web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Magisch realisme

Genres

Category Archives: Magisch realisme

Meertens & Zn. : Henriëtte Poelman

De regen sloeg tegen het etalageraam waarop in zwierige letters MEERTENS & Zn. stond geschreven. Achter het glas hing een open­gesneden varken aan een haak, die op het eerste gezicht niet van echt was te onderscheiden. De kop lag eronder, op een grote schaal op een rood-wit-geblokt kleedje. Ernaast kondigde een schoolbord met houten lijst de aanbiedingen van de week aan: klapstuk, oerhammetjes, kotelet­ten. Het was al avond, maar het licht in de slagerij was nog aan en de deur achterin de winkel, naar de keuken en daarachter het slachthok, stond open.

Met een stekende pijn in zijn hoofd sjorde Berend zich half overeind, tot hij met zijn rug tegen de deur­post leunde. Vanaf de vloer keek hij verdwaasd de keuken rond, knipperend tegen het felle licht van de TL-buizen. Hij moest gevallen zijn. Uitgegleden. Berend voelde aan zijn hoofd. Het was alsof er een strak­getrokken band over zijn voorhoofd zat. Vlak boven zijn rechteroor was de pijn een stuk scherper, maar hij bloedde niet. Mooi zo, niet aanzitten.

Hij keek op zijn horloge, stond moeizaam op en trok zijn slagersschort recht. Hij wreef over zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen, waar zijn haar grijs begon te worden. Hoofdschuddend controleerde hij de deuren, deed alle lichten uit en stapte de straat op. Hij sloot de slagerij af en liep met wankele passen over de stoep naar huis. Het was laat en de straten waren stil. Willem zou al wel zitten te wachten. Berend trok zijn schouders hoog op tegen de regen.

 

Willem zat aan tafel, met de pannen voor hem op het zware tafelkleed. Zijn bord was, op wat vegen jus na, leeg.

‘Het eten is koud’, zei Willem, met een veel­betekenende blik op de klok.

Berend trok, nog steeds wat bibberig, in de gang zijn jas uit. ‘Was je al begonnen?’

‘Ik ben alweer klaar.’ Willem leunde met stijf over elkaar heengeslagen armen op tafel, terwijl zijn broer tegenover hem ging zitten.

‘Sorry,’ zei Berend zacht en tilde één voor één de deksels op. De braadpan was leeg.

‘De koteletten waren maar klein,’ zei Willem, ‘en zonde om ze koud te laten worden.’

Berend zei niets. Hij voelde dat Willem naar hem keek terwijl hij de aardappels en de net iets te lang gekookte boontjes opschepte en begon te eten. Hij kauwde met gebogen hoofd. Aan de overkant van de tafel klonk een diepe zucht. Berend keek de zitkamer in, waar in het donker de grote Friese klok tikte. De plafonnière boven de eettafel wierp een flauw schijnsel op het beige tapijt.

Toen Berend was uitgegeten, ruimde hij af en zette koffie, zoals elke avond. Willem haalde de boeken uit de eikenhouten kast in de zitkamer en legde deze met de pennendoos op tafel, zoals elke avond. Hij sloeg twee schriften open en hield zijn hand op naar Berend. Maar Berend stond bij het aanrecht en staarde naar buiten, waar de regen bleef vallen.

‘De envelop van vandaag,’ zei Willem en zette zijn halve leesbril op. Hij stak opnieuw zijn hand uit.

Berend draaide zich om. ‘Die heb ik niet,’ zei hij.

‘Alweer vergeten?’ Willem wreef over zijn voorhoofd, waar na alle jaren een permanente frons in stond gekerfd. ‘Heb je de kassa ook niet opgemaakt?’

‘Sorry,’ zei Berend zacht. ‘Kan het morgen? Ik heb zo’n hoofdpijn.’

‘Niet best,’ antwoordde Willem, terwijl hij de schriften en de pennendoos weer opborg, ‘Ga maar vroeg slapen.’

Maar Berend was de keuken al uit en klom met dichte ogen de trap op. Hij liet zijn kamer donker, kleedde zich snel uit en stapte in bed. Inderdaad niet best, dacht hij. Hij snapte niet wat er nou was gebeurd. Met zijn knieën en de dekens hoog opgetrokken, probeerde hij zichzelf in slaap te denken. Als die pijn in zijn hoofd morgen maar weg was, dat zou een stuk schelen.

 

Woensdag was druilerig. Willem vertrok al vroeg naar de slagerij, zoals elke ochtend. Berend sleepte zich naar de badkamer, naar de keuken, naar de voordeur. Hij had aan één stuk door geslapen, maar was doodop wakker geworden. Zijn hoofdpijn was gelukkig groten­deels weggezakt en wat overbleef, een zeurende pijn laag in zijn achterhoofd, was te negeren.

In de winkel van MEERTENS & Zn. werkte Berend het krijtbord bij. Het klapstuk en de oerhammen waren nog steeds in de aanbieding, maar de koteletten wiste hij uit. In plaats daarvan schreef hij met geoefende, zorgvuldige halen: ‘KONIJN, va € 4,25’. Berend keek naar de letters, wierp een blik op de lege straat en zette er een uitroepteken achter.

De pijn barstte in alle hevigheid los, alsof iemand met alle macht op zijn hoofd instak en in zijn hersenmassa wrikte. Vanuit de ruimte achter de winkel klonk een vreselijk, ijzingwekkend gekrijs. Berend haastte zich naar de deur. ‘Willem!’

Op de drempel van de keuken bleef hij staan. Zijn broer keek hem vragend aan. ‘Ja?’

‘Je… Gaat-i goed?’

Willem fronsde. ‘Best. Heb je de aanbiedingen veranderd?’

Berend knikte. ‘Je…’

‘Wat?’ vroeg Willem, ‘Moet je iets?’

Berend bleef met een verwarde uitdrukking naar zijn broer kijken. Willem haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het hakblok. Hij hief zijn arm op en liet het zware mes met kracht neerkomen. Het staal hakte door het gevilde konijn op het houten blok voor hem, door vlees, pezen en bot. Tegelijkertijd klonk weer dat afschuwelijke gekrijs, zo luid en ondraaglijk dat Berend achteruit wankelde en steun moest zoeken aan de toonbank. Willem was zich duidelijk niet bewust van het ijselijke geluid dat met elke houw tegen de tegels van de keuken kaatste.

Berend vluchtte de straat op. Hij deed een paar passen richting het plein, deed weer een paar passen terug en zonk door zijn benen. In de miezerregen, gehurkt tegen de gevel van de slagerij, probeerde Berend zijn gedachten te ordenen. Hij begreep niet waar dat allesdoordringende geluid vandaan was gekomen – en vooral, waarom Willem het niet had gehoord. De band trok weer strak om zijn voorhoofd.

Na een poosje stond hij op en haalde diep adem. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ zei hij tegen zichzelf, ‘Het is die klap van gisteren. Niets aan de hand en nou hup weer naar binnen.’

Heel voorzichtig drukte Berend de klink naar beneden, zijn oren tot het uiterste gespitst. Toen hij de deur opende, rinkelde boven hem vrolijk de winkelbel. Hij zoog zijn adem naar binnen en sprak zichzelf nogmaals toe. ‘Kom op Berend, het is gewoon de slagerij, de oude vertrouwde slagerij waar verdorie je eigen naam op staat, niets om bang voor te zijn.’

Hij keek de winkel rond. Alles zag er uit zoals het er uit hoorde te zien, behalve dat de krijtdoos open op de grond lag en het bord met de aanbiedingen niet in de etalage stond. De zware houten voordeur viel langzaam achter hem dicht. Op zijn hoede liep Berend naar de keuken, maar ook daar was alles normaal.

Willem stond zijn handen te wassen. ‘Wil jij de runderlende snijden? En dunner dan de vorige keer hè.’

Berend zag dat Willem het vlees al had klaargelegd op de werktafel.

‘Ja?’ vroeg Willem.

‘Ja, is goed.’ Berend slikte.

‘Ik ben even achter. Zo terug,’ knikte Willem naar het hakblok.

Boven Berend zoemde de TL-buis. Op het hakblok, in een dikkig plasje bloed en vocht, lagen twee nette konijnebouten. De kleinere delen, de niertjes en de lever waren iets apart gelegd. De kop lag er ontveld naast. Berend keek ernaar en slikte weer. Met een boog schuifelde hij om het hakblok heen, naar de stalen werktafel. Naast de runderlende lag het grote snijmes, het scherpste dat ze hadden in de slagerij. Berend wist dat Willem niet veel op had met carpaccio, maar dat de klanten het graag kochten. Heel dun snijden, dat was de truc.

Berend waste zijn handen en plaatste het mes bovenop de lende. Onwillekeurig draaiden zijn ogen naar het konijn in stukken. Hij rilde en concentreerde zich weer op het vlees in zijn handen. Met kracht drukte hij het mes naar beneden en schreeuwde. Het mes viel uit zijn handen, net naast zijn voet. Berend deinsde achteruit. Voor hem lag de runderlende, met een heel dun lapje vlees er nog net aan vast.

Het had gegild.

Berend schudde zijn hoofd. Hij keek naar de deur waar Willem door was verdwenen, maar achter bleef het stil. Had zijn broer niets gehoord? Berend klemde zijn kaken op elkaar, pakte het mes op en ging vast­beraden voor de werktafel staan. Onzin, dacht hij, gewoon negeren.

Hij ademde diep uit door zijn neus en zette het lemmet op het vlees. Heel precies sneed slager Berend een zeer dun plakje carpaccio. De lende schreeuwde het uit. Berend probeerde het uit alle macht te negeren. Zijn hoofd bonsde en iedere keer als zijn mes even rustte op het werkblad, beefden zijn handen. Zonder geluid gilde Berend mee, met vertrokken, open mond. En ieder plakje dat hij sneed, werd net iets dikker, net iets slordiger dan het vorige.

Toen hij de hele lende had versneden, merkte hij dat er tranen over zijn wangen liepen. Zijn handen trilden en zijn vingers waren verkrampt. Hij keek op. Vanuit de deuropening stond Willem naar hem te kijken, een plastic doos met oerhammetjes in zijn handen. Even was het stil, op de hevige piep in Berends oren na. Het mes viel uit zijn hand met een scherpe klang op de tegels en nog voordat Willem iets kon zeggen, snelde Berend de slagerij uit, de straat op, naar huis. In de piep in zijn oren echode het geluid van de gillende lende.

 

Thuis vond Willem Berend in een hoek van de kamer. ‘Berend?’

Berend antwoordde niet, maar bleef enkel zijn hoofd schudden met kleine, snelle beweginkjes.

‘Dit kan niet, hè?’ Willem zette zijn handen in zijn zij. ‘Je loopt niet zomaar weg. Sta ik daar alleen. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan én het vlees maken, dat weet je.’

Berend viel nog stiller.

‘Weer die hoofdpijn? Komt door je gepieker.’ Willem was nu ook even stil. Moeizaam vervolgde hij: ‘Of… wil je misschien toch weg? Heb je besloten?’

Berend keek op.

‘Je weet dat ik het niet alleen kan. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan‘

‘én het vlees maken, ik weet het,’ vulde Berend aan met beknepen stem.

Het harde, droge tikken van de Friese klok leek Willem aan te sporen. ‘Pa zou trots zijn,’ zei hij met dikke keel. ‘Dat weet je ook, toch?’

De broers keken elkaar lang aan, totdat de klok vijf uur sloeg en een einde maakte aan het gesprek dat ze nog nooit onder woorden hadden gebracht.

‘Ik ga koken,’ zei Willem, en liep de keuken in.

Berend waste in de ouderwetse badkamer zijn gezicht en trok een dikkere trui aan. Buiten joegen de blaadjes langs de ramen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten en probeerde na te denken totdat Willem hem naar beneden riep, waar de pannen al op tafel stonden en de lamp al aan was. Hij schoof aan, maar schepte niet op.

‘Zeg,’ zei Willem, en viel weer stil.

‘Hee,’ begon hij opnieuw. ‘We komen er wel uit, Beer.’

Heimwee overspoelde Berend. Hij dacht aan hun moeder, hoe hij aan haar hand meeliep naar de slagerij, waar pa dan aan het werk was met een jonge Willem aan zijn zij en waar pa moeder in het slachthok stiekem een kus op haar wang gaf. Hij dacht aan de plakjes worst, die hij op zaterdagmiddag mocht uitdelen aan de klanten, nadat hij er eerst heel zorgvuldig kleine Hollandse vlaggetjes in had geprikt. Hij dacht aan de jaloezie die hij voelde toen Willem pa vertelde dat hij de slagerij wilde overnemen en pa hem daadwerkelijk omhelsde. Hij dacht aan de teleur­stelling in pa’s ogen toen hij op zijn achttiende verjaardag opbiechtte dat hij wilde verhuizen naar de stad, om bouwkunde te studeren. Hij dacht aan de dag dat hij, in stilte gehol­pen door zijn broer, weer in zijn oude slaapkamer was getrokken terwijl de rouwkransen nog in de woon­kamer stonden. De woonkamer, die moeder ooit had ingericht en die Willem nooit had veranderd. Hij dacht aan hoe Willem altijd bij pa en moeder was blijven wonen en alle zorg op zich had genomen, tot aan het einde. En hij dacht aan de zonnige ochtend toen ze samen op de stoep voor de slagerij stonden en zich afvroegen of de naam op de gevel en het raam nu aangepast zou moeten worden.

Toen hij opkeek waren zijn ogen vochtig. Hij hoopte dat Willem nog iets zou zeggen, maar zijn broer richtte zich tot de aardappels.

Ik hoop het, dacht Berend, dat we er uitkomen.

‘Toe nou maar,’ gebaarde Willem naar de pannen en zette zijn mes in zijn saucijs.

Berend schoot overeind, alsof iemand het tafelkleed en zijn stoel onder stroom had gezet.

Willem keek op en fronste. ‘Berend…?’

Maar Berend kreeg geen antwoord over zijn lippen. Hij staarde, met ogen zo wijdopen gesperd dat zijn hele iris wit was omrand, naar de saucijs op Willems bord. Zijn mes had een snee in het vel gemaakt, waar het vlees zich nu doorheen perste. Een klein plasje jus breidde zich eronder uit. Het was een korte maar harde kreet geweest, rauw en vol wanhoop.

Willem schudde zijn hoofd en wees met zijn mes op Berends lege bord. ‘Ik weet niet wat je hebt, maar eet nou maar.’ En met de zijkant van zijn vork drukte hij de saucijs langzaam in twee stukken. In de volgende, langgerekte kreet, klonk pijn en afgrijzen.

Willem gooide zijn bestek neer: ‘Wat is er toch met je?’

Berend haalde zijn handen van zijn oren en keek van zijn broer naar de saucijs. ‘Het is… het is je saucijs…’

‘Mijn… saucijs?’ Willem keek Berend vorsend aan. ‘Mijn saucijs,’ zei hij, en prikte zijn saucijs aan z’n vork.

De schreeuw was korter dan eerst, maar joeg een rilling over Berends rug. ‘Niet in snijden,’ wilde hij zeggen, maar zijn stem liet hem in de steek.

Willem hapte in het vlees terwijl hij Berend aan bleef kijken. Een straaltje vocht liep langs zijn kin. Weer een schreeuw, weer een rilling. Vol afschuw keek Berend naar zijn broer. Met elke kauwende beweging klonk een gesmoorde kreet; de saucijs schreeuwde in golven, net zolang tot Willem de laatste hap doorslikte. Berend rende de kamer uit, naar boven, naar zijn slaapkamer waar de vergeelde posters van vroeger nog aan de muren hingen.

Beneden aan de eettafel at Willem verder, onder het waakzaam oog van de portretten van pa en moeder op de schoorsteenmantel, met als enige geluid in de ruimte het tikken van de Friese klok.

 

‘Ik ga!’ hoorde Berend de volgende ochtend van onderaan de trap. Hij zag voor zich hoe Willem daar stond, met zijn jas al aan en zijn blik op de klok. Even later hoorde Berend de deur in het slot vallen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en wenste dat hij sliep, wat niet hielp. Hij stond toch maar op.

De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, op Willems bord en koffiekopje na. Met wantrouwen keek Berend naar de boterhamworst die in een plasticje naast de botervloot lag. Hij trok de koelkast open om melk voor in de koffie te pakken maar schrok van de leverworst die naar hem toe rolde en op de grond viel. Berend begon zenuwachtig te lachen. Absurd, was het woord dat de halve nacht door zijn hoofd had gespookt.

Met trillende handen dronk hij zijn koffie, leunend tegen het aanrecht. Na de laatste slok zette hij de ontbijtboel op het aanrecht en trok zijn jas aan. Toen Berend de deur achter zich dicht trok, rolde de leverworst tegen de plint.

 

Bij de slagerij stonden twee vrouwen onder de houten luifel te schuilen. Berend mompelde een goedemorgen en wurmde zich tussen de dames door naar binnen. Willem stond iets in te pakken voor een oudere meneer, wiens regenjas op de vloer drupte. Aan zijn voeten snuffelde een kleine witte terriër, die opkeek van het belletje aan de deur. Berend keek naar het hondje, dat net als hij stokstijf bleef staan en terugstaarde. De terriër begon te grommen.

‘Hee!’ De oudere meneer trok de riem strak. ‘Dat doen we niet, hè?’

Het hondje ging zitten, maar bleef Berend aankijken tot hij door de deur achter de toonbank was verdwenen.

‘Braaf zo,’ zei de meneer.

In het bijkeukentje trok Berend zijn jas uit en deed zijn slagersschort om. Hij haalde twee handen door zijn natte haren en veegde ze af aan het schort. Vanuit de winkel hoorde hij de kassa, een groet, het belletje en een ‘Kom!’, gevolgd door trippelende nagels op de tegels. De voordeur viel dicht en Berend hoorde Willem vragen wie er dan aan de beurt was. Hij haalde diep adem, en ging aan het werk. Hij werkte de bestellijst bij, zette koffie en wilde net de schoonmaakspullen pakken toen hij een ijselijke gil hoorde vanuit de winkel. Berend zocht steun aan de werkbank. ‘W-w-willem?’

Maar er kwam geen antwoord, alleen hartelijk gelach. Voetje voor voetje liep Berend naar de deuropening, het zweet stond op z’n voor­hoofd.

