web analytics
De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2017

Home » Genre » Magisch realisme

Genres

Category Archives: Magisch realisme

Tegenpolen : Debby Willems

1.

 

De avond van mijn dood begon als een normale dinsdagavond, die ik doorbracht in mijn appartementje in Den Haag. Het buurtje waar ik woonde bestond grotendeels uit sociale huurwoningen waarvan de bewoners voornamelijk toewijzing hadden gekregen op grond van ‘bijzondere gevallen’. Toen ik er eind jaren ’90 kwam te wonen was het een ‘probleemwijk’, maar enkele jaren later kwam men ineens met de term ‘krachtwijk’ op de proppen. De positieve klank zou onze wijk goed doen.

Ik kan je vertellen: de klank was dan ook het enige positieve aan mijn buurt. Vanwege enkele incidenten spraken we binnen een jaar al gekscherend over een ‘verkrachtwijk’. Ik kon daar de humor wel van inzien, maar begrijp me niet verkeerd; zelf heb ik nog nooit een vrouw kwaad gedaan. Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht.

Ik heb wel een mooie tijd gehad daar. Zelfs vanaf zeven hoog droeg ik op mijn manier ook een steentje bij aan de naam van onze wijk. Zo ook de laatste avond van mijn leven.

Die bewuste dinsdagavond was ik behoorlijk bezopen. Een van mijn buren was op bezoek en had een fles zelfgestookte wodka meegebracht. Gewoonlijk kon ik best tegen drank, maar behalve deze naar spiritus smakende zooi had ik die dag al aardig wat blikken bier tot me genomen, dus het was waarschijnlijk de mix die me deed kokhalzen.

Ik wist dat het niet lang meer zou duren voor er het een en ander retour zou gaan komen, dus strompelde ik naar het balkon in de hoop een argeloze voorbijganger flink onder te kunnen spuwen. Toegegeven, mijn humor was niet bepaald verfijnd, maar mijn maten konden het altijd erg waarderen.

Alles leek te draaien vanwege de drank en ik spuugde al een beetje op mijn balkon. Gelukkig wist ik het grootste deel nog binnen te houden. Strompelend begaf ik me naar de reling. De zurige smaak in mijn mond was geen pretje, maar de moeite waard aangezien ik verderop in de straat mensen zag lopen. De man en de vrouw liepen erg dicht bij elkaar, hand in hand.

Een glimlach viel niet te onderdrukken. Ik verheugde me al op de blikken op hun besmeurde gezichten. Ze liepen redelijk dicht langs de voordeuren af, dus besloot ik alvast wat verder over de reling te gaan hangen in afwachting van het stel. Toen ik daarna nog net een beetje meer naar voren boog, gleed ik helaas uit over mijn eigen overgeef en kieperde zo de reling over.

Vlak voor het kraken van mijn schedel bedacht ik me nog dat dit een lullig einde was.

Ik had het mis. De dood was niet het einde.

Helaas.

 

2.

 

Ik heb mensen wel eens horen spreken over een ‘hal met wit licht’ bij het sterven. In werkelijkheid zit dat toch net ietsje anders, al begrijp ik de verwarring. Ik bevond me in een gewitte wachtkamer die werd verlicht door tl-buizen. Er waren veel andere mensen, waarvan er om de zoveel tijd eentje werd geroepen. De grote klok die in deze ruimte hing leek nog trager te tikken dan normaal. Na uren wachten wist ik het zeker: dit was de hel.

De vrouw die de namen omriep kwam weer binnen en wierp een blik op haar lijst voordat ze sprak. ‘De heer Jannes Uil?’

Bij het horen van mijn naam sprong ik direct op om de vrouw te volgen. In het voorbijgaan keek ik nog eenmaal op de klok. Blijkbaar had ik in totaal bijna twintig uur op mijn beurt gewacht. Daar waren zelfs de wacht­tijden bij de sociale dienst niets bij.

De vrouw leidde me door een lange hal met aan weerskanten om de anderhalve meter een deur, amper van de identiek witte muur te onder­scheiden. Ze opende een van de deuren en wees naar het vertrek. ‘U kunt zich hier omkleden.’

Ik keek naar het zwarte pak dat daar aan een kledinghanger hing. ‘En wat als het niet past?’

De vrouw gaf me een wrange glimlach. ‘Geloof me, meneer Uil, dat pak past.’

Ondanks dat ik nog niet heel overtuigd was, besloot ik niet in discussie te gaan en trok mijn shirt uit.

‘Ik geef u wat privacy,’ zei de vrouw. ‘U wordt zo gehaald.’

Na het omkleden merkte ik een spiegel op. Ik inspecteerde mezelf in mijn nieuwe outfit – die inderdaad als gegoten zat. Ooit heb ik gehoord dat wanneer je sterft, je geest in zijn beste vorm voortleeft. Ik streek mijn donkerbruine haren een beetje naar achter en wreef daarna over de stoppels op mijn wangen. Vervolgens trok ik de stropdas recht over mijn brede bierbuik.

Ik zag er exact hetzelfde uit als toen ik nog leefde. Toegegeven, het was wellicht een erg vrije interpretatie van ‘beste vorm’, maar ik was al lang blij dat er niets meer van mijn noodlottige einde te zien was.

Er werd op de deur geklopt, waarna een jonge vrouw haar hoofd om de hoek stak. Haar uiterlijk beviel me wel; een blondje met lange haren en een goed figuur.

‘Bent u omgekleed, meneer Uil?’

‘Je bent net te laat,’ zei ik, ‘maar voor jou wil ik best wel weer uit de kleren.’

‘Erg origineel, meneer Uil. Die humor zal u hier nog ver brengen,’ zei ze venijnig.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is slechts een van mijn vele talenten.’

‘Heeft u nog een momentje nodig om van uw tijdsverspillingstalent te genieten of zullen we maar met de rondleiding beginnen?’

‘Ach, ik kan wel wat tijd voor je vrijmaken, snoes,’ zei ik met een grijns, in een poging haar mijn beste kant te laten zien. ‘Krijg ik dan wel eerst een kusje van je?’

Haar ogen vernauwden en ze zette een stap dichterbij. Even dacht ik nog dat ze voor mijn charmes viel, maar toen ze me een fractie van een seconde later bij mijn keel tegen de muur omhoog hield besefte ik dat ze mijn toenadering wellicht toch niet had kunnen waarderen.

‘Je bent nieuw, dus ik zal het bij een waarschuwing laten,’ begon ze. Haar stem was zacht, maar de dreiging was duidelijk voelbaar. ‘Ik duld absoluut geen brutaliteit, seksuele toenaderingen of handtastelijkheden, op wat voor manier dan ook. Als je toch nog iets probeert dan ruk ik je luchtpijp eigenhandig uit je keel. Daar is een verbrijzelde schedel niets bij, geloof me. Begrepen?’

Met moeite knikte ik, mezelf oprecht voornemend om op mijn woorden te letten in haar bijzijn. Ze verslapte haar grip zodat ik mijn voeten weer op de grond kon zetten.

‘Mooi. Dan zullen we nu opnieuw beginnen. Mijn naam is Charon. Ik zal je naar de Na-Wereld brengen en je daar inwerken.’

Ik slikte bij het horen van haar woorden. Stamelend herhaalde ik de verschrikking die me zojuist kippenvel had gegeven. ‘Inwerken?’

 

3.

 

Ik had geen dag in mijn leven gewerkt.

Helaas kwam hier in mijn na-leven verandering in. Charon had me rondgeleid in de Na-Wereld – voor de reorganisatie bekend als ‘het Hiernamaals’ – en me zowel mijn taken als het systeem uitgelegd. Toen ik doorkreeg dat het geratel maar bleef doorgaan, raakte ik wat verveeld en ging veel van haar verhaal langs me af. Ik had echter braaf en instem­mend geknikt zodat het leek alsof ik wel oplette.

Deze ‘geïnteresseerde houding’ was een vaardigheid die ik me tijdens mijn leven eigen had gemaakt. Alle nutteloze details kostten me te veel moeite om te onthouden, dus pikte ik slechts af en toe het een en ander op. Zo had ik al meerdere vrouwen aan de haak kunnen slaan; van die types die aan een stuk door bleven praten en erg blij waren met een ‘luisterend oor’.

Ze zijn er uiteindelijk trouwens wel allemaal achter gekomen dat ik niet echt luisterde naar wat ze zeiden. De meesten had ik voor hun ontdekking al in bed gekregen dus deed het er niet meer toe. Een relatie zou me toch teveel energie gekost hebben, zeker wanneer ik daarvoor echt had moeten opletten.

Na Charons lange, saaie verhaal – dat iets met mijn taken en verantwoordelijkheden te maken had – zat ik aan een tafel met mijn eerste opdracht, die ik zogenaamd aandachtig doornam.

‘Laat me raden: nieuweling?’

Ik keek naar de man die me had aangesproken. Zijn pak was identiek aan het mijne, al stond het hem een stuk beter dankzij zijn gespierde lichaam. Wat direct de aandacht trok was zijn gezicht. De ene kant was egaal – best een knappe gast zou je denken – maar de linkerhelft zag eruit alsof hij had gevochten met een tijger. Het ergste was nog wel zijn ontbrekende oog; littekenweefsel vulde het gat gedeeltelijk op. Gelukkig vielen zijn golvende haren deels voor zijn gezicht wat het aanzicht ietsje minder walgelijk maakte.

Hij reikte me zijn hand en het viel me op dat hij enkele vingers miste. ‘Ricky,’ meldde hij, terwijl hij flink in mijn hand kneep.

Ik glimlachte wat wrang terwijl ik hem mijn naam gaf.

‘Dus, Jannes, je bent nieuw?’

Ik knikte. ‘Jij niet, dan?’

‘Nee, ik ben een herinstromer. Heb het hier de eerste keer flink verknald en moest toen jaren aan de zware arbeid. Blij dat ik terug ben. Ik ga het dit keer anders aanpakken.’

‘Zware arbeid?’ herhaalde ik. De haren op mijn armen gingen overeind staan bij het horen van deze woordcombinatie. Arbeid op zich was mij al erg genoeg.

‘Ja, ze hebben je vast wel verteld dat dit een proefperiode is. Je kunt jezelf opwerken: meer verantwoordelijkheden, betere arbeids­omstandig­heden, bla bla …’ Ricky keek met zijn ene oog schichtig om zich heen voordat hij zijn verhaal op fluistertoon vervolgde. ‘Maar wat die rotzakken er niet bij vertellen, is dat je ook kunt  afstromen. Naar het echte rotwerk. Kolen scheppen: bloedheet, loodzwaar … En dat jarenlang. Geen vrije dagen, geen pauzes, geen airco. Kortom, de hel zoals je jezelf de hel zou voorstellen.’

Kort slikte ik bij het horen van zijn woorden.

‘En denk maar niet dat de zware arbeid het ergste is,’ vervolgde Ricky. ‘Als je het daar verknalt ga je direct naar het Eeuwige Vagevuur. Dus gast, advies van mij: doe je werk fatsoenlijk. Het kan erger.’

Beteuterd keek ik naar het formulier in mijn handen. Ik had van Charons verhaal meegekregen wat mijn werk ongeveer zou inhouden, maar ik kon me niet herinneren dat ze me verteld had dat er conse­quenties zouden zijn als ik het niet goed zou doen. Dat zou vast wel zijn blijven hangen. Denk ik, ten minste.

Toen ik opkeek zag ik dat Charon de tafel al naderde. Ricky merkte dit ook op. Hij keek wat ongemakkelijk naar de blonde vrouw en concen­treerde zich vervolgens geheel op zijn eigen formulier.

‘Jannes,’ zei Charon, ‘ben je klaar voor je eerste opdracht?’

Ik knikte wat onzeker. Ze richtte haar blik vervolgens op Ricky. ‘Goh, jou heb ik hier lang niet gezien.’

Hij mompelde iets onverstaanbaars en leek Charon niet aan te durven kijken.

‘Jannes, als je ooit twijfelt over de oprechtheid van mijn beloftes dan moet je eens met deze man praten.’ Ze legde haar hand op zijn schouder en ik zag het formulier trillen in zijn handen. ‘Ik heb hem namelijk beloofd dat ik zijn ogen eruit zou krabben als hij nog een keer verkeerd naar me zou kijken.’

Ze richtte zich vervolgens tot hem. ‘Dus Ricky, ben je niet blij dat ik die dag in een goede bui was? Heb je toch nog een van je mooie ogen overgehouden.’

Hij knikte braaf, maar ik zag aan zijn lichaamshouding dat dankbaar­heid wel het laatste was dat hij voelde. Hij vermeed oogcontact en kromp ineen toen ze zachtjes met haar nagels over zijn egale wang aaide. Zijn angst deed even een valse glimlach op haar gezicht verschijnen, voordat ze zich weer op mij richtte.

‘Dan zullen we maar eens beginnen,’ zei ze, waarna ze zich omdraaide.

Uit angst haar te irriteren stond ik zo snel mogelijk op en volgde haar een hal in. Charon opende een van de vele grijze deuren voor me. Ik keek naar binnen, maar zag niets dan duisternis.

‘Ben je er klaar voor?’

‘Ik weet het niet zeker,’ stamelde ik. Ik durfde niet te bekennen dat ik eigenlijk niet wist wat me te doen stond.

De vrouw gaf me een ijzige blik, waarop ze het opdrachtformulier uit mijn handen griste. ‘Ik heb je toch uitgelegd dat je de eerste keer alleen maar hoeft te observeren?’

‘Klopt,’ zei ik snel, enigszins vrezend voor mijn luchtpijp, ‘maar zo’n eerste keer is toch spannend.’

Haar zucht verraadde dat mijn opmerking haar ergerde. ‘Volg me,’ gebood Charon, voordat ze de deuropening doorging en daar in de duister­nis verdween.

Zwijgend deed ik wat me gevraagd was. Het enige licht was afkomstig uit de hal achter me, maar hieraan kwam een abrupt einde toen de deur met een klap dichtviel.

Alles wat restte was duisternis.

Ik slikte kort. Had ik nu maar opgelet toen Charon me mijn taken uitlegde. Of had ik in ieder geval mijn opdracht maar gelezen …

 

4.

 

Een mierzoete geur kwam me tegemoet. Langzaam wenden mijn ogen aan het nieuwe licht, waardoor ik steeds meer van de omgeving kon onder­scheiden. Ik bevond me blijkbaar in een snoepwinkel. De silhouetten van enkele mensen waren te onderscheiden, al bleven zij er wat vreemd uitzien: hoe erg ik me ook op deze personen concentreerde, het was alsof ze zich op de onscherpe achtergrond van een foto bevonden.

Mijn blik gleed af naar een jongen. Enerzijds omdat hij wel scherp te zien was, anderzijds omdat er een soort gouden gloed om zijn lichaam hing. Het was een jochie van een jaar of vier. Geconcentreerd keek hij naar een bak vol zoetigheid.

Charon was inmiddels naast me komen staan. ‘Dat is je cliënt. Duidelijk zichtbaar, dus niet troebel zoals de niet-cliënten.’

‘Duidelijk,’ zei ik. Eigenlijk wilde ik weten of de gouden gloed er ook iets mee te maken had, maar vreesde dat Charon dat al had uitgelegd. Aangezien ik Ricky’s verminkte gezicht nog levendig voor me zag besloot ik het haar daarom maar niet te vragen.

‘Ik doe het één keer voor,’ zei Charon voordat ze naar de jongen liep. ‘Dus let goed op. En ik waarschuw je: zorg dat je me absoluut niet onderbreekt tijdens de implementatie.’

Ik knikte kort en durfde al niets meer te zeggen voor het geval ze al begonnen was met de ‘implementatie’.

Ze stapte op de jongen af en legde haar hand op zijn schouder. ‘Die snoepjes zien er erg lekker uit,’ fluisterde ze, ‘en er liggen er hier zoveel dat ze er best een paar kunnen missen.’

De jongen keek naar de verkoper achter de toonbank. Charon volgde zijn blik voordat ze weer sprak.

‘Hij kijkt nu toch niet. Bovendien is het toch maar een vervelende man.’

Het jochie richtte nu zijn blik weer op het snoepgoed voor zich, terwijl Charon bleef praten. ‘Een snoepje pakken is geen stelen. Het mag best. Het is geen stelen. Het mag best …’ Ze bleef de twee zinnen herhalen. Door haar monotone fluistertoon klonk het bijna als een gebed.

In een snelle beweging pakte de jongen een snoepslang uit de bak en stak deze direct in zijn mond. Terwijl ze de schouder van het jochie losliet gaf Charon me een triomfantelijke grijns. ‘Zo simpel is het.’

Ondanks dat het jochie langzaam leek te vervagen, zag ik zijn hand nogmaals van de bak naar zijn mond gaan. Hij zag er nu uit zoals de rest van de personen in de winkel: vertroebeld.

‘Ons werk zit erop,’ zei Charon terwijl ze me passeerde.

Voor een laatste maal wierp ik een blik achterom voordat ik haar de grijze deur door volgde. We bevonden ons hierna weer in de hal waar we begonnen waren.

Charon haalde het opdrachtformulier tevoorschijn.

‘Dus dat is mijn werk?’ stamelde ik.

‘Je hebt toch wel opgelet?’ Haar stem was dreigend en haar strakke blik zorgde ervoor dat mijn hartslag versnelde. Ze zette een stap dichterbij en legde haar hand op mijn keel. Mijn adem stokte en in gedachten zag ik haar vingers al om mijn luchtpijp.

Haar mondhoeken krulden verontrustend ver omhoog terwijl ze haar hand omlaag liet glijden en op mijn borstkas liet rusten, waar ze vervol­gens een pen uit mijn binnenzak haalde.

Een zucht ontsnapte me toen ze het schrijfgerei voor mijn gezicht hield. ‘Die mag ik vast wel even lenen,’ zei ze grijnzend. Ze deed nog geen grein­tje moeite om haar leedvermaak te verbergen.

Ik knikte en Charon liet me het formulier zien. ‘Eerst een vinkje bij de juiste afloop. Dan hier de datum, daar een krabbel en voilà: opdracht vol­tooid. Dan aan het einde van de gang deponeren in het postvak van je leidinggevende: in jouw geval is dat Willem Roderik den Eed. Daarna haal je de volgende opdracht op. Deze ligt in je eigen postvak al op je te wachten.’

Afwachtend keek ik Charon aan, maar ze maakte geen aanstalten om in beweging te komen. ‘Wat sta je daar nu nog?’ merkte ze kattig op. ‘Opschieten, aan het werk.’

‘Oh, ik dacht dat je mee zou lopen.’

‘Dat zou ik erg gezellig vinden,’ was haar sarcastische reactie, ‘maar hoe graag ik je ook aan je handje mee zou willen nemen: ik hoefde je alleen maar in te werken. Kortom, ik ben nu van je af en jij moet aan de bak.’

Ik keek de hal in, die zo lang was dat er geen einde aan leek te komen. ‘Bedankt,’ mompelde ik, meer uit beleefdheid – en angst – dan uit dank­baarheid.

‘Succes,’ zei Charon, terwijl haar mondhoeken omhoog krulden. ‘Je zult het nodig hebben.’

 

 

5.

 

‘Willem Roderik den Eed,’ mompelde ik, terwijl ik de postvakjes bekeek. Een zucht ontsnapte me toen ik het systeem eenmaal had ontcijferd – blijkbaar stond alles gewoon op alfabetische volgorde. Ik duwde het for­mulier bij het naamplaatje ‘W.R. Eed, den’ naar binnen en zocht mijn eigen postvak. Er lag inderdaad al een nieuwe opdracht klaar. Mompelend las ik de gegevens op. ‘Gebied: Grijs. Deur: 376, Implementatie door: J. Uil …’

Ik zuchtte toen ik nog meer tekst zag. ‘Gegevens Client: Fase 1, Brandy Johanna Zonneveldt, Vrouw, 26 maart 2011. Doel implementatie: diefstal. Doel behaald, hokje ja, hokje nee … en nog meer tekst.’ Genoeg gelezen, besloot ik zuchtend.

Het kostte me even puzzelen, maar toen ik bij een grijze deur met getal 376 erboven stond verscheen er een grijns op mijn gezicht. Zo moeilijk ging dit niet worden: diefstal was immers al mijn specialiteit toen ik nog leefde.

Ik opende de deur en stapte de duisternis in met het formulier in mijn hand geklemd. Toen alles donker bleef maakte ik me nog even zorgen. Gelukkig begon mijn omgeving op dat moment toch te materialiseren.

Ik bevond me in een klaslokaal vol kleuters, die ik niet goed kon zien omdat zij vertroebeld waren. Al snel merkte ik mijn cliënte op. Haar kon ik wel duidelijk zien en ook zij had een gouden gloed om haar lichaam heen.

Het meisje staarde geconcentreerd naar een roze armbandje dat voor haar op tafel lag. In gedachten liep ik Charons handelingen nogmaals na en besloot deze zo identiek mogelijk te imiteren.

Ik haalde diep adem en stapte op het kind af. Wat onzeker legde ik mijn hand op haar schouder. ‘Dat is een mooie armband,’ zei ik. ‘En die ligt hier gewoon. Klaar om mee te nemen.’

Weifelend keek Brandy rond. Even vreesde ik dat ze me zou opmerken, maar ze leek dwars door me heen te kijken.

‘Niemand die het ziet. Je kunt die armband gewoon pakken.’

Kort hield ik mijn adem in. Toen bleek dat ze niet tot actie overging sprak ik weer. ‘Gewoon pakken, het is niet erg. Gewoon pakken, het is niet erg.’ Ik bleef de woorden herhalen totdat ze de armband van tafel griste en in haar zak stak. Ik liet de schouder los en zag Brandy vertroebelen.

Niet lang daarna trok ik de deur met een tevreden grijns achter me dicht. Een pauze met een lekkere bak koffie was nu zeker wel op zijn plaats. Tot mijn genoegen zag ik dat een man me tegemoet liep. Hij zou me vast wel kunnen helpen.

Ondanks dat de stevige man ook in pak was, had hij een redelijk ruig voorkomen. In zijn nek was een gedeelte van een tatoeage te zien, die verder onder zijn zwarte blouse verdween. Ook hij had een opdracht­formulier in zijn hand.

‘Hoi collega,’ groette ik hem. ‘Kun jij me vertellen waar ik hier de koffie­automaten kan vinden?’

De man trok een wenkbrauw op. ‘Koffie?’ vroeg hij, voordat hij bul­derend begon te lachen. ‘Met een lekker koekie zeker? Dat is een goeie.’

Ik was enigszins verontwaardigd door zijn reactie. Ik besloot daar echter niets van te laten merken. ‘Ik begrijp dat er geen koffie te ver­krijgen is?’

‘Nee. Misschien dat je dit nog niet doorhad, maar je bent nu eenmaal niet in de hemel beland.’

Zijn woorden zetten me aan het denken. ‘Is er dan ook een hemel?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat ik weet. Ik weet alleen dat ik mijn leven mis. Maar er zijn ook voordelen, die dit na-leven heel wat dragelijker maken.’

Er verscheen een grijns op zijn gezicht en uit het niets gaf hij me een stomp in mijn maag.

‘Dat is omdat je mijn tijd hebt verspild,’ zei hij, terwijl ik naar adem hapte. ‘En je kunt ook een gratis tip van me krijgen: zorg dat je niet zo opvalt als nieuweling. Je bent er met een ram in je maag nog goed vanaf gekomen, geloof me.’

 

6.

 

Tegen mijn verwachting in bleek het werk op zich niet zo’n probleem: bij bijna iedere opdracht wist ik een succesvol resultaat te behalen. De doelen van de opdrachten begonnen na een tijdje te variëren: naast dief­stal moest ik mensen – voornamelijk kinderen – ook aanzetten tot liegen en fysiek geweld. Diefstal was echter mijn favoriet aangezien dit het gemakkelijkst te bereiken viel. Daarnaast gaf het me wat meer variatie qua leeftijd van de cliënten.

Het probleem lag eerder bij mijn collega’s. Het was al snel duidelijk dat ik een nieuweling was. Regelmatig werd ik daarom door iemand bespuugd, geslagen of geschopt. Blijkbaar was dit erg normaal hier.

Op weg naar de postvakken zag ik dat iemand me tegemoet liep. Ik vreesde voor wat me nu weer te wachten stond. Ik besloot echter zo standvastig mogelijk door te lopen, in de hoop op die manier minder op te vallen.

Opgelucht zag ik dat het een slechts slungelige jongeman was. Zijn haar zat wat warrig en hij had een rond brilletje. Absoluut geen bedreiging, besloot ik. Zelfverzekerd liep ik verder, maar in het voorbijgaan bespuug­de hij me. Vol walging wreef ik mijn gezicht droog en draaide me vloekend om. Mijn scheldwoorden hadden zijn aandacht getrokken.

‘Wat nou, nieuwe?’ sprak hij provocerend.

‘Ik zal die arrogante grijns eens van je gezicht afslaan,’ dreigde ik, terwijl ik een stap dichterbij zette.

Zijn glimlach werd breder. Hij was absoluut niet onder de indruk. ‘Dan moet je wel heel achterlijk zijn.’

Ik probeerde ad rem te reageren. ‘Je weet nog niet half hoe achterlijk ik ben.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, terwijl ik me realiseerde dat het wellicht niet mijn meest gevatte reactie was geweest. Om dit te compenseren besloot ik direct over te gaan op actie en liet mijn vuist met zoveel mogelijk kracht kennismaken met zijn neus. De klap zorgde ervoor dat hij achterover viel.

Toen hij opklauterde, zag ik dat zijn neus hevig bloedde. ‘Stomme zet,’ mompelde hij.

Nog voordat ik kon reageren hoorde ik een onbekende stem achter me. Toen ik omkeek zag ik een roodharige vrouw staan.

‘U dient mee te komen vanwege geweld tegen een meerdere,’ zei ze.

Ik wierp nogmaals een blik op de man, die inmiddels flink aan het gniffelen was. ‘Is dat een meerdere?!’ vroeg ik vol walging.

De vrouw knikte instemmend, waarop de grijns van de man breder werd. Dit wakkerde mijn woede direct weer aan en als resultaat sloeg ik hem nogmaals tegen de grond. Verontschuldigend keek ik de vrouw aan. ‘Sorry, maar die vuile grijns van hem…’

Nonchalant haalde ze haar schouders op. ‘Problemen heb je toch al. Wat bloed meer of minder doet er nu ook niet meer toe.’

Mijn lippen krulden omhoog. ‘In dat geval,’ zei ik, terwijl ik de lach van zijn arrogante gezicht zag verdwijnen, ‘wil ik hem graag mijn schoen nog even van dichtbij laten zien.’

 

7.

 

Ik keek naar mijn hand; naar de bloederige stomp waar voorheen mijn ring­vinger had gezeten. Het was pijnlijk geweest. Blijkbaar werd geweld tegen een ‘meerdere’ echter altijd op deze manier bestraft. Ik was daarom ook erg blij dat ik die kwal nog extra had toegetakeld, dat maakte het een beetje dragelijker dan wanneer ik voor slechts één klap dezelfde prijs had moeten betalen.

Het was allemaal erg snel gegaan. Ik was de vrouw gevolgd naar een ruimte waar een hakblok stond dat besmeurd was met opgedroogd bloed. Toen ze een grote bijl pakte vreesde ik nog even voor mijn hoofd, maar toen ze me zelf een hand en vinger liet kiezen begon het te dagen.

‘Oh, je bent dus links?’ vroeg ze, vlak voordat de bijl neerkwam. Een schreeuw van pijn ontsnapte me en direct daarna besefte ik dat mijn linkerhand wellicht een betere keuze was geweest, gezien mijn rechts­handigheid. Daar was nu helaas niets meer aan te doen.

De roodharige vrouw leek niet onder de indruk van mijn geschreeuw en gebood me direct terug aan het werk te gaan. Enigszins beledigd – maar verstandig genoeg om niet tegen de vrouw met de grote bijl in te gaan – begaf ik me naar mijn postvak.

Tot mijn verbazing vond ik daar geen nieuwe opdracht, maar een uitnodiging voor een functioneringsgesprek.

Met lood in mijn schoenen begaf ik me naar de op de brief aangegeven deur. Toen ik aanklopte merkte ik pas dat de stomp nog niet helemaal was gestopt met bloeden. Met mijn mouw probeerde ik het bloed van de deur af te vegen, maar ik bleek het hiermee uit te wrijven tot grotere vlekken. De deur ging al open voordat ik dit probleem had opgelost.

In de deuropening bevond zich een man in een grijs pak. Zijn donkere haren waren strak naar achteren gekamd en een bril sierde zijn gezicht. Hij keek wat moeilijk naar de bloedvlekken op de deur en vervolgens richtte hij zijn blik op mij. ‘Meneer Uil, neem ik aan?’

Ik knikte en reikte hem vervolgens beleefd mijn hand.

Zijn blik schoot even naar de besmeurde deur. ‘Ik denk dat we de handdruk achterwege kunnen laten.’ stelde hij droog voor. ‘Mijn naam is Willem Roderik den Eed. Zoals u hopelijk weet ben ik uw leidinggevende,’ zei hij. Hij gebood me om hem mee naar binnen te volgen. Voordat hij achter zijn bureau plaatsnam reikte hij me een doos tissues aan. Dankbaar pakte ik er een aantal uit om het bloeden te stelpen. Den Eed bladerde ondertussen door enkele papieren. ‘Ik heb u uitgenodigd voor een vroegtijdig functioneringsgesprek.’

‘Vroegtijdig?’

Hij knikte. ‘Dat doe ik alleen als daar een bijzondere aanleiding voor is.’

Kort slikte ik en keek nogmaals naar mijn hand, die inmiddels wat minder bloedde. Ik had gedacht dat dit de enige consequentie zou zijn voor mijn gedrag. Ricky’s verhaal over zware arbeid spookte door mijn hoofd.

‘U valt op, meneer Uil. Zeker voor een nieuweling.’

‘Het spijt me,’ mompelde ik.

Mijn leidinggevende knipperde kort met zijn ogen. ‘Spijt, meneer Uil? U begrijpt me verkeerd. U bent me gedurende uw proefperiode juist positief opgevallen.’

Wat verward keek ik hem aan, terwijl hij een vel papier uit zijn stapel haalde.

‘Als voorbeeld wil ik graag de opdracht betreffende mevrouw S.A.J. Belgenbosch erbij nemen. U heeft daarbij goed eigen initiatief getoond. U weet om welke zaak het gaat?’

Ik knikte, terwijl ik kort terugdacht aan de opdracht. Ik had de hoogbejaarde vrouw laten stelen in een drogisterij. Ze wilde een pakje Tena Lady’s kopen, maar schaamde zich te erg voor haar incontinentie om het af te durven rekenen. Ik had haar ervan overtuigd dat één pakje niet genoeg zou zijn en dat ze beter meteen een voorraadje kon mee­nemen. ‘Mochten ze je betrappen, doe dan gewoon alsof je dement bent,’ had ik haar gezegd.

Den Eed gaf me een korte glimlach voordat hij sprak. ‘Die vrouw had nog nooit in haar leven de wet overtreden. U moest haar overtuigen een simpele diefstal te plegen, maar u heeft haar aangezet tot meervoudige diefstal. Als gevolg van uw implementatie vindt zij stelen nu zo gerecht­vaardigd dat ze een ware kleptomaan is geworden. Kijk, dergelijke over­tuigings­kracht valt te waarderen.’

‘Hoe weet u dat?’

Zijn ogen vernauwden. ‘Heeft Charon u niet uitgelegd dat men tijdens de proefperiode wordt geobserveerd?’

Ik durfde niet te melden dat ik dit niet met zekerheid kon zeggen, dus probeerde ik een zo onschuldig mogelijke grijns op mijn gezicht te toveren. ‘Oh, natuurlijk,’ blufte ik. ‘De observaties. Daarom weet u het.’

De man keek me kort aan voordat hij weer sprak. ‘Laten we weer ter zake komen.’ Hij schoof een stapeltje papieren naar me toe. Het zag eruit als een contract. Hij beantwoordde mijn vragende blik met een zoete glimlach.

‘Meneer Uil, wat dacht u van een promotie?’

 

8.

 

Mijn nieuwe functie had voordelen, absoluut. Ik was nu een meerdere, wat inhield dat ik minderen mocht aftuigen. Bovendien had ik eindelijk toegang tot een koffieautomaat – niet dat die aanmaaktroep te zuipen was, maar dat terzijde.

Daar stond wel tegenover dat ik helaas geen simpele formulieren meer voor mijn opdrachten ontving, maar hele dossiers welke ik door diende te nemen alvorens aan mijn implementatie te beginnen. Na de imple­mentatie moest er tevens een verslag geschreven worden: kort en bondig bij succes, uitgebreid na falen.

Ik weet niet of ze gewoon nog niet zo ver waren of dat het een bewuste kwelling was, maar alle dossiers hier waren volledig handgeschreven. Zowel qua voor- als nawerk absoluut niet ideaal.

Maar ja, ik mocht niet klagen – dat stond blijkbaar ook in mijn contract.

Met een bak koffie in mijn hand opende ik de deur naar mijn eerste nieuwe opdracht. Volgens het dossier had de heer in kwestie jarenlang hard gewerkt om zijn bedrijf overeind te houden. Ondanks zijn creatieve boekhouding stond hij toch op het punt om failliet te gaan. Ik diende hem te overtuigen zijn zaak in brand te steken en het verzekeringsgeld op te strijken.

Terwijl ik nog een slok nam van mijn ranzige koffie, zag ik de cliënt voor me materialiseren. Het eerste dat me opviel was dat er geen gouden gloed om hem heen hing: het was eerder een donkere wolk.

Ik wilde naar mijn cliënt toestappen toen ik vanuit mijn ooghoeken een man in een wit pak zag staan. Hij keek me strak aan voordat hij naar de cliënt toestapte en een hand op zijn schouder legde.

‘Dit is niet de uitweg. Ze zullen erachter komen,’ zei hij.

Mijn cliënt keek twijfelachtig naar de jerrycan met benzine in zijn handen. De man sprak nogmaals. ‘Het is het niet waard. Denk aan je vrouw en kinderen. Als je dit doorzet, zal je ze allemaal kwijtraken.’

Terwijl de man in wit bleef doorpraten drong het langzaam tot me door wat er aan de hand was. Ik zette enkele stappen dichterbij, maar het was al te laat: mijn cliënt begon te snikken en liet de jerrycan uit zijn handen vallen, waarop de man zijn schouder losliet.

Ik vloekte toen ik de cliënt vervolgens zag vertroebelen.

De man in het witte pak wierp me een triomfantelijke glimlach toe terwijl hij begon te vervagen. ‘Ik ben wel wat moeilijkere concurrentie gewend,’ grijnsde hij, voordat hij geheel in het niets verdween.

 

9.

 

Vloekend knalde ik de deur achter me dicht en toen ik me mopperend naar de dossierverwerkingsruimte begaf, hoorde ik een bekende stem mijn naam roepen.

Ik draaide me om en zag dat Ricky naar me toe liep.

‘Ha, een bekend gezicht …’ halverwege mijn begroeting realiseerde ik me mijn onhandige woordkeuze. Ik overwoog er de woorden ‘of in ieder geval de helft’ aan toe te voegen, maar gelukkig bleek Ricky niets door te hebben van mijn ongelukkige uitspraak.

‘Hoe gaat het met je?’

‘Ik heb zojuist een opdracht verknald,’ mompelde ik.

Met zijn ene oog keek Ricky me vragend aan. ‘Hoe dat dan?’

‘Ik ben gedwarsboomd door een of andere klootzak in een wit pak.’

‘Tering, man. Maar je hebt dus zo snel al een promotie gehad? Gefeliciteerd, jongen!’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik me hardop af.

‘In de eerste fase heb je nog niet te maken met die lui in wit. Je weet wel, de Tegenpolen.’

‘De Tegenpolen?’

‘Heeft Charon je daar niets over verteld?’

Enigszins nonchalant haalde ik mijn schouders op. ‘Vast wel. Ik heb niet echt opgelet.’

Ricky keek schichtig om zich heen en sprak vervolgens op fluistertoon. ‘De Tegenpolen, oftewel de na-levenden in wit, proberen onze implementaties te verijdelen.’

‘Dat is dan goed gelukt,’ mompelde ik.

‘Je moet ze te slim af zijn. In de dossiers kun je veel informatie vinden over de diepste gevoelens en geheimen van de cliënten en daar moet je op inspelen. Anders win je het niet van een Tegenpool.’

Bij het horen van zijn woorden ging er een rilling door me heen. Ik kon me mijn contract nog goed herinneren. Als ik mijn werk onvoldoende zou uitvoeren, zou dat consequenties gaan hebben. Welke wist ik niet, ik had namelijk niet zo’n zin om alle artikelen grondig door te lezen alvorens mijn krabbel te zetten. Ik nam me voor de zoveelste keer voor om wat aan mijn laksheid te gaan doen.

‘Ik moet weer verder,’ zei Ricky, terwijl hij naar het formulier in zijn hand wees.

We wisselden een korte afscheidsgroet voordat ik mijn weg vervolgde. Ik nam plaats aan een tafel verderop in de gang. Bij het falen van een opdracht werd een uitgebreid rapport verwacht: iets waar ik met absolute tegenzin aan begon.

Na bijna een uur schrijfwerk werd ik uit mijn concentratie gehaald door een bekende vrouwenstem. ‘Neemt u plaats aan die tafel daar en lees uw eerste opdracht vast door. Ik kom zo bij u terug.’

Zonder me een blik waardig te keuren draaide Charon zich om. Een kalende man nam plaats aan de tafel en staarde aandachtig naar het formulier in zijn handen.

‘Nieuweling?’ vroeg ik, ondanks dat dit overduidelijk was.

Hij knikte, waarna ik hem mijn hand reikte en mijn naam gaf.

‘Pieter Hart,’ mompelde hij.

‘Net je rondleiding gehad van Charon?’

‘Nee, ik heb haar wegwijs gemaakt,’ reageerde hij sarcastisch.

Zijn bijdehante toon stond me absoluut niet aan. Het was dat ik blij was met de afleiding, anders had ik hem direct in zijn gezicht gestompt.

‘Was het een beetje interessant?’

Een geërgerde zucht ontsnapte hem. ‘Nee, natuurlijk niet.’

Ik balde mijn vuist, maar zijn volgende woorden weerhielden me ervan om uit te halen.

‘Behalve het uitzicht dan,’ grijnsde hij brutaal. ‘Die Charon mag er wel wezen.’

Ik sprong hier direct op in. ‘Absoluut. En ze is een beest in bed,’ blufte ik.

Pieter keek me met grote ogen aan. ‘Heb jij …’

Grijnzend knikte ik. ‘Kijk, je moet gewoon een beetje weten hoe ze in elkaar zit,’ fluisterde ik. ‘Ze doet graag alsof ze moeilijk te krijgen is, maar daar moet je even doorheen prikken.’

Pieter ging geïnteresseerd voorover hangen en keek even om zich heen voordat hij sprak. ‘Ze dreigde mijn hart eruit te rukken als ik nogmaals toenadering zou zoeken.’

‘Ze test je,’ zei ik. ‘Ze wil weten of je mans genoeg bent.’

De man keek me met vernauwde ogen aan terwijl ik er nog een schepje bovenop deed. ‘De seks alleen al is de moeite waard maar het heeft nog meer voordelen. Charon heeft veel invloed hier, dus als je je omhoog wilt werken …’

Hij leek dit te overdenken terwijl ik Charon weer zag naderen. Kort keek ze me aan voordat ze haar blik op mijn dossier wierp. ‘Promotie gehad?’ wilde ze weten.

Ik knikte. ‘Klopt. Ik heb vooral veel aan jouw rondleiding gehad. Bedankt.’

Vanuit mijn ooghoeken zag ik de mond van Pieter bijna letterlijk openvallen. De blonde vrouw gaf me een argwanende blik voordat ze haar aandacht weer op de man richtte. ‘Meneer Hart. Klaar voor uw eerste opdracht?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Helemaal,’ zei hij met een speelse blik in zijn ogen. ‘Loop jij maar voorop, dan heb ik een mooi uit­zicht,’ grijnsde hij, waarna hij kort tegen haar achterste sloeg.

Charons ogen werden eerst groot van ongeloof, vervolgens vernauwden ze in een angstaanjagende blik. Razendsnel greep ze de man bij zijn keel, tilde hem met één hand op en liet hem met een klap met zijn rug op de tafel neerkomen.

Van schrik sprong ik op, het dossier in mijn armen geklemd.

In één beweging rukte ze zijn pak en blouse open. De angst in Pieters ogen sloeg daardoor om in een andere blik en ook de plotselinge bobbel in zijn broek wees erop dat hij geloofde dat het wellicht een beestachtige manier van voorspel was.

Charon leek dit niet op te merken. Haar stem was rustig, maar vreemd genoeg was dat juist het angstaanjagende daaraan. ‘Meneer Hart, ik heb u duidelijk gewaarschuwd.’

Met haar linkerhand hield ze de man bij zijn keel tegen de tafel gedrukt, terwijl ze haar andere hand met een onmenselijke kracht door zijn borstkas heen ramde. Ik hoorde enkele ribben breken, waarna het geschreeuw van de man begon.

Charon keek hem vol walging aan voordat ze zijn nog kloppende hart uit zijn borstkas trok.

‘Meneer Hart zal zijn naam moeten veranderen,’ merkte ik droog op.

Tot mijn verbazing leek mijn opmerking Charon even te amuseren; er verscheen in ieder geval een fonkeling van leedvermaak in haar ogen. Vervolgens wierp ze me een duivelse blik toe. ‘Denk maar niet dat ik niet doorheb dat jij hem hiertoe hebt aangezet.’

Geschokt keek ik de vrouw aan en vreesde direct voor mijn luchtpijp. Ze richtte haar ogen echter weer op de man. Terwijl hij bleef schreeuwen stroomde er steeds meer bloed uit de gapende wond.

‘Ach man, gedraag je als een vent,’ mompelde ze geërgerd. Haar hand verdween nogmaals in zijn borstkas, waar ze het hart weer achterliet. Ze liet hem los en veegde haar bloederige handen af aan haar kleding. ‘Sta op. We hebben al genoeg tijd verspild.’

‘Ziekenhuis,’ wist Pieter uit te brengen.

‘Voor het geval je het niet doorhad: je bent al dood,’ zei Charon met een zucht. ‘Het geneest vanzelf. Uiteindelijk. In de tussentijd is het alleen maar erg pijnlijk. Maar dat heb je aan jezelf te danken.’

