze zonet had meegemaakt, in de veronderstelling dat als ze straks weer wakker werd, de realiteit haar geest met een mokerslag zou verpulveren.

 

Amber werd gewekt door het zachte geknisper van papieren zakken. Moeizaam opende ze haar ogen. De kamer baadde in een vurige gloed, afkomstig van tientallen waxinelichtjes die willekeurig verspreid waren. Ze rechtte haar rug, keek in de richting van het geluid en zag Roos, achterover gezakt in een zetel, links en rechts van haar een bruine papieren zak, etend van een vreemde vrucht. Amber snoof. De doerian had de volledige ruimte bedwelmd met een weeë geur.

‘Heb je honger?’ vroeg Roos.

Amber ging rechtop zitten. Sebastian en Molokai sliepen. Sebastian snurkte lichtjes. ‘Hoe laat is het?’ Ze deed niet de moeite om op haar uurwerk te kijken.

‘Je hebt de hele dag geslapen’, zei Roos. ‘Ik heb ook kiwi’s meegebracht, speciaal voor jou. Wil je er een?’

Amber knikte. Haar lippen en tong waren kurkdroog en ze had nood aan iets fris. Ze probeerde op te staan, wat haar enige moeite kostte, aangezien haar spieren nog verdoofd waren. Ze nam plaats naast Roos, die voor haar een kiwi uit de zak had opgediept en hem in twee gelijke stukken had gesneden, het soort symmetrie dat houvast biedt in moeilijke tijden. ‘Ik zoek nog even een lepeltje,’ zei ze, en ze graaide een lepeltje van een tafeltje waarin eerder die dag een heroïneshot geprepareerd was. Ze veegde het schoon met haar mouw en gaf het aan Amber. De kiwi was net rijp genoeg, de ideale balans tussen zoet en zuur, en zo sappig dat het voor even haar dorst leste. Maar ze wilde meer, keek in de zak en vond een bakje aardbeien. Ze at er zo lustig van dat ze eerst niet in de gaten had dat Roos Super8 hanteerde.

‘Wat doe je?’ Amber draaide verlegen haar hoofd weg. Ze was het niet gewoon het onderwerp te zijn. Tegelijkertijd was dit moment veelbetekenend voor haar verhouding tot Diabolik. Of dat hoopte ze toch. Misschien was het een teken van aanvaarding, waardoor het natuurlijk nog moeilijker werd, zo niet onmogelijk, om afstand te nemen. Anderzijds, wilde ze dat nog wel? Ze had het hier naar haar zin, ondanks wat zich tijdens het ochtendgloren had afgespeeld.

Roos zette de camera op de leuning van de zetel, verplaatste een van de zakken en schoof dichter naar Amber toe. ‘Je bent erg mooi, wist je dat?’

‘Ben je dronken?’

‘Een beetje.’

Amber moest lachen. ‘Dank je,’ zei ze, en dan: ‘Jij ook.’ Ze meende het. Roos had lange koperkleurige krullen die als vlammen rond haar hoofd dansten en ogen als gletsjers. Vuur en ijs in één gezicht. Ze keken elkaar een tijdje aan zonder iets te zeggen. In haar ooghoeken trilde de gloed van de vele kaarsvlammetjes. Amber vroeg zich af of zij hetzelfde dacht als Roos. Het antwoord volgde enkele seconden later. Na een kleine aarzeling vonden hun lippen elkaar, gevolgd door hun tongen. Ze proefde de alcohol nog in Roos’ mond, met een wrange nasmaak van iemand die al enkele dagen haar tanden niet had gepoetst.

Voor ze het goed en wel besefte was Amber naakt. Op haar sokken na. Ze keek een beetje bedeesd naar haar eigen lichaam dat in de nevelige kaarslucht de kleur had van boter. Een nog blekere hand bedekte haar linkerborst. De hand was aangenaam koel. De camera draaide nog steeds, miste niets, maar dat deerde haar niet. Ze liet Roos toe. Haar lichaam ontspande zich, geholpen door de Valium. Een tinteling zinderde door haar lendenen. Ze sloot haar ogen en legde heel zachtjes een hand op Roos’ hoofd, dat zich tussen haar dijen bevond. De krullen kietelden haar naakte huid. Ze vond het fijn. Zo fijn dat ze voelde hoe haar mond tot een vredige glimlach krulde. Het was gek, ze viel niet eens op vrouwen, Roos ook niet, en toch voelde het ontzettend juist aan. Alsof dit het enige was wat steekhield, nu, op dit moment. Ze vreeën.

De medicatie was duidelijk nog niet uitgewerkt, want na haar hoogtepunt viel Amber meteen weer in slaap. Toen ze voor de tweede keer die nacht ontwaakte, waren de meeste kaarsjes vanzelf uitgegaan. Hier en daar flakkerde nog een vlammetje, een lichtpuntje in een waas van duisternis. Ergens in de verte snurkte Sebastian nog steeds. ‘Roos?’ fluisterde ze. Roos lag met haar hoofd op haar buik, maar sliep als een blok. Amber gleed onder haar vandaan. Ze moest dringend plassen. Haar blaas drukte zodanig tegen haar ingewanden dat het pijn deed. In slaapdronken toestand begaf ze zich naar het abattoir, nam zelfs niet de tijd om haar kleren aan te doen. Toen ze op het toilet ging zitten en haar blaas liet leeglopen, ontwaarde ze een silhouet in het schemerduister. Het duurde even voor haar hersenen registreerden wat ze zag, en even dacht ze zelfs dat ze droomde, ook al had ze meestal geen dergelijk gruwelijke nachtmerries.

