web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2016

Home » Wedstrijd » Redigeertips

Redigeertips

1 juni 2016 is onze deadline. Begin dus nu. En stuur op tijd in!

 

De harde werkelijkheid van onze selectie

Laten we er geen doekjes om winden: we gaan heel veel verhalen lezen, waarvan er minder dan 50 door de eindronde komen. En we willen heel graag het beste van je zien. Het beste dat je van je verhaal kunt maken. Het beste wat jij kunt leveren.

Waar jij denkt: “Ik ben klaar” en “Mijn plotgaten zijn nu wel dichtgestopt”, en: “Deze keer kom ik er (ook) wel doorheen,” denken wij waarschijnlijk: dit verhaal is nog niet af. Waar jij denkt: “dit is best wel goed,” denken wij waarschijnlijk: dit verhaal rammelt nog teveel. Waar jij denkt: “hier ben ik wel tevreden over,” denken wij waarschijnlijk: deze schrijver heeft zich er wat gemakzuchtig vanaf gemaakt.

Daarom zes korte tips, een overzicht van technische zaken waarop we letten bij onze selectie en een paar mogelijke manieren om je redactie aan te pakken en een schrijversblok te voorkomen.

 

Zes korte tips om je verhaal snel een goede boost te geven

Deze zes tips helpen je om je verhaal in redelijk korte tijd en met een overzichtelijke hoeveelheid werk al een stuk hoger te tillen.

 

1: Kijk naar de feedback van proeflezers en in de juryrapporten

Je hebt de feedback van je lezers en in juryrapporten. Wat zeggen deze? Wat zijn terugkerende punten van aandacht? Wat lees je tussen de regels? Stel dát ze gelijk hebben? Wat wil je daarmee en kún je daarmee dan doen om je verhaal beter te maken?

 

2: Ga terug naar je kern

Drie stappen:

  1. Maak een samenvatting van je verhaalkern. Wat was het basisidee? Wat waren je schrijfdoelen? Wat wilde je vertellen? Welke thematiek wilde je aansnijden? Doe dit in één of twee kernzinnen samen. Bijvoorbeeld: “Ik wil een superspannend verhaal schrijven over een man die door de tijd reist en dood gaat. Het gaat over eenzaamheid, verlangen, woede en vergeving.”
  2. Doe hetzelfde met je plot: “Eerst gebeurt er dit, dan dat en dan dat”. Gebruik ook hier niet meer dan twee of drie zinnen.
  3. Kijk dan wat je daarvan wilt behouden, wat je wilt of kunt laten vallen en wat je nu beter kunt en wilt veranderen.

 

3: Let op je opening, je verhaalverloop en je einde

Je opening zet de toon van je verhaal. Je verhaalverloop bepaalt onder andere hoe duidelijk je personages en je verhaalkern uit de verf gaan komen. Je einde bepaalt onder andere welke indruk dit verhaal uiteindelijk achter gaat laten bij de lezer.

Vier punten van aandacht:

  1. Waar zijn  we? Wie zijn we? Hoe komt dit terug in de rest van je verhaal? Wat is onze beginsituatie? Welke invloed heeft dat op de rest van het verhaal? Is een andere opening wellicht beter?
  2. Open je sterk? Open je helder? Snappen we na 2 bladzijden wat voor verhaal dit is? Krijgen we het idee dat jij als schrijver duidelijk weet waar je naartoe werkt (of wilt)? Of dwalen we als lezer maar wat door het bos en hebben we na pagina 3 nog steeds geen benul waar we naartoe gaan?
  3. Hou je je focus? Mis je kansen? Of dwalen we af naar allerlei andere dingen en plaatsen die niets met je kern te maken hebben?
  4.  Is dat einde krachtig? Helder? Sluit het bijvoorbeeld aan bij waar je begon? Laat het een indruk achter? Kom je je beloftes na die je in het begin en tijdens het verhaalverloop maakt?

 

Wees niet bang om dingen te herschrijven als dat nodig mag zijn. Vaak wordt een verhaal beter als je dingen los kunt laten.

 

4: Stel jezelf de volgende vier vragen bij elk moment in je verhaal

  1. Kán dit/klópt dit eigenlijk wel? (Kijk wat een Google-search bijvoorbeeld over jouw initiële beweringen zegt)
  2. Past dit bij de kern van mijn verhaal?
  3. Is dit logisch op dit moment?
  4. Kan ik dit beter?