‘En jij …’ De vrouw wierp haar blik op mij en wees vervolgens naar mijn papieren, die ik nog op de tafel had laten liggen. Tot mijn schrik zag ik dat deze doordrenkt waren met bloed. Ik liet het dossier uit mijn handen vallen en greep naar mijn handgeschreven papieren om de schade op te nemen. Ze waren onleesbaar geworden.

Charons lippen krulden omhoog. ‘Veel plezier met je documentatie. Je zult er nog even werk mee hebben.’

 

10.

 

Ik opende het nieuwe dossier. Naast mijn opdracht nam ik nu ook de achter­grondinformatie over de cliënte, V.A.A. Haasch, aandachtig door. Of ja, aandachtig … Het kostte me moeite om me op de handgeschreven onzin te concentreren. Docenten hadden tijdens mijn leven altijd al over mijn spanningsboog geklaagd. Ook over mijn gedrag, trouwens. Ik werd dan ook om het minste of geringste de les uit gestuurd. Volgens mij heb ik serieus het grootste deel van mijn schooltijd op de gang door­gebracht.

De enige waar ik niet mee in de clinch lag, was mijn docente Neder­lands. Ik had haar verteld dat lezen en schrijven nu eenmaal niet mijn ding waren. Ze was erg begripvol en liet me tijdens haar lessen daarom ook gewoon lekker buiten een sigaretje roken.

‘Ik noteer je gewoon als aanwezig,’ zei ze altijd, ‘maar wel onder voor­waarde dat je op tijd bent voor het volgende lesuur.’

Ik hield me altijd braaf aan die afspraak. Tenminste, totdat ik op een dag besloot voortaan helemaal van school weg te blijven.

Lezen was helaas nog steeds niet mijn ding; vooral de achtergrond­informatie van mijn cliënte was erg uitgebreid en te saai voor woorden. De foto’s van haar familieleden waren op zich wel leuk. De demente schoonvader, wiens AOW ze in eigen zak stak terwijl zijn schulden opliepen. Haar man, die al meerdere malen veroordeeld was tot gevangenis­straf en daardoor een makkelijk doelwit om voor haar fraude en diefstallen op te draaien. Terwijl ik naar zijn pasfoto keek, vond ik het bijna zielig voor hem.

Na een tijdje gaf ik het op: ik was voorbereid genoeg.

Eenmaal begonnen aan mijn opdracht wilde ik direct op mijn cliënte afstappen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hem echter al verschijnen: de man in het witte pak.

Hij gaf me een neerbuigende glimlach. ‘We meet again. Hopelijk kunt u me ditmaal een grotere uitdaging bieden.’

Ik kon er nooit tegen wanneer Nederlanders onnodig Engels tegen me spraken. Voornamelijk omdat ik Engels niet verstond, maar dat terzijde.

Ik negeerde hem en legde mijn hand op de schouder van mevrouw Haasch.

‘Niemand zal hem geloven,’ zei ik. ‘Hij is al zo vaak veroordeeld wegens diefstal.’

Mijn Tegenpool stapte nu ook op haar af en legde zijn hand op haar andere schouder. ‘Het is je man. Hij heeft een goede nieuwe start gemaakt. Dit kun je hem én je kinderen niet aandoen.’

Ik gaf de man een valse blik voor ik weer sprak. ‘Hij is altijd al een crimineel geweest. Hij verdient het om weer opgesloten te worden.’

‘Hij heeft altijd alleen maar gestolen om het gezin te onderhouden. Je moet jezelf aangeven, niet hem. Denk aan jullie kinderen. Aan hun toekomst.’

De vrouw keek twijfelend naar de telefoon, waarop ze het nummer van de politie intoetste.

‘Hij was -’ begon ik, maar ik werd grof onderbroken door de Tegenpool. ‘Hij was altijd goed voor jullie.’

De grijns op zijn gezicht stond me niet aan, maar ik probeerde rustig te blijven.

‘Je moet -’ begon ik weer, maar werd nogmaals abrupt onderbroken.

‘Je moet jezelf aangeven. Je hebt het nummer al gedraaid: er is geen weg meer terug. Het is het juiste om te doen,’ sprak hij, terwijl ik de wacht­muziek al aan de andere kant van de lijn hoorde.

Mijn ademhaling nam toe. Ik dreigde te falen bij deze opdracht. In gedachten zag ik de stapels papierwerk al voor me. En erger: de vuile grijns van de Tegenpool wanneer hij weer zou winnen.

‘Je man -’ begon ik, maar vanuit mijn ooghoek zag ik de mond van Tegenpool alweer opengaan. Mijn irritatie sloeg op dat moment om in woede. Even leek alles zich vertraagd af te spelen. Zijn verschrikte blik, vlak voordat mijn vuist zijn kaak raakte. De dreun die klonk toen hij op de grond viel. Mijn volgende uithaal, ditmaal midden in zijn gezicht, waar­door ik zijn neus hoorde kraken.

Terwijl ik door trapte en sloeg bleef het vrolijke deuntje van de wachtmuziek alsmaar doorspelen. Vreemd genoeg klonk dat luider dan de schreeuwen van de man. Pas toen de muziek tot een abrupt einde kwam en de telefoniste vroeg hoe ze kon helpen, werd ik me weer bewust van mijn taak.

Ik legde mijn bebloede hand op de schouder van mijn cliënte. ‘Je wilt je man aangeven voor diefstal en fraude.’

De vrouw knipperde even met haar ogen, maar bleek niet meer overtuiging nodig te hebben. Tevreden haalde ik mijn hand van haar schouder en wierp een blik op de man in wit, die rochelend in zijn eigen bloed op de grond lag.

‘Hopelijk was dit genoeg uitdaging voor je,’ grijnsde ik, voordat ik hem ook nog een fysieke trap na gaf.

 

11.

 

‘Ik ben zeer tevreden,’ zei Den Eed.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken; de zaken waren de afgelopen maanden inderdaad goed gegaan. De Tegenpolen vormden geen probleem voor mij: ze vochten nooit terug. Implementaties waren daardoor erg simpel, zeker omdat de cliënten vaak maar weinig nodig hadden om overstag te gaan.

Vanwege mijn successen was het papierwerk ook minimaal. Ook was het niet langer nodig me in te lezen in de dossiers. De tijd die ik aan voor­bereiding kwijt zou zijn, kon ik nu beter benutten. Pauzes waren niet toegestaan, maar met een bak koffie – zogenaamd – een dossier door­nemen daarentegen …

Den Eed keek me kort aan. ‘Ik denk persoonlijk dat u een goede zou zijn voor fase 3 opdrachten.’

Ik probeerde te verhullen dat ik hem niet helemaal begreep. Gelukkig besloot mijn leidinggevende zijn woorden nader toe te lichten. ‘Fase 3 houdt in dat de redenen van implementatie gecompliceerder zijn. Het betreft meestal zwaardere misdaden.’

Ik knikte afwachtend.

‘Maar,’ vervolgde hij, ‘het kan ook gaan om invloedrijkere mensen: men­sen van het ministerie, bekende Nederlanders, belangrijke zakenlui …’

Toen ik mijn nieuwe contract tekende had ik niet veel verschil verwacht met mijn voorgaande opdrachten. Hierin had ik me echter wel ver­gist; de doelen van de implementaties waren inderdaad heftiger. Het kostte me daardoor soms moeite me te distantiëren van de daden van deze cliënten.

Maar als ik het niet deed dan werd een dergelijke opdracht wel door een collega uitgevoerd, bleef ik mezelf voorhouden. Bovendien zou het op den duur wel wennen.

Bij mijn nieuwste opdracht, waarbij ik een directielid van een grote instantie voor goede doelen moest aanzetten tot het verduisteren van een gigantische som geld, stond ik mijn Tegenpool al op te wachten. Een wit licht verscheen en ik balde mijn vuist: klaar om uit te halen.

Het licht begon vorm aan te nemen, maar het was ditmaal niet een man in een wit pak. Mijn adem stokte bij het zien van de verschijning en ontmoedigd liet ik mijn vuist zakken.

Voor me stond een jonge vrouw. Haar witte jurk stak mooi af tegen haar getinte huid. Ze streek haar lange, donkere haren naar achteren en gaf me een glimlach voordat ze sprak. ‘Had je iemand anders verwacht?’

 

12.

 

Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht. Ik herinner me mijn eerste les nog levendig.

Ik was een jaar of vijf, toen ik die bewuste dag met haar in de super­markt was. Mijn moeder had niet veel te besteden en werd op deze manier door de overheid gedwongen om haar budget aan te vullen door middel van stelen. Omdat ze me graag wat meer zelfstandigheid bij wilde brengen moest ik leren de producten die ik wilde, zelf de winkel uit te smokkelen.

Die dag had ik mijn oog laten vallen op de laatste zak met dropjes, die plots voor mijn neus werd weggegrist. De dader was een meisje met twee lange vlechten. Ze wilde de zak in een overvolle winkelwagen leggen maar ik blokkeerde haar pad en eiste dat ze me het snoepgoed over­handigde. Ze ging hier niet mee akkoord en ruw duwde ze me aan de kant.

Geërgerd greep ik haar bij beide vlechten vast en werkte haar tegen de grond. Toen ze de zak snoep nog steeds niet losliet hief ik mijn vuist.

Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn moeder, die aan het andere uiteinde van het gangpad stond. Op exact hetzelfde moment dat mijn vuist het meisje raakte, zag ik tot mijn schrik zelfs van die afstand het linkerooglid van mijn moeder trillen. Daaraan zag ik altijd direct dat het goed mis was.

Vanaf dat moment leek alles vertraagd plaats te vinden. Een grote zak met aardappelen viel met een bons onder haar rok uit, maar het leek haar niets uit te maken. De aardappelen rolden over de grond terwijl mijn moeder langzaam in beweging kwam. Ik stond aan de grond genageld terwijl ze als een dolle stier door het gangpad stormde, recht op mij af.

‘Je mag vrouwen niet slaan,’ schreeuwde ze, waarna ze me een draai om mijn oren gaf. ‘Vrouwen hoor je met respect te behandelen!’

Opvoeden kon ze wel, mijn moeder. Ik had daarna mijn gehele leven nooit meer een vrouw kwaad gedaan.

 

De vrouw in de witte jurk had haar blik wat afwachtend op me gericht. ‘Dus jij bent degene die mijn collega’s het werk onmogelijk maakt?’

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en haalde daarom mijn schouders maar op.

Een glimlach verscheen op haar gezicht. ‘Ik had een spraakzamer type verwacht.’

‘Ik had ook wel iets anders verwacht. Of iemand anders, in ieder geval,’ mompelde ik.

Ze stak haar hand uit. Enigszins argwanend nam ik deze aan. Haar hand voelde zacht in mijn ruwe vechtersvuist.

‘Angelica,’ zei ze.

Nooit eerder had een Tegenpool zich aan me voorgesteld. Mompelend gaf ik haar mijn naam.

‘Aangenaam kennis te maken, Jannes,’ zei ze. Ze gaf me een korte glim­lach voordat ze mijn hand losliet en naar de cliënt liep.

Ze legde haar hand op zijn schouder. Haar eerste woorden waren al overtuigender dan alles wat ik had kunnen bedenken.

Met moeite wist ik een vloek te onderdrukken. Had ik het dossier nu maar gelezen …

 

13.

 

Ik dacht terug aan de woorden van mijn leidinggevende.

‘Je hebt nog een kans om dit goed te maken,’ had den Eed gezegd. ‘De volgende opdracht is zwaar. Als je jezelf hiermee bewijst, zal je een mooie nieuwe functie krijgen.’

‘Wat voor functie?’

‘Mijn functie, meneer Uil,’ zei hij. ‘Leidinggevende over het gehele Grijze District van Noord- en Zuid Holland.’

‘En u dan?’

‘Voor mij komt er een mooie internationale functie vrij.’

Zijn woorden hadden me aan het denken gezet. ‘Het hele na-leven bestaat uit … werk?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Er komen telkens functies vrij van bovenaf. Dat houdt in dat er toch iets met die mensen gebeurt. Er gaan geruchten over ‘eeuwige rust’.’

‘Ze sterven … weer?’

‘Misschien. Alleen zou dat dan ook binnen de lagere functies voor­komen. Zelf geloof ik daarom dat men uiteindelijk met pensioen mag.’

Eeuwige rust. Dat klonk erg aantrekkelijk. ‘En als ik de opdracht niet haal?’ had ik gemompeld, nog terugdenkend aan mijn falen van voor­heen.

Zijn blik leek wat kil te worden, maar de glimlach was op zijn gezicht gebleven.

‘Dan ben ik niet blij, meneer Uil.’

De deur viel achter me dicht. Langzaam kon ik de slaapkamer van de duisternis onderscheiden. Ik richtte mijn blik op het bed. Het eerste dat me opviel, was de inktzwarte wolk die om de cliënt heen hing.

Het dossier van deze man was het dikste dossier dat ik tot nu toe onder ogen had gekregen. Ik had zowel de opdracht als het grootste deel van de achtergrondinformatie redelijk goed doorgenomen, maar de bijlagen … Die bestonden slechts uit informatie over zijn vele slachtoffers: allemaal vrouwen die hij op brute wijze had vermoord. Ik moet bekennen dat ik mijn maag toen wel een beetje voelde draaien.

Toen ik het witte licht zag hoopte ik vurig dat mijn Tegenpool een man zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik niet verbaasd was toen Angelica me met een brede glimlach begroette.

Qua voorbereiding had ik nu al meer tijd gestoken in dit dossier dan in alle dossiers van de afgelopen maanden – bij elkaar, zelfs – maar ik vreesde direct dat het niet genoeg was geweest.

‘Ik had kunnen weten dat ik jou hier zou aantreffen,’ mompelde ik.

Haar ogen vernauwden kort. ‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt me eerder doen falen. Dus ja, logisch dat ze jou sturen.’

‘Je had eigenlijk een andere Tegenpool vandaag, maar toen ik aanbood zijn cliënt over te nemen vond hij dat absoluut geen probleem,’ zei ze. ‘Wellicht dat het iets met je reputatie te maken heeft.’

‘Ik heb een reputatie?’

‘Nu niet te zelfverzekerd worden, Jannes. Er hangt veel van deze opdracht af.’

‘Meer dan je zou denken,’ mompelde ik, terugdenkend aan de woorden van mijn leidinggevende. Ze keek geïnteresseerd en daarom besloot ik mijn woorden toe te lichten.

Ze beet even op haar lip en leek mijn verhaal te overdenken terwijl ze blik op de cliënt richtte. Langzaam ging ze op de rand van zijn bed zitten. Ze leek zo in gedachten verzonken dat ik mijn ogen even afwendde. Ik keek naar de trage, regelmatige ademhaling van de cliënt.

Angelica sprak zacht. ‘Hij zocht ze bewust op, Jannes. Talloze keren.’ Ze schudde langzaam haar hoofd, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vielen. ‘Hij wachtte geduldig aan het donkere bospad tot er een vrouw langsfietste. Hij trok deze dan van haar fiets, het bos in … Waar hij haar op brute wijze verkrachtte, genietend van haar schreeuwen, van haar smeken, van haar tranen …’

‘En daarna vermoordde hij haar,’ vulde ik aan, mijn stem ook zacht.

Ik slikte kort. Nog nooit eerder had ik zoveel afschuw gevoeld voor een cliënt. Stelen, liegen, fysiek geweld … geen probleem. Maar moord, zeker op deze wijze, dat was toch wel een stap verder.

Angelica streek haar haren naar achteren voordat ze me aankeek. ‘En nu moet jij hem ertoe aanzetten dit weer te doen.’

Ik wist niet wat ik kon zeggen. Peinzend wendde ik mijn blik af. Deze man had al zo vaak misdaden begaan, zonder dat ik daar iets mee te maken had. Maar als ik hem aanzette tot het kwaad doen van een vrouw, was het dan niet indirect mijn schuld?

De stilte werd steeds langer, steeds ondragelijker.

‘Jij wilt hem op het rechte pad brengen?’ vroeg ik uiteindelijk.

Haar ogen waren op de cliënt gericht. ‘Zijn ziel is al te duister,’ zei ze, haar gezicht vertrokken in afschuw.

Haar opmerking verraste me. ‘Maar jij moet hem toch van het goede overtuigen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik heb dit al te vaak gezien. Ik moet hem ervan weerhouden een volgend slachtoffer te maken. Hij komt misschien tot bezinning en besluit vanavond niet naar het bos te gaan. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt. Dan ben ik hier weer, in dezelfde slaapkamer, met dezelfde opdracht.’

Weer een stilte.

Ik overwoog mijn opties en uiteindelijk slaakte ik een diepe zucht. ‘Ik trek me terug,’ mompelde ik.

Angelica richtte haar grote bruine ogen op me. ‘Maar … Je promotie …’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Begin maar, voordat ik me bedenk.’

Ze leek dit even te overdenken.

‘Nee,’ zei ze resoluut.

Verbaasd keek ik haar aan. Een mysterieuze glimlach verscheen op haar gezicht voordat ze weer sprak. ‘Ik heb een beter idee.’

 

14.

 

‘Overplaatsing naar zware arbeid,’ beval ik.

Damion, mijn collega wiens taak het was om mensen daar in te werken, had de man al bij zijn arm vast. ‘Maar,’ begon de man terwijl hij me met grote ogen aankeek, ‘waarom? Ik heb mijn werk goed gedaan.’

‘Je werk in je na-leven, ja. Ik baseer mijn beslissingen echter op het gehele dossier. Daaruit heb ik opgemaakt dat u niet bepaald een schatje was tijdens uw leven, dus zware arbeid lijkt me een geschiktere plek voor iemand zoals u.’

‘Maar tijdens mijn leven vonden er toch ook implementaties plaats? Ik kan daarvoor toch niet verantwoordelijk worden gehouden?’

‘Pas wanneer mensen zelf serieus een zonde overwegen, verschijnen wij aan hun zijde,’ zei ik. ‘Wij fluisteren ze slechts overdenkingen toe. Het zijn de mensen zelf, die de uiteindelijke keuze maken. Dus nee, meneer, de implementaties zijn geen excuus.’

‘Maar …‘ begon de man weer.

Ik onderbrak hem. ‘Veel mensen verliezen hun gouden gloed gedurende hun leven, maar inktzwart, daarvoor moeten vele verkeerde keuzes zijn gemaakt,’ zei ik, terwijl ik hem dreigend aankeek. ‘Dus u mag nog van geluk spreken dat ik u niet direct naar het Eeuwige Vagevuur stuur. En nu uit mijn ogen, voordat ik me bedenk.’

De man keek me verschrikt aan terwijl Damion hem mijn kantoor uitsleepte.

Charon kruiste hun pad. Een sadistische glimlach tekende haar gezicht. ‘Goed bezig, Jannes,’ complimenteerde ze sarcastisch, terwijl ze een stapel dossiers met een plof op mijn bureau liet vallen. ‘Dat is al de zoveelste deze week. En ik dacht dat Willem Roderik hard was voor zijn personeel.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Den Eed viel best mee. Zijn dit de verslagen over de nieuwelingen?’

Ze knikte. ‘Succes ermee. En probeer je dit keer nog wel wat leuks over te laten op deze werkvloer? Ik heb af en toe wel een brutaaltje nodig om mijn werk dragelijk te houden.’

Ik glimlachte kort. ‘Contractueel gezien moet je ze eerst waar­schuwen. Anders krijg je met mij te maken. Of met Ruby’s bijl.’

Terwijl Charon mijn kantoor verliet, stak ze grijnzend haar middelvinger naar me op. ‘Je mag dan een meerdere zijn, maar deze heb ik toch nog wel voor je luchtpijp over.’

‘Dat geloof ik graag,’ grinnikte ik, voordat ik me weer op mijn werk concentreerde.

Kort beet ik op mijn lip toen ik zag dat ik het langverwachte dossier eindelijk voor me had. Met een vinger streek ik over de bekende naam op de kaft, terwijl ik Angelica’s woorden overdacht.

‘Het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt.’

Zwijgend had ik geknikt.

‘Het is de beste oplossing. Voor mij is het eigenlijk verboden, maar als jij je implementatie verandert dan heb jij je promotie én is deze wereld een betere plek.’

‘Ik kan gewoon zeggen dat ik eigen initiatief heb getoond. Maar voor jou … Kom jij dan niet in de problemen?’

Ze had geglimlacht. ‘Je hebt een reputatie. Niemand neemt het mij kwalijk als het me een keer niet is gelukt.’

Mijn bewondering voor haar nam toe. ‘Je bent zo goed. Zo puur,’ wist ik uit te brengen, enigszins beschaamd om mijn plotselinge uitspraak.

Ze had haar hoofd geschud. ‘Vergis je niet, Jannes. Zowel het leven als het na-leven zijn niet zo zwart-wit als men denkt. Mijn ziel had haar gouden gloed al lang verloren, maar mijn dood heeft me een gratis kaartje naar de witte werkvloer opgeleverd.’

‘Je ziel had haar gouden gloed verloren?’

Ze sloeg haar ogen neer. ‘Tijdens mijn leven heb ik dingen gedaan waar ik niet trots op ben. Ik was zelfzuchtig: ik bespeelde mensen, puur om mijn eigen belangen te behartigen.’

‘Zelfzuchtig? Jij?’

‘Niet meer, Jannes.’

‘En hoe bedoel je, een gratis …‘

Voordat ik mijn zin kon afmaken, legde Angelica een vinger tegen mijn lippen. ‘Jij en ik zijn niet zo verschillend, eigenlijk. Wij doen wat wij denken dat het juiste is,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht langzaam dichter bij het mijne bracht.

Mijn hartslag nam toe toen ze me een kus op mijn wang gaf. Haar lippen voelden zacht tegen mijn huid.

‘Ik hoop echt dat je die promotie krijgt,’ fluisterde ze. ‘Ik gun het je, Jannes.’

We waren naast de cliënt gaan staan, ieder een hand op zijn schouder. Onze stemmen hadden als één geklonken.

Doodsoorzaak: Zelfmoord.

De woorden waren verwacht, toch voelde het raar om ze op papier te zien. Ik bladerde door de bijlagen en bekeek de foto’s van de vele slacht­offers die hij had gemaakt. In gedachten zag ik zijn functione­rings­gesprek al voor me.

Ik sloeg een bladzijde om. Mijn adem stokte. Overrompeld staarde ik naar de bijlage, niet in staat mijn ogen van het papier af te wenden. Mijn blik bleef hangen bij de bruine ogen en haar bekende glimlach. Met trillende vingers streek ik over de foto, terwijl ik haar naam fluisterde.

Ik hervatte me. ‘Dit keer zal hij schreeuwen. Dit keer zal hij smeken,’ mompelde ik vastberaden. ‘Ik gun het je, Angelica.’

Vaaltgieren : Tom Thys

Je moet weten dat de jaren negentig niet mild waren voor bepaalde Antwerpse wijken. Wij leefden in een vergeten stukje van de stad, in het middelste van drie flatgebouwen. De Silvertopblokken, zo werden ze genoemd. Drie sombere monolieten die naar de wolken klommen, opge­trokken uit grijze steen waarin ontelbare venstertjes geborduurd waren. Achter die venstertjes loerde doffe ellende. Het was alsof al het uitschot en alle armoezaaiers van Antwerpen er in ballingschap leefden. Ondanks hun pogingen om vooruit te komen in het leven, zonken ze steeds dieper weg in het moeras van hun eigen tristesse. Dat effect hadden de Silvertopblokken nu eenmaal op hun inwoners.

Roy en ik waren twee van de honderden bannelingen. Met z’n vijftien jaar was Roy twee jaar ouder dan ik. Hij was mijn beste vriend. Hij lispelde, maar ik trok zo vaak met hem op dat het mij niet meer opviel. Het grootste deel van onze tijd brachten we door in de afvalruimte, onderaan het flatgebouw waar we beiden woonden. Echt slecht hadden we het niet. Tenminste, we maakten er het beste van en hadden eigenlijk geen flauw benul van de ernst van sommige situaties. Er wordt vaak gezegd dat kinderen heel flexibel zijn, dat ze zich moeiteloos aanpassen aan hun omgeving, hoe naar die soms ook is. Ik geloof dat dit ook voor ons gold.

De gebeurtenis die ik met jullie wil delen speelde zich af op een oktoberdag in 1994. De lucht was één grote, grijze deken die onop­houdend motregen over de mistroostige woontorens bloedde. Het soort weer dat je tussen de vier muren van je veel te kleine flat dwong, gekluisterd aan je veel te kleine televisiescherm, tenzij je een depressie had en je jezelf nog meer wilde kastijden door naar buiten te gaan.

Roy en ik zaten in de afvalruimte, beschut tegen de regen en de gierende wind. We hadden besloten om die dag te spijbelen. Onze moeders zouden er niets van merken. Zoals gewoonlijk was die van mij vroeg uit de veren om tegen een hongerloon te gaan poetsen bij wel­gestelde gezinnen. Die van Roy zat thuis, high van de kalmeer­middelen. Onze moeders hadden geen man die hen het leven wat gemakkelijker maakte, geen man die hen af en toe mee uit eten nam of een nekmassage gaf of erop toekeek dat hun zonen niet op het verkeerde pad geraakten. Ze stonden er helemaal alleen voor. In feite was hun leven om zeep. Het enige wat ze nog wilden, was een toekomst voor hun kinderen.

De afvalruimte was een donker hok dat zich op de beneden­verdieping van het flatgebouw bevond. Het was tamelijk groot. Van de buitenkant leek het op een garagebox voor kleine vrachtwagens. Er was een zware, ijzeren poort en in die poort zat een deurtje. Hoewel het deurtje altijd open was, kwam er bijna nooit iemand. Als je alleen wilde zijn, om welke reden dan ook, dan was de afvalruimte de ideale plaats. Aan de stank raakte je na verloop van tijd wel gewend.

In de ruimte stonden verschil­lende ijzeren containers die uitpuilden van het vuilnis. Vaak werd er ook illegaal afval gestort. Tapijten, beeldbuis­schermen, dat soort dingen. Het kroonjuweel van dat stinkende hol was de stortkoker, die centraal uit het plafond kwam. Vanbinnen smerig en vanbuiten grauw glimmend in de paarse gloed van flikkerende tl-lampen.

Roy zat onderuitgezakt op de tegelvloer met zijn rug tegen een vuilnis­zak die hij naar de iele vorm van zijn lichaam had gekneed. Hij speelde op zijn Game Boy. De aanstekelijke melodie van Tetris galmde tussen mijn oren en ik kon het niet laten om mee te neuriën. ‘Hou daar mee op,’ siste Roy. Hij was verschrikkelijk goed in dat spel en het zou lang duren voor ik aan de beurt kwam. Ik hoopte hem af te leiden, maar zag aan zijn gezicht dat hij erg nukkig was, dus liet ik hem met rust.

Uit verveling deed ik wat ik wel vaker deed: ik ging in de vuilnis­containers op zoek naar verborgen schatten. Negenennegentig procent van wat de flatbewoners in de stortkoker dumpten, was smerig afval: luiers, beschimmelde etensresten, de inhoud van een asbak, condooms en bebloede tampons.

Ik klom op een van de containers en boog over de rand, boven het vuil. Ik was me bewust van de gevaren. Het was een broeinest van bacteriën. Als je wonden in je vingers had, kon je maar beter niet in aanraking komen met die plakkerige troep. Gore ziektes lagen daar voor het oprapen. Wroeten in het afval was gevaarlijk omdat je zomaar in een heroïnenaald kon graaien. Bovendien drong de rottingsgeur je neusgaten binnen zodat je bijna moest braken. Maar soms, heel soms, stootte je op een schat. Een afgedankt G.I. Joe poppetje, een pakje sigaretten dat op het eerste gezicht leeg was, maar waar bij nader inzien nog één sigaret in zat, of pornoblaadjes. Ooit kwam er zelfs een versleten dildo naar beneden gevallen. We probeerden te gissen wie de eigenares was en waren het er al snel over eens dat hij aan Wendy toebehoorde, een hoertje dat op de zesde verdieping woonde.

Ook deze keer was mijn schattenjacht een klein succes. ‘Kijk wat ik gevonden heb!’ riep ik. Trots toonde ik Roy een flesje modelbouwlijm. We wisten allebei wat dat betekende.

Roy zette de Game Boy uit. Onmiddellijk zag ik die hongerige blik in zijn ogen. Hij stond op, haalde een zakdoek uit zijn broekzak en gebaarde me dat ik hem de lijm moest geven. Dat deed ik. Roy hield het flesje tegen het licht en bestudeerde het etiket. Hij mompelde iets. Aan zijn gezicht te zien was hij opgetogen over mijn vondst. ‘Kom,’ zei hij.

Roy hurkte en legde de zakdoek over zijn knie. Hij vouwde hem dubbel en herhaalde die handeling. Daarna opende hij het flesje. Het was niet groot, maar van uitstekende kwaliteit. Ik kende het merk: Revell was de max. Het was niet alleen geschikt voor het lijmen van plastic vliegtuig­onderdeeltjes. Roy keurde het goedje met zijn neus en sloot zijn ogen. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij. Hij liet mij ook ruiken. Ik hield van die typische geur van chemicaliën, scherp en zoet tegelijkertijd. Voor­zichtig goot Roy een deel van het flesje leeg in de zakdoek. Vervolgens drukte hij hem tegen zijn neus en ademde zo lang en diep in, dat zijn ogen wegdraaiden en hij begon te wankelen. Hij ging weer tegen de vuilniszak zitten en begon zachtjes te kreunen.

‘Kom naast me zitten,’ murmelde hij even later.

Ik aarzelde. Meestal was Roy niet zo’n aangenaam gezelschap wanneer zijn roes uitgewerkt was. Hij kon dan heel chagrijnig worden, vijandig zelfs. Maar toen hij me bij mijn pols naar beneden trok, kon ik niet anders. Hij bevochtigde de zakdoek en gaf hem aan mij. Ik gaf me over aan de chemicaliën en zakte nog wat meer onderuit, tussen het vuilnis. Mijn hoofd begon al snel te bonzen en ik kreeg het gevoel alsof ik op een draaimolen zat. Met een troebele blik staarde ik naar de stortkoker, die gaapte als de ontstoken keel van een prehistorisch monster. Af en toe viel er wat rommel uit de schacht.

De high duurde ongeveer een kwartier. Roy was als eerste weer helder. Met mijn ogen nog steeds gesloten hoorde ik hem zachtjes hijgen. Ik luisterde naar het geritsel van de plastic vuilniszakken toen hij zich bewoog, een warm, geruststellend geluid. Er ging een rits open. Roy pakte mijn hand en begeleidde me naar zijn kruis. Zijn pik was hard en Roy kreunde toen mijn koude vingers het beroerden.

‘Verdorie, Roy.’ Ik trok mijn hand weg. ‘Laat me even met rust.’ Op zich had ik er niets op tegen om Roy af te trekken, maar ik wilde nog genieten van dat dromerige gevoel.

‘Ik wil het nu,’ gromde hij. Opnieuw greep hij mijn hand. Zijn nagels haalden mijn vlees open en ik siste van de pijn. Mijn ogen sprongen open. Als wraak trok ik aan zijn schaamhaar. Roy schrok en brulde het uit. ‘Klootzak, waarom doe je dat?’ Zijn stem weergalmde tussen de vieze tegelmuren. Hij gaf me een stomp op mijn neus waardoor ik nog meer onderuitzakte. Onmiddellijk proefde ik bloed in mijn mond. Ik spuugde een fluim op de grond en schreeuwde hem toe dat hij een waardeloze vriend was. Toch gaf ik hem zijn zin, deels uit angst, deels uit medelijden.

Zijn stemmingswisselingen had Roy overgehouden aan de mysterieuze verdwijning van zijn jongere broertje Andy. Dat was ongeveer anderhalf jaar geleden gebeurd. Roy had het zichtbaar moeilijk om het trauma te verwerken, ook al praatte hij er nooit over. Andy was zes toen hij verdween. Met zijn drieën waren we aan het ronddolen in de buurt, zoals we altijd deden. Het was zomervakantie. We slenterden over de speeltuin die eigenlijk geen speeltuin was, maar eerder een kerkhof van vernielde houten skeletten in een niemandsland. Ik herinner me nog hoe de loodzware hitte van die dag oploste in de rukwinden van een nakende storm. Ik hield van die typische geur.

We hadden meerdere schuilplaatsen tegen de regen: de afvalruimte of de ondergrondse parkeergarage waar tieners skateten en drugs gebruik­ten. Maar in die tijd verstopten we ons ook regelmatig in wat wij de tussenverdieping noemden. De woontoren was zodanig gecon­strueerd dat zich boven de benedenverdieping een nis bevond over de hele breedte van het gebouw. Daarop stonden betonnen kolom­men die de rest van de appartementen ondersteunden. De nis was ongeveer één meter twintig hoog, zodat je altijd krom moest lopen. Met al die kolommen was het net een doolhof. Je kon er letterlijk verdwalen. En het stonk er verschrikkelijk naar duivenstront.

Om op de tussenverdieping te komen moest je je lichaam dwars zetten tussen een zijmuur en een pilaar en zo omhoog klauteren, iets waar wij heel behendig in waren. De tussenverdieping was bovendien een paradijs voor vaaltgieren zoals wij. Je kon er alles vinden: tennisballen, aan­stekers, speelgoed, batterijen, muntstukken en medicijnen. Andy had ooit de arm van een etalagepop ontdekt en was luidkeels gaan gillen omdat hij dacht dat het een echte arm was. Daar hebben we hard om gelachen.

Roy was verzot op zijn broertje. In veel opzichten leken ze op elkaar en toch waren ze ook heel verschillend. Maar ze waren onafscheidelijk. Echter, op de dag van het onweer gebeurde het ondenkbare. Andy verdween spoorloos.

Elk waren we onze eigen weg gegaan op de tussenverdieping, op zoek naar schatten. Eerst dachten we dat Andy verstoppertje speelde om ons te jennen. Toen dachten we dat hij naar beneden was gevallen en misschien zijn nek had gebroken. Roy en ik waren in paniek, aangezien zijn moeder erop vertrouwde dat wij Andy nauwlettend in de gaten hielden. Hij kon soms heel onstuimig zijn en een ongeluk was natuurlijk snel gebeurd. Maar we vonden Andy nergens. De hele middag hebben we naar hem gezocht.

Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Roys moeder was ten einde raad. Ik herinner me nog dat ze op haar sokken buiten stond en onop­houdelijk de naam van haar jongste zoon stond te schreeuwen. Er werd een burgerpatrouille ingeschakeld. De buurt werd uitgekamd en overal werden pamfletten met Andy’s foto opgehangen. Zonder resultaat.

Je moet weten dat er in die tijd wel meer jongetjes verdwenen in de regio, jongetjes die nadien nooit meer teruggevonden werden. Dus toen Andy na een week nog steeds niet thuis was, had iedereen de hoop opgegeven. Roy heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die dag zijn broertje uit het oog verloor.

Schokkend kwam hij klaar in mijn hand. Na een zucht van genot volgden er tranen. ‘Het spijt me,’ snikte hij, terwijl hij zijn broek dicht­ritste.

Ik veegde mijn hand af aan zijn zakdoek en omhelsde hem. ‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Het geeft niet.’ We misten Andy allebei, maar bij Roy sneed het verdriet zo diep dat hij er soms bijna krankzinnig van werd. Ik besloot een mop te vertellen om hem op te vrolijken. ‘Wat is het toppunt van zelfvertrouwen?’

Roy haalde zijn schouders op.

‘Een scheet laten als je diarree hebt.’

Ik keek naar Roy in de hoop dat mijn missie geslaagd was. Hij staarde me aan door betraande ogen, zijn lippen stijf op elkaar gedrukt. Ik zag zijn neusvleugels trillen. Hij probeerde zich serieus te houden, wat slechts even lukte. Zijn schouders begonnen te schudden. Plots proestte hij het uit. Opnieuw rolden er tranen over zijn wangen, maar deze keer van het lachen. Zijn buik schudde heftig. Ook ik hield het niet meer. Ik klapte dubbel en zocht steun tegen een container. Ons gelach bulderde in schelle echo’s tussen de muren van de afvalruimte. We schaterden het uit tot we kramp kregen in onze kaken.

Toen we uitgelachen waren, wees Roy naar het flesje, dat nog voor de helft gevuld was. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Roy prepareerde een tweede high. Deze keer mocht ik eerst. Ik snoof de lijm, die gearomatiseerd was met Roys sperma, een geur die me naar extase voerde. Aanvankelijk knipperde ik nog enkele keren met mijn ogen om de stortkoker in de gaten te houden, wachtend op een nieuwe schat, maar ik werd al snel aan de roes overgeleverd. Ik zweefde door een diepblauwe hemel, omringd door pluizige wolken.

De tweede roes was altijd minder lang en minder sterk, maar omdat Roy me deze keer niet lastig viel, was hij aangenamer dan de eerste. Ik was volledig ontspannen en gaf me over aan het extatische gevoel in mijn hoofd. Hier beneden, met behulp van de lijm, kon ik even alles vergeten. Geen gezeur van mama, geen andere shit. De rust was heerlijk. Helaas kon ik er niet lang van genieten.

Ik werd brutaal uit mijn droomtoestand gerukt door scherpe, metalige klanken die op mij neerdaalden. Met opengesperde ogen keken Roy en ik naar de schacht. Dit was niet het geluid van een ordinair stuk vuilnis dat gedumpt werd. Het bonken zwol aan tot een sinistere symfonie en we zagen hoe de koker een zwart voorwerp uitbraakte. Het vuilnis in de container eronder verzekerde een zachte landing. We waren allebei zo benieuwd dat we meteen opstonden. Ik voelde me nog licht in mijn hoofd. Roy ongetwijfeld ook, want hij wankelde en struikelde bijna over zijn eigen voeten. Eenmaal bij de container klommen we over de rand om te zien wat dat zwarte voorwerp was.

Het bleek een transistorradio te zijn. Hij was terechtgekomen in iets wat op bedorven lasagne leek, maar dat deerde ons niet. Roy boog nog wat dieper over de rand zodat hij erbij kon met zijn handen. Hij pakte de transistorradio, gaf hem aan mij en zei me de smurrie weg te vegen met zijn zakdoek.

‘Wie gooit zoiets weg?’ dacht ik hardop. Hij zag er tamelijk nieuw uit. Ik peuterde de restjes lasagne weg tussen de knopjes en de luidspreker.

Roy kwam naast me staan. ‘Zou hij nog werken?’

Toen ik hem helemaal had schoongemaakt, gaf ik hem de transistor­radio terug.

Hij zette hem aan en draaide aan de volumeknop, maar er kwam geen geluid uit. Hij draaide het toestel om. ‘Er zitten geen batterijen in.’

We keken elkaar peinzend aan. Plots kreeg ik een idee. Ik pakte Roys Game Boy en verwijderde het klepje aan de achterkant. Een voor een nam ik ze eruit. ‘Is dit de juiste maat?’ vroeg ik, terwijl ik er een tussen duim en wijsvinger hield.

‘Ik denk het wel,’ zei Roy. Hij griste de batterijen uit mijn hand en stak ze in de transistor. Toen hij hem aanzette en Love & Devotion van Real McCoy door de luidspreker schalde, begonnen we allebei uitbundig te dansen. Het was weken geleden dat we nog zo’n kostbare schat hadden buitgemaakt. We zongen luidkeels mee met het refrein.

 

Love and devotion, baby
I can’t get enough of all that love and devotion in my life.
Love and devotion, baby love and devotion,
You are the sunshine of my life.

 

Daarna imiteerde Roy het rapgedeelte, stoere handgebaren inbegrepen. Het was een van de grootste hits van dat jaar, we kenden het nummer helemaal uit ons hoofd en waren er wild van. Roy had zelfs wat vette dansmoves bedacht, speciaal voor dat nummer. Hij voerde ze uit op de glibberige tegelvloer. Hij leek Michael Jackson wel.

Toen het nummer afgelopen was, nam ik de transistor en zocht naar een andere zender. Ik draaide aan de knop terwijl ik naar de naald op de FM-band keek. De ruimte tussen twee radiostations werd telkens opgevuld met krakende ruis waar soms een stem of een beat doorheen klonk. We vonden niet meteen een kanaal naar ons zin. Bovendien was de ontvangst niet optimaal. Ik rommelde wat aan de antenne. Tevergeefs. Ruis was het enige wat nog uit de transistor kwam.

‘Wacht eens, heb je dat gehoord?’ zei Roy opeens.

‘Wat bedoel je?’

‘Draai eens terug.’ Zijn ogen werden groot en hij schoof dichterbij.

Ik deed wat hij vroeg maar weer kwam er slechts ruis uit de luidsprekers… en flarden van een nummer van Madonna waarvan ik de melodie wel herkende, maar waarvan ik niet op de titel kon komen. ‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ik.

Zonder iets te zeggen griste Roy de radio uit mijn handen. Hij legde zijn oor tegen de luidspreker en draaide heel langzaam aan de knop. De naald verschoof van links naar rechts en weer naar links. Ik wilde iets zeggen, maar Roy gebaarde me dat ik moest zwijgen. Hij sloot zijn ogen. Gedurende een minuut herhaalde hij dezelfde handeling, tot hij de radio bijna uit zijn handen liet vallen. ‘Dit,’ zei hij. ‘Heb je dat gehoord?’ Hij huiverde.

Ik gebaarde van niet. Ik wilde hem niet teleurstellen of hem het gevoel geven dat hij het zich inbeeldde, maar ik hoorde echt niets.

Roy draaide het volume hoger en hield de radio tegen mijn oor. ‘Luister.’

Ik deed wat hij vroeg. Eerst hoorde ik alleen ruis. Ik probeerde me te focussen en door de ruis heen te luisteren en na een tijdje hoorde ik het ook, al was het eerst onduidelijk. Geschreeuw dat uit de verte leek te komen. Niet afkomstig van een liedje of van een presentator. Nee, het klonk als het gillen van een kind dat doodsangsten uitstond. ‘Shit,’ stamelde ik. Ik schudde met mijn hoofd. Tegen beter weten in probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat die afgrijselijke klanken deel uitmaakten van een bizar liedje. Het was alsof iets of iemand mijn keel dichtkneep. Ik vergat te ademen.

Met bevende handen plaatste Roy de radio op de grond. We zetten allebei enkele passen achteruit, als dieren die in het nauw gedreven werden. We wisselden een blik en staarden vervolgens weer naar het toestel. Doordat ik me concentreerde op het geluid, kon ik de ruis wegdenken. Het geschreeuw werd steeds dwingender. De stem in de verte bezorgde me kippenvel. Even later realiseerde ik me dat het niet één stem was, maar meerdere. Stemmen van jongetjes. Doodsbange jongetjes. Geen woorden, alleen maar geschreeuw.