De schim bengelde aan een vleeshaak die aan het plafond hing, het hoofd naar beneden, boven de kuip waarin die arme hond geslacht was. Amber stond op. Ze wankelde een beetje. Terwijl er nog enkele druppeltjes warme urine langs haar dijen naar beneden sijpelden, strompelde ze in de richting van de kuip. Ze herkende het profiel van Molokai. Hij lag in de kuip, het hoofd naar achter en de mond wijd open. Opeens was Amber klaarwakker en besefte ze wat er gaande was. En dat ze iets vergeten was. De camera. Nog geen twintig tellen later stond ze terug op dezelfde plaats. De camera draaide. De vrouw bloedde leeg in Molokais keel. Hij dronk en dronk en dronk. Amber hoorde hem slikken, hoorde hem het stroperige bloed tot zich nemen. Met haar ene oog dichtgeknepen en het andere geopend, tuurde ze door de lens, zonder ook maar één keer te knipperen. De schokkerige schaduwen in het donker, de bevreemdende geluiden … Amber was doodsbang.

De ware betekenis van het ritueel drong langzaam tot haar door. Molokai praatte nooit. Hij zong slechts. Al dat bloed … had hij daaraan zijn engelenstem te danken? Amber had het met haar eigen ogen gezien. Ze vond het weerzinwekkend en toch voelde ze zich in zekere zin ook vereerd dit te mogen aanschouwen. Geen weg meer terug. Die gedachte greep haar als een ijskoude hand naar de keel. Ze kreeg geen zuurstof meer. Amber wankelde naar de poort, glipte naar buiten en snoof de broeierige nachtlucht op. Ze wilde niet naar huis, maar moest even weg van het slachthuis, dus slenterde ze langs de loodsen, braakte tegen een oude elektriciteitskast, ging zitten, keek naar de sterren en deed een poging om ze te tellen.

In de verte hoorde ze Molokais stem die plots de nacht brak. Etherische klanken zwierven tussen en over het grauwe beton en Amber plukte ze met haar oren uit de stinkende lucht. Het was zo mooi, zo betoverend. Ze kreeg er tranen van in haar ogen. Eén traan bleef hangen als een vlies voor haar rechteroog, waardoor ze troebel zag, de andere zigzagde in een warme lijn over haar wang. Ze was een gevangene van zijn stem en al die tijd hield ze haar adem in. Waarom zou ze ooit nog weggaan? Het enige wat ze nodig had, bevond zich hier. Ze leefde ervoor om Molokai elke dag opnieuw te kunnen horen. Ze zou er zelfs voor moorden. Ze grinnikte erom, maar wist dat ze het meende. Volgende keer misschien. Ze sloot haar ogen, concentreerde zich op de stem en fluisterde: ‘Ik zou absoluut voor jou willen moorden.’

De nagedachte : Frank Norbert Rieter

De wekker ging en ik wist meteen dat het een andere dag zou worden. Mijn man sloeg niet meteen op de snoozeknop. Ik gaf hem een por in zijn rug. Welke idioot zet een wekker voor zondagochtend? Ik zuchtte en kreunde. Ik was nog niet uitgeslapen, maar het irritante gepiep viel onmogelijk te negeren. Ik klauterde lomp over de slapende massa naast me heen en gaf het onding zelf een klap. Mijn man onderging het zonder een krimp te geven. Ik viel weer neer op mijn eigen helft, maar was natuurlijk alsnog klaarwakker. Dan toch maar opstaan. Ik wierp een verwijtende blik op mijn wederhelft.

Roerloos lag hij daar, alsof hij dood was. Nog even was dat een nonchalante gedachte die zo weer zou vervliegen. Dus stond ik op en ging naar de badkamer om te douchen. De kraan draaide ik nog open, maar ik stapte niet onder de straal. Het roerloze stilzwijgen zat me niet lekker. Ik liep terug.

‘Ik ga vast douchen,’ riep ik hard. ‘Zet jij zo een raam open!’

Geen reactie. Geen spoor van beweging. Mijn maag en darmen trokken samen.

Gisteravond was hij nog kiplekker geweest. Alhoewel. Hij hijgde als een trekpaard tijdens ons ‘intiem kwartiertje’ en hij ging vroeg naar bed terwijl ik opbleef voor de nachtfilm. ‘Ik ga vast,’ had hij gezegd, zonder toelichting. Zonder nachtzoen. ‘Ik kom later,’ zei ik daarop. Toen ik uiteindelijk naar bed ging had ik hem niet meer wakker gemaakt. Ik had hem niet meer gekust of welterusten gezegd. Hij kon niet dood zijn. Zo mocht het niet aflopen.

Ik liep om het bed heen, draaide de alarmwijzer van de wekker door tot hij opnieuw afging. Ik hield het piepende onding naast zijn oor. Zijn huid zag bleek. Zijn mond hing open, op niet echt charmante wijze. Het had iets koddigs. Mijn beer in winterslaap. Als hij maar wel zo wakker werd.

Hij kon niet dood zijn. Hij had zo vaak gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. We zouden als we eenmaal oud, versleten en ongezond waren, samen een drankje nemen om er een einde aan te maken. En als er al iemand eerder zou gaan, zou ik het zijn. Hij was wel tien jaar ouder, maar ik was degene met de vage kwaaltjes. Hij was kerngezond. Hem mankeerde nooit iets.

Maar hij haalde geen adem, of niet dat ik kon bespeuren. Hij lag op zijn zij, met zijn gezicht aan de rand van het bed. Ik hoorde geen gesnurk. Geen zuchtje kwam over zijn lippen. Ik zette me schrap en draaide hem op zijn rug, half op mijn helft. Zijn huid voelde koud, niet alleen op zijn bovenarmen, waar het vet altijd koud was, maar overal. Zijn voorhoofd, zijn handpalmen en borst. Ik legde mijn handen op zijn buik en voelde onder de deken tussen zijn dijen. Een weeë geur kwam me tegemoet. Het leek alsof hij het een beetje had laten lopen. Overal was hij koud en klam.

