De beste Nederlandse en Belgische SF, Fantasy en Horror van 2020

Home » Genre » Magisch realisme

Genres

Category Archives: Magisch realisme

Op zoek naar de poort – Django Mathijsen en Anaïd Haen

  1. Het hek

 

Ik tril over mijn hele lichaam. Ik ben een slechte man die bestraft moet worden. Ik weet niet waarom. Maar ik voel het: ik heb iets verschrikkelijk misdaan.

Glooiende, groene heuvels om me heen zover het oog reikt. Gras, bos, struiken en kleurrijke wilde bloemen: zonnebloemen, tulpen, rozen…

Ik kan ze zelfs ruiken: een geurensymfonie. Vreemd. Ik meen dat ik altijd een slechte neus heb gehad. En een pollenallergie. Maar mijn neus is helemaal vrij.

Vogels en vlinders fladderen rond. Vogelzang vormt een symfonie op zich.

Gras kietelt mijn voetzolen. Ik heb mijn beste pyjama aan: de gele met de palmbomen en surfplanken. Maar nergens zie ik mijn bed.

Dus dit is het paradijs.

Afgezien van dat kippengaashek waar ik langs loop. Het is zeker drie meter hoog en strekt zich uit van horizon tot horizon, kaarsrecht door de heuvels snijdend.

Aan de andere kant van het hek ziet alles er hetzelfde uit. Gras, heuvels vol wilde bloemen, bos, vogels… Toch smacht ik ernaar aan de andere kant te zijn. Is er ergens een deur of poort?

 

Het graspaadje gaat over in een papaverveld. Zachtjes strelen de bloemen mijn enkels met elke stap. Hoelang loop ik hier al?

Waarom loop ik hier? Is dit mijn straf: voor altijd langs dit oneindige hek lopen?

Het lijkt middag. De zon staat hoog in een stralend blauwe lucht. Toch branden de zonnestralen niet. Normaal gesproken zou ik hijgen en me kapot zweten. Mijn pacemaker zou er moeite mee hebben.

Het is twintig jaar geleden dat ik zo kon lopen.

Mijn rollator!

Waar is mijn rollator? Waarom kan ik zonder lopen?

En mijn hart. Waarom heb ik geen hartkloppingen?

Verschrikt ruk ik de knopen van mijn pyjama open: slechts borsthaar; geen litteken, geen bobbel, geen pacemaker.

Toen ik jong was, was ik gek op dit soort zomerdagen. Maar toen mijn rikketik begon te haperen, werden ze steeds moeilijker. De pacemaker hielp. Eindelijk kon ik met Lies in haar rolstoel weer gaan wandelen in de tuinen van het verzorgingshuis.

Ga ik de goede kant op?

Lies! Juist. Waar is Lies?

Ik blijf staan.

Een vloed van gevoelens gaat door me heen: liefde, tederheid, verlangen, zorg…

Vlak voor me fladdert een vlinder. Zijn vleugels zijn roestbruin, met rode en zwarte vlekjes. Lies hield van mooie vlinders. Ze was altijd gek op mooie dingen. Toch hield ze van mij.

Toen ik haar de eerste keer in die talentenjacht de snaren van haar steelgitaar zag strelen, wist ik dat zij de ware was. We verloren de wedstrijd. Maar ik was met haar de grote winnaar. En zij met mij, althans dat hoop ik.

 

 

  1. Grover

 

Op een nacht werd ik wakker van haar geschreeuw. Ik sprong uit bed, snelde de gang op en zag licht branden in de kamer van kleine Ellen. Ik trof Lies aan met Grover in haar armen, Ellens blauwe knuffeldier. Ik vroeg haar er was.

Vol paniek keek ze me aan. ‘Ellen! Ze is er niet, waar is ze?’

Haar woorden waren als dolken in mijn hart. ‘Lies, ze is…’ Ik haalde diep adem. ‘Ze is er niet meer. Het is al zo lang geleden.’ Ik legde mijn armen om haar heen. ‘Kom, word wakker, ik weet dat het moeilijk is.’

Ze snikte. ‘Ze is dood.’ Ze huilde.

Ik dacht dat ze maar een nachtmerrie had gehad. Hoe had ik kunnen weten dat het een ouverture was?

Ik nam haar mee terug naar bed en stopte haar in. Ze viel in mijn armen in slaap met Grover tegen haar aangedrukt.

 

Bij het ontbijt vroeg ik: ‘Gaat het weer?’

Ze keek me verbaasd aan.

‘Je weet wel, vannacht in Ellens kamer.’

‘Waar heb je het over?’

‘Toen je schreeuwde… en huilde.’

‘Ik?’ Diezelfde bedroefde blik in haar ogen als toen we uit het ziekenhuis liepen, wetende dat onze kleine meid nooit meer thuis zou komen.

 

 

  1. De schommelbank en de witte geest

 

Ik ren! Ik ren echt.

Extatisch ren ik heuvels op en af, en zigzag door bosstukken. Ik word niet moe, heb geen borstpijn, geen kramp…

Moe? Ik ben voorbij moe.

Ik bereik de top van weer een heuvel. Een vallei ligt voor me, vol struiken en bomen met fruit en bessen in levendige kleuren: appelbomen, meidoorn, hulst…

Nerveus fluiten de vogeltjes als ik de vallei in loop. Ze zwermen rond een vogelhuisje bij de boomgrens. Steeds meer vogels vliegen op om een veilig heenkomen in de boomtoppen te zoeken.

Ik ben omsingeld door een orgie van dansende kleuren: langsfladderende vlinders en in de wind schommelende bloemen, vruchten en bessen.

Het door de bomen meanderende graspaadje is omzoomd door campanula’s, vingerhoedskruid en irissen. Ik blijf door de struiken gluren om het hek in de gaten te houden. Gelukkig loop ik er nog steeds ongeveer evenwijdig aan. De dikke begroeiing in de bochten van het pad maken rennen moeilijk. Dus ga ik over op wandeltempo en geniet van de klap- en stokrozen om me heen. Ze doen me denken aan de tuintjes waarin ik als kind speelde.

Het pad komt uit op een open plek met een vijvertje vol waterlelies en goudvissen. Plotseling zie ik iets wat mijn mond open doet vallen: in een hoek van de open plek staat bij een appelboom een schommelbank met een wit houten frame en afdakje, geflankeerd door een vogelbadje.

Als aan de grond genageld staar ik ernaar. De patina van groene mos en afbladderende witte verf. De roetgespikkelde gegalvaniseerde kettingen waarmee de schommelbank is opgehangen.

Ik loop erheen en streel de houten armleuning. Die voelt warm en ruw aan. Precies de houten schommelbank in het tuintje van mijn ouders toen ik een kind was.

Ik ga zitten, zet me met mijn voeten af en laat het bankje heen en weer schommelen. Het piept ritmisch, net als vroeger. Herinneringen spoelen als een waterval over me heen: wild kinderspel, een aanloop nemen en erop springen, proberen om het me de lucht in te laten lanceren, doen alsof ik een gevechtsvlieger ben op jacht naar de Rode Baron; met mijn arm om Lies heen zenuwachtig mijn eerste kus stelen, en uiteindelijk door het verrotte bankje heen zakken.

Een door de bladeren ritselend briesje lijkt te fluisteren: ‘Mark… Mark… je bent er.’

Het geeft me kippenvel.

Het gefluister gaat over in een zwakke stem: ‘Mark… je bent er eindelijk.’

In mijn ooghoek zie ik een witte, glinsterende verschijning achter de appelbomen.

Ik spring op. ‘Wie is daar?’ Ik houd mijn adem in.

De witte schim komt dichterbij en passeert een paar bloemenrijen. ‘Ik ben het,’ zegt een hese stem in de wind. Het witte jurkje omhelst haar rondingen. Haar heupwiegen laat duizenden zilveren kwastjes flikkeren.

Lange, ranke benen op witte punthakken sluipen door het gras. Haar gezicht houdt ze verborgen achter stammen en bladeren. Ik kan net een zwarte boblijn en een zilveren haarband versierd met een witte veer onderscheiden.

‘Wie bent u?’

‘Herken je me niet, Mark?’ Ze wijst met een lang sigarettenpijpje naar me en komt de open plek op terwijl ze met haar parelketting slingert. ‘Kun je me vergeven, alsjeblieft?’ Grote, uitpuilende ogen staren me aan vanuit een gezicht, zo verwrongen dat het lijkt alsof het is gesmolten.

Gruwend deins ik terug. Ik struikel over het frame van de schommelbank en val achterover.

‘Alsjeblieft vergeef me.’ Ze springt op me af.

Ik kruip achteruit door het gras.

‘Alsjeblieft, Mark.’ Haar adem stinkt naar rotte eieren.

‘Ga weg.’ Mijn armen slaan in haar richting. Ik draai me om en probeer me op te drukken.

‘Vergeef me, Mark,’ hijgt ze in mijn oor.

Ik struikel weer, grijp me vast aan een perenboom en weet me op te richten.

In paniek ren ik naar het pad aan de andere kant van de open plek en kijk achterom.

Ze achtervolgt me. Haar naaldhakken steken in het gras. ‘Alsjeblieft, Mark!’

Op het pad dat van de open plek wegmeandert struikel ik over een lage heg. Ik smak op de grond. Op handen en voeten ga ik verder door het gras, een blik achterom werpend.

Ze is bijna bij het pad. Hoe kan ze zo hard rennen op die hakken?

Ik duw me omhoog en ren weg zonder achterom te kijken. Ik concentreer me op de bochten en probeer niet tegen een boom te botsen.

Als ik de tuin verlaat, zie ik het kippengaashek weer, een oude vriend die me voor eeuwig vergezeld op mijn reis. Ik kijk pas achterom als ik de top van de volgende heuvel bereik.

De kleurrijke vallei ligt achter me. Ik zie niets anders dan zwevende vogels, fladderende vlinders en in de wind wuivende boomtoppen.

Ik blijf niet rondhangen om te controleren of ze nog achter me aan zit. Zo hard ik kan, daal ik de heuvel aan de andere kant af, vastbesloten om wat het ook was in die witte jurk zo ver mogelijk achter me te laten.

 

Af en toe blik ik achterom. Er is niemand achter me.

Een paar heuvels later bereik ik een stroompje. Ondanks al mijn geren, heb ik geen dorst en ben ik niet moe. Maar het water ziet er zo uitnodigend uit. Knielend bij het stroompje, slurp ik het op. Het smaakt fris en zoet.

In het water zie ik mijn weerspiegeling. Ik ben een jongeman, net zo jong als toen we die talentenjacht deden al die jaren geleden. De bron van de eeuwige jeugd… heb ik die soms gevonden?

Beweging in mijn ooghoek. Ik kijk op.

Een beekforel springt over een waterlelie. Als hij terugplonst, wordt het geluid overstemd door het ruisen van het stroompje. De waterlelies draaien rond en dansen over het oppervlak, een aanblik die vreemd vertrouwd aandoet.

Plotseling kijk ik verbaasd naar het stroompje dat met de heuvels mee omhoog en omlaag stroomt. Ja, het volgt het landschap. Zit ik soms in een videospel of zo, ontworpen door iemand die de zwaartekracht niet heeft begrepen?

Het water druppelt van mijn kin af. Als de ringen van de plons van de beekforel uitsterven, hoor ik vaag tonale geluiden.

Da’s geen vogelzang.

Ik houd mijn adem in. Is dat muziek?

Met mijn hand boven mijn ogen om ze te beschermen tegen het zonlicht kijk ik rond.

 

 

  1. Mijn eerste leugen

 

Ik was het helemaal vergeten, tot de volgende nacht dat ik Lies in paniek in Ellens kamer vond, Grover tegen zich aan geklemd. De volgende ochtend kon ze het zich niet herinneren.

Een paar maanden later gebeurde het weer. En toen een paar weken later.

Ik probeerde haar te overtuigen om mee te komen naar de dokter. Ze zag niet in waarom.

De volgende keer dat ik midden in de nacht wakkerschrok, hoorde ik iemand praten in de badkamer.

Ik sprong uit bed en trof haar aan op de douchekruk voor de spiegel.

‘Wat doe je?’ vroeg ik.

‘Kijk. Janet van hiernaast is op de koffie gekomen.’

Het was alsof ik een voorhamer in mijn gezicht kreeg. Ik kon het niet langer negeren, kon mezelf niet meer voorliegen, mijn vermoedens niet meer ontkennen.

‘Ze gaat morgen met kleine Tommy naar de Efteling,’ zei ze. ‘Zal ik met Ellen meegaan?’

Dus ging ik alleen naar de dokter. Ze zei: ‘Het kan van slapeloosheid en slaapwandelen komen. Dat gebeurt weleens bij vrouwen in de overgang. Slaapgebrek kan hallucinaties veroorzaken. Maar je moet onder ogen zien dat het ook de eerste tekenen van dementie kunnen zijn.’

Al die keren dat ze boodschappen was gaan doen, schoten door mijn hoofd. Ze grapte altijd dat ze niet overweg kon met de GPS in de nieuwe auto. ‘Die luistert niet naar me. Die rotauto heeft me weer mee op de toeristische route genomen.’

En dan die keer dat ze thee wilde zetten en de gieter vulde. ‘O ja,’ zei ze. ‘Dan ga ik wel eerst de plantjes water geven.’

Ik was blijkbaar blind voor alle voortekens. Of wilde ze niet zien.

Ik maakte een afspraak met de dokter. Op de afgesproken dag verzamelde ik al mijn moed en zei tegen Lies: ‘Kom, anders komen we te laat voor je doktersafspraak.’

‘Doktersafspraak?’ vroeg ze verbaasd.

‘Ben je het vergeten? Je hebt vandaag om twee uur je jaarlijkse controle-onderzoekje.’ Ze had nog nooit een controle-onderzoek gehad.

Toch antwoordde ze: ‘O, natuurlijk.’

 

 

  1. On the beach at Waikiki

 

Daar is het: felle kleuren en ritmische bewegingen. Daar komt de muziek vandaan: van de horizon, net aan de andere kant van het hek. Ik spring op en begin weer te rennen.

Elke keer als ik over een heuveltop kom, wordt de muziek harder, de kleuren duidelijker.

Mensen dragen bloemenkransen: Hawaïaanse leien. Ze dansen in de sneeuw tussen kampvuren en onder… zijn dat sneeuwbedekte palmbomen?

Flikkerende lichtjes in alle kleuren… een grote kerstboom?

Lies was gek op kerstbomen.

Nee, een mallemolen in de vorm van een kerstboom, vol lachende kinderen. Of een enorme kerstboom die omgebouwd is tot mallemolen?

Ellen was gek op mallemolens.

Ze spelen ‘On the beach at Waikiki’, het nummer dat ik in de talentenjacht zong. Toen was ik nog een amateur, een tiener. Hawaïmuziek en country is waar ik mee ben begonnen.

Lampionnen in alle kleuren bungelen als kerstversieringen in de palmbomen. Ik druk mijn gezicht tegen het kippengaas en ruik kampvuurrook. Ja, het is een luau. Tenminste, de soort luau die wij vroeger hadden, de soort waarvan we dachten dat ze die in Hawaï hadden. We hadden ze in tijdschriften, films en polygoonjournaals gezien in onze vroege tienerjaren.

Toen ze die tijdschriften, platen en films kwamen verbieden, klampten we ons vast aan dat paradijs, vastbesloten om weg te rennen naar Hawaï zodra we groot waren.

Vijf jaar lang leefden we in angst, bibberend elke keer dat we een van die vliegende bommen hoorden komen, onze adem inhoudend en luisterend of het motorgeluid constant of sputterend was, biddend dat hij niet uit zou vallen, prevelend: ‘Onze lieve heerke, geef ‘em nog een douwke’.

Totdat de yankees en Canadezen kwamen en de nazi’s eruit trapten, zodat ik eindelijk jazzgitaristen zoals Charlie Christian kon ontdekken. Dat bezegelde mijn lot.

En toch, Waikiki Beach, mijn hele leven wou ik erheen. Ik ben er nooit toe gekomen, had nooit tijd, nooit geld… misschien was ik gewoon bang dat de werkelijkheid niet tegen de droom op zou kunnen.

Voorbij de luau zie ik oceaangolven op een wit strand aanspoelen. Surfplanken en uitleggerkano’s snijden door de golven zo ver het oog reikt.

Onder de ronddraaiende kerstboom zie ik gezichten van familie. En gezichten van mijn eerste band. Bart, die later een grote bakkerij zou hebben; Evert, die de grootste DAF-dealer zou worden; en Ralf die topbankier werd. En…

‘Lies!’ roep ik uit.

Daar is ze. Ze is zo jong… net als tijdens die talentenjacht. Ze danst met… Jezus, da’s pap! Hij danst ook! Hoe kan dat? Hij had nooit ritmegevoel.

‘Lies.’ Op en neer springend zwaai ik. Tranen wellen op.

Ze kijkt om. ‘Mark!’ Ze zwaait, laat pap los en komt aanrennen.

‘Pappie!’ Mijn dochters stem. Ellen. Ze zit op een enorme zwaan op de kerstboommallemolen. Grover zit op de zwaan naast haar.

Er gaat een schok door me heen. Het is zoveel jaar geleden. Wanhopig probeer ik mijn tranen terug te drukken.

‘Je bent er eindelijk.’ Lies staart me aan met die glimlach die ze altijd had als we samen muziek maakten.

‘Ja.’ Ik steek mijn vingers door het kippengaas.

Ze verdwijnen voor mijn ogen.

Verschrikt trek ik mijn hand terug: mijn vingers zijn er weer. Stomverbaasd kijk ik ernaar.

‘Ik krijg je wel, pappie!’ Ellen bukt naast de mallemolen, schraapt sneeuw bijeen en maakt er een grote bal van.

Langzaam steek ik mijn wijsvinger door het gaas.

Mijn vingertop verdwijnt.

Ik trek terug.

Daar is mijn vingertop weer.

Ik steek mijn vinger nog eens door het gaas: het topje verdwijnt weer.

Meer van mijn vinger verdwijnt als ik verderga: alles voorbij het kippengaas verdwijnt.

Giechelend reikt Lies naar mijn hand. Ook haar vingers verdwijnen voorbij het kippengaas. Onze vingers zien eruit alsof ze zijn afgehakt en de stompjes elkaar raken… maar dat doen ze niet: ik voel Lies niet.

Ellen lacht en gooit haar sneeuwbal naar me.

Ik buk… te laat: de sneeuwbal gaat me recht in mijn gezicht raken.

Maar als de sneeuwbal tegen het hek knalt, verdwijnt hij.

Geen scherpe mep, geen natte koude in mijn gezicht. Niks.

‘Kom je naar de kerstluau?’ vraagt Lies. ‘Ik wil met je spelen, net als vroeger.’

‘Hoe kom ik aan de andere kant van dit hek?’

Ze kijkt naar links en rechts. ‘Er moet hier ergens een poort zijn.’ Ze fronst. ‘Ja, ik kan me herinneren door een poort te zijn gegaan… een heel mooie, glanzend witte.’

Mijn hart maakt een sprongetje. ‘Waar?’

‘Weet ik niet precies.’ Ze kijkt rond. ‘Ik dacht dat hij hier was.’ Ze schokschoudert. ‘Kan niet ver zijn.’

‘Wacht hier op me.’ Ik kijk langs het hek in de richting waar ik nog niet ben geweest.

 

 

  1. Ze hebben haar gehaald.

 

Het bleek inderdaad Alzheimer te zijn, een onbehandelbare vorm.

Gelukkig hadden we gespaard voor Ellens studie. Dat geld hadden we nog. Dus kon ik me veroorloven om te stoppen met mijn baan als studiomuzikant zodat ik voor Lies kon zorgen. Een tijdje in ieder geval.

Aanvankelijk bleef ik mezelf wijsmaken dat misschien met gezond eten en beweging… En ik putte hoop uit lucide momenten en elk nieuwsartikel over wetenschappers die genezing op het spoor waren.

Maar ze ging langzaam achteruit. In het begin vergat ze alles wat gisteren was gebeurd.

Al gauw vergat ze wat er vorige maand was gebeurd. Steeds vaker moest ik ’s nachts uit bed springen omdat ze Ellen zocht of voor de spiegel tegen “Janet” zat te praten.

Op een nacht hoorde ik de voordeur dichtvallen. Tegen de tijd dat ik mijn pantoffels en jas aanhad en de voordeur open, was ze nergens meer te bekennen.

Ik vond haar twee straten verder, op zoek naar Einsteinstraat 14, waar ze als kind had gewoond.

‘Papa zal boos zijn als ik zo laat thuiskom,’ zei ze.

‘Ach, schatje, de Einsteinstraat is deze kant op,’ loog ik. Ik had al snel geleerd dat ik niet kon discussiëren met dementie, mee moest gaan met haar realiteit. Ik had altijd een hekel gehad aan liegen, maar het werd een deel van mijn leven. Het werd verbazingwekkend gemakkelijk, hoewel ik het gevoel bleef houden dat ik haar verraadde.

Ik moest sleutels, bankpasjes en geld voor haar verbergen. Want bang van dieven verstopte ze die op de gekste plekken: wasmachine, ijskast, schoorsteen…

Al dat was niet echt een probleem. Het echte hartverscheurende was dat ze Ellen bleef zoeken. Terwijl ze meer van haar geheugen verloor, kreeg ze steeds meer angst voor haar Ellen.

‘Ze hebben haar gehaald.’ Ze zat aan de keukentafel naar de sandwich te kijken die ik voor haar had gemaakt.

‘Wie?’

‘Haar, haar… ze hebben haar meegenomen.’

Ik legde mijn arm om haar heen. ‘Ach, schatje, maak je geen zorgen. Ze is op school.’

‘Nee!’ Ze schudde me af. ‘Is ze niet. Ze hebben haar meegenomen. Doe niet alsof ik gek ben. Ik weet het. Ze hebben ingebroken en haar meegenomen.’

Ik knielde bij haar. ‘Waarom denk je dat?’

Ze staarde me met wilde ogen aan. ‘Omdat ik het weet.’ Ze tikte tegen haar voorhoofd. ‘Hier. Zie je het niet? Ze zijn ingebroken en hebben haar hier weggehaald.’

 

 

  1. Ik zie dat je je paradijs hebt gevonden.

 

Ik ren weer. De poort was niet waar ik vandaan ben gekomen, dus moet ik verder.

Op elke heuveltop kijk ik om, om zeker te weten dat de kerstboommallemolen en het strand er nog steeds zijn.

De muziek wordt minder. Al snel zie ik alleen nog vage kleuren als ik omkijk.

Op de top van de volgende heuvel tuur ik terug en houd mijn adem in. Geen kleuren, geen muziek meer.

Het geeft me de rillingen. Lies, Ellen, pap… is het er allemaal nog wel?

Ik aarzel. Ik kan niet verder zonder het zeker te weten.

Dus ren ik terug naar de top van de vorige heuvel. Daar kan ik nog net een stipje flikkerend licht aan de horizon zien. En ik geloof dat ik een Hawaïgitaar hoor huilen op de bries. Opgelucht haal ik adem en vervolg mijn reis.

Urenlang ren ik, maar de zon blijft recht boven me hangen. En ik zie alleen maar hek naast me: nergens een poort.

Het lijkt een oneindig aantal heuvels en bosstukken die ik achter me laat. Misschien moet ik omkeren. Misschien ren ik al de hele tijd de verkeerde kant op.

Bij de top van een heuvel stop ik met rennen en kijk achterom. Net als ik wil omkeren, hoor ik iets wat me kippenvel bezorgt.

Een sirene?

Ik tuur vooruit. Rode en blauwe nevelflarden drijven door de heuvels in de verte.

Misschien is daar de poort?

Ik ga verder, mijn voeten vliegen van opwinding. Na een paar heuvels herken ik het gejank: een elektrische gitaar die een versterker overstuurt. Het komt van die paarse mist verderop die verlicht wordt door felle flitslichten. De gitaar speelt de riff van Jimi Hendrix’ “Purple Haze.”

Nee, dat kan toch niet?

Als ik de paarse mist in ren, moet ik afremmen.

Woekerende, kleurrijke bloemen overal om me heen, sommige stengels dik als boomstammen. De nevel is zo zwanger van geuren dat ik aardbeien, seringen and hyacinten op mijn tong proef.

Waar het geluid het hardst is, zijn de lichten het felst. Ze schijnen aan de andere kant van het hek. Ik tuur door de nevel heen en zie schaduwen bewegen.

‘Hé!’

Een gillende gitaar overstemt me: hij begint een wilde improvisatie over een bluesschema.

‘Is daar iemand?’ schreeuw ik zo hard ik kan.

De gitaar gaat met septiemakkoorden door een kwintencirkel.

Dat heb ik hem geleerd!

‘Eddy?’ roep ik uit. ‘Halve sterke, ben jij dat?’

De akkoorden vallen uiteen en gaan over in een oorverdovende fluittoon. De snaren worden afgedempt, de fluittoon stopt.

‘Mark?’

Ineens trekt de mist op en onthult een weide bedekt met gigantische bloemen.

Daar is hij dan, me stomverbaasd aankijkend: Eddy met een grote zwarte hoed, een negentiende-eeuwse soldatenjas, een veelkleurig shirt en een Stratocaster-gitaar voor een muur Marshallversterkers en lichtorgels. Hij staat op een Perzisch tapijt, waarop schaars geklede meiden met bloemen in hun haar in een cirkel naar hem op zitten te kijken, glimlachend, bewonderend.

Ik gniffel. ‘Ik zie dat je je paradijs hebt gevonden.’

‘Mark!’ Hij springt over een van de meiden heen en zigzagt door de enorme bloemenstammen op me af. ‘Man, wat is het fijn je te zien. Hoe ben jij in vredesnaam aan die kant van het hek terechtgekomen?’

‘Weet ik niet.’ Ik lach. ‘Wat is er met jou gebeurd nadat je naar Engeland bent vertrokken? We bleven naar Beat-Club kijken en RTL luisteren in afwachting van jouw grote doorbraak.’

Schokschouderend kijkt hij naar zijn laarzen. ‘Ik had bij jou moeten blijven op tournee door het continent.’ Hij draait zich om en roept: ‘Hé, weet je wie dit is?’ Hij wijst naar mij.

De meiden kijken me aan en schudden het hoofd. ‘Moeten we dat weten?’

‘En of je dat moet.’ Hij stuitert als een puppy die zijn baas ziet. ‘Dit is de beste gitarist van de wereld.’

‘Mieters,’ roepen de meiden.

Ik voel me rood aanlopen. ‘Hij overdrijft.’

‘Niks ervan.’ Hij blijft op en neer springen en naar me wijzen. ‘Overal waar hij speelde, zat de zaal vol gitaristen die op al zijn vingerbewegingen zaten te letten. Ik ook… totdat er een plek vrijkwam in zijn band. Drie jaar heb ik met hem gespeeld.’ Hij kijkt me aan. ‘Je hebt me zoveel geleerd.’

‘Totdat je een popster wilde worden.’

‘Ik was het zat om te spelen voor… uh… ouwe lullen. Ik wou…’ Hij kijkt achterom.

‘Kweetet,’ zeg ik. ‘Nu heb je het.’

Hij knikt met een melancholieke glimlach.

‘Wat is er gebeurd?’

Hij slaat zijn ogen weer neer. ‘Ik… uh, die beatgroep waar ik bij ging in London… weet je nog hun platencontract? Je had gelijk. Maar wat ze wel hadden, was lekker snoepgoed. Lang verhaal kort: ik heb een overdosis gehad.’

Het voelt alsof iemand me met een moker in mijn gezicht slaat. ‘Maar je was zo jong.’

‘Ik kan niet geloven dat je er bent, man. Kom, we spelen “A foggy day in London Town”.’

‘Ik heb mijn gitaar niet.’

‘O, nee?’ Met een guitige glimlach draait hij zich om. Als hij zich terugdraait, heeft hij een Gibson ES335 gitaar in sunburstkleuren in zijn handen. ‘Kijk eens wat ik heb gevonden.’

Mijn mond valt open. ‘Is dat de mijne?’ Ja, het stukje is eruit waar die bierpul ertegenaan was gegooid toen we op het Oktoberfest speelden.

‘Lijkt erop, hè?’

‘Hoe heb je dat gedaan?’

‘Simpel. Je stelt je gewoon voor dat je hem hebt.’ Hij schokschoudert. ‘Wil je hem?’ Hij gaat door zijn knieën en kijkt naar de bovenkant van het hek.

‘Nee! Dan gaat hij kapot.’

‘Geen zorg.’ Hij springt op en lanceert de gitaar.

Ik ga in vanghouding.

Maar als de gitaar over het hek vliegt, verdwijnt hij.

Ik kijk Eddy verbaasd aan.

‘Och, vergeten.’ Hij kijkt me bedroefd aan. ‘Het werkt niet aan die kant van het hek. Jammer.’

‘Hoe kan ik aan jouw kant komen?’

‘Gewoon door de poort lopen, man.’

‘De poort. Daar zoek ik naar. Hoe vind ik die?’

Hij trekt een peinzend gezicht. ‘Ik denk niet dat je dat kunt.’

‘Maar hoe heb jij hem gevonden?’

‘Hij heeft mij gevonden.’

‘Hoe? Ik snap het niet.’

‘Hij zal je vinden zodra je er klaar voor bent, vooropgesteld dat je er ooit klaar voor bent. Hoe ben jij aan die kant van het hek gekomen? Je was altijd zo’n braverik. Je dronk niet eens. En ik heb je nooit boos gezien of zo.’

Ik schokschouder. ‘Weet ik niet.’

‘Je moet iets hebben misdaan.’

Ik huiver. Natuurlijk heb ik iets misdaan. ‘Iets heel ergs.’

‘Kom, Eddy,’ zegt een van de meiden. ‘Speel nog wat.’

Hij glimlacht. ‘Mijn publiek roept om me.’

‘Wat bedoel je met: klaar? Hoe word ik klaar?’

‘Dat kan ik je niet vertellen.’

‘Waarom niet?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Als je ooit aan deze kant komt, kom me dan opzoeken. Gaan we lekker jammen.’

‘Wacht. Hoe ben jij…?’

Maar hij draait zich om en speelt het intro van “Little Wing”.

Terwijl de paarse mist weer terugkomt en mijn adem wegneemt met de smaak van aardbei en hyacint, gaat hij terug naar zijn plek op het tapijt omgeven door de meisjes.

Hij is slechts een silhouet in de mist als hij teder zijn eerste chorus speelt, de snaren strelend in Wes Montgomery-stijl.

Als hij hem opendraait en de gitaar begint te huilen, val ik op mijn knieën en huil tranen met tuiten.

 

 

  1. Die naam heb ik altijd gehaat.

 

Met het erger worden van de ziekte, verloor Lies steeds meer jaren en werd steeds vertwijfelder over Ellen.

‘Ik hoorde de baby huilen,’ zei ze.

Het was weer zo’n nacht dat ze Ellens kamer in was geslopen.

Ik vond haar van voor naar achter wiegend op Ellens bed. Ze drukte Grover als een baby tegen zich aan.

‘We moeten hem een naam geven.’ Ze keek met een woedende blik naar iets wat ver achter me lag.

‘Grover, schatje, zijn naam is Grover.’

‘Wat is dat nou voor naam voor een baby?’

‘Nee, schat. De beer heet Grover.’

‘De baby moet een naam hebben. Waarom hebben we die nog geen naam gegeven?’

‘Ellen. Haar naam is Ellen.’

Ze schudde haar hoofd en rilde alsof ze spruiten had gegeten. ‘Die naam heb ik altijd gehaat.’

 

 

  1. Ze trekt haar ondergoed uit.

 

Terwijl ik wegwandel bij de paarse nevel veranderen de gigantische bloemen in cactussen en de heuvels in woestijn. Het laatste sirenegezang van Eddy’s gitaar sterft uit.

Ik kan niet meer rennen. Voor het eerst sinds ik hier ben, ben ik moe. Ik wil alleen maar gaan liggen. Wat voor zin heeft dit allemaal?

Toch dwing ik me om verder te gaan. Ik kan het niet opgeven. Niet nog eens.

Plotseling hoor ik voetstappen in het zand achter me. Ik draai me om en staar weer in die uitpuilende ogen.

‘Mark,’ zegt ze. Haar griezelig schorre stem en verwrongen trekken komen me vreemd bekend voor. ‘Ik weet dat het moeilijk moet zijn om me te vergeven.’

Ik draai me om en ren weg. Ik kijk weer om als ik aan het einde van de woestijn ben.

Aan de voet van een rotsachtige heuvel draai ik me om. De stenen zijn lekker warm aan mijn voeten.

Ze is nog steeds midden in de woestijn. Tot mijn verbazing trekt ze haar jurk, haarband en parels uit en drapeert ze over een cactus. Ze trekt haar hoge hakken uit en zet ze bij de cactus. Haar sigarettenpijpje ligt er al. Ze trekt haar ondergoed uit.

Helemaal naakt begint ze weer op me af te lopen, haar ogen onafgebroken op me gericht. Een paar stappen later verdwijnen haar kleren van de cactus en heeft zij ze ineens weer aan.

Ik draai me om en ren de heuvel op.

 

 

  1. Bent u mijn vader?

 

Het werd zo erg dat ze elke nacht uit bed sloop. Meerdere keren. Altijd bezorgd, altijd zoekend, zonder te weten wat ze zocht.

Ik had de logeerkamer omgebouwd in een thuisstudio en produceerde jingles en muziek voor films, videospelletjes en zo. Want ons spaargeld was op. Muziek produceren in mijn eigen studiootje bleek een zegen te zijn. Omdat ik de hele dag met Lies in de weer was en te weinig slaap kreeg, miste ik wel soms deadlines. Maar verder was het geweldig: had ik veel eerder moeten doen.

De dokter kwam elke week kijken. Ze vond het verstandiger voor ons als ik Lies naar een verzorgingshuis zou brengen. Maar gelukkig zette ze me niet onder de druk. Ze wist dat ik Lies en mij niet uit elkaar zou laten halen.

En toen kreeg Lies een griep. De dokter schreef antibiotica voor. Janet ging ze halen. Ze deed al maanden boodschappen voor ons. Ik durfde Lies niet meer alleen te laten.

Na twee nachten had Lies ineens 39,5 en moest met spoed naar het ziekenhuis.

Daar bleef ze drie weken, grotendeels bewusteloos. Ik moest wennen aan een leeg huis. Gelukkig kon ik mijn studiootje in ontsnappen.

Ik kwam elke dag op bezoek. Dan zat ik naast haar bed wat te componeren of mixen op mijn laptop in afwachting tot ze uit haar halve bewusteloosheid zou komen. Maar de eerste keer dat ze me weer helder aankeek, zei ze: ‘Ik ken u. Bent u mijn vader?’

Een paar dagen later besefte ik dat ik de vrouw die mijn echtgenote was kwijt was. Ik zei niet meer dat ik haar man was.

 

 

  1. Ken ik u?

 

Felle kleuren en ritmische bewegingen aan de horizon aan de andere kant van het hek.

Ik houd mijn adem in.

Ja, muziek.

Ik ren verder.

Elke keer dat ik over een heuveltop kom, worden de kleuren helderder, de muziek harder.

Het komt me bekend voor.

Mensen met leien dansen inderdaad in de sneeuw tussen kampvuren en veelkleurige lampions die aan sneeuwbedekte palmbomen hangen. Daar is de kerstboommallemolen.

Alleen speelt er nu countrymuziek: “Don’t fence me in.” En die kleine, raamloze blokhut aan deze kant van het hek, tegenover de mallemolen, was er eerder ook niet.

Hoe kan ik weer hier terug zijn?

Dit hek… loopt het soms in een cirkel?

Ik houd mijn hand boven mijn ogen en kijk langs het hek.

Lijkt kaarsrecht.

Ik kijk opzij. Als het hek cirkelvormig is, zou ik het dan niet daar aan de horizon ook moeten zien?

Maar ik zie slechts heuvels. Misschien ligt het hek daarachter?

Ik kijk achter me. Daar lijkt het hek ook kaarsrecht.

Een witte, fonkelende gestalte komt eraan. Ik kan net de jurk met kwastjes, de veer en het sigarettenpijpje onderscheiden. Ze zit nog steeds achter me aan!

Ik ren naar het kippengaas het dichtst bij de mallemolen. ‘Lies!’

Ze danst nog steeds met pap.

De monsterachtige dame komt dichterbij.

‘Lies!’ Mijn stem slaat over.

Lies kijkt me aan en fronst, maar ze blijft dansen.

‘Lies!’ Ik sla op het kippengaas. Het rammelt en galmt harder dan de muziek.

Iedereen kijkt naar me.

‘Help, Lies!’

Ze laat pap los en komt naar het hek.

Ellen fronst ook al naar me, maar ze blijft op de zwaan zitten.

‘Laat me erin,’ roep ik uit.

‘Ken ik u?’ Lies kijkt me aan alsof ze recht door me heen kijkt.

‘Kennen?’ Dit kan niet waar zijn. ‘Ik ben het: Mark. Je man.’

‘Mark?’ Ze denkt even na en glimlacht dan. ‘Natuurlijk. Mark.’

Pap komt bij Lies staan.

‘Help me, alsjeblieft.’ Ik kijk naar de monsterachtige vrouw.

Ze is nog maar een paar passen verwijderd.

Ik wijs naar haar. ‘Zij zit achter me aan, Lies. Laat me erin!’

‘Was hier niet ergens een poort?’ Ze tikt op paps schouder.

Pap staart naar het monster.

‘Doe iets, pap!’ schreeuw ik. ‘Pak een koevoet, laat me erin.’

Ik grijp in het kippengaas maar mijn vingers verdwijnen.

Pap kijkt me aan met dezelfde blik als Lies. ‘Gewoon blijven staan, Mark.’

Ik kijk hem verbaasd aan. Waarom helpen ze niet? Zien ze niet dat ik in gevaar ben?

De mallemolenmuziek verandert in Billy Eckstines “I apologize”.

Pap maakt een kalmeergebaar. ‘Niet bang zijn.’

De grote, dreigende ogen van het monster zijn vlakbij.

Ik val op mijn knieën, ruk graspollen uit de grond en graaf onder het kippengaas. Het rulle zand graaft gemakkelijk maar er lijkt geen eind aan het kippengaas te komen: het gaat dieper en dieper.

‘Vergeef me,’ zegt haar schorre stem in mijn oor.

Ik spring op en ren weg.

Als ik achterom kijk, volgt ze me niet.

Ik stop en draai me om.

Ze staat bij het gat dat ik net heb gegraven, kijkt naar pap en steekt haar hand uit. Haar vingers verdwijnen voorbij het kippengaas.

Pap steekt zijn hand ook uit. Zijn vingers verdwijnen ook voorbij het kippengaas. Hun stompjes lijken elkaar te raken. Ze kijken in elkaars ogen en zeggen niks.

Lies keert terug naar de feestende mensen onder de palmbomen.

Pap en de monsterdame blijven elkaar in de ogen staren. Plotseling draaien ze tegelijkertijd hun hoofd naar mij. En dan kan ik voor het eerst door de monsterachtige ogen en verwrongen trekken heen kijken. Ik herken haar.

‘Mam?’ mompel ik en loop aarzelend terug. ‘Ben jij dat?’

Ze reikt naar me. ‘Mark, kun je me vergeven, alsjeblieft?’

‘Maar, mam, waarom?’

Ze valt op haar knieën en staart me aan met die uitpuilende ogen. ‘Hij speelde saxofoon.’

Ik grijp haar handen. ‘Waar heb je het over?’ Ik kijk naar pap.

Hij kijkt bedroefd terug.

‘Ik hield zo van dansen. En Hank… nou je weet wel. En hij speelde daar elke zaterdag. Ik kon mezelf er nooit toe brengen het je te vertellen.’ Ze knijpt in mijn hand. ‘Hank ook niet.’

Het is beklemmend als ik het begin te beseffen…

Ze kijkt pap aan. ‘Tot ik hier aankwam, wist ik niet dat Hank het altijd al wist.’

Als ik de gruwelijke waarheid begrijp, schud ik mijn hoofd. ‘Nee.’

Daarom zong mijn lieve vader altijd vals? Daarom had hij geen ritmegevoel. ‘Zeg dat het niet waar is.’

‘Het is waar.’

Tranen springen in mijn ogen. ‘Pap?’

‘Het is waar,’ bevestigt hij. ‘Maar dat doet er niet toe, heeft er nooit toe gedaan. Je bent en blijft mijn zoon.’

Terwijl mijn tranen vloeien, draai ik me om en ren weg.

‘Jongen, kom terug. Je moet…’

Maar ik luister niet meer. Ik wil niks meer horen.

 

 

  1. De Begrafenisclub

 

Het was de moeilijkste beslissing van mijn leven. De dokters wisten het zeker: ze kon niet meer thuisblijven. Ik moest haar van het ziekenhuis naar een verpleeghuis laten brengen.

Ik ging er elke dag van acht tot tien heen. Aanvankelijk zocht Lies nog: de hele dag wilde ze door de gangen en tuinen van het verpleeghuis zwerven, voortdurend boos omdat ze niet wist wat ze zocht.

Tot ze het zoeken vergat en in een stoel zakte. Er kwam een rare rust over haar heen.

Ik maakte een hoop nieuwe vrienden: mannen en vrouwen die echtgenoten bezochten, af en toe een zus, broer of kind van hen. Het leek veel op toen ik door Europa toerde met verschillende bands, voordat Ellen geboren was en ik studiomuzikant werd.

Er kwamen nieuwe mensen bij en we lieten ze het klappen van de zweep zien: trucjes hoe we onze dierbaren eten moesten geven, hoe we zorgden dat ze genoeg vocht kregen, hoe we de gordels van hun stoelen controleerden. We vielen voor elkaar in als een van ons ziek werd.

Vrienden verlieten ons kringetje weer als hun dierbaren doodgingen. We noemden onszelf de “Begrafenisclub.” Gemiddeld moesten we eens per week naar een begrafenis.

Alles werd natuurlijk moeilijker toen mijn pomp op begon te spelen. Maar een pacemaker en een looprek zijn niet het einde van de wereld. Janet en de Begrafenisclub hielpen me waar ze maar konden.

Lies’ vocabulaire was tegen die tijd gekrompen tot één woord: ‘Goeie.’ En dan aaide ze over mijn hand.

 

 

  1. Precies wat ik nodig heb om mezelf te reinigen

 

Ik voel me vuil. Elke cel van mijn lichaam is vervuild. Ik ben mijn moeders leugen, haar verraad aan mijn vader.

Al die keren dat ik mijn vader geplaagd had omdat hij geen ritmegevoel had, dat hij niet kon zingen… Al die keren dat hij geprobeerd had me te leren hoe je een spijker inslaat…

De wereld is blauwe, gele en bruine waterverf die door elkaar loopt. Grof, heet zand tussen mijn tenen. Ik droog mijn tranen.

Ik ben in een goudbruine woestijn. Verderop is een oase: palmbomen en een meertje.

Water. Precies wat ik nodig heb om mezelf te reinigen.

Ik ren naar de oase. Onder de schaduw van palmbladeren duik ik het water in.

Recht omlaag, recht omlaag…

Het water stroomt om me heen, het donker slokt me op terwijl ik dieper zink. Het is zo koel en schoon… maar slechts oppervlakkig.

Ik open mijn mond om te ademen. Hij loopt vol water.

Uit alle macht zuig ik het water mijn longen in.

Waarom stik ik niet? Waarom verdrink ik niet? Hoe diep is deze oase?

Het duister wordt gitzwart.

Lies, Ellen… Ik moet terug!

In paniek pers ik het water mijn longen uit. Ik draai me om en spartel.

Daarboven: dat puntje golvend, blauw licht. Omhoog zwemmen is als een oneindig lange zwarte tunnel.

Het lichtpuntje wordt langzaam een schijf. Golvende zonnestralen spelen in het water. Even later breek ik door het oppervlak, spuw het laatste water uit en adem diep door.

Ik zwem naar het strand en kruip op het zand. Het straalt een koesterende warmte uit. Dus blijf ik liggen piekeren wat ik moet doen.

 

 

  1. Vlinders en vogelzang

 

Alzheimer is de langzaamste manier van sterven. Steeds weer denk je dat de ziekte alles al heeft genomen. Steeds weer verbaast hij je door nog iets te vinden om af te pakken.

Het was maanden geleden sinds het laatste woord dat ze had gesproken. Het aaien was een zwak kneepje geworden, toen ze begon te vergeten hoe je slikt. Als ik er een halve liter in kreeg, tien uur lang proberend met theelepeltjes vol pudding en ranja, was het een goede dag. Maar vreemd genoeg leek ze tevreden, gelukkig zelfs, die laatste paar weken.

Ze vergat slikken helemaal. En op een zonnige zomerdag met een koel briesje dat door het raam binnenkwam, vergat ze om te ademen.

Toen ik haar kuste, voelde ze al koud aan. Ik liet haar hand los en stond op. De verpleegster sloot langzaam het raam.

Een beeld van Lies’ ziel die door de spleet naar buiten glipte, schoot door mijn hoofd.

‘Om de vliegen buiten te houden,’ zei de verpleegster.

Ik knikte en greep mijn looprek. ‘Meneer pastoor?’ Ik volgde hem de kamer uit. ‘Ik wilde vragen…’

Hij draaide zich naar me om. ‘Ja?’

‘Ze zeggen dat de ziel het lichaam verlaat op het moment van de dood.’

Hij legde zijn hand op mijn schouder. ‘Ze is nu op een betere plek.’

‘Maar het duurde jaren…’ Ik drukte mijn tranen terug. ‘Ik bedoel: zat haar ziel al die jaren gevangen in haar?’

Hij fronste. ‘Het moment van de dood kan soms een reis zijn die jaren duurt. Ik weet zeker dat een deel van haar al jaren in het paradijs was.’

Ik knikte. ‘Bedankt.’ Dat verklaarde die rust die ze kreeg, al die jaren geleden.

Toen ik later die dag het verpleeghuis verliet, was ik verbaasd dat de zon hoog aan de hemel stond, vlinders en vogelzang in de lucht, spelende kinderen overal. Ik besefte dat ik de enige was voor wie de wereld zojuist aan zijn eind was gekomen.

 

 

  1. Je moet haar vergeven.

 

Als ik terugkom, draait nog steeds “I apologize.” Mam en pap staan nog steeds aan weerszijden van het hek, hun halve vingers raken elkaar ogenschijnlijk door het kippengaas.

Lies en Ellen staan bij de luau suikerspinnen te eten. Ze nemen me niet waar.

Mam en pap kijken wel naar me. Als ik nader, laat mam pap los en draait zich naar me toe.

Ik neem haar gezicht in mij op. Het is niet meer mondsterachtig. Ik was vergeten hoe mooi ze was toen ze jong was. Of beter: hoe mooi ze eruit zag op oude foto’s. Ze ruikt naar mam, naar liefdevolle, verzorgende mam.

Als ik voor haar sta, valt ze op handen en voeten en buigt haar hoofd tot haar voorhoofd mijn tenen aanraakt. ‘Het spijt me zo.’ Haar voorhoofd wrijft over mijn tenen.

Ik kan het niet uitstaan dat mijn moeder zich zo vernedert. ‘Doe niet zo gek.’ Ik buk, grijp haar handen en til haar omhoog. Ze blijft op haar knieën zitten en kijkt omhoog naar me met grote ogen.

‘Niets…’ Ik kijk snel naar pap.

Hij geeft me een knikje.

‘…niets moet je spijten. Je hebt me gemaakt wat ik was.’ Ik staar in haar ogen. ‘Jullie allebei. En ik ben eeuwig dankbaar dat ik mijn muziektalent mee heb gekregen.’

Tranen stromen over haar wangen.

Ik probeer haar nog eens omhoog te trekken.

‘Je moet haar vergeven,’ zegt pap.

Ik frons. ‘Maar dat doe ik.’

Hij wijst naar haar. ‘Je moet het zeggen.’

Ik kijk in haar ogen. ‘Ik vergeef je.’

Ze staat op en valt in mijn armen.

 

 

 

  1. Bordeauxrode fluwelen gordijnen

 

Ik ging nog weleens naar de Begrafenisclub om te helpen. Maar mijn thuis weg van thuis begon steeds meer als iemand anders’ huis te voelen. De Begrafenisclub deed zijn best om me welkom te laten voelen, maar terwijl er mensen wegvielen en vervangen werden door nieuwe, voelde ik me steeds meer een indringer.

Ik probeerde weer muziek te produceren, maar kon mezelf er niet meer toe brengen. Ik had mijn pensioen. Het was niet veel, maar genoeg.

Ik vond een nieuw doel in oude Super 8-filmpjes en video’s overzetten naar DVD’s. Toen ik dat klaar had, bracht ik mijn dagen door met in een van de twee luie stoelen in de huiskamer naar oude filmpjes kijken, genietend van mijn herinneringen.

Grover zat natuurlijk in de andere stoel.

Ik keek naar al die plaatsen waar we op tournee waren geweest: van Kopenhagen tot Genève. Ik op het podium met big bands en trio’s. Ellens eerste pasjes, bezoekjes naar Six Flags en de Efteling. Het maakte dat ik me dicht bij Lies, Ellen en oude vrienden voelde. En om dicht bij hen te blijven, hield ik de bordeauxrode fluwelen gordijnen gesloten om de wereld, die meedogenloos bleef draaien, buiten te houden.

 

 

  1. De boog

 

Mam heeft me nog nooit zo innig omhelst. ‘Bedankt.’ Ze streelt mijn haar en laat me los.

Bij pap is ineens het hek verdwenen. Hij staat tussen twee spierwitte pilaren, verbonden door een boog. Aan weerszijden van de pilaren gaat het hek verder.

Eindelijk: de poort, ik heb de poort gevonden.

Of zij heeft mij gevonden.

Mam kust me op mijn wang. ‘Ik moet gaan. Eindelijk kan ik bij Hank zijn. En de rest van de familie.’

Ik snap het en knik.

Ze laat me los en loopt naar pap. Ze omhelzen elkaar innig.

Vreugde stroomt door mijn lijf als ik naar de poort loop. Eindelijk kunnen we weer bij elkaar zijn.

Pap draait zich om en houdt een arm over mams schouders. Samen slenteren ze naar de luau.

Met een zucht van verlichting volg ik hen en stap door de boog.

 

 

 

  1. Ik heb alle films die ik wil

 

De dokter kwam elke maand kijken. ‘Uw bloeddruk is wat hoog,’ zei ze. ‘Waarom gaat u voor de afwisseling niet wat wandelen?’

Ik schokschouderde. ‘Doe ik misschien.’

‘U zou wat beweging kunnen gebruiken. Het is lente. De natuur komt weer tot leven.’

‘Een vlinder landde ooit op Ellens neus,’ zei ik glimlachend. ‘Wilt u het zien?’ Ik duwde mezelf al omhoog om de DVD te pakken. Mijn rug knakte terwijl ik me oprichtte.

Ik schuifelde naar de DVD-kast, steunend op de leuning van Grovers stoel. Mijn knie deed pijn bij elke stap.

‘Andere keer.’ Ze borg de bloeddrukmeter op. ‘Ik had al bij de volgende moeten zijn.’

Ik schuifelde de gang in om haar uit te laten.

‘Gaat u weleens naar de winkel?’ Ze opende de voordeur.

‘Onnodig.’ Hijgend steunde ik aan de voordeur. ‘De maaltijdbezorgservice is prima. En Janet van hiernaast brengt me alles wat ik verder nodig heb. Ze houdt van winkelen. Deze trainingsbroek heeft ze voor mijn verjaardag gegeven.’ Ik probeerde te poseren maar kreeg mijn rug niet helemaal recht.

Ze knikte. ‘Hij staat u.’

Ik weet zeker dat ze loog, maar: maakt niet uit.

‘Waarom gaat u niet naar de film?’

‘Ik heb alle films die ik wil.’ Ik knikte naar mijn DVD-kast in de huiskamer.

 

 

  1. Wat moet ik dan doen?

 

‘Auw.’ Ik stoot mijn teen en deins terug: niets te zien tussen de twee pilaren.

Ik steek mijn hand uit.

Hij stoot ergens tegenaan.

Ik wrijf eroverheen: een glad oppervlak, net een raam of muur. Ik druk ertegenaan: het is zo hard en koud als steen.

‘Ik kan er niet door,’ roep ik uit.

Mam en pap kijken om.

‘Het spijt me, jongen,’ zegt mam. ‘Je bent er nog niet klaar voor.’

‘Maar ik heb je vergeven.’

Ze knikt met tranen in de ogen.

‘Wat moet ik dan doen?’

Pap laat haar los en keert terug bij de poort. ‘Ik weet dat je het kunt, jongen. En ik weet dat ik het nooit heb gezegd, maar ik ben trots op je.’ Hij legt zijn handpalm op de onzichtbare muur.

Ik knijp mijn handen tot vuisten. ‘Maar wat moet ik doen?’ Ik sla tegen de onzichtbare muur. ‘Zeg het dan. Ik doe het!’

Pap fronst. Hij opent zijn mond, aarzelt even alsof hij het er niet uit krijgt. ‘Sorry, jongen. Je moet er zelf achterkomen.’

Ik sla zo hard ik kan tegen de onzichtbare, ondoordringbare muur. De pijn in mijn knokkels gaat weg. De ondraaglijke pijn in mijn hart blijft.

Ik pieker me suf. ‘Wie moet mij vergeven?’ Ik kijk pap aan, zoekend naar aanwijzingen dat ik op het goede spoor ben. ‘Is dat het?’

Hij verroert zich niet.

‘Zeg het me!’ Ik druk mijn handpalmen tegen de onzichtbare muur zo hard ik kan. ‘Heb ik iemand iets aangedaan?’

Met een droevig gezicht draait hij zich om en wandelt met mam naar de dansende menigte.

 

 

  1. Wanneer zou ík mijn reis naar een betere plek beginnen?

 

Ik bracht mijn dagen door met kijken naar elke video die ik ooit had gemaakt, een geweldige ontsnapping uit de leegheid en hopeloosheid. Het bracht me terug naar gelukkiger tijden, ingepakt door de warmte van mijn familie en vrienden, met de troost dat niet alles van hen verloren was. Zolang ik me hen herinnerde, waren ze nog bij me.

Ik kon niet wachten om op te staan ‘s morgens en naar mijn stoel in de huiskamer te gaan om tv te kijken en samen met Lies, Ellen en al mijn oude vrienden te zijn. Elke keer zag ik nieuwe details.

Maar het is vreemd hoe snel ik elke beweging, elk geluid, elk detail kende. Ik kreeg spijt dat ik niet meer filmpjes had gemaakt. Ik besefte dat ik nog slechts oude herinneringen had. De dingen die ik niet had opgenomen, vervaagden snel.

Ik begon mijn herinneringen te onderzoeken, zoekend… hopend zelfs naar tekenen van Alzheimer.

Nee, hoor. Ik wist nog precies welke video’s ik gisteren had gezien, wat ik had gegeten, wanneer ik het laatst met Janet en met de dokter had gepraat. Wanneer zou ík mijn reis naar een betere plek beginnen, waar ik weer samen met Lies en Ellen zou zijn, en iedereen waar ik van had gehouden?

‘Ik maak me echt zorgen om uw bloeddruk.’ De dokter maakte de bloeddrukmanchet los. ‘Weet u zeker dat u geen pilletjes wilt?’

‘Heel zeker. Ik wou nog vragen…’

‘Ja?’ Ze stopte de bloeddrukmeter weer in haar tas.

Ik haalde diep adem. ‘Euthanasie… wat zijn de regels daarvoor?’

Ze keek me geschokt aan. ‘Waarom wilt u dat weten?’

 

 

  1. Dit kan niet

 

Ik val op mijn knieën. ‘Zeg dan toch wat ik moet doen.’ Als ik opkijk, zie ik weer onverbiddelijk kippengaas.

Alsof de poort er nooit is geweest.

Ik sta op, druk mijn voorhoofd tegen het kippengaas en staar naar de luau. ‘Lies, alsjeblieft help me!’

Ze fronst.

‘Lies, alsjeblieft. Heb ik je iets aangedaan? Ik weet dat ik tegen je heb gelogen. Maar ik had geen keus. Dat snap je toch. Alsjeblieft, vergeef me.’

Lies staart naar me. Zelfs Ellen geeft me een boze blik als ze de suikerspin van haar wang veegt.

Eindelijk komt Lies weer bij het hek.

‘Ja, Lies, vergeef me.’

‘Wilt u weggaan? Ziet u niet dat u de kinderen bang maakt?’

Ik ben verbluft. ‘Alsjeblieft, Lies. Ik bied mijn excuses aan. Ik had niet tegen je moeten liegen. Kun je het vergeven?’

‘Ik vraag het u beleefd,’ zegt ze. ‘Wees een heer en val ons niet meer lastig.’

‘Maar Lies, weet je niet meer wie ik ben?’

Ze fronst. ‘Hebben we elkaar ontmoet?’

Nee. Niet weer. ‘Lies, ik ben het! Je man. Lies, zeg niet dat je bent vergeten…’

‘Ik weet dat mensen aan die kant van het hek problemen hebben. Ik snap dat u wanhopig bent. Maar, meneer, reageer het niet op ons af. We kunnen u niet helpen. Ga uw familie zoeken. Uiteindelijk moet iedereen voor zichzelf uitzoeken wat er moet gebeuren. Ik hoop dat u het vindt. Maar houd alsjeblieft op met ons lastigvallen.’

Ik zie in haar ogen dat ze niet liegt. En dat doet oneindig pijn.

‘Vraag Ellen om te komen. Zij kent me.’

‘Meneer, ik snap dat u verward bent. Ze zeggen dat het een kwelling is aan die kant. Maar ik weet niet wie u bent, Ellen ook niet, niemand hier. Val ons niet meer lastig.’ Ze loopt terug naar de luau en zegt iets tegen haar vader en oom.

Ze staren naar me. Een stukje verderop kijken pap en mam ook al boos naar me. Hun blikken messen die in mijn ziel snijden.

Ik deins terug. Dit kan niet. Ze is vergeten wie ik ben. Ik heb haar weer verloren. Ze zijn me allemaal vergeten. Hoe kan dat? Ik kijk rond, zoekend naar een gat waar ik in kan kruipen om me te verstoppen voor hun boze blikken. Tegelijkertijd moet ik bij hen zijn.

De blokhut zonder ramen.

Ik slenter ernaartoe en duw tegen de deur. Hij zwaait open en onthult een overbekende aanblik.

De zwarte koffietafel op het Perzische tapijt, de tv en DVD-speler, de twee luie stoelen, de DVD-kast, de goudkleurige lampenkap in de hoek… bordeauxrode fluwelen gordijnen langs de muren… wat vreemd lijkt aangezien deze blokhut geen ramen heeft.

Zelfs de afstandbediening ligt in de stoel. Alleen Grover in de andere stoel ontbreekt. Ik kijk achterom naar de mallemolen: ja, Grover zit nog op de zwaan. Jaloezie slaat over me heen: waarom is Grover wel aan de andere kant van hek… en ik niet?

 

  1. De Indische Waterlelies

 

Ik trok mijn beste pyjama aan, de gele met de palmbomen en surfplanken, en controleerde het huis nog één keer. Alle bedden waren opgemaakt, de afwas was gedaan, de huiskamer was gezogen. De bedankbrief aan Janet lag op de zwarte koffietafel naast het champagneglas en de fles bleekmiddel.

Ik pakte de afstandbediening en keek even naar Grover in de andere stoel terwijl ik ging zitten.

Ik drukte op “play” en zag Lies en Ellen naar de camera zwaaien terwijl ze de wachters passeerden voordat ze bij de Indische Waterlelies naar binnen gingen.

Het beeld veranderde naar de show binnen: de waterlelies gingen open en onthulden de elfjes die op Bert Kaempferts “Afrikaan Beat” dansten. Het liedje bracht altijd een glimlach op mijn gezicht.

Ik pakte de fles en vulde het champagneglas.

Dit was een vrolijke gelegenheid: nog even en ik was weer bij Lies en Ellen, ik zou hen knuffelen en kussen… of doen wat zielen in het hiernamaals deden. ‘Ik hoop dat je een plekje voor me hebt vrijgehouden.’

Jammer dat de dokter niks voor me kon doen. Ik had gelezen dat de pijn zwaar zou zijn, maar gelukkig niet lang zou duren omdat mijn bloeddruk en pols zouden zakken en ik snel bewusteloos zou raken.

Met mijn hart kloppend in mijn keel, bracht ik het glas naar mijn lippen.

Ik haalde diep adem, opende mijn mond en keek naar het scherm.

De geur van het bleekmiddel maakte me al een beetje misselijk.

Daar was het: de camera zwenkte naar Ellen. Ze zwaaide naar me met een brede glimlach.

Ik dronk het glas in één teug leeg en slikte het door. Mijn tong stond in brand.

Terwijl de elfjes dansten, sprong ik op en klopte op mijn borst. Het branden verspreidde zich naar beneden.

Snakkend naar lucht, sprong ik op en neer in een poging om te ontsnappen aan de pijn, aan mezelf. Een schreeuw: ik besefte dat die uit mijn eigen keel kwam. Maar mijn stem klonk dierlijk…

De pijn leek eeuwig te duren.

Ik struikelde ergens over en viel voorover op het Perzische tapijt. Ik knalde met mijn gezicht op een armleuning, maar voelde alleen de ondraaglijke pijn die me vanbinnen opvrat.

Ik probeerde op te springen maar had de kracht niet meer. Ik kroop en rolde over de vloer, wanhopig mijn borst vasthoudend.

Ik ving een glimp op van de dansende elfjes en snakte naar lucht. Het enige wat ik kon inademen, was pijn.

Een donkere nevel daalde neer over de elfjes.

Stomverbaasd keek ik naar hen terwijl de pijn langzaam verminderde. De donkere mist slokte de lamp in de hoek op en werd steeds donkerder. Hij werd zwart en Bert Kaempfert’s vrolijke klanken stierven langzaam uit.

 

 

  1. Afrikaan Beat

 

Jan Klaassen, Katrijn en de krokodil buigen op de tv.

De kinderen in de kamer klappen.

Ellen en kleine Tommy komen vanachter de oude juten gordijnen tevoorschijn, de poppen nog steeds aan hun handen. Grinnikend maken ze een buiginkje. De band eindigt met een paar flitsen en kraakjes. Het beeld verandert in het menu van de DVD-speler.

Voordat ik hier was, viel ik elke nacht in slaap om wakker te worden voor een zwart scherm en met de DVD-speler in de spaarstand: mijn teken om naar bed te gaan.

Maar ik heb geen nacht meer gezien sinds ik hier ben. En ik heb geen oog meer dichtgedaan, ik weet niet eens of slapen wel mogelijk is hier.

Geen slaap om mij tijdelijk soelaas te bieden, geen bleekmiddel om te lurken, geen kruipende vergeetachtigheid of Alzheimer om mij te verlossen van het weten wat ik allemaal heb verloren.

Ik druk op een knop op de armleuning en de stoel richt zich op. Ik pak de afstandbediening van mijn knie en smijt hem naar de koffietafel. Ik sta op, ga naar de deur en maak hem open.

De zon, als altijd hoog aan de lucht, brandt in mijn ogen. Knipperend loop ik naar het hek.

Lies, Ellen, mam, pap en Lies’ ouders staan in een kring en gooien een felgekleurde bal over.

Ik druk mijn voorhoofd tegen het kippengaas, word door een vloed van emoties overvallen en barst in lachen uit. Tegelijkertijd huil ik. Ik kan weliswaar niet bij ze zijn, maar ze zijn niet weg. Ze bestaan nog, ze lachen en genieten.

Hoe vaak heb ik hier al gestaan.

Duizenden, misschien miljoenen keren? Telkens als ik een van mijn DVD’s heb afgekeken, ga ik naar buiten.

Ik veeg mijn tranen weg. Lies en de anderen kijken boos naar me: blikken die snijden als dolken.

Tijd om weer naar binnen te gaan. Ik draai me om en loop terug naar de hut. Plotseling heb ik meelij met hen. Ik zou me waarschijnlijk ook bedreigd hebben gevoeld als er een vreemdeling steeds naar me staarde. En uiteindelijk is dat wat ik voor hen ben: een vreemdeling. Misschien zien ze me zelfs als een monster met uitpuilende ogen in een gezicht, verwrongen alsof het is gesmolten.

De moed zinkt me in mijn schoenen als ik naar binnen ga. De tv verwelkomt me met een zwart scherm.

Ik sluit de deur achter me, wetende dat ik hem nooit meer open zal doen, vastbesloten om hen nooit meer lastig te vallen. Ik ga mijn eeuwigheid doormaken met kijken naar herinneringen op DVD in de troostende wetenschap dat ze er nog zijn en gelukkig zijn. Dat is alles wat ertoe doet.

In het zwakke lamplicht schuifel ik naar de kast en grijp de DVD van ons bezoekje aan de grotten in Valkenburg.

 

Tientallen DVD’s later en voor de tigste keer zie ik Lies en Ellen zwaaien terwijl ze de wachters passeren voordat ze bij de Indische Waterlelies naar binnen gaan.

Ik glimlach weer als de waterlelies opengaan en de elfjes dansen bij “Afrikaan Beat”.

Plotseling word ik opgeschrikt door verblindend licht.

Ik knipper met de ogen en druk op de knop op mijn armleuning. Terwijl de stoel omhooggaat, kijk ik achterom naar het licht.

De muur waar de deur in zat, is weg. Twee silhouetten staan hand in hand in het licht, het ene half zo lang als het andere.

Het kleinste silhouet laat los en komt op me af rennen.

Ik spring uit mijn stoel.

‘Pappie!’ Het silhouet neemt vorm aan en krijgt kleur.

Ik steek mijn armen uit.

Ellen springt in mijn armen en legt haar kleine armpjes om mijn nek. ‘Pappie!’

Ik ruk haar tegen me aan.

Het andere silhouet komt ook dichterbij. Met een glimlach neemt Lies mijn hand.

‘Lies, het spijt me zo dat ik gelo…’

Ze kijkt me stomverbaasd aan. ‘Doe niet zo raar. Ik snap waarom je dat moest doen.’ Ze draait zich om en trekt zachtjes aan mijn arm.

‘Dus je vergeeft me?’ Ik volg haar de hut uit, met Ellen aan mij vastgeklampt.

‘Ik hoef niks te vergeven.’

Terwijl ik van het Perzisch tapijt het gras op stap, verdwijnt de hut.

“Afrikaan Beat” hoor ik nog steeds. Maar nu komt het van de kerstboommallemolen. Voor me staan twee spierwitte pilaren, verbonden door een boog: de poort!

Mam, pap en Andy staan onder de boog naar me te kijken, een glimlach op hun lippen. Andy heeft mijn gitaar vast.

‘Maar dan… waarom?’ vraag ik.

Ze schokschoudert. ‘Je zult iets hebben gedaan waarvoor je boete moest doen.’

Ik knik. ‘Dat heb ik. Maar hoe heb ik boete gedaan?’

‘Wie weet? Je hebt waarschijnlijk iets goed gedaan toen je in die hut was.’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Daar heb ik niks gedaan.’ Ik aai over Ellens rug. Ze ruikt zo lekker. Ik sluit even mijn ogen.

‘Waarom kwam je dan niet meer naar buiten?’

Ik haal mijn schouders op. ‘Ik wilde niet dat jullie je bespioneerd voelden in je paradijsje.’ Toen besefte ik het: ik was eindelijk bereid geweest om hen los te laten.

Lies stapt zonder aarzeling door de poort. Maar ik steek voorzichtig mijn voet uit, bang om weer tegen een onzichtbare muur te botsen, deze keer met Ellen in mijn armen.

Geen obstakel.

Ik zet mijn voet stevig neer voorbij de onzichtbare grens en volg Lies door de poort.

De vijfde – Maarten Luikhoven

Hij fluit een ooit populair liedje terwijl hij langs het karrenspoor richting de grote stad loopt. Heel in de verte in het dal beneden hem ziet hij de gigantische ijzeren toren die een zekere meneer Eiffel ooit heeft gebouwd voor een tentoonstelling, zo lang geleden. Het gedrocht is roestbruin, net als de rivier die er in de buurt voorbij stroomt.

De zon schijnt. Er zijn schapenwolkjes. Naast het karrenspoor ligt een brede asfaltbaan die volledig is verwoest door planten en bomen die door de zwarte laag zijn gebroken. Waar eens automobielen reden is nu zelfs gewoon lopen onmogelijk geworden.

Ooit woonden er meer dan twintig miljoen mensen in deze metropool. Nu zijn dat er een stuk minder. Hij herinnert zich nog goed hoe hij in die tijd met een sneltrein van de ene kant van het land naar de andere kon reizen, koffie drinken op het Gare de Lyon, uitkijken over de uitgestrekte stad vanuit die toren.

Toen al wist hij dat hij een taak had, een opdracht. Hoewel hij niet gelovig was, wist hij dat er een hogere macht was die hem stuurde. Het kon bijna niet anders. Op de kleuterschool al vochten klasgenootjes elkaar het klaslokaal uit, raakten leraressen slaags met de directie. Hij keek het aan en ergens, diep van binnen, genoot hij van de gloeiend rode energie die de vechtenden uitstraalden. Hij verlangde ernaar zoals een plant zich naar de zon richtte.

Dit herhaalde zich op de lagere school en op de middelbare school. Zijn effect werd er enkel sterker, hoewel het hem ook wel beangstigde wanneer hij tussen de strijdende partijen belandde. Een ongeluk, net als een welgemikte baksteen, zat soms in een klein hoekje.

Ach, de idealen uit die tijd, de wens de wereld een betere plek te maken. Hoe naïef was hij toen. Hij las teveel klassiekers met nobele, koene redders van de mensheid, of toch tenminste hun naasten. Enerzijds was het escapisme van het dagelijkse gevecht dat de mensen om hem heen leverden, anderzijds was het een poging te begrijpen wat hem nu zo anders maakte dan de anderen.

Hij nadert nu de buitenste buitenwijken, banlieus genaamd, de vergeetputten van de rijke centrumbewoners. Wanneer hij een hoek omslaat wordt hij opgewacht door een groep van zo’n twintig jongemannen van Afrikaanse afkomst, enkel gekleed in gerafelde joggingbroeken en gewapend met stalen pijpen, lange puntige stokken en roestige keukenmessen. Ze dragen stamlittekens op hun ontblote bovenlijven, als een atavistische uitdrukking van hun identiteit.

Hij slikt even, licht nerveus. In zijn lange leven heeft hij conflict altijd weten te vermijden, dus hij weet niet hoe ver hij kan gaan, mocht zijn leven hier in gevaar komen. Het besef dat er hier en nu een einde aan zijn bestaan kan komen, beangstigt hem, maar windt hem tegelijkertijd op. Als ik maar de kans krijg te spreken.

‘Bonjour, mes amis!’ Hij glimlacht erbij. Onmiddellijk ziet hij de houding van een aantal van de jongemannen veranderen, meer ontspannen worden.

De leider – een jongeman met veel littekens op zijn bovenlijf en armen – zegt: ‘Parijs is nu van ons, witneus. Je had hier niet moeten komen.’

Hij glimlacht hen toe en spreidt zijn handen. ‘Ach, ik heb geen kwaad in de zin en zal jullie niet lastig vallen. Laat me mijn weg vervolgen, dan ben ik des te eerder van jullie gebied af.’

‘Te laat, witman. Je botten zullen onze wijk sieren.’ De leider gebaart naar zijn mannen, maar er is aarzeling. Zo gaat het altijd. Ze horen zijn stem en besluiten dat hij geen gevaar is, geen onrust komt brengen, ja zelfs een van hun vrienden is, familie bijna.

De leider is goed. Hij proeft de onenigheid in zijn troepen. Hij reageert zoals leiders door de geschiedenis heen altijd hebben gereageerd, met woede, met dreiging. Apengedrag, hij heeft er alles over gelezen. Alleen werkt het niet bij hem.

Hij glimlacht de grootste weigeraars toe zodat ze weten dat hij vertrouwen heeft, in hun kunde en in hun rechtvaardigheid. Het is bijna te makkelijk.

Even is er paniek, een handgemeen, messen flitsen, buizen suizen en stokken spietsen. De leider gaat neer, de jongemannen die hem wilden aanvallen worden vakkundig uitgeschakeld. Bloed vloeit, rijkelijk. Al die tijd blijft hij staan, zijn armen gespreid, als een Jezus-figuur, waarschijnlijk met halo, zo stelt hij zich voor, terwijl de slachtoffers vakkundig worden ontleed.

Hij schudt hier en daar wat handen, vertelt ze hoe trots hij op hen is. Bij het afscheid fluistert hij een aantal toe wie allemaal de macht willen en welke zusters of dochters met de vijand hebben gelegen. Hij ziet het zaad van afgunst en wraak kiemen in hun ogen. Zijn werk hier is gedaan en hij begeeft zich weer op het karrenspoor, verder de stad in.

Nog steeds vraagt hij zich af wat hem hierheen drijft. Lang geleden was hij Parijs al zat en de rellen van 2031 gaven hem destijds het excuus om zich excessief te laven aan de bloedrode energie van de menigte. Maar zoals een overdaad aan zoetwaren je misselijk maakt, zo ook werd uiteindelijk de chaos en vernieling, dood en verderf, hem teveel.

Sindsdien woont hij in een afgelegen boerderij ergens midden in de Morvan, waar hij op TV de langzame val van het nieuwe Romeinse Rijk, de EU, volgde, tot de TV-uitzendingen stopten, waarna ook Internet en elektriciteit verdwenen. Hij heeft maar weinig nodig en de laatste veertig jaar leeft hij enkel met zijn dieren, een familie grote boerderijkatten en een paar wolfshonden die zijn grondgebied en zijn akkertjes bewaken en hem beschermen. Het zijn de enige wezens die hij als vrienden beschouwt. Mensen hebben afgedaan, hij ziet ze als minder dan kakkerlakken.

Pas op zijn zeventigste verjaardag, tijdens het scheren, beseft hij dat zijn gezicht jong is, onveranderd zolang als hij het zich kan herinneren. Het is het moment dat de twijfel begint, dat hij begrijpt dat hij anders is dan andere mensen. Natuurlijk weet hij al dat hij beter is dan zij, voelt hij zich verheven boven die zielige wezentjes die zo weinig van elkaar begrijpen dat ze elkaar uit arren moede maar de hersens inslaan om hun gelijk te halen. Hij herinnert zich de vele momenten dat hij dat aanmoedigde, dat vaders en zoons, moeders en dochters, zelfs verliefde stelletjes met elkaar slaags raakten, tot de dood erop volgde. Hij staat er zover boven en zijn tijdloze gelaat bevestigt het nogmaals: hij is een superieur wezen, homo superior, de wereld behoort hem toe.

Hij vervolgt zijn weg langs ingestorte gebouwen, waar de natuur weer heerst. Een hinde kijkt op als hij een open plek opstapt en een moment kijken ze elkaar ademloos aan. Hij glimlacht. De hinde ziet hem niet als gevaar en gaat door met knabbelen aan takjes en struiken. Ooit reden hier automobielen, nu zijn het verroeste hopen, de plastic onderdelen verkruimeld door de invloed van zon, weer en wind. Bij zijn voeten glimt iets. Hij pakt het op, veegt wat modder en een reepje fluorescerend gele stof weg. Een kogel, iets groen uitgeslagen, maar duidelijk een goede kwaliteit legering, waarschijnlijk een NATO 7.62 die in die tijd uitgebreid werd ingezet door het EU leger tegen de eigen burgers. Hij gooit het ding weg. Ongetwijfeld is de grond ermee bezaaid, net als met de botten van die eigen burgers die hier sneuvelden. Hij ziet het als onfortuinlijk voor de getroffen mensen, maar goed voor de bodem. Op slagvelden groeien planten altijd voortreffelijk.

Dit deel van de stad was vroeger een aaneenschakeling van middenklasse huizen afgewisseld met parkjes en groenstroken. Het is nu een nieuwe tuin van Eden geworden waar zonlicht vrij spel heeft en beekjes door verweerde betonnen buizen klateren, waar stilstaande poelen helder water het groen van fruitbomen reflecteren en de zwarte gaten in witte schedels op de bodem verdwijnen in de rimpelingen veroorzaakt door het vriendelijke briesje.

Hij wandelt over konijnenpaadjes en ziet onder een appelboom met vroegrijpe appels een jong meisje staan dat verlangend omhoog kijkt. Hij kucht even en geschrokken draait ze zich om. Hij lacht zijn tanden bloot en knikt naar haar. ‘Heb je hulp nodig?’

Het meisje, ze zal nog geen tien zijn, is gekleed in vodden, de schoenen die ze draagt zitten vol gaten en zijn duidelijk oud en half vergaan. Ze loopt langzaam achteruit terwijl ze met haar ogen knippert. ‘Wie ben jij?’

Hij haalt zijn schouders op. ‘Doet dat ertoe? Misschien weet ik het zelf niet eens. Wat ik wel weet is dat ik bij deze appels kan komen. Wil je er een paar?’

Ze schudt haar hoofd. ‘Ik mag niet met vreemden praten.’

‘Oh? Wat verstandig. Wie heeft je die wijze woorden ingefluisterd?’

‘Mijn moeder.’ Ze slaat haar ogen neer. ‘Toen ze nog leefde.’

‘Leef je nu helemaal alleen?’

Ze schudt haar hoofd weer. ‘Nee, samen met mijn broer.’

Hij reikt omhoog en plukt drie appels. Hij neemt een hap van de zoete vrucht. De twee andere legt hij op een boomstronk, duidelijk zichtbaar voor het meisje. ‘Hier, voor jou. En voor je broer. Voer hem maar lekker een hapje van deze appel. Vaarwel.’

Hij kijkt niet eens meer om. Ze beseft zich waarschijnlijk niet eens wat zich zojuist afspeelde, maar hij weet het maar al te goed. Het ging uiteindelijk om de ongehoorzaamheid, wat anders? Hij loopt verder door het idyllische landschap en eet fruit vers van de bomen.

Tegen de middag vindt hij een schaduwrijke plek en rust uit. Hij observeert de vogels die insecten vangen, konijnen die fourageren in de buurt van hun holen en de havik die ineens uit de hemel valt en er met een jong knaagdier vandoor gaat. De eeuwige dans van het leven, de opkomst en het verval en de schoonheid van de brutaliteit die bij dat leven hoort. Wat brengt hem hier? Die vraag stelt hij zich al sinds hij uit de Morvan vertrok. Sinds het besef dat hij tenminste homo superior moet zijn, kent hij een behoefte, een drang die hem stuurt, verlokt, dwingt in de richting van Parijs te lopen, alsof daar een antwoord op zijn vraag ligt.

Wanneer hij verder trekt en voorbij de binnenring komt, treft hij een eerste teken van georganiseerde bewoning. Een palissade van jonge boomstammen, aaneengevlochten met staaldraad, die de bakstenen muren van een paar huizenblokken verbindt en een barrière vormt waarbinnen verdedigers zich kunnen verschansen. Er is een kleine poort met twee wachters, jongemannen van onbestemde afkomst, gewapend met honkbalknuppels.

Halfbloeden, Calergis, voetvolk. Hij kijkt naar de huizen die achter de palissade zichtbaar zijn. Duidelijk een gegoede buurt waar de Franse elite ooit huisde en dat nu waarschijnlijk nog steeds doet, als ze niet in staat waren naar een van hun afgelegen schuilkelders te vluchten om de storm in alle luxe uit te zitten. Hier blijven betekende dat ze andere maatregelen moesten nemen. Zo te zien lukte dat alweer vrij aardig. Hij schudt zijn hoofd. Ze leren het ook nooit. En ze maken zichzelf moedwillig dommer. Hij kijkt naar links en naar rechts. Omlopen is een optie, maar hij is niet van zins zich te laten tegenhouden. Jammer voor ze, maar ik ga voor. Altijd. Die instelling moet ze niet vreemd zijn, toch?

Hij loopt naar de wachters die verbaasd naar hem kijken. Ze nemen een dreigende houding aan, hun honkbalknuppels dreigend geheven. Hij is ongewapend, maar gevaarlijker dan deze twee, zijn zelfvertrouwen en zijn uitstraling machtiger dan de zielige verlengstukjes van hun fragiele ego’s. En hij komt met een geschenk.

Op een paar meter afstand vraagt hij: ‘Wie is jullie patron?’

Hoewel de twee verdacht veel op elkaar lijken, althans in zijn ogen, heeft een van hen een bredere neus. Hij geeft het verwachte antwoord. Breedneus noem ik je.

‘Monsieur d’Arrenne Bourguignon.’

Oude adel? Onwaarschijnlijk. Nu ja, nieuwe adel, oude adel. Een pot nat. Zijn wedervraag is nu zijn wapen. ‘Waarom eigenlijk?’ Hij ziet de verwarring in hun ogen, gevolgd door besef, gevolgd door de schok van de implicatie.

Breedneus aarzelt. ‘Zo… zo is het altijd geweest. Hij heeft lijfwachten.’

‘Zoals jullie? Met wapens?’

Breedneus knikt langzaam.

‘En wat beschermen ze? Een oude, witte man en zijn gevolg, die in hun leven nog nooit een dag gewerkt hebben? Die jullie en je kinderen als “gewaardeerde onderdanen” houden?’ De woorden zijn zorgvuldig gekozen om de vergelijking met boerderijdieren te kunnen maken.

Het blijft stil. Hij kan hun harten bijna horen kloppen en hij ziet hun twijfels hand over hand toenemen. Bijna. Ze zijn er bijna.

‘Ik moet naar de andere kant.’ Hij wijst op de poort. Voor zijn geestesoog zweeft even de tekst Lasciate ogni speranza. ‘En jullie staan me in de weg. Of eigenlijk, jullie “patron” die zich boven jullie verheven waant. Terwijl jullie de wapens hebben.’

Breedneus kijkt zijn collega aan. Die knikt. ‘Je kunt doorlopen. Maar snel, we willen geen problemen.’

Hij glimlacht. ‘Dank jullie wel. In mijn ogen zijn jullie waardevoller dan die nietsnut “patron” van jullie.’ Zonder een woord loopt hij langs hen heen door de halfopen poort. Zijn werk hier is gedaan.

In het voorbijgaan wordt hij nagestaard door vrouwen en kinderen, allemaal Calergis, die op akkertjes op de open plekken tussen de huizen onkruid wieden. Op een balkon ontwaart hij een blank gezicht, donkere ogen, een zwakke inteeltkin en onmiskenbaar angst voor de vreemdeling die zonder slag of stoot door het domein van de “patron” loopt.

Hij zou hier veel kwaad kunnen doen. Of goed, afhankelijk van wie je het vraagt. De drang om verder te gaan is sterker. Hij voelt dat hij zijn doel nadert en deze nederzetting, als je het zo mag noemen, is slechts een obstakel. Aan de andere kant wandelt hij ongehinderd door de poort. De wachters zijn er om mensen buiten te houden, de mensen binnen wanen zich veilig en zullen niet vluchten. Misschien hebben ze gelijk, misschien is er kracht in aantallen. Hij denkt eerder dat ze angstige waanbeelden voorgeschoteld krijgen, een vorm van oplichting die zo oud als de eerste onheilsprofeet is.

Hij loopt verder, nu over klinkerwegen die net zo slecht onderhouden zijn als de asfaltwegen van de buitensteden. De toren van meneer Eiffel is nu een immense fallus die een imposante schaduw over het land werpt. Ergens in die schaduw is een plek waar hij een diepere duisternis weet, het is de plek die hem roept, waar hij hoopt of eigenlijk zeker van weet dat er antwoorden zijn.

Ondanks zijn trektocht van de buitenwijken tot de rand van het echte centrum van de oude stad, voelt hij zich niet moe. De hemel kleurt al rood, de schapenwolkjes zijn overgegaan in smalle wolkenbanden die schakeringen van weerkaatst geel, rood en oranje zonlicht tonen. Wel voelt hij honger, maar het is geen fysieke honger. Het ontmoeten van mensen vandaag heeft hem een geestelijke honger gegeven, zoals hij die vroeger nogal eens had, die dan leidde tot vechtpartijen, soms met gewonden of doden als gevolg. Dat bevredigde hem meer dan eten of sex.

In de verte klinkt het hinniken van een paard. Hij spitst zijn oren. Paarden zijn zeldzaam in het hedendaagse Frankrijk, hoewel dat land al decennia niet meer bestaat, als er al stukken zijn die zich als land identificeren. Net als de stadsconglomeraten die zich geen stad meer mogen of kunnen noemen. Er zijn stammen, tot nu toe de hoogste organisatievorm die hij is tegengekomen. De mens is zichzelf weer aan het herontdekken na de gruwelijke oorlogen en natuurrampen die negentig procent van de mensheid uitroeiden. Hij knikt opgewekt. Het is snel, in zijn ogen. Rijken zijn eerder in verval geraakt en het duurde honderden tot duizenden jaren voor de mensheid weer op dat niveau kwam. Misschien krijgt de mensheid het dit keer sneller voor elkaar.

Nu ruikt hij de geur van brandend hout. Een kampvuur. Paarden? Ruiters? Hij volgt zijn neus en loopt langs de roestbruine rivier, de Seine, tot hij bij een vervallen brug komt, in de schaduw van de ijzeren toren. Ooit was hier een plein, nu staan er bomen en struiken. Op een open plek graast een vijftal paarden, een vos, een schimmel, een zwart paard, een geelbruin paard en een grijs paard. Bewonderend kijkt hij naar de nobele dieren. Ze dragen halsters en zadeldekens. Dat impliceert zadels en dus ook ruiters. Vijf stuks. Hij vermoedt dat zijn doel hier is en hij wordt steeds nieuwsgieriger.

Voorbij de open plek ziet hij het flakkerend licht van het kampvuur dat hij eerder rook. Hij loopt om de paarden heen in die richting.

Op boomstammen rond het vuur zit een viertal mensen, drie mannen en een vrouw. Als één draaien ze hun hoofd naar hem, waar hij door bomen en struikgewas nadert.

Hij knikt hen toe zodra hij aan de rand van hun kamp staat. ‘Goedenavond.’

De vrouw staat op. Ze is ziekelijk bleek en heeft diepliggende ogen. ‘Welkom, vreemdeling. Deel ons vuur en ons eten.’ Op het vuur staat een pot waarin een dikke bruine vloeistof pruttelt. Op stenen aan de rand gaart plat brood. De geur is indringend, kruidig en de sfeer rond het kampvuur lijkt prettig.

Hij gaat op een lege boomstam zitten en kijkt de kring rond. ‘Ik zie vier mensen, maar er zijn vijf paarden.’

De vrouw pakt een kom en een opscheplepel uit een zadeltas en schept de kom vol. Ze overhandigt die aan hem met een heet, plat brood erbij. ‘Je kunt het eten opscheppen met je brood. Ik zie overigens vijf mensen hier.’

‘Jullie zijn wat ik zocht?’

‘Wie je zocht,’ corrigeert ze hem. ‘Je viel ons destijds op. We denken dat je een aanvulling bent op ons arsenaal.’

‘Ben ik een wapen dan?’

‘Meer dan je denkt.’ Instemmend gegrom van de anderen. ‘Het grijze paard is voor jou.’

‘En dan, wat doen we dan?’

‘Datgene waarvoor we gemaakt zijn. “Tot as zult gij wederkeren, maar uit de as zal een nieuwer, beter, groter Eden verrijzen.” De laatste keer was bijna ondoenlijk, dus je bent een welkome aanvulling.’

Terwijl hij zijn eten naar binnen schept met het harde brood, voelt hij dat het goed zit, dat hij eindelijk op zijn plek is, als de vijfde ruiter.

Elvis Moet Dood – Bo Balder

De King moest dood. Dat was de enige manier om ooit een normaal leven te krijgen.

De avond begon normaal. Mijn benen pompten rond op de fietsgenerator zodat ma kon strijken en tv kijken. Niks interessants natuurlijk. Er wordt al veertig jaar niks meer uitgezonden, en maar heel soms druppelt er nieuws van buitenaf binnen. Meestal slecht nieuws, niet dat dat iets uitmaakte, ik wou toch weg. Wie wou er nou in Las Vegas blijven? Geen werk, geen opleiding, geen hoop.

Ma keek naar de zoveelste herhaling van Star Trek. Spock, in een raar pakje en met een sik, zei: ‘Mister Sulu, zet een phasersalvo op de Halkansteden klaar.’

Toen begon ma’s kont te draaien, en meteen kreeg ik kramp in mijn maag. Ze danst alleen voor die overjarige popster, de King. Ook bekend als Jezus, of de Wederopstanding. Ik snapte alleen niet hoe hij de Wederopstanding kon zijn, want we beleven bepaald niet het Duizendjarig Vrederijk. Joey zegt dat alle ellende in de wereld is begonnen toen de King net-niet-dood ging in 1977.

‘Ma!’ zei ik. De eerste misselijkheidssignalen prikten over mijn huid. Ik kreeg kippenvel van top tot teen. Zweet ontsproot uit mijn voorhoofd. ‘Ik zit vlak naast je. Zet uit!’

Ma schrok op. ‘Sorry Jesse Garon, je was zo stil, ik was vergeten dat je er ook was.’

Toen ma naar de tv liep om hem uit te zetten, stuiterden schuddende heupen en een gitzwarte haardos in beeld. Ze begon onwillekeurig te swingen en kleunde het strijkijzer in de wasmand. Het signaal werd sterker en denderde de huiskamer in.

Dit ging niet meer goed komen. Ik redde het strijkijzer, trok de stekker eruit zodat ma dat niet hoefde te doen en werkte mezelf de zitkamer uit. De lucht voelde zo dik en kleverig aan dat ik bijna niet kon ademen. Ik haalde de badkamer maar net, onder begeleiding van de honkeplonkgeluiden van ‘Such a Night’, ma’s lievelingslied.

Ik had wat afgekotst als kind, tot ma er eindelijk achter kwam dat Hij het was die me die rare dingen deed uitbraken. Deze keer waren het vreemde munten en een paar haveloze twee-dollar biljetten. Dat klinkt misschien leuk, maar iedereen weet dat twee-dollar biljetten niet bestaan dus ze kwamen niet uit de normale wereld.