Ik dacht ogenblikkelijk aan Andy.

Op dat moment voelde ik de grond onder mijn voeten wegvallen. Ik weet nog hoe ik naar Roy keek om te zien of hij net als ik stond te daveren op zijn benen. Zijn gezicht was lijkbleek en hij probeerde speeksel weg te slikken. Ik zag zijn adamsappel op en neer wippen. Ik wilde dat vreselijke geluid niet meer horen, maar ik slaagde er niet in te bewegen. Ik was verstijfd. Gelukkig liep Roy na even aarzelen naar de radio om hem af te zetten door met zijn voet op de knop te trappen. Twee seconden langer en ik had het ongetwijfeld in mijn broek gedaan.

De stilte voelde als een warm bad.

Heel even maar, want daarna daalde er een kilte over me neer waar ik rillingen van kreeg. De radio lag daar op de grond. Ik keek naar de frequentie. De naald stond op 102.8 Mhz. Het leek een doodgewoon toestel, maar Roy en ik wisten wel beter. De verdwenen jongetjes hadden ons gevonden. Onmiddellijk spookten verschillende vragen door mijn hoofd.

Wilden ze ons iets vertellen?

Waarschijnlijk wel, maar wat?

Waar bevonden ze zich?

Waren ze dood?

Of leefden ze nog?

Met hoeveel waren ze?

Zouden we Andy ooit nog terugzien?

En de andere jongetjes waar zoveel ouders nog steeds om treurden?

En wie had die duivelse radio in de stortkoker gekieperd?

‘Wat nu?’ vroeg ik aan Roy, alsof hij het antwoord hoorde te weten. Roy haalde zijn schouders op. We wisten allebei dat we dit niet konden negeren, dat we niet konden doen alsof we die transistorradio nooit gevonden hadden. Roy zei wat ik dacht toen hij vroeg wie dat toestel had gedumpt.

Ik dacht ogenblikkelijk aan meneer Uspensky. Meneer Uspensky was een zonderlinge Oekraïense immigrant waarvan niemand wist hoe oud hij eigenlijk was omdat hij er op sommige dagen heel jong uitzag en op andere dagen heel oud. Hij woonde op de negentiende verdieping. Daar leidde hij een teruggetrokken leven. Je zag hem niet vaak, maar wanneer je hem zag was dat altijd op onregelmatige tijdstippen terwijl hij doelloos ronddoolde in de buurt. Hij leek heel gejaagd als je hem met zijn karak­teristieke, mankende tred zag wandelen. Meestal kon je hem tegen zich­zelf wartaal horen mompelen, iets wat de kinderen uit de buurt zowel angst inboezemde als op hun lachspieren werkte.

Meneer Uspensky was een broodmager skelet van twee meter groot met een afschuwelijk litteken onder zijn oog en tanden die als weggezonken grafzerken uit zijn grijze tandvlees staken. Hij droeg kleren die nooit bij het weer pasten. Als het ’s winters vroor, liep hij op sandalen en tijdens een hittegolf in augustus danste er een lange, donkerbruine jas vol gaten om zijn geraamte.

Waarom ik aan meneer Uspensky dacht? Destijds hadden de flat­bewoners hem ervan beschuldigd iets met de verdwijningen te maken te hebben. Waarschijnlijk omdat ze hem zo’n vreemde vogel vonden. Hij maakte zichzelf verdacht met zijn rare gedrag. De politie had hem ver­schillende keren ondervraagd, maar ze hadden nooit bewijzen tegen hem gevonden. Toch werd er steeds gefluisterd dat meneer Uspensky die jongetjes gemolesteerd had en dat hij ze daarna ergens gedumpt had. Soms riepen mensen hem wat na als hij weer eens aan het ronddolen was. Een enkele keer hadden twee mannen uit de buurt geprobeerd om hem een pak rammel te verkopen, maar ze konden niet tegen hem op.

Ik was bang voor hem. Roy ook, al gaf hij dat niet graag toe. Een keer had ik hem uitgedaagd om met de lift naar de negentiende verdieping te gaan. Ik zei dat hij niet door de spleet onder de voordeur van meneer Uspensky’s flat durfde kijken. Roy had de uitdaging aangenomen en was de deur genaderd. Daar ging hij plat op zijn buik liggen. Ik stond ver genoeg om op tijd weg te rennen als die deur plots open zou gaan, maar dichtbij genoeg om dat eigenaardige geluid te horen. Het klonk als de statische ruis van een of ander toestel.

Roy moest zijn wang helemaal tegen de vloer drukken om naar binnen te kunnen loeren. Vijf seconden, langer duurde het niet. Omdat hij gestommel bij de voordeur hoorde, veerde hij overeind en renden we samen weg.

Toen ik op de terugweg aan Roy vroeg of hij iets had kunnen zien, zei hij dat de hal vol radiotoestellen stond. Oude en nieuwe modellen, zowel hele grote als hele kleine die in je jaszak pasten, en ook losse onderdelen en toestellen die zelfgemaakt leken. Het was een immense verzameling, zei Roy. Dat verklaarde waarschijnlijk de statische ruis. En er stonden ook kartonnen dozen op elkaar gestapeld tot aan het plafond. We speculeerden dat meneer Uspensky er de beenderen van de jongetjes in bewaarde. Toen moest Roy overgeven en sindsdien zijn we nooit meer op de negentiende verdieping geweest.

‘Zullen we de radio weer aanzetten en proberen te achterhalen waar dat geschreeuw vandaan komt?’ vroeg Roy. Hij keek bedrukt en in zijn stem klonk pure wanhoop door. Hij moest en zou te weten komen wat er met Andy gebeurd was.

Ik was niet zeker of dat wel zo’n goed idee was. Misschien waren de gruwelen waaraan Andy onderworpen was geweest wel zo erg dat Roy nooit meer zou kunnen slapen. Maar ik begreep hoe belangrijk dit voor hem was en liep, ondanks mijn angst en afkeer voor die spookachtige stemmen, naar het toestel. Ik zette het aan. Roy en ik gingen zitten en sloten onze ogen. Opnieuw duurde het een poos voor we door de ruis heen konden luisteren. Het vergde opperste concentratie en het was net alsof we eerst in een soort trance moesten komen alvorens de stemmen ons bereikten.

Deze keer probeerde ik alle achtergrondgeluiden eruit te filteren. Ik hoopte op die manier iets van de omgeving op te vangen. Al gauw besefte ik dat we naar een speld in een hooiberg zochten. Het was bijna onmogelijk om de ruis van de achtergrondgeluiden te onderscheiden en als we dan toch iets zouden horen, dan nog was het gissen wat het was en waar het vandaan kwam.

Maar misschien zouden de laatste druppels modelbouwlijm mijn roes wel voldoende versterken om de geluiden te ontmantelen als de schillen van een ui. Ik liet het flesje leegdruppelen op mijn T-shirt en duwde het vochtige katoen tegen mijn neus.

De verschuiving in mijn geestestoestand voltrok zich enkele ogen­­blikken later. In plaats van dat de geluiden helder bij me binnen sijpelden, kreeg ik iets wat ik enkel als een visioen kan omschrijven. Een vaag, waterig beeld. Ik wist meteen dat ik het her­kende, al was het zo troebel dat ik twijfelde of het uit een droom, een nachtmerrie of een vage herinnering afkomstig was. Roy moet aan mijn gelaatsuitdrukking gemerkt hebben dat ik iets op het spoor was. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij.

Ik gebaarde dat hij me even met rust moest laten. Hij mocht mijn visioen niet verstoren. Bovendien moest het snel gaan, want met enkele druppels lijm zou de roes hooguit een minuut of twee duren. De kleuren vielen mij als eerste op. Roestbruin met bleke, paarse vlekken. Ik zag ook een lange gang waarvan het einde onzichtbaar was. Plassen op de vloer, schimmel op de muur. Toen de geluiden van ventilatieschachten, tikkende verwarmingsbuizen en sidderende lampen één voor één door het beeld drongen, werd de film compleet.

Ik opende mijn ogen en keek Roy indringend aan.

‘En?’ vroeg hij. Zijn borstkas ging snel op en neer en zijn ogen waren overspannen met ongeboren tranen.

‘De kelder,’ zei ik.

‘Bedoel je…?’

Ik knikte.

‘Waar wachten we dan nog op?’ Roy stond op. Zijn gewrichten knakten van het lange stilzitten. De wanhoop en het verdriet in zijn blik hadden plaatsgemaakt voor verbetenheid. Hij liep naar de deur en duwde ertegen. Die ging krijsend open. Een bundel vaal daglicht stroomde de afvalruimte binnen. Omdat Roy zag dat ik hem niet meteen volgde, keek hij over zijn schouder. ‘Kom je nog?’ Hij probeerde niet eens zijn ergernis te verbergen.

Ik was als de dood voor de kelder onder het flatgebouw. Het was een reusachtig labyrint. Slechts één keer was ik er geweest, op de dag dat we verhuisd waren en mijn moeder me had gevraagd om haar te helpen enkele spullen in de kelder op te bergen. Uit nieuwsgierigheid was ik door de verschillende gangetjes gaan dwalen, langs de kelderboxen van de vele bewoners, tot ik opeens besefte dat ik me de weg terug niet meer herinnerde. De muren leken op me af te komen. Het gaf me een beklem­mend gevoel dat nog het best te vergelijken was met wurging door ijskoude handen. Zeker tien minuten heb ik daar lopen zoeken naar een uitweg uit die stinkende, vochtige en schemerige doolhof. Ik vreesde dat ik er nooit meer uit zou komen, dat ik opgeslorpt zou worden door het gebouw. Nadien heb ik er zelfs nog nare dromen over gehad. Daarom aarzelde ik toen Roy mij wenkte, maar hij was zo vastberaden om te achterhalen wat er met Andy gebeurd was, dat ik hem niet in de steek kon laten.

We liepen het flatgebouw binnen en namen de lift naar de kelder­verdieping. De ijzeren kooi schommelde tijdens de afdaling. Ik luisterde naar mijn hartslag die met elke seconde in snelheid toenam. Ik keek naar Roy. Zijn mondhoeken stonden strak van de spanning en zijn gezicht had een koortsachtige glans. ‘Denk je dat we iets zullen vinden?’ vroeg ik. Maar Roy antwoordde niet. Ik geloof dat hij me niets eens gehoord had, zo gefocust was hij.

Toen de lift tot stilstand kwam, wachtte Roy een ogenblik alvorens hij met ingehouden adem de deur openduwde. Het was onmogelijk om de stank van schimmel te negeren, zelfs als je je neus toekneep. Hij wurmde zich tussen je lippen naar binnen en prikkelde je sinussen en papillen tot je er van moest hoesten. Links en rechts reikte de gang tot in het oneindige, onderbroken door zijgangetjes die elk op zich nog ontelbare aftakkingen hadden. Het was koud in de kelder. Ik rilde en legde mijn armen over elkaar. ‘Welke kant gaan we op?’

Roy keek naar links, naar rechts en weer naar links en zei: ‘Die kant.’

De gang was slecht verlicht. Hier en daar flikkerden tl-lampen. Sommige deden het helemaal niet. Naast de lampen aan het plafond hingen verwarmingsbuizen en waterleidingen, die op verschillende plaatsen lekten. Daardoor waren er plassen ontstaan op de vloer. Roy en ik slalomden erlangs. Het was een hels karwei om hier naar Andy te gaan zoeken. Bovendien had de politie destijds het hele gebouw al uitgekamd en niets gevonden. Ik probeerde me af te sluiten voor de keldergeluiden, in de hoop het geschreeuw te kunnen horen, ergens in de verte. Of eigenlijk hoopte ik eerder niets te horen, want ik zou het in mijn broek doen en ik wilde dapper blijven voor Roy. ‘Is het niet beter als we jouw moeder erbij halen?’ vroeg ik.

‘Ben je gek?’ zei hij. ‘Ze is een wrak, ze zit onder de medicijnen. Ze kan dit niet aan.’

Roy had gelijk. We waren op onszelf aangewezen. Hij gaf de indruk dat hij wist wat hij deed, dus volgde ik hem. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem. Als ik had gekund, zou ik zelfs zijn hand hebben vastgehouden, maar de gang was zo smal dat als je je armen strekte, je beide muren kon aanraken. Onze voetstappen weergalmden in scherpe echo’s. Opnieuw kreeg ik het erg benauwd, net zoals vroeger, toen ik bijna was verdwaald. Ik werd een beetje duizelig en concentreerde me op mijn ademhaling zodat ik niet ging hyperventileren.

‘We moeten de kelder van die gore Uspensky vinden,’ zei Roy vast­besloten.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In het gebouw woonden honderden mensen. Dat betekende talloze met traliedeuren afgesloten hokjes, verdeeld over al die donkere, smerige gangetjes. We sloegen een hoek om. Heel even lette ik niet op waar ik liep. Bijna schoof ik uit in een plas water. Door mijn poging om overeind te bleven, viel mijn oog op een wansmakelijk tafereel. Ik slaakte een kreet en maakte Roy zo aan het schrikken dat hij ook begon te krijsen, al wist hij in eerste instantie niet waarom. Tegen de muur zat een grote rat te knabbelen aan iets wat op een klein kadaver leek. Toen ik beter keek, zag ik dat het ook een rat was. Zijn buik was opengehaald. Zijn ingewanden lagen in een bloederig bundeltje op de vloer, zijn ogen waren al opgepeuzeld. De rat knabbelde onverstoord voort. Roy en ik maakten ons huiverend uit de voeten, dieper het labyrint in.

Bij elke box keken we naar het naamplaatje. Soms was het zo donker dat je de letters amper kon lezen, soms ontbrak het plaatje. Veel van de bewoners kenden we niet eens. El Bartali, Vercammen, Rodriguez, Adriaenssens, Thompson, Kitenge, en zo ging het maar door. We liepen het ene na het andere gangetje in, maar de box van Uspensky kwamen we niet tegen.

Roy en ik gingen methodisch te werk door de kelder van west naar oost uit te kammen. Na de verschillende aftakkingen van de zijgangetjes te hebben onderzocht, kwamen we weer uit op de hoofdgang om van daaruit verder te gaan. Bij sommige boxen bleven we een tijdje staan om wat zich achter de traliedeuren bevond te bestuderen. Het was absurd wat sommige mensen opborgen: een hele collectie VHS-banden van Aziatische vechtfilms, National Geographic magazines uit de jaren zeventig en een grasmaaier die compleet nutteloos was in een flatgebouw. Bij de box van ene Baeyens deinsden Roy en ik een halve meter achteruit. Half gedrenkt in schaduw, half badend in het schijnsel van een tl-lamp, stond een gestalte.

Ik bevroor ter plekke. Ik kreeg geen zuurstof meer in mijn longen gezogen. Mijn hand zocht naar die van Roy, maar vond alleen lucht. Helder denken lukte niet, maar op een onbewust niveau begreep ik dat de traliedeur die ons scheidde ons een kans gaf om weg te rennen. Ik wachtte tot de gestalte uit de schemering zou treden. Roy tikte me aan. Zijn aanraking veroorzaakte een schokgolf in mijn lichaam. Omdat de gestalte niet reageerde om mijn gil, durfde ik het aan om even opzij te kijken. Roy had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

Het bleek zo’n vintage etalagepop te zijn. Met haar glazen ogen staarde de kale vrouw ons aan van achter de tralies.

‘Shit man,’ zei Roy. ‘Wat griezelig. Het lijkt hier wel een spookhuis, vind je niet?’

Ik slaagde er niet in te antwoorden. Ik had zojuist een hartverzakking gehad en snakte naar daglicht en buitenlucht.

Toen we van de schok bekomen waren, stak Roy zijn arm naar binnen. ‘Moet je haar tieten zien.’ Hij legde zijn hand als een kommetje over een van haar borsten. ‘Wil je ook eens voelen?’

Ik schudde met mijn hoofd. ‘Gaan we?’

‘Ja.’ Roys gezicht stond weer doodernstig.

We liepen terug naar de hoofdgang om het laatste stukje van de oostelijke vleugel te verkennen. Van de spanning vergat ik dat ik het koud had. Ik probeerde me voor te stellen wat we zouden aantreffen in de box van meneer Uspensky. Allerlei gruwelijke beelden flitsten door mijn hoofd. In het gedeelte waar we nu terechtgekomen waren, stond de vloer onder water. Onze voetstappen klonken loom en dromerig. Ik waande mij een ontdekkingsreiziger. Aan onze linkerzijde bevond zich het allerlaatste zijgangetje. Als we daar niets vonden, was onze zoektocht helemaal voor niets geweest.

Roy liep het hoekje om en verdween kortstondig uit mijn gezichtsveld, zodat het leek alsof ik helemaal alleen in de kelder was. Die gedachte bezorgde mij onaangename kriebels in mijn buik. Ik weet niet waarom, maar ik keek over mijn schouder en was er zeker van dat ik de dreigende gestalte van meneer Uspensky zou zien. Ik dacht dat ik zijn zware voetstappen hoorde, dat ik zijn scherp afgetekende schaduw op de muur naast mij zag. Ik was er zelfs van overtuigd dat ik hem in mijn nek voelde hijgen, koud en warm tegelijkertijd. Maar er was niemand. De gang achter mij was leeg. Leeg en eindeloos lang.

‘Hebbes!’ hoorde ik Roy opeens zeggen. Zijn stem trok me terug de werkelijkheid in. Ik liep gauw het hoekje om. Roy stond bij de box van meneer Uspensky. Ik ging naast hem staan, schouder tegen schouder, en keek door de traliedeur naar binnen. Het hok was leeg. Er stond niet één doos, er lang geen enkel papiertje op de grond. Die vaststelling was zowel een ontnuchtering als een opluchting.

‘Onmogelijk,’ zei Roy. Hij weigerde te geloven wat hij zag. Of wat hij niet zag. ‘Er moet iets zijn. Iets.’ Zijn stem sloeg over. Gefrustreerd morrelde hij aan het hangslot dat rond de traliedeur zat. Daarna trapte hij ertegen. Het ijzeren geluid zinderde nog enkele seconden na. Hij beet op zijn lip tot er bloed uitkwam.

Ik zag de woede in Roys ogen en probeerde hem tot bedaren te brengen door mijn arm om zijn schouders te leggen. Zijn woede maakte plaats voor verdriet. Tevergeefs deed hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Hij begon te snikken. Ik liet hem begaan. Gedurende enkele minuten keken we naar het lege hok. ‘Kom, Roy,’ zei ik uiteindelijk, ‘dit heeft geen zin.’

Zonder iets te zeggen draaiden we ons om. Op het moment dat we de hoek om wilden gaan, greep een verre, gekwelde gil ons bij het nekvel. Roy en ik bevroren ter plaatse. Ik zweer je dat ik nog nooit in mijn leven zo bang ben geweest als toen. Aanvankelijk probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het de metalige klank van de verwarmingsbuizen was, of een kelderdeur die door een andere bewoner geopend werd, ergens diep in de doolhof. Maar het geluid was overduidelijk afkomstig van een stem, deze keer niet verstoord door de ruis van de radio.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Roy. Zijn stem trilde. In het tl-licht zag hij er lijkbleek uit. Het was een overbodige vraag, meer bedoeld om zijn eigen ongeloof onder woorden te brengen.

Heel langzaam, alsof we enkel nog in slow motion konden bewegen, draaiden we ons weer om. Toen ik aan het eind van de gang de traliedeur als een mond vol rotte tanden zag grijnzen, kreeg ik overal kippenvel. Mijn ingewanden deden pijn, alsof ze door een stel scherpe klauwen uit mijn buik werden gerukt en in een ijsbad werden gedumpt. Ik huiverde ervoor om te gaan kijken waar dat verlammende gegil vandaan kwam, maar we hadden geen keuze. Ondertussen was het water op de vloer doorgedrongen tot in mijn sokken en had ik ijskoude voeten gekregen.

Zij aan zij liepen Roy en ik naar de deur. Toen we dichterbij kwamen, weerklonk het meerstemmige gegil opnieuw. Nog steeds ver weg, maar kraakhelder, bijna tastbaar. En er bestond geen twijfel over: het was afkomstig uit de kelderbox van meneer Uspensky.

Roy morrelde opnieuw aan het slot. Het was oud en verroest en niet erg stevig, net als de traliedeur. ‘We moeten naar binnen,’ zei Roy, terwijl hij een manier zocht om het slot te ontgrendelen. Ik had al snel door dat enkel bruut geweld ons binnen zou krijgen. Roy gaf een ruk aan het slot, ik stampte tegen de deur en dat deden we tientallen keren tot we buiten adem waren en het zweet in onze verbeten frons parelde. Ondertussen konden we nog steeds het geschreeuw horen.

Na een zoveelste poging brak het slot. Rinkelend viel het op de grond en een seconde later zwaaide de traliedeur open. Het moment was zo onverwacht dat we even niet wisten wat te doen.

Roy was de eerste die het hok betrad, omringd door de spookachtige echo’s. Hij zocht naar de lichtschakelaar. Een gloeipeertje dat aan het plafond bengelde sprong aan en wierp een urinekleurige gloed over de omgeving. Roy keek omhoog, omlaag en naar de muren, op zoek naar zijn broertje. Ik herinner me nog dat ik me afvroeg of de stemmen toch van geesten afkomstig waren. Ik kon me niet voorstellen dat al die jongetjes ergens in de muur verborgen zaten zonder dat de speurders hen gevonden hadden. Uitgerekend die dag hadden ze met ons contact gezocht. Ik geloof dat het voorbestemd was.

‘Wat nu?’ vroeg Roy wanhopig.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. We stonden voor een raadsel. Tegelijk legden we ons oor tegen de muur. Het was duidelijk dat de geesten daar achter het beton ronddoolden, gevangen in het gebouw en in een gruwelijke herinnering.

Ergens in de muur ontdekte ik een scheur. Ze viel eerst niet op omdat ze bepleisterd was, maar de lichtinval verried een oneffenheid. ‘Moet je dit zien,’ zei ik tegen Roy. Ik wees naar de plek op de muur waar de scheur dichtgesmeerd was.

Roy aarzelde niet. Hij begon als een bezetene de bepleistering los te peuteren. Ik deed met hem mee. Eerst gebruikten we onze vingernagels en toen dat te traag ging, onze huissleutels. De brokjes kwamen gemakkelijker los dan ik verwacht had. De scheur werd zienderogen groter en voor we het goed en wel beseften, was er een gat ontstaan waar Roys arm precies doorheen kon.

De stemmen klonken nu onwaarschijnlijk dichtbij. Dichtbij, maar anders dan voorheen. Met het openen van het gat in de muur had het geschreeuw en gehuil plaatsgemaakt voor gegiechel en het typische geluid van spelende jongetjes. Op hetzelfde moment waaide er een ijskoude wind uit het gat naar buiten. De wind streek langs mijn gezicht en dat van Roy. Zijn haren wapperden en ik voelde hoe een rilling over mijn ruggengraat liep. Ik klappertandde. Roys mond zakte open van verbijstering. Er bungelde een speekseldraad uit zijn mondhoek.

We waren zo betoverd door wat er gebeurde dat we als aan de grond genageld stonden. Ergens tussen al die stemmen meende ik die van Andy te herkennen. Roy ook, want hij sprak de naam van zijn broertje uit. Er werd nog meer gelachen. Blije geluiden van kinderlijke vreugde. Niet zoveel later ging de ijzige wind liggen en met het verdwijnen van de kou, verstomden ook de stemmen.

Terwijl ik nog moest bekomen van deze akelige en tegelijkertijd wonder­lijke gebeurtenis, gluurde Roy door het gat. Hij zag niets, zei hij. Daarop stak hij zijn arm erdoor.

‘Voel je iets?’ vroeg ik.

Roy schudde zijn hoofd.

Ik kreeg een ingeving. Het plafond van de kelder was tamelijk laag. Als ik op mijn tenen stond, kon ik het peertje aanraken. Het was gloeiend heet, dus deed ik mijn T-shirt uit en wikkelde het rond mijn hand. De elektrische draad liep over het plafond en was vastgemaakt met twee ijzeren klemmetjes. Als ik er hard genoeg aan trok, maar toch voorzichtig zodat de draad niet zou knappen, kon ik het peertje naar beneden brengen om het als zaklamp te gebruiken. De klemmetjes sprongen onmiddellijk open en zo kwam de draad los. Roy nam de lamp van me over en scheen ermee in het gat.

Ik vroeg hem of hij iets zag, maar hij zweeg. Ik probeerde mee te kijken over zijn schouder, wat niet lukte. ‘Wat zie je?’ vroeg ik nogmaals. In plaats van te antwoorden, draaide Roy zich om. Hij stond met zijn rug tegen de muur en liet zich onderuit zakken. Daarna trok hij zijn knieën op en klemde beide armen eromheen.

‘Wat is er?’ Ik wilde weten wat hij gezien had.

Roy staarde verweesd voor zich uit. Zijn mondhoeken trilden. Bijna liet hij de lamp uit zijn handen vallen, maar ik kon hem nog net opvangen, ook al leverde me dat een brandwond op in mijn handpalm. Roy was niet meer in staat om iets te zeggen. Ik nam mijn T-shirt uit zijn handen en wikkelde het opnieuw rond de hals van de lamp zodat ik zelf door het gat kon kijken.

Nog elke dag wens ik dat ik dat nooit gedaan had.

Achter de muur bevond zich een holte, half zo groot als de kelderbox. In de stralenkrans van het gloeipeertje glansden bleke objecten. Ik had even tijd nodig om het beeld tot mij te laten doordringen. Het waren onvol­groeide beenderen en schedels. Ze waren opgezet met draad en metalen pinnen en in verschillende poses gemanoeuvreerd. Twee skeletjes waren verwikkeld in een doodskus, enkele anderen leken een heksensabbat te dansen rond een denkbeeldig vuur. Hun armen en benen hingen in eigenaardige hoeken. Van sommige stonden de kaken open in een macabere grijns. Uspensky had ze uitgestald als marionetten. Ergens daartussen moest Andy staan.

Terwijl Roy nog steeds zwijgzaam en rillend van de schok voor zich uit zat te staren, begon ik te braken. Een zure smaak nestelde zich in mijn keelholte. Mijn slokdarm deed pijn. Ik probeerde het beeld te vergeten, maar kon het niet weerstaan om nogmaals naar binnen te kijken. Deze keer telde ik de skeletten. Het waren er zeven.

Er was iets anders dat me opviel: tientallen reflecties tegen de wand erachter. Het duurde enkele seconden voor ik doorhad dat het foto’s waren. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om te kunnen zien wat er op de foto’s stond. Mijn maag keerde om bij de beelden van Uspensky die met zichzelf speelde in het bijzijn van de dode lichaampjes. Hij had ze in alle stadia van ontbinding gefotografeerd, de ene keer alleen, dan weer in zijn omhelzing, tot het punt waarop ze geraamtes geworden waren. Alsof het poppen waren had hij de lijkjes in suggestieve houdingen gedwongen.

De kwaliteit van de beelden was te slecht om af te leiden waar ze genomen waren.

Mijn slokdarm trok weer samen. Braken lukte niet meer, mijn maag was al leeg. Ik wendde mijn blik van de foto’s af. Nog voor ik me omdraaide, merkte ik in een oogopslag dat alle kinderen hun schoenen nog aanhadden. Met de lamp bescheen ik elk paar voeten, tot ik Andy’s zwart-witte All Stars zag en een brok in mijn keel kreeg.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang we daar gezeten hebben. Het konden twee minuten geweest zijn, maar evengoed twee uur. Uiteindelijk vroeg ik aan Roy wat we moesten doen. ‘Jouw moeder mag dit niet zien,’ zei ik. ‘Maar mijn moeder kunnen we wel inlichten. Of zullen we zelf de politie bellen?’

Roy liet mijn woorden bezinken. Hij ademde diep in en uit. Zijn tranen waren opgedroogd, zijn blik was hard. Hij zag er opeens een stuk ouder uit, alsof hij na het zien van de beenderen op slag volwassen geworden was. Ik geloof dat dat ook echt het geval was. Al die tijd had hij gehoopt dat hij Andy ooit zou terugzien. Die hoop had hem overeind gehouden, maar nu was hij gebroken. ‘Nee,’ zei hij koud, ‘ik heb een beter idee.’

Hij stond op, liep naar de hoofdgang en vervolgens naar de lift. Zijn tred was zo vastberaden dat ik hem met moeite kon bijbenen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde ik weten. Maar hij zweeg. Hij drukte op het knopje van de lift. Toen die er was, stapten we in. Daarna drukte hij op het knopje van de negentiende verdieping. Plots kreeg ik het heel benauwd. De lift klom langzaam omhoog en met elke verdieping voelde ik de spanning in mijn spieren toenemen. Mijn handpalmen werden klam van het zweet. Opnieuw vroeg ik Roy wat zijn bedoeling was, maar hij liet niets los. Ik begreep dat aandringen geen zin meer had.

Op de negentiende verdieping kwam de lift tot stilstand. Het leek een eeuwigheid te duren voor de liftdeur opende. In die tijd stelde ik me voor wat er allemaal kon gebeuren. Mijn gedachten waren één grote chaos, overspoeld door angst en opwinding. Verschillende scenario’s flitsten door mijn hoofd. Toch was ik verrast toen Roy begon te spreken, met een bevende stem die niet als de zijne klonk. ‘Volg me.’ Meer zei hij niet. We liepen naar de trappenhal. Alleen van daaruit kon je naar het dak van het flatgebouw, via een luik in het plafond. Roy gebood me om naar boven te gaan.

‘Waarom?’ vroeg ik. Ik was bang.

‘Geen vragen, doe gewoon wat ik zeg.’

‘Roy, laten we alsjeblieft geen domme dingen doen.’

Roys ogen gloeiden als kooltjes. Hij hoefde niets meer te zeggen, ik gehoorzaamde hem. Samen liepen we het dak op. Hij trok me bij mijn pols naar de dakrand die hoog uittorende boven de grijze snelweg waar honderden auto’s als tetrisblokjes langs elkaar heen schoven. Het waaide. De rand van het dak kwam tot aan mijn middel. Roy en ik keken elkaar aan. Hij gebood me om op de rand te gaan zitten. Ik durfde niet naar beneden te kijken. Ik beet op mijn lip, vocht tegen de tranen. Ik wilde hem smeken om uit te leggen wat hij van plan was, maar wist dat het geen zin had. Toen zei Roy: ‘Blijf hier op me wachten.’ Hij draaide zich om, liep terug naar het luik en verdween.

Ik kon onmogelijk weten wat er daarna zou gebeuren. Die dag was de laatste keer dat ik met Roy sprak. Op het dak, daar heb ik zijn laatste woorden gehoord. Blijf hier op me wachten. Nooit heeft hij me kunnen vertellen wat er precies in zijn hoofd omging op dat moment, maar ik heb voor mijzelf een reconstructie gemaakt en ik ben er bijna zeker van dat het zo is gelopen.

Roy ging terug naar de negentiende verdieping. Daar liep hij naar de flat van meneer Uspensky en belde aan. Toen meneer Uspensky de deur opende, vertelde Roy hem een smoes die hij in de kelder verzonnen moest hebben. Hij gebruikte mij als lokaas en zei dat ik vastzat op het dak, of zoiets, omdat hij wist dat meneer Uspensky de verleiding niet zou kunnen weerstaan om een jongetje in nood te helpen; een heldhaftige daad die om een wederdienst vroeg. Waarschijnlijk vertelde Roy hem dat we nieuwsgierig waren naar hoe het zou zijn tussen de wolken, maar dat ik bij het beklimmen van de dakrand plots zo bang was geworden dat ik er niet meer af durfde, omdat ik vreesde dat ik naar beneden zou donderden. Zoiets moet het geweest zijn.

Meneer Uspensky volgde Roy gretig en kroop met zijn lange, hoekige lichaam door het luik. Toen ik mijn hoofd draaide, zag ik ze allebei staan: Roy in de schaduw van die nare man. Uspensky had een vreemde grijns op zijn gezicht, het soort grimas van iemand die verrast is door de grote opportuniteit die hem plots in de schoot geworpen wordt. Hongerig en vervuld van ongeloof tegelijkertijd. Hij hinkte mijn richting uit, met Roy in zijn kielzog. Uspensky zei niets, hij keek gewoon naar mij. Hij bestudeerde mij van top tot teen zoals een slager het karkas van een varken bekijkt om te zien welk stuk vlees hij eerst zal aansnijden. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Ik wilde weg van de dakrand, maar blok­keerde toen ik in Uspensky’s donkere, glimmende ogen keek.

Voor ik het besefte stond hij naast mij. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Het was een imposante gedaante. Ik klemde mijn handen stevig om de dakrand en maakte aanstalten om op te staan, klaar om weg te rennen. Uspensky opende zijn mond om iets te zeggen. Nog voor de klanken zijn keel verlieten, zag ik in mijn ooghoek hoe Roy kwam aangestormd en Uspensky een stevige duw in de rug gaf. Met moeite kon ik bevatten wat er gebeurde.

Uspensky wankelde. Zijn enorme lichaam helde naar de afgrond. Hij zette zijn ene voet voor de andere, in een poging zijn evenwicht te bewaren, maar wanneer zo’n massief gewicht eenmaal in beweging komt, is het bijna onmogelijk om het te stoppen. Het was net een dronken­mansdans. Pure paniek overtrok Uspensky’s gezicht. Hij klapwiekte met zijn lange armen en perste een oerkreet uit zijn longen. Zijn lichaam helde alsmaar meer over. Toch hervond Uspensky op het laatste moment zijn evenwicht. Hij graaide met zijn armen naar de dakrand en hield zichzelf tegen.

In de tussentijd was Roy – die door de duw zelf achteruit gekatapulteerd was – weer overeind gekomen. Opnieuw stormde hij op Uspensky af en gaf hem een tweede duw. Deze keer ging het vanzelf. Uspensky verloor zijn grip en tuimelde naar beneden met een langgerekte schreeuw. Ik zag hem steeds kleiner worden zonder te beseffen wat er eigenlijk gebeurde. Tot hij de grond raakte. De klap was tot boven te horen. Gevolgd door bloed. Veel bloed. Ik hield mijn hand voor mijn mond, geschrokken en gechoqueerd door de nietigheid van een mensenleven. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar ik weet wel dat ik geen medelijden had met die ouwe viezerik.

Lange tijd bleef ik gapen naar dat lichaam, dat in een onnatuurlijke hoek op de grond lag, met ledematen die als een waaier van vlees in een steeds groter wordende plas bloed lagen. Van bovenaf leek het net een bloem. Een perfect plan van Roy. Iedereen zou geloven dat die perverse ouwe zak zelfmoord had gepleegd.

Ik was zo gefixeerd op zijn lijk dat ik niet had gezien dat Roy naast mij op de rand was komen staan. Ik zag hem pas toen hij in mijn ooghoek als een zwevend object in de lucht hing. Enkele seconden later lag Roy naast Uspensky op de grond. Hij had niet eens gegild.

Ik kon niet geloven dat Roy gesprongen was. Niet hij. Zoiets zou hij nooit doen. Niet de Roy die ik zo goed kende en waar ik zoveel herinneringen mee had gedeeld. Maar zoals ik zei was hij eerder die dag in de kelder gebroken. Misschien was hij daar al wel gestorven. Ik keek over mijn schouder in de hoop dat alles slechts een illusie was en dat hij nog steeds achter me stond, met een steelse glimlach op zijn gezicht. Met zijn typische uitdrukking als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald. Dat gezicht mis ik nog steeds, en hoe harder ik Roy probeer te vergeten, hoe meer ik hem zie lachen.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.

De beste bedoelingen : Wouter van Gorp

Soms vraag ik me af waarom ik naar de zon staar.

Fascinatie met de vijand. Simpele haat. Dat zal ik in ieder geval antwoorden, als iemand ernaar vraagt. Maar ik voel geen haat wanneer ik mijn bed uit kom omdat de slaap me niet grijpt. Wanneer ik, sluipend, om mijn vrouw niet wakker te maken, naar het balkon ga en op het tuinmeubilair plaatsneem. Ik voel geen vijandschap voor de verzengende bal van vuur, hoog in de hemel.

Ik voel slechts haar warmte, en beeld me in hoe mijn rode huid langzaam begint af te bladderen…

 

Balthamon legt zijn pen neer en geeft de inkt tijd om te drogen op het crèmekleurig papier. Hij onderdrukt een gaap. Vandaag was een slechte dag: vier uur slaap, waarvan twee zeer onrustig. De overige tijd had hij doorgebracht op het balkon.

Een slechte gewoonte. Zeer slecht. Het begon op te vallen dat hij aan het dagbraken was. Niet alleen bij zijn vrouw, of zijn baas, maar ook bij demonen die hij doorgaans nauwelijks sprak.

Het was het idee van zijn vrouw geweest om het nachtboek bij te houden.

De rode demon schudt zijn hoofd, en pakt zijn pen weer op.

 

Het zou me helpen om de zaken in perspectief te krijgen. Dat zei Lucinda.

Natuurlijk heb ik haar idee afgeschoten. Weggehoond. Als ze wist dat ik er daadwerkelijk mee begonnen was, zou ze wachten tot ik naar mijn werk was en dan alles lezen wat ik hier schrijf.

Het was een goed idee, dat moet ik toegeven. Schrijven lijkt me te helpen.

 

Balthamon laat de punt van zijn pen boven het papier hangen.

Even twijfelt hij of hij nog meer zal schrijven, totdat hij in de kamer naast hem Lucinda met een kreun wakker hoort worden.

Balthamon vergewist zich ervan dat de inkt op het papier droog is voordat hij het boek dichtslaat. Het met bleek leer omwonden boek stopt hij weg in een kluis achter een schildering van Bosch – De Dood van een Vrek -, maar met enkele details die op aarde ontbreken.

In de slaapkamer steekt Lucinda haar tirade tegen het laatste licht af, en Balthamon dekt snel de kluis weer af met het bont beschilderde paneel van eikenhout. De demon woonde al in het appartement voordat hij Lucinda leerde kennen en zijn geliefde succubus heeft geen idee van de schatten, verborgen achter de hersenspinsels van Bosch. En dat wil Balthamon graag zo houden.

 

De succubus in kwestie is aan haar avondritueel begonnen in de bad­kamer. ‘Goed geslapen?’ vraagt Balthamon tegen beter weten in, als hij zijn armen vanachter om haar middel slaat.

‘Als een wrak. We moeten echt iets doen aan die gordijnen. De zon brandde bijna door mijn oogleden heen. En op een gegeven moment hoorde ik vogels. Vogels, Balt! Duivelvergeten vogelgefluit!’

‘Er zijn geen vogels in Hel,’ corrigeert hij haar. ‘Vleerhonden, waar­schijnlijk. Of vreesvissen.’ Hij haalt diep adem, met zijn neus in haar ravenzwarte haar. Hij drukt haar dichter tegen hem aan, en zijn rechter­hand vindt haar borst.

‘Poten thuis, klerelijer. Niet voordat ik koffie heb gehad.’

Balthamon maakt een geluid, half snuif, half lach. ‘En dat moet ik geloven?’ Zijn handen glijden over haar met satijn omhulde contouren, en hij laat een kleine kreun van goedkeuring horen.

‘Ik méén het, Balt!’

‘Oké, oké.’ Hij houdt zijn handen in overgave in de lucht. ‘Als die koffie zo belangrijk voor je is…’

‘Ik heb een zware nacht voor de boeg, Balt. De aartsbisschop van Agrigento, weet je nog? Vijfentwintig jaar zitten we al achter die preutse papzak aan. En vannacht is hij de onze! Als er nu nog iets misgaat zullen er koppen rollen. Ik moet op mijn best zijn. En trouwens, jij moet je energie helemaal niet aan mij verspillen! Jij hebt je eigen problemen, nietwaar? Adramelech verwacht die nieuwe angst van je, en wel van­nacht. Geen afleidingen. Voor ons allebei niet.’

Balthamon knikt. Ze heeft gelijk. Hij weet dat ze gelijk heeft. Toch lijken er de laatste tijd steeds vaker pragmatische bezwaren tussen hen en seks te staan…

‘Hé,’ zegt Lucinda. Ze pakt zijn hand en kijkt hem glimlachend aan, alsof ze zijn gedachten gelezen heeft. ‘We zijn er bijna, Balt. De Derde Rij. Lucifer weet dat we er hard genoeg voor hebben moeten zwoegen. Laten we dit nu niet voor onszelf verpesten.’

Hij knikt weer, en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht die nog bijna geloofwaardig is ook.

‘Daar is mijn dappere demon,’ fluistert zijn vrouw, en ze kust hem op de lippen. ‘Naderhand,’ gromt ze in zijn oor, en onmiddellijk voelt hij zijn hele lichaam reageren, ‘dan vieren we het goed.’

‘Daar houd ik je aan,’ fluistert hij.

Met een laatste, verleidelijke glimlach over haar schouder laat Lucinda hem achter in de badkamer.

Balthamon kijkt haar na en zucht. Dan valt zijn blik op zijn spiegel­beeld: als volgeling van Moloch heeft Balthamon de karak­teristieke hoorns als van een sater die uit zijn zwarte haardos omhoog prijken, en de rode huid en hoeven die hem onderscheiden ten opzichte van de mens. Maar zelfs op een meter afstand van de spiegel kan hij zien dat de huid onder zijn ogen donker en sterk dooraderd is. Op een of twee plekken begint die ook te schilferen.

Hij heeft teveel tijd doorgebracht in de zon.

‘Oké,’ zegt hij. ‘Deze jongen moet naar zijn werk. En déze jongen,’ hij kijkt streng omlaag, ‘moet zich nog maar even koest houden.’

 

*

 

De nacht is nog jong, maar de straten van Heksenketel doen hun naam al eer aan. Balthamon is zevenhonderd jaar geleden in de moderne, populaire wijk van Hel komen wonen, en heeft sindsdien nooit spijt gekregen van die beslissing. In de Torens worden de beslissingen genomen, en in de Brandstapels kom je het beste amusement tegen, maar de Heksenketel…. de Heksenketel heeft klasse.

‘Enkele rit naar de Toren van Traan,’ zegt hij tegen de chauffeur – half krekel, half paard – van de opengewerkte koets. ‘En als ik er binnen een kwartier kan zijn, ben ik je dankbaar.’

De mindere demon knikt, en zodra Balthamon op de leren bank heeft plaatsgenomen, komt de koets  in beweging.