Ik liet de betekenis ervan niet tot me doordringen. Ontkennen en verdringen, dat waren mijn beproefde tactieken voor zo’n beetje alles waar ik geen zin in had. En ik had hier helemaal geen zin in.

Hij kon niet dood zijn. We hadden ons leven net zo goed op orde. De hypotheek was afgelost. De kat was eindelijk dood. We hadden net een appartementje gekocht in Torrex Costa. Nog een paar jaar en hij kon met pensioen. Dit paste helemaal niet in de planning.

Het leek me beter om me eerst te douchen en aan te kleden. Misschien was ik nog niet helemaal wakker. Ik was door het irritante wekkerding in een soort mini-psychose geraakt. Dat moest er een keer van komen: ik had me altijd al geërgerd aan dat piepje. Ik liep snel terug naar de badkamer en stapte alsnog onder de stortdouche. Ik draaide hem eerst lekker heet en daarna flink koud en vervolgens weer terug. Ik zeepte mezelf goed in met zachte zeep en scrubde mijn huid met een ruw washandje om alle nachtgedachten te verdrijven.

Als ik was aangekleed, zou ik eerst voor het ontbijt zorgen. Ontbijt op bed, dat leek me een goed plan. Het idee sprak me zo aan, dat ik meteen de douche uit deed, me vluchtig afdroogde, mijn badjas aanschoot en naar beneden toog. Dat was al weer lang geleden dat we dat gedaan hadden: samen op bed ontbijten. Het hoefde niet heel uitgebreid te zijn, maar gewoon gezellig. Een paar beschuitjes en een kop koffie. Een mens kon niet echt wakker zijn zonder ochtendkoffie.

Voortvarend zocht ik alle benodigdheden voor de perfecte ochtend bij elkaar. Het beschuit, de hagelslag, de jam en de kaas. Ik had geen geduld voor versgeperste sinaasappels of dingetjes uit de oven. Ik wilde zo vlot mogelijk weer naar boven. Ik stofte het dienblad af terwijl de koffie doorliep. De ochtendzon strooide een paar stralen de keuken in. Ik kneedde een glimlach om mijn mond en voelde me echt even opgetogen. Ik was zo weggelopen uit een blue band-reclame.

Nog even snel naar het toilet, want ontbijt op bed liep altijd uit op ochtendseks, en ik was er helemaal klaar voor. Ik tilde het dienblad voorzichtig naar boven. Een paar stappen op de overloop en ik stond in onze slaapkamer. Er was niets veranderd.

Rustig zette ik het dienblad op de dekenkist aan het voeteneinde. Ik gooide de gordijnen open.

‘Koffie,’ zei ik. ‘Lekkere ochtendkoffie.’

Geen reactie.

 

Hij was echt dood, drong het tot mij door. Er was geen andere conclusie mogelijk. Ik moet nu heel verdrietig zijn, dacht ik, maar ik voelde vooral verontwaardiging die langzaam aanzwol tot tierende woede. De hufter. Zo waren we niet getrouwd! Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.

Ik kneep in zijn neus. En ik sloeg hem hard in zijn gezicht.

‘Je hebt me beloofd nooit dood te gaan,’ zei ik. ‘Klootzak.’

Dat had hij natuurlijk nooit letterlijk zo gezegd, maar ik had helemaal geen zin om genuanceerd te zijn. Ik kon veel van hem hebben, maar dit niet. Wat ik allemaal wel niet doorstaan had. Nachtenlang gesnurk. Zijn ochtendhumeur. Zijn midlifecrisis-dingetjes. Zijn motor. Het geflirt en geflikflooi met anderen.

Ik dacht aan zijn dertig jaargangen Weird Tales die hij uit nostalgie en voor veel te veel geld op e-bay gekocht had. Hij keek ze nooit in. Ik rende naar de werkkamer, greep een willekeurige tijdschriftcassette en nam hem mee naar de slaapkamer. Ik smeet de hele bak door de kamer.

‘Hier,’ riep ik.

Er gebeurde niks en de tijdschriften fladderden doelloos rond. Eén landde er op het dienblad en stootte een koffiekopje om. Niets sneuvelde. Ik stapte naar voren, zette mijn handen onder het dienblad en gaf een ferme duw omhoog. Het volledige ontbijt vloog door de kamer. De koffie, de beschuitrol, de hagelslag. De kopjes braken. De jampot stuiterde over de vloer en liet putten in het laminaat achter. Het was me niet genoeg. Ik stampte op de beschuitrol en scheurde een tijdschrift aan flarden. Met een welgemikte trap vloog de lamp op zijn nachtkastje tegen de muur aan.

‘Je ruimt het allemaal maar zelf op,’ schreeuwde ik. ‘Ik doe niks meer.’

Het luchtte niet echt op en door mijn hele lijf gierde een machteloze woede die ik nooit eerder gevoeld had. Als hij er vandoor was gegaan met een jonger ding had ik niet bozer kunnen zijn. Het was woede, maar meer dan woede. Ik voelde me verraden. Wraak, dacht ik. Ik moet je iets aandoen.

De lamzak lag er onaantastbaar bij.

‘Wacht maar,’ zei ik tussen mijn tanden. ‘Ik weet wat ik ga doen.’