Such a Night‘ brak af in het midden van het woord ‘kiss’. Gelukkig, de accu was leeg. De stilte was verrukkelijk, nasuizend op de echo’s van die laatste ‘s’. Ik steunde mijn klamme voorhoofd tegen het koele porselein van de wc. De misselijkheid trok weg. Ik greep in de stapel voorgescheurd krantenpapier om mijn voorhoofd af te vegen. Zweetdruppels zo groot als knikkers, echt waar.

Ma kwam binnen toen ik mijn mond aan het spoelen was. Haar gezicht in de spiegel zag er schuldbewust uit. ‘Sorry, schat. Meestal ben je al weg om deze tijd.’

‘Geeft niks, ma. Ik ben zo weg. Dan kan jij rustig naar je ouwe rocker kijken.’

Ze pruttelde nog wat, maar dat was alleen voor de vorm.

Ik griste pa’s schimmelige ouwe voetbaljack van de kapstok, checkte of ik mijn sigaretten en portemonnee bij me had, en bats, daar smakte de eerste regen al op het dak. Ik had het waarschijnlijk niet aan voelen komen door de misselijkheid. Ze zeggen dat het vroeger bijna nooit regende, hier in Las Vegas, maar het regent allejezushard nu. Ik voel het altijd kriebelen in mijn binnenoor wanneer er een bui aankomt. Ik hees me in mijn oliejas, regenbroek, helm en laarzen. Ze roken naar rottend kikkersap. Dat kreeg je er nooit echt uit.

Het dak daverde van de klappen van de aanzwellende neerslag. Pa en ma hadden tenminste een nieuw dak laten leggen toen de regens begonnen. Een hoop van onze buren hadden dat niet, en ongeveer de helft van de huizen in de straat was daardoor totaal verkrot, de daken doorgezakt door het gewicht van al die kikkerlijkjes. Je kunt je wel voorstellen hoe dat rook. Niet de meest gewilde buurt, die van ons. Het is een Toeristenbuurt, voornamelijk bewoond door mensen die hier gestrand waren tijdens de Omslag.

Het idee dat ik hier de rest van mijn leven moest doorbrengen, tussen de kikkers en de verkruimelende restanten van het verleden, was onverdraaglijk.

Ik ontvouwde mijn paraplu van oliedoek en dook de regen in. De helm was pure noodzaak. Eén kikker weegt niet veel, maar als die van god weet welke hoogte omlaag komt zetten, komt dat toch heel hard aan. Ik heb volwassen mannen neer zien gaan door een kikkerslag.

Mijn vader. Ik miste hem nog steeds.

Maar kikkers zijn niet alleen eetbaar, ze bevatten ook vocht. Wat zou er van ons geworden zijn zonder kikkers? We boften maar, hier in Vegas. Ik weet bijna zeker dat sprinkhanen, zoals ze in Utah hebben, niet zo breed inzetbaar zijn als kikkers. Ook al was het niet makkelijk een Toeristenkind te zijn, ook al hebben we het moeilijker dan de ingezetenen, wij kregen toch eten en drinken uit de hemel.

Ik nam de kortste weg binnendoor via het Flamingo Casino naar de Dunes. Ik stak de Strip over, zigzaggend tussen de overwoekerde autowrakken door. Het gerucht ging, dat er echt werkende gokmachines zouden worden aangevoerd via de nieuwe spoorlijn, en daarna echte toeristen van buiten de stad. Mijn vrienden en ik hoopten eigenlijk dat het niet door zou gaan. Wij hadden als kind zoveel gespeeld in de lege, vervallen casino’s dat we ze helemaal niet wilden afstaan aan toeristen. Wij waren de Toeristen, en we waren trots op die geuzennaam.

Als het regent, regent het goed, zeggen ze in Vegas, en de straten waren al enkeldiep met kikkers bedekt. Sommigen leefden nog, en een hele familie kwakers werd verorberd door verfomfaaide flamingo’s die behendig door de kikkerregen dansten. Voor hen moet Las Vegas wel zo ongeveer de hemel zijn.

Ik schudde de paraplu uit om de kikkerresten eraf te krijgen, voordat ik door de Flamingo naar de Strip liep. Ma zegt dat je vroeger ook altijd een hoed op moest in Vegas – maar dan niet tegen de kikkers, maar tegen de zon! En zonnebrandcrème, vliegtuigen in de lucht, en auto’s en iedere dag andere muziek. Echt moeilijk om je voor te stellen.

Dwayne was nergens te bekennen, maar Joey troonde al op een barkruk in de Dunes, wachtend tot de regen zou ophouden en onze dienst zou beginnen. ‘Ik dacht al dat ik je hier zou zien toen ik Hem op de tv zag.’

We dronken wat in kameraadschappelijke stilte en knaagden aan onze hot frogs in chilisaus. Mijn keel deed nog steeds zeer van de dollarbiljetten, maar eten en drinken hielp wel.

‘Mijn oma denkt dat Elvis Jezus is,’ zei Joey.

‘Zij en iedereen. En zeg zijn naam nou niet, eikel. Wil je behalve munten en knikkers ook mijn hot frog over je nieuwe broek heen?’ Ik slikte een zure oprisping weg. De King verklootte mijn spijsverteringsprocessen op alle mogelijke manieren.

Joey grijnsde verontschuldigend, maar aan de manier waarop hij peinzend door kauwde, kon ik zien dat er nog meer ging komen. ‘Zijn dood en herrijzenis zijn het allerbelangrijkste wat er ooit gebeurd is. De Wederopstanding.’

‘Ja en?’ snoof ik.

‘Ma zegt dat oma zich aan het leven vastklampt omdat ze erbij wil zijn als Hij dood gaat.’

Ik legde mijn broodje neer. Geen trek meer. Maar ondanks de dreigende misselijkheid vrolijkte de gedachte aan Zijn dood me op,

‘Waarom?’

‘Omdat als Hij doodgaat, hij linea recta naar de hemel gaat en haar meeneemt.’

‘Jouw oma? Waarom zou Hij haar nou speciaal meenemen?’ zei ik.

Joey rolde met zijn ogen. ‘Niet alleen haar! Iedereen. De Dag des Oordeels.’

De misselijkheid kwam weer op.

Ik boerde en hoestte een geel met blauwe knikker op. Het had erger gekund.

‘Hé, zullen we jouw oma blij maken? En dan wordt jouw moeder ook weer wat vrolijker, als je oma in de hemel is en zo.’

Had ik dat echt gezegd?

Ja, dat had ik. En de gedachte die achter die woorden schuilgingen waren nog erger. Maar ik wilde het doen. Ik wilde het echt heel graag doen. De hemel was zo ongeveer de enige manier om ooit uit Las Vegas weg te komen, voor mij en Joey.

We hadden leegstaande casino’s, twee uur herhalingen op tv iedere dag, en de kikkers. Onze ouders en iedereen van hun generatie zeurde altijd over hoe het leven zoveel beter was, toen ze nog spijkerbroeken met wijde pijpen droegen, toen Vietnam nog belangrijk was en iedereen bang was voor de Sovjet-Unie. Toen verbrandingsmotoren nog werkten en de zon nog scheen. Misschien was er wel zon in de hemel. Niemand die me dat kon vertellen.

Joey likte zijn vingers af terwijl hij me aankeek. ‘Ga je hem doodkotsen of zo? Zoals toen je kiezelsteentjes spuugde en mij een blauw oog bezorgde?’

Ik staarde hem in de ogen zo lang als ik kon. ‘Het is vast een héél stom idee.’ Ik zag dat Joey begreep dat ik het tegenovergestelde bedoelde.

 

#

 

Een maand later, toen ik terugkwam van het kikkerruimen, was ma weer braaf mijn onderbroeken aan het strijken, om de insecteneitjes uit het waswater te doden en schimmel te voorkomen. De tv was aan, dus ze had zelf de accu opgeladen. Weer dezelfde Star Trek aflevering. ‘Dit is niet ons universum, niet ons schip. Een parallel universum dat met het onze co-existeert op een ander dimensioneel niveau,’ zei Kirk. Niet mijn favoriete aflevering.

Ma had vast pret gehad met de Here, ik bedoel de King, helemaal in haar eentje. Ik gaf haar een kus.

‘Was het leuk?’

Ze straalde er nog van. ‘Hij is nog zo knap, ook al verft hij zijn haar. Hij zei dat Jezus hem had gered. Dat hij wel dood had kunnen zijn, als hij zich niet had bekeerd en berouw had getoond over zijn slechte daden.’

Ik vond een punt pizza alla ranocchio in de ijskast. ‘Maar hij stopt toch niet met zijn zondige songs en het shaken met zijn dikke ouwe kont?’

De pizza viel als een baksteen in mijn rillende maag. Ik had het niet over hem moeten hebben.

Ma perste haar lippen op elkaar. ‘Nou, hij moet er toch van leven.’

‘Ma, ik kan er niet tegen als we over hem praten, oké? Ik ga naar bed.’

Ze draaide aan haar schort. ‘Ik moet er wel over praten, schat. Hij komt naar Las Vegas. Hij treedt volgende week op ter ere van 17 augustus. Om de nieuwe spoorlijn te vieren. Ze sturen een speciale trein. Misschien moet je wel een tijdje de stad uit.’

Ik gooide het restje pizza in de vuilnisbak, mijn moeders geschokte protest over voedselverspilling negerend. ‘Wat! Op mijn verjaardag, hoe halen ze het in hun hoofd?’

‘Er was een speciale uitzending. En kijk me niet zo aan. Ik kan er toch niks aan doen?’

‘Natuurlijk niet, ma. Je hoeft er niet meteen een drama van te maken.’

Maar het zat me niet lekker. Integendeel.

Waarom zou ik het huis uit moeten op mijn verjaardag alleen maar omdat een wedergeboren zanger in al zijn vergane glorie naar ons toe kwam? Waarom had alles wat hij deed een negatieve invloed op mijn leven?

Als hij naar Vegas kwam, was het nu of nooit. Er moest een einde komen aan het kotsen, mijn kapotte keel, de dagelijkse angst om zijn muziek te horen. Of ik nou in de hel of naar de hemel terecht zou komen, de King moest dood.

 

#

 

Joey’s antieke rugzak hotste op en neer toen we ons over het ruwe terrein worstelden, overal nieuw opschietend struikgewas en de stenen glibberig van korstmos en mos. De wegen en straten van Las Vegas zijn sinds 1977 niet onderhouden natuurlijk, maar dit was nog een graadje erger. De ouwe legerschoenen van mijn vader – je vraagt je af waarom hij die bij zich had op zijn huwelijksreis naar Vegas – waren me veel te groot, maar de enige alternatieven waren slippers van oude banden.

‘Weet je zeker dat we goed gaan?’ riep ik naar Joey.

Hij stopte en schopte tegen iets dat net naast het pad lag. ‘Vrij zeker. Kijk maar.’

Ik zwoegde naar hem toe. Eerst leek het net of hij een hoop groen mos en struikgewas aan het schoppen was, maar toen zag ik dat het een skelet was. Het was nog steeds gekleed in zijn polyester vrijetijdspak – zo goed als onverwoestbaar door de alomtegenwoordige schimmel, ik droeg dat van mijn vader nog steeds – en had wat vage repen stof en een lege waterfles in zijn ontvleesde handen geklemd.

Joey bukte zich om de kostbare fles te pakken. Glas breekt, en we kunnen geen nieuw maken. In een opwelling wroette ik in de broekzak van het geraamte. Dat is waar toeristen hun portemonnees bewaren. En ik vond er één. Nepleer, gelukkig, of de woestijnbewoners zouden hem al lang hebben opgegeten. Niet dat het nu nog een woestijn is, met de mist en de kikkers, maar we noemen het nog steeds zo. Ik pelde voorzichtig de dichtgeschimmelde vakjes open. De verbleekte foto op het rijbewijs staarde me suf aan. Ik zag de vierkante vormen van lopers, zoals mijn moeder credit cards noemt. Die ik uitbraak zijn veel glimmender en hebben meer kleuren.

Ik vond zelfs wat slap oud geld. Maar het was de foto op het rijbewijs die me fascineerde. Hij zag eruit als een filmster, zo gezond en weldoorvoed. Bolle wangen. Wat aten mensen vroeger eigenlijk?

‘Waarom doe je dat?’ vroeg Joey. ‘Hij is dood. Hij is een van de Zeventigduizend, hij heeft geen familie in Vegas. Geen beloning.’

‘Ik wil gewoon weten hoe het vroeger was. Ma wil er nooit over praten,’ zei ik. Ik liet de portemonnee op het trainingspak vallen.

We keerden ons af van het sneue geraamte en begonnen weer te lopen. We kwamen nog meer kaalgevreten en groen uitgeslagen botten tegen. Ze noemen het een begraafplaats, maar niemand heeft ooit alle zeventigduizend Toeristen die besloten naar huis te lopen, geteld of begraven. Dat had ook niet gekund, zonder werkende graafmachines en zo. Toen ik nog klein was, kon ik maar niet begrijpen hoe zoveel mensen dood hadden kunnen gaan, maar een paar uur lopen van hier, maar ma had het me uitgelegd. Hoe heet het toen was, en hoe snel je uitgedroogd en uitgeput kon raken – vooral als je een iets te zware toerist was van middelbare leeftijd met een kater. Het zal wel.

‘Daar is de spoorlijn al,’ wees Joey.

We sjokten erheen om de rails van dichterbij te bekijken. De bielzen waren helemaal volgekladderd. ‘Johnny is op Anita’, ‘In Memoriam Dick, ploeg 44.’ Een hoop mensen waren gecrepeerd bij het aanleggen van de spoorlijnen. De Woestijn Xpress was een onderdeel van een serie initiatieven om Amerika te doen opleven, om ons weer het rijkste land van de wereld te maken. Ik merkte er nog niks van. Maar in ieder geval zouden ze Hem komen brengen, helemaal uit Beverly Hills.

We volgden de rails. We hoorden al gehamer nog voor we de tribune in opbouw zagen. De werkploeg moest er met een muildierkaravaan zijn gekomen, tegelijk met het timmerhout. Er zijn wel geen bomen in Las Vegas, maar er is hout genoeg te slopen uit verlaten huizen.

We verstopten ons achter een met een laagje verpletterd kikkervlees bedekte hoop stenen, dronken wat water, knabbelden op wat lauwe worst. We gingen hier in hinderlaag liggen tot de Xpress morgenmiddag binnenkwam. De roadies waren al bezig een rij fietsgeneratoren neer te zetten, om stroom te maken voor de camera’s en de lichten van de tv-ploeg.

Toen het donker werd en de temperatuur begon te dalen, rolden we ons op in onze dekens.

‘Voel je hem al aankomen?’ vroeg Joey slaperig.

Ik had mijn leven lang geoefend om nooit rechtstreeks aan Hem te denken, maar nu kon ik het niet tegenhouden. De King zat al in die sjieke trein, met elektrisch licht en dikke kussens, terwijl hij naar de duisternis achter de ramen staarde. Of misschien wel naar zijn eigen spiegelbeeld. Ja, ik voelde iets. Voelde hij mij ook? Zou hij ook de sterker wordende misselijkheid voelen, de rillingen, het koude zweet op zijn voorhoofd, terwijl hij Nevada naderde? Ik hoopte eigenlijk van wel. Het zou niet eerlijk zijn als ik het alleen had.

Niet lang meer.

 

#

 

Ik werd wakker omdat Joey aan mijn arm trok. Het deed pijn. Het licht duwde zo hard op mijn oogleden dat ik bang was dat mijn ogen uit elkaar zouden klappen.

‘Er komt iemand aan! We moeten hier weg!’

Ik wilde hem waarschuwen dat ik ging kotsen, maar het enige dat uit mijn mond kwam was een gekreun. Wat naar buiten wilde voelde gigantisch aan. Het deed ontzettend zeer. Joey’s bezorgde gezicht hing boven me. Ik wees op mijn strot. Hij knikte en verdween.

Het geplof van zijn voetstappen stierf weg.

Toen kwam hij weer terug, maar van de andere kant. Ik wilde hem zeggen dat hij weg moest blijven, maar ik kon niet praten. Het brandende gevoel in mijn slokdarm was niet te harden. Er zat iets goed verkeerd.

Ik hoorde een rits opengaan, en toen geklater. Het was Joey niet. Wie het ook wezen mocht kreunde zachtjes, alsof hij zich net zo ellendig voelde als ik. Dat gaf me de kracht om me om te rollen en mijn ogen te openen.

Niet meer dan tien meter verderop richtte een oude man een straal oranje plas op een zieltogende creosootstruik. Zijn gezicht was bleek en zweterig, in een potsierlijk contrast met zijn onwaarschijnlijk zwarte haar. Zijn mond vertrok en zweet gutste van zijn voorhoofd, zoals hij daar stond te plassen. Het zag er pijnlijk uit. Zodra hij zijn rits dicht had schoot zijn hand naar zijn mond en hij kokhalsde.

‘Lisa Marie,’ mompelde hij. ‘Ik voel me niet goed. Ik ben niet high, echt niet, ik ben ziek.’

De man kokhalsde weer, maar er kwam alleen wit poeder uit. Hij ging maar door, glinsterend wit poeder uitspugend over het zand. Met iedere braakstuip van zijn kant voelde ik me iets beter, hoewel het ding in mijn keel er nog zat.

Ik wist toen zeker dat Hij het was. Hij voelde de band tussen ons duidelijk ook. We waren op dezelfde dag in het leven gekomen, ik voor het eerst, hij voor de tweede keer. Dat moest betekenis hebben. Ik was blij dat hij het ook moeilijk had. Wel zo eerlijk.

De rugzak lag onder mijn wang. Ik had het geweer kunnen pakken en hem ter plekke kunnen doodschieten. Als ik tenminste normaal adem had kunnen halen om dat ding in mijn slokdarm heen.

Maar dat was niet hoe het moest gaan. Wat had ik eraan als hij hier zou doodgaan, zonder camera’s of getuigen? Hij moest in het volle zicht van de wereld overlijden. Als hij Jezus Christus was, als dit de Wederopstanding was, dan wilde hij het ook zo. Hij kende de waarde van publiciteit. Ik bedacht dat ik een kruis van bielzen voor hem had moeten timmeren. Maar daar was het nu te laat voor.

‘Jesse Garon!’ siste Joey.

Ik wilde geen geluid maken terwijl de oude man nog zo dichtbij was. Ik wachtte tot de leverkleurige pantalon weg gestrompeld was voordat ik naar Joey’s stem toe kroop, naar adem happend.

Zodra de man, de King – als hij het was – verder weg liep, werd ik weer misselijker.

‘Jezus Gar, je stinkt. Waarom moest je nou kotsen? Wie was die ouwe vent, was het El-’

Joey stopte net op tijd.

Hij ging naast me zitten en wrikte aan het obstakel in mijn keel. Ik steunde en schopte van de pijn. ‘Sorry,’ zei hij.

Er deed nog meer pijn dan alleen mijn keel. Ik kon nu helemaal geen adem meer krijgen. Ik probeerde stil te liggen zodat Joey me kon helpen.

De pijn werd nog tien keer erger. Ik schreeuwde het uit.

En toen realiseerde ik me dat ik weer kon schreeuwen. Op Joey’s hand lag een bloederig vierhoekig ding, een centimeter dik en ongeveer zo groot als twee credit cards naast elkaar.

Ik spuugde bloed uit en spoelde mijn mond met het lauwe water uit de veldfles

Ik begon me ietsje beter te voelen. De oude man liep nog steeds van me weg, maar hij was altijd nog dichterbij dan hij in mijn hele leven geweest was. En toch was ik hier gewoon, een beetje beverig, maar nog bij zinnen. Alsof zijn nabijheid op een of andere manier het effect dat hij normaal op me had, ophief.

Joey veegde het uitgebraakte object af met wat zand en zijn broekspijpen. Wat een raar ding. Als een miniatuur rekenmachine zonder knopjes, met een verlicht schermpje met kleine plaatjes erop, onder andere een telefoontje.

Ik drukte op het groene telefoontje. Een blikkerig geluidje kwam eruit. ‘Geen verbinding,’ flitste op het schermpje, een soort miniatuur tv’tje. Van schrik liet ik het ding vallen.

‘Wat is dat?’ zei Joey.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik met een stem als een verroeste scharnier. Ik stopte het toch maar in mijn zak. Misschien kon ik het nog verkopen.

Het was nog vroeg in de ochtend, en de trein stond geduldig op de rails te wachten.

Ik spuugde nog wat bloed uit. ‘Kunnen we vanaf hier schieten?’

Joey sleurde het jachtgeweer tevoorschijn. Het glom met blauw metaal en donker hout, en het rook naar ranzige olie. ‘Tuurlijk. Zoals we geoefend hebben.’

In de stuk of dertig films die sinds 1977 in Vegas draaiden, werd bij meer dan de helft met een of ander geweer of pistool geschoten. Het zag er altijd zo makkelijk uit, maar dat was ons nog lelijk tegengevallen.

Normaal zou ik dolgraag zijn gaan kijken bij het opbouwen van de hekken en tribunes en podiums, maar nu kon ik het risico niet nemen om zo dichtbij te komen. Een klein leger van arbeiders zwoegde op de generatorfietsen, elkaar afwisselend, om elektriciteit op te slaan voor vanavond.

Eindelijk daverde de soundcheck over het landschap, gedempt door laaghangende wolken. Mensen stroomden binnen vanuit Vegas, in rijtuigen, op paarden en zelfs te voet. Inboorlingen, voornamelijk. Toeristen, zoals mijn moeder en ik, hadden gewoon geen tijd of geld om aan leuke uitjes te besteden. De gedachte aan ma gaf me een scheut van spijt. Zou ik haar weerzien, als we met zijn allen naar de hemel gingen, samen met Hem? Ze was een lieverd. En ze was zo dol op zijn muziek, dat ik durfde te wedden dat ze in de hemel op de eerste rang zou zitten.

Het geluid van de menigte begon zachtjes en zwol aan, als het getikkel van neerregenende kikkers in de verte. Iemand, aan zijn pak en glinsterende ketting te zien de burgemeester, klom op het podium en begon te praten.

Ik voelde een kriebel in mijn oor, en ja hoor, de heuvels aan mijn linkerhand werden grijs, door een kikkerbui die onze kant op kwam. Minder dan tien minuten hiervandaan, schatte ik.

Joey en ik hesen onszelf in onze veiligheidshelmen en regenpakken. Het was nogal een gedoe om ze aan te trekken terwijl we op de grond lagen en stil probeerden te zijn. Ik had net mijn laarzen aan, toen ik de eerste gitaarakkoorden hoorde. ‘Jailhouse Rock’. Ik knarste met mijn tanden en gaf Joey, die traag was met zijn knopen dichtmaken, een por met mijn elleboog.

‘Pak het geweer. Nu,’ perste ik er nog net uit, voordat ik me afkeerde om een handjevol glimmende knikkers uit te spugen, en een wit plastic koord met twee ronde schijfjes eraan vast. Gelukkig niet weer zo’n groot ding met plaatjes.

De stijve oliepakken waren onhandig om in te werken. Joey vloekte terwijl hij met het schietijzer worstelde.

‘Snel!’ siste ik. ‘Voordat ze de boel afgelasten door de regen.’

Ik rilde van misselijkheid, maar het voelde beter te hanteren dan thuis. Ik staarde naar het figuurtje in het witte glitterpak dat op het podium stond te vibreren. De menigte veranderde van bruinig naar geelgevlekt, omdat heel Las Vegas hun oliepak aantrok.

De muzikanten verkleedden zich niet. Ik snapte wel dat ze minder cool zouden worden in regenpakken, maar de regen zou hun kleren totaal verpesten. En we droegen niet voor niets veiligheidshelmen.

Ik voelde me opeens beter, ik weet niet waarom, en nam de jachtbuks van Joey over. Ik richtte, biddend dat het geluid van de regen mijn schot zou verbergen.

God moest mijn gedachten gehoord hebben. Enorme kikkers regenden op ons neer, en de muzikanten werden goed geraakt. Ze waren traag met reageren, en nog trager met wegrennen naar een afdak. De gitaar kletterde op de grond toen een vette kikker de bassist vol op de pols raakte. Had dan niemand ze gewaarschuwd voor onze regen?

Ik moest schieten voordat het podium werd geëvacueerd. Nu of nooit. Ik vuurde.

Een zucht van schrik woei door de menigte. Ooh.

De figuur in wit wankelde. Ik strekte mijn nek om het beter te kunnen zien. Ik zag geen schotwond, alleen maar kikkersap. De neerdenderende kikkers maakten alles onscherp. Langzaam zakte het besmeurde witte pak opzij. Ik kon me niet voorstellen dat ik hem echt had geraakt met mijn lullige jachtgeweer.

De King ging neer.

Het altijd-aanwezige, onpasselijke gevoel in mijn maag verdween. Ik voelde me gezond en fit, beter dan ik me ooit had gevoeld.

Elvis moest dood zijn.

De naam deed me niets meer.

Ik dacht dat ik had gezien dat een reuzenkikker hem raakte. Was hij nu gedood door de hand van God of die van mij?

Ik kon geen woord uitbrengen. Ik gaf Joey een por en wees naar het podium. Mijn hand, die er wit had uitgezien, beverig van het braken, werd bruiner en steviger terwijl ik keek. ‘Joey, mijn hand!’

Hij staarde naar zijn eigen handen. Ik herkende hem nauwelijks. Hij zag er zo bruin uit, zo weldoorvoed, met zulke witte tanden. Zag ik er ook zo uit?

Een enorme hitte stortte op me neer. Zweet brak uit over mijn hele lichaam. Het had wat van opwellende misselijkheid, maar was toch weer anders. Hitte brandde op mijn helm, en een fel licht maakte het onmogelijk om iets te zien.

Mijn oliejas verstikte me. Ik rukte hem uit, dan maar kikkersap op mijn kleren. De broek moest ook uit. Mijn laarzen glibberden van mijn voeten in een stroom van zweet. De band van de veiligheidshelm klemde zo om mijn voorhoofd dat ik hem niet meer op kon houden.

Ik veegde het verblindende zweet uit mijn ogen. De menigte en het Elvisconcert waren nergens meer te bekennen. Een fel licht scheen op me neer uit een blauwe lucht.

Dat moest de zon zijn. Dat wist ik uit films.

Mijn voeten stonden op een effen trottoir, schoon en droog en nergens een kikker te bekennen. Dingen die op auto’s leken, maar zonder roest en niet stilstaand, suisden op nog geen meter afstand langs me heen. ‘Jailhouse Rock’ klonk achter me. Mijn maag bleef rustig.

‘Jesse Garon, waar zijn we?’ zei Joey met ontzag in zijn stem.

Ik draaide me om. Een vlaag van koele lucht woei uit de ingang van een gebouw dat ik nog nooit eerder had gezien. Het rees strak en wit omhoog, zo hoog dat ik de lucht niet meer kon zien. Ik deed een stap dichterbij, de koele schaduw in. Het klingelde en jengelde daarbinnen. Mensen stroomden in en uit, mensen met een vreemd waggelend loopje, omdat hun dijen te dik waren om gewoon te lopen. Ik had nog nooit zulke dikke mensen gezien. Hun gezichten waren bol in plaats van hol, net als hun lijven, ze waren bruin, hun kleren hadden fellere kleuren dan ik ooit had gezien.

De stad zag er zo anders uit, maar het klopte toch ergens. Zo had het altijd moeten zijn, een wereld met een dode King.

Aan de overkant van de weg zag ik een piramide, en de Eiffeltoren. Parijs? Een vliegtuig raasde hoog boven over. Joey’s oma had gelijk gekregen. Niet Parijs, maar het paradijs. Ons plan had gewerkt.

Er rinkelde iets in mijn zak. Ik viste het vreemde ding op dat ik daarstraks had uitgebraakt. Een grijs blok op het schermpje las: ‘T-mobile heet u welkom in de Verenigde Staten.’

 

###

De poort naar het paradijs – Debby Willems

Mijn dood kwam als een klap. Letterlijk. Ik raasde over de provinciale weg, waar in de berm een groot reclamebord stond dat ik daar nog niet eerder had gezien. Daarop prijkte een tekst over de gevaren van telefoongebruik achter het stuur. De statistieken hielden mijn aandacht net ietsje te lang vast, waardoor ik me pas realiseerde dat mijn Audi op de verkeerde weghelft was beland toen ik in de koplampen van een tegenligger keek.

Ik gaf een ruk aan het stuur, maar zag direct dat dit geen verschil meer zou maken. Vanaf dat moment leek alles zich vertraagd af te spelen, alsof ik naar een stop-motion animatie keek. De auto’s raakten elkaar. Mijn motorkap kreukelde als een leeg blikje cola dat met gemak wordt samengeknepen, en ik zou zweren dat ik mijn ribben hoorde breken. Mijn auto begon te kantelen, dus ik zette me schrap voor de klap die zou volgen wanneer de deur het asfalt zou raken. Die klap bleef echter uit.

Plots stond ik in een kamer met identiek witte muren, vloer en plafond – het was alsof ik me in een kubus bevond. Met grote ogen keek ik om me heen, en ontmoette de net zo verbaasde blik van een getinte jongen. Ik schatte hem een jaar of vijfentwintig. Op zijn pet prijkte het Nikelogo, een ketting van smakeloos namaakgoud sierde zijn hals en zijn lichtblauwe shirt zat vol vlekken die vast niet van slechts één dag geweest konden zijn. Het was het type jongen dat me meestal een blokje om deed lopen – of toch minimaal mijn handtas wat steviger vast deed grijpen in het voorbijgaan.

‘Waar ben ik?’ vroeg ik.

De jongen keek me wat schaapachtig aan, waarna hij zijn schouders ophaalde. ‘Al sla je me dood.’

‘Jullie zijn in Barzakh,’ klonk het achter me. Ik draaide me om. De man die zojuist had gesproken leunde met zijn armen over elkaar gevouwen tegen een muur. Zijn donkere huid stak sterk af tegen zijn witte pak.

‘Zie het als een tussenzone,’ voegde hij toe.

‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik.

De man sloeg zijn handen zo hard tegen elkaar dat ik een gil van schrik niet kon binnenhouden. Het geluid van de klap echode onnatuurlijk lang door de ruimte.

‘Een auto-ongeluk,’ zei hij,  terwijl hij ons beurtelings aankeek. ‘Jullie botsten frontaal tegen elkaar.’

Ik slikte kort. Als advocate werkte ik lange dagen, zeker wanneer de strafrechtelijke onderzoeken wat gecompliceerder in elkaar staken. Ik was bijzonder getalenteerd op het gebied van multitasking – zoals iedere zichzelf respecterende vrouw – dus in mijn auto een  lippenstiftje bijwerken of een kort berichtje via de telefoon, daar draaide ik mijn hand niet voor om. Dat ik juist verongelukte bij het lezen van een bord dat voor de gevaren van die dingen waarschuwde, was een ironie die een bittere smaak in mijn mond veroorzaakte.

‘Tering,’ mompelde de jongen beteuterd. Hij staarde in het niets, alsof hij de woorden nog moest laten bezinken.

‘Dit kan niet,’ zei ik met trillende stem, meer tegen mezelf dan tegen het tweetal, waarna ik met beiden handen naar mijn hoofd greep. ‘Dit is niet echt. Ik heb vast hersenletsel opgelopen.’

De man snoof diep. ‘Ontkenning… Uiteraard. Dat ongeloof kan ik gemakkelijk bij u wegnemen.’ Hij zette een stap vooruit en nog voordat ik terug kon deinzen legde hij zijn hand op mijn schouder. Ik voelde een warmte, welke door mijn hele lichaam trok, terwijl het ongeluk zich opnieuw voor mijn ogen afspeelde. Vreemd genoeg voelde het daardoor ineens wel echt.

‘Verdomme,’ mompelde ik. De man liet mijn schouder los. Ik keek om me heen en ontmoette de blik van de jongen, die me een wrange glimlach schonk.

‘Dit is echt ziek,’ zei hij. Zijn toon was bemoedigend, maar zijn woorden hadden eerder een tegengesteld effect. Het was immers mijn schuld dat hij hier nu ook was. Ik ontweek zijn blik bewust en richtte me op de man in het wit.

‘Wie bent u?’ vroeg ik.

‘Noem me Quadi,’ zei hij met een gracieuze buiging. ‘Al denk ik niet dat het mijn naam is, waar je om had willen vragen. Het is mijn taak die er voor jullie toe doet.’

Geërgerd klemde ik mijn kaken op elkaar. Serieus, een betweter? Ik had mijn dag al niet – zwak uitgedrukt gezien mijn verdomde dóód – dus ik merkte dat ik nog minder kon hebben dan gewoonlijk. Het leek me echter niet verstandig om tegen deze man uit te vallen, dus met moeite wist ik mijn mondhoeken omhoog te krullen in – naar wat ik hoopte – een vriendelijk ogende glimlach.

‘Wat is uw táák dan?’ vroeg ik, niet in staat de sneer uit mijn toon te filteren.

‘Kort gezegd verleen ik overledenen toegang naar de poort van het paradijs.’ Met een sierlijk handgebaar wees hij vervolgens naar een gigantische, witte deur. Ik knipperde even met mijn ogen: die was er zojuist toch nog niet? De poort was gesloten, en op de gladde structuur viel nergens een klink of slot te ontdekken.

Quadi gaf ons een brede glimlach. ‘Er is echter maar één van jullie die deze poort door zal gaan, om vervolgens de brug naar het paradijs te bewandelen. Jullie zullen zelf met een voorstel moeten komen wie van jullie dat zal moeten zijn.’

Mijn mond werd droog. Inmiddels was ik ZZP-er, maar toen ik nog gewoon op een advocatenkantoor werkte maakten mijn collega’s en ik wel eens cynische grapjes over de hel waarin wij zouden belanden voor het vrijpleiten van de grootste criminelen. Ik geloofde nooit in dergelijke onzin van leven na de dood, maar nu er werd gesproken over het paradijs kreeg ik het toch wel even warm bij de gedachte aan het alternatief.

‘Maar wat als we geen keuze kunnen maken?’ vroeg de jongen plots. Ik meende iets van onmacht in zijn stem te bespeuren. Met vernauwde ogen nam ik hem in me op. Hij wist zichzelf geen houding te geven, dus vouwde hij zijn armen over elkaar om ze vervolgens weer te laten hangen. Ook in zijn blik meende ik onzekerheid te bespeuren, dus wellicht maakte ik nog wel een kans.

‘Jullie besluiten sowieso niets,’ verduidelijkte Quadi. ‘Jullie doen slechts een voorstel. Ik ben degene die de uiteindelijke beslissing zal nemen.’

‘Wat zijn de criteria voor de toegang naar het paradijs?’ vroeg ik.

Zijn wenkbrauwen schoten omhoog. ‘Ik neem aan dat jullie dat zelf wel kunnen inschatten, nietwaar?’

‘Maar…’ begon ik. Quadi hief echter zijn hand en maande me zo tot stilte.

‘En wellicht goed om te weten: jullie kunnen hier slechts de waarheid spreken.’

Ik beet op mijn lip. Dat maakte het wel iets gecompliceerder. Gelukkig was het mijn werk om mijn woorden verstandig te kiezen en om selectief te zijn in mijn informatie – zolang het de cliënt maar ten goede kwam. Om mijn eigen hachje te redden ging ik deze talenten zeker ten volste benutten.

‘Hoe lang hebben we om tot een voorstel te komen?’ vroeg de jongen.

De man haalde slechts zijn schouders op. ‘Tijd is amper relevant. Wat hier weken zijn, zijn luttele seconden op aarde,’ zei hij. ‘Maar goed; ik ga er vanuit dat jullie binnen drie dagen tot een advies kunnen komen. Mochten jullie er dan nog niet uit zijn, dan zal ik zonder jullie advies mijn oordeel vellen. Zijn jullie eerder tot overeenstemming gekomen, klop dan driemaal op een van de muren en ik zal opnieuw voor jullie verschijnen.’

Zijn toon was afsluitend. Ik had enigszins verwacht dat hij in het niets zou oplossen, maar hij slenterde op zijn dode gemak de kamer uit via een deur – waarvan ik vrij zeker was dat die er voorheen nog niet was. Bij het sluiten van de deur verdween deze direct en staarde ik slechts naar de muur.

‘Tering, ik had net mijn leven weer op de rit.’ Jammerend bracht de jongen beide handen naar zijn hoofd. ‘Ik ben vandaag exact twee jaar clean, weet je, en nu ben ik verdomme dood?’ Hij balde zijn handen tot vuisten en bonkte hard tegen zijn slapen.

Ik trok slechts mijn wenkbrauwen op. Hij was voorheen een drugsverslaafde? Mijn blik gleed over zijn armen, waar ik littekens van naalden opmerkte. Heroïne, dus. Dat was de drug waar men het moeilijkst vanaf kon komen, wist ik. Al tijdens mijn stages had ik gezien waartoe heroïnejunks in staat waren. Mijn lippen krulden omhoog; dit was een beklonken zaak.

‘Laten we overleggen,’ stelde ik voor.

De jongen inhaleerde diep, alsof hij zichzelf tot kalmte maande, waarna hij plots zijn hand naar me uitstak.

‘Mohammed,’ zei hij, ‘noem me maar Mo. Dat doet iedereen.’

‘Charlene,’ zei ik, terwijl ik argwanend zijn hand schudde. ‘En zo word ik ook genoemd, want ik heb er een hekel aan als mensen mijn naam afkorten,’ voegde ik er voor de duidelijkheid aan toe.

Hij gaf me een onschuldige glimlach. ‘Dus, maar één plek en twee kandidaten… Zullen we maar lootjes trekken of zo?’

‘Lootjes?’ Een honend lachje ontsnapte mijn lippen. ‘Het lijkt me dat we ons voorstel zullen moeten baseren op onze levens. We moeten afwegen wat voor goede dingen we gedaan hebben en onder ogen moeten zien wat onze minder goede keuzes geweest zijn. Gebaseerd daarop dienen we te kijken wie van ons het meer verdient om naar het paradijs te gaan.’

Mohammed knikte gedwee. ‘Klinkt aannemelijk.’

‘Laat me denken, goede daden,’ begon ik, terwijl ik theatraal met mijn wijsvinger tegen mijn kin tikte, waarop ik deed alsof me plots iets te binnen schoot. ‘Ik schenk jaarlijks grote bedragen aan meerdere goede doelen,’ zei ik gewichtig. Dat ik dat slechts deed vanwege belastingvoordelen liet ik maar even achterwege.

Beteuterd beet hij op zijn lip. ‘Ik doe eigenlijk nooit iets voor goede doelen.’

Er viel een stilte, waarin Mohammed klaarblijkelijk diep nadacht.

‘Je hebt vast wel andere goede dingen gedaan, toch?’ viste ik op mierzoete toon. ‘Iets waar je trots op bent, wellicht?’

‘Niet veel,’ mompelde hij. Mijn lippen krulden direct omhoog.

‘Het enige dat ik met trots kan zeggen,’ vervolgde hij, ‘is dat ik altijd trouw ben gebleven aan mijn idealen. Zelfs in de donkerste periode van mijn leven heb ik nooit gestolen, en ik heb nooit van mijn leven mensen belogen of bedrogen om aan mijn heroïne te kunnen komen.’

Ik sloeg mijn armen over elkaar. ‘Hoe kwam je dan aan geld voor die drugs?’ vroeg ik argwanend.

Hij sloeg zijn ogen neer. ‘Ik bracht in de nachten veel tijd door op een parkeerterrein – een afwerkplek niet ver van de snelweg, als je begrijpt wat ik bedoel. Mijn vriendin had me toch al lang verlaten, en tja, ik moest iets.’ Zijn stem werd zacht. ‘Vooral in de dure auto’s waren de mannen met centen te vinden. Het waren juist die mannen, die dingen van me verlangden waarvan ik nu nog misselijk word als ik eraan terug denk.’ Een rilling kroop over zijn rug. Hij slikte, waarna hij zijn hoofd zo hevig schudde dat het was alsof hij zijn herinneringen letterlijk van zich af probeerde te gooien.

Ik merkte dat ook mijn mond droog was geworden van zijn woorden.

‘Maar genoeg over mij,’ zei hij abrupt. Zijn ogen gleden naar de ring aan mijn vinger. ‘Ben je getrouwd?’

Ik beet op mijn lip. Mijn gedachten flitsten terug naar de avond dat Martino met zijn koffer in zijn hand bij de voordeur stond en me met tranen in zijn ogen vertelde dat ik niet langer de vrouw was waar hij ooit voor was gevallen. Koud en leeg, noemde hij me, waarna zijn blik de mijne vond. De stilte die volgde werd steeds langer, steeds ondraaglijker. Hoewel de tranen achter mijn ogen brandden, slikte ik deze terug en wenste Martino met een stalen gezicht een goed leven toe. In zijn ogen las ik de teleurstelling, waarna hij zijn hoofd schudde alsof ik zijn test had gefaald. Soms vraag ik me nog wel eens af of hij was gebleven als ik destijds mijn tranen had toegelaten.

‘Ik ben inderdaad getrouwd,’ zei ik. Technisch gezien was dat geen leugen: de scheidingspapieren weigerde ik immers al maanden te tekenen. Te druk, dat was altijd mijn excuus. De weken dat ik slechts zestig uren werkte ervoer ik inmiddels als rustig. Martino had altijd al gezegd dat ik mijn werk als uitvlucht gebruikte, maar nadat hij was vertrokken realiseerde ik me pas dat er wellicht stiekem wel een kern van waarheid in zijn woorden zat – al zou ik dat nooit aan hem bekennen, uiteraard. Ik hield me gewoon liever met mijn werk bezig: andermans sores in plaats van die van mijzelf.

‘Heb je kinderen?’ vroeg Mohammed.

Ik schudde mijn hoofd. Kinderen stonden een carrière slechts in de weg, maar dat deelde ik uiteraard niet met deze jongen.

‘En jij?’ pingpongde ik terug. ‘Woon je alleen?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Ja.’ Zijn handen schoten naar zijn mond, waarna hij wat onwennig grijnsde. ‘Tering, ik wilde nee zeggen maar dat valt blijkbaar onder leugens,’ zei hij droogjes.

‘Hoe bedoel je?’

‘Nou, mijn jongere neef woont al een paar maanden bij me. Maar ik noem het liever logeren, omdat ik anders gezeik krijg met mijn huisbaas. Maar ja, het is echt maar tijdelijk, en Yassin is pas vijftien, weet je.’

‘Waarom woont hij dan bij jou?’ Het ontglipte me voordat ik er erg in had. Eigenlijk wilde ik verder helemaal niets meer weten, zeker geen dingen waarvan ik vreesde dat deze in zijn voordeel zouden gaan werken.

‘Ik zag Yassin af en toe op een familiefeestje, maar ik kende hem niet echt goed,’ begon Mohammed. Hij keek omlaag, waardoor de schaduw van zijn pet zijn gezicht verhulde. ‘Totdat ik hem op een zaterdagnacht ineens op het station zag, met die lege blik in zijn ogen. Ik vroeg me al af wat hij bij spoor vier deed, want daar rijden nooit nachttreinen… Het klopte gewoon niet. En toen was daar het geluid van een naderende goederentrein. Ik zag dat Yassin naar de rand van het perron schuifelde. Als ik toen geen sprint had getrokken, en als ik hem toen niet aan zijn capuchon had teruggetrokken…’ Mohammed slikte, zichtbaar te geëmotioneerd om zijn zin af te maken. Hij zuchtte diep, waarna hij zich herpakte.

‘Zijn ouders hadden hem blijkbaar uit huis geschopt, nadat zij hem in bed betrapten met een man,’ vervolgde hij. ‘Zijn ruim twintig jaar oudere vriend, zo bleek. Die vriend van hem dumpte hem dezelfde avond. Ik heb Yassin maar niet verteld dat ik de man in de foto die hij me liet zien herkende. Zijn ex-vriend bleek de man die ik het meest vreesde op de parkeerplaats; de man wiens aanraking mij altijd het meest deed walgen. Ik wist dat ik slechts gebruikt werd – en ik kreeg er ten minste nog geld voor. Maar mijn neefje is nog zo naïef. Hij was verliefd en daardoor zo verblind door de valse beloften die hem in zijn oor werden gefluisterd, waardoor hij zijn eigen grenzen keer op keer voorbij ging…’

Mohammed slikte. ‘Mijn neefje werd door hem met net zoveel gemak aan de kant gegooid als een gebruikt condoom op een afwerkplek. Sindsdien woont Yassin bij mij, ik let een beetje op hem. Goed gaat het nog lang niet, maar ik houd hem in ieder geval van de straat.’

Ik beet op mijn lip. Mohammed hoorde helemaal niet in de hel; die realisatie was exact de reden dat ik liever niet te veel van hem had willen weten.

‘Heftig,’ zei ik slechts.

‘Ik heb de hel al gezien, weet je.’ Zijn stem was niet meer dan een fluistering. ‘Al beleefd, zelfs. Maar ik had dat alles verdomme net achter me gelaten. Het is gewoon niet eerlijk.’ Hij balde zijn vuisten in onmacht.

‘Het leven is soms niet eerlijk,’ zei ik zacht. ‘En de dood blijkbaar ook niet.’

Mohammed slaakte een zucht. ‘Ik was net op weg naar mijn oom, want ik had eindelijk de moed verzameld om met hem te gaan praten. Ik wilde zowel oom als tante zeggen dat Yassin letterlijk kapot gaat van verdriet. Dat hij hen nodig heeft, en dat hij nog steeds gewoon hun zoon is. Ik hoopte dat ik hen zover kon krijgen dat ze hem zouden accepteren zoals hij is, of in ieder geval een eerste stap in die acceptatie konden gaan zetten.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Daarom was ik er met mijn gedachten ook niet helemaal bij. Alles gebeurde zo snel. Het spijt me, Charlene.’

‘Het spijt je?’

Met tranen in zijn ogen keek hij me aan. ‘Ik had beter op het verkeer moeten letten. Het ongeluk… Ik vrees dat ik ons beiden de dood heb ingejaagd.’

Mijn mond viel open. Hij dacht dat het ongeluk zijn schuld was? Een wrang gevoel deed mijn maag kantelen, maar ik drong het terug. Als ik ooit aan dat gevoel had toegegeven, had ik nooit de successen geboekt die mijn carrière naar een hoger niveau tilden. Reed ik geen Audi, had ik geen vrijstaand huis op het platteland met dure geïmporteerde meubels, had ik… Opnieuw schoot Martino’s blik van teleurstelling door mijn gedachten, maar ook dat beeld wist ik terug te dringen. Vastberaden rechtte ik mijn rug.

‘Bedankt voor je excuses,’ zei ik kil, ‘maar daar heb ik helaas niets aan.’

‘Nee,’ zei hij. ‘Maar jou die plek geven in het paradijs is denk ik wel het minste dat ik kan doen.’

Twijfels kronkelden als maden door mijn hoofd. Zou ik bekennen dat ik degene was die het ongeluk had veroorzaakt? Maar zou ik dan überhaupt nog kans maken om die poort ooit door te mogen? Of verdoemde ik mezelf met die bekentenis dan zeker naar de hel?

Nog voordat ik mijn twijfels de baas was, klopte Mohammed al drie keer op de muur. Quadi verscheen vervolgens zo plots naast me dat ik bijna achterover viel van schrik.

‘Jullie zijn er al uit?’ vroeg de man met opgetrokken wenkbrauwen.

Mohammed knikte. ‘Zij verdient de plek in het paradijs,’ zei hij krachtig.

Quadi’s ogen vernauwden. ‘Want?’

‘Het ongeluk was denk ik mijn schuld.’

‘Was dat ook zo?’ De man in het witte pak keek mij nu aan.

‘Alles ging zo snel,’ mompelde ik slechts. De stilte die volgde gebruikte ik om de vloer uitgebreid te bestuderen. Mijn handen werden klam terwijl ik de ogen van Quadi voelde branden. Wist hij, dat ik wist wat ik wist? Het was een gok – maar ik waagde het erop en hield mijn mond.

‘Goed, dan weet ik genoeg,’ zei Quadi. ‘Het is tijd voor mijn besluit.’

Ik hield mijn adem in terwijl hij zijn ogen over ons beiden liet glijden. Ik wiebelde mijn tenen in mijn pumps, een tic die ik ook had wanneer rechters hun uitspraak deden en ik niet zeker was van mijn zaak. Ditmaal hing er echter meer vanaf dan ooit.

‘Ik volg jullie advies op. Ik zal de poort openen voor Charlene.’

De adem ontsnapte mijn lippen in de vorm van een opgeluchte zucht. Mohammed keek beteuterd naar zijn eigen sneakers, iets dat mijn euforie direct deed vervliegen.

‘Meneer?’ De jongen hupte wat onzeker van de ene voet op de andere. ‘Kan ik op de een of andere manier nog wel een boodschap naar mijn familie zenden, voordat ik naar de djahannam ga – de hel?’

‘Waarom denk je dat je naar de hel gaat?’ vroeg de man.

Mohammed knipperde met zijn ogen. ‘Zij gaat naar het paradijs, toch?’

‘Nee, zij zal de brug naar het paradijs betreden. Of haar daar uiteindelijk het paradijs wacht, zal nog blijken.’

‘Pardon?’ Mijn stem was minimaal een octaaf hoger dan gewoonlijk. ‘Hoe bedoelt u?’

Quadi haalde met gespeelde nonchalance zijn schouders op; in zijn glimlach meende ik een randje cynisme te bespeuren. ‘De vraag was wie van jullie de poort naar het paradijs door zou gaan, niet wie van jullie het paradijs zelf zou betreden.’

‘Wat gebeurt er dan met mij?’ vroeg Mohammed met grote ogen.

‘Jij keert terug naar je leven, beste Mo. Ofwel: jij overleeft het ongeluk. Uiteraard zal je je dit alles niet herinneren.’

Quadi knipte in zijn vingers. Mohammed opende zijn mond, maar nog voordat hij kon spreken verdween de jongen in het niets.

Hoofdschuddend richtte Quadi zich vervolgens tot mij. ‘Je begrijpt uiteraard wel dat Mo sowieso degene was die zou blijven leven, nietwaar? Ik had echt gehoopt dat je de kans zou aangrijpen om eindelijk eens het juiste te doen.’ Afkeurende klakte hij met zijn tong.

Mijn mond was zo droog dat ik amper kon slikken. Ik wilde nog een weerwoord geven, maar zag aan zijn vastberaden blik dat het geen verschil meer zou gaan maken.

‘Wat nu?’ vroeg ik.

Hij gaf me een brede glimlach. ‘Iedereen die sterft mag de brug naar het paradijs bewandelen.’

Argwanend keek ik hem aan. ‘Dat is vast niet zo simpel als jij het nu laat klinken.’

‘Die brug is niet voor iedereen hetzelfde. Ieders brug wordt gevormd door goede daden, maar afgebroken door de slechte.’

De poort opende zich. Ik zag een pad van zwevende, witte stapstenen boven een donkere diepte.

‘Bereik de overkant, en je zal welkom zijn in het paradijs,’ zei Quadi. ‘Zo niet, dan zal je de eeuwigheid doorbrengen in de eindeloze diepte van het niets, zoals vele andere duistere zielen.’ De laatste woorden spuugde hij met zoveel walging uit, dat de moed me direct in mijn schoenen zonk. Quadi verdween in het niets.

Ik probeerde de afstand tussen de stapstenen in te schatten. Mijn maag implodeerde toen ik me realiseerde dat de kansen klein waren dat ik ooit de overkant zou gaan bereiken. Ik sloeg mijn armen om mijn middel, als een omhelzing aan mezelf, en wist met moeite mijn tranen terug te slikken. Het leek me beter om hier te blijven. Misschien zou er hier nog iemand verschijnen, en kon ik dan het juiste doen. Wellicht viel mijn brug zo nog te repareren.

Vanuit mijn ooghoeken merkte ik beweging op. Even voelde ik een sprankje hoop, maar deze vervloog direct: gitzwarte schaduwen dropen als inkt over de muren omlaag, alsof de kamer werd weggevreten door de duisternis. Met grote ogen keek ik om me heen. Druppels brandden gaten in de vloer, waardoor de kamer langzaamaan verdween.

Blijven was geen optie.

Met trillende benen stapte ik op de eerste witte steen, die net groot genoeg was om met twee voeten naast elkaar op te staan. De poort klapte achter me dicht en verdween. Vanuit de duisternis onder me klonk gejammer, gehuil en geschreeuw: zoveel verschillende stemmen door elkaar dat de kreten zich vormden tot een luguber orkest. Ik drukte mijn handen tegen mijn oren, maar kon het geluid niet buitensluiten.

Met vernauwde ogen probeerde ik de afstand tot de volgende steen in te schatten. Ik trok mijn pumps uit. Even twijfelde ik nog, maar vervolgens mikte ik de schoenen in de diepte, waar ze verdwenen alsof ze werden opgeslokt door het duister. Ik had in het paradijs vast niets aan die dure schoenen.

Ik haalde enkele malen diep adem, waarna ik mijn sprong maakte naar de volgende steen. Bij mijn landing helde ik eerst voorover, daarna gevaarlijk ver achterover, waarna ik maaiend met mijn armen gelukkig mijn evenwicht wist te vinden. Een zucht van opluchting ontsnapte mijn lippen.

Het duister om me heen vormde zich plots tot de rechtbank waar ik mijn allereerste grote opdracht had als advocate. Ik zag mezelf zitten, naast mijn cliënt: een brede man die me vanwege de donkere haren op zijn armen en handen al vanaf onze ontmoeting al aan een beer deed denken. Een jonge brunette vertelde in horten en stoten tegen de rechter hoe mijn cliënt haar had verkracht. De cliënt vertrok nog geen spier.

‘Er is gewoonweg niet voldoende bewijs,’ hoorde ik mijn eigen stem door de ruimte galmen. Ik wist donders goed dat mijn cliënt de misdaad had begaan, maar vanwege enkele procedurefoutjes had ik de belangrijkste bewijzen ongeldig kunnen laten verklaren. Dat leidde tot mijn eerste grote overwinning.

De rechtbank vervaagde en ik zag nu mezelf, op de avond na de uitspraak, terwijl ik in mijn destijds nog kleine appartementje met een grote grijns een dure fles champagne opende. Ik keek naast me, en zag hoe de cliënt die ik had vrijgepleit ondertussen in een chique club een pil in het drankje van een opgedirkte blondine liet glijden. Gelijktijdig zag ik op de achtergrond het beeld van een brunette die ineenzakte op een smerige keukenvloer, met op het aanrecht tig leeggedrukte pilstrippen. Haar open ogen waren op de hemel gericht, maar zien deden ze niet langer. Het levenloze lichaam was dat van de vrouw uit de rechtbank, realiseerde ik me. Een zure smaak speelde op in mijn mond toen ik gelijktijdig zag hoe de cliënt zijn nieuwste slachtoffer – de opgedirkte blondine – ruw tegen de grond drukte, terwijl hij met zijn andere hand zijn broeksriem los rukte.

Ik schudde mijn hoofd, en wist de beelden zo te verdrijven. De diepte onder me leek nog donkerder, nog dreigender dan voorheen. Ik probeerde me te concentreren op de volgende steen, en na mijn sprong wist ik weer met moeite mijn evenwicht te bewaren.

Nieuwe beelden verschenen voor me. Ik kneep mijn ogen dicht, maar dat bleek geen zin te hebben: ik zag zelfs met gesloten ogen. Mijn maag draaide om: een drugsdealer die ik had vrijgepleit bewerkte een van de getuigen vakkundig met een mes, terwijl ik mezelf in mijn appartementje bewonderde in mijn gloednieuwe pumps – een traktatie aan mezelf gezien mijn winst in de rechtbank.

Ik wankelde, maar wist mezelf te herpakken en sprong naar de volgende steen. Iedere sprong bleek er een verder in mijn leven. Naarmate mijn carrière succesvoller werd, werden de beelden van de gevolgen walgelijker.

Een zure golf van misselijkheid verliet mijn lippen en spatte op de witte steen onder me uiteen. Ik ademde diep in. De tranen brandden achter mijn ogen. Ik rechtte mijn rug en tuurde naar de overkant, naar het witte licht dat telkens opnieuw verder uit bereik leek te raken. Ik schudde mijn hoofd. Ik was nog niet eens op de helft. Als ik ooit de andere kant al zou bereiken, zou ik überhaupt geen plek in het paradijs verdienen, realiseerde ik me.

Mijn blik werd troebel van de tranen, waardoor het witte licht nog verder weg leek dan voorheen. Ik had zoveel verkeerde keuzes gemaakt. Zoveel verkeerde prioriteiten gesteld. Zelfs na mijn dood verkoos ik mijn eigen hachje boven dat van een onschuldige knul die slechts aan het begin van zijn leven stond. Martino had gelijk gehad: ik was niet langer de vrouw die ik ooit was. Ik was een vreemde geworden, zelfs voor mezelf. Ik had mijn leven toen moeten beteren. Maar nu, nu was het te laat.

Ik zakte door mijn benen. Ik wist, dat de dingen die ik al had gezien een schijntje waren van hetgeen me op de brug nog te wachten zou staan. Mijn keel was hees van het huilen, mijn middenrif deed pijn van het oncontroleerbare gesnik.

Ik stond op en rechtte mijn rug terwijl ik opnieuw naar het witte licht keek. Ik verdiende het paradijs niet. Ik ademde diep in. Vervolgens sloot ik mijn ogen en liet mezelf achterover vallen, de diepte in.

 

Sindsdien val ik. In de duisternis ben ik alleen met mijn gedachten, herinneringen en spijt. De beelden die ik op de brug naar het paradijs zag, kwellen me als de waanbeelden van een continue nachtmerrie.

Vaak denk ik terug aan Mo. Dat wij tweeën per toeval een ongeluk kregen, geloof ik niet langer. Ook hij was niet perfect, maar wanneer wij voor keuzes stonden, koos hij voor anderen terwijl ik mezelf altijd voorop stelde. Inmiddels heb ik er daarom vrede mee dat hij degene is die zijn leven heeft mogen voortzetten, zelfs nu dat betekent dat ik mijn eigen fouten keer op keer onder ogen moet zien.

Lang hoopte ik nog dat ik te pletter zou vallen, maar ook dat geloof ik niet meer. De val duurt maar voort, en vormt een ergere hel dan ik mezelf ooit had kunnen voorstellen: verstrikt in een eeuwige val, waarin ik geen erger gezelschap had kunnen indenken – voor altijd alleen met mezelf.

Wartna – Jan J.B. Kuipers

Het voorjaar is al goed op streek, maar hier schijnt de maan nog door de kale takken van een wilgen- of elzenbosje, dat een eindje verderop naargeestig in de hemel klauwt. Ergens tussen het bosje en de twee mannen ligt een donkere hoop in het vochtige gras. Behoedzaam treden de monnik Dubghal en ik naderbij.

De hoop blijkt het uitgestrekte lijk van een gesneefde krijgsman te zijn. Maliën blinken vaag onder de half verrotte schoudermantel, grote zwarte gaten geven de plek aan waar de protserige beugelspeld, waarvan de Friezen zo houden, is afgescheurd. Onder een leren helm gaapt het doodshoofd, waaraan nog vezelige en schouderlange haarpieken plakken. Een edeling zonder twijfel, maar één wiens lot al jaren geleden een fatale wending heeft genomen.

Dubghal slaat een kruis en mompelt zijn christenspreuken. Ik blijf behoedzaam terzijde, klaar om bij het minste onraad te vluchten, terug over de Rijn naar de rijkjes die de Franken uit het Romeinse imperium hebben gekerfd. En jawel, het onraad komt – maar ik blijf staan, als verlamd, geplant in de grond zoals die vervloekte spookbomen verderop.

Het hoofd van de dode krijger richt zich enigszins op, zo lijkt het tenminste in die lichte nacht, en een wittige nevelwalm ontsnapt aan zijn mond, die min of meer een gedaante aanneemt als van een mens. Dubghal valt op zijn knieën, zijn heilige gebed op slag verstomd.

De schim spreekt! Zijn stem klinkt als het ruisen van regen op de rivier. Toch herken ik de hoekige, overrijnse tongval.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm.’

Ik zie hoe de verbijstering ook mijn meester in haar greep heeft.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij daarin, met het hoofd van mijn vijand in de arm!’ gebiedt de schim nogmaals en de regen van zijn stem ruist harder, dringender.

Nu kijken zowel Dubghal als ik, Skannal, man zonder herkomst, om ons heen, alsof we wakker geschrokken zijn. Geen vijand in de wijde omtrek te zien.

‘Vergeef ons. Maar uw vijand moet gevloden zijn, heer,’ zeg ik haastig, terwijl Dubghal stom blijft, hoewel zijn lippen licht bewegen.

Een zwakke beroering lijkt door de schim te trekken. Misschien beseft hij nu pas dat hij niet zijn vijand, maar zijn vijand hém heeft overwonnen in dat grijze verleden.

‘Werp mij dan een heuvel op en begraaf me daarin met mijn zwaard,’ eist hij nu.

Ook een zwaard is in geen velden of wegen te bekennen. Waarschijnlijk heeft de vijand het als trofee meegenomen, of is het gestolen door een naamloze passant in deze drasse en desolate landen. Misschien dezelfde lijkenpikker die ook de beugelspeld heeft gesnaaid? Zwaarden zijn kostbaar, bronzen mantelspelden ook.

‘Uw machtig zwaard is eveneens verdwenen,’ zeg ik.

‘Werp een heuvel op en begraaf mij,’ aldus de derde en aanzienlijk doffere eis van het spook, dat mogelijk als gevolg van mijn teleurstellende berichten begint te vervagen.

Dit laatste brengt moed terug in de scharminkelige leden van mijn meester. Dubghal rijst waardig op, zichzelf en het lijk bekruisend, waarin de schim zich weer schijnt op te lossen.

‘Geen duivelaanbiddersheuvel voor u, heidense vorst!’ roept hij. ‘De Heer heeft u nogmaals overwonnen en in de hel gebannen!’

Met een grote boog beent nu hij om de gevallene heen en vervolgt zijn pad naar het elzenbosje. ‘Komaan, Skannal, volg mij!’

Ik haast mij achter Dubghal aan. Maar beiden verstarren we voor een tweede keer, als de schim nog één keer roept, nu hol vanuit de halfopen borstkas van de gevallene: ‘Deze plaats van uw eerloosheid is ook de plek van uw dood!’

Het is een maanverlichte en kille nacht. Wij rillen en huiveren, we komen opnieuw in beweging en draven bijna naar de elzen.

 

*

 

Het is waar: ik heb een zekere gehechtheid ontwikkeld aan Dubghal de Hiberniaan. Hij heeft mij immers gered. Ik lag op het strand, wachtend op de vloed en mijn dood. Ik leunde met mijn rug tegen een ruwe paal, die de Kustfriezen van weleer diep in het zand hebben geslagen. Sterker nog: Mijn polsen waren achter de paal gewrongen en daar samengebonden. Ook om mijn middel liep een koord dat mij aan de paal bond. Mijn enkels waren eveneens gebonden. Ik was een offer aan hun zeegodin Rane. Iets met een schaap dat ik zou hebben gestolen, een dochter die ik zou hebben benaderd. Geen dingen om over uit te weiden.

De vloed kwam dus op, omspoelde al de ruïneuze Toren van Kalla, die de plek aangeeft waar in een grijs verleden een krankzinnige keizer van Rome zíjn zeegod kwam beoorlogen, en nadien huiswaarts trok met zegewagens vol buitgemaakte schelpen. Geen wonder dat dit rijk naderhand langzaam is afgebrokkeld.

Ik lag te wachten en liet al bijna mijn pis lopen van angst.

Toen verscheen Dubghal. Hij knielde bij me neer en bood me mijn bevrijding aan.

‘Graag, heer.’

‘Als compensatie vraag ik dat je het zachte juk van Christus op je neemt.’

‘Goed.’

Op zijn gemak haalde hij een veldfles tevoorschijn en sproeide druppels over mijn hoofd, terwijl hij zijn heilige kruisgebaren maakte en prevelde in de taal der Romeinen. De voorposten van de vloed bepotelden al mijn sandalen.

Ik herkende dit wel. In Londinium aan de overkant van de zee was ik ook al eens gedoopt, toen ik diende in de Zaal van koning Vortigern. Maar dat hoefde Dubghal niet te weten. Voor mezelf maakte ik uit dat ik inderdaad een christen moest zijn, nu ik twee keer hun wijdingsrite had ondergaan. Dát was de reden dat ik Dubghal niet doodsloeg toen hij mij net op tijd bevrijdde van de sombere Friezenpaal. Niet omdat hij mijn enkels vastgebonden liet en ook mijn polsen stevig vastbond, vóór hij me meesleepte naar het veilige duinland achter de dodelijk aanrollende branding.

 

*

 

We zijn een eind naar het zuidoosten getrokken en het plan is als volgt: we reizen stroomopwaarts over de Rijn naar Traiectum. Vandaar gaan we weer noordwaarts naar de moerassige landen bezuiden het Aalmeer, waar ergens eindeloos en onder een kwaad gesternte aan de stad Wartna wordt gebouwd door de heidense Friezen. Met behulp van de reliek die Dubghal meesleept en die hij met de tederste zorg omringt, zullen wij het lot doen keren en zo de Friese koning en met hem al zijn onderdanen tot het Ware Geloof brengen. Ik geloof niet dat het hoofddoel van Dubghal zijn eigen canonisatie is als dank voor deze onderneming, maar uitsluiten doet hij deze schitterende toekomst ook bepaald niet. Hij gedraagt zich al min of meer als een uitverkorene, een heilige. Mij ziet hij als zijn bediende en hij heeft mij ongeveer een week na onze ontmoeting al min of meer verkracht. Waarna veel neergeslagen blikken en fanatieke prevelgebeden volgden, toen de ochtend was aangebroken. Wat mij betreft: ik weet welk lot de eenvoudigen beschoren is. In Londinium heb ik wel erger meegemaakt. Ik hou er niettemin rekening mee dat ik, Skannal de vaderloze, me eens zal kunnen wreken op alles en iedereen. Of toch op sommigen.

 

Op een platte aak vol zout trekken we oostwaarts, op de kracht van één vierkant zeil waarbij we midstrooms varen. Als dat niet gaat en de scheepsknechten de bomen moeten hanteren, houden we de wal dichterbij. De schipper-eigenaar is een nurkse kerel. Hij bestiert het roerblad en het zeil, zijn in todden en vodden gehulde mannen hanteren lijdzaam de bomen.

Op een nevelige ochtend, niet ver van Traiectum, schieten ranke bootjes vanachter een hoge donk bij de zuidoever tevoorschijn en enteren onze schuit. Vieze kereltjes, rank als palingen en stinkend als beerputten, zwermen over dek en houwen met knuppels en een enkele bijl in op de knechten. Hun hoofdman, herkenbaar aan een merkwaardig staketsel van twijgen en vissenhuid in de vorm van een bovenmaatse snoekenbek, schreeuwt bevelen vanuit één van de schuitjes op veilige afstand.

Onze schipper grijpt naar zijn boog, maar valt met een kapotgeslagen knie opzij, waarna enkele bijlslagen het werk afmaken. Ziekmakende geluiden, bloed dat over de planken kruipt. Ik val op mijn knieën en begin over te geven, hetgeen grote olijkheid bij de piraten teweegbrengt. Ze hebben de aak al veroverd, de mannetjes lopen geestdriftig roepend rondom de hopen zout in de midscheeps. De leider met de snoekmijter wordt ook aan boord gehesen en loopt met een adjudant langs de gevallenen. Hij wijst op enkele jonge en vlezige exemplaren. Die worden vervolgens door zijn mannen opgenomen en netjes op het achterschip in een rijtje gelegd. De anderen gaan overboord, de schipper achterna. Visvoer of een offer aan hun modderige goden.

Mijn meester Dubghal ontspringt die dans. Zijn uitheemse uiterlijk en pij heeft kennelijk de nieuwsgierigheid opgewekt van deze rivierratten. Op zijn gebaren en overredende kreten word ook ik gespaard. Misschien denken de rovers nog meer pret met ons te kunnen beleven. We worden gebonden en rug aan rug in de boot van hun admiraal met de snoekmijter gezet. Dan verdwijnen we weer achter de donk. De aak komt achter ons aan en de kleine stinkerds die hem voortbomen zingen een schel en vrolijk lied, terwijl een ijzige regen de nevel verdrijft.

 

*

 

De biezen hutjes van het snoeksnuitvolkje zijn nauwelijks te onderscheiden van het hoge riet dat het oeverland bekleedt. Hier en daar steken wilgen en vlieren boven de wildernis uit. Dubghal en ik worden ondergebracht in een grote kooi op een met stammetjes verstevigde donk, een eindje landinwaarts. Aan een afgeknotte boomstam in het centrum hangt een barbaarse gestalte. Een met lappen en kledingfragmenten bekleed takkengeraamte, bekroond door een schedel met aangeplakte rietstengels als kapsel, waarop weer een staketsel rust in de vorm van een steurachtige kop met lange voeldraden en zwarte kiezels als ogen. Aan de voet van de stam ligt een bergje offerbeenderen in diverse fasen van verbleking of verkoling.

‘Dat is Kgestha, hun riviergodin,’ zegt de kerel die bij ons zit opgesloten. Zijn naam is Elbouin en hij is de laatste van een groepje Frankische verkenners dat door de snoeksnuiten op de zuidelijke Rijnoever is overrompeld, maanden geleden. Zijn traditionele, overdreven Frankische snor valt niet meer op in zijn intussen overvloedige, smerige baard.

‘Waar is de rest gebleven,’ vraag ik.

‘Opgegeten,’ zegt Elbouin in zijn nauwelijks te volgen koeterwaals. ‘Sommigen moesten eerst paren met de meisjes van de snoekkoppen. Nageslacht, zie je. Maar ik niet. En nu ben ik aan de beurt, zonder dat…. Tenzij ze eerst jullie…’

Dunghal staakt zijn eeuwige geprevel. Zijn hand glijdt onder zijn pij en omknelt de reliek.

‘Dat zal niet gebeuren, dat mág niet gebeuren,’ mompelt hij doodsbang. Hij schijt zich bijna onder als enkele snoeksnuiten uit de hut van de hoofdman aan de overkant van de plek komen kruipen en vervolgens naar onze kooi lopen.

Elbouin drukt zich panisch tegen de achterwand en Dubghal valt op zijn knieën, het pakje met de relikwie in zijn hooggeheven handen. Hij begint luidkeels te bidden. Maar ik, Skannal, doe een dwaas sprongetje, buig mij dan voorover, maak afschuwelijke braakgeluiden en begin een enkeltrappend dansje dat ik van een potsenmaker heb geleerd, lang geleden in Caer Colun.

De snoeksnuiten staan verbouwereerd stil en slaan zich dan op de knieën van het lachen.

 

Of dát ons gered heeft of het vrome bidden en smeken van Dubghal, of misschien de kracht van de relikwie, ik weet het niet. In elk geval zitten we die avond ongeschonden voor de hut van koning Snoeksnuit, terwijl even verderop een stevige stoofpot pruttelt. Het hoofdingrediënt wordt helaas gevormd door de onfortuinlijke Elbouin, op smaak gebracht met overvloedig zout uit onze aak. Toen ze de Frank keelden en slachtten pal voor onze kooi ben ik opnieuw brakend over de aarde gekropen. Mijn populariteit als dolleman kan niet meer stuk.

De riviermannen smullen van hun vlees en vinden het helemaal niet erg dat wij ons tot enkele moten geroosterde vis beperken. Koning Snoeksnuit blijkt mee te vallen. Hij kent de rivier tot aan de kust. De stam omvat enkele verspreide nederzettingen tot aan het mondingsgebied, elk met een eigen koning. Ook is hij vaak in Traiectum geweest, de half in puin liggende Romeinse nederzetting wat verder naar het oosten. En óf hij Traiectum kent. Zijn dochter is er vorig jaar geroofd door de Traiectanen, die met de Franken onder één hoedje spelen om het aloude riviervolk uit te roeien, het volk dat in de voortijd samen met de rivier uit het land van de ochtendnevel is gekomen.

Het kan Dubghal allemaal niks schelen.

‘En Wartna?’ vraagt hij begerig.

Snoeksnuit en zijn oudermannen doen net of ze hem niet horen en kauwen onverdroten op hun vleesbrokken. Hun tronies spreken boekdelen. Ze willen niet van Wartna weten.

‘Ik heb over de christenen gehoord,’ zegt Snoeksnuit dan met zijn keelachtige accent. ‘Jullie eten je god en daarom zijn jullie net als ons. Je moet ons helpen.’

Dubghal opent zijn mond om dit godslasterlijke misverstand aangaande de heiligste rite van zijn geloof krachtig uit de wereld te helpen. Maar ik ben hem voor, ik wil graag nog even blijven leven.

‘Wij willen graag helpen,’ roep ik bijna. ‘Toon hen uw relikwie, vader Dubghal!’

De monnik kijkt mij woedend en machteloos aan.

‘Vader Dubghal heeft een machtig tovermiddel onder zijn pij. Het kan u grote diensten bewijzen!’

Nu moet hij wel. Met tegenzin haalt Dubghal het pakje tevoorschijn en vouwt het open.

Iedereen staart naar het in een benen lijstje gevatte, doorzichtige harsplaatje met daarin een plukje grijzige, vezelige schubben. Opvallend grote schubben. De wonderbaarlijke Schub van Sint-Fintan.

De snoeksnuiten zuchten van verwondering. ‘Vis! Wij zijn als jou en jij bent als ons,’ zegt hun koning met nog meer overtuiging dan eerst. ‘Watermensen. Hoe kan de toverschub ons helpen?’

Plots ontwaakt de missionaris in Dubghal. ‘Niemand weet hoe de heilige relieken hun kracht tot uiting brengen,’ zegt hij zalvend. ‘Maar de eerste voorwaarde voor de werking is dat ik u moet dopen.’

‘Dopen?’ De riviermannen kijken ons en elkaar verwonderd aan.

De spraakwaterval van Dubghal is niet meer te stuiten.

 

Sint-Fintan vluchtte vóór de Zondvloed uit naar het westen, ik denk wel duizend jaar geleden en hij was in het gezelschap van zijn vrouw, Noachs kleindochter Cessair, vijftig andere vrouwen en een paar kerels. Fintan was zeer wijs en werd een belangrijk raadsheer van diverse koningen in Hibernia. Toen de vloed ook deze landen bereikte, wist hij te overleven door in een zalm te veranderen en gedurende een jaar onder water te leven. Toen dook hij weer op, schoot als havik de lucht in en daalde neer als man. Hij schudde het laatste water en de laatste schubben van zich af en leefde zijn verdere leven als een man in wie alle kennis verzameld was en die tegelijk niet door deze kennis werd aangetast.

‘Als een heilige leefde hij voortaan,’ besluit vader Dubghal en vouwt het doek weer om zijn heilige pakketje, dat hij vervolgens weer onder zijn pij wegsteekt.

‘Morgen zal ik u allen dopen in de rivier,’ kondigt hij plechtig aan. ‘En vervolgens brengen wij de vlam van het geloof naar Traiectum!’

‘En Wartna dan?’ fluister ik hem toe.

Nu doet Dubghal of hij míj niet hoort. De bekering van de snoeksnuiten en van Traiectum legt vermoedelijk evenveel gewicht in zijn hemelse schaal als die van Wartna, de geheimzinnige stad der Friezen.

 

*

 

De doopplechtigheid is een langdradige gebeurtenis; Dubghal dompelt tientallen kandidaten onder in de rivier, bij de oever tussen de rieteilandjes. Mannen, vrouwen, kinderen. Hij raffelt zijn formules af en daar waadt de volgende kandidaat alweer naar hem toe. Ze hebben er wel plezier in, de snoeksnuiten, het is een eenvoudig volkje. Hun barbaarse godin aan de boom vormt even een probleem. Maar opnieuw treft een ingeving mijn meester. Kgestha, dat lijkt enorm op Cessair, Fintans vrouw en daarom besluit Dubghal dat dit geen toeval is. Hij sproeit zijn gewijde water over de beeltenis en maakt zo een christelijke kapel van deze plaats, waar de riviermensen gisteren nog hun duivelin vereerden.

Niets staat een zegetocht naar Traiectum nog in de weg. Wartna lijkt vergeten.

 

*

 

Handbogen van elzenhout, knotsen, priemstokken en speren met gebrande punten, dissels en een enkele geroofde bijl of zwaard vormen de bewapening van ons legertje. Onze bondgenoten, aangevoerd door de koning zelf, hebben goede moed op de afloop. Ze zijn immers ondergedompeld en kunnen nu rekenen op de kracht van de toverschub.

We hebben onze bootjes op de oever getrokken en enkele wachtposten achtergelaten. Traiectum is niet ver meer. In de avondschemer doemt al een houten wachttoren op, met op driekwart van de hoogte een primitieve gaanderij. Een zwaargebouwde wachter zit er comfortabel op zijn achterste en lijkt te suffen. Enkelen van ons kronkelen als alen naar de voet, klauteren omhoog langs de uitstekende balkeinden. De wacht schrikt op en probeert overeind te komen. Een gesmoorde brul, en daar stort het volgevreten lijf als een zak graan naar beneden.

Dat verhoogt de stemming nog; Dubghal heft zijn relikwie hoog boven de verzamelde mannen en we trekken bijna feestelijk verder. Als de puntige palissaden van Traiectum niet veel later donker afsteken tegen de lucht en we de hemelse weerschijn van de vuren in de stad zien, leggen we ons op de naakte aarde te rusten.

 

Bij dageraad vallen we aan. Onze verspieders hebben een eind voorbij de hoofdpoort een door rot en verwaarlozing ontstane gaping in de palissade ontdekt. Twee aan twee dringen we erdoor, de stad in. Maar de wachtpost op de meest nabije toren van de omwalling blijkt een wakkere figuur. Hij schreeuwt en blaast zijn hoorn, en daar worden we al aangevallen door de burgers van Traiectum. Ze stromen van tussen de opeengepakte huizen, getooid met gebrekkige en fragmentarische rustingen, maar betere dan wij hebben. Sommigen werpen zowaar een Frankische werpbijl, de gevreesde francisca, in ons midden, terwijl anderen een spatha, het al even gevreesde langzwaard, rondzwaaien. Het gevecht wordt snel dicht, een bloedige kluwen. De Traiectanen vechten verwoed, ze kennen de onzen vermoedelijk als menseneters en weten natuurlijk niet dat ze sinds een dag of wat het Ware Geloof belijden. De uitslag lijkt beide kanten op te kunnen gaan, maar nu komen ook de vrouwen van de stad krijsend en gillend aanrennen, zwaaiend met brandende toortsen, knotsen en tweetandige hooivorken. Gewonden proberen weg te kruipen, lijken liggen broederlijk over elkaar.

Ik zie hoe koning Snoeksnuit één van de vrouwen herkent, een kleine maar mooie jonge vrouw in een blauw, kennelijk duur gewaad met een geborduurd halsboord. Zij draagt een speer met een echte ijzeren punt, ziet ook hem en verstart. Geen twijfel mogelijk, Snoeksnuit heeft zijn dochter teruggevonden! De koning maait met zijn bloedbevlekte knots alle weerstand uit de weg en draaft brullend van vreugde naar zijn dochter. Helaas! Zijn telg heeft vermoedelijk geen lust om mee terug te gaan naar het modderige leven aan de rivier, ze heeft hier een aantrekkelijker bestemming gevonden. Ze velt haar lans, Snoeksnuit wordt plots in zijn blijde opmars gestuit. Hij staat een moment roerloos, zijn knots bungelend aan zijn arm. Dan zakt hij door de knieën en valt opzij. Hij is tussen de strijders uit het gezicht verdwenen, zelfs zijn hoge snoekmijter is niet meer te zien.

Het is een totaal onverwachte ontwikkeling. Zijn mannen verliezen eensklaps de moed. Ze draaien zich om en rennen terug naar de gaping in de palissade. Een minderheid weet door de opening te ontsnappen. De anderen wordt de weg versperd door de Traiectanen, die hen nu aan alle zijden insluiten om hen af te kunnen slachten.

Natuurlijk behoorden Dubghal en ik tot de achterhoede. Wij zijn immers geen geoefende krijgers en zouden onze bondgenoten alleen maar in de weg lopen. Door deze verstandige positie zijn wij ook als eersten weer buiten de palissade van Traiectum. We rennen en rennen, door rietlanden en zandige opduikingen, begroeid met bleke berken. Geschaafd en geschramd stampen we voort. Het rumoer van het bloedbad is allang verstild, onze kompanen verdwenen. De snoeksnuiten wagen zich immers nooit ver van de rivier, terwijl wij als vanzelf noordwaarts zijn gevlucht, weg van hen, het land van de Friezen in.

 

Met schurende ademhaling en bonkend hart liggen we tenslotte aan een smal beekje, omzoomd met wilgen, brandnetels en fluitenkruid. We drinken gulzig van het zoete water. Uitgeput zijn we, maar we houden goede moed. Heeft de schim ons dagen geleden niet voorzegd dat wij daar, bij hem zouden sterven? Niet ergens anders. Alles wat wij moeten doen is dus uit de buurt van zijn domicilie blijven, dan zal ons niets fataals overkomen.

Zo overleggen we en houden de moed er bij elkaar in.

‘Maar de relikwie heeft ons lelijk in de steek gelaten,’ zeg ik gemelijk.

‘Je denkt nog als een heiden. Het was menselijk falen. Een misvatting van mijn kant,’ beweert Dubghal. ‘Ik had onze troepen moeten aanvoeren daar in Traiectum, ik had voorop moeten stormen met de Schub van Sint-Fintan hooggeheven. Dan was de stad nu van ons geweest.’

‘Ach, natuurlijk,’ hoor ik mezelf zeggen. Het klinkt werktuiglijk, wat kan mij het verder ook schelen. Ik denk na over het feit dat ik tijdens het gevecht niet brakend over de aarde heb gekropen. Vermoedelijk omdat ik mij veilig achter een haag van riviermensen bevond. Ik heb dus alleen een afschuw en onoverwinnelijke angst voor geweld en bloed als ikzelf in gevaar verkeer en anders niet. Mijn walgelijke zwakte is een wapen. Ik ben een zuivere lafaard. En voor lafaards moet je uitkijken.

‘Wat nu?’ Dat is mijn volgende vraag.

‘Wartna,’ zegt Dubghal beslist. ‘De rest was illusie. Wartna is ons doel. Sint-Fintan wil het.’

 

*

 

De omheinde hoeve van Wybo de Smid staat eenzaam maar nobel op een lage heuvel, die de Friezen misschien aan de terpen in het noorden van hun land doet denken. Hoeve zeg ik, maar dit is eerder een buurtschap met al die bijgebouwen en veekralen en spiekers op palen. Heidenen tot in hun merg zijn deze Friezen, maar ze zijn gebonden aan hun eer en het gastrecht, dus hebben we niets te vrezen of te klagen. Eten en drinken genoeg. Maar zodra het woord Wartna is gevallen, verontschuldigt de smid zich en verdwijnt in het centrale woonstalhuis met het dak dat bijna tot de grond reikt.

Wij blijven achter bij het vuur, met de drie oude mannen die hier jaren geleden zijn komen aanwaaien uit het noorden en altijd zijn blijven plakken.

‘Wybo spreekt niet graag van Wartna,’ zegt de eerste. ‘Terwijl hij toch de enige van ons is, die daar is geweest. Wees heel!’ En hij heft zijn drinkhoorn naar de anderen.

‘Niemand neemt immers graag de naam van die stad in zijn mond,’ zegt de derde. ‘Wees heel!

‘Waarom niet?’ vraagt Dubghal.

Nummer één kijkt hem verbaasd aan van tussen de struikbossen van zijn baard, vuilwitte haar en wenkbrauwen als runderhoorns.

‘Waarom niet? Omdat het een stad is, gebouwd voor Wodan. De tijd geldt daar niet, de doden klinken en drinken er zonder eind en we willen er allemaal naartoe, alle krijgers. Maar niet vóór onze tijd gekomen is.’

Wees heel!’ toost nu ook de middelste ouderman.

Friezen houden het liefst hun bek dicht. Maar als ze eenmaal aan het zuipen zijn, krijg je hun klep niet meer dicht, dat weet iedereen van hier tot Aquitanië.

Wartna blijkt gesticht te zijn door de oude Friezenkoning Finn Folcwalding, als dank voor zijn overwinning op zijn schoonvader Hnaef, de koning der Denen.

‘Dat gebeurde bij zijn eigen Finnburg, o, waren we er maar bij geweest! Zelfs Hengist dolf het onderspit!’ roept de eerste ouwe weer.

Dat is vreemd. Ik heb de ruige Hengist vaak dronken zien worden en horen opscheppen bij Vortigern, die hij zo’n beetje in gijzeling hield daar in Londinium. Maar over dit verhaal heb ik de beestachtige Juut nooit horen brallen. Te beschamend voor hem misschien.

‘De brandstapels voor de gevallen Denen vlamden hoog na die bittere slag. Wees heel!

‘Maar voordien klonk het heerlijke rumoer van de strijd in de hal en erbuiten. Zwaarden rinkelden, schilden splinterden onder brave bijlen!’

‘Er werd op de schilden ingehakt ja, schilden in de handen van de helden. Wees heel!

‘Helmen barstten, de vloer van de hal kreunde van het bloedgenot.’

‘Totdat in het gevecht Garulf stierf,‘ zegt de eerste ouderman weer. ‘De eerste van de strijders die op aarde zwierven, de zoon van Guthlaf, met alle goede makkers aan zijn zij.’

‘Zij vielen ter aarde, terwijl de raaf al cirkelde.’

Wees heel!’ fluistert de middelste ouderman somber, en staart met natte ogen in het vuur.

‘De laffe Hengist vermoordde onze koning, hoewel hij bij hem mocht overwinteren na zijn overgave, en hij vluchtte met zijn schepen naar het land van de Britten.’

‘En toch heeft Finn nadien zijn stad gesticht.’

‘De stad van de helden. Luisterrijker en raadselachtiger dan Bordonchar en Nocdac samen.’

‘Hoe kan dat, als hij dood was?’ Dat ben ik. Maar mijn vraag stuit op onbegrip.

‘Finn was soms een dwerg, soms een reus. Dood. Levend. De tijd is anders in Wartna. Wees heel, o koning.’

Dubghal zegt allang niets meer, staart alleen in het vuur, zijn hand op zijn borst waar de relikwie geborgen is.

Ik neem graag nog een kom aan van het Friese bier en zie hoe de oude krijgers langzaam inzakken, en zich mummelend overgeven aan hun sluimer.

 

*

 

Wybo de Smid heeft grommerig afscheid van ons genomen en ruime leeftocht meegegeven. Maar van Wartna wilde hij nog altijd niet weten, hij gebaarde vaag naar het noorden, in de richting van het Aalmeer. In die contreien weet je niet waar precies het land ophoudt en het meer begint. Het gebied bestaat uit een aaneenschakeling van moerassen, broekland, bultige donken, wijde eilanden van riet en vlieren, roerloos wachtende poelen en kreken.

De zon schijnt heet vandaag, vliegen zoemen. Over een paar maanden word je hier doodgestoken door de muggen.

Dubghal marcheert noordwaarts alsof hij precies weet hoe we moeten lopen. In werkelijkheid dicteert de gesteldheid van het land onze richting. En dat is goed: dat is als het lot, dat onze schreden richt naar waar wij niet willen gaan, maar zullen gaan.

Belenos of hoe ze hem hier ook noemen rijdt de zonneschijf alweer naar het westen als we aan de verende rand van een brede plas staan, bestrooid met eilandjes hoog opschietend riet, waaruit hier en daar ruige bosjes en groteske takken als broodmagere armen steken.

‘We moeten eromheen trekken,’ stel ik nogal dwingend voor, beducht voor reuzensteuren en steelse nekkers die je meesleuren in de diepte.

Mijn metgezel loert me misprijzend aan alsof ik deze watervlakte heb neergevlijd, en staart dan weer verlangend naar het noorden. Zijn hand kruipt gewoontegetrouw naar zijn borst, waar de relikwie verblijft. Soms willen mensen die op elkaar zijn aangewezen elkaar het liefst vermoorden en in de grond stampen. Precies zo voel ik me op dit moment.

Ergens snatert een eend.

‘Wartna!’ roept Dubghal ineens vertwijfeld over de natte wildernis. ‘Waar is Wartna?’

Er klinkt geritsel en licht gekraak. De steven van een laag schuitje breekt uit het dichtstbijzijnde rietbosje. Alsof het op ons arriveren heeft gewacht. Het wordt voortgepeddeld door een oudere, kale man in lange bruine mantel. Zijn gezicht is verkreukeld en getaand, aan weerszijden hangen schouderlange, grauwe haarsprieten. De kale bovenkant van zijn kop is bedekt met donkere sproeten als de sterren van een omgekeerde hemel, waar licht duisternis is en duisternis óók duisternis, maar dan nog dieper. Zijn ene oog is melkwit en staart naar niets. Een doorleefd man.

‘Wartna is daar,’ zegt hij en gebaart weids naar het noorden.

‘En u bent de veerman?’ Ik ben ondanks mijn wild galopperende verbeelding toch altijd de meest praktische van ons kleine reisgezelschap.

De man knikt.

‘Wat is de prijs?’

‘Welkom,’ zegt de veerman en noodt ons met eenzelfde breed gebaar aan boord van zijn hulkje.

Begerig en gejaagd als altijd stapt Dubghal als eerste aan boord.

 

*

 

Ik probeer erachter te komen wie onze vriendelijke schipper precies is, hoe zijn naam luidt. Maar Dubghal zit tussen ons in en dat hindert misschien een open communicatie. De ouwe gaat niet op mijn vragen in, maar peddelt ons wel krachtig tussen rieteilanden en zandopduikingen door naar open water.

Dat brengt enige verontrusting in Dubghal teweeg.

‘Hoe komen we zo in Wartna? U voert ons deze eindeloze plas op, dit is al het Aalmeer neem ik aan?’

Ik zie hoe de peddel druppels sproeiend uit het water wordt getild. De veerman schuift nu een boomstok onder onze voeten vandaan en steekt die bijna rechtstandig in het water. Hij stuit plotseling op iets.

‘Harde bodem,’ zegt de schipper. ‘We varen dus precies boven de oude heerbaan van de Romeinen, of de reuzen die vóór hen waren. En aan het eind daarvan bouwt koning Finn eeuwig aan zijn stad Wartna.’