Voor de kar wijken de demonen uiteen. Gehoornde padden in over­jassen pauzeren hun verkooppraatjes en sleuren hun kleden met nacht­merries snel van de straat. Een grote, blubberige demon brult over de komende wraak van God. Harpijen en Feeksen fluiten de koets na en hopen tegen beter weten in de inzittende – een duivel van de Vierde Rij, ver boven hun stand – met geneugtes aan zich te binden.

Balthamon let al niet meer op de schepsels. Hij heeft al lang geleden geleerd geen aandacht te besteden aan demonen die zo ver beneden zijn stand zijn. Hij weet dat hij op een gegeven ogenblik – of het nu over vijfhonderd of vijfduizend jaar is – weer deel uit zal maken van de vulgaire kakofonie die het straatbeeld vult. Dat is de aard van demonen: ze worden niet geboren en ze gaan niet dood. Doorgaans. En in de eeuwigheid waarin ze leven, vervullen ze de cyclus van laag naar hoog en weer terug talloze keren.

De mindere schepsels krijsen en joelen, en herinneren Balthamon iedere nacht aan dat feit. Ooit was hij één van hen. Ooit zal hij weer één van hen zijn.

Plots komt de koets tot stilstand voor een T-splitsing. De demon die de koets voorttrekt stampt met zijn paardenpoten en produceert een hoog, tjirpend geluid door zijn vleugels over elkaar heen te strijken. Nerveus zwaait hij zijn kop heen en weer – van de linker straat naar de rechter, en weer terug – voordat hij begint te spreken:

‘Waar….heen?’

De chauffeur kijkt met grote ogen achterom, angstig over zijn lot nu hij een hogere demon heeft teleurgesteld.

Balthamon zucht.

‘Links graag.’

 

*

 

Lucinda had gelijk. Vannacht was een belangrijke nacht.

Vannacht was de nacht waarop Balthamon zijn onderzoek aan zijn baas presenteerde.

Natuurlijk was het niet louter zijn onderzoek. Een heel team van analisten en rekenkundigen had zich om Balthamon, de prognost, geschaard om diens bevindingen verder te toetsen. Hun doel: het vinden, uitvergroten en op aarde terugstorten van de 21e-eeuwse angst.

Tien jaar lang had Balthamon nu door de ether van de menselijke media gezworven. Het voordeel van de vooruitgang: twintig jaar geleden had hij handmatig van ziel naar ziel moeten springen, de harten van de mensen moeten blootleggen en hun woorden, geschreven en gesproken, moeten wegen op hun waarde.

Maar nu was er het internet.

Balthamon was de cloud ingegaan. Hij had zich middels de facebook­profielen, zoekhistories en tijdlijnen gelaafd aan dromen, wensen en nachtmerries. Had de tweets en blogs en vlogs in ontzag­wekkende hoeveel­heden verslonden. Had feit en fictie en alles daartussen aan zijn ogen voorbij laten gaan… op zoek naar dat éne idee.

Dat was het grote probleem: dat een demon een mens geen angsten kon opleggen. De mens maakte zijn eigen angstbeeld wel. En het was aan Balthamon en andere demonen zoals hij om die angsten te vinden, vervormen en uit te vergroten tot iets ontzagwekkends. Om in Hel te simuleren wat op aarde tot stand moest komen.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

De meest potente parels van de menselijke geest had Balthamon opgedoken. Zijn team had die ideeën als een groep forensisch onder­zoekers onder de loep genomen, ontleed, en geschat op hun potentie.

Nee, Balthamon had het onderzoek niet in zijn eentje uitgevoerd.

Maar het was Balthamon die vannacht voor de chef presenteerde, terwijl de andere leden van het team achterover leunden en luisterden naar het verhaal van de prognost.

‘Ik zie je punt niet.’

De woorden van Adramelech – kanselier van de orde van de vlieg, Achtste van de Aartsdemonen en bovendien Balthamons baas – werden op kalme toon gesproken. Het gezicht dat de woorden sprak was langgerekt, harig, en aan het uiteinde voorzien van een witte muil met grove, vierkante kiezen. De ogen aan het andere einde van de kop stonden droevig en meewarig, een blik die even verraderlijk was als zijn eigenaar.

Zolang dat gezicht, dat ezelgezicht, Balthamon aan bleef staren, wist hij dat zijn baas nog in een hebbelijk humeur was.

Er was namelijk een tweede Adramelech, een tweede gezicht, dat als een vage vlek, een trilling in de lucht, boven de schouder van de chef hing. Balthamon vreesde dat gezicht.

‘Wat is er… onduidelijk, heer Adramelech?’

‘Wat er onduidelijk is, beste Balt, is je hele opzet. Ik heb een uur lang mogen luisteren naar je bevindingen. GMO’s dit en alternatieve feiten dat… Je zinspeelt op angsten die al lang bekend zijn. Je brengt niets nieuws! Wat wil je bereiken, Balthamon?’

Hij gebruikt mijn volledige naam. Geen goed teken.

Balthamon ziet het tweede gezicht vorm aannemen, groter worden. Hij slikt, en begint snel te spreken.

‘Mijnheer, ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen in de afgelopen achttien maanden 36% cynischer zijn geworden tegenover hun politici. 25% minder geneigd om nieuwsberichten voor waar aan te nemen. Dat ze wel 112% banger zijn geworden voor een terroristische aanslag! Dit zijn getallen die we niet kunnen negeren. Het is de mening van mij en het onderzoeksteam-’

‘Laat het onderzoeksteam erbuiten,’ onderbreekt de Kanselier hem bruusk. ‘Jij spreekt voor het team. Verstop je er niet achter.’

‘Goed. Het is mijn mening dat we moeten toeslaan nu het ijzer heet is.’

De chef snuift. ‘En waar kom je mee? Toegenomen conflicten in het Midden-Oosten? Een aanslag op een Westers staatshoofd? Een groot schandaal met een conglomeraat, betrokken bij de systematische onder­drukking van een naar democratie hunkerende bevolking?’

Balthamon schudt zijn hoofd.

‘Het Midden-Oosten laten we buiten schot. We hebben geleerd dat dat alleen maar apathie en cynisme opwekt. We mikken op radicaliserende Westerse jongeren. Westerse steden, getroffen door westerlingen. Iedere metropool in Europa en Amerika moet een wasem van angstzweet boven zich hebben hangen. Vriend tegen vriend. Familie tegen familie.’

Drie tellen lang zegt Adramelech niets. En in die tellen voelt Balthamon de temperatuur in de presentatieruimte kelderen.

Het tweede gezicht is zichtbaar – heel goed zichtbaar – maar nog niet op de plaats van het ezelgelaat verschenen.

‘Laat ons alleen.’ De woorden dreunen als het slaan van hamer op aam­beeld.

Balthamon vertelt zichzelf dat het wel goed komt, terwijl de andere leden van zijn team de ruimte verlaten. Hij vertelt zichzelf dat zijn werk degelijk is, en dat hij geen reden heeft om bang te zijn.

Dat vertelt hij zichzelf, maar overtuigend klinkt hij niet.

‘Kanselier.’

‘Heer Adramelech.’

‘Waarde heer.’

De demonen die naar buiten stappen maken een beleefde knieval voor hun chef. Voor Balthamon hebben de meesten geen groet. De prognost ziet in de ogen van zijn teamleden raderen van koude calculatie en opportunisme draaien. Ze willen weten hoe hun direct leidinggevende hier uitkomt, voordat ze hem ook maar een woord gunnen. Slechts Althareon, de ontluikende prognost onder Balthamons hoede, geeft zijn baas een bemoedigende glimlach.

Ondankbare serpenten, denkt Balthamon verbitterd. En onmiddellijk vraagt hij zich af waar die gedachte vandaan komt. Sinds wanneer veronderstelt hij dat een demon iets anders kan zijn dan volstrekt egoïstisch?

Zijn chef is inmiddels naar het raam toegelopen en trekt de lamellen opzij om het nachtelijk panorama bloot te leggen.

De Zeven Ringen van Hel liggen om de Toren heen: concentrische ringen om het kloppend, haatdragend hart. Balthamon ziet de stromen verkeer, de slotgrachten van roodgloeiend, gesmolten gesteente. Hij hoort de kreten en het krijsen, ruikt de emoties die in de zwoele nacht­lucht hangen: angst, woede, lust.

‘Blijft verbazen, nietwaar?’

Balthamon knikt zijn chef toe. Die staat naar het raam toe en rolt een sigaret tussen zijn grote vingers. Roken, met name op kantoor, wordt actief aangemoedigd.

‘Het is een ontzagwekkende plek,’ geeft Balthamon toe.

‘Dat is het zeker. Hel…’ Adramelech laat de klank voortrollen, alsof hij de smaak ervan wil proeven. ‘Ons enige thuis, voor nu en altijd. Weggaan is uitgesloten, daar ziet de Almachtige op toe… maar hoe zijn we hier gekomen, Balt?’

Het zint Balthamon niets dat hij het gezicht van zijn chef niet kan zien. Alleen dat tweede gezicht is te zien, nog steeds als doorzichtige waas boven de linkerschouder. Balthamon loopt naar het raam toe en gaat op een meter afstand naast zijn chef staan.

‘We zijn hier gekomen,’ antwoordt Balthamon langzaam, want hij voelt dat er veel van zijn antwoord af hangt, ‘omdat we vrijheid wilden.’

Blijkbaar is dat wat de chef wilde horen, want hij knikt en werpt zijn prognost een sluwe blik toe.

‘De Val, noemen we het. Lucifer in het harnas. Onze leider, die namens zijn volgelingen eisen durfde te stellen aan de Almachtige. Zijn visie kwam hem duur te staan. En ons ook. Besef goed, Balthamon, dat deze plek onze straf is. Natuurlijk, de zielen van de moreel tekortschietende stervelingen komen hier terecht. Maar als wij niet in opstand waren gekomen, had God geen reden gehad om Hel te maken.’

Balthamon knikt. Hij weet dat hij zich op glad ijs begeeft, en ieder instinct schreeuwt hem toe om zijn reacties zo beperkt mogelijk te maken.

‘Wil je hier weg, Balt?’

De vraag komt zachtjes, haast speels op hem af, en Balthamon betrapt zich erop onmiddellijk te willen antwoorden. Net op tijd houdt hij zich in.

‘Ik wil dat we hier allemaal weg kunnen komen, ja.’

‘En de weg naar buiten is simpel, nietwaar? God was degene die onze drang naar vrijheid niet kon waarderen. Degene die ons hier plaatste, en ons maakte tot wat we zijn. Wij wilden geen strijd, God heeft die afge­dwongen. En de enige optie die we nu nog hebben, is die strijd winnen.’

Adramelech houdt de gerolde sigaret omhoog, en onderwerpt haar aan inspectie. Tevreden met zijn werk steekt hij het rolletje tabak in zijn mondhoek, en met een knip van zijn vingers vat het uiteinde vlam.

‘Een tiende van alle zielen,’ vervolgt hij zijn verhaal na de eerste teug nicotine, ‘komt hier terecht. Een tiende! Nog eens tachtig procent gaat het vagevuur in, maar dat is niet belangrijk. Zij vullen uiteindelijk alsnog de rangen van de Hemel.

Dit had ons tijdperk moeten zijn; globalisatie, vrije uitwisseling van informatie, het besef van mensenrechten… het heeft allemaal geleid tot meer angst, meer onzekerheid. En God weet dat wij bij angst en onzekerheid baat hebben. We hebben ons best gedaan: wereldoorlogen, kleine oorlogen, koude oorlogen. De angst voor het ultieme wapen. Economische ellende op een globale schaal. Angst voor het vreemde, voor de jeugd, voor verandering, zelfs voor het buitenaardse. Alles leek erop te wijzen dat de twintigste eeuw de onze zou worden. En we faalden.’

Rook kringelt uit de neusgaten van Adramelechs ezelgelaat.

‘De eenentwintigste eeuw was al even vol van belofte: terrorisme, migratie­crises, het spelen met informatie en misinformatie tot elke betekenis verloren is gegaan… En wat heeft het ons allemaal opgeleverd, Balthamon?’

‘Apathie.’

Adramelech knikt. ‘Apathie. Een wereld vol mensen die niet meer omkijken als een vliegtuig wordt neergehaald, of als een student om zich heen begint te schieten. Ze hebben het allemaal al eens eerder gehoord. Je kent die uitdrukking? ‘Alles dat nodig is voor de overwinning van het kwaad is dat goede mensen niets doen’? Niets van waar, helaas. Apathie treft ons even hard als Hem, misschien zelfs harder.. De eeuw van informatie had ons wapen moeten worden! In plaats daarvan werkt het internet ons alleen maar tegen!’

‘Ons bereik is nog nooit zo groot geweest,’ brengt Balthamon daar tegenin. ‘We zien de hele wereld, en transporteren de ellende van het ene continent binnen luttele seconden naar het andere. Iedere ramp kan nu worden uitvergroot, opgeblazen.’

‘En een zelfmoordterrorist in een afgeladen theater levert nu minder angst op dan een lege kerk die afbrandt in de middeleeuwen! Mensen kijken vanuit het gat dat ze in hun bank hebben gesleten naar de meest traumatiserende gebeurtenissen, en ze halen hun schouders op! Verontwaardiging willen we! Vrees! Woede! Geen 21e-eeuwse schizo die van alle kanten zo hard geïnformeerd wordt dat hij de waarheid toch niet meer denkt te kunnen weten!’

‘Geef me een maand, heer,’ zegt Balthamon, ‘en ik beloof u dat…’

Verder komt hij niet. Bliksemsnel draait de chef zich om, en klemt zijn linkerhand om de slanke hals van zijn prognost. De kreet die Balthamon wil slaken wordt afgeknepen en hij trekt vruchteloos aan de arm van de chef. Die voert de druk alleen maar verder op. Balthamon voelt zijn adem stokken, voelt het bloed bonzen in zijn hoofd.

Hij zou als demon niet doodgaan aan de verstikking. Dat was misschien nog wel het ergste.

De chef buigt naar voren en zijn adem rolt als de hitte van een oven tegen Balthamon aan.

‘Dit, beste Balthamon,’ en de chef houdt met zijn vrije hand een donkerblauw flesje voor de ogen van de prognost, ‘is Inessens. Weet je wat dat is?’

Balthamon briest. Zijn ogen staan wijd open, en hij probeert achteruit te komen, weg van de inhoud van het glazen flesje

‘De destructieve kracht van God, zorgvuldig opgevangen en gebotteld bij Sodom en Gomorra. Een enkele druppel hiervan laat je de rest van je bestaan als hersenloze demon rondkruipen. Twee druppels en je huid schroeit weg. Wat denk je dat er gebeurt ALS IK DIT VERDOMDE FLESJE IN JE GEZICHT LEEGKIEPER!?’

Het tweede gezicht is nu naar voren gekomen: een lange, dunne nek – veel te dun om uit zulke brede schouders te steken – met een smal, lang­werpig gezicht vol veren. Aan weerszijden van de snavel glimmen zwarte kralen waar een intense haat uit straalt.

Adramelech houdt het flesje boven Balthamons hoofd, gekanteld, met zijn duim tegen de onderkant van de stolp.

‘WAT. VOEL. JE?’

De pijn in Balthamons keel is intens wanneer hij het woord eruit perst:

‘…Angst.’

‘ANGST!’ brult Adramelech, en hij werpt Balthamon achteruit, tegen de gipsplaten muur. ‘Dat is wat ik van jou wil, Balthamon: angst! Angst op een globale schaal! Ik wil een wereldbevolking die niet meer durft te gaan slapen uit angst voor wat ze de volgende dag in hun kranten lezen!’

‘Hoe, mijnheer?’ kreunt Balthamon, die omhoog probeert te krabbelen.

‘Maakt me niet uit hoe! Dat is jouw baan, nietwaar? Haal de angst uit het onbekende, haal het uit hun onderbewustzijn. Haal het, voor mijn part, uit een handvol stof! Maar haal het ergens vandaan, verdomme, en bewijs dat je niet volslagen nutteloos bent!’

 

*

 

‘Oké, Balt. Denk. Je kunt hieruit komen.’

Met zijn rug tegen een stalen celdeur laat Balthamon zich op de betonnen vloer zakken. De lucht om hem heen is koel. Niet ijskoud, maar aangenaam koel – een sensatie die in Hel vrijwel ongekend is.

De IJskast, zo wordt het labyrint aan archiefkasten en cellen in de kelder van de Toren genoemd. Tegen de wanden van de elkaar kruisende gangen en hallen staan massieve archiefkasten opgesteld, waarin al het oude papierwerk – of het nu papyrus, perkament of papier betreft – van de Orde is opgeborgen. Documenten over de Inquisitie, plannen voor de conceptualisatie en gedetailleerde uitvoering van de Kruistochten, analyses van de Zwarte Dood, van testfase tot eindevaluatie; alles wat te belangrijk is om weg te gooien, maar niet meer relevant genoeg om een permanente plek in de hogere kantoren te verdienen.

En om de zoveel meter wordt die reeks kasten onderbroken om plaats te maken voor een stalen kluisdeur. Achter die deuren, die alleen te openen zijn door de hoogstgeplaatste leden van de Orde, zijn wapens en middelen verborgen die de Orde zelf heeft ontwikkeld, of zich door geweld heeft toegeëigend. De virusstrengen van de Zwarte Dood staan in één kluis opgesteld, terwijl de Heilige Graal de cel ernaast in beslag neemt. Balthamon weet van de verhalen van zijn collega’s dat er ook levende wezens in de cellen vastgehouden worden, wachtend op het moment dat ze weer relevant zullen worden voor de Orde.

De IJskast is waar Balthamon komt om rustig te kunnen werken. Om zijn gedachten te ordenen. En na de presentatie van die avond had Balthamon daar dringend behoefte aan

Na zijn meeting met de baas had Balhamon zijn team opgezocht. De verschillende demonen – analisten, researchdeskundigen, prognosten – zaten in het grote kantoor en operationeel hart van het project op hem te wachten.

‘Ik zal niet tegen jullie liegen,’ had Balthamon de verzameling af­wachtende blikken toegesproken. ‘Heer Adramelech is van mening dat we nog veel winst kunnen boeken met de richting van ons huidige onder­zoek. Dat betekent dat we opnieuw naar de tekentafel gaan. Vannacht nog wil ik nieuwe analyses van de verschillende toekomst­beelden die we hebben uitgedacht. De top tien, althans.’

Hij had rondgekeken met een zelfverzekerde blik, de knikjes en het instemmend gemompel van zijn werknemers afgedwongen.

‘Dit is een stap terug,’ had hij toegevoegd, ‘maar wel zodat we weer verder kunnen komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we de kanselier een angst kunnen overhandigen waar hij niet alleen tevreden over, maar ook trots op zal zijn. En nu, aan de slag.’

En na die bemoedigende leugens had hij zijn eigen dossiers van zijn bureau gegrist en zich naar de IJskast begeven, weg van de calculerende blikken van zijn teamleden.

Hij moest zich er onderweg naar het archief steeds maar aan herinneren, er zelfs van overtuigen, dat het geen aftocht was.

‘Focus, Balthamon.’

Hij legt de stapel dossiers naast zich neer, en pakt het bovenste eraf.

Misschien, denkt hij, met de moed der wanhoop, staat ergens hierin het antwoord geschreven. Misschien is er nog een manier om aan alle ellende te ontkomen.

Van binnen weet hij wel beter. Zijn onderzoek heeft al gefaald. Dat zal hij binnen niet al te lange tijd tegenover de kanselier moeten toegeven. En daarmee zal hij niet alleen zijn kans op toetreding tot de Derde Rij verliezen, maar ook flink aan invloed moeten inleveren, en blij mogen zijn als hij niet op de Vijfde Rij of lager terecht zou komen.

Lucinda zal niet meer bij hem willen blijven, zeker niet als zij meer succes boekt in haar huidige operatie. Zoals zovelen van de relaties tussen demonen is ook die van Balthamon en Lucinda op profijt gebaseerd. Samen naar de top, zolang de ander een hulpmiddel en geen belemmering vormt.

Balthamon voelt weinig verdriet bij de gedachte dat Lucinda hem zal verlaten. De seks is altijd geweldig geweest – de beste die hij ooit heeft gehad – maar hij heeft nooit een diepere emotionele connectie met haar gevoeld. Net zo min als met zijn vorige partners.

Wat hem wel pijn doet, is dat hij zichzelf tekort is geschoten. Twee­honderd jaar lang heeft hij zich als prognost onder de Kanselier verdien­stelijk gemaakt voor de Orde. Keer op keer heeft hij zijn feilloos instinct en zijn blik op de toekomst ingezet om angsten van de hoogste kwaliteit te realiseren – eerst als concept in Hel, vervolgens als realiteit op aarde.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

En nu, juist nu hij in de buurt van echte macht en invloed is gekomen, lijkt zijn talent hem in de steek te laten. Hij zal wellicht naar de Vijfde Rij zakken, en of hij zich vanaf daar weer omhoog zal kunnen worstelen betwijfelt hij ten zeerste.

Van val naar terugkeer, weer terug naar val. Ontelbare keren.

Zijn gekloofde hoef tapt nerveus op het beton terwijl hij het eerste dossier leest. Zijn ogen glijden over de nette alinea’s, over de kolommen en analyses, en vinden geen enkel houvast. Hij kijkt naar de titel van het dossier: ‘Paranoia op de Totalitaire Aarde.’ Geen nieuwe gedachte, verre van zelfs, maar wel een die resoneert bij de doelgroep.

Balthamon legt zijn vinger op de titel, sluit zijn ogen, en probeert een beeld bij het plan op te roepen.

De lijnen zijn er nog, en vormen zich voor zijn geestesoog. Balthamon ziet hoe de totalitaire aarde eruit kan zien, welke mogelijkheden zich voordoen, en wat voor effect ze teweeg zullen brengen. Rechts conser­vatisme is de sleutel van dit plan. In de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vrijheden worden onder het mom van nationale veiligheid steeds verder ingeperkt, de mandaten van de overheid worden tot in het extreme opgerekt, totdat een burger geen enkel recht meer heeft op privacy. Leven onder de angst voor het waakzaam oog.

Een krachtig idee. Het brengt angst met zich mee, zeker. En de arrogante eigengerechtigheid waar Balthamon en zijn team altijd naar streven.

Toch zijn er ook dissidente draden door het toekomstbeeld verweven: een vrijheidsbeweging staat op, geleid door een politicus die als nationale held en vrijheidsstrijder weer hoop geeft aan een verslagen volk. Onom­koopbaar, en dus niet te breken. Zelfs als hij sterft zal zijn martelaarschap zoveel hoop, liefde en altruïsme teweegbrengen dat elk effect dat het plan zou kunnen hebben teniet wordt gedaan.

‘Oh, verdomme,’ kreunt Balthamon. Hij opent zijn ogen, en laat het toekomstbeeld opdrogen tot enkele ingedikte vlekken, die langzaam plaats maken voor de realiteit van koud beton en staal.

Een tweede dossier volgt. En een derde.

Balthamon wordt hoe langer hoe wanhopiger. Zijn hoef tikt steeds indringender, gefrustreerder, op het beton. Hij zucht, en leest, en kijkt. En wat hij ziet vult hem met wanhoop.

Adramelech wil van hem de angst van de eenentwintigste eeuw. Maar het begint er voor Balthamon op te lijken dat de 21e-eeuwse mens, hoeveel ellende je ook op hem afslingert, een cynische schouder zal ophalen en stug door zal gaan met leven.

‘Dit is verdomme onmogelijk.’

‘Als het onmogelijk is, moet je jezelf geen verwijten maken.’

Balthamon verstijft. De stem komt achter hem vandaan. Vanuit de cel. Maar de cellen horen volledig gesloten te zijn. Geïsoleerd en afgesloten voor ieder geluid, en zo potdicht dat er zelfs geen streepje licht onder de celdeur door kan glippen.

Hij draait zich om terwijl hij overeind krabbelt.

‘Wie is daar?’

‘Het spijt me,’ de stem klinkt zacht en enigszins bedroefd. ‘Ik hoorde je in jezelf praten. Ik wilde je niet laten schrikken.’

Balthamon fronst als hij de open schuifklep ziet. ‘Die hoort dicht te zijn.’

‘Dat lijkt me niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben hier de gevangene, jullie de cipiers.’

Door de open klep in de celdeur kan Balthamon vaag een silhouet zien: manshoog, menselijk van vorm.

‘Waarom zit je hier?’ vraagt hij de vorm.

‘Om wat ik ben.’

Balthamon denkt dat dat hier, in Hel, nog niet eens zo vreemd is.

‘Wie ben je?’

‘Slechts iemand die zich stierlijk verveelt. Vergeef me het afluisteren. Als je ermee zit moet je misschien de klep weer dichtdoen.’

Tot op dat moment was dat precies Balthamons plan geweest, en hij had al een hand op de schuifklep geplaatst. Maar nu hij zo dichtbij staat, heeft hij het idee dat hij het silhouet beter kan zien. Alsof een lichtbron in de cel zelf de vormen van het wezen al definieert.

‘Als je moeite hebt met de schuif,’ nu klinkt de stem licht geamuseerd, ‘kun je er altijd iemand van de technische dienst bij halen.’

Balthamon voelt dat zijn vingers licht trillen.

‘Kom naar voren,’ gebiedt hij de vorm, met een stem die schor klinkt.

Even staat het silhouet stil. Dan zet ze zich in beweging, naar voren toe, het licht in. Balthamon deinst achteruit.

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’ vraagt het wezen aan de andere kant.

 

*

 

‘Heer Balthamon?’

Althareon kijkt op van zijn werk, van de tabellen en diagrammen waarmee de papieren voor hem vol geklad zijn, naar de demon die zojuist met een verwarde blik in zijn ogen binnen is komen schuifelen.

‘Ik neem aan,’ mompelt Balthamon, terwijl hij zijn stapel dossiers op zijn bureau neerlegt, ‘dat het nog geen vijf uur ‘s ochtends is?’

Althareon kijkt om zich heen. De kleine, donkerblauwe demon met de schaapsnuit en ramshoorns is als enige van het team nog op het kantoor.

‘Ik heb geprobeerd ze tegen te houden,’ merkt hij op. ‘Gedreigd met hel en verdoemenis. Het had weinig effect.’

Balthamon knikt. Staart wat voor zich uit.

‘Ehm,’ begint Althareon. ‘Ik kan ze oproepen? Zeggen dat u ze hier wilt hebben?’

‘Hm…wat? Nee, laat ze maar.’ Balthamon fronst. ‘Luister, ik heb behoefte aan lunch. De vloeibare variant. Ken je een goede tent in de buurt?’

Althareon glimlacht. ‘Een of twee.’

 

*

 

Het is rond middernacht al druk bij Dante al Dente. Dealers in martel­werktuigen die hun cliënten op lunch trakteren, grote beulen met opgestroopte, bebloede mouwen die burgers onder hun leren kappen door naar binnen stouwen, en natuurlijk de dames van de nacht die aan een trog vol bloedwijn geruchten en roddels uitwisselen.

‘Populaire tent,’ merkt Balthamon op, terwijl hij tegenover zijn jonge prognost zijn vingers over een glas zwavelzuur on the rocks laat glijden.

‘Hmm? Nog nooit eerder hier geweest?’

Balthamon schudt zijn hoofd. ‘Ik ken het niet eens. Vroeger zat hier een openbaar teerhuis.’

Althareon lacht, wat met zijn schaapsnuit en dubbele rij haaientanden een bevreemdend effect oplevert. ‘Dat teerhuis is meer dan dertig jaar geleden. U moet vaker de deur uit, chef. Maar ik vermoed dat u minder tijd heeft dan ik, als lid van de Vierde Rij.’

Ja, maar dat duurt niet lang meer, denkt Balthamon met een grimas, en hij neemt een slok van zijn zwavelzuur.

De serveerster – die haar lichaam naar de nieuwste rage binnenste­buiten draagt – komt langs en zet twee borden dampend rood vlees neer.

‘Steak van de Tragen. Dertig zilver.’

Balthamon reikt al naar zijn buidel, maar Althareon is hem voor. ‘Hier, houd het wisselgeld maar.’ De serveerster knikt dankbaar, waarbij druppels bloed van haar longen op het tafelblad vallen, en gaat verder met haar ronde.

‘Dat had niet gehoeven, Alt.’

De blauwe demon haalt zijn schouders op. ‘Kleine moeite, chef. Ik dacht dat u wel een opsteker kon gebruiken, na die presentatie van vannacht.’

Balthamon knikt.

‘Zeg, chef,’ Althareon schraapt zijn keel en kijkt vanonder zijn wenk­brauwen naar zijn baas. ‘Klopt het, wat ze op het kantoor zeggen? Dat ons onderzoek ten dode is opgeschreven?’

Balthamon ademt diep uit door zijn neus. Hij denkt aan de opdrogende vlekken van gefaalde toekomstbeelden. Aan Adramelech die een fles non-existentie boven zijn hoofd houdt.

Hij denkt aan het licht van een eenzaam wezen in een cel.

‘Chef?’

‘Nee, Alt.’ De woorden lijken van verre, van een vreemde, te komen. Balthamon tovert met moeite een glimlach die bemoedigend moet zijn op zijn gezicht. ‘Maak je geen zorgen, het onderzoek komt wel goed. Ik heb dit soort tegenslagen vaker meegemaakt. De uiteindelijke angst wordt er altijd beter van.’

Althareon knikt, en een opgeluchte grijns splitst zijn gezicht in tweeën. ‘Ik wist het wel, hoor,’ zegt hij. ‘Nou, bon appetit.’

Balthamon kijkt licht geamuseerd toe hoe de blauwe demon grote stukken vlees met zijn rijen vlijmscherpe tanden naar binnen begint te werken.

‘Vertel me eens, Althareon,’ zegt hij terwijl hij het zwavelzuur in het glas laat rondtollen. ‘Wat is jouw doel eigenlijk?’

‘Hmm?’

‘Hier in Hel. Wat wil je bereiken?’

‘Oh, dat.’ De blauwe demon slikt een hap vlees door, wast die weg met vloeibare stikstof. ‘Nou ja, het gebruikelijke, eigenlijk. Hogerop komen. De Vierde Rij bereiken, dan de Derde, enzovoorts, enzovoorts.’

‘En dan? Dan kom je in de Binnenste Cirkel, dan heb je het gemaakt, en dan? Op je hoede zijn voor je concurrenten en onderlingen, totdat je van je troon gestoten wordt? Wat is het einddoel?’

Althareon haalt zijn schouders op. ‘We zijn eindeloze wezens, chef. Er is voor ons per definitie geen einddoel.’

‘Denk je dat ze er aan de andere kant ook zo over denken? Dat Hij en de Zijnen geen einddoel voor ogen zien?’

‘Ah,’ Althareon lacht. ‘Die andere kant. Tja, ik vermoed dat ze daar wel iets van een punt op de horizon zien. De Tweede Komst, het Laatste Oordeel, het ophalen van alle schone zieltjes en gezellig psalmen zingen rond het hemels kampvuur. Zoiets? En moet dat ons meer aantrekken dan waar wij voor strijden? Macht over de hele aarde, de hele mensheid?’

Althareon blijft lachen, en Balthamon glimlacht halfslachtig mee. ‘Ik vermoed dat je gelijk hebt,’ zegt hij.

En toch krijg je dat beeld maar niet uit je hoofd, Balt. Toch blijf je die cel maar voor je zien, en voel je nog steeds het licht dat van de gevangene afstraalt.

‘Maar toch-’ begint Balthamon, en verder komt hij niet, want op dat moment valt er een lange gedaante over hun tafel.

‘Wat moet dat-’ gromt Althareon, en hij staat al op om de gedaante bij zijn kraag te grijpen.

‘Genade, heren!’ de demon – in de vorm van een paffige walrus met kraaienpoten – blubbert zijn excuses. ‘Een- hrmm-glaasje teveel gehad, vrees ik! Alstublieft, een zilverstuk voor een arme demon?’

‘Maak dat je wegkomt!’ gromt Althareon. Balthamon zegt niets, maar kijkt naar de grote vlokken en vellen loslatende huid van de demon, het teken dat hij vele uren in zonlicht heeft doorgebracht. Noodgedwongen, natuurlijk.

‘Valt dit heerschap u lastig, mijne heren?’ Een grote kerel met een enkel oog en slecht zittend pak torent boven de klaploper uit. ‘Eist u genoeg­doening? Zal ik zijn botten voor u breken?’

‘Nee,’ zucht Balthamon, en hij wuift de hulp van de uitsmijter weg. ‘Laat hem maar.’

Balthamon maakt zich los van de bank, legt zijn servet op het tafelblad. Althareon werpt hem een bezorgde blik toe. ‘Alles in orde, chef?’

‘Ik heb nog werk te doen, Alt. Maar dankjewel voor de lunch.’

Zonder achterom te kijken loopt Balthamon naar buiten. Achter zich hoort hij hoe de uitsmijter, onder toejuiching van Althareon, de dronken demon manieren bij begint te brengen.

Balthamon zet zijn kaken op elkaar, en loopt door.

 

*

 

Tik. Tik. Tik.

‘Balt, wil je daar mee ophouden?’

Balthamon rukt zijn blik los van de kom bouillabaisse die voor hem staat en kijkt recht in de ietwat geïrriteerde ogen van zijn vrouw.

‘Je zit al twee minuten lang met je hoef op de vloer te tikken,’ zegt Lucinda. ‘Wat is er met je aan de hand?’

De twee demonen zitten aan de eettafel in hun woonkamer. Normaal kiezen ze ervoor om in de keuken te eten, maar vanochtend heeft Lucinda besloten dat de gelegenheid om wat meer luxe vraagt: een diner van zeven gangen staat tussen de partners uitgestald, in zilveren schalen op een ivoorwit tafelkleed. Lucinda heeft, zoals altijd, veel te veel eten laten bezorgen – koken weigert ze: ze is een vreselijke kok, en Balthamon nog erger.

Zelf heeft ze vijf, zes lepels van haar bouillabaisse genomen, om haar kom vervolgens aan de kant te schuiven en te anticiperen op het volgende gerecht.

Balthamon daarentegen heeft nog geen hap door zijn keel gekregen.

‘Hoe ging het op het werk?’

Lucinda stelt de vraag met een mengeling van zorg, meelevendheid en, tegelijkertijd, afstandelijke calculatie. Balthamon zucht inwendig.

‘Het ging prima, Lucinda.’

‘De nieuwe plannen sloegen aan bij de chef?’

Balthamon knikt en haat zichzelf terwijl hij dat doet.

Waar komt dat gevoel vandaan? Demonen liegen nu eenmaal. Dat is wat we doen.

‘De plannen gaan werken, maar we moeten nog veel onderzoek ver­richten. Adramelech heeft mijn team wel drie-, vierhonderd calcu­latie­stromen gegeven om na te gaan.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik ben niet de beste gesprekspartner vanochtend. Ik heb nog niet eens naar jouw nacht gevraagd. De aartsbisschop van Agrigento… hoe ging het?’

Lucinda grijnst.

‘Als een vlieg in ons web,’ zegt ze, en neemt een aardbei uit de schaal in het midden van de tafel.

Terwijl ze erin bijt en het sap over haar lippen loopt, werpt ze Balthamon een verleidelijke blik toe. En hij voelt, slecht humeur of niet, het lid tussen zijn benen in beweging komen.

 

*

 

De seks was goed, geeft Balthamon toe. Uitzonderlijk zelfs, op een technisch vlak. In de afgelopen tweehonderd jaar heeft hij geleerd wanneer Lucinda op routine draait, en wanneer ze moeite doet. In dat laatste geval zet Balthamon al zijn ellende en zorgen opzij om met haar het bed in te duiken. Zo ook deze keer.

Maar de seks is voorbij. En de zorgen die Balthamon opzij had geschoven stromen weer terug, aangetrokken door de leegte die het weg­ebbende genot achterlaat.

Naast hem ligt Lucinda te slapen, in een houding die haar vast de nodige spierpijn gaat opleveren. Balthamon weet wel beter dan haar daarom wakker te maken. Ze snurkt lichtjes, gromt en rolt weg als haar huid wordt geraakt door het zonlicht dat tussen de lamellen door sijpelt.

Balthamon daarentegen merkt dat zijn ogen steeds weer naar het warme licht toe getrokken worden. Hij denkt aan het licht dat de afgelopen nacht uit de cel straalde, en hem vol in zijn gezicht raakte.

 

*

 

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’

Twee blauwe ogen. Een gezicht dat lijkt te stralen met zilver licht.

Terwijl Balthamon nog stil staat, verbouwereerd, probeert hij te bepalen wat voor geslacht het wezen heeft. Het lukt hem niet. Het smalle, symmetrische gezicht heeft een geslachtloze kwaliteit. Niet androgyn, geslachtloos. Alsof het wezen gemaakt is in een tijd dat sekse nog geen factor was.

‘Je weet wat ik ben, nietwaar?’

Balthamon knikt. Ergens vindt hij zijn stem. ‘Hoe kom je hier?’ vraagt hij.

De engel zucht, en glimlacht droevig. ‘Zijn plan.’

 

*

 

‘Verdomme,’ fluistert Balthamon, nadat hij de lange wijzer op de wekker een hele ronde heeft zien maken.

Voorzichtig haalt hij de satijnen lakens van zijn benen en glipt het bed uit. Hij gooit een badjas over zijn slanke postuur, doet de slaapkamerdeur open, en laat een snurkende succubus achter zich.

Balthamon schuift de pui open en stapt zijn balkon op. Het warme licht van de zon – hoog aan de hemel – verblindt hem. Als de zwarte vlekken zijn blik beginnen te vullen sluit hij zijn ogen en laat hij de zonnestralen op zijn gezicht rusten.

De dag is warm – warmer dan Balthamon had gedacht. Hoewel Hel aan andere regels onderworpen is dan de Aardse werkelijkheid, is er door­gaans wel een weerspiegeling van de seizoenen merkbaar. Op aarde is het nu april, maar de zon brandt als op een warme dag in juli.

Balthamon wendt zijn gezicht ten slotte af, en opent zijn ogen weer. Hij zucht wanneer de vlekken terugtrekken en Hel zich langzaam aan hem openbaart.

De straten zijn nu leeg: geen zichzelf respecterende demon is overdag op straat te vinden. In dit warme, volle licht kleuren de straten van Hel – het gietijzer en grauw gesteente – een vreemde tint geel, en even kan Balthamon geloven dat hij zich niet meer in de gevangenis van de verdoemden bevindt. Zelfs het miasma dat ’s nachts uit de fabrieken en folterhuizen wasemt – de smog, de rook, de ziektes – lijkt nu verdwenen, of ijl genoeg om de suggestie van schone lucht op te wekken.

Balthamon kijkt naar de lege, zonovergoten straten, en denkt aan twee blauwe ogen.

Blauwe ogen, en een warme zon.

‘Verdomme,’ zegt hij weer, voordat hij naar binnen gaat en zijn badjas voor zijn werkkleren verwisselt.

 

*

 

Er is geen portier bij de Toren van Traan. De Toren heeft een eigen entiteit – een spiritus – en herkent zijn werknemers. Balthamon weet dat hij zijn toegang tot het kantoorcomplex op het hoogst van de middag niet voor zijn werkgevers verborgen zal kunnen houden: vroeg of laat – waarschijnlijk vroeg – zal Adramelech ervan horen, en zijn conclusies trekken.

Die gedachte spookt door Balthamons hoofd terwijl hij de met marmer ingelegde ontvangsthal betreedt, en blijft er spoken terwijl hij over de brede, betonnen treden naar beneden loopt, de IJskast in.

Als hij op de stalen deur afloopt, heeft hij even het idee dat de schuif­klep weer gesloten is.

Er is niks aan de hand, vertelt hij zichzelf. Ik kan niet meer met hem praten. Ik vergeet deze hele situatie, en richt me weer op mijn werk. De Derde Rij kan ik wellicht niet halen – nog niet – maar dat betekent niet dat ik uit de Vierde Rij hoef te stappen.

In zijn hoofd heeft Balthamon al een verklaring bedacht voor het feit dat hij hier overdag is: hij had die nacht gemeend te zien dat één van de cellen in de IJskast niet goed vergrendeld was. Hij was er overdag van wakker geschrokken, en was naar de Toren gekomen om zich ervan te verzekeren dat alles in orde was.

Dat klinkt goed, besluit hij. De komende uren zou hij zich op zijn werk kunnen storten, en wie weet… wellicht zou het idee zich aandoen waarmee hij de chef alsnog zou kunnen overtuigen van de waarde van zijn project.

Dan ziet hij dat hij zich vergist heeft: de cel die hij zoekt is twee deuren verder, en de schuifklep staat wel degelijk open. Het licht waar hij eerder die nacht voor terugdeinsde stroomt naar buiten toe.

Alsof ze voelen dat hun baas aarzelt, nemen Balthamons benen de controle over. Voordat hij er iets aan kan doen, staat hij voor de celdeur en kijkt hij door de open klep naar binnen.

‘Ik zie dat je terug bent.’

Balthamon voelt zijn hart kloppen in zijn keel. Toen hij op zijn balkon stond, zijn gezicht verwarmd door de stralen van de zon, leek zijn besluit zo helder. Maar nu hij oog in oog staat met de engel beseft hij dat hij geen flauw idee heeft wat hij wil doen.

‘Wel,’ zegt de engel aan de andere kant droevig. ‘Waarom ben je hier?’

‘Ik…’ Balthamon neemt diep adem. ‘Kunnen we veranderen?’

De engel houdt zijn hoofd schuin, vragend. ‘Of we kunnen veranderen? Wat denk je zelf?’

Balthamon tuit zijn lippen, en denkt. ‘Ooit waren we als jij,’ zegt hij.

De engel knikt. ‘En wat jij wilt weten is, ‘kan ik weer zo zijn’? Dat is het toch?’

‘Ja.’

Lange tijd houdt de engel Balthamon in zijn blik gevangen. ‘Is dat wat je wilt?’ is wat hij ten slotte vraagt.

‘Ik… ik weet het niet. Nee. Ja. De laatste tijd slaap ik slecht. De zon. Ze lijkt feller.’

De engel zegt niets.

‘Ik ben een prognost,’ zucht Balthamon. ‘Ik kijk naar een plan en ik zie de toekomst. De waarschijnlijkheden. Het goede en het kwade. Althans, dat deed ik. De laatste tijd is mijn talent… aan het afzwakken. Sinds ik slecht slaap. Sinds ik in de zon kijk.’

Balthamon haalt diep adem.

‘Is het… Zijn werk?’