‘Zo’n hele kan ik toch nooit op!’ Een meisje van een jaar of acht klemde breed lachend iets tegen haar borst, ingepakt in duplexpapier. Haar moeder rekende af en ze liepen de winkel uit. Voor Willem lag een snij­plank met daarop een mes en een halve gekookte worst.

‘Ah, daar ben je,’ zei Willem, terwijl hij door het raam van de etalage naar de moeder en dochter zwaaide. ‘Wil je deze worst versnijden en op een bord leggen? Kunnen we vanmiddag wat plakjes uitdelen.’ Zonder op antwoord te wachten liep Willem naar achteren.

Berend staarde naar de worst.

De worst leek terug te staren.

Voorzichtig legde Berend zijn hand op de worst. Met zijn andere hand pakte hij het mes. Aarzelend keek hij over zijn schouder door de deuropening, maar hij zag Willem niet. Hij keek weer naar de worst. Heel zachtjes kneep hij er in. Hij voelde het vlees spannen onder zijn vingers. Even dacht hij dat het stil bleef, maar toen hoorde hij, als van heel ver weg, een zacht kreunen. Snel ontspande hij zijn vingers, maar hij liet niet los. Het kreunen stopte. Weer kneep hij in het vlees, iets harder dit keer, en weer kreunde de worst, ook harder dit keer. Berends adem versnelde. Heel langzaam kneep hij zijn hand verder dicht. Het vlees werd plakkerig door de warmte van zijn huid en begon zich tussen zijn vingers door te persen. Het gekreun zwol aan tot een schor, gorgelend gekrijs, dat abrupt stopte op het moment dat Berend de worst doormidden kneep. Hijgend staarde Berend naar de stukken op de snijplank en de restjes gekookt vlees die aan zijn handpalm vastplakten. Zijn hoofd suisde.

Opnieuw een schreeuw, nu vanuit de keuken. Het geluid hield aan en begon te pulseren, alsof de adem in vlagen uit iemands longen werd gedrukt. Berend rende naar achteren en zag Willem grote brokken rund in de elektrische gehaktmolen gooien. Toen het vak boven op de molen vol was, draaide hij zich om en begon het varkensvlees dat op de werkbank lag in stukjes te snijden. Het malen van de vleesmolen kon het pul­serende geschreeuw van het vlees niet overstemmen en daarbij voegde zich nu de korte, droge kreten van de hamlappen. Berend klemde zijn handen om zijn hoofd. Vaag hoorde hij ergens het winkelbelletje en daarna zijn naam. Verdwaasd liep hij naar de winkel, waar de oudere meneer met zijn hondje aan de andere kant van de toonbank stond. De hond gromde.

‘Ach, mag hij wel zo’n stukje worst?’ vroeg de oudere meneer, terwijl hij over de toonbank naar de gekookte worst reikte die daar nog in stukken op de snijplank lag. Berend wilde hem tegenhouden maar de man had het vlees al gepakt en gooide het naar de hond, die het behendig opving. Het werd, met een korte, afgekapte kreet, in één keer weggehapt.

Berend probeerde zijn aandacht erbij te houden: bij de man die vroeg of hij ook voor aankomend weekend nog een rollade kon bestellen, bij de hond die zijn riem had uitgerekt en nu om de hoek van de toonbank naar de vleesresten op Berends hand stond te grommen, bij de nieuwe klant die binnenkwam en het winkelbelletje deed rinkelen en bij Willem die vanuit de keuken riep of hij even kon helpen met de molen. Berend gebaarde dat iedereen even moest wachten en liep naar achte­ren, waar de kreten waren opgehouden.

Willem stond te wrikken aan de vleesmolen, die was gestopt met malen. ‘Hij hapert,’ zei Willem. ‘Er zit denk ik iets vast.’ Toen Berend niet direct reageerde, zei Willem: ‘Kom dan helpen, sta daar niet zo.’ Het zweet stond op zijn voorhoofd.

Berend liep om het apparaat heen en keek of deze nog was aangesloten. ‘Willem,’ begon hij voorzichtig, ‘ik denk dat we even moeten praten.’

‘Nu toch niet zeg, hee,’ Willem begon de stukken rundvlees uit de bak van de molen te halen. Berend zuchtte en voelde aan de stekker, die stevig in het stopcontact zat. ‘Tis niet de stekker,’ zei hij.

‘Moment hoor!’ riep Willem richting de winkel. Hij haalde de bak van de molen en keek naar het maal­mechanisme daaronder. ‘Wacht eens…’

Berend liet het snoer door zijn vingers glijden, van het stopcontact tot aan het apparaat, waar de plug scheef in stak. ‘Ik denk dat dit er uit is getrild,’ zei Berend, en duwde de plug stevig terug in de machine.

Een verpletterend gekrijs weerkaatste tegen de tegels van de keuken. Berends handen schoten over zijn oren en hij kromp op zijn hurken ineen. Het vlees in de molen schreeuwde, maar daar bovenuit klonk de stem van Willem: ‘ZET AF ZET AF ZET AF!’

Berend rukte de stekker uit het stopcontact en het gekrijs verstomde. Vanchter de machine hoorde Berend zijn broer de keuken door strompelen, terwijl messen, borden en metalen schalen op de grond kletterden. Met stampend hart en een bonkend hoofd hees Berend zich aan de werkbank omhoog. In de hoek van de keuken zakte Willem zacht jammerend tegen de muur op de grond. Hij had zijn rechtervuist slordig in zijn slagersschort gewikkeld en klemde de pols stevig vast met zijn andere hand. De zwart-witgeblokte stof kleurde in hoog tempo rood.

Op de werkbank voor Berend lag het vlees dat Willem uit de bak had gevist: grote brokken rund, met daarop dikke glimmende rode spetters. Het RVS van de machine blonk in het TL-licht. Berend boog zich iets voorover en keek in de mond van de molen. Tussen de met bloed bevlekte messen van het maalmechanisme hingen flarden van iets, als afgestroopte worstevellen. Met trillende hand haalde Berend een stuk flard uit de machine en staarde naar het dunne, rozerode streepje vinger van zijn broer.

 

Berend stond op de stoep en keek naar de slagerij aan de overkant van de straat. De winkel was donker. Op het bordje aan de deur stond gesloten. Er was een papiertje onder geplakt met daarop in stiftletters: wegens omstandigheden. Berend dacht aan Willem, die nu aan de eettafel zou zitten, of in de grote stoel voor het raam. Zou hij onderhand al hebben ontbeten? Berend bedacht zich dat hij vandaag weer bood­schap­pen zou moeten doen, en hoopte dat hij in de super­markt een nieuw recept kon vinden. Hij zuchtte. De vegetarische maaltijden maakten Willems stem­ming er niet beter op, maar Berend durfde geen vlees te bereiden. Hij hoopte dat hij op tijd thuis zou zijn om de verpleegster te vragen hoe het ging met Willem, en met zijn hand.

Berend stak de straat over en stak de sleutel in het slot, maar hij duwde de deur niet open. Hij twijfelde. Om de slagerij maandag weer open te hebben, moest hij vandaag de boel opruimen, schoonmaken en in orde krijgen. Maar dan? Voorlopig zou Willem niet aan het werk kunnen. De verpleegster die elke dag het verband verschoonde sprak steeds van ‘als’, maar Berend zag aan zijn broer dat Willem niet geloofde in ‘wanneer’. Wat nou, als ze de slagerij niet meer open zouden doen? Wat nou, als ze de slagerij zouden verkopen? Op het moment dat hij het dacht, voelde Berend zich lichter worden. Hij draaide de deur weer op slot en zette koers naar huis. Heel voorzichtig klampte hij zich vast aan het idee, dat langzaam meer vorm kreeg.

‘Willem?’ Berend stak zijn hoofd om de hoek van de kamer. Zijn broer zat in de grote stoel bij het raam en staarde naar buiten. ‘Willem, wil je koffie?’

Maar Willem reageerde niet en bleef naar buiten staren. Berend schonk wat water in en zette het glas op het tafeltje naast Willems stoel. Zelf ging hij op de andere stoel zitten, en keek naar zijn broer. Willems ogen waren glazig, de huid onder zijn ogen was grauw en slap.

‘Willem,’ begon Berend, ‘we moeten misschien even praten.’

Willems ogen volgden een mevrouw met een door­zichtige paraplu die aan een lange rode riem een hondje uit een perkje probeerde te trekken, maar het hondje bleek sterker dan het er uitzag en bleef op scheve pootjes scharrelen tussen het onkruid.

Er was geen goede manier om de vraag te stellen, dus Berend stelde hem maar gewoon: ‘Wat als we de slagerij verkopen?’

Langzaam draaide Willem zijn hoofd. ‘Dat meen je niet.’

Berend knikte.

‘Wat een onzin. We hebben het pa beloofd.’

‘Jij zou de slagerij overnemen, niet ik.’ Berend haatte het als zijn stem zo klein klonk.

‘Opa is de slagerij begonnen, pa nam hem over en wij gaan er ver­domme mee door. MEERTENS & Zn. staat er op de gevel, of niet?’

Berend antwoordde niet.

‘Of niet!’ schreeuwde Willem.

Even was het stil.

Berend keek van het verband om Willems hand, waar aan de bovenkant een klein streepje donkkerrood opbloeide, naar zijn eigen vingers, die zenuwachtig aan elkaar pulkten. ‘Wanneer kom je weer terug in de slagerij?’

Willem draaide zich naar het raam. De mevrouw had het hondje eindelijk uit het perkje weten te trekken en liep de hoek van de straat om.

Berend voelde zijn handen klam worden. ‘Je komt toch wel terug…?’

‘En dan?’ vroeg Willem, ‘Denk je dat ik de rest van m’n leven in de winkel ga staan? Als een bediende? Ik ben sláger, ik hoor het vlees te maken!’

‘Je bent dan toch nog steeds slager,’ probeerde Berend.

‘En als ik daar dan in de winkel sta, met één hand en één verminkte stomp die nog het meest op droge worst lijkt – denk je dat de klanten zo’n slager dan nog serieus nemen? En komen ze ooit van het idee af dat mijn vingers misschien wel in hun gehakt zitten?’

Berend hield zijn mond. Hij dacht er aan dat hij straks alleen in de slagerij zou staan en dat al het vlees door zijn handen zou moeten. Misschien zou hij een hulpje aan kunnen nemen om de klanten te helpen, maar er moest wel iemand aan het werk in het slachthok. In de keuken. De vleesmachine bedienen en de worst snijden. De lendes en de hamlappen. De rode stukken rosbief met hun grove vezelstructuur, die bloeden als je er op drukt. Die krijsen als je er een mes in zet. Berend rilde.

‘We hebben het pa beloofd,’ zei Willem zacht, en slikte. ‘Hij ziet ons in de slagerij, in dezelfde winkel, dezelfde klanten helpen als hij deed.’

‘Hij ziet jou,’ zei Berend, terwijl hij zijn neus in de elleboog van zijn trui afveegde, ‘niet mij.’

‘Pa zou trots zijn, dat weet je.’

‘Pa zou weten dat ik het alleen voor hem doe.’

Willem keek weer naar buiten. ‘Ik zie hem zo weer voor me. Ritmische halen aan die ouderwetse gehaktmolen. Zekere, geoefende handen die de worst draaien.’ Willem drukte zijn verbonden hand tegen zijn borst.

‘Maar we zullen de slagerij ooit moeten verkopen,’ zei Berend, ‘MEERTENS & Zn. houdt op bij ons.’

Willems ogen glinsterden. ‘Dus moeten we de slagerij zo lang mogelijk draaiende houden.’

 

Berend keek naar de slagerij aan de overkant van de straat en haalde diep adem. De lucht boven het pand was donkergrijs. Het viel hem op hoe slecht de gevel eigenlijk in de verf zat. Berend stak de straat over, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Het winkelbelletje rinkelde. De tegels op de vloer waren viezig en de ramen moesten nodig worden gelapt. De aanbiedingen van vorige week stonden nog op het bord. Berend zuchtte en draaide de deur achter zich op slot. Hij liep om de toonbank heen en stapte over de snijplank die op de grond lag, met stukken worst er om heen. In de keuken deed hij de lampen aan, die zoemend en knipperend tot leven kwamen. Op het aanrechtblad en om de kraan zaten rode vegen. Berend staarde naar de theedoeken die in roodbevlekte prop­pen in de gootsteen lagen.

‘Ja,’ zei hij na een poosje tegen de lege ruimte.

Met vastberaden blik trok hij zijn jas uit, hing deze aan de kapstop onder de klok en haalde roze, plastic handschoenen uit het keukenkastje. Terwijl Berend een emmer vol liet lopen, poetste hij de vegen op het aanrecht weg. Hij deed ook in de winkel en het slachthok de lampen aan, zette de radio aan en begon de slagerij schoon te maken.

Al kon hij de zwart-witfoto in de winkel vanuit de keuken helemaal niet zien, Berend voelde hoe pa’s ogen hem volgden en in de gaten hielden. Ja pa, dacht Berend, morgen is het maandag. Hij schrobde de gootsteen en de kastjes onder die vorsende blik. Ja pa, dacht Berend, ik zal er zijn, voor je klanten. Hij zette nog meer druk op de schuurspons, tot zijn knokkels wit waren. Als een echte Meertens. Berend voelde de hoofdpijn weer opkomen, maar poetste door.

Halverwege de middag was de winkel schoon, was de slachtruimte schoongespoeld en was het grootste gedeelte van de keuken weer aan kant. Alleen de vlees­machine moest nog schoon. Naast de molen stond nog steeds de bak met brokken rund, toegeëigend door een aantal dikke zwarte vliegen. Berend droeg de bak met gestrekte armen naar de koelcel en kieperde het leeg in het afgesloten afvalvat. Met een mat geluid vielen de rode, opgedroogde stukken vlees op het vet, de zenen en de botten in de emmer.

Met zijn kaken stijf op elkaar geklemd spoelde Berend het maal­mechanisme van de vleesmolen schoon. Het vel en het vlees van Willems vingers had hij er direct na het ongeluk kokhalzend uitgepulkt om mee te nemen naar het ziekenhuis, hoewel dat eenmaal daar geen zin bleek te hebben gehad. Er tikte iets in de metalen bak waarin Berend het mecha­nisme schoon­maakte. Berend fronste en roerde langzaam met zijn gehandschoende vingers door het bloederige water tot hij iets hards voelde. Hij pakte het op en hield het omhoog, maar zijn hand trilde zo dat de nagel die hij uit het water had gevist tussen zijn vingertoppen door glipte.

Met ongefocuste ogen en slappe benen werkte Berend door. Zijn hoofd was te vol en te druk om goed na te denken. In gedachten hoorde hij keer op keer het verpletterende gekrijs tegen de tegels weerkaatsen: het rauwe geschreeuw van het vlees in de molen met daar bovenuit Willems gegil en het wanhopige zet af zet af zet af.

 

Doodop en met een bonkend hoofd kwam Berend thuis. Hij liet zijn jas van zijn schouders op de grond glijden en sleepte zichzelf de trap op.

Vanuit de woonkamer riep Willem: ‘Wat voor eten heb je?’

Berend draaide zich om, sjokte de trap weer af, raapte zijn jas op en trok deze aan terwijl hij de deur weer uit liep, richting de supermarkt.

Die avond maakte Berend een simpele stamppot, waar Willem commentaar op leverde. Na het eten waste hij niet direct af, wat Willem afkeurde. Berend wilde niet over de slagerij praten, maar Willem bleef vragen of er nog genoeg voorraad was voor morgen. Hij had een bestellijst gemaakt die hij onder Berends neus schoof en hem op het hart drukte daar morgen­ochtend direct mee aan de slag te gaan. Berend knikte en ging naar boven.

Eenmaal in bed dacht hij aan de volgende dag en aan al dat vlees waar hij worsten van moest draaien. Aan de messen die hij nodig weer zou moeten slijpen. Aan het nepvarken dat in de etalage hing en aan de grote stukken echt varken die in de koelcel op hem lagen te wachten. In zijn slaap hoorde hij het vlees om hem roepen, maar zo gauw hij het aanraakte begon het onbedaarlijk te krijsen en smolt het onder zijn handen tot een slijmerige, bloederige smurrie.

 

Met zijn hoofd zwaar in zijn handen leunde Berend op de toonbank. Er was nog geen enkele klant geweest, hoewel het briefje niet meer op de deur hing. Willem zou die middag nog even langskomen, had hij gezegd, maar Berend vroeg zich af of zijn broer het had gemeend. Berend zuchtte en keek op de klok. Zijn ogen schoten onwillekeurig naar links, naar het portret dat ernaast hing. Pa staarde hem doordringend aan in zwart-wit. Berend keek terug, zonder te knipperen. Hij draaide bij, hief zijn kin op en keek het portret strak aan.

Ik sta er, dacht Berend. Hier, ik sta er. IK.

Zijn ogen vernauwden zich en begonnen te prikken. Elk moment nu, kon zijn blik een gaatje in het glas boren. Hij kon het smeulende papier al bijna ruiken.

Berend schrok van het plotselinge winkelbelletje en knipperde. Hij draaide zich om en wreef in zijn ogen, die nog steeds prikten.

‘Goedemorgen, slager,’ knikte een oudere dame in een geruite jas en bijpassende sjaal. Zonder op ant­woord te wachten, bracht ze haar neus vlak bij de vitrine voor de toonbank en fronsde naar de vele lege schaaltjes. ‘U heeft niet zoveel keus vandaag, hm?’

Berend slikte een antwoord in en bekeek de vrouw. Ze droeg grote, hangende oorbellen, die haar oorlellen uitrekten. Bij iedere beweging van haar hoofd zwaaiden de oorbellen heftig heen en weer. Berend zag dat de gaten in haar oren ook waren opgerekt. Het vlees van de lellen was donkerder dan haar hals en had wat bruinige vlekjes. Berend vroeg zich af wat voor geluid het zou maken als hij er in sneed.

‘Of heeft u dat niet?’

De vrouw stond recht voor hem, met haar keurig ingekleurde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘Ik zei, of heeft u dat niet?’

‘Eh, sorry,’ zei Berend, en wreef weer in zijn ogen. ‘Wat wilde u hebben?’

De vrouw klakte afkeurend met haar tong.

Even keken ze elkaar zwijgend aan over de rauwe stukjes vlees in de vitrine, totdat de vrouw de stilte doorbrak: ‘Karbonades,’ zei ze, ‘vier stuks.’