Ik greep mijn iphone van mijn nachtkastje en wist dat ik ergens nog de laatste vakantiefoto’s had staan. Ik had er één gemaakt waar hij grondig de pest aan had. Op het naaktstrand. Hij boog net voorover om de zonnebrand te pakken. Alles hing erbij: zijn mannentieten en z’n vadsige padjakkerbuik. Zijn trots leek minuscuul. Zijn mond hing scheef en hij keek me vanuit die positie aan alsof hij loenste. Het was een geweldige foto. Hij bezwoer me hem direct te verwijderen. Wat ik deed, maar natuurlijk niet ook uit de cloud.

Een paar klikken en hij stond online, te kijk voor de hele wereld.

Er waren meer foto’s waar hij de pest aan had. Ik snelde naar de werkkamer. Daar klom ik op de Bekväm en greep naar de rode archiefdoos op de bovenste plank. Daarin zaten de albums met zijn kinderfoto’s. Ik zocht snel naar de foto waarvan ik wist dat hij hem verafschuwde. Hij was een jaar of twaalf, door zijn moeder aangekleed voor zijn vormsel.

Hij zag er op die foto eigenlijk heel leuk uit. Echt zo’n mooi jongetje. Hij straalde helemaal, alsof hij werkelijk in de heiligheid van het ritueel geloofde. Ik weet niet waarom hij zo’n hekel aan die foto had. Ik zette de doos weg. Het voelde zinloos.

Ik plofte naast hem neer op het bed. Ik moet eigenlijk heel verdrietig zijn, dacht ik opnieuw. Ik hamerde een paar keer hard met mijn vuisten op zijn borstkast. Boos op hem, boos dat de tranen die ik in mijn ogen voelde, alleen tranen van frustratie waren.

Even meende ik een ademtocht op zijn lippen te zien.

‘Ja,’ zei ik. ‘Doe je best maar.’ En ik begreep ineens waarom er bij mij nog geen tranen kwamen. Het was nog geen tijd voor afscheid. Hij zou niet zomaar vertrekken en mij eenzaam achterlaten. Het ging om ons. Wij waren samen, voor eeuwig en altijd. Dat had hij beloofd en daar zou ik hem aan houden.

 

Zou het nog zin hebben om hem te reanimeren? Het viel allicht te proberen. Ik had nooit een EHBO-cursus gevolgd, maar ik had genoeg seizoenen E.R. gezien om een poging te wagen. Ik ging naast mijn beertje op mijn knieën zitten, vouwde mijn handen ineen en drukte een paar keer kort maar krachtig op zijn borstbeen.

Ik pakte zijn hoofd vast, trok het achterover en zette mijn lippen op zijn mond. Ik ademde diep uit. De lucht stroomde deels via zijn neus weer tegen mijn wang aan. Ik kneep zijn neus dicht, haalde even adem en blies opnieuw mijn longen leeg. Hoe vaak zou dit moeten, vroeg ik me af. Een Smintje had hem geen kwaad gedaan.

Ik duwde nog een paar keer op zijn borstkas en hoorde iets kraken. Ik was hier helemaal niet handig in en mijn knieën deden ook al zeer. Dit was niks voor mij. Ik moest iets anders verzinnen.

Ik zat op de rand van het bed. Nog steeds strijdlustig, maar een beetje clueless. Bij House M.D. kwamen ze als iemand een hartstilstand had altijd direct met van die elektrische dingen aan zetten. Terwijl ik dat dacht viel mijn oog op de lamp die op het nachtkastje had gestaan. De kap lag eraf en de peer was aan diggelen. Ik schroefde het restant van de peer uit de fitting. Ik verlegde één arm zo, dat de hand over de rand van het bed hing. Het was natuurlijk handig als de vingers een beetje van elkaar zouden staan dus duwde ik de Vicks inhaler die op het nachtkastje lag tussen pink en ringvinger. Geconcentreerd manoeuvreerde ik de fitting van de lamp zo dat de pink er netjes in stak. Ik klikte de lamp aan.

Zijn lichaam schokte even en meteen daarna hoorde ik een knal. Ik probeerde de plafondlamp, maar die deed niets. Weg stroom. Ik had nooit gesnapt waar dat goed voor was, zo’n stoppenkast. Je had er niets dan ellende van.

Ik rende naar beneden, deed in de gang de meterkast open, zette alle knopjes die ik kon vinden weer omhoog en rende terug naar boven.

Poging twee. Zelfde resultaat. Op deze manier kreeg hij wel steeds een korte stroomstoot. Het was niet handig om tussendoor heen en weer naar beneden te rennen, maar als dat was wat er voor nodig was…

Om wat te doen, eigenlijk, vroeg ik me nog eens af toen ik voor de veertiende keer hijgend boven kwam. Het zweet stroomde over mijn rug en mijn oksels walmden alsof ik in geen jaren gedoucht had. De stroomstoten gaven hem wel steeds een opdoffer, maar daarna lag hij er net zo lamzakkerig bij als altijd. Moest ik nog een keer heen en weer de trap op en af rennen? Ineens zag ik mezelf met dat dilemma op televisie naast dr. Phil zitten. Hij keek me peinzend aan en stelde de meest retorische vraag aller tijden. How is that working for you?

Ik gaf mezelf een paar petsen in mijn gezicht. Nee, ik ben er de persoon niet naar om tegen beter weten in dingen te blijven doen die niet werken. Ik moest iets anders verzinnen om mijn echtgenoot voor de poorten van het hiernamaals – hellepoort of hemelpoort, het zou me een worst wezen – weg te slepen.