De engel kijkt hem aan. Droevig, meewarig.

‘Kom dichterbij,’ zegt hij.

Zijn voeten willen al vooruit schuifelen, maar Balthamon houdt ze tegen. ‘Ik weet niet wat je van plan bent.’ Hij is er nu zeker van: dezelfde warmte die Balthamon onder de stralen van de zon voelde komt hem ook vanuit de cel, vanuit de engel, tegemoet.

‘Balthamon,’ zegt die. ‘Ik weet dat dit moeilijk voor je is. Ik weet dat dit haaks staat op alles wat je de afgelopen drieëndertigduizend jaar geloofd hebt. En ik weet ook dat dit de enige manier voor je is om vrede te voelen.’

Even aarzelt de engel, voordat hij het vraagt.

‘Mag ik je helpen?’

Zijn slanke, zilverwitte hand reikt hij uitnodigend naar buiten. Balthamon staart ernaar alsof het een reddingsboei is, maar wel een die is geladen met springstof.

Hij kijkt voorbij de hand, naar de ogen van de engel. Balthamon recht zijn rug.

‘Vertel me je naam,’ zegt hij.

De engel glimlacht. ‘Zalthear.’

Balthamon grijpt zijn hand.

En een lange, zilverwitte straal licht kruipt over Balthamons arm, tot in zijn borst.

Vier, vijf tellen lang staan de twee wezens – engel en demon – tegenover elkaar, met slechts de celdeur tussen hen in. Beiden hebben hun ogen gesloten, en beiden spreken niet. Balthamons gezicht vertrekt, en een traan rolt over zijn wang. De engel houdt zijn gelaat ontspannen, maar ook bij hem loopt een traan vanuit zijn rechteroog naar beneden.

Dan opent de demon zijn ogen.

‘Ik..’ begint hij, ‘ik hoorde… ik zag…’

De engel knikt.

‘Was dat een herinnering?’

De engel schudt zijn hoofd. ‘Het was een belofte.’

 

*

 

Balthamon had erop gerekend de deur van Adramelechs kantoor te moeten forceren. Maar de deur, die de afgelopen tweehonderd jaar iedere dag met de spreuken van de chef verzegeld werd, staat uitnodigend open. Alarmbellen hadden moeten afgaan in Balthamons geest, maar hij denkt slechts aan zijn doel.

‘Adramelech heeft de loper van de cellen,’ had hij Zalthear verteld. ‘Als ik in zijn kantoor kan komen, kan ik je hieruit halen.’

Zalthear had geknikt. ‘Het dak. Breng me naar het dak en ik kan contact maken met Hem.’

De loper vinden, terug naar de cel, en naar het dak. Een helder plan. Een simpel plan.

Ik ben een klootzak met een ezel- en een pauwengezicht, denkt Balthamon, als hij in het luxueus ingerichte kantoor staat. Ik paf sigaren tot de nicotine uit mijn poriën loopt, en ik geil erop mijn werknemers met totale vernietiging te bedreigen. Waar laat ik mijn sleutels?

Het antwoord dient zich aan als Balthamon voor de tweede keer een slome cirkel maakt.

‘Ah,’ zegt hij, en grist de loper van een haak naast de deur.

De loper voelt zwaar in zijn rode hand: een grote, zilveren vlieg, symbool van de Orde, met daaraan zes sleutels. Balthamon weet dat één ervan, met een kruisvormig uiteinde, gebruikt wordt voor de cellen en archieflades van de IJskast. Twee andere dienen om de Toren van binnenuit te sluiten, in noodsituaties. Eén is voor het kantoor zelf, en een andere is de reservesleutel van Adramelechs wagen – een rode Porsche.

Dan is er nog één sleutel: klein, met een fijn, geribbeld uiteinde.

Balthamon kijkt rond, en ziet een langwerpig stalen kistje op een hoek van het bureau van de chef staan. Met een klein slot.

‘Ach, wat zou het ook…’

Drie dingen vindt Balthamon in het kistje: twee dossiers, en een klein, zwartblauw glazen flesje. Balthamon denkt terug aan hoe de chef, nog geen volle nacht geleden, dat flesje tegen zijn lippen aan drukte. Hij recht zijn rug en stopt het wapen in zijn broekzak.

Die is voor mij, lul.

Dan de dossiers: het ene is getiteld ‘Schone Schijn,’ het andere ‘Privé’. Balthamon legt het eerste dossier weg, en opent het tweede. Het eerste wat hij ziet is een polaroid van een scharlaken vrouw in nachthemd, poserend op een bed. Hij herkent de vrouw.

Meer polaroids volgen: Lucinda met haar armen boven haar hoofd, waardoor haar tepels tegen het doorschijnende hemd aan komen; Lucinda die het nachthemd open knoopt, en de bovenkant van haar borsten blootgeeft; Lucinda op handen en knieën, die over haar schouder suggestief naar de camera kijkt.

‘Gevaarlijk terrein, prognost van me.’

De polaroids vallen uit Balthamons hand.

Hij staart naar het midden van het grote bureau, waar boven een stenen bassin het hoofd van Adramelech – het pauwenhoofd – verrezen is.

‘Ik zie dat je mijn persoonlijke collectie gevonden hebt. Neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Balt. Lucinda was altijd al te goed voor een zwakke demon als jij. Ze had gewoon iemand nodig om haar te laten zien hoe Hel werkt. En die persoon kon ik voor haar zijn. Vertel me eens: wat voel je nu? Haat? Schaamte? Jaloezie?’

Balthamon kijkt zijn chef recht – voor zover dat kan, bij een fantoombeeld – in zijn zwarte, felle ogen. Hij beseft dat hij altijd al een hekel heeft gehad aan die blik, geamuseerd door iets wat alleen voor de chef amusant is.

‘Eigenlijk,’ zegt Balthamon, ‘laat het me koud.’

Het vreemde is dat het nog klopt ook.

‘Balthamon? Je gedraagt je vreemd. Wat doe je in mijn kantoor? Wat is je plan?’

‘Het was een eer om voor je te werken, Adramelech. Je hebt me veel geleerd.’ Balthamon haalt diep adem. ‘Maar laat me voor nu zeggen dat je die stomme pauwenkop van je tussen je eigen benen mag steken, en diep, diep je reet in mag duwen. En niet omdat je Lucinda van me afpakt. Ik wens jullie samen veel geluk. Ik neem ontslag.’

Met een zwaaiende beweging slaat Balthamon het bassin – en daarmee het verbouwereerde hoofd van zijn baas – van de tafel, tegen de muur aan. Daar slaat het stuk en laat een natte vlek achter op het tapijt.

Balthamon grist de dossiers – beide dossiers – van de tafel en steekt ze in de binnenzak van zijn jas. Hij pakt de loper en beent met snelle pas het kantoor uit.

Achter hem, vanuit het gebroken bassin op de vloer, achtervolgt de stem van de chef hem in horten en stoten.

‘Dit gaat nie- … zult hier…. zweer je… wegkomen!’

 

*

 

‘Heb je het gevonden?’ vraagt Zalthear.

Balthamon knikt. Hij neemt de juiste sleutel in zijn hand, en maakt met licht trillende vingers de celdeur open.

‘We moeten haasten. Adramelech – mijn baas – weet dat ik hier ben. Dat ik iets van plan ben.’

De zware celdeur zwaait verbazingwekkend makkelijk open, en Balthamon stapt achteruit om de engel in zijn volle glorie te bewonderen: Zalthear draagt kleren – een simpel grijs sweatshirt en donkerblauwe joggingbroek – maar toch lijkt het zilverwit licht vanuit zijn hele lichaam te stralen, door de stoffen omhulsels heen.

‘We moeten naar het dak,’ zegt Zalthear. ‘Vanaf daar kan ik contact maken.’

De twee wezens – rood en zilver – haasten zich door het trappenhuis omhoog. Heel even blijft Balthamon staan op de begane grond en kijkt door de lengte van de lobby naar de voorzijde van het gebouw. Drie, vier gedaanten lopen buiten rond: rechtop staande, grimmige silhouetten, door het weerlicht van de zakkende zon zichtbaar achter de matglazen ramen.

Hellehonden, denkt Balthamon. Hij had de poorten al van binnenuit vergrendeld met Adramelechs loper, maar hij weet dat het niet lang zal duren voordat de ordebewakers van de onderwereld een weg naar binnen zullen vinden.

‘Kom op,’ spoort hij de engel aan. Die kijkt weg van de silhouetten voor het raam en knikt.

Balthamon wil naar de lift stappen, maar bedenkt zich dan.

‘Als ze binnenkomen, kunnen ze de liften stopzetten. Te riskant. We nemen de trap.’

Op de tiende verdieping begint Balthamon te vertragen. Op de veer­tiende is hij aan het puffen en buiten adem. Op de negentiende moet hij stoppen en de reling vastgrijpen, en probeert hij zijn maaginhoud niet uit te braken. Zalthear lijkt van de inspanning geen enkele hinder te onder­vinden, en kijkt over de reling naar beneden.

‘Hoor je dat?’

Balthamon knippert met zijn ogen. Zalthear kijkt hem aan, en houdt zijn hoofd schuin, gebarend dat hij moet luisteren. Als Balthamon zijn ademhaling onder controle krijgt, hoort hij het ook: het gegrom van de hellehonden.

En dat komt niet van beneden.

‘Nee!’ roept Balthamon, net voordat de deur direct tegenover hem en de engel versplintert en twee hellehonden zich door de opening naar buiten storten. Meer dan manshoog, met een rode pels, grote klauwen en een lange, grijnzende snuit, lijken de in uniform gestoken bewakers meer op weerwolven dan honden.

Balthamon grist naar het flesje in zijn binnenzak.

Met reflexen waarvan Balthamon niet wist dat hij ze had schiet zijn arm naar voren, in een brede boog, en drukt zijn duim de stolp van de donkerblauwe hals af. Druppels van het donkere goedje vliegen uit de fles en treffen de hellehonden op hun snuit, borst, armen en benen. Eén druppel treft de achterste ordebewaker zelfs direct in zijn oog, en Balthamon ziet het oog verschroeien, verschrompelen en wegkwijnen tot een verkoolde kruimel.

De rest van de hellehonden volgt. Het geschreeuw weergalmt door het trappenhuis, en lijkt pas te stoppen als de beide bewakers tot smeulende resten zijn gereduceerd.

‘Effectief.’

Balthamon, nog geschokt door de schade die hij heeft aangericht, kijkt opzij naar Zalthear. Die staart naar de resten van de twee hellehonden te kijken. Vergist Balthamon zich, of is er een kleine glimlach van genoeg­doening zichtbaar op het engelengelaat?

Dan kijkt Zalthear Balthamon aan, en zijn gezicht valt weer terug in zijn natuurlijke, serene staat.

‘Kijk uit,’ zegt hij, en knikt naar Balthamons rechterhand.

Balthamon kijkt omlaag, en ziet dat hij het flesje nog vasthoudt. Een druppel van de donkere vloeistof ligt op de rand van de hals, en dreigt eruit te lopen. Balthamon onderdrukt de impuls om het flesje weg te gooien, en raapt voorzichtig de stolp op. Als hij er van verzekerd is dat het flesje weer veilig afgesloten is, stopt hij de Inessens terug in de binnenzak van zijn jas, tegen de folder aan.

‘Zullen we verder gaan?’ vraagt Zalthear.

Onderaan het trappenhuis klinkt het geblaf van méér hellehonden. Balthamon knikt.

 

*

 

Het dak van de Toren van Traan bestaat uit twee niveaus: een rondgang, bereikbaar vanaf de drieëndertigste verdieping, en het dakterras, met een ijzeren trap te bereiken vanaf de rondgang. De laatste keer dat Balthamon op het dakterras kwam was met de jaarlijkse personeelsbarbecue: een gezellige gelegenheid, waarbij de mixdrankjes rijkelijk vloeien en het minst presterende personeelslid traditiegetrouw op de grill belandt. Wederom: demonen sterven niet. Balthamon had horen zeggen dat het jaarlijks offer er het nodige ongemak aan overhield om – nadat hij in stukken was gesneden, en was opgegeten door zijn collega’s – weer tot een geheel te groeien.

Dat gaat mij overkomen, denkt hij koortsachtig. Gegrild en opgediend met barbecuesaus. Als ze ons grijpen, in ieder geval.

Aan alle kanten komt het hondengeblaf hen tegemoet. Balthamon kijkt met samengeknepen ogen naar de engel, Zalthear, die zich richt tot de zon – nu bijna aan het einde van haar afdaling naar de horizon.

‘Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zegt Zalthear, en zijn stem klinkt krachtig in de stille lucht bovenop het dakterras. ‘Hier staan twee van Uw kinderen: angstig, verloren, en afhankelijk van uw hulp.’

Geschraap op grindkorrels. Balthamon draait om zijn as, en graait al naar de Inessens in de binnenzak van zijn jas. Verderop, op de Toren van Bloed, ziet hij een kleine colonne hellehonden stelling nemen, met tussen hen in een stellage van zwarte, glanzende buizen die langzaam vorm begint te krijgen. Een stuk artilleriegeschut, vermoedt Balthamon.

‘Heer, verlos ons van deze kwade geesten!’ Zalthear is op zijn knieën gevallen en steekt zijn armen uit. ‘Red ons uit de klauwen van zij die Uw Naam verloochenen! Hier staan Uw kinderen; Zalthear, een trouw dienaar, en Balthamon, een banneling met berouw. Reik ons Uw hand, Heer!’

Balthamon is achter de engel komen staan, en legt een hand op diens schouder. Samen kijken ze naar de zon, die fel en heet in hun gezicht schijnt. Samen horen ze het bloeddorstig gegrom van de ordebewakers die aan alle kanten het gebouw beklimmen.

Balthamon kijkt opzij, waar een aantal van de hellehonden – uitgerust met kevlar en lange, doorzichtige schilden – over de rand van het dakterras klimt en een behoedzame schildmuur opstelt. Dan naar de andere kant, waar vanaf het dak van één van de andere Torens – Pus of Pis, een van die twee – een V-formatie gedrochten hun stenen vleugels spreidt.

‘Niet om het een of ander,’ zegt de demon met een kalmte die hij geheel niet voelt, ‘maar gaat dit nog lang duren? We zijn aardig omsingeld aan het raken.’

‘Ik-’ begint Zalthear, ‘ik-’

‘BALTHAMON!’

Precies tegenover de langzaam zakkende zon staat hij: Adramelech, Kanselier van de Orde van de Vlieg. De chef. Met een kogelvrij vest aan en een megafoon tegen zijn ezellippen.

‘BALTHAMON!’ schalt zijn stem door de elektronische trompet. ‘KUNNEN WE PRATEN, VOORDAT JE IETS DOMS DOET?’

‘Hij komt niet…’

Zalthear kijkt over zijn schouder, omhoog, in de ogen van Balthamon. En voor het eerst sinds hij de engel heeft ontmoet ziet Balthamon angst en onzekerheid in het anders zo serene gelaat.

‘Hij komt niet,’ herhaalt Zalthear, en een zilver spoor van tranen loopt over zijn wangen naar beneden.

‘BALTHAMON! LUISTER NAAR ME!’

Balthamon spant zijn kaak, en kijkt weg van de engel, naar zijn voormalige baas.

‘Wat wil je!?’ schreeuwt hij. De woorden komen wild en rauw uit zijn mond.

‘BALTHAMON, IK WIL DAT JE VAN DE ENGEL VANDAAN STAPT. IK WIL DAT JE JE HANDEN IN JE NEK LEGT EN DAT JE OP JE KNIEËN GAAT.’

Om het tweetal heen heeft een hele linie hellehonden stelling genomen – een ononderbroken cirkel van grommende snuiten, verschanst achter hoge schilden. Schaduwen glijden over het dak, over Balthamon. Schaduwen van de waterspuwers die als aasgieren om hem heen cirkelen. Maar niets ondernemen.

Niemand onderneemt iets.

Ze zijn bang, beseft Balthamon. Bang voor mij.

Voorzichtig, langzaam, haalt hij het flesje, de Inessens, uit zijn binnen­zak tevoorschijn, en houdt die omhoog.

‘BALTHAMON!’ brult de chef. ‘DOE NIETS WAAR JE SPIJT VAN KRIJGT!’

Maar wat dan? Balthamon staat op meer dan twintig meter afstand van de chef; te ver om de Inessens over hem heen te gooien. Wellicht kan hij er een paar hellehonden mee vernietigen, maar niet meer dan dat.

Zijn ze bang dat ik het zelf inneem? Dat ik mijn straf ontloop?

Nee. Demonen genieten van andermans pijn, en zijn wraaklustig, maar Balthamon zal zeker niet gemist worden als hij de donkerblauwe drank in zou nemen en zichzelf zou wissen uit het bestaan.

‘Heer…’

Langzaam draait Balthamon zijn hoofd, en kijkt naar het zilverwitte wezen dat nu op handen en knieën – zijn hoofd omlaag, steunend op het grind – op het dakterras zit. De smeekbedes die van Zalthear komen klinken wanhopig, huilerig.

‘Heer! Alstublieft…’

En dan snapt Balthamon het.

‘IS HET JE OM HEM TE DOEN, ADRAMELECH?’ roept hij naar de chef, en wijst achter zich naar de engel.

Adramelech verrekt geen spier. En verraadt daarmee alles.

‘JA DUS! WAT IS ER ZO BELANGRIJK AAN HEM?’

‘IK KOM NAAR JE TOE, BALT.’

‘BLIJF DAAR!’

Twee meter is de chef naar voren gekomen. Als Balthamon zou willen, kan hij de Inessens naar zijn baas gooien. En wellicht zou hij nog raken ook.

Als Adramelech zich van dat gevaar bewust is, laat hij het niet merken. Hij zet de megafoon weer aan zijn lippen en spreekt nu op zachtere toon.

‘Balthamon, je hebt daar het belangrijkste deel van de operatie die de Orde vijfhonderd jaar voorbereiding en ontelbare miljarden heeft gekost. Ik weet dat je momenteel boos en onzeker over je positie bent, maar we kunnen hierover praten! Doe die fles weg!’

‘WIE IS HIJ?’

‘We leggen alles uit, Balthamon, alles! Maar leg eerst-’

‘NEE! VERTEL HET ME NU!’

Om zijn eis kracht bij te zetten stapt Balthamon achteruit en houdt de fles Inessens boven het hoofd van de engel. Zalthear heeft zijn ogen gesloten, en merkt niets.

‘Heer, ik ben U niet waardig,’ prevelt hij zacht. ‘Ik ben Uw dienaar, en accepteer het Plan dat U voor mij heeft.’

Twee van de hellehonden zetten geweren tegen hun schouders en richten op Balthamon. Adramelech haalt de megafoon van zijn mond, vloekt tegen ze, en de geweren gaan weer omlaag.

‘Balthamon!’ zegt de chef, met de megafoon weer tegen zijn lippen. ‘Er zijn hier heel veel demonen die je neer willen schieten. Maar ik vertrouw op je verstand, en geef je een kans om jezelf hieruit te werken. Kijk in je jaszak! Je hebt de dossiers uit mijn bureau gehaald. Degene met de… foto’s, maar ook een andere.’

Balthamon knippert met zijn ogen.

‘Bekijk dat andere dossier!’

‘BLIJF OP AFSTAND!’

Adramelech knikt, en Balthamon vist voorzichtig, met één hand, het dossier uit zijn binnenzak. Hij neemt die aan de onderkant vast, zwaait die open.

En kijkt in het gezicht van Zalthear.

En eronder, in grote zwarte letters, PROJECT SCHONE SCHIJN.

‘WAT IS DIT?’

‘Lees het!’

Zalthear, de ster die lacht. Rechterhand van Uriël. Vertrouweling van de vijand. Heeft zich vaak bewezen in inmenging met menselijke affaires, met name op het gebied van uitvindingen, kunst en literatuur. Gevangen door de helle­honden in 1566, in Venetië. Programma van indoctrinatie ingezet onder leiding van de kanselier. Na driehonderd jaar initiële weerstand is eerste succes geboekt. Patiënt is niet bekeerd, maar wel doordrongen van ideeën die onze zaak zullen bespoedigen. Prognost Althareon voorspelt dat re-integratie in de Hemel zal leiden tot de publicatie van een boek dat de Westerse samenleving over de grens van het rechts-extremisme zal trekken. Gesloten grenzen, invoering van getto’s en, uiteindelijk, een wapenwedloop tegen de oosterse wereld zijn directe gevolgen. Het aantal te winnen zielen wordt geschat op 1.500.000.000 – 4.500.000.000

Balthamon laat het dossier uit zijn trillende hand vallen. Hij voelt koud zweet over zijn lichaam lopen, en rilt.

‘Nee,’ fluistert hij.

‘Begrijp je het nu, Balthamon? We hebben het! Het wapen dat we willen! Een kans om niet alleen terug te vechten, maar te winnen!’

‘Heer!’

Balthamon voelt de zon branden op zijn nek, en draait zich om naar de zon die in intensiteit is toegenomen. Zalthear is weer overeind gekomen, en reikt zijn handen naar het licht.

‘Heer!’

‘Dit moet gebeuren!’ roept de chef. ‘Voor ons allemaal. Voor heel Hel!’

De bal vuur wordt groter en groter, en Zalthear is bijna een zwart silhouet geworden. Een donkere vlek op die bol van puur, warm licht.

‘HEER!’

‘LAAT HET GEBEUREN, BALT.’

Balthamon kijkt nog één keer achterom naar de chef, voordat hij zich richt op de engel.

‘Het spijt me,’ fluistert hij, en kiepert het flesje boven Zalthear om.

Hij wil nog meer zeggen, maar zijn woorden zijn onhoorbaar onder het gekerm en gekrijs van de engel die zijn eigen essentie verliest. Die verschroeit tot niets. Balthamon kan achteraf niet zeggen of de doods­strijd van de engel vijf seconden, vijf uur of vijf jaar heeft geduurd. Er was een pijn zo diep dat die de hele wereld in beslag nam, en toen was er niets meer.

De zon trekt zich terug, krimpend tot haar normale formaat. Als een rode bal hangt ze net boven de horizon van Hel, waar ze zwak en ontzet­tend kwetsbaar oogt.

Het is stil.

Balthamon staart naar de zich terugtrekkende zon. Naar het lege flesje in zijn handen. Naar de smeulende resten van de engel.

Hij vraagt zich af wat hij gedaan heeft.

‘Bravo, Balthamon.’

Het is de chef die zijn arm om de schouder van de stom geslagen demon legt.

‘Complimenten, m’n beste. Je hebt je aan het script gehouden als geen ander. Ik had zo mijn twijfels toen ik dit rapport voor me kreeg, maar ik moet zeggen dat het bijzonder goed heeft uitgepakt. Een engel ver­dwenen, kwijt, van het strijdtoneel. Je deed het allemaal met de beste bedoelingen, natuurlijk. En dat is het hele punt.’

Balthamon staart vol onbegrip naar de grijns op het ezelgelaat.

Later, als hij in zijn cel zit – dezelfde waar Zalthear in zat, nota bene – heeft hij tijd om alles uit te denken. Hoe ze hem hebben bedonderd. Hoe Lucinda zijn neigingen tot het lichte opmerkte, zijn nachtboek vond, haar bedenkingen doorspeelde aan Adramelech. Hoe Althareon het rapport samenstelde, waarin precies stond uitgestippeld aan welke touwtjes ze moesten trekken om Balthamon over de streep te krijgen. Een dreige­ment van de chef; een celdeur die niet goed afgesloten was; een paar rondslingerende dossiers… Angst, twijfel, leugens. Allemaal om Balthamon op het juiste moment op de juiste plek te krijgen.

Met de engel, en het wapen om de engel te vernietigen.

Met het onwrikbaar geloof dat wat hij deed ook het juiste was.

Later komt dit besef. Nu, op het dak van de Toren, snapt Balthamon alleen nog dat hij er in is geluisd. De chef haalt zijn hand van Balthamons schouder, en twee hellehonden stappen naar voren om de prognost in de houdgreep te nemen.

‘Alles wat in Hel gebeurt,’ vertelt de chef hem, ‘vindt op aarde zijn weerslag. Jouw daad – het doden van een engel, met de beste bedoelingen – zal miljoenen inspireren om daden te verrichten die even vreselijk als goedbedoeld zijn. Miljarden zullen sterven, omdat de westerse wereld weer denkt te weten wat het goede is.’

Balthamon hoort de woorden van de chef maar half. Voelt de tranen niet die over zijn wangen lopen. Het enige waar hij van bewust is, als hij wordt meegesleurd door de hellehonden, is de zon die net boven de horizon staat, laag, en klein, en donker.

En ondergaat.

Meertens & Zn. : Henriëtte Poelman

De regen sloeg tegen het etalageraam waarop in zwierige letters MEERTENS & Zn. stond geschreven. Achter het glas hing een open­gesneden varken aan een haak, die op het eerste gezicht niet van echt was te onderscheiden. De kop lag eronder, op een grote schaal op een rood-wit-geblokt kleedje. Ernaast kondigde een schoolbord met houten lijst de aanbiedingen van de week aan: klapstuk, oerhammetjes, kotelet­ten. Het was al avond, maar het licht in de slagerij was nog aan en de deur achterin de winkel, naar de keuken en daarachter het slachthok, stond open.

Met een stekende pijn in zijn hoofd sjorde Berend zich half overeind, tot hij met zijn rug tegen de deur­post leunde. Vanaf de vloer keek hij verdwaasd de keuken rond, knipperend tegen het felle licht van de TL-buizen. Hij moest gevallen zijn. Uitgegleden. Berend voelde aan zijn hoofd. Het was alsof er een strak­getrokken band over zijn voorhoofd zat. Vlak boven zijn rechteroor was de pijn een stuk scherper, maar hij bloedde niet. Mooi zo, niet aanzitten.

Hij keek op zijn horloge, stond moeizaam op en trok zijn slagersschort recht. Hij wreef over zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen, waar zijn haar grijs begon te worden. Hoofdschuddend controleerde hij de deuren, deed alle lichten uit en stapte de straat op. Hij sloot de slagerij af en liep met wankele passen over de stoep naar huis. Het was laat en de straten waren stil. Willem zou al wel zitten te wachten. Berend trok zijn schouders hoog op tegen de regen.

 

Willem zat aan tafel, met de pannen voor hem op het zware tafelkleed. Zijn bord was, op wat vegen jus na, leeg.

‘Het eten is koud’, zei Willem, met een veel­betekenende blik op de klok.

Berend trok, nog steeds wat bibberig, in de gang zijn jas uit. ‘Was je al begonnen?’

‘Ik ben alweer klaar.’ Willem leunde met stijf over elkaar heengeslagen armen op tafel, terwijl zijn broer tegenover hem ging zitten.

‘Sorry,’ zei Berend zacht en tilde één voor één de deksels op. De braadpan was leeg.

‘De koteletten waren maar klein,’ zei Willem, ‘en zonde om ze koud te laten worden.’

Berend zei niets. Hij voelde dat Willem naar hem keek terwijl hij de aardappels en de net iets te lang gekookte boontjes opschepte en begon te eten. Hij kauwde met gebogen hoofd. Aan de overkant van de tafel klonk een diepe zucht. Berend keek de zitkamer in, waar in het donker de grote Friese klok tikte. De plafonnière boven de eettafel wierp een flauw schijnsel op het beige tapijt.

Toen Berend was uitgegeten, ruimde hij af en zette koffie, zoals elke avond. Willem haalde de boeken uit de eikenhouten kast in de zitkamer en legde deze met de pennendoos op tafel, zoals elke avond. Hij sloeg twee schriften open en hield zijn hand op naar Berend. Maar Berend stond bij het aanrecht en staarde naar buiten, waar de regen bleef vallen.

‘De envelop van vandaag,’ zei Willem en zette zijn halve leesbril op. Hij stak opnieuw zijn hand uit.

Berend draaide zich om. ‘Die heb ik niet,’ zei hij.

‘Alweer vergeten?’ Willem wreef over zijn voorhoofd, waar na alle jaren een permanente frons in stond gekerfd. ‘Heb je de kassa ook niet opgemaakt?’

‘Sorry,’ zei Berend zacht. ‘Kan het morgen? Ik heb zo’n hoofdpijn.’

‘Niet best,’ antwoordde Willem, terwijl hij de schriften en de pennendoos weer opborg, ‘Ga maar vroeg slapen.’

Maar Berend was de keuken al uit en klom met dichte ogen de trap op. Hij liet zijn kamer donker, kleedde zich snel uit en stapte in bed. Inderdaad niet best, dacht hij. Hij snapte niet wat er nou was gebeurd. Met zijn knieën en de dekens hoog opgetrokken, probeerde hij zichzelf in slaap te denken. Als die pijn in zijn hoofd morgen maar weg was, dat zou een stuk schelen.

 

Woensdag was druilerig. Willem vertrok al vroeg naar de slagerij, zoals elke ochtend. Berend sleepte zich naar de badkamer, naar de keuken, naar de voordeur. Hij had aan één stuk door geslapen, maar was doodop wakker geworden. Zijn hoofdpijn was gelukkig groten­deels weggezakt en wat overbleef, een zeurende pijn laag in zijn achterhoofd, was te negeren.

In de winkel van MEERTENS & Zn. werkte Berend het krijtbord bij. Het klapstuk en de oerhammen waren nog steeds in de aanbieding, maar de koteletten wiste hij uit. In plaats daarvan schreef hij met geoefende, zorgvuldige halen: ‘KONIJN, va € 4,25’. Berend keek naar de letters, wierp een blik op de lege straat en zette er een uitroepteken achter.

De pijn barstte in alle hevigheid los, alsof iemand met alle macht op zijn hoofd instak en in zijn hersenmassa wrikte. Vanuit de ruimte achter de winkel klonk een vreselijk, ijzingwekkend gekrijs. Berend haastte zich naar de deur. ‘Willem!’

Op de drempel van de keuken bleef hij staan. Zijn broer keek hem vragend aan. ‘Ja?’

‘Je… Gaat-i goed?’

Willem fronsde. ‘Best. Heb je de aanbiedingen veranderd?’

Berend knikte. ‘Je…’

‘Wat?’ vroeg Willem, ‘Moet je iets?’

Berend bleef met een verwarde uitdrukking naar zijn broer kijken. Willem haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het hakblok. Hij hief zijn arm op en liet het zware mes met kracht neerkomen. Het staal hakte door het gevilde konijn op het houten blok voor hem, door vlees, pezen en bot. Tegelijkertijd klonk weer dat afschuwelijke gekrijs, zo luid en ondraaglijk dat Berend achteruit wankelde en steun moest zoeken aan de toonbank. Willem was zich duidelijk niet bewust van het ijselijke geluid dat met elke houw tegen de tegels van de keuken kaatste.

Berend vluchtte de straat op. Hij deed een paar passen richting het plein, deed weer een paar passen terug en zonk door zijn benen. In de miezerregen, gehurkt tegen de gevel van de slagerij, probeerde Berend zijn gedachten te ordenen. Hij begreep niet waar dat allesdoordringende geluid vandaan was gekomen – en vooral, waarom Willem het niet had gehoord. De band trok weer strak om zijn voorhoofd.

Na een poosje stond hij op en haalde diep adem. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ zei hij tegen zichzelf, ‘Het is die klap van gisteren. Niets aan de hand en nou hup weer naar binnen.’

Heel voorzichtig drukte Berend de klink naar beneden, zijn oren tot het uiterste gespitst. Toen hij de deur opende, rinkelde boven hem vrolijk de winkelbel. Hij zoog zijn adem naar binnen en sprak zichzelf nogmaals toe. ‘Kom op Berend, het is gewoon de slagerij, de oude vertrouwde slagerij waar verdorie je eigen naam op staat, niets om bang voor te zijn.’

Hij keek de winkel rond. Alles zag er uit zoals het er uit hoorde te zien, behalve dat de krijtdoos open op de grond lag en het bord met de aanbiedingen niet in de etalage stond. De zware houten voordeur viel langzaam achter hem dicht. Op zijn hoede liep Berend naar de keuken, maar ook daar was alles normaal.

Willem stond zijn handen te wassen. ‘Wil jij de runderlende snijden? En dunner dan de vorige keer hè.’

Berend zag dat Willem het vlees al had klaargelegd op de werktafel.

‘Ja?’ vroeg Willem.

‘Ja, is goed.’ Berend slikte.

‘Ik ben even achter. Zo terug,’ knikte Willem naar het hakblok.

Boven Berend zoemde de TL-buis. Op het hakblok, in een dikkig plasje bloed en vocht, lagen twee nette konijnebouten. De kleinere delen, de niertjes en de lever waren iets apart gelegd. De kop lag er ontveld naast. Berend keek ernaar en slikte weer. Met een boog schuifelde hij om het hakblok heen, naar de stalen werktafel. Naast de runderlende lag het grote snijmes, het scherpste dat ze hadden in de slagerij. Berend wist dat Willem niet veel op had met carpaccio, maar dat de klanten het graag kochten. Heel dun snijden, dat was de truc.

Berend waste zijn handen en plaatste het mes bovenop de lende. Onwillekeurig draaiden zijn ogen naar het konijn in stukken. Hij rilde en concentreerde zich weer op het vlees in zijn handen. Met kracht drukte hij het mes naar beneden en schreeuwde. Het mes viel uit zijn handen, net naast zijn voet. Berend deinsde achteruit. Voor hem lag de runderlende, met een heel dun lapje vlees er nog net aan vast.

Het had gegild.

Berend schudde zijn hoofd. Hij keek naar de deur waar Willem door was verdwenen, maar achter bleef het stil. Had zijn broer niets gehoord? Berend klemde zijn kaken op elkaar, pakte het mes op en ging vast­beraden voor de werktafel staan. Onzin, dacht hij, gewoon negeren.

Hij ademde diep uit door zijn neus en zette het lemmet op het vlees. Heel precies sneed slager Berend een zeer dun plakje carpaccio. De lende schreeuwde het uit. Berend probeerde het uit alle macht te negeren. Zijn hoofd bonsde en iedere keer als zijn mes even rustte op het werkblad, beefden zijn handen. Zonder geluid gilde Berend mee, met vertrokken, open mond. En ieder plakje dat hij sneed, werd net iets dikker, net iets slordiger dan het vorige.

Toen hij de hele lende had versneden, merkte hij dat er tranen over zijn wangen liepen. Zijn handen trilden en zijn vingers waren verkrampt. Hij keek op. Vanuit de deuropening stond Willem naar hem te kijken, een plastic doos met oerhammetjes in zijn handen. Even was het stil, op de hevige piep in Berends oren na. Het mes viel uit zijn hand met een scherpe klang op de tegels en nog voordat Willem iets kon zeggen, snelde Berend de slagerij uit, de straat op, naar huis. In de piep in zijn oren echode het geluid van de gillende lende.

 

Thuis vond Willem Berend in een hoek van de kamer. ‘Berend?’

Berend antwoordde niet, maar bleef enkel zijn hoofd schudden met kleine, snelle beweginkjes.

‘Dit kan niet, hè?’ Willem zette zijn handen in zijn zij. ‘Je loopt niet zomaar weg. Sta ik daar alleen. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan én het vlees maken, dat weet je.’

Berend viel nog stiller.

‘Weer die hoofdpijn? Komt door je gepieker.’ Willem was nu ook even stil. Moeizaam vervolgde hij: ‘Of… wil je misschien toch weg? Heb je besloten?’

Berend keek op.

‘Je weet dat ik het niet alleen kan. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan‘

‘én het vlees maken, ik weet het,’ vulde Berend aan met beknepen stem.

Het harde, droge tikken van de Friese klok leek Willem aan te sporen. ‘Pa zou trots zijn,’ zei hij met dikke keel. ‘Dat weet je ook, toch?’

De broers keken elkaar lang aan, totdat de klok vijf uur sloeg en een einde maakte aan het gesprek dat ze nog nooit onder woorden hadden gebracht.

‘Ik ga koken,’ zei Willem, en liep de keuken in.

Berend waste in de ouderwetse badkamer zijn gezicht en trok een dikkere trui aan. Buiten joegen de blaadjes langs de ramen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten en probeerde na te denken totdat Willem hem naar beneden riep, waar de pannen al op tafel stonden en de lamp al aan was. Hij schoof aan, maar schepte niet op.

‘Zeg,’ zei Willem, en viel weer stil.

‘Hee,’ begon hij opnieuw. ‘We komen er wel uit, Beer.’

Heimwee overspoelde Berend. Hij dacht aan hun moeder, hoe hij aan haar hand meeliep naar de slagerij, waar pa dan aan het werk was met een jonge Willem aan zijn zij en waar pa moeder in het slachthok stiekem een kus op haar wang gaf. Hij dacht aan de plakjes worst, die hij op zaterdagmiddag mocht uitdelen aan de klanten, nadat hij er eerst heel zorgvuldig kleine Hollandse vlaggetjes in had geprikt. Hij dacht aan de jaloezie die hij voelde toen Willem pa vertelde dat hij de slagerij wilde overnemen en pa hem daadwerkelijk omhelsde. Hij dacht aan de teleur­stelling in pa’s ogen toen hij op zijn achttiende verjaardag opbiechtte dat hij wilde verhuizen naar de stad, om bouwkunde te studeren. Hij dacht aan de dag dat hij, in stilte gehol­pen door zijn broer, weer in zijn oude slaapkamer was getrokken terwijl de rouwkransen nog in de woon­kamer stonden. De woonkamer, die moeder ooit had ingericht en die Willem nooit had veranderd. Hij dacht aan hoe Willem altijd bij pa en moeder was blijven wonen en alle zorg op zich had genomen, tot aan het einde. En hij dacht aan de zonnige ochtend toen ze samen op de stoep voor de slagerij stonden en zich afvroegen of de naam op de gevel en het raam nu aangepast zou moeten worden.

Toen hij opkeek waren zijn ogen vochtig. Hij hoopte dat Willem nog iets zou zeggen, maar zijn broer richtte zich tot de aardappels.

Ik hoop het, dacht Berend, dat we er uitkomen.

‘Toe nou maar,’ gebaarde Willem naar de pannen en zette zijn mes in zijn saucijs.

Berend schoot overeind, alsof iemand het tafelkleed en zijn stoel onder stroom had gezet.

Willem keek op en fronste. ‘Berend…?’

Maar Berend kreeg geen antwoord over zijn lippen. Hij staarde, met ogen zo wijdopen gesperd dat zijn hele iris wit was omrand, naar de saucijs op Willems bord. Zijn mes had een snee in het vel gemaakt, waar het vlees zich nu doorheen perste. Een klein plasje jus breidde zich eronder uit. Het was een korte maar harde kreet geweest, rauw en vol wanhoop.

Willem schudde zijn hoofd en wees met zijn mes op Berends lege bord. ‘Ik weet niet wat je hebt, maar eet nou maar.’ En met de zijkant van zijn vork drukte hij de saucijs langzaam in twee stukken. In de volgende, langgerekte kreet, klonk pijn en afgrijzen.

Willem gooide zijn bestek neer: ‘Wat is er toch met je?’

Berend haalde zijn handen van zijn oren en keek van zijn broer naar de saucijs. ‘Het is… het is je saucijs…’

‘Mijn… saucijs?’ Willem keek Berend vorsend aan. ‘Mijn saucijs,’ zei hij, en prikte zijn saucijs aan z’n vork.

De schreeuw was korter dan eerst, maar joeg een rilling over Berends rug. ‘Niet in snijden,’ wilde hij zeggen, maar zijn stem liet hem in de steek.

Willem hapte in het vlees terwijl hij Berend aan bleef kijken. Een straaltje vocht liep langs zijn kin. Weer een schreeuw, weer een rilling. Vol afschuw keek Berend naar zijn broer. Met elke kauwende beweging klonk een gesmoorde kreet; de saucijs schreeuwde in golven, net zolang tot Willem de laatste hap doorslikte. Berend rende de kamer uit, naar boven, naar zijn slaapkamer waar de vergeelde posters van vroeger nog aan de muren hingen.

Beneden aan de eettafel at Willem verder, onder het waakzaam oog van de portretten van pa en moeder op de schoorsteenmantel, met als enige geluid in de ruimte het tikken van de Friese klok.

 

‘Ik ga!’ hoorde Berend de volgende ochtend van onderaan de trap. Hij zag voor zich hoe Willem daar stond, met zijn jas al aan en zijn blik op de klok. Even later hoorde Berend de deur in het slot vallen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en wenste dat hij sliep, wat niet hielp. Hij stond toch maar op.

De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, op Willems bord en koffiekopje na. Met wantrouwen keek Berend naar de boterhamworst die in een plasticje naast de botervloot lag. Hij trok de koelkast open om melk voor in de koffie te pakken maar schrok van de leverworst die naar hem toe rolde en op de grond viel. Berend begon zenuwachtig te lachen. Absurd, was het woord dat de halve nacht door zijn hoofd had gespookt.

Met trillende handen dronk hij zijn koffie, leunend tegen het aanrecht. Na de laatste slok zette hij de ontbijtboel op het aanrecht en trok zijn jas aan. Toen Berend de deur achter zich dicht trok, rolde de leverworst tegen de plint.

 

Bij de slagerij stonden twee vrouwen onder de houten luifel te schuilen. Berend mompelde een goedemorgen en wurmde zich tussen de dames door naar binnen. Willem stond iets in te pakken voor een oudere meneer, wiens regenjas op de vloer drupte. Aan zijn voeten snuffelde een kleine witte terriër, die opkeek van het belletje aan de deur. Berend keek naar het hondje, dat net als hij stokstijf bleef staan en terugstaarde. De terriër begon te grommen.

‘Hee!’ De oudere meneer trok de riem strak. ‘Dat doen we niet, hè?’

Het hondje ging zitten, maar bleef Berend aankijken tot hij door de deur achter de toonbank was verdwenen.

‘Braaf zo,’ zei de meneer.

In het bijkeukentje trok Berend zijn jas uit en deed zijn slagersschort om. Hij haalde twee handen door zijn natte haren en veegde ze af aan het schort. Vanuit de winkel hoorde hij de kassa, een groet, het belletje en een ‘Kom!’, gevolgd door trippelende nagels op de tegels. De voordeur viel dicht en Berend hoorde Willem vragen wie er dan aan de beurt was. Hij haalde diep adem, en ging aan het werk. Hij werkte de bestellijst bij, zette koffie en wilde net de schoonmaakspullen pakken toen hij een ijselijke gil hoorde vanuit de winkel. Berend zocht steun aan de werkbank. ‘W-w-willem?’

Maar er kwam geen antwoord, alleen hartelijk gelach. Voetje voor voetje liep Berend naar de deuropening, het zweet stond op z’n voor­hoofd.