Berend keek naar wat hij had liggen. ‘Die moet ik even van achter halen, moment.’

‘Tsssss’, deed de vrouw, terwijl Berend naar de koelcel liep. Hij pakte een schaal uit de keuken en legde er in de koelcel een dozijn karbonades op. Met benauwde blik pakte hij elk stuk vlees heel voorzichtig beet, zodat hij er niet in zou knijpen. De karbonades gaven geen kik.

‘Kijkt u eens,’ zei Berend terwijl hij de schaal in de vitrine onder de toonbank zette. Hij pakte grote vellen duplexpapier en begon de karbonades in te pakken. ‘Vier prachtige stukjes vlees.’

‘Hm,’ zei de vrouw, en keek naar het krijtbord in de etalage. ‘Zijn ze niet meer in de aanbieding?’

‘Nee, deze week niet meer, helaas,’ zei Berend zonder op te kijken.

‘Hm.’ Ze viste haar portomonnee uit haar handtas en keek Berend aan.

‘Dat was het? Acht euro tachtig, wordt het dan.’

De vrouw legde een hand vol kleingeld op de toonbank. Er liepen kleine rode adertjes over de achterkant van haar hand. Haar vingers leken wat opgezwollen en de huid om haar zorgvuldig gelakte nagels stond strak. Die huid deed Berend denken aan frankfurters. Het vlees zou vast hoog en schril gillen, als hij die worstjes door zou hakken.

‘Een tasje!’

Berend huiverde en keek de vrouw geschrokken aan. ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij en griste een plastic tasje van de haak achter de toonbank. Gehaast deed hij de karbonades er in en gaf het aan de vrouw, die het met opgetrokken wenkbrauwen aannam en hoofd­schud­dend de winkel uitliep.

Berends blik zakte naar de karbonades in de vitrine. Het waren dikke, roze stukken stevig vlees, met een helderwit randje vet en de rib er nog aan.

Zouden ze gillen, vroeg hij zich af, of zouden ze schreeuwen?

Berend liep naar de koelcel en keek om zich heen. Zijn hoofd klopte. Hij begon tournedos, steaks, runder­lendes, oerhammetjes en kalfs­niertjes in zijn armen te laden. Achterovergeleund draaide hij zich om, liep naar de keuken en stortte alles uit op de grote werktafel. Terug in de koelcel legde hij lamsbouten, lamsschouder en gepikeerd gebraad op de grote bak met al gemalen gehakt en zette dit bij de rest. Berend ver­zamelde de worsten die aan het rek naast de deur hingen en haalde de rij gevilde konijnen en geplukte kippen van de haken. Hij bekeek de smalle, kale dieren die in twee enorme vleestrossen hulpeloos aan zijn vingers hingen en plofte ze op het werkblad.

Berend deed een stap achteruit. Met bonzende slapen haalde hij het grote, platte hakmes van de muur. Hij overzag het vlees dat voor hem lag met een blik vol achterdocht, terwijl hij het mes scherpte aan de keramische slijpstaaf. Hij meende een zacht gejammer te horen. Een klagelijk geluid, net op de grens van zijn gehoor.

Hij legde de slijpstaaf weg en hief het hakmes hoog. Recht voor hem, op het glanzende RVS, lag het grootste braadstuk dat de slagerij verkocht. Duivels­gebraad, dat zachtjes leek te ademen. Met alle kracht die hij in zijn armen had, liet Berend het hakmes neerkomen op het vlees. Het mes ging er bijna in één houw doorheen en de punt kraste schril op het werk­blad. De schreeuw van het braadstruk was zo luid dat Berend naar zijn oren wilde grijpen. Maar hij hield het mes vast en begon in te hakken op de konijnen, de kippen en de lamsbouten. Het vlees gilde en krijste en Berend krijste mee, probeerde het gegil te over­stemmen. Hij pakte een tweede mes en hakte met venijn in op elk stuk roze varken, rund of kalf wat hij onder zijn messen kon krijgen. Het gegil zwol aan en leek oneindig door te echoën. Hij liet het mes vallen en begon schreeuwend en huilend met zijn handen het vlees verder uiteen te rijten. Zijn hoofd was volledig gevuld met wanhopige kreten en het gebonk van zijn eigen hartslag.

Hijgend en snikkend stond Berend in de keuken van de slagerij. Zijn hele lichaam trilde en zijn benen voelden slap. De verschillende stukken vlees begonnen weer te jammeren, te loeien en te mekkeren. Door zijn tranen heen keek hij naar de ravage op de werkbank, en in die roze-rode ravage viel hem een klein, wit botje op. Met zijn pols wreef Berend over zijn ogen. Het was een vorkbeentje, dat recht omhoog stak uit een aan flarden gerukte kip. Berend leunde voorover en plukte het botje uit de vogel, die kreunde. Hij bekeek het bijna hoefijzervormige beentje van alle kanten in het TL-licht. Het was nog helemaal gaaf. Een wensbeentje.

Berend pakte de twee uiteinden van het wensbeentje vast en sloot zijn ogen. Hij trok zijn handen uit elkaar en het botje knapte in twee ongelijke stukken. Met zijn blik op het kermende vlees, bracht Berend langzaam zijn linkerhand richting zijn linkeroor. Toen hij het halve beentje in zijn oor voelde, stootte hij het daad­krachtig met de scherpe punt naar binnen. Het botje prikte door zijn trommelvlies en Berend hapte naar adem. De pijn was plotseling en hevig en zijn oor begon te suizen, maar het gejammer en geblèr leek zachter.

Hij bracht zijn rechterhand, met het grootste gedeelte van het wensbotje, richting zijn rechteroor. Met iets meer moeite kreeg hij het recht voor zijn gehoorgang. Hij sloot zijn ogen en prikte. De pijn was verblindend: het was alsof iemand met de punt van een scherp mes langs de binnenkant van hoofd schraapte. Een plotselinge duizeligheid overviel Berend en hij verloor zijn evenwicht. Hij probeerde de rand van de werktafel nog vast te pakken maar maaide alleen stukken vlees op de grond terwijl hij neerging.

 

Willem deed een stap achteruit zodat de man de slage­rij kon verlaten. Hij knikte vriendelijk, maar de man zette zijn kraag op en mopperde dat ze de slagerij niet open moesten doen als er niemand was om hem te helpen. Willem keek de man verward na en liep naar binnen. Het belletje rinkelde. Er stond niemand achter de toonbank en hij hoorde geen geluid vanuit de keuken of het slachthok.

‘Berend?’ Willem liep naar achteren.

‘Berend?’ vroeg hij opnieuw, maar zijn adem stokte in zijn keel. In de keuken, op de grote RVS werktafel, lag een enorme hoeveelheid vlees. Het moest bijna al het vlees zijn wat ze nog in de slagerij hadden en het was zo goed als volledig aan stukken, totaal onbruik­baar.

Toen zag hij zijn broer liggen, tussen meer brokken en flarden vlees, op de zwart-witte tegels van de keukenvloer. Berend had zijn ogen open maar leek niets te zien. Uit beide oren liep een straaltje helder­rood bloed, dat zich verzamelde onder zijn achter­hoofd.

Willem knielde naast hem op de grond en begon te sjorren aan het lichaam dat slap in zijn handen was. ‘Berend!’

Heel langzaam draaide Berend zijn hoofd. Zijn ogen waren dik en rood van de tranen.

‘Waarom antwoordde je niet?’ vroeg Willem, ‘Wat is er gebeurd?’

Maar Berend hoorde Willem niet. Het suizen in zijn oren wilde maar niet ophouden en zelfs plat op de grond bleef hij zich duizelig voelen. Willem trok Berend half omhoog en zette hem met zijn rug tegen de tafelpoot. Hij zei iets en stond op. Willem liep naar het kleine koffietafeltje en pakte een keukenstoel. Heel langzaam hielp Willem met één hand Berend op de stoel. Hij knielde voor hem, terwijl zijn verbon­den hand op Berends knie rustte, en zei weer iets. Berend knikte maar. Hij zag hoe Willem naar de telefoon liep die naast de deurpost in de winkel hing, een nummer intoetste en met een bezorgde blik op Berend een kort gesprek voerde. Daarna knoopte hij zijn slagersschort om, waste hij zijn ene hand en prutste om de andere een plastic handschoen.

Berend sloot zijn ogen en haalde diep adem. De pijn was er nog, maar niet meer zo hevig als eerst. Het suizen werd minder en minder en maakte plaats voor een diepe, dikke stilte. Berend glimlachte en opende zijn ogen. Hij zag hoe zijn broer de stukken vlees in grote schalen had verzameld, die nu op de werkbank naast de vleesmachine stonden, klaar om als gehakt te eindigen.

Willem zette de radio aan. Wat er precies was gebeurd, zou hij nog wel vragen, maar nu moest hij eerst maar opruimen. Gelukkig was de dokter onder­weg. Vreemd, hoe tevreden zijn broer er uit zag, zittend op de keukenstoel, met bloed op zijn kaken en in de haren van zijn nek. Willem stak de stekker van de vleesmachine in het stopcontact, controleerde of de plug goed in het apparaat zat en zette hem aan. Even, met een blik op zijn verbonden hand, huiverde hij bij het geluid, maar wat moest gebeuren, moest gebeuren. Hij pakte de schaal met lamsvlees en kieperde deze in de bak van de vleesmolen.

Op het moment dat de eerste stukken vlees de messen raakte, greep Berend naar zijn oren en slaakte een hartverscheurende kreet. Het vlees gilde. Het schreeuwde. De lamskarbonades krijsten zo hard ze konden, in de oorverdovende stilte in Berends hoofd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Zielenroerselen : Tom Schoonbaert

Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.

‘Samuel?’

Hij knipperde met zijn ogen. De graanvelden en het meisje – Machteld! – verdwenen, in hun plaats kwam een oudere man die hem geduldig aankeek. Het gezicht van de man kwam hem bekend voor. Een oudere versie van iemand die hij kende, maar een naam kwam niet.

‘Ik heet Gaetan,’ zei de man. Hij stak zijn hand uit.

Samuel probeerde zich koortsachtig meer te herinneren over de man die voor hem stond. Ze waren vrienden, dat wist hij, voor de rest kwam er niets. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Mijn geest heeft zich nog niet volledig aangepast aan de wedergeboorte.’

‘Dat geeft niets,’ antwoordde Gaetan. ‘Ik leid je wel naar je huis.’

Ze liepen in stilte de hoofdstraat door. Samuel her­kende de gebouwen om zich heen, de meeste mensen die ze passeerden, al bleven namen en gebeur­te­nissen net buiten zijn bereik. De mensen begroetten Gaetan hartelijk. Ze bleven echter afstandelijk tegen­over Samuel. Vriendelijk, dat wel, maar niet meer dan dat. Hij herkende het als een standaard­reactie tegen vreemdelingen, een houding die bijna overal ter hele wereld terug te vinden was. Niet te nieuwsgierig zijn, zeker niet als iemand pas zijn ziel terug had. Dat zorgde alleen maar voor spanningen.

‘Ik zie dat je je toch al dingen herinnert.’ Gaetan grinnikte.

Samuel keek op en zag dat hij zonder na te denken een zijstraat was ingeslagen. Zijn onderbewustzijn stuurde zijn lichaam naar de plek waar hij zo lang gewoond had. De smalle straat was geplaveid met kinder­kopjes en kronkelde voorbij oude arbeiders­huizen. Het was er stil. Zelfs voor een dorp waar nauwelijks auto’s reden, dat zo ver van enige industrie lag, was het er echt stil. De sfeer en rust bevielen Samuel wel. Het was er tijdloos. Bijna zoals toen hij haar voor het eerst ontmoette.

‘Het verbaasde me dat je zo snel al terugkwam,’ zei Gaetan. ‘Je bent nog maar achttien jaar. De meeste mensen wachten tot ze hun herinneringen geheel onder controle hebben voor ze beslissen wat ze gaan doen.’

‘Wachten had weinig zin,’ zei Samuel. ‘Hier moet ik zijn, nergens anders.’ Hij zag dat de oude man wilde antwoorden, maar zijn woorden inslikte.

‘Wat is dit?’ vroeg Samuel. Ze bleven staan bij een witte gevel. In het midden van de gevel had iemand schijnbaar willekeurig kleuren aange­bracht. Het geheel leek Samuel een weergave van een storm te zijn, gezien door de ogen van iemand die high was.

‘Dit heb je natuurlijk nog niet gezien,’ zei Gaetan lachend. ‘Tien jaar geleden heeft een kunstenaar het bestuur overtuigd om iets moderns te doen. Je kunt op tien plaatsen dergelijke meesterwerkjes vinden. Nie­mand is er gelukkig mee, maar het heeft zoveel geld gekost dat het be­stuur er niet overheen durft te schilderen.’ Hij liep dichter naar de gevel. ‘Dit werk is nog een van zijn betere. En natuurlijk heeft de kunste­naar geen van zijn werken een naam gegeven.’ Hij stak zijn borst vooruit, hief zijn hand in een dramatische pose en proclameerde: ‘Het is aan de toe­­schouwer om zelf te bepalen wat hij ziet. Een kunste­naar mag hierin geen beperkingen opleggen.’ Nu lachte hij tot hij tranen in zijn ogen kreeg.

Samuel kon niet anders dan meelachen. Ze waren echt vrienden, dat wist hij nu zeker. En dat had meer kunnen zijn, dat herinnerde hij zich ook. Zijn belofte had altijd een barrière gevormd, had voorkomen dat hij zich voor iemand anders open durfde te stellen. Hij ervoer een vaag gevoel van spijt. Toen ze verder liepen, keek Samuel om naar het kunst­werk. Het irriteerde hem meer dan hij zou durven toegeven. Dit was zijn straat, nu bezoedeld door die troep. De sfeer was niet meer hetzelfde, de rust voor altijd verbroken.

 

‘Het heeft heel wat moeite gekost om dit huis vrij te houden, zelfs na het voorlezen van je testament.’ Gaetan overhandigde Samuel een sleutelbos.

Ze stonden in de gang van een arbeidershuis. Om hen heen waren sporen te zien van zijn vorig leven; por­tretten aan de muur, oude meubelen die ze door de openstaande deuren zagen staan. Het huis gaf Samuel het gevoel dat hij in een vertrouwd paar schoenen stapte, klaar om verder te gaan. De herinneringen aan zijn leven in dit huis stroomden door zijn geest. De lange avonden die hij lezend in de fauteuil bij de open haard had doorgebracht. Het schrijven van brieven aan een persoon die hij al in meer dan tweehonderd jaar niet gezien had, alleen om ze onmiddellijk weer te verscheuren. Altijd alleen. Nee, dat klopte niet. Hij merkte dat het kunstwerk op nog geen honderd meter van zijn huis nog altijd zijn humeur beïnvloedde. Hij had hier vrienden. Mensen die kwamen eten, plezier maakten. Gesprekken over de mooiste plek waar ze ooit geboren werden. Hij was hier gelukkig geweest, dat moest hij onthouden.

Samuel liet de rugzak op de grond vallen en liep de woonkamer binnen. Met zijn hand streelde hij het eikenhout van de tafel. Honderd jaar geleden, twee levens ondertussen, had hij deze zelf gemaakt met hout van een pas gerooid bos uit een naburig dorp. Hij herinnerde zich de uren werk, maar voelde de afstand tot die ervaring die de tijd met zich meebracht.

‘Niet iedereen toonde evenveel begrip,’ zei Gaetan. ‘Ik kon hun bezwaren wel snappen.’

Samuel keek de oude man vragend aan, al wist hij wat er nu ging volgen.

‘Het gebeurt niet veel,’ begon Gaetan, ‘dat iemand zo gedreven is om terug te keren naar een vorig leven.’ Hij kwam dichter bij Samuel staan, legde zijn hand naast de hand van de jonge man. ‘Voor sommigen is het niet de natuurlijke manier van leven.’ Hij stak snel zijn hand op, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor de woorden die hij net zei. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat niet. En uiteindelijk hebben ze toch ook hun toestemming gegeven.’ Met een scheve grijns op zijn gezicht voegde hij eraan toe: ‘Veel keuze heb ik ze nu ook niet gegeven. Als stadsverant­woordelijke kan ik, als het echt moet, op mijn strepen staan.’

Samuel lachte, liep op Gaetan af en omhelsde hem. Hij voelde de spanning bij de oude man langzaam verdwijnen. Toen hij hem losliet, gaf hij hem een kus op zijn wang. ‘Bedankt, oude vriend.’

‘Wie noem je hier oud?’ lachte Gaetan.

Samuel zag de rode wangen van de oude man, wist dat de gespeelde verontwaardiging diende om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Ik heb hier ergens wel een spiegel liggen als je jezelf eens goed wilt bekijken.’

‘Jij bent hier de veertiger,’ zei Gaetan.

Een veertiger? Had hij al zoveel levens gehad? Het was niet gemakkelijk om zich het precieze aantal te herinneren, alles leek samen te vloeien na een tijdje. Hij draaide zich bruusk om en liep naar de keuken. ‘Wil je iets te drinken? Ik weet niet wat er staat, of zelfs of ik iets in huis heb om eerlijk te zijn.’

‘Ik heb de koelkast voor je gevuld,’ zei Gaetan. ‘Het huis hebben we goed onderhouden, dat was het minste dat we konden doen.’

Samuel opende de koelkast en haalde er twee biertjes uit. Niet dat hij zin had in alcohol. Op dit moment wilde hij liever alleen zijn. Het huis opnieuw verkennen, zich meer herinneren.

‘Voor mij niets, dank je,’ zei Gaetan. ‘Ik ga je rustig laten acclima­tiseren. Rust vandaag maar uit, morgen zet ik je weer aan het werk!’

‘Zeker weten?’ Samuel stelde de vraag uit beleefdheid en wist dat Gaetan dit besefte. Het verraste hem dan ook niet dat de man het aanbod nog eens afwees. Ze liepen naar de voordeur waar Samuel een paar woorden van dank mompelde.

Gaetan verliet het huis, begon weg te lopen, maar draaide zich toen om. ‘Ik ben heel blij je weer te zien, Samuel.’ Hij aarzelde en zei: ‘Ben je zeker dat dit goed voor je is? Je wacht al zo lang op haar, wat is de kans dat ze na al die tijd nog komt?’

‘Ik moet het proberen,’ antwoordde Samuel.