Bedaard schuift hij de stok terug en begint weer te peddelen.

Na weer een ruime periode van zwijgen en wiegen op het meer, staakt hij opnieuw zijn gepeddel en vraagt aan Dubghal: ‘Waarom wil jij de stad van de grote krijgers eigenlijk bezoeken? De tijd is daar anders. Er wordt eindeloos gebouwd en eindeloos gedronken en ze vertellen er eindeloos de oude verhalen.’

Ik begin zo langzamerhand donders goed te begrijpen wat Wartna voor een oord moet zijn. Maar Dubghal heeft de dikke plank van fanatisme en zelfgenoegzaamheid voor zijn kop. Ik zie zijn ellenboog bewegen en dan buigt hij zich wat voorover. Hij heeft het pakketje met de relikwie tevoorschijn gehaald en vouwt het nu open op de doft vóór hem. Ik kom wat overeind in het meteen sterk wiebelende bootje en kijk mee over de schouder van Dubghal.

‘Sint-Fintan,’ mompelt de monnik. ‘Hij kan ook u redden, oude man.’

De kaalkop beduidt dat hij moet zwijgen. Hij grijpt de boom weer en steekt hem overboord. Deze keer blijft de lange staak vastzitten in de blubber. De heerbaan waarover we varen is ten einde.

Kalm en zeker schuift de schipper de boom weer terug en neemt zijn peddel.

‘We zijn er.’

Alsof hij deze handeling al sinds jaren of het begin der tijden heeft voorbereid, haalt hij vervolgens welgericht uit met zijn peddel en treft de zijkant van Dubghals hoofd. De monnik zakt schuin weg.

‘Wil jij ook naar Wartna, jongen?’ roept de veerman nu, zijn witte oog star op mij gericht.

‘Nee, nee!’ schreeuw ik.

‘Help me dan!’

Samen werken we de half bewusteloze Dubghal overboord. Is het de zon, of een vaag schijnsel in de diepte dat oplicht als mijn meester in het Aalmeer zinkt? Een grote luchtblaas verschijnt aan de oppervlakte, barst open en verspreidt een afschuwelijke stank als van driedubbel verrotte eieren.

Dubghal is verdwenen. Bij de Toren van Kalla heeft hij mijn leven gered. Maar hij heeft zich ook op me geworpen als een hengst en mij bevlekt met zijn begeerte. Ik heb mijn wraak, maar het doet me niets. Ik, Skannal de lafaard. De trouweloze.

Ik staar naar de Schub van Sint-Fintan op de doft tussen mij en de veerman. Mijn toekomst, als ik die nog heb, ligt in het geestelijke vlak. Een andere weg is er niet. Ik tast naar het pakketje, vouw het dicht en steek de relikwie zorgvuldig onder mijn haveloze tuniek.

Even denk ik weer aan de naar zijn grafheuvel hunkerende schim. Waarom zou het fantoom van zo’n verslagen krijger meer over de toekomst weten dan een levende ziel? Dat aan te nemen zou niets zijn dan afschuwelijk bijgeloof.

Het is alsof de veerman van Wartna mijn gedachten kan lezen. Ze plezieren hem misschien. We dobberen in ons bootje op het wijde Aalmeer, onder de zon en boven de mystieke wateren van Frisia, en ik weet niet waar de volgende momenten mij zullen voeren.

Wie weet dat wel, uiteindelijk? Ik heb goede hoop. De grijns van de oude moordenaar tegenover me is niet onwelwillend.

Onder de sterrenhemel : Debby Willems

Dode mensen zijn echt oersaai. Op zich kunnen ze er weinig aan doen, ze maken immers niet veel nieuws mee, waardoor ze telkens in dezelfde verhalen vervallen. Helaas ben ik degene die naar dat gejammer moet luisteren.

Het is de avond voor de volle maan; de eerste van drie aaneen­gesloten dodennachten die ik hier op de begraafplaats door dien te brengen. Ik trek mijn mantel dichter om mijn lichaam tegen de kou. Een vlam danst in de lantaarn, waardoor er lange schaduwen over de graven kruipen. De laatste rouwlijster stopt zijn lied ter aankondiging van de nacht, dus spoedig zullen de geesten ontwaken.

Ik ben de zevende zoon van de zevende zoon en ben daarom door de tempelmeesters opgeleid tot boderge, ofwel bood­schapper van de geesten. Mijn zogenaamde ‘roeping’ – het woord doet me al kokhalzen – is zo eerzaam dat de voldoening meer waard is dan al het goud in de wereld. Het voelt voor mij echter eerder als drie jaar dwangarbeid in een gehucht ver van mijn familie vandaan. Nog maar zesendertig dodennachten te gaan, daarna is mijn taak niet langer een verplichting – en laat ik deze dode boel ook direct achter me.

Ik stal mijn spullen uit op de grafsteen die ik altijd als schrijf­tafel gebruik. Niet lang daarna ontwaken de eerste geesten. Uiteraard sprint Hildegarde direct naar me toe. Ze is altijd verdomd snel, iets dat je niet zou verwachten van zo’n mollig omaatje met van die korte beentjes. Net zoals bij alle geesten hangt er een gloed om haar lichaam, zoals de lichtkrans die soms om de maan verschijnt.

‘Ik wens drie brieven,’ eist Hildegarde, ‘een aan ieder van mijn kinderen.’

Een begroeting kan er blijkbaar niet eens meer vanaf. Ik zucht. ‘U weet goed dat ik maar één brief per drie dodennachten schrijf.’

Ze slaat haar armen over elkaar. Haar vernietigende blik probeer ik middels een geforceerde glimlach te negeren. ‘Uw dochter is ditmaal aan de beurt, nietwaar?’

Zonder haar antwoord af te wachten doop ik de ganzenveer in de zwarte inkt, waarna ik met sierlijke letters de aanhef voor Jantien – de naam weet ik helaas voortaan uit mijn hoofd – op het perkament noteer.

‘Vraag haar waar mijn halsketting is gebleven,’ gebiedt Hildegarde. ‘Die met de robijnen hanger, gekregen van mijn lieve Hans.’

Ik werp een blik op de grafsteen naast de hare. Ja, die lieve Hans hield het tegenwoordig voor gezien en bleef lekker onder de grond wanneer zijn vrouw haar klaagzang begon. Ik gaf hem geen ongelijk.

‘Ik droeg dat sieraad iedere dag. Het is dan toch logisch dat ik ermee begraven wilde worden? Maar wat hebben die aasgieren gedaan?’ Gefrustreerd wijst ze naar haar lege hals. ‘Verpand voor een habbe­krats, zeker?’

Ze foetert door, terwijl ik haar vragen in de brief aan haar dochter stiekem wat subtieler verwoord.  Het is maar goed dat Hildegarde niet kan lezen. De hoge mate van analfabetisme in deze regio is sowieso erg gunstig voor mij; zo valt er aan de levenden ten minste nog wat te verdienen met het voorlezen en het terugschrijven van brieven. Vanuit de tempel zal dit vast niet mogen, maar wat niet weet, wat niet deert. Hildegarde heeft nog nooit bericht terug ontvangen, wat haar frustratie slechts vergroot.

Vele brieven later is het eindelijk rustig op de begraafplaats. Enkele overledenen zijn nog met elkaar in gesprek. Soms lijkt het ze te helpen om hun frustraties met elkaar te delen. Leuke verhalen hoor ik zelden; het zijn immers vooral de rusteloze geesten die hun graf verlaten.

Ook zij is er weer. Uiteraard, zij is er altijd. Haar lange haren zijn blond, een zeldzame kleur in deze omgeving, en vanaf haar vaste grafsteen staart de jonge vrouw naar de sterrenhemel. Weer vraag ik me af wat er in haar hoofd omgaat. Mijn nieuwsgierigheid is de afgelopen tijd steeds meer gegroeid, maar het is helaas niet aan mij om haar te benaderen: geesten behoren immers zelf het initiatief te nemen.

Ik slenter over de begraafplaats en wacht tot een windvlaag krachtig genoeg is om de ganzenveer ogenschijnlijk per ongeluk uit mijn hand te blazen, en – o, zo toevallig – komt deze vlak bij de jonge vrouw neer. Nu moet ik haar wel aanspreken.

Ik schraap mijn keel. ‘Excuseer me.’

Ze schrikt op en tuimelt bijna achterover van de steen. Gelukkig weet ze haar balans nog tijdig te hervinden.

‘Ik wilde alleen deze even oprapen.’ Ik ga door mijn knieën, waarna ik haar met een domme grijns de veer presenteer. Met vernauwde ogen neemt ze me van top tot teen in zich op.

‘Ik ben een boderge,’ zeg ik gewichtig.

‘Ik weet wat je bent,’ zegt ze slechts.

‘Ik zie je hier vaker, toch?’ probeer ik.

‘Goh,’ haar wenkbrauwen schieten omhoog. ‘Mijn lichaam is hier begraven, dus ik heb niet bepaald een andere keuze.’

Ik haal mijn schouders op. De doden zijn gebonden aan hun begraafplaats, dat is inderdaad wat men denkt – en moet blijven denken volgens de tempelmeesters.

‘Gerben,’ zeg ik. Tot mijn genoegen zie ik de verwarring op haar gezicht. Mijn mondhoeken kruipen omhoog. ‘Nu weet je niet alleen wat ik ben, maar ook wie ik ben: Gerben.’

Een voorzichtige glimlach kruipt over haar gezicht. Ze wijst naar de naam op de grafsteen. ‘Hedwig, zoals je ziet.’

‘Zal ik een brief voor je schrijven?’

‘Dat heeft geen nut.’

Gewoonlijk interesseren de brieven me niets. Juist omdat deze vrouw haar verhaal niet wil delen, wil ik echter weten wat er speelt. Het is niet professioneel, dat weet ik, maar toch kan ik het niet laten om aan te dringen.

‘Het heeft altijd nut. Er is toch vast wel iemand, die je iets zou willen vragen? Of iemand, die van je zou willen horen?’

Even lijkt ze te twijfelen. Ze kijkt me aan met haar helder­blauwe ogen, waarin ik nu een zweem van droefheid bespeur. Ze opent haar mond, maar slikt haar woorden in en schudt haar hoofd.

‘Echt niet?’

Ze haalt diep adem en richt haar blik op de grond, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vallen. ‘Ik durf mijn vraag niet te stellen,’ zegt ze, ‘omdat ik betwijfel of ik het antwoord wel wil horen.’

 

De tweede dodennacht, die van de volle maan, staat de bizar snelle Hildegarde uiteraard weer als eerste voor mijn neus.

‘U weet best dat ik de brief pas ná de derde nacht bezorg,’ meld ik haar. Het spiertje bij haar linkeroog trilt uit frustratie, maar na enkele verontwaardigde kreten taait ze gelukkig relatief snel af – uiteraard onder luid gemopper over dat sieraad van haar.

Al voordat ik de eerste brief af heb, zie ik Hedwig weer op haar grafsteen zitten. Geduldig wacht ze tot ik alle brieven af heb, waarna ze naast me opduikt.

‘En?’ vraagt ze.

Ik was op Hedwigs verzoek inderdaad bij de bakkerij geweest. De verkoopster, een vriendelijke brunette, gaf me zo’n warme glimlach dat ik direct meer brood kocht dan ik nodig had.

‘Mag ik Gijsbert spreken?’ had ik vervolgens gevraagd.

Even nam de verkoopster me argwanend in zich op.

‘Gijsbert!’ schreeuwde ze plots, zo hard dat ik me rot schrok. De vrouw draaide zich nu pas om naar de houten deur achter de toonbank. ‘Gijsbert, je hebt bezoek!’

Na wat gestommel en gevloek vanuit het andere vertrek zwaaide de deur open. De warmte van de ovens kwam me al tegemoet voordat ik de vlammen zag. De brede man in de deuropening was minstens twee koppen groter dan ikzelf. Zweetdruppels parelden op zijn voorhoofd, en zijn onderkinnen trilden bij iedere stap.

‘Wat moet je?’ Hij keek me aan, of dat dacht ik ten minste, want zijn ogen stonden twee verschillende kanten uit. Een snelle blik achterom leerde me dat hij het wel degelijk tegen mij had.

‘U was de man van Hedwig?’ het kwam er met meer ongeloof uit dan ik het had bedoeld, echt waar, maar ik kon het me moeilijk voorstellen dat zo’n varken…

‘En?’ dringt Hedwig nogmaals aan, waardoor ik uit mijn herinnering word getrokken.

‘Hij is niet hertrouwd,’ meld ik.

‘Dat verbaast me niets. En woont zijn zus er nog?’ Net zoals de avond ervoor bespeur ik een lichte aarzeling voordat Hedwig de naam spreekt. ‘Roselina?’

‘Ja. Zij verkoopt het brood.’

Hedwig bijt op haar lip. Even lijkt ze te twijfelen, vervolgens draait ze zich abrupt om en beent weg.

‘Wacht,’ zeg ik. Wat ongemakkelijk hobbel ik achter haar aan. ‘De brief.’

‘Nee, ik weet genoeg.’

‘Want?’

Ze haalt haar schouders net iets te nonchalant op. ‘Dat kan ik niet zeggen.’

‘Ben je soms vermoord door een van hen?’ ontschiet me.

Hedwig kijkt me aan alsof ik gek ben. ‘Hoe kom je daar nu bij?’

‘Wat moet ik dan denken?’ De frustratie sijpelt onopzettelijk door in mijn stem. ‘Ik wil je alleen maar helpen, hoor.’

Ze neemt me even in zich op. Vervolgens slaakt ze een zucht die zoveel droefheid bevat dat ik me direct schuldig voel om mijn uitbarsting.

‘Sorry,’ mompel ik. Ik leg mijn hand op de hare, iets dat ze gedwee toelaat, en kijk haar bemoedigend aan. ‘Wat het ook is: soms helpt het om erover te praten.’

Er valt een stilte.

‘Ik trouwde hem, voor haar,’ bekent Hedwig zacht. ‘Voor Roselina.’

Ik knipper met mijn ogen. Mijn gedachten flitsen terug naar een van mijn eerste opdrachten: toen een overledene me vroeg een excuus aan zijn familie te schrijven. Een excuusbrief, nota bene aan degenen die hem met een steen om zijn nek in de put verdronken nadat hij had bekend waarom hij nooit zou trouwen – niet met een vrouw, ten minste.

‘Ik begrijp het.’

Er lijkt een last van Hedwigs schouders te vallen. ‘In haar armen verdwenen al mijn zorgen. Samen zouden we de helderste ster volgen naar een plaats waar ook ons geluk gegund zou zijn.’ Ze wijst omhoog, en ik zie welke ster ze bedoelt. Plots valt haar hand slap langs haar lichaam, alsof alle kracht eruit ontsnapt. ‘Maar ik ben wellicht slechts een dwaas. Ik vraag me af of ze haar broer ooit echt achter had kunnen laten.’

‘Je zou het haar kunnen vragen in een brief,’ stel ik voor.

‘Zelfs al schrijft ze me terug wat ik wil horen, dan nog zou ik blijven twijfelen. Ze was immers altijd al te lief; nooit zou zij iets zeggen dat een ander zou kwetsen. Maar haar ogen konden de waarheid niet verhullen – niet voor mij, althans. Aan haar ogen kon ik altijd zien of ze sprak vanuit haar hart.’

‘Maar als ze beloofde met je te vertrekken, waarom dan toch die twijfel?’

Hedwig haalt haar schouders op. ‘Aan haar intenties twijfel ik geen moment. Ik betwijfel echter of ze haar eigen geluk ooit boven dat van haar broer had kunnen stellen. Gekke Gijsbert zal in zijn hoofd altijd deels kind blijven, maar verdomme wel eentje met het lichaam van een volwassen kerel. Ik was zijn vrouw, dus in de nachten…’ Ze slikt. ‘Ik onderging het, voor haar – voor ons. Niet lang daarna bleek dat ik zijn kind droeg.’ Haar handen glijden over haar buik. ‘Óns kind, noemden Rose en ik het, totdat…’

‘Totdat?’ vraag ik met ingehouden adem.

‘Het was te vroeg, en er was te veel bloed. Mijn laatste momenten zijn slechts een waas aan rood.’

Haar stem wordt slechts een fluistering. ‘Je hebt geen idee hoe lang ik heb gezocht, Gerben. Hoe vaak ik de begraafplaats heb uitgekamd op zoek naar die ene steen. Maar alleen degenen die sterven, krijgen een graf. Het doet er dus niet toe dat het al schopte. Al bewoog.’ Ze slikt haar tranen terug. ‘Als een kind niet is geboren, dan is het niets.’

Het lied van een rouwlijster verkondigt de dageraad, waardoor Hedwig verdwijnt.  Ontredderd staar ik naar de lege grafsteen.

 

Vaak is de laatste nacht de rustigste, en gelukkig was ook nu de rij niet al te lang. Ik schreef sneller dan ooit tevoren. Bij sommige brieven noteerde ik zelfs alleen maar wat steekwoorden.

Hedwig zit op haar vaste plek, maar wendt haar gezicht af wanneer ik naast haar kom staan. Het is alsof ze spijt heeft van haar open­hartigheid.

‘Volg me,’ zeg ik slechts. Vastberaden loop ik naar de rand van de begraafplaats. Blijkbaar heb ik haar interesse gewekt, want wanneer ik me omdraai kijkt Hedwig me met een vragende blik aan.

‘Ik wil je helpen, maar je moet me beloven dat je dit voor je houdt.’ Mijn stem trilt nog heviger dan mijn benen. Hedwig knikt instemmend. Ik pak haar handen en doe enkele stappen achteruit, de begraafplaats af. Nooit eerder heb ik een geest door de barrière geleid. Ik hoop maar dat niemand er ooit achter zal komen.

‘Ik wilde dat je haar kan zien,’ licht ik toe.

Hedwig kijkt met grote ogen rond. ‘Ik kan de begraafplaats wél verlaten?’

‘Het kan alleen via een boderge,’ leg ik uit. ‘Je gebruikt een deel van mijn levenskracht. Het is echter ten strengste verboden vanuit de tempel omdat er gigantische risico’s aan kleven.’ Ik laat een dramatische stilte vallen, maar krijg geen reactie.

‘Dit is gevaarlijk,’ benadruk ik nogmaals, ‘we hebben namelijk maar tot het ochtendgloren de tijd.’

Hedwig knikt. ‘Duidelijk. Als ik haast, dan zie ik Rose wanneer ze hout uit de droogschuur haalt. Ik zal proberen om op tijd terug te zijn.’

Hedwig zet direct een sprint in en verdwijnt in het duister. Mijn mond valt open, verder sta ik als bevroren. Waarom vroeg ze niet door naar de gevaren? Ik vloek hardop. Eindelijk weten mijn hersenen mijn benen zover te krijgen om de achtervolging in te zetten.

Had ik verdomme maar meteen gezegd dat haar geest voorgoed zal verdwijnen, wanneer ze niet voor het ochtendgloren terug op de begraafplaats is. Maar nee, ik moest natuurlijk weer eens interessant overkomen. De levenden kunnen haar niet eens zien, dus waarom is ze überhaupt zonder mij gegaan?

Mijn hart klopt alsof deze zich door mijn borstkas naar buiten probeert te rammen, wanneer ik bij de bakkerij aankom. Vanachter een open raam brandt een warm licht. Niet ver daar vandaan vind ik Hedwig; deels verborgen in de schaduw van een grote eik. Zwijgend kijk ik haar aan.

‘Ik zag Rose.’ Hedwig wijst naar de open deur van de droogschuur, een eindje verderop. Mijn adem stokt wanneer ik in haar andere hand een bijl opmerk.

‘Wat moet je daarmee?’ wijs ik.

‘Gijsbert klieft er gewoonlijk hout mee,’ zegt ze, alsof dat een verklaring moet voorstellen.

‘Maar wat moet jíj daarmee?’

Ze ontwijkt mijn blik. ‘Het doet maar even pijn, dacht ik,’ zegt ze zacht. ‘En wat is dan dat beetje pijn, in ruil voor de eeuwigheid samen?’

Mijn handen worden klam. ‘Wat heb je gedaan?’

‘Ik…’ Ze haalt diep adem. ‘Ik kon het niet. Ik zou haar nooit pijn kunnen doen.’

De opluchting verlaat mijn lippen in een zucht. Op dat moment verlaat Roselina de droogschuur, met een mand vol brandhout. Ik verberg me in het donker. De brunette stopt even en staart met een zucht naar de sterren, voordat ze haar pas hervat.

‘Soms vraag ik me af of ze echt met me meegegaan zou zijn,’ bekent Hedwig zacht. ‘Rose is jaren jonger dan haar broer, maar toch was zij degene die voor hem zorgde nadat hun ouders overleden. Zonder haar had hij de bakkerij nooit kunnen overnemen. Altijd stelde ze zijn geluk boven dat van haarzelf.’ Haar handen klemmen zich steviger om de steel van de bijl. ‘Pas zonder hem, kan ze eindelijk zelf gaan leven.’

Met grote passen loopt ze naar het open raam, waar ze als bevroren blijft staan. Ik kom naast haar staan en volg haar blik naar binnen.

De vlammen van de ovens dansen in het donker. Gijsbert zit aan een houten tafel, met op zijn schoot een jongetje, dat met een brede grijns het brooddeeg kneedt. Zachtjes, zo voorzichtig alsof het jongetje van porselein is, aait Gijsbert over de blonde haartjes.

De bijl glijdt uit Hedwigs handen. ‘Maar ik dacht…’ fluistert ze.

Roselina komt het vertrek binnen en slaat direct haar armen over elkaar. ‘Hoor jij niet in bed te liggen, Rohad?’

Gijsbert haalt verontschuldigend zijn schouders op. ‘Hij wilde helpen met het brood.’

Het jongetje kijkt met een brede grijns op. Roselina schudt haar hoofd. ‘Zo kan ik toch niet boos op je worden?’ Ze geeft Rohad een kus op zijn voorhoofd. ‘Je lijkt met de dag meer op je moeder.’

Hedwig glimlacht door haar tranen heen.

 

Het is opnieuw de eerste dodennacht: die voor de volle maan. Uiteraard staat Hildegarde ook nu weer als eerste voor mijn neus. Ditmaal zie ik echter niet op tegen een gesprek met haar. Ik had haar dochter namelijk opgezocht. Met schaamrood op de wangen bekende Jantien dat ze het zich niet kon veroorloven om de brieven van haar moeder te laten voorlezen.

‘En in ruil voor je halsketting?’ wees ik.

‘Nooit.’ Met een melancholische glimlach sloot Jantien haar vingers om de robijnen hanger. ‘Deze was van mijn moeder. Ik draag de ketting iedere dag, zodat het is alsof ze nog een beetje bij me is.’

Hildegarde kijkt me met grote ogen aan wanneer ik haar over de hanger vertel. Er verschijnt warempel een glimlach op het gezicht van dat norse ding wanneer ze terugkeert naar haar graf. Ik denk niet dat ik haar voorlopig nog zal zien.

Misschien, heel misschien, is het werk van een boderge zo vervelend nog niet. Misschien zijn de doden het waard om gehoord te worden. Wellicht blijf ik dit daarom nog wel wat langer doen.

Mijn oog valt op Hedwigs grafsteen. Verrast knipper ik met mijn ogen wanneer ik de blonde vrouw daar weer zie zitten. Enkele geesten protesteren wanneer ik mijn schrijftafel verlaat, maar ik bijt ze toe dat ze maar eens een keer moeten wachten.

‘Ik had niet gedacht jou hier nog te zien,’ beken ik, wanneer ik naast Hedwig kom staan.

Ze haalt slechts haar schouders op.

‘Heb je nog steeds geen rust?’

‘Wat mijn zoon betreft zeker.’ Ze kijkt omhoog, waarna er een glimlach om haar mondhoeken verschijnt. ‘Maar wachten op Rose, onder de sterrenhemel, dat zal ik altijd blijven doen.’

Voordat je gaat slapen : Robin Langerak

1

 

Het liep tegen het einde van April toen de Slaap een jongen trof die slechts twee klassen lager zat dan wij. Hij moet een jaar of veertien geweest zijn. Ik kende de jongen niet zo goed, maar Arigato had een aantal keer corveedienst met hem gehad. Hoewel je elkaar niet zo goed leert kennen terwijl je bladeren van het gazon staat te vegen wist Arigato toch verbazingwekkend veel details over hem te vertellen.

De wereld was vol tegenstellingen: de kersenbloesem was in volle bloei, en tegelijkertijd moesten we wennen aan het idee dat we afscheid gingen nemen van één van ons; de grijze lokken in het haar van de jongen herinnerden ons daar dagelijks aan. We waren ons bewust van het naderende afscheid; ik heb tenminste nog nooit gehoord van iemand die in Slaap gevallen was en weer natuurlijk wakker werd. Er ging een gerucht dat ze in Amerika een man wakker hadden gemaakt met stimulatie van geïmplanteerde elektrodes. Hoewel hij commando’s kon opvolgen, nam hij zelf geen enkel initiatief; hij leefde net als een zombie. De meesters vonden dat respectloos: volgens hen moesten we ons lot accepteren, ook al leek de willekeur van de Slaap vaak oneerlijk.

Elke dag verdween er meer kleur uit het haar van de jongen. De regels van ons klooster waren dat degenen die gingen Slapen, ondanks het grijzer wordende haar, zo veel mogelijk hun normale leven moesten blijven leiden, in ieder geval tot de afscheidsceremonie. Maar omdat de jongen nog zo jong was kreeg hij verlof om de zeven Heilige Kloosters te bezoeken.

In zijn afwezigheid hadden Arigato en ik het vaak over de Slaap.

‘Natuurlijk is het oneerlijk,’ zou hij zeggen met zijn karakteristieke bedeesde stem. ‘Maar wat zou je dan willen? De natuur moet iets doen om te compenseren dat we steeds maar ouder worden.’ Hij had natuurlijk gelijk, maar dat veranderde niets aan het nare gevoel dat ik er bij had. In Arigato’s volwassen standpunt klonken de lessen van onze meesters door. Ik weet niet of dat een teken van wijsheid was of van kritiekloze volgzaamheid.

 

 

2

 

Ik bracht graag tijd door met Arigato omdat hij de enige was die het niet leek uit te maken dat ik een meisje was. Buiten het klooster was onze samenleving weliswaar bijna volledig geëmancipeerd; binnen de kloostermuren bleef sekse om de een of andere reden een issue. Dat was trouwens ook een voordeel: als ik oud genoeg zou zijn om het klooster te verlaten, zou ik mijn eigen weg mogen gaan, maar Arigato’s leven lag al vast. Vroeg of laat zou hij zijn hoofd kaal scheren en één van de meesters worden, daar of in een ander klooster. Vreemd genoeg leek hij dat te accepteren, alsof hij die keuze zelf ook zo zou maken.

Onze discussies werden zo fel dat we besloten om het dormitorium te bezoeken waar de jongen heen gebracht zou worden als hij in Slaap zou zijn gevallen. Door alle verhalen hadden we een redelijk idee van hoe het er uitzag, ook al waren we er nog nooit geweest.

We moesten een paar uur reizen, want het dormitorium was gebouwd in de verlaten goudmijnen op Sado eiland. De oude tunnels waren omgebouwd tot moderne gangen, met aan beide kanten lange rijen cabines, tot wel twintig verdiepingen hoog. De slachtoffers van de Slaap sliepen zo diep dat ze bijna geen voedsel nodig hadden. Het gerucht ging dat hun harten niet meer dan eens per minuut klopten, maar dat durfden we niet te controleren. Omdat er geen slangetjes en buizen in en uit hun lichamen liepen zagen de Slapers er vredig uit, alsof ze elk moment wakker konden worden.

Een neef van Arigato die in het dormitorium werkte gaf ons een rondleiding. Hij liet zien waar onze overgrootouders lagen en het was een vreemde gewaarwording dat ze er nog net zo uitzagen als toen ze nog wakker waren; de Slaap maakte mensen nauwelijks ouder, afgezien van het grijze haar natuurlijk.

Voordat we weer terug moesten naar ons klooster konden we nog even op eigen houtje door de gangen lopen en ik herinner me als de dag van vandaag het nederige gevoel dat we kregen van de eindeloze gangen vol opgestapelde Slapers.

 

De volgende dag was de afscheidsceremonie. Eerlijk gezegd heeft die weinig indruk op me gemaakt; het waren voornamelijk formaliteiten. De dag daarna, toen de jongen in Slaap was gevallen, kan ik me nog wel tot in detail herinneren, al is het nu bijna twintig jaar geleden. We stonden buiten en zagen hoe zijn bed in de witte auto werd geladen die hem naar het dormitorium zou brengen. Zijn ouders stonden binnen de muren, zodat hun tranen bij zouden dragen aan de heiligheid van het klooster. Ze konden niet zien hoe de auto de heuvel af kronkelde totdat hij uit zicht verdween. Toen iedereen weg was legde Arigato zijn arm om me heen, alsof hij mijn oudere broer was. ‘Niet verdrietig zijn, Nara,’ probeerde hij me te troosten. ‘Het beste dat we kunnen doen is zorgen dat we hem niet vergeten.’

 

De volgende ochtend vond Arigato zelf de eerste grijze plukken in zijn haar.

 

3

 

Ik had het eerst niet door omdat Arigato zijn hoofd had kaalgeschoren. Dat deden jongens normaal pas als ze achttien werden, en daarvoor werd het meestal alleen gedaan door jongens die het geloof erg serieus namen. Arigato was niet zo vroom dus viel ik hem eindeloos lastig met vragen. Hij beweerde eerst dat hij het in een opwelling had gedaan, maar dat geloofde ik niet. Toen ik bleef doorvragen werd hij onge­duldig en zei dat ik moeilijk deed over niets. Op het moment dat hij wilde weglopen, hield ik hem tegen en sloeg mijn armen om hem heen. Eerst stribbelde hij tegen maar al snel gaf hij zijn verzet op. Hij draaide zich naar me toe en zei met een stem vol emotie: ‘Ik ga Slapen, Nara.’

Ik hoorde wat hij zei, maar het drong niet tot me door. ‘Wat bedoel je?’

‘Mijn haar begint grijs te worden.’

Het drong nog steeds niet helemaal tot me door. Ik hield hem stevig vast en voelde tot mijn verbazing een traan op mijn schouder vallen. ‘Dat kan niet! We hebben net…’Van iemand afscheid genomen… Ik durfde het niet hardop te zeggen. ‘Weet je het zeker?’ Ik voelde hem knikken. ‘Wat gaan we nu doen?’ Het was een domme vraag, want we konden niets doen.

‘Niets, Nara. Daarom heb ik mijn hoofd kaal geschoren: ik wil de laatste week die ik bij bewustzijn ben niet met medelijden behandeld worden. Beloof me dat je dit tegen niemand vertelt.’

‘Ik beloof het,’ wist ik met moeite uit te brengen.

‘Dank je wel.’

Ik liet hem los en hij gaf me een zoen op mijn voorhoofd voordat hij weg liep.

 

Het duurde een tijdje voordat ik me realiseerde wat de implicaties waren van wat Arigato tegen me gezegd had. Maar toen begon ik meteen met plannen. Hoewel ik beloofd had dat ik tegen niemand iets zou zeggen, was ik niet van plan om de komende week ongemerkt voorbij te laten gaan.

 

 

4

 

We spijbelden een groot deel van de week. Dat was niets voor Arigato en ik moest een hele middag op hem inpraten voordat ik hem er van overtuigd had dat iedereen het zou begrijpen als ze eenmaal de waarheid wisten.

Het eerste dat we deden was een bezoek brengen aan de ruïnes van Tokyo. We hadden gehoord dat de overblijfselen van die stad nog indrukwekkender waren dan de verlaten dorpen rond Fukushima, alleen al omdat het zo groot is. Ik had een rondleiding geregeld die begon bij het Stedelijk Dormitorium, een gigantische koepel in het midden van de stad. Het was het enige gebouw in de stad dat nog actief gebruikt werd. We gingen niet naar binnen omdat we de week daarvoor ook al een dormitorium bezocht hadden.

De rondleiding ging langs ooit dichtbevolkte wijken en wat vooral opviel was de snelheid waarmee de natuur de stad weer geclaimd had. De Grote Slaap, die heel Tokyo binnen een week in een spookstad had veranderd, was pas vijftien jaar geleden, maar sommige wolken­krabbers waren al helemaal bedekt met klimop.

Na de rondleiding, die twee uur duurde, kregen we nog de gelegen­heid zelf rond te lopen en voordat we het wisten werd het alweer avond. Natuurlijk konden we niet zomaar terug naar het klooster want dan hadden ze ons de hele volgende dag binnen gehouden. Daarom boekten we een bed & breakfast in Yokohama. Ik had al mijn spaargeld opgenomen, maar Arigato stond erop dat hij betaalde. Als argument voerde hij aan dat hij het over een week toch niet meer nodig zou hebben en daar had hij een punt.

 

De dag daarna gingen we naar het Heilige Klooster ten noorden van Kyoto.

‘Nara,’ zei Arigato verontwaardigd, ‘ik waardeer alle moeite die je hebt gedaan, maar dit is juist wat ik probeerde te vermijden door mijn hoofd kaal te scheren.’

‘Lieve Arigato,’ wierp ik tegen met een stem die duidelijk maakte dat ik geen tegenspraak duldde, ‘we gaan niet alleen maar kloosters bezoeken, maar ik vind dat je er minstens één gezien moet hebben. En als je het niets vindt, dan gaan we gewoon weer weg.’

De reis zou twee-en-een-half uur kosten per trein en dan nog veertig minuten met de bus. Natuurlijk vielen we op: twee kinderen die zonder begeleiding zo ver reisden. Een oude vrouw sprak ons aan in de trein en we vertelden haar dat we broer en zus waren, op weg naar familie, en dat we opgehaald zouden worden op het station. Toen we in Kyoto aankwamen liep ze met ons mee om zeker te weten dat we goed terecht kwamen. Uiteindelijk betaalde ze een taxi voor ons. Ze bedoelde het goed, maar het was lastig om van haar af  te komen.

De taxi zette ons af midden in het bos. Gelukkig wezen borden ons in de juiste richting. Het was fijn om onze benen weer te gebruiken na zo lang stil gezeten te hebben en de frisse buitenlucht deed ons goed. Een vraag brandde al twee dagen op mijn lippen en dit leek het moment om hem eindelijk te stellen: ‘Ben je bang om te gaan Slapen?’

Arigato gaf niet meteen antwoord. In mijn herinnering leek het alsof hij daar zelf nog nooit over nagedacht had en bedenktijd nodig had.

‘Ja,’ was uiteindelijk zijn eerlijke antwoord. ‘Maar ik weet niet waarom. Ik ga het zelf toch niet merken. Ik ben niet bang om vergeten te worden, om iets te missen of om pijn te voelen. Maar ik voel wel een bepaalde urgentie.’

‘Wat denk je dat er gebeurt als je in Slaap valt?’

‘Ik denk niet dat er “iets” gebeurt. Ik geloof niet dat mijn ziel opgaat in een collectief bewustzijn of dat ik opnieuw geboren word. Ik geloof niet dat ik voor altijd droom van het paradijs. Ik ga gewoon Slapen.’

Op dat moment kwam het klooster in zicht. Het had een nogal saai ogend hoofdgebouw, maar gelukkig stond dit klooster vooral bekend om de siertuin die om het hoofdgebouw heen lag. Het was mooi weer en zonder dat naar elkaar uit te spreken besloten we ons bezoek tot die tuin te beperken.

Door de tuin slingerde een stenen pad en langs de hele route stonden stenen lantaarns. We schuifelden langs het pad en Arigato zei: ‘Wat jammer dat wel al weg moeten voordat ze die lantaarns aansteken.’ Bijna meteen kreeg ik een idee.

We pauzeerden halverwege en dronken een kop groene thee in één van de theehuizen in de tuin. Ik excuseerde me en deed alsof ik naar het toilet moest, maar terwijl Arigato zijn thee opdronk ging ik naar de receptie van het klooster en smeekte ik de dienstdoende monnik om te mogen blijven tot de lantaarns aan waren. Uiteindelijk wist ik hem te overtuigen, maar ik had een zware dobber aan hem. Zelfs mijn meest overtuigende puppy-ogen hadden niet het gewenste effect. Pas toen ik hem, tegen mijn belofte in, toevertrouwde wat er met Arigato aan de hand was gaf hij ons toestemming om te blijven. Hij vroeg waar we vandaan kwamen en even was ik bang dat hij ons klooster zou bellen om mijn verhaal te verifiëren. Maar er kwam niemand om ons op te halen.

Toen het tegen onze geplande vertrektijd liep werd Arigato onrustig. Hij had een bijna ziekelijke neiging om overal op tijd te willen zijn en hoewel dat waanzinnig irritant kon zijn, wist ik dat ik in zijn gezelschap nooit te laat was. Alleen door de verrassing te verklappen kon ik hem overtuigen nog even te blijven.

We gingen naar een theehuis dat wat hoger lag en de hele tuin overzag. Terwijl de avond langzaam viel konden we van daaruit zien hoe één voor één de lantaarns werden aangestoken. Toen ze allemaal brandden stonden we op en wandelden we door de zee van kaars­lichtjes. Het was adembenemend mooi en tot op de dag van vandaag roept kaarslicht bij mij de herinnering aan Arigato op.

We hadden onszelf daar de hele avond kunnen vermaken, maar op een gegeven moment kwam de monnik van de receptie ons waar­schuwen dat de laatste bus naar het station zou vertrekken en natuurlijk moesten we die halen. De oude man gaf ons een lift naar de bushalte en toen hij ons afzette kregen we een mand met eten mee. Ik nam me voor om ooit terug te komen en dan veel geld aan het klooster te doneren als bedankje, maar op dat moment had ik al mijn spaargeld nodig om Arigato een leuke week te bezorgen.

We kwamen met de laatste trein in Kobe aan, waar we zouden blijven slapen in het huis van een tante. In de logeerkamer stond slechts één tweepersoonsbed. Hoewel we daar best allebei in hadden kunnen slapen hield Arigato vol dat hij op de vloer ging slapen. ‘Ik heb over een week genoeg tijd om in een echt bed te slapen,’ beargumenteerde hij, en ik hoorde geen spoor van angst of spijt in zijn stem. Ik wist niet zeker of dat een goed of slecht teken was.

 

 

5

 

De dag daarna deden we het rustig aan. We wandelden wat rond in Kyoto en hoewel we ons daar wel een paar dagen hadden kunnen vermaken, gingen we aan het begin van de middag terug naar Yokohama. Daar gingen we naar dezelfde bed & breakfast die we eerder bezocht hadden, omdat we de eigenaars, een ouder koppel, de eerste keer erg aardig hadden gevonden. Ze waren blij dat we terugkwamen en kondigden aan een lekker diner voor ons te koken. Het zou nog een paar uur duren voordat dat klaar was en in de tussentijd trokken wij nog even de stad in. Mensen bekeken ons alsof ze zich afvroegen waarom we niet op school zaten, maar Arigato’s kale hoofd dwong genoeg respect af om te zorgen dat ze ons niet durfden aan te spreken.

We kwamen precies op tijd terug bij de bed & breakfast voor een uitgebreid diner; onze gastheer en -vrouw hadden zich behoorlijk uitgesloofd. Na een snelle douche schoven we aan. Vrijwel meteen begonnen ze het gesprek met de zin: ‘Jullie zijn geen broer en zus, of wel?’

Arigato en ik keken elkaar aan en besloten zonder een woord te zeggen de waarheid te vertellen. Ze begrepen het, want ze leefden zelf al jaren in de verwachting elk moment te kunnen gaan Slapen. Zonder grijs in hun haar was het moeilijk om hun leeftijd te schatten maar uit hun eerdere verhalen herinnerde ik me dat ze bewust de Tweede Wereldoorlog meegemaakt hadden, dus ze moeten een jaar of honderdvijftig geweest zijn.

Ze voelden mee met Arigato en drukten hem op het hart dat als ze met hem van plek hadden kunnen ruilen, ze dat zonder aarzeling hadden gedaan. Ze vertelden verhalen over alle plekken die ze hadden bezocht en hoewel dat pijnlijk moet zijn geweest voor Arigato omdat hij die plekken zelf nooit zou zien, moedigde hij hen zelf aan om meer details te vertellen. Het was bijna alsof hij besefte dat de enige manier waarop hij nog iets van de wereld kon zien via hun verhalen was. Ze probeerden ons uit te leggen wat een unieke ervaring het was om kinderen op te voeden, ook al was het moeilijk om die grijs te zien worden en afscheid van hen te moeten nemen. Omdat er in ons klooster zo veel jonge mensen waren hadden we nooit stilgestaan bij de schaduwzijde van ongestoord oud worden.

Het echtpaar deed zijn uiterste best om Arigato op te vrolijken en aan het einde van de avond had ik het gevoel dat van ons tweeën ik het slechtste af was.

 

 

6

 

De volgende ochtend bleek bij ons afscheid dat de mand die we uit het klooster hadden meegekregen plotseling vol zat met dumplings en rollen sushi, zodat we geen honger zouden krijgen op weg naar huis. Nadat we onze gastheer en -vrouw uitgebreid bedankt hadden, namen we afscheid en gingen met de trein noordwaarts, terug naar Niigata. Tijdens de reis zeiden we bijna niets tegen elkaar. We waren ons allebei pijnlijk bewust van wat het betekende om weer terug te gaan naar huis. Arigato keek naar het voorbijtrekkende landschap en ik wilde zijn gedachten niet verstoren.

Toen we terug kwamen bij ons klooster wilde Arigato niet met mij mee gaan. ‘Ik vond het ontzettend fijn om de afgelopen dagen bij jou te zijn, Nara, maar nu wil ik even alleen zijn. Begrijp je dat?’

Ik knikte. Natuurlijk begreep ik dat.

‘Kom morgenmiddag naar de heuvels’, zei hij. Voordat ik kon vragen waar hij dan de nacht door zou brengen draaide hij zich om en liep weg. Ik ging in mijn eentje naar binnen.

Die nacht kon ik niet slapen. Ik moest de hele nacht aan Arigato denken, die ontzettend eenzaam moest zijn geweest. Het was warm genoeg om in de buitenlucht te overnachten maar er was niemand bij hem die hem kon troosten. Het was de langste nacht van mijn leven en meerdere keren moest ik de neiging onderdrukken om naar hem te gaan zoeken.

 

 

7

 

De volgende ochtend doorliep ik mijn ochtendrituelen zoals gewoon­lijk. Mijn medeleerlingen wilden natuurlijk weten waar Arigato en ik geweest waren. Dat ik ze geen antwoord wilde geven droeg alleen maar bij aan hun nieuwsgierigheid. De meesters hadden me de vorige dag urenlang verhoord en ik had weinig zin om nog meer vragen te beantwoorden. Nou ja, het was niet eens zozeer een verhoor geweest, maar een bombardement van preken over hoe onverantwoordelijk we waren geweest. Ze wilden weten waar Arigato was maar ik weigerde hen dat te vertellen. Ik verzon niet eens een smoes, maar zei gewoon dat Arigato weg was en dat ik niet wist wanneer hij terug zou komen. Dat was nog waar ook.

Toen mijn ochtendrituelen voorbij waren probeerde ik redenen te verzinnen om weg te komen, maar de meesters lieten me niet zo makkelijk uit hun zicht. Het duurde tot de middag voordat ik er ongemerkt tussenuit kon knijpen. Met de smoes dat ik water ging halen wist ik zonder toezicht het terrein van het klooster af te komen. Ik liet mijn emmer achter bij de put en haastte me naar de heuvel waar ik Arigato voor het laatst gezien had. Ik wist niet precies waar ik hem kon vinden, dus ik bleef gewoon rennen naar het hoogste punt van de heuvel, met de gedachte dat ik Arigato van daaraf wel zou kunnen zien. Op mijn tocht naar boven kwam ik langs een hutje dat ik nooit eerder had gezien. Voor het houten gebouw zat Arigato met zijn ogen dicht, genietend van de zon.

Nog hijgend van mijn spurt naar boven ging ik naast Arigato zitten. Het viel me op dat hij zelfs vandaag, wat naar ik aannam zijn laatste dag was, zijn best gedaan had om zijn hoofd te scheren, zodat er niets zichtbaar was van zijn grijze haar.

Lange tijd was hij stil, maar ik wist dat ik daar voornamelijk was om hem gezelschap te houden, niet om hem te troosten. Dus ik wachtte geduldig tot hij wat zei. Het leek eindeloos te duren, maar uiteindelijk vroeg hij:

‘Zal je me bezoeken?’

Zijn woorden deden me terugdenken aan de verlaten hallen van het dormitorium. ‘Natuurlijk!’ antwoordde ik meteen. Het zou moeilijk zijn, maar natuurlijk zou ik hem bezoeken.

‘Niet doen,’ zei hij tot mijn verbazing.

‘Waarom niet?’

‘Omdat je me in het begin nog elke week bezoekt, totdat je het klooster verlaat. Dan krijg je een baan in Osaka en is het dormitorium te ver om er elke week heen te gaan. Toch blijf je trouw elke maand komen. Dan ontmoet je iemand en krijg je kinderen en heb je nog maar eens per jaar tijd om het dormitorium te bezoeken. Uiteindelijk steek je alleen nog maar een kaarsje voor me aan.’

‘Dat zal ik niet doen, dat beloof ik!’ drukte ik hem op het hart, ook al wist ik dat hij gelijk had.

‘Jawel, en dat is helemaal niet erg. Het leven gaat door. Maar als je gewoon vanaf het begin een kaarsje aansteekt dan hoef je je niet schuldig te voelen. En het is nou niet alsof ik ga merken hoe vaak je langskomt.’

Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, dus ik hield mijn mond. Na een tijdje stond Arigato op, stak zijn hand naar me uit en zei: ‘Kom, laten we een stukje wandelen.’

Ik volgde hem het pad op naar boven. We wandelden een half uur, tot we op de top van de heuvel aankwamen, van waar je een prachtig uitzicht had op de zee.

Op de top van de heuvel was een plateau waarop aan de rand een bank stond. Arigato ging zitten en ik nam naast hem plaats.

‘Hoe voel je je?’

‘Ik ben een beetje moe,’ antwoordde hij eerlijk. ‘En ik heb het gevoel dat ik iets moet eten, maar ik heb niet echt trek.’

‘Misschien is dat de Slaap?’

‘Misschien.’

Hij ging liggen met zijn hoofd op mijn schoot. ‘Nara, je vroeg me pas of ik bang was.’

Ik legde mijn hand op zijn borst en wachtte tot hij verder ging. Hij pakte mijn hand, gaf er een kus op en zei: ‘Het is niet echt angst, maar het spijt me heel erg dat ik jou niet zal zien opgroeien. Ik zal nooit zien hoe je nog mooier wordt dan je nu al bent, of hoe je iemand vindt die je gelukkig maakt. Ik zal nooit je kinderen ontmoeten.’

Daar moest ik van blozen. ‘Dat… dat spijt mij ook.’

Ik legde mijn andere hand op zijn hoofd in de hoop dat het vertrouwd aan zou voelen.

‘Wil je me iets beloven?’

‘Natuurlijk,’ zei ik meteen.

‘Beloof me dat de herinnering aan mij je nooit tegenhoudt.’

Ik beloofde het hem, me niet realiserend hoe moeilijk dat zou worden. Toen ik hem dat beloofd had deed hij zijn ogen dicht en een tijd lang zei hij niets. Net toen ik me begon af te vragen of hij in Slaap was gevallen opende hij zijn ogen en zei: ‘Nara?’

‘Ja?’

‘Dank je wel.’

‘Waarvoor?’

‘Dat je er voor me bent. Het is het mooiste wat iemand kan doen: er zijn. En ik ben blij dat jij het bent.’

‘Natuurlijk ben ik er,’ zei ik, bijna verontwaardigd.

Hij liet me los en tilde zijn hand op om de zon te blokkeren.

‘Weet je nog, dat oudere stel dat best met me van plek had willen ruilen? Ik denk niet dat ik dat gedaan zou hebben, zelfs als het kon.’

‘Had je het voor mij gedaan?’

Hij liet zijn hand weer zakken en eerst dacht ik dat hij over mijn vraag nadacht. Maar toen hij geen antwoord gaf merkte ik dat zijn ogen gesloten waren en dit keer wist ik meteen dat hij in Slaap was gevallen. Mijn ogen vulden zich met tranen, ook al zou hij niet hebben gewild dat ik om hem huilde. Terwijl mijn verdriet op hem neer regende gaf ik hem een kus op zijn voorhoofd en fluisterde: ‘Ga alsjeblieft niet weg.’

In mijn hoofd hoorde ik hem zeggen Ik ben er nog, maar zijn ogen bleven gesloten. Ik sloeg mijn armen om hem heen, alsof mijn liefde hem wakker kon maken. Zo bleef ik lange tijd zitten. Tegen de tijd dat de zon onder ging waren mijn tranen op en alles wat ik kon doen was hem stevig vasthouden.

 

Toen ze ons eindelijk vonden was Arigato’s haar een fractie van een millimeter uitgegroeid en op zijn hoofd lag een grijze waas.

Voor het ongeluk geboren : Wouter van Gorp

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? De strepen? Niet alleen de witte en gele lijnen die de weg volgen in iedere kromming, over iedere heuvel in het dorre landschap, maar ook de stroperige strepen teer die over het wegdek liggen en de illusie wekken dat dit stralend voorbeeld van de Amerikaanse open road onderhouden wordt?

Je waant je zeker veilig op deze weg, gelooft dat het een getemd beest is, een gemak, een hulpmiddel om met je Buicks en Chevy’s overheen te scheren en de mijlen asfalt onder je banden voorbij te zien vliegen.

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

Waarom ik dit weet? Je kunt zeggen dat ik er beroepshalve achter ben gekomen. Ik ken de weg, ik bereis haar, en ik let op. En eens in de zoveel tijd zijn mijn vaardigheden nodig.

Want net als iedere god, is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit, en op bloed.

En dan komen wij in het spel.

 

Nevada, 1978

 

Op de WC achterin de All Day Burger werd Ramscaps vermoeden bevestigd.

‘Shit! Shit, shit, dubbelshit!’

Hij zat op zijn knieën voor het toilet, zijn ellebogen rustend op het kunststof deksel. Om hem heen lagen stukken gereedschap en de onderdelen van de gedemonteerde stortbak. In zijn in latex gehulde handen hield hij de resten van wat ooit zijn prooi was geweest.

‘Shit…’

Het lichaam, dat als een waterig vlies haar oorspronkelijke vorm snel begon te verliezen, leek Ramscap vanuit een uitgelopen gezicht grijnzend aan te staren. Ramscap herkende de gelaatstrekken maar al te goed. Tot dit moment waren het de gelaatstrekken geweest van het wezen – niet de man, hoe verleidelijk het ook was om dat woord te gebruiken – dat hij dwars door de staat opjaagde.

Maar die gelaatstrekken gingen hem niet meer helpen zijn prooi te herkennen.

‘Twee uur,’ mompelde Ramscap, terwijl hij met zijn vingers over de blubberige massa van het gezicht streek en zag hoe de huid in klonters losliet. ‘Twee uur geleden. Het spoor is nog vers.’

‘Wat zeg je allemaal?’ riep de man uit het hokje naast hem. ‘Gaat ‘ie goed daar?’

Ramscap verspilde geen tijd. Snel stak hij de waterige resten terug in de stortbak – die zouden daar geheel oplossen – en schroefde de WC weer in elkaar. Nog geen minuut later liep hij door het familie­restaurant naar buiten. Een jong stel keek toe hoe de grote inheemse Amerikaan met donder in zijn ogen door het restaurant beende en de gele handschoenen van zijn handen pelde. De handschoenen belandden in de prullenbak, maar het stel keek er niet van op.

Dit was de open weg. Hier bemoeide men zich met zijn eigen zaken.

Dat kwam Ramscap goed uit.

‘Ramscap hier,’ sprak hij even later door de portofoon van zijn roestrode pick-up. ‘Ik ben bij de All Day.’

‘Bonafide hier,’ kwam het krakerige antwoord. ‘Doelwit gesignaleerd?’

‘Negatief. Doelwit heeft huls achtergelaten. Twee uur geleden. Huidige vorm onbekend.’

‘Shit… Is ‘ie nog daar?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Negatief.’ Hij keek naar de weg, die oost-west door het verlaten landschap sneed. ‘Wat ligt er in het oosten?’

Over de portofoon klonk het geritsel van kaarten. ‘Een knooppunt, na 70 mijl. Door naar Fort Jumpter in het oosten, Gennaro in het zuiden. Noordwaarts naar…’

‘Niet noordwaarts,’ onderbrak Ramscap zijn partner. ‘De afgelopen dagen hield hij steevast het zuiden aan.’

‘Juist. Oost of zuid, dus. Welke neem jij?’

‘Oost. Neem contact op zodra je hem ziet.’ Ramscap was even stil. ‘Dit wordt een grote, Bona. Ik voel het.’

‘Laten we hopen dat je het mis hebt.’

Inderdaad, dacht Ramscap, terwijl hij zijn pick-up met grommende geluiden weer de weg op loodste. Laten we het hopen, voor alle reizigers van Amerika.

 

*

 

Susan Bravado kreeg weinig medeleven van de oude pompbediende.

‘Luister,’ zei ze met op elkaar geklemde kaken. ‘Ik ben m’n creditcard kwijtgeraakt. En nee, ik weet niet waar dat is gebeurd. Kan goed tweehonderd mijl geleden zijn geweest. En nee, ik kan niet terug om te gaan zoeken, want ik heb geen benzine. En die benzine kan ik niet kopen, ik heb geen creditcard. Maar ik moet naar Gennaro, want… ’

‘Geen betaling, geen benzine,’ onderbrak de pompbediende haar. In zijn gegroefde gelaat was geen greintje emotie te bespeuren. ‘Als we iedere bedelaar met een zielig verhaal benzine moesten geven, hadden we aan het einde van de dag niets over.’

‘Hier!’ Susan sloeg een paar verfrommelde biljetten – het schamel restant van haar financiën – op de toonbank.  Haar horloge volgde. ‘En deze! Bok op met je ‘bedelaar’! Ik moet naar Gennaro, dus als je m’n schoenen ook nog wil hebben, prima, maar geef me die verdomde brandstof!’

De oude man bekeek het horloge kalmpjes. ‘Die kunnen we niet aannemen. Cash of creditcard, staat duidelijk op de deur.’

Hij wees naar de glazen deur, die net op dat moment met een irritant vrolijk geklingel openging. Een tanige vrouw met donker geverfd haar en spijkerjack – Susan schatte haar eind 50 – stapte het tankstation binnen.

‘Middag,’ zei ze. ‘Dat is jouw Buick buiten? Sorry, maar je blokkeert de pomp.’

‘Mevrouw kan niet betalen,’ zei de pompbediende droogjes.

‘Creditcard kwijt,’ mompelde Susan.

‘Hmm… welke kant ga je op?’

‘Gennaro. Hoezo?’

‘Mevrouw gaat helemaal nergens heen, want mevrouw kan de benzine niet…’

‘Ja, dat was me al duidelijk, dank je,’ onderbrak de tanige vrouw de pompbediende. Susan voelde haar waardering voor de vreemde groeien. ‘Oké, luister,’ de vrouw richtte zich nu tot Susan, met een verontschuldigende glimlach. ‘Ik moet ook naar Gennaro, of eigenlijk nog iets daarvoor. Mijn auto vertoont echter wat kuren, en ik riskeer het liever niet om midden op de weg stil te komen staan met pech.’

‘U kunt hier een garage bellen,’ probeerde de pompbediende behulpzaam te zijn, maar de vrouw wuifde zijn suggestie weg.

‘Er is haast bij, zie je. Een bruiloft. Nichtje van me. Wat nou als ik je benzine betaal, en jij mij een lift geeft?’

‘Naar Gennaro?’

‘Red Brook. Klein gehucht, net een paar mijl voor Gennaro. Hoeveel heb je nodig?’

‘Ehmm… 20 dollar moet genoeg zijn, maar ik… oh… wauw…’ Susan knipperde met haar ogen toen de vrouw een paar biljetten op de toonbank legde. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen. Dankjewel.’

‘Breng me naar Red Brook. Dat is hoe je me bedankt.’ De vrouw grijnsde, en stak haar hand uit. Susan nam die gretig aan. ‘Susan Bravado,’ zei ze.

‘Dani,’ antwoordde de vrouw. ‘Dani Ransom.’

 

*

 

Enkele mijlen voorbij het knooppunt hield Ramscap halt bij een uitzichtpunt: een langgerekte vlakte bezaaid met picknicktafels, aan de ene kant begrensd door de doorgaande weg, aan de andere kant door een afgrond.

Waarom hij stopte, kon hij niet goed verklaren. Iedere rationele gedachte in zijn hoofd vertelde hem dat hij dóór moest rijden, haast moest maken, als hij hoopte zijn prooi nog in te halen. Toch bracht zijn instinct hem ertoe te stoppen bij het uitzichtpunt. In de afgelopen decennia had Ramscap geleerd naar zijn instinct te luisteren.

Er was slechts één andere auto, vast van de familie rondom een pick­nicktafel. Ramscap parkeerde zijn pick-up op een afstandje en liep naar een informatiebord. Terwijl hij deed alsof hij zich inlas over de flora en fauna die op de vlaktes beneden hem te zien zouden moeten zijn, zocht hij met geoefende blik de parkeerplaats af. Wat hij zocht? Iets dat kon verklaren waarom zijn instinct zo op hol was geslagen.

Daar: bandensporen. De stank bereikte zijn neusgaten een fractie van een seconde later.

Wat hebben we hier?

Er had overduidelijk een auto gestaan, nog niet zo lang geleden. En die auto was met volle vaart weggescheurd, gezien hoe diep de banden­sporen in de droge aarde stonden. Maar dat was niet wat Ramscap zo interessant vond.

‘Oh, verdomme…’

Voorzichtig daalde de man af aan de andere kant van het uitzichtpunt, waar de parkeerplaats eindigde in een dichtbegroeide helling naar beneden. Anderhalve meter lager lag het: een tweede huls, droger en beter bewaard dan de vorige.

Slechts door jarenlange ervaring en gehardheid wist Ramscap te voorkomen dat hij zijn maag leegde bij het zien van de slaphangende huid, uitgevallen haren en uitgelopen oogballen van de jongen.

Nog geen achttien jaar oud, dacht Ramscap, en hij liet een grom ontsnappen. Een jongen op reis, het Amerikaanse avontuur in. Gereduceerd tot een hol karkas door een wezen dat zijn moordlust niet kan beteugelen.

Nog een meter of tien lager zag Ramscap in het struikgewas een motor liggen. Hij ploeterde er naartoe, zichzelf aan stronken en stenen vasthoudend om niet door de vegetatie het ravijn in te struikelen.

Halverwege moest hij stoppen. Een hoestbui overviel hem, en aan het einde ervan moest hij bloed van zijn lippen vegen.

Niet eens de eerste keer deze week, dacht hij weemoedig. Hoe lang nog? Een jaar? Zes maanden? Minder?

Hij zette de gedachte van zich af. Denken aan sterven kon altijd nog: nu was er werk aan de winkel. Hij hervatte zijn afdaling naar het achtergelaten vervoersmiddel.

De motor leek nog te werken, maar droeg duidelijke sporen van geweld: deuken, krassen, verbogen metaal. In zijn hoofd probeerde Ramscap de tijdlijn te reconstrueren.

Het wezen kwam hier, in de vorm van een jongen op een motor. Hij ontmoette een nieuw slachtoffer en nam diens vorm aan. Een tweede metamorfose in zeer korte tijd… waarom?

‘Omdat hij weet dat we hem opjagen.’

Ja, dat paste. Het wezen kwam uit het westen, en was tot voorbij het knooppunt gereden. Daar had het zich een nieuwe gedaante en een nieuw vervoersmiddel aangemeten. Om terug te gaan naar het knooppunt, en de achtervolging af te schudden. Door naar het zuiden te gaan.

Goed dat we met z’n tweeën zijn.

Ramscap ploeterde weer omhoog. Op de parkeerplaats, half verborgen onder opgespat grind, vond hij het rijbewijs, ongetwijfeld aan het nieuwste slachtoffer ontsnapt tijdens zijn worsteling met het wezen.

‘Yes.’

Dank voor je slordigheid. Nu heb je een naam en een gezicht, kreng. En als je maar lang genoeg in deze gedaante blijft, vinden Bonafide en ik je wel.

Ramscap klom verder omhoog, de parkeerplaats op, en hervatte de jacht. Op ene Dani Ransom.

 

*

 

‘Donker haar, eind vijftig, zo lang?’

Bernard Bonafide hield zijn vlakke hand op schouderhoogte, om de zuur ogende man aan de andere kant van de toonbank een idee te geven van de vrouw die hij zocht. ‘Heb je haar gezien?’

De pompbediende haalde zijn schouders op. ‘Ik zie zoveel klanten. Kan het allemaal niet meer bijhouden.’

Bernard trok een wenkbrauw op en keek veelbetekenend door de winkel. Naast een oud vrouwtje dat door een gangpad schuifelde, hoorbaar op zoek naar melk (‘Melk, melk,’ mompelde ze) en hijzelf waren er geen klanten in het tankstation. Bonafide vermoedde dat dat hier de norm was, ongeacht het tijdstip.

‘Toch zou ik het waarderen als je tenminste probeerde je deze vrouw te herinneren.’ Bonafide glimlachte, en liet een biljet over de toonbank glijden. ‘Ik zou het zeer waarderen.’

De pompbediende knikte, en nam het biljet aan. ‘Een vrouw,’ zei hij. ‘Lang, donker haar? Midden vijftig?’

‘Eind vijftig.’

‘Ja, ik herinner me haar.’

‘En?’

‘En wat?’

‘En wat kun je over haar vertellen?’

‘Waarom zou ik je iets over haar vertellen?’

Bonafide staarde hem aan. ‘Luister vriend, volgens mij weet je niet helemaal hoe onze economie werkt. Ik heb je net een tientje toegeschoven. Vervolgens vertel jij me alles wat je weet.’

‘Nee, jij hebt net een tientje verspild. En ik heb je vraag beantwoord. Anders nog iets?’

Bernard ‘Bonafide’ Jenkins was een grote, aimabele man. Met zijn lange, brede postuur en vriendelijke, open gezicht leek hij op je favoriete oom of sympathieke football coach. Iemand met wie je een paar blikken bier achterover kunt slaan, die alles weet van auto’s en de sportcompetities, die met een vriendelijke lach en een knipoog door het leven gaat. Niet iemand die bijzonder gevaarlijk is.

Bonafide verraste mensen.

Met een vliegensvlugge beweging trok hij de pompbediende over de toonbank naar zich toe. De pompbediende haalde paniekerig uit, maar Bonafide weerde de klap af, sloeg de hand van de pompbediende neer.

‘Oké, luister goed…’

‘Grgh-’

‘Zeer eloquent. Luister! Ik kan nog heel wat meer druk toepassen als ik wil, dus is het aan jou om me te overtuigen dat niet te doen. Ik stelde je wat vragen, en ik verwacht antwoord te krijgen. Normaal gesproken ben ik wat vriendelijker, wat geduldiger in mijn ondervragingen, maar de tijd staat me niet toe mijn joviale zelf te zijn. Er staan levens op het spel, levens die ik probeer te redden, en daar ga jij met je zure kop niet tussenkomen. Comprende?’

De zure kop knikte.

‘Mooi. Dan vraag ik het nog een keer: wat weet je over die vrouw? Wanneer was ze hier? Wat wilde ze? Met wie sprak ze? Waar is ze nu?’

‘Ik ehm… ze kwam hier… twintig – dertig? – dertig minuten geleden. Autopech.’

Bonafide keek over zijn schouder naar de parkeerplaats.

‘Staat haar wagen er nog?’

De pompbediende knikte, voor zover Bonafide dat toestond .’De beige Chrysler.’

‘Wat is er mis mee?’

‘Geen idee. Ze- ze wilde geen garage bellen. Ging mee met een vrouw. Een jongedame, zonder geld voor benzine. Zij schoot voor. Zeg, kun je misschien iets…’

‘Ze ging met haar mee? Kende ze haar?’

De man schudde van niet. ‘Een lift, in ruil voor benzine.’

‘Waarheen?’

‘Ehm…’

Bonafide voerde de druk op.

‘Gennaro! Red Brook!’

‘Gennaro Red Brook?’

‘Red Brook, net voor Gennaro. Ten zuiden van hier.’

‘En de vrouw die haar meenam?’

‘Sarah? Nee, Susan. Geloof ik. Jong, begin twintig. Blond. Arrogante houding van hier tot Tokyo. Lichtblauwe Buick.’

‘Perfect.’ Bonafide liet de man los, wachtte tot die overeind kwam, en klopte vervolgens diens schouders af. ‘Zo, was dat nu zo moeilijk?’

De pompbediende zei niets.

‘Ik ga die auto bekijken,’ deelde Bonafide mee, ‘en jij blijft hier je klanten bedienen. Mocht ik nog meer vragen bedenken, dan kom ik weer even binnenwippen. Wellicht dat een volgende ondervraging wat soepeler kan verlopen?’

Wederom geen reactie.

Bonafide stak glimlachend zijn duim omhoog en beende de winkel uit.

De Chrysler zei hem weinig: een tamelijk nieuw model, maar veel gebruikt en slecht onderhouden, met een kofferbak vol lappendekens, een dennengeur-luchtverfrisser aan de achteruitkijkspiegel en een half-leeggegeten zakje chips in het dashboardkastje. Memorabilia van de arme vrouw die ooit deze auto bestuurd had. Over het wezen dat nu haar lichaam bewoonde vertelden de objecten echter weinig.

Eén blik onder de motorkap en Bonafide wist genoeg. Dat het de auto geheel ontbrak aan enige vorm van autopech. En, bovendien, aan een huls.

‘Verdomme Ramscap, ze is weer gewisseld. Niet van gedaante, maar van vervoer. Over.’

Bonafide zat nu in zijn eigen wagen, een groen-en-witte Lincoln Continental. Vanuit de voorruit hield hij de winkel in de gaten, en dan met name de zuurpruim van een pompbediende. Hij leek Bonafide wel het type om de politie te bellen en te klagen over agressief gedrag van zijn klanten.

‘Wat bedoel je, van vervoer? Over.’

‘Ze heeft haar bak achtergelaten, zogenaamd vanwege pech. Maar met de auto lijkt niets mis. In plaats daarvan rijdt ze nu met een jonge vrouw mee, ene Susan, die haar een lift aanbood in ruil voor benzinegeld. Over.’

‘Een lift? Geen wissel?’

Bonafide knikte. ‘Het lijkt erop dat de twee samen onderweg zijn, zuidwaarts. Plaatsje genaamd Red Brook.’

Aan de andere kant bleef het stil. ‘Ramscap?’

‘Dus hij neemt twee keer, in korte tijd, een nieuwe gedaante aan. Hij weet dat we ‘m op de hielen zitten. En toch wisselt hij niet van richting. Oh, godver…’

‘Wat is er?’

‘Hij wisselt niet van richting, omdat het dáár gaat gebeuren. In Red Brook. En wat hij ook op de planning heeft staan, het zal een heel stuk spectaculairder zijn dan het ombrengen van individuele reizigers.’

‘Oké,’ Bonafide greep naar de sleutel in het contact. ‘Naar Red Brook, wat daar dan ook…’

Tik, tik, tik.

De oude vrouw uit het tankstation. Bonafide wilde al zeggen dat hij geen melk voor haar had, maar iets in haar blik hield hem tegen. ‘Mevrouw? Kan ik u helpen?’

‘Ik hoorde je met die vriendelijke pompbediende praten’ – ze leek niet sarcastisch – ‘en ik hoorde dat je naar iemand op zoek bent? In Red Brook?’

Bonafide knikte. ‘De vrouw naar wie ik vroeg, heeft u haar gezien?’

Ze schudde haar hoofd. ‘Maar ik weet waar ze heengaan. De enige reden waarom er ooit iemand naar Red Brook gaat.’

Ze boog voorover, en bood Bonafide uitzicht op haar gelige grijns. ‘Ken je Big Cans?’

 

*

 

Big Cans was een van Amerika’s vele roadside attractions. Met zo’n naam trok de plaats nogal eens groepen hormonale jongeren, die er vervol­gens achter kwamen dat de ‘Cans’ eerder letterlijk dan meta­forisch bedoeld waren.

Een kaartje kostte drie dollar vijftig, en bij die prijs zat niet alleen inbegrepen dat je rondom de enorme blikken Blue Ribbon, Kool-Aid en Budweiser mocht lopen, maar ook dat je middels een wenteltrap om de hoogste van de blikken, een vijfendertig meter hoge cilinder met ‘Coca-Cola’ erop, omhoog kon klauteren, om vervolgens via het lipje op het dak af te dalen naar Amerika’s enige – beweerde men bij Big Cans althans – blikkenmuseum.

De meeste bezoekers brachten maar korte tijd door in het museum – een collectie van feiten en foto’s en kilometers stoffige blikjes – en gaven er de voorkeur aan de met parasols beschutte grasmat bovenop het colablik te bezetten voor een picknick met uitzicht over de woestijn.

Big Cans moest het, zoals alle attracties langs de Amerikaanse highways, met name hebben van die doortrekkende gezinnen, veelal onderweg van en naar een vakantiebestemming. Het gros van de jaarlijkse bezoekers was in de afgelopen maanden al langsgekomen, maar op deze zaterdagmiddag in september bleken er nog genoeg nomaden binnen te druppelen. Vanaf het dak van het colablik steeg het rumoer op van vaders en moeders en hun voor een half uur geamuseerde kroost.

Om half vier ‘s middags reed Dani Ransom de oprijlaan van Big Cans op in een blauwe Buick. Haar zonnebril verhulde een blauw oog, maar niet de grijns waarmee ze de kassamedewerker begroette.

‘Kaartje voor één, alstublieft.’

 

*

 

‘Drie dollar vijftig,’ gromde Ramscap, ‘voor deze onzin.’

‘De Amerikaanse spirit, makker,’ zei Bonafide. ‘Houdt de economische motor gesmeerd.’

‘Hé, als Jim en Judy Suburb hun kleine rakkers willen verblijden met een close-up kennismaking met een product dat ze evengoed in de koelkast kunnen vinden, prima, maar ik ben twee nullen verwijderd van faillissement. Ik betaal liever niet meer dan nodig voor het privilege een Budweiserblik te beklimmen.’

Dat was het probleem met het opsporen van nachtmerries die rechtstreeks ontsproten waren uit de genius loci van Amerikaanse wegen: de overgrote meerderheid van de bevolking geloofde er geen snars van. En zelfs degenen die dat wel deden, hadden er zelden een financiële bijdrage voor over.

‘Vader Ignatius heeft misschien geld voor ons,’ opperde Bonafide.

‘Vader Ignatius is belast met vijf parochies, en geen daarvan verkeert in goede financiële staat.’

‘Dan wordt het misschien weer tijd voor wat… creatief lenen?’

Ramscap lachte en klopte zijn kompaan op de schouder. ‘Eens een oplichter, altijd een oplichter, nietwaar? Maar we verspillen onze tijd. We moeten onze prooi zoeken.’

‘Je weet zeker dat ze hier is?’

‘Ze is hier geweest, dat voel ik. En ik voel dat het hier gaat gebeuren. Dit is de plek van het offer.’

‘Maar wie dan?’ Bonafide keek om zich heen naar de aluminium cilinders. ‘En hoe? Een wegmerrie kiest zijn slachtoffers doorgaans op de weg zelf, en offert ze door middel van een ongeluk. Hoe zie je dat hier gebeuren?’

Ramscap schudde zijn hoofd. ‘Dat weet ik niet. Maar het is geen toeval dat het deze locatie gekozen heeft. Zoveel mensen bij elkaar… de wegmerrie is uit op een massaal offer, dat kan niet anders.’

‘Bovenop de Big Can?’

De indiaan knikte. ‘Een terras, met maar één toegang. Als er ergens iets gaat gebeuren dan is het daar.’

‘Ik denk,’ zei Bonafide, ‘dat we van het uitzicht moeten gaan genieten.’

 

*

 

Zeke Ordnance moest toegeven dat het uitzicht vanaf het grootste colablikje ter wereld niet tegenviel.

Hij doelde daarbij niet op de dorre woestijngrond die aan alle kanten om het afgesloten terrein heen lag. Hij kende mooiere plekken van de woestijn, en mooiere plekken om ze te bekijken.

Nee, het was hem meer te doen om de jonge moeders die op het circulair terras van een dagje uit met hun gezin genoten.

Vijf maanden deze zelfde saaie route dacht hij, en onderweg nauwelijks ergens een scharrel om op te pikken. Als ik nog lang droogsta, word ik gillend gek. Een van de moeders in zijn vizier boog voorover om iets uit een koeltas te pakken, en Zeke zuchtte gefrustreerd toen twee mannen voor zijn blikveld liepen en het zicht op het in spijkerstof gehulde achterwerk blokkeerden.

Een indiaan en een cowboy, dacht hij, terwijl hij de mannen met een frons bekeek. Wat krijgen we nu, de middagshow?

Zijn aandacht voor de twee vreemdelingen werd echter tenietgedaan door het piepen van zijn digitaal horloge. De timer die hij gezet had – een half uurtje, precies genoeg om wat te roken, te pissen en van het uitzicht op de Big Cans te genieten – liet hem weten dat het tijd werd zijn truck weer op te zoeken.

Net zoals de vorige keren dat hij de Cans bezocht, had Zeke zijn truck – een Ford Tank Truck, tot de nok toe gevuld met diesel – even buiten het terrein moeten parkeren. Het wandelingetje heen en weer vond hij echter een prima gelegenheid om zijn benen te strekken.

Met een boer kwam Zeke van zijn bankje, en tikte het alarm van zijn horloge uit. Met een laatste weemoedige blik in de rondte nam hij afscheid van het vrouwelijk schoon. Om zijn ogen tenslotte te laten rusten op de bekende vormen van zijn Ford tankwagen.

Die in volle vaart op de Big Cans afreed.

‘Hé!’

 

*

 

Hangend aan een koord, vijf meter boven de vloer van de circulaire bioscoop op de begane grond van het Big Cans museum, maakte Susan Bravado inventaris van haar ongeluk.

Eerst krijg ik te horen dat de baan een dag eerder begint, en moet ik vijfhonderd mijl in één dag zien af te leggen. Boven haar maakte het touw een krakend geluid. Natuurlijk vergeet ik mijn portemonnee in het motel, en moet ik bedelen om benzine. Gelukkig is er een vriendelijke mevrouw die wel benzine wil betalen, als ik haar een lift geef. En wat is er op tegen om een aardige mevrouw een lift te geven?

Een steek ging door haar nek en schouder, het resultaat van achtereenvolgens buiten bewustzijn geschopt worden, opgevouwen in een kofferbak liggen, en aan je armen aan een touw aan het plafond opgehangen worden.

Natuurlijk bleek die aardige mevrouw helemaal niet zo aardig, en nu moet ik die inschattingsfout bekopen met, jawel, dood door verveling.

Ze hing er al een halfuur, en haar armen werden gevoelloos door haar eigen gewicht. De  verlammende angst die ze oorspronkelijk had gevoeld toen ze bungelend wakker was geworden, was onder het gebrek aan gebeurtenissen vervaagd tot rationele angst, vervolgens onrust, en had ten slotte geheel plaatsgemaakt voor andere emoties. Frustratie, honger, zelfs slaperigheid.

Aanvankelijk had ze nog hoop gehad dat een verdwaalde bezoeker van het museum haar zou zien hangen. Door de continu herhalende 10-minuten durende film over de historie van blik – jawel, blik – die achter haar op het grote scherm geprojecteerd werd, wist Susan dat het museum open was. Maar toch kwam er niemand. Had de vrouw, die Dani Ransom, de deuren gesloten? En waar was zij eigenlijk? Susan had al meerdere rondes aan het koord gedraaid om de hele bioscoopzaal rond te kijken. Steeds ontbrak ieder spoor van de vrouw die haar gekneveld had.

Er kwam geen hulp, en erom roepen was door de lap stof in haar mond geen optie. Dus kon ze alleen maar wachten tot de vrouw terugkwam, om haar in reepjes te snijden of wat dan ook. Of… ze kon het heft in eigen handen nemen.

Het duurde even, en de zwaaiende bewegingen pijnigden haar polsen, maar uiteindelijk wist ze haar rechtervoet naar haar handen te tillen en een stiletto uit haar laars te vissen. Ik had hem moeten slijpen, dacht ze chagrijnig bij het zien van het uitgeklapte lemmet. Met zorgvuldige bewegingen begon ze het botte mes over het stugge touw te schrapen.

Ze had al een paar taaie vezels door toen de tankwagen met veel bombarie het museum binnenreed.

 

*

 

KRANG!

Een schok ging door het stalen complex heen, en nog voor het gebouw stopte met schudden, stonden de eerste ramptoeristen over de reling naar beneden te turen.

Er klonk een KNAL, een doffe woef, en het geschreeuw begon.

‘Brand! Brand!’

‘Een truck staat in de fik!’

‘Bel de politie!’

‘We moeten hier weg!’

‘Oh, verdomme,’ gromde Ramscap, die naast zijn kameraad over de reling naar beneden staarde en zag hoe de tankwagen zich het colablik in had geboord. En begon te branden. Ramscap wees. ‘Precies door de wenteltrap, zie je? Wordt een knap lastig karwei om daar naar beneden te gaan.’

Bonafide trok een grimas. ‘De wegmerrie… kolere, Ramscap, ze heeft ons in een val gelokt!’

‘Ons en nog vele anderen. Het lijkt erop dat we deel gaan uitmaken van haar massaoffer.’

Ze keken om zich heen. Het nieuws dat het terras bovenop het blik niet bepaald veilig meer was, had inmiddels iedereen bereikt. Een stormloop op de wenteltrap was begonnen.

‘Die dwazen gaan er halverwege achter komen dat de weg omlaag geblokkeerd is,’ kreunde Bonafide, en beende over het terras. Hij keek het trappengat in, naar de toegang tot het museum. Enkele onder­nemende zielen stonden al aan de dubbele deuren te trekken.

‘Die heeft ze ook geblokkeerd.’ De lijvige Texaan schudde zijn hoofd. ‘Maar dat maakt niet uit, want die truck blokkeert beneden ook de nooduitgang. We zitten vast.’

Diezelfde conclusie had ook de mensen bereikt die via de wenteltrap naar beneden waren gestoven. Kreten van paniek stegen langs de snel opwarmende wanden van het blik op.

Ramscap hurkte, en uit zijn rugzak haalde hij een opgerold stuk touw. ‘Ik denk dat we dit wel kunnen gebruiken, wat jij?’

 

*

 

‘Kom op, vorm een rij!’

‘Kinderen eerst, dan vrouwen…’

‘Hé, wat zeggen we net? Achteruit, kerel!’

‘Doorlopen, niet blijven hangen!’

‘Mevrouw, loodst u die kinderen hiervandaan?’

Langzaam begon er orde te komen in een chaotische situatie. Bonafide was als eerste langs het touw omlaag gegleden, zo laag op de wenteltrap als de brandende truck toeliet. Ramscap bleef boven en herinnerde iedereen vriendelijk aan de regels. Eén man had voor willen dringen en keek nu met een bloedneus toe hoe Ramscap samen met enkele ouders de kinderen naar beneden hielp.

‘Naar beneden, laat jezelf losmaken, en loop naar dat blikje Kool-Aid,’ herhaalde Ramscap zijn instructies voor de tiende keer, voordat hij het kind naar beneden liet.

Het voltallige personeel van het Big Cans-museum – een puistige puber en een vrouw van middelbare leeftijd – waren aan komen snellen met een tweede rol touw, en even boven Ramscap waren twee vaders bezig om er een tweede reddingslijn mee te knopen.

Maar toch… de truck brandde door, en er steeg angstwekkend veel rook omhoog uit de wagen en de begane grond van het blikken­museum.

Ramscap dacht er niet graag aan wat er zou gebeuren als de tankwagen ineens tot ontploffing zou komen.

‘Kom op!’ snauwde hij naar beneden. ‘Meer touw!’

 

*

 

‘Verdomme,’ hijgde Bonafide, ‘die kan ik wel weggooien.’

Ramscap keek naar de hoed van zijn kameraad: doordrenkt met zweet en geblakerd door roet. ‘Ga ermee rond langs de overlevenden,’ stelde hij voor. ‘Wellicht zamel je genoeg in voor een nieuw exemplaar.’

‘Grapjas,’ morde Bonafide. Evenwel verscheen er een tevreden glimlach op zijn gezicht bij het zien van de drommen mensen die nu door de medewerkers het terrein af werden geloodst.

‘Het is ons gelukt.’ De woorden ontsnapten aan Ramscaps lippen, ietwat ongelovig. ‘De wegmerrie zit daarbinnen, wij buiten. Geen slachtoffers, en wij kijken toe hoe het zichzelf uitbrandt.’

Bonafide knikte. Drie seconden lang staarden de twee mannen in vriendschappelijke stilte naar het vergaan van Biggest Can.

In die drie seconden maakten hun gezichtsuitdrukkingen exact dezelfde transformaties door: van een tevreden glimlach via een bedachtzame blik naar een verwarde frons en, tenslotte, naar een geschrokken grimas.

Ze keken elkaar aan.

‘De andere vrouw!’

‘Susan!’

Ze keken weer naar het brandende blik, en zeiden, in koor, ‘Verdomme!’

 

*

 

Als ik mijn portemonnee niet kwijt was geraakt, dacht Susan Bravado, bungelend in de bittere rook, was ik nooit in de klauwen van dit wicht terechtgekomen.

Het wicht in kwestie zat nu ergens in de rokerige ruimte. Zodra de truck met geweld door de muur geramd kwam, had Susan gezien hoe de gedaante van Dani Ransom uit de gehavende cabine kroop. Daarna was ze de vrouw even uit het oog verloren, totdat ze zag hoe ze bovenin de lichtinstallaties klauterde, deels verhuld door de rook. Een vreemd, sissend geluid ontsnapte aan de vrouw toen ze oogcontact maakte met Susan, en haar ontblote tanden leken te klein, te puntig om die van een mens te zijn. Susan had gehuiverd en haar ogen afgewend.

Hallucinaties, dacht ze, terwijl ze in de kringelende rook aan het koord deinde. Angst. Je beeldt je dingen in.

Inmiddels likten de vlammen gretig in het rond, en al wat ze raakten stond binnen luttele seconden  in brand. De eerste vlammen liepen al omhoog naar het plafond, en het schijnsel van de film die achter Susans rug nog steeds doordramde over het belang van goed uitgelijnde bliksnijders wierp een vreemde, witgrijze waas over de rokerige vlammenzee.

Susan had gehoopt dat een losgeslagen vlam inmiddels haar koord wel had doorgebrand, maar in dat opzicht liet het vuur haar in de steek. Bovendien zou ze dan nog steeds vijf meter naar beneden vallen, tussen de gloeiende stoelen, om het – slechts gewapend met haar botte mes – tegen de verrassend sterke Dani Ransom op te nemen. Een andere kans op ontsnapping leek er echter niet te zijn.

Wacht tot ze afgeleid is. En dan snijd je de laatste strengen door.

Een snauwend, snerpend geluid klonk vanaf de vloer. Susan keek angstig naar beneden, en verwachtte ieder moment de doorgedraaide liftster op haar af te zien springen.

Maar naar het bleek had Dani Ransom andere zaken aan haar hoofd.

Perfect, dacht Susan, en hervatte het snijwerk.

 

*

 

Door de rook dook Bonafide naar binnen, het blik in, met een juten zak in zijn rechterhand. De rook prikte in zijn ogen en de vlammen zorgden voor een bijna ondraaglijke hitte.

Dit houd ik niet lang vol. Zodra hij voorbij de truck was geschuifeld, cirkelde hij langs de muur aan de rechterkant, waar de vlammen om de een of andere reden minder huis hielden, op zoek naar een plek waar hij enigszins door de rook heen kon kijken.

De vrouw vinden bleek niet zo moeilijk: een blonde vrouw in spijkerjack bungelde aan haar polsen op vier, vijf meter hoogte.

‘SUSAN!’ riep Bonafide, en hij wist dat hij daarmee de aandacht van een geheel ander wezen zou trekken.

‘Leid haar af,’ had Ramscap gezegd, terwijl hij buiten het blik zijn ritueel met geoefende bewegingen opstartte. ‘Leid haar af, maar laat je niet grijpen. Als het te gevaarlijk wordt, kom je naar buiten.’

‘Naar buiten? En de vrouw dan?’

‘Daar bekommer ik me wel om.’

Bonafide schudde zijn hoofd. Als Ramscap geheimzinnig deed, wist je dat hij iets ging uithalen waar je het principieel mee oneens was. Helaas had Bonafide geen tijd om te bedenken wat.

Het sissende geluid kwam van rechts. Bonafide draaide snel, maar niet snel genoeg. De klap trof hem in de borst en hij viel achterover op een van de harde houten bioscoopstoelen.

Ze zat recht voor hem, balancerend op de rand van een stoel, haar knieën opgetrokken als een groteske waterspuwer.

Dani Ransom had weinig menselijks meer: haar haren hingen als donkere gordijnen aan weerszijden van haar verlengde gelaat, en de tanden in haar grijns waren te klein, te vlijmscherp om die van een mens te zijn. Bonafide wist dat ze, als ze sprak, een tweede rij tanden zou onthullen, nog kleiner, nog scherper dan de eerste.

Haar ogen waren echter het ergst. Putten in haar gelaat, met daarachter donkere vlekken waar een constante beweging in zat. Asfalt dat onder je wielen voorbij raast.

Die groteske parodieën op ogen keken Bonafide aan. ‘Wel, wel,’ gromde het wezen. ‘Bemoeial nummer één.’

‘Ik kom een vriendin van me ophalen’, zei Bonafide kalm, terwijl zijn vingers de rand van zijn juten zak vonden. ‘Jong, blond, bungelt aan een touw?’

De wegmerrie grijnsde, en een straal amberkleurige vloeistof liep over haar kin naar beneden. ‘Een vriendin? Mijn offer, zul je bedoelen. Dus je doorzag m’n list? Slim, maar nu heb je er alleen voor gezorgd dat ik een medicijnman aan mijn prijs mag toevoegen.’

Ze denkt dat ik Ramscap ben, besefte Bonafide. Perfect.

Het wezen boog zich over hem heen, en Bonafide kon de teer in haar adem ruiken. ‘Een kans om me van de bemoeizuchtige medicijnman te ontdoen… en me ervan te verzekeren dat mijn soortgenoten voortaan ongestoord hun gang kunnen gaan…’

Bonafide hield de zak voor zich uit, één hand erin gestoken.

De wegmerrie trok haar wenkbrauw op. ‘Wat dacht je daarmee te doen? Een gebed uitspreken? Me met een zandtekening uitbannen?’

‘Ik dacht aan iets efficiënters,’ zei Bonafide.

BLAM!

De metalen hagel reet de juten zak uiteen, en een wolk hagel onttrok de achterover gevallen wegmerrie aan het zicht. Bonafide stond op en klauterde over de stoelen voor hem, terwijl hij de shotgun met afgezaagde loop uit de doorzeefde zak trok.

Waar is ze?

Het wezen sprong van links, krijsend, maaiend met haar armen. Bonafide richtte zich grommend tot het monster.

Ramscap, waar blijf je met je ritueel?

 

*

 

Ze was te laat. Dat besefte Susan, hangend in de rook, toen ze de hoestbuien niet meer tegen kon houden. Haar lichaam leek op automatische reacties over te gaan, en haar gedachten werden traag en verward. Onder haar was een gevecht bezig. Geschreeuw. Schoten. Iets over een offer. Het leek allemaal onbelangrijk.

Adem de rook in, leek een deel van haar geest te suggereren. Laat het toe.

‘Bok op,’ gromde ze. Of wilde ze grommen. Het kwam eruit als een astmatisch gerochel.

Nee? Nog geen zin om op te geven? Mooi zo.

Vreemd. Dát was niet haar stem.

Inderdaad. De mannenstem lachte, warm en diep. Ik ben op bezoek. Ik hoop dat je dat niet erg vindt.

‘Ik ijl,’ mompelde Susan door de lap stof. ‘Misschien ben ik al dood.’

Nog niet. Maar lang zal het niet meer duren.

Van boven kwam een krakend, kreunend geluid. Het plafond, besefte ze.

Tenzij, zei de warme stem, je precies doet wat ik zeg.

 

*

 

Bonafide verloor bloed uit drie afzonderlijke wonden. Eén ervan zou zijn dood worden, als hij er niet snel iets aan deed. Hij voelde er weinig van.

Jezus, ze is sterk!

De wegmerrie haalde opnieuw uit, een backhand met rechts, en Bonafide kon niet op tijd uitwijken. ‘Oef!’

Zijn schouder voelde verdoofd, en hij kreeg het wapen nauwelijks opgetild. Steeds verder dreef de wegmerrie hem achteruit, richting de brandende truck, en Bonafide kon weinig meer doen dan de zwiepende klauwen proberen te ontwijken.

Als die verdomde Ramscap niet heel snel…

‘Bonafide! Nu, terug!’

Perfect. Hij manoeuvreerde de shotgun tussen zichzelf en de naderende wegmerrie, wachtte tot haar groteske gedaante dichtbij genoeg was, en vuurde zijn laatste patroon.

BLAM!

Met een klap werd de wegmerrie teruggedreven, en Bonafide zag goedkeurend toe hoe haar borstkas in repen huid en vlees naar beneden hing. Het wezen zou er niet aan doodgaan, maar het voelde goed om het tenminste zoveel mogelijk te pijnigen voor wat ze wilde doen.

‘Daarvoor,’ siste de wegmerrie, terwijl ze overeind krabbelde, ‘ga ik je je eigen testikels voeren, medicijnman.’

‘Sorry,’ hijgde hij. ‘Ik probeer te lijnen. Doktersadvies’

Hij graaide in zijn binnenzak en gooide een stungranaat de vlammen in die achter de wegmerrie dansten.

Toen de flits afnam en de wegmerrie zich met suizende oren begon te oriënteren, was er van Bonafide geen spoor meer te bekennen.