Voor reanimeren was het misschien hoe dan ook een beetje laat. En als je van het piepen van onze wekker niet wakker schrok, hielpen een paar stroomstoten er ook niet meer aan. Het was tijd voor grover geschut. Maar hoe, dat was de vraag. Gelukkig hoef je zelf niet alles te weten. Ik zou het grote orakel raadplegen. Ik pakte mijn iphone en had met een paar tellen een handig youtube-filmpje te pakken dat stap voor stap liet zien hoe je zelf thuis met een ritueel een dode tot leven kan wekken. Het filmpje werd ingeleid door een nogal nerdy jongeman met een vies baardje. Hij was gekleed in een slecht genaaid gewaad van oude lakens. Hij stond in een betonnen keldergewelf dat sfeervol was gemaakt met kerstverlichting, plastic schedels en posters van Marilyn Manson.

Ik liet me door de entourage niet afleiden en luisterde aandachtig naar de hijgerige fluisterstem van de baardmans. Hij begon met een opsomming van alles wat ik nodig had. Kaarsen om in een kring om het subject te zetten. Kaarsen had ik genoeg in huis. Ik zette het filmpje op pauze en rende heen en weer naar beneden. Ik was van ons tweeën degene van de kussentjes, de frutsels en de sfeerverlichting. Je moet het in huis toch een beetje gezellig maken. En dus hamsterde ik iedere uitverkoop stompkaarsen, in de hoop op veel romantische hoogtijdagen. Het waren er veel. Kaarsen, dan. Ik kocht ze wanneer ik ze maar tegen kwam en het aantal romantische hoogtijdagen snoepte maar mondjesmaat iets van de voorraad af.

Dat kwam nu goed van pas: ik zeulde de hele voorraad naar de slaapkamer.

Kaarsen op bed was niet handig. Ik had meer ruimte nodig. Mijn beertje was niet de lichtste maar met omrollen kreeg ik hem wel uit bed. Met een doffe klap viel hij op het laminaat.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Het is voor de goede zaak.’

Hij lag er bepaald niet fris bij en met het beddengoed maakte ik hem een beetje schoon. De lakens draaide ik in elkaar en mikte de boel direct in de wasmachine.

Op de vloer van de slaapkamer was net genoeg plek. In een mooie cirkel kon ik de kaarsen niet zetten, maar het waren er wel genoeg om ze drie rijen dik om hem heen te plaatsen. Ik was zeker een half uur bezig om ze allemaal aan te doen – en de gasaansteker bij te vullen; zo’n ding is altijd leeg als je hem nodig hebt – maar toen zag het er prachtig uit.

Ik zette het youtube-filmpje weer aan. De baardmans hield een boekje omhoog. Een exemplaar van John Miltons Paradise Regained. Een dichtwerk. Mijn beertje verzamelde boeken zoals ik kaarsen en kussentjes verzamel. We hadden zoveel boeken in huis – stofnesten zijn het – dus ik twijfelde er niet aan of we zouden dit werk ook wel in huis hebben.

In de boekenkasten stond natuurlijk niets op alfabetische volgorde. Het was zijn domein, dus een chaos. En waar moest ik zoeken? In de kast met Engelse boeken? De kist antiquarische werken? De hoek met lievelingsboeken? De schap met dichtbundels? Ik verfoeide zijn intuïtief-thematische indeling. Als hij definitief het loodje zou leggen, zou ik alle boeken op kleur sorteren.

Ik haalde alle boeken één voor één uit de kast, en sorteerde ze stiekem meteen op kleur en grootte. Als ik dan toch bezig was, kon ik ze meteen even afstoffen en met een klamme doek afnemen.

Het is trouwens niet zo dat ik zelf niet van lezen houd, maar als ik ze uit heb, gaan ze meteen met het oud papier mee. Opgeruimd staat netjes. Sinds een paar jaar heb ik een e-reader.

Dan heb je zoveel boeken in huis, maar natuurlijk nooit precies het boek dat je nodig hebt. Uiteindelijk vond ik tussen de dichtbundels een boekje met de juiste titel. Het was door een ander geschreven, ene H.Marsman. Het moest maar voldoen.

Met het boekje onder de arm, startte ik het Youtube filmpje weer. De baardmans praatte verder.

‘Very important,’ benadrukte hij. ‘A silver sacrificial knife.’

We hebben een complete bestekcassette in huis, dus toen ik de woorden sacrificial knife voor de zekerheid in google translate typte was ik er nog van overtuigd dat we zoiets zeker zouden hebben. Een offermes. Hmmm. Van zilver. Uit de voorkamer pakte ik de brievenopener en ik zocht in de keuken de wildschaar. Beide waren in ieder geval van zilver en met een beetje goede wil kon je zeggen dat ze voor rituelen geschikt waren. Ze moesten maar voldoen.

Terwijl ik de wildschaar met wat soda en aluminiumfolie in een teiltje aan het leggen was, hoorde ik een hels gepiep van boven. Ik was beneden langer bezig geweest dan ik had gedacht en was helemaal de kaarsen vergeten. Ik rende naar boven en zag op de trap al de blauwe rook over het plafond lopen. In de slaapkamer zag ik vlammen likken aan het behang.

Ik herinnerde me de eindeloze discussie die we ooit in de Ikea hadden over het al dan niet aanschaffen van een brandblusapparaat. Het ding was rood en ik wilde hem niet in huis. Mijn beertje hield voet bij stuk: ze waren in de aanbieding en hij nam er één mee. Het apparaat moest ergens in huis zijn, maar waar dan toch? Ik had het idee dat ik hem vanochtend nog had zien staan. In het gootsteenkastje stond zo’n beetje de hele huisraad aan gekleurde flessen, maar geen brandblusser. Niet in de boekenkast, niet bij de kaarsen. Ik vond wel een plaid, waarmee ik wellicht wat vlammen kon uitslaan. Die nam ik mee. Maar die brandblusser… Ook niet in het kastje waar de navulbus voor de gasaansteker lag. Ik moest even gaan zitten en rustig nadenken. Dan zou ik er zo opkomen.