‘Zo’n hele kan ik toch nooit op!’ Een meisje van een jaar of acht klemde breed lachend iets tegen haar borst, ingepakt in duplexpapier. Haar moeder rekende af en ze liepen de winkel uit. Voor Willem lag een snij­plank met daarop een mes en een halve gekookte worst.

‘Ah, daar ben je,’ zei Willem, terwijl hij door het raam van de etalage naar de moeder en dochter zwaaide. ‘Wil je deze worst versnijden en op een bord leggen? Kunnen we vanmiddag wat plakjes uitdelen.’ Zonder op antwoord te wachten liep Willem naar achteren.

Berend staarde naar de worst.

De worst leek terug te staren.

Voorzichtig legde Berend zijn hand op de worst. Met zijn andere hand pakte hij het mes. Aarzelend keek hij over zijn schouder door de deuropening, maar hij zag Willem niet. Hij keek weer naar de worst. Heel zachtjes kneep hij er in. Hij voelde het vlees spannen onder zijn vingers. Even dacht hij dat het stil bleef, maar toen hoorde hij, als van heel ver weg, een zacht kreunen. Snel ontspande hij zijn vingers, maar hij liet niet los. Het kreunen stopte. Weer kneep hij in het vlees, iets harder dit keer, en weer kreunde de worst, ook harder dit keer. Berends adem versnelde. Heel langzaam kneep hij zijn hand verder dicht. Het vlees werd plakkerig door de warmte van zijn huid en begon zich tussen zijn vingers door te persen. Het gekreun zwol aan tot een schor, gorgelend gekrijs, dat abrupt stopte op het moment dat Berend de worst doormidden kneep. Hijgend staarde Berend naar de stukken op de snijplank en de restjes gekookt vlees die aan zijn handpalm vastplakten. Zijn hoofd suisde.

Opnieuw een schreeuw, nu vanuit de keuken. Het geluid hield aan en begon te pulseren, alsof de adem in vlagen uit iemands longen werd gedrukt. Berend rende naar achteren en zag Willem grote brokken rund in de elektrische gehaktmolen gooien. Toen het vak boven op de molen vol was, draaide hij zich om en begon het varkensvlees dat op de werkbank lag in stukjes te snijden. Het malen van de vleesmolen kon het pul­serende geschreeuw van het vlees niet overstemmen en daarbij voegde zich nu de korte, droge kreten van de hamlappen. Berend klemde zijn handen om zijn hoofd. Vaag hoorde hij ergens het winkelbelletje en daarna zijn naam. Verdwaasd liep hij naar de winkel, waar de oudere meneer met zijn hondje aan de andere kant van de toonbank stond. De hond gromde.

‘Ach, mag hij wel zo’n stukje worst?’ vroeg de oudere meneer, terwijl hij over de toonbank naar de gekookte worst reikte die daar nog in stukken op de snijplank lag. Berend wilde hem tegenhouden maar de man had het vlees al gepakt en gooide het naar de hond, die het behendig opving. Het werd, met een korte, afgekapte kreet, in één keer weggehapt.

Berend probeerde zijn aandacht erbij te houden: bij de man die vroeg of hij ook voor aankomend weekend nog een rollade kon bestellen, bij de hond die zijn riem had uitgerekt en nu om de hoek van de toonbank naar de vleesresten op Berends hand stond te grommen, bij de nieuwe klant die binnenkwam en het winkelbelletje deed rinkelen en bij Willem die vanuit de keuken riep of hij even kon helpen met de molen. Berend gebaarde dat iedereen even moest wachten en liep naar achte­ren, waar de kreten waren opgehouden.

Willem stond te wrikken aan de vleesmolen, die was gestopt met malen. ‘Hij hapert,’ zei Willem. ‘Er zit denk ik iets vast.’ Toen Berend niet direct reageerde, zei Willem: ‘Kom dan helpen, sta daar niet zo.’ Het zweet stond op zijn voorhoofd.

Berend liep om het apparaat heen en keek of deze nog was aangesloten. ‘Willem,’ begon hij voorzichtig, ‘ik denk dat we even moeten praten.’

‘Nu toch niet zeg, hee,’ Willem begon de stukken rundvlees uit de bak van de molen te halen. Berend zuchtte en voelde aan de stekker, die stevig in het stopcontact zat. ‘Tis niet de stekker,’ zei hij.

‘Moment hoor!’ riep Willem richting de winkel. Hij haalde de bak van de molen en keek naar het maal­mechanisme daaronder. ‘Wacht eens…’

Berend liet het snoer door zijn vingers glijden, van het stopcontact tot aan het apparaat, waar de plug scheef in stak. ‘Ik denk dat dit er uit is getrild,’ zei Berend, en duwde de plug stevig terug in de machine.

Een verpletterend gekrijs weerkaatste tegen de tegels van de keuken. Berends handen schoten over zijn oren en hij kromp op zijn hurken ineen. Het vlees in de molen schreeuwde, maar daar bovenuit klonk de stem van Willem: ‘ZET AF ZET AF ZET AF!’

Berend rukte de stekker uit het stopcontact en het gekrijs verstomde. Vanchter de machine hoorde Berend zijn broer de keuken door strompelen, terwijl messen, borden en metalen schalen op de grond kletterden. Met stampend hart en een bonkend hoofd hees Berend zich aan de werkbank omhoog. In de hoek van de keuken zakte Willem zacht jammerend tegen de muur op de grond. Hij had zijn rechtervuist slordig in zijn slagersschort gewikkeld en klemde de pols stevig vast met zijn andere hand. De zwart-witgeblokte stof kleurde in hoog tempo rood.

Op de werkbank voor Berend lag het vlees dat Willem uit de bak had gevist: grote brokken rund, met daarop dikke glimmende rode spetters. Het RVS van de machine blonk in het TL-licht. Berend boog zich iets voorover en keek in de mond van de molen. Tussen de met bloed bevlekte messen van het maalmechanisme hingen flarden van iets, als afgestroopte worstevellen. Met trillende hand haalde Berend een stuk flard uit de machine en staarde naar het dunne, rozerode streepje vinger van zijn broer.

 

Berend stond op de stoep en keek naar de slagerij aan de overkant van de straat. De winkel was donker. Op het bordje aan de deur stond gesloten. Er was een papiertje onder geplakt met daarop in stiftletters: wegens omstandigheden. Berend dacht aan Willem, die nu aan de eettafel zou zitten, of in de grote stoel voor het raam. Zou hij onderhand al hebben ontbeten? Berend bedacht zich dat hij vandaag weer bood­schap­pen zou moeten doen, en hoopte dat hij in de super­markt een nieuw recept kon vinden. Hij zuchtte. De vegetarische maaltijden maakten Willems stem­ming er niet beter op, maar Berend durfde geen vlees te bereiden. Hij hoopte dat hij op tijd thuis zou zijn om de verpleegster te vragen hoe het ging met Willem, en met zijn hand.

Berend stak de straat over en stak de sleutel in het slot, maar hij duwde de deur niet open. Hij twijfelde. Om de slagerij maandag weer open te hebben, moest hij vandaag de boel opruimen, schoonmaken en in orde krijgen. Maar dan? Voorlopig zou Willem niet aan het werk kunnen. De verpleegster die elke dag het verband verschoonde sprak steeds van ‘als’, maar Berend zag aan zijn broer dat Willem niet geloofde in ‘wanneer’. Wat nou, als ze de slagerij niet meer open zouden doen? Wat nou, als ze de slagerij zouden verkopen? Op het moment dat hij het dacht, voelde Berend zich lichter worden. Hij draaide de deur weer op slot en zette koers naar huis. Heel voorzichtig klampte hij zich vast aan het idee, dat langzaam meer vorm kreeg.

‘Willem?’ Berend stak zijn hoofd om de hoek van de kamer. Zijn broer zat in de grote stoel bij het raam en staarde naar buiten. ‘Willem, wil je koffie?’

Maar Willem reageerde niet en bleef naar buiten staren. Berend schonk wat water in en zette het glas op het tafeltje naast Willems stoel. Zelf ging hij op de andere stoel zitten, en keek naar zijn broer. Willems ogen waren glazig, de huid onder zijn ogen was grauw en slap.

‘Willem,’ begon Berend, ‘we moeten misschien even praten.’

Willems ogen volgden een mevrouw met een door­zichtige paraplu die aan een lange rode riem een hondje uit een perkje probeerde te trekken, maar het hondje bleek sterker dan het er uitzag en bleef op scheve pootjes scharrelen tussen het onkruid.

Er was geen goede manier om de vraag te stellen, dus Berend stelde hem maar gewoon: ‘Wat als we de slagerij verkopen?’

Langzaam draaide Willem zijn hoofd. ‘Dat meen je niet.’

Berend knikte.

‘Wat een onzin. We hebben het pa beloofd.’

‘Jij zou de slagerij overnemen, niet ik.’ Berend haatte het als zijn stem zo klein klonk.

‘Opa is de slagerij begonnen, pa nam hem over en wij gaan er ver­domme mee door. MEERTENS & Zn. staat er op de gevel, of niet?’

Berend antwoordde niet.

‘Of niet!’ schreeuwde Willem.

Even was het stil.

Berend keek van het verband om Willems hand, waar aan de bovenkant een klein streepje donkkerrood opbloeide, naar zijn eigen vingers, die zenuwachtig aan elkaar pulkten. ‘Wanneer kom je weer terug in de slagerij?’

Willem draaide zich naar het raam. De mevrouw had het hondje eindelijk uit het perkje weten te trekken en liep de hoek van de straat om.

Berend voelde zijn handen klam worden. ‘Je komt toch wel terug…?’

‘En dan?’ vroeg Willem, ‘Denk je dat ik de rest van m’n leven in de winkel ga staan? Als een bediende? Ik ben sláger, ik hoor het vlees te maken!’

‘Je bent dan toch nog steeds slager,’ probeerde Berend.

‘En als ik daar dan in de winkel sta, met één hand en één verminkte stomp die nog het meest op droge worst lijkt – denk je dat de klanten zo’n slager dan nog serieus nemen? En komen ze ooit van het idee af dat mijn vingers misschien wel in hun gehakt zitten?’

Berend hield zijn mond. Hij dacht er aan dat hij straks alleen in de slagerij zou staan en dat al het vlees door zijn handen zou moeten. Misschien zou hij een hulpje aan kunnen nemen om de klanten te helpen, maar er moest wel iemand aan het werk in het slachthok. In de keuken. De vleesmachine bedienen en de worst snijden. De lendes en de hamlappen. De rode stukken rosbief met hun grove vezelstructuur, die bloeden als je er op drukt. Die krijsen als je er een mes in zet. Berend rilde.

‘We hebben het pa beloofd,’ zei Willem zacht, en slikte. ‘Hij ziet ons in de slagerij, in dezelfde winkel, dezelfde klanten helpen als hij deed.’

‘Hij ziet jou,’ zei Berend, terwijl hij zijn neus in de elleboog van zijn trui afveegde, ‘niet mij.’

‘Pa zou trots zijn, dat weet je.’

‘Pa zou weten dat ik het alleen voor hem doe.’

Willem keek weer naar buiten. ‘Ik zie hem zo weer voor me. Ritmische halen aan die ouderwetse gehaktmolen. Zekere, geoefende handen die de worst draaien.’ Willem drukte zijn verbonden hand tegen zijn borst.

‘Maar we zullen de slagerij ooit moeten verkopen,’ zei Berend, ‘MEERTENS & Zn. houdt op bij ons.’

Willems ogen glinsterden. ‘Dus moeten we de slagerij zo lang mogelijk draaiende houden.’

 

Berend keek naar de slagerij aan de overkant van de straat en haalde diep adem. De lucht boven het pand was donkergrijs. Het viel hem op hoe slecht de gevel eigenlijk in de verf zat. Berend stak de straat over, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Het winkelbelletje rinkelde. De tegels op de vloer waren viezig en de ramen moesten nodig worden gelapt. De aanbiedingen van vorige week stonden nog op het bord. Berend zuchtte en draaide de deur achter zich op slot. Hij liep om de toonbank heen en stapte over de snijplank die op de grond lag, met stukken worst er om heen. In de keuken deed hij de lampen aan, die zoemend en knipperend tot leven kwamen. Op het aanrechtblad en om de kraan zaten rode vegen. Berend staarde naar de theedoeken die in roodbevlekte prop­pen in de gootsteen lagen.

‘Ja,’ zei hij na een poosje tegen de lege ruimte.

Met vastberaden blik trok hij zijn jas uit, hing deze aan de kapstop onder de klok en haalde roze, plastic handschoenen uit het keukenkastje. Terwijl Berend een emmer vol liet lopen, poetste hij de vegen op het aanrecht weg. Hij deed ook in de winkel en het slachthok de lampen aan, zette de radio aan en begon de slagerij schoon te maken.

Al kon hij de zwart-witfoto in de winkel vanuit de keuken helemaal niet zien, Berend voelde hoe pa’s ogen hem volgden en in de gaten hielden. Ja pa, dacht Berend, morgen is het maandag. Hij schrobde de gootsteen en de kastjes onder die vorsende blik. Ja pa, dacht Berend, ik zal er zijn, voor je klanten. Hij zette nog meer druk op de schuurspons, tot zijn knokkels wit waren. Als een echte Meertens. Berend voelde de hoofdpijn weer opkomen, maar poetste door.

Halverwege de middag was de winkel schoon, was de slachtruimte schoongespoeld en was het grootste gedeelte van de keuken weer aan kant. Alleen de vlees­machine moest nog schoon. Naast de molen stond nog steeds de bak met brokken rund, toegeëigend door een aantal dikke zwarte vliegen. Berend droeg de bak met gestrekte armen naar de koelcel en kieperde het leeg in het afgesloten afvalvat. Met een mat geluid vielen de rode, opgedroogde stukken vlees op het vet, de zenen en de botten in de emmer.

Met zijn kaken stijf op elkaar geklemd spoelde Berend het maal­mechanisme van de vleesmolen schoon. Het vel en het vlees van Willems vingers had hij er direct na het ongeluk kokhalzend uitgepulkt om mee te nemen naar het ziekenhuis, hoewel dat eenmaal daar geen zin bleek te hebben gehad. Er tikte iets in de metalen bak waarin Berend het mecha­nisme schoon­maakte. Berend fronste en roerde langzaam met zijn gehandschoende vingers door het bloederige water tot hij iets hards voelde. Hij pakte het op en hield het omhoog, maar zijn hand trilde zo dat de nagel die hij uit het water had gevist tussen zijn vingertoppen door glipte.

Met ongefocuste ogen en slappe benen werkte Berend door. Zijn hoofd was te vol en te druk om goed na te denken. In gedachten hoorde hij keer op keer het verpletterende gekrijs tegen de tegels weerkaatsen: het rauwe geschreeuw van het vlees in de molen met daar bovenuit Willems gegil en het wanhopige zet af zet af zet af.

 

Doodop en met een bonkend hoofd kwam Berend thuis. Hij liet zijn jas van zijn schouders op de grond glijden en sleepte zichzelf de trap op.

Vanuit de woonkamer riep Willem: ‘Wat voor eten heb je?’

Berend draaide zich om, sjokte de trap weer af, raapte zijn jas op en trok deze aan terwijl hij de deur weer uit liep, richting de supermarkt.

Die avond maakte Berend een simpele stamppot, waar Willem commentaar op leverde. Na het eten waste hij niet direct af, wat Willem afkeurde. Berend wilde niet over de slagerij praten, maar Willem bleef vragen of er nog genoeg voorraad was voor morgen. Hij had een bestellijst gemaakt die hij onder Berends neus schoof en hem op het hart drukte daar morgen­ochtend direct mee aan de slag te gaan. Berend knikte en ging naar boven.

Eenmaal in bed dacht hij aan de volgende dag en aan al dat vlees waar hij worsten van moest draaien. Aan de messen die hij nodig weer zou moeten slijpen. Aan het nepvarken dat in de etalage hing en aan de grote stukken echt varken die in de koelcel op hem lagen te wachten. In zijn slaap hoorde hij het vlees om hem roepen, maar zo gauw hij het aanraakte begon het onbedaarlijk te krijsen en smolt het onder zijn handen tot een slijmerige, bloederige smurrie.

 

Met zijn hoofd zwaar in zijn handen leunde Berend op de toonbank. Er was nog geen enkele klant geweest, hoewel het briefje niet meer op de deur hing. Willem zou die middag nog even langskomen, had hij gezegd, maar Berend vroeg zich af of zijn broer het had gemeend. Berend zuchtte en keek op de klok. Zijn ogen schoten onwillekeurig naar links, naar het portret dat ernaast hing. Pa staarde hem doordringend aan in zwart-wit. Berend keek terug, zonder te knipperen. Hij draaide bij, hief zijn kin op en keek het portret strak aan.

Ik sta er, dacht Berend. Hier, ik sta er. IK.

Zijn ogen vernauwden zich en begonnen te prikken. Elk moment nu, kon zijn blik een gaatje in het glas boren. Hij kon het smeulende papier al bijna ruiken.

Berend schrok van het plotselinge winkelbelletje en knipperde. Hij draaide zich om en wreef in zijn ogen, die nog steeds prikten.

‘Goedemorgen, slager,’ knikte een oudere dame in een geruite jas en bijpassende sjaal. Zonder op ant­woord te wachten, bracht ze haar neus vlak bij de vitrine voor de toonbank en fronsde naar de vele lege schaaltjes. ‘U heeft niet zoveel keus vandaag, hm?’

Berend slikte een antwoord in en bekeek de vrouw. Ze droeg grote, hangende oorbellen, die haar oorlellen uitrekten. Bij iedere beweging van haar hoofd zwaaiden de oorbellen heftig heen en weer. Berend zag dat de gaten in haar oren ook waren opgerekt. Het vlees van de lellen was donkerder dan haar hals en had wat bruinige vlekjes. Berend vroeg zich af wat voor geluid het zou maken als hij er in sneed.

‘Of heeft u dat niet?’

De vrouw stond recht voor hem, met haar keurig ingekleurde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘Ik zei, of heeft u dat niet?’

‘Eh, sorry,’ zei Berend, en wreef weer in zijn ogen. ‘Wat wilde u hebben?’

De vrouw klakte afkeurend met haar tong.

Even keken ze elkaar zwijgend aan over de rauwe stukjes vlees in de vitrine, totdat de vrouw de stilte doorbrak: ‘Karbonades,’ zei ze, ‘vier stuks.’

Berend keek naar wat hij had liggen. ‘Die moet ik even van achter halen, moment.’

‘Tsssss’, deed de vrouw, terwijl Berend naar de koelcel liep. Hij pakte een schaal uit de keuken en legde er in de koelcel een dozijn karbonades op. Met benauwde blik pakte hij elk stuk vlees heel voorzichtig beet, zodat hij er niet in zou knijpen. De karbonades gaven geen kik.

‘Kijkt u eens,’ zei Berend terwijl hij de schaal in de vitrine onder de toonbank zette. Hij pakte grote vellen duplexpapier en begon de karbonades in te pakken. ‘Vier prachtige stukjes vlees.’

‘Hm,’ zei de vrouw, en keek naar het krijtbord in de etalage. ‘Zijn ze niet meer in de aanbieding?’

‘Nee, deze week niet meer, helaas,’ zei Berend zonder op te kijken.

‘Hm.’ Ze viste haar portomonnee uit haar handtas en keek Berend aan.

‘Dat was het? Acht euro tachtig, wordt het dan.’

De vrouw legde een hand vol kleingeld op de toonbank. Er liepen kleine rode adertjes over de achterkant van haar hand. Haar vingers leken wat opgezwollen en de huid om haar zorgvuldig gelakte nagels stond strak. Die huid deed Berend denken aan frankfurters. Het vlees zou vast hoog en schril gillen, als hij die worstjes door zou hakken.

‘Een tasje!’

Berend huiverde en keek de vrouw geschrokken aan. ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij en griste een plastic tasje van de haak achter de toonbank. Gehaast deed hij de karbonades er in en gaf het aan de vrouw, die het met opgetrokken wenkbrauwen aannam en hoofd­schud­dend de winkel uitliep.

Berends blik zakte naar de karbonades in de vitrine. Het waren dikke, roze stukken stevig vlees, met een helderwit randje vet en de rib er nog aan.

Zouden ze gillen, vroeg hij zich af, of zouden ze schreeuwen?

Berend liep naar de koelcel en keek om zich heen. Zijn hoofd klopte. Hij begon tournedos, steaks, runder­lendes, oerhammetjes en kalfs­niertjes in zijn armen te laden. Achterovergeleund draaide hij zich om, liep naar de keuken en stortte alles uit op de grote werktafel. Terug in de koelcel legde hij lamsbouten, lamsschouder en gepikeerd gebraad op de grote bak met al gemalen gehakt en zette dit bij de rest. Berend ver­zamelde de worsten die aan het rek naast de deur hingen en haalde de rij gevilde konijnen en geplukte kippen van de haken. Hij bekeek de smalle, kale dieren die in twee enorme vleestrossen hulpeloos aan zijn vingers hingen en plofte ze op het werkblad.

Berend deed een stap achteruit. Met bonzende slapen haalde hij het grote, platte hakmes van de muur. Hij overzag het vlees dat voor hem lag met een blik vol achterdocht, terwijl hij het mes scherpte aan de keramische slijpstaaf. Hij meende een zacht gejammer te horen. Een klagelijk geluid, net op de grens van zijn gehoor.

Hij legde de slijpstaaf weg en hief het hakmes hoog. Recht voor hem, op het glanzende RVS, lag het grootste braadstuk dat de slagerij verkocht. Duivels­gebraad, dat zachtjes leek te ademen. Met alle kracht die hij in zijn armen had, liet Berend het hakmes neerkomen op het vlees. Het mes ging er bijna in één houw doorheen en de punt kraste schril op het werk­blad. De schreeuw van het braadstruk was zo luid dat Berend naar zijn oren wilde grijpen. Maar hij hield het mes vast en begon in te hakken op de konijnen, de kippen en de lamsbouten. Het vlees gilde en krijste en Berend krijste mee, probeerde het gegil te over­stemmen. Hij pakte een tweede mes en hakte met venijn in op elk stuk roze varken, rund of kalf wat hij onder zijn messen kon krijgen. Het gegil zwol aan en leek oneindig door te echoën. Hij liet het mes vallen en begon schreeuwend en huilend met zijn handen het vlees verder uiteen te rijten. Zijn hoofd was volledig gevuld met wanhopige kreten en het gebonk van zijn eigen hartslag.

Hijgend en snikkend stond Berend in de keuken van de slagerij. Zijn hele lichaam trilde en zijn benen voelden slap. De verschillende stukken vlees begonnen weer te jammeren, te loeien en te mekkeren. Door zijn tranen heen keek hij naar de ravage op de werkbank, en in die roze-rode ravage viel hem een klein, wit botje op. Met zijn pols wreef Berend over zijn ogen. Het was een vorkbeentje, dat recht omhoog stak uit een aan flarden gerukte kip. Berend leunde voorover en plukte het botje uit de vogel, die kreunde. Hij bekeek het bijna hoefijzervormige beentje van alle kanten in het TL-licht. Het was nog helemaal gaaf. Een wensbeentje.

Berend pakte de twee uiteinden van het wensbeentje vast en sloot zijn ogen. Hij trok zijn handen uit elkaar en het botje knapte in twee ongelijke stukken. Met zijn blik op het kermende vlees, bracht Berend langzaam zijn linkerhand richting zijn linkeroor. Toen hij het halve beentje in zijn oor voelde, stootte hij het daad­krachtig met de scherpe punt naar binnen. Het botje prikte door zijn trommelvlies en Berend hapte naar adem. De pijn was plotseling en hevig en zijn oor begon te suizen, maar het gejammer en geblèr leek zachter.

Hij bracht zijn rechterhand, met het grootste gedeelte van het wensbotje, richting zijn rechteroor. Met iets meer moeite kreeg hij het recht voor zijn gehoorgang. Hij sloot zijn ogen en prikte. De pijn was verblindend: het was alsof iemand met de punt van een scherp mes langs de binnenkant van hoofd schraapte. Een plotselinge duizeligheid overviel Berend en hij verloor zijn evenwicht. Hij probeerde de rand van de werktafel nog vast te pakken maar maaide alleen stukken vlees op de grond terwijl hij neerging.

 

Willem deed een stap achteruit zodat de man de slage­rij kon verlaten. Hij knikte vriendelijk, maar de man zette zijn kraag op en mopperde dat ze de slagerij niet open moesten doen als er niemand was om hem te helpen. Willem keek de man verward na en liep naar binnen. Het belletje rinkelde. Er stond niemand achter de toonbank en hij hoorde geen geluid vanuit de keuken of het slachthok.

‘Berend?’ Willem liep naar achteren.

‘Berend?’ vroeg hij opnieuw, maar zijn adem stokte in zijn keel. In de keuken, op de grote RVS werktafel, lag een enorme hoeveelheid vlees. Het moest bijna al het vlees zijn wat ze nog in de slagerij hadden en het was zo goed als volledig aan stukken, totaal onbruik­baar.

Toen zag hij zijn broer liggen, tussen meer brokken en flarden vlees, op de zwart-witte tegels van de keukenvloer. Berend had zijn ogen open maar leek niets te zien. Uit beide oren liep een straaltje helder­rood bloed, dat zich verzamelde onder zijn achter­hoofd.

Willem knielde naast hem op de grond en begon te sjorren aan het lichaam dat slap in zijn handen was. ‘Berend!’

Heel langzaam draaide Berend zijn hoofd. Zijn ogen waren dik en rood van de tranen.

‘Waarom antwoordde je niet?’ vroeg Willem, ‘Wat is er gebeurd?’

Maar Berend hoorde Willem niet. Het suizen in zijn oren wilde maar niet ophouden en zelfs plat op de grond bleef hij zich duizelig voelen. Willem trok Berend half omhoog en zette hem met zijn rug tegen de tafelpoot. Hij zei iets en stond op. Willem liep naar het kleine koffietafeltje en pakte een keukenstoel. Heel langzaam hielp Willem met één hand Berend op de stoel. Hij knielde voor hem, terwijl zijn verbon­den hand op Berends knie rustte, en zei weer iets. Berend knikte maar. Hij zag hoe Willem naar de telefoon liep die naast de deurpost in de winkel hing, een nummer intoetste en met een bezorgde blik op Berend een kort gesprek voerde. Daarna knoopte hij zijn slagersschort om, waste hij zijn ene hand en prutste om de andere een plastic handschoen.

Berend sloot zijn ogen en haalde diep adem. De pijn was er nog, maar niet meer zo hevig als eerst. Het suizen werd minder en minder en maakte plaats voor een diepe, dikke stilte. Berend glimlachte en opende zijn ogen. Hij zag hoe zijn broer de stukken vlees in grote schalen had verzameld, die nu op de werkbank naast de vleesmachine stonden, klaar om als gehakt te eindigen.

Willem zette de radio aan. Wat er precies was gebeurd, zou hij nog wel vragen, maar nu moest hij eerst maar opruimen. Gelukkig was de dokter onder­weg. Vreemd, hoe tevreden zijn broer er uit zag, zittend op de keukenstoel, met bloed op zijn kaken en in de haren van zijn nek. Willem stak de stekker van de vleesmachine in het stopcontact, controleerde of de plug goed in het apparaat zat en zette hem aan. Even, met een blik op zijn verbonden hand, huiverde hij bij het geluid, maar wat moest gebeuren, moest gebeuren. Hij pakte de schaal met lamsvlees en kieperde deze in de bak van de vleesmolen.

Op het moment dat de eerste stukken vlees de messen raakte, greep Berend naar zijn oren en slaakte een hartverscheurende kreet. Het vlees gilde. Het schreeuwde. De lamskarbonades krijsten zo hard ze konden, in de oorverdovende stilte in Berends hoofd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Zielenroerselen : Tom Schoonbaert

Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.

‘Samuel?’

Hij knipperde met zijn ogen. De graanvelden en het meisje – Machteld! – verdwenen, in hun plaats kwam een oudere man die hem geduldig aankeek. Het gezicht van de man kwam hem bekend voor. Een oudere versie van iemand die hij kende, maar een naam kwam niet.

‘Ik heet Gaetan,’ zei de man. Hij stak zijn hand uit.

Samuel probeerde zich koortsachtig meer te herinneren over de man die voor hem stond. Ze waren vrienden, dat wist hij, voor de rest kwam er niets. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Mijn geest heeft zich nog niet volledig aangepast aan de wedergeboorte.’

‘Dat geeft niets,’ antwoordde Gaetan. ‘Ik leid je wel naar je huis.’

Ze liepen in stilte de hoofdstraat door. Samuel her­kende de gebouwen om zich heen, de meeste mensen die ze passeerden, al bleven namen en gebeur­te­nissen net buiten zijn bereik. De mensen begroetten Gaetan hartelijk. Ze bleven echter afstandelijk tegen­over Samuel. Vriendelijk, dat wel, maar niet meer dan dat. Hij herkende het als een standaard­reactie tegen vreemdelingen, een houding die bijna overal ter hele wereld terug te vinden was. Niet te nieuwsgierig zijn, zeker niet als iemand pas zijn ziel terug had. Dat zorgde alleen maar voor spanningen.

‘Ik zie dat je je toch al dingen herinnert.’ Gaetan grinnikte.

Samuel keek op en zag dat hij zonder na te denken een zijstraat was ingeslagen. Zijn onderbewustzijn stuurde zijn lichaam naar de plek waar hij zo lang gewoond had. De smalle straat was geplaveid met kinder­kopjes en kronkelde voorbij oude arbeiders­huizen. Het was er stil. Zelfs voor een dorp waar nauwelijks auto’s reden, dat zo ver van enige industrie lag, was het er echt stil. De sfeer en rust bevielen Samuel wel. Het was er tijdloos. Bijna zoals toen hij haar voor het eerst ontmoette.

‘Het verbaasde me dat je zo snel al terugkwam,’ zei Gaetan. ‘Je bent nog maar achttien jaar. De meeste mensen wachten tot ze hun herinneringen geheel onder controle hebben voor ze beslissen wat ze gaan doen.’

‘Wachten had weinig zin,’ zei Samuel. ‘Hier moet ik zijn, nergens anders.’ Hij zag dat de oude man wilde antwoorden, maar zijn woorden inslikte.

‘Wat is dit?’ vroeg Samuel. Ze bleven staan bij een witte gevel. In het midden van de gevel had iemand schijnbaar willekeurig kleuren aange­bracht. Het geheel leek Samuel een weergave van een storm te zijn, gezien door de ogen van iemand die high was.

‘Dit heb je natuurlijk nog niet gezien,’ zei Gaetan lachend. ‘Tien jaar geleden heeft een kunstenaar het bestuur overtuigd om iets moderns te doen. Je kunt op tien plaatsen dergelijke meesterwerkjes vinden. Nie­mand is er gelukkig mee, maar het heeft zoveel geld gekost dat het be­stuur er niet overheen durft te schilderen.’ Hij liep dichter naar de gevel. ‘Dit werk is nog een van zijn betere. En natuurlijk heeft de kunste­naar geen van zijn werken een naam gegeven.’ Hij stak zijn borst vooruit, hief zijn hand in een dramatische pose en proclameerde: ‘Het is aan de toe­­schouwer om zelf te bepalen wat hij ziet. Een kunste­naar mag hierin geen beperkingen opleggen.’ Nu lachte hij tot hij tranen in zijn ogen kreeg.

Samuel kon niet anders dan meelachen. Ze waren echt vrienden, dat wist hij nu zeker. En dat had meer kunnen zijn, dat herinnerde hij zich ook. Zijn belofte had altijd een barrière gevormd, had voorkomen dat hij zich voor iemand anders open durfde te stellen. Hij ervoer een vaag gevoel van spijt. Toen ze verder liepen, keek Samuel om naar het kunst­werk. Het irriteerde hem meer dan hij zou durven toegeven. Dit was zijn straat, nu bezoedeld door die troep. De sfeer was niet meer hetzelfde, de rust voor altijd verbroken.

 

‘Het heeft heel wat moeite gekost om dit huis vrij te houden, zelfs na het voorlezen van je testament.’ Gaetan overhandigde Samuel een sleutelbos.

Ze stonden in de gang van een arbeidershuis. Om hen heen waren sporen te zien van zijn vorig leven; por­tretten aan de muur, oude meubelen die ze door de openstaande deuren zagen staan. Het huis gaf Samuel het gevoel dat hij in een vertrouwd paar schoenen stapte, klaar om verder te gaan. De herinneringen aan zijn leven in dit huis stroomden door zijn geest. De lange avonden die hij lezend in de fauteuil bij de open haard had doorgebracht. Het schrijven van brieven aan een persoon die hij al in meer dan tweehonderd jaar niet gezien had, alleen om ze onmiddellijk weer te verscheuren. Altijd alleen. Nee, dat klopte niet. Hij merkte dat het kunstwerk op nog geen honderd meter van zijn huis nog altijd zijn humeur beïnvloedde. Hij had hier vrienden. Mensen die kwamen eten, plezier maakten. Gesprekken over de mooiste plek waar ze ooit geboren werden. Hij was hier gelukkig geweest, dat moest hij onthouden.

Samuel liet de rugzak op de grond vallen en liep de woonkamer binnen. Met zijn hand streelde hij het eikenhout van de tafel. Honderd jaar geleden, twee levens ondertussen, had hij deze zelf gemaakt met hout van een pas gerooid bos uit een naburig dorp. Hij herinnerde zich de uren werk, maar voelde de afstand tot die ervaring die de tijd met zich meebracht.

‘Niet iedereen toonde evenveel begrip,’ zei Gaetan. ‘Ik kon hun bezwaren wel snappen.’

Samuel keek de oude man vragend aan, al wist hij wat er nu ging volgen.

‘Het gebeurt niet veel,’ begon Gaetan, ‘dat iemand zo gedreven is om terug te keren naar een vorig leven.’ Hij kwam dichter bij Samuel staan, legde zijn hand naast de hand van de jonge man. ‘Voor sommigen is het niet de natuurlijke manier van leven.’ Hij stak snel zijn hand op, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor de woorden die hij net zei. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat niet. En uiteindelijk hebben ze toch ook hun toestemming gegeven.’ Met een scheve grijns op zijn gezicht voegde hij eraan toe: ‘Veel keuze heb ik ze nu ook niet gegeven. Als stadsverant­woordelijke kan ik, als het echt moet, op mijn strepen staan.’

Samuel lachte, liep op Gaetan af en omhelsde hem. Hij voelde de spanning bij de oude man langzaam verdwijnen. Toen hij hem losliet, gaf hij hem een kus op zijn wang. ‘Bedankt, oude vriend.’

‘Wie noem je hier oud?’ lachte Gaetan.

Samuel zag de rode wangen van de oude man, wist dat de gespeelde verontwaardiging diende om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Ik heb hier ergens wel een spiegel liggen als je jezelf eens goed wilt bekijken.’

‘Jij bent hier de veertiger,’ zei Gaetan.

Een veertiger? Had hij al zoveel levens gehad? Het was niet gemakkelijk om zich het precieze aantal te herinneren, alles leek samen te vloeien na een tijdje. Hij draaide zich bruusk om en liep naar de keuken. ‘Wil je iets te drinken? Ik weet niet wat er staat, of zelfs of ik iets in huis heb om eerlijk te zijn.’

‘Ik heb de koelkast voor je gevuld,’ zei Gaetan. ‘Het huis hebben we goed onderhouden, dat was het minste dat we konden doen.’

Samuel opende de koelkast en haalde er twee biertjes uit. Niet dat hij zin had in alcohol. Op dit moment wilde hij liever alleen zijn. Het huis opnieuw verkennen, zich meer herinneren.

‘Voor mij niets, dank je,’ zei Gaetan. ‘Ik ga je rustig laten acclima­tiseren. Rust vandaag maar uit, morgen zet ik je weer aan het werk!’

‘Zeker weten?’ Samuel stelde de vraag uit beleefdheid en wist dat Gaetan dit besefte. Het verraste hem dan ook niet dat de man het aanbod nog eens afwees. Ze liepen naar de voordeur waar Samuel een paar woorden van dank mompelde.

Gaetan verliet het huis, begon weg te lopen, maar draaide zich toen om. ‘Ik ben heel blij je weer te zien, Samuel.’ Hij aarzelde en zei: ‘Ben je zeker dat dit goed voor je is? Je wacht al zo lang op haar, wat is de kans dat ze na al die tijd nog komt?’

‘Ik moet het proberen,’ antwoordde Samuel.

 

Door het raam in de keuken zag Samuel de goed onderhouden tuin waar twee appelbomen, gebogen als grijsaards, hun last droegen. Het was het goede seizoen wist hij, dus liep hij de tuin in en plukte een glinsterende groene appel. Gretig beet hij in het harde vlees van de vrucht, bijna even snel spuugde hij de hap weer uit. Met een lach smeet hij de rest van de appel in het gras. De geest herinnerde zich de lekkere smaak, het lichaam had meer moeite met zijn eerste kennismaking. Hij was in dit leven opgegroeid met de zoete smaak van mango’s en bananen, niet echt te vergelijken met de zure smaak van de appel. Dat kwam nog wel, de kans dat hij hier tropische vruchten te pakken kreeg, was klein dus veel keuze had hij niet. Milieu en economische noodzaak waren in een eeuwig gevecht verwikkeld. Op dit moment lag de nadruk op milieu: geen onnodig transport. Als het niet gekweekt kan worden in de plaats waar je woonde, moet je het maar niet eten.

Zijn oog viel op een houten hok achter in de tuin. Hij liep naar het tuinhuis, opende de deur en herkende meteen zijn oude werkplaats.

Op de tafel, omringd door werktuigen, stond een onafgewerkt beeld. Hij wist wat er nog moest gebeuren voor het af was, zag het voor zich. Hij ging zitten, pakte zijn kerfmes en wilde de laatste inkerving die hij gemaakt had verder zetten toen hij twijfelde. Net als bij de appel wist hij wel hoe het moest, maar zijn lichaam moest nog getraind worden. Het zou jammer zijn dat het allerlaatste werk dat hij in zijn vorig leven begon­nen was hierdoor zou beschadigd worden. Wachten, dat was het beste, ervaring opdoen. Hij legde het mes weer neer. Bij het opstaan stootte hij met zijn voet tegen een doos. Nieuwsgierig greep hij ernaar en zette hem op tafel.

Een puzzeldoos. Dat moest het zijn, ongelooflijk gede­tailleerd afge­werkt. Wie had deze gemaakt en waarom kon hij zich niet herinneren dat hij hier stond? Zijn vingers volgden de fijne lijnen, krullen die samen­smolten en weer uiteen gleden in een patroon dat hij vaag herkende. Hij probeerde de doos te openen, maar het lukte niet. Een doos zoals deze kon maar op één bepaalde manier geopend worden, niet eenvoudig om dat zelf uit te zoeken. Hij liet zijn vingers opnieuw over de krullen glijden. Was dat een zon aan de bovenkant?

Samuel voelde zich misselijk worden. In de verte hoorde hij gehuil. Een baby? Zijn hand begon te trillen, hij trok hem terug. Het gehuil zwol aan, maar net voor hij zijn oren wilde bedekken om het geluid te dempen, verdween het.

Nu pas merkte Samuel hoe donker het hier binnen was, hoe muf de lucht rook. Het was hier ook veel te koud naar zijn zin, al was het middag en scheen de zon fel. Hij legde de doos weer onder de tafel en liep naar zijn huis. De rest van de dag bleef hij weg uit de tuin, al waren de krullen van de doos altijd in zijn gedachten. Het was een zon, dat wist hij. Hij kon zich alleen maar niet herinneren hoe hij dat wist. En dat stoorde hem.

 

Zwaai, stap. Negeer de pijn in je rug, de kramp in je benen. Zwaai, stap. Zoek het ritme en stop met zo wild te zwaaien. Samuel hoorde iemand roepen. Hij weigerde op te kijken en bleef geconcentreerd naar het graan voor zich staren dat met elke beweging van zijn zeis op de grond viel. Hoe lang was hij nu al bezig? Dit veld leek eindeloos te zijn. Het zweet stroomde over zijn gezicht, elke spier in zijn lichaam smeekte om een pauze. Pas toen hij zijn naam hoorde, stopte hij. Met trillende handen legde hij de zeis naast zich neer en ging er naast zitten. Gaetan kwam over de lege stroken op het veld op hem af gelopen, een fles in zijn handen. Samuel kon de energie niet opbrengen om te zwaaien. Hij zag de andere mannen, die hun deel van het veld al lang gemaaid hadden, bij de tractor staan wachten. Hij kende een paar van de mannen, de meesten waren nieuwelingen. Net als hij, toch een beetje.

‘Dat valt tegen,’ zei Gaetan.

Samuel gromde een vloek en greep naar het water. Hij dronk de fles halfleeg en goot de rest over zijn hoofd. Met een zucht van opluchting liet hij zich achterover vallen. ‘Ik vind het ritme niet,’ zei hij. Achter hem zag hij een groep kinderen de graan­halmen bijeen rapen en samenbinden. Ze plaatsten de bundels in groepjes op het veld, klaar om ze later te verzamelen.

‘Je hebt het niet zo onaardig gedaan,’ zei Gaetan. Hij stak zijn hand uit en hielp Samuel met het opstaan. ‘Met een beetje meer oefening komt het wel goed.’

Samuel pakte de zeis. Hij kromp ineen door de pijnscheuten in zijn pols.

‘Ik maak het wel af,’ zei Gaetan. ‘Ga jij maar rusten.’

Samuel stak zijn hand op. ‘Hoeft niet,’ zei hij. ‘Ik ben er bijna.’ Hij schatte dat de rest van het graan binnen een half uur wel tegen de grond zou liggen. Nadat de oude man, met zijn vertrouwde grijns op het gezicht, weer weg liep, hief Samuel de zeis op. Een half uur? Misschien gaat het toch wel ietsje langer duren. Nu opgeven kon niet. Daar zou Gaetan hem te lang mee uitlachen. Zwaai en stap. Hij voelde zijn geest tot rust komen, leek nu over het veld te glijden zonder enige inspanning. Toen hij klaar was, stond Gaetan klaar om de zeis over te nemen. Zonder protest liet Samuel het werktuig uit zijn handen glippen.

‘Mooi werk,’ zei Gaetan. ‘Er staat een beloning af te koelen in de vijver.’