Ze snauwde, en richtte zich op de uitgang.

 

*

 

Nu, Susan Bravado!

Ze opende haar ogen in kleermakerszit, op een kleed in – dit was het verbazingwekkendst – de schone buitenlucht. De man had haar verteld wat er zou gebeuren. Toch bleek ze er slecht op voorbereid.

Vanuit het enorme blik voor haar, waar de brandende truck door­heen was geramd, klonk een ijzingwekkende schreeuw.

Dani Ransom, dacht Susan verbeten, en ze kwam in beweging. Ze greep de twee potten voor haar, aarde en zout, en zag de tekening die de man in het zand gemaakt had: een weergave van het blik, met cirkels eromheen om het kwaad in te sluiten. Er ontbrak slechts nog een handvol korrels in beide cirkels. Precies de ruimte die de medicijnman nodig had gehad om Susan naar buiten te halen.

Susan nam een greep zout in haar linkerhand, aarde in haar rechter. En sloot de cirkels.

‘Daar, teef.’

 

*

 

Bonafide strompelde naar buiten, gebukt om onder de vlammen door te komen die vanuit de truck omhoog sloegen. Zijn rechterbeen werkte niet mee, en tot tweemaal toe viel hij voorover in het zand.

Overeind, Bernard. Die wegmerrie wacht niet!

Achter zich haar hij haar gegil, woedend, moordlustig. Waarom had ze hem nog niet gegrepen?

Een gedaante dook voor hem op uit de rook. Ramscap?

‘Ze… komt… eraan,’ hijgde hij, voordat hij ineen stortte.

De gedaante boog zich over hem heen, en hij voelde hoe twee slanke armen hem overeind hielpen.

‘Nee,’ zei de jonge vrouw. ‘Ze komt er helemaal niet aan.’

En Bonafide wist wat Ramscap gedaan had. ‘Godverdomme,’ gromde hij, en vocht tegen de tranen.

 

*

 

De wegmerrie beukte tegen de ijle lucht, keer op keer, maar de onzichtbare barrière hield het monster tegen.

De medicijnman heeft de cirkel gesloten, besefte het wezen. Hij heeft zichzelf gered, en de vrouw aan haar lot overgelaten!

Het diepe gelach achter haar klonk gemeen, bijtend.

De wegmerrie nam drie stappen terug, en sprong. Ze klampte zich vast aan de gedaante die bungelde in het vuur, in de rook. De gedaante die twee koppen groter en vele kilo’s zwaarder was geworden.

‘Dwaas!’ siste de wegmerrie de man toe. ‘Dacht je mij te dwarsbomen, door met haar van plaats te wisselen? Denk je dat het mij uitmaakt wie ik in mijn web heb?’

Ramscaps grijns was verbeten van de pijn en de hitte, maar het was een grijns.

‘Ik denk dat dat wel degelijk uitmaakt. Je zit hier, gevangen in je eigen val. En je wordt afgesloten van de donkere geest die je op onze aarde liet verschijnen.’

‘Idioot, je kunt me niet tegenhouden! Ik ben Tijd, ik ben Vooruitgang! Ik ben de Zwarte Vlam die de Zon zal Verschroeien!’

‘Nee, jij bent degene die zonder offer zal sterven.’

Haar ogen verwijdden zich. ‘Dan gebruik ik jou als offer!’

‘Zo werkt het niet.’ Zijn stem klonk zacht. ‘Een offer, vrijwillig gegeven, is altijd krachtiger dan een offer dat simpelweg wordt genomen. Maar dat is iets wat jij nooit zult begrijpen.’ Ramscap glimlachte en sloot zijn ogen. ‘Mijn ziel zal zich naar de Grote Geest verheffen. Maar jou, jou staat het Niets te wachten.’

De wegmerrie gilde, een ijzingwekkende schreeuw waarin al haar woede, frustratie, machteloosheid en angst verweven waren.

En toen kwam het dak naar beneden.

 

*

 

Bonafide moest het Susan Bravado nageven: ze pikte de terminologie snel op.

‘En iedere keer als zo’n… wegmerrie… zich manifesteert, houden jullie het tegen?’

‘Niet iedere keer.’ Bonafide zuchtte. ‘Meestal is een wegmerrie maar enkele uren in onze wereld. Dan klampt ze zich vast aan een mens, of een machine, en veroorzaakt ze een ongeluk. Grofweg tien procent van alle dodelijke ongelukken op de weg,’ voegde Bonafide er na een slok whisky aan toe. Het verband om zijn schouder trok en hij grimaste van de pijn. Hij was er slecht aan toe, maar hij zou het overleven. Dankzij Susan.

De vrouw had hem overeind getrokken nadat hij half buiten bewustzijn door het bloedverlies het blik uit was gestrompeld. Ze had hem in haar auto geholpen, en was met hem naar het dichtstbijzijnde motel gereden. Daar had ze hem geholpen zijn wonden schoon te maken en te verbinden.

Ze waren niet blijven wachten bij het brandende blik, om van de brandweer te horen te krijgen dat er in de smeulende resten het stoffelijk overschot van een Indiaanse man was aangetroffen.

Bonafide wist zo ook wel dat zijn vriend er niet meer was.

‘Maar als een wegmerrie meer dan een dag of twee in fysieke gedaante in onze wereld blijft,’ ging Bonafide verder, met schorre stem, ‘dan weten we dat het iets groots van plan is. Een massaal ongeluk. Een brand. Iets waar veel slachtoffers bij vallen. En dan kunnen we, als we geluk hebben, ingrijpen.’

Susan keek naar het glas in haar ingezwachtelde handen. Ze schonk zichzelf bij.

‘Een wegmerrie,’ zei ze. ‘Een monster dat opduikt, op bloed belust. En dat kan overal gebeuren…’

‘Overal waar wegen zijn,’ zei Bonafide zachtjes.

Ze keek hem aan. ‘Waarom? Hoe kan dit gebeuren?’

‘Waarom?’ de grote man snoof. ‘Omdat we het ernaar gemaakt hebben. Dat zei Ramscap altijd. We temden een land vol geesten, en verwisselden de tipi’s voor steen en staal. We maakten een netwerk van teer en asfalt en drukten de geest van het land weg. We verafgoodden de kooi die we van het land gemaakt hadden: billboards, motels, auto’s… alles in dienst van de Highway. Symbool van Amerikaanse vrijheid, van mogelijkheden.’

‘Ramscap…’ Susan haalde diep adem. ‘Je partner… offerde zich op. Voor mij. Als ik niet…’

‘Mijn vriend,’ onderbrak Bonafide haar, ‘maakte zijn eigen keuze. Een keuze die hij niet anders had kunnen maken, simpelweg door wie hij was. En jij en ik hoeven ons daar allebei niet schuldig om te voelen, mevrouw Bravado. Dat zou een belediging zijn aan zijn nagedachtenis. Denk je niet?’

Susan keek weg. De tranen brandden in haar ooghoeken. Ze knikte.

‘Goed,’ Bonafide klonk nu vriendelijker. ‘Hij wilde dat je bleef leven, dus leef. Dat is de beste manier om hem te bedanken.’ Hij zuchtte. ‘Maar ik zal hem missen. Godverdomme, wat zal ik hem missen.’

‘Wat… wat ga je nu doen?’

‘Eerst naar Mexico. Er is daar een pater die ons… die mij weer op m’n benen kan krijgen. Wat rust, wat geld, en dan opnieuw op pad. Op monsterjacht.’

Susan viel stil. Ze dacht aan de vrouw met de levendige ogen, die haar zo gemakkelijk bedrogen had. Aan hoe ze in een kofferbak was gesmeten, hoe ze was opgehangen als een stuk vlees.

Miljoenen kilometers wegen in Amerika. Vol Susans. Vol mannen, vrouwen, kinderen, nietsvermoedend op weg.

Met niemand om ze te beschermen.

‘Naar Mexico, uitrusten, dan op jacht… Klinkt goed,’ zei ze. Ze keek Bonafide in de ogen.

‘Oh nee,’ zei hij. ‘Nee, nee, nee.’

‘Ramscap offerde zich op, zodat ik kon leven, nietwaar?’

‘Dat is niet wat ik…’

‘En de beste manier om hem te bedanken is door dat leven volop te leven, zoals ik dat wil?’

‘Ja, maar…

‘Dus zat ik zo te denken,’ zei Susan, met bliksem in haar ogen. ‘Dat ik het niemand gun dat die klootzakken hen van de weg plukken voor hun zieke spelletjes, zoals ze dat met mij deden. En je kunt me proberen tegen te houden, of je kunt me leren wat Ramscap jou leerde. Wat denk je dat hij gewild zou hebben?’

Bonafide hield haar blik lange tijd vast.

‘Ik denk,’ zei hij, en eindelijk brak een glimlach door, ‘dat jij het in je hebt om net zo’n rotzak te worden als hij.’

Hij overhandigde haar de fles whisky. Ze nam hem grijnzend aan. ‘Dus,’ vroeg ze, ‘wanneer beginnen we?’

 

Zie je deze weg? Deze straal asfalt die de woestijn in tweeën snijdt? Waan je jezelf er veilig?

Ik weet wel beter. De weg is deel van het land geworden, en het land kent zo zijn geesten, zijn goden en demonen.

En net als iedere god en iedere demon is ook de weg eens in de zoveel tijd op een offer uit.

En dan komen wij in het spel.

Tegenpolen : Debby Willems

1.

 

De avond van mijn dood begon als een normale dinsdagavond, die ik doorbracht in mijn appartementje in Den Haag. Het buurtje waar ik woonde bestond grotendeels uit sociale huurwoningen waarvan de bewoners voornamelijk toewijzing hadden gekregen op grond van ‘bijzondere gevallen’. Toen ik er eind jaren ’90 kwam te wonen was het een ‘probleemwijk’, maar enkele jaren later kwam men ineens met de term ‘krachtwijk’ op de proppen. De positieve klank zou onze wijk goed doen.

Ik kan je vertellen: de klank was dan ook het enige positieve aan mijn buurt. Vanwege enkele incidenten spraken we binnen een jaar al gekscherend over een ‘verkrachtwijk’. Ik kon daar de humor wel van inzien, maar begrijp me niet verkeerd; zelf heb ik nog nooit een vrouw kwaad gedaan. Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht.

Ik heb wel een mooie tijd gehad daar. Zelfs vanaf zeven hoog droeg ik op mijn manier ook een steentje bij aan de naam van onze wijk. Zo ook de laatste avond van mijn leven.

Die bewuste dinsdagavond was ik behoorlijk bezopen. Een van mijn buren was op bezoek en had een fles zelfgestookte wodka meegebracht. Gewoonlijk kon ik best tegen drank, maar behalve deze naar spiritus smakende zooi had ik die dag al aardig wat blikken bier tot me genomen, dus het was waarschijnlijk de mix die me deed kokhalzen.

Ik wist dat het niet lang meer zou duren voor er het een en ander retour zou gaan komen, dus strompelde ik naar het balkon in de hoop een argeloze voorbijganger flink onder te kunnen spuwen. Toegegeven, mijn humor was niet bepaald verfijnd, maar mijn maten konden het altijd erg waarderen.

Alles leek te draaien vanwege de drank en ik spuugde al een beetje op mijn balkon. Gelukkig wist ik het grootste deel nog binnen te houden. Strompelend begaf ik me naar de reling. De zurige smaak in mijn mond was geen pretje, maar de moeite waard aangezien ik verderop in de straat mensen zag lopen. De man en de vrouw liepen erg dicht bij elkaar, hand in hand.

Een glimlach viel niet te onderdrukken. Ik verheugde me al op de blikken op hun besmeurde gezichten. Ze liepen redelijk dicht langs de voordeuren af, dus besloot ik alvast wat verder over de reling te gaan hangen in afwachting van het stel. Toen ik daarna nog net een beetje meer naar voren boog, gleed ik helaas uit over mijn eigen overgeef en kieperde zo de reling over.

Vlak voor het kraken van mijn schedel bedacht ik me nog dat dit een lullig einde was.

Ik had het mis. De dood was niet het einde.

Helaas.

 

2.

 

Ik heb mensen wel eens horen spreken over een ‘hal met wit licht’ bij het sterven. In werkelijkheid zit dat toch net ietsje anders, al begrijp ik de verwarring. Ik bevond me in een gewitte wachtkamer die werd verlicht door tl-buizen. Er waren veel andere mensen, waarvan er om de zoveel tijd eentje werd geroepen. De grote klok die in deze ruimte hing leek nog trager te tikken dan normaal. Na uren wachten wist ik het zeker: dit was de hel.

De vrouw die de namen omriep kwam weer binnen en wierp een blik op haar lijst voordat ze sprak. ‘De heer Jannes Uil?’

Bij het horen van mijn naam sprong ik direct op om de vrouw te volgen. In het voorbijgaan keek ik nog eenmaal op de klok. Blijkbaar had ik in totaal bijna twintig uur op mijn beurt gewacht. Daar waren zelfs de wacht­tijden bij de sociale dienst niets bij.

De vrouw leidde me door een lange hal met aan weerskanten om de anderhalve meter een deur, amper van de identiek witte muur te onder­scheiden. Ze opende een van de deuren en wees naar het vertrek. ‘U kunt zich hier omkleden.’

Ik keek naar het zwarte pak dat daar aan een kledinghanger hing. ‘En wat als het niet past?’

De vrouw gaf me een wrange glimlach. ‘Geloof me, meneer Uil, dat pak past.’

Ondanks dat ik nog niet heel overtuigd was, besloot ik niet in discussie te gaan en trok mijn shirt uit.

‘Ik geef u wat privacy,’ zei de vrouw. ‘U wordt zo gehaald.’

Na het omkleden merkte ik een spiegel op. Ik inspecteerde mezelf in mijn nieuwe outfit – die inderdaad als gegoten zat. Ooit heb ik gehoord dat wanneer je sterft, je geest in zijn beste vorm voortleeft. Ik streek mijn donkerbruine haren een beetje naar achter en wreef daarna over de stoppels op mijn wangen. Vervolgens trok ik de stropdas recht over mijn brede bierbuik.

Ik zag er exact hetzelfde uit als toen ik nog leefde. Toegegeven, het was wellicht een erg vrije interpretatie van ‘beste vorm’, maar ik was al lang blij dat er niets meer van mijn noodlottige einde te zien was.

Er werd op de deur geklopt, waarna een jonge vrouw haar hoofd om de hoek stak. Haar uiterlijk beviel me wel; een blondje met lange haren en een goed figuur.

‘Bent u omgekleed, meneer Uil?’

‘Je bent net te laat,’ zei ik, ‘maar voor jou wil ik best wel weer uit de kleren.’

‘Erg origineel, meneer Uil. Die humor zal u hier nog ver brengen,’ zei ze venijnig.

Ik haalde mijn schouders op. ‘Het is slechts een van mijn vele talenten.’

‘Heeft u nog een momentje nodig om van uw tijdsverspillingstalent te genieten of zullen we maar met de rondleiding beginnen?’

‘Ach, ik kan wel wat tijd voor je vrijmaken, snoes,’ zei ik met een grijns, in een poging haar mijn beste kant te laten zien. ‘Krijg ik dan wel eerst een kusje van je?’

Haar ogen vernauwden en ze zette een stap dichterbij. Even dacht ik nog dat ze voor mijn charmes viel, maar toen ze me een fractie van een seconde later bij mijn keel tegen de muur omhoog hield besefte ik dat ze mijn toenadering wellicht toch niet had kunnen waarderen.

‘Je bent nieuw, dus ik zal het bij een waarschuwing laten,’ begon ze. Haar stem was zacht, maar de dreiging was duidelijk voelbaar. ‘Ik duld absoluut geen brutaliteit, seksuele toenaderingen of handtastelijkheden, op wat voor manier dan ook. Als je toch nog iets probeert dan ruk ik je luchtpijp eigenhandig uit je keel. Daar is een verbrijzelde schedel niets bij, geloof me. Begrepen?’

Met moeite knikte ik, mezelf oprecht voornemend om op mijn woorden te letten in haar bijzijn. Ze verslapte haar grip zodat ik mijn voeten weer op de grond kon zetten.

‘Mooi. Dan zullen we nu opnieuw beginnen. Mijn naam is Charon. Ik zal je naar de Na-Wereld brengen en je daar inwerken.’

Ik slikte bij het horen van haar woorden. Stamelend herhaalde ik de verschrikking die me zojuist kippenvel had gegeven. ‘Inwerken?’

 

3.

 

Ik had geen dag in mijn leven gewerkt.

Helaas kwam hier in mijn na-leven verandering in. Charon had me rondgeleid in de Na-Wereld – voor de reorganisatie bekend als ‘het Hiernamaals’ – en me zowel mijn taken als het systeem uitgelegd. Toen ik doorkreeg dat het geratel maar bleef doorgaan, raakte ik wat verveeld en ging veel van haar verhaal langs me af. Ik had echter braaf en instem­mend geknikt zodat het leek alsof ik wel oplette.

Deze ‘geïnteresseerde houding’ was een vaardigheid die ik me tijdens mijn leven eigen had gemaakt. Alle nutteloze details kostten me te veel moeite om te onthouden, dus pikte ik slechts af en toe het een en ander op. Zo had ik al meerdere vrouwen aan de haak kunnen slaan; van die types die aan een stuk door bleven praten en erg blij waren met een ‘luisterend oor’.

Ze zijn er uiteindelijk trouwens wel allemaal achter gekomen dat ik niet echt luisterde naar wat ze zeiden. De meesten had ik voor hun ontdekking al in bed gekregen dus deed het er niet meer toe. Een relatie zou me toch teveel energie gekost hebben, zeker wanneer ik daarvoor echt had moeten opletten.

Na Charons lange, saaie verhaal – dat iets met mijn taken en verantwoordelijkheden te maken had – zat ik aan een tafel met mijn eerste opdracht, die ik zogenaamd aandachtig doornam.

‘Laat me raden: nieuweling?’

Ik keek naar de man die me had aangesproken. Zijn pak was identiek aan het mijne, al stond het hem een stuk beter dankzij zijn gespierde lichaam. Wat direct de aandacht trok was zijn gezicht. De ene kant was egaal – best een knappe gast zou je denken – maar de linkerhelft zag eruit alsof hij had gevochten met een tijger. Het ergste was nog wel zijn ontbrekende oog; littekenweefsel vulde het gat gedeeltelijk op. Gelukkig vielen zijn golvende haren deels voor zijn gezicht wat het aanzicht ietsje minder walgelijk maakte.

Hij reikte me zijn hand en het viel me op dat hij enkele vingers miste. ‘Ricky,’ meldde hij, terwijl hij flink in mijn hand kneep.

Ik glimlachte wat wrang terwijl ik hem mijn naam gaf.

‘Dus, Jannes, je bent nieuw?’

Ik knikte. ‘Jij niet, dan?’

‘Nee, ik ben een herinstromer. Heb het hier de eerste keer flink verknald en moest toen jaren aan de zware arbeid. Blij dat ik terug ben. Ik ga het dit keer anders aanpakken.’

‘Zware arbeid?’ herhaalde ik. De haren op mijn armen gingen overeind staan bij het horen van deze woordcombinatie. Arbeid op zich was mij al erg genoeg.

‘Ja, ze hebben je vast wel verteld dat dit een proefperiode is. Je kunt jezelf opwerken: meer verantwoordelijkheden, betere arbeids­omstandig­heden, bla bla …’ Ricky keek met zijn ene oog schichtig om zich heen voordat hij zijn verhaal op fluistertoon vervolgde. ‘Maar wat die rotzakken er niet bij vertellen, is dat je ook kunt  afstromen. Naar het echte rotwerk. Kolen scheppen: bloedheet, loodzwaar … En dat jarenlang. Geen vrije dagen, geen pauzes, geen airco. Kortom, de hel zoals je jezelf de hel zou voorstellen.’

Kort slikte ik bij het horen van zijn woorden.

‘En denk maar niet dat de zware arbeid het ergste is,’ vervolgde Ricky. ‘Als je het daar verknalt ga je direct naar het Eeuwige Vagevuur. Dus gast, advies van mij: doe je werk fatsoenlijk. Het kan erger.’

Beteuterd keek ik naar het formulier in mijn handen. Ik had van Charons verhaal meegekregen wat mijn werk ongeveer zou inhouden, maar ik kon me niet herinneren dat ze me verteld had dat er conse­quenties zouden zijn als ik het niet goed zou doen. Dat zou vast wel zijn blijven hangen. Denk ik, ten minste.

Toen ik opkeek zag ik dat Charon de tafel al naderde. Ricky merkte dit ook op. Hij keek wat ongemakkelijk naar de blonde vrouw en concen­treerde zich vervolgens geheel op zijn eigen formulier.

‘Jannes,’ zei Charon, ‘ben je klaar voor je eerste opdracht?’

Ik knikte wat onzeker. Ze richtte haar blik vervolgens op Ricky. ‘Goh, jou heb ik hier lang niet gezien.’

Hij mompelde iets onverstaanbaars en leek Charon niet aan te durven kijken.

‘Jannes, als je ooit twijfelt over de oprechtheid van mijn beloftes dan moet je eens met deze man praten.’ Ze legde haar hand op zijn schouder en ik zag het formulier trillen in zijn handen. ‘Ik heb hem namelijk beloofd dat ik zijn ogen eruit zou krabben als hij nog een keer verkeerd naar me zou kijken.’

Ze richtte zich vervolgens tot hem. ‘Dus Ricky, ben je niet blij dat ik die dag in een goede bui was? Heb je toch nog een van je mooie ogen overgehouden.’

Hij knikte braaf, maar ik zag aan zijn lichaamshouding dat dankbaar­heid wel het laatste was dat hij voelde. Hij vermeed oogcontact en kromp ineen toen ze zachtjes met haar nagels over zijn egale wang aaide. Zijn angst deed even een valse glimlach op haar gezicht verschijnen, voordat ze zich weer op mij richtte.

‘Dan zullen we maar eens beginnen,’ zei ze, waarna ze zich omdraaide.

Uit angst haar te irriteren stond ik zo snel mogelijk op en volgde haar een hal in. Charon opende een van de vele grijze deuren voor me. Ik keek naar binnen, maar zag niets dan duisternis.

‘Ben je er klaar voor?’

‘Ik weet het niet zeker,’ stamelde ik. Ik durfde niet te bekennen dat ik eigenlijk niet wist wat me te doen stond.

De vrouw gaf me een ijzige blik, waarop ze het opdrachtformulier uit mijn handen griste. ‘Ik heb je toch uitgelegd dat je de eerste keer alleen maar hoeft te observeren?’

‘Klopt,’ zei ik snel, enigszins vrezend voor mijn luchtpijp, ‘maar zo’n eerste keer is toch spannend.’

Haar zucht verraadde dat mijn opmerking haar ergerde. ‘Volg me,’ gebood Charon, voordat ze de deuropening doorging en daar in de duister­nis verdween.

Zwijgend deed ik wat me gevraagd was. Het enige licht was afkomstig uit de hal achter me, maar hieraan kwam een abrupt einde toen de deur met een klap dichtviel.

Alles wat restte was duisternis.

Ik slikte kort. Had ik nu maar opgelet toen Charon me mijn taken uitlegde. Of had ik in ieder geval mijn opdracht maar gelezen …

 

4.

 

Een mierzoete geur kwam me tegemoet. Langzaam wenden mijn ogen aan het nieuwe licht, waardoor ik steeds meer van de omgeving kon onder­scheiden. Ik bevond me blijkbaar in een snoepwinkel. De silhouetten van enkele mensen waren te onderscheiden, al bleven zij er wat vreemd uitzien: hoe erg ik me ook op deze personen concentreerde, het was alsof ze zich op de onscherpe achtergrond van een foto bevonden.

Mijn blik gleed af naar een jongen. Enerzijds omdat hij wel scherp te zien was, anderzijds omdat er een soort gouden gloed om zijn lichaam hing. Het was een jochie van een jaar of vier. Geconcentreerd keek hij naar een bak vol zoetigheid.

Charon was inmiddels naast me komen staan. ‘Dat is je cliënt. Duidelijk zichtbaar, dus niet troebel zoals de niet-cliënten.’

‘Duidelijk,’ zei ik. Eigenlijk wilde ik weten of de gouden gloed er ook iets mee te maken had, maar vreesde dat Charon dat al had uitgelegd. Aangezien ik Ricky’s verminkte gezicht nog levendig voor me zag besloot ik het haar daarom maar niet te vragen.

‘Ik doe het één keer voor,’ zei Charon voordat ze naar de jongen liep. ‘Dus let goed op. En ik waarschuw je: zorg dat je me absoluut niet onderbreekt tijdens de implementatie.’

Ik knikte kort en durfde al niets meer te zeggen voor het geval ze al begonnen was met de ‘implementatie’.

Ze stapte op de jongen af en legde haar hand op zijn schouder. ‘Die snoepjes zien er erg lekker uit,’ fluisterde ze, ‘en er liggen er hier zoveel dat ze er best een paar kunnen missen.’

De jongen keek naar de verkoper achter de toonbank. Charon volgde zijn blik voordat ze weer sprak.

‘Hij kijkt nu toch niet. Bovendien is het toch maar een vervelende man.’

Het jochie richtte nu zijn blik weer op het snoepgoed voor zich, terwijl Charon bleef praten. ‘Een snoepje pakken is geen stelen. Het mag best. Het is geen stelen. Het mag best …’ Ze bleef de twee zinnen herhalen. Door haar monotone fluistertoon klonk het bijna als een gebed.

In een snelle beweging pakte de jongen een snoepslang uit de bak en stak deze direct in zijn mond. Terwijl ze de schouder van het jochie losliet gaf Charon me een triomfantelijke grijns. ‘Zo simpel is het.’

Ondanks dat het jochie langzaam leek te vervagen, zag ik zijn hand nogmaals van de bak naar zijn mond gaan. Hij zag er nu uit zoals de rest van de personen in de winkel: vertroebeld.

‘Ons werk zit erop,’ zei Charon terwijl ze me passeerde.

Voor een laatste maal wierp ik een blik achterom voordat ik haar de grijze deur door volgde. We bevonden ons hierna weer in de hal waar we begonnen waren.

Charon haalde het opdrachtformulier tevoorschijn.

‘Dus dat is mijn werk?’ stamelde ik.

‘Je hebt toch wel opgelet?’ Haar stem was dreigend en haar strakke blik zorgde ervoor dat mijn hartslag versnelde. Ze zette een stap dichterbij en legde haar hand op mijn keel. Mijn adem stokte en in gedachten zag ik haar vingers al om mijn luchtpijp.

Haar mondhoeken krulden verontrustend ver omhoog terwijl ze haar hand omlaag liet glijden en op mijn borstkas liet rusten, waar ze vervol­gens een pen uit mijn binnenzak haalde.

Een zucht ontsnapte me toen ze het schrijfgerei voor mijn gezicht hield. ‘Die mag ik vast wel even lenen,’ zei ze grijnzend. Ze deed nog geen grein­tje moeite om haar leedvermaak te verbergen.

Ik knikte en Charon liet me het formulier zien. ‘Eerst een vinkje bij de juiste afloop. Dan hier de datum, daar een krabbel en voilà: opdracht vol­tooid. Dan aan het einde van de gang deponeren in het postvak van je leidinggevende: in jouw geval is dat Willem Roderik den Eed. Daarna haal je de volgende opdracht op. Deze ligt in je eigen postvak al op je te wachten.’

Afwachtend keek ik Charon aan, maar ze maakte geen aanstalten om in beweging te komen. ‘Wat sta je daar nu nog?’ merkte ze kattig op. ‘Opschieten, aan het werk.’

‘Oh, ik dacht dat je mee zou lopen.’

‘Dat zou ik erg gezellig vinden,’ was haar sarcastische reactie, ‘maar hoe graag ik je ook aan je handje mee zou willen nemen: ik hoefde je alleen maar in te werken. Kortom, ik ben nu van je af en jij moet aan de bak.’

Ik keek de hal in, die zo lang was dat er geen einde aan leek te komen. ‘Bedankt,’ mompelde ik, meer uit beleefdheid – en angst – dan uit dank­baarheid.

‘Succes,’ zei Charon, terwijl haar mondhoeken omhoog krulden. ‘Je zult het nodig hebben.’

 

 

5.

 

‘Willem Roderik den Eed,’ mompelde ik, terwijl ik de postvakjes bekeek. Een zucht ontsnapte me toen ik het systeem eenmaal had ontcijferd – blijkbaar stond alles gewoon op alfabetische volgorde. Ik duwde het for­mulier bij het naamplaatje ‘W.R. Eed, den’ naar binnen en zocht mijn eigen postvak. Er lag inderdaad al een nieuwe opdracht klaar. Mompelend las ik de gegevens op. ‘Gebied: Grijs. Deur: 376, Implementatie door: J. Uil …’

Ik zuchtte toen ik nog meer tekst zag. ‘Gegevens Client: Fase 1, Brandy Johanna Zonneveldt, Vrouw, 26 maart 2011. Doel implementatie: diefstal. Doel behaald, hokje ja, hokje nee … en nog meer tekst.’ Genoeg gelezen, besloot ik zuchtend.

Het kostte me even puzzelen, maar toen ik bij een grijze deur met getal 376 erboven stond verscheen er een grijns op mijn gezicht. Zo moeilijk ging dit niet worden: diefstal was immers al mijn specialiteit toen ik nog leefde.

Ik opende de deur en stapte de duisternis in met het formulier in mijn hand geklemd. Toen alles donker bleef maakte ik me nog even zorgen. Gelukkig begon mijn omgeving op dat moment toch te materialiseren.

Ik bevond me in een klaslokaal vol kleuters, die ik niet goed kon zien omdat zij vertroebeld waren. Al snel merkte ik mijn cliënte op. Haar kon ik wel duidelijk zien en ook zij had een gouden gloed om haar lichaam heen.

Het meisje staarde geconcentreerd naar een roze armbandje dat voor haar op tafel lag. In gedachten liep ik Charons handelingen nogmaals na en besloot deze zo identiek mogelijk te imiteren.

Ik haalde diep adem en stapte op het kind af. Wat onzeker legde ik mijn hand op haar schouder. ‘Dat is een mooie armband,’ zei ik. ‘En die ligt hier gewoon. Klaar om mee te nemen.’

Weifelend keek Brandy rond. Even vreesde ik dat ze me zou opmerken, maar ze leek dwars door me heen te kijken.

‘Niemand die het ziet. Je kunt die armband gewoon pakken.’

Kort hield ik mijn adem in. Toen bleek dat ze niet tot actie overging sprak ik weer. ‘Gewoon pakken, het is niet erg. Gewoon pakken, het is niet erg.’ Ik bleef de woorden herhalen totdat ze de armband van tafel griste en in haar zak stak. Ik liet de schouder los en zag Brandy vertroebelen.

Niet lang daarna trok ik de deur met een tevreden grijns achter me dicht. Een pauze met een lekkere bak koffie was nu zeker wel op zijn plaats. Tot mijn genoegen zag ik dat een man me tegemoet liep. Hij zou me vast wel kunnen helpen.

Ondanks dat de stevige man ook in pak was, had hij een redelijk ruig voorkomen. In zijn nek was een gedeelte van een tatoeage te zien, die verder onder zijn zwarte blouse verdween. Ook hij had een opdracht­formulier in zijn hand.

‘Hoi collega,’ groette ik hem. ‘Kun jij me vertellen waar ik hier de koffie­automaten kan vinden?’

De man trok een wenkbrauw op. ‘Koffie?’ vroeg hij, voordat hij bul­derend begon te lachen. ‘Met een lekker koekie zeker? Dat is een goeie.’

Ik was enigszins verontwaardigd door zijn reactie. Ik besloot daar echter niets van te laten merken. ‘Ik begrijp dat er geen koffie te ver­krijgen is?’

‘Nee. Misschien dat je dit nog niet doorhad, maar je bent nu eenmaal niet in de hemel beland.’

Zijn woorden zetten me aan het denken. ‘Is er dan ook een hemel?’

Hij haalde zijn schouders op. ‘Niet dat ik weet. Ik weet alleen dat ik mijn leven mis. Maar er zijn ook voordelen, die dit na-leven heel wat dragelijker maken.’

Er verscheen een grijns op zijn gezicht en uit het niets gaf hij me een stomp in mijn maag.

‘Dat is omdat je mijn tijd hebt verspild,’ zei hij, terwijl ik naar adem hapte. ‘En je kunt ook een gratis tip van me krijgen: zorg dat je niet zo opvalt als nieuweling. Je bent er met een ram in je maag nog goed vanaf gekomen, geloof me.’

 

6.

 

Tegen mijn verwachting in bleek het werk op zich niet zo’n probleem: bij bijna iedere opdracht wist ik een succesvol resultaat te behalen. De doelen van de opdrachten begonnen na een tijdje te variëren: naast dief­stal moest ik mensen – voornamelijk kinderen – ook aanzetten tot liegen en fysiek geweld. Diefstal was echter mijn favoriet aangezien dit het gemakkelijkst te bereiken viel. Daarnaast gaf het me wat meer variatie qua leeftijd van de cliënten.

Het probleem lag eerder bij mijn collega’s. Het was al snel duidelijk dat ik een nieuweling was. Regelmatig werd ik daarom door iemand bespuugd, geslagen of geschopt. Blijkbaar was dit erg normaal hier.

Op weg naar de postvakken zag ik dat iemand me tegemoet liep. Ik vreesde voor wat me nu weer te wachten stond. Ik besloot echter zo standvastig mogelijk door te lopen, in de hoop op die manier minder op te vallen.

Opgelucht zag ik dat het een slechts slungelige jongeman was. Zijn haar zat wat warrig en hij had een rond brilletje. Absoluut geen bedreiging, besloot ik. Zelfverzekerd liep ik verder, maar in het voorbijgaan bespuug­de hij me. Vol walging wreef ik mijn gezicht droog en draaide me vloekend om. Mijn scheldwoorden hadden zijn aandacht getrokken.

‘Wat nou, nieuwe?’ sprak hij provocerend.

‘Ik zal die arrogante grijns eens van je gezicht afslaan,’ dreigde ik, terwijl ik een stap dichterbij zette.

Zijn glimlach werd breder. Hij was absoluut niet onder de indruk. ‘Dan moet je wel heel achterlijk zijn.’

Ik probeerde ad rem te reageren. ‘Je weet nog niet half hoe achterlijk ik ben.’

Hij trok zijn wenkbrauwen op, terwijl ik me realiseerde dat het wellicht niet mijn meest gevatte reactie was geweest. Om dit te compenseren besloot ik direct over te gaan op actie en liet mijn vuist met zoveel mogelijk kracht kennismaken met zijn neus. De klap zorgde ervoor dat hij achterover viel.

Toen hij opklauterde, zag ik dat zijn neus hevig bloedde. ‘Stomme zet,’ mompelde hij.

Nog voordat ik kon reageren hoorde ik een onbekende stem achter me. Toen ik omkeek zag ik een roodharige vrouw staan.

‘U dient mee te komen vanwege geweld tegen een meerdere,’ zei ze.

Ik wierp nogmaals een blik op de man, die inmiddels flink aan het gniffelen was. ‘Is dat een meerdere?!’ vroeg ik vol walging.

De vrouw knikte instemmend, waarop de grijns van de man breder werd. Dit wakkerde mijn woede direct weer aan en als resultaat sloeg ik hem nogmaals tegen de grond. Verontschuldigend keek ik de vrouw aan. ‘Sorry, maar die vuile grijns van hem…’

Nonchalant haalde ze haar schouders op. ‘Problemen heb je toch al. Wat bloed meer of minder doet er nu ook niet meer toe.’

Mijn lippen krulden omhoog. ‘In dat geval,’ zei ik, terwijl ik de lach van zijn arrogante gezicht zag verdwijnen, ‘wil ik hem graag mijn schoen nog even van dichtbij laten zien.’

 

7.

 

Ik keek naar mijn hand; naar de bloederige stomp waar voorheen mijn ring­vinger had gezeten. Het was pijnlijk geweest. Blijkbaar werd geweld tegen een ‘meerdere’ echter altijd op deze manier bestraft. Ik was daarom ook erg blij dat ik die kwal nog extra had toegetakeld, dat maakte het een beetje dragelijker dan wanneer ik voor slechts één klap dezelfde prijs had moeten betalen.

Het was allemaal erg snel gegaan. Ik was de vrouw gevolgd naar een ruimte waar een hakblok stond dat besmeurd was met opgedroogd bloed. Toen ze een grote bijl pakte vreesde ik nog even voor mijn hoofd, maar toen ze me zelf een hand en vinger liet kiezen begon het te dagen.

‘Oh, je bent dus links?’ vroeg ze, vlak voordat de bijl neerkwam. Een schreeuw van pijn ontsnapte me en direct daarna besefte ik dat mijn linkerhand wellicht een betere keuze was geweest, gezien mijn rechts­handigheid. Daar was nu helaas niets meer aan te doen.

De roodharige vrouw leek niet onder de indruk van mijn geschreeuw en gebood me direct terug aan het werk te gaan. Enigszins beledigd – maar verstandig genoeg om niet tegen de vrouw met de grote bijl in te gaan – begaf ik me naar mijn postvak.

Tot mijn verbazing vond ik daar geen nieuwe opdracht, maar een uitnodiging voor een functioneringsgesprek.

Met lood in mijn schoenen begaf ik me naar de op de brief aangegeven deur. Toen ik aanklopte merkte ik pas dat de stomp nog niet helemaal was gestopt met bloeden. Met mijn mouw probeerde ik het bloed van de deur af te vegen, maar ik bleek het hiermee uit te wrijven tot grotere vlekken. De deur ging al open voordat ik dit probleem had opgelost.

In de deuropening bevond zich een man in een grijs pak. Zijn donkere haren waren strak naar achteren gekamd en een bril sierde zijn gezicht. Hij keek wat moeilijk naar de bloedvlekken op de deur en vervolgens richtte hij zijn blik op mij. ‘Meneer Uil, neem ik aan?’

Ik knikte en reikte hem vervolgens beleefd mijn hand.

Zijn blik schoot even naar de besmeurde deur. ‘Ik denk dat we de handdruk achterwege kunnen laten.’ stelde hij droog voor. ‘Mijn naam is Willem Roderik den Eed. Zoals u hopelijk weet ben ik uw leidinggevende,’ zei hij. Hij gebood me om hem mee naar binnen te volgen. Voordat hij achter zijn bureau plaatsnam reikte hij me een doos tissues aan. Dankbaar pakte ik er een aantal uit om het bloeden te stelpen. Den Eed bladerde ondertussen door enkele papieren. ‘Ik heb u uitgenodigd voor een vroegtijdig functioneringsgesprek.’

‘Vroegtijdig?’

Hij knikte. ‘Dat doe ik alleen als daar een bijzondere aanleiding voor is.’

Kort slikte ik en keek nogmaals naar mijn hand, die inmiddels wat minder bloedde. Ik had gedacht dat dit de enige consequentie zou zijn voor mijn gedrag. Ricky’s verhaal over zware arbeid spookte door mijn hoofd.

‘U valt op, meneer Uil. Zeker voor een nieuweling.’

‘Het spijt me,’ mompelde ik.

Mijn leidinggevende knipperde kort met zijn ogen. ‘Spijt, meneer Uil? U begrijpt me verkeerd. U bent me gedurende uw proefperiode juist positief opgevallen.’

Wat verward keek ik hem aan, terwijl hij een vel papier uit zijn stapel haalde.

‘Als voorbeeld wil ik graag de opdracht betreffende mevrouw S.A.J. Belgenbosch erbij nemen. U heeft daarbij goed eigen initiatief getoond. U weet om welke zaak het gaat?’

Ik knikte, terwijl ik kort terugdacht aan de opdracht. Ik had de hoogbejaarde vrouw laten stelen in een drogisterij. Ze wilde een pakje Tena Lady’s kopen, maar schaamde zich te erg voor haar incontinentie om het af te durven rekenen. Ik had haar ervan overtuigd dat één pakje niet genoeg zou zijn en dat ze beter meteen een voorraadje kon mee­nemen. ‘Mochten ze je betrappen, doe dan gewoon alsof je dement bent,’ had ik haar gezegd.

Den Eed gaf me een korte glimlach voordat hij sprak. ‘Die vrouw had nog nooit in haar leven de wet overtreden. U moest haar overtuigen een simpele diefstal te plegen, maar u heeft haar aangezet tot meervoudige diefstal. Als gevolg van uw implementatie vindt zij stelen nu zo gerecht­vaardigd dat ze een ware kleptomaan is geworden. Kijk, dergelijke over­tuigings­kracht valt te waarderen.’

‘Hoe weet u dat?’

Zijn ogen vernauwden. ‘Heeft Charon u niet uitgelegd dat men tijdens de proefperiode wordt geobserveerd?’

Ik durfde niet te melden dat ik dit niet met zekerheid kon zeggen, dus probeerde ik een zo onschuldig mogelijke grijns op mijn gezicht te toveren. ‘Oh, natuurlijk,’ blufte ik. ‘De observaties. Daarom weet u het.’

De man keek me kort aan voordat hij weer sprak. ‘Laten we weer ter zake komen.’ Hij schoof een stapeltje papieren naar me toe. Het zag eruit als een contract. Hij beantwoordde mijn vragende blik met een zoete glimlach.

‘Meneer Uil, wat dacht u van een promotie?’

 

8.

 

Mijn nieuwe functie had voordelen, absoluut. Ik was nu een meerdere, wat inhield dat ik minderen mocht aftuigen. Bovendien had ik eindelijk toegang tot een koffieautomaat – niet dat die aanmaaktroep te zuipen was, maar dat terzijde.

Daar stond wel tegenover dat ik helaas geen simpele formulieren meer voor mijn opdrachten ontving, maar hele dossiers welke ik door diende te nemen alvorens aan mijn implementatie te beginnen. Na de imple­mentatie moest er tevens een verslag geschreven worden: kort en bondig bij succes, uitgebreid na falen.

Ik weet niet of ze gewoon nog niet zo ver waren of dat het een bewuste kwelling was, maar alle dossiers hier waren volledig handgeschreven. Zowel qua voor- als nawerk absoluut niet ideaal.

Maar ja, ik mocht niet klagen – dat stond blijkbaar ook in mijn contract.

Met een bak koffie in mijn hand opende ik de deur naar mijn eerste nieuwe opdracht. Volgens het dossier had de heer in kwestie jarenlang hard gewerkt om zijn bedrijf overeind te houden. Ondanks zijn creatieve boekhouding stond hij toch op het punt om failliet te gaan. Ik diende hem te overtuigen zijn zaak in brand te steken en het verzekeringsgeld op te strijken.

Terwijl ik nog een slok nam van mijn ranzige koffie, zag ik de cliënt voor me materialiseren. Het eerste dat me opviel was dat er geen gouden gloed om hem heen hing: het was eerder een donkere wolk.

Ik wilde naar mijn cliënt toestappen toen ik vanuit mijn ooghoeken een man in een wit pak zag staan. Hij keek me strak aan voordat hij naar de cliënt toestapte en een hand op zijn schouder legde.

‘Dit is niet de uitweg. Ze zullen erachter komen,’ zei hij.

Mijn cliënt keek twijfelachtig naar de jerrycan met benzine in zijn handen. De man sprak nogmaals. ‘Het is het niet waard. Denk aan je vrouw en kinderen. Als je dit doorzet, zal je ze allemaal kwijtraken.’

Terwijl de man in wit bleef doorpraten drong het langzaam tot me door wat er aan de hand was. Ik zette enkele stappen dichterbij, maar het was al te laat: mijn cliënt begon te snikken en liet de jerrycan uit zijn handen vallen, waarop de man zijn schouder losliet.

Ik vloekte toen ik de cliënt vervolgens zag vertroebelen.

De man in het witte pak wierp me een triomfantelijke glimlach toe terwijl hij begon te vervagen. ‘Ik ben wel wat moeilijkere concurrentie gewend,’ grijnsde hij, voordat hij geheel in het niets verdween.

 

9.

 

Vloekend knalde ik de deur achter me dicht en toen ik me mopperend naar de dossierverwerkingsruimte begaf, hoorde ik een bekende stem mijn naam roepen.

Ik draaide me om en zag dat Ricky naar me toe liep.

‘Ha, een bekend gezicht …’ halverwege mijn begroeting realiseerde ik me mijn onhandige woordkeuze. Ik overwoog er de woorden ‘of in ieder geval de helft’ aan toe te voegen, maar gelukkig bleek Ricky niets door te hebben van mijn ongelukkige uitspraak.

‘Hoe gaat het met je?’

‘Ik heb zojuist een opdracht verknald,’ mompelde ik.

Met zijn ene oog keek Ricky me vragend aan. ‘Hoe dat dan?’

‘Ik ben gedwarsboomd door een of andere klootzak in een wit pak.’

‘Tering, man. Maar je hebt dus zo snel al een promotie gehad? Gefeliciteerd, jongen!’

‘Hoe weet je dat?’ vroeg ik me hardop af.

‘In de eerste fase heb je nog niet te maken met die lui in wit. Je weet wel, de Tegenpolen.’

‘De Tegenpolen?’

‘Heeft Charon je daar niets over verteld?’

Enigszins nonchalant haalde ik mijn schouders op. ‘Vast wel. Ik heb niet echt opgelet.’

Ricky keek schichtig om zich heen en sprak vervolgens op fluistertoon. ‘De Tegenpolen, oftewel de na-levenden in wit, proberen onze implementaties te verijdelen.’

‘Dat is dan goed gelukt,’ mompelde ik.

‘Je moet ze te slim af zijn. In de dossiers kun je veel informatie vinden over de diepste gevoelens en geheimen van de cliënten en daar moet je op inspelen. Anders win je het niet van een Tegenpool.’

Bij het horen van zijn woorden ging er een rilling door me heen. Ik kon me mijn contract nog goed herinneren. Als ik mijn werk onvoldoende zou uitvoeren, zou dat consequenties gaan hebben. Welke wist ik niet, ik had namelijk niet zo’n zin om alle artikelen grondig door te lezen alvorens mijn krabbel te zetten. Ik nam me voor de zoveelste keer voor om wat aan mijn laksheid te gaan doen.

‘Ik moet weer verder,’ zei Ricky, terwijl hij naar het formulier in zijn hand wees.

We wisselden een korte afscheidsgroet voordat ik mijn weg vervolgde. Ik nam plaats aan een tafel verderop in de gang. Bij het falen van een opdracht werd een uitgebreid rapport verwacht: iets waar ik met absolute tegenzin aan begon.

Na bijna een uur schrijfwerk werd ik uit mijn concentratie gehaald door een bekende vrouwenstem. ‘Neemt u plaats aan die tafel daar en lees uw eerste opdracht vast door. Ik kom zo bij u terug.’

Zonder me een blik waardig te keuren draaide Charon zich om. Een kalende man nam plaats aan de tafel en staarde aandachtig naar het formulier in zijn handen.

‘Nieuweling?’ vroeg ik, ondanks dat dit overduidelijk was.

Hij knikte, waarna ik hem mijn hand reikte en mijn naam gaf.

‘Pieter Hart,’ mompelde hij.

‘Net je rondleiding gehad van Charon?’

‘Nee, ik heb haar wegwijs gemaakt,’ reageerde hij sarcastisch.

Zijn bijdehante toon stond me absoluut niet aan. Het was dat ik blij was met de afleiding, anders had ik hem direct in zijn gezicht gestompt.

‘Was het een beetje interessant?’

Een geërgerde zucht ontsnapte hem. ‘Nee, natuurlijk niet.’

Ik balde mijn vuist, maar zijn volgende woorden weerhielden me ervan om uit te halen.

‘Behalve het uitzicht dan,’ grijnsde hij brutaal. ‘Die Charon mag er wel wezen.’

Ik sprong hier direct op in. ‘Absoluut. En ze is een beest in bed,’ blufte ik.

Pieter keek me met grote ogen aan. ‘Heb jij …’

Grijnzend knikte ik. ‘Kijk, je moet gewoon een beetje weten hoe ze in elkaar zit,’ fluisterde ik. ‘Ze doet graag alsof ze moeilijk te krijgen is, maar daar moet je even doorheen prikken.’

Pieter ging geïnteresseerd voorover hangen en keek even om zich heen voordat hij sprak. ‘Ze dreigde mijn hart eruit te rukken als ik nogmaals toenadering zou zoeken.’

‘Ze test je,’ zei ik. ‘Ze wil weten of je mans genoeg bent.’

De man keek me met vernauwde ogen aan terwijl ik er nog een schepje bovenop deed. ‘De seks alleen al is de moeite waard maar het heeft nog meer voordelen. Charon heeft veel invloed hier, dus als je je omhoog wilt werken …’

Hij leek dit te overdenken terwijl ik Charon weer zag naderen. Kort keek ze me aan voordat ze haar blik op mijn dossier wierp. ‘Promotie gehad?’ wilde ze weten.

Ik knikte. ‘Klopt. Ik heb vooral veel aan jouw rondleiding gehad. Bedankt.’

Vanuit mijn ooghoeken zag ik de mond van Pieter bijna letterlijk openvallen. De blonde vrouw gaf me een argwanende blik voordat ze haar aandacht weer op de man richtte. ‘Meneer Hart. Klaar voor uw eerste opdracht?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Helemaal,’ zei hij met een speelse blik in zijn ogen. ‘Loop jij maar voorop, dan heb ik een mooi uit­zicht,’ grijnsde hij, waarna hij kort tegen haar achterste sloeg.

Charons ogen werden eerst groot van ongeloof, vervolgens vernauwden ze in een angstaanjagende blik. Razendsnel greep ze de man bij zijn keel, tilde hem met één hand op en liet hem met een klap met zijn rug op de tafel neerkomen.

Van schrik sprong ik op, het dossier in mijn armen geklemd.

In één beweging rukte ze zijn pak en blouse open. De angst in Pieters ogen sloeg daardoor om in een andere blik en ook de plotselinge bobbel in zijn broek wees erop dat hij geloofde dat het wellicht een beestachtige manier van voorspel was.

Charon leek dit niet op te merken. Haar stem was rustig, maar vreemd genoeg was dat juist het angstaanjagende daaraan. ‘Meneer Hart, ik heb u duidelijk gewaarschuwd.’

Met haar linkerhand hield ze de man bij zijn keel tegen de tafel gedrukt, terwijl ze haar andere hand met een onmenselijke kracht door zijn borstkas heen ramde. Ik hoorde enkele ribben breken, waarna het geschreeuw van de man begon.

Charon keek hem vol walging aan voordat ze zijn nog kloppende hart uit zijn borstkas trok.

‘Meneer Hart zal zijn naam moeten veranderen,’ merkte ik droog op.

Tot mijn verbazing leek mijn opmerking Charon even te amuseren; er verscheen in ieder geval een fonkeling van leedvermaak in haar ogen. Vervolgens wierp ze me een duivelse blik toe. ‘Denk maar niet dat ik niet doorheb dat jij hem hiertoe hebt aangezet.’

Geschokt keek ik de vrouw aan en vreesde direct voor mijn luchtpijp. Ze richtte haar ogen echter weer op de man. Terwijl hij bleef schreeuwen stroomde er steeds meer bloed uit de gapende wond.

‘Ach man, gedraag je als een vent,’ mompelde ze geërgerd. Haar hand verdween nogmaals in zijn borstkas, waar ze het hart weer achterliet. Ze liet hem los en veegde haar bloederige handen af aan haar kleding. ‘Sta op. We hebben al genoeg tijd verspild.’

‘Ziekenhuis,’ wist Pieter uit te brengen.

‘Voor het geval je het niet doorhad: je bent al dood,’ zei Charon met een zucht. ‘Het geneest vanzelf. Uiteindelijk. In de tussentijd is het alleen maar erg pijnlijk. Maar dat heb je aan jezelf te danken.’

‘En jij …’ De vrouw wierp haar blik op mij en wees vervolgens naar mijn papieren, die ik nog op de tafel had laten liggen. Tot mijn schrik zag ik dat deze doordrenkt waren met bloed. Ik liet het dossier uit mijn handen vallen en greep naar mijn handgeschreven papieren om de schade op te nemen. Ze waren onleesbaar geworden.

Charons lippen krulden omhoog. ‘Veel plezier met je documentatie. Je zult er nog even werk mee hebben.’

 

10.

 

Ik opende het nieuwe dossier. Naast mijn opdracht nam ik nu ook de achter­grondinformatie over de cliënte, V.A.A. Haasch, aandachtig door. Of ja, aandachtig … Het kostte me moeite om me op de handgeschreven onzin te concentreren. Docenten hadden tijdens mijn leven altijd al over mijn spanningsboog geklaagd. Ook over mijn gedrag, trouwens. Ik werd dan ook om het minste of geringste de les uit gestuurd. Volgens mij heb ik serieus het grootste deel van mijn schooltijd op de gang door­gebracht.

De enige waar ik niet mee in de clinch lag, was mijn docente Neder­lands. Ik had haar verteld dat lezen en schrijven nu eenmaal niet mijn ding waren. Ze was erg begripvol en liet me tijdens haar lessen daarom ook gewoon lekker buiten een sigaretje roken.

‘Ik noteer je gewoon als aanwezig,’ zei ze altijd, ‘maar wel onder voor­waarde dat je op tijd bent voor het volgende lesuur.’

Ik hield me altijd braaf aan die afspraak. Tenminste, totdat ik op een dag besloot voortaan helemaal van school weg te blijven.

Lezen was helaas nog steeds niet mijn ding; vooral de achtergrond­informatie van mijn cliënte was erg uitgebreid en te saai voor woorden. De foto’s van haar familieleden waren op zich wel leuk. De demente schoonvader, wiens AOW ze in eigen zak stak terwijl zijn schulden opliepen. Haar man, die al meerdere malen veroordeeld was tot gevangenis­straf en daardoor een makkelijk doelwit om voor haar fraude en diefstallen op te draaien. Terwijl ik naar zijn pasfoto keek, vond ik het bijna zielig voor hem.

Na een tijdje gaf ik het op: ik was voorbereid genoeg.

Eenmaal begonnen aan mijn opdracht wilde ik direct op mijn cliënte afstappen. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hem echter al verschijnen: de man in het witte pak.

Hij gaf me een neerbuigende glimlach. ‘We meet again. Hopelijk kunt u me ditmaal een grotere uitdaging bieden.’

Ik kon er nooit tegen wanneer Nederlanders onnodig Engels tegen me spraken. Voornamelijk omdat ik Engels niet verstond, maar dat terzijde.

Ik negeerde hem en legde mijn hand op de schouder van mevrouw Haasch.

‘Niemand zal hem geloven,’ zei ik. ‘Hij is al zo vaak veroordeeld wegens diefstal.’

Mijn Tegenpool stapte nu ook op haar af en legde zijn hand op haar andere schouder. ‘Het is je man. Hij heeft een goede nieuwe start gemaakt. Dit kun je hem én je kinderen niet aandoen.’

Ik gaf de man een valse blik voor ik weer sprak. ‘Hij is altijd al een crimineel geweest. Hij verdient het om weer opgesloten te worden.’

‘Hij heeft altijd alleen maar gestolen om het gezin te onderhouden. Je moet jezelf aangeven, niet hem. Denk aan jullie kinderen. Aan hun toekomst.’

De vrouw keek twijfelend naar de telefoon, waarop ze het nummer van de politie intoetste.

‘Hij was -’ begon ik, maar ik werd grof onderbroken door de Tegenpool. ‘Hij was altijd goed voor jullie.’

De grijns op zijn gezicht stond me niet aan, maar ik probeerde rustig te blijven.

‘Je moet -’ begon ik weer, maar werd nogmaals abrupt onderbroken.

‘Je moet jezelf aangeven. Je hebt het nummer al gedraaid: er is geen weg meer terug. Het is het juiste om te doen,’ sprak hij, terwijl ik de wacht­muziek al aan de andere kant van de lijn hoorde.

Mijn ademhaling nam toe. Ik dreigde te falen bij deze opdracht. In gedachten zag ik de stapels papierwerk al voor me. En erger: de vuile grijns van de Tegenpool wanneer hij weer zou winnen.

‘Je man -’ begon ik, maar vanuit mijn ooghoek zag ik de mond van Tegenpool alweer opengaan. Mijn irritatie sloeg op dat moment om in woede. Even leek alles zich vertraagd af te spelen. Zijn verschrikte blik, vlak voordat mijn vuist zijn kaak raakte. De dreun die klonk toen hij op de grond viel. Mijn volgende uithaal, ditmaal midden in zijn gezicht, waar­door ik zijn neus hoorde kraken.

Terwijl ik door trapte en sloeg bleef het vrolijke deuntje van de wachtmuziek alsmaar doorspelen. Vreemd genoeg klonk dat luider dan de schreeuwen van de man. Pas toen de muziek tot een abrupt einde kwam en de telefoniste vroeg hoe ze kon helpen, werd ik me weer bewust van mijn taak.

Ik legde mijn bebloede hand op de schouder van mijn cliënte. ‘Je wilt je man aangeven voor diefstal en fraude.’

De vrouw knipperde even met haar ogen, maar bleek niet meer overtuiging nodig te hebben. Tevreden haalde ik mijn hand van haar schouder en wierp een blik op de man in wit, die rochelend in zijn eigen bloed op de grond lag.

‘Hopelijk was dit genoeg uitdaging voor je,’ grijnsde ik, voordat ik hem ook nog een fysieke trap na gaf.

 

11.

 

‘Ik ben zeer tevreden,’ zei Den Eed.

Ik kon een glimlach niet onderdrukken; de zaken waren de afgelopen maanden inderdaad goed gegaan. De Tegenpolen vormden geen probleem voor mij: ze vochten nooit terug. Implementaties waren daardoor erg simpel, zeker omdat de cliënten vaak maar weinig nodig hadden om overstag te gaan.

Vanwege mijn successen was het papierwerk ook minimaal. Ook was het niet langer nodig me in te lezen in de dossiers. De tijd die ik aan voor­bereiding kwijt zou zijn, kon ik nu beter benutten. Pauzes waren niet toegestaan, maar met een bak koffie – zogenaamd – een dossier door­nemen daarentegen …

Den Eed keek me kort aan. ‘Ik denk persoonlijk dat u een goede zou zijn voor fase 3 opdrachten.’

Ik probeerde te verhullen dat ik hem niet helemaal begreep. Gelukkig besloot mijn leidinggevende zijn woorden nader toe te lichten. ‘Fase 3 houdt in dat de redenen van implementatie gecompliceerder zijn. Het betreft meestal zwaardere misdaden.’

Ik knikte afwachtend.

‘Maar,’ vervolgde hij, ‘het kan ook gaan om invloedrijkere mensen: men­sen van het ministerie, bekende Nederlanders, belangrijke zakenlui …’

Toen ik mijn nieuwe contract tekende had ik niet veel verschil verwacht met mijn voorgaande opdrachten. Hierin had ik me echter wel ver­gist; de doelen van de implementaties waren inderdaad heftiger. Het kostte me daardoor soms moeite me te distantiëren van de daden van deze cliënten.

Maar als ik het niet deed dan werd een dergelijke opdracht wel door een collega uitgevoerd, bleef ik mezelf voorhouden. Bovendien zou het op den duur wel wennen.

Bij mijn nieuwste opdracht, waarbij ik een directielid van een grote instantie voor goede doelen moest aanzetten tot het verduisteren van een gigantische som geld, stond ik mijn Tegenpool al op te wachten. Een wit licht verscheen en ik balde mijn vuist: klaar om uit te halen.

Het licht begon vorm aan te nemen, maar het was ditmaal niet een man in een wit pak. Mijn adem stokte bij het zien van de verschijning en ontmoedigd liet ik mijn vuist zakken.

Voor me stond een jonge vrouw. Haar witte jurk stak mooi af tegen haar getinte huid. Ze streek haar lange, donkere haren naar achteren en gaf me een glimlach voordat ze sprak. ‘Had je iemand anders verwacht?’

 

12.

 

Vrouwen hoor je met respect te behandelen. Dat had mijn moeder me al van jongs af aan bijgebracht. Ik herinner me mijn eerste les nog levendig.

Ik was een jaar of vijf, toen ik die bewuste dag met haar in de super­markt was. Mijn moeder had niet veel te besteden en werd op deze manier door de overheid gedwongen om haar budget aan te vullen door middel van stelen. Omdat ze me graag wat meer zelfstandigheid bij wilde brengen moest ik leren de producten die ik wilde, zelf de winkel uit te smokkelen.

Die dag had ik mijn oog laten vallen op de laatste zak met dropjes, die plots voor mijn neus werd weggegrist. De dader was een meisje met twee lange vlechten. Ze wilde de zak in een overvolle winkelwagen leggen maar ik blokkeerde haar pad en eiste dat ze me het snoepgoed over­handigde. Ze ging hier niet mee akkoord en ruw duwde ze me aan de kant.

Geërgerd greep ik haar bij beide vlechten vast en werkte haar tegen de grond. Toen ze de zak snoep nog steeds niet losliet hief ik mijn vuist.

Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn moeder, die aan het andere uiteinde van het gangpad stond. Op exact hetzelfde moment dat mijn vuist het meisje raakte, zag ik tot mijn schrik zelfs van die afstand het linkerooglid van mijn moeder trillen. Daaraan zag ik altijd direct dat het goed mis was.

Vanaf dat moment leek alles vertraagd plaats te vinden. Een grote zak met aardappelen viel met een bons onder haar rok uit, maar het leek haar niets uit te maken. De aardappelen rolden over de grond terwijl mijn moeder langzaam in beweging kwam. Ik stond aan de grond genageld terwijl ze als een dolle stier door het gangpad stormde, recht op mij af.

‘Je mag vrouwen niet slaan,’ schreeuwde ze, waarna ze me een draai om mijn oren gaf. ‘Vrouwen hoor je met respect te behandelen!’

Opvoeden kon ze wel, mijn moeder. Ik had daarna mijn gehele leven nooit meer een vrouw kwaad gedaan.

 

De vrouw in de witte jurk had haar blik wat afwachtend op me gericht. ‘Dus jij bent degene die mijn collega’s het werk onmogelijk maakt?’

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen en haalde daarom mijn schouders maar op.

Een glimlach verscheen op haar gezicht. ‘Ik had een spraakzamer type verwacht.’

‘Ik had ook wel iets anders verwacht. Of iemand anders, in ieder geval,’ mompelde ik.

Ze stak haar hand uit. Enigszins argwanend nam ik deze aan. Haar hand voelde zacht in mijn ruwe vechtersvuist.

‘Angelica,’ zei ze.

Nooit eerder had een Tegenpool zich aan me voorgesteld. Mompelend gaf ik haar mijn naam.

‘Aangenaam kennis te maken, Jannes,’ zei ze. Ze gaf me een korte glim­lach voordat ze mijn hand losliet en naar de cliënt liep.

Ze legde haar hand op zijn schouder. Haar eerste woorden waren al overtuigender dan alles wat ik had kunnen bedenken.

Met moeite wist ik een vloek te onderdrukken. Had ik het dossier nu maar gelezen …

 

13.

 

Ik dacht terug aan de woorden van mijn leidinggevende.

‘Je hebt nog een kans om dit goed te maken,’ had den Eed gezegd. ‘De volgende opdracht is zwaar. Als je jezelf hiermee bewijst, zal je een mooie nieuwe functie krijgen.’

‘Wat voor functie?’

‘Mijn functie, meneer Uil,’ zei hij. ‘Leidinggevende over het gehele Grijze District van Noord- en Zuid Holland.’

‘En u dan?’

‘Voor mij komt er een mooie internationale functie vrij.’

Zijn woorden hadden me aan het denken gezet. ‘Het hele na-leven bestaat uit … werk?’

Een glimlach verscheen op zijn gezicht. ‘Er komen telkens functies vrij van bovenaf. Dat houdt in dat er toch iets met die mensen gebeurt. Er gaan geruchten over ‘eeuwige rust’.’

‘Ze sterven … weer?’

‘Misschien. Alleen zou dat dan ook binnen de lagere functies voor­komen. Zelf geloof ik daarom dat men uiteindelijk met pensioen mag.’

Eeuwige rust. Dat klonk erg aantrekkelijk. ‘En als ik de opdracht niet haal?’ had ik gemompeld, nog terugdenkend aan mijn falen van voor­heen.

Zijn blik leek wat kil te worden, maar de glimlach was op zijn gezicht gebleven.

‘Dan ben ik niet blij, meneer Uil.’

De deur viel achter me dicht. Langzaam kon ik de slaapkamer van de duisternis onderscheiden. Ik richtte mijn blik op het bed. Het eerste dat me opviel, was de inktzwarte wolk die om de cliënt heen hing.

Het dossier van deze man was het dikste dossier dat ik tot nu toe onder ogen had gekregen. Ik had zowel de opdracht als het grootste deel van de achtergrondinformatie redelijk goed doorgenomen, maar de bijlagen … Die bestonden slechts uit informatie over zijn vele slachtoffers: allemaal vrouwen die hij op brute wijze had vermoord. Ik moet bekennen dat ik mijn maag toen wel een beetje voelde draaien.

Toen ik het witte licht zag hoopte ik vurig dat mijn Tegenpool een man zou zijn, maar ik moet bekennen dat ik niet verbaasd was toen Angelica me met een brede glimlach begroette.

Qua voorbereiding had ik nu al meer tijd gestoken in dit dossier dan in alle dossiers van de afgelopen maanden – bij elkaar, zelfs – maar ik vreesde direct dat het niet genoeg was geweest.

‘Ik had kunnen weten dat ik jou hier zou aantreffen,’ mompelde ik.

Haar ogen vernauwden kort. ‘Hoe bedoel je?’

‘Je hebt me eerder doen falen. Dus ja, logisch dat ze jou sturen.’

‘Je had eigenlijk een andere Tegenpool vandaag, maar toen ik aanbood zijn cliënt over te nemen vond hij dat absoluut geen probleem,’ zei ze. ‘Wellicht dat het iets met je reputatie te maken heeft.’

‘Ik heb een reputatie?’

‘Nu niet te zelfverzekerd worden, Jannes. Er hangt veel van deze opdracht af.’

‘Meer dan je zou denken,’ mompelde ik, terugdenkend aan de woorden van mijn leidinggevende. Ze keek geïnteresseerd en daarom besloot ik mijn woorden toe te lichten.

Ze beet even op haar lip en leek mijn verhaal te overdenken terwijl ze blik op de cliënt richtte. Langzaam ging ze op de rand van zijn bed zitten. Ze leek zo in gedachten verzonken dat ik mijn ogen even afwendde. Ik keek naar de trage, regelmatige ademhaling van de cliënt.

Angelica sprak zacht. ‘Hij zocht ze bewust op, Jannes. Talloze keren.’ Ze schudde langzaam haar hoofd, waardoor haar haren deels voor haar gezicht vielen. ‘Hij wachtte geduldig aan het donkere bospad tot er een vrouw langsfietste. Hij trok deze dan van haar fiets, het bos in … Waar hij haar op brute wijze verkrachtte, genietend van haar schreeuwen, van haar smeken, van haar tranen …’

‘En daarna vermoordde hij haar,’ vulde ik aan, mijn stem ook zacht.

Ik slikte kort. Nog nooit eerder had ik zoveel afschuw gevoeld voor een cliënt. Stelen, liegen, fysiek geweld … geen probleem. Maar moord, zeker op deze wijze, dat was toch wel een stap verder.

Angelica streek haar haren naar achteren voordat ze me aankeek. ‘En nu moet jij hem ertoe aanzetten dit weer te doen.’

Ik wist niet wat ik kon zeggen. Peinzend wendde ik mijn blik af. Deze man had al zo vaak misdaden begaan, zonder dat ik daar iets mee te maken had. Maar als ik hem aanzette tot het kwaad doen van een vrouw, was het dan niet indirect mijn schuld?

De stilte werd steeds langer, steeds ondragelijker.

‘Jij wilt hem op het rechte pad brengen?’ vroeg ik uiteindelijk.

Haar ogen waren op de cliënt gericht. ‘Zijn ziel is al te duister,’ zei ze, haar gezicht vertrokken in afschuw.

Haar opmerking verraste me. ‘Maar jij moet hem toch van het goede overtuigen?’

Ze haalde haar schouders op. ‘Ik heb dit al te vaak gezien. Ik moet hem ervan weerhouden een volgend slachtoffer te maken. Hij komt misschien tot bezinning en besluit vanavond niet naar het bos te gaan. Maar het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt. Dan ben ik hier weer, in dezelfde slaapkamer, met dezelfde opdracht.’

Weer een stilte.

Ik overwoog mijn opties en uiteindelijk slaakte ik een diepe zucht. ‘Ik trek me terug,’ mompelde ik.

Angelica richtte haar grote bruine ogen op me. ‘Maar … Je promotie …’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Begin maar, voordat ik me bedenk.’

Ze leek dit even te overdenken.

‘Nee,’ zei ze resoluut.

Verbaasd keek ik haar aan. Een mysterieuze glimlach verscheen op haar gezicht voordat ze weer sprak. ‘Ik heb een beter idee.’

 

14.

 

‘Overplaatsing naar zware arbeid,’ beval ik.

Damion, mijn collega wiens taak het was om mensen daar in te werken, had de man al bij zijn arm vast. ‘Maar,’ begon de man terwijl hij me met grote ogen aankeek, ‘waarom? Ik heb mijn werk goed gedaan.’

‘Je werk in je na-leven, ja. Ik baseer mijn beslissingen echter op het gehele dossier. Daaruit heb ik opgemaakt dat u niet bepaald een schatje was tijdens uw leven, dus zware arbeid lijkt me een geschiktere plek voor iemand zoals u.’

‘Maar tijdens mijn leven vonden er toch ook implementaties plaats? Ik kan daarvoor toch niet verantwoordelijk worden gehouden?’

‘Pas wanneer mensen zelf serieus een zonde overwegen, verschijnen wij aan hun zijde,’ zei ik. ‘Wij fluisteren ze slechts overdenkingen toe. Het zijn de mensen zelf, die de uiteindelijke keuze maken. Dus nee, meneer, de implementaties zijn geen excuus.’

‘Maar …‘ begon de man weer.

Ik onderbrak hem. ‘Veel mensen verliezen hun gouden gloed gedurende hun leven, maar inktzwart, daarvoor moeten vele verkeerde keuzes zijn gemaakt,’ zei ik, terwijl ik hem dreigend aankeek. ‘Dus u mag nog van geluk spreken dat ik u niet direct naar het Eeuwige Vagevuur stuur. En nu uit mijn ogen, voordat ik me bedenk.’

De man keek me verschrikt aan terwijl Damion hem mijn kantoor uitsleepte.

Charon kruiste hun pad. Een sadistische glimlach tekende haar gezicht. ‘Goed bezig, Jannes,’ complimenteerde ze sarcastisch, terwijl ze een stapel dossiers met een plof op mijn bureau liet vallen. ‘Dat is al de zoveelste deze week. En ik dacht dat Willem Roderik hard was voor zijn personeel.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Den Eed viel best mee. Zijn dit de verslagen over de nieuwelingen?’

Ze knikte. ‘Succes ermee. En probeer je dit keer nog wel wat leuks over te laten op deze werkvloer? Ik heb af en toe wel een brutaaltje nodig om mijn werk dragelijk te houden.’

Ik glimlachte kort. ‘Contractueel gezien moet je ze eerst waar­schuwen. Anders krijg je met mij te maken. Of met Ruby’s bijl.’

Terwijl Charon mijn kantoor verliet, stak ze grijnzend haar middelvinger naar me op. ‘Je mag dan een meerdere zijn, maar deze heb ik toch nog wel voor je luchtpijp over.’

‘Dat geloof ik graag,’ grinnikte ik, voordat ik me weer op mijn werk concentreerde.

Kort beet ik op mijn lip toen ik zag dat ik het langverwachte dossier eindelijk voor me had. Met een vinger streek ik over de bekende naam op de kaft, terwijl ik Angelica’s woorden overdacht.

‘Het is slechts een kwestie van tijd voordat hij weer die drang krijgt.’

Zwijgend had ik geknikt.

‘Het is de beste oplossing. Voor mij is het eigenlijk verboden, maar als jij je implementatie verandert dan heb jij je promotie én is deze wereld een betere plek.’

‘Ik kan gewoon zeggen dat ik eigen initiatief heb getoond. Maar voor jou … Kom jij dan niet in de problemen?’

Ze had geglimlacht. ‘Je hebt een reputatie. Niemand neemt het mij kwalijk als het me een keer niet is gelukt.’

Mijn bewondering voor haar nam toe. ‘Je bent zo goed. Zo puur,’ wist ik uit te brengen, enigszins beschaamd om mijn plotselinge uitspraak.

Ze had haar hoofd geschud. ‘Vergis je niet, Jannes. Zowel het leven als het na-leven zijn niet zo zwart-wit als men denkt. Mijn ziel had haar gouden gloed al lang verloren, maar mijn dood heeft me een gratis kaartje naar de witte werkvloer opgeleverd.’

‘Je ziel had haar gouden gloed verloren?’

Ze sloeg haar ogen neer. ‘Tijdens mijn leven heb ik dingen gedaan waar ik niet trots op ben. Ik was zelfzuchtig: ik bespeelde mensen, puur om mijn eigen belangen te behartigen.’

‘Zelfzuchtig? Jij?’

‘Niet meer, Jannes.’

‘En hoe bedoel je, een gratis …‘

Voordat ik mijn zin kon afmaken, legde Angelica een vinger tegen mijn lippen. ‘Jij en ik zijn niet zo verschillend, eigenlijk. Wij doen wat wij denken dat het juiste is,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht langzaam dichter bij het mijne bracht.

Mijn hartslag nam toe toen ze me een kus op mijn wang gaf. Haar lippen voelden zacht tegen mijn huid.

‘Ik hoop echt dat je die promotie krijgt,’ fluisterde ze. ‘Ik gun het je, Jannes.’

We waren naast de cliënt gaan staan, ieder een hand op zijn schouder. Onze stemmen hadden als één geklonken.

Doodsoorzaak: Zelfmoord.

De woorden waren verwacht, toch voelde het raar om ze op papier te zien. Ik bladerde door de bijlagen en bekeek de foto’s van de vele slacht­offers die hij had gemaakt. In gedachten zag ik zijn functione­rings­gesprek al voor me.

Ik sloeg een bladzijde om. Mijn adem stokte. Overrompeld staarde ik naar de bijlage, niet in staat mijn ogen van het papier af te wenden. Mijn blik bleef hangen bij de bruine ogen en haar bekende glimlach. Met trillende vingers streek ik over de foto, terwijl ik haar naam fluisterde.

Ik hervatte me. ‘Dit keer zal hij schreeuwen. Dit keer zal hij smeken,’ mompelde ik vastberaden. ‘Ik gun het je, Angelica.’

Vaaltgieren : Tom Thys

Je moet weten dat de jaren negentig niet mild waren voor bepaalde Antwerpse wijken. Wij leefden in een vergeten stukje van de stad, in het middelste van drie flatgebouwen. De Silvertopblokken, zo werden ze genoemd. Drie sombere monolieten die naar de wolken klommen, opge­trokken uit grijze steen waarin ontelbare venstertjes geborduurd waren. Achter die venstertjes loerde doffe ellende. Het was alsof al het uitschot en alle armoezaaiers van Antwerpen er in ballingschap leefden. Ondanks hun pogingen om vooruit te komen in het leven, zonken ze steeds dieper weg in het moeras van hun eigen tristesse. Dat effect hadden de Silvertopblokken nu eenmaal op hun inwoners.

Roy en ik waren twee van de honderden bannelingen. Met z’n vijftien jaar was Roy twee jaar ouder dan ik. Hij was mijn beste vriend. Hij lispelde, maar ik trok zo vaak met hem op dat het mij niet meer opviel. Het grootste deel van onze tijd brachten we door in de afvalruimte, onderaan het flatgebouw waar we beiden woonden. Echt slecht hadden we het niet. Tenminste, we maakten er het beste van en hadden eigenlijk geen flauw benul van de ernst van sommige situaties. Er wordt vaak gezegd dat kinderen heel flexibel zijn, dat ze zich moeiteloos aanpassen aan hun omgeving, hoe naar die soms ook is. Ik geloof dat dit ook voor ons gold.

De gebeurtenis die ik met jullie wil delen speelde zich af op een oktoberdag in 1994. De lucht was één grote, grijze deken die onop­houdend motregen over de mistroostige woontorens bloedde. Het soort weer dat je tussen de vier muren van je veel te kleine flat dwong, gekluisterd aan je veel te kleine televisiescherm, tenzij je een depressie had en je jezelf nog meer wilde kastijden door naar buiten te gaan.

Roy en ik zaten in de afvalruimte, beschut tegen de regen en de gierende wind. We hadden besloten om die dag te spijbelen. Onze moeders zouden er niets van merken. Zoals gewoonlijk was die van mij vroeg uit de veren om tegen een hongerloon te gaan poetsen bij wel­gestelde gezinnen. Die van Roy zat thuis, high van de kalmeer­middelen. Onze moeders hadden geen man die hen het leven wat gemakkelijker maakte, geen man die hen af en toe mee uit eten nam of een nekmassage gaf of erop toekeek dat hun zonen niet op het verkeerde pad geraakten. Ze stonden er helemaal alleen voor. In feite was hun leven om zeep. Het enige wat ze nog wilden, was een toekomst voor hun kinderen.

De afvalruimte was een donker hok dat zich op de beneden­verdieping van het flatgebouw bevond. Het was tamelijk groot. Van de buitenkant leek het op een garagebox voor kleine vrachtwagens. Er was een zware, ijzeren poort en in die poort zat een deurtje. Hoewel het deurtje altijd open was, kwam er bijna nooit iemand. Als je alleen wilde zijn, om welke reden dan ook, dan was de afvalruimte de ideale plaats. Aan de stank raakte je na verloop van tijd wel gewend.

In de ruimte stonden verschil­lende ijzeren containers die uitpuilden van het vuilnis. Vaak werd er ook illegaal afval gestort. Tapijten, beeldbuis­schermen, dat soort dingen. Het kroonjuweel van dat stinkende hol was de stortkoker, die centraal uit het plafond kwam. Vanbinnen smerig en vanbuiten grauw glimmend in de paarse gloed van flikkerende tl-lampen.

Roy zat onderuitgezakt op de tegelvloer met zijn rug tegen een vuilnis­zak die hij naar de iele vorm van zijn lichaam had gekneed. Hij speelde op zijn Game Boy. De aanstekelijke melodie van Tetris galmde tussen mijn oren en ik kon het niet laten om mee te neuriën. ‘Hou daar mee op,’ siste Roy. Hij was verschrikkelijk goed in dat spel en het zou lang duren voor ik aan de beurt kwam. Ik hoopte hem af te leiden, maar zag aan zijn gezicht dat hij erg nukkig was, dus liet ik hem met rust.

Uit verveling deed ik wat ik wel vaker deed: ik ging in de vuilnis­containers op zoek naar verborgen schatten. Negenennegentig procent van wat de flatbewoners in de stortkoker dumpten, was smerig afval: luiers, beschimmelde etensresten, de inhoud van een asbak, condooms en bebloede tampons.

Ik klom op een van de containers en boog over de rand, boven het vuil. Ik was me bewust van de gevaren. Het was een broeinest van bacteriën. Als je wonden in je vingers had, kon je maar beter niet in aanraking komen met die plakkerige troep. Gore ziektes lagen daar voor het oprapen. Wroeten in het afval was gevaarlijk omdat je zomaar in een heroïnenaald kon graaien. Bovendien drong de rottingsgeur je neusgaten binnen zodat je bijna moest braken. Maar soms, heel soms, stootte je op een schat. Een afgedankt G.I. Joe poppetje, een pakje sigaretten dat op het eerste gezicht leeg was, maar waar bij nader inzien nog één sigaret in zat, of pornoblaadjes. Ooit kwam er zelfs een versleten dildo naar beneden gevallen. We probeerden te gissen wie de eigenares was en waren het er al snel over eens dat hij aan Wendy toebehoorde, een hoertje dat op de zesde verdieping woonde.

Ook deze keer was mijn schattenjacht een klein succes. ‘Kijk wat ik gevonden heb!’ riep ik. Trots toonde ik Roy een flesje modelbouwlijm. We wisten allebei wat dat betekende.

Roy zette de Game Boy uit. Onmiddellijk zag ik die hongerige blik in zijn ogen. Hij stond op, haalde een zakdoek uit zijn broekzak en gebaarde me dat ik hem de lijm moest geven. Dat deed ik. Roy hield het flesje tegen het licht en bestudeerde het etiket. Hij mompelde iets. Aan zijn gezicht te zien was hij opgetogen over mijn vondst. ‘Kom,’ zei hij.

Roy hurkte en legde de zakdoek over zijn knie. Hij vouwde hem dubbel en herhaalde die handeling. Daarna opende hij het flesje. Het was niet groot, maar van uitstekende kwaliteit. Ik kende het merk: Revell was de max. Het was niet alleen geschikt voor het lijmen van plastic vliegtuig­onderdeeltjes. Roy keurde het goedje met zijn neus en sloot zijn ogen. ‘Fantastisch,’ fluisterde hij. Hij liet mij ook ruiken. Ik hield van die typische geur van chemicaliën, scherp en zoet tegelijkertijd. Voor­zichtig goot Roy een deel van het flesje leeg in de zakdoek. Vervolgens drukte hij hem tegen zijn neus en ademde zo lang en diep in, dat zijn ogen wegdraaiden en hij begon te wankelen. Hij ging weer tegen de vuilniszak zitten en begon zachtjes te kreunen.

‘Kom naast me zitten,’ murmelde hij even later.

Ik aarzelde. Meestal was Roy niet zo’n aangenaam gezelschap wanneer zijn roes uitgewerkt was. Hij kon dan heel chagrijnig worden, vijandig zelfs. Maar toen hij me bij mijn pols naar beneden trok, kon ik niet anders. Hij bevochtigde de zakdoek en gaf hem aan mij. Ik gaf me over aan de chemicaliën en zakte nog wat meer onderuit, tussen het vuilnis. Mijn hoofd begon al snel te bonzen en ik kreeg het gevoel alsof ik op een draaimolen zat. Met een troebele blik staarde ik naar de stortkoker, die gaapte als de ontstoken keel van een prehistorisch monster. Af en toe viel er wat rommel uit de schacht.

De high duurde ongeveer een kwartier. Roy was als eerste weer helder. Met mijn ogen nog steeds gesloten hoorde ik hem zachtjes hijgen. Ik luisterde naar het geritsel van de plastic vuilniszakken toen hij zich bewoog, een warm, geruststellend geluid. Er ging een rits open. Roy pakte mijn hand en begeleidde me naar zijn kruis. Zijn pik was hard en Roy kreunde toen mijn koude vingers het beroerden.

‘Verdorie, Roy.’ Ik trok mijn hand weg. ‘Laat me even met rust.’ Op zich had ik er niets op tegen om Roy af te trekken, maar ik wilde nog genieten van dat dromerige gevoel.

‘Ik wil het nu,’ gromde hij. Opnieuw greep hij mijn hand. Zijn nagels haalden mijn vlees open en ik siste van de pijn. Mijn ogen sprongen open. Als wraak trok ik aan zijn schaamhaar. Roy schrok en brulde het uit. ‘Klootzak, waarom doe je dat?’ Zijn stem weergalmde tussen de vieze tegelmuren. Hij gaf me een stomp op mijn neus waardoor ik nog meer onderuitzakte. Onmiddellijk proefde ik bloed in mijn mond. Ik spuugde een fluim op de grond en schreeuwde hem toe dat hij een waardeloze vriend was. Toch gaf ik hem zijn zin, deels uit angst, deels uit medelijden.

Zijn stemmingswisselingen had Roy overgehouden aan de mysterieuze verdwijning van zijn jongere broertje Andy. Dat was ongeveer anderhalf jaar geleden gebeurd. Roy had het zichtbaar moeilijk om het trauma te verwerken, ook al praatte hij er nooit over. Andy was zes toen hij verdween. Met zijn drieën waren we aan het ronddolen in de buurt, zoals we altijd deden. Het was zomervakantie. We slenterden over de speeltuin die eigenlijk geen speeltuin was, maar eerder een kerkhof van vernielde houten skeletten in een niemandsland. Ik herinner me nog hoe de loodzware hitte van die dag oploste in de rukwinden van een nakende storm. Ik hield van die typische geur.

We hadden meerdere schuilplaatsen tegen de regen: de afvalruimte of de ondergrondse parkeergarage waar tieners skateten en drugs gebruik­ten. Maar in die tijd verstopten we ons ook regelmatig in wat wij de tussenverdieping noemden. De woontoren was zodanig gecon­strueerd dat zich boven de benedenverdieping een nis bevond over de hele breedte van het gebouw. Daarop stonden betonnen kolom­men die de rest van de appartementen ondersteunden. De nis was ongeveer één meter twintig hoog, zodat je altijd krom moest lopen. Met al die kolommen was het net een doolhof. Je kon er letterlijk verdwalen. En het stonk er verschrikkelijk naar duivenstront.

Om op de tussenverdieping te komen moest je je lichaam dwars zetten tussen een zijmuur en een pilaar en zo omhoog klauteren, iets waar wij heel behendig in waren. De tussenverdieping was bovendien een paradijs voor vaaltgieren zoals wij. Je kon er alles vinden: tennisballen, aan­stekers, speelgoed, batterijen, muntstukken en medicijnen. Andy had ooit de arm van een etalagepop ontdekt en was luidkeels gaan gillen omdat hij dacht dat het een echte arm was. Daar hebben we hard om gelachen.

Roy was verzot op zijn broertje. In veel opzichten leken ze op elkaar en toch waren ze ook heel verschillend. Maar ze waren onafscheidelijk. Echter, op de dag van het onweer gebeurde het ondenkbare. Andy verdween spoorloos.

Elk waren we onze eigen weg gegaan op de tussenverdieping, op zoek naar schatten. Eerst dachten we dat Andy verstoppertje speelde om ons te jennen. Toen dachten we dat hij naar beneden was gevallen en misschien zijn nek had gebroken. Roy en ik waren in paniek, aangezien zijn moeder erop vertrouwde dat wij Andy nauwlettend in de gaten hielden. Hij kon soms heel onstuimig zijn en een ongeluk was natuurlijk snel gebeurd. Maar we vonden Andy nergens. De hele middag hebben we naar hem gezocht.

Uiteindelijk werd de politie erbij gehaald. Roys moeder was ten einde raad. Ik herinner me nog dat ze op haar sokken buiten stond en onop­houdelijk de naam van haar jongste zoon stond te schreeuwen. Er werd een burgerpatrouille ingeschakeld. De buurt werd uitgekamd en overal werden pamfletten met Andy’s foto opgehangen. Zonder resultaat.

Je moet weten dat er in die tijd wel meer jongetjes verdwenen in de regio, jongetjes die nadien nooit meer teruggevonden werden. Dus toen Andy na een week nog steeds niet thuis was, had iedereen de hoop opgegeven. Roy heeft het zichzelf nooit vergeven dat hij die dag zijn broertje uit het oog verloor.

Schokkend kwam hij klaar in mijn hand. Na een zucht van genot volgden er tranen. ‘Het spijt me,’ snikte hij, terwijl hij zijn broek dicht­ritste.

Ik veegde mijn hand af aan zijn zakdoek en omhelsde hem. ‘Ik weet het,’ zei ik. ‘Het geeft niet.’ We misten Andy allebei, maar bij Roy sneed het verdriet zo diep dat hij er soms bijna krankzinnig van werd. Ik besloot een mop te vertellen om hem op te vrolijken. ‘Wat is het toppunt van zelfvertrouwen?’

Roy haalde zijn schouders op.

‘Een scheet laten als je diarree hebt.’

Ik keek naar Roy in de hoop dat mijn missie geslaagd was. Hij staarde me aan door betraande ogen, zijn lippen stijf op elkaar gedrukt. Ik zag zijn neusvleugels trillen. Hij probeerde zich serieus te houden, wat slechts even lukte. Zijn schouders begonnen te schudden. Plots proestte hij het uit. Opnieuw rolden er tranen over zijn wangen, maar deze keer van het lachen. Zijn buik schudde heftig. Ook ik hield het niet meer. Ik klapte dubbel en zocht steun tegen een container. Ons gelach bulderde in schelle echo’s tussen de muren van de afvalruimte. We schaterden het uit tot we kramp kregen in onze kaken.

Toen we uitgelachen waren, wees Roy naar het flesje, dat nog voor de helft gevuld was. ‘Wat denk je?’ vroeg hij.

Ik knikte.

Roy prepareerde een tweede high. Deze keer mocht ik eerst. Ik snoof de lijm, die gearomatiseerd was met Roys sperma, een geur die me naar extase voerde. Aanvankelijk knipperde ik nog enkele keren met mijn ogen om de stortkoker in de gaten te houden, wachtend op een nieuwe schat, maar ik werd al snel aan de roes overgeleverd. Ik zweefde door een diepblauwe hemel, omringd door pluizige wolken.

De tweede roes was altijd minder lang en minder sterk, maar omdat Roy me deze keer niet lastig viel, was hij aangenamer dan de eerste. Ik was volledig ontspannen en gaf me over aan het extatische gevoel in mijn hoofd. Hier beneden, met behulp van de lijm, kon ik even alles vergeten. Geen gezeur van mama, geen andere shit. De rust was heerlijk. Helaas kon ik er niet lang van genieten.

Ik werd brutaal uit mijn droomtoestand gerukt door scherpe, metalige klanken die op mij neerdaalden. Met opengesperde ogen keken Roy en ik naar de schacht. Dit was niet het geluid van een ordinair stuk vuilnis dat gedumpt werd. Het bonken zwol aan tot een sinistere symfonie en we zagen hoe de koker een zwart voorwerp uitbraakte. Het vuilnis in de container eronder verzekerde een zachte landing. We waren allebei zo benieuwd dat we meteen opstonden. Ik voelde me nog licht in mijn hoofd. Roy ongetwijfeld ook, want hij wankelde en struikelde bijna over zijn eigen voeten. Eenmaal bij de container klommen we over de rand om te zien wat dat zwarte voorwerp was.

Het bleek een transistorradio te zijn. Hij was terechtgekomen in iets wat op bedorven lasagne leek, maar dat deerde ons niet. Roy boog nog wat dieper over de rand zodat hij erbij kon met zijn handen. Hij pakte de transistorradio, gaf hem aan mij en zei me de smurrie weg te vegen met zijn zakdoek.