Ineens bedacht ik me dat ik mijn beertje beter wel uit de vlammen kon halen als ik hem nog tot leven wilde wekken. Ik rende naar boven en kroop over de vloer de slaapkamer in om niet met mijn hoofd in de rook te lopen. De halve slaapkamer stond inmiddels in lichterlaaie, maar mijn beertje lag er relatief ongeschonden bij. De kaarsen hadden alleen zijn rechter arm in de hens gezet. Ik gooide de plaid over hem heen en hoopte dat het gebrek aan zuurstof de vlammen zou doven.

Hij moest hier weg, realiseerde ik me. Gelukkig was onze laminaatvloer redelijk glad en daarom lukte het me om mijn beertje te verplaatsen. Ik duwde en schoof hem de overloop op. Ik keek onder de plaid. Zijn arm zag er lelijk uit. Hij leek te smeulen. Water, dacht ik. Ik moet hem onder de douche zetten.

Ik kreeg warempel wat handigheid in het gezeul met zijn logge, naakte lichaam. Ik zette m’n worsteltocht voort en trok hem de badkamer in. Ik zette de douche aan en duwde hem er half onder, zodat zijn arm in de waterstraal lag.

Nu moest ik nog iets met dat vuur, maar wat? Toch maar de brandweer bellen? Ik had zo geen zin in werkmensen over de vloer.

Ineens hoorde ik zware stappen de trap oprennen. Snel bond in mijn ochtendjas goed dicht en liep de gang op. De deur van de badkamer sloot ik zorgvuldig achter me. In de slaapkamer zag ik onze buurman met een brandblusser in de weer. Wat een hoop schuim komt er uit zo’n klein rood dingetje. In een mum van tijd waren alle vlammen gedoofd. Buurman – hij heet Henk of Frits of zoiets, ik kon het nooit onthouden – gooide de ramen open en hij hoestte en rochelde de rook uit zijn longen.

Ik stond daar een beetje bedremmeld in mijn ochtendjas, met mijn handen in de zakken gestoken. Links voelde ik de briefopener, rechts de dichtbundel en mijn iphone.

De buurman hoestte nog een paar keer en spuwde een fluim het open raam uit. Hij draaide zich om, keek de slaapkamer rond. De kaarsen, de haastig terzijde geschoven resten van het ontbijt, het van linnengoed ontdane bed. De vloer was besmeurd met – ik wilde eigenlijk niet weten wat precies.

De buurman wreef even door zijn snor en een besmuikt lachje verscheen op zijn gezicht.

‘Een beetje uit de hand gelopen romantiek?’ vroeg hij. ‘Dat is beter dan klussen aan een schrootjesplafond op de zondagochtend.’

‘Ja,’ zei ik en voor het eerst van mijn leven wist ik hoe het voelde om schaapachtig te grijnzen. Ik slikte. ‘Mijn beertje is in de badkamer. Hij…’ Wat moest ik zeggen?

‘Ik begrijp het,’ zei de buurman en hij gaf me een vette knipoog. ‘Hij is natuurlijk voor de gelegenheid gekleed. Wij houden ook wel van een beetje larp om ons seksleven schwung te geven.’ Hij kwam dicht bij me staan. ‘We moeten eens afspreken, met z’n vieren.’

Ik rook het verse zweet in zijn zondagse kluskleding. Niet onappetijtelijk, maar mijn hoofd stond helemaal niet naar een flirt met een klussende buurman, ‘Ja,’ zei ik en glimlachte kort. ‘Een avondje, om je te bedanken voor je heldendaad.’

‘Je mag me ook nu wel bedanken,’ zei hij hees en hij schurkte zijn dampende lichaam tegen mijn ochtendjas. Hij boog met zijn hoofd naar mijn oor en net toen ik dacht hij iets wilde fluisteren voelde ik zijn natte tong. Wat moest ik hier nou weer mee?

Ik greep hem stevig in het kruis, kneep hard en duwde hem van me af. ‘Voor alles,’ zei ik langzaam en duidelijk, ‘is een tijd en een plaats. Zoals je nu gekleed bent… Jij gaat nu eerst je schrootjesplafond afmaken.’

‘Jazeker,’ zei hij met kopstem. ‘Heerlijk.’

Ik keek hem met strenge blik na terwijl hij de trap afstrompelde. Hij had de brandblusser nog in zijn hand. Het was zo’n kleintje, van de Ikea, zoals wij ook hadden.

‘Waar had je die vandaan,’ riep ik hem na. ‘Die brandblusser.’

Hij grijnsde. ‘Die heb ik altijd paraat.’

Mijn blik sprak boekdelen en hij kromp ineen alsof ik hem opnieuw in het kruis had gegrepen.

‘De meterkast,’ mompelde hij. ‘Daar staat hij in ieder huishouden.’

Terwijl ik hem beneden de voordeur hoorde dichtslaan, nam ik poolshoogte in de badkamer. Mijn beertje lag er niet echt comfortabel bij, maar zijn arm stak nog steeds onder de koude stortdouche. Van de verbranding zou hij hopelijk niet al te veel last hebben.

Waar was ik gebleven? Het ritueel. Ik verzamelde de stompkaarsen die nog bruikbaar leken en ik zette ze in de wastafel. Dat leek me een redelijk veilige plek. Daar stak ik ze aan.

Ik had de dichtbundel en de briefopener bij de hand. Ik had geen zin om de wildschaar alsnog schoon te maken, het moest zo maar voldoen. Ik pakte mijn iphone erbij voor het vervolg van het filmpje.