 

Heel veel verhalen komen niet door een kritische leesbeurt omdat de schrijver nauwelijks research heeft gedaan, of omdat de research van de personages en situaties voornamelijk gebaseerd is op Hollywood-films en Hollywood-karakters. Verder nemen teveel personages in te veel verhalen te vaak besluiten die binnen de kaders van het verhaal nergens op slaan. Een andere benaming voor dit soort onwaarschijnlijke en onmogelijke momenten en situaties is ‘plotgat‘.

 

5: Kijk naar de conflicten in je verhaal

Een verhaal zonder conflict is saai. Conflicten geven het verhaal kracht. Conflicten beginnen al bij “Nee”, dingen die niet werken of gaan zoals verwacht en bij personages die linksaf gaan inplaats van rechtsaf en hoeven niet per-se te leiden tot een (schreeuwende) ruzie. Kijk naar de volgende twee elementen. Daarmee kun je al een groot deel van je verhaal omhoog tillen:

  1. Tussen personen — Zijn er momenten waarin je personages het oneens zijn met elkaar? Is er weerstand? Zijn er momenten waarop ze elkaar in de weg lopen? Elkaar (ook al is dat maar minimaal en per ongeluk) tegenwerken? Wees hierin slim. Niet elk conflict hoeft opgemerkt of opgepakt te worden door je personages.
  2. In situaties — Gaan er dingen mis of stuk? Maken mensen fouten of kleine vergissingen?

 

6: Let op je flow

De flow van je verhaal is hoe lekker je door zinnen en dialogen heenleest. Drie dingen:

  1. Lopen je zinnen lekker?
  2. Lezen je dialogen lekker weg?
  3. Gaan scenes en momenten goed in elkaar over?

 


 

Technische zaken

Hier zijn de belangrijkste elementen waar de jury o.a. op zal letten.