‘Wie gooit zoiets weg?’ dacht ik hardop. Hij zag er tamelijk nieuw uit. Ik peuterde de restjes lasagne weg tussen de knopjes en de luidspreker.

Roy kwam naast me staan. ‘Zou hij nog werken?’

Toen ik hem helemaal had schoongemaakt, gaf ik hem de transistor­radio terug.

Hij zette hem aan en draaide aan de volumeknop, maar er kwam geen geluid uit. Hij draaide het toestel om. ‘Er zitten geen batterijen in.’

We keken elkaar peinzend aan. Plots kreeg ik een idee. Ik pakte Roys Game Boy en verwijderde het klepje aan de achterkant. Een voor een nam ik ze eruit. ‘Is dit de juiste maat?’ vroeg ik, terwijl ik er een tussen duim en wijsvinger hield.

‘Ik denk het wel,’ zei Roy. Hij griste de batterijen uit mijn hand en stak ze in de transistor. Toen hij hem aanzette en Love & Devotion van Real McCoy door de luidspreker schalde, begonnen we allebei uitbundig te dansen. Het was weken geleden dat we nog zo’n kostbare schat hadden buitgemaakt. We zongen luidkeels mee met het refrein.

 

Love and devotion, baby
I can’t get enough of all that love and devotion in my life.
Love and devotion, baby love and devotion,
You are the sunshine of my life.

 

Daarna imiteerde Roy het rapgedeelte, stoere handgebaren inbegrepen. Het was een van de grootste hits van dat jaar, we kenden het nummer helemaal uit ons hoofd en waren er wild van. Roy had zelfs wat vette dansmoves bedacht, speciaal voor dat nummer. Hij voerde ze uit op de glibberige tegelvloer. Hij leek Michael Jackson wel.

Toen het nummer afgelopen was, nam ik de transistor en zocht naar een andere zender. Ik draaide aan de knop terwijl ik naar de naald op de FM-band keek. De ruimte tussen twee radiostations werd telkens opgevuld met krakende ruis waar soms een stem of een beat doorheen klonk. We vonden niet meteen een kanaal naar ons zin. Bovendien was de ontvangst niet optimaal. Ik rommelde wat aan de antenne. Tevergeefs. Ruis was het enige wat nog uit de transistor kwam.

‘Wacht eens, heb je dat gehoord?’ zei Roy opeens.

‘Wat bedoel je?’

‘Draai eens terug.’ Zijn ogen werden groot en hij schoof dichterbij.

Ik deed wat hij vroeg maar weer kwam er slechts ruis uit de luidsprekers… en flarden van een nummer van Madonna waarvan ik de melodie wel herkende, maar waarvan ik niet op de titel kon komen. ‘Wat heb je gehoord?’ vroeg ik.

Zonder iets te zeggen griste Roy de radio uit mijn handen. Hij legde zijn oor tegen de luidspreker en draaide heel langzaam aan de knop. De naald verschoof van links naar rechts en weer naar links. Ik wilde iets zeggen, maar Roy gebaarde me dat ik moest zwijgen. Hij sloot zijn ogen. Gedurende een minuut herhaalde hij dezelfde handeling, tot hij de radio bijna uit zijn handen liet vallen. ‘Dit,’ zei hij. ‘Heb je dat gehoord?’ Hij huiverde.

Ik gebaarde van niet. Ik wilde hem niet teleurstellen of hem het gevoel geven dat hij het zich inbeeldde, maar ik hoorde echt niets.

Roy draaide het volume hoger en hield de radio tegen mijn oor. ‘Luister.’

Ik deed wat hij vroeg. Eerst hoorde ik alleen ruis. Ik probeerde me te focussen en door de ruis heen te luisteren en na een tijdje hoorde ik het ook, al was het eerst onduidelijk. Geschreeuw dat uit de verte leek te komen. Niet afkomstig van een liedje of van een presentator. Nee, het klonk als het gillen van een kind dat doodsangsten uitstond. ‘Shit,’ stamelde ik. Ik schudde met mijn hoofd. Tegen beter weten in probeerde ik mezelf ervan te overtuigen dat die afgrijselijke klanken deel uitmaakten van een bizar liedje. Het was alsof iets of iemand mijn keel dichtkneep. Ik vergat te ademen.

Met bevende handen plaatste Roy de radio op de grond. We zetten allebei enkele passen achteruit, als dieren die in het nauw gedreven werden. We wisselden een blik en staarden vervolgens weer naar het toestel. Doordat ik me concentreerde op het geluid, kon ik de ruis wegdenken. Het geschreeuw werd steeds dwingender. De stem in de verte bezorgde me kippenvel. Even later realiseerde ik me dat het niet één stem was, maar meerdere. Stemmen van jongetjes. Doodsbange jongetjes. Geen woorden, alleen maar geschreeuw.

Ik dacht ogenblikkelijk aan Andy.

Op dat moment voelde ik de grond onder mijn voeten wegvallen. Ik weet nog hoe ik naar Roy keek om te zien of hij net als ik stond te daveren op zijn benen. Zijn gezicht was lijkbleek en hij probeerde speeksel weg te slikken. Ik zag zijn adamsappel op en neer wippen. Ik wilde dat vreselijke geluid niet meer horen, maar ik slaagde er niet in te bewegen. Ik was verstijfd. Gelukkig liep Roy na even aarzelen naar de radio om hem af te zetten door met zijn voet op de knop te trappen. Twee seconden langer en ik had het ongetwijfeld in mijn broek gedaan.

De stilte voelde als een warm bad.

Heel even maar, want daarna daalde er een kilte over me neer waar ik rillingen van kreeg. De radio lag daar op de grond. Ik keek naar de frequentie. De naald stond op 102.8 Mhz. Het leek een doodgewoon toestel, maar Roy en ik wisten wel beter. De verdwenen jongetjes hadden ons gevonden. Onmiddellijk spookten verschillende vragen door mijn hoofd.

Wilden ze ons iets vertellen?

Waarschijnlijk wel, maar wat?

Waar bevonden ze zich?

Waren ze dood?

Of leefden ze nog?

Met hoeveel waren ze?

Zouden we Andy ooit nog terugzien?

En de andere jongetjes waar zoveel ouders nog steeds om treurden?

En wie had die duivelse radio in de stortkoker gekieperd?

‘Wat nu?’ vroeg ik aan Roy, alsof hij het antwoord hoorde te weten. Roy haalde zijn schouders op. We wisten allebei dat we dit niet konden negeren, dat we niet konden doen alsof we die transistorradio nooit gevonden hadden. Roy zei wat ik dacht toen hij vroeg wie dat toestel had gedumpt.

Ik dacht ogenblikkelijk aan meneer Uspensky. Meneer Uspensky was een zonderlinge Oekraïense immigrant waarvan niemand wist hoe oud hij eigenlijk was omdat hij er op sommige dagen heel jong uitzag en op andere dagen heel oud. Hij woonde op de negentiende verdieping. Daar leidde hij een teruggetrokken leven. Je zag hem niet vaak, maar wanneer je hem zag was dat altijd op onregelmatige tijdstippen terwijl hij doelloos ronddoolde in de buurt. Hij leek heel gejaagd als je hem met zijn karak­teristieke, mankende tred zag wandelen. Meestal kon je hem tegen zich­zelf wartaal horen mompelen, iets wat de kinderen uit de buurt zowel angst inboezemde als op hun lachspieren werkte.

Meneer Uspensky was een broodmager skelet van twee meter groot met een afschuwelijk litteken onder zijn oog en tanden die als weggezonken grafzerken uit zijn grijze tandvlees staken. Hij droeg kleren die nooit bij het weer pasten. Als het ’s winters vroor, liep hij op sandalen en tijdens een hittegolf in augustus danste er een lange, donkerbruine jas vol gaten om zijn geraamte.

Waarom ik aan meneer Uspensky dacht? Destijds hadden de flat­bewoners hem ervan beschuldigd iets met de verdwijningen te maken te hebben. Waarschijnlijk omdat ze hem zo’n vreemde vogel vonden. Hij maakte zichzelf verdacht met zijn rare gedrag. De politie had hem ver­schillende keren ondervraagd, maar ze hadden nooit bewijzen tegen hem gevonden. Toch werd er steeds gefluisterd dat meneer Uspensky die jongetjes gemolesteerd had en dat hij ze daarna ergens gedumpt had. Soms riepen mensen hem wat na als hij weer eens aan het ronddolen was. Een enkele keer hadden twee mannen uit de buurt geprobeerd om hem een pak rammel te verkopen, maar ze konden niet tegen hem op.

Ik was bang voor hem. Roy ook, al gaf hij dat niet graag toe. Een keer had ik hem uitgedaagd om met de lift naar de negentiende verdieping te gaan. Ik zei dat hij niet door de spleet onder de voordeur van meneer Uspensky’s flat durfde kijken. Roy had de uitdaging aangenomen en was de deur genaderd. Daar ging hij plat op zijn buik liggen. Ik stond ver genoeg om op tijd weg te rennen als die deur plots open zou gaan, maar dichtbij genoeg om dat eigenaardige geluid te horen. Het klonk als de statische ruis van een of ander toestel.

Roy moest zijn wang helemaal tegen de vloer drukken om naar binnen te kunnen loeren. Vijf seconden, langer duurde het niet. Omdat hij gestommel bij de voordeur hoorde, veerde hij overeind en renden we samen weg.

Toen ik op de terugweg aan Roy vroeg of hij iets had kunnen zien, zei hij dat de hal vol radiotoestellen stond. Oude en nieuwe modellen, zowel hele grote als hele kleine die in je jaszak pasten, en ook losse onderdelen en toestellen die zelfgemaakt leken. Het was een immense verzameling, zei Roy. Dat verklaarde waarschijnlijk de statische ruis. En er stonden ook kartonnen dozen op elkaar gestapeld tot aan het plafond. We speculeerden dat meneer Uspensky er de beenderen van de jongetjes in bewaarde. Toen moest Roy overgeven en sindsdien zijn we nooit meer op de negentiende verdieping geweest.

‘Zullen we de radio weer aanzetten en proberen te achterhalen waar dat geschreeuw vandaan komt?’ vroeg Roy. Hij keek bedrukt en in zijn stem klonk pure wanhoop door. Hij moest en zou te weten komen wat er met Andy gebeurd was.

Ik was niet zeker of dat wel zo’n goed idee was. Misschien waren de gruwelen waaraan Andy onderworpen was geweest wel zo erg dat Roy nooit meer zou kunnen slapen. Maar ik begreep hoe belangrijk dit voor hem was en liep, ondanks mijn angst en afkeer voor die spookachtige stemmen, naar het toestel. Ik zette het aan. Roy en ik gingen zitten en sloten onze ogen. Opnieuw duurde het een poos voor we door de ruis heen konden luisteren. Het vergde opperste concentratie en het was net alsof we eerst in een soort trance moesten komen alvorens de stemmen ons bereikten.

Deze keer probeerde ik alle achtergrondgeluiden eruit te filteren. Ik hoopte op die manier iets van de omgeving op te vangen. Al gauw besefte ik dat we naar een speld in een hooiberg zochten. Het was bijna onmogelijk om de ruis van de achtergrondgeluiden te onderscheiden en als we dan toch iets zouden horen, dan nog was het gissen wat het was en waar het vandaan kwam.

Maar misschien zouden de laatste druppels modelbouwlijm mijn roes wel voldoende versterken om de geluiden te ontmantelen als de schillen van een ui. Ik liet het flesje leegdruppelen op mijn T-shirt en duwde het vochtige katoen tegen mijn neus.

De verschuiving in mijn geestestoestand voltrok zich enkele ogen­­blikken later. In plaats van dat de geluiden helder bij me binnen sijpelden, kreeg ik iets wat ik enkel als een visioen kan omschrijven. Een vaag, waterig beeld. Ik wist meteen dat ik het her­kende, al was het zo troebel dat ik twijfelde of het uit een droom, een nachtmerrie of een vage herinnering afkomstig was. Roy moet aan mijn gelaatsuitdrukking gemerkt hebben dat ik iets op het spoor was. ‘Hoor je iets?’ vroeg hij.

Ik gebaarde dat hij me even met rust moest laten. Hij mocht mijn visioen niet verstoren. Bovendien moest het snel gaan, want met enkele druppels lijm zou de roes hooguit een minuut of twee duren. De kleuren vielen mij als eerste op. Roestbruin met bleke, paarse vlekken. Ik zag ook een lange gang waarvan het einde onzichtbaar was. Plassen op de vloer, schimmel op de muur. Toen de geluiden van ventilatieschachten, tikkende verwarmingsbuizen en sidderende lampen één voor één door het beeld drongen, werd de film compleet.

Ik opende mijn ogen en keek Roy indringend aan.

‘En?’ vroeg hij. Zijn borstkas ging snel op en neer en zijn ogen waren overspannen met ongeboren tranen.

‘De kelder,’ zei ik.

‘Bedoel je…?’

Ik knikte.

‘Waar wachten we dan nog op?’ Roy stond op. Zijn gewrichten knakten van het lange stilzitten. De wanhoop en het verdriet in zijn blik hadden plaatsgemaakt voor verbetenheid. Hij liep naar de deur en duwde ertegen. Die ging krijsend open. Een bundel vaal daglicht stroomde de afvalruimte binnen. Omdat Roy zag dat ik hem niet meteen volgde, keek hij over zijn schouder. ‘Kom je nog?’ Hij probeerde niet eens zijn ergernis te verbergen.

Ik was als de dood voor de kelder onder het flatgebouw. Het was een reusachtig labyrint. Slechts één keer was ik er geweest, op de dag dat we verhuisd waren en mijn moeder me had gevraagd om haar te helpen enkele spullen in de kelder op te bergen. Uit nieuwsgierigheid was ik door de verschillende gangetjes gaan dwalen, langs de kelderboxen van de vele bewoners, tot ik opeens besefte dat ik me de weg terug niet meer herinnerde. De muren leken op me af te komen. Het gaf me een beklem­mend gevoel dat nog het best te vergelijken was met wurging door ijskoude handen. Zeker tien minuten heb ik daar lopen zoeken naar een uitweg uit die stinkende, vochtige en schemerige doolhof. Ik vreesde dat ik er nooit meer uit zou komen, dat ik opgeslorpt zou worden door het gebouw. Nadien heb ik er zelfs nog nare dromen over gehad. Daarom aarzelde ik toen Roy mij wenkte, maar hij was zo vastberaden om te achterhalen wat er met Andy gebeurd was, dat ik hem niet in de steek kon laten.

We liepen het flatgebouw binnen en namen de lift naar de kelder­verdieping. De ijzeren kooi schommelde tijdens de afdaling. Ik luisterde naar mijn hartslag die met elke seconde in snelheid toenam. Ik keek naar Roy. Zijn mondhoeken stonden strak van de spanning en zijn gezicht had een koortsachtige glans. ‘Denk je dat we iets zullen vinden?’ vroeg ik. Maar Roy antwoordde niet. Ik geloof dat hij me niets eens gehoord had, zo gefocust was hij.

Toen de lift tot stilstand kwam, wachtte Roy een ogenblik alvorens hij met ingehouden adem de deur openduwde. Het was onmogelijk om de stank van schimmel te negeren, zelfs als je je neus toekneep. Hij wurmde zich tussen je lippen naar binnen en prikkelde je sinussen en papillen tot je er van moest hoesten. Links en rechts reikte de gang tot in het oneindige, onderbroken door zijgangetjes die elk op zich nog ontelbare aftakkingen hadden. Het was koud in de kelder. Ik rilde en legde mijn armen over elkaar. ‘Welke kant gaan we op?’

Roy keek naar links, naar rechts en weer naar links en zei: ‘Die kant.’

De gang was slecht verlicht. Hier en daar flikkerden tl-lampen. Sommige deden het helemaal niet. Naast de lampen aan het plafond hingen verwarmingsbuizen en waterleidingen, die op verschillende plaatsen lekten. Daardoor waren er plassen ontstaan op de vloer. Roy en ik slalomden erlangs. Het was een hels karwei om hier naar Andy te gaan zoeken. Bovendien had de politie destijds het hele gebouw al uitgekamd en niets gevonden. Ik probeerde me af te sluiten voor de keldergeluiden, in de hoop het geschreeuw te kunnen horen, ergens in de verte. Of eigenlijk hoopte ik eerder niets te horen, want ik zou het in mijn broek doen en ik wilde dapper blijven voor Roy. ‘Is het niet beter als we jouw moeder erbij halen?’ vroeg ik.

‘Ben je gek?’ zei hij. ‘Ze is een wrak, ze zit onder de medicijnen. Ze kan dit niet aan.’

Roy had gelijk. We waren op onszelf aangewezen. Hij gaf de indruk dat hij wist wat hij deed, dus volgde ik hem. Ik bleef zo dicht mogelijk bij hem. Als ik had gekund, zou ik zelfs zijn hand hebben vastgehouden, maar de gang was zo smal dat als je je armen strekte, je beide muren kon aanraken. Onze voetstappen weergalmden in scherpe echo’s. Opnieuw kreeg ik het erg benauwd, net zoals vroeger, toen ik bijna was verdwaald. Ik werd een beetje duizelig en concentreerde me op mijn ademhaling zodat ik niet ging hyperventileren.

‘We moeten de kelder van die gore Uspensky vinden,’ zei Roy vast­besloten.

Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. In het gebouw woonden honderden mensen. Dat betekende talloze met traliedeuren afgesloten hokjes, verdeeld over al die donkere, smerige gangetjes. We sloegen een hoek om. Heel even lette ik niet op waar ik liep. Bijna schoof ik uit in een plas water. Door mijn poging om overeind te bleven, viel mijn oog op een wansmakelijk tafereel. Ik slaakte een kreet en maakte Roy zo aan het schrikken dat hij ook begon te krijsen, al wist hij in eerste instantie niet waarom. Tegen de muur zat een grote rat te knabbelen aan iets wat op een klein kadaver leek. Toen ik beter keek, zag ik dat het ook een rat was. Zijn buik was opengehaald. Zijn ingewanden lagen in een bloederig bundeltje op de vloer, zijn ogen waren al opgepeuzeld. De rat knabbelde onverstoord voort. Roy en ik maakten ons huiverend uit de voeten, dieper het labyrint in.

Bij elke box keken we naar het naamplaatje. Soms was het zo donker dat je de letters amper kon lezen, soms ontbrak het plaatje. Veel van de bewoners kenden we niet eens. El Bartali, Vercammen, Rodriguez, Adriaenssens, Thompson, Kitenge, en zo ging het maar door. We liepen het ene na het andere gangetje in, maar de box van Uspensky kwamen we niet tegen.

Roy en ik gingen methodisch te werk door de kelder van west naar oost uit te kammen. Na de verschillende aftakkingen van de zijgangetjes te hebben onderzocht, kwamen we weer uit op de hoofdgang om van daaruit verder te gaan. Bij sommige boxen bleven we een tijdje staan om wat zich achter de traliedeuren bevond te bestuderen. Het was absurd wat sommige mensen opborgen: een hele collectie VHS-banden van Aziatische vechtfilms, National Geographic magazines uit de jaren zeventig en een grasmaaier die compleet nutteloos was in een flatgebouw. Bij de box van ene Baeyens deinsden Roy en ik een halve meter achteruit. Half gedrenkt in schaduw, half badend in het schijnsel van een tl-lamp, stond een gestalte.

Ik bevroor ter plekke. Ik kreeg geen zuurstof meer in mijn longen gezogen. Mijn hand zocht naar die van Roy, maar vond alleen lucht. Helder denken lukte niet, maar op een onbewust niveau begreep ik dat de traliedeur die ons scheidde ons een kans gaf om weg te rennen. Ik wachtte tot de gestalte uit de schemering zou treden. Roy tikte me aan. Zijn aanraking veroorzaakte een schokgolf in mijn lichaam. Omdat de gestalte niet reageerde om mijn gil, durfde ik het aan om even opzij te kijken. Roy had een grijns van oor tot oor op zijn gezicht.

Het bleek zo’n vintage etalagepop te zijn. Met haar glazen ogen staarde de kale vrouw ons aan van achter de tralies.

‘Shit man,’ zei Roy. ‘Wat griezelig. Het lijkt hier wel een spookhuis, vind je niet?’

Ik slaagde er niet in te antwoorden. Ik had zojuist een hartverzakking gehad en snakte naar daglicht en buitenlucht.

Toen we van de schok bekomen waren, stak Roy zijn arm naar binnen. ‘Moet je haar tieten zien.’ Hij legde zijn hand als een kommetje over een van haar borsten. ‘Wil je ook eens voelen?’

Ik schudde met mijn hoofd. ‘Gaan we?’

‘Ja.’ Roys gezicht stond weer doodernstig.

We liepen terug naar de hoofdgang om het laatste stukje van de oostelijke vleugel te verkennen. Van de spanning vergat ik dat ik het koud had. Ik probeerde me voor te stellen wat we zouden aantreffen in de box van meneer Uspensky. Allerlei gruwelijke beelden flitsten door mijn hoofd. In het gedeelte waar we nu terechtgekomen waren, stond de vloer onder water. Onze voetstappen klonken loom en dromerig. Ik waande mij een ontdekkingsreiziger. Aan onze linkerzijde bevond zich het allerlaatste zijgangetje. Als we daar niets vonden, was onze zoektocht helemaal voor niets geweest.

Roy liep het hoekje om en verdween kortstondig uit mijn gezichtsveld, zodat het leek alsof ik helemaal alleen in de kelder was. Die gedachte bezorgde mij onaangename kriebels in mijn buik. Ik weet niet waarom, maar ik keek over mijn schouder en was er zeker van dat ik de dreigende gestalte van meneer Uspensky zou zien. Ik dacht dat ik zijn zware voetstappen hoorde, dat ik zijn scherp afgetekende schaduw op de muur naast mij zag. Ik was er zelfs van overtuigd dat ik hem in mijn nek voelde hijgen, koud en warm tegelijkertijd. Maar er was niemand. De gang achter mij was leeg. Leeg en eindeloos lang.

‘Hebbes!’ hoorde ik Roy opeens zeggen. Zijn stem trok me terug de werkelijkheid in. Ik liep gauw het hoekje om. Roy stond bij de box van meneer Uspensky. Ik ging naast hem staan, schouder tegen schouder, en keek door de traliedeur naar binnen. Het hok was leeg. Er stond niet één doos, er lang geen enkel papiertje op de grond. Die vaststelling was zowel een ontnuchtering als een opluchting.

‘Onmogelijk,’ zei Roy. Hij weigerde te geloven wat hij zag. Of wat hij niet zag. ‘Er moet iets zijn. Iets.’ Zijn stem sloeg over. Gefrustreerd morrelde hij aan het hangslot dat rond de traliedeur zat. Daarna trapte hij ertegen. Het ijzeren geluid zinderde nog enkele seconden na. Hij beet op zijn lip tot er bloed uitkwam.

Ik zag de woede in Roys ogen en probeerde hem tot bedaren te brengen door mijn arm om zijn schouders te leggen. Zijn woede maakte plaats voor verdriet. Tevergeefs deed hij moeite om zijn tranen te bedwingen. Hij begon te snikken. Ik liet hem begaan. Gedurende enkele minuten keken we naar het lege hok. ‘Kom, Roy,’ zei ik uiteindelijk, ‘dit heeft geen zin.’

Zonder iets te zeggen draaiden we ons om. Op het moment dat we de hoek om wilden gaan, greep een verre, gekwelde gil ons bij het nekvel. Roy en ik bevroren ter plaatse. Ik zweer je dat ik nog nooit in mijn leven zo bang ben geweest als toen. Aanvankelijk probeerde ik mezelf nog wijs te maken dat het de metalige klank van de verwarmingsbuizen was, of een kelderdeur die door een andere bewoner geopend werd, ergens diep in de doolhof. Maar het geluid was overduidelijk afkomstig van een stem, deze keer niet verstoord door de ruis van de radio.

‘Hoorde je dat?’ vroeg Roy. Zijn stem trilde. In het tl-licht zag hij er lijkbleek uit. Het was een overbodige vraag, meer bedoeld om zijn eigen ongeloof onder woorden te brengen.

Heel langzaam, alsof we enkel nog in slow motion konden bewegen, draaiden we ons weer om. Toen ik aan het eind van de gang de traliedeur als een mond vol rotte tanden zag grijnzen, kreeg ik overal kippenvel. Mijn ingewanden deden pijn, alsof ze door een stel scherpe klauwen uit mijn buik werden gerukt en in een ijsbad werden gedumpt. Ik huiverde ervoor om te gaan kijken waar dat verlammende gegil vandaan kwam, maar we hadden geen keuze. Ondertussen was het water op de vloer doorgedrongen tot in mijn sokken en had ik ijskoude voeten gekregen.

Zij aan zij liepen Roy en ik naar de deur. Toen we dichterbij kwamen, weerklonk het meerstemmige gegil opnieuw. Nog steeds ver weg, maar kraakhelder, bijna tastbaar. En er bestond geen twijfel over: het was afkomstig uit de kelderbox van meneer Uspensky.

Roy morrelde opnieuw aan het slot. Het was oud en verroest en niet erg stevig, net als de traliedeur. ‘We moeten naar binnen,’ zei Roy, terwijl hij een manier zocht om het slot te ontgrendelen. Ik had al snel door dat enkel bruut geweld ons binnen zou krijgen. Roy gaf een ruk aan het slot, ik stampte tegen de deur en dat deden we tientallen keren tot we buiten adem waren en het zweet in onze verbeten frons parelde. Ondertussen konden we nog steeds het geschreeuw horen.

Na een zoveelste poging brak het slot. Rinkelend viel het op de grond en een seconde later zwaaide de traliedeur open. Het moment was zo onverwacht dat we even niet wisten wat te doen.

Roy was de eerste die het hok betrad, omringd door de spookachtige echo’s. Hij zocht naar de lichtschakelaar. Een gloeipeertje dat aan het plafond bengelde sprong aan en wierp een urinekleurige gloed over de omgeving. Roy keek omhoog, omlaag en naar de muren, op zoek naar zijn broertje. Ik herinner me nog dat ik me afvroeg of de stemmen toch van geesten afkomstig waren. Ik kon me niet voorstellen dat al die jongetjes ergens in de muur verborgen zaten zonder dat de speurders hen gevonden hadden. Uitgerekend die dag hadden ze met ons contact gezocht. Ik geloof dat het voorbestemd was.

‘Wat nu?’ vroeg Roy wanhopig.

Ik moest hem het antwoord schuldig blijven. We stonden voor een raadsel. Tegelijk legden we ons oor tegen de muur. Het was duidelijk dat de geesten daar achter het beton ronddoolden, gevangen in het gebouw en in een gruwelijke herinnering.

Ergens in de muur ontdekte ik een scheur. Ze viel eerst niet op omdat ze bepleisterd was, maar de lichtinval verried een oneffenheid. ‘Moet je dit zien,’ zei ik tegen Roy. Ik wees naar de plek op de muur waar de scheur dichtgesmeerd was.

Roy aarzelde niet. Hij begon als een bezetene de bepleistering los te peuteren. Ik deed met hem mee. Eerst gebruikten we onze vingernagels en toen dat te traag ging, onze huissleutels. De brokjes kwamen gemakkelijker los dan ik verwacht had. De scheur werd zienderogen groter en voor we het goed en wel beseften, was er een gat ontstaan waar Roys arm precies doorheen kon.

De stemmen klonken nu onwaarschijnlijk dichtbij. Dichtbij, maar anders dan voorheen. Met het openen van het gat in de muur had het geschreeuw en gehuil plaatsgemaakt voor gegiechel en het typische geluid van spelende jongetjes. Op hetzelfde moment waaide er een ijskoude wind uit het gat naar buiten. De wind streek langs mijn gezicht en dat van Roy. Zijn haren wapperden en ik voelde hoe een rilling over mijn ruggengraat liep. Ik klappertandde. Roys mond zakte open van verbijstering. Er bungelde een speekseldraad uit zijn mondhoek.

We waren zo betoverd door wat er gebeurde dat we als aan de grond genageld stonden. Ergens tussen al die stemmen meende ik die van Andy te herkennen. Roy ook, want hij sprak de naam van zijn broertje uit. Er werd nog meer gelachen. Blije geluiden van kinderlijke vreugde. Niet zoveel later ging de ijzige wind liggen en met het verdwijnen van de kou, verstomden ook de stemmen.

Terwijl ik nog moest bekomen van deze akelige en tegelijkertijd wonder­lijke gebeurtenis, gluurde Roy door het gat. Hij zag niets, zei hij. Daarop stak hij zijn arm erdoor.

‘Voel je iets?’ vroeg ik.

Roy schudde zijn hoofd.

Ik kreeg een ingeving. Het plafond van de kelder was tamelijk laag. Als ik op mijn tenen stond, kon ik het peertje aanraken. Het was gloeiend heet, dus deed ik mijn T-shirt uit en wikkelde het rond mijn hand. De elektrische draad liep over het plafond en was vastgemaakt met twee ijzeren klemmetjes. Als ik er hard genoeg aan trok, maar toch voorzichtig zodat de draad niet zou knappen, kon ik het peertje naar beneden brengen om het als zaklamp te gebruiken. De klemmetjes sprongen onmiddellijk open en zo kwam de draad los. Roy nam de lamp van me over en scheen ermee in het gat.

Ik vroeg hem of hij iets zag, maar hij zweeg. Ik probeerde mee te kijken over zijn schouder, wat niet lukte. ‘Wat zie je?’ vroeg ik nogmaals. In plaats van te antwoorden, draaide Roy zich om. Hij stond met zijn rug tegen de muur en liet zich onderuit zakken. Daarna trok hij zijn knieën op en klemde beide armen eromheen.

‘Wat is er?’ Ik wilde weten wat hij gezien had.

Roy staarde verweesd voor zich uit. Zijn mondhoeken trilden. Bijna liet hij de lamp uit zijn handen vallen, maar ik kon hem nog net opvangen, ook al leverde me dat een brandwond op in mijn handpalm. Roy was niet meer in staat om iets te zeggen. Ik nam mijn T-shirt uit zijn handen en wikkelde het opnieuw rond de hals van de lamp zodat ik zelf door het gat kon kijken.

Nog elke dag wens ik dat ik dat nooit gedaan had.

Achter de muur bevond zich een holte, half zo groot als de kelderbox. In de stralenkrans van het gloeipeertje glansden bleke objecten. Ik had even tijd nodig om het beeld tot mij te laten doordringen. Het waren onvol­groeide beenderen en schedels. Ze waren opgezet met draad en metalen pinnen en in verschillende poses gemanoeuvreerd. Twee skeletjes waren verwikkeld in een doodskus, enkele anderen leken een heksensabbat te dansen rond een denkbeeldig vuur. Hun armen en benen hingen in eigenaardige hoeken. Van sommige stonden de kaken open in een macabere grijns. Uspensky had ze uitgestald als marionetten. Ergens daartussen moest Andy staan.

Terwijl Roy nog steeds zwijgzaam en rillend van de schok voor zich uit zat te staren, begon ik te braken. Een zure smaak nestelde zich in mijn keelholte. Mijn slokdarm deed pijn. Ik probeerde het beeld te vergeten, maar kon het niet weerstaan om nogmaals naar binnen te kijken. Deze keer telde ik de skeletten. Het waren er zeven.

Er was iets anders dat me opviel: tientallen reflecties tegen de wand erachter. Het duurde enkele seconden voor ik doorhad dat het foto’s waren. Ik moest mijn ogen tot spleetjes knijpen om te kunnen zien wat er op de foto’s stond. Mijn maag keerde om bij de beelden van Uspensky die met zichzelf speelde in het bijzijn van de dode lichaampjes. Hij had ze in alle stadia van ontbinding gefotografeerd, de ene keer alleen, dan weer in zijn omhelzing, tot het punt waarop ze geraamtes geworden waren. Alsof het poppen waren had hij de lijkjes in suggestieve houdingen gedwongen.

De kwaliteit van de beelden was te slecht om af te leiden waar ze genomen waren.

Mijn slokdarm trok weer samen. Braken lukte niet meer, mijn maag was al leeg. Ik wendde mijn blik van de foto’s af. Nog voor ik me omdraaide, merkte ik in een oogopslag dat alle kinderen hun schoenen nog aanhadden. Met de lamp bescheen ik elk paar voeten, tot ik Andy’s zwart-witte All Stars zag en een brok in mijn keel kreeg.

Ik kan me niet meer herinneren hoe lang we daar gezeten hebben. Het konden twee minuten geweest zijn, maar evengoed twee uur. Uiteindelijk vroeg ik aan Roy wat we moesten doen. ‘Jouw moeder mag dit niet zien,’ zei ik. ‘Maar mijn moeder kunnen we wel inlichten. Of zullen we zelf de politie bellen?’

Roy liet mijn woorden bezinken. Hij ademde diep in en uit. Zijn tranen waren opgedroogd, zijn blik was hard. Hij zag er opeens een stuk ouder uit, alsof hij na het zien van de beenderen op slag volwassen geworden was. Ik geloof dat dat ook echt het geval was. Al die tijd had hij gehoopt dat hij Andy ooit zou terugzien. Die hoop had hem overeind gehouden, maar nu was hij gebroken. ‘Nee,’ zei hij koud, ‘ik heb een beter idee.’

Hij stond op, liep naar de hoofdgang en vervolgens naar de lift. Zijn tred was zo vastberaden dat ik hem met moeite kon bijbenen. ‘Wat ben je van plan?’ wilde ik weten. Maar hij zweeg. Hij drukte op het knopje van de lift. Toen die er was, stapten we in. Daarna drukte hij op het knopje van de negentiende verdieping. Plots kreeg ik het heel benauwd. De lift klom langzaam omhoog en met elke verdieping voelde ik de spanning in mijn spieren toenemen. Mijn handpalmen werden klam van het zweet. Opnieuw vroeg ik Roy wat zijn bedoeling was, maar hij liet niets los. Ik begreep dat aandringen geen zin meer had.

Op de negentiende verdieping kwam de lift tot stilstand. Het leek een eeuwigheid te duren voor de liftdeur opende. In die tijd stelde ik me voor wat er allemaal kon gebeuren. Mijn gedachten waren één grote chaos, overspoeld door angst en opwinding. Verschillende scenario’s flitsten door mijn hoofd. Toch was ik verrast toen Roy begon te spreken, met een bevende stem die niet als de zijne klonk. ‘Volg me.’ Meer zei hij niet. We liepen naar de trappenhal. Alleen van daaruit kon je naar het dak van het flatgebouw, via een luik in het plafond. Roy gebood me om naar boven te gaan.

‘Waarom?’ vroeg ik. Ik was bang.

‘Geen vragen, doe gewoon wat ik zeg.’

‘Roy, laten we alsjeblieft geen domme dingen doen.’

Roys ogen gloeiden als kooltjes. Hij hoefde niets meer te zeggen, ik gehoorzaamde hem. Samen liepen we het dak op. Hij trok me bij mijn pols naar de dakrand die hoog uittorende boven de grijze snelweg waar honderden auto’s als tetrisblokjes langs elkaar heen schoven. Het waaide. De rand van het dak kwam tot aan mijn middel. Roy en ik keken elkaar aan. Hij gebood me om op de rand te gaan zitten. Ik durfde niet naar beneden te kijken. Ik beet op mijn lip, vocht tegen de tranen. Ik wilde hem smeken om uit te leggen wat hij van plan was, maar wist dat het geen zin had. Toen zei Roy: ‘Blijf hier op me wachten.’ Hij draaide zich om, liep terug naar het luik en verdween.

Ik kon onmogelijk weten wat er daarna zou gebeuren. Die dag was de laatste keer dat ik met Roy sprak. Op het dak, daar heb ik zijn laatste woorden gehoord. Blijf hier op me wachten. Nooit heeft hij me kunnen vertellen wat er precies in zijn hoofd omging op dat moment, maar ik heb voor mijzelf een reconstructie gemaakt en ik ben er bijna zeker van dat het zo is gelopen.

Roy ging terug naar de negentiende verdieping. Daar liep hij naar de flat van meneer Uspensky en belde aan. Toen meneer Uspensky de deur opende, vertelde Roy hem een smoes die hij in de kelder verzonnen moest hebben. Hij gebruikte mij als lokaas en zei dat ik vastzat op het dak, of zoiets, omdat hij wist dat meneer Uspensky de verleiding niet zou kunnen weerstaan om een jongetje in nood te helpen; een heldhaftige daad die om een wederdienst vroeg. Waarschijnlijk vertelde Roy hem dat we nieuwsgierig waren naar hoe het zou zijn tussen de wolken, maar dat ik bij het beklimmen van de dakrand plots zo bang was geworden dat ik er niet meer af durfde, omdat ik vreesde dat ik naar beneden zou donderden. Zoiets moet het geweest zijn.

Meneer Uspensky volgde Roy gretig en kroop met zijn lange, hoekige lichaam door het luik. Toen ik mijn hoofd draaide, zag ik ze allebei staan: Roy in de schaduw van die nare man. Uspensky had een vreemde grijns op zijn gezicht, het soort grimas van iemand die verrast is door de grote opportuniteit die hem plots in de schoot geworpen wordt. Hongerig en vervuld van ongeloof tegelijkertijd. Hij hinkte mijn richting uit, met Roy in zijn kielzog. Uspensky zei niets, hij keek gewoon naar mij. Hij bestudeerde mij van top tot teen zoals een slager het karkas van een varken bekijkt om te zien welk stuk vlees hij eerst zal aansnijden. Ik kreeg er een onbehaaglijk gevoel van. Ik wilde weg van de dakrand, maar blok­keerde toen ik in Uspensky’s donkere, glimmende ogen keek.

Voor ik het besefte stond hij naast mij. Ik had hem nog nooit van zo dichtbij gezien. Het was een imposante gedaante. Ik klemde mijn handen stevig om de dakrand en maakte aanstalten om op te staan, klaar om weg te rennen. Uspensky opende zijn mond om iets te zeggen. Nog voor de klanken zijn keel verlieten, zag ik in mijn ooghoek hoe Roy kwam aangestormd en Uspensky een stevige duw in de rug gaf. Met moeite kon ik bevatten wat er gebeurde.

Uspensky wankelde. Zijn enorme lichaam helde naar de afgrond. Hij zette zijn ene voet voor de andere, in een poging zijn evenwicht te bewaren, maar wanneer zo’n massief gewicht eenmaal in beweging komt, is het bijna onmogelijk om het te stoppen. Het was net een dronken­mansdans. Pure paniek overtrok Uspensky’s gezicht. Hij klapwiekte met zijn lange armen en perste een oerkreet uit zijn longen. Zijn lichaam helde alsmaar meer over. Toch hervond Uspensky op het laatste moment zijn evenwicht. Hij graaide met zijn armen naar de dakrand en hield zichzelf tegen.

In de tussentijd was Roy – die door de duw zelf achteruit gekatapulteerd was – weer overeind gekomen. Opnieuw stormde hij op Uspensky af en gaf hem een tweede duw. Deze keer ging het vanzelf. Uspensky verloor zijn grip en tuimelde naar beneden met een langgerekte schreeuw. Ik zag hem steeds kleiner worden zonder te beseffen wat er eigenlijk gebeurde. Tot hij de grond raakte. De klap was tot boven te horen. Gevolgd door bloed. Veel bloed. Ik hield mijn hand voor mijn mond, geschrokken en gechoqueerd door de nietigheid van een mensenleven. Ik kan niet zeggen dat ik blij was, maar ik weet wel dat ik geen medelijden had met die ouwe viezerik.

Lange tijd bleef ik gapen naar dat lichaam, dat in een onnatuurlijke hoek op de grond lag, met ledematen die als een waaier van vlees in een steeds groter wordende plas bloed lagen. Van bovenaf leek het net een bloem. Een perfect plan van Roy. Iedereen zou geloven dat die perverse ouwe zak zelfmoord had gepleegd.

Ik was zo gefixeerd op zijn lijk dat ik niet had gezien dat Roy naast mij op de rand was komen staan. Ik zag hem pas toen hij in mijn ooghoek als een zwevend object in de lucht hing. Enkele seconden later lag Roy naast Uspensky op de grond. Hij had niet eens gegild.

Ik kon niet geloven dat Roy gesprongen was. Niet hij. Zoiets zou hij nooit doen. Niet de Roy die ik zo goed kende en waar ik zoveel herinneringen mee had gedeeld. Maar zoals ik zei was hij eerder die dag in de kelder gebroken. Misschien was hij daar al wel gestorven. Ik keek over mijn schouder in de hoop dat alles slechts een illusie was en dat hij nog steeds achter me stond, met een steelse glimlach op zijn gezicht. Met zijn typische uitdrukking als hij weer eens kattenkwaad had uitgehaald. Dat gezicht mis ik nog steeds, en hoe harder ik Roy probeer te vergeten, hoe meer ik hem zie lachen.

Fragmenten : Sophia Drenth

Eerste fragment

 

Het levenloze lichaam van ons kind lag op Matines schoot. Haar vingers beten in Anthoons dode vlees. Onbewust probeerde ze hem nog steeds te wekken. Misschien zou hij eindelijk reageren als ze het nog één keer probeerde.

Vijf dagen geleden was Anthoon nog een gezonde jongen van vier die vol levenslust met zijn houten paard speelde. Inmiddels was hij mors­dood, geveld door een hardnekkige buikloop. Nachtkleed was doods­gewaad geworden.

Zo snel kan het gaan.

Ik weigerde te bevatten dat hij er niet meer was. Terwijl fotomeester Willings zijn apparatuur opstelde, probeerde ik me voor de geest te halen wanneer ik voor het laatst had gehuild, maar mijn onderkoelde brein hield de herinnering op afstand.

Matine had de hele dag nog geen stom woord gesproken. Ze liet zich als een pop dirigeren door de maestro van licht en schaduw, want dat deed je als een geliefde stierf: dan liet je die laatste foto maken zodat je hem of haar nooit vergat.

Hadden we dat maar gedaan toen Anthoon nog leefde, maar het was simpelweg te duur. Nu het te laat was spaarden we kosten noch moeite. De ironie ervan raakte me recht in mijn maag. Een houterig glimlachje trok aan mijn mondhoeken. Misschien was het beter om te lachen dan te huilen. Wat moest ik anders?

Matine had haar blik van de grote balgcamera afgewend, zoals gebruikelijk in de rouw. Rok en crinoline waaierden rondom haar uit. Haar strak ingeregen korset hield haar bovenlichaam in een kaarsrechte greep gevangen. Een zwartkanten omslagdoek – geleend van moeder – lag over haar schouders. Precies zoals haar was opgedragen, hield ze Anthoon op haar linkerarm zodat zijn gezicht het licht goed ving.

We hadden volgens Willings geluk dat het zo’n mooie dag was. Zonover­goten. Hij gebood Matine op fluistertoon doodstil te blijven zitten en ver­wijderde de lenskap. De secondes tikten weg, terwijl zijn blik op zijn zakhorloge was gebrand. Ik hield mijn adem in zolang ik kon om het moment niet te verstoren.

Alsof ze uit een nachtmerrie wakkerschrok, draaide Matine haar gezicht. Ze staarde recht in de lens. Haar verdoofde blik werd overspoeld door wanhoop. Hoewel ze mij niet aankeek, herkende ik het moment direct. Ik had het moeten zien aankomen. Of ze wilde of niet, mijn vrouw begon naar een andere tijd te vallen.

Voor haar was tijd geen rechte lijn van geboorte tot graf en ik had geweten waar ik aan begon toen ik haar ten huwelijk vroeg. Verpand je hart aan een tijdzwemmer en je bent verdoemd tot vele uren van een­zaam­heid. Lang had ik mogen hopen dat ze dezelfde weg met mij zou bewandelen, tot in het graf.

Ik nam er geen genoegen mee dat ze er zomaar tussenuit kneep. Niet deze keer! Zij was niet de enige die door verdriet werd verscheurd. Een bijna dierlijke grauw verliet mijn lippen terwijl ik op haar af dook, maar het was te laat.

Anthoon bleef alleen achter. In plaats van Matine greep ik hem met beide handen beet. Ik kon maar net voorkomen dat zijn lichaam op de grond tuimelde. De zoete geur van zijn blonde krullen werd reeds over­schaduwd door de stank van verval. Ik ondersteunde zijn weg­zakkende hoofd, drukte hem stevig tegen me aan en fluisterde in zijn oor dat alles zou goedkomen. Precies zoals ik had gedaan toen vrouwe dood zijn laatste adem stal.

 

*

 

Ze keek me bestuderend in de ogen. Drie dagen geleden had ze opeens weer op de stoep gestaan. We lagen samen in bed in de schaars gemeubi­leerde kamer die ik bij mevrouw Leenders huurde voor een duit per week. Een vervallen zootje met bladderende verf en vochtplekken op muren en plafond. Het was ergens in de middag. Geen idee hoe laat precies. Dat deed er niet toe.

Altijd volgden er een paar dagen van intens liefhebben na haar onver­wachte terugkeer, waarin we alles vergaten behalve elkaar.

Verwondering vulde haar stem: ‘Telkens weer laat ik je in de steek en toch blijf je van me houden.’

‘Niet alleen houd ik van je. Ik zal ook op je wachten. Het maakt me niet uit hoelang het duurt.’ Dat was een leugen. Jaloezie ploegde door mijn ingewanden ook al wilde ik het niet toegeven. Ik voelde me minder dan zij in mijn rechtlijnige bestaan, alsof mijn liefde tekortschoot omdat ik me alleen maar voorwaarts door de tijd kon bewegen. Elke keer gelaten afwachten tot en óf ze weer terugkwam. Haar haatte ik er niet om. Zij kon er niets aan doen. Ik haatte alleen mezelf vanwege mijn incompetentie om door de tijd te kunnen lopen zoals zij.

Ik legde mijn handen aan weerszijden van haar gezicht en kuste haar, hongerig alsof ik bang was dat ze in rook zou opgaan. ‘Neem me mee. Ik wil geen dag meer zonder jou,’ fluisterde ik. De woorden klonken zo banaal, terwijl onze liefde alles behalve banaal was.

Ze ontweek mijn blik en schudde haar hoofd. ‘Zelfs al zou het kunnen: jij bent mijn baken. Dankzij jou vind ik deze tijd terug. Zonder jou ben ik verloren tussen nu en gisteren.’

Ik lachte onbeholpen. Haar woorden maakten dat ik me ongemakkelijk voelde. Zo bijzonder ben ik niet. Maar ze meende elk woord. Matine sprak niet lichtvaardig over tijdzwemmen en wat het met haar deed.

Op haar rug liggend staarde ze naar het plafond. De vlek links noemden we de eend en de kleinere daaronder het kuiken, alsof we op een zomerdag naar de wolken keken. ‘Sommige mensen stralen feller dan andere,’ zei ze. ‘Zij zijn ankers in de tijd. Ik ben maar een tijdzwemmer, maar jij bent meer dan al die anderen. Ik vond je vlak voordat je over de rand van het leven viel en ik wist dat ik mijn leven lang van je zou houden.’

Misschien was het waar; misschien brandde mijn leven harder dan dat van anderen wanneer zij er niet was en vond ze mij terug dankzij mijn wanhoop.

Nooit vertelde ze me de datum van mijn verscheiden. Dat was niet kies en ze was een dame van haar kruin – waar ik zo graag een kus op drukte – tot aan haar kleine tenen. En ook die kuste ik vaak genoeg.

‘Waar ik ook ga, ik keer bij je terug,’ drukte ze me op het hart. ‘Wat er ook gebeurt, op dat laatste moment ben ik bij je. Ik zou willen dat ik je meer kon bieden. Ik neem het je niet kwalijk als het niet voldoende is.’

‘Ik wacht,’ verzekerde ik haar, ‘tot mijn laatste snik.’

Ze draaide zich op haar zij en kuste me op het puntje van mijn neus. ‘Tot de dood ons scheidt. Beloofd. Ik wil niets liever dan samen oud worden zonder angst dat de tijd tussen ons komt.’

Toen had ik het haar gevraagd. Zodra ze de ring met zijn groene steen zag, had ze ja gezegd. Al dagen brandde het sieraad in mijn zak. Nooit vertelde ik haar dat ik allang wist dat we nooit samen oud zouden worden. Ik vermoedde dat ze zich heel goed realiseerde dat ik reeds hetzelfde moment met haar had gedeeld als zij met mij. Uit respect voor de tijd die we wel hadden spraken we nooit over elkaars laatste momenten.

 

*

 

Zes jaar, twee maanden en achttien dagen bleef ze aan mijn zijde als mijn vrouw. Het was onze langste tijd samen, waarin ik domweg vergat hoe het voelde om de achterblijver te zijn. Een paar keer was het me gelukt om haar tegen te houden. Dan had een kus of een simpel ik hou van je haar ervan weerhouden om de roep van de ruimte tussen de tijd te gehoorzamen. Maar vandaag was haar wanhoop te groot. Ze kon niet anders.

Zo liet ze ons achter: hem als een koude zak graan en ik als de man die beter had moeten weten. Mezelf tegen het verdriet en de woede verbijtend, onderdrukte ik een wanhoopskreet. Ik zou Anthoon, haar kleine prins, alleen begraven.

 

Tweede fragment

 

Matine vond mij terug toen ik vijftien was. Op dat moment had ik natuurlijk geen idee wie ik voor me had, dat we zouden trouwen en een kind krijgen, elkaar talloze keren zouden verliezen en opnieuw ont­moeten. Het was de eerste keer dat we elkaar zagen en het was gek genoeg ook de laatste keer.

De weide rondom de vijver in het Siegfriedpark was afgeladen na de kerkdienst. Gezinnen, jonge stelletjes en leerlingen van het Arendsnest in hun zwarte uniformen en gele cravates bespikkelden het gras. De eerste echte lentedag van het jaar straalde ons tegemoet.

Terwijl mijn ouders met de andere volwassenen rond het theepaviljoen verpoosden om de laatste roddels uit te wisselen, speelden de jongere kinderen met ballen en bootjes rond het water. We zagen elkaar alleen in het weekend, maar ik had weinig behoefte om met mijn familie op te trekken. Mijn moeder begreep ik niet. Het was wederzijds en we deden geen moeite om het te veranderen. Vader was imposant en luidruchtig, zowel van postuur als van inborst. Mijn zusjes waren verwaande krengen. Dat zijn ze nog steeds. Positie verliezen heeft daar niets aan veranderd. Het heeft hun onhebbelijkheden juist vergroot. Een stap terug moeten doen op de sociale ladder – meerdere zelfs – maakt de mooiste vruchten rot. Mijn beurse plekken zien simpelweg het daglicht niet, want ook wonden groeien onder aandacht van de zon.

Ik nestelde me met mijn boek onder een dikke eik, uit het zicht van de bemoeizucht van moeder en de botte opmerkingen van vader, en probeerde de opgaven algebra in mijn hoofd te stampen. Hoewel mijn handen klam werden bij de gedachte aan de toets van morgen, dwaalden mijn gedachten regelmatig af. Ik leunde mijn hoofd tegen de boomstam en keek op naar de takkenkroon hoog boven me. Als ik mijn ogen sloot kon ik bijna horen hoe de eik op barsten stond, klaar om ontelbare bladeren te ontvouwen. Het naderende leven overstemde het geluid van de spelende kinderen. Ik hunkerde net zoals de boom om mijn bladeren uit te spreiden en volledig tot bloei te komen.

‘Eduard! Daar ben je.’ De vrouw kwam in zelfverzekerde stappen op me afgelopen. Een lichtgroene jurk volgde de welvingen van haar lichaam, in vorm gehouden door de lijnen van korset en crinoline. Haar sleep hobbelde over het perfect geschoren gras achter haar aan. Een parmantig hoedje in dezelfde kleur als haar jurk prijkte op haar hoofd, goudblonde haren waren in keurige krullen opgestoken. Ze klapte haar parasol in en klemde hem onder haar arm. Prachtig was het enige juiste woord om haar te beschrijven en niet eens omdat ze zo verschrikkelijk mooi was. Nee. Ouder dan moeder, maar volledig in bloei met een sprankeling in haar ogen die de mensen om me heen misten. Het was net alsof ze licht gaf.

Hoewel ze me bij naam had genoemd, kwam ik overeind en staarde verward om me heen. Ze had het echt tegen mij. Verder bevond zich niemand binnen gehoorafstand.

Ik geef toe dat ik altijd een beetje een schlemiel ben geweest, een studiebol die zijn kennis nauwelijks in woorden weet te vatten. Niet bepaald handig als je een talenknobbel bezit en het begrip voor cijfers je niet komt aanwaaien.

De glimlach op haar lippen was de meest oprechte lach die mij tot dan was geschonken. Nooit eerder was iemand zo blij geweest om mij te zien. Voor ik goed en wel begreep wat er gebeurde, drukte ze haar mond op die van mij. Als ze – in mijn ogen – niet zo adembenemend was geweest en ik niet zo verdomd hitsig met mijn vijftien jaar oud, had ik haar van me afgeduwd. Ik liet me door haar liefkozingen overrompelen.

Nooit eerder was ik zo gekust, zo onstuimig, dorstig en teder tegelijk. Mijn hart dreunde achter mijn adamsappel en het bloed schoot naar mijn hoofd en mijn kruis. Haar parfum vulde me. Geen bedwelmende geur van tuberoos en gardenia zoals moeder graag droeg en waar ik eerlijk gezegd barstende hoofdpijn van kreeg. Een subtiele geur, vol beloftes waarvan ik het bestaan niet kon bevroeden. Gewoon perfect, net zoals zij.

‘Eindelijk heb ik je gevonden,’ mompelde ze tussen twee kussen door. ‘Het spijt me zo, lieverd, dat ik je in de steek liet. Ik kon niet anders. De pijn was te groot. Vergeef me. Vergeef me, alsjeblieft.’ Ze legde haar handen aan weerszijden van mijn gezicht en zoog op mijn onderlip. Mijn hoofd tolde.

‘Maar wie bent u?’ stamelde ik, zodra ze me een hap lucht gunde.

‘Ik ben je echtgenote.’ Ze trok haar handschoen uit en toonde me de gouden ring met een lichtgroene steen aan haar vinger alsof dat alles verklaarde.

Op dat moment riep Cecile me en waar Cecile ging, volgde Antoinette als een identieke schaduw in haar kielzog.

De vrouw maakte zich van me los en stapte achteruit. ‘Zie ik je morgen? Hier? Zelfde tijd?’ Ze wierp me een knipoogje toe. ‘We hebben zoveel in te halen.’

Voordat ik ook maar iets kon beamen of tegenspreken, kwamen mijn zussen aangedraafd. ‘Met wie stond je te praten?’ vroeg Cecile buiten adem.

Ik keek om me heen en haakte mijn wijsvinger achter mijn gesteven boord. Mijn nek gloeide, rood gevlekt van opwinding ongetwijfeld.

De vrouw was verdwenen.

‘Met niemand,’ sputterde ik. Het was niet eens een leugen.

 

*

 

De volgende dag ging ik vanzelfsprekend niet naar het park terug. Ik zou wel gek zijn. Wat moest ze van me? Beweren dat ik haar man was. Ze was ongetwijfeld uit het dolhuis ontsnapt. Dat ze daar veel te goed voor gekleed ging, vond ik geen argument. Ook rijke mensen verloren hun verstand.

Maar de gedachte aan haar liet me niet met rust. Ik kon aan niets anders denken. Stomme kalverliefde, meer niet. Echt iets voor mij om voor een gekkin te vallen.

Ik trok me terug op zaal om te studeren, ging op bed liggen en dreunde de Regels van Withaubt in gedachten op. Stomme cijfers. Ik had er niets mee.

Steeds weer voelde ik haar lippen op de mijne branden. Ik sloeg mijn arm voor mijn ogen en zuchtte. De geur van haar parfum hing nog in mijn frak. Lelietjes-van-dalen met een knipoogje roos. Een knipoog. Nogmaals zuchtte ik. De honger zwol aan tot een fysieke kwelling. Ik moest meer van haar proeven.

Na mijn toets vakkundig verprutst te hebben, draafde ik richting Sieg­fried­park met mijn boeken onder de arm, biddend dat ze op me wachtte.

 

*

 

Twee weken lang zagen we elkaar dagelijks op ons plekje onder de eik. Kussen werden al snel meer dan kussen alleen. Ze maakte een man van me. Een omslachtig en weinig elegant gebeuren, grotendeels dankzij mijn nervositeit maar ook door haar crinoline, onderkleding en wat al niet meer. Het moment had meer weg van een archeologische opgraving dan van verhitte liefde.

Het kon me niet schelen of ze loog of de waarheid sprak met haar verhaal dat ze uit de toekomst kwam. Ik verkeerde in haar ban en dreef op haar liefde.

 

*

 

Op een dag liet ze me wachten. Ik verdiepte me in de filosofieën van Dominicus Dominicaan tot het te donker was om te lezen. Het blauwe uur kwam en ging. De winter lag nog op de loer in de aarde en rekte zich uit nu de zon was ondergegaan. Ik huiverde, had alleen mijn schooluniform aan. Mijn jas was ik vergeten. Ik had er dan ook niet op gerekend dat ik zo lang zou wegblijven. De poort van het Arendsnest was inmiddels gesloten en mijn afwezigheid zou niet onopgemerkt blijven tijdens het avond­gebed. Hoewel ik wist dat ik gruwelijk op mijn kop zou krijgen van hoofd­meester Fulkner bleef ik wachten.

Die dag leerde ik dat liefde niet alleen geeft, maar dat het een onbe­zonnen kreng is dat evengoed neemt. Gewoon wanneer ze er zin in heeft.

Met de moed in mijn schoenen sjokte ik uiteindelijk terug naar school. Ik had geen haast. Het leed was al geleden. Onderweg probeerde ik een goede smoes te verzinnen, maar alles wat er in me opkwam was klink­klare onzin. De waarheid opbiechten leek de beste optie, een deel ervan althans.

Opschudding rondom een wagen volgeladen met tonnen bier trok mijn aandacht. Nieuwsgierig liep ik op het tumult af. Even kon ik mijn eigen misère vergeten, zo beloofde de consternatie op de Rijkskade.

Een voet gehuld in een geladderde kous. Meer zag ik aanvankelijk niet van haar. Er was zoveel volk toegestroomd dat het middelpunt van alle ellende verloren ging tussen de zich verdringende ramptoeristen. Ze stonden rijen dik om haar heen. Een vrouw begroef haar gezicht tegen de schouder van haar man. Snikkend stond ze in zijn omarming. Geen hulp zou nog baten, dat was meteen duidelijk.

‘Ze stapte zo voor me!’ riep de wagenmenner tegen de agent die samen met zijn maten de orde probeerde te herstellen. Een van hen regelde het verkeer, een ander hield de paarden rustig. De derde noteerde getuige­nissen.

‘Ik kon er niets aan doen. Ze verscheen uit het niets.’ De man zocht naar bijval onder de omstanders en kreeg die van een in een lichtgrijs zomerkostuum gestoken man die aan een sigaartje stond te lurken. ‘Zomaar uit het niets, als een geest,’ bevestigde deze.

Als verlamd staarde ik naar het tafereel. Steeds zag ik wat meer tussen de bewegende omstanders door: stukjes gebroken ellende. Het moest een leugen zijn. De ring aan haar verbrijzelde vinger met zijn opvallend groene steen schemerde door een aan stukken gereten handschoen. Vreemd genoeg zat er geen krasje op. Ze lag op haar buik. Slechts de helft van haar gezicht was zichtbaar. Haar oog stond wijd open, verrast bijna, en haar lippen weken een eindje van elkaar alsof ze nog iets wilde zeggen. Een donkere plas bloeide op rond haar aangerande lichaam.

Tegen de tijd dat het me duizelde en ik naar adem stond te happen, dekte iemand haar toe met een smoezelig vod van een deken, maar het gebaar was niet in staat om het verschrikkelijke beeld van mijn netvlies te wissen.

Zo eenvoudig verdween ze uit mijn leven.

 

*

 

Verdoofd bekende ik tegenover hoofdmeester Fulkner waar ik was geweest, wat ik had gezien en wat ik had gedaan met een vrouw die beweerde dat ze uit een toekomst was gekomen waarin we getrouwd waren.

Het dozijn roedeslagen op mijn knokkels had zeker een handje meege­holpen om mijn tong los te maken. In horten en stoten gaf ik veel meer prijs dan ik van plan was geweest, terwijl tranen over mijn wangen biggelden. Ik moest het met iemand delen.

Zodra ik stilviel, droeg Fulkner me op om mijn handen om te draaien en verkocht hij mijn handpalmen nog eens een extra dozijn slagen wegens liegen.

Vader vond mijn verhaal alleen maar uitermate amusant. Naast de roedeslagen was ik gestraft met een maand schoolarrest. In het weekend moest ik ook alles aan hem opbiechten. Hij stond in de zaal die ik met elf jongens deelde, zijn duimen achter zijn bretels gehaakt. ‘Was het tenminste een lekker wijf?’ vroeg hij. Dat was wat hem betreft het belangrijkste, dat zijn zoon door een lekker wijf was ontmaagd. ‘Tijd­reizen, wat is dat toch voor een modegril tegenwoordig?’ mompelde hij afkeurend voor zich uit. ‘Wees blij dat ze je alleen het bed in heeft gepraat. Daar is het toch bij gebleven? Je hebt haar geen geld gegeven?’

Wat kon ik haar geven? Mijn wekelijkse toelage van een duit zeker? ‘Ze heeft me nooit om een rooie cent gevraagd!’ riep ik uit.

‘Dan kunnen we in elk geval uitsluiten dat het een hoer was.’

Verder reikte vaders troost niet.

 

*

 

Vijf jaren verstreken waarin ik met het idee rondliep dat ik een avon­tuurtje had gehad met een krankzinnige of een oplichtster. Ik werkte inmiddels als winkelklerk bij Meulenberg om mijn studie te bekostigen. Vader verloor zijn fortuin tijdens het oproer van 1867. Het beetje dat resteerde besteedde hij aan drank en hoeren, tot mijn moeders grote woede en zijn eigen grote plezier. Alles was toch al naar de klote, zo meende hij. ‘Leef jongen, tot je laatste snik.’

Het waren de laatste woorden die hij tegen me sprak.

De winkelbel rinkelde. Ik riep vanuit het magazijn dat ik eraan kwam. Met mijn blik op het klembord gericht waarop ik de voorraden bijhield, liep ik naar voren.

Daar stond ze alsof het de gewoonste zaak van de wereld was, tussen de stopflessen met snoep, blikken thee en zakken meel. Twintig jaar jonger dan ik haar had zien sterven. Mijn hart ontwaakte uit een vijfjarige winterslaap.

Het kon niet waar zijn, probeerde mijn verstand nog tegen te sputteren. Was het haar dochter? Of gewoon een klant die toevallig op haar leek?

‘Ik weet niet of ik die baard zo’n succes vind.’ Ze bracht het zo achteloos. Mijn hand schoot naar mijn kin en mijn wangen begonnen te gloeien. Toen ze glimlachte wist ik het zeker: niets van wat ze me had verteld was een leugen.

Vier dagen lang lagen we met elkaar. Ik raakte mijn baan kwijt en kreeg hem na de nodige smeekbedes weer terug. Ik moest immers niet meer alleen mezelf onderhouden.

Ze kwam en ging wanneer het haar beliefde. Soms was ze ouder, dan weer jong. Maar nooit was ze ouder dan die ene dag.

Ik gaf mijn studie op – pleiter worden was toch niet aan mij besteed met mijn angst om voor publiek te spreken – en werkte als een eerlijk man voor de kost, met mijn hoofd als het kon en met mijn handen als het moest. Ik voelde me nergens te goed voor. Moeder heeft het me nooit vergeven. Ik legde haar bezwaren naast me neer, want ze had geen enkele reden tot klagen: haar leven lang heb ik een derde van mijn loon aan haar afgestaan. Misschien om te bewijzen dat ze ongelijk had: ik was niet zoals vader.

Dankzij een kennis van oom Archibold kon ik aan de slag als klerk bij Siewerts en Zonen, de bank die het kapitaal van het merendeel van de Laaglandse burgerij bewaarde. Ondertussen genoot ik van Matines liefde, soms vluchtig, dan weer voor langere tijd. Ik erkende alleen de heerlijk­heid van ons samenzijn en negeerde het knagen van mijn hart wanneer ik op mezelf was aangewezen.

 

*

 

Op een avond zag ik hem liggen in de etalage van een antiekwinkel: haar trouwring. Ik leegde mijn zakken op de toonbank, maar die paar stuivers en anderhalve daalder waren onvoldoende als aanbetaling. De eigenaar, een oude man zo krom als een hoepel, kreeg medelijden met me en zei dat hij de ring een dag voor me zou reserveren. Ik leende geld bij Siewerts. Als het sieraad mij ontglipte, dan was ik haar kwijt. Dat wist ik net zo zeker als ik ademhaalde.

Ik werkte een jaar lang extra zaterdagen voordat ik de geleende som had afgelost. Nooit heb ik getwijfeld. Het was het meer dan waard. Matine kwam in het bezit van haar ring en ik had haar eindelijk als echtgenote aan mijn zijde.

 

 

Laatste fragment

 

De laatste adem trekt aan me. De klok tikt. Nog even, zeg ik. Nog even. Ze komt. Ik weet het zeker. Frustratie omdat ze me nog steeds laat wachten vreet me van binnenuit op. Zo vaak heb ik geprobeerd haar achterna te vallen, maar ik kon het niet. Meer dan eens kwam ik dichtbij, maar nooit dichterbij dan na de dood van Anthoon en dat moment heb ik me ook laten ontglippen. Nooit heb ik om hem gehuild. Ook niet om haar, achteraf gezien. Altijd achteraf.

Na haar verdwijning stortte ik me op mijn werk. Ik zette me over mijn aversie voor cijfers heen en klom op binnen de rangen van Siewerts en Zonen. Ik werd gedreven door de wil om te vergeten, niet door ambitie. Op die manier verdiende ik een deel van het familiefortuin terug, vol­doende om in gepaste luxe te kunnen overlijden.

De foto van haar en Anthoon staat naast me op het nachtkastje. Het weer is in het papier gekropen en de linkerbovenhoek van het karton is afgebroken. Ik heb me er te vaak aan vastgeklampt en gehoopt.

Ze is nooit teruggekomen.

Misschien vond ze een ander baken om bij te schuilen, een baken waar geen treurige herinneringen aan kleefden. Wie zal het zeggen?

Ze kijkt opzij en tegelijkertijd met donker omrande ogen recht in de lens. Haar lippen wijken van elkaar. Het moment overvalt haar. De lambrisering en de rug van de stoel schemeren door haar wazige gestalte. De palmplant naast haar staat erbij als een nietszeggend rekwisiet, een aardigheidje om het tafereel op te fleuren. Anthoon vormt het haarscherpe middelpunt van de compositie. De stof van zijn nachthemd kreukt onder haar doorschijnende grip. Ze wil niet gaan, maar ze kan niet anders.

Niemand heeft me verteld dat het zo moeilijk zou zijn. Niet het sterven zelf, maar wachten tot het moment eindelijk aanbreekt terwijl je lichaam er allang de brui aan heeft gegeven. Maar ik hou vol. Tot mijn laatste snik. Ik kan het nog steeds niet: loslaten en vallen. Ik wil haar nog één keer zien en de drie woorden tegen haar spreken die ze niet verdient.

Ze heeft het me beloofd.

Tussen de zwarte gaten van wat er van mijn bestaan over is ervaar ik zelden een herinnering. Ik heb dit leven veel te lang vastgehouden. Tijd is een rechte lijn. Ik kan niet terug, zelfs niet in gedachten. Die zijn uitge­doofd samen met het verdwijnen van de jaren. Maar haar herken ik altijd.

De kamer verandert. Niet letterlijk natuurlijk, zover heen ben ik nog niet. Het is net alsof een schok de ruimte kortstondig opensplijt. Vervol­gens is het leven voller.

Ze huilt in zachte snikken.

‘Stil maar,’ fluister ik. Mijn stem is een restant van wat hij eens was: afgeleefd, bijna voorbij.

Licht geschuifel. Blote voetjes op het parket. Stofdeeltjes dansen op de laatste momenten van de zonovergoten ochtend. De schaduwen van klimopbladeren tekenen patronen op de muur. Haar kruin komt nauwe­lijks boven het matras uit. Het bed is op blokken geplaatst, zodat de verzor­ging van mijn wegterende lichaam minder inspanning vergt. Ze gaat op haar tenen staan en kijkt me aan. Blonde krullen omringen een gezichtje met appelwangetjes. Ze is net een jaar ouder dan Anthoon toen hij stierf, misschien twee.

‘Was je bijna te ver gevallen?’ vraag ik.

Ze knikt, haar blik ernstig. Haar tot vuisten gebalde handen ver­kreukelen haar jurk.

Ik klop licht met mijn hand op het matras, een uitnodiging voor haar om bij me te komen zitten.

Puffend en steunend klimt ze op de stoel die naast het bed staat. Vervolgens klautert ze op het matras. Ik ben te zwak om te helpen en kijk toe, kan nauwelijks een arm optillen. Ze ziet rood van inspanning en verdriet, hijgt in korte, opeenvolgende stootjes. Haar blik vertelt me waarom ze zonet voor het eerst in haar leven door de tijd is gevallen en vergeef haar ter plekke. Had ze er maar op durven vertrouwen dat ik haar nooit in de steek zou laten, zelfs niet wanneer de pijn om verder te leven te groot werd.

‘Blijf je nog even?’

Ze knikt en komt naast me liggen. Troostend streel ik haar krullen met een stramme hand, leeggezogen door een leven waar zij te kort deel van uitmaakte. Altijd te kort. Haar ademhaling wordt rustig en haar tranen ruimen het veld. Ze nestelt zich dicht tegen me aan, walgt niet van deze oude man die naar de naderende dood stinkt. Haar zijdezachte krullen rusten tegen mijn wang. Ik snuif haar geur langzaam op. Zo heerlijk. Vol leven en alle liefde die ze me zal gaan geven.

Eerst glijden haar ogen dicht. Daarna volgen die van mij. Samen vallen we naar een plek die door de tijd vergeten is.

De beste bedoelingen : Wouter van Gorp

Soms vraag ik me af waarom ik naar de zon staar.

Fascinatie met de vijand. Simpele haat. Dat zal ik in ieder geval antwoorden, als iemand ernaar vraagt. Maar ik voel geen haat wanneer ik mijn bed uit kom omdat de slaap me niet grijpt. Wanneer ik, sluipend, om mijn vrouw niet wakker te maken, naar het balkon ga en op het tuinmeubilair plaatsneem. Ik voel geen vijandschap voor de verzengende bal van vuur, hoog in de hemel.

Ik voel slechts haar warmte, en beeld me in hoe mijn rode huid langzaam begint af te bladderen…

 

Balthamon legt zijn pen neer en geeft de inkt tijd om te drogen op het crèmekleurig papier. Hij onderdrukt een gaap. Vandaag was een slechte dag: vier uur slaap, waarvan twee zeer onrustig. De overige tijd had hij doorgebracht op het balkon.

Een slechte gewoonte. Zeer slecht. Het begon op te vallen dat hij aan het dagbraken was. Niet alleen bij zijn vrouw, of zijn baas, maar ook bij demonen die hij doorgaans nauwelijks sprak.

Het was het idee van zijn vrouw geweest om het nachtboek bij te houden.

De rode demon schudt zijn hoofd, en pakt zijn pen weer op.

 

Het zou me helpen om de zaken in perspectief te krijgen. Dat zei Lucinda.

Natuurlijk heb ik haar idee afgeschoten. Weggehoond. Als ze wist dat ik er daadwerkelijk mee begonnen was, zou ze wachten tot ik naar mijn werk was en dan alles lezen wat ik hier schrijf.

Het was een goed idee, dat moet ik toegeven. Schrijven lijkt me te helpen.

 

Balthamon laat de punt van zijn pen boven het papier hangen.

Even twijfelt hij of hij nog meer zal schrijven, totdat hij in de kamer naast hem Lucinda met een kreun wakker hoort worden.

Balthamon vergewist zich ervan dat de inkt op het papier droog is voordat hij het boek dichtslaat. Het met bleek leer omwonden boek stopt hij weg in een kluis achter een schildering van Bosch – De Dood van een Vrek -, maar met enkele details die op aarde ontbreken.

In de slaapkamer steekt Lucinda haar tirade tegen het laatste licht af, en Balthamon dekt snel de kluis weer af met het bont beschilderde paneel van eikenhout. De demon woonde al in het appartement voordat hij Lucinda leerde kennen en zijn geliefde succubus heeft geen idee van de schatten, verborgen achter de hersenspinsels van Bosch. En dat wil Balthamon graag zo houden.

 

De succubus in kwestie is aan haar avondritueel begonnen in de bad­kamer. ‘Goed geslapen?’ vraagt Balthamon tegen beter weten in, als hij zijn armen vanachter om haar middel slaat.

‘Als een wrak. We moeten echt iets doen aan die gordijnen. De zon brandde bijna door mijn oogleden heen. En op een gegeven moment hoorde ik vogels. Vogels, Balt! Duivelvergeten vogelgefluit!’

‘Er zijn geen vogels in Hel,’ corrigeert hij haar. ‘Vleerhonden, waar­schijnlijk. Of vreesvissen.’ Hij haalt diep adem, met zijn neus in haar ravenzwarte haar. Hij drukt haar dichter tegen hem aan, en zijn rechter­hand vindt haar borst.

‘Poten thuis, klerelijer. Niet voordat ik koffie heb gehad.’

Balthamon maakt een geluid, half snuif, half lach. ‘En dat moet ik geloven?’ Zijn handen glijden over haar met satijn omhulde contouren, en hij laat een kleine kreun van goedkeuring horen.

‘Ik méén het, Balt!’

‘Oké, oké.’ Hij houdt zijn handen in overgave in de lucht. ‘Als die koffie zo belangrijk voor je is…’

‘Ik heb een zware nacht voor de boeg, Balt. De aartsbisschop van Agrigento, weet je nog? Vijfentwintig jaar zitten we al achter die preutse papzak aan. En vannacht is hij de onze! Als er nu nog iets misgaat zullen er koppen rollen. Ik moet op mijn best zijn. En trouwens, jij moet je energie helemaal niet aan mij verspillen! Jij hebt je eigen problemen, nietwaar? Adramelech verwacht die nieuwe angst van je, en wel van­nacht. Geen afleidingen. Voor ons allebei niet.’

Balthamon knikt. Ze heeft gelijk. Hij weet dat ze gelijk heeft. Toch lijken er de laatste tijd steeds vaker pragmatische bezwaren tussen hen en seks te staan…

‘Hé,’ zegt Lucinda. Ze pakt zijn hand en kijkt hem glimlachend aan, alsof ze zijn gedachten gelezen heeft. ‘We zijn er bijna, Balt. De Derde Rij. Lucifer weet dat we er hard genoeg voor hebben moeten zwoegen. Laten we dit nu niet voor onszelf verpesten.’

Hij knikt weer, en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht die nog bijna geloofwaardig is ook.

‘Daar is mijn dappere demon,’ fluistert zijn vrouw, en ze kust hem op de lippen. ‘Naderhand,’ gromt ze in zijn oor, en onmiddellijk voelt hij zijn hele lichaam reageren, ‘dan vieren we het goed.’

‘Daar houd ik je aan,’ fluistert hij.

Met een laatste, verleidelijke glimlach over haar schouder laat Lucinda hem achter in de badkamer.

Balthamon kijkt haar na en zucht. Dan valt zijn blik op zijn spiegel­beeld: als volgeling van Moloch heeft Balthamon de karak­teristieke hoorns als van een sater die uit zijn zwarte haardos omhoog prijken, en de rode huid en hoeven die hem onderscheiden ten opzichte van de mens. Maar zelfs op een meter afstand van de spiegel kan hij zien dat de huid onder zijn ogen donker en sterk dooraderd is. Op een of twee plekken begint die ook te schilferen.

Hij heeft teveel tijd doorgebracht in de zon.

‘Oké,’ zegt hij. ‘Deze jongen moet naar zijn werk. En déze jongen,’ hij kijkt streng omlaag, ‘moet zich nog maar even koest houden.’

 

*

 

De nacht is nog jong, maar de straten van Heksenketel doen hun naam al eer aan. Balthamon is zevenhonderd jaar geleden in de moderne, populaire wijk van Hel komen wonen, en heeft sindsdien nooit spijt gekregen van die beslissing. In de Torens worden de beslissingen genomen, en in de Brandstapels kom je het beste amusement tegen, maar de Heksenketel…. de Heksenketel heeft klasse.

‘Enkele rit naar de Toren van Traan,’ zegt hij tegen de chauffeur – half krekel, half paard – van de opengewerkte koets. ‘En als ik er binnen een kwartier kan zijn, ben ik je dankbaar.’

De mindere demon knikt, en zodra Balthamon op de leren bank heeft plaatsgenomen, komt de koets  in beweging.

Voor de kar wijken de demonen uiteen. Gehoornde padden in over­jassen pauzeren hun verkooppraatjes en sleuren hun kleden met nacht­merries snel van de straat. Een grote, blubberige demon brult over de komende wraak van God. Harpijen en Feeksen fluiten de koets na en hopen tegen beter weten in de inzittende – een duivel van de Vierde Rij, ver boven hun stand – met geneugtes aan zich te binden.

Balthamon let al niet meer op de schepsels. Hij heeft al lang geleden geleerd geen aandacht te besteden aan demonen die zo ver beneden zijn stand zijn. Hij weet dat hij op een gegeven ogenblik – of het nu over vijfhonderd of vijfduizend jaar is – weer deel uit zal maken van de vulgaire kakofonie die het straatbeeld vult. Dat is de aard van demonen: ze worden niet geboren en ze gaan niet dood. Doorgaans. En in de eeuwigheid waarin ze leven, vervullen ze de cyclus van laag naar hoog en weer terug talloze keren.

De mindere schepsels krijsen en joelen, en herinneren Balthamon iedere nacht aan dat feit. Ooit was hij één van hen. Ooit zal hij weer één van hen zijn.

Plots komt de koets tot stilstand voor een T-splitsing. De demon die de koets voorttrekt stampt met zijn paardenpoten en produceert een hoog, tjirpend geluid door zijn vleugels over elkaar heen te strijken. Nerveus zwaait hij zijn kop heen en weer – van de linker straat naar de rechter, en weer terug – voordat hij begint te spreken:

‘Waar….heen?’

De chauffeur kijkt met grote ogen achterom, angstig over zijn lot nu hij een hogere demon heeft teleurgesteld.

Balthamon zucht.

‘Links graag.’

 

*

 

Lucinda had gelijk. Vannacht was een belangrijke nacht.

Vannacht was de nacht waarop Balthamon zijn onderzoek aan zijn baas presenteerde.

Natuurlijk was het niet louter zijn onderzoek. Een heel team van analisten en rekenkundigen had zich om Balthamon, de prognost, geschaard om diens bevindingen verder te toetsen. Hun doel: het vinden, uitvergroten en op aarde terugstorten van de 21e-eeuwse angst.

Tien jaar lang had Balthamon nu door de ether van de menselijke media gezworven. Het voordeel van de vooruitgang: twintig jaar geleden had hij handmatig van ziel naar ziel moeten springen, de harten van de mensen moeten blootleggen en hun woorden, geschreven en gesproken, moeten wegen op hun waarde.

Maar nu was er het internet.

Balthamon was de cloud ingegaan. Hij had zich middels de facebook­profielen, zoekhistories en tijdlijnen gelaafd aan dromen, wensen en nachtmerries. Had de tweets en blogs en vlogs in ontzag­wekkende hoeveel­heden verslonden. Had feit en fictie en alles daartussen aan zijn ogen voorbij laten gaan… op zoek naar dat éne idee.

Dat was het grote probleem: dat een demon een mens geen angsten kon opleggen. De mens maakte zijn eigen angstbeeld wel. En het was aan Balthamon en andere demonen zoals hij om die angsten te vinden, vervormen en uit te vergroten tot iets ontzagwekkends. Om in Hel te simuleren wat op aarde tot stand moest komen.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

De meest potente parels van de menselijke geest had Balthamon opgedoken. Zijn team had die ideeën als een groep forensisch onder­zoekers onder de loep genomen, ontleed, en geschat op hun potentie.

Nee, Balthamon had het onderzoek niet in zijn eentje uitgevoerd.

Maar het was Balthamon die vannacht voor de chef presenteerde, terwijl de andere leden van het team achterover leunden en luisterden naar het verhaal van de prognost.

‘Ik zie je punt niet.’

De woorden van Adramelech – kanselier van de orde van de vlieg, Achtste van de Aartsdemonen en bovendien Balthamons baas – werden op kalme toon gesproken. Het gezicht dat de woorden sprak was langgerekt, harig, en aan het uiteinde voorzien van een witte muil met grove, vierkante kiezen. De ogen aan het andere einde van de kop stonden droevig en meewarig, een blik die even verraderlijk was als zijn eigenaar.

Zolang dat gezicht, dat ezelgezicht, Balthamon aan bleef staren, wist hij dat zijn baas nog in een hebbelijk humeur was.

Er was namelijk een tweede Adramelech, een tweede gezicht, dat als een vage vlek, een trilling in de lucht, boven de schouder van de chef hing. Balthamon vreesde dat gezicht.

‘Wat is er… onduidelijk, heer Adramelech?’

‘Wat er onduidelijk is, beste Balt, is je hele opzet. Ik heb een uur lang mogen luisteren naar je bevindingen. GMO’s dit en alternatieve feiten dat… Je zinspeelt op angsten die al lang bekend zijn. Je brengt niets nieuws! Wat wil je bereiken, Balthamon?’

Hij gebruikt mijn volledige naam. Geen goed teken.

Balthamon ziet het tweede gezicht vorm aannemen, groter worden. Hij slikt, en begint snel te spreken.

‘Mijnheer, ons onderzoek heeft aangetoond dat mensen in de afgelopen achttien maanden 36% cynischer zijn geworden tegenover hun politici. 25% minder geneigd om nieuwsberichten voor waar aan te nemen. Dat ze wel 112% banger zijn geworden voor een terroristische aanslag! Dit zijn getallen die we niet kunnen negeren. Het is de mening van mij en het onderzoeksteam-’

‘Laat het onderzoeksteam erbuiten,’ onderbreekt de Kanselier hem bruusk. ‘Jij spreekt voor het team. Verstop je er niet achter.’

‘Goed. Het is mijn mening dat we moeten toeslaan nu het ijzer heet is.’

De chef snuift. ‘En waar kom je mee? Toegenomen conflicten in het Midden-Oosten? Een aanslag op een Westers staatshoofd? Een groot schandaal met een conglomeraat, betrokken bij de systematische onder­drukking van een naar democratie hunkerende bevolking?’

Balthamon schudt zijn hoofd.

‘Het Midden-Oosten laten we buiten schot. We hebben geleerd dat dat alleen maar apathie en cynisme opwekt. We mikken op radicaliserende Westerse jongeren. Westerse steden, getroffen door westerlingen. Iedere metropool in Europa en Amerika moet een wasem van angstzweet boven zich hebben hangen. Vriend tegen vriend. Familie tegen familie.’

Drie tellen lang zegt Adramelech niets. En in die tellen voelt Balthamon de temperatuur in de presentatieruimte kelderen.

Het tweede gezicht is zichtbaar – heel goed zichtbaar – maar nog niet op de plaats van het ezelgelaat verschenen.

‘Laat ons alleen.’ De woorden dreunen als het slaan van hamer op aam­beeld.

Balthamon vertelt zichzelf dat het wel goed komt, terwijl de andere leden van zijn team de ruimte verlaten. Hij vertelt zichzelf dat zijn werk degelijk is, en dat hij geen reden heeft om bang te zijn.

Dat vertelt hij zichzelf, maar overtuigend klinkt hij niet.

‘Kanselier.’

‘Heer Adramelech.’

‘Waarde heer.’

De demonen die naar buiten stappen maken een beleefde knieval voor hun chef. Voor Balthamon hebben de meesten geen groet. De prognost ziet in de ogen van zijn teamleden raderen van koude calculatie en opportunisme draaien. Ze willen weten hoe hun direct leidinggevende hier uitkomt, voordat ze hem ook maar een woord gunnen. Slechts Althareon, de ontluikende prognost onder Balthamons hoede, geeft zijn baas een bemoedigende glimlach.

Ondankbare serpenten, denkt Balthamon verbitterd. En onmiddellijk vraagt hij zich af waar die gedachte vandaan komt. Sinds wanneer veronderstelt hij dat een demon iets anders kan zijn dan volstrekt egoïstisch?

Zijn chef is inmiddels naar het raam toegelopen en trekt de lamellen opzij om het nachtelijk panorama bloot te leggen.

De Zeven Ringen van Hel liggen om de Toren heen: concentrische ringen om het kloppend, haatdragend hart. Balthamon ziet de stromen verkeer, de slotgrachten van roodgloeiend, gesmolten gesteente. Hij hoort de kreten en het krijsen, ruikt de emoties die in de zwoele nacht­lucht hangen: angst, woede, lust.

‘Blijft verbazen, nietwaar?’

Balthamon knikt zijn chef toe. Die staat naar het raam toe en rolt een sigaret tussen zijn grote vingers. Roken, met name op kantoor, wordt actief aangemoedigd.

‘Het is een ontzagwekkende plek,’ geeft Balthamon toe.

‘Dat is het zeker. Hel…’ Adramelech laat de klank voortrollen, alsof hij de smaak ervan wil proeven. ‘Ons enige thuis, voor nu en altijd. Weggaan is uitgesloten, daar ziet de Almachtige op toe… maar hoe zijn we hier gekomen, Balt?’

Het zint Balthamon niets dat hij het gezicht van zijn chef niet kan zien. Alleen dat tweede gezicht is te zien, nog steeds als doorzichtige waas boven de linkerschouder. Balthamon loopt naar het raam toe en gaat op een meter afstand naast zijn chef staan.

‘We zijn hier gekomen,’ antwoordt Balthamon langzaam, want hij voelt dat er veel van zijn antwoord af hangt, ‘omdat we vrijheid wilden.’

Blijkbaar is dat wat de chef wilde horen, want hij knikt en werpt zijn prognost een sluwe blik toe.

‘De Val, noemen we het. Lucifer in het harnas. Onze leider, die namens zijn volgelingen eisen durfde te stellen aan de Almachtige. Zijn visie kwam hem duur te staan. En ons ook. Besef goed, Balthamon, dat deze plek onze straf is. Natuurlijk, de zielen van de moreel tekortschietende stervelingen komen hier terecht. Maar als wij niet in opstand waren gekomen, had God geen reden gehad om Hel te maken.’

Balthamon knikt. Hij weet dat hij zich op glad ijs begeeft, en ieder instinct schreeuwt hem toe om zijn reacties zo beperkt mogelijk te maken.

‘Wil je hier weg, Balt?’

De vraag komt zachtjes, haast speels op hem af, en Balthamon betrapt zich erop onmiddellijk te willen antwoorden. Net op tijd houdt hij zich in.

‘Ik wil dat we hier allemaal weg kunnen komen, ja.’

‘En de weg naar buiten is simpel, nietwaar? God was degene die onze drang naar vrijheid niet kon waarderen. Degene die ons hier plaatste, en ons maakte tot wat we zijn. Wij wilden geen strijd, God heeft die afge­dwongen. En de enige optie die we nu nog hebben, is die strijd winnen.’

Adramelech houdt de gerolde sigaret omhoog, en onderwerpt haar aan inspectie. Tevreden met zijn werk steekt hij het rolletje tabak in zijn mondhoek, en met een knip van zijn vingers vat het uiteinde vlam.

‘Een tiende van alle zielen,’ vervolgt hij zijn verhaal na de eerste teug nicotine, ‘komt hier terecht. Een tiende! Nog eens tachtig procent gaat het vagevuur in, maar dat is niet belangrijk. Zij vullen uiteindelijk alsnog de rangen van de Hemel.

Dit had ons tijdperk moeten zijn; globalisatie, vrije uitwisseling van informatie, het besef van mensenrechten… het heeft allemaal geleid tot meer angst, meer onzekerheid. En God weet dat wij bij angst en onzekerheid baat hebben. We hebben ons best gedaan: wereldoorlogen, kleine oorlogen, koude oorlogen. De angst voor het ultieme wapen. Economische ellende op een globale schaal. Angst voor het vreemde, voor de jeugd, voor verandering, zelfs voor het buitenaardse. Alles leek erop te wijzen dat de twintigste eeuw de onze zou worden. En we faalden.’

Rook kringelt uit de neusgaten van Adramelechs ezelgelaat.

‘De eenentwintigste eeuw was al even vol van belofte: terrorisme, migratie­crises, het spelen met informatie en misinformatie tot elke betekenis verloren is gegaan… En wat heeft het ons allemaal opgeleverd, Balthamon?’

‘Apathie.’

Adramelech knikt. ‘Apathie. Een wereld vol mensen die niet meer omkijken als een vliegtuig wordt neergehaald, of als een student om zich heen begint te schieten. Ze hebben het allemaal al eens eerder gehoord. Je kent die uitdrukking? ‘Alles dat nodig is voor de overwinning van het kwaad is dat goede mensen niets doen’? Niets van waar, helaas. Apathie treft ons even hard als Hem, misschien zelfs harder.. De eeuw van informatie had ons wapen moeten worden! In plaats daarvan werkt het internet ons alleen maar tegen!’

‘Ons bereik is nog nooit zo groot geweest,’ brengt Balthamon daar tegenin. ‘We zien de hele wereld, en transporteren de ellende van het ene continent binnen luttele seconden naar het andere. Iedere ramp kan nu worden uitvergroot, opgeblazen.’

‘En een zelfmoordterrorist in een afgeladen theater levert nu minder angst op dan een lege kerk die afbrandt in de middeleeuwen! Mensen kijken vanuit het gat dat ze in hun bank hebben gesleten naar de meest traumatiserende gebeurtenissen, en ze halen hun schouders op! Verontwaardiging willen we! Vrees! Woede! Geen 21e-eeuwse schizo die van alle kanten zo hard geïnformeerd wordt dat hij de waarheid toch niet meer denkt te kunnen weten!’