 

Door het raam in de keuken zag Samuel de goed onderhouden tuin waar twee appelbomen, gebogen als grijsaards, hun last droegen. Het was het goede seizoen wist hij, dus liep hij de tuin in en plukte een glinsterende groene appel. Gretig beet hij in het harde vlees van de vrucht, bijna even snel spuugde hij de hap weer uit. Met een lach smeet hij de rest van de appel in het gras. De geest herinnerde zich de lekkere smaak, het lichaam had meer moeite met zijn eerste kennismaking. Hij was in dit leven opgegroeid met de zoete smaak van mango’s en bananen, niet echt te vergelijken met de zure smaak van de appel. Dat kwam nog wel, de kans dat hij hier tropische vruchten te pakken kreeg, was klein dus veel keuze had hij niet. Milieu en economische noodzaak waren in een eeuwig gevecht verwikkeld. Op dit moment lag de nadruk op milieu: geen onnodig transport. Als het niet gekweekt kan worden in de plaats waar je woonde, moet je het maar niet eten.

Zijn oog viel op een houten hok achter in de tuin. Hij liep naar het tuinhuis, opende de deur en herkende meteen zijn oude werkplaats.

Op de tafel, omringd door werktuigen, stond een onafgewerkt beeld. Hij wist wat er nog moest gebeuren voor het af was, zag het voor zich. Hij ging zitten, pakte zijn kerfmes en wilde de laatste inkerving die hij gemaakt had verder zetten toen hij twijfelde. Net als bij de appel wist hij wel hoe het moest, maar zijn lichaam moest nog getraind worden. Het zou jammer zijn dat het allerlaatste werk dat hij in zijn vorig leven begon­nen was hierdoor zou beschadigd worden. Wachten, dat was het beste, ervaring opdoen. Hij legde het mes weer neer. Bij het opstaan stootte hij met zijn voet tegen een doos. Nieuwsgierig greep hij ernaar en zette hem op tafel.

Een puzzeldoos. Dat moest het zijn, ongelooflijk gede­tailleerd afge­werkt. Wie had deze gemaakt en waarom kon hij zich niet herinneren dat hij hier stond? Zijn vingers volgden de fijne lijnen, krullen die samen­smolten en weer uiteen gleden in een patroon dat hij vaag herkende. Hij probeerde de doos te openen, maar het lukte niet. Een doos zoals deze kon maar op één bepaalde manier geopend worden, niet eenvoudig om dat zelf uit te zoeken. Hij liet zijn vingers opnieuw over de krullen glijden. Was dat een zon aan de bovenkant?

Samuel voelde zich misselijk worden. In de verte hoorde hij gehuil. Een baby? Zijn hand begon te trillen, hij trok hem terug. Het gehuil zwol aan, maar net voor hij zijn oren wilde bedekken om het geluid te dempen, verdween het.

Nu pas merkte Samuel hoe donker het hier binnen was, hoe muf de lucht rook. Het was hier ook veel te koud naar zijn zin, al was het middag en scheen de zon fel. Hij legde de doos weer onder de tafel en liep naar zijn huis. De rest van de dag bleef hij weg uit de tuin, al waren de krullen van de doos altijd in zijn gedachten. Het was een zon, dat wist hij. Hij kon zich alleen maar niet herinneren hoe hij dat wist. En dat stoorde hem.

 

Zwaai, stap. Negeer de pijn in je rug, de kramp in je benen. Zwaai, stap. Zoek het ritme en stop met zo wild te zwaaien. Samuel hoorde iemand roepen. Hij weigerde op te kijken en bleef geconcentreerd naar het graan voor zich staren dat met elke beweging van zijn zeis op de grond viel. Hoe lang was hij nu al bezig? Dit veld leek eindeloos te zijn. Het zweet stroomde over zijn gezicht, elke spier in zijn lichaam smeekte om een pauze. Pas toen hij zijn naam hoorde, stopte hij. Met trillende handen legde hij de zeis naast zich neer en ging er naast zitten. Gaetan kwam over de lege stroken op het veld op hem af gelopen, een fles in zijn handen. Samuel kon de energie niet opbrengen om te zwaaien. Hij zag de andere mannen, die hun deel van het veld al lang gemaaid hadden, bij de tractor staan wachten. Hij kende een paar van de mannen, de meesten waren nieuwelingen. Net als hij, toch een beetje.

‘Dat valt tegen,’ zei Gaetan.

Samuel gromde een vloek en greep naar het water. Hij dronk de fles halfleeg en goot de rest over zijn hoofd. Met een zucht van opluchting liet hij zich achterover vallen. ‘Ik vind het ritme niet,’ zei hij. Achter hem zag hij een groep kinderen de graan­halmen bijeen rapen en samenbinden. Ze plaatsten de bundels in groepjes op het veld, klaar om ze later te verzamelen.

‘Je hebt het niet zo onaardig gedaan,’ zei Gaetan. Hij stak zijn hand uit en hielp Samuel met het opstaan. ‘Met een beetje meer oefening komt het wel goed.’

Samuel pakte de zeis. Hij kromp ineen door de pijnscheuten in zijn pols.

‘Ik maak het wel af,’ zei Gaetan. ‘Ga jij maar rusten.’

Samuel stak zijn hand op. ‘Hoeft niet,’ zei hij. ‘Ik ben er bijna.’ Hij schatte dat de rest van het graan binnen een half uur wel tegen de grond zou liggen. Nadat de oude man, met zijn vertrouwde grijns op het gezicht, weer weg liep, hief Samuel de zeis op. Een half uur? Misschien gaat het toch wel ietsje langer duren. Nu opgeven kon niet. Daar zou Gaetan hem te lang mee uitlachen. Zwaai en stap. Hij voelde zijn geest tot rust komen, leek nu over het veld te glijden zonder enige inspanning. Toen hij klaar was, stond Gaetan klaar om de zeis over te nemen. Zonder protest liet Samuel het werktuig uit zijn handen glippen.

‘Mooi werk,’ zei Gaetan. ‘Er staat een beloning af te koelen in de vijver.’

Samuel liep langs de mannen naast de tractor. Zijn plan om snel weg te gaan, zonder ze een kans te geven een opmerking te maken, werd verstoord door een spontaan applaus. Hij verstarde, maar zag toen de pret in hun ogen. Begeleid door een sierlijke beweging van zijn armen, boog hij diep. Dat leverde hem hartelijk gelach op. Met een laatste zwaai liep hij van het veld en verder op de zandweg die naar de vijver leidde.

 

Na veel zoeken vond Samuel aan de oever van de vijver een paaltje waar een touw aan hing dat in het water verdween. Hij viste de linnen tas uit het water en haalde er twee flesjes bier uit. De tas liet hij weer in het water zakken om de overige flessen niet warm te laten worden.

‘Je hebt ze gevonden!’

Samuel keek op en zag Gaetan. Hij opende de flesjes en gaf er een aan de oude man. ‘Het heeft even geduurd, maar toen herinnerde ik me weer waar we hier altijd afspraken.’

Ze gingen op de grond zitten. Samuel nam een grote slok om de eerste dorst weg te spoelen. Daarna beperkte hij zich tot slokjes, genietend van de smaak. Beide mannen bleven stil. Niet ongebruikelijk, zeker niet hier. Het rimpelende water, de groene bosjes die de vijver omringden, alles nodigde uit tot genieten in stilte.

‘Hoe gaat dat gedicht van je ook alweer?’ vroeg Samuel uiteindelijk.

‘Welk bedoel je?’

‘Dat weet je goed genoeg,’ zei Samuel. ‘Je hebt het lang geleden hier geschreven.’

Gaetan leegde zijn fles en stond op. Met zijn hoofd lichtjes gebogen en gesloten ogen sprak hij op een zachte, plechtige toon.

 

‘Vurig bloeiende twijgen,

zwijgend wiegend als

wachters

bij de vijver.

De wind rimpelt het water

op de hartslag van

het bestaan.

Zacht roept de

groenling zijn geliefde.

Warme zomerluchten

strelen mijn huid

en wekken in mij wat

nog worden zal.’

 

‘Bedankt,’ zei Samuel. Hij ging terug naar het water en viste twee nieuwe flesjes op.

‘Morgen komen de maaidorsers om de andere velden te bewerken,’ zei Gaetan.

‘Oh ja? We hebben nog maar een veld gedaan. Normaal doen we er toch een stuk of vijf?’

‘Weet ik.’ Gaetan nam een slok, bleef nog even stil en zei toen: ‘De laatste jaren is er minder interesse in de oude manier. Met alle nieuwe technologieën is het niet zo belastend meer voor het milieu. Voor de bestuursleden is het niet praktisch genoeg en steeds meer mensen geven ze gelijk.’ Hij hief zijn fles naar de hemel. ‘We moeten het verleden laten rusten, zeggen ze. Leven in het heden en altijd met onze blik op de toekomst gericht!’ Zijn arm verstijfde en met rode wangen vermeed hij de blik van Samuel.

Samuel zei niets. Wat kon hij zeggen? Het bestuur en de mensen hadden gelijk. Dat besefte hij maar al te goed. En toch … Misschien kwam ze deze keer wel. Misschien klopte er morgen iemand op zijn deur met een glans in de ogen die hij nog maar bij één persoon gezien had.

Dagdromer, daar wacht je al tweehonderd jaar op!

De stem in zijn hoofd klonk rationeel. Het was dezelfde stem die hij net voor het slapen ook hoorde. De stem die hem aanraadde om het op te geven. Hij bedwong de neiging om zijn fles in het water te gooien.

De twee mannen schrokken uit hun stilte op door het gejoel en gelach van een groep kinderen die in de vijver sprongen. Samuel herkende ze als dezelfde die met het maaien meegeholpen hadden. Uitgelaten zwommen ze naar het midden waar twee jongens onder water doken. Twee meisjes gilden toen ze ook onder water getrokken werden.

‘Die heerlijke fase waarin ze de eerste herinneringen al terugkrijgen, maar toch ook nog kind kunnen blijven,’ zei Gaetan mijmerend.

Samuel knikte en zag toen een klein groepje dat zich afzonderde van de rest. ‘Dat zijn de eerstelingen?’

Gaetan volgde de vinger van Samuel. ‘Inderdaad. Hoe meer de anderen zich herinneren, hoe moeilijker zij het hebben om nog een band met hen te voelen. Het gebruikelijke probleem. Jammer, ze waren allemaal behoorlijk hecht, al kunnen ze nog goed met elkaar overweg.’

Samuel keek naar een jongen uit het kleine groepje, die belaagd werd door de twee onderwaterzwemmers. De rest van de groep vond het best grappig, maar de jongen overduidelijk niet. Met een paar goedgerichte schoppen brak hij los uit hun greep en hij snelde naar de oever, de boze blikken en geroep achter zich latend.

‘Ik merk het,’ zei Samuel.

‘Dat is Erwin, je zult hem snel genoeg leren kennen,’ zei Gaetan. ‘Heel de groep zit in je klas. Hij lijkt het moeilijkste te kunnen omgaan met de wedergeboorte van de anderen.’

‘Ik kijk ernaar uit.’ Samuel luisterde niet meer naar wat Gaetan nog zei. In het water zag hij de rimpels, die door de bewegingen van de kinderen veroorzaakt werden, naar hem toekomen. Ze vloeiden samen en dreven weer uiteen. Net als de krullen op de puzzel­doos.

 

‘Waarom moeten we dit eigenlijk nog leren?’ Bij het horen van de instemmende geluiden van zijn mede­leerlingen, kruiste Aaron zijn armen voor zijn borst en leunde hij met een uitdagende glimlach op de werkbank.

‘Ik ken wel een paar redenen,’ antwoordde Samuel. Hij liep naar de werktafel van de jongen en pakte het onafgewerkte houten beeldje op. Hij draaide het om in zijn handen om het te bestuderen en zette het terug op de tafel. ‘Kijk naar de inkervingen die het gezicht gevormd hebben.’ Hij wreef liefdevol over het hout. ‘Je hebt het heel slordig gedaan, gehaast.’

‘Wat maakt dat uit?’ vroeg het meisje dat aan een aangrenzende tafel zat. ‘Er zijn machines genoeg die dit mooier en sneller kunnen.’

Samuel knikte. ‘Natuurlijk, maar dat betekent niet dat we zelf niets meer moeten kunnen.’

‘Dit is tijdverspilling,’ zei de jongen. ‘Binnen een paar jaar herinneren we ons precies hoe het allemaal moet, de meesten onder ons toch.’ Hij keek ostentatief naar een tafel in de hoek van het leslokaal, waar Erwin zich focuste op het beeldje dat voor hem stond. Het leek er niet op dat hij luisterde, toch kon Samuel zien dat de jongen krampachtig slikte en zijn kaken opeenklemde.

‘Jij misschien wel, Aaron,’ zei Samuel, ‘maar degenen die dit nog nooit geleerd hebben? En trouwens, herin­neren is niet hetzelfde als het ook kunnen doen.’

De bel maakte een einde aan de discussie. Het antwoord dat Aaron wilde geven, verdween in het gejoel van zijn klasgenoten die het einde van de week met plezier tegemoet zagen. De kinderen liepen naar buiten, na een haastig afscheid aan hun leraar.

Samuel was blij met de onderbreking. Na drie maanden lesgeven aan de klas wist hij dat hun discus­sies altijd eindigden in ruzie. Hij begon de tafels af te ruimen.

‘Kan ik u helpen?’ Een meisje stond in de deur­opening.

Samuel glimlachte naar haar. ‘Hoeft niet, Ilse. Ga maar naar huis.’

Ze knikte, toch bleef ze staan. Net toen Samuel wilde vragen of er iets was, zei ze snel: ‘Komt u ook naar de ceremonie?’ Haar wangen werden rood en ze wreef door haar haar. ‘Ik denk dat iedereen dat wel leuk zou vinden.’

Het duurde even voor Samuel begreep wat ze vroeg. De ceremonie van de wedergeboorte, natuurlijk. Het was het ritueel van volwassenheid dat plaatsvond in het jaar dat een kind twaalf jaar werd, wanneer de herinne­ringen van hun vorige levens echt terug begonnen te komen. ‘Zeker weten,’ antwoordde hij. ‘Dat wil ik niet missen.’

Ilse knikte opnieuw en liep weg.

Samuel grinnikte toen hij gegiechel in de gang hoorde. Hoofd­schud­dend ruimde hij het klaslokaal verder op. De houten creaties van zijn studenten deed hij zonder erbij na te denken in een doos. Zijn hand verstarde boven een beeldje dat op de tafel in de hoek van de klas stond. De tafel waar Erwin gewerkt had. De jongen was al een tijdje bezig met dit werk en nu leek het af te zijn. Dat was niet zo vreemd, ze waren al zes weken met dit project bezig. Toch was er iets speciaals aan. Hij pakte het voorzichtig op en bestudeerde de groeven die in het hout aangebracht waren. Op het eerste gezicht leek alles chaotisch te zijn, maar er was wel degelijk orde terug te vinden, een patroon dat alles met elkaar verbond. Hij voelde de gladheid van het hout, dat tot in de diepe groeven terug te vinden was. De detaillering en afwerking waren van een hoog niveau. Samuel wist niet zeker of hij dit zo gemakkelijk na zou kunnen doen, niet met de gebrekkige middelen waarmee Erwin dit gemaakt had.

Hij had dit eerder gezien, besefte hij opeens. De herinnering bleef net buiten zijn bereik, gaf alleen vage aanwijzingen over wat hij destijds gezien had. Het was lang geleden, in een van zijn eerste levens. Een ten­toonstelling van werk dat toen al oud was. Hetzelfde patroon, of toch bijna. En nu gemaakt door iemand die pas aan zijn eerste leven begonnen was.

Snel verliet Samuel het klaslokaal, het beeldje van Erwin nog in zijn handen. Hij liep naar het raam in de brede gang, dat een uitzicht bood over de speelplaats. Een grote groep kinderen had zich verzameld om op hun ouders te wachten of om snel nog een spel te spelen voor ze naar huis gingen. Hij kon in de kluwen van kinderen de blonde jongen niet meteen terug­vinden.

Zijn blik werd getrokken door een eenzame figuur aan de rand van de speelplaats. Samuel herkende Erwin, al kon hij zijn gezicht niet zien. De jongen stond met gebogen hoofd en leek zich af te sluiten van de wereld van gelach en spelende kinderen om hem heen. Hij straalde een verdriet uit die het hart van Samuel beroerde.

Toen een bal tot voor zijn voeten rolde, keek Erwin op. Zes jongens bleven op een afstandje staan, alsof ze niet dichterbij durfden te komen. Samuel zag dat Aaron uit het groepje jongens stapte en iets riep. Erwin leek eerst niet te reageren, vervolgens pakte hij de bal en smeet deze de straat op. Aaron reageerde zoals een twaalfjarige jongen meestal doet in een dergelijke situatie. Hij liep op Erwin af en gaf hem een duw. Erwin viel op de grond, maar sprong bliksemsnel weer op en vloog op Aaron af. De vijf andere jongens vormden een cirkel om het gevecht heen en schreeuwden iets dat Samuel niet kon verstaan. Ongetwijfeld aan­moedigingen voor Aaron, dacht hij. De roepende jongens werden al snel bijgestaan door andere kinderen. Net toen Samuel naar beneden wilde lopen om het gevecht af te breken, zag hij een leraar die de twee vechtende jongens uiteentrok. Erwin rukte zich los uit de greep van de leraar en liep zonder om te kijken weg.

Samuel staarde naar het beeldje in zijn handen. Er ontging hem iets, dat wist hij, maar wat? Een gevoel van ongerustheid bekroop hem, hetzelfde gevoel dat hij kreeg net voor een zwarte hemel losbarstte in een onweersstorm.

 

Er hing een rare geur in de ruimte, vond Samuel. De woonkamer was netjes onderhouden en de vrouw die voor hem zat en aandachtig naar Gaetan luisterde, leek hem niet een persoon te zijn die rare geurtjes zou verdragen. Net als de woonkamer was ze netjes. Het leek Samuel echter een geforceerd soort van netheid, iets dat zo is omdat het verwacht werd, niets meer. Misschien is het gewoon een speciale geurkaars, dacht hij. Met een glimlach probeerde hij de aandacht van Erwin te trekken. De jongen, die naast zijn moeder aan tafel zat, keek schichtig naar hem en wendde daarna zijn blik weer af. Net als altijd schrok Samuel van de priemende ogen en de uitdrukking van eenzaamheid die ze uitstraalden. Hij nam nog een slok van de waterige koffie.