  1. Verhaal en verhaalverloop — Hoe leest het verhaal? Lekker? Stroef? Heeft het een helder verloop of stuur je me blind en in verwarring een donker bos in?
  2. Plot en plotgaten — Elk jurylid zal een aantal schoten hagel op je verhaal afvuren. Is je plot goed doordacht? Klopt alles? Kan dit allemaal wel (binnen je wereld en je verhaallogica)? Heb je research gedaan? Heb je goed nagedacht en doorgedacht over al je aannames? Volgt elke volgende stap in je verhaal echt wel logisch op de vorige? Zitten er rare gaten in? Plotgaten? Dingen die ongeloofwaardig over komen? Raar? Onlogisch?
  3. Samenhang en consistentie in je verhaalverloop — Werk je duidelijk rondom een centraal thema, of een paar centrale thema’s? Of vliegt het alle kanten op? Is het verhaalverloop logisch? Dwaal je af? Hou je focus op je centrale onderwerp(en)?
  4. Kracht van je uitwerking — Is je verhaal solide als een baksteen, die dwars door een ruit kan worden gesmeten? (Wat goed is.) Of is het als een zacht schuursponsje dat je met gemak samen kunt knijpen? (Wat niet goed is.) Heb je goed over je centrale thema’s nagedacht? Grondige research gedaan? En: is duidelijk te zien dat elke zin telt voor jou? Of doe je vooral veel mooischrijverij en situaties die leuk waren toen je schreef, maar achteraf niet relevant zijn voor ons als lezers?
  5. Strakheid en impact van je einde — Laat je einde een indruk achter, een verlangen naar meer, of denken we “Meh. Volgende”?
  6. Personages en karakterontwikkeling — Wie zijn dat? Waar verlangen ze naar? Wat vinden ze mooi, lelijk, vies, lekker, aantrekkelijk, afstotelijk, belangrijk, irrelevant? Hebben ze een leven buiten het verhaal om? Zijn er dingen die ze graag willen, maar niet kunnen of niet mogen? Hoe ziet dat alles er uit? Zie we dat op één of andere manier terug in het verhaal? Leren je personages van hun fouten? Zijn ze daadwerkelijk kundig en vaardig waar ze (volgens hun profiel en karakter) kundig en vaardig zouden moeten zijn? Veranderen ze hun gedrag? Waarom wel? Waarom niet? Is ook dat zichtbaar in je verhaal?
  7. Actie en interactieGebeurt er wat in je verhaal? Is er actie, wordt er actie ondernomen? Is die actie interessant? Voegt het iets toe aan het verhaal? Onthult die actie iets over het mysterie of het dilemma of het conflict of het centrale thema dat de kern zou moeten vormen van je verhaal? Leidt die actie ook tot interactie? (Een gesprek, een weerwoord, een antwoord, een fysieke reactie, dingen die omvallen, opengaan, stukgaan, exploderen, gerepareerd worden, enzovoorts)
  8. Actie en consequentie — Leiden acties (en het gebrek aan actie) (later) ook tot consequenties? Of niet? Hoe zien we dat? Welke consequenties zijn dat dan? Heb je daar goed over nagedacht?
  9. Centraal thema — Waar gaat je verhaal over? Welke thema’s boor je aan? Welke daarvan zijn centraal? Zien we dat helder terug in je actie en de handelingen van je personages?
  10. Conflict  — Zoals eerder gesteld: conflicten zijn meer dan alleen ruzies. Wat lukt er niet? Waar lopen de interne doelstellingen van je personages uiteen? Waar en wanneer zeggen ze “nee” en “dat doe of wil ik niet”? Welke dingen gaan er fout? Of tegen verwachting?
  11. Centraal conflict Is er ook een centraal conflict? Wat is dat? Tussen wie? Met betrekking tot wat? Is dat duidelijk? Let je ook goed op ‘overacting’ — waarin de gebaren héél groot worden en het wel héél erg duidelijk is dat er een conflict is — en schrap je dat soort momenten?
  12. Wereldbouw — Is je wereld aanwezig? Heb je goed nagedacht over die wereld? Kun je deze wereld in geuren en kleuren voor je krijgen? Kun je er in gedachten doorheen lopen?
  13. Rijkdom of armoede — Hoe rijk is die wereld? Is dat werkelijk jouw wereld, of een (slap) aftreksel van het werk van iemand anders? Als je SF en Fantasy schrijft, is die wereld anders, nieuw, vol details? Of speelt het in deze wereld, met maar een paar kleine wijzigingen?
  14. Dialoog — Hoe praten elk van je personages? Zijn die gesprekken levendig? Interessant? Passend bij dat personage? Passend bij de situatie? Vloeit elk gesprek, of hakkel je? Varieer je voldoende of lijkt elk gesprek en elk personage hetzelfde? Onthult elk gesprek iets (of weer iets meer) over dat personage, de wereld of je verhaalthema of verhaalonderwerp?
  15. Stijl — Hoe is het verhaal geschreven? In welke stijl? Welk gevoel wekken de woorden op die je gebruikt? Zijn je zinnen lang? Kort? Bloemrijk? Zakelijk? Humoristisch? Droog? Afwisselend? Passen die woorden en dat gevoel en die schrijfstijl bij je personages? Bij die situatie? Bij je wereld? Bij je verhaal?
  16. Frisheid — Hoe fris is je verhaal? Hoe fris is je idee? Praten we over verschaald bier, zwartgekleurde bananen en uitgedroogde sinaasappels? Of over een frisse, spannende, vernieuwende aanpak? Ken je dit genre? Heb je research gedaan? Dóórgedacht? Verder doorgedrukt dan “wel leuk”? Of heb je zomaar wat geschreven en was dat voldoende?
  17. Rauwheid, lef — Ben jij een schrijver die graag veilig blijft? Hoe veel lef laat je zien? Durf je grenzen op te zoeken? Net even verder over de rand te kijken? Net even hoger te klimmen? Net even groter te bouwen? Net even harder te zingen of te schreeuwen? Op dat slappe koord boven die afgrond te staan? Heb je echt alles uit je verhaal gehaald? En hoe zien we dat dan ook in dat verhaal?
  18. Eigen stem — Wie ben jij? Wat zijn jouw passies en angsten en lessen en drijfveren? Wat maakt jou jou en niet een naamloos nummer in een grote stapel van 100, 200 en 400 verhalen? Hoe spreek je tegen jezelf in je hoofd? Wat is je ritme, wat zijn je woorden? Wat is je poezie? Je geluid? En hoe schemert of komt dat door in je verhaal? Zien we iets van jou en jezelf? Of verschuil je jezelf achter een veilige muur?
  19. Taal, spelling en interpunctie — Loop je verhaal vóór inzending goed na op taalfouten en interpunctie. Spellingscontrole is je vriend / vriendin. Check nog even of je interpunctie-regels goed toepast. Zie hier voor een goed en helder interpunctie-overzicht.