‘Geef me een maand, heer,’ zegt Balthamon, ‘en ik beloof u dat…’

Verder komt hij niet. Bliksemsnel draait de chef zich om, en klemt zijn linkerhand om de slanke hals van zijn prognost. De kreet die Balthamon wil slaken wordt afgeknepen en hij trekt vruchteloos aan de arm van de chef. Die voert de druk alleen maar verder op. Balthamon voelt zijn adem stokken, voelt het bloed bonzen in zijn hoofd.

Hij zou als demon niet doodgaan aan de verstikking. Dat was misschien nog wel het ergste.

De chef buigt naar voren en zijn adem rolt als de hitte van een oven tegen Balthamon aan.

‘Dit, beste Balthamon,’ en de chef houdt met zijn vrije hand een donkerblauw flesje voor de ogen van de prognost, ‘is Inessens. Weet je wat dat is?’

Balthamon briest. Zijn ogen staan wijd open, en hij probeert achteruit te komen, weg van de inhoud van het glazen flesje

‘De destructieve kracht van God, zorgvuldig opgevangen en gebotteld bij Sodom en Gomorra. Een enkele druppel hiervan laat je de rest van je bestaan als hersenloze demon rondkruipen. Twee druppels en je huid schroeit weg. Wat denk je dat er gebeurt ALS IK DIT VERDOMDE FLESJE IN JE GEZICHT LEEGKIEPER!?’

Het tweede gezicht is nu naar voren gekomen: een lange, dunne nek – veel te dun om uit zulke brede schouders te steken – met een smal, lang­werpig gezicht vol veren. Aan weerszijden van de snavel glimmen zwarte kralen waar een intense haat uit straalt.

Adramelech houdt het flesje boven Balthamons hoofd, gekanteld, met zijn duim tegen de onderkant van de stolp.

‘WAT. VOEL. JE?’

De pijn in Balthamons keel is intens wanneer hij het woord eruit perst:

‘…Angst.’

‘ANGST!’ brult Adramelech, en hij werpt Balthamon achteruit, tegen de gipsplaten muur. ‘Dat is wat ik van jou wil, Balthamon: angst! Angst op een globale schaal! Ik wil een wereldbevolking die niet meer durft te gaan slapen uit angst voor wat ze de volgende dag in hun kranten lezen!’

‘Hoe, mijnheer?’ kreunt Balthamon, die omhoog probeert te krabbelen.

‘Maakt me niet uit hoe! Dat is jouw baan, nietwaar? Haal de angst uit het onbekende, haal het uit hun onderbewustzijn. Haal het, voor mijn part, uit een handvol stof! Maar haal het ergens vandaan, verdomme, en bewijs dat je niet volslagen nutteloos bent!’

 

*

 

‘Oké, Balt. Denk. Je kunt hieruit komen.’

Met zijn rug tegen een stalen celdeur laat Balthamon zich op de betonnen vloer zakken. De lucht om hem heen is koel. Niet ijskoud, maar aangenaam koel – een sensatie die in Hel vrijwel ongekend is.

De IJskast, zo wordt het labyrint aan archiefkasten en cellen in de kelder van de Toren genoemd. Tegen de wanden van de elkaar kruisende gangen en hallen staan massieve archiefkasten opgesteld, waarin al het oude papierwerk – of het nu papyrus, perkament of papier betreft – van de Orde is opgeborgen. Documenten over de Inquisitie, plannen voor de conceptualisatie en gedetailleerde uitvoering van de Kruistochten, analyses van de Zwarte Dood, van testfase tot eindevaluatie; alles wat te belangrijk is om weg te gooien, maar niet meer relevant genoeg om een permanente plek in de hogere kantoren te verdienen.

En om de zoveel meter wordt die reeks kasten onderbroken om plaats te maken voor een stalen kluisdeur. Achter die deuren, die alleen te openen zijn door de hoogstgeplaatste leden van de Orde, zijn wapens en middelen verborgen die de Orde zelf heeft ontwikkeld, of zich door geweld heeft toegeëigend. De virusstrengen van de Zwarte Dood staan in één kluis opgesteld, terwijl de Heilige Graal de cel ernaast in beslag neemt. Balthamon weet van de verhalen van zijn collega’s dat er ook levende wezens in de cellen vastgehouden worden, wachtend op het moment dat ze weer relevant zullen worden voor de Orde.

De IJskast is waar Balthamon komt om rustig te kunnen werken. Om zijn gedachten te ordenen. En na de presentatie van die avond had Balthamon daar dringend behoefte aan

Na zijn meeting met de baas had Balhamon zijn team opgezocht. De verschillende demonen – analisten, researchdeskundigen, prognosten – zaten in het grote kantoor en operationeel hart van het project op hem te wachten.

‘Ik zal niet tegen jullie liegen,’ had Balthamon de verzameling af­wachtende blikken toegesproken. ‘Heer Adramelech is van mening dat we nog veel winst kunnen boeken met de richting van ons huidige onder­zoek. Dat betekent dat we opnieuw naar de tekentafel gaan. Vannacht nog wil ik nieuwe analyses van de verschillende toekomst­beelden die we hebben uitgedacht. De top tien, althans.’

Hij had rondgekeken met een zelfverzekerde blik, de knikjes en het instemmend gemompel van zijn werknemers afgedwongen.

‘Dit is een stap terug,’ had hij toegevoegd, ‘maar wel zodat we weer verder kunnen komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat we de kanselier een angst kunnen overhandigen waar hij niet alleen tevreden over, maar ook trots op zal zijn. En nu, aan de slag.’

En na die bemoedigende leugens had hij zijn eigen dossiers van zijn bureau gegrist en zich naar de IJskast begeven, weg van de calculerende blikken van zijn teamleden.

Hij moest zich er onderweg naar het archief steeds maar aan herinneren, er zelfs van overtuigen, dat het geen aftocht was.

‘Focus, Balthamon.’

Hij legt de stapel dossiers naast zich neer, en pakt het bovenste eraf.

Misschien, denkt hij, met de moed der wanhoop, staat ergens hierin het antwoord geschreven. Misschien is er nog een manier om aan alle ellende te ontkomen.

Van binnen weet hij wel beter. Zijn onderzoek heeft al gefaald. Dat zal hij binnen niet al te lange tijd tegenover de kanselier moeten toegeven. En daarmee zal hij niet alleen zijn kans op toetreding tot de Derde Rij verliezen, maar ook flink aan invloed moeten inleveren, en blij mogen zijn als hij niet op de Vijfde Rij of lager terecht zou komen.

Lucinda zal niet meer bij hem willen blijven, zeker niet als zij meer succes boekt in haar huidige operatie. Zoals zovelen van de relaties tussen demonen is ook die van Balthamon en Lucinda op profijt gebaseerd. Samen naar de top, zolang de ander een hulpmiddel en geen belemmering vormt.

Balthamon voelt weinig verdriet bij de gedachte dat Lucinda hem zal verlaten. De seks is altijd geweldig geweest – de beste die hij ooit heeft gehad – maar hij heeft nooit een diepere emotionele connectie met haar gevoeld. Net zo min als met zijn vorige partners.

Wat hem wel pijn doet, is dat hij zichzelf tekort is geschoten. Twee­honderd jaar lang heeft hij zich als prognost onder de Kanselier verdien­stelijk gemaakt voor de Orde. Keer op keer heeft hij zijn feilloos instinct en zijn blik op de toekomst ingezet om angsten van de hoogste kwaliteit te realiseren – eerst als concept in Hel, vervolgens als realiteit op aarde.

Alles wat in Hel gebeurt, vindt op aarde zijn weerslag.

En nu, juist nu hij in de buurt van echte macht en invloed is gekomen, lijkt zijn talent hem in de steek te laten. Hij zal wellicht naar de Vijfde Rij zakken, en of hij zich vanaf daar weer omhoog zal kunnen worstelen betwijfelt hij ten zeerste.

Van val naar terugkeer, weer terug naar val. Ontelbare keren.

Zijn gekloofde hoef tapt nerveus op het beton terwijl hij het eerste dossier leest. Zijn ogen glijden over de nette alinea’s, over de kolommen en analyses, en vinden geen enkel houvast. Hij kijkt naar de titel van het dossier: ‘Paranoia op de Totalitaire Aarde.’ Geen nieuwe gedachte, verre van zelfs, maar wel een die resoneert bij de doelgroep.

Balthamon legt zijn vinger op de titel, sluit zijn ogen, en probeert een beeld bij het plan op te roepen.

De lijnen zijn er nog, en vormen zich voor zijn geestesoog. Balthamon ziet hoe de totalitaire aarde eruit kan zien, welke mogelijkheden zich voordoen, en wat voor effect ze teweeg zullen brengen. Rechts conser­vatisme is de sleutel van dit plan. In de VS, Groot-Brittannië en Duitsland. Vrijheden worden onder het mom van nationale veiligheid steeds verder ingeperkt, de mandaten van de overheid worden tot in het extreme opgerekt, totdat een burger geen enkel recht meer heeft op privacy. Leven onder de angst voor het waakzaam oog.

Een krachtig idee. Het brengt angst met zich mee, zeker. En de arrogante eigengerechtigheid waar Balthamon en zijn team altijd naar streven.

Toch zijn er ook dissidente draden door het toekomstbeeld verweven: een vrijheidsbeweging staat op, geleid door een politicus die als nationale held en vrijheidsstrijder weer hoop geeft aan een verslagen volk. Onom­koopbaar, en dus niet te breken. Zelfs als hij sterft zal zijn martelaarschap zoveel hoop, liefde en altruïsme teweegbrengen dat elk effect dat het plan zou kunnen hebben teniet wordt gedaan.

‘Oh, verdomme,’ kreunt Balthamon. Hij opent zijn ogen, en laat het toekomstbeeld opdrogen tot enkele ingedikte vlekken, die langzaam plaats maken voor de realiteit van koud beton en staal.

Een tweede dossier volgt. En een derde.

Balthamon wordt hoe langer hoe wanhopiger. Zijn hoef tikt steeds indringender, gefrustreerder, op het beton. Hij zucht, en leest, en kijkt. En wat hij ziet vult hem met wanhoop.

Adramelech wil van hem de angst van de eenentwintigste eeuw. Maar het begint er voor Balthamon op te lijken dat de 21e-eeuwse mens, hoeveel ellende je ook op hem afslingert, een cynische schouder zal ophalen en stug door zal gaan met leven.

‘Dit is verdomme onmogelijk.’

‘Als het onmogelijk is, moet je jezelf geen verwijten maken.’

Balthamon verstijft. De stem komt achter hem vandaan. Vanuit de cel. Maar de cellen horen volledig gesloten te zijn. Geïsoleerd en afgesloten voor ieder geluid, en zo potdicht dat er zelfs geen streepje licht onder de celdeur door kan glippen.

Hij draait zich om terwijl hij overeind krabbelt.

‘Wie is daar?’

‘Het spijt me,’ de stem klinkt zacht en enigszins bedroefd. ‘Ik hoorde je in jezelf praten. Ik wilde je niet laten schrikken.’

Balthamon fronst als hij de open schuifklep ziet. ‘Die hoort dicht te zijn.’

‘Dat lijkt me niet mijn verantwoordelijkheid. Ik ben hier de gevangene, jullie de cipiers.’

Door de open klep in de celdeur kan Balthamon vaag een silhouet zien: manshoog, menselijk van vorm.

‘Waarom zit je hier?’ vraagt hij de vorm.

‘Om wat ik ben.’

Balthamon denkt dat dat hier, in Hel, nog niet eens zo vreemd is.

‘Wie ben je?’

‘Slechts iemand die zich stierlijk verveelt. Vergeef me het afluisteren. Als je ermee zit moet je misschien de klep weer dichtdoen.’

Tot op dat moment was dat precies Balthamons plan geweest, en hij had al een hand op de schuifklep geplaatst. Maar nu hij zo dichtbij staat, heeft hij het idee dat hij het silhouet beter kan zien. Alsof een lichtbron in de cel zelf de vormen van het wezen al definieert.

‘Als je moeite hebt met de schuif,’ nu klinkt de stem licht geamuseerd, ‘kun je er altijd iemand van de technische dienst bij halen.’

Balthamon voelt dat zijn vingers licht trillen.

‘Kom naar voren,’ gebiedt hij de vorm, met een stem die schor klinkt.

Even staat het silhouet stil. Dan zet ze zich in beweging, naar voren toe, het licht in. Balthamon deinst achteruit.

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’ vraagt het wezen aan de andere kant.

 

*

 

‘Heer Balthamon?’

Althareon kijkt op van zijn werk, van de tabellen en diagrammen waarmee de papieren voor hem vol geklad zijn, naar de demon die zojuist met een verwarde blik in zijn ogen binnen is komen schuifelen.

‘Ik neem aan,’ mompelt Balthamon, terwijl hij zijn stapel dossiers op zijn bureau neerlegt, ‘dat het nog geen vijf uur ‘s ochtends is?’

Althareon kijkt om zich heen. De kleine, donkerblauwe demon met de schaapsnuit en ramshoorns is als enige van het team nog op het kantoor.

‘Ik heb geprobeerd ze tegen te houden,’ merkt hij op. ‘Gedreigd met hel en verdoemenis. Het had weinig effect.’

Balthamon knikt. Staart wat voor zich uit.

‘Ehm,’ begint Althareon. ‘Ik kan ze oproepen? Zeggen dat u ze hier wilt hebben?’

‘Hm…wat? Nee, laat ze maar.’ Balthamon fronst. ‘Luister, ik heb behoefte aan lunch. De vloeibare variant. Ken je een goede tent in de buurt?’

Althareon glimlacht. ‘Een of twee.’

 

*

 

Het is rond middernacht al druk bij Dante al Dente. Dealers in martel­werktuigen die hun cliënten op lunch trakteren, grote beulen met opgestroopte, bebloede mouwen die burgers onder hun leren kappen door naar binnen stouwen, en natuurlijk de dames van de nacht die aan een trog vol bloedwijn geruchten en roddels uitwisselen.

‘Populaire tent,’ merkt Balthamon op, terwijl hij tegenover zijn jonge prognost zijn vingers over een glas zwavelzuur on the rocks laat glijden.

‘Hmm? Nog nooit eerder hier geweest?’

Balthamon schudt zijn hoofd. ‘Ik ken het niet eens. Vroeger zat hier een openbaar teerhuis.’

Althareon lacht, wat met zijn schaapsnuit en dubbele rij haaientanden een bevreemdend effect oplevert. ‘Dat teerhuis is meer dan dertig jaar geleden. U moet vaker de deur uit, chef. Maar ik vermoed dat u minder tijd heeft dan ik, als lid van de Vierde Rij.’

Ja, maar dat duurt niet lang meer, denkt Balthamon met een grimas, en hij neemt een slok van zijn zwavelzuur.

De serveerster – die haar lichaam naar de nieuwste rage binnenste­buiten draagt – komt langs en zet twee borden dampend rood vlees neer.

‘Steak van de Tragen. Dertig zilver.’

Balthamon reikt al naar zijn buidel, maar Althareon is hem voor. ‘Hier, houd het wisselgeld maar.’ De serveerster knikt dankbaar, waarbij druppels bloed van haar longen op het tafelblad vallen, en gaat verder met haar ronde.

‘Dat had niet gehoeven, Alt.’

De blauwe demon haalt zijn schouders op. ‘Kleine moeite, chef. Ik dacht dat u wel een opsteker kon gebruiken, na die presentatie van vannacht.’

Balthamon knikt.

‘Zeg, chef,’ Althareon schraapt zijn keel en kijkt vanonder zijn wenk­brauwen naar zijn baas. ‘Klopt het, wat ze op het kantoor zeggen? Dat ons onderzoek ten dode is opgeschreven?’

Balthamon ademt diep uit door zijn neus. Hij denkt aan de opdrogende vlekken van gefaalde toekomstbeelden. Aan Adramelech die een fles non-existentie boven zijn hoofd houdt.

Hij denkt aan het licht van een eenzaam wezen in een cel.

‘Chef?’

‘Nee, Alt.’ De woorden lijken van verre, van een vreemde, te komen. Balthamon tovert met moeite een glimlach die bemoedigend moet zijn op zijn gezicht. ‘Maak je geen zorgen, het onderzoek komt wel goed. Ik heb dit soort tegenslagen vaker meegemaakt. De uiteindelijke angst wordt er altijd beter van.’

Althareon knikt, en een opgeluchte grijns splitst zijn gezicht in tweeën. ‘Ik wist het wel, hoor,’ zegt hij. ‘Nou, bon appetit.’

Balthamon kijkt licht geamuseerd toe hoe de blauwe demon grote stukken vlees met zijn rijen vlijmscherpe tanden naar binnen begint te werken.

‘Vertel me eens, Althareon,’ zegt hij terwijl hij het zwavelzuur in het glas laat rondtollen. ‘Wat is jouw doel eigenlijk?’

‘Hmm?’

‘Hier in Hel. Wat wil je bereiken?’

‘Oh, dat.’ De blauwe demon slikt een hap vlees door, wast die weg met vloeibare stikstof. ‘Nou ja, het gebruikelijke, eigenlijk. Hogerop komen. De Vierde Rij bereiken, dan de Derde, enzovoorts, enzovoorts.’

‘En dan? Dan kom je in de Binnenste Cirkel, dan heb je het gemaakt, en dan? Op je hoede zijn voor je concurrenten en onderlingen, totdat je van je troon gestoten wordt? Wat is het einddoel?’

Althareon haalt zijn schouders op. ‘We zijn eindeloze wezens, chef. Er is voor ons per definitie geen einddoel.’

‘Denk je dat ze er aan de andere kant ook zo over denken? Dat Hij en de Zijnen geen einddoel voor ogen zien?’

‘Ah,’ Althareon lacht. ‘Die andere kant. Tja, ik vermoed dat ze daar wel iets van een punt op de horizon zien. De Tweede Komst, het Laatste Oordeel, het ophalen van alle schone zieltjes en gezellig psalmen zingen rond het hemels kampvuur. Zoiets? En moet dat ons meer aantrekken dan waar wij voor strijden? Macht over de hele aarde, de hele mensheid?’

Althareon blijft lachen, en Balthamon glimlacht halfslachtig mee. ‘Ik vermoed dat je gelijk hebt,’ zegt hij.

En toch krijg je dat beeld maar niet uit je hoofd, Balt. Toch blijf je die cel maar voor je zien, en voel je nog steeds het licht dat van de gevangene afstraalt.

‘Maar toch-’ begint Balthamon, en verder komt hij niet, want op dat moment valt er een lange gedaante over hun tafel.

‘Wat moet dat-’ gromt Althareon, en hij staat al op om de gedaante bij zijn kraag te grijpen.

‘Genade, heren!’ de demon – in de vorm van een paffige walrus met kraaienpoten – blubbert zijn excuses. ‘Een- hrmm-glaasje teveel gehad, vrees ik! Alstublieft, een zilverstuk voor een arme demon?’

‘Maak dat je wegkomt!’ gromt Althareon. Balthamon zegt niets, maar kijkt naar de grote vlokken en vellen loslatende huid van de demon, het teken dat hij vele uren in zonlicht heeft doorgebracht. Noodgedwongen, natuurlijk.

‘Valt dit heerschap u lastig, mijne heren?’ Een grote kerel met een enkel oog en slecht zittend pak torent boven de klaploper uit. ‘Eist u genoeg­doening? Zal ik zijn botten voor u breken?’

‘Nee,’ zucht Balthamon, en hij wuift de hulp van de uitsmijter weg. ‘Laat hem maar.’

Balthamon maakt zich los van de bank, legt zijn servet op het tafelblad. Althareon werpt hem een bezorgde blik toe. ‘Alles in orde, chef?’

‘Ik heb nog werk te doen, Alt. Maar dankjewel voor de lunch.’

Zonder achterom te kijken loopt Balthamon naar buiten. Achter zich hoort hij hoe de uitsmijter, onder toejuiching van Althareon, de dronken demon manieren bij begint te brengen.

Balthamon zet zijn kaken op elkaar, en loopt door.

 

*

 

Tik. Tik. Tik.

‘Balt, wil je daar mee ophouden?’

Balthamon rukt zijn blik los van de kom bouillabaisse die voor hem staat en kijkt recht in de ietwat geïrriteerde ogen van zijn vrouw.

‘Je zit al twee minuten lang met je hoef op de vloer te tikken,’ zegt Lucinda. ‘Wat is er met je aan de hand?’

De twee demonen zitten aan de eettafel in hun woonkamer. Normaal kiezen ze ervoor om in de keuken te eten, maar vanochtend heeft Lucinda besloten dat de gelegenheid om wat meer luxe vraagt: een diner van zeven gangen staat tussen de partners uitgestald, in zilveren schalen op een ivoorwit tafelkleed. Lucinda heeft, zoals altijd, veel te veel eten laten bezorgen – koken weigert ze: ze is een vreselijke kok, en Balthamon nog erger.

Zelf heeft ze vijf, zes lepels van haar bouillabaisse genomen, om haar kom vervolgens aan de kant te schuiven en te anticiperen op het volgende gerecht.

Balthamon daarentegen heeft nog geen hap door zijn keel gekregen.

‘Hoe ging het op het werk?’

Lucinda stelt de vraag met een mengeling van zorg, meelevendheid en, tegelijkertijd, afstandelijke calculatie. Balthamon zucht inwendig.

‘Het ging prima, Lucinda.’

‘De nieuwe plannen sloegen aan bij de chef?’

Balthamon knikt en haat zichzelf terwijl hij dat doet.

Waar komt dat gevoel vandaan? Demonen liegen nu eenmaal. Dat is wat we doen.

‘De plannen gaan werken, maar we moeten nog veel onderzoek ver­richten. Adramelech heeft mijn team wel drie-, vierhonderd calcu­latie­stromen gegeven om na te gaan.’ Hij schudt zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik ben niet de beste gesprekspartner vanochtend. Ik heb nog niet eens naar jouw nacht gevraagd. De aartsbisschop van Agrigento… hoe ging het?’

Lucinda grijnst.

‘Als een vlieg in ons web,’ zegt ze, en neemt een aardbei uit de schaal in het midden van de tafel.

Terwijl ze erin bijt en het sap over haar lippen loopt, werpt ze Balthamon een verleidelijke blik toe. En hij voelt, slecht humeur of niet, het lid tussen zijn benen in beweging komen.

 

*

 

De seks was goed, geeft Balthamon toe. Uitzonderlijk zelfs, op een technisch vlak. In de afgelopen tweehonderd jaar heeft hij geleerd wanneer Lucinda op routine draait, en wanneer ze moeite doet. In dat laatste geval zet Balthamon al zijn ellende en zorgen opzij om met haar het bed in te duiken. Zo ook deze keer.

Maar de seks is voorbij. En de zorgen die Balthamon opzij had geschoven stromen weer terug, aangetrokken door de leegte die het weg­ebbende genot achterlaat.

Naast hem ligt Lucinda te slapen, in een houding die haar vast de nodige spierpijn gaat opleveren. Balthamon weet wel beter dan haar daarom wakker te maken. Ze snurkt lichtjes, gromt en rolt weg als haar huid wordt geraakt door het zonlicht dat tussen de lamellen door sijpelt.

Balthamon daarentegen merkt dat zijn ogen steeds weer naar het warme licht toe getrokken worden. Hij denkt aan het licht dat de afgelopen nacht uit de cel straalde, en hem vol in zijn gezicht raakte.

 

*

 

‘Snap je nu waarom ik hier zit?’

Twee blauwe ogen. Een gezicht dat lijkt te stralen met zilver licht.

Terwijl Balthamon nog stil staat, verbouwereerd, probeert hij te bepalen wat voor geslacht het wezen heeft. Het lukt hem niet. Het smalle, symmetrische gezicht heeft een geslachtloze kwaliteit. Niet androgyn, geslachtloos. Alsof het wezen gemaakt is in een tijd dat sekse nog geen factor was.

‘Je weet wat ik ben, nietwaar?’

Balthamon knikt. Ergens vindt hij zijn stem. ‘Hoe kom je hier?’ vraagt hij.

De engel zucht, en glimlacht droevig. ‘Zijn plan.’

 

*

 

‘Verdomme,’ fluistert Balthamon, nadat hij de lange wijzer op de wekker een hele ronde heeft zien maken.

Voorzichtig haalt hij de satijnen lakens van zijn benen en glipt het bed uit. Hij gooit een badjas over zijn slanke postuur, doet de slaapkamerdeur open, en laat een snurkende succubus achter zich.

Balthamon schuift de pui open en stapt zijn balkon op. Het warme licht van de zon – hoog aan de hemel – verblindt hem. Als de zwarte vlekken zijn blik beginnen te vullen sluit hij zijn ogen en laat hij de zonnestralen op zijn gezicht rusten.

De dag is warm – warmer dan Balthamon had gedacht. Hoewel Hel aan andere regels onderworpen is dan de Aardse werkelijkheid, is er door­gaans wel een weerspiegeling van de seizoenen merkbaar. Op aarde is het nu april, maar de zon brandt als op een warme dag in juli.

Balthamon wendt zijn gezicht ten slotte af, en opent zijn ogen weer. Hij zucht wanneer de vlekken terugtrekken en Hel zich langzaam aan hem openbaart.

De straten zijn nu leeg: geen zichzelf respecterende demon is overdag op straat te vinden. In dit warme, volle licht kleuren de straten van Hel – het gietijzer en grauw gesteente – een vreemde tint geel, en even kan Balthamon geloven dat hij zich niet meer in de gevangenis van de verdoemden bevindt. Zelfs het miasma dat ’s nachts uit de fabrieken en folterhuizen wasemt – de smog, de rook, de ziektes – lijkt nu verdwenen, of ijl genoeg om de suggestie van schone lucht op te wekken.

Balthamon kijkt naar de lege, zonovergoten straten, en denkt aan twee blauwe ogen.

Blauwe ogen, en een warme zon.

‘Verdomme,’ zegt hij weer, voordat hij naar binnen gaat en zijn badjas voor zijn werkkleren verwisselt.

 

*

 

Er is geen portier bij de Toren van Traan. De Toren heeft een eigen entiteit – een spiritus – en herkent zijn werknemers. Balthamon weet dat hij zijn toegang tot het kantoorcomplex op het hoogst van de middag niet voor zijn werkgevers verborgen zal kunnen houden: vroeg of laat – waarschijnlijk vroeg – zal Adramelech ervan horen, en zijn conclusies trekken.

Die gedachte spookt door Balthamons hoofd terwijl hij de met marmer ingelegde ontvangsthal betreedt, en blijft er spoken terwijl hij over de brede, betonnen treden naar beneden loopt, de IJskast in.

Als hij op de stalen deur afloopt, heeft hij even het idee dat de schuif­klep weer gesloten is.

Er is niks aan de hand, vertelt hij zichzelf. Ik kan niet meer met hem praten. Ik vergeet deze hele situatie, en richt me weer op mijn werk. De Derde Rij kan ik wellicht niet halen – nog niet – maar dat betekent niet dat ik uit de Vierde Rij hoef te stappen.

In zijn hoofd heeft Balthamon al een verklaring bedacht voor het feit dat hij hier overdag is: hij had die nacht gemeend te zien dat één van de cellen in de IJskast niet goed vergrendeld was. Hij was er overdag van wakker geschrokken, en was naar de Toren gekomen om zich ervan te verzekeren dat alles in orde was.

Dat klinkt goed, besluit hij. De komende uren zou hij zich op zijn werk kunnen storten, en wie weet… wellicht zou het idee zich aandoen waarmee hij de chef alsnog zou kunnen overtuigen van de waarde van zijn project.

Dan ziet hij dat hij zich vergist heeft: de cel die hij zoekt is twee deuren verder, en de schuifklep staat wel degelijk open. Het licht waar hij eerder die nacht voor terugdeinsde stroomt naar buiten toe.

Alsof ze voelen dat hun baas aarzelt, nemen Balthamons benen de controle over. Voordat hij er iets aan kan doen, staat hij voor de celdeur en kijkt hij door de open klep naar binnen.

‘Ik zie dat je terug bent.’

Balthamon voelt zijn hart kloppen in zijn keel. Toen hij op zijn balkon stond, zijn gezicht verwarmd door de stralen van de zon, leek zijn besluit zo helder. Maar nu hij oog in oog staat met de engel beseft hij dat hij geen flauw idee heeft wat hij wil doen.

‘Wel,’ zegt de engel aan de andere kant droevig. ‘Waarom ben je hier?’

‘Ik…’ Balthamon neemt diep adem. ‘Kunnen we veranderen?’

De engel houdt zijn hoofd schuin, vragend. ‘Of we kunnen veranderen? Wat denk je zelf?’

Balthamon tuit zijn lippen, en denkt. ‘Ooit waren we als jij,’ zegt hij.

De engel knikt. ‘En wat jij wilt weten is, ‘kan ik weer zo zijn’? Dat is het toch?’

‘Ja.’

Lange tijd houdt de engel Balthamon in zijn blik gevangen. ‘Is dat wat je wilt?’ is wat hij ten slotte vraagt.

‘Ik… ik weet het niet. Nee. Ja. De laatste tijd slaap ik slecht. De zon. Ze lijkt feller.’

De engel zegt niets.

‘Ik ben een prognost,’ zucht Balthamon. ‘Ik kijk naar een plan en ik zie de toekomst. De waarschijnlijkheden. Het goede en het kwade. Althans, dat deed ik. De laatste tijd is mijn talent… aan het afzwakken. Sinds ik slecht slaap. Sinds ik in de zon kijk.’

Balthamon haalt diep adem.

‘Is het… Zijn werk?’

De engel kijkt hem aan. Droevig, meewarig.

‘Kom dichterbij,’ zegt hij.

Zijn voeten willen al vooruit schuifelen, maar Balthamon houdt ze tegen. ‘Ik weet niet wat je van plan bent.’ Hij is er nu zeker van: dezelfde warmte die Balthamon onder de stralen van de zon voelde komt hem ook vanuit de cel, vanuit de engel, tegemoet.

‘Balthamon,’ zegt die. ‘Ik weet dat dit moeilijk voor je is. Ik weet dat dit haaks staat op alles wat je de afgelopen drieëndertigduizend jaar geloofd hebt. En ik weet ook dat dit de enige manier voor je is om vrede te voelen.’

Even aarzelt de engel, voordat hij het vraagt.

‘Mag ik je helpen?’

Zijn slanke, zilverwitte hand reikt hij uitnodigend naar buiten. Balthamon staart ernaar alsof het een reddingsboei is, maar wel een die is geladen met springstof.

Hij kijkt voorbij de hand, naar de ogen van de engel. Balthamon recht zijn rug.

‘Vertel me je naam,’ zegt hij.

De engel glimlacht. ‘Zalthear.’

Balthamon grijpt zijn hand.

En een lange, zilverwitte straal licht kruipt over Balthamons arm, tot in zijn borst.

Vier, vijf tellen lang staan de twee wezens – engel en demon – tegenover elkaar, met slechts de celdeur tussen hen in. Beiden hebben hun ogen gesloten, en beiden spreken niet. Balthamons gezicht vertrekt, en een traan rolt over zijn wang. De engel houdt zijn gelaat ontspannen, maar ook bij hem loopt een traan vanuit zijn rechteroog naar beneden.

Dan opent de demon zijn ogen.

‘Ik..’ begint hij, ‘ik hoorde… ik zag…’

De engel knikt.

‘Was dat een herinnering?’

De engel schudt zijn hoofd. ‘Het was een belofte.’

 

*

 

Balthamon had erop gerekend de deur van Adramelechs kantoor te moeten forceren. Maar de deur, die de afgelopen tweehonderd jaar iedere dag met de spreuken van de chef verzegeld werd, staat uitnodigend open. Alarmbellen hadden moeten afgaan in Balthamons geest, maar hij denkt slechts aan zijn doel.

‘Adramelech heeft de loper van de cellen,’ had hij Zalthear verteld. ‘Als ik in zijn kantoor kan komen, kan ik je hieruit halen.’

Zalthear had geknikt. ‘Het dak. Breng me naar het dak en ik kan contact maken met Hem.’

De loper vinden, terug naar de cel, en naar het dak. Een helder plan. Een simpel plan.

Ik ben een klootzak met een ezel- en een pauwengezicht, denkt Balthamon, als hij in het luxueus ingerichte kantoor staat. Ik paf sigaren tot de nicotine uit mijn poriën loopt, en ik geil erop mijn werknemers met totale vernietiging te bedreigen. Waar laat ik mijn sleutels?

Het antwoord dient zich aan als Balthamon voor de tweede keer een slome cirkel maakt.

‘Ah,’ zegt hij, en grist de loper van een haak naast de deur.

De loper voelt zwaar in zijn rode hand: een grote, zilveren vlieg, symbool van de Orde, met daaraan zes sleutels. Balthamon weet dat één ervan, met een kruisvormig uiteinde, gebruikt wordt voor de cellen en archieflades van de IJskast. Twee andere dienen om de Toren van binnenuit te sluiten, in noodsituaties. Eén is voor het kantoor zelf, en een andere is de reservesleutel van Adramelechs wagen – een rode Porsche.

Dan is er nog één sleutel: klein, met een fijn, geribbeld uiteinde.

Balthamon kijkt rond, en ziet een langwerpig stalen kistje op een hoek van het bureau van de chef staan. Met een klein slot.

‘Ach, wat zou het ook…’

Drie dingen vindt Balthamon in het kistje: twee dossiers, en een klein, zwartblauw glazen flesje. Balthamon denkt terug aan hoe de chef, nog geen volle nacht geleden, dat flesje tegen zijn lippen aan drukte. Hij recht zijn rug en stopt het wapen in zijn broekzak.

Die is voor mij, lul.

Dan de dossiers: het ene is getiteld ‘Schone Schijn,’ het andere ‘Privé’. Balthamon legt het eerste dossier weg, en opent het tweede. Het eerste wat hij ziet is een polaroid van een scharlaken vrouw in nachthemd, poserend op een bed. Hij herkent de vrouw.

Meer polaroids volgen: Lucinda met haar armen boven haar hoofd, waardoor haar tepels tegen het doorschijnende hemd aan komen; Lucinda die het nachthemd open knoopt, en de bovenkant van haar borsten blootgeeft; Lucinda op handen en knieën, die over haar schouder suggestief naar de camera kijkt.

‘Gevaarlijk terrein, prognost van me.’

De polaroids vallen uit Balthamons hand.

Hij staart naar het midden van het grote bureau, waar boven een stenen bassin het hoofd van Adramelech – het pauwenhoofd – verrezen is.

‘Ik zie dat je mijn persoonlijke collectie gevonden hebt. Neem het me alsjeblieft niet kwalijk, Balt. Lucinda was altijd al te goed voor een zwakke demon als jij. Ze had gewoon iemand nodig om haar te laten zien hoe Hel werkt. En die persoon kon ik voor haar zijn. Vertel me eens: wat voel je nu? Haat? Schaamte? Jaloezie?’

Balthamon kijkt zijn chef recht – voor zover dat kan, bij een fantoombeeld – in zijn zwarte, felle ogen. Hij beseft dat hij altijd al een hekel heeft gehad aan die blik, geamuseerd door iets wat alleen voor de chef amusant is.

‘Eigenlijk,’ zegt Balthamon, ‘laat het me koud.’

Het vreemde is dat het nog klopt ook.

‘Balthamon? Je gedraagt je vreemd. Wat doe je in mijn kantoor? Wat is je plan?’

‘Het was een eer om voor je te werken, Adramelech. Je hebt me veel geleerd.’ Balthamon haalt diep adem. ‘Maar laat me voor nu zeggen dat je die stomme pauwenkop van je tussen je eigen benen mag steken, en diep, diep je reet in mag duwen. En niet omdat je Lucinda van me afpakt. Ik wens jullie samen veel geluk. Ik neem ontslag.’

Met een zwaaiende beweging slaat Balthamon het bassin – en daarmee het verbouwereerde hoofd van zijn baas – van de tafel, tegen de muur aan. Daar slaat het stuk en laat een natte vlek achter op het tapijt.

Balthamon grist de dossiers – beide dossiers – van de tafel en steekt ze in de binnenzak van zijn jas. Hij pakt de loper en beent met snelle pas het kantoor uit.

Achter hem, vanuit het gebroken bassin op de vloer, achtervolgt de stem van de chef hem in horten en stoten.

‘Dit gaat nie- … zult hier…. zweer je… wegkomen!’

 

*

 

‘Heb je het gevonden?’ vraagt Zalthear.

Balthamon knikt. Hij neemt de juiste sleutel in zijn hand, en maakt met licht trillende vingers de celdeur open.

‘We moeten haasten. Adramelech – mijn baas – weet dat ik hier ben. Dat ik iets van plan ben.’

De zware celdeur zwaait verbazingwekkend makkelijk open, en Balthamon stapt achteruit om de engel in zijn volle glorie te bewonderen: Zalthear draagt kleren – een simpel grijs sweatshirt en donkerblauwe joggingbroek – maar toch lijkt het zilverwit licht vanuit zijn hele lichaam te stralen, door de stoffen omhulsels heen.

‘We moeten naar het dak,’ zegt Zalthear. ‘Vanaf daar kan ik contact maken.’

De twee wezens – rood en zilver – haasten zich door het trappenhuis omhoog. Heel even blijft Balthamon staan op de begane grond en kijkt door de lengte van de lobby naar de voorzijde van het gebouw. Drie, vier gedaanten lopen buiten rond: rechtop staande, grimmige silhouetten, door het weerlicht van de zakkende zon zichtbaar achter de matglazen ramen.

Hellehonden, denkt Balthamon. Hij had de poorten al van binnenuit vergrendeld met Adramelechs loper, maar hij weet dat het niet lang zal duren voordat de ordebewakers van de onderwereld een weg naar binnen zullen vinden.

‘Kom op,’ spoort hij de engel aan. Die kijkt weg van de silhouetten voor het raam en knikt.

Balthamon wil naar de lift stappen, maar bedenkt zich dan.

‘Als ze binnenkomen, kunnen ze de liften stopzetten. Te riskant. We nemen de trap.’

Op de tiende verdieping begint Balthamon te vertragen. Op de veer­tiende is hij aan het puffen en buiten adem. Op de negentiende moet hij stoppen en de reling vastgrijpen, en probeert hij zijn maaginhoud niet uit te braken. Zalthear lijkt van de inspanning geen enkele hinder te onder­vinden, en kijkt over de reling naar beneden.

‘Hoor je dat?’

Balthamon knippert met zijn ogen. Zalthear kijkt hem aan, en houdt zijn hoofd schuin, gebarend dat hij moet luisteren. Als Balthamon zijn ademhaling onder controle krijgt, hoort hij het ook: het gegrom van de hellehonden.

En dat komt niet van beneden.

‘Nee!’ roept Balthamon, net voordat de deur direct tegenover hem en de engel versplintert en twee hellehonden zich door de opening naar buiten storten. Meer dan manshoog, met een rode pels, grote klauwen en een lange, grijnzende snuit, lijken de in uniform gestoken bewakers meer op weerwolven dan honden.

Balthamon grist naar het flesje in zijn binnenzak.

Met reflexen waarvan Balthamon niet wist dat hij ze had schiet zijn arm naar voren, in een brede boog, en drukt zijn duim de stolp van de donkerblauwe hals af. Druppels van het donkere goedje vliegen uit de fles en treffen de hellehonden op hun snuit, borst, armen en benen. Eén druppel treft de achterste ordebewaker zelfs direct in zijn oog, en Balthamon ziet het oog verschroeien, verschrompelen en wegkwijnen tot een verkoolde kruimel.

De rest van de hellehonden volgt. Het geschreeuw weergalmt door het trappenhuis, en lijkt pas te stoppen als de beide bewakers tot smeulende resten zijn gereduceerd.

‘Effectief.’

Balthamon, nog geschokt door de schade die hij heeft aangericht, kijkt opzij naar Zalthear. Die staart naar de resten van de twee hellehonden te kijken. Vergist Balthamon zich, of is er een kleine glimlach van genoeg­doening zichtbaar op het engelengelaat?

Dan kijkt Zalthear Balthamon aan, en zijn gezicht valt weer terug in zijn natuurlijke, serene staat.

‘Kijk uit,’ zegt hij, en knikt naar Balthamons rechterhand.

Balthamon kijkt omlaag, en ziet dat hij het flesje nog vasthoudt. Een druppel van de donkere vloeistof ligt op de rand van de hals, en dreigt eruit te lopen. Balthamon onderdrukt de impuls om het flesje weg te gooien, en raapt voorzichtig de stolp op. Als hij er van verzekerd is dat het flesje weer veilig afgesloten is, stopt hij de Inessens terug in de binnenzak van zijn jas, tegen de folder aan.

‘Zullen we verder gaan?’ vraagt Zalthear.

Onderaan het trappenhuis klinkt het geblaf van méér hellehonden. Balthamon knikt.

 

*

 

Het dak van de Toren van Traan bestaat uit twee niveaus: een rondgang, bereikbaar vanaf de drieëndertigste verdieping, en het dakterras, met een ijzeren trap te bereiken vanaf de rondgang. De laatste keer dat Balthamon op het dakterras kwam was met de jaarlijkse personeelsbarbecue: een gezellige gelegenheid, waarbij de mixdrankjes rijkelijk vloeien en het minst presterende personeelslid traditiegetrouw op de grill belandt. Wederom: demonen sterven niet. Balthamon had horen zeggen dat het jaarlijks offer er het nodige ongemak aan overhield om – nadat hij in stukken was gesneden, en was opgegeten door zijn collega’s – weer tot een geheel te groeien.

Dat gaat mij overkomen, denkt hij koortsachtig. Gegrild en opgediend met barbecuesaus. Als ze ons grijpen, in ieder geval.

Aan alle kanten komt het hondengeblaf hen tegemoet. Balthamon kijkt met samengeknepen ogen naar de engel, Zalthear, die zich richt tot de zon – nu bijna aan het einde van haar afdaling naar de horizon.

‘Vader, Zoon, Heilige Geest,’ zegt Zalthear, en zijn stem klinkt krachtig in de stille lucht bovenop het dakterras. ‘Hier staan twee van Uw kinderen: angstig, verloren, en afhankelijk van uw hulp.’

Geschraap op grindkorrels. Balthamon draait om zijn as, en graait al naar de Inessens in de binnenzak van zijn jas. Verderop, op de Toren van Bloed, ziet hij een kleine colonne hellehonden stelling nemen, met tussen hen in een stellage van zwarte, glanzende buizen die langzaam vorm begint te krijgen. Een stuk artilleriegeschut, vermoedt Balthamon.

‘Heer, verlos ons van deze kwade geesten!’ Zalthear is op zijn knieën gevallen en steekt zijn armen uit. ‘Red ons uit de klauwen van zij die Uw Naam verloochenen! Hier staan Uw kinderen; Zalthear, een trouw dienaar, en Balthamon, een banneling met berouw. Reik ons Uw hand, Heer!’

Balthamon is achter de engel komen staan, en legt een hand op diens schouder. Samen kijken ze naar de zon, die fel en heet in hun gezicht schijnt. Samen horen ze het bloeddorstig gegrom van de ordebewakers die aan alle kanten het gebouw beklimmen.

Balthamon kijkt opzij, waar een aantal van de hellehonden – uitgerust met kevlar en lange, doorzichtige schilden – over de rand van het dakterras klimt en een behoedzame schildmuur opstelt. Dan naar de andere kant, waar vanaf het dak van één van de andere Torens – Pus of Pis, een van die twee – een V-formatie gedrochten hun stenen vleugels spreidt.

‘Niet om het een of ander,’ zegt de demon met een kalmte die hij geheel niet voelt, ‘maar gaat dit nog lang duren? We zijn aardig omsingeld aan het raken.’

‘Ik-’ begint Zalthear, ‘ik-’

‘BALTHAMON!’

Precies tegenover de langzaam zakkende zon staat hij: Adramelech, Kanselier van de Orde van de Vlieg. De chef. Met een kogelvrij vest aan en een megafoon tegen zijn ezellippen.

‘BALTHAMON!’ schalt zijn stem door de elektronische trompet. ‘KUNNEN WE PRATEN, VOORDAT JE IETS DOMS DOET?’

‘Hij komt niet…’

Zalthear kijkt over zijn schouder, omhoog, in de ogen van Balthamon. En voor het eerst sinds hij de engel heeft ontmoet ziet Balthamon angst en onzekerheid in het anders zo serene gelaat.

‘Hij komt niet,’ herhaalt Zalthear, en een zilver spoor van tranen loopt over zijn wangen naar beneden.

‘BALTHAMON! LUISTER NAAR ME!’

Balthamon spant zijn kaak, en kijkt weg van de engel, naar zijn voormalige baas.

‘Wat wil je!?’ schreeuwt hij. De woorden komen wild en rauw uit zijn mond.

‘BALTHAMON, IK WIL DAT JE VAN DE ENGEL VANDAAN STAPT. IK WIL DAT JE JE HANDEN IN JE NEK LEGT EN DAT JE OP JE KNIEËN GAAT.’

Om het tweetal heen heeft een hele linie hellehonden stelling genomen – een ononderbroken cirkel van grommende snuiten, verschanst achter hoge schilden. Schaduwen glijden over het dak, over Balthamon. Schaduwen van de waterspuwers die als aasgieren om hem heen cirkelen. Maar niets ondernemen.

Niemand onderneemt iets.

Ze zijn bang, beseft Balthamon. Bang voor mij.

Voorzichtig, langzaam, haalt hij het flesje, de Inessens, uit zijn binnen­zak tevoorschijn, en houdt die omhoog.

‘BALTHAMON!’ brult de chef. ‘DOE NIETS WAAR JE SPIJT VAN KRIJGT!’

Maar wat dan? Balthamon staat op meer dan twintig meter afstand van de chef; te ver om de Inessens over hem heen te gooien. Wellicht kan hij er een paar hellehonden mee vernietigen, maar niet meer dan dat.

Zijn ze bang dat ik het zelf inneem? Dat ik mijn straf ontloop?

Nee. Demonen genieten van andermans pijn, en zijn wraaklustig, maar Balthamon zal zeker niet gemist worden als hij de donkerblauwe drank in zou nemen en zichzelf zou wissen uit het bestaan.

‘Heer…’

Langzaam draait Balthamon zijn hoofd, en kijkt naar het zilverwitte wezen dat nu op handen en knieën – zijn hoofd omlaag, steunend op het grind – op het dakterras zit. De smeekbedes die van Zalthear komen klinken wanhopig, huilerig.

‘Heer! Alstublieft…’

En dan snapt Balthamon het.

‘IS HET JE OM HEM TE DOEN, ADRAMELECH?’ roept hij naar de chef, en wijst achter zich naar de engel.

Adramelech verrekt geen spier. En verraadt daarmee alles.

‘JA DUS! WAT IS ER ZO BELANGRIJK AAN HEM?’

‘IK KOM NAAR JE TOE, BALT.’

‘BLIJF DAAR!’

Twee meter is de chef naar voren gekomen. Als Balthamon zou willen, kan hij de Inessens naar zijn baas gooien. En wellicht zou hij nog raken ook.

Als Adramelech zich van dat gevaar bewust is, laat hij het niet merken. Hij zet de megafoon weer aan zijn lippen en spreekt nu op zachtere toon.

‘Balthamon, je hebt daar het belangrijkste deel van de operatie die de Orde vijfhonderd jaar voorbereiding en ontelbare miljarden heeft gekost. Ik weet dat je momenteel boos en onzeker over je positie bent, maar we kunnen hierover praten! Doe die fles weg!’

‘WIE IS HIJ?’

‘We leggen alles uit, Balthamon, alles! Maar leg eerst-’

‘NEE! VERTEL HET ME NU!’

Om zijn eis kracht bij te zetten stapt Balthamon achteruit en houdt de fles Inessens boven het hoofd van de engel. Zalthear heeft zijn ogen gesloten, en merkt niets.

‘Heer, ik ben U niet waardig,’ prevelt hij zacht. ‘Ik ben Uw dienaar, en accepteer het Plan dat U voor mij heeft.’

Twee van de hellehonden zetten geweren tegen hun schouders en richten op Balthamon. Adramelech haalt de megafoon van zijn mond, vloekt tegen ze, en de geweren gaan weer omlaag.

‘Balthamon!’ zegt de chef, met de megafoon weer tegen zijn lippen. ‘Er zijn hier heel veel demonen die je neer willen schieten. Maar ik vertrouw op je verstand, en geef je een kans om jezelf hieruit te werken. Kijk in je jaszak! Je hebt de dossiers uit mijn bureau gehaald. Degene met de… foto’s, maar ook een andere.’

Balthamon knippert met zijn ogen.

‘Bekijk dat andere dossier!’

‘BLIJF OP AFSTAND!’

Adramelech knikt, en Balthamon vist voorzichtig, met één hand, het dossier uit zijn binnenzak. Hij neemt die aan de onderkant vast, zwaait die open.

En kijkt in het gezicht van Zalthear.

En eronder, in grote zwarte letters, PROJECT SCHONE SCHIJN.

‘WAT IS DIT?’

‘Lees het!’

Zalthear, de ster die lacht. Rechterhand van Uriël. Vertrouweling van de vijand. Heeft zich vaak bewezen in inmenging met menselijke affaires, met name op het gebied van uitvindingen, kunst en literatuur. Gevangen door de helle­honden in 1566, in Venetië. Programma van indoctrinatie ingezet onder leiding van de kanselier. Na driehonderd jaar initiële weerstand is eerste succes geboekt. Patiënt is niet bekeerd, maar wel doordrongen van ideeën die onze zaak zullen bespoedigen. Prognost Althareon voorspelt dat re-integratie in de Hemel zal leiden tot de publicatie van een boek dat de Westerse samenleving over de grens van het rechts-extremisme zal trekken. Gesloten grenzen, invoering van getto’s en, uiteindelijk, een wapenwedloop tegen de oosterse wereld zijn directe gevolgen. Het aantal te winnen zielen wordt geschat op 1.500.000.000 – 4.500.000.000

Balthamon laat het dossier uit zijn trillende hand vallen. Hij voelt koud zweet over zijn lichaam lopen, en rilt.

‘Nee,’ fluistert hij.

‘Begrijp je het nu, Balthamon? We hebben het! Het wapen dat we willen! Een kans om niet alleen terug te vechten, maar te winnen!’

‘Heer!’

Balthamon voelt de zon branden op zijn nek, en draait zich om naar de zon die in intensiteit is toegenomen. Zalthear is weer overeind gekomen, en reikt zijn handen naar het licht.

‘Heer!’

‘Dit moet gebeuren!’ roept de chef. ‘Voor ons allemaal. Voor heel Hel!’

De bal vuur wordt groter en groter, en Zalthear is bijna een zwart silhouet geworden. Een donkere vlek op die bol van puur, warm licht.

‘HEER!’

‘LAAT HET GEBEUREN, BALT.’

Balthamon kijkt nog één keer achterom naar de chef, voordat hij zich richt op de engel.

‘Het spijt me,’ fluistert hij, en kiepert het flesje boven Zalthear om.

Hij wil nog meer zeggen, maar zijn woorden zijn onhoorbaar onder het gekerm en gekrijs van de engel die zijn eigen essentie verliest. Die verschroeit tot niets. Balthamon kan achteraf niet zeggen of de doods­strijd van de engel vijf seconden, vijf uur of vijf jaar heeft geduurd. Er was een pijn zo diep dat die de hele wereld in beslag nam, en toen was er niets meer.

De zon trekt zich terug, krimpend tot haar normale formaat. Als een rode bal hangt ze net boven de horizon van Hel, waar ze zwak en ontzet­tend kwetsbaar oogt.

Het is stil.

Balthamon staart naar de zich terugtrekkende zon. Naar het lege flesje in zijn handen. Naar de smeulende resten van de engel.

Hij vraagt zich af wat hij gedaan heeft.

‘Bravo, Balthamon.’

Het is de chef die zijn arm om de schouder van de stom geslagen demon legt.

‘Complimenten, m’n beste. Je hebt je aan het script gehouden als geen ander. Ik had zo mijn twijfels toen ik dit rapport voor me kreeg, maar ik moet zeggen dat het bijzonder goed heeft uitgepakt. Een engel ver­dwenen, kwijt, van het strijdtoneel. Je deed het allemaal met de beste bedoelingen, natuurlijk. En dat is het hele punt.’

Balthamon staart vol onbegrip naar de grijns op het ezelgelaat.

Later, als hij in zijn cel zit – dezelfde waar Zalthear in zat, nota bene – heeft hij tijd om alles uit te denken. Hoe ze hem hebben bedonderd. Hoe Lucinda zijn neigingen tot het lichte opmerkte, zijn nachtboek vond, haar bedenkingen doorspeelde aan Adramelech. Hoe Althareon het rapport samenstelde, waarin precies stond uitgestippeld aan welke touwtjes ze moesten trekken om Balthamon over de streep te krijgen. Een dreige­ment van de chef; een celdeur die niet goed afgesloten was; een paar rondslingerende dossiers… Angst, twijfel, leugens. Allemaal om Balthamon op het juiste moment op de juiste plek te krijgen.

Met de engel, en het wapen om de engel te vernietigen.

Met het onwrikbaar geloof dat wat hij deed ook het juiste was.

Later komt dit besef. Nu, op het dak van de Toren, snapt Balthamon alleen nog dat hij er in is geluisd. De chef haalt zijn hand van Balthamons schouder, en twee hellehonden stappen naar voren om de prognost in de houdgreep te nemen.

‘Alles wat in Hel gebeurt,’ vertelt de chef hem, ‘vindt op aarde zijn weerslag. Jouw daad – het doden van een engel, met de beste bedoelingen – zal miljoenen inspireren om daden te verrichten die even vreselijk als goedbedoeld zijn. Miljarden zullen sterven, omdat de westerse wereld weer denkt te weten wat het goede is.’

Balthamon hoort de woorden van de chef maar half. Voelt de tranen niet die over zijn wangen lopen. Het enige waar hij van bewust is, als hij wordt meegesleurd door de hellehonden, is de zon die net boven de horizon staat, laag, en klein, en donker.

En ondergaat.

Meertens & Zn. : Henriëtte Poelman

De regen sloeg tegen het etalageraam waarop in zwierige letters MEERTENS & Zn. stond geschreven. Achter het glas hing een open­gesneden varken aan een haak, die op het eerste gezicht niet van echt was te onderscheiden. De kop lag eronder, op een grote schaal op een rood-wit-geblokt kleedje. Ernaast kondigde een schoolbord met houten lijst de aanbiedingen van de week aan: klapstuk, oerhammetjes, kotelet­ten. Het was al avond, maar het licht in de slagerij was nog aan en de deur achterin de winkel, naar de keuken en daarachter het slachthok, stond open.

Met een stekende pijn in zijn hoofd sjorde Berend zich half overeind, tot hij met zijn rug tegen de deur­post leunde. Vanaf de vloer keek hij verdwaasd de keuken rond, knipperend tegen het felle licht van de TL-buizen. Hij moest gevallen zijn. Uitgegleden. Berend voelde aan zijn hoofd. Het was alsof er een strak­getrokken band over zijn voorhoofd zat. Vlak boven zijn rechteroor was de pijn een stuk scherper, maar hij bloedde niet. Mooi zo, niet aanzitten.

Hij keek op zijn horloge, stond moeizaam op en trok zijn slagersschort recht. Hij wreef over zijn voorhoofd en masseerde zijn slapen, waar zijn haar grijs begon te worden. Hoofdschuddend controleerde hij de deuren, deed alle lichten uit en stapte de straat op. Hij sloot de slagerij af en liep met wankele passen over de stoep naar huis. Het was laat en de straten waren stil. Willem zou al wel zitten te wachten. Berend trok zijn schouders hoog op tegen de regen.

 

Willem zat aan tafel, met de pannen voor hem op het zware tafelkleed. Zijn bord was, op wat vegen jus na, leeg.

‘Het eten is koud’, zei Willem, met een veel­betekenende blik op de klok.

Berend trok, nog steeds wat bibberig, in de gang zijn jas uit. ‘Was je al begonnen?’

‘Ik ben alweer klaar.’ Willem leunde met stijf over elkaar heengeslagen armen op tafel, terwijl zijn broer tegenover hem ging zitten.

‘Sorry,’ zei Berend zacht en tilde één voor één de deksels op. De braadpan was leeg.

‘De koteletten waren maar klein,’ zei Willem, ‘en zonde om ze koud te laten worden.’

Berend zei niets. Hij voelde dat Willem naar hem keek terwijl hij de aardappels en de net iets te lang gekookte boontjes opschepte en begon te eten. Hij kauwde met gebogen hoofd. Aan de overkant van de tafel klonk een diepe zucht. Berend keek de zitkamer in, waar in het donker de grote Friese klok tikte. De plafonnière boven de eettafel wierp een flauw schijnsel op het beige tapijt.

Toen Berend was uitgegeten, ruimde hij af en zette koffie, zoals elke avond. Willem haalde de boeken uit de eikenhouten kast in de zitkamer en legde deze met de pennendoos op tafel, zoals elke avond. Hij sloeg twee schriften open en hield zijn hand op naar Berend. Maar Berend stond bij het aanrecht en staarde naar buiten, waar de regen bleef vallen.

‘De envelop van vandaag,’ zei Willem en zette zijn halve leesbril op. Hij stak opnieuw zijn hand uit.

Berend draaide zich om. ‘Die heb ik niet,’ zei hij.

‘Alweer vergeten?’ Willem wreef over zijn voorhoofd, waar na alle jaren een permanente frons in stond gekerfd. ‘Heb je de kassa ook niet opgemaakt?’

‘Sorry,’ zei Berend zacht. ‘Kan het morgen? Ik heb zo’n hoofdpijn.’

‘Niet best,’ antwoordde Willem, terwijl hij de schriften en de pennendoos weer opborg, ‘Ga maar vroeg slapen.’

Maar Berend was de keuken al uit en klom met dichte ogen de trap op. Hij liet zijn kamer donker, kleedde zich snel uit en stapte in bed. Inderdaad niet best, dacht hij. Hij snapte niet wat er nou was gebeurd. Met zijn knieën en de dekens hoog opgetrokken, probeerde hij zichzelf in slaap te denken. Als die pijn in zijn hoofd morgen maar weg was, dat zou een stuk schelen.

 

Woensdag was druilerig. Willem vertrok al vroeg naar de slagerij, zoals elke ochtend. Berend sleepte zich naar de badkamer, naar de keuken, naar de voordeur. Hij had aan één stuk door geslapen, maar was doodop wakker geworden. Zijn hoofdpijn was gelukkig groten­deels weggezakt en wat overbleef, een zeurende pijn laag in zijn achterhoofd, was te negeren.

In de winkel van MEERTENS & Zn. werkte Berend het krijtbord bij. Het klapstuk en de oerhammen waren nog steeds in de aanbieding, maar de koteletten wiste hij uit. In plaats daarvan schreef hij met geoefende, zorgvuldige halen: ‘KONIJN, va € 4,25’. Berend keek naar de letters, wierp een blik op de lege straat en zette er een uitroepteken achter.

De pijn barstte in alle hevigheid los, alsof iemand met alle macht op zijn hoofd instak en in zijn hersenmassa wrikte. Vanuit de ruimte achter de winkel klonk een vreselijk, ijzingwekkend gekrijs. Berend haastte zich naar de deur. ‘Willem!’

Op de drempel van de keuken bleef hij staan. Zijn broer keek hem vragend aan. ‘Ja?’

‘Je… Gaat-i goed?’

Willem fronsde. ‘Best. Heb je de aanbiedingen veranderd?’

Berend knikte. ‘Je…’

‘Wat?’ vroeg Willem, ‘Moet je iets?’

Berend bleef met een verwarde uitdrukking naar zijn broer kijken. Willem haalde zijn schouders op en draaide zich weer naar het hakblok. Hij hief zijn arm op en liet het zware mes met kracht neerkomen. Het staal hakte door het gevilde konijn op het houten blok voor hem, door vlees, pezen en bot. Tegelijkertijd klonk weer dat afschuwelijke gekrijs, zo luid en ondraaglijk dat Berend achteruit wankelde en steun moest zoeken aan de toonbank. Willem was zich duidelijk niet bewust van het ijselijke geluid dat met elke houw tegen de tegels van de keuken kaatste.

Berend vluchtte de straat op. Hij deed een paar passen richting het plein, deed weer een paar passen terug en zonk door zijn benen. In de miezerregen, gehurkt tegen de gevel van de slagerij, probeerde Berend zijn gedachten te ordenen. Hij begreep niet waar dat allesdoordringende geluid vandaan was gekomen – en vooral, waarom Willem het niet had gehoord. De band trok weer strak om zijn voorhoofd.

Na een poosje stond hij op en haalde diep adem. ‘Wat haal je je in je hoofd,’ zei hij tegen zichzelf, ‘Het is die klap van gisteren. Niets aan de hand en nou hup weer naar binnen.’

Heel voorzichtig drukte Berend de klink naar beneden, zijn oren tot het uiterste gespitst. Toen hij de deur opende, rinkelde boven hem vrolijk de winkelbel. Hij zoog zijn adem naar binnen en sprak zichzelf nogmaals toe. ‘Kom op Berend, het is gewoon de slagerij, de oude vertrouwde slagerij waar verdorie je eigen naam op staat, niets om bang voor te zijn.’

Hij keek de winkel rond. Alles zag er uit zoals het er uit hoorde te zien, behalve dat de krijtdoos open op de grond lag en het bord met de aanbiedingen niet in de etalage stond. De zware houten voordeur viel langzaam achter hem dicht. Op zijn hoede liep Berend naar de keuken, maar ook daar was alles normaal.

Willem stond zijn handen te wassen. ‘Wil jij de runderlende snijden? En dunner dan de vorige keer hè.’

Berend zag dat Willem het vlees al had klaargelegd op de werktafel.

‘Ja?’ vroeg Willem.

‘Ja, is goed.’ Berend slikte.

‘Ik ben even achter. Zo terug,’ knikte Willem naar het hakblok.

Boven Berend zoemde de TL-buis. Op het hakblok, in een dikkig plasje bloed en vocht, lagen twee nette konijnebouten. De kleinere delen, de niertjes en de lever waren iets apart gelegd. De kop lag er ontveld naast. Berend keek ernaar en slikte weer. Met een boog schuifelde hij om het hakblok heen, naar de stalen werktafel. Naast de runderlende lag het grote snijmes, het scherpste dat ze hadden in de slagerij. Berend wist dat Willem niet veel op had met carpaccio, maar dat de klanten het graag kochten. Heel dun snijden, dat was de truc.

Berend waste zijn handen en plaatste het mes bovenop de lende. Onwillekeurig draaiden zijn ogen naar het konijn in stukken. Hij rilde en concentreerde zich weer op het vlees in zijn handen. Met kracht drukte hij het mes naar beneden en schreeuwde. Het mes viel uit zijn handen, net naast zijn voet. Berend deinsde achteruit. Voor hem lag de runderlende, met een heel dun lapje vlees er nog net aan vast.

Het had gegild.

Berend schudde zijn hoofd. Hij keek naar de deur waar Willem door was verdwenen, maar achter bleef het stil. Had zijn broer niets gehoord? Berend klemde zijn kaken op elkaar, pakte het mes op en ging vast­beraden voor de werktafel staan. Onzin, dacht hij, gewoon negeren.

Hij ademde diep uit door zijn neus en zette het lemmet op het vlees. Heel precies sneed slager Berend een zeer dun plakje carpaccio. De lende schreeuwde het uit. Berend probeerde het uit alle macht te negeren. Zijn hoofd bonsde en iedere keer als zijn mes even rustte op het werkblad, beefden zijn handen. Zonder geluid gilde Berend mee, met vertrokken, open mond. En ieder plakje dat hij sneed, werd net iets dikker, net iets slordiger dan het vorige.

Toen hij de hele lende had versneden, merkte hij dat er tranen over zijn wangen liepen. Zijn handen trilden en zijn vingers waren verkrampt. Hij keek op. Vanuit de deuropening stond Willem naar hem te kijken, een plastic doos met oerhammetjes in zijn handen. Even was het stil, op de hevige piep in Berends oren na. Het mes viel uit zijn hand met een scherpe klang op de tegels en nog voordat Willem iets kon zeggen, snelde Berend de slagerij uit, de straat op, naar huis. In de piep in zijn oren echode het geluid van de gillende lende.

 

Thuis vond Willem Berend in een hoek van de kamer. ‘Berend?’

Berend antwoordde niet, maar bleef enkel zijn hoofd schudden met kleine, snelle beweginkjes.

‘Dit kan niet, hè?’ Willem zette zijn handen in zijn zij. ‘Je loopt niet zomaar weg. Sta ik daar alleen. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan én het vlees maken, dat weet je.’

Berend viel nog stiller.

‘Weer die hoofdpijn? Komt door je gepieker.’ Willem was nu ook even stil. Moeizaam vervolgde hij: ‘Of… wil je misschien toch weg? Heb je besloten?’

Berend keek op.

‘Je weet dat ik het niet alleen kan. Ik kan niet tegelijk in de winkel staan‘

‘én het vlees maken, ik weet het,’ vulde Berend aan met beknepen stem.

Het harde, droge tikken van de Friese klok leek Willem aan te sporen. ‘Pa zou trots zijn,’ zei hij met dikke keel. ‘Dat weet je ook, toch?’

De broers keken elkaar lang aan, totdat de klok vijf uur sloeg en een einde maakte aan het gesprek dat ze nog nooit onder woorden hadden gebracht.

‘Ik ga koken,’ zei Willem, en liep de keuken in.

Berend waste in de ouderwetse badkamer zijn gezicht en trok een dikkere trui aan. Buiten joegen de blaadjes langs de ramen. Hij ging op de rand van zijn bed zitten en probeerde na te denken totdat Willem hem naar beneden riep, waar de pannen al op tafel stonden en de lamp al aan was. Hij schoof aan, maar schepte niet op.

‘Zeg,’ zei Willem, en viel weer stil.

‘Hee,’ begon hij opnieuw. ‘We komen er wel uit, Beer.’

Heimwee overspoelde Berend. Hij dacht aan hun moeder, hoe hij aan haar hand meeliep naar de slagerij, waar pa dan aan het werk was met een jonge Willem aan zijn zij en waar pa moeder in het slachthok stiekem een kus op haar wang gaf. Hij dacht aan de plakjes worst, die hij op zaterdagmiddag mocht uitdelen aan de klanten, nadat hij er eerst heel zorgvuldig kleine Hollandse vlaggetjes in had geprikt. Hij dacht aan de jaloezie die hij voelde toen Willem pa vertelde dat hij de slagerij wilde overnemen en pa hem daadwerkelijk omhelsde. Hij dacht aan de teleur­stelling in pa’s ogen toen hij op zijn achttiende verjaardag opbiechtte dat hij wilde verhuizen naar de stad, om bouwkunde te studeren. Hij dacht aan de dag dat hij, in stilte gehol­pen door zijn broer, weer in zijn oude slaapkamer was getrokken terwijl de rouwkransen nog in de woon­kamer stonden. De woonkamer, die moeder ooit had ingericht en die Willem nooit had veranderd. Hij dacht aan hoe Willem altijd bij pa en moeder was blijven wonen en alle zorg op zich had genomen, tot aan het einde. En hij dacht aan de zonnige ochtend toen ze samen op de stoep voor de slagerij stonden en zich afvroegen of de naam op de gevel en het raam nu aangepast zou moeten worden.

Toen hij opkeek waren zijn ogen vochtig. Hij hoopte dat Willem nog iets zou zeggen, maar zijn broer richtte zich tot de aardappels.

Ik hoop het, dacht Berend, dat we er uitkomen.

‘Toe nou maar,’ gebaarde Willem naar de pannen en zette zijn mes in zijn saucijs.

Berend schoot overeind, alsof iemand het tafelkleed en zijn stoel onder stroom had gezet.

Willem keek op en fronste. ‘Berend…?’

Maar Berend kreeg geen antwoord over zijn lippen. Hij staarde, met ogen zo wijdopen gesperd dat zijn hele iris wit was omrand, naar de saucijs op Willems bord. Zijn mes had een snee in het vel gemaakt, waar het vlees zich nu doorheen perste. Een klein plasje jus breidde zich eronder uit. Het was een korte maar harde kreet geweest, rauw en vol wanhoop.

Willem schudde zijn hoofd en wees met zijn mes op Berends lege bord. ‘Ik weet niet wat je hebt, maar eet nou maar.’ En met de zijkant van zijn vork drukte hij de saucijs langzaam in twee stukken. In de volgende, langgerekte kreet, klonk pijn en afgrijzen.

Willem gooide zijn bestek neer: ‘Wat is er toch met je?’

Berend haalde zijn handen van zijn oren en keek van zijn broer naar de saucijs. ‘Het is… het is je saucijs…’

‘Mijn… saucijs?’ Willem keek Berend vorsend aan. ‘Mijn saucijs,’ zei hij, en prikte zijn saucijs aan z’n vork.

De schreeuw was korter dan eerst, maar joeg een rilling over Berends rug. ‘Niet in snijden,’ wilde hij zeggen, maar zijn stem liet hem in de steek.

Willem hapte in het vlees terwijl hij Berend aan bleef kijken. Een straaltje vocht liep langs zijn kin. Weer een schreeuw, weer een rilling. Vol afschuw keek Berend naar zijn broer. Met elke kauwende beweging klonk een gesmoorde kreet; de saucijs schreeuwde in golven, net zolang tot Willem de laatste hap doorslikte. Berend rende de kamer uit, naar boven, naar zijn slaapkamer waar de vergeelde posters van vroeger nog aan de muren hingen.

Beneden aan de eettafel at Willem verder, onder het waakzaam oog van de portretten van pa en moeder op de schoorsteenmantel, met als enige geluid in de ruimte het tikken van de Friese klok.

 

‘Ik ga!’ hoorde Berend de volgende ochtend van onderaan de trap. Hij zag voor zich hoe Willem daar stond, met zijn jas al aan en zijn blik op de klok. Even later hoorde Berend de deur in het slot vallen. Hij kneep zijn ogen stijf dicht en wenste dat hij sliep, wat niet hielp. Hij stond toch maar op.

De ontbijttafel was nog niet afgeruimd, op Willems bord en koffiekopje na. Met wantrouwen keek Berend naar de boterhamworst die in een plasticje naast de botervloot lag. Hij trok de koelkast open om melk voor in de koffie te pakken maar schrok van de leverworst die naar hem toe rolde en op de grond viel. Berend begon zenuwachtig te lachen. Absurd, was het woord dat de halve nacht door zijn hoofd had gespookt.

Met trillende handen dronk hij zijn koffie, leunend tegen het aanrecht. Na de laatste slok zette hij de ontbijtboel op het aanrecht en trok zijn jas aan. Toen Berend de deur achter zich dicht trok, rolde de leverworst tegen de plint.

 

Bij de slagerij stonden twee vrouwen onder de houten luifel te schuilen. Berend mompelde een goedemorgen en wurmde zich tussen de dames door naar binnen. Willem stond iets in te pakken voor een oudere meneer, wiens regenjas op de vloer drupte. Aan zijn voeten snuffelde een kleine witte terriër, die opkeek van het belletje aan de deur. Berend keek naar het hondje, dat net als hij stokstijf bleef staan en terugstaarde. De terriër begon te grommen.

‘Hee!’ De oudere meneer trok de riem strak. ‘Dat doen we niet, hè?’

Het hondje ging zitten, maar bleef Berend aankijken tot hij door de deur achter de toonbank was verdwenen.

‘Braaf zo,’ zei de meneer.

In het bijkeukentje trok Berend zijn jas uit en deed zijn slagersschort om. Hij haalde twee handen door zijn natte haren en veegde ze af aan het schort. Vanuit de winkel hoorde hij de kassa, een groet, het belletje en een ‘Kom!’, gevolgd door trippelende nagels op de tegels. De voordeur viel dicht en Berend hoorde Willem vragen wie er dan aan de beurt was. Hij haalde diep adem, en ging aan het werk. Hij werkte de bestellijst bij, zette koffie en wilde net de schoonmaakspullen pakken toen hij een ijselijke gil hoorde vanuit de winkel. Berend zocht steun aan de werkbank. ‘W-w-willem?’

Maar er kwam geen antwoord, alleen hartelijk gelach. Voetje voor voetje liep Berend naar de deuropening, het zweet stond op z’n voor­hoofd.

‘Zo’n hele kan ik toch nooit op!’ Een meisje van een jaar of acht klemde breed lachend iets tegen haar borst, ingepakt in duplexpapier. Haar moeder rekende af en ze liepen de winkel uit. Voor Willem lag een snij­plank met daarop een mes en een halve gekookte worst.

‘Ah, daar ben je,’ zei Willem, terwijl hij door het raam van de etalage naar de moeder en dochter zwaaide. ‘Wil je deze worst versnijden en op een bord leggen? Kunnen we vanmiddag wat plakjes uitdelen.’ Zonder op antwoord te wachten liep Willem naar achteren.

Berend staarde naar de worst.

De worst leek terug te staren.

Voorzichtig legde Berend zijn hand op de worst. Met zijn andere hand pakte hij het mes. Aarzelend keek hij over zijn schouder door de deuropening, maar hij zag Willem niet. Hij keek weer naar de worst. Heel zachtjes kneep hij er in. Hij voelde het vlees spannen onder zijn vingers. Even dacht hij dat het stil bleef, maar toen hoorde hij, als van heel ver weg, een zacht kreunen. Snel ontspande hij zijn vingers, maar hij liet niet los. Het kreunen stopte. Weer kneep hij in het vlees, iets harder dit keer, en weer kreunde de worst, ook harder dit keer. Berends adem versnelde. Heel langzaam kneep hij zijn hand verder dicht. Het vlees werd plakkerig door de warmte van zijn huid en begon zich tussen zijn vingers door te persen. Het gekreun zwol aan tot een schor, gorgelend gekrijs, dat abrupt stopte op het moment dat Berend de worst doormidden kneep. Hijgend staarde Berend naar de stukken op de snijplank en de restjes gekookt vlees die aan zijn handpalm vastplakten. Zijn hoofd suisde.

Opnieuw een schreeuw, nu vanuit de keuken. Het geluid hield aan en begon te pulseren, alsof de adem in vlagen uit iemands longen werd gedrukt. Berend rende naar achteren en zag Willem grote brokken rund in de elektrische gehaktmolen gooien. Toen het vak boven op de molen vol was, draaide hij zich om en begon het varkensvlees dat op de werkbank lag in stukjes te snijden. Het malen van de vleesmolen kon het pul­serende geschreeuw van het vlees niet overstemmen en daarbij voegde zich nu de korte, droge kreten van de hamlappen. Berend klemde zijn handen om zijn hoofd. Vaag hoorde hij ergens het winkelbelletje en daarna zijn naam. Verdwaasd liep hij naar de winkel, waar de oudere meneer met zijn hondje aan de andere kant van de toonbank stond. De hond gromde.

‘Ach, mag hij wel zo’n stukje worst?’ vroeg de oudere meneer, terwijl hij over de toonbank naar de gekookte worst reikte die daar nog in stukken op de snijplank lag. Berend wilde hem tegenhouden maar de man had het vlees al gepakt en gooide het naar de hond, die het behendig opving. Het werd, met een korte, afgekapte kreet, in één keer weggehapt.

Berend probeerde zijn aandacht erbij te houden: bij de man die vroeg of hij ook voor aankomend weekend nog een rollade kon bestellen, bij de hond die zijn riem had uitgerekt en nu om de hoek van de toonbank naar de vleesresten op Berends hand stond te grommen, bij de nieuwe klant die binnenkwam en het winkelbelletje deed rinkelen en bij Willem die vanuit de keuken riep of hij even kon helpen met de molen. Berend gebaarde dat iedereen even moest wachten en liep naar achte­ren, waar de kreten waren opgehouden.

Willem stond te wrikken aan de vleesmolen, die was gestopt met malen. ‘Hij hapert,’ zei Willem. ‘Er zit denk ik iets vast.’ Toen Berend niet direct reageerde, zei Willem: ‘Kom dan helpen, sta daar niet zo.’ Het zweet stond op zijn voorhoofd.

Berend liep om het apparaat heen en keek of deze nog was aangesloten. ‘Willem,’ begon hij voorzichtig, ‘ik denk dat we even moeten praten.’

‘Nu toch niet zeg, hee,’ Willem begon de stukken rundvlees uit de bak van de molen te halen. Berend zuchtte en voelde aan de stekker, die stevig in het stopcontact zat. ‘Tis niet de stekker,’ zei hij.

‘Moment hoor!’ riep Willem richting de winkel. Hij haalde de bak van de molen en keek naar het maal­mechanisme daaronder. ‘Wacht eens…’

Berend liet het snoer door zijn vingers glijden, van het stopcontact tot aan het apparaat, waar de plug scheef in stak. ‘Ik denk dat dit er uit is getrild,’ zei Berend, en duwde de plug stevig terug in de machine.

Een verpletterend gekrijs weerkaatste tegen de tegels van de keuken. Berends handen schoten over zijn oren en hij kromp op zijn hurken ineen. Het vlees in de molen schreeuwde, maar daar bovenuit klonk de stem van Willem: ‘ZET AF ZET AF ZET AF!’

Berend rukte de stekker uit het stopcontact en het gekrijs verstomde. Vanchter de machine hoorde Berend zijn broer de keuken door strompelen, terwijl messen, borden en metalen schalen op de grond kletterden. Met stampend hart en een bonkend hoofd hees Berend zich aan de werkbank omhoog. In de hoek van de keuken zakte Willem zacht jammerend tegen de muur op de grond. Hij had zijn rechtervuist slordig in zijn slagersschort gewikkeld en klemde de pols stevig vast met zijn andere hand. De zwart-witgeblokte stof kleurde in hoog tempo rood.

Op de werkbank voor Berend lag het vlees dat Willem uit de bak had gevist: grote brokken rund, met daarop dikke glimmende rode spetters. Het RVS van de machine blonk in het TL-licht. Berend boog zich iets voorover en keek in de mond van de molen. Tussen de met bloed bevlekte messen van het maalmechanisme hingen flarden van iets, als afgestroopte worstevellen. Met trillende hand haalde Berend een stuk flard uit de machine en staarde naar het dunne, rozerode streepje vinger van zijn broer.

 

Berend stond op de stoep en keek naar de slagerij aan de overkant van de straat. De winkel was donker. Op het bordje aan de deur stond gesloten. Er was een papiertje onder geplakt met daarop in stiftletters: wegens omstandigheden. Berend dacht aan Willem, die nu aan de eettafel zou zitten, of in de grote stoel voor het raam. Zou hij onderhand al hebben ontbeten? Berend bedacht zich dat hij vandaag weer bood­schap­pen zou moeten doen, en hoopte dat hij in de super­markt een nieuw recept kon vinden. Hij zuchtte. De vegetarische maaltijden maakten Willems stem­ming er niet beter op, maar Berend durfde geen vlees te bereiden. Hij hoopte dat hij op tijd thuis zou zijn om de verpleegster te vragen hoe het ging met Willem, en met zijn hand.

Berend stak de straat over en stak de sleutel in het slot, maar hij duwde de deur niet open. Hij twijfelde. Om de slagerij maandag weer open te hebben, moest hij vandaag de boel opruimen, schoonmaken en in orde krijgen. Maar dan? Voorlopig zou Willem niet aan het werk kunnen. De verpleegster die elke dag het verband verschoonde sprak steeds van ‘als’, maar Berend zag aan zijn broer dat Willem niet geloofde in ‘wanneer’. Wat nou, als ze de slagerij niet meer open zouden doen? Wat nou, als ze de slagerij zouden verkopen? Op het moment dat hij het dacht, voelde Berend zich lichter worden. Hij draaide de deur weer op slot en zette koers naar huis. Heel voorzichtig klampte hij zich vast aan het idee, dat langzaam meer vorm kreeg.

‘Willem?’ Berend stak zijn hoofd om de hoek van de kamer. Zijn broer zat in de grote stoel bij het raam en staarde naar buiten. ‘Willem, wil je koffie?’

Maar Willem reageerde niet en bleef naar buiten staren. Berend schonk wat water in en zette het glas op het tafeltje naast Willems stoel. Zelf ging hij op de andere stoel zitten, en keek naar zijn broer. Willems ogen waren glazig, de huid onder zijn ogen was grauw en slap.

‘Willem,’ begon Berend, ‘we moeten misschien even praten.’

Willems ogen volgden een mevrouw met een door­zichtige paraplu die aan een lange rode riem een hondje uit een perkje probeerde te trekken, maar het hondje bleek sterker dan het er uitzag en bleef op scheve pootjes scharrelen tussen het onkruid.

Er was geen goede manier om de vraag te stellen, dus Berend stelde hem maar gewoon: ‘Wat als we de slagerij verkopen?’

Langzaam draaide Willem zijn hoofd. ‘Dat meen je niet.’

Berend knikte.

‘Wat een onzin. We hebben het pa beloofd.’

‘Jij zou de slagerij overnemen, niet ik.’ Berend haatte het als zijn stem zo klein klonk.

‘Opa is de slagerij begonnen, pa nam hem over en wij gaan er ver­domme mee door. MEERTENS & Zn. staat er op de gevel, of niet?’

Berend antwoordde niet.

‘Of niet!’ schreeuwde Willem.

Even was het stil.

Berend keek van het verband om Willems hand, waar aan de bovenkant een klein streepje donkkerrood opbloeide, naar zijn eigen vingers, die zenuwachtig aan elkaar pulkten. ‘Wanneer kom je weer terug in de slagerij?’

Willem draaide zich naar het raam. De mevrouw had het hondje eindelijk uit het perkje weten te trekken en liep de hoek van de straat om.

Berend voelde zijn handen klam worden. ‘Je komt toch wel terug…?’

‘En dan?’ vroeg Willem, ‘Denk je dat ik de rest van m’n leven in de winkel ga staan? Als een bediende? Ik ben sláger, ik hoor het vlees te maken!’

‘Je bent dan toch nog steeds slager,’ probeerde Berend.

‘En als ik daar dan in de winkel sta, met één hand en één verminkte stomp die nog het meest op droge worst lijkt – denk je dat de klanten zo’n slager dan nog serieus nemen? En komen ze ooit van het idee af dat mijn vingers misschien wel in hun gehakt zitten?’

Berend hield zijn mond. Hij dacht er aan dat hij straks alleen in de slagerij zou staan en dat al het vlees door zijn handen zou moeten. Misschien zou hij een hulpje aan kunnen nemen om de klanten te helpen, maar er moest wel iemand aan het werk in het slachthok. In de keuken. De vleesmachine bedienen en de worst snijden. De lendes en de hamlappen. De rode stukken rosbief met hun grove vezelstructuur, die bloeden als je er op drukt. Die krijsen als je er een mes in zet. Berend rilde.

‘We hebben het pa beloofd,’ zei Willem zacht, en slikte. ‘Hij ziet ons in de slagerij, in dezelfde winkel, dezelfde klanten helpen als hij deed.’

‘Hij ziet jou,’ zei Berend, terwijl hij zijn neus in de elleboog van zijn trui afveegde, ‘niet mij.’

‘Pa zou trots zijn, dat weet je.’

‘Pa zou weten dat ik het alleen voor hem doe.’

Willem keek weer naar buiten. ‘Ik zie hem zo weer voor me. Ritmische halen aan die ouderwetse gehaktmolen. Zekere, geoefende handen die de worst draaien.’ Willem drukte zijn verbonden hand tegen zijn borst.

‘Maar we zullen de slagerij ooit moeten verkopen,’ zei Berend, ‘MEERTENS & Zn. houdt op bij ons.’

Willems ogen glinsterden. ‘Dus moeten we de slagerij zo lang mogelijk draaiende houden.’

 

Berend keek naar de slagerij aan de overkant van de straat en haalde diep adem. De lucht boven het pand was donkergrijs. Het viel hem op hoe slecht de gevel eigenlijk in de verf zat. Berend stak de straat over, stak de sleutel in het slot en duwde de deur open. Het winkelbelletje rinkelde. De tegels op de vloer waren viezig en de ramen moesten nodig worden gelapt. De aanbiedingen van vorige week stonden nog op het bord. Berend zuchtte en draaide de deur achter zich op slot. Hij liep om de toonbank heen en stapte over de snijplank die op de grond lag, met stukken worst er om heen. In de keuken deed hij de lampen aan, die zoemend en knipperend tot leven kwamen. Op het aanrechtblad en om de kraan zaten rode vegen. Berend staarde naar de theedoeken die in roodbevlekte prop­pen in de gootsteen lagen.

‘Ja,’ zei hij na een poosje tegen de lege ruimte.

Met vastberaden blik trok hij zijn jas uit, hing deze aan de kapstop onder de klok en haalde roze, plastic handschoenen uit het keukenkastje. Terwijl Berend een emmer vol liet lopen, poetste hij de vegen op het aanrecht weg. Hij deed ook in de winkel en het slachthok de lampen aan, zette de radio aan en begon de slagerij schoon te maken.

Al kon hij de zwart-witfoto in de winkel vanuit de keuken helemaal niet zien, Berend voelde hoe pa’s ogen hem volgden en in de gaten hielden. Ja pa, dacht Berend, morgen is het maandag. Hij schrobde de gootsteen en de kastjes onder die vorsende blik. Ja pa, dacht Berend, ik zal er zijn, voor je klanten. Hij zette nog meer druk op de schuurspons, tot zijn knokkels wit waren. Als een echte Meertens. Berend voelde de hoofdpijn weer opkomen, maar poetste door.

Halverwege de middag was de winkel schoon, was de slachtruimte schoongespoeld en was het grootste gedeelte van de keuken weer aan kant. Alleen de vlees­machine moest nog schoon. Naast de molen stond nog steeds de bak met brokken rund, toegeëigend door een aantal dikke zwarte vliegen. Berend droeg de bak met gestrekte armen naar de koelcel en kieperde het leeg in het afgesloten afvalvat. Met een mat geluid vielen de rode, opgedroogde stukken vlees op het vet, de zenen en de botten in de emmer.

Met zijn kaken stijf op elkaar geklemd spoelde Berend het maal­mechanisme van de vleesmolen schoon. Het vel en het vlees van Willems vingers had hij er direct na het ongeluk kokhalzend uitgepulkt om mee te nemen naar het ziekenhuis, hoewel dat eenmaal daar geen zin bleek te hebben gehad. Er tikte iets in de metalen bak waarin Berend het mecha­nisme schoon­maakte. Berend fronste en roerde langzaam met zijn gehandschoende vingers door het bloederige water tot hij iets hards voelde. Hij pakte het op en hield het omhoog, maar zijn hand trilde zo dat de nagel die hij uit het water had gevist tussen zijn vingertoppen door glipte.

Met ongefocuste ogen en slappe benen werkte Berend door. Zijn hoofd was te vol en te druk om goed na te denken. In gedachten hoorde hij keer op keer het verpletterende gekrijs tegen de tegels weerkaatsen: het rauwe geschreeuw van het vlees in de molen met daar bovenuit Willems gegil en het wanhopige zet af zet af zet af.

 

Doodop en met een bonkend hoofd kwam Berend thuis. Hij liet zijn jas van zijn schouders op de grond glijden en sleepte zichzelf de trap op.

Vanuit de woonkamer riep Willem: ‘Wat voor eten heb je?’

Berend draaide zich om, sjokte de trap weer af, raapte zijn jas op en trok deze aan terwijl hij de deur weer uit liep, richting de supermarkt.

Die avond maakte Berend een simpele stamppot, waar Willem commentaar op leverde. Na het eten waste hij niet direct af, wat Willem afkeurde. Berend wilde niet over de slagerij praten, maar Willem bleef vragen of er nog genoeg voorraad was voor morgen. Hij had een bestellijst gemaakt die hij onder Berends neus schoof en hem op het hart drukte daar morgen­ochtend direct mee aan de slag te gaan. Berend knikte en ging naar boven.

Eenmaal in bed dacht hij aan de volgende dag en aan al dat vlees waar hij worsten van moest draaien. Aan de messen die hij nodig weer zou moeten slijpen. Aan het nepvarken dat in de etalage hing en aan de grote stukken echt varken die in de koelcel op hem lagen te wachten. In zijn slaap hoorde hij het vlees om hem roepen, maar zo gauw hij het aanraakte begon het onbedaarlijk te krijsen en smolt het onder zijn handen tot een slijmerige, bloederige smurrie.

 

Met zijn hoofd zwaar in zijn handen leunde Berend op de toonbank. Er was nog geen enkele klant geweest, hoewel het briefje niet meer op de deur hing. Willem zou die middag nog even langskomen, had hij gezegd, maar Berend vroeg zich af of zijn broer het had gemeend. Berend zuchtte en keek op de klok. Zijn ogen schoten onwillekeurig naar links, naar het portret dat ernaast hing. Pa staarde hem doordringend aan in zwart-wit. Berend keek terug, zonder te knipperen. Hij draaide bij, hief zijn kin op en keek het portret strak aan.

Ik sta er, dacht Berend. Hier, ik sta er. IK.

Zijn ogen vernauwden zich en begonnen te prikken. Elk moment nu, kon zijn blik een gaatje in het glas boren. Hij kon het smeulende papier al bijna ruiken.

Berend schrok van het plotselinge winkelbelletje en knipperde. Hij draaide zich om en wreef in zijn ogen, die nog steeds prikten.

‘Goedemorgen, slager,’ knikte een oudere dame in een geruite jas en bijpassende sjaal. Zonder op ant­woord te wachten, bracht ze haar neus vlak bij de vitrine voor de toonbank en fronsde naar de vele lege schaaltjes. ‘U heeft niet zoveel keus vandaag, hm?’

Berend slikte een antwoord in en bekeek de vrouw. Ze droeg grote, hangende oorbellen, die haar oorlellen uitrekten. Bij iedere beweging van haar hoofd zwaaiden de oorbellen heftig heen en weer. Berend zag dat de gaten in haar oren ook waren opgerekt. Het vlees van de lellen was donkerder dan haar hals en had wat bruinige vlekjes. Berend vroeg zich af wat voor geluid het zou maken als hij er in sneed.

‘Of heeft u dat niet?’

De vrouw stond recht voor hem, met haar keurig ingekleurde wenkbrauwen hoog opgetrokken. ‘Ik zei, of heeft u dat niet?’

‘Eh, sorry,’ zei Berend, en wreef weer in zijn ogen. ‘Wat wilde u hebben?’