‘Ik begrijp het niet,’ zei de vrouw. ‘Wat willen jullie nu precies? En wat heeft Erwin ermee te maken?’

Samuel negeerde de rillingen die over zijn rug liepen steeds wanneer de vrouw sprak. De schrille stem deed hem aan iemand denken die hij in zijn vorig leven gekend had, maar een gezicht kon hij op die herinnering niet plakken. Misschien had hij les aan haar gegeven? Haar leeftijd leek wel te kloppen. Hij haalde het beeldje uit de tas die hij naast zich had neergezet en zette het op tafel. De reactie van Erwin verbaasde hem. De jongen werd rood en schuifelde op zijn stoel, alsof hij overwoog om vlug weg te lopen.

‘Dit heeft uw zoon in de les gemaakt,’ zei Samuel. Hij zag dat de vrouw eerst apathisch naar het houten werkje keek en hem dan aanstaarde met een blik waar hij zenuwachtig van werd. ‘Het is een prachtig stuk,’ zei hij snel. ‘Ik ben echt onder de indruk van het talent dat Erwin heeft.’ Nog altijd staarde de vrouw hem zonder iets te zeggen aan. Samuel schoof het beeldje dichter naar de vrouw, onzeker over waarom ze hem zo aankeek.

‘Het leek ons een beetje… onverwacht,’ steunde Gaetan hem, ‘dat Erwin in staat is om dit te maken.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ De vrouw kneep haar ogen samen. Haar handen balden zich tot vuisten op de tafel.

Net een slang die haar prooi bestudeert! Samuel moest zich inhouden om niet zelf van de tafel weg te lopen, het huis uit en zich te verstoppen achter de eerste struik die hij vond.

‘Niets, mevrouw,’ zei Gaetan haastig. Hij probeerde op een sussende toon te spreken, maar leek al even geschrokken als Samuel van de vijan­dige blik van de vrouw. ‘We dachten alleen dat Erwin misschien toch geen eersteling is, dat hij onzeker is over wat hem overkomt. We willen hem gewoon helpen.’

‘Ik probeer mijn zoon goed op te voeden,’ zei ze, haar schrille stem steeg een octaaf terwijl ze sprak. ‘Dat is niet eenvoudig, zeker niet na het overlijden van zijn vader.’

Gaetan knikte bij elk woord dat ze zei in een poging om haar te kalmeren.

‘Erwin is een goeie jongen,’ vervolgde ze. ‘Jullie zouden hem moeten beschermen tegen die rotzakjes die hem iedere dag weer het bloed onder zijn nagels vandaan halen, in plaats van hierheen te komen om hem van liegen te beschuldigen!’

Op dat moment liep Erwin weg. De stoel, die hij in zijn haast omver­duwde, viel met een klap op de grond. Het geluid sneed door de tirade van zijn moeder heen, deed iedereen opschrikken.

‘Erwin? Kom terug!’ Zijn moeder greep naar de wandelstok die naast haar stoel stond en probeerde op te staan.

‘Laat mij maar,’ zei Gaetan. Hij volgde de jongen die de tuin ingelopen was.

Alleen met de moeder probeerde Samuel iets te bedenken om te zeggen. Voor hun vertrek, hadden Gaetan en hij alle mogelijke scenario’s proberen uit te werken. Geen ervan had hem voorbereid op de vrouw die tegenover hem zat. Druppels zweet vormden zich op zijn voorhoofd, hij durfde ze niet weg te vegen. Hij voelde zich gevangen in dit huis van opgelegde net­heid, van afgedwongen angst. ‘Ik ga eens zien of ik Gaetan kan helpen,’ zei hij. Het verbreken van de stilte hielp niet om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen. Toen hij wilde opstaan, greep de vrouw naar zijn hand.

‘Je kent me niet meer, toch?’ siste ze.

Samuel wilde zijn hand lostrekken. Het lukte niet. Ze had zijn hand vast in een ijzeren greep.

‘Maar ik ken jou nog wel!’ Haar ogen flitsten en druppeltjes speeksel hadden zich verzameld rondom haar mondhoeken. ‘Ik herkende je onmiddellijk toen je mijn huis binnenstapte.’

Samuel hoorde hoe ze het woord ‘mijn’ benadrukte, alsof het heel belangrijk was, iets dat hij zeker moest begrijpen.

‘Je mag dan wel herboren zijn, een nieuw lichaam hebben, toch ben je nog altijd die vuile smeerlap van vroeger. De leraar die altijd zo krampachtig probeerde om populair te zijn, zelfs al moest hij daarvoor meehuilen met de wolven. En nu kom je in mijn huis, om mijn zoon te beschuldigen.’

Ze is gestoord, dacht Samuel toen hij in haar ogen keek.

‘Hoe nobel moet je je nu wel voelen,’ vervolgde ze, ‘om mijn zoon te willen helpen met zijn probleem. Maar hem helpen tegen zijn pest­koppen, dat doe je niet. Alweer niet. Vuile hypocriet!’

Hij wilde zeggen dat dit net de bedoeling was, dat hij er alles aan wilde doen om Erwin te helpen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. Hij kreeg geen klank over zijn lippen, ook niet om Gaetan om hulp te roepen. Zijn hand begon pijn te doen, nog altijd kon hij zich niet lostrekken. Toen ze haar hoofd naast het zijne hield, rook Samuel die rare geur weer. Het was toch geen geurkaars. Die gedachte deed hem bijna hardop lachen, net op tijd kon hij het tegenhouden. Misschien ver­moordt ze me dan wel.

‘Iedereen was zo overstuur toen je stierf. Ik huilde mee met de andere meisjes uit de klas omdat dat mij het verstandigste leek, maar toen we twee dagen vrij kregen van school en ik thuis zat, lachte ik. Het waren de leukste dagen van dat schooljaar, toen werd ik tenminste niet gepest. En toen ze zeiden dat je verongelukt was, geloofde ik er niets van.’ Haar lippen raakten nu bijna zijn oor, het voelde bijna sensueel aan, alsof ze hem wilde verleiden. ‘Mijn vader werkte bij het bestuur en hij heeft het tegen mijn moeder verteld toen ze dachten dat ik al sliep. Je hebt zelf­moord gepleegd. Dat past wel bij de laffe, vuile smeer­lap die je bent.’

De vrouw fluisterde de laatste twee zinnen. Het leek Samuel echter of ze het met een megafoon in zijn oor riep. Hij merkte niet dat ze zijn hand losgelaten had en weer rechtop zat. De kamer draaide. Haar woorden waren als kometen neergeslagen in zijn hersenen, allesverwoestend.

Gaetan kwam de kamer weer binnen met Erwin. Als hij al merkte hoe Samuel zich voelde, liet hij dat niet blijken.

Toen ze het huis verlieten en afscheid namen, glimlachte de vrouw naar Gaetan. Ze schudde zijn hand en zei: ‘Bedankt dat je mijn zoon wilt helpen!’ Ze negeerde Samuel en smeet de deur dicht.

Helena, zo heet ze, dacht Samuel. De naam paste bij het jonge, blonde meisje dat altijd stilletjes in een hoek in zijn klas zat. Net als haar zoon, besefte hij.

 

‘Die vrouw is gek,’ zei Samuel. Hij en Gaetan liepen door het dorp dat in de vroege avond niet veel activiteit meer vertoonde. De herfst was mild geweest, tot nu toe. De eerste tekenen van de winter dienden zich al aan. De mensen die niet buiten hoefden te zijn, bleven liever in de warmte van hun huis. Samuel begreep hen best. Na opgegroeid te zijn in een tropische omgeving, was Weerzel een schok voor zijn lichaam.

‘Ze heeft het niet gemakkelijk gehad,’ zei Gaetan. ‘Haar man stierf bij een werkongeval toen Erwin pas geboren was. Ze is die klap nooit echt te boven gekomen.’

Samuel dacht terug aan de waanzin die hij in haar ogen gezien had. ‘Dat mag je wel zeggen, ja.’ Hij trok de sjaal dichter om zijn nek en blies in zijn handen. ‘Die wandelstok, heeft ze die overgehouden aan het onge­luk dat haar man gedood heeft?’ Hij huiverde bij het woord ‘ongeluk’.

‘Nee,’ antwoordde Gaetan. ‘Het was toen ze veertien was, als ik me niet vergis. Opeens begon ze last te krijgen aan haar linkerbeen. Geen dokter die iets kon vinden, maar het ging niet voorbij. Uiteindelijk werd besloten dat het psychosomatisch was. Een reactie van haar lichaam op iets dat ze in een vorig leven had meegemaakt. Iets zo traumatisch dat het zelfs na een hergeboorte haar bleef plagen.’

Ja, ze moet wel heel veel hebben doorgemaakt om zo te zijn! Die gedachte was niet eerlijk, dat wist Samuel. En als Helena gelijk had, had hij er ook schuld aan. Niet echt een leuke gedachte, maar wat als? Zover hij zich kon herinneren, waren er nooit problemen geweest, leken alle studenten kort voor zijn dood goed met elkaar overweg te kunnen. Ze was er echter heel overtuigd van. Er moest toch iets van waar zijn. En wat had hij tot nu toe al voor Erwin gedaan? En wat kon je dan al doen? Weer die rationele stem, deze keer zonder veel overtuiging. Hij had met Aaron kunnen spreken, de ouders van alle kinderen samenroepen, iets doen! Hij versnelde zijn stap, maakte zichzelf wijs dat hij dit deed om warmer te worden, maar wist dat hij dit deed om zo snel mogelijk weg te zijn van dat huis en vooral die vrouw. ‘Wat zei Erwin toen jullie buiten stonden?’

‘Niet veel,’ antwoordde Gaetan. ‘Hij heeft wel beloofd om ook aan de ceremonie deel te nemen.’

‘Dus hij gaf in feite toe dat hij wel herinneringen heeft?’ Samuel stopte en draaide zich om naar Gaetan.

‘Ja. Nee. Ik weet het niet. Dit gaat boven ons petje, dat weet ik wel. Morgen bel ik met de gewestelijke psychologe. Ze moet maar eens haar geld verdienen.’ Gaetan balde zijn vuisten. ‘Gedaan met zich te verstop­pen in een ivoren toren. Er zou een specialist in dit dorp zelf moeten wonen, maar daar hebben ze het geld en personeel niet voor. Zeggen ze toch. Dit had veel eerder aangepakt moeten worden. Alsof een kind het niet moeilijk kan hebben met al die herinneringen. We laten ze te vrij, geven ze niets mee behalve rituelen en wijze raad.’ Die laatste woorden sprak hij op een sarcastische toon uit. ‘Je zou denken dat we na al onze levens toch wel zouden weten hoe we dit het beste kunnen aanpakken.’

Ze liepen in stilte verder tot ze bij de voordeur van Samuels huis stonden. Hij was niet van plan iets te zeggen van wat Helena hem verteld had, maar de drang was te sterk. ‘Gaetan, ik moet je iets vragen.’ Samuel dwong de woorden uit zijn mond. ‘Is het waar? Dat mijn dood geen ongeluk was, maar zelfmoord?’

Gaetan reageerde alsof hij een klap in het gezicht had gekregen. Hij kromp ineen, hief zijn hand naar zijn mond.

Samuel legde zijn hand op Gaetans arm. ‘Je moet het me vertellen. Ik wil het weten, ik heb er recht op om het te weten.’

‘Je herinnert je niets van je laatste overlijden?’

Samuel schudde zijn hoofd. Hij had er nog niet eerder bij stilgestaan, dat was ook niet nodig. Niet iedereen herinnerde zich hoe hij of zij stierf. Sommigen herinner­den zich alles tot in het kleinste detail, anderen maar bitter weinig. Het was geen veel­besproken onderwerp, al was het ook niet echt een taboe. Samuel hoorde tot aan zijn laatste overlijden bij de eerste groep. Al was het niet altijd even duidelijk, toch wist hij hoe hij gestorven was, altijd weer. Drie keer in het kraambed, na een ongeluk, ouderdom, geweld, zowat alle variaties had hij al meegemaakt. Maar zelfmoord? Nee, dat zou hij zich toch moeten herinneren?

Gaetan twijfelde nog altijd. Uiteindelijk keek hij weg van Samuel en zei zachtjes:

 

‘Het leven is als:

gegrepen worden door je natuur

gegrepen worden door je obsessies

gegrepen worden door het overrompelende verlangen

om steeds jezelf zijn

steeds een ander

zachte hel in mij’

 

‘Die had ik nog niet gehoord,’ zei Samuel. ‘Wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik heb het geschreven kort nadat je …’ begon Gaetan. Dan schudde hij zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik wil het er niet meer over hebben.’ Hij liep weg, zijn handen diep in zijn vestzakken gepropt. Zonder afscheid te nemen en zonder om te kijken.

Begrijpelijk, vond Samuel. Alles was al gezegd.

 

Onder het steriele licht van de gloeilamp in de woon­kamer leek de puzzeldoos een onschuldig speeltje. Samuel had de doos uit zijn werk­plaats gehaald en staarde er nu al bijna een uur naar. Hij had nog altijd geen idee wie het gemaakt had en wat er in zat. Was het een cadeau geweest voor een lang vergeten ver­jaar­dag? Dat kan, maar waarom kon hij er zich dan niets meer over herinneren? Hij pakte de doos op en wreef over het ganse oppervlak. De zon aan de boven­kant, geflankeerd door graan. Aan de onderkant vormden de lijnen een maan die boven een blank land zweefde. Allemaal eenvoudige symboliek. De dag die gevolgd werd door de nacht om dan weer over te gaan tot de dag. Leven en dood, gevolgd door een weder­opstanding. Samuel was geen gelovig persoon, in tegenstelling tot sommigen die de eeuwige cyclus van reïncarnatie als een geschenk van een Schepper beschouwden. Toch sprak de symboliek van de doos hem wel aan. Simpel en toch met betekenis.

Met zijn vingers streek hij over de zijkant van de doos waarop zes andere symbolen aangebracht waren. Opnieuw graan, merkte hij. Daar­naast ook een hond, een bloem, iets wat leek op een wolk, een huis en nog een symbool dat hij niet kon thuisbrengen. Vijf golvende lijnen die boven elkaar lagen. Water, dacht hij opeens. Zijn ademhaling versnelde bij die gedachte. Als de doos wedergeboorte als thema heeft, wat betekenen die zes andere symbolen dan?

Samuel liet zijn duim rusten op het graan aan de zijkant van de doos. Hij duwde zachtjes. Het symbool gaf even mee, in de doos hoorde hij een lichte tik. Machteld… Hij schrok op en smeet de doos op tafel. Nu voelde hij zijn hart kloppen in hetzelfde ritme als zijn ademhaling. Waarom dacht hij nu aan haar? Had de doos iets met Machteld te maken? Had zij het hem gegeven? Het hout zag er niet zo oud uit, nog geen tweehonderd jaar oud. Hij stond op en liep naar de keuken, vulde een glas met water en dronk het in één teug leeg. Je bent tijd aan het rekken! Dat was waar, maar waarom? Wat zat er in die doos en waarom wilde hij het niet weten?

Hij nam een besluit en ging weer aan tafel zitten. Zijn handen trilden toen hij de doos weer oppakte. Het graan was dus het eerste deel van de puzzel, welke nu? Zijn vingers gleden over de vijf overblijvende symbolen. Opnieuw namen zijn handen de beslissing en hij drukte op de bloem. Weer gaf het symbool mee en hoorde hij een tik, luider dan de vorige. Samuel sloot zijn ogen toen de woonkamer gevuld werd met de geur van een bloem. Er was geen twijfel over welke bloem het was, zijn lichaam reageerde duidelijk genoeg. De koren­bloem, dezelfde die Machteld in haar haar droeg toen hij haar voor het eerst zag, voor het eerst kuste, voor het eerst met haar naar bed ging. Tranen gleden over zijn wangen bij de herinneringen die ongevraagd in hem opkwamen.

Samuel herkende het patroon van de puzzel en met dat besef kwamen ook de antwoorden op sommige van de vragen die hij had. De oplossing van de puzzel lag in zijn verleden, met Machteld. Na de bloem kwam de hond. Hij glimlachte toen hij de tik hoorde. Nu leek de bovenkant van de doos los te komen. De hond… Een vondeling die Machteld zo wanhopig probeerde te redden. Zo was ze nu eenmaal. Pragmatisch en toch had ze een groot hart voor alles wat leefde. Toen de hond stierf was ze ontroostbaar. Het bracht hen echt dichter bij elkaar, deed ze besluiten om samen te wonen. Dat leidde tot het volgende deel van de puzzel, het huis. Dit huis. Ze werkten allebei voor lokale boeren, dus was het niet meer dan normaal dat ze ook hier zouden wonen.

Na het huis kwam de wolk. Nee, dat niet. Te laat, zelfs al duwde hij niet op het symbool, de herinneringen bleven komen. Wat deed een jong koppel dat samen een leven wilde opbouwen? Ze hadden genoeg inkomen, een eigen huis en elkaar. De volgende stap was een kind. Machteld straalde toen ze zwanger was, al verliep de zwangerschap niet goed. Hij snikte luid toen hij het beeld van Machteld in een bed zag. Haar ogen gesloten en haar gezicht was even bleek als het laken. Het kind stierf een uur na zijn moeder. Een zoon die nauwelijks de warmte van de borst van zijn moeder gevoeld had. Het had niet mogen zijn, had de dokter gezegd. Samuel was op dat moment te verdoofd om te reageren. Een verdoving die jarenlang zou duren. Hij had tientallen kinderen gehad, zelf gebaard of als man zijn bijdrage geleverd. Meer dan een van zijn kinderen stierven jong, altijd pijnlijk, maar nooit zo pijnlijk als bij dit overlijden.