Samuel liep langs de mannen naast de tractor. Zijn plan om snel weg te gaan, zonder ze een kans te geven een opmerking te maken, werd verstoord door een spontaan applaus. Hij verstarde, maar zag toen de pret in hun ogen. Begeleid door een sierlijke beweging van zijn armen, boog hij diep. Dat leverde hem hartelijk gelach op. Met een laatste zwaai liep hij van het veld en verder op de zandweg die naar de vijver leidde.

 

Na veel zoeken vond Samuel aan de oever van de vijver een paaltje waar een touw aan hing dat in het water verdween. Hij viste de linnen tas uit het water en haalde er twee flesjes bier uit. De tas liet hij weer in het water zakken om de overige flessen niet warm te laten worden.

‘Je hebt ze gevonden!’

Samuel keek op en zag Gaetan. Hij opende de flesjes en gaf er een aan de oude man. ‘Het heeft even geduurd, maar toen herinnerde ik me weer waar we hier altijd afspraken.’

Ze gingen op de grond zitten. Samuel nam een grote slok om de eerste dorst weg te spoelen. Daarna beperkte hij zich tot slokjes, genietend van de smaak. Beide mannen bleven stil. Niet ongebruikelijk, zeker niet hier. Het rimpelende water, de groene bosjes die de vijver omringden, alles nodigde uit tot genieten in stilte.

‘Hoe gaat dat gedicht van je ook alweer?’ vroeg Samuel uiteindelijk.

‘Welk bedoel je?’

‘Dat weet je goed genoeg,’ zei Samuel. ‘Je hebt het lang geleden hier geschreven.’

Gaetan leegde zijn fles en stond op. Met zijn hoofd lichtjes gebogen en gesloten ogen sprak hij op een zachte, plechtige toon.

 

‘Vurig bloeiende twijgen,

zwijgend wiegend als

wachters

bij de vijver.

De wind rimpelt het water

op de hartslag van

het bestaan.

Zacht roept de

groenling zijn geliefde.

Warme zomerluchten

strelen mijn huid

en wekken in mij wat

nog worden zal.’

 

‘Bedankt,’ zei Samuel. Hij ging terug naar het water en viste twee nieuwe flesjes op.

‘Morgen komen de maaidorsers om de andere velden te bewerken,’ zei Gaetan.

‘Oh ja? We hebben nog maar een veld gedaan. Normaal doen we er toch een stuk of vijf?’

‘Weet ik.’ Gaetan nam een slok, bleef nog even stil en zei toen: ‘De laatste jaren is er minder interesse in de oude manier. Met alle nieuwe technologieën is het niet zo belastend meer voor het milieu. Voor de bestuursleden is het niet praktisch genoeg en steeds meer mensen geven ze gelijk.’ Hij hief zijn fles naar de hemel. ‘We moeten het verleden laten rusten, zeggen ze. Leven in het heden en altijd met onze blik op de toekomst gericht!’ Zijn arm verstijfde en met rode wangen vermeed hij de blik van Samuel.

Samuel zei niets. Wat kon hij zeggen? Het bestuur en de mensen hadden gelijk. Dat besefte hij maar al te goed. En toch … Misschien kwam ze deze keer wel. Misschien klopte er morgen iemand op zijn deur met een glans in de ogen die hij nog maar bij één persoon gezien had.

Dagdromer, daar wacht je al tweehonderd jaar op!

De stem in zijn hoofd klonk rationeel. Het was dezelfde stem die hij net voor het slapen ook hoorde. De stem die hem aanraadde om het op te geven. Hij bedwong de neiging om zijn fles in het water te gooien.

De twee mannen schrokken uit hun stilte op door het gejoel en gelach van een groep kinderen die in de vijver sprongen. Samuel herkende ze als dezelfde die met het maaien meegeholpen hadden. Uitgelaten zwommen ze naar het midden waar twee jongens onder water doken. Twee meisjes gilden toen ze ook onder water getrokken werden.

‘Die heerlijke fase waarin ze de eerste herinneringen al terugkrijgen, maar toch ook nog kind kunnen blijven,’ zei Gaetan mijmerend.

Samuel knikte en zag toen een klein groepje dat zich afzonderde van de rest. ‘Dat zijn de eerstelingen?’

Gaetan volgde de vinger van Samuel. ‘Inderdaad. Hoe meer de anderen zich herinneren, hoe moeilijker zij het hebben om nog een band met hen te voelen. Het gebruikelijke probleem. Jammer, ze waren allemaal behoorlijk hecht, al kunnen ze nog goed met elkaar overweg.’

Samuel keek naar een jongen uit het kleine groepje, die belaagd werd door de twee onderwaterzwemmers. De rest van de groep vond het best grappig, maar de jongen overduidelijk niet. Met een paar goedgerichte schoppen brak hij los uit hun greep en hij snelde naar de oever, de boze blikken en geroep achter zich latend.

‘Ik merk het,’ zei Samuel.

‘Dat is Erwin, je zult hem snel genoeg leren kennen,’ zei Gaetan. ‘Heel de groep zit in je klas. Hij lijkt het moeilijkste te kunnen omgaan met de wedergeboorte van de anderen.’

‘Ik kijk ernaar uit.’ Samuel luisterde niet meer naar wat Gaetan nog zei. In het water zag hij de rimpels, die door de bewegingen van de kinderen veroorzaakt werden, naar hem toekomen. Ze vloeiden samen en dreven weer uiteen. Net als de krullen op de puzzel­doos.

 

‘Waarom moeten we dit eigenlijk nog leren?’ Bij het horen van de instemmende geluiden van zijn mede­leerlingen, kruiste Aaron zijn armen voor zijn borst en leunde hij met een uitdagende glimlach op de werkbank.

‘Ik ken wel een paar redenen,’ antwoordde Samuel. Hij liep naar de werktafel van de jongen en pakte het onafgewerkte houten beeldje op. Hij draaide het om in zijn handen om het te bestuderen en zette het terug op de tafel. ‘Kijk naar de inkervingen die het gezicht gevormd hebben.’ Hij wreef liefdevol over het hout. ‘Je hebt het heel slordig gedaan, gehaast.’

‘Wat maakt dat uit?’ vroeg het meisje dat aan een aangrenzende tafel zat. ‘Er zijn machines genoeg die dit mooier en sneller kunnen.’

Samuel knikte. ‘Natuurlijk, maar dat betekent niet dat we zelf niets meer moeten kunnen.’

‘Dit is tijdverspilling,’ zei de jongen. ‘Binnen een paar jaar herinneren we ons precies hoe het allemaal moet, de meesten onder ons toch.’ Hij keek ostentatief naar een tafel in de hoek van het leslokaal, waar Erwin zich focuste op het beeldje dat voor hem stond. Het leek er niet op dat hij luisterde, toch kon Samuel zien dat de jongen krampachtig slikte en zijn kaken opeenklemde.

‘Jij misschien wel, Aaron,’ zei Samuel, ‘maar degenen die dit nog nooit geleerd hebben? En trouwens, herin­neren is niet hetzelfde als het ook kunnen doen.’

De bel maakte een einde aan de discussie. Het antwoord dat Aaron wilde geven, verdween in het gejoel van zijn klasgenoten die het einde van de week met plezier tegemoet zagen. De kinderen liepen naar buiten, na een haastig afscheid aan hun leraar.

Samuel was blij met de onderbreking. Na drie maanden lesgeven aan de klas wist hij dat hun discus­sies altijd eindigden in ruzie. Hij begon de tafels af te ruimen.

‘Kan ik u helpen?’ Een meisje stond in de deur­opening.

Samuel glimlachte naar haar. ‘Hoeft niet, Ilse. Ga maar naar huis.’

Ze knikte, toch bleef ze staan. Net toen Samuel wilde vragen of er iets was, zei ze snel: ‘Komt u ook naar de ceremonie?’ Haar wangen werden rood en ze wreef door haar haar. ‘Ik denk dat iedereen dat wel leuk zou vinden.’

Het duurde even voor Samuel begreep wat ze vroeg. De ceremonie van de wedergeboorte, natuurlijk. Het was het ritueel van volwassenheid dat plaatsvond in het jaar dat een kind twaalf jaar werd, wanneer de herinne­ringen van hun vorige levens echt terug begonnen te komen. ‘Zeker weten,’ antwoordde hij. ‘Dat wil ik niet missen.’

Ilse knikte opnieuw en liep weg.

Samuel grinnikte toen hij gegiechel in de gang hoorde. Hoofd­schud­dend ruimde hij het klaslokaal verder op. De houten creaties van zijn studenten deed hij zonder erbij na te denken in een doos. Zijn hand verstarde boven een beeldje dat op de tafel in de hoek van de klas stond. De tafel waar Erwin gewerkt had. De jongen was al een tijdje bezig met dit werk en nu leek het af te zijn. Dat was niet zo vreemd, ze waren al zes weken met dit project bezig. Toch was er iets speciaals aan. Hij pakte het voorzichtig op en bestudeerde de groeven die in het hout aangebracht waren. Op het eerste gezicht leek alles chaotisch te zijn, maar er was wel degelijk orde terug te vinden, een patroon dat alles met elkaar verbond. Hij voelde de gladheid van het hout, dat tot in de diepe groeven terug te vinden was. De detaillering en afwerking waren van een hoog niveau. Samuel wist niet zeker of hij dit zo gemakkelijk na zou kunnen doen, niet met de gebrekkige middelen waarmee Erwin dit gemaakt had.

Hij had dit eerder gezien, besefte hij opeens. De herinnering bleef net buiten zijn bereik, gaf alleen vage aanwijzingen over wat hij destijds gezien had. Het was lang geleden, in een van zijn eerste levens. Een ten­toonstelling van werk dat toen al oud was. Hetzelfde patroon, of toch bijna. En nu gemaakt door iemand die pas aan zijn eerste leven begonnen was.

Snel verliet Samuel het klaslokaal, het beeldje van Erwin nog in zijn handen. Hij liep naar het raam in de brede gang, dat een uitzicht bood over de speelplaats. Een grote groep kinderen had zich verzameld om op hun ouders te wachten of om snel nog een spel te spelen voor ze naar huis gingen. Hij kon in de kluwen van kinderen de blonde jongen niet meteen terug­vinden.

Zijn blik werd getrokken door een eenzame figuur aan de rand van de speelplaats. Samuel herkende Erwin, al kon hij zijn gezicht niet zien. De jongen stond met gebogen hoofd en leek zich af te sluiten van de wereld van gelach en spelende kinderen om hem heen. Hij straalde een verdriet uit die het hart van Samuel beroerde.

Toen een bal tot voor zijn voeten rolde, keek Erwin op. Zes jongens bleven op een afstandje staan, alsof ze niet dichterbij durfden te komen. Samuel zag dat Aaron uit het groepje jongens stapte en iets riep. Erwin leek eerst niet te reageren, vervolgens pakte hij de bal en smeet deze de straat op. Aaron reageerde zoals een twaalfjarige jongen meestal doet in een dergelijke situatie. Hij liep op Erwin af en gaf hem een duw. Erwin viel op de grond, maar sprong bliksemsnel weer op en vloog op Aaron af. De vijf andere jongens vormden een cirkel om het gevecht heen en schreeuwden iets dat Samuel niet kon verstaan. Ongetwijfeld aan­moedigingen voor Aaron, dacht hij. De roepende jongens werden al snel bijgestaan door andere kinderen. Net toen Samuel naar beneden wilde lopen om het gevecht af te breken, zag hij een leraar die de twee vechtende jongens uiteentrok. Erwin rukte zich los uit de greep van de leraar en liep zonder om te kijken weg.

Samuel staarde naar het beeldje in zijn handen. Er ontging hem iets, dat wist hij, maar wat? Een gevoel van ongerustheid bekroop hem, hetzelfde gevoel dat hij kreeg net voor een zwarte hemel losbarstte in een onweersstorm.

 

Er hing een rare geur in de ruimte, vond Samuel. De woonkamer was netjes onderhouden en de vrouw die voor hem zat en aandachtig naar Gaetan luisterde, leek hem niet een persoon te zijn die rare geurtjes zou verdragen. Net als de woonkamer was ze netjes. Het leek Samuel echter een geforceerd soort van netheid, iets dat zo is omdat het verwacht werd, niets meer. Misschien is het gewoon een speciale geurkaars, dacht hij. Met een glimlach probeerde hij de aandacht van Erwin te trekken. De jongen, die naast zijn moeder aan tafel zat, keek schichtig naar hem en wendde daarna zijn blik weer af. Net als altijd schrok Samuel van de priemende ogen en de uitdrukking van eenzaamheid die ze uitstraalden. Hij nam nog een slok van de waterige koffie.

‘Ik begrijp het niet,’ zei de vrouw. ‘Wat willen jullie nu precies? En wat heeft Erwin ermee te maken?’

Samuel negeerde de rillingen die over zijn rug liepen steeds wanneer de vrouw sprak. De schrille stem deed hem aan iemand denken die hij in zijn vorig leven gekend had, maar een gezicht kon hij op die herinnering niet plakken. Misschien had hij les aan haar gegeven? Haar leeftijd leek wel te kloppen. Hij haalde het beeldje uit de tas die hij naast zich had neergezet en zette het op tafel. De reactie van Erwin verbaasde hem. De jongen werd rood en schuifelde op zijn stoel, alsof hij overwoog om vlug weg te lopen.

‘Dit heeft uw zoon in de les gemaakt,’ zei Samuel. Hij zag dat de vrouw eerst apathisch naar het houten werkje keek en hem dan aanstaarde met een blik waar hij zenuwachtig van werd. ‘Het is een prachtig stuk,’ zei hij snel. ‘Ik ben echt onder de indruk van het talent dat Erwin heeft.’ Nog altijd staarde de vrouw hem zonder iets te zeggen aan. Samuel schoof het beeldje dichter naar de vrouw, onzeker over waarom ze hem zo aankeek.

‘Het leek ons een beetje… onverwacht,’ steunde Gaetan hem, ‘dat Erwin in staat is om dit te maken.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ De vrouw kneep haar ogen samen. Haar handen balden zich tot vuisten op de tafel.

Net een slang die haar prooi bestudeert! Samuel moest zich inhouden om niet zelf van de tafel weg te lopen, het huis uit en zich te verstoppen achter de eerste struik die hij vond.

‘Niets, mevrouw,’ zei Gaetan haastig. Hij probeerde op een sussende toon te spreken, maar leek al even geschrokken als Samuel van de vijan­dige blik van de vrouw. ‘We dachten alleen dat Erwin misschien toch geen eersteling is, dat hij onzeker is over wat hem overkomt. We willen hem gewoon helpen.’

‘Ik probeer mijn zoon goed op te voeden,’ zei ze, haar schrille stem steeg een octaaf terwijl ze sprak. ‘Dat is niet eenvoudig, zeker niet na het overlijden van zijn vader.’

Gaetan knikte bij elk woord dat ze zei in een poging om haar te kalmeren.

‘Erwin is een goeie jongen,’ vervolgde ze. ‘Jullie zouden hem moeten beschermen tegen die rotzakjes die hem iedere dag weer het bloed onder zijn nagels vandaan halen, in plaats van hierheen te komen om hem van liegen te beschuldigen!’

Op dat moment liep Erwin weg. De stoel, die hij in zijn haast omver­duwde, viel met een klap op de grond. Het geluid sneed door de tirade van zijn moeder heen, deed iedereen opschrikken.

‘Erwin? Kom terug!’ Zijn moeder greep naar de wandelstok die naast haar stoel stond en probeerde op te staan.

‘Laat mij maar,’ zei Gaetan. Hij volgde de jongen die de tuin ingelopen was.

Alleen met de moeder probeerde Samuel iets te bedenken om te zeggen. Voor hun vertrek, hadden Gaetan en hij alle mogelijke scenario’s proberen uit te werken. Geen ervan had hem voorbereid op de vrouw die tegenover hem zat. Druppels zweet vormden zich op zijn voorhoofd, hij durfde ze niet weg te vegen. Hij voelde zich gevangen in dit huis van opgelegde net­heid, van afgedwongen angst. ‘Ik ga eens zien of ik Gaetan kan helpen,’ zei hij. Het verbreken van de stilte hielp niet om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen. Toen hij wilde opstaan, greep de vrouw naar zijn hand.

‘Je kent me niet meer, toch?’ siste ze.

Samuel wilde zijn hand lostrekken. Het lukte niet. Ze had zijn hand vast in een ijzeren greep.

‘Maar ik ken jou nog wel!’ Haar ogen flitsten en druppeltjes speeksel hadden zich verzameld rondom haar mondhoeken. ‘Ik herkende je onmiddellijk toen je mijn huis binnenstapte.’

Samuel hoorde hoe ze het woord ‘mijn’ benadrukte, alsof het heel belangrijk was, iets dat hij zeker moest begrijpen.

‘Je mag dan wel herboren zijn, een nieuw lichaam hebben, toch ben je nog altijd die vuile smeerlap van vroeger. De leraar die altijd zo krampachtig probeerde om populair te zijn, zelfs al moest hij daarvoor meehuilen met de wolven. En nu kom je in mijn huis, om mijn zoon te beschuldigen.’

Ze is gestoord, dacht Samuel toen hij in haar ogen keek.

‘Hoe nobel moet je je nu wel voelen,’ vervolgde ze, ‘om mijn zoon te willen helpen met zijn probleem. Maar hem helpen tegen zijn pest­koppen, dat doe je niet. Alweer niet. Vuile hypocriet!’

Hij wilde zeggen dat dit net de bedoeling was, dat hij er alles aan wilde doen om Erwin te helpen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. Hij kreeg geen klank over zijn lippen, ook niet om Gaetan om hulp te roepen. Zijn hand begon pijn te doen, nog altijd kon hij zich niet lostrekken. Toen ze haar hoofd naast het zijne hield, rook Samuel die rare geur weer. Het was toch geen geurkaars. Die gedachte deed hem bijna hardop lachen, net op tijd kon hij het tegenhouden. Misschien ver­moordt ze me dan wel.

‘Iedereen was zo overstuur toen je stierf. Ik huilde mee met de andere meisjes uit de klas omdat dat mij het verstandigste leek, maar toen we twee dagen vrij kregen van school en ik thuis zat, lachte ik. Het waren de leukste dagen van dat schooljaar, toen werd ik tenminste niet gepest. En toen ze zeiden dat je verongelukt was, geloofde ik er niets van.’ Haar lippen raakten nu bijna zijn oor, het voelde bijna sensueel aan, alsof ze hem wilde verleiden. ‘Mijn vader werkte bij het bestuur en hij heeft het tegen mijn moeder verteld toen ze dachten dat ik al sliep. Je hebt zelf­moord gepleegd. Dat past wel bij de laffe, vuile smeer­lap die je bent.’

De vrouw fluisterde de laatste twee zinnen. Het leek Samuel echter of ze het met een megafoon in zijn oor riep. Hij merkte niet dat ze zijn hand losgelaten had en weer rechtop zat. De kamer draaide. Haar woorden waren als kometen neergeslagen in zijn hersenen, allesverwoestend.

Gaetan kwam de kamer weer binnen met Erwin. Als hij al merkte hoe Samuel zich voelde, liet hij dat niet blijken.

Toen ze het huis verlieten en afscheid namen, glimlachte de vrouw naar Gaetan. Ze schudde zijn hand en zei: ‘Bedankt dat je mijn zoon wilt helpen!’ Ze negeerde Samuel en smeet de deur dicht.

Helena, zo heet ze, dacht Samuel. De naam paste bij het jonge, blonde meisje dat altijd stilletjes in een hoek in zijn klas zat. Net als haar zoon, besefte hij.

 

‘Die vrouw is gek,’ zei Samuel. Hij en Gaetan liepen door het dorp dat in de vroege avond niet veel activiteit meer vertoonde. De herfst was mild geweest, tot nu toe. De eerste tekenen van de winter dienden zich al aan. De mensen die niet buiten hoefden te zijn, bleven liever in de warmte van hun huis. Samuel begreep hen best. Na opgegroeid te zijn in een tropische omgeving, was Weerzel een schok voor zijn lichaam.

‘Ze heeft het niet gemakkelijk gehad,’ zei Gaetan. ‘Haar man stierf bij een werkongeval toen Erwin pas geboren was. Ze is die klap nooit echt te boven gekomen.’

Samuel dacht terug aan de waanzin die hij in haar ogen gezien had. ‘Dat mag je wel zeggen, ja.’ Hij trok de sjaal dichter om zijn nek en blies in zijn handen. ‘Die wandelstok, heeft ze die overgehouden aan het onge­luk dat haar man gedood heeft?’ Hij huiverde bij het woord ‘ongeluk’.

‘Nee,’ antwoordde Gaetan. ‘Het was toen ze veertien was, als ik me niet vergis. Opeens begon ze last te krijgen aan haar linkerbeen. Geen dokter die iets kon vinden, maar het ging niet voorbij. Uiteindelijk werd besloten dat het psychosomatisch was. Een reactie van haar lichaam op iets dat ze in een vorig leven had meegemaakt. Iets zo traumatisch dat het zelfs na een hergeboorte haar bleef plagen.’

Ja, ze moet wel heel veel hebben doorgemaakt om zo te zijn! Die gedachte was niet eerlijk, dat wist Samuel. En als Helena gelijk had, had hij er ook schuld aan. Niet echt een leuke gedachte, maar wat als? Zover hij zich kon herinneren, waren er nooit problemen geweest, leken alle studenten kort voor zijn dood goed met elkaar overweg te kunnen. Ze was er echter heel overtuigd van. Er moest toch iets van waar zijn. En wat had hij tot nu toe al voor Erwin gedaan? En wat kon je dan al doen? Weer die rationele stem, deze keer zonder veel overtuiging. Hij had met Aaron kunnen spreken, de ouders van alle kinderen samenroepen, iets doen! Hij versnelde zijn stap, maakte zichzelf wijs dat hij dit deed om warmer te worden, maar wist dat hij dit deed om zo snel mogelijk weg te zijn van dat huis en vooral die vrouw. ‘Wat zei Erwin toen jullie buiten stonden?’

‘Niet veel,’ antwoordde Gaetan. ‘Hij heeft wel beloofd om ook aan de ceremonie deel te nemen.’

‘Dus hij gaf in feite toe dat hij wel herinneringen heeft?’ Samuel stopte en draaide zich om naar Gaetan.

‘Ja. Nee. Ik weet het niet. Dit gaat boven ons petje, dat weet ik wel. Morgen bel ik met de gewestelijke psychologe. Ze moet maar eens haar geld verdienen.’ Gaetan balde zijn vuisten. ‘Gedaan met zich te verstop­pen in een ivoren toren. Er zou een specialist in dit dorp zelf moeten wonen, maar daar hebben ze het geld en personeel niet voor. Zeggen ze toch. Dit had veel eerder aangepakt moeten worden. Alsof een kind het niet moeilijk kan hebben met al die herinneringen. We laten ze te vrij, geven ze niets mee behalve rituelen en wijze raad.’ Die laatste woorden sprak hij op een sarcastische toon uit. ‘Je zou denken dat we na al onze levens toch wel zouden weten hoe we dit het beste kunnen aanpakken.’

Ze liepen in stilte verder tot ze bij de voordeur van Samuels huis stonden. Hij was niet van plan iets te zeggen van wat Helena hem verteld had, maar de drang was te sterk. ‘Gaetan, ik moet je iets vragen.’ Samuel dwong de woorden uit zijn mond. ‘Is het waar? Dat mijn dood geen ongeluk was, maar zelfmoord?’

Gaetan reageerde alsof hij een klap in het gezicht had gekregen. Hij kromp ineen, hief zijn hand naar zijn mond.

Samuel legde zijn hand op Gaetans arm. ‘Je moet het me vertellen. Ik wil het weten, ik heb er recht op om het te weten.’

‘Je herinnert je niets van je laatste overlijden?’

Samuel schudde zijn hoofd. Hij had er nog niet eerder bij stilgestaan, dat was ook niet nodig. Niet iedereen herinnerde zich hoe hij of zij stierf. Sommigen herinner­den zich alles tot in het kleinste detail, anderen maar bitter weinig. Het was geen veel­besproken onderwerp, al was het ook niet echt een taboe. Samuel hoorde tot aan zijn laatste overlijden bij de eerste groep. Al was het niet altijd even duidelijk, toch wist hij hoe hij gestorven was, altijd weer. Drie keer in het kraambed, na een ongeluk, ouderdom, geweld, zowat alle variaties had hij al meegemaakt. Maar zelfmoord? Nee, dat zou hij zich toch moeten herinneren?

Gaetan twijfelde nog altijd. Uiteindelijk keek hij weg van Samuel en zei zachtjes:

 

‘Het leven is als:

gegrepen worden door je natuur

gegrepen worden door je obsessies

gegrepen worden door het overrompelende verlangen

om steeds jezelf zijn

steeds een ander

zachte hel in mij’

 

‘Die had ik nog niet gehoord,’ zei Samuel. ‘Wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik heb het geschreven kort nadat je …’ begon Gaetan. Dan schudde hij zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik wil het er niet meer over hebben.’ Hij liep weg, zijn handen diep in zijn vestzakken gepropt. Zonder afscheid te nemen en zonder om te kijken.

Begrijpelijk, vond Samuel. Alles was al gezegd.

 

Onder het steriele licht van de gloeilamp in de woon­kamer leek de puzzeldoos een onschuldig speeltje. Samuel had de doos uit zijn werk­plaats gehaald en staarde er nu al bijna een uur naar. Hij had nog altijd geen idee wie het gemaakt had en wat er in zat. Was het een cadeau geweest voor een lang vergeten ver­jaar­dag? Dat kan, maar waarom kon hij er zich dan niets meer over herinneren? Hij pakte de doos op en wreef over het ganse oppervlak. De zon aan de boven­kant, geflankeerd door graan. Aan de onderkant vormden de lijnen een maan die boven een blank land zweefde. Allemaal eenvoudige symboliek. De dag die gevolgd werd door de nacht om dan weer over te gaan tot de dag. Leven en dood, gevolgd door een weder­opstanding. Samuel was geen gelovig persoon, in tegenstelling tot sommigen die de eeuwige cyclus van reïncarnatie als een geschenk van een Schepper beschouwden. Toch sprak de symboliek van de doos hem wel aan. Simpel en toch met betekenis.

Met zijn vingers streek hij over de zijkant van de doos waarop zes andere symbolen aangebracht waren. Opnieuw graan, merkte hij. Daar­naast ook een hond, een bloem, iets wat leek op een wolk, een huis en nog een symbool dat hij niet kon thuisbrengen. Vijf golvende lijnen die boven elkaar lagen. Water, dacht hij opeens. Zijn ademhaling versnelde bij die gedachte. Als de doos wedergeboorte als thema heeft, wat betekenen die zes andere symbolen dan?

Samuel liet zijn duim rusten op het graan aan de zijkant van de doos. Hij duwde zachtjes. Het symbool gaf even mee, in de doos hoorde hij een lichte tik. Machteld… Hij schrok op en smeet de doos op tafel. Nu voelde hij zijn hart kloppen in hetzelfde ritme als zijn ademhaling. Waarom dacht hij nu aan haar? Had de doos iets met Machteld te maken? Had zij het hem gegeven? Het hout zag er niet zo oud uit, nog geen tweehonderd jaar oud. Hij stond op en liep naar de keuken, vulde een glas met water en dronk het in één teug leeg. Je bent tijd aan het rekken! Dat was waar, maar waarom? Wat zat er in die doos en waarom wilde hij het niet weten?

Hij nam een besluit en ging weer aan tafel zitten. Zijn handen trilden toen hij de doos weer oppakte. Het graan was dus het eerste deel van de puzzel, welke nu? Zijn vingers gleden over de vijf overblijvende symbolen. Opnieuw namen zijn handen de beslissing en hij drukte op de bloem. Weer gaf het symbool mee en hoorde hij een tik, luider dan de vorige. Samuel sloot zijn ogen toen de woonkamer gevuld werd met de geur van een bloem. Er was geen twijfel over welke bloem het was, zijn lichaam reageerde duidelijk genoeg. De koren­bloem, dezelfde die Machteld in haar haar droeg toen hij haar voor het eerst zag, voor het eerst kuste, voor het eerst met haar naar bed ging. Tranen gleden over zijn wangen bij de herinneringen die ongevraagd in hem opkwamen.

Samuel herkende het patroon van de puzzel en met dat besef kwamen ook de antwoorden op sommige van de vragen die hij had. De oplossing van de puzzel lag in zijn verleden, met Machteld. Na de bloem kwam de hond. Hij glimlachte toen hij de tik hoorde. Nu leek de bovenkant van de doos los te komen. De hond… Een vondeling die Machteld zo wanhopig probeerde te redden. Zo was ze nu eenmaal. Pragmatisch en toch had ze een groot hart voor alles wat leefde. Toen de hond stierf was ze ontroostbaar. Het bracht hen echt dichter bij elkaar, deed ze besluiten om samen te wonen. Dat leidde tot het volgende deel van de puzzel, het huis. Dit huis. Ze werkten allebei voor lokale boeren, dus was het niet meer dan normaal dat ze ook hier zouden wonen.

Na het huis kwam de wolk. Nee, dat niet. Te laat, zelfs al duwde hij niet op het symbool, de herinneringen bleven komen. Wat deed een jong koppel dat samen een leven wilde opbouwen? Ze hadden genoeg inkomen, een eigen huis en elkaar. De volgende stap was een kind. Machteld straalde toen ze zwanger was, al verliep de zwangerschap niet goed. Hij snikte luid toen hij het beeld van Machteld in een bed zag. Haar ogen gesloten en haar gezicht was even bleek als het laken. Het kind stierf een uur na zijn moeder. Een zoon die nauwelijks de warmte van de borst van zijn moeder gevoeld had. Het had niet mogen zijn, had de dokter gezegd. Samuel was op dat moment te verdoofd om te reageren. Een verdoving die jarenlang zou duren. Hij had tientallen kinderen gehad, zelf gebaard of als man zijn bijdrage geleverd. Meer dan een van zijn kinderen stierven jong, altijd pijnlijk, maar nooit zo pijnlijk als bij dit overlijden.

Het geluid van de tik joeg Samuel uit de herinnering. Hij had toch op het symbool gedrukt en zag dat de doos nu bijna helemaal open was. Hij zag iets, papier? Het bloed suisde in zijn oren, een nevel kwam voor zijn ogen. Alles wat hij gevoeld had terwijl hij de doos opende, verbleekte bij de panische angst die nu op­borrelde. Hij moest de doos onmiddellijk sluiten, ver­stop­pen, misschien zelfs verbranden. In zijn hoofd voelde hij de herinneringen die verbonden waren met het water langzaam opkomen. Nu of nooit …

De klik die de doos maakte toen Samuel het bovenste deel weer vast­duwde, klonk bijna beschuldigend. Niet vandaag, nam Samuel zich voor, maar spoedig. Hij was nog niet klaar voor de geheimen die verbor­gen waren voorbij de symbolen, onder het versierde hout. Je kunt het niet blijven uitstellen, lafaard! Hij huiverde bij die woorden, die gedachte kwam hem heel bekend voor. Het leek de leidraad te zijn van zijn levens in Weerzel. Misschien was het ook zo, maar hij wachtte nu al zo lang. Een paar dagen langer kon toch geen kwaad? Dat dacht je de vorige keer misschien ook. En je weet hoe dat afliep.

 

‘Hoe lang gaan ze het hier nog rekken?’ vroeg een man aan Samuel. ‘’k Heb honger!’

Nu al dronken? De geur van gebraden worst en geroos­terd varkensvlees dreef over de mensen heen, maar daar moesten ze nog op wachten tot na de cere­monie. De drank daarentegen vloeide al rijkelijk. Zelfs in zijn vorige leven wist Samuel al van voorstellen om alcohol niet meer toe te laten, of pas na de ceremonie. Het ging om de kinderen, niet om drank. Tot nu toe werden die voorstellen vlot weggestemd. Prioriteiten moeten duide­lijk zijn, dacht Samuel, als je iedereen wilt lokken, moet je ze ook iets geven natuurlijk. Hij grinnikte toen de zatlap onzeker wegliep naar een van de vele drankkraampjes die rond het plein opgezet waren.

Het was een zonnige dag, al bracht de zon niet veel warmte met zich mee. Het maakte Samuel weinig uit. Hij genoot van de opgewekte sfeer die om het stadshuis te vinden was. Het hielp om de aandringende rationele stem in zijn hoofd het zwijgen op te leggen, al was het maar voor even. De versieringen die het plein en het gebouw fleurig deco­reerden waren cultureel oecume­nisch. Ze waren een samen­bunde­ling van honderden verschillende culturen en gewoontes die door de inwoners zelf, in de loop van hun levens, verzameld waren en tijdens hun verblijf in Weerzel in de lokale cultuur opgenomen werden.

Het stadsgebouw zelf was een allegaartje van vormen en stijlen. Heerlijk lelijk vonden de inwoners het, Samuel inbegrepen. Het had een rechthoek als basis en bijgebouwen die eromheen gesmeten leken. Veel glas zodat het erbinnen altijd helder en vrolijk was. Op de gevel waren stenen ornamenten aangebracht en veel bakstenen hadden een afbeelding ingekerfd gekregen van plaatsen die een indruk nagelaten hadden tijdens een vorig leven van de vele ambachtslieden die aan dit gebouw gewerkt hadden. Het geheel was speels, een effect dat nog versterkt werd door de spitse toren die dertig meter hoog was en zo uit een sprookje leek te komen.

Toen Samuel het geluid van het klokkenspel hoorde, begaf hij zich naar de ingang van het gebouw. De ceremonie stond op het punt te beginnen. Halverwege de toren was er een balkon met twee glazen deuren die naar binnen leidden. De deuren werden geopend en het werd stil op het plein. Samuel vond een geschikte plek net naast de groep ouders wiens kinderen zo dadelijk naar buiten gingen komen om zich formeel voor te stellen aan de dorpelingen. Hij knikte naar de ouders van Aaron en ontweek met dezelfde beweging ook de blik van Helena die, leunend op haar stok, hem koud aanstaarde.

De mensen applaudisseerden toen een meisje op het balkon stapte. Samuel herkende Ilse meteen. Net als alle kinderen die aan de ceremonie deelnamen, droeg ze zelfgemaakte kleding en versieringen, gebaseerd op haar vorige leven, of wat ze er zich op dit moment al van kon herinne­ren.

Het meisje stapte met opgeheven hoofd naar de microfoon. Nu pas leek ze voor het eerst de menigte op te merken. Ze wreef snel door haar haar, erop lettend dat ze de veren en kralen niet aanraakte, schraapte haar keel en zei: ‘We willen u hartelijk danken voor uw aanwezigheid van­daag. We hopen dat u zich allemaal goed amuseert.’ Ze boog diep en wachtte tot het applaus uitstierf. ‘Mijn naam is Ilse,’ zei ze plechtig. ‘Ik heb grote delen van de wereld gezien, ben al vader en moeder geweest, jong en oud, geliefd en verliefd.’ Na die woorden hief Ilse haar hand naar haar mond, alsof ze zich moest tegenhouden om niet in lachen uit te barsten. Ze herpakte zich en zei met overslaande stem: ‘Maar nu ben ik hier, in Weerzel, en ik beloof jullie dat ik hier alles zal doen om gelukkig te zijn en om anderen gelukkig te maken.’ Ilse beëindigde haar eed door te zwaaien naar haar ouders en snel terug naar binnen te lopen.

De eed was aangepast, merkte Samuel. Minder formeel, zo vond hij het wel leuker. De oudere versie voelde militair aan, alsof de kinderen gere­kru­teerd werden. Hij zag dat de eerstelingen uit hetzelfde jaar als Ilse in een groepje bij elkaar stonden. Ze leken onder de indruk te zijn, een beetje verloren in het ritueel dat al zo lang gehouden werd en dat ze nu voor het eerst meemaakten. Erwin stond er niet bij, die stond bij de andere kinderen binnen te wachten op zijn beurt. Samuel had hem deze morgen gezien. Het gesprek met Gaetan had Erwin overduidelijk goed gedaan, hij glimlachte zelfs. En zijn ogen straalden niet langer die ondraaglijke eenzaamheid uit. De anderen van de groep, zelfs Aaron, hadden hem snel weer aanvaard, daar was Samuel blij om. Hij applaudisseerde mee toen een jongen op het balkon kwam en hakkelend de eed voordroeg.

‘Aaron is de volgende.’

Samuel glimlachte naar de moeder van de jongen en keek in blijde verwachting terug naar het balkon. Er kwam niemand. Geroezemoes vulde het plein toen de menigte zich begon te roeren. De ouders van Aaron keken vragend om zich heen, de moeder fluisterde iets in het oor van haar man die zijn schouders ophaalde.

‘Is dit normaal?’ vroeg ze uiteindelijk aan Samuel.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, hij zal zo wel komen.’ Nog altijd bleef het balkon leeg. Sommige ouders schuifel­den dichter naar de ingang van het stadsgebouw, onzeker of ze beter nog even konden wachten of naar binnen konden gaan om te kijken wat er aan de hand was. Samuel had hetzelfde probleem. Gaetan was bij de groep om ze te begeleiden, die had alles wel onder controle, dus bleef hij staan.

Toen er gegil door de open glazen deuren weerklonk, werd het muisstil op het plein. Heel even leek Samuel verlamd te zijn door het geluid. Pas bij de tweede gil stormde hij het gebouw binnen, gevolgd door drie andere leraren. Hij liep door de inkomsthal naar de smalle wenteltrap die naar de ruimtes in de toren leidde. ‘Gaetan!’ riep hij; het enige antwoord was opnieuw gegil. Halverwege hoorde hij gestommel en een mannenstem. ‘Gaetan!’ Met hernieuwde energie liep hij de trap op.

Samuel viel bijna toen iemand tegen hem opbotste en zich toen panisch aan hem vastklampte. Hij kneep even bemoedigend in het warme lichaam dat schokte van het huilen. Hij herkende de veren in het haar, veren die nu bezoedeld waren door iets nats, iets roods. Ondertussen waren er nog kinderen die de trap probeerden af te komen, opgejaagd door het geroep en gegil dat nog altijd voortraasde. Samuel trok het meisje van hem los. ‘Ilse,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd? Waar is Gaetan?’ Een blik in de betraande ogen van het meisje maakte hem duidelijk dat hij geen antwoord moest verwachten. Hij gaf het meisje door aan de man die achter hem stond te wachten en gebaarde naar de kinderen dat ze snel verder moesten lopen. Zelf liep hij verder de trap op. Bloed, verdomme, wat is er gebeurd?

 

‘Blijf uit mijn buurt!’

Samuel stond hijgend net buiten de kamer die naar het balkon leidde. Hij probeerde om het hoekje te kijken, te zien wat er aan de hand was, hij zag niets. De eigenaar van de stem die hij net hoorde stond blijkbaar in de andere hoek van de kamer, net buiten zicht. Hij verstarde toen hij een streep bloed op de grond zag. Het gesnik van de kinderen beangstigde hem. Hij moest zich dwingen om niet de kamer binnen te stormen, dat zou niet verstandig zijn. Niet tot hij wist wat er aan de hand was.

‘Ik waarschuw jullie!’

Samuel probeerde zich te herinneren hoeveel kinderen hem gepas­seerd hadden op de trap, hoeveel er dus nog in deze kamer bevonden. Minstens vijftien, samen met Gaetan. Die stem, wie is dat? Hij stak een vinger op als waarschuwing voor de twee mannen die net boven gekomen waren en waagde het om half in de deuropening te gaan staan. Zijn ogen volgden de rode streep op de grond, bleven toen gefixeerd op een jongen die dreigend voor de overblijvende kinderen stond. Een mes, was zijn eerste gedachte. Gaetan, zijn tweede. Zijn vriend lag zwaar hijgend op de grond, bloed stroomde tussen zijn vingers door. De kinderen zaten ineengedoken achter Gaetan. Zelfs gewond probeert hij ze nog te beschermen, dacht Samuel. Hij focuste zich helemaal op de jongen met het mes.

‘Erwin,’ zei Samuel.

De jongen draaide zich met een ruk om, het mes als een barrière tussen hem en de rest van de wereld. ‘Wat doe jij hier?’ riep hij.

Samuel stapte uit de deuropening en liep toen stap voor stap in een cirkel om Erwin heen, weg van de kinderen en Gaetan. Hij zag dat zijn vriend langzaam wegzakte, nauwelijks nog zijn handen op de wond kon houden. Concentreer je! Hij stak zijn armen op en toonde Erwin zijn open handen. ‘Blijf rustig, Erwin. Alles komt wel in orde.’

De jongen haalde naar Samuel uit en trok zich weer terug. ‘Jullie hebben het allemaal op mij gemunt.’

‘We kunnen je helpen, Erwin,’ zei Samuel op een rustige toon. Hij stond nu met zijn rug naar het balkon gericht. Hij registreerde het geroep dat van het plein de kamer binnenkwam, liet het over hem heen glijden. ‘Geef gewoon je mes af, dan kunnen we allemaal naar beneden gaan en alles rustig bespreken.’ Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de andere mannen nu ook in de deuropening stonden, klaar om in te grijpen. Hij zwaaide met zijn rechterhand en hoopte dat ze het teken zouden begrijpen.

Erwin scheen de andere volwassenen niet gezien te hebben. Samuel keek recht in de ogen van de jongen en wist niet zeker of Erwin hem zelfs maar zag.

Het gezicht van de jongen was lijkbleek, zweet stroomde over zijn wangen en zijn mond was verwrongen in een brede grijns. Hij kneep zijn ogen dicht en richtte het punt van zijn mes op het hoofd van Samuel. ‘Ik weet wie jij bent! Het is tijd om te boeten.’ Hij stond op het punt naar Samuel te lopen, toen een paar kinderen naar buiten probeerden te lopen. Erwin draaide zich bliksemsnel om, de kinderen drukten zich gillend tegen de muur.

‘Erwin!’ Samuel bereidde zich voor om zich op de jongen te werpen als hij nog een stap dichter bij de kinderen kwam. Tot zijn verbazing draaide de jongen zich weer om. ‘Je moet mij toch hebben?’ zei Samuel. ‘Laat de anderen gaan, ik blijf hier.’

De jongen lachte. ‘Daar heb je gelijk in, jij gaat nergens meer heen.’

Samuel huiverde bij het horen van die woorden. Opnieuw kreeg hij het gevoel alsof Erwin hier niet echt was, alsof hij een traumatische herinne­ring herbe­leefde die de jongen niet meer kon bedwingen. Hij stapte achteruit toen het mes flitsend op zijn keel afkwam. Bij elke zwaai van het mes stapte Samuel naar achteren, tot ze allebei op het balkon stonden. Toen Samuel de reling op zijn rug voelde, wist hij dat hij iets moest doen. Een blik in de kamer wees uit dat de kinderen weg waren, de twee mannen stonden nu bij Gaetan die geen teken van leven meer gaf.