De vrouw klakte afkeurend met haar tong.

Even keken ze elkaar zwijgend aan over de rauwe stukjes vlees in de vitrine, totdat de vrouw de stilte doorbrak: ‘Karbonades,’ zei ze, ‘vier stuks.’

Berend keek naar wat hij had liggen. ‘Die moet ik even van achter halen, moment.’

‘Tsssss’, deed de vrouw, terwijl Berend naar de koelcel liep. Hij pakte een schaal uit de keuken en legde er in de koelcel een dozijn karbonades op. Met benauwde blik pakte hij elk stuk vlees heel voorzichtig beet, zodat hij er niet in zou knijpen. De karbonades gaven geen kik.

‘Kijkt u eens,’ zei Berend terwijl hij de schaal in de vitrine onder de toonbank zette. Hij pakte grote vellen duplexpapier en begon de karbonades in te pakken. ‘Vier prachtige stukjes vlees.’

‘Hm,’ zei de vrouw, en keek naar het krijtbord in de etalage. ‘Zijn ze niet meer in de aanbieding?’

‘Nee, deze week niet meer, helaas,’ zei Berend zonder op te kijken.

‘Hm.’ Ze viste haar portomonnee uit haar handtas en keek Berend aan.

‘Dat was het? Acht euro tachtig, wordt het dan.’

De vrouw legde een hand vol kleingeld op de toonbank. Er liepen kleine rode adertjes over de achterkant van haar hand. Haar vingers leken wat opgezwollen en de huid om haar zorgvuldig gelakte nagels stond strak. Die huid deed Berend denken aan frankfurters. Het vlees zou vast hoog en schril gillen, als hij die worstjes door zou hakken.

‘Een tasje!’

Berend huiverde en keek de vrouw geschrokken aan. ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij en griste een plastic tasje van de haak achter de toonbank. Gehaast deed hij de karbonades er in en gaf het aan de vrouw, die het met opgetrokken wenkbrauwen aannam en hoofd­schud­dend de winkel uitliep.

Berends blik zakte naar de karbonades in de vitrine. Het waren dikke, roze stukken stevig vlees, met een helderwit randje vet en de rib er nog aan.

Zouden ze gillen, vroeg hij zich af, of zouden ze schreeuwen?

Berend liep naar de koelcel en keek om zich heen. Zijn hoofd klopte. Hij begon tournedos, steaks, runder­lendes, oerhammetjes en kalfs­niertjes in zijn armen te laden. Achterovergeleund draaide hij zich om, liep naar de keuken en stortte alles uit op de grote werktafel. Terug in de koelcel legde hij lamsbouten, lamsschouder en gepikeerd gebraad op de grote bak met al gemalen gehakt en zette dit bij de rest. Berend ver­zamelde de worsten die aan het rek naast de deur hingen en haalde de rij gevilde konijnen en geplukte kippen van de haken. Hij bekeek de smalle, kale dieren die in twee enorme vleestrossen hulpeloos aan zijn vingers hingen en plofte ze op het werkblad.

Berend deed een stap achteruit. Met bonzende slapen haalde hij het grote, platte hakmes van de muur. Hij overzag het vlees dat voor hem lag met een blik vol achterdocht, terwijl hij het mes scherpte aan de keramische slijpstaaf. Hij meende een zacht gejammer te horen. Een klagelijk geluid, net op de grens van zijn gehoor.

Hij legde de slijpstaaf weg en hief het hakmes hoog. Recht voor hem, op het glanzende RVS, lag het grootste braadstuk dat de slagerij verkocht. Duivels­gebraad, dat zachtjes leek te ademen. Met alle kracht die hij in zijn armen had, liet Berend het hakmes neerkomen op het vlees. Het mes ging er bijna in één houw doorheen en de punt kraste schril op het werk­blad. De schreeuw van het braadstruk was zo luid dat Berend naar zijn oren wilde grijpen. Maar hij hield het mes vast en begon in te hakken op de konijnen, de kippen en de lamsbouten. Het vlees gilde en krijste en Berend krijste mee, probeerde het gegil te over­stemmen. Hij pakte een tweede mes en hakte met venijn in op elk stuk roze varken, rund of kalf wat hij onder zijn messen kon krijgen. Het gegil zwol aan en leek oneindig door te echoën. Hij liet het mes vallen en begon schreeuwend en huilend met zijn handen het vlees verder uiteen te rijten. Zijn hoofd was volledig gevuld met wanhopige kreten en het gebonk van zijn eigen hartslag.

Hijgend en snikkend stond Berend in de keuken van de slagerij. Zijn hele lichaam trilde en zijn benen voelden slap. De verschillende stukken vlees begonnen weer te jammeren, te loeien en te mekkeren. Door zijn tranen heen keek hij naar de ravage op de werkbank, en in die roze-rode ravage viel hem een klein, wit botje op. Met zijn pols wreef Berend over zijn ogen. Het was een vorkbeentje, dat recht omhoog stak uit een aan flarden gerukte kip. Berend leunde voorover en plukte het botje uit de vogel, die kreunde. Hij bekeek het bijna hoefijzervormige beentje van alle kanten in het TL-licht. Het was nog helemaal gaaf. Een wensbeentje.

Berend pakte de twee uiteinden van het wensbeentje vast en sloot zijn ogen. Hij trok zijn handen uit elkaar en het botje knapte in twee ongelijke stukken. Met zijn blik op het kermende vlees, bracht Berend langzaam zijn linkerhand richting zijn linkeroor. Toen hij het halve beentje in zijn oor voelde, stootte hij het daad­krachtig met de scherpe punt naar binnen. Het botje prikte door zijn trommelvlies en Berend hapte naar adem. De pijn was plotseling en hevig en zijn oor begon te suizen, maar het gejammer en geblèr leek zachter.

Hij bracht zijn rechterhand, met het grootste gedeelte van het wensbotje, richting zijn rechteroor. Met iets meer moeite kreeg hij het recht voor zijn gehoorgang. Hij sloot zijn ogen en prikte. De pijn was verblindend: het was alsof iemand met de punt van een scherp mes langs de binnenkant van hoofd schraapte. Een plotselinge duizeligheid overviel Berend en hij verloor zijn evenwicht. Hij probeerde de rand van de werktafel nog vast te pakken maar maaide alleen stukken vlees op de grond terwijl hij neerging.

 

Willem deed een stap achteruit zodat de man de slage­rij kon verlaten. Hij knikte vriendelijk, maar de man zette zijn kraag op en mopperde dat ze de slagerij niet open moesten doen als er niemand was om hem te helpen. Willem keek de man verward na en liep naar binnen. Het belletje rinkelde. Er stond niemand achter de toonbank en hij hoorde geen geluid vanuit de keuken of het slachthok.

‘Berend?’ Willem liep naar achteren.

‘Berend?’ vroeg hij opnieuw, maar zijn adem stokte in zijn keel. In de keuken, op de grote RVS werktafel, lag een enorme hoeveelheid vlees. Het moest bijna al het vlees zijn wat ze nog in de slagerij hadden en het was zo goed als volledig aan stukken, totaal onbruik­baar.

Toen zag hij zijn broer liggen, tussen meer brokken en flarden vlees, op de zwart-witte tegels van de keukenvloer. Berend had zijn ogen open maar leek niets te zien. Uit beide oren liep een straaltje helder­rood bloed, dat zich verzamelde onder zijn achter­hoofd.

Willem knielde naast hem op de grond en begon te sjorren aan het lichaam dat slap in zijn handen was. ‘Berend!’

Heel langzaam draaide Berend zijn hoofd. Zijn ogen waren dik en rood van de tranen.

‘Waarom antwoordde je niet?’ vroeg Willem, ‘Wat is er gebeurd?’

Maar Berend hoorde Willem niet. Het suizen in zijn oren wilde maar niet ophouden en zelfs plat op de grond bleef hij zich duizelig voelen. Willem trok Berend half omhoog en zette hem met zijn rug tegen de tafelpoot. Hij zei iets en stond op. Willem liep naar het kleine koffietafeltje en pakte een keukenstoel. Heel langzaam hielp Willem met één hand Berend op de stoel. Hij knielde voor hem, terwijl zijn verbon­den hand op Berends knie rustte, en zei weer iets. Berend knikte maar. Hij zag hoe Willem naar de telefoon liep die naast de deurpost in de winkel hing, een nummer intoetste en met een bezorgde blik op Berend een kort gesprek voerde. Daarna knoopte hij zijn slagersschort om, waste hij zijn ene hand en prutste om de andere een plastic handschoen.

Berend sloot zijn ogen en haalde diep adem. De pijn was er nog, maar niet meer zo hevig als eerst. Het suizen werd minder en minder en maakte plaats voor een diepe, dikke stilte. Berend glimlachte en opende zijn ogen. Hij zag hoe zijn broer de stukken vlees in grote schalen had verzameld, die nu op de werkbank naast de vleesmachine stonden, klaar om als gehakt te eindigen.

Willem zette de radio aan. Wat er precies was gebeurd, zou hij nog wel vragen, maar nu moest hij eerst maar opruimen. Gelukkig was de dokter onder­weg. Vreemd, hoe tevreden zijn broer er uit zag, zittend op de keukenstoel, met bloed op zijn kaken en in de haren van zijn nek. Willem stak de stekker van de vleesmachine in het stopcontact, controleerde of de plug goed in het apparaat zat en zette hem aan. Even, met een blik op zijn verbonden hand, huiverde hij bij het geluid, maar wat moest gebeuren, moest gebeuren. Hij pakte de schaal met lamsvlees en kieperde deze in de bak van de vleesmolen.

Op het moment dat de eerste stukken vlees de messen raakte, greep Berend naar zijn oren en slaakte een hartverscheurende kreet. Het vlees gilde. Het schreeuwde. De lamskarbonades krijsten zo hard ze konden, in de oorverdovende stilte in Berends hoofd.

Knielen in de weide : Roelof Goudriaan

Vroeg in de ochtend, in de bakkerswinkel, ondervind ik pas volledig dat ik de hele nacht op Janneke’s graf heb geknield.

Aaltje Overvecht, de mollige bakkersvrouw, lijkt opeens vijftien jaar jonger.

‘Een half desembrood. Verder nog iets, Janneke?’ zegt ze, met een gemene grijs die ik niet verwachtte.

Janneke? Noemt ze me nu echt zo?

Naast me fluistert ‘kromme’ Antje Geilvoet met de echtgenote van drogist Gramsma. Die twee ouwe tangen hebben net hun laatste restje kleur verloren. Ze lijken op gevlekte schaduwen in het sepia van oude foto’s. Hun donkere kapothoeden willen me be­springen, hun vleermuis­zwarte rokken en hesjes willen me verstikken, tot ik zelf ook een kleur­loze, rimpe­lige mummie zal worden. Negeer Janneke’s angsten! Ik heb afgelopen nacht wel heel erg veel van Janneke in me opgenomen, daar in de weide. Veel voor mij, maar is het genoeg geweest?

‘Niet vandaag, dank u, mevrouw Overvecht.’ Ik geef haar zenuwachtig wat geld – waren dat nu euro’s of guldens geweest? – en snel de bakkers­zaak uit zo snel als mijn lange rokken het me toestaan. De zure blikken van de Geilvoetfeeks boren zich tussen mijn schouder­bladen.

 

Vijftien jaar geleden waren we onafscheidelijk, Janneke en ik, twee durfal-meiden van veertien. We kenden alle plekjes rond het dorp, vooral die waar we niet mochten komen. De vervallen cementfabriek met zijn bekladde ‘gevaar’-borden, de dichtgetimmerde ingangen van de half ingestorte kalksteengroeve.

Maar op de gevaarljkste plaats van allemaal was geen verbodsbord te zien. Toch mocht je er met geen volwassene in het dorp over spreken als je geen draai om je oren en honderd geknielde Weesgegroetjes wilde riskeren. Iedereen verloochende hartstochtelijk het bestaan van de zelfmoordenaarsweide. De plattegronden die de drogist verkocht, toonde alleen de omringende bossen. Er was ook geen pad naartoe: je moest je een weg banen door greppels en snelgroeiende braamstruiken in de schaduwen van een samengepakt bos.

Wij hadden elkaar stiekem gekust die dag, zoals elke dag die week. We wilden meer, en waren diep tussen het geboomte op zoek naar een plek waar de loerende ogen van het dorp ons niet zouden vinden. Zo ontdekten we de weide. Vanuit de zonloze boomrand zagen we negen lange rijen van platliggende, sepiakleurige grafstenen die een centimer of twee boven het gemillimeterde gras uitstaken. Samen stapten we de weide in, bovenop een verweerde steen. Met moeite las ik de jaartallen 1440-1468 op de sober uitgevoerde steen. De praal van de stenen en tomben op het kerkhof achter de kerk ontbrak hier. Een rouwrand, een naam, twee data, dat was alles.

Opeens schoten beelden door mijn hoofd: een straat met houten huisjes, een roodaangelopen, vuistschuddende man in stijve kleren en een bespottelijke kap op zijn hoofd. Ik verstond geen woord van zijn vreemde taaltje. Ik giechelde.

‘Zie jij dat ook?’ fluisterde Janneke wat onzeker.

‘Verder, kom op, ik daag je uit!’ Hand in hand hinkelden we van steen tot steen. In mijn hoofd flitsten bij elke sprong beelden van ons dorp in de meest uiteenlopende perioden. Een modderdoorlopen dorpsstraat zonder asfalt of verlichting. In het Duits vloekende soldaten. Adembenemend. Levensecht!

Toen we op één steen wat langer bleven staan, werden de beelden meer dan flitsen. Een stel opgewonden vrouwen in lange zwarte rokken en witte schorten kwam op me af en begon te schelden. Één zwaaide met een pollepel! Ik dook instinctief ineen.

‘Angsthaas,’ spotte Janneke, hoewel ze zelf ook bleekjes zag. Zo jutten we elkaar op om te blijven, terwijl de chaos in de keuken erger en erger werd. Ik kon zweren dat ik de klap van een koekenpan tegen mijn hoofd voelde.

Janneke gaf het eerst op. Huilend rolde ze van de steen af. Ik troostte haar met knuffels en susgeluidjes, hoewel mijn eigen hoofd ook tolde. Maar de beelden bleven komen, ook op de terugweg naar de Schoolstraat waar Janneke en haar ouders woonden, één straat voor de mijne. Spookachtige schimmen zwierven door onze vertrouwde straten en zogen alle kleur eruit. Dienstmeiden trokken aan mijn oren en schopten me, en deftig geklede heren keken me vunzig loensend aan.

Het duurde heel lang voor we enige aandacht besteedden aan een zacht mummelen in onze hoofden. Aarzelende prevelwoordjes, smiespelend gebazel. Op één moment na. ‘Red me,’snerpte een falsetto jongensstem, voor het lispelen weer terugzonk in onverstaanbaar fezelen.

Pas uren later vervaagden de schimmen en verstomde het mummelen.

 

Buiten in de dorpsstraat vloeit sepia als een dreigende schaduw over de gevels. Ik ren naar huis door straten die met de seconde vernauwen. Voorbijgangers staren me vernietigend aan en de winkelpuien zelf buigen zich naar voren om hun uithangborden tegen me aan te zwiepen. Alsof niet alleen de stugge dorpelingen, maar het dorp zelf weet wat we gedaan hebben en ons ervoor haat.

 

Na ons eerste bezoek aan de weide, zeurde Janneke steeds vaker dat ze naar de weide terug wilde gaan. Ze wauwelde over het moeten ontsnappen aan de verstikking van het dorp. Ze praatte net zo lang op me in tot ik meeging. Keer op keer, langer en intenser, kropen we in de huid van één van de doden op de weide. Tot ik het echt beu was, en Janneke en ik zo’n slaande ruzie kregen dat we een week lang elkaars bestaan ontkenden. We hebben het goedgemaakt, zo’n beetje toch, maar daarna sprak ik nooit meer over de weide met Janneke.

 

Eindelijk thuis! Met een dreun vergrendel ik de deur.

Maar mijn huis geeft me geen geborgenheid. Kleur­loos bruin sijpelt naar me toe vanuit alle hoeken. Ik ren naar mijn slaapkamer, mijn armen over mijn hoofd, en verschuil me onder de dekens van mijn bed.

 

Acht maanden na onze ruzie begroeven we Janneke. Niet in de weide natuurlijk, maar in het protserige kerkhof achter onze kerk. Een tragisch ongeluk, zei de priester tijdens de mis. Gesprongen vanaf het dak van de cementfabriek, fluisterden klasgenoten …

Meteen na de begrafenis rende ik huilend richting bos, nog in mijn lange zwarte rok en zwarte kraagblouse. Mijn ouders riepen me na, maar lieten me begaan.

Ondanks de misdienst en de plechtige teraardebestelling van Janneke’s kist op het kerkhof, wist ik wat ik zou vinden: vanaf de bosrand zag ik een nieuwe, sombere steen, waarin Janneke’s naam, geboorte- en sterftejaar met lege, onbetwistbare letters waren uitgebeiteld.

Ik rende weg, weg van de weide, weg van alles.

 

Ik ben er nooit meer teruggekeerd. Tot afgelopen avond.

Passief voor me uit starend, zoals ik zo vaak deed, herinnerde ik mij opeens die jongensstem. ‘Red me.’ Zou dat kunnen? Zou ik Janneke kunnen weghalen van die eeuwig vervloekte weide?

Vannacht sloop ik, ongezien, langs de rand van het dorp, het bos in, tot ik de weide bereikte. Ik aarzelde een minuut, mischien slechts vijf seconden, voor ik neerknielde op de sombere grafsteen met Janneke’s naam, en me liet overspoelen door Janneke’s indrukken.

 

En dan, rillend van angst onder de dekens, zie ik … mezelf. Tuitlippend, met lachkuiltjes die ik vijftien jaar niet heb laten zien. O, wat ik voel haar verlangen! Of voelt zij mijn verlangen? Het doet er niet meer toe: wij geven ons over aan het gevoel.

 

De hele dag lig ik – liggen wij – zo ineengekruld, zo ver­strengeld op mijn meisjesbed, op ons liefdesbed.

Als het daglicht begint te verflauwen, kruipt het sepia stroperig naar de hoeken van mijn kamer terug. Ik – ja, zonder enige twijfel ik – kijk op. Een schim lijkt door het venster te glijden. Een spelen van het laatste avondlicht?

Heb ik genoeg van Janneke in me opgenomen om haar te bevrijden van de weide? Ik zal het nooit ont­dek­ken, niet zonder nóg eens naar die verdoemde plek terug te keren. En zelfs dan, zelfs dan zou ik nooit zeker weten wat voor een rustplaats mijn wanhopige reddings­poging Janneke had gegeven in plaats van de weide.

 

Ik richt me op en stap, heel voorzichtig, het bed uit. Dan, in een opwel­ling, graai ik in mijn klerenkast en vind een korte rok – mijn fel­roze, enige, nooit gedragen schandalig korte wikkelrok.

De oude tangen mogen roddelverhalen vertellen, morgen in de winkels. Maar vanavond zal ik dansen op het dorpsplein met wie maar wil.

Zielenroerselen : Tom Schoonbaert

Pas toen de chauffeur aanstalten maakte om te vertrekken, stapte Samuel uit de bus. De tas met kleding en foto’s van zijn familie woog zwaar op zijn rug. Het was raar, zodra hij zijn herinneringen terug had, kon hij niet wachten om weer in het dorp te zijn. Er wachtte hier zoveel op hem. De mensen die hij zoveel jaren geleden achtergelaten had, zijn werk, zijn lievelingsplekjes. Hetzelfde zonlicht als waar hij in dit leven geboren was, al klopte dat niet helemaal. In Weerzel voelde de zon warmer aan, troostend. En misschien stond ze deze keer wel op hem te wachten. Die hoop dreef hem altijd terug naar het dorp, maar deze keer klopte er iets niet. Was het eindelijk tijd voor iets anders? Een andere plek om te wonen, een andere baan. Eindelijk de belofte achter zich laten. Dat had zij ook gedaan, overduidelijk. Of was ze een hij die eerste keer? De herinnering kwam traag, zijn lichaam was nog jong, zijn hersenen nog niet helemaal volgroeid, dus dat was niet verwonderlijk. Nee, de eerste keer dat hij haar zag, was ze een vrouw. Daar, een beetje verderop. De huizen hadden de velden nog niet overgenomen in dit deel van het dorp. Het graan was rijp, de zon brandde en zij liep in een wit jurkje langs de velden. Blootsvoets, besefte hij opeens; de herinnering deed hem glimlachen. Wilde bloemen in haar haar en een glans in haar ogen die hij in al zijn levens nog niet gezien had.

‘Samuel?’

Hij knipperde met zijn ogen. De graanvelden en het meisje – Machteld! – verdwenen, in hun plaats kwam een oudere man die hem geduldig aankeek. Het gezicht van de man kwam hem bekend voor. Een oudere versie van iemand die hij kende, maar een naam kwam niet.

‘Ik heet Gaetan,’ zei de man. Hij stak zijn hand uit.

Samuel probeerde zich koortsachtig meer te herinneren over de man die voor hem stond. Ze waren vrienden, dat wist hij, voor de rest kwam er niets. ‘Het spijt me,’ zei hij. ‘Mijn geest heeft zich nog niet volledig aangepast aan de wedergeboorte.’

‘Dat geeft niets,’ antwoordde Gaetan. ‘Ik leid je wel naar je huis.’

Ze liepen in stilte de hoofdstraat door. Samuel her­kende de gebouwen om zich heen, de meeste mensen die ze passeerden, al bleven namen en gebeur­te­nissen net buiten zijn bereik. De mensen begroetten Gaetan hartelijk. Ze bleven echter afstandelijk tegen­over Samuel. Vriendelijk, dat wel, maar niet meer dan dat. Hij herkende het als een standaard­reactie tegen vreemdelingen, een houding die bijna overal ter hele wereld terug te vinden was. Niet te nieuwsgierig zijn, zeker niet als iemand pas zijn ziel terug had. Dat zorgde alleen maar voor spanningen.

‘Ik zie dat je je toch al dingen herinnert.’ Gaetan grinnikte.

Samuel keek op en zag dat hij zonder na te denken een zijstraat was ingeslagen. Zijn onderbewustzijn stuurde zijn lichaam naar de plek waar hij zo lang gewoond had. De smalle straat was geplaveid met kinder­kopjes en kronkelde voorbij oude arbeiders­huizen. Het was er stil. Zelfs voor een dorp waar nauwelijks auto’s reden, dat zo ver van enige industrie lag, was het er echt stil. De sfeer en rust bevielen Samuel wel. Het was er tijdloos. Bijna zoals toen hij haar voor het eerst ontmoette.

‘Het verbaasde me dat je zo snel al terugkwam,’ zei Gaetan. ‘Je bent nog maar achttien jaar. De meeste mensen wachten tot ze hun herinneringen geheel onder controle hebben voor ze beslissen wat ze gaan doen.’

‘Wachten had weinig zin,’ zei Samuel. ‘Hier moet ik zijn, nergens anders.’ Hij zag dat de oude man wilde antwoorden, maar zijn woorden inslikte.

‘Wat is dit?’ vroeg Samuel. Ze bleven staan bij een witte gevel. In het midden van de gevel had iemand schijnbaar willekeurig kleuren aange­bracht. Het geheel leek Samuel een weergave van een storm te zijn, gezien door de ogen van iemand die high was.

‘Dit heb je natuurlijk nog niet gezien,’ zei Gaetan lachend. ‘Tien jaar geleden heeft een kunstenaar het bestuur overtuigd om iets moderns te doen. Je kunt op tien plaatsen dergelijke meesterwerkjes vinden. Nie­mand is er gelukkig mee, maar het heeft zoveel geld gekost dat het be­stuur er niet overheen durft te schilderen.’ Hij liep dichter naar de gevel. ‘Dit werk is nog een van zijn betere. En natuurlijk heeft de kunste­naar geen van zijn werken een naam gegeven.’ Hij stak zijn borst vooruit, hief zijn hand in een dramatische pose en proclameerde: ‘Het is aan de toe­­schouwer om zelf te bepalen wat hij ziet. Een kunste­naar mag hierin geen beperkingen opleggen.’ Nu lachte hij tot hij tranen in zijn ogen kreeg.

Samuel kon niet anders dan meelachen. Ze waren echt vrienden, dat wist hij nu zeker. En dat had meer kunnen zijn, dat herinnerde hij zich ook. Zijn belofte had altijd een barrière gevormd, had voorkomen dat hij zich voor iemand anders open durfde te stellen. Hij ervoer een vaag gevoel van spijt. Toen ze verder liepen, keek Samuel om naar het kunst­werk. Het irriteerde hem meer dan hij zou durven toegeven. Dit was zijn straat, nu bezoedeld door die troep. De sfeer was niet meer hetzelfde, de rust voor altijd verbroken.

 

‘Het heeft heel wat moeite gekost om dit huis vrij te houden, zelfs na het voorlezen van je testament.’ Gaetan overhandigde Samuel een sleutelbos.

Ze stonden in de gang van een arbeidershuis. Om hen heen waren sporen te zien van zijn vorig leven; por­tretten aan de muur, oude meubelen die ze door de openstaande deuren zagen staan. Het huis gaf Samuel het gevoel dat hij in een vertrouwd paar schoenen stapte, klaar om verder te gaan. De herinneringen aan zijn leven in dit huis stroomden door zijn geest. De lange avonden die hij lezend in de fauteuil bij de open haard had doorgebracht. Het schrijven van brieven aan een persoon die hij al in meer dan tweehonderd jaar niet gezien had, alleen om ze onmiddellijk weer te verscheuren. Altijd alleen. Nee, dat klopte niet. Hij merkte dat het kunstwerk op nog geen honderd meter van zijn huis nog altijd zijn humeur beïnvloedde. Hij had hier vrienden. Mensen die kwamen eten, plezier maakten. Gesprekken over de mooiste plek waar ze ooit geboren werden. Hij was hier gelukkig geweest, dat moest hij onthouden.

Samuel liet de rugzak op de grond vallen en liep de woonkamer binnen. Met zijn hand streelde hij het eikenhout van de tafel. Honderd jaar geleden, twee levens ondertussen, had hij deze zelf gemaakt met hout van een pas gerooid bos uit een naburig dorp. Hij herinnerde zich de uren werk, maar voelde de afstand tot die ervaring die de tijd met zich meebracht.

‘Niet iedereen toonde evenveel begrip,’ zei Gaetan. ‘Ik kon hun bezwaren wel snappen.’

Samuel keek de oude man vragend aan, al wist hij wat er nu ging volgen.

‘Het gebeurt niet veel,’ begon Gaetan, ‘dat iemand zo gedreven is om terug te keren naar een vorig leven.’ Hij kwam dichter bij Samuel staan, legde zijn hand naast de hand van de jonge man. ‘Voor sommigen is het niet de natuurlijke manier van leven.’ Hij stak snel zijn hand op, alsof hij zich wilde verontschuldigen voor de woorden die hij net zei. ‘Begrijp me niet verkeerd, ik geloof dat niet. En uiteindelijk hebben ze toch ook hun toestemming gegeven.’ Met een scheve grijns op zijn gezicht voegde hij eraan toe: ‘Veel keuze heb ik ze nu ook niet gegeven. Als stadsverant­woordelijke kan ik, als het echt moet, op mijn strepen staan.’

Samuel lachte, liep op Gaetan af en omhelsde hem. Hij voelde de spanning bij de oude man langzaam verdwijnen. Toen hij hem losliet, gaf hij hem een kus op zijn wang. ‘Bedankt, oude vriend.’

‘Wie noem je hier oud?’ lachte Gaetan.

Samuel zag de rode wangen van de oude man, wist dat de gespeelde verontwaardiging diende om zijn verlegenheid te verbergen. ‘Ik heb hier ergens wel een spiegel liggen als je jezelf eens goed wilt bekijken.’

‘Jij bent hier de veertiger,’ zei Gaetan.

Een veertiger? Had hij al zoveel levens gehad? Het was niet gemakkelijk om zich het precieze aantal te herinneren, alles leek samen te vloeien na een tijdje. Hij draaide zich bruusk om en liep naar de keuken. ‘Wil je iets te drinken? Ik weet niet wat er staat, of zelfs of ik iets in huis heb om eerlijk te zijn.’

‘Ik heb de koelkast voor je gevuld,’ zei Gaetan. ‘Het huis hebben we goed onderhouden, dat was het minste dat we konden doen.’

Samuel opende de koelkast en haalde er twee biertjes uit. Niet dat hij zin had in alcohol. Op dit moment wilde hij liever alleen zijn. Het huis opnieuw verkennen, zich meer herinneren.

‘Voor mij niets, dank je,’ zei Gaetan. ‘Ik ga je rustig laten acclima­tiseren. Rust vandaag maar uit, morgen zet ik je weer aan het werk!’

‘Zeker weten?’ Samuel stelde de vraag uit beleefdheid en wist dat Gaetan dit besefte. Het verraste hem dan ook niet dat de man het aanbod nog eens afwees. Ze liepen naar de voordeur waar Samuel een paar woorden van dank mompelde.

Gaetan verliet het huis, begon weg te lopen, maar draaide zich toen om. ‘Ik ben heel blij je weer te zien, Samuel.’ Hij aarzelde en zei: ‘Ben je zeker dat dit goed voor je is? Je wacht al zo lang op haar, wat is de kans dat ze na al die tijd nog komt?’

‘Ik moet het proberen,’ antwoordde Samuel.

 

Door het raam in de keuken zag Samuel de goed onderhouden tuin waar twee appelbomen, gebogen als grijsaards, hun last droegen. Het was het goede seizoen wist hij, dus liep hij de tuin in en plukte een glinsterende groene appel. Gretig beet hij in het harde vlees van de vrucht, bijna even snel spuugde hij de hap weer uit. Met een lach smeet hij de rest van de appel in het gras. De geest herinnerde zich de lekkere smaak, het lichaam had meer moeite met zijn eerste kennismaking. Hij was in dit leven opgegroeid met de zoete smaak van mango’s en bananen, niet echt te vergelijken met de zure smaak van de appel. Dat kwam nog wel, de kans dat hij hier tropische vruchten te pakken kreeg, was klein dus veel keuze had hij niet. Milieu en economische noodzaak waren in een eeuwig gevecht verwikkeld. Op dit moment lag de nadruk op milieu: geen onnodig transport. Als het niet gekweekt kan worden in de plaats waar je woonde, moet je het maar niet eten.

Zijn oog viel op een houten hok achter in de tuin. Hij liep naar het tuinhuis, opende de deur en herkende meteen zijn oude werkplaats.

Op de tafel, omringd door werktuigen, stond een onafgewerkt beeld. Hij wist wat er nog moest gebeuren voor het af was, zag het voor zich. Hij ging zitten, pakte zijn kerfmes en wilde de laatste inkerving die hij gemaakt had verder zetten toen hij twijfelde. Net als bij de appel wist hij wel hoe het moest, maar zijn lichaam moest nog getraind worden. Het zou jammer zijn dat het allerlaatste werk dat hij in zijn vorig leven begon­nen was hierdoor zou beschadigd worden. Wachten, dat was het beste, ervaring opdoen. Hij legde het mes weer neer. Bij het opstaan stootte hij met zijn voet tegen een doos. Nieuwsgierig greep hij ernaar en zette hem op tafel.

Een puzzeldoos. Dat moest het zijn, ongelooflijk gede­tailleerd afge­werkt. Wie had deze gemaakt en waarom kon hij zich niet herinneren dat hij hier stond? Zijn vingers volgden de fijne lijnen, krullen die samen­smolten en weer uiteen gleden in een patroon dat hij vaag herkende. Hij probeerde de doos te openen, maar het lukte niet. Een doos zoals deze kon maar op één bepaalde manier geopend worden, niet eenvoudig om dat zelf uit te zoeken. Hij liet zijn vingers opnieuw over de krullen glijden. Was dat een zon aan de bovenkant?

Samuel voelde zich misselijk worden. In de verte hoorde hij gehuil. Een baby? Zijn hand begon te trillen, hij trok hem terug. Het gehuil zwol aan, maar net voor hij zijn oren wilde bedekken om het geluid te dempen, verdween het.

Nu pas merkte Samuel hoe donker het hier binnen was, hoe muf de lucht rook. Het was hier ook veel te koud naar zijn zin, al was het middag en scheen de zon fel. Hij legde de doos weer onder de tafel en liep naar zijn huis. De rest van de dag bleef hij weg uit de tuin, al waren de krullen van de doos altijd in zijn gedachten. Het was een zon, dat wist hij. Hij kon zich alleen maar niet herinneren hoe hij dat wist. En dat stoorde hem.

 

Zwaai, stap. Negeer de pijn in je rug, de kramp in je benen. Zwaai, stap. Zoek het ritme en stop met zo wild te zwaaien. Samuel hoorde iemand roepen. Hij weigerde op te kijken en bleef geconcentreerd naar het graan voor zich staren dat met elke beweging van zijn zeis op de grond viel. Hoe lang was hij nu al bezig? Dit veld leek eindeloos te zijn. Het zweet stroomde over zijn gezicht, elke spier in zijn lichaam smeekte om een pauze. Pas toen hij zijn naam hoorde, stopte hij. Met trillende handen legde hij de zeis naast zich neer en ging er naast zitten. Gaetan kwam over de lege stroken op het veld op hem af gelopen, een fles in zijn handen. Samuel kon de energie niet opbrengen om te zwaaien. Hij zag de andere mannen, die hun deel van het veld al lang gemaaid hadden, bij de tractor staan wachten. Hij kende een paar van de mannen, de meesten waren nieuwelingen. Net als hij, toch een beetje.

‘Dat valt tegen,’ zei Gaetan.

Samuel gromde een vloek en greep naar het water. Hij dronk de fles halfleeg en goot de rest over zijn hoofd. Met een zucht van opluchting liet hij zich achterover vallen. ‘Ik vind het ritme niet,’ zei hij. Achter hem zag hij een groep kinderen de graan­halmen bijeen rapen en samenbinden. Ze plaatsten de bundels in groepjes op het veld, klaar om ze later te verzamelen.

‘Je hebt het niet zo onaardig gedaan,’ zei Gaetan. Hij stak zijn hand uit en hielp Samuel met het opstaan. ‘Met een beetje meer oefening komt het wel goed.’

Samuel pakte de zeis. Hij kromp ineen door de pijnscheuten in zijn pols.

‘Ik maak het wel af,’ zei Gaetan. ‘Ga jij maar rusten.’

Samuel stak zijn hand op. ‘Hoeft niet,’ zei hij. ‘Ik ben er bijna.’ Hij schatte dat de rest van het graan binnen een half uur wel tegen de grond zou liggen. Nadat de oude man, met zijn vertrouwde grijns op het gezicht, weer weg liep, hief Samuel de zeis op. Een half uur? Misschien gaat het toch wel ietsje langer duren. Nu opgeven kon niet. Daar zou Gaetan hem te lang mee uitlachen. Zwaai en stap. Hij voelde zijn geest tot rust komen, leek nu over het veld te glijden zonder enige inspanning. Toen hij klaar was, stond Gaetan klaar om de zeis over te nemen. Zonder protest liet Samuel het werktuig uit zijn handen glippen.

‘Mooi werk,’ zei Gaetan. ‘Er staat een beloning af te koelen in de vijver.’

Samuel liep langs de mannen naast de tractor. Zijn plan om snel weg te gaan, zonder ze een kans te geven een opmerking te maken, werd verstoord door een spontaan applaus. Hij verstarde, maar zag toen de pret in hun ogen. Begeleid door een sierlijke beweging van zijn armen, boog hij diep. Dat leverde hem hartelijk gelach op. Met een laatste zwaai liep hij van het veld en verder op de zandweg die naar de vijver leidde.

 

Na veel zoeken vond Samuel aan de oever van de vijver een paaltje waar een touw aan hing dat in het water verdween. Hij viste de linnen tas uit het water en haalde er twee flesjes bier uit. De tas liet hij weer in het water zakken om de overige flessen niet warm te laten worden.

‘Je hebt ze gevonden!’

Samuel keek op en zag Gaetan. Hij opende de flesjes en gaf er een aan de oude man. ‘Het heeft even geduurd, maar toen herinnerde ik me weer waar we hier altijd afspraken.’

Ze gingen op de grond zitten. Samuel nam een grote slok om de eerste dorst weg te spoelen. Daarna beperkte hij zich tot slokjes, genietend van de smaak. Beide mannen bleven stil. Niet ongebruikelijk, zeker niet hier. Het rimpelende water, de groene bosjes die de vijver omringden, alles nodigde uit tot genieten in stilte.

‘Hoe gaat dat gedicht van je ook alweer?’ vroeg Samuel uiteindelijk.

‘Welk bedoel je?’

‘Dat weet je goed genoeg,’ zei Samuel. ‘Je hebt het lang geleden hier geschreven.’

Gaetan leegde zijn fles en stond op. Met zijn hoofd lichtjes gebogen en gesloten ogen sprak hij op een zachte, plechtige toon.

 

‘Vurig bloeiende twijgen,

zwijgend wiegend als

wachters

bij de vijver.

De wind rimpelt het water

op de hartslag van

het bestaan.

Zacht roept de

groenling zijn geliefde.

Warme zomerluchten

strelen mijn huid

en wekken in mij wat

nog worden zal.’

 

‘Bedankt,’ zei Samuel. Hij ging terug naar het water en viste twee nieuwe flesjes op.

‘Morgen komen de maaidorsers om de andere velden te bewerken,’ zei Gaetan.

‘Oh ja? We hebben nog maar een veld gedaan. Normaal doen we er toch een stuk of vijf?’

‘Weet ik.’ Gaetan nam een slok, bleef nog even stil en zei toen: ‘De laatste jaren is er minder interesse in de oude manier. Met alle nieuwe technologieën is het niet zo belastend meer voor het milieu. Voor de bestuursleden is het niet praktisch genoeg en steeds meer mensen geven ze gelijk.’ Hij hief zijn fles naar de hemel. ‘We moeten het verleden laten rusten, zeggen ze. Leven in het heden en altijd met onze blik op de toekomst gericht!’ Zijn arm verstijfde en met rode wangen vermeed hij de blik van Samuel.

Samuel zei niets. Wat kon hij zeggen? Het bestuur en de mensen hadden gelijk. Dat besefte hij maar al te goed. En toch … Misschien kwam ze deze keer wel. Misschien klopte er morgen iemand op zijn deur met een glans in de ogen die hij nog maar bij één persoon gezien had.

Dagdromer, daar wacht je al tweehonderd jaar op!

De stem in zijn hoofd klonk rationeel. Het was dezelfde stem die hij net voor het slapen ook hoorde. De stem die hem aanraadde om het op te geven. Hij bedwong de neiging om zijn fles in het water te gooien.

De twee mannen schrokken uit hun stilte op door het gejoel en gelach van een groep kinderen die in de vijver sprongen. Samuel herkende ze als dezelfde die met het maaien meegeholpen hadden. Uitgelaten zwommen ze naar het midden waar twee jongens onder water doken. Twee meisjes gilden toen ze ook onder water getrokken werden.

‘Die heerlijke fase waarin ze de eerste herinneringen al terugkrijgen, maar toch ook nog kind kunnen blijven,’ zei Gaetan mijmerend.

Samuel knikte en zag toen een klein groepje dat zich afzonderde van de rest. ‘Dat zijn de eerstelingen?’

Gaetan volgde de vinger van Samuel. ‘Inderdaad. Hoe meer de anderen zich herinneren, hoe moeilijker zij het hebben om nog een band met hen te voelen. Het gebruikelijke probleem. Jammer, ze waren allemaal behoorlijk hecht, al kunnen ze nog goed met elkaar overweg.’

Samuel keek naar een jongen uit het kleine groepje, die belaagd werd door de twee onderwaterzwemmers. De rest van de groep vond het best grappig, maar de jongen overduidelijk niet. Met een paar goedgerichte schoppen brak hij los uit hun greep en hij snelde naar de oever, de boze blikken en geroep achter zich latend.

‘Ik merk het,’ zei Samuel.

‘Dat is Erwin, je zult hem snel genoeg leren kennen,’ zei Gaetan. ‘Heel de groep zit in je klas. Hij lijkt het moeilijkste te kunnen omgaan met de wedergeboorte van de anderen.’

‘Ik kijk ernaar uit.’ Samuel luisterde niet meer naar wat Gaetan nog zei. In het water zag hij de rimpels, die door de bewegingen van de kinderen veroorzaakt werden, naar hem toekomen. Ze vloeiden samen en dreven weer uiteen. Net als de krullen op de puzzel­doos.

 

‘Waarom moeten we dit eigenlijk nog leren?’ Bij het horen van de instemmende geluiden van zijn mede­leerlingen, kruiste Aaron zijn armen voor zijn borst en leunde hij met een uitdagende glimlach op de werkbank.

‘Ik ken wel een paar redenen,’ antwoordde Samuel. Hij liep naar de werktafel van de jongen en pakte het onafgewerkte houten beeldje op. Hij draaide het om in zijn handen om het te bestuderen en zette het terug op de tafel. ‘Kijk naar de inkervingen die het gezicht gevormd hebben.’ Hij wreef liefdevol over het hout. ‘Je hebt het heel slordig gedaan, gehaast.’

‘Wat maakt dat uit?’ vroeg het meisje dat aan een aangrenzende tafel zat. ‘Er zijn machines genoeg die dit mooier en sneller kunnen.’

Samuel knikte. ‘Natuurlijk, maar dat betekent niet dat we zelf niets meer moeten kunnen.’

‘Dit is tijdverspilling,’ zei de jongen. ‘Binnen een paar jaar herinneren we ons precies hoe het allemaal moet, de meesten onder ons toch.’ Hij keek ostentatief naar een tafel in de hoek van het leslokaal, waar Erwin zich focuste op het beeldje dat voor hem stond. Het leek er niet op dat hij luisterde, toch kon Samuel zien dat de jongen krampachtig slikte en zijn kaken opeenklemde.

‘Jij misschien wel, Aaron,’ zei Samuel, ‘maar degenen die dit nog nooit geleerd hebben? En trouwens, herin­neren is niet hetzelfde als het ook kunnen doen.’

De bel maakte een einde aan de discussie. Het antwoord dat Aaron wilde geven, verdween in het gejoel van zijn klasgenoten die het einde van de week met plezier tegemoet zagen. De kinderen liepen naar buiten, na een haastig afscheid aan hun leraar.

Samuel was blij met de onderbreking. Na drie maanden lesgeven aan de klas wist hij dat hun discus­sies altijd eindigden in ruzie. Hij begon de tafels af te ruimen.

‘Kan ik u helpen?’ Een meisje stond in de deur­opening.

Samuel glimlachte naar haar. ‘Hoeft niet, Ilse. Ga maar naar huis.’

Ze knikte, toch bleef ze staan. Net toen Samuel wilde vragen of er iets was, zei ze snel: ‘Komt u ook naar de ceremonie?’ Haar wangen werden rood en ze wreef door haar haar. ‘Ik denk dat iedereen dat wel leuk zou vinden.’

Het duurde even voor Samuel begreep wat ze vroeg. De ceremonie van de wedergeboorte, natuurlijk. Het was het ritueel van volwassenheid dat plaatsvond in het jaar dat een kind twaalf jaar werd, wanneer de herinne­ringen van hun vorige levens echt terug begonnen te komen. ‘Zeker weten,’ antwoordde hij. ‘Dat wil ik niet missen.’

Ilse knikte opnieuw en liep weg.

Samuel grinnikte toen hij gegiechel in de gang hoorde. Hoofd­schud­dend ruimde hij het klaslokaal verder op. De houten creaties van zijn studenten deed hij zonder erbij na te denken in een doos. Zijn hand verstarde boven een beeldje dat op de tafel in de hoek van de klas stond. De tafel waar Erwin gewerkt had. De jongen was al een tijdje bezig met dit werk en nu leek het af te zijn. Dat was niet zo vreemd, ze waren al zes weken met dit project bezig. Toch was er iets speciaals aan. Hij pakte het voorzichtig op en bestudeerde de groeven die in het hout aangebracht waren. Op het eerste gezicht leek alles chaotisch te zijn, maar er was wel degelijk orde terug te vinden, een patroon dat alles met elkaar verbond. Hij voelde de gladheid van het hout, dat tot in de diepe groeven terug te vinden was. De detaillering en afwerking waren van een hoog niveau. Samuel wist niet zeker of hij dit zo gemakkelijk na zou kunnen doen, niet met de gebrekkige middelen waarmee Erwin dit gemaakt had.

Hij had dit eerder gezien, besefte hij opeens. De herinnering bleef net buiten zijn bereik, gaf alleen vage aanwijzingen over wat hij destijds gezien had. Het was lang geleden, in een van zijn eerste levens. Een ten­toonstelling van werk dat toen al oud was. Hetzelfde patroon, of toch bijna. En nu gemaakt door iemand die pas aan zijn eerste leven begonnen was.

Snel verliet Samuel het klaslokaal, het beeldje van Erwin nog in zijn handen. Hij liep naar het raam in de brede gang, dat een uitzicht bood over de speelplaats. Een grote groep kinderen had zich verzameld om op hun ouders te wachten of om snel nog een spel te spelen voor ze naar huis gingen. Hij kon in de kluwen van kinderen de blonde jongen niet meteen terug­vinden.

Zijn blik werd getrokken door een eenzame figuur aan de rand van de speelplaats. Samuel herkende Erwin, al kon hij zijn gezicht niet zien. De jongen stond met gebogen hoofd en leek zich af te sluiten van de wereld van gelach en spelende kinderen om hem heen. Hij straalde een verdriet uit die het hart van Samuel beroerde.

Toen een bal tot voor zijn voeten rolde, keek Erwin op. Zes jongens bleven op een afstandje staan, alsof ze niet dichterbij durfden te komen. Samuel zag dat Aaron uit het groepje jongens stapte en iets riep. Erwin leek eerst niet te reageren, vervolgens pakte hij de bal en smeet deze de straat op. Aaron reageerde zoals een twaalfjarige jongen meestal doet in een dergelijke situatie. Hij liep op Erwin af en gaf hem een duw. Erwin viel op de grond, maar sprong bliksemsnel weer op en vloog op Aaron af. De vijf andere jongens vormden een cirkel om het gevecht heen en schreeuwden iets dat Samuel niet kon verstaan. Ongetwijfeld aan­moedigingen voor Aaron, dacht hij. De roepende jongens werden al snel bijgestaan door andere kinderen. Net toen Samuel naar beneden wilde lopen om het gevecht af te breken, zag hij een leraar die de twee vechtende jongens uiteentrok. Erwin rukte zich los uit de greep van de leraar en liep zonder om te kijken weg.

Samuel staarde naar het beeldje in zijn handen. Er ontging hem iets, dat wist hij, maar wat? Een gevoel van ongerustheid bekroop hem, hetzelfde gevoel dat hij kreeg net voor een zwarte hemel losbarstte in een onweersstorm.

 

Er hing een rare geur in de ruimte, vond Samuel. De woonkamer was netjes onderhouden en de vrouw die voor hem zat en aandachtig naar Gaetan luisterde, leek hem niet een persoon te zijn die rare geurtjes zou verdragen. Net als de woonkamer was ze netjes. Het leek Samuel echter een geforceerd soort van netheid, iets dat zo is omdat het verwacht werd, niets meer. Misschien is het gewoon een speciale geurkaars, dacht hij. Met een glimlach probeerde hij de aandacht van Erwin te trekken. De jongen, die naast zijn moeder aan tafel zat, keek schichtig naar hem en wendde daarna zijn blik weer af. Net als altijd schrok Samuel van de priemende ogen en de uitdrukking van eenzaamheid die ze uitstraalden. Hij nam nog een slok van de waterige koffie.

‘Ik begrijp het niet,’ zei de vrouw. ‘Wat willen jullie nu precies? En wat heeft Erwin ermee te maken?’

Samuel negeerde de rillingen die over zijn rug liepen steeds wanneer de vrouw sprak. De schrille stem deed hem aan iemand denken die hij in zijn vorig leven gekend had, maar een gezicht kon hij op die herinnering niet plakken. Misschien had hij les aan haar gegeven? Haar leeftijd leek wel te kloppen. Hij haalde het beeldje uit de tas die hij naast zich had neergezet en zette het op tafel. De reactie van Erwin verbaasde hem. De jongen werd rood en schuifelde op zijn stoel, alsof hij overwoog om vlug weg te lopen.

‘Dit heeft uw zoon in de les gemaakt,’ zei Samuel. Hij zag dat de vrouw eerst apathisch naar het houten werkje keek en hem dan aanstaarde met een blik waar hij zenuwachtig van werd. ‘Het is een prachtig stuk,’ zei hij snel. ‘Ik ben echt onder de indruk van het talent dat Erwin heeft.’ Nog altijd staarde de vrouw hem zonder iets te zeggen aan. Samuel schoof het beeldje dichter naar de vrouw, onzeker over waarom ze hem zo aankeek.

‘Het leek ons een beetje… onverwacht,’ steunde Gaetan hem, ‘dat Erwin in staat is om dit te maken.’

‘Wat bedoelt u daarmee?’ De vrouw kneep haar ogen samen. Haar handen balden zich tot vuisten op de tafel.

Net een slang die haar prooi bestudeert! Samuel moest zich inhouden om niet zelf van de tafel weg te lopen, het huis uit en zich te verstoppen achter de eerste struik die hij vond.

‘Niets, mevrouw,’ zei Gaetan haastig. Hij probeerde op een sussende toon te spreken, maar leek al even geschrokken als Samuel van de vijan­dige blik van de vrouw. ‘We dachten alleen dat Erwin misschien toch geen eersteling is, dat hij onzeker is over wat hem overkomt. We willen hem gewoon helpen.’

‘Ik probeer mijn zoon goed op te voeden,’ zei ze, haar schrille stem steeg een octaaf terwijl ze sprak. ‘Dat is niet eenvoudig, zeker niet na het overlijden van zijn vader.’

Gaetan knikte bij elk woord dat ze zei in een poging om haar te kalmeren.

‘Erwin is een goeie jongen,’ vervolgde ze. ‘Jullie zouden hem moeten beschermen tegen die rotzakjes die hem iedere dag weer het bloed onder zijn nagels vandaan halen, in plaats van hierheen te komen om hem van liegen te beschuldigen!’

Op dat moment liep Erwin weg. De stoel, die hij in zijn haast omver­duwde, viel met een klap op de grond. Het geluid sneed door de tirade van zijn moeder heen, deed iedereen opschrikken.

‘Erwin? Kom terug!’ Zijn moeder greep naar de wandelstok die naast haar stoel stond en probeerde op te staan.

‘Laat mij maar,’ zei Gaetan. Hij volgde de jongen die de tuin ingelopen was.

Alleen met de moeder probeerde Samuel iets te bedenken om te zeggen. Voor hun vertrek, hadden Gaetan en hij alle mogelijke scenario’s proberen uit te werken. Geen ervan had hem voorbereid op de vrouw die tegenover hem zat. Druppels zweet vormden zich op zijn voorhoofd, hij durfde ze niet weg te vegen. Hij voelde zich gevangen in dit huis van opgelegde net­heid, van afgedwongen angst. ‘Ik ga eens zien of ik Gaetan kan helpen,’ zei hij. Het verbreken van de stilte hielp niet om zijn zenuwen onder bedwang te krijgen. Toen hij wilde opstaan, greep de vrouw naar zijn hand.

‘Je kent me niet meer, toch?’ siste ze.

Samuel wilde zijn hand lostrekken. Het lukte niet. Ze had zijn hand vast in een ijzeren greep.

‘Maar ik ken jou nog wel!’ Haar ogen flitsten en druppeltjes speeksel hadden zich verzameld rondom haar mondhoeken. ‘Ik herkende je onmiddellijk toen je mijn huis binnenstapte.’

Samuel hoorde hoe ze het woord ‘mijn’ benadrukte, alsof het heel belangrijk was, iets dat hij zeker moest begrijpen.

‘Je mag dan wel herboren zijn, een nieuw lichaam hebben, toch ben je nog altijd die vuile smeerlap van vroeger. De leraar die altijd zo krampachtig probeerde om populair te zijn, zelfs al moest hij daarvoor meehuilen met de wolven. En nu kom je in mijn huis, om mijn zoon te beschuldigen.’

Ze is gestoord, dacht Samuel toen hij in haar ogen keek.

‘Hoe nobel moet je je nu wel voelen,’ vervolgde ze, ‘om mijn zoon te willen helpen met zijn probleem. Maar hem helpen tegen zijn pest­koppen, dat doe je niet. Alweer niet. Vuile hypocriet!’

Hij wilde zeggen dat dit net de bedoeling was, dat hij er alles aan wilde doen om Erwin te helpen, maar zijn keel zat dichtgesnoerd. Hij kreeg geen klank over zijn lippen, ook niet om Gaetan om hulp te roepen. Zijn hand begon pijn te doen, nog altijd kon hij zich niet lostrekken. Toen ze haar hoofd naast het zijne hield, rook Samuel die rare geur weer. Het was toch geen geurkaars. Die gedachte deed hem bijna hardop lachen, net op tijd kon hij het tegenhouden. Misschien ver­moordt ze me dan wel.

‘Iedereen was zo overstuur toen je stierf. Ik huilde mee met de andere meisjes uit de klas omdat dat mij het verstandigste leek, maar toen we twee dagen vrij kregen van school en ik thuis zat, lachte ik. Het waren de leukste dagen van dat schooljaar, toen werd ik tenminste niet gepest. En toen ze zeiden dat je verongelukt was, geloofde ik er niets van.’ Haar lippen raakten nu bijna zijn oor, het voelde bijna sensueel aan, alsof ze hem wilde verleiden. ‘Mijn vader werkte bij het bestuur en hij heeft het tegen mijn moeder verteld toen ze dachten dat ik al sliep. Je hebt zelf­moord gepleegd. Dat past wel bij de laffe, vuile smeer­lap die je bent.’

De vrouw fluisterde de laatste twee zinnen. Het leek Samuel echter of ze het met een megafoon in zijn oor riep. Hij merkte niet dat ze zijn hand losgelaten had en weer rechtop zat. De kamer draaide. Haar woorden waren als kometen neergeslagen in zijn hersenen, allesverwoestend.

Gaetan kwam de kamer weer binnen met Erwin. Als hij al merkte hoe Samuel zich voelde, liet hij dat niet blijken.

Toen ze het huis verlieten en afscheid namen, glimlachte de vrouw naar Gaetan. Ze schudde zijn hand en zei: ‘Bedankt dat je mijn zoon wilt helpen!’ Ze negeerde Samuel en smeet de deur dicht.

Helena, zo heet ze, dacht Samuel. De naam paste bij het jonge, blonde meisje dat altijd stilletjes in een hoek in zijn klas zat. Net als haar zoon, besefte hij.

 

‘Die vrouw is gek,’ zei Samuel. Hij en Gaetan liepen door het dorp dat in de vroege avond niet veel activiteit meer vertoonde. De herfst was mild geweest, tot nu toe. De eerste tekenen van de winter dienden zich al aan. De mensen die niet buiten hoefden te zijn, bleven liever in de warmte van hun huis. Samuel begreep hen best. Na opgegroeid te zijn in een tropische omgeving, was Weerzel een schok voor zijn lichaam.

‘Ze heeft het niet gemakkelijk gehad,’ zei Gaetan. ‘Haar man stierf bij een werkongeval toen Erwin pas geboren was. Ze is die klap nooit echt te boven gekomen.’

Samuel dacht terug aan de waanzin die hij in haar ogen gezien had. ‘Dat mag je wel zeggen, ja.’ Hij trok de sjaal dichter om zijn nek en blies in zijn handen. ‘Die wandelstok, heeft ze die overgehouden aan het onge­luk dat haar man gedood heeft?’ Hij huiverde bij het woord ‘ongeluk’.

‘Nee,’ antwoordde Gaetan. ‘Het was toen ze veertien was, als ik me niet vergis. Opeens begon ze last te krijgen aan haar linkerbeen. Geen dokter die iets kon vinden, maar het ging niet voorbij. Uiteindelijk werd besloten dat het psychosomatisch was. Een reactie van haar lichaam op iets dat ze in een vorig leven had meegemaakt. Iets zo traumatisch dat het zelfs na een hergeboorte haar bleef plagen.’

Ja, ze moet wel heel veel hebben doorgemaakt om zo te zijn! Die gedachte was niet eerlijk, dat wist Samuel. En als Helena gelijk had, had hij er ook schuld aan. Niet echt een leuke gedachte, maar wat als? Zover hij zich kon herinneren, waren er nooit problemen geweest, leken alle studenten kort voor zijn dood goed met elkaar overweg te kunnen. Ze was er echter heel overtuigd van. Er moest toch iets van waar zijn. En wat had hij tot nu toe al voor Erwin gedaan? En wat kon je dan al doen? Weer die rationele stem, deze keer zonder veel overtuiging. Hij had met Aaron kunnen spreken, de ouders van alle kinderen samenroepen, iets doen! Hij versnelde zijn stap, maakte zichzelf wijs dat hij dit deed om warmer te worden, maar wist dat hij dit deed om zo snel mogelijk weg te zijn van dat huis en vooral die vrouw. ‘Wat zei Erwin toen jullie buiten stonden?’

‘Niet veel,’ antwoordde Gaetan. ‘Hij heeft wel beloofd om ook aan de ceremonie deel te nemen.’

‘Dus hij gaf in feite toe dat hij wel herinneringen heeft?’ Samuel stopte en draaide zich om naar Gaetan.

‘Ja. Nee. Ik weet het niet. Dit gaat boven ons petje, dat weet ik wel. Morgen bel ik met de gewestelijke psychologe. Ze moet maar eens haar geld verdienen.’ Gaetan balde zijn vuisten. ‘Gedaan met zich te verstop­pen in een ivoren toren. Er zou een specialist in dit dorp zelf moeten wonen, maar daar hebben ze het geld en personeel niet voor. Zeggen ze toch. Dit had veel eerder aangepakt moeten worden. Alsof een kind het niet moeilijk kan hebben met al die herinneringen. We laten ze te vrij, geven ze niets mee behalve rituelen en wijze raad.’ Die laatste woorden sprak hij op een sarcastische toon uit. ‘Je zou denken dat we na al onze levens toch wel zouden weten hoe we dit het beste kunnen aanpakken.’

Ze liepen in stilte verder tot ze bij de voordeur van Samuels huis stonden. Hij was niet van plan iets te zeggen van wat Helena hem verteld had, maar de drang was te sterk. ‘Gaetan, ik moet je iets vragen.’ Samuel dwong de woorden uit zijn mond. ‘Is het waar? Dat mijn dood geen ongeluk was, maar zelfmoord?’

Gaetan reageerde alsof hij een klap in het gezicht had gekregen. Hij kromp ineen, hief zijn hand naar zijn mond.

Samuel legde zijn hand op Gaetans arm. ‘Je moet het me vertellen. Ik wil het weten, ik heb er recht op om het te weten.’

‘Je herinnert je niets van je laatste overlijden?’

Samuel schudde zijn hoofd. Hij had er nog niet eerder bij stilgestaan, dat was ook niet nodig. Niet iedereen herinnerde zich hoe hij of zij stierf. Sommigen herinner­den zich alles tot in het kleinste detail, anderen maar bitter weinig. Het was geen veel­besproken onderwerp, al was het ook niet echt een taboe. Samuel hoorde tot aan zijn laatste overlijden bij de eerste groep. Al was het niet altijd even duidelijk, toch wist hij hoe hij gestorven was, altijd weer. Drie keer in het kraambed, na een ongeluk, ouderdom, geweld, zowat alle variaties had hij al meegemaakt. Maar zelfmoord? Nee, dat zou hij zich toch moeten herinneren?

Gaetan twijfelde nog altijd. Uiteindelijk keek hij weg van Samuel en zei zachtjes:

 

‘Het leven is als:

gegrepen worden door je natuur

gegrepen worden door je obsessies

gegrepen worden door het overrompelende verlangen

om steeds jezelf zijn

steeds een ander

zachte hel in mij’

 

‘Die had ik nog niet gehoord,’ zei Samuel. ‘Wat wil je ermee zeggen?’

‘Ik heb het geschreven kort nadat je …’ begon Gaetan. Dan schudde hij zijn hoofd. ‘Het spijt me, ik wil het er niet meer over hebben.’ Hij liep weg, zijn handen diep in zijn vestzakken gepropt. Zonder afscheid te nemen en zonder om te kijken.

Begrijpelijk, vond Samuel. Alles was al gezegd.

 

Onder het steriele licht van de gloeilamp in de woon­kamer leek de puzzeldoos een onschuldig speeltje. Samuel had de doos uit zijn werk­plaats gehaald en staarde er nu al bijna een uur naar. Hij had nog altijd geen idee wie het gemaakt had en wat er in zat. Was het een cadeau geweest voor een lang vergeten ver­jaar­dag? Dat kan, maar waarom kon hij er zich dan niets meer over herinneren? Hij pakte de doos op en wreef over het ganse oppervlak. De zon aan de boven­kant, geflankeerd door graan. Aan de onderkant vormden de lijnen een maan die boven een blank land zweefde. Allemaal eenvoudige symboliek. De dag die gevolgd werd door de nacht om dan weer over te gaan tot de dag. Leven en dood, gevolgd door een weder­opstanding. Samuel was geen gelovig persoon, in tegenstelling tot sommigen die de eeuwige cyclus van reïncarnatie als een geschenk van een Schepper beschouwden. Toch sprak de symboliek van de doos hem wel aan. Simpel en toch met betekenis.

Met zijn vingers streek hij over de zijkant van de doos waarop zes andere symbolen aangebracht waren. Opnieuw graan, merkte hij. Daar­naast ook een hond, een bloem, iets wat leek op een wolk, een huis en nog een symbool dat hij niet kon thuisbrengen. Vijf golvende lijnen die boven elkaar lagen. Water, dacht hij opeens. Zijn ademhaling versnelde bij die gedachte. Als de doos wedergeboorte als thema heeft, wat betekenen die zes andere symbolen dan?

Samuel liet zijn duim rusten op het graan aan de zijkant van de doos. Hij duwde zachtjes. Het symbool gaf even mee, in de doos hoorde hij een lichte tik. Machteld… Hij schrok op en smeet de doos op tafel. Nu voelde hij zijn hart kloppen in hetzelfde ritme als zijn ademhaling. Waarom dacht hij nu aan haar? Had de doos iets met Machteld te maken? Had zij het hem gegeven? Het hout zag er niet zo oud uit, nog geen tweehonderd jaar oud. Hij stond op en liep naar de keuken, vulde een glas met water en dronk het in één teug leeg. Je bent tijd aan het rekken! Dat was waar, maar waarom? Wat zat er in die doos en waarom wilde hij het niet weten?

Hij nam een besluit en ging weer aan tafel zitten. Zijn handen trilden toen hij de doos weer oppakte. Het graan was dus het eerste deel van de puzzel, welke nu? Zijn vingers gleden over de vijf overblijvende symbolen. Opnieuw namen zijn handen de beslissing en hij drukte op de bloem. Weer gaf het symbool mee en hoorde hij een tik, luider dan de vorige. Samuel sloot zijn ogen toen de woonkamer gevuld werd met de geur van een bloem. Er was geen twijfel over welke bloem het was, zijn lichaam reageerde duidelijk genoeg. De koren­bloem, dezelfde die Machteld in haar haar droeg toen hij haar voor het eerst zag, voor het eerst kuste, voor het eerst met haar naar bed ging. Tranen gleden over zijn wangen bij de herinneringen die ongevraagd in hem opkwamen.

Samuel herkende het patroon van de puzzel en met dat besef kwamen ook de antwoorden op sommige van de vragen die hij had. De oplossing van de puzzel lag in zijn verleden, met Machteld. Na de bloem kwam de hond. Hij glimlachte toen hij de tik hoorde. Nu leek de bovenkant van de doos los te komen. De hond… Een vondeling die Machteld zo wanhopig probeerde te redden. Zo was ze nu eenmaal. Pragmatisch en toch had ze een groot hart voor alles wat leefde. Toen de hond stierf was ze ontroostbaar. Het bracht hen echt dichter bij elkaar, deed ze besluiten om samen te wonen. Dat leidde tot het volgende deel van de puzzel, het huis. Dit huis. Ze werkten allebei voor lokale boeren, dus was het niet meer dan normaal dat ze ook hier zouden wonen.

Na het huis kwam de wolk. Nee, dat niet. Te laat, zelfs al duwde hij niet op het symbool, de herinneringen bleven komen. Wat deed een jong koppel dat samen een leven wilde opbouwen? Ze hadden genoeg inkomen, een eigen huis en elkaar. De volgende stap was een kind. Machteld straalde toen ze zwanger was, al verliep de zwangerschap niet goed. Hij snikte luid toen hij het beeld van Machteld in een bed zag. Haar ogen gesloten en haar gezicht was even bleek als het laken. Het kind stierf een uur na zijn moeder. Een zoon die nauwelijks de warmte van de borst van zijn moeder gevoeld had. Het had niet mogen zijn, had de dokter gezegd. Samuel was op dat moment te verdoofd om te reageren. Een verdoving die jarenlang zou duren. Hij had tientallen kinderen gehad, zelf gebaard of als man zijn bijdrage geleverd. Meer dan een van zijn kinderen stierven jong, altijd pijnlijk, maar nooit zo pijnlijk als bij dit overlijden.

Het geluid van de tik joeg Samuel uit de herinnering. Hij had toch op het symbool gedrukt en zag dat de doos nu bijna helemaal open was. Hij zag iets, papier? Het bloed suisde in zijn oren, een nevel kwam voor zijn ogen. Alles wat hij gevoeld had terwijl hij de doos opende, verbleekte bij de panische angst die nu op­borrelde. Hij moest de doos onmiddellijk sluiten, ver­stop­pen, misschien zelfs verbranden. In zijn hoofd voelde hij de herinneringen die verbonden waren met het water langzaam opkomen. Nu of nooit …

De klik die de doos maakte toen Samuel het bovenste deel weer vast­duwde, klonk bijna beschuldigend. Niet vandaag, nam Samuel zich voor, maar spoedig. Hij was nog niet klaar voor de geheimen die verbor­gen waren voorbij de symbolen, onder het versierde hout. Je kunt het niet blijven uitstellen, lafaard! Hij huiverde bij die woorden, die gedachte kwam hem heel bekend voor. Het leek de leidraad te zijn van zijn levens in Weerzel. Misschien was het ook zo, maar hij wachtte nu al zo lang. Een paar dagen langer kon toch geen kwaad? Dat dacht je de vorige keer misschien ook. En je weet hoe dat afliep.

 

‘Hoe lang gaan ze het hier nog rekken?’ vroeg een man aan Samuel. ‘’k Heb honger!’

Nu al dronken? De geur van gebraden worst en geroos­terd varkensvlees dreef over de mensen heen, maar daar moesten ze nog op wachten tot na de cere­monie. De drank daarentegen vloeide al rijkelijk. Zelfs in zijn vorige leven wist Samuel al van voorstellen om alcohol niet meer toe te laten, of pas na de ceremonie. Het ging om de kinderen, niet om drank. Tot nu toe werden die voorstellen vlot weggestemd. Prioriteiten moeten duide­lijk zijn, dacht Samuel, als je iedereen wilt lokken, moet je ze ook iets geven natuurlijk. Hij grinnikte toen de zatlap onzeker wegliep naar een van de vele drankkraampjes die rond het plein opgezet waren.

Het was een zonnige dag, al bracht de zon niet veel warmte met zich mee. Het maakte Samuel weinig uit. Hij genoot van de opgewekte sfeer die om het stadshuis te vinden was. Het hielp om de aandringende rationele stem in zijn hoofd het zwijgen op te leggen, al was het maar voor even. De versieringen die het plein en het gebouw fleurig deco­reerden waren cultureel oecume­nisch. Ze waren een samen­bunde­ling van honderden verschillende culturen en gewoontes die door de inwoners zelf, in de loop van hun levens, verzameld waren en tijdens hun verblijf in Weerzel in de lokale cultuur opgenomen werden.

Het stadsgebouw zelf was een allegaartje van vormen en stijlen. Heerlijk lelijk vonden de inwoners het, Samuel inbegrepen. Het had een rechthoek als basis en bijgebouwen die eromheen gesmeten leken. Veel glas zodat het erbinnen altijd helder en vrolijk was. Op de gevel waren stenen ornamenten aangebracht en veel bakstenen hadden een afbeelding ingekerfd gekregen van plaatsen die een indruk nagelaten hadden tijdens een vorig leven van de vele ambachtslieden die aan dit gebouw gewerkt hadden. Het geheel was speels, een effect dat nog versterkt werd door de spitse toren die dertig meter hoog was en zo uit een sprookje leek te komen.

Toen Samuel het geluid van het klokkenspel hoorde, begaf hij zich naar de ingang van het gebouw. De ceremonie stond op het punt te beginnen. Halverwege de toren was er een balkon met twee glazen deuren die naar binnen leidden. De deuren werden geopend en het werd stil op het plein. Samuel vond een geschikte plek net naast de groep ouders wiens kinderen zo dadelijk naar buiten gingen komen om zich formeel voor te stellen aan de dorpelingen. Hij knikte naar de ouders van Aaron en ontweek met dezelfde beweging ook de blik van Helena die, leunend op haar stok, hem koud aanstaarde.

De mensen applaudisseerden toen een meisje op het balkon stapte. Samuel herkende Ilse meteen. Net als alle kinderen die aan de ceremonie deelnamen, droeg ze zelfgemaakte kleding en versieringen, gebaseerd op haar vorige leven, of wat ze er zich op dit moment al van kon herinne­ren.

Het meisje stapte met opgeheven hoofd naar de microfoon. Nu pas leek ze voor het eerst de menigte op te merken. Ze wreef snel door haar haar, erop lettend dat ze de veren en kralen niet aanraakte, schraapte haar keel en zei: ‘We willen u hartelijk danken voor uw aanwezigheid van­daag. We hopen dat u zich allemaal goed amuseert.’ Ze boog diep en wachtte tot het applaus uitstierf. ‘Mijn naam is Ilse,’ zei ze plechtig. ‘Ik heb grote delen van de wereld gezien, ben al vader en moeder geweest, jong en oud, geliefd en verliefd.’ Na die woorden hief Ilse haar hand naar haar mond, alsof ze zich moest tegenhouden om niet in lachen uit te barsten. Ze herpakte zich en zei met overslaande stem: ‘Maar nu ben ik hier, in Weerzel, en ik beloof jullie dat ik hier alles zal doen om gelukkig te zijn en om anderen gelukkig te maken.’ Ilse beëindigde haar eed door te zwaaien naar haar ouders en snel terug naar binnen te lopen.

De eed was aangepast, merkte Samuel. Minder formeel, zo vond hij het wel leuker. De oudere versie voelde militair aan, alsof de kinderen gere­kru­teerd werden. Hij zag dat de eerstelingen uit hetzelfde jaar als Ilse in een groepje bij elkaar stonden. Ze leken onder de indruk te zijn, een beetje verloren in het ritueel dat al zo lang gehouden werd en dat ze nu voor het eerst meemaakten. Erwin stond er niet bij, die stond bij de andere kinderen binnen te wachten op zijn beurt. Samuel had hem deze morgen gezien. Het gesprek met Gaetan had Erwin overduidelijk goed gedaan, hij glimlachte zelfs. En zijn ogen straalden niet langer die ondraaglijke eenzaamheid uit. De anderen van de groep, zelfs Aaron, hadden hem snel weer aanvaard, daar was Samuel blij om. Hij applaudisseerde mee toen een jongen op het balkon kwam en hakkelend de eed voordroeg.

‘Aaron is de volgende.’

Samuel glimlachte naar de moeder van de jongen en keek in blijde verwachting terug naar het balkon. Er kwam niemand. Geroezemoes vulde het plein toen de menigte zich begon te roeren. De ouders van Aaron keken vragend om zich heen, de moeder fluisterde iets in het oor van haar man die zijn schouders ophaalde.

‘Is dit normaal?’ vroeg ze uiteindelijk aan Samuel.

‘Ik weet het niet,’ antwoordde hij. ‘Maakt u zich geen zorgen, hij zal zo wel komen.’ Nog altijd bleef het balkon leeg. Sommige ouders schuifel­den dichter naar de ingang van het stadsgebouw, onzeker of ze beter nog even konden wachten of naar binnen konden gaan om te kijken wat er aan de hand was. Samuel had hetzelfde probleem. Gaetan was bij de groep om ze te begeleiden, die had alles wel onder controle, dus bleef hij staan.

Toen er gegil door de open glazen deuren weerklonk, werd het muisstil op het plein. Heel even leek Samuel verlamd te zijn door het geluid. Pas bij de tweede gil stormde hij het gebouw binnen, gevolgd door drie andere leraren. Hij liep door de inkomsthal naar de smalle wenteltrap die naar de ruimtes in de toren leidde. ‘Gaetan!’ riep hij; het enige antwoord was opnieuw gegil. Halverwege hoorde hij gestommel en een mannenstem. ‘Gaetan!’ Met hernieuwde energie liep hij de trap op.

Samuel viel bijna toen iemand tegen hem opbotste en zich toen panisch aan hem vastklampte. Hij kneep even bemoedigend in het warme lichaam dat schokte van het huilen. Hij herkende de veren in het haar, veren die nu bezoedeld waren door iets nats, iets roods. Ondertussen waren er nog kinderen die de trap probeerden af te komen, opgejaagd door het geroep en gegil dat nog altijd voortraasde. Samuel trok het meisje van hem los. ‘Ilse,’ zei hij. ‘Wat is er gebeurd? Waar is Gaetan?’ Een blik in de betraande ogen van het meisje maakte hem duidelijk dat hij geen antwoord moest verwachten. Hij gaf het meisje door aan de man die achter hem stond te wachten en gebaarde naar de kinderen dat ze snel verder moesten lopen. Zelf liep hij verder de trap op. Bloed, verdomme, wat is er gebeurd?

 

‘Blijf uit mijn buurt!’

Samuel stond hijgend net buiten de kamer die naar het balkon leidde. Hij probeerde om het hoekje te kijken, te zien wat er aan de hand was, hij zag niets. De eigenaar van de stem die hij net hoorde stond blijkbaar in de andere hoek van de kamer, net buiten zicht. Hij verstarde toen hij een streep bloed op de grond zag. Het gesnik van de kinderen beangstigde hem. Hij moest zich dwingen om niet de kamer binnen te stormen, dat zou niet verstandig zijn. Niet tot hij wist wat er aan de hand was.

‘Ik waarschuw jullie!’

Samuel probeerde zich te herinneren hoeveel kinderen hem gepas­seerd hadden op de trap, hoeveel er dus nog in deze kamer bevonden. Minstens vijftien, samen met Gaetan. Die stem, wie is dat? Hij stak een vinger op als waarschuwing voor de twee mannen die net boven gekomen waren en waagde het om half in de deuropening te gaan staan. Zijn ogen volgden de rode streep op de grond, bleven toen gefixeerd op een jongen die dreigend voor de overblijvende kinderen stond. Een mes, was zijn eerste gedachte. Gaetan, zijn tweede. Zijn vriend lag zwaar hijgend op de grond, bloed stroomde tussen zijn vingers door. De kinderen zaten ineengedoken achter Gaetan. Zelfs gewond probeert hij ze nog te beschermen, dacht Samuel. Hij focuste zich helemaal op de jongen met het mes.

‘Erwin,’ zei Samuel.

De jongen draaide zich met een ruk om, het mes als een barrière tussen hem en de rest van de wereld. ‘Wat doe jij hier?’ riep hij.

Samuel stapte uit de deuropening en liep toen stap voor stap in een cirkel om Erwin heen, weg van de kinderen en Gaetan. Hij zag dat zijn vriend langzaam wegzakte, nauwelijks nog zijn handen op de wond kon houden. Concentreer je! Hij stak zijn armen op en toonde Erwin zijn open handen. ‘Blijf rustig, Erwin. Alles komt wel in orde.’

De jongen haalde naar Samuel uit en trok zich weer terug. ‘Jullie hebben het allemaal op mij gemunt.’

‘We kunnen je helpen, Erwin,’ zei Samuel op een rustige toon. Hij stond nu met zijn rug naar het balkon gericht. Hij registreerde het geroep dat van het plein de kamer binnenkwam, liet het over hem heen glijden. ‘Geef gewoon je mes af, dan kunnen we allemaal naar beneden gaan en alles rustig bespreken.’ Vanuit zijn ooghoek zag hij dat de andere mannen nu ook in de deuropening stonden, klaar om in te grijpen. Hij zwaaide met zijn rechterhand en hoopte dat ze het teken zouden begrijpen.

Erwin scheen de andere volwassenen niet gezien te hebben. Samuel keek recht in de ogen van de jongen en wist niet zeker of Erwin hem zelfs maar zag.

Het gezicht van de jongen was lijkbleek, zweet stroomde over zijn wangen en zijn mond was verwrongen in een brede grijns. Hij kneep zijn ogen dicht en richtte het punt van zijn mes op het hoofd van Samuel. ‘Ik weet wie jij bent! Het is tijd om te boeten.’ Hij stond op het punt naar Samuel te lopen, toen een paar kinderen naar buiten probeerden te lopen. Erwin draaide zich bliksemsnel om, de kinderen drukten zich gillend tegen de muur.

‘Erwin!’ Samuel bereidde zich voor om zich op de jongen te werpen als hij nog een stap dichter bij de kinderen kwam. Tot zijn verbazing draaide de jongen zich weer om. ‘Je moet mij toch hebben?’ zei Samuel. ‘Laat de anderen gaan, ik blijf hier.’

De jongen lachte. ‘Daar heb je gelijk in, jij gaat nergens meer heen.’

Samuel huiverde bij het horen van die woorden. Opnieuw kreeg hij het gevoel alsof Erwin hier niet echt was, alsof hij een traumatische herinne­ring herbe­leefde die de jongen niet meer kon bedwingen. Hij stapte achteruit toen het mes flitsend op zijn keel afkwam. Bij elke zwaai van het mes stapte Samuel naar achteren, tot ze allebei op het balkon stonden. Toen Samuel de reling op zijn rug voelde, wist hij dat hij iets moest doen. Een blik in de kamer wees uit dat de kinderen weg waren, de twee mannen stonden nu bij Gaetan die geen teken van leven meer gaf.

‘Erwin!’ Een vrouwenstem brak door het geschokte gegil van de mensen op het plein.

De jongen knipperde met zijn ogen, staarde verbaasd naar het mes in zijn handen, het bloed op het lemmet. Zijn lippen begonnen te trillen. ‘Mama?’ Hij knipperde met zijn ogen, bracht zijn hand naar zijn mond.

‘Erwin?’ zei Samuel zachtjes. Met zijn linkerhand greep hij voorzichtig naar het mes. ‘Geef het aan mij, jongen, alles komt wel goed.’

‘Nee. Je hebt me voor de laatste keer belazerd! Deze keer snij ik je strot door.’ De ogen van de jongen vertroebelden, zijn kaken klemden zich op elkaar.

Samuel pakte het mes bij het lemmet vast. Erwin probeerde het los te rukken, maar Samuel gaf niet toe aan de pijn en trok de jongen naar zich toe. Hij klemde Erwin tegen zijn borst, maar kon hem nauwelijks onder controle houden. De jongen beet in zijn arm, schopte wild en klauwde naar de ogen van Samuel. Na een schop tegen zijn knie, verloor Samuel zijn greep. De jongen viel op de grond, sprong snel weer op en liep naar binnen.

In een laatste poging grabbelde Samuel naar de loshangende kleding van de jongen. Hij voelde de stof scheuren, zag dat Erwin naar links gesmeten werd door de kracht van de ruk, struikelde en door de relingen van het balkon naar beneden viel. De gil van Helena sneed door het geroep van de andere mensen heen.

 

Samuel zat in het bureau van de gewestelijke psychologe. De vrouw was het gesprek begonnen met dezelfde woorden die hij de hele week al gehoord had. Zo jammer wat er gebeurd was, maar het was niet zijn schuld. Het was een ongeluk. Zelf was Samuel daar niet zo zeker van. Die ogen… Hij had sneller moeten reageren, Erwin meteen overmeesteren. Voor Gaetan had dat niet meer uitgemaakt, maar misschien leefde de jongen dan nog wel.

‘Uw beslissing heeft ons verrast,’ zei de psychologe.

Samuel glimlachte, negeerde de stekende pijn in zijn hand en zei: ‘In Weerzel blijven lijkt me geen optie meer.’

‘Natuurlijk wel, u bent een ervaren leraar. Ik hoop dat u zich niet teveel laat leiden door wat er gebeurd is. Erwin was een jongen die geplaagd werd door proble­men. Het bestuur houdt u voor niets verantwoordelijk, ook niet voor de pesterijen die misschien wel tot deze tragedie geleid hebben.’

En daar ben ik niet zo zeker van! De vraag wat Erwin precies tot zijn wan­hoopsdaad gedreven had, was het gespreksonderwerp van de week in het dorp. Helena had de vinger gewezen naar de andere kinderen in zijn klas. Pesterijen die te lang ongestraft bleven. En mis­schien had ze gelijk. Die ogen, dacht Samuel opnieuw, daar zat meer in dan een gekwetste jongen die te laat en te weinig hulp kreeg. Veel meer. Hij schudde zijn hoofd.

‘We hopen dat u zich toch nog bedenkt,’ zei de vrouw. ‘Het is nooit een goede zaak als een drama u naar overhaaste beslissingen voert.’

Erwin had niet geschreeuwd toen hij naar beneden viel, dat wist Samuel zeker. Dat had hij niemand verteld, niemand zou hem trouwens geloofd hebben. Hoe kon hij dat weten? In de verwarring van het moment, het geroep van iedereen op het plein was dat niet te bepalen. En toch wist hij het zeker. Erwin scheen hem opgelucht te zijn, alsof hij wist dat hij bevrijd zou zijn van wat hem ook kwelde. Tenminste, tot de volgende wedergeboorte. Heel even twijfelde Samuel om alles aan de psychologe te vertellen, zijn hart te luchten. De puzzeldoos, Machteld, alles. Misschien had dat Erwin wel kunnen redden, iemand hebben waar hij alles aan kwijt kon. Zodat hij zijn verleden los kon laten, zodat het hem niet meer zo kon belagen. ‘Wees gerust,’ zei hij. ‘Ik heb tijd genoeg gehad om erover na te denken.’ Meer dan tweehonderd jaar, dacht hij.

‘U moet beseffen dat dit geen lichtzinnige beslissing is. U gaat alles achterlaten, zonder enige garantie dat u ooit kunt terugkeren.’ De vrouw pakte haar glas op en nam een slok water.

Water… Na de crematie werd de as van Gaetan over de vijver verspreid, een geliefkoosde plek hiervoor. Machteld had dezelfde laatste wens gehad. Het zesde symbool op de puzzeldoos was dus logischerwijze water. De herinnering aan Machteld beet nog altijd hard in zijn ziel, maar dat leek na het nemen van zijn beslissing toch al minder te zijn. Na de uitstrooiing had Samuel de doos zonder te openen in zijn tuin begra­ven. De brieven die Machteld hem geschreven had in haar volgende leven hoefde hij niet nog eens te lezen. De herinnering hield zich schuil tussen de tienduizenden anderen. Alle brieven kwamen op hetzelfde neer: ‘Ik kom niet, ik kan het niet. Het spijt me.’ Was het zelf­bescherming of mezelf gewoon iets wijsmaken? Daar had hij nog geen antwoord op. Het maakte hem niets uit. De belofte die hem zo lang aan dit dorp gebonden had, was een droom geweest, gebaseerd op herinneringen van een lang vervlogen tijd. Het was tijd om die belofte achter hem te laten. En mis­schien had hij zo tijd genoeg om te voorkomen dat zijn herinne­ringen een nachtmerrie werden, zoals bij Erwin het geval was. Hij stond op, legde zijn hand op zijn borst en zei:

 

‘Je dood omvat me

je afschijnsel in mij

is gestorven

voorbij het eeuwig wederkeren

als ik je terug zal zien

zal jij het dan die wel zijn

die mijn verdriet stilt?’

 

De psychologe staarde hem aan alsof ze naar een krankzinnige keek. Samuel glimlachte nog eens naar haar en zei: ‘Een gedicht dat ik geschre­ven heb voor een goede vriend van me. Hij heeft me jarenlang wijs­gemaakt dat poëzie louterend kan zijn. Geen idee of het zo is, maar ik ben nog maar net begonnen natuurlijk.’ Hij hief zijn tas op zijn rug en verliet de kamer. De tas, gevuld met kleding en foto’s, die zwaar op zijn rug woog toen hij in Weerzel kwam, leek nu vederlicht.

Offa’s Bruid : Jan J.B. Kuipers

Kwam hier binnen, het wezen op een spin, had zijn tuig in de hand,
zei dat jij zijn hengst zou zijn, deed zijn leidsels om je nek.

Bezwering (Angelsaksisch)

 

‘Dit is nu het gevaar wanneer ondeskundigen zich met theologische kwesties bezighouden,’ zei de monnik Urendel. ‘Spraakverwarring en gewauwel liggen op de loer. De heidenen aanbidden niets dan leugen­achtige afgoden en demonen. Maar wanneer wij christenen een kaarsje branden voor Sint-Muirgen, dan doen wij dit niet om de heilige meermin zelf te aanbidden, maar via haar uitsluitend de Almachtige en Zijn wonder­werken. Muirgen is zonder Zijn genade niets!’ Zijn gemelijke ogen blonken in het zwakke licht van de vetlamp, en de haren van zijn dunne baard leken zelf wel op de grijze wieren die Muirgens zeevolkje tot voedsel diende.

‘U heeft natuurlijk gelijk, hoewel zij vóór haar beke­ring toch drie­honderd jaar aan één stuk in zee heeft rondgezwommen,’ sprak de dwergachtige Eochaid met zijn pientere glimlach. ‘En daarna nog eens drie­honderd jaar in een kuip op het land. En dat allemaal in een staat van ongenade.’ Hij strekte zich over het tafelblad, greep snel de bierkruik en schonk zijn nap vol, vóór de klauwachtige hand van de monnik de kruik kon opeisen.

‘Als gewoonlijk wend jij voor het met mij eens te zijn, maar bespeur ik in je woorden niets dan sarcasme en druipende spot,’ stelde Urendel vast. ‘Met zo’n wendbare tong, als een paling, moet je misschien op­passen. Voor je het weet heeft een op dit gebied minder gezegende gespreksgenoot hem uit je bek gerukt, mismaakte aap.’

Harbrand, de ridder die voor zijn vrome koning Karel de zee was over­gestoken, maar die zelf alleen in de dood geloofde, zat het dichtst bij het vuur en dommelde al bijna in. Wel merkte hij nog dat zijn met­gezellen als vanzelf in maritieme termen, voor­beelden en metaforen waren vervallen. Het volgende stadium van hun reis, het grote meer van Ana dat zich een boogscheut verderop spiegelend en zwijgend overgaf aan het strelende licht van de Maan, had zich kennelijk al in hun gesprekken genesteld. Was dit een goed of een euvel teken?

In het dakstro ritselden nog kraaien; de stemmen van Urendel en Eochaid vervaagden, het hoofd van Harbrand zakte op zijn borst en hij sliep.

 

Vanuit hun licht wiegende hulkje zagen ze de rook opstijgen uit het rieten dak van de herberg en boer­derij, waar ze kort geleden nog zo’n vredige nachtrust hadden genoten. Een nachtrust, wreed onderbroken door een gil van de herbergiersjongen. Gevolgd door een brul van Urendel, wiens legerstede leeg was geweest op dat moment.

‘Het was zelfverdediging! Ik moest pissen buiten en werd door de knaap overvallen!’

Een twijfelachtige bewering, gezien de wijd­ver­breide sodomie en pederastie onder de zwervende dienaren Gods, zeker als die nog konden lezen en schrijven ook. Maar Urendel kon natuurlijk de waar­heid spreken. In elk geval hadden de ouders, broers en zussen en de oom van de jongen zich na de gillen onmiddellijk en met grote woede op de monnik geworpen, zodat de vier wapenkechten van Harbrand, die dommelden op de aarden vloer beneden, hem hadden moeten ont­zetten. Een wilde schermutseling was in het eerste ochtendkrieken losgebarsten in de gelag­ruimte en buiten de schamele muren van leem, mest en vlecht­werk. De krijgers hielden flink huis onder die halfwilde familie, maar die weerde zich verwoed en twee van Harbrands mannen hadden er al het leven bij ingeschoten toen Harbrand zelf en de dwergman van de slaapzolder waren afgedaald. Urendel wurgde op dat moment bij de haardplaats de waardin met het koord van zijn pij; haar benen trapten verwoed, haar handen klauwden vergeefs naar het vertrokken gezicht van de monnik. De herbergier, haar man, lag met zijn kop in de smeulende turf. Zijn rug vertoonde een wond die zijn voddige hemd al met bloed had doorweekt. Aan de rand van de haard flakkerden de vlammetjes weer op, als tot leven gekomen door de verrukking van het onverwachte bloedbad.

Daarbuiten reeg Harbrand de oom aan zijn zwaard. Toen hij het weer uit zijn lijf rukte, viel de man als een blok achterover; de kinderen vluchtten jammerend het riet en de moeren in.

‘Steek dat kot in de fik!’ gilde de monnik, die zijn handwerk had voltooid en nu buiten was gekomen. ‘Dat geeft ze wat te doen, dan komen ze ons niet na.’ Hij had het nog niet gezegd of een pijl boorde zich vanuit het duistere riet in de hals van de derde krijger van Harbrand. Hij greep naar zijn keel en zakte reutelend op zijn knieën.

Harbrand gaf het bevel, zijn laatste wapenknecht rende naar binnen en kwam even later terug met een brandende twijg, die hij op het lage dak gooide. De anderen rezen op vanachter de houtstapel waarachter ze dekking voor de pijlen hadden gezocht, en spurtten naar het wrakke steigertje waaraan de veerboot lag.

 

En nu, zo zagen de vier mannen in de boot, sloegen rode en gele vlam­men uit de herberg; de terug­gekeerde kinderen renden als betoverde poppetjes in het rond.