Het geluid van de tik joeg Samuel uit de herinnering. Hij had toch op het symbool gedrukt en zag dat de doos nu bijna helemaal open was. Hij zag iets, papier? Het bloed suisde in zijn oren, een nevel kwam voor zijn ogen. Alles wat hij gevoeld had terwijl hij de doos opende, verbleekte bij de panische angst die nu op­borrelde. Hij moest de doos onmiddellijk sluiten, ver­stop­pen, misschien zelfs verbranden. In zijn hoofd voelde hij de herinneringen die verbonden waren met het water langzaam opkomen. Nu of nooit …

De klik die de doos maakte toen Samuel het bovenste deel weer vast­duwde, klonk bijna beschuldigend. Niet vandaag, nam Samuel zich voor, maar spoedig. Hij was nog niet klaar voor de geheimen die verbor­gen waren voorbij de symbolen, onder het versierde hout. Je kunt het niet blijven uitstellen, lafaard! Hij huiverde bij die woorden, die gedachte kwam hem heel bekend voor. Het leek de leidraad te zijn van zijn levens in Weerzel. Misschien was het ook zo, maar hij wachtte nu al zo lang. Een paar dagen langer kon toch geen kwaad? Dat dacht je de vorige keer misschien ook. En je weet hoe dat afliep.

 

‘Hoe lang gaan ze het hier nog rekken?’ vroeg een man aan Samuel. ‘’k Heb honger!’

Nu al dronken? De geur van gebraden worst en geroos­terd varkensvlees dreef over de mensen heen, maar daar moesten ze nog op wachten tot na de cere­monie. De drank daarentegen vloeide al rijkelijk. Zelfs in zijn vorige leven wist Samuel al van voorstellen om alcohol niet meer toe te laten, of pas na de ceremonie. Het ging om de kinderen, niet om drank. Tot nu toe werden die voorstellen vlot weggestemd. Prioriteiten moeten duide­lijk zijn, dacht Samuel, als je iedereen wilt lokken, moet je ze ook iets geven natuurlijk. Hij grinnikte toen de zatlap onzeker wegliep naar een van de vele drankkraampjes die rond het plein opgezet waren.

Het was een zonnige dag, al bracht de zon niet veel warmte met zich mee. Het maakte Samuel weinig uit. Hij genoot van de opgewekte sfeer die om het stadshuis te vinden was. Het hielp om de aandringende rationele stem in zijn hoofd het zwijgen op te leggen, al was het maar voor even. De versieringen die het plein en het gebouw fleurig deco­reerden waren cultureel oecume­nisch. Ze waren een samen­bunde­ling van honderden verschillende culturen en gewoontes die door de inwoners zelf, in de loop van hun levens, verzameld waren en tijdens hun verblijf in Weerzel in de lokale cultuur opgenomen werden.

Het stadsgebouw zelf was een allegaartje van vormen en stijlen. Heerlijk lelijk vonden de inwoners het, Samuel inbegrepen. Het had een rechthoek als basis en bijgebouwen die eromheen gesmeten leken. Veel glas zodat het erbinnen altijd helder en vrolijk was. Op de gevel waren stenen ornamenten aangebracht en veel bakstenen hadden een afbeelding ingekerfd gekregen van plaatsen die een indruk nagelaten hadden tijdens een vorig leven van de vele ambachtslieden die aan dit gebouw gewerkt hadden. Het geheel was speels, een effect dat nog versterkt werd door de spitse toren die dertig meter hoog was en zo uit een sprookje leek te komen.

Toen Samuel het geluid van het klokkenspel hoorde, begaf hij zich naar de ingang van het gebouw. De ceremonie stond op het punt te beginnen. Halverwege de toren was er een balkon met twee glazen deuren die naar binnen leidden. De deuren werden geopend en het werd stil op het plein. Samuel vond een geschikte plek net naast de groep ouders wiens kinderen zo dadelijk naar buiten gingen komen om zich formeel voor te stellen aan de dorpelingen. Hij knikte naar de ouders van Aaron en ontweek met dezelfde beweging ook de blik van Helena die, leunend op haar stok, hem koud aanstaarde.

De mensen applaudisseerden toen een meisje op het balkon stapte. Samuel herkende Ilse meteen. Net als alle kinderen die aan de ceremonie deelnamen, droeg ze zelfgemaakte kleding en versieringen, gebaseerd op haar vorige leven, of wat ze er zich op dit moment al van kon herinne­ren.

Het meisje stapte met opgeheven hoofd naar de microfoon. Nu pas leek ze voor het eerst de menigte op te merken. Ze wreef snel door haar haar, erop lettend dat ze de veren en kralen niet aanraakte, schraapte haar keel en zei: ‘We willen u hartelijk danken voor uw aanwezigheid van­daag. We hopen dat u zich allemaal goed amuseert.’ Ze boog diep en wachtte tot het applaus uitstierf. ‘Mijn naam is Ilse,’ zei ze plechtig. ‘Ik heb grote delen van de wereld gezien, ben al vader en moeder geweest, jong en oud, geliefd en verliefd.’ Na die woorden hief Ilse haar hand naar haar mond, alsof ze zich moest tegenhouden om niet in lachen uit te barsten. Ze herpakte zich en zei met overslaande stem: ‘Maar nu ben ik hier, in Weerzel, en ik beloof jullie dat ik hier alles zal doen om gelukkig te zijn en om anderen gelukkig te maken.’ Ilse beëindigde haar eed door te zwaaien naar haar ouders en snel terug naar binnen te lopen.

De eed was aangepast, merkte Samuel. Minder formeel, zo vond hij het wel leuker. De oudere versie voelde militair aan, alsof de kinderen gere­kru­teerd werden. Hij zag dat de eerstelingen uit hetzelfde jaar als Ilse in een groepje bij elkaar stonden. Ze leken onder de indruk te zijn, een beetje verloren in het ritueel dat al zo lang gehouden werd en dat ze nu voor het eerst meemaakten. Erwin stond er niet bij, die stond bij de andere kinderen binnen te wachten op zijn beurt. Samuel had hem deze morgen gezien. Het gesprek met Gaetan had Erwin overduidelijk goed gedaan, hij glimlachte zelfs. En zijn ogen straalden niet langer die ondraaglijke eenzaamheid uit. De anderen van de groep, zelfs Aaron, hadden hem snel weer aanvaard, daar was Samuel blij om. Hij applaudisseerde mee toen een jongen op het balkon kwam en hakkelend de eed voordroeg.

‘Aaron is de volgende.’

Samuel glimlachte naar de moeder van de jongen en keek in blijde verwachting terug naar het balkon. Er kwam niemand. Geroezemoes vulde het plein toen de menigte zich begon te roeren. De ouders van Aaron keken vragend om zich heen, de moeder fluisterde iets in het oor van haar man die zijn schouders ophaalde.

‘Is dit normaal?’ vroeg ze uiteindelijk aan Samuel.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, hij zal zo wel komen.’ Nog altijd bleef het balkon leeg. Sommige ouders schuifel­den dichter naar de ingang van het stadsgebouw, onzeker of ze beter nog even konden wachten of naar binnen konden gaan om te kijken wat er aan de hand was. Samuel had hetzelfde probleem. Gaetan was bij de groep om ze te begeleiden, die had alles wel onder controle, dus bleef hij staan.

Toen er gegil door de open glazen deuren weerklonk, werd het muisstil op het plein. Heel even leek Samuel verlamd te zijn door het geluid. Pas bij de tweede gil stormde hij het gebouw binnen, gevolgd door drie andere leraren. Hij liep door de inkomsthal naar de smalle wenteltrap die naar de ruimtes in de toren leidde. ‘Gaetan!’ riep hij; het enige antwoord was opnieuw gegil. Halverwege hoorde hij gestommel en een mannenstem. ‘Gaetan!’ Met hernieuwde energie liep hij de trap op.

Samuel viel bijna toen iemand tegen hem opbotste en zich toen panisch aan hem vastklampte. Hij kneep even bemoedigend in het warme lichaam dat schokte van het huilen. Hij herkende de veren in het haar, veren die nu bezoedeld waren door iets nats, iets roods. Ondertussen waren er nog kinderen die de trap probeerden af te komen, opgejaagd door het geroep en gegil dat nog altijd voortraasde. Samuel trok het meisje van hem los. ‘Ilse,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd? Waar is Gaetan?’ Een blik in de betraande ogen van het meisje maakte hem duidelijk dat hij geen antwoord moest verwachten. Hij gaf het meisje door aan de man die achter hem stond te wachten en gebaarde naar de kinderen dat ze snel verder moesten lopen. Zelf liep hij verder de trap op. Bloed, verdomme, wat is er gebeurd?

 

‘Blijf uit mijn buurt!’

Samuel stond hijgend net buiten de kamer die naar het balkon leidde. Hij probeerde om het hoekje te kijken, te zien wat er aan de hand was, hij zag niets. De eigenaar van de stem die hij net hoorde stond blijkbaar in de andere hoek van de kamer, net buiten zicht. Hij verstarde toen hij een streep bloed op de grond zag. Het gesnik van de kinderen beangstigde hem. Hij moest zich dwingen om niet de kamer binnen te stormen, dat zou niet verstandig zijn. Niet tot hij wist wat er aan de hand was.

‘Ik waarschuw jullie!’

Samuel probeerde zich te herinneren hoeveel kinderen hem gepas­seerd hadden op de trap, hoeveel er dus nog in deze kamer bevonden. Minstens vijftien, samen met Gaetan. Die stem, wie is dat? Hij stak een vinger op als waarschuwing voor de twee mannen die net boven gekomen waren en waagde het om half in de deuropening te gaan staan. Zijn ogen volgden de rode streep op de grond, bleven toen gefixeerd op een jongen die dreigend voor de overblijvende kinderen stond. Een mes, was zijn eerste gedachte. Gaetan, zijn tweede. Zijn vriend lag zwaar hijgend op de grond, bloed stroomde tussen zijn vingers door. De kinderen zaten ineengedoken achter Gaetan. Zelfs gewond probeert hij ze nog te beschermen, dacht Samuel. Hij focuste zich helemaal op de jongen met het mes.

‘Erwin,’ zei Samuel.

De jongen draaide zich met een ruk om, het mes als een barrière tussen hem en de rest van de wereld. ‘Wat doe jij hier?’ riep hij.

Samuel stapte uit de deuropening en liep toen stap voor stap in een cirkel om Erwin heen, weg van de kinderen en Gaetan. Hij zag dat zijn vriend langzaam wegzakte, nauwelijks nog zijn handen op de wond kon houden. Concentreer je! Hij stak zijn armen op en toonde Erwin zijn open handen. ‘Blijf rustig, Erwin. Alles komt wel in orde.’

De jongen haalde naar Samuel uit en trok zich weer terug. ‘Jullie hebben het allemaal op mij gemunt.’

‘We kunnen je helpen, Erwin,’ zei Samuel op een rustige toon. Hij stond nu met zijn rug naar het balkon gericht. Hij registreerde het geroep dat van het plein de kamer binnenkwam, liet het over hem heen glijden. ‘Geef gewoon je mes af, dan kunnen we allemaal naar beneden gaan en alles rustig bespreken.’ Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de andere mannen nu ook in de deuropening stonden, klaar om in te grijpen. Hij zwaaide met zijn rechterhand en hoopte dat ze het teken zouden begrijpen.

Erwin scheen de andere volwassenen niet gezien te hebben. Samuel keek recht in de ogen van de jongen en wist niet zeker of Erwin hem zelfs maar zag.

Het gezicht van de jongen was lijkbleek, zweet stroomde over zijn wangen en zijn mond was verwrongen in een brede grijns. Hij kneep zijn ogen dicht en richtte het punt van zijn mes op het hoofd van Samuel. ‘Ik weet wie jij bent! Het is tijd om te boeten.’ Hij stond op het punt naar Samuel te lopen, toen een paar kinderen naar buiten probeerden te lopen. Erwin draaide zich bliksemsnel om, de kinderen drukten zich gillend tegen de muur.

‘Erwin!’ Samuel bereidde zich voor om zich op de jongen te werpen als hij nog een stap dichter bij de kinderen kwam. Tot zijn verbazing draaide de jongen zich weer om. ‘Je moet mij toch hebben?’ zei Samuel. ‘Laat de anderen gaan, ik blijf hier.’

De jongen lachte. ‘Daar heb je gelijk in, jij gaat nergens meer heen.’

Samuel huiverde bij het horen van die woorden. Opnieuw kreeg hij het gevoel alsof Erwin hier niet echt was, alsof hij een traumatische herinne­ring herbe­leefde die de jongen niet meer kon bedwingen. Hij stapte achteruit toen het mes flitsend op zijn keel afkwam. Bij elke zwaai van het mes stapte Samuel naar achteren, tot ze allebei op het balkon stonden. Toen Samuel de reling op zijn rug voelde, wist hij dat hij iets moest doen. Een blik in de kamer wees uit dat de kinderen weg waren, de twee mannen stonden nu bij Gaetan die geen teken van leven meer gaf.

‘Erwin!’ Een vrouwenstem brak door het geschokte gegil van de mensen op het plein.

De jongen knipperde met zijn ogen, staarde verbaasd naar het mes in zijn handen, het bloed op het lemmet. Zijn lippen begonnen te trillen. ‘Mama?’ Hij knipperde met zijn ogen, bracht zijn hand naar zijn mond.

‘Erwin?’ zei Samuel zachtjes. Met zijn linkerhand greep hij voorzichtig naar het mes. ‘Geef het aan mij, jongen, alles komt wel goed.’

‘Nee. Je hebt me voor de laatste keer belazerd! Deze keer snij ik je strot door.’ De ogen van de jongen vertroebelden, zijn kaken klemden zich op elkaar.

Samuel pakte het mes bij het lemmet vast. Erwin probeerde het los te rukken, maar Samuel gaf niet toe aan de pijn en trok de jongen naar zich toe. Hij klemde Erwin tegen zijn borst, maar kon hem nauwelijks onder controle houden. De jongen beet in zijn arm, schopte wild en klauwde naar de ogen van Samuel. Na een schop tegen zijn knie, verloor Samuel zijn greep. De jongen viel op de grond, sprong snel weer op en liep naar binnen.

In een laatste poging grabbelde Samuel naar de loshangende kleding van de jongen. Hij voelde de stof scheuren, zag dat Erwin naar links gesmeten werd door de kracht van de ruk, struikelde en door de relingen van het balkon naar beneden viel. De gil van Helena sneed door het geroep van de andere mensen heen.

 

Samuel zat in het bureau van de gewestelijke psychologe. De vrouw was het gesprek begonnen met dezelfde woorden die hij de hele week al gehoord had. Zo jammer wat er gebeurd was, maar het was niet zijn schuld. Het was een ongeluk. Zelf was Samuel daar niet zo zeker van. Die ogen… Hij had sneller moeten reageren, Erwin meteen overmeesteren. Voor Gaetan had dat niet meer uitgemaakt, maar misschien leefde de jongen dan nog wel.

‘Uw beslissing heeft ons verrast,’ zei de psychologe.

Samuel glimlachte, negeerde de stekende pijn in zijn hand en zei: ‘In Weerzel blijven lijkt me geen optie meer.’

‘Natuurlijk wel, u bent een ervaren leraar. Ik hoop dat u zich niet teveel laat leiden door wat er gebeurd is. Erwin was een jongen die geplaagd werd door proble­men. Het bestuur houdt u voor niets verantwoordelijk, ook niet voor de pesterijen die misschien wel tot deze tragedie geleid hebben.’

En daar ben ik niet zo zeker van! De vraag wat Erwin precies tot zijn wan­hoopsdaad gedreven had, was het gespreksonderwerp van de week in het dorp. Helena had de vinger gewezen naar de andere kinderen in zijn klas. Pesterijen die te lang ongestraft bleven. En mis­schien had ze gelijk. Die ogen, dacht Samuel opnieuw, daar zat meer in dan een gekwetste jongen die te laat en te weinig hulp kreeg. Veel meer. Hij schudde zijn hoofd.

‘We hopen dat u zich toch nog bedenkt,’ zei de vrouw. ‘Het is nooit een goede zaak als een drama u naar overhaaste beslissingen voert.’

Erwin had niet geschreeuwd toen hij naar beneden viel, dat wist Samuel zeker. Dat had hij niemand verteld, niemand zou hem trouwens geloofd hebben. Hoe kon hij dat weten? In de verwarring van het moment, het geroep van iedereen op het plein was dat niet te bepalen. En toch wist hij het zeker. Erwin scheen hem opgelucht te zijn, alsof hij wist dat hij bevrijd zou zijn van wat hem ook kwelde. Tenminste, tot de volgende wedergeboorte. Heel even twijfelde Samuel om alles aan de psychologe te vertellen, zijn hart te luchten. De puzzeldoos, Machteld, alles. Misschien had dat Erwin wel kunnen redden, iemand hebben waar hij alles aan kwijt kon. Zodat hij zijn verleden los kon laten, zodat het hem niet meer zo kon belagen. ‘Wees gerust,’ zei hij. ‘Ik heb tijd genoeg gehad om erover na te denken.’ Meer dan tweehonderd jaar, dacht hij.

‘U moet beseffen dat dit geen lichtzinnige beslissing is. U gaat alles achterlaten, zonder enige garantie dat u ooit kunt terugkeren.’ De vrouw pakte haar glas op en nam een slok water.

Water… Na de crematie werd de as van Gaetan over de vijver verspreid, een geliefkoosde plek hiervoor. Machteld had dezelfde laatste wens gehad. Het zesde symbool op de puzzeldoos was dus logischerwijze water. De herinnering aan Machteld beet nog altijd hard in zijn ziel, maar dat leek na het nemen van zijn beslissing toch al minder te zijn. Na de uitstrooiing had Samuel de doos zonder te openen in zijn tuin begra­ven. De brieven die Machteld hem geschreven had in haar volgende leven hoefde hij niet nog eens te lezen. De herinnering hield zich schuil tussen de tienduizenden anderen. Alle brieven kwamen op hetzelfde neer: ‘Ik kom niet, ik kan het niet. Het spijt me.’ Was het zelf­bescherming of mezelf gewoon iets wijsmaken? Daar had hij nog geen antwoord op. Het maakte hem niets uit. De belofte die hem zo lang aan dit dorp gebonden had, was een droom geweest, gebaseerd op herinneringen van een lang vervlogen tijd. Het was tijd om die belofte achter hem te laten. En mis­schien had hij zo tijd genoeg om te voorkomen dat zijn herinne­ringen een nachtmerrie werden, zoals bij Erwin het geval was. Hij stond op, legde zijn hand op zijn borst en zei:

 

‘Je dood omvat me

je afschijnsel in mij

is gestorven

voorbij het eeuwig wederkeren

als ik je terug zal zien

zal jij het dan die wel zijn

die mijn verdriet stilt?’