De mystieke baardmans gebaarde dat de kijker dichterbij moest komen. De cameraman voelde zich gelukkig aangesproken en volgde hem op de voet. Het laatste en belangrijkste ingrediënt, was een jong geitje. Een geitje. Hoe moest ik in vredesnaam op zondagochtend aan een jong geitje komen?

Uit de linnenkast haalde ik een kussen met zebraprint. Ook een beest met vier poten. Dat moest volstaan.

Ik werd een beetje moe van dat filmpje. Ik heb het geduld niet om zoiets helemaal af te zien. Ik klikte nog even halverwege en ergens aan het eind. Ik wist wel hoe het moest. Ik declameerde de hele dichtbundel van voor naar achter en weer terug op 78-toeren-tempo en speelde een potje Julius-Ceasar-in-de-senaat met het zebrakussen. Tot slot blies ik de kaarsen uit en er gebeurde helemaal niets.

Ik had het inmiddels wel een beetje aan voelen komen, maar niettemin: wat een sof.

Ik ging naar beneden. Door alle consternatie had ik nog steeds geen koffie of ontbijt gehad. Ik moest eerst maar eens goed voor de inwendige mens zorgen. Terwijl de koffie weer doorliep en de Danerolles in de oven stonden, poetste ik alsnog de wildschaar en dacht diep na over mijn opties.

Het orakel zou me niet verder helpen. Vage vragen en halve richtingen gaven altijd teveel antwoorden. Ik zou mijn moeder kunnen bellen, maar die zou dan éérst een uur willen praten over al haar eigen problemen. En tegen de tijd dat ik had voorgerekend hoeveel sloffen sigaretten je moest kopen voor je de benzinekosten heen en weer van Tiel naar Duitsland eruit had, had mijn beertje al drie keer de wederopstandig meegemaakt.

Ik wist eigenlijk niet precies hoe dat werkte met rigor mortis en ontbinding en dat soort zaken – misschien had ik vaker naar CSI of Waking the dead moeten kijken – maar mijn gezond verstand zei me dat een beetje haast waarschijnlijk geboden was. Maar toch niet zoveel dat ik mezelf er om moest verwaarlozen.

 

Ik nam mijn mok koffie en een vers croissantje – zonder jam – en ik zat in de woonkamer tussen de stapels boeken. De verzameling leek me zo’n beetje het enige tastbare dat hij achter liet. Het stemde me treurig. Een leven lang werken. Een leven lang getrouwd zijn. Zijn hobby’s waren lezen en televisiekijken. Zijn hoofd zat vol met zinloze feitjes, waar hij iedere conversatie mee om zeep hielp. Wat liet hij achter? Niets eigenlijk. Een labiele wederhelft en een stapel boeken. En die boeken, een spiegel van zijn geest, had ik bij het afstoffen gesorteerd op grootte en op kleur. Het was nu een zinloze, dode verzameling. Er zat geen leven of karakter meer in. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Hijgend en hikkend haalde ik adem.

Ik stond op en waarde door de kamer. Ik raakte alle boeken aan, in de hoop iets van zijn aanwezigheid te voelen. Hij mocht niet verloren gaan. In deze stapels lag toch zijn geest verscholen? Als het me zou lukken om te reconstrueren hoe de boeken stonden, zou hij ook weer tot leven kunnen komen. Dan zou hij er weer een beetje zijn. Ik verplaatste boek na boek en pijnigde mijn geheugen om me te herinneren hoe ze stonden. Op welke schap had iedere titel gestaan?

Regelmatig viel ik even stil tijdens het werk. Wat voor zin had het allemaal? Misschien kon ik beter hier wachten en niets doen, tot ik zelf van honger en dorst zou bezwijken. Het einde zou vanzelf komen.

Dan kreeg ik weer energie en mijn vechtlust laaide op. Nee! Ik kon het zo niet laten gebeuren. Hij had mij een belofte gedaan en daar zou ik hem aan houden. Hij mocht dan dood zijn, maar hij zou niet zomaar uit mijn leven verdwijnen. Dood of niet, er moest een mogelijkheid zijn om de situatie ten goede te keren.

Uiteindelijk hield ik een boekje in handen, waarvan ik werkelijk niet wist waar het gestaan had. Het was duidelijk ooit in de Ramsj gekocht. De kortingssticker zat er nog op. Vertwijfeld stond ik er mee in mijn handen en keek nog een keer naar de kaft. Langzaam drong de betekenis van de titel tot me door. Leven na dood. Met als ondertitel: De dodencultuur van het oude Egypte.

Dit was een teken. In de Egyptische dodencultuur lag natuurlijk de oplossing. Ik had op de e-reader een hele stapel detectives gelezen die in het oude Egypte speelden en vòòr mijn TLC-verslaving had ik een lange Discovery Channelperiode gehad. Ik wist alles over mummificeren wat een normaal mens kon weten.

 

Ik zag het helemaal voor me, hoe hij keurig uitgedroogd en omzwachteld naast me zou liggen in bed. Dood, in zeker opzicht, maar toch niet helemaal. Hij zou een stuk lichter zijn dan ik gewend was, dus kon ik hem voor de afwisseling ook op andere plekken in huis neerzetten. Eindelijk zouden we gezellig samen naar alle Sissi-films kijken – zonder dat hij er de hele tijd doorheen zou praten. Geen gesnurk meer. Geen ochtendhumeur. Samen op vakantie, dat zou nog wel een uitdaging worden, maar ik wist zeker dat ik daar iets op zou vinden.

Ik kon me het beste richten op de positieve kant van het hele gebeuren en die kant begon er steeds aanlokkelijker uit te zien. Het vooruitzicht voelde goed. Minder rommel in huis. Geen gekissebis over de films en series die we zouden kijken. Heerlijk.