‘Drie van mijn mannen zijn dood en ons werk moet nog beginnen,’ zei Harbrand. Zijn grijze ogen vestig­den zich vol ongenoegen op de monnik. Urendel keek stekelig terug, wendde toen zijn blik af. Maar hij wist zeker dat hij in de blik van de ridder iets van sombere triomf, van voldoening had bespeurd. Zij die in niets geloven, verwachten immers altijd het slechtste en worden daarin meestal bevestigd. Het was een vorm van rechtvaardigheid, dacht Urendel voor hij zijn ogen sloot en zijn handen vouwde. Even later gleden de plechtige Latijnse klanken over de opalen spiegel van het meer. Een gebed, voordat ze die bijna Hiber­niaanse landen zouden betreden waar hun werk wachtte, kon zeker geen kwaad.

Eochaid gooide een kruikje overboord dat hij uit de herberg had meegenomen. Het Latijn stokte, zes ogen keken naar hem.

‘Voor Sint-Muirgen,’ zei de dwerg bijna verlegen. Zijn glimlach was zo ontwapenend dat de dunne nevelslierten die over het meer zweefden bijna uit elkaar weken.

 

Aan de overzijde van het Meer van Ana verhief zich ergens de Toren van Cynethryth. Het werk dat het gezelschap van Harbrand daar moest verrichten was godgevallig. Maar het had ook economisch nut. Als ze slaagden zou de bretwalda Offa weer schepen uit de Frankische landen in zijn havens toelaten, zouden er weer monniken met rijkversierde handschriften over de Noordzee varen, zouden de verhoudingen weer zijn als vroeger.

Schepen. Met een schip was het allemaal begonnen. Het scheepje waarin Cynethryth naar zee was afge­stoten, als straf voor haar vele mis­daden in de landen van koning Karel, met wie ze nog verwant was ook. Zwijgend en trots had Cynethryth haar lot ondergaan. IJselijk rechtop, als een schrikwekkend idool, had zij in het bokkende en schokkende bootje gezeten, dat door de branding geduwd en gegrepen door de stroom snel naar de einder verdween; met kooldonkere, brandende ogen had ze naar de paltsgraaf en zijn mannen op het strand gekeken, naar de bisschop en zijn monniken en naar de lage duinen die ze nooit weer zou zien. Haar golvende en wapperende haren hadden zwarter dan ooit geschenen, zwarter dan pek was ook haar kleed geweest.

Uiteindelijk was het hulkje van Cynethryth op de kust van Dyfed, Gwent of daar ergens in de buurt gelopen. Zo’n mooie en statige vrouw was een goede buit voor koning Offa in het binnenland. Diens mannen die overal zwierven pakten haar dus op en brachten haar naar de Hal van de bretwalda. ‘Ik ben de nicht van koning Karel,’ had ze meteen bij aankomst gezegd. ‘Raak mij niet aan zonder degelijke trouw­belofte.’

‘Waarom zwalkte je dan helemaal alleen op zee als je zulke goede relaties met Karel hebt, en bovendien ben ik al getrouwd,’ antwoordde Offa, wiens geest een labyrint was vol kuilen en valstrikken en lepe, on­navolg­bare gedachten als nordische knopen die ook nog eens met elkaar zijn verknoopt, maar wiens wijze van uitdrukken vaak bot en ruw was. Evenals zijn bloedbevlekte daden.

Cynethryth keek hem in zijn ogen en haar oogleden knipperden niet. Die van Offa uiteindelijk wel: hij sloeg zijn blik neer en werd verliefd op die veile tovenares, viel voor haar als een blok, verstootte zijn wettige vrouw Drida en huwde de Frankische. Het hof van Offa veranderde door toedoen van Cynethryth al snel in een rovers- en hoerenhol; de geeste­lijken wiekten weg als duiven van dat oord, waar ze kort geleden nog het hoogste woord hadden gehad en onophoudelijk hun missen hadden gelezen. Ze hielden zich vervolgens op in wouden en moerassen en afge­legen hoeven, en spanden samen met Drida’s mensen.

Toen koningin Cynethryth op een dag in een draag­stoel door de velden trok om schattingen bij elkaar te graaien in ruil voor het achterwege blijven van haar vervloekte bezweringen, vielen de broers en ooms van Drida haar kleine stoet aan, die alleen uit vrouwen bestond, alsof er geen rovers en alvenvolk door het land waarden. De draagstoel kantelde, de nieuwe koningin kwam ten val; haar dienaressen stoven gillend uiteen en werden in het hoge gras neerge­slagen, snel verkracht of als ze geluk hadden alleen vermoord. Enkelen wisten te ontsnappen, en een enkeling uit dát fortuinlijke groepje wist zelfs onge­schonden Offa’s Hal weer te bereiken. Cynethryth bleef reddeloos achter, ze lag op het pad tussen de lange halmen en de mannen bogen zich over haar heen, hun lippen likkend; hun trillende, bebloede zwaardpunten priemden al naar haar ranke leest en haar albasten keel. Het duurde maar een oogwenk voor deze vijandin van de oude orde was doorstoken, verminkt en veranderd in een bloedig lijk.

Toen zagen de ooms en broers van de echte koningin dat de vrouw, die zij eerst allemaal hadden herkend als de nieuwe tovenares-koningin, Cynethryth hele­maal niet was. Hoe en wanneer precies hadden ze zich zo laten verblinden, misleiden? Daar, als een be­smeurd vod en bloedend uit vele wonden lag niet langer Cynethryth.

Marcellina lag daar. Offa’s moeder.

 

De nevel was opgetrokken. Het meer was eindeloos naar alle kanten, het water grijs met tere hinten blauw en groen, de hemel boven hun hoofden als melk, waar de zon nu doorheen begon te prikken. Het werd benauwd, ze zweetten. Eochaid en de soldaat peddel­den, Urendel staarde op zijn handen met prevelende lippen, Harbrand wierp zijn blikken keer op keer in alle windrichtingen.

Niets.

‘Muirgen,’ begon Eochaid op zeker moment. ‘Ze zeggen dat Muirgen-’

Sint-Muirgen,’ snauwde Urendel. Hij keek naar de rug van de rustig voortpeddelende Eoachaid en om­knelde even de heilige reliek, die in een kokertje van leer en perkament om zijn hals hing.

‘Sint-Muirgen ja. Ze zeggen dat ze een telg was van de moeder van het meer, moeder Hydra noemen de geleerden haar. En van de onheuglijke vader, de grote visman die ze in het Oosten Dagon noemen. Onze Manannan Mac Lir misschien. De ontzagwekkende koning. Maar wel een vriend van de dromers.

‘Vuile heiden,’ siste Urendel. ‘Zeg je dit allemaal om ons te tergen? Wil je dat we ons gillend van angst overboord gooien, ten prooi aan de demo­nen die je nu probeert te paaien?’

Hij ging onrustig verzitten, zodat het bootje hevig begon te wiebelen.

‘Ja, Eochaid, waarom zeg je dit?’ vroeg Harbrand; zijn hand speelde met het zwart uitgeslagen riempje van zijn zwaardschede.

‘Zomaar, heer,’ zei Eochaid. ‘Gewoon een praatje om de tijd te doden.’ Hij draaide zijn hoofd om zijn onschuldige lach te laten zien, en stopte even met peddelen. Aangezien Harbrands soldaat aan het andere eind van de boot gewoon doorpeddelde, maakte het scheepje onmiddellijk een zwenking naar stuurboord. Urendel greep in paniek beide boorden vast, verhief zich een eindje van zijn doft, zag in dat dit zinloos was en zakte weer neer. Dit alles verhoogde de instabiliteit nog; het bootje schommelde en dreigde even te kapseizen, zodat Harbrand vloekend orde moest scheppen. ‘Blijf zitten!’ schreeuwde hij tegen de monnik, en tegen Eochaid: ‘Doorroeien, hondsvot!’

Langzaam werd de beweging minder, het bootje hervatte zijn west­waartse koers, naar de gemeden landen met de Toren van Cynethryth.

Eochaid begon een liedje te neuriën en vervolgens binnensmonds te zingen, in die godvergeten taal vol gesis en keelklanken van zijn nameloze vaderen.

 

De dood van de eerbiedwaardige Marcellina liet ook de laatste resten van de oude vrede in Offa’s Hal in rook opgaan. Deels letterlijk: een stal stond al in lichtelaaie, een in brand gestoken man liep als een fakkel naar de Hal, zwaaiend met zijn zwaard tot hij neerviel en tot benige sintels werd. Ja, Offa’s achtergebleven familie viel nog verder uiteen door de moord op de koningin-moeder, van wier vertrek kennelijk niemand op de hoogte was geweest. Maar dat laatste had het gekonkel en de intriges alleen maar aangezwengeld. De terugkeer van de eerste overlevende van de overval leidde tot enkele dagen van schreeuwende twist en uiteindelijk tot handgemeen, dat als een felle bosbrand ineens overal rondom de Hal opvlamde. Neef tegen oom, oom tegen broer en zwager. Toen ook de vrede in de Hal zelf werd geschonden door rinkelende zwaarden, splinterende schilden en het gekrijs van neergehouwen mannen, greep de bisschop in. Hygeberht hief hoog zijn kromstaf, schreed met grote passen door de hal. ‘In nomine Patris et Filii et Spiritus Sancti!’ galmde zijn machtige stem; de strijdenden lieten hun zwaarden zakken, weken uiteen. Hygeberht koerste tussen de haag van strijdenden door en stapte over enkele gevallenen in hun plassen bloed. Hij hield stil aan het hoofdeinde van de Hal.

Al die tijd had Cynethryth als verstard op haar ver­hoogde eiken zetel naast die van Offa gezeten, haar onderarmen majesteitelijk op de leunin­gen, maar met haar brandende zwarte ogen gericht op het krijgs­gewoel. Nu stond bisschop Hygeberht vóór haar, keek naar haar op, richtte het uiteinde van zijn staf op haar. ‘Zij!’ schreeuwde hij naar achteren, naar de strijders. ‘Ziet u niet dat zij de rot in de appel is, de bron der twee­spalt, de vernietiger van jonge mannen, de ware vergieter van hun bloed? Met deze Frankische heks kwam de klad in het land! Zij moet weg! Cynethryth, een hoer van Babylon!’ De staf trilde, maar bleef op haar gericht.

Dit waren krasse beweringen, die een diepe beledi­ging van de koningin inhielden en dus strafbaar waren met de dood, bisschop of niet. Maar Offa, die man met het labyrint in zijn hoofd, greep niet in. Hij besefte dat de bisschop gelijk had. Hygeberht had hem gespaard, die wilde immers aartsbisschop worden. Hij had ook makkelijk een deel van de schuld kunnen afwentelen op hém – en dat zou terecht zijn, Offa zelf had immers zijn eerste vrouw Drida verstoten. Offa had geen keus, als hij niet als tiran terzijde geschoven en vermoord wilde worden. ‘Hygeberht spreekt waarheid!’ riep de bretwalda dus. ‘Broeders, neven! Laat de vrede onder ons terugkeren. Laat de betovering die over ons was wijken. Dood aan de bedriegster die ons koninkrijk verscheurt!’ Ook zijn be­bloede zwaard wees nu op Cynethryth. De res­terende twijfel en arg­waan onder de krijgers werden vervolgens verpletterd onder het donde­rende anathema dat Hygeberht over Cynethryth uitsprak, zijn meest uitvoerige vervloeking in de naam van de Drieëenheid, de heiligen, de Kerk, al haar dienaren en de volledige gemeenschap der gelovigen. Onder deze ver­schrikkelijke verwensing en vervloeking stond Cyne­thryth langzaam op, alsof een gewicht als de zoldering zelf op haar schouders rustte. Maar ze wankelde niet. En toen eindelijk de galm van Hygeberhts maledictie was weggestorven deed ook zij haar mond open. Iedereen staarde haar aan, armen neerhangend, zwaarden met de punten naar de grond gericht.

Kraai heeft gekrast,’ zei Cynethryth zacht, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal. ‘Wijn is gemorst. Oliekruik val om, nevel kom!’ Ook Hygeberht liet verbluft zijn staf zakken en tastte vaag naar het kruis op zijn borst. ‘Nokbalk splijt, zwarte hond is gekomen,’ zei Cynethryth. ‘Nevel spreidt, slang kruipt in de hof.

Ja, het moest wel zo zijn dat de nevel binnen was gedreven, een nevel zo dicht als die op het Meer van Ana in wintertijd, want waarom zagen ze anders zo weinig? Toen het opnieuw stil was en de strijders begrepen dat ze zich beet hadden laten nemen omdat er helemaal geen nevel hing in de Hal, zagen ze dat ook Cynethryth niet meer voor haar troon stond. In feite was ze in de hele Hal niet meer te bekennen, en ook niet in schuur of stal, of waar dan ook op het koningserf.

Cynethryth was vertrokken.

 

Wel werd Drida een dag of wat later door enkele knechten en monniken teruggebracht uit haar ver­ban­ning. Ze droegen haar binnen. De koningin kon haar plaats in de zetel naast Offa voorlopig niet innemen. Want ze sliep. Ze sliep en bleef slapen, en was met geen mogelijkheid wakker te krijgen. En wat leek ze mager, doorzichtig bijna.

 

De oppervlakte van het meer was vloeibaar zilver geworden, roerloos. De peddels lieten kringen achter in het water, die zich verwijdden en oplosten, geen spoor achterlieten. In de boot heerste al lang een dof zwijgen, je hoorde alleen het zwakke ploempen van de peddels, het moeizaam ademen van de peddelaars. Eindelijk doemde een donkere, rafelige lijn op aan de einder. Tergend langzaam werd die lijn een strook: de oever van het land aan de overzijde. Tussen riet en een enkele in het water hangende struik tekende zich een verwaarloosd steigertje af. De andere kant van het onheuglijke veer over het Meer van Ana. Het zou tijd worden; de middag was oud, de nevel begon zijn deken alweer over het water te werpen.

Eoachaid kreeg nieuwe energie en stuurde recht op de steiger af. Het veer zette bijna niemand meer over, niet meer sinds de verhalen waren rondgegaan over Cynethryth die haar intrek in de oude Toren had genomen, en sinds enkele patrouilles van Offa nooit van de overkant waren teruggekeerd. De dwergman was door de bretwalda aan Harbrand ter beschikking gesteld. De ridder wist dat hij natuurlijk allereerst als spion en agent van Offa fungeerde. En de monnik Urendel? Die was meegekomen uit het Frankenland als drager van de relikwie die een nog machtiger wapen was dan de zwaarden en bijlen van Harbrand en zijn mannen: een strengetje hoofdhaar van Sint-Walburga, die nog maar kort geleden heilig was verklaard, en als patrones tegen hekserij en honds­dolheid vitaler en werkzamer was dan welke verstofte martelaar of sacrosancte kerkleraar ook.

Toen Eochaid het touw rond één van de twee scheve meerpalen had geworpen, maakte niemand voorals­nog aanstalten om op de steiger te springen, ook Eochaid zelf niet.

Dit mishaagde Harbrand. ‘Ben je bang, dwerg? Heb je het land aan deze zijde ooit wel eens verkend?’

Eochaid haalde zijn schouders op en lachte weer onderdanig naar de ridder.

‘De steiger ken ik goed,’ zei hij. ‘Ik heb ook wel eens boodschappen en pakjes overgebracht, een eindje landinwaarts. Maar dat was lang geleden.’

‘Hondsvot!’ riep Urendel vol walging. ‘Wat hebben we dan aan je!’

‘De weg naar de Toren kan ik vermoedelijk nog wel vinden,’ ant­woordde Eochaid. ‘We moeten gewoon het pad vanaf de steiger naar het westen volgen. Maar het is nog wel ver, geloof ik.’

‘Waar vinden we onderdak? We willen eten, drinken,’ snauwde Urendel.

Harbrand stond op, de boot wankelde. Maar de ridder stond wijdbeens. Hij trok de kleine man aan zijn oor omhoog en tilde hem zo’n beetje de steiger op.

‘Ga ons voor, kerel,’ beval hij. ‘We willen de Toren voor de nacht bereiken en ik zal onze snelheid bewaken met regelmatige trappen voor je achterste.’

 

Drida schrok wakker. Ze was niet in de Hal van Offa, of in de Torenkamer met het weefraam en de vensterspleet, zoals die andere vrouw in het zwart die zo op haar leek dat het niet normaal was en zij dus zeker iemand anders moest zijn. Op enkele kabellengtes afstand zag ze de Toren, die stomp en verbrokkeld boven langzaam vlietende nevelbanken uitstak. De tinnen ketting waaraan ze vastzat was er nog, hij liep naar de nevelbanken om de Toren. Drida lag op een vuil, strooien leger en wilde vol afkeer opstaan. Maar het ging niet en waarom had ze het zo benauwd? Ach, er hurkte een dwergachtige man op haar borst die haar met een boos oog maar ook een ontwapenende, zorgzame glimlach aan­staarde. Ach, ik ben wakker geworden in mijn droom en nu ben ik nog verder van huis, dacht Drida.

 

Het werd koud, het regende nu. Ze hadden honger; de ongelukkige gebeurte­­nissen in de herberg aan de andere kant hadden een verantwoorde foeragering onmogelijk gemaakt, de knapzakken waren leeg.

‘Hoelang nog, Eochaid!’ vroeg Harbrand. In weerwil van zijn dreige­ment was hij tot dusver erg spaarzaam geweest met zijn schoppen, aan­ge­zien zijn sombere natuur hem had gehard tegen elk ongemak en elke valse hoop. Zijn gade Madalgarde lag nu vermoedelijk in de sponde van de vrome maar altijd geile koning Karel; onbelemmerde beschik­baar­heid van Madal­garde was vermoedelijk voor zijn vorst de belang­rijkste reden geweest om Harbrand als zijn paladijn overzee te sturen. Maar zelfs hierover kon Harbrand zich niet opwinden. Zijn laatste grote gemoeds­aan­doening was geweest in Roncevalles, toen hij in het gevolg van zijn koning de jonge markgraaf Roland had gezien: aan de Aarde geprikt door een Baskenspeer, zelfs in de dood en ondanks de roos van bloed op zijn borst verblindend mooi, de hoorn Oliphant en zijn zwaard Durandal aan zijn zijden als eveneens gesneuvelde, maar ooit levende en bezielde voor­werpen. Harbrand had met zijn koning gehuild toen, op dat verse slagveld vol lijken en kermende gewon­den die nog afgemaakt moesten worden; maar later was het net alsof de liederen van de hofdichters zich tussen hem en zijn ware herinnering hadden ge­plaatst, en had hij zich afgevraagd of hij daardoor zo mismoedig was gewor­den, of dat juist zijn mismoedig­heid deze gedachte in hem had opge­roepen.

 

Minstens een uur zeulden ze nog over het pad naar de Toren. Het was niet meer dan een drassig spoor, hier en daar versterkt met wat puin, stenen of hout. Het land om hen heen was vrijwel boomloos en onge­cultiveerd, alhoewel er veel tekenen van vroegere bewoning waren: resten van omheiningen, greppels om oude erven, staketsels van ver­laten behuizingen, ingezakte graanschuurtjes op hoge palen, akker­tjes met onkruid overwoekerd. De schemer was gevallen toen het pad een flauwe glooiing op voerde; op de top priemde de kam van een grote rots door het ruige gras. Zodra ze de top hadden bereikt bleven ze even staan en zagen in de verte beneden zich de door een paar kleine opstallen omringde Toren, waar Cynethryth haar toevlucht had gezocht.

‘Ik zei u al hoe we moesten gaan, heer,’ zei Eochaid met merkbare trots. ‘Als we dit pad niet hadden gevolgd, waren we zeker verdwaald.’

‘Ezelskop, er was maar één pad,’ snauwde Urendel. ‘Waarom zouden we het niet hebben gevolgd?’

‘Om te voorkomen dat we voortijdig ontdekt zouden worden door de hoedsters van de Toren?’ vroeg Eochaid listig.

‘Juist door ons openlijk over het pad te voeren, heb je onze voortijdige ontdekking begunstigd en onze tegenstanders in de kaart gespeeld,’ stelde Harbrand op rustige toon. ‘Tot zover komt je gedrag overeen met mijn verwachtingen.’ En nu gaf hij de dwerg eindelijk de eerste van de trappen onder zijn achterste die hij hem in het vooruitzicht had gesteld, zodat Eochaid met zwaaiende armen half naar beneden tuimelde, het laatste deel van het pad af naar de Toren, waaruit overigens geen enkel teken van leven kwam.

‘Waarom heeft u dan niet eerder ingegrepen, heer?’ vroeg Urendel met nauwelijks verholen afkeuring.

‘Ik denk dat het niet volgen van het pad hem eerder in de kaart zou hebben gespeeld dan het wel volgen ervan,’ verklaarde Harbrand. ‘Juist omdat hij ver­wachtte dat ik zijn advies om het pad wel te volgen in de wind zou slaan.’

‘Dat zou betekenen dat hij werkelijk een volmaakte verrader is. Als we het pad niet hadden gevolgd waren we verdwaald, en nu we het wel hebben gevolgd lopen we groot gevaar.’ Urendel blikte voor de zoveelste keer om zich heen en achter zich, maar bespeurde nergens onraad. Daardoor leek hij nog onrustiger te worden.

‘Natuurlijk,’ zei Harbrand. In werkelijkheid kon het hem weinig schelen dat de komst van zijn nietige gezelschap al bekend kon zijn in de Toren van Cynethryth. Niets kon hem eigenlijk iets schelen, en aan zulke schrale grond ontspruit vaak de hoogste dapperheid.

 

Vóór de drie lichten uit de verte aanzweefden bereik­ten ze, hoogstens drie of vier kabellengten van de Toren verwijderd, de grens van een groot gebied waar bemoste fragmenten van stenen beelden lukraak verspreid lagen: torso’s, hoofden met blinde ogen die naar de donkere hemel staarden, stukken arm, een voet met een sandaal eraan, de enorme neus van een verminkte god.

‘Eochaid?’ vroeg Harbrand.

De dwerg draafde al aan. ‘Ach, ja, de versteenden,’ zei hij, duim en vinger in peinzende pose aan de kin. ‘Zij die ooit recht in de ogen keken van de hoedsters van de Toren: gorgonische schepsels uit de grens­landen, van eeuwen her. Misschien rekening mee houden – in het achterhoofd.’ Hij lachte weer zijn aantrekkelijke, kwetsbare lachje.

‘Onzin!’ zei Harbrand. Dit zijn niets dan brokstukken van oude Romeinse beelden, aangesleept uit Glevum of van nog verder weg. Maar waarom al die moeite gedaan?’

‘Vergeef mij, heer. Dat heb ik u zojuist verteld. Ze hebben zichzelf aangevoerd, toen ze nog niet van steen waren.’

Harbrand trakteerde hem op een tweede trap onder zijn achterste.

‘Jij beweert dus dat Augustus of Perseus of welke antieke heiden ook hier naartoe is gekomen, in vlese­lijke gedaante, en vervolgens door een gorgonen­blik in steen is veranderd?’

Eochaid krabbelde op, zijn glimlach iets kramp­achtiger.

‘We zijn nu immers hier, aan de overzijde van het meer, en dus moeten we alles bekijken op de manier van deze kant. Ja plus nee is meer dan nee of ja.’

‘Daar komt volk!’ Een bijna hysterische Urendel wees op drie lichtpuntjes, die aanzweefden uit duistere verten voorbij de Toren.

‘De hoedsters?’ vroeg Harbrand aan de dwerg.

‘Misschien wel, misschien niet. Kijk in ieder geval naar hun neus, en niet recht in hun ogen. Zijn ze niet gorgonisch van aard, dan is er altijd nog het boze oog om rekening mee te houden.’

Ze staarden allemaal naar de dansende, naderbij komende puntjes. Harbrands hand rustte op zijn zwaardknop, Urendel omknelde de relikwie op zijn borst, Harbrands laatste wapenknecht friemelde aan zijn gordel, zodat hij snel zijn bijl kon trekken.

 

Spoedig waren de lichtpuntjes flakkerende vlammen van toortsen geworden, en zag het gezelschap ook wie deze toortsen vasthield: drie vrouwspersonen in have­loze mantels en van ongeveer dezelfde lengte als Eochaid, misschien wat groter, maar zeker net zo lelijk als hij, met vette heupen en vale haren. Hun blikken waren zeker niet gorgonisch, maar wel vol stekelige, priemende aandacht.

‘Zo, Eochaid,’ zei de middelste feeks, ‘kom je je zussen weer eens opzoeken? En wie zijn je gasten?’

‘Dag Aochai, dag Oachai, dag Iochai,’ antwoordde de dwergman met drie voorkomende knikjes. ‘Dit zijn mannen uit het land van de Franken, en ze komen voor Cynethryth.’

‘Waarom?’ vroeg Aochai. De anderen zeiden niks, maar bewogen wel nerveus hun mond, zodat het net leek alsof ze allemaal ‘waarom’ vroegen.

‘Daarom,’ zei Eochaid. ‘Ze hebben zaken met Cynethryth.’

‘Maar heeft zij ook zaken met hen?’ zei Aochai.

‘Als zij zaken met haar hebben, heeft zij in zekere zin ook zaken met hen,’ zei de tweede zuster nu. ‘Het gaat er alleen om: wat voor zaken.’

‘Dat bedoel ik juist,’ zei Aochai.

‘En in elk geval zijn het ook onze zaken, als onder­horigen van de Toren,’ zei nummer drie, de door Eaochaid laatst begroete zuster die vermoedelijk Iochai heette. ‘Dus opbiechten, maatje!’

Dit snel heen en weer kaatsende gesprekje vond grotendeels plaats in de archaïsche taal van vóór de komst der Saksen. Harbrand verstond er dus geen woord van en greep in.

‘Eochaid, wat zeggen ze? Zijn dat soms familieleden van je?’

‘Nee heer, zeker niet, wat een opmerkelijke ver­onder­stelling. Maar ze willen graag de reden van ons bezoek kennen, zodat ze vrouwe Cynethryth in kennis kunnen stellen. Geen absurd verlangen, dunkt mij. Deze vrouwen en hun voorgeslacht zijn al sinds men­sen­heugenis en langer aan de Toren verbonden.’

‘Dat kun je wel zeggen,’ viel Aochai hem bij, nu in een verstaanbare variant van de lingua franca die rond heel de Noordzee werd verstaan. ‘Wij dienen de Toren al sinds de dagen van Gwendolen. Wijzelf of in elk geval ons voorgeslacht, dat is straks onderhevig aan discussie tussen generaties boekgeleerden. Wij kunnen daar niet op wachten. Dus vragen wij nog eens naar het doel van uw komst. En dat kleine ventje is welzeker een broer van ons.’ Ze wees met haar toorts op Eochaid en Oachai, de middelste zuster, vuurde een symbolisch, minachtend spuugje op de leugenachtige dwerg af. ‘Hij wil ons vast niet meer kennen. Hij zwerft liever overal doelloos rond, die draaikont.’

‘Dat is niet waar! Ik ben een bode van koning Offa, ik heb wat van mijzelf gemaakt,’ zei Eoachaid merkbaar gepikeerd, maar wel met zijn onderdanige glimlachje, dat op zijn snuit bevroren leek.

‘Het doel van ons bezoek is Cynethryth bezoeken,’ riep Urendel nu uiterst ongeduldig. ‘En verder gaat het jullie niets aan. Scheer je weg!’ Hij hield de relikwie van Sint-Walburga zo hoog en zo ver mogelijk voor zijn borst, tot het touw waarmee deze om zijn hals hing zo strak stond dat het dreigde te breken.

‘Ah, eilaas!’ kermde Eoachaid, die wat verder van zijn metgezellen ging staan. ‘Nu heb je ze beledigd, dwaze monnik.’

Inderdaad: de drie gezusters begonnen onaange­naam te sissen en met hun toortsen kringen boven hun hoofd te maken, zodat zwarte rookslierten zich in de avondschemer aftekenden als rafelige slangen. Urendels heilige relikwie maakte geen enkele indruk op hen.

‘De reden van het bezoek! Nu! Of rechtsomkeer!’ beval Aochai.

‘Ik heb er genoeg van,’ zei ridder Harbrand kalm. Hij trok zijn zwaard en stapte van het pad; de krijgsman volgde zijn voorbeeld, bijl in de hand. Urendel klampte zich nog steeds aan zijn relikwie vast en bleef op het pad staan alsof hij eraan was vastgenageld. En Eochaid? Terwijl de zusters allemaal tegelijk iets gilden in hun oude koeterwaals, een haast snauwend, atavistisch bevel, zette de dwerg het op een lopen over het pad naar de Toren.

Harbrand hief juist zijn zwaard om het hoofd van de ongezeglijke Aochaid te klieven, toen een woest geraas en gedender hem opzij liet kijken. Uit alle hoeken van het met stenen fragmenten bezaaide land verhieven zich grote brokstukken. Ze schoten door de lucht naar één plek ergens bezijden het pad, tussen het gezelschap en de Toren: hier een onderarm, daar een stuk tors, een vinger of gebeeldhouwde mantelplooi. Met grote klappen dreunden de fragmenten op elkaar, als getrokken door een onzichtbare, maar onweer­staanbare steenmagneet. En zo vormde zich razend­snel een bijna twee keer manshoge, mismaakte gedaante, samengesteld uit de resten van die niet te tellen beelden uit een magische, vaag bekende oudheid. Een soort reus was het, een travestie en schampere nabootsing van het ras van Gogmagog dat ooit deze landen onder zijn stappen had laten schudden. Hij vormde, hoewel uit antropomorfe frag­menten samen­gesteld, een nauwelijks menselijke gestalte; niets dan een lukrake opeenstapeling van voeten, haar­lokken, neuzen, knieën, handen, schoei­sels, geslachts­delen en wenkbrauwen in ern­stige frons, met de grootste moeite door de natuur­krachten samen­gebald tot een gestalte met twee been­achtige zuilen, een bultige tors, twee armachtige uitstul­pingen en iets wat een hoofd zou kunnen zijn. Aan deze groteske figuur ontsteeg, zodra hij min of meer was voltooid, een diepe, petroïde kerm als uit een spelonk, alsof het kunstwezen zijn eigen ontstaan met het uiterste leedwezen begroette en vervloekte.

En in zijn rechterhand of wat daarvoor moest door­gaan, kreeg de steengigant nu als laatste object een bijna gaaf hoofd geslingerd van – inderdaad – een Gor­gonen­beeld, met opengesperde ogen en wild uiteen­spattende slangen als haren. Met een nieuwe kreet van opperste desolaatheid strekte het monster zijn arm zo ver mogelijk naar achteren en wierp het Medusahoofd met grote kracht in de richting van Harbrands met­gezellen. Werkte de relikwie van Sint-Walburga? Urendel bleef ongedeerd, hij wankelde alleen van schrik, maar Harbrands laatste krijger werd vol op zijn hoofd getroffen. Toen hij de grond raakte met zijn verpletterde kop was hij al dood. Nu kliefde Harbrands zwaard woedend de lucht, maar de watervlugge Aochaid stond er allang niet meer. Met haar zusters rende ze naar het verse lijk; ze duwden de perplexe Urendel aan de kant en pakten de soldaat met één hand bij een voet of pols. Kwiek sleepten ze de dode krijger weg, de velden in. Harbrand volgde hen niet, bevreesd als hij toch was geraakt door de kracht van hun spreuk. Hij staarde naar de reus, die vuilwit en grijzig afstak tegen de nu bijna duistere lucht, wankelend alsof die ene worp de zin en het doel van zijn bestaan was geweest.

En dat was ook zo. De gigant begon te brokkelen; beeldfragmenten maakten zich van hem los, kletter­den op elkaar en buitelden naar de grond. Zwijgend zakte de gestalte door een been, viel om en was een paar tellen later verworden tot een slordige hoop puin, wachtend op de steenkloppers.

Aochai, Oachai en Iochai waren al een eind weg met hun buit; hun toortsvlammen werden weer licht­puntjes, hun opgewonden gekwetter verstierf. En Eochaid leek opgeslokt door de duistere, stompe Toren die in de verte zwak afstak tegen een sterloze hemel.

Het begon harder te regenen. Zonder een woord te zeggen zetten Harbrand en Urendel zich in beweging naar de Toren van Cynethryth.

 

Argwanend betraden ze de hof van de Toren, waar ooit een palissade omheen had gestaan, waarvan nog enkele restanten over waren. De met zware ijzeren klampen verstevigde deur van de Toren zwaaide open, zodra Harbrand en de monnik ervoor stonden.

Eoachaid stak zijn hoofd naar buiten. ‘Welkom en treed binnen!’ sprak hij hartelijk. ‘Er is geen direct gevaar.’

Alle houders aan de vochtige muur waren leeg, op één na waarin een walmende toorts brandde. Hier en daar lagen wat balen en ook stond er een ruwe kist tegen de wand. Voor het overige was de hal van Cynethryths Toren leeg. Een steile houten trap voerde naar de volgende verdieping. Maar aan de overzijde van de deur verrees een meer dan manshoog beeld, gemaakt van aardewerktegels: een taps toelopende koker bekroond door een vrouwenhoofd met een diadeem waarop gebarsten schijven en vogels van klei waren bevestigd. In buik en borst leek een deurtje te zitten, alsof dit beeld een oven was, klaar om gevoed te worden met onheilige offers.

Urendel sloeg een kruis en tastte weer naar zijn reliek.

‘Ziedaar – Gwendolen,’ zei Eochaid, terwijl hij weids op het heidense beeld wees. ‘De stichteres van de Toren, natuurlijk lang nadat zij haar echtgenoot Locrinus had verslagen en troonsafstand had gedaan. Dat spreekt vanzelf. Een verhaal, niet helemaal ongelijk aan de lotgevallen van vrouwe Cynethryth, vindt u niet? Beide gestalten vertonen overlap, ontdek ik plots. Hoe kan het dat gebeurtenissen zich vaak voltrekken in een herkenbaar stramien, en personen samen lijken te vallen met andere personen? Is dat een patroon in de kosmos of in de manier waarop wij deze waarnemen?’

Urendel keek woest naar de kletskous en sloeg de handen demonstratief voor zijn oren.

‘Je werkt voor Offa, bent verwant aan de drie feeksen die hier omzwerven, en nu ook portier van de Toren van Cynethryth? Voor wie werk jij niet, veile kinkel?’ informeerde Harbrand.

Eochaid glimlachte en liet zijn arm zakken.

‘Waar is Cynethryth! Spreek nu!’ riep de ridder zeer ongeduldig.

‘Ik heb u dat toch al gezegd, heer! Denken moet u, denken op de manier van deze kant van het meer, u bent immers niet thuis!’

Harbrand stond even als bevroren op de aarden vloer, gevangen in tweestrijd tussen het afrekenen met de raaskallende dwergman, of diens advies opvolgen en proberen te denken op een manier die hier passend was. Toen kwam hij met een schok tot zichzelf, beende naar het beeld en rukte het deurtje open.

Beide gestalten vertonen overlap,’ citeerde hij de dwerg.

In het duister van Gwendolens binnenste tekende zich een gestalte af. De donkere, slanke en rijzige gestalte van een vrouw. Ze zat roerloos op een brokkelige zetel van gebakken aarde, de handen in de schoot, maar opende ineens haar ogen. Donkere, haast zwarte ogen die de bezoekers kalm, zonder schrik of bespeurbare emotie opnamen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei vrouwe Cynethryth op effen, heldere toon. ‘Vermeld uw affaire.’

‘Wij komen voor uw hoofd,’ zei Harbrand eenvoudig.

 

Drida stond naast haar echtgenoot; om hen heen was niets dan blauwachtige heiigheid en de geur van gele lente­bloempjes. Al wat je zag was hoe Offa’s dijk onder hun voeten van de ene einder naar de andere sneed. ‘Deze dijk houdt ze allemaal tegen. Nu zullen ze ons niet meer aan­vallen in ons land noch in ons huis, op ons erf noch in onze Hal, in ons hoofd noch in ons hart. Ik heb dat allemaal voor jou gedaan, opdat geen heks ooit nog in je plaats zal treden.’ Dat zei Offa als de trotse en daadkrachtige koning die hij was. ‘Maar je moet mij eerst nog bevrijden, mijn heer,’ antwoordde Drida en ze hoorde zelf hoe zilverachtig haar stem was, zo in tegenstelling met de tinnen ketting die ook van de ene einder via de band om haar hals helemaal naar de andere einder liep. Offa luisterde niet, hij strekte zijn linkerhand naar haar uit, de hand waarin een kloppende rode vleesklomp lag. ‘Het hart van Cynethryth is uitgekerfd en uitgerukt,’ zei Offa, zijn hand druipend van bloed. Drida schrok – ‘Maar ze heeft toch helemaal geen hart?’ hoorde ze zichzelf zeggen. Offa keek misnoegd naar haar, en gooide het hart ver buiten de dijk. Hoewel Drida duizelig op Offa’s dijk stond, met haar ontstemde echtgenoot die een eindeloos labyrint in zijn hoofd had, zodat hij iedereen op elk moment kon verrassen en te slim af kon zijn, was het toch alsof ze ergens anders lag, in haar eigen bed in de Hal vermoedelijk; dat moest wel, want de dwerg of imp die eerst op haar had gezeten was weg met zijn boze oog en zijn lieve glimlach, en nu was het haar naar zweet en paardenzeik stinkende echt­genoot die op haar lag en op en neer bewoog en haar ver­schrikkelijk benauwd maakte, terwijl ze toch niet wakker kon worden.

 

Urendel zat op zijn achterste tegen de muur, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn gezicht (dat zoals gebruikelijk op onweer stond) in zijn handen. Hij was alleen.

De deur zwaaide open, onmiddellijk dreef een scheut toortslicht binnen en hoorde je in de verte de vrolijk kwetterende stemmen van, onmiskenbaar, de drie gezusters. Vóór Urendel dit tot zich door liet dringen stond Eochaid voor hem, met een brede grijns. De dwerg gooide een flink stuk vlees in de schoot van de monnik.

‘Alsjeblieft, een lekker stukje beenham,’ zei het mannetje overbodig. Voor hij zijn zin had afgemaakt had Urendel zijn buit al van zijn pij gevist en zijn schaarse tanden erin gezet.

De dwerg ging in de buurt van zijn reisgezel op een baal zitten. ‘Waar is de paladijn?’ vroeg hij zonder veel belangstelling.

Urendel kon nauwelijks de moeite opbrengen om naar de houten zoldering boven hun hoofd te wijzen. ‘Met de heks Cynethryth mee,’ zei hij met volle mond. ‘Je zou toch zeggen dat hij haar hoofd ook hier kan afslaan. Maar nee. Ze zijn al net zo lang weg als jij. Misschien wil hij haar eerst nog bezitten?’

Eochaid liet zijn eigen boutje zakken en schudde zijn hoofd. ‘Vermoe­delijk niet, zijn vuren zijn gedoofd. Daarom is hij de juiste man voor deze queeste. Ieder ander was zo in de netten van Cynethryth gelopen. Hij niet. Niet de uitgebluste ridder Harbrand met zijn harde voet.’

Urendel schrokte het grootste deel van zijn maal op, hield het restant toen aan het bot voor zijn gezicht en keek er argwanend naar.

‘Wat is dit eigenlijk voor vlees? Ik heb sinds onze aankomst geen dier gezien, zelfs geen vogel.’

‘Is het niet lekker? Is het niet rijkelijk bestrooid met zeezout en danig met look bestookt?’

‘Zeg, wat hebben die drie feeksen met onze soldaat gedaan!’ zei Urendel fel.

Eochaid keek hem leeg aan, hij glimlachte zelfs niet. ‘Wat?’

Urendel gooide het bot met het laatste restje vlees krachtig van zich af.

‘Laat maar,’ zei hij met een grafstem. De monnik kromp, hoewel hij zijn buik nu lekker vol had, als het ware een beetje in elkaar en wrong mismoedig zijn handen. Eochaid at zijn eigen portie zwijgend verder op; het gesmak van de dwerg was het enige geluid, behalve wat zwak gedruis van stemmen op de verdieping boven hen.

Maar plotseling hoorden ze daarboven een ijselijke jammerkreet, en zeer kort daarna een bonkend geluid op de planken vloer.

 

Cynethryth stond met neervallend zwart gewaad middenin het vertrek. Behalve een houten bedstede en een met stof overdekt weefgetouw waarop de aan­zetten van een kleed, stonden er alleen een kist met een blaker erop en een pispot in de ruimte, die de hele breedte van de Toren besloeg. Door een vensterspleet kwam de koude nachtwind binnen; een tweede, smallere trap voerde naar een zwart gat in de vloer boven hen.

‘Uw hoofd,’ herhaalde Harbrand dof. ‘Opdat Offa’s ware vrouw gewroken zij en de handel met de Frankische landen weer zal bloeien. Maar vertel dan eerst uw verhaal, zoals u zo graag wenst.’

Er volgde een uitvoerig relaas, vlak en bijna toonloos verteld. Cynethryth was geworden wie zij was omdat alles haar was afgenomen: ‘Mijn zuster nam mijn man, De koning nam mijn eer, de Dood nam mijn kind. Geloof me, miles Harbrand: als wij beiden nog zielen hadden, zouden deze elkander onmiddellijk hebben herkend en hun verwantschap hebben beseft.’

‘Maar u kent mij dus al. Hoe?’

‘Uw roem was ooit groot in het Frankenland. Maar terwijl u uitdoofde onder de slagen van het lot, besloot ik voortaan te nemen, toe te slaan, in plaats van genomen en geslagen te worden. Ik, een vrouw. Terwijl u treurde onder de rokken van een of andere abt, zette ik graaf Hardrad aan tot zijn revolte, stookte ik Pepijn met de Bult op tot het verraad aan zijn vader.’

‘Bloed vraagt om bloed,’ zei Harbrand. ‘Of u nu zelf schuldig bent aan uw wandaden, het lot, de duivel of God.’

‘Ik heb nooit iemand gedood.’

‘Door uw toedoen zijn honderden, misschien duizen­den gevallen.’

‘Dat geldt ook voor koning Offa, en voor uw koning Karel in het kwadraat.’

Harbrand zweeg. Hij wist niet meer wat te zeggen.

‘Spaar mijn hoofd. Ik heb mijn tuig in de hand.’ Cynethryth trad opzij en leek nu op haar zachte zwarte muilen een cirkel om hem te beschrijven. ‘Ze zeiden dat jij mijn hengst zou zijn.’ Harbrand draaide traag mee, als verdoofd. ‘Ik leg mijn leidsels om je hals,’ zei Cynethryth met haar vlakke stem, liefkozend bijna, terwijl de cirkel ineens nauwer werd, zodat ze zo dicht bij hem stond dat hij haar muffe, onwereldse geur kon ruiken en haar slanke, albasten hand naar zijn kruis voelde tasten.

Er ging een schok door Harbrand, toen de hand afweek en zacht en snel als een spin naar zijn gordel gleed, naar het gevest van het kort­zwaard, zijn sax.

Harbrand kwam in actie, hoefde geen gedachten aan de nu volgende handelingen te verspillen. Hij stiet haar pols weg en bevrijdde met één beweging zijn lang­zwaard, zijn spatha, uit de schabbaard aan de andere kant van zijn gordel. Het zwaard zwiepte naar opzij.

‘Spaar mijn hoofd!’ kreet Cynethryth nu met ijselijk hoge stem, terwijl ze op haar knieën viel. ‘Zie wat je gedaan hebt, Harbrand, ik voel mijn pijn en ben weer iets menselijker geworden!’

‘Maar ik iets minder,’ zei de ridder met zijn graf­stem. En met één machtige zwaai sloeg hij haar hoofd van haar romp.

 

Er tikte iets. Urendel en Eoachaid keken naar de dikke donkere druppels die op de aarden vloer vielen, en toen naar boven, waar het bloed door de kieren van het houten plafond begon te druipen. Een kleine, trage en zachte regen van bloed.

Slang in de hof, wezen op een spin, de kruik is gebarsten,’ fluisterde Eoachaid eerbiedig. ‘Het is geschied.’ Hij stond langzaam op.

Even later klonken zware, bedaarde stappen op de trap. Ridder Harbrand daalde af en zette iets op de vloer tussen de dwergman en de monnik, die zich met zijn rug tegen de muur drong, prevelend en zijn relikwie bepotelend.

‘Breng dit naar koning Offa,’ zei de ridder. Hij maakte een nog grauwere indruk dan anders. ‘Ik blijf hier.’ Zijn ogen gingen rond. Toen liep hij op het grote aarden beeld af, stapte door het deurtje en trok het achter zich dicht.

‘Is hij gek geworden?’ siste Urendel.

‘In de schoot van Gwendolen geklommen,’ grinnikte Eoachaid . ‘Wat moet hij anders? Misschien komt hij er ooit herboren uit.’

Toen begon de race naar het pakket. Urendel was eerst. Hij stootte de dwerg opzij en opende het half afgewerkte kleed met de fletse, bestofte bloemen waarin het zaakje was verpakt.

‘Het hoofd van Cynethryth is mijn!’ zei de monnik triomferend. ‘Breng mij terug naar de boot, dwerg.’

De deur van de Toren zwaaide open. Daar had je de gezusters weer.

‘Welke gil gilde?’ riep Aochai.

‘Is ze dood, de gilster?’ schreeuwde Oachai.

‘Dan is er zeker een nieuwe bewoner om te hoeden, te dienen, om voor te kokkerellen, te dansen, te zingen?’ Dat was Iochai, de derde zuster, die verwachtingsvol in haar handen klapte.

‘Het is Harbrand, de nieuwe heer van de Toren,’ zei Eochaid. Hij knikte naar het beeld van Gwendolen. ‘Dien hem voorbeeldig!’

‘Gelukkig, we streelden hem al daarbuiten, we betast­ten hem al vol verwachting met onze blikken.’ Aochai weer. ‘Zelfs toen hij mij zo stoer wilde klieven. Misschien moeten we zijn zwaardjes voor hem in bewaring nemen. Alle drie zijn zwaardjes misschien wel.’

De andere zusters giechelden hoog, het klonk naar scherven en klingen op slijpstenen.

‘En jij, broertje? Blijf je eindelijk eens bij ons? Mogen we jou ook vertroetelen en verwennen?’

‘Ik heb nog werk te doen.’ De dwerg wees gehaast op Urendel.

‘Je laat ons dus weer in de steek? Je gaat weer overal zwerven, je licht op- en je neus insteken?’ Dit was Iochai.

‘Allemansvriend is niemandsvriend!’ Een kijvende Oachai.

‘Het lichaam van Cynethryth is boven tot uw beschikking,’ onderbrak de monnik dit geraas, waarvan hij vrijwel niets had verstaan. ‘Wij nemen slechts het hoofd mee.’

‘Ach, daar hebben wij toch niet veel meer aan, aan dat hoofd. Dat zou ons alleen verwijtend aanstaren omdat wij onze plicht als hoedsters hebben verzaakt,’ zei Aochai.

Oachai viel in: ‘Maar ja, wij hadden ineens ander werk, wij hadden een lichaam te bergen!’

Ioachai: ‘Of dacht je soms dat de gebraden hanen ons hier zo in de mond vliegen?’

‘Kom, zusters! Wij hebben een lichaam te bergen!’ Aochai.

‘Een lichaam te bergen nu!’ ‘Een lichaam!’ De anderen.

De nijvere zusters verdrongen elkaar aan de voet van de trap, stommelden al naar boven.

Eochaid verloor geen tel meer; hij stond al buiten, in de nacht. Urendel volgde hem, na een laatste blik op het beeld van Gwendolen, de trap, het bloed van Cynethryth.

 

Midden op het meer werd de ochtend stralend geboren: een paarle­moeren glans op het vaag ribbe­lende water, een hemel van melk en teer violet, de kalkachtige contouren van de Maan die langzaam werden uitgewist door het zonlicht.

Voor het eerst sinds de gebeurtenissen in de herberg verkeerde Urendel in opperbeste stemming. Nu hij als Cynethryths overwinnaar haar hoofd aan de voeten van koning Offa zou leggen, lag toch minstens een diaco­naat of gelijksoortig beneficium in het verschiet. Ineens weer misnoegd keek hij over het netjes verpakte hoofd op de bodem van het bootje naar de rug van de trouw voortpeddelende dwerg, die weer één van zijn binnensmondse liedjes zong. Dat manne­tje was erbij geweest, kende de ware toedracht. Altijd vrolijk en meegaand, intussen alles beglurend, nooit de frons van het zondebesef op zijn afzichtelijke voorhoofd. Dat mannetje was als een alf. Een wezen zonder ziel, eeuwig buitengesloten van de genade.

Urendel raapte de andere peddel van de bodem. Eochaid staakte zijn gezang en keek plots achterom met een olijke, zelfs bemoedigende uitdrukking op zijn gezicht, alsof de gebeurtenissen zich in de juiste orde en geheel volgens plan afspeelden. Urendel hief de peddel en liet hem met alle macht neerkomen op het hoofd van de dwerg. ‘Voor Sint-Muirgen!’ riep hij met boosaardige triomf. De dwerg zakte schuin in elkaar, zijn hoofd draaide weg, bloed drong door zijn vezelige haar, zijn arm hing in het water. Urendel kroop zo snel hij kon over het hoofd van Cynethryth naar voren, greep Eochaid bij nek en gordel, en werkte hem kreunend van inspanning overboord.

Het smalle bootje rolde vervaarlijk; Urendel hield de boorden vast dat zijn knokkels spierwit zagen, zijn ogen krachtig gesloten. Toen hij ze weer open durfde te doen was het scheepje bijna tot rust gekomen, de waterspiegel kalm als voorheen en van de dwerg geen spoor meer te bekennen.

Urendel greep de bloedbevlekte peddel en stak hem diep in het water. Met de grootste haast voer hij weg van deze plek, alsof Eochaid hem vanonder het opper­vlak nog altijd gadesloeg, allesziend, glim­lachend, huiveringwekkend toegeeflijk.

 

Met trage koprollen schoof de dwerg aan haar voorbij, zijn handen op zijn knieën en zijn ogen nu vrolijk en blinkend van welbehagen; hij leek haar lachend toe te knikken en zonk in een brede baan van luchtbellen traag buitelend verder de diepte in, gevolgd door haar eindeloze tinnen ketting, losgeraakt, kronkelend als een slang, naar waar in haar ooghoek een schaduw van een voorwereldse, grote tentakel kwijnend leek te wenken, vaag en donker, als uit een overlevering van eeuwen op eeuwen. Tezelfdertijd leek een aan de dwerg tegengestelde kracht of stroming Drida omhoog te duwen, naar de oppervlakte waar als God het wilde eindelijk het ontwaken wachtte.

 

Volhardend had Urendel westwaarts gepeddeld, uren­lang, en hij had zich voorgenomen zo ver mogelijk van de steiger bij de verwoeste her­berg te landen. Ver in de middag koerste hij eindelijk langs uitge­strekte mod­der­vlakten en rietlanden, waartussen smalle geul­tjes naar de oever leken te voeren. Urendel probeerde er een paar; de muggen staken hem bijna blind en hij verdwaalde keer op keer. Steeds wan­hopiger wrikte hij zijn bootje uit zuigende en stinkende modder, zocht zijn weg uit het zoveelste verraderlijke geultje terug naar de open vlakte van het meer.

Tenslotte voer hij langs harteloos wuivende riet­pluimen, met modde­rige vingers zijn relikwie be­roerend en biddend dat hij tóch het steiger­tje mocht bereiken, de enige plek die hij hier kende. De kinderen van de herberg zouden toch wel wegge­trokken zijn? Wat was hier nog voor hen?

Maar helaas: toen Urendel eindelijk, eindelijk de steiger zag, terwijl ver achter de Toren van Harbrand de zon in de Hiberniaanse zee verzonk, zag hij er ook kleine gestalten afgetekend. Er stonden kinderen op en bij die steiger. Tamelijk veel vuile kinderen: de wezen van de herberg. Ze hadden knuppels en bogen in hun hand. Vooraan op de steiger stond de jongen die twee nachten geleden zo overdreven had gerea­geerd op zijn avances. De kinderen keken maar en zeiden niets. Hoelang hadden ze hem al aan zien komen, zien stuntelen en zwoegen in het riet?

Urendel keek naar hen en zij keken naar hem. Met een zwarte steen van wanhoop waar een hart had moeten zitten, keerde de monnik moeizaam zijn schuitje, om het meer weer op te gaan. Nog geen kwart van de draai was voltooid toen de vuurgeharde punt van een pijl hem in zijn hals trof. Urendel ging staan, zwaaide afwerend zijn peddel, zijn andere hand desperaat aan de schacht van de pijl. Meer pijlen raak­ten hem; enkele bleven hangen in zijn pij, andere drongen in zijn vlees. De boot schommelde mee met zijn wankelen en toen een zoveelste pijl hem in zijn oog trof, sloeg Urendel overboord en dreef onmidde­llijk af. Vanaf de steiger klonk gejuich. Als iemand zijn naar de diepte gerichte gezicht nog had kunnen zien, had hij daarop een uitdrukking van in de dood be­vroren, uiterste verbijstering waargenomen. Ach, Urendel wist immers niet wat er met zijn talis­man was gebeurd, kort na aankomst uit het Franken­land. De schandknapen in het badhuis van Hamwih hadden, toen de monnik uitgeput van zijn genietingen lag te snurken, Walburga’s kostbare haren uit hun kokertje bevrijd en vervangen door een plukje van Urendels eigen schaamhaar.

 

De jongen sprong van de steiger en redde de buit die de monnik van de overkant had meegebracht. Hij waadde terug en zwaaide het pakket opgetogen boven zijn hoofd. Op de steiger vouwden de kinderen het gretig open, om de schat te zien die hen misschien eindelijk wat geluk zou brengen. En ver weg, in de Hal van Offa, sloeg koningin Drida plots haar ogen open en haar bovenlijf rees steil omhoog uit het bed dat zolang haar gevangenis was geweest.

Offa, die zijn vrouw zoveel verdriet had gedaan, en aartsbisschop Hygeberht deinsden onwillekeurig terug. Wat keek Drida donker, zo anders dan vroeger! Waar was haar naïeve oogopslag, waar haar onbe­vangen levensvreugd?

De koningin zat stijf rechtop en nam haar omgeving op met zwarte ogen.

‘Nu ben ik wakker,’ zei Drida of wie zij ook geworden was. Zacht zei ze het, maar met een heldere stem die klonk tot in de verste hoeken van de Hal.

De nagedachte : Frank Norbert Rieter

De wekker ging en ik wist meteen dat het een andere dag zou worden. Mijn man sloeg niet meteen op de snoozeknop. Ik gaf hem een por in zijn rug. Welke idioot zet een wekker voor zondagochtend? Ik zuchtte en kreunde. Ik was nog niet uitgeslapen, maar het irritante gepiep viel onmogelijk te negeren. Ik klauterde lomp over de slapende massa naast me heen en gaf het onding zelf een klap. Mijn man onderging het zonder een krimp te geven. Ik viel weer neer op mijn eigen helft, maar was natuurlijk alsnog klaarwakker. Dan toch maar opstaan. Ik wierp een verwijtende blik op mijn wederhelft.

Roerloos lag hij daar, alsof hij dood was. Nog even was dat een nonchalante gedachte die zo weer zou vervliegen. Dus stond ik op en ging naar de badkamer om te douchen. De kraan draaide ik nog open, maar ik stapte niet onder de straal. Het roerloze stilzwijgen zat me niet lekker. Ik liep terug.

‘Ik ga vast douchen,’ riep ik hard. ‘Zet jij zo een raam open!’

Geen reactie. Geen spoor van beweging. Mijn maag en darmen trokken samen.

Gisteravond was hij nog kiplekker geweest. Alhoewel. Hij hijgde als een trekpaard tijdens ons ‘intiem kwartiertje’ en hij ging vroeg naar bed terwijl ik opbleef voor de nachtfilm. ‘Ik ga vast,’ had hij gezegd, zonder toelichting. Zonder nachtzoen. ‘Ik kom later,’ zei ik daarop. Toen ik uiteindelijk naar bed ging had ik hem niet meer wakker gemaakt. Ik had hem niet meer gekust of welterusten gezegd. Hij kon niet dood zijn. Zo mocht het niet aflopen.

Ik liep om het bed heen, draaide de alarmwijzer van de wekker door tot hij opnieuw afging. Ik hield het piepende onding naast zijn oor. Zijn huid zag bleek. Zijn mond hing open, op niet echt charmante wijze. Het had iets koddigs. Mijn beer in winterslaap. Als hij maar wel zo wakker werd.

Hij kon niet dood zijn. Hij had zo vaak gezegd dat ik mij geen zorgen hoefde te maken. We zouden als we eenmaal oud, versleten en ongezond waren, samen een drankje nemen om er een einde aan te maken. En als er al iemand eerder zou gaan, zou ik het zijn. Hij was wel tien jaar ouder, maar ik was degene met de vage kwaaltjes. Hij was kerngezond. Hem mankeerde nooit iets.

Maar hij haalde geen adem, of niet dat ik kon bespeuren. Hij lag op zijn zij, met zijn gezicht aan de rand van het bed. Ik hoorde geen gesnurk. Geen zuchtje kwam over zijn lippen. Ik zette me schrap en draaide hem op zijn rug, half op mijn helft. Zijn huid voelde koud, niet alleen op zijn bovenarmen, waar het vet altijd koud was, maar overal. Zijn voorhoofd, zijn handpalmen en borst. Ik legde mijn handen op zijn buik en voelde onder de deken tussen zijn dijen. Een weeë geur kwam me tegemoet. Het leek alsof hij het een beetje had laten lopen. Overal was hij koud en klam.

Ik liet de betekenis ervan niet tot me doordringen. Ontkennen en verdringen, dat waren mijn beproefde tactieken voor zo’n beetje alles waar ik geen zin in had. En ik had hier helemaal geen zin in.

Hij kon niet dood zijn. We hadden ons leven net zo goed op orde. De hypotheek was afgelost. De kat was eindelijk dood. We hadden net een appartementje gekocht in Torrex Costa. Nog een paar jaar en hij kon met pensioen. Dit paste helemaal niet in de planning.

Het leek me beter om me eerst te douchen en aan te kleden. Misschien was ik nog niet helemaal wakker. Ik was door het irritante wekkerding in een soort mini-psychose geraakt. Dat moest er een keer van komen: ik had me altijd al geërgerd aan dat piepje. Ik liep snel terug naar de badkamer en stapte alsnog onder de stortdouche. Ik draaide hem eerst lekker heet en daarna flink koud en vervolgens weer terug. Ik zeepte mezelf goed in met zachte zeep en scrubde mijn huid met een ruw washandje om alle nachtgedachten te verdrijven.

Als ik was aangekleed, zou ik eerst voor het ontbijt zorgen. Ontbijt op bed, dat leek me een goed plan. Het idee sprak me zo aan, dat ik meteen de douche uit deed, me vluchtig afdroogde, mijn badjas aanschoot en naar beneden toog. Dat was al weer lang geleden dat we dat gedaan hadden: samen op bed ontbijten. Het hoefde niet heel uitgebreid te zijn, maar gewoon gezellig. Een paar beschuitjes en een kop koffie. Een mens kon niet echt wakker zijn zonder ochtendkoffie.

Voortvarend zocht ik alle benodigdheden voor de perfecte ochtend bij elkaar. Het beschuit, de hagelslag, de jam en de kaas. Ik had geen geduld voor versgeperste sinaasappels of dingetjes uit de oven. Ik wilde zo vlot mogelijk weer naar boven. Ik stofte het dienblad af terwijl de koffie doorliep. De ochtendzon strooide een paar stralen de keuken in. Ik kneedde een glimlach om mijn mond en voelde me echt even opgetogen. Ik was zo weggelopen uit een blue band-reclame.

Nog even snel naar het toilet, want ontbijt op bed liep altijd uit op ochtendseks, en ik was er helemaal klaar voor. Ik tilde het dienblad voorzichtig naar boven. Een paar stappen op de overloop en ik stond in onze slaapkamer. Er was niets veranderd.

Rustig zette ik het dienblad op de dekenkist aan het voeteneinde. Ik gooide de gordijnen open.

‘Koffie,’ zei ik. ‘Lekkere ochtendkoffie.’

Geen reactie.

 

Hij was echt dood, drong het tot mij door. Er was geen andere conclusie mogelijk. Ik moet nu heel verdrietig zijn, dacht ik, maar ik voelde vooral verontwaardiging die langzaam aanzwol tot tierende woede. De hufter. Zo waren we niet getrouwd! Zo gemakkelijk zou hij er niet vanaf komen.

Ik kneep in zijn neus. En ik sloeg hem hard in zijn gezicht.

‘Je hebt me beloofd nooit dood te gaan,’ zei ik. ‘Klootzak.’

Dat had hij natuurlijk nooit letterlijk zo gezegd, maar ik had helemaal geen zin om genuanceerd te zijn. Ik kon veel van hem hebben, maar dit niet. Wat ik allemaal wel niet doorstaan had. Nachtenlang gesnurk. Zijn ochtendhumeur. Zijn midlifecrisis-dingetjes. Zijn motor. Het geflirt en geflikflooi met anderen.

Ik dacht aan zijn dertig jaargangen Weird Tales die hij uit nostalgie en voor veel te veel geld op e-bay gekocht had. Hij keek ze nooit in. Ik rende naar de werkkamer, greep een willekeurige tijdschriftcassette en nam hem mee naar de slaapkamer. Ik smeet de hele bak door de kamer.

‘Hier,’ riep ik.

Er gebeurde niks en de tijdschriften fladderden doelloos rond. Eén landde er op het dienblad en stootte een koffiekopje om. Niets sneuvelde. Ik stapte naar voren, zette mijn handen onder het dienblad en gaf een ferme duw omhoog. Het volledige ontbijt vloog door de kamer. De koffie, de beschuitrol, de hagelslag. De kopjes braken. De jampot stuiterde over de vloer en liet putten in het laminaat achter. Het was me niet genoeg. Ik stampte op de beschuitrol en scheurde een tijdschrift aan flarden. Met een welgemikte trap vloog de lamp op zijn nachtkastje tegen de muur aan.

‘Je ruimt het allemaal maar zelf op,’ schreeuwde ik. ‘Ik doe niks meer.’

Het luchtte niet echt op en door mijn hele lijf gierde een machteloze woede die ik nooit eerder gevoeld had. Als hij er vandoor was gegaan met een jonger ding had ik niet bozer kunnen zijn. Het was woede, maar meer dan woede. Ik voelde me verraden. Wraak, dacht ik. Ik moet je iets aandoen.

De lamzak lag er onaantastbaar bij.

‘Wacht maar,’ zei ik tussen mijn tanden. ‘Ik weet wat ik ga doen.’

Ik greep mijn iphone van mijn nachtkastje en wist dat ik ergens nog de laatste vakantiefoto’s had staan. Ik had er één gemaakt waar hij grondig de pest aan had. Op het naaktstrand. Hij boog net voorover om de zonnebrand te pakken. Alles hing erbij: zijn mannentieten en z’n vadsige padjakkerbuik. Zijn trots leek minuscuul. Zijn mond hing scheef en hij keek me vanuit die positie aan alsof hij loenste. Het was een geweldige foto. Hij bezwoer me hem direct te verwijderen. Wat ik deed, maar natuurlijk niet ook uit de cloud.

Een paar klikken en hij stond online, te kijk voor de hele wereld.

Er waren meer foto’s waar hij de pest aan had. Ik snelde naar de werkkamer. Daar klom ik op de Bekväm en greep naar de rode archiefdoos op de bovenste plank. Daarin zaten de albums met zijn kinderfoto’s. Ik zocht snel naar de foto waarvan ik wist dat hij hem verafschuwde. Hij was een jaar of twaalf, door zijn moeder aangekleed voor zijn vormsel.

Hij zag er op die foto eigenlijk heel leuk uit. Echt zo’n mooi jongetje. Hij straalde helemaal, alsof hij werkelijk in de heiligheid van het ritueel geloofde. Ik weet niet waarom hij zo’n hekel aan die foto had. Ik zette de doos weg. Het voelde zinloos.

Ik plofte naast hem neer op het bed. Ik moet eigenlijk heel verdrietig zijn, dacht ik opnieuw. Ik hamerde een paar keer hard met mijn vuisten op zijn borstkast. Boos op hem, boos dat de tranen die ik in mijn ogen voelde, alleen tranen van frustratie waren.

Even meende ik een ademtocht op zijn lippen te zien.

‘Ja,’ zei ik. ‘Doe je best maar.’ En ik begreep ineens waarom er bij mij nog geen tranen kwamen. Het was nog geen tijd voor afscheid. Hij zou niet zomaar vertrekken en mij eenzaam achterlaten. Het ging om ons. Wij waren samen, voor eeuwig en altijd. Dat had hij beloofd en daar zou ik hem aan houden.

 

Zou het nog zin hebben om hem te reanimeren? Het viel allicht te proberen. Ik had nooit een EHBO-cursus gevolgd, maar ik had genoeg seizoenen E.R. gezien om een poging te wagen. Ik ging naast mijn beertje op mijn knieën zitten, vouwde mijn handen ineen en drukte een paar keer kort maar krachtig op zijn borstbeen.

Ik pakte zijn hoofd vast, trok het achterover en zette mijn lippen op zijn mond. Ik ademde diep uit. De lucht stroomde deels via zijn neus weer tegen mijn wang aan. Ik kneep zijn neus dicht, haalde even adem en blies opnieuw mijn longen leeg. Hoe vaak zou dit moeten, vroeg ik me af. Een Smintje had hem geen kwaad gedaan.

Ik duwde nog een paar keer op zijn borstkas en hoorde iets kraken. Ik was hier helemaal niet handig in en mijn knieën deden ook al zeer. Dit was niks voor mij. Ik moest iets anders verzinnen.

Ik zat op de rand van het bed. Nog steeds strijdlustig, maar een beetje clueless. Bij House M.D. kwamen ze als iemand een hartstilstand had altijd direct met van die elektrische dingen aan zetten. Terwijl ik dat dacht viel mijn oog op de lamp die op het nachtkastje had gestaan. De kap lag eraf en de peer was aan diggelen. Ik schroefde het restant van de peer uit de fitting. Ik verlegde één arm zo, dat de hand over de rand van het bed hing. Het was natuurlijk handig als de vingers een beetje van elkaar zouden staan dus duwde ik de Vicks inhaler die op het nachtkastje lag tussen pink en ringvinger. Geconcentreerd manoeuvreerde ik de fitting van de lamp zo dat de pink er netjes in stak. Ik klikte de lamp aan.

Zijn lichaam schokte even en meteen daarna hoorde ik een knal. Ik probeerde de plafondlamp, maar die deed niets. Weg stroom. Ik had nooit gesnapt waar dat goed voor was, zo’n stoppenkast. Je had er niets dan ellende van.

Ik rende naar beneden, deed in de gang de meterkast open, zette alle knopjes die ik kon vinden weer omhoog en rende terug naar boven.

Poging twee. Zelfde resultaat. Op deze manier kreeg hij wel steeds een korte stroomstoot. Het was niet handig om tussendoor heen en weer naar beneden te rennen, maar als dat was wat er voor nodig was…

Om wat te doen, eigenlijk, vroeg ik me nog eens af toen ik voor de veertiende keer hijgend boven kwam. Het zweet stroomde over mijn rug en mijn oksels walmden alsof ik in geen jaren gedoucht had. De stroomstoten gaven hem wel steeds een opdoffer, maar daarna lag hij er net zo lamzakkerig bij als altijd. Moest ik nog een keer heen en weer de trap op en af rennen? Ineens zag ik mezelf met dat dilemma op televisie naast dr. Phil zitten. Hij keek me peinzend aan en stelde de meest retorische vraag aller tijden. How is that working for you?

Ik gaf mezelf een paar petsen in mijn gezicht. Nee, ik ben er de persoon niet naar om tegen beter weten in dingen te blijven doen die niet werken. Ik moest iets anders verzinnen om mijn echtgenoot voor de poorten van het hiernamaals – hellepoort of hemelpoort, het zou me een worst wezen – weg te slepen.

Voor reanimeren was het misschien hoe dan ook een beetje laat. En als je van het piepen van onze wekker niet wakker schrok, hielpen een paar stroomstoten er ook niet meer aan. Het was tijd voor grover geschut. Maar hoe, dat was de vraag. Gelukkig hoef je zelf niet alles te weten. Ik zou het grote orakel raadplegen. Ik pakte mijn iphone en had met een paar tellen een handig youtube-filmpje te pakken dat stap voor stap liet zien hoe je zelf thuis met een ritueel een dode tot leven kan wekken. Het filmpje werd ingeleid door een nogal nerdy jongeman met een vies baardje. Hij was gekleed in een slecht genaaid gewaad van oude lakens. Hij stond in een betonnen keldergewelf dat sfeervol was gemaakt met kerstverlichting, plastic schedels en posters van Marilyn Manson.

Ik liet me door de entourage niet afleiden en luisterde aandachtig naar de hijgerige fluisterstem van de baardmans. Hij begon met een opsomming van alles wat ik nodig had. Kaarsen om in een kring om het subject te zetten. Kaarsen had ik genoeg in huis. Ik zette het filmpje op pauze en rende heen en weer naar beneden. Ik was van ons tweeën degene van de kussentjes, de frutsels en de sfeerverlichting. Je moet het in huis toch een beetje gezellig maken. En dus hamsterde ik iedere uitverkoop stompkaarsen, in de hoop op veel romantische hoogtijdagen. Het waren er veel. Kaarsen, dan. Ik kocht ze wanneer ik ze maar tegen kwam en het aantal romantische hoogtijdagen snoepte maar mondjesmaat iets van de voorraad af.

Dat kwam nu goed van pas: ik zeulde de hele voorraad naar de slaapkamer.

Kaarsen op bed was niet handig. Ik had meer ruimte nodig. Mijn beertje was niet de lichtste maar met omrollen kreeg ik hem wel uit bed. Met een doffe klap viel hij op het laminaat.

‘Sorry,’ zei ik. ‘Het is voor de goede zaak.’

Hij lag er bepaald niet fris bij en met het beddengoed maakte ik hem een beetje schoon. De lakens draaide ik in elkaar en mikte de boel direct in de wasmachine.

Op de vloer van de slaapkamer was net genoeg plek. In een mooie cirkel kon ik de kaarsen niet zetten, maar het waren er wel genoeg om ze drie rijen dik om hem heen te plaatsen. Ik was zeker een half uur bezig om ze allemaal aan te doen – en de gasaansteker bij te vullen; zo’n ding is altijd leeg als je hem nodig hebt – maar toen zag het er prachtig uit.

Ik zette het youtube-filmpje weer aan. De baardmans hield een boekje omhoog. Een exemplaar van John Miltons Paradise Regained. Een dichtwerk. Mijn beertje verzamelde boeken zoals ik kaarsen en kussentjes verzamel. We hadden zoveel boeken in huis – stofnesten zijn het – dus ik twijfelde er niet aan of we zouden dit werk ook wel in huis hebben.

In de boekenkasten stond natuurlijk niets op alfabetische volgorde. Het was zijn domein, dus een chaos. En waar moest ik zoeken? In de kast met Engelse boeken? De kist antiquarische werken? De hoek met lievelingsboeken? De schap met dichtbundels? Ik verfoeide zijn intuïtief-thematische indeling. Als hij definitief het loodje zou leggen, zou ik alle boeken op kleur sorteren.

Ik haalde alle boeken één voor één uit de kast, en sorteerde ze stiekem meteen op kleur en grootte. Als ik dan toch bezig was, kon ik ze meteen even afstoffen en met een klamme doek afnemen.

Het is trouwens niet zo dat ik zelf niet van lezen houd, maar als ik ze uit heb, gaan ze meteen met het oud papier mee. Opgeruimd staat netjes. Sinds een paar jaar heb ik een e-reader.

Dan heb je zoveel boeken in huis, maar natuurlijk nooit precies het boek dat je nodig hebt. Uiteindelijk vond ik tussen de dichtbundels een boekje met de juiste titel. Het was door een ander geschreven, ene H.Marsman. Het moest maar voldoen.

Met het boekje onder de arm, startte ik het Youtube filmpje weer. De baardmans praatte verder.

‘Very important,’ benadrukte hij. ‘A silver sacrificial knife.’

We hebben een complete bestekcassette in huis, dus toen ik de woorden sacrificial knife voor de zekerheid in google translate typte was ik er nog van overtuigd dat we zoiets zeker zouden hebben. Een offermes. Hmmm. Van zilver. Uit de voorkamer pakte ik de brievenopener en ik zocht in de keuken de wildschaar. Beide waren in ieder geval van zilver en met een beetje goede wil kon je zeggen dat ze voor rituelen geschikt waren. Ze moesten maar voldoen.

Terwijl ik de wildschaar met wat soda en aluminiumfolie in een teiltje aan het leggen was, hoorde ik een hels gepiep van boven. Ik was beneden langer bezig geweest dan ik had gedacht en was helemaal de kaarsen vergeten. Ik rende naar boven en zag op de trap al de blauwe rook over het plafond lopen. In de slaapkamer zag ik vlammen likken aan het behang.

Ik herinnerde me de eindeloze discussie die we ooit in de Ikea hadden over het al dan niet aanschaffen van een brandblusapparaat. Het ding was rood en ik wilde hem niet in huis. Mijn beertje hield voet bij stuk: ze waren in de aanbieding en hij nam er één mee. Het apparaat moest ergens in huis zijn, maar waar dan toch? Ik had het idee dat ik hem vanochtend nog had zien staan. In het gootsteenkastje stond zo’n beetje de hele huisraad aan gekleurde flessen, maar geen brandblusser. Niet in de boekenkast, niet bij de kaarsen. Ik vond wel een plaid, waarmee ik wellicht wat vlammen kon uitslaan. Die nam ik mee. Maar die brandblusser… Ook niet in het kastje waar de navulbus voor de gasaansteker lag. Ik moest even gaan zitten en rustig nadenken. Dan zou ik er zo opkomen.

Ineens bedacht ik me dat ik mijn beertje beter wel uit de vlammen kon halen als ik hem nog tot leven wilde wekken. Ik rende naar boven en kroop over de vloer de slaapkamer in om niet met mijn hoofd in de rook te lopen. De halve slaapkamer stond inmiddels in lichterlaaie, maar mijn beertje lag er relatief ongeschonden bij. De kaarsen hadden alleen zijn rechter arm in de hens gezet. Ik gooide de plaid over hem heen en hoopte dat het gebrek aan zuurstof de vlammen zou doven.

Hij moest hier weg, realiseerde ik me. Gelukkig was onze laminaatvloer redelijk glad en daarom lukte het me om mijn beertje te verplaatsen. Ik duwde en schoof hem de overloop op. Ik keek onder de plaid. Zijn arm zag er lelijk uit. Hij leek te smeulen. Water, dacht ik. Ik moet hem onder de douche zetten.

Ik kreeg warempel wat handigheid in het gezeul met zijn logge, naakte lichaam. Ik zette m’n worsteltocht voort en trok hem de badkamer in. Ik zette de douche aan en duwde hem er half onder, zodat zijn arm in de waterstraal lag.

Nu moest ik nog iets met dat vuur, maar wat? Toch maar de brandweer bellen? Ik had zo geen zin in werkmensen over de vloer.

Ineens hoorde ik zware stappen de trap oprennen. Snel bond in mijn ochtendjas goed dicht en liep de gang op. De deur van de badkamer sloot ik zorgvuldig achter me. In de slaapkamer zag ik onze buurman met een brandblusser in de weer. Wat een hoop schuim komt er uit zo’n klein rood dingetje. In een mum van tijd waren alle vlammen gedoofd. Buurman – hij heet Henk of Frits of zoiets, ik kon het nooit onthouden – gooide de ramen open en hij hoestte en rochelde de rook uit zijn longen.

Ik stond daar een beetje bedremmeld in mijn ochtendjas, met mijn handen in de zakken gestoken. Links voelde ik de briefopener, rechts de dichtbundel en mijn iphone.

De buurman hoestte nog een paar keer en spuwde een fluim het open raam uit. Hij draaide zich om, keek de slaapkamer rond. De kaarsen, de haastig terzijde geschoven resten van het ontbijt, het van linnengoed ontdane bed. De vloer was besmeurd met – ik wilde eigenlijk niet weten wat precies.

De buurman wreef even door zijn snor en een besmuikt lachje verscheen op zijn gezicht.

‘Een beetje uit de hand gelopen romantiek?’ vroeg hij. ‘Dat is beter dan klussen aan een schrootjesplafond op de zondagochtend.’

‘Ja,’ zei ik en voor het eerst van mijn leven wist ik hoe het voelde om schaapachtig te grijnzen. Ik slikte. ‘Mijn beertje is in de badkamer. Hij…’ Wat moest ik zeggen?

‘Ik begrijp het,’ zei de buurman en hij gaf me een vette knipoog. ‘Hij is natuurlijk voor de gelegenheid gekleed. Wij houden ook wel van een beetje larp om ons seksleven schwung te geven.’ Hij kwam dicht bij me staan. ‘We moeten eens afspreken, met z’n vieren.’

Ik rook het verse zweet in zijn zondagse kluskleding. Niet onappetijtelijk, maar mijn hoofd stond helemaal niet naar een flirt met een klussende buurman, ‘Ja,’ zei ik en glimlachte kort. ‘Een avondje, om je te bedanken voor je heldendaad.’

‘Je mag me ook nu wel bedanken,’ zei hij hees en hij schurkte zijn dampende lichaam tegen mijn ochtendjas. Hij boog met zijn hoofd naar mijn oor en net toen ik dacht hij iets wilde fluisteren voelde ik zijn natte tong. Wat moest ik hier nou weer mee?

Ik greep hem stevig in het kruis, kneep hard en duwde hem van me af. ‘Voor alles,’ zei ik langzaam en duidelijk, ‘is een tijd en een plaats. Zoals je nu gekleed bent… Jij gaat nu eerst je schrootjesplafond afmaken.’

‘Jazeker,’ zei hij met kopstem. ‘Heerlijk.’

Ik keek hem met strenge blik na terwijl hij de trap afstrompelde. Hij had de brandblusser nog in zijn hand. Het was zo’n kleintje, van de Ikea, zoals wij ook hadden.

‘Waar had je die vandaan,’ riep ik hem na. ‘Die brandblusser.’

Hij grijnsde. ‘Die heb ik altijd paraat.’

Mijn blik sprak boekdelen en hij kromp ineen alsof ik hem opnieuw in het kruis had gegrepen.

‘De meterkast,’ mompelde hij. ‘Daar staat hij in ieder huishouden.’

Terwijl ik hem beneden de voordeur hoorde dichtslaan, nam ik poolshoogte in de badkamer. Mijn beertje lag er niet echt comfortabel bij, maar zijn arm stak nog steeds onder de koude stortdouche. Van de verbranding zou hij hopelijk niet al te veel last hebben.

Waar was ik gebleven? Het ritueel. Ik verzamelde de stompkaarsen die nog bruikbaar leken en ik zette ze in de wastafel. Dat leek me een redelijk veilige plek. Daar stak ik ze aan.

Ik had de dichtbundel en de briefopener bij de hand. Ik had geen zin om de wildschaar alsnog schoon te maken, het moest zo maar voldoen. Ik pakte mijn iphone erbij voor het vervolg van het filmpje.

De mystieke baardmans gebaarde dat de kijker dichterbij moest komen. De cameraman voelde zich gelukkig aangesproken en volgde hem op de voet. Het laatste en belangrijkste ingrediënt, was een jong geitje. Een geitje. Hoe moest ik in vredesnaam op zondagochtend aan een jong geitje komen?

Uit de linnenkast haalde ik een kussen met zebraprint. Ook een beest met vier poten. Dat moest volstaan.

Ik werd een beetje moe van dat filmpje. Ik heb het geduld niet om zoiets helemaal af te zien. Ik klikte nog even halverwege en ergens aan het eind. Ik wist wel hoe het moest. Ik declameerde de hele dichtbundel van voor naar achter en weer terug op 78-toeren-tempo en speelde een potje Julius-Ceasar-in-de-senaat met het zebrakussen. Tot slot blies ik de kaarsen uit en er gebeurde helemaal niets.

Ik had het inmiddels wel een beetje aan voelen komen, maar niettemin: wat een sof.

Ik ging naar beneden. Door alle consternatie had ik nog steeds geen koffie of ontbijt gehad. Ik moest eerst maar eens goed voor de inwendige mens zorgen. Terwijl de koffie weer doorliep en de Danerolles in de oven stonden, poetste ik alsnog de wildschaar en dacht diep na over mijn opties.

Het orakel zou me niet verder helpen. Vage vragen en halve richtingen gaven altijd teveel antwoorden. Ik zou mijn moeder kunnen bellen, maar die zou dan éérst een uur willen praten over al haar eigen problemen. En tegen de tijd dat ik had voorgerekend hoeveel sloffen sigaretten je moest kopen voor je de benzinekosten heen en weer van Tiel naar Duitsland eruit had, had mijn beertje al drie keer de wederopstandig meegemaakt.

Ik wist eigenlijk niet precies hoe dat werkte met rigor mortis en ontbinding en dat soort zaken – misschien had ik vaker naar CSI of Waking the dead moeten kijken – maar mijn gezond verstand zei me dat een beetje haast waarschijnlijk geboden was. Maar toch niet zoveel dat ik mezelf er om moest verwaarlozen.

 

Ik nam mijn mok koffie en een vers croissantje – zonder jam – en ik zat in de woonkamer tussen de stapels boeken. De verzameling leek me zo’n beetje het enige tastbare dat hij achter liet. Het stemde me treurig. Een leven lang werken. Een leven lang getrouwd zijn. Zijn hobby’s waren lezen en televisiekijken. Zijn hoofd zat vol met zinloze feitjes, waar hij iedere conversatie mee om zeep hielp. Wat liet hij achter? Niets eigenlijk. Een labiele wederhelft en een stapel boeken. En die boeken, een spiegel van zijn geest, had ik bij het afstoffen gesorteerd op grootte en op kleur. Het was nu een zinloze, dode verzameling. Er zat geen leven of karakter meer in. Ik voelde tranen over mijn wangen stromen. Hijgend en hikkend haalde ik adem.

Ik stond op en waarde door de kamer. Ik raakte alle boeken aan, in de hoop iets van zijn aanwezigheid te voelen. Hij mocht niet verloren gaan. In deze stapels lag toch zijn geest verscholen? Als het me zou lukken om te reconstrueren hoe de boeken stonden, zou hij ook weer tot leven kunnen komen. Dan zou hij er weer een beetje zijn. Ik verplaatste boek na boek en pijnigde mijn geheugen om me te herinneren hoe ze stonden. Op welke schap had iedere titel gestaan?

Regelmatig viel ik even stil tijdens het werk. Wat voor zin had het allemaal? Misschien kon ik beter hier wachten en niets doen, tot ik zelf van honger en dorst zou bezwijken. Het einde zou vanzelf komen.

Dan kreeg ik weer energie en mijn vechtlust laaide op. Nee! Ik kon het zo niet laten gebeuren. Hij had mij een belofte gedaan en daar zou ik hem aan houden. Hij mocht dan dood zijn, maar hij zou niet zomaar uit mijn leven verdwijnen. Dood of niet, er moest een mogelijkheid zijn om de situatie ten goede te keren.

Uiteindelijk hield ik een boekje in handen, waarvan ik werkelijk niet wist waar het gestaan had. Het was duidelijk ooit in de Ramsj gekocht. De kortingssticker zat er nog op. Vertwijfeld stond ik er mee in mijn handen en keek nog een keer naar de kaft. Langzaam drong de betekenis van de titel tot me door. Leven na dood. Met als ondertitel: De dodencultuur van het oude Egypte.

Dit was een teken. In de Egyptische dodencultuur lag natuurlijk de oplossing. Ik had op de e-reader een hele stapel detectives gelezen die in het oude Egypte speelden en vòòr mijn TLC-verslaving had ik een lange Discovery Channelperiode gehad. Ik wist alles over mummificeren wat een normaal mens kon weten.

 

Ik zag het helemaal voor me, hoe hij keurig uitgedroogd en omzwachteld naast me zou liggen in bed. Dood, in zeker opzicht, maar toch niet helemaal. Hij zou een stuk lichter zijn dan ik gewend was, dus kon ik hem voor de afwisseling ook op andere plekken in huis neerzetten. Eindelijk zouden we gezellig samen naar alle Sissi-films kijken – zonder dat hij er de hele tijd doorheen zou praten. Geen gesnurk meer. Geen ochtendhumeur. Samen op vakantie, dat zou nog wel een uitdaging worden, maar ik wist zeker dat ik daar iets op zou vinden.

Ik kon me het beste richten op de positieve kant van het hele gebeuren en die kant begon er steeds aanlokkelijker uit te zien. Het vooruitzicht voelde goed. Minder rommel in huis. Geen gekissebis over de films en series die we zouden kijken. Heerlijk.

Er moest nog wel wat gebeuren natuurlijk. Het eerste was het verwijderen van al zijn ingewanden. Zo zou die wildschaar toch nog van pas komen. En daarna moest ik hem uitdrogen. Wat zou ik daarvoor kunnen gebruiken. Ik twijfelde tussen soda en zout. Misschien hadden we nog wel ergens een zak kattenbakvulling. Hoe dan ook zou ik een terraswarmer kopen. En ik kon er gewoon een uitzoeken die er leuk uitzag, zonder discussie over dat we er eigenlijk een moesten nemen die meer functies had. Ik kon gewoon zelf beslissen. Het voelde onwennig. Samen, en toch voelde het vrij. Ik zou er het beste van maken. Ik ging ervoor. Ik zou er van leren genieten.

 

Ineens hoorde ik boven gestommel. Zou mijn halfslachtig uitgevoerde ritueel alsnog effect hebben gehad. Het viel niet uit te sluiten. Nieuwsgierig stoof ik naar boven.

Op de slaapkamer trof ik de buurman aan. Hij was klaarblijkelijk met behulp van een ladder door het openstaande raam geklommen. Hij droeg een roze, fluffy konijnenpak en hij deed nu zijn uiterste best om zichzelf met een paar zijden stropdassen op bed vast te binden.

‘Ik wilde je verrassen,’ riep hij uit.

‘Geweldig,’ zei ik en ik hielp hem een handje. Toen hij met al zijn extremiteiten goed lag vastgesnoerd stopte ik een van de fluffy konijnenoren in zijn mond en liep de kamer uit. Van hem had ik voorlopig geen last meer.

Ik had andere dingen te doen. Waar lag de kattenbakvulling, dat was de vraag. En zou ik beter soda of zout kunnen kopen om de klus te klaren? En die ingewanden, zou ik die beter in tupperware kunnen bewaren of moest ik weckflessen kopen? Misschien zou het orakel met zulke concrete vragen wel raad weten. Waar had ik mijn iphone gelaten?

 

Terwijl ik mijn koude koffie en croissants wegwerkte zocht ik met behulp van het orakel in mijn iphone een faq op voor bij een huis-tuin-en-keuken mummificatie. Ik meed de aangeprezen youtube filmpjes die het allemaal stap voor stap zouden laten zien. Ik zat mij net lekker in te lezen toen ik een bekende stem hoorde.

‘Wat doet de buurman in konijnenpak, vastgebonden op ons bed?’

Ik keek op en daar stond mijn beertje. Blijkbaar had het ritueel zijn geest toch teruggeroepen. Zijn stem klonk redelijk helder, maar ik vroeg me af of hij verder wel helemaal lekker was. Hij was naakt, nat en toch wel een beetje beschadigd. Zijn rechterarm zag er knapperig uit en de hand die er levenloos aan hing was waarschijnlijk well done. Zijn linkerhand hield hij op zijn borst. De pink zag een beetje geblakerd door de stroomstoten. Niettemin hield hij de dichtbundel en de briefopener vast. Zijn blik stond niet echt helder. Het was al met al een treurige verschijning.

‘Ik kan het allemaal uitleggen,’ zei ik snel.

Ik liep naar hem toe en gaf een kusje op zijn neus. Op zijn borstkast zag ik drukplekken en een soort van deuk van mijn pogingen om hem te reanimeren.

‘Ik ben zo blij dat je er weer bent.’ Zoals ik het zei klonk het oprecht, maar er was wel een spoor van twijfel in geslopen. Mijn beertje deed me denken aan een stuk fruit waar een deuk of een plekje op zit. Noem me een pietlut, maar ik hoef het dan niet.

‘Je hebt me teruggehaald,’ zei hij.

Zijn spraak vertraagde een beetje. Hij was er wel, maar hij zat niet helemaal lekker in zijn vel. Ik kon het niet aanzien. Ik moest hem helpen.

‘Kom maar,’ zei ik. ‘We zullen je eerst weer een beetje opknappen en dan werken we samen de buurman het raam uit.’

Ik nam hem de briefopener en de dichtbundel af en duwde hem voor me uit de trap op. Ik sprak hem stimulerend toe.

‘Gaat allemaal goed zo. Je kunt het. Ja, linkerbeen, rechterbeen. Stapje voor stapje.’

Op de overloop zakte hij neer, op één knie. Hij sloeg zijn armen om me heen en drukte zijn dikke lobbeskop tegen me aan.

‘Je liet me niet zomaar gaan,’ zei hij. ‘Wat houd ik toch verschrikkelijk veel van je.’

Dat kon wel zijn – en ik natuurlijk ook van hem – maar ik had net bedacht hoe het allemaal verder moest. En nu was hij er weer. Ik legde een hand op zijn schouders. Hij voelde nog steeds koud aan. Of was zijn rug altijd een beetje koud geweest? Koud vet, warm vet, ik wist niet meer waar het allemaal precies zat.

‘Dat is lief van je,’ zei ik en ik knielde naast hem neer.

De dichtbundel liet ik uit mijn handen vallen. De briefopener stak ik, net onder zijn borstbeen, een beetje schuin omhoog naar binnen. Ik ben niet zwaar, maar mijn hele gewicht zat er achter en de opener verdween moeiteloos zijn hartstreek in.

‘Fijn om nog even afscheid te nemen,’ mompelde hij. Zijn ogen keken me waterig aan en een laffe glimlach bleef rond zijn lippen hangen.

‘Ga nu maar, het is goed,’ fluisterde ik hem toe. ‘Ik kom wat later.’

Langzaam doofde het licht uit zijn ogen. Te laat bedacht ik dat ik hem nog had kunnen vragen waar hij de zak met kattenbakvulling gelaten had.