 

De psychologe staarde hem aan alsof ze naar een krankzinnige keek. Samuel glimlachte nog eens naar haar en zei: ‘Een gedicht dat ik geschre­ven heb voor een goede vriend van me. Hij heeft me jarenlang wijs­gemaakt dat poëzie louterend kan zijn. Geen idee of het zo is, maar ik ben nog maar net begonnen natuurlijk.’ Hij hief zijn tas op zijn rug en verliet de kamer. De tas, gevuld met kleding en foto’s, die zwaar op zijn rug woog toen hij in Weerzel kwam, leek nu vederlicht.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

De nagedachte : Frank Norbert Rieter

De wekker ging en ik wist meteen dat het een andere dag zou worden. Mijn man sloeg niet meteen op de snoozeknop. Ik gaf hem een por in zijn rug. Welke idioot zet een wekker voor zondagochtend? Ik zuchtte en kreunde. Ik was nog niet uitgeslapen, maar het irritante gepiep viel onmogelijk te negeren. Ik klauterde lomp over de slapende massa naast me heen en gaf het onding zelf een klap. Mijn man onderging het zonder een krimp te geven. Ik viel weer neer op mijn eigen helft, maar was natuurlijk alsnog klaarwakker. Dan toch maar opstaan. Ik wierp een verwijtende blik op mijn wederhelft.

Roerloos lag hij daar, alsof hij dood was. Nog even was dat een nonchalante gedachte die zo weer zou vervliegen. Dus stond ik op en ging naar de badkamer om te douchen. De kraan draaide ik nog open, maar ik stapte niet onder de straal. Het roerloze stilzwijgen zat me niet lekker. Ik liep terug.

‘Ik ga vast douchen,’ riep ik hard. ‘Zet jij zo een raam open!’

Geen reactie. Geen spoor van beweging. Mijn maag en darmen trokken samen.

Gisteravond was hij nog kiplekker geweest. Alhoewel. Hij hijgde als een trekpaard tijdens ons ‘intiem kwartiertje’ en hij ging vroeg naar bed terwijl ik opbleef voor de nachtfilm. ‘Ik ga vast,’ had hij gezegd, zonder toelichting. Zonder nachtzoen. ‘Ik kom later,’ zei ik daarop. Toen ik uiteindelijk naar bed ging had ik hem niet meer wakker gemaakt. Ik had hem niet meer gekust of welterusten gezegd. Hij kon niet dood zijn. Zo mocht het niet aflopen.

Ik liep om het bed heen, draaide de alarmwijzer van de wekker door tot hij opnieuw afging. Ik hield het piepende onding naast zijn oor. Zijn huid zag bleek. Zijn mond hing open, op niet echt charmante wijze. Het had iets koddigs. Mijn beer in winterslaap. Als hij maar wel zo wakker werd.

Hij kon niet dood zijn. Hij had zo vaak gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. We zouden als we eenmaal oud, versleten en ongezond waren, samen een drankje nemen om er een einde aan te maken. En als er al iemand eerder zou gaan, zou ik het zijn. Hij was wel tien jaar ouder, maar ik was degene met de vage kwaaltjes. Hij was kerngezond. Hem mankeerde nooit iets.

Maar hij haalde geen adem, of niet dat ik kon bespeuren. Hij lag op zijn zij, met zijn gezicht aan de rand van het bed. Ik hoorde geen gesnurk. Geen zuchtje kwam over zijn lippen. Ik zette me schrap en draaide hem op zijn rug, half op mijn helft. Zijn huid voelde koud, niet alleen op zijn bovenarmen, waar het vet altijd koud was, maar overal. Zijn voorhoofd, zijn handpalmen en borst. Ik legde mijn handen op zijn buik en voelde onder de deken tussen zijn dijen. Een weeë geur kwam me tegemoet. Het leek alsof hij het een beetje had laten lopen. Overal was hij koud en klam.

Ik liet de betekenis ervan niet tot me doordringen. Ontkennen en verdringen, dat waren mijn beproefde tactieken voor zo’n beetje alles waar ik geen zin in had. En ik had hier helemaal geen zin in.

Hij kon niet dood zijn. We hadden ons leven net zo goed op orde. De hypotheek was afgelost. De kat was eindelijk dood. We hadden net een appartementje gekocht in Torrex Costa. Nog een paar jaar en hij kon met pensioen. Dit paste helemaal niet in de planning.

Het leek me beter om me eerst te douchen en aan te kleden. Misschien was ik nog niet helemaal wakker. Ik was door het irritante wekkerding in een soort mini-psychose geraakt. Dat moest er een keer van komen: ik had me altijd al geërgerd aan dat piepje. Ik liep snel terug naar de badkamer en stapte alsnog onder de stortdouche. Ik draaide hem eerst lekker heet en daarna flink koud en vervolgens weer terug. Ik zeepte mezelf goed in met zachte zeep en scrubde mijn huid met een ruw washandje om alle nachtgedachten te verdrijven.

Als ik was aangekleed, zou ik eerst voor het ontbijt zorgen. Ontbijt op bed, dat leek me een goed plan. Het idee sprak me zo aan, dat ik meteen de douche uit deed, me vluchtig afdroogde, mijn badjas aanschoot en naar beneden toog. Dat was al weer lang geleden dat we dat gedaan hadden: samen op bed ontbijten. Het hoefde niet heel uitgebreid te zijn, maar gewoon gezellig. Een paar beschuitjes en een kop koffie. Een mens kon niet echt wakker zijn zonder ochtendkoffie.

Voortvarend zocht ik alle benodigdheden voor de perfecte ochtend bij elkaar. Het beschuit, de hagelslag, de jam en de kaas. Ik had geen geduld voor versgeperste sinaasappels of dingetjes uit de oven. Ik wilde zo vlot mogelijk weer naar boven. Ik stofte het dienblad af terwijl de koffie doorliep. De ochtendzon strooide een paar stralen de keuken in. Ik kneedde een glimlach om mijn mond en voelde me echt even opgetogen. Ik was zo weggelopen uit een blue band-reclame.

Nog even snel naar het toilet, want ontbijt op bed liep altijd uit op ochtendseks, en ik was er helemaal klaar voor. Ik tilde het dienblad voorzichtig naar boven. Een paar stappen op de overloop en ik stond in onze slaapkamer. Er was niets veranderd.

Rustig zette ik het dienblad op de dekenkist aan het voeteneinde. Ik gooide de gordijnen open.

‘Koffie,’ zei ik. ‘Lekkere ochtendkoffie.’

Geen reactie.

 

Hij was echt dood, drong het tot mij door. Er was geen andere conclusie mogelijk. Ik moet nu heel verdrietig zijn, dacht ik, maar ik voelde vooral verontwaardiging die langzaam aanzwol tot tierende woede. De hufter. Zo waren we niet getrouwd! Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.

Ik kneep in zijn neus. En ik sloeg hem hard in zijn gezicht.

‘Je hebt me beloofd nooit dood te gaan,’ zei ik. ‘Klootzak.’

Dat had hij natuurlijk nooit letterlijk zo gezegd, maar ik had helemaal geen zin om genuanceerd te zijn. Ik kon veel van hem hebben, maar dit niet. Wat ik allemaal wel niet doorstaan had. Nachtenlang gesnurk. Zijn ochtendhumeur. Zijn midlifecrisis-dingetjes. Zijn motor. Het geflirt en geflikflooi met anderen.

Ik dacht aan zijn dertig jaargangen Weird Tales die hij uit nostalgie en voor veel te veel geld op e-bay gekocht had. Hij keek ze nooit in. Ik rende naar de werkkamer, greep een willekeurige tijdschriftcassette en nam hem mee naar de slaapkamer. Ik smeet de hele bak door de kamer.

‘Hier,’ riep ik.

Er gebeurde niks en de tijdschriften fladderden doelloos rond. Eén landde er op het dienblad en stootte een koffiekopje om. Niets sneuvelde. Ik stapte naar voren, zette mijn handen onder het dienblad en gaf een ferme duw omhoog. Het volledige ontbijt vloog door de kamer. De koffie, de beschuitrol, de hagelslag. De kopjes braken. De jampot stuiterde over de vloer en liet putten in het laminaat achter. Het was me niet genoeg. Ik stampte op de beschuitrol en scheurde een tijdschrift aan flarden. Met een welgemikte trap vloog de lamp op zijn nachtkastje tegen de muur aan.

‘Je ruimt het allemaal maar zelf op,’ schreeuwde ik. ‘Ik doe niks meer.’

Het luchtte niet echt op en door mijn hele lijf gierde een machteloze woede die ik nooit eerder gevoeld had. Als hij er vandoor was gegaan met een jonger ding had ik niet bozer kunnen zijn. Het was woede, maar meer dan woede. Ik voelde me verraden. Wraak, dacht ik. Ik moet je iets aandoen.

De lamzak lag er onaantastbaar bij.

‘Wacht maar,’ zei ik tussen mijn tanden. ‘Ik weet wat ik ga doen.’

Ik greep mijn iphone van mijn nachtkastje en wist dat ik ergens nog de laatste vakantiefoto’s had staan. Ik had er één gemaakt waar hij grondig de pest aan had. Op het naaktstrand. Hij boog net voorover om de zonnebrand te pakken. Alles hing erbij: zijn mannentieten en z’n vadsige padjakkerbuik. Zijn trots leek minuscuul. Zijn mond hing scheef en hij keek me vanuit die positie aan alsof hij loenste. Het was een geweldige foto. Hij bezwoer me hem direct te verwijderen. Wat ik deed, maar natuurlijk niet ook uit de cloud.

Een paar klikken en hij stond online, te kijk voor de hele wereld.

Er waren meer foto’s waar hij de pest aan had. Ik snelde naar de werkkamer. Daar klom ik op de Bekväm en greep naar de rode archiefdoos op de bovenste plank. Daarin zaten de albums met zijn kinderfoto’s. Ik zocht snel naar de foto waarvan ik wist dat hij hem verafschuwde. Hij was een jaar of twaalf, door zijn moeder aangekleed voor zijn vormsel.

Hij zag er op die foto eigenlijk heel leuk uit. Echt zo’n mooi jongetje. Hij straalde helemaal, alsof hij werkelijk in de heiligheid van het ritueel geloofde. Ik weet niet waarom hij zo’n hekel aan die foto had. Ik zette de doos weg. Het voelde zinloos.

Ik plofte naast hem neer op het bed. Ik moet eigenlijk heel verdrietig zijn, dacht ik opnieuw. Ik hamerde een paar keer hard met mijn vuisten op zijn borstkast. Boos op hem, boos dat de tranen die ik in mijn ogen voelde, alleen tranen van frustratie waren.

Even meende ik een ademtocht op zijn lippen te zien.

‘Ja,’ zei ik. ‘Doe je best maar.’ En ik begreep ineens waarom er bij mij nog geen tranen kwamen. Het was nog geen tijd voor afscheid. Hij zou niet zomaar vertrekken en mij eenzaam achterlaten. Het ging om ons. Wij waren samen, voor eeuwig en altijd. Dat had hij beloofd en daar zou ik hem aan houden.

 

Zou het nog zin hebben om hem te reanimeren? Het viel allicht te proberen. Ik had nooit een EHBO-cursus gevolgd, maar ik had genoeg seizoenen E.R. gezien om een poging te wagen. Ik ging naast mijn beertje op mijn knieën zitten, vouwde mijn handen ineen en drukte een paar keer kort maar krachtig op zijn borstbeen.

Ik pakte zijn hoofd vast, trok het achterover en zette mijn lippen op zijn mond. Ik ademde diep uit. De lucht stroomde deels via zijn neus weer tegen mijn wang aan. Ik kneep zijn neus dicht, haalde even adem en blies opnieuw mijn longen leeg. Hoe vaak zou dit moeten, vroeg ik me af. Een Smintje had hem geen kwaad gedaan.

Ik duwde nog een paar keer op zijn borstkas en hoorde iets kraken. Ik was hier helemaal niet handig in en mijn knieën deden ook al zeer. Dit was niks voor mij. Ik moest iets anders verzinnen.

Ik zat op de rand van het bed. Nog steeds strijdlustig, maar een beetje clueless. Bij House M.D. kwamen ze als iemand een hartstilstand had altijd direct met van die elektrische dingen aan zetten. Terwijl ik dat dacht viel mijn oog op de lamp die op het nachtkastje had gestaan. De kap lag eraf en de peer was aan diggelen. Ik schroefde het restant van de peer uit de fitting. Ik verlegde één arm zo, dat de hand over de rand van het bed hing. Het was natuurlijk handig als de vingers een beetje van elkaar zouden staan dus duwde ik de Vicks inhaler die op het nachtkastje lag tussen pink en ringvinger. Geconcentreerd manoeuvreerde ik de fitting van de lamp zo dat de pink er netjes in stak. Ik klikte de lamp aan.

Zijn lichaam schokte even en meteen daarna hoorde ik een knal. Ik probeerde de plafondlamp, maar die deed niets. Weg stroom. Ik had nooit gesnapt waar dat goed voor was, zo’n stoppenkast. Je had er niets dan ellende van.

Ik rende naar beneden, deed in de gang de meterkast open, zette alle knopjes die ik kon vinden weer omhoog en rende terug naar boven.

Poging twee. Zelfde resultaat. Op deze manier kreeg hij wel steeds een korte stroomstoot. Het was niet handig om tussendoor heen en weer naar beneden te rennen, maar als dat was wat er voor nodig was…

Om wat te doen, eigenlijk, vroeg ik me nog eens af toen ik voor de veertiende keer hijgend boven kwam. Het zweet stroomde over mijn rug en mijn oksels walmden alsof ik in geen jaren gedoucht had. De stroomstoten gaven hem wel steeds een opdoffer, maar daarna lag hij er net zo lamzakkerig bij als altijd. Moest ik nog een keer heen en weer de trap op en af rennen? Ineens zag ik mezelf met dat dilemma op televisie naast dr. Phil zitten. Hij keek me peinzend aan en stelde de meest retorische vraag aller tijden. How is that working for you?

Ik gaf mezelf een paar petsen in mijn gezicht. Nee, ik ben er de persoon niet naar om tegen beter weten in dingen te blijven doen die niet werken. Ik moest iets anders verzinnen om mijn echtgenoot voor de poorten van het hiernamaals – hellepoort of hemelpoort, het zou me een worst wezen – weg te slepen.

Voor reanimeren was het misschien hoe dan ook een beetje laat. En als je van het piepen van onze wekker niet wakker schrok, hielpen een paar stroomstoten er ook niet meer aan. Het was tijd voor grover geschut. Maar hoe, dat was de vraag. Gelukkig hoef je zelf niet alles te weten. Ik zou het grote orakel raadplegen. Ik pakte mijn iphone en had met een paar tellen een handig youtube-filmpje te pakken dat stap voor stap liet zien hoe je zelf thuis met een ritueel een dode tot leven kan wekken. Het filmpje werd ingeleid door een nogal nerdy jongeman met een vies baardje. Hij was gekleed in een slecht genaaid gewaad van oude lakens. Hij stond in een betonnen keldergewelf dat sfeervol was gemaakt met kerstverlichting, plastic schedels en posters van Marilyn Manson.

Ik liet me door de entourage niet afleiden en luisterde aandachtig naar de hijgerige fluisterstem van de baardmans. Hij begon met een opsomming van alles wat ik nodig had. Kaarsen om in een kring om het subject te zetten. Kaarsen had ik genoeg in huis. Ik zette het filmpje op pauze en rende heen en weer naar beneden. Ik was van ons tweeën degene van de kussentjes, de frutsels en de sfeerverlichting. Je moet het in huis toch een beetje gezellig maken. En dus hamsterde ik iedere uitverkoop stompkaarsen, in de hoop op veel romantische hoogtijdagen. Het waren er veel. Kaarsen, dan. Ik kocht ze wanneer ik ze maar tegen kwam en het aantal romantische hoogtijdagen snoepte maar mondjesmaat iets van de voorraad af.

Dat kwam nu goed van pas: ik zeulde de hele voorraad naar de slaapkamer.

Kaarsen op bed was niet handig. Ik had meer ruimte nodig. Mijn beertje was niet de lichtste maar met omrollen kreeg ik hem wel uit bed. Met een doffe klap viel hij op het laminaat.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Het is voor de goede zaak.’

Hij lag er bepaald niet fris bij en met het beddengoed maakte ik hem een beetje schoon. De lakens draaide ik in elkaar en mikte de boel direct in de wasmachine.

Op de vloer van de slaapkamer was net genoeg plek. In een mooie cirkel kon ik de kaarsen niet zetten, maar het waren er wel genoeg om ze drie rijen dik om hem heen te plaatsen. Ik was zeker een half uur bezig om ze allemaal aan te doen – en de gasaansteker bij te vullen; zo’n ding is altijd leeg als je hem nodig hebt – maar toen zag het er prachtig uit.

Ik zette het youtube-filmpje weer aan. De baardmans hield een boekje omhoog. Een exemplaar van John Miltons Paradise Regained. Een dichtwerk. Mijn beertje verzamelde boeken zoals ik kaarsen en kussentjes verzamel. We hadden zoveel boeken in huis – stofnesten zijn het – dus ik twijfelde er niet aan of we zouden dit werk ook wel in huis hebben.

In de boekenkasten stond natuurlijk niets op alfabetische volgorde. Het was zijn domein, dus een chaos. En waar moest ik zoeken? In de kast met Engelse boeken? De kist antiquarische werken? De hoek met lievelingsboeken? De schap met dichtbundels? Ik verfoeide zijn intuïtief-thematische indeling. Als hij definitief het loodje zou leggen, zou ik alle boeken op kleur sorteren.

Ik haalde alle boeken één voor één uit de kast, en sorteerde ze stiekem meteen op kleur en grootte. Als ik dan toch bezig was, kon ik ze meteen even afstoffen en met een klamme doek afnemen.

Het is trouwens niet zo dat ik zelf niet van lezen houd, maar als ik ze uit heb, gaan ze meteen met het oud papier mee. Opgeruimd staat netjes. Sinds een paar jaar heb ik een e-reader.

Dan heb je zoveel boeken in huis, maar natuurlijk nooit precies het boek dat je nodig hebt. Uiteindelijk vond ik tussen de dichtbundels een boekje met de juiste titel. Het was door een ander geschreven, ene H.Marsman. Het moest maar voldoen.

Met het boekje onder de arm, startte ik het Youtube filmpje weer. De baardmans praatte verder.