Er moest nog wel wat gebeuren natuurlijk. Het eerste was het verwijderen van al zijn ingewanden. Zo zou die wildschaar toch nog van pas komen. En daarna moest ik hem uitdrogen. Wat zou ik daarvoor kunnen gebruiken. Ik twijfelde tussen soda en zout. Misschien hadden we nog wel ergens een zak kattenbakvulling. Hoe dan ook zou ik een terraswarmer kopen. En ik kon er gewoon een uitzoeken die er leuk uitzag, zonder discussie over dat we er eigenlijk een moesten nemen die meer functies had. Ik kon gewoon zelf beslissen. Het voelde onwennig. Samen, en toch voelde het vrij. Ik zou er het beste van maken. Ik ging ervoor. Ik zou er van leren genieten.

 

Ineens hoorde ik boven gestommel. Zou mijn halfslachtig uitgevoerde ritueel alsnog effect hebben gehad. Het viel niet uit te sluiten. Nieuwsgierig stoof ik naar boven.

Op de slaapkamer trof ik de buurman aan. Hij was klaarblijkelijk met behulp van een ladder door het openstaande raam geklommen. Hij droeg een roze, fluffy konijnenpak en hij deed nu zijn uiterste best om zichzelf met een paar zijden stropdassen op bed vast te binden.

‘Ik wilde je verrassen,’ riep hij uit.

‘Geweldig,’ zei ik en ik hielp hem een handje. Toen hij met al zijn extremiteiten goed lag vastgesnoerd stopte ik een van de fluffy konijnenoren in zijn mond en liep de kamer uit. Van hem had ik voorlopig geen last meer.

Ik had andere dingen te doen. Waar lag de kattenbakvulling, dat was de vraag. En zou ik beter soda of zout kunnen kopen om de klus te klaren? En die ingewanden, zou ik die beter in tupperware kunnen bewaren of moest ik weckflessen kopen? Misschien zou het orakel met zulke concrete vragen wel raad weten. Waar had ik mijn iphone gelaten?

 

Terwijl ik mijn koude koffie en croissants wegwerkte zocht ik met behulp van het orakel in mijn iphone een faq op voor bij een huis-tuin-en-keuken mummificatie. Ik meed de aangeprezen youtube filmpjes die het allemaal stap voor stap zouden laten zien. Ik zat mij net lekker in te lezen toen ik een bekende stem hoorde.

‘Wat doet de buurman in konijnenpak, vastgebonden op ons bed?’

Ik keek op en daar stond mijn beertje. Blijkbaar had het ritueel zijn geest toch teruggeroepen. Zijn stem klonk redelijk helder, maar ik vroeg me af of hij verder wel helemaal lekker was. Hij was naakt, nat en toch wel een beetje beschadigd. Zijn rechterarm zag er knapperig uit en de hand die er levenloos aan hing was waarschijnlijk well done. Zijn linkerhand hield hij op zijn borst. De pink zag een beetje geblakerd door de stroomstoten. Niettemin hield hij de dichtbundel en de briefopener vast. Zijn blik stond niet echt helder. Het was al met al een treurige verschijning.

‘Ik kan het allemaal uitleggen,’ zei ik snel.

Ik liep naar hem toe en gaf een kusje op zijn neus. Op zijn borstkast zag ik drukplekken en een soort van deuk van mijn pogingen om hem te reanimeren.

‘Ik ben zo blij dat je er weer bent.’ Zoals ik het zei klonk het oprecht, maar er was wel een spoor van twijfel in geslopen. Mijn beertje deed me denken aan een stuk fruit waar een deuk of een plekje op zit. Noem me een pietlut, maar ik hoef het dan niet.

‘Je hebt me teruggehaald,’ zei hij.

Zijn spraak vertraagde een beetje. Hij was er wel, maar hij zat niet helemaal lekker in zijn vel. Ik kon het niet aanzien. Ik moest hem helpen.

‘Kom maar,’ zei ik. ‘We zullen je eerst weer een beetje opknappen en dan werken we samen de buurman het raam uit.’

Ik nam hem de briefopener en de dichtbundel af en duwde hem voor me uit de trap op. Ik sprak hem stimulerend toe.

‘Gaat allemaal goed zo. Je kunt het. Ja, linkerbeen, rechterbeen. Stapje voor stapje.’

Op de overloop zakte hij neer, op één knie. Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte zijn dikke lobbeskop tegen me aan.

‘Je liet me niet zomaar gaan,’ zei hij. ‘Wat houd ik toch verschrikkelijk veel van je.’

Dat kon wel zijn – en ik natuurlijk ook van hem – maar ik had net bedacht hoe het allemaal verder moest. En nu was hij er weer. Ik legde een hand op zijn schouders. Hij voelde nog steeds koud aan. Of was zijn rug altijd een beetje koud geweest? Koud vet, warm vet, ik wist niet meer waar het allemaal precies zat.

‘Dat is lief van je,’ zei ik en ik knielde naast hem neer.

De dichtbundel liet ik uit mijn handen vallen. De briefopener stak ik, net onder zijn borstbeen, een beetje schuin omhoog naar binnen. Ik ben niet zwaar, maar mijn hele gewicht zat er achter en de opener verdween moeiteloos zijn hartstreek in.

‘Fijn om nog even afscheid te nemen,’ mompelde hij. Zijn ogen keken me waterig aan en een laffe glimlach bleef rond zijn lippen hangen.

‘Ga nu maar, het is goed,’ fluisterde ik hem toe. ‘Ik kom wat later.’

Langzaam doofde het licht uit zijn ogen. Te laat bedacht ik dat ik hem nog had kunnen vragen waar hij de zak met kattenbakvulling gelaten had.