 

Hoe je te werk kan gaan om je verhaal strakker te krijgen

  1. Ga terug naar je kern — Zie punt 2 van de zes korte tips aan het begin van deze pagina.
  2. Vertrouw in wat je al hebt — Er bestaat niet zoiets als “een slecht idee”. Waar het vaak mank gaat is de uitwerking daarvan. Focus dus op de uitwerking. De vraag is niet “is dit idee wel goed genoeg?” maar “hoe kan ik dingen (in dit verhaal) nog beter maken?” Vaak gaat je verhaal al veel meer leven als je je personages en je situaties nét even iets anders neerzet, of nét even vanuit een andere hoek benadert.
  3. Wees niet bang om los te laten — Wat heel goed leek te werken in die eerste versie, of in je hoofd, kan best wel eens de reden zijn dat je nu vastloopt. Durf het roer om te gooien en personages en situaties net even anders vorm te geven. Durf te schrappen en dingen net even op een andere plek of een ander manier neer te zetten. Je lezer weet toch niet waar dit verhaal oorspronkelijk vandaan komt of wat er oorspronkelijk in jouw hoofd speelde. En het enige waar die lezer om geeft is de leeservaring. Is die goed? Spannend? Meeslepend? Speelde dit verhaal tot de verbeelding? Dán is het een goed verhaal.
  4. Lees je verhaal en plaats de lat steeds een streepje of drie hoger — Pak die basis, kijk naar de vragen en onderwerpen in het blok “technische zaken” hier beneden. Slaag je in je doelstelling? Is je plot sterk genoeg? Kan het verhaal beter? Nog spannender? Nog romantischer (als het een romance is)? Nog beeldender? Nog mooier? Nog geloofwaardiger? Nog beter ondersteund door research over je onderwerpen? Nog enger (als het eng zou moeten zijn)? Nog bloederiger (als het horror is)? Nog meer SF? Nog meer Fantasy? Nog meer Horror?
  5. Maak een plan om dingen beter te maken — Heel simpel:
    1. Markeer stukken in je verhaal die volgens jou niet (meer) voldoen, die niet sterk genoeg zijn, die beter kunnen, die herschreven moeten worden. Verwijder wat weg kan.
    2. Heroverweeg je plot en de uitwerking daarvan. Kan dat beter? Welke kansen laat je liggen? Welke dingen kunnen beter, scherper, met meer impact? Als je iets net even anders laat verlopen, met een net andere camerahoek of op een iets andere locatie, wat doet dat dan?
  6. Lees alsof je verhaal slechts één van 400 is — De jury heeft maar één taak: het selecteren van de verhalen die boven de rest uitsteken, omdat ze strak zijn in hun uitwerking, Springt het er uit? Kijk naar je personages, je uitwerking, je schrijfstijl. Ongetwijfeld heb je luie aannames gemaakt, dingen opgeschreven waar je niet echt diep over nagedacht hebt. Ook hier geldt: Kan het beter? Is je plot sterk genoeg? Kan het nog beter? Nog spannender? Nog romantischer (als het een romance is)? Nog beeldender? Nog mooier? Nog geloofwaardiger? Nog beter ondersteund door research over je onderwerpen? Nog enger (als het eng zou moeten zijn)? Nog bloederiger (als het horror is)? Nog meer SF? Nog meer Fantasy? Nog meer Horror?
  7. Herschrijf — Herschrijf die stukken die beter kunnen.
  8. Herhaal — Probeer je verhaal in ieder geval drie rondes te geven. In de eerste ronde pak je de grote lijnen. In de tweede ronde werk je aan de nuances. In de derde ronde werk je aan je zinnen en de flow van je verhaal.
  9. Laat het (minstens) een week liggen — Vaak vind je na die week toch weer nieuwe dingen die beter kunnen. Zo werken je hersenen nu eenmaal.
  10. Zet een afkappunt — In dit geval heb je een deadline: 1 juni.

 

Ego en Schrijversblok. Of: wat als je vastloopt?

Vastlopen is doodnormaal in dit proces. Je zal niet de eerste schrijver zijn die bij herlezing bij elk stuk denkt: “Dit is gruwelijk!” en vervolgens 3 dagen lang zit te prutsen op 3 zinnen die maar niet beter lijken te worden.