‘Very important,’ benadrukte hij. ‘A silver sacrificial knife.’

We hebben een complete bestekcassette in huis, dus toen ik de woorden sacrificial knife voor de zekerheid in google translate typte was ik er nog van overtuigd dat we zoiets zeker zouden hebben. Een offermes. Hmmm. Van zilver. Uit de voorkamer pakte ik de brievenopener en ik zocht in de keuken de wildschaar. Beide waren in ieder geval van zilver en met een beetje goede wil kon je zeggen dat ze voor rituelen geschikt waren. Ze moesten maar voldoen.

Terwijl ik de wildschaar met wat soda en aluminiumfolie in een teiltje aan het leggen was, hoorde ik een hels gepiep van boven. Ik was beneden langer bezig geweest dan ik had gedacht en was helemaal de kaarsen vergeten. Ik rende naar boven en zag op de trap al de blauwe rook over het plafond lopen. In de slaapkamer zag ik vlammen likken aan het behang.

Ik herinnerde me de eindeloze discussie die we ooit in de Ikea hadden over het al dan niet aanschaffen van een brandblusapparaat. Het ding was rood en ik wilde hem niet in huis. Mijn beertje hield voet bij stuk: ze waren in de aanbieding en hij nam er één mee. Het apparaat moest ergens in huis zijn, maar waar dan toch? Ik had het idee dat ik hem vanochtend nog had zien staan. In het gootsteenkastje stond zo’n beetje de hele huisraad aan gekleurde flessen, maar geen brandblusser. Niet in de boekenkast, niet bij de kaarsen. Ik vond wel een plaid, waarmee ik wellicht wat vlammen kon uitslaan. Die nam ik mee. Maar die brandblusser… Ook niet in het kastje waar de navulbus voor de gasaansteker lag. Ik moest even gaan zitten en rustig nadenken. Dan zou ik er zo opkomen.

Ineens bedacht ik me dat ik mijn beertje beter wel uit de vlammen kon halen als ik hem nog tot leven wilde wekken. Ik rende naar boven en kroop over de vloer de slaapkamer in om niet met mijn hoofd in de rook te lopen. De halve slaapkamer stond inmiddels in lichterlaaie, maar mijn beertje lag er relatief ongeschonden bij. De kaarsen hadden alleen zijn rechter arm in de hens gezet. Ik gooide de plaid over hem heen en hoopte dat het gebrek aan zuurstof de vlammen zou doven.

Hij moest hier weg, realiseerde ik me. Gelukkig was onze laminaatvloer redelijk glad en daarom lukte het me om mijn beertje te verplaatsen. Ik duwde en schoof hem de overloop op. Ik keek onder de plaid. Zijn arm zag er lelijk uit. Hij leek te smeulen. Water, dacht ik. Ik moet hem onder de douche zetten.

Ik kreeg warempel wat handigheid in het gezeul met zijn logge, naakte lichaam. Ik zette m’n worsteltocht voort en trok hem de badkamer in. Ik zette de douche aan en duwde hem er half onder, zodat zijn arm in de waterstraal lag.

Nu moest ik nog iets met dat vuur, maar wat? Toch maar de brandweer bellen? Ik had zo geen zin in werkmensen over de vloer.

Ineens hoorde ik zware stappen de trap oprennen. Snel bond in mijn ochtendjas goed dicht en liep de gang op. De deur van de badkamer sloot ik zorgvuldig achter me. In de slaapkamer zag ik onze buurman met een brandblusser in de weer. Wat een hoop schuim komt er uit zo’n klein rood dingetje. In een mum van tijd waren alle vlammen gedoofd. Buurman – hij heet Henk of Frits of zoiets, ik kon het nooit onthouden – gooide de ramen open en hij hoestte en rochelde de rook uit zijn longen.

Ik stond daar een beetje bedremmeld in mijn ochtendjas, met mijn handen in de zakken gestoken. Links voelde ik de briefopener, rechts de dichtbundel en mijn iphone.

De buurman hoestte nog een paar keer en spuwde een fluim het open raam uit. Hij draaide zich om, keek de slaapkamer rond. De kaarsen, de haastig terzijde geschoven resten van het ontbijt, het van linnengoed ontdane bed. De vloer was besmeurd met – ik wilde eigenlijk niet weten wat precies.

De buurman wreef even door zijn snor en een besmuikt lachje verscheen op zijn gezicht.

‘Een beetje uit de hand gelopen romantiek?’ vroeg hij. ‘Dat is beter dan klussen aan een schrootjesplafond op de zondagochtend.’

‘Ja,’ zei ik en voor het eerst van mijn leven wist ik hoe het voelde om schaapachtig te grijnzen. Ik slikte. ‘Mijn beertje is in de badkamer. Hij…’ Wat moest ik zeggen?

‘Ik begrijp het,’ zei de buurman en hij gaf me een vette knipoog. ‘Hij is natuurlijk voor de gelegenheid gekleed. Wij houden ook wel van een beetje larp om ons seksleven schwung te geven.’ Hij kwam dicht bij me staan. ‘We moeten eens afspreken, met z’n vieren.’

Ik rook het verse zweet in zijn zondagse kluskleding. Niet onappetijtelijk, maar mijn hoofd stond helemaal niet naar een flirt met een klussende buurman, ‘Ja,’ zei ik en glimlachte kort. ‘Een avondje, om je te bedanken voor je heldendaad.’

‘Je mag me ook nu wel bedanken,’ zei hij hees en hij schurkte zijn dampende lichaam tegen mijn ochtendjas. Hij boog met zijn hoofd naar mijn oor en net toen ik dacht hij iets wilde fluisteren voelde ik zijn natte tong. Wat moest ik hier nou weer mee?

Ik greep hem stevig in het kruis, kneep hard en duwde hem van me af. ‘Voor alles,’ zei ik langzaam en duidelijk, ‘is een tijd en een plaats. Zoals je nu gekleed bent… Jij gaat nu eerst je schrootjesplafond afmaken.’

‘Jazeker,’ zei hij met kopstem. ‘Heerlijk.’

Ik keek hem met strenge blik na terwijl hij de trap afstrompelde. Hij had de brandblusser nog in zijn hand. Het was zo’n kleintje, van de Ikea, zoals wij ook hadden.

‘Waar had je die vandaan,’ riep ik hem na. ‘Die brandblusser.’

Hij grijnsde. ‘Die heb ik altijd paraat.’

Mijn blik sprak boekdelen en hij kromp ineen alsof ik hem opnieuw in het kruis had gegrepen.

‘De meterkast,’ mompelde hij. ‘Daar staat hij in ieder huishouden.’

Terwijl ik hem beneden de voordeur hoorde dichtslaan, nam ik poolshoogte in de badkamer. Mijn beertje lag er niet echt comfortabel bij, maar zijn arm stak nog steeds onder de koude stortdouche. Van de verbranding zou hij hopelijk niet al te veel last hebben.

Waar was ik gebleven? Het ritueel. Ik verzamelde de stompkaarsen die nog bruikbaar leken en ik zette ze in de wastafel. Dat leek me een redelijk veilige plek. Daar stak ik ze aan.

Ik had de dichtbundel en de briefopener bij de hand. Ik had geen zin om de wildschaar alsnog schoon te maken, het moest zo maar voldoen. Ik pakte mijn iphone erbij voor het vervolg van het filmpje.

De mystieke baardmans gebaarde dat de kijker dichterbij moest komen. De cameraman voelde zich gelukkig aangesproken en volgde hem op de voet. Het laatste en belangrijkste ingrediënt, was een jong geitje. Een geitje. Hoe moest ik in vredesnaam op zondagochtend aan een jong geitje komen?

Uit de linnenkast haalde ik een kussen met zebraprint. Ook een beest met vier poten. Dat moest volstaan.

Ik werd een beetje moe van dat filmpje. Ik heb het geduld niet om zoiets helemaal af te zien. Ik klikte nog even halverwege en ergens aan het eind. Ik wist wel hoe het moest. Ik declameerde de hele dichtbundel van voor naar achter en weer terug op 78-toeren-tempo en speelde een potje Julius-Ceasar-in-de-senaat met het zebrakussen. Tot slot blies ik de kaarsen uit en er gebeurde helemaal niets.

Ik had het inmiddels wel een beetje aan voelen komen, maar niettemin: wat een sof.

Ik ging naar beneden. Door alle consternatie had ik nog steeds geen koffie of ontbijt gehad. Ik moest eerst maar eens goed voor de inwendige mens zorgen. Terwijl de koffie weer doorliep en de Danerolles in de oven stonden, poetste ik alsnog de wildschaar en dacht diep na over mijn opties.

Het orakel zou me niet verder helpen. Vage vragen en halve richtingen gaven altijd teveel antwoorden. Ik zou mijn moeder kunnen bellen, maar die zou dan éérst een uur willen praten over al haar eigen problemen. En tegen de tijd dat ik had voorgerekend hoeveel sloffen sigaretten je moest kopen voor je de benzinekosten heen en weer van Tiel naar Duitsland eruit had, had mijn beertje al drie keer de wederopstandig meegemaakt.

Ik wist eigenlijk niet precies hoe dat werkte met rigor mortis en ontbinding en dat soort zaken – misschien had ik vaker naar CSI of Waking the dead moeten kijken – maar mijn gezond verstand zei me dat een beetje haast waarschijnlijk geboden was. Maar toch niet zoveel dat ik mezelf er om moest verwaarlozen.

 

Ik nam mijn mok koffie en een vers croissantje – zonder jam – en ik zat in de woonkamer tussen de stapels boeken. De verzameling leek me zo’n beetje het enige tastbare dat hij achter liet. Het stemde me treurig. Een leven lang werken. Een leven lang getrouwd zijn. Zijn hobby’s waren lezen en televisiekijken. Zijn hoofd zat vol met zinloze feitjes, waar hij iedere conversatie mee om zeep hielp. Wat liet hij achter? Niets eigenlijk. Een labiele wederhelft en een stapel boeken. En die boeken, een spiegel van zijn geest, had ik bij het afstoffen gesorteerd op grootte en op kleur. Het was nu een zinloze, dode verzameling. Er zat geen leven of karakter meer in. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Hijgend en hikkend haalde ik adem.

Ik stond op en waarde door de kamer. Ik raakte alle boeken aan, in de hoop iets van zijn aanwezigheid te voelen. Hij mocht niet verloren gaan. In deze stapels lag toch zijn geest verscholen? Als het me zou lukken om te reconstrueren hoe de boeken stonden, zou hij ook weer tot leven kunnen komen. Dan zou hij er weer een beetje zijn. Ik verplaatste boek na boek en pijnigde mijn geheugen om me te herinneren hoe ze stonden. Op welke schap had iedere titel gestaan?

Regelmatig viel ik even stil tijdens het werk. Wat voor zin had het allemaal? Misschien kon ik beter hier wachten en niets doen, tot ik zelf van honger en dorst zou bezwijken. Het einde zou vanzelf komen.

Dan kreeg ik weer energie en mijn vechtlust laaide op. Nee! Ik kon het zo niet laten gebeuren. Hij had mij een belofte gedaan en daar zou ik hem aan houden. Hij mocht dan dood zijn, maar hij zou niet zomaar uit mijn leven verdwijnen. Dood of niet, er moest een mogelijkheid zijn om de situatie ten goede te keren.

Uiteindelijk hield ik een boekje in handen, waarvan ik werkelijk niet wist waar het gestaan had. Het was duidelijk ooit in de Ramsj gekocht. De kortingssticker zat er nog op. Vertwijfeld stond ik er mee in mijn handen en keek nog een keer naar de kaft. Langzaam drong de betekenis van de titel tot me door. Leven na dood. Met als ondertitel: De dodencultuur van het oude Egypte.

Dit was een teken. In de Egyptische dodencultuur lag natuurlijk de oplossing. Ik had op de e-reader een hele stapel detectives gelezen die in het oude Egypte speelden en vòòr mijn TLC-verslaving had ik een lange Discovery Channelperiode gehad. Ik wist alles over mummificeren wat een normaal mens kon weten.

 

Ik zag het helemaal voor me, hoe hij keurig uitgedroogd en omzwachteld naast me zou liggen in bed. Dood, in zeker opzicht, maar toch niet helemaal. Hij zou een stuk lichter zijn dan ik gewend was, dus kon ik hem voor de afwisseling ook op andere plekken in huis neerzetten. Eindelijk zouden we gezellig samen naar alle Sissi-films kijken – zonder dat hij er de hele tijd doorheen zou praten. Geen gesnurk meer. Geen ochtendhumeur. Samen op vakantie, dat zou nog wel een uitdaging worden, maar ik wist zeker dat ik daar iets op zou vinden.

Ik kon me het beste richten op de positieve kant van het hele gebeuren en die kant begon er steeds aanlokkelijker uit te zien. Het vooruitzicht voelde goed. Minder rommel in huis. Geen gekissebis over de films en series die we zouden kijken. Heerlijk.

Er moest nog wel wat gebeuren natuurlijk. Het eerste was het verwijderen van al zijn ingewanden. Zo zou die wildschaar toch nog van pas komen. En daarna moest ik hem uitdrogen. Wat zou ik daarvoor kunnen gebruiken. Ik twijfelde tussen soda en zout. Misschien hadden we nog wel ergens een zak kattenbakvulling. Hoe dan ook zou ik een terraswarmer kopen. En ik kon er gewoon een uitzoeken die er leuk uitzag, zonder discussie over dat we er eigenlijk een moesten nemen die meer functies had. Ik kon gewoon zelf beslissen. Het voelde onwennig. Samen, en toch voelde het vrij. Ik zou er het beste van maken. Ik ging ervoor. Ik zou er van leren genieten.

 

Ineens hoorde ik boven gestommel. Zou mijn halfslachtig uitgevoerde ritueel alsnog effect hebben gehad. Het viel niet uit te sluiten. Nieuwsgierig stoof ik naar boven.

Op de slaapkamer trof ik de buurman aan. Hij was klaarblijkelijk met behulp van een ladder door het openstaande raam geklommen. Hij droeg een roze, fluffy konijnenpak en hij deed nu zijn uiterste best om zichzelf met een paar zijden stropdassen op bed vast te binden.

‘Ik wilde je verrassen,’ riep hij uit.

‘Geweldig,’ zei ik en ik hielp hem een handje. Toen hij met al zijn extremiteiten goed lag vastgesnoerd stopte ik een van de fluffy konijnenoren in zijn mond en liep de kamer uit. Van hem had ik voorlopig geen last meer.

Ik had andere dingen te doen. Waar lag de kattenbakvulling, dat was de vraag. En zou ik beter soda of zout kunnen kopen om de klus te klaren? En die ingewanden, zou ik die beter in tupperware kunnen bewaren of moest ik weckflessen kopen? Misschien zou het orakel met zulke concrete vragen wel raad weten. Waar had ik mijn iphone gelaten?

 

Terwijl ik mijn koude koffie en croissants wegwerkte zocht ik met behulp van het orakel in mijn iphone een faq op voor bij een huis-tuin-en-keuken mummificatie. Ik meed de aangeprezen youtube filmpjes die het allemaal stap voor stap zouden laten zien. Ik zat mij net lekker in te lezen toen ik een bekende stem hoorde.

‘Wat doet de buurman in konijnenpak, vastgebonden op ons bed?’

Ik keek op en daar stond mijn beertje. Blijkbaar had het ritueel zijn geest toch teruggeroepen. Zijn stem klonk redelijk helder, maar ik vroeg me af of hij verder wel helemaal lekker was. Hij was naakt, nat en toch wel een beetje beschadigd. Zijn rechterarm zag er knapperig uit en de hand die er levenloos aan hing was waarschijnlijk well done. Zijn linkerhand hield hij op zijn borst. De pink zag een beetje geblakerd door de stroomstoten. Niettemin hield hij de dichtbundel en de briefopener vast. Zijn blik stond niet echt helder. Het was al met al een treurige verschijning.

‘Ik kan het allemaal uitleggen,’ zei ik snel.

Ik liep naar hem toe en gaf een kusje op zijn neus. Op zijn borstkast zag ik drukplekken en een soort van deuk van mijn pogingen om hem te reanimeren.

‘Ik ben zo blij dat je er weer bent.’ Zoals ik het zei klonk het oprecht, maar er was wel een spoor van twijfel in geslopen. Mijn beertje deed me denken aan een stuk fruit waar een deuk of een plekje op zit. Noem me een pietlut, maar ik hoef het dan niet.

‘Je hebt me teruggehaald,’ zei hij.

Zijn spraak vertraagde een beetje. Hij was er wel, maar hij zat niet helemaal lekker in zijn vel. Ik kon het niet aanzien. Ik moest hem helpen.

‘Kom maar,’ zei ik. ‘We zullen je eerst weer een beetje opknappen en dan werken we samen de buurman het raam uit.’

Ik nam hem de briefopener en de dichtbundel af en duwde hem voor me uit de trap op. Ik sprak hem stimulerend toe.

‘Gaat allemaal goed zo. Je kunt het. Ja, linkerbeen, rechterbeen. Stapje voor stapje.’

Op de overloop zakte hij neer, op één knie. Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte zijn dikke lobbeskop tegen me aan.

‘Je liet me niet zomaar gaan,’ zei hij. ‘Wat houd ik toch verschrikkelijk veel van je.’

Dat kon wel zijn – en ik natuurlijk ook van hem – maar ik had net bedacht hoe het allemaal verder moest. En nu was hij er weer. Ik legde een hand op zijn schouders. Hij voelde nog steeds koud aan. Of was zijn rug altijd een beetje koud geweest? Koud vet, warm vet, ik wist niet meer waar het allemaal precies zat.

‘Dat is lief van je,’ zei ik en ik knielde naast hem neer.

De dichtbundel liet ik uit mijn handen vallen. De briefopener stak ik, net onder zijn borstbeen, een beetje schuin omhoog naar binnen. Ik ben niet zwaar, maar mijn hele gewicht zat er achter en de opener verdween moeiteloos zijn hartstreek in.

‘Fijn om nog even afscheid te nemen,’ mompelde hij. Zijn ogen keken me waterig aan en een laffe glimlach bleef rond zijn lippen hangen.

‘Ga nu maar, het is goed,’ fluisterde ik hem toe. ‘Ik kom wat later.’

Langzaam doofde het licht uit zijn ogen. Te laat bedacht ik dat ik hem nog had kunnen vragen waar hij de zak met kattenbakvulling gelaten had.