‘Erwin!’ Een vrouwenstem brak door het geschokte gegil van de mensen op het plein.

De jongen knipperde met zijn ogen, staarde verbaasd naar het mes in zijn handen, het bloed op het lemmet. Zijn lippen begonnen te trillen. ‘Mama?’ Hij knipperde met zijn ogen, bracht zijn hand naar zijn mond.

‘Erwin?’ zei Samuel zachtjes. Met zijn linkerhand greep hij voorzichtig naar het mes. ‘Geef het aan mij, jongen, alles komt wel goed.’

‘Nee. Je hebt me voor de laatste keer belazerd! Deze keer snij ik je strot door.’ De ogen van de jongen vertroebelden, zijn kaken klemden zich op elkaar.

Samuel pakte het mes bij het lemmet vast. Erwin probeerde het los te rukken, maar Samuel gaf niet toe aan de pijn en trok de jongen naar zich toe. Hij klemde Erwin tegen zijn borst, maar kon hem nauwelijks onder controle houden. De jongen beet in zijn arm, schopte wild en klauwde naar de ogen van Samuel. Na een schop tegen zijn knie, verloor Samuel zijn greep. De jongen viel op de grond, sprong snel weer op en liep naar binnen.

In een laatste poging grabbelde Samuel naar de loshangende kleding van de jongen. Hij voelde de stof scheuren, zag dat Erwin naar links gesmeten werd door de kracht van de ruk, struikelde en door de relingen van het balkon naar beneden viel. De gil van Helena sneed door het geroep van de andere mensen heen.

 

Samuel zat in het bureau van de gewestelijke psychologe. De vrouw was het gesprek begonnen met dezelfde woorden die hij de hele week al gehoord had. Zo jammer wat er gebeurd was, maar het was niet zijn schuld. Het was een ongeluk. Zelf was Samuel daar niet zo zeker van. Die ogen… Hij had sneller moeten reageren, Erwin meteen overmeesteren. Voor Gaetan had dat niet meer uitgemaakt, maar misschien leefde de jongen dan nog wel.

‘Uw beslissing heeft ons verrast,’ zei de psychologe.

Samuel glimlachte, negeerde de stekende pijn in zijn hand en zei: ‘In Weerzel blijven lijkt me geen optie meer.’

‘Natuurlijk wel, u bent een ervaren leraar. Ik hoop dat u zich niet teveel laat leiden door wat er gebeurd is. Erwin was een jongen die geplaagd werd door proble­men. Het bestuur houdt u voor niets verantwoordelijk, ook niet voor de pesterijen die misschien wel tot deze tragedie geleid hebben.’

En daar ben ik niet zo zeker van! De vraag wat Erwin precies tot zijn wan­hoopsdaad gedreven had, was het gespreksonderwerp van de week in het dorp. Helena had de vinger gewezen naar de andere kinderen in zijn klas. Pesterijen die te lang ongestraft bleven. En mis­schien had ze gelijk. Die ogen, dacht Samuel opnieuw, daar zat meer in dan een gekwetste jongen die te laat en te weinig hulp kreeg. Veel meer. Hij schudde zijn hoofd.

‘We hopen dat u zich toch nog bedenkt,’ zei de vrouw. ‘Het is nooit een goede zaak als een drama u naar overhaaste beslissingen voert.’

Erwin had niet geschreeuwd toen hij naar beneden viel, dat wist Samuel zeker. Dat had hij niemand verteld, niemand zou hem trouwens geloofd hebben. Hoe kon hij dat weten? In de verwarring van het moment, het geroep van iedereen op het plein was dat niet te bepalen. En toch wist hij het zeker. Erwin scheen hem opgelucht te zijn, alsof hij wist dat hij bevrijd zou zijn van wat hem ook kwelde. Tenminste, tot de volgende wedergeboorte. Heel even twijfelde Samuel om alles aan de psychologe te vertellen, zijn hart te luchten. De puzzeldoos, Machteld, alles. Misschien had dat Erwin wel kunnen redden, iemand hebben waar hij alles aan kwijt kon. Zodat hij zijn verleden los kon laten, zodat het hem niet meer zo kon belagen. ‘Wees gerust,’ zei hij. ‘Ik heb tijd genoeg gehad om erover na te denken.’ Meer dan tweehonderd jaar, dacht hij.

‘U moet beseffen dat dit geen lichtzinnige beslissing is. U gaat alles achterlaten, zonder enige garantie dat u ooit kunt terugkeren.’ De vrouw pakte haar glas op en nam een slok water.

Water… Na de crematie werd de as van Gaetan over de vijver verspreid, een geliefkoosde plek hiervoor. Machteld had dezelfde laatste wens gehad. Het zesde symbool op de puzzeldoos was dus logischerwijze water. De herinnering aan Machteld beet nog altijd hard in zijn ziel, maar dat leek na het nemen van zijn beslissing toch al minder te zijn. Na de uitstrooiing had Samuel de doos zonder te openen in zijn tuin begra­ven. De brieven die Machteld hem geschreven had in haar volgende leven hoefde hij niet nog eens te lezen. De herinnering hield zich schuil tussen de tienduizenden anderen. Alle brieven kwamen op hetzelfde neer: ‘Ik kom niet, ik kan het niet. Het spijt me.’ Was het zelf­bescherming of mezelf gewoon iets wijsmaken? Daar had hij nog geen antwoord op. Het maakte hem niets uit. De belofte die hem zo lang aan dit dorp gebonden had, was een droom geweest, gebaseerd op herinneringen van een lang vervlogen tijd. Het was tijd om die belofte achter hem te laten. En mis­schien had hij zo tijd genoeg om te voorkomen dat zijn herinne­ringen een nachtmerrie werden, zoals bij Erwin het geval was. Hij stond op, legde zijn hand op zijn borst en zei:

 

‘Je dood omvat me

je afschijnsel in mij

is gestorven

voorbij het eeuwig wederkeren

als ik je terug zal zien

zal jij het dan die wel zijn

die mijn verdriet stilt?’

 

De psychologe staarde hem aan alsof ze naar een krankzinnige keek. Samuel glimlachte nog eens naar haar en zei: ‘Een gedicht dat ik geschre­ven heb voor een goede vriend van me. Hij heeft me jarenlang wijs­gemaakt dat poëzie louterend kan zijn. Geen idee of het zo is, maar ik ben nog maar net begonnen natuurlijk.’ Hij hief zijn tas op zijn rug en verliet de kamer. De tas, gevuld met kleding en foto’s, die zwaar op zijn rug woog toen hij in Weerzel kwam, leek nu vederlicht.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

De nagedachte : Frank Norbert Rieter

De wekker ging en ik wist meteen dat het een andere dag zou worden. Mijn man sloeg niet meteen op de snoozeknop. Ik gaf hem een por in zijn rug. Welke idioot zet een wekker voor zondagochtend? Ik zuchtte en kreunde. Ik was nog niet uitgeslapen, maar het irritante gepiep viel onmogelijk te negeren. Ik klauterde lomp over de slapende massa naast me heen en gaf het onding zelf een klap. Mijn man onderging het zonder een krimp te geven. Ik viel weer neer op mijn eigen helft, maar was natuurlijk alsnog klaarwakker. Dan toch maar opstaan. Ik wierp een verwijtende blik op mijn wederhelft.

Roerloos lag hij daar, alsof hij dood was. Nog even was dat een nonchalante gedachte die zo weer zou vervliegen. Dus stond ik op en ging naar de badkamer om te douchen. De kraan draaide ik nog open, maar ik stapte niet onder de straal. Het roerloze stilzwijgen zat me niet lekker. Ik liep terug.

‘Ik ga vast douchen,’ riep ik hard. ‘Zet jij zo een raam open!’

Geen reactie. Geen spoor van beweging. Mijn maag en darmen trokken samen.

Gisteravond was hij nog kiplekker geweest. Alhoewel. Hij hijgde als een trekpaard tijdens ons ‘intiem kwartiertje’ en hij ging vroeg naar bed terwijl ik opbleef voor de nachtfilm. ‘Ik ga vast,’ had hij gezegd, zonder toelichting. Zonder nachtzoen. ‘Ik kom later,’ zei ik daarop. Toen ik uiteindelijk naar bed ging had ik hem niet meer wakker gemaakt. Ik had hem niet meer gekust of welterusten gezegd. Hij kon niet dood zijn. Zo mocht het niet aflopen.

Ik liep om het bed heen, draaide de alarmwijzer van de wekker door tot hij opnieuw afging. Ik hield het piepende onding naast zijn oor. Zijn huid zag bleek. Zijn mond hing open, op niet echt charmante wijze. Het had iets koddigs. Mijn beer in winterslaap. Als hij maar wel zo wakker werd.

Hij kon niet dood zijn. Hij had zo vaak gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. We zouden als we eenmaal oud, versleten en ongezond waren, samen een drankje nemen om er een einde aan te maken. En als er al iemand eerder zou gaan, zou ik het zijn. Hij was wel tien jaar ouder, maar ik was degene met de vage kwaaltjes. Hij was kerngezond. Hem mankeerde nooit iets.

Maar hij haalde geen adem, of niet dat ik kon bespeuren. Hij lag op zijn zij, met zijn gezicht aan de rand van het bed. Ik hoorde geen gesnurk. Geen zuchtje kwam over zijn lippen. Ik zette me schrap en draaide hem op zijn rug, half op mijn helft. Zijn huid voelde koud, niet alleen op zijn bovenarmen, waar het vet altijd koud was, maar overal. Zijn voorhoofd, zijn handpalmen en borst. Ik legde mijn handen op zijn buik en voelde onder de deken tussen zijn dijen. Een weeë geur kwam me tegemoet. Het leek alsof hij het een beetje had laten lopen. Overal was hij koud en klam.

Ik liet de betekenis ervan niet tot me doordringen. Ontkennen en verdringen, dat waren mijn beproefde tactieken voor zo’n beetje alles waar ik geen zin in had. En ik had hier helemaal geen zin in.

Hij kon niet dood zijn. We hadden ons leven net zo goed op orde. De hypotheek was afgelost. De kat was eindelijk dood. We hadden net een appartementje gekocht in Torrex Costa. Nog een paar jaar en hij kon met pensioen. Dit paste helemaal niet in de planning.

Het leek me beter om me eerst te douchen en aan te kleden. Misschien was ik nog niet helemaal wakker. Ik was door het irritante wekkerding in een soort mini-psychose geraakt. Dat moest er een keer van komen: ik had me altijd al geërgerd aan dat piepje. Ik liep snel terug naar de badkamer en stapte alsnog onder de stortdouche. Ik draaide hem eerst lekker heet en daarna flink koud en vervolgens weer terug. Ik zeepte mezelf goed in met zachte zeep en scrubde mijn huid met een ruw washandje om alle nachtgedachten te verdrijven.

Als ik was aangekleed, zou ik eerst voor het ontbijt zorgen. Ontbijt op bed, dat leek me een goed plan. Het idee sprak me zo aan, dat ik meteen de douche uit deed, me vluchtig afdroogde, mijn badjas aanschoot en naar beneden toog. Dat was al weer lang geleden dat we dat gedaan hadden: samen op bed ontbijten. Het hoefde niet heel uitgebreid te zijn, maar gewoon gezellig. Een paar beschuitjes en een kop koffie. Een mens kon niet echt wakker zijn zonder ochtendkoffie.

Voortvarend zocht ik alle benodigdheden voor de perfecte ochtend bij elkaar. Het beschuit, de hagelslag, de jam en de kaas. Ik had geen geduld voor versgeperste sinaasappels of dingetjes uit de oven. Ik wilde zo vlot mogelijk weer naar boven. Ik stofte het dienblad af terwijl de koffie doorliep. De ochtendzon strooide een paar stralen de keuken in. Ik kneedde een glimlach om mijn mond en voelde me echt even opgetogen. Ik was zo weggelopen uit een blue band-reclame.

Nog even snel naar het toilet, want ontbijt op bed liep altijd uit op ochtendseks, en ik was er helemaal klaar voor. Ik tilde het dienblad voorzichtig naar boven. Een paar stappen op de overloop en ik stond in onze slaapkamer. Er was niets veranderd.

Rustig zette ik het dienblad op de dekenkist aan het voeteneinde. Ik gooide de gordijnen open.

‘Koffie,’ zei ik. ‘Lekkere ochtendkoffie.’

Geen reactie.

 

Hij was echt dood, drong het tot mij door. Er was geen andere conclusie mogelijk. Ik moet nu heel verdrietig zijn, dacht ik, maar ik voelde vooral verontwaardiging die langzaam aanzwol tot tierende woede. De hufter. Zo waren we niet getrouwd! Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.

Ik kneep in zijn neus. En ik sloeg hem hard in zijn gezicht.

‘Je hebt me beloofd nooit dood te gaan,’ zei ik. ‘Klootzak.’

Dat had hij natuurlijk nooit letterlijk zo gezegd, maar ik had helemaal geen zin om genuanceerd te zijn. Ik kon veel van hem hebben, maar dit niet. Wat ik allemaal wel niet doorstaan had. Nachtenlang gesnurk. Zijn ochtendhumeur. Zijn midlifecrisis-dingetjes. Zijn motor. Het geflirt en geflikflooi met anderen.

Ik dacht aan zijn dertig jaargangen Weird Tales die hij uit nostalgie en voor veel te veel geld op e-bay gekocht had. Hij keek ze nooit in. Ik rende naar de werkkamer, greep een willekeurige tijdschriftcassette en nam hem mee naar de slaapkamer. Ik smeet de hele bak door de kamer.

‘Hier,’ riep ik.

Er gebeurde niks en de tijdschriften fladderden doelloos rond. Eén landde er op het dienblad en stootte een koffiekopje om. Niets sneuvelde. Ik stapte naar voren, zette mijn handen onder het dienblad en gaf een ferme duw omhoog. Het volledige ontbijt vloog door de kamer. De koffie, de beschuitrol, de hagelslag. De kopjes braken. De jampot stuiterde over de vloer en liet putten in het laminaat achter. Het was me niet genoeg. Ik stampte op de beschuitrol en scheurde een tijdschrift aan flarden. Met een welgemikte trap vloog de lamp op zijn nachtkastje tegen de muur aan.

‘Je ruimt het allemaal maar zelf op,’ schreeuwde ik. ‘Ik doe niks meer.’

Het luchtte niet echt op en door mijn hele lijf gierde een machteloze woede die ik nooit eerder gevoeld had. Als hij er vandoor was gegaan met een jonger ding had ik niet bozer kunnen zijn. Het was woede, maar meer dan woede. Ik voelde me verraden. Wraak, dacht ik. Ik moet je iets aandoen.

De lamzak lag er onaantastbaar bij.

‘Wacht maar,’ zei ik tussen mijn tanden. ‘Ik weet wat ik ga doen.’

Ik greep mijn iphone van mijn nachtkastje en wist dat ik ergens nog de laatste vakantiefoto’s had staan. Ik had er één gemaakt waar hij grondig de pest aan had. Op het naaktstrand. Hij boog net voorover om de zonnebrand te pakken. Alles hing erbij: zijn mannentieten en z’n vadsige padjakkerbuik. Zijn trots leek minuscuul. Zijn mond hing scheef en hij keek me vanuit die positie aan alsof hij loenste. Het was een geweldige foto. Hij bezwoer me hem direct te verwijderen. Wat ik deed, maar natuurlijk niet ook uit de cloud.

Een paar klikken en hij stond online, te kijk voor de hele wereld.

Er waren meer foto’s waar hij de pest aan had. Ik snelde naar de werkkamer. Daar klom ik op de Bekväm en greep naar de rode archiefdoos op de bovenste plank. Daarin zaten de albums met zijn kinderfoto’s. Ik zocht snel naar de foto waarvan ik wist dat hij hem verafschuwde. Hij was een jaar of twaalf, door zijn moeder aangekleed voor zijn vormsel.

Hij zag er op die foto eigenlijk heel leuk uit. Echt zo’n mooi jongetje. Hij straalde helemaal, alsof hij werkelijk in de heiligheid van het ritueel geloofde. Ik weet niet waarom hij zo’n hekel aan die foto had. Ik zette de doos weg. Het voelde zinloos.

Ik plofte naast hem neer op het bed. Ik moet eigenlijk heel verdrietig zijn, dacht ik opnieuw. Ik hamerde een paar keer hard met mijn vuisten op zijn borstkast. Boos op hem, boos dat de tranen die ik in mijn ogen voelde, alleen tranen van frustratie waren.

Even meende ik een ademtocht op zijn lippen te zien.

‘Ja,’ zei ik. ‘Doe je best maar.’ En ik begreep ineens waarom er bij mij nog geen tranen kwamen. Het was nog geen tijd voor afscheid. Hij zou niet zomaar vertrekken en mij eenzaam achterlaten. Het ging om ons. Wij waren samen, voor eeuwig en altijd. Dat had hij beloofd en daar zou ik hem aan houden.

 

Zou het nog zin hebben om hem te reanimeren? Het viel allicht te proberen. Ik had nooit een EHBO-cursus gevolgd, maar ik had genoeg seizoenen E.R. gezien om een poging te wagen. Ik ging naast mijn beertje op mijn knieën zitten, vouwde mijn handen ineen en drukte een paar keer kort maar krachtig op zijn borstbeen.

Ik pakte zijn hoofd vast, trok het achterover en zette mijn lippen op zijn mond. Ik ademde diep uit. De lucht stroomde deels via zijn neus weer tegen mijn wang aan. Ik kneep zijn neus dicht, haalde even adem en blies opnieuw mijn longen leeg. Hoe vaak zou dit moeten, vroeg ik me af. Een Smintje had hem geen kwaad gedaan.

Ik duwde nog een paar keer op zijn borstkas en hoorde iets kraken. Ik was hier helemaal niet handig in en mijn knieën deden ook al zeer. Dit was niks voor mij. Ik moest iets anders verzinnen.

Ik zat op de rand van het bed. Nog steeds strijdlustig, maar een beetje clueless. Bij House M.D. kwamen ze als iemand een hartstilstand had altijd direct met van die elektrische dingen aan zetten. Terwijl ik dat dacht viel mijn oog op de lamp die op het nachtkastje had gestaan. De kap lag eraf en de peer was aan diggelen. Ik schroefde het restant van de peer uit de fitting. Ik verlegde één arm zo, dat de hand over de rand van het bed hing. Het was natuurlijk handig als de vingers een beetje van elkaar zouden staan dus duwde ik de Vicks inhaler die op het nachtkastje lag tussen pink en ringvinger. Geconcentreerd manoeuvreerde ik de fitting van de lamp zo dat de pink er netjes in stak. Ik klikte de lamp aan.

Zijn lichaam schokte even en meteen daarna hoorde ik een knal. Ik probeerde de plafondlamp, maar die deed niets. Weg stroom. Ik had nooit gesnapt waar dat goed voor was, zo’n stoppenkast. Je had er niets dan ellende van.

Ik rende naar beneden, deed in de gang de meterkast open, zette alle knopjes die ik kon vinden weer omhoog en rende terug naar boven.

Poging twee. Zelfde resultaat. Op deze manier kreeg hij wel steeds een korte stroomstoot. Het was niet handig om tussendoor heen en weer naar beneden te rennen, maar als dat was wat er voor nodig was…

Om wat te doen, eigenlijk, vroeg ik me nog eens af toen ik voor de veertiende keer hijgend boven kwam. Het zweet stroomde over mijn rug en mijn oksels walmden alsof ik in geen jaren gedoucht had. De stroomstoten gaven hem wel steeds een opdoffer, maar daarna lag hij er net zo lamzakkerig bij als altijd. Moest ik nog een keer heen en weer de trap op en af rennen? Ineens zag ik mezelf met dat dilemma op televisie naast dr. Phil zitten. Hij keek me peinzend aan en stelde de meest retorische vraag aller tijden. How is that working for you?

Ik gaf mezelf een paar petsen in mijn gezicht. Nee, ik ben er de persoon niet naar om tegen beter weten in dingen te blijven doen die niet werken. Ik moest iets anders verzinnen om mijn echtgenoot voor de poorten van het hiernamaals – hellepoort of hemelpoort, het zou me een worst wezen – weg te slepen.

Voor reanimeren was het misschien hoe dan ook een beetje laat. En als je van het piepen van onze wekker niet wakker schrok, hielpen een paar stroomstoten er ook niet meer aan. Het was tijd voor grover geschut. Maar hoe, dat was de vraag. Gelukkig hoef je zelf niet alles te weten. Ik zou het grote orakel raadplegen. Ik pakte mijn iphone en had met een paar tellen een handig youtube-filmpje te pakken dat stap voor stap liet zien hoe je zelf thuis met een ritueel een dode tot leven kan wekken. Het filmpje werd ingeleid door een nogal nerdy jongeman met een vies baardje. Hij was gekleed in een slecht genaaid gewaad van oude lakens. Hij stond in een betonnen keldergewelf dat sfeervol was gemaakt met kerstverlichting, plastic schedels en posters van Marilyn Manson.

Ik liet me door de entourage niet afleiden en luisterde aandachtig naar de hijgerige fluisterstem van de baardmans. Hij begon met een opsomming van alles wat ik nodig had. Kaarsen om in een kring om het subject te zetten. Kaarsen had ik genoeg in huis. Ik zette het filmpje op pauze en rende heen en weer naar beneden. Ik was van ons tweeën degene van de kussentjes, de frutsels en de sfeerverlichting. Je moet het in huis toch een beetje gezellig maken. En dus hamsterde ik iedere uitverkoop stompkaarsen, in de hoop op veel romantische hoogtijdagen. Het waren er veel. Kaarsen, dan. Ik kocht ze wanneer ik ze maar tegen kwam en het aantal romantische hoogtijdagen snoepte maar mondjesmaat iets van de voorraad af.

Dat kwam nu goed van pas: ik zeulde de hele voorraad naar de slaapkamer.

Kaarsen op bed was niet handig. Ik had meer ruimte nodig. Mijn beertje was niet de lichtste maar met omrollen kreeg ik hem wel uit bed. Met een doffe klap viel hij op het laminaat.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Het is voor de goede zaak.’

Hij lag er bepaald niet fris bij en met het beddengoed maakte ik hem een beetje schoon. De lakens draaide ik in elkaar en mikte de boel direct in de wasmachine.

Op de vloer van de slaapkamer was net genoeg plek. In een mooie cirkel kon ik de kaarsen niet zetten, maar het waren er wel genoeg om ze drie rijen dik om hem heen te plaatsen. Ik was zeker een half uur bezig om ze allemaal aan te doen – en de gasaansteker bij te vullen; zo’n ding is altijd leeg als je hem nodig hebt – maar toen zag het er prachtig uit.

Ik zette het youtube-filmpje weer aan. De baardmans hield een boekje omhoog. Een exemplaar van John Miltons Paradise Regained. Een dichtwerk. Mijn beertje verzamelde boeken zoals ik kaarsen en kussentjes verzamel. We hadden zoveel boeken in huis – stofnesten zijn het – dus ik twijfelde er niet aan of we zouden dit werk ook wel in huis hebben.

In de boekenkasten stond natuurlijk niets op alfabetische volgorde. Het was zijn domein, dus een chaos. En waar moest ik zoeken? In de kast met Engelse boeken? De kist antiquarische werken? De hoek met lievelingsboeken? De schap met dichtbundels? Ik verfoeide zijn intuïtief-thematische indeling. Als hij definitief het loodje zou leggen, zou ik alle boeken op kleur sorteren.

Ik haalde alle boeken één voor één uit de kast, en sorteerde ze stiekem meteen op kleur en grootte. Als ik dan toch bezig was, kon ik ze meteen even afstoffen en met een klamme doek afnemen.

Het is trouwens niet zo dat ik zelf niet van lezen houd, maar als ik ze uit heb, gaan ze meteen met het oud papier mee. Opgeruimd staat netjes. Sinds een paar jaar heb ik een e-reader.

Dan heb je zoveel boeken in huis, maar natuurlijk nooit precies het boek dat je nodig hebt. Uiteindelijk vond ik tussen de dichtbundels een boekje met de juiste titel. Het was door een ander geschreven, ene H.Marsman. Het moest maar voldoen.

Met het boekje onder de arm, startte ik het Youtube filmpje weer. De baardmans praatte verder.

‘Very important,’ benadrukte hij. ‘A silver sacrificial knife.’

We hebben een complete bestekcassette in huis, dus toen ik de woorden sacrificial knife voor de zekerheid in google translate typte was ik er nog van overtuigd dat we zoiets zeker zouden hebben. Een offermes. Hmmm. Van zilver. Uit de voorkamer pakte ik de brievenopener en ik zocht in de keuken de wildschaar. Beide waren in ieder geval van zilver en met een beetje goede wil kon je zeggen dat ze voor rituelen geschikt waren. Ze moesten maar voldoen.

Terwijl ik de wildschaar met wat soda en aluminiumfolie in een teiltje aan het leggen was, hoorde ik een hels gepiep van boven. Ik was beneden langer bezig geweest dan ik had gedacht en was helemaal de kaarsen vergeten. Ik rende naar boven en zag op de trap al de blauwe rook over het plafond lopen. In de slaapkamer zag ik vlammen likken aan het behang.

Ik herinnerde me de eindeloze discussie die we ooit in de Ikea hadden over het al dan niet aanschaffen van een brandblusapparaat. Het ding was rood en ik wilde hem niet in huis. Mijn beertje hield voet bij stuk: ze waren in de aanbieding en hij nam er één mee. Het apparaat moest ergens in huis zijn, maar waar dan toch? Ik had het idee dat ik hem vanochtend nog had zien staan. In het gootsteenkastje stond zo’n beetje de hele huisraad aan gekleurde flessen, maar geen brandblusser. Niet in de boekenkast, niet bij de kaarsen. Ik vond wel een plaid, waarmee ik wellicht wat vlammen kon uitslaan. Die nam ik mee. Maar die brandblusser… Ook niet in het kastje waar de navulbus voor de gasaansteker lag. Ik moest even gaan zitten en rustig nadenken. Dan zou ik er zo opkomen.

Ineens bedacht ik me dat ik mijn beertje beter wel uit de vlammen kon halen als ik hem nog tot leven wilde wekken. Ik rende naar boven en kroop over de vloer de slaapkamer in om niet met mijn hoofd in de rook te lopen. De halve slaapkamer stond inmiddels in lichterlaaie, maar mijn beertje lag er relatief ongeschonden bij. De kaarsen hadden alleen zijn rechter arm in de hens gezet. Ik gooide de plaid over hem heen en hoopte dat het gebrek aan zuurstof de vlammen zou doven.

Hij moest hier weg, realiseerde ik me. Gelukkig was onze laminaatvloer redelijk glad en daarom lukte het me om mijn beertje te verplaatsen. Ik duwde en schoof hem de overloop op. Ik keek onder de plaid. Zijn arm zag er lelijk uit. Hij leek te smeulen. Water, dacht ik. Ik moet hem onder de douche zetten.

Ik kreeg warempel wat handigheid in het gezeul met zijn logge, naakte lichaam. Ik zette m’n worsteltocht voort en trok hem de badkamer in. Ik zette de douche aan en duwde hem er half onder, zodat zijn arm in de waterstraal lag.

Nu moest ik nog iets met dat vuur, maar wat? Toch maar de brandweer bellen? Ik had zo geen zin in werkmensen over de vloer.

Ineens hoorde ik zware stappen de trap oprennen. Snel bond in mijn ochtendjas goed dicht en liep de gang op. De deur van de badkamer sloot ik zorgvuldig achter me. In de slaapkamer zag ik onze buurman met een brandblusser in de weer. Wat een hoop schuim komt er uit zo’n klein rood dingetje. In een mum van tijd waren alle vlammen gedoofd. Buurman – hij heet Henk of Frits of zoiets, ik kon het nooit onthouden – gooide de ramen open en hij hoestte en rochelde de rook uit zijn longen.

Ik stond daar een beetje bedremmeld in mijn ochtendjas, met mijn handen in de zakken gestoken. Links voelde ik de briefopener, rechts de dichtbundel en mijn iphone.

De buurman hoestte nog een paar keer en spuwde een fluim het open raam uit. Hij draaide zich om, keek de slaapkamer rond. De kaarsen, de haastig terzijde geschoven resten van het ontbijt, het van linnengoed ontdane bed. De vloer was besmeurd met – ik wilde eigenlijk niet weten wat precies.

De buurman wreef even door zijn snor en een besmuikt lachje verscheen op zijn gezicht.

‘Een beetje uit de hand gelopen romantiek?’ vroeg hij. ‘Dat is beter dan klussen aan een schrootjesplafond op de zondagochtend.’

‘Ja,’ zei ik en voor het eerst van mijn leven wist ik hoe het voelde om schaapachtig te grijnzen. Ik slikte. ‘Mijn beertje is in de badkamer. Hij…’ Wat moest ik zeggen?

‘Ik begrijp het,’ zei de buurman en hij gaf me een vette knipoog. ‘Hij is natuurlijk voor de gelegenheid gekleed. Wij houden ook wel van een beetje larp om ons seksleven schwung te geven.’ Hij kwam dicht bij me staan. ‘We moeten eens afspreken, met z’n vieren.’

Ik rook het verse zweet in zijn zondagse kluskleding. Niet onappetijtelijk, maar mijn hoofd stond helemaal niet naar een flirt met een klussende buurman, ‘Ja,’ zei ik en glimlachte kort. ‘Een avondje, om je te bedanken voor je heldendaad.’

‘Je mag me ook nu wel bedanken,’ zei hij hees en hij schurkte zijn dampende lichaam tegen mijn ochtendjas. Hij boog met zijn hoofd naar mijn oor en net toen ik dacht hij iets wilde fluisteren voelde ik zijn natte tong. Wat moest ik hier nou weer mee?

Ik greep hem stevig in het kruis, kneep hard en duwde hem van me af. ‘Voor alles,’ zei ik langzaam en duidelijk, ‘is een tijd en een plaats. Zoals je nu gekleed bent… Jij gaat nu eerst je schrootjesplafond afmaken.’

‘Jazeker,’ zei hij met kopstem. ‘Heerlijk.’

Ik keek hem met strenge blik na terwijl hij de trap afstrompelde. Hij had de brandblusser nog in zijn hand. Het was zo’n kleintje, van de Ikea, zoals wij ook hadden.

‘Waar had je die vandaan,’ riep ik hem na. ‘Die brandblusser.’

Hij grijnsde. ‘Die heb ik altijd paraat.’

Mijn blik sprak boekdelen en hij kromp ineen alsof ik hem opnieuw in het kruis had gegrepen.

‘De meterkast,’ mompelde hij. ‘Daar staat hij in ieder huishouden.’

Terwijl ik hem beneden de voordeur hoorde dichtslaan, nam ik poolshoogte in de badkamer. Mijn beertje lag er niet echt comfortabel bij, maar zijn arm stak nog steeds onder de koude stortdouche. Van de verbranding zou hij hopelijk niet al te veel last hebben.

Waar was ik gebleven? Het ritueel. Ik verzamelde de stompkaarsen die nog bruikbaar leken en ik zette ze in de wastafel. Dat leek me een redelijk veilige plek. Daar stak ik ze aan.

Ik had de dichtbundel en de briefopener bij de hand. Ik had geen zin om de wildschaar alsnog schoon te maken, het moest zo maar voldoen. Ik pakte mijn iphone erbij voor het vervolg van het filmpje.

De mystieke baardmans gebaarde dat de kijker dichterbij moest komen. De cameraman voelde zich gelukkig aangesproken en volgde hem op de voet. Het laatste en belangrijkste ingrediënt, was een jong geitje. Een geitje. Hoe moest ik in vredesnaam op zondagochtend aan een jong geitje komen?

Uit de linnenkast haalde ik een kussen met zebraprint. Ook een beest met vier poten. Dat moest volstaan.

Ik werd een beetje moe van dat filmpje. Ik heb het geduld niet om zoiets helemaal af te zien. Ik klikte nog even halverwege en ergens aan het eind. Ik wist wel hoe het moest. Ik declameerde de hele dichtbundel van voor naar achter en weer terug op 78-toeren-tempo en speelde een potje Julius-Ceasar-in-de-senaat met het zebrakussen. Tot slot blies ik de kaarsen uit en er gebeurde helemaal niets.

Ik had het inmiddels wel een beetje aan voelen komen, maar niettemin: wat een sof.

Ik ging naar beneden. Door alle consternatie had ik nog steeds geen koffie of ontbijt gehad. Ik moest eerst maar eens goed voor de inwendige mens zorgen. Terwijl de koffie weer doorliep en de Danerolles in de oven stonden, poetste ik alsnog de wildschaar en dacht diep na over mijn opties.

Het orakel zou me niet verder helpen. Vage vragen en halve richtingen gaven altijd teveel antwoorden. Ik zou mijn moeder kunnen bellen, maar die zou dan éérst een uur willen praten over al haar eigen problemen. En tegen de tijd dat ik had voorgerekend hoeveel sloffen sigaretten je moest kopen voor je de benzinekosten heen en weer van Tiel naar Duitsland eruit had, had mijn beertje al drie keer de wederopstandig meegemaakt.

Ik wist eigenlijk niet precies hoe dat werkte met rigor mortis en ontbinding en dat soort zaken – misschien had ik vaker naar CSI of Waking the dead moeten kijken – maar mijn gezond verstand zei me dat een beetje haast waarschijnlijk geboden was. Maar toch niet zoveel dat ik mezelf er om moest verwaarlozen.

 

Ik nam mijn mok koffie en een vers croissantje – zonder jam – en ik zat in de woonkamer tussen de stapels boeken. De verzameling leek me zo’n beetje het enige tastbare dat hij achter liet. Het stemde me treurig. Een leven lang werken. Een leven lang getrouwd zijn. Zijn hobby’s waren lezen en televisiekijken. Zijn hoofd zat vol met zinloze feitjes, waar hij iedere conversatie mee om zeep hielp. Wat liet hij achter? Niets eigenlijk. Een labiele wederhelft en een stapel boeken. En die boeken, een spiegel van zijn geest, had ik bij het afstoffen gesorteerd op grootte en op kleur. Het was nu een zinloze, dode verzameling. Er zat geen leven of karakter meer in. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Hijgend en hikkend haalde ik adem.

Ik stond op en waarde door de kamer. Ik raakte alle boeken aan, in de hoop iets van zijn aanwezigheid te voelen. Hij mocht niet verloren gaan. In deze stapels lag toch zijn geest verscholen? Als het me zou lukken om te reconstrueren hoe de boeken stonden, zou hij ook weer tot leven kunnen komen. Dan zou hij er weer een beetje zijn. Ik verplaatste boek na boek en pijnigde mijn geheugen om me te herinneren hoe ze stonden. Op welke schap had iedere titel gestaan?

Regelmatig viel ik even stil tijdens het werk. Wat voor zin had het allemaal? Misschien kon ik beter hier wachten en niets doen, tot ik zelf van honger en dorst zou bezwijken. Het einde zou vanzelf komen.

Dan kreeg ik weer energie en mijn vechtlust laaide op. Nee! Ik kon het zo niet laten gebeuren. Hij had mij een belofte gedaan en daar zou ik hem aan houden. Hij mocht dan dood zijn, maar hij zou niet zomaar uit mijn leven verdwijnen. Dood of niet, er moest een mogelijkheid zijn om de situatie ten goede te keren.

Uiteindelijk hield ik een boekje in handen, waarvan ik werkelijk niet wist waar het gestaan had. Het was duidelijk ooit in de Ramsj gekocht. De kortingssticker zat er nog op. Vertwijfeld stond ik er mee in mijn handen en keek nog een keer naar de kaft. Langzaam drong de betekenis van de titel tot me door. Leven na dood. Met als ondertitel: De dodencultuur van het oude Egypte.

Dit was een teken. In de Egyptische dodencultuur lag natuurlijk de oplossing. Ik had op de e-reader een hele stapel detectives gelezen die in het oude Egypte speelden en vòòr mijn TLC-verslaving had ik een lange Discovery Channelperiode gehad. Ik wist alles over mummificeren wat een normaal mens kon weten.

 

Ik zag het helemaal voor me, hoe hij keurig uitgedroogd en omzwachteld naast me zou liggen in bed. Dood, in zeker opzicht, maar toch niet helemaal. Hij zou een stuk lichter zijn dan ik gewend was, dus kon ik hem voor de afwisseling ook op andere plekken in huis neerzetten. Eindelijk zouden we gezellig samen naar alle Sissi-films kijken – zonder dat hij er de hele tijd doorheen zou praten. Geen gesnurk meer. Geen ochtendhumeur. Samen op vakantie, dat zou nog wel een uitdaging worden, maar ik wist zeker dat ik daar iets op zou vinden.

Ik kon me het beste richten op de positieve kant van het hele gebeuren en die kant begon er steeds aanlokkelijker uit te zien. Het vooruitzicht voelde goed. Minder rommel in huis. Geen gekissebis over de films en series die we zouden kijken. Heerlijk.

Er moest nog wel wat gebeuren natuurlijk. Het eerste was het verwijderen van al zijn ingewanden. Zo zou die wildschaar toch nog van pas komen. En daarna moest ik hem uitdrogen. Wat zou ik daarvoor kunnen gebruiken. Ik twijfelde tussen soda en zout. Misschien hadden we nog wel ergens een zak kattenbakvulling. Hoe dan ook zou ik een terraswarmer kopen. En ik kon er gewoon een uitzoeken die er leuk uitzag, zonder discussie over dat we er eigenlijk een moesten nemen die meer functies had. Ik kon gewoon zelf beslissen. Het voelde onwennig. Samen, en toch voelde het vrij. Ik zou er het beste van maken. Ik ging ervoor. Ik zou er van leren genieten.

 

Ineens hoorde ik boven gestommel. Zou mijn halfslachtig uitgevoerde ritueel alsnog effect hebben gehad. Het viel niet uit te sluiten. Nieuwsgierig stoof ik naar boven.

Op de slaapkamer trof ik de buurman aan. Hij was klaarblijkelijk met behulp van een ladder door het openstaande raam geklommen. Hij droeg een roze, fluffy konijnenpak en hij deed nu zijn uiterste best om zichzelf met een paar zijden stropdassen op bed vast te binden.

‘Ik wilde je verrassen,’ riep hij uit.

‘Geweldig,’ zei ik en ik hielp hem een handje. Toen hij met al zijn extremiteiten goed lag vastgesnoerd stopte ik een van de fluffy konijnenoren in zijn mond en liep de kamer uit. Van hem had ik voorlopig geen last meer.

Ik had andere dingen te doen. Waar lag de kattenbakvulling, dat was de vraag. En zou ik beter soda of zout kunnen kopen om de klus te klaren? En die ingewanden, zou ik die beter in tupperware kunnen bewaren of moest ik weckflessen kopen? Misschien zou het orakel met zulke concrete vragen wel raad weten. Waar had ik mijn iphone gelaten?

 

Terwijl ik mijn koude koffie en croissants wegwerkte zocht ik met behulp van het orakel in mijn iphone een faq op voor bij een huis-tuin-en-keuken mummificatie. Ik meed de aangeprezen youtube filmpjes die het allemaal stap voor stap zouden laten zien. Ik zat mij net lekker in te lezen toen ik een bekende stem hoorde.

‘Wat doet de buurman in konijnenpak, vastgebonden op ons bed?’

Ik keek op en daar stond mijn beertje. Blijkbaar had het ritueel zijn geest toch teruggeroepen. Zijn stem klonk redelijk helder, maar ik vroeg me af of hij verder wel helemaal lekker was. Hij was naakt, nat en toch wel een beetje beschadigd. Zijn rechterarm zag er knapperig uit en de hand die er levenloos aan hing was waarschijnlijk well done. Zijn linkerhand hield hij op zijn borst. De pink zag een beetje geblakerd door de stroomstoten. Niettemin hield hij de dichtbundel en de briefopener vast. Zijn blik stond niet echt helder. Het was al met al een treurige verschijning.

‘Ik kan het allemaal uitleggen,’ zei ik snel.

Ik liep naar hem toe en gaf een kusje op zijn neus. Op zijn borstkast zag ik drukplekken en een soort van deuk van mijn pogingen om hem te reanimeren.

‘Ik ben zo blij dat je er weer bent.’ Zoals ik het zei klonk het oprecht, maar er was wel een spoor van twijfel in geslopen. Mijn beertje deed me denken aan een stuk fruit waar een deuk of een plekje op zit. Noem me een pietlut, maar ik hoef het dan niet.

‘Je hebt me teruggehaald,’ zei hij.

Zijn spraak vertraagde een beetje. Hij was er wel, maar hij zat niet helemaal lekker in zijn vel. Ik kon het niet aanzien. Ik moest hem helpen.

‘Kom maar,’ zei ik. ‘We zullen je eerst weer een beetje opknappen en dan werken we samen de buurman het raam uit.’

Ik nam hem de briefopener en de dichtbundel af en duwde hem voor me uit de trap op. Ik sprak hem stimulerend toe.

‘Gaat allemaal goed zo. Je kunt het. Ja, linkerbeen, rechterbeen. Stapje voor stapje.’

Op de overloop zakte hij neer, op één knie. Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte zijn dikke lobbeskop tegen me aan.

‘Je liet me niet zomaar gaan,’ zei hij. ‘Wat houd ik toch verschrikkelijk veel van je.’

Dat kon wel zijn – en ik natuurlijk ook van hem – maar ik had net bedacht hoe het allemaal verder moest. En nu was hij er weer. Ik legde een hand op zijn schouders. Hij voelde nog steeds koud aan. Of was zijn rug altijd een beetje koud geweest? Koud vet, warm vet, ik wist niet meer waar het allemaal precies zat.

‘Dat is lief van je,’ zei ik en ik knielde naast hem neer.

De dichtbundel liet ik uit mijn handen vallen. De briefopener stak ik, net onder zijn borstbeen, een beetje schuin omhoog naar binnen. Ik ben niet zwaar, maar mijn hele gewicht zat er achter en de opener verdween moeiteloos zijn hartstreek in.

‘Fijn om nog even afscheid te nemen,’ mompelde hij. Zijn ogen keken me waterig aan en een laffe glimlach bleef rond zijn lippen hangen.

‘Ga nu maar, het is goed,’ fluisterde ik hem toe. ‘Ik kom wat later.’

Langzaam doofde het licht uit zijn ogen. Te laat bedacht ik dat ik hem nog had kunnen vragen waar hij de zak met kattenbakvulling gelaten had.