De enige echte reden dat dit gebeurt is ego, in de vorm van je innerlijke criticus. Terwijl jij aan het schrijven bent, is je ego aan het bekritiseren en het “wat-alsen”. “Wat als dit niet goed genoeg is? Wat als ik faal? Wat als dit nog steeds stom en saai is? Wat als er een jurylid is die dit stom vind?”

Hier is hoe je daarmee om kunt gaan:

  1. Accepteer dat dit JOUW verhaal is. Niet dat van een jury of een criticus.
  2. Maak een scheiding tussen twee zelven: “de schrijver” en “de criticus”
  3. Laat “de schrijver” schrijven en herschrijven. Vrij en zonder belemmeringen.
  4. Laat “ik, de criticus” vervolgens je verhaal lezen en opmerkingen plaatsen

Zowel “de schrijver” als “de criticus” zijn essentieel in je proces. Maar vaak zitten ze elkaar in de weg. Terwijl “de schrijver” schrijft zit “de criticus” al fouten aan te wijzen en te zeuren over “is dit wel goed genoeg?”.

Hierdoor wordt het schrijfproces vaak een intern sabotageproces inplaats van teamwerk.

Probeer het volgende:

  1. Stuur altijd één van hen de deur uit — Terwijl “de schrijver” het verhaal schrijft, is “de criticus” ergens anders. Terwijl “de criticus” door het verhaal ploegt, gaat “de schrijver” de deur uit.
  2. Vertrouw die twee — Die eerste versie? Die huidige versie? Natúúrlijk zitten daar dingen in die vaag zijn, slecht geschreven zijn, sterker kunnen, beter kunnen! Dáárom vormen je innerlijke criticus en je schrijven een team. Vertrouw dat de schrijver in de volgende ronde dingen beter kan maken (want dat kán hij/zij!). Vertrouw dat de feedback van je criticus hélpt om het verhaal beter te maken, want dat ís het. Dit ben jij. Dit is jouw verhaal. En je doel is om dat verhaal beter te maken, nog mooier, nog sprekender. Daar hóórt kritiek bij. Daar hoort zwoegwerk en slijpwerk bij.

“Maar wat als ik het verhaal niet meer goed vind?”

Daar zit je uitdaging. Is dat werkelijk zo? Is het verhaal (of het idee) echt (zo) slecht? Of ben je voornamelijk bang voor het proces (en voor die hypothetische jury die voornamelijk in je hoofd zit)?

Ga ook hier terug naar je basis. “Wat wilde ik met dit verhaal? Wat waren mijn schrijfdoelen?”

 

Filters

In deze wedstrijd zijn we expliciet op zoek naar verhalen die grenzen opzoeken. Goedgeschreven verhalen waarin de schrijver zowel vaardigheid laat zien (zorg aan plot, personages, ontwikkeling van die personages, ontwikkeling van het verhaal) en iets extra’s in de vorm van lef, durf, het opzoeken van grenzen.

Verder accepteren we (zie ook de regels) alleen die verhalen die al zijn ingezonden naar wedstrijden, tijdschriften en bundels. Heb je een nieuw verhaal dat supertof is en eigenlijk beter? Volg de tips, stuur het in naar een wedstrijd en laat ons volgend jaar zien hoe goed dát verhaal is geworden.

 

Handig om te weten en te doen:

  1. Eindeloos aan het ploeteren op een stuk? Archiveren en schrappen! — Elk verhaal heeft bepaalde sub-plots die leuk leken toen je begon, maar momenten opleveren die niet goed lopen, of die heel veel moeite kosten om goed te krijgen. Er is een reden waarom dingen nu niet lukken. Kopieer die stukken in een ander document en schrap ze genadeloos uit je verhaal.
  2. We zoeken geen Libelle- en boeketreeksverhalen — Stelletjes die samen avonturen beleven? Personages die tijdens een missie of het verhaal verliefd worden op elkaar? Jongen of meisje die hopeloos verliefd is op een andere jongen of meisje (of man of vrouw) zodat we geloven dat ze samen bla bla bla? Schrappen die hap! Verzin maar wat anders wat deze mensen in je verhaal bij elkaar brengt of houdt.
  3. Geloof in je personages — Stamelende sukkelaars die over hun eigen voeten struikelen? Hakkelende hoofdpersonen? “Kijk mij! Ik kan alles, want ik ben super-goed!” Allemaal niet sexy. Geloof in ze. Geef ze moed, doortastendheid, kennis van zaken, geloofwaardige en menselijke beperkingen die bijdragen aan je verhaal. Zijn ze onzeker ergens over? Beperk het dan tot dat specifieke ding en geef ze ook iets waar ze goed in zijn. Zijn ze overal goed in? En moet de lezer dat ongeveer elke volgende pagina toch echt wel weten? Schrap dat soort stukken. En beperk dat personage. (Geef hem/haar bijvoorbeeld een team.)
  4. Geloof in jezelf — Ga jezelf niet forceren iets te doen wat nep is “omdat de jury daar naar zoekt”. Ga juist naar binnen en vraag jezelf: “wat wil ik met dit verhaal? Waar word ik blij, warm, enthousiast van?”
  5. Geloof in je verhaal — Natuurlijk kan het zijn dat je halverwege denkt: “dit verhaal is niet te redden”. Leg het neer, laat het even sudderen, zoek uit wáárom je het geloof verloren bent. Kijk of je dat kunt fixen. Laat het (opnieuw) lezen door je proeflezers, bespreek het met iemand: “ik loop hier en daar op vast.” Geef niet op. Vaak komt op het laatste moment, en bij het formuleren en delen van het probleem, toch een inzicht waardoor je die doorbraak kunt maken.
  6. Conflict maakt je verhaal interessant — Waarschijnlijk weet je dit al. Als al je personages het met elkaar eens zijn, als al de dingen gaan zoals je personages dat willen, heb je geen conflict. En  zonder conflict wordt je verhaal saai.
  7. Conflict is meer dan alleen “ruzie” of “gevecht” — Alles wat niet lukt is een conflict. Elke handeling die tegen verwachtingen van een (ander) personage ingaat, alles wat mislukt is al een conflict. Elk simpel verschil in visie tussen personages, hoe onbeduidend ook, is een conflict. Het brein leeft op bij dat soort kleine dingen. “Dingen lukken niet! Er is tegenspraak! Interessant!” Je hoeft daarin niet elke keer groots uit te pakken. Beter is zelfs als je in het merendeel van die situaties zo subtiel bent dat je lezer er bijna overheen leest. Zoek je balans. Speel hier mee.
  8. Speel je verhaal af in je hoofd, alsof het een toneelstuk is — Vaak is er in een verhaal sprake van ‘overacting’, ‘statische personages’ of ‘ongeloofwaardig gedrag’. Reacties en handelingen en gesprekken die — als je ze in het echt zou zien — doodsaai zouden zijn of bij lezing (heel erg) als overdreven en nep overkomen. Dus: gebeurt er wat? Geloof je de beschreven handelingen die je personages op dat denkbeeldige toneel doen? Is het niet te overdreven? Doet het iets? Neemt het je mee?
  9. Geef geen uitleg — Als je verhaal uitleg nodig heeft, betekent dat vooral dat je nog werk te doen hebt. Het verhaal moet zichzelf vertellen. Los van eventuele motivaties die je achteraf geeft en los van inleidingen waarmee je dingen uit probeert te leggen. Laat je personages spreken. Laat hun acties spreken.
  10. Lees je zinnen goed na — Lopen die zinnen? Lopen ze lekker? Hebben ze karakter? Vormen ze geen herhaling van wat al eerder gezegd of getoond is? Wissel je lange zinnen met korte zinnen en omgekeerd? Zijn ze in jouw ritme en jouw stijl geschreven? Of in het ritme en de stijl die je voor ogen stond? Klopt je Nederlands?
  11. Let op je dialogen — Komen ze voort uit de situatie en je personages? Voelen ze natuurlijk aan?

 

Tot slot

Jouw verhaal is jouw verhaal. Daarom is het ontzettend belangrijk dat je eerst (zoals in de eerste stappen omschreven) even opnieuw kijkt waar het oorspronkelijk ook alweer over ging.

De tips en andere zaken in dit stuk zijn voornamelijk hulpmiddelen: je schuurmachine, je verfkrabber, je breekijzer, je waterpas, je liniaal, je hamer, de spijkers, je zaagmachine, je stofzuiger, je lijmtangen, de lijm zelf.

Niet alles hoeft gebruikt te worden. Niet alles is waarschijnlijk van toepassing. Maar kijk wat je kunt gebruiken en kijk wat je kunt doen om dingen beter te krijgen dan het al was.